<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>Vormen van democratie</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>5896 BW Vormen van Democratie.in2 2 5896 BW Vormen van Democratie.in2 2 8/31/2007 2:07:48 PM 8/31/2007 2:07:48 PM</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>Vormen van democratie
Een advies over democratische gezindheid
Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>Vormen van democratie
Een advies over democratische gezindheid (advies 42)
Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling
ISBN 978 90 6665 896 7
NUR 740
© 2007 B.V. Uitgeverij SWP Amsterdam
Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen
in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige
wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enige andere manier,
zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16B
Auteurswet 1912 j° het Besluit van 20 juni 1974, St.b. 351, zoals gewijzigd bij het besluit van
23 augustus 1985, St.b. 471 en artikel 17 Auteurswet 1912, dient men de daarvoor wettelijk
verschuldigde vergoedingen te voldoen aan de Stichting Reprorecht (Postbus 3060, 2130 KB
Hoofddorp). Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers
en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet 1912) dient men zich tot Uitgeverij SWP
(Postbus 257, 1000 AG Amsterdam) te wenden.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>Inhoudsopgave
Voorwoord        7
Samenvatting        9
1  Inleiding       11
   1.1 Het begrip democratie is niet eenduidig      11
   1.2 Pijlers van democratie      12
   1.3 Vraagstelling en afbakening        14
   1.4 Leeswijzer       15
2  Democratie vergt onderhoud          17
   2.1 Inleiding      17
   2.2 Democratie is geen gegeven         17
   2.3 Maatschappelijke ontwikkelingen die democratie beïnvloeden    19
   2.4 Conclusie       28
3  De worteling van democratie         31
   3.1 Inleiding      31
   3.2 Het belang van gezin en school        32
   3.3 Het belang van civil society en buurt     33
   3.4 Het belang van participatie van burgers in beleidsvorming  36
4  Mogelijkheden voor beleid        41
   4.1 Inleiding      41
   4.2 Pedagogische settings       42
   4.3 Maatschappelijke settings        45
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>5   Conclusies en aanbevelingen       51
    5.1 Waarom dit advies?      51
    5.2 Wat is de analyse?     52
    5.3 Wat zijn de aanbevelingen?      53
Literatuur      57
Bijlagen
    Bijlage 1. Adviesaanvrage      67
    Bijlage 2. Geraadpleegde deskundigen        69
    Bijlage 3. Argumenten voor afzijdigheid ten opzichte van democratie 71
Overzicht van uitgebrachte publicaties     153
Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling        157
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>Voorwoord
Het kabinet heeft de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (RMO) gevraagd
advies uit te brengen over het thema ‘democratie als basiswaarde’.
In 2006 heeft de RMO het vooronderzoek Democratie voorbij de instituties uitge-
bracht. Dat eindigt met de vraag in hoeverre participatie en socialisatie een bij-
drage kunnen leveren aan het vergroten van de affiniteit van burgers met de de-
mocratie. Het voorliggende advies werkt deze vraag uit, en richt zich vooral op de
bevordering van een democratische mentaliteit. Voor de overheid is dit een lastig
thema, omdat dit direct de vrijheden van burgers raakt. Democratie kan daarom
nooit van boven af worden opgelegd of op andere wijze worden afgedwongen.
Gedurende het adviestraject hebben we dankbaar gebruik gemaakt van het com-
mentaar van een aantal deskundigen. Een overzicht van deze deskundigen vindt
u in bijlage 2. Daarnaast hebben we geput uit een rapport van Bureau Veldkamp,
dat een inventarisatie bevat van de beweegredenen van groepen burgers om zich
van de democratie af te keren. Dit rapport is te vinden in bijlage 3.
De commissie die het advies heeft voorbereid, bestond uit:
Prof. dr. M. de Winter (Raad)
Dr. S. Verhagen (secretariaat)
Dr. R. Janssens (secretariaat)
Drs. T. Schillemans (tot 31-12-2006, secretariaat)
                                                                        Voorwoord / 7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>De verantwoordelijkheid voor het advies berust bij de Raad.
Mw. Y. Koster-Dreese                        Mw. dr. M. Mootz
voorzitter                                  secretaris
8 / Vormen van democratie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>Samenvatting
In Nederland leven we in een democratische rechtstaat die vergaand bepaalt hoe
onze samenleving is ingericht. Dit lijkt vanzelfsprekend. Toch is de inrichting van
de democratische rechtstaat dat niet. Een democratische rechtstaat kan bijvoor-
beeld niet zonder burgers die democratisch gezind zijn. Democratische gezind-
heid is immers nodig om de waarde van democratie en democratische instituties
door te geven aan volgende generaties. Na het tumult rond en de moord op Pim
Fortuyn en later op Theo van Gogh zijn we ons daarvan des te meer bewust.
Maar hoe kan de overheid een democratische gezindheid onder haar burgers
bevorderen? De RMO heeft zijn oor onder meer te luisteren gelegd bij mensen die
zich juist van de democratie hebben afgekeerd. Mensen die bij verkiezingen hun
stem niet uitbrengen en die cynisch, vijandig of onverschillig staan ten opzichte
van democratische basiswaarden. Welke argumenten hebben deze mensen daar-
voor? Waarom hechten zij geen waarde aan de beginselen van de democratie
die in de ogen van anderen juist een groot goed zijn? Een van de redenen blijkt
te zijn dat zij het democratische gedachtegoed niet van huis uit hebben meege-
kregen. Een andere reden is dat zij maar sporadisch in situaties terechtkomen
waarin zij het aantrekkelijke en de waarde van democratie ervaren.
Dit advies gaat niet over de institutionele verankering van democratie. Het gaat
evenmin over de vermeende kloof tussen burger en politiek en hoe deze te over-
bruggen. Daarover wordt op andere plaatsen nagedacht en geadviseerd. Vormen
van democratie gaat over hoe democratische gezindheid van burgers positief kan
worden gestimuleerd. Het uitgangspunt hierbij is dat de overheid democratische
gezindheid nooit van bovenaf kan opleggen of afdwingen. Vrijheid en variatie zijn
voor democratie immers essentieel. We doen in dit advies dan ook geen vastom-
                                                                      Samenvatting / 9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>lijnde aanbevelingen over het bevorderen van democratie. Wel kan de overheid
voorwaarden/contexten/settings creëren die de kans op een democratische le-
venswijze of mentaliteit vergroten.
In dit rapport presenteren we twee adviesrichtingen. In de eerste plaats adviseren
wij om de voorwaarden te verbeteren waaronder burgers zich een democratische
gezindheid kunnen aanleren. In dit verband wijzen we op diverse pedagogische
settings, van op te richten Centra voor Jeugd en Gezin tot aan het voortgezet on-
derwijs. Binnen deze settings kan meer aandacht komen voor de democratische
gezindheid van kinderen en hun ouders. Het gaat er daarbij nadrukkelijk niet om
specifieke kennis over te dragen. De Raad vindt het niet passend om nauwgezet
te omschrijven hoe en wat deze pedagogische settings moeten realiseren, maar
meent wel dat bijvoorbeeld docenten aandacht voor de democratische gezindheid
van scholieren moeten hebben. Onze belangrijkste aanbeveling is dan ook dat de
betrokken professionals via hun opleiding toegerust zijn om hierover gesprekken
met ouders en kinderen te voeren.
Onze tweede adviesrichting ligt in het verlengde van de eerste. Democratische
gezindheid moeten burgers niet alleen leren, ze moeten ook de kans krijgen om
deze democratische gezindheid te praktiseren. Daarom beveelt de RMO aan om
meer mogelijkheden te creëren om democratische gezindheid te oefenen en
tot uitdrukking te brengen – op de school van de kinderen, in de buurt of op het
werk. Daarnaast kunnen specifieke vormen van interactieve beleidsontwikkeling
helpen om burgers democratisch gezinder te maken.
Kortom, de RMO beveelt de overheid aan voorwaardenscheppend beleid te voe-
ren. Het doel is dat burgers democratie (leren) praktiseren. Dat roept mogelijk het
beeld op van burgers die dat vreedzaam en verdraagzaam doen, zonder zich te
verbijten en zonder onderlinge irritaties en conflicten. Maar democratie gaat in
werkelijkheid vrijwel altijd gepaard met spanningen: over te nemen beslissingen,
uitgevoerde handelingen, afspraken en interpretaties van afspraken, botsende
principes en fundamentele waarden. Democratie schuurt, maar we zouden kun-
nen zeggen: zonder wrijving geen glans.
10 / Vormen van democratie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>1. Inleiding
        1.1 Het begrip democratie is niet eenduidig
Het begin van de eenentwintigste eeuw stond in het teken van hernieuwde
aandacht voor de staat waarin onze democratie verkeert. Naar aanleiding van
de gebeurtenissen in de Verenigde Staten, het tumult rond en de moord op Pim
Fortuyn en later op Theo van Gogh wordt – terecht of niet – gesproken over een
‘democratie in verval’, de ‘opstand van de kiezer’, een ‘dolend land’ en een ‘flip-
perkastdemocratie’ (zie Rob 2005a; zie ministerie van BZK 2006). In korte tijd vie-
len drie kabinetten waarop grote schommelingen volgden in de daaropvolgende
verkiezingsuitslagen (Andeweg en Thomassen 2007).
Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties startte in 2005
voor het eerst een Programma Democratie als voorbereiding op een samenhan-
gend beleid om de democratie te versterken. Dat programma kwam met een
geruststellende observatie (ministerie van BZK 2006). De voornaamste conclusie
was dat het in het algemeen niet somber gesteld is met de democratie in Ne-
derland. Een belangrijk argument daarbij is dat ‘in ons land de democratische
levenswijze dominant is’ (ministerie van BZK 2006, I-II).
Deze conclusie komt overeen met eerder onderzoek van de RMO (2006), maar wij
constateerden in dat onderzoek ook dat tien tot dertig procent van de bevolking
weinig tot niet tevreden is met de huidige invulling van de democratie, of zelfs de
democratie als regeringsvorm niet steunt (zie Dekker 2002; Halman et al. 2005).
Op zich is dat geen onverwacht gegeven. Er zijn sinds jaar en dag marginale
groepen die onverschillig staan ten opzichte van de democratie en/of antidemo-
cratische elementen in de samenleving vertegenwoordigen (Eurobarometer 2004),
                                                                         Inleiding / 11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>al zijn er signalen dat deze groepen in Nederland de laatste paar jaar meer in
omvang zijn toegenomen dan in andere Europese landen (Dekker 2006). Over de
beweegredenen en argumenten die ‘zwakke’ democraten of misschien wel
‘antidemocraten’ aandragen, is echter veel minder bekend. Deze constatering
was aanleiding om het draagvlak van de democratie nader te onderzoeken en
daaraan een advies te wijden.
Er bestaat echter geen consensus over de definitie en de invulling van demo-
cratie, en daarmee over de belangrijkste bedreigingen ervan. Democratie wordt
wel eens omschreven als een essentially contested concept dat steeds anders (want
normatief) wordt ingevuld, afhankelijk van de heersende overtuigingen, de maat-
schappijbeelden en de politieke stromingen. Recente discussies illustreren dit.
Maakt de één zich vooral druk over het antidemocratisch gedrag van islamitische
militanten, een ander stoort zich juist aan de Amerikaanse militairen die hen
op de huid zitten. En vormen voor de één de handelingen van Volkert van der
G. of Mohammed B. het grootste gevaar voor de democratische rechtstaat, voor
de ander is dat de daarop volgende, steeds ingrijpender verruiming van over-
heidsbevoegdheden op het terrein van veiligheid en terrorismebestrijding. In
verschillende tijden kan de invulling van de democratie verschillende antwoor-
den krijgen. Wie overtrad de regels van de democratie: Martin Luther King of de
gevestigde orde die de illegale demonstraties neersloeg? Wat ging er schuil achter
de vanzelfsprekende taakverdeling tussen mannen en vrouwen in de jaren vijftig:
een ondemocratische, patriarchale opvatting over sekseverschillen of slechts een
andere opvatting van verschil die zeker ook democratisch te verdedigen is?
Deze verschillende, zich door de tijd heen ontwikkelende zienswijzen maken deel
uit van een moderne democratie die open, vrij en transparant is. Een gevolg van
deze openheid is ook dat de invulling van het democratiebegrip altijd kan worden
aangevochten en geproblematiseerd (Alexander 2006).
         1.2 Pijlers van democratie
Ondanks het omstreden karakter van het begrip democratie, is er in de loop van
de tijd ook consensus ontstaan over wat democratie – minimaal – is. Democratie
gaat altijd over controle van burgers op de macht en vanuit die controle over de
vraag hoe burgers gezamenlijk richting geven aan een samenleving van verschil-
len. Democratie is – ten minste – een besluitvormingsprocedure waarin burgers
een zekere mate van gelijkheid en een zekere mate van vrijheid gegarandeerd krijgen
12 / Vormen van democratie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>en waarbij de spanning tussen deze twee beginselen vreedzaam wordt opgelost
(NWO 2006: 10; Schuyt 2006: 15).
Deze vreedzame praktijken worden gewaarborgd door:
•       een aantal instituties: onafhankelijke rechtspraak, academische en jour-
        nalistieke vrijheid, vrije verkiezingen et cetera;
•       een aantal onderliggende, in de grondwet vastgelegde basisprincipes: be-
        sluitvorming door de meerderheid, bescherming van minderheden, gelijk-
        heid van burgers voor de wet, en het recht op vrijheid van meningsuiting.
Behalve deze instituties en basisprincipes rust democratie echter op nog een
pijler:
•       de democratische ‘gezindheid’ of levenswijze van burgers.
Bij deze derde pijler valt te denken aan bereidheid tot dialoog, respect voor
meerderheidsbesluiten en verdraagzaamheid tegenover andersdenkenden en
minderheden. De politicoloog Benjamin Barber formuleert deze manier van leven
als volgt: ‘autonoom en verantwoordelijk, maar toch op een gemeenschappelijke
basis, (…) in tolerantie en wederzijds respect, al worden de eigen waarden krach-
tig onderschreven’ (Barber 2001: 323-324).
Democratische gezindheid betekent dat burgers de eerdergenoemde basisprinci-
pes accepteren. Ze accepteren en tolereren andersdenkenden, voelen zich betrok-
ken bij de publieke zaak en tonen zich bereid tot dialoog (Dewey 1927; Hooghe
2003; Putnam 1993). Gezindheid betekent ook dat burgers mentaal gehecht zijn
aan het democratische systeem. In een goed functionerende democratie zijn
burgers bereid de spelregels van de democratie te ondersteunen, ook als de uit-
komsten hun niet welgevallig zijn.
Het feit dat de burgers de democratische basiswaarden aanvaarden betekent niet
dat er geen conflicten zijn. Integendeel. Democratie gaat vrijwel altijd gepaard
met spanningen, irritaties en confrontaties. Aanvaarding van democratische
basiswaarden betekent evenmin dat er geen discussie kan zijn over de invulling
en de reikwijdte van deze basiswaarden. Het betekent wel dat de intentie bestaat
om zich te voegen naar de spelregels en uitkomsten van de democratische recht-
staat. Voor de overheid is de democratische gezindheid het lastigst te beïnvloe-
den, omdat die direct ingrijpt op de vrijheden van burgers.
                                                                          Inleiding / 13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>         1.3 Vraagstelling en afbakening
Dit advies gaat over democratische gezindheid, hierboven genoemd als derde pij-
ler van de democratie; en over de voorwaarden die nodig zijn om democratische
gezindheid onder burgers positief te stimuleren.
Bij vermeende gebreken in de democratische gezindheid onder burgers – cynisme
over democratische besluitvorming, afzijdigheid van democratische praktijken,
onverschilligheid over de publieke zaak – wordt vaak gewezen op problemen met
de politieke institutionele structuur. Om de gezindheid (weer) in goede banen te
leiden moeten politieke instituties en procedures worden aangepast of gerevita-
liseerd. Verandering van het kiesstelsel, invoering van het referendum of intro-
ductie van de gekozen burgemeester kunnen leiden tot een meer representatieve
relatie tussen volksvertegenwoordiging en politieke besluitvorming. Die kan,
zo is de gedachte, de betrokkenheid van burgers bij het democratische systeem
vergroten (het aanpassen van politieke instituties kan natuurlijk ook andere re-
denen hebben dan alleen het bevorderen van de democratische gezindheid, maar
daarop gaan we hier verder niet in).
    Structurele en culturele aanpassingen van politieke instituties
    Het verbeteren van de politiek institutionele infrastructuur hoeft niet altijd structureel te
    gebeuren. Zo pleit de Raad voor het openbaar bestuur (2005a) voor een (verdere) du-
    alisering van de verhouding tussen volksvertegenwoordiging en kabinet, en voor een
    verandering van de politieke cultuur. Structurele wijzigingen zoals aanpassing van de wet
    zijn daarvoor helemaal niet nodig. Wel blijven ook deze culturele aanpassingen op het
    niveau van de politiek en de instituties.
In aanvulling op analyses die gaan over de politiek-juridische voorwaarden die
nodig zijn om de democratische gezindheid onder burgers te bevorderen, gaat
dit advies over de sociale voorwaarden. De inrichting van het politiek-juridische
bestel heeft bij bestuurders en beleidsmakers al veel aandacht, maar de sociale
gehechtheid aan de democratie minder – om begrijpelijke redenen overigens. Is
de overheid wel gerechtigd invloed uit te oefenen op de gezindheid van burgers?
Is het kenmerk van een open democratie nu juist niet dat zij open moet staan
voor allerlei opvattingen, ook opvattingen die minder democratisch gezind zijn?
Behoort een vitale democratie niet uit zichzelf sterk genoeg te zijn om anti- of
zwak-democratische neigingen uit te zuiveren?
14 / Vormen van democratie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>Aan de andere kant: burgers, en dan vooral de jongeren onder hen, ontwikkelen
een democratische gezindheid niet vanzelf. Ze zullen daartoe moeten worden
uitgenodigd, op de een of andere manier, op enig moment. Sommige noemen dat
‘democratieopvoeding’ (De Winter 2006), anderen ‘vorming tot democratisch bur-
gerschap’ (Scheltema 2004), ‘civic eduation’ (Boggs 1991), ‘citizenship education’ (Brig-
house 2006) of ‘responsibilization’ (Clarke 2005). Onlangs gaf minister Hirsch Ballin
aan dat hij burgers weer de kernwaarden van de rechtstaat wil ‘aanleren’. Mede
namens minister Ter Horst installeerde hij een commissie onder leiding van de
voorzitter van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR), Van de
Donk, die daartoe voor 1 december 2007 voorstellen zal doen.
Naast de vraag of het legitiem is om democratische gezindheid te bevorderen,
rijst ook de vraag in hoeverre het mogelijk is een democratische gezindheid te
bevorderen. Valt een democratische gezindheid bij burgers wel te sturen? Di-
recte sturing en beïnvloeding zijn zowel onwenselijk als onmogelijk. Anderzijds
is democratisering ook geen autonoom proces dat totaal onbeïnvloedbaar is. In
dit advies kijken we vooral welke sociale voorwaarden kunnen helpen om een
democratische gezindheid te bevorderen. De overheid zou meer in staat moeten
zijn om voor de burger een omgeving te creëren waarin een vitale democratie
kan gedijen. Dat doet zij al door beleid te voeren op uiteenlopende terreinen.
Actuele ontwikkelingen als privatisering, bureaucratisering en globalisering heb-
ben bijvoorbeeld elk hun eigen effect op burgers en op de mate waarin zij bereid
zijn zich een democratische levenswijze aan te meten (vgl. Guéhenno 1994). We
komen op deze ontwikkelingen nog uitgebreid terug.
     Bovenstaande leidt tot de volgende vraagstelling:
     Welke mogelijkheden heeft de overheid om – direct of indirect – de democratische ge-
     zindheid onder haar burgers te bevorderen?
         1.4 Leeswijzer
In hoofdstuk 2 staan we allereerst stil bij de vraag waarom een democratische
gezindheid bij burgers noodzakelijk is voor het voortbestaan van de democratie.
Wie de democratische gezindheid wil beïnvloeden, zal vervolgens moeten weten
binnen welke domeinen het logisch en verstandig is om in te grijpen. Over deze
domeinen gaat hoofdstuk 3: gezin, school, civil society en buurt. In hoofdstuk 4
                                                                                 Inleiding / 15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>schetsen we vervolgens een aantal mogelijkheden om de verbondenheid van Ne-
derlandse burgers met de democratie te bevorderen. In het vijfde hoofdstuk vindt
u tot slot onze conclusies en belangrijkste aanbevelingen.
16 / Vormen van democratie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>2. Democratie vergt onderhoud
        2.1 Inleiding
We zijn op zoek zijn naar een antwoord op de vraag, welke mogelijkheden de
overheid heeft om – direct of indirect – de democratische gezindheid onder haar
burgers te bevorderen. Om dit antwoord te vinden, staan we in dit tweede hoofd-
stuk allereerst stil bij de vraag waarom het voor het voortbestaan van een demo-
cratie nodig is dat de burgers democratisch gezind zijn. Ook benoemen we een
aantal actuele ontwikkelingen in de Nederlandse samenleving, die op zichzelf
nauwelijks of niet te keren zijn, maar wel de vraag oproepen hoe de overheid de
democratische gezindheid onder burgers kan bevorderen en behouden.
        2.2 Democratie is geen gegeven
Democratie zoals wij die kennen in Nederland en de rest van de westerse wereld,
lijkt een vanzelfsprekende verworvenheid te zijn, maar is dat niet. Menselijk ge-
drag is niet automatisch democratisch gedrag; de democratische samenlevings-
structuur ontstaat door keuzes die telkens opnieuw gemaakt moeten worden.
Een democratisch stelsel kan alleen blijven bestaan, als het ‘gedragen’ wordt door
burgers en bestuurders. Gebrek aan kennis over en betrokkenheid bij de demo-
cratie maakt het systeem kwetsbaar.
De kwetsbaarheid wordt specifiek zichtbaar bij verkiezingen: als de meerderheid
van de burgers kiest voor antidemocratische personen of partijen, dan kiest de
democratie ervoor zichzelf op te heffen. Dit klinkt als een radicaal scenario, maar
in de geschiedenis van democratische staten is dat meer dan eens gebeurd.
                                                         Democratie vergt onderhoud / 17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>    Weimarrepubliek hief zichzelf op
    Een treffend voorbeeld van een democratie die zichzelf omverwerpt, is de Weimarrepu-
    bliek. Electorale voorkeuren neigden steeds sterker naar de antidemocratische uitersten
    van het politieke spectrum, de extreemrechtse NSDAP en de communistische KPD. Het
    gevolg was dat er uiteindelijk te weinig democraten in het parlement overbleven om een
    prodemocratische regering te vormen. Een eeuw eerder behaalde Napoleon de derde
    een meerderheid van de Franse stemmen op basis van de verkiezingsbelofte dat hij de
    democratie zou afschaffen. En in maart 2003 zette prins Hans Adam de tweede, vorst
    van Liechtenstein, zijn regering buitenspel met steun van een volksreferendum.
Ook buiten verkiezingstijd kan een democratie kwetsbaar zijn. De twintigste
eeuw is de eeuw van de democratie geweest (Ackerman en DuVall 2000). En ook
in de eenentwintigste eeuw zet de territoriale uitbreiding van de democratie
door, soms met harde hand. De ervaringen met de inrichting van nieuwe demo-
cratieën zijn echter niet altijd even positief. Denk bijvoorbeeld aan de periode na
de Eerste Wereldoorlog, aan de dekolonisatie, de Koude Oorlog en de Golfoorlog.
De aanwezigheid van formele, staatsrechtelijke aspecten zoals vrije verkiezingen,
demonstratierecht en gelijke burgerrechten voor alle ingezetenen blijkt welis-
waar een noodzakelijke, maar zeker geen voldoende voorwaarde te zijn om te
komen tot een goed functionerende democratie. Er blijkt ‘meer’ nodig om een
democratie te laten functioneren. Dit ‘meer’ vinden we op verschillende niveaus
(ideologisch, institutioneel en relationeel) en in verschillende domeinen (gezin,
school, publieke ruimte en civil society). Telkens echter vooronderstelt dit ‘meer’
dat burgers op zijn minst enigszins gehecht zijn aan democratie.
Historisch is de democratie dus geen gegeven. Biologisch is zij dat evenmin.
Mensen hebben er weliswaar aanleg voor en baat bij om democratisch gedrag
te vertonen, maar vanzelfsprekend is het niet (De Winter 2007; Vollebergh 2006).
Als maatschappelijke structuren wegvallen, blijken mensen zich vaak tegenover
anderen te stellen, met allerlei riskante situaties tot gevolg. De burgeroorlog in
Rwanda is daarvan een extreme illustratie; dichter bij huis zagen we dat terug in
de spanningen tussen autochtone en allochtone jongeren na de dood van Theo
van Gogh (Van Donselaar 2005).
Op een ander niveau kunnen we de afwezigheid van een vanzelfsprekende de-
mocratische gezindheid illustreren met het onderzoek van Veldkamp (zie bijlage
18 / Vormen van democratie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>3) naar argumenten van mensen die op afstand van de democratie staan. Vrijwel
alle respondenten uit dit onderzoek staan cynisch, vijandig of onverschillig ten
opzichte van de democratie en van een aantal democratische waarden. Sommi-
gen staan dat omdat zij democratie uitsluitend benaderen als een systeem van
rechten en vrijheden – ‘Prima als er beslissingen worden genomen op basis van
een debat, als die maar niet strijdig zijn met mijn belangen’ – of omdat zij het
woord ‘democratie’ niet kennen en zich er geen voorstelling van kunnen maken.
Anderen zijn onverschillig geworden uit wantrouwen ten aanzien van de inten-
ties van politici (‘zakkenvullers’) of onvrede over het feit dat in hun ogen waarde-
volle beslissingen ‘er nooit doorheen komen’. Weer anderen zijn van mening dat
democratie in Nederland synoniem staat voor inefficiënte besluitvorming, ach-
terkamertjespolitiek en machtsmisbruik (‘onder het mom van idealisme willen
machthebbers hun eigen leven zo leuk mogelijk inrichten’).
Maar ook mensen met ogenschijnlijk krachtige democratische idealen kunnen
niet-democratisch gedrag tentoonspreiden. Zo blijken jongeren die expliciet
democratisch zeggen te zijn, soms niet te weten hoe ze moeten omgaan met
mensen die anders denken dan zij: volgens deze jongeren kan er binnen een
democratie geen ruimte zijn voor mensen die hun democratische idealen niet
onderschrijven (Vollebergh 2006).
        2.3 Maatschappelijke ontwikkelingen die democratie beïnvloeden
In de vorige paragraaf hebben we gezien dat het van alle tijden is dat de demo-
cratie onderhoud nodig heeft en zich niet vanzelf reproduceert. Ook de huidige
tijd kent zijn eigen kwetsbaarheden, zo suggereren in elk geval boektitels als
Democratie in verval? (Holsteyn en Mudde 2002), De dramademocratie (Elchardus
2002) en Neergang van de democratie? (Tromp 2003). In deze paragraaf staan we stil
bij een aantal actuele, min of meer autonome ontwikkelingen die van invloed
kunnen zijn op de manier waarop burgers democratie beleven. Deze ontwik-
kelingen zijn niet positief of negatief op zichzelf, maar ze kunnen wel gevolgen
hebben voor de democratie. Achtereenvolgens bespreken we in deze paragraaf
het proces van individualisering, bureaucratisering, globalisering, privatisering en
pluralisering,1 met inbegrip van een aantal specifieke domeinen waarop zich de
democratische gevolgen manifesteren. We pretenderen met de behandeling van
deze ontwikkelingen overigens niet volledig te zijn. We brengen ze aan de orde
om te illustreren dat democratie ook in deze tijd kwetsbaar is.
                                                           Democratie vergt onderhoud / 19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>Individualisering: het risico van te losse publieke verbanden
Individualisering behelst een serie maatschappelijke veranderingen die de zelf-
standigheid en keuzevrijheid van individuen vergroot of in ieder geval van ka-
rakter doet veranderen (Van der Loo en Van Reijen 1993). De oorsprong van het
individualiseringsproces ligt in de achttiende eeuw, toen het ontstond als reactie
op het Ancien Régime. Vandaag is het individualiseringsproces nog altijd een
belangrijke sociale kracht, maar de uitdrukkingsvorm is veranderd. In de jaren
zestig van de vorige eeuw manifesteerde individualisering zich als tegenwicht
tegen de hiërarchische, autoritaire verhoudingen binnen gezinnen, kerken, vak-
bonden en politieke partijen. Sindsdien zien we haar terug in veranderende op-
voedingsstijlen in het gezin, veranderende lesmethoden op school, veranderende
omgangsvormen in de publieke ruimte en veranderende consumptiepatronen,
levenslopen, intieme relaties en vrijetijdsbestedingen.
Burgers hebben tegenwoordig meer – of in ieder geval andere – keuzevrijheden
om hun eigen handelingen vorm te geven (Duyvendak en Hurenkamp 2004), en
ook meer zeggenschap over de manier waarop ze hun leven inrichten en ontwik-
kelen. Bovendien hebben ze meer zeggenschap over de koers die de overheid en
door de overheid gefinancierde organisaties zouden moeten varen (Bovens et
al. 1995). De mogelijkheden voor bezwaar en beroep, burgerinspraak, deelname
aan referenda en horizontale verantwoordingsarrangementen zijn de afgelopen
decennia ontegenzeglijk toegenomen. Vanuit democratisch oogpunt biedt deze
ontwikkeling kansen die er voorheen niet waren.
Tegenover deze kansen staat echter het risico dat deze mogelijkheden bij burgers
verwachtingen wekken waaraan uiteindelijk niet kan worden voldaan – met frus-
traties tot gevolg. Ook bestaat het risico dat burgers zich met de nieuwe vrijheden
geen raad weten, bijvoorbeeld omdat ze over onvoldoende cognitieve en sociale
vaardigheden beschikken om er goed mee om te gaan. Of omdat ze zo assertief
en mondig zijn dat ze vooral op hun eigenbelang uit zijn en geen oog meer heb-
ben voor anderen en ‘de publieke zaak’ (vgl. Lasch 1979).
Ook op het terrein van de opvoeding zien we zowel een positieve als een nega-
tieve beweging. Enerzijds verloopt de Nederlandse opvoeding volgens de meeste
deskundigen doorgaans goed (zie Hermanns 2007). Ouders weten grenzen stellen
meestal goed te combineren met het geven van vrijheden en verantwoordelijkhe-
den aan hun kinderen. Anderzijds wordt steeds duidelijker dat sommige ouders
niet in staat zijn om zich in deze complexe, geïndividualiseerde samenleving
20 / Vormen van democratie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>staande te houden en hun kinderen een adequate opvoeding mee te geven (Van
Lieshout et al. 2007). Zij missen de vaardigheden om hun verantwoordelijkheid
op dit vlak waar te maken.
Een fundamenteler punt is dat de huidige opvoedingsstijlen er steeds meer op
gericht zijn om het individuele kind en zijn capaciteiten te ontplooien (De Winter
2006; Vollebergh 2006). ‘Goede’ opvoeding wordt doorgaans gelijkgesteld aan: kin-
deren succesvol een aantal individuele ontwikkelingsfasen laten doorlopen. Dit
zien we in pedagogische doelen als de ontwikkeling van een eigen identiteit, het
zelfstandig kunnen functioneren, gelukkig worden en talenten ontplooien, waar
het individu steeds meer de maat der dingen is (geworden). Maar een geslaagde
zelfontplooiing betekent niet automatisch dat iemand zich geslaagd ontplooit tot
democratisch burger. Om de kans op democratisch gedrag te vergroten, wijst De
Winter (2007) daarom op het algemeen belang als aanvullend opvoedingsdoel.
Onderdeel daarvan is bijvoorbeeld het leren omgaan met verschillen tussen bur-
gers.
Het individualiseringsproces is ook zichtbaar in de houding van mensen tegen-
over maatschappelijke organisaties. Veel studies wijzen op lossere verbanden
met organisaties in de publieke sfeer (Verhoeven 2004; SCP 2001; 2002). Neder-
landse burgers zetten zich passiever dan voorheen in voor maatschappelijke
doelen - de zogenoemde (accept)girosolidariteit. Bovendien beschikken ze over
minder tijd dan voorheen om duurzame banden met organisaties aan te gaan,
terwijl ze tegelijkertijd in andere typen organisaties zijn gaan deelnemen (Dekker
en Hooghe 2003). Tussen 1980 en 2000 zijn mensen steeds minder gaan partici-
peren in kerken, politieke partijen en vrouwenorganisaties, en steeds meer in
belangenorganisaties en single-issue-organisaties op het terrein van bijvoorbeeld
kernenergie, natuur, milieu en dierenwelzijn.
Volgens de politicoloog Putnam (2000) heeft deze verschuiving gevolgen voor het
democratische bewustzijn van mensen. Een belangrijk kenmerk van duurzame
participatie in vrijwillige verenigingen ligt volgens hem in de vorming van sociaal
kapitaal. Dit begrip verwijst naar de netwerken die mensen hebben. Sociaal kapi-
taal vormt de smeerolie voor de democratie en de basis waarop algemeen maat-
schappelijk vertrouwen gedijt en waarop burgers competenties kunnen ontwik-
kelen om actief aan de democratie te kunnen deelnemen. ‘Social capital’, aldus
Putnam (2000: 290), ‘makes us smarter, healthier, safer, richer and better able to
govern a just and stable democracy.’
                                                          Democratie vergt onderhoud / 21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>Bij het standpunt dat vrijwillige verenigingen leerscholen zijn voor de democra-
tie, vallen overigens wel enkele kanttekeningen te plaatsen. Niet alleen kunnen
burgers ‘democratische competenties’ ook op andere terreinen opdoen dan bij
verenigingen, zoals op school of op het werk (Selle en Strømsnes 2001; Verba et
al. 1995; Verhoeven 2004; Newton 2001). Ook zijn er soms vrijwillige verenigingen
en verbanden die juist geen leerschool vormen voor de democratie. Denk bij-
voorbeeld aan antidemocratische bewegingen als de dierenactivisten, de maffia
of zekere in zichzelf gekeerde autochtone of allochtone subculturen. Met andere
woorden: vrijwillige verenigingen zijn een noodzakelijke, maar niet de enige
voorwaarde voor een stabiel democratisch systeem.
Bureaucratisering: het risico op blindheid voor het belang van variatie
Volgens Weber (1972) is bureaucratisering het ontstaan van hiërarchisch georden-
de administratieve organisaties. Dit leidt tot een keten van boven- en onderge-
schikte functionarissen die aan de hand van formele voorschriften (categorieën)
burgers gelijk en zonder aanzien des persoons behandelen. Aan de ene kant
prijst Weber de rechtvaardigheid waarmee deze administratieve organisaties
te werk gaan: niet op basis van willekeur of nepotisme, maar op basis van de
rechtsgelijkheid van burgers. Aan de andere kant waarschuwt Weber voor het
gevaar van een wereld van standaardisatie, uniformiteit, beheersing en controle.
Bureaucratisering wordt dan een ijzeren kooi waaruit niet meer valt te ontsnap-
pen. Het risico bestaat dat mensen nummers worden en dat de uniformiteit elk
verschil tussen mensen wegpoetst.
De verzorgingsstaat is een voorbeeld van een hiërarchisch geordende administra-
tieve organisatie die vanaf de jaren zestig in omvang en belang sterk is toegeno-
men. Het maatschappelijk middenveld heeft sindsdien zijn veelzijdig karakter
verloren (De Swaan 1989; Zijderveld 2000). Het is verstatelijkt en in samenhang
daarmee onder invloed geraakt van een vorm van gelijkheidsdenken. Daardoor is
de relatie tussen behoefte en voorziening veranderd en zijn mensen op de ach-
tergrond en bureaucratische toewijzingssystemen op de voorgrond geraakt (RMO
2004a). Subjectieve waarden als lotsverbondenheid en empathische zorg, alsmede
professionele waarden en ethiek hebben in het proces van verstatelijking hun
oorspronkelijke normatieve betekenis verloren (Blokland 2001; Frissen 2007).
22 / Vormen van democratie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>    Bureaucratisering van de thuiszorg
    Als illustratie kan de thuiszorg dienen. Al meer dan een kwart eeuw heeft de overheid
    pogingen gedaan om de kosten voor thuiszorg te beheersen, eerst via bezuinigingen
    en financiële taakstellingen, later via (gereguleerde) marktwerking. Het resultaat is steeds
    een omvangrijk systeem van aanbodregulering, met de zogeheten stopwatchzorg als
    een van de opvallendste ontwikkelingen. De ooit breed opgeleide, allround wijkzuster
    registreert inmiddels per kwartier de ‘producten’ die ze levert. Nu eens is de thuisverzor-
    gende ‘thuishulp’ of ‘verzorgingshulp’, dan weer ‘verzorgende’, ‘gespecialiseerd verzor-
    gende’, ‘wijkziekenverzorgende’ of ‘wijkverpleegkundige’. De verschillende deelaspecten
    van het thuiszorgvak zijn voorop komen te staan, terwijl de professionele autonomie met
    zijn overkoepelende waardepatronen sterk aan belang heeft ingeboet (vgl. Los 1997;
    Knijn 1999; Verhagen 2005).
Vanuit democratisch oogpunt is bovenstaande ontwikkeling om twee redenen
problematisch. Ten eerste zorgt de ontwikkeling ervoor dat de landelijke regelge-
ving onvoldoende aansluit bij de dagelijkse ervaringen en problemen van burgers
– in dit geval de professionals en de cliënten in de thuiszorg. De responsiviteit
van het beleid is onvoldoende geborgd, omdat de besluitvorming qua schaalni-
veau niet past bij de problemen die burgers ervaren. De kloof tussen de nationale
beleidsbureaucratie en de beleefde waarden, motivaties en expertise van deze
burgers is te groot. We zouden dit het ‘schaalprobleem’ van de gebureaucratiseer-
de democratie kunnen noemen, een probleem dat direct gevolgen heeft voor het
vertrouwen van burgers in en hun betrokkenheid bij de democratie.
De tweede reden waarom bureaucratisering de democratie in de knel kan bren-
gen, heeft te maken met de uniformerende norm van de bureaucratie. We heb-
ben gesteld: democratie gaat over hoe burgers die van elkaar verschillen, richting
geven aan de samenleving. Maar bureaucratisering verwacht van burgers juist
dat zij zich uniformeren, en wel aan datgene wat volgens de staat, instelling of
onderneming goed, normaal of gezond is. Variaties, uitzonderingen en ongere-
geldheden verdwijnen naar de achtergrond, terwijl gelijke en identieke eenheden
op de voorgrond treden. Dit botst met het beeld van democratie als podium van
strijd en rivaliteit, waar burgers in vreedzame onenigheid verschillende belangen
kunnen nastreven. Deze uniformerende norm van de bureaucratie is het principi-
ele probleem van een gebureaucratiseerde democratie (Frissen 2007).
                                                                    Democratie vergt onderhoud / 23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>Globalisering: het risico van uitholling van nationaaldemocratische waarden
Democratie betekent letterlijk ‘bestuur door het volk’. Wie tot ‘het volk’ behoort,
ligt vast in landelijke regelgeving. Door Europeanisering en globalisering over-
stijgt veel van de besluitvorming echter steeds vaker de landsgrenzen. Deze
besluitvorming raakt de burgers van afzonderlijke natiestaten vaak direct, maar
zij kunnen er hoegenaamd geen invloed op uitoefenen (Engelen en Sie Dhian Ho
2004: 26).
     Economische en politieke globalisering
     Globalisering kent een economische en politieke component. Een voorbeeld van econo-
     mische globalisering zijn Amerikaanse multinationale ondernemingen als Chiquita en Dole,
     die met hun enorme plantages de bananenmarkt in vrijwel de gehele wereld beheersen
     (zie bijvoorbeeld Hertz 2002). Hun handelsmissie treft de arbeidsomstandigheden en
     -rechten van de werknemers in de landen waar deze multinationals opereren. Een ander
     voorbeeld is de Chinese en Indiase industrialisatie. Een voorbeeld van politieke globali-
     sering is de war on terror onder leiding van Amerika, die in andere landen heeft geleid tot
     vergaande veranderingen in het opsporings-, privacy- en veiligheidsbeleid.
Nu hebben tussen landen altijd wederzijdse afhankelijkheden bestaan, die posi-
tief of negatief kunnen uitpakken. De Nederlandse gulden is bijvoorbeeld jaren-
lang van de Duitse Mark afhankelijk geweest, maar behoorde desondanks tot de
sterkste van Europa. Wederzijdse afhankelijkheden worden pas riskant, als ze de
gehechtheid van burgers aan het democratische systeem dreigen te ondermijnen.
In het geval van de monetaire afhankelijkheid van Nederland aan Duitsland was
dat niet aan de orde.
Het Chiquitaglobalisme echter is helemaal tot stand gekomen buiten de invloeds-
sfeer van de werknemers op de kleine boerencoöperaties. Bovendien pakt dit glo-
balisme voor de meeste boeren en hun gezinnen negatief uit. Het gevaar is niet
denkbeeldig dat de betrokken coöperaties zo in beroering worden gebracht, dat
de stabiliteit van de lokale (democratische) samenleving in het geding komt. Bur-
gers zullen dan minder geneigd zijn om zich te committeren aan het democrati-
sche systeem als zodanig. Zo zet Barber (2001) uiteen hoe globalisering ingrijpt op
de waarden en grondbeginselen van lokale gemeenschappen en groepen, maar
ook hoe deze groepen zich daar op ondemocratische, jihadistische wijze tegen
hebben verweerd.
24 / Vormen van democratie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>Privatisering: het risico dat democratische gehechtheid erodeert
De verhouding tussen publiek en privaat verschuift. Dit gebeurt op twee manie-
ren. Allereerst neemt als gevolg van publieke schaarste het aantal private initia-
tieven toe. Dit uit zich bijvoorbeeld in een groeiende particuliere veiligheidsindu-
strie, in een toenemend aantal privéklinieken en privéscholen en in meer private
fondsen in onderwijs en zorg. Privatisering is deels een autonome ontwikkeling.
Steeds meer is zij echter ook onderdeel van doelbewust beleid. Het geldt niet lan-
ger als verdacht om privaat initiatief in te schakelen; de overheid ziet het als een
nuttige maatregel om tegemoet te komen aan de verschillende behoeften van de
burgers en om de publieke schaarste in te dammen (vergelijk RMO 2004a).
De privatiseringstendensen die we hierboven noemden, kunnen op zich goed
samengaan met een vitale democratie. Privatisering kan een instrument zijn om
tegemoet te komen aan de groeiende variatie aan maatschappelijke wensen en
behoeften. De verzorgingsstaat is per slot van rekening ook vanuit private, maat-
schappelijke initiatieven ontstaan en is pas later door de overheid verstatelijkt
(vgl. WRR 2000). Aan de andere kant kunnen privatiseringen leiden tot minder
democratische controle (wie controleert bijvoorbeeld een geprivatiseerde woning-
bouwvereniging?) en kunnen er risico’s ontstaan voor democratische waarden als
solidariteit en toegang tot publieke voorzieningen (RMO 2004b). Als de overheid,
de (vermeende) hoeder van de democratie, zich terugtrekt, kan dit negatieve ge-
volgen hebben voor de democratische gezindheid van burgers.
Vooral ten opzichte van het recente socialezekerheidsbeleid bestaat de vrees dat
privatisering voor sommige groepen burgers onrechtvaardig kan uitpakken (De
Vries 2005). De Leuvense hoogleraar Arbeids- en socialezekerheidsrecht Pieters
waarschuwde er recentelijk zelfs voor dat privatisering het democratische solida-
riteitsbeginsel kan uithollen (Staatscourant, 8 maart 2007: 3).
Maar ook ontwikkelingen in het zorgverzekeringstelsel kunnen het solidariteits-
principe ondermijnen. Iedereen loopt in zijn leven risico op bijvoorbeeld werk-
loosheid, ziekte of armoede. Via werknemers- en werkgeversverzekeringen en
via de belastingen is het mogelijk deze risico’s te spreiden tussen de mensen met
geluk en pech. Deze herverdeling van inkomen of ‘verdelende rechtvaardigheid’
staat echter onder druk, zoals al zichtbaar wordt in de Verenigde Staten.
                                                          Democratie vergt onderhoud / 25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>    Amerikaanse socialezekerheidsstelsel in beweging
    In de Verenigde Staten signaleert Hacker (2006) de Personal Responsibility Crusade, een
    beweging die mensen ertoe aanspoort om zo veel mogelijk hun eigen sociale zekerheid,
    gezondheidszorg en pensioenvoorziening te organiseren. Onderdeel is de Health Sa-
    vings Account: een zorgspaarrekening die mensen kunnen gebruiken om geld te sparen
    waarmee zij – mocht dat aan de orde komen – direct hun zorgaanbieder kunnen beta-
    len. Er is geen tussenkomst van verzekeringsmaatschappijen of andere intermediairs. De
    achterliggende gedachte is dat dit de zorgconsument beter bewust maakt van kosten.
    Maar het betekent ook dat de financiële risico’s groter worden, omdat die niet meer
    over alle verzekerden worden verspreid, maar een-op-een worden gekoppeld aan de
    zorgspaarpot van de individuele burger. Sommige burgers zullen daar financieel voordeel
    van hebben. Het omgekeerde zal echter het geval zijn voor mensen uit lagere sociaal-
    economische milieus of voor burgers met onverwachte aandoeningen en onverwacht
    hoge ziektekosten.
De omvang van het privatiseringsproces in de Verenigde Staten is van een heel
andere orde dan die in Nederland. De overeenkomst is echter dat in beide landen
eenzelfde beweging plaatsvindt: de sociale, economische en financiële risico’s die
zijn verbonden aan een vrijemarkteconomie komen in het teken te staan van ‘ei-
gen verantwoordelijkheid’. Dit uit zich bijvoorbeeld in de eigen bijdragen en eigen
risico’s in de zorg en in de strengere regels in de sociale zekerheid. De sociale en
financiële risico’s van niet-werken komen steeds minder bij de overheid te liggen,
en steeds meer bij (potentiële) werknemers zelf – met als doel deze laatsten te
prikkelen en hun verantwoordelijkheidsgevoel te stimuleren. Het neveneffect is
echter dat de georganiseerde solidariteit afneemt. Dan bestaat het risico dat het
vertrouwen in democratie uiteindelijk daalt.
Pluralisering: het risico van radicalisme
Kenmerkend voor pluralisering is dat de hedendaagse maatschappij een pluri-
forme – en daarmee ook soms verwarrende – aanblik geeft (Van der Loo en Van
Reijen 1993). De huidige tijd wordt gekenmerkt door een carrousel van menin-
gen, beelden, identiteiten, modes, perspectieven en stijlen, die zowel positief als
negatief te waarderen zijn. Pluralisering biedt volgens sommigen een welkom
tegenwicht tegen de ‘terreur van de eenvormigheid’ (Lyotard 1988). Volgens ande-
ren is de keerzijde hiervan dat er geen duidelijke normen en waarden meer zijn
waarnaar mensen hun leven kunnen inrichten (zie Buijs et al. 2006). Het gevaar
26 / Vormen van democratie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>bestaat dat mensen die deze duidelijkheid missen, houvast gaan zoeken in de
‘terreur van de radicaliteit’.
Het is een basale menselijke behoefte om je ergens ‘thuis te voelen’, om het
gevoel te hebben ‘erbij te horen’ en binding te hebben met anderen (Buijs et al.
2006: 40-60; Baumeister en Leary 1995). De keur aan hedendaagse stijlen, modes
en (religieuze) identiteiten biedt individuen meer dan voorheen de mogelijkheid
om hun eigen identiteit samen te stellen. Dit geeft vrijheden die in vroegere peri-
odes ondenkbaar zouden zijn geweest. Deze kunnen leiden tot nieuwe creatieve
vormen van beleid, muziek, cultuur, maar ook tot andere, meer verwarrende
manieren om de eigen identiteit te beleven. Juist in pluriforme samenlevingen
bestaat de mogelijkheid dat burgers – bij gebrek aan duidelijke ankerpunten
– houvast zoeken in dogmatische voorschriften en regels, met als uiterste conse-
quentie dat ze hun ideeën met geweld willen afdwingen. Hoewel slechts een zeer
kleine minderheid deze route bewandelt, kunnen de maatschappelijke gevolgen
groot zijn. De tweede generatie moslimjongeren kan hierbij als voorbeeld dienen
(zie kader).
    Moslimjongeren van de tweede generatie
    Om het mechanisme achter de zoektocht naar identiteit te doorgronden, zoomen we na-
    der in op de tweede generatie moslimjongeren. Vergeleken met de eerste generatie bezit
    deze een veel minder sterke en veel minder duidelijk afgebakende nationaal-etnische
    identiteit (Buijs et al. 2006: 40-60). Waar de eerste generatie Marokkanen zich honderd
    procent Marokkaans voelt, heeft de tweede generatie minder kennis van en binding met
    de Marokkaanse identiteit. Ze spreekt de Arabische taal minder goed en is minder op de
    hoogte van Marokkaanse tradities en gewoontes. De meeste jongeren van deze groep
    slagen er in de brokstukken van twee identiteiten om te vormen tot één nieuwe identi-
    teit (Korf et al. 2007). Een minderheid kan er echter moeilijker mee uit de voeten. Deze
    jongeren ervaren een onoverbrugbare kloof tussen de twee culturen waarvan zij deel
    uitmaken. Dit kan ertoe leiden dat ze zich met beide culturen zwak verbonden voelen en
    dat ze kampen met emotionele problemen en gedragsproblemen (Stevens 2004). Een
    manier om deze problemen te verlichten kan zijn om de moslimidentiteit te versterken.
    Dat de tweede generatie moslimjongeren zich steeds meer met de islam identificeert, is
    dan niet zozeer – zoals sommigen hebben betoogd – een verzet tegen de verlokkingen
    van westerse beschavingen (Huntington, 1996) of tegen de aanwezigheid van westerse
    bezettingsmachten in Arabische landen (Pape 1992). De oorzaak ligt veeleer in de soci-
    aalpsychologische zoektocht naar meer zelfvertrouwen (Cesari 2003; Stern 2003).
                                                                   Democratie vergt onderhoud / 27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>De meeste van deze ‘zoekende jongeren’ zullen niet radicaliseren, anderen mo-
gelijk wel. Zij kunnen met fundamentalisme hun gebrek aan eigenwaarde com-
penseren. Sommigen starten op politiek niveau en strijden vooral voor een betere
positie van moslims als groep. Anderen beginnen een ‘studiegroepje’ dat zich
ontwikkelt tot een geheel eigen ‘jeugdcultuur’, met eigen regels en codes over
kleding, relaties en taalgebruik. Weer anderen nemen het terrein van religie als
vertrekpunt. Kenmerkend voor al deze jongeren is dat ze zich vervreemden van
de gevestigde democratie, wat uiteindelijk kan leiden tot pogingen om de demo-
cratie (gewelddadig) omver te werpen.
Het mechanisme dat we hierboven hebben beschreven, is niet alleen van toepas-
sing op jongeren met een moslimachtergrond. Evenzogoed kan het van toepas-
sing zijn op andere jongeren die niet goed weten hoe ze moeten omgaan met
verschillende identiteiten in deze pluriforme samenleving. Volgens het Ministerie
van Justitie (2005) vormen momenteel drie typen radicalisme een wezenlijke be-
dreiging voor de Nederlandse democratie: religieusradicalisme, rechtsradicalisme
en linksradicalisme (vooral dierenrechtenactivisme). Voor elk van deze drie typen
geldt volgens het ministerie dat de opvattingen en overtuigingen van sommige
personen in deze bewegingen zo sterk zijn dat het gevaar bestaat dat ze geweld
gebruiken en de rechten van andersdenkenden veronachtzamen. Met andere
woorden: dat het gevaar bestaat dat deze groepen de legitimiteit van het geves-
tigd democratisch systeem ondermijnen.
        2.5 Conclusie
Het is een misvatting dat democratie en democratische gehechtheid een gegeven
zouden zijn. Dat blijkt uit de geschiedenis, uit de menselijke aard en uit de ach-
tergrond en beweegredenen van mensen die meer op afstand van de democratie
staan. Democratisch gedrag is niet aangeboren, evenmin blijft de democratie
vanzelf gehandhaafd. Dat geldt niet alleen nu, maar is van alle tijden.
Wel kent ook onze tijd een aantal specifieke, min of meer autonome ontwikke-
lingen die gevolgen kunnen hebben voor de democratische samenlevingswijze.
Voorbeelden daarvan zijn: het gevaar van een eenzijdige oriëntatie op zelfont-
plooiing in de opvoeding (het risico van individualisering), het gevaar van te veel
nadruk op gelijkheid en te weinig nadruk op ‘verschil’ (het risico van bureau-
cratisering), het gevaar dat nationaaldemocratische waarden worden uitgehold
(het risico van globalisering), het gevaar van erosie van solidariteit (het risico van
28 / Vormen van democratie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>privatisering) en het gevaar van radicalisering (het risico van pluralisering). Waar
deze risico’s realiteit worden, ontstaan negatieve gevolgen voor de democratie.
Het wordt dan reëel dat er over de democratische rechtstaat en democratische
omgangsvormen cynisme ontstaat, afstand ertoe of zelfs (gewelddadige) afkeer
ervan.
De ontwikkelingen die we in dit hoofdstuk hebben beschreven, zijn moeilijk te
sturen. Het advies in dit rapport richt zich daarom niet op deze ontwikkelingen
zelf, maar probeert voorwaarden te benoemen waaronder democratische gezind-
heid meer kansen kan krijgen.
        Noot
1.      Toenemende maatschappelijke differentiatie in waarden, stijlen en identiteiten (Van
        der Loo en Van Reijen 1993).
                                                           Democratie vergt onderhoud / 29
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>5896 BW Vormen van Democratie.in30 30 5896 BW Vormen van Democratie.in30 30 8/31/2007 2:07:59 PM 8/31/2007 2:07:59 PM</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>3. De worteling van democratie
         3.1 Inleiding
Een manier om democratie te onderhouden, is de democratische gezindheid on-
der burgers te bevorderen. Maar hoe doe je dat? Om te beginnen is het nuttig om
te bepalen binnen welke ‘domeinen’ dit logisch en verstandig zou zijn. Daartoe
bespreken we eerst de domeinen waarin burgers van kindsbeen af democrati-
sche waarden mee kunnen krijgen: het gezin en de school (paragraaf 3.2). Daarna
komen de domeinen aan de orde die een rol spelen bij de democratische gezind-
heid in het leven van volwassen burgers: de civil society en de buurt (paragraaf
3.3). Tot slot behandelen we de mogelijkheid om via interactieve beleidsvorming
de democratische gezindheid van burgers te bevorderen (paragraaf 3.4).
Voor de overheid is het uitermate lastig om de democratische gezindheid van
burgers te beïnvloeden. Niet alleen omdat het onder omstandigheden als globa-
lisering, bureaucratisering en individualisering moeilijk voorstelbaar is hoe deze
gezindheid er precies uit moet zien en waar het ankerpunt voor beleidsbeïnvloe-
ding moet liggen. Maar ook omdat met iedere poging tot beïnvloeding de vrijhe-
den en denkpatronen van burgers in het geding zijn. Toch zullen we een aantal
suggesties aandragen om de democratische gezindheid van burgers te bevorde-
ren. We doen dat in hoofdstuk 4, nadat in dit hoofdstuk duidelijk is geworden
binnen welke domeinen mensen democratisch burgerschap kunnen ontwikkelen
en in de praktijk kunnen brengen.
                                                          De worteling van democratie / 31
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>        3.2 Het belang van gezin en school
Waar vindt bij kinderen de ontwikkeling van democratisch burgerschap plaats?
Dat is allereerst in het gezin, en direct daarna op school. Die twee domeinen be-
spreken we in deze paragraaf.
Het gezin en democratische gezindheid
Dat ouders een belangrijke rol spelen in de opvoeding, staat niet ter discussie.
Ook is het duidelijk dat de zogeheten autoritatieve opvoedingsstijl in de huidige
westerse samenleving leidt tot de beste ontwikkelingsuitkomsten bij kinderen
(zie Baumrind 1971; Maccoby 1980; Hoffman, 2000). De autoritatieve stijl com-
bineert een goede balans van ondersteuning en monitoring met een inductieve
manier van corrigeren. Juist de combinatie is belangrijk. Te autoritair opvoe-
dingsgedrag geeft een kind namelijk onvoldoende mogelijkheden om een eigen
identiteit en verantwoordelijkheidsgevoel te ontwikkelen. Daarentegen leidt een
houding die te veel vrijheden toestaat, weer tot te weinig grenzen en daardoor tot
onzekerheid.
De autoritatieve opvoedingsstijl weerspiegelt in bepaalde opzichten – op andere
punten gaat de vergelijking mank – het beeld van het gezin als minidemocratie.
Hoewel de ‘uitkomsten’ van de autoritatieve opvoedingsstijl doorgaans worden
gemeten in termen van persoonlijke ontwikkeling en individuele psychosociale
gezondheid, en dus niet in termen van maatschappelijke doelen als democra-
tisch burgerschap, kan de autoritatieve opvoedingsstijl heel goed ook aangewend
worden om het democratisch functioneren van kinderen te stimuleren. Een voor-
beeld: de wil en de vaardigheid om consensus te bereiken zijn belangrijke demo-
cratische vermogens. Veel kinderen leren dit in de eerste plaats binnen het gezin
(Frimansson 2001). Dit geldt ook voor andere, zogeheten affectief geladen cogni-
ties; de gezinscontext is bij uitstek geschikt om deze over te dragen vanwege de
langdurige en intieme relatie die tussen ouders en kinderen bestaat.
De school en democratische gezindheid
Het tweede domein – naast én na het gezin – waar kinderen de democratische
manier van leven kunnen ‘aanleren’, is de school. Schoolorganisatie en school-
ethos fungeren voor kinderen vaak als modellen voor hun kennis en beelden over
de samenleving. De manier waarop een school als gemeenschap functioneert,
de manier waarop docenten en kinderen elkaar bejegenen en de relatie van de
school met de ouders en de buurt inspireren kinderen tot hun gedrag.
32 / Vormen van democratie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>De waarde van de school voor de vorming van democratie ligt niet zozeer in een
expliciete kennisoverdracht als wel in de voorbeeldfunctie die een schoolcultuur
en -organisatie kunnen vervullen. Daarvoor is het belangrijk dat de school dit
niet alleen in woorden doet, maar ook in daden. Een school die menselijke waar-
digheid, wederzijds respect en de wil om van elkaar te leren onderwijst maar niet
praktiseert, faalt onherroepelijk. Is er wél overeenstemming tussen het onderwijs
en de praktijk, dan is de kans dat democratisch burgerschap wordt overgedragen
op de kinderen veel groter (Gerzon 1997). ‘As educators’, aldus een Australische
onderwijskundige, ‘we need to have a firm conviction that democracy is possible,
that the democratic way of life can be lived and that the schools can and should
bring democracy to life in the curriculum’ (Singleton 2000).
Een van de zaken die kinderen over democratie op school kunnen leren, is hoe
ze kunnen omgaan met diversiteit en conflicten – een kernelement van de de-
mocratie. Op school kunnen kinderen ontdekken dat mensen ondanks hun
verschillende achtergrond en opvattingen in staat zijn problemen op te lossen,
bijvoorbeeld door te leren dat je het eens kunt zijn over het feit dat je het oneens
met elkaar bent (Biggs et al. 2000). Zo experimenteren verschillende Nederlandse
scholen met lessen in conflictbemiddeling, waarbij leerlingen een actieve rol
spelen. In methodes als Filosoferen met kinderen leren kinderen al vroeg in de ba-
sisschool om meningsverschillen kritisch te analyseren en argumenten over en
weer uit te wisselen (Heesen 1995). Maar ook de Echt-rechtconferenties op scho-
len (www.echt-recht.nl) zijn voorbeelden van dialoog als middel om problemen
op te lossen.
         3.3 Het belang van civil society en buurt
In de vorige paragraaf hebben we gezien dat het gezin en de school belangrijke
leerscholen zijn voor democratie. Het zijn echter niet de enige twee domeinen
waar burgers de democratie kunnen (leren) ondersteunen. Twee andere (elkaar
deels overlappende) domeinen waarbinnen dat voor volwassen burgers mogelijk
is, zijn de civil society – sociale bewegingen, kerken, verenigingen, belangenorgani-
saties – en de buurt. Over die twee domeinen gaat deze paragraaf.
                                                            De worteling van democratie / 33
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>    Civic culture
    Het inmiddels klassiek geworden onderzoek van Almond en Verba (1963) laat allerlei
    verbanden zien tussen civic culture en democratie. Met civic culture bedoelen zij ‘a cul-
    ture of consensus and diversity’ (p. 8). Zo bleken burgers in gevestigde democratieën
    als Engeland en de Verenigde Staten in veel opzichten ‘betere’ democraten te zijn dan
    hun Duitse, Italiaanse en Mexicaanse tegenvoeters. Volgens de onderzoekers kwam dit
    niet zozeer door de aanwezige politieke instituties als wel door de aanwezige Britse civic
    culture, op zijn beurt weer het gevolg van een levendige civil society.
De civil society en democratische gezindheid
Onder civil society verstaan we het geheel van organisaties en netwerken buiten
de overheidssfeer en de markt, waarbinnen burgers zich vrijwillig verenigen.
Deze vrijwillige verbanden kunnen de democratie op twee manieren onder-
steunen. Allereerst kunnen ze functioneren als ‘leerscholen van de democratie’.
Burgers worden binnen vrijwillige verbanden als het ware vanzelf ‘opgeleid tot
burgerschap’. Dit gebeurt doordat ze leren met anderen samen te werken, te on-
derhandelen, en in dat onderhandelingsproces ook tot besluiten te komen – zelfs
als daar fundamenteel tegengestelde belangen of interesses aanwezig zijn.
    Het verenigingsleven kan burgers democratiseren
    Putnam (1993; 2000) vestigt in navolging van de socioloog De Tocqueville de aandacht
    op de democratiserende rol van het verenigingsleven. Hij constateert dat politieke instel-
    lingen beter functioneren daar waar burgers veelvuldig actief zijn in verenigingen. Evenals
    De Tocqueville stak Putnam de Atlantische Oceaan over, maar dan in omgekeerde rich-
    ting, om zo de democratie beter te begrijpen. Putnam reisde van de Verenigde Staten
    naar Italië, waar de autonomie van de regio’s vanaf 1970 sterk was vergroot. Er bleken
    grote verschillen te bestaan tussen regio’s. Het noorden functioneerde alleszins redelijk,
    terwijl de zuidelijke regio’s bol stonden van de inefficiëntie, het cliëntelisme en de le-
    thargie. De sleutel tot dit verschil was volgens Putnam dat het noorden zich kenmerkte
    door een rijk sociaal leven. Zuid-Italië kende daarentegen relatief veel zwakkere sociale
    netwerken.
Een tweede betekenis van de civil society voor de democratie is dat verenigingen
en verbanden een kritische maar constructieve rol ten opzichte van de staat kun-
nen vervullen; maatschappelijke organisaties, professionele lobby’s en opinielei-
34 / Vormen van democratie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>ders voeden politici en beleidsmakers voortdurend met informatie, argumenten
en bezwaren.
    Democratisering in Oost-Europa
    Een voorbeeld van de kritische functie van civil societies is Oost-Europa. Daar begon na
    de val van de muur in 1989 een nieuwe, soms moeizame ronde van democratisering.
    Maatschappelijke bewegingen in Polen (Solidariteit) en Tsjechoslowakije (Charta ’77) had-
    den een belangrijke rol gespeeld in de neergang van de communistische regimes (zie
    Bryant en Mokrzycki 1995). De civil society vervulde daar een sleutelrol bij de omvorming
    van voormalige communistische staten tot democratieën (Cohen en Arato 1992: 29;
    Kumar 1993: 375).
Dit komt niet alleen de effectiviteit en legitimiteit van de politieke instituties ten
goede, maar draagt ook bij aan de ‘maatschappelijke onderbouw’ van de demo-
cratie (Portes 1998; Hooghe 1999). Burgers die lid zijn van verenigingen beschik-
ken doorgaans over meer politieke kennis en politiek zelfvertrouwen, zijn politiek
actiever en zijn meer gehecht aan democratische basiswaarden (Stolle 1999: 269).
Bovendien vormen de organisaties een kader waarbinnen mensen uit eigen vrije
keuze collectieve acties kunnen ondernemen en collectieve doelen kunnen reali-
seren (Freitag 2006).
De bovengenoemde positieve effecten van civil societies op de democratie ne-
men niet weg dat vrijwillige verbanden óók enge, naar binnen gekeerde groepen
kunnen zijn, gebaseerd op wantrouwen tegenover anderen in de buitenwereld
(zie bijvoorbeeld Korsten en De Goede 2006). Radicaliserende groepjes bezitten
doorgaans meer sociaal kapitaal dan ze wordt toegedicht, maar dan wel het type
sociaal kapitaal waarmee zij zich van de maatschappij afkeren (Dekker 2004). In
de praktijk valt het vaak niet mee om eenmaal geradicaliseerde (groepen) indivi-
duen op democratische gedachten te brengen. Uiteindelijk beslissen zij daarover
immers zelf. Maar de overheid kan wél pedagogische contexten creëren die de
kans vergroten dat burgers de stap naar radicalisering überhaupt niet zetten.
Bovendien kan zij maatschappelijke contexten creëren die de kans vergroten dat
burgers eerder kiezen voor een maatschappelijk actieve tafeltennisvereniging
dan voor een club met niet-legale doeleinden. De wijze waarop dat kan gebeuren
komt aan de orde in hoofdstuk 4.
                                                                   De worteling van democratie / 35
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>De buurt en democratische gezindheid
Naast de civil society vormt ook de buurt een belangrijk domein waarbinnen we
de meerwaarde kunnen vinden die een democratie goed laat functioneren. Ook
de buurt waarin ze wonen kan burgers immers uitnodigen en aansporen tot een
democratic way of life. Volgens Dewey (1927), van wie deze term afkomstig is, ken-
merkt deze manier van leven zich erdoor dat burgers wederzijdse belangen er-
kennen en bereid zijn om machts- en meningsverschillen op te lossen via dialoog
en onderhandeling. In die zin vooronderstelt de buurt een democratische collec-
tiviteit: alleen zijn er geen conflicten om mee om te gaan.
Om daadwerkelijk een ondersteuning voor de democratie te kunnen zijn, moet
de buurt wel een omgeving zijn waar mensen letterlijk en figuurlijk thuis zijn
(Blokland 2006). Ook moeten ze er invloed kunnen uitoefenen op de oplossing
van problemen die er spelen (Winsemius et al. 2004). Hoewel bewoners zich ge-
woonlijk niet geroepen voelen om mee te beslissen over futiliteiten in de wijk,
hebben ze graag inspraak als het gaat om de kwaliteit van de fysieke inrichting,
om de sociale infrastructuur of om veiligheid. Op buurtniveau is dit ook mogelijk.
Waar de mogelijkheden om het beleid te beïnvloeden zich – vanwege schaalpro-
blemen – op landelijk niveau meestal beperken tot de nationale verkiezingen,
zien we op buurtniveau minder schaalproblemen tussen de beleidsvorming en de
problemen van bewoners (Wright en Fung 2004).
Samenvattend: de civil society en de buurt zijn twee mogelijke leerscholen voor
democratie. De betekenis van de civil society en de buurt voor de democratie ligt
vooral in hun (mogelijke) neveneffecten. Als gevolg van de activiteiten die burgers
gezamenlijk ontplooien en als gevolg van de verschillende competenties die zij
daarbij opdoen, kan erkenning van wederzijdse belangen en meningsverschillen
(of overige elementen van de democratische gezindheid) ontstaan of op anderen
worden overgedragen (Bryant 1993, 1994; Putnam 2000). Of dat ook daadwerkelijk
gebeurt, is in eerste instantie afhankelijk van de keuzes van de betrokken burgers
zelf. In tweede instantie speelt ook altijd de specifieke context een rol. Het is dan
ook deze context, die mogelijkheden oplevert voor beleid.
         3.5 Het belang van participatie van burgers in beleidsvorming
In de vorige paragrafen hebben we aandacht besteed aan verschillende domeinen
waarbinnen de overheid democratische gezindheid kan bevorderen: het gezin,
de school, de civil society en de buurt. Er is echter nóg een belangrijk onderwerp
36 / Vormen van democratie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>dat het vermelden waard is, als we het hebben over het bevorderen van democra-
tische gezindheid. Het gaat hierbij niet zozeer om een domein, maar eerder om
een methode om beleid te vormen: burgerparticipatie.
We hebben eerder in dit rapport gezien dat democratie meer is dan een systeem
van parlementaire controle op de macht. Zij is ook een gezindheid die de openlij-
ke bespreking van botsende visies op maatschappelijke issues mogelijk maakt en
waardeert. Precies dát is ook het kenmerk van participatie van burgers in beleids-
vorming: het publiekelijk bespreken van (mogelijke) conflicten tussen burgers.
Die kunnen gaan over te nemen beslissingen over de buurt, over uitgevoerde
handelingen bij de voetbalclub, over afspraken en interpretaties van afspraken
met de school of over meer fundamentele zaken als botsende waarden of over
hoe beter met elkaar om te gaan. Maar telkens gaat burgerparticipatie in beleids-
vorming over (mogelijk) botsende visies en hoe daar vreedzaam mee om te gaan
– een kernaspect van de democratie.
Hierna kijken we allereerst naar drie vormen (ook wel generaties) van participatie
van burgers in beleidsvorming: inspraak, interactieve beleidsvorming en delibera-
tieve beleidsontwikkeling. Wat verstaan we hier precies onder? Vervolgens schen-
ken we aandacht aan kritiek die op deze vormen van beleidsvorming bestaat. Tot
slot lichten we toe waarom ons standpunt is dat, ondanks deze kritiek, burger-
participatie een goed middel is om de democratische gezindheid onder burgers te
bevorderen.
Vormen van burgerparticipatie
De afgelopen decennia hebben bureaucratische top-downmethodes steeds meer
plaatsgemaakt voor vormen van burgerparticipatie in beleid (zie bijvoorbeeld Rob
2004; Rob 2005b; Grin et al. 2006). We onderscheiden de volgende drie vormen of
generaties (vgl. InAxis 2007: 17):
1.       In de jaren zeventig ontstond de inspraak. Deze wordt vooral toegepast in
         de ruimtelijke ordening, met name in de vorm van inrichtingsplannen. De
         overheid bereidt voor en neemt besluiten; burgers en belanghebbenden
         geven daarover achteraf hun mening.
2.       In de jaren negentig kwam de zogeheten interactieve beleidsvorming op. Hier
         ligt soms het initiatief bij het bestuur, soms bij de burger. Maar in beide
         gevallen krijgt de burger de kans om al vooraf mee te denken over de be-
         leidsvorming.
                                                             De worteling van democratie / 37
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>3.      De laatste loot aan de stam van burgerparticipatie in beleidsvorming is
        deliberatieve beleidsontwikkeling. Specifiek voor deliberatieve beleidsontwik-
        keling is dat deze de betrokkenen aanmoedigt om op basis van weder-
        zijdse argumenten oplossingen aan te dragen voor (lokale) problemen en
        tegenstellingen in het publieke domein. Al doende schenken burgers dus
        aandacht aan elkaars visies en aan de verschillen en tegenstellingen die
        daarbij horen.
Veel bestuurders zien participatie van burgers in beleidsvorming als een kans om
democratische overlegvormen te verrijken (Van Stokkom 2003). Burgerparticipatie
zorgt ervoor dat burgers invloed uit kunnen oefenen op de politieke koers, zo is
de gedachte. Ook biedt zij burgers kansen om de waarde van democratie en de-
mocratische gezindheid te leren. Dat laatste geldt zeker voor interactieve beleids-
vorming en deliberatieve beleidsontwikkeling (Van Stokkom 2006).
Kritische geluiden over interactieve en deliberatieve beleidsvorming
Alle veelbelovende theoretische modellen ten spijt, in de praktijk zijn interactieve
beleidsvorming en deliberatieve beleidsontwikkeling volgens veel wetenschap-
pers maar weinig effectief. Over de redenen daarvan is al veel gezegd en geschre-
ven (Edelenbos et al. 1998; Monnikhof en Edelenbos 2001; Grin et al. 2006; Van
Stokkom 2006; Schillemans 2007). De belangrijkste bespreken we hier kort.
Ten eerste is de representativiteit van de deelnemers aan interactieve beleidsvor-
ming in de praktijk meestal beperkt. De deelnemers vormen geen afspiegeling
van de groep belanghebbenden. Een kleine groep van steeds dezelfde burger-
woordvoerders – vaak man, autochtoon en hoog opgeleid – laat zijn stem gelden.
Daar tegenover staat een grote groep burgers die niet participeert.
De tweede reden die critici noemen voor de beperkte effectiviteit van interactieve
beleidsvorming en deliberatieve beleidsontwikkeling: niet alle burgers hebben de
competenties of kwaliteiten in huis die ze nodig hebben om succesvol met elkaar,
met maatschappelijke organisaties of met het lokale bestuur te overleggen.
Met betrekking tot deliberatieve beleidsvorming voegen critici daar ten derde aan
toe dat burgers ook vaak niet bereid zullen zijn om gelijkwaardig en belangeloos
met elkaar te discussiëren. Integendeel: burgers zouden de mogelijkheid van
deliberatie gebruiken om hun eigen belang te vergroten, statusposities te verste-
vigen of om anderen te manipuleren.
38 / Vormen van democratie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>Toch kansen voor de democratie
Hoewel een deel van de hierboven besproken kritiek hout snijdt, ziet de RMO in
interactieve en deliberatieve beleidsvorming toch kansen om het draagvlak voor
de democratie te vergroten. Werken aan interactieve en deliberatieve beleidsvor-
ming lijkt ook geraden. Door de coördinatieproblemen in een geprivatiseerde,
gedecentraliseerde en geïndividualiseerde samenleving is de overheid althans
meer en meer aangewezen op vormen van bestuur waarin kennis van direct be-
langhebbenden kan worden benut. De overheid ontbeert simpelweg de ‘handen’
en ‘ogen’ om zelf de problemen in alle straten en wijken te kunnen signaleren en
deze vervolgens zelf effectief aan te pakken. Burgers hebben op hun beurt graag
het gevoel dat de overheid ze serieus neemt, hun visie respecteert en actief naar
ze luistert. Een terugkeer naar het regenteske, centrale overheidsmodel is dan
ook geen optie. De kloof tussen overheid en burger zal er waarschijnlijk alleen
maar door toenemen.
Wij zijn het met de critici eens dat burgers die meedoen aan interactieve of de-
liberatieve beleidsontwikkeling, inderdaad zelden een goede afspiegeling zijn
van de groep belanghebbenden. De vraag is echter of dat altijd erg is. Een de-
mocratische samenleving waarin continu iedereen participeert, is namelijk niet
alleen onmogelijk, maar voor veel burgers ook niet wenselijk. Sommigen willen
nu eenmaal niet actief zijn in politieke en maatschappelijke activiteiten. Van
Stokkom (2003: 160) wijst er daarom op dat we beter kunnen afgaan op het zelf-
selectiemechanisme: iedere burger kiest idealiter die fora of debatten uit die voor
hem van groot belang zijn. Iets anders is dat burgers daartoe wel de gelegenheid
moeten hebben. Uit het onderzoek door Veldkamp blijkt dat veel burgers eerst en
vooral bezig zijn met ‘overleven’; voor andere dingen hebben ze gewoonweg geen
tijd. Dit bevestigt de gedachte dat veiligheid en een minimale sociale en financi-
ele orde en structuur in en rondom het huis noodzakelijke voorwaarden zijn om
überhaupt democratisch te kunnen participeren.
Interactieve beleidsvorming, noodzakelijk via het zelfselectiemechanisme, is
geen vervanging van, maar een aanvulling op de besluitvorming op lokaal niveau.
Het is vooral nuttig in de planvormende fase van beleid (Van Stokkom 2003).
Vandaar dat we steeds spreken van interactieve beleidsontwikkeling in plaats van
interactieve besluitvorming. Burgers leveren in de planvormende fase van beleid
input voor volksvertegenwoordigers en beleidsmakers, maar het is naar het oor-
deel van de Raad niet altijd wenselijk dat burgers ook deelnemen aan besluitvor-
ming die een-op-een moet worden vertaald in beleid. Volksvertegenwoordigers
vertegenwoordigen immers alle burgers, dus ook de burgers die niet in beleids-
                                                         De worteling van democratie / 39
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>ontwikkeling kunnen of willen participeren. Samengevat: interactieve en delibe-
ratieve beleidsontwikkeling spelen een bevorderende, maar niettemin ‘slechts’
aanvullende rol binnen de lokale democratie (zie ook Akkerman 2004).
Een ander kritiekpunt op deliberatieve beleidsontwikkeling dat we bespraken, is
dat veel burgers vooral aan deliberatieve beleidsontwikkelingstrajecten zouden
deelnemen om invloed te verwerven of om het eigenbelang te laten zegevieren.
Empirisch onderzoek wijst echter op het tegendeel (zie Van Stokkom 2003). Bur-
gers blijken doorgaans juist naar beleidsbijeenkomsten te komen om naar ande-
ren te luisteren. Ze voelen zich incompetent in bestuurlijke expertise en accep-
teren vrijwillig een ongelijke plek in het debat. Dat betekent dat in beleidsbijeen-
komsten niet instrumentele maar sociale motieven bij burgers de doorslag geven.
Samenvattend: hoewel er zeker kritiek te uiten is op interactieve beleidsvorming
en deliberatieve beleidsontwikkeling, bieden deze vormen van burgerparticipatie
ook kansen om burgers democratischer gezind te maken. Maar welke mogelijk-
heden voor beleid zijn er nu om Nederlanders meer verbonden te maken aan de
democratie? Dat komt aan bod in het volgende hoofdstuk.
40 / Vormen van democratie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>4. Mogelijkheden voor beleid
        4.1 Inleiding
Al eerder in dit rapport hebben we gesteld dat democratische gezindheid di-
rect raakt aan de vrijheden van burgers; daarom kan de overheid die nooit van
bovenaf opleggen of op een andere manier afdwingen. Wel is het mogelijk om
contexten of settings te creëren die de kans vergroten dat burgers de democra-
tie ‘dragen’ en steunen, en haar basisprincipes aanvaarden. Dit sluit aan bij de
gedachten van Van Gunsteren die ‘principes van zelfordening’ beschrijft om het
vertrouwen in de democratie te verhogen (Van Gunsteren 2007).
De eerste mogelijkheid is settings te creëren die burgers, en dan vooral kinderen,
al in een vroeg stadium de gelegenheid geven in aanraking te komen met de
basisprincipes van de democratie. Je zou dit pedagogische contexten voor demo-
cratisch burgerschap kunnen noemen. In deze contexten gaat het om het aanle-
ren van de vaardigheden en houdingen die nodig zijn om in een democratische
samenleving te functioneren. Pedagogische contexten grijpen aan op het eerder
uitgewerkte domein van gezin en school (maar ook op bijvoorbeeld vrijetijdsver-
enigingen).
De tweede mogelijkheid is om settings te creëren waarin burgers op indirecte
wijze uitgenodigd of geprikkeld worden democratische vaardigheden te prakti-
seren. We zouden dit maatschappelijke contexten voor democratisch burgerschap
kunnen noemen. Te denken valt aan maatschappelijke praktijken in de buurt en
in verenigingsverband waarin burgers als vanzelfsprekend in aanraking komen
met democratische omgangsvormen. Maatschappelijke contexten sluiten aan bij
het eerder besproken domein van civil society en actief burgerschap in beleid en in
de buurt.
                                                           Mogelijkheden voor beleid / 41
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>Uit het Veldkamponderzoek bleek dat veel argumenten van de respondenten te
maken hebben met de moeite die ze hebben met democratische basiswaarden
als meerderheidsbesluitvorming en respect voor andersdenkenden. Een aantal
autochtone respondenten heeft expliciet moeite met de levenswijze en aanwe-
zigheid van allochtonen; zij stellen voor om hun rechten in te perken. Leerzame
contexten als het gezin en de school en maatschappelijke contexten als de buurt,
openbare ruimtes en verenigingen zouden zo moeten worden ingericht dat ze
uitnodigen tot democratisch gedrag.
        4.2 Pedagogische settings
Kijken we naar pedagogische contexten om democratie te bevorderen, dan
komen hiervoor bestaande contexten als het gezin en de school als eerste in
aanmerking. Een van de conclusies uit het Veldkamponderzoek is namelijk dat
sommige mensen eenvoudig geen idee hebben wat democratie inhoudt. Ze heb-
ben het niet van huis uit meegekregen; ook de overdracht van kennis en vaardig-
heden op school is kennelijk niet beklijfd.
Hoe ver kan de overheid gaan om pedagogische contexten als het gezin en de
school te benutten? Politiek en maatschappelijk zijn steeds vaker pleidooien te
horen voor verregaande interventies door de overheid. Ouders die tekortschieten
in de opvoeding moeten een heropvoedingscursus krijgen, kinderen die dreigen
te ontsporen moeten in een opvoedkamp terechtkomen en burgers die asociaal
gedrag vertonen verdienen een strenge aanpak. Nederland kent echter de plu-
ralistische traditie dat niet de overheid de verantwoordelijkheid draagt om kin-
deren op te voeden, maar de scholen met verschillende (levensbeschouwelijke)
achtergronden, de organisaties in het maatschappelijk middenveld en – niet in
de laatste plaats – de gezinnen. Inhoudelijk moet democratieopvoeding vanuit de
overheid daarom uiterst bescheiden zijn. Wat democratische gezindheid inhoudt,
verschilt immers per persoon, per groep, per periode en per maatschappelijke
context. Incentives voor democratieopvoeding moeten de overheid er daarom
vooral toe brengen burgers de vaardigheden te leren die ze nodig hebben om in de
maatschappij te kunnen omgaan met de verschillende invullingen van democra-
tische gezindheid. De overheid kan bijvoorbeeld settings stimuleren waar kinde-
ren die vaardigheden kunnen oefenen.
42 / Vormen van democratie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>Het gezin
Het gezin is de eerste leerschool voor een democratische mentaliteit. Niet alle
ouders zijn echter op de hoogte van de eisen die het leven in een democratische
rechtstaat aan kinderen stelt. Zo missen ouders in achterstandssituaties vaak
de sociale competenties om democratische waarden ‘voor te leven’ en aan hun
kinderen over te dragen. Zij zouden daarbij desgewenst gesteund kunnen worden
door bijvoorbeeld de nieuwe Centra voor Jeugd en Gezin. Niet om te bepalen wat
ouders en hun kinderen zouden moeten vinden, maar om zo veel mogelijk in een
open relatie met ouders te communiceren over de basisuitgangspunten van de-
mocratische gezindheid. Unesco spreekt in dit verband over ‘learning to live toge-
ther’ (http://www.unesco.org/delors/ltolive.htm). De Centra voor Jeugd en Gezin
moeten nog worden opgericht. Zowel de precieze inhoudelijke als bestuurlijke
invulling is nog onduidelijk. Hier volstaan we met de opmerking dat het Rijk en
gemeenten met de centra willen bereiken dat opvoedondersteuning voor ouders
en kinderen vanzelfsprekend wordt, makkelijk te bereiken is en voldoende toe-
gankelijk is (Bestuursakkoord Rijk en gemeenten 2007: 14-16).
Opvang
Een andere setting zijn de verschillende vormen van kinderopvang en naschoolse
opvang waar leiders en ouders van jonge kinderen elkaar ontmoeten (zie bijvoor-
beeld Moss 2007). Deze setting leent zich bij uitstek om democratische basiswaar-
den te tonen en bespreekbaar te maken. Ouders, met doorgaans verschillende
opvoedingsstijlen, hebben er vaak veel behoefte aan om ervaringen uit te wisse-
len rondom de opvoeding. Wat laat je wel en wat laat je niet toe? Hoe kun je kin-
deren voorbereiden op de samenleving? Wat doe je als kinderen zich tegenover
elkaar ‘ondemocratisch’ gedragen door bijvoorbeeld elkaars speelgoed af te pak-
ken, hun wil met kracht aan anderen op te leggen, et cetera? Het zou een goed
idee zijn om ervoor te zorgen dat leiders in de kinderopvang beschikken over
competenties om discussies hierover met en tussen ouders mogelijk te maken.
Ook is het uiteraard belangrijk dat zij van hun leidinggevenden voor deze discus-
sies voldoende tijd krijgen.
Basisonderwijs en voortgezet onderwijs
Op een vergelijkbare manier bieden het basisonderwijs en het voortgezet onder-
wijs mogelijkheden om de democratische gezindheid van leerlingen bespreek-
baar te maken. Kennis doen leerlingen op in de klas, maar daarbuiten komen
ze continu in situaties terecht waar zij zich als democratische burgers kunnen
(leren) profileren. Een school kan benadrukken – zoals dat in de praktijk ook al
                                                           Mogelijkheden voor beleid / 43
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>vaak gebeurt – dat het voor leerlingen belangrijk is dat ze de mening van anders-
denkenden accepteren en bereid zijn tot dialoog, als ze zich in de samenleving
willen handhaven.
Hoewel onderwijs natuurlijk niet op elk vlak democratisch is, kan actief partici-
peren kinderen helpen om de gevolgen van hun beslissingen te overdenken en de
betekenis in te leren zien van hun democratische rechten en plichten. Kinderen
kunnen bijvoorbeeld betrokken zijn bij het opstellen van de schoolregels, het
leef- en leerklimaat helpen verbeteren, en helpen pesten tegen te gaan. Zo leren
ze dat verschillen in belangen, meningen of achtergronden niet hoeven te ontaar-
den in onprettige samenwerkingsrelaties – laat staan in geweld.
De meeste scholen zijn doordrongen van de mogelijkheden en verantwoordelijk-
heden die zij hebben op het gebied van democratische gezindheid. Burgerschaps-
vorming is sinds vorig jaar onderdeel van het onderwijsprogramma van het
primair onderwijs.2 Veel scholen benaderen het onderwijs als meer dan alleen
beroepsvoorbereiding en kennisoverdracht. Impliciet of expliciet stellen scholen
daarnaast de algemene ontwikkeling van leerlingen tot mens en burger als leer-
doel.
In aanvulling daarop krijgt democratische gezindheid vooral vorm in de dagelijk-
se onderwijspraktijk. Een goed voorbeeld is de lijst met omgangsvormen die klas-
sen op veel basisscholen aan het begin van het jaar samenstellen. Andere voor-
beelden zijn: het project ‘de veilige school’, het ‘taakspel’ om leerlingen te leren
zich aan klassenregels te houden en programma’s om pesten tegen te gaan (zie
www.nji.nl/databank). Leraren en onderwijzers hebben hier als vanzelfsprekend
een voorbeeldfunctie. De manier waarop zij reageren op en omgaan met ‘onde-
mocratisch’ gedrag van hun leerlingen, draagt vermoedelijk meer bij aan de de-
mocratische gezindheid van kinderen en jongeren dan specifieke op kennisover-
dracht gerichte lesprogramma’s. Daarnaast bieden ook uitwisselingsprogramma’s
tussen leerlingen van verschillende scholen uitstekende mogelijkheden om actief
kennis te maken en van gedachten te wisselen met ‘andersdenkenden’.
Teams en verenigingen
Ook sporten in team- en verenigingsverband kan bijdragen aan democratische
gezindheid. Teamsport betekent immers samen doelen bereiken met respect voor
de inbreng van de deelnemers, met respect voor de regels en voor de rol van de
scheidsrechter. Het betekent ‘fair play’, samen staan en gaan voor de zaak. Sport-
verenigingen hebben een belangrijke taak om deze instelling uit te dragen en
44 / Vormen van democratie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>sportief gedrag en een sportieve basishouding onder de leden te bevorderen. Op
vergelijkbare wijze kunnen overige verenigingen – scouting, muziekvereniging,
toneel – kinderen al op jonge leeftijd leren op democratische wijze met elkaar om
te gaan.
De ‘brede school’
Als laatste voorbeeld van een pedagogische setting noemen we de ‘brede school’
(www.bredeschool.nl). Het kabinet wil het concept van de ‘brede scholen’ actief
stimuleren. Een ‘brede school’ kan bij uitstek helpen om democratische gezind-
heid te oefenen, omdat kinderen en jongeren elkaar daar in verschillende rol-
len ontmoeten. Doordat zij samen diverse activiteiten ontplooien – naast leren
ook sport, cultuur en ontspanning – leren zij om te gaan met verschil, elkaar te
respecteren en naar elkaars mening te luisteren. Ook hier is dit echter geen van-
zelfsprekendheid: het is wenselijk dat ‘toezichthouders’ deze ‘uitwisseling van
democratische basiswaarden’ faciliteren en daarvoor ook zijn toegerust.
        4.3 Maatschappelijke settings
Naast pedagogische contexten dienen zich ook maatschappelijke contexten aan
om op natuurlijke wijze een democratisch burgerschap te ontwikkelen. Daarbij
is het raadzaam de achtergronden en beweegredenen te kennen van de mensen
die zich momenteel afzijdig houden van de democratie. Veel respondenten van
het Veldkamponderzoek hebben onvoldoende vertrouwen in de democratie, of
in elk geval onvoldoende vertrouwen dat hun inzet ook voor henzelf lonend is.
Daarnaast komen ze er naar eigen zeggen ‘gewoon niet aan toe’, of willen ze er
niet aan toekomen.
Hoe de democratische gezindheid van burgers te bevorderen, is zoals gezegd een
lastige vraag. De RMO verwacht dat er winst te behalen valt door omgevingen te
creëren waarin een vitale democratie kan gedijen. Meer dan nu gebeurt, zou de
overheid kunnen differentiëren naar omgevingen die passen bij de dagelijkse
ervaringen en problemen van burgers.
Interactieve beleidsontwikkeling als maatschappelijke setting
Een voorbeeld van zo’n omgeving is de interactieve beleidsontwikkeling (zie
hoofdstuk 3). Sinds een jaar of tien vormt deze een vast onderdeel van het over-
heidsbeleid. Hoewel hierop in termen van democratisch gehalte, legitimiteit en
effectiviteit kritiek is gekomen, biedt interactieve beleidsontwikkeling ook dui-
delijke kansen. Als bepaalde stappen worden gezet kan dit instrument zeker een
                                                            Mogelijkheden voor beleid / 45
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>bijdrage leveren om het draagvlak voor de democratie te vergroten (zie Van Stok-
kom 1993; Grin et al. 2006).
De eerste stap is dat interactieve beleidsontwikkeling niet functioneert als alter-
natief voor het lokale democratische besluitvormingsproces, maar als aanvulling
daarop. Het meest wenselijk is om interactieve beleidsontwikkeling vooral in de
planvormende fase van het beleid toe te passen, en niet in de besluitvormende
fase. Aan de planvormende fase kunnen alle burgers die dat wensen deelnemen;
in de besluitvormende fase kunnen (lokale) volksvertegenwoordigers vervolgens
ook de belangen meewegen van degenen die er niet bij konden of wilden zijn.
Een interessante variant van interactieve beleidsontwikkeling zijn de Business
Improvement Districts (BID’s) in de Verenigde Staten. BID’s zijn privaat-publieke
beleidsvormingsvarianten waarin ondernemers zichzelf publieke heffingen kun-
nen opleggen ter bevordering van de leefbaarheid. Ze hebben een raad (board) van
commerciële partijen én burgers, die de actuele leefbaarheidsvraagstukken in
kaart brengt, evenals mogelijke antwoorden daarop. Deze beleidsvormingsvariant
is sterk verankerd in gemeenschappen waarin de betrokken ondernemers en bur-
gers toch al participeren. BID’s zijn aan de ene kant opgezet als beheerssystemen
voor de openbare ruimte en openbare orde (zoals ook Nederland die kent), maar
aan de andere kant óók als democratisch vehikel (zoals Nederland die niet kent).
     Business Improvement Districts
     Business Improvement Districts (BID’s) zijn privaat-publieke samenwerkingsvormen die
     veel voorkomen in de Verenigde Staten en Canada. Ze worden gevormd door onder-
     nemers of vastgoedeigenaren, die hun omgeving aantrekkelijker (en dus meer concur-
     rerend) willen maken. Hét kenmerk van BID’s – en daarmee ook meteen hét grote verschil
     met privaat-publieke samenwerkingsvormen in Nederland – is dat private partijen zichzelf
     publieke heffingen kunnen opleggen om verbeteringen in hun omgeving te financieren.
     Met de heffing worden bijvoorbeeld verlichting, versieringen, bloembakken en banken
     bekostigd, maar ook veiligheidspersoneel en straatvegers. De publieke heffingen gelden
     voor alle ondernemers in het district. Freeridersgedrag komt dus niet voor. De heffingen
     betreffen geen vervanging van, maar aanvulling op het (gemeentelijke) voorzieningen-
     aanbod. Uit internationaal onderzoek blijkt dat BID’s de kwaliteit van stedelijke gebieden
     significant verbeteren. Onlangs hebben zes Nederlandse gemeenten er bij de regering
     op aangedrongen BID’s ook in Nederland mogelijk te maken.
Bron: Zweedijk (2006)
46 / Vormen van democratie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>     Woonatelier
     Een Nederlands voorbeeld van succesvolle interactieve beleidsvorming is het door Fo-
     rum ontwikkelde Woonatelier (Forum 2007a; Forum 2007b). Dat is een werkvorm waar
     bewoners op een interactieve manier de problemen in hun woonomgeving inventariseren
     en daarvoor een structurele oplossing bedenken. Hiervoor gebruiken ze de deskundig-
     heid en ‘doorzettingsmacht’ van opbouwwerkers en overige professionals, en zoeken
     ze contact met overlastveroorzakers om tot een oplossing te komen. Het Woonatelier is
     een laagdrempelige werkvorm, die gemakkelijk toegankelijk is voor zowel autochtonen
     als allochtonen.
Een tweede stap om de democratische gezindheid van burgers te bevorderen is
om zo veel mogelijk deliberatieve praktijken in de interactieve beleidsontwikke-
ling toe te passen. Dit levert voor democratische gezindheid twee voordelen op.
Ten eerste impliceert deliberatie een openlijke, vaak confronterende maar altijd
vreedzame bespreking van botsende visies over maatschappelijke kwesties – een
van de kernelementen van een democratie. Ten tweede gaat deliberatie altijd
over meer dan alleen de belangen, behoeften of wensen van de aanwezige men-
sen. Ze gaat ook over de publieke gevolgen van hun ideeën of beslissingen. Een
positief gevolg van deliberatieve beleidsontwikkeling is mogelijk een beter onder-
ling begrip voor elkaars standpunt en wellicht zelfs een bijstelling van het eigen
oorspronkelijke standpunt. Het gevolg kan natuurlijk ook zijn dat bestaande
spanningen of tegenstellingen tussen burgers worden bevestigd. Deze zouden
anders echter in de beleidsuitvoering manifest zijn geworden.
Het doel van deliberatie is dus om verschillen tussen burgers zichtbaar te maken
en ermee proberen om te gaan. Het gaat er niet om de verschillen weg te poetsen.
Een succesvol gebleken voorbeeld van deliberatie zijn de in Duitsland ingestelde
Planungszellen (zie www.wegweiser.buergerschaft.de). Een Planungszelle bestaat
uit een groep van ongeveer 25 aselect gekozen burgers (m/v) die zich voor de
duur van ongeveer een week over een bepaald maatschappelijk probleem bui-
gen. Zij zijn daarvoor vrijgesteld van hun dagelijkse verplichtingen. Het doel:
oplossingsrichtingen vinden voor het probleem. De resultaten van hun gedach-
tewisseling worden samengevat in zogeheten burgeradviezen. Deze worden als
discussiestuk aan de betrokken beleidsinstanties ter beschikking gesteld. Om de
representativiteit te vergroten werken doorgaans meerdere Planungszellen tege-
lijk aan een vraagstuk.
                                                                  Mogelijkheden voor beleid / 47
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>Bij hun beraadslagingen worden de aselect gekozen burgers (m/v) door een com-
petente procesbegeleider (moderator) ondersteund. Van deskundigen en belan-
genvertegenwoordigers kunnen zij alle informatie krijgen die noodzakelijk is
voor hun oordeel. Bij de keuze van deze deskundigen en belangenvertegenwoor-
digers wordt erop gelet dat deze zo veel mogelijk alle controversiële standpunten
vertegenwoordigen en representeren. Zij zijn niet aanwezig tijdens de oordeels-
vorming van de burgers. Doordat de taken van een Planungszelle concreet zijn en
een werkbare omvang hebben, kunnen de deelnemers goed geïnformeerd wor-
den. Dat maakt ze competent om deel te nemen. Om dominantie van bepaalde
deelnemers te voorkomen wordt de Planungszelle telkens weer onderverdeeld in
wisselende kleine groepen (bijvoorbeeld vijf groepen van vijf personen).
Deze Planungszellen hebben tenminste twee voordelen. Allereerst moeten de
deelnemers de argumenten van deskundigen en die van hun groepsgenoten
meewegen bij de uiteindelijke oplossingsvoorstellen. Ten tweede kan het de be-
trokkenheid van burgers bij uiteenlopende vraagstukken vergroten als zij deelne-
men aan een dergelijk initiatief. Het zou natuurlijk kunnen dat de Planungszellen
beter passen bij de Duitse dan bij de Nederlandse politieke cultuur. Evenmin is
het ondenkbaar dat de Business Improvement Districts beter passen bij de Ameri-
kaanse dan bij de Nederlandse politieke cultuur. Waar het ons om gaat is: denk
ook in Nederland goed na in hoeverre dergelijke, op andere schaalniveaus functi-
onerende democratische settings de gehechtheid van burgers aan de democratie
kunnen bevorderen. Bestaande settings in Nederland zoals (sport)verenigingen,
wijk- en buurtcomités en vergelijkbare verbanden bieden – net als de Planungs-
zellen en de BID’s – natuurlijke omgevingen om democratische gezindheid te
oefenen.
Tot nu toe hadden we het over burgers. Maar om de democratie gezond te hou-
den, moet aan de ‘ontvangende’ kant – in de praktijk doorgaans lokale politici
en ambtenaren – evengoed een democratische gezindheid aanwezig zijn. Nu zijn
er nauwelijks gemeenten waar burgers de mogelijkheid hebben om een voorstel
voor een burgerinitiatief op de politieke agenda te plaatsen (de enige mogelijk-
heid is om een beleidsambtenaar te bellen, waarna zo’n initiatief in de ambtelijke
molen verdwijnt). Zou het niet bevorderend voor burgerparticipatie zijn als bur-
gers het recht zouden hebben om burgerinitiatieven te agenderen? Ambtenaren
blijken in het proces van interactieve beleidsvorming bovendien vaak de neiging
te hebben zich het initiatief van burgers toe te eigenen; meestal keurig passend
binnen de bestaande beleidskaders en beschikbare budgetten en instituties. ‘De
48 / Vormen van democratie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>gemeenteraad is er voor de burgers’, wordt weleens gezegd. ‘En ambtenaren zijn
er voor de stad.’ Dit laatste voorspelt echter dat het – doorgaans onorthodoxe
– burgerinitiatief weinig ruimte krijgt.
Hoe kunnen politici en ambtenaren bijdragen aan democratische gezindheid?
InAxis (2007) geeft politici en ambtenaren als tip om deelnemers aan interactieve
beleidsontwikkeling duidelijkheid te geven over waar hun input toe zal leiden.
Ze zullen de burger bovendien onderwerpen moeten voorleggen waar hij affini-
teit mee heeft. Blijkt er vervolgens toch weerstand bij bewoners te zijn voor een
beleidsplan, dan is het verstandig de burgers uit te nodigen tot alternatieve plan-
nen. Ze zullen tot slot niet alleen moeten oproepen tot meepraten, maar ook bud-
get beschikbaar moeten stellen. Telkens, zo concluderen we, is het voor politici en
ambtenaren de kunst om omgevingen te laten ontstaan waarin democratie kan
gedijen. Democratie is immers niet alleen een constitutionele organisatievorm,
maar ook een organisatievorm voor maatschappelijke en intermenselijke ver-
houdingen en voor de botsende visies en belangen die daarvan vergezeld gaan.
Zolang geweld achterwege blijft, vormt deze organisatievorm de essentie van
democratie.
       Noot
2      In het beleidsprogramma van het kabinet wordt aangegeven dat aansluitend hierop
       een Handvest verantwoordelijk burgerschap zal worden opgesteld (Ministerie van
       Algemene Zaken 2007).
                                                             Mogelijkheden voor beleid / 49
</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre>5896 BW Vormen van Democratie.in50 50 5896 BW Vormen van Democratie.in50 50 8/31/2007 2:08:06 PM 8/31/2007 2:08:06 PM</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 51 ======================================================================

