<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>Ontsnappen aan medialogica</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>medialogica BW.indd 2 medialogica BW.indd 2 19-5-2006 15:10:34 19-5-2006 15:10:34</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>Ontsnappen aan medialogica
Tbs in de maatschappelijke beeldvorming
Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>Ontsnappen aan medialogica
Tbs in de maatschappelijke beeldvorming (advies 39)
Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling
ISBN-10: 90 6665 783 9
ISBN-13: 978 90 6665 783 0
NUR 740
© 2006 B.V. Uitgeverij SWP Amsterdam
Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in
een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze,
hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enige andere manier, zonder
voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16B
Auteurswet 1912 j° het Besluit van 20 juni 1974, St.b. 351, zoals gewijzigd bij het besluit van
23 augustus 1985, St.b. 471 en artikel 17 Auteurswet 1912, dient men de daarvoor wettelijk
verschuldigde vergoedingen te voldoen aan de Stichting Reprorecht (Postbus 3060, 2130 KB
Hoofddorp). Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en
andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet 1912) dient men zich tot Uitgeverij SWP (Post-
bus 257, 1000 AG Amsterdam) te wenden.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>Inhoudsopgave
Voorwoord          7
Samenvatting          9
1. Tbs-ontsnappingen in de media          11
2. Vraagstelling en opzet         13
3. Medialogica           15
4. Framing van het tbs-debat          19
    4.1   Frame 1: ‘Doorpakken op maatschappelijke veiligheid’       19
    4.2   Frame 2: ‘Het systeem faalt’      21
5. Hype- en meutevorming rondom tbs-debat             23
6. Risicoperceptie en optreden van de media         27
7. Politieke agendavorming: wie beïnvloedt wie?          33
    7.1   Vier beïnvloedingsrelaties      33
    7.2   Winst ligt in meer empirie      35
8. Aanbevelingen            39
Literatuur        42
Bijlage Overzicht van uitgebrachte publicaties van de Raad voor Maatschappelijke
Ontwikkeling          44
Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling          47
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>medialogica BW.indd 6 medialogica BW.indd 6 19-5-2006 15:10:35 19-5-2006 15:10:35</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>Voorwoord
Voor u ligt een advies over het thema ‘medialogica en tbs’. De totstandkoming
heeft plaatsgevonden tegen de achtergrond van een lopend adviestraject over de
aanpak van delictplegers met psychische en psychiatrische problemen. In 2005
heeft de RMO een vooronderzoek gedaan waarin hij concludeert dat veel knelpun-
ten in deze aanpak voortkomen uit een gebrekkige aansluiting tussen de verschil-
lende perspectieven (onder andere het justitiële en het zorggerelateerde) waarmee
naar deze aanpak wordt gekeken. Op basis van het vooronderzoek is een advies-
traject gestart om te komen tot een geïntegreerd perspectief voor straf en zorg, dat
ook recht doet aan maatschappelijke en politieke gevoelens. Dit advies zal later dit
jaar worden afgerond.
Intussen had een reeks van ontsnappingen en ernstige recidive van tbs’ers geleid
tot een parlementaire onderzoekscommissie met de opdracht om het huidige
tbs-systeem op zijn gebreken te onderzoeken. Contact tussen de RMO en deze
onderzoekscommissie in februari 2006 resulteerde in de afspraak dat de RMO een
afzonderlijk advies zou schrijven over het thema ‘tbs in de maatschappelijke beeld-
vorming’. Het resultaat, waarbij de RMO gebruik heeft gemaakt van het in 2003
verschenen advies Medialogica, ligt voor u.
Zoals de titel aangeeft richt dit advies zich op de rol van medialogica in een publiek
debat als dat over de tbs. De aanbevelingen die we doen, hebben dáárop betrekking
en niet op het tbs-systeem zelf. Later dit jaar hoopt de RMO zoals gezegd een meer
integraal beleidsadvies te presenteren over de aanpak van delictplegers met psy-
chische en psychiatrische problemen, breder dus dan het tbs-systeem.
De RMO is de heren dr. P.L.M. Vasterman (UvA) en drs. B.S.J. Wartna (WODC) erken-
telijk voor hun commentaar op (delen van) de concepttekst.
                                                                          Voorwoord / 7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>Aan de totstandkoming van dit advies hebben meegewerkt:
prof. mr. J.M. Barendrecht (raad)
mevr. Y. Koster-Dreese (raad)
dr. R. Janssens (secretariaat)
mevr. dr. M. Mootz (secretariaat)
dr. S.M. Verhagen (secretariaat)
De verantwoordelijkheid voor het advies berust bij de Raad.
prof. dr. H.P.M. Adriaansens                 dr. K.W.H. van Beek
voorzitter                                   secretaris
8 / Ontsnappen aan medialogica
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>Samenvatting
Mediaberichtgeving en beeldvorming hebben invloed op het proces van opinie- en
besluitvorming. Scheefgegroeide beeldvorming, bijvoorbeeld doordat een onder-
werp steeds van één kant belicht wordt, kan een onderwerp uit zijn verband halen
en daardoor een negatief effect hebben op de uiteindelijke beleidsontwikkeling. Zo
kan beeldvorming ertoe leiden dat politici (onder druk) besluiten tot grootschalige
systeemaanpassingen, terwijl enkele krachtige maar fijnmazige maatregelen mo-
gelijk meer effect zouden sorteren.
In het geval van de tbs vindt beeldvorming onder meer plaats via zogeheten ‘fra-
ming’,‘meute-’ en ‘hypevorming’. Framing betekent dat de (nieuws)feiten volgens
bepaalde vaste interpretatieschema’s (frames) worden gebracht. Meute- en hype-
vorming houden in dat er een mediabrede en snel piekende nieuwsgolf plaatsvindt
als gevolg van een (aantal) incident(en) en een sterk convergerende berichtgeving
over dat incident. De combinatie van deze processen kan ertoe leiden dat nieuwe
feiten uitsluitend in het op dat moment dominante frame worden gebracht en
zodoende de al bestaande commotie, en daarmee de bestaande hype, versterken.
Een dominant frame rondom de tbs-problematiek is dat van ‘doorpakken ten be-
hoeve van de maatschappelijke veiligheid’. Zowel politici als – in eerste instantie
– burgers plaatsen (nieuws)feiten rondom het tbs-systeem primair in het kader van
(repressieve) controlemaatregelen ter waarborging van de maatschappelijke veilig-
heid. Een tweede daarmee samenhangend frame is dat van‘het systeem dat faalt’.
Schokkende incidenten leiden al gauw tot een roep om grootschalige maatregelen,
terwijl mogelijk kan worden volstaan met enkele fijnmazige maar effectieve ingre-
pen. De frames worden versterkt door het effect van hypevorming, in die zin dat
na een ontsnapping elk nieuw ‘tbs-feit’ in het specifieke kader van ontsnapping
en recidive komt te staan. Daarbij speelt bovendien het fenomeen ‘risicoveront-
                                                                       Samenvatting / 9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>waardiging’ een rol: nieuwe feiten worden vooral gepresenteerd in het kader van
de maatschappelijke verontwáárdiging over het voor de burger aanwezige risico en
veel minder in het kader van de feitelijke hóógte van het betreffende risico. Ook dat
versterkt weer de frame- en hypevorming.
Het advies van de RMO is om deze ‘medialogica’ als een maatschappelijke realiteit
te erkennen, maar daar als betrokken actoren (politici, bestuurders, tbs-klinieken,
mediaorganisaties) een eigen verantwoordelijkheid in te nemen. Medialogica is een
gegeven, maar dat betekent niet dat bepaalde negatieve gevolgen ervan onafwend-
baar zijn. De uitdaging is mechanismen te vinden die de negatieve invloeden ver-
minderen en meer balans brengen op het publieke speelveld waarin burgers, media
en overheid zich bevinden. Het eerste wat de RMO voorstaat, is het produceren van
meer objectiviteit: wat zijn de risico’s en de verschillende opties om met die risico’s
om te gaan? Wat werkt en wat niet? Hierover is al veel bekend, maar dit bereikt
door de frames van medialogica niet altijd het publieke debat. Een vervolgstap is
daarom het zoeken naar manieren om objectiviteit in de beeldvorming te brengen
en daarvan gebruik te maken bij de beleidsvorming. Het gaat hier om het ontwik-
kelen van contra-incentives die tegenwicht bieden tegen de huidige incentives die
de positie van de betrokken actoren in het medialogische landschap bepalen. Deze
contra-incentives kunnen voor de betrokken actoren verschillend vorm krijgen,
afhankelijk van hun professie en positie. Het aanbevelingshoofdstuk bevat hiervoor
een aantal suggesties.
De RMO wijst verder op het gevaar te vervallen in de reflex van grootschalige
systeemaanpassingen, althans wanneer die het gevolg zijn van medialogica. Sy-
steemaanpassingen kunnen nodig zijn, maar dan uitsluitend op basis van gedegen
kennisontwikkeling. Ook hier geldt dat de toegenomen medialogica vraagt om
voldoende empirie: over de daadwerkelijke hoogte van het recidivegevaar, over
de beeldvorming bij burgers, over het functioneren van het tbs-systeem. De wijze
waarop de tijdelijke onderzoekscommissie tbs haar werk heeft opgevat, is een goed
voorbeeld van het produceren van meer objectiviteit.
10 / Ontsnappen aan medialogica
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>1. Tbs-ontsnappingen in de media
In juni 2005 onttrok tbs’er Wilhelm S. zich aan zijn begeleiding. Na zijn arrestatie
bleek hij verdachte te zijn van de moord op een 73-jarige Amsterdammer. Het was
niet de eerste keer dat een ontsnapte tbs’er in de fout ging. In 2004 werd een meisje
uit Eibergen ontvoerd en verkracht, een jaar eerder werd een 80-jarige man uit Den
Haag vermoord. Ook na de arrestatie van Wilhelm S. waren er incidenten. In augus-
tus 2005 ontsnapte de ‘gevaarlijke tbs’er Marciano E.’ en een paar maanden later, in
december, een 21-jarige jeugd-tbs’er, die veroordeeld was voor geweldsmisdrijven
en een zedendelict.
