<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>14224400 UDA
_Buuuows

"  $91}D9]]03

| o[PIUOJON
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>      Samenvatting                                           4
                                                                 Inhoud
1.  Inleiding                                               10
1.1 De adviesaanvraag van de minister                       13
1.2 De samenstelling en werkwijze van de Commissie          14
1.3 Het advies                                              15
2.    Nederland als kolonisator                             17
2.1   De Europese expansie                                  18
2.2   De Nederlandse expansie                               19
2.3   Nederland als koloniale macht                         23
2.4   Modernisering                                         27
2.5   De dekolonisatie                                      28
2.6   Ten slotte                                            30
3.  De koloniale collecties                                 31
3.1 Koloniale collecties in Nederland                       31
3.2 De toonaangevende musea nader beschouwd                 32
3.3 Herkomstonderzoek door musea                            39
3.4 Wijze van verwerving                                    40
4.    Teruggaven in het verleden                            42
5.    Ontwikkelingen in andere Europese landen              48
5.1   Frankrijk                                             48
5.2   Duitsland                                             50
5.3   België                                                51
5.4   Groot-Brittannië                                      52
5.5   Overige landen                                        53
6.    Opvattingen in de herkomstlanden                      54
7.    Relevante elementen voor de omgang met koloniale
      collecties                                            57
7.1   Wijze van verkrijging van koloniale cultuurgoederen   57
7.2   Het culturele belang van een koloniaal cultuurgoed    58    2
7.3   Omstandigheden na teruggave                           60
7.4   Andere modaliteiten naast teruggave                   60
7.5   Cultuurgoederen niet in het bezit van het Rijk        61
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>8.    Het juridisch kader                                       62
8.1   Het recht in de koloniale gebieden                        62
                                                                     Inhoud
8.2   Het internationale recht                                  63
8.3   Soft Law                                                  65
8.4   Wettelijke belemmeringen voor teruggave                   67
9.    Advies aan de minister over de omgang met
      koloniale collecties                                      69
9.1   Het beleidskader                                          71
9.2   Aan wie wordt teruggegeven                                76
9.3   De beoordeling van verzoeken om teruggave                 78
9.4   De beoordelingsprocedure                                  82
9.5   Het herkomstonderzoek                                     84
9.6   Internationale samenwerking                               86
10.   Slotbeschouwing                                           88
      Eindnoten                                                 89
      Bronnen                                                  108
      Literatuur                                               114
      Bijlage                                                  120
      Kamerbrief                                               121
      Adviesaanvraag                                           123
      Overzicht gesprekspartners                               125
      Overzicht van Nederlandse ex-koloniën en handelsposten   127
      Enquêteresultaten                                        129
      Teruggaven in het verleden                               135
      Colofon                                                  138
                                                                      3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>         Samenvatting
Vanaf het begin van de zeventiende eeuw had Nederland handelsposten
en koloniën in Azië, Afrika en in Noord- en Zuid-Amerika. Ruim vier eeuwen
                                                                                  Samenvatting
lang waren Nederlanders op vele plaatsen op deze continenten aanwezig als
handelaren, kolonisten en bezetters. Een tijd die zich voor de oorspronkelijke
bevolking kenmerkte door uitbuiting, geweld, racisme en onderdrukking.
Een tijd ook waarin vele culturele, historische en religieuze objecten uit deze
gebieden naar Nederland kwamen en die tot op de dag van vandaag te zien
zijn in de Nederlandse musea. Daaronder bevinden zich ook cultuurgoederen
die indertijd tegen de wil van de eigenaren in Nederlandse handen kwamen,
bijvoorbeeld door diefstal of via militaire acties.
De Nederlandse koloniale collecties bestaan uit een divers palet aan
cultuurgoederen, waaronder kunstobjecten, religieuze objecten, historische
objecten, sieraden, natuurhistorische objecten en gebruiksvoorwerpen.
In totaal gaat het om honderdduizenden objecten. Naast musea die
omvangrijke en belangwekkende koloniale collecties beheren, zoals het
Nationaal Museum van Wereldculturen, Museum Bronbeek en het
Rijksmuseum, hebben ook vele kleinere musea koloniale collecties. Uit een
enquête van de Commissie en de Museumvereniging onder de Nederlandse
musea blijkt dat er nog veel onbekend is over de manier waarop koloniale
cultuurgoederen in Nederlands bezit zijn gekomen. Desondanks geeft een
aantal musea aan dat zij objecten beheren waarvan zij weten dat deze in
de koloniale tijd zonder instemming van de eigenaar zijn verworven.
Het teruggeven van koloniale cultuurgoederen door ex-koloniale
mogendheden is niet iets van de laatste tijd: de eerste voorbeelden van
teruggaven dateren al uit de koloniale tijd. Nederland heeft tot op heden
voornamelijk voorwerpen teruggegeven aan Indonesië. De redenen voor deze
teruggaven waren divers. In sommige gevallen werden objecten teruggegeven
als diplomatiek geschenk ter gelegenheid van bijvoorbeeld een staatsbezoek.
Soms lag aan teruggaven een overeenkomst tussen landen ten grondslag,
bijvoorbeeld de joint recommendations uit het midden van de jaren zeventig
tussen Nederland en Indonesië. Van een teruggavebeleid dat samen met de
herkomstlanden is ontwikkeld, is tot op de dag van vandaag echter
geen sprake.
De Europese landen die indertijd koloniën hadden, gaan verschillend om
met hun koloniale cultuurgoederen en met verzoeken om teruggave daarvan.
Er zijn landen met een terughoudende opstelling ten aanzien van teruggave­‐
verzoeken en landen die meer openstaan voor dergelijke verzoeken. Er zijn
                                                                                    4
landen waar de overheid zich afzijdig houdt in het debat en landen waar
de overheid juist duidelijk positie heeft gekozen. Sommige landen beperken
zich tot permanente bruikleen van objecten aan herkomstlanden en andere
landen gaan over tot daadwerkelijke eigendomsoverdracht van cultuur­‐
goederen. Deze verschillen reflecteren de verscheidenheid aan opvattingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>tussen landen, maar hebben ook te maken met verschillen in wetgeving
die teruggave al dan niet in de weg kan staan. Maar feit is dat in alle landen
de urgentie toeneemt om het vraagstuk aan te pakken. Niet alleen omdat
de herkomstlanden en vertegenwoordigers van diaspora’s steeds meer van zich
laten horen, maar ook en vooral omdat het in de landen die vroeger koloniën
hadden, steeds belangrijker wordt gevonden dat er verantwoordelijkheid wordt
genomen voor het koloniale verleden.
                                                                                  Samenvatting
De gesprekspartners van de Commissie uit voormalig gekoloniseerde landen
geven aan dat zij het belangrijk vinden in hun musea de koloniale geschiedenis
te kunnen vertellen, ook aan de hand van objecten die nu in Nederland zijn.
De gesprekspartners in Suriname en het Caribisch gebied zijn van mening dat
eerst de museale infrastructuur op orde moet worden gebracht, alvorens deze
landen objecten terug kunnen ontvangen. De gesprekspartners willen graag
een structurele museale samenwerking met Nederland op het gebied van
capaciteitsontwikkeling. De Indonesische gesprekspartners beklemtonen het
belang van gezamenlijk wetenschappelijk herkomstonderzoek.
De gesprekspartners geven aan dat teruggave van cultuurgoederen een zaak is
van staat tot staat, maar dat gemeenschappen tot wier cultuur deze goederen
behoren, daar zelf ook baat bij moeten hebben.
Bij de omgang met koloniale cultuurgoederen en met name bij verzoeken
tot teruggave, speelt een aantal aspecten een rol. In de eerste plaats is dat
de wijze waarop een koloniaal cultuurgoed in Nederlands bezit is gekomen.
Een verzoek om teruggave van een cultuurgoed dat indertijd is geroofd,
vraagt bijvoorbeeld om een andere afweging dan een verzoek om teruggave
van een cultuurgoed dat legitiem door schenking of aankoop is verkregen of
waarvan de herkomstgeschiedenis niet achterhaald kan worden. Ook het
belang van een cultuurgoed, zowel voor het herkomstland als voor Nederland,
is een aspect dat in ogenschouw genomen kan worden, evenals de bewaar­‐
omstandigheden en toegankelijkheid van het cultuurgoed na eventuele
teruggave, en het beschikbaar zijn van alternatieven voor teruggave.
Ten slotte is natuurlijk de vraag belangrijk wie de huidige eigenaar is:
de Rijksoverheid, een andere overheid of een particulier.
De omgang met verzoeken tot teruggave van cultuurgoederen is niet zozeer
een juridische als wel een ethische kwestie. Dit vanwege het verjaringsprincipe
in het Nederlandse recht en het feit dat de voor koloniale cultuurgoederen
relevante internationale verdragen geen terugwerkende kracht kennen.
Voor een ethische omgang met verzoeken om teruggave kunnen de normen
en principes van het internationale humanitaire recht en de ethische codes
van internationale maatschappelijke organisaties, een bruikbaar kompas zijn.
Daarin wordt een coulante omgang met verzoeken tot teruggave bepleit met
als uitgangspunt dat wat gestolen is, in principe teruggegeven moet worden.
Anders dan in een aantal andere Europese landen het geval is, verzet de
Nederlandse wet zich niet tegen teruggave door de Staat van koloniale               5
cultuurgoederen aan herkomstlanden.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>Aanbevelingen van de Commissie aan de minister van OCW
1.   De eerste stap in de ontwikkeling van een beleid over de omgang
     met koloniale collecties is naar oordeel van de Commissie de erkenning
     dat door het tegen hun wil in bezit nemen van cultuurgoederen,
     de oorspronkelijke bevolking van de koloniale gebieden onrecht
     is aangedaan.
                                                                                     Samenvatting
2.   De tweede stap is het uitspreken van de bereidheid om dit historisch
     onrecht, dat tot op de dag van vandaag nog als onrecht wordt ervaren,
     waar mogelijk te herstellen en deze bereidheid tot uitgangspunt te maken
     van het beleid over de omgang met koloniale collecties.
3.   De Commissie adviseert dat beleid vast te stellen na dit afgestemd
     te hebben met de landen waar Nederland langere tijd koloniaal gezag
     uitoefende, waaronder in ieder geval Indonesië, Suriname en de Caribische
     eilanden. Respecteer en bied ruimte voor de opvattingen van deze landen
     en maak per land waar nodig maatwerk mogelijk. Alleen een gezamenlijk
     gedragen beleid over de omgang met koloniale cultuurgoederen kan voor
     alle partijen tot bevredigende uitkomsten leiden. Waak, met andere
     woorden, voor een neokoloniale herhaling van het verleden waarin vooral
     eigen opvattingen, gevoelens, normen en waarden leidraad zijn voor
     het handelen.
4.   Als inzet voor deze gezamenlijke beleidsontwikkeling adviseert de
     Commissie om richting de landen waar Nederland koloniaal gezag
     uitoefende, de bereidheid uit te spreken tot een onvoorwaardelijke teruggave
     van alle cultuurgoederen waarvan met een redelijke mate van zekerheid
     kan worden aangetoond dat de herkomstlanden deze indertijd onvrijwillig
     zijn kwijtgeraakt en die vervolgens in bezit van de Nederlandse Staat zijn
     gekomen. Dit vanzelfsprekend voor zover het land van herkomst deze
     teruggave ook wenst.
5.   De bereidheid tot onvoorwaardelijke teruggave betekent dat het belang
     van het herstel van historisch onrecht bij een verzoek om teruggave
     niet wordt afgewogen tegen andere belangen, hoe relevant deze op zichzelf
     genomen ook kunnen zijn. Herstel van onrecht wordt naar oordeel van
     de Commissie niet pas gerealiseerd in het concrete geval van een teruggave,
     maar ook en vooral door in het beleid dit onrecht te erkennen en het
     herstel daarvan als principieel uitgangspunt te hanteren.
6.   De Commissie adviseert richting de herkomstlanden waar Nederland
     koloniaal gezag uitoefende, aan te geven dat Nederland ook bereid is om
     verzoeken tot teruggave in overweging te nemen van cultuurgoederen in
     rijksbezit waarvan de herkomstgeschiedenis niet kan worden vastgesteld of
     niet wijst op onvrijwillig bezitsverlies. Dit voor zover deze cultuurgoederen     6
     voor het land van herkomst een bijzonder cultureel, historisch of religieus
     belang vertegenwoordigen. Anders dan het geval is bij cultuurgoederen
     die onvrijwillig verloren zijn gegaan, dient volgens de Commissie bij een
     oordeel over dergelijke verzoeken het belang van teruggave voor het
     herkomstland naar redelijkheid en billijkheid afgewogen te worden tegen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>     andere relevante belangen. Voor deze verzoeken geldt immers niet
     het principiële argument van herstel van onrecht, maar het argument
     van honorering van een bijzonder belang van het herkomstland.
     Voorbeelden van daarbij af te wegen belangen zijn het belang van een
     cultuurgoed voor Nederland, de bewaaromstandigheden en
     toegankelijkheid na eventuele teruggave en het beschikbaar zijn van
     alternatieven voor teruggave.
                                                                                     Samenvatting
7.   De Commissie adviseert om ook verzoeken tot teruggave van
     cultuurgoederen in rijksbezit in overweging te nemen van landen die door
     andere mogendheden gekoloniseerd waren. Omdat bij dergelijke verzoeken
     een bredere afweging aan de orde kan zijn, adviseert de Commissie
     daarover steeds naar redelijkheid en billijkheid en op grond van een
     afweging van belangen te besluiten. Dit neemt niet weg dat als het verzoek
     een onvrijwillig verloren cultuurgoed betreft, ook hier naar oordeel van de
     Commissie de mogelijkheid van herstel van onrecht het uitgangspunt moet
     zijn. Dit omdat ongeacht of Nederland zelf mede-veroorzaker was van het
     onrecht in deze landen, het als huidige bezitter van het cultuurgoed als
     enige in staat is om dat onrecht te herstellen.
8.   Een besluit over een verzoek tot teruggave van een cultuurgoed door het
     land van herkomst dient, voor zover het cultuurgoed eigendom is van
     de Staat, genomen te worden door de minister van OCW. De Commissie
     adviseert dat de minister over deze verzoeken besluit op geleide van een
     openbaar advies van een daartoe in te stellen onafhankelijke Adviescommissie.
     Daarmee wordt bereikt dat de besluiten van de minister gebaseerd worden
     op een deskundigenoordeel dat los van het eigenaarsbelang tot stand
     is gekomen.
9.   De Commissie adviseert om een Expertisecentrum Herkomst Koloniale
     Cultuurgoederen op te richten met als taken de verificatie van de herkomst
     van cultuurgoederen bij teruggaveverzoeken, het voor zover nodig doen,
     of laten doen, van aanvullend herkomstonderzoek, het opzetten, beheren en
     algemeen toegankelijk maken van een database over de herkomst van
     koloniale cultuurgoederen in Nederlandse musea en de deskundigheids­‐
     bevordering van musea.
10. Een   noodzakelijke voorwaarde voor het uitvoeren van de door de
     Commissie geadviseerde beleidslijn, is kennis over wat er in de
     Nederlandse musea aan koloniale cultuurgoederen aanwezig is en over de
     wijze waarop deze cultuurgoederen indertijd zijn verworven. Voor de
     herkomstlanden is deze kennis onontbeerlijk om cultuurgoederen terug te
     kunnen vragen. De Commissie adviseert de minister de musea te wijzen
     op hun verantwoordelijkheid voor het doen van onderzoek naar de
     herkomstgeschiedenis van hun koloniale cultuurgoederen en hun kennis
     daarover toegankelijk te maken voor de herkomstlanden.                            7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>11. Uit gesprekken van de Commissie met vertegenwoordigers van de
   herkomstlanden, kwam steeds weer naar voren dat het hen niet alleen
   gaat om de eventuele teruggave van cultuurgoederen. Ondersteuning
   bij het opzetten van een museale infrastructuur met goede bewaar­‐
   omstandigheden, de opleiding van deskundige medewerkers,
   de mogelijkheid voor studenten om in Nederlandse musea stage te lopen,
                                                                                 Samenvatting
   het doen van gemeenschappelijk onderzoek en de uitwisseling van kennis,
   zijn onderwerpen die door de herkomstlanden steeds weer als belangrijk
   genoemd werden. Deze gesprekken brachten de Commissie tot het
   inzicht dat een adequate omgang met verzoeken tot teruggave niet een
   eindresultaat is, maar onderdeel moet zijn van een samenwerking tussen
   Nederland en de herkomstlanden waarin gezamenlijk wordt opgetrokken
   teneinde vanuit verschillende perspectieven het verhaal van de koloniale
   tijd te kunnen vertellen. De Commissie adviseert de ministers van OCW,
   Buitenlandse Zaken en Buitenlandse Handel en Ontwikkelings­‐
   samenwerking dan ook om de museale samenwerking tussen Nederland en
   de herkomstlanden tot onderwerp van het internationale cultuurbeleid
   te maken. Ook adviseert de Commissie de minister van OCW in het beleid
   met betrekking tot de BES-eilanden aandacht aan deze museale
   samenwerking te geven.
12. Ten slotte: ook andere Europese ex-koloniale mogendheden zijn op dit
   moment zoekende hoe zij moeten omgaan met hun koloniale cultuur­‐
   goederen. De Commissie adviseert daarom om, al dan niet in Unesco-
   verband, te investeren in de uitwisseling van kennis, ideeën en opvattingen
   tussen deze landen en om met gelijkgestemden naar mogelijkheden te
   zoeken voor meer internationale samenwerking en afstemming.
                                                                                   8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>Samenvatting 9</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>1.       Inleiding
Nederlandse musea bezitten een grote rijkdom aan cultuurschatten die
afkomstig zijn uit de koloniale tijd. Cultuurschatten die zeer verschillende
                                                                                 Inleiding
herkomstgeschiedenissen hebben, variërend van geschenken door de
plaatselijke bevolking aan koloniale bestuurders tot objecten die geroofd zijn
bij oorlogen en militaire expedities.
Befaamd is de diamant van Banjarmasin uit de collectie van het
Rijksmuseum. [1] De oorspronkelijk ruwe diamant van 70 karaat was het bezit
van de sultan van Banjarmasin. In 1859, nadat zijn opvolger was overleden
en er een opstand uitbrak tegen de Nederlanders en de nieuwe, impopulaire
door de Nederlanders uitgekozen sultan, besloot het gouvernement tot militair
ingrijpen. Het sultanaat in Banjarmasin werd opgeheven, het gebied kwam
rechtstreeks onder Nederlands gezag en de diamant werd naar Nederland
gezonden. Aan het eind van de negentiende eeuw werd al getwijfeld aan de
rechtmatigheid van het Nederlandse optreden in Banjarmasin en
tegenwoordig wordt de diamant vooral gezien als een voorbeeld van
oorlogsbuit. [2]
Een zilveren waterschep in de vorm van een kalebas, afkomstig uit Curaçao. [3]
De West-Indische Compagnie (WIC) liet dit exemplaar in de achttiende eeuw
maken door een lokale zilversmid. Het is een voorbeeld van een gecreoliseerd      10
object dat is voortgekomen uit een samenkomen van oorspronkelijke lokale,
Afrikaanse en Europese culturen en heeft geen eenduidig cultureel
eigenaarschap. Het object is ­– anders dan de traditionele waterscheppen –
van zilver en daarom zeldzaam. [4]
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>                                                                                 Inleiding
Deze banjo uit de collectie van Museum Volkenkunde is tussen 1772 en
1777 door John Gabriel Stedman verzameld in Suriname. Stedman was een
Schots-Nederlandse officier die in een Schots regiment van het Staatse
leger diende. In zijn vermaarde ‘Narrative of a Five Years’ Expedition against
the Revolted Negroes of Surinam’ beschreef hij de veldtochten tegen
Marrongemeenschappen en de wandaden die door plantagehouders werden
gepleegd jegens de tot slaaf gemaakte bevolking. Hoewel van de objecten
die Stedman verzamelde niet met zekerheid te zeggen valt dat zij allemaal
onvrijwillig zijn afgestaan, zijn zij ontegenzeggelijk verworven in
een koloniale context. [5]
Wapens golden in Nederlands-Indië als traditionele machtssymbolen.
Dit lansenrek uit de collectie van het Rijksmuseum werd in 1834 tijdens een
inspectiereis over Java en Madoera door ‘Indische Groten’ aan gouverneur-         11
generaal Jean Chrétien Baud gegeven. Tijdens deze reis ontving Baud
meerdere geschenken van lokale vorsten. [6] Deze objecten kunnen vrijwillig
zijn geschonken, maar kunnen ook getuigen van een afgedwongen loyaliteit
aan de Nederlandse overheid.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>                                                                                    Inleiding
Deze stenen Ganesha, een beeld van de geliefde hindoegod met een
olifantskop en zoon van god Shiva, die hindernissen voor succes uit de weg
kan ruimen, is afkomstig uit de oostelijke cella van Candi Singosari. Dit is de
enige tempel die in Singosari (Oost-Java) is overgebleven van het Singhasari
koninkrijk (1222 – 1292). [7] In 1803 ‘ontdekte’ Nicolaus Engelhard,
gouverneur van Java’s Noordoosthoek, deze overwoekerde tempel. Hij liet
drie beelden uit deze tempel, waaronder de Ganesha, in zijn tuin in Semarang
plaatsen. In 1819 werd de Ganesha verscheept naar het Koninklijk Instituut
voor Wetenschappen te Amsterdam. In 1841 werd het beeld deel van
de collecties van het Rijksmuseum van Oudheden waarna het in 1903 werd
overgebracht naar Museum Volkenkunde in Leiden.
Een diamant, een zilveren waterschep, een banjo, een lansenrek en een
Ganesha-beeld: vijf voorbeelden van eeuwenoude cultuurgoederen die de
culturele rijkdom en diversiteit in de voormalige koloniën illustreren. Elk met
hun eigen historische, culturele of religieuze achtergrond en alle vijf verkregen
in door Nederland gekoloniseerde gebieden, als gift, door roof of op een
andere manier toegeëigend, bijvoorbeeld meegenomen als
‘gevonden voorwerp’.
Maar ook vormen deze objecten een bezit dat steeds vaker een gevoel van
ongemak met zich meebrengt, een ongemak dat samenhangt met
veranderingen in de manier waarop men in Nederland naar het koloniale
verleden kijkt en die je ook kunt tegenkomen in discussies over bijvoorbeeld
Zwarte Piet, over de standbeelden van kolonisten op Nederlandse pleinen en
over de straten, tunnels en scholen die naar hen zijn vernoemd. Meer dan ooit        12
vindt vandaag de dag in de Nederlandse samenleving een heroriëntatie plaats
op het koloniale verleden en daarbij komen racisme, uitbuiting, geweld en
onderdrukking steeds nadrukkelijker in beeld als centrale kenmerken van die
tijd. Die heroriëntatie gaat niet zonder slag of stoot en niet zonder soms felle
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>controverses, haaks als deze kenmerken staan op een door velen gekoesterd
beeld van Nederland als een antiracistisch, tolerant en vredelievend land waar
de mensenrechten hoog in het vaandel staan. Een open blik op het koloniale
verleden van Nederland behoeft naar het oordeel van de Commissie echter
geenszins een bedreiging van de identiteit of een propaganda voor een
‘weg met ons’ mentaliteit in te houden. Integendeel, het ‘her-denken’ van de
Nederlandse geschiedenis kan de samenleving als geheel, met meer dan een
                                                                                     Inleiding
miljoen inwoners wier familiegeschiedenis in ieder geval deels koloniaal is,
juist sterker maken.
Bij deze meer kritische en open blik op het verleden past ook dat kritischer
dan voorheen gekeken wordt naar de koloniale cultuurgoederen in de museale
collecties, die men in de loop der tijd min of meer als ‘eigen bezit’ is gaan
beschouwen, naar de wijze waarop deze voorwerpen zijn verworven en naar
het belang dat deze voorwerpen voor de herkomstlanden kunnen hebben.
Musea doen dat ook in toenemende mate. Zo presenteerde het Nationaal
Museum van Wereldculturen in 2019 al een lijst van principes aan de hand
waarvan het museum verzoeken om teruggave van koloniale objecten
gaat beoordelen. [8] Daarnaast startte vorig jaar het pilotproject PPROCE,
uitgevoerd door het NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocide­‐
studies, het Rijksmuseum en het Nationaal Museum van Wereldculturen.
Dit project vergaart kennis over hoe onderzoek naar de herkomst van
koloniale objecten kan worden gedaan.
                                                                                     De adviesaanvraag van de minister
Ook in andere Europese landen komt de omgang met koloniale
cultuurvoorwerpen in rap tempo op de maatschappelijke en politieke agenda.
Zo kwam de Duitse Museumbond in 2018 met richtlijnen voor musea voor de
omgang met in de koloniale periode verzamelde objecten en sprak de Franse
president Emmanuel Macron over een versoepeling van de restitutie van
Afrikaans cultureel erfgoed in Frans bezit, gevolgd door het befaamde rapport
van Savoy en Sarr dat door zijn uitgesproken stellingnames in heel Europa
veel reuring veroorzaakte. [9] In Groot-Brittannië zoeken directeuren van de
nationale musea regelmatig de publiciteit met vaak wat terughoudender
standpunten en in België is het thema roofkunst met de heropening van het
AfricaMuseum in Tervuren een veelbesproken onderwerp geworden.
Maar hoezeer de discussie over de omgang met koloniale collecties in Europa
actueel is en hoe regelmatig ook door landen cultuurvoorwerpen worden
teruggegeven – zo gaf Nederland bijvoorbeeld nog in maart 2020 een aan de
Indonesische verzetsheld prins Diponegoro gelinkte kris terug – in de meeste
Europese landen is tot dusver geen sprake van een breed gedragen opvatting
over de omgang met koloniaal erfgoed of van een van overheidswege
vastgestelde beleidsvisie daarover.
1.1   De adviesaanvraag van de minister
De minister van OCW, Ingrid van Engelshoven, geeft in haar brief van                   13
10 april 2019 aan de Tweede Kamer te kennen voor eind 2020 een dergelijke
beleidsvisie voor Nederland te willen vaststellen. [10] Hoewel de musea de
beheerders zijn van het koloniale erfgoed en opvattingen hebben over hoe daar
mee om te gaan, zijn zij meestal niet de eigenaar van die collecties. In veruit de
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>meeste gevallen is dat de Staat. Maar ook andere overheden, universiteiten,
verenigingen en stichtingen bezitten koloniale objecten die door musea
worden beheerd. En daarnaast zijn er de vele privé verzamelingen waarin zich
koloniale objecten bevinden. In het geval dat de Staat de eigenaar is, beslist
de minister van OCW over hoe om te gaan met het koloniale erfgoed en
– meer specifiek – over het al dan niet teruggeven van objecten.
                                                                                       Inleiding
In bovengenoemde brief aan de Kamer formuleert de minister een tweetal
ambities. In de eerste plaats wil zij dat het koloniale erfgoed in de rijkscollectie
toegankelijk is en vanuit verschillend perspectief de daaraan verbonden
verhalen vertelt. Daarmee beoogt zij de zichtbaarheid te bevorderen van het
met de voormalige koloniale gebieden gedeelde verleden. Haar tweede ambitie
is het ontwikkelen van een nationaal beleidskader voor de omgang met
collecties met een koloniale context. Met dat laatste doelt de minister op het
ontwikkelen van een methodiek voor herkomstonderzoek en op het ontwerpen
van een zorgvuldige procedure voor de omgang met teruggaveverzoeken.
Daarbij wil zij prioriteit geven aan cultuurgoederen uit de voormalig
Nederlandse koloniën waarvan vermoed wordt dat het bezitsverlies
onvrijwillig was.
Voor de ontwikkeling van dat nationale beleidskader heeft de minister de
Raad voor Cultuur gevraagd een adviescommissie in te stellen om voor haar
een toekomstperspectief te schetsen over de omgang met het koloniaal
erfgoed, in het bijzonder over de internationale samenwerking op dit gebied en
                                                                                       De samenstelling en werkwijze van de Commissie
over de omgang met verzoeken tot teruggave. De minister heeft de raad
gevraagd om haar voor 1 oktober 2020 te adviseren. [11]
1.2   De samenstelling en werkwijze van de Commissie
De samenstelling van de Adviescommissie Nationaal Beleidskader
Koloniale Collecties (hierna: de Commissie) is breed en divers, zowel qua
expertise en discipline (jurist, antropoloog, historicus, conservator,
onderzoeker, kunsthandelaar, museumdirecteur) als wat betreft afkomst
(Surinaams, Indonesisch, Antilliaans, Indo-Europees, Nederlands, Brits en
Frans). Het voorzitterschap is in handen van Lilian Gonçalves-Ho Kang You.
Voorts maken Leo Balai, Brigitte Bloksma, Martine Gosselink, Henrietta
Lidchi, Valika Smeulders, Hasti Tarekat Dipowijoyo en Joris Visser deel
uit van de Commissie. Het secretariaat van de Commissie is gevoerd door
Sander Bersee en Emma Keizer.
De Commissie heeft voor dit advies literatuuronderzoek verricht en vele
gesprekken gevoerd met onder andere wetenschappers, juristen, museum­‐
directeuren en conservatoren. Ook zijn gesprekken gevoerd met beleidsmakers
in België, Frankrijk, Groot-Brittannië en Duitsland, landen waar de vraag
omtrent de omgang met koloniale collecties op dit moment indringend speelt.
Bovendien heeft de Commissie zich georiënteerd op de opvattingen die                       14
in Indonesië, Suriname en op de Caribische eilanden leven over de omgang
met het erfgoed dat afkomstig is van hun grondgebied. De Commissie vindt
de opvattingen in de herkomstlanden van groot belang: het beleid over de
omgang met koloniale collecties moet niet eenzijdig en uitsluitend berusten
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>op de opvattingen van een vroegere koloniale macht, maar evenzeer op de
opvattingen, wensen en verwachtingen van de betrokken herkomstlanden.
Ten slotte heeft de Commissie in samenwerking met de Nederlandse
Museumvereniging de bij deze vereniging aangesloten musea bevraagd op
de aanwezigheid van koloniale objecten in hun collecties.
1.3   Het advies
Dit advies gaat over cultuurgoederen en collecties die verkregen zijn in de      Inleiding
tijdsperiode tussen het begin van de zeventiende eeuw, toen vanuit Nederland
de eerste schepen richting Azië vertrokken en 1975, het jaar dat Suriname een
onafhankelijke republiek werd. [12] [13]
Archieven, anders dan die welke in de musea aanwezig zijn en die een licht
werpen op de daar aanwezige objecten, laat de Commissie in dit advies buiten
beschouwing. Bij archieven gaat het behalve om de stukken zelf, vooral ook
om de informatie die zij bevatten en (het recht op) de toegang daartoe.
De omgang met archieven vraagt daarom om een specifiek toegesneden
benadering die buiten het bestek van dit advies valt. Ook de menselijke resten
vormen een aparte categorie in de museale collecties. De in dit advies
opgenomen uitgangspunten en procedures met betrekking tot de omgang met
teruggaveverzoeken, zijn weliswaar ook toepasselijk op menselijke resten en
objecten die menselijke resten bevatten, maar de problematiek rond een
respectvolle omgang daarmee is breder. De specifieke ethische kanten van
deze problematiek vallen eveneens buiten het bestek van dit advies.
                                                                                 Het advies
Hoewel Nederland op vele plekken in de wereld als koloniale macht actief is
geweest, ligt het zwaartepunt van het advies op Indonesië, Suriname en de
Caribische eilanden, landen waar Nederland voor langere tijd formeel
koloniaal gezag uitoefende en waar van een aanzienlijk aantal Nederlanders
hun wortels ligt. Dat neemt niet weg dat het advies van de Commissie ook van
toepassing is op objecten uit andere gebieden waarover Nederland of andere
Europese landen koloniale macht uitoefenden.
Het advies is als volgt opgebouwd. Na deze inleiding volgt een schets van
de historische context: het koloniale verleden van Nederland en dat van
zijn voormalige koloniën. Daarna wordt in het derde hoofdstuk een impressie
gegeven van wat de Nederlandse musea aan koloniale collecties in beheer
hebben. Het vierde hoofdstuk gaat vervolgens in op de teruggave van cultuur­‐
voorwerpen in het verleden en op de afspraken die daarover zijn gemaakt
tussen Nederland en zijn voormalige koloniën. In het vijfde hoofdstuk
bespreekt de Commissie de opvattingen over de omgang met koloniaal
erfgoed in andere Europese landen en in hoofdstuk zes presenteert zij haar
bevindingen over de gesprekken die zij met belanghebbenden in de
herkomstlanden heeft gevoerd. Daarna schetst de Commissie in hoofdstuk
zeven de elementen die relevant zijn voor de omgang met koloniale collecties,     15
waarna ze in hoofdstuk acht het juridische kader daarvoor aangeeft.
Dit zijn alle beschrijvende hoofdstukken. Hoofdstuk negen bevat ten slotte het
daadwerkelijke advies: de aanbevelingen van de Commissie over de beoogde
beleidsdoelen, de procedure voor de beoordeling van verzoeken om teruggave,
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>het onderzoek naar de herkomstgeschiedenis van koloniale objecten en de
internationale samenwerking. Het advies besluit met een korte beschouwing
door de Commissie over haar opdracht.
Ten slotte dit. De Commissie had voor de beantwoording van de adviesvraag
van de minister minder dan een jaar de tijd. Door dit, in relatie tot de
complexiteit van het onderwerp korte tijdsbestek, heeft de Commissie zich
                                                                                Inleiding
beperkingen moeten opleggen. Zo kon bij de beschrijvingen van de koloniale
geschiedenis, het overzicht van de teruggaven tot nu toe en de inventarisatie
van de koloniale objecten in de Nederlandse musea, geen volledigheid worden
nagestreefd. Deze beschrijvingen dienen vooral om de beleidsaanbevelingen
van de Commissie in een relevante en begrijpelijke context te plaatsen.
Een tweede opmerking is dat de Commissie zich, voor het weergeven van in
de herkomstlanden levende opvattingen, ook graag had georiënteerd in de
herkomstlanden zelf om aldaar gesprekken te voeren met vertegenwoordigers
uit kringen van de overheid, musea, wetenschap en culturele gemeen­‐
schappen. Deze bezoeken konden echter vanwege de reisbeperkingen door
de coronacrisis geen doorgang vinden. Wel heeft de Commissie via internet
verkennende gesprekken gevoerd met een aantal vertegenwoordigers uit
deze landen.
Een derde en laatste opmerking is dat de Commissie bij de aanduiding van
omstandigheden, mensen en bevolkingsgroepen, keuzes heeft moeten maken.
                                                                                Het advies
Zo wordt bijvoorbeeld in het advies niet gesproken van slaven maar van
slaafgemaakten. De Commissie is zich er echter van bewust dat in de
samenleving verschillende opvattingen bestaan over de (on)geschiktheid
van bepaalde aanduidingen.
                                                                                 16
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>2.       Nederland als kolonisator
Vanaf het begin van de zeventiende eeuw had Nederland handelsposten
en koloniën in Azië, Afrika en in Noord- en Zuid-Amerika. Ruim vier
                                                                                Nederland als kolonisator
eeuwen lang waren Nederlanders op vele plaatsen op deze continenten
aanwezig als handelaren, kolonisten en bezetters. Een tijd die zich voor
de oorspronkelijke bevolking kenmerkte door uitbuiting, geweld, racisme
en onderdrukking. Een tijd ook waarin vele culturele, historische en
religieuze objecten uit deze gebieden naar Nederland kwamen en die tot
op de dag van vandaag te zien zijn in de Nederlandse musea. Daaronder
bevinden zich ook cultuurgoederen die indertijd tegen de wil van de
eigenaren in Nederlandse handen kwamen, bijvoorbeeld door diefstal of
via militaire acties.
De expansiedrang die Europese landen vanaf het laatste decennium van
de vijftiende eeuw aan de dag legden, hebben de wereldorde ingrijpend
veranderd. Veranderingen die nog steeds zichtbaar en hoorbaar zijn: in de
ongelijke verdeling van macht en welvaart in de wereld en in de Europese
talen die in Afrika, Azië, Australië en de Amerika’s gesproken worden.
Landen als Nederland, Frankrijk en Groot-Brittannië, werden mede door de
migratie vanuit hun (voormalige) koloniën multiculturele samenlevingen.
Meer dan een miljoen Nederlanders hebben een familiegeschiedenis die voor
een deel of geheel koloniaal is. En ook de vroegere koloniale gebieden
ondervinden tot aan vandaag de dag de gevolgen van de
koloniale geschiedenis.
Vanuit welke invalshoek de koloniale geschiedenis ook wordt bezien, geweld,
uitbuiting, onderdrukking en racisme zijn vast terugkerende elementen.
In gebieden als de Amerika’s, Australië en Nieuw-Zeeland werden volkeren en
culturen uitgeroeid. In andere gebieden werden opstandige gemeenschappen
onderworpen door middel van bloedige militaire acties en vanuit Azië en
Afrika werden miljoenen mensen tot slaaf gemaakt om in de regio of elders ter
wereld tewerkgesteld te worden.
De koloniale tijd bracht in vele opzichten ongelijkheid. Ook op het gebied
waar dit advies over gaat: de culturele expressie van gekoloniseerde
gemeenschappen en het bezit en de toegang tot hun cultureel erfgoed.
Zo werden in de Amerika’s na het onderwerpen van de oorspronkelijke
culturen, geheel nieuwe samenlevingen opgebouwd waarin bevolkingsgroepen
uit Afrika en later Azië werden beperkt in hun culturele en kunstzinnige
uitingen. [14] En vele cultuurgoederen van gemeenschappen die door Europese
mogendheden gekoloniseerd waren, zijn in Europese musea terechtgekomen.
Daaronder zijn objecten waarvan de eigenaren onvrijwillig afstand moesten           17
doen en objecten die, ongeacht de manier waarop ze zijn verkregen, in de
herkomstlanden worden gemist omdat zij belangrijk zijn voor hun identiteit
en voor het vertellen van het verhaal over hun geschiedenis.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>2.1   De Europese expansie
De geschiedenis van het Europese kolonialisme is complex: zij wordt
gekenmerkt door zowel verovering, racisme, exploitatie en geweld, als door
samenwerking met lokale machthebbers.
De Europese overzeese expansie begon in het laatste decennium van de
                                                                                 Nederland als kolonisator
vijftiende eeuw en was in eerste instantie een Spaanse en Portugese
aangelegenheid. Op zoek naar een nieuwe zeeweg van Europa naar Azië,
bereikte Columbus in 1492 Amerika. Nog geen vijf jaar later omzeilde
Vasco da Gama Afrika. Hij bereikte India in 1498. Hoewel het Verdrag van
Tordesillas in 1494 de buiten-Europese wereld nog in een Spaanse en
Portugese invloedssfeer verdeelde, hield de Iberische dominantie niet lang
stand. Eind zestiende eeuw begon de Republiek der Nederlanden Spanje
te bevechten en vervolgens werden de Portugezen in de zeventiende eeuw uit
delen van Azië verdreven. De Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC)
verkreeg binnen de Republiek een handelsmonopolie voor het gebied van
Zuid-Afrika tot en met Japan. Frankrijk bezette op zijn beurt delen van
Noord- en Zuid-Amerika, het Caribisch gebied en India. Maar uiteindelijk
kon noch de Republiek, noch Frankrijk standhouden tegen Engeland,
dat aan het einde van de zeventiende eeuw zijn koloniale opmars begon om
een wereldmacht te worden.
In vergelijking met de Amerika’s, Azië en het Caribisch gebied,
                                                                                   De Europese expansie
kwam Afrika relatief laat in beeld bij de imperialistische mogendheden.
Noord-Afrika behoorde lange tijd tot het Ottomaanse Rijk en in Oost-Afrika
waren nauwelijks Europeanen aanwezig. Het binnenland van Afrika was
bovendien niet toegankelijk voor Europeanen. Wel was er in Zuid-Afrika een
Nederlandse vestigingskolonie en bezaten de Europeanen op de
West-Afrikaanse kust forten en vestigingen die zij gebruikten voor de slaven­‐
handel. De Europeanen werden in Afrika echter voornamelijk geduld en
hadden er met uitzondering van de kolonie aan de Kaap, geen macht. [15]
Die kwam pas tegen het einde van de negentiende eeuw, toen verschillende
Europese mogendheden – waaronder de imperiale laatkomers België en
Duitsland – het Afrikaanse continent binnen een periode van twintig jaar
verdeelden en bezetten.
Nederland stichtte in de negentiende eeuw in grote delen van het huidige
Indonesië Nederlands-Indië, Groot-Brittannië had Brits-Indië in bezit (thans
India, Sri Lanka, Pakistan, Bangladesh en delen van Myanmar) en Frankrijk
had Indochina (nu Vietnam, Laos en Cambodja). Maar de Europeanen bleven
in Azië niet de enige imperialistische spelers: de Verenigde Staten nam de
Filippijnen over van Spanje, Japan veroverde Taiwan en Korea op China
en de Russische expansie strekte zich uit tot de Stille Oceaan.
De onderlinge spanningen die deze koloniale rivaliteit opleverde,                    18
konden steeds weer worden opgelost door onderhandelingen en diplomatie.
Wel was er onophoudelijk geweld en werden er oorlogen gevoerd tegen
de gekoloniseerde volkeren om hen onder koloniaal gezag te brengen en hun
verzet in te dammen. Miljoenen kwamen daarbij om het leven.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>Maar niet bij de gehele oorspronkelijke bevolking stuitte de komst van de
Europeanen op verzet. [16] In bijvoorbeeld Indonesië leunde het Europese
kolonialisme op de medewerking van de lokale elite, in het bijzonder van
de plaatselijke en traditionele machthebbers. [17] Het is illustratief dat
de bestuursambtenaar Eduard Douwes Dekker in 1856 niet het koloniale
systeem aanklaagde, maar de uitzuiging van de Javaanse bevolking door
de met Nederlanders samenwerkende Javaanse adel. [18]
                                                                                Nederland als kolonisator
2.2   De Nederlandse expansie
De kaapvaart in de zestiende eeuw en de daaropvolgende handelsexpedities
aan het einde van die eeuw, luidden de Nederlandse overzeese expansie in.
Van Deshima in Japan tot Essequibo in Zuid-Amerika: tussen de zestiende en
twintigste eeuw had Nederland voor kortere of langere tijd handelsposten en
koloniën in Afrika, Azië en in de Amerika’s. [19]
                                                                                  De Nederlandse expansie
      The Dutch Empire. Bron: Rex Germanus
De Verenigde Oost-Indische Compagnie
Het vizier van de eerste Nederlandse handelsmissies richtte zich op de
tropische gebieden in Azië, waar lucratieve handelswaren als specerijen,
porselein, zijde, satijn, goud en edelstenen verkregen konden worden.
Om onderlinge concurrentie te vermijden, verleenden de Staten-Generaal
de VOC in 1602 het alleenrecht om namens de Republiek handel te
drijven, vestigingen te stichten, verdragen te sluiten en oorlog te voeren in
het gebied ten oosten van Kaap de Goede Hoop. In 1610 werden de eerste
VOC-vestigingen gesticht in Pulicat en Sadras aan de Kust van Coromandel
in Zuidoost-India, gevolgd door andere militaire veroveringen, de bouw van
handelsposten en forten en het aanleggen van plantages. [20] Dit ging vaak
gepaard met geweld tegen de lokale bevolking. Jan Pieterszoon Coen
bijvoorbeeld, de vierde gouverneur-generaal van de VOC, verdreef en
vermoordde in 1619 de lokale bevolking rondom Batavia (nu Jakarta) om
er de hoofdvestiging van de Compagnie te stichten. [21] Hetzelfde lot trof de
bevolking van de Banda-eilanden, waar de VOC gewapenderhand een
handelsmonopolie in foelie en nootmuskaat vestigde. Op de lege eilanden             19
zette Coen plantages op waar kolonisten de dienst uitmaakten en de Molukse
bevolking als slaaf tewerk werd gesteld. Een controlesysteem met harde
‘strafexpedities’ moest ervoor zorgen dat de bevolking van de Molukken geen
nootmuskaat, foelie en kruidnagel aan de concurrentie verkocht.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>Ook op andere Indonesische eilanden werden handelsposten gesticht.
Sumatra was vooral aantrekkelijk vanwege de peper die er verbouwd werd en
om de handel daarin veilig te stellen, werd in 1641 ook Malakka (Maleisië)
door de VOC ingenomen. De westkust van Sumatra was voor de VOC
interessant om het daar aanwezige peper en goud en Borneo (Kalimantan)
werd belangrijk voor de handel in wederom peper, diamanten en goud.
Ceylon (Sri Lanka), het land van de kaneelteelt en handel in olifanten, werd
                                                                                 Nederland als kolonisator
in 1640 met hulp van de koning van Kandy veroverd na een twintigjarige
strijd tegen de Portugezen. [22] In 1765 werd het paleis en de stad Kandy na
opstanden geplunderd door Nederlandse troepen. Een deel van de buit,
waaronder het beroemde kanon van Kandy, ligt nu in het Rijksmuseum. [23]
Ceylon zou tot 1796 een Nederlandse kolonie blijven.
Als verversingsplaats voor VOC-schepen onderweg naar Azië en terug, werd
in 1652 de Kaapkolonie gesticht door Jan van Riebeeck (1619 – 1677). [24]
Hier vestigden zich al gauw relatief veel kolonisten, waardoor de kolonie
uitgroeide tot vestigingskolonie. Rond 1795, tegen het einde van de VOC-
periode, werkten er in de Kaap naar schatting 26.000 slaafgemaakten,
van zowel Aziatische als Afrikaanse afkomst, naast 15.000 Europeanen. [25]
De VOC werd, mede door zijn met militair geweld afgedwongen monopolie,
in die tijd de grootste handelsonderneming ter wereld, met op haar hoogte­‐
punt ongeveer 40.000 man in dienst, de slaafgemaakten niet meegerekend.
Zij verwierf, evenals particulieren die zich in de gebieden hadden gevestigd,
                                                                                   De Nederlandse expansie
vele belangwekkende objecten van de Indonesische bevolking: als geschenk,
door aankoop, maar ook door roof. Deze objecten belandden vanaf 1778
grotendeels bij het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen
te Batavia en een deel werd verscheept naar Nederland voor particulieren
en later voor de musea. [26] De eerste ambtenaar die Javaanse cultuurgoederen
naar Nederland verscheepte, was Caspar Georg Carl Reinwardt
(1773 – 1854). Hij richtte zich aanvankelijk op natuurhistorisch materiaal,
maar later ook op andere cultuurgoederen zoals tempelbeelden.
Het meenemen van dergelijke goederen achtte hij niet meer dan ‘billijk’ na de
lange relatie die Nederland met Java had. In totaal stuurde Reinwardt acht
schepen met cultuurgoederen van Batavia naar Nederland. Daarvan kwamen
er slechts vier veilig in Nederland aan – de rest van de schepen, inclusief de
kunstschatten die zij vervoerden, zijn onderweg vergaan. [27]
Aan het einde van de achttiende eeuw werd de VOC-handel in Azië
verliesgevend. Het Nederlands machtsverval, in combinatie met corruptie,
fraude en een onzorgvuldige boekhouding, leidde tot het faillissement
van de Compagnie in 1795, waarna de Bataafse Republiek haar resterende
bezittingen en schulden overnam. [28] Het lot van de gekoloniseerde
bevolkingen kwam daarmee in handen van de Nederlandse staat, en zo
ook de collecties van het Bataviaasch Genootschap.
                                                                                     20
De West-Indische Compagnie
In Nederland waren er verschillende organisaties die handel dreven in
het Atlantische gebied. Bundeling van de krachten van deze ondernemingen
leidde tot oprichting in 1621 van de West-Indische Compagnie (WIC),
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>met als doel de Spanjaarden en Portugezen in het Atlantische gebied te
bestrijden. [29] Daarbij waren de hoofddoelstellingen kaapvaart en de
kolonisatie van gebieden. Anders dan bij de VOC was er in het begin niet veel
animo onder beleggers om hier geld in te steken. Het duurde daarom een
aantal jaren voordat de WIC daadwerkelijk kon starten. In Noord-Amerika
had de organisatie een kort succes door de stichting van Nieuw-Nederland.
In 1628 veroverde Piet Hein (1577 – 1629) die in dienst was van de WIC de
                                                                                 Nederland als kolonisator
Spaanse zilvervloot in de Baai van Matanzas in Cuba. Twee jaar later
veroverde de Compagnie de provincie Pernambuco in Noordoost-Brazilië op
de Portugezen, van waaruit later, op bevel van Johan Maurits van Nassau-
Siegen, de Portugese forten St. George d’ Elmina (bekend als Elmina) aan de
Afrikaanse Goudkust en Fort Aardenburg in Luanda (Angola) werden
veroverd. Met deze veroveringen kon de aanvoer van slaafgemaakten naar
Nederlands-Brazilië worden gegarandeerd.
Suriname werd veruit de belangrijkste Nederlandse kolonie in het
Atlantische gebied. Het werd in 1667 op de Britten veroverd en bleef met
tussenpozen tot 1975 Nederlands bezit. Bij de verovering van het gebied werd
de oorspronkelijke bevolking bestaande uit Caraïben, Arowakken, Trio’s,
Wajana’s en Akoerio’s naar de regenwouden in de binnenlanden verdreven of
uitgemoord. Afrikaanse slaafgemaakten werden vervolgens gedwongen zware
arbeid te verrichten op de katoen-, suiker- en koffieplantages.
Op de Caribische eilanden verliep het vestigingsproces van de Nederlanders
                                                                                   De Nederlandse expansie
weinig vreedzamer. Curaçao werd in 1634 gekoloniseerd en de andere
eilanden – Aruba, Sint Maarten, Saba, Sint Eustatius en Bonaire – volgden
niet veel later. [30] Nadat een groot deel van de oorspronkelijke bevolking
een eeuw eerder tijdens de Spaanse overheersing was vermoord, werden de
overgeblevenen weggevaagd door een combinatie van moord en Europese
ziektes. Door de kolonisten werd een nieuwe samenleving gesticht
met de kolonisten en Afrikaanse slaafgemaakten als belangrijkste groepen.
Er ontstond er een Afro-Amerikaanse of Caribische ‘verzetscultuur’,
ver van het herkomstland van de slaafgemaakten. Daarnaast ontstonden
door het samenleven van verschillende culturele gemeenschappen
zogenoemde gecreoliseerde culturen. Talen als Papiamento en Sranan zijn
daar voorbeelden van, evenals de in de inleiding genoemde waterschep. [31]
De Caribische eilanden werden in tegenstelling tot Suriname nooit echte
plantagekoloniën. Zij waren daarvoor te droog, te klein en te bergachtig. [32]
Het belang van de eilanden voor de Republiek lag in hun rol in het
(smokkel)handelsverkeer tussen Europa en de ‘Nieuwe Wereld’, en tussen
de eilanden onderling en het Amerikaanse vasteland. [33] Curaçao werd
een depot voor de tijdelijke vestiging van slaafgemaakten, die door de WIC
werden verkocht aan de omliggende Spaanse gebieden. Toen na 1713 de
machtspositie van Nederland in de slavenhandel sterk verminderde, nam het
belang van Curaçao voor de Republiek af. Tussen 1721 en 1729 werd ook                21
Sint Eustatius gebruikt voor de distributie van slaafgemaakten van de WIC.
Mede door de concurrentie van met name de Engelsen, bleek het eiland
uiteindelijk echter niet rendabel voor de Compagnie. [34]
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>Bereikte het Nederlands-Atlantische rijk tegen het midden van de zeventiende
eeuw zijn grootste omvang, in 1654 werden de Nederlanders uit Nederlands-
Brazilië verjaagd door de Portugezen, en in de Tweede Engels-Nederlandse
Oorlog (1665 – 1667) verloor de WIC Nieuw-Nederland aan Engeland.
De Compagnie ging failliet in 1674 en ook de daarna opgerichte tweede WIC
wist de handel voor de Republiek niet rendabel te maken. De WIC werd
ontbonden en het bestuur van de koloniën in het Atlantische gebied kwam in
                                                                                Nederland als kolonisator
1795 in handen van de Bataafse regering. [35]
Slavernij
In de vestigingen en koloniën in zowel het westen als het oosten werden
slaafgemaakten tewerkgesteld om op een goedkope manier in arbeidskrachten
te voorzien. Tussen 1621 en 1866 zijn naar schatting 600.000 slaafgemaakte
Afrikanen onder erbarmelijke omstandigheden naar de Nederlandse
Atlantische gebieden gebracht. Een deel daarvan werd doorverkocht en een
ander deel werd in de Nederlandse koloniën tewerkgesteld. [36] In dezelfde
periode werden er tussen de 660.000 en 1.135.000 slaafgemaakten naar de
Nederlandse overzeese gebiedsdelen in Azië vervoerd, vanuit waar zij verder
werden verhandeld of waar ze in bezit van de Compagnie of van
privépersonen werden gehouden. [37]
De slavenhandel en de inzet van slaafgemaakten leverden vanaf het begin
weerstand op onder sommige Europeanen. Onder druk van de Engelsen werd
de slavenhandel in 1814 door Nederland afgeschaft; het bezit van slaaf­‐
                                                                                  De Nederlandse expansie
gemaakten bleef toen nog wel een algemeen aanvaard gebruik. [38] Nederland
was, mede door de afwezigheid van een sterke abolitionistische beweging zoals
in Groot-Brittannië, relatief laat met de afschaffing van de slavernij.
Terwijl andere koloniale mogendheden de slavernij vanaf de jaren twintig
van de negentiende eeuw afschaften, duurde het nog tot halverwege de
negentiende eeuw tot Nederland overging tot de afschaffing van slavernij in
haar overzeese gebiedsdelen. [39]
De slavernij had een grote invloed op de culturele ontwikkeling in de
koloniën, vooral op die in de West. Voor de meeste oude Aziatische gemeen­‐
schappen was de koloniale tijd een periode in een langere geschiedenis waarin
hun culturen niet verloren gingen. Maar voor de mensen die in slavernij
naar andere werelddelen werden gebracht, met name in de trans-Atlantische
context, was dat anders: zij bouwden een nieuwe cultuur op in een wereld
waar strenge beperkingen golden voor culturele uitingen. Ontheemding en het
verbieden van eigen talen en religies was een bewuste strategie om mensen
te knechten. [40]
                                                                                    22
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>2.3   Nederland als koloniale macht
Nadat de VOC in 1795 failliet ging, werden de koloniën bestuurd door
ambtenaren van de Centrale Secretarie en de Generale Rekenkamer. [41]
De koloniale tijd kenmerkte zich door zowel samenwerking met als door
schermutselingen tussen rivaliserende koloniale mogendheden, maar vooral
door militair optreden tegen en uitbuiting van de oorspronkelijke bevolking.
                                                                                   Nederland als kolonisator
Het Nederlandse gezag in de Indonesische archipel werd door oorlogen
en militaire expedities gevestigd. [42] Op Java probeerde gouverneur-generaal
Herman Willem Daendels (1762 – 1818) met harde hand de Javaanse
aristocratie vernieuwingen van het koloniale bestuur op te leggen. [43] In die
tijd begon Nicolaus Engelhard (1761 – 1831), de toenmalige gouverneur
van Java’s Noordoostkust, met het verzamelen van eeuwenoude Hindoe-
boeddhistische beelden. In 1803 nam hij drie beelden mee uit de tempel van
Singosari (Oost-Java), die eerst in zijn residentiële tuin in Semarang
belandden. Al sinds de achttiende eeuw namen Nederlandse kolonialen
beelden, brokstukken en andere onderdelen van ruïnes van eeuwenoude
tempels mee ter decoratie van hun woningen. Engelhard ging nog een stap
verder door de drie Singosaribeelden uit zijn residentiële tuin naar Nederland
te laten verschepen. In totaal bevinden zich nu zeven beelden afkomstig
van de tempel van Singosari in de collectie van Museum Volkenkunde. [44]
Na Daendels verving de Britse luitenant-gouverneur Thomas Stamford Raffles
(1781 – 1826) het systeem van verplichte leveranties door een systeem van
                                                                                     Nederland als koloniale macht
landrentes – een systeem dat zich voor de Indonesische bevolking eveneens
kenmerkte door uitbuiting. [45] Tijdens het Britse intermezzo (1811 – 1814)
volgden de Britten het voorbeeld van Engelhard en roofden ze cultuur­‐
goederen uit de archipel. Zo stuurde Raffles twee Boeddhahoofden afkomstig
van de Borobudur naar Engeland, die nu in de Gallery of Indian Religions in
het British Museum te zien zijn. [46] Maar de Britten besteedden ook aandacht
aan het behoud van het erfgoed in de archipel. Raffles liet bijvoorbeeld de
Borobudur in 1814 ontdoen van vegetatie om de tempel weer toegankelijk te
maken. [47] Door interesse te tonen in de Javaanse geschiedenis, gebruiken en
literatuur, wist Raffles bovendien samenwerkingen op te zetten met de
plaatselijke aristocratie op het gebied van erfgoed en archeologie. Met het
einde van het Britse intermezzo op Java en de ondertekening van het Verdrag
van Londen in 1814, werd in 1816 Nederlands-Indië een Nederlandse
kolonie. [48]
In de kolonie ging ook Nederland zich vervolgens actief bezighouden met
archeologisch beheer en het verzamelen van cultuurgoederen. Erfgoed werd
officieel onderdeel van het koloniale beleid. [49] Door het schoonmaken,
in kaart brengen en onderhouden van verschillende, vooral Javaanse
archeologische plaatsen, werd het erfgoed in Nederlands-Indië zichtbaar en
toegankelijk. [50] Nederland zag zichzelf als een moderne en verfijnde koloniale
macht; de bewaker van de eeuwenoude beschaving. Dat had tot gevolg dat de              23
Nederlandse kolonialen het erfgoed in de kolonie al gauw als ‘van hen’ gingen
beschouwen en door toenemende vraag vanuit Nederland werden steeds
meer cultuurgoederen ingenomen en verscheept voor studie en vermaak in
Europese landen. [51] De meeste objecten werden verzameld op Java, maar ook
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>andere eilanden verloren waardevolle cultuurgoederen. [52] Zo kwamen vele
Sumatraanse voorwerpen uit de vroege prehistorie in Batavia en Amsterdam
terecht. [53] Ook zendelingen en missionarissen die aan het begin van de
negentiende eeuw naar Nederlands-Indië kwamen om, mede ter
ondersteuning van het koloniale gezag, de oorspronkelijke bevolking in
aanraking te brengen met het christendom, verzamelden objecten die later
in Nederland terechtkwamen. [54]
                                                                                   Nederland als kolonisator
Vanaf 1858 werd het Bataviaasch Genootschap, dat in 1778 was opgericht
mede om te voorkomen dat Nederlandse bestuursambtenaren erfgoed
meenamen naar hun ambtswoningen of naar Nederland stuurden, officieel
verantwoordelijk voor het verzamelen en onderhouden van het erfgoed in
Nederlands-Indië. Daarop golden als uitzondering de cultuurgoederen waar
de oorspronkelijke bevolking zelf goed voor zorgde. Erfgoed dat niet door
de lokale bevolking verzorgd werd, werd geschaard onder nationaal bezit. [55]
Nederland beschouwde daarnaast niet-islamitisch erfgoed in de archipel over
het algemeen als erfgoed dat geen belang meer had voor de oorspronkelijke
bevolking; het overbrengen van dergelijk erfgoed naar Batavia of Nederland
werd verondersteld niet bezwaarlijk te zijn. [56] Islamitisch erfgoed, en vooral
moskeeën en heilige graven, werd over het algemeen door de Nederlanders
gerespecteerd, iets waarop het verloren gaan van de moskee in Banda (Aceh)
tijdens de Atjehoorlog een uitzondering vormde. [57] Dat niet-islamitisch
erfgoed echter ook van belang was voor de lokale bevolking, blijkt bijvoorbeeld
uit teksten van de Nederlandse militaire topograaf F.C. Wilsen, waarin valt
                                                                                     Nederland als koloniale macht
te lezen dat de Borobudur ook door lokale moslims werd gebruikt als plaats
voor offers en festiviteiten. [58] En de Britse overste Alexander Adams
(1772 – 1834) schreef dat de verzameldrift van Engelhard bij de tempel van
Singosari de lokale bevolking ertoe dreef om in het geheim cultuurgoederen
van de tempel te verstoppen in de jungle, zodat deze niet door de
Nederlanders konden worden geroofd. [59]
De spanningen in de archipel liepen met het vorderen van de negentiende
eeuw hoog op. Van 1825 tot 1830 werd de Java-oorlog uitgevochten, die aan
200.000 Javanen en 15.000 Nederlanders en Indonesische hulptroepen het
leven kostte. [60] Na de gevangenneming van de leider van de opstand,
prins Diponegoro (1785 – 1855), wiens uitrusting in september 1829 tijdens
een gevecht bij de rivier Progo in handen van de Nederlanders gekomen was,
moest gouverneur-generaal Johannes van de Bosch (1780 – 1844) de rust
op Java terugbrengen. [61] Hij introduceerde in 1830 onder het motto
‘de koloniën bestaan voor het moederland en het moederland niet voor
de koloniën’ het Cultuurstelsel, een stelsel waarbinnen de boerenbevolking
een deel van de opbrengst van hun gronden moest afstaan. [62] Waar het
Cultuurstelsel de Nederlands-Indische regering economische voordelen
bracht, bleef de Indonesische bevolking kampen met armoede en hongers­‐
noden. Het Cultuurstelsel kwam daardoor langzaam maar zeker onder druk
te staan en werd in 1870, na tien jaar van Kamerdebatten over de koloniale             24
politiek, afgeschaft. [63]
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>Er waren meer oorlogen, waarbij ook vaak kunstschatten werden buitgemaakt.
Van 1846 tot 1849 vond een reeks militaire acties plaats op Bali, waarbij de
Balinezen met geweld gedwongen werden zich aan het Nederlandse gezag te
onderwerpen. [64] Paleizen van Balinese heersers werden leeggeroofd,
en heersers die zich wel aan het gezag van de Nederlanders onderwierpen,
gaven de Nederlandse koloniale ambtenaren cadeaus, vaak van grote culturele
waarde. Deze geschenken waren vaak plichtplegingen of tekenen
                                                                                 Nederland als kolonisator
van onderwerping. [65]
Tussen 1850 en 1854 werd slag geleverd tegen Chinese goudzoekers en
handelaren in het westen van Borneo (Kalimantan), de zogenaamde
Kongsioorlogen. [66] En de vestiging van het Nederlandse gezag over Noord-
Sumatra leidde uiteindelijk tot de Atjehoorlog (1873 -1914). Deze oorlog
kostte meer dan 100.000 Acehers het leven. [67] Op Lombok werden in 1894,
tijdens een Nederlandse actie onder leiding van gouverneur-generaal Carel
Herman Aart van der Wijk, meer dan duizend gouden en zilveren objecten uit
het paleis van de lokale heerser geroofd. [68]
De lijst van Nederlandse militaire acties tegen de Indonesische bevolking is
nog veel langer. De koloniale tijd in Nederlands-Indië werd gekenmerkt door
verzet van de oorspronkelijke bevolking dat steeds weer leidde tot militair
ingrijpen door het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL).
Door al deze militaire inspanningen en in het bijzonder door de Java-oorlog,
                                                                                   Nederland als koloniale macht
waren er, mede door een gebrek aan Europese vrijwilligers, te weinig militaire
krachten om het Nederlands gezag in de archipel te kunnen handhaven.
Nederland poogde dit tekort vanaf 1830 aan te vullen door Afrikanen te
ronselen aan de Goudkust. Het resulteerde in een verkapte vorm van
slavenhandel, die na Britse protesten in 1842 werd stopgezet, maar na 1855,
zij het op kleinere schaal, werd hervat door de werving van vrije mannen.
Het bracht Afrikaanse militairen naar Indië, die de geschiedenis ingingen als
Belanda hitam (zwarte Hollanders). [69] De macht van de Nederlanders aan
de Goudkust was echter tanende. De Afrikaanse bezittingen waren al langer
niet meer rendabel voor Nederland en de Europese aanwezigheid stuitte
op steeds meer weerstand van verschillende West-Afrikaanse volken.
In 1869 werd een opstand van verschillende volkeren nog neergeslagen door
een Nederlandse troepenmacht. Dergelijke pogingen van Nederland om
de orde te herstellen, kostten honderden Afrikanen het leven. Met het Tweede
Sumatratraktaat van 2 november 1871 werden de Nederlandse bezittingen in
West-Afrika aan Groot-Brittannië afgestaan. In ruil daarvoor kreeg Nederland
de vrije hand in Aceh en toestemming om Brits-Indiërs als contractarbeiders
te werven voor Suriname. [70]
Tegen het einde van de negentiende eeuw bleek dat de bestuurs-
ambtenaren niet in staat waren om de economie in Nederlands-Indië verder
te ontwikkelen. [71] De Indonesische bevolking verarmde steeds verder.               25
Om arbeidstekorten aan te vullen, werden Aziatische importkrachten als
loonslaven tewerkgesteld op de plantages om producten te verbouwen voor
de Nederlanders. In 1900 werkten bijna 90.000 van deze ‘koelies’ onder
erbarmelijke omstandigheden voor de Nederlanders. [72] Het waren deze
dwangarbeiders die voor wetenschapper Eugène Dubois (1858 – 1940) de
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>Javamens opgroeven, nu één van de topstukken van Naturalis in Leiden. [73]
Het zou nog tot de twintigste eeuw duren voordat de situatie voor deze
dwangarbeiders verbeterde. [74]
De West-Indische koloniën
De Nederlandse koloniën in de West werden in 1816 door commissaris-
generaal Johannes van den Bosch in drie gouvernementen verdeeld:
                                                                                   Nederland als kolonisator
het gouvernement Suriname, het gouvernement Curaçao, Aruba en Bonaire
en het gouvernement Sint Eustatius, Sint Maarten en Saba. Pogingen om
de economieën in de West meer winstgevend te maken voor Nederland,
werden bemoeilijkt door de politieke onrust die ontstond met de beëindiging
van het Spaanse en Portugese koloniale bestuur in het Atlantische gebied. [75]
In 1827 werd Curaçao tot vrijhaven verklaard in een poging het eiland tot een
stapelmarkt in het Caribisch gebied te maken. Maar de ligging van het eiland
bleek daarvoor te afgelegen. In Suriname werd voor Nederland na de
afschaffing van de slavernij het behalen van economisch gewin bemoeilijkt
door een tekort aan arbeidskrachten en een tekort aan kolonisten. [76]
In 1865 gaf minister van Koloniën Isaäc Dignus Fransen van de Putte
(1822 – 1902) het koloniale bestuur in de West opnieuw vorm. [77]
Het door de afschaffing van de slavernij ontstane tekort aan arbeidskrachten
in Suriname werd aangepakt, allereerst door een proef met contractarbeiders
uit China en Madeira, maar later definitief door de gedwongen migratie
van contractarbeiders vanuit Brits-Indië naar Suriname. Ruim 34.000 Brits-
                                                                                     Nederland als koloniale macht
Indische contractarbeiders vestigden zich uiteindelijk definitief in de kolonie,
aangevuld met zo’n 33.000 Javaanse contractarbeiders. [78] Maar Suriname