<pre>5. Conclusies en aanbevelingen
         5.1 Waarom dit advies?
Welke mogelijkheden heeft de overheid om – direct of indirect – een bijdrage te
leveren aan het versterken van de democratische gezindheid onder haar burgers?
De achtergrond van dit advies en deze vraagstelling was drieledig. Ten eerste de
constatering dat democratie geen vanzelfsprekend gegeven is. Menselijk gedrag
is niet automatisch democratisch gedrag en ook de democratische samenlevings-
structuur ontstaat door keuzes die telkens opnieuw worden gemaakt. Democratie
vergt met andere woorden onderhoud. Gebeurt dat niet, dan is de democratie
broos en kwetsbaar. De geschiedenis kent daarvan talloze voorbeelden.
Een tweede reden voor het advies is dat het onderhoud aan de democratie zich
tot op heden voornamelijk beperkt tot de politiek institutionele dimensie van
de democratie. De laatste jaren heeft de overheid geïnvesteerd in een verbeterde
relatie tussen kiezer en gekozene. Te denken valt aan de discussies over het kies-
stelsel, het referendum en de gekozen burgemeester. De sociaalmaatschappelijke
dimensie van de democratie kreeg minder aandacht. Maar democratie vergt
naast goed functionerende instituties ook een democratische gezindheid: de
bereidheid democratische instituties te steunen en de bereidheid intermenselijke
relaties op een democratische manier vorm te geven. De aandacht van politici en
beleidsmakers voor deze ‘democratische gezindheid’ was hetzij weinig expliciet
(bijvoorbeeld via het participatiebeleid), hetzij erg afdwingend (strengere eisen
aan inburgering van nieuwkomers). Direct of indirect beleid tot bevordering van
een democratische levenswijze was minder aan de orde. Evenmin het besef dat
aanpalend beleid of autonome maatschappelijke ontwikkelingen (variërend van
privatisering- en individualiseringtendensen tot processen van bureaucratisering
                                                           Conclusie en aanbevelingen / 51
</pre>

