<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>              SOCIAAL BEZUINIGEN
1 Inleiding ................................................................................. 2
2 Beloon bespaarders: organiseer een cultuur van zuinigheid ............ 2
3 Wees specifiek: behandel verschillende gevallen verschillend .......... 3
4 Beperk coördinatie: ga uit van productieve ruimte tussen kokers .... 5
5 Stimuleer vakmanschap: bestrijd protocolisering .......................... 5
6 Schep ruimte voor nieuwe toetreders .......................................... 6
7 Betrek de samenleving (en ontlast de overheid)............................ 6
8 Organiseer horizontaal toezicht: geef stem aan verankering ........... 7
9 Werk aan de transformatie van de verzorgingsstaat ...................... 7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>1 Inleiding
  Vanaf 2011 moeten overheden er zich op voorbereiden dat ze fors minder kunnen
  uitgeven dan voorheen het geval was. Het rijk, provincies en gemeenten zullen
  lastige afwegingen moeten maken om de bezuinigingen te realiseren. Het Kabinet
  heeft twintig ambtelijke werkgroepen ingesteld en taakopdrachten geformuleerd
  met het doel beleidsvarianten te ontwikkelen die structureel 20% besparen van de
  netto uitgaven in 2010.
  Deze beleidsvarianten komen tot stand op basis van een proces van analyse. Een
  dergelijk proces dwingt overheden de vraag te stellen naar de effecten van de
  ombuigingen. Nu is het kenmerk van sociale investeringen dat ze moeilijk vatbaar
  zijn voor kosten-batenanalyses (vergelijk Opbrengsten van sociale investeringen,
  RMO 2006). Daarvoor zijn verschillende redenen te noemen: de resultaten zijn
  lastig meetbaar, ze doen zich voor in verschillende domeinen en zijn ook pas vaak
  op langere termijn zichtbaar. Ter illustratie kunnen we kijken naar de aanleg van
  een speeltuin. Dit draagt waarschijnlijk bij aan de terugdringing van criminaliteit,
  maar wordt uit een andere begrotingspost door een andere overheidslaag
  bekostigd, het effect is lastig te kwantificeren en het doet zich waarschijnlijk pas
  op de langere termijn voor.
  Wat voor investeringen geldt, gaat ook op voor het achterwege laten daarvan:
  bezuinigingen. De effecten zijn soms moeilijk zichtbaar. Het is daarom goed om bij
  de ontwikkeling van beleidsvarianten alert te zijn op voorkomen van onbedoelde
  en ongewenste effecten.
  Wij presenteren in dit briefadvies geen bezuinigingsvoorstellen en doen evenmin
  een pleidooi bepaalde sectoren te sparen. Wel willen we enkele principes
  aandragen die kunnen helpen bij het ontwerpen en kiezen van ‘goede’
  bezuinigingen. Hiertoe putten we uit diverse adviezen die de RMO heeft
  uitgebracht. Deze adviezen zijn daarom bijzonder bruikbaar voor dit doel omdat
  de RMO in bijna al zijn adviezen suggesties doet hoe we maatschappelijke
  vraagstukken beter kunnen aanpakken voor minder geld.
  De term ‘sociaal bezuinigen’ gebruiken we, omdat we menen dat er fundamentele
  besparingen mogelijk zijn die kwetsbare mensen én kwetsbare sociale structuren
  buiten schot houden. Of beter nog: er zijn bezuinigingsmogelijkheden die de
  kracht van mensen en hun structuren weten te benutten waar bestaand beleid die
  kracht soms onbedoeld buiten werking stelt.
  In het vervolg benoemen we zeven principes die ervoor kunnen zorgen dat de
  publieke sector over de gehele linie én zuiniger én beter wordt. Sommige zijn
  direct inzetbaar, andere pas op wat langere termijn. De rode draad van onze
  boodschap is: de overheid kan haar voorzieningen meer gericht aanbieden.
