<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>Schoon formaat: 170 x 240 x 15 mm. Cyaan Magenta Geel Zwart De nieuwe regels van het spel Internet en publiek debat r a a d v o o r m a a t s c h a p p e l i j k e o n t w i k k e l i n g Via het internet kunnen mensen volop deelnemen aan publieke debatten. Het debat kan daardoor rijker en geva- rieerder worden. Maar gebeurt dat ook? In De nieuwe regels van het spel analyseert de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (rmo) de invloed van nieuwe media op discussies van algemeen publiek be- lang. Het internet verandert het speelveld en daarmee ook de spelregels van deze debatten. Burgers, politici, ambtenaren, wetenschappers en journalisten gaan meer direct met elkaar in gesprek. Dit stimuleert de variëteit, maar tegelijk ontstaan er nieuwe technische en sociale begrenzingen. Het advies vormt het startpunt voor een brede discussie over de randvoorwaarden voor publieke debatten in het internettijdperk. De rmo is de adviesraad van de regering en het parlement op het terrein van participatie van burgers en stabiliteit van de samenleving. De rmo werkt aan nieuwe concep- ten voor de aanpak van sociale vraagstukken. isbn 9789077758267 nur 740 www.adviesorgaan-rmo.nl 3 37 36 35 34 33 32 31 30 29 28 27 26 25 24 23 22 21 20 19 18 17 16 15 14 13 12 11 10 9 8 7 6 5 4 3 2 1 0 De nieuwe regels van het spel 49 r a a d v o o r m a a t s c h a p p e l i j k e o n t w i k k e l i n g</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>De nieuwe regels van het spel</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>De nieuwe regels van het spel_1.indd 2 10-5-2011 13:28:48</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>De nieuwe regels
van het spel
Internet en publiek
debat
Den Haag, mei 2011
r a a d v o o r
m a a t s c h a p p e l i j k e
on t w i k k e l i ng
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>De Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling is de adviesraad van de
regering en het parlement op het terrein van participatie van burgers en
stabiliteit van de samenleving.
De rmo werkt aan nieuwe concepten voor de aanpak van sociale vraag­
stukken. De raad bestaat uit onafhankelijke kroonleden; de heer mr. S.
Harchaoui (voorzitter), de heer drs. B.J. Drenth, de heer prof. dr. P.H.A.
Frissen, mevrouw drs. J.G. Manshanden mpa, de heer prof. dr. L.C.P.M.
Meijs, mevrouw prof. dr. M.R.J.R.S. van San, mevrouw prof. dr. E.M. Sent en
de heer prof. dr. M. de Winter. De heer dr. R. Janssens is algemeen secretaris
van de raad.
Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling
Parnassusplein 5
Postbus 16139
2500 bc Den Haag
Tel. 070 340 52 94
Fax 070 340 70 44
www.adviesorgaan-rmo.nl
rmo@adviesorgaan-rmo.nl
Advies 49
isbn 978 90 77758 26 7
nur 740
Zet-en Binnenwerk: Textcetera, Den Haag
Basisontwerp: Christoph Noordzij, Collage, Wierum
© Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling, Den Haag, 2011
Niets in deze uitgave mag worden openbaar gemaakt of verveelvoudigd,
opgeslagen in een dataverwerkend systeem of uitgezonden in enige vorm
door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welk wijze dan ook zonder
toestemming van de rmo.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>Voorwoord
Het internet is niet meer weg te denken uit onze samenleving. Op allerlei
gebieden van ons leven beïnvloedt het ons denken, handelen en de wijze
waarop we als samenleving met elkaar het debat aangaan over publieke
kwesties.
   Op verzoek van het kabinet brengt de rmo een advies uit over de rol van
nieuwe media in publieke debatten. Onze invalshoek is die van toegan­
kelijkheid en pluriformiteit van publieke debatten. Het internet biedt een
enorme potentie voor vrije publieke opinievorming, maar levert naar zijn
aard ook zichtbare en minder zichtbare begrenzingen op. Het advies brengt
deze potentie en beperkingen in beeld, legt dilemma’s bloot en biedt hand­
reikingen om daarmee om te gaan.
   Het advies is geen eindproduct, maar een preadvies. Het karakter van dit
advies leent zich er naar het oordeel van de Raad voor om frequente gebrui­
kers van het internet en verschillende belangrijke actoren te betrekken bij
een advies aan het kabinet. We beogen hiermee naast de klassieke advies­
functie ook een nieuwe vorm van adviseren aan het kabinet te introduce­
ren. Een jaar lang organiseert de Raad op basis van het preadvies online en
offline discussies over de institutionele randvoorwaarden voor een publiek
debat. Dit zal uitmonden in een definitief advies in 2012.
   Voor het advies hebben we dankbaar gebruikgemaakt van de expertise
van een aantal deskundigen (zie bijlage 2). Chris Aalberts bedanken wij
voor zijn waardevolle bijdrage bij de verkenning van de adviesvraag. Dat
geldt eveneens voor Tamara Witschge, Albert Benschop, Mark Deuze en
Gijs van Oenen, die vanuit verschillende disciplines over het onderwerp
een essay hebben geschreven. Deze essays zijn beschikbaar op de website
van de rmo. Verder willen we Jonneke Stans, Tom Jütten, Arnout Ponsioen
en Ton Baetens van Politiek Online bedanken voor hun onderzoek, dat ach­
ter in het advies is opgenomen (zie bijlage 1).
Tot slot heeft de Raad dankbaar gebruik gemaakt van de kennis en exper­
tise van de klankbordgroep, bestaande uit Valerie Frissen, Stef van
Grieken, Jos de Haan, Annemarth Idenburg, Stephan Okhuijsen, Richard
Rogers, en Sally Wyatt. De klankbordgroep is vier keer bijeengekomen om
                                                              Voorwoord 5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>c­ ommentaar te geven op het plan van aanpak en verschillende conceptver­
 sies van dit advies.
 De commissie die dit advies heeft voorbereid bestond uit:
 Mr. S. Harchaoui (Raad)
 Prof. dr. M. R. J. R. S. van San (Raad)
 Dr. M.E. Noorman (secretariaat)
 S. Zafar ba (secretariaat)
 Drs. M. Goudswaard (secretariaat)
 Dr. R. Janssens (secretariaat)
 De verantwoordelijkheid voor het advies berust bij de Raad.
 Sadik Harchaoui                           Rienk Janssens
 Voorzitter                                Algemeen secretaris
     6 De nieuwe regels van het spel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>Inhoud
Samenvatting 9
1   Inleiding 13
2   De (voor)waarden van een publiek debat 17
2.1 Een publiek debat is openbaar en pluriform 17
2.2 Ordening van de pluriformiteit en openbaarheid 19
2.3 Media sturen het debat 20
2.4 Conclusie 23
3 Internet verandert het speelveld van het publieke debat 24
3.1 Internetgebruik is wijdverspreid 24
3.2 Een minderheid van actieve gebruikers 26
3.3 Van medialogica naar internetlogica’s 29
3.4 Een lossere institutionele inbedding 32
3.5 Conclusie 34
Noten 35
4   Internet heeft gevolgen voor het publieke debat 36
4.1 Toenemende fragmentarisering van het debat 36
4.2 Een veenbrandstructuur 37
4.3 ‘Oude’ intermediairs zijn niet langer de enige poortwachters 39
4.4 Nieuwe normen als gevolg van verstrengeling van publiek, politiek en
    privaat 40
4.5 Vileine uitingen op het net 42
4.6 Echokamers in begrenzende netwerkstructuren 44
4.7 Controle op toegang in private handen 46
4.8 Randvoorwaarden en digitale grondrechten 48
4.9 Conclusie 51
Noten 53
5 De aftrap voor discussie 54
5.1 Normen, omgangsvormen en gedragscodes 56
5.2 Begrenzingen 61
                                                               Inhoud 7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>5.3 De rechtstatelijke waarden 65
Noot 67
Literatuur 68
Bijlage 1 Internet als perpetuum mobile
Jonneke Stans, Tom Jütten, Arnout Ponsioen en Ton Baetens 75
Bijlage 2 Geraadpleegde deskundigen 151
Overzicht van uitgebrachte publicaties 154
   8 De nieuwe regels van het spel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>Samenvatting
Publieke debatten zijn belangrijk voor een democratische samenleving.
Langs deze weg krijgen maatschappelijke opvattingen en sociale normen,
die vaak gebaseerd zijn op uiteenlopende waarden, vorm en ontstaan
politieke en maatschappelijke agenda’s. Een publiek debat is naar zijn aard
pluriform. Het publieke domein is immers in essentie het domein van de
meervoudigheid, van de verschillende waarden en opvattingen over hoe
gezamenlijke belangen kunnen worden na gestreefd.
   In dit preadvies richt de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling
(rmo) zich op de rol van nieuwe media in het publieke debat. Het internet
heeft een enorme potentie voor de vrije publieke opinievorming. Mensen
kunnen hun mening altijd wel ergens kwijt, ze kunnen zelf informatie
selecteren uit een grote hoeveelheid bronnen, zelf verslag doen van gebeur­
tenissen of direct reageren op nieuwsberichten of commentaar. De nieuwe
media maken het eenvoudiger voor mensen om zich te organiseren of met
anderen in gesprek te gaan, ongehinderd door locatie, afstand of tijd. Dat
heeft de pluriformiteit van het debat een impuls gegeven, evenals de actieve
rol van burgers. In korte tijd kunnen individuen of groepen individuen
een publiek protest organiseren tegen voorgenomen beleid. Burgers nemen
de rol aan van verslaggever, amateurwetenschapper, opiniemaker en zelfs
‘opinieregisseur’. Dit verandert niet alleen hun positie, maar ook die van de
professionele journalistiek, de wetenschap, het middenveld, het bedrijfs­
leven, de politiek en de overheid.
   De beroepscodes, omgangvormen en juridische regels die in fysieke
contexten golden, zijn niet direct toepasbaar in online omgevingen. De
grenzen tussen het persoonlijke, het publieke en het politieke domein
vervagen, waardoor de context waarin iets gezegd wordt op het internet
niet altijd helder is. Waren gevestigde media bijvoorbeeld gebonden aan
professionele beroepscodes en (soms onuitgesproken) normen, zoals hoor
en wederhoor, op het internet opereren zij nog in een soort vacuüm waarin
de bestaande gedragscodes niet houdbaar lijken. Er ontstaat momenteel in
online omgevingen een open proces van norm- en gedragontwikkeling
met nieuwe omgangsvormen en reguleringsmechanismen.
Internetgebruikers ontwikkelen met elkaar nieuwe spelregels, terwijl ook
                                                           Samenvatting 9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>de overheid, de politiek, de journalistiek, bedrijven en maatschappelijke
organisaties zich herpositioneren en experimenteren met nieuwe
communicatiestrategieën en gedragscodes.
    De belangrijkste analyse van dit advies is dat het internet nieuwe
instrumenten en perspectieven biedt ter versterking van de pluriformi­
teit en toegankelijkheid van publieke debatten, maar dat deze versterking
allerminst vanzelfsprekend is. Bijna iedereen heeft weliswaar toegang tot
internet, maar niet iedereen neemt ook actief aan het debat deel en niet
iedereen wordt gehoord. Nu hoeft dat ook niet, maar problematisch is wel
dat er allerlei min of meer verborgen in- en uitsluitingsmechanismen zijn,
zowel sociaal als infrastructuurtechnisch van aard. Harde schreeuwers en
grote spelers, die tijd en geld kunnen investeren in communicatiestrate­
gieën, krijgen de meeste aandacht. Alternatieve geluiden zijn soms moei­
lijker te vinden. Websites verwijzen voornamelijk naar gelijkgestemde
sites, waardoor internetgebruikers zich vaak in ‘echokamers’ bevinden: ze
denken dat ze alle informatie en invalshoeken binnen handbereik hebben,
maar wandelen in werkelijkheid rond in een beperkt netwerk van informa­
tie. Internetgebruikers lopen tegen de sturende kracht van algoritmen en
fysieke infrastructuren aan. En die lijken weliswaar neutraal, maar zijn dat
allerminst. Achter de werking van algoritmen zitten allerlei bedrijfsmatige
keuzes. De toegang tot publieke informatie en publieke opinievorming ligt
daarmee steeds meer in handen van private partijen, zoals internetaan­
bieders, zoekmachines en sociale-netwerksites. Dit zijn de nieuwe inter­
mediaire spelers of poortwachters die voor een belangrijk deel bepalen
welke informatie waar en voor wie toegankelijk is.
    Het internet is in sociaal en technologisch opzicht nog volop in ontwik­
keling. Hoe de situatie er over een paar jaar uitziet, is lastig te voorspellen.
Maar juist die dynamiek maakt het noodzakelijk een pas op de plaats te
maken en vragen te stellen over de veranderende positie van bijvoorbeeld
overheid, maatschappelijke organisaties en gevestigde media binnen het
geheel van het publieke debat. Hoe kan de overheid inspelen op de talloze
kleine en grote online discussies die plotseling als een veenbrand oplaaien
en een publieke kwestie creëren van nationaal of zelfs internationaal
niveau? Welke rol is er weggelegd voor de journalistiek nu professionele
journalisten vergezeld worden van een grote schare amateurverslaggevers?
In hoeverre is het mogelijk om nieuwe media te stimuleren in de ontwik­
keling van eigen gedragscodes om informatie en debatten evenwichtig
    10 De nieuwe regels van het spel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>en pluriform te houden? Zijn er nieuwe regels nodig op het terrein van
openbaarheid, transparantie en aanspreekbaarheid? Het advies signaleert
enkele spanningen en dilemma’s en geeft een aantal voorlopige antwoor­
den. Op basis hiervan organiseert de RMO een jaar lang een discussie over
de institutionele randvoorwaarden voor een publiek debat, uitmondend in
een tweede publicatie.
                                                         Samenvatting 11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>De nieuwe regels van het spel_1.indd 12 10-5-2011 13:28:49</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>1         Inleiding
Eind 2010 ontketende de online actiegroep WikiLeaks een wereldwijde
discussie over de vrijheid van informatie en de mogelijkheden van inter­
net, toen de groep 250.000 zogeheten cables, vertrouwelijke berichten
tussen Amerikaanse ambassades, openbaar maakte. 1 Ook in Nederland
illustreren diverse gebeurtenissen de potentie van het internet. In novem­
ber 2007 braken scholierenprotesten uit naar aanleiding van de 1040-uren­
norm. Met behulp van msn, Hyves, YouTube en sms wisten leerlingen zich
snel te organiseren. Dit tot verrassing van onder meer het ministerie van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, dat zich gedwongen zag de voorgeno­
men beleidsmaatregelen te heroverwegen. Ook bij de discussie rondom de
nationale inentingscampagne tegen het Mexicaanse griepvirus in 2009
en de inenting tegen baarmoederhalskanker in februari 2008 was het ver­
rassingseffect voor beleidsmakers groot, evenals de impact voor publieke
meningsvorming. Via internet zwengelden mensen uit uiteenlopende
hoeken de discussie over nut en noodzaak van inenting aan. Kanalen als
e-mail, webfora, weblogs, instant messaging services, sociale-netwerksites en
sms maakten het mogelijk dat het protest een groot publiek bereikte.
   De nieuwe media veranderen de manier waarop wij met elkaar in
gesprek gaan over gezamenlijke belangen. Ze hebben mensen instrumen­
ten gegeven om een actieve rol te spelen in publieke debatten, om te protes­
teren tegen beleid of om anderen te mobiliseren en kwesties te agenderen.
Iedereen kan op het internet in het openbaar zijn mening uiten, gewoon
van achter de eigen pc of via een mobiele telefoon. Met behulp van digitale
petities kunnen enkele individuen in korte tijd grote groepen mobiliseren
om de publieke opinie te beïnvloeden. 2 Weblogs, digitale fora en sociale-
netwerksites bieden ontmoetingsplekken waar individuen niet alleen hun
dagelijks lief en leed bespreken, maar ook over maatschappelijke en poli­
tieke kwesties in discussie gaan of acties organiseren. Een discussie over de
kabinetsformatie, rekeningrijden of duurzaamheid is ook terug te vinden
op Hyvespagina’s en versnipperd op de verschillende openbare digitale fora
die horen bij hobby’s als motorsport, paardrijden of breien. Sterker nog, het
zijn juist deze sites waarop burgers met elkaar in discussie gaan en niet de
                                                                 Inleiding 13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>interactieve discussiekanalen die de overheid zelf arrangeert, zo blijkt uit
achterliggend onderzoek voor dit advies (Politiek Online 2010, bijlage 1).
    De actieve rol van individuen in de digitale omgeving roept niet alleen
vragen op over de positie van de overheid, maar ook over die van de geves­
tigde media. De brievenrubriek in de krant en de studiogesprekken met
burgers zijn niet langer de enige beschikbare kanalen om het grote publiek
te bereiken. Er bestaat een groeiende schare internetgebruikers die zelf
verslag doet van de actualiteit, zoals via Twitter tijdens de protesten in Iran
2009 en in Egypte en Tunesië in 2011. Mensen vertrouwen bovendien niet
langer uitsluitend op de journalistiek voor gedegen achtergrondinformatie
omtrent maatschappelijke en politieke ontwikkelingen (Huysmans en de
Haan 2010). Er lijkt aldus meer ruimte te ontstaan voor nieuwe spelers in
het medialandschap en een meer gevarieerde inbreng in publieke debatten.
    Tegelijk zijn er signalen dat deze gevarieerdheid haar beperkingen kent.
Iedereen kan zijn stem laten horen, maar dat betekent niet dat naar ieder­
een wordt geluisterd. Bekend is dat onevenredig veel aandacht uitgaat naar
schreeuwers die met provocerend taal- en beeldgebruik zappers en surfers
voor zich weten te interesseren. Ook geven nieuwe media mensen de kans
om, bewust of onbewust, vooral in gesprek te zijn met gelijkgestemden en
mensen met een andere mening. Zoekmachines en online nieuwsdiensten
dragen daaraan bij door de levering van hun diensten af te stemmen op per­
soonlijke voorkeuren van de internetgebruiker. Verder kan er op het inter­
net sprake zijn van zogenaamde echokamers waarin mensen onbedoeld
blijven hangen in steeds terugkerende informatie van dezelfde strekking.
    Dit leidt tot de vraag in hoeverre het internet de toegang tot en de geva­
rieerdheid van publieke debatten in de praktijk nu echt vergroot. Ieder
individu kan weliswaar een website beginnen en potentieel een miljoe­
nenpubliek aanspreken, maar de praktijk van een levendig en gevarieerd
publiek debat is weerbarstig. Grote commerciële partijen hebben bijvoor­
beeld invloed op wat internetgebruikers te zien krijgen zonder dat duide­
lijk is welke overwegingen daaraan voorafgaan. Vooral de zoekmachine
van Google is als meestbezochte site een significante speler, die met zijn
geheime zoektechnieken mede bepaalt welke informatie mensen vinden
en met wie zij in contact komen. Maar ook de beperkte online privacy en
de felle en soms zelfs bedreigende toon in discussiefora kunnen mensen
ervan weerhouden om aan het debat deel te nemen.
    14 De nieuwe regels van het spel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>Vraagstelling en discussietraject
Dit preadvies gaat over de rol van nieuwe media in publieke debatten.
Dit raakt uiteenlopende vragen, zoals die naar de kwaliteit van het debat
en of en hoe we dat kunnen (of willen) beïnvloeden, naar de veranderende
positie van bijvoorbeeld overheid en journalistiek, en naar de maatschap­
pelijke verantwoordelijkheid van nieuwe informatieaanbieders als Hyves,
Twitter, Nu.nl, Apple en Google. Het antwoord op deze vragen laat zich niet
eenvoudig formuleren, al was het alleen maar omdat de ontwikkeling van
het internet volop in beweging is. Er zijn continu uitbreidingen en vernieu­
wingen op het gebied van hardware en software, en ook de manier waarop
de samenleving deze technologieën inzet en waardeert, verandert voort­
durend.
    Juist het open en dynamische karakter van de ontwikkeling van het
internet noopt tot nadenken over de randvoorwaarden van een publiek
debat in het digitaal tijdperk. Met dit preadvies geeft de rmo hiertoe een
aanzet. De rmo kiest bewust voor de vorm van een preadvies, aangezien de
Raad het van belang acht om ook anderen over dit onderwerp aan het woord
te laten. Een jaar lang organiseert de rmo daarom een discussie rondom de
vraag naar de (institutionele) randvoorwaarden voor een publiek debat in
het internettijdperk. De Raad zal deze discussie langs verschillende wegen
faciliteren en de uitkomst daarvan over een jaar publiceren. Gedurende het
discussietraject is het woord aan u als lezer, vanuit uw functie binnen de
overheid, de journalistiek, het bedrijfsleven of maatschappelijke groepe­
ring, of als individu.
    Maar eerst brengen we in dit preadvies de voornaamste ontwikkelin­
gen in kaart en geven daaraan een eerste duiding. De centrale vraag luidt
in hoeverre nieuwe media invloed hebben op publieke debatten en welke
risico’s en kansen het internet biedt voor de toegankelijkheid, openheid en
pluriformiteit van deze debatten. Die vraag beantwoorden we langs drie
deelvragen.
1. Wat is het belang van pluriforme en open publieke debatten en wat
maakt deze debatten mogelijk? (hoofdstuk 2)
2. Hoe verandert het medialandschap als gevolg van het internet, en kun­
nen we spreken van een nieuw soort logica in aanvulling of ter correctie
van de al bestaande medialogica? (hoofdstuk 3)
3. Welke gevolgen hebben deze nieuwe internetlogica’s voor de wijze waar­
op het publieke debat gevoerd wordt? (hoofdstuk 4)
                                                                Inleiding 15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>Noten
1 Wikileaks, actief sinds 2006, kreeg bekendheid naar aanleiding van
  de publicatie van een video-opname van een Amerikaanse Apache­
  helikopter die in juli 2007 onder andere op een bestelbusje vuurt onder
  de titel ‘Collateral Murder’.
2 In september 2010, vijf jaar na de oprichting, waren er meer dan
  1 ­miljoen (bevestigde) handtekeningen gezet onder uiteenlopende
  petities op de site petities.nl (tno 2010).
  16 De nieuwe regels van het spel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>2
De (voor)waarden van een publiek debat
Democratie heeft in essentie te maken met burgers die met elkaar in
gesprek gaan over hoe de samenleving eruit zou moeten zien. Burgers
­k unnen meningen inbrengen over kwesties die zij belangrijk vinden en
 die naar hun mening collectieve herkenning of actie vereisen. Via deze weg
 worden maatschappelijke opvattingen en sociale normen gevormd, vaak
 gebaseerd op uiteenlopende waarden, en ontstaan politieke en maatschap­
 pelijke agenda’s. In dit preadvies gebruiken wij het begrip publiek debat
 om te refereren aan deze gesprekken en discussies. Hoe deze debatten er in
 praktijk uitzien, verandert door de tijd, onder invloed van maatschappelij­
 ke en technologische ontwikkelingen. Ook de komst van het internet heeft
 invloed op de inrichting van deze debatten, en nog specifieker op de manier
 waarop de pluriformiteit in de debatten vorm krijgt.
    In een volgend hoofdstuk kijken we naar de wijze waarop het internet de
 publieke meningsvorming en de pluriformiteit daarvan verandert. In dit
 hoofdstuk staan we stil bij de voorwaarden van open en pluriforme publie­
 ke debatten op zich en de wijze waarop dergelijke debatten verlopen.
 2.1 Een publiek debat is openbaar en pluriform
 De uitwisseling van diverse meningen in de openbaarheid vormt een
 fundament onder een democratische samenleving en heeft verschillende
 functies. Via deze weg ontstaan politieke en maatschappelijke agenda’s en
 krijgen sociale normen invulling (Dekker 2004; Wuthnow 1991). De poli­
 tiek-maatschappelijke agenda komt niet van boven af tot stand, maar in het
onderling vrije verkeer. Pluriformiteit en vrijheid van meningsuiting zijn
daarom kernwaarden van democratische samenlevingen. Een democra­
tisch regime gaat ervan uit dat alle belangen van onderdanen in principe
gelijk gerespecteerd worden als mogelijk onderwerp van politieke acties en
                                     De (voor)waarden van een publiek debat 17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>dat allen die geregeerd worden zeggenschap hebben over wat de regering
zou moeten doen (Benkler 2006). In een dergelijk systeem moet een ver­
scheidenheid aan meningen daarom de ruimte krijgen om tot uitdrukking
te komen.
   Gezien het belang van de uitwisseling van uiteenlopende meningen, wat
zijn dan voorwaarden voor een publiek debat in een democratische samen­
leving? Allereerst dat er sprake is van verscheidenheid van standpunten,
meningen en opvattingen. In publieke debatten komen standpunten naar
voren die gestoeld zijn op uiteenlopende waarden. Zonder deze pluriformi­
teit is het niet mogelijk om te spreken over een ‘publiek’ debat of publieke
opinievorming. Publiek gaat immers in essentie om het domein van de
meervoudigheid, van de verschillende waarden en opvattingen over hoe je
gezamenlijke belangen kunt vormgeven (Frissen 2009).
   De oriëntatie op gezamenlijke belangen is een tweede voorwaarde om te
spreken van een publiek debat. Publieke debatten gaan over onderwerpen
die het persoonlijke ontstijgen: de deelname aan vredesmissies, de verho­
ging van de aow-leeftijd, verminderen van de werkeloosheid, de veiligheid
in de buurt, de opwarming van de aarde. Dit ontstijgen van het persoonlij­
ke heeft twee kanten. Het onderwerp zelf raakt niet alleen jezelf, maar ook
de samenleving – deels of in haar geheel. Daarnaast is het standpunt vaak
niet alleen ingegeven uit eigenbelang, maar mede gebaseerd op morele of
ideologische overwegingen.
   Een derde voorwaarde is dat publieke debatten openbaar zijn (Van
Dixhoorn 2006). Iedereen kan er in principe aan meedoen. In de openbaar­
heid uiten (groepen) burgers hun mening, in vrijheid nemen ze kennis van
andere meningen en wisselen ze met elkaar van gedachten. Die openbaar­
heid kan verschillende vormen aannemen. Via kranten en televisie, in een
zaaltje van de lokale buurtvereniging of op een webforum vinden fysieke
en virtuele uitwisselingen plaats van informatie, nieuws en opinies.
   Om van een publiek debat te kunnen spreken, moet er tot slot sprake
zijn van uitwisseling of beïnvloeding van meningen. Het uiten van een
mening heeft (bewust of onbewust) een bepaald doel: hetzij de beïnvloe­
ding van de mening van een ander, hetzij het aanzetten tot collectieve actie.
Sommige mensen of groeperingen slagen daar beter in dan andere(n) en
oefenen zo druk uit op de publieke meningsvorming. Zij weten bijvoor­
beeld toegang te krijgen tot de schaarse zendtijd en zijn in staat een bood­
schap ‘mediageniek’ te brengen. Zo komen toonaangevende sentimenten
   18 De nieuwe regels van het spel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>en opinies bovendrijven – al zijn die nooit eenduidig of ‘af ’ (Van Ginneken
1999).
2.2 Ordening van de pluriformiteit en openbaarheid
Samenlevingen kennen verschillende informele en formele regulerings­
mechanismen om de pluriformiteit en openbaarheid te ordenen (niet ieder­
een kan tegelijkertijd spreken en ook gehoord worden). Allereerst bestaan
er normen over hoe mensen zich dienen te gedragen in het debat. In elk
debat gelden regels over wie er kan spreken, op welk moment en op welke
manier. In politieke debatten in de Eerste en Tweede Kamer geldt bijvoor­
beeld de regel dat Kamerleden via de Kamervoorzitter discussiëren. Zo
bestaan er voor publieke debatten eveneens impliciete, maar ook formeel
vastgelegde omgangvormen, gedragscodes, normen en uitgangspunten.
Een voorbeeld zijn de beroepscodes en normen die in de loop der tijd bin­
nen de journalistiek zijn ontwikkeld, zoals hoor en wederhoor. De normen
voor een publiek debat kunnen per context verschillen. Voor een debat in de
sportkantine gelden andere normen dan voor een discussiebijeenkomst in
het buurthuis of in een actualiteitenprogramma.
   Ten tweede zijn er wetten en regels over de rechten en plichten van
burgers en van de overheid in het publieke debat. Burgers hebben recht op
vrije toegang tot communicatiemiddelen, maar ook de plicht om anderen
vrij te laten in hun uitingen. De taak van de overheid als wetgever inzake
de publieke meningsvorming is randvoorwaardelijk. In een democratische
rechtsstaat is vrijheid van meningsuiting en nieuwsgaring een fundamen­
teel recht voor alle burgers, en dus ook voor aanbieders van informatie en
nieuws. De overheid mag zich niet bemoeien met de inhoud en publicatie
van een uiting. Zij mag de toegang en ontvangst van informatie niet boy­
cotten. De overheid heeft wel een plicht in het beschermen van burgers
tegen censuur, bedreiging, laster en discriminatie.
   De overheid heeft ook een taak in het bewaken van de pluriformiteit
in publieke debatten. Toegankelijkheid, openbaarheid en ruimte voor
verscheidenheid zijn haar voornaamste oogmerken. Een gevarieerd
medialandschap zorgt er bijvoorbeeld voor dat relevante maatschappelijke
stromingen en groepen zich vertegenwoordigd weten, zodat publieke
debatten een afspiegeling kunnen zijn van wat in de samenleving leeft
                                    De (voor)waarden van een publiek debat 19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>(Kleinnijenhuis 2003, p. 26). Deze overwegingen komen tot uitdrukking
in het beleid voor de gedrukte pers en de omroepen. De overheid bewaakt
de verscheidenheid door via mededingingsbeleid al te grote markt­
concentraties tegen te gaan. De regelgeving op dit gebied komt tegenwoor­
dig overigens vooral vanuit de Europese Unie. In het huidige Nederlandse
persbeleid is verder het uitgangspunt dat het veld zelf verantwoordelijk is
voor de organisatie van de nieuws- en informatievoorziening. De overheid
mengt zich niet in de inhoud, maar schept hooguit de voorwaarden voor de
pluriformiteit van dagbladen, nieuwsbladen en opiniebladen in de vorm van
wet- en regelgeving, van tijdelijke financiële steun en van het stimuleren
van zelfregulering (tk 2009/2010). In het mediabeleid gericht op de omroe­
pen, waarvan de oorsprong ligt in de verzuilde samenleving, stelt zij zich
actiever op. De schaarse bandbreedte van radio en televisie deed de overheid
besluiten om de verdeling te reguleren. Tegenwoordig regelt de overheid de
distributie via ether en kabel en de bekostiging daarvan en waakt zij over de
verscheidenheid in het media-aanbod op televisie en radio, onder meer via
eisen aan organisatie en programmering. Zo gelden er voor publieke omroe­
pen regels over het aantal leden en moeten zowel commerciële als publieke
omroepen voldoen aan de regels over sponsoring en reclame.
   Overigens is de overheid naast wetgever en financier zelf ook een speler
in publieke debatten. Zij gebruikt de verschillende media voor voorlich­
ting en verantwoording. In deze rol is zij zelf ook onderhevig aan bepaalde
ordenings- en reguleringsmechanismen die de vorm van publieke debatten
beïnvloeden.
2.3 Media sturen het debat
Formele en informele regels ontstaan in wisselwerking met maatschap­
pelijke en technologische ontwikkelingen. In de afgelopen decennia heb­
ben we gezien dat de mogelijkheden en beperkingen van het medium – in
het bijzonder de televisie – een sterk sturende werking hebben op publieke
debatten. Er is sprake van een medialogica, dat wil zeggen dat niet zozeer de
inhoud van een onderwerp, maar vooral de logica van de massamedia (met
name televisie) een sturende werking heeft op de manier waarop publieke
debatten gevoerd worden en tot bepaalde uitkomsten leiden. Die sturende
werking komt niet altijd ten goede van pluriformiteit en toegankelijkheid.
   20 De nieuwe regels van het spel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>De medialogica kwam in de plaats van andere logica’s: die van de politieke
partij, de vaste achterban, de zuil of de omroep (rmo 2003). In de verzuilde
samenleving kwam verscheidenheid tot uitdrukking in verschillende
levensbeschouwelijke stromingen. Via onder andere zuilgebonden bladen
en omroepen drukten de politieke en religieuze leiders van de verschil­
lende stromingen sterk hun stempel op het publieke debat. Met de ontzui­
ling hebben de massamedia een meer eigenstandig sturende rol gekregen
als poortwachters die bepalen welke informatie en welk nieuws belangrijk
is. Waar journalisten in het verzuilde medialandschap vooral dienst deden
als spreekbuizen van de politieke en maatschappelijke elite, vervullen ze
tegenwoordig een rol als waakhond die het bestuur en beleid controleert en
kritisch bevraagt. Vooral de nieuwsmedia hebben zich ontwikkeld tot een
van de belangrijkste countervailing powers in ons democratisch stelsel. Maar
met de commercialisering van televisie- en kranten hebben ook waarden
als efficiency en marktaandeel een dominantere rol gekregen in de infor­
matie- en nieuwsvoorziening.
    Aan het einde van de vorige eeuw is de nieuwsvoorziening in handen
gekomen van nog altijd groeiende professionele mediabedrijven die steeds
verder commercialiseren. Deze bedrijven strijden met elkaar om de aan­
dacht van kijkers, luisteraars en lezers. Zij focussen in hun berichtgeving
op onderwerpen die een zo groot mogelijk publiek gemakkelijk zullen
boeien. De nieuws- en amusementswaarde van berichten is hierbij een
bepalende factor: berichten moeten iets nieuws melden, het liefst met enig
gevoel voor dramatiek; ze moeten gemakkelijk te begrijpen zijn en men­
sen persoonlijk raken. Extreme gebeurtenissen, zoals milieurampen, en
persoonlijke verhalen waar mensen zich mee kunnen identificeren krijgen
daarom veel ruimte; inhoudelijke verschillen tussen politici worden terug­
gebracht tot simpele tegenstellingen en ruzies tussen personen. Wie zich
houdt aan de wetten van de medialogica, genereert aandacht. Wie de media
slim bespeelt, bespeelt het publieke debat.
    Deze medialogica houdt burgers, politici en media in een houdgreep:
omdat iedereen eraan meedoet, kan niemand zich eraan onttrekken zonder
zijn invloed op het debat te verliezen. Politieke en maatschappelijke ‘elites’
wapenen zich: momenteel zijn er ongeveer 150.000 mensen die zich bezig­
houden met pr, voorlichting en communicatie tegenover ongeveer 15.000
journalisten (Prenger et al. 2011). Dit leger aan voorlichters helpt om bood­
schappen goed te ‘framen’ en op de gunstigste en ­effectiefste manier onder
                                    De (voor)waarden van een publiek debat 21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>de aandacht te brengen. In de strijd om de aandacht hebben politici en jour­
nalisten elkaar niettemin hard nodig. Journalisten staan onder druk om zo
veel mogelijk primeurs te leveren, en een innig band met beleidsmakers en
politici kan daarbij helpen. Andersom heeft een hechte band ook voordelen
voor politici en beleidsmakers. Van alle Kamervragen wordt 55% gesteld
naar aanleiding van berichtgeving uit de media (Ruigrok et al. 2010). Nog
onbekend is hoeveel Kamervragen het directe resultaat zijn van publicaties
op blogs, discussiefora of sociale-netwerksites. Daarnaast bedrijven politici
regelmatig politiek via de media. Door een nota te lekken of proefballon­
netjes op te laten in een praatprogramma kunnen zij de onderhandelingen
beïnvloeden. Er wordt daarom wel gesproken van het ‘politiekpublicitair
complex’.
   Naast of tegenover de clustering van aandacht in het politiekpublicitair
complex staan de fragmentarisering en versnippering van publieke debat­
ten. Ook hier spelen afnemende logica’s van bijvoorbeeld de politieke partij,
de zuil en de vaste achterban op de achtergrond een rol. Met ontzuiling
maken burgers meer dan voorheen wisselende keuzes op het marktplein
van politiek en media, en vormen ze wisselende allianties. De tijd dat ze
hun leven lang tot een eenduidige achterban behoorden, is voorbij. Dat
heeft de dominantie van de medialogica verder in de hand gewerkt. Grote
mediaconcerns, politici en beleidsmakers zijn de concurrentiestrijd aange­
gaan om de aandacht van de wispelturige kijker, lezer, luisteraar en kiezer
te winnen. Maar individuen hadden zelf nog weinig mogelijkheden om
hun stem aan een groter publiek te laten horen.
   De dominante werking van de medialogica kan nadelige gevolgen heb­
ben voor publieke debatten. De druk om snel nieuws te produceren en een
zo groot mogelijk publiek te bereiken heeft bijvoorbeeld een inhoudelijke
verschraling en homogenisering van het nieuwsaanbod tot gevolg gehad.
Er zijn dan wel veel verschillende aanbieders, maar in hun jacht op het mas­
sapubliek zijn ze inhoudelijk naar elkaar toegegroeid. Ook de groeiende
druk van adverteerders en de vermenging van berichtgeving en reclame
stemt zorgelijk (wrr 2005). In het advies Medialogica beschouwde de rmo
(2003) de ontwikkeling van medialogica als een gegeven dat als zodanig
niet te keren valt. Wel is het mogelijk te werken aan strategieën die tegen­
wicht kunnen bieden aan een aantal negatieve gevolgen van de medialo­
gica, zoals een te grote fixatie in de berichtgeving op schandalen en op de
korte termijn.
   22 De nieuwe regels van het spel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>2.4 Conclusie
Een pluriforme en open publieke gedachtewisseling is een essentiële
waarde in een democratische samenleving. Via openbare, voor iedereen
toegankelijke debatten kunnen burgers invloed uitoefenen op kwesties die
hun persoonlijke belang ontstijgen. Een publiek debat is per definitie plu­
riform, omdat het publieke domein het terrein is van de meervoudigheid,
van de verschillende waarden en opvattingen over hoe je de samenleving
kunt vormgeven.
   De pluriformiteit en openbaarheid van publieke debatten zijn op ver­
schillende manieren begrensd en geborgd door de informele en formele
ordenings- en reguleringsmechanismen. Deze mechanismen bepalen de
spelregels van het debat: wie kan waar en wanneer spreken en op welke
manier? Het gaat hier om impliciete omgangsvormen, formele gedragsco­
des en communicatiestrategieën, maar ook om wet- en regelgeving. Deze
spelregels veranderen door de tijd heen in wisselwerking met maatschap­
pelijke en technologische ontwikkelingen.
   In de huidige tijd heeft de zogeheten medialogica een sterk sturende
invloed op de manier waarop publieke debatten gevoerd worden. Deze ver­
sterkt de onderlinge verwevenheid tussen de professionele journalistiek,
grote concurrerende mediaconcerns en de politiek in het politiekpublici­
tair complex. De journalistiek vervult in dit complex de rol van waakhond
van de democratie, maar de gevarieerdheid en betrouwbaarheid van de
informatie- en nieuwsvoorziening staan als gevolg van de medialogica
onder druk. Individuen spelen weliswaar als nieuwsconsumenten die min­
der gebonden zijn aan levensbeschouwelijke of politieke stromingen een
actievere rol in het medialandschap, maar tot voor kort hadden ze nog wei­
nig mogelijkheden om hun stem te laten horen zonder dat daar de filters
van de massamedia aan te pas kwamen. De vraag is in hoeverre de komst
van het internet een nieuwe fase inluidt in de ontwikkeling van de spel­
regels en wat dat betekent voor de verschillende spelers en de voorwaarden
voor publieke debatten.
                                   De (voor)waarden van een publiek debat 23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>3
Internet verandert het speelveld van het
publieke debat
Technologische toepassingen en diensten als e-mail, sms, instant messaging,
weblogs, discussiefora en sociale-netwerksites stellen individuen in staat
om op nieuwe manieren met elkaar in gesprek te gaan over kwesties van
algemeen belang. Deze toepassingen en diensten maken discussies over
persoonlijke en publieke kwesties op nieuwe manieren toegankelijk. Zij
maken het eenvoudig voor mensen om zelf relevante informatie te selec­
teren uit een oneindige hoeveelheid bronnen. In hoeverre veranderen
deze nieuwe media de bestaande medialogica voor publieke debatten? Is er
sprake van een nieuw soort logica, en zo ja, waarin verschilt die dan van de
bestaande medialogica?
3.1 Internetgebruik is wijdverspreid
Het internet is in een relatief korte tijd een belangrijk bron van informa­
tie- en nieuws geworden. Het aantal Nederlandse huishoudens dat thuis
toegang heeft tot het internet is gestegen van 65% in 2004 tot 91% in 2010
(Eurostat 2011a; zie ook figuur 1). Deze percentages behoren tot de hoogste
van de Europese Unie. Daarbij neemt het aantal smartphones ook explosief
toe: Nederland telt, naast ruim 21 miljoen gewone mobiele telefoonaanslui­
tingen, ruim 4,7 miljoen mobiele telefoons met mobiel breedband internet
(opta 2010). Het internet is aldus een alom tegenwoordig element in onze
omgeving (Huysmans en de Haan 2007) en zal dat in de toekomst alleen
maar meer worden.1
   24 De nieuwe regels van het spel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>Figuur 1
Huishoudens in Nederland met internettoegang thuis 2004-2010
(in procenten) (Eurostat 2011a)
90                                                                                Nederland
80                                                                                EU 27 countries
70
60
50
40
30
20
10
 0
       2004      2005      2006      2007       2008      2009       2010
Een groeiend deel van de Nederlandse bevolking maakt dan ook regelmatig
gebruik van het internet. In 2010 was 76% van de bevolking dagelijks op het
internet te vinden en 88% minstens een keer per week (Eurostat 2011b), en
91% van de jongeren tussen 15 en 25 jaar gebruiken het internet dagelijks
(cbs 2010a). De intensiteit en diversiteit van het internetgebruik neemt
ook toe. Nederlanders waren in 2010 gemiddeld 9,7 uur per week online
(jic stir 2010) en jongeren zelfs 14,5 uur per week.
   Het internet haalt qua gebruik langzaam maar zeker de oude media in.
De totale vrijetijdsbesteding aan media als hoofdactiviteit is al 30 jaar con­
stant met 18 tot 19 uur per week. Dit bekent dat als het gebruik van nieuwe
media toeneemt, dit ten koste zal gaan van de tijd die men besteedt aan
andere media. In 2005 constateerde het scp voor het eerst een daling in
de televisiekijktijd ten gunste van nieuwe media (Huysmans en De Haan
2010). Ook het gebruik van gedrukte media vertoont een dalende tendens,
evenals het luisteren naar radio en muziek als hoofdactiviteit. Overigens
gebruiken mensen, en vooral jongeren, de verschillende media tegelijker­
tijd: ze surfen op het internet met radio en/of televisie op de achtergrond.
Bovendien versmelten ‘nieuwe’ en ‘oude’ media steeds meer met elkaar.
                       Internet verandert het speelveld van het publieke debat 25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre> Kranten en televisie kunnen ook op de pc, tablets of de mobiele telefoon
 bekeken worden.
    Hoewel in Nederland de televisie en de (gratis) krant nog de belang­
 rijkste bronnen van nieuws zijn, is het internet daar als belangrijke bron
 bijgekomen. 2 Er is een toename in het aantal internetgebruikers dat online
kranten of nieuwsbladen leest, internettelevisie kijkt of online radio luis­
tert (cbs 2009). Volgens het scp zijn er duidelijke tekenen van een sluipende
opmars van het internet in de wereld van nieuws en (achtergrond)infor­
matie die ten koste gaat van televisie en dagbladen (Huysmans en De Haan
2010, p. 59). Vooral jongeren omarmen de nieuwe media veel sneller dan de
oudere generaties. Jongeren ‘grazen’ de hele dag door nieuws van diverse
bronnen, en de verschillende online diensten lenen zich daar goed voor
(Drok en Schwarz 2010). Het internet is voorlopig dus niet zozeer een ver­
vanging als wel een aanvulling op de televisie, krant en radio.
3.2 Een minderheid van actieve gebruikers
Biedt de alomtegenwoordigheid van het internet in het dagelijks leven
nou ook meer kansen voor de pluriformiteit en de toegankelijkheid van
het publieke debat? Een eerste nuancering is op haar plaats. Bijna iedereen
heeft weliswaar toegang tot internet, maar dat betekent niet dat iedereen
zich ook via deze weg actief in publieke debatten mengt. Mensen zijn – en
dat was misschien ook niet te verwachten – niet massaal online gaan dis­
cussiëren over kwesties van algemeen belang. Hoewel veel mensen tegen­
woordig online zijn, gebruiken zij de nieuwe media vooral om te e-mailen,
te zoeken naar informatie, goederen of diensten, spelletjes te spelen of
­reizen te plannen (zie tabel 1).
    Slechts een klein percentage van de bevolking mengt zich via het
 internet in publieke debatten. Nederlanders plaatsen in vergelijking met
 inwoners van andere Europese landen redelijk vaak publiek toegankelijke
 informatie op het internet, maar het blijft vooralsnog een relatief kleine
 groep (Van Deursen en Van Dijk 2010). 11% houdt een eigen blog bij, terwijl
 34% aangeeft blogs van anderen te lezen. Met respectievelijk 26% en 56%
 zijn internetgebruikers tussen de 16 en 25 jaar op dit gebied de koplopers
 (cbs 2011). De verschillen tussen leeftijdsgroepen bij het gebruik van dis­
 cussiegroepen en online fora zijn groot: van de internetters ouder dan
    26 De nieuwe regels van het spel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>55 jaar maakt maar 23% gebruik van deze diensten, terwijl dat 61% is voor
de leeftijdsgroep tussen 16 en 35 jaar en 47% voor de groep tussen 36 en
55 jaar.
Tabel 1
Activiteiten van internetgebruikers in Nederland van 2005 t/m 2009
(in procenten) (cbs 2009)
                                                            2005 2006 2007 2008 2009
                                                             %
Communicatie
E-mailen                                                     92   93    94   94    95
Telefoneren via internet 2                                    6   12    26   21    25
Anders, bijvoorbeeld chatten                                 40   40    35   27    29
Informatie en vermaak
Zoeken naar informatie over goederen en diensten             87   88    89   86    87
Spelen en/of downloaden van spelletjes, af beeldingen        50   55    56   65    57
of muziek
Gebruikmaken van diensten in de reisbranche                  49   59    54   55    51
Downloaden of lezen van kranten en/of nieuwsbladen           35   43    45   47    49
Downloaden van software                                      27   31    34   37    34
Luisteren naar radio of kijken naar televisie                26   35    42   52    57
Solliciteren en/of zoeken naar een baan                      19   22    21   17    19
Bron: cbs, ict-gebruik huishoudens en personen, 2005–2009.
1 Personen van 12-74 jaar met internetgebruik in de 3 maanden voorafgaand aan het
cbs-onderzoek; meer dan één antwoord mogelijk.
2 De vraagstelling is na 2007 gewijzigd. Hierdoor zijn de uitkomsten in 2008 en 2009
onderling vergelijkbaar, maar in mindere mate met de periode daarvoor.
Het aantal internetgebruikers dat zich mengt in discussies over politieke
kwesties is bescheiden. In totaal zegt 10% van de Nederlanders op het
internet politieke informatie te zoeken. Slechts 3% volgt politici in de
sociale media (Adriaansen en Van Praag 2010). De deelname aan politieke
                         Internet verandert het speelveld van het publieke debat 27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>­ eoriënteerde discussies op het internet vertoont hetzelfde patroon als
g
die in de traditionele arena’s. Het zijn met name politiek actieve burgers
die online politieke content plaatsen (Davis 2005). Uit onderzoek van het
cbs blijkt dat de deelname aan politieke activiteiten via het internet onder
kiezers sinds 2006 bezig is met een opmars, en net als offline zijn het
hier wel vooral de hogeropgeleide kiezers die deelnemen aan het debat.
Mannen maken vaker dan vrouwen gebruik van het internet om invloed
uit te oefenen, benaderen vaker politici of een politieke partij en nemen
vaker deel aan een bijeenkomst. Het percentage hogeropgeleiden (hbo+) dat
deelneemt aan discussies via internet, e-mail of sms was in 2010 ongeveer
32%, terwijl het percentage bij lageropgeleide kiezers op dit vlak niet boven
de 17% uitkwam (cbs 2010b). Bezoekers van politieke websites, deelnemers
aan online discussiefora en burgers die politici een e-mail of tweet sturen,
hebben een soortgelijk profiel: ze zijn in veel gevallen man, hoger opgeleid
en geïnteresseerd in politiek, ze participeren regelmatig en hebben veel
politieke kennis (bv. Bimber en Davis 2003).
    Andersom blijft de interactie overigens ook beperkt. Een meerderheid
van de politieke websites bevat weliswaar informatie afkomstig van poli­
tici, maar er is weinig aandacht voor contact met burgers (Xenos en Foot
2008). Uit onderzoek van de nos in aanloop naar de verkiezingen van 2010
blijkt dat de Nederlandse lijsttrekkers in de meeste gevallen niet reageren
op directe vragen die zij via Twitter krijgen (Wollaars 2010). De afwezig­
heid van gesprekken tussen politici en burgers is niet onbegrijpelijk; poli­
tici hebben weinig tijd om te reageren en worden bedolven onder reacties
(Aalberts en Kreijveld 2011). Zij gebruiken sociale media dus vooral om
hun boodschap uit te zenden, de aandacht van de traditionele media te
krijgen en met elkaar in gesprek te gaan (Bimber en Davis 2003). Lilleker en
Jackson (2009) spreken in dit kader van ‘web 1.5’. De communicatie is iets
interactiever geworden, maar minder dan op basis van de technische moge­
lijkheden te verwachten zou zijn.
    De actieve deelname op het internet doet sterk denken aan hoe de
zaken offline gaan: een kleine minderheid levert het overgrote deel van de
bijdrages. Dit fenomeen staat op het internet bekend als de ’90-9-1-regel’:
90% levert geen bijdrage, 9% levert enige bijdrage en 1% is zeer prominent
aanwezig (Nielsen 2006). Zo was het, en zo is het ook nu de nieuwe media
hun intrede hebben gedaan. Wie zijn weg weet te vinden, kan via de nieuwe
media soms verrassend effectief invloed uitoefenen op het publieke debat.
    28 De nieuwe regels van het spel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>Maar de mensen die deze wegen bewandelen zijn vaak dezelfde die ook al
via de oude media hun mening onder de aandacht wisten te brengen.
3.3 Van medialogica naar internetlogica’s
Het internet is dus volop aanwezig in de samenleving, al levert slechts een
minderheid daadwerkelijk bijdragen aan publieke debatten. Verandert
daardoor ook de al langer bestaande medialogica met zijn sturende werking
van de massamedia? Er zijn op zijn minst twee aanwijzingen dat er inder­
daad iets aan het veranderen is in de publieke opinievorming. De eerste
houdt verband met de enorme diversiteit aan nieuwe media, die elk op hun
beurt andere mogelijkheden en beperkingen hebben dan kranten, televisie
en radio. De tweede aanwijzing – we staan daar in de volgende paragraaf
verder bij stil – is dat de institutionele en economische inbedding van de
nieuwe media geheel anders is dan die van de gevestigde media.
   Was de invloed van de massamedia, ondanks de vanzelfsprekende ver­
schillen tussen bijvoorbeeld tv en dagblad, op de publieke opinievorming
nog redelijk eenduidig, bij de nieuwe media zijn de verschillen groot.
E-mail, sms, discussiefora, chatprogramma’s, sociale-netwerksites en blogs
beïnvloeden elk op hun eigen manier publieke debatten, bijvoorbeeld in
de snelheid waarmee mensen communiceren, de hoeveelheid mensen die
aan discussies deelnemen, de mate waarin deelnemers anoniem zijn en de
interactiviteit en timing in de conversaties (Gurak en Antonijevic 2008).
Dit maakt het lastig om te spreken over één nieuwe logica, het zijn er eerder
meerdere, maar er zijn evengoed wezenlijke verschillen te identificeren ten
opzichte van de logica van de massamedia.
   Een eerste verschil is de openheid van het internet. Waar vroeger publie­
ke debatten vooral gevoerd werden in kranten, op radio en televisie of
tijdens bijeenkomsten in het buurthuis, is er nu een oneindig aanbod aan
platforms voor openbare discussies over kwesties van algemeen belang.
Op de discussiefora en in de sociale media geven mensen hun meningen,
zoeken ze naar informatie en gaan ze met elkaar in discussie over uiteen­
lopende onderwerpen, van alledaags lief en leed tot de wereldproblematiek.
Vanwege het open karakter van deze media hebben burgers, politici, jour­
nalisten, ambtenaren en anderen nu toegang tot conversaties die vroeger
vooral in het café, op de sportclub of thuis gevoerd werden.
                        Internet verandert het speelveld van het publieke debat 29
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>Publiek debat en paarden
In Nederland heeft het forum fok.nl de grootste actieve gemeenschap
met ruim 81 miljoen bijdragen en ruim 300.000 leden. Op dit forum is
ruimte voor serieuze zaken zoals de verkiezingen, de financiële beurzen en
filosofie, maar ook voor hobby’s en culinaire tips. Bokt.nl is in Nederland
het tweede forum qua actieve gemeenschap met ruim 58 miljoen bijdragen
en ruim 135.000 leden. De topics gaan voornamelijk over paardenzaken,
maar er is ook ruimte om bijvoorbeeld de actuele politieke ontwikkelingen
te bespreken of andere hobby’s (Bron: http://rankings.big-boards.
com/?filter=all,du&sort=posts, geraadpleegd op 16 maart 2011).
Een ander belangrijk verschil is dat de communicatie via online media als
weblogs, discussiefora en sociale-netwerksites interactiever is dan via mas­
samedia. Waar kranten, televisie en radio vooral instrumenten waren voor
het zenden vanuit een centraal punt naar een massapubliek, maken nieuwe
media tweerichtingsverkeer in de communicatie mogelijk. Hierdoor kun­
nen individuen een actievere rol spelen in de informatie- en nieuwsproduc­
tie. Ze kunnen zelf hun informatie selecteren uit een grote verscheidenheid
aan bronnen. En iedereen kan zijn mening wel ergens kwijt, ook diegenen
die zich eerder niet zo gemakkelijk in discussies mengden. Zo blijken
Marokkaanse meisjes vaker deel te nemen aan online discussies dan
Marokkaanse jongens, terwijl ze in offline debatten vaak minder duidelijk
aanwezig zijn (Brouwer 2006). Een (klein) deel van de internetgebruikers is
daardoor niet uitsluitend passieve kijkers of luisteraar, maar levert in reac­
tie op opinies of nieuwsberichten kritiek, vult informatie aan of corrigeert
die. Ook produceren sommigen zelf nieuws of beginnen een eigen website.
Het soort bijdragen op de diverse platforms loopt overigens sterk uiteen.
Sommige deelnemers gaan op zoek naar wetenschappelijke rapporten en
beleidsdocumenten om hun argumenten kracht bij te zetten en tegenstan­
ders te weerspreken, terwijl andere ‘reageerders’ vooral hun afkeuring of
instemming laten blijken.
    De opmars van de Web 2.0-trend, met collectief onderhouden websites
zoals Wikipedia, sites als Flickr en YouTube, en sociale-netwerksites zoals
Facebook, LinkedIn, MySpace, Hyves en Twitter, geeft nog een extra dimen­
sie aan de interactiviteit. Op deze platforms wisselen mensen nieuws
en informatie uit, gaan ze in discussie, organiseren ze zich en werken
ze samen om bijvoorbeeld aandacht te vragen voor bepaalde kwesties of
    30 De nieuwe regels van het spel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>v­ ragen te beantwoorden (O’Reilly 2007; Frissen et al. 2008). De digitale
 encyclopedie Wikipedia – ontwikkeld en onderhouden door een wereld­
 wijd netwerk van vrijwilligers – is misschien het sprekendste voorbeeld
 van het collaboratieve karakter dat zo centaal staat in Web 2.0.
     De vele mogelijkheden voor interactie zorgen voor een andere dyna­
 miek. Weblogs, discussiefora en sociale-netwerksites hebben eerder het
karakter van een doorlopende conversatie dan van een afgerond verhaal,
zoals dat bij krantenberichten het geval is (Benkler 2006). Bovendien
kunnen individuen zelf de condities bepalen waaronder zij meedoen aan
publieke debatten en problemen onderling bespreken daar waar die zich
voordoen. De nadruk verschuift zo binnen het medialandschap verder van
een aanbodgestuurde naar een vraaggestuurde informatie- en nieuwsvoor­
ziening.
     Interactiviteit is een belangrijk kenmerk van online media, maar de
manier waarop dit plaatsvindt verschilt per medium. Discussiefora maken
het mogelijk anoniem te reageren, wat een ontremmende en katalyse­
rende invloed kan hebben op het verloop van het debat (Benschop 2010).
Anonimiteit speelt daarentegen minder een rol bij sociale netwerken, waar
communicatie juist draait om een kennissennetwerk of een netwerk van
gelijkgestemden. Deze sites lenen zich vooral voor het plaatsen van snelle
observaties, bondige meningen, foto’s, video’s en links naar interessante
plekken op het web. Ze stimuleren gebruikers om informatie te zenden en
niet zozeer om diepgaand te discussiëren. Twitter leent zich goed als zend­
medium, onder andere door de maximale lengte van berichtjes en de omge­
keerd chronologische volgorde waarmee ‘tweets’ zijn geplaatst. Gebruikers
reageren weliswaar op elkaar, maar uitgebreide discussie is zeldzaam. Dat
maakt Twitter onder meer populair bij politici. Ze kunnen direct hun bood­
schap kwijt zonder in discussie te gaan en ook zonder tussenkomst van
voorlichters en journalisten.
     In het verlengde van de meervoudige vormen van interactiviteit ligt
een ander wezenlijk verschil met massamedia: de netwerkstructuur van
het internet. Informatie verspreidt zich via wereldwijde netwerken van
diverse platforms, waarin een centraal controlepunt doorgaans ontbreekt.
Websites verwijzen hun lezers met links direct door naar andere bronnen
op het internet. Individuen en organisaties kunnen daardoor in aanraking
komen met anderen die zij buiten deze virtuele netwerken niet zouden
zijn tegengekomen. Via digitale fora, blogs, sociale-netwerksites, online
                         Internet verandert het speelveld van het publieke debat 31
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>polls en nieuwsgroepen is communicatie en informatie-uitwisseling niet
meer gebonden aan tijd en geografische nabijheid (Kujawski et al. 2007).
Het delen en uitwisselen van informatie kan door de netwerkstructuur
sneller, op grotere schaal en tussen meer deelnemers plaatsvinden dan via
de ­massamedia.
    Nieuwe media verschillen verder ten opzichte van de massamedia in
hun mogelijkheden om informatiestromen te sturen. Om in de veelheid
aan digitale informatie de weg te vinden, zijn allerlei zoek-, selectie- en fil­
tertechnieken ontwikkeld. De zoekmachine van Google baseert zijn zoek­
resultaten bijvoorbeeld op tekstanalyses van websites, op patronen in de
manier waarop websites naar elkaar linken (het PageRank-algoritme) en op
het zoekgedrag van mensen. Google rangschikt zijn zoekresultaten in feite
op basis van wat mensen belangrijk vinden (Jarvis 2009) en gebruikt digi­
tale sporen van gebruikers om richting te geven aan informatiestromen.
Ook andere websites maken gebruik van sporen die mensen achterlaten op
het internet (bijvoorbeeld wanneer ze klikken op links, zoektermen invoe­
ren, producten of diensten aanschaffen of aangeven wat ze leuk vinden,
zoals met de ‘like’-knop op Facebook). Het gebruik van deze digitale sporen
zorgt ervoor dat algoritmen een sturende werking hebben op wat mensen
te zien krijgen en met wie zij in contact komen. Tegelijkertijd zorgen der­
gelijke algoritmen ervoor dat de keuze voor wat belangrijk is en aandacht
krijgt meer in handen komt van internetgebruikers in plaats van redacties
en journalisten.
3.4 Een lossere institutionele inbedding
De tweede aanwijzing voor een aanvulling of correctie op de bestaande
medialogica betreft zoals gezegd de institutionele inbedding van de nieuwe
media. Achter de traditionele media zitten professionele en vaak commer­
ciële organisaties met eigen, geïnstitutionaliseerde beroepscodes. Op het
internet is het informatieaanbod afkomstig van een verscheidenheid aan
individuen en organisaties met uiteenlopende drijfveren. Veel weblogs en
discussiefora zijn voortgekomen uit particuliere initiatieven en bestaan
soms dankzij een wereldwijd netwerk van vrijwilligers, voor wie de
beroepscodes van journalisten niet gelden. Ze zijn vrijer in hun aanpak en
methoden en lijken minder verantwoording af te hoeven leggen, omdat ze
    32 De nieuwe regels van het spel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>formeel geen deel uitmaken van een beroepsgroep. Ook sociale media zijn
afhankelijk van zogenaamde user-generated content, vrijwillige bijdragen
van gebruikers (Frissen et al. 2008). En ook hier maken de bezoekers in feite
samen de site en bepalen zij gezamenlijk de gedragsnormen.
    Tegelijkertijd zijn er nationale en internationale actualiteitensites,
nieuwsportals en sociale-netwerksites waarachter commerciële internati­
onale mediaconcerns zitten. De actualiteitensite geenstijl.nl is in handen
van de beursgenoteerde Telegraaf Media Groep, die sinds 2010 ook eigenaar
is van de sociale-netwerksite hyves.nl. Ook andere gevestigde media­
concerns zien zich gedwongen om hun online activiteiten uit te breiden.
Omroepen hebben zich ook gestort op de digitale informatievoorziening.
De discussie over de vraag in hoeverre dit concurrentievervalsend is ten
opzichte van geschreven media (die immers niet van publieke inkomsten
leven) is inmiddels in alle hevigheid losgebarsten (zie b.v. nos 2010).3
    Een belangrijk verschilpunt is dat de basis waarop deze mediabedrijven
met elkaar op het internet concurreren anders is dan voor de traditionele
omroepen en de pers. De grote vraag bij deze bedrijven is momenteel hoe
hun websites inkomsten genereren. De productiekosten van informatie
zijn op het internet minimaal, waardoor het lastig is om winst te maken
op het verkopen van die informatie (Benkler 2006). Informatie laat zich
gemakkelijk kopiëren en wereldwijd verspreiden. Het idee van auteurs­
rechten komt daardoor op losse schroeven te staan, waardoor uitgevers,
auteurs, journalisten en andere informatieaanbieders minder verdienen
aan de verkoop van origineel materiaal. Alleen informatie die men liever
niet deelt, zoals financiële informatie, informatie die van een specifieke
autoriteit komt of informatie over bezoekers van een website, kan nog
verkocht worden. De voornaamste bron van inkomsten voor de meeste
nieuwswebsites zijn dan ook advertenties, zeker omdat er maar weinig
internetgebruikers zijn die bereid zijn om te betalen voor nieuws dat zij
ook gratis elders kunnen krijgen (Fenez et al. 2009; Vos en Van Geel 2009).
Ook Twitter, tot voor kort zonder duidelijk verdienmodel, experimenteert
inmiddels met gesponsorde tweets die bovenaan verschijnen bij specifieke
zoekopdrachten.
    Nieuwe intermediaire spelers in het medialandschap zijn de inter­
net- en dienstenaanbieders. Sites die informatie en nieuws verzamelen,
koppelen en herdistribueren, zoals Google, Bing, Yahoo en Facebook, maar
ook nieuwsportals en weblogs, spelen een belangrijke rol in de infor­
                        Internet verandert het speelveld van het publieke debat 33
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>matie- en nieuwsvoorziening. Daarnaast beheren de internetproviders,
zoals XS4ALL, kpn en upc, de toegang tot het internet en reguleren ze de
informatie- en datastromen over het fysieke internet. Deze nieuwe spelers
­hebben hun eigen waarden en belangen. Het zijn – uitzonderingen daar­
 gelaten – ­commerciële organisaties die niet altijd gericht zijn op openheid,
 verantwoording en gelijke behandeling van iedereen. Vaak opereren ze
 bovendien op een internationale schaal en hebben ze niet direct oog voor
 de lokale gebruiken en waarden.
 Wie bepaalt wat mag?
 Facebook verwijderde eind 2008 honderden foto’s van vrouwen die hun
 kind de borst gaven en dreigde met het intrekken van de betreffende
 accounts; er zou op de foto’s ‘te veel borst’ te zien zijn. (Uiteraard leidde
 dat tot de oprichting van een Facebook-actiegroep, getiteld ‘Hey Facebook,
 breastfeeding is not obscene’, die in korte tijd dik honderdduizend leden
 verzamelde en veel pers kreeg.) Die gebeurtenis, hoe futiel wellicht ook,
 illustreert een nieuw probleem: sociale websites hebben commerciële
 eigenaren die de publieke discussies en het getoonde materiaal ‘netjes’
 willen houden en die de site als geheel aantrekkelijk willen houden voor
 adverteerders (Spaink 2010).
 3.5 Conclusie
 In de afgelopen twee decennia hebben individuen toegang gekregen tot een
 groot aantal digitale platforms. Zij hebben daarmee meer mogelijkheden
 gekregen voor een actieve rol in publieke debatten. Nagenoeg iedereen in
 Nederland heeft thuis toegang tot het internet en minstens één mobiele
 telefoon. Dit betekent echter niet dat iedereen ook actief van de mogelijk­
 heden tot publieke beïnvloeding gebruikmaakt. De actieve deelname op het
 internet komt vooralsnog overeen met de deelname offline: een minder­
 heid levert het overgrote deel van de bijdrages.
    Toch heeft de komst van het internet het speelveld van publieke debat­
 ten veranderd. Op twee punten treedt er een wijziging of aanvulling op
 ten opzichte van de bestaande medialogica met zijn sturende werking van
 een relatief beperkt aantal massamedia. Allereerst hebben online commu­
 nicatiekanalen in vergelijking met de traditionele media een meer open,
    34 De nieuwe regels van het spel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>interactief en gedistribueerd karakter. In principe kan iedereen, al dan
niet anoniem, via het internet met andere mensen, groepen of organisaties
in gesprek gaan. Ten tweede is de institutionele inbedding van de nieuwe
media anders. Er is meer ruimte voor organisaties met uiteenlopende
belangen en waarden die niet ingebed zijn in bestaande professionele
structuren. Naast maatschappelijke groeperingen of individuen zonder
winstoogmerk zijn dit steeds vaker commerciële spelers die informatie ver­
zamelen, koppelen en herdistribueren.
   De nieuwe media morrelen aan de basis van de medialogica zoals die tot
voor kort een nadrukkelijke invloed had op het publieke debat. Medialogica
werd en wordt gekenmerkt door het bestaan van een politiekpublicitair
complex waarin politiek, media en burgers elkaar in een houdgreep houden.
Er zijn vooralsnog geen tekenen dat dit zal verdwijnen, maar er komt wel
iets bij. Door het ontstaan van nieuwe technologieën krijgen nieuwe spelers
met andere belangen en waarden meer ruimte om zich te manifesteren. De
grote verscheidenheid aan nieuwe media en aan de manieren waarop infor­
matie geproduceerd en gedistribueerd wordt, maakt het lastig om te spreken
van één nieuwe logica die de oude medialogica verdringt. Er is eerder sprake
van een grote verscheidenheid aan logica’s die van invloed zijn op de manier
waarop het publieke debat invulling krijgt. In hoeverre die logica’s ook daad­
werkelijk de pluriformiteit en toegankelijkheid van het debat bevorderen
dan wel aantasten, bekijken we in het volgende hoofdstuk.
Noten
1 Volgens sommige voorspellingen zal het internet in de toekomst niet
   alleen bereikbaar zijn via de laptop, desktop of smart phone, ook de
   ­televisie, de ijskast en de auto zullen aangesloten zijn en de spiegel in de
    badkamer vertoont bij wijze van spreken het laatste nieuws (Van ’t Hof et
    al. 2010).
2 In Groot Brittannië en de Verenigde Staten heeft het internet bij mensen
    onder de 55 jaar de gedrukte krant als belangrijkste bron al ingehaald
    (McKinsey 2010; Pew Research Center 2010). In beide landen is de
    nieuws­consumptie door het internet toegenomen.
3 http://nos.nl/artikel/195391-cda-en-vvd-oneens-over-internet-
    omroepen.html
                        Internet verandert het speelveld van het publieke debat 35
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>4
Internet heeft gevolgen voor het publieke
debat
Op het eerste gezicht lijken de meervoudige logica’s die we in het vorige
hoofdstuk bespraken, een aantal bestaande trends ten gevolge van de logica
van de massamedia te versterken. De snelheid van de berichtgeving en de
nadruk op oneliners waren al kenmerken van de medialogica en krijgen met
de komst van netwerksites als Twitter een verdere impuls. Tegelijkertijd
bieden ze ook de gelegenheid tot het geven van tegendruk in de vorm van
correctie en zelfregulering, vooral vanuit de samenleving. In dit hoofdstuk
gaan we nader in op de veranderingen in het publieke debat, in het bijzon­
der op de vraag of en hoe individuen in de praktijk in aanraking komen
met de verscheidenheid aan perspectieven en meningen.
4.1 Toenemende fragmentarisering van het debat
Nieuwe media hebben de fragmentarisering van opinie- en agendavor­
ming, die al sinds de ontzuiling bezig is, verder in de hand gewerkt. Deze
fragmentarisering is zichtbaar in de overweldigende diversiteit aan online
platforms met hun uiteenlopende agenda’s. Vooral op kleinere fora wordt
soms over onderwerpen langdurig en diepgaand gediscussieerd, terwijl
de traditionele media zich intussen met heel andere zaken bezighouden
(Vasterman 2009). Het tegendeel gebeurt overigens ook: er zijn onderwer­
pen die veel aandacht krijgen in de traditionele media, maar relatief weinig
op de blogs. Discussies op Amerikaanse blogs gaan bijvoorbeeld vaker
over onderwerpen rond persoonlijke rechten en culturele normen (homo­
huwelijk, bezuinigingen op de zorg, privacy settings op Facebook), terwijl de
traditionele media zich meer laten drijven door actualiteiten en primeurs
(ppej 2010).1 Het achterliggend onderzoek voor dit preadvies laat zien dat
   36 De nieuwe regels van het spel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>ook in Nederland de agenda’s uiteenlopen. Zo zijn ontwikkelingssamen­
werking en asielbeleid thema’s waar in de aanloop van de verkiezingen
in 2010 online relatief veel aandacht voor was, terwijl ze minder terug­
kwamen in de kranten. In de traditionele media was daarentegen meer aan­
dacht voor de financiering van het zorgstelsel dan op de webfora (Politiek
Online, zie bijlage 1). De agenda’s verschillen ook in de manier waarop sites
maatschappelijke problemen en oplossingen framen. Amerikaanse blogs
zijn bijvoorbeeld persoonlijker dan de traditionele media en vertonen
vaker een mix van liberale en conservatieve meningen (ppej 2010). Ook
tussen weblogs zijn grote verschillen zichtbaar in onderwerpkeuze, taal­
gebruik en beelden. De toon in discussies loopt uiteen van een ‘verhit debat’
tot het uiten van vijandelijkheden of juist een inhoudelijk gevoerde discus­
sie (Hirzalla 2008).
4.2 Een veenbrandstructuur
De komst van het internet is de mogelijkheden voor burgers om zich in
het debat te mengen ten goede gekomen. Maar de fragmentarisering in
publieke debatten maken het speelveld van de publieke opinievorming ook
onvoorspelbaar en onoverzichtelijk. Met een aantal filmpjes op sociale-net­
werksites is in korte tijd grote twijfel gezaaid over een zorgvuldig voorbe­
reide nationale mediacampagne. Een vaak genoemd voorbeeld hiervan is de
nationale inentingscampagne tegen baarmoederhalskanker. Jonge meisjes
informeerden elkaar via Hyves over de gevaren van de prik. Mede daardoor
was de opkomst lager dan verwacht (Frissen 2010). Dergelijke strategic sur-
prises voor politiek en beleid zullen vaker voorkomen (Bekkers et al. 2009;
Devilee et al. 2009). Kwesties op het internet kunnen lang sluimeren en
ogenschijnlijk uit het niets belangrijk worden. In dit verband wordt er wel
gesproken over een veenbandstructuur.
   Er is voortdurend wat gaande en het is eigenlijk onvoorspelbaar wanneer
iets oplaait tot een publieke kwestie van een meer nationaal of zelfs inter­
nationaal niveau. Kleine gemeenschappen die zich op het internet rondom
een kwestie vormen, zijn in publieke debatten individueel zelden doorslag­
gevend. Daar is hun bereik simpelweg te klein voor, en veel acties lopen
uiteindelijk ook op niks uit (Aalberts en Kreijveld 2011). Maar de discussies
die zij in het openbaar op het internet voeren dienen wel als voedings­
                              Internet heeft gevolgen voor het publieke debat 37
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>bodem en argumentenbak in het proces van publieke meningsvorming.
Door de netwerkstructuur en de losse verbindingen tussen diverse online
gemeenschappen kunnen informatie, opinies en sentimenten zich alsnog
plotseling snel verspreiden.
   Hierin spelen netwerkspelers, die zich behendig bewegen tussen het
politieke en bestuurlijke domein, de gevestigde media en de nieuwe online
platforms een belangrijke rol. Doorgaans betreft dit individuen, groepen
individuen, bedrijven of organisaties die stukken in de krant schrijven,
contacten hebben binnen de politiek en actief zijn op diverse online plat­
forms. Zij brengen informatie samen en vervullen een brugfunctie tussen
de verschillende platforms. Netwerkspelers die online omvangrijke sociale
netwerken weten te mobiliseren, kunnen voldoende kritische massa krij­
gen om aandacht op te eisen in het publieke domein (Bekkers et al. 2009).
Het succes van de actie rond het rekeningrijden was niet mogelijk geweest
zonder een paar individuen met connecties in diverse online en offline
netwerken. Zij zochten via internet steun en argumenten voor hun stand­
punt en brachten die met succes in de politieke arena in, waarna de anwb
via een internetpeiling veel invloed had op het standpunt van minister
Eurlings (Politiek Online, zie bijlage 1). Netwerkspelers vervullen dus een
sleutelrol, maar dat is vaak pas achteraf zichtbaar.
   Ook de grote groep ‘passieve’ internetgebruikers vormt bij het oplaaien
van veenbranden alsnog een factor van belang. Doordat veel mensen in
Nederland een Hyves-account hebben, kunnen discussies daar in korte tijd
een grote groep mensen bereiken. Een aandachttrekkende gebeurtenis,
zoals een wetenschappelijke publicatie, verkiezingen, een beleidsnotitie
of een welgeplaatste tweet, kan een lont in het kruitvat zijn die de passieve
gebruikers op relatief eenvoudige wijze mobiliseert. De veenbrand laait als
het ware op. De acties van een klein aantal internetgebruikers die verspreid
op het internet en vaak in eerste instantie weinig zichtbaar hun meningen
uiten, kunnen zo een grote invloed hebben op de bredere publieke opinie­
vorming.
   Voor de overheid is het lastig om te anticiperen op de veenbranddyna­
miek. Alertheid lijkt bij de overheid ook nog onvoldoende ontwikkeld.
Uit de achtergrondstudie van dit advies blijkt dat vertegenwoordigers van
de overheid in recente publieke discussies – over rekeningrijden, studie­
financiering, hypotheekrenteaftrek, ontwikkelingssamenwerking, duur­
zame veeteelt en het klimaat – niet of nauwelijks werden gevoerd (Politiek
   38 De nieuwe regels van het spel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>Online, zie bijlage 1). De overheid beperkt zich voornamelijk tot het uit­
zetten van eigenstandige discussietrajecten op het net als een nieuwe vorm
van inspraak, maar mengt zich nog weinig in de online discussies. Scherp
geformuleerd zijn er veel online maatschappelijke discussies waar iedereen
aan meedoet behalve de overheid, terwijl de overheid tegelijk haar eigen
discussies organiseert waarin de samenleving afwezig is.
4.3 ‘Oude’ intermediairs zijn niet langer de enige poortwachters
Waren publieke debatten al moeilijk te sturen, de veenbranden op het
internet maken het nog lastiger. De actieve rol die burgers kunnen spelen
zet traditionele hiërarchische verhoudingen verder onder druk en ver­
andert de rol van diverse intermediairs in het publieke domein (Edwards
2003). Individuen kunnen directer contact leggen met politici, journa­
listen, ambtenaren, het bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties en
wetenschappers. Ze ontwikkelen zich tot amateurverslaggevers die rappor­
teren over actuele maatschappelijke kwesties of gebeurtenissen of zelfs tot
amateurwetenschappers die de discussie aangaan met professionele weten­
schappers. In de discussie rondom de vaccinatie tegen baarmoederhals­
kanker positioneerden leken zich als deskundigen, eerst online en daarna
ook in de traditionele media, met uiteindelijk een gewichtige en bepalende
stem in het debat (Bekker et al. 2009). Inmiddels maken amateurs ook deel
uit van gevestigde media: zo zijn De Telegraaf en de New York Times onlangs
experimenten begonnen met zogeheten hyperlokale kranten die gebruik­
maken van burgerjournalisten.
    Sommigen zien in de grotere journalistieke rol van individuen een
teloorgang van de journalistiek als waakhond van de democratie: iedereen
kan zich journalist noemen en verslag doen van gebeurtenissen zonder
grondige navraag bij verschillende bronnen of zonder bescherming van
die bronnen (Wasserman 2010). De maatschappelijke verantwoordelijk­
heid waarop de traditionele professionele journalistiek aanspreekbaar is, is
minder zichtbaar in de berichtgeving door amateurverslaggevers. Anderen
zien het internet juist als middel voor nieuwe vormen van journalistiek
die de waakhondfunctie kunnen overnemen. 2 Twitteraars zijn immers
een nieuwe bron van informatie voor journalisten die gebeurtenissen
analyseren en duiden. Actieve en betrokken internetgebruikers kunnen
                              Internet heeft gevolgen voor het publieke debat 39
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>bij onjuiste of onvolledige informatie politici en journalisten dwingen om
verantwoording af te leggen.
   Negatief of positief geduid, het internet geeft de relatie tussen journalis­
tiek en samenleving een nieuwe invulling. Met de komst van het internet
zijn de gevestigde nieuwsmedia niet langer de voornaamste poortwachters
van de toegang tot een massapubliek. Er is op het internet een samenspel
tussen oude en nieuwe media ontstaan. De grote en kleine online plat­
forms verwijzen naar elkaar en zijn onderling verweven, onder andere door
een beperkte groep van netwerkspelers die op de diverse platforms actief
zijn. Op het Nederlandstalig deel van het internet vullen blogs als Sargasso,
Geenstijl en nujij hun pagina’s door te verwijzen naar en commentaar te
geven op de inhoud van nieuwssites, maar ook door de kleine gesprek­
ken op de kleinere sites en in de sociale media in de gaten te houden. Sites
met een groot publiek als telegraaf.nl, nos.nl, nu.nl en fok.nl zijn op hun
beurt weer verweven met discussiegroepen en weblogs van journalisten
en redacteuren die op het internet actief zijn. Daarnaast rapporteren steeds
meer grote sites over wat zich in de sociale media afspeelt.
   De groeiende rol van amateurs en nieuwe spelers verandert ook de
positie van de vertrouwde intermediaire maatschappelijke organisaties.
De acties tegen bp na het olielek in de Golf van Mexico in 2010 konden
ontstaan vanuit particuliere initiatieven op sociale media, zonder dat daar
nog een belangenorganisatie als Greenpeace voor nodig was. En twitteraars
wisten hulporganisaties te bewegen om een nationale campagne te starten
voor de slachtoffers van de overstroming in Pakistan.
4.4 Nieuwe normen als gevolg van verstrengeling van publiek, politiek en
     privaat
De onoverzichtelijkheid van de online publieke opinievorming krijgt een
extra dimensie doordat op het internet het publieke, het persoonlijke en
het politieke domein gemakkelijker door elkaar gaan lopen. Ambtenaren
en journalisten schrijven op persoonlijke titel een weblog over nieuws
en actualiteiten in hun werkgebied. De politicus ís zijn eigen medium op
Twitter, waar hij met het grootste gemak persoonlijke en zakelijke informa­
tie afwisselt. De fysieke context, die voorheen vaak bepalend was voor de
toon, betekenis en impact van de boodschap, valt daarmee weg. Twitterende
   40 De nieuwe regels van het spel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>Kamerleden maken inmiddels deel uit van het politieke debat; een uitspraak
in de Kamer heeft, in elk geval voor de traditionele media, ­nauwelijks
­andere zeggingskracht dan een tweet met een politieke boodschap.
     Door de vervagende scheidslijnen komen de regels voor debat die binnen
 de afzonderlijke domeinen golden, ter discussie te staan. Waren gevestigde
 media gebonden aan professionele beroepscodes en (soms onuitgesproken)
 normen voor hoor en wederhoor, de nieuwe media op het internet opere­
 ren in een soort vacuüm waarin de bestaande gedragscodes niet houdbaar
 blijken. Ook voor ambtenaren, bestuurders en politici is vaak niet helder
 wat ze op het internet wel of niet kunnen zeggen. Ambtenaren kunnen via
 het internet rechtsreeks met burgers communiceren, bijvoorbeeld om wet­
 geving in de praktijk te toetsen, maar zij lopen daarbij op tegen bestaande
 verantwoordelijkheidsverdelingen, richtlijnen en protocollen. Kamerleden
 en gemeenteraadsleden discussiëren op hun beurt met elkaar in de open­
 bare ruimte van Twitter en roepen daarmee vragen op over het parlemen­
 taire proces van menings- en besluitvorming. Ministers en wethouders
 kunnen via nieuwe media eenvoudiger hun opvattingen of beleidskeuzes
 als eerste aan de media rapporteren en daarna pas aan de Kamer of de
 gemeenteraad. Dit alles versterkt het proces van een meer buitenparlemen­
 taire verantwoording van politiek en bestuur (rmo 2003). De controlerende
 taak van het parlement en de journalistiek maakt geleidelijk plaats voor een
 directere controlerende functie vanuit de samenleving zelf (Frissen et al.
 2008). Journalisten, politici, ambtenaren en organisaties bevinden zich als
 gevolg van afnemende houdbaarheid van de ‘oude’ spelregels in een open
 proces van normontwikkeling over gewoontes, verwachtingen en formele
 en informele regels.
     Ook burgers krijgen te maken met veranderende normen. Door de grote
 hoeveelheid aan informatie op het internet en het eroderende gezag van de
 traditionele intermediaire partijen kan het voor internetgebruikers lastig
 zijn om de betrouwbaarheid van informatie en de belangen erachter vast te
 stellen. Het onderscheid tussen reclame, propaganda en wetenschappelijke
 of journalistieke informatie is bijvoorbeeld vaak onduidelijk. Bedrijven,
 journalisten, overheden, actiegroepen en andere partijen ontwikkelen
 nieuwe communicatiestrategieën om de publieke opinie op het internet
 te beïnvloeden, maar de verwachtingen en normen over hoe deze partijen
 zich op het internet hebben te gedragen zijn nog sterk in ontwikkeling. Met
 name jongeren (Pijpers en Marteijn 2010) en lageropgeleiden (Van Deursen
                               Internet heeft gevolgen voor het publieke debat 41
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>2010) hebben moeite met het vinden van betrouwbare informatie op het
internet. Om deel te kunnen nemen aan debatten en om informatie, pro­
paganda en opinies af te wegen, moeten internetgebruikers toegerust zijn
met de nodige (technische, culturele en sociale) kennis en vaardigheden
(Raad voor Cultuur 2005).
    Daarnaast formuleren actieve internetgebruikers binnen online
gemeenschappen met elkaar hun eigen impliciete en soms expliciet vast­
gestelde omgangsvormen, gedragregels, culturele codes en verwachtingen.
Een initiatief als Wikipedia laat zien dat internationale netwerken van
mensen in onderling overleg een uitgebreid stelsel van formele regels en
impliciete normen ontwikkelen. Veel sites stellen zelf gedragsregels op en
moderators aan om discussies in goede banen te leiden en ruwere gedra­
gingen en omgangsvormen te beperken. Het ontwikkelen van normen
gebeurt doorgaans in samenwerking met de private dienstenaanbieders.
Google weegt vanaf december 2010 in de rangschikking van zoekresultaten
negatieve waarderingen van een gevonden website mee. Een bedrijf met
veel slechte klantwaarderingen eindigt lager in de zoekresultaten. Ook
weblogs en sociale-netwerksites stellen samen met hun bezoekers vast wie
wat kan zeggen. Bij het ontwikkelen van reguleringsmechanismen maken
zij gebruik van nieuwe technologische mogelijkheden, zoals waarderings­
systemen waarbij bezoekers aangeven of ze een bijdrage positief of negatief
beoordelen. Sommige sites hebben volgens het principe van naming, bla-
ming and shaming meldknopjes waarmee lezers ongepast gedrag kunnen
melden (Kelly et al. 2006). Als aanbieders te ver gaan in de regulering, kun­
nen klanten het bedrijf via nieuwe media op de vingers tikken. Zo demon­
streerden gebruikers begin 2010 met succes tegen de nieuwe privacyregels
van Facebook.3 Het internet is eigenlijk één groot sociaal proces waarin
telkens weer nieuwe sociale normen en praktijken ontstaan.
4.5 Vileine uitingen op het net
De vermenging van publiek en privaat domein en de nieuwe spelregels
krijgen soms een vilein tintje. De virtuele ruimte kan een ontremmende
invloed hebben: het gedrag op internet is vrijer en minder gebonden aan
de normen die offline gelden. Online publieke debatten lopen het gevaar
eerder het karakter te hebben van een monoloog in plaats van een dia­
    42 De nieuwe regels van het spel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>loog (Shirky 2008). Niet zelden krijgen discussies een negatieve of zelfs
­haatdragende toon. Deze verscherping van het debat wordt versterkt wan­
 neer mensen anoniem kunnen blijven en er dus weinig sociale controle is
 (Benschop 2010).
     Harde omgangsvormen zijn op zichzelf een bedreiging voor de plu­
 riformiteit van het publieke debat. Strijdlustige mensen met het vermo­
 gen een dikke huid te ontwikkelen, zullen zich niet laten afschrikken.
 Anderen trekken zich liever terug uit een publieke arena waarin het er
 fel aan toegaat. Bovendien krijgen mensen die het felst hun standpunten
 naar voren brengen meer aandacht dan andere. In zijn algemeenheid gaat
 er veel aandacht van media, overheid en politiek uit naar zogeheten harde
 schreeuwers die met provocerend taal- en beeldgebruik zappers en surfers
 voor zich weten te interesseren. Dit kan de suggestie wekken dat deze dé
 publieke opinie vertegenwoordigen, terwijl het in werkelijkheid maar een
 klein deel daarvan betreft.
     Een extreme vorm van ruwe omgangsvormen op het internet zijn
 bedreigingen en laster. Nederlandse politici worden met enige regelmaat
 bedreigd, voornamelijk via het internet (Groot et al. 2010; vgl. Broer en Van
 Weezel 2010). Ook individuen die op een forum een afwijkende mening
 uiten (zelfs onder pseudoniem), lopen het risico dreigmails te ontvangen.
 Het internet schept ook meer mogelijkheden om bewust misleidende infor­
 matie de wereld in te sturen, die al snel een eigen leven kan gaan leiden.
 Zo werd een Amerikaanse hoge ambtenaar ontslagen omdat een bekende
 blogger haar ten onrechte beschuldigde van racisme. Zelfs president Obama
 moest zijn excuses aanbieden voor zijn te snelle reactie nadat cnn alsnog
 de feiten had gecontroleerd (wat overigens ook de tekortkoming van de
 gevestigde media illustreert). Misleiding, geruchtvorming en ongefun­
 deerde meningen zijn weliswaar altijd aanwezig in het publieke debat
 (Van Ginneken 1999), maar nieuwe media maken de verspreiding daarvan
 wel eenvoudiger. Meningen vinden direct hun weg naar de openbaarheid
 zonder dat daar de filters van de intermediaire organisaties als de journalis­
 tiek of maatschappelijke organisaties aan te pas komen.
 Een Nederlandse ziekte?
 ‘De populariteit van de bedreiging aan het adres van prominenten lijkt voor
 zover we nu kunnen beoordelen een specifiek Nederlandse ziekte te zijn.
 In gemakkelijke verklaringen van het verschijnsel komt men nogal eens
                              Internet heeft gevolgen voor het publieke debat 43
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>de opmerking tegen dat het de schuld is van de opkomst van internet of de
verloedering van de televisie. Het is niet duidelijk waarom die bedreigingen
dan in vergelijkbare en omringende landen niet of nauwelijks voorkomen,
terwijl ze daar toch ook internet en televisie hebben. We hebben onze
collega’s in België, Frankrijk en Duitsland gevraagd of er in die landen een
vergelijkbare plotselinge hausse van bedreigingen tegen prominenten viel
aan te wijzen, en hun reactie was ontkennend’ (Bovenkerk et al. 2005, p. 8).
4.6 Echokamers in begrenzende netwerkstructuren
Hoewel de komst van nieuwe media de verscheidenheid aan publieke
meningsuitingen een impuls heeft gegeven, leidt dat niet automatisch tot
meer pluriforme publieke debatten. Processen van in- en uitsluiting, die
ook op het internet plaatsvinden, kunnen een uitwisseling van uiteenlo­
pende meningen in de weg staan. Witschge (2007) laat bijvoorbeeld zien dat
uitsluiting van afwijkende meningen regelmatig voorkomt in discussies
over integratie binnen online gemeenschappen. Leden van gemeenschap­
pen delen bepaalde normen en waarden en waarderen niet dat deze ter dis­
cussie worden gesteld. Besloten extreem rechtse of linkse discussiegroepen
laten geen mensen toe die aan hun grondgedachte morrelen. Dit uitsluiten
gebeurt overigens vaak niet bewust. Mensen zoeken elkaar op internet op,
omdat ze hier in tegenstelling tot in de offline wereld een veilige omge­
ving vinden om hun standpunten en gevoelens met elkaar te delen (vgl.
De Koster 2010). Evenals bij kranten en televisieprogramma’s bezoeken
mensen fora die bij hen passen en sluiten zich daarmee onbewust af voor
afwijkende geluiden (Kushin en Kitchener 2009; Habermas 2006; Dahlgren
2005).
   Naast de intrinsieke oriëntatie van mensen op gelijkgestemden begren­
zen ook de technische structuren van het internet de openheid en toegan­
kelijkheid van het vrije publieke debat. Het grote aanbod aan informatie op
het internet betekent niet dat gebruikers daadwerkelijk blootgesteld wor­
den aan een verscheidenheid aan meningen. Juist de netwerkstructuren
van het internet en het onoverzichtelijke speelveld maken het mogelijk dat
er clusters van sterk verbonden websites met overeenkomstige meningen
en waarden ontstaan. Bekend is dat websites vooral doorverwijzen naar
sites met vergelijkbare meningen en dezelfde bronnen. Er is in feite slechts
   44 De nieuwe regels van het spel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>een handjevol nieuwswebsites dat originele berichten produceert. Zo is het
overgrote deel van het internationale nieuws op Amerikaanse sites afkom­
stig van Reuters, anp of bbc (Paterson 2007). Ook Nederlandse nieuw­
sportals reproduceren of verwijzen vooral naar berichten uit (digitale)
kranten of zijn in hun berichtgeving afhankelijk van het anp. Mensen krij­
gen dus vanuit ogenschijnlijk verschillende, maar in feite dezelfde bronnen
identieke geluiden te horen. Deze clusters in de netwerkstructuren van
het internet fungeren als zogenaamde echokamers: mensen denken dat ze
autonoom en zelfbewust op internet een verscheidenheid aan informatie
inwinnen, maar wandelen in werkelijkheid rond in een beperkt en een­
zijdig internetaanbod (Shirky 2008).
   De aard van de digitale netwerkstructuren maakt bovendien dat grote
spelers een voordeel hebben ten opzichte van individuen en kleine orga­
nisaties. Veel online informatie is moeilijk te vinden en de informatie­
stromen op het internet vertonen een winner-takes-all-patroon (Hindman
2009): links verwijzen vrijwel altijd naar sites die al veel publiek trekken.
Hierdoor eindigen minder bekende sites laag in de zoekresultaten, en
gebruikers van zoekmachines bekijken doorgaans alleen de eerste pagina
met resultaten. De kans dat een individu of kleine organisatie met een
eigen website een groot publiek bereikt, is daarmee gering. Grote organi­
saties hebben daarentegen het geld en de tijd om te investeren in commu­
nicatiestrategieën om hen bovenaan in de zoekresultaten te plaatsen. Daar
komt bij dat het maken van webpublicaties – met uitzondering van indivi­
duele blogs – financiële investeringen met zich meebrengt: grote organi­
saties kunnen veel geld besteden aan online kwaliteitspublicaties, digitale
columnisten, het design van de pagina, de webservers enzovoort. Kleine
organisaties kunnen dat niet en zouden eigenlijk geld moeten vragen aan
de gebruikers, maar dat is uit concurrentieoogpunt ondoenlijk (Witschge
et al. 2010).
   Mede door deze beperkingen zijn de gevestigde media in de praktijk
voor een belangrijk deel nog toonaangevend in de informatie- en nieuws­
voorziening. De gevestigde dagbladen en omroepen, ook in hun online
vorm, hebben nog altijd een groter bereik dan de meeste weblogs. Zij zien
hun bijdragen druk besproken in de nieuwe media en lijken zelfs aan poli­
tiek agenderende invloed te winnen, zeker in kwesties die de landsgrenzen
overstijgen (Van Noije et al. 2008). Weblogs en online discussieplatforms
volgen de hype cycle van de grote media (Nguyen en Western 2006). Een
                             Internet heeft gevolgen voor het publieke debat 45
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>kwestie die in de oude media speelt, speelt soms nog een aantal dagen
­daarna op de blogs. De gevestigde nieuwsmedia, de politiek en de overheid
 zijn vooralsnog de dominante katalysators van publieke debat.
 4.7 Controle op toegang in private handen
 Het ideaal van een open en toegankelijk internet waar iedereen naar keuze
 zijn informatie haalt of brengt, wordt in de praktijk begrensd door de stu­
 rende kracht van algoritmen en fysieke infrastructuren. En de keuze voor
 deze technische infrastructuur is allerminst waardeneutraal. Daarachter
 zitten keuzes die mede zijn ingegeven door (commerciële) belangen van
 voornamelijk private partijen die de informatiestromen op het internet
 beheren. De controle over de toegang tot het internet en over de mogelijk­
 heden om informatie te publiceren en te zoeken, is voornamelijk in handen
 van private partijen, zoals internetaanbieders (bv. kpn, upc en xs4all),
 zoekmachines, nieuwsaggregatoren en sociale-netwerksites. Hoewel het
 internet oorspronkelijk is opgezet als redundant systeem waarin een cen­
 traal controlepunt ontbreekt, neemt de regulering vanuit deze bedrijven
 toe.
    De toegankelijkheid van informatie en diensten staat centraal in de
 huidige discussie over netneutraliteit. Deze discussie spitst zich toe op
 vragen over de mate waarin internetaanbieders onderscheid mogen maken
 tussen verschillende soorten inhoud, websites, diensten of platforms. 4
Internetproviders maken vooralsnog nog geen commercieel onderscheid
tussen de informatiestromen naar verschillende start- of eindgebruikers,
leveranciers of afnemers. Maar internationaal neemt de druk toe om dat
onderscheid wel te maken, vooral op het mobiele internet (vgl. Google
en Verizon 2010). Een aantal grote Europese internetproviders maakte
onlangs bekend dat ze aan dataverbruikers als YouTube en Netflix de kos­
ten in rekening gaan brengen voor elke gigabyte aan informatie die deze
contentproviders over de netwerken verzenden (A.T. Kearny 2010). Volgens
voorstanders zou commercieel onderscheid meer mogelijkheden bieden
voor innovatie en voor het verbeteren van de snelheid, betrouwbaarheid
en kwaliteit van netwerken en diensten (Schermer en Wagemans 2011).
Vermogende ondernemingen kunnen dan tegen betaling voorrang voor
hun diensten en toepassingen krijgen. Het risico is dat dergelijke aan­
    46 De nieuwe regels van het spel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>passingen de mogelijkheden voor minder vermogende organisaties en
­individuen om een groter publiek te bereiken sterk beperken. Het internet
 zou steeds meer het karakter krijgen van een broadcast medium.
     De regulering van internetverkeer door nieuwe intermediaire partijen
 gebeurt overigens niet altijd geheel vrijwillig. De afgelopen jaren heb­
 ben internet- en dienstenaanbieders er in het kader van handhaving en
 criminaliteitspreventie verschillende plichten bij gekregen. Denk aan
 het bewaren van de data door internetaanbieders. Een ander voorbeeld
 is de zorgplicht die internetaanbieders in Nederland hebben voor hun
 klanten, maar ook voor derden die mogelijk schade kunnen ondervinden
 van materiaal dat onrechtmatig via het netwerk van de aanbieder wordt
 verspreid. Internetaanbieders hebben bijvoorbeeld de plicht om informatie
 te verwijderen of websites te blokkeren als zij erop gewezen worden dat
 deze sites onrechtmatig auteursrechtelijk materiaal verspreiden. Zij moe­
 ten zelf bepalen of er sprake is van onrechtmatig materiaal, maar kunnen
 aansprakelijk worden gesteld als zij hierin nalatig zijn (Van der Sloot 2010).
 Eenduidige regels over hoe zij de afweging tussen verschillende belangen
 kunnen maken, ontbreken vooralsnog, met als gevolg dat zij zich genood­
 zaakt zien zelf regels op te stellen. Internet- en dienstenaanbieders krijgen
 zo indirect de taak om informatiestromen te monitoren en te reguleren,
 zonder dat daar een democratische of rechtelijke toetsing aan te pas komt.
     Ook de neutraliteit van andere intermediaire partijen als zoekmachines,
 nieuwsaggregatoren en sociale-netwerksites is onderwerp van discussie.
 Mag een zoekmachine betalende klanten een hogere positionering geven
 in de zoekresultaten? De algoritmes die deze partijen gebruiken om infor­
 matie te selecteren, te filteren en te koppelen, bieden geen neutrale weer­
 gave van de beschikbare informatie op het internet, omdat ze gebaseerd
 zijn op specifieke opvattingen over welke informatie relevant zou zijn.
 De vrijheid van de internetgebruiker om naar eigen inzicht informatie en
 diensten te zoeken, is daarmee automatisch beperkt. Dat providers en zoek­
 machines keuzes maken voor hun informatiestructuren is onvermijdelijk,
 maar meer transparantie daarover lijkt geboden.
 Netneutraliteit in Europa en Nederland
 In de Digitale Agenda 2010-2020 stelt de Europese Commissie (ec)
 ‘netvrijheid’ centraal: de vrijheid om naar eigen voorkeur diensten en
 toepassingen te zoeken, binnen de grenzen van de wet. Zij kiest voor
                               Internet heeft gevolgen voor het publieke debat 47
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>centraal beleid, waarbij een open en neutraal internet de standaard zou
moeten zijn. Richtlijnen en wetgeving ontbreken op dit niveau, op een
transparantieverplichting na (Bekker et al. 2009). De gedachte achter
die verplichting is dat mensen zullen ‘stemmen met hun voeten’ als ze
ontevreden zijn. Verder laat de ec de vorming van richtlijnen over aan de
individuele lidstaten. De richtlijnen die er wel zijn, laten veel ruimte over
voor eigen invulling (Henze et al. 2010).
   In Nederland hebben internetproviders vooralsnog zelf de keuze
in hoe zij toegang tot het internet bieden. De enige voorwaarde is dat
de zij de consument hierover informeren. Internetproviders kunnen
bijvoorbeeld bij een te zware netwerkbelasting de verbindingen voor
een bepaalde periode van de dag ‘afknijpen’. Dat deed onder meer upc
in 2009, toen een bepaalde groep gebruikers een uitzonderlijk groot
deel van de bandbreedte in gebruik had (ez en ocw, 28-09-2010, n.a.v.
questionnaire ec). opta, de Nederlandse telecomautoriteit, controleert
tegenwoordig of internetproviders in Nederland zich houden aan de
transparantieverplichting over de te leveren diensten. Daarnaast kunnen
providers zelf onderscheid maken tussen welke diensten en toepassingen
voorrang krijgen of juist geblokkeerd worden. Spam, virussen en
pornowebsites kunnen bijvoorbeeld geweerd worden. De bereikbaarheid
van het noodnummer 112 door middel van Voice over ip (internettelefonie)
kan voorrang krijgen boven andere datastromen.
4.8 Randvoorwaarden en digitale grondrechten
De scherpe kanten van het open proces van normontwikkeling en de
begrenzingen aan de toegankelijkheid van het internet roepen vragen op
over wat kan, mag of wenselijk is. Om aan online publieke debatten te kun­
nen deelnemen, is het van belang dat mensen niet alleen toegang hebben
tot verschillende informatiebronnen, maar dat ze zich ook vrij voelen zich
te uiten. Het internet stelt echter een aantal kernwaarden en grondrechten
van de democratische samenleving ter discussie of vraagt daar in ieder
geval een andere invulling voor.
   De eerste kernwaarde betreft de grondwettelijke vrijheid van menings­
uiting en nieuwsgaring. Enerzijds beschermt dit grondrecht de burger
tegen bemoeienis van de overheid, anderzijds stelt het de overheid de
   48 De nieuwe regels van het spel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre>taak om effectieve uitoefening van dit recht mogelijk te maken (Rapport
Staatscommissie Grondwet 2010). Op het internet kan dit recht in het
gedrang komen door de monopolieposities van dominante partijen, door
onduidelijke of gebrekkige regelgeving omtrent de regulering van infor­
matiestromen of door onvoldoende garantie van de pluriformiteit van het
publieke debat. Een vraag is bijvoorbeeld of overheden bedrijven onder
druk mogen zetten om websites van het net te halen zonder rechterlijke
toetsing, een vraag die direct raakt aan de discussie over netneutraliteit.
Regulering van informatiestromen, commercieel of anders, kan beteke­
nen dat sommige mensen moeilijker of helemaal geen toegang hebben tot
bepaalde websites, diensten of toepassingen.
   Vervolgens is het de vraag of wetten inzake de bescherming van de per­
soonlijke levenssfeer en de bescherming van vertrouwelijk communicatie
aanpassing behoeven. Mensen hebben op het internet weinig controle over
hun persoonlijke gegevens en daarmee over hun eigen reputatie. Iedereen
kan immers een foto of filmpje van een ander maken en rondsturen. Echte
anonimiteit is maar zelden mogelijk, aangezien de bron van ingezonden
reacties doorgaans snel te achterhalen is, door de overheid dan wel door
andere internetgebruikers. Discussiebijdragen op internet hebben – en
mensen realiseren zich dat vaak niet –bovendien een verrassende eeuwig­
heidswaarde gekregen. Eén minder geslaagde publicatie of een gefilmde
verspreking kan iemand via Google een leven lang achtervolgen, met
allerlei morele (schaamte, reputatieschade) en economische (afwijzingen
bij sollicitaties) consequenties tot gevolg (Dommering 2010a). ‘Eeuwig
publiek’ tast zo de vrije toegang tot het debat aan, ook of misschien wel juist
als mensen voorzichtig worden in hun uitingen. Het lange geheugen van
informatie op het internet is daarmee een beperking op het recht op pri­
vacy (Hins 2008).
Persoonlijke informatie bewaard
De Europese richtlijnen voor dataretentie schrijven nu nog voor dat
internetproviders en andere aanbieders van internet en telefonie, gegevens
over internetverkeer gedurende maximaal twee jaar bewaren. Deze
richtlijnen zijn opgesteld om misdaad te voorkomen en te bestrijden,
maar stuiten al jaren op bezwaar van privacy-actiegroepen. Zo is er weinig
controle en toezicht op toegang tot de gegevens zoals opgeslagen in de
database van het Centraal Informatiepunt Onderzoek Telecommunicatie
                              Internet heeft gevolgen voor het publieke debat 49
</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 51 ======================================================================