====================================================================== Einde pagina 51 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 52 ======================================================================

<pre>en pluralisering) van invloed zijn op democratisch gedrag of democratische be-
trokkenheid.
Een derde beweegreden voor dit advies is de klaarblijkelijke afstand tot democra-
tie van sommige groepen burgers. Een tiende deel van de Nederlandse bevolking
heeft weinig op met de democratie als bestuursysteem. Dertig procent is van oor-
deel dat de democratie niet goed functioneert. Sommige mensen staan cynisch,
onverschillig of vijandig tegenover de democratie, stemmen niet, hebben nauwe-
lijks vertrouwen in politici en bestuurders, en proberen los van democratische
structuren hun leven vorm te geven. Zij doen dat soms moedwillig en uit verzet,
maar meestal uit onwetendheid of onmacht. Onderhoud aan de democratie vergt
inzicht in de achtergrond en de beweegredenen van deze groep. Uit een verken-
nend onderzoek van de RMO (2006) blijkt dat daarover nog nauwelijks onder-
zoeksgegevens beschikbaar zijn. Bijlage 3 probeert in deze leemte te voorzien.
        5.2 Wat is de analyse?
Democratie vraagt in elke tijdsperiode onderhoud, maar dit onderhoud ziet er
al naargelang het tijdsbeeld anders uit. Het advies schetst daarom allereerst een
aantal ontwikkelingen dat direct of indirect invloed heeft op de maatschappelijke
context waarin de democratie gestalte krijgt. Individualisering als maatschappelijk
proces heeft bijvoorbeeld veel positieve effecten, maar kan vanuit het oogpunt
van democratische betrokkenheid ook risico’s meebrengen. Zo kunnen heden-
daagse opvoedingstijlen zo sterk gericht zijn op de zelfontplooiing van het kind,
dat vergeten wordt dat kinderen ook een maatschappelijke rol (gaan) spelen.
Daar komt bij dat sommige ouders niet in staat blijken om in de huidige com-
plexe en geïndividualiseerde samenleving hun kinderen een adequate opvoeding
mee te geven.
Soortgelijke risico’s gelden ook voor andere maatschappelijke ontwikkelingen.
Bureaucratisering is vanuit het principe van verdelende rechtvaardigheid nauwe-
lijks weg te denken, maar kan er in de dagelijkse praktijk toe leiden dat burgers
en professionals slecht uit de voeten kunnen met landelijke wet- en regelgeving.
Variëteit, creativiteit en betrokkenheid kunnen in het gedrang komen, als alle
neuzen dezelfde kant opstaan. Maar ook een tegengestelde beweging, zoals pri-
vatisering, brengt naast kansen risico’s met zich mee. Privatisering kan tornen
aan de (ervaren) solidariteit tussen mensen. Zij kan bovendien de democratische
legitimiteit van besluiten ondermijnen (wie controleert een geprivatiseerde wo-
52 / Vormen van democratie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 52 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 53 ======================================================================

<pre>ningbouwvereniging?). Eenzelfde tweezijdigheid hoort bij pluralisering. Deze ont-
wikkeling biedt mensen enerzijds meer kansen ‘eigen’ identiteiten te ontwikke-
len; anderzijds raken mensen in dat proces soms ook het spoor bijster of worden
ze zelfs vatbaar voor radicalisering.
Onderhoud aan de democratie vraagt inzicht in al deze processen, zonder ze
overigens te willen beheersen of direct te sturen. Dat is het kernelement van dit
advies: democratische gezindheid houdt direct verband met de vrijheden van
burgers en kan daarom nooit van boven af worden opgelegd of op een andere
manier worden afgedwongen. Dat betekent niet dat het advies hiermee eindigt,
wel dat terughoudendheid is geboden bij het formuleren van concrete interven-
ties. Als de overheid een democratische mentaliteit direct bevordert, vernietigt zij
daarmee tegelijk de diversiteit die voor een democratie nu juist zo kenmerkend
is. De uitdaging voor de overheid ligt dan ook eerder in het faciliteren van demo-
cratische gezindheid dan in het opleggen ervan.
Om aangrijpingspunten te vinden om democratische gezindheid te bevorderen,
is door bureau Veldkamp een kwalitatief onderzoek uitgezet naar de beweeg-
redenen van mensen die zich van de democratie hebben afgekeerd (zie bijlage
3). Enkele beweegredenen springen in het oog. Allereerst blijkt dat veel mensen
dagelijks bezig zijn met overleven. Ze werken hard, hebben weinig geld en heb-
ben naar eigen zeggen de tijd niet om zich maatschappelijk betrokken te tonen
of zich in te laten met zoiets als democratie. Ten tweede blijken niet alle respon-
denten het democratische gedachtegoed van huis uit te hebben meegekregen. Ze
weten niet altijd wat democratie inhoudt en hebben evenmin ‘geleerd’ zich in te
zetten voor de maatschappij. Ten derde blijken de respondenten slechts spora-
disch terecht te komen in situaties waar zij het aantrekkelijke en de waarde van
democratie kunnen ervaren. Democratie staat letterlijk ver van hen; ze komen er
tijdens hun dagelijkse bezigheden eenvoudigweg niet mee in aanraking. Een laat-
ste beweegreden komt van een aantal hoger opgeleide respondenten. Zij vinden
de democratie maar lastig en stroperig voor het bereiken van hun persoonlijke
idealen.
        5.3 Wat zijn de aanbevelingen?
Het uitgangspunt van dit advies is dat een democratische gezindheid niet valt af
te dwingen of op te leggen, zeker niet topdown. Democratische gezindheid kan
nooit het resultaat zijn van één duidelijke beleidsinvestering. Het is een com-
                                                          Conclusie en aanbevelingen / 53
</pre>

====================================================================== Einde pagina 53 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 54 ======================================================================

<pre>plexe optelsom van historische ontwikkelingen, van onvoorspelbare interacties
tussen mensen en van de waarde van democratie van jongs af aan meekrijgen
en al doende leren. Investeringen in democratische gezindheid zijn niet los ver-
krijgbaar. Ze maken deel uit van talloze (beleids)interventies en van reacties op
autonome maatschappelijke ontwikkelingen. De RMO komt dan ook niet met
een ‘blauwdruk voor democratische mentaliteit’. Deze zou de vrijheid en variatie
vernietigen die de blauwdruk eigenlijk zou willen realiseren. Wel is het volgens
de RMO voor de overheid mogelijk contexten of settings te creëren die de kans op
een democratische levenswijze of mentaliteit vergroten. Daartoe hebben we twee
adviesrichtingen geformuleerd.
Advies 1: creëer of benut pedagogische settings om democratie te ‘leren’
Onze eerste aanbeveling is om nieuwe settings te creëren of bestaande beter
te benutten waarin burgers, en dan vooral kinderen, al in een vroeg stadium de
gelegenheid krijgen in aanraking te komen met een aantal basisprincipes van
de democratie. Te denken valt aan gezinnen, eventueel ondersteund door de
toekomstige Centra voor Jeugd en Gezin.3 Te denken valt daarnaast aan kinder-
opvang waar burgers met uiteenlopende opvoedingsstijlen en vragen rondom
de opvoeding met elkaar en met professionals ideeën kunnen uitwisselen over
opvoeding en leefstijlen. Te denken valt ook aan de scholen waar leerlingen door
voorbeeldgedrag van leerkrachten actief betrokken kunnen zijn bij het formule-
ren van leefregels, conflicthantering en schoolorganisatie. Juist de ontwikkeling
van de zogenoemde ‘brede school’ biedt mogelijkheden tot vanzelfsprekende
democratische praktijken. Te denken valt tot slot aan creatief gebruik van overige
contexten, zoals sport- en allerhande ontspanningsverenigingen. Democratische
omgangsvormen zouden als het ware een eerste habitus moeten zijn bij profes-
sionals en vrijwilligers die gezinnen, leerlingen, ouders en kinderen bijstaan. Het
gaat er daarbij nadrukkelijk niet om specifieke kennis over te dragen. Het is niet
de bedoeling nauwgezet te omschrijven hoe en wat deze pedagogische settings
moeten realiseren, wel dat zij hiervoor aandacht moeten hebben. Onze belang-
rijkste aanbeveling is dan ook dat de betrokken professionals via hun opleiding
toegerust moeten zijn om gesprekken met ouders en kinderen hierover te kun-
nen voeren.
Advies 2: creëer mogelijkheden om te ‘oefenen’ met democratie
Onze tweede aanbeveling is om settings te creëren of beter te benutten waarin
burgers indirect worden uitgenodigd om zich een aantal democratische vaardig-
heden eigen te maken. We zien hiervoor vooral mogelijkheden op het terrein van
54 / Vormen van democratie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 54 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 55 ======================================================================

<pre>de interactieve beleidsvorming. Te overwegen valt om veelbelovende initiatieven
hierin te ondersteunen, maar dan zo dat interactieve beleidsvorming niet gaat
fungeren als vervanging van maar als aanvulling op het bestaande (lokale) demo-
cratische besluitvormingsproces. Daarvoor is het wenselijk om burgers vooral bij
de planvormende fase te betrekken en daarbij ook zoveel mogelijk de stap naar de-
liberatie te zetten. Vergelijkbare situaties zoals Business Improvement Districts in de
Verenigde Staten en Planungszellen in Duitsland kunnen dienen als inspirerende
voorbeelden, zonder deze overigens een op een over te nemen.
Adviesrapport als aanzet
Voor beleidsmakers, pedagogische instellingen en maatschappelijke organisaties
leveren bovenstaande aanbevelingen zoals gezegd geen eenduidig beleidsplan op.
Dat is mogelijk noch wenselijk. Beter is dat iedere betrokkene zichzelf afvraagt
hoe hij of zij kan bijdragen aan contexten voor democratisch burgerschap. Dat
geldt voor politici, beleidsmakers, bestuurders, managers, professionals, maar
ook voor maatschappelijke organisaties en verenigingsleden. Het is bovendien
een opdracht die vaak gepaard gaat met (klein) ‘conflict’: over te nemen beslissin-
gen, over uitgevoerde handelingen, over afspraken en interpretaties van afspra-
ken, maar ook over botsende principes en fundamentele waarden. Om de profes-
sionele habitus rondom democratische mentaliteit te stimuleren is het volgende
kader opgenomen.
    Werkblad ‘Hoe help ik een democratische mentaliteit te bevorderen?’
    Voor professionals in maatschappelijke en pedagogische instellingen:
    •       Hoe kan ik in mijn dagelijks werk routines opbouwen om te werken aan een
            democratische mentaliteit?
    •       Ben ik mij voldoende bewust van verschillende meningen om mij heen?
    •       Is het voor de groepen waarmee ik werk, veilig genoeg om voor hun eigen me-
            ning uit te komen?
    •       Geef ik voldoende ruimte aan groepen (individuen, kinderen) met minderheids-
            standpunten?
    •       Doe ik voldoende om kinderen/groepen te leren omgaan met tegenstrijdige vi-
            sies?
    •       Hoe neem ik mijn besluiten? Hebben anderen (kinderen, ouders, collega’s) ook
            ruimte voor hun inbreng?
                                                               Conclusie en aanbevelingen / 55
</pre>

====================================================================== Einde pagina 55 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 56 ======================================================================

<pre>    Voor managers in maatschappelijke en pedagogische instellingen:
    •        Hoe help ik settings of gelegenheden te creëren waar onze leerlingen en cliën-
             ten al doende de waarde van democratie en democratische gezindheid kunnen
             leren?
    •        Ben ik mij voldoende bewust van verschillende meningen om mij heen?
    •        Hoe kan ik mijn professionals faciliteren om in hun dagelijks werk aandacht te
             schenken aan democratische omgangsvormen?
    •        Hoe neem ik mijn besluiten? Is er genoeg ruimte voor inbreng van mijn medewer-
             kers?
    •        Is het leren omgaan met tegenstrijdige meningen of minderheidsstandpunten
             voldoende verankerd in onze werkwijze?
    •        Is onze organisatie veilig genoeg, zodat iedereen voor zijn mening durft uit te
             komen?
    •        In hoeverre heb ik oog voor diversiteit in mijn organisatie?
    •        Hoeveel tijd besteden we aan de mening van onze klanten? Doen we voldoende
             met de feedback die we krijgen?
    Voor politici en beleidsmakers:
    •        Besef ik welke (onbedoelde) effecten algemeen beleid – economisch, cultureel,
             sociaal, fysiek – kan hebben op de democratische gezindheid van burgers?
    •        Draag ik in mijn beleid en uitspraken uit dat ik opensta voor debat, dialoog en
             voor de mening van anderen?
    •        Besteed ik genoeg tijd aan het organiseren van goede inspraakprocedures?
    •        Hoe kan ik maatschappelijke en pedagogische instellingen de gelegenheid ge-
             ven een democratische gezindheid onder burgers te bevorderen?
        Noot
3.      Cruciaal is wel hoe deze centra in de praktijk zullen gaan functioneren. Zowel be-
        stuurlijk als inhoudelijk is dat op dit moment nog niet geheel duidelijk.
56 / Vormen van democratie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 56 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 57 ======================================================================

<pre>Literatuur
Ackerman, P. en J. DuVall (2000). A Force More Powerful: A Century of Nonviolent Con-
        flict. New York: Palgrave.
Akkerman, T. (2004). Democratisering in perspectief: de deliberatieve democratie.
        In: E. Engelen en M. Sie Dhian Ho (red.). De staat van de democratie: democra-
        tie voorbij de staat. Amsterdam: Amsterdam University Press.
Alexander, J. (2006). The Civil Sphere. Oxford: Oxford University Press.
Almond, G. en S. Verba (1963). The civic culture: political attitudes and democracy in
        five nations. Londen: Sage.
Andeweg, R. en J. Thomassen (2007). Binnenhof van binnenuit: Tweede Kamerleden
        over het functioneren van de Nederlandse democratie. Leiden: Universiteit Lei-
        den.
Barber, B. (2001). Jihad vs. McWorld: terrorisme en globalisering als bedreigingen voor de
        democratie. Rotterdam: Lemniscaat.
Baumeister, R. en M. Leary (1995). The need to belong: desire for interpersonal
        attachments as a fundamental human motivation. Psychological Bulletin,
        117(3): 497-529.
Baumrind, D. (1971). Current Patterns of Parental Authority. Developmental Psycho-
        logy Monographs, 4, nr. 1, deel 2.
Bestuursakkoord rijk en gemeenten (2007). Samen aan de slag. Den Haag: Ministe-
        rie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties/Ministerie van Finan-
        ciën/Vereniging van Nederlandse Gemeenten.
Biggs, D., R. Colesante en J. Smith (2000). Two Tracks of Citizenship in the USA. In:
        M. Leicester, M. Modgil en S. Modgil (red.). Education, Culture and Values, Vol.
        I, New York: Falmer Press.
Blokland, H. (2001). De modernisering en haar politieke gevolgen: Weber, Mannheim en
        Schumpeter: een rehabilitatie van de politiek 1. Amsterdam: Boom.
                                                                              Literatuur / 57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 57 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 58 ======================================================================

<pre>Blokland, T. (2006). Valt er van de straat een thuis te maken? MO-Samenlevingsop-
         bouw, 2006(6): 42-46.
Boggs, D. (1991). Adult Civic Education. Springfield, Illinois: Thomas.
Bovens, M. et al (1995). De verplaatsing van de politiek: een agenda voor democratische
         vernieuwing. Amsterdam: Wiardi Beckman Stichting.
Brighouse, H. (2006). On educaton. Londen: Routledge.
Bryant, C. (1993). Social self-organisation, civility and sociology: a comment on
         Kumar’s ‘Civil society’. The British Journal of Sociology 44(3): 397-401.
Bryant, C. (1994). A further comment on Kumar’s ‘Civil society’. The British Journal
         of Sociology 45(3): 363-365.
Bryant, C. en E. Mokrzycki (red.) (1995). Democracy, Civil Society and Pluralism: Poland,
         Great Britain, The Netherlands. Warschau: IFiS Publishers.
Buijs, F., F. Demant en A. Hamdy (2006). Islamitisch radicalisme in Nederland. In:
         Harchaoui, S. (red.). Hedendaags radicalisme: verklaringen en aanpak. Apel-
         doorn: Het Spinhuis.
Cesari, J. (2003). Muslim minorities in Europe: The silent revolution. In: J. Esposito,
         F. Burgat (red.). Modernizing Islam: Religion in the public sphere in the Middle
         East and in Europe. New Brunswick: Rutgers University Press.
Clarke, J. (2005). New Labour’s citizens. Critical Social Policy, 25/4: 447-463.
Cohen, J. en A. Arato (1992). Civil Society and Political Theory. Cambridge: MIT Press.
Dekker, P. et al. (red.) (2002. Niet-stemmers: een onderzoek naar achtergronden en mo-
         tieven in enquêtes, interviews en focusgroepen. Den Haag: SCP.
Dekker, P. en M. Hooghe (2003). De burger-nachtwaker: naar een informalisering
         van de politieke participatie van de Nederlandse en Vlaamse bevolking.
         Sociologische Gids, 50 (2), 156-181.
Dekker, P. (2004). The sphere of voluntary associations and the ideals of civil soci-
         ety: A West-European perspective. Korea Observer 35/3: 391-415.
Dekker, P. (2006). Andere burgers? In: P. Meurs, E. Schrijvers en G. de Vries (red.).
         Leren van de praktijk: gebruik van lokale kennis en ervaring voor beleid. Amster-
         dam: Amsterdam University Press.
Dewey, J. (1927). The public and its problems. Chicago: The Swallow Press.
Donselaar, J. van (red.) (2005). Monitor racisme & extremisme. Cahier nr. 4, Het Lonsda-
         levraagstuk. Amsterdam/Leiden: Anne Frank Stichting/Universiteit Leiden.
Duyvendak, J. W. en M. Hurenkamp (red.) (2004). Kiezen voor de kudde: lichte gemeen-
         schappen en de nieuwe meerderheid. Amsterdam: Van Gennep.
Edelenbos, J. en R. Monnikhof (red.) (1998). Spanning in interactie: een analyse van
         interactief beleid in lokale democratie. Amsterdam: IPP.
Elchardus, M. (2002). De dramademocratie. Tielt: Lannoo.
58 / Vormen van democratie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 58 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 59 ======================================================================

<pre>Engelen, E. en M. Sie Dhian Ho (2004). Democratische vernieuwing: luxe of nood-
         zaak? In: E. Engelen en M. Sie Dhian Ho, De staat van de democratie: democra-
         tie voorbij de staat. Amsterdam: Amsterdam University Press.
Eurobarometer (2004). Eurobarometer 61, National Report The Netherlands, Brussel:
         Europese Commissie, Lente 2004.
Forum (2007a). Woonatelier Zuiderzeebuurt: adoptieproject Nieuw Den Helder, in het
         kader van Nieuwe Coalities voor de Wijk. Utrecht: Forum.
Forum (2007b). Woonatelier Amsterdam Noord: van dump- en jumpstraten naar Pracht-
         straten. Utrecht: Forum.
Freitag, M. (2006). Bowling the state back in: political institutions and the creation
         of social capital. European Journal of Political Research. Vol. 45: 123 – 152.
Frimansson, G. (2001). Civic Education and the Good. Studies in Philosophy of Educa-
         tion, 20: 303-315.
Frissen, P. (2007). De staat van verschil: een kritiek van de gelijkheid. Amsterdam: van
         Gennep.
Gerzon, M. (1997). Education for Democratic Life: Teaching Democracy by Doing It.
         Educational Leadership, 54, 5: 6-11.
Grin, J., M. Hajer en W. Versteeg (red.) (2006). Meervoudige democratie. Ervaringen met
         vernieuwend bestuur. Amsterdam: Uitgeverij Aksant.
Guéhenno, J. (1994). Het einde van de democratie. Tielt: Lannoo.
Gunsteren, H. van (2007). Vertrouwen in democratie: over de principes van zelforganisa-
         tie. Amsterdam: Van Gennep.
Hacker, J. (2006). The Great Risk Shift: The Assault on American Jobs, Families, Health
         Care, and Retirement: And How You Can Fight Back. Oxford: Oxford University
         Press.
Halman, L., R. Luijkx en M. van Zundert (2005). Atlas of European Values. Leiden:
         Brill.
Heesen, B. (1995). Filosoferen met kinderen als onderwijsmethode. Pedagogisch
         Tijdschrift, 20 (2): 133-142.
Hermanns, J. (2007). Opvoeden en opgroeien: een visie achter het beleid. In: P.
         van Lieshout, M. van der Meij en J. de Pree (red.). Bouwstenen voor betrokken
         jeugdbeleid. Amsterdam: WRR/Amsterdam University Press.
Hertz, N. (2002). De stille overname: de globalisering en het einde van de democratie.
         Amsterdam: Uitgeverij Contact.
Hoffman, M. (2000). Empathy and Moral Development: Implications for Caring and
         Justice. Cambridge: Cambridge University Press.
Holsteyn, J. van en C. Mudde (red.) (2002). Democratie in verval? Amsterdam: Boom.
Hooghe, M. (1999). Inleiding: verenigingen, democratie en sociaal kapitaal. Tijd-
         schrift voor sociologie, vol. 20, nr. 3-4: 233-246.
                                                                                Literatuur / 59
</pre>

====================================================================== Einde pagina 59 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 60 ======================================================================

<pre>Hooghe, M. (2003). Het verenigingsleven en een democratische politieke cultuur.
         Dragen alle verenigingen bij tot de democratie? Diagoog – webtijdschrift voor
         een (agogiek) in dialoog, 2 (2). Beschikbaar van www.diagoog.bc/pdf/hooghe.
         pdf.
Huntington, S. (1996). The clash of civilizations and the remaking of the world order.
         New York: Simon & Schuster.
InAxis (2007). Help! Een burgerinitiatief. Den Haag: Ministerie van Binnenlandse
         Zaken.
Knijn, T. (1999). Strijdende zorglogica’s in de kinderopvang en de thuiszorg:
         marktprincipes in de sociale zorg. In: C. Brinkgreve en P. van Lieshout. Ge-
         regelde gevoelens: collectieve arrangementen en de intieme leefwereld. Maarssen:
         Elsevier/De Tijdstroom.
Korf, D. et al (red.) (2007). Van vasten tot feesten. Rotterdam: Ger Guijs.
Korsten, A. en P. de Goede (2006). De betekenis van sociaal kapitaal voor vertrou-
         wen in overheidsbestuur. In: A. Korsten en P. de Goede (red.). Bouwen aan
         vertrouwen: diagnoses en remedies. ’s-Gravenhage: Elsevier Overheid.
Kumar, K. (1993). Civil society: an inquiry into the usefulness of an historical
         term. British Journal of Sociology 44(3): 375-395.
Lasch, C. (1979). The Culture of Narcissism: American Life in an Age of Diminishing
         Expectations. New York: Norton.
Lieshout, P. van, M. van der Meij en J. de Pree (red.) (2007). Bouwstenen voor betrok-
         ken jeugdbeleid. Amsterdam: Amsterdam University Press.
Los, T. (1997). Bureaucratisering, managementisme en de ondergang van het be-
         roep gezinsverzorgster. Amsterdams Sociologisch Tijdschrift, 23, p. 709-732.
Loo, H. van der en W. van Reijen (1993). Paradoxen van modernisering: een sociaal-
         wetenschappelijke benadering. Muiderberg: Dick Coutinho.
Lyotard, J-F. (1988). Het postmoderne weten. Kampen: Kok/Agora.
Maccoby, E. (1980). Social Development: Psychological growth and the parent-child rela-
         tionship. New York: Harcourt Brace Jovanvich.
Ministerie van Algemene Zaken (2007). Samen werken samen leven: beleidsprogram-
         ma Kabinet Balkenende IV 2007-2011. Den Haag: Ministerie van Algemene
         Zaken.
Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (2006). De Staat van
         Onze Democratie. Den Haag: Ministerie van Binnenlandse Zaken en Konink-
         rijksrelaties.
Ministerie van Justitie (2005). Nota radicalisme en radicalisering. Den Haag.
Monnikhof, R. en J. Edelenbos (2001). Interactieve beleidsvorming en de kwaliteit
         van het beleid: In: J. Edelenbos en R. Monnikhof (red.), Lokale interactieve
         beleidsvorming. Utrecht: Lemma.
60 / Vormen van democratie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 60 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 61 ======================================================================

<pre>Moss, P. (2007). Bringing politics into the nursery: early childhood education as a
         democratic practice. European Early Childhood Education Research Journal, Vol.
         15, No. 1, March 2007: 5-20.
Newton, K. (2001). Trust, social capital, civil society and democracy. International
         Political Science Review, vol. 22, no. 2: 201-214.
NWO (2006). Omstreden Democratie. Onderzoeksprogramma 2006-2011. Den Haag:
         Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek.
Pape, R. (1992). Coercion and Military Strategie: Why Denial Works and Punish-
         ment Doesn’t. Journal of Strategic Studies, 15.4 (1992): 423-475.
Portes, A. (1998). Social capital: its origins and applications in modern sociology.
         Annual review of sociology, vol. 24: 1-24.
Putnam, R. (1993). Making democracy work: civic traditions in modern Italy. Princeton:
         Princeton University Press.
Putnam, R. (2000). Bowling Alone: The Collapse and Revival of American Community.
         New York: Simon & Schuster.
RMO (2004a). Verschil in de verzorgingsstaat: over schaarste in de publieke sector. Den
         Haag: RMO.
RMO (2004b). Toegang tot recht. Den Haag: RMO.
RMO (2006). Democratie voorbij de instituties: vooronderzoek van de Raad voor Maat-
         schappelijke Ontwikkeling. Werkdocument 12. Den Haag: RMO.
Rob (2004). Burgers betrokken, betrokken burgers. Den Haag: Rob.
Rob (2005a). Over de staat van de democratie: pleidooi voor herkenbare en aanspreek-
         bare politiek. Den Haag: Rob.
Rob (2005b). Burgers betrekken: een handleiding voor burgerparticipatie. Den Haag:
         Rob.
Scheltema, M. (2004). Inleiding. In: E. Engelen en M. Sie Dhian Ho, De staat van de
         democratie: democratie voorbij de staat. Amsterdam: Amsterdam University
         Press.
Schillemans, T. (2007). Verantwoording in de schaduw van de macht: horizontale ver-
         antwoording bij zelfstandige uitvoeringsorganisaties. Amsterdam: Lemma.
Schuyt, K. (2006). Democratische deugden: groepstegenstellingen en sociale integratie.
         Oratie. Leiden: Leiden University Press.
SCP (2001). Trends in de tijd: een schets van recente ontwikkelingen in tijdsbesteding en
         tijdsordening. Den Haag: SCP.
SCP (2002). Sociaal en cultureel rapport 2002: de kwaliteit van de kwartaire sector. Den
         Haag: SCP.
Selle, P. en K. Strømsnes (2001). Membership and democracy, In: P. Dekker en E.
         Uslaner (red.), Social capital and participation in everyday life. Londen: Rout-
         ledge.
                                                                                Literatuur / 61
</pre>

