<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>Schoon formaat: 170 x 240 x 4,5 mm. Geel Magenta Cyaan Zwart Rondje voor de publieke zaak Pleidooi voor de solidaire ervaring r a a d v o o r m a a t s c h a p p e l i j k e o n t w i k k e l i n g 3 37 36 35 34 33 32 31 30 29 28 27 26 25 24 23 22 21 20 19 18 17 16 15 14 13 12 11 10 9 8 7 6 5 4 3 2 1 0 53 r a a d v o o r m a a t s c h a p p e l i j k e o n t w i k k e l i n g Rondje voor de publieke zaak Van een klassieke verzorgingsstaat groeit Nederland naar een maatschappij waarin mensen minder een beroep doen op overheidsvoorzieningen en meer terugvallen op onderlinge zelfredzaamheid. Deze transitie brengt vragen met zich mee over de manier waarop we solidariteit ge- stalte geven. Overal is discussie gaande: in de zorg, de soci- ale zekerheid en op de woning- en arbeidsmarkt. Er leven vragen over de betaalbaarheid van verworvenheden, over nieuwe insluitings- en uitsluitingsmechanismen, over de toekomstige herverdeling van collectieve middelen en over de al of niet aanwezige vrijheid om te kunnen bepa- len met wie je solidair wilt zijn. In Rondje voor de publieke zaak schept de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (rmo) een kader om de discussies op uiteenlopende be- leidsterreinen weloverwogen te kunnen voeren. De rmo is de adviesraad van de regering en het parlement op het terrein van participatie van burgers en stabiliteit van de samenleving. De rmo werkt aan nieuwe concepten voor de aanpak van sociale vraagstukken. isbn 978 90 77758 40 3 nur 740 www.adviesorgaan-rmo.nl 9 789077 758403</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>Rondje voor de publieke zaak</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>Rondje voor de publieke zaak CS5.indd 2 1-5-2013 9:39:51</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>Rondje voor de publieke zaak
Pleidooi voor de
solidaire ervaring
Den Haag, mei 2013
r a a d v o o r
m a a t s c h a p p e l i j k e
on t w i k k e l i ng
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>De Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling is de adviesraad van de
regering en het parlement op het terrein van participatie van burgers en
stabiliteit van de samenleving. De rmo werkt aan nieuwe concepten voor
de aanpak van sociale vraagstukken.
De Raad bestaat uit onafhankelijke kroonleden: de heer mr. S. Harchaoui
(voorzitter), de heer drs. B.J. Drenth, de heer prof. dr. P.H.A. Frissen,
de heer dr. E. Gerritsen, mevrouw drs. J.G. Manshanden mpa,
de heer prof. dr. L.C.P.M. Meijs en mevrouw prof. dr. I. van Staveren.
De heer dr. R. Janssens is algemeen secretaris van de Raad.
Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling
Rijnstraat 50
Postbus 16139
2500 bc Den Haag
Tel. 070 340 52 94
www.adviesorgaan-rmo.nl
rmo@adviesorgaan-rmo.nl
Advies 53
isbn 978 90 77758 40 3
nur 740
Zet- en binnenwerk: Textcetera, Den Haag
Basisontwerp: Christoph Noordzij, Wierum
Figuren: Mantext, Moerkapelle
© Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling, Den Haag, 2013
Niets in deze uitgave mag worden openbaar gemaakt of verveelvoudigd,
opgeslagen in een dataverwerkend systeem of uitgezonden in enige vorm
door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welk wijze dan ook zonder
toestemming van de rmo.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>Voorwoord
Solidariteit is een van de ankers van een stabiele samenleving. De vorm-
geving ervan is echter afhankelijk van plaats en tijd. Van een klassieke
verzorgingsstaat groeit Nederland langzaam naar een maatschappij waarin
mensen minder een beroep doen op overheidsvoorzieningen en meer
terugvallen op onderlinge zelfredzaamheid.
   Deze transitie brengt diverse vragen met zich mee. Vragen over de betaal-
baarheid van verworvenheden, over nieuwe insluitings- en uitsluitings-
mechanismen, over de toekomstige herverdeling van collectieve middelen
en over de al of niet aanwezige vrijheid om te kunnen bepalen met wie je
solidair wilt zijn.
   Het kabinet heeft de RMO daarom gevraagd een advies te schrijven over
de toekomst van de solidariteit. Deze vraag raakt het hart van discussies op
uiteenlopende beleidsterreinen, van de sociale zekerheid en het welzijns-
werk tot het onderwijs en de zorg.
   In voorliggend advies schept de rmo een kader om de diverse discussies
weloverwogen te kunnen voeren. De toekomst van de solidariteit betreft
immers meer dan alleen een organisatievraagstuk over ‘meer of minder
verzorgingsstaat’.
   Bij de totstandkoming van het advies hebben we op verschillende
momenten dankbaar gebruikgemaakt van de expertise van deskundigen
(zie bijlage 2).
                                                               Voorwoord 5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>De commissie die het advies heeft voorbereid, bestond uit:
Drs. Bart Drenth (Raad)
Prof. Dr. Lucas Meijs (Raad)
Lotte van Vliet MA (secretariaat)
Dr. Albert Jan Kruiter (extern adviseur)
De verantwoordelijkheid voor het advies berust bij de Raad.
Sadik Harchaoui                          Rienk Janssens
Voorzitter                               Algemeen secretaris
   6 Rondje voor de publieke zaak
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>Inhoud
Samenvatting 9
1   Inleiding 13
1.1 Vraagstelling 15
1.2 Solidariteit als gelaagd begrip 16
1.3 Leeswijzer 17
2   Vraagstukken rond solidariteit 18
2.1 Onzekerheid over verworvenheden 18
2.2 Worstelen met eigen belang 21
2.3 Risicodeling in tijden van kennis en diversiteit 24
2.4 Zoektocht naar het zelf doen 27
2.5 Conclusie 30
3   Solidariteit in de verzorgingsstaat 32
3.1 Gestolde zekerheid en welzijn 32
3.2 Tekortkomingen van indirecte solidariteit 33
3.3 Grenzen aan de groei 39
3.4 Conclusie 42
4   De dynamiek van solidariteit 45
4.1 Dimensie 1: diversiteit én gelijkheid als bron voor solidariteit 46
4.2 Dimensie 2: inzet voor publiek én privaat belang 49
4.3 Dimensie 3: kennis én onwetendheid over risico’s 51
4.4 Dimensie 4: organisatie, tussen samenleving en overheid 53
4.5 Conclusie 56
5   Conclusie en aanbevelingen 59
5.1 Conclusie 59
5.2 Aanbevelingen 61
5.3 Tot slot 66
Literatuur 68
                                                                  Inhoud 7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>Bijlage 1 Adviesaanvraag 74
Bijlage 2 Geraadpleegde deskundigen 75
Overzicht van uitgebrachte publicaties 76
   8 Rondje voor de publieke zaak
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>Samenvatting
Aanleiding en vraagstelling
Op tal van terreinen woeden discussies over solidariteit: op het terrein van
de pensioenen, de aow, het hoger onderwijs, de arbeidsmarkt, de woning-
markt en de zorg. Deze discussies richten zich op de grenzen waarbinnen
solidariteit momenteel in het kader van de verzorgingsstaat is georgani-
seerd. Het debat staat in het teken van de noodzakelijke inkrimping van
voorzieningen en leidt regelmatig tot gepolariseerde standpunten tussen
oud en jong, arm en rijk, ziek en gezond, of tot technische aanpassingen
van bepaalde regelingen om aanspraken te verkleinen en kosten te vermin-
deren. De discussies zijn negatief van toon, vinden per deelterrein plaats en
hebben een instrumenteel karakter. Dit maakt een samenhangend debat
over solidariteit niet altijd even gemakkelijk.
   Toch moet dat debat over solidariteit gevoerd worden. De manier waarop
we gestalte geven aan solidariteit is immers aan verandering onderhevig:
van een klassieke verzorgingsstaat groeit Nederland naar een sociale inves-
teringsmaatschappij die het moet hebben van een kleiner beroep op over-
heidsvoorzieningen en een groter beroep op onderlinge zelfredzaamheid
van mensen. De huidige economische en demografische ontwikkelingen
versterken dat. Daarom kijkt de rmo in dit advies naar de wijze waarop
solidariteit in de toekomst vorm krijgt, en in het bijzonder naar de verhou-
dingen tussen indirecte solidariteit (via de overheid) en directe solidariteit
(via de samenleving) die dat vraagt. Dat doen we door twee onderdelen van
solidariteit te verbinden, namelijk die van de houding en het gedrag van
mensen en die van de organisatie van solidariteit.
Actuele en emotionele vragen, gestolde vormgeving
In de discussies over solidariteit zijn vier vraagstukken zichtbaar. Mensen
zijn allereerst onzeker over de betaalbaarheid en de houdbaarheid van
bestaande verworvenheden. Vanzelfsprekendheden staan onder druk en
verlies lijkt soms dichterbij dan ooit. Ten tweede blijkt solidariteit voor
velen verworden tot een financiële berekening van het eigen belang.
‘What’s in it for me?’ is een vraag die individuen zich stellen, maar waar ook
verzekeringsmaatschappijen gretig op inspelen. Solidariteit is voor zowel
                                                               Samenvatting 9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>de ­ontvangende als aanbiedende partij veranderd in een rekensom. In de
derde plaats vragen mensen zich af met wie ze onder welke voorwaarden
solidair willen zijn. Er is meer kennis over risico’s en over de plaats of groep
waar die te verwachten zijn. Verschillen in opleidingsniveau, maar ook
de voortschrijdende (medische) techniek en discussies over verwijtbaar
gedrag maken het lastiger om solidariteit te organiseren vanuit een univer-
seel gevoel van risicodeling. Tot slot is het de vraag op welke wijze solidari-
teit in de toekomst georganiseerd wordt. Er ontstaan nieuwe vormen van
directe solidariteit, onder meer als gevolg van de mogelijkheden die globa-
lisering en internet bieden. Tegelijkertijd is nog veel solidariteit verankerd
in de verzorgingsstaat. De roep om een verschuiving naar de samenleving
klinkt al enige tijd, maar de uitwerking blijkt niet eenvoudig.
    De verschillende vragen die nu rond solidariteit aan de oppervlakte
komen, hebben de afgelopen decennia een antwoord gekregen in de ver-
zorgingsstaat. De overheid organiseerde solidariteit in talloze voorzienin-
gen. Dat bracht welzijn, zekerheid en welvaart, maar leidde tevens tot een
afkalving van solidariteit als waarde. De verzorgingsstaat produceerde
anonimiteit en abstractie, en verzwakte private instituties waar solidariteit
ook gerealiseerd kon worden: maatschappelijke instellingen, vakbonden,
gemeenschappen en particuliere initiatieven. Door de aanzuigende wer-
king werd de verzorgingsstaat bovendien een vehikel om kosten op de
gemeenschap af te wentelen. Dat zal niet langer gaan. Demografische en
economische ontwikkelingen maken het huidige niveau van indirecte
solidariteit in de toekomst onbetaalbaar.