<pre>(ciot 2008) en vreest men voor misbruik door het oneigenlijk koppelen van
data (Arnbak 2010).
Daar komt bij dat de handelingen van internetgebruikers uit het oogpunt
van veiligheid sowieso al een tijdlang voorwerp van monitoring zijn. In
de offline wereld mag de overheid niet zomaar telefoontjes of gesprek­
ken afluisteren; op het internet is dat in principe eenvoudiger. Bovendien
maken de politie en de Belastingdienst gebruik van persoonlijke gegevens
die op het internet openbaar gemaakt zijn. De overheid heeft meer moge­
lijkheden gekregen om gegevens over burgers te verzamelen en zij heeft de
neiging om informatie te blijven verzamelen en te koppelen in het kader
van veiligheid (wrr 2011). Hierdoor wordt het moeilijker voor burgers om
zich te onttrekken aan hun eigen verleden.
    Maar niet alleen de overheid, ook bedrijven kijken en luisteren mee.
Multinationale bedrijven als Google en Facebook hebben hun verdienmo­
del gebaseerd op de veronderstelling dat informatie over de activiteiten
van mensen op het internet waardevol is. Adverteerders zijn geïnteresseerd
in de persoonlijke voorkeuren en interesses van mensen en verzamelen,
analyseren en koppelen via het net allerlei gegevens van individuen, zonder
dat deze individuen zich daarvan bewust zijn. Veel diensten zijn ook niet
te gebruiken zonder bepaalde persoonlijke informatie prijs te geven. Om
gegevens voor een groter publiek af te schermen is vaak een extra inspan­
ning nodig, al zijn er inmiddels diverse alternatieven in omloop waarmee
gebruikers meer zeggenschap hebben over hun persoonlijke profiel en de
mate waarin ze gegevens met anderen kunnen en willen delen.
Facebook en privacy
Facebook heeft in 2010 meermalen laten zien dat de bescherming van
persoonlijke gegevens niet hun hoogste prioriteit heeft. In oktober bleek
dat gebruikergegevens zonder toestemming werden doorgesluisd naar
advertentiebedrijven. In april kreeg Facebook zware kritiek toen het
gepersonaliseerde diensten aanbood aan gebruikers bij een bezoek aan
andere sites. Deze aanbiedingen waren gebaseerd op basis van de door
Facebook zelf verzamelde gegevens over de gebruikers.
Voor het borgen van grondrechten, zoals de vrijheid van meningsuiting
en nieuwsgaring of de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, is
    50 De nieuwe regels van het spel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 51 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 52 ======================================================================

