<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>Arbeidsmarkt en
zorgvraag
Advies uitgebracht door de Raad voor de Volksgezondheid en Zorg aan
de minister en staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Den Haag, 2006
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>Raad voor de Volksgezondheid en Zorg
Raad voor de Volksgezondheid en Zorg
Postbus 19404
2500 CK Den Haag
Tel       070 340 50 60
Fax       070 340 75 75
E-mail mail@rvz.net
URL www.rvz.net
Colofon
Ontwerp:      2D3D, Den Haag
Fotografie:   Eric de Vries
Druk:         Quantes, Rijswijk
Uitgave:      2006
ISBN-10:      90-5732-174-2
ISBN-13:      978-90-5732-174-0
U kunt deze publicatie bestellen via onze website (www.rvz.net)
of telefonisch via de RVZ (079 3 68 73 11) onder vermelding van
publicatienummer 06/08. De prijs van de publicatie is € 15,00.
© Raad voor de Volksgezondheid en Zorg
RVZ                                                  Arbeidsmarkt en zorgvraag 2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>Bij een krimpende beroepsbevolking en een
toenemende zorgvraag zijn ingrijpende keuzes
onontkoombaar.
Welk probleem lost dit advies op?
Als de economie aantrekt ontstaan al op korte termijn personeelstekor-
ten in de caresector. Daarom zijn maatregelen nodig om de vraag naar
zorg te verminderen (bijvoorbeeld door ondersteunen van zelfredzaam-
heid en mantelzorg, en inzetten van ICT en andere moderne hulpmid-
delen) en het aanbod aan arbeidskrachten te vergroten (bijvoorbeeld
door meer deeltijders meer uren te laten werken, ouderen langer te laten
werken en concurrerende arbeidsvoorwaarden aan te bieden).
Voor de langere termijn zijn ingrijpende keuzes echter onontkoombaar.
Vroeg of laat betekent een tekort aan personeel namelijk ook: inleveren
op kwaliteit. Nu investeren in preventie, arbeidsbesparende bouw, een
markt voor persoonlijke dienstverlening en kinderopvang is daarom
noodzakelijk.
Wat zijn de gevolgen voor de consument?
De consument wordt gestimuleerd zo lang mogelijk zelfstandig te
blijven, en krijgt daarvoor ook meer mogelijkheden. Verder wordt
voorkomen dat op termijn de kwaliteit van zorg terugloopt omdat er
niet genoeg zorgverleners zijn.
Wat zijn de gevolgen voor de zorgverlener?
Zorgverleners kunnen aan het werk in organisaties die zowel care als cure
omvatten. Daarbij wordt veel aandacht besteed aan scholing, carrière,
jobrotation, kennisuitwisseling, onderzoek en prestatiebeloning. Zo kan
de zorgsector personeel binnenhalen en behouden, en wordt het werk
aantrekkelijker.
Wat kost het?
De meerkosten van de uitbreiding van het aanbod worden niet veroor-
zaakt door de voorgestelde maatregelen, maar door de autonome groei
van de zorgvraag. De specifieke maatregel van gratis kinderopvang voor
mensen in de zorgsector in de lagere functieschalen kost tussen de
100 en 150 miljoen euro.
Wat is nieuw?
Het agenderen van de relatie tussen kwaliteit en arbeidsproductiviteit in
de care, de relatie tussen bouw en arbeidsproductiviteit, en gratis kinder-
opvang voor mensen in de lagere functieschalen in de zorg.
RVZ                                                 Arbeidsmarkt en zorgvraag 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>RVZ Arbeidsmarkt en zorgvraag 4</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>Inhoudsopgave
      Samenvatting                                                      7
1     Waarom dit advies?                                               11
1.1   Grote tekorten verwacht                                          11
1.2   Beleidsvragen                                                    11
1.3   Functie in het beleidsproces                                     12
1.4   Werkwijze                                                        13
2     Structurele problemen op de arbeidsmarkt                         14
2.1   Gebrek aan evenwicht tussen vraag en aanbod                      14
2.2   Knelpunten aan de vraagzijde                                     15
2.3   Knelpunten aan de aanbodzijde                                    17
2.4   Conclusie                                                        20
3     Oplossingen aan de vraagzijde                                    22
3.1   Visie van de RVZ                                                 22
3.2   Beantwoording vragen minister van VWS                            23
3.3   Preventiemogelijkheden benutten                                  24
3.4   Beter gebruik maken van ICT                                      24
3.5   Conclusie                                                        25
4     Oplossingen aan de aanbodszijde                                  27
4.1   Gevolgen voor de arbeidsmarkt onderzoeken                        27
4.2   Uitbreiding van het arbeidsaanbod                                28
4.3   Betere voorwaarden in de structurele sfeer                       34
4.4   Conclusie                                                        38
5     Advies                                                           39
5.1   Permanent aandacht voor relatie tussen zorgvraag                 39
      en arbeidsaanbod
5.2   Vijf prioriteiten                                                40
5.3   Veranderende normen                                              42
      Bijlagen
1     Adviesaanvraag                                                   47
2     Adviesvoorbereiding                                              49
3     Waarom dementie en CVA als voorbeeld                             53
4     Kwantitatieve ontwikkelingen op de arbeidsmarkt                  57
      van de zorgsector
5     Arbeidsproductiviteit: een begripsverkenning                     97
RVZ                                              Arbeidsmarkt en zorgvraag 5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>6   Internationale mobiliteit van beroepsbeoefenaren:             111
    migratie een oplossing voor toekomstige tekorten
    op de arbeidsmarkt in de zorgsector?
7   Lijst met afkortingen                                         129
8   Literatuurlijst                                               131
    Overzicht RVZ-publicaties                                     141
RVZ                                           Arbeidsmarkt en zorgvraag 6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>Arbeidsmarkt en zorgvraag
Samenvatting
Investeringsplan
De politieke partijen hebben er (nog) geen verkiezingsissue van gemaakt. Vreemd,
want wie zal voor onze medemens met Alzheimer zorgen? Het aantal dementeren-
den zal de komende decennia verdubbelen, terwijl het aantal professionele zorgwer-
kers juist halveert. Rijst de prangende vraag: hoe maken én houden we het vak van
verzorgende aantrekkelijk? Straks is er geen jongere meer die in deze branche wil
werken. Politiek, word wakker! U moet investeren.
Uit: Op weg naar het Alzheimer-paradijs, column door Stella Braam, te lezen op
www.rvz.net
Adviesaanvraag
De oproep van Stella Braam, hierboven, geeft kort en krachtig aan wat
de aanleiding is voor dit advies. Enerzijds neemt de zorgvraag toe.
Alleen al het aantal mensen met dementie loopt op van 175.000 in 2002
naar 412.000 in 2050. Het aantal mensen met een beroerte stijgt van
118.000 in 2000 tot 152.000 in 2020. Anderzijds blijft de toename van
de beroepsbevolking daar ver bij achter.
Het gevolg, als niet wordt ingegrepen: een groot tekort aan arbeidskrach-
ten in de zorg, en met name in de caresector. Dit advies van de Raad voor
de Volksgezondheid en Zorg (RVZ) gaat op verzoek van de bewindslie-
den van Welzijn, Volksgezondheid en Sport (VWS) dan ook over de pro-
blemen in die sector, en de mogelijkheden om die op te lossen.
Wat zijn de problemen?
Op dit moment zijn vraag en aanbod nog redelijk in evenwicht, maar al
op kortere termijn dreigt krapte op de arbeidsmarkt. Bij een aantrekken-
de economie komt de zorgsector in de problemen. Onderzoeksrapporten
wijzen erop dat als er geen maatregelen worden getroffen bijna één op de
vier schoolverlaters in de toekomst in de zorg moet gaan werken.
Voor de langere termijn zijn de problemen nog veel groter. Het gaat dan
niet om de bekende varkenscycli: tekorten afgewisseld door overschot-
ten. De beroepsbevolking krimpt structureel. Er zijn gewoon minder
mensen beschikbaar voor de arbeidsmarkt.
Tegelijkertijd stijgt de vraag naar zorg. Als er geen ‘Alzheimerpil’ gevon-
den wordt, en daar ziet het op dit moment naar uit, vragen alleen al die
412.000 mensen met dementie gemiddeld 2 jaar intramurale zorg, voor-
afgegaan door 5 jaar ondersteuning in hun eigen woonomgeving, met
veel mantelzorg en thuiszorg.
RVZ                                                         Arbeidsmarkt en zorgvraag 7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>Daarom is het van groot belang om na te gaan wat we op dit moment
kunnen doen om ernstige tekorten te voorkomen, op de korte en langere
termijn. Benutten we wel voldoende de mogelijkheden om een beroep
op professionele zorg te verminderen en voldoende arbeidsaanbod te
krijgen?
Knelpunten aan de vraagkant
Veel mensen doen een beroep op mantelzorg, waardoor een beroep op
professionele zorg niet nodig is. Maar we hebben ook meer professionele
zorgverleners nodig. Hoe stimuleer je de arbeidsparticipatie zonder dat
dit ten koste gaat van de mantelzorg? Vooralsnog ontbreken daarvoor
adequate beleidsmaatregelen.
Preventie is zeer effectief om de vraag naar zorg te verminderen. Zo is er
bijvoorbeeld nog veel gezondheidswinst te boeken door op grote schaal
hoge bloeddruk te behandelen. Preventie wordt echter nog onvoldoende
gezien als instrument voor arbeidsmarktbeleid. Verder worden veelbelo-
vende arbeidsbesparende technologieën onvoldoende benut.
Knelpunten aan de aanbodkant
Therapieën en zorgconcepten, zoals kleinschalig wonen, zouden beter
doordacht moeten worden op hun personele implicaties: hoeveel zorg-
verleners hebben we daar eigenlijk voor nodig, en zijn die er wel?
Hoeveel mensen in de sector willen werken is bovendien afhankelijk van
loopbaanperspectieven en imago. Die laten nu vaak te wensen over.
En verhoging van de arbeidsproductiviteit? Ook daar worden lang niet
alle kansen al benut. Maar op dat punt winst behalen is in de caresector
wel lastiger dan in de curesector. Niet alleen is meten moeilijker, ook
over het product (en de norm die daaraan ten grondslag ligt) is meer dis-
cussie. Een drankje met alle voedingsstoffen toedienen gaat sneller dan
iemand hap voor hap helpen met eten. En bewoners van verpleeghuizen
luiers laten dragen kost minder tijd dan arbeidsintensieve trainingen om
incontinentie tegen te gaan. Maar welke keuze willen we daarin maken?
Wat is de kwaliteit van zorg waar we naar streven?
Welke maatregelen zijn nodig?
Zowel binnen als buiten de zorgsector zijn maatregelen nodig. Er zijn
veel manieren om te werken aan vraagreductie en vergroten van het aan-
bod aan arbeidskrachten. In het advies is een groot aantal aanbevelingen
geformuleerd. Zo hebben de beschikbaarheid en het gebruiksgemak van
domotica en ICT-voorzieningen in de woonomgeving een hoge arbeids-
besparende potentie. Daarin zal dus geïnvesteerd moeten worden.
Verder beveelt de Raad onder meer aan de ondersteuning van mantel-
zorg te verrekenen in het desbetreffende financieringssysteem van de
zorg.
RVZ                                                   Arbeidsmarkt en zorgvraag 8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>Waaraan moet prioriteit gegeven worden? Vijf punten verdienen het als
eerste aangepakt te worden.
1. Inzetten op preventie
Om vraagreductie te bewerkstelligen moet ten eerste een programma
gestart worden om de bloeddruk onder de bevolking te verlagen. Ook
ICT kan daarin een arbeidsbesparende rol spelen.
2. Markt voor persoonlijke dienstverlening ontwikkelen
Wat ten tweede kan helpen om de vraag te verminderen is de totstand-
koming van een markt voor persoonlijke dienstverlening (klussendien-
sten, tuinonderhoud, etc). Daardoor kunnen mensen langer hun zelf-
standigheid behouden. Daarbij past ook dat de overheid en sociale part-
ners ruimte creëren voor daarop afgestemde nieuwe en flexibele arbeids-
verhoudingen.
3. Meer arbeidsparticipatie door kinderopvang
Aan de aanbodkant ligt het voor de hand te denken aan meer en langer
werken. Maar daar zitten haken en ogen aan. Als iedereen in de zorg tot
zijn 65e blijft werken, komt 14-22% meer arbeid beschikbaar. Dat
helpt, maar het is niet genoeg. Bovendien is het niet zonder meer haal-
baar. Mensen doen vaak lichamelijk zwaar werk, en de Wet gelijke
behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid, beroep en beroeps-
onderwijs maakt het moeilijker om regelingen te treffen die oudere
zorgverleners ontlasten.
De beste kans om én meer vrouwen aan het werk te krijgen én mantel-
zorg mogelijk te maken is te zorgen voor betaalbare kinderopvang. In de
lagere functieschalen (tot en met FWG 45) in de zorg zou kinderopvang
daarom gratis moeten worden. Op termijn zou kinderopvang een basis-
voorziening moeten worden, te betalen uit de algemene middelen. Dit is
de derde aanbeveling.
4. Meer arbeidsproductiviteit door slim bouwen
Ten vierde is een andere bouw van verpleeghuizen veelbelovend voor het
verhogen van de arbeidsproductiviteit. Voorlopige berekeningen laten
zien dat de exploitatiekosten met 11% kunnen dalen. Dat komt vooral
door investeringen in ICT en domotica. Nader onderzoek is nodig.
5. Eisen stellen aan kwaliteit
Verhogen van de arbeidsproductiviteit is nodig, maar de kwaliteit mag
niet beneden een bepaald niveau komen. Daarom is de vijfde aanbeve-
ling dat de overheid in ieder geval de normen voor verantwoorde zorg
vaststelt die veiligheid garanderen (met bijvoorbeeld medicatiefouten,
ondervoeding en decubitus als indicatoren).
RVZ                                                  Arbeidsmarkt en zorgvraag 9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>Aan de vijf prioritaire aanbevelingen aan de overheid voegt de Raad een
oproep aan partijen in het veld toe.
6. Oproep aan partijen in het veld
Niet alleen de overheid is aan zet. Ook werkgevers- en werknemersorga-
nisaties zullen pro-actief beleid moeten voeren en arbeidsvoorwaardelijke
regelingen moeten treffen die de aantrekkelijkheid van de zorgsector ver-
groten.
En wat als er toch ernstige tekorten ontstaan?
Of het arbeidsmarktprobleem in de zorg op de langere termijn oplosbaar
zal blijken te zijn? De Raad is er niet gerust op. En ontstaat er ernstige
krapte, ondanks de inspanningen om dat te voorkomen, dan moet vroeg
of laat ingeleverd worden op kwaliteit.
Dat betekent een verschuiving van onze huidige normen, en wennen aan
onorthodoxe oplossingen:
- oppas inhuren voor hulpbehoevende ouders;
- opname in een verpleeghuis in een deel van het land waar minder
     krapte is;
- via de computer op de werkplek checken hoe het met een naaste
     thuis of in het verpleeghuis is.
RVZ                                                   Arbeidsmarkt en zorgvraag 10
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>                               1         Waarom dit advies?
                               1.1       Grote tekorten verwacht
Op dit moment gaat het goed    Op dit moment gaat het goed met de arbeidsmarkt in de zorg: er zijn
met de arbeidsmarkt in de      weinig vacatures en lage verloopcijfers. Maar dat zal niet zo blijven. Bij
zorg                           een aantrekkende economie zal op korte termijn de vraag naar arbeids-
                               krachten al toenemen.
Voor de toekomst is echter     Ook op langere termijn zijn problemen te voorzien. De groei van de
zwaar weer voorspeld           zorgbehoefte wordt immers groter, door de vergrijzing en door de toena-
                               me van het aantal kwetsbare mensen in de samenleving. Tegelijkertijd
                               stijgen de medische mogelijkheden en de eisen die mensen aan de zorg-
                               verlening stellen.
Het aandeel van de beroeps-    Op dit moment werkt 11 procent van de beroepsbevolking in de
bevolking in de zorg moet      gezondheidszorg. Bij ongewijzigd beleid zou dat in de toekomst tussen
stijgen van 11 naar 18%        de 19 en 22 procent moeten zijn. Om die groei te begrenzen heeft het
                               kabinet als doel geformuleerd dat in 2025 niet meer dan 18 procent van
                               de beroepsbevolking in de zorgsector werkzaam zal zijn. Daarbij is dan al
                               rekening gehouden met een stijging van de arbeidsproductiviteit.
Hoe zorgen we dat genoeg       Maar er zal meer nodig zijn dan een hogere arbeidsproductiviteit. Hoe
mensen beschikbaar zijn voor   voorkomen we dat de zorgsector een te groot beslag legt op arbeids-
de zorg?                       krachten? En hoe zorgen we dat genoeg mensen beschikbaar zijn voor
                               het werken in die branche? Vanuit die achtergrond heeft het ministerie
                               van VWS de RVZ om advies gevraagd (zie bijlage 1).
                               1.2       Beleidsvragen
Hoewel ook in de curesector    De grootste arbeidsmarktproblemen zijn in de caresector te verwachten.
fricties zullen ontstaan, wor- Hoewel ook in de curesector spanning kan ontstaan, lijken de vooruit-
den de grootste problemen in   zichten daar vooralsnog gunstiger. Zo acht het capaciteitsorgaan het
de caresector verwacht         mogelijk de instroom in de opleiding geneeskunde terug te brengen. In
                               de caresector daarentegen lijken de mogelijkheden voor arbeidsbesparen-
                               de ICT of verhoging van de arbeidsproductiviteit op voorhand beperk-
                               ter.
Oplossingen voor de care-      Een verkenning van de uitdagingen en mogelijkheden in de caresector is
sector zijn dan ook gewenst    dus het meest urgent. Dit advies gaat dan ook vooral over de problemen
                               die zich daar zullen voordoen.
                               RVZ                                                  Arbeidsmarkt en zorgvraag 11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>                              Daarbij staan de volgende vragen centraal:
                               Beleidsvragen                                                        Antwoorden in
                               Welke arbeidsmarktproblemen zullen zich bij ongewijzigd beleid       Hoofdstuk 2
                               voordoen in de zorg, in het bijzonder in de caresector?
                               Hoe ernstig en urgent zijn die problemen?                            Hoofdstuk 2
                               Hoe worden de problemen veroorzaakt en in stand gehouden?            Hoofdstuk 2
                               Kunnen verhogen van de zelfredzaamheid van patiënten, introductie    Hoofdstuk 3 en 4
                               van nieuwe zorgconcepten, mantelzorg, verhogen van de arbeids-
                               productiviteit, inzet van ICT en bouw bijdragen aan het oplossen
                               van de arbeidsmarktproblemen?
                               Zo ja, op welke wijze?                                               Hoofdstuk 3 en 4
                               Welke andere oplossingsrichtingen kunnen bijdragen aan het
                               voorkomen van te voorziene arbeidsmarktproblemen?                    Hoofdstuk 3 en 4
                               Welke maatregelen dient de minister te nemen?                        Hoofdstuk 5
                               Hoe ziet het implementatieprogramma er uit?                          Hoofdstuk 5
                              1.3          Functie in het beleidsproces
Langetermijnperspectief staat Het advies heeft een strategisch en langetermijnperspectief. De maatrege-
voorop                        len zullen zich niet beperken tot een paar specifieke beleidsprocessen en
                              dossiers, maar een breed terrein bestrijken. Voor een deel bevat het
                              advies ook oplossingen voor problemen die al op korte termijn kunnen
                              ontstaan.
Belang van preventie voor     Speciale aandacht in het geheel van maatregelen is er voor de rol van
de arbeidsmarkt               preventie. Als ziekte voorkomen of uitgesteld kan worden, vermindert
                              dat immers de vraag naar arbeidskrachten. Dat levert dan weer een
                              bijdrage aan het oplossen van de verwachte arbeidsmarktproblemen.
Tevens gericht op pro-actief  In dit alles is het niet alleen de overheid die in actie moet komen. Ook
beleid van sociale partners   de sociale partners en individuele (zorg)instellingen hebben een cruciale
                              bijdrage. Het advies is erop gericht alle partijen aan te zetten tot
                              pro-actief beleid.
                              RVZ                                                               Arbeidsmarkt en zorgvraag 12
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>                          1.4       Werkwijze
                          Het advies is voorbereid onder leiding van de raadsleden mevrouw prof.
                          dr. D.D.M. Braat en mr. A.A. Westerlaken.
Ziektebeelden dementie    Om de tekst van dit advies beknopt te houden, wordt voor de onder-
en CVA om arbeidsmarkt-   bouwing verwezen naar de publicatie Arbeidsmarkt en zorgvraag, achter-
problemen te demonstreren grondstudies. Hierin zijn drie externe studies opgenomen die de Raad
                          speciaal voor dit advies liet uitvoeren: Zorgen voor CVA-patiënten door
                          G.A.M. van den Bos (red.), Zorg voor mensen met dementie en arbeids-
                          markt door dr. M. Vernooij-Dassen, et al., en Arbeidsproductiviteit en
                          bouw, een exploratieve studie in de verpleegzorg door J. Achterberg, et al.
                          De zorg voor mensen met dementie en een cardiovasculair accident
                          (CVA) is in het kader van dit advies als speciaal onderwerp van studie
                          gekozen, omdat de arbeidsmarktproblemen en oplossingsrichtingen zich
                          daaraan goed laten demonstreren. Een verantwoording staat in bijlage 2.
Verantwoording advies-    Verder zijn op het secretariaat interne studies uitgevoerd, onder andere
voorbereiding in bijlage  naar mantelzorg (opgenomen in de bundel achtergrondstudies), arbeids-
                          productiviteit en internationale mobiliteit (bijlagen). Zoals gebruikelijk
                          heeft de Raad daarnaast met veel mensen gesproken en een aantal bij-
                          eenkomsten belegd. Een overzicht is te vinden in bijlage 3.
                          RVZ                                                    Arbeidsmarkt en zorgvraag 13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>                                2          Structurele problemen op de arbeidsmarkt
                                2.1        Gebrek aan evenwicht tussen vraag en aanbod
Verschillende modellen voor     Wat weten we over de arbeidsmarkt voor de zorg die in de toekomst
arbeidsmarktprognoses           nodig zal zijn? Verschillende instituten rapporteren regelmatig over de te
                                verwachten overschotten en tekorten (Van der Windt en Talma, 2005;
                                ROA, 2005 en CWI, 2005, Ecorys, 2006, zie ook bijlage 4). Ook de
                                SER adviseerde recent over knelpunten op de arbeidsmarkt in de collec-
                                tieve sector (SER, 2006).
Eén ding is duidelijk:          Welke studie je ook neemt, ze maken één ding duidelijk: in de zorgsec-
op termijn gebrek aan           tor zullen de zorgvraag en het aanbod van arbeidskrachten uit balans
evenwicht tussen vraag en       raken. De vraag neemt toe en de toename van de beroepsbevolking blijft
aanbod                          daarbij achter. Volgens Derks zal de krimp van de beroepsbevolking zelfs
                                al op korte termijn zorgen voor een structurele krapte op de arbeids-
                                markt (Derks, 2006).
Vooral in de caresector zal dat Dat zal vooral voelbaar zijn in de caresector. Omdat in de zorg veel in
voelbaar zijn                   deeltijd wordt gewerkt, zouden in de periode 2001 tot 2040 maximaal
                                700.000 extra mensen nodig zijn om aan de vraag te voldoen (Van der
                                Windt en Talma, 2005), waarvan 420.000 voor de care (bijlage 5).
Eén op de zes jongeren moet     Al op korte termijn zou volgens CWI-berekeningen jaarlijks één op de
kiezen voor een baan in de      zes jongeren in het beroepsonderwijs moeten kiezen voor een zorgoplei-
zorgsector                      ding om aan de toekomstige vraag te kunnen voldoen (SER, 2006).
                                Vijftien procent meer instroom in op zorg gerichte opleidingen is dan
                                ook gewenst. (Prismant 2005). We zien echter dat de instroom recent
                                juist is gedaald.
Vraag en aanbod uit balans      Kortom: vraag en aanbod raken ernstig uit balans. Hieronder bespreekt
                                de Raad achtereenvolgens de knelpunten aan de vraagzijde en die aan de
                                aanbodzijde. Samen zorgen die voor structurele problemen op de
                                arbeidsmarkt.
                                Figuur 2.0 laat bijvoorbeeld zien dat het aantal potentiële werknemers
                                om mensen met dementie te verzorgen de komende decennia fors
                                terugloopt.
                                RVZ                                                  Arbeidsmarkt en zorgvraag 14
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>                            Figuur 2.0 Verhouding tussen de omvang van de potentiële beroeps-
                                          bevolking (15 - 64 jaar) en het aantal dementerenden
                                          van 65 jaar en ouder in de periode 2000 - 2050
                            Bron: Gezondheidsraad, 2002
                            2.2        Knelpunten aan de vraagzijde
                            Concurrentie van arbeidsmarkt en mantelzorg
Concurrerende beleidsdoel-  Een eerste knelpunt aan de vraagzijde is dat een grotere arbeidsparticipa-
stellingen                  tie van de beroepsbevolking, iets wat de overheid als belangrijk doel
                            heeft geformuleerd, op gespannen voet staat met het verrichten van
                            mantelzorg. En dat terwijl mantelzorg enorm belangrijk is om de vraag
                            naar professionele zorg te beheersen.
Veel mensen doen een beroep Zo wordt driekwart van de verpleging en verzorging door mantelzorgers
op mantelzorg               gedaan. Thuiswonende CVA-patiënten krijgen gemiddeld vijf uur per
                            dag ondersteuning van familie, vrienden en andere vrijwilligers (Van
                            Exel et al. 2002). En dementie, in het licht van de vergrijzing een groei-
                            end probleem, vergt een aanzienlijk grotere inzet van mantelzorgers dan
                            andere aandoeningen: 89 tegen 39 procent (Vernooij-Dassen et al.,
                            2006).
Mantelzorg verlenen en      Veel mantelzorgers zijn vrouwen. Op dit moment is hun beschikbaar-
betaalde arbeid verrichten  heid nog niet afgenomen, maar als zij meer betaalde arbeid gaan verrich-
kunnen elkaar negatief      ten kan dat veranderen (Van den Berg, 2005, Struijs, 2006). Zo blijken
beïnvloeden                 mantelzorgers die qua leeftijd tot de beroepsbevolking worden gerekend
                            gemiddeld 4 uur minder zorg te verlenen als zij daarnaast een betaalde
                            baan hebben: 15 in plaats van 19 uur per week.
                            RVZ                                                  Arbeidsmarkt en zorgvraag 15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>Mantelzorg kan leiden tot      Er is overigens ook een omgekeerd effect: mantelzorg kan weer leiden tot
minder arbeidsparticipatie     minder arbeidsparticipatie. Zo is 6 procent van de werkenden vanwege
en omgekeerd                   mantelzorg minder gaan werken. Negen procent was zelfs tijdelijk
                               gestopt (Timmermans et al. 2001). Daarmee zijn dan minder arbeids-
                               krachten beschikbaar, ook voor het verlenen van professionele zorg.
Welke beleidsdoelstelling      Kortom: meer mantelzorg betekent minder aanbod op de arbeidsmarkt,
krijgt prioriteit?             en meer arbeidsparticipatie leidt tot minder mantelzorg. De vraag is dan
                               welke beleidsdoelstelling prioriteit moet krijgen. Of zijn er maatregelen
                               denkbaar die zorgen dat mantelzorg en betaalde arbeid minder concurre-
                               ren?
                               Niet genoeg aandacht voor preventie
Het belang van preventie om    Een tweede knelpunt is dat het belang van preventie wordt onderschat.
de vraag te verminderen        Dat is niet alleen nadelig voor individuele patiënten, voor wie gezond-
wordt onderschat               heidswinst te behalen valt, maar ook voor de ontwikkeling van de vraag
                               naar zorg. Met name voor aandoeningen die grote groepen mensen tref-
                               fen is met preventie veel gezondheidsschade en dus ook veel vraag naar
                               zorg te voorkomen.
Roken heeft effect op toe-     Een voorbeeld is het cardiovasculair accident. Hoewel de toename van
komstige patiëntenaantallen    CVA-patiënten vooral het gevolg is van demografische veranderingen,
en ....                        spelen ook roken en hoge bloeddruk een rol in de stijging. Dat geeft
                               aanknopingspunten voor preventie. Zo heeft stoppen met roken effect
                               op toekomstige patiëntenaantallen (Van den Bos, 2006). Het lastige is
                               echter dat zulke effecten pas op de langere termijn zichtbaar worden, ter-
                               wijl ze nu een investering vergen.
... behandeling van hyperten-  Een ander voorbeeld: dementie. Een gerandomiseerd onderzoek beves-
sie kan het aantal mensen      tigt dat hoge bloeddruk een rol speelt (Vernooij-Dassen, 2006). Dat
met een CVA terugdringen       maakt preventief ingrijpen mogelijk. Een effectieve behandeling van
                               mensen met hoge bloeddruk is bovendien van belang om het aantal
                               CVA’s terug te dringen (Van den Bos, 2006). Problemen daarbij zijn
                               echter gebrek aan therapietrouw (minder dan 50 procent) en onderbe-
                               handeling (RVZ, 1999).
                               Te weinig inzet van vraagbeperkende ICT
                               De inzet van technologie is een veelbelovende weg om de vraag naar
                               zorg in te perken, maar de kansen worden in de praktijk van dit
                               moment nog nauwelijks benut (Kittz, 2001). Dat is een derde knelpunt.
Inzet ICT veelbelovend voor    Sinds 2001 is wel wat vooruitgang geboekt, maar de urgentie wordt
arbeidsbesparing, maar urgen-  blijkbaar nog steeds niet gevoeld. Dat geldt voor individuele instellingen,
tie wordt (door individuele    waar bijvoorbeeld videonetwerken een bijdrage kunnen leveren (Nivel,
instellingen) nog niet gevoeld 2005), maar ook voor de inzet van toepassingen bij mensen thuis.
                               RVZ                                                   Arbeidsmarkt en zorgvraag 16
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>Voldoende mogelijkheden,      En dat terwijl er wel degelijk mogelijkheden zijn. In de zorg voor
ook voor dementerenden        dementerenden worden bijvoorbeeld tal van nieuwe producten ontwik-
                              keld: sensormonitoring, geluidsmonitoring, medicijndoosjes met alarm-
                              functie en vergrendelde compartimenten, een locator die zoekgeraakte
                              voorwerpen opspoort, en sensorsystemen die gevaarlijke situaties als gas
                              en oververhitting detecteren (Vernooij-Dassen et al., 2006).
                              Zulke hulpmiddelen kunnen ertoe bijdragen dat mensen langer in hun
                              eigen huis blijven wonen, en dat de zorg die zij nodig hebben efficiënter
                              wordt verleend. Even zo talrijk als de technische mogelijkheden, zijn de
                              namen die daaraan worden gegeven, bijvoorbeeld ambient intelligence
                              (Rathenau, 2004).
Oorzaken onvoldoende ICT-     Waarom worden deze mogelijkheden dan toch nog onvoldoende benut?
gebruik divers                Deels zit dat in de onbekendheid met wat beschikbaar is, deels in de
                              financiering. Bovendien is vaak niet voldaan aan de randvoorwaarden,
                              zoals afspraken over standaardisatie. In zijn advies Van weten naar doen
                              heeft de Raad een twaalftal factoren geïdentificeerd die voor een snelle
                              verspreiding van innovaties belangrijk zijn (RVZ, 2005).
                              2.3       Knelpunten aan de aanbodzijde
                              Te weinig inzet van bewezen effectieve zorg
Invoering nieuwe therapieën   Een eerste knelpunt aan de aanbodzijde is dat in de care veel therapieën
zonder zicht op gevolgen voor worden toegepast die (nog) niet op hun effectiviteit getoetst zijn of waar-
de arbeidsmarkt               voor het bewijs van effectiviteit niet erg hard is (RVZ, 2006). En is een
                              behandeling eenmaal ingevoerd, dan kan dat maar moeilijk terugge-
                              draaid worden, ook als er inmiddels bewezen effectieve alternatieven
                              zijn. Het gevolg: een onnodige inzet van schaarse arbeidskrachten.
Daardoor soms onnodig inzet   Een mooi voorbeeld is het gebruik van Neurodevelopmental Treatment
van arbeidskrachten           (NDT) in de zorg voor CVA-patiënten. Die blijkt geen meerwaarde te
                              hebben, terwijl hij toch veelvuldig wordt ingezet (Hafsteinsdóttir, 2003).
                              In zo’n geval kunnen leidinggevenden worden uitgedaagd zich af te
                              vragen waarom deze arbeidsintensieve, dure en inefficiënte therapie in
                              hun instellingen nog steeds gebruikt wordt, en zij niet kiezen voor een
                              evidence based revalidatierichtlijn (Hafsteinsdóttir et al., 2006).
                              Zorgconcepten niet doordacht op gevolg voor de arbeidsmarkt
Zorgconcepten worden niet     Een tweede probleem is dat regelmatig nieuwe zorgconcepten worden
doordacht op implicaties voor geïntroduceerd, maar vaak zonder daarbij de benodigde hoeveelheid
de arbeidsmarkt               personeel als beslispunt mee te nemen.
                              RVZ                                                    Arbeidsmarkt en zorgvraag 17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>Bijvoorbeeld bij het invoeren  Dat laat zich goed illustreren bij het invoeren van kleinschalig wonen.
van een concept als kleinscha- Natuurlijk is een zorginhoudelijke visie daarbij van groot belang.
lig wonen                      Daar ligt vaak ook de motivatie van de betrokkenen. Ook is er terecht
                               aandacht voor de veranderende rol van de zorgverlener: van zuster naar
                               begeleider (Stoelinga et al. (2003) en Krijger et al. (2002)).
Geen zicht op gevolgen voor    Maar de consequenties hebben naast een kwalitatieve ook een kwantita-
omvang van het personeel       tieve component, en daar wordt vaak niet naar gekeken. Over de gevol-
                               gen voor de vraag naar personeel is nauwelijks iets bekend. En dat ter-
                               wijl de gevolgen op dat vlak aanzienlijk kunnen zijn. In 2003 woonden
                               bijvoorbeeld 1346 mensen met dementie in kleinschalige woonvormen
                               tegenover 33.000 dementerenden in verpleeghuizen (Vernooij-Dassen,
                               2006). Wat betekent het voor de inzet van arbeidskrachten als die
                               verhouding heel anders komt te liggen?
                               Concurrentie om personeel op de arbeidsmarkt
Gaat het lukken om voldoen-    Een derde probleem is de concurrentie tussen markt- en collectieve sec-
de mensen voor de zorgsector   tor (Van Rijn, 2001; CWI, 2005). De zorgsector, en daarbinnen met
aan te trekken?                name de care, zal alle zeilen zal moeten bijzetten om voldoende mensen
                               aan te trekken, zeker bij een aantrekkende economie. Een analyse van dit
                               probleem is te vinden in het recente SER-advies (SER, 2006).
                               Concurrentie om personeel binnen de zorg
Maar er is ook concurrentie    Ook binnen de zorgsector zelf wordt geconcurreerd om personeel.
tussen zorginstellingen        Verschillen in salaris kunnen daarin een belangrijke factor zijn. In een
onderling                      verpleeghuis verdient iemand bijvoorbeeld 5 à 6 procent meer dan in
                               een min of meer vergelijkbare functie in de thuiszorg. En een verpleeg-
                               kundige kan tot 200 euro per maand meer verdienen in een ziekenhuis
                               dan in een verpleeghuis. Ook salarisverschillen tussen commerciële en
                               niet-commerciële zorginstellingen leiden tot concurrentie.
Pro-actief HRM-beleid en       Maar ook kwalitatieve verschillen spelen een rol. Zo spelen verschillen in
goed werkgeverschap van        salaris, marktwerking en de veranderingen in het stelsel van ziektekosten-
belang                         verzekeringen een rol (Van Wijk en Van Dijk, 2006; Ott, et al., 2005 en
                               Peters et al., 2003). Dat noodzaakt tot een pro-actief personeelsbeleid,
                               zeker in kwetsbare branches. Goed werkgeverschap, met aandacht voor
                               een ondernemend klimaat en flexibiliteit, is daarbij onontbeerlijk (Van
                               Dijk et al, 2006 ).
Concurrentie kan probleem      Los van de personele gevolgen voor bepaalde branches binnen de zorg,
worden voor de collectieve     kan de concurrentie tussen sectoren op termijn ook een probleem wor-
uitgavenbeheersing             den voor de collectieve uitgavenbeheersing. In een sector met arbeidsin-
                               tensief werk en een krappe arbeidsmarkt kunnen de lonen sterk worden
                               opgedreven, met flinke verschillen tussen (CAO-)branches (Peters et al.,
                               2003).
                               RVZ                                                    Arbeidsmarkt en zorgvraag 18
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>                                     Negatief imago
Imago speelt een rol in de           In de problemen aan de aanbodzijde speelt ook het imago van het werk
concurrentie                         een belangrijke rol. De caresector is een relatief onaantrekkelijk werkter-
                                     rein voor schoolverlaters en jongeren, in vergelijking met bijvoorbeeld de
                                     ICT, het midden- en kleinbedrijf of de film- en tv-industrie. Dat geldt
                                     nog sterker voor sommige branches binnen de zorg – denk aan de zorg
                                     voor dementerende ouderen.
Veel factoren die het imago          Hoe komt dit? Beelden van een gebrekkig functionerende sector met
beïnvloeden                          wachtlijsten, de combinatie van zorgarbeid door laagopgeleiden én vrou-
                                     wenarbeid (die voor een lage status zorgt) en de zichzelf waarmakende
                                     voorspelling van een eenmaal ontstaan negatief imago: al deze factoren
                                     spelen een rol (Verhagen, 2005, Van den Bos et al., 2006).
Behoefte aan hoger gekwalifi-        Dat beeld wordt verder bevestigd door een praktijk die, bijvoorbeeld in
ceerd personeel, maar dat is         de zorg voor mensen met dementie of een CVA, nog niet vraagt om
niet in overeenstemming met          hoger gekwalificeerd personeel, terwijl daar wel dringend behoefte aan is
de praktijk                          (Vernooij-Dassen, 2006, Van den Bos, 2006; Pool et al., 2005,
                                     Goudriaan, 2006). Zo lijkt het te gaan om eenvoudig werk dat iedereen
                                     kan doen. Figuur 2.1 laat zien dat die discrepantie zich vooral voordoet
                                     in de verpleeg- en verzorgingshuizen en in de thuiszorg.
                                     Figuur 2.1 Raming van de verdeling van werkzame personen
                                                         naar kwalificatieniveau en branche in personen in 2003
                           200.000
                           180.000
                           160.000
                           140.000
                                                                                                                                                                          Overige zorg
                                                                                                                                                                          Zhlp1
                           120.000
                                                                                                                                                                          Hlp2
                           100.000                                                                                                                                        Vz3
                                                                                                                                                                          Vz3ig
                            80.000
                                                                                                                                                                          Vpl4
                                                                                                                                                                          Vpl5
                            60.000
                            40.000
                            20.000
                                   0
                                                 ize
                                                     n    Z                      or
                                                                                    g                   en                       en           rg                       or
                                                       GG                     nz                    uiz                      uiz           zo                       ct
                                              hu                           te                    gh                       sh           uis                       se
                                           en                            p                     e                        g           Th                        rg
                                         k
                                                                     ica                   ple                      gin                                    zo
                                     Zie                                                                         or
                                                                  nd                  Ve
                                                                                         r
                                                                                                              rz                                       ige
                                                               ha                                                                                   er
                                                            Ge                                             Ve                                    Ov
                                     Bron: Van der Windt, W, 2003.
                                     Toch bestaat nog steeds de indruk dat het gaat om eenvoudig werk dat
                                     iedereen kan doen.
                                     RVZ                                                                                                                 Arbeidsmarkt en zorgvraag 19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>                            In Duitsland worden prostituees omgeschoold tot bejaardenverzorgsters. Het
                            Europees Sociaal Fonds subsidieert de opleiding met een half miljoen euro. Dertig
                            vrouwen hebben zich inmiddels aangemeld voor de anderhalf jaar durende opleiding
                            met stageplaats. Ondanks de vijf miljoen werklozen in Duitsland blijft het moeilijk
                            om mensen voor de verzorging te vinden. Een voormalig sm-prostituee denkt dat
                            verzorging niet zo veel verschilt van prostitutie, al mag ze haar zweepje thuis laten.
                            “Ik heb geleerd te luisteren en voor geborgenheid te zorgen. En juist daaraan is in
                            de ouderenzorg toch vaak behoefte?”
                            Bron: Algemeen Dagblad 15-03-2006
                            Spanning tussen arbeidsproductiviteit en kwaliteit
Met hogere arbeids-         Dan nog een laatste knelpunt aan de aanbodzijde. Het idee dat met een
productiviteit meer zorg    hogere arbeidsproductiviteit aan meer zorgvraag kan worden voldaan,
                            gaat voor de caresector niet zomaar op (zie over de definitie van arbeids-
                            productiviteit bijlage 6). Dat komt ten eerste doordat de productiviteit
                            daar niet altijd goed te meten is. Hoe weten we dan waar verbetering is
                            bereikt?
Maar spanning tussen        Maar er is nog een moeilijkheid. Wanneer noemen we een product in de
arbeidsproductiviteit en    zorg eigenlijk ‘goed’ en productie ‘hoog’? Willen we een twee- of een
kwaliteit                   viersterrenverpleeghuis als standaard? Kiezen we voor hulp tijdens het
                            eten bij mensen die dat zelf moeilijk kunnen of geven we de voorkeur
                            aan snel toe te dienen drankjes die alle voedingsstoffen bevatten? Willen
                            we permanent toezicht op huiskamers in kleinschalige woonvoorzienin-
                            gen, of kan er af en toe iemand langskomen?
                            De antwoorden berusten op de norm die we hanteren voor verantwoor-
                            de zorg en kwaliteit van leven. Eerst zullen we moeten kiezen voor een
                            bepaalde taakomschrijving (bijvoorbeeld: mensen vloeibaar voedsel
                            geven of mensen helpen met zelf eten). Pas daarna komt in beeld hoe bij
                            het uitvoeren van die taak efficiënt gewerkt kan worden.
                            2.4        Conclusie
Zeer forse inspanningen     Zeker bij een aantrekkende economie zal het een forse inspanning ver-
nodig om het aandeel van de gen om het aandeel van de beroepsbevolking dat in de zorgsector werk-
beroepsbevolking dat in de  zaam is te laten stijgen van 11 naar 18 procent. En in dat scenario is al
zorgsector werkzaam is te   rekening gehouden met een arbeidsproductiviteitsstijging; anders zou
laten stijgen               maar liefst 22 procent nodig zijn. Voor de caresector betekent dat
                            420.000 extra mensen, uitgaande van een CPB-berekening van de beno-
                            digde groei voor de periode 2001 tot 2040. Daarbij is rekening gehou-
                            den met het feit dat veel mensen in deeltijd werken.
                            RVZ                                                           Arbeidsmarkt en zorgvraag 20
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>Maar aan de vraagkant blij-     Welke knelpunten aan de vraagzijde dragen bij tot de verwachte span-
ven mogelijkheden onbenut       ning op de arbeidsmarkt in de zorg? Ten eerste blijken mantelzorg en
om de vraag terug te dringen    een grotere arbeidsparticipatie niet zonder meer verenigbaar, terwijl
                                beide nodig zijn om de toenemende spanning op de arbeidsmarkt in de
                                zorg te verminderen. Verder blijven preventieve mogelijkheden onbenut,
                                terwijl daar grote kansen liggen om de vraag terug te dringen. Ook de
                                inzet van nieuwe technologie, veelbelovend bij het beperken van de
                                vraag naar professionele zorg, blijft achter.
Ook aan de aanbodkant zijn      Dan de knelpunten aan de aanbodzijde. Te vaak wordt personeel ingezet
er arbeidsbesparende moge-      voor behandelingen waarvan de meerwaarde (nog) niet is aangetoond.
lijkheden                       En bij de introductie van nieuwe zorgconcepten, zoals kleinschalig
                                wonen, worden de gevolgen voor de hoeveelheid benodigde arbeid
                                buiten beschouwing gelaten. We weten dan ook niet hoeveel extra
                                personeel daarvoor nodig is.
En voor het aanbod zal de       Bovendien zal de caresector bij een aantrekkende economie niet alleen
caresector naast de marktsec-   moeten concurreren met andere sectoren op de arbeidsmarkt, ook bin-
tor moeten concurreren met      nen de gezondheidszorg ontstaat dan concurrentie. En beschikt de care-
de cure.                        sector wel over voldoende financiële aantrekkingskracht? Het imago
                                helpt in ieder geval niet mee. Zorgverleners hebben een lage status,
                                terwijl er wel degelijk multidisciplinair en complex werk verricht moet
                                worden.
Het verhogen van de arbeids-    Tot slot de arbeidsproductiviteit. Efficiënter werken, op zich een logisch
productiviteit ligt in de care- doel bij toenemende krapte, is in de caresector lastiger dan in de cure.
sector gecompliceerder dan in   Niet alleen is meten van de productie moeilijker, ook over het product
de cure                         zelf is meer discussie. Is dat snel alle noodzakelijke voedingsstoffen toe-
                                dienen via een drankje, of iemand hap voor hap helpen met eten? Daar
                                ligt een norm aan ten grondslag over de gewenste kwaliteit van leven.
                                RVZ                                                     Arbeidsmarkt en zorgvraag 21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>                               3          Oplossingen aan de vraagzijde
                               3.1        Zelfredzaamheid vergroten
Zelfredzaamheid stelt zorg uit In het vorige hoofdstuk werden belangrijke knelpunten aan de vraagzijde
                               besproken. Dat geeft meteen aanknopingspunten voor een aantal oplos-
                               singen. De eerste: zelfredzaamheid vergroten, zodat een beroep op zorg
                               zo lang mogelijk uitgesteld kan worden.
                               Dat is een haalbaar doel. Uit onderzoek blijkt bijvoorbeeld dat ouderen
                               minder geneigd zijn te kiezen voor een verzorgingshuis naarmate ze zelf-
                               redzamer zijn, beter naar hulp en informatie kunnen zoeken, en vol-
                               doende zelfinzicht hebben om gezond te leven en te eten (Van Bilsen,
                               2003).
Mensen boren eerst hulp-       Ook blijkt dat mensen pas een beroep doen op formele hulp als de
bronnen in de eigen omge-      mogelijkheden (bronnen) in de eigen omgeving niet toereikend zijn
ving aan                       (Van Bilsen et al, 2003, N.T. Schuijt-Lucassen en M.I. Broese van
                               Groenou, 2006, SCP, 2004).
                               Figuur 3.1 Relatie behoeften, bronnen en formele hulp
                               Bron: Van Bilsen, et al., 2002.
Daarom moet bijvoorbeeld       Beleidsmatig is het dan ook van belang in te zetten op die bronnen. Dat
geïnvesteerd worden in         begint al in de woonomgeving van de burger, bijvoorbeeld door woon-
woningen met domotica en       zorgzones te creëren, met een laagdrempelige toegang voor ondersteu-
ICT-voorzieningen met          ning (van klussendienst tot thuiszorg), en met domotica en ICT-voorzie-
arbeidsbesparende potentie     ningen met hoge arbeidsbesparende potentie.
                               RVZ                                                 Arbeidsmarkt en zorgvraag 22
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>                               Het belang van sociale netwerken om een beroep op professionele zorg uit te stel-
                               len blijkt uit onderzoek naar ontmoetingscentra voor mensen met dementie en hun
                               verzorgers. Zo hebben de centra in vergelijking met reguliere dagbehandeling een
                               positiever effect op de draagkracht van mantelzorgers. Het leidt tot uitstel van ver-
                               pleeghuisopname. De centra zijn veelal ingebed in een buurt-, ouderen- of wijkcen-
                               trum (Vernooij-Dassen 2006, www.ontmoetingscentradementie.nl).
                               3.2         Mantelzorg adequaat ondersteunen
Een belangrijke hulpbron       Eén van de bronnen die mensen aanboren als ze zorg nodig hebben is de
voor mensen is mantelzorg      mantelzorg. Dat gebeurt op ruime schaal: driekwart van de zorgarbeid
                               wordt door mantelzorgers verricht. Mantelzorg is dan ook onmisbaar om
                               de vraag naar professionele zorg beheersbaar te houden.
Adequate ondersteuning         Investeren in ondersteuning versterkt de kwaliteit van de informele zorg
betekent winst voor mantel-    en de draagkracht van de mantelzorgers, en dat verlicht weer de taak van
zorger en zorgverlener én      formele zorgverleners. Ondersteuning kan de vorm krijgen van informa-
bespaart de samenleving kos-   tie, begeleiding en advies, respijtzorg, deskundigheidsbevordering en
ten.                           lotgenotencontact. Het bespaart de samenleving ook nog kosten. Die
                               besparingen worden alleen al voor CVA-patiënten in 2002 geschat op
                               € 1,1 miljard.
                               Figuur 3.2. Totale kosten van de zorg voor CVA-patiënten in 2000
                                           en 2020 op basis van twee projecties: het standaard zorg
                                           scenario en het stroke services scenario (bewerking van
                                           Struijs et al, 2006)
                                4000
                                3500
                                3000
                                2500
                                2000
                                1500
                                1000
                                 500
                                   0
                                         Man                               Man                                  Man
                                                  Vrouw   Totaal                  Vrouw       Totaal                      Vrouw   Totaal
                                               Baseline scenario           Standaard zorg scenario               Stroke services
                                                                                                                     scenario
                                           Ziekenhuiszorg          Extramurale zorg       Institutionele zorg         Informele zorg
                               Bron: Bos, van den, Zorgen voor CVA-patiënten, 2006
                               RVZ                                                                       Arbeidsmarkt en zorgvraag 23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>Mantelzorg vergemakkelijken   Steeds meer mensen zullen betaalde arbeid en mantelzorg gaan combine-
via kinderopvangregelingen    ren, nu ook een hogere arbeidsparticipatie wordt nagestreefd. Ook werk-
                              gevers kunnen dan een belangrijke rol spelen door een mantelzorgvrien-
                              delijk beleid, bijvoorbeeld met flexibele werktijden en verlof- en terug-
                              keerregelingen. Verder kunnen mantelzorgmakelaars een bemiddelende
                              rol spelen. Verruiming van de kinderopvangregelingen zal zeker ook hel-
                              pen.
                              3.3        Preventiemogelijkheden benutten
                              Een derde mogelijkheid om de vraag naar zorg te helpen verminderen is
                              preventie. Minder ziekte leidt tot minder vraag naar zorg. Daarbij ligt
                              het voor de hand te focussen op veel voorkomende aandoeningen.
Preventie van hoge bloeddruk  Zo zal een betere opsporing en behandeling van hoge bloeddruk leiden
zal leiden tot uitstel van de tot een groot potentieel aan gezondheidswinst en daarmee op zijn minst
vraag naar zorg               tot uitstel van de vraag naar zorg, zo blijkt uit de achtergrondstudies
                              (Van den Bos, 2006, Vernooij-Dassen, 2006). Ook het behandelen
                              van hoge bloeddruk bij mensen ouder dan 65 jaar is, anders dan men
                              vroeger wel dacht, zinvol.
Zet ICT in voor therapie-     Wel is in dat geval therapietrouw erg belangrijk. Afgaand op
trouw en efficiënt gebruik    Amerikaanse cijfers kan die nog aanzienlijk verbeterd worden. De inzet
van arbeidskrachten           van ICT is daarbij sterk aan te raden, niet alleen om het doel te berei-
                              ken, maar ook om dat te doen met een efficiënt gebruik van de arbeids-
                              krachten.
Telefonische ondersteuning    Voor depressie, een ander probleem dat veel mensen treft, ook veel naas-
bij de behandeling van        ten van mensen met een CVA (Van den Bos, 2006), zijn in de ggz
depressie bewezen effectief   inmiddels (preventieve) interventies ontwikkeld waarvan bewezen is dat
                              zij effectief zijn. Voor volwassenen met lichte tot matige depressieve
                              klachten is er bijvoorbeeld een programma van 10 weken, met eens per
                              twee weken telefonische ondersteuning van een preventiemedewerker.
                              Een variant is een cursus in groepsverband voor ouderen met depressieve
                              klachten (GGZ Nederland 2005).
                              3.4        Beter gebruik maken van ICT
Breedband maakt arbeidsbe-    Door te investeren in technische en infrastructurele voorzieningen kan
sparende ICT toepassingen     de zorgvraag op verschillende manieren verminderd worden. Zo kan de
mogelijk                      beschikbaarheid van breedband leiden tot toepassingen die een minder
                              groot beroep doen op de beschikbare arbeidskrachten. Het Rijk, provin-
                              cies en gemeenten zetten zich al in voor een infrastructuur voor breed-
                              band (MinEZ, 2006).
                              RVZ                                                    Arbeidsmarkt en zorgvraag 24
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>Impuls voor preventieve zorg- Gebruikersgroepen zien een grote meerwaarde in bijvoorbeeld een beeld-
activiteiten en telemedicine  spraakverbinding met een servicepunt in de wijk (Vermeulen, 2006).
                              Als ook de (medische) zorgverlening daarmee verbonden wordt, betekent
                              dat een andere organisatie van de zorg, en een minder groot beroep op
                              schaarse arbeidskrachten. Dat levert met name rendement bij aandoenin-
                              gen die veel voorkomen, zoals CVA en dementie. Dat kan betekenen dat
                              per patiënt minder tijd nodig is, omdat ook op andere manieren dan
                              door thuisbezoek contact wordt onderhouden (zie ook het kader hieron-
                              der, waar de kostenbesparing van 27% waarschijnlijk samenhangt met
                              een efficiënter gebruik van arbeidskrachten).
                              Kaiser Permanente deed onderzoek naar de kosteneffectiviteit van telethuisverple-
                              ging. In het onderzoek kregen nieuw gediagnosticeerde chronische patiënten een
                              beeldtelefoon, een elektronische stethoscoop en een digitale bloeddrukmonitor. In
                              een periode van anderhalf jaar kreeg een groep 17 procent minder thuisbezoeken
                              van verpleegkundigen dan de controlegroep die niet over deze faciliteiten beschikte.
                              Wel vond in aanvulling op de 'videobezoeken' meer telefonisch contact plaats met
                              de verpleegkundigen. De gemeten kwaliteit van zorg bleek tussen de twee groepen
                              hetzelfde te zijn. De gemiddelde kosten verbonden aan de zorg aan de telemedici-
                              negroep waren 27 procent lager dan de kosten van zorg aan de controlegroep.
                              Bron: RVZ-achtergrondstudie Inzicht in e-health (RVZ, 2002).
                              3.5        Conclusie
Benoem zelfredzaamheid tot    Hoe kan gezorgd worden dat mensen hun vraag naar zorg zo lang moge-
thema voor ‘permanente        lijk uitstellen? De sleutel is: systematische aandacht voor de wijze waarop
educatie’                     mensen zelf een bijdrage kunnen leveren. De bewindslieden kunnen dat
                              stimuleren door zelfredzaamheid in iedere VWS-beleidsnota te agende-
                              ren. Ook kan bijvoorbeeld in de ruimtelijke ordening het vergroten van
                              de zelfredzaamheid steeds als doel worden meegenomen.
Gemeenten: benut WMO          Mantelzorg is onmisbaar om de vraag naar professionele zorg zo lang
om ondersteuning mantelzorg   mogelijk uit te stellen. Uit zijn advies Mensen met beperkingen in
actief vorm te geven          Nederland herhaalt de RVZ daarom de aanbeveling aan de gemeenten
                              om de WMO te benutten voor een actieve ondersteuning daarvan.
                              De bewindslieden kunnen bijdragen door mantelzorg in het financie-
                              ringssysteem te verrekenen (in de DBC-systematiek of zorgzwaarte-
                              functies).
Investeer in ICT en domoti-   Verder moeten nieuwe technische mogelijkheden benut worden.
ca, en in scholing voor tele- Breedband staat al op de agenda. Maar voor gebruik van bijvoorbeeld
medicine                      telemedicine is ook scholing nodig van de gebruikers, met name oude-
                              ren. Als in een gemeentelijk programma specifiek aandacht wordt
                              besteed aan toepassingsmogelijkheden in de zorg, zouden de bewinds-
                              RVZ                                                        Arbeidsmarkt en zorgvraag 25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>                               lieden voor iedere daarin participerende deelnemer die ouder is dan
                               55 jaar een bedrag aan de gemeente kunnen uitkeren.
Effect van maatregelen niet te Dit zijn de zaken waarop aan de vraagzijde ingezet moet worden.
kwantificeren, maar preventie  Kwantificering van de bijdrage die deze maatregelen leveren aan het ver-
en inzet van ICT remmen        minderen van de zorgvraag is op dit moment niet mogelijk. Wel is dui-
vraag naar arbeidskrachten     delijk dat de grootste mogelijkheden liggen bij preventie en de inzet van
                               ICT. Dat laatste zal ook kunnen leiden tot een andere organisatie van
                               het werk. Daarmee zijn we aangeland bij de oplossingen aan de aanbod-
                               kant.
                               RVZ                                                 Arbeidsmarkt en zorgvraag 26
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>                               4          Oplossingen aan de aanbodzijde
                               4.1        Gevolgen voor de arbeidsmarkt onderzoeken
Arbeidsbesparende zorg-        Wat kan aan de aanbodkant gedaan worden? Een eerste mogelijkheid is
concepten met behoud van       om te zoeken naar zorgconcepten waarbij behalve de kwaliteit ook de
kwaliteit nodig                personele consequenties in de beschouwing worden betrokken. Er is
                               immers ook aandacht nodig voor de kwantitatieve gevolgen van het type
                               zorg dat wordt aangeboden als mensen eenmaal hulp nodig hebben.
Nog wel verder onderzoek       Wat zijn bijvoorbeeld de effecten van nieuwe zorgconcepten (RVZ,
nodig naar effecten van        2006)? Zo is, voor een gepast gebruik, inzicht nodig waar een concept
nieuwe zorgconcepten, maar     als ‘integrated care’ voor staat (Vrijhoef et al., 2006). We zien steeds
wel al verbeteringen door      meer voorbeelden van succesvolle toepassingen ontstaan, zoals de stroke-
bijvoorbeeld strokeservices    services in de zorg voor CVA-patiënten, die de verdere kostentoename
                               tot 2020 met 0,2 miljard euro kunnen terugdringen. Dergelijke zorg-
                               concepten moeten echter verder ontwikkeld worden, en ook de gevolgen
                               voor arbeidsmarkt en zorgvraag moeten worden meegewogen. Het
                               ZonMw-programma Implementatie Innovaties in de Care zal daar zeker
                               aan bijdragen.
De effecten van kleinschalig   Ook bij de invoering van een zorgconcept als kleinschalig wonen moet
wonen op de personeelsinzet    aandacht uitgaan naar de personeelsvoorziening. De gevolgen kunnen
moeten onderzocht worden       divers zijn. Zo neemt in de verstandelijk gehandicaptensector vooral de
                               behoefte aan hoger gekwalificeerd personeel toe (VGN, 2006). In de
                               verpleeghuissector zullen mensen nodig zijn die een ‘huishouden kunnen
                               runnen’, maar ook hoger opgeleide hulpverleners die wetenschappelijke
                               kennis helpen implementeren (Miesen, 2006, Hamers, 2006).
Risico’s voor de personeels-   Op een krappe arbeidsmarkt voorziet de Raad risico’s voor de omvang
voorziening voor kleinschalige van de personeelsvoorziening. Dit geldt in het bijzonder voor kleinscha-
stand alone voorzieningen      lige stand alone voorzieningen voor ernstig dementerenden.
voor ernstig dementerenden:
                               Wordt het concept daar volledig doorgevoerd, dan gaat het om een
- het kost meer personeel als  omvangrijke operatie. Wat precies de gevolgen zijn weten we echter niet.
men moet voldoen aan de        Onderzoek naar de consequenties voor de personeelsvoorziening ont-
inspectienorm van permanent    breekt tot nu toe. Wel is duidelijk dat aanzienlijk meer personeel nodig
toezicht,                      zou zijn, wil tenminste voldaan worden aan de huidige inspectienorm
                               van permanent toezicht. Overigens bestaan er ook twijfels over de voor-
                               delen van kleinschalige woonvormen voor ernstig dementerenden (De
                               Weger, 2004), zo bleek ook uit gesprekken tijdens de adviesvoorberei-
                               ding.
                               RVZ                                                     Arbeidsmarkt en zorgvraag 27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>                             “Het is modelmatig goed mogelijk om te bekijken welke besparingen bereikt zouden
                             kunnen worden in de nacht en welk maximale kostenniveau hierbij hoort. De keuze
                             van domoticafuncties kan daarop afgestemd worden. Dit zou vooral kleinschalige
                             woningen in de wijk ten goede kunnen komen. Stel dat een responstijd van 15 minu-
                             ten redelijk is, dan kan de nachtzorg op een centrale plaats of door een slaapwacht
                             worden ingevuld. Ten opzichte van een verpleeghuis waar rondes worden gehouden
                             en situaties niet altijd direct worden opgemerkt, steekt deze situatie wellicht niet
                             ongunstig af.”
                             Uit: Nouws et al., Domotica voor dementerenden, 2006.
- en hoe pakken de voor- en  Personeelstekorten zijn niet het enige probleem. Een zorgconcept als
nadelen voor het personeel   kleinschalig wonen kan ook gevolgen hebben voor de aantrekkingskracht
uit op een concurrerende     van het werk. Er zijn voor het personeel namelijk nadelen aan verbon-
arbeidsmarkt?                den. Zo signaleren betrokkenen negatieve effecten als toegenomen reis-
                             tijden, een moeilijker verlofplanning en minder sociale veiligheid door
                             avondbezoeken. Als medewerkers daarnaast bijvoorbeeld maar twee keer
                             per dag twee uur worden ingezet, is dat zowel onpraktisch als financieel
                             ongunstig.
                             Daar staat tegenover dat sommige mensen het leuk vinden om in klein-
                             schalige vormen te werken. Ook kan de betrokkenheid van vrijwilligers
                             juist toenemen, wat weer leidt tot een minder grote vraag naar professio-
                             nele zorg.
                             4.2         Uitbreiding van het arbeidsaanbod
Andere adviezen gaan over    De Raad heeft zich (samen met de RMO) al eerder uitgesproken over de
aanpassingsmechanismen       arbeidsmarkt in het advies Zorgarbeid in de toekomst (1999). Dat advies
an sich om vraag en aanbod   ging voor een groot deel over de aanpassingsmechanismen om vraag en
af te stemmen                aanbod op elkaar te laten aansluiten. Centrale thema’s waren modernise-
                             ring van de bestuurlijke verhoudingen en flexibilisering van de arbeids-
                             markt.
In dit advies belicht de RVZ In dit advies belicht de RVZ vijf opties om het aanbod van arbeidskrach-
5 opties om het aanbod te    ten in de zorg te vergroten: meer vrouwen aan het werk, langer doorwer-
vergroten                    ken van ouderen, meer uren werken, aantrekken van buitenlandse werk-
                             nemers en zorgen voor een betere concurrentiepositie. Voor andere
                             mogelijkheden, zoals modernisering van de beroepenstructuur, perma-
                             nente bijscholing en het belang van stage- en leer-/werkplaatsen, verwijst
                             de Raad naar het recente SER-advies (SER, 2006).
                             RVZ                                                          Arbeidsmarkt en zorgvraag 28
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>                               Meer vrouwen aan het werk
Meer vrouwen aan het werk      Een eerste mogelijkheid om het aanbod van arbeidskrachten in de care-
is de 1e optie                 sector uit te breiden is: meer vrouwen aan het werk. Dat zou kunnen
                               door de heffingskorting voor niet-werkende partners af te schaffen.
                               Daardoor stijgt het aanbod van werkende vrouwen fors, becijfert het
                               CPB (CPB, 2006). Als tegelijkertijd meer kinderopvang beschikbaar
                               komt, kan het aanbod van werkende vrouwen met bijna 9% stijgen.
Goede en betaalbare kinder     Wil kinderopvang een impuls kunnen geven aan de arbeidsparticipatie
opvang is noodzakelijk voor    van vrouwen, dan moet die wel goed zijn. Recent SCP-onderzoek laat
een hogere arbeidsparticipatie namelijk zien dat ouders in de eerste plaats uitgaan van het belang van
                               hun kinderen (SCP, 2006). Maar betaalbaarheid is ook belangrijk, in het
                               bijzonder voor mensen met lagere inkomens en alleenstaande moeders
                               (Esping-Andersen 2005).
Door kinderopvang kan          Is aan die voorwaarden voldaan, dan zal dat de drempel voor vrouwen
mantelzorg behouden blijven    om (meer) betaalde arbeid te verrichten verlagen. Tegelijkertijd kan de
                               beschikbaarheid van mantelzorgers dan behouden blijven, in het bijzon-
                               der uit de leeftijdsgroep van 18 tot 34 jaar. Daar is het aandeel mantel-
                               zorg de laatste jaren afgenomen (SCP, 2003).
                               Langer doorwerken van ouderen
Langer doorwerken van          Veel mensen vertrekken ruim voor hun 65e uit de zorgsector, zoals uit
ouderen is de 2e optie         onderstaande figuur blijkt. Al boven de 45 zet een forse daling in.
                               In de rest van de economie is de gemiddelde leeftijd bij uitstroom 59,
                               bij vrouwen 57 (CBS, 2005).
                               Figuur 4.1 Leeftijdsopbouw per branche ultimo 2003 (in %)
                                 18
                                 16
                                 14                                                            Algemene en categorale
                                                                                               ziekenhuizen
                                 12
                                                                                               Academische ziekenhuizen
                                 10
                                                                                               Geestelijke
                                                                                               gezondheidszorg
                                  8
                                                                                               Gehandicaptenzorg
                                  6
                                                                                               Verpleeg en
                                  4                                                            verzorgingshuizen
                                  2
                                  0
                                     15-  20-  25- 30-  35-   40- 45-   50-  55- 60 >
                                      20  25   30   35   40   45  50    55   60
                               Bron: LoonKostenGegevensbestand (LKG). In: Hingstman, L., et al, 2004.
                               RVZ                                                             Arbeidsmarkt en zorgvraag 29
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>                                 Op het eerste gezicht ligt hier dan ook een mogelijkheid om het aanbod
                                 fors uit te breiden. Daar zijn echter wel een paar kanttekeningen bij te
                                 plaatsen.
Als iedereen tot zijn 65e blijft Onderzoek toont aan dat een verhoging van de participatie van ouderen
werken: minder spanning op       een bijdrage kan leveren aan het oplossen van spanning op de arbeids-
de arbeidsmarkt                  markt: 14 – 22% in het meest gunstige scenario. Dat betekent dan wel
                                 dat iedereen in de zorgsector moet doorwerken tot 65 jaar.
Is dat haalbaar?                 De vraag is echter of dat haalbaar is. Een reden om vroeg te stoppen is
                                 vaak dat het werk lichamelijk te zwaar is geworden. Fysiek belastend
                                 werk komt in de zorgsector namelijk meer voor dan in de economie als
                                 geheel (Ott, et al. 2005).
De zorgsector heeft al flink     Bovendien is er in de zorgsector de afgelopen jaren al flink geïnvesteerd
geïnvesteerd in ouderenbeleid    in maatregelen op het gebied van het ouderenbeleid. Werkgevers in de
                                 zorg hebben op dat gebied aanmerkelijk meer maatregelen genomen dan
                                 in andere sectoren.
Daar komt bij dat de WGBL        Een andere complicerende factor is dat op 1 mei 2004 de Wet gelijke
ouderenbeleid moeilijker         behandeling op grond van leeftijd bij arbeid, beroep en beroepsonder-
maakt                            wijs (WGBL) in werking is getreden. Met die wet wordt uitvoering gege-
                                 ven aan de op artikel 13 van het EG-Verdrag gebaseerde EG-Richtlijn
                                 2000/78.
                                 Volgens Heemskerk ligt daarmee nu een tikkende tijdbom onder de
                                 arbeidsvoorwaarden met leeftijdsgrenzen, zoals leeftijdsvakantiedagen in
                                 bijna elke CAO, en leeftijdsgebonden pensioenregelingen (Heemskerk,
                                 NJB nr.8 2006).
                                 Eens waren dit instrumenten om het ouderenbeleid vorm te geven. In
                                 het licht van de nieuwe wet kunnen ze gezien worden als vormen van
                                 leeftijdsdiscriminatie. En de eerste uitspraak van de rechter over de
                                 geoorloofdheid van seniorendagen heeft nog niet alle juridische proble-
                                 men opgelost (zie bijvoorbeeld Stigt, NJB nr. 7 2006).
                                 Tabel 4.1 Maatregelen van werkgevers op het gebied van
                                             ouderenbeleid 2004 (%)
                                             Prepensioen  Vrijstelling  Extra      Teruggang      Taak-
                                                          onregelmatige vrije      in functie/    verlichting
                                                          diensten      dagen      salaris
                                  Totale      43           34            78          7             47
                                  economie
                                  Zorg        65           65            98         10             58
                                 Bron: OSA
                                 RVZ                                                       Arbeidsmarkt en zorgvraag 30
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>Dat zou de zorgsector hard    Zou de WGBL op alle terreinen doorwerken, dan worden de mogelijk-
kunnen treffen                heden om een ouderenbeleid te voeren beperkter. Dat zou de zorgsector
                              hard kunnen treffen, als het effect is dat ouderen daardoor minder lang
                              door zullen werken, bijvoorbeeld doordat ze dan te zwaar belast worden
                              en eerder uitvallen of stoppen.
Oplossing binnen de bestaan-  Partijen zullen dan ook moeten onderzoeken of er alternatieven zijn. Het
de cao’s, aparte cao’s voor   meest aantrekkelijke is om dat te doen binnen de bestaande systematiek
beroepen met aan taakeisen    van CAO’s. Denkbaar zou ook zijn een aparte CAO voor beroepen die
gerelateerde gezondheidsrisi- in het bijzonder te maken hebben met/specifiek samenhangen met
co’s of WGBL ter discussie op gezondheidsrisico’s. Niet alle beroepen/werknemers die onder eenzelfde
dit punt?                     CAO vallen hebben immers een even grote kans op aan taakeisen gerela-
                              teerde gezondheidsrisico’s. De Commissie Gelijke Behandeling heeft
                              inmiddels overigens een checklist opgesteld voor de beoordeling van
                              seniorenregelingen (CBG-advies/2006/04). Of moet de hele WGBL
                              op dit punt ter discussie worden gesteld?
                              Meer uren werken
Meer uren werken is de        Omdat er in de caresector veel mensen in deeltijd werken, is meer uren
3e optie                      werken een derde optie. De mogelijkheden daarvoor lijken veelbelovend.
                              Het meeste potentieel is aanwezig in de lagere beloningsschalen, want
                              daar wordt relatief veel in deeltijd gewerkt. Het gaat bovendien om een
                              omvangrijke groep (zie de tabel in bijlage 4), zodat iets grotere deeltijd-
                              aanstellingen veel effect kunnen hebben. Als verpleegkundigen, verzor-
                              genden en sociaal-agogen in de zorgsector per dag gemiddeld 12 minu-
                              ten langer gaan werken, wordt het berekende tekort in 2010 al 15%
                              minder (Van der Windt en Talma, 2006).
Wat is de juiste prikkel?     Maar ook voor de langere termijn zijn grotere deeltijdaanstellingen
Er willen meer deeltijders    belangrijk. Voorwaarde is wel dat de juiste prikkels worden gevonden. In
minder werken in plaats van   de caresector wil tussen de 30 en 41 procent van de werknemers name-
meer                          lijk juist minder gaan werken, en slechts 11 tot 22 procent heeft interes-
                              se in uitbreiding van het urenaantal (Van der Windt en Talma, 2006).
                              RVZ                                                   Arbeidsmarkt en zorgvraag 31
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>                                  Figuur 4.2 De gemiddelde deeltijdfactor bij vrouwen
                                             naar FWG-schaal
                                                                80
                                     % van volledige werkweek
                                                                75
                                                                70
                                                                65
                                                                60
                                                                55
                                                                50
                                                                45
                                                                40
                                                                          0        5        0        5        0        5          0        5
                                                                       g2       g2       g3       g3       g4       g4         g5       g5
                                                                     fw       fw       fw       fw       fw       fw         fw       fw
                                  Bron: Regiomarge 2006
                                  Aantrekken van buitenlandse werknemers
Buitenlandse werknemers is        Als tekorten dreigen, is het aantrekken van buitenlandse werknemers
de 4e optie                       steeds één van de mogelijkheden die genoemd worden om het probleem
                                  op te lossen.
Migratie in zijn algemeenheid     Daarom is de Raad nagegaan of een actief wervingsbeleid in het buiten-
geen oplossing                    land een zinvolle maatregel zou zijn (bijlage 6). De Raad concludeert dat
                                  migratie in zijn algemeenheid geen oplossing biedt. Daar zijn verschil-
                                  lende redenen voor.
- internationaal tekorten         In de eerste plaats worden niet alleen in Nederland, maar ook internatio-
- voor verpleegkundigen con-      naal tekorten verwacht van zowel verpleegkundigen als artsen. De con-
currentie Engelstalige landen     currentiepositie van Nederland is in dat geval minder gunstig dan die
                                  van Engelstalige landen, zeker bij het aantrekken van verpleegkundigen.
- voor verzorgende complica-      Verder zijn over verzorgenden in andere landen weinig gegevens beschik-
tie van weinig ontwikkeld         baar. Een complicerende factor daarbij is dat het beroep van zorgverlener
beroep in andere landen           vaak een verschillende inhoud en betekenis heeft. Dat maakt werving
waardoor werving lastig is        moeilijk.
- feitelijke mobiliteit beperkt   Bovendien is de arbeidsmarkt voor verpleging en verzorging sterk regio-
ook zonder culturele beper-       naal bepaald – dat zien we binnen Nederland, maar ook internationaal.
kingen                            In Europa is de mobiliteit nu al beperkt, zelfs als er geen of weinig taal
                                  of culturele beperkingen zijn.
Ook mensen uit EU nodig           Wel liggen er misschien mogelijkheden om personeel uit andere
voor de markt voor persoon-       Europese landen aan te trekken dat geen professionele zorgopleiding
lijke dienstverlening             heeft. Zij kunnen ingezet worden voor persoonlijke dienstverlening (zie
                                  verderop). Dat zal dan indirect de druk op de zorg verlichten, omdat
                                  RVZ                                                                                      Arbeidsmarkt en zorgvraag 32
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>                                mensen pas vragen om professionele hulp als ze geen informele regelin-
                                gen meer kunnen treffen.
                                Verbeteren van de concurrentiepositie
Zorgen voor een goede con-      Het spreekt voor zich dat een goede concurrentiepositie van belang is
currentiepositie is de 5e optie om mensen voor de zorg te kunnen werven en te behouden. Ook dat is
                                dus een aandachtspunt. Maar hoe moet daarvoor gezorgd worden?
                                1. Zorgen voor goede arbeidsvoorwaarden
Daarvoor zijn goede arbeids-    Zeker als de economie aantrekt zal de concurrentie met de marktsector
voorwaarden nodig (SER          voelbaar worden. De SER heeft daar in zijn advies al het nodige over
advies)                         opgemerkt (SER, 2006). Scholing, employability, resultaatgerichte belo-
                                ningsvormen, ziekteverzuimbeleid, HRM-beleid en sociale innovatie,
                                etc., zijn dan belangrijke elementen om de aantrekkingskracht te vergro-
                                ten. Ook in de onderhandelingen over arbeidsvoorwaarden moet daar
                                aandacht voor zijn.
                                2. Meer samenwerking tussen care en cure
Maar moet de caresector         Maar ook binnen de zorg kan concurrentie ontstaan: tussen de care en de
ook concurreren met de          cure. De vraag is alleen of tegen elkaar opbieden in dat geval gewenst is.
cure-sector?                    Dat zou namelijk op gespannen voet staan met een bevinding die duide-
                                lijk naar voren komt uit de achtergrondstudies, namelijk dat de samen-
                                werking tussen de verschillende professionals en instellingen van groot
                                belang is voor de kwaliteit van de zorg in het algemeen. Dat suggereert
                                dus een andere richting: niet concurreren, maar meer samenwerken.
Transmurale DBC’s               Transmurale Diagnose Behandel Combinaties (DBC’s) kunnen daarin
                                een rol spelen. Financieringsschotten zouden weg moeten. Verder zou-
                                den organisaties en werknemersregelingen geen belemmeringen moeten
                                opwerpen. De praktijk leert echter dat dit wel gebeurt.
                                Tussenoplossingen als detacheringen moeten dan uitkomst bieden.
Brede zorgallianties uit        Voor de langere termijn denkt de Raad echter verder. Dan zouden flexi-
arbeidsmarktoverwegingen        bel georganiseerde zorgallianties werknemers een aantrekkelijk loopbaan-
aantrekkelijk perspectief       perspectief kunnen bieden. In zulke allianties kunnen verpleeghuizen,
                                ggz-instellingen, thuiszorgorganisaties en ziekenhuizen samenwerken,
                                met de mogelijkheid van allianties met wijkcentra, huisartsenposten en
                                zelfstandige praktijken van huisartsen of verpleegkundigen.
Daardoor transmurale loop-      Een raam-CAO of specifieke afspraken binnen CAO’s bieden in zo’n
banen mogelijk, waardoor        werkomgeving goede perspectieven voor een verscheidenheid aan mede-
meer mogelijkheden voor         werkers. Dat schept ook mogelijkheden om een aantrekkelijk beleid voor
scholing, jobrotation en        scholing en carrière vorm te geven, waarin jobrotation, kennisuitwisse-
carrière                        ling en onderzoeksmogelijkheden voor meer groepen werknemers bin-
                                nen handbereik komen. Gerichte (financiële) maatregelen voor bepaalde
                                groepen kunnen daardoor meer effect sorteren.
                                RVZ                                                  Arbeidsmarkt en zorgvraag 33
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>Van belang om mensen voor        En dat is belangrijk om mensen aan te trekken en te behouden voor
de care te behouden              werk in de zorg. De belangrijkste redenen voor vertrek uit zowel de care-
                                 sector als de curesector zijn op dit moment namelijk de behoefte aan
                                 ander werk en het ontbreken van (transmurale) loopbaanperspectieven
                                 en ontplooiingsmogelijkheden (LEVV, 2004).
Dat is ook goed voor het         Als dergelijke zorgallianties ontstaan, wordt de caresector gaandeweg
imago                            meer een onderdeel van de gezondheidszorg als geheel. Het is geen geïso-
                                 leerde en problematische sector meer. Dat verbetert dan meteen ook het
                                 imago van de sector. Op het eerste gezicht lijken imagocampagnes daar-
                                 voor een passend instrument. Uit onderzoek naar de effectiviteit van
                                 imagocampagnes blijkt echter dat die nauwelijks helpen (Faber et al.
                                 2003).
                                 3. Care profileren als sector met kenniscomponent
Profileer de care als een sector Maar ook los van meer samenwerking met de curesector zal de caresector
waarin kennis er toe doet        zich meer moeten profileren als een sector waarin kennis er toe doet.
                                 Alleen al de verschuivingen van intra- naar extramurale zorgverlening
                                 (met nieuwe technieken) vragen daarom. Maar ook de achtergrondstu-
                                 dies laten de noodzaak duidelijk zien. Zo wordt een oproep gedaan
                                 CVA-verpleegkundigen in te zetten in de thuissituatie (Van den Bos,
                                 2006) en wordt geconstateerd dat kennis over behandelingsmogelijkhe-
                                 den voor mensen met dementie ontbreekt (Vernooij-Dassen, 2006).
Breng kennis naar instellin-     Instellingen in de caresector zouden daarnaast het voorbeeld van de
gen door leerwerkplaatsen        zogenoemde leerwerkplaats kunnen volgen. Dit houdt in dat studenten
                                 van verschillende studiejaren, begeleid door docenten en gesuperviseerd
                                 door verpleegkundigen van de afdeling, verantwoordelijk zijn voor
                                 patiënten. Zo wordt nieuwe kennis naar de instelling gebracht.
Gebruik ICT voor e-learning      Een andere mogelijkheid is kenniscentra, opleidingen en studenten in de
en ontwikkel samen met           zorg structureel te betrekken bij het ontwikkelen en implementeren van
medewerkers nieuwe produc-       (nieuwe) ICT-projecten. Dat kan leiden tot programma’s voor e-learning
ten: goed voor het imago         van zorgverleners en ondersteuning van mantelzorgers – iets waar drin-
                                 gend behoefte aan is. Zo wordt in de gehandicaptensector bij 17% van
                                 de werknemers een tekort aan ICT-vaardigheden geconstateerd (VGN,
                                 2006). Dat komt ook de arbeidsproductiviteit niet ten goede.
                                 4.3       Betere voorwaarden in de structurele sfeer
                                 Om het aanbod te vergroten en mensen voor het werk in de zorg te
                                 behouden zijn ook veranderingen in de structurele sfeer nodig.
                                 Maatregelen uit het advies Zorgarbeid in de toekomst uit 1999 en het
                                 SER-advies uit 2006 zijn daarvoor relevant. De Raad volstaat hier met
                                 een verwijzing, en bespreekt hieronder een aantal nieuwe punten.
                                 RVZ                                                   Arbeidsmarkt en zorgvraag 34
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>                             Stimuleren van een markt voor persoonlijke dienstverlening
Nieuwe branches zorgen voor  Met de overheveling van delen van de AWBZ naar de WMO zullen
andere dynamiek              nieuwe branches hun intrede doen, die gaan zorgen voor een andere
                             dynamiek op de arbeidsmarkt. Op dit moment staan huishoudelijke
                             zorg, persoonlijke ondersteuning en persoonlijke dienstverlening als sec-
                             toren op de arbeidsmarkt nog in de kinderschoenen. Wat hun opkomst
                             precies betekent voor de bestaande zorgprocessen en de vraag naar perso-
                             neel zal moeten blijken.
Markt voor persoonlijke      In zijn advies ‘Huis houden op de markt’ heeft de Raad voor Werk en
dienstverlening met nieuwe   Inkomen (RWI, 2006) voorstellen gedaan voor het ontwikkelen van een
arbeidsrelaties              markt voor persoonlijke dienstverlening. De totstandkoming daarvan is
                             een belangrijke voorwaarde om de arbeidsparticipatie van zowel hoger
                             als lager opgeleiden te vergroten. De traditionele arbeidsrelatie van werk-
                             gever en werknemer, met daarbij behorende (collectieve) rechten en
                             plichten, biedt echter onvoldoende ruimte om een markt van persoonlij-
                             ke dienstverlening succesvol te ontwikkelen. Daarom wil de RWI naast
                             de bestaande arbeidsrelaties ruimte creëren voor een structuur met
                             arbeidsrelaties die wordt gekenmerkt door het opdrachtgever- en
                             opdrachtnemerschap.
Daarvoor zijn verschillende  Naast de door de RWI voorgestelde constructie zijn volgens de Raad
constructies denkbaar        andere juridische concepten denkbaar voor werknemers die als zelfstan-
                             dige op die nieuwe markt(en) willen opereren. Zo is er de mogelijkheid
                             voor een freelancer te voorkomen dat zijn activiteiten worden aange-
                             merkt als dienstverband, terwijl wel op correcte wijze omzetbelasting en
                             loonbelasting worden afgedragen almede de sociale verzekeringspremies
                             (www.uniforce.nl, Volkskrant, 22-04-2006).
Effect van nieuwe markt niet Net zo min als op dit moment nog niet goed in te schatten is wat de tot-
in volle omvang te schatten, standkoming van een dergelijke markt gaat betekenen voor het aanbod
maar wel kansen om vraag     en aantrekken van arbeidskrachten in de zorgsector, is nu in volle
naar geschoold zorgpersoneel omvang duidelijk wat dit zou kunnen betekenen voor het herontwerpen
uit te stellen               van zorgprocessen en de benodigde inzet van personeel. Maar volgens de
                             Raad liggen hier wel goede kansen om enerzijds de vraag naar professio-
                             neel geschoold zorgpersoneel uit te stellen, anderzijds mensen aan het
                             werk te krijgen die anders aan de kant zouden staan. Bovendien vergroot
                             het de mogelijkheden voor mensen die ‘zorg’ nodig hebben om daarover
                             zelf de regie te voeren.
Belemmeringen moeten         De Raad is met de RWI voorstander van de totstandkoming van een
worden weggenomen            markt voor persoonlijke dienstverlening en van aan de tijd aangepaste
                             arbeidsrelaties. Hoe die er precies uit moeten zien, valt buiten de scope
                             van dit advies en is ook niet aan de RVZ. Wel is het van belang dat
                             belemmeringen voor de totstandkoming van zo’n markt worden weg-
                             genomen.
                             RVZ                                                   Arbeidsmarkt en zorgvraag 35
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>                                Arbeidsproductiviteit en kwaliteit en zorg
                                Gedifferentieerd belonen van arbeidsproductiviteit
Arbeidsproductiviteits-         Er is veel onderzoek gedaan naar mogelijkheden om de arbeidsproducti-
ontwikkeling in de care         viteit in de care te verhogen. Recent onderzoek maakt echter duidelijk
verloopt trager dan in de cure  dat de arbeidsproductiviteitontwikkeling in de care de afgelopen vijftien
                                jaar minder snel is gestegen dan in de ziekenhuizen. Vooral de intramur-
                                ale ouderenzorg blijft achter (ICM, 2005). Het overheidsbeleid was er al
                                die jaren op gericht de budgettaire vergoeding (of korting) voor de
                                arbeidsproductiviteitontwikkeling per sector op hetzelfde niveau vast te
                                stellen. Het gevolg was dat de verpleeg- en verzorgingshuizen op dit
                                aspect achterop raakten in vergelijking met andere sectoren.
Dat komt door het arbeids-      Met name verpleeg- en verzorgingshuizen kenmerken zich door hun
intensieve en technologie-      arbeidsintensieve en technologie-extensieve karakter. Een belangrijk doel
extensieve karakter van de      van de zorg in de care, namelijk het verbeteren van de kwaliteit van
care                            leven, hangt af van meer dan enkel een technisch adequate verpleging.
                                Dit is typerend voor de sector.
Arbeidsintensieve hulp bij      Het gaat immers om moeilijke keuzes als arbeidsintensieve hulp bij eten
eten of sondevoeding?           of sondevoeding? Arbeidsintensieve trainingen om incontinentie tegen te
                                gaan of incontinentieluiers? Nederland heeft vergeleken met het buiten-
                                land nu al veel hogere hogere prevalentiecijfers voor urine-incontinentie
                                (78%, in het buitenland 43-65%) Uit onderzoek blijkt dat incontinentie
                                goed is tegen te gaan en te beheersen. Met name gedragsinterventies zijn
                                effectief. Ze zijn niet ingrijpend voor cliënten, maar wel arbeidsintensief.
                                Als men kiest voor dat laatste ontstaan wachtlijsten.
Trendmatige ontwikkeling        De Raad pleit ervoor om bij het toekennen van trendmatige vergoedin-
arbeidsproductiviteit differen- gen op basis van arbeidsproductiviteit rekening te houden met de ver-
tiëren voor verschillen tussen  schillen tussen sectoren. Sectoren die kampen met een niet te vermijden
sectoren                        daling van de arbeidsproductiviteit kunnen dan enigszins tegemoet
                                worden gekomen.
Maar in de sector zelf nog      Dit ontslaat achterblijvende branches, zoals de ouderenzorg, echter niet
veel winst te behalen           van de plicht om eerst zelf alles in het werk te stellen om de arbeidspro-
                                ductiviteit te vergroten. Dat in de sector nog veel winst valt te behalen
                                blijkt alleen al uit het feit dat het beste verpleeghuis een 85% hogere
                                arbeidsproductiviteit heeft dan het slechtste verpleeghuis. Dit verschil is
                                veel groter dan bij de ziekenhuizen (Dell en Vandermeulen, 2005).
                                Vergroten van de arbeidsproductiviteit door slim bouwen
Hogere arbeidsproductiviteit    Een ander instrument in de structurele sfeer is investeren in de bouw-
door slimmer bouwen             kundige omgeving (Pullen et. al., 2006). Gebouwen die erop zijn
                                ontworpen om efficiënt te werken kunnen bijdagen aan een hogere
                                arbeidsproductiviteit.
                                RVZ                                                     Arbeidsmarkt en zorgvraag 36
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>Delen van de arbeidskosten    Wat daarmee precies gewonnen kan worden is op dit moment nog moei-
zijn met ingrepen in de       lijk wetenschappelijk hard te maken. Maar het onderzoek dat de Raad
bouwkundige omgeving te       liet uitvoeren geeft wel aanknopingspunten voor beleid op dit gebied.
beïnvloeden                   Het in deze studie ontwikkelde model maakt duidelijk welke delen van
                              de arbeidskosten te beïnvloeden zijn.
                              “Het is denkbaar om ruimtelijke en bouwfysische interventies gezamenlijk en tege-
                              lijkertijd op te nemen in bijvoorbeeld renovatiewerkzaamheden. Sfeer en interieur-
                              maatregelen horen ook in zo’n pakket, maar zijn apart te koppelen aan reguliere
                              onderhoudswerkzaamheden en in sommige gevallen is zelfwerkzaamheid van
                              cliënten en of bezoekers denkbaar. ICT en Domotica interventies zijn separaat uit te
                              voeren. Het is redelijk te veronderstellen dat interventies in de toekomst uitgewerkt
                              worden in Lange Termijn Huisvestingsplannen.”
                              Uit: achtergrondstudie Arbeidsproductiviteit en gebouw.
Theoretisch maximale bespa-   Zo wordt duidelijk welke onderdelen van de taakuitvoering te beïnvloe-
ring 11% op exploitatiekos-   den zijn met bouwkundige ingrepen. Verder laten de berekeningen met
ten                           het model dat in de achtergrondstudie is ontwikkeld zien dat door beter
                              bouwen inderdaad op exploitatiekosten kan worden bespaard. En die
                              besparing is dan weer gerelateerd aan een verbeterde arbeidsproductivi-
                              teit.
                                    Interventie           Theoretisch maximale besparing in % exploitatiekosten
                               1    Ruimtelijk             3.5
                               2    Sfeer en interieur     2.7
                               3    Bouwfysica             3.0
                               4    ICT en domotica        4.2
                               5    Alle 4 tezamen        11.3
Model is beperkt gevalideerd, De besparingspercentages geven echter maar een indicatie van wat moge-
die stap moet nog gemaakt     lijk is. Allereerst door de beperkingen van het onderzoek zelf. Het model
worden                        is exploratief en beperkt gevalideerd. Verder is het onderzoek beperkt
                              gebleven tot de intramurale verpleeghuiszorg.
Meer aanwijzingen in ander    Ander onderzoek suggereert echter dat ook in andere branches verbete-
onderzoek voor winst door
bouwfysische ingrepen         ring mogelijk is. Niet minder dan 71% van het verplegend personeel
                              heeft op het werk te maken met onaangename temperaturen (te koud of
                              te warm). Vooral in ziekenhuizen en verpleeg- en verzorgingshuizen
                              speelt dit probleem. Ook heeft 54% van de zorgverleners een tekort aan
                              frisse lucht. Andere storende werkomstandigheden zijn slechte verlich-
                              ting (27%) en tocht (27%) (Nagelhout, 2004).
                              RVZ                                                            Arbeidsmarkt en zorgvraag 37
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>                                 4.4        Conclusie
Onderzoek de kwantitatieve       Aan de aanbodkant is in de eerste plaats van belang dat personele conse-
personele consequenties bij de   quenties in ogenschouw worden genomen bij de invoering van nieuwe
invoering van zorgconcepten      en arbeidsintensieve zorgconcepten. Omdat in dit najaar in Maastricht
                                 een onderzoek start waarin de effecten van kleinschalig wonen voor
                                 dementerenden op bewoners, familie en medewerkers worden onder-
                                 zocht, beveelt de Raad aan dat daarbij ook wordt gekeken naar de
                                 benodigde hoeveelheid personeel.
Geef voorrang aan het laten      Verder is het gewenst om de samenwerking tussen de cure en de care te
ontwikkelen van transmurale      stimuleren, om een onnodig beroep op arbeidskrachten te voorkomen.
DBC’s voor patiënten met         Daarvoor moeten transmurale DBC’s ontwikkeld worden. Dat vergt
cva en dementie.                 echter tijd. Daarom zou voorrang gegeven moeten worden aan trans-
                                 murale DBC’s voor patiënten met CVA en dementie.
Kinderopvang noodzakelijk        Daarnaast kan ingezet worden op vergroten van het arbeidsaanbod. Om
                                 de arbeidsparticipatie te stimuleren is als eerste betaalbare kinderopvang
                                 noodzakelijk. Ook vergroten van het aantal uren in de gemiddelde deel-
                                 tijdaanstelling kan extra aanbod opleveren. Daar zijn dan wel prikkels
                                 voor nodig, want veel mensen in de zorg willen liever minder gaan
                                 werken dan meer.
Dring aan op onderzoek naar      Verder zou gestimuleerd kunnen worden dat personeel tussen 45 en 65
(alternatief voor) leeftijdsspe- jaar langer aan het werk blijft. Om de (fysieke) belasting dan niet te
cifieke bepalingen in CAO of     zwaar te maken, zeker nu in het licht van de WGBL de status van leef-
stel onderdelen WGBL ter         tijdsgebonden regelingen niet duidelijk is, kunnen de bewindslieden
discussie                        erop aandringen dat de sociale partners zoeken naar alternatieven. Te
                                 denken valt aan oplossingen binnen de bestaande CAO’s. Ook zou de
                                 WGBL op onderdelen ter discussie gesteld kunnen worden.
Wijs in overleg op het belang    Daarnaast is een goede concurrentiepositie van belang, zodat de sector
van flexibilisering van de       personeel weet aan te trekken. De bewindslieden van VWS zouden in
arbeidsvoorwaarden en een        het overleg met sociale partners kunnen wijzen op het belang van raam-
beter hrm-beleid                 CAO’s en bepalingen in reguliere CAO’s die werknemers in staat stellen
                                 gemakkelijk te veranderen van baan of instelling. Van belang zijn ook
                                 flexibilisering van de arbeidsvoorwaarden, prestatiebeloning en een beter
                                 personeelsbeleid. En de Raad beveelt verder aan om de OVA- ruimte
                                 zodanig vast te stellen dat de sector op CAO-niveau kan concurreren
                                 met de marktsector.
                                 Tot slot zouden de bewindslieden er bij instellingen op moeten aandrin-
                                 gen te investeren in de ICT-scholing van het personeel. Wil verhogen van
                                 de arbeidsproductiviteit kans van slagen hebben – en de overheid gaat
                                 daar in haar ramingen vanuit – dan is dat een noodzakelijk instrument.
                                 Ook met de manier van bouwen kan aan efficiëntie in de taakuitvoering
                                 gewonnen worden.
                                 RVZ                                                    Arbeidsmarkt en zorgvraag 38
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>                               5         Advies
                               5.1       Permanent aandacht voor relatie tussen zorgvraag
                                         en arbeidsaanbod
Boodschap van het advies:      Zorg dat steeds duidelijk is hoe zorgvraag en arbeidsaanbod zich ontwik-
maak relatie tussen            kelen en hoe ze zich tot elkaar verhouden: dat is de boodschap van dit
zorg(vraag) en arbeidsmarkt    advies. Dat betekent dat in het beleid consequent oog moet zijn voor die
expliciet                      kwantitatieve aspecten.
                               Wat betekent deze maatregel voor de ontwikkeling van de zorgvraag?
                               Wat betekent deze maatregel voor het arbeidsaanbod in de zorg? Dat zou
                               steeds meegewogen moeten worden.
                               In het bijzonder in de caresector is dat nodig. Gebeurt dat niet, dan blij-
                               ven talloze kansen onbenut om op termijn ernstige problemen op de
                               arbeidsmarkt te voorkomen.
Een krimpende beroepsbevol-    En daarbij gaat het dan niet om de bekende varkenscycli (tekorten afge-
king vraagt bij een toenemen-  wisseld door overschotten). Een krimpende beroepsbevolking vraagt bij
de zorgvraag om structurele    een toenemende zorgvraag om structurele keuzes en oplossingen.
oplossingen
Van niet alle maatregelen is   Maar welke? Van een aantal maatregelen is op dit moment al duidelijk
het effect te kwantificeren    dat ze effect kunnen hebben, alleen valt de omvang nog niet te kwantifi-
                               ceren. Zo zal meer gebruik van domotica, ICT en een markt voor per-
                               soonlijke dienstverlening de vraag kunnen beperken.
Van sommige maatregelen is     Het effect van andere maatregelen kan wel becijferd worden. Ze zijn
duidelijk dat ze een beperkte  echter onvoldoende om de voorspelde tekorten aan te vullen. Als ieder-
bijdrage leveren               een in de zorg bijvoorbeeld tot zijn 65e zou blijven werken, levert dat
                               maar een beperkte bijdrage: van 14-22%. Bovendien lijkt dat vooralsnog
                               geen haalbaar doel, omdat veel mensen aangeven het werk fysiek niet
                               meer aan te kunnen.
...en er vraagtekens zijn over Ook uitbreiden van de omvang van de gemiddelde deeltijdaanstelling
de haalbaarheid                kan in principe een flinke bijdrage leveren, die ook goed te kwantificeren
                               is. Probleem is ook hier de haalbaarheid: tot nu toe zijn er meer ver-
                               pleegkundigen en verzorgenden die minder uren willen werken dan ver-
                               pleegkundigen en verzorgenden die interesse hebben voor uitbreiding
                               van hun aantal uren. Dan zijn er dus flankerende maatregelen nodig om
                               mensen zover te krijgen.
Is het probleem wel op te      Is het arbeidsmarktprobleem in de zorg op de langere termijn dan wel
lossen?                        oplosbaar? De Raad is er niet gerust op. Natuurlijk zijn niet alle omstan-
                               digheden te voorzien. En de arbeidsmarkt in de zorg kent de nodige
                               RVZ                                                  Arbeidsmarkt en zorgvraag 39
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>                               flexibiliteit. Maar de economie trekt aan: goed voor Nederland en de
                               betaalbaarheid van de zorg, problematischer voor de arbeidsmarkt. Het
                               verleden leert dat de zorg dan tenminste moet kunnen concurreren met
                               andere sectoren om personeel aan te trekken.
Vijf prioritaire aanbevelingen In deze context kiest de Raad ervoor vijf maatregelen aan te bevelen die
met naar verwachting het       prioriteit moeten krijgen. Ze zijn geselecteerd omdat ze naar verwachting
grootste rendement             aan de vraag- of aanbodkant het meeste rendement op zullen leveren.
                               Hieronder worden ze kort besproken. Daarnaast kunnen ook de maatre-
                               gelen die in de hoofdstukken 3 en 4 van dit advies zijn genoemd uiter-
                               aard hun bijdrage leveren.
Niet alleen de overheid is aan Naast algemeen beleid is ook specifiek beleid nodig. Dit vraagt vooral
zet, ook partijen in het veld  maatwerk in een aantal sectoren (met name de care), omdat zich daar de
                               grootste arbeidsmarktproblematiek voordoet. In de ogen van de RVZ is
                               het spijtig dat de aanbevelingen van de commissie Van Rijn, gericht op
                               verbetering van het reactievermogen van sectoren, niet verder vorm heb-
                               ben gekregen. Dit vraagt alsnog aandacht en raakt primair de verant-
                               woordelijkheid van werkgevers en werknemers. Daarom voegt de Raad
                               onderstaand aan de vijf prioritaire aanbevelingen aan de overheid een
                               zesde toe. In feite is die zesde aanbeveling een oproep aan partijen in het
                               veld. Wel kan de overheid die oproep ondersteunen.
                               5.2        Vijf prioriteiten
                               Inzetten op preventie van hoge bloeddruk
Start campagne voor verlagen   De meest kansrijke maatregel om de vraag naar zorg te reduceren is vol-
van hoge bloeddruk onder de    gens de Raad preventie van hoge bloeddruk. De eerste aanbeveling is
bevolking                      dan ook dat de bewindslieden van VWS in overleg met huisartsen, zie-
                               kenhuizen, verzekeraars en andere betrokkenen, bijvoorbeeld sportscho-
                               len, een programma starten om de bloeddruk onder de bevolking te ver-
                               lagen.
                               Daarbij worden concrete doelstellingen geformuleerd en gemeten.
                               Financiële prikkels kunnen worden ingezet om aanbieders van succesvol-
                               le programma’s te belonen.
                               Ontwikkelen van een markt voor persoonlijke dienstverlening
Stimuleer de totstandkoming    Wat volgens de Raad ook aanzienlijk kan helpen om de vraag te vermin-
van een markt voor persoon-    deren is een markt voor persoonlijke dienstverlening. Die kan de zelfred-
lijke dienstverlening          zaamheid van mensen vergroten en de vraag naar professionele zorg hel-
                               pen uit te stellen.
                               Dat is dan ook iets om te stimuleren, vindt de Raad. (N.B: deze markt is
                               dus geen onderdeel van een collectieve regeling als
                               RVZ                                                   Arbeidsmarkt en zorgvraag 40
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>                               ZVW/AWBZ/WMO). De overheid moet in dat kader ruimte creëren
                               voor flexibele arbeidsrelaties die de opkomst van deze markt mogelijk
                               maken. Zo kunnen mensen zelf de regie nemen over de ondersteuning
                               waar zij behoefte aan hebben in hun streven naar zo lang mogelijk zelf-
                               standig functioneren. De bewindslieden zouden in overleg met collega’s
                               van SZW en Financiën moeten bezien welke maatregelen daarvoor
                               nodig zijn en zonodig belemmeringen moeten wegnemen.
                               Zorgen voor betaalbare kinderopvang
Verhoog arbeidsparticipatie    Dan de aanbodkant. Arbeidsparticipatie staat hoog op de politieke agen-
en behoud mantelzorg door      da, maar er is nog veel nodig om resultaat te boeken. De beste kans om
betaalbare kinderopvang        én meer vrouwen aan het werk te krijgen én mantelzorg mogelijk te
                               maken is volgens de Raad zorgen voor betaalbare kinderopvang. Dan
                               zullen meer vrouwen langer of meer uren aan het werk gaan. Dat is in
                               het bijzonder gunstig voor het aanbod van arbeidskrachten in de zorg-
                               sector en op de nieuwe markt voor persoonlijke dienstverlening.
Kinderopvang in de zorg        Voor de korte termijn zou speciaal voor werknemers in de lagere functie-
gratis voor de lagere functie- schalen in de zorg kinderopvang gratis moeten zijn. Voor de caresector is
schalen door kinderopvang-     de arbeidsparticipatie van vrouwen in de lagere schalen immers van
toeslag                        vitaal belang: 85% is vrouw (in de cure is dat 76%, in de totale econo-
                               mie 42%). Via de belastingen kan een toeslag voor kinderopvang wor-
                               den gegeven. De extra kosten voor de overheid ten opzichte van de hui-
                               dige situatie bedragen tussen de 100 en 150 miljoen euro (bijlage 4).
Kinderopvang op termijn        Kinderopvang zou op termijn een basisvoorziening moeten zijn. De
basisvoorziening               Raad beveelt aan dit te betalen uit de algemene middelen, zodat met
                               name mensen met lagere en modale inkomens ervan kunnen profiteren.
                               Kinderopvang als basisvoorziening creëert ook meer kansen voor nieuwe
                               en flexibele arbeidsverhoudingen.
                               Inzetten op arbeidsbesparing door ICT en bouw
Bouw biedt kansen voor         Aan de aanbodkant is verder arbeidsbesparing te verwachten van investe-
arbeidsbesparing, nodig        ringen in gebouwen die zijn ingericht op het gebruik van ICT en domo-
instellingen uit model te      tica. De kostenbesparing op de exploitatiekosten van verpleeghuizen die
valideren en te ontwikkelen    daardoor theoretisch mogelijk is kan oplopen tot 11%. De Raad beveelt
tot ‘best practice model       de bewindslieden aan instellingen uit te nodigen om het in de achter-
                               grondstudie ontwikkelde model te valideren en te ontwikkelen tot een
                               ‘best practice model’.
                               Stel normen vast voor de kwaliteit van zorg
                               Dat behalve door de vernieuwingen in de bouw de arbeidsproductiviteit
                               ook op andere manieren vergroot kan worden is algemeen bekend. Maar
                               de kwaliteit mag daarbij niet beneden een bepaald niveau komen.
                               RVZ                                                 Arbeidsmarkt en zorgvraag 41
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>Overheid: stel normen voor       Daarom adviseert de Raad de bewindslieden van VWS om normen voor
kwaliteit vast die de veiligheid verantwoorde zorg vast te stellen die met veiligheid te maken hebben.
raken, bijvoorbeeld voor         Voor de caresector liggen die op het vlak van het medisch en verpleeg-
medicatie en ondervoeding        kundig handelen. De normen zouden afgeleid kunnen worden van de
                                 set indicatoren die de IGZ op dit moment gebruikt (zoals medicatie-
                                 fouten, decubitus, incontinentie, ondervoeding en fixatie).
                                 Oproep aan partijen in het veld:
Oproep aan partijen in het       Uit de studies voor dit advies blijkt, dat de arbeidsmarktproblematiek
veld: voer pro-actief beleid     vooral ook een pro-actief beleid vraagt. Dit is niet het sterkst ontwikkeld
                                 in de verschillende sectoren. Veel arbeidsmarkt- en arbeidsvoorwaarden-
                                 beleid heeft een korte cyclus. Dit klemt des te meer nu algemene maat-
                                 regelen onvoldoende effect kunnen realiseren. Juist de combinatie van
                                 randvoorwaardelijk en specifiek beleid is nodig om tot een capaciteits-
                                 vergroting te komen. Dit vraagt een gerichte inspanning van werkgevers-
                                 en werknemersorganisaties om tot arbeidsvoorwaardelijke regelingen te
                                 komen die de aantrekkelijkheid van de zorgsector (vooral voor jongeren)
                                 versterkt en vergroot. Dit kan vorm krijgen via raamcao’s met aanvulling
                                 / verbijzondering naar specifieke sectoren (vooral care). In dit specifieke
                                 arbeidsvoorwaardenbeleid gaat het dan om behoud / uitbreiding van
                                 deskundigheid, horizontale carrièreontwikkelingen, waarderen van team-
                                 prestaties en / of individuele prestaties, functie- in plaats van leeftijdsge-
                                 bondenheid en maatregelen die medewerkers niet alleen binden maar
                                 vooral ook boeien.
                                 Algemeen overheidsbeleid (zie overige aanbevelingen) inclusief arbeids-
                                 marktsubsidie / fiscaal beleid kan in combinatie met goed werkgever-
                                 schap en gericht arbeidsmarktbeleid een grote bijdrage leveren aan
                                 oplossingen van het komende arbeidsmarktvraagstuk.
                                 5.3       Veranderende normen
                                 Of de door de Raad aanbevolen maatregelen voldoende effect sorteren,
                                 zal op termijn moeten blijken. De arbeidsmarkt heeft in het verleden
                                 laten zien over de nodige flexibiliteit te beschikken. Toch is het denkbaar
                                 dat verdergaande maatregelen onontkoombaar zijn.
Lagere normen voor kwaliteit     Als het aanbod van arbeidskrachten echt onvoldoende blijkt te zijn, zul-
en toegankelijkheid?             len we onze normen voor kwaliteit en toegankelijkheid moeten bijstellen.
                                 Onorthodoxe maatregelen kunnen dan niet buiten beschouwing blijven.
Buitenlandse oppas in dienst     Als door regionale verschillen bijvoorbeeld wel aanbod beschikbaar zou
voor zorgbehoeftige ouder(s)?    zijn in Groningen of Friesland terwijl Limburg met tekorten kampt,
                                 hebben verpleeghuisbewoners uit het zuiden misschien geen andere
                                 keus dan verhuizen naar het noorden. Of misschien moeten mensen een
                                 RVZ                                                     Arbeidsmarkt en zorgvraag 42
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>                              buitenlandse oppas in dienst nemen voor hun zorgbehoeftige ouders of
                              naasten, voor zover hun inkomen dat toelaat.
Lagere eisen aan de zorg?     Nog ingrijpender zou het zijn mensen die zorg nodig hebben te verplaat-
                              sen naar landen waar wel voldoende aanbod aan arbeidskrachten is, of te
                              accepteren dat werknemers uit de EU die hier komen werken de taal
                              niet spreken, of minder eisen stellen aan de zorg.
                              Ontstaan er onoplosbare tekorten aan arbeidskrachten in de zorg, dan
                              zullen we onze normen voor kwaliteit en toegankelijkheid dus moeten
                              herzien. Maar dat is niet de enige verschuiving: ook zullen we, meer dan
                              nu al het geval is, bereid moeten zijn de zorg voor anderen op ons te
                              nemen.
Vanaf de werkplek zelf toe-   Als woningen en verpleeghuizen standaard zijn voorzien van ICT en
zicht houden op een naaste    domotica, kan iemand bijvoorbeeld vanaf de werkplek even contact
of ouder(s)?                  opnemen met een naaste of ouder of toezicht houden op de inname van
                              medicijnen. Dat betekent dan weer uitstel van opname, verminderen van
                              de vraag naar professionele zorg en een grotere arbeidsproductiviteit voor
                              het personeel.
Nog meer gebruik maken van    Ook de markt voor persoonlijke dienstverlening kan daaraan bijdragen.
persoonlijke dienstverlening? Maar hoe krijg je daarvoor mensen, ook als de huidige belemmeringen
                              zijn weggenomen, op een toch al krappe arbeidsmarkt? Dan moet bena-
                              drukt worden dat laaggeschoold werk juist in een tijd van globalisering
                              kansen biedt: persoonlijke dienstverlening komt immers niet in aan-
                              merking voor outsourcen naar India of China. Ook ligt het voor de hand
                              om waar dat kan mensen met een bijstandsuitkering in te zetten voor
                              persoonlijke dienstverlening.
                              De Raad presenteert bovenstaande maatregelen als onorthodox en voor
                              het geval de door hem in het advies aanbevolen maatregelen onvoldoen-
                              de effect sorteren om de arbeidsmarktproblemen te voorkomen. Hij is
                              echter van mening dat het zinvol is nu al te beginnen met verder onder-
                              zoek in die richting.
                              Raad voor de Volksgezondheid en Zorg
                              Rien Meijerink,                                 Pieter Vos,
                              voorzitter                                      algemeen secretaris
                              RVZ                                                  Arbeidsmarkt en zorgvraag 43
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>RVZ Arbeidsmarkt en zorgvraag 44</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>Bijlagen
RVZ      Arbeidsmarkt en zorgvraag 45
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>RVZ Arbeidsmarkt en zorgvraag 46</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>Bijlage 1
Gedeelte uit Werkprogramma RVZ 2004-2005
Arbeidsmarkt en zorgvraag
De groei van de zorgbehoefte is groot. Aan deze ontwikkeling liggen
onder andere de dubbele vergrijzing en de groei van het aantal kwetsbare
mensen in de samenleving ten grondslag. Maar de groei van onze medi-
sche mogelijkheden in combinatie met de groei van het eisenpakket van
de samenleving speelt uiteraard ook een rol. Vraag en aanbod vinden
elkaar. Het is waarschijnlijk dat de zorgvraag hierdoor over 10-20 jaar
een zodanige omvang zal hebben dat deze niet meer door de arbeids-
markt en met collectieve middelen in zijn huidige vorm te beantwoor-
den is. Dit gegeven vraagt om een paradigmaverandering. Hier helpen
immers incrementele verbeteringen als doelmatigheidsverhoging en
arbeidsmarktmaatregelen niet meer. Een ingrijpend andere beantwoor-
ding van de zorgvraag zal noodzakelijk zijn. De RVZ zal zijn visie op
deze problematiek geven. Daarbij zal de Raad de vraag beantwoorden
hoe een dergelijk ander antwoord op de groeiende (en zich ook nog wij-
zigende) zorgbehoefte vorm moet krijgen. Innovatie (vooral ICT) zal
hierbij waarschijnlijk een cruciale rol gaan spelen, maar wellicht zijn er
nog andere aangrijpingspunten te vinden en andere benaderingen moge-
lijk. Ook is het belangrijk om te weten welke gevolgen een dergelijke
verandering heeft voor beslissingen op kortere termijn. Welke maatrege-
len moeten ter voorbereiding van de verandering genomen worden? Ook
dit advies zal de Raad in een internationale context plaatsen. Tenslotte
zal het advies zo concreet mogelijk gemaakt worden en toegespitst wor-
den op de beleidsdiscussie die hierover in Nederland (c.q. in de EU)
gevoerd zal moeten worden.
RVZ                                                   Arbeidsmarkt en zorgvraag 47
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>RVZ Arbeidsmarkt en zorgvraag 48</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>Bijlage 2
Adviesvoorbereiding
Vanuit de Raad
mw. prof. dr. D.D.M. Braat
dhr. mr. A.A. Westerlaken
Ambtelijke projectgroep
mw. mr. G.P.M. Raas, projectleider
dhr. drs. E.G. Brummelman
dhr. drs. P.P.T. Jeurissen
mw. mr. dr. A.J. Struijs,
mw. J.J. Lekahena-de Wolf, projectsecretaresse
De Raad adviseert onafhankelijk. Gesprekken tijdens de voorbereiding
van een advies hebben niet het karakter van draagvlakverwerving. De
gesprekspartners hebben zich niet aan het advies gecommitteerd.
Geconsulteerden
Tijdens het adviestraject is met de volgende personen/organisaties
contact geweest over het adviesonderwerp.
- dhr. prof. dr. J.P.H. Hamers en dhr. prof. dr. W. de Groot,
     Universiteit Maastricht
- dhr. M. Verweij, arts, dhr. drs. F. Bisschop, dhr. drs. W.H. van
     Staalduinen en dhr. J.V. Eijkman, College Bouw zorginstellingen
- dhr. O. van Hilten, Centraal Bureau voor de Statistiek
- dhr. G. van Essen, Prismant
- mw. dr. M. Vernooij-Dassen, Alzheimer Centre UMC Nijmegen
- dhr. W.R. Wim Pullen MSc, Center for People and Buildings
- mw. L. Janse en mw. drs. N.F. Breed, SenterNovem
- mw. drs. A.C. Cremers en dhr. Mellema, Nu’91
- mw. A. Visser-Meily, revalidatie arts, Kenniscentrum Revalidatie
     Utrecht, revalidatiecentrum De Hoogstraat
- mw. J.A.H. van Veen, Inspectie voor de gezondheidszorg
- mw. A. Jonkers, Ministerie van VWS
- dhr. H. Vankan, Nu’91
- dhr. H. Schreuder, STG
- dhr. drs. J. Schumacher, NIZW
- dhr. mr. H.J. Stoop, Ministerie van VWS, CIBG/VV
- mw. mr. drs. T.D. Riemens en mw. drs. B.P.M. Claassen,
     Sociaal Economische Raad
- mw. S. Braam, journaliste/publiciste
- mw. M.J. Willemse, AVVV
- dhr. mr. M.E.M. Nuyten en mw. mr. C. Frenkel, VNO NCW
RVZ                                                 Arbeidsmarkt en zorgvraag 49
</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre>-    dhr. B. Miesen, Ph.D., Lector psychogeriatrie Haagse Hogeschool
-    dhr. J. Pepers, Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland
-    mw. dr. M. Morée, Expertisecentrum Informele Zorg,
-    dhr. prof. dr. R. Huijsman, MBA, Erasmusuniversiteit
-    dhr. B. Doek en mw. K. Poppelaars, Raad voor Werk en Inkomen
-    mw. F. Wolter, KPN
-    mw. T.B. Hafsteinsdóttir PhD, UMCU
-    dhr. drs. J. Portengen en dhr. A. Siegelaar, Zorggroep Solis
Invitational conferences/debat
Tijdens het adviestraject zijn twee invitational conferences georganiseerd
met deskundigen op het terrein van dementie en en op het terrein van
CVA. Ook is een debat georganiseerd met de brancheorganisaties over
het advies. Verder is het Platform Verzorging van de AVVV geconsul-
teerd.
Deelnemers invitational conference dementie, 14 februari 2006
- dhr. M. Blom, Alzheimer Nederland, adjunct-directeur
- mw. drs. T.F. van der Kruk, Ver. Verpleegkundigen Vakgebied
     Geriatrie, verpleegkundig specialist geriatrie AMC
- dhr. P.H. Jonkergouw, Zorggroep Zuid-Gelderland, Lid Raad van
     Bestuur
- dhr. prof. dr. G.I.J.M. Kempen, Universiteit Maastricht, hoogeleraar
     sociale gerontologie
- dhr. drs. J.J. van de Leeuw, NIZW, senior innovatiemedewerker
     wonen en zorg
- mw. dr. M. Morée, Expertisecentrum Informele Zorg,
     projectleider/onderzoeker
- dhr. drs. P. Poortvliet, LEVV, programmaleider
- mw. dr. R.M. Dröes, VU medisch centrum, afdeling Psychiatrie,
     universitair hoofddocent/senior adviseur
- dhr. F. Gillissen, VU medisch centrum, Alzheimercentrum,
     zorgcoördinator
- dhr. J. Thie, KITTZ, senior projectleider
- dhr. dr. J. Naafs, ViaZorg, directeur
- mw. dr. M. Vernooij-Dassen, UMC St. Radboud, Alzheimer Centre,
     coördinator
- dhr. prof. dr. R. Koopmans, UMC St. Radboud, Kwaliteit van Zorg,
     hoofd afdeling verpleeghuisgeneeskunde
- dhr. dr. M. Dautzenberg, IVA, senior onderzoeker
- mw. dr. M. Faber, UMC St. Radboud, Kwaliteit van Zorg,
     onderzoeker
RVZ                                                   Arbeidsmarkt en zorgvraag 50
</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 51 ======================================================================