====================================================================== Einde pagina 61 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 62 ======================================================================

<pre>Singleton, L. (2000). Teaching Democracy in the Primary School, www.cybertext.net.
        au/civicsweb/LianneSingleton.htm.
Staatscourant nr. 48, 8 maart 2007. Solidariteit is essentieel voor de democratie.
Stern, J. (2003). Terror in the Name of God: Why Religious Militants Kill. New York:
        Harper Collins.
Stevens, G. (2004). Mental health in Moroccan youth in the Netherlands. Rotterdam:
        Optima Grafische Communicatie.
Stolle, D. (1999). Onderzoek naar sociaal kapitaal: naar een attitudinale benade-
        ring. Tijdschrift voor sociologie, vol. 20, nr. 3-4: 247-280.
Stokkom, B. van (2003). Deliberatie zonder democratie? Ongelijkheid en gezag in
        interactieve beleidsvorming. Socialisme en Democratie, 30, 3: 153-165.
Stokkom, B. van (2006). Rituelen van beraadslaging: reflecties over burgerberaad en
        burgerbestuur. Amsterdam: Amsterdam University Press.
Swaan, A. de (1989). Zorg en de Staat: welzijn, onderwijs en gezondheidszorg in Europa
        en de Verenigde Staten in de nieuwe tijd. Amsterdam: Uitgeverij Bert Bakker.
Tromp, B. (2003). Neergang van de democratie? Deventer: Rudolf von Laun Instituut.
Verba, S., K. Schlozman en H. Brady (1995). Voice and equality: civic voluntarism in
        American politics. Cambridge: Harvard University Press.
Veldkamp (2007). Argumenten voor afzijdigheid ten opzichte van democratie: opvattin-
        gen van vier specifieke groepen respondenten. Amsterdam: Veldkamp.
Verhagen, S. (2005). Zorglogica’s uit balans: het onbehagen in de thuiszorg nader ver-
        klaard. Proefschrift Universiteit Utrecht. Utrecht: Uitgeverij de Graaff.
Verhoeven, I. (2004). Veranderend politiek burgerschap en democratie. In: E. En-
        gelen en M. Sie Dhian Ho, De staat van de democratie: democratie voorbij de
        staat. Amsterdam: Amsterdam University Press.
Vollebergh, W. (2006). Opvoeding en democratie: een ontwikkelingsperspectief.
        In: M. de Winter, T. Schillemans en R. Janssens (red.), Opvoeding in democra-
        tie. Amsterdam: Uitgeverij SWP.
Vries, B. de (2005). De gevaarlijke ideologie van de verantwoordelijke samenle-
        ving. Christen Democratische Verkenningen, herfst 2005.
Weber, M. (1972 [1956]). Gezag en bureaucratie. Geredigeerd en ingeleid door A. van
        Braam. Antwerpen: Standaard Wetenschappelijke Uitgeverij.
Winsemius, P., M. Jager-Vreugdenhil en N. Boonstra (2004). Democratie en de
        buurt. In: E. Engelen en M. Sie Dhian Ho. De staat van de democratie: demo-
        cratie voorbij de staat. Amsterdam: Amsterdam University Press.
Winter, M. de (2007). Opvoeding, onderwijs en het jeugdbeleid in het algemeen
        belang: de noodzaak van een democratisch-pedagogisch offensief. In: P.
        van Lieshout, M. van der Meij en J. De Pree (red.), Bouwstenen voor betrokken
        jeugdbeleid. Amsterdam: Amsterdam University Press.
62 / Vormen van democratie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 62 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 63 ======================================================================

<pre>Winter, M. de (2006). Democratie-opvoeding versus de code van de straat. In:
       M. de Winter, T. Schillemans en R. Janssens (red.), Opvoeding in democratie.
       Amsterdam: Uitgeverij SWP.
WRR (2000). Het borgen van publiek belang. Den Haag: Sdu Uitgevers.
Wright, E. en A. Fung (2004). Een pleidooi voor actief burgerbestuur: een andere
       kijk op democratisch bestuur (5). Socialisme & Democratie, 1, 2, 2004: 36-43.
Zijderveld, A. (2000). The Institutional Imperative: the Interface of Institutions and Net-
       works. Amsterdam: Amsterdam University Press.
Zweedijk, M. (2006). Business Improvement Districts: een beproefde manier tot structu-
       rele private bijdragen aan de bedrijfsomgeving. In samenwerking met J. Men-
       ger. Utrecht: STOGO onderzoek en advies.
                                                                                Literatuur / 63
</pre>

====================================================================== Einde pagina 63 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 64 ======================================================================

<pre>5896 BW Vormen van Democratie.in64 64 5896 BW Vormen van Democratie.in64 64 8/31/2007 2:08:10 PM 8/31/2007 2:08:10 PM</pre>

====================================================================== Einde pagina 64 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 65 ======================================================================

<pre>Bijlagen</pre>

====================================================================== Einde pagina 65 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 66 ======================================================================

<pre>5896 BW Vormen van Democratie.in66 66 5896 BW Vormen van Democratie.in66 66 8/31/2007 2:08:11 PM 8/31/2007 2:08:11 PM</pre>

====================================================================== Einde pagina 66 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 67 ======================================================================

<pre>Bijlage 1
Adviesaanvrage
        Sociale voorwaarden voor democratie (uit werkprogramma RMO 2007)
In dit advies zal de RMO aanbevelingen formuleren voor het onderhoud aan het
democratische gehalte van de samenleving. Het gaat de RMO hierbij niet om het
formele democratische bestel van kiesstelsel en trias politica. Het gaat om de on-
derliggende sociale pijlers van de democratie: een zekere mate van gehechtheid
van burgers aan de democratie (democratisch burgerschap), het democratisch
gehalte van instituties, sociale structuren en omgangsvormen. Het advies kan
bijdragen aan de invulling van verantwoord burgerschap.
De RMO – die met dit advies nauw betrokken is bij de invulling van het NWO-
project Omstreden Democratie – heeft in 2006 twee vooronderzoeken voor dit
adviesthema laten verrichten. De publicatie Democratie voorbij de instituties besluit
met de hypothese dat actieve deelname aan maatschappelijke verbanden (parti-
cipatie en socialisatie) en een gerichte vorm van opvoeding in democratie (civic
education) het democratische gehalte van de samenleving kunnen helpen ver-
groten. In het vervolg op deze uitkomsten heeft de RMO de argumenten voor af-
zijdigheid tegenover de democratie bij enkele groepen laten inventariseren. Deze
argumenten bieden aangrijpingspunten voor het onderhoud van democratische
waarden van onderop, voor het onderhoud van de sociale structuur die nodig is
voor een goed functionerende democratie.
                                                                         Bijlage 1 / 67
</pre>

====================================================================== Einde pagina 67 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 68 ======================================================================

<pre>     Behoeft democratie onderhoud?
     ‘Prima als er beslissingen worden genomen op basis van een debat, als het maar niet
     strijdig is met mijn belangen.’
     Uitspraak van een vrouw, 58, huisvrouw, lager opgeleid.
     ‘Ik vind dat mijn belang niet wordt meegenomen. Het is een gevoel, er worden niet de din-
     gen besproken die ik graag zou willen horen, Het is ook een utopie dat 150 kamerleden
     16 miljoen Nederlanders kunnen vertegenwoordigen.’
     Uitspraak van een man, 28 jaar, accountant, hoger opgeleid.
     ‘De een is nog corrupter dan de ander, als je maar genoeg schuift. Zolang je geld hebt
     kun je alles doen wat god verboden heeft in dit land. Dat is een nadeel van de democratie
     in Nederland.’
     Uitspraak van een vrouw, 43 jaar, huisvrouw, lager opgeleid.
Bron: Veldkamp 2007 (ten tijde van deze werkprogramma-tekst nog ongepubliceerd).
Het advies richt zich nu op de vraag hoe zulk onderhoud gepleegd kan worden.
Kunnen participatie, socialisatie en civic education bijdragen aan een goed func-
tionerende democratische samenlevingsstructuur? En, zo ja, hoe zou dat vorm
kunnen krijgen? Welke initiatieven zouden ontplooid kunnen worden door welke
actoren? En wat is de rol van de overheid in deze? Welke voorwaarden kan zij
scheppen voor anderen, welke taken kan zij zelf ter hand nemen?
68 / Vormen van democratie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 68 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 69 ======================================================================

<pre>Bijlage 2
Geraadpleegde deskundigen
Dhr. drs. C. Breed         Raad voor het openbaar bestuur
Dhr. prof. dr. P. Dekker   Sociaal en Cultureel Planbureau/Universiteit van
                           Tilburg
Mevr. drs. E. Griffioen    Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Dhr. dr. P. de Goede       Raad voor het openbaar bestuur
Dhr. drs. J. de Haan       Forum voor democratische ontwikkeling
Dhr. drs. M. van Haeften   Ministerie van Binnenlandse zaken
Dhr. G. Lock               Forum voor democratische ontwikkeling
Dhr. mr. M. Prinsen        Ministerie van Binnenlandse zaken
Dhr. mr. drs. J. Schrijver Ministerie van Binnenlandse zaken
Dhr. drs. I. Verhoeven     Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid
Mevr. drs. M. Vroom        Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Dhr. drs. R. Zunderdorp    Forum voor democratische ontwikkeling
                                                                    Bijlage 2 / 69
</pre>

====================================================================== Einde pagina 69 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 70 ======================================================================

<pre>5896 BW Vormen van Democratie.in70 70 5896 BW Vormen van Democratie.in70 70 8/31/2007 2:08:12 PM 8/31/2007 2:08:12 PM</pre>

====================================================================== Einde pagina 70 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 71 ======================================================================

<pre>Bijlage 3
Argumenten voor afzijdigheid ten opzichte van demo-
cratie. Opvattingen van vier specifieke groepen respon-
denten. Door Judith ter Berg en Martine Bos (Veldkamp
2007).
                                                  Bijlage 3 / 71
</pre>

====================================================================== Einde pagina 71 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 72 ======================================================================

<pre>5896 BW Vormen van Democratie.in72 72 5896 BW Vormen van Democratie.in72 72 8/31/2007 2:08:12 PM 8/31/2007 2:08:12 PM</pre>

====================================================================== Einde pagina 72 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 73 ======================================================================

<pre>Inhoud
1 Onderzoeksverantwoording          75
2 Steun voor democratie en democratische waarden: autochtonen           84
  2.1 Deelname aan de samenleving          84
      2.1.1 De dagelijkse praktijk     85
      2.1.2 Gevoelens over de samenleving         86
      2.1.3 Betrokkenheid en bereidheid tot persoonlijke inzet voor
            anderen      89
  2.2 Basishouding ten aanzien van de democratie         94
      2.2.1 Interpretatie van het begrip democratie       94
      2.2.2 Belang en relevantie van het leven in een democratie     95
  2.3 Functioneren van de democratie         98
      2.3.1 Vertrouwen in democratische instituties        98
      2.3.2 Nemen van beslissingen in een democratisch bestel       102
      2.3.3 Wijze van besluitvorming in het democratisch proces      103
      2.3.4 Participatiebereidheid in politieke rollen     105
  2.4 Rechten en plichten binnen de democratie         106
      2.4.1 Gelijkheid in de praktijk     106
      2.4.2 Beknotting van rechten       110
  2.5 Omgaan met en tolerantie voor verschillen binnen de democratie           111
      2.5.1 Tolerantieniveau in het algemeen        111
      2.5.2 Vrijheid van meningsuiting       113
3 Steun voor democratie en democratische waarden: allochtonen         117
  3.1 Deelname aan de samenleving          117
      3.1.1 Achtergronden en de dagelijkse praktijk       117
      3.1.2 Gevoelens over de samenleving         120
      3.1.3 Bereidheid tot persoonlijke inzet voor anderen/maatschappelijke
            doelen      121
  3.2 Basishouding ten aanzien van democratie          122
  3.3 Functioneren van de democratie         123
      3.3.1 Vertrouwen in democratische instituties        123
                                                                     Bijlage 3 / 73
</pre>

====================================================================== Einde pagina 73 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 74 ======================================================================

<pre>        3.3.2 Participatiebereidheid in politieke rollen    124
    3.4 Rechten en plichten binnen de democratie         125
    3.5 Omgaan met en tolerantie voor verschillen binnen de democratie 126
4   Samenvatting         128
Bijlage Gesprekspuntenlijsten       138
74 / Vormen van democratie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 74 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 75 ======================================================================

<pre>1. Onderzoeksverantwoording
Op verzoek van de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (RMO) heeft Veld-
kamp in het najaar van 2006 een verkennend kwalitatief onderzoek uitgevoerd
naar percepties van diverse groepen aangaande de steun voor de democratie en
democratische waarden. In dit hoofdstuk worden de achtergronden, doelstellin-
gen en de opzet van dit onderzoek weergegeven.
         Achtergronden en doelstellingen
De RMO heeft in het werkprogramma voor 2005 het thema ‘Democratie als Basis-
waarde’ als vooronderzoek opgenomen. De aanleiding voor dit vooronderzoek is
de constatering dat een democratie niet een vanzelfsprekende verworvenheid is,
maar dat deze een zekere steun behoeft van de burgers. Die steun zou mogelijk
aan erosie onderhevig zijn, getuige een aantal voorvallen in de samenleving die
als explosie dan wel implosie van de democratie opgevat kunnen worden. In dit
vooronderzoek hebben twee vragen centraal gestaan. Ten eerste de vraag hoe
het in Nederland is gesteld met de steun van burgers voor de democratie en ten
tweede in welke richtingen manieren gevonden kunnen worden om de steun
voor de democratie bij burgers te versterken, indien dit noodzakelijk wordt ge-
acht.
Het vooronderzoek heeft drie algemene conclusies opgeleverd, namelijk:
•        democratie en democratisch burgerschap zijn geen eenduidige begrippen;
•        het beschikbare empirische onderzoek geeft geen eenduidig beeld van
         afnemende steun voor de democratie onder de Nederlandse bevolking;
•        ook wordt de urgentie van allerlei problemen erkend zoals radicalisering,
         en botsende grondrechten, zonder dat deze problemen in de ogen van
         respondenten onmiddellijk aangemerkt mogen worden als problemen van
         de democratie.
Uit deze bevindingen zou geconcludeerd kunnen worden dat er geen reden is om
stil te staan bij de vraag of de steun voor democratie bij burgers permanent of
                                                                        Bijlage 3 / 75
</pre>

====================================================================== Einde pagina 75 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 76 ======================================================================

<pre>mogelijk extra onderhoud behoeft. De RMO constateert echter ook dat weliswaar
70% van de burgers een groot vertrouwen in de representatieve democratie heeft,
maar dat daarmee dus tegelijkertijd 30% ontevreden is over het functioneren van
de democratie. Ook blijkt dat 10% de democratie niet als regeringsvorm verkiest.
Het is onduidelijk welke groepen mensen deze meningen hebben en hoe ze tegen
de democratie aankijken. Vandaar dat is besloten tot een vervolgonderzoek om
op een aantal vragen antwoord te vinden. De RMO wil verkennend kwalitatief
onderzoek inzetten om meer inzicht te krijgen in de opvattingen over democratie
van verschillende groepen die de democratie het minste steunen.
De centrale vraagstellingen in het kwalitatieve onderzoek zijn als volgt geformu-
leerd:
•       Welke opvattingen over de democratie leven er onder groepen mensen
        van wie op grond van kwantitatief onderzoek mag worden verwacht dat
        zij ‘op grotere afstand’ tot de democratie staan? Wat zijn hun argumenta-
        ties en hoofdbezwaren tegen de democratie?
•       Welke opvattingen hebben de onderscheiden groepen over de centrale
        democratische waarden?
•       Hoe zijn de opvattingen van deze groepen te begrijpen? Tegen welke ach-
        tergronden komen deze personen tot hun opvattingen?
Uit bovenstaande vraagstellingen blijkt dat het gaat om een tweetal zaken: steun
voor democratie door burgers die op grotere afstand tot de democratie staan en
hun steun voor enkele democratische waarden. Op basis van verschillende bron-
nen is de RMO tot de volgende afbakening van democratische waarden gekomen:
•       tolerantie voor (de uitkomsten van) andermans vrijheid van meningsui-
        ting;
•       participatiebereidheid in politieke rollen;
•       bereidheid tot persoonlijke inzet voor anderen/maatschappelijke doelen.
Doelgroepen in het onderzoek
Uit verschillende analyses blijkt dat aspecten als steun voor democratie, poli-
tiek en cynisme en niet stemmen in alle maatschappelijke lagen voorkomen.
Wel komt dit in bepaalde lagen meer voor dan in andere lagen. Uit analyses van
verschillende databestanden uitgevoerd door de RMO is naar voren gekomen
dat onderwijspeil de belangrijkste indicator is voor ‘goed’ democratisch burger-
76 / Vormen van democratie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 76 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 77 ======================================================================

<pre>schap. Critici stellen dat vertrouwen in de democratie juist vooral te vinden is bij
de ‘winners’ in de samenleving. Oftewel bij mensen (mannen) die hoog zijn op-
geleid, een hoge sociale status hebben, vooral van middelbare leeftijd zijn, meer
algemeen bij diegenen die gelukkig zijn, tevreden zijn met hun baan en ook nog
eens trots op hun land zijn. Het onderwijspeil is de belangrijkste indicator voor
relatief beperkte steun voor democratie.
De RMO vertaalt de bevindingen in de volgende onderzoeksdoelgroepen:
•       mensen met een (zeer) lage opleiding woonachtig in dorpen in de provin-
        cie;
•       mensen met een (zeer) lage opleiding, weinig welvarend en woonachtig in
        stedelijke regio’s.
Hieraan zijn op verzoek van de RMO de volgende twee groepen toegevoegd:
•       niet-westerse allochtonen met een permanente verblijfsstatus, niet of
        nauwelijks Nederlands sprekend;
•       hoogopgeleide personen tot 35 jaar, werkzaam in de private sector.
De overweging bij het opnemen van de niet-westerse allochtonen in dit onder-
zoek, is dat deze groep relatief omvangrijk is, maar onder andere door het niet
beheersen van de taal nauwelijks in bestaande databestanden te vinden is. Dit
maakt dat de opvattingen van deze groep vrij onbekend zijn. Wel kenmerkt deze
groep zich door een lage opleiding en een geringe welvaart, waardoor een rela-
tieve afstand tot de democratie bij deze groep kan worden verwacht. Ook kan de
persoonlijke migratiegeschiedenis zowel positief als negatief uitstralen naar de
Nederlandse samenleving en democratie. Nader overleg heeft tot een aanpassing
van de allochtone groep geleid, de RMO is namelijk zowel geïnteresseerd in me-
ningen en opvattingen van personen die tot de eerste generatie behoren als van
personen die tot de tweede generatie behoren. Aldus is besloten de allochtone
groep uit te breiden met personen uit de tweede generatie.
De overweging bij het opnemen van cynische hoogopgeleide personen in dit on-
derzoek, is dat bij deze mensen op het eerste oog een afkeer van democratie uit
hoogmoed, je persoonlijk verheven voelen etc. kan worden verwacht. Het zijn
mensen die de democratie onder meer als persoonlijke belemmering kunnen
zien en de compromissen in een democratie als bijvoorbeeld traag en inefficiënt
ervaren. Daar waar de eerste drie groepen op het oog lijken te horen tot de cate-
gorie ‘cynisme van de machteloosheid’, zou deze groep tot de categorie ‘cynisme
                                                                         Bijlage 3 / 77
</pre>

====================================================================== Einde pagina 77 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 78 ======================================================================

<pre>van de eigendunk’ kunnen horen (beide categorieën vormen samen het politiek
cynisme in het algemeen). De groep is statistisch moeilijk te vinden, maar het
bestaan ervan wordt gesuggereerd in verschillende onderzoeken, wat maakt dat
deze groep mensen eveneens relevant is voor dit onderzoek.
Al met al zijn er dus vier onderzoeksgroepen vastgesteld voor dit onderzoek. Wat
deze groepen betreft is de RMO vooral geïnteresseerd in de meningen en opvat-
tingen van degenen die cynisch, vijandig of volstrekt indifferent staan ten op-
zichte van de democratie.
        Onderzoeksopzet
Methode van onderzoek
Rekening houdend met de doelstellingen van het onderzoek en de onderzoeks-
doelgroepen, is gekozen voor een combinatie van individuele interviews en
groepsdiscussies als methode van onderzoek. Juist bij een onderwerp als demo-
cratie in combinatie met de gewenste doelgroepen is het raadzaam van start te
gaan met individuele diepte-interviews. In de interviews heeft de nadruk gelegen
op het verkrijgen van inzicht in welke opvattingen leven over de democratie en
democratische waarden en wat de achterliggende argumenten en attitudes zijn.
Door middel van aanvullende groepsdiscussies is extra reflectie verkregen. De
bevindingen van de individuele gesprekken zijn mede als uitgangspunt genomen
en voorgelegd aan de deelnemers van de groepsdiscussies. De gesprekken en
groepsdiscussies zijn gevoerd aan de hand van een gesprekpuntenlijst (checklist).
Deze is in samenspraak met de RMO opgesteld. De gesprekspuntenlijsten zijn
opgenomen in de bijlage.
De gespreksduur van de individuele interviews was drie kwartier, voor de in-
terviews met de allochtone respondenten hebben we een uur gereserveerd. De
groepsdiscussies namen circa twee uur in beslag.
Inzet van technieken
Tijdens de gesprekken zijn verschillende gesprekstechnieken ingezet. Bijvoor-
beeld projectieve technieken in de individuele interviews. Aan de hand van
projectieve technieken wordt geen gebruik gemaakt van een directe, maar van
een non-directe vraagstelling aan de respondenten. Respondenten kunnen hun
associaties, overwegingen en meningen projecteren op foto’s (mensen) waardoor
ze niet direct over zichzelf hoeven praten, maar waardoor indirect wel duidelijk
78 / Vormen van democratie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 78 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 79 ======================================================================

<pre>wordt hoe respondenten denken. Onacceptabele ‘impulsen’ of overtuigingen, in
dit geval onwenselijke gedachten over de democratie, worden geattribueerd aan
iemand anders (de persoon op de foto). Dus door iemand te laten projecteren,
kunnen we achter ‘ware’ gedachten en gevoelens komen. We hebben fotosets van
personen gebruikt, die verschillende menstypen representeren, zodat per respon-
dent kon worden gekeken met welke foto zich men het meest identificeerde en
dus op welke foto zich men het beste kon projecteren. Het bleek echter dat veel
respondenten geen moeite hadden met het open en eerlijk zijn over overtuigin-
gen omtrent de democratie.
In de groepsdiscussies zijn bevindingen van de individuele gesprekken als uit-
gangspunt genomen en voorgelegd aan de deelnemers van de groepsdiscussie.
Echter, ook tijdens de groepsdiscussies bleken respondenten niet gehinderd door
sociale wenselijkheid. Daar waar nodig is de deelnemers een vorm van projectie
geboden: ze konden zich op de resultaten projecteren waardoor de deelnemers
de mogelijkheid werd geboden zich op een situatie of een voor hen fictief ‘iets’
(namelijk de resultaten) te richten in plaats van direct over zichzelf te praten.
In de gesprekken met allochtonen zijn geen specifieke gesprekstechnieken inge-
zet, gezien de taalbarrière en het (relatief lage) abstractieniveau van deze respon-
denten.
Doelgroep en selectie
Onderstaand is de verdeling over interviews en groepsdiscussies beschreven.
Fase 1: individuele diepte-interviews en ‘begeleide’ interviews
•       Zes respondenten met een (zeer) lage opleiding die in dorpen in de pro-
        vincie wonen.
•       Zes respondenten met een (zeer) lage opleiding, weinig welvarend en
        woonachtig in stedelijke regio’s.
•       Zes hoog opgeleide respondenten tot 35 jaar, werkzaam in de private sec-
        tor.
•       Vier niet-westerse allochtonen uit de eerste generatie met een permanen-
        te verblijfsstatus die nauwelijks Nederlands spreken (begeleide gesprek-
        ken met Turken en Marokkanen).
•       Vier niet-westerse allochtonen uit de tweede generatie (Turken en Marok-
        kanen).
                                                                          Bijlage 3 / 79
</pre>

====================================================================== Einde pagina 79 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 80 ======================================================================

<pre>Fase 2: groepsdiscussies
•       Eén groepsdiscussie met acht personen met een (zeer) lage opleiding die
        in dorpen in de provincie wonen.
•       Eén groepsdiscussie met acht personen met een (zeer) lage opleiding,
        weinig welvarend en woonachtig in stedelijke regio’s.
•       Eén groepsdiscussie met hoogopgeleide personen tot 35 jaar, werkzaam in
        de private sector.
In totaal zijn 26 individuele gesprekken en drie groepsdiscussies gevoerd.
Respondentprofiel
In totaal is met 50 respondenten gesproken in leeftijd variërend van 21 tot 63 jaar
oud. De hoger opgeleide respondenten kenmerken zich door een hoge opleiding
en door hun werkzaamheid in sectoren als IT, consultancy, financiële of zakelijke
dienstverlening. Enkele respondenten zijn zelfstandige of werkzaam in culturele
sectoren (beeldend kunstenaar, musicus). Veel van hen wonen samen, de mees-
ten hebben (nog) geen kinderen.
Bij de groep lager opgeleiden zijn de meeste respondenten niet werkzaam. Zo
zijn sommige respondenten arbeidsongeschikt of hebben zij ervoor gekozen
om thuis te blijven en kinderen op te voeden. De meeste respondenten zijn ge-
trouwd en hebben kinderen. Verder zijn respondenten werkzaam als bijvoorbeeld
fabrieksmedewerker, postbode, beveiligingsbeambte, receptioniste of in andere
beroepen, veelal on- of beperkt geschoold. Deze respondenten kenmerken zich
door een geringe welvaart. Respondenten uit de omgeving van Breda komen uit
dorpen als Zundert, Etten-Leur, Willibrordus of bijvoorbeeld Oosterhout. Respon-
denten uit Amsterdam zijn afkomstig uit buurten als Osdorp, Sloten, Noord of de
tuinsteden.
Wat verder bij alle respondenten opvalt is dat respondenten zich vrij voelen in
het praten over democratie en dat bijvoorbeeld in het groepsgesprek de discus-
sie soms hoog oploopt. Men voelt zich vrij om opvattingen te uiten, ongeacht het
soms uitgesproken karakter ervan. Respondenten vertellen ook veel persoonlijke
aspecten over hun eigen leven en geven er blijk van dit ook als prettig te hebben
ervaren na afloop van het gesprek.
80 / Vormen van democratie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 80 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 81 ======================================================================

<pre>Werving en selectie
De werving en selectie van respondenten heeft speciale aandacht gekregen. Dit
om ervoor te zorgen dat daadwerkelijk gesproken zou gaan worden met perso-
nen die indifferent, cynisch of vijandig ten opzichte van de democratie staan. De
werving is gefaseerd uitgevoerd. Allereerst heeft een screening plaatsgevonden
op basis van achtergrondcriteria als leeftijd, geslacht en opleiding. Vervolgens is
in samenspraak met de RMO nagedacht over een operationalisatie van het begrip
‘op afstand staan van de democratie’. Er is besloten uit te gaan van het selectie-
criterium dat respondenten overtuigde ‘niet-stemmers’ zijn. Voor wat de alloch-
tone groep betreft, gaat het dan vooral om het (niet) stemmen bij gemeentever-
kiezingen. Tevens is mensen een aantal stellingen voorgelegd op basis waarvan
zij als overtuigd niet-stemmer aangemerkt konden worden en duidelijk werd wat
voor een basishouding zij ten opzichte van de democratie innemen.
Onderstaand zijn de gestelde selectievragen weergegeven.
Overtuigd niet stemmer zijn:
•        Heeft u de afgelopen landelijke en gemeentelijke verkiezingen gestemd? Als men-
         sen wel gestemd hebben, zijn ze uitgesloten van deelname.
•        Indien mensen niet gestemd hebben, is de volgende vervolgvraag gesteld.
         Mensen die antwoord A gaven zijn uitgesloten van deelname.
         Waarom heeft u toen niet gestemd?
         A. Ik was op vakantie/ik had geen tijd/ik had geen gelegenheid.
         B. Stemmen heeft geen zin want mijn stem heeft toch geen invloed.
         C. Er stemmen zoveel mensen dat mijn stem er niet toe doet.
         D. Politiek en verkiezingen interesseren me niet, het kan me niet zoveel
             schelen.
         E. Partijen begrijpen toch niet wat er in de samenleving/bij mij leeft.
         F.  Andere reden die duidt op niet-stemgedrag vanuit overtuiging (en niet
             omdat men geen tijd/gelegenheid had).
Basishouding ten aanzien van politiek/democratie:
•        Er zijn vier stellingen voorgelegd. Alleen mensen die het met drie van de
         vier stellingen eens zijn, zijn uitgenodigd voor het onderzoek. Laag en
         hoog opgeleiden hebben verschillende stellingen voorgelegd gekregen.
•        De stellingen voor hoger opgeleiden zijn:
                                                                              Bijlage 3 / 81
</pre>

====================================================================== Einde pagina 81 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 82 ======================================================================

<pre>        1. Kamerlid word je eerder door je politieke vrienden dan door je kwali-
            teiten.
        2. In de politiek wordt geen rekening gehouden met mensen zoals ik.
        3. Ik heb de politiek en de ‘publieke zaak’ niet nodig om wat te bereiken
            in het leven, dat kan ik zelf wel.
        4. Compromissen in een democratie belemmeren mij in mijn persoon-
            lijke ontwikkeling.
•       De stellingen voor laag opgeleiden zijn:
        1. Politici zijn allemaal zakkenvullers.
        2. In de politiek wordt geen rekening gehouden met mensen zoals ik.
        3. Je komt in deze samenleving het verst als je jezelf voorop stelt.
        4. Ik ben niet bereid iets voor de samenleving te doen want de samenle-
            ving doet ook niets voor mij.
Voor de allochtone respondenten is in de selectie wel het criterium aangehouden
van het overtuigd niet-stemmen, maar hen zijn geen stellingen voorgelegd.
Onderzoekslocaties en observeren veldwerk
Er zijn verschillende locaties in het onderzoek betrokken, zoals ook al in de be-
schrijving van de groepen is weergegeven. De gesprekken met autochtone laag-
opgeleide personen die in dorpen in de provincie woonachtig zijn, zijn in de om-
geving van Breda gevoerd. De overige interviews zijn op ons kantoor in Amster-
dam gehouden. De interviews hebben plaatsgevonden in de maanden september
en oktober. De opdrachtgever is op beide locaties de mogelijkheid geboden het
onderzoek te volgen door middel van een gesloten tv-circuit.
Interpretatie en opbouw rapportage
In kwalitatief onderzoek gaat het er om achterliggende motivaties van de doel-
groep in kaart te brengen. Deze methode wordt vooral toegepast wanneer een
bepaalde diepgang aan informatie is gewenst. Kwalitatief onderzoek stelt ons in
staat inzicht te verkrijgen in de motieven, attitudes en achterliggende verklarin-
gen van de doelgroep. Deze vorm van onderzoek is open en exploratief en gaat in
op wat uit de respondenten zelf naar voren komt. Dit in tegenstelling tot kwanti-
tatief onderzoek, dat een toetsend en meer ingevuld karakter heeft.
In dit rapport worden uitspraken gedaan over heersende opvattingen over de
democratie onder specifieke groepen. Namelijk personen die indifferent, cynisch
of vijandig staan tegenover de democratie. Bij dit kwalitatieve onderzoek gaat het
82 / Vormen van democratie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 82 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 83 ======================================================================

<pre>om het vóórkomen van bepaalde uitspraken en niet om de frequentie waarmee
de uitspraken worden gedaan zoals dat met kwantitatief onderzoek kan worden
gedaan. Resultaten uit dit kwalitatieve onderzoek zijn dan ook niet generali-
seerbaar naar de totale bevolking of naar de specifieke ondervraagde groepen
als geheel. Als in het rapport gesproken wordt over lager of hoger opgeleide res-
pondenten, dan gelden de uitspraken dan ook niet voor lager en hoger opgeleide
respondenten in het algemeen, maar alleen voor diegenen die aan dit onderzoek
hebben deelgenomen.
De citaten in dit rapport zijn opgenomen om de onder de respondenten bestaan-
de zienswijzen en opvattingen over de democratie inkleuring te geven. Citaten
hebben hiermee alleen illustratieve waarde en zijn daar waar nodig taalkundig
aangepast (zonder de strekking van het citaat aan te tasten). Bij de citaten zijn de
achtergrondgegevens van de respondenten opgenomen en ook of ze hebben deel-
genomen aan een individueel interview of aan een groepsdiscussie (focus groep).
In de navolgende hoofdstukken worden de resultaten van het onderzoek bespro-
ken. Er is gekozen om de bevindingen uit de gesprekken overall te beschrijven
en alleen daar waar verschillen tussen de groepen optreden apart aandacht te
besteden aan de onderscheiden groepen. Wel zijn de gesprekken met allochtone
respondenten apart beschreven, aangezien de onderzoeksopzet anders was voor
deze groep. Allereerst wordt ingegaan op de bevindingen onder de autochtone
respondenten, daarna op de bevindingen onder de allochtone respondenten.
                                                                         Bijlage 3 / 83
</pre>

====================================================================== Einde pagina 83 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 84 ======================================================================

<pre>2. Steun voor democratie en democratische
waarden: autochtonen
Dit hoofdstuk bespreekt de houding van autochtone Nederlandse respondenten
ten aanzien van democratie en democratische waarden.
De opbouw van dit hoofdstuk is als volgt:
•       Eerst wordt een breed kader geschetst van de wijze waarop responden-
        ten leven in deze maatschappij en deelnemen aan de samenleving. In dit
        kader wordt ook ingegaan op de democratische waarde ‘persoonlijke inzet
        voor anderen/maatschappelijke doelen’.
•       Daarna wordt ingegaan op de basishouding ten aanzien van de democra-
        tie. De invulling van het begrip democratie en het belang van de democra-
        tie voor de respondenten worden besproken.
•       Vervolgens wordt ingegaan op de wijze waarop de democratische insti-
        tuties functioneren in de ogen van de respondenten. Deze paragraaf be-
        spreekt het vertrouwen in de politiek en de mate waarin ondervraagden
        accepteren hoe democratische beslissingen worden genomen. Ook wordt
        besproken hoe respondenten het principe van meerderheidsbesluiten per-
        cipiëren. Tot slot wordt op de waarde ‘participatiebereidheid in politieke
        rollen’ ingegaan.
•       Daarna wordt ingegaan op de omgang met rechten en plichten zoals ver-
        ankerd in de Grondwet. Hoe ervaren respondenten de eigen rechten en
        plichten, hoe praten zij over de rechten en plichten van anderen en in
        hoeverre worden belangen van anderen erkend?
•       Tot slot wordt ingegaan op de omgang met verschillen in inzichten, over-
        tuigingen en principes en in het bijzonder op de waarde ‘tolerantie van
        (uitkomsten van) andermans vrijheid van meningsuiting’.
        2.1 Deelname aan de samenleving
Deze paragraaf gaat in op de wijze waarop de respondenten ‘deelnemen’ aan de
samenleving. Eerst wordt de dagelijkse praktijk van de respondenten besproken.
84 / Vormen van democratie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 84 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 85 ======================================================================

<pre>Daarna wordt ingegaan op gevoelens over de samenleving en op de democrati-
sche waarde: bereidheid zich persoonlijk in te zetten voor anderen/maatschap-
pelijke doelen.
2.1.1 De dagelijkse praktijk
Wat voor veel respondenten dagelijkse praktijk is, is dat het leven duurder is
geworden met de komst van de euro, gecombineerd met toenemende kosten voor
bijvoorbeeld algemeen levensonderhoud, het nieuwe zorgstelsel en stijgende
energiekosten. De consequentie hiervan verschilt voor de respondenten. Het
zorgt er bijvoorbeeld bij lager opgeleide respondenten voor dat hun blikveld is
vernauwd: ze zijn vooral bezig met ‘overleven’. Deze respondenten kunnen moei-
lijk rondkomen. Sommigen (vooral Amsterdammers) vertellen ook dat ze uit hun
(als verpauperd gepercipieerde) buurt willen wegtrekken, maar dat een te beperkt
budget hen dit belet. Anderen vertellen zich door beperkte financiën ook geïso-
leerd te voelen, omdat de middelen om erop uit te gaan of bezoek te ontvangen
ontbreken.
Respondenten uit de omgeving van Breda vinden het moeilijk dat mensen harder
werken om aan geld te komen en hierdoor minder tijd over hebben voor elkaar.
Het harder werken zorgt er volgens deze respondenten voor dat mensen steeds
meer langs elkaar heen leven. Dit wordt als negatief ervaren. Dat ook vrouwen
werken wordt zowel door mannen als vrouwen met zelf kinderen die deelnamen
aan het onderzoek als betreurenswaardig gezien. Deze respondenten blijken hier-
mee moeite te hebben met veranderende rolpatronen van man en vrouw.
        “Wij waren er vroeger voor het gezin en de man voor de financiën. Ik zie de
        kinderen vanaf 6 uur ’s ochtends naar het kinderdagverblijf gebracht worden.
        […] En als de moeders niet thuis zijn gaan de kinderen de straat op.” (vrouw, 58,
        huisvrouw, Zundert, lager opgeleid, interview)
        “Mensen leven steeds meer langs elkaar heen. Vroeger had men meer tijd voor
        elkaar.” (vrouw, 32, huisvrouw, lager opgeleid, Terheijden, focus groep)
        “Nu moet iedereen werken om het hoofd boven tafel te kunnen houden. Ik ben
        weduwe en ben verplicht om te werken, terwijl mijn kinderen al hun vader heb-
        ben verloren” (vrouw, 44, telefoniste, Etten-Leur, lager opgeleid, focusgroep)
Hoger opgeleide respondenten zijn ook bezig met overleven maar laten zich
minder ‘opslokken’ door dagelijkse beslommeringen. Zij zijn gericht op het invul-
                                                                                   Bijlage 3 / 85
</pre>

====================================================================== Einde pagina 85 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 86 ======================================================================

<pre>ling geven aan en maken van hun eigen leven (door het opzetten van een onder-
neming, carrière, persoonlijke groei etc.). Echter, ze zeggen hard te werken om
vervolgens tegen een grens aan te lopen. Deze respondenten vinden dat de hui-
zenprijzen te hoog liggen, dat hoge huren moeilijk zijn op te brengen en dat het
moeilijk is door te stromen naar een groter huis wat past bij de levensfase waarin
zij zich bevinden. Gedacht kan worden aan bijvoorbeeld een uitbreiding van het
gezin en voor sommigen de toenemende behoefte aan luxe thuis en genieten van
het leven naast het werk.
2.1.2 Gevoelens over de samenleving
Bij het praten over de samenleving blijken respondenten enkele negatieve ont-
wikkelingen in deze maatschappij te signaleren, die sterk van invloed zijn op hun
gevoelens over de samenleving. Alle respondenten stellen dat de samenleving is
veranderd de afgelopen jaren.
Respondenten nemen een verharding van de samenleving waar: mensen hebben
in de ogen van bijvoorbeeld hoger opgeleiden een ‘korter lontje’, zijn brutaler en
hechten minder waarde aan normale omgangsvormen als beleefdheid. Verder
zeggen ze dat mensen vijandiger zijn tegenover anderen, wat een onveilig gevoel
met zich meebrengt en ervoor zorgt dat mensen angstig zijn en vooral voor zich-
zelf gaan. Sommige respondenten geven aan hier tegengas aan te willen bieden
door liefde en positiviteit uit te stralen. Dit beperkt zich echter veelal tot de direc-
te vrienden- en kennissenkring. Anderen bieden tegengas door vooral te genieten
van het leven.
Lager opgeleide respondenten uit Amsterdam spreken zich stelliger uit over een
harder wordende samenleving. Zo zorgen mensen niet meer voor elkaar. Het is
ieder voor zich, zo wordt gezegd. De maatschappij is harder geworden en mensen
zijn veel meer op zichzelf (aangewezen). Ook vertellen respondenten een stukje
gezelligheid te missen. Mensen zijn meer op zichzelf, kunnen minder hebben,
zijn gejaagd en hebben geen tijd meer voor elkaar, zo wordt gesteld. Dit wordt
bevestigd door de respondenten uit de omgeving van Breda, alhoewel zij hierbij
stellen dat hier in de dorpen minder sprake van is. Hier kennen de mensen el-
kaar nog en is er sprake van enige sociale controle, vertellen ze.
        “Vroeger was men netter en beleefder: mensen van nu zijn sneller geprikkeld,
        individualistischer en hebben een korter lontje.” (man, 33, zelfstandig onderne-
        mer, hoger opgeleid, Amsterdam, interview)
86 / Vormen van democratie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 86 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 87 ======================================================================

<pre>        “Er is geen sociaal gedrag: mensen zijn steeds meer op zichzelf. Mensen zitten
        nu met hun mp3 en telefoon en krantje, je kunt geen contact meer met mensen
        maken.” (vrouw, 31 receptioniste, lager opgeleid, Amsterdam, interview)
        “Vroeger was Breda dorps, je kende de mensen van gezicht. De gemeenschap
        was kleiner en dat is niet meer zo. In het dorp kennen de mensen elkaar nog
        wel.” (vrouw, 48, WAO, lager opgeleid, Zundert, interview)
        “Er is ook geen Amsterdamse mentaliteit meer. Je hebt geen volksdingetjes
        meer. Komt door al die buitenlanders en ook door alle regeltjes. Niks mag meer.”
        (vrouw, 34, medewerker postverwerking TPG, lager opgeleid, Amsterdam, inter-
        view)
Naast de waargenomen verharding, wordt een verpaupering van de leefomgeving
geconstateerd door de respondenten. Respondenten spreken over toenemende
criminaliteit in de buurt en het wegtrekken van mensen met draagkracht. Gevolg
is een soort getto van niet draagkrachtige mensen, vaak niet Nederlanders aldus
de respondenten, waarvoor bijvoorbeeld bepaalde stadsdelen in Amsterdam nog
weinig perspectief bieden. Omdat mensen – vooral allochtonen in de ogen van de
respondenten – elkaar aansteken met onwenselijk gedrag (afval op straat, proble-
men veroorzaken, drugsoverlast etc.) wordt de situatie als steeds onleefbaarder
gezien. Dit werkt door in overlast in vervoersmiddelen, zoals de tram. Eén res-
pondent spreekt over een tram die door Osdorp en de Kinkerbuurt rijdt en in de
volksmond de Marrakech-lijn wordt genoemd, waar Marokkanen voor overlast
zouden zorgen.
        “We noemen tram 17 de Marrakech-lijn. Die Marokkanen zorgen voor proble-
        men. Ik ben beroofd en bespuugd op die lijn.” (vrouw, 51, administratief mede-
        werker, lager opgeleid, Amsterdam, focus groep)
Anderen, bijvoorbeeld hoger opgeleide respondenten uit Amsterdam of de res-
pondenten uit de omgeving van Breda geven aan te zien dat er buurten zijn die
achteruit gaan, of dat ‘Breda steeds onveiliger wordt’, maar wonen zelf niet in
deze buurten. Zo vertellen respondenten uit de omgeving van Breda dat ze blij
zijn dat ze in een dorp wonen en niet in de stad Breda. Sommige van deze res-
pondenten vertellen wel dat hun dorp overspoeld wordt door seizoensarbeiders
als Polen en vinden dit een negatieve ontwikkeling omdat zij naar hun zeggen
criminaliteit met zich meebrengen. Fietsendiefstal bijvoorbeeld.
                                                                                 Bijlage 3 / 87
</pre>