<pre>het niet mogelijk om terug te vallen op de klassieke instituties met hun
­v igerende regelgeving en gedragscodes, al was het maar omdat de virtuele
 grenzen niet parallel lopen met de traditionele landsgrenzen. Een site die
 niet in Nederland is gehost – om het simpelste voorbeeld te noemen – valt
 niet onder Nederlandse wetgeving. En op het internet is het bijvoorbeeld
 moeilijk om vast te stellen wie of wat bijzondere journalistieke bescher­
 ming zou moeten genieten voor het brongeheim of het publiceren van
 geheime informatie (Burgt et al. 2008). Verschillende gerechtshoven komen
 tot uiteenlopende conclusies (Dommering 2010b). Ook over de bescher­
 ming van de persoonlijke levenssfeer lopen de meningen uiteen. Moeten
 mensen controle kunnen houden over hun zogeheten digitale identiteit,
 samengesteld uit allerlei internetgegevens? Hebben mensen het recht om
 ‘informatie te laten vergeten’?5 Kunnen aanbieders van digitale diensten
aangesproken worden op privacyschendingen? Op deze vragen komen we
in het volgende hoofdstuk terug.
4.9 Conclusie
Met de komst van nieuwe media is een veelkleurig medialandschap
ontstaan. De fragmentarisering van publieke debatten heeft zich met de
komst van het internet verder doorgezet en is zichtbaar in de uiteenlopende
agendavorming. Kwesties die in de traditionele media kortstondig en
hevig aandacht krijgen, staan op het internet soms nog lang in de belang­
stelling. Er is sprake van een veenbrandstructuur, waarin publieke issues
voortdurend ergens op het internet sluimeren en plotseling in alle hevig­
heid kunnen oplaaien. Een belangrijke kracht van het internet, met zijn
interactiviteit, netwerkstructuren en technieken om informatie te sturen,
schuilt in de mogelijkheden die het biedt voor zelforganisatie. Actieve en
betrokken burgers kunnen zelf optreden als countervailing power die de
overheid, bedrijven en de journalistiek controleert en ter verantwoording
roept (Meijer 2004; Frissen et al. 2008). Hoewel de massamedia nog steeds
belangrijke poortwachters zijn, zijn daar veel nieuwe intermediaire spelers
bijgekomen. Ook de grenzen tussen het politieke, het publieke en het per­
soonlijke verschuiven, waardoor bestaande gedragscodes, omgangs­vormen
en normen niet goed toepasbaar meer blijken en opnieuw ontwikkeld
moeten worden. Deze verschuivingen in het medialandschap scheppen
                              Internet heeft gevolgen voor het publieke debat 51
</pre>

====================================================================== Einde pagina 52 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 53 ======================================================================

<pre>ruimte voor meer individuen en groepen om hun stem te laten horen aan
een ­g roter publiek.
    De analyse laat ook zien dat nieuwe media weliswaar de potentie heb­
ben om de pluriformiteit en openheid van publieke debatten te bevorderen,
maar dat dit tegelijkertijd allerminst vanzelfsprekend is door de aanwezig­
heid van allerlei zichtbare en minder zichtbare in- en uitsluitingsmecha­
nismen. Dit is de inherente spanning die het internet met zich meebrengt.
De verscheidenheid aan meningen is groot, maar daartegenover staat
dat fragmentarisering en clustervorming pluriforme publieke debatten
in de weg kunnen staan. Internetgebruikers hebben de neiging om op
zoek te gaan naar gelijkgestemden en om andere meningen uit te sluiten.
Zoekmachines en sociale media faciliteren dit gedrag door de wijze waarop
ze informatie structureren. De vrije informatievergaring en discussievor­
ming lopen aan tegen zowel sociale mechanismen als de sturende kracht
van algoritmes en fysieke infrastructuren die de toegang voor individuele
internetgebruikers tot bepaalde informatie en opinies niet zozeer blokke­
ren als wel bemoeilijken. Digitale informatiestromen vertonen een winner-
takes-all-patroon, waardoor andersoortige informatie voor de individuele
gebruikers moeilijker vindbaar is. Websites linken veelal naar gelijksoor­
tige websites, wat clustervorming in de hand werkt. Internetgebruikers
kunnen zich daardoor onbewust bevinden in zogeheten echokamers en
rondwandelen in een eenzijdig informatieaanbod.
    Dit roept de vraag op naar de invulling van nieuwe spelregels rondom
openbaarheid, gelijkheid en transparantie. Hebben internetgebruikers
het recht op helderheid over hoe informatiestromen werken, waartoe ze
wel of geen toegang hebben en hoe ze hun privacy kunnen borgen? Mogen
internetproviders commercieel onderscheid maken in hun informatie­
aanbod of is informatie een publiek goed dat voor iedereen in gelijke mate
beschikbaar moet zijn? Deze vragen krijgen een extra dimensie nu blijkt
dat het internet ook vileine trekken kan hebben in de vorm van dreig­
mails, openbare laster of ongelukkige uitingen die mensen hun leven
lang achtervolgen. Internetgebruikers hebben vooralsnog weinig controle
over hun persoonlijke gegevens, waardoor de privacy beperkt wordt en de
vrijheid van meningsuiting indirect in het geding komt. Duidelijk is in
elk geval dat de juridische regels, gedragscodes en omgangsvormen die
in ­verschillende fysieke contexten golden, niet direct zijn te vertalen naar
online omgevingen.
    52 De nieuwe regels van het spel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 53 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 54 ======================================================================

<pre>Noten
1 In Nederland is over de verschillende agenda’s op de diverse media nog
  weinig bekend.
2 Zie bijvoorbeeld het Sustainability report 2010 van The Guardian http://
  www.guardian.co.uk/sustainability/sustainability-introduction-core-vaules
3 http://www.bbc.co.uk/news/10157454 (geraadpleegd op 17 maart 2011).
4 Zie ook: http://www.timwu.org/network_neutrality.html (geraadpleegd
  op 22-02-2011)
5 Vergelijk http://www.telegraaf.nl/digitaal/8121909/Europese_
  commissie_wil_vergeetrecht.html en http://webwereld.nl/
  achtergrond/105794/eerste-kamer-bepleit--vergeetrecht--op-internet-.html
                            Internet heeft gevolgen voor het publieke debat 53
</pre>

====================================================================== Einde pagina 54 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 55 ======================================================================

<pre>5
De aftrap voor discussie
De analyse in dit preadvies laat zien dat het internet in korte tijd een
belangrijke zelfstandige rol is gaan spelen in publieke debatten. De invloed
van de nieuwe digitale media werkt twee kanten op. Het internet heeft een
enorme potentie voor de vrije publieke opinievorming. Het media-aanbod
waartoe mensen toegang hebben, is door het internet groter en meer divers
dan ooit. Iedereen kan zijn zegje doen, iedereen kan in theorie een miljoe­
nenpubliek bereiken. Nieuwe media maken het voor burgers eenvoudiger
om samen te werken en zich te organiseren, los van de traditionele formele
en hiërarchische organisatiestructuren. Lange tijd werd het publieke
debat gekanaliseerd via de zuilenstructuur en later via de institutionele
voorzieningen van medezeggenschap, inspraak, vertegenwoordigende
lichamen en ingezonden brieven. Met het internet kunnen mensen van
onderop langs verschillende wegen hun mening of ongenoegen kenbaar
maken of hun steun betuigen. De snelheid waarmee en de schaal waarop
dit plaatsvindt, zijn ongeëvenaard. Er zijn inmiddels talloze voorbeelden
die de potentie van het internet voor een opener en meer pluriform publiek
debat illustreren, zoals het gebruik van sociale media tijdens de protesten
in de Arabische wereld in 2010 en 2011 en de online initiatieven van burgers
die hun steentje willen bijdragen, zoals bijvoorbeeld petities.nl, verbeterde­
buurt.nl, hetnieuwestemmen.nl en overvecht.nu.1
   De pluriformiteit en toegankelijkheid van de publieke debatten op het
internet zijn niet vanzelfsprekend. De grote hoeveelheid beschikbare infor­
matie op het internet wekt ten onrechte de suggestie dat internetgebrui­
kers daar ook direct en vrij toegang tot hebben. Om alternatieve geluiden
te kunnen horen, moeten zij actief op zoek gaan. Zij lopen daarbij aan tegen
de sturende werking van de algoritmes van zoekmachines en netwerk­
structuren van sociale media, waardoor slechts een topje van de ijsberg
zichtbaar is. Daarnaast kunnen ruwe omgangsvormen in discussiefora of
de beperkte privacy op het internet een obstakel vormen om deel te nemen
   54 De nieuwe regels van het spel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 55 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 56 ======================================================================

<pre>aan publieke debatten. Harde schreeuwers voeren vaak de boventoon en de
vrijheid van meningsuiting ontaardt soms in bedreigingen en laster.
Een pluriform publiek debat is de levensader van een democratie
Volgens de rmo is een democratische samenleving gebaat bij open en
­pluriforme publieke debatten waarin een vrije uitwisseling van waarden en
 opvattingen over gezamenlijke of conflicterende belangen kan plaats­v inden.
 Dit betekent dat er op voorhand geen minderheidsmeningen of -opvattingen
 worden uitgesloten. Het betekent niet dat iedereen moet deelnemen aan
 debatten, maar wel dat individuen of groepen die zich niet vertegenwoordigd
 voelen in deze debatten de mogelijkheid hebben hun stem te laten horen.
 De essentie van een democratie is het erkennen van én het recht doen aan
 verschillende minderheidsopvattingen. Het internet biedt daar nieuwe
 instrumenten en perspectieven voor, maar die werken vooralsnog twee
 kanten op. In sociaal en technologisch opzicht is het internet nog volop
 in ontwikkeling en zijn de consequenties van het gebruik ervan nog niet
 uitgekristalliseerd.
 Het ontstaat niet vanzelf
 Naar welke kant de balans zal uitslaan is mede afhankelijk van de keuzes die
 individuen, organisaties, bedrijven en overheden nu maken over de manier
 waarop we als samenleving zowel online als offline met elkaar in gesprek
 gaan. Dit zijn keuzes over onder andere wetgeving, formele en informele
 gedragscodes, de mate van transparantie en aansprakelijkheid of de inzet
 en het ontwerp van technologie. Keuzes die samen de nieuwe regels van het
 spel bepalen. De rmo acht het van belang om de vraag naar de (institutio­
 nele) randvoorwaarden voor open en pluriforme publieke debatten in het
 internettijdperk niet uit de weg te gaan, maar open op tafel te leggen.
    Het doel van dit preadvies is om deze maatschappelijke discussie over
 de randvoorwaarden aan te jagen en te voeden. Een open en toegankelijk
 internet waar iedereen binnen de grenzen van de wet naar eigen inzicht zijn
 informatie kan halen of brengen, is het uitgangspunt. Maar hoe ziet dat er in
 de praktijk uit? Wat vraagt dat van de verschillende spelers in het veld? Dit
 laatste hoofdstuk biedt een aantal aangrijpingspunten en werpt een aantal
 dilemma’s en uitdagingen op die als startpunt dienen voor de verdere dis­
 cussie. Op basis van de analyse identificeren wij drie thema’s die een kader
 bieden voor deze discussie:
                                                     De aftrap voor discussie 55
</pre>

====================================================================== Einde pagina 56 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 57 ======================================================================

<pre>1 normen, omgangsvormen en gedragscodes;
2 begrenzingen aan pluriformiteit en openbaarheid;
3 nieuwe invulling rechtstatelijke waarden.
5.1 Normen, omgangsvormen en gedragscodes
De meervoudige logica’s van de nieuwe media doen de grenzen tussen het
persoonlijke, het publieke en het politieke domein vervagen. Daardoor zijn
de gedragsregels, beroepscodes en omgangvormen die in fysieke contexten
golden, niet direct toepasbaar in online omgevingen. In deze omgevin­
gen is er sprake van een open proces van norm- en gedragontwikkeling,
waardoor nieuwe omgangsvormen en reguleringsmechanismen ontstaan.
Internetgebruikers ontwikkelen met elkaar nieuwe spelregels in online
gemeenschappen, terwijl ook de overheid, de politiek, de journalistiek,
bedrijven en maatschappelijke organisaties zich herpositioneren en expe­
rimenteren met nieuwe communicatiestrategieën en gedragscodes.
   Het proces van normontwikkeling stemt soms zorgelijk. Ruwe
omgangs­vormen en harde schreeuwers voeren vaak de boventoon en
krijgen onevenredig veel aandacht. Op sommige discussiefora lijken de
deelnemers vooral bezig te zijn met op luide toon hun mening verkondigen,
zonder te luisteren naar die van anderen. Deze omgangsvormen zijn
niet per se schadelijk, maar wanneer ze ontaarden in beledigingen of
bedreigingen of structurele uitsluiting van minderheidsmeningen, kan
dat een publiek debat in de weg staan. Daarnaast is de betrouwbaarheid
van informatie online vaak lastig vast te stellen. Op weblogs, discussiefora
en sociale-netwerksites zijn belangen moeilijk te achterhalen en het
onderscheid tussen commerciële, wetenschappelijke en journalistieke
informatie is voor velen niet duidelijk. De vraag is in hoeverre tegenwicht
te bieden is aan de schadelijke kanten van de zich ontwikkelende normen
en omgangsvormen.
Zelfregulering is het uitgangspunt
Het is volgens de rmo niet wenselijk om van boven dictaten voor te schrij­
ven. Het internet biedt veel mogelijkheden voor zelfregulatie en -orga­
nisatie. Op verschillende platforms ontstaan uitgebreide impliciete en
expliciete discussieregels. Moderators, maar ook bezoekers zelf zien toe
   56 De nieuwe regels van het spel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 57 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 58 ======================================================================

<pre>op de naleving van die regels. Discussies laten zich op het internet sowieso
lastig van boven af organiseren. Internetgebruikers kiezen immers zelf de
condities waaronder zij meedoen en laten zich niet gemakkelijk voorschrij­
ven hoe zij zich behoren te gedragen. Zinnen de regels hen niet, dan kunnen
ze hun mening altijd wel ergens anders kwijt. Dit is een belangrijke meer­
waarde van het internet.
Dat vraagt om mediawijsheid…
Om actief deel te kunnen (blijven) nemen aan publieke debatten, maar ook
om de vorming van nieuwe spelregels te beïnvloeden, hebben mensen spe­
cifieke vaardigheden en kennis nodig. Voor degenen die de continue aanwas
van nieuwe technologieën en de veranderende spelregels snel onder de knie
hebben, biedt het internet mogelijkheden om gemakkelijk informatie te ver­
garen en de publieke opinievorming (verregaand) te beïnvloeden. Maar lang
niet iedereen heeft die kennis of vaardigheden. Met de Raad voor Cultuur
(2005) bepleit de rmo daarom het bevorderen van ict- en informatievaardig­
heden voor zowel jongere als oudere generaties. Evenwicht in het publieke
debat vraagt om weerbaarheid en mediawijsheid van de internetgebruiker,
zodat die de hoeveelheid informatie en de informatieaanbieders op waarde
kan schatten en zelf zijn rol kan bepalen in het debat.
…en een nieuwe invulling van de journalistiek
Een onafhankelijke journalistiek die voorziet in een pluriforme nieuws- en
informatievoorziening is en blijft een essentiële voorwaarde voor de demo­
cratie. Onafhankelijkheid betekent hier dat overheden niet van tevoren de
inhoud van de berichtgeving controleert of daar toezicht op houdt en dat
deze berichtgeving losstaat van de belangen van de bedrijven of van pressie­
groepen. Dat houdt niet in dat journalisten of redacties zich niet mogen ver­
binden aan een bepaalde visie op de samenleving. Integendeel, zo’n verbin­
ding kan pluriformiteit juist ten goede komen. Onafhankelijkheid betekent
wel dat journalisten kritische distantie bewaren tot mensen en organisaties
die diezelfde visie zijn toegedaan (rmo 2003).
   Onafhankelijke en professionele journalisten en nieuwsorganisaties
hebben een belangrijke bijdrage geleverd aan de ontwikkeling van een
hoogwaardige informatie- en nieuwsvoorziening. Maar in het digitale tijd­
perk krijgt de onafhankelijke journalistiek een nieuwe invulling. Meer dan
vroeger staan journalisten en redacties bloot aan de druk van ­commerciële
                                                  De aftrap voor discussie 57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 58 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 59 ======================================================================

<pre>belangen, met mogelijk gevolgen voor hun publiekmaatschappelijke ori­
ëntatie en onafhankelijkheid. De komst van het internet kan die druk
vergroten, maar biedt ook kansen om de journalistiek nieuwe vorm en
inhoud te geven. Duidelijk is dat de traditionele journalistieke functie van
nieuws- en informatievoorziening niet langer voorbehouden is aan de gro­
te professionele organisaties. Amateurverslaggevers, betrokken bloggers
en maatschappelijke organisaties vervullen deze rol even goed. De normen
die zij hanteren zijn nog in ontwikkeling en de organisatiegraad is beperkt.
Grote (gevestigde) nieuws­organisaties kunnen zich meer gaan specialise­
ren, enerzijds door creatieve verbindingen te leggen bij de ‘verslaggevers
van de straat’, anderzijds door zich veel meer toe te leggen op het duiden
van de grote stroom van (online) informatie. Zij kunnen nieuwe vormen
vinden om concurrerende waarnemingen van gebeurtenissen weer te
geven en tegen elkaar af te wegen. Nieuws ontstijgt daarmee het tijdelijke
karakter van alleen een kop in de krant of een korte blog op een website, en
kan daarmee een rol spelen in het creëren van mediawijsheid en in het aan­
dragen van verrassende gezichtspunten voor de politiek-maatschappelijke
agenda.
Ook andere intermediaire spelers hebben een verantwoordelijkheid
Intermediaire spelers, zoals belangengroepen, sociale bewegingen, weten­
schappers en politieke partijen en tegenwoordig ook bloggers, moderators
en internet- en dienstenaanbieders, spelen een belangrijke en bijzondere
rol in de vorming van nieuwe normen, gedragscodes en omgangsvormen.
Zij selecteren en filteren meningen, brengen die samen en dragen actief
bij aan het articuleren van gezamenlijke normen en waarden. Zij hebben
vaak een voortrekkersrol en zijn poortwachter voor een groter publiek.
Daardoor kunnen zij invloed uitoefenen op het proces van normontwik­
keling en ingrijpen als omgangsvormen niet worden nageleefd (waarschu­
wen, corrigeren en in sommige gevallen toegang tot een platform ontzeg­
gen). Daarmee gaat ook een verantwoordelijkheid gepaard. Een verant­
woordelijkheid om op een weloverwogen en transparante manier invulling
te geven aan hun poortwachtersrol.
De overheid heeft een bescheiden rol als netwerkspeler
De overheid kan in processen van normontwikkeling slechts een beschei­
den rol spelen. Alleen als deze processen voorbij de grenzen van de wet
   58 De nieuwe regels van het spel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 59 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 60 ======================================================================

<pre>gaan, kan zij ingrijpen. Dilemma’s die hiermee gepaard gaan bespreken we
in de laatste paragraaf. Via stimulerings- en subsidiebeleid kan de overheid
wel processen van normontwikkeling faciliteren en de mediawijsheid van
burgers bevorderen.
   Ondanks haar bescheiden rol is de overheid zelf hoe dan ook onderdeel
van en deelnemer aan publieke debatten. Het achterliggende onderzoek
voor dit advies maakte duidelijk dat de overheid vooralsnog vooral haar
eigen discussies organiseert en weinig deelneemt aan allerlei online debat­
ten. Voor zover het de vrije publieke opinievorming niet in de weg staat,
kan zij veel meer dan nu het geval is de veenbranddiscussies op de kleine
internetfora volgen en peilen en daarop reageren. Dat heeft voor de over­
heid meerdere voordelen. Door zich een beeld te vormen van debatten
die buiten het politiekpublicitair complex plaatsvinden, zal zij minder
voor verrassingen komen te staan als een veenbrand plotseling oplaait.
Ambtenaren kunnen daarnaast de kennis op het internet gebruiken in hun
dagelijkse werkzaamheden. Ze kunnen het draagvlak voor beleid vergroten
door al vroeg in de beleidsvorming op diverse (online en offline) fora het
gesprek aan te gaan, eventuele dilemma’s en ethische bezwaren in beeld te
krijgen en zo mogelijk daarvoor in samenspraak met anderen oplossingen
aan te dragen. Het geeft inzicht in het besluitvormings- en uitvoerings­
proces en tegelijk kan de overheid gebruikmaken van de innovatieve en
creatieve kracht die in de samenleving aanwezig is.
   Deze rol van de overheid is niet vrijblijvend; transparantie en weder­
kerigheid zijn belangrijke uitgangspunten. Cruciaal is dat ambtenaren
duidelijk maken in welke hoedanigheid zij aan de discussie deelnemen (op
persoonlijke titel of als ambtenaar) en wat van hen verwacht kan worden.
Deelnemers moeten zich realiseren dat de politieke besluitvorming uitein­
delijk plaatsvindt in de arena van de volksvertegenwoordiging (Van Berlo
2010). Met het oog op de snelle ontwikkeling van de nieuwe media verdient
het aanbeveling om gedragscodes en richtlijnen voor ambtenaren op deze
punten regelmatig aan te passen en aan te scherpen. Wederkerigheid
vereist ook een meer open overheid die informatie en data toegankelijker
maakt voor burgers. De overheid heeft via het internet meer toegang tot
allerlei informatie, maar is zelf nog zeer terughoudend in het openbaar
maken van informatie en data. Meer openheid kan vertrouwen en legitimi­
teit verhogen, afhankelijk van ondermeer de manier waarop zij het gesprek
met burgers voert en de mate waarin informatie toegankelijk is voor
                                                   De aftrap voor discussie 59
</pre>

====================================================================== Einde pagina 60 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 61 ======================================================================

<pre>i­ edereen. Het kan aan de andere kant ook leiden tot een fixatie op schanda­
 len of een verlamming van besluitvorming (tno 2011). De vraag dient zich
 aan hoe de overheid in het internettijdperk invulling kan geven aan haar
 plicht om overheidsinformatie openbaar te maken.
 Norm- en gedragsontwikkeling is een continu proces
 Nu we als samenleving geconfronteerd worden met een nieuw en open
 proces van normontwikkeling in een dynamisch online landschap, is het
 goed te beseffen dat de spelregels uit de offline wereld ook gebaseerd zijn
 op gedeelde ervaringen, waarden en opvattingen over hoe we met elkaar
 in gesprek gaan over gezamenlijke belangen. Traditionele media hebben
 door de jaren heen gedragscodes ontwikkeld waarin professionaliteit en
 onafhankelijkheid centraal stonden, vanuit de gedachte dat onafhankelijke
 nieuwsvoorziening burgers de benodigde informatie aanreikt om menin­
 gen te vormen. Dergelijke normen zijn ontwikkeld ter bevordering van een
 vrije meningsvorming en met het oog op de kwaliteit van de nieuws- en
 informatievoorziening. Ook in de politiek kunnen nieuwe media een aan­
 vulling zijn op bestaande procedures en protocollen, maar zij kunnen de
 machtsverhoudingen die daarin besloten liggen ook uit balans brengen.
 Vooralsnog gebruiken politici sociale media vooral als instrument voor
 aandacht. Daar is niets mis mee, maar het zal het proces van buitenpar­
 lementaire verantwoording wel verder versterken. Het is verstandig de
 betekenis hiervan te doordenken. Wat zijn de grenzen voor en verant­
 woordelijkheden van twitterende politici? Kan en mag twitteren ook in de
 Kamer en in de gemeenteraadzaal? Elke samenleving dient zich af te vragen
 in hoeverre de vigerende regels, beroepscodes of protocollen nog steeds
 ­legitiem zijn dan wel nieuwe invulling vereisen.
  Dilemma’s en uitdagingen
  – Online uitingen kunnen soms onverwachte gevolgen hebben. Zo
  dreigden een 17-jarig meisje uit Amersfoort en een 16-jarige jongen uit
Sittard in 2011 via Twitter hun scholen op te blazen. Zij waren zich niet
bewust van de meekijkende ogen en hadden geen idee van de gevolgen van
hun tweets. Hoe moeten politie en justitie, maar ook ouders en scholen met
dit soort onschuldig bedoelde ‘grapjes’ omgaan?
– De journalistiek kent verschillende beroepscodes en instellingen die
toezien op de naleving daarvan, zoals de Raad voor de Journalistiek.
     60 De nieuwe regels van het spel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 61 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 62 ======================================================================