<pre>Deelnemers consultatie Platform Verzorging AVVV, 6 maart 2006
- mw. dr. J. de Lange, Trimbosinstituut, senior onderzoeker program-
    ma ouderen/lector
- mw. K.A. van de Luitgaren, Heremalerhof Harmelen,
    afdelingshoofd
- dhr. drs. J. Portengen, Zorggroep Solis Deventer,
    algemeen directeur
- mw. drs. M.L.J. Teeuwen-Martens, Siza Dorp Groep,
    coördinator kwaliteit
- mw. drs. E. Veenemans, ROC ASA, collegedirecteur
- mw. J. Talma-van Gelder, Thuiszorg Nieuwe Waterwerg Noord,
    zorgteammanager
- mw. M. Hollander-Pasma, AVVV, programmaleider Beroepen en
    opeidingen
- dhr. drs. A.M. Eliens, AVVV, programma Kwaliteit
- mw. drs. C.E. Linssen, AVVV, programmaleider Invloed
Deelnemers invitational conference CVA, 30 maart 2006
- mw. dr. J.N. Struijs, RIVM, Afdeling PZO-V&Z, onderzoeker
- dr. G.H.M.I. Beusmans, Universiteit Maastricht, Vakgroep
    Huisartsgeneeskunde, huisarts
- mw. prof. dr. G.A.M. van den Bos, AMC, Sociale Geneeskunde,
    hoogleraar sociale geneeskunde
- drs. N.J.A. Van Exel, Erasmus MC, iMTA, gezondheidseconoom
- dr. C. Franke, Atrium MC/Nederlandse Hartstichting, neuroloog
- mw. ir. K.T. Idema, Nederlandse CVA-Vereniging Samen Verder,
    consulent
- prof. dr. N.S. Klazinga, AMC, hoogleraar sociale geneeskunde
- mw. prof. dr. B. Meyboom-de Jong, huisarts, emeritus hoogleraar
    huisartsgeneeskunde
- mw. drs. M. Minkman, Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheids-
    zorg, CBO, senior adviseur
- mw. ir. S. Sangers, Mezzo/Landelijke Vereniging voor Mantelzorgers
    en Vrijwilligerszorg, beleidsmedewerker
- mw.dr. A.H.M. Triemstra, Nivel, onderzoeker
- mw. R.M.A. Troost, Landelijke Vereniging Wijkverpleging,
    adviseur bestuur
- dr. L.F.J. van der Velden, Nivel, onderzoeker
- prof. dr. M. Vermeulen, Academisch Medisch Centrum,
    hoogleraar neurologie
- dr. J.M.A. Visser-Meily, UMCU Revalidatiecentrum
    De Hoogstraat, revalidatie-arts
- drs. J. van Wijngaarden, Erasmus MC/EUR, Instituut BMG,
    universitair docent
- A. van der Zeijden, IAPO, chairman
RVZ                                                Arbeidsmarkt en zorgvraag 51
</pre>