De ontsnappingen leidden tot maatschappelijke en vooral politieke commotie. Poli-
tici waren zeer verbolgen. Geert Wilders sprak van een ‘falend tbs-beleid, waar ont-
snappingen eerder regel dan uitzondering lijken’ (Rotterdams Dagblad, 8 augustus
2005). Volgens VVD-Kamerlid Weekers leek de tbs-kliniek wel ‘een duiventil’, waar
je ‘kennelijk in en uit [kunt] lopen’ (de Volkskrant, 8 augustus 2005). LPF-Kamerlid
Eerdmans noemde het tbs-beleid ‘levensgevaarlijk’ en was ertegen om de samenle-
ving als ‘een proeftuin’ voor tbs’ers te beschouwen. Tbs’ers waren in zijn ogen geen
‘patiënten (...) maar zware misdadigers met een ernstige stoornis’ (Trouw, 17 juni
2005). De kritiek van de Kamer leidde tot een aantal maatregelen. Verloven werden
tijdelijk ingetrokken en ontsnappingen moesten voortaan via opsporingsberichten
tijdig publiek gemaakt worden. Ook zou er één landelijk meldpunt moeten komen
voor ontsnapte tbs’ers. Tegelijk werd bepaald dat een parlementaire onderzoeks-
commissie het falen van het tbs-systeem onder de loep zou nemen.
De ophef in de politiek leidde weer tot beroering bij tbs-klinieken en advocaten van
tbs’ers. Kamerleden en journalisten, zo luidde hun opvatting, zouden bewust of on-
bewust uit zijn op het ontketenen van een hype, wat alleen maar averechtse gevol-
                                                           Tbs-ontsnappingen in de media / 11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>gen zou hebben. De volgens hen buitensporige aandacht in de media (mede door
de opsporingsberichten) veroorzaakte onnodige maatschappelijke onrust en zou
ook de ontsnapte tbs’er dusdanig opjagen dat de kans op recidive alleen maar toe-
nam. Ten onrechte zou bovendien de indruk gewekt worden dat gestoorde crimine-
len sneller en vaker in de fout gingen dan criminelen zonder stoornis. Eigenlijk – zo
was het verweer – deed het tbs-systeem het helemaal niet zo slecht. De recidive
was in vergelijking met het gevangeniswezen laag en ook het aantal ontsnappingen
viel mee. Wat (sommige) politici verlangden – nul kans op recidive – betekende in
hun ogen niet alleen het einde van het tbs-systeem, maar was – ook in elk ander
systeem – onhaalbaar. Een risicoloos tbs-systeem bestond niet, tenzij je alle tbs’ers
levenslang zou opsluiten.
De beeldvorming in de media stond (staat) dus grotendeels in het teken van ener-
zijds afkeurende, verontwaardigde politici die krachtige maatregelen willen, en
anderzijds de tbs-klinieken die de commotie proberen te temperen en wijzen op de
relatieve successen van het tbs-beleid. Bij een breder publiek heeft de media-aan-
dacht ondertussen weer geheel eigen gevolgen. Zo lijkt de commotie te passen in
de hedendaagse ‘entertainmentsamenleving’ en de amusementsfunctie die media
vervullen (Brants en Brants 2002; Van Zoonen 2002). Tv-programma’s beogen het
kijkerspubliek niet alleen over feitelijke ontwikkelingen te informeren, maar ook te
amuseren (‘het monster van Assen’). Het entertainmentaspect van de samenleving
komt eveneens tot uitdrukking in bijvoorbeeld een bedrijfsuitje dat evenementen-
organisatie Heijzoo uit Mariaheide naar aanleiding van de ontsnapping van Wil-
helm S. organiseerde. Dat uitje behelsde een ‘spooktocht langs ontsnapte tbs’ers’,
volgens dagblad Trouw compleet met ‘dode man in een lijkzak’ en ‘een vent die
iemand op zat te eten’ (Trouw, 12 september 2005, zie ook www.spooktochten.nl).
12 / Ontsnappen aan medialogica
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>2. Vraagstelling en opzet
Beeldvorming over politiek-maatschappelijke onderwerpen – in dit geval het tbs-
beleid – kan grote invloed hebben op het proces van opinie- en besluitvorming.
Scheefgegroeide beeldvorming, bijvoorbeeld doordat een onderwerp voortdurend
slechts van één kant belicht wordt, kan het onderwerp uit zijn verband halen en
daardoor een negatief effect hebben op de uiteindelijke beleidsontwikkeling. In
elk geval is het goed zich rekenschap te geven van het feit dat beeldvorming een
factor is die maar beter onderkend kan worden. Tegelijk is beeldvorming – en ook
dat is goed om te beseffen – soms ongrijpbaar en moeilijk te sturen. Kennis over en
inzicht in beeldvorming lijkt dan ook het eerst geboden, niet zozeer om er controle
op te hebben, maar eerder om er op verantwoorde wijze mee om te kunnen gaan.
We komen daar later nog op terug.
In het vervolg willen we proberen meer inzicht te geven in de relatie tussen inci-
denten die opschudding veroorzaken (zoals de tbs-ontsnappingen), de berichtge-
ving in media en de reactie van politici. In hoeverre speelt beeldvorming een rol in
maatschappelijk debat en politieke besluitvorming? We willen deze vraag als volgt
proberen te beantwoorden.
Allereerst gaan we in hoofdstuk 3 in op het verschijnsel van de zogeheten medialo-
gica die aan kracht toeneemt ten koste van andere logica’s zoals die van de politie-
ke partij. Hoewel exacte onderzoeksgegevens over de aard van de discussie rondom
het tbs-systeem ontbreken, behandelen we zo goed als mogelijk de aanwezigheid
van medialogica – in het bijzonder het optreden van frame- en hypevorming – bij
het tbs-debat. We concentreren ons daarbij op het frame van ‘doorpakken ten
behoeve van maatschappelijke veiligheid’ en op het frame van ‘het systeem faalt’
(hoofdstuk 4). In hoofdstuk 5 richten we ons op de hypevorming bij het tbs-debat,
waarna we vervolgens in hoofdstuk 6 inzoomen op één aspect van het mediaoptre-
                                                                Vraagstelling en opzet / 13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>den, namelijk de risicoberichtgeving: de relatie tussen risicoperceptie van burgers
enerzijds en de mediaberichtgeving anderzijds. Ook het tbs-debat kan als een vorm
van risicocommunicatie worden beschouwd: een belangrijk onderdeel van het de-
bat gaat immers over de vraag hoe groot de kans is dat een ontvluchte tbs’er in de
fout gaat en daarmee een gevaar voor de samenleving vormt. Een logische vervolg-
vraag betreft de relatie tussen risicoperceptie van burgers en mediaberichtgeving
enerzijds en de politieke besluitvorming anderzijds. In hoeverre worden politici in
hun agendavorming en besluitvorming beïnvloed door berichtgeving in media en
door (vermeende) opvattingen van burgers? Ook hier beperken we ons voorname-
lijk tot algemene gegevens over de beïnvloeding van het criminaliteitsbeleid, en
behandelen we op basis daarvan het tbs-beleid (hoofdstuk 7). Het advies eindigt
met een aantal aanbevelingslijnen (hoofdstuk 8).
14 / Ontsnappen aan medialogica
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>3. Medialogica
De verhouding tussen burgers, overheid en media kan beschouwd worden als een
driehoeksrelatie (RMO 2003). Op het eerste hoekpunt staat de overheid, op het
tweede de burger(s), op het derde de media. Tussen deze drie hoeken bevindt zich
het speelveld van het publieke domein.
Figuur 1: Driehoeksrelatie burgers, overheid, media
                                        burger
                                  Publiek domein:
                                 Politieke instituties
                                  Media-instituties
                            Maatschappelijk middenveld
                             Professionele organisaties
        overheid                                          media
Bron: RMO 2003
De interactie tussen de drie spelers in de hoeken en de geheel eigen dynamiek die
daarbij ontstaat, kunnen we omschrijven als medialogica. Voor deze benaming is
gekozen (en niet voor bijvoorbeeld burgerlogica of overheidlogica, de twee andere
hoeken), omdat het publieke debat steeds meer wordt bepaald door de mogelijkhe-
den én de begrenzingen van het medium en dan vooral de televisie. Waar voorheen
                                                                       Medialogica / 15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>andere logica’s, zoals die van de politieke partij of die van het polderoverleg domi-
nant waren, daar neemt de laatste decennia de medialogica aan kracht toe.
Medialogica is het resultaat van structurele maatschappelijke en technologische
ontwikkelingen die burgers, politici en media vasthouden in een interactie waaruit
zij niet meer kunnen ontsnappen (Van Beek et al. 2006). Ze worden gedwongen het
‘spel’ binnen de driehoeksrelatie mee te spelen en kunnen (en willen) zich daar-
aan eigenlijk ook niet onttrekken; ze hebben elkaar nodig en zijn tegelijk tot elkaar
‘veroordeeld’: burgers hebben – grofweg geformuleerd – ‘behoefte’ aan nieuws met
attentiewaarde en aan politici die recht doen aan hun opvattingen en gevoelens;
media leveren nieuws dat ‘pakt’ en zijn op zoek naar politici die inspelen op gevoe-
lens van burgers; politici ‘framen’ hun uitspraken in hun poging de nieuwspodia te
bereiken en recht te doen aan de gevoelens van burgers.
Deze medialogica is in zekere zin een gegeven, want ze komt voort uit marktkrach-
ten en fundamentele vrijheden. Wel zijn er mogelijkheden om binnen de medialo-
gica keuzes te maken in het vervullen van de eigen rol. Ook is het waard te onder-
zoeken of de incentives die het spel bepalen, onveranderlijke grootheden zijn (we
komen daar later op terug).
Medialogica is het gevolg van een aantal trends. We noemen de drie belangrijkste.
De eerste betreft het ontstaan van ‘een integrale nieuwsmarkt’ en ‘een politiek-pu-
blicitair complex’. De tijd van duidelijke identiteitsgebonden media met hun eigen
focus en een eigen publiek is voorbij. Media lijken uit een grote nieuwsvijver te
putten, nemen nieuws van elkaar over en beïnvloeden ook elkaars nieuws. Ook zijn
ze nauw verbonden met de politieke arena’s. Journalisten en politici opereren dicht
bij elkaar en wisselen zelfs soms van functie. Voor de burger is dit integrale poli-
tiek-publicitaire complex zowel bron van kennisvergaring als – in zekere zin – bron
van ergernis. Ze zijn minder betrokken bij identiteitsgebonden (nieuws)organisaties
en veroorloven zich een kritische, zo niet afstandelijke houding tegenover zowel
media als politici die op die mediapodia opereren. Politici en media spelen hierop
in, wat mede leidt tot de tweede trend die zichtbaarder wordt: die van de informa-
lisering. De verhoudingen tussen burgers onderling en tussen burgers en overheid
krijgen een informeler karakter. Vooral de televisie heeft hieraan bijgedragen. Po-
litici gebruiken het podium van de media om op informele wijze verantwoording
van beleid af te leggen, onder meer aan de stamtafel van infotainmentprogram-
ma’s als Barend en Van Dorp. Voor burgers is dat vaak ook het belangrijkste podium
om zich het nieuws eigen te maken. De derde trend – het ontstaan van nieuwe
journalistieke stijlen – staat hiermee nauw in verband. Bekend is bijvoorbeeld het
‘civic journalism’, dat het nieuws minder vanuit het perspectief van de autoriteiten
16 / Ontsnappen aan medialogica
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>en meer vanuit dat van de burgers probeert te brengen (althans vanuit de journa-
listieke interpretatie van het belang van de burgers). Ook dit heeft invloed op de
(verschuivende) verhouding tussen journalistiek en politiek.