<pre> Zijn zulke gedragscodes ook wenselijk voor bloggers, moderators en
 dienstenaanbieders? Wie zou die dan moeten ontwikkelen en wie zou erop
 moeten toezien dat de regels worden nageleefd?
 – Twitterende politici zijn inmiddels een feit. Niet iedereen is daar blij mee,
 omdat het de bestaande besluitvormingprocessen kan verstoren. Zijn er
 gedragscodes nodig voor politici die via de nieuwe media in direct contact
 staan met hun publiek?
 – Ambtenaren hebben een dienende rol en hun acties vallen onder de
 ministeriële verantwoordelijkheid. In hoeverre belet hen dit om actief de
 discussie op het internet aan te gaan?
 – De overheid zet in op e-participatie en consultatie via het internet. Hoe
kan zij ervoor zorgen dat iedereen een gelijke kans krijgt om gehoord te
worden? Moet de overheid zelf participatieplatforms maken of deelnemen
aan die van anderen? Over welke eigenschappen moeten ambtenaren
beschikken als ze hiermee bezig gaan?
5.2 Begrenzingen
Nieuwe media bieden (groepen) individuen meer mogelijkheden om
hun stem te laten horen, maar die mogelijkheden zijn niet onbeperkt.
De begrenzende factoren zijn het resultaat van de wisselwerking tussen
­sociale mechanismen en infrastructurele beperkingen. Mensen doen,
 ook op het internet, aan in- en uitsluiting. Ze zijn geneigd om bekenden
 en gelijkgestemden op te zoeken en andere meningen buiten te sluiten.
 De algoritmes van zoekmachines en de netwerkstructuren van de meeste
 sociale media spelen op deze mechanismen in en versterken ze. De bedrijfs­
 matige keuzes van zoekmachines, sociale media en internetaanbieders in
 het aansturen van informatiestromen, evenals de manier waarop indivi­
 duen internet gebruiken, zorgen ervoor dat bepaalde inhoud niet altijd te
 vinden is (de spreekwoordelijke echokamer) en het voor sommigen lastig is
 om gehoor te vinden.
    Dat er begrenzingen zijn in het publieke debat, daaraan valt niet te
 ontkomen. Die zijn er altijd. Elk debat, ook het publieke, kent een zekere
 mate van ordening en regulering, ook met het oog op de pluriformiteit.
 De verantwoordelijkheid voor de pluriformiteit en de toegankelijkheid ligt
 volgens de rmo primair in de samenleving. De gedachte dat de nationale
                                                     De aftrap voor discussie 61
</pre>

====================================================================== Einde pagina 62 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 63 ======================================================================

<pre>overheid in het huidige mediabeleid over voldoende zelfstandige sturings­
mechanismen beschikt om richtinggevend en controlerend op te treden, is
niet houdbaar. Grenzen komen primair door zelfregulering tot stand, maar
er geldt wel een aantal voorwaarden. Ten eerste mag het er niet toe leiden
dat bepaalde minderheidsmeningen op voorhand worden uitgesloten van
deelname aan het publieke debat. Het is onwenselijk dat bepaalde grote
partijen of harde schreeuwers de publieke opinievorming gaan domineren.
Ten tweede is zelfregulering pas succesvol als het leidt tot platforms die de
grote verscheidenheid aan meningen bij elkaar brengen. In- en uitsluiting
op bepaalde platforms zijn op zichzelf geen probleem, zolang er voldoende
open en toegankelijke plekken zijn waar informatie en meningen kritisch
worden gewogen. Er moet ruimte zijn voor een verscheidenheid aan inter­
mediaire spelers, die vanuit hun maatschappelijke verantwoordelijkheid
de uiteenlopende meningen bij elkaar brengen.
Maatschappelijke organisaties voeden de verscheidenheid
Maatschappelijke organisaties met een publiek doel, zoals belangenvereni­
gingen, sociale bewegingen en lotgenotengroepen, zijn belangrijk in het
publieke debat. Vanuit een maatschappelijk belang kunnen zij platforms
bieden voor beraadslaging en alternatieve perspectieven. Juist in het licht
van het beperkt aantal toonaangevende spelers in de nieuwsvoorziening
kunnen maatschappelijke organisaties zorgen voor evenwicht en nor­
matieve kaders (Witschge et al. 2010). Zij zorgen voor diversiteit in het
publieke debat en weten mensen en achterbannen te mobiliseren om pro­
blemen te signaleren, die te bespreken en oplossingen te formuleren. Zij
kunnen gemarginaliseerde stemmen een gehoor geven. Maatschappelijke
organisaties kunnen zich profileren als poortwachters en netwerkspe­
lers. Ook publiek bekostigde instellingen, zoals de publieke omroepen,
bibliotheken en adviesorganen, kunnen zich herpositioneren door op het
internet platforms te bieden om diverse meningen bij elkaar te brengen en
internetgebruikers te helpen hun weg te vinden in de grote hoeveelheden
beschikbare digitale informatie.
Internet- en dienstenaanbieders moeten hun maatschappelijke
verantwoordelijkheid waarmaken
Nu publieke debatten voor een belangrijk deel verschuiven naar digi­
tale omgevingen, komt de maatschappelijke verantwoordelijkheid van
   62 De nieuwe regels van het spel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 63 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 64 ======================================================================

<pre>i­ nternet- en dienstenaanbieders prangend in beeld. De toegang tot het
 publieke online debat, evenals de controle daarop, is voornamelijk in han­
 den van deze private ondernemingen. Zij maken eigen afwegingen, die
 soms eerder rusten op commerciële belangen dan op maatschappelijke
 belangen. Hier is tegenwicht noodzakelijk. Dat vraagt van internet- en
 dienstenaanbieders dat zij een eigen professionele context ontwikkelen
 met normen en codes, waarin waarden als transparantie, verantwoording
 en aanspreekbaarheid een centrale plaats krijgen. Internetaanbieders
 kunnen opener zijn over hun werkwijze en de mate van toegankelijk­
 heid. Aanbieders van zoek­machines en sociale-netwerksites kunnen
 meer inzicht geven in de bedrijfsmatige keuzes achter de zoekalgoritmes
 en privacyinstellingen. Ook kunnen ze de interactieve en collaboratieve
 mogelijkheden van nieuwe media aanwenden voor het actief betrekken
 van hun gebruikers, bijvoorbeeld in de vorm van crowdsourcing en online
 participatie. Informatieaanbieders leveren op deze manier een bijdrage aan
 pluriforme en open publieke debatten, terwijl ze tegelijkertijd hun maat­
 schappelijke legitimiteit versterken (vgl. rmo 2010).
De overheid waakt over het speelveld
Waar zelfregulering tekortschiet, hebben overheden (nationaal, Europees,
internationaal) via stimulerings- en mededingingsbeleid een taak in
het bewaken van de pluriformiteit en in het tegengaan van al te sterke
machtsclusters binnen het medialandschap. Een te sterke centralisering
en homogenisering van de publieke informatievoorziening – bijvoorbeeld
doordat mediaconcerns een te groot beslag leggen op de aandacht van de
mediagebruikers – is onwenselijk. Hoewel fusies tussen mediaconcerns
niet noodzakelijkerwijs tot minder pluriformiteit leiden, kunnen ze bij­
dragen aan het ontstaan van echokamers die de zichtbare verscheidenheid
aan meningen voor een individu beperken. Om dit te voorkomen, is het
nodig dat de diversiteit in het aantal grote mediaconcerns niet onder een
bepaalde grens zakt. Dat was voor de komst van het internet zo en dat is het
nog steeds (rmo 2003). De overheid heeft hierin een duidelijke taak. Zij zal
echter wel opnieuw moeten vaststellen wat die ondergrens is en hoe zij die
kan bewaken. In Nederland is het huidige pers- en mediabeleid de uitkomst
van een lang proces, en het is specifiek gericht op de kenmerken van de
krant, de televisie en de radio. Deze massamedia bereiken nog altijd een
groot publiek, maar hebben inmiddels wel gezelschap gekregen van veel
                                                   De aftrap voor discussie 63
</pre>

====================================================================== Einde pagina 64 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 65 ======================================================================

<pre>andere relevante spelers, waaronder multinationale internet- en diensten­
aanbieders. De diverse media lopen bovendien door elkaar en een duidelijk
onderscheid is steeds moeilijker te maken. Daarbij komt dat nationale over­
heden minder mogelijkheden hebben om in te grijpen in het internationale
medialandschap. Dat vraagt om nieuwe instrumenten om de toegankelijk­
heid te bewaken en voorwaarden te scheppen voor een pluriform media­
landschap.
    Als netwerkspeler in het publieke debat heeft de overheid zelf ook een
verantwoordelijkheid ten aanzien van de diversiteit aan belangen en waar­
den. Zij kan de positie van burgers en maatschappelijke organisaties als
countervailing power versterken door overheidsinformatie beter toeganke­
lijk te maken. Het internet biedt hiervoor veel nieuwe mogelijkheden. Maar
niet iedereen wil of is in staat om van deze digitale mogelijkheden gebruik
te maken. Om geen groepen uit te sluiten en de pluriformiteit in debatten
te stimuleren zal de overheid in haar communicatie en informatievoorzie­
ning zowel online als offline op zoek moeten gaan naar de minder luide
stemmen.
Dilemma’s en uitdagingen
– Om dataverkeer in goede banen leiden, is tijd en geld nodig. Dat komt
vooralsnog op conto van internetproviders, die dat echter in de toekomst
mogelijk willen doorberekenen aan websites die van hun netwerk
gebruikmaken. In hoeverre is dit mogelijk en wenselijk? Levert dit de
klant een duurdere toegang tot internet op? Gaat dit ten koste van de kleine
websites die de investeringen niet kunnen doen?
– In Groot-Brittannië wordt stevig gelobbyd voor een tweebaans internet:
een snelle duurdere en een langzame goedkopere baan. Dat kan in het
nadeel werken van minder vermogende sites als internetgebruikers door
het langzamer downloaden van data afhaken. Is dat erg? Is het (nieuwe)
medialandschap al divers genoeg? Moeten kleine partijen wel of niet
beschermd worden?
– De publieke omroep wordt gefinancierd uit collectieve gelden. Hun
activiteiten op het internet zouden daarom gezien kunnen worden als
concurrentievervalsing. Moeten zij zich daarom beperken tot televisie en
radio? Of holt dit de maatschappelijke functie van de publieke omroepen
langzaam uit? Wat zegt dit over de mogelijkheden van een publiek
gefinancierd omroepbestel?
    64 De nieuwe regels van het spel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 65 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 66 ======================================================================

<pre>– Maatschappelijke organisaties en particuliere initiatieven brengen
diversiteit en creativiteit in het debat. Het ontbreekt hen echter vaak aan
tijd en financiële middelen. Moet de overheid deze initiatieven financieel
steunen zodat zij zich staande kunnen houden tussen de internetgiganten
en internationale gevestigde mediaconcerns? Of komen de echt goede
initiatieven vanzelf wel bovendrijven en is er alternatieve financiering
beschikbaar?
5.3 Rechtstatelijke waarden
Het internet zorgt voor andere discussies rond rechtstatelijke waarden
als de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de vrijheid van
meningsuiting en nieuwsgaring. Individuen nemen de rol van journalist
over, maar of iemand iets zegt in het kader van publieke informatiedeling
dan wel in de meer persoonlijke sfeer, is nauwelijks vast te stellen. In hoe­
verre geldt persvrijheid ook voor uitingen van bloggers, online activisti­
sche groeperingen of de internetgebruiker die een enkele keer verslag doet
van een gebeurtenis? Verder hebben internetgebruikers doorgaans weinig
zicht op wat er met hun persoonlijke gegevens of uitingen gebeurt, laat
staan dat zij daar invloed op hebben. Wie deelneemt aan publieke debat­
ten op het internet, staat bewust of onbewust veel persoonlijke informatie
af, over zijn leeftijd, woonplaats, vrienden, voorkeuren enzovoort. Echte
anonimiteit is op het internet nauwelijks haalbaar. Digitale sporen zijn
amper uit te wissen. Dienstenaanbieders houden de activiteiten van hun
gebruikers nauwgezet in de gaten en ook overheden beschikken over meer
instrumenten om burgers te monitoren. Tegelijkertijd zijn de dienstenaan­
bieders en overheden zelf nog zeer terughoudend in het openbaar maken
van informatie.
Rechtstatelijke waarden krijgen een nieuwe invulling
Wat de komst van nieuwe media precies betekent voor rechtstatelijke
waarden is nog onduidelijk. Nieuwe wetgeving is op nationaal en Europees
niveau in ontwikkeling, terwijl technologische ontwikkelingen elkaar in
snel tempo opvolgen. Hierbij krijgen begrippen als privacy, vrijheid van
meningsuiting en openbaarheid van informatie een nieuwe invulling en
wordt hun belang opnieuw afgewogen. Belangrijke uitgangspunten zijn
                                                    De aftrap voor discussie 65
</pre>

====================================================================== Einde pagina 66 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 67 ======================================================================

<pre>volgens de rmo dat de burgers zo veel mogelijk beschikking hebben over
hun eigen gegevens en dat de overheid zich niet inhoudelijk bemoeit met de
onafhankelijke informatie- en nieuwsvoorziening en alleen achteraf toetst
of uitingen binnen de grenzen van de wet vallen. Wel beschermt de over­
heid tegen censuur, bedreigingen, laster en discriminatie.
Handhavend optreden staat in een spanningsvolle relatie tot vrij publiek debat
Op het eerste gezicht lijkt het instrumentarium van de overheid, gebaseerd
op de huidige wetgeving, niet goed meer toepasbaar. De grensoverschrij­
dende aard van het internet maakt het complex om misstanden op het
medium aan te pakken. Maar over de mogelijkheden van de overheid moet
ook weer niet te geringschattend worden gedaan. Een site die stelselma­
tig haat zaaien toestaat, auteursrechten of de van privacy van personen
schendt kan wel degelijk worden aangepakt. Het is meer een kwestie van
capaciteit van opsporing en vervolging, dan dat er juridische belemme­
ringen zouden zijn ten aanzien van diegenen die strafbare feiten op het
internet plegen. De overheid dient strafbare feiten op het internet serieus
te adresseren, net zoals slachtoffers buiten het internet dienen te worden
beschermd. Bovendien draagt een context van veiligheid op het internet bij
aan participatie van burgers, omdat de toegang tot het publieke debat hier­
mee wordt vergroot. De overheid kan daarnaast een organisatie aanspreken
op de informatie die op de site staat en kan internetproviders dwingen om
sites met strafbare content te verwijderen. Bij daadwerkelijke overtredin­
gen op het internet liggen er dus wel degelijk mogelijkheden voor de over­
heid om handhavend op te treden. Op nationaal en internationaal niveau
ontwikkelen overheden wet- en regelgeving en beleid om deze mogelijkhe­
den verder uit te breiden.
   Desalniettemin zal het karakter van internet en de hoge omloopsnelheid
van de soms heftige debatten altijd spanningen opleveren tussen een hand­
havende overheid en de vrijheid van meningsuiting en de bescherming van
de persoonlijke levenssfeer. Daarom zijn tegenkrachten onontbeerlijk. Te
meer omdat de regulering van de digitale informatiestromen grotendeels
langs publiekprivate samenwerking loopt. Zonder duidelijke checks- and-
balances vergroot dat de kans op eventuele censuur door de overheid of een
ongecontroleerde inbreuk op de persoonlijke levenssfeer.
   66 De nieuwe regels van het spel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 67 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 68 ======================================================================

<pre>Dilemma’s en uitdagingen
– Veel online diensten kunnen alleen maar bestaan dankzij het opgeven
van persoons­gegevens. Internetgebruikers beseffen niet altijd dat
hun gegevens bij derden bekend zijn, laat staan dat zij de mogelijkheid
hebben de gegevens te beïnvloeden of te verwijderen. Is er behoefte aan
een wettelijke vastlegging van een ‘recht op vergeten’ of een ‘recht op
verwijderen’?
– Het verschil tussen ongewenste en verboden websites is in Nederland
niet helder. Sommige worden gefilterd of verboden. Maar wie bepaalt wat
ongewenst is? En waar ligt de grens met censuur?
– Antipiraterijstichting Brein is onlangs het doelwit geworden van een
Distributed Denial-of- Service-aanval (ddos). Is dit een voorbeeld van
eigenrichting, een vorm van digitaal kattenkwaad of een signaal dat de
verhoudingen in de samenleving aan het veranderen zijn?
Noot
1 Zie het eParticipatie Dashboard voor voorbeelden van digitale particu­
   liere initiatieven in Nederland: http://www.eparticipatiedashboard.
   burgerlink.nl/ of Bende Burgers op www.bendeburgers.nl.
                                                  De aftrap voor discussie 67
</pre>

====================================================================== Einde pagina 68 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 69 ======================================================================

<pre>Literatuur
A.T. Kearny (2010). A viable future model for the internet. Chicago: A.T. Kearny.
Aalberts, C. en M. Kreijveld (2011). Veel gekwetter, weinig wol. De inzet van
    sociale media door overheid, politiek en burgers. Den Haag: Sdu Uitgevers.
Adriaansen, M. en P. van Praag (2010). Jonge kiezer is net een oudere.
    In: de Volkskrant , 8 juni 2010.
Arnbak, A. (2010). De bewaarplicht als boegbeeld van onze bevrijding.
    Geraadpleegd op 10 maart 2011 via http://www.groene.nl/
    commentaar/2010-11-04/de-bewaarplicht-als-boegbeeld-van-onze-
    bevrijding
Bekkers, V.J.J.M., H.J.G. Beunders, A.R. Edwards en R.F.I. Moody (2009). De
    virtuele lont in het kruitvat. Welke rol spelen de oude en nieuwe media in de
    micromobilisatie vanburgers en hun strijd om politieke aandacht. Den Haag:
    Lemma.
Benkler, Y. (2006). The wealth of networks, How social production transforms
    markets and freedom. New Haven/Londen: Yale University Press.
Benschop, A. (2010). Webfora als leerscholen van democratie? Geraadpleegd op
    4 maart 2011 via www.adviesorgaan-rmo.nl/files/file.php5?id=257
Berlo, D. van (2010). Beleid 2.0, een vervolg op interactieve beleidsvorming?
    Blog, 3 augustus 2010, geplaatst op Ambtenaar 2.0. Samenwerken aan
    overheid 2.0. Geraadpleegd op 21 maart 2011 via http://ambtenaar20.
    ning.com/profiles/blogs/beleid-20-een-vervolg-op
Bimber, B. en R. Davis (2003). Campaigning online: the internet in us elections.
    New York: Oxford University Press.
Bovenkerk, F. et al. (2005). Bedreigingen in Nederland. Verkenning in opdracht
    van Politie en Wetenschap. Utrecht: Willem Pompe Instituut / Universiteit
    Utrecht.
Broer, T. en M. van Weezel (2010). De hatemail regeert. In: Vrij Nederland,
    25 september 2010.
Brouwer, L. (2006). Giving voice to Dutch Moroccan girls on the internet.
    In: Global Media Journal, vol. 5, nr. 9.
Burgt, C.G.C., K. Schönbach en R.J.W. van der Wurff (2008). Journalism
    ethics in perspective: Desirability and feasibility of a separate code of
    conduct for online journalism. Geraadpleegd op 18 januari 2011 via
   68 De nieuwe regels van het spel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 69 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 70 ======================================================================

<pre>   http://theendofjournalism.wdfiles.com/local--files/vandeburgtetal/
   Christel%20van%20de%20Burgt.pdf
cbs (2009). De digitale economie 2009. Den Haag: Centraal Bureau voor de
   Statistiek.
cbs (2010a). Landelijke Jeugdmonitor. Rapportage 2e kwartaal 2010. Den
   Haag/ Heerlen: Centraal Bureau voor de Statistiek.
cbs (2010b). Sociale samenhang: Participatie, vertrouwen en integratie. Den
   Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek.
cbs (2011). Nederlandse jongeren zeer actief op sociale netwerken. In: cbs
   Webmagazine, 10 januari 2011. Geraadpleegd op 30 maart 2011 via
   http://www.cbs.nl/nl-nl/menu/themas/vrije-tijd-cultuur/publicaties/
   artikelen/archief/2011/2011-3296-wm.htm
ciot, Centraal Informatiepunt Onderzoek Telecommunicatie (2008).
   Eindrapportage audit ciot. Den Haag: ciot / ministerie van Justitie.
Dahlgren, P. (2005). The internet, public spheres, and political
   communication: dispersion and deliberation. In: Political
   Communication, vol. 22, nr. 2, p. 47-162.
Davis, R. (2005). Politics online: blogs, chatrooms and discussion groups in
   American democracy. New York: Routledge.
Dekker, P. (2004). De civil society als terrein en taak. In: In de marge:
   periodiek over levensbeschouwing en wetenschap, jg.13, nr. 1, p. 15-21.
Deursen, A. van (2010). Internet skills, vital assets in a information society.
   Enschede: Universiteit Twente.
Deursen, A.J.A.M. van, en J.A.G.M. van Dijk (2010). Trendrapport computer-
   en internetgebruik Nederland 2010. Een Nederlands en Europees perspectief.
   Enschede: Universiteit Twente.
Devilee,J., J. Köhler en R. Poll (2009). Risicocommunicatie rivm.
   Informatievoorziening volgens belanghebbenden. Bilthoven: Rijksinstituut
   voor Volksgezondheid en Milieu.
Dixhoorn, A. van (2006). De stem des volks. Publieke opinie, opinieonderzoek en
   democratie. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.
Dommering, E. (2010a). Recht op persoonsgegevens als
   zelfbeschikkingsrecht. In: J.E.J. Prins (red.), 16 miljoen bn’ers? Bescherming
   van persoonsgegevens in het digitale tijdperk (p. 83-99). Leiden: Stichting
   njcm-Boekerij.
                                                                    Literatuur 69
</pre>

====================================================================== Einde pagina 70 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 71 ======================================================================

<pre>Dommering, E. (2010b). De rol van een ‘journalist’ in de democratie. Inleiding
    voor symposium van 17 maart 2010 door Stichting Media-Ombudsman
    Nederland. Den Haag: Stichting Media Ombudsman Nederland.
Drok, N. en F. Schwarz (2010). Jongeren, nieuws en betrokkenheid.
    Geraadpleegd op 3 april 2011 via http://www.krantindeklas.nl/site/
    bronnen/jongeren_nieuwsmedia_betrokkenheid/
Edwards, A. (2003). De gefaciliteerde democratie. Internet, de burger en zijn
    intermediairen. Utrecht: Lemma.
Eurostat (2011a). Level of Internet access – households. Geraadpleegd op
    16 maart 2011 via http://epp.eurostat.ec.europa.eu/
Eurostat (2011b). Individuals frequently using the Internet. Geraadpleegd op
    16 maart 2011 via http://epp.eurostat.ec.europa.eu/
Fenez, M., J. Middelweerd en M. van der Donk (2009). Moving into multiple
    business models. Outlook for newspaper publishing in the digital age.
    Geraadpleegd op 16 maart 2011 via http://www.pwc.com/gx/en/
    entertainment-media/publications/outlook-newspaper-publishing-in-
    digital.jhtml
Frissen, P.H.A. (2009). Gevaar verplicht. Over de noodzaak van aristocratische
    politiek. Amsterdam: Van Gennep.
Frissen, V. (2010). Health 2.0: It’s not just about medicine and technology, it’s
    about living your life. Den Haag: tno.
Frissen, V., M. van Staden, N. Huijboom, B. Kotterink, S. Huveneers,
    M. Kuipers en G. Bodea (2008). Naar een ‘User Generated State’? De impact
    van nieuwe media voor overheid en openbaar bestuur. Geraadpleegd op
    16 maart 2011 via http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-
    publicaties/rapporten/2008/03/25/naar-een-user-generated-state-de-
    impact-van-nieuwe-media-voor-overheid-en-openbaar-bestuur.html
Ginneken, van J. (1999). Breinbevingen. Snelle omslag in opinie en communicatie.
    Den Haag: Boom Juridische Uitgevers.
Google en Verizon (2010). A joint proposal for an open internet. Geraadpleegd
    op 17 maart 2011 via http://googlepublicpolicy.blogspot.com/2010/08/
    joint-policy-proposal-for-open-internet.html
Groot, I.N.J. de, L.F. Drost en J.C.J. Boutellier (2010). Bedreigers van politici:
    risico’s en interventiemogelijkheden. In: B. Schuring, E.M. Messchaert
    en M.H.G. van Leeuwen (red.), Individuele bedreigers van publieke personen
    in Nederland. Fenomeenanalyse en een beleidsverkenning. Den Haag: ntcb.
Gurak, L. en S. Antonijevic (2008). Digital Rhetoric and Public Discourse.
    In: The Sage Handbook of Rhetorical Studies (p. 497-508). London: Sage.
   70 De nieuwe regels van het spel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 71 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 72 ======================================================================

<pre>Haan, J. de, en F. Huysmans (2007). De digitalisering van media- en
    informatiegebruik. In: J. Steyaert en J. de Haan (red.), Jaarboek ict en
    Samenleving 2007: gewoon digitaal (p. 69-88). Amsterdam: Boom.
Huysmans, F. en J. de Haan (2010). Alle kanalen staan open. De digitalisering
    van de mediagebruik. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.
Habermas, J. (2006). Political communication in media society: Does
    democracy still enjoy an epistemic dimension? The impact of normative
    theory on empirical research. In: Communication Theory, vol. 16, nr. 4,
    p. 411-426.
Henze, B., F. Schuett en J. Sluijs (2010). Network neutrality and transparency.
    Theory, experimental research, policy conclusions. Tilburg: Tilburg Law and
    Economics Center.
Hirzalla, F. (2008). Generatie Y, burgerschap en internet: een verkenning
    van websites. Geraadpleegd op 16 maart 2011 via http://dare.uva.nl/
    document/143932
Hindman, M. (2009). The myth of digital democracy. Princeton: Princeton
    University Press.
Hins, W. (2008). Het ijzeren geheugen van het internet. In: Ars Aequi, jg. 57,
    juli/augustus, p. 558-564.
Hof, C. van ‘t, F. Daemen en R. van Est (red.) (2010). Check in / check uit. De
    digitalisering van de openbare ruimte. Rathenau Instituut. Rotterdam: Nai
    Uitgevers.
Jarvis, J. (2009). What would Google do? New York: Collins Business.
jic stir (2010). Surfende bevolking 13+ stijgt en is langer online. Establishment
    Survey. Geraadpleegd op 16 maart 2011 via http://www.stir.nl/nieuws/
    surfende-bevolking-13-stijgt-en-is-langer-online./
Kelly, J.W., D. Fisher en M. Smith (2006). Friends, Foes and Fringes: norms and
    structure in political discussion networks. Geraadpleegd op 16 maart 2011
    via http://portal.acm.org/citation.cfm?id=1146727
Kleinnijenhuis, J. (2003). Het publiek volgt media die de politiek volgen.
    In: Medialogica. Over het krachtenveld tussen burgers, media en politiek.
    rmo-advies (p. 151-211). Den Haag: Sdu Uitgevers.
Koster, W. de (2010). Nowhere I could talk like that. Togetherness and identity on
    online forums (proefschrift). Rotterdam: Erasmus Universiteit.
Kujawski, B., J. Holyst en G.J. Rodgers (2007). Growing trees in internet
    news groups and forums. In: Physical Review E, jg. 76, nr. 3.
                                                                     Literatuur 71
</pre>

====================================================================== Einde pagina 72 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 73 ======================================================================

<pre>Kushin, J.M. en K. Kitchener (2009). Getting political on social network
    sites: exploring online political discourse on facebook. In: First Monday,
    vol. 14, nr. 11.
Lilleker, D.G. en N.A. Jackson (2009). British political parties and web
    2.0: the current bandwagon or changing the mindset? In: Journal of
    Information, Technology and Politics, vol. 6, nr.3/4, p. 232-250.
McKinsey (2010). A glimmer of hope for newspapers. Geraadpleegd
    op 30 maart 2011 via http://www.mckinseyquarterly.com/
    Media_Entertainment/Publishing/A_glimmer_of_hope_for_
    newspapers_2560#footnote1
Meijer, A. (2010). Vreemde ogen dwingen. De betekenis van internet voor
    maatschappelijke controle in de publieke sector. Den Haag: Boom Juridische
    uitgevers.
Ministerie van Economische Zaken en ministerie van Onderwijs, Cultuur
    en Wetenschap (2010). Questionnaire for the public consultation on the open
    internet and net neutrality in Europe. 28-09-2010. Geraadpleegd op 16 maart
    2011 via http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/
    brieven/2010/09/28/questionnaire-for-the-public-consultation-on-the-
    open-internet-and-net-neutrality-in-europe.html
Nguyen, A. en M. Western (2006). The complementary relationship between
    the Internet and traditional mass media: the case of online news and
    information. In: Information research, vol. 11, nr. 3.
Nielsen, J. (2006). Participation Inequality: Encouraging More Users to
    Contribute. Geraadpleegd op 16 maart 2011 via http://www.useit.com/
    alertbox/participation_inequality.html
Noije, L.L.J. van, J. Kleinnijenhuis, J. en D. Oegema (2008). Loss of
    parliamentary control: Due to Mediatization and Europeanization.
    A Longitudinal and Cross-sectional Analysis of Agenda Building in
    the United Kingdom and the Netherlands. In: British Journal of Political
    Science, vol. 38, nr. 3, p. 455-478.
nos (2010). cda en vvd oneens over internet omroepen. Geraadpleegd op 30
    maart 2011 via http://nos.nl/artikel/195391-cda-en-vvd-oneens-over-
    internet-omroepen.html
O’Reilly, T. (2007). What is Web 2.0: Design Patterns and Business Models
    for the Next Generation of Software. In: Communications & Strategies,
    nr. 1, p. 17.
   72 De nieuwe regels van het spel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 73 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 74 ======================================================================

<pre>Paterson, C. (2007). International news on the Internet: Why more is less.
    In: Ethical space. The International Journal of Communication Ethics, vol. 4,
    nr. 1, p. 57-66. Geraadpleegd op 16 maart 2011 via http://
    www.communicationethics.net/journal/v4n1-2/v4n1-2_12.pdf
ppej, Pew Project for Excellence in Journalism (2010). New Media, Old Media.
    How Blogs and Social Media Agendas Relate and Differ from the Traditional
    Press. Geraadpleegd op 30 maart 2011 via http://www.journalism.org/
    analysis_report/new_media_old_media
Pew Research Center (2010). Ideological news sources. Who watches and why?
    Geraadpleegd op 30 maart 2011 via http://people-press.org/2010/09/12/
    americans-spending-more-time-following-the-news/.
Pijpers, R. en T. Marteijn (red.) (2010). Einstein bestaat niet. Over usability
    en surfgedrag van jongeren. Digivaardig & Digibewust, Mijn Kind
    Online en MetrixLab. Geraadpleegd op 16 maart 2011 via www.
    mijndigitalewereld.nl
Prenger, M., L. van der Valk, F. van Vree en L. van der Wal (2011).Gevaarlijk
    spel. De verhouding tussen pr & voorlichting en journalistiek. Amsterdam:
    UvA.
Raad voor Cultuur (2005). Mediawijsheid. De ontwikkeling van nieuw
    burgerschap. Den Haag: Raad voor Cultuur.
Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (2003). Medialogica. Over het
    krachtenveld tussen burgers, media en politiek. Den Haag: Sdu Uitgevers.
rmo (2010). Terug naar de basis. Over legitimiteit van maatschappelijke
    dienstverlening. Den Haag: Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling.
Ruigrok, N., K. Welbers en W. van Atteveldt (2010). Stemmen krijgen
    of stemming maken? Activiteiten van Tweede Kamerleden in de Kamer
    en de media in 2010. Amsterdam: Vrije Universiteit / Nederlandse
    Nieuwsmonitor.
Schermer, B. en T. Wagemans (2011). Freedom in the days of the internet.
    Regulating, legislating and liberating the internet while protecting rights and
    unlocking potentials. Brussel: Centre for European Studies.
Shirky, C. (2008). Here comes everybody. The power of organizing without
    oganizations. New York: Penguin Books.
Sloot, B. van der (2010). De verantwoordelijkheid voorbij. De isp als
    verlengstuk van de overheid. In: Mediaforum, jg. 22, nr. 5, p. 157-161.
Spaink, K. (2010). Maatschappelijk middenveld. Geraadpleegd op 22 juni 2010
    via http://www.spaink.net/2010/06/22/maatschappelijk-middenveld/.
Staatscommissie Grondwet (2010). Rapport Staatscommissie Grondwet. Den
                                                                    Literatuur 73
</pre>

====================================================================== Einde pagina 74 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 75 ======================================================================

<pre>    Haag: Staatscommissie Grondwet.
tk (2009/2010). Brief van de minister van ocw over het adviesrapport Tijdelijke
    Commissie Innovatie en Toekomst Pers van 30 september 2009. Tweede
    Kamer, vergaderjaar 2009/2010, 31777, nr. 18.
tno (2010). Rapport eParticipatie Awards 2010. Informatie shortlist.
    Geraadpleegd op 16 maart 2011 via http://www.eparticipatiemonitor.
    tno.nl/dynamics/modules/sfil0100/view.php?fil_Id=41
tno (2011). Open Overheid. Internationale beleidsanalyse en aanbevelingen voor
    Nederlands beleid. Rapport nr. 35440. Geraadpleegd op 7 april 2011 via
    http://www.tno.nl/content.cfm?context=thema&content=inno_public
    atie&laag1=897&laag2=918&laag3=1&item_id=784
Vasterman, P. (2010). De digitale schandpaal. De invloed van internet
    op het verloop van affaires en schandalen. In: Tijdschrift voor
    communicatiewetenschap, jg. 38, nr. 2, p. 118-138.
Vos, H. en A. van Geel (2009). The next web 2009. Amsterdam: Ruigrok |
    NetPanel.
Wasserman, E. (2010). Threats to ethical journalism in the New Media age.
    Geraadpleegd op 16 maart 2011 via http://www.media-ombudsman.nl/
    article/threats-to-ethical-journalism-in-the-new-media-age
Witschge, T. (2007). (In)difference online. The openness of public discussion on
    immigration (proefschrift). Utrecht: Universiteit van Amsterdam.
Witschge, T., N. Fenton en D. Freedman (2010). Protecting the news. Civil
    society and the news. Londen: Carnegie uk Trust.
Wollaars, J. (2010). Thieme actiefste en sociaalste Twitteraar. Geraadpleegd op
    16 maart 2011 via http://nos.nl/artikel/160822-thieme-actiefste-en-
    sociaalste-twitteraar.html
Wetenschappelijke Raad voor Regeringsbeleid (2011). iOverheid.
    Amsterdam: Amsterdam University Press.
Wuthnow, R. (1991). The voluntary sector. In: R. Wuthnow (red.), Between
    States and Markets. Princeton, New Jersey: Princeton University Press.
Xenos, M. en K. Foot (2008). Not your father’s internet: the generation gap in
    online politics. In: W.L. Bennett (red.), Civic life online: learning how digital
    media can engage youth (p. 51-70). London: mit Press.
   74 De nieuwe regels van het spel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 75 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 76 ======================================================================

<pre>Bijlage 1
Internet als perpetuum mobile
Een onderzoek naar de invloed
van internet op het publieke debat
(Bijlagen 1, 2 en 3 van dit rapport zijn te vinden op internet,
www.adviesorgaan-rmo.nl bij het project Internetlogica)
Jonneke Stans, Ton Baetens, Arnout Ponsioen, Tom Jütten
(Politiek Online)
in opdracht van de Raad voor
Maatschappelijke Ontwikkeling.
15 oktober 2010
</pre>

====================================================================== Einde pagina 76 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 77 ======================================================================

<pre>De nieuwe regels van het spel_1.indd 76 10-5-2011 13:28:52</pre>

====================================================================== Einde pagina 77 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 78 ======================================================================

<pre>Inhoud
1   Inleiding 79
2 Theoretisch kader 81
2.1 De versnippering van de samenleving 82
2.2 Toenemende complexiteit: ontgrenzing en verrafeling van de
    domeinen overheid, media en civil society 85
2.3 Agendasetters in het nieuwe publieke debat 88
2.4 Nieuw model 90
2.5 Van een nieuw model naar de analyse van (online) debat 91
2.6 Hypothesen 93
3   Onderzoeksopzet en verantwoording 95
4 Kwantitatieve analyse – tien thema’s 103
4.1 Resultaten kwantitatieve analyse per thema 103
4.2 Samenvattend 110
Noot 115
5 Kwalitatieve analyse – zes cases 116
5.1 Rekeningrijden 116
5.2 Studiefinanciering 120
5.3 Hypotheekrenteaftrek 125
5.4 Ontwikkelingssamenwerking 129
5.5 Duurzame veeteelt 133
5.6 Klimaat 137
5.7 Samenvattend 141
Noten 142
6   Conclusies 143
Literatuur 149
                                                            Bijlage 1 77
</pre>

====================================================================== Einde pagina 78 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 79 ======================================================================

<pre>De nieuwe regels van het spel_1.indd 78 10-5-2011 13:28:53</pre>

====================================================================== Einde pagina 79 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 80 ======================================================================

<pre>1
Inleiding
In een periode van ongeveer vijfentwintig jaar is onze ‘maakbare samen­
leving’ veranderd in een ‘ongekende’ samenleving: complex en onvoor­
spelbaar. Burgers bewegen zich niet langer binnen overzichtelijke,
duidelijk afgebakende gemeenschappen, maar organiseren zich in
toenemende mate in tijdelijke, snel wisselende en vaak virtuele verbanden,
door Duyvendak en Hurenkamp (2004) getypeerd als ‘communities lite’.
   In tijden waarin de samenleving verandert en intensieve interactie tus­
sen burgers, traditionele en online media eerder regel dan uitzondering is,
worden overheden in toenemende mate verrast door wat de samenleving
ergens van vindt en door de acties die naar aanleiding van deze opinies
ontstaan. Die toename van maatschappelijk assertiviteit lijkt synchroon te
lopen met de opkomst van online media.
   De Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (rmo) is gestart met een
adviestraject naar de betekenis van online media in het publieke domein.
De maatschappelijke dynamiek die de opkomst van online media met zich
meebrengt, sluit aan bij bovengenoemde ontwikkelingen. In het project
van de rmo ligt de nadruk enerzijds op de invloed van deze ontwikkelin­
gen op de relaties tussen burgers onderling en anderzijds op de invloed
ervan op de relatie tussen burgers en de overheid. Centrale vraag van de
Raad is welke rol online media spelen in de huidige maatschappelijke
ontwikkelingen voor zover die betrekking hebben op publieke menings­
vorming.
   De rmo heeft Politiek Online gevraagd een verkennend onderzoek
te doen naar de samenhang tussen traditionele media, online media en
publieke meningsvorming rondom actuele issues. Politiek Online heeft
in kaart gebracht hoe het proces van publieke meningsvorming zich
ontwikkelde in traditionele en online media rondom tien thema’s die aan
bod kwamen in de ambtelijke heroverwegingsoperatie van april 2010.
Daarnaast zijn er zes cases geselecteerd die we verder hebben uitgediept.
                                                               Bijlage 1 79
</pre>

====================================================================== Einde pagina 80 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 81 ======================================================================

<pre>In deze kwalitatieve casebeschrijvingen hebben we de rol van (groepen)
individuele actoren op het verloop van het publieke debat geanalyseerd en
beschreven welke mechanismen een rol spelen in dat proces.
   In het advies Medialogica van de rmo uit 2003 wordt gesteld dat politici
nog steeds de agenda bepalen, maar dat de media de bouwers zijn van het
publieke decor. Met de opkomst van internet is aan deze logica een nieuwe
dimensie toegevoegd. Ons onderzoek is een zoektocht naar deze nieuwe
logica.
   80 De nieuwe regels van het spel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 81 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 82 ======================================================================

<pre>2
Theoretisch kader
Een leven zonder internet is inmiddels ondenkbaar. Internet is in een
tijdbestek van twee decennia een essentieel onderdeel geworden van het
dagelijks leven van burgers, van de bedrijfsvoering van vrijwel alle onder­
nemers en ondernemingen, van het Nederlandse medialandschap en van
de Nederlandse samenleving als geheel. Daarmee is internet automatisch
ook van invloed op het publieke debat in Nederland.
   Om zicht te krijgen op de maatschappelijke implicaties van deze revo­
lutionaire of ‘disruptieve’ ontwikkeling, is het niet zozeer van belang
dat er wordt gekeken naar de technische aspecten en mogelijkheden van
internet, maar vooral naar de sociale dimensie. Hoe heeft de opkomst van
internet het leven van mensen in Nederland veranderd? Hoe heeft dat kun­
nen gebeuren? En wat heeft dat vandaag de dag voor consequenties voor de
maatschappelijke domeinen overheid, media en civil society?
   Op zoek naar antwoorden beschrijven we in dit hoofdstuk allereerst hoe
de samenleving is ‘versnipperd’ als gevolg van een aantal macro-ontwik­
kelingen. Vervolgens beschrijven we hoe die ontwikkelingen zorgen voor
‘ontgrenzing en verrafeling’ van drie belangrijke maatschappelijke domei­
nen: overheid, media en civil society. Ook gaan we in op de virtualisering
van de samenleving als gevolg van de groei van het internet en laten we
zien dat de opkomst van internet zorgt voor een toenemende complexiteit
bij en tussen overheid, media en civil society. Tot slot bespreken we enkele
mechanismen die een belangrijke rol spelen bij het ontstaan en de ontwik­
keling van publieke debat. Het theoretisch kader sluiten we af met een aan­
tal hypothesen.
                                                                 Bijlage 1 81
</pre>

====================================================================== Einde pagina 82 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 83 ======================================================================

