<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>Briefadvies

</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>De Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling is de adviesraad van de regering en het
parlement op het terrein van participatie van burgers en stabiliteit van de samenleving.
De rmo werkt aan nieuwe concepten voor de aanpak van sociale vraag­stukken.
De raad bestaat uit onafhankelijke kroonleden;
de heer mr. S. Harchaoui (voorzitter), de heer drs. B.J. Drenth, de heer prof. dr. P.H.A. Frissen,
mevrouw drs. J.G. Manshanden MPA, de heer prof. dr. L.C.P.M. Meijs, mevrouw prof. dr.
M.R.J.R.S. van San, mevrouw prof. dr. E.M. Sent en de heer prof. dr. M. de Winter.
De heer dr. R. Janssens is algemeen secretaris van de raad.
Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling
Parnassusplein 5
Postbus 16139
2500 bc Den Haag
Tel. 070 340 52 94
Fax 070 340 70 44
www.adviesorgaan-rmo.nl
rmo@adviesorgaan-rmo.nl
isbn 978 90 77758 28 1
nur 740
Zet-en Binnenwerk: Textcetera, Den Haag
Basisontwerp: Christoph Noordzij, Collage, Wierum
© Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling, Den Haag, 2011
Niets in deze uitgave mag worden openbaar gemaakt of verveelvoudigd, opgeslagen in een
dataverwerkend systeem of uitgezonden in enige vorm door middel van druk, fotokopie, microfilm of
op welk wijze dan ook zonder toestemming van de rmo.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>Aan de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Den Haag, april 2011
Geachte mevrouw Veldhuijzen van Zanten-Hyllner,
De Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (rmo) is gevraagd te adviseren over de bege-
leiding van kwetsbare gezinnen. Het lijkt er op dat zwakke of kwetsbare gezinnen (onnodig
en) snel in de zware jeugdhulpverlening terechtkomen, terwijl zij mogelijk meer behoefte
hebben aan lichte en langdurige begeleiding (zogeheten waakvlambegeleiding). De advies-
vraag vanuit uw ministerie kent zowel een bestuurlijke als een zorginhoudelijke component:
“Uit onderzoek en signalen uit de praktijk blijkt dat een geïntegreerde, effectieve hulpver-
lening aan gezinnen en jeugdigen met multiproblematiek niet eenvoudig te organiseren
is. Veel hulpverlening is te veel incidentgericht terwijl het voor deze groep nodig is dat het
structureel van de grond komt. Het gaat daarnaast vaak om vragen wie voor welke zorg ver-
antwoordelijk is en ook om het vervolgens zorgen voor een structureel en samenhangend
hulpaanbod” (Adviesvraag Jeugd en gezin, oktober 2010).
Later in dit jaar zal de rmo een gericht advies uitbrengen over de kansen en valkuilen van de
waakvlambegeleiding. Maar omdat rijk en gemeenten momenteel midden in de discussie
zitten over de overheveling van de jeugdzorg van provincies naar gemeenten, benut de rmo
de mogelijkheid van een briefadvies om zich uit te spreken over de koers van deze stelsel-
herziening. Waar de rmo zich zorgen over maakt, is dat de decentralisering zich beperkt tot
een bestuurlijke operatie, zonder dat er ook een inhoudelijke koersverandering plaatsvindt.
Volgens de rmo is het essentieel om als rijk en gemeenten het moment van de stelselherzie-
ning aan te grijpen om de jeugdhulpverlening op een andere leest te schoeien, namelijk van
een beleid dat gericht is op directe interventies (vaak gebaseerd op preventieve risicoanalyses)
naar een beleid dat gericht is op de versterking van de zogeheten pedagogische civil society.