Meer dan een organisatievraag: solidariteit als dynamisch concept
De houding en het gedrag van mensen enerzijds en de gestolde organisa-
tie van solidariteit anderzijds staan met elkaar op gespannen voet. Het is
moeilijk te voorspellen hoe solidariteit in de toekomst eruitziet. Zeker is
wel dat het tekortschiet om het debat hierover te voeren aan de hand van
een een­dimensionaal adagium als ‘meer samenleving en minder overheid’.
Dat doet onvoldoende recht aan datgene waar solidariteit om draait: een
overdracht van tijd, geld en andere middelen gebaseerd op een gevoel van
lotsverbondenheid.
    De rmo construeert daarom in dit advies een beeld van solidariteit aan
de hand van vier dimensies: identiteit, belangen, kennis én organisatie.
De Raad laat zich hierbij inspireren door de wijze waarop klassieke denkers
    10 Rondje voor de publieke zaak
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>het begrip solidariteit bekeken. Elk van de dimensies valt uiteen in twee
lijnen. Met wie mensen solidair zijn (identiteit) is gebaseerd op opvattingen
over diversiteit en gelijkheid. Wat mensen aan solidariteit hebben (belan-
gen) hangt samen met afwegingen rond het eigen belang en het publieke
belang. Hoeveel risico mensen delen (kennis) bepaalt de mate waarin
mensen iets over ‘de ander’ weten. En hoe we solidariteit organiseren (orga-
nisatie) wordt gevat in een steeds weer veranderende verhouding tussen
overheid en samenleving. De keuzes binnen deze dimensies zijn niet een-
duidig, ze hebben altijd positieve én negatieve consequenties.
Conclusie en aanbevelingen
Solidariteit als fundament van de verzorgingsstaat is slachtoffer van haar
eigen succes. De voorzieningen brengen zekerheid, maar solidariteit als
waarde raakt uit beeld en voorzieningen zijn in de toekomst onbetaalbaar.
Inmiddels is solidariteit niet langer een argument voor uitbreiding van
statelijke voorzieningen, maar eerder voor inkrimping ervan. Nu er naar
oplossingen wordt gezocht, schaven politici en beleidsmakers aan voorzie-
ningen en stellen ze de organisatorische vraag: moet de overheid het doen
of dragen we taken over aan de samenleving? Dit is een te beperkt debat, dat
een werkelijke discussie over solidariteit van de toekomst in de weg staat.
    Solidariteit kan in de toekomst het beste begrepen worden als een dyna-
misch concept dat door voortdurende en wisselende afwegingen tot stand
komt. In vormen van directe solidariteit, waarbij mensen er met elkaar
invulling aan geven, komen die afwegingen het best tot hun recht. Daar
kan solidariteit worden gevoeld, ervaren en gedeeld.
De Raad doet de volgende aanbevelingen:
1.    Erken de eigenheid van indirecte en directe solidariteit.
De balans tussen directe en indirecte solidariteit zal naar verwachting
verder gaan verschuiven. Het aandeel indirecte solidariteit wordt kleiner,
dat van directe solidariteit groter. De valkuil is echter om te denken dat
de samenleving het op eenzelfde manier gaat organiseren als de overheid.
Overheid en samenleving zullen solidariteit altijd verschillend definië-
ren en invullen. Waar de overheid uitgaat van gelijke toedeling bij gelijke
gevallen, is er bij de samenleving immers sprake van een gunst voor een
zelfgekozen doelgroep. Dit betekent zeker niet dat directe solidariteit een
                                                                Samenvatting 11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>‘tweede keus’ is of minderwaardig is ten opzichte van indirecte solidariteit.
Het heeft wel een eigen dynamiek, met positieve én negatieve effecten.
2. Herwaardeer de notie van welbegrepen eigen belang.
Solidariteit vraagt om een hernieuwd besef van welbegrepen eigen belang.
Dit maakt het mogelijk dat mensen zich inspannen voor de publieke
zaak, juist omdat ze er een persoonlijk belang bij hebben. Stimuleren van
welbegrepen eigen belang is niet hetzelfde als een morele oproep doen
tot inzet voor de publieke zaak, maar vraagt om erkenning van de rol die
(­persoonlijke) belangen spelen in de samenleving. Welbegrepen eigen
belang komt gemakkelijker tot stand binnen directe solidariteit; daar kun-
nen mensen de waarde van solidariteit op een tastbare wijze met elkaar
delen en ­beleven.
3.    Ontwikkel solidaire ervaringen.
Welbegrepen eigen belang is gebaat bij het ontwikkelen van solidaire erva-
ring. Alleen door concreet gezamenlijk problemen op te lossen zullen men-
sen belangen van anderen en van de samenleving als geheel leren kennen
en de noodzaak voelen om daar rekening mee te houden. Het is niet gezegd
dat dit een eenvoudige opgave is. Wanneer mensen solidariteit opnieuw
zelf vormgeven, zullen zij ook de complexiteit ervan ervaren. Een positief
bijproduct van de ontwikkeling van solidaire ervaring is mogelijk een her-
waardering van indirecte vormen van solidariteit.
4. Schenk aandacht aan nieuwe vormen van uitsluiting.
Omdat directe solidariteit volgens andere normen tot stand komt dan indi-
recte solidariteit ontstaan er nieuwe vragen over uitsluiting en afhanke-
lijkheid. Mensen zijn vrij om te bepalen met wie ze solidair zijn en met wie
niet, waardoor anderen mogelijk tussen wal en schip vallen. Het is goed om
de ogen open te houden voor mogelijke schaduwkanten van directe solida-
riteit en er zorg voor te dragen dat er zowel private als publieke vangnetten
worden ontwikkeld.
    12 Rondje voor de publieke zaak
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>1
Inleiding
In het najaar van 2012 beleefde Nederland een ongekend heftig debat over
de voorstellen van kabinet-Rutte II omtrent de zorgpremie. Die premie
zou inkomensafhankelijk worden. Mensen die meer verdienen moesten
meer gaan betalen, mensen die minder verdienen minder. Gedurende twee
weken was de zorgpremie het gesprek van de dag. Uiteindelijk besloot het
kabinet de plannen aan te passen.
    Het debat ging over meer dan de zorgpremie alleen. In het debat stond
solidariteit zelf ter discussie. Diverse facetten kwamen bovendrijven. Tot
hoeveel overdracht van tijd, geld en andere middelen zijn mensen eigen-
lijk bereid en onder welke voorwaarden? Het debat ging onder meer over
leefstijl en inkomen. Mensen met een hoger inkomen hebben over het alge-
meen een gezondere leefstijl dan mensen met een lager inkomen, en dus
zou in de voorstellen ongezond leven worden beloond. Maar het raakte ook
aan een ander rechtvaardigheidsgevoel. In hoeverre is de overheid gerech-
tigd om solidariteit via nivellering af te dwingen? Zit daar niet een grens
aan? En: is de gezondheidszorg wel geschikt voor het voeren van inkomens-
politiek?
    Het voorbeeld van de zorgpremie staat niet op zichzelf. Op tal van terrei-
nen staat solidariteit onder druk en ter discussie. Denk aan recente debat-
ten over de pensioenen, de aow, het hoger onderwijs, de arbeidsmarkt,
de woningmarkt of de zorg. Zowel de slechte economische situatie als de
demografische ontwikkelingen van vergijzing en ontgroening dwingen tot
veranderingen als we de rijksfinanciën en daarmee de duurzaamheid van
de verzorgingsstaat op orde willen houden. En wanneer mensen gevraagd
wordt wat zij missen in de samenleving, dan is solidariteit een van de eer-
ste antwoorden (21Minuten.nl 2009).
    De soms heftige debatten over uiteenlopende kwesties roepen de vraag
op hoe solidariteit in de toekomst ingevuld wordt. De manier waarop we
solidariteit vormgeven is aan verandering onderhevig: van een klassieke
                                                                Inleiding 13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>verzorgingsstaat groeit Nederland langzaam naar een sociale investerings-
maatschappij, die het moet hebben van een kleiner beroep op overheids-
voorzieningen en een groter beroep op de onderlinge zelfredzaamheid van
mensen. Mensen stellen vragen over de omvang van solidariteit, over het
waarom van solidariteit en over met wie ze eigenlijk solidair willen zijn.
Solidariteit is een van de ankers van een stabiele samenleving, maar inmid-
dels is duidelijk dat er veranderingen nodig zijn om solidariteit toekomst-
bestendig te maken. Hoe dat er precies uit gaat zien en binnen welke kaders
dat gaat vallen, is nog niet bekend.
   Solidariteit kent ook een andere kant. Ondanks de soms hevige actuele
discussies rond solidariteit in de verzorgingsstaat geven mensen in de
dagelijkse praktijk volop blijk van solidariteit. Het is al decennialang een
belangrijke waarde in de Nederlandse samenleving, die op allerlei manie-
ren tot uiting komt. Bijvoorbeeld in vrijwilligerswerk, schenkingen aan
goede doelen of informele zorg. Op deze terreinen scoort Nederland al jaren
hoog. In Europese vergelijkingen blinkt Nederland uit in het aantal mensen
dat vrijwilligerswerk doet: het percentage schommelt al jaren rond de 45%
(Houwelingen et al. 2011). De overgrote meerderheid, 87%, draagt financieel
bij aan maatschappelijke doelen. In 2009 gaf men gemiddeld 241 euro per
huishouden (Houwelingen et al. 2011: 194). Op het gebied van mantelzorg is
een substantieel deel van de bevolking actief, gemiddeld ondersteunen zo’n
3,5 miljoen mensen hun naasten (Oudijk et al. 2010). En ondanks de wereld-
wijde economische crisis groeit het aantal donaties aan goede doelen.
‘Goede doelen blijken immuun voor crisis,’ kopte de Volkskrant in juli
2012. Om precies te zijn stijgt de opbrengst uit donaties met 4,2% tot 743
miljoen euro. Volgens hoogleraar filantropie Schuyt zoeken mensen juist
verbinding in moeilijke tijden. ‘De filantropie neemt die rol over in de
verzorgingsstaat. Burgers nemen hun verantwoordelijkheid: ze zien dat de
overheid sommige taken niet meer doet.’
Xander van Uffelen, de Volkskrant, 17 juli 2012
Mensen dragen niet alleen meer bij aan goede doelen, ze nemen ook ver-
antwoordelijkheid als het gaat om het leefbaar houden van hun buurt of
stichten samen een Broodfonds, een fonds waarbij zzp’ers zich gezamenlijk
verzekeren tegen werkloosheid als gevolg van ziekte of ander ongeluk.