<pre>2.1 De versnippering van de samenleving
Wetenschappers zijn het er vrijwel over eens dat onze huidige samenleving
met recht een ‘netwerksamenleving’ genoemd kan worden (Castells 1996).
De sociologen Wellman en Hampton (1999) spreken in dat verband over
een paradigmashift ‘ from living in ‘little boxes’ to living in networked societies’.
Deze netwerksamenleving heeft een aantal karakteristieken (Frissen 2002)
waarmee deze zich onderscheidt van andere sociale structuren en die van
belang zijn als we willen begrijpen wat de maatschappelijke effecten zijn
van de opkomst van internet. Deze karakteristieken zijn:
– deterritorialisering
– horizontalisering
– fragmentatie
– virtualisering
Deterritorialisering
De netwerksamenleving is vrijwel grenzeloos. Grensoverschrijdende ver­
bindingen leiden tot internationalisering van economie, cultuur en samen­
leving. Dat was enkele decennia geleden ook al het geval, maar de schaal
waarop grenzen vandaag de dag – letterlijk – worden overschreden, is onge­
kend. In feite is veel informatie zelfs volledig grenzeloos en is informatie-
uitwisseling nauwelijks meer gebonden aan plaats en tijd. Informatie
strekt zich daarbij uit van staat tot staat en is vaak niet tot een specifiek
terrein of domein te herleiden (Bovens 2003). Frissen (2002) spreekt in dit
verband ook over het ontkoppelen van handeling en effect. Bij die ontkop­
peling verliest de fysieke plek aan betekenis.
   Deterritorialisering stelt instituties die van oudsher gebonden zijn aan
een geografisch territorium voor nieuwe problemen. Een van die institu­
ties is de nationale staat. Zo moet de staat vandaag de dag rekening houden
met een publiek debat dat zich grotendeels over landsgrenzen uitstrekt. Die
geografische verbreding (mede mogelijk gemaakt door virtualisering) leidt
ertoe dat de herkomst van informatie, beelden, argumenten en deelnemers
aan het debat steeds diffuser wordt. Daardoor wordt oppositie tegen plan­
nen van de overheid minder voorspelbaar en minder overzichtelijk.
   82 De nieuwe regels van het spel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 83 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 84 ======================================================================

<pre>Horizontalisering
Horizontalisering heeft betrekking op de verschuiving van een op gezag
gebaseerde, hiërarchische samenleving naar meer op onderhandeling en
vertrouwen gerichte organisatievormen (Bovens 2003). De mogelijkheden
voor centrale sturing en controle door de overheid zijn in deze nieuwe
maatschappelijke ordening aanzienlijk afgenomen (Bovens 2000; Michels
en Meijer 2003; Terpstra 2003). Maatschappelijke machtsuitoefening is in
afnemende mate in ‘Den Haag’ geconcentreerd. Die ontwikkeling leidt tot
veranderingen in de verhouding tussen burger en overheid. Om deze ont­
wikkeling te omschrijven is het netwerk een geschiktere metafoor dan de
traditionele gezagspiramide. Binnen netwerken zijn overheden niet langer
de centrale actor en de ‘top’ van de piramide, maar eerder partner bij het
uitoefenen van publieke taken en bevoegdheden (Michels en Meijer 2003).
    Frissen (2002) wijst terecht op de samenhang tussen technische, sociale
en culture aspecten van horizontalisering. Internet heeft gezorgd voor
een horizontalisering in informatievoorziening – steeds meer informatie
is vrij toegankelijk voor steeds meer mensen – en maakt tegelijkertijd de
sociaal-culturele emancipatie van burgers zichtbaar. Die emancipatie komt
onder andere tot uitdrukking in het online publieke debat: in theorie kan
iedereen met een internetverbinding zich mengen in een discussie, punten
agenderen, nieuwe informatie inbrengen in het debat en feiten en menin­
gen ter discussie stellen. Natuurlijk vonden die publieke discussies ook al
plaats in het pre-internettijdperk, maar de schaal, de organisatievorm, de
potentiële reikwijdte en de laagdrempeligheid van de hedendaagse discus­
sies is onvergelijkbaar met de publieke discussies van enkele decennia
geleden.
Fragmentatie
Fragmentatie verwijst in dit verband naar de versnippering van bijvoor­
beeld leefstijlen, van normen- en waardepatronen en van mediagebruik.
Het proces van ontzuiling is daar in Nederland deels de oorzaak van. Door
de ontzuiling is de traditionele cohesie binnen en tussen zuilen verdwe­
nen en daar is een meervoudig en inconsistent patroon van publieke par­
ticipatie voor in de plaats gekomen. Burgers zijn tegelijkertijd leesouder,
donateur van het Wereld Natuur Fonds, lid van de anwb, vrijwilliger en
deelnemer aan interactieve beleidsprocessen, en ze reageren op weblogs en
ondertekenen online petities.
                                                                 Bijlage 1 83
</pre>

====================================================================== Einde pagina 84 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 85 ======================================================================

<pre> Internet speelt een nauwelijks te onderschatten rol in dit proces van toene­
 mende fragmentatie. Geen leefstijl zo ‘afwijkend’ of ergens op de wereld is
 wel een geestverwant te vinden. Hetzelfde geldt voor muzikale voorkeuren,
 ideologische overtuigingen en professionele interesses. In die zin is de ver­
 zuiling terug van weggeweest, al is de diversiteit en flexibiliteit van al deze
 zuilen en zuiltjes zo groot en onoverzichtelijk dat een grote mate van sturing
 en controle door een centrale actor onmogelijk lijkt.
 Virtualisering
 Internet is in toenemende mate onderdeel van het dagelijks leven van
 ­mensen. Het gaat daarbij niet alleen om de vervanging van fysieke organisa­
  tievormen of communicatiemethoden, maar ook om het ontstaan van geheel
  nieuwe organisatievormen en de opkomst van nieuwe kanalen en platforms
  waar mensen uitdrukking kunnen geven aan wensen, behoeftes, interesses
  en opinies. Virtualisering leidt tot nieuwe, online (gebaseerde) vormen van
  gemeenschapsvorming. Binnen deze virtuele gemeenschappen is identiteit
  een te manipuleren en te creëren fenomeen (Frissen 2002).
     Synchroon aan de toegenomen technische mogelijkheden en de versprei­
  ding van internet in het publieke en private domein veranderde ook het
  karakter van virtuele gemeenschappen (Van den Boomen 2007). De allereer­
  ste virtuele netwerken werden begin jaren negentig gevormd door hackers,
  kunstenaars en politiek activisten en hadden doorgaans een uitgesproken
  politiek-idealistisch karakter. Met de opkomst van het wereldwijde web werd
 internet een huis-tuin-en-keukenmedium. Er ontstonden publieke discus­
 sieruimtes die ervoor zorgden dat virtual communities al snel een veel groter
 publiek bereikten. Daarmee verschoven ook de motieven voor de creatie van
 virtuele gemeenschappen naar meer sociaaleconomische en commerciële
 terreinen. Persoonlijke relaties vervingen gedeelde interesses als belang­
 rijkste basis voor online groepsvorming. De opkomst van webnetwerken
 reflecteerde de opkomst van ‘communities lite’. Strong ties maakten plaats voor
 weak ties. De nieuwe mogelijkheden van het internet (Web 2.0) ­versterkten
 deze ontwikkeling. Mensen bleven zich sociaal groeperen, maar de ­relaties
 die werden aangegaan waren losser dan voorheen. Met de opkomst van
 Web 2.0-toepassingen is de sense of community, die de eerste fasen van
­v irtualisering kenmerkte, naar de achtergrond verdwenen ten gunste van de
 sense of my links. Invloed en gezag zijn daarin in toenemende mate gerelateerd
 aan de plek in en de grootte van iemands netwerk(en).
     84 De nieuwe regels van het spel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 85 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 86 ======================================================================

<pre>Tellen we de ontwikkelingen die we hiervoor beschreven bij elkaar op, dan
ontstaat een beeld van een complexe, onvoorspelbare samenleving waarin
in elk geval het overheidsdomein aan macht en invloed heeft ingeboet.
Deze veranderende verhoudingen zijn onmiskenbaar van invloed op het
proces van publieke meningsvorming, en internet doet daarbij dienst als
katalysator. De komst van internet stelt de geëmancipeerde burger in staat
om zich snel, efficiënt en vaak kortstondig te verenigen rondom specifieke
issues, hoe klein en triviaal deze op het eerste oog ook lijken. Traditionele
media komen enerzijds onder druk te staan doordat burgers daar niet
langer van afhankelijk zijn voor hun nieuwsvoorziening, maar maken
anderzijds ook dankbaar gebruik van internet als bron van informatie, als
verspreidingskanaal en als instrument om de ‘temperatuur’ van de samen­
leving rondom specifieke issues te meten. De overheid worstelt met de
vraag hoe zij zich moet verhouden tot deze veranderingen. Binnen het over­
heidsdomein wordt men immers in toenemende mate geconfronteerd met
dynamische, ongrijpbare coalities van burgers, bedrijven en maatschap­
pelijke organisaties die in bepaalde thema’s de richting van het publieke
debat bepalen en op die manier vaak de politieke en beleids­agenda weten te
beïnvloeden (of ondermijnen). En hoewel de samenstelling en inhoud van
deze coalities sterk varieert, speelt internet in vrijwel alle gevallen een rol.
2.2 Toenemende complexiteit: ontgrenzing en verrafeling van de
     domeinen overheid, media en civil society
Met de komst van de netwerksamenleving zijn de verhoudingen tussen
de maatschappelijke domeinen overheid, media en civil society blijvend
veranderd. Met overheid wordt in dit onderzoek zowel het politiek-bestuur­
lijke complex als de ambtenarij bedoeld. Onderwerp van onderzoek is het
publieke debat naar aanleiding van de ambtelijke heroverwegingen, die
zowel een ambtelijke als een politieke dimensie kennen. Het mediadomein
verwijst hier naar ‘traditionele’ nieuwsmedia zoals kranten, televisie en
radio. Tot slot wordt er in dit rapport gesproken over de civil society als
derde domein van belang. Hiermee worden burgers en organisaties bedoeld
die, individueel of als groep, betrokkenheid tonen bij de publieke zaak door,
bewust of onbewust, het publieke debat te beïnvloeden.
                                                                   Bijlage 1 85
</pre>

====================================================================== Einde pagina 86 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 87 ======================================================================

<pre> Om de veranderingen in de verhoudingen tussen overheid, media en civil
 society van de afgelopen jaren te illustreren, is het verhelderend het model
 dat centraal staat in het rapport Medialogica van de rmo (2003) nader te
 bekijken. In dat rapport was het publieke debat eveneens object van onder­
 zoek. De verhouding tussen civil society (in dat rapport aangeduid als
 ‘burger’), overheid en media werd in Medialogica voorgesteld als een drie­
 hoeksrelatie waarbinnen het publieke domein zich bevindt en het publieke
 debat zich afspeelt. De vorm en inhoud van het publieke debat werd volgens
 de rmo in grote mate beïnvloed door de logica van het medium dat op dat
 moment dominant was: televisie. De rol van internet werd destijds door de
 rmo nog grotendeels buitenbeschouwing gelaten: ‘Verder gaat het advies
 niet over allerlei nieuwe vormen van politiek die onder meer door burgers
 worden ondernomen en waarin internet en e-mail een prominente rol
­spelen.’
 Fig. 2.1
 Driehoeksrelatie tussen burger, overheid en media in Medialogica
                                   BURGER
                              PUBLIEKE DOMEIN
   OVERHEID                                                     MEDIA
 Bron: rmo, 2003
 Hoewel het driehoeksmodel nuttig is bij het denken over de verhoudin­
 gen tussen de drie domeinen, stuit de theoretische toepassing anno 2011
 op bezwaren. De genoemde domeinen zijn immers steeds lastiger af te
    86 De nieuwe regels van het spel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 87 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 88 ======================================================================

<pre>­ akenen: ze schuiven in elkaar, worden opgerekt of krimpen door een com­
b
plex samengaan van processen, zoals genoemd in paragraaf 2.1, die op hun
beurt weer worden versneld en geïntensiveerd door internet. In plaats van
drie scherp begrensde domeinen die aan elkaar gerelateerd zijn, is er van­
daag de dag eerder sprake van een ‘kluwen’: de domeinen overlappen elkaar
en raken in toenemende mate met elkaar vervlochten.
Figuur 2.2
Ontgrenzing en verrafeling van maatschappelijke domeinen
                                     civil society
                            overheid               media
Bron: Politiek Online
Drie ontwikkelingen illustreren deze ontgrenzing en verrafeling van
maatschappelijke domeinen:
1. Er is steeds minder sprake van duidelijk herkenbare actoren met vast­
staande rollen in het publieke debat. Er is daarentegen steeds meer sprake
van elkaar overlappende domeinen waarbinnen personen een specifieke
rol op zich nemen. Vergelijk de politicus als burger die zijn eigen medium
‘is’ op Twitter; de ambtenaar die op persoonlijke titel een weblog bijhoudt
over nieuws en actualiteiten die zijn werkgebied betreffen; de actievoerder
die video’s publiceert op YouTube en daarmee zijn eigen medium creëert.
2. Communicatie- en beïnvloedingsprocessen binnen en tussen domeinen
zijn niet (per definitie) lineair, bewust en doeltreffend, maar meestal non-
lineair, onbewust en niet gericht op directe beïnvloeding. Voorbeelden zijn
de reacties op online fora die pas in een later stadium worden gebruikt door
journalisten of politici om hun standpunt kracht bij te zetten.
3. De afgelopen jaren is duidelijker geworden dat hét publieke domein geen
duidelijk afgebakend en als zodanig herkenbaar gebied is, maar veeleer een
                                                                 Bijlage 1 87
</pre>

====================================================================== Einde pagina 88 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 89 ======================================================================

<pre>diffuse, gefragmenteerde ‘ruimte’ die zichtbaarder en uitgebreider is ge­
worden door internet.
   Deze ontwikkelingen laten ook zien dat het begrip ‘domein’ niet meer
toereikend is om (de veranderingen in) het proces van publieke menings­
vorming te beschrijven. Een domein heeft immers betrekking op een
begrensd gebied, terwijl die begrenzing nu juist problematisch is. De term
‘arena’ dekt de lading beter. Een arena moet in dit onderzoek worden gezien
als een strijdperk waarin actoren met specifieke belangen en standpunten
elkaar tegemoet treden met als doel de politieke of maatschappelijke agen­
da te beïnvloeden. Deze discussies vonden voorheen plaats in relatief afge­
bakende domeinen, tussen actoren die doorgaans tot één specifiek domein
behoorden. Door internet lijken de grenzen tussen domeinen en actoren
grotendeels verdwenen en raakt het publieke debat verder gefragmenteerd,
opgerekt en verspreid.
2.3 Agendasetters in het nieuwe publieke debat
De toegenomen complexiteit van de verhouding tussen overheid, media
en civil society is onmiskenbaar van invloed op het proces van publieke
meningsvorming. Maar welke mechanismen zorgen ervoor dat thema’s die
(online) worden bediscussieerd uiteindelijk ook (hoog) op de politieke of
maatschappelijke agenda komen? Dat traditionele media in dat proces een
belangrijke rol spelen, kan als een gegeven worden gezien. Maar de vraag
is welke rol online media spelen en hoe beide zich tot elkaar verhouden.
In figuur 2.3 is getracht de relaties tussen traditionele media en online
media schematisch weer te geven. De donkere circels verwijzen naar de
kleinere, vaak themaspecifieke online plekken, met een beperkter bereik
dan websites zoals geenstijl.nl, sargasso.nl en elsevier.nl.
   88 De nieuwe regels van het spel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 89 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 90 ======================================================================

<pre>Figuur 2.3
Directe en indirect relaties tussen traditionele en online media
                                                  RTL NIEUWS
                             Radio 1
OFFLINE     Volkskrant
                                                                    Elsevier
                                        Telegraaf
                         GeenStijl                              Elsevier.nl
                NuJij                                   FOK !
                                       Sargasso
ONLINE
Bron: Politiek Online
Bovenstaand model impliceert dat traditionele media en online media in
ruime mate met elkaar samenhangen. Uitgangspunt daarbij is dat online
omgevingen bij actuele thema’s een brugfunctie kunnen vervullen tussen
de internetarena en de traditionele media, maar ook naar de overheid en
de civil society. Deze online omgevingen zijn vaak de grotere nieuws- en
actualiteitensites en -blogs die veel aandacht hebben voor berichtgeving
in de traditionele media, maar tegelijkertijd op de hoogte zijn van actuele
gespreksonderwerpen in kleinere, meer specifieke online omgevingen.
Grotere online omgevingen zijn doorgaans invloedrijk in hun eigen net­
werk, maar weten ook verbindingen te leggen met andere (offline) net­
werken. De berichtgeving op deze plekken is steeds meer een bron van
informatie of inspiratie voor journalisten van traditionele media. De grote
online omgevingen bevinden zich op het grensgebied van traditionele en
online media en zijn in staat informatie van de ene naar de andere arena
te verplaatsen. Zij vervullen als het ware een rol als gatekeeper tussen de
                                                                Bijlage 1 89
</pre>

====================================================================== Einde pagina 90 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 91 ======================================================================

<pre>online en offline wereld en verbinden op die manier verschillende arena’s.
In tijden waarin de samenleving verandert en de interactie tussen traditi­
onele en online media eerder regel is dan uitzondering, kunnen deze gate-
keepers door middel van hun nieuwsselectie en de wijze waarop zij nieuws
(re)framen invloed uitoefenen op de thema’s die hoog op de politieke of
maatschappelijke agenda komen.
    De hype die ontstond rond de inenting tegen baarmoederhalskanker
is een sprekend voorbeeld van het mechanisme waardoor discussie bin­
nen kleine online omgevingen er uiteindelijk toe heeft geleid dat een
onderwerp hoog op de politieke en maatschappelijke agenda kwam. De
aanleiding voor deze hype waren weliswaar politieke beslissingen, maar de
reuring over deze beslissingen ontstond vooral op internet. De protesten
van (een klein aantal) bezorgde moeders die elkaar online vonden, werden
door de traditionele media overgenomen. Voordat traditionele media aan­
dacht aan het onderwerp besteedden, was een groot deel van het publieke
debat inmiddels al online gevoerd.
2.4 Nieuw model
Internet en de daarmee samenhangende virtualisering van de samenle­
ving compliceert de relatie tussen overheid, media en civil society. Internet
kan daarbij worden beschouwd als vierde arena waarin discussie en
meningsvorming plaatsvindt, maar tegelijkertijd ook als nieuwe dimensie
van de overige arena’s (‘de online dimensie van de politieke arena’). In beide
gevallen zorgt internet voor een sterke toename van complexiteit. Met
de opkomst van internet en de ontgrenzing en verrafeling van de ‘klas­
sieke’ domeinen is de schematische weergave van drie domeinen en drie
beïnvloedingsrelaties niet langer houdbaar. In plaats daarvan is een model
waarin de arena’s overheid, media en civil society elkaar deels overlappen
en waarin internet vervolgens de ‘klassieke’ arena’s verbindt, realistischer.
In dat model moeten de domeinen niet worden gezien als een verzameling
statische actoren – journalisten/ambtenaren/burgers – maar als dynami­
sche arena’s waarin en waartussen meningen worden gevormd, mensen
worden beïnvloed en standpunten worden bepaald. Internet fungeert in
dat nieuwe model als verbindende dimensie tussen arena’s én als een auto­
nome arena waar debat plaatsvindt.
    90 De nieuwe regels van het spel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 91 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 92 ======================================================================

<pre>Figuur 2.4
De drie klassieke arena’s en internet als vierde arena en verbindende
dimensie
                                   CIVIL SOCIETY
                                      internet
                           in                         et
                            te                     rn
                             rn                    te
                                et               in
                        OVERHEID                    MEDIA
Bron: Politiek Online
2.5 Van een nieuw model naar de analyse van (online) debat
In de paragrafen hiervoor zijn uiteenlopende theoretische concepten
besproken die betrekking hebben op veranderingen in de plaats en het
proces van publieke meningsvorming. Daarnaast is uiteengezet hoe online
gatekeepers in staat zijn verbindingen te leggen tussen offline en online
media en tussen de verschillende arena’s waar het maatschappelijk debat
wordt gevoerd. In dit onderzoek wordt getoetst in hoeverre deze theoreti­
sche concepten houdbaar zijn in de empirische werkelijkheid. In een zestal
verdiepende casestudies wordt in kaart gebracht hoe het publieke debat
over enkele actuele thema’s zich heeft ontwikkeld en wat de rol van klei­
nere online omgevingen en individuele actoren in dat proces is geweest.
In deze casestudies wordt nagegaan aan welke voorwaarden moet worden
voldaan en/of welke omstandigheden gunstig zijn om een bepaald onder­
werp dat online ‘leeft’, op de maatschappelijke of politieke agenda te krij­
gen. Bij het beschrijven van deze cases haken we aan bij de studie De virtuele
lont in het kruitvat (Bekkers et al. 2009). In deze studie wordt aangetoond
                                                                Bijlage 1 91
</pre>

====================================================================== Einde pagina 92 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 93 ======================================================================

<pre> dat internet het optreden van micromobilisatoren kan faciliteren, maar dat
 deze micromobilisatoren vaak ook aangewezen zijn op steun van meso- en
 macromobilisatoren als traditionele media, politici en belangenverenigin­
 gen om hun doelen te bereiken. Daarnaast zijn er drie andere actoren te
 onderscheiden die van belang zijn voor de mate van succes:
 1. de aard van de mobilisatie
 2. triggering events
 3. framing
 De aard van de mobilisatie
 Dankzij de technische mogelijkheden van internet is er een verschuiving
 waar te nemen van grootschalige mobilisatie door organisaties (macro-
 en mesomobilisatie) naar kleinschalige mobilisatie door individuen en
 kleine groepen individuen (micromobilisatie). Bekkers et al. (2009) maken
 daarbij onderscheid tussen ‘consensusmobilisatie’ en ‘actiemobilisatie’.
 Consensusmobilisatie is het proces waarbij een mobiliserende actor steun
 probeert te vinden voor zijn standpunten. Actiemobilisatie verwijst naar de
 inspanningen van een mobiliserende actor om de steun voor standpunten
 ook daadwerkelijk om te zetten in actie, bijvoorbeeld het protesteren tegen
 nieuw beleid, het niet laten inenten tegen baarmoederhalskanker of het
 verspreiden van boodschappen die het standpunt van de mobiliserende
 actor ondersteunen. Actiemobilisatie wordt altijd vergezeld door consen­
 susmobilisatie, maar consensusmobilisatie hoeft niet altijd een vervolg te
 krijgen in de vorm van actiemobilisatie.
 Triggering events
 Een mobilisatiepoging, de publicatie van een manifest of boek, of de start
 van een (virale) campagne door een individu, groep of organisatie kan uit­
 groeien tot een triggering event. Dat wil zeggen: een gebeurtenis die ervoor
 zorgt dat een specifiek thema, probleem of issue publieke aandacht krijgt,
 onderwerp wordt van breed debat en (grotere) groepen voor- en tegenstan­
 ders (online) in beweging brengt. Denk bijvoorbeeld aan de publicatie van
 het manifest van hoogleraren tegen de intensieve veehouderij, die ervoor
 heeft gezorgd dat het onderwerp (en het manifest) online breed werd
­bediscussieerd.
    92 De nieuwe regels van het spel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 93 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 94 ======================================================================

<pre>Framing
De partij die erin slaagt (bewust of onbewust) voor een triggering event te
zorgen, is nog niet per definitie verzekerd van brede steun. Een dergelijke
gebeurtenis kan immers ook tegenstanders mobiliseren. Veel hangt dan af
van de wijze waarop het probleem, het issue of het thema wordt geframed.
Frames verwijzen naar de taal, tekens en beelden waarmee een issue wordt
gedefinieerd. Frames bemiddelen en verbinden feiten, waarden, acties en
interpretaties, waardoor een bepaalde (vaak losse) ordening ontstaat en een
ambigue werkelijkheid beheersbaar en interpreteerbaar wordt gemaakt. In
het geval van rekeningrijden bijvoorbeeld is het de tegenstanders van de
plannen gelukt een frame te creëren waarin de aantasting van privacy en
de onduidelijkheid over de kosten een prominente plek kregen. Dit terwijl
het terugdringen van files en het principe ‘betalen voor gebruik en niet
voor bezit’ – frames die voorstanders van rekeningrijden zouden moeten
aanspreken – amper werden genoemd.
     Framing heeft niet alleen betrekking op de productie en reproductie van
bepaalde referentiekaders. Framing betreft ook de wijze waarop frames
aan elkaar worden aangepast, omdat verschillende actoren – vaak met hun
eigen belangen en agenda – hun referentiekaders aan elkaar koppelen, het
zogenaamde frame alignment. Het oppikken en koppelen van frames zorgt
ervoor dat de aandacht voor een issue steeds groter wordt. Voorbeeld: bij
rekeningrijden werden het privacyframe, het kostenframe en het nut- en
noodzaakframe door tegenstanders met succes aan elkaar gekoppeld:
‘De kosten van rekeningrijden wegen niet op tegen de baten, waardoor de
inbreuk op de privacy die rekeningrijden met zich meebrengt niet legitiem
is.’ Internet leent zich uitstekend voor het koppelen van frames, omdat snel
en effectief kan worden verwezen naar teksten, beelden en ideeën die het
eigen ‘gelijk’ benadrukken, waardoor afwijkende geluiden en meningen
moeilijker aan de oppervlakte komen. Dat speelt overigens vooral op die
online plekken waar redelijk homogene gebruikersgroepen actief zijn.
2.6 Hypothesen
Bovenstaand theoretisch kader leidt tot vijf hypothesen die in dit onder­
zoek worden getoetst.
                                                                Bijlage 1 93
</pre>

====================================================================== Einde pagina 94 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 95 ======================================================================

<pre>Netwerksamenleving
1. Actoren die zich online rondom actuele thema’s verenigen (communities
lite) hebben steeds meer invloed op het proces van publieke meningsvor­
ming doordat zij internet steeds effectiever weten in te zetten.
Veranderende verhoudingen tussen overheid, media en civil society
2. Het publieke debat is door internet opgerekt, gefragmenteerd en zicht­
baarder geworden.
Relatie tussen online media en traditionele media
3. De berichtgeving in online media volgt de berichtgeving in traditionele
media.
4. Grote nieuwssites en -weblogs fungeren als verbinding tussen de inter­
netarena en de overige arena’s (media, overheid en civil society).
Internetlogica
5. Met de komst van internet is er een nieuw soort medialogica ontstaan,
die vooralsnog verstopt zit onder het complexe samenstel en -spel van over­
heid, civil society en media, maar wel manifest kan worden gemaakt.
    94 De nieuwe regels van het spel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 95 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 96 ======================================================================

<pre>3
Onderzoeksopzet en verantwoording
De veranderingen in de samenleving en de rol die internet speelt, zijn
het overkoepelende thema van dit onderzoek. Doel van het onderzoek is
inzicht te geven in de omvang van de publieke discussies op internet, de
samenhang met traditionele media en de mechanismen die in dergelijke
discussies een rol spelen. De centrale vraag daarbij is hoe internet het pro­
ces van publieke meningsvorming beïnvloedt.
   Dit empirisch onderzoek bestaat uit twee delen. Het eerste deel is een
kwantitatieve analyse met als doel de samenhang te onderzoeken tus­
sen de berichtgeving in traditionele en die in online media. De mate van
samenhang wordt bepaald op basis van het tijdstip waarop online en tra­
ditionele media berichten over een bepaald thema en de frequentie waarin
dat gebeurt. Naarmate tijdstip en frequentie van berichtgeving over een
bepaald thema meer overeenkomen, is de samenhang tussen online en
traditionele media groter.
   De resultaten van de kwantitatieve analyse worden gebruikt om hypo­
thesen 2 en 3 te toetsen: ‘Het publieke debat is door internet opgerekt,
gefragmenteerd en zichtbaarder geworden’ en: ‘De berichtgeving in online
media volgt de berichtgeving in traditionele media.’
   Omdat er op basis van het kwantitatieve deel van het onderzoek alleen
uitspraken kunnen worden gedaan over meetbare en manifeste aspecten,
zoals de omvang van de publieke discussies en de volgorde waarin bericht­
geving plaatsvindt, volgt er in het tweede deel een kwalitatieve verdieping.
In deze verdiepende analyse van zes cases komt de rol van online omgevin­
gen en de samenhang met de offline wereld nadrukkelijker aan bod. Het
tweede deel geeft inzicht in de rol die kleine online omgevingen spelen
bij het ontstaan en het verloop van het publieke debat over een specifiek
thema en moet helpen bij het toetsen van hypothesen 1 en 4: ‘Actoren die
zich online rondom actuele thema’s verenigen, hebben steeds meer invloed
op het proces van publieke meningsvorming doordat zij internet steeds
                                                                 Bijlage 1 95
</pre>

====================================================================== Einde pagina 96 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 97 ======================================================================

<pre>e­ ffectiever weten in te zetten’ en: ‘Grote nieuwssites en -weblogs fungeren als
 verbinding tussen de internetarena en de overige arena’s (media, overheid en
 civil society).’
 Onderzoeksstrategie
 Een gangbare wetenschappelijke indeling verdeelt ‘het kijken naar de werke­
 lijkheid’ in drie stromen. Allereerst een objectivistische stroming, waarbij
 de werkelijkheid objectief kenbaar wordt verondersteld en er een logische
 en afstandelijke verhouding tussen onderzoeker en onderzochte wordt
 geschetst. Daarnaast bestaat er een subjectivistische benadering, waarin de
 werkelijkheid alleen ‘subjectief ’ te kennen is en er een ambigue relatie tus­
 sen onderzochte en onderzoeker optreedt: de ene actor beïnvloedt de andere
 en omgekeerd. Wel schetst het subjectivisme nog een min of meer samen­
 hangende visie op ‘de werkelijkheid’. Ten derde is er een postmodernistische
 benadering: de werkelijkheid is – nog slechts – fragmentarisch te beschrij­
 ven, terwijl de relatie tussen onderzoeker en onderzochte er (bijna) niet meer
 toe doet.
     In dit onderzoek wordt een interpretatieve en subjectivistische onder­
 zoeksopvatting gehanteerd. Het onderzoek is verricht volgens de regels van
 interpretatief onderzoek. Dat levert subjectivistische ‘waarheidsvinding’ op.
     In lijn met de interpretatieve traditie is het kwalitatieve deel van het
 onderzoek vooral gebaseerd op veldwerk. Het veldwerk is uitgevoerd op
 uiteenlopende plaatsen op internet. Op weblogs en fora, op sites en twitter­
 accounts, op Hyves en LinkedIn is getracht ‘hun beeld van de werkelijkheid’
 te achterhalen, te interpreteren en (zo goed mogelijk) te verklaren.
 Betrouwbaarheid en validiteit
 De navolgbaarheid van dit onderzoek is geborgd doordat de onderzoeksop­
 zet, de onderzochte websites, de gekozen literatuur, de verantwoording van
 gemaakte keuzes en een goede annotatie zijn vastgelegd. Bovendien wordt
 waar mogelijk gebruikgemaakt van datatriangulatie om de interne validiteit
 van dit onderzoek te verhogen. Er is gebruikgemaakt van verschillende typen
 bronnen, zoals journalistiek materiaal, afgegeven internetinterviews met
 deskundigen, observaties van de ontwikkeling van forum­discussies, analy­
 ses van (beschikbare) achtergronddocumenten, literatuur, enzovoort. Wel
 moet worden gemeld dat iedere onderzochte casus dusdanig specialistisch is
 dat deze nauwelijks te generaliseren valt.
     96 De nieuwe regels van het spel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 97 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 98 ======================================================================

<pre> Afbakening
 In dit onderzoek ligt de nadruk op de rol van en samenhang tussen tra­
 ditionele en online media bij het proces van publieke meningsvorming.
 Schematisch weergegeven gaat het dan om het gebied dat de media- en
 internetarena grotendeels omvat, maar ook raakt aan de civil society en aan
 de overheid. Daarbij moet wel worden aangetekend dat we in dit rapport
 weliswaar spreken over ‘traditionele media’ als we kranten en tijdschriften
 bedoelen, maar dat we ons bij de dataverzameling hebben beperkt tot de
 berichten uit kranten die online beschikbaar waren. De websites van lokale
 en regionale kranten fungeerden als databronnen en niet de gedrukte
­edities.
    Dit onderzoek omvat dus niet het hele spel van publieke beïnvloeding.
 De diversiteit binnen de domeinen overheid en civil society laten we in dit
 onderzoek grotendeels buiten beschouwing.
    Bij de onderzochte thema’s en cases bevindt de aanleiding voor de start
 van het proces van publieke meningsvorming zich binnen het domein van
 de overheid. Voor alle thema’s en cases geldt dat (geplande) beleidswijzigin­
 gen, of juist het uitblijven daarvan, het debat op gang heeft gebracht. Cases
 waar gebeurtenissen in het mediadomein of in de civil society de aan­
 leiding voor debat vormden, komen in dit onderzoek niet aan bod.
Fig. 3.1
Onderzoeksdomein van dit onderzoek
                                   CIVIL SOCIETY
                                      internet
                                                        EI N
                                                   DO
                                                     M
                                                 EK S
                           in                ZO         et
                            tern           ER      te
                                et                   rn
                                        ON       in
                                           D
                        OVERHEID                    MEDIA
                                                    MEDI
                                                     ED
                                                      DI
Bron: Politiek Online
                                                                Bijlage 1 97
</pre>

====================================================================== Einde pagina 98 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 99 ======================================================================

<pre>De onderzoeksperiode is de periode van 11 februari 2010 tot en met 9 juni
2010, de periode tussen de val van het kabinet en de vervroegde verkie­
zingen voor de Tweede Kamer. In deze periode zijn onderwerpen gevolgd
die op politieke en maatschappelijke controverse konden rekenen. Hierbij
is gekeken naar de onderwerpen die in de ambtelijke heroverwegingen
zijn benoemd en is vervolgens in kaart gebracht over welke onderwerpen
de standpunten van de politieke partijen het meest uiteen liepen en welke
onderwerpen op de aandacht van de media konden rekenen. Deze selectie­
criteria zijn gebruikt om er zeker van te zijn dat er over de onderwerpen
van onderzoek daadwerkelijk debat zou worden gevoerd, waarvan te ver­
wachten viel dat een deel hiervan zich ook op internet zou afspelen.
Methodische verantwoording kwantitatieve analyse
In het kwantitatieve deel van de analyse zijn data verzameld over tien
thema’s die aan de orde kwamen bij de ambtelijke heroverwegingen in april
2010 en die op politieke controverse konden rekenen. Er is gekeken naar het
aantal artikelen dat is verschenen in de landelijke dagbladen en grote regio­
nale dagbladen (traditionele media) en naar het aantal artikelen (postings)
op twintig belangrijke Nederlandse weblogs, fora en community sites
(online media) die vaak fungeren als gatekeepers tussen online en offline
media (zie bijlage 3voor een overzicht). Daarnaast is geïnventariseerd hoe
vaak er is gereageerd op de artikelen die online werden gepubliceerd.
Keuze voor tien thema’s
In het kwantitatieve deel van het onderzoek staan de volgende tien thema’s
centraal:
1. aow
2. asielbeleid
3. belastingen
4. bezuinigingen
5. hypotheekrenteaftrek
6. minister-president
7. ontwikkelingssamenwerking
8. rekeningrijden
9. studiefinanciering
10. financiering van het zorgstelsel
    98 De nieuwe regels van het spel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 99 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 100 ======================================================================

<pre> De keuze van de thema’s is gebaseerd op de verschillen tussen de politieke
 partijen. Het uitgangspunt was dat voor de beleidsterreinen waarover poli­
 tieke partijen het meest van mening verschilden, de aandacht in de media
 en bij het publiek het grootst was. Een overzicht van de standpunten van de
 politieke partijen over bovenstaande thema’s staat in bijlage 2
 Onderzoeksperiode
 De periode waarover we de berichtgeving in kaart hebben gebracht, loopt
 van 11 februari 2010 tot en met 9 juni 2010. Op 11 februari spraken de
 ministers Bos (PvdA) en Verhagen (cda) elkaar in het openbaar tegen over
het Uruzgan-dossier, waarmee de kans op nieuwe verkiezingen – en dus
verkiezingscampagnes – zeer reëel werd. Op 9 juni vonden de verkiezingen
plaats en waren de verkiezingscampagnes ten einde.
Onderzoeksmethodiek
Voor het kwantitatieve deel van dit onderzoek hebben we geïnventariseerd
hoe vaak bepaalde thema’s in de media werden besproken. Voor de tradi­
tionele media hebben we gebruikgemaakt van Meltwater News op inter­
net. Via Meltwater News kan een database worden doorzocht met daarin
alle nieuwsberichten, columns en krantenberichten die in landelijke en
­regionale media zijn verschenen, op basis van zoektermen die de gebrui­
 ker invoert. Alleen artikelen die zijn verschenen in landelijke en regionale
 dagbladen en artikelen op de websites van nationale nieuwszenders (radio
 en televisie) zijn meegenomen in het onderzoek.
    Voor de berichtgeving op internet zijn we nagegaan hoeveel artikelen
 over de tien thema’s zijn verschenen op de twintig belangrijkste weblogs,
 online communities en fora op het gebied van nieuws, actualiteit, opinie en
 politiek (zie bijlage 3 voor een overzicht en verantwoording van de selectie).
 Het bereik in termen van bezoekersaantallen op deze online plekken is rela­
 tief groot. Tevens vervullen de geselecteerde online omgevingen doorgaans
 de functie van gatekeeper op het gebied van nieuws en actualiteiten. Dat wil
 zeggen dat ze zowel oog hebben voor berichtgeving in traditionele media als
 voor discussies die spelen in kleinere, vaak themaspecifieke online omge­
 vingen en dat ze snel informatie van A naar B kunnen verplaatsen.
    Tegelijkertijd hebben we ook het aantal reacties op deze artikelen in
 kaart gebracht. Het aantal reacties zien we als een indicatie voor het belang
 dat internetgebruikers hechten aan een specifiek thema.
                                                                 Bijlage 1 99
</pre>

====================================================================== Einde pagina 100 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 101 ======================================================================

<pre>Selectie
Voor het zoeken naar relevante artikelen hebben we per thema gebruik
gemaakt van één of enkele onderscheidende zoektermen, zowel in de
Meltwater-database als in de zoekmachines van de verschillende weblogs,
communities en fora.
Tabel 3.1
Gebruikte trefwoorden per thema
onderwerpen                     gebruikte zoektermen
aow                             aow
asielbeleid                     asielzoeker / asielbeleid / vluchteling
bezuinigingen                   heroverwegingen / ambtelijke werkgroep
belastingen                     toptarief / inkomens
financiering zorgstelsel        zorgstelsel / financiering zorg
hypotheekrenteaftrek            hypotheekrenteaftrek / hra / breekpunt
minister-president              premier+Rutte+Cohen+Wilders / premierschap
ontwikkelingssamenwerking       ontwikkelingssamenwerking
rekeningrijden                  kilometerheffing / rekeningrijden
studiefinanciering              studiefinanciering / basisbeurs
Vervolgens hebben we per zoekresultaat bekeken of de thema’s daadwerke­
lijk het centrale onderwerp van de berichtgeving vormden of dat ze slechts
zijdelings of ter illustratie werden genoemd. In het laatste geval zijn de arti­
kelen niet meegenomen in de analyse. Alleen artikelen die uitsluitend over
één van de tien thema’s gingen, zijn meegenomen. Van alle geselecteerde
artikelen is vervolgens genoteerd hoeveel reacties van lezers het artikel
heeft opgeleverd.
Methodische verantwoording kwalitatieve analyse
De resultaten van de kwantitatieve analyse bieden inzicht in het belang dat
traditionele media, online media en internetgebruikers toekennen aan tien
thema’s die aan bod kwamen tijdens de ambtelijke heroverwegingen en in
de vraag in hoeverre de aandacht van traditionele media, online media en
internetgebruikers samenhang vertonen. Het uitgangspunt in dit onder­
    100 De nieuwe regels van het spel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 101 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 102 ======================================================================

<pre>zoek is echter dat ook kleinere, meer specifieke online omgevingen en net­
werken een rol spelen bij het beïnvloeden van het publieke debat over een
specifiek thema. Aan de hand van een kwalitatieve, verdiepende analyse
van zes actuele thema’s zijn we op zoek gegaan naar de mechanismen die in
dat proces een rol spelen.
Caseselectie
Voor de kwalitatieve analyse hebben we een selectie gemaakt uit de thema’s
die ook centraal staan in het kwantitatieve deel van het onderzoek, aange­
vuld met twee cases die geen onderwerp waren van de ambtelijke herover­
wegingen, maar waarin internet wel een opvallende rol heeft gespeeld.
Daarbij is gekeken naar de aard van de mobilisatiepogingen. Er is gekozen
voor zowel cases waarbij de nadruk overwegend lag op actiemobilisatie
(duurzame veeteelt, rekeningrijden) als voor cases waarbij vooral werd
geprobeerd tot consensus te komen (ontwikkelingssamenwerking) of
deze juist tegen te gaan (klimaat). De case over hypotheekrenteaftrek is
toegevoegd, omdat (pogingen tot) actiemobilisatie niet manifest aanwezig
waren, terwijl het thema wel een grote rol speelde in de periode die dit
onderzoek beslaat.
1. Rekeningrijden
Rekeningrijden was vooral voorafgaand aan de verkiezingscampagne een
veelbesproken onderwerp en een thema waarbij overheid, media, civil
­soci­ety en internet allemaal een uitgesproken rol speelden.
 2. Studiefinanciering
 Studiefinanciering is een van de thema’s waarin amper samenhang naar
 voren is gekomen in de kwantitatieve analyse. Opmerkelijk, aangezien
 scholieren in november 2007 nog met succes hebben geprotesteerd tegen de
 1040-urennorm en internet daarbij actief werd gebruikt om medestanders
te mobiliseren.
3. Hypotheekrenteaftrek
De hypotheekrenteaftrek was een van de belangrijkste onderwerpen in
de verkiezingscampagne, maar de rol van internet was marginaal. Online
debat was er nauwelijks en geen van de betrokken actoren heeft actief inge­
zet op het benutten van internet om het politieke debat te beïnvloeden.
4. Ontwikkelingssamenwerking
Ontwikkelingssamenwerking is de tegenpool van de hypotheekrente­
aftrek. Over dit onderwerp werd gedurende de verkiezingscampagne
                                                              Bijlage 1 101
</pre>

====================================================================== Einde pagina 102 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 103 ======================================================================

<pre>wel online gediscussieerd, maar het onderwerp werd niet opgepikt in de
­t raditionele media of binnen het politieke of overheidsdomein.
 5. Duurzame veeteelt
 Het debat over duurzame veeteelt kreeg onlangs een impuls door een
 manifest van hoogleraren waarin de politiek werd opgeroepen maatregelen
 te nemen voor duurzame veeteelt, tegen de bio-industrie. Dat debat werd
 grotendeels online gevoerd.
 6. Klimaat
 De klimaatdiscussie kreeg een impuls toen klimaatsceptici met enig succes
 de heersende consensus op dat terrein aanvielen. Daarbij werd intensief
 gebruikgemaakt van de mogelijkheden van internet.
 Per case beschrijven we kort de historie en de context en bespreken we de
 belangrijkste actoren in het publieke debat. Daarbij kijken we verder dan
 de traditionele en online media die als bron zijn gebruikt voor de kwanti­
 tatieve analyses. Online plekken die een rol speelden in het publieke debat
 zijn geïdentificeerd door de trefwoorden per thema in te voeren in Google.
 Hierbij zijn dezelfde trefwoorden gebruikt als in de kwantitatieve analyse.
 Tot slot duiden we het verloop van de cases aan de hand van de theoretische
 concepten die zijn geïntroduceerd in hoofdstuk 2.
     102 De nieuwe regels van het spel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 103 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 104 ======================================================================