Medialogica zorgt ervoor dat nieuwsgaring en nieuwsverspreiding bepaalde ken-
merken krijgen. Naast snelheid (nieuws is na 24 uur al weer verouderd en in feite
al niet meer interessant om te vermelden) en personalisering (emoties en nieuws
over personen nemen aan belang toe) kenmerkt dit kader zich vooral door framing,
meute- en hypevorming. Framing betekent dat nieuws – om het voor de lezer/hoor-
der in- en overzichtelijk te houden – volgens vaste interpretatieschema’s (frames)
wordt gebracht. Bekende frames zijn die van het conflict tussen personen en die
van de race naar de macht. Meutevorming (of ‘pack journalism’) houdt in dat bo-
venproportioneel veel journalisten zich storten op een bepaald item, soms naar
aanleiding van een incident, soms naar aanleiding van een primeur van één be-
paalde krant. Door dit gedrag kunnen hypes ontstaan: snel piekende nieuwsgolven
met één gebeurtenis als startpunt en met een zichzelf versterkende nieuwsproduc-
tie (Vasterman 2004; Van Beek et al. 2006). De combinatie van framing, meute- en
hypevorming kan vervolgens leiden tot een beklemmende spiraalwerking: nieuwe
feiten worden uitsluitend in het op dat moment dominante frame gebracht en lei-
den vanzelf weer tot commotie en daardoor tot versterking van de hype. Daardoor
is het gevaar groot dat één perspectief op een zaak zozeer dominant wordt dat
andere perspectieven te weinig aandacht krijgen.
Deze framing, meute- en hypevorming vinden overigens niet alleen plaats bin-
nen de media; ook politici en burgers kunnen in hun reacties bewust of onbewust
frames hanteren en aan meute- en hypevorming doen. Medialogica is dan ook niet
een proces dat alleen betrekking heeft op de media, maar evenzogoed op politici
(overheid), burgers en andere actoren binnen het publieke domein, zoals maat-
schappelijke instituties en professionals binnen instellingen.
                                                                        Medialogica / 17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>medialogica BW.indd 18 medialogica BW.indd 18 19-5-2006 15:10:36 19-5-2006 15:10:36</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>4. Framing van het tbs-debat
In hoeverre is deze medialogica zichtbaar bij de discussie over ontsnapte tbs’ers en
het tbs-beleid? We willen deze vraag proberen te beantwoorden door na te gaan of
er rondom de tbs-discussie ook sprake is van frame- en hypevorming, en wellicht
ook van frameverschuivingen. Dit zal enigszins indicatief gebeuren, omdat uitge-
breid onderzoek naar de wijze waarop betrokken actoren (politici, media, burgers
en tbs-instellingen) op ontsnappingen reageren niet voorradig is. Wel bestaat er
meer algemene informatie over frameveranderingen en dan vooral rondom het
brede thema van criminaliteit en geweldsdelicten. Daarnaast hebben we specifieke
gegevens ontleend aan de Handelingen van de Tweede Kamer en berichten in de
media.
         4.1 Frame 1: ‘Doorpakken op maatschappelijke veiligheid’
Een duidelijke verandering in het denken in de afgelopen decennia betreft die van
een dadergericht correctieperspectief naar een veiligheidsgericht controleperspec-
tief. Sinds de jaren tachtig is binnen de strafrechtspleging de veiligheid van de sa-
menleving sterker op de voorgrond komen te staan. Daders worden minder gezien
als subjecten met belangen en rechten (bijvoorbeeld op resocialisatie), en meer als
objecten die ter bescherming van de maatschappij onder controle gebracht moeten
worden. Reïntegratie dient vooral het maatschappelijke belang en niet dat van de
delinquent (Van Stokkom 2004; Buruma 2001).
Een gevolg van deze inhoudelijke perspectiefverandering kan zijn dat nieuwe fei-
ten door betrokken actoren (media, politici, burgers) in bepaalde kaders – frames
– worden gepresenteerd en/of uitgelegd. Een frame is bijvoorbeeld om alles te
plaatsen in het kader van ‘aanpakken’ en ‘harde’ maatregelen ter bevordering
van de maatschappelijke veiligheid, waar voorheen het frame centraal stond van
                                                             Framing van het tbs-debat / 19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>‘gedogen’ en ‘zachte’ maatregelen met het oog op de positie en het welzijn van de
dader.
In de primaire reactie van politici op de tbs-ontsnappingen lijken elementen van
deze frameverschuiving inderdaad aanwezig. De eerste reactie van veel politici
stond vooral in het teken van de noodzakelijke bescherming van de maatschappij.
‘De maatschappij mag geen onbeschermde proeftuin zijn voor geestelijk gestoorde
misdadigers’, betoogde LPF-Kamerlid Eerdmans in juni 2005 in de Tweede Kamer.
Kamerlid Wilders koos ‘nadrukkelijk niet voor het welbehagen of de resocialisatie
van de daders, maar voor de slachtoffers en voor het voorkomen van nog meer
slachtoffers’. En: ‘De veiligheid van de onschuldige burgers in ons land is mij vele
malen meer waard dan een roekeloze resocialisatie van een veroordeelde moorde-
naar of verkrachter met tbs.’ Ook andere politici gaven uiting aan een veiligheids-
gericht perspectief. Volgens VVD-Kamerlid Weekers was veiligheid van de samenle-
ving ‘de hoofddoelstelling’, resocialisatie hooguit ‘een subdoelstelling’. Soortgelijke
bewoordingen gebruikte ook SGP-Kamerlid Van der Staaij, die betoogde dat voor
zijn fractie ‘de bescherming van de samenleving vooropstaat en zwaarder weegt
dan de resocialisatie van de delinquent’. En D66’er Van der Laan tot slot stelde in
haar bijdrage het slachtoffer centraal: ‘Je mag nooit een systeem hebben dat tot
slachtoffers leidt’ (Handelingen Tweede Kamer 16 juni 2005). Met hun pleidooi voor
maatschappelijke beveiliging als prioriteit, sloten de politici aan bij de opvattingen
van burgers (kader 1).
        Kader 1: Burgers over veiligheid: straffen of zorgen?
        Uit enquêtes met betrekking tot de houding tegenover criminaliteit en misdrijven
        blijkt dat burgers doorgaans vinden dat rechters te licht straffen en dat hardere
        maatregelen gewenst zijn. Ook zijn burgers in toenemende mate geneigd bij de
        keuze tussen straffen en behandelen voor de eerste optie te kiezen. Zo wordt in
        de Sociale Staat van Nederland (SCP 2005) burgers gevraagd te reageren op
        de stellingen ‘misdadigers straffen, niet veranderen’ en ‘seksuele misdadigers
        straffen, niet genezen’. Koos in 1994 41% als eerste voor bestraffing in plaats
        van voor genezing, in 2004 was dat gestegen naar 50%. De neiging tot harder
        straffen geldt sterker als het om seksuele misdadigers gaat. De laatste jaren ligt
        het percentage dat seksuele misdadigers vooral wil straffen en pas in tweede
        instantie wil genezen rond de 60%, tegen 55% midden jaren negentig. Wel is het
        zo dat burgers – wanneer ze mogen kiezen uit uitgebreide opties en daarover
        ook voldoende informatie krijgen – eerder geneigd zijn om geld te besteden aan
20 / Ontsnappen aan medialogica
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>        preventiemaatregelen en zorgbehandelingen dan aan meer gevangenissen en
        hardere straffen (Cohen, Trust en Steen 2005). Dat geldt ook voor mensen die
        eerder in een slachtoffersituatie hebben verkeerd. Ook geven onderzoeken aan
        dat alternatieve straffen vaak de voorkeur genieten boven de meer traditionele
        vergeldingsstraffen, ook al neemt deze voorkeur af naarmate de ernst van het
        misdrijf toeneemt (Roberts en Stalans 2004).
        Over tbs, laat staan over ontsnappingen, bestaan onvoldoende gegevens omtrent
        de opvattingen van burgers. In de lijn van het voorgaande valt te verwachten dat
        de veiligheid van de samenleving bij burgers de eerste prioriteit heeft. Interessant
        zou zijn te achterhalen of dat ook opgaat indien burgers meer en uitgebreidere
        informatie krijgen over de werking van het tbs-systeem. Het tbs-veld is immers
        een terrein waar verhoudingsgewijs – en met relatief succes – veel gedaan
        wordt aan recidivevermindering en daarmee indirect aan de veiligheid van de
        samenleving (Wartna et al. 20051). De vraag is of dit bij het publiek ook bekend
        is. Meer informatie en meer transparantie over de werkwijze van tbs-instellingen
        zouden mogelijk het evenwicht in deze beeldvorming ten goede komen (zie de
        aanbevelingen).
        4.2 Frame 2: ‘Het systeem faalt!’
Het frame van ‘doorpakken’ loopt in sommige gevallen parallel aan een ander
frame, namelijk dat van ‘het systeem dat faalt’. Het is een vaak voorkomend ver-
schijnsel dat ernstige problemen of incidenten leiden tot de roep om krachtdadig
handelen via grootschalige systeemwijzigingen, terwijl wellicht had kunnen wor-
den volstaan met enkele fijnmazige maar effectieve maatregelen. Gladwell (2006)
geeft daarvan een aantal aansprekende Amerikaanse voorbeelden.
In Nederland vormt de uitvoering van de in 1994 geïntroduceerde Wet Voorzienin-
gen Gehandicapten (WVG) een aardig voorbeeld. Deze resulteerde al gauw in kwali-
teitsgebreken bij een klein aantal gemeenten. Klachten van organisaties van gehan-
dicapten kwamen vervolgens terecht bij de nationale politiek, met als gevolg dat
de betrokken staatssecretaris als reactie een landelijk en uniform protocol voor de
verstrekking van gehandicaptenvoorzieningen invoerde. Hierdoor verbeterde wel-
iswaar de situatie in de desbetreffende gemeenten, maar het gevolg was eveneens
dat in alle overige gemeenten de mogelijkheden tot lokaal maatwerk sterk werden
ingeperkt. Wellicht was het beter geweest – in elk geval was dat een onderzoek
                                                                   Framing van het tbs-debat / 21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>waard – om niet het gehele systeem aan te pakken, maar slechts te interveniëren
in de enkele hard cases waar zich de problemen voordeden.