Zoals bekend is de jeugdzorg een gulzige zorgverlener. Er gaat veel geld naar toe en er wordt
veel gebruik van gemaakt. De rmo ziet het als een kans dat de gemeenten een belangrijke
rol krijgen om het uitdijen van de jeugdzorg een halt toe te roepen. Ook de rmo meent dat
de grenzen van het bestaande wettelijke kader inmiddels zijn bereikt en dat een stelsel-
herziening gerechtvaardigd is. Maar de valkuil is dat instellingen en organisaties in deze
stelselherziening vooral vanuit hun eigen (bestuurlijke) institutionele belangen redeneren.
Enkel een verandering in aansturing is daarom een gemiste kans en kan zelfs een schadelijke
uitwerking hebben, omdat dezelfde gulzige en uitdijende zorg dan slechts naar een ander
schaalniveau verplaatst wordt. De uitdaging is daarom de stelselherziening vooral als een
mogelijkheid te zien om de jeugdhulp weer terug te brengen waar die hoort: in gezinnen
en hun onderlinge verbanden. Aan het ondersteunen daarvan heeft de overheid al een grote
taak. In het vervolg van dit brief­advies reikt de Raad voor deze ondersteunende rol een aantal
richting­gevende principes aan.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>Dit advies is vanuit de rmo voorbereid door een commissie bestaande uit José Manshanden
en Micha de Winter (Raad) en Dorien Graas en Rienk Janssens (secretariaat).
Graag zijn wij bereid het briefadvies mondeling toe te lichten.
Hoogachtend,
Sadik Harchaoui			                   Rienk Janssens
Voorzitter			                        Algemeen secretaris
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>Bevrijdend kader voor de jeugdzorg
Briefadvies van de Raad voor
Maatschappelijke Ontwikkeling
Inhoud
Dagelijkse opvoedvragen ontzorgen en normaliseren 5
Van directe individuele interventies naar versterking van
de sociale omgeving 5
Ontschotting is goed, maar pas op voor nieuwe bestuurlijke
monopolies 7
Plaats de beste en meest ervaren professionals in de uitvoering 7
Tot slot 8
Literatuur 9
                                                                  Inhoud 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>Dagelijkse opvoedvragen ontzorgen en normaliseren
De groei van de vraag en het aantal doorverwijzingen naar de jeugdzorg is de afgelopen jaren
spectaculair geweest. Wachtlijsten bij de Bureaus Jeugdzorg vormden met de regelmaat van
de klok het hoofdpijndossier in het bestaan van het programmaministerie voor Jeugd en
Gezin. Zelfs de meest voorzichtige verwachtingen om de stijging een halt toe te roepen, ver-
bleekten bij de praktijk van het zorggebruik (Hermanns 2009). Ook in het onderwijs baart de
jaarlijkse groei van ruim 40% aan rugzakjes voor passend onderwijs zorgen en dreigt de zorg-
voorziening inmiddels onbetaalbaar te worden (Wever 2011).
    Het directe ingrijpen van de overheid is natuurlijk wel verklaarbaar en wordt ook wel het
Savanna-effect genoemd. Schrijnende gevallen van kinderverwaarlozing en incidenten waar-
bij de jeugdzorg niet in staat was om de juiste hulp te bieden, creëerden de roep om eerder
en effectiever in te grijpen. Veel van het landelijk en gemeentelijk jeugdbeleid is gebaseerd
op de angst voor het optreden van (deze) incidenten. Maar dat gaat voorbij aan twee dingen:
ten ­eerste – zo blijkt uit verschillende vergelijkende (inter)nationale studies – aan het feit dat
het met de overgrote meerderheid van de Nederlandse kinderen goed gaat (hbsc 2009); ten
tweede aan het feit dat er zo een beleid ontstaat dat niet zozeer gericht is op het ontdekken
en stimuleren van positieve ontwikkelingen voor kinderen, als wel op het steeds vroeger en
sneller signaleren van risico’s en problemen. Ook in het huidige regeerakkoord gaat de aan-
dacht vooral naar het (niet) functioneren van de jeugdzorg. Dit staat symbool voor een dieper-
liggend probleem, namelijk dat te veel gewone problemen zijn verworden tot grootschalige
zorgproblemen. Hier ligt de relatie met de gebrekkige pedagogische context. Gezinnen zijn op
zichzelf aangewezen en lossen problemen ofwel zelf op, of ze schakelen vroeg of laat profes-
sionele hulpverlening in. Dat leidt tot grotere afhankelijkheid van professionals. De mogelijk-
heid van ‘vroeghulp’ vanuit de sociale omgeving (thuis, op school en in de buurt) is daarbij
onvoldoende overwogen. Aan de stelselherziening moet een denkkader ten grondslag liggen
dat gericht is op vermindering van de groei van jeugdzorg (‘ontzorgen’) en toename van de
inzet van de pedagogische civil society (‘normaliseren’).