2 Beloon bespaarders: organiseer een cultuur van zuinigheid
  Het is geen geheim dat gemeenteambtenaren aan het eind van het jaar een
  telefoontje van een hogere overheid kunnen krijgen met het verzoek om nog een
  projectaanvraag te doen. Overhouden op het budget is doorgaans geen methode
  om stijging op de ambtelijke carrièreladder te versnellen. Het jaarlijks uitputten
  van het budget geldt als een kwaliteit en als een vorm van daadkracht. Er is geen
  prikkel om als ambtenaar de vraag te stellen hoe met 20% minder geld dezelfde
                                              2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>  doelen bereikt kunnen worden. Er zijn wel prikkels om ook als de doelen al eerder
  zijn bereikt, toch vooral ook die laatste 20% van het budget te spenderen.
  De cultuur van budgetuitputting bestaat niet alleen op het niveau van afdelingen
  of individuele ambtenaren. Ze geldt evenzeer voor complete diensten en
  organisaties in de publieke sector. Welke school of universiteit zal trots melden
  dat zij voor dit jaar alle doelstellingen heeft weten te bereiken met 20% minder
  uitgaven, om vervolgens het overgebleven geld terug te storten in de staatskas?
  Welke provincie, gemeente, toezichtautoriteit of welzijnsorganisatie durft zich op
  de borst te kloppen dat alle voornemens zijn gerealiseerd met 20% minder
  kosten, en geeft het restant terug aan de belastingbetaler? Welke semipublieke
  dienstverlener weet er een eer in te stellen om zijn activiteiten in enig jaar zonder
  overheidssubsidie te realiseren? Het lijken voor de hand liggende vragen, maar ze
  zijn het niet. De institutionele inbedding van vrijwel alle publiek gefinancierde
  diensten laat deze vragen namelijk niet toe. Integendeel: elke organisatie die zich
  zuiniger toont dan begroot, kan het volgende jaar rekenen op een korting op haar
  budget. Laten zien dat het met minder kan, wordt consequent gestraft.
  In feite betekent dit dat de publieke sector onvoldoende gebruik kan maken van
  de enorme hoeveelheid kennis en creativiteit op de werkvloer. In de huidige
  setting wordt elke bezuiniging een van boven opgelegde maatregel, waartegen de
  betrokken organisatie zich zal willen verzetten. Het levert een ongelukkig spel op,
  dat bij alle betrokkenen tot veel frustratie leidt.
  Het is volgens de RMO hard nodig om een ander gedrag en andere ambities te
  gaan belonen. Zoals banken zich na de crisis zijn gaan afvragen hoe ze hun
  spaarders opnieuw in beeld kunnen krijgen, hoe ze de cultuur van overkreditering
  tot de zaak barst kunnen bijstellen, zo kunnen publieke diensten op elk niveau
  zich afvragen hoe ze de belastingbetaler opnieuw in beeld gaan krijgen, hoe ze
  budgetmaximalisatie kunnen bijstellen in de richting van zuinigheid met publieke
  middelen.
  De afgelopen jaren hebben overheidsorganisaties veel geïnvesteerd in het
  concretiseren van hun doelstellingen. Organisaties zouden een positieve prikkel
  moeten krijgen om uit zichzelf dezelfde doelstellingen te realiseren tegen lagere
  kosten. Deze prikkels kunnen bij uitstek ook liggen buiten de sfeer van het
  institutionele of het budgettaire. Ook immateriële beloningen in de sfeer van
  waardering kunnen mechanismen zijn om uitgeefdruk te weerstaan en kwaliteit
  belangrijker te maken. Tegelijk kunnen ook negatieve prikkels worden
  afgebroken, bijvoorbeeld door bestaande budgetruimte juist wel te continueren als
  er minder wordt uitgegeven of door besparingen deels te mogen inzetten voor
  innovatiedoelen. Waar het om gaat, is dat een ‘cultuur van zuinigheid’ een
  kenmerk van ambitie wordt, en niet van een gebrek eraan.
3 Wees specifiek: behandel verschillende gevallen verschillend
  Publieke bezuinigingen verlopen vaak langs vaste patronen. Deze patronen, zo
  analyseerde de RMO in het advies Verschil in de verzorgingstaat (2004), pakken
  niet altijd positief uit voor de groepen in de samenleving waar de overheidssteun
  in oorsprong bij uitstek voor was bedoeld. Het advies constateert aan de hand van
  ‘drie systeemfouten’ dat de verzorgingsstaat, ondanks een toegenomen
  welvaartsniveau, steeds moeilijker zijn kwetsbaarste doelgroepen weet te
  bereiken.