====================================================================== Einde pagina 87 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 88 ======================================================================

<pre>         “Ze kennen de buren niet eens meer in Breda. In onze dorpen wel. De mensen
         staan bij elkaar op het pleintje, het is allemaal vaste kern. Behalve als er zo’n
         vreemde tussenkomt.” (vrouw, 32, huisvrouw, lager opgeleid, Terheijden, focus
         groep)
         “Ik ben blij dat ik in een dorp woon, buitenlanders en criminaliteit zijn minder
         en ik heb het gevoel dat mijn kinderen veiliger opgroeien dan in de grote stad.
         Daar zitten buitenlanders die in drugs handelen.” (vrouw, 43 huisvrouw, lager
         opgeleid, Etten-Leur, focus groep)
In het bovenstaande werd aangestipt dat veel respondenten problemen ervaren
met allochtonen. Het tolerantieniveau voor allochtonen onder de respondenten
blijkt laag, wat ook ingegeven lijkt door gebeurtenissen als de aanslag in New
York en de moord op Theo van Gogh.
Lager opgeleide respondenten geven aan zich niet of steeds minder dan vroeger
thuis te voelen in deze samenleving. Dit wordt vooral veroorzaakt door allochto-
nen, aldus de respondenten. Lager opgeleide respondenten zeggen zich sneller
bedreigd te voelen en sommigen uit Amsterdam zijn ook daadwerkelijk bedreigd,
beroofd of anderzijds negatief bejegend door allochtonen. Respondenten spreken
over een toenemend bedreigend klimaat om jezelf te zijn en je eigen mening te
uiten.
Lager opgeleiden uit de omgeving van Breda houden zich in het bijzonder relatief
sterk vast aan hun dorp en vinden het prettig het overzicht te bewaren en ieder-
een te kennen. Verder blijkt dat een als afnemende gepercipieerde sociale cohesie
de respondenten uit de omgeving van Breda beangstigt. Zij voelen zich als dorpe-
ling aangetast met de komst van bijvoorbeeld Polen die in Nederland werken en
wonen.
         “In de dorpen is het allemaal heel gemoedelijk. […] Ik ken in Zundert veel men-
         sen en in Breda niet.” (vrouw, 33, fabrieksmedewerker, lager opgeleid, Zundert,
         interview)
         “Zundert is ook erger geworden door de Polen. Er is meer diefstal van fietsen en
         je ziet ze overal. Je kan ze er zo uithalen. Dat is gewoon zonde van Zundert.”
         (vrouw, 58, huisvrouw, lager opgeleid, Zundert, interview)
88 / Vormen van democratie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 88 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 89 ======================================================================

<pre>De hoger opgeleide respondenten voelen zich van alle respondenten nog het
meeste thuis in deze samenleving waarin verschillende mensen met verschil-
lende denkbeelden en nationaliteiten wonen. Wel vertellen de respondenten dat
ze zien dat mensen zich minder veilig voelen, veel alerter zijn dan vroeger en
sneller in een alarmfase verkeren dan vroeger. Mensen zijn minder snel gewend
dat je aardig bent en zijn schichtiger en achterdochtiger dan vroeger, aldus de
respondenten. Sommige van deze respondenten vertellen dat ze zelf ook meer
vooroordelen hebben dan vroeger. Zo wordt er door een respondent verteld dat ze
zich niet op haar gemak voelt bij moslims, die volgens haar duidelijk anders den-
ken dan zij, over bijvoorbeeld de positie van de vrouw.
Tot slot menen hoger opgeleide respondenten verder nog dat mensen veel meer
middelen ter beschikking hebben om kennis op te doen en mede daardoor mon-
diger en directer worden. Iedereen in Nederland heeft een mening, waarbij vooral
hoger opgeleide respondenten zich negatief uitspreken over mensen zonder ken-
nis van zaken.
        “Iedereen moet een mening hebben en ik vind ook dat iedereen over alles wat
        moet kunnen roepen, maar veel mensen doen dat zonder dat ze er de ballen
        verstand van hebben.” (man, 32, IT consultant, hoger opgeleid, Amsterdam,
        interview)
2.1.3 Betrokkenheid en bereidheid tot persoonlijke inzet voor anderen
In het voorgaande werd duidelijk dat de respondenten veel met zichzelf bezig
zijn. Enerzijds wordt dit veroorzaakt door het moeten ‘overleven’, anderzijds door
een focus op de ontwikkeling van het eigen leven. Dit blijkt door te werken in de
betrokkenheid die respondenten ervaren met de samenleving en in de democra-
tische waarde ‘de bereidheid om zich in te zetten voor anderen/maatschappelijke
doelen’.
Veel respondenten hebben weinig interactie met ‘de samenleving’, wat blijkt uit
het vrij geringe lidmaatschap van kerk, sportvereniging, goede doelen of andere
organisaties. Respondenten nemen zoals gesteld veel negatieve ontwikkelingen
waar in de samenleving, maar de actiebereidheid hiertegen wat te doen is nihil.
Een verklaring lijkt te liggen in het zich beperkt thuis voelen in de samenleving.
Respondenten blijken zich wat terug te trekken uit de samenleving. Dit wordt
ingegeven door slechte ervaringen wat leidt tot weinig vertrouwen in mensen en
ook wel doordat respondenten mensen uit de buurt veelal niet meer kennen. Dit
                                                                               Bijlage 3 / 89
</pre>

====================================================================== Einde pagina 89 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 90 ======================================================================

<pre>geldt vooral voor de lager opgeleide respondenten uit Amsterdam. Dit maakt dat
sommigen zich wel erg geïsoleerd voelen en niet in staat zijn iets voor de publie-
ke zaak te doen, als ze dit zouden willen.
De bereidheid tot persoonlijke inzet voor anderen en maatschappelijke doelen is
laag te noemen. Respondenten voelen zich betrokken bij het eigen gezin, familie
en vrienden en hoger opgeleiden ook wel bij collega’s. Lager opgeleide respon-
denten uit vooral Breda en omgeving geven aan bijvoorbeeld bereid te zijn een
bejaarde buurvrouw te helpen of boodschappen te doen voor een ziek familielid.
Echter, het blijft bij contact met en inzet voor deze eigen kring. Respondenten
geven aan het bewonderenswaardig te vinden dat mensen vrijwilligerswerk doen
of zich actief inzetten voor maatschappelijke doelen, maar het merendeel van de
respondenten kan of wil geen rol spelen in bijvoorbeeld vrijwilligerswerk of bij
maatschappelijke doelen. Alleen een minderheid van de respondenten is actief
op bijvoorbeeld school, mentorprojecten in de buurt of in vrijwilligerswerk, bij-
voorbeeld om weerstand te bieden aan een zeer drukke baan.
Wat zijn argumenten voor de geringe bereidheid zich persoonlijk in te zetten
voor anderen en maatschappelijke doelen? Respondenten zeggen niet geïnteres-
seerd te zijn in wat er buiten hun gezin en kennissenkring gebeurt. Ook stellen
respondenten vaak al te weinig tijd te hebben voor het eigen gezin en de kinde-
ren waarmee ze aangeven niet bereid te zijn ook tijd te gaan besteden aan zaken
die buiten het gezin liggen, zoals een goed doel of organisatie.
        “Ik werk van 5 tot 7, dan ga ik eten en de krant lezen en daar houdt de samenle-
        ving voor mij op!” (man, 33, tuinder, lager opgeleid, Werkendam, focus groep)
        “Ik verdiep me niet zo in anderen. Betrokkenheid is een ver van mijn bed show.
        Ik hou me bezig met mijn gezinnetje. De maatschappij daarbuiten zal allemaal
        wel.” (vrouw, 32, huisvrouw, lager opgeleid, Terheijden, focus groep)
        “Ik maak me er allemaal niet zo druk om, ik ga gewoon lekker verder waar ik
        mee bezig ben. Ik kan er toch niks aan veranderen en ik heb geen zin om ergens
        voor op de bühne te gaan springen, ik ben vooral bezig met mijn eigen omge-
        ving. […] Ben ook geen lid van een club, nooit de behoefte aan gehad.” (man, 28,
        consultant, hoger opgeleid, Amsterdam, interview)
        “Ik hou het meest van mijn eigen en dat wil ik graag zo houden.” (vrouw, 58,
        huisvrouw, lager opgeleid, Zundert, interview)
90 / Vormen van democratie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 90 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 91 ======================================================================

<pre>        “We leven gewoon allemaal ons eigen leventje, daarbuiten zal het allemaal wel.”
        (vrouw, 43, huisvrouw, lager opgeleid, Etten-Leur, focus groep)
        “Ik voel me niet voor het algemeen belang verantwoordelijk. Het wordt toch wel
        voor je geregeld. Of ik me nu druk maak of niet.” (vrouw, 33, fabrieksmedewer-
        ker, lager opgeleid, Zundert, interview)
        “Ik leid mijn eigen leventje met de mensen om me heen, waar ik me prettig bij
        voel. Voor de rest zie je het wel op het journaal. Dan is het net of het wat verder
        van je af staat. Je kan er toch niets aan doen. Het doet je allemaal steeds min-
        der.” (man, 60, spoormaker, lager opgeleid, Amsterdam, interview)
Veel hoger opgeleide respondenten zijn individualistisch ingesteld en zeggen
geen behoefte te hebben aan groepsactiviteiten of het behoren tot een bepaalde
club. Zo vertelt één respondent dat hij vooral met zijn eigen ding bezig is en dat
vrijheid daarin zijn hoogste goed is. Hij stelt dat door goed voor zichzelf te zorgen
hij een steentje bijdraagt aan de maatschappij. In het verlengde hiervan ligt de
mening van sommige respondenten dat meer mensen de verantwoordelijkheid
voor zichzelf moeten nemen en zelfstandig moeten zijn.
Andere hoger opgeleide respondenten stellen dat ze er te gemakzuchtig voor zijn
en zich niet verantwoordelijk voelen voor anderen of maatschappelijke doelen.
Sommigen menen dat de overheid of werkelozen zich in zouden moeten zet-
ten, omdat zij volgens de respondenten genoeg vrije tijd hebben. Respondenten
vinden dat het feit dat ze een economische bijdrage leveren, hen ontheffing geeft
van het werken aan de publieke zaak. Verder stelt een hoog opgeleide respondent
zich ook niet bezig te willen houden met ‘de maatschappij’: ze wil de zogenoem-
de ballast niet met zich meedragen als ze toch de tijd niet heeft om er wat mee te
doen.
Andere respondenten geven aan zich alleen op eigen voorwaarden te willen in-
zetten voor anderen, maar vragen zich af dit ook echt te doen als er geen gelde-
lijke beloning tegenover staat.
        “Laat mensen met een uitkering zich inzetten voor belangenorganisaties en de
        samenleving. Mijn tijd is heilig. Er zijn genoeg mensen met een uitkering en veel
        vrije tijd. Laat hen het lekker doen.” (vrouw, 35, personeelsmanager, hoger opge-
        leid, Amsterdam, focus groep)
                                                                                   Bijlage 3 / 91
</pre>

====================================================================== Einde pagina 91 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 92 ======================================================================

<pre>         “Ik ga dat echt niet wekelijks doen op vaste tijdstippen. Ik heb er geen zin in en
         ik krijg er niets voor. Ik wil er dan wel geld voor hebben.” (man, 26, makelaar,
         hoger opgeleid, Amsterdam, focus groep)
         “Ik ben helemaal niet betrokken bij de maatschappij. Ben hartstikke druk met
         mijn werk. Ben te druk met eigen dingen en ik zou alleen bij een maatschap-
         pelijke organisatie gaan als het me ook wat oplevert. Maar het levert niks op.”
         (man, 26, makelaar, hoger opgeleid, Amsterdam, focus groep)
         “Ik ben met mijn eigen dingen bezig, Verder sta je er toch heel ver vandaan [bij
         maatschappelijke betrokkenheid].” (man, 32, IT consultant, hoger opgeleid, Am-
         sterdam, interview)
Verder geven veel lager opgeleide respondenten aan ooit wel eens te zijn te-
leurgesteld bij het helpen van anderen. Een respondent vertelt dat je zo wordt
gemaakt dat je voor je eigen ‘hachje’ moet opkomen, omdat anderen je ook niet
meer helpen. Waarom zou je dan een ander dan wel helpen en daaruit je betrok-
kenheid laten blijken? Respondenten halen ook voorbeelden aan waar betrok-
kenheid bij wat er gebeurt in de samenleving negatief is afgelopen, bijvoorbeeld
Joest Kloppenburg.
Ook zeggen respondenten dat het ‘geen bal’ uitmaakt als je je ergens wat van
aantrekt en willen ze alleen overgaan tot actie als ze zeker weten dat het helpt.
Echter, het vertrouwen daarin is laag.
         “Ik richt me nu nog alleen op mijn eigen toko. Vroeger hielp ik iedereen maar
         dat heeft nu geen zin meer. Kijk maar wat er met Joest Kloppenburg is gebeurd.”
         (man, 48, buschauffeur, lager opgeleid, Amsterdam)
         “Je wordt zelf ook harder, als je een paar keer je neus hebt gestoten ga je toch
         meer aan jezelf denken.” (man, 46, verpakker, lager opgeleid, Amsterdam, inter-
         view)
         “Ik denk ook dat het allemaal geen zin heeft. Nee, het is verspilde energie.”
         (vrouw, 32, huisvrouw, lager opgeleid, Terheijden, focus groep)
Verder zien veel (vooral laagopgeleide) respondenten zichzelf als minderheid die
niet of te weinig wordt onderkend en geholpen zou moeten worden. Een respondent
92 / Vormen van democratie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 92 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 93 ======================================================================

<pre>stelt dat slachtoffers van bijvoorbeeld de Tsunami-ramp er vandoor gaan met hulp
die voor ‘de Hollander’ bestemd zou moeten zijn. Het gevoel hebben te moeten
overleven, of zelf heel hard te werken waar anderen dit niet doen en hiermee vol-
gens hen minder plichten hebben dan zij, maakt het voor de respondenten legitiem
te stellen dat ze geen andere keuze hebben dan zich ‘te fixeren op het eigenbelang’.
         “In Rotterdam zaten blanke gezinnen buiten op een bankje te wonen, dan komt
         er een Tsunami en dan gaan er miljoenen het land uit.” (man, 33 , tuinder, lager
         opgeleid, Werkendam, focus groep)
         “Overstroming hier, rampje daar. Het kon niet op terwijl ik ook niets te makken
         heb aan het einde van de maand. Zo’n figuur die dat geld uitgeeft in het kabi-
         net, het zijn toch mijn centen!” (man, 25 chauffeur, Terheijden, focus groep)
         “Vaak worden belangen van mensen die zich laten horen of groepen die de
         underdog zijn beter vertegenwoordigd. Er moet altijd gezorgd worden voor de
         minderen en nooit voor mij…ik moet het als zogenaamde hoogopgeleide jonge
         vrouw allemaal maar zelf doen.” (vrouw, 31, manager evenementenbureau,
         hoger opgeleid, Amsterdam, focus groep)
         “Met de euro is mijn salaris in principe gehalveerd, terwijl de kosten van een
         pakje sigaretten van guldenprijs naar euro zijn gegaan. Ik moet nu aan mezelf
         denken, ik bedoel ik ben geen egoïst. Je moet eerst aan jezelf denken, je krijgt er
         gewoon te weinig voor terug.” (man, 25, chauffeur, lager opgeleid, Terheijden,
         focus groep)
         “Ik denk voornamelijk – laten we wel wezen – dat je tegenwoordig geen vrij-
         willigerswerk meer kan doen, omdat alles zo duur is. Mijn vier kinderen gaan
         binnenkort naar het middelbaar onderwijs. Ik weet niet waar ik het vandaan
         moet halen. Ik ben genoodzaakt betaald te werken, anders moet ik mijn huis uit.
         Ik ben alleen bezig met overleven.” (vrouw, 37, organiseert kinderfeestjes, lager
         opgeleid, Amsterdam, focus groep)
Wat tot slot een rol speelt in de beperkte persoonlijke inzet voor anderen en
vooral voor maatschappelijke doelen, is het gebrek aan vertrouwen onder res-
pondenten in maatschappelijke organisaties. Het idee bestaat bij hen dat al het
geld in de zakken van de organisatie belandt en niet wordt doorgesluisd naar de
mensen die het geld daadwerkelijk nodig hebben.
                                                                                    Bijlage 3 / 93
</pre>

====================================================================== Einde pagina 93 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 94 ======================================================================

<pre>        “Kan een vrijwillige bijdrage aan weet ik veel wat geven, maar de helft ver-
        dwijnt in iemands zakken.” (vrouw, 44, telefoniste, lager opgeleid, Etten-Leur,
        focus groep)
        “Neem de Hartstichting. Allemaal vrijwilligers met een busje en wat verdiende
        die directeur? Dat bedoel ik. Je geeft als bijstandsmoeder wat centen terwijl die
        klootzak zakken geld krijgt.” (vrouw, 51, receptioniste, lager opgeleid, Amster-
        dam, focus groep)
        “Je merkt ook dat er helemaal niets van terechtkomt van wat je allemaal gege-
        ven hebt.” (vrouw, 44, telefoniste, lager opgeleid, Etten-Leur, focus groep)
        “Ze zetten zich voor zichzelf in. Ze verkopen ergens voor te strijden, maar wor-
        den er alleen zelf beter van. Alle organisaties die met Afrika bezig zijn; sinds
        ‘Live Aid’ is het alleen maar erger geworden, terwijl al die organisaties nog
        bestaan. Dat is heel duidelijk dat ze het voor zichzelf doen.” (man, 35, heftruck-
        chauffeur, lager opgeleid, Amsterdam, focus groep)
        2.2 Basishouding ten aanzien van de democratie
Deze paragraaf gaat in op de basishouding van de respondenten ten aanzien van
de democratie. Eerst wordt ingegaan op de invulling van het begrip democratie,
daarna op het belang dat respondenten hechten aan het leven in een democratie.
2.2.1 Interpretatie van het begrip democratie
Het blijkt dat de invulling van het begrip democratie en meningen over de be-
langrijkste elementen van de democratie verschillen tussen de respondenten. Bij
de invulling van het begrip democratie blijken respondenten aan enkele facet-
ten van de democratie te denken. De democratie als geheel blijkt een abstract en
moeilijk concretiseerbaar begrip voor de meeste respondenten.
Veel respondenten denken bij de democratie aan vrijheid van meningsuiting of
het kunnen leven in vrijheid in het algemeen. Respondenten praten over ‘kunnen
zeggen wat je wilt zeggen’ en in het verlengde hiervan leven in de vrijheid dat
je mag doen wat je wilt (binnen de grondwettelijke kaders), ‘gelijke rechten voor
iedereen’ of ‘het vrije leven’. Respondenten denken dus veel aan de vrijheden die
een democratie volgens hen met zich meebrengt. Vrijwel niemand spreekt over
de plichten die iedereen heeft en aan het overkoepelende geheel van rechten (en
plichten) zoals opgenomen in de Grondwet.
94 / Vormen van democratie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 94 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 95 ======================================================================

<pre>Een andere veel gehoorde associatie met de democratie, is dat in een democratie
volgens de respondenten alle stemmen gelden, wat ook wel wordt vertaald naar
‘de meeste stemmen gelden’. Sommige respondenten spreken over een gekozen
regering, of in andere bewoordingen ‘dat het volk kiest’. Ook denken sommigen
aan een directe vorm van democratie, namelijk de referenda. Een klein aantal
respondenten spreekt over een streven naar consensus of het nemen van een
beslissing nadat alle stemmen zijn gehoord.
Verder staat voor vooral lager opgeleide respondenten de democratie vrijwel
gelijk aan de (landelijke) politiek. In het praten over de democratie wordt door
hen snel overgegaan op politiek en vooral op politici. Het blijkt dat respondenten
zich bij het praten over democratie richten op wat voor hen te concretiseren of
zichtbaar is.
Enkele lager opgeleide respondenten uit de omgeving van Breda blijken niet te
weten wat het begrip democratie is. Ze kennen de term met andere woorden niet.
Een andere respondent geeft aan te denken dat we in een monarchie leven, weer
een ander ziet het feit dat we in Nederland een koningin hebben als belangrijkste
pijler van de democratie.
        “Ik denk nooit aan democratie, wat is dat eigenlijk. We hebben hier toch een
        monarchie? Ik dacht dat we een monarchie hadden. Ik kan niet uitleggen wat
        een democratie is.” (vrouw, 48, WAO, lager opgeleid, Terheijden, interview)
        “Democratie is dat iedereen in overeenstemming met elkaar dingen regelt,
        maakt of geld vrijmaakt voor bepaalde zaken… En dan niet aan een minister
        die daar een auto van 8 ton van kan kopen!” (vrouw, 43, huisvrouw, lager opge-
        leid, Amsterdam, interview)
2.2.2 Belang en relevantie van het leven in een democratie
Het persoonlijk belang ofwel de relevantie van het leven in een democratie blijkt
in de praktijk beperkt. Alhoewel alle respondenten stellen blij te zijn in een vrij
land te leven dat wordt gezien als een gevolg van het leven in een democratie,
blijken respondenten zich in de praktijk weinig tot niet met de democratie bezig
te houden. De motivaties hiervoor verschillen.
Voor veel respondenten is het leven in een democratie een vanzelfsprekendheid
waaraan weinig aandacht wordt besteed. Bij respondenten komt bijvoorbeeld
naar voren dat ‘ze niet anders gewend zijn’ en dat democratie niet persé beter
                                                                                 Bijlage 3 / 95
</pre>

====================================================================== Einde pagina 95 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 96 ======================================================================

<pre>is dan andere bestuursvormen. Zo stelt een respondent niet beter te weten dan
te leven in een democratie en te denken dat mensen die in niet democratische
landen leven, de vrijheid hier wel niets zullen vinden. Een enkeling geeft aan ook
wel eens te lezen over mensen die niet in vrijheid kunnen leven, maar een ver-
taalslag naar het eigen leven is moeilijk te maken.
Voor veel lager opgeleide respondenten blijkt verder dat de democratie een ‘ver
van hun bed show’ is. Deze respondenten hebben weinig behoefte maar ook wei-
nig handvatten om de democratie te ondersteunen. Zo vertelt een lager opgeleide
vrouw uit de omgeving van Breda lang bij haar ouders te hebben gewoond en
daar altijd in het huishouden gewerkt te hebben. Deze respondent heeft alleen de
lagere school doorlopen. Ze vertelde nu, op haar 58e, voor het eerst te ontdekken
hoe het is om de deur uit te gaan en dingen te gaan ondernemen (zoals zwem-
les). Zaken als stemmen, politiek en de democratie zijn onderwerpen die thuis
niet behandeld werden. Het ontbreekt deze vrouw aan handvatten om begrip te
ontwikkelen voor het feit dat men in Nederland in een democratie leeft.
Een andere jonge vrouw uit de omgeving van Breda vertelt ook niet bezig te zijn
met de democratie en er ook geen belangstelling voor te hebben. Ze vertelt bezig
te zijn met haar eigen gezin en heeft het idee dat beslissingen toch van hoger-
hand worden genomen. Naast haar veronderstelling dat ze hierop geen invloed
kan uitoefenen, geeft ze er ook blijk van geen interesse in te hebben. Deze res-
pondent vertelt dat het haar – juist vanwege het idee dat beslissingen van hoger-
hand genomen worden – niet zou uitmaken of we nu in een democratie of een
dictatuur leven.
        “Ik ben niet zo bezig met de democratie: als het goed gaat, gaat het goed. An-
        deren moeten maar zorgen dat het draaiende blijft. Ik zou niet méér actief zijn
        voor de democratie. Het interesseert me te weinig.” (man, 42, postbode, lager
        opgeleid, Oosterhout, interview)
        “Als Nederland een dictatuur zou zijn is dat ook prima. Beslissingen worden
        toch op hogerhand genomen. Ik ben er verder niet mee bezig. Wat gebeurt ge-
        beurt toch. Als er een coupe zou komen van een dictator en ik zou er niets van
        merken maakt het me niets uit.” (vrouw, 33, fabrieksmedewerker, lager opgeleid,
        Zundert, interview)
Verder blijken lager opgeleide respondenten, vooral uit Amsterdam, te gepreoc-
cupeerd met hun dagelijkse problemen om te denken over een voor hen abstract
96 / Vormen van democratie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 96 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 97 ======================================================================

<pre>begrip als de democratie. Deze respondenten blijken bezig met overleven en voor
hen lijkt er geen of weinig ruimte aanwezig om aan andere dingen te denken.
Ook zijn er laag opgeleide respondenten die zichzelf niet zien als onderdeel van
de democratie. Ze hebben het gevoel niets in te brengen te hebben en pleiten
voor een directe democratie (door middel van referenda). Ze menen op deze ma-
nier meer invloed te kunnen uitoefenen.
        “Die democratie van jullie kost alleen maar geld!”
        “Wij weten niet anders: je leest hoe het in andere landen is, waar je je mening
        niet mag uiten. Ik ben in dat opzicht wel blij dat we in een democratisch land
        leven.” (vrouw, 31, telefoniste, lager opgeleid, Amsterdam, interview)
        “Bij de democratie denk ik aan niets, ik hou me er niet mee bezig. Ik vecht voor
        mezelf. Mijn leven is overleven. Je gaat de pijp uit en ze gaan je echt niet vragen
        hoe.” (vrouw, 34, medewerker postverwerking TPG, lager opgeleid, Amsterdam,
        interview)
        “De democratie staat niet dichtbij me, ik denk er echt nooit aan.” (vrouw, 24,
        intercedente, hoger opgeleid, Amsterdam, focus groep)
        “Het boeit me niet, ik moet nadenken over elke euro om een brood te kopen.”
        (vrouw, 34, medewerker postverwerking TPG, lager opgeleid, Amsterdam, inter-
        view)
        “Het maakt allemaal niets uit, of je nou in een democratie, republiek of dictatuur
        leeft. Je moet toch blijven werken voor je geld. Voor normale mensen maakt het
        allemaal niets uit.” (man, 33 , tuinder, lager opgeleid, Werkendam, focus groep)
Hoger opgeleide respondenten zijn wisselend in het denken over de democratie.
Aan de ene kant hebben sommigen van hen uitgesproken ideeën over de demo-
cratie en de bezwaren hiertegen. Zo vertelt een respondent dat de democratie als
systeem op papier prachtig klinkt, maar dat het systeem wel de mogelijkheid in
zich heeft dat mensen het voor zichzelf beter maken en onevenredig veel macht
naar zich toetrekken (ten koste van anderen). Het komt erop neer dat in een de-
mocratie niet de belangen van iedereen gewaarborgd kunnen worden. Ze stelt dat
de mensheid het niet aankan om in een systeem als de democratie te leven. Deze
respondent pleit voor een anarchie, waarin helemaal geen ‘machtigen’ zijn.
                                                                                   Bijlage 3 / 97
</pre>

====================================================================== Einde pagina 97 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 98 ======================================================================

<pre>Aan de andere kant vertellen andere hoger opgeleide respondenten bezig te zijn
met vrienden, werken en hun sociale leven. Ze staan vrij onverschillig ten opzich-
te van de democratie en lijken geen ruimte beschikbaar te stellen in het denken
over of werken aan de democratie. Zo meent een respondent dat vrijheid op zich
goed is, maar dat hij er nooit over nadenkt dat het fijn of goed is om in een de-
mocratie te leven. Hij is er niet mee bezig en voelt ook niet de behoefte zich actief
in te zetten voor de democratie.
Tot slot blijken (vooral hoger opgeleide) respondenten bij het denken over demo-
cratie veel aandacht te geven aan aspecten die voor henzelf positief uitpakken.
Bijvoorbeeld het naar alle landen kunnen reizen met een Nederlands paspoort, of
de mogelijkheid vrij te zijn je eigen leven invulling te kunnen geven.
        “Je neemt het voor lief maar het sluit wel aan bij mijn vrijheidsideaal: alles is in
        principe mogelijk en je kunt hooguit klagen over jezelf. Je vult zelf je eigen leven
        in.” (man, 33, zelfstandig ondernemer, hoger opgeleid, Amsterdam, interview)
        “Grootste goed van de democratie is dat ik met mijn paspoort op alle plekken
        ter wereld kan komen.” (man, 28, accountant, hoger opgeleid, Amsterdam, focus
        groep)
        “Je bent niet anders gewend. Ik zag laatst een documentaire over Korea, die
        mensen weten ook niet beter. Het loopt zoals het moet en de mensen weten daar
        ook waar ze aan toe zijn. […] Wij weten niet beter dan de democratie. Mensen
        in niet democratische landen vinden de vrijheid hier weer niets.” (vrouw, 35,
        personeelsmanager, hoger opgeleid, Amsterdam, focus groep)
        2.3 Functioneren van de democratie
Deze paragraaf gaat in op het functioneren van de democratie in de ogen van de
respondenten. Eerst wordt ingegaan op de houding ten aanzien van het democra-
tisch gekozen bestuur. Daarna wordt ingegaan op het nemen van beslissingen en
de wijze van besluitvorming in een democratie. Omdat in deze paragraaf ‘de poli-
tiek’ centraal staat, gaat deze paragraaf tot slot in op de participatiebereidheid in
politieke rollen.
2.3.1 Vertrouwen in democratische instituties
De houding ten aanzien van het democratisch gekozen bestuur, wat wordt ver-
taald als ‘de politiek’ door de respondenten, is negatief. Dit heeft te maken met
98 / Vormen van democratie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 98 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 99 ======================================================================

<pre>een gevoel niet vertegenwoordigd te worden en een gebrek aan vertrouwen in de
intenties van politici. Verder blijkt dat respondenten een interesse in politiek (en
daadwerkelijk stemmen) ook niet van huis uit mee kregen. Deze respondenten
stellen ook ‘gewoon lekker te willen leven’ en hebben geen zin om te stemmen.
De mogelijkheid om te stemmen blijkt weinig inhoud te hebben. Voor deze res-
pondenten blijkt de politiek een ‘ver van hun bed show’.
        “Mijn ouders waren ook niet geïnteresseerd. Alleen op school heb ik wel eens
        wat over politiek gehoord…ik ga me er niet druk over maken… Als er iets
        verandert dan merk ik het vanzelf wel.” (vrouw, 33, fabrieksmedewerker, lager
        opgeleid, Zundert, interview)
        “Ik weet er ook niks van en ik heb ook geen zin om me erin te verdiepen.”
        (vrouw, 31, receptioniste, lager opgeleid, Amsterdam, interview)
Respondenten hebben het gevoel niet vertegenwoordigd te worden en beslissin-
gen ‘door de strot geduwd’ te krijgen, bijvoorbeeld de invoering van de euro en de
verandering van het zorgstelsel. Respondenten geven ook aan dat ze hun belan-
gen niet vertegenwoordigd zien in de politieke partijen. De houding ten aanzien
van allochtonen (‘zij krijgen alles en wij niets’) en ten aanzien van bijvoorbeeld
mensen die niet werken/een uitkering ontvangen (‘wij werken ons rot en zij hou-
den hun handje op’) draagt hieraan bij. Respondenten vinden dat voor bepaalde
groepen bijzondere en buitenproportionele aandacht is die ten koste gaat van de
aandacht voor henzelf. Hoger opgeleide respondenten stellen in het bijzonder dat
ze zich niet kunnen vinden in de programma’s van de partijen omdat er te weinig
aandacht is voor de problemen die ze zelf ervaren (file bijvoorbeeld).
        “Er wordt ons van alles door de strot geduwd, zoals die euro. Dat is weinig
        democratisch. Er is geeneens een referendum gehouden: in andere landen wel.
        Nederland zegt nee en Den Haag zegt ja: dan moeten wij het maar slikken. Het
        is een democratie van lik me vestje. Het is een plaatje maar als je het openkrabt
        zit er niks.” (vrouw, 43, huisvrouw, lager opgeleid, Amsterdam, interview)
        “Ik vind dat mijn belang niet wordt meegenomen. Het is een gevoel, er worden
        niet de dingen bespoken die ik graag zou willen horen. Het is ook een utopie dat
        150 kamerleden 16 miljoen Nederlanders kunnen vertegenwoordigen.” (man, 28,
        accountant, hoger opgeleid, Amsterdam, focus groep)
                                                                                  Bijlage 3 / 99
</pre>

====================================================================== Einde pagina 99 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 100 ======================================================================

<pre>Veel respondenten hebben het gevoel buiten de boot te vallen. Ze menen dat po-
litieke partijen er alleen voor zichzelf zitten en derhalve vooral goed voor zichzelf
zorgen. Hun belangen prevaleren boven die van de bevolking: er wordt niet ge-
luisterd naar de kiezer. Veel lager opgeleide respondenten met een lage welstand
hebben het gevoel over het hoofd gezien te worden en stellen dat de politiek er
naast voor de politici zelf, vooral voor de bovenlaag van de samenleving met veel
geld is.
         “Mensen met een laag inkomen hebben niets in te brengen. Burgers hebben geen
         inbreng. [...] Je ziet om je heen veel ontevreden mensen met financiële proble-
         men.” (man, 25, timmerman, lager opgeleid, Amsterdam, interview)
         “Het zijn allemaal loze beloftes vlak voor de verkiezingen en er komt weinig van
         terecht. Ze houden zich niet aan dingen die ze beloven, of ze komen er op terug
         of ze komen met hele andere dingen.” (man, 46, verpakker, lager opgeleid, Am-
         sterdam, interview)
         “Er wordt alleen aan de bovenlaag gedacht. Zij innen al het geld en wij werken
         ons een ongeluk om het hoofd boven water te kunnen houden.” (man, 33, tuin-
         der, lager opgeleid, Werkendam, focus groep)
Naast een gevoel niet vertegenwoordigd te worden, bestaat er wantrouwen ten
aanzien van de intenties en het gedrag van ‘politici’. Het voornaamste probleem
van veel respondenten (vooral voor lager opgeleide respondenten) is dat politici
en politieke partijen hun verkiezingsbeloften niet nakomen. Respondenten ma-
ken voor zichzelf de vertaalslag dat politici een vrijbrief hebben om te doen wat
ze willen, als ze eenmaal de verkiezingen goed zijn doorlopen. Veel responden-
ten, zowel laag- als hoog opgeleid, spreken over achterkamertjespolitiek, in plaats
van dat op een democratische wijze tot beslissingen wordt gekomen.
Lager opgeleide respondenten omschrijven politici als zakkenvullers en zelfver-
rijkers. Politici doen wat ze zelf willen en luisteren niet naar de stem van het
volk. Politici zijn uit op macht en zijn hierdoor niet te vertrouwen, aldus de res-
pondenten. Respondenten hebben met andere woorden het idee dat ‘de politiek’
eigen doelstellingen nastreeft en eigen wensen en behoeften via zogenoemde
slinkse wegen wil bevredigen. Het blijkt voor respondenten zeer ondoorzichtig
hoe beslissingen worden genomen en op basis waarvan. Dit maakt het moeilijk
om vertrouwen te hebben hierin, aldus de respondenten. Ook worden er wel eens
100 / Vormen van democratie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 100 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 101 ======================================================================

<pre>beslissingen genomen waarmee men het niet eens is. Als bijvoorbeeld wordt be-
sloten dat er een bepaald bedrag gaat naar ontwikkelingshulp, vragen sommige
respondenten zich af waarom en wie dat besloten heeft. Als het aan hen had
gelegen was dat naar de mensen die in eigen land in financiële nood verkeren
(onder wie veel lager opgeleide respondenten zelf) gegaan.
Het oordeel wordt verder ingevuld door negatieve ervaringen dichtbij huis, bij-
voorbeeld zelf niet meer kunnen rondkomen, of in hun omgeving zien dat men-
sen in financiële nood verkeren. Dit wordt vergeleken met het als enorm geperci-
pieerde salaris van politici. Een andere respondent ziet een voorbeeld van het feit
dat politici niet te vertrouwen zijn dichter bij huis. Zij stelt dat politici omkoop-
baar zijn en dat er onlangs bij haar in de woonwijk een vergunning is afgegeven
voor het opslaan van vuurwerk. Ze kan zich, met het oog op de vuurwerkramp in
Enschede, niet voorstellen dat hiervoor de juiste procedures zijn gevolgd (en ziet
dit als bewijs dat politici niet te vertrouwen zijn).
        “Met geld is alles te koop: zo ook het afgeven voor een vergunning van vuur-
        werk in een huis in een woonwijk.” (vrouw, 43, huisvrouw, lager opgeleid, Am-
        sterdam, interview)
        “Het zijn allemaal zakkenvullers. Zet er een paar Polen in want die versta ik ook
        niet. Het maakt toch niet uit wie er zit want het blijft toch allemaal hetzelfde.”
        (man, 61, VUT, lager opgeleid, Zundert, focus groep)
        “Die salarissen en gouden handdrukken: gaat allemaal van mijn salaris af. Zij
        krijgen maar en bij mij gaat het ervan af. Zelfverrijking vind ik echt bij de de-
        mocratie horen.” (vrouw, 37, organiseert kinderfeestjes, lager opgeleid, Amster-
        dam, focus groep)
        “Het gaat niet om de gemene deler maar om de politieke loopbaan van mensen
        en zelfverrijking.” (man, 36, heftruckchauffeur, lager opgeleid, Amsterdam, focus
        groep)
        “De een is nog corrupter dan de ander, als je maar genoeg schuift. Zolang je geld
        hebt kun je alles doen wat god verboden heeft in dit land. Dat is een nadeel van
        de democratie in Nederland.” (vrouw, 43, huisvrouw, lager opgeleid, Amsterdam,
        interview)
                                                                                  Bijlage 3 / 101
</pre>

====================================================================== Einde pagina 101 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 102 ======================================================================

<pre>Hoger opgeleide respondenten nemen termen als machtswellusteling in de
mond. Zij zien de politiek als schijnvertoning en wantrouwen politici omdat de
idee bestaat dat besluiten worden genomen op basis van vriendjespolitiek en
niet op basis van wat goed is voor het volk of voor Nederland. Verder vinden ze
politici weinig charismatisch en weinig overtuigend. Er wordt wel gesteld dat alle
goede mensen naar het bedrijfsleven gaan en in de politiek alleen de ‘net nieters’
overblijven omdat ze zogezegd daar wel kunnen glimmen.
         “Niemand is erudiet. Donner is knullig en ik schaam me dood voor dit soort
         leiders.” (vrouw, 31, manager evenementenbureau, hoger opgeleid, Amsterdam,
         focus groep)
         “Machthebbers in de politiek zijn geen idealisten maar mensen die graag macht
         hebben. Onder het mom van idealisme willen ze hun eigen leven zo leuk moge-
         lijk inrichten.” (man, 33, zelfstandig ondernemer, hoger opgeleid, Amsterdam,
         interview)
2.3.2 Nemen van beslissingen in een democratisch bestel
Respondenten blijken soms moeite te hebben met het maken van beslissingen op
basis van het meerderheids/minderheidsprincipe.
Respondenten blijken geneigd de politiek af te wijzen, als er niet wordt gedaan
wat zij willen. Respondenten voelen zich niet vertegenwoordigd omdat ze zich
niet persoonlijk gehoord voelen. Respondenten blijken gericht op hun eigenbe-
lang en voelen zich vaak achtergesteld ten opzichte van andere groepen die in
hun ogen worden voortgetrokken. In het praten over de democratie blijkt ook dat
veel respondenten directe invloed zouden willen en een voorkeur geven aan een
directe democratie waar ze zelf een stem hebben. Hierbij is het dan de vraag of
ze zouden participeren gezien het feit dat de deelname aan referenda die hebben
plaatsgevonden gering is.
Verder blijkt dat wat respondenten zeggen, namelijk dat het goed is om naar
elkaar te luisteren en dat van een meerderheid moet worden uitgegaan, strijdig
is met de geuite moeite om te accepteren dat het democratisch proces soms tot
beslissingen leidt die tegen hun persoonlijke belang ingaan. Ook blijken de be-
langen van de minderheid niet of minder van belang, als wordt gevraagd wat er
gedaan moet worden met een minderheid die het niet eens is met de meerder-
heid. Dit oogt inconsistent met de mening van veel respondenten dat ze zelf een
minderheid zijn waaraan meer aandacht besteedt moet worden.
102 / Vormen van democratie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 102 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 103 ======================================================================

<pre>Het blijkt uit het praten met de respondenten vaak dat de omgang met anders-
denkenden beperkt is, evenals de ervaring om met deze andersdenkenden tot
een beslissing te komen. Zo vertelt een vrouw uit de omgeving van Breda dat ze
in een discussie overtuigd moet worden en anders bij haar standpunt blijft. Com-
promissen sluiten is niet iets dat bij haar past, zo vertelt ze.
         “Prima als er beslissingen worden genomen op basis van een debat, als het
         maar niet strijdig is met mijn belangen.” (vrouw, 58, huisvrouw, lager opgeleid,
         Etten-Leur, interview)
         “Als er zes mensen Chinees willen en vier patat, dan hebben die vier vette pech.”
         (vrouw, 43, huisvrouw, Etten-Leur, focus groep)
Vooral hoog opgeleide respondenten kijken kritisch naar het nemen van beslis-
singen of het oplossen van conflicten door dialoog en onderhandeling. Respon-
denten vinden dat genomen beslissingen of gemaakte besluiten vaak te gemid-
deld zijn, omdat ieders stem wordt meegenomen in het maken van de beslissing
of het besluit. Dit heeft volgens de respondenten tot gevolg dat soms goede, maar
wat extremere beslissingen ‘er nooit doorheen komen’. Zo kan een kleine meer-
derheid soms een goed idee afwijzen en dat is niet terecht volgens de responden-
ten. Zij pleiten voor harder optreden – een vuist op tafel – en voor het doorvoeren
van sommige beslissingen. Het gaat dan om bijvoorbeeld het optreden tegen
initiatieven als de in de volksmond genoemde ‘pedo-partij’, het verbieden van
burka’s en hoofddoekjes. Overigens laten in mindere mate ook lager opgeleiden
zich hierover uit.
Zo wordt wel gesteld dat het komen tot besluiten op basis van dialoog en onder-
handeling leidt ‘tot een soort soep’ die niet meer te eten is. Eén respondent pleit
voor het aanstellen van een wijs persoon (hij haalt minister Zalm aan), die keu-
zes maakt en beslissingen doorvoert.
2.3.3 Wijze van besluitvorming in het democratisch proces
Vooral hoger opgeleide respondenten stellen dat de besluitvorming in de de-
mocratie zoals die in Nederland is vormgegeven inefficiënt is en in de weg staat
van snel, duidelijk en efficiënt handelen. De democratie is volgens deze res-
pondenten te veel doorgeslagen en traag in de zin dat ‘iedereen zijn zegje moet
kunnen doen’. Dit leidt tot een trage en ondoorzichtige besluitvorming. Dit lijkt
tot gevolg te hebben dat hoger opgeleide respondenten vinden dat ze de demo-
cratie en vooral de politiek niet nodig hebben om hun eigen doelstellingen na te
                                                                                Bijlage 3 / 103
</pre>