Ook na de incidenten van tbs-recidive was de politieke roep om grootschalige sy-
steemaanpassingen aanwezig. Voor het GroenLinks-Kamerlid Halsema was het na
de reeks van incidenten ‘duidelijk dat het tbs-systeem onder de loep moet’. VVD-
collega Weekers ging verder: ‘Dat systeem moet op de schop’, en hij vroeg minister
Donner of deze bereid was ‘het tbs-systeem drastisch te hervormen (...) opdat de
prioriteit weer komt te liggen bij de bescherming en de veiligheid van de samen-
leving’. PvdA’er Wolfsen stelde dat ‘het systeem faalt, dat is duidelijk en buiten
iedere twijfel’. Hij verweet de minister daarbij ‘een zo defensieve reactie’ omdat
deze te veel nadruk legde op de correcte naleving van de procedures en de waarde
van het huidige tbs-systeem. Geert Wilders gaf tot slot te kennen ‘dat er een ander
tbs-systeem moet komen. De vraag is daarbij gerechtvaardigd of aan tbs’ers nog
wel verlof mag worden verleend.’ Overigens betekende de roep om systeemaanpas-
singen nog niet dat de Kamer afstand nam van de resocialisatiedoelstelling van het
tbs-systeem. Wel werd krachtig aangedrongen op maatregelen om de met de reso-
cialisatiepogingen gepaard gaande risico’s drastisch te beperken.
De roep om doorpakken via harde (systeem)maatregelen leidde er onder andere toe
dat in de eerste weken na de recidive van Wilhelm S. het verlofbeleid aanzienlijk
werd aangescherpt. Dit werkte volgens betrokken professionals, zoals het hoofd be-
handeling van een tbs-instelling in Venray, in sommige gevallen contraproductief.
‘Je maakt een hogedrukketeltje’, stelde zij in een van de openbare gesprekken die
de commissie onderzoek tbs met deskundigen voerde. ‘Als mensen eindelijk buiten
komen, kan dat ertoe leiden dat ze eerder de benen nemen’ (Sp!ts, 14 maart 2006).
        Noot
1.      Dit onderzoek betreft de recidive na beëindiging van de tbs. Onderzocht is de recidive
        van ex-terbeschikkinggestelden die in de periode tussen 1974 en 1998 zijn uitge-
        stroomd. Na een aanvankelijke lichte stijging na 1978 nam de recidive sinds 1983
        gestaag af. Ook in vergelijking met ex-gedetineerden ligt de recidive van ex-terbeschik-
        kinggestelden lager.
22 / Ontsnappen aan medialogica
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>5. Hype- en meutevorming rondom tbs-debat
Frames als ‘doorpakken op veiligheid’ en ‘het systeem faalt’ worden versterkt door
het effect van hype- en meutevorming. Zo blijkt duidelijk dat de recidive van een
ontsnapte tbs’er nieuwe nieuwsfeiten rondom het tbs-systeem in een al gevormd
kader zet. Per jaar zijn er ongeveer 50.000 verlofbewegingen van tbs’ers. In de peri-
ode 2000-2005 vonden 488 onttrekkingen plaats, maandelijks gemiddeld 6,9 (Exper-
tisecentrum Forensische Psychiatrie 20062). Dat is voor de media normaal gespro-
ken lang niet altijd reden tot nieuwsvermelding. Bij een aantal niet teruggekeerden
– in de onderzochte periode van zes jaar bedroeg dat in totaal 22 personen ofwel
gemiddeld (iets minder dan) vier personen per jaar – vindt er ook daadwerkelijk
recidive plaats. Wanneer escalatie via ernstige recidive optreedt en ook in de media
vermeld wordt, leidt dit ertoe dat nieuwe feiten rondom de tbs door de media in
het specifieke kader van ontsnapping en recidive worden geplaatst (zie voorbeeld
in kader 2). Maar ook ontsnappingen en onttrekkingen die voorheen niet of nauwe-
lijks nieuwswaardig waren, krijgen na een ernstige recidive opeens een extra zware
nieuwslading.
         Kader 2: Directeur tbs-kliniek stapt op
         De directeur van de tbs-kliniek Veldzicht, Dick Oppedijk, stapt op. De kliniek
         kreeg onlangs veel kritiek toen de gevaarlijke tbs’er Wilhelm S. tijdens proefverlof
         ontsnapte en kort daarna werd opgepakt voor moord. Hij bleek al zeven keer
         eerder te zijn gevlucht.
         Volgens het ministerie van Justitie heeft het vertrek van de directeur niets te maken
         met de ontsnapping van Wilhelm S. ‘Er was al langer sprake van dat hij afscheid
         zou nemen. Er is geen verband met de recente ophef’, aldus een woordvoerder.
                                                     Hype- en meutevorming rondom tbs-debat / 23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>        Bij de kliniek zelf wilde niemand reageren. Oppedijk was ruim tien jaar directeur van
        Veldzicht.
        Wilhelm S. nam de benen toen hij met één vrouwelijke begeleider per trein
        terugkeerde van begeleid verlof. Een week na de ontsnapping werd hij opgepakt
        voor de moord op de 73-jarige Amsterdammer Appie Luchies. Hij heeft die moord
        inmiddels bekend. Minister Donner besloot vervolgens alle verloven voor tbs’ers in
        Veldzicht in te trekken.
        (Algemeen Dagblad, 27 juli 2005)
Frame- en hypevorming met betrekking tot (ontvluchtingen uit) tbs-klinieken
komen al langer voor. Toen in 1997 een gevaarlijke crimineel uit de Van Mesdagkli-
niek in Groningen ontsnapte, leidde dit ook tot onrust in de samenleving en een in-
terpellatiedebat in de Tweede Kamer. Kamerlid Van den Berg (SGP) pleitte toen voor
een situatie ‘waar de beveiliging van de samenleving de absolute voorrang moet
hebben’ (Handelingen Tweede Kamer 28 oktober 1997). Desondanks zijn er signalen
dat – mede door de effecten van medialogica – de maatschappelijke aandacht en
maatschappelijke commotie zijn toegenomen.
Voor wat de afgelopen vijf jaar betreft kunnen we stellen dat er in toenemende
mate berichtgeving over de tbs-sector is geweest. Dat geldt niet alleen de berichtge-
ving over incidenten, maar elk type berichten. Van de vijf landelijke dagbladen (De
Telegraaf, Trouw, de Volkskrant, NRC Handelsblad en Algemeen Dagblad) hebben we alle
krantenkoppen (met bijbehorende artikelen) over tbs over de periode 2001-2005
verzameld. Het betreft in totaal 782 krantenartikelen die in de meeste gevallen
gaan over (tbs-)rechtszaken (‘Pindakaasmoord: acht jaar en tbs’). Verder gaan veel
artikelen over (het risico op) incidenten (‘Twentse man stak slachtoffers tijdens
tbs’; ‘Moordenaar vlucht uit tbs-kliniek’), en over (het falen van) het tbs-systeem en
het tbs-beleid (‘Aanpassingen aan tbs-systeem zijn nodig’).
24 / Eigen verantwoordelijkheid: bevrijding of beheersing?
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>Tabel 1: Aantal krantenkoppen over tbs in de landelijke dagbladen, 2001-2005
                (Risico op) recidive  Rechtszaken      (Falen van) tbs-  Overige           Totaal
                tijdens tbs3                           systeem
 2001           7                     51               9                 7                 74
 2002           9                     39               3                 9                 60
 2003           11                    80               8                 21                120
 2004           32                    154              20                36                242
 2005           77                    100              49                60                286
 Totaal         136                   424              89                133               782
Bron: RMO
De tabel laat zien dat het aantal krantenartikelen over tbs de afgelopen periode
jaarlijks is toegenomen. In 2005 werd er door de landelijke media bijna viermaal
vaker over deze sector bericht dan in 2001. De berichtgeving over (het risico op)
tbs-incidenten (N=136) behandelen we verder in het volgende hoofdstuk. Daarin
confronteren we deze berichtgeving met het feitelijk aantal tbs-incidenten dat in de
verschillende jaren heeft plaatsgevonden.
         Noten
2.       Dit betreft een onderzoek naar ontsnapping van tbs-er’s en recidive tijdens het verlof.
3.       In deze categorie vallen alle artikelen over ontvluchtingen uit tbs-klinieken, onttrek-
         kingen aan verlof, (gewelddadige) incidenten door tbs’ers en de directe en expliciete
         (beleids)reacties hierop. Kortom, alle artikelen waarin (het risico op) recidive direct
         of indirect een rol speelt. Ook artikelen over aanscherping van het verlofbeleid zijn
         in deze categorie geplaatst, omdat deze expliciet refereren aan bovengenoemde in-
         cidenten. De artikelen over de tijdelijke onderzoekscommissie tbs en het daaraan
         voorafgaande Kamerdebat zijn daarentegen geplaatst in de categorie ‘(falen van) het
         tbs-systeem’.
                                                      Hype- en meutevorming rondom tbs-debat / 25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>medialogica BW.indd 26 medialogica BW.indd 26 19-5-2006 15:10:38 19-5-2006 15:10:38</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>6. Risicoperceptie en optreden van de media
De extra lading die nieuwe feiten door het proces van frame- en hypevorming kun-
nen krijgen, wordt mede veroorzaakt door de wijze waarop met risicoberichtgeving
wordt omgegaan: de publieke reacties van burgers, media en politici na ‘risico-inci-
denten’.
De meeste gegevens bestaan over het optreden van de media en de risico-inschat-
ting van burgers. Uit onderzoek blijkt dat burgers vreemde, onbekende en verre
gevaren overschatten, terwijl ze de bekende alledaagse risico’s sterk onderschatten.
Vliegtuigongelukken scoren in de risicoperceptie hoger dan bijvoorbeeld auto-on-
gelukken of ongevallen in huis. Daarbij speelt ook de factor vrijwillig of onvrijwil-
lig een rol: als burgers ongewild worden blootgesteld aan een risico waar ze geen
invloed of controle op hebben, dan wordt het risico doorgaans veel groter geschat
en is de commotie ook veel heftiger. Illustratief zijn de UMTS-masten, die tot hef-
tige discussies en forse verwijten leiden, terwijl volgens de meeste deskundigen
het risico – als het al bestaat – laag is. Over het algemeen geldt: ‘Mensen zijn bereid
om zelf enorme risico’s te nemen in en om het huis of op vakantie, terwijl ze wel
enorm verontrust kunnen raken over een verwaarloosbaar klein risico waar men
ongewild aan is blootgesteld. Het is de paradox van de roker die zich druk maakt
over fijn stof in zijn buurt’ (Vasterman 2005).
De media lijken deze perceptie van burgers over te nemen in hun nieuwsbeleid.