                                              3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>Kenmerkend voor de verzorgingsstaat is dat de overheid een aantal
basisvoorzieningen garandeert. Wanneer een deel van de maatschappij de
toegang tot een dergelijke basisvoorziening mist, een ‘fout van de eerste soort’,
dan is de logische reflex om het voorzieningenniveau op generieke wijze uit te
breiden. Resultaat daarvan is echter dat niet alleen degenen die behoefte hebben
aan voorzieningen ervan profiteren, maar ook mensen die eigenlijk best zonder
kunnen. Dit noemt de RMO een ‘fout van de tweede soort’.
Wat tot stand kwam onder de vlag van solidariteit en rechtvaardige verdeling,
leidde in de praktijk tot overmatig gebruik, dat soms grensde aan misbruik.
De generieke aanpak leidde zo tot een continue uitbreiding van voorzieningen.
De reactie van de overheid heeft dan ook weer een generiek karakter. Er worden
afslankingprocessen, kaasschaafmethoden en andere bezuinigingen toegepast.
Het resultaat is dat de generieke maatregelen er toe leiden dat juist die groepen
die ze echt nodig hebben, niet genoeg hebben aan wat rest aan voorzieningen.
Dit noemt de RMO een ‘fout van de derde soort’. Door telkens een deel van de
voorzieningen generiek af te romen en daarmee onvoldoende na te gaan wie aan
de voorzieningen werkelijk behoefte heeft, komen de publieke middelen steeds
minder terecht bij de groep voor wie ze oorspronkelijk bedoeld waren.
Bezuinigingen zijn vaak fouten van de derde soort: door generieke kortingen
worden degenen ‘gepakt’ voor wie de voorziening bedoeld was. Met klem wil de
Raad wijzen op het voorkomen van deze fouten van de derde soort. Bezuinigingen
zijn niet altijd ongerechtvaardigd. De pakketmaatregel AWBZ is zijns inziens
terecht gericht op het verminderen van onnodige aanspraken. De afslanking van
de WAO is er terecht op gericht om oneigenlijk gebruik (bijvoorbeeld in
conflictsituaties tussen werkgever en werknemer) tegen te gaan. Maar dan moet
de pakketmaatregel niet leiden tot een verschraling voor de degenen die de
voorziening echt nodig hebben, zoals bijvoorbeeld de licht dementerenden die
thuis wonen. Bezuinigingen hier treffen niet alleen een uiterst kwetsbare groep,
maar deze groep voelt zich ook nog eens gedwongen om gebruik te gaan maken
van een duurdere voorziening uit de AWBZ. Zo wordt het paard achter de wagen
gespannen.
Intussen is er veel geleerd en veel verbeterd op het gebied van
verzorgingsstaatvoorzieningen. In zijn advies Verschil maken (2007) pleitte de
RMO voor een herziening van de verzorgingsstaat over de hele linie. De RMO
denkt bijvoorbeeld dat de WWB voor jongeren als een succesvol voorbeeld kan
gelden van hoe de verzorgingsstaat in deze tijd humaner en beter betaalbaar kan
zijn. De jeugdwerkloosheid in Nederland is in vergelijking met andere landen
aanzienlijk lager. De jeugdwerkloosheid ontwikkelt zich in deze tijd van crisis ook
aanzienlijk gunstiger dan ten tijde van de recessie van begin jaren tachtig van de
vorige eeuw. De vraag is of we deze logica juist vanwege bezuinigingen niet
verder door kunnen trekken. In de Wajong bijvoorbeeld lijkt er ook na de recente
herziening nog ruimte om meer jongeren aan te moedigen tot verder leren of
meer participeren.
Het principe van verschillende mensen verschillend behandelen moet steeds
uitgangspunt zijn. Specifiek beleid is rechtvaardiger en kan bovendien aanzienlijke
besparingen opleveren. Meer ruimte voor maatschappelijke organisaties
(specificiteit) en een beperking van overheidsregulering (die bijna altijd generiek
is) kunnen hieraan bijdragen.