   14 Rondje voor de publieke zaak
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>1.1 Vraagstelling
De talloze uitingen van solidariteit in onderlinge verbanden voorkomen
niet dat de solidariteit die we in de verzorgingsstaat hebben georganiseerd
onder druk staat. Zowel binnen de politiek als in de samenleving leven
allerlei vragen. Moet Nederland nog solidair zijn met Griekenland? Moeten
rokers meer zorgpremie betalen? Waarom meebetalen aan pensioenen als
het onzeker is hoeveel je er zelf van terugziet? Kunnen we het ons veroorlo-
ven om aan een 80-plusser meer dan een ton per jaar aan zorgkosten uit te
geven? Moeten de superrijken meer belasting betalen? Kunnen we ouderen
vragen hun vermogen in te zetten voor zorgkosten?
    Achter al deze vragen leeft een onderliggende vraag naar het draagvlak
en de houdbaarheid van collectieve solidariteitsarrangementen. Dat deze
vragen juist nu aan de oppervlakte komen is niet verwonderlijk. Immers,
in een groeiende economie kan de staat solidariteit definiëren, vormgeven,
kanaliseren en garanderen. Nu de economie minder snel groeit en wellicht
in de toekomst krimpt, is dat minder vanzelfsprekend. Solidariteit is het
fundament waarop verzorgingsarrangementen zijn gebouwd. Maar inmid-
dels is solidariteit niet langer een argument voor uitbreiding van deze
voorzieningen, maar eerder voor inkrimping. Sterker, het behoud van soli-
dariteit wordt gebruikt als argument voor een terugtredende overheid. Er is
solidariteit gevraagd om de verzorgingsstaat kleiner te maken. Dit plaatst
solidariteit als waarde weer volop in de schijnwerpers. In hoeverre zijn
mensen bereid solidair met anderen te zijn, en onder welke condities?
    De rmo kiest er in dit advies voor om het vraagstuk van solidariteit
breed te benaderen. Het valt de Raad op dat de maatschappelijke en poli-
tieke discussies veelal voortkomen uit onvrede over solidariteit of uit
wijzigingen op een bepaald beleidsterrein. Er wordt gedebatteerd over soli-
dariteit in de zorg, de woningmarkt, de sociale zekerheid et cetera. Dat leidt
al snel tot gepolariseerde standpunten tussen oud en jong, arm en rijk, ziek
en gezond, of tot discussies over technische aanpassingen van een bepaalde
regeling om aanspraken te verkleinen en kosten te verminderen. Het zijn
waardevolle debatten, maar het nadeel ervan is dat ze het vraagstuk van
solidariteit niet op een samenhangende en intersectorale wijze beschou-
wen. Daar komt bij dat de vraag naar de waarde van solidariteit en de
manier waarop die waarde in de organisatie van solidariteit tot uiting kan
komen, onvoldoende aan bod komt. Het debat over solidariteit zoals het op
                                                               Inleiding 15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>dit moment gevoerd wordt, blokkeert een productieve analyse over de toe-
komst van de solidariteit. Dit advies probeert evenwicht in de discussie te
brengen. Het belicht overkoepelende vraagstukken rond solidariteit, zoomt
in op de tekortkomingen van de huidige organisatiewijze door de overheid,
betoogt dat solidariteit moet worden gezien als een dynamisch concept en
doet daartoe handreikingen voor de vormgeving ervan in de toekomst.
    De vraag voor dit advies luidt als volgt:
Hoe krijgt solidariteit vorm in de toekomst? En wat betekent dat voor de verhouding
tussen indirecte solidariteit (via de overheid) en directe solidariteit (via de samen­
leving)?
1.2 Solidariteit als gelaagd begrip
Wat solidariteit is, valt niet eenduidig te definiëren. In de praktijk heeft
het talloze betekenissen: van een rechtvaardigheidsgrond voor politieke
keuzes en een waarde in de samenleving tot een beleidsconcept, een teken
van beschaving en een gezamenlijk herkenningspunt tussen verwante
personen. Het begrip solidariteit is in het verleden bijna altijd verbonden
geweest aan een vorm van collectieve actie. Mensen hebben elkaar van
oudsher nodig gehad en gezamenlijk actie ondernomen. Of het nu was voor
vermaak, het vangen van een mammoet, het gezamenlijk verdedigen van
een stad of het zorgen voor de zieken, mensen zijn van elkaar afhankelijk
voor zekerheid, veiligheid, zorg en welvaart. Dat is altijd zo geweest en zal
ook nog wel een tijdje zo blijven. Velen associëren het begrip daarom met
‘broederschap’ uit de drie-eenheid van waarden uit de Franse Revolutie.
Naast vrij en gelijk moeten mensen solidair met elkaar zijn.
    In dit advies onderscheiden we twee lagen van solidariteit. In de eerste
plaats de solidariteit die tot uiting komt in de houding en het gedrag van
mensen. Waarom zijn mensen solidair, wat is daarvoor nodig en hoe ziet
dat eruit? Die vormen van solidariteit definiëren we als de (bereidheid tot)
overdracht van tijd, geld of andere middelen aan anderen, gebaseerd op een
zeker gevoel van lotsverbondenheid (zie ook De Beer 2005; Van Oorschot
1991; Meijs 2012). Ten tweede kijken we naar de manier waarop solidariteit
georganiseerd is. We onderscheiden daarbij directe solidariteit – de solida-
riteit die mensen onderling vormgeven in gemeenschappen, maatschappe-
lijke organisaties, verenigingen, clubs en families – en indirecte solidariteit
    16 Rondje voor de publieke zaak
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>– de door de overheid georganiseerde solidariteit die tot uiting komt in tal
van arrangementen in de verzorgingsstaat.
    Onze analyse richt zich op de verbinding tussen deze twee lagen van
solidariteit. Op de manier waarop een solidaire houding en solidair gedrag
van mensen wordt beïnvloed door de organisatie van solidariteit. Doordat
solidariteit op grote schaal in de verzorgingsstaat is georganiseerd, zijn de
waarde van solidariteit en de lotsverbondenheid uit beeld geraakt. Ze zijn
versluierd door standaardregelingen en anonieme afdrachten. Solidariteit
is daarmee een star idee geworden. Met wie mensen solidair zijn, onder
welke voorwaarden en op welke wijze wordt bepaald door collectieve belan-
gen en wordt geregeld door de overheid. Pas op het moment dat solidariteit
weer in de samenleving wordt bediscussieerd en georganiseerd, komen we
terug bij de kern van solidariteit: een dynamisch begrip dat op basis van
welbegrepen eigen belang en solidaire ervaringen tot stand komt.
1.3 Leeswijzer
We beginnen het advies met een beschouwing op vier actuele en overkoe-
pelende vraagstukken die rond solidariteit leven. We schetsen een beeld
van de belangrijkste discussies, maar ook van de emoties en worstelingen
die mensen ervaren als zij zich voor solidariteitsvraagstukken gesteld zien.
In hoofdstuk 3 richten we ons vervolgens op de wijze waarop solidariteit de
afgelopen 60 jaar georganiseerd is: in de verzorgingsstaat. We analyseren
wat dat ons heeft gebracht, maar ook waar de verzorgingsstaat is doorge-
slagen, en we laten zien dat de grenzen van deze organisatiewijze in zicht
zijn. In hoofdstuk 4 verbinden we de twee lagen van solidariteit door een
dynamisch concept van solidariteit te construeren aan de hand van klas-
sieke denkers. We sluiten in hoofdstuk 5 af met een conclusie en een aantal
handreikingen voor een toekomst van solidariteit die solidariteit terug-
brengt naar haar kern, waar die kan worden gevoeld, ervaren en gedeeld.
Dit betekent dat meer mogelijkheden voor directe solidariteit gewenst zijn.
                                                                Inleiding 17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>2
Vraagstukken rond solidariteit
Discussies over solidariteit zijn aan de orde van de dag. Het zijn gevoelige
debatten die veel emoties losmaken en waarin standpunten over tafel gaan
die te maken hebben met verlies, uitsluiting en verbondenheid. Veelal
richten de discussies zich op één thema of beleidsterrein. In dit hoofdstuk
voegen we deze discussies samen en destilleren de overkoepelende vraag-
stukken rond solidariteit.
2.1 Onzekerheid over verworvenheden
Vrijwel dagelijks berichten de media over noodzakelijke bezuinigingen
en de gevolgen daarvan. Via de verzorgingsstaat zijn onder meer solidaire
voorzieningen op het gebied van sociale zekerheid, zorg en onderwijs
gerealiseerd, maar op al die beleidsterreinen is het onzeker in hoeverre die
gegarandeerd en betaalbaar blijven. De economische situatie is niet roos-
kleurig en de vergrijzing legt een zwaardere druk op de schouders die de
lasten moeten dragen.
   De oplossingen en veranderingen die worden voorgesteld nemen de
onzekerheid voor mensen lang niet in alle gevallen weg. Grote groepen
mensen vatten voorgestelde veranderingen op als een verlies van verwor-
venheden of weten niet hoe hun situatie er in de toekomst uit zal zien. Een
recent voorbeeld is de discussie rondom de verhoging van de aow-leeftijd.
Door de vergrijzing neemt het aantal 65-plussers zodanig toe dat het voor
de werkende beroepsbevolking moeilijk wordt om de kosten van de aow
op te brengen. Er zijn feitelijk minder schouders om de zwaardere lasten
te dragen. Die prognose levert al jaren discussie op over de houdbaarheid
van de aow. Welke offers konden van de verschillende generaties worden
gevraagd? Tot welke leeftijd kunnen mensen aan het werk? Sommigen
meenden dat de gestegen levensverwachting en verbeterde gezondheid van
   18 Rondje voor de publieke zaak
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>mensen een verhoging van de aow-leeftijd aanvaardbaar maakt. Anderen
riepen: ’65 blijft 65!’. Inmiddels is besloten om de aow-leeftijd vanaf 2013
stapsgewijs te verhogen naar 67 in 2021. Een soortgelijke discussie wordt
gevoerd over het pensioenstelsel. Ook daar vormen de verhoudingen tus-
sen betalende en ontvangende generaties een discussiepunt. Wie is solidair
met wie? De oudere generatie heeft door de jaren heen rekening gehouden
met een gegarandeerd inkomen, maar ziet haar koopkracht dalen. De
jongere generatie is bang dat er voor hen niets meer overblijft en wil niet
opdraaien voor alle kostenstijgingen.
Spanningen tussen generaties
Hoewel alle partijen regelmatig benadrukken dat een generatieconflict
over het pensioenstelsel moet worden voorkomen, is dit in de discussies
toch zichtbaar. Vertegenwoordigers van de jongerentakken van de
vakbonden uitten hun zorgen: ‘In plaats van een brug te slaan tussen
generaties zet dit kabinet de tegenstellingen tussen de generaties verder
op scherp. In plaats van een spoedige invoering van maatregelen die
nodig zijn om het pensioenstelsel toekomstbestendig te maken, kiest
dit kabinet ervoor de pensioenopbouw van jongeren met een kwart
te verlagen. Hiermee wordt de solidariteit binnen het pensioenstelsel
ernstig op de proef gesteld’ (Muijlwijk et al. 2013). Oudere werknemers en
gepensioneerden benadrukken juist de offers die zij in het verleden hebben
gebracht. Zij weigeren zich weg te laten zetten als ‘een verwende, rijke
generatie en als kostenpost’ en willen een herbezinning op de in hun ogen
‘discriminatoire stapeling van maatregelen’ (Van Rooijen 2013).