Als criterium voor nieuwsselectie met betrekking tot risico’s geldt doorgaans dat
iets onbekends, opzienbarends en schokkends eerder in aanmerking komt voor
nieuwsvermelding dan minder ernstige gebeurtenissen die zich uitspreiden over
een lange termijn. Dat geldt bijvoorbeeld de berichtgeving rondom criminaliteit
en geweld. Uit Amerikaans onderzoek blijkt dat Amerikaanse media vooral focus-
sen op een klein percentage ernstige individuele geweldsdelicten, hoofdzakelijk
                                                  Risicoperceptie en optreden van de media / 27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>gepleegd door kleurlingen en jeugdigen, terwijl andere geweldsincidenten die veel
vaker voorkomen, zoals huiselijk geweld, minder aandacht krijgen. De gebruikte
bronnen zijn doorgaans bovendien justitierapporten en justitiedeskundigen,
terwijl zogeheten ‘public health experts’, die informatie kunnen geven over de
achterliggende oorzaken van geweld, veel minder geraadpleegd worden. Deze
nieuws- en bronselectie heeft volgens het onderzoek gevolgen voor de beeldvor-
ming en risicoperceptie van burgers: doordat mensen vooral nieuws horen dat
hen ‘bang maakt’, ontstaat het beeld dat incidenteel geweld altijd gevaarlijk is
voor derden. Het aldus ontstane beeld wijkt af van de feitelijke cijfers, met als
gevolg dat veel mensen de mogelijkheden tot criminaliteitsvermindering in hun
eigen buurt laag schatten. Zouden de media nieuws brengen volgens ‘a public
health point of view’, met oog voor achterliggende oorzaken en mogelijkheden
om geweld te voorkomen, dan zou de risicoperceptie veel realistischer worden.
Daardoor zouden ook de mogelijkheden voor preventieve maatregelen toenemen
(Stevens 2001).
Bovenstaand beeld vertoont parallellen met de Nederlandse situatie. Volgens
mediasocioloog Vasterman benaderen de media risico-issues vooral vanuit het
referentiekader van de bezorgde burger die iets gevaarlijks en ongrijpbaars over-
komt. Ze concentreren zich vooral op de maatschappelijke verontwaardiging die
het risico oplevert, en niet op het risico zelf. Dit staat haaks op de invalshoek
van de risico-experts die vooral focussen op de hoogte en de inhoud van het te
schatten risico (Vasterman 2005). Deze laatste focus komt in de media verhou-
dingsgewijs weinig aan bod. Zo bleek rondom de uitbraak van het SARS-virus dat
dagbladen als de Volkskrant en De Telegraaf weinig informatie over de ziekte zelf
gaven en veel meer over de economische gevolgen, over genomen maatregelen om
de ziekte buiten de deur te houden en over emoties. De toon van de artikelen was
doorgaans alarmerend, terwijl inhoudelijke gegevens over de symptomen van de
ziekte, de besmettingsmogelijkheden en het sterftepercentage achterwege bleven
(Zevenhuizen 2004).
Betekent dit nu dat de media burgers bewust angst aanpraten in hun berichtge-
ving over schokkende incidenten? Naar aanleiding van de moord op Theo van
Gogh wees de historicus Bastiaan Bommeljé op de sensationele koppen die de
meeste kranten gebruikten (NRC, 17 november 2004).4 De politicologen Hajer
en Uitermark stelden echter na uitgebreid onderzoek dat de berichtgeving in de
landelijke dagbladen na de moord op Theo van Gogh diverse ‘deëscalerende ten-
densen’ vertoonde. Er was bijvoorbeeld uitgebreid aandacht voor achterliggende
28 / Eigen verantwoordelijkheid: bevrijding of beheersing?
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>oorzaken als de situatie in achterstandswijken en problemen op het gebied van
scholing (Uitermark en Hajer 2006).
Kijken we naar de tbs-problematiek dan kunnen we stellen dat er in de afgelopen
vijf jaar in toenemende mate berichtgeving over (het risico op) tbs-incidenten is
geweest. Van de vijf landelijke dagbladen (De Telegraaf, Trouw, de Volkskrant, NRC
Handelsblad en Algemeen Dagblad) hebben we zoals gezegd alle krantenkoppen over
tbs verzameld. In totaal 136 van deze koppen gaan over (het risico op) incidenten
tijdens tbs (tabel 2). Het betreft koppen waarin risico-inschattingen direct of indi-
rect een rol spelen, zoals artikelen over ontvluchtingen (‘Weer tbs’er ontsnapt uit
Veldzicht’), onttrekkingen (‘Tbs’er ontsnapt bij dieren voeren’), incidenten tijdens
een onttrekking of ontvluchting (‘Tbs’er Ernst stak liefdesrivaal dood’) en de di-
recte en expliciete (beleids)reacties hierop (‘Inrichting trekt alle verloven tbs’ers
in’).
Tabel 2: Aantal krantenkoppen over (risico op) incidenten door tbs’ers per landelijk dagblad,
2001-2005
              Telegraaf   de Volkskrant    NRC        Algemeen Dagblad        Trouw     Totaal
 2001         1           1                2          1                       2         7
 2002         7           1                -          -                       1         9
 2003         6           1                -          2                       2         11
 2004         13          9                7          1                       2         32
 2005         41          8                6          12                      10        77
 Totaal       68          20               15         16                      17        136
Bron: RMO
Twee dingen vallen op. De tabel laat ten eerste zien dat het aantal krantenartikelen
over ‘incidenten & tbs’ de afgelopen twee jaar sterk is toegenomen. Verschenen
er hierover van 2001 tot en met 2003 steeds slechts ongeveer 9 krantenkoppen
per jaar, in 2004 was dat aantal ruim verdrievoudigd (N=32) en in 2005 zelfs ruim
verachtvoudigd (N=77). Dat geldt voor alle dagbladen, en dan met name voor De
Telegraaf. De berichtgeving vond meestal in deze volgorde plaats: ontsnapping, veel
aandacht voor het recidiverisico van de ontsnapte tbs’er, politieke verontwaardi-
ging over incidenten en tot slot (eventuele) ideeën over of voorstellen tot beleids-
wijzigingen, casu quo verhardingen. Artikelen waarin bijvoorbeeld het ministerie
wijst op de feitelijke risicovorming, zijn niet of nauwelijks aanwezig.
                                                    Risicoperceptie en optreden van de media / 29
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>Het tweede dat opvalt – en dat is vanuit medialogisch perspectief cruciaal – is de
discrepantie tussen enerzijds de berichtgeving over tbs-incidenten en anderzijds
het feitelijke risicogevaar voor (ernstige) delicten door tbs’ers. Feitelijk vonden er in
de periode 2001-2005 53 (ernstige) delicten door tbs’ers plaats. Dat betreft gemid-
deld per jaar 10,6 (ernstige) recidives. Het jaar 2005 was met 10 delicten een min of
meer gemiddeld jaar (zie tabel 3).
Tabel 3: (Ernstige) delicten door tbs’ers, 2001-2005
                Na ontvluchting         Na onttrekking       Noch na ontvluchting;       Totaal
                                                             noch na onttrekking5
 2001           0                       6                    2                           8
 2002           1                       4                    5                           10
 2003           0                       5                    6                           11
 2004           0                       4                    10                          14
 20056          0                       1                    9                           10
 Totaal         1                       20                   32                          537
Bron: EFP ongepubliceerd materiaal
Kortom, het aantal berichten over incidenten door tbs’ers lag in het jaar 2005 rela-
tief heel hoog, terwijl het feitelijke aantal incidenten door tbs’ers niet was gestegen.
Hoewel het begrijpelijk is dat tbs-incidenten tot maatschappelijke onrust (kunnen)
leiden, is het gevaar van (onevenredig) veel berichtgeving, dat het bij burgers een
onrealistisch veiligheidsverlangen oproept en bij politici een contraproductief veilig-
heidsstreven aanwakkert. Dat media-aandacht voor ontsnappingen tot maatschap-
pelijke onrust leidt, is dus begrijpelijk en tot op zekere hoogte zelfs effectief. Maat-
schappelijke onrust kan bijvoorbeeld tot een grotere alertheid bij burgers leiden.
Iets anders is als er een al te grote discrepantie ontstaat tussen de feitelijke risi-
cotaxatie enerzijds en het beeld dat door de mediaberichtgeving wordt neergezet
anderzijds. Juist vanuit het perspectief van de maatschappelijke veiligheid is het
van belang dat er op basis van volledige en betrouwbare informatie maatregelen
worden genomen.
         Noten
4.       Koppen als ‘Afgeslacht’(De Telegraaf), ‘Er is een Amsterdammer vermoord’(Trouw), ‘Doe
         het niet, doe het niet, riep hij nog’ (NRC), ‘Genade, genade’(Algemeen Dagblad), ‘Moord
         begin heilige oorlog in Nederland’(de Volkskrant). ‘Tot hier en niet verder’ (Spits).
5.       Dit betreft (ernstige gewelds)delicten door tbs’ers tijdens verlof (al dan niet in een later
         stadium ontdekt) als ook binnen tbs-instellingen.
30 / Eigen verantwoordelijkheid: bevrijding of beheersing?
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>6. De gegevens van 2005 betreffen gegevens tot en met november.
7. Van deze delicten was er in 48 procent sprake van een gewelddadig, niet-seksueel de-
   lict. Daarnaast was in 27 procent sprake van seksuele recidive; het recidivepercentage
   voor gewelddadige (inclusief seksuele) recidive is dus 75 procent. De overige 25 procent
   betrof vermogensdelicten, belaging en drugs (Expertisecentrum Forensische Psychiatrie
   2006: 8). Met dank aan dhr. dr. mr. M. Hildebrand (EFP), die ons de (nog ongepubliceerde)
   recidivegegevens per jaar leverde.
                                                Risicoperceptie en optreden van de media / 31
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>medialogica BW.indd 32 medialogica BW.indd 32 19-5-2006 15:10:38 19-5-2006 15:10:38</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>7. Politieke agendavorming: wie beïnvloedt wie?
Bestaat er nu ook een relatie tussen de berichtgeving in de media en de beeldvor-
ming bij burgers enerzijds en de politieke agendavorming en besluitvorming ander-
zijds? Deels vanuit de theorie, deels vanuit (spaarzame) empirische onderzoeken
zeggen we daarover het volgende.
        7.1 Vier beïnvloedingsrelaties
Ten aanzien van de relatie tussen media, burger en criminaliteitsbeleid gelden in
theorie vier mogelijke relaties van beïnvloeding (Van Gestel 2004). In de eerste rela-
tie bepalen de media de publieke en ook de politieke agenda. De media richten de
aandacht van het publiek op bepaalde criminaliteitsissues en spelen zo een aanja-
gende rol voor het criminaliteitsbeleid. In de tweede relatie zijn het niet de media
maar maatschappelijke groeperingen die – via de media – bij de politiek aandacht
vragen voor een bepaald probleem. De derde relatie gaat vooralsnog uit van het
primaat van de politiek en meent dat politici hun eigen agenda grotendeels bepa-
len; de overheid neemt het initiatief en ‘gebruikt’ de media om aandacht te vragen
voor in haar ogen belangrijke onderwerpen. En tot slot is er de vierde relatie die het
vertrekpunt legt bij rationele, wetenschappelijke criminaliteitsanalyses als grond-
slag voor het beleid.