====================================================================== Einde pagina 51 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 52 ======================================================================

<pre>Deelnemers debat brancheorganisaties, 7 juni 2006
- mw. drs. L.C. Albers, Sting
- mw. drs. M.M.A. van Bönninghansen, Nu’91
- dhr. J. van Dalen, NPCF
- dhr. P. Hijzen, GGZ-Nederland
- dhr. H.J. Klein Breteler, Arcares
- mw. dr. A.J. Mintjes-de Groot, LEVV
- mw. C. Nijhuis, Nu’91
- dhr. J. Pepers, VGN
- dhr. S.J.G.A. Weijenborg, NVZ
RVZ                                               Arbeidsmarkt en zorgvraag 52
</pre>

====================================================================== Einde pagina 52 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 53 ======================================================================

<pre>Bijlage 3
Waarom dementie en CVA als voorbeeld?
De Raad heeft ervoor gekozen de te verwachten problemen op de
arbeidsmarkt en mogelijke oplossingsrichtingen aan de hand van de
ziektebeelden dementie en CVA te illustreren.
Deze twee ziektebeelden zijn om meer redenen gekozen.
In de eerste plaats omdat van beide aandoeningen bekend is dat ze
arbeidsintensief zijn. Zeker bij dementie is in de laatste fase van het ziek-
teproces sprake van een hoge mate van afhankelijkheid van de zorg van
anderen. Dat betekent een groot beroep op beschikbare (professionele)
arbeidskrachten. Oplossingen die een beroep op arbeidskrachten kunnen
uitstellen kunnen een groot effect hebben op het aantal benodigde
arbeidskrachten c.q het aantal benodigde arbeidskrachten doen vermin-
deren.
In de tweede plaats staan beide aandoeningen in de top vijf van de 20
duurste diagnosegroepen wat de ontwikkeling van kosten tot 2020
betreft. Daarbij moet aangenomen worden dat de groei van de kosten
voor een groot deel veroorzaakt worden door arbeidskosten. En de ver-
wachting is dat de groei aanzienlijk zal zijn. De kosten van dementie en
beroerte nemen na 2010 een grote vlucht. Dementie is in de top vijf de
sterkste stijger. Oplossingen die een beroep op arbeidskrachten kunnen
uitstellen, kunnen niet alleen een groot effect hebben op het aantal
benodigde arbeidskrachten, maar hoogstwaarschijnlijk ook de kosten
drukken.
RVZ                                                   Arbeidsmarkt en zorgvraag 53
</pre>

====================================================================== Einde pagina 53 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 54 ======================================================================

<pre>Tabel        Ontwikkeling van de kosten van de 20 duurste diagnosegroepen
             uit tabel 4, op basis van demografische ontwikkelingen tot 2020
                        Kosten in           Ontwikkeling op basis                   Aandeel in        Aandeel in
                        1999                van demografie                          de totale         de totale
                        (miljoen euro)      (geïndexeerd, 1999=100)                 uitgaven in       uitgaven in
Diagnosegroep                               2010                2020                1999 (%)          2020 (%)
Verstandelijke           2.780              102                 101                   7,7               6,4
handicap
Dementie                 1.760              121                 142                   4,9               5,7
Gebitsafwijkingen        1.171              105                 106                   3,2               2,8
Beroerte                 1.029              120                 143                   2,9               3,4
Coronaire hartziekten      929              121                 142                   2,6               3,0
Zwangerschap,              796                85                 88                   2,2               1,6
bevalling en kraambed
Complicaties van           738              113                 129                   2,0               2,2
medisch handelen,
geweld en suïcide
Accidentele val            655              115                 131                   1,8               2,0
Astma en COPD              594              117                 135                   1,6               1,8
Nek- en rugklachten        549              108                 113                   1,5               1,4
Depressie                  497              109                 116                   1,4               1,3
Gezichtsstoornissen *      482              112                 123                   1,3               1,3
Verhoogde bloeddruk        433              118                 137                   1,2               1,4
Diabetes mellitus          431              116                 132                   1,2               1,3
inclusief diabetische
complicaties
Schizofrenie               380              105                 109                   1,1               0,9
Gehoorstoornissen          353              108                 116                   1,0               0,9
Ziekten van vrouwelijke    344              105                 107                   1,0               0,8
geslachtsorganen
Artrose                    304              118                 140                   0,8               1,0
Hartfalen                  299              121                 147                   0,8               1,0
Longontsteking en
influenza                  287              119                 141                   0,8               0,9
Subtotaal van deze 20
diagnosegroepen         15.350              111                 122                 42,6              42,8
Waarvan AWBZ             6.461              111                 122
Waarvan ziekenfonds      8.343              111                 123
en particuliere
verzekeringen
Totaal gezondheidszorg 36.033               111                 121
* De kosten van gezichtsstoornissen zijn exclusief de kosten voor brillen en contactlenzen.
Bron: Raad voor de Volksgezondheid en Zorg. Risicosolidariteit en zorgkosten. Zoetermeer: RVZ, 2005.
                    RVZ                                                                   Arbeidsmarkt en zorgvraag 54
</pre>

====================================================================== Einde pagina 54 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 55 ======================================================================

<pre>In de derde plaats is de verwachting gerechtvaardigd dat de mogelijkhe-
den om voor zorg uiteindelijk een beroep te moeten doen op (professio-
nele) arbeidskrachten anders liggen voor beide aandoeningen.
Waarschijnlijk is uitstel mogelijk als door preventie een cva voorkomen
kan worden. De mogelijkheid van uitstel is in veel mindere mate aan-
wezig bij dementie. De stand van de wetenschap biedt hier nog weinig
aanknopingspunten voor preventie (Gezondheidsraad, 2002). Nader
onderzoek zal de effecten van beide aandoeningen voor het beroep op
(professionele) arbeidskrachten inzichtelijk maken.
In de vierde plaats zullen andere zorgconcepten en voordelen die ict in
de zorgverlening kan bieden voor beide aandoeningen variëren.
Ook die effecten op de variatie in behoefte aan arbeidskrachten is voor
het te voeren overheidsbeleid van belang.
In de vijfde plaats is het thema arbeidsproductiviteit in relatie tot beide
aandoeningen een bijzondere opgave. De mogelijkheden om de arbeids-
productiviteit te verhogen zullen verschillen (zowel op micro als op
macro niveau).
RVZ                                                   Arbeidsmarkt en zorgvraag 55
</pre>

====================================================================== Einde pagina 55 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 56 ======================================================================

<pre>RVZ Arbeidsmarkt en zorgvraag 56</pre>

====================================================================== Einde pagina 56 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 57 ======================================================================