Naast de sociale zekerheid staan ook de verworvenheden in het onder-
wijs en de zorg al geruime tijd ter discussie. Solidariteit is ook voor die
beleidsterreinen een belangrijke basis. Zo maakt de studiefinanciering het
mogelijk dat jongeren ongeacht het inkomen en vermogen van hun ouders
kunnen studeren. De afgelopen tijd was er veel te doen om de zogenoemde
‘langstudeerboete’. Wanneer studenten langer over hun studie zouden
doen dan het aantal jaren dat ervoor staat, kwam dat voor eigen rekening.
Vele protesten volgden op dit voorstel, en het is inmiddels van de baan. Het
kabinet heeft nu het voornemen een sociaal leenstelsel in te voeren voor de
basisbeurs in de bachelor- en masterfase (Regeerakkoord 2012). Dit zal bete-
kenen dat studenten de basisbeurs altijd moeten terugbetalen. Maar ook
                                              Vraagstukken rond solidariteit 19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>dit voornemen leidt tot discussie. Bijvoorbeeld over de vraag of studenten
uit ‘armere’ gezinnen nog wel gaan studeren als de maatregel wordt door-
gevoerd. Wordt de drempel om te gaan studeren voor hen te hoog? Het Cen-
traal Planbureau (cpb) becijferde kort geleden dat het aantal instromende
studenten met 10.000 zal dalen wanneer het leenstelsel wordt ingevoerd
(cpb 2013). Nader onderzoek moet uitwijzen of het stelsel specifiek kinderen
van arme ouders afschrikt.
   Onzekerheid over voorzieningen en de betaalbaarheid ervan is er ook in
de zorg. 83% van de zorg wordt collectief gefinancierd (Van der Horst en Ter
Rele 2013). Gezonden betalen voor zieken, hogere inkomens dragen bij voor
lagere inkomens. De kosten van de zorg stijgen al jaren. Dat brengt vragen
met zich mee over de grenzen aan solidariteit, maar ook over hoe de kosten
terug te dringen. Dat gebeurt bijvoorbeeld door het eigen risico te verho-
gen, mogelijkheden te verkennen om slecht gedrag zwaarder te belasten,
een aantal vergoedingen uit het basispakket te schrappen of onderdelen uit
de awbz over te hevelen naar de Wmo, waar het ‘recht’ op zorg vervangen is
door de compensatieplicht. Er wordt gepleit voor meer inzet van het sociale
netwerk van mensen bij de zorg, maar verplicht wordt dat vooralsnog niet.
Dergelijke voornemens leveren onrust op bij mensen die hun voorzienin-
gen zien verdwijnen. Zij vragen zich af of er nog wel voorzieningen zullen
zijn, hoeveel zij zelf moeten betalen of waar zij in de nieuwe situatie terecht
kunnen.
Zorg over thuiszorg
Een oudere dame vertelt: ‘Als ik geen hulp meer krijg, wordt het hier een
vieze boel. Ik kan het huishoudelijk werk niet meer opbrengen. Ik ben oud
en ziek. Ja, ik heb ook kinderen, maar zij wonen allemaal ver buiten de
stad. En als ze dan komen, vind ik het wel zo leuk om dat ook iets gezelligs
te doen. Ik zou het verschrikkelijk vinden als zij dan voor mij van alles
moeten doen in dat uurtje dat ze er dan zijn.’
Nienke Oort, Spits, 8 februari 2013
Wanneer we naar de discussies in alle beleidsterreinen kijken, vallen
twee dingen op. Allereerst is te zien dat de debatten al snel polariseren.
Verschillende belanghebbenden betrekken hun posities, er zijn voorstan-
ders en tegenstanders, jong komt in opstand tegen oud, arm ageert tegen
   20 Rondje voor de publieke zaak
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>rijk. Uit alle discussies over veranderingen in voorzieningen blijkt in de
tweede plaats onzekerheid over verworvenheden. Wat blijft er over voor
mensen als er fors bezuinigd moet worden en er minder werkenden zijn
om de l­ asten te dragen? Gaan we dan weer terug naar een situatie waarin
de afhankelijkheid van het sociale netwerk groter wordt, waarin we min-
der geld te besteden hebben en minder vrij zijn? Mensen vragen zich af of
voorzie­ningen behouden kunnen blijven en hoe de toekomst eruit gaat
zien.
2.2 Worstelen met eigen belang
Het tweede vraagstuk is dat mensen worstelen met hun eigen belang in
relatie tot solidariteit. Ze zijn bereid solidair te zijn (dat laten de vele vor-
men van vrijwilligerswerk, mantelzorg en giften wel zien), maar vragen
zich ook af waartoe hun offer leidt en wat ze ervoor terugzien. Dat is zeker
het geval bij afgedwongen solidariteit via collectieve afdrachten. Een citaat
uit Burgerperspectieven 2012|3 (Dekker et al. 2012) illustreert dit:
Een respondent wordt gevraagd naar het eigen risico in de zorg: ‘Ik dacht
eerst alleen maar aan mezelf en was toen voor meer eigen risico, want ik
ben gezond. Maar toen dacht ik: nee, ik word ook ouder en dan heb ik maar
liever dat iedereen meebetaalt.’
Burgerperspectieven 2012|3
In dit voorbeeld verandert de respondent van voorstander van een hoog
eigen risico naar voorstander van een laag eigen risico. Beide standpun-
ten worden vanuit het eigen belang beredeneerd. Financiële argumenten
geven daarbij de doorslag. Het is voor mensen van belang dat het offer dat
ze brengen zich (later) op de een of andere manier terugverdient. Jongeren
vragen zich af of ze voor vermogende ouderen moeten betalen als ze zelf
nauwelijks een pensioen kunnen opbouwen. Ten aanzien van de Europese
Unie gaat het om de vraag of we nettobetaler dan wel -ontvanger zijn. En
een zorgverzekeraar adverteerde met de slogan: ‘Ik betaal niet graag voor de
zorg die ik niet gebruik.’
                                               Vraagstukken rond solidariteit 21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>Deze discussies zijn weliswaar van verschillende grootte en thematiek,
maar hebben met elkaar gemeen dat de financiële afweging van de actoren
die geven en ontvangen, centraal staat. Er wordt gezocht naar manieren
waarop de meerwaarde van een bepaald solidariteitsarrangement ‘hard’
gemaakt kan worden, of het nu gaat om overdracht voor pensioenen of voor
Europa. En hoeveel mag gezondheidswinst eigenlijk kosten?
Volgens Schippers wordt momenteel op Europees niveau bekeken wat de
effecten zijn van de medicijnen voor de ziekten Pompe en Fabry. ‘Nu de
weesgeneesmiddelen vier jaar vergoed zijn, moeten fabrikanten aantonen
dat ze daadwerkelijk een therapeutische meerwaarde hebben.’
Annemarie Coevert, www.nrc.nl, 10 augustus 2012
Wanneer het eigen belang de bepalende drijfveer wordt, zal dat de drempel
verlagen om claims te leggen op collectieve solidariteitsarrangementen.
Schiet dit te ver door, dan verwordt de verzorgingsstaat tot een mechanis-
me om de negatieve consequenties van het eigen handelen op anderen af te
wentelen en voor ieder probleem vergoedingen te claimen. De consumen-
tenrol waarin de burger mede door het overheidsbeleid in terecht is geko-
men, draagt hieraan bij. We vragen, claimen, eisen en willen gezamenlijk
meer dan we er individueel voor kunnen en willen betalen (Kruiter 2012).
Het klantgedrag kenmerkt zich door het opeisen van rechten, nutsmaxima-
lisatie, calculeren en een focus op het individuele belang (vgl. rmo 2006).
Dat levert voortdurend vragen op als ‘what’s in it for me?’ en ‘krijg ik waar
voor mijn geld?’. De calculatie van het eigen belang op korte termijn staat
centraal.
   Solidariteit verwordt op deze manier tot een financiële berekening
van het eigen belang. Dat levert situaties op waarbij tegenstanders
van de Europese Unie kritiek leveren in termen van kosten en baten –
‘We moeten geen nettobetaler meer zijn’ – maar voorstanders dat ook doen:
‘We verdienen aan Europa’. En in de zorg adverteert een zorgverzekeraar
– die het toch echt van draagvlak voor solidariteit moet hebben – voor een
zorgverzekering die tot een rekensommetje wordt gereduceerd. De basale
gedachte achter solidariteit dat mensen iets bijdragen aan het risico dat een
ander loopt, vanuit een gevoel van lotsverbondenheid en in het vertrouwen
dat zij bij eventuele risico’s ook zelf geholpen worden, verdwijnt uit beeld.
   22 Rondje voor de publieke zaak
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>Er is uitsluitend nog een kortetermijnafweging van winst en verlies bij
deelname aan solidaire arrangementen. Het probleem is dat een dergelijke
afweging houdbaar is zolang er onder de streep een positief getal uitkomt
(of zolang mensen gedwongen worden mee te betalen). En dat is bij
solidariteitsarrangementen nu eenmaal nooit voor iedereen aan de orde.
Maar wat is dan de definitie van ‘eerlijk’? Dat je profiteert van alle
maatregelen waar je aan meebetaalt, en omgekeerd, dat je niet hoeft te
betalen voor voorzieningen die je niet gebruikt? Dan is het ook oneerlijk
dat iemand met pleinvrees betaalt voor wegenaanleg, en dat blinden
betalen voor verkeersborden. Dan is elke algemene belasting en elke
voorziening een voorbeeld van perverse solidariteit.
    Pas als iedereen evenveel of even weinig profiteert, is het ‘eerlijk’,
volgens deze norm. En in tijden van bezuinigingen is men extra gebrand
op dit evenwicht. Iedereen moet evenveel lijden onder de crisis. Een hoge
energierekening voor de hardwerkende Nederlander? Dan ook duurdere
operakaartjes voor de grachtengordel! Geen gratis rollator meer voor opa?
Dan ook geen difterieprik voor het Afrikaanse kind!
Floor Rusman, nrc Next, 22 juni 2012
Waar individuele belangen de boventoon voeren, ontstaat vanzelf een span-
ning met grotere, publieke belangen die in solidariteitsarrangementen
zijn vertegenwoordigd. Het is bijvoorbeeld lastig een hoge werkloosheids-
uitkering te verwachten en tegelijkertijd geen belasting te betalen. Ook
het willen verlagen van de wegenbelasting en het gelijktijdig oplossen van
files gaan moeilijk samen. Daarnaast holt de focus op het eigen belang in
financiële termen solidariteit als waarde uit. Waarde laat zich immers las-
tig uitrekenen. Solidariteitsarrangementen kunnen profijt opleveren dat
moeilijk in geld uit te drukken is, zoals vertrouwen en zekerheid. Wanneer
de belangrijkste vraag voor solidariteit luidt: ‘Wat heb ik eraan?’, dan hou-
den we op termijn alleen nog maar potentiele ontvangers en geen schen-
kers over.