                                          4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>4 Beperk coördinatie: ga uit van productieve ruimte tussen kokers
  Het is alom bekend dat veel publiek geld resulteert in bureaucratie. Nu is
  bureaucratie in veel gevallen nodig, onder meer vanuit het oogpunt van
  rechtvaardige verdeling. Bureaucratie kan echter ook doorslaan, zoals de Raad
  vaststelt in zijn advies De ontkokering voorbij (2008). Het advies constateert dat
  de discussie over ver- en ontkokering al decennia aan de orde is. Dramatische
  incidenten versterken de roep om ontkokerd en integraal beleid, met als doel de
  problemen nu eens echt aan te pakken. Ook gemeenten besteden veel tijd en
  energie in het tot stand brengen van integrale concepten, onder meer in het kader
  van de WMO en het Centrum voor Jeugd en Gezin.
  De RMO signaleert in zijn advies dat ontkokering voor vergelijkbare problemen
  zorgt als verkokering. Integraal beleid wordt namelijk steeds vormgegeven met
  nieuwe vormen van coördinatie en leidt zo eerder tot meer dan tot minder
  bureaucratie. De RMO pleit daarom voor een meer pragmatische benadering.
  Verkokering kan berusten op de erkenning dat de werkelijkheid meervoudig is.
  Verkokering heeft ook goede kanten. Ze kan er voor zorgen dat er niet eenzijdig
  naar problemen wordt gekeken. In plaats van de logica van een integraal beleid
  bepleit de Raad de logica van de dienstverlening. Het is veel gemakkelijker om
  vakmensen op uitvoeringsniveau te laten samenwerken – vanuit hun vakmatige
  opdracht en verantwoordelijkheden – dan om samenwerking en ‘integraliteit’ op
  bestuurlijk niveau te coördineren.
  Bij noodzakelijke bezuinigingen kan de overheid – vanuit de oprechte wens om
  schaarse middelen beter in te zetten - opnieuw in de reflex vervallen om meer te
  gaan coördineren in de hoop zo te kunnen ontkokeren. De RMO raadt aan om
  bewust naar de coördinatiekosten te kijken en ernaar te streven eerder daarin te
  schrappen. De kernvraag is dan waar de coördinatoren van de coördinatoren
  kunnen worden gemist. Dit kan veel besparingen opleveren en komt de
  dienstverlening uiteindelijk ten goede.
5 Stimuleer vakmanschap: bestrijd protocolisering
  In samenhang met het voorgaande pleit de Raad voor een herwaardering van
  vakmanschap, een term die beter uitdrukt wat we bedoelen dan ‘professionaliteit’.
  In de taal van het new public management (NPM) wordt de term professionaliteit
  geassocieerd met ‘professionaliseren’, met het voldoen aan procedurele regels van
  de organisatie: nauwkeurig tijdschrijven, zich houden aan protocollen en zich
  schriftelijk verantwoorden aan chefs en toezichthouders met behulp van de door
  de organisatie voorgeschreven formats. De Raad stelt dat vakmanschap betere
  resultaten levert en goedkoper is dan de verkeerd begrepen zakelijkheid van NPM.
  De invoering van NPM was een logisch uitvloeisel van de wens om binnen de
  publieke sector efficiënter te werken. NPM heeft dan ook zeker bijgedragen aan
  verbeteringen op dit punt. Tegelijk is er ook een schaduwkant: NPM bevordert
  ‘sturen op wantrouwen’ en daarmee een erosie van betrokkenheid. NPM draagt bij
  aan protocolisering en een houding van vakmensen die eerder gericht is op
  verantwoording en beheersing van het systeem dan tot een houding die gericht is
  op de hulpvraag van de cliënt. Vakmanschap daarentegen heeft betrekking op de
  kwaliteiten van de beroepsbeoefenaar die nodig zijn om het beroep/de functie
  goed te kunnen uitoefenen. Dit vergt soms een hoge mate van specialisatie, maar
                                            5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>  soms ook een brede scope en in elk geval een cultuur die vakmanschap belangrijk
  vindt en de zelfstandige kwaliteit van vakmensen voedt en bevordert.