bleef, ondanks zijn natuurlijke rijkdommen, een weinig welvarend land. [79]
De bevolking, die verdeeld raakte door interne spanningen, bleef arm.
Met de komst van nieuwe arbeidskrachten ontstonden er naast de cultuur van
de Marrons levendige Hindoestaanse en Javaanse culturen. [80]
Op de voormalige Antillen was zoutwinning voor de koloniale regering
lucratief. [81] Door de natuurlijke omstandigheden en de kleine omvang van
de bevolking, waren daar weinig andere economische mogelijkheden. Ook in
deze landen was de bevolking divers qua etniciteit en cultuur. De diversiteit
nam toe door Latijns-Amerikaanse cultuurinvloeden, waarbij de elite bleef
vasthouden aan Europese cultuuridealen. [82]
Vanaf de late negentiende eeuw ontstond een Europese belangstelling voor het
verzamelen van objecten uit de West. In Suriname betrof het met name een
volkenkundige belangstelling voor objecten van de oorspronkelijke culturen en
de Marronculturen om een veronderstelde hiërarchie in culturen mee aan
te kunnen tonen. Op Curaçao begon het verzamelen halverwege de twintigste
eeuw met een focus op de Nederlandse koloniale levensstijl, waaronder
foto’s en objecten die de vanuit Nederland gebrachte modernisering van de
eilanden toonden en die daarmee ook een Europese blik boden op de                      26
Afro-Curaçaoënaar. [83] Ook werden er voorwerpen uit archeologische
opgravingen verzameld.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>2.4   Modernisering
De twintigste eeuw bracht meer welvaart in Nederlands-Indië, waar overigens
niet iedereen van profiteerde. De landbouwvoorlichtingsdienst werd
opgericht en er kwam welvaartzorg voor de bevolking. Tussen 1910 en 1940
verdubbelde de rijstbouw, wat een einde maakte aan de hongersnoden.
Maar de Indonesische arbeidskrachten werden met de opkomende
                                                                                Nederland als kolonisator
industrialisatie onverminderd uitgebuit. Er ontstond een bloeiende batik- en
weefnijverheid op Java en er kwamen zeep-, papier- en sigarettenfabrieken,
maar daar profiteerden doorgaans vooral de Europeanen van. [84]
Ook elektriciteit, moderne communicatiemiddelen, massamedia en auto’s
deden hun intrede, eveneens vrijwel alleen toegankelijk voor Europeanen.
De Europese bevolking groeide snel en er kwamen ook op grote schaal
Europese vrouwen naar de kolonie. [85] Hun komst veranderde de verhouding
tussen Europeanen, Indo-Europeanen en Indonesiërs en vergrootte de kloof
tussen Europeanen en de oorspronkelijke bevolking. Uit Europa afkomstige
mannen gingen minder snel relaties aan met Indonesische vrouwen.
Begin twintigste eeuw was de tijd van de zogenaamde Ethische Politiek.
Deze was ontstaan vanuit het idee dat Nederland een ‘ereschuld’ of zelfs
‘zedelijke verplichting’ had om de Indonesische bevolking welvaart te brengen
en ‘op te voeden’. [86] Alexander Idenburg (1861 – 1935), de protestantse
minister van Koloniën, stelde in 1902 dat oorlog in de koloniën in bepaalde
gevallen ‘de hoogste eis van naastenliefde’ was: om de oorspronkelijke
bevolking te kunnen verheffen, moest zij eerst worden onderworpen. [87]
                                                                                  Modernisering
Belangrijk onderdeel van de Ethische Politiek was de scholing van de
oorspronkelijke bevolking. [88]
Vanaf de twintigste eeuw ontstond onder de Indonesische elite en onder de
nieuwe hoger opgeleiden een gevoel van nationalisme. [89] En hoewel er,
vooral op lokaal niveau en vooral op Java, meer inspraakmogelijkheden in
het koloniale bestuur kwamen, leidde de Nederlandse onwil om de macht te
delen tot verbittering bij de nationalisten. Stakingen en boycotacties tegen
het Nederlandse gezag werden door hardhandig optreden van de koloniale
regering neergeslagen. [90] In 1927 richtte de Indonesische nationalist
Soekarno (1901 – 1970) zijn Partai Nasional Indonesia op, met als doel de
Indonesische bevolking bewust te maken van de onderdrukking en uitbuiting.
De onrust in Nederlands-Indië nam toe, waarop de Nederlandse regering
besloot de partij in 1929 te ontbinden en Soekarno en andere leiders
te arresteren.
Ondertussen probeerde Nederland ook aan de andere kant van de wereld,
in de Atlantische koloniën, de economie te revitaliseren. In Suriname hadden
deze pogingen geen succes. [91] Maar op Curaçao, Aruba en Bonaire vestigden
zich olieraffinaderijen, wat resulteerde in een toenemende welvaart voor de
Europese bevolking en modernisering van de eilanden. Tegelijkertijd                 27
ontstonden er spanningen door de uit vele landen afkomstige migranten,
die zich daar permanent vestigden.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>De Tweede Wereldoorlog
Met de Tweede Wereldoorlog veranderde er veel in de koloniën.
Deze veranderingen zagen er in de Oost heel anders uit dan in de West.
Nederlands-Indië viel, na de verloren Slag in de Javazee en de daaropvolgende
val van Java, in maart 1942 in Japanse handen. De Japanse opmars maakte een
diepe indruk op de Indonesische bevolking en schaadde het prestige van het
koloniale gezag. [92] Geallieerde militairen, met uitzondering van vele
                                                                                Nederland als kolonisator
Indonesische KNIL-militairen, werden in krijgsgevangenschap gevoerd, een
deel van de Europese bevolking in de archipel werd geïnterneerd in Japanse
kampen en miljoenen Indonesiërs werden geronseld als dwangarbeiders
of (hulp)soldaten om de Japanse oorlogsinspanningen te ondersteunen. [93]
Tijdens de Japanse bezetting kreeg het Indonesisch nationalisme, mede door
de militarisering van de Indonesische bevolking, een belangrijke impuls. [94]
De Tweede Wereldoorlog in de Pacific kwam op 15 augustus 1945, na het
capituleren van Japan, ten einde.
In de West leidde de oorlog tot een stijgende welvaart. Het bauxiet uit
Suriname en de brandstof uit de olieraffinaderijen van Aruba en Curaçao
waren van groot belang voor de geallieerde oorlogsvoering en daarin werd op
grote schaal geïnvesteerd. De West droeg zowel op materieel als op financieel
en militair gebied, direct en indirect, bij aan de bevrijding van Nederland.
De aanwezigheid van Amerikaanse militairen in het land tijdens de Tweede
Wereldoorlog zorgde daarbij voor een Amerikanisering van de Surinaamse
cultuur. [95] Er was sprake van een versnelde politieke en staatkundige
                                                                                  De dekolonisatie
emancipatie. In Suriname werden verschillende politieke partijen opgericht,
net als op de Antillen. [96] Deze partijen streefden naar meer
zelfstandigheid. [97]
2.5   De dekolonisatie
De Europese dekolonisatie wordt gekenmerkt door zowel vreedzame
machtsoverdrachten als bloedige oorlogen en laat zich grofweg indelen in
een viertal perioden. De eerste periode vond plaats van het einde van de
achttiende tot het begin van de negentiende eeuw, toen de Verenigde Staten
zich vrijvochten van Groot-Brittannië en Spaanse en Portugese rijken in
Zuid- en Midden-Amerika ontbonden werden. De tweede periode was de
betrekkelijk geruisloze dekolonisatiegolf vanaf het midden van de negentiende
eeuw, waarbij Canada, Australië en Nieuw-Zeeland zich ‘vrijmaakten’,
eerst als dominions en vanaf de twintigste eeuw als zelfstandige staten.
Het dekolonisatieproces van Zuid-Afrika vormde door het gebruikte geweld
daar een uitzondering op. De derde dekolonisatiegolf was die in Azië tussen
1946 en 1949, en de vierde en laatste golf was de dekolonisatie in Afrika.
De laatste golf liep van grofweg 1960 tot de vrijmaking van Zimbabwe
in 1980.
In de Indonesische archipel werd twee dagen na de Japanse capitulatie,              28
op 17 augustus 1945, door de nationalisten Soekarno en Mohammad Hatta
(1902 – 1980) de onafhankelijkheid uitgeroepen. Deze onafhankelijkheids­‐
verklaring markeerde het begin van opnieuw een bloedige oorlog, waarin
Nederland met gebruik van geweld en diplomatie probeerde opnieuw
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>zijn gezag in de archipel te vestigen, wat de Indonesiërs zowel met militaire
als diplomatieke middelen wisten te voorkomen. [98] Terwijl de Indonesiërs de
terugkomst van de Nederlanders zagen als een poging tot rekolonisatie,
wordt in Nederland de periode tussen 1945 en 1949 nog altijd officieel gezien
als een periode van dekolonisatie. [99] Op 27 december 1949 kwam met de
soevereiniteitsoverdracht voor Nederland een officieel einde aan het koloniale
bewind in de archipel, met uitzondering van Nederlands Nieuw-Guinea.
                                                                                 Nederland als kolonisator
Nederland bleef tot 1962 krampachtig vasthouden aan dit laatste bezit,
tot het uiteindelijk zwichtte onder druk van de Verenigde Naties en de
Verenigde Staten. [100]
Het koloniale verleden in de archipel had een lange nasleep. KNIL-militairen
die het Indonesische staatburgerschap niet wilden aannemen, riepen op
25 april 1950 de Republik Maluku Selatan (RMS, de Republiek der
Zuid-Molukken) uit. Hun Republiek werd snel daarop ingenomen door het
Indonesische leger, waarna in het jaar 1951 bijna 4.000 oud-KNIL-militairen
met hun gezinnen naar Nederland kwamen. Zij zouden terugkeren wanneer
de RMS als onafhankelijke staat zou worden gevestigd, maar dit zou nooit
gebeuren. Daarnaast ‘repatrieerden’ in de periode 1945 – 1968 ruim
300.000 Indische Nederlanders naar Nederland, die mede doordat ze geen
Indonesisch staatsburger waren geworden, in een gevaarlijke en vijandige sfeer
leefden. Tussen 1957 en 1964 kwamen tot slot nog eens 25.000 zogenoemde
‘spijtoptanten’ naar Nederland, die ondanks hun Indonesische staats­‐
burgerschap gediscrimineerd werden en onveilig waren in Indonesië.
                                                                                   De dekolonisatie
Door het grote woningtekort in Nederland na de Tweede Wereldoorlog en de
werkloosheid tot midden jaren vijftig was er voor deze migranten bepaald
geen warm welkom. De Molukkers, die naar de RMS hoopten terug te keren,
werden bovendien doelbewust buiten de Nederlandse samenleving gehouden.
Anders dan in de Indonesische archipel, was er in de Nederlandse koloniën
in het Atlantisch gebied vlak na de Tweede Wereldoorlog over het algemeen
geen sterke onafhankelijkheidswens. [101] Gezien de geringe omvang van de
(ei)landen, hun bevolkingen en hun economieën, waren zij sterk afhankelijk
van Nederland. In 1948 en van 1952 tot 1954 vonden twee rondetafel­‐
conferenties plaats in Den Haag met als resultaat dat de koloniën voor hun
binnenlandse beleid autonomie kregen en voor slechts een beperkt aantal
zaken, waaronder defensie en buitenlandse betrekkingen, afhankelijk bleven
van Nederland. Suriname werd bovendien een autonoom land binnen
het Koninkrijk. [102]
Het statuut waarin dit alles werd geregeld, functioneerde aanvankelijk goed.
Maar vanaf het einde van de jaren zestig leidden raciale tegenstellingen,
werkloosheid, Black Power-invloeden uit de Verenigde Staten en politieke
instabiliteit tot stakingen en opstanden in Suriname, en op Curaçao werd op
30 mei 1969 door Nederlandse mariniers een volksopstand de kop
ingedrukt. [103] De Nederlandse regering ging de overzeese gebiedsdelen in de        29
West voornamelijk als (economische) last beschouwen terwijl hun inwoners
niet onafhankelijk wensten te worden. In 1955 haalden ze Nederland over om
hen bij de Verenigde Naties van de lijst van nog te dekoloniseren gebiedsdelen
te halen. [104]
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>Maar vooral in Suriname groeide na verloop van tijd toch de wens naar
onafhankelijkheid, hoewel de bevolking sterk verdeeld was over de vraag hoe
die onafhankelijkheid vormgegeven moest worden. Op 25 november 1975
werd Suriname onafhankelijk, of – zoals dat ook wel gezien wordt –
als een sterk gepolariseerd land aan zijn lot overgelaten. [105] Ongeveer een
derde van de Surinamers was voor de onafhankelijkheid al vanwege politieke
of economische redenen naar Nederland gemigreerd. [106] Vanwege de
                                                                                    Nederland als kolonisator
spanningen in het gebied migreerden eveneens grote groepen Antillianen
naar Nederland. [107] De Antilliaanse eilanden lieten zich, gezien de situatie in
Suriname, niet zomaar overhalen om ook onafhankelijk te worden, maar
beijverden zich voor zelfbeschikkingsrecht binnen het Koninkrijk. [108] Aruba
voelde daarbij als eerste de wens om zich af te scheiden van de Antillen,
wat in 1986 leidde tot een status aparte als een autonoom land binnen het
Koninkrijk. [109] Curaçao en Sint Maarten gaven daarop aan diezelfde status
te willen. Op 10 oktober 2010 werden de Nederlandse Antillen als land
opgeheven. Curaçao en Sint Maarten zijn sindsdien zelfstandige landen
binnen het Koninkrijk. Bonaire, Sint Eustatius en Saba werden bijzondere
Nederlandse gemeenten onder de naam Caribisch Nederland. [110]
2.6   Ten slotte
De dekolonisatie betekende het formele einde van een eeuwenlange periode
van bezetting die zich kenmerkte door ongelijkheid, racisme en geweld.
Kenmerken die zich niet altijd gemakkelijk laten verenigen met het
Nederlandse zelfbeeld als een land van tolerantie, vredelievendheid en respect
                                                                                      Ten slotte
voor de mensenrechten.
Naar het koloniale verleden wordt in Nederland vanuit verschillende
perspectieven gekeken: perspectieven waarin tot op heden de propaganda
nakleurt waarmee indertijd de gedragingen van de kolonisator werden
vergoelijkt, en perspectieven waarin de werkelijkheid wordt bezien met een
bril die gefocust is op de schuldvraag. Waar het voor de Commissie om gaat
is de bereidheid om op een eerlijke en onbevooroordeelde wijze met het
koloniale verleden om te gaan en om voor dat verleden verantwoordelijkheid
te nemen. Ook omdat dit verleden nog geen voltooid verleden is en nog
steeds zijn stempel drukt op het heden. Of zoals de Nederlandse historicus
Henk Wesseling stelt: ‘De dekolonisatie wil maar geen geschiedenis
worden.’ [112]
Ook wat nu in de Nederlandse musea getoond wordt aan culturele,
religieuze en historische objecten die afkomstig zijn uit de vroegere koloniale
gebieden, weerspiegelt het verleden zich in het heden. Ook voor dat deel van
het verleden moet Nederland naar het oordeel van de Commissie zijn
verantwoordelijkheid nemen, met name als het gaat om objecten die in de
herkomstlanden onvrijwillig zijn verloren en die om die reden een
ongemakkelijk bezit vormen. Het verleden kan niet worden teruggedraaid,                 30
maar wel moet kritisch worden bezien hoe Nederland omgaat met de culturele
schatten die als gevolg van dat verleden vandaag de dag in de Nederlandse
musea te zien zijn.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>3.        De koloniale collecties
De Nederlandse koloniale collecties bestaan uit een divers palet aan
cultuurgoederen, waaronder kunstobjecten, religieuze objecten,
                                                                                 De koloniale collecties
historische objecten, sieraden, natuurhistorische objecten en
gebruiksvoorwerpen. In totaal gaat het om honderdduizenden objecten.
Naast musea die omvangrijke en belangwekkende koloniale collecties
beheren, zoals het Nationaal Museum van Wereldculturen, Museum
Bronbeek en het Rijksmuseum, hebben ook vele kleinere musea koloniale
collecties. Uit een enquête van de Commissie en de Museumvereniging
onder de Nederlandse musea blijkt dat er nog veel onbekend is over
de manier waarop koloniale cultuurgoederen in Nederlands bezit zijn
gekomen. Desondanks geeft een aantal musea aan dat zij objecten beheren
waarvan zij weten dat deze in de koloniale tijd zonder instemming van de
eigenaar zijn verworven.
Om een beeld te kunnen schetsen van de koloniale collecties
die in Nederland aanwezig zijn, heeft de Commissie in samenwerking
met de Museumvereniging de 420 leden van deze vereniging een enquête
toegestuurd. [112] Ook de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed is
geënquêteerd. De enquête is ingevuld door 115 respondenten, hetgeen
                                                                                   Koloniale collecties in Nederland
neerkomt op een respons van 27 procent. [113] Hoewel het aantal respondenten
relatief beperkt is, vallen daar wel de meest toonaangevende musea met
koloniale collecties onder. Bij deze musea heeft de Commissie vervolgens
nadere informatie ingewonnen over deze collecties. Daarmee meent de
Commissie een impressie te kunnen geven van wat de Nederlandse musea aan
koloniale cultuurgoederen in beheer hebben. Dat geldt zeker voor instellingen
die koloniale cultuurgoederen beheren die eigendom zijn van de Staat. [114]
3.1   Koloniale collecties in Nederland
Uit de enquête blijkt dat behalve een aantal grotere musea, waaronder
het Nationaal Museum van Wereldculturen, Museum Bronbeek en
het Rijksmuseum die grote en belangwekkende koloniale collecties beheren,
ook vele kleinere musea koloniale collecties hebben. Als eigenaren van
deze collecties worden door de musea naast de overheden, ook veelvuldig
particulieren genoemd, waaronder stichtingen, verenigingen, bedrijven,
individuen en families. Indonesië wordt het meest genoemd als land waarvan
musea cultuurgoederen beheren, maar ook Suriname, Curaçao, Aruba,
Sint Maarten, Caribisch Nederland, andere voormalige Nederlandse koloniale
gebieden en koloniale gebieden van andere mogendheden, worden genoemd
als herkomstlanden van koloniale objecten in hun collectie.
                                                                                     31
De musea zijn in de enquête ook gevraagd naar hun kennis over hoe de
koloniale objecten in hun collectie indertijd verworven zijn. Bijna 20 procent
van de musea die deze vraag beantwoordde, geeft aan dat zij objecten in hun
collectie hebben waarvan zij weten dat deze in de koloniale tijd zonder
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>instemming van de eigenaar verworven zijn. Daarnaast geeft bijna 60 procent
aan dat zij objecten beheren waarvan de verwervingsgeschiedenis onbekend is.
Een verklaring voor de omvang van deze laatste categorie is dat de herkomst­‐
geschiedenis van objecten niet altijd meer te achterhalen is en dat herkomst­‐
onderzoek, zoals later in dit hoofdstuk wordt aangegeven, nog niet binnen
alle musea evenveel aandacht krijgt. Dat neemt niet weg dat ongeveer de helft
van de musea met koloniale cultuurgoederen aangeeft dat de omgang met
                                                                                             De koloniale collecties
koloniale cultuurgoederen voor hen een actueel thema is; een derde van hen
onderhoudt ook contacten met herkomstlanden. Het feit dat ruim driekwart
van de musea met koloniale cultuurgoederen bij de enquête invult dat ze
ondersteuning wensen in de omgang daarmee, onderschrijft de actualiteit van
het thema.
3.2   De toonaangevende musea nader beschouwd
Een gedetailleerder beeld van wat Nederland bezit aan koloniale
cultuurgoederen, ontstaat bij een nadere beschouwing van een aantal
toonaangevende musea.
Museum Bronbeek
Museum Bronbeek is een militair koloniaal museum en beheert een grote en
diverse koloniale collectie die eigendom is van de Staat, waaronder objecten
die gerelateerd zijn aan het KNIL. De collectie bevat cultuurgoederen uit
verschillende voormalige Nederlandse koloniën, waaronder Indonesië,
                                                                                               De toonaangevende musea nader beschouwd
Suriname en Curaçao. Deze cultuurgoederen zijn op verschillende manieren
verkregen. Zo staat bij de ingang van het museum het zogeheten peperstuk,
een kanon met een kaliber van 19 centimeter gedecoreerd met een gouden
krans van eikenloof.
      Het zeventiende-eeuwse peperstuk (objectnummer 1875/04-1-2) bij de ingang van Museum
      Bronbeek. Foto: Rob Gieling.
Dit is een kanon met een complexe geschiedenis. Het werd in de jaren
1631 – 1636 door het Turkse Rijk aan de sultan van Aceh geschonken en is
in de negentiende eeuw door het koloniale leger buitgemaakt. In 1875 werd
het kanon als oorlogstrofee naar Museum Bronbeek verstuurd, waar het
van een gouden krans werd voorzien door koning Willem III. Het peperstuk                          32
heeft mede door de toevoeging van de gouden krans, naast historische waarde
voor Turkije en Indonesië, ook historische waarde voor Nederland. [115]
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>Naast objecten die onvrijwillig voor het herkomstland verloren zijn gegaan,
beheert het museum vele cultuurgoederen die als geschenk aan koloniale
administrateurs of particulieren gegeven zijn, of waarvan de verwervingswijze
onduidelijk is. Een voorbeeld van dat laatste is het diorama ‘Slavendans’
gemaakt door de Surinaamse kunstenaar Gerrit Schouten uit 1817.
Het diorama toont een Du (slavendansfeest), een rollenspel met muziek en
dans dat op de plantages opgevoerd werd. Volgens de catalogus van
                                                                                   De koloniale collecties
het museum is onbekend hoe deze representatie van de Creoolse cultuur in
Suriname verworven is. [116] Het Rijksmuseum rapporteert dat de kijkkastjes
van Schouten vaak werden gemaakt en gekocht als souvenir; Europeanen
in Suriname zouden in de koloniale tijd erg gecharmeerd zijn geweest van dit
soort folklore. [117] Ze kunnen dus ook besteld zijn bij Schouten en in opdracht
zijn vervaardigd.
                                                                                     De toonaangevende musea nader beschouwd
    Diorama ‘Slavendans’, vervaardigd door kunstenaar Gerrit Schouten
    (objectnummer 1999/00-113). Bron: Museum Bronbeek
De omgang met koloniaal erfgoed is een actueel thema binnen het museum.
Uit de collectie van Bronbeek zijn in het verleden ook cultuurgoederen aan
herkomstlanden teruggegeven, waaronder de uitrusting (een zadel, hoofdstel,
parasol en speer) van prins Diponegoro. Dit geschiedde naar aanleiding van
de afspraken die Nederland en Indonesië in 1977 maakten. [118] Bronbeek
werkt nauw samen met Indonesische culturele instellingen. Het museum geeft
daarbij aan dat het nooit een verzoek tot teruggave heeft ontvangen. [119]
Nationaal Museum van Wereldculturen (NMVW)
Ook het NMVW beheert een groot aantal koloniale cultuurgoederen,
zowel van de Staat als van de gemeente Rotterdam. Zo bevindt zich in het
Tropenmuseum, een onderdeel van het NMVW, de collectie van het
                                                                                        33
voormalige Koloniale Museum in Haarlem. Museum Volkenkunde, eveneens
onderdeel van het NMVW, heeft daarnaast vanaf de vroege negentiende eeuw
de collecties van het Koninklijk Kabinet van Zeldzaamheden overgenomen,
en ontving in de koloniale tijd de oorlogsbuiten van Nederland en collecties
van het ministerie van Koloniën. Het museum ontving ook militaire collecties
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>van particulieren en cultuurgoederen van academici en archeologen.
In 1903 verkreeg het de niet-westerse antieke collectie van het Rijksmuseum
van Oudheden en in 1958 alle collecties van de Koninklijke Militaire
Academie te Breda. De koloniale collectie van het NMVW is dan ook
omvangrijk en divers. Het museum bevat antiquarische collecties, militaire
collecties, handelscollecties, missionaire collecties, koloniaal-administratieve
collecties en familiecollecties. Het beheert cultuurgoederen waarvan de
                                                                                   De koloniale collecties
oorspronkelijke eigenaren indertijd het bezit onvrijwillig hebben verloren,
cultuurgoederen die met toestemming van de toenmalige eigenaar verkregen
zijn en cultuurgoederen waarvan de herkomstgeschiedenis (nog) onduidelijk
is. Het overgrote deel van de koloniale collectie komt met meer dan
100.000 objecten uit Indonesië. Ook beheert het NMVW cultuurgoederen
uit Suriname, Aruba, Curaçao, Sint Maarten, Caribisch Nederland en andere
voormalige Nederlandse koloniale gebieden, waaronder objecten uit voormalig
Ceylon (Sri Lanka). Daarnaast beheert het museum vele cultuurgoederen uit
voormalige koloniën van andere koloniale mogendheden, waaronder een
aantal van de befaamde Bronzen uit het Koninkrijk van Edo (Benin).
                                                                                     De toonaangevende musea nader beschouwd
    Gouden pijp uit 1837 (objectnummer RV-360-5211). Bron: NMVW.
Een voorbeeld van een NMVW-topstuk dat als geschenk naar Nederland is
gekomen, is de Ghanese gouden pijp die in 1837 door koning Kwaku Dua                    34
van de Ashanti is geschonken aan koning Willem I. De pijp werd in ontvangst
genomen door generaal-majoor Verveer. Verveer had met Kwaku Dua een
overeenkomst gesloten dat de Nederlandse regering tegen vergoeding jaarlijks
duizend mannen voor het Oost-Indisch leger zou kunnen werven in Ashanti.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>Als dank voor deze overeenkomst schonk de Ghanese koning deze gouden
pijp, in feite dus een relatiegeschenk. Het stuk kwam allereerst terecht in het
Koninklijk Kabinet van Zeldzaamheden, en werd in de negentiende eeuw
aan museum Volkenkunde overgedragen. [120] De koning zond overigens ook
zijn zoon en neef naar Nederland om een westerse opvoeding te krijgen,
zoals Arthur Japin heeft verbeeld in zijn roman ‘De zwarte met het witte hart’.
                                                                                  De koloniale collecties
                                                                                    De toonaangevende musea nader beschouwd
    Balinese negentiende-eeuwse paleisdeuren
    (objectnummer RV-1586-31). Bron: NMVW.
Een voorbeeld van een belangwekkend cultuurgoed dat het NMVW beheert,
zijn de negentiende-eeuwse Balinese paleisdeuren afkomstig van het paleis
van de toenmalige vorst van Denpasar. De loodzware houten deuren,
versierd met mythische dieren, bloem- en bladmotieven, zijn door de schilder
W.O.J. Nieuwenkamp op zijn ‘verzamelreis’ voor Museum Volkenkunde vanuit
Bali naar Nederland verscheept. Hij trof de deuren aan bij het verwoeste
                                                                                       35
paleis van vorst I Gusti Gede Ngurah te Badung, dat op 20 september 1906
doelwit was geweest van een grootscheepse Nederlandse militaire actie.
Deze eindigde in een puputan – een ‘strijd tot het einde’ – waarbij vele
honderden Balinezen een rituele zelfdoding aangingen. Het paleis werd geheel
verwoest en de meeste paleisschatten werden als oorlogsbuit meegenomen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>en verstuurd naar Batavia. De deuren werden achtergelaten, volgens
Nieuwenkamp omdat ze voor de militairen te zwaar en te groot waren om
mee te nemen. Hij liet de deuren naar Nederland verschepen. [121]
Het NMVW is een actieve speler in de Nederlandse museumwereld als het
gaat om het opzetten en onderhouden van contacten met de herkomstlanden,
het doen van herkomstonderzoek en het ontwikkelen van een visie op de
                                                                               De koloniale collecties
omgang met koloniale cultuurgoederen. In 2019 publiceerde het museum het
voornoemde rapport ‘Return of Cultural Objects: Principles and Process’
dat een procedure bevat die het museum volgt bij verzoeken van
herkomstlanden voor teruggave van cultuurgoederen.
Het Rijksmuseum
Ook het Rijksmuseum beheert vele cultuurgoederen afkomstig uit voormalige
Nederlandse koloniale gebieden. Hoewel de meeste cultuurgoederen in bezit
zijn van de Staat, heeft het Rijksmuseum ook vele stukken van particulieren
in beheer. Zo beheert het cultuurgoederen van de Koninklijke Vereniging van
Vrienden voor Aziatische Kunst (KVVAK). Het museum heeft cultuur­‐
goederen uit Indonesië, Sri Lanka, Suriname en de voormalige Antillen.
Daarvan zijn sommige met instemming van de toenmalige eigenaar
verworven, en andere zonder instemming, waaronder het kanon van de koning
van Kandy. Het kanon werd op 19 februari 1765 in Kandy (Sri Lanka)
buitgemaakt door de troepen van G.G. Lubbert Jan baron van Eck, ondanks
een verbod op plundering dat voor deze troepen gold. Het kanon is door
                                                                                 De toonaangevende musea nader beschouwd
Van Eck in datzelfde jaar nog naar Nederland gestuurd, waar het in 1769 in
het rariteitenkabinet van Stadhouder Willem V terechtkwam. Het kanon
werd niet veel later bestempeld als het kanon van Michiel de Ruyter. Toen de
Franse troepen in 1795 Nederland binnenvielen, schonken ze dit kanon en
enige andere stukken van landsbelang uit het voormalig bezit van de
stadhouder aan de Staten-Generaal. Mede hierdoor wordt het kanon door
sommige historici gezien als een voor de Nederlandse geschiedenis belangrijk
object. Uiteindelijk belandde het kanon in het Rijksmuseum. [122]
                                                                                    36
    Het Kanon van Kandy (objectnummer NG-NM-1015). Bron: Rijksmuseum.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>                                                                                 De koloniale collecties
    ‘De Hemelse Schoonheid’ (objectnummer AK-MAK-185),
                                                                                   De toonaangevende musea nader beschouwd
    afkomstig van de Lakshmana tempel (India).
    Bron: Rijksmuseum.
Een voorbeeld van een cultuurgoed uit het Rijksmuseum waarvan de
wervingsgeschiedenis niet precies bekend is, is het Indiaase zandstenen
beeldfragment van ‘de Hemelse Schoonheid’. Het Rijksmuseum heeft het
beeld sinds 1972 in bruikleen van de KVVAK die het in 1934 kocht van
of via bemiddeling door Charles-Louis Fábri. Het is onduidelijk hoe Fábri,
of degene voor wie hij bemiddelde, aan het beeld kwam. Het beeld is indertijd
aangekocht als zijnde afkomstig uit Bhubaneswar, Orissa in India.
Recent onderzoek van het Rijksmuseum wees echter uit dat het beeld uit de
Lakshmana tempel in Khajuraho komt. Het Rijksmuseum rapporteert dat
het beeld toen de tempel in verval raakte hoogstwaarschijnlijk door een Britse
ambtenaar of de lokale bevolking is weggehaald en op de vrije markt
is beland. [123]
Naturalis Biodiversity Center
Ook natuurhistorische musea beheren belangwekkende objecten met een
koloniale connotatie. Naturalis Biodiversity Center beheert bijvoorbeeld
honderdduizenden objecten die verzameld zijn in voormalige
koloniale gebieden.
                                                                                      37
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>                                                                                De koloniale collecties
    Pithecanthropus erectus of ‘de Javamens’ in Naturalis Biodiversity Center
    (objectnummer RGM.1332450). Foto: Peter Maas.
Een van de topstukken in het museum is een belangwekkend koloniaal
cultuurgoed: het fossiele schedelkapje en het dijbeen van ‘de Javamens’.
Deze objecten werden in de koloniale tijd naar Nederland gebracht door
de Nederlandse arts en paleontoloog Eugène Dubois (1858 – 1940).
Het schedelkapje en dijbeen bleken het holotype van de homo erectus,
                                                                                  De toonaangevende musea nader beschouwd
die het bewijs vormen dat mens en aap evolutionair met elkaar zijn
verbonden. [124] De fossielen werden in 1891 in opdracht van Dubois
opgegraven door zogeheten ‘koelies’, loonslaven die in Nederlands-Indië
in dienst van de koloniale regering tewerkgesteld waren. De Javamens vertelt
daarom naast de geschiedenis van de mensheid en de geschiedenis van
de Javaanse beschaving ook de koloniale geschiedenis, waar Indonesische
en Chinese arbeidskrachten uitgebuit werden ten behoeve van de koloniale
macht. De omgang met koloniale collecties is in het museum een minder
actueel thema. Het museum richt zich voornamelijk op de biogeografische
en etnobiologische achtergrond van zijn cultuurgoederen en minder op de
koloniale context waarin deze in voorkomend geval verkregen zijn.
Het Rijksmuseum van Oudheden
Het Rijksmuseum van Oudheden beheert meer dan 10.000 koloniale
cultuurgoederen, alle rijksbezit. Het museum bezit uitsluitend cultuur­‐
goederen afkomstig uit ex-koloniën van andere mogendheden. Zo bezit het
museum vele cultuurgoederen die verworven zijn in Griekse, Egyptische,
Assyrische of Fenicische koloniën. Deze cultuurgoederen zijn, voor zover
bekend, verworven met instemming van de voormalige eigenaar. Wel blijken,
zo rapporteert het museum, sommige certificaten van de door hen
aangekochte cultuurgoederen vervalst te zijn. Deze objecten zijn dus mogelijk
                                                                                     38
op illegale wijze op de vrije markt terechtgekomen. In die gevallen is de
herkomst van een cultuurgoed vaak niet of moeilijk te achterhalen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>Bovenstaande informatie geeft naar oordeel van de Commissie een goede
illustratie van de diversiteit van het Nederlandse bezit aan koloniale
cultuurgoederen. Een precieze schatting van de aantallen waarover het gaat,
is op basis van deze gegevens echter moeilijk te maken, maar in totaal gaat het
om honderdduizenden objecten. Ook musea die de enquête niet hebben
ingevuld, zullen naar vermoeden van de Commissie koloniale cultuurgoederen
beheren. Daarbij komt dat nog niet alle musea (de omvang van) hun koloniale
                                                                                  De koloniale collecties
objecten goed in kaart hebben gebracht. In de enquête gaf 28 procent van de
musea met koloniale cultuurgoederen aan geen overzicht te hebben van de
koloniale cultuurgoederen in hun collecties, 39 procent van de musea gaf aan
bezig te zijn met het creëren van een dergelijk overzicht en 33 procent gaf
aan reeds een volledig overzicht te hebben.
3.3   Herkomstonderzoek door musea
Van de musea met koloniale cultuurgoederen die de enquête hebben ingevuld,
blijkt slechts 10 procent een goed overzicht te hebben van de herkomst van
deze goederen. 43 procent voert verkennend onderzoek uit naar de herkomst
van hun collecties, 13 procent doet systematisch onderzoek en bij 34 procent
is het doen van herkomstonderzoek nog in het geheel niet aan de orde.
      Stand van herkomstonderzoek
      (in percentages)
                                                                                    Herkomstonderzoek door musea
Twee Nederlandse musea, het NMVW en het Rijksmuseum zijn ervaren op
het gebied van herkomstonderzoek. Het NMVW is al sinds de jaren negentig
actief op dit terrein. Gezien de uiteenlopende aard van de collecties en de
grote hoeveelheid aan koloniale cultuurgoederen, is dit work in progress.
Het NMVW nam in juni 2019 een aantal medewerkers aan specifiek voor het
doen van herkomstonderzoek en voor het identificeren van cultuurgoederen
                                                                                      39
in de NMVW-collectie die belangrijk zijn om verder onderzocht te worden.
Cultuurgoederen waarvan bekend is dat de herkomst omstreden is, krijgen
daarbij prioriteit. In het herkomstonderzoek wordt nauw samengewerkt met
(inter)nationale experts en andere musea. Zo is er sprake van een actieve
dialoog met musea in Duitsland, Frankrijk, Zwitserland, België en
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>Groot-Brittannië, was het NMVW in 2018 gastheer van de zogenoemde
Benin Dialogue Group en zit het NMVW in de stuurgroep Benin, samen met
musea uit Berlijn, Londen en Nigeria. De kwaliteit van onderzoek wordt
bewaakt door een door het NMVW ingestelde curatorcommissie.
Het Rijksmuseum richtte in 2018 een werkgroep op om onderzoek te doen
naar de herkomst van hun collecties, mede bedoeld om onrechtmatig
                                                                                   De koloniale collecties
verkregen cultuurgoederen op te sporen. De werkgroep voerde een pilot­‐
project uit waarbij tien qua wijze van werving en land van herkomst van elkaar
verschillende cultuurgoederen geselecteerd werden voor nader onderzoek.
De pilot toonde aan hoe complex de geschiedenis van koloniale cultuur­‐
goederen vaak is en hoe ingewikkeld en tijdrovend het kan zijn om deze
geschiedenis te achterhalen. In sommige gevallen is de herkomst van koloniale
cultuurgoederen dan ook onduidelijk gebleven. Het onderzoek van het
Rijksmuseum heeft nog niet geleid tot teruggaven, wel tot verzoeken daartoe.
Om krachten en expertise te bundelen, zijn het NMVW en het Rijksmuseum
in 2018 in samenwerking met het Expertisecentrum Herkomstonderzoek van
het NIOD (Nederlands Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocide­‐
studies) een pilotproject gestart. Dit project, dat in september 2019 formeel
begon als de ‘Pilot Provenance Research on Objects of the Colonial Era’
(PPROCE), wordt gesubsidieerd door het ministerie van OCW en heeft tot
doel een methodiek te ontwikkelen voor het doen van herkomstonderzoek.
De focus ligt daarbij op voorwerpen afkomstig uit Indonesië.
                                                                                     Wijze van verwerving
3.4   Wijze van verwerving
Zo divers als de koloniale cultuurgoederen in de Nederlandse collecties zijn,
zo verschillend zijn ook de manieren waarop deze goederen verkregen zijn.
Sommige cultuurgoederen zijn geroofd, als oorlogsbuit naar Nederland
gekomen of meegenomen van tempels en andere heiligdommen; andere
cultuurgoederen zijn als geschenken aan Nederlanders gegeven, aangekocht of
verworven tijdens verzamelexpedities. In het geval van geschenken, aankopen
en ook bij ruilhandel, moet daarbij voor ogen gehouden worden dat er in de
koloniale tijd sprake was van ongelijke machtsverhoudingen tussen kolonisator
en gekoloniseerde. Dit kan in sommige gevallen betekenen dat handels­‐
transacties of geschenken niet vrijwillig waren: cultuurgoederen kunnen zijn
verkocht of geschonken uit angst, om de overheerser te behagen,
om diplomatieke redenen of omdat er vanwege armoede geen andere manier
was om in de eerste levensbehoeften te voorzien. In de koloniale context was
er een dunne lijn tussen verplichting en vrijheid en daarmee tussen vrijwillig
en onvrijwillig bezitsverlies. In het geval van Nederlands-Indië is bijvoorbeeld
bekend dat geschenken werden gegeven door lokale heersers als teken
van onderwerping. [125]
Koloniale cultuurgoederen zijn indertijd door vele verschillende personen en           40
instanties verworven: door privépersonen, door wetenschappers – bijvoorbeeld
tijdens wetenschappelijke expedities zoals die van Dubois – door overheids­‐
vertegenwoordigers, door militairen tijdens acties en expedities van het
koloniale leger of door missionarissen tijdens missie en zending.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>Deze cultuurgoederen kwamen op verschillende manieren in Nederlandse
collecties terecht. Particulieren schonken of verkochten objecten aan musea.
Een aanzienlijk deel van de Indonesische cultuurgoederen is, zoals eerder
in dit advies aangegeven, via het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en
Wetenschappen in collecties van Nederlandse musea terechtgekomen.
Andere cultuurgoederen kwamen via de Oudheidkundige Dienst van
Nederlands-Indië (1913 – 1949) in Nederland terecht of via het Koninklijk
                                                                                    De koloniale collecties
Kabinet van Zeldzaamheden (1816 – 1883). [126] Het is daarbij zaak de
herkomstgeschiedenis van cultuurgoederen niet te verwarren met de manier
waarop deze door musea zijn verworven. Dat een museum een cultuurgoed op
legitieme wijze op een veiling heeft aangekocht, betekent bijvoorbeeld niet
dat dit cultuurgoed in de koloniale tijd niet geroofd zou kunnen zijn en het feit
dat een cultuurgoed door het ministerie van Koloniën aan een museum
geschonken is, betekent niet automatisch dat dat cultuurgoed dus
oorlogsbuit is.
                                                                                      Wijze van verwerving
                                                                                        41
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>4.       Teruggaven in het verleden
Het teruggeven van koloniale cultuurgoederen door ex-koloniale
mogendheden is niet iets van de laatste tijd: de eerste voorbeelden van
                                                                                    Teruggaven in het verleden
teruggaven dateren al uit de koloniale tijd. Nederland heeft tot op heden
voornamelijk voorwerpen teruggegeven aan Indonesië. De redenen voor
deze teruggaven waren divers. In sommige gevallen werden objecten
teruggegeven als diplomatiek geschenk ter gelegenheid van bijvoorbeeld
een staatsbezoek. Soms lag aan teruggaven een overeenkomst tussen
landen ten grondslag, bijvoorbeeld de joint recommendations uit het
midden van de jaren zeventig tussen Nederland en Indonesië. Van een
teruggavebeleid dat samen met de herkomstlanden is ontwikkeld,
is tot op de dag van vandaag echter geen sprake.
Al geruime tijd wordt door vroegere koloniale mogendheden nagedacht
over een gepaste omgang met cultureel erfgoed uit de koloniale gebieden en
over de vraag aan wie dit erfgoed toebehoort. Zelfs al voordat de dekolonisatie
in zicht kwam, claimden politici, elites en religieuze leiders in de koloniën
hun verloren cultureel erfgoed. Zo vroeg de bisschop van IJsland de Denen
al in 1830 om teruggave van de eeuwenoude manuscripten van zijn bisdom
en vroeg Tanzania in 1919 in het Verdrag van Versailles de Duitsers om de
teruggave van de schedel van hun Sultan Mkawa. [127] Voorbeelden later in de
tijd zijn de troon en het voetenbankje van de laatste koning van Kandy met
de kroon van koning Sri Vikrama Raja Simha, die Groot-Brittannië in 1934
aan Sri Lanka teruggaf en de ruim 300 schilderijen en tekeningen uit de
koloniale periode die Frankrijk in 1969 teruggaf aan Algerije. [128] Maar er zijn
ook recentere voorbeelden. Frankrijk gaf in 2019 – weliswaar in bruikleen –
aan Senegal het uit de negentiende eeuw daterend zwaard van Omar Saidou
Tall terug en in 2020 besloot het Jesus College te Cambridge tot teruggave
van een bronzen haan aan Nigeria, één van de befaamde zogenoemde
Benin Bronzes.
Indonesië
In Nederland lag de focus rond het teruggeven van voorwerpen hoofdzakelijk
op Indonesië. Opmerkelijk genoeg kwamen vroege teruggaven aan Indonesië
uit Thailand: in 1927 werden de Ramayana reliëfs van de Prambanan door
koning Chulalongkorn van Siam teruggegeven aan de Nederlands-Indische
regering. Dit naar aanleiding van kritiek van Nederlandse archeologen,
conservatoren in Siam en koning Chulalongkorns halfbroer Prins Damrong
op het feit dat deze en andere belangwekkende cultuurgoederen door
Nederlanders uit Javaanse tempels waren ontvreemd en aan de koning van
Siam geschonken. Overigens werden niet alle stukken teruggegeven die
de koning als geschenk had gekregen: hoofden en reliëfs van de Borobudur                42
zijn bijvoorbeeld nog steeds in Thailand te zien. [129]
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>De eerste Nederlandse teruggaven dateren van voor de Indonesische
onafhankelijkheid. In 1907 en 1938 gaf Nederland regalia terug aan de
Bone- en Gowa-sultanaten die in 1905 en 1906 slachtoffer waren geworden
van de Nederlandse militaire acties in Zuid-Celebes (thans Sulawesi).
Deze sultans hadden aangegeven niet te kunnen heersen zonder deze objecten
en met de teruggave van de regalia erkende de koloniale regering in feite de
autoriteit van de sultanaten. [130] In 1937 werden om dezelfde reden twee
                                                                                  Teruggaven in het verleden
van de vier geroofde krissen teruggegeven aan koninklijke families in
Zuid-Bali. [131]
Toen duidelijk werd dat de soevereiniteitsoverdracht zich op korte
termijn zou aandienen, startten de onderhandelingen tussen Nederland,
de Republiek Indonesië en de Bijeenkomst voor Federaal Overleg (BFO)
over het Indonesisch cultureel erfgoed dat Nederland in bezit had. Zo werd
gesproken over de Bali- en Lombokschatten, de uitrusting van prins
Diponegoro, maar ook over natuurhistorische objecten als de Javamens. [132]
Nederland benadrukte daarbij dat bij militaire acties in de archipel altijd een
art protection officer aanwezig was geweest die de plundering van cultureel
erfgoed had voorkomen en ervoor had gezorgd dat al het cultureel erfgoed dat
werd meegenomen in de collectie van het Bataviaasch Genootschap was
terechtgekomen. Er zouden daardoor geen belangrijke schatten in Nederland
of op de wereldmarkt terecht zijn gekomen. De werkelijkheid was overigens
anders: Nederlandse bewindvoerders, militairen, zakenmannen,
missionarissen en wetenschappers hadden wel degelijk objecten meegenomen.
Deze kwamen via smokkel dikwijls later in Nederland terecht, en in sommige
gevallen ook in andere landen. [133][134]
Nederland zag echter wel voordelen in de teruggave van cultuurgoederen:
teruggave kon gezien worden als een teken van goede wil en worden gebruikt
om andere doeleinden te verwezenlijken. [135]
De musea stelden samen met het Indisch Instituut in Amsterdam een lijst
samen van 1.456 ‘kostbaarheden’ die onderzocht zouden moeten worden op
hun herkomst. [136] Voor Indonesië waren de onderhandelingen over teruggave
van cultuurgoederen niet alleen van belang omdat met deze objecten
het nationale verhaal verteld kon worden; teruggave werd ook beschouwd
als teken van respect van de ene natie aan de andere. [137]
De rondetafelconferentie van 23 augustus – 2 november 1949 over
de overdracht van de soevereiniteit, waar ook cultuur op de agenda stond,
leidde tot een concept cultural agreement, waarin artikel 19 betrekking had
op restituties. Het artikel bepaalde dat culturele objecten die onrechtmatig
verkregen waren, overgedragen moesten worden aan de Indonesische
regering. [138] Met uitzondering van dit artikel was de Republiek Indonesië
echter niet tevreden met het agreement, omdat het daarmee in zijn opinie
nog steeds te afhankelijk bleef van Nederland. Het verdrag werd uiteindelijk          43
ook nooit geratificeerd. [139] Wel werd met de soevereiniteitsoverdracht in
december 1949 de collectie van het Bataviaasch Genootschap aan Indonesië
overgedragen. Deze werd de basis van de collectie van het huidige
Museum Nasional in Jakarta.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>Na de onafhankelijkheid gingen de onderhandelingen over het teruggeven
van koloniale cultuurgoederen door; met tussenpozen en vooral op initiatief
van Indonesië. Ook besprak Indonesië de kwestie naar verluidt op de eerste
Afrika-Azië conferentie in Bandung, die overigens voor zover bekend niet
leidde tot restitutieverzoeken van één van de aanwezige ex-koloniën. [140]
Op sommige momenten leken de initiatieven van Indonesië te lonen:
                                                                                  Teruggaven in het verleden
zo werd in februari 1952 besloten dat er ad hoc commissies moesten komen
voor de behandeling van restitutievraagstukken. Maar de Indonesische
inspanningen hadden uiteindelijk geen resultaat en de ad hoc commissies zijn
bijvoorbeeld nooit daadwerkelijk ingesteld. [141] Spanningen over de toekomst
van Nederlands Nieuw-Guinea, teleurstelling in Nederland over het door
de Republiek Indonesië eenzijdige ontbinden van de Nederlands-Indonesische
Unie en de kritiek van Nederland op de mensenrechtensituatie in Indonesië,
stonden afspraken over het teruggeven van erfgoed in de weg. [142]
Zelfs toen Nederland in 1963 een coördinerend comité opzette om culturele
betrekkingen met Indonesië op te bouwen, leidde dit niet tot teruggaven.
Het comité onderhandelde voornamelijk over archiefdocumenten, en niet
over cultuurgoederen. [143] Mogelijk is door Indonesië voorafgaand aan deze
onderhandelingen wel een gedetailleerde lijst van Indonesische cultuur­‐
goederen in Nederland gepresenteerd, maar over deze lijst of de rol ervan in
de onderhandelingen zijn geen verdere details bekend. [144]
Pas in juli 1968, nadat president Soekarno was afgezet en president Suharto
aan de macht kwam en de culturele betrekkingen tussen Nederland en
Indonesië langzaamaan sterker werden, kwam het tot een overeenkomst die
ook ging over cultuurgoederen. [145] Er vonden vervolgens verschillende
teruggaven plaats. Tijdens een staatsbezoek van Suharto aan Nederland
in 1970, werden twee schilderijen van de Javaanse kunstenaar Raden Saleh
Sjarif Bastaman (1811 – 1880) teruggegeven en in 1973 gaf koningin Juliana
tijdens een staatsbezoek aan Museum Nasional het Nagarakretagama
handschrift terug. [146][147] Toch bleef Nederland in het algemeen terughoudend
met het teruggeven van culturele objecten, tenzij Indonesië concrete
verzoeken voor teruggave indiende. [148] Alleen met betrekking tot archieven
was Nederland toegeeflijker, vooral als daar teruggave van Nederlandse
archieven in Indonesisch bezit tegenover stond. [149]
Indonesië zat in de tussentijd niet stil. In 1970 en 1974 reisden Indonesische
experts naar Nederland om te inventariseren welke objecten in Nederlandse
musea zij zouden kunnen terugvragen. In 1975 verklaarde Nederland
uiteindelijk dat het wilde samenwerken ten behoeve van de opbouw van
musea en archieven in Indonesië. Nederland gaf daarbij als eerste gebaar
380 etnografische objecten terug die het in 1962, vlak voordat Nederland
Nieuw-Guinea als Papua aan Indonesië overdroeg, uit het gebied had
gesmokkeld. Alle partijen waren het erover eens dat de smokkel van deze
objecten naar Nederland in strijd was met het internationale recht.                   44
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>Indonesië stelde voor met een Nederlands en Indonesisch team van
experts aan de slag te gaan. Unieke objecten die konden bijdragen aan een
Indonesisch nationaal bewustzijn kregen daarbij van Indonesische kant
prioriteit. Indonesië presenteerde naar verluidt een lijst van 10.000 objecten
die het land terugwenste. [150]
De onderhandelingen, die uiteindelijk in november 1975 in Museum Nasional
                                                                                    Teruggaven in het verleden
plaatsvonden, verliepen stroef. Uit een verslag van de onderhandelingen blijkt
zelfs dat Nederland het zinloos achtte om te spreken over de overdracht
van objecten zolang er nog geen goede museale infrastructuur in Indonesië
bestond. [151] Daarnaast bleef Nederland de door de Indonesiërs gebruikte
term ‘teruggave’ vermijden. In plaats daarvan sprak het van ‘overdracht’,
een term met minder risico op juridische implicaties. [152]
De onderhandelingen mondden desalniettemin uit in de zogeheten
joint recommendations inzake culturele samenwerking, waar ook de overdracht
van objecten deel van uitmaakte. [153] In juni 1977 werd in een tweede overleg
een eerste fase van restituties besproken, welk overleg een jaar later werd
voortgezet. In die jaren vonden verschillende restituties plaats, waaronder die
van een deel van de uitrusting die prins Diponegoro in 1829 tijdens een
gevecht met de Nederlanders verloor, het Prajñaparamita beeld uit Singosari,
ongeveer de helft van de Lombokschat – 243 objecten afkomstig uit de
rooftocht op Lombok in 1894 – en het Raden Saleh schilderij van de
gevangenneming Diponegoro. [154] Maar ook toen bleef Nederland bij het
standpunt dat met uitzondering van de Lombok- en Bali-schatten,
alle objecten in Nederlands bezit waren aangekocht of als cadeau waren
ontvangen en dat voor het overige het Bataviaasch Genootschap alle
belangrijke objecten in Indonesië had achtergelaten. [155]
Aan het einde van de twintigste eeuw raakte het onderwerp uit beeld.
De kwestie kwam in een overeenkomst voor culturele samenwerking in de
periode 1982 – 1983 tussen beide landen bijvoorbeeld niet voor. [156]
De zaak leek met de teruggaven in de jaren zeventig voor de Nederlanders
naar bevrediging ‘afgehandeld’. Met uitzondering van particulieren, kwamen
er officieel van Indonesische zijde ook geen verzoeken tot teruggave.
In de wetenschap was er wel een toenemende aandacht voor het onderwerp,
maar dit leidde evenmin tot teruggaven. [157] Ook werd rond 1990 een
onderzoek ingesteld naar cultureel erfgoed dat door missionarissen in de
negentiende eeuw uit de archipel was meegenomen. Dat onderzoek leidde
uiteindelijk in 2008 tot de teruggave – eerst als bruikleen en later definitief –
van 18 objecten door de Minderbroeders Kapucijnen van de Orde Fratrum
Minorum Capucinorum ten behoeve van een nieuw cultureel centrum
in Sintang, West-Kalimantan, waaraan het Tropenmuseum dat jaar ook een
viertal etnografische objecten teruggaf. In 2009 gaven de Minderbroeders
Kapucijnen 33 objecten uit hun zogeheten ‘Sumatracollectie’ terug aan
Museum Pusaka Nias in Gunungsitoli op Sumatra. In 2005 vond een                         45
teruggave plaats door de gemeente Rotterdam van 185 wajangpoppen aan
het Museum Wayang in Jakarta in het kader van het versterken van de
gemeentelijke banden tussen Jakarta en Rotterdam, en in 2014 werd door
de nakomelingen van gouverneur-generaal Baud (1789 – 1859) de houten
pelgrimsstaf van Diponegoro teruggegeven. [158][159] Een aan Diponegoro
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>gelinkte kris uit de collectie van het Nationaal Museum van Wereldculturen
werd begin 2020 aan Indonesië teruggegeven.
Een bijzondere kwestie ontstond toen in januari 2013 het Museum Nusantara
te Delft de deuren moest sluiten en voor de overwegend etnografische
collecties, waaronder meer dan 18.000 Indonesische objecten, een nieuwe
bestemming moest vinden. Nadat ruim 3.000 voorwerpen als bescherm­‐
                                                                                   Teruggaven in het verleden
waardig voor Nederland waren aangewezen en overgedragen aan de
Volkenkundige Rijkscollectie, en nadat de Nederlandse musea overige voor
hen interessante voorwerpen hadden geselecteerd en 2.000 objecten uit de
collectie waren gehaald omdat zij niet aan de museale standaarden voldeden,
werden de resterende objecten aangeboden aan Museum Nasional in Jakarta.
Aanvankelijk leek Indonesië welwillend deze objecten over te nemen, maar
later wees Indonesië het aanbod alsnog af. De collectie werd daarop over
musea in Europa en andere landen in Azië verder verdeeld. Eind 2016 gaf
het Museum Nasional wel blijk van interesse voor een selectie van de objecten
en op grond daarvan werden er in 2020 1.564 objecten naar Indonesië
gestuurd. [160] Eén object uit de Nusantara-collectie had het land toen al
teruggekregen: een Buginese kris die premier Rutte tijdens zijn staatsbezoek
aan Indonesië in 2016 aan President Joko Widodo schonk. [161]
Suriname, Aruba, Curaçao, Sint Maarten en Caribisch Nederland
Vergeleken met Indonesië zijn er relatief weinig objecten uit Suriname en de
voormalige Nederlandse Antillen in Nederland terechtgekomen. De teruggave
van cultureel erfgoed aan deze landen heeft ook aanzienlijk minder aandacht
gekregen. Er zijn de Commissie slechts twee gevallen bekend van teruggave
aan de voormalige Atlantische koloniën. De eerste was een teruggave van
archeologische voorwerpen naar Aruba toen dit een onafhankelijk land binnen
het Nederlands Koninkrijk werd. Aruba kreeg 4.500 precolumbiaanse
fragmenten terug uit de collectie van het Museum Volkenkunde in Leiden.
De tweede teruggave vond plaats in 2006; dat jaar gaf het Tropenmuseum
48 kunstwerken terug aan het Nationaal Museum in Suriname. [162] Alle waren
afkomstig van de Nederlandse stichting STICUSA, die van 1948 tot 1991 de
culturele samenwerking tussen Nederland, Indonesië, Suriname en de
Nederlandse Antillen beoogde te bevorderden en de culturele productie in
deze landen beoogde te stimuleren. Toen de stichting werd opgeheven,
werd de meeste kunst die het had voortgebracht verkocht.
Het Tropenmuseum kocht daarvan een deel aan met subsidie die de
Nederlandse overheid daarvoor beschikbaar stelde met de voorwaarde dat de
kunstwerken terug zouden gaan naar Suriname wanneer het nationaal
museum daar gereed was. Dit gebeurde in 2006. [163] Van de 48 teruggegeven
kunstwerken, is niet altijd duidelijk wanneer ze precies gemaakt zijn. 27 van de
schilderijen die zijn teruggegeven zijn mogelijk schilderijen die in
de koloniale tijd gemaakt zijn. [164]
                                                                                       46
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>Ten slotte
Bovenstaand overzicht laat zien dat de redenen voor teruggaven in het
verleden nogal divers waren. In sommige gevallen werden objecten terug­‐
gegeven als diplomatiek geschenk ter gelegenheid van speciale gebeurtenissen,
zoals de opening van een cultureel centrum of een staatsbezoek. Soms was
er ook sprake van interne of externe druk om terug te geven of lag er een
overeenkomst tussen landen aan ten grondslag. En in enkele gevallen waarbij
                                                                                Teruggaven in het verleden
duidelijk was dat bepaalde cultuurgoederen onrechtmatig het herkomstland
hadden verlaten, werden deze teruggegeven om dit onrecht te herstellen.
Van een met de herkomstlanden gedeeld teruggavebeleid is tot op de dag van
vandaag echter geen sprake.
                                                                                    47
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>5.        Ontwikkelingen in andere
          Europese landen
                                                                                   Ontwikkelingen in andere Europese landen
De Europese landen die indertijd koloniën hadden, gaan verschillend
om met hun koloniale cultuurgoederen en met verzoeken om teruggave
daarvan. Er zijn landen met een terughoudende opstelling ten aanzien
van teruggaveverzoeken en landen die meer openstaan voor dergelijke
verzoeken. Er zijn landen waar de overheid zich afzijdig houdt in het
debat en landen waar de overheid juist duidelijk positie heeft gekozen.
Sommige landen beperken zich tot permanente bruikleen van objecten
aan herkomstlanden en andere landen gaan over tot daadwerkelijke
eigendomsoverdracht van cultuurgoederen. Deze verschillen reflecteren
de verscheidenheid aan opvattingen tussen landen, maar hebben ook te
maken met verschillen in wetgeving die teruggave al dan niet in de weg
kan staan. Maar feit is dat in alle landen de urgentie toeneemt om het
vraagstuk aan te pakken. Niet alleen omdat de herkomstlanden en
vertegenwoordigers van diaspora’s steeds meer van zich laten horen,
maar ook en vooral omdat het in de landen die vroeger koloniën hadden,
steeds belangrijker wordt gevonden dat er verantwoordelijkheid wordt
genomen voor het koloniale verleden.
                                                                                      Frankrijk
De invloed die de koloniale tijd heeft gehad op de hedendaagse aanwezigheid
van cultureel erfgoed in de indertijd gekoloniseerde landen, verschilt per land.
In sommige landen zijn door de kolonisator musea opgericht waarvan de
collecties na de dekolonisatie voor het land behouden zijn gebleven. In andere
landen was dat niet of in mindere mate het geval waardoor de huidige
bewoners voornamelijk zijn aangewezen op bezoeken aan Europese musea om
kennis te kunnen nemen van hun geschiedenis en cultuur. Maar voor vrijwel
alle in het verleden gekoloniseerde landen is teruggave van in de koloniale tijd
onvrijwillig verloren cultuurgoederen een actueel onderwerp en mede
daardoor ook voor de landen die indertijd koloniën hadden. De Commissie
heeft haar oriëntatie gefocust op de landen waar de omgang met koloniale
cultuurgoederen op dit moment het meest nadrukkelijk aandacht krijgt:
Frankrijk, Duitsland, België en Groot-Brittannië.
5.1   Frankrijk
Frankrijk bezat in het verleden een groot koloniaal rijk. Vanaf de zeventiende
eeuw had het overzeese koloniën, protectoraten en mandaatgebieden in
Noord-Amerika, het Caribisch gebied en in India. In de achttiende en
negentiende eeuw gingen grote delen van dat rijk verloren in oorlogen met
andere Europese grootmachten, maar het land wist zijn koloniale rijk te                   48
herbouwen in Afrika, Azië en de Stille Zuidzee. Vele cultuurgoederen uit deze
koloniale gebieden, en vooral uit de Franse koloniën in Afrika, belandden in
verschillende Franse musea, waaronder het Louvre en het Quai Branly
in Parijs.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>President Emmanuel Macron komt de eer toe de discussie over de omgang
met koloniale collecties wereldwijd nieuw leven te hebben ingeblazen. In zijn
befaamde speech van 28 november 2017 aan studenten van de Universiteit
van Ouagadougou, Burkina Faso, stelde hij niet langer te accepteren dat een
groot deel van het Afrikaanse cultureel erfgoed in Franse musea ligt. Binnen
vijf jaar wilde hij geregeld hebben dat Afrikaans erfgoed tijdelijk of permanent
teruggegeven kan worden. [165] Enkele weken later gaf hij de Senegalese
                                                                                   Ontwikkelingen in andere Europese landen
econoom Felwine Sarr en de Franse kunsthistorica Bénédicte Savoy opdracht
om de mogelijkheden daartoe te onderzoeken. Op 23 november 2018
publiceerden Sarr en Savoy hun ‘Rapport sur la restitution du patrimoine
culturel africain. Vers une nouvelle éthique relationelle’. Daarin adviseren zij
cultuurgoederen die onrechtmatig of op immorele wijze verkregen zijn
uit Afrikaanse koloniën, terug te geven als een herkomstland daar om vraagt.
Vernieuwend in het rapport is het advies over de omgekeerde bewijslast:
wanneer een herkomstland een object terugvraagt, zou dat land niet hoeven
te bewijzen dat het object onrechtmatig is verkregen, maar moet het museum
bewijzen dat het object rechtmatig is verkregen. Lukt dit niet, dan moet het
object worden teruggegeven. Sarr en Savoy benoemen daarnaast een
belangrijk obstakel voor teruggave. De meeste koloniale objecten in Frankrijk
zijn eigendom van de Staat en volgens de Franse wet mogen nationale
cultuurgoederen niet worden verkocht of overgedragen. Daarom adviseerden
Sarr en Savoy om een nieuwe procedure voor restituties in te voeren,
gebaseerd op bilaterale overeenkomsten. Deze overeenkomsten zouden
moeten prevaleren boven het binnenlandse principe van
onvervreemdbaarheid. [166]
                                                                                      Frankrijk
Het rapport wordt veelal, ook in Frankrijk zelf, als radicaal gezien, met name
het hanteren van het principe van de omgekeerde bewijslast, en wordt door
Frankrijk ook niet onverkort opgevolgd. Wel kondigde Macron na de
presentatie van het rapport aan 26 objecten die in 1892 door Franse militairen
geroofd waren uit het paleis van de koning van Dahomey (de huidige
Republiek of Benin) en een zwaard dat tijdens militair optreden in Senegal
werd geroofd, terug te willen geven. [167] Voor specifiek deze teruggaven is een
wet voorbereid. Er komt geen wetswijziging die in algemene zin teruggave
mogelijk maakt. De reden daarvoor is dat Frankrijk elk verzoek om teruggave
op eigen merites wil kunnen beoordelen en zich niet wil vastleggen op een
algemene principiële beleidslijn. [168]
In Frankrijk lopen de contacten over teruggaven via overheden. Sommige
Afrikaanse landen geven aan nog geen cultuurgoederen terug te willen hebben
omdat er nog geen adequate museale infrastructuur is. Het zijn vooral de
diasporagemeenschappen in Frankrijk zelf die zich laten horen. Zo poogden
enkele Frans-Congolese activisten op 15 juni 2020, mede naar aanleiding van
de wereldwijde anti-racismeprotesten, Afrikaans erfgoed uit Musée du quai
Branly mee te nemen om terug te geven aan Afrikaanse landen. [169]
                                                                                          49
</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre>5.2   Duitsland
Duitsland heeft zich pas relatief laat als koloniale macht laten gelden.
In de vroegmoderne tijd stichtten enkele Duitse staten verschillende overzeese
koloniën, maar deze gingen door concurrentie van andere Europese machten
al snel verloren. Pas vanaf 1884, toen Duitsland al dertien jaar een eenheids­‐
staat was, besloot rijkskanselier Otto von Bismarck Duitse handelspunten
                                                                                   Ontwikkelingen in andere Europese landen
in overzeese gebiedsdelen van staatsbescherming te voorzien. Aan het einde
van de negentiende eeuw ontwikkelde het Keizerrijk zich onder keizer
Wilhelm II langzaam maar zeker tot een koloniaal rijk, met Duitse koloniën in
delen van Afrika, Azië en Oceanië. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werden
op de Oost-Afrikaanse koloniën na, alle Duitse koloniën door andere
Europese mogendheden veroverd en met het Verdrag van Versailles in 1919
raakte Duitsland ook de laatste delen van zijn koloniale rijk kwijt.
Ook Duitsland verwierf door roof en aankoop uitgebreide koloniale collecties.
Vele daarvan belandden in Duitse musea, zoals de musea van de Staatliche
Ethnographische Sammlungen Sachsen en het binnenkort te openen
Humboldt Forum in Berlijn. En hoewel Duitsland nog weinig verzoeken tot
teruggave ontvangen heeft, is het land wel zeer actief met dit vraagstuk aan de
slag. In juli 2018 kwam de Deutscher Museumsbund met richtlijnen voor de
omgang met teruggaveverzoeken: de ‘Guidelines on Dealing with Collections
from Colonial Contexts’. In 2019 kwam de vereniging met een nieuwere
versie op deze richtlijnen, ‘Guidelines for German Museums. Care of
Collections from Colonial Contexts’ met meer aandacht voor niet-Europese
                                                                                      Duitsland
perspectieven, en in 2021 zal de nieuwste versie van deze richtlijnen worden
gepresenteerd. De richtlijnen zijn bedoeld als basis voor de Duitse musea voor
het vormen van een eigen visie en als aanmoediging om dit thema actief op
te pakken.
Op 13 maart 2019 hebben de Staatsministerin des Bundes für Kultur und
Medien, de Staatsministerin im Auswärtiges Amt für Internationale
Kulturpolitik en de Kulturministerinnen und Kulturminister der Länder
und der kommunalen Spitzenverbände een algemeen kader afgesproken over
de omgang met koloniale collecties: de ‘Erste Eckpunkte zum Umgang mit
Sammlungsgut aus kolonialen Kontexten’. Dat kader beoogt voorwaarden te
scheppen voor de teruggave van objecten die op juridisch of moreel
onverdedigbare wijze uit de voormalige koloniën zijn meegenomen door onder
andere het digitaliseren en beschikbaar stellen van gegevens, het doen van
herkomstonderzoek en internationale samenwerking. De ministers nemen in
dit document ook de principiële stelling in dat ‘het identificeren van cultuur­‐
goederen met een koloniale context die verworven zijn op een wijze die
niet langer juridisch en/of ethisch verdedigbaar is en het mogelijk maken van
hun terugkeer, een morele en ethische verplichting is en een belangrijke
politieke opdracht’. [170]
                                                                                          50
Museumcollecties zijn in Duitsland overigens doorgaans geen eigendom van
de Staat, maar veelal ondergebracht in stichtingen als de Stiftung Preußischer
Kulturbesitz. Besluiten met een politieke of diplomatieke lading worden
echter veelal genomen in samenwerking met de minister van Cultuur en soms
</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 51 ======================================================================