                                             Vraagstukken rond solidariteit 23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>2.3 Risicodeling in tijden van kennis en diversiteit
Het derde vraagstuk rond solidariteit betreft de wijze en reikwijdte van
risicodeling. Het delen van risico’s en de bereidheid om bij te dragen aan
risico’s van een ander vormen de basis voor solidariteit. De mate van ken-
nis over die ander en de mogelijkheden tot identificatie bepalen mede de
bereidheid van mensen om solidair met elkaar te zijn. Een verschil met
vroeger is dat de samenleving meer divers is geworden in termen van
leefstijlen en waardepatronen (vgl. In ’t Veld 2010 en Vertovec 2007). Nu is
het niet zo dat deze verschillen solidariteit per definitie in de weg staan.
Verschillen tussen mensen kunnen juist een motor zijn voor een solidaire
houding of solidair gedrag. Verschillen wakkeren de overdracht van tijd,
middelen en geld aan. Denk bijvoorbeeld aan de armenzorg aan het einde
van de negentiende eeuw of de opbouw van de verzorgingsstaat halverwege
de jaren vijftig. En ook vandaag de dag zijn er tal van maatschappelijke ini-
tiatieven (zoals de voedselbanken en donaties voor noodhulp) die verschil
juist overbruggen.
    Wel hebben we meer inzicht in de risico’s die diverse (groepen) mensen
lopen. De idee dat risico of pech eenieder kan treffen is door het toegeno-
men kennisniveau minder overtuigend (Rosanvallon 2000). Sommige
groepen zitten volgens onderzoek vaker aan de kant van de risico’s dan
anderen. Vooral de verschillen tussen hoger- en lageropgeleiden springen
in het oog. Voor lageropgeleiden geldt dat bij gezondheidsrisico’s, maar ook
voor de waarschijnlijkheid van financiële malaise als gevolg van onzeker-
heden op de arbeidsmarkt. Houding, socialisatie, politieke voorkeur en
gezondheid vertonen samenhang met het opleidingsniveau. Dit komt terug
in cijfers over levensverwachting. De verwachting voor mensen die in 2009
zijn geboren is dat hoogopgeleide mannen 19,2 en hoogopgeleide vrouwen
20,6 jaar langer in goed ervaren gezondheid leven dan laagopgeleiden.
Ook op 65-jarige leeftijd zijn de verschillen aanwezig. Hoogopgeleide man-
nen en vrouwen leven respectievelijk 7,5 en 8 jaar langer in goed ervaren
gezondheid dan laagopgeleiden (Elchardus 2012: 44).
    Elchardus (2012) spreekt in dit verband over ‘de nieuwe sociale kwes-
tie’. Hij vraagt zich af of ‘hoogopgeleiden, als zij bewust worden van hun
kleinere risico’s, nog even solidair blijven met de laagopgeleiden waarvan
de risico’s op werkloosheid en ziekte, zeker op een geaggregeerd niveau,
betrekkelijk goed voorspelbaar worden’. Hoewel hogeropgeleiden zich
    24 Rondje voor de publieke zaak
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>over het algemeen sympathiek opstellen tegenover solidariteitsarrange-
menten, is ‘het niet uitgesloten dat in de toekomst de solidariteit meer
afhankelijk wordt van risicoselectie en risicocalculus en dat dit leidt tot
scherpere vormen van verdeeldheid en conflict tussen de onderwijsstan-
den’ (Elchardus 2012: 68). Met het uit elkaar groeien van hoger- en lagerop-
geleiden kunnen belangrijke gronden voor solidariteit, zoals identificatie
en wederzijdse afhankelijkheid (Van Oorschot en Jeene 2011: 22) afkalven.
Lotsverbondenheid op basis van gedeelde identiteit is lastiger geworden
door de veranderingen in de wijze waarop mensen zich een identiteit aan-
meten. Die ontwikkelt zich niet langer via de verzuilde structuren en voor
het hele leven, maar op grond van bijvoorbeeld leefstijl en op meer tijdelijke
basis. In termen van het opleidingsniveau uit dat zich bijvoorbeeld in een
meer kosmopolitische houding van hogeropgeleiden en een meer nationa-
listische houding van lageropgeleiden, wat bijvoorbeeld zijn doorwerking
heeft in de wijze waarop de solidariteit tussen landen van de Europese Unie
wordt beleefd.
    De Policy Brief van het cpb besprak recentelijk al de mogelijke conse-
quenties van verschillen tussen lager- en hogeropgeleiden voor de finan-
ciering van de zorg. De auteurs stelden: ‘Mensen met een hoger inkomen
dragen het meest bij aan de collectieve kosten van zorg, terwijl het zorg-
gebruik door mensen met een lage opleiding anno 2011 groter is dan het
zorggebruik door mensen met een hogere opleiding. Deze grote mate van
solidariteit komt onder druk te staan als het zorggebruik verder toeneemt.’
(Van der Horst en Ter Rele 2013: 3). Die constatering opende de discussie
over differentiatie in de zorg op basis van voorspellingen van zorggebruik
door mensen met verschillende opleidingsniveaus en bijbehorende inko-
mensniveaus.
    De voorspelbaarheid van risico’s manifesteert zich ook op andere manie-
ren dan via (veronderstelde) verschillen tussen hoger- en lageropgeleiden.
Ook de voortschrijdende techniek zorgt voor meer kennis over risico’s. Met
tests, scans en genetisch onderzoek is de medische wetenschap inmiddels
beter in staat om te verwachten ziekten op te sporen. Een voorbeeld hiervan
is de mogelijkheid om de genen aan te wijzen die een verhoogde kans geven
op borst- of darmkanker of om embryo’s te selecteren op de afwezigheid
van afwijkingen zoals de ziekte van Huntington. Momenteel zijn derge-
lijke tests vrijwillig en er worden geen consequenties verbonden aan het al
dan niet afnemen van de tests. Niettemin raakt voortschrijdend inzicht in
                                             Vraagstukken rond solidariteit 25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>de medische wetenschap wel aan vragen over solidariteit in de toekomst.
Hoe ‘normaal’ is het nog om je (ongeboren) kind niet te laten testen op een
te voorkomen ziekte? Hoe geaccepteerd is het om van de samenleving te
verwachten dat zij solidair is tegen elke prijs? De discussie over de vergoe-
ding van ‘weesgeneesmiddelen’ laat zien dat dergelijke vragen zich slechts
net onder de oppervlakte van het maatschappelijk debat bevinden.
Zijn sommige ziekten te duur?
Hoeveel is een ernstig zieke patiënt ons waard? Die vraag komt
indringend aan de orde in een uitgelekt conceptadvies van het College
van Zorgverzekeraars (cvz) aan minister Schippers van Volksgezondheid.
Het cvz wil de medicijnen voor de ziekten van Pompe en Fabry niet
meer vergoeden. Ze zijn te duur, terwijl de effectiviteit beperkt is, vindt
het cvz. […] De discussie over de vraag of bepaalde therapieën hun geld
wel waard zijn, loopt al jaren. Internationaal is hiervoor de standaard
ontwikkeld van de qaly, quality adjusted life years, waarin zowel de winst
in levensjaren als de kwaliteit van leven is verwerkt. In 2006 stelde de
Raad voor Volksgezondheid en Zorg dat een behandeling niet meer dan
80 duizend euro per qaly zou mogen kosten. Voor zeldzame ziekten is deze
norm echter onhaalbaar, omdat de medicijnen zoveel duurder zijn. Maar
zelfs als hiermee rekening wordt gehouden, stelt het cvz, is de behandeling
van Pompe en Fabry extreem duur. Medicatie voor de ziekte van Fabry kost
3,3 miljoen euro per qaly, voor de ziekte van Pompe 15 miljoen.
Peter Giesen, de Volkskrant, 31 juli 2012
Toenemende kennis over risico’s voedt de discussie over verwijtbaar gedrag.
Mensen betalen liever niet mee aan ‘onnodig zorggebruik’ of ‘ongezond
gedrag’ van anderen (Dekker et al. 2012). Roken, buitensporig drankge-
bruik, overmatig eten en de beoefening van risicovolle sporten lijken niet
langer vrijblijvend. Zo opperde de Raad voor Volksgezondheid en Zorg dat
het mogelijk moet zijn om uit het oogpunt van wederkerigheid de hoogte
van de zorgpremie te koppelen aan een gezonde leefstijl (rvz 2013). Dit
illustreert de vraag hoeveel solidariteit mensen op termijn nog voor hun
‘risicovolle medemens’ willen opbrengen.
    26 Rondje voor de publieke zaak
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>Solidariteit in de zorg
Maar het betekent ook dat mensen die bewust erg gezond leven dispropor­
tioneel bijdragen aan een verzekeringskas die voor een substantieel deel
opgaat aan zorg voor mensen die ziek zijn door overmatig alcoholgebruik,
roken, slecht eten of een gebrek aan lichaamsbeweging. Dat is wel
problema­t isch. Veel van de daaraan verbonden ziektes zijn immers niet
onvermijdelijk. Een ook voor Nederland relevante vraag moet gesteld
worden: is het eerlijk om anderen daarvoor te laten betalen?
Mike Soyer, nrc.next, 4 juli 2012
Het denken over (en veroordelen van) verwijtbaar gedrag past in de ontwik-
keling van een meritocratische samenleving met haar nadruk op individu-
ele verantwoordelijkheid en individuele baten. Een meritocratie stelt men-
sen, ongeacht hun afkomst, in staat zich via het onderwijs te ontplooien,
maar leidt ook tot het denken in termen van ‘eigen schuld, dikke bult’. Suc-
ces, maar ook tegenslag, pech en soms zelfs ziekte worden aan het individu
zelf toegeschreven (vergelijk rmo 2011; Verhaeghe 2012). Wanneer er sprake
is van verwijtbaar gedrag (in plaats van ‘pure pech’), is het gemakkelijk om
solidariteit af te wijzen. We zijn liever solidair met het 5-jarige meisje met
leukemie dat een buitengewoon kostbare behandeling in de vs moet onder-
gaan dan met de alcoholverslaafde die zijn huis verliest. En waarom zou
een student die vooral in de kroeg te vinden is studiefinanciering moeten
ontvangen voor de jaren dat hij vertraging heeft opgelopen? Overdracht
van tijd, geld of andere middelen vindt niet zonder dat soort afwegingen
plaats. Gevoelens van lotsverbondenheid en identificatie spelen daarbij een
belangrijke rol. De voorspelbaarheid van risico’s en oordelen over verwijt-
baar gedrag lijken juist die universele lotsverbondenheid te belemmeren.