De opgave is daarom om professionals die werken in dagelijkse en basale opvoedingssitua-
ties (opvang, onderwijs en consultatiebureaus) weer toe te rusten om adequaat pedagogisch
te handelen, ook als er zich (beginnende serieuze) opvoedproblemen voordoen. Momenteel
wordt deze handeling vrijwel volledig weggespecialiseerd. Door de aanwezigheid van specia-
listische zorgteams in het onderwijs worden kinderen met een afwijkende ontwikkeling aan
de aandacht van de onderwijzer onttrokken. Leerkrachten verliezen hiermee de mogelijkheid
om een goed pedagogisch klimaat in de klas te ontwikkelen, om adequaat om te gaan met
gewone opvoedproblemen en om intensiever contact met ouders te krijgen. Samenwerking
tussen school en Centra voor Jeugd en Gezin kan een basis zijn voor de inzet op sociale net-
werken rondom gezinnen. Sommige gemeenten experimenteren al met virtuele Centra voor
Jeugd en Gezin op scholen.
Van directe individuele interventies naar versterking van de sociale omgeving
In zijn advies Inhoud stuurt de beweging (2006) heeft de rmo erop gewezen dat gemeente-
lijke organisaties niet als vanzelf leidend zijn bij de ondersteuning van burgers onderling.
Gemeenten hebben de keuze om zelf de regie in handen te houden, deze neer te leggen bij
marktpartijen of juist uit te gaan van mensen in hun onderlinge verbanden. Volgens de rmo
dient de stelselherziening uit te gaan van de krachten en netwerken van burgers en hun
                                                             Bevrijdend kader voor de jeugdzorg 5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>s­ ociale omgeving. Maatschappelijke organisaties, zoals kerken, buurt- en sportverenigingen
 en allerlei nieuwe informele of meer formele groepen, kunnen een platform en ontmoetings-
 plek zijn voor de aansluiting van hulpvraag op hulpaanbod.
 Pedagogische civil society
 Wetenschappelijk onderzoek laat zien dat kinderen zich beter ontwikkelen als ze opgenomen
 zijn in sociale netwerken die groter zijn dan het gezin alleen. Als er bijvoorbeeld goede
 verbindingen zijn tussen ouders in de buurt en tussen ouders en school, dan presteren
 kinderen beter en hebben ze meer kans op maatschappelijk succes. De kansen op
 kindermishandeling en jeugdcriminaliteit dalen als de sociale effectiviteit in een buurt
 hoog is. ‘Daarom is in deze tijd van individualisering een versterking van de “pedagogische
 civil society” nodig, waarin socialisatie een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid van
 burgers is, en waarin het weer vanzelfsprekender is dat mensen zich het wel en wee van
 elkaars kinderen aantrekken,’ aldus De Winter (2011).