====================================================================== Einde pagina 103 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 104 ======================================================================

<pre>streven en te behalen. Het lijkt voor hen eerder een obstakel bij het bereiken van
doelen.
Verder zien respondenten een probleem in het systeem van vrije verkiezingen
elke vier jaar, en de mogelijkheid dat kabinetten ‘kunnen vallen’. Dit leidt er
volgens de respondenten toe dat in Nederland een te korte termijn visie wordt
ontwikkeld over onderwerpen die iedereen aangaan en die langer spelen dan een
kabinetsperiode. Bijvoorbeeld over onderwerpen als de zorg, het bedrijfsleven,
het woonklimaat in Nederland en onderwijs. Bij elk kabinet moet het besluit-
vormingsproces weer opnieuw worden opgestart, wat enorm vertragend werkt
bij het nemen van beslissingen, aldus de respondenten. Er zijn hoger opgeleide
respondenten die ervoor pleiten Nederland als bedrijf te zien en minder mensen
langer de verantwoordelijkheid te geven om beslissingen te nemen omtrent de
genoemde gebieden. Ook wordt wel gepleit voor een tweepartijenstelsel waar-
door beslissingen sneller doorgevoerd kunnen worden omdat volgens de respon-
denten minder beslissers betrokken hoeven te worden. Er zijn lager opgeleide
respondenten die pleiten voor één leider ‘die zegt het moet zo en zo gebeuren en
niet anders’. Er zijn nu te veel bazen die zich overal mee bemoeien, zo wordt door
hen gesteld.
        “Bij de aanleg van de HSL moesten er drie boerderijen weg en dan moeten er
        minstens 30 commissies overheen. Iedereen moet z’n zegje kunnen doen… Dat
        zou sneller en transparanter moeten: nu gaat overal veel te veel tijd overheen.”
        (man, 33, trainer/coach, hoger opgeleid, Amsterdam, interview)
        “Partijen kijken maar vier jaar verder terwijl de maatschappij al honderden
        jaren bestaat. Politiek en verkiezingen zijn lapmiddelen.” (vrouw, 43, musicus,
        hoger opgeleid, Amsterdam, interview)
        “Die gasten zitten eindeloos te ouwehoeren en dan komt de oppositie er ook
        nog eens overheen. Leidt tot stroperigheid. Zorgt ervoor dat dingen niet snel
        afgekaart kunnen worden.” (man, 28, consultant, hoger opgeleid, Amsterdam,
        interview)
        “Al het uitwisselen van meningen loopt op niets uit. Als mensen het er niet mee
        eens zijn moeten ze zich maar aanpassen.” (vrouw, 58, huisvrouw, lager opge-
        leid, Etten-Leur, interview)
104 / Vormen van democratie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 104 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 105 ======================================================================

<pre>        “Dat debatteren kost alleen maar geld.” (man, 61, VUT, lager opgeleid, Zundert,
        focus groep)
        “De Tweede Kamer mag voor mij de helft kleiner. Dan kunnen ze sneller beslis-
        singen maken.” (vrouw, 58, huisvrouw, lager opgeleid, Etten-Leur, interview)
2.3.4 Participatiebereidheid in politieke rollen
De participatiebereidheid in politieke rollen is beperkt. Dit blijkt uit het niet
stemmen. Respondenten staan ver weg van alles wat met politiek en in het ver-
lengde hiervan met democratie te maken heeft. Ze volgen de politiek niet, heb-
ben geen kennis van de verschillende partijprogramma’s en laten ook de op sta-
pel staande verkiezingen aan zich voorbij gaan. Hieraan liggen zoals besproken
verschillende motieven ten grondslag. Bijvoorbeeld een gebrek aan vertrouwen in
het politieke systeem. Anderen zien de politiek als circuit voor ‘net nieters’ en als
bureaucratisch en inefficiënt bolwerk.
Verder zijn veel (lager opgeleide) respondenten niet opgevoed in de traditie van
stemmen en in het nadenken over zaken die Nederland als geheel betreffen.
Alhoewel de motieven verschillen, zijn de gevolgen hetzelfde: respondenten hou-
den zich afzijdig van hun rol als kiezer. Ze willen in dit opzicht niet participeren
en zien dit ook niet als eigen verantwoordelijkheid.
De lage participatiebereidheid in politieke rollen blijkt verder uit de geringe be-
langstelling voor het mee- of nadenken over beleid en het gevoel overheidsbeleid
niet te kunnen beïnvloeden. Respondenten geven aan zich liever met hun eigen
wereld (man, vrouw, kinderen, gezin, carrière) bezig te houden.
        “Ik zou nooit iets met beleid doen, ook niet bij een zwemvereniging of wat dan
        ook. Anderen moeten maar zorgen dat het draaiende blijft.” (vrouw, 58, huis-
        vrouw, lager opgeleid, Etten-Leur, interview)
        “Misschien als ze met concretere punten mij proberen te trekken, dan kan er
        misschien meer betrokkenheid gekweekt worden. Ik heb er nu weinig gevoel
        mee. We zitten heel ver uit elkaar en mijn betrokkenheid bij de politiek staat
        toch al op een heel laag pitje. […] Ik voel totaal niet de behoefte…de roeping
        om iets te doen aan dingen waar ik het niet mee eens ben is bij mij in de verste
        verte niet aanwezig.” (man, 28, consultant, hoger opgeleid, Amsterdam, inter-
        view)
                                                                                 Bijlage 3 / 105
</pre>

====================================================================== Einde pagina 105 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 106 ======================================================================

<pre>Voor zover er belangstelling is voor het aanwenden van eigen politieke invloed,
wordt dit gezien als ondoenlijk en niet de moeite waard om energie in te steken.
Sommige respondenten willen op zich laten weten dat ze het ergens niet mee
eens zijn, maar zijn hier passief in. Zo zijn sommige respondenten uitgesproken
negatief over een initiatief als de ‘pedopartij’, maar doen respondenten hier in de
praktijk niets aan op eigen initiatief. Respondenten geven aan een petitie te wil-
len ondertekenen, maar alleen als er iemand voor langs de deuren komt. Hetzelf-
de geldt voor het meedenken over of betrokken zijn bij andere maatschappelijke
organisaties met als doel de maatschappij te veranderen.
        “Het is vechten tegen de bierkaai en in je eentje kun je geen verschil maken.”
        (vrouw, 31, manager evenementenbureau, hoger opgeleid, Amsterdam, focus
        groep)
        “Ik hou me bezig met mijn gezinnetje, ik kan de wereld toch niet veranderen.”
        (vrouw, 32, huisvrouw, lager opgeleid, Terheijden, focus groep)
        2.4 Rechten en plichten binnen de democratie
Deze paragraaf gaat in op de meningen over de rechten en plichten die volgens
de respondenten horen bij het leven in een democratie. Het blijkt dat veel res-
pondenten stellen dat rechten en plichten niet voor iedereen hetzelfde zijn. Ver-
der is het voor sommigen ook niet wenselijk dat iedereen gelijke rechten heeft.
2.4.1 Gelijkheid in de praktijk
Respondenten vinden dat het in een democratisch stelsel mogelijk is van het
gelijkheidsprincipe af te stappen terwijl rechten en plichten grondwettelijk zijn
vastgelegd. Respondenten vinden dat vooral zij hier de dupe van worden en voe-
len zich in hun rechten beperkt. Anderen staan in de weg van het bereiken van
hun doelen of zorgen ervoor dat door de volksvertegenwoordiging te weinig aan
hun belangen wordt gedacht. Het gaat dan van het financieel kunnen rondkomen
tot het krijgen van zes weken vakantie, ‘net als de Marokkanen’.
Rechten en plichten worden al heel snel naar de dagelijkse praktijk vertaald.
Zo stellen hoger opgeleide respondenten dat veel aandacht wordt gegeven aan
bijvoorbeeld mensen met psychische problemen, die zich de betutteling van de
overheid maar wat graag zouden laten aanmeten. Een respondent vertelt over
een bekende met Borderline, die mocht kiezen uit verschillende huizen en ook
106 / Vormen van democratie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 106 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 107 ======================================================================

<pre>een uitkering ontvangt. Deze respondent ervaart het als onterecht dat voor de
belangen van deze persoon wordt gezorgd, terwijl zij belasting betaalt en de per-
soon in kwestie met Borderline niet. Deze persoon wordt betiteld als profiteur.
Verder worden drugsverslaafden aangehaald die drugs krijgen terwijl responden-
ten zeggen overal voor te moeten werken.
Sommige van deze respondenten halen ook uit naar die allochtonen die vol-
gens hen extra steun krijgen van de overheid waar zij dit niet terecht vinden.
In dit kader vertelt een hoger opgeleide respondent dat ze niet begrijpt waarom
buitenlanders die in hun eigen land ook niet tot de upperclass behoorden, het
wel verdienen om geld te krijgen als ze zich in Nederland vestigen. De overheid
wordt in dit opzicht door sommigen te bemoeizuchtig en betuttelend gevonden.
Respondenten vinden dat de druk om aan plichten te voldoen (zoals belasting be-
talen) bij hen groter is dan bij andere groepen. Ook het feit dat er aandacht wordt
gegeven aan bijvoorbeeld allochtonen, uitkeringsgerechtigden, drugsverslaafden
en mensen met psychiatrische problemen staat veel respondenten tegen. Zo zien
hoger opgeleiden deze mensen in de weg staan van het realiseren van eigen doe-
len als bijvoorbeeld zelf een huis kunnen kopen.
         “Mensen die hier zitten (buitenlanders) krijgen te veel mogelijkheden, terwijl het
         gewoon de boeren van hun eigen land waren, zeker niet de upperclass. Waarom
         verdienen ze dit? En als je er wat van zegt wordt je meteen voor racist uitge-
         maakt. […] Dit soort mensen heeft geen plichten. Mensen kunnen prima werken
         maar waarom zouden ze? Ze krijgen een uitkering en hoeven niets te doen. Wij
         hebben alleen maar plichten.” (vrouw, 31, manager evenementenbureau, hoger
         opgeleid, Amsterdam, focus groep)
Lager opgeleide respondenten menen dat bepaalde groepen op alle fronten wor-
den voorgetrokken. Deze respondenten hebben het gevoel ‘als arbeider’ minder
te vertellen te hebben dan bijvoorbeeld rijke mensen, aan wier rechten veel
meer belang wordt gehecht, aldus de respondenten. Verder uiten ze hun onvrede
tegenover allochtonen of mensen met een uitkering waarvoor wel middelen be-
schikbaar zijn, terwijl ze zichzelf als groep zien die in de steek wordt gelaten. Ook
hier gaat het weer niet zozeer om de in de Grondwet geformuleerde rechten of
belangen, maar maken respondenten een vertaalslag naar hun dagelijkse prak-
tijk. Zo vindt een respondent het belachelijk dat kinderen wel vrij krijgen voor
het suikerfeest, maar dat haar kind niet een dagje vrij krijgt voor de Efteling. Deze
respondenten hebben het gevoel dat veel van waar zij tegenaan lopen, een re-
                                                                                 Bijlage 3 / 107
</pre>

====================================================================== Einde pagina 107 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 108 ======================================================================

<pre>sultante is van dat allochtonen voorgetrokken worden, zo blijkt uit onderstaande
citaten.
        “Buitenlanders worden ‘met alles’ voorgetrokken, terwijl ‘wij Hollanders’ alles
        zelf moeten doen.Voor hun ligt er wel een plan de campagne als ze een eigen
        zaakje willen starten.” (vrouw, 43, huisvrouw, lager opgeleid, Amsterdam, inter-
        view).
        “Die kinderen van die Polen uit het dorp zeggen later: waarom zou ik werken
        als ik zo een uitkering kan krijgen hier.” (vrouw, 32, huisvrouw, lager opgeleid,
        Terheijden, focus groep)
        “Ik heb het gevoel dat ik niks voor elkaar krijg. Marokkanen en Turken met
        problemen thuis worden zo aan een woning geholpen en als je een Turkse les-
        bienne bent wordt je zo aangenomen.” (man, 46, marktmeester, lager opgeleid,
        Amsterdam, focus groep)
        “Er werd laatst ook gratis fietsles voor allochtonen gegeven. Mijn buurvrouw
        [autochtoon] meldde zich aan maar die moest betalen. Wie bedenkt dit soort
        regels? Die regering hier is achterlijk.” (vrouw, 37, organiseert kinderfeestjes,
        lager opgeleid, Amsterdam, focus groep)
        “De overbemoeizucht van de overheid. Hoe ze bepaalde groepen naar voren druk-
        ken dat die betutteld moeten worden. Ik vind het belachelijk dat wij moeten inte-
        greren. Waarom moeten er moskeeën gebouwd worden? Ik heb les gegeven op een
        islamitische school. Ik ben daar weggepest. Dat was een door de staat gefinancier-
        de school. Dat moeten wij accepteren, omdat we een tolerant volk zijn. We zijn te
        tolerant.” (vrouw, 35, personeelsmanager, hoger opgeleid, Amsterdam, focus groep)
        “Ze zijn nu over het paard getild. Ze moeten veel strenger tegen ze zijn. Geen
        werk, eruit. Wij hebben ook altijd hard gewerkt.” (vrouw, 48, WAO, Terheijden,
        lager opgeleid, interview)
        “Ik krijg mijn geld ook niet aangewaaid.” (vrouw, 37, organiseert kinderfeestjes,
        lager opgeleid, Amsterdam, focus groep)
        “Zijn hun (allochtonen) meer dan ik?” (vrouw, 51, receptioniste, lager opgeleid,
        Amsterdam, focus groep)
108 / Vormen van democratie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 108 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 109 ======================================================================

<pre>        “Wij zijn als Nederlanders geen interessante doelgroep meer voor Den Haag.”
        (man, 54, technisch medewerker, lager opgeleid, Amsterdam, focus groep)
        “Ze willen in Den Haag dat wij als lagere economische klasse op elkaar gaan
        afgeven.” (man, 36, heftruckchauffeur, lager opgeleid, Amsterdam, focus groep)
        “Niet iedereen heeft dezelfde rechten en plichten. Zoals die bonus. Een meneer
        die het voor ons weet, hoeft niet in Amsterdam te wonen en van 1000 euro rond
        te komen. Als ik iets vind, dan vind ik dat. Iedereen moet kunnen zeggen wat
        íe vind. Bij sommige volken zeg je, die kunnen chillen zeg, dat moet kunnen.
        Als je om je heen kijkt denk je, het gaat alleen om poen, en de burger is de lul.
        Mensen met een pensioentje worden onderuit geschopt. Die mensen hebben zich
        helemaal de tering gewerkt en zijn dan of ziek, of ze hebben de regeltjes weer
        veranderd.” (vrouw, 34, medewerker postverwerking TPG, lager opgeleid, Am-
        sterdam, interview)
Bij vooral hoger opgeleiden is nog een ander geluid te horen. Zij zien in de de-
mocratie een gevaar dat bepaalde rechten niet gewaarborgd zijn en dat machts-
misbruik in een democratisch stelsel mogelijk is. Zo kan het zijn dat de stem van
de meerderheid de rechten van de minderheid schaadt. Of wat te denken van
de overtuiging bij sommigen dat in het democratisch systeem er niet in wordt
voorzien dat iedereen dezelfde handvatten en middelen heeft. Zo kunnen rijken
meer gebruik maken van en hebben ze beter toegang tot goede boekhouders en
de beste advocaten. De macht is met andere woorden in hun ogen niet eerlijk
verdeeld. Niet iedereen heeft dezelfde mogelijkheden om macht uit te oefenen en
daarnaast de vaardigheden om van de bestaande mogelijkheden gebruik te ma-
ken, aldus sommige respondenten.
        “Het systeem klinkt op papier prachtig, maar de mensheid kan de democratie
        niet aan. In een democratie is kapitalistisch machtsmisbruik mogelijk: moge-
        lijkheid om het voor jezelf onevenredig veel beter te maken dan voor anderen,
        bijvoorbeeld door te bepalen dat je 5 ton salaris krijgt of dat een huisjesmelker
        zijn huurder uitbuit door een enorme huurverhoging door te voeren. Bepaalde
        belangen zijn daardoor niet of ondervertegenwoordigd en mensen kunnen de
        democratie ontwijken om te krijgen wat ze willen. Ik ben voorstander van een
        anarchie want daar zijn geen machthebbers.” (vrouw, 34, musicus, hoger opge-
        leid, Amsterdam, interview)
                                                                                  Bijlage 3 / 109
</pre>

====================================================================== Einde pagina 109 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 110 ======================================================================

<pre>        “Een crimineel kan zo een dure advocaat betalen terwijl ik krom lig voor een
        gewone advocaat.” (man, 60, spoormaker, lager opgeleid, Amsterdam, interview)
2.4.2 Beknotting van rechten
Naast de vraag of iedereen in de praktijk gelijke rechten en plichten heeft, rijst de
vraag of rechten en plichten inderdaad voor iedereen gelijk zouden moeten zijn.
Sommige respondenten geven aan van niet. Hoger opgeleide respondenten me-
nen dat veel mensen zogezegd ‘te dom zijn’ om zich een gefundeerd oordeel te
vormen, bijvoorbeeld over de keuze van een partij of het uiten van een mening in
een referendum. Deze respondenten vinden het wenselijk dat sommige mensen
zich onthouden of onthouden worden van hun kiesrecht. Zo is een enge conse-
quentie van dat iedereen kiesrecht heeft, dat gestemd wordt op (onwenselijke)
populistische partijen die zo een stem krijgen. Ook stellen de hoger opgeleide
respondenten dat het eigenlijk zo zou moeten zijn dat je pas rechten hebt als je
meedraait in de maatschappij. Concreet betekent dit volgens hen dat ‘je een baan
hebt en een economische bijdrage levert’.
        “Je mag alleen rechten hebben als je meedraait in de maatschappij: goede oplei-
        ding en je niet te veel onderscheiden van de Nederlandse maatschappij. Je hebt
        alleen rechten als je aan bepaalde plichten voldoet.” (man, 60, spoormaker, lager
        opgeleid, Amsterdam, interview)
        “Ja, is het wel verstandig dat iedereen mag stemmen. Naar mijn mening mogen
        bepaalde groepen in Nederland niet stemmen. Sommige mensen vind ik niet
        echt intelligent genoeg om te stemmen. Denk aan mensen die te lui zijn om te
        werken. Het merendeel vindt het lekker makkelijk. Dat mag dan meestemmen.
        Dat klopt niet.” (vrouw, 35, personeelsmanager, hoger opgeleid, Amsterdam,
        focus groep)
        “Parlementaire democratie gaat uit van een volksvertegenwoordiging waar
        iedereen mag stemmen: sommige mensen zijn te dom om te stemmen maar heb-
        ben wel een gelijke stem. Enge consequentie van stemrecht is dat partij voor de
        dieren zomaar ineens 8 zetels kan krijgen omdat debielen erop stemmen.” (man,
        33, trainer/coach, hoger opgeleid, Amsterdam, interview)
Lager opgeleide respondenten uiten zich vooral over het kiesrecht van alloch-
tonen. Deze respondenten, vooral de Amsterdammers vinden dat allochtonen
zich niet met de politiek moeten kunnen bemoeien, ook al zijn ze in Nederland
110 / Vormen van democratie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 110 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 111 ======================================================================

<pre>geboren of genaturaliseerd tot Nederlander. Hoe meer moslims er in Nederland
komen of geboren worden die stemrecht krijgen, hoe groter hun stem wordt, al-
dus de respondenten. Respondenten spreken hun angst uit voor het islamitische
geloof en vinden het niet wenselijk dat zij een grotere stem hebben of krijgen.
Verder wordt gesteld (door zowel hoger als lager opgeleide respondenten) dat al-
lochtonen zich eerst moeten aanpassen, voordat zij rechten verdienen.
        “Buitenlanders moeten eerst Nederlands kunnen spreken en schrijven en wer-
        ken, dan kunnen we gaan nadenken over rechten en plichten.” (vrouw, 43, huis-
        vrouw, lager opgeleid, Amsterdam, interview)
        “Mensen uit het buitenland horen zich niet met de politiek te kunnen bemoeien,
        ze komen hier niet vandaan en ze mogen nooit stemrecht krijgen, vanwege die
        geloofsovertuiging. Die islam is verkeerd. Ze mogen hier leven, werken, geld
        verdienen en uitgeven en kinderen maken maar ze mogen niet stemmen. Dan
        heb ik over een paar jaar niets meer in te brengen. Ik ben bang in de toekomst
        niets meer te zeggen te hebben omdat buitenlanders er maar raak op fokken en
        vanzelf in de meerderheid komen.” (vrouw, 43, huisvrouw, lager opgeleid, Am-
        sterdam, interview)
        2.5 Omgaan met en tolerantie voor verschillen binnen de democratie
Deze paragraaf gaat in op de omgang met en de tolerantie voor verschillen bin-
nen de democratie. Eerst gaan we in op het tolerantieniveau in het algemeen.
Daarna wordt ingegaan op het recht op vrijheid van meningsuiting en de toleran-
tie voor uitkomsten van andermans vrijheid van meningsuiting.
2.5.1 Tolerantieniveau in het algemeen
Veel respondenten, vooral lager opgeleide respondenten, vinden dat Nederland te
tolerant is. Dit wordt veelal gerelateerd aan de moslimgemeenschap. Responden-
ten uiten hun angst voor het islamitische geloof. Respondenten geven aan bang
te zijn dat de moslims het voor het zeggen krijgen en de westerse waarden aan-
tasten. Wat die westerse waarden precies zijn vinden ze moeilijk te benoemen.
Vooral de respondenten uit Amsterdam hebben het gevoel dat er te soepel met de
gebruiken van moslims wordt omgegaan, terwijl volgens hen dus de Nederlandse
normen en waarden beschermd zouden moeten worden. Respondenten vinden
dat allochtonen zich te weinig aanpassen en dat Nederland zich te soft opstelt
naar allochtonen toe. Ze zijn het bijvoorbeeld niet eens met de bouw van mos-
                                                                                Bijlage 3 / 111
</pre>

====================================================================== Einde pagina 111 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 112 ======================================================================

<pre>keeën en de oprichting van islamitische scholen. Respondenten uit de omgeving
van Breda richten zich hiernaast (en vooral) op mensen uit Polen. Ook het begrip
en de tolerantie voor mensen met een uitkering is vrij laag onder sommige hoog
opgeleide respondenten.
Er zijn ook respondenten die stellen zich wel thuis te voelen in Nederland, maar
vinden dat de balans tussen Nederlanders en allochtonen wel in de gaten moet
worden gehouden. Een ander stelt dat het ook met jezelf te maken kan hebben
dat je je niet thuis voelt in de samenleving en dat ervoor uitgekeken moet wor-
den meteen met de vinger naar anderen te wijzen.
        “Nederland is een te tolerant land. Wij tolereren te veel. Als wij in het buitenland
        zijn moeten we ons ook aanpassen. Waarom moet ik in eigen land bang zijn
        voor Marokkanen?” (vrouw, 35, personeelsmanager, hoger opgeleid, Amsterdam,
        focus groep)
        “We zijn allemaal bang voor moslims: we hebben hier westerse waarden en het
        kan niet zo zijn dat de islam dit overneemt. Ik ben bang dat de moslims meer te
        zeggen krijgen en ik vind niet dat we hier een oosterse cultuur moeten krijgen.”
        (vrouw, 43, huisvrouw, lager opgeleid, Etten-Leur, focus groep)
        “Polen komen het werk weghalen omdat zij wel bereid zijn om 16 uur per dag
        te werken. Nederland is er nu vooral voor de buitenlanders. Als ze straks mogen
        stemmen zijn we de controle kwijt. Als ze een grote partij krijgen hebben zij het
        voor het zeggen.” (man, 42, postbode, lager opgeleid, Oosterhout, interview)
        “Over een paar jaar hebben we geen flikker meer in te brengen. Dan moeten wij
        naar de regels van buitenlanders gaan leven omdat er zoveel zijn want ze fok-
        ken allemaal maar raak.” (vrouw, 43, huisvrouw, lager opgeleid, Amsterdam,
        interview)
        “Die buitenlanders lopen erbij alsof we in het jaar 1300 leven. Dat hoort toch
        niet in Nederland? […] Ik vind het van de gekke dat in een calvinistisch christe-
        lijk land 400 moskeën staan. Wie heeft dat bedacht, ik voel me niet meer veilig.
        Ik voel me een vreemde in mijn eigen land.” (man, 54, technisch medewerker,
        lager opgeleid, Amsterdam, focus groep)
        “Ze zouden buitenlanders niet meer in Nederland moeten laten en alles wat iets
        uitgevreten heeft terugdeporteren naar eigen land.” (vrouw, 43, huisvrouw, lager
        opgeleid, Amsterdam, interview)
112 / Vormen van democratie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 112 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 113 ======================================================================

<pre>2.5.2 Vrijheid van meningsuiting
Bij het praten over vrijheid van meningsuiting zijn verschillende aspecten aan
bod gekomen. Bijvoorbeeld de eigen vrijheid van meningsuiting, maar ook de
vrijheid van anderen. Hoe moet worden omgegaan met andersdenkenden, bij-
voorbeeld een minderheid die het niet eens is met een meerderheid en dit ook
duidelijk laat blijken (bijvoorbeeld door middel van demonstraties). En hoe moet
worden omgegaan met andersdenkenden die democratische idealen niet onder-
schrijven?
In het algemeen stellen respondenten de vrijheid van meningsuiting een groot
goed te vinden. Iedereen moet zijn of haar zegje kunnen doen en in principe
moeten mensen vrij zijn te kunnen zeggen wat ze willen zeggen. Mensen moeten
open kunnen zeggen hoe ze in het leven staan.
Dat vrijheid van meningsuiting een groot goed is, blijkt ook uit het feit dat veel
respondenten vrijheid in het algemeen of de vrijheid van meningsuiting als eer-
ste noemen in het praten over de democratie.
        “Iedereen mag zijn mening geven! [...] Iedereen zou dat moeten kunnen
        doen.” (man, 46, verpakker, lager opgeleid, Amsterdam, interview)
        “Positief aan de democratie is dat je je eigen mening kunt laten horen.” ( vrouw,
        32, schoonmaakster/postbode, lager opgeleid, Amsterdam, focus groep)
        “Niemand is gelijk aan elkaar en dat moet geaccepteerd worden. Als iemand
        tomatensoep wil moet hij dat kunnen zeggen en dan moet je niet zeggen dat ie
        alleen kippensoep mag eten.” ( vrouw, 33, assistent, hoger opgeleid, Amsterdam,
        interview)
Volgens de respondenten wijst de praktijk echter uit dat de vrijheid van me-
ningsuiting onder druk staat. Respondenten ervaren zelf dat je ‘op je woorden
moet letten’ en dat ‘je je woorden tegenwoordig op een weegschaaltje moet leg-
gen’. Het is duidelijk dat respondenten zich beknot voelen in hun uitingsvrijheid.
Dit wordt gevoed door dreiging van extremisten, maar ook door bijvoorbeeld de
moord op Theo van Gogh of de reacties van moslims op de Deense spotprenten
van de profeet Mohammed.
        “Je mag het denken maar niet zeggen, anders word je bedreigd of andersoortige
        nare dingen. Als je iets over Mohammed zegt dan kun je het ergste verwach-
                                                                                 Bijlage 3 / 113
</pre>

====================================================================== Einde pagina 113 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 114 ======================================================================

<pre>         ten...als je ze in hun religie beledigt.” (man, 60, spoormaker, lager opgeleid,
         Amsterdam, interview)
         “Ik heb als Amsterdammer het hart op de tong liggen, maar tegenwoordig moet
         je je woorden op een weegschaal leggen. Waar zijn we dan mee bezig!” (man,
         48, buschauffeur, lager opgeleid, Amsterdam, interview)
         “Je mag tegenwoordig niks meer zeggen. Je mag geen eerlijke kritiek geven op
         allochtonen want ze noemen het dan meteen discriminatie.” (vrouw, 48, WAO,
         lager opgeleid, Terheijden, interview)
Op de vraag of er grenzen moeten worden gesteld aan vrijheid van meningsui-
ting, wordt vrijwel unaniem gesteld dat mensen elkaar niet moedwillig moeten
kwetsen omwille van hun vrijheid van meningsuiting. In die zin is er een grens.
Mensen moeten elkaar in hun waarde laten, zo wordt gesteld. Waar die grens
ligt, vinden respondenten moeilijk te beantwoorden. Respondenten spreken over
goed fatsoen, of over dat je zelf wel weet waar die grens ligt. Echter, de vraag wat
er moet gebeuren als die grens voor iedereen ergens anders ligt, is moeilijk te
beantwoorden. In dit licht wordt er door sommige respondenten gezegd dat de
verdraagzaamheid of grens van moslimgroeperingen wereldwijd erg laag ligt, ge-
tuige de reacties die vanuit deze gemeenschap zijn gekomen op de spotprenten
van de profeet Mohammed.
         “Vrijheid van meningsuiting is goed tot op het moment dat het tegen de realiteit
         ingaat of als je andere mensen kwetst.” (vrouw, 31, receptioniste, lager opgeleid,
         Amsterdam)
         “Voor de moslimcultuur is de grens wel heel snel bereikt…we hebben het over
         een rottekeningetje in de krant en er breekt zowat weer een wereldoorlog uit!”
         (man, 25, chauffeur, lager opgeleid, Terheijden, focus groep)
Alhoewel er kritiek is op de als laag gepercipieerde verdraagzaamheid van bij-
voorbeeld moslims naar andersdenkenden toe blijken respondenten (wellicht
mede hierdoor) ook niet verdraagzaam naar specifiek moslims toe. Vooral lager
opgeleide respondenten niet. Het accepteren dat sommige mensen een andere
levensstijl hebben blijkt soms moeilijk. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de beperkte ac-
ceptatie van mensen met een specifieke geloofsovertuiging (moslims) en de be-
perkte acceptatie van mensen die er in de woorden van sommige hoog opgeleide
114 / Vormen van democratie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 114 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 115 ======================================================================

<pre>respondenten voor kiezen een uitkering te trekken. Verder blijkt dit uit de wens
bepaalde rechten van mensen in te perken zoals al eerder is besproken, maar ook
uit de overtuiging van sommige respondenten dat bijvoorbeeld allochtonen zich
aan moeten passen aan Nederland en zo niet, Nederland moeten verlaten. Het
gaat dan om het aanleren van de taal, maar ook om het accepteren dat in Neder-
land de christelijke feestdagen leidend zijn en niet de islamitische of de wens om
aan de bouw van moskeeën grenzen te stellen.
De minderheid dient zich met andere woorden aan te passen aan de meerder-
heid. Het respecteren van hun belangen lijkt op een tweede plaats te staan. Dit
geldt in het bijzonder voor mensen die de zogenoemde democratische idealen
niet onderschrijven, zoals moslims (in de ogen van de respondenten), maar ook
rechts extremisten en initiatieven als de ‘pedo-partij’.
Verder vertellen respondenten dat het ook belangrijk is hoe groot de groep an-
dersdenkenden is in relatie tot het rekening houden met hun belangen. Naar-
mate de groep andersdenkenden groter is, dient er ook meer rekening te worden
gehouden met hun standpunten of moet er gestreefd worden naar een compro-
mis, zo wordt gesteld. Echter, respondenten blijken selectief in om wiens belan-
gen het gaat. Als het gaat om allochtonen zijn veel respondenten minder flexibel.
Dan overheerst de gedachte van aanpassen en ‘pech hebben’ boven de gedachte
dat met een ieders belang rekening moet worden gehouden.
Kanttekening bij het bovenstaande is dat er zeker respondenten zijn die vinden
dat men in Nederland doorslaat naar het toedichten van negatieve eigenschap-
pen aan allochtonen en dat het erg is te denken dat iedereen extremistisch is. Zij
pleiten ervoor beter na te denken en ieder mens op wat hij of zij is te beoordelen.
Zo wordt ook wel gesteld dat Theo van Gogh te ver ging in het neerzetten van een
hele religie.
        “Niemand had het recht om Theo van Gogh neer te steken…maar dan moest hij
        maar niet van alles roepen en zeggen!” (vrouw, 43, huisvrouw, lager opgeleid,
        Etten-Leur, focus groep)
        “Geef buitenlanders geen macht. Er mag gepraat worden, gediscussieerd wor-
        den, maar geef ze niet de stok in handen waarmee ze kunnen slaan.” (vrouw, 43,
        huisvrouw, lager opgeleid, Amsterdam, interview)
                                                                              Bijlage 3 / 115
</pre>

====================================================================== Einde pagina 115 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 116 ======================================================================

<pre>        “Rechts extremisten die mogen demonstreren, oppakken allemaal die handel.”
        (man, 28, consultant, hoger opgeleid, Amsterdam)
        “De mening van de minderheid heeft verloren. Met hun standpunt hoef je geen
        rekening te houden, want ze hebben verloren.” (man, 42, postbode, lager opge-
        leid, Oosterhout, interview)
116 / Vormen van democratie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 116 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 117 ======================================================================

<pre>3. Steun voor democratie en democratische
waarden: allochtonen
Dit hoofdstuk bespreekt de steun voor democratie en democratische waarden
onder een aantal niet-westerse allochtone Nederlanders ten aanzien van demo-
cratie en democratische waarden. Omdat de onderzoeksopzet dermate verschilde
van de gesprekken met de autochtone Nederlandse respondenten, is ervoor ge-
kozen over deze groep apart te rapporteren.
De opbouw van dit hoofdstuk is als volgt:
•       Eerst wordt een algemeen referentiekader gegeven over hoe respondenten
        in de samenleving staan en welke ontwikkelingen in de maatschappij zij
        waarnemen.
•       Vervolgens wordt ingegaan op hoe het begrip democratie wordt ingevuld
        en in welke termen (en hoe) zij over de democratie praten en denken.
•       Tot slot worden opvattingen omtrent de benoemde democratische waar-
        den specifiek benoemd en verklaard.
        3.1 Deelname aan de samenleving
Er is gesproken met vier personen behorend tot de eerste generatie niet-westerse
allochtonen van Turkse en Marokkaanse afkomst. Deze interviews zijn gevoerd
met behulp van een begeleider die – waar nodig – de vragen vertaalde en als tolk
optrad. Tevens is met vier personen gesproken behorend tot de tweede generatie
niet-westerse allochtonen, eveneens van Turkse en Marokkaanse komaf.
Deze paragraaf gaat in op de achtergronden en dagelijkse praktijk van de respon-
denten, de gevoelens over de samenleving en de bereidheid zich in te zetten voor
anderen en maatschappelijke doelen.
3.1.1 Achtergronden en de dagelijkse praktijk
Een groot verschil tussen eerste en tweede generatie respondenten is hun mi-
gratiegeschiedenis en de daarmee gepaard gaande inbedding in de Nederlandse
                                                                      Bijlage 3 / 117
</pre>

====================================================================== Einde pagina 117 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 118 ======================================================================

<pre>samenleving. Daar waar de eerste generatie is opgegroeid in het land van her-
komst en vervolgens eind zestiger/begin zeventiger jaren naar Nederland is geko-
men om te gaan werken of zich bij het gezin te voegen, is de tweede generatie op
zeer jonge leeftijd naar Nederland gekomen of in Nederland geboren. De tweede
generatie is met andere woorden opgegroeid in Nederland, naar school gegaan en
heeft alhier vervolgopleidingen gevolgd, werk gevonden en een gezin gesticht.
Voor de eerste generatie geldt dat zij in hun werkzame leven vooral zijn bezig
geweest met werk en de zorg voor hun gezin. Destijds waren er geen inburge-
ringprogramma’s voor mensen die zich in Nederland vestigden. Men kreeg een
korte cursus om het werk te kunnen doen waarvoor men naar Nederland was
gekomen, meer omvattend was de introductie met Nederlandse gewoonten en
leefregels niet. Een cursus Nederlands hoorde er ook niet bij. Uit de gesprekken
komt een beeld naar voren van mensen die een vrij geïsoleerd bestaan leidden en
leiden. Sociale contacten zijn beperkt gebleven tot de eigen groep. Men geeft zelf
ook aan dat de slechte beheersing van de Nederlandse taal een belangrijke drem-
pel vormde en nog steeds vormt om contact te hebben met autochtone Neder-
landers. Een heel vluchtig/oppervlakkig gesprek is mogelijk, maar verder gaat het
niet. De meeste gesprekken met anderen buitenshuis vinden plaats met mensen
die naar dezelfde moskee gaan, of waarover veel mannelijke respondenten in de
verleden tijd praten, in het koffiehuis.
Opvallend is verder dat de eerste generatie aangeeft eigenlijk wel terug te willen
naar het land van herkomst, overigens zonder daar heel concreet mee bezig te
zijn. Kinderen en kleinkinderen zijn in Nederland en daarmee een belangrijke
bindende factor om hier te blijven. Het geeft echter wel aan dat de oriëntatie
op het land van herkomst nog actueel is. De respondenten ervaren een beperkt
gevoel van binding met Nederland, alhoewel men zich ook niet meer helemaal
thuis voelt in het land van herkomst. Respondenten vertellen dat ze zich buiten-
lander voelen in Nederland, maar ook in het land van herkomst.
        “In Nederland voel ik me een buitenlander, maar in Marokko voel ik me ook een
        buitenlander.” (Marokkaanse man, 61 jaar, WAO)
        “Ik ben hier buitenlander en daar buitenlander. Niemand zegt het, maar ik voel
        het wel. Voel me niet helemaal meer thuis in Turkije.” (Turkse man, 60 jaar,
        werkeloos lasser)
        “Ik ga vooral met Turkse mensen om. Met de (Nederlandse) buren is het ‘goede-
        morgen/goedemiddag’.” (Turkse vrouw, 58 jaar, huisvrouw).
118 / Vormen van democratie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 118 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 119 ======================================================================

<pre>De tweede generatie respondenten hebben geen problemen met de Nederlandse
taal. Zij hebben allen werk, een partner (afkomstig uit de eigen groep) en het me-
rendeel van hen heeft ook al kinderen. De tweede generatie staat midden in het
werkzame leven en is druk doende een bestaan op te bouwen, dit in tegenstelling
tot de eerste generatie die veeleer aan het afbouwen is. Men wil graag een goede
toekomst voor de kinderen en benadrukt het belang van materiële welvaart en
goede opleiding als toegangssleutels tot de samenleving. Toch geven ook zij aan
dat sociale contacten zich vooral concentreren op de eigen groep. Op het werk
hebben ze wel contact met Nederlandse collega’s, maar vriendschappen lijken
er niet zozeer uit te ontstaan. De levensfase waarin zij zich bevinden, houdt ove-
rigens ook in dat er niet veel tijd is voor sociale contacten; deze beperken zich
veelal tot de familie en het tijd vrijmaken voor het eigen gezin, de kinderen.
         “Ik ga niet bij Nederlanders op de koffie. Op school bij het ophalen staan alle
         Turkse moeders bij elkaar, alle Marokkaanse moeders en alle Nederlandse moe-
         ders. Wij praten dan Turks met elkaar.” (Turkse vrouw, 37 jaar, huisvrouw)
         “Ik heb nu een vrouw. Dat heeft een hoop veranderd. Ik heb twee goede zwagers,
         ben nu eerder met de familie samen.” (Turkse man, 27 jaar, beveiligingsmede-
         werker)
In het kader van problemen die spelen, wordt het slechte economisch klimaat
van de afgelopen jaren aangehaald. Dit heeft zeker voor een aantal eerste ge-
neratie respondenten tot gevolg gehad dat hun bestedingsruimte aanzienlijk is
ingeperkt, hetzij door korting op uitkeringen, hetzij door ontslag vanwege reor-
ganisaties. Ook wordt gesteld dat het leven veel duurder is geworden onder meer
door de invoering van de euro. Maar ook zijn er regelingen in werking getreden
die de bestedingsruimte verder nadelig hebben beïnvloed zoals het nieuwe ziek-
tekostenstelsel.
Het isoleert sommige eerste generatie allochtonen aanzienlijk, bijvoorbeeld om-
dat er geen geld is om naar het koffiehuis te gaan. Respondenten voelen zich aan
handen en voeten gebonden en zeggen er ook niet meer op uit te kunnen gaan,
omdat tram of treinkaartjes te duur zijn, of er wordt gesteld dat men een aan-
zienlijk deel van de dag bezig is met het uitzoeken van waar levensmiddelen het
goedkoopst (en lopend) kunnen worden ingeslagen. De tweede generatie respon-
denten lijken minder getroffen te zijn door de slechter wordende economie; in
ieder geval zijn ze daarover minder negatief gestemd.
                                                                                  Bijlage 3 / 119
</pre>

====================================================================== Einde pagina 119 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 120 ======================================================================

<pre>3.1.2 Gevoelens over de samenleving
Het leven in Nederland is volgens alle respondenten veranderd de laatste jaren.
In lijn met de autochtone respondenten geven de respondenten aan dat het leven
in Amsterdam is veranderd. Het is drukker geworden, de sfeer is veranderd. Ook
ervaren ze een groter gevoel van onveiligheid. Mensen reageren sneller agres-
sief. Een aantal respondenten geeft ook aan niet meer zo snel de eigen mening te
ventileren uit angst voor de mogelijke reacties. Als voorbeeld wordt een incident
aangehaald waarbij vanwege een parkeerruzie een man is neergestoken. Dat is
illustratief voor de stemming in de stad volgens sommigen.
Opvallend hierbij is dat een paar respondenten aangeven dat ze vinden dat inci-
denten met enkele Marokkaanse Nederlanders een enorme impact hebben op de
wijze waarop tegen islamieten en allochtonen wordt aangekeken. Zij voelen zich
min of meer gestraft voor de daden van extremisten zoals de moordenaar van
Theo van Gogh en Samir A. Het dragen van een hoofddoek was voor de aanslagen
van 11 september niet echt een probleem, maar daar wordt sindsdien veel feller
op gereageerd, vertelt een vrouw. De hele houding ten opzichte van allochtonen
en islamieten is negatiever geworden. Dit wordt betreurd. Sommige responden-
ten spreken ook over een toenemend bedreigend klimaat om hun geloof te belij-
den en hebben moeite hiermee.
Een paar respondenten geven aan dat het belangrijk is eerst naar jezelf te kijken
voordat je op- en aanmerkingen hebt op anderen. Dit wordt hen door het geloof
ingegeven. De allochtone respondenten blijken gereserveerder te zijn dan de
autochtone respondenten in het praten over andersdenkenden, alhoewel wordt
uitgehaald naar mensen die het belijden van hun geloofsovertuiging en de uit-
drukking hiervan (hoofddoek bijvoorbeeld) afkeuren. Sommigen voelen zich in
hun vrijheid van godsdienst beperkt. Alhoewel men positief is over de vrijheid
van godsdienst in de democratie, vertelt een respondent dat – als zij haar ideale
wereld beschrijft – ze het liefst in een islamitische staat zou leven waar de sharia
wordt aangehangen, overigens zonder zich hier actief voor in te zetten (het is
meer een wens).
Verder wordt door een paar respondenten aangegeven dat er in Amsterdam spra-
ke lijkt te zijn van gettovorming, waarbij Amsterdam West het stadsdeel is van de
Marokkanen, Amsterdam Zuid-Oost/Noord van de Surinamers en Antillianen en
Amsterdam-Oost van de Turken. Het wordt gesignaleerd en zij vinden het geen
goede zaak omdat het de sfeer in de stad in negatieve zin beïnvloedt volgens
120 / Vormen van democratie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 120 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 121 ======================================================================