De vraag welk beïnvloedingsrelatie het meest met de werkelijkheid correspondeert,
heeft hier niet onze eerste interesse. Uit verschillende onderzoeken ontstaat wat
dat aangaat ook een wisselend beeld. Wel hebben we de vier mogelijke relaties te
berde gebracht om meer grip op de werking van medialogica te krijgen. Illustratief
voor het eerste type beïnvloedingsrelatie zijn de rellen in de jaren zestig in Enge-
land. Onderzoek daarnaar toont aan dat de media ruzietjes tussen bendes bewust
aanwakkerden en zo een mediahype veroorzaakten (Cohen 1972; Van Gestel 2002).
                                              Politieke agendavorming: wie beïnvloedt wie? / 33
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>Illustratief voor het tweede type relatie – de burger als aanjager – zijn de demon-
straties van boze buurtbewoners tegen bijvoorbeeld drugsoverlast in een wijk of
de komst van een asielzoekerscentrum. In enkele gevallen, zoals die van proteste-
rende Rotterdammers ten aanzien van de Keileweg, is er inderdaad sprake van een
zichtbare beïnvloeding van publiek richting politiek (Van Gestel 2002).
De derde variant vinden we terug in een studie van Kleinnijenhuis voor het
RMO-advies Medialogica (2003). Kleinnijenhuis, wiens onderzoek overigens geen
betrekking heeft op het criminaliteitsbeleid en -nieuws, stelt dat het nieuws wel-
iswaar meer conflictgeoriënteerd is geworden, met meer aandacht voor winnen
en verliezen, een negatievere toonzetting en meer gerichtheid op emoties van
minder bekende Nederlanders, maar er is volgens hem geen empirisch bewijs dat
de invloed van de media op de politieke besluitvorming of de politieke agendaset-
ting ook feitelijk is toegenomen. Volgens Kleinnijenhuis ligt de relatie zelfs eerder
andersom: de invloed van politieke actoren op de onderwerpen en de standpunten
in de media is groter dan de omgekeerde invloed. Wat wel zichtbaar is, is dat tele-
visieberichtgeving over een onderwerp ertoe leidt dat in de erop volgende weken
politici een voorkeur voor dat onderwerp aan de dag leggen. Hun vasthoudendheid
is echter groter dan die van de media en een duidelijk effect van dagbladbericht-
geving op de politieke agenda- en opinievorming is volgens Kleinnijenhuis dan ook
niet aantoonbaar.8
Een illustratie van de vierde variant tot slot vormen de politiemonitors, die voor
bepaalde zaken, zoals woninginbraken, een vrij duidelijk beeld geven en mede
daardoor een direct gevolg hebben voor de te nemen beleidsmaatregelen.
Zoals gezegd willen we niet één manier van beïnvloeding als de altijd geldende
bestempelen. De verschillende varianten zijn, afhankelijk van tijd en plaats, op ver-
schillende momenten van toepassing. Wel kunnen ze helpen grip te krijgen op de
werking van de medialogica bij bepaalde concrete onderwerpen, zoals in dit geval
de tbs-discussie, om daar vervolgens als betrokken actoren ook bepaalde keuzes in
te maken. Zoomen we – met bovenstaande beïnvloedingsrelaties in de hand – nader
in op het tbs-debat, dan ontstaat het volgende beeld. Allereerst lijkt er van een bur-
ger die het initiatief neemt voor de agendavorming (de tweede variant) geen sprake
te zijn. De directe aanleiding voor de discussie was gelegen in concrete incidenten
van ontsnappingen en recidive en niet in een al bestaande latente onvrede bij bur-
gers met het tbs-systeem. Dat betekent overigens niet dat in het politieke proces
de beeldvorming bij burgers (en in het bijzonder maatschappelijke onveiligheidsge-
voelens) geen rol speelde. In algemene zin draagt het eerder genoemde proces van
34 / Ontsnappen aan medialogica
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>informalisering ertoe bij dat politici zich meer laten leiden door (vermeende) opvat-
tingen van burgers. In weerwil van de veelgenoemde kloof tussen burger en politiek
is de afstand door nieuwe communicatiemiddelen in zekere zin ook weer kleiner
geworden. Het Kamerlid Van der Laan (D66) begon illustratief haar bijdrage in het
Kamerdebat over de tbs-ontsnappingen met een verwijzing naar de talloze e-mails
‘van mensen die diep geschokt zijn’ (Handelingen Tweede Kamer 16 juni 2005).9
Met betrekking tot de eerste en derde variant (de aanjagende rol van ofwel de me-
dia ofwel de politiek) ontstaat een genuanceerd en gemengd beeld. Allereerst lijkt
er voor een direct causale relatie tussen mediaberichtgeving en politieke stellingna-
mes geen duidelijk bewijs te zijn. Wie de Handelingen van de Tweede Kamer leest,
proeft bovenal een verontwaardiging over de incidenten zelf. Er is geen specifieke
verwijzing naar berichtgeving in de media, al is het wel zo dat deze incidenten
zonder media-aandacht waarschijnlijk louter incidenten zouden zijn gebleven.
De mediaberichten zelf geven op het eerste gezicht ook geen blijk van een be-
wuste aanwakkering van maatschappelijke onrust. Niet alleen de politieke roep
om aanpakken maar ook de ‘temperende’ toon van de tbs-professionals komen in
de media aan bod, zij het getalsmatig in mindere mate. Wel leidt de framing van
(individuele) incidenten ertoe dat voorheen minder interessante berichten op-
eens nieuwswaardig worden. Medialogica lijkt al met al voor een kettingreactie te
zorgen van op elkaar reageren van politiek en media, zonder dat een van hen een
dominante aanjagende rol speelt.
        7.2 Winst ligt in meer empirie
Wat wel een duidelijke rol speelt, is de al eerder genoemde (vervormde) risicoper-
ceptie. Zowel politici als de media geven in de tijd na de incidenten onvoldoende
aandacht aan het feitelijke risico van ontsnapte tbs’ers voor individuele burgers.
Teruggrijpend op de eerder genoemde driehoeksrelatie tussen overheid, burgers en
media (figuur 1) kunnen we voor het publieke domein een bepaalde toon van het
debat formuleren:
•       Aan één zijde van de driehoek (de relatie burgers-media) hebben burgers
        behoefte aan media (kranten en televisie) met attentiewaarde en maken
        zij zich zorgen over risico’s die zij waarschijnlijk te hoog inschatten. Media
        spelen daarop in door de gebeurtenis prominent in beeld te brengen, zeker
        in vergelijking tot andere maatschappelijke risico’s. Die prominente bericht-
        geving kan de zorgen van de burger vergroten.
                                               Politieke agendavorming: wie beïnvloedt wie? / 35
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>•        Aan de tweede zijde (de relatie media-overheid) is weliswaar geen sprake
         van zichtbare causale relatie tussen berichtgeving en politieke besluitvor-
         ming, maar kan wel gezegd worden dat de media op zoek zijn naar bericht-
         geving met attentiewaarde en personen die deze attentiewaarde kunnen
         leveren. Bestuurders en politici reageren daarbij op verschillende wijzen.
         Het zijn vooral de laatstgenoemden die de media nodig hebben. Om hun
         vak goed uit te kunnen oefenen, spelen politici in op de mediaberichtgeving
         met uitingen van afschuw en daadkracht.
•        De driehoek wordt gesloten waar politici met hun reacties inspelen op de
         grote zorgen van de burger, door zo veel mogelijk garanties te geven dat
         deze gebeurtenissen niet meer zullen voorkomen. Dat is weer een houding
         die door de zich zorgen makende burgers wordt gewaardeerd.
Er valt winst te halen wanneer van de vier genoemde wijzen van beïnvloeding de
vierde – de invloed van rationele, wetenschappelijke criminaliteitsanalyses – meer
terrein zal winnen binnen het krachtenveld van de medialogica. Daar kunnen alle
actoren binnen het publieke domein iets aan doen. De media, door doelbewust
aandacht te besteden aan de hoogte en de inhoud van het te schatten risico en
niet uitsluitend op de maatschappelijke verontwaardiging als gevolg van het risico;
de politiek, door bijvoorbeeld analoog aan de terugkerende politiemonitor een
‘tbs- of recidivemonitor’ periodiek bij het publiek onder de aandacht te brengen.10
Op die manier zou bijvoorbeeld voor het grote publiek zichtbaar worden dat de
recidive onder ex-tbs’ers de laatste decennia is afgenomen en dat ook het aantal
(verlof)onttrekkingen door tbs’ers is gedaald (Wartna et al. 2005; EFP 2006). Welke
keuzes de politiek vervolgens op grond van deze gegevens maakt, is niet aan ons
om te beoordelen. Waar we op willen wijzen is dat het – juist ook vanuit het per-
spectief van de maatschappelijke veiligheid – van belang is dat burgers op gezette
tijden van volledige, betrouwbare en genuanceerde informatie over de gang van
zaken in het tbs-veld worden voorzien. Dat haalt de spanning uit het complex
waarin ‘politici rechtstreeks reageren op burgers en simultaan met hen reageren op
schokkende incidenten’ (Kleinnijenhuis 2003: 203). Daarnaast geeft dat alle betrok-
ken actoren (burgers, politici, professionals, mediaorganisaties en bestuurders) de
gelegenheid het recidivegevaar door tbs’ers en ex-tbs’ers in een context te plaatsen
(zie kader 3 voor voorbeelden).
36 / Ontsnappen aan medialogica
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>Kader 3: Het recidivegevaar door tbs’ers in context
Betrouwbare informatie kan inzicht verschaffen in de kans om slachtoffer te
worden van een:
•        gewelds- of zedendelict door tbs’er op proefverlof;
•        gewelds- of zedendelict door een persoon van wie de tbs is beëindigd;
•        gewelds- of zedendelict door een persoon die op proefverlof is uit een
         andere justitiële inrichting;
•        gewelds- of zedendelict door een persoon die een straf voor zo’n delict
         uitgezeten heeft in een andere justitiële inrichting;
•        gewelds- of zedendelict door een persoon die nog niet voor een dergelijk
         delict gestraft is;
•        een verkeersongeval met blijvend letsel of overlijden als gevolg.