<pre> 4
 Kwantitatieve analyse
 In dit hoofdstuk geven we de resultaten van het onderzoek naar het aantal
 artikelen dat verscheen over de tien geselecteerde thema’s in de traditionele
 en online media in de periode van 11 februari tot en met 9 juni 2010. Het
 aantal artikelen in traditionele media staat in dit hoofdstuk voor het aantal
 artikelen dat terug te vinden is op de websites van landelijke en regionale
 kranten, televisieprogramma’s en radioprogramma’s. Er is dus niet gekeken
 naar de gedrukte krant of naar televisie-uitzendingen of geluisterd naar
 radio-uitzendingen.
     Om een indicatie te kunnen geven van de mate waarin een bepaald
­t hema leeft onder internetgebruikers, is ook gekeken naar het aantal
 reacties op de online artikelen. Uit de kwantitatieve analyse moet blij­
 ken in hoeverre de berichtgeving in traditionele media en online media
 samenhangt en of de intensiteit van de berichtgeving samenhangt met het
 aantal reacties op de artikelen. Met andere woorden: er wordt nagegaan of
 de agenda’s van traditionele media en van online media bezoekers van de
 grote nieuwssites met elkaar in de pas lopen of grote verschillen vertonen.
     De tien onderzochte thema’s worden hierna kort besproken. In de laatste
 paragraaf van dit hoofdstuk volgt een duiding van de resultaten op hoofd­
 lijnen. De resultaten van de analyse per thema zijn ook uitgezet in grafie­
 ken. Deze grafieken zijn te vinden in bijlage 1 van dit rapport.
 4.1 Resultaten kwantitatieve analyse per thema
 Thema 1: aow
 De aow was een van de meestbesproken onderwerpen in de onderzoeks­
 periode. Gemiddeld verschenen er 0,7 artikelen per dag in traditionele
 media en drie keer zo veel artikelen online: 2,1 per dag. De berichtgeving
 over dit thema was, vooral online, vrijwel continu.
                                                                 Bijlage 1 103
</pre>

====================================================================== Einde pagina 104 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 105 ======================================================================

<pre>Daarnaast waren er twee pieken in de berichtgeving zichtbaar. In de laatste
week van maart, toen politieke partijen hun programma’s presenteerden,
was er een piek in het aantal artikelen over de aow dat werd gepubliceerd,
en naarmate 9 juni naderde, steeg het aantal artikelen en reacties opnieuw.
   Uit de analyse blijkt dat gaten in de berichtgeving in de traditionele
media door online media werden opgevuld. De berichtgeving in de tra­
ditionele media concentreerde zich rond 27 mei, de dag waarop bekend
werd dat de sociale partners een akkoord over de aow hadden gesloten,
2 maart, de dag dat de aow controversieel werd verklaard, en in mindere
mate 24 april, toen bekend werd dat het cda de aow-leeftijd versneld naar
67 wilde verhogen. Online speelden op die momenten dezelfde onderwer­
pen, maar we zien dat deze onderwerpen over een langere periode werden
‘uitgesmeerd’. Daarnaast werd het feit dat de pvv van de aow een breekpunt
maakte, online gedurende een week op diverse plekken becommen­tarieerd.
De inhoud van de berichtgeving op de momenten dat de traditionele media
zich stil hielden, liep zeer uiteen. Pas op het moment dat de PvdA haar
verkiezingsprogramma wijzigde op het punt van de aow en de ­sociale
partners onderhandelden over een akkoord, liep de online en offline
berichtgeving weer grotendeels parallel.
Thema 2: Asielbeleid
Het asielbeleid speelde een minimale rol in de verkiezingscampagne. Er
verschenen over dit thema in de periode 11 februari 2010 tot en met 9 juni
2010 slechts 31 artikelen in de traditionele media. Online verschenen er
meer artikelen en, net als bij de aow, verspreid over een langere periode.
Vergeleken met de aow bleef het aantal echter beperkt (98 over asielbeleid
tegen 244 over de aow). Wel is het opvallend dat het gemiddelde aantal
reacties per artikel relatief groot is, maar dat de reacties vooral te herleiden
zijn naar een aantal piekmomenten. Uitschieters in reacties zijn afkomstig
van het weblog geenstijl.nl, waar vrijwel per definitie tweehonderd reacties
op een artikel worden geplaatst.
   Die pieken in de berichtgeving en het aantal reacties hebben te maken
met een uitspraak van de rechter die gemeentes verplichtte een uitgepro­
cedeerde asielzoeker onderdak te bieden (Utrecht, 7 april, en Rotterdam,
26 april) en de uitkomsten van onderzoeksbureau Nyfer naar de kosten
van immigranten in Nederland (20 mei). Verder waren er op het gebied van
   104 De nieuwe regels van het spel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 105 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 106 ======================================================================

<pre>asielbeleid geen gebeurtenissen die een hausse aan berichtgeving oplever­
den in de traditionele of online media.
Thema 3: Belastingen
De berichtgeving over belastingen is zeer beperkt, zowel in de traditionele
media als in online media, en daarnaast nogal verspreid over de maanden
van de onderzoeksperiode. Er valt ook inhoudelijk weinig samenhang te
ontdekken tussen de berichtgeving op internet en de berichtgeving in de
traditionele media. Alleen tegen het einde van de verkiezingscampagne
is er een kleine piek te zien bij zowel de traditionele als de online media.
Die piek vertaalt zich tevens in een toenemend aantal reacties op internet.
Hoewel het niet met zekerheid af te leiden is uit de gevonden artikelen,
hangt deze piek in aandacht waarschijnlijk samen met de debatten tussen
de lijsttrekkers. Daarin speelden de hypotheekrente en de verdeling van
de belastingdruk een prominente rol. Over het geheel genomen heeft het
thema belastingen zowel in de traditionele als in de online media geen rol
van betekenis gespeeld en was het doorgaans voor internetgebruikers geen
aanleiding om te reageren.
Thema 4: Bezuinigingen
De naderende bezuinigingen vormden het centrale thema van deze ver­
kiezingscampagne. Voor deze studie is bij de analyse van de berichtgeving
over dit thema echter uitsluitend gekeken naar de berichten die de bezuini­
gingsopgave zelf betroffen, dat wil zeggen: het debat over nut en noodzaak
en de eventuele hoogte van het te bezuinigen bedrag. Artikelen met als
thema bezuinigingen op een specifiek beleidsterrein zijn in deze analyse
niet meegenomen.
    Dat selectiecriterium verklaart de enorme concentratie van bericht­
geving rond 1 april, de dag waarop de ambtelijke werkgroepen hun voor­
stellen openbaar maakten. Vrijwel alle dagbladen en online media hadden
aandacht voor de bezuinigingsvoorstellen. Ook het aantal reacties van
lezers was zeer groot. Opvallend is dat de aandacht van de traditionele
media zich na 2 april vooral richtte op specifieke beleidsterreinen, terwijl
online nog het debat werd gevoerd over nut en noodzaak en de hoogte van
het bedrag. Gezien het grote aantal reacties op online artikelen in de maand
april was consensus over nut en noodzaak en de hoogte van het te bezui­
nigen bedrag dan nog niet bereikt. Dat hing naar alle waarschijnlijkheid
                                                                  Bijlage 1 105
</pre>

====================================================================== Einde pagina 106 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 107 ======================================================================

<pre>samen met de discussie die de politieke partijen op dat moment voerden
(het was de periode waarin de partijprogramma’s werden gepresenteerd)
over de hoogte van het bedrag. Nut en noodzaak waren op dat moment voor
de meeste partijen geen discussiepunt meer.
    Vergeleken met de berichtgeving in traditionele media was de online
berichtgeving over de bezuinigingen uiteenlopender. Waar dagbladen
(noodgedwongen) een selectie maakten van de gebeurtenissen in de
campagne, behandelden de online media een veel breder spectrum aan
onderwerpen. Online media kozen daarbij, in ieder geval makkelijker dan
traditionele media, partij. Zo moesten de vvd en het cda het doorgaans
ontgelden op het weblog dejoop.nl, terwijl de PvdA en GroenLinks weinig
pluimen kregen op geenstijl.nl.
    Wat tot slot opvalt, is dat bij de bekendmaking van de plannen van de
ambtelijke werkgroepen de traditionele media een dominante rol speelden.
Online media reageerden op 1 en 2 april vooral op berichtgeving die afkom­
stig is van de traditionele media. Vanaf 3 april richtten de traditionele
media zich echter vooral op de bezuinigingen op specifieke beleidsterrei­
nen, terwijl de online berichtgeving en discussie over de hoogte van het te
bezuinigen bedrag nog de hele maand april bleef doorlopen.
Thema 5: Financiering zorgstelsel
De financiering van het Nederlandse zorgstelsel is in de traditionele media
en de geselecteerde online media amper aan bod gekomen. Van enige
samenhang tussen de spaarzame berichten in traditionele media en online
media is geen sprake. De ‘piek’ in de reacties op 8 april was vergeleken met
pieken over andere thema’s marginaal en werd veroorzaakt door reacties op
een artikel op het aan De Telegraaf gelieerde wuz-forum en op een artikel in
nrc Handelsblad. Opvallend is overigens dat ook rond 1 april de financiering
van ons zorgstelsel in de media geen aanleiding voor berichtgeving of debat
is geweest.
Thema 6: Hypotheekrenteaftrek
Het debat over de hypotheekrenteaftrek is pas medio maart losgebarsten
in de media. Tot maart gold het onderwerp nog als een taboe, en dan vooral
binnen de overheidsarena, maar met de presentatie van de verkiezings­
programma’s van D66 en GroenLinks in maart was het spel op de wagen.
Linkse partijen kondigden aan de hypotheekrenteaftrek op de schop te
    106 De nieuwe regels van het spel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 107 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 108 ======================================================================

<pre>willen nemen; rechts reageerde door te stellen dat de hypotheekrenteaftrek
bij hen ongewijzigd zou blijven. Vanaf dat moment was de hypotheekrente­
aftrek een van de dominante thema’s van de verkiezingscampagne.
    Wat opvalt in het verloop van de berichtgeving is dat de aandacht voor
dit onderwerp online achterbleef bij die in de traditionele media. Van de
tien thema’s die zijn onderzocht, schreven traditionele media het vaakst
over de hypotheekrenteaftrek. In de online top 10 vinden we de hypotheek­
renteaftrek pas op de zesde plaats terug. Ook het aantal reacties is relatief
beperkt: eveneens de zesde plaats in vergelijking met het aantal reacties op
andere thema’s.
    In de berichtgeving zijn desalniettemin twee pieken te onderscheiden:
de eerste op het moment dat de verkiezingsprogramma’s bekend werden,
medio maart en begin april, en de tweede op het moment dat premier
Balkenende namens het cda de hypotheekrenteaftrek tot breekpunt ver­
klaarde. Ook is het opvallend dat het aantal artikelen dat online over het
thema verscheen weliswaar beperkt is en dat er relatief weinig op werd
gereageerd, maar dat het aantal reacties van internetgebruikers tegelijker­
tijd vrijwel continu hetzelfde bleef (met een kleine dip in de eerste helft van
mei).
Thema 7: Minister-president
Het debat over de toekomstige minister-president is weliswaar geen thema
dat aan bod is gekomen bij de ambtelijke heroverwegingen, maar wel een
thema waarover politieke partijen – per definitie – van mening verschillen.
De discussie over dit thema is vooral online gevoerd. Slechts twee gebeur­
tenissen waren aanleiding voor meerdere dagbladen om over te berichten:
het terugtreden van Wouter Bos en het naar voren schuiven van Job Cohen
als partijleider en kandidaat-premier van de PvdA (12 maart), en de moge­
lijke voordracht van Neelie Kroes als kandidaat-premier voor de vvd (eind
mei). Beide gebeurtenissen zorgden ook online voor pieken in de bericht­
geving. Gezien het aantal reacties op de artikelen over deze onderwerpen
was vooral de laatste gebeurtenis er een die de aandacht van burgers trok.
Het gevolg van de machtswisseling bij de PvdA werd door voor- en tegen­
standers van Cohen hevig bediscussieerd. Ook traditionele media sprongen
gretig op het nieuws. De insteek daar verschilde enigszins van de insteek
online. Er werd niet alleen over Cohen gesproken, maar vooral over de
vraag wie de nieuwe premier werd: Cohen, Wilders of Balkenende? Later
                                                                Bijlage 1 107
</pre>

====================================================================== Einde pagina 108 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 109 ======================================================================

<pre> in de campagne, vanaf begin mei, kwam Rutte meer in beeld bij zowel
 ­t raditionele als online media.
      Als we de berichtgeving inhoudelijk analyseren, zien we nog een ver­
schil tussen traditionele en online media. Traditionele media bericht­
ten doorgaans over kandidaat-premiers in vergelijking tot elkaar of hun
geschiktheid voor het ambt. Online was er meer aandacht voor de persoon
achter de politicus. Welke insteek de grootste invloed heeft gehad op, bij­
voorbeeld, het stemgedrag of de waardering van burgers, is aan de hand van
deze resultaten niet te zeggen.
Thema 8: Ontwikkelingssamenwerking
In de verdeling bij dit onderwerp is in de eerste paar maanden een verteke­
ning te zien. In februari viel het kabinet vanwege verschil van mening over
de verlenging van de missie in Uruzgan. In de traditionele media kwam het
woord ontwikkelingssamenwerking in die context weinig voor, omdat veel
meer aandacht uitging naar de kabinetscrisis. Inhoudelijk werd het onder­
werp nadrukkelijker besproken op internet, wat ook duidelijk terug te zien
is in grafiek 8 in bijlage 1. Het aantal reacties op deze artikelen is relatief
groot (gemiddeld meer dan op artikelen over de hypotheekrenteaftrek,
bijvoorbeeld). Wel is er een daling waarneembaar naarmate de verkiezings­
campagne vorderde. In de campagnes kwam het onderwerp sporadisch aan
bod, maar werd het ondergesneeuwd door andere onderwerpen zoals de
hypotheekrenteaftrek en de aow. Hoewel de aandacht voor het thema weer
toenam naarmate de campagnes op hun einde liepen, riep het thema op dat
moment minder reacties van lezers op.
      Wat opvalt in de berichtgeving over ontwikkelingssamenwerking
is dat er vrijwel geen sprake is van samenhang tussen de berichtgeving
online en de berichtgeving in traditionele media. Online werden de
plannen van de pvv en de vvd om te korten op ontwikkelingssamen­
werking door zowel voor- als tegenstanders uitgebreid bediscussieerd; in
­t raditionele media vinden we weinig specifieke artikelen over dit onder­
 werp. Ontwikkelingssamenwerking is blijkbaar een thema dat online door
 linkse en rechtse weblogs en communities werd bediscussieerd, los van
 de berichtgeving in traditionele media. De aanleiding voor het debat over
 ontwikkelingssamenwerking was ook lang niet altijd afkomstig van de
 overheid, maar lag vaak bij nieuws en uitspraken van vertegenwoordigers
 van hulporganisaties, wetenschappers of opiniemakers.
      108 De nieuwe regels van het spel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 109 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 110 ======================================================================

<pre>Thema 9: Rekeningrijden
Het thema rekeningrijden is opvallend. Dat komt doordat het thema uit­
eindelijk geen uitgesproken rol van betekenis heeft gespeeld tijdens de
verkiezingscampagne, terwijl het in de periode tot aan de resultaten van
de anwb-enquete groot nieuws is geweest. Dit is ook terug te zien in de
berichtgeving, en dan met name die op internet. Waar bij onderwerpen als
de hypotheekrenteaftrek en de aow de stroom aan berichten op internet
aanhield, is bij rekeningrijden te zien dat het punt ook in de publieke opi­
nie grotendeels werd uitonderhandeld.
   De berichtgeving in online media en in traditionele media liep op dit
thema dan ook vrijwel synchroon, zowel qua inhoud als qua aantal arti­
kelen. In beide domeinen zijn drie aandachtspieken te onderscheiden: het
moment waarop de kamer het dossier op de lange baan schoof (eind febru­
ari, begin maart), het moment waarop het cda besloot voorlopig van de
kilometerheffing af te zien (medio maart) en het moment waarop de anwb
de resultaten van zijn ledenenquete bekend maakte (eind maart).
   Alle ‘arena’s’ werden bij het thema rekeningrijden met elkaar vervloch­
ten: burgers werden door media en politiek geraadpleegd en maakten op
internet en via enquêtes hun mening kenbaar, politieke partijen reageer­
den op deze ontwikkelingen door hun standpunt actief uit te dragen (vvd)
of aan te passen (cda), en de nieuwe en traditionele media berichtten over
actuele ontwikkelingen en namen opvallend uitgesproken standpunten
in. In de kwalitatieve beschrijving van deze case blijkt zelfs dat de politiek
internet actief heeft ingezet om burgers te informeren, te overtuigen en te
mobiliseren.
Thema 10: Studiefinanciering
Het thema studiefinanciering kwam pas na de voorstellen van de
ambtelijke werkgroepen begin april enigszins (terug) in de actualiteit. Het
mogelijk omgooien van het stelsel van studiefinanciering in een sociaal
leenstelsel was daarbij het centrale discussiepunt. Toch zijn er relatief
weinig berichten over dit thema verschenen. Vanaf april werd er actiever
gereageerd op de berichtgeving, maar dat heeft uiteindelijk niet geleid
tot een breed debat over de voors en tegens van een sociaal leenstelsel.
De pieken in het aantal reacties in mei zijn ontstaan naar aanleiding van
een artikel op geenstijl.nl, over een e-mail van de PvdA aan studenten
over het omzetten van de studiefinanciering in een sociaal leenstelsel
                                                                Bijlage 1 109
</pre>

====================================================================== Einde pagina 110 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 111 ======================================================================

<pre>(29 mei), en de oproep van studentenvakbonden aan het kabinet om uit te
zoeken welke gevolgen de plannen voor een sociaal leenstelsel hebben voor
moslimstudenten. Ook begin april was er online enige aandacht voor de
studiefinanciering naar aanleiding van een onderzoek van de Landelijke
Studenten Vakbond (LSVb) waaruit zou blijken dat 42% van de scholieren
en mbo’ers niet doorstudeert als de studiefinanciering wordt afgeschaft.1
   In de traditionele media zien we de aandacht iets toenemen naar aanlei­
ding van demonstraties voor behoud van de studiebeurs (op 24 maart en 20
en 21 mei). Online werd daar echter niet over bericht of over gediscussieerd.
De samenhang tussen de berichtgeving online en in traditionele media is
al met al dus beperkt.
4.2 Samenvattend
Doel van bovenstaande analyses is inzicht krijgen in de wijze waarop dis­
cussies die hun oorsprong vinden in de overheidsarena, aan bod komen in
traditionele en online media en of er sprake is van enige samenhang tussen
de berichtgeving in traditionele en online media en het aantal reacties van
internetgebruikers. In de tabel hierna zijn de hierboven beschreven resul­
taten per thema op een rij gezet.
   110 De nieuwe regels van het spel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 111 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 112 ======================================================================

<pre>                Tabel 4.1
                De tien thema’s onderling vergeleken op berichtgeving in traditionele en online media, het aantal reacties en de samenhang
                tussen de media
                               berichtgeving traditionele media   berichtgeving online media   reacties                  mate van samenhang tussen
                                                                                                                         traditionele en online media
                aow            gefragmenteerde bericht-           continue berichtgeving,      continue stroom aan       samenhang op piekmomenten
                               geving, met pieken                 met pieken                   reacties, met pieken
                asielbeleid    gedeeltelijk gefragmenteerd,       continu, wisselende          gepiekt                   samenhang op piekmomenten
                              gedeeltelijk continue               intensiteit
                belastingen   gefragmenteerd                      gefragmenteerd               beperkt, gefragmenteerd   samenhang op piekmomenten
                bezuinigingen piek rond 1 april, verder           piek rond 1 april, daarna    continu, met pieken       samenhang ontbreekt, m.u.v.
                               zeer gefragmenteerd                continue aandacht m.u.v.                               periode rondom 1 april
                                                                  periode 27 april - 16 mei
                financiering   weinig aandacht,                   weinig aandacht,             weinig aandacht           samenhang ontbreekt
                zorgstelsel    gefragmenteerd                     gefragmenteerd
                hypotheek­-    continu, m.u.v. periode            weinig aandacht,             continu, maar beperkt     samenhang ontbreekt
                rente          1 mei - medio mei                  gefragmenteerd
                minister-      gefragmenteerd, met                continu, met                 continu, met              samenhang op piekmomenten
                president      piek ­momenten                     piekmomenten                 piekmomenten
                ontwikkelings- gefragmenteerd                     continu, met                 continu, met              samenhang ontbreekt
                samenwerking                                      piekmomenten                 piekmomenten
                rekening-    tot eind maart met                   tot eind maart met           weinig aandacht,          veel samenhang tussen
                rijden         piekmomenten, daarna               piekmomenten, daarna         enkele piekmomenten       traditionele en online media
                               weinig aandacht                    weinig aandacht
                studie-        gefragmenteerd, weinig             gefragmenteerd,              gefragmenteerd,           (inhoudelijke) samenhang
Bijlage 1 111
                financiering   aandacht                           weinig aandacht              weinig aandacht           ontbreekt
</pre>

====================================================================== Einde pagina 112 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 113 ======================================================================

<pre>Van de tien onderzochte thema’s blijkt dat de berichtgeving in traditionele
media en online media bij vier thema’s redelijk parallel loopt, namelijk bij
belastingen, financiering zorgstelsel, rekeningrijden en studiefinancie­
ring. Aan de overige thema’s wordt óf in traditionele óf in online media
significant meer aandacht besteed. Opvallend is dat de thema’s waarover
de berichtgeving parallel loopt, zonder uitzondering geen grote rol hebben
gespeeld in de verkiezingscampagne. Bij de meestbesproken onderwerpen
in de verkiezingscampagne – de aow en de bezuinigingen (zie grafiek 4.1)
– zijn het juist online media (bezuinigingen, aow) die ervoor zorgden dat
discussies blijven lopen. Ook in de periodes dat er in traditionele media
geen aandacht was voor deze thema’s, ging de online berichtgeving door.
Grafiek 4.1
Gemiddeld aantal artikelen per thema per dag in de traditionele en
online media (linker verticale as) en het gemiddelde aantal reacties van
internetgebruikers per thema per dag (rechter verticale as), in de periode
11 februari – 9 juni 2010
2,5                                                                                            120
                                                                                               100
2,0
                                                                                               80
1,5
                                                                                               60
1,0
                                                                                               40
0,5
                                                                                               20
0,0                                                                                            0
       aow      asiel-   belas- bezuini- hypotheek- min.- ontwikke- rekening- studie-  finan-
                beleid  tingen gingen      rente-   presi-  lings-    rijden   finan- ciering
                                           aftrek   dent   samen-             ciering   zorg-
                                                           werking                    stelsel
        traditionele media       nieuwe media                                         reacties
    112 De nieuwe regels van het spel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 113 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 114 ======================================================================

<pre>Naast de thema’s aow en bezuinigingen waren drie andere thema’s online
vrijwel continu het onderwerp van discussie, namelijk asielbeleid, ontwik­
kelingssamenwerking en de nieuwe minister-president. Aan deze thema’s
werd in traditionele media slechts zeer gefragmenteerd aandacht besteed,
terwijl de online berichtgeving doorging en internetgebruikers relatief
veel reageerden.
    Een andere situatie deed zich voor tijdens de zogenaamde ‘piekmo­
menten’. Zodra er groot of belangrijk nieuws te melden was over één van
de thema’s, zien we dat dit vrijwel meteen leidde tot pieken in de bericht­
geving door zowel traditionele media als online media, en tevens in het
aantal reacties van internetgebruikers. Traditionele media zetten op die
momenten doorgaans de toon (zij beschikten immers over professionele
redacties en journalisten ter plekke), waar vervolgens door online media op
werd gereageerd.
Uiteenlopende agenda’s
Bovenstaande resultaten indiceren dat de inhoudelijke agenda’s van traditi­
onele media en online media over een aantal thema’s aanzienlijk uiteenlo­
pen. De stelling dat online media in hun berichtgeving slechts reageren op
traditionele media en er geen eigen agenda op na houden, is dan ook moei­
lijk vol te houden. In ieder geval kan worden geconstateerd dat de looptijd
van het debat rondom bepaalde thema’s in traditionele media en online
media aanzienlijk kan verschillen, waarbij berichtgeving in online media
gemiddeld gedurende een langere periode aanhoudt dan berichtgeving in
traditionele media.
    Aan de hand van het aantal artikelen dat is verschenen in traditionele
media en online media is het mogelijk de thema’s te prioriteren. Op die
manier ontstaat inzicht in het relatieve belang dat traditionele media en
online media hechten aan de tien thema’s. Een dergelijke prioritering kan
ook worden toegepast op het gemiddeld aantal reacties van internetgebrui­
kers gemeten per dag op artikelen over de thema’s die online verschenen.
Op die manier ontstaat er globaal zicht op de mate waarin de agenda’s van
traditionele media, online media en internetgebruikers overeenkomen.
In onderstaande grafiek staat weergegeven op welke plaats in de priori­
teitenlijst van traditionele media, online media en internetgebruikers de
thema’s staan. Uit de grafiek blijkt dat het belang dat traditionele media en
online media aan de diverse thema’s hechten, uiteenloopt. De belangrijkste
                                                                 Bijlage 1 113
</pre>

====================================================================== Einde pagina 114 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 115 ======================================================================

<pre> thema’s in de traditionele media – hypotheekrenteaftrek en rekeningrijden
 – vinden we online pas terug op de zesde en zevende plaats. De belangrijk­
 ste thema’s voor online media – aow en bezuinigingen – komen in de tra­
ditionele media op de derde en vierde plaats. Men is het meer eens over de
thema’s die minder belangrijk zijn, zoals de financiering van het zorgstelsel
en, in mindere mate, de belastingen. Opvallend is ook dat de verschillen
tussen de online berichtgeving en de reacties van internetgebruikers rela­
tief beperkt zijn. Alleen bij het thema rekeningrijden is het verschil groter
dan één plaats in de rangschikking.
Grafiek 4.2
Prioritering van de tien thema’s in traditionele en nieuwe media en in de
reacties op berichtgeving
 10
                                                                   bezuinigingen
  9                                                                aow
  8                                                                minister-president
                                                                   asielbeleid
  7
                                                                   ontwikkelings-
  6                                                                samenwerking
                                                                   hypotheekrenteaftrek
  5
                                                                   belastingen
  4                                                                studiefinanciering
  3                                                                rekeningrijden
                                                                   financiering zorgstelsel
  2
  1
  0
       traditionele media   nieuwe media        reacties
Conclusies
Bovenstaande resultaten van de kwantitatieve analyse leiden tot vier
­conclusies.
 1) Alleen op piekmomenten is er sprake van samenhang in berichtgeving
 tussen traditionele en online media. Deze piekmomenten betreffen in
 de meeste gevallen ontwikkelingen binnen de arena’s van de overheid of,
 in mindere mate, de civil society. Vaak zien we dat de traditionele media
    114 De nieuwe regels van het spel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 115 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 116 ======================================================================

<pre>op deze piekmomenten de toon zetten en dat er online vooral wordt
­gereageerd op de berichtgeving in kranten, televisie en radio.
 2) Online berichtgeving houdt vaak langer aan dan berichtgeving in tradi­
 tionele media. Een specifiek thema verdwijnt bij traditionele media eerder
 van de radar dan bij online media. Over de thema’s aow, asielbeleid, bezui­
nigingen en ontwikkelingssamenwerking blijven er online berichten ver­
schijnen, terwijl er in traditionele media buiten de grote news events maar
zeer beperkt over wordt geschreven.
3) De agenda’s van traditionele media en online media lopen op belang­
rijke issues aanzienlijk uiteen. Online worden andere thema’s belangrijk
gevonden in de traditionele media. Waar in traditionele media en online
wel relatieve overeenstemming over bestaat, is welke thema’s er in het ge­
heel niet toe doen, zoals in dit geval de financiering van het zorgstelsel.
4) De agenda’s van online media en internetgebruikers vertonen meer
overeenkomsten dan de agenda’s van traditionele media en internetge­
bruikers. Deels is dat vanzelfsprekend, omdat internetgebruikers bij het
reageren grotendeels afhankelijk zijn van online berichtgeving, maar tege­
lijkertijd zitten er wel degelijk verschillen in het belang dat online media
en internetgebruikers aan een thema hechten. Daaruit blijkt dat de agenda
van internetgebruikers niet een-op-een gelijkloopt met de agenda van on­
line media.
Noot
1 Zie: “Afschaffen studiefinancierng leidt tot leegloop hoger onderwijs”
    http://www.lsvb.nl/pers/afschaffen-studiefinanciering-le.html
                                                                 Bijlage 1 115
</pre>

====================================================================== Einde pagina 116 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 117 ======================================================================

<pre>5
Kwalitatieve analyse
In hoofdstuk 4 zijn de resultaten van de kwantitatieve analyse besproken.
Uit deze analyse blijkt dat traditionele en online media slechts samen­
hangen op ‘piekmomenten’ en dat ze op andere momenten weinig over­
eenkomsten vertonen. Uit de kwantitatieve analyse blijkt echter weinig
over de overige actoren die een rol spelen en over de invloed van kleinere
online omgevingen. Ook zeggen harde data alleen niets over de rol die
internet speelt bij het faciliteren of aanjagen van het publieke debat. In dit
hoofdstuk reconstrueren we daarom zes cases waarbij internet een opval­
lende rol heeft gespeeld, bijvoorbeeld als platform voor debat of als middel
om mensen te mobiliseren of issues op de politieke of maatschappelijke
agenda te krijgen. Bij de beschrijving van deze casussen laten we zien welke
mensen op internet een belangrijke rol als opiniemaker en gatekeeper heb­
ben gespeeld, welke platforms zij daarvoor inzetten en hoe zij de discussie
hebben beïnvloed in het algemene publieke debat. De zes casussen die in dit
hoofdstuk worden gepresenteerd zijn:
– rekeningrijden
– studiefinanciering
– hypotheekrenteaftrek
– ontwikkelingssamenwerking
– duurzame veeteelt
– klimaatdebat na ontdekking fouten in ipcc-rapport
5.1 Case: rekeningrijden
Historie
Minister Eurlings van Verkeer en Waterstaat bood in november 2009 het
wetsvoorstel Kilometerprijs aan de Tweede Kamer aan (tk 2009/2010).1
Het wetsvoorstel regelt een andere manier van betalen voor de auto: niet
   116 De nieuwe regels van het spel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 117 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 118 ======================================================================

<pre>het bezit, maar het gebruik komt centraal te staan. In de samenleving
ontstonden naar aanleiding van het wetsvoorstel diverse maatschappelijke
initiatieven tegen invoering van het rekeningrijden. Zo startte zowel
Charlie Aptroot (vvd) als Maurice van Ulden (Tocqueville Media /
kritischeblik.nl i.o.) een petitie. Samen verzamelden ze bijna 300.000
handtekeningen. De anwb besloot een enquête te houden onder zijn
leden. Minister Eurlings gaf aan de uitkomst van de anwb-enquête te
zullen volgen. Als er geen draagvlak voor de invoering zou zijn, dan
werd ervan afgezien. Na de val van het kabinet deed het cda in haar
verkiezingsprogramma afstand van het rekeningrijden maar ging nog wel
op zoek naar een andere vorm van beprijzing op basis van gebruik.
Online plekken
Op internet werd op verschillende plekken over het wetsvoorstel gespro­
ken. De meest in het oog springende sites waren twee petitiesites: kilo­
meterheffingnoway.nl (Aptroot) en kilometerheffing-nee.nl (Van Ulden).
Aan beide websites werd ook een Hyvesgroep gekoppeld.
   Op flitsservice.nl, een site die zichzelf omschrijft als ‘Uw gids tegen
zinloos geflits’, werd op het forum uitvoerig gediscussieerd over het wets­
voorstel en de petities. Van Ulden kondigde zijn petitie ook actief aan op het
forum. Flitsservice.nl richt zich min of meer op dezelfde doelgroepen als de
petitie: mensen die het oneens zijn met het verkeersbeleid van de overheid.
Zo ontsluit de site actuele informatie over flitsers, maar ook informatie
over apparaten waarmee men flitsers tijdig kan detecteren of kan verstoren
(DetectorShop). Naast het geven van informatie stelt de website het flitsbe­
leid van de overheid in een negatief daglicht.
   Ook de website van de anwb gaf vanaf de aankondiging van de leden­
raadpleging veel aandacht aan het wetsvoorstel Kilometerprijs. Op die site
zijn meer dan 800 reacties verzameld.
Daarnaast kwam de discussie over het wetsvoorstel Kilometerprijs op
allerlei andere websites aan bod: die van Natuur en Milieu, Computable,
Cobouw, Xandernieuws en Automotive online.
                                                                 Bijlage 1 117
</pre>

====================================================================== Einde pagina 118 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 119 ======================================================================

<pre>De ontwikkeling van de case
De petitie van Aptroot kreeg aanvankelijk meer aandacht van de reguliere
media, maar verzamelde uiteindelijk minder handtekeningen. Aptroot was
op 9 februari 2010 aanwezig bij de in ontvangstname van de petitie van Van
Ulden. Daarin gaf hij aan dezelfde argumenten tegen het wetsvoorstel te
hebben.
   Een paar dagen nadat de petitie van Van Ulden door de Tweede Kamer
als burgerinitiatief werd afgewezen, kondigde de anwb aan (op 13 januari
2010) een ledenraadpleging te houden. Het zorgde voor een continuering
van de aandacht (offline en online) voor het wetsvoorstel.
   In het publieke debat manifesteerden alleen de tegenstanders zich.
Dit is ook terug te zien in de media: die hadden rondom het wetsvoorstel
Kilometerprijs vooral aandacht voor de tegenargumenten.
Theoretische duiding
In deze casus zijn drie gatekeepers te onderscheiden. Dat zijn de twee
initiatiefnemers van de petitiesites (Aptroot en Van Ulden) en de anwb als
initiatiefnemer van de ledenraadpleging. Het centrum van de aandacht in
de media voor rekeningrijden verschoof begin 2010 van de twee petities
naar de anwb op het moment dat de Tweede Kamer de petities niet als
burgerinitiatief wilde behandelen en de anwb de ledenraadpleging
aankondigde. Vanaf die tijd stond de anwb in het centrum van de aandacht.
   De twee petities zijn goede voorbeelden van actiemobilisatie.
De initiatiefnemers wilden beiden zo veel mogelijk steunbetuigingen
verzamelen om hun argumenten tegen het wetsvoorstel kracht bij te zetten.
De ledenraadpleging was primair bedoeld als instrument voor de anwb om
te peilen welke argumenten zijn achterban van belang vond in de discussie
rondom het wetsvoorstel Kilometerprijs. Op basis daarvan bepaalde de
anwb een beargumenteerd standpunt.
   Bij beide petities kunnen twee frames worden onderscheiden. Het eerste
frame is dat het wetsvoorstel een gevaar is voor de privacy van autorijders.
Het ‘kastje van Camiel’, de ‘camillograaf ’ of het ‘stasikastje’ registreert
zo veel gegevens dat het zijn eigenlijke doel (betalen voor gebruik) voor­
bijschiet. Het duidelijkst is dat te zien bij de petitie van Van Ulden. Deze
heeft als onderscript: ‘Géén Big Brother bij mij in de auto.’ Zo veel gegevens
bijhouden kan niet anders dan uiteindelijk leiden tot allerlei misbruik, zo
stelde Van Ulden.
   118 De nieuwe regels van het spel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 119 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 120 ======================================================================

<pre>Een tweede frame is dat het een oneerlijke vorm van ‘kilometerheffen’ en
‘rekeningrijden’ is. Iedereen zal meer moeten betalen om auto te rijden, en
dit is niets anders dan een sluwe manier van de overheid om haar eigen kas
te spekken, is de redenering.
   Deze frames kwamen uiteindelijk op een interessante manier samen.
De initiatiefnemers van de twee petities waren het grotendeels met elkaar
eens en gebruikten ook dezelfde argumenten. De anwb nam deze argu­
menten later over bij de ledenraadpleging, waarvan de resultaten eind
maart 2010 bekend werden gemaakt. De argumenten van voorstanders van
rekeningrijden (betalen voor gebruik in plaats van bezit en het terugdrin­
gen van files) verdwenen met het controversieel verklaren van het dossier
door de Tweede Kamer naar de achtergrond. Het onderwerp was eind maart
dan ook grotendeels uitbeargumenteerd en keerde nauwelijks terug in de
politieke campagnes.
Conclusie
Zowel de initiatiefnemers van de twee petities als de anwb zijn er op een
opvallende manier in geslaagd gedurende een lange periode (november
2009-maart 2010) het wetsvoorstel Kilometerprijs in de belangstelling te
houden. Door een slimme mix van het gebruik van offline en online media,
actieve bemoeienis van politici (in dit geval de vvd) en de naadloze over­
name van de aandacht door de anwb (en het opvallende ex post commit­
ment van minister Eurlings aan de uitslag van die ledenraadpleging) werd
het onderwerp in vier maanden tijd succesvol gedepolitiseerd en keerde het
slechts in beperkte mate terug in de verkiezingscampagne.
5.2 Case: studiefinanciering
Historie
In aanloop naar de verkiezingen veroorzaakten de plannen voor een sociaal
leenstelsel veel onrust. Met name door de protesten van studenten leek het
of dit onderwerp nieuw op de agenda stond, maar PvdA en ook GroenLinks
pleitten al geruime tijd voor een sociaal leenstelsel. In 2003 stond de lsvb
nog aan hun zijde, maar een halfjaar later was ook daar het enthousiasme
voor dit nieuwe stelsel verdwenen. Het argument voor dit stelsel was in al
die jaren dat de bakker of de slager niet mee hoeft te betalen aan de studie
                                                                 Bijlage 1 119
</pre>

====================================================================== Einde pagina 120 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 121 ======================================================================

<pre>van iemand die in zijn latere leven veel meer gaat verdienen dan deze slager
of bakker. Begin 2010 kwam daar het argument bij dat studenten vinden dat
de rekening van de crisis op deze manier bij hen wordt neergelegd, terwijl
zij part noch deel hebben gehad aan het ontstaan van de crisis.
    Tot voorjaar 2010 waren de lsvb en het iso (Interstedelijke Studenten
Overleg) de grootste motor achter de protesten. De organisaties zaten op dit
punt vanaf eind 2003 ook min of meer op dezelfde lijn. Begin 2009 kwam
daar het platform Hoger Onderwijs Heeft Prioritet (hohp) bij.
Online plekken
Rond het thema studiefinanciering waren drie groepen online actief:
voorstanders van aanpassing, tegenstanders en (neutrale) opiniemakers.
Tegenstanders van de plannen om de studiefinanciering te hervormen
maakten gebruik van eigen actiesites en daaraan gekoppelde petities en
actiepagina’s op sociale netwerken. Zo lanceerde de sp de website stufi­
moetblijven.nl. Op de site worden mensen uitgenodigd om zelf een actie op
te zetten en om in ieder geval een petitie te tekenen. Begin juni 2010 was
de petitie door ruim 17.000 mensen ondertekend. Op de site zelf is weinig
interactie mogelijk, maar dat wordt ondervangen door de Facebookgroepen
‘Plasterk moet van mijn studiefinanciering afblijven’2 (bijna 2000 leden) en
‘Stufi moet blijven’3 (ruim 1500 leden) en een groep op Hyves: ‘Stufi Moet
Blijven!’ (ruim 6000 leden in juni 2010). Daarnaast linkt de Facebookgroep
‘Plasterk moet van mijn studiefinanciering afblijven’ naar de site studen­
tendemonstratie.nl van het actiecomité sos.
    In de Facebook- en Hyvesgroepen zijn blogs geplaatst van Tweede
Kamerlid Jasper van Dijk (sp). Verder is het bij het openen van deze web­
sites meteen duidelijk dat de sp de drijvende kracht is achter deze websites.
Studentendemonstratie.nl is eigenlijk de site van Comité sos. Een van
de mensen die met naam op deze site wordt genoemd is Chandar van der
Zande.
    Een volgende invloedrijke actor is de lsvb. Deze vakbond startte de web­
site reddestufi.nl. De actieaanpak van de vakbond is vergelijkbaar met die
van de sp. Aan de website is tevens een petitie op petities.nl verbonden en
een groep op Hyves met meer dan 7100 leden, onder wie ook de eerderge­
noemde Chandar van der Zande. Vanuit de lsvb is Jasmijn Koets betrokken
bij de actie. De verwijzing naar de petitie verwijst niet naar de petitie van
de sp, maar naar een petitie op petities.nl (petities.nl/petitie/red-de-stufi).
    120 De nieuwe regels van het spel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 121 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 122 ======================================================================

<pre> Ook de jongerenorganisatie van het cda heeft opgeroepen op tot actie en
 het ondertekenen van een online petitie. Hier wordt verwezen naar de
 website van lsvb. Op de site wordt de toezegging gedaan dat de handte­
 keningen die via deze website binnenkomen, worden toegevoegd aan de
 petitie van de lsvb. Naast de voorzitter van het cdja heeft ook toenmalig
staats­secretaris Marja van Bijsterveldt laten horen dat ze vindt dat de
­studiefinanciering moet blijven.
     De uitgesproken voorstanders van het sociaal leenstelsel waren allebei
 politiek angehaucht. Zowel de jongerenorganisatie van de vvd (jovd) als
 die van D66 (jd) besteedden aandacht aan het thema. De nadruk lag hier
 echter minder op actie, maar meer op het online informeren en overtui­
 gen. Daarnaast werd op een aantal online plekken gediscussieerd over het
 thema, bijvoorbeeld op soggen.nl (StudieOntwijkendGedrag).
 De ontwikkeling van de casus
 Er zijn vier zaken die opvallen in deze casus.
 1. Tot begin 2010 was er vanuit de studentenwereld eigenlijk geen ander
 geluid te horen dan dat het sociaal leenstelsel er niet moest komen.
 2. Het zijn met name academische studenten die het voortouw hebben
 genomen in het opzetten van acties.
 3. Vanaf het voorjaar van 2010 is de politiek zich nadrukkelijker in deze
 discussie gaan mengen en kwamen er ook andere standpunten voor het
 voetlicht. De jongerenorganisaties van vvd, D66, cda en sp volgden daarbij
 de standpunten van hun moederpartij en brengen die actief onder de aan­
 dacht.
 4. De uiteindelijke spin-off van deze actie in traditionele en online media
 is beperkt. Het thema studiefinanciering werd grotendeels overschaduwd
 door onderwerpen als de hypotheekrenteaftrek, de aow-leeftijd en de
 bezuinigingen. In traditionele media was vooral aandacht voor de (slecht
 bezochte) studentendemonstraties in Amsterdam en Den Haag.
 Politieke inmenging
 Zoals hiervoor werd geschreven is de rol van de politieke partijen en hun
 jongerenorganisaties in aanloop naar de verkiezingen dominanter gewor­
 den in het debat rond dit onderwerp.
                                                                 Bijlage 1 121
</pre>