<pre>hen. Zo spreekt een oudere Marokkaanse respondent over een toenemend aantal
hangjongeren in de buurt die elkaar dwarszitten en irriteren wat allerlei nega-
tieve ontwikkelingen tot gevolg heeft, zoals pesterijen maar ook agressie en into-
lerantie tussen de verschillende bevolkingsgroepen onderling. Deze respondent
ziet deze ontwikkeling met lede ogen aan en ziet zich machteloos staan in het
tegengaan van deze ontwikkeling. Het heeft ook op andere vlakken consequen-
ties, die betrekking hebben op de eigen integratiemogelijkheden. Zo wil een Turk-
se man als hij kinderen krijgt hen graag naar een gemengde school laten gaan en
niet dat ze naar een ‘zwarte’ school moeten omdat hij het van belang vindt dat
zijn kinderen tezamen met Nederlandse kinderen opgroeien.
Ter illustratie: een Marokkaanse vader uit de eerste generatie vertelt dat hij hele-
maal niet wist wat een ‘zwarte’ school inhield, dat hij daar pas achterkwam toen
hij klaagde dat er steeds minder Nederlandse kinderen zaten op de school van
zijn kinderen.
         “Mohammed B was een individuele actie, maar wij (zelf Marokkaanse) worden
         er allemaal op afgerekend. Alsof wij allemaal Mohammed B zijn.” (Marokkaanse
         vrouw, 30 jaar, thuiszorgmedewerker)
         “Negatief van die gettovorming is dat je niet meer diverse culturen met elkaar
         hebt, die met elkaar overweg kunnen.” (Turkse man, 27 jaar, beveiligingsmede-
         werker)
         “De sfeer is totaal anders geworden dan tien jaar geleden. Die is gewoon heel
         slecht geworden. Je merkt gewoon dat je je op momenten moet inhouden, dat je
         twee keer gaat nadenken voordat je je uit over bepaalde dingen.” (Marokkaanse
         man, 28 jaar, administratief medewerker)
3.1.3 Bereidheid tot persoonlijke inzet voor anderen/maatschappelijke doelen
De bereidheid zich in te zetten is beperkt. Nu is het niet zo dat men zich volstrekt
afzijdig houdt van de maatschappij of dat men niet bereid zou zijn om iets voor
anderen of maatschappelijke doelen te doen. Er wordt aangegeven dat het tot
één van de standaardregels van het geloof behoort dat je een ander moet helpen
waar je kunt. Dit houdt voor de meeste respondenten in dat zij zich inzetten voor
en ook verantwoordelijk voelen voor het eigen gezin, de familie en verdere di-
recte omgeving. Echter, activiteiten die verder reiken dan de directe sociale omge-
ving liggen moeilijker. Ze geven aan met bewondering te zien dat anderen actief
                                                                                Bijlage 3 / 121
</pre>

====================================================================== Einde pagina 121 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 122 ======================================================================

<pre>zijn in vrijwilligerswerk, maar komen daar zelf niet zo snel aan toe.
Dit heeft enerzijds te maken met een gebrek aan tijd voor de jongeren, ander-
zijds met een gebrek aan Nederlandse taalbeheersing voor de ouderen. Onder de
eerste generatie respondenten is echter ook een man die weliswaar heel slecht
Nederlands spreekt, maar wel actief is als vader op het schoolplein, in de functie
van ‘buurtvader’.
En onder de tweede generatie respondenten is een vrouw die in de grote vakantie
helpt met activiteiten in het buurthuis. Het is dus niet zo dat men helemaal niet
bereid is, maar dat het ‘gewone’ leven ook veel tijd en aandacht vraagt. Een res-
pondent stelt als voorwaarde bij vrijwilligerswerk dat het geen verplichtend ka-
rakter moet krijgen omdat men al aan veel andere verplichtingen moet voldoen,
zoals in onderstaand citaat wordt weergegeven.
        “Ik zou het niet willen en kunnen. Ik heb twee banen. Ik heb al geen denderend
        salaris en het leven wordt al duurder. Ik ben gebroken als ik thuis ben en de
        energie die ik dan nog heb hou ik over voor mijn vrouw.” (Turkse man, 27 jaar,
        beveiligingsmedewerker)
        3.2 Basishouding ten aanzien van democratie
Wat verstaat men onder een democratie en hoe staat men tegenover het leven in
een democratisch land als Nederland? Het begrip over wat een democratie in-
houdt, verschilt nogal. Enkele respondenten kunnen zich er niets bij voorstellen,
voor anderen heeft de democratie vooral te maken met vrijheid van meningsui-
ting, de vrijheid om te gaan en te staan waar je wilt. Dit laatste wordt soms door
de vrouwen in het gezelschap aangeduid als de mogelijkheid voor vrouwen om te
gaan studeren en werken, een rijbewijs te halen.
Dit in tegenstelling tot sommige landen waar vrouwen in hun vrijheid worden
beknot. Het is duidelijk dat de jongeren een veel gearticuleerder beeld van demo-
cratie hebben dan de ouderen. Door hen wordt democratie behalve aan vrijheid
ook wel gekoppeld aan het recht om te stemmen, de doorslaggevende stem van
de meerderheid.
        “Het is in principe gewoon doen wat de meerderheid zegt, doen waar de meer-
        derheid voor staat.” (Marokkaanse man, 28 jaar, financieel medewerker)
122 / Vormen van democratie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 122 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 123 ======================================================================

<pre>         “Praten met elkaar…vrijheid van meningsuiting, je kan makkelijk dingen zeg-
         gen, dat is geen probleem hier.” (Turkse man, 60 jaar, werkloos lasser)
Er wordt op zich positief gesproken over het kunnen leven in een democratie, ook
al is het niet een onderwerp waar respondenten dagelijks mee bezig zijn. Ze zijn
overwegend bezig het eigen leven op de rails te houden en democratie staat daar-
mee zeker voor de eerste generatie respondenten ver van het dagelijks leven af. Bij
hen speelt ook het slecht kunnen volgen van het nieuws een belemmerende rol.
De stemming die uit deze groep respondenten naar voren komt, is dat een demo-
cratie vrijheden biedt binnen bepaalde kaders. Het feit dat het in Nederland mo-
gelijk is om debatten in de Tweede Kamer te bezoeken of live te volgen via de te-
levisie wordt door een respondent ook als een positief punt naar voren gebracht
van de Nederlandse democratie. Dit getuigt van openbaarheid van bestuur in de
ogen van de respondent. Verder wordt gerefereerd aan het feit dat de benaming
van een democratie nog niet altijd iets zegt over het democratisch gehalte van
een land. Zo wordt door een paar respondenten bijvoorbeeld Turkije aangehaald
als een land dat weliswaar een democratie is, maar waar beduidend minder vrij-
heden zijn voor de burgers dan in Nederland.
         3.3 Functioneren van de democratie
Deze paragraaf gaat in op het functioneren van de democratie in de ogen van de
respondenten. Eerst wordt ingegaan op het vertrouwen in democratische institu-
ties als de politiek, daarna op de participatiebereidheid in politieke rollen.
3.3.1 Vertrouwen in democratische instituties
De positieve grondhouding ten opzichte van de democratie betekent niet dat de
respondenten positief zijn gestemd over de wijze waarop de democratie functio-
neert in Nederland. Dit relateren ze vooral aan het functioneren van de politiek.
De Nederlandse politiek heeft ook weinig betekenis voor de respondenten. Uit
de gesprekken komt een zeker gevoel van wantrouwen ten opzichte van de poli-
tiek boven drijven. Er is weinig vertrouwen in de personen en instanties die in de
democratie beslissingen nemen. Er wordt gesproken over een steeds groter wor-
dende kloof tussen rijke en arme mensen in Nederland, waarbij zeker de oudere
respondenten zichzelf eerder tot de arme mensen rekenen en de volksvertegen-
woordigers c.q. mensen in de Tweede Kamer tot de rijke en machtige mensen.
Het beleid pakt in hun ogen eerder uit in het voordeel van degenen met geld en
                                                                                 Bijlage 3 / 123
</pre>

====================================================================== Einde pagina 123 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 124 ======================================================================

<pre>macht dan in het voordeel van mensen zonder een dergelijke positie. Diverse res-
pondenten benadrukken verder dat de politiek de weg wel weet te vinden naar
allochtonen en moskeeën als er verkiezingen in aantocht zijn, maar dat politici
als deze achter de rug zijn vervolgens hun eigen weg gaan en zich niet veel meer
aan hen gelegen laten liggen.
        “Laatste tijd komen mensen bij ons in de moskee op campagne. Iedere partij
        komt langs.” (Turkse man, 60 jaar, werkloos lasser)
De Nederlandse politiek heeft niet veel betekenis voor de respondenten. Ener-
zijds doordat ze er niet veel vanaf weten – dit geldt vooral voor de eerste gene-
ratie allochtonen – en anderzijds doordat ze er weinig interesse in hebben. De
taalbarrière speelt voor de eerste generatie een belemmerende rol in het kennis
nemen en op de hoogte zijn van politieke ontwikkelingen. Verder is de aandacht
vooral uitgegaan naar het werkzaam zijn in Nederland en het draaiende houden
van het gezin. De oudere respondenten geven aan dat de kinderen beter op de
hoogte zijn, onder meer vanwege het feit dat zij zijn opgegroeid in Nederland. De
tweede generatie respondenten hebben dan wel meer kennis, maar dat betekent
niet dat zij ook geïnteresseerder zijn. De betrokkenheid is heel wisselend.
        “Ik weet weinig van politiek.” (Marokkaanse man, 65 jaar, gepensioneerd)
Er komt ook een gevoel van machteloosheid uit de gesprekken naar voren. Som-
migen spreken dat als zodanig uit en stellen dat ze geen enkele invloed hebben
op hoe het land wordt bestuurd. Het gebeurt buiten hun gezichtsveld om, waarbij
sommigen ook opmerken een en ander ook niet te volgen. Zij voelen zich ook
niet zo vertegenwoordigd in de politiek, hebben het idee dat hun belangen niet
behartigd worden.
Hierbij wordt bijvoorbeeld de gang van zaken aangehaald rondom de invoering
van de euro en het nieuwe zorgstelsel. In omliggende landen is met behulp van
een referendum aan de bevolking gevraagd hoe men tegenover een eventuele
invoering van de euro stond. Dat is in Nederland niet gebeurd. Verder heeft het
nieuwe zorgstelsel geleid tot een stijging in de kosten, waarbij de respondenten
het gevoel krijgen dat er niet aan degenen wordt gedacht die minder geld te be-
steden hebben.
3.3.2 Participatiebereidheid in politieke rollen
Zoals al bleek uit de wijze waarop de respondenten tegenover het functioneren
van de democratie staat, blijkt de interesse om actief deel te nemen aan de de-
124 / Vormen van democratie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 124 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 125 ======================================================================

<pre>mocratie niet bijster groot. Dit blijkt uit het niet stemmen en wordt verder inge-
geven door een gebrek aan vertrouwen in de politiek, het gevoel geen invloed uit
te oefenen met het uitbrengen van een stem. Voor een deel heeft het ook te ma-
ken met het zich niet kunnen vinden in één specifieke partij.
         “Ik denk dat ik er geen invloed op heb. Het gaat toch allemaal slechter, achteruit.
         Geen vertrouwen dat er dan iets gaat veranderen.” (Turkse vrouw, 58 jaar, huis-
         vrouw)
         “Politiek heeft niets voor de mensen gedaan. Ze doen het voor henzelf.” (Marok-
         kaanse man, 61 jaar, WAO)
Voor de wat oudere eerste generatie respondenten is de taal een belangrijke
drempel om deel te nemen aan de Nederlandse samenleving. Om die reden stel-
len zij zich verder ook niet actief op in de politiek. De jongere respondenten staan
ook niet te springen, het wantrouwen overheerst. Verder wordt aangegeven dat
men momenteel heel erg gericht is op het eigen leven, zijnde werk en/of het
grootbrengen van kinderen. Een respondent geeft aan op zich wel bereid te zijn
iets te doen en zij is in het verleden ook lid geweest van een politieke partij, maar
teleurstelling over de gang van zaken in de politiek heeft er toe geleid dat zij zich
daar nu niet meer voor inzet.
Het aanwenden van eigen invloed zien de respondenten hoe dan ook als zeer
beperkt. Enerzijds omdat ze de handvatten niet hebben (slechte taalbeheersing,
geïsoleerd zijn, geen contact met anderen buiten de groep), anderzijds vanuit de
gedachte dat het toch allemaal niet helpt.
         3.4 Rechten en plichten binnen de democratie
Een democratie impliceert het hebben van gelijke rechten en gelijke plichten. In
hoeverre ervaren respondenten dit aan den lijve? Sommige oudere respondenten
hebben hier geen duidelijk omschreven ideeën over en verklaren dit vanuit het
feit dat ze vooral binnen de eigen groep verkeren. De overige respondenten lijken
de mening te zijn toegedaan dat er op papier wel sprake is van gelijke rechten en
plichten, maar dat het in de praktijk anders uitpakt. Dit heeft dan vooral betrek-
king op een gebrek aan gelijke behandeling of gelijke kansen: in sollicitatieproce-
dures, in de rechtsspraak of controle van uitvoeringsorganen.
In die zin draagt men vooral voorbeelden aan die ingaan op het nadeel dat men
                                                                                  Bijlage 3 / 125
</pre>

====================================================================== Einde pagina 125 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 126 ======================================================================

<pre>ervan ondervindt om als allochtoon in Nederland werk te zoeken. Maar het geldt
niet alleen voor allochtonen ten opzichte van autochtonen. Er wordt ook aange-
geven dat mensen met meer geld en/of meer macht worden bevoordeeld.
        “De rijkeren kunnen onbestraft dingen doen.” (Marokkaanse man, 28 jaar, finan-
        cieel medewerker)
        “Ik kreeg controle aan huis van de ww om te kijken of ik zwart werkte. Ze zeg-
        gen dat dat willekeurig gebeurde die huisbezoeken, maar dat geloof ik niet. In
        35 jaar heb ik nog geen dag zwart gewerkt!” (Turkse man, 60 jaar, werkloos
        lasser)
        3.5 Omgaan met en tolerantie voor verschillen binnen de democratie
De wijze waarop beslissingen tot stand komen in een democratie kan op een bre-
de steun rekenen van de respondenten. In de eigen levenssfeer geeft men aan tot
beslissingen te komen door met elkaar te praten, argumenten aan te dragen en
zo veel mogelijk in gezamenlijk overleg te komen tot een beslissing. Hierbij kan
het nog wel uitmaken welke positie personen in het gezin of in de familie/ken-
nissenkring innemen. Zo mogen jongere kinderen hun mening wel geven, maar
zijn het vader en moeder die uiteindelijk de knopen doorhakken en dit weten
de jongere kinderen zelf ook. In sommige gevallen wordt aangegeven dat jonge
kinderen niet worden geraadpleegd, maar dat met oudere kinderen wel wordt
overlegd. Een begeleidster van een eerste generatie respondent geeft aan dat zij
als kinderen veel zelf moesten uitzoeken, omdat hun ouders de Nederlandse taal
niet beheersten; hun mening telde met andere woorden vrij zwaar doordat ze
een kennisvoorsprong hadden.
Soms telt de mening van een minderheid zwaarder, indien dat bijvoorbeeld in de
kennissensfeer anders zou leiden tot onenigheid volgens enkele respondenten. In
het algemeen wordt gezocht naar een compromis, waar de meeste betrokkenen
zich in kunnen vinden. Ten aanzien van het geloof spelen meningsverschillen in
die zin een rol dat men als men er niet uitkomt onder elkaar er een imam of be-
middelaar bijhaalt die dan uitkomst moet bieden. Overigens stellen responden-
ten dat dit dan om geloofskwesties gaat en dat de politiek in principe niet aan
bod komt in de moskee.
De respondenten vinden het in beginsel een goed systeem dat er in Nederland
door middel van debat en het uitwisselen van standpunten gekomen wordt tot
een beslissing. Dat daarbij het meerderheidsstandpunt doorslaggevend is, wil
126 / Vormen van democratie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 126 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 127 ======================================================================

<pre>in hun ogen niet zeggen dat het minderheidsstandpunt er niet toe doet of gene-
geerd mag worden. Er moet altijd aandacht zijn voor en geluisterd worden naar
de standpunten van de minderheid, zeker indien het beslissingen betreft die een
zwaarwegend karakter hebben. Dit heeft ook te maken met dat ze zichzelf als
minderheid zien aan wie gedacht moet worden. Er wordt aan de andere kant ook
gesteld dat het niet altijd mogelijk is om tegemoet te komen aan de wensen van
de minderheid.
Overigens wordt er wel enige twijfel geuit over de wijze waarop beslissingen
worden genomen in Nederland; belangen van de schatkist of de gevestigde groep
lijken dan eerder de overhand te krijgen boven de belangen van het volk.
In dat verband komt ook de vrijheid van meningsuiting naar voren. De respon-
denten vinden unaniem dat het een groot goed is dat er in Nederland vrijheid
van meningsuiting is. Dit wordt ook gekoppeld aan de vrijheid van geloof, poli-
tieke mening et cetera. De vrijheid van meningsuiting wordt ook in deze groep
echter niet als een grenzeloze vrijheid opgevat. Men vindt dat dit inhoudt dat
een ieder het recht heeft het eigen standpunt naar voren te brengen, maar dat
het wel moet gebeuren met respect voor andermans gevoelens. Bewust kwetsen,
beledigen of provoceren vindt men daar niet bij horen. In dit verband horen we
ook dat het begrensd wordt door de Nederlandse wetgeving, maar dat het ook
lastig is om de grenzen in wetten vast te leggen. Respondenten ervaren nog wel
eens weerstand tegen hun eigen uitingsvrijheid, bijvoorbeeld het dragen van een
hoofddoek en het duidelijk kiezen voor een geloofsovertuiging.
         “Je moet je medemens wel respecteren, je leeft samen met andere groepen men-
         sen.” (Marokkaanse man, 65 jaar, gepensioneerd)
         “Je moet natuurlijk wel volgens de normen en waarden doen die we in Neder-
         land hebben.” (Marokkaanse man, 28 jaar, financieel medewerker)
Het recht op demonstratie hoort volgens de respondenten onlosmakelijk bij de
vrijheid van meningsuiting. Als een groep of groepje een gevoel van onrecht heeft
is het volstrekt acceptabel om dit te laten merken. Sommigen hebben daar ook
zelf ervaring mee opgedaan, anderen betwijfelen of het uiteindelijk iets uitmaakt.
         “Goed om je stem te laten horen.” (Turkse vrouw, 37 jaar, huisvrouw)
                                                                              Bijlage 3 / 127
</pre>

====================================================================== Einde pagina 127 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 128 ======================================================================

<pre>4. Samenvatting
Op verzoek van de RMO heeft Veldkamp in september 2006 verkennend kwalita-
tief onderzoek uitgevoerd onder groepen waarvan verwacht mag worden dat zij
op afstand staan van de democratie.
Voor dit onderzoek zijn door de RMO de volgende onderzoeksgroepen vastge-
steld:
•       mensen met een (zeer) lage opleiding woonachtig in dorpen in de provin-
        cie
•       mensen met een (zeer) lage opleiding, weinig welvarend en woonachtig in
        stedelijke regio’s
•       mensen met een hoge opleiding tot 35 jaar, werkzaam in de private sector
•       niet-westerse allochtonen met een permanente verblijfsstatus, niet of
        nauwelijks Nederlands sprekend
Wat deze groepen betreft, is de RMO geïnteresseerd in de meningen en opvattin-
gen van degenen die cynisch, vijandig of volstrekt indifferent staan ten opzichte
van de democratie. In overleg met de RMO zijn hiervoor screeningsvragen ten
behoeve van de werving en selectie van respondenten opgesteld. In totaal zijn
26 interviews en 3 groepsdiscussies gevoerd met (zeer) laag opgeleide en gro-
tendeels weinig welvarende mensen uit Amsterdam en de omgeving van Breda.
In Amsterdam is tevens gesproken met hoogopgeleide mensen tot 35 jaar, die
werkzaam zijn in de private sector, alsmede met eerste en tweede generatie niet-
westerse allochtonen.
De centrale vraagstellingen in het kwalitatieve onderzoek zijn als volgt geformu-
leerd:
•       Welke opvattingen over de democratie leven er onder groepen mensen
        waarvan op grond van kwantitatief onderzoek mag worden verwacht dat
        zij ‘op grotere afstand’ tot de democratie staan? Wat zijn hun argumenta-
        ties en hoofdbezwaren tegen de democratie?
128 / Vormen van democratie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 128 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 129 ======================================================================

<pre>•        Welke opvattingen hebben de onderscheiden groepen over de centrale
         democratische waarden?
         -    Bereidheid tot persoonlijke inzet voor anderen/maatschappelijke doelen
         -    Participatiebereidheid in politieke rollen
         -    Tolerantie voor (de uitkomsten van) andermans vrijheid van menings-
              uiting.
•        Hoe zijn de opvattingen van deze groepen te begrijpen? Tegen welke ach-
         tergronden komen deze personen tot hun opvattingen?
Bij dit verkennende kwalitatieve onderzoek gaat het om het vóórkomen van
bepaalde uitspraken en niet om de frequentie waarmee de uitspraken worden
gedaan. Resultaten uit dit onderzoek zijn dan ook niet generaliseerbaar naar de
totale bevolking of naar de specifieke ondervraagde groepen als geheel. Onder-
staand geven we een samenvattende inventarisatie van de bevindingen.
Welke opvattingen bestaan over de democratie onder de specifieke groepen?
Het blijkt dat veel respondenten weinig ruimte beschikbaar hebben om na te
denken over democratie, om diverse redenen. Geconstateerd kan worden dat het
belang van het leven in een democratie gering lijkt en het hiermee ook moeilijk
blijkt voor veel respondenten een mening of daadwerkelijk argumenten te for-
muleren waarom zij op afstand staan van de democratie. De argumenten die ze
noemen richten zich veelal op het functioneren van de democratie (de politiek)
en op aspecten waarmee ze (al dan niet direct) in de praktijk te maken hebben,
zoals rechten en plichten. Onderstaande punten gaan in op de basishouding ten
aanzien van de democratie:
•        De meeste respondenten denken bij een democratie vooral aan de vrijhe-
         den die een democratie met zich meebrengt, zoals het kunnen zeggen wat
         je wilt en kunnen doen wat je wilt. Vrijwel niemand refereert in eerste
         instantie aan het stelsel van rechten en plichten.
•        Vooral hoger opgeleide respondenten denken bij het praten over democra-
         tie vooral aan aspecten die voor hen positief uitpakken, zoals het vrij kun-
         nen reizen met een Nederlands paspoort of de mogelijkheid om geheel
         vrij invulling aan het eigen leven te geven.
•        Een klein aantal respondenten kent het woord democratie niet of geeft
         aan dat Nederland volgens hen (alleen) een monarchie is. Ook voor eerste
         generatie allochtone respondenten blijkt het zeer moeilijk een beeld van
         de democratie te verwoorden.
                                                                        Bijlage 3 / 129
</pre>

====================================================================== Einde pagina 129 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 130 ======================================================================

<pre>•       Het blijkt voor veel respondenten moeilijk inhoud te geven aan het leven
        in een democratie. Dit maakt het ook moeilijk een mening te formuleren
        over de democratie. Voor veel respondenten is het leven in een democratie
        een vanzelfsprekendheid waaraan verder weinig aandacht wordt besteed.
        De democratie is voor een aantal respondenten een zogenoemde ver van
        mijn bed show.
•       Sommige respondenten geven ook aan van huis uit niet gewend te zijn
        om te praten of te denken over bijvoorbeeld stemmen, politiek en het
        algemeen belang. Deze respondenten blijken te weinig handvatten te heb-
        ben om begrip voor en een mening over democratie te formuleren.
Argumenten voor het op afstand staan van de democratie richten zich onder
meer op het functioneren van de democratie, door de respondenten vertaald als
‘de politiek’ waar respondenten negatief over zijn. Hiervoor zijn de volgende be-
weegredenen genoemd:
•       Respondenten hebben weinig vertrouwen in de politiek. Respondenten
        geven aan zich niet vertegenwoordigd te voelen en het gevoel te hebben
        dat belangen van anderen prevaleren boven die van hen. Bijvoorbeeld de
        belangen van allochtonen, rijken en mensen met een uitkering. Hoger
        opgeleide respondenten menen verder dat ze hun belangen en problemen
        niet terug zien in partijprogramma’s.
•       Verder bestaat er wantrouwen ten aanzien van de intenties van politici.
        Politici doen wat ze zelf willen en zitten er vooral voor zichzelf, aldus
        de respondenten. Het blijkt voor respondenten moeilijk te doorgronden
        hoe beslissingen worden genomen, wat vertrouwen in de juistheid ervan
        moeilijk maakt. Vooral als respondenten het niet eens zijn met de beslis-
        sing. Het negatieve beeld wordt verder ingevuld door de als hoog geper-
        cipieerde salarissen van politici, terwijl veel respondenten zelf financiële
        problemen hebben.
•       Hoger opgeleide respondenten spreken verder over politici als machtswel-
        lustelingen en nemen woorden als schertsvertoning en vriendjespolitiek
        in de mond.
•       Verder is voor vooral eerste generatie allochtonen het moeilijk betekenis
        te geven aan de politiek. Enerzijds door een taalbarrière in het kennisne-
        men van politieke ontwikkelingen. Anderzijds door weinig interesse. De
        tweede generatie allochtonen in dit onderzoek hebben meer kennis, maar
        ervaren dezelfde problemen als de autochtone respondenten.
130 / Vormen van democratie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 130 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 131 ======================================================================

<pre>Verder hebben (autochtone) respondenten moeite met de wijze waarop beslissin-
gen worden genomen in de Nederlandse democratie en de wijze van besluitvor-
ming. Hiervoor zijn de volgende beweegredenen genoemd:
•      Respondenten blijken geneigd de beslissingen die in de politiek worden
       gemaakt af te wijzen als niet wordt gedaan wat zij willen. Respondenten
       voelen zich niet persoonlijk gehoord en lijken moeite te hebben met het
       accepteren dat het democratisch proces soms tot beslissingen leidt die
       tegen hun persoonlijk belang ingaan.
•      Verder vinden hoog opgeleide respondenten het nemen van beslissingen
       of het oplossen van conflicten door dialoog en onderhandeling vaak tot te
       gemiddelde beslissingen leiden. Goede maar wat extremere beslissingen
       ‘komen er nooit doorheen’. Dat een kleine meerderheid een goed idee kan
       afwijzen wordt betreurd. Lager opgeleide respondenten laten zich hier ook
       over uit en spreken in dit verband over ‘een soep die niet meer te eten is’.
•      Vooral hoger opgeleide respondenten vinden verder de besluitvorming
       inefficiënt en in de weg staan van snel, duidelijk en efficiënt handelen.
•      Ook worden negatieve opmerkingen gemaakt over het principe van vier-
       jaarlijkse verkiezingen en de mogelijkheid dat kabinetten kunnen vallen.
       Dit leidt volgens de respondenten tot een te korte termijn visie op zaken
       als de zorg, het bedrijfsleven, onderwijs en het woonklimaat. Bij elk nieuw
       kabinet moet het besluitvormingsproces opnieuw worden opgestart dat
       vertragend werkt, aldus de respondenten. Er wordt wel gepleit om Neder-
       land als bedrijf te zien, voor het invoeren van een twee partijenstelsel of
       het aanstellen van één leider die de beslissingen neemt.
Over het stelsel van rechten en plichten zijn ook veel respondenten negatief.
Hiervoor zijn de volgende beweegredenen genoemd:
•      Respondenten geven aan dat het in de democratie mogelijk is van het
       gelijkheidsprincipe af te stappen ondanks de vastgelegde rechten en
       plichten. Respondenten hebben het gevoel meer plichten te hebben dan
       anderen, of dat meer aan de rechten van anderen wordt gedacht dan aan
       die van hen.
•      Het is in de Nederlandse democratie dus mogelijk om rechten en vooral
       plichten te omzeilen zo wordt gesteld. Dit wordt door alle respondenten
       gesteld. Lager opgeleiden onder hen zien zich ondervertegenwoordigd of
       niet erkend in hun belangen. De hoger opgeleiden in dit onderzoek vinden
                                                                        Bijlage 3 / 131
</pre>

====================================================================== Einde pagina 131 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 132 ======================================================================

<pre>        het op een bepaalde manier onterecht dat bepaalde groepen in hun optiek
        meer aandacht krijgen. Allochtonen ervaren een gebrek aan gelijke be-
        handeling bij bijvoorbeeld sollicitatie procedures, in de rechtsspraak of bij
        de controle van uitvoeringsorganen.
•       Verder vinden enkele hoog opgeleide respondenten dat in de democratie
        machtsmisbruik mogelijk is. Zo kan het zijn dat de stem van de meerder-
        heid de minderheid schaadt en dat bepaalde mensen meer handvatten
        hebben dan anderen om het voor zichzelf ‘beter’ te maken. De macht is
        met andere woorden niet eerlijk verdeeld.
•       Verder pleiten sommige (autochtone) respondenten voor een beknotting
        van rechten voor bepaalde groepen. Het principe van gelijke rechten en
        plichten wordt hiermee aangevallen door de respondenten. Een aantal
        hoger opgeleide respondenten vindt bijvoorbeeld dat niet iedereen stem-
        recht zou moeten hebben omdat het volgens hen de vraag is of bepaalde
        mensen wel in staat zijn zich een gefundeerd oordeel te vormen over
        bijvoorbeeld op welke partij te stemmen, of in geval van referenda, zich te
        verdiepen in de materie waarover een oordeel mag worden uitgesproken.
        Sommige lager opgeleide respondenten vinden dat het kiesrecht van al-
        lochtonen beperkt moet worden.
Welke opvattingen over democratische waarden bestaan onder de specifieke
groepen?
De bereidheid tot persoonlijke inzet voor anderen en maatschappelijke doelen is
laag te noemen. Hiervoor zijn de volgende beweegredenen genoemd:
•       Respondenten voelen zich betrokken bij het eigen gezin, familie en vrien-
        den en hoger opgeleiden onder hen ook wel bij collega’s. Buiten deze kring
        niet. Veel respondenten hebben ook weinig interactie met ‘de samenle-
        ving’ in die zin dat van lidmaatschap van kerk, sportvereniging, goede
        doelen of andere organisaties geen sprake is.
•       De allochtone respondenten geven aan dat het een van de standaardre-
        gels van hun geloof is een ander te helpen waar dat kan. Echter, dit be-
        perkt zich voornamelijk tot de eigen kring. Activiteiten die verder reiken
        dan de sociale omgeving liggen moeilijker. Enerzijds doordat het ‘gewone’
        leven veel aandacht vraagt, anderzijds door een slechte beheersing van de
        Nederlandse taal (vooral eerste generatie).
•       Vooral de autochtone respondenten hebben verschillende argumenten
        voor de beperkte inzet, namelijk:
132 / Vormen van democratie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 132 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 133 ======================================================================

<pre>       -   Focus op zichzelf: enerzijds vanwege de behoefte aan zelfverwezenlij-
           king onder hoger opgeleiden, anderzijds omdat de middelen om zich
           in te zetten voor lager opgeleide en allochtone respondenten beperkt
           zijn. Zo kampt de eerste generatie allochtone respondenten met een
           taalbarrière, anderen zijn bezig om het eigen leven draaiende te kun-
           nen houden;
       -   Beperkt thuis voelen in de samenleving (slechte ervaringen met bij-
           voorbeeld allochtonen, mensen uit ‘de buurt’ niet kennen);
       -   Weinig interesse in wat buiten de eigen kring gebeurt, gecombineerd
           met een gebrek aan tijd (het gevoel al te weinig tijd aan vrienden en
           familie te kunnen besteden);
       -   Onder hoger opgeleide respondenten de behoefte vooral individu te
           zijn en niet te behoren tot een bepaalde club of maatschappelijke
           organisatie. Tevens hebben ze het gevoel een bijdrage te leveren door
           goed voor zichzelf te zorgen (eigen verantwoordelijkheid te nemen);
       -   Het gevoel niet verantwoordelijk te zijn voor inzet voor anderen of
           maatschappelijke doelen. Dit komt vooral bij hoger opgeleide respon-
           denten voor. Ouderen of werkelozen zouden zich moeten inzetten. Het
           leveren van een economische bijdrage geeft in hun optiek ontheffing
           te werken aan de ‘publieke zaak’;
       -   Teleurstelling in eerder ondernomen pogingen om te helpen (zowel
           individueel als in de media, als voorbeeld wordt Joest Kloppenburg
           aangehaald);
       -   De overtuiging dat inzet voor anderen geen effect zal hebben en alleen
           inzet willen tonen als zeker is dat het helpt. Het vertrouwen hierin is
           echter laag;
       -   Het gevoel dat (vooral lager opgeleide) respondenten zelf een minder-
           heidsgroep is die niet of te weinig wordt onderkend en geholpen zou
           moeten worden;
       -   Gebrekkig vertrouwen in maatschappelijke organisaties en doelen. Het
           idee bestaat dat geld niet terechtkomt op de plaats waarvoor het be-
           doeld is.
De participatiebereidheid in politieke rollen is beperkt. Hiervoor zijn de volgende
beweegredenen genoemd/geïnventariseerd:
•      De lage participatiebereidheid in politieke rollen blijkt uit het niet stem-
       men, een geringe belangstelling voor het actief mee- of nadenken over
                                                                          Bijlage 3 / 133
</pre>

====================================================================== Einde pagina 133 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 134 ======================================================================

<pre>        beleid en het aanwenden van (politieke) invloed niet als eigen verant-
        woordelijkheid ervaren. Hieraan liggen verschillende argumenten ten
        grondslag:
        -   Gebrek aan vertrouwen in de politiek. Dit wordt veroorzaakt door
            het gevoel niet vertegenwoordigd te worden door politieke partijen
            gecombineerd met de overtuiging dat belangen van anderen (allochto-
            nen, rijken, politici) prevaleren boven de belangen van de responden-
            ten;
        -   Wantrouwen ten aanzien van de intenties van politici. Zij zitten er
            volgens de respondenten vooral voor zichzelf;
        -   Negatief beeld over de wijze waarop beslissingen worden genomen
            die heel Nederland betreffen. Respondenten spreken onder meer over
            achterkamertjespolitiek, inefficiëntie in de besluitvoering, te gemid-
            delde beslissingen, en een te korte termijn visie;
        -   Niet opgevoed zijn in de traditie van stemmen en nadenken over za-
            ken die Nederland als geheel betreffen. Respondenten willen in dit op-
            zicht niet participeren en geven aan zich liever met hun eigen wereld
            (man, vrouw, kinderen, gezin, carrière) bezig te houden. Een politieke
            rol vervullen wordt niet als eigen verantwoordelijkheid ervaren;
        -   Het idee dat het aanwenden van eigen invloed ondoenlijk is en niet de
            moeite waard is om energie in te steken, voor zover er interesse is om
            invloed aan te wenden;
        -   Voor de oudere eerste generatie allochtone respondenten is de slechte
            taalbeheersing wederom een belangrijke drempel om niet te participe-
            ren in politieke rollen.
De tolerantie voor uitkomsten van (andermans) vrijheid van meningsuiting lijkt
beperkt. Dit wordt aan de hand van onderstaande punten geïllustreerd:
•       Alle respondenten vinden dat vrijheid van meningsuiting een groot goed
        is, maar de vanzelfsprekendheid van de waarde en het uitvoering hieraan
        geven in het eigen gedrag vertoont barsten. Autochtone respondenten
        maken opmerkingen die getuigen van intolerantie of waaruit blijkt dat
        men moeite heeft met andersdenkenden. Allochtone respondenten zien
        zich geconfronteerd met uitingen naar de islam of allochtonen in het
        algemeen.
•       Alle respondenten blijken zich minder vrij te voelen hun eigen mening te
        uiten in vergelijking met het verleden zo vertellen de respondenten. De
134 / Vormen van democratie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 134 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 135 ======================================================================

<pre>        samenleving lijkt op scherp te staan en de sfeer is gespannen zo wordt
        wel gesteld.
•       Verder blijkt dat respondenten het wel belangrijk vinden hoe groot de
        groep andersdenkenden is in relatie tot het rekening houden met hun
        belangen. Naarmate de groep andersdenkenden kleiner is, hoeft er ook
        minder rekening met hen te worden gehouden volgens de respondenten.
•       De autochtone respondenten uiten zich intolerant als het gaat om alloch-
        tonen. Het gevoel dat ‘zij’ zich moeten aanpassen aan ‘ons’ overheerst.
        Het respecteren van hun belangen lijkt op een tweede plaats staan. Dit
        geldt ook voor mensen die de zogenoemde democratische idealen niet
        onderschrijven, zoals moslims (in de ogen van de autochtone responden-
        ten), maar ook rechts extremisten en initiatieven als de ‘pedo-partij’. De
        allochtone respondenten zijn minder uitgesproken en geven aan bij bij-
        voorbeeld conflicten te zoeken naar een middenweg. Aan de minderheid
        moet ook gedacht worden, des te meer omdat ze zichzelf als minderheid
        zien aan wie gedacht moet worden.
•       Ook geven (autochtone) respondenten aan bepaalde rechten als kiesrecht
        van minder ontwikkelde mensen of allochtonen te willen inperken. Hier-
        mee lijkt het erop dat ze het onwenselijk vinden geconfronteerd te wor-
        den met mogelijke consequenties van uitingsvrijheid (door te kiezen voor
        een partij of standpunten van een partij uit te dragen naar anderen toe).
•       Autochtone respondenten hebben ook het gevoel dat er te weinig aan-
        dacht is voor het behoud van Nederlandse normen en waarden en dat
        Nederland zich vooral te tolerant opstelt naar bijvoorbeeld allochtonen
        toe (bijvoorbeeld met de bouw van moskeeën, oprichting van islamitische
        scholen). Het accepteren van andere levenswijzen en geloofsovertuigingen
        blijkt soms moeilijk. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de beperkte acceptatie van
        mensen met een specifieke geloofsovertuiging (moslims).
Tegen welke achtergronden komen deze specifieke groepen tot hun opvattingen?
De dagelijkse praktijk neemt bij vooral lager opgeleide respondenten veel ruimte
in. Respondenten lopen op verschillende manieren tegen grenzen aan, namelijk:
•       Veel respondenten hebben te kampen met beperkte financiële middelen
        en hebben concreet moeite om rond te komen. Ze zijn aan het ‘overleven’.
        Zij hebben niet de middelen om met een bredere blik om zich heen te
        kijken.
                                                                          Bijlage 3 / 135
</pre>

====================================================================== Einde pagina 135 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 136 ======================================================================

<pre>•       Bij hoger opgeleide respondenten blijkt dat ze die middelen op zich wel
        hebben, maar dat de nadruk op zelfverwezenlijking belangrijk is. Een aan-
        tal hoger opgeleide respondenten is ook bezig met ‘overleven’, weliswaar
        op een andere manier. Zij geven aan hard te werken om vervolgens nog
        niet hetgeen te kunnen bereiken wat ze graag willen (zoals een huis ko-
        pen). Dit levert hen frustratie op.
•       Respondenten uit de omgeving van Breda vinden het moeilijk dat zowel
        mannen als vrouwen (moeten) werken om in hun levensonderhoud te
        kunnen voorzien. Mensen leven langs elkaar heen en de wenselijke tradi-
        tionele rolverdeling in het gezin is niet haalbaar, aldus de respondenten.
        De vrouwelijke respondenten willen er zijn voor het gezin, maar dit blijkt
        voor sommigen niet haalbaar. Dit wordt betreurd en houdt hen sterk be-
        zig.
•       Uit de gesprekken met eerste generatie allochtonen komt naar voren dat
        zij in het bijzonder een geïsoleerd bestaan lijken te leiden. Sociale contac-
        ten beperken zich tot de eigen groep. Een slechte beheersing van de Ne-
        derlandse taal draagt hieraan bij, net als hun (als laag benoemde) gevoel
        van binding met Nederland. De oriëntatie op het land van herkomst is ac-
        tueel, alhoewel de respondenten zich daar ook niet meer helemaal thuis
        voelen. Verder is de bestedingsruimte van de eerste generatie beperkt, dat
        hen verder isoleert. De tweede generatie allochtonen lijken minder getrof-
        fen door financiële nood. Toch ligt hun focus ook op de eigen groep. Con-
        tacten met Nederlandse collega’s bijvoorbeeld bestaan, maar vriendschap-
        pen lijken er niet uit te ontstaan.
Respondenten geven allen aan dat de samenleving op een negatieve manier aan
het veranderen is. De negatieve gevoelens over de samenleving hebben verschil-
lende consequenties maar lijken als eindresultaat te hebben dat respondenten zich
‘terugtrekken’ uit de samenleving. De volgende negatieve aspecten zijn benoemd:
•       Verharding van de samenleving: mensen zijn angstig, gejaagd en het is
        ‘ieder voor zich’. Mensen zijn op zichzelf aangewezen, kennen de mensen
        uit de buurt niet meer en hebben minder vertrouwen in anderen, aldus de
        respondenten.
•       Verpaupering van de leefomgeving van vooral lager opgeleide responden-
        ten uit Amsterdam. Respondenten spreken over een steeds onleefbaarder
        wordende situatie door overlast, gettovorming en criminaliteit. Dit wordt
        zowel door autochtone als allochtone respondenten benoemd.
136 / Vormen van democratie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 136 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 137 ======================================================================