  Een cultuur van vakmanschap is overigens niet hetzelfde als ‘meer ruimte’ of ‘vrij
  baan’ voor individuele professionals. Essentieel voor vakmanschap is juist dat
  verrichte handelingen open staan voor kritiek en dat daaruit aantoonbare
  verbetering hoort te ontstaan. Maar de verantwoordelijkheid ligt bij de vakmensen
  zelf en niet bij hun protocol of toezichthouder.
6 Schep ruimte voor nieuwe toetreders
  Hoewel marktwerking op allerlei plekken hoog in het overheidsvaandel staat,
  wordt de essentie meestal overgeslagen: marktwerking kan alleen bestaan bij de
  gratie van lage drempels voor nieuwe innovatieve toetreders en reële
  mogelijkheden voor cliënten om te switchen. In onderwijs en zorg werpen talloze
  regels juist hoge drempels op voor nieuwe aanbieders. Bij
  aanbestedingsprocedures van de overheid zijn het bijvoorbeeld juist de nieuwe
  innovatieve aanbieders die via raamcontracten buiten de deur worden gehouden.
  Op deze manier mist de overheid kansen om betere diensten tegen lagere kosten
  toe te laten tot de publieke dienstverlening. Waar dat wel gebeurt (bijvoorbeeld
  Stichting Buurtzorg in de thuiszorg), zien we prompt een nieuwe dynamiek
  ontstaan en kan een soort creatieve destructie aan het werk die eigen is aan
  markten en de raison d’être vormt van het fenomeen marktwerking. Het slechten
  van drempels voor nieuwe toetreders zal, aldus de Raad, uiteindelijk bijdragen
  aan het verminderen van overheidsuitgaven.
7 Betrek de samenleving (en ontlast de overheid)
  Hiermee in verband meent de Raad dat - ondanks het streven van achtereenvolgende
  kabinetten Balkenende om eigen verantwoordelijkheid en zelfredzaamheid
  (samenredzaamheid volgens een mooi neologisme) te stimuleren - momenteel nog te véél
  door overheidsdienstverleners wordt gedaan. Dat geldt bijvoorbeeld voor het jeugdbeleid,
  waar de overheid steeds meer in een spagaat terecht komt (vergelijk Investeren rondom
  kinderen 2009).
  Naar aanleiding van allerlei incidenten en toenemende wachtlijsten neemt de druk op de
  overheid om in te grijpen toe. Vervolgens hebben risicopreventie en monitoring een
  aanzuigende werking op wachtlijsten. Het resultaat is een overheid die steeds meer in het
  gat springt dat de sociale omgeving laat liggen, waardoor die sociale omgeving haar
  verantwoordelijkheid steeds minder kan oppakken.
  In zijn samen met de RVZ geschreven advies Investeren rondom Kinderen stelt de Raad
  dat de jeugdzorg ontlast kan worden door de sociale omgeving meer bij opgroeiende
  kinderen te betrekken. Dit levert opnieuw zowel een kostenbesparing als een kwalitatieve
  verbetering op. Het betrekken van de omgeving kan op verschillende manieren,
  bijvoorbeeld door bewust plekken en momenten te creëren waar ouders en kinderen
  elkaar onderling kunnen ontmoeten en ervaringen kunnen delen. Maar ook door
  sportfaciliteiten voor elk kind bereikbaar te maken.
  Een vergelijkbare redenering gaat op voor andere domeinen, zoals de
  ziekenverzorging. In het advies De wijk nemen (2009) heeft de Raad onder meer
  gewezen op de positieve resultaten van het initiatief van ‘Gemeenschapszorg’, een
                                             6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>  kleinschalige woonzorgvoorziening/ziekenboeg in de wijk, waarbij zowel
  vakmensen als vrijwilligers betrokken zijn. Hiermee wordt de gemeenschapszorg
  deels teruggeven aan ‘gewone’ mensen. In ieder geval streeft de overheid met de
  WMO naar een grotere verantwoordelijkheid van burgers als het gaat om de
  ondersteuning van mensen met een beperking. Het ironische is echter, zo blijkt
  bijvoorbeeld uit een casestudie in Dordrecht, dat veel vrijwilligers geen kans
  krijgen omdat het terrein grotendeels bezet wordt door betaalde vakmensen (OCD
  2008).