<pre>ook met die van Buitenlandse Zaken. De Eckpunkte kunnen dus worden
opgevat als een boodschap van de politiek aan de musea die de ruimte bepaalt
waarbinnen deze zich kunnen bewegen. [171] Deze boodschap valt overigens
bij musea in vruchtbare aarde. In de zogenoemde ‘Heidelberg Statement’ uit
2019 pleiten etnografische musea behalve voor het honoreren van verzoeken
tot teruggave van geroofde cultuurgoederen, ook voor het mogelijk maken van
teruggave van cultuurgoederen om reden van hun belang voor de
                                                                                  Ontwikkelingen in andere Europese landen
gemeenschappen van herkomst. [172]
5.3   België
Ook België bouwde een koloniaal imperium op in het verleden. Toen het
land in 1830 onafhankelijk werd van Nederland, ontstond al snel de wens zelf
een koloniaal rijk te stichten. Na enkele mislukte pogingen onder koning
Leopold I in Afrika en de Amerika’s, wist koning Leopold II vanaf het einde
van de negentiende eeuw Belgisch-Congo te veroveren, in eerste instantie
als zijn eigen Congo-Vrijstaat (1885 – 1908). Onder zijn opvolgers volgde
later de verovering van enkele andere gebieden, waaronder Rwanda-Burundi.
Daarbij werden, net als het geval was bij de andere Europese koloniën,
belangwekkende cultuurgoederen geroofd en naar België verscheept. Zo beval
koning Leopold II tot de systematische verzameling van cultuurgoederen in de
Congo-Vrijstaat, wat gepaard ging met veel geweld tegen de lokale bevolking.
De objecten werden naar België gestuurd voor een nieuw AfricaMuseum
in Tervuren, waar een groot deel van deze objecten nog steeds te zien is. [173]
In 1976 werden 114 uit Kinshasa geroofde objecten overgedragen aan het
                                                                                     België
Institut des musées nationaux du Zaïre. Het is een voorbeeld van een
teruggave waarvan een deel na korte tijd belandde op de kunstmarkt, in dit
geval de kunstmarkt van Brussel.
In België kreeg het debat over koloniale cultuurgoederen een flinke impuls
door de commotie rond de heropening van het AfricaMuseum in Tervuren.
Het museum was een tijdlang gesloten vanwege verbouwingen, waarbij het
museum en het gebouw ook gedekoloniseerd zouden worden. Desondanks gaf
de geplande heropening aanleiding tot oproepen vanuit de Afrikaanse diaspora
en van museumonderzoekers, activisten en wetenschappers, voor een
ingrijpender dekolonisatie van het museum en voor onmiddellijke teruggave
van gestolen culturele objecten. [174] Zelfs een politieke werkgroep van de
Verenigde Naties uitte kritiek op het museum en op de aanwezigheid van de
racistische beelden die na de verbouwing waren overgebleven. [175]
Als politieke respons in België op deze commotie riep de toenmalige Belgische
minister van Buitenlandse Zaken Didier Reynders tijdens de conferentie
‘Sharing Past and Future: Strengthening African-European Connections’
in september 2018 op tot een dialoog met de diaspora en samenwerking in
de omgang met restitutievraagstukken. [176] En de toenmalige vicepremier en
minister van Ontwikkelingssamenwerking, Digitale Agenda, Telecommunicatie                51
en Post, Alexander Decroo, benadrukte bij de heropening van het museum
het belang van openheid ten aanzien van restitutie. [177] Er kwamen enkele
initiatieven van de grond om deze intentieverklaringen te concretiseren, onder
andere door de Belgische Senaat, maar deze leidden niet tot resultaat. [178]
Eind april 2019 leidde een nieuwe en bredere opleving van het debat rondom
</pre>