Daarbij is het mogelijk:
•        deze cijfers apart te tonen voor personen die een (goede) bekende zijn
         van het slachtoffer en die geen (goede) bekende zijn van het slachtoffer;
•        de recidivekans tijdens proefverlof te relateren aan het aantal
         proefverloven dat moet worden onthouden om één recidive door een
         tbs’er te voorkomen;
•        de kans op recidive na beëindiging van tbs te relateren aan het aantal
         personen dat niet uit de tbs zou kunnen worden ontslagen om één
         recidive door een tbs’er te voorkomen;
•        inzicht te geven in het soort gevaar dat verschillende type tbs’ers
         opleveren: waar? In huis? Buiten? In wat voor context? Voor wie? Hoeveel
         gevaar voor bekenden? Hoeveel gevaar voor onbekenden?
•        inzicht te geven in het type behandeling dat verschillende soorten tbs’ers
         krijgen; welke factoren bepalen of de behandeling wel of niet werkt?
•        een schets te geven van het dagelijks leven dat tbs’ers (die zonder
         recidive terugkeren) in de maatschappij leiden, en wat hun dus wordt
         onthouden bij een restrictiever beleid;
•        een schets te geven van het dagelijks leven dat een tbs’er in een inrichting
         leidt, en dat hem dus wordt gegund bij een restrictiever beleid;
•        inzicht te geven in de kosten van een tbs-behandeling, bijvoorbeeld:
         -         per tbs’er;
         -         per voorkómen recidive door een tbs’er.
                                          Politieke agendavorming: wie beïnvloedt wie? / 37
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>        Noten
8.      Ook andere, eerdere onderzoeken wijzen erop dat het eerder de gevestigde overheids-
        instituties zijn die een stempel drukken op de berichtgeving in krant en op televisie
        dan andersom (Schelinger et al. 1991, Ericson 1989, aangehaald in Van Gestel 2002).
9.      Een mevrouw, wier driejarig dochtertje door een tbs’er was vermoord, had haar ge-
        schreven: ‘En dan laat men zo’n engerd gewoon op familiebezoek gaan. Men leert dus
        niet van alle blunders.’ Volgens Van der Laan illustreerden deze en andere e-mails dat
        dergelijke incidenten het vertrouwen van burgers in de Nederlandse rechtsstaat on-
        dermijnden.
10.     Sinds 2005 brengt het WODC jaarlijks een rapportage uit over de strafrechtelijke re-
        cidive die volgt op de tbs. Het startmoment van deze jaarlijkse rapportage ligt in het
        rapport Buiten behandeling (Wartna et al. 2005). De monitor van 2006 is nog niet be-
        schikbaar. In hoeverre de monitor breed onder de aandacht komt, is nog de vraag.
38 / Ontsnappen aan medialogica
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>8. Aanbevelingen
Produceer objectiviteit in het krachtenveld van medialogica en beschouw incentives niet als
onveranderlijk
We leven in een samenleving waarin medialogica een feit is. Overheid, media en
burgers zijn tot elkaar veroordeeld, maar hebben elkaar ook nodig. Hierin past dat
incidenten tot commoties leiden. De commotie rondom tbs-ontsnappingen is in die
zin niet uniek.
Het advies van de RMO is om het gegeven van medialogica te erkennen, maar daar
als betrokken actoren (politici, bestuurders, tbs-klinieken, mediaorganisaties) een
eigen verantwoordelijkheid in te nemen. Daarvoor is het nodig om het proces van
medialogica bij de verschillende actoren te adresseren en te doordenken welke
betekenis dit heeft voor het eigen optreden.
Medialogica is een gegeven, maar dat betekent niet dat bepaalde negatieve ge-
volgen van die medialogica onafwendbaar zijn. Eenvoudige oproepen aan politici,
journalisten en burgers om hun gedrag te veranderen, zullen weinig effect hebben.
Beter is het om mechanismen te vinden die de negatieve invloeden verminderen en
meer balans brengen op het publieke speelveld waarin burgers, media en overheid
zich bevinden.
Het overkoepelende mechanisme dat de RMO voorstaat, is ten eerste het produceren
van meer objectiviteit: wat zijn de risico’s? Wat zijn de verschillende opties om daar-
mee om te gaan? Welke behandeling of bestraffing werkt en welke niet? Wat zijn
daarvan de voor- en nadelen en voor wie?
Bij tbs gaat het om interventies met zeer ingrijpende gevolgen voor het persoonlijk
leven van mensen, niet in de laatste plaats voor (potentiële) slachtoffers en hun
omgeving. Zij hebben recht op het best mogelijke beleid. De frames van de media-
                                                                          Aanbevelingen / 39
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>logica hebben hun eigen waarde, maar mogen niet allesbepalend worden.
Een tweede stap is daarom het zoeken naar contra-incentives om objectiviteit in de
beeldvorming te brengen en daarvan gebruik te maken bij de beleidsvorming. Elk van de
betrokken actoren heeft zijn eigen incentives die de houding in het medialogische
landschap bepalen. Het gedrag van gekozen politici wordt bepaald door hun repre-
sentatieve functie en door hun electorale profilering; dat van tbs-klinieken door
hun professionele autonomie en deskundigheid; dat van mediaorganisaties door-
dat ze nieuws willen maken dat aansluit bij de behoeften van hun lezers; bestuur-
ders proberen enerzijds integrale afwegingen ten aanzien van het algemeen belang
te maken, maar zijn ook loyaal aan hun politieke opdrachtgevers. Contra-incen-
tives maken het mogelijk balans te brengen op het publieke speelveld.
Hieronder volgt een aantal illustraties om de balans te versterken:
•       Tbs-klinieken kunnen – gegeven hun professionele autonomie – actief werk
        maken van de verantwoording naar het publiek (met waarborgen voor de
        onafhankelijkheid): bijvoorbeeld via een periodieke tbs-monitor, via pu-
        blieke informatiebijeenkomsten, via vergelijkende rapportages (ten opzichte
        van het buitenland, ten opzichte van het gevangeniswezen of ten opzichte
        van andere tbs-klinieken). De prikkel om die verantwoording te geven zou
        kunnen worden versterkt.
•       Mediaorganisaties kunnen – gegeven hun streven de lezers pakkend te infor-
        meren – op basis van bovengenoemde gegevens de transparantie van hun
        werkwijze en de publieke verantwoording over hun rol vergroten, bijvoor-
        beeld via de invoering van explicietere gedragscodes en een directere dia-
        loog met burgers. Eerder heeft de RMO geadviseerd over een jaarlijks me-
        diapolitiek verantwoordingsdebat, waartoe ook al initiatieven zijn genomen.
        De vraag hoe veelzijdig een thema als de tbs het afgelopen jaar in beeld is
        gebracht zou daarin een goede testcase zijn.
•       Bestuurders kunnen – gegeven hun coördinerende rol in de beleidsvorming
        – zich meer bewust worden van de rol die maatschappelijke beeldvorming
        in beleid- en besluitvormingsprocessen speelt. Van belang is dat zij zorgen
        voor voldoende empirie, bijvoorbeeld over de daadwerkelijke hoogte van het
        recidivegevaar en over het functioneren van het tbs-systeem. Niet alleen
        het produceren van meer objectiviteit echter, ook de wijze van communi-
        ceren is van belang. Bestuurders zouden kunnen nadenken over een meer
        interactieve, informatieve en dynamische verantwoording van hun beleid.
40 / Ontsnappen aan medialogica
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>        Dat kan de aantrekkelijkheid van het politieke proces voor media en burger
        verhogen, de impuls om op incidenten te reageren verminderen, en voor-
        komen dat het zo noodzakelijke debat alleen via de camera plaatsvindt in
        plaats van rechtstreeks tussen bestuurders en volksvertegenwoordiging.
•       Ook politici tot slot kunnen – gegeven hun electorale en representatieve be-
        langen en noodzakelijk gebruik van de media daarbij – algemene gegevens
        in plaats van (enkel) incidenten een grotere rol laten spelen in hun reacties
        en agenda- en besluitvorming. Zij zouden bovendien kunnen onderzoeken
        of de huidige incentives die hun eigen omgeving geeft om een bepaalde rol
        in de medialogica te nemen wel de meest wenselijke zijn. Wij denken daar-
        bij aan de organisatie van parlementaire werkzaamheden, de partijorgani-
        satie (formeel en informeel) en de mogelijkheden om met kiezers te kunnen
        communiceren.
Waak voor de reflex van grote systeemveranderingen
Medialogica kan bij politici en bestuurders leiden tot de reflex om na schokkende
incidenten te snel te vervallen in de roep om grootschalige aanpassingen van sy-
stemen. Voor de tbs-discussie kan deze reflex een gevolg zijn van een terechte ver-
ontwaardiging over een reeks van onbehoorlijke incidenten. Maar daarnaast spelen
mogelijk ook onvoldoende feitelijke informatie van zaken en een onjuist inzicht in
de maatschappelijke beeldvorming een rol.
Het advies van de RMO is om te waken voor een dergelijke reflexhouding, althans
wanneer deze het gevolg is van (eenzijdige) medialogische krachten. Dat zou het
kind met het badwater wegspoelen. Systeemaanpassingen kunnen zeker nodig
zijn, maar dan uitsluitend op basis van gedegen kennisontwikkeling en niet op
basis van incidenten. Ook hiervoor geldt het uitgangspunt van voldoende empirie
ten aanzien van feiten en mogelijkheden.
Meer evenwicht kan ontstaan door:
•       er voor te waken om een groot probleem, zoals een ernstige recidive, auto-
        matisch – als reactie op de medialogica – via grootschalige maatregelen aan
        te pakken;
•       kennis en kunde van professionals te betrekken bij het zoeken naar de oor-
        zaak van het incident én bij de primaire reactie op het incident, en te zoeken
        naar mogelijkheden om die kennis en kunde (steeds weer) te verbeteren;
•       een incident niet vanzelf te laten ‘regeren’ over een mogelijk goed systeem,
        maar te zoeken naar de juiste maatregelen op de juiste plaats.
                                                                      Aanbevelingen / 41
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>Literatuur
Beek, K.W.H. van, M.A. Rouw en T. Schillemans (2006). Medialogica: oorzaken, gevolgen
    en remedies. Nog te verschijnen.
Bommeljé, B. (2004). Nederland staat helemaal niet in brand. NRC, 17 november
    2004.
Brants, C. en K. Brants (2002). Vertrouwen en achterdocht; de driehoeksverhouding
    justitie-media-burger. Justitiële verkenningen, nr. 6: pp. 8-28.
Buruma, Y. (2001). Sanctionering, een autonome beslissing van de rechter? In K.D.
    Lünneman e.a. (red.), Diversiteit van sanctionering. Deventer: Gouda Quint.
Cohen, S. (1972). Folk devils and moral panics; the creation of the mods and rockers. Lon-
    den: McGibbon and Kee.