====================================================================== Einde pagina 122 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 123 ======================================================================

<pre>Opvallend is dat de Jonge Socialisten van de PvdA en dwars van
GroenLinks de grote afwezigen waren bij het actievoeren voor een ander
stelsel. Op de sites van de twee jongerenorganisaties is ook niets te lezen
over de studiefinanciering en het standpunt dat zij innemen.
Effect van acties en protesten
Op internet werd op zeer veel verschillende plaatsen discussie gevoerd over
het leenstelsel. De discussie was enigszins gepolariseerd. Tegelijkertijd
werd duidelijk dat mensen goed op de hoogte zijn van elkaars argumenten
en die ook weerleggen.
   De tegengeluiden waren massaler te horen. Enkele tienduizenden hand­
tekeningen zijn gezet onder de petities die aan dit onderwerp zijn gewijd.
Het protest bleef echter beperkt tot digitale steunverlening aan de organi­
satoren van het protest. De demonstratie op 21 mei op het Museumplein
in Amsterdam trok slechts 2000 demonstranten. Ondanks de geringe
zichtbaarheid van de protesten bij het grote publiek hebben deze wel effect
gehad: in verschillende debatten waarin gesproken werd over de toekomst
van de studiefinanciering, nuanceerden vooral D66 en de PvdA hun stand­
punten.
Aard van het debat
De acties van de voor- en tegenstanders waren er vooral op gericht om hun
standpunt duidelijk te maken en mensen ervan te overtuigen hun steun te
betuigen en mee te doen met de protesten. Daarbij was de aanpak van alle
tegenstanders hetzelfde: een eigen website gecombineerd met groepen op
Facebook en Hyves en een twitteraccount. Op de eigen websites kon men
meestal een petitie ondertekenen en op allerlei verschillende manieren de
actie ondersteunen.
   De voorstanders hadden ook een eigen website met ook daar verwijzin­
gen naar groepen op Hyves en op Facebook, maar dat waren de ‘standaard­
groepen’ van de jongerenorganisaties zelf.
   Het online debat vond vooral plaats op de prikborden van de Hyves- en
Facebookgroepen en op een enkel blog. De rol van de traditionele media
bleef in deze casus beperkt tot feitelijke berichtgeving over de studenten­
demonstratie van 21 mei en enkele kleinere demonstraties in aanloop naar
deze bijeenkomst op het Museumplein. Commentaren en analyses bleven
   122 De nieuwe regels van het spel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 123 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 124 ======================================================================

<pre>uit. Dagblad De Pers had wel aandacht voor de geringe actiebereidheid onder
studenten.
Theoretische duiding
We zien dat de sites op internet vooral waren gericht op actiemobilisatie.
Hierbij gebruikten voor- en tegenstanders dezelfde tactieken, met dat ver­
schil dat de tegenstanders meer actiegericht waren.
   Daarnaast zien we dat er in de laatste maanden een derde frame werd
toegevoegd aan de discussie. De voorstanders van een sociaal leenstelsel
gebruiken al jaren als belangrijkste argument dat de bakker en de slager
niet hoeven te investeren in de toekomstige topinkomens van studenten.
Tegenstanders zetten daar tegenover dat met een sociaal leenstelsel de
drempel om te gaan studeren wordt verhoogd. De afgelopen maanden is
daar het frame bijgekomen dat een sociaal leenstelsel betekent dat de lasten
van de economische crisis worden doorgeschoven naar een generatie die er
niets aan kan doen. Dit argument is waarschijnlijk door de sp geframed bij
het presenteren van haar actiewebsite begin maart.
   In deze discussie is meer een sleutelrol weggelegd voor organisaties
dan voor personen. De lsvb en het iso wisselen ieder jaar van bestuur en
daarmee wisselt ook ieder jaar de woordvoerder over dit onderwerp. Wel
hebben deze organisaties, net als de politieke jongerenorganisaties, gemak­
kelijker toegang tot journalisten van traditionele media dan individuele
actievoerders, omdat de kennis in de organisatie over actiestrategieën en
perscontacten doorgaans behouden blijft. Individuen en/of nieuwe protest­
groepen krijgen daardoor weinig kans om de debatarena te betreden. Een
klein aantal mensen praat echter op meerdere plaatsen mee en lijkt actief te
zijn geworden, omdat dit onderwerp hen aan het hart gaat.
   Lieke Smits is in de campagneperiode bestuurslid van Rood, de jonge­
renorganisatie van de sp. Zij was ook kandidaat-raadslid voor de gemeente
Delft. Uit wat er online over haar te vinden is, blijkt dat zij zich al geruime
tijd inzet voor de belangen van studenten, variërend van studentenhuis­
vesting tot de kwaliteit van het onderwijs en studiefinanciering. Het is niet
verbazingwekkend dat zij tegenstander is van een sociaal leenstelsel.
   Ook Chandar van der Zande kwamen we op bijna alle relevante fora
tegen. Van der Zande was voorzitter en medeoprichter van het Platform
Hoger Onderwijs Heeft Prioriteit. Nu heeft hij de overstap gemaakt naar
het Actiecomité sos. In bijna elke discussie over dit onderwerp heeft hij
                                                                   Bijlage 1 123
</pre>

====================================================================== Einde pagina 124 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 125 ======================================================================

<pre>een reactie achtergelaten: van discussies op de Facebookgroep van de sp
tot het wat meer corporale soggen.nl. Het actiecomité sos behoort tot de
tegenstanders van een sociaal leenstelsel. In de discussie laat Van der Zande
met argumenten horen waarom hij vindt dat de studiefinanciering in de
huidige vorm moet blijven.
    Bas Jacobs, hoogleraar economie in Rotterdam, pleit al tien jaar voor een
sociaal leenstelsel. Daarmee loopt hij al wat langer mee in deze discussie.
De vvd, PvdA, D66 en in mindere mate GroenLinks hebben zijn voorstellen
in enigerlei vorm overgenomen in hun verkiezingsprogramma. Op zijn
eigen blog schreef hij in de aanloop naar de verkiezingen over de studie­
financiering en zijn voorkeur voor een sociaal leenstelsel (Jacobs 2010) en
als opiniemaker lees en hoor je hem regelmatig in de traditionele media
(als ex-columnist van opinieblad De Groene Amsterdammer, in gastoptredens
in actualiteitenrubrieken op radio en tv, als deelnemer aan discussies op
nrc.nl en als publicist voor de opiniepagina’s van landelijke kranten).
    Naast deze drie sleutelfiguren hebben Jasper van Dijk (Kamerlid sp) en
Marja van Bijsterveldt (cda, toenmalig staatssecretaris ocw) zich publieke­
lijk uitgesproken voor behoud van de studiefinanciering. Van Bijsterveldt
was ook een van de sprekers bij de studentendemonstratie op 21 mei. Haar
pleidooi werd daar echter niet geloofwaardig gevonden, omdat het cda wel
in haar verkiezingsprogramma heeft staan dat ‘trage’ studenten een hoger
collegegeld moeten gaan betalen.
Conclusie
Ondanks de inzet van relatief nieuwe mediavormen, zoals actiewebsites en
actiepagina’s op sociale netwerken, heeft het debat over de invoering van
een sociaal leenstelsel zich vooral beperkt tot een beperkte groep studenten
en scholieren en de jongerenorganisaties van politieke partijen. Dit terwijl
de tegenstand relatief beperkt was en minder grof geschut heeft ingezet.
Uiteindelijk bleek het thema niet interessant genoeg voor traditionele
media om over te berichten of voor andere groepen in de samenleving om
het op te pakken. De huidige economische omstandigheden (het nationale
humeur) is de studenten mogelijk niet gunstig gezind. De heersende opinie
bij het grote publiek is wellicht dat ook van deze groep een (financiële) bij­
drage mag worden verwacht.
    Ook kan worden gesteld dat het de tegenstanders niet is gelukt om een
geschikt frame te vinden dat andere doelgroepen bij het thema betrok
    124 De nieuwe regels van het spel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 125 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 126 ======================================================================

<pre>waardoor het sociaal leenstelsel onderwerp kon worden van een breder
debat, iets wat bij de 1040-urennorm wel is gelukt. Daar werd het frame
‘ophokplicht’ met succes gekoppeld aan het frame ‘beroepseer’ van docen­
ten. Een succesvolle koppeling, omdat het onderwijsbeleid in die tijd al
werd bekritiseerd.
5.3 Case: hypotheekrenteaftrek
Historie
De hypotheekrenteaftrek is een belastingmaatregel die is ingesteld in 1893.
Dankzij de liberale minister van Financiën Nicolaas Pierson werd in dat
jaar de eerste inkomstenbelasting in Nederland van kracht. Voortaan moest
iedere Nederlander belasting betalen over het inkomen dat hij verdiende,
inclusief de eventuele eigen woning. De kosten die de belastingbetaler
moest maken om zijn inkomsten te verwerven, waaronder de hypotheek­
rente, mochten van het belastbare inkomen worden afgetrokken. Dat deze
maatregel het eigen woningbezit stimuleert, was bij de invoering ervan
geen overweging. Dat argument kwam pas na 1945 in zwang en wordt tot
op de dag van vandaag ingebracht tegen voorstanders van afschaffing of
uitfasering van de maatregel.
   Hoewel de discussie over de hypotheekrenteaftrek rond iedere verkie­
zing de kop opsteekt en er in de afgelopen decennia al behoorlijk aan de
maatregel is gesleuteld, durfde tot voor kort geen enkele politieke partij
haar vingers te branden door voor volledige afschaffing ervan te pleiten, al
dan niet op termijn. Vanuit de samenleving zijn er de afgelopen decennia
eveneens vrijwel geen signalen gekomen dat een (grote) groep burgers de
tijd rijp vond voor gefaseerde afschaffing.
   Twee ontwikkelingen hebben eraan bijgedragen dat het thema in 2010
tijdens de verkiezingscampagne opeens wel prominent op de politieke
agenda stond. De eerste is dat onder andere de politiek en deskundigen
het erover eens werden dat de woningmarkt niet meer naar behoren func­
tioneert: de prijs van woningen zou niet meer in verhouding staan tot de
kwaliteit ervan en de hoge prijzen van huizen belemmeren de doorstroom
van starters.
   De tweede ontwikkeling is de huidige economische crisis en de bezui­
nigingsopgave die een van de directe gevolgen hiervan is. Verschillende
                                                               Bijlage 1 125
</pre>

====================================================================== Einde pagina 126 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 127 ======================================================================

<pre>politieke partijen hebben zich als gevolg van deze bezuinigingsopgave op
het standpunt gesteld dat er minimaal gekeken moet worden naar de moge­
lijkheden om te bezuinigen op de hypotheekrenteaftrek. Andere politieke
partijen hebben ‘morrelen’ aan de hypotheekrenteaftrek echter tot taboe­
onderwerp en tot een breekpunt bij coalitieonderhandelingen verklaard.
Online plekken
Wat allereerst opvalt bij het thema hypotheekrenteaftrek, is dat er online
nagenoeg geen centrale, vanzelfsprekende plekken zijn waar het algemene
publiek over de hypotheekrenteaftrek discussieert. De online discussie is
gefragmenteerd en beperkt zich tot reacties op artikelen die worden gepu­
bliceerd op de websites van traditionele media. Dit terwijl het thema toch
een prominente rol heeft gespeeld in de afgelopen verkiezingscampagne,
in het debat tussen politici en in de traditionele media (zie de resultaten in
hoofdstuk 4). Een mogelijke verklaring is dat politieke partijen en belan­
genorganisaties zelf ook in het duister tasten over het draagvlak voor hun
standpunten bij de burger en het (nog) niet aandurven om burgers voor
dit thema te mobiliseren. Het blijft echter de vraag waarom er ook weinig
sprake is van gerichte bottom-up inmenging door bezorgde burgers met
behulp van internet.
    Wel zijn er relevante weblogs en fora waar professionals en wetenschap­
pers met kennis van de huizenmarkt, hypotheekrente en economie elkaar
treffen en met elkaar in debat gaan. Opvallend is dat veel van deze plekken
– en deelnemers aan de discussies – een specifiek belang hebben. Zij zijn
bijvoorbeeld vertegenwoordiger van een brancheorganisatie, expert op het
gebied van hypotheken of makelaar.
De ontwikkeling van de casus
Het publieke en politieke debat over de hypotheekrenteaftrek startte
met een uitzending van Buitenhof op 21 maart 2010, waarin Buitenweg
(GroenLinks) en Backer (D66) spraken over hun plannen met de hypo­
theekrenteaftrek. Beide partijen zijn het erover eens dat de maatregel
aanpassing vergt. Op dat moment werd al duidelijk dat het onderwerp een
belangrijk thema zou worden in de naderende verkiezingscampagne. Twee
dagen na de Buitenhof-uitzending verklaarde de Vereniging Eigen Huis
(veh) dat de discussie over afschaffing van de hypotheekrenteaftrek op het
slechtst denkbare moment kwam. Ook kondigde de veh aan haar leden te
    126 De nieuwe regels van het spel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 127 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 128 ======================================================================

<pre>raadplegen in een online enquête. In de week die aan de verklaring van
de veh voorafging, hebben alle politieke partijen zich uitgesproken over
hun standpunt over de hypotheekrenteaftrek. Onder andere cda, pvv en
vvd zeiden niet aan de maatregel te willen tornen; de linkerkant van het
politieke spectrum wilde daarentegen de maatregel op termijn beperken of
afschaffen.
   Tegelijkertijd verschenen er in de traditionele media veel experts die
ingingen op de voors en tegens van afschaffing. Hoewel weinig experts het
standpunt innamen dat de politiek de hypotheekrenteaftrek ongemoeid
moet laten, waren ze het er ook nagenoeg over eens dat acute afschaffing
ongewenste effecten zou hebben en de aanpassingen van de hypotheekren­
teaftrek gekoppeld moet worden aan andere maatregelen die ingrijpen in
de woningmarkt.
   Uit een onderzoek van de actualiteitenrubriek EenVandaag van 23 maart
bleek tevens dat een meerderheid van de huizenbezitters, ook onder cda en
vvd-stemmers, vóór het aanpakken van de hypotheekrenteaftrek was. Een
onderzoek van tns nipo in opdracht van de Volkskrant in dezelfde week gaf
een vergelijkbaar beeld. Zelfs de resultaten van het onderzoek van de veh,
die eind mei bekend werden gemaakt, lieten zien dat huizenbezitters niet
afwijzend staan tegenover aanpassing van de regeling.
   In de kwantitatieve analyse van de deze casus werd al duidelijk dat het
aantal artikelen over de hypotheekrenteaftrek weliswaar beperkt was,
maar dat het debat door lezers wel degelijk werd gevoerd. Het aantal reac­
ties op de artikelen was immers zeer groot gedurende een langere periode.
Ook op vele andere plekken online gingen lezers de discussie aan of stelden
vragen. Uit het onderzoek van de veh bleek dan ook dat een groot deel van
de kiezers de hypotheekrenteaftrek meenam in hun afweging bij het stem­
men.
   In de maand april bleven vooral de traditionele media aandacht besteden
aan het thema. De standpunten van alle partijen werden becommentari­
eerd en hun partijprogramma’s geanalyseerd. Experts kregen ruim baan
om hun mening te geven over de financiële effecten van de verschillende
plannen. In het begin van de maand mei zakte de aandacht even weg, maar
daar kwam verandering in op het moment dat Balkenende eind mei de
hypotheekrenteaftrek tot breekpunt verklaarde en hij Rutte opriep hetzelf­
de te doen (wat Rutte overigens weigerde). In de media werd deze actie van
Balkenende hevig becommentarieerd door politiek analisten (‘zeer risico­
                                                               Bijlage 1 127
</pre>

====================================================================== Einde pagina 128 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 129 ======================================================================

<pre> vol’) en economen (‘onverstandig’). Online was er een grote piek zichtbaar
 in het aantal reacties van lezers.
 Theoretische duiding
 Gedeeltelijke afschaffing van de hypotheekrenteaftrek – iets waar cda
 en vvd niet aan willen – levert een behoorlijk bedrag op in tijden van
 bezuinigingen en ligt bij een meerderheid van de Nederlandse bevolking
 niet erg gevoelig. Het nationale humeur was de voorstanders van het aan­
 pakken van de hypotheekrenteaftrek gunstig gezind. Die voorstanders –
 GroenLinks, PvdA en sp – hebben echter verzuimd het thema naar zich toe
 te trekken. Dat is opmerkelijk, aangezien de voorstanders het debat enta­
 meerden en ze de publieke opinie grotendeels mee hadden.
     Het publieke debat over de hypotheekrenteaftrek is in de verkiezings­
campagne blijven hangen in de zoektocht naar consensus, terwijl deze
onder experts en burgers al lang was bereikt. Wat de linkse partijen, of
andere voorstanders van aanpassing, hebben nagelaten, is de consensus
om te buigen in daadwerkelijke actie. Er zijn vrijwel geen pogingen onder­
nomen om de voordelen van gedeeltelijke afschaffing op korte termijn –
minder bezuinigen op andere posten bijvoorbeeld – onder de aandacht te
brengen.
     Wellicht onbewust is het frame dat tegenstanders van afschaffing
gebruikten – afschaffing leidt nu tot onrust en wantrouwen in de woning­
markt en op langere termijn tot een daling van de huizenprijzen – niet
­vervangen door een frame dat een positieve uitwerking had voor voor­
 standers van afschaffing. Het enige triggering event was afkomstig van
 Balkenende, toen hij de hypotheekrenteaftrek tot breekpunt verklaarde.
 Het heeft hem uiteindelijk niet opgeleverd wat hij er waarschijnlijk mee
 voor ogen had, namelijk kiezers bij de vvd weghalen door te impliceren dat
 de hypotheekrenteaftrek bij het cda in veilige(re) handen is.
 Conclusie
 De discussie over de hypotheekrenteaftrek is uitgebreid gevoerd binnen
 de overheid, de media en de civil society. Wat daarbij echter opvalt, is dat
 er amper sprake leek te zijn van een verbinding tussen de verschillende
 arena’s, vooral tussen de overheid en burgers. Hoewel burgers aangaven in
 meerderheid vóór het aanpakken van de hypotheekrenteaftrek te zijn, bleef
 de rechterzijde van het politieke spectrum tegen. Tegelijkertijd lukte het de
     128 De nieuwe regels van het spel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 129 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 130 ======================================================================

<pre>politieke voorstanders van aanpassing niet om de publieke opinie volledig
achter zich te krijgen. Het ontbrak de voorstanders zogezegd aan doorslag­
gevende triggering events of aantrekkelijke frames om de potentiële winst in
het debat binnen te halen.
5.4 Case: ontwikkelingssamenwerking
Historie
Ontwikkelingssamenwerking vormt al decennialang een vast en princi­
pieel onderdeel in de begroting van de Nederlandse overheid. Doorgaans
wordt rond de 0,8% van het bnp gereserveerd voor uitgaven voor ontwik­
kelingssamenwerking. De verdeling van dat geld vindt plaats via drie kana­
len. De Nederlandse overheid investeert in projecten via haar ambassades
(bilateraal). Een ander deel van haar investeringen verloopt via multinatio­
nale organisaties als de Verenigde Naties en de Wereldbank (multilateraal).
Een derde deel wordt uitgezet via het zogeheten Medefinancieringsstelsel
(mfs) (civilateraal). Daarbinnen ontvangen niet-gouvernementele organi­
saties (ngo’s), zoals OxfamNovib, icco en Cordaid, geld voor de duur van
vijf jaar.
   De afgelopen jaren is de discussie over nut en noodzaak van ontwik­
kelingssamenwerking in het algemeen gegroeid. Politiek rechts uit steeds
meer kritiek op deze ‘linkse hobby’ en wenst een andere manier van beste­
ding, verdeling, vermindering of zelfs afschaffing van deze uitgaven. Ook
internationaal wordt een stevige discussie gevoerd over nut en noodzaak,
niet zelden in ontvangende landen zelf. Ontwikkelingshulp zou indivi­
duen passief maken en zou langdurige afhankelijkheden scheppen. De
meest prominente bepleiter van deze kritiek is Dambisa Moyo, een van de
belangrijkste criticasters van de huidige westerse ontwikkelingshulp en
afkomstig uit Zambia. Zij stelt dat er ondanks 70 jaar ontwikkelingssamen­
werking in grote delen van de derde wereld geen merkbare verbeteringen
zijn opgetreden (Moyo 2009).
   Toenmalig minister Koenders van Ontwikkelingssamenwerking
wendde deze kritiek aan om ontwikkelingssamenwerking te modernise­
ren. Hij pleitte onder meer voor meer samenwerking tussen organisaties,
meer focus (thematisch en op landen gericht) en meer transparantie (waar
gaat het geld naartoe en wat levert dat op?). De Nederlandse regering is dan
                                                               Bijlage 1 129
</pre>

====================================================================== Einde pagina 130 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 131 ======================================================================

<pre>ook actief betrokken bij het realiseren van de Millenniumdoelen en inter­
nationale ambities op het vlak van transparantie (akkoorden van Accra) en
dwingt ngo’s tot meer samenwerking binnen het mfs.
Online plekken
Het online debat over ontwikkelingssamenwerking kent geen duidelijk
centrum. Er zijn verschillende websites waarop zo nu en dan discussies
ontstaan naar aanleiding van actuele gebeurtenissen. De meeste discus­
sies over ontwikkelingssamenwerking vinden plaats in de beslotenheid
van een groep betrokkenen in een doorgaans fysieke setting. Daarvan zijn
meestal wel verslagen beschikbaar, maar daarop wordt niet of slechts in
beperkte mate gereageerd. Op Hyves en LinkedIn ontbreken actieve groe­
pen gericht op ontwikkelingssamenwerking. De meeste ngo’s plaatsen
op hun eigen website nieuws over ontwikkelingssamenwerking, veelal
gekoppeld aan eigen projecten. Een aantal websites bieden exclusief actuele
generieke informatie en beperkte mogelijkheden voor debat over ontwik­
kelingssamenwerking: ncdo.nl, oneworld.nl, viceversa.nl, upaid.nl, cossen.
nl, politiek2015.nl (van ncdo), isonline.nl (van BuZa), 1komma4miljard.nl
en lokaalmondiaal.net.
De ontwikkeling van de case
In 2010 deden zich ontwikkelingen voor die van invloed waren op de aan­
dacht die ontwikkelingssamenwerking kreeg. Zo verscheen in januari 2010
een stevig advies van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid
(wrr) (Minder Pretentie, meer ambitie) over de toekomst van ontwikkelings­
samenwerking, gevolgd door een reactie in de vorm van een toespraak van
de minister van Buitenlandse Zaken Bert Koenders. 4 Daarnaast zorgde
de eerste ronde voor de nieuwe mfs (waarin o.a. veel meer eisen werden
gesteld aan samenwerking) voor de nodige onrust bij organisaties voor
ontwikkelingssamenwerking. In de berichtgeving over ontwikkelings­
samenwerking in de onderzoeksperiode werd ten slotte veelvuldig gere­
fereerd aan het kritische boek De prijs van een slecht geweten van Arend Jan
Boekestijn (2009), ex-kamerlid voor de vvd. Zijn boek en de aansluitende
serie debatten zorgden in de periode december 2009 en januari 2010 voor de
nodige reuring over nut en noodzaak van ontwikkelingssamenwerking.
   Het verschijnen van het wrr-rapport functioneerde in de praktijk
als een soort verankering van de pittige en vaak ook emotionele en zeer
   130 De nieuwe regels van het spel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 131 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 132 ======================================================================

<pre>­ rincipiële discussies over ontwikkelingssamenwerking. De wrr bood een
p
gedegen afweging gebaseerd op wetenschappelijke literatuur, internatio­
nale beleidsontwikkelingen en evaluaties van vele programma’s en projec­
ten van Nederlandse organisaties voor ontwikkelingssamenwerking. Het
debat leek daarmee vóór de start van de verkiezingscampagne in grote mate
al gevoerd te zijn.
Theoretische duiding
In deze cases komt een aantal belangrijke triggering events naar voren die
zeer bepalend waren voor de manier waarop over het onderwerp werd
gesproken. De drie kwamen hierboven al aan bod: het verschijnen van het
boek van Arend Jan Boekestijn, het wrr-rapport en de eerste ronde van mfs
ii. Het eerste triggering event zette de discussie meteen op scherp. Het was
een directe poging van een politicus om een beargumenteerde basis te bie­
den voor een zeer kritische houding tegenover het Nederlandse ontwikke­
lingssamenwerkingsbeleid van de afgelopen decennia. Tegelijkertijd bood
het suggesties voor een alternatief. Het boek is een politiek-ideologisch
gekleurd betoog voor een andere koers. De persoon van de schrijver was
omstreden in de sector, waardoor naar aanleiding van zijn boek de nodige
tegengeluiden klonken. Het wrr-rapport dat een paar maanden later
verscheen (2010), bood een op een wetenschappelijke analyse gebaseerd
advies voor wijziging van het Nederlandse beleid. Minister Koenders heeft
in zijn reactie op het rapport5 dan ook een groot aantal van de suggesties
aangemerkt als waardevol en opvolgenswaardig. Koenders gaf ook aan in
grote lijnen het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid al te moderniseren
in de richting die de wrr voorstelde. Het derde triggering event, de eerste
ronde van mfs ii, omvatte in feite de eerste concretisering van dat nieuwe
beleid. Organisaties voor ontwikkelinggsamenwerking moesten al veel
meer werk maken van samenwerking, een van de belangrijkere punten uit
het boek van Boekestijn en de wrr. De mfs ii vormde in feite een illustratie
van het nieuwe ontwikkelingssamenwerkingsbeleid. Het feit dat daardoor
enkele organisaties buiten de boot dreigen te vallen voor subsidie vanuit
het ministerie van Buitenlandse Zaken, zorgde in de lente van 2010 voor
onbegrip.
    Opvallend in deze casus was dat er, ondanks de felle kritiek op het
boek van Boekestijn (vvd), geen noemenswaardig collectieve reactie
kwam. Ondanks de tamelijk principiële discussies over de toekomst van
                                                                 Bijlage 1 131
</pre>

====================================================================== Einde pagina 132 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 133 ======================================================================

<pre>­ ntwikkelingssamenwerking (en mogelijke bezuinigingen op de uitgaven)
o
ontstond er geen spontaan initiatief vanuit de samenleving, noch vanuit
betrokken organisaties voor ontwikkelingssamenwerking die zich uitspra­
ken voor behoud van de 0,8%-norm. Er ontstonden geen manifesten, geen
petities en geen manifestaties waarin een appel werd gedaan op de morele
plicht om te blijven investeren in ontwikkelingsamenwerking. Die oproe­
pen waren er wel, maar ze waren vooral afkomstig van losse organisaties
voor ontwikkelingssamenwerking. Wellicht een duidelijke onderstreping
van het ontbreken van voldoende samenwerking binnen de sector.
   Rondom het thema waren twee dominante frames te onderscheiden.
Enerzijds groeide een stevig frame waarin ontwikkelingssamenwerking
werd afgeschilderd als een nutteloze ‘linkse hobby’ waar direct mee moest
worden gestopt. Voorstanders probeerden dat frame te deframen door
te argumenteren dat de resultaten van ontwikkelingssamenwerking nu
eenmaal zeer lastig te zijn aan te tonen. Daaruit werd geconcludeerd dat je
daarom niet zomaar kunt stellen dat het zinloos is. Aanvullend werd de dis­
cussie over nut en noodzaak gereframed door een sterk beroep op de morele
verplichting om mensen in nood wereldwijd te helpen. De belangrijkste
websites waarop dit gebeurde, waren joop.nl en depers.nl. Aanvullend werd
een groot deel van dit debat door professionals uit het veld gevoerd tijdens
een groot aantal fysieke bijeenkomsten. De argumentatie van de wrr bood
in die discussies de meest pragmatische ‘oplossing’ in het midden: ontwik­
kelingssamenwerking is een morele verplichting, maar we moeten ontwik­
kelingssamenwerking met elkaar wel veel kritischer en op haar resultaten
durven te beoordelen.
Conclusie
De discussie over ontwikkelingssamenwerking werd vooral gevoerd door
politici, wetenschap en direct betrokkenen in het veld. De media en het
publiek speelden een veel kleinere rol. Het onderwerp werd door de politiek
(vvd) op de agenda gezet, werd verdedigd vanuit het veld (professionals)
en vond uiteindelijk vanuit de wetenschap (wrr) een gulden middenweg.
Desondanks bleef het onderwerp wel zijdelings terugkomen in de verschil­
lende verkiezingsdebatten op televisie. Daarin was verrassend genoeg
alleen de hoogte van het budget punt van discussie: afschaffen, halveren of
behouden zoals het is. De door de wrr en Boekestijn en het veld zelf beplei­
te noodzaak tot modernisering ontbrak als discussiepunt.
   132 De nieuwe regels van het spel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 133 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 134 ======================================================================

<pre>5.5 Case: duurzame veeteelt
Historie
De intensieve veehouderij kampt sinds de jaren tachtig in toenemende
mate met een imagoprobleem. Door de optimalisatie van het agrarisch
bedrijf zijn steeds minder mensen werkzaam als agrariër en raken steeds
grotere groepen van de sector vervreemd. Een andere oorzaak die heeft
bijgedragen aan het imagoprobleem is dat men dieren in de intensieve
veehouderij in de loop der tijd vooral is gaan zien als productiemiddel en
steeds minder als levend wezen.
   Door tegenstanders van de intensieve veehouderij wordt deze sector
dan ook vaak aangeduid als bio-industrie. De term bio-industrie is tegelijk
ontstaan met veel dierenrechtenorganisaties en dierwelzijnsorganisaties,
veelal in de jaren tachtig en negentig. Deze organisaties hebben in de strijd
tegen de bio-industrie al veel voor elkaar gekregen, zoals groepshuisves­
ting voor fokzeugen, de afschaffing van de legbatterij en het kistkalf in
2012, en verbetering van de transportomstandigheden voor dieren.
   De gebrekkige aandacht voor het dierenwelzijn wordt door agrari­
ërs nog vaak verdedigd met economische en wettelijke argumenten. De
Nederlandse overheid en de Europese Unie voeren echter in toenemende
mate een beleid om het welzijn van dieren in de intensieve veehouderij te
verbeteren en een duurzame manier van veeteelt te stimuleren. Burgers
en consumenten staan ook steeds kritischer ten opzichte van de intensieve
veehouderij, iets wat duidelijk naar voren kwam in de discussies over de
‘megastallen’ in Noord-Brabant en in de case die we in deze paragraaf ver­
der uitwerken: het manifest voor een duurzame veeteelt, dat bij publicatie
door ruim 100 hoogleraren werd ondertekend en op 28 april 2010 werd
gepubliceerd. Het initiatief voor het manifest is afkomstig van Roos Vonk,
hoogleraar Sociale Psychologie aan de Radboud Universiteit in Nijmegen en
voormalig voorzitter van Wakker Dier, en een aantal collega’s. Zij vinden
dat de noodzakelijke omslag in de sector te lang op zich laat wachten: ‘Het
Brabantse besluit [beperking van megastallen] illustreert de noodzaak van
verandering en is het begin van een omslag. Dat is hoopgevend in het licht
van de opmerkelijke stilstand in de afgelopen tien jaar.’ Voormalig Rabo-
topman Herman Wijffels adviseerde in 2001 immers al ingrijpende her­
structureringen door te voeren in de intensieve veehouderij.
                                                                Bijlage 1 133
</pre>

====================================================================== Einde pagina 134 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 135 ======================================================================

<pre>Hun oproep luidt dan ook: ‘Wij, wetenschappers uit uiteenlopende discipli­
nes, verbonden aan Nederlandse universiteiten als (emeritus) hoogleraar,
zijn van mening dat de intensieve veehouderij moet worden gesaneerd en
omgevormd tot een dier-, mens- en milieuvriendelijk systeem dat tege­
moetkomt aan de natuur en behoeftes van alle levende wezens. Wij denken
dat daartoe om te beginnen de plannen gerealiseerd moeten worden die
tien jaar geleden al werden geformuleerd door o.a. Wijffels en Brinkhorst.’
    Daaropvolgend formuleren zij tien algemene uitgangspunten die in hun
visie richtinggevend moeten zijn bij de hervorming van de sector.
    Tot het moment van publicatie werd er (online) wel geschreven en
­gediscussieerd over een duurzamere veehouderij, maar waren het vooral
 the usual suspects die veranderingen promootten (dierenwelzijnsorgani­
 saties, de Partij voor de Dieren) of op de rem gingen staan (land- en tuin­
bouworganisaties, het cda met minister Verburg van Landbouw, Natuur en
Voedselkwaliteit).
Online plekken
Het manifest werd op 28 april gepubliceerd in nrc Handelsblad. Alle
grote landelijke media besteedden op 28 april en de dagen erna aandacht
aan het initiatief. Naast het nrc onder andere de Volkskrant, Radio 1, bnr
Nieuwsradio, nova, het Reformatorisch Dagblad, het Agrarisch Dagblad,
Vroege Vogels en Buitenhof. Hier kwamen vooral de initiatiefnemers aan
het woord.
    Op het moment dat het manifest werd gepubliceerd, werd ook de website
duurzameveeteelt.nl gelanceerd. Op deze website konden sympathisan­
ten kenbaar maken dat ze het manifest van de hoogleraren steunden. In
twee maanden tijd hadden ruim 17.000 mensen, organisaties en bedrijven
online laten weten het manifest te steunen. Toch vielen er ook vrijwel met­
een tegengestelde geluiden te horen. Op foodlog.nl ontspon zich een grote
discussie en ook op de websites van dagbladen als het Agrarisch Dagblad en
het Reformatorisch Dagblad en op fora zoals melkquotum.startpagina.nl/
prikbord waren de eerste kritische geluiden te horen.
Ontwikkeling van de case
Na een vliegende start voor de initiatiefnemers, waarbij ze door vrijwel alle
landelijke media werden uitgenodigd om het initiatief toe te lichten, nam
de kritiek op het manifest en de hoogleraren toe. Die kritiek werd vooral
    134 De nieuwe regels van het spel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 135 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 136 ======================================================================

<pre>online geuit. Enigszins voorspelbaar was de kritiek uit de hoek van de
agrariërs. Zij verweten de hoogleraren ivorentorengedrag en stelden dat het
‘probleem’ te eenzijdig werd neergezet en vonden de voorgestelde oplossin­
gen te radicaal of niet realistisch.
    De grootste discussie ontstond echter op foodlog.nl, onder een artikel
van culinair journalist en programmamaker Wouter Klootwijk. Foodlog
is in hun eigen woorden ‘uitgegroeid tot een “hangplek” voor mensen die
hun kennis over eten met elkaar en het publiek willen delen. Journalistiek,
publicistisch en informatief. Scherp en met humor. Niemand hoeft te
aarzelen om te reageren, maar kom niet met onzin.’ In zijn artikel maakte
Klootwijk korte metten met het manifest en de ondertekenaars ervan.
    Zijn artikel leverde ruim 400, overwegend inhoudelijke, reacties op.
Hoewel de aantallen voor- en tegenstanders elkaar redelijk in evenwicht
hielden, riep het feit dat het manifest werd ondertekend door hoogleraren
die niet deskundig zijn op het gebied van veeteelt, bij velen vragen op.
Theoretische duiding
Het vanzelfsprekende gezag van wetenschappers is, onder andere door de
komst van de netwerksamenleving, geërodeerd. De argumenten van een
boer met praktijkervaring werden in deze discussie vaak net zo hoog aan­
geslagen als die van een hoogleraar met overwegend theoretische kennis
van de zaak.
    Wat echter ook duidelijk wordt in deze casus, is dat hoogleraren relatief
eenvoudig een podium krijgen of kunnen creëren om hun verhaal te hou­
den. Waar toch behoorlijk wat kritische geluiden vielen te beluisteren in
de reacties op weblogs, kwamen die uiteindelijk maar mondjesmaat naar
boven in de traditionele media. De belangrijkste actoren met kritiek op het
manifest, zoals Wouter Klootwijk, waren blijkbaar niet bij machte (of van
zins) om hun visie op het manifest bij het grote publiek onder de aandacht
te brengen en de schakelfunctie te vormen tussen datgene wat er online
werd gezegd en geschreven enerzijds en traditionele media als de krant,
televisie en radio anderzijds.
    Wat initiatiefneemster Roos Vonk waarschijnlijk goed heeft aange­
voeld, is dat burgers en consumenten zich zorgen maken om ziektes die
(­mogelijk) samenhangen met de intensieve veehouderij en er steeds meer
van overtuigd raken dat deze manier van vlees consumeren op de lange
termijn niet vol te houden is. Ook de aantasting van de leefomgeving door
                                                                Bijlage 1 135
</pre>

====================================================================== Einde pagina 136 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 137 ======================================================================

<pre>de intensieve veehouderij, bijvoorbeeld door de bouw van megastallen,
roept kritiek op.
    Het grote verschil tussen de voorstanders van het manifest en diegenen
die er bedenkingen bij hebben, kan worden teruggevoerd op het verschil
tussen actiemobilisatie en consensusmobilisatie. Het manifest heeft duide­
lijk tot doel om de politiek tot actie te bewegen. Het is dan ook primair aan
de politiek gericht. De steunbetuigingen zijn ingezet om het manifest van
extra gewicht te voorzien. Vonk stelt dan ook: ‘Als de politiek er niets mee
doet, maken we er gewoon een burgerinitiatief van. De 20.000 steunbe­
tuigingen die daarvoor nodig zijn, hebben we al bijna binnen aan reacties
via de site www.duurzameveeteelt.nl.’ Daarmee stelde ze eigenlijk dat ze
verwachtte dat het nationale humeur haar initiatief op dat moment gunstig
gezind was, met de discussie rondom de megastallen en de uitbraak van de
Q-koorts als triggering events nog vers in het geheugen van het publiek.
    De groep met bedenkingen tegen het manifest nam de inhoud van het
manifest zelf echter als uitgangspunt en bekritiseerde in de reacties de vali­
diteit van de argumenten en daarnaast de kennis en kunde van de betrok­
ken hoogleraren. Dat kan worden gezien als een poging om het frame van
de betrokken, slimme en oprecht bezorgde elite te ontkrachten. Het gebrek
aan toegang tot invloedrijke media zorgde er echter voor dat die boodschap
het grote publiek niet direct bereikte.
Conclusie
In deze case is duidelijk te zien dat toegang tot traditionele media in
het voordeel van een initiatiefnemer werkt zodra deze uit is op actie­
mobilisatie. Het is voor tegenstanders in dat geval zeer moeilijk om een
tegenbeweging op gang te krijgen, zeker als er onder tegenstanders nog
geen sprake is van consensus over het feit dat er een tegenactie moet
worden onder­nomen.
    De redenering gaat waarschijnlijk ook andersom op: traditionele media
hebben een voorkeur voor initiatieven en gebeurtenissen die een actie-ele­
ment in zich dragen. Activiteiten die gericht zijn op consensusmobilisatie,
halen niet de voorpagina van de krant en hebben daarom op korte termijn
weinig effect op het beeld dat burgers van een bepaald issue hebben.
    136 De nieuwe regels van het spel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 137 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 138 ======================================================================

<pre>5.6 Case: klimaat
Historie
Het klimaatdossier staat sinds de jaren zeventig op de maatschappelijke
agenda. Belangrijke aanleiding voor de verontrusting over klimaat vormde
het rapport De grenzen aan de groei van de Club van Rome (1972), waarin
– voor het eerst – een verband werd gelegd tussen economische groei en
de negatieve gevolgen hiervan voor het milieu. Inzichten uit de weten­
schappelijke wereld leidden in die tijd tot het opzetten van actiegroepen
in Nederland. Milieudefensie bijvoorbeeld is op 6 januari 1971 opgericht
als de Raad voor de Milieudefensie en nam in 1972 de huidige naam aan.
Ook Greenpeace zag in 1971 in Canada het levenslicht, allereerst onder de
naam Don’t Make a Wave Committee.
   Vanaf de jaren tachtig, toen de overheid de ideeën van de milieube­
weging steeds meer inkapselde in haar beleid, veranderde ook de maat­
schappelijke tegenbeweging. Het heeft ertoe geleid dat het milieu- en
klimaatdossier in de jaren negentig en in het begin van de eenentwintigste
eeuw door de grote meerderheid van de Nederlandse bevolking enerzijds
wordt gezien als een probleem waar iets aan moet gebeuren, maar ander­
zijds als een beleidsmatig issue. Maatschappelijke beroering is er niet of
nauwelijks.
   In het nieuwe decennium wordt de milieuproblematiek weer
uiterst actueel. In 2006 bracht Al Gore An Inconvenient Truth uit. In deze
Amerikaanse documentairefilm over de opwarming van de aarde stelt
Al Gore, voormalig vicepresident van de Verenigde Staten, dat het klimaat
door menselijk toedoen sterk aan het veranderen is. Met mogelijk dramati­
sche gevolgen.
   De opvatting dat de opwarming van de aarde plaatsvindt door menselijk
toedoen, wordt echter steeds vaker publiekelijk aangevochten. Zo presen­
teerden de ‘klimaatsceptici’ in maart 2007 een tegendocumentaire onder
de naam The Great Global Warming Swindle, die een groot aantal wetenschap­
pelijke inzichten over de opwarming van de aarde ter discussie stelt. In
2009 ontstond de nodige reuring rond slordigheden in een rapport van het
Intergovernmental Panel on Climat Change (ipcc), het klimaatpanel van de
Verenigde Naties.
   In online en offline media werd een felle campagne gevoerd, waarbij de
vragen over de toestand van het klimaat scherp werden neergezet en uitver­
                                                                Bijlage 1 137
</pre>

====================================================================== Einde pagina 138 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 139 ======================================================================

<pre> groot. Dat had effect: in mei 2010 stelde onderzoeksbureau tns nipo vast dat:
 – 52% van de bevolking wil dat Nederland in Europa vooroploopt bij het
 terugdringen van de co2-uitstoot (dit bleek uit een peiling van tns nipo in
 opdracht van de Volkskrant).
 – slechts 22% bereid is boter bij de vis te doen en andere doelen onderge­
 schikt wil maken aan co2-reductie.
 Online plekken
 Begin 2010 ontstond er op internet steeds meer discussie over het klimaat.
 In de eerste week van februari was er brede aandacht voor in de media. Op
 online plekken als telegraaf.nl, elsevier.nl (onder meer in de column van
 Simon Roozendaal), volkskrant.nl, nujij.nl en andere werd breeduit gedis­
 cussieerd over de status van het ipcc, de opmerkingen van toenmalig minis­
 ter Cramer van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en
 de gevolgen voor de te nemen klimaatmaatregelen. Ook op Twitter werd veel
 gediscussieerd. In de tweets was er afwisselend felle stellingname vóór dan
 wel felle stellingname tegen het ipcc-rapport.
 Landelijke media
 Er bestaat duidelijk een wisselwerking tussen online en offline media. Naar
 aanleiding van een opinieartikel van Wouter van Dieren, Jan Paul van Soest
 en Eric-Jan Tuininga in de papieren nrc Handelsblad (Van Dieren et al. 2010)
werd er online doorgediscussieerd. Het leverde bijna 50 reacties op de web­
site van nrc op. De reacties waren genuanceerd en uitvoerig onderbouwd,
maar er was kritiek op de verdedigende toon die de auteurs bezigden. Ook
op de site telegraaf.nl werd fors gereageerd; daar was het merendeel van de
reacties negatief van aard.
    De foutjes in het klimaatrapport van het ipcc leverden gedurende de
maanden februari en maart felle online reacties op. Vooral tegenstanders
van de opwarmingsthese lieten van zich horen. Opvallend daarbij is dat
een aantal spelers elkaar zeer effectief de bal toespeelde. Het gaat dan om
­elsevier.nl, telegraaf.nl, climategate.nl en dagelijksestandaard.nl.
 Ontwikkeling van de case
 Opvallend is echter ook dat er feitelijk maar een klein aantal actoren actief
 was. De belangrijkste zijn Simon Roozendaal (elsevier.nl), Rypke Zeilmaker,
    138 De nieuwe regels van het spel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 139 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 140 ======================================================================