<pre>• Niet of beperkt thuis voelen: respondenten geven aan zich soms onveilig
  te voelen en spreken over een toenemend bedreigend klimaat om jezelf te
  zijn.
  -   Voor veel autochtone respondenten is dit gerelateerd aan allochtonen,
      waardoor veel respondenten zich bedreigd voelen. Respondenten uit
      Amsterdam voelen zich vooral bedreigd door niet westerse allochto-
      nen en respondenten uit de omgeving van Breda vooral door Polen.
      Dit leidt ertoe dat respondenten zich niet thuis lijken te voelen in de
      samenleving, vooral lager opgeleide respondenten niet. Het zich niet
      thuis voelen uit zich volgens de respondenten bijvoorbeeld in dat
      mensen ook sneller in een alarmfase verkeren, achterdochtig en alert
      zijn en niet meer gewend zijn dat mensen gewoon aardig voor elkaar
      kunnen zijn;
  -   Allochtone respondenten geven specifiek aan dat ze merken dat inci-
      denten met Marokkaanse Nederlanders een grote impact hebben op
      de wijze waarop zij als moslim bekeken worden. Sommige respon-
      denten spreken over een toenemend bedreigend klimaat het eigen
      geloof te belijden. De allochtone respondenten blijken gereserveerder
      en veelal ruimdenkender in het praten over andersdenkenden dan de
      autochtone respondenten. Er wordt echter negatief gesproken over
      mensen die hun geloof afkeuren.
• Mondiger en directere mensen: er zijn meer middelen beschikbaar dan
  ‘vroeger’ om kennis op te doen, dat resulteert erin dat ook mensen zonder
  kennis van zaken zich overal over uitspreken. Dit is een negatieve ontwik-
  keling volgens de hoger opgeleide respondenten.
                                                                   Bijlage 3 / 137
</pre>

====================================================================== Einde pagina 137 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 138 ======================================================================

<pre>Bijlage Gesprekspuntenlijsten
        Checklist diepte-interviews (autochtonen)
1. Introductie en kennismaking (3 minuten)
•       Uitleg interviewsituatie: bandopnamen, garantie op anonimiteit
•       Thema: de toekomst van Nederland, politiek, democratie en democrati-
        sche waarden.
•       Introduceer interviewsetting en leg uit wat van respondent wordt ver-
        wacht: open en eerlijk spreken met elkaar, geen sprake van goede of foute
        antwoorden.
        -    Verschillende technieken tijdens het interview, puur als hulpmiddel
             (projectieve gevalideerde fotosets etc.). Hier vanuit de eerste reactie en
             creatief op reageren.
        -    Benadruk anonimiteitwaarborg: alles wat wordt gezegd blijft binnens-
             kamers, naam niet bekend bij opdrachtgever, neutrale setting: we zijn
             hier om een beeld te krijgen van de meningen van mensen en niet om
             er een oordeel over uit te spreken. Interviewer puur om bepaalde pun-
             ten aan de orde te laten komen, niet om een eigen mening te verkon-
             digen of een oordeel te treffen over meningen van anderen.
2. Referentiekader: inventarisatie ‘levenshouding’ (10 minuten)
INT: ga van start met algemene vragen die als opwarming dienen voor het ge-
sprek en een beeld geven van de algemene levenshouding of levensinstelling
van de respondent. Dit is nodig om attitudes ten aanzien van de democratie en
democratische waarden te kunnen relateren aan achtergrondkenmerken van de
respondent. Vraag door naar de betekenis van hetgeen de respondent zegt voor
de respondent, zodat een ‘ ladder’ van normen en waarden ontstaat (laddering).
•       Kunt u kort iets over uzelf vertellen? (check: opleiding, bezigheden, gezinssitu-
        atie, beroep, woonplaats)
•       U vertelt dat u afkomstig bent uit…Als u uw woonplaats/leefomgeving
        door de jaren heen beziet, wat valt u dan op? Welke ontwikkelingen of
        veranderingen hebben plaatsgevonden?
138 / Vormen van democratie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 138 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 139 ======================================================================

<pre>•       Wat valt u op in het landelijke nieuws, de actualiteiten?
•       Wat zegt dit over de maatschappij waarin we leven?
•       Haak in op door de respondent genoemde punten: wat betekent dit voor
        de manier waarop u ‘in het leven staat’, waarom? Geef indien nodig voor-
        beeld: wat vindt u belangrijk in het leven, waar let je op in de omgang met
        anderen, wat zou je je kinderen (als je die hebt) willen meegeven – laat
        respondenten motiveren waarom.
•       Voelt u zich thuis in deze maatschappij, waarom wel/niet? (check: voelt u
        zich op uw gemak bij mensen met verschillende achtergronden qua identiteiten,
        nationaliteiten, geloofsovertuigingen, meningen)
•       In hoeverre voelt u zich betrokken bij deze maatschappij, waarin wel/niet,
        waarom? (check o.a. lidmaatschap maatschappelijke organisaties zoals kerk,
        politieke partij, vrijwilligersorganisatie, ideële organisatie, onderwijs- of school-
        vereniging, sportvereniging)
•       We hebben gesproken over Nederland en hoe u in de maatschappij staat.
        Een onderdeel van Nederland vormt ook de politiek. Wat betekent politiek
        voor u?
•       We hebben begrepen dat u de afgelopen verkiezingen (landelijk en ge-
        meentelijk) niet heeft gestemd, waarom niet?
3. Inventarisatie houding t.a.v. democratie en democratische waarden (25 minuten)
INT: introduceer: ik wil met u verder praten over hoe Nederland wordt bestuurd.
Dit gaan we doen aan de hand van foto’s van verschillende mensen, om een
beeld te krijgen over hoe mensen er allemaal over kunnen denken. Ik ga u vra-
gen om straks over de personen op de foto’s te beschrijven wat voor mensen dit
zijn en hoe zij denken over de manier waarop Nederland wordt bestuurd. U mag
afgaan op uw eerste indruk, dat is wat ik van u vraag. We kennen de mensen per
slot van rekening niet (neem bezwaar dat sommige mensen soms ervaren om te
praten in stereotypen weg).
Bespreek de houding ten aanzien van de democratie aan de hand van projectieve
fotosets: dit zijn gevalideerde fotosets die verschillende menstypen represente-
ren. Achterhaal met welke foto de respondent zich het meest identificeert (door
te kijken wie van de personen op de foto net als de respondent ook niet stemt) en
ga met deze foto verder met de vragen die specifiek gaan over democratie en de-
mocratische waarden. Doel van de projectie is om respondent vrijer te laten pra-
ten door hem/haar (zichzelf) te laten projecteren op anderen. Hierdoor worden
remmingen en sociale wenselijkheid gereduceerd en wordt het mogelijk gemaakt
                                                                                  Bijlage 3 / 139
</pre>

====================================================================== Einde pagina 139 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 140 ======================================================================

<pre>om van functionele aspecten dieper door te dringen tot de emotionele kern. Laat
respondenten de persoon op de foto eventueel een naam geven.
Laat respondent vertellen op welke politieke partij de mensen op de foto stem-
men en laat de respondent ook één persoon op de foto benoemen die (net als
de respondent zelf) niet stemt. Ga vervolgens verder met deze foto (waarmee
de respondent zich het meest identificeert), zodat de projectie optimaal tot zijn
recht komt. Ga eerst in op persoonlijkheid en levensstijl van persoon op de foto
om respondent ‘op te warmen’ voor de projectie. Ga vervolgens verder met on-
derstaande vragen: ik wil samen met u nagaan wat voor persoon dit is en hoe hij
aankijkt tegen Nederland en de manier waarop Nederland wordt bestuurd (de-
mocratie als besturingsvorm).
•       Laten we beginnen met te beschrijven wat voor persoon dit is. Geeft u
        hem/haar eens een naam. Hoe zou u zijn/haar persoonlijkheid typeren,
        waar staat deze persoon voor etc.?
•       In hoeverre voelt deze persoon zich betrokken bij de maatschappij. (check
        lidmaatschap verenigingen, organisaties, thuis voelen in de maatschappij)
•       Deze persoon stemt niet, laten we ervan uitgaan dat hij dat vanuit over-
        tuiging niet doet, waarom niet?
•       Nederland is een democratie, waaraan moet…denken als hij aan een de-
        mocratie denkt (inventariseer spontane associaties)? Wat is democratie
        eigenlijk?
•       Zo in het algemeen bezien, wat vindt hij eigenlijk van de democratie als
        regeringssysteem, waarom (motiveer).
INT: leg uit indien nodig: democratie (parlementaire) democratie als regerings-
systeem betekent onder meer dat er een volksvertegenwoordiging is. Zij hebben
een mandaat om uiteindelijk beslissingen voor ons land te nemen. Het werkt
net als bij bijvoorbeeld een vereniging: er komt een bestuur waarin mensen
zitten die het vertrouwen van de leden genieten. Het bestuur neemt uiteindelijk
de beslissingen (democratische vereniging). Ga verder met onderstaande vra-
gen:
•       Hoe ziet hij de democratie? Staat het dichtbij of is het meer een ver van
        zijn bed show (of, niet zo mee bezig, niet interessant)
•       Heeft…ervaringen, of dingen meegemaakt die zijn beeld of mening over
        de democratie hebben beïnvloed? (check bijvoorbeeld zaken die in het nieuws
        naar voren komen, mate waarin men ruimte heeft om na te denken over democra-
140 / Vormen van democratie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 140 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 141 ======================================================================

<pre>      tie, bezig met mezelf, niet met de maatschappij, geen zin om erover na te denken)
•     Ondersteunt hij de democratie of brengt het vooral nadelen met zich
      mee? Welke en waarom (ga verder in op nadelen en laat respondenten
      motiveren)?
•     Voelt hij zich deel uitmaken van de democratie? Wil…er wel deel van uit-
      maken? (check bijvoorbeeld formeel als stemmer, meedenken over beleid, lid van
      een politieke partij en ‘informeel’ als plaatsnemen in maatschappelijke organisatie
      t.b.v. het algemeen belang)
•     De democratie impliceert dat beslissingen voor alle Nederlanders worden
      genomen door de vertegenwoordigende instituties (Eerste en Tweede ka-
      mer), voelt hij zich vertegenwoordigd in deze democratie? Motiveer
•     Heeft…het gevoel dat we diegenen of die instanties die democratische
      beslissingen mogen nemen voor ons land kunnen vertrouwen? Motiveer
•     Wat vindt...ervan dat iedereen in de democratie rechten en plichten heeft
      (bijvoorbeeld vrijheid van meningsuiting, vrijheid van vereniging, plichten
      zoals je aan de wet houden)
•     Moet iedereen die rechten (en plichten) hebben, of moeten er soms uit-
      zonderingen worden gemaakt? Wanneer dan, en waarom? (check: in hoe-
      verre rechten van de minderheid van minder groot belang)
•     Is de democratie nu een goede besturingsvorm, of ziet…liever een andere
      vorm van besturen? Waarom?
Ondersteuning van democratische waarden:
•     Een democratie betekent dat beslissingen worden genomen door compro-
      missen te sluiten en door met elkaar in debat te gaan (i.t.t. beslissingen
      opleggen in een dictatuur). Wat vindt hij hiervan? (check: inefficiënt, traag,
      je niet vertegenwoordigd voelen) Bespreek eventueel aan de hand van onder-
      staande stelling:
      -    Het zou beter zijn voor Nederland als er een krachtige leider opstaat
           die knopen doorhakt en beslissingen neemt (in plaats van eindeloos
           debatteren en rekening houden met allerlei meningen). Een soort Na-
           poleon.
      -    Je komt in deze samenleving het verst als je jezelf voorop stelt. In deze
           maatschappij is het ieder voor zich (lager opgeleiden).
      -    Compromissen (waarin dan ook) belemmeren mij in mijn persoonlijke
           ontwikkeling (hoger opgeleiden).
                                                                            Bijlage 3 / 141
</pre>

====================================================================== Einde pagina 141 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 142 ======================================================================

<pre>•       Wat moet er in een democratie gebeuren met verschillende meningen van
        verschillende mensen? Hoe moeten we hier volgens…mee omgaan?
•       Moeten we rekening houden met mensen die er anders over denken (dan
        de meerderheid). (check: respectvol behandelen, negeren, omgaan met verschil-
        len in mening, meerderheidsdenken etc.)
•       Het kan wel eens gebeuren dat mensen anders denken dan de meerder-
        heid en dat dit tot uiting komt (bijvoorbeeld: demonstratie, kunst, cartoon,
        spotprenten, ironie). Hoe gaat…hiermee om (respect, rekening houden
        met vrijheid van meningsuiting)?
•       Moet je alles kunnen zeggen in een democratie? (check: wie mogen dit wel/
        niet: de Nederlander, kunstenaars, politici etc.)
•       Hoe moet worden omgegaan met conflicten die ontstaan door verschillen
        in mening en achtergronden? (check: negeren, tegenin gaan, in dialoog gaan/
        met elkaar onderhandelen)
•       Iets anders, u vertelde dat...wel/niet actief is in maatschappelijke orga-
        nisaties/doelen, vindt hij het bestaan ervan belangrijk? Waarom wel/niet
        (noem eventueel voorbeeld van een maatschappelijke organisatie)?
•       Voelt hij zich verantwoordelijk voor anderen? Voor wie wel en voor wie
        niet? Waarom?
•       Hoe denkt deze persoon over het algemeen belang, of de publieke zaak
        (solidariteitsdenken), wat is belangrijker: het eigenbelang of het algemeen
        belang, waarom?
•       Breng onderstaande stellingen in en bespreek:
        -    Ik ben niet bereid iets voor de samenleving te doen want de samenle-
             ving doet ook niets voor mij (lager opgeleiden).
        -    Ik heb de politiek en de publiek zaak niet nodig om wat te bereiken in
             het leven, dat kan ik zelf wel (hoger opgeleiden).
Samenvattend: we hebben van alles besproken over de gang van zaken in Ne-
derland. We hebben gesproken over onze democratie en de wijze waarop dit in
de praktijk wordt gebracht (democratische waarden). Kijkend naar deze persoon:
wat ziet hij als grootste nadelen van de democratie? Wat is nu echt het grootste
minpunt? Waar zit dat in?
4. Bedanken en afsluiten (3 min.)
INT: bespreek kort: vooral tot doel om een natuurlijk einde te maken aan het
gesprek.
142 / Vormen van democratie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 142 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 143 ======================================================================

<pre>•       We hebben het uitgebreid gehad over de democratie in Nederlanden al-
        lerlei zaken die daarmee samenhangen. Als u nu voor uzelf bedenkt hoe
        u tegen de Nederlandse samenleving en de toekomst van Nederland aan-
        kijkt, hoe ziet u deze dan tegemoet?
•       Vragen vanuit respondent
•       Vragen vanuit opdrachtgeverzijde
•       Bedanken voor deelname aan onderzoek
        Checklist begeleide interviews (allochtonen)
1. Introductie en kennismaking (5 minuten)
•       Introduceer thema: het leven in Nederland
•       Introduceer interviewsetting en leg uit wat van respondent wordt ver-
        wacht:
        -   Open en eerlijk antwoorden. Check op welk niveau (i.v.m. taalbarrière)
            het gesprek kan worden ingegaan en hoe de begeleider zich opstelt (is
            het nodig dat deze alles vertaalt, of is verduidelijking al voldoende).
            Bekijk de mogelijkheden om door te vragen.
        -   Benadruk anonimiteitwaarborg: alles wat wordt gezegd blijft binnens-
            kamers, naam niet bekend bij opdrachtgever, neutrale setting: we zijn
            hier om een beeld te krijgen van de meningen van mensen en niet om
            er een oordeel over uit te spreken.
        -   Interviewer is er alleen om bepaalde punten aan de orde te laten ko-
            men, niet om een eigen mening te verkondigen of een oordeel te tref-
            fen over meningen van anderen.
2. Referentiekader: inventarisatie ‘levenshouding’ (15 minuten)
INT: ga van start met algemene vragen die als opwarming dienen voor het ge-
sprek en een beeld geven van de algemene levenshouding of levensinstelling
van de respondent. Dit is nodig om attitudes ten aanzien van de democratie en
democratische waarden te kunnen relateren aan achtergrondkenmerken van de
respondent.
•       Kunt u kort iets over uzelf vertellen?
        -   Waar komt u oorspronkelijk vandaan/waar komen uw ouders oor-
            spronkelijk vandaan?
                                                                           Bijlage 3 / 143
</pre>

====================================================================== Einde pagina 143 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 144 ======================================================================

<pre>        -   Wanneer bent u naar Nederland gekomen, waarom?/aan tweede gene-
            ratie: wanneer zijn uw ouders naar Nederland gekomen, waarom?
        -   Hoe oud bent u?
        -   Bent u getrouwd?
        -   Heeft u kinderen?
        -   Werkt u?
•       Wat vindt u belangrijk? Is dat veel geld hebben, of gezond zijn, in een
        groot huis wonen, bij familie zijn etc. ?
•       U woont in Amsterdam, hoe is het leven daar?
•       Hoe gaan de mensen met elkaar om?
•       Is het prettig wonen in Amsterdam, waarom wel/niet?
•       Wat is op dit moment het grootste probleem van (wonen in) Amsterdam?
        En van Nederland in het algemeen?
•       In Nederland wonen allemaal verschillende mensen, die anders denken
        over dingen, verschillende nationaliteiten hebben, andere dingen belang-
        rijk vinden. Vindt u dat prettig of niet?
•       Gaat u vooral met mensen van uw eigen groep om? Of ook met anderen?
•       Waar ontmoet u andere mensen?
•       Gaat u wel eens naar een koffiehuis/badhuis?
•       Gaat u naar de moskee?
•       Onderneemt u wel eens activiteiten speciaal voor (onderwijs, sport etc.)
•       We hebben gepraat over hoe u in het leven staat en wat u van Nederland
        vindt. Een onderdeel van Nederland vormt ook de politiek. Wat vindt u
        van de politiek?
•       We hebben begrepen dat u de afgelopen verkiezingen (gemeentelijk) niet
        heeft gestemd, waarom niet?
3. Inventarisatie houding t.a.v. democratie en democratische waarden (35 minuten)
Introduceer thema democratie en democratische waarden. Concretiseer zoveel
mogelijk om het onderwerp behapbaar te maken voor de respondent.
Democratie als stelsel:
•       Nederland is een democratie, wat is dat eigenlijk?
•       Bij eerste generatie: hebben ze dat ook in Turkije/Marokko volgens u?
•       Waaraan denkt u bij het woord democratie? INT leg uit in vereenvoudigde
        vorm: in een democratie worden politieke partijen gekozen en zij nemen samen
        beslissingen voor Nederland.
144 / Vormen van democratie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 144 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 145 ======================================================================

<pre>•     Vindt u het belangrijk dat we in een democratie leven? Waarom wel/niet?
      Of ziet u het liever anders?
•     Staat het dichtbij u of bent u er niet zo mee bezig?
•     Denk u er wel eens over na?
•     Stel er komt iemand bij u aan de deur met de vraag of u zich wilt inzetten
      voor de democratie (door te stemmen, mee te denken over beleid of over
      hoe het verder moet met Nederland, of door lid te zijn van een vrijwilli-
      gersorganisatie), kunnen ze dan een beroep op u doen?
•     In een democratie worden er beslissingen genomen voor ons allemaal.
      Denken ze dan ook aan u vindt u? Nemen ze uw belangen dan ook mee?
      (check: voelt men zich vertegenwoordigd?)
•     Heeft u het gevoel dat degenen die beslissingen nemen te vertrouwen
      zijn?
•     In ons land heeft iedereen dezelfde rechten en plichten (vrijheid van me-
      ningsuiting, je aan de wet houden), is dat ook echt zo (in de praktijk)?
Ondersteuning van democratische waarden: tolerantie voor (uitkomsten van)
andermans vrijheid van meningsuiting):
•     Een democratie betekent dat beslissingen worden genomen door met
      elkaar te praten en naar elkaar te luisteren.
•     Hoe gaat het nemen van beslissingen samen met anderen bij u thuis?
      Bijvoorbeeld over wat te eten, de opleiding van de kinderen?
•     Hoe wordt er dan een beslissing gemaakt, hoe gaat dat dan?
•     Luisteren mensen dan naar elkaar?
•     Of wil iedereen elkaar overtuigen?
•     Kan iedereen zeggen wat hij wil?
•     En stel dat u in de moskee/koffiehuis/vrienden of ergens anders met een
      groep over een onderwerp praat en iedereen denkt er anders over. Hoe
      gaat dat dan? (bespreek aan de hand van bovenstaande vragen).
•     In ons land worden beslissingen genomen door met elkaar te praten, naar
      elkaar te luisteren en dan samen een beslissing te nemen. Vindt u dat een
      goede manier?
•     Moet je dan naar alle mensen luisteren of niet, waarom?
•     Het kan wel eens dat een kleine groep mensen het niet eens is met de
      beslissingen die voor Nederland worden genomen. Moet je ook naar hen
      luisteren?
                                                                      Bijlage 3 / 145
</pre>

====================================================================== Einde pagina 145 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 146 ======================================================================

<pre>•       Het kan dan ook zijn dat ze gaan demonstreren op straat, spotprenten
        maken of op een andere manier laten blijken dat ze het er niet mee eens
        zijn. Wat vindt u daarvan?
•       Moet dat kunnen of vindt u van niet?
Ondersteuning van democratische waarden (bereidheid persoonlijke inzet ande-
ren/maatschappelijke doelen):
•       We hebben net gepraat over hoe in Nederland beslissingen worden geno-
        men. Hier wordt gekeken naar wat het beste is voor alle Nederlanders (en
        niet zozeer wat het beste is voor een groepje mensen). Wat vindt u daar-
        van?
•       Wat vindt u van vrijwilligerswerk? Dat mensen dus belangeloos iets doen
        zonder dat ze daar geld voor krijgen. Wat vindt u daarvan?
•       Zou u iets doen zonder daar iets (zoals geld) voor terug te krijgen? Waar-
        om wel/niet?
•       Voelt u zich zelf verantwoordelijk voor anderen? En bent u dan ook bereid
        daar zelf een stapje terug voor te doen/er iets voor in te leveren?
•       Vindt u het belangrijk dat familieleden elkaar helpen (op de kinderen pas-
        sen, voor ouderen zorgen)
•       Bent u ook bereid voor anderen iets te doen (naast vrouw, kinderen, fami-
        lie), voor wie dan? (probeer te inventariseren waar de grens ligt).
4. Bedanken en afsluiten (5 min.)
INT: bespreek kort: vooral tot doel om een natuurlijk einde te maken aan het
gesprek.
•       Hoe ziet u de toekomst van Nederland al met al tegemoet?
•       Wat zou u doen als u de baas was van Nederland?
•       Vragen vanuit respondent, Vragen vanuit opdrachtgeverzijde
•       Bedanken voor deelname aan onderzoek
        Checklist groepsdiscussies
Checkpunten en stellingen zijn gedistilleerd uit bevindingen uit de interviews.
Deze punten kunnen als volgt worden ingebracht: uit eerdere gesprekken met
andere mensen over dit onderwerp blijkt dat sommigen vinden dat...wat zouden
hun motieven hiervoor kunnen zijn (projectie) of wat vindt u hier eigenlijk van?
146 / Vormen van democratie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 146 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 147 ======================================================================

<pre>1. Introductie en kennismaking (15 minuten)
Introductie:
•       Welkom; anonimiteitwaarborg, video opnames, meekijken.
•       Doel: vanavond gaan we praten over hoe u het leven in Nederland ervaart,
        wat u van de Nederlandse politiek vindt en hoe u in het verlengde hiervan
        tegen een democratie aankijkt.
•       Spelregels:
        -   Open en eerlijk spreken met elkaar, geen sprake van goede of foute
            antwoorden. Benadruk anonimiteitwaarborg: alles wat wordt gezegd
            blijft binnenskamers, naam niet bekend bij opdrachtgever, neutrale
            setting: we zijn hier om een beeld te krijgen van de meningen van
            mensen en niet om er een oordeel over uit te spreken.
        -   Interviewer puur om bepaalde punten aan de orde te laten komen,
            niet om een eigen mening te verkondigen of een oordeel te treffen
            over meningen van anderen. Jullie hoeven het niet met elkaar eens te
            zijn; iedereen moet kunnen zeggen wat er in hun hoofd opkomt. Hoop
            dat we een plezierige en constructieve avond tegemoet gaan.
Kennismaking:
•       We beginnen met een korte voorstelronde: leeftijd, beroep, woonsituatie
2. Referentiekader: inventarisatie ‘levenshouding’ (25 minuten)
INT: ga van start met algemene vragen die als opwarming dienen voor het ge-
sprek en een beeld geven van de algemene levenshouding of levensinstelling
van de respondent. Dit is nodig om attitudes ten aanzien van de democratie en
democratische waarden te kunnen relateren aan achtergrondkenmerken van de
respondent.
Woonomgeving:
•       U woont in Amsterdam/rondom Breda, hoe is het leven daar?
•       Wat vindt u prettig in het wonen in Amsterdam/rondom Breda? Wat niet?
•       En als we het hebben over Nederland? Hoe heeft Nederland zich ontwik-
        keld door de jaren heen (zowel in positieve als in negatieve zin)?
•       Wat is er veranderd in hoe mensen met elkaar omgaan? (check: ieder voor
        zich, toenemend eigenbelang, gevoelens van onveiligheid, onevenredige toename
                                                                           Bijlage 3 / 147
</pre>

====================================================================== Einde pagina 147 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 148 ======================================================================

<pre>        van welvaart voor arme en rijke mensen, gevoel alleen bezig te zijn met overle-
        ven, persoonlijke ontwikkeling als hoogste goed)
Omgang anderen en betrokkenheid (o.a. participatiebereidheid politieke rollen):
•       Voelt u zich thuis in deze samenleving? Waarom wel/niet?
•       We hebben met mensen gesproken die zich steeds minder thuis voelen,
        wat zouden redenen hiervoor kunnen zijn?
•       In Nederland wonen allemaal verschillende mensen, die anders denken
        over dingen, verschillende nationaliteiten hebben, andere dingen belang-
        rijk vinden. Hoe voelt u zich temidden van deze mensen?
•       Er zijn mensen die zeggen dat hun woonplaats wordt overspoeld door
        mensen uit het buitenland, wat het karakter van hun woonplaats en de
        leefbaarheid aantast. Waarom denken ze dat volgens u? Eventueel: hoe
        denkt u daar eigenlijk zelf over?
•       Voelt u zich betrokken bij de mensen, organisaties en instanties die alle
        tezamen onze samenleving vormen? Waarom wel/niet? (check: inventari-
        seer betrokkenheid blijkend uit lidmaatschap maatschappelijke organisaties zoals
        kerk, politieke partij, vrijwilligersorganisatie, ideële organisatie, onderwijs- of
        schoolvereniging, sportvereniging)
•       Vindt u het belangrijk betrokken te zijn? Waarom wel/niet?
Politiek:
•       We hebben gepraat over hoe u in het leven staat en wat u van Nederland
        vindt. Een onderdeel van Nederland vormt ook de politiek. Wat vindt u
        van de politiek?
•       We hebben begrepen dat u de afgelopen verkiezingen niet heeft gestemd,
        waarom niet? (check: op afstand, ontoegankelijk, niet vertegenwoordigd voelen,
        wantrouwen,wordt niet geluisterd naar de burger, gevoel hebben dat je stem niet
        telt/geen invloed heeft, er niet zo mee bezig zijn, van huis uit niet meegekregen)
3. Inventarisatie houding democratie (30 minuten)
INT: Introduceer thema democratie.
148 / Vormen van democratie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 148 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 149 ======================================================================

<pre>Democratie als stelsel:
•       Nederland is een democratie, wat is dat eigenlijk? Waaraan denkt u bij het
        woord democratie? (inventariseer op flipover).
•       Staat het leven in een democratie dichtbij u of is het meer een ver-van-
        mijn-bed show?
INT: leg uit indien nodig: (parlementaire) democratie als regeringssysteem be-
tekent onder meer dat er een volksvertegenwoordiging is. Zij hebben een man-
daat om uiteindelijk beslissingen voor ons land te nemen. Het werkt net als bij
bijvoorbeeld een vereniging: er komt een bestuur waarin mensen zitten die het
vertrouwen van de leden genieten. Het bestuur neemt uiteindelijk de beslissin-
gen (democratische vereniging).
Ga verder met onderstaande vragen:
•       Wat vindt u van het leven in een democratie? Waarom? Ondersteunt u het
        of brengt het vooral nadelen met zich mee?
•       Vindt u het belangrijk dat we in een democratie leven? Waarom wel niet?
•       Stel er komt iemand bij u aan de deur met de vraag of u zich wilt inzetten
        voor de democratie (door te stemmen, mee te denken over beleid of over
        hoe het verder moet met Nederland, of door lid te zijn van een vrijwilli-
        gersorganisatie), kunnen ze dan een beroep op u doen? Waarom wel/niet?
•       In een democratie worden er beslissingen genomen voor ons allemaal.
        Denken ze dan ook aan u vindt u? Nemen ze uw belangen dan ook mee?
        (check: voelt men zich vertegenwoordigd?)
•       Heeft u het gevoel dat degenen die beslissingen nemen te vertrouwen
        zijn?
•       In ons land heeft iedereen dezelfde rechten en plichten (vrijheid van me-
        ningsuiting, je aan de wet houden), is dat ook echt zo (in de praktijk)?
Breng standpunten in (als bevinding van voorgaand onderzoek):
INT: Uit eerdere gesprekken hebben we al veel meningen geïnventariseerd. Bij-
voorbeeld...
Wat zouden redenen van mensen kunnen zijn om er zo over te denken?
                                                                        Bijlage 3 / 149
</pre>

====================================================================== Einde pagina 149 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 150 ======================================================================

<pre>•       De democratie is inefficiënt en werkt vertragend als er knopen moeten
        worden doorgehakt.
•       Ik zie liever een andere regeringsvorm dan de democratie (bijvoorbeeld
        anarchie, islamitische staat, communisme, autocratie (één machthebber).
•       De mensen/instanties die democratische beslissingen moeten nemen
        denken alleen aan zichzelf en niet aan de belangen van het volk.
•       Niet iedereen heeft gelijke rechten en plichten. Mensen met geld of macht
        worden minder hard aangepakt dan gewone mensen (misdaad, fraude).
•       In een democratie voel ik mij de minderheid waar niet naar wordt geluis-
        terd (en eventueel: het lijkt alsof anderen meer rechten hebben, bijvoor-
        beeld allochtonen).
•       Democratie is een ver van mijn bed show.
•       Ik denk nooit na over de democratie (ik ben bezig met overleven/nooit
        over nagedacht)
4. Inventarisatie houding t.a.v. democratische waarden (45 minuten)
INT: democratie is gestoeld op een aantal democratische waarden. Daarover wil
ik graag nu praten met u.
Tolerantie voor (uitkomsten van) andermans vrijheid van meningsuiting):
•       Stel dat 60% A zegt en 40%B, hoe moet er dan een beslissing worden ge-
        nomen? Moet er rekening worden gehouden met die 40%? En hoe zit dat
        bij 85/15%? Moet je dan rekening houden met deze minderheid? Waarom
        wel/niet?
•       In ons land worden beslissingen genomen door met elkaar te praten, naar
        elkaar te luisteren en dan samen een beslissing te nemen. Vindt u dat een
        goede manier?
•       Moet je dan naar alle mensen luisteren of niet, waarom?
•       Moeten we proberen compromissen te sluiten of moet je daar helemaal
        niet mee bezig zijn (maar bezig zijn met knopen doorhakken, streven naar
        efficiëntie)?
•       Sommige mensen zeggen dat de meerderheid het voor het zeggen moet
        hebben en dat de minderheid zich moet schikken. De minderheid heeft
        met andere woorden pech gehad en hun belangen kunnen niet worden
        gerespecteerd. Bent u het daarmee eens of niet, waarom?
•       Het kan wel eens dat een kleine groep mensen het niet eens is met de
        beslissingen die voor Nederland worden genomen. Moet je ook naar hen
        luisteren?
150 / Vormen van democratie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 150 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 151 ======================================================================

<pre>•      En stel dat die 15% van net, duidelijk laat blijken dat ze het er niet mee
       eens zijn, bijvoorbeeld doordat ze een demonstratie organiseren of zich
       via cartoons of columns uiten? Moet dat kunnen?
•      Sommige mensen zeggen dat je in alle omstandigheden moet kunnen
       zeggen wat je wilt (ongeacht gevoelens/meningen van anderen). Waarom
       zouden ze dat vinden?
•      Anderen zeggen dat je niet altijd moet zeggen wat je denkt (niet ten alle
       tijde vrijheid van meningsuiting), wat zouden hier redenen voor zijn?
•      Samenvattend: moet iedereen altijd kunnen laten blijken als hij/zij er
       anders over denkt of moet men zich aanpassen?
Bereidheid persoonlijke inzet anderen/maatschappelijke doelen:
•      Wat vindt u van het bestaan van maatschappelijke doelen of belangenver-
       enigingen?
•      Zou u bereid zijn zich voor zoiets in te zetten? Waarom wel niet?
•      Wat vindt u van vrijwilligerswerk? Dat mensen dus belangeloos iets doen
       zonder dat ze daar geld voor krijgen. Wat vindt u daarvan?
•      Voelt u zich geroepen om iets voor anderen te doen (niet voor directe om-
       geving maar bij wijze van spreke voor asielzoekers, bejaarden, gehandi-
       capten, kinderen). Waarom wel/niet?
•      Bent u dan ook bereid daar zelf een stapje terug voor te doen/er iets voor
       in te leveren (bijvoorbeeld vrije tijd, of geld dat je wel krijgt bij een betaal-
       de baan)?
•      Sommige mensen stellen dat ze zich eigenlijk alleen willen inzetten voor
       zichzelf/eigen gezin en laten de samenleving/wereld daarbuiten voor wat
       hij is. Wat zouden zij voor redenen hebben hiervoor?
•      Sommige mensen zeggen dat ze geen zin hebben zich persoonlijk in te
       zetten voor anderen, bijvoorbeeld omdat ze geen tijd hebben, met zichzelf
       bezig zijn (persoonlijke ontplooiing). Wat zijn redenen hiervoor?
•      Wat vinden dergelijke mensen van het doen van vrijwilligerswerk of je
       (belangeloos) actief inzetten voor anderen? Vinden zij dit vooral een ver-
       antwoordelijkheid van anderen of denken ze er niet zo over na (wordt
       toch wel geregeld)?
•      Samenvattend: wanneer wel/niet bereid je persoonlijk in te zetten voor
       anderen (dichtbij en veraf: maatschappelijke doelen).
                                                                             Bijlage 3 / 151
</pre>

====================================================================== Einde pagina 151 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 152 ======================================================================

<pre>k5. Bedanken en afsluiten (5 min.)
INT: bespreek kort: vooral tot doel om een natuurlijk einde te maken aan het
gesprek.
•       Hoe ziet u de toekomst van Nederland al met al tegemoet?
•       Vragen vanuit respondent, Vragen vanuit opdrachtgeverzijde
•       Bedanken voor deelname aan onderzoek
152 / Vormen van democratie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 152 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 153 ======================================================================

<pre>Overzicht van uitgebrachte publicaties van de
Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling
       Adviezen
Derde raadsperiode 2004-2007
42     Vormen van democratie. Een advies over democratische gezindheid. (2007)
41     Straf en zorg: een paar apart. Passende interventies bij delictplegers met-
       psychische en psychiatrische problemen. (2007)
40     Inhoud stuurt de beweging. Drie scenario’s voor het lokale debat over de
       WMO. (2006)
39     Ontsnappen aan medialogica. Tbs in de maatschappelijke beeldvorming.
       (2006)
38     Verschil maken. Eigen verantwoordelijkheid na de verzorgingsstaat. (2005)
37     Niet langer met de ruggen naar elkaar. Een advies over verbinden. (2005)
36     Lokalisering van maatschappelijke ondersteuning. Voorwaarden van
       maatschappelijke ondersteuning. (2005)
Tweede raadsperiode 2001-2004
35     Eenheid, verscheidenheid en binding. Over concentratie en integratie van
       minderheden in Nederland. (2005)
34     Ouderen tellen mee. Advies aan de Themacommissie Ouderenbeleid van
       de Tweede Kamer. (2004)
33     Mogen ouderen ook meedoen. (2004)
32     Toegang tot recht. (2004)
31     Sociale veiligheid organiseren. Naar herkenbaarheid in de publieke ruim-
       te. (2004)
                                                Overzicht van uitgebrachte publicaties / 153
</pre>

====================================================================== Einde pagina 153 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 154 ======================================================================

<pre>30      Verschil in de verzorgingsstaat. Over schaarste in de publieke sector.
        (2004)
29      Humane genetica en samenleving. Bouwstenen voor een ander debat.
        (2004)
28      Europa als sociale ruimte. Open coördinatie van sociaal beleid in de Euro-
        pese Unie. (2004)
27      Hart voor Europa. De rol van de Nederlandse overheid. (2003)
26      Medialogica. Over het krachtenveld tussen burgers, media en politiek.
        (2003)
25      De handicap van de samenleving. Over mogelijkheden en beperkingen
        van community care. (2002)
24      Bevrijdende kaders. Sturen op verantwoordelijkheid. (2002)
23      Geen woorden maar daden. Bijdrage aan het normen- en waardendebat.
        (2002)
22      Werken aan balans. Een remedie tegen burn-out. (2002)
21      Educatief centrum voor ouder en kind. Advies over voor- en vroegschoolse
        opvang. (2002)
20      Levensloop als perspectief. Kanttekeningen bij de Verkenning Levensloop.
        Beleidsopties voor leren, werken, zorgen en wonen. (2002)
19      Van uitzondering naar regel. Maatwerk in het grotestedenbeleid. (2001)
18      Aansprekend opvoeden. Balanceren tussen steun en toezicht. (2001)
17      Instituties in lijn met het moderne individu. De Sociale Agenda 2002-2006.
        (2001)
16      Kwetsbaar in kwadraat. Krachtige steun aan kwetsbare mensen. (2001)
Eerste raadsperiode 1997-2000
15      Ver weg en dichtbij. Over hoe ICT de samenleving kan verbeteren. (2000)
14      Van discriminatie naar diversiteit. Kanttekeningen bij de Meerjarennota
        Emancipatiebeleid ‘Van vrouwenstrijd naar vanzelfsprekendheid’. (2000)
13      Wonen in de 21e eeuw. (2000)
12      Alert op vrijwilligers. (2000)
11      Ongekende aanknopingspunten. Strategieën voor de aanpassing van de
        sociale infrastructuur. (2000)
10      Aansprekend burgerschap. De relatie tussen organisatie van het publieke
        domein en de verantwoordelijkheid van burgers. (2000)
9       Nationale identiteit in Nederland. (1999)
8       Arbeid en zorg. Reactie op de kabinetsnota ‘Op weg naar een nieuw even-
        wicht tussen arbeid en zorg’. (1999)
154 / Vormen van democratie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 154 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 155 ======================================================================

<pre>7    Integratie in perspectief. Advies over integratie van bijzondere groepen en
     van personen uit etnische groeperingen in het bijzonder. (1998)
6    Verantwoordelijkheid en perspectief. Geweld in relatie tot waarden en
     normen. (1998)
5    Uitsluitend vrijwillig!? Maatschappelijk actief in het vrijwilligerswerk.
     (1997)
4    Kwaliteit in de buurt. (1997)
3    Werkloos toezien. Activering van langdurig werklozen. (1997)
2    Stedelijke vernieuwing. (1997)
1    Vereenzaming in de samenleving. (1997)
Werkdocumenten
14   Opbrengsten van sociale investeringen. I. Doorten en R. Rouw (red.). (2006)
13   Eigen verantwoordelijkheid: bevrijding of beheersing? R. Ossewaarde.
     (2006)
12   Democratie voorbij de instituties. Vooronderzoek van de Raad voor Maat-
     schappelijke Ontwikkeling. (2006)
11   Horizontale verantwoording bij ZBO’s en agentschappen. T. Schillemans.
     (2005)
10   Tussen zorgen en begrenzen. Over de aanpak van delictplegers met
     psychi(atri)sche problemen. D. Graas en R. Janssens. (2005)
9    Gezin anno nu. M. Distelbrink, N. Lucassen en E. Hooghiemstra. (2005)
8    Tussen vangnet en trampoline. Over de inzet van publieke middelen voor
     participatie en zekerheid. H. Adriaansens, K. van Beek en R. Janssens.
     (2005)
7    Preventiebeleid. Een verkennende achtergrondstudie. R. Torenvlied en A.
     Akkerman. (2005)
6    Over insluiting en vermijding. Twee essays over segregatie en integratie. J.
     Uitermark en J.W. Duyvendak; P. Scheffer. (2004)
5    “Nee, ik voel me nooit onveilig”. Determinanten van sociale veiligheidsge-
     voelens. H. Elffers en W. de Jong. (2004)
4    Ouderen en maatschappelijke inzet. K. Breedveld, M. de Klerk en J. de Hart.
     (2004)
3    Financiële prikkels voor werknemers bij uittreding. I. Groot en A. Heyma.
     (2004)
2    Sociale veiligheid vergroten door gelegenheidsbeperking: wat werkt en
     wat niet? K. Wittebrood en M. van Beem. (2004)
1    Inburgering. Educatieve opdracht voor nieuwkomer, overheid en samenle-
     ving. (2003)
                                               Overzicht van uitgebrachte publicaties / 155
</pre>

====================================================================== Einde pagina 155 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 156 ======================================================================

<pre>Publicaties van de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling zijn te downloaden
via www.adviesorgaan-rmo.nl
156 / Vormen van democratie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 156 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 157 ======================================================================

<pre>Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling
De Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (RMO) werkt aan nieuwe concepten
voor de aanpak van sociale vraagstukken. De raad is:
prof. Maurits Barendrecht
prof. Talja Blokland-Potters
prof. Anneke van Doorne-Huiskes
prof. Paul Frissen
Sadik Harchaoui
Yolan Koster-Dreese (voorzitter)
José Manshanden
prof. Micha de Winter
Marijke Mootz is algemeen secretaris van de raad (wnd.).
De RMO is bij wet ingesteld op 1 januari 1997. Zijn formele opdracht luidt:
“de regering en de beide kamers der Staten-Generaal te adviseren over de hoofd-
lijnen van beleid inzake de gevolgen van maatschappelijke ontwikkelingen voor
zover deze van invloed zijn op de participatie van burgers in en de stabiliteit van
de samenleving”.
Parnassusplein 5
Postbus 16139
2500 BC Den Haag
Tel. 070 340 52 94
Fax 070 340 54 46
rmo@adviesorgaan-rmo.nl
www.adviesorgaan-rmo.nl
                                             Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling / 157
</pre>

====================================================================== Einde pagina 157 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 158 ======================================================================

<pre>Colofon
Vormen van democratie
Een advies over democratische gezindheid (advies 42)
Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling
ISBN 978 90 6665 896 7
NUR 740
Foto omslag
© Vladimir Ivanov (BigStockPhoto.com)
Vormgeving
Marc Horvat, Uitgeverij SWP
Uitgever
Paul Roosenstein
Voor informatie over overige uitgaven van Uitgeverij SWP:
Postbus 257, 1000 AG Amsterdam
Telefoon: (020) 330 72 00
Fax: (020) 330 80 40
E-mail: info@mailswp.com
Internet: www.swpbook.com
</pre>

====================================================================== Einde pagina 158 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 159 ======================================================================

<pre>5896 BW Vormen van Democratie.in159 159 5896 BW Vormen van Democratie.in159 159 8/31/2007 2:08:38 PM 8/31/2007 2:08:38 PM</pre>

====================================================================== Einde pagina 159 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 160 ======================================================================

<pre>5896 BW Vormen van Democratie.in160 160 5896 BW Vormen van Democratie.in160 160 8/31/2007 2:08:38 PM 8/31/2007 2:08:38 PM</pre>

====================================================================== Einde pagina 160 =================================================================

<br><br>