====================================================================== Einde pagina 51 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 52 ======================================================================

<pre>het koloniale verleden in België tot een resolutie van het Brussels Parlement
‘betreffende de Afrikaanse cultuurgoederen en patrimoniale goederen en de
teruggave van de menselijke resten die zich op het Brussels grondgebied
bevinden’. [179]
In januari 2020 presenteerde het AfricaMuseum zijn opvattingen over terug-
gave van cultuurgoederen. Het museum erkent dat het Afrikaans cultureel
                                                                                      Ontwikkelingen in andere Europese landen
erfgoed bezit waarvan de landen van oorsprong de morele eigenaren zijn.
Daarom investeert het museum in herkomstonderzoek en streeft het ernaar zo
snel mogelijk een inventaris van zijn collecties online ter beschikking te stellen.
Ook zal het museum de bevoegde minister adviseren met betrekking tot de
mogelijkheid tot fysieke teruggave van stukken. Voorwaarden voor teruggave
dienen volgens het museum een formeel restitutieverzoek van een erkende
autoriteit te zijn en grondig herkomstonderzoek, uitgevoerd door ad hoc
werkgroepen met wetenschappers, vertegenwoordigers uit Afrika en van de
Afrikaanse diaspora in België. Stukken met een grote symbolische waarde
voor de betrokken landen zullen bijzondere aandacht krijgen. [180]
Op 17 juli 2020 werd een Bijzondere Commissie van de Belgische Kamer
van Volksvertegenwoordigers geïnstalleerd met als opdracht de feiten vast te
stellen over de Congo-Vrijstaat (1885 – 1908) en het Belgisch koloniaal
verleden in Congo (1908 – 1960), Rwanda en Burundi (1919 – 1962).
Deze Commissie is ook gevraagd om aanbevelingen te doen over hoe om
te gaan met het koloniale verleden en om verzoeningsvoorstellen te
formuleren. [181] Teruggave is in België een ingewikkelde kwestie. België kent
                                                                                         Groot-Brittannië
niet of nauwelijks een nationaal cultuurbeleid: zowel Vlaanderen als Wallonië
voeren elk hun eigen cultuurbeleid en veel museaal beleid wordt lokaal
vastgesteld door de grote steden. Ook kunnen volgens de Belgische wet
publieke cultuurgoederen niet vervreemd worden.
5.4   Groot-Brittannië
De Britten waren vanaf het begin van de achttiende eeuw de meest
prominente speler in het koloniale tijdperk. Het Britse Rijk, dat zich
gedurende driehonderd jaar ontwikkelde, strekte zich uit over de gehele
wereld. Sommige gebieden in het imperium waren in de gelegenheid om hun
eigen economie op te bouwen, terwijl andere uitsluitend werden gebruikt
om de Britten van grondstoffen te voorzien. De relaties die Groot-Brittannië
met voormalige koloniën onderhoudt, zijn dan ook verschillend. Evenals
andere voormalige koloniale mogendheden, heeft Groot-Brittannië vele
koloniale collecties; een groot deel ervan wordt tentoongesteld in nationale
musea als het British Museum en het Victoria and Albert Museum, en in
academische instellingen zoals het Pitt Rivers Museum en het Cambridge
Museum of Archeology and Anthropology.
Wat betreft de omgang met koloniale collecties biedt Groot-Brittannië                        52
een divers beeld. Zo zijn er de nationale musea, die gesubsidieerd worden
door de landelijke overheden en wier collecties beheerd worden door
zogeheten trustees, en die zich doorgaans terughoudend opstellen ten aanzien
van vraagstukken rond teruggave. Deze musea mogen, met uitzondering
van menselijke resten en naziroofkunst, vanwege de museum acts die op hen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 52 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 53 ======================================================================

<pre>van toepassing zijn, in principe ook geen cultuurgoederen vervreemden.
Maar er zijn daarnaast ook regionale musea en universiteitsmusea die hun
eigen collecties beheren, en die zich progressiever en pro-actiever opstellen.
Standpunten van de musea variëren daarbij van de opvatting dat koloniaal
erfgoed uit de verschillende gebieden van de wereld het beste naast elkaar in
‘universele musea’ kan worden getoond en dat de discussie over het terug­‐
geven daarvan in de tijd zal uitdoven, tot de opvatting dat het dekoloniseren
                                                                                 Ontwikkelingen in andere Europese landen
van collecties een morele opdracht is die voor de musea ook het positieve
effect heeft van een verbetering van de relaties met de herkomstlanden.
De Britse overheid houdt zich vooralsnog tamelijk stil in deze kwestie en
wijst erop dat dit een zaak is van de musea en hun trustees. Omdat die op hun
beurt weer verwijzen naar de wet die teruggave onmogelijk maakt, komt er in
Groot-Brittannië vooralsnog weinig beweging in de zaak. Dat neemt niet weg
dat er nationale musea zijn die ondanks de wettelijke beperkingen stappen
weten te zetten. Zo gebruiken het Victoria and Albert Museum en het
British Museum langdurige bruiklenen als manier om aan restitutieverzoeken
tegemoet te komen: bruiklenen die geen einddatum hebben of die steeds
weer stilzwijgend worden verlengd. [182]
Ook brengt de Arts Council, een niet-departementale overheidsinstantie
die verantwoordelijk is voor de verdeling van subsidies, naar verwachting in
het najaar van 2020 een guidance voor musea uit voor de omgang met
restitutievraagstukken. In hoeverre de richtlijnen van het Arts Council zullen
                                                                                    Overige landen
leiden tot veranderingen, zal moeten blijken en mede afhankelijk zijn van de
vraag of deze instantie het actief omgaan met vraagstukken rond de teruggave
van koloniale cultuurgoederen als subsidievoorwaarde gaat hanteren.
In juni 2020 kwam de African Foundation for Development (AFFORD) met
een rapport over het restitutievraagstuk rondom Afrikaanse cultuurgoederen
in Groot-Brittannië. Behalve dat het rapport met aanbevelingen komt voor de
Britse overheid, geeft het rapport ook aanbevelingen aan musea, culturele
instellingen, financiers, de Britse bevolking en gemeenschappen binnen die
bevolking (waaronder de Afrikaanse diaspora). Deze aanbevelingen zijn vooral
gericht op het creëren van een klimaat waarin over teruggave gesproken en
onderhandeld kan worden. AFFORD pleit voor internationale samenwerking
om de bewustwording onder de Britse bevolking, in Afrikaanse landen en
de diaspora te versterken, het inventariseren van objecten die kunnen worden
teruggevraagd en voor capacity building in de herkomstlanden. [183]
5.5   Overige landen
Nederland, Frankrijk, Duitsland, België en Groot-Brittannië zijn niet de
enige voormalige koloniale machten met koloniale collecties in hun musea.
Ook bijvoorbeeld Spanje en Portugal waren grootmachten in de koloniale tijd.
In de zestiende eeuw waren ze zelfs voorlopers in het koloniseren van                   53
gebieden in Azië, Zuid- en Midden-Amerika en Afrika. Maar het debat lijkt
in deze landen aanzienlijk minder te leven, terwijl ook deze landen op grote
schaal cultuurgoederen hebben geroofd uit hun koloniën die zichtbaar zijn in
hun musea.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 53 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 54 ======================================================================

<pre>6.       Opvattingen in de herkomstlanden
De gesprekspartners van de Commissie van voormalig gekoloniseerde
landen geven aan dat zij het belangrijk vinden in hun musea de koloniale
                                                                                  Opvattingen in de herkomstlanden
geschiedenis te kunnen vertellen, ook aan de hand van objecten die nu in
Nederland zijn. De gesprekspartners in Suriname en het Caribisch gebied
zijn van mening dat eerst de museale infrastructuur op orde moet worden
gebracht, alvorens deze landen objecten terug kunnen ontvangen.
De gesprekspartners willen graag een structurele museale samenwerking
met Nederland op het gebied van capaciteitsontwikkeling.
De Indonesische gesprekspartners beklemtonen het belang van
gezamenlijk wetenschappelijk herkomstonderzoek. De gesprekspartners
geven aan dat teruggave van cultuurgoederen een zaak is van staat tot
staat, maar dat gemeenschappen tot wier cultuur deze goederen behoren,
daar zelf ook baat bij moeten hebben.
De Commissie is van oordeel dat het beleid over de omgang met koloniale
cultuurgoederen alleen tot de gewenste resultaten kan leiden, als dat beleid
zowel gedragen wordt door Nederland als door de landen waar Nederland
indertijd koloniaal gezag heeft uitgeoefend. Ook als het gaat om teruggave van
cultuurgoederen aan de herkomstlanden, moet worden gewaakt voor een
dominantie van ‘eigen’ opvattingen, gevoelens, normen en waarden, i.c. die
van de ex-kolonisator. Om die reden had de Commissie de intentie om
werkbezoeken af te leggen aan Indonesië, Suriname en de Caribische eilanden
om zich uitgebreid te oriënteren op de aldaar levende wensen en opvattingen.
Door de coronacrisis hebben deze bezoeken echter geen doorgang kunnen
vinden. Wel heeft de Commissie via internet een aantal verkennende
gesprekken gevoerd met deskundigen en overheidsvertegenwoordigers in deze
landen. Ondanks de beperkingen die deze manier van oriëntatie met zich
meebracht, meent de Commissie dat deze gesprekken wel een aantal
interessante noties heeft opgeleverd die van belang zijn voor de beleids­‐
ontwikkeling. Deze worden hieronder kort aangegeven.
In de eerste plaats geven alle gesprekspartners aan dat zij het belangrijk
vinden dat zij het verhaal van hun geschiedenis kunnen vertellen en hun met
Nederland gedeelde geschiedenis ervaren zij als een belangrijk onderdeel
daarvan. Genoemd werd dat het goed kunnen vertellen van dit verhaal nodig
is voor de ontwikkeling en bewustwording van de eigen identiteit, vooral bij de
jeugd. Ook voor het creëren van begrip en waardering voor de multi-etniciteit
van samenlevingen, met name die in de landen in het Caribisch gebied,
is dit verhaal van de koloniale tijd waarin deze multi-etnische samenlevingen
ontstonden, belangrijk.
                                                                                       54
Om dit verhaal te kunnen vertellen, vinden alle landen het belangrijk dat zij
daarvoor kunnen beschikken over uit hun land afkomstige cultuurgoederen
die op dit moment in Nederland zijn. Sommige gesprekspartners gaven
daarbij aan zelf niet meer over cultuurgoederen te beschikken om dat verhaal
</pre>

====================================================================== Einde pagina 54 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 55 ======================================================================

<pre>goed te kunnen vertellen. Het gaat niet alleen om fysieke teruggave, maar
bijvoorbeeld ook om digitale beschikbaarheid en bruiklenen. Daarbij geven de
landen aan dat zij bij het vertellen van dit verhaal graag willen samenwerken
met Nederlandse musea, zodat hun met Nederland gedeelde geschiedenis
vanuit verschillende perspectieven kan worden verteld en daarmee ook beter
kan worden begrepen.
                                                                                   Opvattingen in de herkomstlanden
Overigens onderstrepen de landen dat behalve materieel erfgoed,
ook immaterieel erfgoed voor hun gemeenschappen van groot belang is om
de eigen identiteit te beleven en te waarderen. Met name geldt dat voor
landen die over weinig materieel erfgoed beschikken of weinig mogelijkheden
hebben om dit erfgoed voor hun bevolking goed toegankelijk te maken.
Ook werd genoemd dat immaterieel erfgoed nogal eens door de bevolking
positiever beleefd wordt dan het materiële erfgoed, dat vaak veel explicieter
verwijst naar het (slavernij)verleden.
De gesprekspartners geven aan maar een beperkt zicht te hebben op wat in
Nederland aanwezig is aan cultuurgoederen van hun gemeenschappen.
Dat geldt ook voor de wijze waarop die cultuurgoederen in Nederlands bezit
zijn gekomen. Soms komt men daar bij toeval via internet achter. Daardoor
weten deze landen onvoldoende welke cultuurgoederen voor hen interessant
zouden kunnen zijn. Zij geven aan geholpen te zijn met een goede database
en met samenwerking met Nederlandse musea, waarbij deze musea ook
op eigen initiatief aangeven wat voor de herkomstlanden mogelijk interessante
objecten zijn.
Een belangrijke notie is dat de gesprekspartners van de Caribische eilanden
en Suriname, aangeven dat de eigen museale infrastructuur nog niet, of niet
meer adequaat is voor een verantwoorde omgang met cultuurgoederen.
Er ontbeert vaak een museumbeleid, de beheeromstandigheden zijn niet altijd
optimaal en de inventarisatie van de collecties is vaak niet op orde, waardoor
niet altijd duidelijk is wat waar aanwezig is en wie de eigenaar is. Daarnaast
ontbreekt het de musea aan voldoende expertise en vooral ook aan financiële
middelen. Deze landen geven aan dat terugkeer van erfgoed onwenselijk is
zolang hun museale infrastructuur niet op orde is; het risico is anders te groot
dat erfgoed verloren gaat. Ook geven zij aan dat zij deze infrastructuur
moeilijk op eigen kracht op orde kunnen brengen en is hun hoop gevestigd
op samenwerking met Nederland op dit gebied. De terugkeer van erfgoed
zien deze landen eerder als een sluitstuk dan als een begin van de door
hen gewenste structurele samenwerking met Nederland op het gebied
van capaciteitsontwikkeling.
De Indonesische gesprekspartners geven aan intensiever met Nederland
en met de Nederlandse musea te willen samenwerken op het gebied
van herkomstonderzoek. Expliciet wordt daarbij genoemd het opleiden en
de deskundigheidsbevordering van jonge museummedewerkers. De terugkeer                  55
van objecten naar Indonesië achten gesprekspartners vooral van belang in
het kader van het kunnen vertellen van de gemeenschappelijke geschiedenis
en het helen en versterken van de onderlinge relaties en zij zien deze terugkeer
minder als een belang dat op zichzelf staat.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 55 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 56 ======================================================================

<pre>De gesprekspartners van de landen waarmee de Commissie heeft gesproken,
zijn van mening dat afspraken over teruggave van cultuurgoederen een zaak
is van staat tot staat. Het belang daarvan werd door de ambtelijke vertegen­‐
woordigers van Indonesië en Suriname expliciet benadrukt.
Gesprekpartners gaven aan het ook belangrijk te vinden dat de staat bepaalt
wat er van Nederland wordt teruggevraagd en wat niet. Vertegenwoordigers
van inheemse gemeenschappen in Suriname gaven aan het belangrijk te
                                                                                Opvattingen in de herkomstlanden
vinden dat ook met hen wordt samengewerkt en dat ook zij zelf baat gaan
hebben bij de teruggave van cultuurgoederen.
                                                                                     56
</pre>

====================================================================== Einde pagina 56 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 57 ======================================================================

<pre>7.        Relevante elementen voor de omgang
          met koloniale collecties
                                                                                     Relevante elementen voor de omgang met koloniale collecties
Bij de omgang met koloniale cultuurgoederen en met name bij verzoeken
tot teruggave, speelt een aantal aspecten een rol. In de eerste plaats
is dat de wijze waarop een koloniaal cultuurgoed in Nederlands bezit is
gekomen. Een verzoek om teruggave van een cultuurgoed dat indertijd is
geroofd, vraagt bijvoorbeeld om een andere afweging dan een verzoek
om teruggave van een cultuurgoed dat legitiem door schenking of aankoop
is verkregen of waarvan de herkomstgeschiedenis niet achterhaald kan
worden. Ook het belang van een cultuurgoed, zowel voor het herkomst­‐
land als voor Nederland, is een aspect dat in ogenschouw genomen
kan worden, evenals de bewaaromstandigheden en toegankelijkheid van
het cultuurgoed na eventuele teruggave, en het beschikbaar zijn van
alternatieven voor teruggave. Ten slotte is natuurlijk de vraag belangrijk
wie de huidige eigenaar is: de Rijksoverheid, een andere overheid of een
particulier. In dit hoofdstuk worden deze aspecten uitgewerkt en
toegelicht. Zij vormen de ingrediënten van het door de Commissie in
hoofdstuk 9 geformuleerde beleidskader.
                                                                                          Wijze van verkrijging van koloniale cultuurgoederen
7.1   Wijze van verkrijging van koloniale cultuurgoederen
De wijze waarop een cultuurgoed in Nederlands bezit is gekomen, speelt een
belangrijke rol bij de omgang met koloniale cultuurgoederen. In de eerste
plaats geldt dat voor de presentatie van deze objecten in de musea. Het object
zelf en zijn maatschappelijke, culturele of religieuze betekenis die het indertijd
had en wellicht ook nu nog heeft, vertelt maar een deel van het verhaal.
Juist ook informatie over de manier waarop en bij welke gelegenheid een
cultuurgoed in Nederlands bezit is gekomen en of daarbij ook sprake was van
dwang, plaatst het verhaal in een voor de bezoeker leerzame historische
context. Een context die, indien vanuit verschillende perspectieven belicht,
niet alleen van betekenis kan zijn voor de Nederlandse bezoeker, maar ook
voor bezoekers uit de herkomstlanden. Daarmee kunnen musea bijdragen aan
een meer gedeeld beeld op de geschiedenis en aan meer begrip voor het feit
dat er meerdere perspectieven zijn van waaruit naar het verleden kan worden
gekeken. Nederlanders met wortels in de herkomstlanden kunnen voor musea
daarbij een relevante informatiebron zijn.
Ook in een beleidskader over het teruggeven van koloniale cultuurgoederen,
is de wijze van verwerven vanzelfsprekend een belangrijk aspect. Op cultuur­‐
goederen waarvan sprake was van onvrijwillig bezitsverlies, zijn bij een verzoek
tot teruggave andere juridische en ethische normen van toepassing dan op                       57
cultuurgoederen die op legitieme wijze via schenking of aankoop zijn
verkregen of op die waarvan de herkomstgeschiedenis niet vastgesteld kon
worden. Paragraaf 3.4 van dit advies geeft een beschrijving van de
verschillende manieren waarop indertijd door Nederland koloniale cultuur­‐
</pre>

====================================================================== Einde pagina 57 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 58 ======================================================================

<pre>goederen zijn verkregen. Voor het beleidskader voor de omgang met verzoeken
tot teruggave, onderscheidt de Commissie drie categorieën van koloniale
cultuurgoederen:
1.    cultuurgoederen waarbij sprake was van onvrijwillig bezitsverlies en die dus
      zonder de instemming van de oorspronkelijke eigenaar in Nederlands bezit
      zijn gekomen, bijvoorbeeld door diefstal, roof, afpersing of het meenemen
                                                                                     Relevante elementen voor de omgang met koloniale collecties
      van cultuurgoederen als oorlogsbuit. Een voorbeeld van een dergelijk
      cultuurgoed is de in dit advies eerder genoemde Diamant van Banjarmasin;
2.    cultuurgoederen die met instemming van de eigenaar in Nederlands bezit
      zijn gekomen en die bijvoorbeeld zijn geschonken of door verzamelaars of
      instellingen tegen een reële prijs zijn aangekocht voor verzamelingen,
      tentoonstellingen e.d. Een voorbeeld van een dergelijk cultuurgoed is de
      in hoofdstuk 4 genoemde gouden pijp die door de koning van Ashanti
      is geschonken aan Willem I;
3.    cultuurgoederen waarvan niet duidelijk is of zij al dan niet vrijwillig van
      eigenaar zijn verwisseld, ofwel omdat de verwervingsgeschiedenis zich niet
      eenduidig meer laat vaststellen, ofwel omdat het cultuurgoed indertijd
      geen eigenaar (meer) had.
Omdat de herkomstgeschiedenis van een cultuurgoed een belangrijk element
is bij de afweging om een verzoek om teruggave al dan niet te honoreren,
                                                                                          Het culturele belang van een koloniaal cultuurgoed
is het van belang dat via herkomstonderzoek wordt getracht de wijze
van verwerving van koloniale cultuurgoederen zo eenduidig mogelijk vast
te stellen. In hoofdstuk 9 doet de Commissie daarover aanbevelingen.
Voor sommige cultuurgoederen zal met de huidige kennis van zaken of via
onderzoek de (on)vrijwilligheid van het bezitsverlies met een redelijke mate
van zekerheid kunnen worden achterhaald, maar in veel gevallen zal er sprake
zijn van een grijs gebied omdat ook bijvoorbeeld schenkingen en verkopen
indertijd hebben plaatsgevonden in een situatie van machtsongelijkheid. In die
gevallen zal dus zo goed en zo kwaad als dat met de beschikbare gegevens kan,
een inschatting moeten worden gemaakt van de mate van vrijwilligheid van
de bezitsafstand. Ten slotte is er de categorie van cultuurgoederen waar
ook nader onderzoek geen licht werpt op de herkomstgeschiedenis en mate
van vrijwilligheid van de bezitsoverdracht.
7.2    Het culturele belang van een koloniaal cultuurgoed
Het belang van cultuurgoederen is gelegen in de waarden die zij hebben
en de maatschappelijke functies die zij vervullen. De esthetische waarde van
een cultuurgoed, bijvoorbeeld van een schilderij, een beeld of een sieraad,
kan de aanschouwer een beleving geven van schoonheid of zelfs van geluk.
Cultuurgoederen kunnen ontroeren, troosten, intrigeren en verbazen.
Zij kunnen ook spirituele waarden en functies hebben zoals bij religieuze                      58
relieken, of over vermeende magische krachten beschikken. Daarnaast kunnen
cultuurgoederen ook een symbolische functie hebben, bijvoorbeeld een
kroon als symbool van macht of de beeltenis van een olifant als symbool van
kracht, geduld en wijsheid. Cultuurgoederen hebben ook een
wetenschappelijke functie als dragers van informatie, bijvoorbeeld over een
</pre>

====================================================================== Einde pagina 58 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 59 ======================================================================

<pre>historische gebeurtenis, zoals het Plakkaat van Verlatinghe waarin koning
Filips II niet langer wordt erkend als heer der Nederlanden. Bovenal hebben
cultuurgoederen een sociale waarde en functie: zij verbinden mensen,
verwijzen naar het gemeenschappelijke in een gemeenschap – vaak is dat een
gemeenschappelijk verleden – en zijn daarmee dragers van nationale en
regionale tradities en de identiteit van een land, volk of gemeenschap.
En ten slotte vertegenwoordigen cultuurgoederen ook een economische en
                                                                                  Relevante elementen voor de omgang met koloniale collecties
representatieve waarde: als gewilde en vaak kostbare waar voor handelaren,
verzamelaars en beleggers en, tentoongesteld in (buitenlandse) musea,
als uithangbord voor een land en zijn cultuur en als trekker van toeristen.
Het belang van een koloniaal cultuurgoed dat zich in een Nederlands
museum bevindt, zal vaak voor Nederland anders zijn dan voor het land van
herkomst. Kan een bepaald cultuurgoed voor Nederland bijvoorbeeld vooral
informatieve en wetenschappelijke waarde hebben omdat het een unieke
representant is van een bepaalde tijd en plek in de geschiedenis, voor het land
van herkomst kan het juist de sociale functie van het levend houden van een
traditie zijn die het cultuurgoed belangwekkend maakt. Ook Nederlanders met
wortels in de herkomstlanden hebben in het kader van hun meervoudige
identiteit belang bij de aanwezigheid van hun erfgoed in de Nederlandse
musea. Een beleidskader voor de omgang met verzoeken tot teruggave, zal aan
deze belangen een plaats moeten geven zodat ze bij de afwegingen omtrent
een teruggaveverzoek kunnen worden betrokken. Soms zullen de belangen van
cultuurgoederen voor Nederland en de herkomstlanden elkaar overigens
                                                                                       Het culturele belang van een koloniaal cultuurgoed
overlappen: cultuurgoederen kunnen ook waarden bezitten die niet gebonden
zijn aan een bepaalde fysieke plek of eigenaar. En niet altijd zijn
cultuurgoederen gemaakt voor een bepaalde fysieke omgeving met het
oogmerk om daar te blijven en is er door verplaatsingen een eigen dynamiek in
de voorwerpen en in de beleving ervan gebracht. [184] Sommige voorwerpen
kunnen door de eeuwen heen ook gepolitiseerd zijn geraakt en daarmee voor
één of meerdere gemeenschappen beladen zijn geworden. [185]
Het belang van een cultuurgoed voor het land van herkomst, zal dat
land zelf kunnen aangeven bij de motivering van het verzoek om teruggave.
De maatstaf voor het belang van een cultuurgoed voor Nederland kan
gevonden worden in artikel 3.7 van de Erfgoedwet dat gaat over de bescherm­‐
waardigheid van cultuurgoederen. Dit artikel noemt als beschermwaardig
voor Nederland: ‘een cultuurgoed dat van bijzondere cultuurhistorische of
wetenschappelijke betekenis of uitzonderlijke schoonheid is en dat
als onvervangbaar en onmisbaar behoort te worden behouden voor het
Nederlands cultuurbezit’. Onvervangbaar is een voorwerp indien er
(nagenoeg) geen andere gelijke of gelijksoortige voorwerpen in goede staat in
Nederland aanwezig zijn. Van onmisbaarheid is volgens de toelichting op de
Erfgoedwet sprake als een cultuurgoed duidelijk herinnert aan personen of
gebeurtenissen die voor de Nederlandse geschiedenis van overtuigend belang
zijn, en/of van overtuigend belang is voor de (cultuurgeschiedkundige)                      59
wetenschapsbeoefening in Nederland, en/of wezenlijk bijdraagt aan het
onderzoek naar en de kennis van andere belangrijke cultuurgoederen. [186]
</pre>

====================================================================== Einde pagina 59 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 60 ======================================================================

<pre>7.3   Omstandigheden na teruggave
Ook verwachtingen over wat er na teruggave met een object gebeurt, kunnen
relevant zijn bij de beoordeling van verzoeken tot teruggave. Primair van
belang is natuurlijk dat het object in ‘veilige handen’ komt en bijvoorbeeld niet
het risico loopt om vanwege intern-politieke redenen vernietigd te worden.
Maar ook kan een oordeel over een teruggaveverzoek anders zijn indien het
                                                                                    Relevante elementen voor de omgang met koloniale collecties
verzoek gaat over een cultuurgoed dat zich hier in Nederland in een depot
bevindt en dat na teruggave in het land van herkomst op zaal komt te hangen,
dan wanneer het omgekeerde het geval is en het object in Nederland van zaal
zou moeten worden gehaald om in een depot in het land van herkomst te
verdwijnen. Dit overigens met erkenning van het feit dat er ceremoniële
cultuurgoederen zijn die volgens te respecteren opvattingen in
het land van herkomst juist uit zicht van publiek moeten worden gehouden.
Behalve de toegankelijkheid voor publiek en met name voor leden van
de gemeenschap tot wier cultuur het object behoort, kan ook de blijvende
beschikbaarheid van het cultuurgoed voor wetenschappelijk onderzoek
belangrijk zijn en de mogelijkheid om daarover samenwerkingsafspraken te
maken met het land van herkomst. Ook de beheeromstandigheden op de
plaats waar het cultuurgoed bij teruggave terecht zou komen, kunnen bij de
beoordeling van een teruggaveverzoek een rol spelen.
7.4   Andere modaliteiten naast teruggave
                                                                                         Omstandigheden na teruggave, Andere modaliteiten naast teruggave
Uit de contacten die musea hebben met landen van wie zij cultuurgoederen
bezitten en ook uit de gesprekken die de Commissie met vertegenwoordigers
uit de herkomstlanden heeft gevoerd, blijkt dat het de herkomstlanden niet
altijd in eerste instantie te doen is om teruggave van deze cultuurgoederen.
Het gaat vaak ook om de erkenning van het feit dat het cultuurgoed tegen
de wil van de oorspronkelijke eigenaar is verworven, om wetenschappelijke
samenwerking, om ondersteuning bij het opzetten van opleidingen tot
museummedewerker, om de uitwisseling van kennis over de geschiedenis van
bepaalde cultuurgoederen, om de mogelijkheid van bruiklenen, replica’s en
digitale toegang tot de collecties en om het verzorgen van gemeenschappelijke
presentaties. Een dergelijke samenwerking, die ook voor Nederlandse musea
heel nuttig kan zijn, kan het eigenaarschap minder belangrijk maken en kan
voor herkomstlanden om meerderlei redenen uiteindelijk interessanter zijn
dan een fysieke teruggave. Bijvoorbeeld in gevallen dat Nederland over meer
onderzoeksfaciliteiten beschikt, het herkomstland al beschikt over meerdere
soortgelijke cultuurgoederen of dat de bewaarcondities in Nederland te
verkiezen zijn boven die welke het herkomstland kan bieden. Ook kan de
fysieke terugkeer van een cultuurgoed in het herkomstland zodanige
spanningen opleveren, bijvoorbeeld tussen rivaliserende partijen die elkaar het
eigendom betwisten, dat het herkomstland een andere oplossing prefereert
boven een teruggave. In de contacten met de herkomstlanden over de omgang                     60
met koloniale cultuurgoederen kunnen deze vormen van samenwerking dus
voor deze landen niet alleen een belangwekkende aanvulling zijn op,
maar indien gewenst ook een alternatief vormen voor teruggave.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 60 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 61 ======================================================================

<pre>7.5   Cultuurgoederen niet in het bezit van het Rijk
De minister van OCW heeft om dit advies gevraagd en de strekking van
het advies beperkt zich derhalve tot de omgang door de Staat met koloniale
cultuurgoederen die het zelf in eigendom heeft. Maar niet alleen het Rijk
is eigenaar van koloniale cultuurgoederen. Ook onder lokale overheden,
provincies, universiteiten, stichtingen en particulieren, bevinden zich
                                                                                Relevante elementen voor de omgang met koloniale collecties
eigenaren van dit soort cultuurgoederen en deze hebben alle een eigen
verantwoordelijkheid voor hoe zij daarmee omgaan, inclusief met eventuele
verzoeken tot teruggave. De Commissie kan zich echter voorstellen dat de in
hoofdstuk 9 voorgestelde beleidslijn en de daarvoor aangevoerde argumenten,
ook voor deze andere eigenaren richtinggevend kunnen zijn en dat deze ook
gebruikmaken van de voorgestelde faciliteiten om tot een gefundeerd oordeel
over een verzoek tot teruggave te komen. Op deze plaats wil de Commissie
opmerken dat zij zich kan voorstellen dat de minister een financiële regeling
treft om particuliere eigenaren te compenseren voor de koloniale
cultuurgoederen die zij te goeder trouw hebben verkregen en teruggeven
overeenkomstig de in dit advies voorgestelde beleidslijn.
                                                                                     Cultuurgoederen niet in het bezit van het Rijk
                                                                                          61
</pre>

====================================================================== Einde pagina 61 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 62 ======================================================================

<pre>8.        Het juridisch kader
De omgang met verzoeken tot teruggave van cultuurgoederen is niet
zozeer een juridische als wel een ethische kwestie. Dit vanwege
                                                                                 Het juridisch kader
het verjaringsprincipe in het Nederlandse recht en het feit dat de voor
koloniale cultuurgoederen relevante internationale verdragen geen
terugwerkende kracht kennen. Voor een ethische omgang met verzoeken
om teruggave kunnen de normen en principes van het internationale
humanitaire recht en de ethische codes van internationale maat­‐
schappelijke organisaties, een bruikbaar kompas zijn. Daarin wordt een
coulante omgang met verzoeken tot teruggave bepleit met als uitgangs­‐
punt dat wat gestolen is, in principe teruggegeven moet worden.
Anders dan in een aantal andere Europese landen het geval is, verzet de
Nederlandse wet zich niet tegen teruggave door de Staat van koloniale
cultuurgoederen aan herkomstlanden.
Beschreef het vorige hoofdstuk de inhoudelijke elementen van een beleids­‐
kader voor de omgang met verzoeken tot teruggave van koloniale objecten,
dit hoofdstuk gaat in op de vraag of er nationale rechtsregels, internationale
verdragen en ethische codes van maatschappelijke organisaties zijn
die handvatten bieden voor de omgang met verzoeken tot teruggave van
                                                                                  Het recht in de koloniale gebieden
onvrijwillig verloren koloniale cultuurgoederen.
8.1   Het recht in de koloniale gebieden
Het eerste pad dat de Commissie hier verkent, is dat van het recht dat
indertijd van toepassing was in de koloniale gebieden. Het gaat daarbij om
de vraag of aan de hand van dat recht vastgesteld kan worden in welke
gevallen er in de koloniale tijd bij het verwerven van objecten sprake was
van een onrechtmatige inbreuk op eigendomsrechten en vervolgens of deze
eventuele onrechtmatigheden vandaag de dag het uitgangspunt kunnen
vormen van een op juridische argumenten gebaseerd teruggavebeleid.
Voor het antwoord op deze vragen is allereerst van belang dat voldoende
kenbaar is hoe het recht in de koloniale gebieden indertijd luidde. Vervolgens
is van belang dat de huidige eigenaar op deze schending nog juridisch
aangesproken kan worden en ten slotte – en dat is een meer praktisch punt –
moeten er rechtsopvolgers zijn van de oorspronkelijke eigenaren die bij de
huidige eigenaren een claim tot teruggave kunnen indienen.
De Commissie komt tot de conclusie dat vele barrières dit pad onbegaanbaar
maken. In de eerste plaats is het zo dat het recht in de koloniale gebieden
                                                                                     62
in de honderden jaren tijd dat Nederland koloniaal gezag uitoefende, voort­‐
durend veranderde: koloniale reglementen werden aangepast al naar gelang
de situatie er volgens de kolonisator om vroeg. En ondanks het zogenaamde
concordantiebeginsel, verschilde het recht ook nog eens per kolonie en
per gebied binnen een kolonie en golden voor verschillende bevolkingsgroepen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 62 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 63 ======================================================================

<pre>verschillende regels en verschillende niveaus van rechtsbescherming. Daarbij
was ook niet altijd duidelijk wie tot welke bevolkingsgroep behoorde of welke
nationaliteit had. De oorspronkelijke bevolking werd in sommige gebieden
en in sommige perioden als Nederlands onderdaan beschouwd – en had
daarbij soms wel maar soms ook weer niet dezelfde rechten als Nederlanders –
en in andere perioden weer niet. Deze grote diversiteit aan regels, maakt het
moeilijk om voor concrete gevallen vast te stellen welke rechtsregels van
                                                                                  Het juridisch kader
toepassing waren en of verwervingen indertijd al dan niet legaal waren.
En naast deze meer praktische barrière, speelt de meer principiële vraag of
de rechtsregels van de kolonisator, die gebaseerd waren op een dualistisch
principe dat de oorspronkelijke bevolkingsgroepen ongelijke rechtsposities gaf,
wel de maat moeten zijn waarmee vandaag de dag over verzoeken tot
teruggave wordt geoordeeld. Ten slotte is er de barrière dat de mogelijkheid
voor een rechtsopvolger van de oorspronkelijke eigenaar om de teruggave van
een object te claimen, in beginsel naar Nederlands recht al lange tijd is
verjaard. Anders dan bijvoorbeeld in common law landen als Groot-Brittannië,
Ierland, Australië en in de Verenigde Staten – landen met een sterke
rechtspositie voor de oorspronkelijke eigenaar – wordt in het Nederlands recht
niet zozeer de oorspronkelijke eigenaar, maar de huidige bezitter beschermd
door rechtsuitgangspunten als verwerving te goeder trouw en verjaring. [187]
Zelfs bezitters te kwader trouw worden door het Nederlandse recht
beschermd in de zin dat ook zij uiteindelijk door verjaring het eigenaarschap
verwerven en dat de mogelijkheid van de oorspronkelijke eigenaar om de
huidige eigenaar aan te spreken op onrechtmatige daad, eveneens verjaart.
                                                                                   Het internationale recht
Overigens en voor de volledigheid, is de barrière van verjaring geen absolute.
In de eerste plaats kan de eigenaar afzien van het doen van een beroep daarop,
zoals de Staat dat doet ten aanzien van tijdens de Tweede Wereldoorlog
onvrijwillig verloren cultuurgoederen en daarnaast zijn er voorbeelden waarbij
de rechter in gevallen van excessief koloniaal geweld, de verjaring buiten
toepassing heeft verklaard. [188][189]
8.2   Het internationale recht
Het tweede pad dat de Commissie verkent, is dat van het internationale recht:
biedt dat recht mogelijk aanknopingspunten voor een op juridische gronden
gebaseerd teruggavebeleid?
Vanaf medio vorige eeuw is in internationaal verband een aantal verdragen tot
stand gebracht dat betrekking heeft op de bescherming van cultureel erfgoed
tegen vernietiging bij gewapende conflicten en op het tegengaan van illegale
handel in cultuurgoederen. De twee belangrijkste daarvan zijn de Unesco-
verdragen van 1954 en 1970 die hierna kort worden besproken. Maar ook al
voor die tijd vormden cultuur en cultureel erfgoed een onderwerp van
internationale afspraken. Zo werd tijdens het Congres van Wenen in 1815,
nadat Napoleon definitief van het Europese strijdtoneel was verdwenen, de
teruggave geregeld van de onder zijn regime geroofde objecten. Het ging              63
daarbij overigens niet om teruggave van objecten van de koloniale
mogendheden aan de gekoloniseerde gebieden, maar uitsluitend om teruggave
aan Europese landen onderling. Ook de Brussels Declaration 1874 waarin
een vijftiental Europese landen op initiatief van Tsaar Alexander II afspraken
maakten over de wetten en gebruiken bij oorlog, bevatte bepalingen over de
</pre>