 De overheid is hierin zeker niet afwezig, maar haar taak veronderstelt wel een ander denk-
 kader en wijze van aansturing. In het advies Investeren rondom kinderen (2009) heeft de rmo
 samen met de rvz een pleidooi gehouden voor een nieuw type jeugd- en gezinsbeleid. Een
 beleid dat niet gericht is op preventieve risicoanalyses, met een onherroepelijk route naar
 directe professionele interventies en daarmee naar lange wachtlijsten, maar een beleid dat
 gericht is op de sociale inbedding van gezinnen. Hiermee kan de overheid betrokken zijn en
 toch op afstand blijven. Werken vanuit het perspectief van een pedagogische civil society gaat
 uit van het versterken van maatschappelijke kansen, sociale betrokkenheid en democratisch
 burgerschap van gezinnen en voorkomt dat jeugdbeleid gevangen zit in een logica van risico-
 signalering, problematisering en professionalisme.
     De rmo baseert zich in zijn pleidooi voor een sterke en coherente ­sociaalpedagogische
 omgeving mede op bevindingen van Robert Putnam (2000). Op grond van grootschalig ver-
 gelijkend onderzoek concludeerde Putnam dat problemen in het Amerikaanse onderwijs niet
 met louter onderwijshervormingen zijn op te lossen. In plaats daarvan zijn bredere maat-
 schappelijke oplossingen (sociaal kapitaal) nodig. De rmo meent dat deze analyse ook van
 toepassing is op de jeugdzorg. De belangrijkste reden waarom het tot op heden fout is gegaan,
 is dat problemen aangepakt worden met individuele interventies, terwijl de oorsprong van de
 problemen het individuele niveau overstijgt. De aandacht gaat steeds uit naar directe indivi-
 duele interventies van professionals, terwijl volgens onderzoek slechts 15% van deze proble-
 men effectief via deze evidencebased methoden aangepakt kunnen worden. Natuurlijk zullen
 ernstige (gedrags)problemen bij ouders en/of kinderen soms een directe interventie vragen,
 maar deze moeten niet slechts individueel gericht zijn.
     Ondanks de empirische aanwijzingen dat opvoeding en ontwikkeling gedijen bij een
 sterke sociaalpedagogische omgeving, zijn er tal van ontwikkelingen die de andere kant uit
 wijzen. Een voorbeeld is het beleid rondom jongerenoverlast. Ze lijken op zich goed bedoeld,
 de meldpunten waar mensen (anonieme) ordeverstoringen kunnen aangeven, maar in feite
 halen ze het probleem weg daar waar het hoort, namelijk bij de verstoorde relaties tussen
 jongeren en andere buurtbewoners (rmo 2008). De Winter (2011) spreekt in dit verband
 over een chronisch tekort aan positief jeugdbeleid. Dat is ook te zien in het onderwijs, waar
 de kracht van ouderbetrokkenheid maar mondjesmaat wordt erkend. Eigenlijk is over
 de gehele linie een situatie ontstaan waarin de sociale omgeving naar de achtergrond is
 verdwenen, hetzij via repressief veiligheidsbeleid, hetzij via doorgeschoten medicalisering
 en protocolisering. Er is in het domein van onderwijs en jeugd een cultuur ontstaan waarin
 problemen geïndividualiseerd zijn en onttrokken zijn aan de gewone opvoedcontext.
      6 Bevrijdend kader voor de jeugdzorg
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>Dat werkt niet alleen segregatie in de hand, maar ook een verschraling van die ‘gewone’
opvoedcontext.
In dit opzicht ligt er een kans voor de Centra voor Jeugd en Gezin (cjg) – die immers geacht
worden om als voorportaal te fungeren voor een meer lokale vorm van jeugdzorg – maar ook
een valkuil. De kracht van de nieuwe cjg’s is dat zij de bestaande en zich nieuw formerende
organisaties binnen de civil society weten te faciliteren en samen te brengen (Van Vliet en
Kesselring 2009). De valkuil is dat de centra zelf de hulpvragen op zich nemen en daarmee
automatisch het maatschappelijk krachtenveld neerslaan. Door dit laatste kunnen de cjg’s
afstevenen op dezelfde imago­problemen en organisatorische moeilijkheden waarmee de
Bureaus Jeugdzorg al enige tijd worstelen.