Cohen, M.A., R.T. Rust, S. Steen (2005). Prevention, Crime Control or Cash? Public Prefe-
    rences towards Criminal Justice Spending Priorities.
Expertisecentrum Forensische Psychiatrie (2006). Onttrekkingen en Recidives tijdens
    Verlof (periode 2000-2005). Geraadpleegd op www.efp.nl.
Gestel, B. van (2002). Media en criminaliteitsbestrijders; wie beïnvloedt wie? Justiti-
    ele verkenningen, nr. 6: pp. 29-41.
Gladwell, M. (2006). Million-Dollar Murray. Why problems like homelessness may be easier
    to solve than to manage. Geraadpleegd op: www.newyorker.com/fact/content/
    articles/060206fa_fact
Handelingen Tweede Kamer 16 juni 2005.
Handelingen Tweede Kamer 28 oktober 1997.
Kleinnijenhuis, J. (2003), Het publiek volgt media die de politiek volgen. In RMO,
    Medialogica. Over het krachtenveld tussen burgers, media en politiek. Den Haag: Sdu,
    pp. 151-212.
RMO (2003). Medialogica. Over het krachtenveld tussen burgers, media en politiek. Den
    Haag: Sdu.
42 / Ontsnappen aan medialogica
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>Roberts, J.V., L. Roberts en J. Stalans (2004). Restorative Sentencing: Exploring the
    Views of the Public. Social Justice Research, Vol. 17, No. 3, pp. 315-334.
SCP (2005). Sociale staat van Nederland 2005. Den Haag: Sociaal Cultureel Planbureau.
Stevens, J.E. (2001). Reporting on Violence: New Ideas for Television, Print and Web. Berke-
    ley Media Studies Group.
Stokkom, B. van, (2004). Inleiding. Sanctionering in het teken van schadevergoeding
    en herstel. In B. van Stokkom (red.). Straf en herstel: ethische reflecties over sanctie-
    doelen. Den Haag: Boom Juridische Uitgevers, pp. 1-21.
Uitermark, J. & M. Hajer (2006). Performing authority after the assassination of Theo Van
    Gogh – Dutch public administrators in times of moral crisis.(Working paper.) Amster-
    dam: ASSR, Universiteit van Amsterdam.
Vasterman, P.L.M. (2004). Mediahype. Amsterdam: Aksant.
Vasterman, P.L.M (2005). UMTS, Risicopercepties en mediahypes, een mijnenveld voor het
    openbaar bestuur. Geraadpleegd op www.vasterman.nl.
Wartna, B.S.J., S. el Harbachi en L.M. van der Knaap (2005). Buiten behandeling. Een
    cijfermatig overzicht van de strafrechtelijke recidive van ex-terbeschikkinggestelden.
    Meppel/Den Haag: WODC/Boom Juridische Uitgevers.
Zevenhuizen, M. (2005). Risicoberichtgeving: SARS in twee Nederlandse kranten. Docto-
    raalscriptie UvA. Geraadpleegd op www.vasterman.nl.
Zoonen, L. van (2002). Plezier en politiek in de entertainment-samenleving. Socia-
    lisme & Democratie, nr. 12: pp. 22-30.
                                                                                 Literatuur / 43
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>BIJLAGE
Overzicht van uitgebrachte publicaties van de Raad voor Maat-
schappelijke Ontwikkeling
        Adviezen
        Derde raadsperiode 2005-2008
39      Ontsnappen aan medialogica. Tbs in de maatschappelijke beeldvorming.
        (2006)
38      Verschil maken. Eigen verantwoordelijkheid na de verzorgingsstaat. (2005)
37      Niet langer met de ruggen naar elkaar. Een advies over verbinden. (2005)
36      Lokalisering van maatschappelijke ondersteuning. Voorwaarden van een
        succesvolle WMO. (2005)
        Tweede raadsperiode 2001-2004
35      Eenheid, verscheidenheid en binding. Over concentratie en integratie van
        minderheden in Nederland. (2005)
34      Ouderen tellen mee. Advies aan de Themacommissie Ouderenbeleid van de
        Tweede Kamer. (2004)
33      Mogen ouderen ook meedoen. (2004)
32      Toegang tot recht. (2004)
31      Sociale veiligheid organiseren. Naar herkenbaarheid in de publieke ruimte.
        (2004)
30      Verschil in de verzorgingsstaat. Over schaarste in de publieke sector. (2004)
29      Humane genetica en samenleving. Bouwstenen voor een ander debat.
        (2004)
28      Europa als sociale ruimte. Open coördinatie van sociaal beleid in de Eu-
        ropese Unie. (2004)
44 / Ontsnappen aan medialogica
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>27  Hart voor Europa. De rol van de Nederlandse overheid. (2003)
26  Medialogica. Over het krachtenveld tussen burgers, media en politiek. (2003)
25  De handicap van de samenleving. Over mogelijkheden en beperkingen van
    community care. (2002)
24  Bevrijdende kaders. Sturen op verantwoordelijkheid. (2002)
23  Geen woorden maar daden. Bijdrage aan het normen- en waardendebat.
    (2002)
22  Werken aan balans. Een remedie tegen burn-out. (2002)
21  Educatief centrum voor ouder en kind. Advies over voor- en vroegschoolse
    opvang. (2002)
20  Levensloop als perspectief. Kanttekeningen bij de Verkenning Levensloop.
    Beleidsopties voor leren, werken, zorgen en wonen. (2002)
19  Van uitzondering naar regel. Maatwerk in het grotestedenbeleid. (2001)
18  Aansprekend opvoeden. Balanceren tussen steun en toezicht. (2001)
17  Instituties in lijn met het moderne individu. De sociale agenda 2002-2006.
    (2001)
16  Kwetsbaar in kwadraat. Krachtige steun aan kwetsbare mensen. (2001)
    Eerste raadsperiode 1997-2000
15  Ver weg en dichtbij. Over hoe ICT de samenleving kan verbeteren. (2000)
14  Van discriminatie naar diversiteit. Kanttekeningen bij de Meerjarennota
    Emancipatiebeleid ‘Van vrouwenstrijd naar vanzelfsprekendheid’. (2000)
13  Wonen in de 21e eeuw. (2000)
12  Alert op vrijwilligers. (2000)
11  Ongekende aanknopingspunten. Strategieën voor de aanpassing van de
    sociale infrastructuur. (2000)
10  Aansprekend burgerschap. De relatie tussen organisatie van het publieke
    domein en de verantwoordelijkheid van burgers. (2000)
  9 Nationale identiteit in Nederland. (1999)
  8 Arbeid en zorg. Reactie op de kabinetsnota ‘Op weg naar een nieuw even-
    wicht tussen arbeid en zorg’. (1999)
7   Integratie in perspectief. Advies over integratie van bijzondere groepen en
    van personen uit etnische groeperingen in het bijzonder. (1998)
  6 Verantwoordelijkheid en perspectief. Geweld in relatie tot waarden en nor-
    men. (1998)
  5 Uitsluitend vrijwillig!? Maatschappelijk actief in het vrijwilligerswerk. (1997)
  4 Kwaliteit in de buurt. (1997)
  3 Werkloos toezien. Activering van langdurig werklozen. (1997)
                                                                         Bijlage / 45
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>  2     Stedelijke vernieuwing. (1997)
  1     Vereenzaming in de samenleving. (1997)
        Werkdocumenten
12      Democratie voorbij de instituties. Vooronderzoek van de Raad voor Maat-
        schappelijke Ontwikkeling. (2006)
11      Horizontale verantwoording bij ZBO’s en agentschappen. T. Schillemans.
        (2005)
10      Tussen zorgen en begrenzen. Over de aanpak van delictplegers met
        psychi(atri)sche problemen. D. Graas en R. Janssens. (2005)
9       Gezin anno nu. M. Distelbrink, N. Lucassen en E. Hooghiemstra. (2005)
8       Tussen vangnet en trampoline. Over de inzet van publieke middelen voor
        participatie en zekerheid. H. Adriaansens, K. van Beek en R. Janssens. (2005)
7       Preventiebeleid. Een verkennende achtergrondstudie. R. Torenvlied en A.
        Akkerman. (2005)
6       Over insluiting en vermijding. Twee essays over segregatie en integratie. J.
        Uitermark en J.W. Duyvendak; P. Scheffer. (2004)
5       “Nee, ik voel me nooit onveilig”. Determinanten van sociale veiligheids-
        gevoelens. H. Elffers en W. de Jong. (2004)
4       Ouderen en maatschappelijke inzet. K. Breedveld, M. de Klerk en J. de Hart.
        (2004)
3       Financiële prikkels voor werknemers bij uittreding. I. Groot en A. Heyma.
        (2004)
2       Sociale veiligheid vergroten door gelegenheidsbeperking: wat werkt en wat
        niet? K. Wittebrood en M. van Beem. (2004)
1       Inburgering. Educatieve opdracht voor nieuwkomer, overheid en samenlev-
        ing. (2003)
Publicaties van de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling zijn te downloaden
via www.adviesorgaan-rmo.nl.
46 / Ontsnappen aan medialogica
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling
De Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (RMO) werkt aan nieuwe concepten
voor de aanpak van sociale vraagstukken. De raad is:
prof. Hans Adriaansens
prof. Maurits Barendrecht
prof. Talja Blokland-Potters
prof. Anneke van Doorne-Huiskes
prof. Paul Frissen
Sadik Harchaoui
Yolan Koster-Dreese
José Manshanden
prof. Micha de Winter
Krijn van Beek is algemeen secretaris van de raad.
De RMO is bij wet ingesteld op 1 januari 1997. Zijn formele opdracht luidt:
“de regering en de beide kamers der Staten-Generaal te adviseren over de hoofd-
lijnen van beleid inzake de gevolgen van maatschappelijke ontwikkelingen voor
zover deze van invloed zijn op de participatie van burgers in en de stabiliteit van de
samenleving”.
Parnassusplein 5
Postbus 16139
2500 BC Den Haag
Tel. 070 340 52 94
Fax 070 340 54 46
rmo@adviesorgaan-rmo.nl
www.adviesorgaan-rmo.nl
                                               Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling / 47
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>Colofon
Ontsnappen aan medialogica
Tbs in de maatschappelijke beeldvorming (advies 39)
Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling
ISBN-10: 90 6665 783 9
ISBN-13: 978 90 6665 783 0
NUR 740
Corrector
Fred Gijsberts
Foto omslag
© Wacker (BigStockPhoto.com)
Vormgeving
Uitgeverij SWP
Uitgever
Paul Roosenstein
Voor informatie over overige uitgaven van Uitgeverij SWP:
Postbus 257, 1000 AG Amsterdam
Telefoon: (020) 330 72 00
Fax: (020) 330 80 40
E-mail: swp@swpbook.com
Internet: www.swpbook.com
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>