2.4 Zoektocht naar het zelf doen
Een laatste vraagstuk betreft veranderingen in de organisatie van solidari-
teit. Of het nu komt door de oproep van politiek en overheid tot meer eigen
verantwoordelijkheid of niet, feit is dat er nieuwe vormen van maatschap-
pelijk initiatief en directe solidariteit ontstaan. Dit komt deels voort uit
financiële noodzaak – de overheid trekt zich terug om kosten te besparen –
                                              Vraagstukken rond solidariteit 27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>en deels uit de overtuiging dat men samen in staat is resultaten tot stand te
brengen die aansluiten bij persoonlijke waarden en wensen.
   Initiatieven van directe solidariteit sluiten goed aan bij een superdiverse
samenleving. Mensen krijgen binnen de initiatieven de kans om hun eigen
keuzes te maken en hun eigen identiteit te vormen (zie ook rmo 2009;
2010). De voorbeelden zijn talrijk. Ouders van zieke kinderen zamelen geld
in via een website of een benefietwedstrijd van de plaatselijke sportclub.
Zzp’ers storten maandelijks geld in een Broodfonds om zo een buffer te heb-
ben in geval van arbeidsongeschiktheid. Via de 1%club doneren mensen
tijd of geld aan particuliere initiatieven in ontwikkelingssamenwerking.
Goed opgeleide mensen dragen hun vakkennis over binnen initiatieven
als de Weekendschool en BetrokkenTijd. En mensen zetten zich in voor de
hulpvraag van anderen via initiatieven als Present en WeHelpen.
Voorbeelden van zelf doen
Giving circles
In giving circles komen mensen samen en doneren geld of tijd in een fonds.
Vervolgens beslissen ze samen welk goed doel of vrijwilligersproject zij
met deze middelen ondersteunen. De giving circles zijn gebaseerd op een
overdracht van tijd of geld naar mensen die iets nodig hebben. Tegelijkertijd
levert de bijdrage de schenkers ook betrokkenheid en bewustzijn op.
Prikborden
Er zijn tal van voorbeelden van directe solidariteit die de vorm hebben van
een digitaal ‘prikbord’ waarop vraag en aanbod samen komen. Mensen
kunnen vormgeven aan hun solidariteit door tijd en middelen te delen of
aan te geven dat zij gebruik willen maken van een dienst. Ze kiezen zelf of
ze mee willen doen en op welke vraag zij een antwoord willen geven. Soms
ontstaan lets (lokaal economisch transactie systemen) waar mensen in
een alternatieve economie tijd, geld en vaardigheden met elkaar ruilen,
of projecten waarin mensen klusjes voor elkaar doen en zorg aan elkaar
kunnen leveren.
Doe-het-zelforganisaties
Directe solidariteit kan ook vorm krijgen in organisaties waarin mensen
iets voor elkaar of voor een ander doen. Voorbeelden hiervan zijn de
   28 Rondje voor de publieke zaak
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>Voedselbanken die door heel Nederland mensen van voedsel voorzien; de
Broodfondsen waarin zzp’ers zich verenigen om hun inkomen in geval
van ziekte veilig te stellen; mensen die op eigen initiatief een school in
een minder ontwikkeld land oprichten of ondersteunen; mensen uit
een buurt die samen hun eigen buurthuis onderhouden, zoals een groep
buurtbewoners in Utrecht deed met buurthuis De Jutter.
De directe solidariteit in dit soort initiatieven laat zien dat de organisatie
van solidariteit niet langer plaats- of tijdgebonden is, maar ook gemakkelijk
in allerlei kleinschalige en lokale gemeenschappen vorm kan krijgen. Dit
in tegenstelling tot de indirecte solidariteit van de verzorgingsstaat, die
over het algemeen verbonden is met de natiestaat en grote, overkoepelende
voorzieningen. Het internet speelt een belangrijke rol bij deze andere vor-
men van organisatie. Mensen kunnen zich over landsgrenzen heen ver-
enigen, zich aansluiten bij verschillende netwerken, vanuit verschillende
hoeken financiering bemachtigen of ondersteuning vragen. Solidariteit
via een kanaal als het internet maakt het mogelijk dat er op Facebook net-
werken ontstaan van mensen die zich solidair verklaren met onderdrukte
homo’s in Afrika. Via online crowdfunding weet de 1%club financiering te
organiseren voor kleinschalige ontwikkelingsprojecten, en mensen met
een zeldzame ziekte kunnen zich via het web met elkaar verenigen en zo
fondsen werven voor onderzoek en behandeling.
   De mogelijkheden voor nieuwe vormen van directe solidariteit zijn dus
groter dan ooit en er ontstaan ook allerlei nieuwe initiatieven. Toch blijft
het vooralsnog een zoektocht hoe directe solidariteit vorm kan krijgen.
Burgers dichten de overheid nog steeds veel verantwoordelijkheid toe,
maar staan tegelijkertijd positief tegenover het principe dat burgers meer
eigen verantwoordelijkheid moeten nemen (Den Ridder en Dekker 2012:
299). Ook de recente adviezen over het thema ‘meer samenleving, minder
overheid’ getuigen van de zoektocht naar een nieuwe verhouding tussen
overheid en samenleving (zie bv. rmo 2009; 2010; wrr 2012; Rob 2012).
Op veel beleidsterreinen (zoals zorg, onderwijs, welzijn en sociale zeker-
heid) is solidariteit nog in verzorgingsstatelijke arrangementen gevat.
De roep om meer verantwoordelijkheid van burgers bij het uitvoeren van
publieke taken en het oplossen van publieke problemen is luid, maar van
een grootschalige verandering is nog geen sprake. Het is ook geen eenvou-
dige opgave, want het vraagt om een andere rolverdeling tussen overheid
                                              Vraagstukken rond solidariteit 29
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>en samenleving, en ook om het doorbreken van bestaande patronen en
hardnekkige reflexen. Zelf solidariteit organiseren is immers meer dan een
situatie creëren waarin mensen gezien worden als ‘government’s little helpers’
(Kuhlman 2011). Tegelijkertijd is het onzeker welke vormen van solidariteit
wel en niet ontstaan wanneer mensen meer zelf gaan doen. Dat maakt de
vraag wie solidariteit organiseert en hoe dat vervolgens wordt ingevuld een
wezenlijk onderdeel van de solidariteit van de toekomst.
2.5 Conclusie
Solidariteit staat ter discussie. De houding en het gedrag dat mensen ten
opzichte van solidariteit laten zien is aan verandering onderhevig. Uit alle
discussies over solidariteit komen vier actuele vraagstukken over solidari-
teit naar voren.
     Het eerste vraagstuk betreft de betaalbaarheid van verworvenheden.
­Regelingen en aanspraken die soms al decennia in de verzorgingsstaat
 verankerd zijn, staan als gevolg van demografische, economische en poli-
 tieke ontwikkelingen onder druk. Mensen voelen zich onzeker en stellen
 de vraag: hoe betaalbaar en houdbaar zijn bestaande verworvenheden?
     In de tweede plaats zien we dat mensen worstelen met hun eigen belang
 in relatie tot solidariteit. Die worsteling is zichtbaar in de manier waarop
 afwegingen rond solidariteit worden gemaakt. Financiële afwegingen zijn
 dominant. De leidende vraag voor veel mensen is: wat heb ik nog aan solida­
 riteit?
     Een derde vraagstuk wordt opgeworpen door de toegenomen voorspel-
baarheid van risico’s. Vooral opleidings- en leeftijdsverschillen, maar ook
de voortschrijdende (medische) techniek die risico’s in beeld kan brengen
en de discussies over verwijtbaar gedrag maken het lastiger om solidariteit
te organiseren vanuit een universeel gevoel van risicodeling. De toegeno-
men kennis zorgt ervoor dat mensen de vraag stellen: met wie wil ik eigenlijk
solidair zijn, en onder welke voorwaarden?
     Het vierde vraagstuk ligt op het niveau van de organisatie van solida-
riteit. Mensen geven solidariteit (weer) vorm in informele verbanden.
Globalisering en internet zorgen er bovendien voor dat deze solidariteit
niet langer tijd- en plaatsgebonden is. Tegelijkertijd is nog veel solidariteit
verankerd in de verzorgingsstaat. De roep om een verschuiving van soli-
     30 Rondje voor de publieke zaak
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>dariteit naar de samenleving klinkt al enige tijd, maar de uitwerking blijkt
niet eenvoudig. Dat brengt een vierde vraag naar voren: wie gaat de solidari­
teit van de toekomst organiseren en vormgeven?
                                             Vraagstukken rond solidariteit 31
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>3
Solidariteit in de verzorgingsstaat
Vragen over solidariteit zijn er genoeg, zo zagen we in het voorgaande
hoofdstuk. Die vragen worden voor een belangrijk deel gevoed door de
wijze waarop solidariteit de afgelopen decennia vorm heeft gekregen: in de
verzorgingsstaat. Met de opkomst van de verzorgingsstaat kregen solidari-
teitsarrangementen een grotere schaal. Dat bleef echter niet zonder conse-
quenties. In dit hoofdstuk bekijken we wat solidariteit ons heeft gebracht,
maar ook waar de tekortkomingen en grenzen van deze indirecte, statelijke
vorm van solidariteit liggen.
3.1 Gestolde zekerheid en welzijn
Solidariteit heeft in de twintigste eeuw gestalte gekregen in de verzor-
gingsstaat (Thoenes 1971; Van Doorn en Schuyt 1977; De Swaan 2004;
De Beer 2012; Van der Veen 2005; rmo 2004; 2006). Voorafgaand aan het
bestaan van de verzorgingsstaat waren mensen slechts op elkaar en hun
sociale netwerk aangewezen. Maar na een periode van uitgebreide maat-
schappelijke en politieke discussie ontstonden insluitende arrangementen
die bescherming en zekerheid boden op het gebied van inkomen, scholing,
werkgelegenheid, gezondheid, ouderdomszorg en algemeen welzijn.
    Solidariteit is gaandeweg op tal van terreinen ‘gestold’ in beleid. Op de
terreinen van bijvoorbeeld zorg en welzijn, sociale zekerheid en onderwijs
is solidariteit een van de belangrijkste onderleggers van beleid. Iedereen
betaalt mee aan het opleiden van nieuwe generaties en samen dragen we
zorg voor een vangnet in geval van werkloosheid en financieren we de zorg
voor zieke ouderen, ook als we er zelf nooit gebruik van zullen maken.
Binnen de verzorgingsstaat wordt uiting gegeven aan solidariteit door te
werken aan een vermindering van ongelijkheid, de bestrijding van wil-
lekeur door een betere verdeling van kansen en de bevordering van maat-
    32 Rondje voor de publieke zaak
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>schappelijke integratie (Van der Veen 2005: 18, zie ook Engels 2012). De ver-
zorgingsstaat ‘waarborgt voor alle burgers een redelijk bestaan’ (Van Doorn
1977). In dat opzicht is de ontwikkeling van de verzorgingsstaat ‘bijna syno-
niem aan beschaving’. Middels de verzorgingsstaat probeert de politiek
een voldoende niveau van verzorging en bescherming aan haar burgers te
bieden (wrr 2005).