Ontschotting is goed, maar pas op voor nieuwe bestuurlijke monopolies
In het regeerakkoord van het kabinet-Rutte (2010) gaat het bij de voorstellen voor de
stelselherziening van de jeugdzorg om de overheveling van taken naar de gemeenten,
integrale zorg en toegankelijke ondersteuning. De achterliggende visie op de voorgestelde
decentralisatie is dat regie op een lager schaalniveau grotere flexibiliteit (overheveling),
effectiviteit (integraal) en nabijheid (toegankelijk) oplevert en daarmee een betere jeugdzorg.
     De stelselherziening kan gezien worden als een poging tot een vorm van ontkokering van
beleid. In zijn advies De ontkokering voorbij (2008b), dat onder andere een analyse bevatte van
het jeugdbeleid, heeft de rmo gewezen op een aantal valkuilen van beleidsontkokering. De
­belangrijkste daarvan is dat het vaak gepaard gaat met veel verlies aan energie door bestuur-
 lijke en reorganisatievraagstukken, zonder dat er inhoudelijk veel verandert. Ontkokering
 kan leiden tot extra coördinatielagen, omdat er vaak wel nieuw beleid bij komt, maar nooit
 iets verdwijnt. Bovendien kan ontkokering een soort perpetuum mobile worden. Wat we van-
 daag ontkokeren, kan morgen alweer de nieuwe koker zijn. Het nettoresultaat is doorgaans
 meer bureaucratie en meer frustratie.
     Een van de vormen van ontkokering die volgens onderzoek wel werkt, is financiële ont-
 schotting. Hier ziet de rmo dan ook mogelijkheden binnen de huidige stelselherziening.
 Dit zal niet eenvoudig zijn gezien de vele betrokken instellingen en overheden. Momenteel
 hebben de vele financiers een eigen systematiek, die onvoldoende overeenkomt met de uitvoe-
 ringswerkelijkheid en bovendien gepaard gaat met diverse perverse prikkels (alleen al te zien
 aan de jaarlijkse groei van indicaties en uitgaven). Financiële ontschotting kan deze perver-
 siteit doorbreken, maar heeft ook een gevaar in zich. Bundeling van geldstromen kan nieuwe
 monopolisten creëren en daarmee de neiging de jeugdhulp te strak te willen aansturen.
     Mede vanuit dit oogpunt is het van belang dat de stelselherziening gepaard gaat met een
 verandering in zorginhoudelijke visie. Monopolies en strakke aansturing zijn te voorkomen
 als gemeenten niet zelf de jeugdhulpverlening gaan vormgeven, maar dit overlaten aan de
 mensen zelf.
Plaats de beste en meest ervaren professionals in de uitvoering
De laatste jaren is de overheid zich met name gaan richten op de organisatie en sturing van de
jeugdzorg. Daarbij heeft zij zich onvoldoende gerealiseerd dat dit op het niveau van de profes-
sionele praktijk moeilijk, zo niet onmogelijk sturen is. De relatie tussen professional en cliënt
of burger is vooral een sociaal-interactieve relatie, die zich moeilijk laat standaardiseren en
                                                              Bevrijdend kader voor de jeugdzorg 7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>protocolleren. Professionals ervaren dat ook zo en geven aan dat ze steeds meer in een spagaat
terechtkomen tussen enerzijds de zorgbehoeften van de cliënt en anderzijds de sturing van-
uit de eigen organisatie (ceg 2009).