  Meer in het algemeen kan de overheid door meer ruimte te laten voor civil society
  en particulier initiatief een dubbele doelstelling halen: besparen en betrokkenheid
  stimuleren. Doorgaans kunnen veel (kleine) burgerinitiatieven prima zonder
  directe gemeentelijke interventie floreren. Subsidieverstrekking kan ook initiatief,
  vernieuwing en betrokkenheid kapotmaken.
8 Organiseer horizontaal toezicht: geef stem aan verankering
  Soms vergeten we wel eens dat de publieke dienstverlening in Nederland vanouds
  georganiseerd is vanuit het particulier initiatief. Woningcorporaties, publieke
  omroepen, ziekenhuizen, zorginstellingen en scholen zijn ontstaan vanuit
  maatschappelijke bewegingen en pas in de loop van de tijd via wetgeving en
  subsidieverstrekking onder de invloedsfeer van de staat terecht gekomen. Na een
  periode van door de staat afgedwongen marktwerking kampen ze steeds meer
  met een legitimiteitprobleem, met als gevolg een beweging van verantwoording
  die gestalte krijgt via toezichtorganen en governancecodes.
  Het is echter twijfelachtig wat de bijdrage is van deze beweging van verticaal
  toezicht aan de verbetering van kwaliteit en legitimatie. Toezichthouders zijn wel
  duur, al was het maar omdat ze geacht worden kennis en kwaliteit te hebben om
  een geheel domein te kunnen overzien – liefst meer dan de vakmensen in die
  sector zelf. Bovendien: verticaal toezicht gaat op zijn beurt hand in hand met
  protocolisering, standaardisering, bureaucratisering en daarmee de eerder
  gesignaleerde uitholling van vakmanschap. In zijn verkenning Stem geven aan
  verankering (2009) signaleert de RMO een leemte waar het gaat om
  verantwoording aan cliënten en gebruikers. Als we verticaal toezicht kunnen
  vervangen door horizontale feedback, kan niet alleen dure verantwoordings-
  bureaucratie worden voorkomen, maar ontstaat tevens een noodzakelijke en
  natuurlijke dialoog tussen organisatie en gebruikers.
9 Werk aan de transformatie van de verzorgingsstaat
  Het gevaar bestaat dat door de noodzaak op korte termijn bezuinigingen door te
  voeren een meer fundamentele visie op de manier waarop de verzorgingsstaat zou
  moeten worden hervormd, onvoldoende tot stand komt. Om de noodzakelijke
  herfinanciering mogelijk te maken is immers een andere kostenverdeling tussen
  het private en het publieke domein nodig. Hierbij is het belangrijk dat de kansen
  op het maken van fouten van de eerste, tweede en derde soort worden
  geminimaliseerd. Wij realiseren ons dat het transformeren van de
  verzorgingsstaat tijd vergt.
  Het advies Verschil maken (2006) geeft aanbevelingen voor de transformatie van
  de verzorgingsstaat. In de analyse van de RMO speelt het begrip eigen
                                             7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>verantwoordelijkheid een voorname rol. Het is een kernwaarde in het
regeringsbeleid die uitdrukking geeft aan de politieke wens om de verhoudingen
tussen burgers, ‘civil society’ en staat te herordenen. Eigen verantwoordelijkheid
verwijst daarnaast naar een verzameling instrumenten die beogen de positie van
de burger te versterken, zoals vraagsturing, eigen risico’s en marktwerking.