<pre>Bijlage 4
Kwantitatieve ontwikkelingen op de arbeidsmarkt
van de zorgsector
1         Inleiding
Deze bijlage geeft een overzicht van een aantal kwantificeerbare ontwik-
kelingen op de arbeidsmarkt van de zorg. Deze ontwikkelingen komen
aan de orde in drie paragrafen. Paragraaf 2 begint met een beschrijving
van een aantal algemene kenmerken van de arbeidsmarkt in de gezond-
heidszorg. Vervolgens wordt teruggeblikt op de ontwikkelingen op de
arbeidsmarkt in de afgelopen jaren. Paragraaf 3 werpt de blik vooruit en
bespreekt de tekorten die in de toekomst zullen ontstaan op de arbeids-
markt in de zorg. Als tekorten ontstaan, zijn maatregelen nodig. Wat
leveren die op? Die berekeningen staan in paragraaf 4. Het gaat dan in
eerste instantie om de effecten van langer doorwerken en meer uren wer-
ken. In tweede instantie worden ook de extra kosten voor de overheid
berekend van het gratis beschikbaar stellen van kinderopvang voor de
laagste schalen in de zorg. Paragraaf 5 sluit af met aangrijpingspunten
voor beleid.
2         Terugblik op de arbeidsmarkt in de zorg
De gezondheidszorg is een van de belangrijkste sectoren op de
Nederlandse arbeidsmarkt. In 2003 had onze totale arbeidsmarkt een
omvang van circa 6,4 miljoen FTE’s. Het gaat daarbij om ongeveer 8,3
miljoen personen. Van het aantal FTE’s wordt bijna 12% gerealiseerd in
de sector zorg en welzijn. Het gaat daarbij om ongeveer 1,1 miljoen per-
sonen (OSA, 2004).
Tabel 1 (paragraaf 2.1) maakt duidelijk dat de werkgelegenheid in de
zorgsector sinds 1998 bovendien sterk is gegroeid. De vele extra investe-
ringen die vanaf het tweede paarse kabinet in de sector zijn gedaan, heb-
ben blijkbaar hun vruchten afgeworpen. Tot 2003 is de werkgelegenheid
in de zorg namelijk ruim drie keer zo snel gegroeid als in de totale eco-
nomie.
RVZ                                                   Arbeidsmarkt en zorgvraag 57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 57 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 58 ======================================================================

<pre>2.1         Algemene indruk van de arbeidsmarkt voor de zorg
Kenmerkend voor de zorgsector is het grote aantal werknemers in deel-
tijd en het grote aantal vrouwen (tabel 5). Het aantal vrouwelijke werk-
nemers ligt iets boven de 80% en dat is bijna het dubbele van het
gemiddelde in de totale economie (Hingstman et al, 2004). In de zorg
wordt per week gemiddeld niet meer dan 24,4 uur gewerkt; na de hore-
ca het laagste van alle arbeidssectoren (CBS, 2005). Het aantal mensen
met een fulltime dienstverband is dan ook meer dan twee keer zo laag als
in de hele economie. Met name in de verschillende caresectoren worden
de instellingen voor het overgrote deel door parttimers draaiende gehou-
den (tabel 5). In relatieve zin is het aantal deeltijders eveneens sterk toe-
genomen. In 1990 waren er bijvoorbeeld 163 verpleegkundigen nodig
om 100 fte te bezetten. In 2002 was dit gestegen naar 181. Dit effect
heeft zich het meest voorgedaan in de gehandicaptenzorg en in de thuis-
zorg en veel minder in de geestelijke gezondheidszorg (van de Windt, et
al., 2004).
Het aandeel allochtone werknemers in de curatieve zorg is drie keer zo
laag dan in de care en ook lager dan in de economie als geheel (tabel 5).
In de zorg lag het gemiddelde uurloon (€ 17,67) in 2003 bijna op het
Nederlandse gemiddelde (€ 17,80).
Tabel 1        Werkgelegenheid in zorg en welzijn in banen van
               werknemers 1998-2003 (in duizendtallen en groei-
               percentages, contracturen in miljoenen)
                        1998    2001       2003         Groei        Groei
                                                        1998-2003    1998-2003
                                                        in zorg en   in
                                                        welzijn      Nederland
 Aantal werknemers       840      930       1.026        22,1%        8,9%
 FTE’s                   593      655         711        19,9%        5,8%
 Contracturen            995    1.092       1.183        18,9%        5,8%
 Vacaturegraad           1,5%   2,3%        1,3%
 Moeilijk vervulbare     0,5%   1,2%        0,3%
 vacaturegraad
Bron: Hingstman, et al., 2004.
De meeste mensen in het primaire proces werken in een verplegend of
verzorgend beroep. Het aantal mensen dat werkzaam is in een medisch
of paramedisch beroep is relatief beperkt. Het aantal agogische beroepen
neemt daarentegen behoorlijk toe (zie tabel 2).
RVZ                                                      Arbeidsmarkt en zorgvraag 58
</pre>

====================================================================== Einde pagina 58 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 59 ======================================================================

<pre>Tabel 2         Aandeel werkzame personen naar soort beroep (%)
                (1996-2002)
                           1996                 1999                      2002
 Medische beroepen           4,7                  4,7                      4,9
 Paramedische beroepen 4,4                        4,8                      3,3
 Assisterende beroepen       5,1                  5,4                      4,8
 V&V beroepen              42,7                 39,5                      39,9
 Agogische beroepen          9,9                11,6                      12,2
Bron: www.AZWinfo.nl tabel 1.2.1.0
In de care werken relatief veel verplegenden en verzorgenden (V&V
beroepen). Maar waar werken ze precies? In onderstaande tabel 2a is dit
uitgesplitst.
Tabel 2a Werkgelegenheid verplegende en verzorgende beroepen,
                naar branche, aantal werkzame personen, in %.
                                                     1996           2000          2003
 Ziekenhuis                                          21             19             19
 - algemeen ziekenhuis                               16             15             15
 - academisch                                          4              4             4
 - categoraal en revalidatie                           1              1             1
 Geestelijke gezondheidszorg                           6              7             6
 Gehandicaptenzorg                                     7            11              8
 Verpleeg- en verzorgingshuizen                      29             28
                                                                                    .
                                                                                   30
 - verpleeghuizen
 - verzorgingshuizen
                                                     16
                                                     13
                                                                    15
                                                                    13              .
 Thuiszorg                                           36             34             35
 Overig extramuraal werkende verpleegkundigen          1              1             1
Bron: www.AZWinfo.nl tabel 1.4.2.0, bewerking
. = Gegevens ontbreken. Door fusies is een uitsplitsing tussen verpleeg- en verzorgingshuizen
    = volgens AZW info niet langer zinvol.
In de care werken ook verpleeghuisartsen en artsen voor verstandelijk
gehandicapten. Daarnaast zijn de andere medische beroepen verbonden
met de care zoals huisartsen en medische specialisten. In onderstaande
tabel 2b is de verdeling van de medische beroepen in de totale gezond-
heidszorg weergegeven.
RVZ                                                                  Arbeidsmarkt en zorgvraag 59
</pre>

====================================================================== Einde pagina 59 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 60 ======================================================================

<pre>Tabel 2b Werkgelegenheid medische beroepen, naar branche,
               aantal werkzame personen, in %
                                    1997      1999    2001         2003
 Huisartsen                         24,9      22,2    21,5         21,3
 Medisch specialisten               35,8      31,0    30,5         30,4
 Sociaal-geneeskundigen              .        10,8    10,7         10,2
 Verpleeghuisartsen
                                     .2,9      2,9     3,0          3,2
 Artsen verstandelijk gehandicapten            .       0,3          0,4
                                                                        1
 Tandartsen                         23,5      21,0    20,4         20,1
 Tandarts-specialisten               .         .       1,3          1,3
 Apothekers                           8,2      7,5     7,5          8,1
 Verloskundigen                       4,7      4,5     4,7          5,1
Bron: www.AZWinfo.nl tabel 1.2.1.0, bewerking
. = Gegevens ontbreken
1
   = Gemiddelde van 2002 en 2004
Uit bovenstaande tabel blijkt dat verpleeghuisartsen en artsen voor ver-
standelijk gehandicapten een bescheiden plaats innemen in de medische
beroepen. In 2003 respectievelijk 3,2% en 0,4% op een totaal van
38.615 personen.
2.2          Verbeteringen op de arbeidsmarkt
De arbeidsmarkt is in de gezondheidszorg de afgelopen jaren behoorlijk
verbeterd. Dit komt tot uiting in een aantal trends. Zo is het aantal
(moeilijk vervulbare) vacatures gedaald (tabel 1). Overigens is het aantal
moeilijk vervulbare vacatures in de zorg ook nog steeds beperkt ten
opzichte van andere sectoren op de arbeidsmarkt. Vooral in de thuiszorg
(52%) en de verpleeg- en verzorgingshuizen (32%) is het aantal vacatu-
res in 2003 en 2004 snel afgenomen. Dit heeft er waarschijnlijk mee te
maken dat de conjunctuur in deze beide sectoren van veel groter belang
is dan bijvoorbeeld in de cure of de gehandicaptenzorg.
Arbeidsmarktreserve
Tegelijkertijd is het wel zo dat het reservoir van potentiële herintreders
wat aan het dalen is, waardoor de stille reserve om toekomstige spannin-
gen op de arbeidsmarkt op te lossen aan het afnemen is. In tijden van
hoogconjunctuur kan dit tot toenemende problemen leiden (tabel 3).
Het stille reservoir van arbeidskrachten is het grootst bij de BIG geregis-
treerde verpleging (28%), maar zeker ook aanwezig bij de fysiotherapeu-
ten (19%), de apothekers (14%) en de verloskundigen (10%). Bij de
tandartsen (5%) en de gezondheidspsychologen (4%) is het potentieel
erg beperkt. Artsen (8%) liggen hier tussenin. In werkelijkheid liggen
deze percentages overigens een stuk lager omdat niet alle BIG geregis-
treerde beroepsbeoefenaren ook werkelijk binnen vijf jaar weer aan de
slag willen in de zorgsector (OSA, 2004).
RVZ                                                    Arbeidsmarkt en zorgvraag 60
</pre>

====================================================================== Einde pagina 60 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 61 ======================================================================

<pre>Tabel 3       Geschatte aantal herintredende v&v-ers en omvang
              reserve (1997-2002)
                         1997             2000              2002
 Herintreders             4.800            9.200             8.100
 Instroom in reservoir    7.100            7.700             5.100
 Omvang reservoir        97.000           99.000            91.000
Bron: OSA, 2004
Vergrijzing
Positief is ook dat de relatief snelle vergrijzing van de zorgsector sinds
2000 enigszins tot staan is gekomen. De gemiddelde werknemer in de
zorg is nu 39 jaar oud ten opzichte van 37,3 jaar in de totale economie.
De stabilisatie van de leeftijd van de zorgwerknemers hangt overigens
deels samen met de relatieve afname van de instroom van (oudere) her-
intreders (OSA, 2004). De verschillen tussen de subsectoren zijn wel
aanzienlijk. Zo maakt tabel 4 duidelijk dat de thuiszorg meer is vergrijsd
dan de verstandelijk gehandicaptenzorg. De vergrijzing van het zorgper-
soneel verschilt ook per regio. Momenteel is deze het hoogst in de rand-
stedelijke regio’s en het laagst in Brabant (Regiomarge, 2005). Tenslotte
is in figuur 1 de leeftijdsopbouw per branche weergegeven. Daar is te
zien dat veel mensen voor hun 65e verjaardag uittreden.
Tabel 4       Gemiddelde leeftijd en percentage 55-plussers in de zorg
              (2002/2003)
                        55-plussers (%)            Gemiddelde leeftijd
 Ziekenhuizen             8,5                      39,7
 V&V                    10,0                       40,1
 Gehandicaptensector      6,8                      38,1
 GGZ                    10,6                       41,4
 Thuiszorg              12,2                       41,8
Bron: OSA, 2004.
RVZ                                                     Arbeidsmarkt en zorgvraag 61
</pre>

====================================================================== Einde pagina 61 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 62 ======================================================================

<pre>Figuur 1 Leeftijdsopbouw per branche ultimo 2003 (in %)
  18
  16
  14                                                            Algemene en categorale
                                                                ziekenhuizen
  12
                                                                Academische ziekenhuizen
  10
                                                                Geestelijke
                                                                gezondheidszorg
   8
                                                                Gehandicaptenzorg
   6
                                                                Verpleeg en
   4                                                            verzorgingshuizen
   2
   0
      15-  20-  25- 30-  35-  40-  45-   50-  55- 60 >
       20  25   30  35   40    45  50    55   60
Bron: LoonKostenGegevensbestand (LKG). In: Hingstman, L., et al, 2004.
Ziekteverzuim en WAO
Andere recente positieve trends op de arbeidsmarkt hebben betrekking
op de daling van het ziekteverzuim en de lagere WAO instroom (tabel
5). In de zorgsector ligt het ziekteverzuim nu op 5,8% en is de instroom
in de WAO 1,7%. Het is wel zo dat er ook hier tussen de verschillende
sectoren behoorlijke verschillen bestaan. Het ziekteverzuim is het laagste
in de algemene ziekenhuizen (5,1%) en het hoogste in de thuiszorg
(7,6%). Het valt ook op dat, met uitzondering van de thuiszorg het
ziekteverzuim in de zorg niet sneller is gedaald dan in de economie als
geheel. Werkgevers met meer dan honderd werknemers zagen hun ziek-
teverzuim tussen 2000 en 2003 met 2% dalen, terwijl dat in de sector
zorg en welzijn ook het geval was. In de ziekenhuissector en in de geeste-
lijke gezondheidszorg daalde het ziekteverzuim zelfs iets minder snel
(tabel 6). Bij verpleegkundigen is het verzuim het hoogst in de categorie
van 30 tot 35 jaar. Het verzuim bij verpleegkundigen onder de 25 jaar is
het laagst en boven de 45 jaar ligt het verzuim maar weinig hoger dan
gemiddeld. Mannen hebben over het algemeen een lager ziekteverzuim
dan vrouwen (Van der Windt 2004, et al.).
RVZ                                                             Arbeidsmarkt en zorgvraag 62
</pre>

====================================================================== Einde pagina 62 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 63 ======================================================================

<pre>Tabel 5         Zorsector en de totale economie in 2000 *
                                Zorgsector                                    Totale economie
                                Care (V & V)         Cure (ziekenhuiszorg)
 Aandeel vrouwen                  85%                 76%                      42%
 Aandeel allochtonen             7,6%                2,5%                     5,9%
 Leeftijd
   % < 20 jaar                     7%                  4%                       6%
   % 20 – 39 jaar                 52%                 53%                      51%
   % 40 – 54 jaar                 37%                 38%                      36%
   % > 54 jaar                     5%                  5%                       7%
 Opleiding
   Lagere school                   9%                  3%                       8%
   Mavo / Lbo                     29%                 22%                      34%
   Havo / Vwo / Mbo               56%                 52%                      34%
   WO / Hbo                        6%                 23%                      24%
 Arbeidsuren
   Minder dan 12                   8%                  4%                       6%
   12 – 23                        36%                 24%                      17%
   24 – 34                        37%                 43%                      15%
   Meer dan 34                    19%                30%                       62%
 Ziekteverzuim                   8,0%                8,0%                     6,0%
                               1
 (excl. Zwangerschapsverlof )
 Instroom in de WAO 1            1,7%                1,7%                     1,3%
Bron: OSA (2003) en Prismant (2004)
* = De cijfers hebben betrekking op het personeelsbestand in 2000. De WAO-instroomkans
    = geldt voor 2002.
1
    Deze cijfers zijn alleen bekend voor de gehele zorgsector.
Tabel 6         Ziekteverzuim exclusief zwangerschaps- en bevallings-
                verlof (1996-2003)
                                1996      1998        2000      2001      2002       2003
 Totaal werkgevers              5,8       6,5          7,2       7,2      6,1        5,2
 >100 werknemers
 Zorg & welzijn                 6,7       7,3          7,8       7,5      6,8        5,8
 Algemene ziekenhuizen                                 6,4       6,3      5,6        5,1
 V&V                                                   8,4       8,3      7,4        6,5
 GGZ                                                   7,1       6,9      5,9        5,3
 Thuiszorg                                            10,3      10,1      8,5        7,6
Bron: OSA, 2004
Werkdruk
Veel mensen in de zorg ervaren een behoorlijke werkdruk. Een derde
van het personeel ervaart een hoge lichamelijke en psychische druk.
Weliswaar neemt het aantal werknemers dat dit aangeeft iets af, maar
niet significant. Ondanks de daling van het ziekteverzuim blijft de
ervaren werkdruk dus hoog (tabel 7).
RVZ                                                                  Arbeidsmarkt en zorgvraag 63
</pre>

====================================================================== Einde pagina 63 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 64 ======================================================================

<pre>Wel blijkt het zo te zijn dat de werkgevers in de zorg significant meer
maatregelen nemen op het gebied van ouderenbeleid (tabel 8). Teruggang
in functie en salaris komt nergens veel voor, maar prepensioen, vrijstelling
van onregelmatige diensten, extra vrije dagen en andere vormen van taak-
verlichting zijn in de zorg wijd verbreid. In de zorg is nu nog maar 5%
van de werknemers boven de 54, maar dit zal de komende jaren snel toe-
nemen en het is dan de vraag of deze regelingen, die meestal extra geld
kosten en waarvan de impact op de arbeidsproductiviteit dus onduidelijk
is, dan ook onverkort gehandhaafd kunnen blijven.
Tabel 7        Percentage personen dat aangeeft regelmatig aan te hoge
               tijdsdruk en kracht zetten te zijn blootgesteld
                           1997           1999         2001            2003
 Hoge tijdsdruk            36             38           36              34
 Kracht zetten             34             31           35              34
Bron: OSA, 2004.
Tabel 8        Maatregelen van werkgevers op het gebied van ouderen-
               beleid 2004 (%)
               Prepensioen  Vrijstelling   Extra       Teruggang in Taakverlichting
                            onregelmatige  vrije dagen functie/salaris
                            diensten
 Totale        43           34             78          7               47
 economie
 Zorg          65           65             98          10              58
Bron: OSA
Arbeidsvoorwaarden
De stijging van het uurloon in de zorgsector loopt ongeveer parallel met
die in de rest van Nederland. Weliswaar was de loonontwikkeling in de
zorg tot en met 2003 behoorlijk sneller gestegen dan in de overige secto-
ren, maar het loonmatigingsbeleid van het huidige kabinet heeft dit
goeddeels weer tenietgedaan (tabel 8b). Indien we een vergelijking
maken naar kwalificatieniveau, zien we dat er op lager en middelbaar
niveau in de zorg meer dan in de marktsector wordt betaald, maar op
hoger en wetenschappelijk niveau juist minder. We moeten ons wel reali-
seren dat de honorering van het vrije beroep (de meeste artsen) daar niet
bij betrokken is (tabel 8a).
RVZ                                                         Arbeidsmarkt en zorgvraag 64
</pre>

====================================================================== Einde pagina 64 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 65 ======================================================================

<pre>Tabel 8a Bruto uurloonverschillen ten opzichte van de marktsector
            naar opleidingsniveau in 2001 (in%)
            Totaal    Elementair   Lager  Middelbaar Hoger   Wetenschappelijk
 Zorg       0,8%      3%           4%     5%         -8%     -8%
 en
 welzijn
Bron: OSA
Tabel 8b Ontwikkeling in CAO uurlonen inclusief bijzondere
            beloning (indexcijfers)
                            Nederland                Zorg en Welzijn
 December 2000              101,2                    100,9
 December 2001              105,7                    106,7
 December 2002              109,3                    111,1
 December 2003              111,9                    114,0
 December 2004              112,8                    113,9
Bron: OSA
Personeelsverloop
Het personeelsverloop in de zorgsector ontwikkelt zich vanaf het jaar
2000 weer gunstig (figuur 2). Weliswaar stegen het bruto-verloop (baan-
wisseling binnen de zorgsector) en het netto-verloop (het vertrek uit de
sector) tot 2000, maar de laatste jaren zien we een afname. Het is wel
opvallend dat dit bij het patiëntgebonden personeel minder is dan bij de
andere personeelscategorieën, al lag het verloop hier absoluut gezien wel
lager. We constateren dus dat de zorgsector er vooral goed in geslaagd is
om het niet-patiëntgebonden personeel beter vast te houden.
Waarschijnlijk heeft dit ook met de economische conjunctuur te maken
die rond 2000 stagneerde. Dit houdt een risico in omdat juist in de
patiëntgebonden personeelscategorieën de meeste tekorten dreigen als de
conjunctuur weer opleeft. Hierbij komt overigens nog een ander risico.
Uit de hier gepresenteerde cijfers blijkt namelijk niet dat het verloop
onder jongeren veel hoger is dan onder ouderen. Dit geldt vooral voor
de jongste leeftijdscategorie. Het netto-verloop van verpleegkundigen en
verzorgenden nam tussen 2000 en 2003 toe van 31% tot 37%
(Regiomarge, 2005).
RVZ                                                   Arbeidsmarkt en zorgvraag 65
</pre>

====================================================================== Einde pagina 65 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 66 ======================================================================

<pre>Figuur 2 Het bruto- en nettoverloop (in %) in het patiëntgebonden
               en het totale personeelsbestand in de zorgsector in
               de periode 1995-2004 (exclusief thuiszorg)
Bron: Ott et al., 2005.
2.3         Arbeidsproductiviteit
CPB, Prismant en SCP signaleren een dalende of een zich stabiliserende
trend van de arbeidsproductiviteit. Arbeidsproductiviteit refereert aan de
hoeveelheid arbeid die nodig is per eenheid product. In zekere zin krijgt
de arbeidsproductiviteit alleen betekenis in de vergelijking met een ande-
re maatstaf van arbeidsproductiviteit. We kunnen meestal namelijk niet
goed zeggen als ervoor een bepaalde hoeveelheid zorg veel arbeid wordt
gebruikt of dat productief is of juist niet. We kunnen wel constateren
dat als de hoeveelheid ingezette arbeid voor een bepaald product in de
tijd afneemt of als de hoeveelheid output juist toeneemt er sprake is van
een positieve ontwikkeling van de arbeidsproductiviteit. We kunnen ook
in de vergelijking tussen twee of meer productieprocessen een indruk
krijgen van het proces met de hoogste arbeidsproductiviteit.
De ontwikkeling van de arbeidsproductiviteit is in de zorg echter bijzon-
der moeilijk vast te stellen en daarom meestal niet eenduidig. Dit komt
omdat het erg moeilijk is om de totale hoeveelheid productie en gezond-
heidswinst in de zorgsector goed in beeld te krijgen op een manier die
onderling vergelijkbare gegevens oplevert. Zo is het aantal uren thuiszorg
per cliënt toegenomen van 168 in 1998 naar 185 in 2003 (Van der
Windt et al., 2004). Als we in die periode zowel de invloed van de rela-
RVZ                                                   Arbeidsmarkt en zorgvraag 66
</pre>

====================================================================== Einde pagina 66 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 67 ======================================================================

<pre>tieve inzet van de hoeveelheid arbeid als de zorgzwaarte en de substitutie
naar de intramurale zorg constant veronderstellen zou de arbeidsproduc-
tiviteit behoorlijk zijn teruggelopen. In werkelijkheid zullen de patiënten
waarschijnlijk zwaarder zijn geworden doordat cliënten die eerst werden
opgenomen in een instelling nu langer thuis blijven en daardoor meer
zorg nodig hebben. Dit eenvoudige voorbeeld geeft al aan hoe moeilijk
het is om de arbeidsproductiviteit vast te stellen.
Op basis van deze incomplete gegevens komen verschillende instanties
(CPB, Prismant en SCP) wel allemaal tot een dalende of stabiele trend
van de arbeidsproductiviteit. De hoeveelheid arbeidskrachten neemt dan
dus sneller toe dan de - overigens incomplete - geschatte productiegroei.
Het is bijvoorbeeld moeilijk om kwaliteitsontwikkelingen op een goede
manier te wegen. Dit kan problemen opleveren als de tekorten op de
arbeidsmarkt vanaf 2006 weer gaan oplopen (zie over het begrip arbeids-
productiviteit verder ook bijlage 5).
Tabel 9       Gemiddelde procentuele jaarlijkse productiegroei in
              de zorgsector
                 Prismant      Prismant       SCP            CBS
                 (1996-2001)   (2003-2007)    (1990-2000)    (2002)
 Ziekenhuizen      0,4         1,4
 GGZ               2,4         2,7
 Gehandicapten     1,8         3,3
 Verpleging        0,8         1,7
 Verzorging       -2,2         2,4
 Thuiszorg         0,9         4,5
 Totaal            0,7         2,3            1,8            5,3
Bron: OSA, 2004.
De mening van de werkgevers
Het valt op dat de werkgevers in de zorg de lage productiviteit van hun
personeel niet als een groot knelpunt zien. De meeste aandacht van de
werkgevers richt zich vooral op knelpunten zoals de beheersing van de
werkdruk, het hoge niveau van de lonen en de vergrijzing van het perso-
neel. Het is verder opvallend dat werkgevers in de zorg veel meer knel-
punten in hun personeelsbeleid zien dan werkgevers in de overige secto-
ren. Deze verschillen treden vooral op bij ontoereikende kwalificaties
(45%), coördinatieproblemen door veel deeltijders (40%), verlof- en
vakantieregelingen (36%), het ziekteverzuim (30%) en de beheersing
van de werkdruk (52%).
RVZ                                                   Arbeidsmarkt en zorgvraag 67
</pre>

====================================================================== Einde pagina 67 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 68 ======================================================================

<pre>2.4        Opleidingen
Verpleegkundigen kunnen werkzaam zijn op verschillende niveaus.
Tussen de verschillende sectoren zijn er daarbij grote verschillen. Zo heb-
ben ziekenhuizen bijna uitsluitend verpleegkundigen met de hoogste
kwalificaties in dienst, maar ontbreken deze niveaus juist in de verpleeg-
en verzorgingshuizen en in de thuiszorg. Veel goed opgeleide verpleeg-
kundigen zijn de afgelopen jaren – juist in deze laatste twee sectoren –
vervangen door meer goedkoper personeel. Dit roept de vraag op of de
deskundigheidsniveaus hier niet juist teveel zijn ingezakt en of er met
nog meer taakdifferentiatie in deze sectoren nog wel zoveel winst valt
te boeken.
Tabel 10a Aandeel verpleegkundigen op het totaal in
               de desbetreffende sector (2002)
                           Verpleegkundigen
 Ziekenhuizen              35%
 GGZ                       42%
 Gehandicaptenzorg         76%
 V&V                       55%
 Thuiszorg                 87%
Bron: Van der Windt en Talma, 2005.
Tabel 10b Aandeel verpleegkundigen naar niveaus in
               de desbetreffende sector in 2004 (horizontaal
               gepercenteerd)
                           Niv 5&4 (personen)    Niv 3 (personen)
 Ziekenhuizen              93%                     5%
 GGZ                       79%                   18%
 Gehandicaptenzorg         56%                   28%
 V&V                       11%                   71%
 Thuiszorg                 13%                   38%
Bron: Van der Windt en Talma, 2005.
Een van de sterke kanten van de arbeidsmarkt voor verpleegkundigen is
dat de meeste afgestudeerden, in tegenstelling tot veel andere opleidin-
gen, ook daadwerkelijk als verpleegkundige aan de slag gaan. Er is (aan-
vankelijk) bijzonder weinig verlies van afgestudeerde verpleegkundigen
aan de andere beroepen en sectoren (tabel 11).
RVZ                                                   Arbeidsmarkt en zorgvraag 68
</pre>

====================================================================== Einde pagina 68 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 69 ======================================================================

<pre>Tabel 11 Aandeel gediplomeerde schoolverlaters (MBO) dat naar
              eigen zeggen werkzaam is in een beroep waarvoor ze zijn
              opgeleid (2003)
 MBO-V (niv. 4)                  97%
 Verzorgende (niv. 3)            96%
 Helpende (niv. 2)               95%
 Zorghulp (niv. 1)               92%
 BBL                             97%
 BOL                             92%
 Alle MBO opleidingen            81%
Bron: OSA, 2004.
Het pessimistische beeld dat enkele jaren geleden nog bestond over de
lage instroom in de verpleegkundige en verzorgende opleidingen is
inmiddels enigszins gekenterd. Helaas daalt de instroom voor verzorgen-
de (niveau 3) en zorghulpen (niveau 1) sinds 2003 weer. Ook de
instroom voor verpleegkundige (niveau 5) vlakt af.
Figuur 3 Instroom in de verpleegkundige en verzorgende
              opleidingen
  12.000
                                                    Verpleegkundige niveau 5
  10.000
                                                    Mgz niveau 5
    8.000
                                                    Verpleegkundige niveau 4
    6.000
                                                    Verzorgende niveau 3
    4.000                                           Helpende niveau 2
                                                    Zorghulp niveau 1
    2.000
         0
            2000      2001     2002  2003 2004
Bron: www.azwinfo.nl tabel 1.4.1.1.
De instroom in de beroepsbegeleidende leerwegtrajecten heeft zich in
de afgelopen jaren voorspoedig ontwikkeld. Wel zien we in 2003 een
kentering in de instroom van de BBL. Zie figuur 4.
RVZ                                                 Arbeidsmarkt en zorgvraag 69
</pre>

====================================================================== Einde pagina 69 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 70 ======================================================================

<pre>Figuur 4 Instroom in de beroepsbegeleidende leerwegtrajecten
  18.000
  16.000
  14.000
  12.000
                                                              Voltijd / bol vt aantal
  10.000
                                                              Deeltijd / bol dt aantal
   8.000
                                                              Duaal / bbl aantal
   6.000
   4.000
   2.000
         0
             2000      2001       2002  2003     2004
Bron: www.azwinfo.nl tabel 1.4.1.1.
De instroom in de medische en paramedische opleidingen stijgt in de
meeste beroepen juist sneller dan bij de verpleegkundigen. Dit is vooral
duidelijk in de basisopleiding geneeskunde en in de verloskunde (tabel
12). Het is daarbij wel opvallend dat de groei van het aantal verpleeg-
huisartsen sterk achterblijft bij de overige beroepsgroepen. Dit zou wel
eens een probleem kunnen vormen doordat typische verpleeghuisziekten
zoals dementie en CVA in de toekomst waarschijnlijk snel in omvang
zullen toenemen.
Tabel 12 Instroom in de (para)medische opleidingen (1999-2003)
                                 1999      2001       2003            Groei
                                                                      (1999-2003)
 Paramedisch                     3.318     3.763      4.433             33,6%
 Geneeskunde                     1.230     1.460      2.160             75,6%
 Huisarts                          363       413        494             36,1%
 Specialist                        800       891      1.136             42,0%
 Sociaal-geneeskundige               91      309        158             73,6%
 Verpleeghuisarts                    84       84         97             15,5%
Tandheelkunde                      140       210        230             64,2%
 Farmacie                          280       250        350                25%
 Verloskunde                       128       223        254           103,2%
Bron: Osa, 2004.
RVZ                                                        Arbeidsmarkt en zorgvraag 70
</pre>

====================================================================== Einde pagina 70 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 71 ======================================================================

<pre>3         Vooruitblik op de arbeidsmarkt in de zorg
In deze paragraaf worden de resultaten van de arbeidsmarktprognoses
voor zorg en welzijn van achtereenvolgens het Centraal Planbureau,
Ecorys, Prismant, het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt
(ROA) en het Centrum voor Werk en Inkomen (CWI) besproken.
De paragraaf sluit af met een beschouwing op deze modellen.
3.1       Centraal Planbureau
In de Rijksbegroting 2005 van VWS is een grafiek opgenomen met daarin
de ontwikkeling van de werkgelegenheid in zorg en welzijn en in de totale
beroepsbevolking (VWS, 2004). Volgens deze prognose werkt in 2025
18% van de beroepsbevolking in zorg en welzijn als de arbeidsproductivi-
teit in deze sector jaarlijks met 1% stijgt. Deze percentages zijn gebaseerd
op het Global economy scenario van het CPB (CPB, 2004). In de andere
scenario's komt het CPB (bij arbeidsproductiviteitswaarden lager dan 1%)
uit op werkgelegenheidspercentages van 16,4% (Regional Communities),
17,7% (Strong Europe) en 18,3% (Transatlantic market) in 2040. In het
Global economy scenario komt zij op een werkgelegenheidspercentage van
18,5 in 2040 bij een arbeidsproductiviteitsstijging van 1%1.
Omdat in de periode 1999-2002 de stijging van de arbeidsproductiviteit
in zorg en welzijn rond de 0% lag, heeft VWS ook uitgerekend dat, vol-
gens het Global economy scenario, ruim 22% van de beroepsbevolking
in 2025 in de sector zorg en welzijn werkzaam dient te zijn als de arbeids-
productiviteit in deze sector jaarlijks met 0% stijgt (d.w.z. gelijk blijft).
In de begroting van 2005 heeft VWS, conform de VBTB-gedachte, voor
het eerst een streefwaarde gekoppeld aan het percentage werkzame perso-
nen in zorg en welzijn in 2025 (VWS, 2004 en TK 26 573, nr 2).
Dit percentage mag volgens VWS in de begroting van 2005 niet boven
de 20% liggen. In de VWS-begroting van 2006 is deze streefwaarde
bijgesteld naar 18%.
3.2       Ecorys
In opdracht van de Ministeries van BZK, OCW, VWS, Justitie en SZW
heeft Ecorys de scenariostudie van het CPB verder uitgesplitst naar de
uitkomsten naar beroep en opleiding in verschillende sectoren, waaronder
de zorg. Dit doet zij tot het jaar 2013. Uit de scenario’s van het CPB
blijkt namelijk niet voor welke beroepen en opleidingen binnen de zorg-
sector eventuele knelpunten te verwachten zijn (Ecorys, 2006).
RVZ                                                    Arbeidsmarkt en zorgvraag 71
</pre>

====================================================================== Einde pagina 71 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 72 ======================================================================

<pre>Ecorys onderscheidt twee deelsectoren in de zorg. Enerzijds de intramur-
ale sector plus de thuiszorg en anderzijds de extra- en semimurale sector.
De uitkomsten heeft zij op nationaal niveau volgens het Transatlantic
Market-scenario berekend. Ecorys heeft daarvoor een eigen model ont-
wikkeld en een prognose uitgevoerd. Ecorys heeft dus niet de cijfers van
Prismant, OSA of CWI overgenomen.
In de intramurale sector plus de thuiszorg berekent Ecorys tekorten voor
vbo/mbo-verzorgers en mbo/hbo-verplegers. Vanaf 2006 ontstaat er een
tekort aan verzorgers. Dit tekort loopt tot 2013 op tot zo’n 11%. “Ook
bij het aantrekken van welzijnwerkers ontstaan er naar verwachting pro-
blemen in de zorg. Er dreigen tekorten van zo’n 6% in 2013 te ontstaan.
Een laatste knelpunt ontstaat bij het aantrekken van verplegers in de
zorg. Het aanbod overstijgt de vraag nationaal gezien in 2013 slechts
1%” (Ecorys, 2006).
Ook voor de extra- en semimurale sector berekent Ecorys tekorten voor
vbo/mbo-verzorgers en mbo/hbo-verplegers. “De wervingsbehoefte ligt
een stuk lager dan in de intramurale zorg en thuiszorg. Ook in de extra-
en semimurale sector ontstaan dezelfde knelpunten, zij het in mindere
mate dan in de intramurale en thuiszorg” (Ecorys, 2006).
Daarnaast wijst Ecorys op de concurrentie die tussen de zorgsectoren zal
ontstaan, aangezien de wervingsbehoefte voor de intramurale sector en
thuiszorg groter is dan die in de extra- en semimurale sector.
3.3        Prismant
Prismant neemt voor de lange termijn de scenario’s van het CPB over.
Voor de korte en middellange termijn gebruikt Prismant het eigen
Regiomargemodel. Met dit model heeft Prismant prognoses gemaakt
voor de arbeidsmarkt voor verpleegkundigen, verzorgden en sociaal-
pedagogen tot 2013 (Windt, W. van der, H. Talma, 2005).
Alvorens over te gaan op de resultaten van het Regiomargemodel
bespreekt Prismant in haar rapport de prognose van het CPB. Om een
goed beeld te krijgen heeft Prismant de percentages omgerekend in abso-
lute fte’s en berekent welke groei er vervolgens nodig is in absolute aan-
tallen. Het CPB gaat namelijk uit van werkgelegenheidpercentages die
gemeten worden in fte’s. Omdat in de zorgsector veel in deeltijd gewerkt
wordt zal het aantal benodigde personen groter zijn dan het aantal beno-
digde fte’s. Volgens Prismant loopt de benodigde groei voor de periode
2001 tot 2040 uiteen van 200.000 extra mensen in het laagste scenario
tot 700.000 extra mensen in het hoogste (Global economy) scenario.
RVZ                                                   Arbeidsmarkt en zorgvraag 72
</pre>

====================================================================== Einde pagina 72 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 73 ======================================================================

<pre>In 2000 waren bijna één miljoen mensen werkzaam in de zorg en wel-
zijn (Windt, W. van der, H. Talma, 2005).
Prismant maakt voor de korte en middellange termijn ramingen van de
arbeidsmarkt voor verpleegkundigen, verzorgenden en sociaal pedagogen
met het Regiomargemodel. Zij kijkt anders dan het CPB niet naar het
beslag van de arbeidsmarkt zorg op de rest van de economie, maar naar
de voorspelde tekorten in verschillende deelmarkten.
In figuur 5 zijn de procentuele tekorten aan verpleegkundig en verzor-
gend personeel naar kwalificatieniveau in de zorgsector tot 2013 weer-
gegeven. In absolute aantallen gaat het in 2013 om een tekort aan 2.326
verpleegkundigen met niveau 5, 9.450 verpleegkundigen met niveau 4,
16.440 verzorgenden met niveau 3 3.772 helpenden met niveau 2 en
8.435 ziekenhulpen met niveau 1. Prismant merkt op dat voor de lagere
kwalificatieniveaus geldt dat de tekorten betrekkelijk eenvoudig te voor-
komen zijn. Voor helpenden zorg geldt dat er bij de vergelijkbare oplei-
ding voor welzijn zeer forse aanbodoverschotten te verwachten zijn.
“Bovendien geldt voor lagere kwalificatieniveaus dat de zorgsector aan-
trekkelijk is voor degenen die vanuit een ander beroep de zorg in willen
en weliswaar niet de formele kwalificaties bezitten, maar wel de vaardig-
heden. Al werkend kunnen zij via scholing ook de formele kwalificatie
krijgen. ( … ) Voor het aanbodoverschot (in 2006 en 2007, red.) op
kwalificatieniveau 5 geldt dat bij de berekeningen nog geen rekening
gehouden kon worden met het feit dat verpleegkundigen in het kader
van taakherschikking en taakdelegatie steeds vaker werkzaamheden over-
nemen van artsen (Windt, W. van der, H. Talma, 2005).
RVZ                                                  Arbeidsmarkt en zorgvraag 73
</pre>

====================================================================== Einde pagina 73 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 74 ======================================================================

<pre>Figuur 5 Procentuele tekorten aan verpleegkundig en verzorgend
             personeel naar opleidingsniveau in de zorgsector
             (2003 - 2013)
   16
   14
   12
   10
                                                                             Vpl5
                                                                             Vpl4
    8
                                                                             Vz3
    6
                                                                             Hlp2
                                                                             Zhlp 1
    4
    2
    0
       2003  2004   2005  2006  2007   2008 2009 2010 2011 2012  2013
   -2
Bron: Windt, W. van der, H. Talma, 2005.
3.4         Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt
Het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (ROA) verwacht
voor de middellange termijn (2006 – 2010) dat de werkgelegenheid sig-
nificant zal toenemen en de werkloosheid zal dalen. “Van 2005 tot 2010
wordt een gemiddelde jaarlijkse werkgelegenheidsgroei van 1,0% van de
werkgelegenheid in het basisjaar 2004 verwacht. Het gaat daarbij om een
toename in de werkgelegenheid van ruim 70.000 personen gemiddeld
per jaar” (ROA, 2005)2. In 2010 wordt een klein vraagoverschot voor-
zien ten opzichte van de situatie in 2004. Het vraagoverschot geeft een
indicatie van de verwachte toekomstige kwantitatieve discrepantie op de
arbeidsmarkt. Op de verschillende segmenten van de arbeidsmarkt kun-
nen zich echter uiteenlopende kwalitatieve discrepanties voordoen”
(ROA, 2005). Daarnaast verwacht het ROA dat de verschillen in werk-
gelegenheidsgroei tussen de sectoren naar verwachting veel kleiner zullen
zijn dan in de voorbije periode.
Ook denkt het ROA dat werkgevers tot 2010 vrijwel geen knelpunten in
de personeelsvoorziening hoeven te verwachten in onder meer de verzor-
gende en dienstverlenende beroepen. Zij merkt echter wel op dat er bin-
nen de beroepsklassen wel grote verschillen kunnen optreden tussen de
beroepsgroepen.
RVZ                                                         Arbeidsmarkt en zorgvraag 74
</pre>

====================================================================== Einde pagina 74 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 75 ======================================================================

<pre>“In de medische en paramedische beroepen lijken de tekorten over het
algemeen kleiner te worden ten opzichte van de afgelopen jaren. Dit
geldt met name op de lagere en middelbare niveaus. De reden hiervoor
lijkt de relatief lage vervangingsvraag te zijn. Dit hangt waarschijnlijk
samen met de stijgende arbeidsparticipatie van vrouwen met een zorgop-
leiding op lager en middelbaar niveau. Daarentegen blijven de verwachte
tekorten voor artsen en apothekers groot. Voor deze twee beroepsgroe-
pen geldt bovendien dat er moeilijk personen met een andere opleidings-
achtergrond kunnen worden aangesteld, met andere woorden de substi-
tutiemogelijkheden zijn hier gering” (ROA, 2005).
Dat het ROA op de middellange termijn weinig problemen verwacht
(behalve voor artsen en apothekers) in zorg en welzijn heeft ervoor een
belangrijk deel te maken dat zij niet verder kijkt dan 2010. Tot 2010
zijn bij de vervangingsvraag twee belangrijke ontwikkelingen te onder-
scheiden. “Ten eerste is een toenemende vergrijzing van de werkende
bevolking waar te nemen. Ten tweede stijgt de arbeidsparticipatie van
de bevolking. Dit gebeurt met name onder de oudere werknemers van
boven de 55 jaar, maar ook onder vrouwen in de middelbare leeftijds-
klassen. De stijgende trend van de participatiegraad werkt tegen de verg-
rijzingstrend in, waardoor de stijging van de vervangingsvraag afgeremd
wordt. Op termijn (na 2010, red.) zal de vergrijzing echter een bedui-
dend grotere invloed hebben op de vervangingsvraag dan de toename
van de arbeidsparticipatie omdat de vergrijzing gestaag blijft toenemen,
terwijl de verhoging van de arbeidsparticipatie slechts in beperkte mate
en voor een beperkte tijdsperiode uitkomst kan bieden” (ROA, 2005).
3.5        CWI arbeidsmarktprognose 2005 - 2010
Het CWI heeft een arbeidsmarktprognose voor dezelfde periode opge-
steld als het ROA (2005-2010) (CWI, 2005). Alhoewel het CWI andere
beroepsklassen definieert dan het ROA en Ecorys komt het tot de
conclusie dat “Bij verzorgend en heelkundig personeel zowel het aantal
banen als de trendmatige belangstelling binnen de beroepsbevolking
toeneemt. Per saldo wijst dit op een relatief gunstige arbeidsmarktpositie
van verzorgend en heelkundig personeel (CWI, 2005).
Het CWI doet net als het ROA geen uitspraken over mogelijke grote
verschillen tussen beroepsgroepen binnen de beroepsklassen. Prismant en
Ecorys geven daar meer inzicht in, omdat zij wel kijken naar de ontwik-
kelingen voor de verschillende beroepsgroepen binnen de beroepsklassen.
Het CWI merkt in zijn algemeenheid op dat kwalitatieve discrepanties
in beroepsklassen een belangrijk aandachtspunt is voor de actoren op het
terrein van de arbeidsmarkt (inclusief de onderwijsinstellingen), maar
RVZ                                                    Arbeidsmarkt en zorgvraag 75
</pre>