====================================================================== Einde pagina 63 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 64 ======================================================================

<pre>bescherming van historische gebouwen en kunstwerken tegen inbeslagname
en vernietiging. [190] Hoewel niet alle deelnemende landen deze afspraken
als een bindend verdrag wilden accepteren, vormde de Brussels Declaration
een belangrijke grondslag voor de Haagse Conventies van 1899 en 1907 over
de bij oorlogsvoering in acht te nemen regels. Ook deze verdragen bevatten
bepalingen die de bescherming van cultuur en cultureel erfgoed tijdens
oorlogsvoering tot doel hadden. [191]
                                                                                Het juridisch kader
Het eerste internationale verdrag dat specifiek de bescherming van cultureel
erfgoed bij gewapende conflicten tussen landen tot onderwerp heeft, is het
Unesco-verdrag van 1954, inzake de bescherming van culturele goederen in
geval van een gewapend conflict en het daarbij behorende Eerste Protocol,
ook wel de Haagse Conventie van 1954 genoemd. [192] Dit in 2007 door
Nederland geïmplementeerde verdrag, was een reactie van de internationale
gemeenschap op de vernietiging en roof van erfgoed in de Tweede
Wereldoorlog. Het Verdrag voorziet in preventieve maatregelen, roept op tot
het ontzien van erfgoed bij gewapende conflicten, bevat bepalingen over het
teruggeven van illegaal uit bezet gebied uitgevoerd erfgoed en over de
compensatie van eigenaren die te goeder trouw in het bezit van dat erfgoed
zijn gekomen.
Het tweede belangrijke internationale verdrag dat is gewijd aan de
bescherming van erfgoed, is het Unesco-verdrag van 1970 inzake de middelen
om onrechtmatige invoer, uitvoer of eigendomsoverdracht van cultuur­‐
                                                                                 Het internationale recht
goederen te verbieden en te verhinderen. [193] Dit in 2009 door Nederland
geratificeerde verdrag is tot stand gekomen om een halt toe te roepen aan de
in de jaren na de dekolonisatie sterk toenemende handel in geroofde culturele
voorwerpen. Daarbij ging het met name om de illegale handel in objecten
die uit musea en archeologische sites in de voormalige koloniën waren geroofd
en die over de hele wereld gretig aftrek vonden bij musea en particuliere
verzamelaars. Niet alleen in de koloniale tijd, maar ook daarna, tot aan
vandaag de dag aan toe, lopen deze landen een vergroot risico op verlies van
hun erfgoed. Het verdrag beoogt deze illegale handel in cultureel erfgoed een
halt toe te roepen door preventiemaatregelen, internationale samenwerking
en de teruggave van illegaal ingevoerde goederen aan het herkomstland.
In aanvulling op het Unesco-verdrag van 1970, is in 1995 het
Unidroit-verdrag tot stand gebracht dat beoogt diefstal en illegale handel in
kunstvoorwerpen tegen te gaan en dat zich met name richt op de restitutie
van erfgoed. [194]
Deze verdragen gaan uit van het principe dat culturele objecten een speciale
bescherming verdienen, dat vernietiging of roof moet worden voorkomen,
dat illegale handel in cultuurgoederen moet worden bestreden, dat illegaal
ingevoerd erfgoed moet worden gerestitueerd en dat bij restitutie eigenaren
te goeder trouw moeten worden gecompenseerd. Maar zij bieden geen                  64
toepasbaar juridisch kader voor de omgang met c.q. de teruggave van objecten
waarvan sprake was van onvrijwillig bezitsverlies. Het oorlogsrecht zoals
geregeld in bovengenoemde Haagse Conventies, biedt weinig houvast omdat
de koloniale oorlogen vooral werden beschouwd als binnenlandse
</pre>

====================================================================== Einde pagina 64 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 65 ======================================================================

<pre>aangelegenheden en niet als oorlogen tussen afzonderlijke staten. En zou dat
wel het geval zijn geweest, dan biedt dat recht geen pasklare oplossingen. [195]
Wat betreft de beide Unesco-verdragen uit 1954 en 1970 moet in de eerste
plaats worden opgemerkt dat noch Indonesië, noch Suriname tot deze
verdragen zijn toegetreden, zodat zij niet van toepassing zijn op uit deze
landen afkomstig erfgoed. Verder hebben deze verdragen als gemeen­‐
schappelijke noemer dat zij geen terugwerkende kracht kennen. [196]
                                                                                   Het juridisch kader
Zij zijn dus niet van toepassing op objecten die voor de implementatie van
deze verdragen – voor Nederland is dat voor het begin van de huidige eeuw –
uit de koloniën zijn geroofd. Dat wil voor alle duidelijkheid natuurlijk niet
zeggen dat deze verdragen daarmee handelingen en transacties legaliseren die
voor de totstandkoming van deze verdragen illegaal waren. Wat dat wel zegt,
is dat deze verdragen niet aangeroepen kunnen worden als juridische basis
voor verzoeken om teruggave. [197]
8.3   Soft Law
Met bovenstaande constatering is zeker niet alles gezegd over deze
verdragen. Het gaat namelijk niet alleen om de vraag of deze verdragen al dan
niet toepasbaar zijn op indertijd in de koloniale gebieden verworven objecten,
het gaat ook om de principes die aan deze verdragen ten grondslag liggen;
principes die weerspiegelen hoe de internationale gemeenschap vandaag de
dag denkt over het belang van het respecteren van cultuur en cultureel erfgoed
en over het belang van het beschermen van het eigendom daarvan.
En daarmee bieden deze verdragen weliswaar geen juridisch, maar wel een
                                                                                    Soft Law
ethisch kader voor de omgang met objecten waarvan indertijd sprake was
van onvrijwillig bezitsverlies. [198]
Dergelijke principes zijn ook terug te vinden in het internationale humanitaire
recht en de internationale verklaringen die gaan over het recht op cultuur
en het recht van gemeenschappen op toegang tot hun erfgoed. Ook deze
verklaringen, hoewel ook zij niet juridisch bindend zijn, bieden een kader voor
hoe landen met cultuur moeten omgaan en hoe zij de culturele rechten van
gemeenschappen moeten respecteren. Belangrijk in dit verband is de
Verklaring van de Verenigde Naties over de Rechten van Inheemse Volkeren
van 2007. Deze verklaring beoogt de bescherming van de individuele en
collectieve rechten van inheemse volkeren op een veelheid van terreinen,
waaronder dat van cultuur. Zo stelt artikel 11 dat inheemse volkeren het recht
hebben op de bescherming van de voortbrengselen van hun cultuur en roept
het staten op tot het bieden van genoegdoening voor de culturele eigen­‐
dommen die hen tegen hun wil zijn afgenomen, onder andere door middel van
restitutie. Ook vraagt de verklaring in artikel 12 van staten om de toegang tot
of teruggave van ceremoniële objecten en menselijke resten mogelijk te
maken. [199] Deze verklaring weerspiegelt dat de internationale gemeenschap
het belang onderschrijft van het recht van volkeren op toegang tot hun eigen
cultuur, inclusief de voortbrengselen daarvan in het verleden.                        65
</pre>

====================================================================== Einde pagina 65 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 66 ======================================================================

<pre>Behalve bovengenoemde verdragen en verklaringen zijn er ook de codes van
maatschappelijke organisaties die op dit punt normerende uitspraken doen.
De Ethische Code voor Musea van de International Council of Museums
(ICOM) spreekt bijvoorbeeld heldere taal waar het zegt dat musea bereid zijn
een dialoog op gang te brengen over de teruggave van cultuurgoederen en dat
zij meewerken aan restitutie bij verzoeken door een land of gemeenschap van
herkomst om teruggave van cultureel erfgoed dat in strijd met internationale
                                                                                   Het juridisch kader
of nationale bepalingen is verkregen. [200]
In lijn met de ethische code van ICOM, zijn tot slot nog te noemen
de ‘Principles for Cooperation in the Mutual Protection and Transfer
of Cultural Material’ van de International Law Association (ILA). [201]
Deze principes promoten de gedachte achter de Unesco 1970 en Unidroit
1995-verdragen en zetten partijen aan om in restitutiekwesties in goed
vertrouwen via onderhandelingen tot elkaar te komen. Daarvoor geven zij
richtlijnen, ook voor wanneer partijen er onderling niet uitkomen. Ook deze
niet-bindende principes hebben een belangrijke normerende werking met
betrekking tot de omgang met verzoeken om teruggave, aangezien ze gedragen
worden door een belangrijke en relevante gemeenschap van juristen in het
internationale recht. [202]
Concluderend, leveren dus zowel het eigendomsrecht als de internationaal­‐
rechtelijke verdragen geen grondslagen voor een kader aan de hand waarvan
op strikt juridische gronden een teruggave kan worden geclaimd en/of worden
gehonoreerd. [203] Wel bieden de principes die aan deze verdragen ten grond­‐
slag liggen, alsmede de verklaringen inzake mensenrechten en de ethische            Soft Law
codes van maatschappelijke organisaties, relevante uitgangspunten voor een
morele beoordeling van verzoeken om teruggave. Het gaat daarbij om algemeen
in de internationale gemeenschap als normerend ervaren uitspraken door
gezaghebbende organisaties die in de juridische literatuur wel als ‘soft law’
worden aangeduid. Deze vormen, anders dan de zogenoemde ‘hard law’ geen
afdwingbaar recht, maar bieden landen een kompas voor hoe om te gaan met
verzoeken tot teruggave. Juist ook vanwege de hierboven geconstateerde
ontoereikendheid van de ‘hard law’ in dezen, wordt het vraagstuk rond de
teruggave van objecten steeds meer vanuit de invalshoek van de ‘soft law’
benaderd. [204] Een benadering waarin dus niet het juridische argument van
de (on)rechtmatigheid van verwervingen centraal staat, maar de gedachte
dat over de aanvaardbaarheid van toenmalige verwervingen moet worden
geoordeeld aan de hand van huidige opvattingen, normen, waarden en rechts­‐
regels. En dat het onthouden van een gemeenschap van de toegang tot voor
haar cultuur wezenlijke objecten een schending is van een mensenrecht en
daarmee een argument vormt voor teruggave. In deze ‘soft law’ benadering,
waarin een coulante omgang met verzoeken tot teruggave wordt bepleit en die
uitgaat van het principe dat wat gestolen is, teruggegeven moet worden,
wordt over deze verzoeken dan ook niet besloten via juridische procedures,
maar via alternatieve buitengerechtelijke procedures waarin overwegingen              66
van redelijkheid en billijkheid een belangrijke plaats hebben. [205][206] Ook in
Unesco-verband bestaat er al geruime tijd een dergelijke procedure om
lidstaten te ondersteunen bij het omgaan met verzoeken tot teruggave. [207]
</pre>

====================================================================== Einde pagina 66 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 67 ======================================================================

<pre>Vergelijking met nazi-roofkunst
Hier kan een vergelijking worden gemaakt met de omgang met door de
nazi’s in de Tweede Wereldoorlog geroofde kunst. De internationale leidraad
voor deze omgang is vastgelegd in de befaamde ‘Washington Principles’
die in 1998 tijdens de Washington Conference on Holocaust Era Assets zijn
vastgesteld. [208] Ook deze principles bevatten geen afdwingbare rechten en
verplichtingen, maar wel gezaghebbende gedragsregels die internationaal
                                                                                   Het juridisch kader
geaccepteerd zijn en waaraan landen zich gebonden weten. Ook de omgang
met nazi-roofkunst is dus gebaseerd op ‘soft law’ en ook hier worden
– in principle 11 – landen aangemoedigd om ‘alternative dispute resolution
mechanisms for ownership issues’ op te zetten.
Overigens merkt de Commissie op dat er belangrijke verschillen bestaan
tussen de nazi-roofkunst en de in de koloniale gebieden onrechtmatig
verkregen cultuurgoederen. De roof door de nazi’s van kunst van joodse
eigenaren vond plaats in een relatief korte tijdsperiode – tussen 1933
en 1945 – en maakte deel uit van een genocide. De oorspronkelijke eigenaren
en hun nakomelingen van de nazi-roofkunst zijn meestal bekend en ook de
wijze waarop het bezit indertijd is verloren, is vaak nog goed te reconstrueren.
Anders is de situatie bij de uit koloniale gebieden geroofde kunstvoorwerpen.
Dat onvrijwillige bezitsverlies vond wijdverspreid over de wereld plaats
gedurende een periode van ruim 400 jaar. De oorspronkelijke eigenaren en
hun nakomelingen zijn vaak niet meer te traceren en ook de
verwervingsgeschiedenis is vanwege het lange tijdsverloop en de vaak
ontoereikende bronnen, veel lastiger te achterhalen. [209]
                                                                                    Wettelijke belemmeringen voor teruggave
8.4   Wettelijke belemmeringen voor teruggave
Waar de vraag of een object in aanmerking komt voor teruggave dus vooral
een ethische kwestie is, is de vraag of vervolgens ook tot daadwerkelijke
teruggave kan worden overgegaan, wel een juridische: nationale regelgeving
kan een dergelijke teruggave in de weg staan. Dat zien we bijvoorbeeld in
landen als Frankrijk, België en Groot-Brittannië waar wettelijk is vastgelegd
dat objecten uit openbare collecties niet vervreemd mogen worden en in
principe dus ook niet mogen worden teruggegeven.
Ook in Nederland zijn wettelijke bepalingen van toepassing op de
vervreemding van objecten die in publiek bezit zijn. Deze zijn te vinden in
paragraaf 4.2. van de Erfgoedwet. [210] Deze paragraaf regelt kort samengevat
dat indien de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, gedeputeerde
staten of het college van burgemeester en wethouders, van plan is een
cultuurgoed te vervreemden, dit publiekelijk bekendgemaakt moet worden.
Daarbij moeten ook de motieven voor de voorgenomen vervreemding worden
aangegeven. Indien de beoogde nieuwe eigenaar een niet-publiekelijk
rechtspersoon is en bovendien redelijkerwijs kan worden vermoed dat het
cultuurgoed een bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis           67
heeft en onvervangbaar en onmisbaar is voor het Nederlands cultuurbezit,
dan moet voordat de vervreemding plaatsvindt, een onafhankelijke en
deskundige commissie een oordeel geven over de juistheid van dit vermoeden.
Dit oordeel kan vervolgens betrokken worden bij de afweging om het plan
tot vervreemding al dan niet door te zetten. Indien door de publiekrechtelijke
</pre>

====================================================================== Einde pagina 67 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 68 ======================================================================

<pre>rechtspersoon geen advies wordt gevraagd, dan kan iedereen bij de betrokken
rechtspersoon zienswijzen indienen die deze bij haar afwegingen over het al
dan niet doorzetten van de vervreemding dient mee te nemen, dan wel reden
kunnen zijn om alsnog de commissie in te schakelen voor een oordeel over
het belang van het cultuurgoed. Maar het staat de publiekrechtelijke
rechtspersoon die eigenaar is van het object vervolgens vrij om de eventuele
zienswijzen en het advies van de commissie wel of niet op te volgen.
                                                                               Het juridisch kader
Anders dan in vele andere landen het geval is, kent Nederland dus geen
wettelijke bepalingen die aan teruggave van objecten door de Nederlandse
Staat aan herkomstlanden in de weg staan.
                                                                                Wettelijke belemmeringen voor teruggave
                                                                                   68
</pre>

====================================================================== Einde pagina 68 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 69 ======================================================================

<pre>9.         Advies aan de minister over de
           omgang met koloniale collecties
                                                                                     Advies aan de minister over de omgang met koloniale collecties
1.   De eerste stap in de ontwikkeling van een beleid over de omgang met
     koloniale collecties is naar oordeel van de Commissie de erkenning dat
     door het tegen hun wil in bezit nemen van cultuurgoederen,
     de oorspronkelijke bevolking van de koloniale gebieden onrecht
     is aangedaan.
2.   De tweede stap is het uitspreken van de bereidheid om dit historisch onrecht,
     dat tot op de dag van vandaag nog als onrecht wordt ervaren,
     waar mogelijk te herstellen en deze bereidheid tot uitgangspunt te maken
     van het beleid over de omgang met koloniale collecties.
3.   De Commissie adviseert dat beleid vast te stellen na dit afgestemd te
     hebben met de landen waar Nederland langere tijd koloniaal gezag
     uitoefende, waaronder in ieder geval Indonesië, Suriname en de Caribische
     eilanden. Respecteer en bied ruimte voor de opvattingen van deze landen
     en maak per land waar nodig maatwerk mogelijk. Alleen een gezamenlijk
     gedragen beleid over de omgang met koloniale cultuurgoederen kan voor
     alle partijen tot bevredigende uitkomsten leiden. Waak, met andere
     woorden, voor een neokoloniale herhaling van het verleden waarin vooral
     eigen opvattingen, gevoelens, normen en waarden leidraad zijn voor
     het handelen.
4.   Als inzet voor deze gezamenlijke beleidsontwikkeling adviseert de
     Commissie richting de landen waar Nederland koloniaal gezag uitoefende,
     de bereidheid uit te spreken tot een onvoorwaardelijke teruggave van alle
     cultuurgoederen waarvan met een redelijke mate van zekerheid kan worden
     aangetoond dat de herkomstlanden deze indertijd onvrijwillig zijn kwijt­‐
     geraakt en die vervolgens in bezit van de Nederlandse Staat zijn gekomen.
     Dit vanzelfsprekend voor zover het land van herkomst deze teruggave
     ook wenst.
5.   De bereidheid tot onvoorwaardelijke teruggave betekent dat het belang
     van het herstel van historisch onrecht bij een verzoek om teruggave
     niet wordt afgewogen tegen andere belangen, hoe relevant deze op zichzelf
     genomen ook kunnen zijn. Herstel van onrecht wordt naar oordeel van
     de Commissie niet pas gerealiseerd in het concrete geval van een teruggave,
     maar ook en vooral door in het beleid dit onrecht te erkennen en het
     herstel daarvan als principieel uitgangspunt te hanteren.
                                                                                                69
</pre>

====================================================================== Einde pagina 69 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 70 ======================================================================

<pre>6.   De Commissie adviseert richting de herkomstlanden waar Nederland
     koloniaal gezag uitoefende, aan te geven dat Nederland ook bereid is
     om verzoeken tot teruggave in overweging te nemen van cultuurgoederen
     in rijksbezit, waarvan de herkomstgeschiedenis niet kan worden vastgesteld
     of niet wijst op onvrijwillig bezitsverlies. Dit voor zover deze cultuur­‐
     goederen voor het land van herkomst een bijzonder cultureel, historisch of
     religieus belang vertegenwoordigen. Anders dan het geval is bij cultuur­‐
                                                                                      Advies aan de minister over de omgang met koloniale collecties
     goederen die onvrijwillig verloren zijn gegaan, dient volgens de Commissie
     bij een oordeel over dergelijke verzoeken het belang van teruggave voor het
     herkomstland naar redelijkheid en billijkheid afgewogen te worden tegen
     andere relevante belangen. Voor deze verzoeken geldt immers niet het
     principiële argument van herstel van onrecht, maar het argument van
     honorering van een bijzonder belang van het herkomstland. Voorbeelden
     van daarbij af te wegen belangen zijn het belang van een cultuurgoed voor
     Nederland, de bewaaromstandigheden en toegankelijkheid na eventuele
     teruggave en het beschikbaar zijn van alternatieven voor teruggave.
7.   De Commissie adviseert om ook verzoeken tot teruggave van cultuur­‐
     goederen in rijksbezit in overweging te nemen van landen die door
     andere mogendheden gekoloniseerd waren. Omdat bij dergelijke verzoeken
     een bredere afweging aan de orde kan zijn, adviseert de Commissie
     daarover steeds naar redelijkheid en billijkheid en op grond van een
     afweging van belangen te besluiten. Dit neemt niet weg dat als het verzoek
     een onvrijwillig verloren cultuurgoed betreft, ook hier naar oordeel van de
     Commissie de mogelijkheid van herstel van onrecht het uitgangspunt moet
     zijn. Dit omdat ongeacht of Nederland zelf mede-veroorzaker was van
     het onrecht in deze landen, het als huidige bezitter van het cultuurgoed
     als enige in staat is om dat onrecht te herstellen.
8.   Een besluit over een verzoek tot teruggave van een cultuurgoed door het
     land van herkomst dient, voor zover het cultuurgoed eigendom is van
     de Staat, genomen te worden door de minister van OCW. De Commissie
     adviseert dat de minister over deze verzoeken besluit op geleide van een
     openbaar advies van een daartoe in te stellen onafhankelijke Advies­commissie.
     Daarmee wordt bereikt dat de besluiten van de minister gebaseerd worden
     op een deskundigenoordeel dat los van het eigenaars­belang tot stand
     is gekomen.
9.   De Commissie adviseert om een Expertisecentrum Herkomst Koloniale
     Cultuurgoederen op te richten met als taken de verificatie van de herkomst
     van cultuurgoederen bij teruggaveverzoeken, het voor zover nodig doen,
     of laten doen, van aanvullend herkomstonderzoek, het opzetten, beheren en
     algemeen toegankelijk maken van een database over de herkomst van
     koloniale cultuurgoederen in Nederlandse musea en de deskundigheids­‐
     bevordering van musea.
                                                                                                 70
</pre>

====================================================================== Einde pagina 70 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 71 ======================================================================

<pre>10. Een    noodzakelijke voorwaarde voor het uitvoeren van de
      door de Commissie geadviseerde beleidslijn, is kennis over wat er in de
      Nederlandse musea aan koloniale cultuurgoederen aanwezig is en over de
      wijze waarop deze cultuurgoederen indertijd zijn verworven. Voor de
      herkomstlanden is deze kennis onontbeerlijk om cultuurgoederen terug te
      kunnen vragen. De Commissie adviseert de minister de musea te wijzen
      op hun verantwoordelijkheid voor het doen van onderzoek naar de
                                                                                    Advies aan de minister over de omgang met koloniale collecties
      herkomstgeschiedenis van hun koloniale cultuurgoederen en hun kennis
      daarover toegankelijk te maken voor de herkomstlanden.
11. Uit    gesprekken van de Commissie met vertegenwoordigers van de
      herkomst­­landen, kwam steeds weer naar voren dat het hen niet alleen
      gaat om de eventuele teruggave van cultuurgoederen. Ondersteuning
      bij het opzetten van een museale infrastructuur met goede
      bewaar­­omstandigheden, de opleiding van deskundige medewerkers,
      de mogelijkheid voor studenten om in Nederlandse musea stage te lopen,
      het doen van gemeenschappelijk onderzoek en de uitwisseling van kennis,
      zijn onderwerpen die door de herkomstlanden steeds weer als belangrijk
      genoemd werden. Deze gesprekken brachten de Commissie tot het inzicht
      dat een adequate omgang met verzoeken tot teruggave niet een
      eindresultaat is, maar onderdeel moet zijn van een samenwerking tussen
      Nederland en de herkomstlanden waarin gezamenlijk wordt opgetrokken
      teneinde vanuit verschillende perspectieven het verhaal van de koloniale
      tijd te kunnen vertellen. De Commissie adviseert de ministers van OCW,
      Buitenlandse Zaken en Buitenlandse Handel en Ontwikkelings­‐
                                                                                         Het beleidskader
      samenwerking dan ook om de museale samenwerking tussen Nederland
      en de herkomstlanden tot onderwerp van het internationale cultuurbeleid
      te maken. Ook adviseert de Commissie de minister van OCW in het beleid
      met betrekking tot de BES-eilanden aandacht aan deze museale
      samenwerking te geven.
12. Ten    slotte: ook andere Europese ex-koloniale mogendheden zijn op
      dit moment zoekende hoe zij moeten omgaan met hun koloniale cultuur­‐
      goederen. De Commissie adviseert daarom om, al dan niet in Unesco-
      verband, te investeren in de uitwisseling van kennis, ideeën en opvattingen
      tussen deze landen en om met gelijkgestemden naar mogelijkheden te
      zoeken voor meer internationale samenwerking en afstemming.
9.1    Het beleidskader
De minister van OCW heeft de Raad voor Cultuur gevraagd een
toekomstperspectief te schetsen voor de omgang met koloniaal erfgoed en
de internationale samenwerking op dit gebied, en om haar te adviseren over
een procedure voor de omgang met verzoeken tot teruggave. Als eerste merkt
de Commissie daarbij op dat zij het belangrijk vindt dat over het beleid met
betrekking tot koloniale cultuurgoederen afspraken worden gemaakt met                          71
de herkomstlanden. Dit beleid kan alleen tot bevredigende resultaten leiden
als het recht doet aan zowel de perspectieven van Nederland als aan die van
de voormalig door Nederland gekoloniseerde landen. Het onderstaande is
</pre>

====================================================================== Einde pagina 71 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 72 ======================================================================

<pre>derhalve te lezen als advies aan de minister voor het Nederlandse perspectief
dat in de gesprekken met de herkomstlanden kan worden ingebracht.
De Commissie adviseert in het beleid over koloniale cultuurgoederen een
onderscheid te maken tussen cultuurgoederen met een herkomst gevoeligheid
en cultuurgoederen met een culturele, historische of religieuze gevoeligheid. [211]
Onder cultuurgoederen met een herkomst gevoeligheid verstaat de Commissie
                                                                                      Advies aan de minister over de omgang met koloniale collecties
cultuurgoederen die behoren tot de eerste van in paragraaf 7.1 genoemde
categorieën van verkrijging: cultuurgoederen waarvan sprake was van
onvrijwillig bezitsverlies en die dus zonder de instemming van de
oorspronkelijke eigenaar in Nederlands bezit zijn gekomen, bijvoorbeeld door
diefstal, roof, afpersing of het meenemen van cultuurgoederen als oorlogsbuit.
Onder objecten met een culturele, historische of religieuze gevoeligheid
verstaat de Commissie objecten die zich in Nederlandse collecties bevinden en
die, ongeacht de wijze waarop zij in Nederlands bezit zijn gekomen, voor het
land van herkomst een bijzondere waarde vertegenwoordigen. Voor de
duidelijkheid: beide categorieën sluiten elkaar niet uit: cultuurgoederen
kunnen tot beide categorieën behoren.
Voor de beoordeling of een cultuurgoed beschouwd moet worden als
herkomstgevoelig, acht de Commissie, om de in paragraaf 8.1 aangegeven
praktische en principiële redenen, het toenmalig geldende recht en de daaraan
ten grondslag liggende opvattingen, geen bruikbare maatstaf. Dat recht is
niet goed kenbaar en – belangrijker – het bood de oorspronkelijke bevolking in
                                                                                           Het beleidskader
vergelijking met de Nederlanders geen gelijke rechtsbescherming. Het recht
in een tijd van onrecht kan naar oordeel van de Commissie niet richting­‐
gevend zijn voor de wijze waarop verantwoordelijkheid voor het verleden
wordt genomen. Voor het nemen van die verantwoordelijkheid is nodig dat het
handelen van toen bezien wordt in het licht van de huidige normen, waarden,
rechtsregels en internationaal gedeelde opvattingen en dat op basis daarvan
gehandeld wordt. Dat geldt volgens de Commissie ook onverkort voor de
omgang met in de koloniale tijd verworven cultuurgoederen. Uitgangspunt
moet volgens de Commissie de vraag zijn of de wijze van het bezitsverlies
vandaag de dag als onrechtmatig of onethisch moet worden gekwalificeerd.
Teruggave van herkomstgevoelige objecten
De Commissie adviseert de minister haar beleid over de omgang
met koloniale collecties in de eerste plaats te richten op herkomstgevoelige
cultuurgoederen. Deze cultuurgoederen kunnen naar het oordeel van
de Commissie geen onderdeel blijven uitmaken van de Nederlandse museale
collecties indien zij terug worden gewenst door de landen die deze objecten
onvrijwillig hebben verloren en die onderdeel vormden of vormen van hun
cultuur. Ten aanzien van deze cultuurgoederen dient ‘herstel van historisch
onrecht’ plaats te vinden; ‘historisch onrecht’ dat tot op de dag van vandaag
nog als ‘levend onrecht’ wordt ervaren. De Commissie is derhalve van mening
dat koloniale cultuurgoederen waarvan herkomstonderzoek met een redelijke                        72
mate van zekerheid heeft aangetoond dat zij tegen de wil van de eigenaar
in Nederlands bezit zijn geraakt, aan het land van herkomst moeten worden
teruggegeven, indien dat land dit wenst.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 72 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 73 ======================================================================

<pre>De Commissie is van mening dat het hier dient te gaan om een principiële
beleidslijn, in de zin dat een verzoek tot teruggave van een herkomstgevoelig
cultuurgoed onvoorwaardelijk wordt gehonoreerd. Dat betekent dat
bijvoorbeeld noch het eventuele culturele of wetenschappelijke belang van
het cultuurgoed voor Nederland, noch de plannen die het land van herkomst
met het object heeft, bij de afwegingen omtrent teruggave worden betrokken.
Niet het object, het culturele belang daarvan en wat de verzoekende partij met
                                                                                    Advies aan de minister over de omgang met koloniale collecties
het object wil gaan doen, staan hier immers centraal, maar het principe van
herstel van een historisch onrecht; een herstel van een onvrijwillig verbroken
band tussen het land van herkomst en zijn erfgoed. Hierbij past volgens de
Commissie geen voorwaardelijkheid in de zin dat dat herstel afhankelijk wordt
gemaakt van een afweging van belangen van een andere orde, hoe relevant
deze belangen op zichzelf genomen ook kunnen zijn. Het herstel van
historisch onrecht wordt niet alleen uiteindelijk gerealiseerd bij een teruggave,
maar ook en vooral door het vaststellen van beleid waarin dit onrecht wordt
erkend en waarin het herstel daarvan als onvoorwaardelijk uitgangspunt
wordt gehanteerd.
Bij een verzoek om teruggave van een herkomstgevoelig cultuurgoed mag
er overigens vanuit worden gegaan dat het cultuurgoed van belang is voor het
verzoekende land en dat deze dan ook op een gepaste wijze met het cultuur­‐
goed omgaat. En indien Nederland er aan hecht het cultuurgoed voor de
rijkscollectie te behouden, bijvoorbeeld omdat het van uitzonderlijk belang is
voor Nederland of vanwege wetenschappelijk onderzoek, dan kan aan
                                                                                         Het beleidskader
het herkomstland een verzoek worden gedaan om het object aan Nederland in
bruikleen te geven of daar tegen een financiële of andersoortige compensatie,
afstand van te doen. Het is evenwel aan het land van herkomst een dergelijk
voorstel al dan niet te accepteren.
De Commissie is van mening dat aan een teruggave een wens van het land van
herkomst ten grondslag moet liggen. Een dergelijke wens zal naar verwachting
van de Commissie overigens niet voor alle onvrijwillig verloren objecten
bestaan. Sommige categorieën van objecten kunnen bijvoorbeeld in het land
van herkomst nu al veelvuldig aanwezig zijn, en misschien ook van een betere
kwaliteit. Ook kan het land of de gemeenschap van oorsprong meer belang
hechten aan uitwisseling van kennis en wetenschappelijke samenwerking met
betrekking tot een object, dan aan teruggave, bijvoorbeeld om de reden dat
er (nog) onvoldoende museale voorzieningen aanwezig zijn om het object zelf
op een goede manier te beheren. Bij verzoeken om teruggave gaat het tot
dusver ook steeds om enkele specifieke objecten en het aantal van deze
verzoeken is zeer beperkt. De publicatie van de eerdergenoemde principles van
het Nationaal Museum van Wereldculturen heeft tot dusver ook nog niet
geleid tot een officieel verzoek tot teruggave.
Een reden voor het beperkt aantal verzoeken om cultuurgoederen terug
te krijgen, kan zijn dat landen het als een drempel ervaren om zelf de eerste                  73
stappen te moeten zetten, met ook nog eens het risico van nul op rekest.
Daarbij komt, zo blijkt ook uit de gesprekken die de Commissie met vertegen­‐
woordigers uit deze landen heeft gevoerd, dat het voor herkomstlanden lang
</pre>

====================================================================== Einde pagina 73 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 74 ======================================================================

<pre>niet altijd duidelijk is welke musea welke cultuurgoederen uit hun land
bezitten en wat de herkomstgeschiedenis van deze cultuurgoederen is.
De Commissie heeft oog voor deze bezwaren. Daaraan kan tegemoetgekomen
worden met een onafhankelijke en transparante teruggaveprocedure
(zie daarvoor paragraaf 9.3) en met duidelijkheid vooraf over in welke gevallen
een verzoek leidt tot onvoorwaardelijke teruggave en in welke gevallen een
                                                                                  Advies aan de minister over de omgang met koloniale collecties
belangenafweging zal plaatsvinden. Een verzoek tot teruggave blijft evenwel
nodig, omdat het land van herkomst wel moet aangeven dat een bepaald
object tegen zijn wil in Nederlands bezit is. Is dat niet het geval, dan is er
immers geen reden voor teruggave.
Ook onderkent de Commissie dat toegankelijke gegevens over wat in de
collecties van de Nederlandse musea aan koloniale objecten aanwezig
is en over hun herkomstgeschiedenis, noodzakelijke voorwaarden zijn voor
de herkomstlanden om tot goed gefundeerde verzoeken tot teruggave te
komen. De Commissie verwijst voor haar aanbevelingen op dit punt naar
paragraaf 9.4 van dit hoofdstuk. Maar ook bij een onafhankelijke en
transparante teruggaveprocedure en toegankelijke gegevens over de herkomst
van koloniale cultuurgoederen, verwacht de Commissie op grond van de
teruggaveverzoeken tot nu toe en de gesprekken die de Commissie heeft
gevoerd met vertegenwoordigers in de herkomstlanden, geenszins dat met een
teruggavebeleid volgens de door haar geadviseerde lijnen, het voortbestaan
van Nederlandse musea met koloniale collecties in het geding komt.
                                                                                       Het beleidskader
De Commissie plaatst bij haar advies om herkomstgevoelige objecten
onvoorwaardelijk terug te geven, een tweetal kanttekeningen. Sarr en Savoy
kiezen in hun rapport als uitgangspunt dat het bezitsverlies van koloniale
cultuurgoederen beschouwd moet worden als onvrijwillig, tenzij het tegendeel
kan worden aangetoond. [212] De Commissie acht een dergelijke ‘omkering van
de bewijslast’, waarbij dus ook cultuurgoederen waarvan de herkomst
onduidelijk is (de derde in paragraaf 7.1 genoemde categorie van verkrijging)
onvoorwaardelijk worden teruggegeven, niet werkbaar. Het onderzoek naar
de herkomst van koloniale cultuurgoederen kent daarvoor te veel beperkingen:
de geschiedenis van het bezitsverlies gaat vaak zo ver terug in de tijd dat zij
in vele gevallen niet meer volledig herleidbaar is, ook omdat veelal alleen van
Nederlandse zijde nog bronnen aanwezig zijn. Een omkering van de bewijslast
zou daarmee geen recht doen aan het gegeven dat ook vele koloniale cultuur­‐
goederen indertijd op rechtmatige wijze zijn verkregen. [213] Ook als dat op
dit moment niet meer kan worden aangetoond.
Het niet hanteren van het uitgangspunt van de omgekeerde bewijslast,
betekent volgens de Commissie overigens niet dat uitsluitend cultuurgoederen
waarvan de onvrijwilligheid van het bezitsverlies met zekerheid is vastgesteld,
zoals bij oorlogsbuit, voor onvoorwaardelijke teruggave in aanmerking dienen
te komen. Omdat een dergelijke vaststelling op basis van herkomstonderzoek                   74
in vele gevallen niet mogelijk is, zou het herstel van historisch onrecht
daarmee een te rigide invulling krijgen. De Commissie stelt voor dat een
onvoorwaardelijke teruggave aan de orde is, indien de onvrijwilligheid van het
bezitsverlies met een redelijke mate van zekerheid is aangetoond. Dat betekent
</pre>

====================================================================== Einde pagina 74 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 75 ======================================================================

<pre>dat indien deze onvrijwilligheid niet onomstotelijk vastgesteld kan worden,
daarvoor in ieder geval wel voldoende concrete en overtuigende aanwijzingen
moeten zijn. [214] Daarbij moet worden bedacht dat ook het schenken
en verkopen van objecten indertijd heeft plaatsgevonden in een situatie
van principiële ongelijkheid en dat bijvoorbeeld geschenken ook een uiting
kunnen zijn van onderwerping en niet per se hoeven te wijzen op een
vrijwillige bezitsoverdracht.
                                                                                   Advies aan de minister over de omgang met koloniale collecties
Een tweede kanttekening is dat zich in de Nederlandse musea, zoals het
museumonderzoek ook heeft aangetoond, niet alleen cultuurgoederen
bevinden die door Nederland uit de Nederlandse koloniën zijn verkregen.
Ook vele cultuurgoederen uit koloniale gebieden van andere koloniale
mogendheden zijn in de Nederlandse musea terechtgekomen en daaronder
zijn ook cultuurgoederen waarvan de eigenaar indertijd onvrijwillig afstand
heeft moeten doen. De Commissie ervaart hier een dilemma. Want ongeacht
de vraag of Nederland wel of niet medeverantwoordelijk was voor het
onvrijwillige bezitsverlies van een bepaald cultuurgoed, is het wel het enige
land dat door het bezit daarvan dit onrecht kan herstellen. Dat neemt niet
weg dat er bij deze categorie van verzoeken vanwege de multilaterale context
aanleiding kan zijn voor een bredere afweging. De Commissie kan zich
derhalve voorstellen dat de minister het beleid van onvoorwaardelijke
teruggave in eerste instantie beperkt tot de herkomstgevoelige objecten die
afkomstig zijn uit de voormalige Nederlandse koloniën. In haar brief van
10 april 2019 aan de Tweede Kamer geeft de minister ook aan dat zij in de
                                                                                        Het beleidskader
omgang met teruggaveverzoeken aan deze categorie objecten en aan deze
landen prioriteit wil geven. [215] Op verzoeken tot teruggave van onvrijwillig
verloren cultuurgoederen uit andere gebieden, wordt dan steeds besloten op
grond van een redelijke en billijke afweging van belangen. Dat laat onverlet dat
de Commissie van oordeel is dat ook bij deze belangenafweging de
mogelijkheid van herstel van historisch onrecht in principe het uitgangspunt
moet zijn.
Teruggave van objecten van bijzonder cultureel, historisch of religieus belang
Ook onder de cultuurgoederen waarvan niet of niet aantoonbaar sprake was
van onvrijwillig bezitsverlies, bijvoorbeeld omdat ze indertijd zijn aangekocht
of geschonken, kunnen zich objecten bevinden die voor het land van
herkomst van een uitzonderlijk groot historisch, cultureel of religieus belang
zijn. De Commissie adviseert om ook eventuele verzoeken tot teruggave
van dergelijke objecten in overweging te nemen, ongeacht of het land van
herkomst indertijd een Nederlandse kolonie was of een kolonie van een
andere Europese mogendheid. Het gaat in deze gevallen niet om het principe
van herstel van historisch onrecht, maar om erkenning van het bijzondere
belang dat een voorwerp in het land van herkomst kan hebben, bijvoorbeeld
omdat het verwijst naar een belangrijke historische gebeurtenis, omdat het een
unieke representatie is van de cultuur in het land van herkomst of omdat het
gebruikt wordt in culturele of religieuze rituelen.                                           75
Anders dan voor herkomstgevoelige objecten, ligt het volgens de Commissie
niet voor de hand om hier ook te kiezen voor een categorie van onvoor­‐
waardelijke teruggaven. Immers, niet het ongedaan maken van onrecht staat
</pre>

====================================================================== Einde pagina 75 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 76 ======================================================================

<pre>hier voorop, maar het dienen van een bijzonder belang van het land van
herkomst. Het is daarbij volgens de Commissie redelijk dat dat belang in alle
gevallen wordt afgewogen tegen andere in het geding zijnde belangen,
zoals deze in hoofdstuk 7 zijn beschreven, waaronder het belang van het
behoud van het voorwerp voor de Collectie Nederland. Ook zullen bij deze
afweging de bewaaromstandigheden in het land van herkomst betrokken
kunnen worden, de mogelijkheden aldaar voor het doen van wetenschappelijk
                                                                                 Advies aan de minister over de omgang met koloniale collecties
onderzoek en de wijze waarop het voorwerp publiekelijk toegankelijk
wordt gemaakt.
Over het bijzondere culturele belang dat gediend zou zijn met het
behoud van een object voor Nederland, wil de Commissie het volgende
opmerken. Vanzelfsprekend is het belangrijk dat in de Nederlandse musea
de koloniale geschiedenis verteld kan blijven worden aan de hand van
aansprekende voorwerpen, zowel vanuit het perspectief van de voormalig
kolonisator – de koloniale geschiedenis is immers ook onderdeel van de
Nederlandse geschiedenis – als vanuit het perspectief van de voormalig
gekoloniseerden. Het is dan ook zeker noodzakelijk om het belang van het
behoud van een object voor Nederland bij de beoordeling van verzoeken
tot teruggave te betrekken. Terzijde merkt de Commissie daarbij op niet de
opvatting te delen dat belangwekkende cultuurgoederen uit de voormalige
koloniën het best tot hun recht zouden komen als zij worden tentoongesteld
in een setting met belangwekkende cultuurgoederen uit andere werelddelen.
Deze opvatting wordt nogal eens gehoord bij Europese aanhangers van
                                                                                      Aan wie wordt teruggegeven
de zogenoemde ‘universele musea’, vaak mede ter onderbouwing van een
terughoudend teruggavebeleid. De Commissie zet daar tegenover dat deze
‘universele musea’ niet zomaar toegankelijk zijn voor de bevolking van landen
wier culturele topstukken daar geëxposeerd worden. Bovendien kan niet als
algemene stelling aangenomen worden dat een object beter tot zijn recht komt
tussen objecten van andere culturen en uit andere tijdsperioden, dan in het
land van herkomst tussen objecten van die cultuur zelf, waarmee het
onderdeel kan zijn van een integrale en historisch betekenisvolle presentatie
van die cultuur. [216]
De afweging van belangen dient volgens de Commissie gemaakt te worden
door een van de huidige eigenaar (Rijksoverheid) en beheerder (museum)
onafhankelijke adviescommissie. Van deze adviescommissie wordt een
kritische beoordeling van alle in het geding zijnde belangen verwacht en een
open onbevooroordeelde attitude bij de beantwoording van de vraag in welk
land een voorwerp uiteindelijk het best tot zijn recht komt. Het is vervolgens
aan de eigenaar, en in het geval van een voorwerp uit de rijkscollectie is dat
de minister van OCW, om op grond van een advies van deze adviescommissie
een besluit te nemen over al dan niet teruggave van het voorwerp en de
eventueel aan deze teruggave te verbinden voorwaarden.
9.2   Aan wie wordt teruggegeven                                                            76
Veelal is er veel tijd verstreken tussen het moment dat een object het land
van herkomst verliet en het heden; tijd waarin landsgrenzen verschoven,
nieuwe staten zich ontwikkelden, gemeenschappen zich verplaatsten, in elkaar
opgingen of verdwenen en waarin rechten van heersers overgingen op
</pre>

====================================================================== Einde pagina 76 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 77 ======================================================================