<pre>Hajo Smit (beiden climategate.nl), Hans Labohm (dagelijksestandaard.nl) en
een tweetal journalisten van telegraaf.nl. Andere actoren – wat meer aan de
zijlijn – zijn Paul Luttikhuis (nrc.nl), en een enkele journalist op volkskrant.nl
en trouw.nl. Feitelijk spelen zes – samenhangende – thema’s een rol: draaide
Jones nu wel, of toch niet? (thema 1); mogen wetenschappers (dus ook ipcc)
fouten maken? (thema 2); beoordeling van oud-minister Cramer, beoorde­
ling van minister Huizinga (Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer), de rol van het openbaar bestuur (thema 3); de invalshoek(en) in
de klimaatkritische media (die al dan niet onderbelicht blijven), de status van
het ipcc (thema 5); en de rol van de ­massamedia in het klimaatdebat (thema 6).
   Het zijn de klimaatsceptici die elkaar effectief de bal toespeelden: online
verwezen ze voortdurend naar elkaars stukken en blogs. Dat zorgde er bij­
voorbeeld voor dat de sceptici hoog in de Google-rankings verschenen. En op
enkele momenten constateerde De Telegraaf dat er online veel ‘gedoe’ is rond
klimaat. Dat daarbij zeer aan ‘kringverwijzing’ werd gedaan, werd niet ver­
meld.
   De status van de wetenschappelijke wereld en de overheid was in het
geding. Op trouw.nl werd –neutraal – gemeld dat Robbert Dijkgraaf (presi­
dent van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen) zich
over de klimaatrapportage zou buigen. Op andere plekken werd wel stelling
genomen. De klimaatsceptici verweten vooral de wetenschappelijke wereld
ivorentorengedrag, vonden dat het ‘probleem’ te eenzijdig werd belicht en
beoordeelden de voorgestelde oplossingen als te radicaal of niet realistisch.
Zo besteedde ook climategate.nl aandacht aan de commissie-Dijkgraaf.
Vooral op telegraaf.nl zijn veel reacties te vinden van enkele honderden boze
Nederlanders die alles wat naar overheid, kabinet, wetenschap of maatschap­
pijkritische organisatie riekt met de spreekwoordelijke grond gelijk wilden
maken.
   Tot slot: opvallend is in deze case hoe online en offline media elkaar
ver­sterken. Toen pvv-kamerlid en klimaatscepticus Richard de Mos in de
Volkskrant een opiniestuk mocht schrijven,6 leverde dat online een geweldige
golf aan reacties op. De insteek van het artikel was dat het demissionaire kabi­
net ervoor moet zorgen dat de ‘alarmisten’ zich rustig moeten houden. Op het
artikel werd in de loop van één week 340 keer gereageerd.
Theoretische duiding
Ook in deze case is duidelijk dat het vanzelfsprekende gezag van wetenschap­
                                                                 Bijlage 1 139
</pre>

====================================================================== Einde pagina 140 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 141 ======================================================================

<pre>pers, onder andere door de komst van de netwerksamenleving, is geëro­
deerd. De twijfel aan de kennis, expertise en onafhankelijkheid van de
wetenschap haalde meteen het belangrijkste argument onderuit van de
groep die gelooft in de menselijke invloed op de klimaatverandering. Het
belangrijkste (en enige) frame van deze groep – ‘Er moet nu actie worden
ondernomen, willen we de volgende generaties niet opzadelen met onoplos­
bare problemen’ – bestaat namelijk bij de gratie van wetenschappelijke ken­
nis. Als deze kennis in twijfel wordt getrokken, heeft dat immers directe
negatieve consequenties voor de toepasbaarheid van het frame.
    Al vrij snel in de discussie rond de betrouwbaarheid van de onder­
zoeken van het ipcc werd het voorstel gedaan om het Planbureau voor de
Leefomgeving contraonderzoek te laten doen (naar de betrouwbaarheid
van het Nederlandse deel van het ipcc-rapport). Dat leidde tot boze reacties.
    Daar waar in andere casussen voor wetenschappers de toegang tot de
(landelijke) media relatief eenvoudig is, maakt deze casus duidelijk dat de
klimaatsceptici hun eigen online podia uitkiezen en niet of nauwelijks
geïnteresseerd zijn in andermans mening. Op het moment dat minister
Cramer in De Wereld Draait Door aanschoof om tegengas aan de sceptici te
geven, gooide dat feitelijk alleen maar olie op het vuur.
    De schakelfunctie tussen datgene wat er online werd gezegd en geschre­
ven en traditionele media als de krant, televisie en radio is in deze casus
vooral verdeeld naar kamp. De klimaatsceptici hebben het ‘nationale
humeur’ vele malen beter ingeschat: in tijden van economische crisis is het
alloceren van grote budgetten voor toekomstige dreiging niet populair. Het
is al snel een ‘linkse hobby’ (effectief frame) van ‘vooringenomen weten­
schappers en linkse politici’.
Conclusie
In deze case is duidelijk te zien dat toegang tot traditionele media niet in
alle gevallen in het voordeel werkt van een partij, als de initiatiefnemer
vooral uit is op framing. Dan draait het vooral om veel medestanders
werven in eigen kring. Tegenstanders van klimaatsceptici worden door
deze wijze van framing in het defensief gedrukt: de voormalige communis
opinio wordt ter discussie gesteld en dát is het ‘nieuws van de dag’. Diederik
Samsom, milieuwoordvoerder in de Tweede Kamer voor de PvdA en over­
tuigd van menselijke invloed op de opwarming van de aarde, ging in de
talkshow van Pauw en Witteman in debat met scepticus Richard de Mos
    140 De nieuwe regels van het spel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 141 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 142 ======================================================================

<pre>over De Mos’ definitie van het klimaatprobleem. Samsom had in die discus­
sie iets uit te leggen; De Mos niet, hij was de ‘aanvaller’.
5.7 Samenvattend
Allereerst blijkt uit de analyses dat kleinere online omgevingen, zoals
Hyves, petitiesites, Facebookpagina’s, actiesites, weblogs en fora, individueel
zelden een doorslaggevende rol spelen in het publieke debat over een kwes­
tie. Het bereik van een Facebookpagina, een reactie of een artikel op een
weblog is daar simpelweg te beperkt voor. Het wordt echter interessant als
meerdere kleine online omgevingen met elkaar in contact komen en elkaar
op inhoud vinden, zoals het geval is bij de cases rekeningrijden en klimaat.
Verschillende frames kunnen binnen die omgevingen worden ‘getest’ en
aan elkaar worden gekoppeld en als voedingsbodem en argumentenbak
dienen voor volgende fases in het proces van publieke meningsvorming.
   Echter, niet in alle geanalyseerde cases is er sprake van invloed van
kleinere online omgevingen op de publieke meningsvorming. Zo zien we
dat het debat over de hypotheekrenteaftrek wordt gevoerd door de politiek
en de wetenschap, en dat over de studiefinanciering door de politiek en
intermediaire (jongeren)organisaties. Bij andere casussen speelt internet
eveneens amper een rol (hypotheekrenteaftrek) of slechts een rol als zend­
instrument voor eerder ingenomen standpunten en genomen beslissingen
(studiefinanciering). Het effect op consensus- en actiemobilisatie is in deze
cases minimaal.
   In iedere case zijn gatekeepers te identificeren die informatie uit de ene
arena met succes inbrengen in de andere arena. Arend Jan Boekestijn legde
als Tweede Kamerlid voor de vvd verbindingen tussen de overheidsarena,
de media-arena en de internetarena. Informatie van relatief kleine weblogs
van klimaatsceptici vond via elsevier.nl, telegraaf.nl en nrc.nl de weg naar
de traditionele media en de overheid. Charlie Aptroot zocht via internet
steun voor zijn standpunt over rekeningrijden en bracht die met succes in
de politieke arena in, waarna de anwb via een internetpeiling van grote
invloed was op het standpunt van minister Eurlings. Daaruit kan worden
geconcludeerd dat informatie van kleinere online omgevingen niet altijd
‘direct’ via grotere online omgevingen van invloed kan zijn op het verloop
van het publieke debat, maar dat die ook ‘indirect’ via gatekeepers uit de
overheidsarena en via de civil society een rol kan spelen.
                                                                 Bijlage 1 141
</pre>

====================================================================== Einde pagina 142 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 143 ======================================================================

<pre>Opvallend afwezig binnen grote én kleine online omgevingen zijn
vertegenwoordigers van de overheid (op enkele politici na). De overheid
heeft zich in geen enkele van de onderzochte cases actief gemengd in het
online debat. De overheid beperkt zich in alle gevallen tot het ‘neutraal’
aanbieden van informatie via overheidswebsites of het communiceren van
stand­punten, opvattingen en opinies via de politieke arena (direct) of via
traditionele media (indirect).
Noten
1 Naast ‘kilometerprijs’ circuleren allerlei andere termen:
   ‘kilometerheffing’, ‘rekeningrijden’, ‘kastje van Camiel’, ‘camillograaf ’,
   ‘Stasikastje’ enzovoort.
2 http://www.facebook.com/group.php?gid=282945228458
3 http://www.facebook.com/pages/Stufi-Moet-Blijven/120011031358377
4 http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/
   toespraken/2010/02/10/minder-pretentie-meer-ambitie.html
5 http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/
   toespraken/2010/02/10/minder-pretentie-meer-ambitie.html
6 http://opinie.volkskrant.nl/artikel/show/id/5244/Klimaatalarmisten,_
   kom_tot_rust!//page/8
   142 De nieuwe regels van het spel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 143 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 144 ======================================================================

<pre>6
Conclusies
Doel van het onderzoek is om inzicht te geven in de omvang van de publie­
ke discussies op internet en in de mechanismen die in dergelijke discus­
sies een rol spelen. De centrale vraag daarbij is hoe internet het proces van
publieke meningsvorming beïnvloedt. Vijf hypothesen waren leidraad voor
dit onderzoek. In dit hoofdstuk nemen we ze nogmaals onder de loep.
Hypothese 1
Netwerksamenleving
Actoren die zich online verenigen rondom actuele thema’s verenigen
(‘communities lite’), hebben steeds meer invloed op het proces van publieke
meningsvorming doordat zij internet steeds effectiever weten in te zetten.
In de online analyses die we voor dit onderzoek hebben uitgevoerd, zien
we dat er een continue stroom aan reacties is op het nieuws, maar dat
deze reacties niet altijd gericht zijn op het overtuigen van anderen met
een afwijkende mening. Vaak zijn de reacties doelloos en richtingloos.
Tegelijkertijd maakt de som van deze reacties wel duidelijk wat het vige­
rende nationale humeur is rondom het betreffende thema. Niet ieder thema
heeft de potentie om tot een nationaal issue uit te groeien. Bij de casussen
die in dit onderzoek zijn bestudeerd, zien we dat het pamflet van de hoogle­
raren aansloot bij het nationale humeur rond wetenschap. Deze collectieve
gemoedstoestand (het humeur) lijkt namelijk te zijn dat wetenschappers
zich in een ivoren toren bevinden en weinig tot geen oog hebben voor de
praktische kennis in de samenleving. Ook rond het thema klimaat deed het
er niet of nauwelijks toe dat de ‘tegenstanders’ geen aantoonbare kennis
van het betreffende onderwerp hadden.
    Via internet weten burgers zich snel en gemakkelijk te organiseren. De
casussen over ontwikkelingssamenwerking, rekeningrijden, studiefinan­
ciering, klimaat en duurzame veeteelt illustreren dit. Op het moment dat
                                                                    Bijlage 1 143
</pre>

====================================================================== Einde pagina 144 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 145 ======================================================================

<pre>de actiebereidheid binnen deze communities groot genoeg was (micro­
mobilisatie), werd deze vertaald in concrete activiteiten of een evenement
(mesomobilisatie) met andere belanghebbenden en organisaties. Deze
gebeurtenissen waren vervolgens voor de traditionele media aanleiding
om over te berichten en die berichten lokten op hun beurt weer online
reacties uit. Hierbij valt op dat de gekozen actiestrategieën daadwerkelijk
agenderend werkten en dat de media meegingen in het door de actievoer­
ders gekozen frame.
   Het mechanisme dat op deze manier ontstaat – communityvorming
op basis van gedeelde interesses, overtuigingen en doelen leidt tot actie
en (soms) reactie en daardoor tot versterkte communityvorming – zorgt
voor een permanente, online ‘veenbrand’. Deze kan oplaaien zodra er in de
buitenwereld – dus binnen het domein van de overheid, civil society of de
media – iets gebeurt wat de community op een of andere manier raakt. Het
feit dat deze communities dynamisch en grotendeels virtueel zijn, maakt
ze onvoorspelbaar en lastig in te schatten voor media, overheid en niet-
aangehaakte burgers.
Hypothese 2
Veranderende verhoudingen tussen overheid, media en civil society
Het publieke debat is door internet opgerekt, gefragmenteerd en zichtbaarder
geworden.
Online berichtgeving vindt vaak over een langere periode plaats dan
berichtgeving in traditionele media. Een specifiek thema verdwijnt bij
traditionele media eerder van de radar. Over de thema’s aow, asielbeleid,
bezuinigingen en ontwikkelingssamenwerking blijven er online berichten
verschijnen, terwijl er in traditionele media buiten de grote news events
maar zeer beperkt over wordt geschreven. Er is dus online sprake van een
maatschappelijk debat over een langere periode.
   Door de reacties op artikelen op online media is het nationale humeur
zichtbaarder geworden. Veranderende sentimenten rondom klimaat, inten­
sieve veehouderij, ontwikkelingssamenwerking en asielbeleid zijn door de
online discussies hierover sneller te doorgronden.
   Maar deze discussies vinden wel op verschillende online plekken plaats.
Hierdoor is er ook sprake van een gefragmenteerd debat. Deze fragmen­
tatie valt op in de discussie over hypotheekrenteaftrek, waar er nog geen
   144 De nieuwe regels van het spel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 145 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 146 ======================================================================

<pre>­ ominante plekken aan te wijzen zijn. Het debat is kortstondig op een
d
veelheid aan sites gevoerd, maar nergens ontstond een community die
ook tot actie is overgegaan. In andere discussies zien we deze fragmentatie
eveneens, maar daar staat ook regelmatig een opinieleider op om de discus­
sie naar zich toe te trekken en een community op te bouwen met medestan­
ders, zoals te zien was in de discussie over ontwikkelingssamenwerking
waarin Arend Jan Boekestijn zich ontwikkelde tot opinieleider. Waarom
deze beweging zich de ene keer wel voordoet en de andere keer niet, is las­
tig te verklaren.
   Een neveneffect van de discussies op internet is dat gezag in eigen
kring en onder gelijkgestemden langzamerhand de plaats inneemt van
traditionele hiërarchische gezagsverhoudingen, zoals valt af te lezen uit
de klimaatdiscussie. Het simpele feit dat meer dan 90% van alle weten­
schappers de ‘opwarmingstheorie’ aanhangt, is voor de gemiddelde burger
geen doorslaggevend argument. Eenzelfde constatering valt af te leiden
uit de analyse van het thema duurzame veeteelt, waarbij in reacties op
het manifest van hoogleraren hun kennis en kunde ter discussie worden
gesteld door actoren zonder vergelijkbare wetenschappelijke achter­
grond. Overheden, maar ook wetenschappers, artsen, journalisten en
gezagsdragers, worden op die manier steeds vaker uitgedaagd. Gezag is niet
langer vanzelfsprekend.
Hypothese 3
Relatie tussen online media en traditionele media (1)
De berichtgeving in online media volgt de berichtgeving in traditionele media.
Uit de analyses blijkt dat de agenda’s van traditionele media en online
media over belangrijke issues aanzienlijk uiteenlopen. Online wor­
den andere thema’s belangrijk gevonden dan in de traditionele media.
Ontwikkelingssamenwerking en asielbeleid zijn voorbeelden van thema’s
waar online relatief veel discussie over is, maar de aard en omvang van deze
discussies vinden we in veel mindere mate terug in de traditionele media.
In de traditionele media en online media is wel relatieve overeenstemming
over welke thema’s er in het geheel niet toe doen, zoals in dit onderzoek de
financiering van het zorgstelsel.
   Alleen op piekmomenten is er sprake van samenhang in berichtgeving
tussen traditionele en online media. Denk bijvoorbeeld aan de publicatie
                                                                   Bijlage 1 145
</pre>

====================================================================== Einde pagina 146 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 147 ======================================================================

<pre>van het manifest van hoogleraren tegen de intensieve veehouderij, die
ervoor heeft gezorgd dat het onderwerp (en het manifest) online breed
wordt bediscussieerd. Piekmomenten betreffen in de meeste gevallen ont­
wikkelingen binnen de arena’s van de overheid of, in mindere mate, de civil
society. Vaak zien we dat de traditionele media op deze piekmomenten de
toon zetten en dat er online vooral wordt gereageerd op de berichtgeving in
kranten en op de televisie en de radio. Soms is een piekmoment het start­
punt voor een nieuwe community.
Hypothese 4
Relatie tussen online media en traditionele media (2)
Grote nieuwssites en -weblogs fungeren als verbinding tussen de internetarena en
de overige arena’s (media, overheid en civil society).
Uitgangspunt van dit onderzoek was dat specifieke online omgevingen bij
actuele thema’s een brugfunctie kunnen vervullen tussen de internetarena
en de traditionele media, maar ook naar de overheid en de civil society.
Deze online omgevingen zijn de grotere nieuws- en actualiteitensites
en -blogs die veel aandacht hebben voor berichtgeving in de traditionele
media, maar tegelijkertijd ook op de hoogte zijn van actuele gespreks­
onderwerpen in kleinere, meer specifieke online omgevingen. Grotere
online omgevingen zijn doorgaans invloedrijk in hun eigen netwerk, maar
weten ook de verbinding met andere (offline) netwerken te leggen. Uit dit
onderzoek blijkt dat ook op internet individuen belangrijk blijven. Grote
online omgevingen zoals telegraaf.nl en elsevier.nl worden wel gebruikt
als platform, maar het zijn de mensen die uiteindelijk de rol van gatekeeper
vervullen. Zij bepalen of en waar informatie wordt gedeeld en brengen
eventueel nieuwswaardigheden onder de aandacht van journalisten. Ook
hier is de discussie over het klimaat illustratief. Lezers hebben vrij massaal
gereageerd op elsevier.nl en telegraaf.nl, maar het zijn vijf journalisten en
bloggers die de discussie op internet telkens opnieuw hebben aangejaagd
en verlengd.
   In alle cases die kwalitatief zijn beschreven, hebben gatekeepers de rol
van aanjager en verbindende factor gespeeld. Daarbij framen of reframen
de gatekeepers ook de discussie. Roos Vonk deed dat met een pamflet voor
duurzame veeteelt, Arend Jan Boekestijn met zijn pleidooi voor minder geld
   146 De nieuwe regels van het spel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 147 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 148 ======================================================================

<pre>naar ontwikkelingssamenwerking, Charlie Aptroot en Maurice van Ulden
met hun petities tegen rekeningrijden en de lsvb en het iso met reddestufi.nl.
   Of hun acties ook van invloed waren op het publieke debat, hangt in grote
mate af van de contacten die er waren met de traditionele media. En van de
vraag in hoeverre journalisten het nieuwswaardig vonden. Zo is het studen­
ten en betrokken politici niet gelukt om van de discussie over de toekomst
van de studiefinanciering een breed maatschappelijk debat te maken. De
randvoorwaarde ‘contact met traditionele media’ was op papier wel aanwe­
zig, maar het thema studiefinanciering drong niet door tot de kolommen
van de kranten. Een verklaring hiervoor kan zijn dat het nationale humeur
de voorvechters van de studiefinanciering in de huidige vorm niet gunstig
gezind was. Uit meerdere analyses blijkt dat de aansluiting van een casus bij
het nationale humeur een redelijk ongrijpbare, maar wel cruciale factor van
betekenis is. Dat lijkt hét verschil te maken tussen een discussie in de marge
of een breed maatschappelijk debat.
Hypothese 5
Internetlogica
Met de komst van internet is er een nieuw soort medialogica ontstaan die vooralsnog
verstopt zit onder het complexe samenstel en -spel van overheid, civil society en
media, maar wel manifest kan worden gemaakt.
De hoofdconclusie van dit onderzoek is dat dé internetlogica (vooralsnog?)
ontbreekt. Dat is niet verwonderlijk, aangezien de traditionele, voorspelbare
driehoeksrelatie tussen overheid, media en burger met de komst van inter­
net – als actor en dimensie – gecompliceerder is geworden. Internet heeft
er enerzijds aan bijgedragen dat vele meningen en thema’s gemakkelijk(er)
hun weg naar gelijkgestemden vinden. Anderzijds heeft het medium eraan
bijgedragen dat op het eerste oog ‘bijtende’ attitudes goed samen kunnen
gaan. Bij wijze van voorbeeld: in de klimaatdiscussie is de klassieke links-
rechtstegenstelling vervangen door een discussie over thema’s. ‘Links’ is
overtuigd van de opwarming van de aarde, terwijl ‘rechts’ zich zorgen maakt
over plastic in de oceanen en de co2-uitstoot. Dat zou ertoe kunnen leiden dat
beide ‘kampen’ elkaar ergens in het midden zouden kunnen vinden. Niets is
echter minder waar: rond het thema opwarming is sprake van een zeer sterke
polarisatie. Internet maakt helder dat er rond het beleidstopic klimaat veel
verschillende vormen van ‘zorgen’, ‘oplossingen’ en ‘oorzaken’ mogelijk zijn,
                                                                    Bijlage 1 147
</pre>

====================================================================== Einde pagina 148 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 149 ======================================================================

<pre>die niet logisch te koppelen zijn aan een klassiek links-rechtsdebat. Dat
draagt mogelijk bij aan toenemende fragmentatie.
   Internet is een nieuwe arena voor het publieke debat. Deze arena is
toegevoegd aan het traditionele samenspel van overheid, media en civil
society, waardoor het aantal mogelijke (combinaties van) beïnvloedingsre­
laties die een rol spelen in het publieke debat rond een thema, aanzienlijk is
toegenomen. Deze nieuwe constellatie is echter nog zo pril dat er geen rode
draad is te identificeren die alle onderzochte thema’s omvat, in alle contex­
ten opgaat, voorspellingen mogelijk maakt, eenduidig is of helderheid ver­
schaft. De vraag is gerechtvaardigd of een dergelijke dwingende logica er in
de toekomst wel zal zijn.
   De fragmentatie waarbij internet een belangrijke rol heeft gespeeld,
heeft immers ook betrekking op internet zélf. Internet is een perpetuum
mobile van meningen en informatie, door interactie gevoed. Het medium
‘internet’ fragmenteert en raakt in diezelfde beweging gefragmenteerd.
Dat leidt tot meer complexiteit en onvoorspelbaarheid. Internet is dus
zowel een oorzaak van toenemende maatschappelijke fragmentatie als de
belangrijkste aanjager van dat proces.
   Op metaniveau laat deze studie zien dat er in het huidige maatschap­
pelijke debat nieuwe spelregels worden uitgeprobeerd, dat er geknaagd
wordt aan reputaties en dat er getwijfeld wordt aan de waarde van (vrijwel)
alles. Tegelijkertijd is er online en offline sprake van een hunkering naar
nieuwe sociale vormen, contacten en uitwisseling van kennis. In het bijna
nog embryonale stadium van de huidige netwerksamenleving is sprake
van heftige groeistuipen en – prepuberale – erupties. Het omzetten van
die hunkering naar wat stabielere, nieuwe maatschappelijke verbanden en
betekenissen is slechts een kwestie van tijd.
   148 De nieuwe regels van het spel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 149 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 150 ======================================================================

<pre>Literatuur
Bekkers, V.J.J.M., H.J.G. Beunders, A.R. Edwards en R.F.I. Moody (2009).
    De virtuele lont in het kruitvat. Welke rol spelen de oude en nieuwe media in de
    micromobilisatie van burgers en hun strijd om politieke aandacht? Den Haag:
    Lemma.
Boomen, M. van den (2007). Van gemeenschap via webnetwerk naar
    datawolk. In: J. Steyaert en J. de Haan (red.), Jaarboek ict en samenleving
    2007: Gewoon digitaal, p.129-148. Amsterdam: Boom.
Bovens, M.A.P. (2000). De vierde macht revisited. Oratie uitgesproken bij de
    aanvaarding van het ambt van hoogleraar in de bestuurskunde aan
    de Universiteit Utrecht op 13 september 2000. http://www.usg.uu.nl/
    download/oratiedef%20nieuwe%20instellingen2.pdf
Bovens, M.A.P. (2003). De digitale republiek: democratie en rechtsstaat in de
    informatiemaatschappij. Amsterdam: Amsterdam University Press.
Castells, M. (1996). The Information Age: economy, society and culture. Jg. 1:
    The rise of the network society. Oxford: Blackwell.
Club van Rome (1972). De grenzen aan de groei. Amsterdam: Het Spectrum.
Dieren, W. van, J.P. van Soest en E.-J. Tuininga (2010). Een rare voetnoot, een
    verkeerd citaat… Zie je wel, de aarde warmt niet op! In: nrc Handelsblad,
    6 februari 2010.
Duvyendak, J.W. en M. Hurenkamp (2004). Kiezen voor de kudde. Lichte
    gemeenschappen en de nieuwe meerderheid. Amsterdam: Van Gennep.
Frissen, P.H.A. (2002). De staat - een drieluik. Amsterdam: De Balie.
Jacobs, B. (2010). Waarom we een sociaal leenstelsel moeten hebben.
    Geraadpleegd in mei 2010. http://basjacobs.wordpress.com/2010/04/16/
    waarom-we-een-sociaal-leenstelsel-moeten-hebben/
Michels, A.M.B. en A.J. Meijer (2003). Horizontalisering van bestuur:
    een vraag om nieuwe vormen van publieke verantwoording. In:
    Bestuurswetenschappen, jg. 57, nr. 4, p. 329-347. Zie: http://www.usg.
    uu.nl/download/Bestuurswetenschappen%20(juli%202003)1.pdf
Mos, R. de (2010). Klimaatalarmisten, kom tot rust! In: de Volkskrant, 25
    februari 2010
Moyo, D.F. (2009). Doodlopende Hulp. Waarom ontwikkelingshulp niet werkt en
    wat er wel moet gebeuren. Amsterdam: Contact.
                                                                      Bijlage 1 149
</pre>

====================================================================== Einde pagina 150 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 151 ======================================================================

<pre>rmo (2003). Medialogica: Over het krachtenveld tussen burgers, media en politiek.
    Den Haag: Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling.
Terpstra, P.R.A. (2003). Managementstaat of ‘enabling state’? In:
    Bestuurswetenschappen, jg. 57, nr. 4, p. 348-353.
tk (2009/2010). Regels voor het in rekening brengen van een gebruiksafhankelijke
    prijs voor het rijden met een motorvoertuig (Wet kilometerprijs). Tweede
    Kamer, vergaderjaar 2009/2010, 32216, nr. 2.
Wellman, B. en K. Hampton (1999). Living Networked in a Wired World.
    In: Contemporary Sociology, jg. 28, nr. 6.
wrr (2010). Minder Pretentie, meer ambitie. Ontwikkelingshulp die verschil
    maakt. Den Haag: Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid.
Geraadpleegde websites
http://www.meltwater.com/products/meltwater-news/media-monitoring/
Pleidooi voor een duurzame veehouderij. Einde aan de georganiseerde
    onverantwoordelijkheid. http://www.duurzameveeteelt.nl/volledige_
    pleidooi
   150 De nieuwe regels van het spel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 151 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 152 ======================================================================

<pre>Bijlage 2
Geraadpleegde deskundigen
Dhr. dr. C.E. Aalberts            Universiteit Antwerpen, Antwerpen/
                                  Erasmus Universiteit, Rotterdam
Dhr. Y. Aboulghit                 Gendo, Amsterdam
Dhr. drs. K. Beek                 Ministerie van Economische Zaken,
                                  Landbouw en Innovatie, Den Haag
Dhr. dr. K. van Beek              Ministerie van Veiligheid en Justitie,
                                  Den Haag
Dhr. dr. A. Benschop              Universiteit van Amsterdam,
                                  Amsterdam
Mw. drs. E.E. Berkhuijsen         Ministerie van Sociale Zaken en
                                  Werkgelegenheid, Den Haag
Dhr. drs. D. van Berlo            Ministerie van Economische Zaken,
                                  Landbouw en Innovatie/ Ambtenaar
                                  2.0/ Pleio, Den Haag
Dhr. ir. R. Blad                  Ministerie van Economische Zaken,
                                  Landbouw en Innovatie, Den Haag
Mw. drs. A.L. Bremer              Ministerie van Onderwijs, Cultuur
                                  en Wetenschappen, Den Haag
Dhr. prof. dr. M. Deuze           Indiana University, Bloomington, us
Dhr. dr. H.O. Dijstelbloem        Universiteit van Amsterdam,
                                  Amsterdam
Dhr. dr. A. van Dixhoorn          Universiteit Gent, Gent
Dhr. prof. dr. W.A. Dolfsma       Rijksuniversiteit Groningen,
                                  Groningen
Dhr. dr. A.R. Edwards             Erasmus Universiteit, Rotterdam
Mw. prof. dr. V.A.J. Frissen      Center for Public Innovation/
                                  Erasmus Universiteit, Rotterdam
Dhr. R.V. Gonggrijp               Amsterdam
Dhr. S. van Grieken               Het Nieuwe Stemmen, Groningen
Dhr. prof. mr. H.R. van Gunsteren Universiteit Leiden, Leiden
                                                          Bijlage 2 151
</pre>

====================================================================== Einde pagina 152 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 153 ======================================================================

<pre>Dhr. dr. J. de Haan                 Sociaal en Cultureel Planbureau,
                                    Den Haag
Dhr. dr. G.J. Heimeriks             Universiteit Utrecht, Utrecht
Dhr. drs. C. van ’t Hof             Rathenau Instituut, Den Haag
Dhr. drs. N. Huijbregts             XS4ALL, Amsterdam
Mw. drs. S.W.F. Huijs               Ministerie van Economische Zaken,
                                    Landbouw en Innovatie, Den Haag
Mw. dr. A. Idenburg                 Wetenschappelijke Raad voor het
                                    Regeringsbeleid, Den Haag
Mw. dr. J. de Jong                  Ministerie van Veiligheid en Justitie,
                                    Den Haag
Dhr. drs. A. Kamphuis               Gendo, Amsterdam
Mw. drs. H. van Kempen              Ministerie van Veiligheid en Justitie,
                                    Den Haag
Dhr. drs. M.A.G. Leenaars           Internet Society Nederland, Den
                                    Haag/stichting nlnet, Amsterdam
Dhr. dr. G. Lovink                  Institute of Network Cultures/
                                    Universiteit van Amsterdam,
                                    Amsterdam
Dhr. J. Maas                        Ministerie van Volkshuisvesting,
                                    Ruimtelijke Ordening en Milieu,
                                    Den Haag
Dhr. dr. A.J. Meijer                Universiteit Utrecht, Utrecht
Dhr. dr. D. Oegema                  Universiteit van Amsterdam,
                                    Amsterdam
Dhr. S.L. Okhuijsen                 Sargasso/Itude, Bunnik
Dhr. dr. G. van Oenen               Eramus Universiteit, Rotterdam
Dhr. drs. P. Olsthoorn              Journalist
Dhr. drs. A. Ponsioen               Politiek Online, Den Haag
Mw. prof. dr. J.E.J. Prins          Wetenschappelijke Raad voor
                                    het Regeringsbeleid, Den Haag/
                                    Universiteit van Tilburg, Tilburg
Mw. dr. S. Radstake                 Centre for Society and Genomics,
                                    Nijmegen
Mw. G.D. Roethof                    Onafhankelijke journalist (voorheen
                                    nos ombudsman)
  152 De nieuwe regels van het spel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 153 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 154 ======================================================================

<pre>Dhr. prof. dr. R.A. Rogers     Universiteit van Amsterdam,
                               Amsterdam
Dhr. drs. R. Rouw              Ministerie van Onderwijs, Cultuur
                               en Wetenschappen, Den Haag
Dhr. mr. drs. B. van der Sloot Instituut voor Informatierecht,
                               Amsterdam
Dhr. prof. dr L. Soete         unu- merit Universiteit Maastricht,
                               Maastricht
Dhr. drs. M. van der Staden    Ministerie van Binnenlandse Zaken
                               en Koninkrijksrelaties, Den Haag
Dhr. ir. J. Vis                Ministerie van Economische Zaken,
                               Landbouw en Innovatie, Den Haag
Dhr. drs. B.G.M. de Waal       Rijksuniversiteit Groningen,
                               Groningen/ Universiteit van
                               Amsterdam, Amsterdam
Mw. dr. T. Witschge            Cardiff University, Cardiff
Dhr. prof. dr. P. Winsemius    Wetenschappelijke Raad voor het
                               Regeringsbeleid, Den Haag
Mw. prof.dr. S. Wyatt          Universiteit Maastricht, Maastricht
                                                       Bijlage 2 153
</pre>

====================================================================== Einde pagina 154 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 155 ======================================================================

<pre>Overzicht van uitgebrachte publicaties
Adviezen
Vierde raadsperiode 2009-2012
49 De nieuwe regels van het spel. Internet en publiek debat. (2011)
48 Migratiepolitiek voor een open samenleving.(2011)
47 Nieuwe ronde, nieuwe kansen. Sociale stijging en daling in perspectief.
    (2011)
46 Polariseren binnen onze grenzen. (2009)
45 De wijk nemen. Een subtiel samenspel van burgers, maatschappelijke
    organisaties en de overheid. (2009)
Briefadviezen:
Bevrijdend kader voor de jeugdzorg. (2011)
Sociaal bezuinigen. (2010)
De toekomst van de bestuurlijke inrichting. (2010)
Terug naar de basis. (2010)
Briefadvies wmo. (2009)
In samenwerking met de rvz. Investeren rondom kinderen. (2009)
Derde raadsperiode 2005-2008
44 De ontkokering voorbij. Slim organiseren voor meer regelruimte. (2008)
43 Tussen flaneren en schofferen. Een constructieve aanpak van het
    fenomeen hangjongeren. (2008)
42 Vormen van democratie. Een advies over democratische gezindheid.
    (2007)
41 Straf en zorg: een paar apart. Passende interventies bij delictplegers met
    psychische en psychiatrische problemen. (2007)
40 Inhoud stuurt de beweging. Drie scenario’s voor het lokale debat over de
    WMO. (2006)
39 Ontsnappen aan medialogica. Tbs in de maatschappelijke
    beeldvorming. (2006)
   154 De nieuwe regels van het spel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 155 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 156 ======================================================================

<pre>38 Verschil maken. Eigen verantwoordelijkheid na de verzorgingsstaat.
    (2005)
37 Niet langer met de ruggen naar elkaar. Een advies over verbinden. (2005)
36 Lokalisering van maatschappelijke ondersteuning. Voorwaarden van
    maatschappelijke ondersteuning. (2005)
In samenwerking met de rvz. Versterking voor gezinnen. (2008)
Tweede Raadsperiode 2001-2004
35 Eenheid, verscheidenheid en binding. Over concentratie en integratie
    van minderheden in Nederland. (2005)
34 Ouderen tellen mee. Advies aan de Themacommissie Ouderenbeleid
    van de Tweede Kamer. (2004)
33 Mogen ouderen ook meedoen. (2004)
32 Toegang tot recht. (2004)
31 Sociale veiligheid organiseren. Naar herkenbaarheid in de publieke
    ruimte. (2004)
30 Verschil in de verzorgingsstaat. Over schaarste in de publieke sector.
    (2004)
29 Humane genetica en samenleving. Bouwstenen voor een ander debat.
    (2004)
28 Europa als sociale ruimte. Open coördinatie van sociaal beleid in de
    Europese Unie. (2004)
27 Hart voor Europa. De rol van de Nederlandse overheid. (2003)
26 Medialogica. Over het krachtenveld tussen burgers, media en politiek.
    (2003)
25 De handicap van de samenleving. Over mogelijkheden en beperkingen
    van community care. (2002)
24 Bevrijdende kaders. Sturen op verantwoordelijkheid. (2002)
23 Geen woorden maar daden. Bijdrage aan het normen- en waardendebat.
    (2002)
22 Werken aan balans. Een remedie tegen burn-out. (2002)
21 Educatief centrum voor ouder en kind. Advies over voor- en
    vroegschoolse opvang. (2002)
20 Levensloop als perspectief. Kanttekeningen bij de Verkenning
    Levensloop. Beleidsopties voor leren, werken, zorgen en wonen.
    (2002)
                                  Overzicht van uitgebrachte publicaties 155
</pre>

====================================================================== Einde pagina 156 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 157 ======================================================================

<pre>19 Van uitzondering naar regel. Maatwerk in het grotestedenbeleid.
    (2001)
18 Aansprekend opvoeden. Balanceren tussen steun en toezicht. (2001)
17 Instituties in lijn met het moderne individu. De Sociale Agenda 2002-
    2006. (2001)
16 Kwetsbaar in kwadraat. Krachtige steun aan kwetsbare mensen. (2001)
In samenwerking met acvz. Inburgering. (2003)
In samenwerking met rob. Etniciteit, binding en burgerschap. (2001)
In samenwerking met de Onderwijsraad. Samen naar de taalschool. (2001)
Eerste raadsperiode 1997-2000
15 Ver weg en dichtbij. Over hoe ict de samenleving kan verbeteren. (2000)
14 Van discriminatie naar diversiteit. Kanttekeningen bij de Meerjaren­
    nota Emancipatiebeleid ‘Van vrouwenstrijd naar vanzelfsprekendheid’.
    (2000)
13 Wonen in de 21e eeuw. (2000)
12 Alert op vrijwilligers. (2000)
11 Ongekende aanknopingspunten. Strategieën voor de aanpassing van de
    sociale infrastructuur. (2000)
10 Aansprekend burgerschap. De relatie tussen organisatie van het
    publieke domein en de verantwoordelijkheid van burgers. (2000)
9 Nationale identiteit in Nederland. (1999)
8 Arbeid en zorg. Reactie op de kabinetsnota ‘Op weg naar een nieuw
    evenwicht tussen arbeid en zorg’. (1999)
7 Integratie in perspectief. Advies over integratie van bijzondere groepen
    en van personen uit etnische groeperingen in het bijzonder. (1998)
6 Verantwoordelijkheid en perspectief. Geweld in relatie tot waarden en
    normen. (1998)
5 Uitsluitend vrijwillig!? Maatschappelijk actief in het vrijwilligerswerk.
    (1997)
4 Kwaliteit in de buurt. (1997)
3 Werkloos toezien. Activering van langdurig werklozen. (1997)
2 Stedelijke vernieuwing. (1997)
1 Vereenzaming in de samenleving. (1997)
In samenwerking met de rvz. Gezond zonder zorg. (2000)
   156 De nieuwe regels van het spel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 157 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 158 ======================================================================

<pre>In samenwerking met de rvz. Verslavingszorg herijkt. (1999)
In samenwerking met de rvz. Zorgarbeid in de toekomst. (1999)
In samenwerking met de Onderwijsraad. Voorschools en buitenschools.
    (1998)
Onderzoeken
Burgerkracht. De toekomst van het sociaal werk in Nederland. N. de Boer en
    J. van der Lans. (2011)
De weg omhoog. Een analyse van het vertoog over sociale mobiliteit in
    regeringsbeleid. M. van der Steen, R. Peeters en M. Pen. (2010)
Naar een open samenleving? Recente ontwikkelingen in sociale stijging en
    daling in Nederland. J. Tolsma en M.H.J.Wolbers. (2010)
Je voelt het gewoon. een onderzoek naar schoolkeuze en segregatie in
    Amsterdam-Noord. D. Zeldenrijk. (2010)
Indicatiestelling: omstreden toegang tot zorg. J. van der Meer (2010)
Uit de koker van. Praktijken van verkokering en ontkokering. rmo/vom
    (red.)(2010)
Stem geven aan verankering. rmo (red.). (2009)
Beperkt maar niet begrensd. rmo (red.). (2009) Webpublicatie.
Bericht van de werkvloer. J. van der Meer. (2009) Webpublicatie.
Polarisatie. Bedreigend en verrijkend. rmo (red.). (2009)
Verkenning participatie: Arbeid, vrijwillige inzet en mantelzorg in
    perspectief. rmo (red.). (2008)
Levensvraagstukken: de sociale context van ongewenste zwangerschappen
    en van ondraaglijk en uitzichtloos lijden. (2008)
30 Plannen voor een beter Nederland. De sociale agenda. K. van Beek en
    Y.Zonderop (red.). (2006)
Opbrengsten van sociale investeringen. I. Doorten en R. Rouw (red.). (2006)
Eigen verantwoordelijkheid: bevrijding of beheersing? R. Ossewaarde.
    (2006)
Democratie voorbij de instituties. Vooronderzoek van de Raad voor
    Maatschappelijke Ontwikkeling. (2006)
Horizontale verantwoording bij ZBO’s en agentschappen. T. Schillemans.
    (2005)
Tussen zorgen en begrenzen. Over de aanpak van delictplegers met
    psychi(atri)sche problemen. D. Graas en R.Janssens. (2005)
                                    Overzicht van uitgebrachte publicaties 157
</pre>

====================================================================== Einde pagina 158 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 159 ======================================================================

<pre>Gezin anno nu. M. Distelbrink, N. Lucassen en E. Hooghiemstra. (2005)
Tussen vangnet en trampoline. Over de inzet van publieke middelen voor
    participatie en zekerheid. H.Adriaansens, K. van Beek en R. Janssens.
    (2005)
Preventiebeleid. Een verkennende achtergrondstudie. R. Torenvlied en
    A.Akkerman. (2005)
Over insluiting en vermijding. Twee essays over segregatie en integratie.
    J. Uitermark en J.W. Duyvendak; P. Scheffer. (2004)
“Nee, ik voel me nooit onveilig”. Determinanten van sociale
    veiligheidsgevoelens. H. Elffers en W. de Jong. (2004)
Ouderen en maatschappelijke inzet. K. Breedveld, M. de Klerk en J. de Hart.
    (2004)
Financiële prikkels voor werknemers bij uittreding. I. Groot en A. Heyma.
    (2004)
Sociale veiligheid vergroten door gelegenheidsbeperking: wat werkt en wat
    niet? K. Wittebrood en M. van Beem. (2004)
Inburgering. Educatieve opdracht voor nieuwkomer, overheid en
    samenleving. (2003)
Publicaties van de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling zijn te down­
loaden via www.adviesorgaan-rmo.nl
   158 De nieuwe regels van het spel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 159 =================================================================

<br><br>