   Na jaren van vraaggericht werken is er in de jaren negentig van de vorige eeuw een
verzakelijking in de maatschappelijke dienstverlening opgetreden. Dat heeft in de jeugdzorg
geleid tot een benadering waarin evidencebased werken en gebruiken van effectieve
methoden bepalend zijn voor de interventie. Deze benadering is zo sterk gaan overheersen
dat overheden bij voorkeur programma’s en methoden inkopen waarbij wordt geclaimd
dat ze evidencebased zijn. Evidencebased werken is daarmee synoniem geworden voor
professionaliteit (Van Montfoort 2008). Maar opvoeden en de ondersteuning daarbij van
professionals is niet vast te leggen in protocollen en standaardoplossingen. Bovendien is de
professional ook zelf onderdeel van de sociale interactie met zijn de hulpvrager en zal hij
voortdurend situaties en dilemma’s moet inschatten en keuzes moeten maken. Opvoeden
laat zich niet vangen in een keten van probleem – diagnose – indicatie – behandeling – klaar.
Dat vereist sensitiviteit van de professional en deskundigheidsbevordering vanuit de overheid
(De Winter en Schottelndreier 2010).
   In een aanpak vanuit de versterking van de sociale omgeving zouden professionals ouders
in de eerste plaats moeten stimuleren naar het eigen netwerk te kijken (zoals beoogd met
de Eigen Kracht Conferenties). Maar in de huidige consultatiebureaus, ouder-en-kindcentra
en het onderwijs heerst een zekere handelingsverlegenheid. Die is een gevolg van eerder­
genoemde overmatige aandacht voor sturingsvragen, evidencebased ­werken en individuele
interventies waarbij probleemgevallen apart worden gezet. Het is tijd om deze trend te keren
en de professional weer ruimte te geven voor hulpverlening dicht bij het gezin. Onderdeel
daarvan is minder investeren in residentiële zorg en meer in lichtere en zwaardere ambulante
ondersteuning thuis. Dat kan vanuit de sociale omgeving of vanuit een goed opgeleide en
toegeruste professional die, in de woorden van ­k inderrechter Anita Leeser, als ‘een rots in de
branding’ voor het gezin kan ­werken (De Fauwe 2008).
   De overmatige aandacht voor sturingsvragen komt ook tot uitdrukking in de kennelijke
onderwaardering van beloningen voor de professional in de uitvoering. De meeste senior
professionals of docenten verdwijnen vaak naar het (midden)management van een instelling
of school, omdat dat meer aanzien en financiële beloning geeft. De beste professionals zouden
meer (belonings)prikkels kunnen ontvangen als ze juist niet naar het management door­
stromen, maar in de uitvoering blijven. Op den duur zou dit kunnen leiden tot een andere
invulling van het functiegebouw.
Tot slot
De stelselherziening van de jeugdzorg ziet de rmo vooral als een kans om de jeugdzorg om te
vormen vanuit de principes van een brede pedagogische civil society. In dit briefadvies heeft
de rmo een aantal leidende principes aangereikt om de jeugdzorg weer terug te brengen naar
de eigenlijke taak, namelijk hulp en ondersteuning bieden aan kinderen en ouders. Deze
principes zijn kort samen te vatten als ontzorgen en normaliseren van dagelijkse opvoedvra-
gen (focus op zelfredzaamheid) en meer handelingsruimte bieden voor professionals in de
uitvoering van de jeugdzorg (focus op dienstverlening).
   De rmo heeft een aantal valkuilen genoemd die een stelselwijziging met zich mee kan
brengen. Om het toenemen van de vraag naar jeugdzorg een halt toe te roepen, moet de focus
niet gericht zijn op de verhoging van de effectiviteit van het stelsel en het inzetten op vroeg-
signalering, screening en risicotaxaties als middel voor preventie van opvoedproblemen.
     8 Bevrijdend kader voor de jeugdzorg
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>Een stelselherziening heeft pas kans van slagen als die gepaard gaat met een ander denk-
kader en een duidelijke visie op zorg voor kinderen, jongeren en gezinnen vanuit de sociale
omgeving. Dit briefadvies geeft daartoe een aanzet. In een volgend advies komt de vraag aan
de orde hoe de begeleiding van kwetsbare gezinnen binnen deze sterke sociaalpedagogische
omgeving vorm kan krijgen. De focus zal daarbij vooral liggen op het belang van protectieve
of beschermende factoren voor kwetsbare gezinnen, zonder te vervallen in allerhande preven-
tieve r­ isicoanalyses.