<pre>anderen. In de herkomstlanden kunnen daardoor verschillende opvattingen
bestaan tussen enerzijds de Staat en anderzijds gemeenschappen of
particulieren, over wie in algemene zin, dan wel in een specifieke casus,
gerechtigd is tot het doen van een verzoek tot teruggave of tot het in ontvangst
nemen van een cultuurgoed. Ook kan het zijn dat het terugvragen van
een cultuurgoed dat de culturele eigenheid van een bepaalde gemeenschap
onderstreept, rivaliseert met het eenheidsstreven van de staat waar die
                                                                                    Advies aan de minister over de omgang met koloniale collecties
gemeenschap deel van uitmaakt.
Dit neemt niet weg dat de teruggave van koloniale cultuurgoederen en het
doen van verzoeken daartoe, veelal een zaak is van en tussen overheden.
Zij zijn zo niet eigenaar (geworden), dan wel soeverein als het gaat om van
hun huidige grondgebied afkomstig belangwekkend erfgoed. [217] Het zijn ook
de staten die partij zijn bij de internationale verdragen die over deze materie
tot stand zijn gekomen en die daarin de centrale actoren zijn. [218] Ook het
eerder geciteerde Franse rapport van Sarr en Savoy, stelt expliciet dat het de
staten dienen te zijn die gaan over de procedures rond het teruggeven van
objecten, waarbij het eigendom overgaat van staat naar staat. [219] De Guidelines
van de Duitse Museumvereniging stellen eveneens de vraag aan de orde wie
de gesprekspartners moeten zijn in het land van herkomst en adviseren daarbij
om bij onduidelijkheid daarover altijd vertegenwoordigers van de overheid
bij de gesprekken te betrekken om zo niet verwikkeld te raken in binnenlandse
onenigheden in het land van herkomst. [220]
                                                                                         Aan wie wordt teruggegeven
In lijn hiermee is ook de Commissie van oordeel dat het teruggavebeleid,
waar het cultuurgoederen betreft die eigendom zijn van de Staat, in principe
een aangelegenheid is tussen staten, waarbij in geval van teruggave het
eigendom van de Nederlandse Staat overgaat op de staat die heden ten dage
het gezag heeft over het gebied waar het cultuurgoed van afkomstig is.
Indien het argument voor een teruggave het herstel van historisch onrecht is,
vindt dat herstel dus plaats richting de staat van herkomst. De staat van
herkomst is er vervolgens verantwoordelijk voor dat het cultuurgoed ook op
de goede plek terechtkomt.
Maar ook hier ervaart de Commissie een dilemma. Koloniale cultuurgoederen
hebben vaak toebehoord aan een bepaalde gemeenschap binnen de huidige
staat van herkomst. In het geval dat een staat van herkomst een cultuurgoed
van een gemeenschap om bepaalde redenen niet terugvraagt, dan wel na
teruggave die gemeenschap de toegang tot dat cultuurgoed onthoudt,
dan vindt het beoogde herstel van onrecht of de honorering van een bijzonder
belang, in ieder geval richting die betrokken gemeenschap niet of niet
volledig plaats. Zonder aan dit mogelijke bezwaar voorbij te willen gaan, is de
Commissie echter alles afwegende van mening dat het respecteren van de
soevereiniteit van de huidige staten in dezen een conditio sine qua non is voor
de noodzakelijke vertrouwensbasis tussen landen waarop een teruggavebeleid
gebaseerd moet zijn. Dat neemt niet weg dat de Commissie de minister                           77
adviseert dit punt expliciet bij de met de herkomstlanden te maken afspraken
mee te nemen. De gesprekken die de Commissie heeft gevoerd met
vertegenwoordigers van gemeenschappen in deze landen, onderstrepen ook
het belang daarvan. En in de gevallen waarin naar aanleiding van een verzoek
tot teruggave een belangenafweging wordt gemaakt, zal, zoals in paragraaf 7.3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 77 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 78 ======================================================================

<pre>reeds is aangegeven, het belang van de toegankelijkheid van het cultuurgoed
voor de gemeenschap aan wie het cultuurgoed heeft toebehoort, daar steeds
één van zijn.
Het uitgangspunt dat het teruggavebeleid een zaak is van staat tot staat, laat
vanzelfsprekend onverlet dat het van wezenlijk belang is dat de Nederlandse
musea met andere partijen in de herkomstlanden en de diaspora’s het
                                                                                 Advies aan de minister over de omgang met koloniale collecties
gesprek aangaan dan wel in gesprek blijven over de manier waarop objecten
in Nederlands bezit zijn gekomen en over de mogelijkheid van teruggave.
Zij zijn immers de partijen die kennis hebben over waar zich welke koloniale
cultuurgoederen bevinden en wat de herkomstgeschiedenis van deze cultuur­‐
goederen is.
9.3   De beoordeling van verzoeken om teruggave
Een besluit om een verzoek om teruggave van een object door het land
van herkomst al dan niet te honoreren, wordt voor zover het object eigendom
is van de Staat, genomen door de minister van OCW. Zij is op grond van de
Erfgoedwet exclusief bevoegd voor het verrichten van privaatrechtelijke
handelingen ten aanzien van de museale cultuurgoederen in eigendom van de
Staat. [221] De Commissie adviseert de minister dergelijke besluiten te nemen
op geleide van een onafhankelijk en openbaar advies, zoals dat ook gebeurt
bij verzoeken tot teruggave van nazi-roofkunst. Het belang van een dergelijke
procedure is dat daarmee wordt bewerkstelligd dat de besluiten van
                                                                                      De beoordeling van verzoeken om teruggave
de minister gebaseerd worden op een deskundigenoordeel dat los van het
eigenaars­belang tot stand is gekomen en dat alle betrokkenen van dat
oordeel kennis kunnen nemen.
Hoewel er belangrijke verschillen bestaan tussen nazi-roofkunst en in
de koloniale gebieden verkregen cultuurgoederen – deze zijn uiteengezet in
paragraaf 8.3 van dit advies – meent de Commissie dat de procedure die
is ontworpen voor de restitutie van nazi-roofkunst op hoofdlijnen ook gevolgd
kan worden voor de omgang met verzoeken tot teruggave van koloniale
cultuurgoederen. De centrale spelers in die procedure zijn:
– een onafhankelijke commissie die op basis van het door de minister vast
  te stellen beleid adviseert over een teruggaveverzoek;
– een expertisecentrum dat waar nodig of gewenst een feitenonderzoek
  instelt;
– een deskundigencommissie beschermwaardigheid die op grond van
  de Erfgoedwet een oordeel geeft over het belang van een cultuurgoed
  voor Nederland.
De Adviescommissie Verzoeken Teruggave Koloniale Cultuurgoederen
De Commissie adviseert de minister van OCW om een onafhankelijke
Adviescommissie Verzoeken Teruggave Koloniale Cultuurgoederen in te                         78
stellen. De eerste taak van deze Adviescommissie is de minister te adviseren
over het al dan niet honoreren van verzoeken tot teruggave van cultuur­‐
goederen die eigendom zijn van de Staat en de bij een teruggave eventueel te
stellen voorwaarden. Uitgangspunt voor deze advisering dient te zijn het door
de minister op grond van onderhavig advies vast te stellen beleid voor de
</pre>

====================================================================== Einde pagina 78 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 79 ======================================================================

<pre>omgang met verzoeken tot teruggave. Dit beleid dient volgens de Commissie
dus – kort samengevat – in te houden dat verzoeken tot teruggave van
uit de Nederlandse koloniale gebieden herkomstgevoelige cultuurgoederen
onvoorwaardelijk worden gehonoreerd en dat ten aanzien van alle andere
verzoeken naar redelijkheid en billijkheid een belangenafweging wordt
gemaakt, waarbij in het laatste geval bij een teruggave ook voorwaarden
kunnen worden gesteld.
                                                                                    Advies aan de minister over de omgang met koloniale collecties
Ook voor verzoeken waarbij een belangenafweging wordt gemaakt, dient in
de eerste plaats gekeken te worden naar wat bekend is over de verwervings­‐
geschiedenis van het cultuurgoed. Voor uit de Nederlandse koloniën
afkomstige cultuurgoederen waarvoor niet met een redelijke mate van
zekerheid is vastgesteld dat er sprake was van onvrijwillig bezitsverlies, kan de
herkomstgeschiedenis niettemin een element zijn in de oordeelsvorming over
een verzoek tot teruggave. Vermoedens van onvrijwilligheid van het bezits­‐
verlies, bijvoorbeeld bij geschenken in een ongelijksoortige machtsrelatie,
dan wel onzekerheid over de mate van vrijwilligheid omdat de herkomst­‐
geschiedenis niet meer gereconstrueerd kan worden, dient de
Adviescommissie in haar advies over een teruggaveverzoek mee te
laten wegen.
Ook voor cultuurgoederen afkomstig uit niet-Nederlandse koloniën dient naar
oordeel van de Commissie de mogelijkheid tot herstel van historisch onrecht
het vertrekpunt te zijn en dient tot dat herstel ook geadviseerd te worden,
                                                                                         De beoordeling van verzoeken om teruggave
tenzij andere belangen zwaarder wegen.
Andere belangen die de Adviescommissie in haar afweging dient te
betrekken en die meer uitvoerig zijn geschetst in hoofdstuk 7 van dit advies,
zijn het culturele belang van een cultuurgoed voor Nederland, het belang
van het cultuurgoed voor het land van herkomst, de toekomstige
bewaar­omstandigheden, de publieke toegankelijkheid na teruggave,
de mogelijkheden in het herkomstland voor wetenschappelijk onderzoek en
de bereidheid tot museale samenwerking met Nederland.
Over het culturele belang van een cultuurgoed voor Nederland
zal het oordeel desgevraagd worden geveld door een deskundigencommissie
beschermwaardigheid die later in deze paragraaf aan de orde komt.
Over het culturele, historische of religieuze belang van het cultuurgoed,
de bewaar­omstandigheden, de publieke toegankelijkheid na teruggave,
de mogelijkheden voor wetenschappelijk onderzoek en de bereidheid tot
museale samenwerking, kan het land van herkomst de informatie verstrekken
die de Adviescommissie bij haar advisering nodig heeft. Voor het draagvlak van
haar adviezen, is het belangrijk dat de Adviescommissie met vertegen­‐
woordigers uit het herkomstland over deze zaken zoveel als mogelijk tot een
gemeenschappelijk inzicht komt.
                                                                                               79
De Commissie is zich ervan bewust dat de Adviescommissie bij de afweging
van belangen voor moeilijke keuzen kan komen te staan, mede omdat de af te
wegen belangen ongelijksoortig van aard kunnen zijn. De Commissie stelt
voor dat met het oog op de duidelijkheid, transparantie en consistentie van de
</pre>

====================================================================== Einde pagina 79 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 80 ======================================================================

<pre>adviezen, de Adviescommissie ten behoeve van deze belangenafweging een
toetsingskader opstelt dat door de minister wordt vastgesteld en gepubliceerd.
Op grond van een redelijke en billijke afweging van belangen, zal de
Adviescommissie tot een advies aan de minister komen. Behoudens de
gevallen waarin sprake is van een onvoorwaardelijke teruggave, kan het advies
voorwaarden bevatten voor de teruggave, bijvoorbeeld omtrent bewaar­‐
                                                                                   Advies aan de minister over de omgang met koloniale collecties
condities en toegankelijkheid, of de voorwaarde dat het cultuurgoed in het
land van herkomst teruggaat naar de oorspronkelijke eigenaar of gemeen­‐
schap, dan wel een afwijzing van het verzoek behelzen. In het geval een
herkomstgevoelig cultuurgoed uit een Nederlandse kolonie naar oordeel van
de deskundigencommissie beschermwaardigheid voor Nederland een
bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis heeft, kan de
Adviescommissie de minister adviseren met het land van herkomst te
proberen tot overeenstemming te komen over een mogelijke bruikleen door
Nederland van het cultuurgoed of over een aankoop door Nederland. Het is
echter aan het land van herkomst om daarmee al dan niet in te stemmen.
Zoals eerder in dit advies opgemerkt, zijn lokale en provinciale overheden,
stichtingen en particulieren vrij om hun eigen gedragslijn te volgen voor het
omgaan met teruggaveverzoeken en zij kunnen daarvoor desgewenst ook
zelf hun adviseurs kiezen. De Commissie is echter van oordeel dat de ethische
argumenten die van toepassing zijn op de omgang met koloniale cultuur­‐
goederen die in staatsbezit zijn, ook opgaan voor andere eigenaren en
                                                                                        De beoordeling van verzoeken om teruggave
aansluitend daarop, dat de door de minister in dezen vast te stellen beleidslijn
ook voor hen richtinggevend kan zijn.
De Commissie adviseert dat ook andere eigenaren dan het Rijk, samen met
de verzoekende partij, een beroep kunnen doen op de Adviescommissie
Verzoeken Teruggave Koloniale Cultuurgoederen. Indien partijen ervoor
kiezen een dergelijk beroep te doen, dan is dat niet vrijblijvend. Het betekent
dat de verzoeker en de huidige eigenaar instemmen met het door de minister
vastgestelde beleid op basis waarvan de Adviescommissie adviseert en dat
zij accepteren dat het advies voor beide partijen bindend is. Daarbij maakt de
Commissie wel de kanttekening dat voor andere overheden en particulieren
de staat van herkomst niet noodzakelijkerwijs de partij behoeft te zijn die een
verzoek tot teruggave doet of die na teruggave eigenaar wordt van het cultuur­‐
goed. Dat kunnen ook andere partijen zijn zoals musea, gemeenschappen
en particuliere personen. Het advies van de Adviescommissie dient niet alleen
voor de betrokken partijen, maar ook voor de minister bindend te zijn,
in de zin dat zij niet met de haar ter beschikking staande mogelijkheden de
uitvoering van het advies in de weg gaat staan. Dat betekent dat zij een
daartoe strekkend besluit van betrokken overheid of publiekrechtelijk orgaan
niet vernietigt en het cultuurgoed ook niet op grond van artikel 3.7 of 3.8 van
de Erfgoedwet aanwijst als beschermd erfgoed. Voor zover het cultuurgoed
reeds beschermd was, zou de minister bij een advies dat strekt tot teruggave,                 80
deze bescherming overeenkomstig artikel 3.12, eerste lid van de Erfgoedwet
dienen in te trekken.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 80 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 81 ======================================================================

<pre>Samenstelling Adviescommissie Verzoeken Teruggave Koloniale Cultuurgoederen
De Commissie stelt voor dat de Adviescommissie Verzoeken Teruggave
Koloniale Cultuurgoederen zal bestaan uit in ieder geval een jurist,
een kunsthistoricus, een koloniaal historicus, een museumdeskundige en een
volkenkundige. Daarnaast kunnen aan deze Adviescommissie specifieke
deskundigen worden toegevoegd, afhankelijk van de casus waarover deze zich
buigt. Dat kunnen ook deskundigen zijn uit het land vanwaar het cultuurgoed
                                                                                Advies aan de minister over de omgang met koloniale collecties
afkomstig is, hetgeen het draagvlak van de adviezen van de Adviescommissie
in de herkomstlanden kan bevorderen. Aan de Adviescommissie wordt door
de minister een secretaris toegevoegd die voor zijn werkzaamheden uitsluitend
verantwoording schuldig is aan de Adviescommissie.
Het Expertisecentrum Herkomst Koloniale Cultuurgoederen
Een centraal element op grond waarvan de Adviescommissie tot haar advies
komt over een verzoek tot teruggave van een cultuurgoed, is de herkomst­‐
geschiedenis van dat object. Wanneer en door wie is het vervaardigd? Wat was
de betekenis van het cultuurgoed ten tijde van vervaardiging en ten tijde
van het bezitsverlies? Hoe is het cultuurgoed in Nederlands bezit gekomen,
en – heel belangrijk – hoe vrijwillig of onvrijwillig was de bezitsafstand?
Volgens de Ethische Code voor Musea, die alle leden van de
Museumvereniging en alle bij de Stichting Museumregister geregistreerde
musea hebben onderschreven, dienen musea de context en herkomst van hun
cultuurgoederen te documenteren. [222] Het zijn dus in de eerste plaats de
                                                                                     De beoordeling van verzoeken om teruggave
musea die verantwoordelijk zijn voor het doen van onderzoek naar de
herkomst van de cultuurgoederen uit de koloniale gebieden die zij in beheer
hebben. Zoals de museumenquête aantoonde, wordt deze verantwoorde­‐
lijkheid door vele musea ook serieus opgepakt, hoewel er op dit punt nog wel
een behoorlijke weg valt te gaan. Behalve bij de musea, zal ook in de
herkomstlanden en bij de diaspora’s in Nederland kennis en documentatie
aanwezig kunnen zijn over cultuurgoederen die thans in Nederlands bezit zijn
en waarmee een verzoek om teruggave onderbouwd kan worden en die de
Adviescommissie bij haar adviezen kan betrekken.
Het onderzoek naar de herkomst van koloniale cultuurgoederen kent echter
een specifieke complexiteit en vereist daarom een deskundigheid die niet
bij alle musea voorhanden is. Om die reden adviseert de Commissie om een
Expertisecentrum Herkomst Koloniale Cultuurgoederen op te richten.
Dit Expertisecentrum dient een tweetal taken te krijgen. In de eerste plaats
is dat het ontwikkelen en beschikbaar stellen van algemene kennis over
methodes van herkomstonderzoek en de deskundigheidsbevordering
van museumonderzoekers. Een tweede taak van het centrum is het doen van
onderzoek naar de herkomstgeschiedenis van een specifiek cultuurgoed.
Een dergelijk onderzoek is aangewezen indien noch de huidige eigenaar of
beheerder van het cultuurgoed, noch het land van herkomst, over voldoende
informatie beschikken om duidelijkheid te kunnen geven over de herkomst­‐                  81
geschiedenis, dan wel indien er aanleiding is de beschikbare informatie door
onafhankelijke deskundigen te laten toetsen en waar nodig te
complementeren. Een verzoek tot een dergelijk onderzoek, dat overigens een
betrokken museum niet van de verplichting ontslaat om ook zelf onderzoek
</pre>

====================================================================== Einde pagina 81 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 82 ======================================================================

<pre>te doen, kan worden gedaan door de Adviescommissie, dan wel door het land
van herkomst en de huidige bezitter/beheerder van het cultuurgoed.
De deskundigencommissie beschermwaardigheid
Zoals uiteengezet in hoofdstuk 7 van dit advies, dienen het Rijk en de andere
overheden bij vervreemding van cultuurgoederen die hun eigendom zijn – en
daaronder valt ook het teruggeven daarvan aan herkomstlanden – te voldoen
                                                                                Advies aan de minister over de omgang met koloniale collecties
aan de bepalingen van paragraaf 4.17 van de Erfgoedwet. Deze paragraaf stelt
dat indien redelijkerwijs kan worden vermoed dat een cultuurgoed dat wordt
teruggevraagd een bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke
betekenis heeft en onvervangbaar en onmisbaar is voor het Nederlands
cultuurbezit, een onafhankelijke en deskundige commissie een oordeel moet
geven over de juistheid van dit vermoeden. De betrokken overheid moet dat
oordeel meewegen bij zijn beslissing over het verzoek tot teruggave.
Zoals eerder uiteengezet, zal in het geval van een herkomstgevoelig cultuur­‐
goed uit de Nederlandse koloniale gebieden dat thans in het bezit is van de
Staat, dit oordeel niet aan de teruggave van het cultuurgoed in de weg staan.
Voor zover andere overheden zich aansluiten bij de hier geadviseerde
beleids­lijn, zal dat evenmin het geval zijn voor cultuurgoederen waarvan zij
de eigenaren zijn. Wel kan het oordeel van de commissie aanleiding
zijn voor de minister of bestuurders van andere overheden om in overleg
met het verzoekende herkomstland te bezien of en onder welke voorwaarden
het cultuurgoed als bruikleen in Nederland kan blijven, dan wel kan
                                                                                     De beoordelingsprocedure
worden aangekocht.
In alle andere gevallen dan onvrijwillig verloren cultuurgoederen uit
Nederlandse koloniale gebieden, zal het oordeel van de commissie meewegen
in de belangenafweging van de Adviescommissie c.q. bij de uiteindelijke
beslissing door de betrokken overheid. Het oordeel van de deskundigen­­‐
commissie beschermwaardigheid vormt dus een element in de belangen­‐
afweging en concurreert niet als zelfstandig oordeel met de uitkomst
van deze belangenafweging.
9.4   De beoordelingsprocedure
De door de Commissie voorgestelde procedure bij verzoeken tot teruggave
van cultuurgoederen die in het bezit zijn van de Staat kent overeenkomsten
en verschillen met de procedure die gevolgd wordt bij cultuurgoederen
die eigendom zijn van andere overheden of particulieren. Beide procedures
worden hier puntsgewijs geschetst.
Procedure bij verzoeken om teruggave van cultuurgoederen waarvan de Staat
eigenaar is
– De staat van herkomst wendt zich tot de minister van OCW met het                         82
  verzoek tot teruggave van een cultuurgoed. Het geeft daarbij de redenen
  van het verzoek (onvrijwillig bezitsverlies in de koloniale tijd en/of
  culturele, historische of religieuze belangen) en verschaft daarbij alle
  informatie over het cultuurgoed waarover het beschikt.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 82 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 83 ======================================================================

<pre>– Het verzoek wordt doorgeleid naar de Adviescommissie.
– Bij vermoeden van beschermwaardigheid van het cultuurgoed in de zin
  van de Erfgoedwet, wordt een deskundigencommissie ter zake om een
  oordeel gevraagd dat eveneens wordt doorgeleid naar de Adviescommissie.
– De Adviescommissie vraagt bij het museum dat het cultuurgoed in beheer
                                                                                Advies aan de minister over de omgang met koloniale collecties
  heeft naar alle informatie waarover het beschikt over de herkomst en wijze
  van verwerven van het cultuurgoed.
– Indien de door het land van herkomst en het museum aangeleverde
  informatie onvoldoende duidelijkheid geeft over de herkomstgeschiedenis
  en wijze van verwerven, kan de Adviescommissie het Expertisecentrum de
  opdracht geven daarnaar onderzoek te verrichten.
– De Adviescommissie adviseert de minister van OCW over het verzoek.
  In het geval van een cultuurgoed uit Nederlands koloniaal gebied waarvan
  met een redelijke mate van zekerheid is vastgesteld dat het bezitsverlies
  onvrijwillig was, luidt het advies dat het cultuurgoed onvoorwaardelijk
  wordt teruggegeven. In andere gevallen adviseert de Adviescommissie naar
  maatstaven van redelijkheid en billijkheid.
– De minister van OCW neemt vervolgens een besluit over het verzoek en
  maakt een besluit tot teruggave publiekelijk bekend conform artikel 4.17
  van de Erfgoedwet. [223]
                                                                                     De beoordelingsprocedure
De Commissie adviseert de minister om daarnaast de mogelijkheid te creëren
dat een herkomstland ook los van een verzoek om teruggave het
Expertisecentrum Herkomst Koloniale Cultuurgoederen om een onderzoek
naar de herkomstgeschiedenis van een cultuurgoed kan vragen. Op basis van
de uitkomsten van dat onderzoek kan het herkomstland vervolgens besluiten
al dan niet een procedure tot teruggave te starten.
Procedure bij verzoeken om teruggave van cultuurgoederen van andere eigenaren
– De verzoekende partij wendt zich tot de eigenaar van het cultuurgoed met
  het verzoek om teruggave.
– Voor zover beide partijen geen overeenstemming bereiken over dit verzoek
  en daarover een onafhankelijk en bindend advies wensen, kunnen zij
  zich tot de minister wenden met het verzoek de Adviescommissie advies uit
  te laten brengen.
– Beide partijen geven de Adviescommissie alle beschikbare informatie over
  het cultuurgoed en de herkomstgeschiedenis. De Adviescommissie kan het
  Expertisecentrum de opdracht geven nader onderzoek te verrichten.                        83
</pre>

====================================================================== Einde pagina 83 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 84 ======================================================================

<pre>– Indien de eigenaar een provinciale- of gemeentelijke overheid of een ander
  publiek rechtspersoon is, en deze vermoedt dat er sprake is van
  beschermwaardigheid van het cultuurgoed in de zin van de Erfgoedwet,
  vraagt de betrokken eigenaar een oordeel hierover aan een deskundigen­‐
  commissie en geleidt dit oordeel door naar de Adviescommissie.
– De Adviescommissie adviseert over het verzoek. In het geval van een
                                                                                    Advies aan de minister over de omgang met koloniale collecties
  cultuurgoed uit Nederlands koloniaal gebied waarvan met een redelijke
  mate van zekerheid is vastgesteld dat het bezitsverlies onvrijwillig was, luidt
  het advies dat het cultuurgoed onvoorwaardelijk wordt teruggegeven.
  In andere gevallen adviseert de Adviescommissie naar maatstaven van
  redelijkheid en billijkheid.
– Het advies van de Adviescommissie is voor alle partijen bindend.
– Is de eigenaar een provinciale- of gemeentelijke overheid, dan maakt
  deze een besluit tot teruggave publiekelijk bekend conform artikel 4.17
  van de Erfgoedwet. [224]
9.5   Het herkomstonderzoek
Een noodzakelijke voorwaarde voor het implementeren van de door
de Commissie geadviseerde beleidslijn, is kennis over wat in de Nederlandse
musea aan koloniale cultuurgoederen aanwezig is en over de wijze waarop
                                                                                         Het herkomstonderzoek
deze cultuurgoederen indertijd zijn verworven. Met name de vraag of een
cultuurgoed wel of niet met instemming van de oorspronkelijke eigenaar is
verworven, is daarbij van belang. Voor de herkomstlanden is deze kennis
belangrijk om tot een oordeel te kunnen komen over welke objecten zij graag
terug zouden willen hebben en op welke gronden zij een verzoek tot teruggave
kunnen baseren. In de gesprekken van de Commissie met vertegenwoordigers
uit de herkomstlanden is meermalen de wens geuit om meer duidelijkheid
te krijgen over wat zich uit hun landen in de Nederlandse collecties bevindt
en hoe dat daar is terechtgekomen. Voor de musea is deze kennis ook relevant,
alleen al om het koloniale verhaal in al zijn aspecten aan de bezoekers te
kunnen presenteren. Dat verhaal gaat niet alleen over de culturen van
de gemeenschappen in de vroegere koloniale gebieden, maar ook over de
rol die Nederland indertijd in die gebieden heeft gespeeld. Die op machts­‐
ongelijkheid gebaseerde rol heeft er immers toe geleid dat er in de
Nederlandse musea nu zo’n rijkdom aan koloniale cultuurgoederen te
bezichtigen valt.
De museumenquête laat zien dat een aantal musea reeds (pro)actief
herkomstonderzoek verricht, maar ook dat een groot aantal musea nog een
behoorlijke slag moet maken. Een kleine 10 procent van de musea met
koloniale collecties geeft aan al over een goed overzicht van de herkomst van
zijn koloniale cultuurgoederen te beschikken en 13 procent geeft aan op dit                    84
moment zijn koloniale collectie systematisch te onderzoeken op wijze van
verwerving. Iets meer dan de helft van de musea doet verkennend onderzoek
naar de herkomst van hun koloniale cultuurgoederen, terwijl bij een derde
dit type van onderzoek nog niet aan de orde is.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 84 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 85 ======================================================================

<pre>Herkomstonderzoek is vaak een complexe aangelegenheid die een specifieke
deskundigheid vereist die niet in alle musea voorhanden is. Voor vele musea,
met name de musea met uitgebreide koloniale collecties afkomstig uit vele
gebieden en tijdsperioden, is het ook een omvangrijke opgave, waarbij
prioriteiten moeten worden gesteld en realistische verwachtingen moeten
worden gekoesterd over de tijdsperiode die met dergelijk onderzoek is
gemoeid. In de museumenquête gaf 20 procent van de musea aan graag
                                                                               Advies aan de minister over de omgang met koloniale collecties
ondersteund te worden bij het herkomstonderzoek.
Eerder stelde de Commissie reeds dat herkomstonderzoek en het ontsluiten
van informatie voor de herkomstlanden, primair de verantwoordelijkheid is
van de musea zelf. De Commissie is van oordeel dat het belangrijk is de
musea bij het herkomstonderzoek te ondersteunen via het ontwikkelen en
bevorderen van de deskundigheid op dit gebied en, voor zover mogelijk,
door het beschikbaar stellen van middelen.
De door de minister van OCW gesubsidieerde pilot van het Nationaal
Museum van Wereldculturen, het Rijksmuseum en het NIOD, is een eerste en
belangrijke stap, die naar oordeel van de Commissie een vervolg zou kunnen
krijgen met de oprichting en financiering van eerder in dit hoofdstuk
genoemd Expertisecentrum.
Dat Expertisecentrum zou ook een taak toebedeeld kunnen krijgen in
het verzamelen en toegankelijk maken van informatie over de herkomst van
                                                                                    Internationale samenwerking
koloniale cultuurgoederen. Een belangrijke voorwaarde voor een open en
transparante omgang met koloniale collecties is dat de via herkomstonderzoek
verkregen gegevens ook zonder beperkingen beschikbaar komen voor de
herkomstlanden en de musea en gemeenschappen aldaar. De Commissie
adviseert daartoe een database op te richten die op eenvoudige wijze toegang
geeft tot deze gegevens. Op basis van deze informatie kunnen herkomstlanden
zich een beeld vormen over wat er vanuit hun land op welke wijze in
de Nederlandse collecties is terechtgekomen. Ook kan de in de database
aanwezige informatie aangevuld worden met kennis die in de herkomstlanden
over betrokken voorwerpen bestaat over de wijze waarop deze voorwerpen
het land hebben verlaten. Deze database kan daarmee een belangrijk
aanknopingspunt vormen voor verdere samenwerking tussen musea
in Nederland met die in de herkomstlanden. De Commissie adviseert deze
samenwerking en het ondersteunen van de herkomstlanden bij de capacity
building op het gebied van herkomstonderzoek, onderdeel te maken van
het internationaal cultuurbeleid van de minister.
9.6   Internationale samenwerking
De Commissie is door de minister van OCW in haar adviesaanvraag
verzocht om expliciet aandacht te geven aan de internationale samenwerking.
Een relevant verzoek, aangezien de omgang met koloniale cultuurgoederen                   85
een vraagstuk is dat, zo blijkt ook uit eerdere hoofdstukken van dit advies,
in vrijwel alle landen speelt die vroeger een koloniale mogendheid waren.
En ook de landen die destijds gekoloniseerd waren, laten zich in toenemende
mate horen met opvattingen en wensen. Het is een vraagstuk waar wereldwijd
</pre>

====================================================================== Einde pagina 85 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 86 ======================================================================

<pre>regeringen, musea, wetenschappers, opiniemakers, internationale organisaties
en vertegenwoordigers van bevolkingsgroepen, een weg in proberen te vinden.
De Commissie ziet op internationaal niveau twee speelvelden waarop deze
samenwerking plaats kan hebben. In de eerste plaats is dat de samenwerking
tussen Nederland en de landen wier cultuurgoederen in de koloniale tijd
in Nederlandse handen zijn gekomen. Het beleid omtrent de omgang met
                                                                                 Advies aan de minister over de omgang met koloniale collecties
koloniale cultuurgoederen, met name waar dit de teruggave van cultuur­‐
goederen betreft, kan niet een eenzijdig door de voormalige kolonisator
ontwikkeld en vastgesteld ‘aanbodgericht’ beleid zijn. Dat zou in feite een
soort neokoloniale herhaling betekenen van wat zich in de koloniale tijd heeft
afgespeeld, weliswaar in omgekeerde richting maar eveneens gebaseerd op
een dominantie van westerse opvattingen, gevoelens, normen en waarden.
De uitgangspunten van het teruggavebeleid en de manier waarop landen met
dit onderwerp omgaan, zal een gemeenschappelijk beleid moeten zijn dat
zowel door Nederland als door de herkomstlanden wordt gedragen. Duidelijk
moet zijn wat landen van elkaar kunnen verwachten en wat zij elkaar te bieden
hebben. De Commissie adviseert de minister dan ook om de in dit advies
voorgestelde beleidslijnen onderwerp te maken van gesprekken met de meest
relevante herkomstlanden, in ieder geval met Indonesië, Suriname en de
Caribische eilanden. Deze zouden eventueel kunnen resulteren in memoranda
van overeenstemming. In deze memoranda zouden, afhankelijk ook van de
wensen en opvattingen van de herkomstlanden, afspraken kunnen worden
opgenomen over:
                                                                                      Internationale samenwerking
– de door beide landen te volgen werkwijzen bij verzoeken tot teruggave;
– herkomstonderzoek en mogelijke samenwerking op dit terrein;
– de beschikbaarstelling aan het herkomstland van de resultaten van
  herkomstonderzoek;
– wetenschappelijke en museale samenwerking tussen Nederland en
  herkomstland, waaronder samenwerking op het gebied van het opleiden
  van museummedewerkers.
Deze afspraken kunnen per herkomstland verschillende accenten bevatten.
Zoals eerder opgemerkt had de Commissie zich in deze landen zelf meer
uitvoerig willen oriënteren op de aldaar levende ideeën en opvattingen,
hetgeen door de coronacrisis niet mogelijk was. Wel heeft de Commissie in
de via internet gevoerde verkennende gesprekken met vertegenwoordigers in
de herkomstlanden de indruk gekregen dat de betrokken landen graag met
Nederland over dit onderwerp tot afspraken komen.
Het tweede speelveld voor internationale samenwerking is dat van de landen
die vroeger koloniën hadden en waar op dit moment ten aanzien van de
koloniale cultuurgoederen die zij in bezit hebben, gelijksoortige vraagstukken
spelen. Zoals eerder in hoofdstuk 6 van dit advies is uiteengezet, verschillen
deze landen onderling in de wijze waarop zij met dit vraagstuk omgaan.                      86
Deze verschillen zijn deels terug te voeren tot verschillen in wetgeving die
teruggave al dan niet mogelijk maken, maar zeer zeker ook tot culturele en
historische verschillen tussen de landen. Er zijn landen waar stemmen om
‘in het reine te komen met het verleden’ de overhand hebben en landen waar
de verantwoordelijkheid voor het koloniale erfgoed beschouwd wordt in
</pre>

====================================================================== Einde pagina 86 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 87 ======================================================================

<pre>termen van het beheren en zichtbaar maken daarvan in vooral de eigen musea.
Er zijn landen waarin de overheid zich nadrukkelijk roert in het debat, al dan
niet vanuit ethische of vanuit geopolitieke motieven, en landen waar de
overheid stil blijft en waar met name de musea zich laten horen. Er zijn landen
wier vroegere koloniën en hun migranten zich nadrukkelijk roeren en landen
waarvoor dat veel minder geldt. Er zijn landen die een goede relatie met hun
vroegere koloniën hebben en er zijn landen wier relatie met hun voormalige
                                                                                  Advies aan de minister over de omgang met koloniale collecties
koloniën moeizaam is.
Het is naar oordeel van de Commissie interessant en leerzaam om deze
verschillen en overeenkomsten tussen de landen bespreekbaar te maken en
zij is ervan op de hoogte dat het ministerie van OCW op dit punt ook al
stappen heeft gezet. Kennisnemen van elkaars opvattingen en werkwijzen en
daarvan leren, ook ter spiegeling van eigen ideeën en standpunten, zijn naar
oordeel van de Commissie de doelen die daarbij voor de kortere termijn
nagestreefd kunnen worden. Unesco zou naar het oordeel van de Commissie
vanzelfsprekend een internationaal platform voor deze uitwisseling kunnen
zijn omdat daarmee ook de ex-gekoloniseerde landen worden betrokken en
voorts omdat deze organisatie bekend is met het onderwerp.
Een door alle ex-koloniale mogendheden gedeelde perceptie op het koloniale
verleden en een daarop gebaseerde gemeenschappelijke ethische opvatting
over de omgang met koloniale cultuurgoederen, acht de commissie vooralsnog
geen reële ambitie voor deze internationale samenwerking. Dat neemt niet
                                                                                       Internationale samenwerking
weg dat Nederland met de meest gelijkgestemde landen, en dan noemt de
Commissie Duitsland als een voorbeeld daarvan, het voortouw kan nemen in
het verkennen van de weg naar meer internationale samenwerking en
afstemming over dit onderwerp.
                                                                                             87
</pre>

====================================================================== Einde pagina 87 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 88 ======================================================================

<pre>10.      Slotbeschouwing
De Commissie heeft met veel enthousiasme gewerkt aan de adviesvraag van
de minister van OCW over deze, juist in dit tijdsgewricht zo relevante kwestie.
                                                                                  Slotbeschouwing
De gesprekken binnen de Commissie zelf en die welke zij heeft mogen voeren
met de vele wetenschappers, gezagsdragers, ambtenaren en conservatoren
in Nederland, andere Europese landen en de herkomstlanden, waren zonder
uitzondering alle zeer plezierig. Deze gesprekken hebben de Commissie ook
het vertrouwen gegeven dat haar advies zowel binnen als buiten Nederland op
draagvlak kan rekenen.
Historisch onrecht dat in het koloniale verleden heeft plaatsgevonden,
kan niet ongedaan worden gemaakt. Maar wel kan aan het herstel van onrecht
een bijdrage worden geleverd door bij de omgang met koloniale objecten
verantwoordelijkheid voor dat verleden te nemen. De Commissie vertrouwt
erop dat de minister op basis van dit advies goede afspraken met de
herkomstlanden kan maken die zullen leiden tot een met deze landen
‘gedeeld’ teruggavebeleid en tot de daadwerkelijke teruggave van
cultuurgoederen aan deze landen.
                                                                                    88
</pre>

====================================================================== Einde pagina 88 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 89 ======================================================================

<pre>     Eindnoten
 1
Rijksmuseum, ‘De diamant van Banjarmasin, anoniem, ca. 1875’,
inventarisnummer NG-C-2000-3, Collectie Rijksmuseum (z.d.),
verkregen via https://www.rijksmuseum.nl/nl/zoeken/objecten?
q=diamant&p=1&ps=12&st=Objects&ii=2#/NG-C-2000-3,2
op 27 augustus 2020.
                                                                        Eindnoten
 2
Ongepubliceerd intern vooronderzoek ‘Koloniale herkomst’,
Rijksmuseum (2018).
 3
Rijksmuseum, ‘Curaçaose waterschepper, anoniem, 1700 – 1799’,
inventarisnummer NG-1944-29, Collectie Rijksmuseum (z.d.),
verkregen via https://www.rijksmuseum.nl/nl/zoeken/objecten?
p=1&ps=12&f.objectTypes.sort=waterschepper&st=Objects&ii=0#/
NG-1994-29,0 op 22 maart 2020.
 4
Ongepubliceerd intern vooronderzoek ‘Koloniale herkomst’,
Rijksmuseum (2018).
 5
Nationaal Museum van Wereldculturen, ‘Banjo’, objectnummer
RV-360-5696, Collectie Nationaal Museum van Wereldculturen
(NMVW) (z.d.), verkregen via https://collectie.wereldculturen.nl/#/
query/75e5bd3c-e2b1-4889-9ff4-00c79bbacdb7 op 27 augustus
2020. John Gabriel Stedman, ‘Narrative of a Five Years’ Expedition
against the Revolted Negroes of Surinam’ (London 1796),
volumes I & II.
 6
Rijksmuseum, Lansenrek van gouverneur-generaal J.C. Baud,
anoniem, 1834’, objectnummer NG-BR-554, Collectie
Rijksmuseum (z.d.), verkregen via http://hdl.handle.net/10934/
RM0001.COLLECT.337418 op 23 maart 2020.
 7
Nationaal Museum van Wereldculturen, ‘Ganesha’, objectnummer
RV-1403-1681, Collectie Nationaal Museum van Wereldculturen
(hierna: NMVW) (z.d.), verkregen via
http://collectie.wereldculturen.nl/#/query/95384072-cb44-4f4e-
bf3f-6e04aaec36a3 op 20 maart 2020.
 8
Nationaal Museum van Wereldculturen, ‘Return of Cultural
Objects: Principles and Process’ (7 maart 2019), verkregen via
https://www.tropenmuseum.nl/en/about-tropenmuseum/press/
dutch-national-museum-world-cultures-nmvw-announces-
principles-claims op 25 maart 2020.
 9
Deutscher Museumsbund, ‘Guidelines on Dealing with
Collections from Colonial Contexts (juli 2018), verkregen via
https://www.museumsbund.de/publikationen/guidelines-on-dealing-
with-collections-from-colonial-contexts-2 op 23 maart 2020;
Felwine Sarr; Bénédicte Savoy, ‘Rapport sur la restitution du
patrimoine culturel Africain. Vers une nouvelle éthique relationelle’    89
(november 2018), verkregen via http://restitutionreport2018.com
op 23 maart 2020; Élysée, ‘Emmanuel Macron’s speech at the
University of Ouagadougou’ (28 november 2017), verkregen via
https://www.elysee.fr/emmanuel-macron/2017/11/28/emmanuel-
macrons-speech-at-the-university-of-ouagadougou.en
op 15 juni 2020.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 89 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 90 ======================================================================

<pre> 10
Rijksoverheid, Brief van de minister van Onderwijs, Cultuur
en Wetenschap aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der
Staten-Generaal (10 april 2019), Kamerstuk 32820, nr. 282
(versie 15 april 2019), verkregen via https://zoek.officielebekend
makingen.nl/kst-32820-282.html op 12 april 2020.
 11
Zie bijlage ‘Adviesaanvraag’. In haar adviesaanvraag bezigt de
Minister de term “teruggave”. In de literatuur wordt naast het
                                                                         Eindnoten
begrip ‘teruggave’ ook de begrippen ‘restitutie’ en ‘repatriëring’
gebezigd, afhankelijk van de herkomstgeschiedenis van het object
(geroofd, illegaal geëxporteerd, legaal verkregen) en de ontvanger
van het object (de Staat, een gemeenschap, een individu). Bij
restitutie is er in de definities meestal sprake van een onrechtmatig
bezitsverlies in combinatie met een specifieke verzoeker, bij
teruggave staat meer de notie van het grondgebied centraal en het
begrip repatriëring wordt vaak gebezigd bij claims van inheemse
gemeenschappen. Zie daarvoor bijvoorbeeld: M. Cornu;
M. Renold, ‘New Developments in the Restitution of Cultural
Property: Alternative Means of Dispute Resolution’,
International Journal of Cultural Property (2010) 17:1, 1-31,
aldaar 31.
 12
In de Erfgoedwet wordt in artikel 1.1. onder cultuurgoed verstaan
een: roerende zaak die deel uitmaakt van cultureel erfgoed, waarbij
onder dat laatste wordt verstaan: uit het verleden geërfde materiële
en immateriële bronnen, in de loop van de tijd tot stand gebracht
door de mens of ontstaan uit de wisselwerking tussen mens
en omgeving, die mensen, onafhankelijk van het bezit ervan,
identificeren als een weerspiegeling en uitdrukking van
zich voortdurend ontwikkelende waarden, overtuigingen, kennis
en tradities, en die aan hen en toekomstige generaties een
referentie­kader bieden. Zie daarvoor de Erfgoedwet, verkregen
via Overheid.nl (z.d.), https://wetten.overheid.nl/
BWBR0037521/2020-04-01 op 13 augustus 2020.
 13
Ook nadien zijn overigens nog cultuurgoederen uit de betreffende
gebieden naar Nederland gebracht.
 14
Valika Smeulders, Slavernij in Perspectief (proefschrift Erasmus
Universiteit Rotterdam 2012).
 15
Piet Emmer; Jos Gommans, Algemene Geschiedenis van Nederland.
Rijk aan de rand van de wereld. De geschiedenis van Nederland overzee
1600 – 1800 (Amsterdam 2012), 143.
 16
H.L. Wesseling, Indië verloren, rampspoed geboren: en andere opstellen
over de geschiedenis van de Europese expansie (Amsterdam 1988),
11-12; 21-23; 68.
 17
Ronald Robinson, ‘Non-European Foundations of European
Imperialism: Sketch for a Theory of Collaboration’, in: Wm. Roger
Louis (ed.), Imperialism – The Robinson and Gallagher Controversy
(New York 1976), 128-51, aldaar 130.
                                                                          90
 18
Multatuli, Max Havelaar of de Koffij-veilingen der Nederlandsche
Handelsmaatschappij (Amsterdam 1860).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 90 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 91 ======================================================================