====================================================================== Einde pagina 75 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 76 ======================================================================

<pre>dat voor sommige beroepsgroepen het aanpassingsmechanisme (substitu-
tie) langzaam zal gaan door de lange specifieke opleiding. Vertaald naar
de sector verzorging en verpleging zou men kunnen stellen dat hoe
hoger de functie en hoe langer de daarbij behorende opleiding, hoe
moeilijker het aanpassingsmechanisme zal zijn. Voor de lagere niveaus (1
t/m 3) zal het aanpassingsmechanisme soepeler verlopen. Het CWI
merkt ook op dat er beroepsgroepen zijn (bijvoorbeeld verzorging en
onderwijs) waarbij men zeer bewust kiest voor dit beroep (‘roeping’). In
die gevallen is het aanpassingsmechanisme minder soepel dan voor ande-
re beroepen (zoals administratieve beroepen).
Het CWI merkt verder op dat de laatste jaren het aantal banen in de
marktsectoren is gedaald, terwijl het aantal banen in de collectieve secto-
ren bleef stijgen (vooral in de sector Zorg en Welzijn). Omdat het CWI
door de verwachte economische groei vanaf 2006 ook weer een groei van
het aantal banen in de marktsector verwacht, wordt de verhouding tus-
sen het collectieve deel en het marktdeel van de Nederlandse economie
weer rechtgetrokken.
Tenslotte zegt het CWI dat de periode van rond 2002 en 2001 zich ken-
merkte door enerzijds aanzienlijke spanningen op delen van de arbeids-
markt (tekorten aan vakbekwaam personeel) en anderzijds een aanzien-
lijk volume aan werkzoekenden zonder werk (circa 500.000 personen).
Het CWI zegt dat eenzelfde situatie zich de aankomende jaren weer
dreigt voor te doen. Vooral laag opgeleiden (vmbo of lager), ouderen en
langdurig werklozen behoren tot deze groep. Het zoveel mogelijk voor-
komen van deze fricties is een belangrijk aandachtspunt voor uitvoering
en beleidsontwikkeling op de arbeidsmarkt.
RVZ                                                  Arbeidsmarkt en zorgvraag 76
</pre>

====================================================================== Einde pagina 76 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 77 ======================================================================

<pre>4         Doorrekening van een aantal maatregelen
In deze paragraaf wordt een aantal maatregelen doorgerekend. Als tekor-
ten ontstaan zullen immers maatregelen getroffen moeten worden. Maar
wat zal het effect van die maatregelen zijn? Welke bijdrage leveren de
maatregelen aan het oplossen van de te verwachten problemen op de
arbeidsmarkt? Eerst worden de effecten van respectievelijk langer door-
werken door ouderen en meer uren werken berekend (paragraaf 4.1 en
4.2). In paragraaf 4.3 worden eveneens de extra kosten voor de overheid
van gratis kinderopvang voor de laagste functieschalen in de care-secto-
ren berekend.
4.1       Langer doorwerken
Conclusie
De algemene conclusie is dat langer doorwerken hooguit een beperkte
bijdrage kan leveren aan het oplossen van de voorspelde tekorten. Zo
concludeert Brinkman (2004) in zijn onderzoek dat een verhoging van
de participatie van oudere zorgwerknemers slechts een beperkte bijdrage
kan leveren aan de vraag naar extra zorgpersoneel. In zijn onderzoek
wordt de personeelsproblematiek in de meest extreme variant ongeveer
14% tot 22% minder. Onderzoek van Van der Windt en Talma (2005)
ondersteunen deze conclusie. In hun onderzoek wordt de spanning op
de arbeidsmarkt voor 12% opgelost.
Ook in het rapport Van Rijn wordt aangegeven dat de effecten het
grootst zijn in de taakvelden met een groot aantal voltijders (defensie en
politie, openbaar bestuur) en minder groot in de taakvelden met relatief
weinig voltijders (onderwijs en wetenschappen, zorg en welzijn)
(MinBZK, 2001).
Toelichting
Van de werknemers in de zorg die op zestigjarige leeftijd nog werken,
werkt momenteel éénderde door tot zijn 65e. Het verloop tussen 60 en
65 is gering. Om het effect van het wijzigen van de gemiddelde pensio-
neringsleeftijd te bepalen, wordt in het onderzoek van Brinkman (2004)
uitgegaan van dit percentage.
RVZ                                                 Arbeidsmarkt en zorgvraag 77
</pre>

====================================================================== Einde pagina 77 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 78 ======================================================================

<pre>Figuur 6 Maximale toename potentiële beroepsbevolking
         (60 - 65 jaar) sector z&w, bij gemiddelde pensioens-
         leeftijden boven 60 jaar
120000
100000
 80000
                                                                                                                                            pensioenleeftijd 65 jaar
 60000                                                                                                                                      gem. pensioenleeftijd 62,5 jaar
                                                                                                                                            gem. pensioenleeftijd 61 jaar
 40000
 20000
    0
         2005   2007   2009   2011   2013   2015   2017   2019   2021   2023   2025   2027   2029   2031   2033   2035   2037   2039
Bron: Brinkman, 2004.
“Allereerst is gekeken naar de maximale toename van de beroepsbevol-
king per jaar, indien alle vroegpensioenregelingen met ingang van 2005
volledig worden afgeschaft en iedereen in de zorgsector moet doorwer-
ken tot 65 jaar. De bovenste curve van figuur 6 geeft dat effect weer. Dit
effect is dus de extra omvang van de potentiële beroepsbevolking in een
jaar ten opzichte van de situatie dat de (vroeg) pensioenleeftijd op 60
jaar ligt. Dit is vergelijkbaar met de vutregeling die de sector Zorg en
Welzijn tot een aantal jaren geleden kende. Duidelijk is dat er vooral in
de jaren tot aan 2020 sprake is van een sterke stijging van het arbeidspo-
tentieel tot ruim 100.000 mensen per jaar voor de periode 2020- 2025.
Hierbij is aangenomen dat iedereen tot 65 jaar ook daadwerkelijk in
staat is om te werken.
Een realistischer scenario gaat uit van een gemiddelde pensioensleeftijd
van 62,5 jaar. De middelste curve geeft dit weer. Nog steeds is er sprake
van een behoorlijke toename van het arbeidspotentieel in de periode
2020-2025 van jaarlijks 60.000 personen.
De onderste lijn in de grafiek is het geschatte effect van een pensioen-
leeftijd van 61 jaar. Dit illustreert het effect van een vroegpensioenrege-
ling zoals die bijvoorbeeld in de sector Zorg en Welzijn van toepassing
is. Deze regeling is in de plaats gekomen van de vut en maakt het moge-
lijk om tussen 55 en 62 jaar met (vroeg)pensioen te gaan. Eerder stop-
pen levert een relatief laag pensioenresultaat op. Voor een aantal deelne-
mers hoeft dit geen belemmering te zijn, omdat het inkomen in veel
gevallen een ‘tweede’ inkomen is, naast dat van de kostwinner. Aan de
andere kant wordt doorwerken in deze regeling gestimuleerd omdat dit
een (behoorlijk) hoger pensioenresultaat oplevert. Het netto-effect is
vooralsnog onbekend. Aangenomen is dat de gemiddelde leeftijd waarop
RVZ                                                                                                                                    Arbeidsmarkt en zorgvraag 78
</pre>

====================================================================== Einde pagina 78 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 79 ======================================================================

<pre>men stopt met werken 61 jaar is. De figuur begint in 2009, omdat deel-
nemers vanaf dan geen gebruik meer kunnen maken van de oude vut
regeling. We zien dat ook de, door de overheid niet geliefde, overgang
van vut naar vroegpensioen al een behoorlijke bijdrage kan leveren aan
de vergroting van het arbeidspotentieel: ruim 40.000 personen per jaar
in de periode 2020-2025” (Brinkman, 2004).
Nuancering
Bovenstaande berekeningen zijn maximale uitkomsten. Dit komt door
een aantal aannames bij de berekeningen. Zo wordt aangenomen dat
iedereen tot 65 jaar ook daadwerkelijk in staat is om te werken en dat
ook wil. Veel werknemers in de zorg stoppen al voor hun 60e. Van de
groep van 40 jaar en ouder die in 2003 stopte met werken in de zorg,
deed 41% dat vanwege gezondheidsredenen bij een gemiddelde leeftijd
van 54 jaar (Van der Windt en Talma, 2005). Het is dan ook terecht dat
gesproken wordt van een arbeidspotentieel. Daarnaast wordt er uitge-
gaan van het blijven voortbestaan van de relatief hoge participatiegraden
van de op dit moment jongere cohorten als zij hogere leeftijden berei-
ken. De vraag is of dat ook zo blijft.
Uiteindelijk toch een tekort
Ook al wordt de meest maximale variant werkelijkheid en werkt ieder-
een tot zijn 65e door, dan nog wordt de spanning op de arbeidsmarkt
door deze maatregel slechts 14% minder. Dit volgens het Global
Economy scenario van het CPB waarin uitgegaan wordt van een werkge-
legenheidsgroei van 700.000 extra mensen (CPB, 2004a en Windt,
W. van der, H. Talma. 2005). In de meer gematigde ‘Strong Europe en
Transatlantic Market-scenario’s’ die een werkgelegenheidsgroei van onge-
veer 450.000 mensen veronderstellen wordt het probleem door deze
maatregel 22% minder.
Van der Windt en Talma (2005) hebben ook een berekening gemaakt
van de effecten van het verhogen van de gemiddelde pensioenleeftijd van
60 jaar naar 61 jaar. Zij komen erop uit dat als 50% van de mensen
waar het om gaat gevoelig blijkt voor het verhogen van de pensioenleef-
tijd de problematiek met ongeveer 12% verminderd wordt. Volgens hun
berekening is het extra aanbod van arbeid 1.900 op een vervangingsvraag
van 16.000.
4.2       Meer uren werken
Conclusie
Door het stimuleren van zorgpersoneel tot het werken van meer uren
kan het arbeidsmarktprobleem aanzienlijk worden verminderd.
Waarschijnlijk meer dan door mensen langer te laten doorwerken. Het
RVZ                                                  Arbeidsmarkt en zorgvraag 79
</pre>

====================================================================== Einde pagina 79 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 80 ======================================================================

<pre>meeste potentieel is aanwezig bij de lagere schalen in de care sector. Daar
wordt relatief het meest in deeltijd gewerkt en het gaat om een omvang-
rijke groep.
Als iedereen in de care-sector fulltime zou gaan werken is het probleem
theoretisch op te lossen. Dat is de meest extreme variant waarin ook alle
alphahelpenden fulltime gaan werken en uitwisselbaar beschouwd wor-
den met verpleegkundigen en verzorgenden. Dat is uiteraard niet het
geval.
Onderzoek van Van der Windt en Talma (2006) laat zien dat ook margi-
nale effecten groot kunnen zijn. Zij hebben uitgerekend dat als verpleeg-
kundigen, verzorgenden en sociaalagogen in de zorgsector gemiddeld 0,2
uur (= 12 minuten) langer gaan werken het berekende tekort in 2010
15% minder zou zijn.
Toelichting
Een andere mogelijkheid om de participatie te vergroten, is het stimule-
ren van het personeel in de zorg tot het werken van meer uren per week.
In potentie kan dit in belangrijke mate bijdragen aan de oplossing van
het arbeidsmarktprobleem. In de zorg wordt namelijk veel in deeltijd
gewerkt.
De RVZ heeft berekend dat als alle verplegenden en verzorgenden fullti-
me zouden gaan werken er inclusief alphahelpenden ongeveer 464.211
fulltime mensen extra beschikbaar zouden komen voor de zorg. Exclusief
alphahelpenden gaat het om zo’n 260.402 mensen extra. Zie onderstaan-
de tabel 1.
Het CPB gaat er in haar Strong Europe (SE) en Transatlantic Market
(TM)-scenario’s vanuit dat zo’n 450.000 mensen voor de hele zorgsector
(inclusief het curatieve deel) nodig zijn. In het meer extreme Global
Economy (GB)scenario zijn zo’n 700.000 extra mensen fulltime nodig
(CPB, 2004a en bewerking door: Windt, W. van der, H. Talma. 2005).
Als we ervan uitgaan dat zo’n 60% van de bezette arbeidsplaatsen in de
zorg in de care sector te vinden is, dan zijn in de SE en TM-scenario’s
270.000 extra mensen in de care nodig (Ott, et al, 2005).
In het GE-scenario zijn dan 420.000 extra mensen in de care nodig.
Confronteren we het extra aanbod met de vraag volgens de CPB-scena-
rio’s dan zien we dat als iedereen fulltime zou gaan werken het arbeids-
probleem zich in de SE en TM-scenario’s in de care nagenoeg volledig
oplost. In het GE-scenario lost het arbeidsprobleem zich alleen volledig
op als we de alphahulpen meetellen.
RVZ                                                   Arbeidsmarkt en zorgvraag 80
</pre>

====================================================================== Einde pagina 80 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 81 ======================================================================

<pre>                            Tabel 13 Potentieel als alle verplegenden en verzorgenden
                                          fulltime werken, 2005
                             Deeltijdfactor    Totaal aantal    Totaal aantal     Potentieel       Potentieel
                             (2003)            werknemers       werknemers        incl.            excl.
                                               incl.            excl.             alphahelpenden   alphahelpenden
                                               alphahelpenden   alphahelpenden
Geestelijke gezondheidszorg  0,75               23.500            23.500            31.333          31.333
Gehandicaptenzorg            0,63               47.700            47.700            75.714          75.714
Verpleeg- en                 0,63              127.300          127.300           202.063          202.063
verzorginghuizen
Thuiszorg
 incl. alphahelpenden        0,35              190.400                            544.000
 excl. alphahelpenden        0,46                               127.600                            277.391
Totaal personeel             0,55              388.900          326.100           853.111          586.502
Verschil                                                                          464.211          260.402
                            Bron: van AZWinfo.nl, Regiomarge en eigen berekeningen.
                            Toelichting bij tabel 13
                            In bovenstaande tabel is het potentieel aan extra arbeidskracht berekend
                            als iedereen in de caresector fulltime zou gaan werken. Daarvoor is het
                            totaal aantal werknemers per sector gedeeld door de deeltijdfactor voor
                            die sector. De uitkomsten van deze berekening vindt men in de laatste
                            twee kolommen van tabel 13. Het zijn twee kolommen omdat in de eer-
                            ste kolom de alphahelpenden zijn meegeteld en in de tweede kolom niet.
                            Het totaal aantal werknemers per sector vindt men in de middelste twee
                            kolommen en de deeltijdfactor per sector in de kolom daarvoor. Omdat
                            het veel uitmaakt of men de alphahelpenden meetelt in de berekening
                            van het potentieel is hiervoor een aparte berekening gemaakt. Het ver-
                            schil of men de alphahelpenden meetelt bij het potentieel is 266.609
                            mensen (544.000 - 277.391). Het meetellen van deze groep maakt een
                            groot verschil omdat het om een relatief omvangrijke groep gaat die juist
                            de laagste deeltijdfactor heeft oftewel de kleinste banen hebben. Dit
                            resulteert daardoor cijfermatig in een groot potentieel, terwijl zij alleen
                            in de thuiszorg inzetbaar zullen zijn. Of men zou deze mensen moeten
                            omscholen.
                            Nuancering
                            Natuurlijk is het bovenstaande niet meer dan een cijfermatige indicatie
                            om gevoel voor de omvang van het probleem en de mogelijke oplossin-
                            gen te krijgen. Het extra aanbod zal niet zomaar op de gewenste kwalifi-
                            caties passen. Daarnaast worden in de bovenstaande berekening alpha-
                            helpenden en verpleegkundigen als onderling uitwisselbaar beschouwd.
                            Verder wordt er uitgegaan van een nationale arbeidsmarkt zonder fricties
                            in plaats van regionale arbeidsmarkten. Dat zijn onrealistische veronder-
                            stellingen.
                            RVZ                                                            Arbeidsmarkt en zorgvraag 81
</pre>

====================================================================== Einde pagina 81 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 82 ======================================================================

<pre>Regiomarge 2006
Van der Windt en Talma (2006) zeggen in de Regiomarge 2006 ook iets
over meer uren werken. Zij hebben uitgerekend dat als verpleegkundi-
gen, verzorgenden en sociaalagogen in de zorgsector gemiddeld 0,2 uur
langer gaan werken het berekende tekort in 2010 15% minder zou zijn.
Nu werken zij gemiddeld 22,2 uur per week. Zij zouden dan gemiddeld
22,4 uur moeten gaan werken. Dat zorgt al voor een extra arbeidsaan-
bod van 4700 ‘mensen’. Ook uit deze berekening blijkt dat het in poten-
tie een belangrijke bron van arbeidskrachten kan zijn.
Ook intuïtief kan men op basis van onderstaande figuur 7 en tabel 13
zien dat er – juist in de lagere schalen – nog het nodige potentieel aan-
wezig is. Van der Windt en Talma (2006) wijzen er terecht op dat de
deeltijdfactor afhankelijk is van de leeftijd en de functieschaal waarin
men zit. Vooral in de lagere functieschalen wordt meer in deeltijd
gewerkt. Zie ook de eerdere opmerking over de alphahelpenden.
Onderstaande twee figuren laten zien dat vrouwen in lagere schalen rela-
tief meer in deeltijd werken (figuur 7) en dat veel van deze laag inge-
schaalden in de care-sectoren werken (tabel 14).
Figuur 7 De gemiddelde deeltijdfactor bij vrouwen naar
         FWG-schaal
                              80
   % van volledige werkweek
                              75
                              70
                              65
                              60
                              55
                              50
                              45
                              40
                                        0        5        0        5        0        5          0        5
                                     g2       g2       g3       g3       g4       g4         g5       g5
                                   fw       fw       fw       fw       fw       fw         fw       fw
Bron: Regiomarge 2006.
RVZ                                                                                      Arbeidsmarkt en zorgvraag 82
</pre>

====================================================================== Einde pagina 82 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 83 ======================================================================

<pre>Tabel 14 De procentuele verdeling naar schaalniveau FWG
              per branche in 2002
 FWG-     Algemene       Academische Psychiatrische Gehandicapten- Verpleeg- en
 schaal   zieken-        zieken-     zieken-        zorg           verzorgings-
          huizen         huizen      huizen                        huizen
 -25        2              0          2              9             23
  30        1              0          3             17             11
  35        4              8          8             23             42
  40      25               9         19             37             16
  45      35             46          47             10              5
  50+     32             37          21              5              4
Bron: Van der Windt et al, 2003.
Maatregelen om mensen meer uren per week te laten werken
Maar hoe krijg je mensen zover dat ze meer gaan werken? De 12e
Studiegroep begrotingsruimte zegt daarover het volgende. “Gedeeltelijk
zal de arbeidsparticipatie in de komende decennia vanzelf stijgen, onder
meer omdat het voor jongere generaties vrouwen ‘normaler’ is om te
werken dan voor oudere generaties (‘cohorteffecten’) en als gevolg van
beleidsmaatregelen die eerder zijn genomen – zoals de aanpassingen in
het prepensioen. … Om de arbeidsparticipatie verder te verhogen, zijn
nieuwe maatregelen noodzakelijk. Daarbij valt te denken aan nieuwe
prikkels voor mensen die op dit moment niet participeren, zoals de indi-
vidualisering van de algemene heffingskorting of het stimuleren van de
uitstroom uit de WW, bijvoorbeeld via duurverkorting van de WW 3.
Daarnaast is een mogelijkheid de fiscale behandeling van het eigen huis
aan te passen. De budgettaire opbrengsten hiervan worden aangewend
om de belastingtarieven te verlagen en arbeid meer lonend te maken.
Dit werkt positief uit voor de arbeidsparticipatie (Studiegroep begro-
tingsruimte, 2006). Daarnaast heeft het CPB recent de studie
Reinventing the Welfare State gepresenteerd, waarin ook de aanpassing
van de ontslagbescherming als mogelijke maatregel wordt doorgerekend
(CPB, 2006a).
Brinkman (2004) zwakt de verwachting van de participatieverhogende
cohorteffecten die de arbeidsparticipatie verhogen voor de zorgsector af.
“Naar verwachting zal de sector in de toekomst steeds minder profiteren
van een hogere arbeidsparticipatie van vrouwen. Juist in de jongere leef-
tijdscategorieën is deze al hoog en van deze vrouwen is een veel groter
deel dan voorheen juist niet werkzaam in de sector Zorg en Welzijn”.
Ook van der Windt en Talma (2006) denken dat de cohorteffecten
minder groot zullen zijn.
Berkhout, et al. (2005) hebben onderzoek gedaan naar de introductie
van een langere werkweek in de collectieve sector, inclusief zorg en wel-
zijn. Anders dan Van der Windt en Talma (2006) komen zij tot de con-
RVZ                                                      Arbeidsmarkt en zorgvraag 83
</pre>

====================================================================== Einde pagina 83 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 84 ======================================================================

<pre>clusie dat 50% van de voltijders en 52% van de deeltijders in de sector
zorg en welzijn (inclusief het curatieve deel) tegen betaling langer wil
werken. Van der Windt en Talma (2006) komen echter tot de conclusie
dat er meer verpleegkundigen, verzorgenden en sociaalagogen zijn die
minder willen werken in plaats van meer. In de care-sectoren wil tussen
de 11 en 22 procent meer werken, en tussen de 30 en 41 procent min-
der. De rest wil geen verandering in de arbeidsduur.
Berkhout, et al. (2005) hebben ook vier prikkels onderzocht die mensen
kunnen overhalen om meer uren te werken. Deze prikkels waren de
mogelijkheid om regelmatig thuis te werken, gratis huishoudelijke hulp
via de werkgever, extra faciliteiten kinder- of naschoolse opvang en tijd
sparen voor vervroegd pensioen. Werknemers in zorg en welzijn bleken
gevoelig voor al deze prikkels behalve voor de mogelijkheid om thuis te
werken. Ze zouden er per prikkel gemiddeld zo’n anderhalf uur extra
werken in de week voor over hebben.
Twee andere flankerende maatregelen die ze hebben onderzocht, zijn de
verlenging van de werkweek en de verhoging van het loon. Het effect van
beide maatregelen is onderzocht voor mensen met een voltijds werkweek.
Gemiddeld zouden voltijders in de zorg 2,9 uur meer gaan werken tegen
hetzelfde uurloon bij een 40-urige werkweek. Dat wil zeggen dat mensen
die nu een 40-urig contract hebben best 42,9 uur zouden willen werken
als zij voor die extra uren betaald krijgen. Bij een 45-urige en een 50-
urige werkweek zijn de extra uren respectievelijk 5,1 en 6,0 uren. Let
wel: het gaat hier om voltijders, terwijl in de sector juist veel deeltijders
werken. De vraag is in hoeverre deeltijders meegaan met de voltijders.
Dit is vooral een psychologisch effect. Daarnaast wordt een deel van deze
extra uren nu al als (onbetaalde) overuren gewerkt, gemiddeld voor de
hele collectieve sector ongeveer 2 uur. Verder zou de arbeidsproductivi-
teit van de extra uren lager kunnen zijn dan de productiviteit van de
gewerkte uren in de huidige kortere werkweek. Het CPB gaat in haar
modellen uit van een productiviteitsverlies van 20% in de extra gewerkte
uren (CPB, 2004b).
Verhoging van het bruto uurloon is volgens Berkhout, et al. geen effec-
tief middel om het zittende personeel over te halen meer uren te gaan
werken “Doordat werknemers een hoger loon krijgen voor de uren die ze
al werkten, bieden ze zich niet voor meer uren aan op de arbeidsmarkt
(inkomenseffect), ondanks dat vrije tijd door de loonsverhoging relatief
duur wordt (substitutie-effect)”.
Een loonsverhoging kan de attractiviteit van de sector voor nieuw perso-
neel natuurlijk wel doen toenemen. Zo blijk uit (internationaal) onder-
zoek dat de relatieve financiële beloning van een beroep invloed heeft op
de keuze voor dat beroep (SEO, 2000).
RVZ                                                    Arbeidsmarkt en zorgvraag 84
</pre>

====================================================================== Einde pagina 84 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 85 ======================================================================

<pre>4.3       Gratis kinderopvang in de zorg
Conclusie: Hoeveel meer mensen door gratis kinderopvang voor men-
sen in de lagere functieschalen aan de slag gaan of meer uren gaan wer-
ken is niet op voorhand te berekenen. Wel is op grond van (internatio-
nale) gegevens en onderzoek aannemelijk dat dit een positief effect zal
hebben op de arbeidsparticipatie. De grootste winst in termen van
arbeidsparticipatie is naar verwachting te behalen in de lagere functie-
schalen omdat daar het meest in kleinere deeltijdfuncties wordt gewerkt.
Toelichting
In de vorige paragraaf bleek dat één van de prikkels om meer uren te
werken kinderopvang is (Berkhout, et al., 2005). Ook uit ander onder-
zoek blijkt dat kwalitatief goede en betaalbare kinderopvang meer
arbeidsparticipatie (van vrouwen) oplevert. De vraag is of we kunnen
berekenen hoeveel dat zou opleveren (voor in het bijzonder de caresec-
tor).
Bekend is immers ook dat Nederlandse vrouwen volgens het SCP vin-
den dat het voor een baby of peuter het beste is als hij of zij alleen door
de eigen ouders wordt verzorgd. Bij basisschoolleerlingen vindt zelfs
driekwart dat het kind na schooltijd het beste door de ouders kan wor-
den opgevangen. Werken in deeltijd biedt de moeders de mogelijkheid
om de zorg voor kinderen grotendeels of geheel in eigen handen te hou-
den. Deze opvattingen over werk en zorg voor kinderen blijken het
meest bepalend voor het gebruik van (in)formele kinderopvang en de
arbeidsparticipatie van de moeders (SCP, 2006).
Of heeft de arbeidsparticipatie ook te maken met de prijs die ouders
moeten betalen voor kinderopvang? Zou het wat uitmaken als de finan-
ciering anders wordt geregeld?
De Scandinavische landen staan bekend om hun mogelijkheden voor
kinderopvang. Dat gaat samen met een hogere arbeidsparticpatie van
vrouwen dan in Nederland. Dat blijkt uit onderstaande tabel uit een
door het Ministerie van Financiën opgestelde studie De lessen uit de
Nordics.
RVZ                                                  Arbeidsmarkt en zorgvraag 85
</pre>

====================================================================== Einde pagina 85 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 86 ======================================================================

<pre>Tabel 15       Participatiegraad naar geslacht en opleiding
              (leeftijd 25-64 jaar, 2003)
                           Mannen                          Vrouwen
              Lager        Middelbaar Voortgezet Lager     Middelbaar Voortgezet
              onderwijs    onderwijs onderwijs   onderwijs onderwijs onderwijs
 VS           75.5         85.4       91.3       50.4      72.0       80.4
 EU-15        77.3         86.5       91.4       46.6      72.4       84.6
 Nederland    77.7         88.4       92.9       47.2      74.1       84.1
 Denemarken   75.4         87.3       92.7       55.8      80.7       88.4
 Zweden       78.0         87.9       90.4       65.1      83.4       88.1
 Finland      68.7         84.3       90.7       62.3      78.5       87.8
 Noorwegen    74.4         88.0       94.0       58.5      79.6       88.9
Bron: Ministerie van Financiën, 2005
De les die Nederland kan trekken, moet dan ook eerst worden gezocht
in beleid dat arbeidsparticipatie van vrouwen stimuleert. De participatie
van mannen loopt in Nederland weinig uit de pas met die van de
Nordics.
Hoeveel kinderopvang aan arbeidsparticipatie voor de zorgsector uitein-
delijk zou opleveren, in het bijzondervoor de caresector, is niet zonder
meer te zeggen. Enerzijds zou men kunnen stellen dat het veel moet
opleveren, omdat het vooral vrouwen zijn met lager onderwijs waar nog
veel winst te boeken is en dat dit ook de groep is die aan de onderkant
van de caresector c.q. de markt voor persoonlijke dienstverlening werk-
zaam zal zijn.
Anderzijds past hier ook de opmerking uit ander onderzoek waarin op
het volgende wordt gewezen: “Naar verwachting zal de sector in de toe-
komst steeds minder profiteren van een hogere arbeidsparticipatie van
vrouwen. Juist in de jongere leeftijdscategorieën is deze al hoog en van
deze vrouwen is een veel groter deel dan voorheen juist niet werkzaam
in de sector zorg en welzijn (Brinkman, 2004).
Het SCP en SEO hebben een ramingsmodel ontwikkeld voor de ver-
wachte vraag naar kinderopvang. Daaruit blijkt dat de hoeveelheid
opvang in alle modellen beïnvloed wordt door de eigen bijdrage (nega-
tief ) en het inkomen (positief ) (pag.71).
Figuur 8 laat voor verschillende inkomensniveaus de extra kosten voor
kinderopvang zien bij het uitbreiden van een baan van de minstverdie-
nende partner. De kosten zijn na aftrek van de overheidsbijdrage en de
werkgeversbijdrage. Uitgangspunt is dat de werkgever meebetaalt. Dat
gebeurt in de meeste gevallen ook en is inmiddels vanaf 2007 wettelijk
verplicht gesteld. Het gaat in de figuur om de kosten van één dag extra
kinderopvang voor 1 respectievelijk 2 kinderen, wanneer de minstverdie-
nende partner één dag per week extra gaat werken. De kosten zijn uitge-
RVZ                                                         Arbeidsmarkt en zorgvraag 86
</pre>

====================================================================== Einde pagina 86 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 87 ======================================================================

<pre>drukt in procenten van het extra besteedbare inkomen. In 2006 bedra-
gen deze kosten, afhankelijk van het huishoudinkomen, 25% tot 50%
van het extra inkomen, terwijl dit voor 2005 nog tussen 35% en bijna
70% lag.
Figuur 8: Beslag op het tweede inkomen van extra uitgaven
             kinderopvang bij uitbreiding arbeidsduur en bij
             volledige werkgeversbijdrage
 Inkomen                         1 kind                  2 kinderen
 1ste ouder      2de ouder       2005           2006     2005        2006
 1/3 *modaal     1/3 *modaal     35,0%          26,6%    46,8%        32,9%
 1 *modaal       1/2 *modaal     47,2%          34,1%    61,7%        40,2%
 1 1/3 *modaal   2/3 *modaal     52,9%          38,0%    68,8%        44,0%
 2 *modaal       1 *modaal       35.2%          43,3%    45,9%        49,1%
Bron: Nota gezinsbeleid van het ministerie van VWS 2006.
De grootste winst door meer uren werken, zo werd duidelijk in de vorige
paragraaf, is te behalen in de laagste functieschalen omdat daar het meest
in deeltijd wordt gewerkt. Daarom berekent de RVZ hier twee varianten
van gratis kinderopvang voor de lagere functieschalen in de zorg.
Wat kost het de overheid extra als die het werknemersdeel van de zorgwerk-
nemervoor zijn rekening neemt?
Hieronder wordt berekend wat de extra overheidsuitgaven zijn van de
maatregel om kinderopvang voor de laagste schalen in de zorgsector gra-
tis te verstrekken. Tot de zorgsector worden hier gerekend: ziekenhuizen,
GGZ, gehandicaptenzorg, verpleeg- en verzorgingshuizen en de thuis-
zorg. Voor de berekening worden twee varianten uitgewerkt. De eerste
waarbij t/m FWG schaal 35 gratis kinderopvang wordt aangeboden en
de tweede waarbij t/m FWG schaal 45 gratis kinderopvang wordt aange-
boden.
Stap 1: Berekening totale uitgaven van gratis kinderopvang voor de hele
bevolking
Het ministerie van Financiën heeft voor de hele bevolking (algemene
toegankelijkheid, ook voor niet werkenden) de totale uitgaven voor kin-
deropvang berekend (Ministerie van Financiën, 2006). Voor de hele
bevolking gratis kinderopvang komt uit op zo’n 10,8 miljard euro. Dit
zijn de totale uitgaven aan kinderopvang. De overheid betaalt echter nu
al een deel van die 10,8 miljard, de zogenoemde overheidsbijdrage.
Financiën gaat ervoor de berekening verder vanuit dat door het gratis
maken van kinderopvang het aantal kinderen in de opvang in Nederland
RVZ                                                           Arbeidsmarkt en zorgvraag 87
</pre>

====================================================================== Einde pagina 87 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 88 ======================================================================

<pre>             stijgt naar het Zweedse niveau. Ze heeft in de berekening het aantal kin-
             deren in de jongste leeftijdscohorten dat gebruik maakt van de kinder-
             opvang in Nederland opgehoogd naar het Zweedse percentage van
             gebruik van kinderopvang in diezelfde leeftijdscohorten. In het navol-
             gende zullen we de uitgaven voor de overheid dat door een partiële toe-
             passing van de maatregel veroorzaakt wordt, namelijk voor de zorgsector
             tot een bepaald schaalniveau, berekenen.
             Stap 2: Berekening aantal personen in de laagste schalen in de zorg
             We moeten in ieder geval het aantal werkzame personen naar FWG-
             schaal berekenen. Helaas is alleen een procentuele verdeling naar FWG-
             schaalniveau per branche over 2002 openbaar en dan alleen nog voor de
             verpleegkundige en verzorgende beroepsgroepen (Van der Windt, et al.,
             2003). Deze gegevens zijn toch gebruikt omdat er geen andere bron
             beschikbaar is en omdat in 2002 ongeveer 77% van het personeel werk-
             zaam is in verplegende en verzorgende beroepen en vooral in de lagere
             functieschalen. De verstoring in de berekening blijft daardoor waar-
             schijnlijk relatief beperkt, maar is wel degelijk aanwezig. Zie onderstaan-
             de tabel.
             Tabel 16 Procentuele verdeling van verplegenden en verzorgenden
                           naar schaalniveau FWG per branche in 2002
     Algemene          Academische    GGZ        Gehandicapten-  Verpleeg- en     Thuiszorg
     ziekenhuizen      ziekenhuizen              zorg            verzorgings-
                                                                 huizen
-25   2%                 0%            2%         9%             23%              56%
 30   1%                 0%            3%        17%             11%              11%
 35   4%                 8%            8%        23%             42%              25%
 40  25%                 9%           19%        37%             16%               4%
 45  35%               46%            47%        10%              5%               4%
 50+ 32%               37%            21%         5%              4%               0%
              Bron: Levv, 2003.
             Toelichting bij de tabel
             De verdeling in de thuiszorg is geschat met behulp van de verdeling van
             het aantal verplegenden, verzorgenden en sociaalagogen in de thuiszorg
             naar kwalificatieniveau uit de Regiomarge 2006. Voor de GGZ is de ver-
             deling naar schaalniveau van de psychiatrische ziekenhuizen genomen.
             Een andere was helaas niet bekend. Wel is deze verdeling vergeleken met
             de verdeling naar kwalificatieniveau uit de Regiomarge. Deze bleek voor
             de hele GGZ redelijk overeen te komen.
             Daarna is de procentuele verdeling naar FWG-schaalniveau vermenig-
             vuldigd met het aantal totaal aantal werkzame personen in loon- en
             flexibele dienst om het aantal werkzame personen naar schaalniveau in
             2002 te berekenen. Hiervoor zijn de tabellen van AZWinfo.nl gebruikt.
             RVZ                                                     Arbeidsmarkt en zorgvraag 88
</pre>

====================================================================== Einde pagina 88 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 89 ======================================================================

<pre>De grootste groep flexibel personeel is de groep alfahulpen en deze is dus
meegeteld. In de hieronder staande tabel 17 is in de tweede kolom het
aantal personen t/m FWG schaal 35 en het aantal personen t/m FWG
schaal 45 in 2002 weergegeven.
Stap 3: Berekening totale uitgaven van kinderopvang voor laagste schalen
Vervolgens is het percentage dat in een bepaalde functieschaal werkzaam
is berekend ten opzichte van de hele bevolking en vermenigvuldigd met
€ 10,8 miljard. Het percentage is van de gehele bevolking genomen,
omdat de berekening van de € 10,8 miljard ook was gebaseerd op basis
van gratis kinderopvang voor de hele bevolking. De berekening resul-
teert in een bedrag van ongeveer € 273 mln. totale uitgaven van kinder-
opvang voor de personen t/m FWG-schaal 35 en ongeveer € 471 mln
totale uitgaven van kinderopvang voor de personen t/m FWG-schaal 45.
Zie tabel 17.
Deze bedragen moeten worden gezien als minimumschattingen. Ten
opzichte van de hele bevolking zijn relatief veel vrouwen in deze schalen
werkzaam en zij werken ook relatief vaak in deeltijd. Als men zou aanne-
men dat deze groep juist relatief vaker gebruik maakt van kinderopvang-
mogelijkheden ten opzichte van het gemiddelde in de hele bevolking
dan zijn de berekende bedragen hoger. De berekening van de € 10,8
miljard is namelijk gebaseerd op het gemiddelde gebruik van kinderop-
vang in de hele bevolking.
Tabel 17 Berekening van de totale uitgaven aan kinderopvang voor
               de laagste functieschalen in de zorg
                                    Absoluut      Percentage      Bedragen
 Aantal personen t/m FWG 35            407.737    2,53%            € 273 mln.
 Aantal personen t/m FWG 45            702.885    4,36%            € 471 mln.
 Totale bevolking                   16.105.285
Van de hierboven uitgerekende bedragen neemt de overheid waarschijn-
lijk nu al een groot deel voor haar rekening. In Nederland nemen de
overheid, de werknemer en de werkgevers elk gemiddeld 1/3 van de uit-
gaven voor hun rekening. Omdat de regeling afhankelijk is van het huis-
houdinkomen neemt de overheid voor lage huishoudinkomens nu al een
groot deel van de uitgaven voor haar rekening. Dit kan voor een indivi-
dueel huishouden oplopen tot meer dan 60%. Zie figuur 9.
RVZ                                                    Arbeidsmarkt en zorgvraag 89
</pre>

====================================================================== Einde pagina 89 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 90 ======================================================================

<pre>Figuur 9 Aandeel van overheid, werkgever en werknemer in
             de kinderopvanguitgaven (2006)
Bron: CPB, 2005.
Stap 4: Berekening extra overheidsuitgaven door gratis maken van kinder-
opvang voor laagste schalen
Bij het gratis maken van kinderopvang voor de laagste schalen gaan we
ervan uit dat de overheid de werknemersbijdrage van de werknemer in
de zorg overneemt. In de huidige regeling is de werknemersbijdrage
afhankelijk van het gezamenlijke belastbare inkomen. Dus het belastbare
inkomen van de werknemer in de zorg én de eventuele partner. Omdat
we hier alleen de werknemersbijdrage van de zorgwerknemer willen over-
nemen gaan we in onderstaande berekening uit van het individuele
belastbare inkomen van de zorgwerknemer en niet van het belastbare
huishoudinkomen. Als we uitgaan van een gemiddelde werknemersbij-
drage van 1/3 per individueel inkomen per zorgwerknemer dan zullen de
extra uitgaven voor de overheid 1/3 * € 273,- = € 91 mln. zijn voor
functieschalen t/m FWG 35 en 1/3 * 471 = € 157 mln. zijn voor de
functieschalen t/m FWG 45. Waarschijnlijk zijn deze bedragen echter
aan de hoge kant, omdat het hier juist om de lage schalen gaat en deze
nu zeer waarschijnlijk gemiddeld minder dan 1/3 bijdragen.
Kinderopvang als basisvoorziening, betaald uit de algemene middelen,
kan wel op een andere manier nog bijdragen aan het oplossen van de te
verwachten arbeidsmarktproblemen. Kwalitatief goede en betaalbare kin-
deropvang kan eraan bijdragen dat mantelzorg ook voor mensen met een
wat grotere deeltijdbaan tot de mogelijkheden blijft behoren. De aanwe-
zigheid van voldoende mantelzorgers is immers van groot belang om de
vraag naar zorg beheersbaar te houden. Om die reden is kinderopvang
als basisvoorziening, betaald uit de algemene middelen, zeker ook te
noemen als maatregel die bijdraagt aan het oplossen van de te verwach-
ten arbeidsmarktproblemen.
RVZ                                                   Arbeidsmarkt en zorgvraag 90
</pre>

====================================================================== Einde pagina 90 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 91 ======================================================================

<pre>5         Aangrijpingspunten voor beleid
In deze bijlage zijn we in vogelvlucht langs de kwantitatieve ontwikke-
lingen van de arbeidsmarkt en de arbeidsproductiviteit gegaan.
De belangrijkste conclusie die we op basis daarvan trekken, is dat de
arbeidsmarktproblematiek op de lange termijn niet oplosbaar is, zonder
een sterke stijging van de arbeidsproductiviteit.
Paradoxaal genoeg betekent meer economische groei en dus meer geld
voor bijvoorbeeld de arbeidsvoorwaardenontwikkeling vaak ook dat de
arbeidsproductiviteit daalt, omdat de productiviteitsgroei er geen gelijke
tred mee houdt. Tegelijkertijd weten we, zeker op het niveau van de
totale sector eigenlijk heel weinig van hoe de arbeidsproductiviteit zich
ontwikkelt en welke kwantitatieve relaties er bestaan tussen deze ontwik-
keling en de aannemelijk geachte determinanten voor arbeidsproductivi-
teit.
Naast de arbeidsproductiviteit is de vervroegde uittreding uit de gezond-
heidszorg een in het oog springend fenomeen. We hebben gezien dat
vanaf het 45e levensjaar er in hoog tempo veel mensen uittreden
(figuur 1).
Ook de teruglopende stille reserve aan arbeidskrachten stemt tot naden-
ken. De buffer om in krappe tijden meer mensen naar de arbeidsmarkt
te lokken wordt kleiner, terwijl de omvang van de krapte in de toekomst
juist groter zal zijn dan in het verleden (tabel 3). De krapte die ontstaat
door de vergrijzing slaat niet in elke sector even hard toe (tabel 4). Zo is
de thuiszorg veel sterker vergrijsd dan bijvoorbeeld de gehandicapten-
sector.
Om het aanbod uit te breiden is winst te behalen als mensen langer blij-
ven werken. Maar die winst is minder groot dan wanneer veel mensen
meer uren zouden gaan werken. Als dat zou gebeuren, kan het arbeids-
marktprobleem voor een belangrijk deel worden opgelost.
Om mensen zover te krijgen zou gratis kinderopvang een goede prikkel
kunnen zijn. Dat zou de overheid ten opzichte van de huidige situatie
€ 100-150 mln. extra kosten.
RVZ                                                    Arbeidsmarkt en zorgvraag 91
</pre>

====================================================================== Einde pagina 91 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 92 ======================================================================