   Deze indirecte solidariteit is een verworvenheid. De verzorgingsstaat
biedt een comfortabele uitwerking van solidariteit. De verzorgingsstaat
kan dan ook al decennia op een groot draagvlak van de bevolking rekenen.
Onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau (scp) wijst uit dat er in
de periode 1970-2002 een krachtige instemming is geweest met de open-
bare voorzieningen. ‘In ruim dertig jaar is het publiek dus in dezelfde mate
aan de verzorgingsstaat gehecht gebleven en dat op een hoog niveau van
instemming,’ aldus het onderzoek (Becker 2005: 85). Via ‘de blauwe envelop’
is het mogelijk om allerlei publieke taken en problemen in standaardrege-
lingen te vatten en vooral: te betalen. Van individuen wordt geen actieve
solidariteit gevraagd. Zij hoeven niet zelf de armoede te bestrijden, werklo-
zen te ondersteunen of verzorging te leveren als zij dat niet willen. Alles is
geregeld en in principe hoort iedereen erbij. Bovendien zorgen bureaucra-
tisering en professionalisering van solidariteit – die met de verstatelijking
ervan gepaard gaan – ook voor een objectivering, waardoor individuen
minder afhankelijk zijn gemaakt van de knellende en dominante sociale
structuren waarmee zij eerder te maken hadden. Verder brachten regelin-
gen als wao, aow en awbz een bepaalde zekerheid met zich mee. Men kon
erop vertrouwen dat er via de weg van de staat iets geregeld was voor niet-
verzekerbare risico’s.
3.2 Tekortkomingen van indirecte solidariteit
Hoewel de verzorgingsstaat in staat is gebleken solidariteit in universele
regelingen te verankeren voor een grote doelgroep, kent indirecte solidari-
teit ook een aantal tekortkomingen. We noemen er hier drie: anonimiteit
en abstractie, vraagcreatie en de verzwakking van verbindende instituties
van directe solidariteit. Het is daardoor soms onduidelijk welke waarde of
welke handeling indirecte solidariteit nog vertegenwoordigt.
                                          Solidariteit in de verzorgingsstaat 33
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>3.2.1 Anoniem en abstract
De eerste keerzijde van indirecte solidariteit is dat ze anonimiteit en
abstractie met zich meebrengt. Natuurlijk vertegenwoordigt de verzor-
gingsstaat ook een gevoel van lotsverbondenheid en herbergt ze de over-
tuiging dat mensen die het ‘echt’ nodig hebben geholpen moeten worden.
Dat hoeft echter niet langer door iemand in de nabije kring gedaan te
worden. ‘Er moet iets aan gedaan worden,’ klinkt het weliswaar, maar de
ingreep verwacht men bij voorkeur van de staat en niet van de getuige van
armoede, achterstand, eenzaamheid of ziekte zelf. De staat functioneert als
abstracte, universele en anonieme verzorger van alle leden van de samenle-
ving (De Swaan 2004). Bovendien is de uitwerking van de verzorgingsstaat
vele malen breder gebleken dan het garanderen van een basisniveau of
enkel het organiseren van een vangnet voor ‘de zwakkeren in de samenle-
ving’. De collectivisering van arrangementen gaat ten tijde van de opbouw
van de verzorgingsstaat lange tijd hand in hand met een toenemende
universaliteit van regelingen. De arrangementen zijn niet erg selectief en
stellen beperkte eisen aan degenen die er gebruik van maken. Mensen die
ongeluk kennen, die zich willen ontplooien of ‘gewoon’ hun dagelijks leven
willen invullen, kunnen via zorgverzekeringen, huursubsidies, hypo-
theekrenteaftrek of studiefinanciering bij de verzorgingsstaat terecht. ‘Wat
ontstaan is – en bedoeld was – als aanvullende hulp voor de zwaksten in de
samenleving, heeft zich ontwikkeld tot een pakket van voorzieningen ten
dienste van het overgrote deel van de bevolking’ (Van Doorn 1977: 18). De
verzorgingsstaat maakt het mogelijk dat iedereen zich op collectief niveau
met elkaar verbindt, maar dat tegelijkertijd een abstract verantwoordelijk-
heidsgevoel voldoende is voor het vervullen van behoeften en noden. Het
vatten van solidariteit in collectieve regelingen bevestigt dat ‘mensen in
Nederland bij elkaar horen’ en ‘elkaar nodig hebben’ om welvaart, welzijn
en gelijke kansen te bevorderen. Ook is het een manier om dilemma’s rond
ongelijkheid te temperen. Statelijke arrangementen zijn immers via de
grondwet gehouden aan het gelijkheidsbeginsel.
   Maar met wie we nu eigenlijk solidair zijn, wordt in de grote hoeveel-
heid regelingen steeds minder duidelijk (Van der Veen 2005; Frissen 2007;
rmo 2006). Het risico is aanwezig dat solidariteit een holle frase wordt,
een vrij leeg begrip, dat wel een abstract idee van verbondenheid en geza-
menlijke organisatie vertegenwoordigt, maar geen concrete waarde. Met
de automatische afschrijving van premies en de afdracht van belastingen
   34 Rondje voor de publieke zaak
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>is immers alles moeiteloos geregeld. Daarmee kan solidariteit haar beteke-
nis voor gedeelde lotsverbondenheid verliezen. Die is namelijk al lang niet
meer zichtbaar in de arrangementen van indirecte solidariteit. Indirecte
solidariteit leidt juist tot een anonimisering van menselijke verhoudingen,
tot het uithollen van onderlinge solidariteit, het abstract worden van solida-
riteit en tot te weinig verantwoordelijkheid bij mensen zelf.
    Dat komt voor een deel door de versluiering van de overdrachten die
met solidariteit gepaard gaan. Solidariteit wordt vooral vormgegeven met
behulp van een algemene en nivellerende belasting- en premieheffing.
Het is een geïnstitutionaliseerde en daarmee impliciete vorm van solidari-
teit, waarbij burgers het niet (meer) vanzelfsprekend als een vorm van soli-
dariteit ervaren wanneer ze belastingen en premies afdragen. Betalen zij,
in hun perceptie, voor elkaar of voor de staat? Of voor zichzelf? Illustratief
is dat veel mensen helemaal niet weten hoe bepaalde arrangementen gefi-
nancierd worden. In een onderzoek naar de kosten van de zorg bleek dat
mensen solidariteit wel als een groot goed zien, maar zich er nauwelijks
van bewust zijn hoe het zorgstelsel gefinancierd wordt (Kooiker et al.
2012). Ook weten veel mensen niet hoe hun pensioen is opgebouwd (zie
bv. afm 2010; Manifest Pensioenbewustzijn 2011). In de praktische uitvoe-
ring is solidariteit in de verzorgingsstaat geanonimiseerd geraakt (zie bv.
Adriaansens en Zijderveld 1981). Rosanvallon verwoordt het als volgt: ‘De
verzorgingsstaat functioneert als het ware in de mist. Slechts weinig men-
sen hebben enig idee hoeveel er wordt ingehouden op hun inkomen (de
notie van bruto-inkomen betekent niets voor de onderneming of voor de
werknemer) […] Het is voor individuen niet meer mogelijk om het verband
te zien tussen hun individuele afdrachten en de maatschappelijke doelen
waarvoor die worden ingezet. Het gevolg is een universeel gebrek aan ver-
antwoordelijkheid’ (Rosanvallon 1988: 211, in: rmo 2006).
    Abstractie en anonimiteit zijn inherent aan collectieve arrangementen.
De versluiering van overdrachten maakt deel uit van de aard van versta-
telijkte solidariteit. De relatie tussen schenker en ontvanger is bewust
onzichtbaar gemaakt. Het is de niet de bedoeling dat gecollectiviseerde
arrangementen de indruk geven dat ze berusten op ‘persoonlijke gevoelens
van mededogen en de daaruit af te leiden liefdadigheid’ (Frissen 2007: 156).
De overheid is immers sterk gebonden aan gelijkheidsbepalingen; op de
wet en de ratio in plaats van sentiment en willekeur. De overheid brengt
daarnaast een bepaalde universaliteit in de regelingen aan om hun legiti-
                                           Solidariteit in de verzorgingsstaat 35
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>matie veilig te stellen (Frissen 2011: 68). Een overheid moet altijd rekening
houden met het algemeen belang en kan vanuit haar taak moeilijk differen-
tiëren tussen individuele burgers die een gelijk geval vertegenwoordigen,
maar verschillende behoeften hebben. De herkenbaarheid van solidariteit
boet als gevolg daarvan per definitie aan kracht in wanneer die verpakt is
in verzorgingsstatelijke arrangementen.
   De verstatelijkte vorm van solidariteit is bovendien geen vrijelijk geko-
zen verbintenis. Ze is gebaseerd op een verplichting tot overdracht en blijkt
bovendien gulzig. Cuperus (2011) waarschuwt voor ‘solidariteitsinflatie’.
Mensen worden via de verzorgingsstaat geacht zo langzamerhand met
iedereen en alles solidair te zijn. Terwijl het niet gezegd is dat ze die uit-
dijende vraag om solidariteit in de toekomst zullen accepteren. Denk aan
recente discussies over de zorgpremie, de kosten van academische oplei-
dingen en de financiering van pensioenen die in het voorgaande hoofdstuk
aan bod kwamen. Solidariteit via de staat wordt steeds meer ervaren als een
gedwongen vorm van solidariteit, en het is precies die dwang die de essentie
van solidariteit als waarde ondermijnt. Dat geldt ook voor misbruik van
arrangementen waardoor er legitimiteitsvragen over regelingen ontstaan
(zie Fenger et al. 2011). ‘De verzorgingsstaat is dan niet langer een articula-
tie van een ‘beschavingsideaal’, maar een gebureaucratiseerde moloch van
abstracte zorg en risicobescherming’ (Frissen 2011: 66). Schenkers ervaren
dwang en plicht; de ontvanger ervaart vanzelfsprekende en gegarandeerde
zekerheden. Zo ontstaat een paradox: de arrangementen van solidariteit
produceren een tekort aan solidariteit (Frissen 2007: 157). Indirecte solida-
riteit is wel efficiënt en gemakkelijk, maar de verplichtende en universele
karaktertrekken van indirecte solidariteit ondergraven de waardekant.
Solidariteit wordt in statelijke arrangementen immers voornamelijk
extrinsiek gemotiveerd in plaats van intrinsiek. Het gaat niet om de moti-
vatie die mensen erbij voelen, maar om de collectieve regels en afspraken
die voor eenieder gelden. Anders gezegd: we hebben het allemaal goed gere-
geld, maar van solidariteit als waarde zijn we vervreemd geraakt.