<pre> 19
Zie bijlage ‘Overzicht van Nederlandse ex-koloniën en
handelsposten’ & Emmer; Gommans, Rijk aan de rand van de
wereld, 402- 407; 425-433; Nationaal Archief; Rijksdienst voor
het Cultureel Erfgoed; Rijksmuseum Amsterdam; Koninklijke
Bibliotheek, Online databank Atlas of Mutual Heritage, verkregen
via https://www.atlasofmutualheritage.nl op 3 juli 2020.
 20
Fieke Krikhaar, Jacob Eilbracht 1738-1804. Een leven in dienst
                                                                       Eindnoten
van de Verenigde Oostindische Compagnie (Leiden 1996), 83; Emmer;
Gommans, Rijk aan de rand van de wereld, 28; 32-35; 281-282.
 21
Kees Zandvliet, De Nederlandse ontmoeting met Azië 1600 – 1950
(Zwolle 2002), 31-33; 134; Emmer; Gommans, Rijk aan de rand
van de wereld, 32-33; 290-291; Gerrit Knaap; Henk den Heijer;
Michiel de Jong, Oorlogen overzee. Militair optreden door compagnie
en staat buiten Europa 1595 – 1814 (Amsterdam 2015), 75-76;
114-121.
 22
Els M. Jacobs, Koopman in Azië. De Handel van de Verenigde
Oost-Indische Compagnie tijdens de 18e eeuw (Zutphen 2000), 24;
67-71; Emmer, Gommans, Rijk aan de rand van de wereld, 51-53;
67-71; 304; 311-312; Knaap; Den Heijer; De Jong, Oorlogen overzee,
140-142.
 23
Historiek, ‘Het Kanon van de koning van Kandy’, Historiek
(versie 30 november 2019), verkregen via http://historiek.net/het-
kanon-van-de-koning-van-kandy-10/18808 op 14 april 2020.
 24
Ron Guleij; Gerrit Knaap (red.), Het Grote VOC boek
(Zwolle 2017), 50-54; Emmer; Gommans, Rijk aan de rand van
de wereld, 48-50.
 25
Martine Gosselink; Maria Holtrop; Robert Ross (red.), Goede Hoop.
Zuid-Afrika en Nederland vanaf 1600 (Amsterdam 2017), 121;
Emmer; Gommans, Rijk aan de rand van de wereld, 244; Robert
Ross, ‘The ‘White’ Population of South Africa in the Eighteenth
Century’, Population Studies 29:2 (1975), 217-230, aldaar 221.
 26
Hans Groot, Van Batavia naar Weltevreden. Het Bataviaasch
Genootschap voor Kunsten en Wetenschappen, 1778 – 1867
(Leiden 2009).
 27
Ewald Vanvugt, Roofstaat.Wat iedere Nederlander moet weten
(Amsterdam 2015), 396-398.
 28
Henk den Heijer, De geschiedenis van de WIC (Zutphen 2011),
107; Wim van den Doel, De geschiedenis van Nederland overzee.
Zo ver de wereld strekt. De geschiedenis van Nederland overzee vanaf
1800 (Amsterdam 2011), 20; Emmer; Gommans, Rijk aan de rand
van de wereld, 42; 45-47.
                                                                        91
 29
Wim Klooster, ‘The Northern European Atlantic World’ in:
Nicholas Canny; Philip Morgan (eds.), The Oxford Handbook of the
Atlantic World, 1450 – 1850 (Oxford 2011), 164-180, aldaar 168.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 91 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 92 ======================================================================

<pre> 30
Gert Oostindie, Het paradijs overzee. De Nederlandse Caraiben en
Nederland (Leiden 2000), 13-14.
 31
J.E. Tunbridge; G.J. Ashworth, Dissonant Heritage: the Management
of the Past as a Resource in Conflict (Chichester 1996); B.J. Graham;
G.J. Ashworth; J.E. Tunbridge, A geography of Heritage: Power,
Culture & Economy (London 2000); G.J. Ashworth; B.J. Graham;
J.E. Tunbridge, Pluralising Pasts: Heritage, Identity and Place in
                                                                         Eindnoten
Multicultural Societies (London 2007).
 32
Emmer; Gommans, Rijk aan de rand van de wereld, 26-27.
 33
Oostindie, Het paradijs overzee, 13-14; 19; 33.
 34
Ibidem; Victor Enthoven, ‘That Abominable Nest of Pirates’
St. Eustatius and the North Americans, 1680 – 1790’
in: Early American Studies, vol 10., no. 1 (2012), 239-301,
aldaar 295; Van den Doel, Zo ver de wereld strekt, 15-17; Andrew J.
O’Shaughnessy, An Empire Divided: The American Revolution and
the British Caribbean (Philadelphia 2000), 213.
 35
Emmer; Gommans, Rijk aan de rand van de wereld, 38-50.
 36
Ibidem; Idem, 167.
 37
Matthias van Rossum, Kleurrijke tragiek. De geschiedenis van slavernij
in Azië onder de VOC (Hilversum 2015), 26.
 38
Vanvugt, Roofstaat, 391.
 39
M. Kuitenbrouwer, ‘De Nederlandse afschaffing van de slavernij in
vergelijkend perspectief ’, BMGN. Low Countries Historical Review,
39 (1), 69-100, aldaar 72; Gosselink; Holtrop; Ross (red.),
Goede Hoop, 128-129; Nationaal Archief, ‘Zoekhulp Slavernij en
slavenhandel in Nederlands-Indië (1820 – 1900)’
(versie 23 mei 2019), verkregen via http://www.nationaalarchief.nl/
beleven/nieuws/zoekhulp-slavernij-en-slavenhandel-in-nederlands-
indie-1820-1900-online op 24 januari 2020; Hans Buddingh’,
De geschiedenis van Suriname (Amsterdam 2012), 183-204.
 40
Sidney W. Mintz; Richard Price, De geboorte van Afrikaans-
Amerikaanse cultuur (Leiden 2003).
 41
Van den Doel, Zo ver de wereld strekt, 30-33.
 42
Idem, 46-52.
                                                                          92
 43
Idem, 30-34.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 92 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 93 ======================================================================

<pre> 44
Marieke Bloembergen; Martijn Eickhoff, The politics of heritage
in Indonesia. A Cultural History (Cambridge 2020), 22; Vanvugt,
Roofstaat, 396-398.
 45
C. Fasseur, ‘Nederland en Nederlands-Indië’ in: E.B Locher-
Scholten (red.), Overzee. Nederlandse koloniale geschiedenis
1590 – 1975 (Haarlem 1982), 166-193, aldaar 167.
                                                                         Eindnoten
 46
Bloembergen; Eickhoff, The politics of heritage in Indonesia, 94.
 47
Idem, 3.
 48
Van den Doel, Zo ver de wereld strekt, 37-38; 44-45; Fasseur,
‘Nederland en Nederlands-Indië’, 172; 175.
 49
Bloembergen; Eickhoff, The politics of heritage in Indonesia, 38.
 50
Idem, 26.
 51
Vanvugt, Roofstaat, 396-398.
 52
Bloembergen; Eickhoff, The politics of heritage in Indonesia, 22; 168.
 53
Idem, 186.
 54
Jos van Beurden, Treasures in Trusted Hands, Negotiating the Future
of Colonial Cultural Objects (Leiden 2017), 45-46.
 55
Bloembergen; Eickhoff, The politics of heritage in Indonesia, 42.
 56
Idem, 25.
 57
Idem, 14-15.
 58
Idem, 46.
 59
Idem, 25.
 60
Piet Hagen, Koloniale oorlogen in Indonesië (Amsterdam 2018), 333.
                                                                          93
 61
Mark Loderichs, ‘The Prince on Horseback: The Origins and
History of Diponegoro’s saddle and reins’, lezing gegeven bij het
seminar Objects, Museums, Histories. The Case of Prince Diponegoro
in Museum Nasional te Jakarta (18 mei 2016).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 93 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 94 ======================================================================

<pre> 62
Ellen Henzen, ‘De dekolonisatie van Nederlands-Indië’,
Geschiedenis.nl (versie 1 januari 2005), verkregen via
http://www.geschiedenis.nl/nieuws/artikel/184/de-dekolonisatie-van-
nederlands-indie op 16 maart 2020.
 63
Fasseur, ‘Nederland en Nederlands-Indië’, 168-169.
                                                                      Eindnoten
 64
Van den Doel, Zo ver de wereld strekt, 96-98.
 65
Jos van Beurden, The return of Cultural and Historical Treasures.
The case of the Netherlands (Amsterdam 2012), 34.
 66
Van den Doel, Zo ver de wereld strekt, Fasseur, ‘Nederland en
Nederlands-Indië’, 174.
 67
Fasseur, ‘Nederland en Nederlands-Indië’, 175-176.
 68
Van Beurden, The return of Cultural and Historical Treasures, 34.
 69
C. Fasseur, ‘Suriname en de Nederlandse Antillen’ in: Locher-
Scholten (red.), Overzee, 194-200, aldaar 198; Van den Doel,
Zo ver de wereld strekt, 106-108.
 70
Van den Doel, Zo ver de wereld strekt, 106-108.
 71
Idem, 129-152.
 72
Idem, 88-92.
 73
Caroline Drieënhuizen; Fenneke Sysling, ‘Jongensverhalen in
Naturalis? Die tijd is voorbij’, De Volkskrant (12 augustus 2019),
verkregen via https://www.volkskrant.nl/columns-opinie/
jongensboekverhalen-in-naturalis-die-tijd-is-voorbij~b4cc655e/?
utm_campaign=shared_earned&utm_medium=social&utm_
source=email op 17 maart 2020.
 74
Van den Doel, Zo ver de wereld strekt, 88-92.
 75
Idem, 64-68.
 76
Idem, 105-106.
 77
                                                                       94
Idem, 162-163; Fasseur, ‘Suriname en de Nederlandse Antillen’,
199-200.
 78
Leo Dalhuisen; Maurits Hassankhan, De geschiedenis van Suriname
(Zutphen 2018), 102-132.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 94 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 95 ======================================================================

<pre> 79
Fasseur, ‘Suriname en de Nederlandse Antillen’, 198-199;
Van den Doel, Zo ver de wereld strekt, 105-106; 164; Oostindie,
Het paradijs overzee, 13; 118-120; Buddingh’, De geschiedenis
van Suriname, 262-278.
 80
Buddingh, De geschiedenis van Suriname, 64-68; 103-109;
Dalhuisen; Hassankhan, De geschiedenis van Suriname, 126-33.
                                                                         Eindnoten
 81
Leo Dalhuisen; Ronald Donk; Rosemarijn Hoefte, De geschiedenis
van de Antillen. Aruba, Bonaire, Curaçao, Saba, Sint Eustatius,
Sint Maarten (Zutphen 2019), 72-73.
 82
Idem, 77-80.
 83
Smeulders, Slavernij in Perspectief; Van Striptiaan; Smeulders,
Traveling Caribbean Heritage, academisch project door het
Koninklijk Instituut voor Taal,- Land- en Volkenkunde (KITLV),
de Erasmus Universiteit Rotterdam, de Universiteit van Aruba,
de Da Costa Gomez Universiteit op Curaçao en FUHIKIBO
op Bonaire (z.d.).
 84
S.L. van der Wal, ‘Nederland en Nederlands-Indië’
in: Locher-Scholten (red.), Overzee, 201-222, aldaar 211-212.
 85
Van den Doel, Zo ver de wereld strekt, 150-161.
 86
Fasseur, ‘Nederland en Nederlands-Indië’, 170; Van den Doel,
Zo ver de wereld strekt, 159.
 87
Vanvugt, Roofstaat, 472; Elsbeth Locher-Scholten, Ethiek in
fragmenten.Vijf studies over koloniaal denken en doen van Nederlanders
in de Indonesische archipel 1877 – 1942 (Tuurdijk 1981).
 88
Van der Wal, ‘Nederland en Nederlands-Indië’, 208-210; 216-2019;
Van den Doel, Zo ver de wereld strekt, 242-246; 266.
 89
Van den Doel, Zo ver de wereld strekt, 271-291.
 90
Van der Wal, ‘Nederland en Nederlands-Indië’, 203-206.
 91
Van den Doel, Zo ver de wereld strekt, 270.
 92
Petra Groen, ‘The War in the Pacific’ in: Peter Post (ed.),
The Encyclopedia of Indonesia in the Second World War (Leiden,
Boston 2010), 6-10; Emma Keizer, ‘De Tweede Wereldoorlog                  95
in de Oost. Wat er ondertussen in Nederlands-Indië gebeurde’
(juni 2019), verkregen via https://75jaarvrij.nl/cms/view/57980064/
indie-06-2019-inleiding op 6 februari 2020.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 95 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 96 ======================================================================

<pre> 93
Emma Keizer, ‘Dwangarbeiders in ruil voor vrijheid’, Romusha in
de Indonesische Archipel’ (september 2019), verkregen via
https://75jaarvrij.nl/cms/view/57981827/indie-09-2019-romusha
op 6 februari 2020; Emma Keizer, ‘Van Heiho tot PETA.
Militarisering van de Indonesische bevolking’ (februari 2020),
verkregen via https://75jaarvrij.nl/cms/view/57987521/
indie-02-2020-van-heiho-tot-peta%20op%206%
20februari%202020; Emma Keizer, ‘Burgergeïnterneerden en
Buitenkampers. Over leven in de Tweede Wereldoorlog in
                                                                       Eindnoten
Nederlands-Indië’ (januari 2020), verkregen via https://www.
75jaarvrij.nl/cms/view/57986401/indie-01-2020-
burgergeinterneerden-en-buitenkampers op 6 februari 2020.
 94
Keizer, ‘Dwangarbeiders in ruil voor vrijheid”; Keizer,
‘Van Heiho tot PETA’.
 95
Ellen Klinkers, De troepenmacht in Suriname. De Nederlandse defensie
in een veranderende koloniale wereld 1940 – 1975 (Den Haag 2015),
49.
 96
P.J. Drooglever, ‘Dekolonisatie van Oost- en West-Indië’ in: Locher-
Scholten (red.), Overzee, 229-58, aldaar 253-254; Oostindie,
Het paradijs overzee, 157; Buddingh’, De geschiedenis
van Suriname, 279-284.
 97
Dalhuisen; Donk; Hoefte, De geschiedenis van de Antillen, 97.
 98
Rémy Limpach, De brandende kampongs van Generaal Spoor
(Amsterdam 2016).
 99
Zie bijvoorbeeld: Kayleigh Goudsmit, ‘Verslag publieksbijeenkomst:
dekolonisatie of rekolonisatie?’ (4 oktober 2018), georganiseerd
door het onderzoeksprogramma Onafhankelijkheid, dekolonisatie,
oorlog en geweld in Indonesië 1945 – 1950, verkregen via http://
www.ind45-50.org/verslag-publieksbijeenkomst-dekolonisatie-
rekolonisatie op 5 februari 2020; Anke Hoets, ‘Dekolonisatie,
rekolonisatie? Het is bezetting en herbezetting.’ Bewogen
bijeenkomst Indië-onderzoek’ (26 september 2018), verkregen
via http://www.militairespectator.nl/thema/geschiedenis/artikel/
%E2%80%98dekolonisatie-rekolonisatie-het-bezetting-en-
herbezetting%E2%80%99 op 5 februari 2020.
 100
Gert Oostindie; Henk Schulte Nordholt, ‘Nederland en zijn
koloniale verleden. Moeizame overgang van dekolonisatie naar
buitenlands beleid’, Internationale Spectator, jaargang 60, no. 11
(november 2006), 573-577, aldaar 573.
 101
Oostindie, Het paradijs overzee, 145-146.
 102
Idem, 155; Drooglever, ‘Dekolonisatie van Oost- en West-Indië’,
254.                                                                    96
 103
Drooglever, ‘Dekolonisatie van Oost- en West-Indië’, 256;
Oostindie; Schulte Nordholt, ‘Nederland en zijn koloniale
verleden’, Internationale Spectator, jaargang 60, no. 11
(november 2006), 573-577, aldaar 575.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 96 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 97 ======================================================================

<pre> 104
Drooglever, ‘Dekolonisatie van Oost- en West-Indië’, 256;
Oostindie, Het paradijs overzee, 160-164; Oostindie, Het paradijs
overzee, 157-158.
 105
Oostindie; Schulte Nordholt, ‘Nederland en zijn koloniale verleden.
Moeizame overgang van dekolonisatie naar buitenlands beleid’,
575-576; Drooglever, ‘Dekolonisatie van Oost- en West-Indië’, 256;
Buddingh’, De geschiedenis van Suriname, 297-305.
 106                                                                    Eindnoten
Drooglever, ‘Dekolonisatie van Oost- en West-Indië’, 256;
Oostindie, Het paradijs overzee, 160-164.
 107
Dalhuisen; Donk; Hoefte, De geschiedenis van de Antillen, 120-121;
132-133; 175.
 108
Oostindie; Schulte Nordholt, ‘Nederland en zijn koloniale verleden.
Moeizame overgang van dekolonisatie naar buitenlands beleid’,
576.
 109
Oostindie, Het paradijs overzee, 170-171.
 110
Dalhuisen; Donk; Hoefte, De geschiedenis van de Antillen, 120-121;
132-133; 175.
 111
Wesseling, Indië verloren, rampspoed geboren, 252.
 112
Zie bijlage ‘Enquêteresultaten’ voor de resultaten van de enquête.
 113
Zie bijlage ‘Enquêteresultaten’ voor de musea die de enquête
hebben ingevuld.
 114
Voor dit advies zijn de koloniale cultuurgoederen in het bezit van de
Staat het meest relevant omdat de beleidsaanbevelingen zich met
name daarop richten. Ook publiekrechtelijke rechtspersonen zoals
de rijksuniversiteiten en waterschappen en van private personen
bezitten koloniale cultuurgoederen. Deze zijn voor zover zij niet
door musea worden beheerd, niet in dit onderzoek meegenomen.
 115
Museum Bronbeek, ‘Topstukken’ uit de Collectie Museum
Bronbeek, Ministerie van Defensie, verkregen via https://
www.defensie.nl/onderwerpen/bronbeek/over-bronbeek/collectie-
bronbeek/topstukken op 21 april 2020.
 116
Museum Bronbeek, ‘Slavendans’, inventarisnummer 1999/00-113,
Collectie Museum Bronbeek (z.d.), verkregen via
http://museumbronbeek.nl/#4ec06fc2-e073-4fb5-
                                                                         97
bc24-27a98e13c7a3 op 20 april 2020.
 117
Rijksmuseum, ‘Diorama van een slavendans, Gerrit Schouten,
1830’, objectnummer NG-2005-24, Collectie Rijksmuseum (z.d.),
verkregen via https://www.rijksmuseum.nl/nl/collectie/NG-2005-24
op 6 mei 2020.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 97 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 98 ======================================================================

<pre> 118
Van Beurden, Treasures in Trusted Hands, 147; 170.
 119
Gesprek tussen het secretariaat van de Adviescommissie Koloniale
Collecties en Pauljac Verhoeven (hoofd Museum Bronbeek)
via ZOOM op 26 maart 2020.
 120
                                                                       Eindnoten
Museum Volkenkunde, ‘Vaste tentoonstelling Afrika’, verkregen via
https://www.volkenkunde.nl/nl/zien-en-doen-0/tentoonstellingen/
afrika op 21 april 2020.
 121
Nationaal Museum van Wereldculturen, ‘Paleisdeuren’,
inventarisnummer RV-1586-31(z.d.), Collectie NMVW, verkregen
via https://collectie.wereldculturen.nl/#/query/fbd0c73f-
b54f-4720-8cf5-302bdb8a600f op 4 mei 2020.
 122
‘Ongepubliceerd intern vooronderzoek ‘Koloniale herkomst’,
Rijksmuseum (2018); Rijksmuseum,‘Cannon, anonymous, before
1745’, objectnummer NG-NM-1015, Collectie Rijksmuseum
(z.d.), verkregen via https://www.rijksmuseum.nl/en/search/objects?
q=kandy+kanon&s=chronologic&p=1&ps=12&st=Objects&ii=1#/
NG-NM-1015,1 op 4 mei 2020.
 123
A. A. Slaczka: ‘Temples, inscriptions and misconceptions: Charles-
Louis Fábri and the Khajuraho apsaras’, The Rijksmuseum Bulletin,
60 (2012), 213-233; Rijksmuseum, ‘Hemelse Schoonheid’,
objectnummer AK-MAK-185, Collectie Rijksmuseum (z.d.),
verkregen via https://www.rijksmuseum.nl/en/search/objects?q=AK-
MAK-185&s=chronologic&p=1&ps=12&st=Objects&ii=0#/AK-
MAK-185,0 op 20 april 2020.
 124
Naturalis Biodiversity Center, ‘Schedelkapje van Dubois.
Homo Erectus’, registratienummer RGM.1332450 (z.d.),
Collectie Naturalis Biodiversity Center, verkregen via
https://topstukken.naturalis.nl/object/schedelkapje-van-dubois
op 20 april 2020.
 125
Susan Legêne, De bagage van Blomhoff en Van Breugel – Japan, Java,
Tripoli en Suriname in de negentiende-eeuwse Nederlandse cultuur van
het imperialisme (Amsterdam 1998), 273; Van Beurden, Treasures in
Trusted Hands, 41.
 126
R. Effert, ‘The Royal Cabinet of Curiosities and the National
Museum of Ethnography in the nineteenth century: from the belief
in the superiority of western civilization to comparative
ethnography’ in: E Bergvelt; D.J. Meijers; L. Tibbe; E. van Wezel
(eds.), Museale Specializierung und Nationalisierung ab 1830.
Das Neue Musem in Berlin im internationalen Kontext, Berliner
Schriften zur Museumforschung, band 29, G-H (Berlijn 2011),
153-164.
 127
Jeanette Greenfield, The Return of Cultural Treasures (Cambridge        98
1996), 19-21; Van Beurden, Treasures in trusted hands, 87; 106; 191.
 128
Van Beurden, Treasures in trusted hands, 88.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 98 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 99 ======================================================================

<pre> 129
Marieke Bloembergen; Martijn Eickhoff, ‘Exchange and the
Protection of Java’s Antiquities: A Transnational Approach to the
Problem of Heritage in Colonial Java’, The Journal of Asian Studies,
Vol. 72, No. 4 (November 2013), 893-916, aldaar 899-903.
 130
Ibidem.
                                                                           Eindnoten
 131
H. Budiarti, ‘The Sulawesi Collections – Missionaries, Chiefs and
Military Expeditions’ in: E. Sri Hardiati; P. ter Keurs, Indonesia:
the Discovery of the Past (Amsterdam 2005), 168.
 132
Drieënhuizen; Sysling, ‘Jongensverhalen in Naturalis?’
(12 augustus 2019).
 133
Van Beurden, The return of Cultural and Historical Treasures, 31.
 134
Bloembergen; Eickhoff, ‘Exchange and the Protection of Java’s
Antiquities’, 899-903.
 135
Cynthia Scott, ‘Renewing the ‘Special Relationship’ and Rethinking
the Return of Cultural Property: The Netherlands and Indonesia,
1949 – 79’, Journal of Contemporary History 52 (3), 646-668, aldaar
650; Nationaal Archief, Den Haag, Ministerie van Buitenlandse
Zaken: Code Archief 45-54, nummer toegang 2.05.117,
inventarisnummer 13008, Eventuele teruggave van Indonesische
kunstschatten, welke zich in Nederland bevinden, 1949 – 1950,
zie aldaar bijvoorbeeld het document getiteld ‘Denkbeeld Teruggave
Indonesische Kroonschatten’ (G.S.4816, z.d.) en brief van
D. Schurink aan minister J.H. van Maarseveen (z.d.).
 136
Idem, zie NL-HaNA, Buitenlandse Zaken/Code-Archief 45-54,
nummer toegang 2.05.117, inventarisnummer 13008 voor
deze lijsten.
 137
H.A.J. Klooster, Indonesiërs schrijven hun geschiedenis: De ontwikkeling
van de Indonesische geschiedbeoefening in theorie en praktijk,
1900 – 1980 (Dordrecht 1985), 55-62.
 138
Van Beurden, Treasures in trusted hands, 126-127; Susan Legêne;
Els Postel-Coster, ‘Isn’t it all culture? Culture and Dutch
development policy in the post-colonial period’, in: J.A. Nekkers;
P.A.M. Malcontent (eds.), Fifty Years of Dutch Development
Cooperation, 1949 – 1999 (Den Haag 2000), 271-288, aldaar 272;
358.
 139
Legêne; Postel-Coster, ‘Isn’t it all culture?’, 272; Van Beurden,
Treasures in trusted hands, 127.
 140                                                                        99
Cynthia Scott, Cultural Diplomacy and the Heritage of Empire
(Londen 2019), 75, 78; V. Prashad, The Darker Nations: A People’s
History of the Third World (New York 2007), 45.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 99 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 100 ======================================================================

<pre> 141
Legêne; Postel-Coster, ‘Isn’t it all culture?’, 274; Van Beurden,
Treasures in trusted hands, 123; 158-159.
 142
Van Beurden, Treasures in trusted hands, 127-130.
 143
Van Beurden, The return of Cultural and Historical Treasures, 32.
                                                                       Eindnoten
 144
Door consul-generaal J.G. Kist wordt verwezen naar een dergelijke
lijst op basis van een melding van Antara uit Jakarta op 4 september
1963. Het is onduidelijk of Kist deze lijst zelf onder ogen heeft
gehad. Zie daarvoor o.a.: Nationaal Archief, Den Haag, Ministerie
van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk, nummer toegang
2.27.19, inventarisnummer 4193, Kunstschatten en archivalia,
1963 – 1975, aldaar posttelegram van D.G. Kist aan de Minister
van Buitenlandse Zaken (Singapore, 7 september 1963).
 145
Van Beurden, Treasures in trusted hands, 129-132; Nationaal Archief,
Den Haag, Ministeries voor Algemeene Oorlogvoering van het
Koninkrijk (AOK) en van Algemene Zaken (AZ): Kabinet van de
Minister President (KMP), nummer toegang 2.03.01,
inventarisnummer 4512, Stukken betreffende de overeenkomst met
Indonesië betreffende het aangaan van culturele samenwerking,
1967 – 1968, aldaar Nota betreft stilzwijgende parlementaire
goedkeuring van de op 7 juli 1968 te Djakarta ondertekende
overeenkomst inzake culturele samenwerking tussen het Koninkrijk
der Nederlanden en de Republiek Indonesië (19 mei 1969).
 146
Beurden, Treasures in trusted hands, 138; 170.
 147
Idem, 131-132; 138.
 148
Idem, 134-135.
 149
Idem, 147-148.
 150
Scott, Cultural Diplomacy and the Heritage of Empire, 1-3.
 151
Bloembergen; Eickhoff, The politics of heritage in Indonesia, 261.
Zie ook de stukken in: Nationaal Archief, Den Haag, Ministeries
voor Algemeene Oorlogvoering van het Koninkrijk (AOK) en van
Algemene Zaken (AZ): Kabinet van de Minister President (KMP),
nummer toegang 2.03.01, inventarisnummer 9221, Stukken
betreffende de samenwerking met Indonesië op het terrein van
musea en archieven, 1978.
 152
Van Beurden, The return of Cultural and Historical Treasures,
168-169; 142-143.
                                                                        100
 153
Van Beurden, Treasures in trusted hands, 137-144.
 154
Idem, 144-149; 170.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 100 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 101 ======================================================================

<pre>  155
Idem, 99; 13-144; Van Beurden, The return of Cultural and Historical
Treasures, 32.
  156
Legêne; Postel-Coster, ‘Isn’t it all culture?’, 284.
  157
Scott, Cultural Diplomacy and the Heritage of Empire, 170-171.
                                                                        Eindnoten
  158
Van Beurden, The Return of Cultural and Historical Treasures, 38; 47.
  159
Van Beurden, Treasures in trusted hands, 160; Harm Stevens,
Gepeperd verleden, Indonesië en Nederland sinds 1600 (Nijmegen
2015), 161.
  160
Nationaal Museum van Wereldculturen; Museum Prinsenhof Delft,
‘Herplaatsing Collectie voormalig Museum Nusantara Delft. Lering
en vragen. 2013 – 2018’ (2018) verkregen via https://issuu.com/
tropenmuseum/docs/voormalig_museum_nusantara_delft__-/2?
ff&e=1823887/63072013 op 21 juli 2020.
  161
Linawati Sidarto, ‘Historic Dutch-Indonesian Collection Seeks
New Home’, Tempo (9 October 2016), aldaar 46-47; Voordracht
Janelle Moerman tijdens de kennismiddag over koloniaal erfgoed op
2 maart 2020 in Museum Volkenkunde in Leiden, georganiseerd
door de Museumvereniging en de Adviescommissie Nationaal
Beleidskader Koloniale Collecties.
  162
Ibidem.
  163
Van Beurden, The Return of Cultural and Histoircal Treasures, 35.
  164
Van de 48 kunstwerken die zijn teruggegeven, dateren zeker
21 kunstwerken uit de periode dat Suriname een onafhankelijk land
binnen het Koninkrijk was, dus tussen 1954 en 1975. Daarnaast is
van 26 schilderijen alleen bekend dat ze vóór een bepaalde datum
gemaakt zijn (variërend tussen de jaren 1968 tot en met 1990 als
uiterste datum), en dus niet of deze in de koloniale tijd verworven
zijn. Van één schilderij is geheel onbekend wanneer het
geproduceerd is. Slecht 27 van de 48 mogelijke schilderijen kunnen
dus in de koloniale tijd gemaakt zijn. – Overzicht Sticusa-collectie
van het NMVW, verkregen in e-mail van Maria op de Laak
(Medewerker Informatie Conservatoren Nationaal Museum van
Wereldculturen) aan Emma Keizer (Secretaris Adviescommissie
Koloniale Collecties) op 28 februari 2020.
  165
Élysée, ‘Emmanuel Macron’s speech at the University of
Ouagadougou’ (28 november 2017) verkregen via
https://www.elysee.fr/emmanuel-macron/2017/11/28/emmanuel-
macrons-speech-at-the-university-of-ouagadougou.en
op 15 juni 2020.
                                                                         101
  166
Felwine Sarr; Bénédicte Savoy, ‘Rapport sur la restitution du
patrimoine culturel Africain. Vers une nouvelle éthique relationelle’
(November 2018).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 101 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 102 ======================================================================

<pre>  167
Élysée, ‘Submission of the Savoy/Sarr report on the restitution of
African heritage’ (23 november 2018), verkregen via https://
www.elysee.fr/emmanuel-macron/2018/11/23/submission-of-the-
savoy-sarr-report-on-the-restitution-of-african-heritage.en
op 15 juni 2020.
  168
Gesprek met Claire Chasatanier, Caroline Gaultier-Kurhan
(Ministere de Culture), Hélène Doub (Institut Français),
                                                                      Eindnoten
Anne-Emmanuelle Grossi (cultureel attaché Franse Ambassade
Den Haag) en Gala-Alexa Amagat (Franse Ambassade Den Haag)
op 7 juni 2020 via Webex.
  169
Theresa Machemer, ‘Activists Try to Remove African Artifact From
Paris Museum’, Smithsonian Magazine (12 juni 2020), verkregen via
https://www.smithsonianmag.com/smart-news/protesters-remove-
african-artifact-exhibit-paris-museum-180975110 op 13 juni 2020.
  170
‘Erste Eckpunkte zum Umgang mit Sammlungsgut aus kolonialen
Kontexten der Staatsministerin des Bundes für Kultur und
Medien, der Staatsministerin im Auswärtiges Amt für internationale
Kulturpolitik, der Kulturministerinnen und Kulturminister der
Länder und der kommunalen Spitzenverbände’ (2019), verkregen
via https://www.kmk.org/aktuelles/artikelansicht/eckpunkte-zum-
umgang-mit-sammlungsgut-aus-kolonialen-kontexten.html
op 12 augustus 2020.
  171
Gesprek met Moritz Schmid-Drechsler (Duitse ambassade
Den Haag), Robert Peters (Auswärtiges Amt) en Thomas
Schroeder (BMK-Divisie Koloniale Collecties) op 4 mei 2020
(telefonisch).
  172
Universität Göttingen, ‘Dekolonisierung erfordert Dialog, Expertise
und Unterstützung – Heidelberger Stellungnahme’ (6 mei 2019),
verkregen via https://www.uni-goettingen.de/en/statements+-
+transparency/617641.html op 7 juli 2020.
  173
Maarten Couttenier, ‘Between Regionalization and Centralization:
the Creation of the Musée Léopold II in Elisabethville
(Musée national de Lubumbashi), Belgian Congo (1931 – 1961)’,
History and Anthropology, 25/1:80 (Londen 2014).
  174
Lies Busselen, ‘De tijd haalt ons in – Hoe het restitutiedebat
een lens biedt op een verschuiving in de ‘ontkenning van
gelijktijdigheid’, Volkskunde. Tijdschrift over de cultuur van het
dagelijks leven, jaargang 20, no. 3 (september 2019), 261-388,
aldaar 369.
  175
Office of the High Commissioner, United Nations Human Rights,
‘Statements to the media by the United Nationals Working Group
of experts in People of African Descent, on the conclusion of
its official visit to Belgium, 4-11 February 2010,’ verkregen via
https://www.ohchr.org/EN/NewsEvents/Pages/DisplayNews.aspx?
                                                                       102
NewsID=24153&LangID=E op 16 juni 2020.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 102 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 103 ======================================================================

<pre>  176
Royal Museum for Central Africa; Egmont – Royal Institute for
International Relations, ‘Concluding Press Release of the
conference ‘Sharing Past and future: strengthening African-
European Connections’ (17 september 2018), verkregen via
http://www.egmontinstitute.be/events/sharing-past-and-future-
strengthening-african-european-connections op 17 juni 2020.
  177
Alexander Decroo, Toespraak heropening AfricaMuseum Tervuren
                                                                     Eindnoten
op 8 december 2018, verkregen via https://alexanderdecroo.be/
heropening-koninklijk-museum-centraal-afrika op 16 juni 2020.
  178
Busselen, ‘De tijd haalt ons in’, 369-373.
  179
Brussels Parlement, ‘Resolutie betreffende de Afrikaanse
cultuurgoederen en patrimoniale goederen en de teruggave van de
menselijke resten die zich op het Brussels grondgebied bevinden’,
zitting 30 april 2019, 5-6.
  180
AfricaMuseum, ‘Restitutiebeleid Koninklijk Museum voor
Midden-Afrika’ (februari 2020), verkregen via https://
www.africamuseum.be/nl/about_us/restitution op 8 juli 2020.
  181
Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers, ‘Bijzondere
commissie belast met het onderzoek over Congo-Vrijstaat
(1885 – 1908) en het Belgisch koloniaal verleden in Congo
(1908 – 1960), Rwanda en Burundi (1919 – 1962), de impact
hiervan en de gevolgen die hieraan dienen gegeven te worden’,
Tweede Zitting van de 55e zittingsperiode, doc. 55 1462/001
(17 juli 2020), verkregen via ‘Nieuws’, DeKamer.be, https://
www.dekamer.be/kvvcr/index.cfm op 10 augustus 2020.
  182
Gesprek met Jacques Schumacher, herkomstonderzoeker bij het
Victoria and Albert Museum op 11 maart 2020 te Londen.
  183
African Foundation for Development, ‘Return of the Icons.
The restitution of African Artefacts & human remains project
mapping report’ (juni 2020), verkregen via https://www.afford-
uk.org/wp-content/uploads/2020/06/RoIMappingReportFinal.pdf
op 10 juli 2020.
  184
A. Salomons; I. van der Vlies (red.), Kunst, recht en beleid
(Den Haag 2017), 128.
  185
Zie bijvoorbeeld: Bloembergen; Eickhoff, The politics of heritage
in Indonesia, 12-13.
  186
De toelichting op de Erfgoedwet noemt deze criteria voor
onmisbaarheid respectievelijk de symboolfunctie, de schakelfunctie
en de ijkfunctie van een cultuurgoed.
                                                                      103
  187
E. Campfens, ‘Restitution of Looted Art: What About Access to
Justice?’, Santander Art and Culture Law Review 2 (4) (2018),
185-220, aldaar 190.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 103 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 104 ======================================================================

<pre> 188
Rijksoverheid, Brief van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur
en Wetenschappen aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der
Staten-Generaal (Zoetermeer, 14 juli 2000), Kamerstuk 25839,
nr. 16 (versie 28 juli 2000), verkregen via https://zoek.officiele
­bekend­­makingen.nl/kst-25839-16.html op 7 juli 2020.
 189
Zie de uitspraak van het Haags Gerechtshof in de zogenoemde
“Rawagedeh-zaak”: Rechtbank ’s-Gravenhage, zaaknummer
                                                                      Eindnoten
354119 / HA ZA 09-4171, NJ 2012/579 op 14 september 2011,
verkregen via https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?
id=ECLI:NL:RBSGR:2011:BS8793&showbutton=true&keyword=
NJ+2012%2f578+verjaring op 7 juli 2020. Het ging in deze zaak
om de aansprakelijkheid van de Staat voor de toepassing van
excessief geweld, een massa-executie op West Java op 9 december
1947. De rechter oordeelde dat een beroep op verjaring voor de
weduwen van de geëxecuteerden naar de maatstaven van
redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.
 190
International Committee of the Red Cross, ‘Project of an
International Declaration concerning the Laws and Customs of
War’, Brussels Declaration (Brussel 27 augustus 1874), artikel 8,
verkregen via https://ihl-databases.icrc.org/ihl/INTRO/135
op 27 maart 2020.
 191
Zie artikel 27 van de Haagse Conventie van 1899 en artikel 56 van
de Haagse Conventie 1907 – Yale Law School, ‘Convention with
respect to the Laws and Customs of War on Land (Hague II)’
(29 juli 1899), verkregen via Yale Law School, https://avalon.law.
yale.edu/19th_century/hague02.asp#art27 op 2 juli 2020; Yale Law
School, ‘Convention respecting the Laws and Customs of War on
Land (Hague IV) (18 oktober 1907), verkregen via Yale Law
School, https://avalon.law.yale.edu/20th_century/
hague04.asp#art56 op 2 juli 2020.
 192
Unesco, ‘Convention for the Protection of Cultural Property in the
Event of Armed Conflict with Regulations for the Execution of the
Convention 1954’ (Den Haag, 14 mei 1954), verkregen via Unesco,
https://wayback.archive-it.org/all/20151224135224/http://
portal.unesco.org/en/ev.php-URL_ID=13637&URL_DO=DO_
TOPIC&URL_SECTION=
201.html op 2 juli 2020.
 193
Unesco, ‘Convention on the Means of Prohibiting and Preventing
the Illicit Import, Export and Transfer of Ownership of Cultural
Property’ (Parijs, 14 november 1970), verkregen via Unesco,
http://portal.unesco.org/en/ev.php-URL_ID=13039&URL_DO
=DO_TOPIC&URL_SECTION=201.html op 2 juli 2020.
 194
Nederland heeft dit verdrag niet bekrachtigd, maar indertijd
gekozen voor het Unesco-verdrag van 1970. Er werden daarvoor
verschillende redenen aangevoerd, maar het belangrijkste argument
was de ruime en vage definitie van het begrip ‘cultuurgoed.
Zie Salomons; Van der Vlies (red.), Kunst, recht en beleid, 130.
 195                                                                   104
E. Campfens, ‘The Banga Queen: Artifact or Heritage?’,
International Journal of Cultural Property 26 (1) (2019) 75-110,
aldaar 95.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 104 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 105 ======================================================================

<pre> 196
Landen als China en Peru hebben daarvoor bij de totstandkoming
van Unesco 1970 wel gepleit, doch zonder resultaat.
 197
Voor de volledigheid zij opgemerkt dat ook in EU-verband
regelgeving tot stand is gebracht inzake het verkeer van
cultuurgoederen (EG-verordening nr. 116/2009 en Richtlijn
2014/60/EU). Deze regelgeving blijft hier buiten bespreking,
aangezien ze geen grondslag biedt voor de teruggave van koloniale
                                                                       Eindnoten
objecten aan herkomstlanden. Genoemde Verordening regelt dat
bepaalde cultuurgoederen niet zonder vergunning van de lidstaat
buiten het douanegebied van de Gemeenschap mogen worden
gebracht en genoemde richtlijn gaat over teruggave van
cultuurgoederen die op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied
van een lidstaat zijn gebracht.
 198
Zie hiervoor bijvoorbeeld ook paragraaf 103 van de Operational
Guidelines for the Implementation of Unesco 1970: “For items of
illegally removed or stolen property imported into another State
Party before the entry into force of the Convention for any of the
States Parties concerned, States Parties are encouraged to find a
mutually acceptable agreement which is in accordance with the
spirit and the principles of the Convention, taken into account all
relevant circumstances.” – Unesco, ‘Operational Guidelines for
the Implementation of the Convention on the Mans of Prohibiting
and Preventing the Illicit Import, Export and Transfer of
Ownership of Cultural Property’ (Parijs 1970), verkregen via
Unesco, http://www.unesco.org/new/en/culture/themes/illicit-
trafficking-of-cultural-property/operational-guidelines
op 2 juli 2020, 23.
 199
Nederlands Centrum voor Inheemse Volkeren (NCIV), ‘VN
Verklaring over de Rechten van Inheemse Volken’ (7 mei 2009),
verkregen via https://www.cmo.nl/vncanon/pdf/
verklaring_inheemse_volken_nciv.pdf op 2 april 2020.
 200
International Council of Museums (ICOM), ‘ICOM Code of
Ethics for Museums’ (2017), verkregen via de Museumvereniging,
https://www.museumvereniging.nl/ethische-code-voor-musea
op 5 april 2020, paragraaf 6, 33-34.
 201
International Law Association, ‘Report of the Seventy-second
Conference’ (2006), Annex bij James A.R. Nafziger, ‘The Principles
for Cooperation in the Mutual Protection and Transfer of Cultural
Material’, Chicago Journal of International Law (2007), Vol.8: No.1,
147-167.
 202
A. Taşdelen, The return of Cultural Artefacts, Hard and Soft Law
approaches (Cham 2016), 184.
 203
Deze conclusie trekt bijvoorbeeld ook de Duitser Museumsbund in
haar Guidelines. Deutscher Museumsbund, ‘Guidelines on Dealing
with Collections from Colonial Contexts (juli 2018), 71. Zie ook:
M. Cornu; M. Renold, ‘New Developments in the Restitution
of Cultural Property: Alternative Means of Dispute Resolution’,         105
International Journal of Cultural Property (2010) 17:1-31, 1-31,
aldaar 15.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 105 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 106 ======================================================================