<pre>Noten
1
    Merk op dat de prognose van het CPB een ander eindjaar heeft dan
    de prognose van VWS. VWS kijkt naar het percentage in het jaar
    2025 en het CPB naar het percentage in het jaar 2040.
2
    Interessant is dat het ROA net als Ecorys bij de berekeningen uit-
    gaat van één van de twee middenscenario's van het CPB, namelijk
    het Transatlantic Market-scenario. Zij vindt dat gegeven de recente
    ontwikkelingen de meest realistische. Dit terwijl VWS en Prismant
    uitgaan van het Global Economy scenario. Qua uitkomsten voor de
    bedrijfstak zorg heeft dit echter nauwelijks gevolgen. Het beslag van
    de werkgelegenheid in de zorg op de totale economie bedraagt in
    het TM-scenario 18,3% tegenover 18,5% in het GE-scenario. De
    groei van het BBP is in het TM-scenario wel 0,7%-punt lager dan
    in het GE-scenario.
3
    “In de huidige belastingregeling ontvangen huishoudens waarvan de
    secundaire verdiener (de persoon met het lagere inkomen) een belas-
    tingafdracht heeft die lager is dan de algemene heffingskorting (in
    2006 1990 euro per persoon), een overdracht van de fiscus die gelijk
    is aan het ongebruikte deel van deze korting. Tot aan het bedrag van
    de heffingskorting gaat elke verdiende euro dus gepaard met een
    vermindering van het overgedragen deel van de heffingskorting. Het
    marginale tarief over dit inkomenstraject komt overeen met het
    tarief dat geldt over het extra verworven inkomen. Dit maakt het
    voor deze personen minder aantrekkelijk om zich voor een beperkt
    aantal uren aan te bieden op de arbeidsmarkt. Individualiseren van
    de algemene heffingskorting bevordert dus het arbeidsaanbod en
    dan met name bij partners bij wie het in de afweging gaat om een
    kleine baan” (CPB, 2006b).
RVZ                                                  Arbeidsmarkt en zorgvraag 92
</pre>

====================================================================== Einde pagina 92 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 93 ======================================================================

<pre>Literatuur
AWZinfo.nl. Personeelskenmerken/omvangwerkweek/verplegende en ver-
zorgende beroepen/totaal, Prismant. Website bezocht op 22 juni 2006.
Berkhout, P., De Graaf, D. en Van Leeuwen, M.Terug naar meer?;
langere werkweek in de collectieve sector, Stichting voor economisch
onderzoek der Universiteit van Amsterdam (SEO), 2005.
Brinkman, W. Extra zorgpersoneel door hogere participatie oudere
werknemers. Economische Statistische Berichten, 2004. pp. 594-595.
Centraal Bureau voor de Statistiek. Sturen op statistieken: visies uit de
samenleving. Voorburg: CBS, 2004.
Centraal Bureau voor de Statistiek, Bevolking: kerncijfers,
www.statline.nl, Voorburg/Heerlen 2006-07-14.
College bouw ziekenhuisvoorzieningen. Signaleringsrapport
Uitbesteding van zorg.
Utrecht: College bouw ziekenhuisvoorzieningen, 2004.
College bouw ziekenhuizvoorzieningen. Zorgpaden en zorginfrastruc-
tuur. Utrecht: College bouw ziekenhuisvoorzieningen, 2004.
Centraal Planbureau. Reinventing the Welfare State, Den Haag, 2006a.
Centraal Planbureau. Varianten voor de studiegroep begrotingsruimte:
effecten op houdbare overheidsfinanciën,
Den Haag, 2006b. Nr. 2006/23.
Centraal Planbureau. De macro economische effecten van
arbeidsduurverlenging, Den Haag, 2004b.
Centraal Planbureau. Vier toekomstscenario's voor overheid en zorg,
CPB-document no 72, Voorburg, november 2004a.
Centraal Planbureau. De arbeidsmarkt van de zorgsector: data en model-
len, CPB memorandum nr 124, Den Haag: CPB, 17 augustus 2005.
CWI. CWI arbeidsmarktprognose 2005-2010, Amsterdam, 2005.
Dekker, R. en A. Kleinknecht. Flexibiliteit, technologische vernieuwing
en de groei van de arbeidsproductiviteit: een exploratie van het OSA
bedrijvenpanel. Tilburg: OSA, 2003.
RVZ                                                  Arbeidsmarkt en zorgvraag 93
</pre>

====================================================================== Einde pagina 93 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 94 ======================================================================

<pre>Delfgaauw, J. Marktwerking in de zorg en de kosten van arbeid.
ESB 22 04 2005.
Dell, M.W. en L.J.R. Vandermeulen. Arbeidsproductiviteit in de zorg.
Tilburg: OSA, 2005.
Ecorys. Vraag en aanbod van personeel in de collectieve sector tot 2013.
Rotterdam, 29 maart 2006.
Eerenbeemt, F. van den, B. Mulder. Samen zorgen voor jezelf; een natio-
nale infrastructuur voor zorginformatie. DeInformatieWerkPlaats, 2005.
Essen, G. van, E. Josten en H. Meihuizen. Arbeid in zorg en welzijn:
integrerend OSA-rapport 2004. Tilburg: OSA, 2004.
Expertmeeting Innovatie in de care. www.zorgvoorbeter.nl
Goudriaan, R., et al. Achtergrondrapport bij Arbeidsmarkt, arbeids-
productiviteit en vergrijzing. Den Haag: APE, 2005a.
Goudriaan, R., et al. Arbeidsmarkt, arbeidsproductiviteit en vergrijzing:
internationale ervaringen met oplossingen voor personeelstekorten in de
zorgsector. Den Haag: APE, 2005b
Hingstman, L., et al. Arbeidsmarktstatistieken in zorg en welzijn 2004.
Gezamenlijke publicatie van NIVEL, Prismant en OSA.
Tilburg/Utrecht: OSA, 2004.
KITTZ. Een zorg minder en minder zorg: technologie om zelfzorg en
mantelzorg te stimuleren en ondersteunen. Groningen: KITTZ, 2005.
Lee, C. Arbeidsproductiviteit en motivatie gaan hand in hand.
Prismant magazine, maart 2005.
Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties.
De Arbeidsmarkt in de collectieve sector 2002; investeren in mensen
en kwaliteit, Den Haag, februari 2001. (Rapport Van Rijn)
Ministerie van Financiën. De lessen uit de Nordics; een verkennende
studie door het Ministerie van Financiën, GT/BFB/0505.
Ministerie van VWS, Nota gezinsbeleid 2006, Den Haag, 31-3-2006.
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Rijksbegroting
Volksgezondheid, Welzijn en Sport 2005. Den Haag: VWS, 2004.
RVZ                                                 Arbeidsmarkt en zorgvraag 94
</pre>

====================================================================== Einde pagina 94 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 95 ======================================================================

<pre>OSA. OSA-arbeidsaanbodmonitor Zorg en Welzijn 2002, vragenlijsten,
codeboeken en aanwijzingen voor gebruik. Organisatie voor Strategisch
Arbeidsmarktonderzoek (OSA), 2003. In: Windt, W. van der, et al.
Feiten over verpleegkundige en verzorgende beroepen in Nederland 2003.
Maarssen/Utrecht: Elsevier gezondheidszorg;
Landelijk Expertisecentrum Verpleging & Verzorging, 2004
Ott, M., Paardekooper, P., Van der Windt, W. Arbeid in zorg en welzijn
2005. Utrecht: Prismant, 2005.
Portegijs W, Cloïn M, Ooms I. en Eggink, E. Hoe het werkt met kinde-
ren. Moeders over kinderopvang en arbeidsparticipatie, Den Haag,
Sociaal en Cultureel Planbureau, februari 2006, ISBN 90 377 0238 4.
Poel, P. van de. Meten met een natte vinger: enquête arbeids-
productiviteit. Zorgvisie.
Prismant. De arbeidsmarkt voor verpleegkundigen, verzorgden en soci-
aal-pedagogen in de zorgsector 2004-2008. Utrecht: Prismant, 2005.
Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (ROA). De arbeids-
markt naar opleiding en beroep tot 2010. Universiteit Maastricht,
Maastricht, november 2005. ROA-R-2005/9.
Studiegroep begrotingsruimte. Vergrijzing en Houdbaarheid;
12e rapport van de Studiegroep Begrotingsruimte. Den Haag, 2006.
Sociaal Cultureel Planbureau. Landelijk ramingsmodel kinderopvang
2002-2010, Onderzoek in opdracht van het ministerie van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid, SCP-werkdocument 98, SEO-rapport 700
Tweede Kamer, Van beleidsbegroting tot beleidsverantwoording;
Nota met voorstellen voor herontwerp van departementale begrotingen
en verantwoordingen, Kamerstuk 1998-1999, 26573, nr. 2.
Ward, A. Why the health police are watching you.
Windt, W .van der, Calsbeek H, Talma H, Hingstman L. Feiten over
verpleegkundige en verzorgende beroepen in Nederland 2003. Maarssen:
Elsevier Gezondheidszorg en LEVV, 2003.
Windt, W. van der en Talma, H. Regiomarge 2006; de arbeidsmarkt van
verpleegkundigen, verzorgenden en sociaalagogen 2006-2010.
Utrecht: Prismant, 2006.
RVZ                                                Arbeidsmarkt en zorgvraag 95
</pre>

====================================================================== Einde pagina 95 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 96 ======================================================================

<pre>Windt, W. van der, H. Talma. De arbeidsmarkt voor verpleegkundigen,
verzorgenden en sociaalpedagogen in de zorgsector 2004-2008: een ver-
kenning van de arbeidsmarkt met RegioMarge. Utrecht: Prismant, 2005.
Windt, W. van der, et al. Feiten over verpleegkundige en verzorgende
beroepen in Nederland 2003. Maarssen: Elsevier Gezondheidszorg en
LEVV, 2003.
RVZ                                                Arbeidsmarkt en zorgvraag 96
</pre>

====================================================================== Einde pagina 96 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 97 ======================================================================

<pre>Bijlage 5
Arbeidsproductiviteit: een begripsverkenning
1          Inleiding
Deze notitie verkent wat we nu eigenlijk precies bedoelen als we het
hebben over arbeidsproductiviteit. Typerend aan het begrip arbeidspro-
ductiviteit is dat we daar weliswaar op een hoog abstractieniveau min of
meer hetzelfde over denken, maar dat bij de concrete vertaling en opera-
tionalisering de meningen sterk uit elkaar gaan lopen. Zo kunnen werk-
gevers bijvoorbeeld claimen dat loonmatiging de arbeidsproductiviteit
bevordert, terwijl werknemers er juist op wijzen dat hierdoor de motiva-
tie en daarmee de arbeidsproductiviteit wordt aangetast. Hoge lonen
zouden ook het innovatief vermogen in de economie kunnen bevorderen
(een van de belangrijkste determinanten voor arbeidsproductiviteit).
We kunnen constateren dat er op het abstracte niveau een basale over-
eenstemming bestaat over wat arbeidsproductiviteit ongeveer inhoudt.
Arbeidsproductiviteit refereert aan het zo doelmatig mogelijk inzetten
van de beschikbare hoeveelheid arbeid. In de praktijk worden daar ech-
ter veelal verschillende dingen onder verstaan. Dit betekent dat er nogal
wat conceptuele en operationele problemen bij het begrip arbeidspro-
ductiviteit spelen. De doelstelling van deze notitie is om in deze discussie
structuur aan te brengen.
We beginnen met de formele definitie van arbeidsproductiviteit en laten
zien hoe we dit begrip moeten plaatsen in het productieproces van de
zorgsector (paragraaf 2). Er bestaat een drietal problemen waardoor het
in de zorgsector lastig is om de abstracte definitie van arbeidsproductivi-
teit concreet te maken. Dit zijn problemen op het terrein van de meet-
baarheid, de onderlinge vergelijkbaarheid en de onduidelijkheid over de
belangrijkste determinanten van arbeidsproductiviteit (paragraaf 3). Tot
slot proberen we zicht te krijgen op wat al deze constateringen beteke-
nen voor een advies over het stimuleren van de arbeidsproductiviteit in
de zorgsector en met name in de verpleging en verzorging (paragraaf 4).
RVZ                                                    Arbeidsmarkt en zorgvraag 97
</pre>

====================================================================== Einde pagina 97 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 98 ======================================================================

<pre>2         Wat is nu precies arbeidsproductiviteit?
2.1       Inleiding
Deze paragraaf bespreekt wat we nu precies onder arbeidsproductiviteit
kunnen verstaan en welke andere concepten daarbij van belang zijn. We
beginnen met een abstracte en formele definitie van het begrip. Daarna
maken we aan de hand van een voorbeeld vanuit het productieproces in
de zorg duidelijk dat er verschillende invullingen van arbeidsproductivi-
teit bestaan. Dit hangt samen met welke productiviteit we in kaart wil-
len brengen.Vervolgens maken we duidelijk dat de productiefactor
arbeid dient te worden geplaatst tegenover de productiefactor kapitaal.
Tot slot gaan we in op het belang van een adequate meting van
‘throughput’, ‘output’ en ‘outcome’. Om een goed beeld van arbeids-
productiviteit te krijgen, is het noodzakelijk dat deze drie indicatoren
allemaal in kaart worden gebracht.
2.2       Formele definitie van het begrip
De hoeveelheid arbeidsproductiviteit is gelijk aan de hoeveelheid arbeid
die nodig is voor het maken van een bepaalde hoeveelheid producten.
Arbeidsproductiviteit is dus de formele verhouding tussen de hoeveel-
heid arbeid en de daaruit voortvloeiende productie. Hieruit volgt dat we
een aantal vervolgvragen moeten beantwoorden om zicht te krijgen op
de hoeveelheid arbeidsproductiviteit. We moeten bijvoorbeeld weten wat
we onder arbeid verstaan, wat we onder productie verstaan en welke cau-
sale verbanden ertussen deze twee grootheden bestaan. Als we daarnaast
ook nog de hoeveelheid arbeid en de hoeveelheid product kunnen verta-
len in monetaire eenheden, ontstaat er een financiële operationalisering
van arbeidsproductiviteit. Deze arbeidsproductiviteit is echter weer een
onderdeel van de totale hoeveelheid productiviteit en krijgt daarom zijn
betekenis mede binnen het productieproces van de zorgsector. We zullen
dit productieproces daarom nu eerst kort uitwerken.
2.3       Het productieproces in de zorgsector
Het productieproces in de zorgsector wordt schematisch afgebeeld in
figuur 1. Het uiteindelijke doel van het productieproces in de zorg is
om mensen beter te maken of om een betere kwaliteit van leven te bie-
den. Dit zijn de zogenaamde ‘outcomes’ of de finale doelstellingen van
het productieproces. In de (semi) collectieve sector zijn deze ‘outcomes’
echter vaak maar moeilijk grijpbaar. Denk daarbij bijvoorbeeld aan de
beleving van veiligheid in de samenleving. In de zorg gaat het primair
RVZ                                                   Arbeidsmarkt en zorgvraag 98
</pre>

====================================================================== Einde pagina 98 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 99 ======================================================================

<pre>om volledig genezen patiënten of een verbetering van de kwaliteit van
leven.
Om de finale ‘outcomes’ te bereiken, is de inzet van een bepaalde hoe-
veelheid productiemiddelen noodzakelijk. Hierbij wordt er in de econo-
mische literatuur veelal een onderscheid gemaakt tussen arbeid, kapitaal
en grond (de ‘inputs’). Er zijn dus arbeidskrachten nodig, maar ook
gebouwen en apparatuur. De inzet van deze productiemiddelen levert in
eerste instantie allerlei tussenproducten of halffabrikaten op (de zoge-
naamde ‘throughputs’). Uiteindelijk leiden deze ‘throughputs’ tot de vast
te stellen ‘output’ van het productieproces. In de zorg kunnen we dan
bijvoorbeeld denken aan patiënten die een ontslagdiagnose krijgen of
een bepaalde hoeveelheid cliënten met langdurige verzorging op een
bepaald kwaliteitsniveau. De ‘outputs’ dragen het meest rechtstreeks bij
aan het uiteindelijke doel van verbetering van de volksgezondheid en een
betere kwaliteit van leven.
Figuur 1 maakt ook duidelijk dat productiviteit iets zegt over de relatie
tussen de ingezette productiemiddelen en een bepaald stadium in het
productieproces. Zo ontstaan er een drietal productiviteitsratio’s (A, B en
C) binnen de zorgproductie. Deze productiviteitsratio’s liggen idealiter -
maar niet per definitie - in elkaars verlengde. Een zorginstelling kan pro-
beren om met een begrensde hoeveelheid productiemiddelen het hoogst
mogelijke aantal tussenproducten te realiseren (A). Vervolgens kan wor-
den geprobeerd om de relatie tussen deze ‘througputs’ en de ‘outputs’ te
optimaliseren. Dit betekent dan weer dat zo min mogelijk ‘throughputs’
nodig zijn voor een enkele eenheid ‘output’ (B). Tot slot kan men ook
kijken naar de optimalisatie van de relatie tussen de ‘outputs’ met de
‘outcomes’. Het is dan de vraag of er ook daadwerkelijk de goede dingen
worden gedaan (C). Als in elk van de drie lagen een maximale producti-
viteit wordt behaald, ontstaat de ideaaltypische eindsituatie van maxima-
le productiviteit.
RVZ                                                    Arbeidsmarkt en zorgvraag 99
</pre>

====================================================================== Einde pagina 99 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 100 ======================================================================

<pre>Figuur 1 Het productieproces in de zorgsector
   Input:
                                  Productiviteitsratio’s
   artsen, verpleegkundigen,       A B C
   mantelzorgers, gebouwen,
   materiaalvoorraden
   Throughput:
   verpleging en verzorging,
   polikliniekbezoeken, dia-
   diagnostiek, operatietijd
   Output:
   ontslagen patiënten,
   intramuraal wonende
   cliënten
   Outcome:
   genezen ziekten, verbete-
   ring kwaliteit van leven.
We kunnen met het productieproces van een tweetal ziekenhuizen illus-
treren dat de verschillende productiviteitsratio’s in de praktijk met elkaar
op gespannen voet kunnen staan. In box 1 is hiervoor een sterk gesti-
leerd voorbeeld uitgewerkt aan de hand van liesbreukbehandelingen in
een tweetal ziekenhuizen. Dit voorbeeld maakt duidelijk dat hoewel zie-
kenhuis X voor hetzelfde aantal behandelde patiënten meer geld uitgeeft,
zij toch een hogere finale productiviteit behaalt. Dit komt omdat minder
patiënten terug hoeven te komen omdat de operatie niet is gelukt. Ook
is dit ziekenhuis veel productiever bij de totstandkoming van de tussen-
producten. Zij levert 60% meer tussenproducten tegen maar 10% hoge-
re kosten. Ziekenhuis Y daarentegen heeft echter lagere totale kosten en
een efficiëntere verhouding tussen input en output. De oorzaak hiervan
ligt in het feit dat er door het grotere aantal dagbehandelingen minder
personele inzet noodzakelijk is. Dit eenvoudige voorbeeld laat ons dus
zien dat de productiviteitsratio’s in de praktijk niet altijd consistent hoe-
ven te zijn.
Dat de productiviteitsratio’s niet altijd consistent zijn, hoeft echter geen
probleem te zijn. Immers, voor de maatschappij is vooral de finale pro-
ductiviteit relevant. Ziekenhuis X is dan duidelijk productiever per
RVZ                                                     Arbeidsmarkt en zorgvraag 100
</pre>

====================================================================== Einde pagina 100 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 101 ======================================================================

<pre>geslaagde behandeling dan ziekenhuis Y. Het voorbeeld dat in deze para-
graaf is uitgewerkt heeft echter een statisch karakter. Economen kennen
echter ook de dynamische productiviteit. Dit refereert aan de verbetering
van de productiviteit in de tijd. Dit is vooral voor arbeidskosten die in
de regel steeds stijgen erg relevant. Indien in ons voorbeeld de arbeids-
kosten met 10% per jaar stijgen en alle andere kosten hetzelfde blijven,
dan zal ziekenhuis Y uiteindelijk op alle drie de ratio’s productiever zijn
dan ziekenhuis X. Dit komt omdat ziekenhuis X 0,3 miljoen meer
aan arbeidskosten maakt en dus ook een hogere kostengroei zal hebben.
Ziekenhuis Y zal het verschil in finale productiviteit in maximaal 10 jaar
inlopen en dan op alle productiviteitsratio’s het beste scoren. Dit geeft
aan hoe belangrijk een hoge arbeidsproductiviteit is als we een langere
periode bezien.
Box 1: Liesbreuken in twee ziekenhuizen
Ziekenhuis X en Y behandelen beide 500 liesbreuken per jaar. Ziekenhuis Y heeft
daarbij een succesfactor van 80%. Deze patiënten komen niet meer terug.
Ziekenhuis X behandelt 450 patiënten met succes (90%). Beide ziekenhuizen hante-
ren dezelfde CAO en hebben dezelfde kosten voor kapitaal. Een verpleegkundige
kost € 50.000 per jaar en een arts € 150.000. De afschrijvingskosten voor het kapi-
taal bedragen € 50 per verpleegdag, € 150 per OK-uur en € 200 voor een dagbe-
handeling. Materiaalkosten zijn te verwaarlozen.
Behalve de succeskans verschillen de beide ziekenhuizen ook in hun keuze van de
behandelingsvorm. Ziekenhuis X kiest meestal (80%) voor een driedaagse opname,
terwijl ziekenhuis Y in 95% van de gevallen de patiënten in dagbehandeling
opneemt. Een opname duurt in beide ziekenhuizen drie dagen en kost 1 uur OK-tijd.
Standaarden laten zien dat de normatieve arbeidsinzet voor verpleegdagen, OK-tijd
en dagbehandelingen normatief in een verhouding tot elkaar staat van 1:1:2.
Ziekenhuis X heeft voor de behandelingen de beschikking over 50 fte verpleegkun-
dige en 10 fte arts. Ziekenhuis Y heeft 20 fte verpleegkundige en 18 fte arts.
We kunnen op basis van deze gegevens de productiviteitsratio’s in kaart brengen.
De totale arbeidskosten van ziekenhuis X bedragen € 4 miljoen en van ziekenhuis Y
€ 3,7 miljoen. Ziekenhuis Y heeft dus de laagste arbeidskosten.
De afschrijvingskosten van ziekenhuis X bedragen € 0,14 miljoen en voor ziekenhuis
Y € 0,11 miljoen. Ziekenhuis Y is derhalve € 0,33 miljoen goedkoper dan ziekenhuis
X. Deze conclusie volgt echter niet uit alle drie de productiviteitsratio’s.
Ziekenhuis Y heeft een succesfactor van niet meer dan 80% oftewel 10% minder
dan ziekenhuis X. Dit betekent dat de totale kosten per succesvolle behandeling in
ziekenhuis X meer dan € 1.000 lager zijn. Sec voor de personeelskosten is het ver-
schil kleiner. De arbeidskosten per succesvolle behandeling bedragen € 8.888 in
ziekenhuis X en € 9.250 in ziekenhuis Y (productiviteitsratio C).
RVZ                                                           Arbeidsmarkt en zorgvraag 101
</pre>

====================================================================== Einde pagina 101 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 102 ======================================================================

<pre>De kosten per ontslagen patiënt zijn in ziekenhuis X (€ 8,280) daarentegen hoger
dan in ziekenhuis Y (€ 8,060). Ziekenhuis Y scoort dus beter in productiviteitsratio B.
Dit wordt in zijn geheel veroorzaakt door de fors lagere arbeidskosten (€ 600).
De gewogen ‘throughput’ is 1.800 eenheden voor ziekenhuis X en 1.100 voor zieken-
huis Y. Ziekenhuis X produceert dus ruim 60% meer ‘throughput’ dan ziekenhuis Y.
Omdat de totale kosten van ziekenhuis X maar 10% hoger zijn, volgt hieruit dat dit
ziekenhuis een hogere productiviteit op z’n ‘throughput’ behaalt (productiviteitsratio
A). Dit betekent dat ziekenhuis X relatief weinig arbeid gebruikt voor een extra hoe-
veelheid tussenproduct.
Meestal is het volledig in kaart brengen van de maatschappelijke effecten
van een investering vele malen moeilijker dan in het bovenstaande voor-
beeld. Of deze voor de zorg ooit volledig duidelijk worden, blijft voorals-
nog een open vraag. Duidelijk is wel dat we daar op dit moment nog ver
van verwijderd zijn. Zo is op dit moment de financiering van de meeste
zorginstellingen nog steeds gebaseerd op een mix van ‘input-’ en
‘throughput’-parameters. De problemen bij de invoering van ‘output’-
financieringssystemen, zoals de DBC’s bij de ziekenhuizen en de IZA’s in
de AWBZ spreken boekdelen wat betreft de huidige mogelijkheid voor
een financiering op basis van ‘outcome’. Door de substitutievrijheid die
instellingen hebben, kunnen zij zich overigens wel richten op verbetering
van de productiviteit. Zij mogen immers eventuele productiviteitsverbe-
teringen zelf houden.
2.4         Arbeidsproductiviteit in het productieproces van de zorg
In deze paragraaf kijken we aan de hand van de voorbeelden uit de vori-
ge paragraaf specifiek naar de rol van arbeidsproductiviteit in het totale
productieproces. We proberen om op die manier wat meer handen en
voeten aan de formele definitie van paragraaf 2.1 te geven. De eerste
vraag die daarbij op ons pad komt, is hoe we de arbeid zelf het beste
kunnen operationaliseren.
Inputfactoren
De relatie tussen arbeid en arbeidsproductiviteit
Arbeid vormt samen met kapitaal en grond de uiteindelijke productie-
middelen van elk productieproces. Hoewel materialen (geneesmiddelen,
verbandmiddelen e.d.) daar eigenlijk niet bij horen, is het voor de duide-
lijkheid van deze analyse toch goed om deze te beschouwen als een apar-
te categorie productiemiddelen4.
Het meten van de werkelijke hoeveelheid ingezette arbeid is niet zo een-
voudig als het op het eerste gezicht misschien lijkt. Zo komt de formele
contractarbeidsduur niet altijd overeen met de werkelijk geleverde hoe-
veelheid arbeid. Dit kan bijvoorbeeld komen door structureel ziektever-
RVZ                                                          Arbeidsmarkt en zorgvraag 102
</pre>

====================================================================== Einde pagina 102 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 103 ======================================================================

<pre>zuim of juist door structureel overwerk dat niet in het arbeidscontract
opgenomen is en ook niet wordt uitbetaald. De beloning kan ook van
andere factoren dan de geleverde hoeveelheid arbeid afhankelijk. Zo is de
honorering van de medisch specialisten lange tijd afhankelijk geweest
van de geleverde verrichtingen (‘throughput’).
Vanuit economisch perspectief bestaat er idealiter een relatie tussen de
honorering van arbeid en de geleverde arbeidsproductiviteit. In ons eer-
dere voorbeeld hebben we het salaris van verpleegkundigen (€ 50.000)
en artsen (€ 150.000) gelijkgehouden. In de praktijk is dit echter meest-
al niet het geval. Hetzelfde werk en dezelfde arbeidsproductiviteit wor-
den in de regel niet hetzelfde gehonoreerd. De gemiddelde salariskosten
in de ziekenhuizen varieerden in 2002 bijvoorbeeld tussen de € 57.000
en € 39.000 per medewerker in loondienst (Gupta, 2004). Het is ondui-
delijk of dit verschil van € 18.000 ook representatief is voor het verschil
in arbeidsproductiviteit.
De relatie tussen kapitaal en de arbeidsproductiviteit
Belangrijk is ook hoe de ingezette productiemiddelen zich onderling ver-
houden. Arbeid, kapitaal en materialen hebben elk hun eigen bijdrage
aan de uiteindelijke productiviteit die behaald wordt. De rendementen
kunnen in beginsel verschillen, maar er is veelal wel een zekere onderlin-
ge substitutie mogelijk. Een efficiënte organisatie zal proberen de ver-
schillende productiemiddelen onderling te optimaliseren. Zo kan de
bouwkundige staat van een zorginstelling van invloed zijn op de produc-
tiviteit van de beddendienst en bepalen de aanwezigheid van ‘diposables’
mede de benodigde arbeidskracht op de sterilisatieafdeling. Automatise-
ring van laboratoria kan de inzet van laboranten overbodig maken.
Het huidige onderzoek naar arbeidsproductiviteit houdt veelal geen reke-
ning met de bijdrage van de verschillende productiemiddelen. De
arbeidsproductiviteit wordt in de regel berekend op basis van een bena-
dering van de ontwikkeling van het totale productievolume. De produc-
tie wordt echter niet enkel door de inzet van arbeid behaald, maar ook
door de inzet van kapitaal. Productiviteitsontwikkelingen zijn vaak het
gevolg van een andere inzet en innovaties van kapitaalgoederen. Dit
betekent dat de arbeidsproductiviteit kan dalen, maar dat dit moeilijk
zichtbaar wordt omdat dit door een verbetering van het rendement op
kapitaal wordt gecompenseerd. Een hogere productiviteit op het kapitaal
kan dus onder bepaalde omstandigheden ook een lagere arbeidsproducti-
viteit verbloemen. Zo kan een verpleeghuisdirectie besluiten om de
hogere productiviteit als gevolg van een nieuwe en efficiëntere keuken-
voorziening niet te vertalen in een daling van het keukenpersoneel.
De betekenis van de bekende wet van Baumol wordt ook duidelijk tegen
de achtergrond van de bovenstaande bespreking. Deze wet stelt dat de
RVZ                                                    Arbeidsmarkt en zorgvraag 103
</pre>

====================================================================== Einde pagina 103 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 104 ======================================================================

<pre>productiviteitsontwikkeling in de zorgsector achterblijft bij de rest van
de economie. Dit komt omdat het hier gaat om een arbeidsintensieve
sector met (veronderstelde) beperkte substitutiemogelijkheden tussen
arbeid en kapitaal. Omdat werknemers in de arbeidsintensieve zorg ver-
gelijkbaar betaald willen worden als in andere sectoren, is er een steeds
groter deel van het nationaal inkomen noodzakelijk voor de lonen in
deze sector. Er worden inmiddels echter steeds meer kanttekeningen
geplaatst bij de wet van Baumol. In de zorg zouden er wel degelijk
productiviteitsstijgingen kunnen worden bereikt (Theeuwes, 2005).
Throughput, output en outcome
We hebben laten zien dat het conceptualiseren en operationaliseren van
de arbeid (de noemer) niet zonder problemen is. Dit geldt echter nog
meervoor de productiekant (de tellers). ‘Throughput’, ‘output’ en ‘out-
come’ zijn in oplopende volgorde steeds moeilijker meetbaar. Hiernaast
heeft de zorgsector het specifieke probleem dat de ‘throughputs’, ‘out-
puts’ en ‘outcomes’ een erg divers en complex karakter hebben. Met
name ziekenhuizen hebben zoveel verschillende producten en tussenpro-
ducten, dat het moeilijk is om de onderlinge relaties goed vast te stellen.
Dit maakt de creatie van een fijnmazig systeem van productiviteitsprik-
kels moeilijk. Soms kiest men er dan ook voor om de outputfinanciering
vaarwel te zeggen en terug te grijpen op inputfinanciering. De nieuwe
honorering van de medisch specialisten op basis van een uurtarief is hier-
van een treffend voorbeeld.
Een ander belangrijk probleem is de onderlinge consistentie tussen
‘throughput’, ‘output’ en ‘outcome’. Ivan Illich stelde dertig jaar geleden
dat de zorgverlening maar weinig bijdroeg en vaak zelfs schadelijk was
voor de finale doelstellingen van het zorgsysteem. In de terminologie die
wij hier gebruiken, wees hij er dus op dat de ‘throughputs’ en de ‘out-
puts’ onvoldoende bijdroegen aan de ‘outcomes’ en daarmee soms zelfs
inconsistent waren.
De uiteindelijke keuze van de productie-indicatoren is belangrijk voor
het inzicht in de mate van arbeidsproductiviteit. Veel onderzoek richt
zich momenteel op het zo goed mogelijk in kaart brengen van de ‘outco-
mes’. Arbeidsproductiviteit krijgt echter ook betekenis in de beide ande-
re productiviteitsratio’s (A en B). Het is bijvoorbeeld ook belangrijk dat
de ‘throughputs’ zo efficiënt mogelijk worden gerealiseerd. Kijken we
echter alleen naar de arbeidsproductiviteit van de ‘outcomes’, dan kan
een inefficiënt productieproces van de ‘throughputs’ onzichtbaar blijven.
Het tegenovergestelde kan ook plaatsvinden. Een inefficiënte productie
van ‘outcomes’, kan best gepaard gaan met een heel efficiënte productie
van de ‘throughputs’ en ‘outputs’. We zagen dit ook in ons voorbeeld.
Het ligt daarom voor de hand om - gezien ook de meetproblemen - bij
de berekening van de arbeidsproductiviteit niet te kiezen voor één enkele
RVZ                                                   Arbeidsmarkt en zorgvraag 104
</pre>

====================================================================== Einde pagina 104 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 105 ======================================================================

<pre>productiviteitsratio, maar zicht te krijgen op alle drie de productiviteits-
ratio’s.
Conclusie
We hebben gezien dat arbeidsproductiviteit in formele zin gemakkelijk
te definiëren valt. Centraal staat de relatie tussen de ingezette arbeid en
het daarmee behaalde productieniveau; hoeveel arbeid is er nodig voor
een bepaalde hoeveelheid productie. Dit is echter een puur formele
definitie. Arbeidsproductiviteit is in de praktijk vooral een doelstelling
en het begrip krijgt dan ook pas materiële betekenis binnen het produc-
tieproces van de zorg. Daarbij worden vervolgens noodgedwongen aller-
lei impliciete en expliciete keuzes gemaakt. Zonder voldoende structuur
verwordt arbeidsproductiviteit dan tot een ‘veelkoppig monster’.
In deze paragraaf hebben we daarom geprobeerd om arbeidsproductivi-
teit van enige structuur te voorzien. Het is belangrijk om de verschillen-
de onderliggende concepten zo goed mogelijk te definiëren. Het helpt
om daarbij aandacht te schenken aan de onderlinge relatie van de ver-
schillende productiemiddelen, met name arbeid en kapitaal. Hiernaast
pleiten wij voor triangulatie bij het meten van de productieniveaus en
niet te kiezen voor één enkele benadering.
3          Hoe krijgt arbeidsproductiviteit betekenis?
3.1        Inleiding
In de vorige paragraaf hebben we structuur aangebracht in het begrip
arbeidsproductiviteit. We kunnen op basis van die analyse echter geen
uitspraken doen over wanneer we kunnen spreken over een zorgproces
met een hoge of juist geringe arbeidsproductiviteit. Daarvoor moeten we
nog een aantal andere zaken in kaart brengen. Arbeidsproductiviteit
krijgt pas betekenis als we het kunnen vergelijken met een norm of
andere empirische metingen van het verschijnsel. Dit kan enkel als we
het begrip ook goed en consistent kunnen meten. Hiernaast is het
belangrijk dat we inzicht krijgen in de determinanten (voor zover
bekend) die de mate van arbeidsproductiviteit beïnvloeden. We staan
daarom in deze paragraaf achtereenvolgens stil bij de vergelijkbaarheid,
de meetbaarheid en de determinanten van arbeidsproductiviteit.
RVZ                                                    Arbeidsmarkt en zorgvraag 105
</pre>

====================================================================== Einde pagina 105 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 106 ======================================================================

<pre>3.2        Vergelijkbaarheid
Arbeidsproductiviteit is niets meer dan de relatie tussen een bepaalde hoe-
veelheid arbeid en de daarmee te leveren productie. Dit is echter een for-
mele definitie die op zichzelf nog weinig zegt over of er nou sprake is van
een hoge of een lage arbeidsproductiviteit. Daarvoor moeten er verschil-
lende productiviteitsratio’s met elkaar worden vergeleken. Dit kan zowel
cross-sectioneel als longitudinaal. In het eerste geval wordt de arbeidspro-
ductiviteit van verschillende maar vergelijkbare productieprocessen in
kaart gebracht. Dit hebben we ook in ons eerdere voorbeeld gedaan. In
de AWBZ lopen er verschillende benchmarkonderzoeken die de producti-
viteit van individuele instellingen met elkaar vergelijken. Deze onderzoe-
ken zijn niet openbaar, maar bekend is dat enkele aan de arbeidsproducti-
viteit gerelateerde indicatoren (met name het ziekteverzuim) van door-
slaggevend belang zijn voor de uiteindelijke score van de instelling.
Longitudinale analyses kijken naar de ontwikkeling van arbeidsproducti-
viteit in de tijd. Het betreft vooral analyses op het macroniveau, maar de
techniek is vanwege de betere kwaliteit van de data waarschijnlijk mak-
kelijker toepasbaar op het microniveau. Het productievolume wordt
benaderd door oftewel de omzetgroei te defileren oftewel te kijken naar
de ontwikkeling van een aantal productie-indicatoren. Indien correct
suggereren de daarover bekende cijfers dat de productiviteit in de zorg
relatief oploopt in tijden van budgettaire krapte, maar juist is afgenomen
tijdens de snelle budgettaire groei sinds het begin van dit decennium.
Dit duidt erop dat de omgang met de inputfactoren een determinant is
van het productiviteitsniveau.
3.3        Meetbaarheid
De onderzoeken naar de arbeidsproductiviteit in de zorg kennen relatief
grote onderlinge verschillen. Dit heeft in de regel te maken met de keu-
zes die gemaakt worden bij het meten van de verschillende relevant
geachte indicatoren. We hebben eerder al aangegeven dat het ons goed
lijkt om de arbeidsproductiviteit op meerdere manieren te meten.
Hiernaast kunnen we ons waarschijnlijk niet alleen concentreren op
kwantitatieve indicatoren. Hierdoor worden deze kwantitatief meetbare
grootheden immers uitvergroot. Er zal daarom moeten worden gepro-
beerd om ook de meer ‘zachtere’ aspecten van het begrip arbeidsproduc-
tiviteit (kwaliteit management) zichtbaar te maken. In ieder geval moe-
ten de beperkingen van de gekozen onderzoeksmethode duidelijk wor-
den aangegeven.
RVZ                                                     Arbeidsmarkt en zorgvraag 106
</pre>

====================================================================== Einde pagina 106 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 107 ======================================================================

<pre>3.4        Determinanten van arbeidsproductiviteit
Externe determinanten
We kijken tot slot naar de determinanten die de hoeveelheid arbeidspro-
ductiviteit beïnvloeden. Deze kunnen onderscheiden worden in externe-
en interne determinanten. Externe determinanten van arbeidsproductivi-
teit hangen samen met ontwikkelingen waar de zorgsector maar een
beperkte invloed op heeft. Hierbij moet bijvoorbeeld worden gedacht
aan de farmaceutische industrie, de demografische ontwikkelingen op de
arbeidsmarkt, de ontwikkeling van de medische technologie, bouwkun-
dige technieken en de ontwikkeling van de informatie- en communica-
tietechnologie. Ook de algemene sociaal-economische instituties beïn-
vloeden de arbeidsproductiviteit, bijvoorbeeld door de specifieke structu-
ren waarin de arbeidsvoorwaarden tot stand komen.
Interne determinanten
In de loop der jaren is duidelijk geworden dat er eveneens een groot
scala van systeeminterne beïnvloedingsmogelijkheden van arbeidsproduc-
tiviteit bestaat. Zo kunnen adequate financiële prikkels extra arbeidspro-
ductiviteit uitlokken. Output-financiering stimuleert bijvoorbeeld extra
productie. Soepele mogelijkheden voor substitutie tussen arbeid en kapi-
taal kunnen eveneens bijdragen aan extra arbeidsproductiviteit.
Instellingen kunnen met moderne budgetteringsmethodieken zelf ook
bijdragen aan een verhoging van de arbeidsproductiviteit. Het perso-
neelsbeleid is uiteraard ook van bijzonder belang voor de arbeidsproduc-
tiviteit. Denk hierbij onder meer aan het ziekteverzuim en de bij- en
nascholingen. Inhoud en de precieze curricula van de verschillende basis-
opleidingen zijn hierbij eveneens relevant.
De klassieke manier om de arbeidsproductiviteit te verhogen, is het pro-
ces van arbeidsdeling. Doordat mensen zich specialiseren in bepaalde
taken en deze veelvuldig uitvoeren, ontstaat er een combinatie van effi-
ciëntie en kwaliteit. In de gezondheidszorg liggen op dit vlak nog vele
onbenutte mogelijkheden, bijvoorbeeld in de beroepenstructuur. Er
bestaan veel mogelijkheden voor ‘taakherschikking’. Dure artsen kunnen
bijvoorbeeld een deel van het werk overlaten aan speciaal hiervoor opge-
leide verpleegkundigen. Op het niveau van de hele instellingen ligt er
een pendant in gespecialiseerde klinieken (‘focused factories’) die door
hun hoge volumes onder bepaalde condities productiever kunnen wer-
ken.
Ook de fysieke infrastructuur is van belang voor de arbeidsproductivi-
teit. Zo besparen digitale fotoarchieven het heen en weer brengen van
foto’s. Verder zijn er bij een goede visuele toezichtsituatie op de opgeno-
men zorgvragers wellicht minder verpleegkundigen en verzorgenden
nodig. De Nederlandse curatieve zorg kenmerkt zich bovendien door
RVZ                                                     Arbeidsmarkt en zorgvraag 107
</pre>

====================================================================== Einde pagina 107 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 108 ======================================================================

<pre>een sterke nadruk op grootschalige bouwkundige voorzieningen en het
ontbreken van een goede bouwkundige infrastructuur voor de (geïnte-
greerde) eerste lijn. Nieuwe bouwkundige concepten tussen de eerste en
tweede lijn bieden wellicht nog veel kansen voor efficiëntere werkvor-
men.
Tot slot blijkt uit veel onderzoek dat commerciële zorginstellingen een
hogere arbeidsproductiviteit hebben. In Nederland ontbreekt daarover
tot dusver goed empirisch onderzoek, maar de belangrijkste oorzaken
hiervan lijken te liggen in de lagere arbeidsvoorwaarden (een inputfac-
tor) van commerciële aanbieders (Minkman & Van Asselt, 1997) en de
betere substitutie tussen arbeid en kapitaal (Karl, 1999). De actieve sti-
mulatie van commerciële aanbieders kan daarom een aantrekkelijke
beleidsoptie vormen.
4          Betekenis van deze begripsverkenning voor
           een advies over arbeidsproductiviteit
We eindigen deze notitie met een korte beschouwing over wat deze ver-
kenning van het begrip arbeidsproductiviteit nu kan betekenen voor een
strategisch advies over deze materie. De problemen daarbij zitten vooral
in de verpleging en verzorging. Hier komen de gevolgen van vergrijzing
en een arbeidsintensieve sector op bijzondere wijze samen. Indien we
ook over twintig jaar een betaalbare verpleging en verzorging willen heb-
ben met voldoende aanbod van potentiële zorgverleners dan moet de
arbeidsproductiviteit significant omhoog.
Het begrip arbeidsproductiviteit krijgt vooral betekenis in een concrete
operationalisatie aan de hand van het productieproces. Verpleeg- en ver-
zorgingshuizen kenmerken zich door hun arbeidsintensieve en technolo-
gie-extensieve karakter. Verder hangt het belangrijkste doel van deze
zorg, namelijk het verbeteren van de kwaliteit van leven af van meer dan
enkel een technisch adequate verpleging. Er gaapt met andere woorden
een behoorlijk gat tussen de productiviteit in enge zin (productiviteitsra-
tio’s A en B) en de haalbaarheid van de finale doelstelling (productivi-
teitsratio C). Dit is typerend voor deze sector.
Bestaan er met die wetenschap toch potentieel kansrijke strategieën die
de arbeidsproductiviteit in de verpleging en verzorging kunnen verho-
gen? Verpleeghuizen kenmerken zich als arbeidsintensief en kapitaalex-
tensief. Explorerend onderzoek duidt erop dat met slimmer investeren in
de bouwkundige omgeving en in ICT-toepassingen nog een aanzienlijke
productiviteitswinst kan worden geboekt (Pullen, et. al., 2006). Het
arbeidsintensieve karakter van dit type zorg maakt dat ook met een goed
personeelsbeleid inclusief de beloningsstructuur relatief veel winst valt te
boeken.
RVZ                                                   Arbeidsmarkt en zorgvraag 108
</pre>