In dit advies betoogt de Raad dat het nemen van eigen verantwoordelijkheid als
kernwaarde vraagt om een repertoirewisseling van de overheid. De Raad reikt de
volgende punten aan voor deze repertoirewisseling:
   Eigen verantwoordelijkheid betekent dat het primaat ligt bij de burger en zijn
    verbanden. De burger beslist, samen met andere burgers, wat hij privaat wil
    regelen en waarvoor hij publieke arrangementen prefereert, al dan niet
    opgezet en gefinancierd door de staat;
   Een burger die beslissingsmacht en beschikkingsmacht heeft, vraagt om een
    pluricentrisch perspectief op macht en gezag. Legitimiteit is dan gelegen in
    een stelsel van ‘checks and balances’, van macht en tegenmacht;
   Eigen verantwoordelijkheid kan niet worden ingekaderd door allerlei gewenste
    uitkomsten. Wel kan de overheid door regelgeving onaanvaardbare
    uitkomsten vermijden.
Voor de toepassing van bovenstaande uitgangspunten is een onderscheid nodig
van drie domeinen van de verzorgingsstaat:
1. De verzorgingsstaat in engere zin: het stelsel van inkomensoverdrachten en
    risicobescherming;
2. De verzorgingsstaat als maatschappelijke dienstverlening. Hier heeft een
    omvangrijke verstatelijking van overwegend particuliere
    verzorgingsarrangementen plaatsgevonden;
3. De verzorgingsstaat in ruime zin. Hier is de staat een ‘albedil’, die op
    aandrang van velen, de eindverantwoordelijkheden voor maatschappelijke
    ontwikkeling draagt. Omvangrijke regelgeving is het gevolg, niet
    waargemaakte pretenties leiden tot verlies van legitimiteit.
Voor het eerste domein pleit de Raad voor het opruimen van institutionele
belemmeringen van private verzekeringen, waarbij een verzekeringsplicht en een
acceptatieplicht voor bepaalde risico’s nodig is. In de nieuwe zorgverzekering zijn
beide principes gerealiseerd. De overheid houdt een basisstelsel van collectieve
voorzieningen in leven voor degenen die dit echt nodig hebben. Voor het tweede
domein bepleit de Raad een andere rol van de overheid, namelijk een waarin ze
gedifferentieerd en toegepast op specifieke omstandigheden intervenieert. De
overheid garandeert basale voorzieningen op verschillende terreinen van
maatschappelijke dienstverlening en sluit verder aan bij initiatieven van burgers,
bedrijven, instellingen en professionals. Voor het derde domein tot slot moet
ingezet worden op het beëindigen van allerlei programma’s. Hier is burgerschap
als beslissingsmacht en beschikkingsmacht aan de orde.
Hoofdlijn van de toekomstige overheid is dat ze kaders stelt die bevrijdend zijn.
Ze heft belemmeringen op zodat burgers zich in krachtige contexten kunnen
ontwikkelen. Verder is haar beleid vooral gericht op het voorkomen van
óngewenste uitkomsten die de stabiliteit van de samenleving en de participatie
van burgers aantasten, en niet zozeer op het bevorderen van allerlei in haar ogen
géwenste uitkomsten. Het is onze overtuiging dat dit op den duur een sterkere,
goedkopere én socialere publieke sector oplevert.
Graag zijn we bereid om ons advies nader toe te lichten.
                                            8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>Namens de Raad,
Mr. Sadik Harchaoui
Voorzitter RMO
© Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling, Den Haag, januari 2010
Parnassusplein 5
Postbus 16139
2500 BC Den Haag
Tel. 070 340 52 94
Fax 070 340 54 46
rmo@adviesorgaan-rmo.nl
www.adviesorgaan-rmo.nl
DeԜRaadԜvoorԜMaatschappelijkeԜOntwikkeling (rmo) werkt aan nieuwe concepten voor de aanpak van
sociale vraagstukken. De raad bestaat uit negen onafhankelijke kroonleden: de heer mr. S. Harchaoui,
(voorzitter), mevrouw prof. dr. J. van Doorne-Huiskes, de heer prof. dr. P.H.A. Frissen, mevrouw drs.
J.G. Manshanden mpa, de heer prof. dr. L.C.P.M. Meijs, mevrouw dr. M.R.J.R.S. van San, mevrouw prof.
dr. E. M.Sent en de heer prof. dr. M. de Winter. De heer dr. R. Janssens is algemeen secretaris van de
Raad.
                                                     9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>