<pre> 204
Zie o.a. Nafziger, ‘The Principles for Cooperation in the Mutual
Protection and Transfer of Cultural Material’ & Campfens,
‘Restitution of Looted Art’.
 205
Zie bijvoorbeeld artikel 3 (1) van het UNIDROIT-Verdrag.
Unidroit, ‘UNIDROIT Convention on Stolen or Illegally Exported
Cultural Objects’ (Rome, 24 juni 1995), verkregen via
https://www.unidroit.org/instruments/cultural-property/1995-
                                                                         Eindnoten
convention (versie 5 juni 2014) op 2 juli 2020.
 206
Zie bijvoorbeeld Campfens, ‘Restitution of Looted Art’ & Conru;
Renold, ‘New Developments in the Restitution of Cultural
Property’.
 207
Unesco, ‘Statues of the Intergovernmental Committee for
Promoting the Return of Cultural Property to its Countries of
Origing or its Restitution in case of Illicit Appropriation’, Unesco
(28 november 1978).
 208
Department of State, ‘Washington Conference Principles on
Nazi-Confiscated Art’ (3 december 1998), verkregen via
https://www.state.gov/washington-conference-principles-on-nazi-
confiscated-art op 5 maart 2020.
 209
Jos van Beurden; K.M. Adams, P. Catteeuw, ‘Teruggave ontrafeld,
Reflecties over museumobjecten in tijden van repatriëring en
restitutie’, Volkskunde. Tijdschrift over de cultuur van het dagelijks
leven, jaargang 20, no. 3 (september 2019), 305-323, aldaar
317-319.
 210
Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, ‘Wet van 9 december 2015,
houdende bundeling en aanpassing van regels op het terrein van
cultureel erfgoed (Erfgoedwet)’, verkregen via https://www.cultureel
erfgoed.nl/onderwerpen/erfgoedwet/documenten/publicaties/
2015/01/01/erfgoedwet op 2 juli 2020.
 211
Zij doet dit analoog aan het onderscheid dat de Deutscher
Museumsbund in de ‘Guideliness on dealing with colonial contexts’
maakt tussen historisch gevoelige en cultureel gevoelige objecten. –
Deutscher Museumsbund, ‘Guidelines on Dealing with Collections
from Colonial Contexts’ (juli 2018).
 212
Sarr; Savoy, ‘Rapport sur la restitution du patrimoine culturel
Africain.’ (november 2018).
 213
Pieter ter Keurs, Verzamelen, Oratie uitgesproken bij de aanvaarding
van het ambt van hoogleraar Museums, Collections and Society aan
de Universiteit Leiden (2 december 2019).
 214
Zie hier ook de Guideliness van de Deutscher Museumsbund,                 106
waarin wordt geconcludeerd dat ‘Due to the wide range of
circumstances, however, it is not possible to make a general
statement as to when a wrongful act has been committed which
should result in repatriation’. – Deutscher Museumsbund,
‘Guidelines on Dealing with Collections from Colonial Contexts
(juli 2018), 95.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 106 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 107 ======================================================================

<pre> 215
Rijksoverheid, Brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschap aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-
Generaal (10 april 2019), Kamerstuk 32820, nr. 282
(versie 15 april 2019), verkregen via https://zoek.officielebekend
makingen.nl/kst-32820-282.html op 12 april 2020.
 216
G. Robertson, Who owns history? Elgin’s Loot and the Case for
Returning Plundered Treasure (Londen 2019), 12.
 217                                                                     Eindnoten
Cornu; Renold, ‘New Developments in the Restitution of Cultural
Property’, 4.
 218
Zie bijvoorbeeld de considerans van het Unesco-verdrag uit 1970:
Considering that the protection of cultural heritage can be effective
only if organized both nationally and internationally among states
working in close co-operation. – Unesco, ‘Operational Guidelines
for the Implementation of the Convention on the Mans of
Prohibiting and Preventing the Illicit Import, Export and Transfer
of Ownership of Cultural Property’ (Parijs 1970), verkregen via
Unesco, http://www.unesco.org/new/en/culture/themes/illicit-
trafficking-of-cultural-property/operational-guidelines
op 2 juli 2020.
 219
Sarr; Savoy, ‘Rapport sur la restitution du patrimoine culturel
Africain’, 83.
 220
Deutscher Museumsbund, ‘Guidelines on Dealing with Collections
from Colonial Contexts’ (juli 2018), 99.
 221
Tweede Kamer der Staten-Generaal, ‘Bundeling en aanpassing van
regels op het terrein van cultureel erfgoed (Erfgoedwet)’,
Memorie van toelichting (2014 – 2015), Kamerstuk 34109, nr. 3
(versie 15 december 2014), verkregen via
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-34109-3.html
op 7 juli 2020, 12.
 222
‘Ethische Code voor Musea’ (2006), verkregen via
http://www.ethischecodevoormusea.nl op 22 april 2020, 11
(paragraaf 2.20).
 223
Voor zover het verzoek om teruggave wordt gehonoreerd en in de
adviesprocedure geen advies over de beschermwaardigheid is
gevraagd aan een deskundigencommissie, kan eenieder volgens
artikel 4.18 gedurende zes weken zienswijzen indienen over de
beschermwaardigheid van het cultuurgoed. Na beoordeling van de
eventueel ingediende zienswijzen en het desgewenst alsnog
inwinnen van een advies van een deskundigencommissie, wordt
een definitief besluit genomen. In het geval van onvrijwillig verloren
bezit uit Nederlandse koloniale gebieden, zal dat besluit conform
het eerder voorgenomen besluit zijn, houdende de teruggave van
het cultuurgoed.
                                                                          107
 224
Met dien verstande dat de in artikel 4.18 van de Erfgoedwet
voorgeschreven procedure niet zal leiden tot een ander besluit door
betrokken overheid dan geadviseerd door de Adviescommissie.
Dat advies is immers bindend.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 107 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 108 ======================================================================

<pre>     Bronnen
Africa Museum, ‘Restitutiebeleid Koninklijk Museum voor
Midden-Afrika’ (februari 2020), verkregen via
https://www.africamuseum.be/nl/about_us/restitution
op 8 juli 2020.
African Foundation for Development, ‘Return of the Icons.
The restitution of African Artefacts & human remains project
                                                                     Bronnen
mapping report’ (juni 2020), verkregen via https://www.afford-
uk.org/wp-content/uploads/2020/06/RoIMappingReportFinal.pdf
op 10 juli 2020.
Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers, ‘Bijzondere
commissie belast met het onderzoek over Congo-Vrijstaat
(1885 – 1908) en het Belgisch koloniaal verleden in Congo
(1908 – 1960), Rwanda en Burundi (1919 – 1962), de impact
hiervan en de gevolgen die hieraan dienen gegeven te worden’,
Tweede Zitting van de 55e zittingsperiode, doc. 55 1462/001
(17 juli 2020), verkregen via ‘Nieuws’, DeKamer.be,
https://www.dekamer.be/kvvcr/index.cfm op 10 augustus 2020.
Brussels Parlement, ‘Resolutie betreffende de Afrikaanse
cultuurgoederen en patrimoniale goederen en de teruggave van de
menselijke resten die zich op het Brussels grondgebied bevinden’,
zitting 30 april 2019.
Decroo, A., Toespraak heropening Africamuseum Tervuren op
8 december 2018, verkregen via https://alexanderdecroo.be/
heropening-koninklijk-museum-centraal-afrika op 16 juni 2020.
Department of State, ‘Washington Conference Principles on
Nazi-Confiscated Art’ (3 december 1998), verkregen via https://
www.state.gov/washington-conference-principles-on-nazi-
confiscated-art op 5 maart 2020.
Deutscher Museumsbund, ‘Guidelines on Dealing with Collections
from Colonial Contexts (juli 2018), verkregen via
https://www.museumsbund.de/publikationen/guidelines-on-dealing-
with-collections-from-colonial-contexts-2 op 23 maart 2020.
Élysée, ‘Emmanuel Macron’s speech at the University of
Ouagadougou’ (28 november 2017), verkregen via
https://www.elysee.fr/emmanuel-macron/2017/11/28/emmanuel-
macrons-speech-at-the-university-of-ouagadougou.en
op 15 juni 2020.
Élysée, ‘Emmanuel Macron’s speech at the University of
Ouagadougou’ (28 november 2017), verkregen via https://
www.elysee.fr/emmanuel-macron/2017/11/28/emmanuel-macrons-
speech-at-the-university-of-ouagadougou.en op 15 juni 2020.
Élysée, ‘Submission of the Savoy/Sarr report on the restitution of
African heritage’ (23 november 2018), verkregen via https://
www.elysee.fr/emmanuel-macron/2018/11/23/submission-of-the-
savoy-sarr-report-on-the-restitution-of-african-heritage.en
op 15 juni 2020.
‘Erste Eckpunkte zum Umgang mit Sammlungsgut aus kolonialen
Kontexten der Staatsministerin des Bundes für Kultur und              108
Medien, der Staatsministerin im Auswärtiges Amt für internationale
Kulturpolitik, der Kulturministerinnen und Kulturminister der
Länder und der kommunalen Spitzenverbände’ (2019), verkregen
via https://www.kmk.org/aktuelles/artikelansicht/eckpunkte-zum-
umgang-mit-sammlungsgut-aus-kolonialen-kontexten.html
op 12 augustus 2020.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 108 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 109 ======================================================================

<pre>‘Ethische Code voor Musea’ (2006), verkregen via
http://www.ethischecodevoormusea.nl op 22 april 2020, 11
(paragraaf 2.20).
Gesprek met Claire Chasatanier, Caroline Gaultier-Kurhan
(Ministere de Culture), Hélène Doub (Institut Français),
Anne-Emmanuelle Grossi (cultureel attaché Franse ambassade
Den Haag) en Gala-Alexa Amagat (Franse ambassade Den Haag)
via Webex op 7 juni 2020.
                                                                    Bronnen
Gesprek met Jacques Schumacher, herkomstonderzoeker bij het
Victoria and Albert Museum op 11 maart 2020 te Londen.
Gesprek met Moritz Schmid-Drechsler (Duitse ambassade
Den Haag), Robert Peters (Auswärtiges Amt) en Thomas
Schroeder (BMK –Divisie Koloniale Collecties) op 4 mei 2020
(telefonisch).
Gesprek tussen het secretariaat van de Adviescommissie Koloniale
Collecties en Pauljac Verhoeven (hoofd Museum Bronbeek) via
ZOOM op 26 maart 2020.
International Committee of the Red Cross, ‘Project of an
International Declaration concerning the Laws and Customs of
War’, Brussels Declaration (Brussel 27 augustus 1874), artikel 8,
verkregen via https://ihl-databases.icrc.org/ihl/INTRO/135
op 27 maart 2020.
International Council of Museums (ICOM), ‘ICOM Code of
Ethics for Museums’ (2017), verkregen via de Museumvereniging,
https://www.museumvereniging.nl/ethische-code-voor-musea
op 5 april 2020.
International Law Association, ‘Report of the Seventy-second
Conference’ (2006), Annex bij Nafziger, J.A., ‘The Principles for
Cooperation in the Mutual Protection and Transfer of Cultural
Material’, Chicago Journal of International Law (2007),
Vol. 8: No.1, 147-167.
Museum Bronbeek, ‘Slavendans’, inventarisnummer 1999/00-113,
Collectie Museum Bronbeek (z.d.), verkregen via
http://museumbronbeek.nl/#4ec06fc2-e073-4fb5-
bc24-27a98e13c7a3 op 20 april 2020.
Nationaal Archief, Den Haag, Ministerie van Buitenlandse Zaken:
Code Archief 45-54, nummer toegang 2.05.117, inventarisnummer
13008, Eventuele teruggave van Indonesische kunstschatten, welke
zich in Nederland bevinden, 1949 – 1950.
Nationaal Archief, Den Haag, Ministerie van Cultuur, Recreatie en
Maatschappelijk Werk, nummer toegang 2.27.19, inventarisnummer
4193, Kunstschatten en archivalia, 1963 – 1975.
Nationaal Archief, Den Haag, Ministeries voor Algemeene
Oorlogvoering van het Koninkrijk (AOK) en van Algemene Zaken
(AZ): Kabinet van de Minister President (KMP), nummer toegang
2.03.01, inventarisnummer 4512, Stukken betreffende de
overeenkomst met Indonesië betreffende het aangaan van culturele
samenwerking, 1967 – 1968.
                                                                     109
Nationaal Archief, Den Haag, Ministeries voor Algemeene
Oorlogvoering van het Koninkrijk (AOK) en van Algemene Zaken
(AZ): Kabinet van de Minister President (KMP), nummer toegang
2.03.01, inventarisnummer 9221, Stukken betreffende de
samenwerking met Indonesië op het terrein van musea en
archieven, 1978.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 109 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 110 ======================================================================

<pre>Nationaal Museum van Wereldculturen, ‘Banjo’, objectnummer
RV-360-5696, Collectie Nationaal Museum van Wereldculturen
(NMVW) (z.d.), verkregen via https://collectie.wereldculturen.nl/#/
query/75e5bd3c-e2b1-4889-9ff4-00c79bbacdb7
op 27 augustus 2020.
Nationaal Museum van Wereldculturen, ‘Ganesha’, objectnummer
RV-1403-1681, Collectie Nationaal Museum van Wereldculturen
(NMVW) (z.d.), verkregen via http://collectie.wereldculturen.nl/#/
query/95384072-cb44-4f4e-bf3f-6e04aaec36a3 op 20 maart 2020.
Nationaal Museum van Wereldculturen, ‘Paleisdeuren’,                  Bronnen
inventarisnummer RV-1586-31, collectie Nationaal
Museum van Wereldculturen (z.d.), verkregen via
https://collectie.wereldculturen.nl/#/query/fbd0c73f-
b54f-4720-8cf5-302bdb8a600f op 4 mei 2020.
Nationaal Museum Wereldculturen, ‘Return of Cultural Objects:
Principles and Process’ (7 maart 2019), verkregen via
https://www.tropenmuseum.nl/en/about-tropenmuseum/press/
dutch-national-museum-world-cultures-nmvw-announces-
principles-claims op 25 maart 2020.
Naturalis Biodiversity Center, ‘Schedelkapje van Dubois. Homo
Erectus’, registratienummer RGM.1332450 (z.d.), Collectie
Naturalis Biodiversity Center, verkregen via
https://topstukken.naturalis.nl/object/schedelkapje-van-dubois
op 20 april 2020.
Nederlands Centrum voor Inheemse Volkeren (NCIV), ‘
VN Verklaring over de Rechten van Inheemse Volken’ (7 mei 2009),
verkregen via https://www.cmo.nl/vncanon/pdf/
verklaring_inheemse_volken_nciv.pdf op 2 april 2020.
Office of the High Commissioner, United Nations Human Rights,
‘Statements to the media by the United Nationals Working Group
of experts in People of African Descent, on the conclusion of its
official visit to Belgium, 4-11 February 2010,’ verkregen via
https://www.ohchr.org/EN/NewsEvents/Pages/DisplayNews.aspx?
NewsID=24153&LangID=E op 16 juni 2020.
Ongepubliceerd intern vooronderzoek ‘Koloniale herkomst’,
Rijksmuseum (2018).
Overzicht Sticusa-collectie van het NMVW, verkregen in e-mail van
Maria op de Laak (Medewerker Informatie Conservatoren
Nationaal Museum van Wereldculturen) aan Emma Keizer
(Secretaris Adviescommissie Koloniale Collecties)
op 28 februari 2020.
Rechtbank ’s-Gravenhage, zaaknummer 354119 / HA ZA 09-4171,
NJ 2012/579 op 14-09-2011, verkregen via
https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?
id=ECLI:NL:RBSGR:
2011:BS8793&showbutton=true&keyword=NJ+2012%2f578+verjaring
op 7 juli 2020.
Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, ‘Wet van 9 december 2015,
houdende bundeling en aanpassing van regels op het terrein van
cultureel erfgoed (Erfgoedwet)’, verkregen via https://
www.cultureelerfgoed.nl/onderwerpen/erfgoedwet/documenten/             110
publicaties/2015/01/01/erfgoedwet op 2 juli 2020.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 110 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 111 ======================================================================

<pre>Rijksmuseum, ‘Cannon, anonymous, before 1745’, objectnummer
NG-NM-1015, Collectie Rijksmuseum (z.d.), verkregen via
https://www.rijksmuseum.nl/en/search/objects?
q=kandy+kanon&s=chronologic&p=1&ps=12&st=Objects&ii=1#/
NG-NM-1015,1 op 4 mei 2020.
Rijksmuseum, ‘Curaçaose waterschepper, anoniem, 1700 – 1799’,
inventarisnummer NG-1944-29, Collectie Rijksmuseum (z.d.),
verkregen via https://www.rijksmuseum.nl/nl/zoeken/objecten?
p=1&ps=12&f.objectTypes.sort=waterschepper&st=Objects&ii=0#/
                                                                      Bronnen
NG-1994-29,0 op 22 maart 2020.
Rijksmuseum, ‘De diamant van Banjarmasin, anoniem, ca. 1875’,
inventarisnummer NG-C-2000-3, Collectie Rijksmuseum (z.d.),
verkregen via https://www.rijksmuseum.nl/nl/zoeken/objecten?
q=diamant&p=1&ps=12&st=Objects&ii=2#/NG-C-2000-3,2
op 27 augustus 2020.
Rijksmuseum, ‘Diorama van een slavendans, Gerrit Schouten,
1830’, objectnummer NG-2005-24, Collectie Rijksmuseum (z.d.),
verkregen via https://www.rijksmuseum.nl/nl/collectie/NG-2005-24
op 6 mei 2020.
Rijksmuseum, ‘Hemelse Schoonheid’, objectnummer
AK-MAK-185, Collectie Rijksmuseum (z.d.), verkregen via
https://www.rijksmuseum.nl/en/search/objects?q=AK-
MAK-185&s=chronologic&p=1&ps=12&st=Objects&ii=0#/AK-
MAK-185,0 op 20 april 2020.
Rijksmuseum, ‘Lansenrek van gouverneur-generaal J.C. Baud,
anoniem, 1834’, objectnummer NG-BR-554, Collectie
Rijksmuseum (z.d.), verkregen via http://hdl.handle.net/10934/
RM0001.COLLECT.337418 op 23 maart 2020.
Rijksoverheid, brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschap aan de voorzitter van de Tweede Kamer der
Staten-Generaal (10 april 2019), Kamerstuk 32820, nr. 282
(versie 15 april 2019), verkregen via
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-32820-282.html
op 12 april 2020.
Rijksoverheid, brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschap aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-
Generaal (10 april 2019), Kamerstuk 32820, nr. 282
(versie 15 april 2019), verkregen via
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-32820-282.html
op 12 april 2020.
Rijksoverheid, brief van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur
en Wetenschappen aan de voorzitter van de Tweede Kamer der
Staten-Generaal (Zoetermeer, 14 juli 2000), Kamerstuk 25839, nr.
16 (versie 28 juli 2000), verkregen via
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-25839-16.html
op 7 juli 2020.
Rijksoverheid, ‘De Erfgoedwet’, verkregen via Overheid.nl (z.d.),
https://wetten.overheid.nl/BWBR0037521/2020-04-01
op 13 augustus 2020.
Royal Museum for Central Africa; Egmont – Royal Institute for
International Relations, ‘Concluding Press Release of the              111
conference ‘Sharing Past and future: strengthening African-
European Connections’ (17 september 2018), verkregen via
http://www.egmontinstitute.be/events/sharing-past-and-future-
strengthening-african-european-connections op 17 juni 2020.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 111 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 112 ======================================================================

<pre>Sarr, F.; Savoy, B., ‘Rapport sur la restitution du patrimoine
culturel Africain. Vers une nouvelle éthique relationelle’
(november 2018), verkregen via http://restitutionreport2018.com
op 23 maart 2020.
Striptiaan, A. Van; Smeulders, V., Traveling Caribbean Heritage,
academisch project door het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land-
en Volkenkunde (KITLV), de Erasmus Universiteit Rotterdam,
de Universiteit van Aruba, de Da Costa Gomez Universiteit op
Curaçao en FUHIKIBO op Bonaire (z.d.).
Tweede Kamer der Staten-Generaal, ‘Bundeling en aanpassing van         Bronnen
regels op het terrein van cultureel erfgoed (Erfgoedwet)’, Memorie
van toelichting (2014 – 2015), Kamerstuk 34109, nr. 3
(versie 15 december 2014), verkregen via
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-34109-3.html
op 7 juli 2020.
Unesco, ‘Convention for the Protection of Cultural Property in the
Event of Armed Conflict with Regulations for the Execution of the
Convention 1954’ (Den Haag, 14 mei 1954), verkregen via Unesco,
https://wayback.archive-it.org/all/20151224135224/http:/
portal.unesco.org/en/ev.php-URL_ID=13637&URL_DO=
DO_TOPIC&URL_SECTION=201.html op 2 juli 2020.
Unesco, ‘Convention on the Means of Prohibiting and Preventing
the Illicit Import, Export and Transfer of Ownership of Cultural
Property’ (Parijs, 14 november 1970), verkregen via Unesco,
http://portal.unesco.org/en/ev.php-URL_ID=13039&URL_DO=
DO_TOPIC&URL_SECTION=201.html op 2 juli 2020.
Unesco, ‘Operational Guidelines for the Implementation of the
Convention on the Mans of Prohibiting and Preventing the Illicit
Import, Export and Transfer of Ownership of Cultural Property’
(Parijs 1970), verkregen via Unesco, http://www.unesco.org/new/en/
culture/themes/illicit-trafficking-of-cultural-property/operational-
guidelines op 2 juli 2020.
Unesco, ‘Operational Guidelines for the Implementation of the
Convention on the Mans of Prohibiting and Preventing the Illicit
Import, Export and Transfer of Ownership of Cultural Property’
(Parijs 1970), verkregen via Unesco, http://www.unesco.org/new/en/
culture/themes/illicit-trafficking-of-cultural-property/operational-
guidelines op 2 juli 2020.
Unesco, ‘Statues of the Intergovernmental Committee for
Promoting the Return of Cultural Property to its Countries of
Origing or its Restitution in case of Illicit Appropriation’,
Unesco (28 november 1978).
Unidroit, ‘UNIDROIT Convention on Stolen or Illegally Exported
Cultural Objects’ (Rome, 24 juni 1995), verkregen via
https://www.unidroit.org/instruments/cultural-property/1995-
convention (versie 5 juni 2014) op 2 juli 2020.
Universität Göttingen, ‘Dekolonisierung erfordert Dialog, Expertise
und Unterstützung – Heidelberger Stellungnahme’ (6 mei 2019),
verkregen via https://www.uni-goettingen.de/en/statements+-
+transparency/617641.html op 7 juli 2020.
Voordracht Janelle Moerman tijdens de kennismiddag over                 112
koloniaal erfgoed op 2 maart 2020 in Museum Volkenkunde in
Leiden, georganiseerd door de Museumvereniging en de
Adviescommissie Nationaal Beleidskader Koloniale Collecties.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 112 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 113 ======================================================================

<pre>Yale Law School, ‘Convention respecting the Laws and Customs
of War on Land (Hague IV) (18 oktober 1907), verkregen via Yale
Law School, https://avalon.law.yale.edu/20th_century/
hague04.asp#art56 op 2 juli 2020.
Yale Law School, ‘Convention with respect to the Laws and
Customs of War on Land (Hague II)’ (29 juli 1899), verkregen via
Yale Law School, https://avalon.law.yale.edu/19th_century/
hague02.asp#art27 op 2 juli 2020.
                                                                   Bronnen
                                                                    113
</pre>

====================================================================== Einde pagina 113 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 114 ======================================================================

<pre>      Literatuur
Ashworth, G.J.; Graham, B.J.; Tunbridge, J.E., Pluralising Pasts:
Heritage, Identity and Place in Multicultural Societies (London 2007).
Bergvelt, E.; Meijers, D.J.; Tibbe, L.; Wezel, E. van (eds.),
Museale Specializierung und Nationalisierung ab 1830. Das Neue
Musem in Berlin im internationalen Kontext, Berliner Schriften
zur Museumforschung, band 29, G-H (Berlijn 2011).
Beurden, J. van, The return of Cultural and Historical Treasures.        Literatuur
The case of the Netherlands (Amsterdam 2012).
Beurden, J. van, Treasures in Trusted Hands, Negotiating the Future
of Colonial Cultural Objects (Leiden 2017).
Beurden, J. van; Adams, K.M.; Catteeuw, P. ‘Teruggave ontrafeld,
Reflecties over museumobjecten in tijden van repatriëring en
restitutie’, Volkskunde. Tijdschrift over de cultuur van het dagelijks
leven, jaargang 20, no. 3 (september 2019), 305-323.
Bloembergen, M.; Eickhoff, M., ‘Exchange and the Protection
of Java’s Antiquities: A Transnational Approach to the Problem
of Heritage in Colonial Java’, The Journal of Asian Studies, Vol. 72,
No. 4 (November 2013), 893-916.
Bloembergen, M.; Eickhoff, M., The politics of heritage in Indonesia.
A Cultural History (Cambridge 2020).
Buddingh’, H., De geschiedenis van Suriname (Amsterdam 2012).
Budiarti, H., ‘The Sulawesi Collections – Missionaries, Chiefs and
Military Expeditions’ in Hardiati, E.S.; Keurs, P. ter, Indonesia:
the Discovery of the Past (Amsterdam 2005).
Busselen, L., ‘De tijd haalt ons in – Hoe het restitutiedebat een lens
biedt op een verschuiving in de ‘ontkenning van gelijktijdigheid’,
Volkskunde. Tijdschrift over de cultuur van het dagelijks leven,
jaargang 20, no. 3 (september 2019), 261-388.
Campfens, E., ‘Restitution of Looted Art: What About Access
to Justice?’, Santander Art and Culture Law Review 2 (4) (2018),
185-220.
Campfens, E., ‘The Banga Queen: Artifact or Heritage?’,
International Journal of Cultural Property 26 (1) (2019) 75-110.
Canny, N.; Morgan, P. (eds.), The Oxford Handbook of the Atlantic
World, 1450 – 1850 (Oxford 2011).
Cornu, M.; Renold, M., ‘New Developments in the Restitution
of Cultural Property: Alternative Means of Dispute Resolution’,
International Journal of Cultural Property (2010) 17:1, 1-31.
Couttenier, M., ‘Between Regionalization and Centralization:
the Creation of the Musée Léopold II in Elisabethville
(Musée national de Lubumbashi), Belgian Congo (1931 – 1961)’,
History and Anthropology, 25/1:80 (Londen 2014).                          114
Dalhuisen, L.; Donk, R.; Hoefte, R., De geschiedenis van de Antillen.
Aruba, Bonaire, Curaçao, Saba, Sint Eustatius, Sint Maarten
(Zutphen 2019).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 114 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 115 ======================================================================

<pre>Dalhuisen, L.; Hassankhan, M., De geschiedenis van Suriname
(Zutphen 2018).
Doel, W. van den, De geschiedenis van Nederland overzee.
Zo ver de wereld strekt. De geschiedenis van Nederland overzee
vanaf 1800 (Amsterdam 2011).
Drieënhuizen, C.; Sysling, F., ‘Jongensverhalen in Naturalis?
Die tijd is voorbij’, De Volkskrant (12 augustus 2019), verkregen via
                                                                        Literatuur
https://www.volkskrant.nl/columns-opinie/jongensboekverhalen-in-
naturalis-die-tijd-is-voorbij~b4cc655e/?utm_campaign=shared
_earned&utm_medium=social&utm_source=email
op 17 maart 2020.
Drooglever, P.J., ‘Dekolonisatie van Oost- en West-Indië’, 229-258
in: Locher-Scholten, E.B. (red.), Overzee. Nederlandse koloniale
geschiedenis 1590 – 1975 (Haarlem 1982).
Effert, R., ‘The Royal Cabinet of Curiosities and the National
Museum of Ethnography in the nineteenth century: from the
belief in the superiority of western civilization to comparative
ethnography’ in Bergvelt, E.; Meijers.
Emmer, P.; Gommans, J., Algemene Geschiedenis van Nederland.
Rijk aan de rand van de wereld. De geschiedenis van Nederland overzee
1600 – 1800 (Amsterdam 2012).
Enthoven, V., ‘That Abominable Nest of Pirates’ St. Eustatius and
the North Americans, 1680 – 1790’ in: Early American Studies,
vol 10., no. 1 (2012), 239-301.
Enthoven, V.; Heijer, H. den; Jordaan, H. (eds.), Geweld in de West.
Een militaire geschiedenis van de Nederlandse Atlantische wereld
1600 – 1800 (Leiden 2013).
Fasseur, C., ‘Nederland en Nederlands-Indië’, in: Locher-Scholten,
E.B. (red.), Overzee. Nederlandse koloniale geschiedenis 1590 – 1975
(Haarlem 1982), 166-193.
Fasseur, C., ‘Suriname en de Nederlandse Antillen’, 194-200
in: Locher-Scholten, E.B. (red.), Overzee. Nederlandse koloniale
geschiedenis 1590 – 1975 (Haarlem 1982).
Gosselink, M.; Holtrop, M.; Ross, R. (red.), Goede Hoop.
Zuid-Afrika en Nederland vanaf 1600 (Amsterdam 2017).
Goudsmit, K., ‘Verslag publieksbijeenkomst: dekolonisatie of
rekolonisatie?’ (4 oktober 2018), georganiseerd door het
onderzoeksprogramma Onafhankelijkheid, dekolonisatie, oorlog
en geweld in Indonesië 1945 – 1950, verkregen via
http://www.ind45-50.org/verslag-publieksbijeenkomst-
dekolonisatie-rekolonisatie op 5 februari 2020.
Graham, B.J.; Ashworth, G.J.; Tunbridge, J.E.,
A geography of Heritage:
Power, Culture & Economy (London 2000).
Greenfield, The Return of Cultural Treasures (Cambridge 1996).
                                                                         115
Groen, P., ‘The War in the Pacific’ in: Post, P. (ed.),
The Encyclopedia of Indonesia in the Second World War
(Leiden, Boston 2010).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 115 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 116 ======================================================================

<pre>Groot, H., Van Batavia naar Weltevreden. Het Bataviaasch
Genootschap voor Kunsten en Wetenschappen, 1778 – 1867
(Leiden 2009).
Guleij, R.; Knaap, G. (red.), Het Grote VOC boek (Zwolle 2017).
Hagen, P., Koloniale oorlogen in Indonesië (Amsterdam 2018).
Heijer, H. den, De geschiedenis van de WIC (Zutphen 2011).
Henzen, E., ‘De dekolonisatie van Nederlands-Indië’,                 Literatuur
Geschiedenis.nl (versie 1 januari 2005), verkregen via
http://www.geschiedenis.nl/nieuws/artikel/184/de-dekolonisatie-
van-nederlands-indie op 16 maart 2020.
Historiek, ‘Het Kanon van de koning van Kandy’, Historiek
(versie 30 november 2019), verkregen via http://historiek.net/het-
kanon-van-de-koning-van-kandy-10/18808/ op 14 april 2020.
Hoets, A., ‘Dekolonisatie, rekolonisatie? Het is bezetting en
herbezetting.’ Bewogen bijeenkomst Indië-onderzoek’
(26 september 2018), verkregen via
http://www.militairespectator.nl/thema/geschiedenis/artikel/
%E2%80%98dekolonisatie-rekolonisatie-het-bezetting-en-
herbezetting%E2%80%99 op 5 februari 2020.
Jacobs, E.M., Koopman in Azië. De Handel van de Verenigde
Oost-Indische Compagnie tijdens de 18e eeuw (Zutphen 2000).
Keizer, E., ‘Burgergeïnterneerden en Buitenkampers. Over leven
in de Tweede Wereldoorlog in Nederlands-Indië’ (januari 2020),
verkregen via https://www.75jaarvrij.nl/cms/view/57986401/
indie-01-2020-burgergeinterneerden-en-buitenkampers
op 6 februari 2020.
Keizer, E., ‘De Tweede Wereldoorlog in de Oost.
Wat er ondertussen in Nederlands-Indië gebeurde’ (juni 2019),
verkregen via https://75jaarvrij.nl/cms/view/57980064/
indie-06-2019-inleiding op 6 februari 2020.
Keizer, E., ‘Van Heiho tot PETA. Militarisering van de
Indonesische bevolking’ (februari 2020), verkregen via
https://75jaarvrij.nl/cms/view/57987521/indie-02-2020-
van-heiho-tot-peta%20op%206%20februari%202020.
Keizer, E., ‘Dwangarbeiders in ruil voor vrijheid’, Romusha in
de Indonesische Archipel’ (september 2019), verkregen via
https://75jaarvrij.nl/cms/view/57981827/indie-09-2019-
romusha op 6 februari 2020.
Keurs, P. ter, Verzamelen, Oratie uitgesproken bij de aanvaarding
van het ambt van hoogleraar Museums, Collections and Society
aan de Universiteit Leiden (2 december 2019).
Klinkers, E., De troepenmacht in Suriname. De Nederlandse defensie
in een veranderende koloniale wereld 1940 – 1975 (Den Haag 2015).
Klooster, H.A.J., Indonesiërs schrijven hun geschiedenis:
De ontwikkeling van de Indonesische geschiedbeoefening in theorie     116
en praktijk, 1900 – 1980 (Dordrecht 1985).
Klooster, W., ‘The Northern European Atlantic World’ in: Canny,
N.; Morgan, P. (eds.), The Oxford Handbook of the Atlantic World,
1450 – 1850 (Oxford 2011), 164-180.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 116 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 117 ======================================================================

<pre>Knaap, K.; Heijer, H. den; Jong, M. de, Oorlogen overzee. Militair
optreden door compagnie en staat buiten Europa 1595 – 1814
(Amsterdam 2015).
Krikhaar, F., Jacob Eilbracht 1738 – 1804. Een leven in dienst
van de Verenigde Oostindische Compagnie (Leiden 1996).
Kuitenbrouwer, M., ‘De Nederlandse afschaffing van de slavernij in
vergelijkend perspectief ’, BMGN. Low Countries Historical Review,
                                                                        Literatuur
39 (1), 69-100.
Legêne, S., De bagage van Blomhoff en Van Breugel – Japan, Java,
Tripoli en Suriname in de negentiende-eeuwse Nederlandse cultuur
van het imperialisme (Amsterdam 1998).
Legêne, S.; Postel-Coster, E., ‘Isn’t it all culture? Culture and
Dutch development policy in the post-colonial period’, in: Nekkers,
J.A.; Malcontent, P.A.M. (eds.), Fifty Years of Dutch Development
Cooperation, 1949 – 1999 (Den Haag 2000), 271-288.
Limpach, R., De brandende kampongs van Generaal Spoor
(Amsterdam 2016).
Locher-Scholten, E., Ethiek in fragmenten.Vijf studies over koloniaal
denken en doen van Nederlanders in de Indonesische archipel
1877 – 1942 (Tuurdijk 1981).
Locher-Scholten, E.B. (red.), Overzee. Nederlandse koloniale
geschiedenis 1590 – 1975 (Haarlem 1982).
Loderichs, M., ‘The Prince on Horseback: The Origins and History
of Diponegoro’s saddle and reins’, lezing gegeven bij het seminar
Objects, Museums, Histories. The Case of Prince Diponegoro
in Museum Nasional te Jakarta (18 mei 2016).
Louis, Roger W.M. (ed.), Imperialism – The Robinson and Gallagher
Controversy (New York 1976).
Machemer, T., ‘Activists Try to Remove African Artifact From Paris
Museum’, Smithsonian Magazine (12 juni 2020), verkregen via
https://www.smithsonianmag.com/smart-news/protesters-remove-
african-artifact-exhibit-paris-museum-180975110 op 13 juni 2020.
Mintz, S.W.; Price, R., De geboorte van Afrikaans-Amerikaanse
cultuur (Leiden 2003).
Multatuli, Max Havelaar of de Koffij-veilingen der Nederlandsche
Handelsmaatschappij (Amsterdam 1860).
Museum Bronbeek, ‘Topstukken’ uit de Collectie Museum
Bronbeek, Ministerie van Defensie, verkregen via
https://www.defensie.nl/onderwerpen/bronbeek/over-bronbeek/
collectie-bronbeek/topstukken op 21 april 2020.
Museum Volkenkunde, ‘Vaste tentoonstelling Afrika’, verkregen via
https://www.volkenkunde.nl/nl/zien-en-doen-0/tentoonstellingen/
afrika op 21 april 2020.
Nafziger, J.A. ‘The Principles for Cooperation in the Mutual             117
Protection and Transfer of Cultural Material’, Chicago Journal of
International Law (2007), Vol.8: No.1.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 117 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 118 ======================================================================

<pre>Nationaal Archief, ‘Zoekhulp Slavernij en slavenhandel in
Nederlands-Indië (1820 – 1900)’ (versie 23 mei 2019), verkregen
via http://www.nationaalarchief.nl/beleven/nieuws/zoekhulp-
slavernij-en-slavenhandel-in-nederlands-indie-1820-1900-online
op 24 januari 2020.
Nationaal Archief; Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed;
Rijksmuseum Amsterdam; Koninklijke Bibliotheek,
Online databank Atlas of Mutual Heritage, verkregen via
www.atlasofmutualheritage.nl op 3 juli 2020.
Nationaal Museum van Wereldculturen; Museum Prinsenhof Delft,            Literatuur
‘Herplaatsing Collectie voormalig Museum Nusantara Delft.
Lering en vragen. 2013 – 2018’ (2018) verkregen via
https://issuu.com/tropenmuseum/docs/voormalig_museum_
nusantara_delft__-/2?ff&e=1823887/63072013 op 21 juli 2020.
Nekkers, J.A.; Malcontent, P.A.M. (eds.), Fifty Years of Dutch
Development Cooperation, 1949 – 1999 (Den Haag 2000).
O’Shaughnessy, A.J., An Empire Divided: The American Revolution
and the British Caribbean (Philadelphia 2000).
Oostindie, G., Het paradijs overzee. De Nederlandse Caraiben en
Nederland (Leiden 2000).
Oostindie, G.; Schulte Nordholt, H., ‘Nederland en zijn koloniale
verleden. Moeizame overgang van dekolonisatie naar buitenlands
beleid’, Internationale Spectator, jaargang 60, no. 11
(november 2006), 573-577.
Post, P. (ed.), The Encyclopedia of Indonesia in the Second World War
(Leiden, Boston 2010).
Prashad, V., The Darker Nations: A People’s History of the Third World
(New York 2007).
Robertson, G., Who owns history? Elgin’s Loot and the Case for
Returning Plundered Treasure (Londen 2019).
Robinson, R., ‘Non-European Foundations of European
Imperialism: Sketch for a Theory of Collaboration’, in: Louis,
Roger W.M. (ed.), Imperialism – The Robinson and Gallagher
Controversy (New York 1976), 128-51.
Ross, R., ‘The ‘White’ Population of South Africa in the Eighteenth
Century’, Population Studies 29:2 (1975), 217-230.
Rossum, M. van, Kleurrijke tragiek. De geschiedenis van slavernij
in Azië onder de VOC (Hilversum 2015).
Salomons, A.; Vlies, I. van der (red.), Kunst, recht en beleid
(Den Haag 2017).
Scott, C., ‘Renewing the ‘Special Relationship’ and Rethinking the
Return of Cultural Property: The Netherlands and Indonesia,
1949–79’, Journal of Contemporary History 52 (3), 646 – 668.
Scott, C., Cultural Diplomacy and the Heritage of Empire                  118
(Londen 2019).
Sidarto, L., ‘Historic Dutch-Indonesian Collection Seeks New
Home’, Tempo (9 October 2016).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 118 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 119 ======================================================================

<pre>Slaczka, A.A., ‘Temples, inscriptions and misconceptions:
Charles-Louis Fábri and the Khajuraho apsaras’, The Rijksmuseum
Bulletin, 60 (2012), 213-233.
Smeulders, V., Slavernij in Perspectief (proefschrift Erasmus
Universiteit Rotterdam 2012).
Stedman, J.G., ‘Narrative of a Five Years’ Expedition against the
Revolted Negroes of Surinam’ (Londen 1796).
Stevens, H., Gepeperd verleden, Indonesië en Nederland sinds 1600         Literatuur
(Nijmegen 2015).
Taşdelen, A., The return of Cultural Artefacts, Hard and Soft Law
approaches (Cham 2016).
Tunbridge, J.E.; Ashworth, G.J., Dissonant Heritage: the Management
of the Past as a Resource in Conflict (Chichester 1996).
Vanvugt, E., Roofstaat.Wat iedere Nederlander moet weten
(Amsterdam 2015).
Wal, S.L. van der, ‘Nederland en Nederlands-Indië’, 201-222,
in: E.B Locher-Scholten (red.), Overzee. Nederlandse koloniale
geschiedenis 1590 – 1975 (Haarlem 1982).
Wesseling, H.L., Indië verloren, rampspoed geboren: en andere opstellen
over de geschiedenis van de Europese expansie (Amsterdam 1988).
Zandvliet, K., De Nederlandse ontmoeting met Azië 1600 – 1950
(Zwolle 2002).
                                                                           119
</pre>

====================================================================== Einde pagina 119 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 120 ======================================================================

<pre>Bijlagen        120
     Bijlagen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 120 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 121 ======================================================================

<pre>Bijlagen Kamerbrief 121</pre>

====================================================================== Einde pagina 121 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 122 ======================================================================

<pre>Bijlagen Kamerbrief 122</pre>

====================================================================== Einde pagina 122 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 123 ======================================================================

<pre>Bijlagen Adviesaanvraag 123</pre>

====================================================================== Einde pagina 123 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 124 ======================================================================

<pre>Bijlagen Adviesaanvraag 124</pre>

====================================================================== Einde pagina 124 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 125 ======================================================================

<pre>Bijlagen Overzicht gesprekspartners 125</pre>

====================================================================== Einde pagina 125 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 126 ======================================================================

<pre>Bijlagen Overzicht gesprekspartners 126</pre>

====================================================================== Einde pagina 126 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 127 ======================================================================

<pre>Bijlagen Overzicht van Nederlandse ex-koloniën en handelsposten 127</pre>

====================================================================== Einde pagina 127 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 128 ======================================================================

<pre>Bijlagen Overzicht van Nederlandse ex-koloniën en handelsposten 128</pre>

====================================================================== Einde pagina 128 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 129 ======================================================================

<pre>Bijlagen Enquêteresultaten 129</pre>

====================================================================== Einde pagina 129 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 130 ======================================================================

<pre>Bijlagen Enquêteresultaten 130</pre>

====================================================================== Einde pagina 130 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 131 ======================================================================

<pre>Bijlagen Enquêteresultaten 131</pre>

====================================================================== Einde pagina 131 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 132 ======================================================================

<pre>Bijlagen Enquêteresultaten 132</pre>

====================================================================== Einde pagina 132 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 133 ======================================================================

<pre>Bijlagen Enquêteresultaten 133</pre>

====================================================================== Einde pagina 133 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 134 ======================================================================

<pre>Bijlagen Enquêteresultaten 134</pre>

====================================================================== Einde pagina 134 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 135 ======================================================================

<pre>Bijlagen Teruggaven in het verleden 135</pre>

====================================================================== Einde pagina 135 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 136 ======================================================================

<pre>Bijlagen Teruggaven in het verleden 136</pre>

====================================================================== Einde pagina 136 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 137 ======================================================================

<pre>Bijlagen Teruggaven in het verleden 137</pre>

====================================================================== Einde pagina 137 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 138 ======================================================================

<pre>De Raad voor Cultuur is het wettelijke adviesorgaan van
de regering en het parlement op het terrein van kunst,
cultuur en media. De raad is onafhankelijk en adviseert,
gevraagd en ongevraagd, over actuele beleidskwesties
en subsidieaanvragen.
‘Koloniale Collecties en Erkenning van Onrecht’                   Colofon
is een uitgave van de Raad voor Cultuur.
Adviescommissie Nationaal Beleidskader Koloniale Collecties
Lilian Gonçalves-Ho Kang You (voorzitter)
Leo Balai
Brigitte Bloksma
Martine Gosselink
Henrietta Lidchi
Valika Smeulders
Hasti Tarekat Dipowijoyo
Joris Visser
Sander Bersee (secretaris)
Emma Keizer (secretaris)
Leden Raad voor Cultuur
Marijke van Hees (voorzitter)
Brigitte Bloksma
Lennart Booij
Özkan Gölpinar
Erwin van Lambaart
Cees Langeveld
Thomas Steffens
Liesbet van Zoonen
Jakob van der Waarden (directeur)
Raad voor Cultuur
Prins Willem Alexanderhof 20, 2595 BE Den Haag
070 – 3106686, info@cultuur.nl, www.cultuur.nl
Het is toegestaan (delen van) de inhoud van deze publicatie
te citeren of te verspreiden, mits daarbij de Raad voor Cultuur    138
en deze publicatie als bronnen worden vermeld.
Aan deze publicatie kunnen geen rechten worden ontleend.
Den Haag, oktober 2020
</pre>

====================================================================== Einde pagina 138 =================================================================

<br><br>