====================================================================== Einde pagina 108 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 109 ======================================================================

<pre>Het relatief grote onderscheid tussen de determinanten van de ‘output’
en van de ‘outcome’ betekent dat er met alternatieve strategieën ook nog
winst valt te behalen. Het welbevinden hangt immers ook samen met
gevoelens van eigenheid in de omgeving, zelfredzaamheid en de sociale
infrastructuur van de voorziening. Dit kan wellicht worden gestimuleerd
met nieuwe zorgconcepten, vrijwilligers, betrokkenheid van familie en de
mogelijkheid om services en dergelijke privaat bij te kopen. Op de pro-
fessionele arbeidskrachten kan dit verlichtend werken.
Hiernaast is zoveel mogelijk preventie bij intramurale opnames van groot
belang. Dit kan zowel besparen op de benodigde arbeid, terwijl het tege-
lijkertijd bijdraagt aan de kwaliteit van leven van de zorgvragers. Op dit
terrein ontbreekt momenteel een samenhangend preventiebeleid.
Tot slot is er meer onderzoek nodig naar de causale verbanden onder de
arbeidsproductiviteit in de verpleging en verzorging. Onze analyse heeft
duidelijk gemaakt dat meer kennis hierover van groot belang is. Dit
geldt niet alleen mogelijke panacees, maar vooral ook de werking van de
vigerende mechanismen. Arbeidsproductiviteit moet daarbij van verschil-
lende kanten worden bezien terwijl er naast cross-sectionele analyses ook
meer aandacht voor longitudinale analyses dient te komen. Juist omdat
het zich hier ook om een lange termijn probleem handelt.
Literatuur
Karl, P.A. Varianten der Privatisierung kommunaler
Allgemeinkrankenhäuser, Josef Eul Verlag, Lohmar/Köln, 1999.
Minkman, M. en E.J. van Asselt, Een kwalitatieve beschrijving van de
arbeidsmarkt in de commerciële zorgsector. OSA publicatie Z22, 1997.
Theeuwes, J.J.M. Een wasstraat voor Alzheimer. ESB Dossier
Arbeidsproductiviteit in de zorg, 90, 2005, nr. 4452, p. D34-35.
RVZ                                                   Arbeidsmarkt en zorgvraag 109
</pre>

====================================================================== Einde pagina 109 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 110 ======================================================================

<pre>RVZ Arbeidsmarkt en zorgvraag 110</pre>

====================================================================== Einde pagina 110 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 111 ======================================================================

<pre>Bijlage 6
Internationale mobiliteit van beroepsbeoefenaren:
migratie een oplossing voor toekomstige tekorten op
de arbeidsmarkt in de zorgsector?
1          Inleiding
Met enige regelmaat wordt in de discussie over dreigende tekorten op de
arbeidsmarkt als oplossing op de mogelijkheid van meer immigranten
gewezen. Niet alleen legale migranten zouden hier aan het werk (moe-
ten) kunnen, maar er worden ook redenen genoemd om illegalen werk
te geven. Zolang sprake is van onderontwikkeling in delen van de
wereld, is illegale migratie naar Nederland en/of Europa namelijk moei-
lijk tegen te gaan1. In het bijzonder ook in relatie tot de vergrijzing en de
te verwachten tekorten op de arbeidsmarkt in de gezondheidszorg komt
veelvuldig de vraag op of een oplossing niet gevonden kan worden in het
aantrekken van meer buitenlandse arbeidskrachten.
In deze bijlage wordt nagegaan wat de stand van zaken in de gezond-
heidszorg is. Is een actief wervingsbeleid in het buitenland een zinvolle
maatregel bij (dreigende) tekorten op de arbeidsmarkt? Dat is de centrale
vraag in deze bijlage. Maar eerst wordt nagegaan hoe de huidige stand
van zaken is. Weten we bijvoorbeeld hoeveel buitenlandse mensen (met
of zonder diploma) in de gezondheidszorg werken? Wat kunnen we ver-
der afleiden uit (internationaal) onderzoek over internationale mobiliteit
van beroepsbeoefenaren? Daarbij wordt – mede in het licht van de
vraagstelling voor dit advies - een onderscheid gemaakt naar de verschil-
lende deelarbeidsmarkten in de gezondheidszorg en worden de cijfers om
die reden beperkt tot enkele beroepsgroepen: artsen, verpleegkundigen
en verzorgenden.
2          Verpleegkundigen en verzorgenden:
           stand van zaken
Een van de grootste problemen waar men tegenaan loopt in discussies
over een beleid ten aanzien van migratie van verpleegkundigen en verzor-
genden is het ontbreken van betrouwbare data. Veel geciteerde bronnen
in rapporten en artikelen over dit onderwerp komen uit de media, zijn
anekdotisch, zijn dikwijls misleidend en niet accuraat volgens een onder-
zoek in opdracht van de WHO2. Ook in Nederland zijn het bijvoorbeeld
televisie-uitzendingen of krantenartikelen over Zuid-Afrikaanse verpleeg-
RVZ                                                    Arbeidsmarkt en zorgvraag 111
</pre>

====================================================================== Einde pagina 111 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 112 ======================================================================

<pre>kundigen die zonder werk en geld zitten die aanleiding geven tot een
debat over de voors en tegens van buitenlandse verpleegkundigen3.
Nederlands onderzoek bevestigt het beeld van onbetrouwbare en onvol-
ledige data en het anekdotisch karakter van de verhalen waarvan het
WHO-rapport gewag maakt. “Het exacte aantal buitenlandse verpleeg-
kundigen en verzorgenden dat in de Nederlandse zorgsector werkzaam
is, is moeilijk te achterhalen. In diverse publicaties worden uiteenlopen-
de getallen genoemd die verschillen al naar gelang de vraag hoe de doel-
groep gedefinieerd wordt, het moment waarop gemeten wordt en de
bronnen die gebruikt worden”4. Zo kwamen volgens een studie van het
NIZW in 2000 en 2001 in totaal 153 mensen voor de functie verple-
ging naar Nederland5. In vergelijking tot bijvoorbeeld het Verenigd
Koninkrijk is dat aantal te verwaarlozen. In diezelfde periode stroomden
daar 12.500 verpleegkundigen de arbeidsmarkt op. Een OSA-studie uit
2002 meldt dat van 2.800 verpleegkundigen uit de EU (of kandidaat-)
lidstaten die dan in het BIG register staan ingeschreven maar 1.000 ver-
pleegkundigen in het land van herkomst zijn opgeleid en in Nederland
als verpleegkundige werken. Op basis van beschikbare data schat
Roosblad het aantal buitenlandse in Nederland werkzame verpleegkundi-
gen en verzorgenden op hooguit 20006.
Over aantallen buitenlandse verzorgenden is (nog) minder bekend dan
over verpleegkundigen. “Informatie over de arbeidsmarkt van verzorgen-
den blijkt moeilijk verkrijgbaar”7. Dat komt onder meer omdat het BIG-
register slechts gegevens bevat over 8 beroepen8. Over verzorgenden in
de individuele gezondheidszorg (vig-ers), die op basis van artikel 34 wet
BIG een beschermde opleidingstitel hebben, bevat het BIG-register
derhalve geen gegevens. Wel kan uit het jaarverslag van de unit
Vakbekwaamheidsverklaringen Buitenlands Gediplomeerden Volks-
gezondheid afgeleid worden dat het aantal personen uit het buitenland
(zowel binnen als buiten EU) dat daarvoor een aanvraag indient, gerin-
ger is dan het aantal verpleegkundigen. In 2003 werden in totaal 33 ver-
zoeken afgehandeld voor vig-ers en 279 voor verpleegkundigen. Overall
stijgt het aantal aanvragen de afgelopen jaren. Van 490 aanvragen in
2001 via 1273 in 2003 naar 1209 in 2004.
Aantallen afgegeven beschikkingen
 2001                            490
 2002                            761
 2003                          1.273
 2004                          1.209
 2005                            839
Bron: Agentschap CIBG, jaarverslag 2003 en 2005.
RVZ                                                    Arbeidsmarkt en zorgvraag 112
</pre>

====================================================================== Einde pagina 112 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 113 ======================================================================

<pre>Het aantal aanvragen voor vakbekwaamheidsverklaringen is na een aan-
vankelijk stijging nu aan het dalen. Van 1209 in 2004 naar 839 in 2005.
Dat komt onder meer omdat voor de werknemer, naast het mogen voe-
ren van de titel, geen voordelen verbonden zijn aan het hebben van zo’n
verklaring. Werkgevers (b)lijken in toenemende mate zelf te oordelen
over de mate van geschiktheid van de kandidaat voor de openstaande
vacature. Het in het buitenland behaalde diploma lijkt minder een rol te
spelen. Voor werknemers uit MOE-landen9 of andere niet EU-landen is
(nog) wel een tewerkstellingsvergunning nodig.
Het aantal afgegeven tewerkstellingsvergunningen kan daarmee iets zeg-
gen over belangstelling uit andere landen om in Nederland als verzor-
gende c.q. verpleegkundige aan de slag te gaan. Uit onderstaand over-
zicht van het CWI blijkt dat die aan het dalen is. Het aantal afgegeven
vergunningen daalde van 501 in 2002 tot 230 in 2005. Uit de onderlig-
gende gegevens blijkt dat de belangstelling het grootst is van mensen
afkomstig uit Zuid-Afrika, Indonesië en de Filippijnen. Kleinere aantal-
len verzorgenden komen uit de voormalige Oostbloklanden: in 2005 uit
Polen 4. Verder moet bedacht worden dat niet voor alle afgegeven ver-
gunningen eerst een arbeidstoets wordt uitgevoerd c.q. wordt onderzocht
of iemand uit Nederland of uit de andere EU-lidstaten het werk kan
doen. Dat geldt in ongeveer in 50% van de aanvragen. Zo heeft iemand
die hier komt studeren en stage moet lopen wel een tewerkstellingsver-
gunning nodig, maar kan een arbeidstoets achterwege blijven.
Tabel 4        Aantal afgegeven tewerkstellingsvergunningen naar
               functie/specialiteit
 Activiteit                                         2005 2004    2003     2002
 Eindtotaal                                         230  320      582      501
 Totaal Verplegen                                    31     8      15       55
 Totaal Verplegen: A - Algemeen                      32    46      93      129
 Totaal Verplegen: B - Psychiatrie                    4     4      10        8
 Totaal Verplegen: Z - Zwakzinnigen                   1     2       3        0
 Totaal Verzorgen/Helpen - Mensen                   133  150      145       83
 Totaal Verzorgen/Helpen - Mensen: bejaarden          8    51     131       83
 Totaal Verzorgen/Helpen - Mensen: huishouden         3    15      14       12
 Totaal Verzorgen/Helpen - Mensen: kraamzorg          1     4       7        2
 Totaal Verzorgen/Helpen - Mensen: verpleging        15    35     120      116
 Totaal Verzorgen/Helpen - Mensen: ziekenhuis         0     0      34        4
 Totaal Verzorgen/Helpen - Mensen: ziekenzorg thuis   2     5      10        9
Bron: CWI, 2006
Per 1 januari 2006 staan in het BIG-register 1615 verpleegkundigen met
een buiten Nederland behaald diploma ingeschreven. Daarvan zijn er 791
behaald in EU/EER landen. De grootste groepen diploma’s zijn behaald
in België en Duitsland, respectievelijk 287 en 275. In niet EU/EER-lan-
den zijn er 824 behaald. Onder meer 165 in Suriname, 165 in de
RVZ                                                       Arbeidsmarkt en zorgvraag 113
</pre>

====================================================================== Einde pagina 113 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 114 ======================================================================

<pre>Filippijnen en 165 in Indonesië. Of ze ook werkzaam zijn dan wel
beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt kan uit het register niet worden
afgeleid.
3         Artsen: stand van zaken
Gegevens over buitenlandse artsen zijn gemakkelijker te achterhalen dan
over bijvoorbeeld verzorgenden. Artsen dienen immers ingeschreven te
zijn in het BIG-register willen zij zich als arts kunnen presenteren.
Jaarlijks melden zich tussen de 200 en 300 artsen uit niet-Europese lan-
den die in Nederland willen werken. Maar uit de jaarverslagen van het
CIBG kan afgeleid worden dat er meer willen werken dan er worden
toegelaten en kunnen worden ingeschreven in het BIG-register. Bijna
de helft (45,7%) van de niet-Europese artsen die in 2002 een verzoek
indienden om hun diploma gelijkwaardig te laten verklaren, kregen een
afwijzende beslissing. In 2003 lag dat percentage op 52%. De landen
waaruit deze aanvragen afkomstig zijn, zijn zeer divers (zie overzicht in
de bijlage). In vergelijking tot andere landen zijn in deze jaren relatief
veel verzoeken afkomstig uit Afghanistan, Irak, Oekraïne Polen, Rusland
en Zuid-Afrika. Wanneer een diploma nagenoeg gelijkwaardig wordt
bevonden, volgt een inpassingsadvies.
Na de toetreding van 10 landen tot de EU op 1 januari 2004 zijn artsen
uit Oost-Europa niet massaal naar Nederland gekomen. Dat is min of
meer tegen de verwachting in omdat in West-Europese landen immers
meer geld te verdienen is dan in de voormalige Oostbloklanden. Er is
sprake van een lichte stijging van het aantal aanvragen om ingeschreven
te worden in het BIG-register en ook in andere West-Europese landen is
slechts sprake van een lichte stijging10.
Over de moeizame weg naar erkenning van het artsendiploma is inmid-
dels veel geschreven11. Dat heeft ertoe geleid dat het kabinet besloten
heeft het Besluit buitenlands gediplomeerden te wijzigen. Daarbij wor-
den nadrukkelijker ook de kennis en ervaring die de buitenlandse arts in
het land van herkomst heeft opgedaan, meegenomen in de beoordeling
(zie verder bijlage). Dat zou ertoe kunnen leiden dat in de toekomst
meer artsen van buiten de EER ruimte kunnen worden ingeschreven.
Het BIG-register heeft op 01-01-2006 2181 artsen ingeschreven op
grond van een buiten Nederland gehaald diploma. Daarvan zijn er 1960
die het diploma behaald hebben in een EU/EER-land, 221 daarbuiten.
Bij de artsen met een buitenlands diploma afkomstig uit EU-landen moet
bedacht worden dat het voor een belangrijk deel gaat om Nederlanders
RVZ                                                    Arbeidsmarkt en zorgvraag 114
</pre>

====================================================================== Einde pagina 114 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 115 ======================================================================

<pre>die hun diploma in België behaald hebben: 125512. Ook hier geldt – net
als voor verpleegkundigen – dat uit het register niet kan worden afgeleid
of ze werkzaam zijn dan wel beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt.
4          Emigratie
Sinds kort vertrekken meer mensen uit Nederland dan er binnenkomen.
In 2004 verlieten meer dan 112.000 ingezetenen Nederland, 90.000
kwamen het land binnen. De emigratiegroep bestaat uit mensen die
terugkeren naar hun moederland (bijvoorbeeld Turkije), mensen die tij-
delijk naar het buitenland gaan om te werken of te studeren en uit men-
sen die definitief vertrekken. Het aantal emigranten was in 2004 met
49.000 het hoogst sinds 195413. Gegevens over hoeveel beroepsbeoefena-
ren werkzaam in de gezondheidszorg zich in die groep bevinden, zijn
niet voorhanden14.
Het BIG-register bevat evenmin gegevens die inzicht kunnen verschaffen
over beroepsbeoefenaren werkzaam in de gezondheidszorg die emigreren.
Het register registreert woonadressen in het buitenland, maar of ze wer-
ken en hoe lang ze bijvoorbeeld in het buitenland verblijven kan uit het
register niet worden afgeleid. Wanneer iemand weer terugkomt in
Nederland kan uit de gegevens niet meer worden afgeleid dat iemand
bijvoorbeeld 10 jaar in het buitenland heeft gewerkt.
5          Is een actief wervingsbeleid in het buitenland
           een zinvolle maatregel bij (dreigende)tekorten
           op de arbeidsmarkt?
Het aandeel van de buitenlandse artsen, verpleegkundigen en verzorgen-
den op het totaal van de aanwezige beroepsbeoefenaren is beperkt, zo
blijkt uit bovenstaande cijfers. Bij artsen gaat het om minder dan 1%
van het totaal ingeschreven artsen, bij verpleegkundigen (en verzorgen-
den) om maximaal 0,5%15.
Zou een actiever wervingsbeleid hier verandering in kunnen brengen?
Drie vragen zijn daarbij van belang. In de eerste plaats of er tekorten
dreigen. In de tweede plaats welke argumenten/overwegingen (naast
tekorten) een rol spelen in de afweging al dan niet in het buitenland
(te gaan) werven. In de derde plaats of het kabinetsbeleid een actief
wervingsbeleid in de weg zou staan. Hieronder worden deze vragen
beantwoord.
RVZ                                                   Arbeidsmarkt en zorgvraag 115
</pre>

====================================================================== Einde pagina 115 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 116 ======================================================================

<pre>5.1       Artsen
Geen dreigende tekorten bij artsen
Op dit moment is geen sprake van dreigende tekorten. Volgens het
Capaciteitsorgaan zijn vraag en aanbod van artsen in 2005 redelijk goed
in evenwicht. De achterstand die er in 2000 nog was, is weggewerkt.
Rekening houdend met (bescheiden) effecten van taakherschikking, een
grotere instroom van artsen dan verwacht uit EU-landen en een toename
van de zij-instroom in de opleiding geneeskunde wordt het mogelijk
geacht de instroom in de opleiding geneeskunde terug te brengen van
2850 naar 2540 per jaar. De minister is echter van mening dat het
gewenst is de instroomcapaciteit voor de initiële opleiding niet te verla-
gen. Hij acht een zeker overschot nodig vanuit het oogpunt van markt-
werking en om stabiliteit in het stelsel van opleidingen en op de arbeids-
markt te waarborgen16.
Artsen (werkzaam) in de care
Ook bij de grootste groepen artsen die met de problematiek van de care-
sector in aanraking komen, huisartsen, verpleeghuisartsen en revalidatie-
artsen, bestaan geen tekorten. Vanuit een landelijk perspectief bestaan er
volgens het Capaciteitsorgaan geen tekorten bij huisartsen, ook worden
voldoende verpleeghuisartsen opgeleid en worden er meer revalidatieart-
sen opgeleid dan nodig is gezien de geraamde vraag17. Wel is bekend dat
het aandeel allochtone artsen in opleiding tot verpleeghuisarts stijgt18.
Andere overwegingen
Op dit moment is er dus geen aanleiding om een actief wervingsbeleid
voor buitenlandse artsen te overwegen omdat toekomstige tekorten zich
nu niet aftekenen. De vraag is ook of het een succesvol instrument zou
kunnen zijn.
In de eerste plaats zijn ook in andere landen tekorten. Hoewel het aantal
artsen per hoofd van de bevolking in de (Europese) landen uiteenloopt,
wordt in veel landen een tekort aan artsen als een punt van zorg
genoemd in een recent rapport van de OECD19.
In de tweede plaats lijkt Nederland vanwege de taal in het nadeel als het
zou moeten concurreren met andere landen. Engelssprekende landen
zullen voor buitenlandse artsen die elders willen werken alleen al om die
reden aantrekkelijker zijn. Zo blijken er aanzienlijke stromen van artsen
tussen landen als Australië, de Verenigde Staten, Canada en het Verenigd
Koningrijk.
RVZ                                                   Arbeidsmarkt en zorgvraag 116
</pre>

====================================================================== Einde pagina 116 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 117 ======================================================================

<pre>Figuur 1
Bron: NEJM, 2005.
En taal blijft een essentiële rol spelen in de communicatie met patiënten,
zeker ook in de care.
“Daar is op de eerste plaats het taalprobleem. Ik weet uit ervaring dat je IQ zo’n
dertig punten daalt als je een taal in moet die je niet voldoende beheerst. Dertig
punten is een hele duik en het is maar de vraag of je intelligentie zich dan nog zo
ver boven het maaiveld bevindt dat je tot enig overzicht in staat bent waar het gaat
om het leven van je patiënt”. “Een ander taalprobleem duikt op bij het verzorgen van
correspondentie. Om reflexmatige minachting bij verwijzing te voorkomen schrijven
sommige buitenlandse artsen een kort excuus voor schriftelijke onhandigheid
onderaan hun brief”.
Uit: B. Keizer. Porseleinen kast. Medisch contact nr. 29/30 22 juli 2005,
pag. 1213-1215.
In de derde plaats verdienen naast arbeidsmarktoverwegingen (vrij ver-
keer van werknemers, flexibiliteit op de arbeidsmarkt) ook volksgezond-
heidsoverwegingen de aandacht. De exodus van artsen van arme naar
rijke landen brengt volgens Chen en Boufford gevaren voor de gezond-
heid van de wereldbevolking met zich mee20 Mullan die de internationa-
le mobiliteit heeft gekwantificeerd, noemt als bedreiging onder meer het
RVZ                                                           Arbeidsmarkt en zorgvraag 117
</pre>

====================================================================== Einde pagina 117 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 118 ======================================================================

<pre>teruglopend vermogen van de ontwikkelingslanden om adequaat te
reageren op HIV-infecties en aids. Verder wijst hij erop dat ook volksge-
zondheidsbelangen in het Westen op het spel staan omdat bijvoorbeeld
vogelgriep en SARS deskundigheid ter plekke vereisen om de ziekte te
kunnen opsporen, diagnosticeren en behandelen21.
In de vierde plaats lijken (internationaal) naast arbeidsmarktmotieven
ook ethische overwegingen een rol te spelen. Zo is in een aantal van de
Engelssprekende landen als het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde
Staten en Canada van de werkzame artsen meer dan 20% in het buiten-
land opgeleid, waaronder een aanzienlijk aantal afkomstig uit ontwikke-
lingslanden. Dat heeft geleid tot vragen over de ‘brain drain’ uit die lan-
den en tot krantenkoppen als ‘devastating exodus’22. Ook het eerder
genoemde OECD-rapport wijst hierop. Door internationale migratie
kan de flexibiliteit van arbeidsmarkten voor artsen en andere professio-
nals in de gezondheidszorg in ontvangende landen weliswaar toenemen,
maar dat geeft ook aanleiding tot ernstige bezorgdheid over de brain-
drain wanneer er langdurig sprake is van netto personeelsstromen van
lagere inkomenslanden naar hogere inkomenslanden, aldus het OECD-
rapport.
5.2       Verpleegkundigen en verzorgenden
Dreigende tekorten bij verpleegkundigen en verzorgenden
Voor met name de verpleging en verzorging worden op de wat langere
termijn (en bij een aantrekkende economie ook al op de kortere termijn)
tekorten verwacht23. Alle rapporten van de afgelopen tijd met ramingen
over de arbeidsmarkt spreken van omvangrijke tekorten bij ongewijzigd
beleid. Het is ook de reden voor de adviesaanvraag aan de RVZ.
Andere overwegingen
In het verleden hebben bij periodes van tekorten wervingsacties in het
buitenland plaatsgevonden. Onderzoek wijst uit dat dit niet altijd even
succesvol is verlopen.
In de eerste plaats zou men dus kunnen kijken naar de effectiviteit van
de inspanningen. NYFER concludeert dat het werven van verpleegkun-
digen weinig effect heeft gehad. Zo zouden veel Zuid-Afrikaanse ver-
pleegkundigen niet aan het werk komen of weer snel naar huis gaan.
Daarbij wijzen de onderzoekers er op dat ook in andere landen de inpas-
sing van buitenlandse verpleegkundigen moeizaam gaat24. Ook Roosblad
wijst op het grote verloop door de tijdelijke tewerkstelling. Bovendien
wijst ze op het geringe percentage als totaal van het aantal in Nederland
werkzame verpleegkundigen en verzorgenden (0,5%). In de Verenigde
Staten is het aandeel verpleegkundigen dat het diploma in het buiten-
RVZ                                                   Arbeidsmarkt en zorgvraag 118
</pre>

====================================================================== Einde pagina 118 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 119 ======================================================================

<pre>land behaalde 6%, in het Verenigd Koninkrijk ruim 8% en in Australië
26%25. Tot nu toe, zo moet de conclusie zijn, gaat het niet om substan-
tiële aantallen die een verschil maken bij ernstige tekorten op de arbeids-
markt.
In de tweede plaats veronderstelt werving in het buitenland dat daar
overschotten zouden bestaan. Dat is niet het geval. Voor veel landen
worden tekorten voorspeld. Zo zien ook landen als het Verenigd
Koninkrijk en de Verenigde Staten zich genoodzaakt wegens (dreigende)
tekorten te werven in het buitenland. Veer, et al. zien mogelijkheden om
in Bulgarije, Roemenië, Polen, Malta en Slovenië te werven26.
In de derde plaats blijkt de taal een struikelblok. De Nederlandse taal
vormt voor mensen met een buitenlands diploma het meest genoemde
knelpunt bij het zoeken naar werk. Ook als men eenmaal werkt, blijft de
taal vaak een obstakel27.
In de vierde plaats is de arbeidsmarkt voor verpleging en verzorging sterk
regionaal bepaald. Tekorten in Amsterdam worden niet gemakkelijk
opgelost als er overschotten bestaan in Groningen. De mobiliteit van
verpleegkundigen en verzorgenden in eigen land is al niet groot. Dat
lijkt samen te hangen met privé-omstandigheden. Dat is in overeenstem-
ming met de weinige onderzoeksgegevens die bekend zijn over de inte-
resse van buitenlands gediplomeerden om in andere landen te gaan wer-
ken. Die geven aan dat privéredenen veruit de belangrijkste zijn. Voor
verpleegkundigen was dat in 60% van de gevallen de belangrijkste reden,
voor verzorgenden was de belangrijkste reden in alle gevallen een huwe-
lijk met een Nederlandse man. Redenen als goede carrièremogelijkheden
of uitdaging om in een ander land te werken, scoren beduidend lager
zodat men zich de vraag kan stellen of de arbeidsmarkt voor verpleging
en verzorging wel gevoelig is voor internationale wervingscampagnes.
Voor de verzorging komt daar nog bij dat het beroep van verzorgende
niet in alle landen een erkend beroep is. Dat maakt werving in het bui-
tenland lastig.
5.3        Kabinetsbeleid ten aanzien van arbeidsmobiliteit
Hoewel grote internationale verschillen in welvaart, beloning en werk-
loosheid niet leiden tot een omvangrijke arbeidsmobiliteit tussen de lid-
staten vraagt het kabinet de SER in 2000 hoe belemmeringen voor
arbeidsmobiliteit kunnen worden weggenomen. Arbeidsmobiliteit kan
immers bijdragen aan verdergaande Europese integratie en betere alloca-
tie van arbeid in Europa28.
RVZ                                                   Arbeidsmarkt en zorgvraag 119
</pre>

====================================================================== Einde pagina 119 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 120 ======================================================================

<pre>De SER constateert in 2002 dat het wegnemen van belemmeringen nog
geen toename van de feitelijke mobiliteit garandeert. Zo blijken mobili-
teitsstromen in de EU door een aantal oorzaken nauwelijks gevoelig voor
werkloosheidsverschillen.Verder constateert de SER dat migratie in het
algemeen geen oplossing voor vergrijzing biedt. Om de afname van de
groei van de bevolking en de verschuiving in de leeftijdsopbouw van de
bevolking blijvend te compenseren, zouden steeds meer migranten nodig
zijn, wat uiteindelijk tot absurde aantallen zou leiden. De sectorspecifie-
ke knelpunten die ontstaan door afname van de groei van de beroepsbe-
volking moeten volgens de SER bij voorkeur opgelost worden door de
oplossingen te zoeken binnen het bestaande prioriteitsgenietend aanbod
in Nederland en de EU29. Dat laatste wil zeggen dat eerst gekeken zou
moeten worden of binnen de EU geschikt en beschikbaar arbeidsaanbod
aanwezig is om de vacatures te vervullen.
Het kabinet is het met de SER eens dat belemmeringen voor arbeidsmo-
biliteit zoveel mogelijk weggenomen moeten worden om de potentiële
arbeidsmobiliteit in de EU te vergroten. Evenals de SER merkt het kabi-
net in zijn reactie op het advies op dat de arbeidsmobiliteit binnen EU-
landen beperkt is, terwijl binnen deze landen nauwelijks belemmeringen
zijn op het gebied van taal, cultuur en instituties. Ook tussen de EU-lid-
staten wordt weinig arbeidsmobiliteit waargenomen30.
In het kader van de uitbreiding van de EU op 1 mei 2004 met tien
nieuwe lidstaten heeft het kabinet onderzocht of er aanleiding is af te
wijken van de verplichting van het per 1 mei 2006 implementeren van
het beginsel van het vrije verkeer van werknemers. Het kabinet komt tot
de conclusie dat er onvoldoende aanleiding is om geen volledig vrij ver-
keer van werknemers in te voeren. Wel wil het de ontwikkelingen nauw-
gezet volgen omdat er veel onzekerheden zijn rond het precieze aantal
immigranten en in de ramingen van de te verwachten arbeidsmigratie.
Daartoe wordt de tewerkstellingsvergunning in stand gehouden, maar
vervalt de arbeidsmarkttoets (de toets van op de beschikbaarheid van
prioriteitgenietend arbeidsaanbod binnen de EU/EER) als die door
werkgevers voor werknemers uit de toetredende MOE-landen31 wordt
aangevraagd32.
Geen tewerkstellingsvergunning is nodig als men als zelfstandige onder-
nemer aan de slag gaat. Dat zou de reden zijn dat sprake is van een aan-
zienlijke toename van het aantal inschrijvingen bij de Kamer van
Koophandel sinds uitbreiding van de Europese Unie met tien landen.
Een Poolse loodgieter kan niet zonder tewerkstellingsvergunning in
loondienst zijn, maar wel een eigen loodgietersbedrijf beginnen. In de
regio Haaglanden maakten Oost-Europeanen 5% uit van het aantal
nieuwe ondernemingen en die trend heeft zich in 2005 voortgezet33.
Inmiddels heeft het kabinet besloten op 1 januari 2007 de grenzen te
RVZ                                                   Arbeidsmarkt en zorgvraag 120
</pre>

====================================================================== Einde pagina 120 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 121 ======================================================================

<pre>openen voor werknemers uit de nieuwe EU-lidstaten, maar de Tweede
Kamer wil voorlopig nog de tewerkstellingsvergunning (voor bepaalde
sectoren) handhaven.
Afgaand op het aantal inschrijvingen van beroepsbeoefenaren met een
buitenlands diploma in het BIG-registers c.q het aantal tewerkstellings-
vergunningen is die trend nog niet aan de orde in de gezondheidszorg.
Wel komt het voor dat beroepsbeoefenaren met een buitenlands diploma
in Nederland werken zonder ingeschreven te zijn (en dus ook niet de
titel mogen voeren). In het buitenland opgeleide tandartsen werken dan
bijvoorbeeld in de (buiten)praktijk van een Nederlandse collega. Over de
omvang van deze groep zijn gegevens beschikbaar.
5.4       Conclusies
De gegevens overziend moet de conclusie zijn dat migratie niet de oplos-
sing is voor de te verwachten tekorten op de arbeidsmarkt in de zorg-
sector. Daarvoor zijn meer redenen.
In de eerste plaats worden internationaal als gevolg van de vergrijzing in
alle (Europese) landen tekorten op de arbeidsmarkt verwacht voor zowel
verpleegkundigen als artsen. Nederland moet dan ten opzichte van ande-
re landen in velerlei opzichten wel bijzonder aantrekkelijk zijn, wil het
met andere landen kunnen concurreren. Engelstalige landen zullen waar-
schijnlijk in het voordeel zijn als men buitenlandse artsen of verpleeg-
kundigen (eventueel ook van buiten de EU) wil aantrekken. Ook salaris
zal in die concurrentie een rol spelen, zo bleek bij de vorige periode van
tekorten voor verpleegkundigen. “De minister merkt vervolgens op dat
wel degelijk is geprobeerd om verpleegsters te werven in andere lidstaten
en meer in het bijzonder in Beieren. Deze verpleegkundigen bleken ech-
ter niet geïnteresseerd in een baan in Nederland, omdat het beloningsni-
veau in Duitsland hoger ligt dan in Nederland34”.
Over verzorgenden in andere landen zijn weinig gegevens beschikbaar.
Een complicerende factor voor een actief wervingsbeleid in het buiten-
land is dat het vak verzorgende in landen een verschillende inhoud en
betekenis heeft. Dat maakt het lastig gericht te werven.
In de tweede plaats – en dat geldt in het bijzondervoor de arbeidsmarkt
van verpleegkundigen en verzorgenden – blijkt de arbeidsmarkt sterk
regionaal bepaald. In Europa is de feitelijke mobiliteit nu al beperkt, ook
als er geen of weinig taal of culturele belemmeringen zijn.
Dat is bijvoorbeeld de situatie tussen Nederland en Vlaanderen. Er zijn
geen grote verschuivingen in aantallen artsen en verpleegkundigen en
toch is het salaris van bijvoorbeeld de Nederlandse huisarts beduidend
RVZ                                                   Arbeidsmarkt en zorgvraag 121
</pre>

====================================================================== Einde pagina 121 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 122 ======================================================================

<pre>hoger dan van zijn Belgische collega en zijn er in België beduidend meer
huisartsen.
In de derde plaats geldt meer in zijn algemeenheid dat migratie niet als
een goede oplossing wordt gezien voor tekorten op de arbeidsmarkt.
Zo noemt de WRR een aantal bezwaren om bij een krappe arbeidsmarkt
het instrument van arbeidsmigratie weer in te zetten. Wel zou tijdelijke
migratie te overwegen zijn in specifieke sectoren, zolang het probleem
een overduidelijk tijdelijk karakter heeft en men de duur van de tewerk-
stelling contractueel duidelijk vastlegt en consistent naleeft. Het verleden
heeft immers geleerd dat veel immigranten die naar Nederland kwamen
met het idee dat dit tijdelijk zou zijn, zich hier permanent hebben geves-
tigd35 Ook de SER ziet in migratie geen oplossing.
Dat over het vraagstuk van migratie overigens nog niet het laatste woord
gezegd is, blijkt uit een oproep van oud-premier Lubbers in de
Volkskrant (januari 2006). Hij acht het hoog tijd voor een nieuw migra-
tiebeleid. Daarbij wijst hij op een rapport van de Global Commission on
International Migration waarin wordt geconstateerd dat zowel de aard
als de omvang van de migratie wezenlijk zijn veranderd. De inzet zou
moeten zijn om de mogelijkheden van migranten op een positieve wijze
te benutten. Het kabinet heeft aangekondigd in het voorjaar van 2006
met een notitie te komen waarin de contouren worden geschetst van een
modern migratiebeleid. Daarin zal de vraag beantwoord worden welke
migranten Nederland wel en niet moet willen toelaten, en waarom36.
Een standpunt over het migratiebeleid valt buiten de reikwijdte van dit
advies, maar een ruimerhartig toelatingsbeleid biedt wellicht meer moge-
lijkheden voor mensen om aan de slag te gaan in ondersteunende dien-
sten, bijvoorbeeld in de schoonmaakbranche en boodschappenservice
c.q. een markt voor de persoonlijke dienstverlening. Daardoor kan de
zorg anders aangeboden worden wat zou kunnen leiden tot uitstel dan
wel een minder beroep op zorg van professionele hulpverleners in het
zorgdomein. Om die reden moeten in ieder geval zo weinig mogelijk
belemmeringen opgeworpen worden voor mensen die aan de slag willen.
Wel is het uit een oogpunt van volksgezondheid en patiëntenzorg van
belang voor een aantal beroepen (voorlopig) vast te houden aan oplei-
dings- en kwaliteitseisen. Zo blijkt uit internationaal onderzoek verband
te bestaan tussen de mate van deskundigheid van verpleegkundigen en
mortaliteit, comorbiditeit en patiëntveiligheid37.
RVZ                                                    Arbeidsmarkt en zorgvraag 122
</pre>

====================================================================== Einde pagina 122 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 123 ======================================================================

<pre>De Wet BIG en migratie
Iedereen die werkzaam is in de individuele gezondheidszorg, valt onder
de werking van de Wet BIG. De wet regelt een beperkt aantal beroepen.
De opleidingseisen en het deskundigheidsgebied van deze beroepen lig-
gen vast. Alleen wie voldoet aan de wettelijk vastgestelde eisen, mag een
beschermde beroeps- of opleidingstitel voeren. Met het voeren van een
beschermde titel geeft de beroepsbeoefenaar aan deskundig te zijn op een
bepaald gebied van de gezondheidszorg.
De Wet BIG maakt bij het regelen van de verschillende beroepen een
onderscheid. Er zijn twee regelingen: een ‘lichte’ en een ‘zware’ regeling.
Voor de beroepsbeoefenaren van de ‘zware’ regeling op basis van artikel 3
gelden naast de vastgestelde opleidingseisen en deskundigheidsgebied
ook een wettelijke registratie en tuchtrecht. Voor de beroepsbeoefenaren
van de ‘lichte’ regeling op basis van artikel 34 zijn alleen de opleidingsei-
sen en het deskundigheidsgebied geregeld. Een beroepsbeoefenaar met
een artikel 34-diploma behaald aan een erkende Nederlandse opleidings-
instelling mag op grond daarvan de beschermde opleidingstitel voeren,
een beroepsbeoefenaar met een artikel 3-diploma mag pas na registratie
in het BIG-register de beschermde beroepstitel voeren.
 Artikel 3                     Artikel 34
 Apotheker                     Apothekersassistent
 Arts                          Diëtist
 Fysiotherapeut                Ergotherapeut
 Gezondheidszorgpsycholoog     Huidtherapeut
 Psychotherapeut               Logopedist
 Tandarts                      Mondhygiënist
 Verloskundige                 Oefentherapeut Cesar
 Verpleegkundige               Oefentherapeut Mensendieck
                               Orthoptist
                               Optometrist
                               Podotherapeut
                               Radiodiagnostisch laborant
                               Radiotherapeutisch laborant
                               Tandprotheticus
                               Verzorgende in de individuele gezondheidszorg (VIG-er)
                               Huidtherapeut
Bij de beoordeling van een buitenlands diploma is het belangrijk te
weten of het een diploma betreft dat in een EER-land of Zwitserland is
behaald. Binnen Europa zijn namelijk voor een aantal beroepen afspra-
ken gemaakt. De Economische Europese Ruimte (EER) bestaat uit de
huidige EU-landen en Noorwegen, IJsland en Liechtenstein. Zwitserland
heeft met de EER een associatieverdrag gesloten. Voor wat betreft het
onderling erkennen van beroepsbeoefenaren geldt voor aanvragen uit
Zwitserland dezelfde procedure als voor aanvragen uit de EER-landen.
RVZ                                                         Arbeidsmarkt en zorgvraag 123
</pre>

====================================================================== Einde pagina 123 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 124 ======================================================================

<pre>Beroepsbeoefenaren in het bezit van een diploma vermeld in de
‘Regeling aanwijzing buitenlandse diploma’s gezondheidszorg’, hebben
een zogenaamd ‘aangewezen’ diploma. Zij hebben dezelfde rechten op
inschrijving in het BIG-register als iemand die een overeenkomstig
Nederlands diploma heeft. De regeling vermeldt diploma’s of getuig-
schriften van opleidingen tot de beroepen van arts, tandarts, apotheker,
fysiotherapeut, verloskundige en verpleegkundige.
Mensen die in het buitenland een diploma behaald hebben, kunnen op
grond van de artikelen 41 en 45 van de Wet op de beroepen in de indi-
viduele gezondheidszorg (Wet BIG) een verklaring van vakbekwaamheid
aanvragen voor de artikel 3- en artikel 34-beroepen van de Wet BIG.
Artikel 3-beroepsbeoefenaren kunnen zich op basis van een verklaring
van vakbekwaamheid inschrijven in het BIG-register en artikel 34-
beroepsbeoefenaren met een verklaring van vakbekwaamheid mogen de
opleidingstitel voeren.
Onderstaande schema’s, afkomstig uit het jaarverslag van het Agentschap
CIBG 2003, laten zien welke stappen daarvoor moeten worden gezet.
RVZ                                                 Arbeidsmarkt en zorgvraag 124
</pre>

====================================================================== Einde pagina 124 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 125 ======================================================================

<pre>Kennis- en vaardighedentoets voor beroepsbeoefenaren van buiten
de EER
Op 22-12 –2005 heeft de Ministerraad op voorstel van minister
Hoogervorst ingestemd met wijziging van het Besluit buitenslands gedi-
plomeerden. Met de wijziging kan de Commissie buitenslands gediplo-
meerden volksgezondheid bepalen dat beroepsbeoefenaren van buiten de
Europees Economische Ruimte een kennis- en vaardighedentoets moe-
ten afleggen. Er wordt gestart met een toets voor artsen. Voor verpleeg-
kundigen en tandartsen zijn de toetsen in ontwikkeling. Of voor alle
beroepen een toets wordt ontwikkeld, hangt af van het aantal gegadig-
den binnen de beroepsgroep. De kosten van de toets zullen per beroeps-
groep verschillen. Deze dienen door de buitenslands gediplomeerde
voorafgaand aan de toets te worden voldaan.
Tot deze wijziging is besloten omdat blijkt dat de vergelijking van bui-
tenlandse getuigschriften met de vereiste Nederlandse getuigschriften
problemen oplevert. Ook de opgedane competenties tijdens het uitoefe-
nen van het beroep blijken moeilijk te beoordelen. Door het afleggen
van de toets kan de kennis van een buitenslands gediplomeerde op een
zo objectief mogelijke wijze worden beoordeeld. De kennis van de
Nederlandse taal en van het Nederlandse zorgstelsel zullen een onderdeel
zijn van de toets, voor zover deze noodzakelijk zijn voor het werken bin-
nen de gezondheidszorg. Bij een niet toereikend kennis- en vaardighe-
denniveau zal een gericht studieadvies worden gegeven.
De opzet hiervan is de overgang naar een aanvullende opleiding zo snel
en efficiënt mogelijk te laten verlopen.
RVZ                                                  Arbeidsmarkt en zorgvraag 125
</pre>