   De rmo is zich vanzelfsprekend bewust van de complexiteit van problemen en de stoor-
nissen die zich bij kinderen en gezinnen voordoen. Vaak kunnen evidencebased interventies
zeker helpen en zullen ze ook zeker moeten worden toegepast. Maar dat is eerder het sluit-
stuk van het beleid dan het vertrekpunt. Het vertrekpunt ligt in de versterking van de kracht
van het eigen netwerk en een (professionele) rots in de branding. Verder is de rmo zich ook
bewust van de complexiteit van het huidige stelsel en de enorme omwenteling die eraan staat
te komen. Maar juist dan is het momentum belangrijk om de jeugdzorg weer terug te brengen
naar haar basisprincipes, namelijk professionals inzetten die de verantwoordelijkheden van
ouders en de sociale omgeving niet wegnemen, maar weten te stimuleren en te faciliteren.
Literatuur
Centrum voor ethiek en gezondheid (2009), Dilemma’s op de drempel. Signaleren en ingrijpen van
    professionals in opvoedingssituaties. Den Haag: ceg.
Fauwe, L. de (2008). Moeilijke jeugd. De zoektocht van Anita Leeser, kinderrechter. Amsterdam:
    Uitgeverij Bert Bakker.
hbsc (2009). Gezondheid, welzijn en opvoeding van jongeren in Nederland. Utrecht: Trimbos-
    instituut.
Hermanns, J. (2009). Het opvoeden verleerd. (Oratie). Amsterdam: Universiteit van Amsterdam.
Montfoort, A. van (2008). Professionaliteit en nuchterheid in jeugdzorg en jeugdbeleid (lectorale
    rede). Leiden: Hogeschool Leiden.
Putnam, R.D. (2000). Bowling Alone. New York.
rmo en rvz (2009). Investeren rondom kinderen. Den Haag: Raad voor Maatschappelijke
    Ontwikkeling en Raad voor de Volksgezondheid en Zorg.
rmo (2008). Tussen flaneren en schofferen. Een constructieve aanpak van het fenomeen hangjongeren.
    Amsterdam: swp.
rmo (2008b). De ontkokering voorbij. Slim organiseren voor meer regelruimte. Amsterdam: swp.
rmo (2006). Inhoud stuurt de beweging. Drie scenario’s voor het lokale debat over de wmo.
    Amsterdam: swp.
Vliet, L. van en M. Kesselring (2009). De verbindende rol van het Centrum voor Jeugd en
    Gezin. cjg kan sociaal netwerk van gezinnen versterken. In: Jeugd en Co Kennis, jg. 3, nr. 2,
    p. 37-44.
Vrijheid en verantwoordelijkheid(2010). Regeerakkoord vvd-cda. Den Haag.
Wever, L. (2011). Een nieuwe regering, een nieuw beleid: stelselwijziging jeugdzorg. Nieuwegein:
    Lezing op de Landelijke Studiedag Jeugdbeleid 16 februari 2011.
Winter, M. de (2011). Verbeter de wereld, begin bij de opvoeding. Vanachter de voordeur naar de
    democratie en verbinding. Amsterdam: swp.
Winter, M. de en M. Schöttelndreier (2010). Op stap met de burgemeester. Nieuwjaarsessay 2011.
    Den Haag: Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling.
Winter, M. de (2008). Het moderne van kindermishandeling. In: W. Koops, B. Levering en
    M. de Winter (red.), Opvoeding als Spiegel van de beschaving. Een moderne antropologie van de
    opvoeding. Amsterdam: swp.
Yperen, T.A. van en P.M. Stam (2010), Opvoeden versterken. Den Haag: VNG.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>