====================================================================== Einde pagina 125 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 126 ======================================================================

<pre>Noten
1
    www.stichtingbmp.nl
2
    International nurse mobility. Trends and policy implictions.
    WHO/EIP/OSD/2003.3
3
    Bijvoorbeeld: uitzending van Nova tv op 20 oktober 2005: Luzac
    beschuldigd van moderne slavernij en ‘Huis Filipijnse verpleegsters
    leeggehaald’ in de Volkskrant van vrijdag 18 november 2005.
4
    Vissen in een vreemde vijver: het werven van verpleegkundigen en
    verzorgende in het buitenland. Ervaringen met en toekomstver-
    wachtingen over arbeidsmigratie in de zorgsector. Judith M.
    Roosblad. Amsterdam Institute for Advanced Labour Studies.
    Mei 2005.
5
    Arbeidsmigratie door verpleegkundigen naar Nederland. NIWZ
6
    Vissen in een vreemde vijver: het werven van verpleegkundigen en
    verzorgende in het buitenland. Ervaringen met en toekomstver-
    wachtingen over arbeidsmigratie in de zorgsector. Judith M.
    Roosblad. Amsterdam Institute for Advanced Labour Studies.
    Mei 2005.
7
    Veer, de A.J.E., et al. Grenzen geslecht? Ervaringen van en met
    zorgpersoneel uit EU-(kandidaat) lidstaten.
    OSA-publicatie ZW32, augustus 2002.
8
    Het BIG-register registreert artsen, tandartsen, apothekers, verpleeg-
    kundigen, gezondheidszorgpsychologen fysiotherapeuten, verloskun-
    digen en psychotherapeuten.
9
    MOE-landen: landen uit de Midden- en Oost-Europese landen die
    in 2004 lid zijn geworden van de EU: Estland, Letland, Litouwen,
    Polen, Tsjechië, Slowakije, Hongarije en Slovenië.
10
    Artsen uit Oost-Europa niet massaal naar Nederland. Nieuwsreflex.
    Medisch Contact, nr. 29/30 22 juli 2005, pag. 1198.
11
    Zie bijvoorbeeld: De moeizame weg naar erkenning. Ingrid Lutke
    Schipholt. Medisch Contact jaargang 55 nr. 33/34 - 18 augustus
    2000. En Frustraties en bureaucratie. M. Melchior Medisch
    Contact. Nr.16, 22 april 2005, pagina 652-654.
12
    Mondelinge mededeling A. Duivesteijn, voorlichter BIG-register.
13
    Nederlanders over de grens. Han Nicolaas en Arno Sprangers.
    Demos, jaargang 21, nr.4, april 2005.
14
    Navraag bij de auteur van artikel Nederlanders over de grens.
15
    Arbeid in Zorg en Welzijn 2005.
    Prismant, Utrecht.
16
    Brief aan de Tweede Kamer, 18 januari 2006, IBE/BO-2645810.
17
    Capaciteitsplan 2005.
18
    Hoek, J.F. c.s. Vroeg gestruikeld. Medisch contact nr. 29/30,
    22 juli 2005, pag 1208-1211.
19
    Health at a Glance - OECD indicators 2005.
RVZ                                                  Arbeidsmarkt en zorgvraag 126
</pre>

====================================================================== Einde pagina 126 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 127 ======================================================================

<pre>20
    Lincoln C. Chen, M.D., and Jo Ivey Boufford, M.D. Fatal Flows -
    Doctors on the Move. The New England Journal of Medicine.
    Volume 353: 1850-1852 October 27, 2005.
21
    Fitzhugh Mullan, M.D. The Metrics of the Physician Brain Drain
    The New England Journal of Medicine. Volume 353: 1810-1818
    October 27, 2005.
22
    Devastating exodus of doctors from Africa and Caribbean is found.
    Celis W. Dugger. New York Times. October 27, 2005.
23
    Arbeid en Zorg en Welzijn 2005. Prismant.
24
    Faber, Jasper en Dianne van Oosterhout. 2003. Bouwstenen voor
    een nieuw arbeidsmarktbeleid. NYFER. Breukelen.
25
    Vissen in een vreemde vijver: het werven van verpleegkundigen en
    verzorgende in het buitenland. Ervaringen met en toekomstver-
    wachtingen over arbeidsmigratie in de zorgsector. Judith M.
    Roosblad. Amsterdam Institute for Advanced Labour Studies.
    Mei 2005.
26
    Veer, de A.J.E., et al. Grenzen geslecht? Ervaringen van en met zorg-
    personeel uit EU-(kandidaat) lidstaten. OSA-publicatie ZW32,
    augustus 2002.
27
    Veer, de A.J.E., et al. Grenzen geslecht? Ervaringen van en met zorg-
    personeel uit EU-(kandidaat) lidstaten. OSA-publicatie ZW32,
    augustus 2002.
28
    Tweede Kamer, vergaderjaar 2000-2001, 27 400 XV, nr. 59.
29
    EU en vergrijzing. SER, 2002.
30
    Tweede Kamer, vergaderjaar 2000-2001, 27 400 XV, nr. 59.
31
    MOE-landen: landen uit de Midden- en Oosteuropese landen die
    in 2004 lid zijn geworden van de EU: Estland, Letland, Litouwen,
    Polen, Tsjechië, Slowakije, Hongarije en Slovenië.
32
    Tweede Kamer, vergaderjaar 2003-2004, 29 407, nr. 1.
33
    Bij ’n baas mag niet, zelf iets beginnen wel.
    Volkskrant 5 januari 2006, pag. 2.
34
    Tweede Kamer, vergaderjaar 2001-2002, 28 026, nr. 2.
35
    WRR Nederland als immigratiesamenleving. Sdu Uitgevers,
    Den Haag, 2001.
36
    Evaluatie Kennismigrantenregeling. Tweede Kamer, vergaderjaar
    2005-2006, 30 300 VI, nr. 112.
RVZ                                                  Arbeidsmarkt en zorgvraag 127
</pre>

====================================================================== Einde pagina 127 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 128 ======================================================================

<pre>RVZ Arbeidsmarkt en zorgvraag 128</pre>

====================================================================== Einde pagina 128 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 129 ======================================================================

<pre>Bijlage 7
Afkortingen
AWBZ        Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten
BBL         Beroepsbegeleidende Leerweg
BOL         Beroepsopleidende Leerweg
BZK         ministerie van Binnenlandse Zaken en
            Koninkrijksrelaties
CBG         Commissie Gelijke Behandeling
CBS         Centraal Bureau voor de Statistiek
CIBG        Centraal Informatiepunt Beroepen Gezondheidszorg
CPB         Centraal Planbureau
CVA         cardiovasculair accident
CWI         Centrum voor Werk en Inkomen
DBC’s       diagnose behandel combinaties
EER         Economische Europese Ruimte
EU          Europese Unie
MBO         Middelbaar Beroepsonderwijs
MOE-landen  landen uit de Midden- en Oost-Europese landen
            die in 2004 lid zijn geworden van de EU: Estland,
            Letland, Litouwen, Polen, Tsjechië, Slowakije,
            Hongarije en Slovenië
OCW         ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen
OSA         Organisatie voor Strategisch Arbeidsmarktonderzoek
ROA         Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt
RVZ         Raad voor de Volksgezondheid en Zorg
RWI         Raad voor Werk en Inkomen
SEO         Stichting voor Economisch Onderzoek
SER         Soiaal Economische Raad
SZW         ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
V&V         Verpleging en Verzorging
VIG-er      Verzorgende in de individuele gezondheidszorg
VWS         ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
WAO         Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering
Wet BIG     Wet op de beroepen in de indivuele gezondheidszorg
WGBL        Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij
            arbeid, beroep en beroepsonderwijs
WMO         Wet Maatschappelijke Ondersteuning
ZVW         Zorgverzekeringswet
RVZ                                          Arbeidsmarkt en zorgvraag 129
</pre>

====================================================================== Einde pagina 129 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 130 ======================================================================

<pre>RVZ Arbeidsmarkt en zorgvraag 130</pre>

====================================================================== Einde pagina 130 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 131 ======================================================================

<pre>Bijlage 8
Literatuur
Aiken, L., et al. Trends in International Nurse Migration.
Health Affairs, 23, 2004, no. 3, P. 68-77.
Algemene Verenging Verpleegkundigen en Verzorgenden.
De verzorging van morgen. Utrecht: AVVV, 2006.
Andalo, D. NHS staff: the issue explained.
Guardian Unlimited, 2005, p. 1-3.
Arcares. Toetsingskadervoor Verantwoorde Zorg. Een operationalisatie
van het Visiedocumenten Normen voor Verantwoorde zorg in een indi-
catorenset en een sturingsmodel voor de V&W. Utrecht: Arcares, 2005.
Becker, H.M. Levenskunst op leeftijd.Delft: Eburon, 2004.
Brush, B.L., J. Sochalski en A.M. Berger. Imported Care: Re-cruiting
Foreign Nurses To U.S. Health Care Facilities.
Health Affairs, 23, 2004, no. 3, p. 78-87.
Buchan, J. and L. Calman. Skill-Mix and Policy Change in the Health
Workforce: Nurses in Advanced Roles.
OECD Health Working Papers No. 17
Callahan, C.M., et al. Capaciteitsorgaan. Ontwikkeling capaciteit huis-
artsenzorg 2000-2004-2012. Een tussenrapportage met beleidsscenario’s.
Utrecht: Capaciteitsorgaan, 2004.
Callahan, C.M., et al. Effectiveness of Collaborative Care for Older
Adults With Alzheimer Disease in Primary Care.
JAMA, 295, 2006, no. 18, p. 2148-2157.
Capaciteitsorgaan. Capaciteitsplan 2005 voor de medische en tandheel-
kundige vervolgopleidingen. Advies 2005 over de initiële opleiding
geneeskunde. Utrecht: Capaciteitsorgaan, 2005.
Carmichael, F. en S. Charles. The opportunity costs of informal care:
does gender matter. Journal of Health Economics, 22, 2003, p. 781-803.
Carvel, J. Nursing’s image is given a dose of video reality. Society
Guardian Unlimited, 2005, p. 1-2.
RVZ                                                  Arbeidsmarkt en zorgvraag 131
</pre>

====================================================================== Einde pagina 131 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 132 ======================================================================

<pre>Centraal Planbureau. Reinventing the Welfare State. Den Haag: CPB,
2006.
Centre for Process Management and Simulation. Vatbaar voor
innovaties. Resultaten van twee workshops over de adoptie van
innovaties in de gezondheidszorg. Delft CPS, 2005.
Centrum voor Werk en Inkomen. Arbeidsmarktprognose 2005-2010.
Amsterdam: CWI, 2005.
College bouw zorginstellingen. Onderzoek bouwbehoefte verpleging en
verzorging 2006-2013. Utrecht: Cbz, 2006.
Commissie Gelijke Behandeling. Seniorenregelingen als onderdeel van
leeftijd(fase)bewust personeelsbeleid: Utrecht: CGB , 2006.
Commissie Technologie, Zorg en Opleidingen. Techniek met Zorg,
eindrapportage. Utrecht: TZO, 2004.
De InformatieWerkPlaats. Samen zorgen voor jezelf, een nationale
infrastructuur voor zorginformatie. Den Haag:
De InformatieWerkPlaats, 2005.
Depla, M. Community-based care for older people with severe mental
illness. Proefschrift. Utrecht:. Universiteit van Utrecht, 2004.
De Vijfde Dimensie. Domotica voor dementerenden. Amersfoort:
De 5de Dimensie, 2006.
Dijk, H. van en C. Friesema. Tien tips voor werkgevers: bouwstenen
voor goed werkgeverschap. ZorgVisie/hrm-special, 2006, p. 1-3.
Eggens, P. Zonder integratie technologie geen woonzorgzones.
Z&, 2004, p. 3-6.
ELSEVIER Gezondheidszorg en Landelijk Expertisecentrum Verpleging
& Verzorging. Feiten over verpleegkundige en verzorgende beroepen in
Nederland. Maarssen; Utrecht ELSEVIER: LEVV, 2004.
Energie Bouwfysica Milieu Consult. Businesscase grootschalige uitrol
domotica-diensten. Arnhem: EBM Consult, 2004.
Essen, van G., et al. Arbeid in zorg en welzijn. Tilburg: OSA, 2002.
Ettner, S.L. The impact of “Parent Care” on Female Labor Supply
Decisions. Demography, 32, 1995, no. 1, p. 63-80.
RVZ                                                    Arbeidsmarkt en zorgvraag 132
</pre>

====================================================================== Einde pagina 132 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 133 ======================================================================

<pre>Europese Commissie. Goed op weg met breedband. Handreiking voor
gemeenten, provincies en woningcorporaties, 2006.
Freeband. Opportunities for we-centric service bundling in dementia
care. Enschede: Freeband, 2005.
Geestelijke gezondheidszorg en verslavingszorg. Preventie biedt perspec-
tief. Amersfoort, GGZ Nederland, 2005.
Gezondheidsraad. Vergrijzen met ambitie. Den Haag: GR, 2005.
Gezondheidsraad. Dementie. Den Haag: GR, 2002.
Golsteijn, D. Kennis over ICT koppelen aan kennis over handicap.
IRV nieuwsbrief, 2005, no. 1, p. 5.
Goudriaan, R., et al. Arbeidsmarkt, arbeidsproductiviteit en vergrijzing.
Den Haag: APE, 2005.
Goudriaan, R. et al. Achtergrondrapport bij Arbeidsmarkt, arbeids-
productiviteit en vergrijzing. Den Haag: APE, 2005.
Griffin, J.E. en T. Wade. Offering “An Apple a Day” Through
Technologie. Gordian Health Solutions Inc, 2005
Grip, A. en I. Sieben. The effects of human resource management on
small firms productivity and employees wages. Applied Economics,
2005, no. 37, p. 1047-1054.
Hafteinsdóttir, T.B. Neurodevelopmental treatment. Proefschrift.
Utrecht: Universiteit van Utrecht, 2003.
Hafteinsdóttir, T.B., et al. NDT werkt niet - hoe nu verder.
Tijdschrift voor Verpleegkundigen, 116, 2006, no 3, p. 38-43.
Hartlief, T. Oordelen over juridische onderzoek anno 2006.
NJB, 81, 2006, no. 8, p. 420423.
Health Management Forum. De expertise van koplopers. Overdracht
van ‘best practices’ in behoud van personeel in de zorgsector.
Leiden: hmf, 2005.
Health Management Forum. Leefstijl, gezondheid en eigen verantwoor-
delijkheid. Leiden, hmf, 2005.
RVZ                                                 Arbeidsmarkt en zorgvraag 133
</pre>

====================================================================== Einde pagina 133 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 134 ======================================================================

<pre>Health Management Forum. Toekomst zorgtechnologie.
Leiden: hmf, 2005.
Heemskerk, M. Leeftijdsdiscriminatie bedreigt arbeidsvoorwaarden.
NJB, 81, 2006, no. 8, p. 412-419.
Hordijk, H. et al. Geriatrische verpleegkundige zorg tussen eerste en
tweede lijn. Tijdschrift voor Verpleegkundigen - Special september 2003.
Inspectie voor de Gezondheidszorg. Verantwoorde zorg en personele
consequenties. Den Haag: IGZ 2004.
Inspectie voor de Gezondheidszorg. Kwaliteitsverbetering mogelijk door
actief gebruik indicatoren. Resultaten inspectieformulier 2005 verpleeg-
huiszorg, verzorgingshuis en thuiszorg. Den Haag: IGZ, 2006.
Interdepartementale Commissie Marktordening. Tot zorg geprikkeld.
Eindrapport van de ICM werkgroep Arbeidsproductiviteit en innovatie-
ve kracht in de zorg. Den Haag: ICM, 2005.
Impulscommissie Breedband. Naar een nationale strategie voor
breedband. Utrecht, 2004.
KwaliteitsInstituut voor Toegepaste ThuisZorgvernieuweing.
Arbeid, Zorg en Technologie. Groningen: KITTZ, 2001.
Maasen van den Brink, H. Nationale Mantelzorglezing 2005.
Mantelzorg op waarde geschat. Uitgesproken op 28 april 2005.
Miesen, B. Dement: Zo gek nog niet. Utrecht/Antwerpen, 1992.
Miesen, B. Het Alzheimer Café. Lifetime. Utrecht/Antwerpen, 2002.
Ministerie van Binnenlandse Zaken. Arbeidsmarktmonitor Rijk.
Den Haag BiZa, 2005.
Natsem University of Canberra. Who’s going to care? Informal care and
an ageing population. Canberra: Natsem University, 2004.
Nederlands Instituut van Psychologen. De GZ-psycholoog in beeld.
Amsterdam: NIP, 2001.
Nederlands Instituut voor Zorg en Welzijn. Een EErvoor de Wmo.
Utrecht: NIZW EIZ, 2005.
RVZ                                                 Arbeidsmarkt en zorgvraag 134
</pre>

====================================================================== Einde pagina 134 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 135 ======================================================================

<pre>Nivel. Kwaliteit van zorg voor ouderen met psychogeriatrische proble-
men in verpleeg- en verzorgingshuizen. Utrecht: Nivel, 2004.
Nederlands Instituut voor Zorg en Welzijn. D’n Aok op koers,
wie volgt? Utrecht: NIZW, 2004.
Nederlands Instituut voor Zorg en Welzijn. Rollen en competenties van
de hbo-verpleegkunidge in het verpleeghuis. Utrecht: NIZW, 2005.
NYFER. Bouwstenen voor een nieuw arbeidsmarktbeleid in de
zorgsector. Breukelen: NYFER, 2003.
OECD. Skill-Mix and Policy Change in the Health Workforce:
Nurses in Advanced Roles. Paris: OECD, 2004.
O’Neill, E., J.A. Seago. Meeting the Challenge of Nursing and the
Nation’s Health. JAMA, vol. 288, No. 16, October 23, 2002.
Osté, J. en R.-M. Droës. Een ontmoetingscentrum voor Surinamers
met dementie en hun mantelzorgers: ontwikkeling en implementatie van
cultuurspecifieke gecombineerde ondersteuning. Tijdschrift Gerontologie
en Geriatrie, no. 36, 2005.
Pasch, T. van de. Zelfbewustzijn.
Tijdschrift voor Verpleegkundigen, 115, 2005, no. 11, p. 3.
Plantenga, J., et al. Arbeidsmarktparticipatie en de kosten van
kinderopvang. ESB, 90, 2005, no. 4455, p. 115-117.
Platform Kwalificatiebeleid Zorg en Welzijn. Toekomstverkenning ten
behoeve van een beroepenstructuur in zorg en welzijn.
Utrecht: NIZW, 2004
Pool, A. en J. Schumacher. Rollen en competenties van de hbo-
verpleegkundige in het verpleeghuis: vernieuwing van professionele
verpleeghuiszorg. Utrecht: NIZW Zorg/Uitgeverij Lemma, 2005.
PricewaterhouseCoopers. Brancherapport Z-org benchmarkonderzoek
thuiszorg 2004. Utrecht: PWC, 2005.
Prismant magazine. Identiteit en imago. Utrecht: Prismant, 2004.
Prismant. De arbeidsmarkt voor verpleegkundigen, verzorgenden en
sociaalpedagogen in de zorgsector 2004-2008.
Utrecht: Prismant, 2005.
RVZ                                                  Arbeidsmarkt en zorgvraag 135
</pre>

====================================================================== Einde pagina 135 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 136 ======================================================================

<pre>Provinciale Raad voor de Volksgezondheid en Limburg.
Kijk op zorgkwaliteit. Maastricht: PRV, 2006.
Raad voor Verkeer en Waterstaat en VROMRaad. Structurele bevol-
kingsdaling. Een urgente nieuwe invalshoek voor beleidsmakers.
Den Haag: Raad voor Verkeer en Waterstaat: VROMRaad, 2006.
Raad voor de Volksgezondheid en Zorg. Over e-health en
cybermedicine. Zoetermeer: RVZ, 2000.
Raad voor de Volksgezondheid en Zorg. Inzicht in e-health.
Zoetermeer: RVZ, 2002.
Raad voor de Volksgezondheid en Zorg. Blijvende zorg: economische
aspecten van langdurige ouderenzorg.
Zoetermeer: RVZ, 2005.
Raad voor de Volksgezondheid en Zorg. Houdbare solidariteit in de
gezondheidszorg. Essays en maatschappelijk debat.
Zoetermeer: RVZ, 2005.
Raad voor de Volksgezondheid en Zorg. Informele zorg. Het aandeel van
mantelzorgers en vrijwilliger in de langdurige zorg.
Zoetermeer: RVZ, 2005.
Raad voor de Volksgezondheid en Zorg. Van weten naar doen.
Zoetermeer: RVZ, 2005.
Raad voor Werk en Inkomen. Huis houden op de markt.
Den Haag: RWI, 2006.
Randstad gezondheidszorg. Werkbeleving van het verplegend en
verzorgend personeel. Diemen: Randstad gezondheidszorg, 2004.
Raeve, P. de. The free movement of nurses: a win-win situation if based
on ethical recruitment guidelines. Euro health, 9, 2003, no. 3, p. 24-26.
Rathenau Institute. Workshop Ambient Intelligence: In the service of
Man? Eindhoven University of Technologie, 8-10 november 2004.
Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt. De arbeidsmarkt
naar opleiding en beroep tot 2010. Maastricht: ROA, 2005
RIGO. Vastgoed van verzorgingshuizen en verpleeghuizen. Een landelijk
beeld van het boekwaardeprobleem.
Amsterdam: RIGO, 2002
RVZ                                                  Arbeidsmarkt en zorgvraag 136
</pre>

====================================================================== Einde pagina 136 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 137 ======================================================================

<pre>RIGO. Scenario’s verzorgingshuizen. Amsterdam: RIGO, 2003.
Rijn, P.W.E. van, H.J. Oosterveen en R.F. Schreuder. Gezond ouder
worden: diabetes mellitus. Deelrapportage 2. Leiden: STG, 2004.
Schuijt-Lucassen, N.Y. en M.I. Broese van Groenou. Verschillen in zorg-
gebruik door ouderen naar inkomen: De rol van gezondheid, sociale
context, voorkeur en persoonlijkheid.
Tijdschrift voor Gezondheidswetenschappen, 84, 2006, no. 1, p. 4-11.
Siermann, C. en H.J. Dirven. Uitstroom van ouderen uit de werkzame
beroepsbevolking. Sociaal-economische trends, 3e kwartaal 2005.
Centraal Bureau voor de Statistiek, 2005.
Smits, L. Meditatie wordt de nieuwe arbeidsvoorwaarde.
GoedZO.com. 2006, p. 6-7.
Sociaal en Cultureel Planbureau. Landelijk ramingsmodel kinderopvang
2002-2010. Den Haag: SCP, 2003.
Sociaal en Cultureel Planbureau. Rapportage gehandicapten.
Maatschappelijke positie van mensen met lichamelijke beperkingen of
verstandelijke handicaps. Den Haag: SCP, 2003.
Sociaal en Cultureel Planbureau. Emancipatiemonitor 2004.
Den Haag: SCP, 2004.
Sociaal en Cultureel Planbureau. Ouderen 2004, zorg en wonen voor
kwetsbare ouderen. Den Haag: SCP, 2004.
Sociaal en Cultureel Planbureau. Verklaringsmodel verpleging en
verzorging. Onderzoeksverantwoording. Den Haag: SCP, 2004.
Sociaal en Cultureel Planbureau. Verpleging en verzorging verklaard.
Den Haag: SCP, 2004.
Sociaal en Cultureel Planbureau. Arbeidsmobiliteit in goed banen.
Den Haag: SCP, 2005.
Sociaal en Cultureel Planbureau. Cijfermatige ontwikkelingen in de ver-
standelijk-gehandicaptenzorg. Een vraagmodel. Den Haag: SCP, 2005.
Sociaal en Cultureel Planbureau. Ouderen van nu en van de toekomst.
Den Haag: SCP, 2005.
RVZ                                                Arbeidsmarkt en zorgvraag 137
</pre>

====================================================================== Einde pagina 137 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 138 ======================================================================

<pre>Sociaal en Cultureel Planbureau. The relation between informal care and
labour supply: A structural equation model. Den Haag: SCP, 2005.
Sociaal en Cultureel Planbureau. Verzonken technologie. ICT en de
arbeidsmarkt. Den Haag: SCP, 2005.
Sociaal en Cultureel Planbureau. Kijk op informele zorg.
Den Haag: SCP, 2005.
Sociaal en Cultureel Planbureau. Zorg voor verstandelijk gehandicapten.
Ontwikkelingen in de vraag. Den Haag: SCP, 2005.
Sociaal en Cultureel Planbureau. Hoe werkt het met kinderen?
Den Haag: SCP, 2006.
Sociaal-Economische Raad. Gezondheidszorg in het licht van de
toekomstige vergrijzing. Den Haag: SER, 1999.
Sociaal-Economische Raad. Arbeidsmobiliteit in de EU.
Den Haag, SER, 2004.
Sociaal-Economische Raad. Van alle leeftijden. Den Haag: SER, 2005.
Stichting Toekomstscenario’s Gezondheidszorg. Gezond ouder worden.
Leiden: STG, 2005.
Stichting voor Economisch Onderzoek der Universiteit van Amsterdam.
Verkenning van stimulansen voor het keuzegedrag van leerlingen en
studenten. In opdracht van het ministerie van OCW.
Amsterdam: SEO, 2000.
Stigt Thans, E.H. van. Leeftijdsdiscriminatie en seniorendagen.
NJB, 2006, no. 7, p. 376-377.
Stuurgroep Experimenten Volkshuisvesting. Innovatieprogramma
Wonen en Zorg. De integrale medewerker. Utrecht: SEV, 2002.
Trimbos-instituut. Community-based care for older people with severe
mental illness. Utrecht: Trimbos-instituut, 2004.
Tweede Kamer der Staten-Generaal. Themacommissie Ouderenbeleid.
Den Haag: Sdu Uitgevers, vergaderjaar 2004-2005. No. 29549-3.
Valk, J. van der. Arbeidsdeelname van paren. Sociaal-economische trends,
3e kwartaal, 2005, p. 27-31.
RVZ                                                 Arbeidsmarkt en zorgvraag 138
</pre>

====================================================================== Einde pagina 138 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 139 ======================================================================

<pre>Verhagen, S.M. Zorglogica’s uit balans. Proefschrift.
Utrecht: Universiteit van Utrecht, 2005.
Veer de A.J.E., A.L. Francke en E.P. Poortvliet. Functiedifferentiatie
binnen de verzorging. Verpleegkunde, 2004, no. 2, p. 99-109.
Vermeulen, J. Langer zelfstandig wonen en hoe ICT daarbij kan helpen.
Proefschrift. Universiteit van Tilburg, 2006.
VNO-NCW. Nederland moet actiever. Den Haag: VNO-NCW, 2004.
Vrijhoef, H.J.M. en L.M.G. Steuten. Innovatieve zorgconcepten op een
rij: stepped care. Forum, 84, 2006, no. 1, p. 55-56.
Vrijhoef, H.J.M. en L.M.G. Steuten. Innovatieve zorgconcepten op een
rij: transmurale zorg. Forum, 84, 2006, no. 2, p. 120-122.
Weber, D.O. Poll Results: Doctors ‘Disruptive Behavior Disturbs
Pysician Leaders’. The Physician executive, 30, 2004, no. 5, p. 6-14.
Westerlaken, A. Arbeidsmarktproblematiek overheid: Thema zorg. In:
Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. De arbeids-
markt in de collectieve sector: investeren in mensen en kwaliteit. Essays.
Den Haag: BZK, 2001.
Wetenschappelijke Raad voor Het Regeringsbeleid. Putting the horse in
front of the cart: towards a social model for mid-century Europe.
Den Haag: WRR, 2005.
Wetenschappelijke Raad voor Het Regeringsbeleid. Toekomstbestendig
Stelsel Arbeidsmarkt en Sociale Zekerheid. Den Haag: WRR, 2005.
World Health Organization. Preparing a health care workforce for the
21st century. Geneva: WHO, 2005.
Wijk, van K en H. van Dijk. Marktwerking en Human Resource
Management. ZM Magazine, 2006, no. 1, p. 11-15. Zwitserland:
WHO, 2005.
Wijnen-Sponselee, R. Van oude lieden en beelden die voorbijgaan:
beelden over ouder worden en leeftijd en de consequentie voor wonen,
welzijn en zorg. Lectorale Rede Avans Hogeschool. Breda, 2005.
RVZ                                                  Arbeidsmarkt en zorgvraag 139
</pre>

====================================================================== Einde pagina 139 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 140 ======================================================================

<pre>RVZ Arbeidsmarkt en zorgvraag 140</pre>

====================================================================== Einde pagina 140 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 141 ======================================================================

<pre>Overzicht publicaties RVZ
De adviezen zijn te bestellen en/of te downloaden op de website van de RVZ (www.rvz.net).
Tevens kunt u de adviezen telefonisch aanvragen bij de RVZ (079 3 68 73 11). De publicaties
van het Centrum voor Ethiek en Gezondheid zijn alleen telefonisch te bestellen.
Adviezen en achtergrondstudies
06/09     Arbeidsmarkt en zorgvraag: achtergrondstudies                               €    15,00
          (achtergrondstudie bij het advies Arbeidsmarkt en zorgvraag)                €    15,00
06/08     Arbeidsmarkt en zorgvraag                                                   €    15,00
06/07     Zicht op zinnige en duurzame zorg
          (achtergrondstudie bij het advies Zinnige en duurzame zorg)                 €    15,00
06/06     Zinnige en duurzame zorg                                                    €    15,00
06/04     Strategisch vastgoedbeheer in de zorgsector: economische en                 €    15,00
          juridische aspecten (achtergrondstudie bij het advies Management
          van vastgoed in de zorgsector)
06/03     Dossier management van vastgoed in de zorgsector (achtergrond-              €    15,00
          studie bij het advies Management van vastgoed in de zorgsector)
06/02     Management van vastgoed in de zorgsector                                    €    15,00
06/01     Briefadvies Houdbare solidariteit in de gezondheidszorg                          gratis
05/15     Mensen met een beperking in Nederland: de AWBZ in perspectief               €    15,00
05/14     De AWBZ internationaal bekeken: langdurige zorg in het buitenland           €    15,00
          (achtergrondstudie bij het advies Mensen met een beperking
          in Nederland: de AWBZ in perspectief )
05/13     Informele zorg: het aandeel van mantelzorgers en vrijwilligers in de        €    15,00
          langdurige zorg (achtergrondstudie bij het advies Mensen met een
          beperking in Nederland: de AWBZ in perspectief )
05/12     Achtergronden voor internationale vergelijkingen van langdurige zorg        €    15,00
          (achtergrondstudie bij het advies Mensen met een beperking
          in Nederland: de AWBZ in perspectief
05/11     Blijvende zorg: economische aspecten van langdurige ouderenzorg             €    15,00
          (achtergrondstudie bij het advies Mensen met een beperking
          in Nederland: de AWBZ in perspectief )
05/07     Medische diagnose: achtergrondstudies (achtergrondstudie                    €    15,00
          bij het advies Medische diagnose: kiezen voor deskundigheid)
05/06     Medische diagnose: kiezen voor deskundigheid                                €    15,00
05/05     Weten wat we doen: verspreiding van innovaties in de zorg                   €    15,00
          (achtergrondstudie bij het advies Van weten naar doen)
05/04     Van weten naar doen                                                         €    15,00
05/03     Briefadvies Standaardisering Elektronisch Patiënten Dossier                      gratis
05/02     De WMO in internationaal perspectief                                        €    15,00
          (achtergrondstudie bij briefadvies WMO)
05/01     Briefadvies Wet Maatschappelijke Ondersteuning                                   gratis
              RVZ                                                Arbeidsmarkt en zorgvraag 141
</pre>

====================================================================== Einde pagina 141 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 142 ======================================================================

<pre>04/09  De GHORdiaanse knoop doorgehakt                                                    gratis
       (gezamenlijk advies met de Raad voor het openbaar bestuur)
04/08  Gepaste zorg                                                                  €    15,00
04/07  Met het oog op gepaste zorg                                                   €    15,00
       (achtergrondstudie bij het advies Gepaste zorg)
04/06  De invloed van de consument op het gebruik van zorg                           €    15,00
       (achtergrondstudie bij het advies Gepaste zorg)
04/04  De Staat van het Stelsel: achtergrondstudies                                  €    15,00
04/03  Verantwoordingsprocessen in de zorg op basis van de balanced                  €    15,00
       scorecard (achtergrondstudie bij het advies De Staat van het Stelsel)
04/02  Indicatoren in een zelfsturend systeem, prestatie-informatie voor             €    15,00
       systeem, toezicht, beleid en kwaliteit (achtergrondstudie bij het advies
       De Staat van het Stelsel)
04/01E The state of the system                                                            gratis
       (Engelse vertaling van het advies De Staat van het stelsel)
04/01  De Staat van het Stelsel                                                      €    15,00
03/15  Acute zorg (achtergrondstudie)                                                €    15,00
03/14  Acute zorg                                                                    €    15,00
03/13  Gemeente en zorg (achtergrondstudie)                                          €    15,00
03/12  Gemeente en zorg                                                              €    15,00
03/10  Kiezen in de gezondheidszorg (achtergrondstudie bij het advies                €    15,00
       Marktconcentraties in de ziekenhuiszorg
03/09  Marktconcentraties in de ziekenhuissector (achtergrondstudie                  €    15,00
       bij het advies Marktconcentraties in de ziekenhuiszorg)
03/08  Marktconcentraties in de ziekenhuiszorg                                       €    15,00
03/07  Internetgebruiker en kiezen van zorg                                          €    15,00
       (resultatenonderzoek bij het advies Van patiënt tot klant)
03/06  Zorgaanbod en cliëntenperspectief                                             €    15,00
       (achtergrondstudie bij het advies Van patiënt tot klant)
03/05  Van patiënt tot klant                                                         €    15,00
03/04  Marktwerking in de medisch specialistische zorg: achtergrondstudies           €    15,00
03/03  Anticiperen op marktwerking (achtergrondstudie bij het advies                 €    15,00
       Marktwerking in de medisch specialistische zorg)
03/02  Health Care Market Reforms & Academic Hospitals in international
       perspective (achtergrondstudie bij het advies Marktwerking in de              €    15,00
       medisch specialistische zorg)
03/01  Marktwerking in de medisch specialistische zorg                               €    15,00
02/19  Consumentenopvattingen over taakherschikking in de                            €    15,00
       gezondheidszorg (achtergrondstudie bij het advies Taakherschikking
       in de gezondheidszorg)
02/18  Juridische aspecten van taakherschikking (achtergrondstudie                   €    15,00
       bij het advies Taakherschikking in de gezondheidszorg)
02/17  Taakherschikking in de gezondheidszorg                                        €    15,00
02/15  Gezondheid en gedrag: debatten en achtergrondstudies (achtergrond-            €    15,00
       studies en debatverslagen bij het advies Gezondheid en gedrag)
02/14  Gezondheid en gedrag                                                          €    15,00
           RVZ                                                  Arbeidsmarkt en zorgvraag 142
</pre>

====================================================================== Einde pagina 142 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 143 ======================================================================

<pre>02/13      De biofarmaceutische industrie ontwikkelingen en gevolgen voor de             €    15,00
           gezondheidszorg (achtergrondstudie bij Biowetenschap en beleid)
02/12      Achtergrondstudie Biowetenschap en beleid                                     €    15,00
02/11      Biowetenschap en beleid                                                       €    15,00
02/10      Want ik wil nog lang leven                                                    €    15,00
           (achtergrondstudie bij Samenleven in de samenleving)
02/09      Samenleven in de samenleving (incl. achtergrondstudies NIZW,                  €    15,00
           Bureau HHM op CD-ROM)
02/07      Internetgebruiker, arts en gezondheidszorg                                    €    15,00
           (resultaten onderzoek bij E-health in zicht)
02/06      Inzicht in e-health (achtergrondstudie bij E-health in zicht)                 €    15,00
02/05      E-health in zicht                                                             €    15,00
02/04      Professie, profijt en solidariteit                                            €    15,00
           (achtergrondstudie bij Winst en gezondheidszorg)
02/03      Meer markt in de gezondheidszorg                                              €    15,00
           (achtergrondstudie bij Winst en gezondheidszorg)
02/02      'Nieuwe aanbieders' onder de loep: een onderzoek                              €    15,00
           naar private initiatieven in de gezondheidszorg
           (achtergrondstudie bij Winst en gezondheidszorg)
02/01      Winst en gezondheidszorg                                                      €    15,00
01/11      Kwaliteit Resultaatanalyse Systeem                                            €    13,61
           (achtergrondstudie bij Volksgezondheid en zorg)
01/10      Volksgezondheid en zorg                                                       €    13,61
01/09      Nieuwe gezondheidsrisico's bij voeding (achtergrondstudie                     €    13,61
           bij Gezondheidsrisico's voorzien, voorkomen en verzekeren)
01/08      Verzekerbaarheid van nieuwe gezondheidsrisico's (achtergrondstudie            €    13,61
           bij Gezondheidsrisico's voorzien, voorkomen en verzekeren)
01/07      Gezondheidsrisico's voorzien, voorkomen en verzekeren                         €    13,61
01/05      Technologische innovatie in zorgsector (verkennende studie)                   €    11,34
01/04E     Healthy without care                                                          €     9,08
00/06      Medisch specialistische zorg in de toekomst (advies en dossier)               €    19,29
00/04      De rollen verdeeld: achtergrondstudies                                        €    13,61
           (achtergrondstudie bij De rollen verdeeld)
00/03      De rollen verdeeld                                                            €    13,61
Bijzondere publicaties
05/16      Adviseren aan de andere overheid                                                   gratis
           (verslag van de invitational conference, 16 juni 2005)
05/10      Uw stem in de WMO (brochure bij het briefadvies                                    gratis
           Wet Maatschappelijke Ondersteuning (05/01)
           en het advies Gemeente en zorg (03/12))
05/09      Internetgebruiker en veranderingen in de zorg                                 €    15,00
               RVZ                                                  Arbeidsmarkt en zorgvraag 143
</pre>

====================================================================== Einde pagina 143 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 144 ======================================================================

<pre>05/08E    The Dutch health care market: towards healthy competition                         gratis
          (Engelse vertaling samenvattingen van de adviezen Winst en
          gezondheidszorg, Marktwerking in de medisch specialistische zorg
          en Marktconcentraties in de ziekenhuiszorg
04/11     RVZ: sanus sine cure (rapport bij evaluatieverslag 2000-2004)                     gratis
04/10     Evaluatierapport RVZ 2000-2004                                                    gratis
04/05     Tot de klant gericht (conclusies van de invitational conference              €    15,00
          Van patiënt tot klant)
03/11E The preferences of healthcare customers in Europe                                    gratis
03/11     De wensen van zorgcliënten in Europa                                         €    15,00
02/16     Gezondheidszorg en Europa: een kwestie van kiezen                            €    15,00
01M/02 Meer tijd en aandacht voor patiënten?                                                gratis
          Hoe een nieuwe taakverdeling kan helpen
01M/01E E-health in the United States                                                  €    11,34
01M/01 E-health in de Verenigde Staten                                                 €     9,08
01M/03 Publieksversie Verzekerd van zorg                                               €     6,81
01M/02 De RVZ over het zorgstelsel                                                     €     9,08
01M/01 Management van beleidsadvisering                                                €    11,34
00/05     Himmelhoch jauchzend, zum Tode betrübt (essay)                               €     6,81
Signalementen met achtergrondstudies
Sig 05/04 Houdbare solidariteit in de gezondheidszorg: essays en maat-                 €    15,00
          schappelijk debat (behoort bij briefadvies Houdbare solidariteit
          in de gezondheidszorg (06/01) en bij Houdbare solidariteit in
          de gezondheidszorg: signalement (Sig 05/02).
Sig 05/03 Risicosolidariteit en zorgkosten (achtergrondstudie bij Houdbare             €    15,00
          solidariteit in de gezondheidszorg)
Sig 05/02 Houdbare solidariteit in de gezondheidszorg: signalement                     €    15,00
Sig 05/01 Het preventieconcert: internationale vergelijking van                        €    15,00
          publieke gezondheid
Sig 03/01 Exploderende zorguitgaven                                                    €    15,00
Publicaties Centrum Ethiek en Gezondheid
          Signalering Ethiek en Gezondheid 2003                                             gratis
          Signalering Ethiek en Gezondheid 2004                                             gratis
          Signalering Ethiek en Gezondheid 2005                                             gratis
          De vertwijfeling van de mantelmeeuw 2004                                          gratis
          Bundel achtergrondstudies Economisering van zorg                                  gratis
          en beroepsethiek (2004)
              RVZ                                                 Arbeidsmarkt en zorgvraag 144
</pre>

====================================================================== Einde pagina 144 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 145 ======================================================================

<pre>Publicaties Commissie Bestrijding Vrouwelijke Genitale Verminking
De commissie is een ad hoc adviescommissie ingesteld door de minister van VWS,
ondersteund door het secretariaat van de RVZ.
VGV        Vrouwelijke genitale verminking nader bekeken                                       gratis
05/04      (achtergrondstudie bij Bestrijding vrouwelijke genitale verminking)
VGV        Bestrijding vrouwelijke genitale verminking: achtergrondstudie                      gratis
05/03      (achtergrondstudie bij Bestrijding vrouwelijke genitale verminking)
VGV        Genitale verminking in juridisch perspectief                                        gratis
05/02      (achtergrondstudie bij Bestrijding vrouwelijke genitale verminking)
VGV        Bestrijding vrouwelijke genitale verminking                                         gratis
05/01
Werkprogramma’s en jaarverslagen
00/02      Werkprogramma RVZ 2001 - 2002                                                       gratis
04/12      Jaarverslag 2002 - 2003 RVZ                                                         gratis
02/08      Jaarverslag 2001 RVZ                                                                gratis
01/06      Jaarverslag 2000 RVZ                                                                gratis
00/01      Jaarverslag 1999 RVZ                                                                gratis
               RVZ                                                   Arbeidsmarkt en zorgvraag 145
</pre>

====================================================================== Einde pagina 145 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 146 ======================================================================

<pre>RVZ Arbeidsmarkt en zorgvraag 146</pre>

====================================================================== Einde pagina 146 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 147 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 147 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 148 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 148 =================================================================

<br><br>