3.2.2 Vraagcreatie
Op het moment dat solidariteit in de verzorgingsstaat is verankerd, zorgt
dat behalve voor anonimiteit en abstractie ook voor een toenemende vraag.
Toegankelijke en betaalbare voorzieningen hebben een aanzuigende
werking. Veel regelingen zijn voor grote groepen beschikbaar, en met de
   36 Rondje voor de publieke zaak
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>professionaliseringsslag die gepaard ging met de verstatelijking werden ze
ook aantrekkelijker. Zoals gezegd: de indirecte solidariteit is voor mensen
ook een verworvenheid. ‘In de gezondheidszorg betekende de invoering
van de awbz in 1968 bijvoorbeeld een sterke kwaliteitsverbetering voor
instellingen (door een veel betere financiering). Het werd voor mensen
veel aantrekkelijker om een kind met een verstandelijke beperking of een
dementerende oudere op te laten nemen in een tehuis’ (Trappenburg 2012).
Dat gold ook voor het speciaal onderwijs, waar de volumegroei eveneens
begon met de verbeterde (collectieve) financiering vanaf de jaren zestig.
Er werden meer kinderen verwezen naar het speciaal onderwijs, omdat
er beter en meer aanbod beschikbaar was door de collectivisering van de
sector (Trappenburg 2009; 2012). Een voorbeeld van een regeling die té aan-
trekkelijk werd, is de wao met de grote instroom aan het einde van de jaren
tachtig. In plaats van een regeling voor arbeidsongeschiktheid bleek het
een regeling om werknemers op zachte wijze te laten afvloeien. De route
was populair: op het hoogtepunt maakten er bijna een miljoen mensen
gebruik van de regeling. Dat bracht toenmalig premier Lubbers destijds tot
de bekende uitspraak: ‘Nederland is ziek’.
   Zolang mensen de kosten op de gemeenschap kunnen afwentelen is het
moeilijk voorstelbaar dat de aanspraken bescheidener of kleiner zullen
worden (Van Doorn 1977: 38). Eerder is de verzorgingsstaat een vanzelfspre-
kendheid van ondersteuning en zekerheid. De uitbreiding van de verzor-
gingsstaat heeft bovendien gezorgd voor het ontstaan van een grote profes-
sionele middenklasse met direct arbeidsbelang bij het behoud van de uitge-
breide arrangementen (De Swaan 2004). Beide ontwikkelingen leiden tot
een verzorgingsstaat waar steeds natuurlijker gebruik van wordt gemaakt.
Niet in de laatste plaats omdat de burger door diezelfde verzorgingsstaat in
een positie van ‘kiezende consument’ is geplaatst. Mensen kennen de rege-
lingen en arrangementen en gaan daar gemakkelijker gebruik van maken.
Het resultaat van de generieke regelingen is dat niet alleen degenen die
behoefte hebben aan voorzieningen ervan profiteren, maar ook mensen die
eigenlijk best zonder kunnen. Wat tot stand komt onder de vlag van soli-
dariteit en rechtvaardige verdeling, kan leiden tot overmatig gebruik, dat
soms aan misbruik grenst en soms misbruik is (rmo 2004; 2010; Van der
Veen 2005; Kruiter 2010).
                                         Solidariteit in de verzorgingsstaat 37
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>Tegelijkertijd doet zich de situatie voor dat de verzorgingsstaat voor haar
legitimiteit meer afhankelijk is geworden van het oordeel van de burger.
’t Hart noemt dit de ‘boter-bij-de-vissamenleving’. Burgers zijn door de
overheid tot klant gebombardeerd en vragen zich continu af (en worden
daarin gevoed) wat de overheid hun brengt in ruil voor de belasting die
zij betalen. Zij vragen zich af: ‘What have you done for us lately?’ (’t Hart 2012:
24). Met een dergelijke houding komen burger en verzorgingsstaat in een
voortdurende spiraal van uitbreiding terecht. Statelijke regelingen leiden
tot meer gebruik; de gebruikers worden door diezelfde staat als klant neer-
gezet en bepalen de legitimiteit van de regeling, waardoor druk ontstaat op
het verbeteren of uitbreiden van de arrangementen om aan de verwachtin-
gen te kunnen voldoen en legitimiteit te behouden. De verwachtingen over
de verzorgingsstaat worden daarmee alsmaar groter. De verzorgingsstaat
is niet alleen een vangnet of collectieve organisatie van beschaving, maar
de regelingen die ze produceert, veranderen in de beleving van mensen tot
een onvervreemdbaar recht.
3.2.3 Verzwakking van verbindende instituties
De oorspronkelijke vindplaats van solidariteit is in tegenstelling tot wat
bovenstaande doet vermoeden niet de staat, maar juist de onderlinge
verbanden tussen mensen. Mensen uiten die solidariteit omwille van
loyaliteit, attractie of identificatie. Denk aan solidariteit in familiare kring
of aan de oprichting van gilden destijds, maar ook aan tal van organisa-
ties die hun wortels hebben in het particulier initiatief: armenhuizen,
woningcorporaties, ziekenzorg en scholen. Deze voorbeelden van directe
solidariteit tussen mensen zijn er altijd geweest en zullen altijd blijven
bestaan. De ontwikkeling van de verzorgingsstaat heeft deze directe soli-
dariteit echter aangetast. De overheid is verder gegaan dan het garanderen
van zekerheden, ze is deze ook gaan organiseren. Dat is ten koste gegaan
van verbindende instituties: maatschappelijke organisaties en vakbonden
die met de ontzuiling toch al een minder sterke band met hun achterban
kregen.
    Organisaties van het maatschappelijk middenveld speelden altijd een
belangrijke verbindingsrol bij de organisatie van solidariteit en de arti-
culatie van onderliggende waarden. In het proces van modernisering en
verstatelijking hebben ze echter macht en invloed verloren (wrr 2004;
Adriaansens en Zijderveld 1981; rmo 2009). Maatschappelijke organisaties
    38 Rondje voor de publieke zaak
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>in de civil society zijn ooit opgericht om uiting te geven aan solidariteit.
Woningcorporaties vertegenwoordigden huurders, en zorginstellingen
kwamen voort uit solidariteit met hulpbehoevenden in eigen kring. In die
tijd lag het eigenaarschap van de organisaties bij de achterban. Die directe
verbinding is inmiddels verdwenen. De organisaties zijn in verregaande
mate ingekapseld door overheidsbeleid en -regulering. Door de collectivi-
sering en de groeiende rol van de overheid kon de erosie van maatschap-
pelijke betrokkenheid niet uitblijven. De groei van de verzorgingsstaat
resulteerde ook binnen dit domein in anonimiteit en abstractie, met als
gevolg dat de organisaties hun legitimiteit zijn gaan ontlenen aan de finan-
cier (lees: de overheid) en niet langer aan hun natuurlijke achterban (wrr
2004; rmo 2009; Meijs 2012). Door groeiende overheidsinvloed verliezen
maatschappelijke organisaties hun functie van spreekbuis van een maat-
schappelijke achterban. Zijderveld (1988) verwoordde dit treffend: ‘Als om
wat voor reden dan ook dit middenveld verstatelijkt – dat wil zeggen in het
verlengde van de staat komt te liggen – verliest het zijn buffer- en filterfunc-
ties ten opzichte van de staatsmacht en ten opzichte van de invloed op de
staat door de burgers.’ Maatschappelijke organisaties zijn zo eerder uitvoer-
der van overheidsbeleid dan een zelfstandige articulatie van onderlinge
solidariteit.
    Intussen is er een breed gedragen gevoel dat een connectie met de ach-
terban deze organisaties uiteindelijk beter in staat stelt om op basis van
gedeelde waarden solidariteitsarrangementen vorm te geven (Meijs 2012;
rmo 2009; 2010; Minderman 2008). Voor maatschappelijke organisaties
is de zoektocht naar hun achterban nog maar net begonnen. De uitdaging
voor de toekomst is er in gelegen dat maatschappelijke organisaties een
manier vinden om het publieke belang en het private belang weer op een
functionele manier aan elkaar te verbinden. Wanneer maatschappelijke
organisaties te veel binnen de invloedssfeer van de overheid blijven, bieden
ze geen oplossing voor de ervaren anonimiteit en abstractie die in indirecte
solidariteitsarrangementen aanwezig is.
3.3 Grenzen aan de groei
Behalve door de tekortkomingen die hiervoor aan bod kwamen, zijn de
grenzen van de verzorgingsstaat ook in zicht vanwege economische en
                                          Solidariteit in de verzorgingsstaat 39
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>demografische ontwikkelingen. In een samenleving waar (economische)
groei de boventoon voert, is het niet moeilijk om solidariteitsarrangemen-
ten via de staat te organiseren en aan de voortdurende vraag te voldoen.
Echt pijnlijke keuzes zijn dan niet aan de orde. Zelfs al zijn er inhoudelijke
argumenten om het systeem anders in te richten, de harde noodzaak tot
aanpassen ontbreekt. Er zijn immers altijd wel mogelijkheden om een uit-
breiding te financieren. Maar in tijden van economische krimp of enorme
groei van de aanspraak op collectieve voorzieningen is het een ander ver-
haal. Dan moeten er keuzes gemaakt worden. Voor die situatie ziet de ver-
zorgingsstaat zich de komende jaren gesteld.
    Het is niet voor het eerst is dat de financieringsproblemen van de ver-
zorgingsstaat ter discussie staan. De financiële houdbaarheid van de soli-
dariteit via de verzorgingsstaat wordt wel steeds nijpender. Nog los van de
economische crisis zorgen demografische ontwikkelingen zoals ontgroe-
ning en vergrijzing voor een somber beeld. Minder schouders, die ook nog
smaller zijn, moeten de lasten dragen. Het cpb kwam in 2010 met de vol-
gende conclusie: ‘De huidige overheidsfinanciën zullen zonder aanpassing
van het beleid niet houdbaar zijn. Het is dus niet mogelijk om generaties in
de toekomst de arrangementen te bieden waar huidige generaties van pro-
fiteren’ (Van der Horst et al. 2010:18). De stijgende levensverwachting en de
verhouding tussen ouderen en jongeren zorgen ervoor dat hetzelfde niveau
van voorzieningen niet langer gegarandeerd kan worden.
Betaalbaarheid door de jaren heen
Sinds de jaren zeventig heeft de regering op verschillende manieren de
noodzaak benadrukt van een solidair stelsel dat betaalbaar en toegankelijk
bleef. In troonredes werd dit zichtbaar (vgl. Van Everdingen en Ydema-
Gutjahr 2011):
    ‘De beleidsvoorstellen die de regering U heden voorlegt zijn in veler­
lei opzicht gericht op een duurzame verbetering van onze economie
en daarmee op het veilig stellen van de basis van onze collectieve voor­
zieningen.’ (Troonrede 1975)
    ‘De regering blijft ernaar streven lacunes in ons stelsel van sociale
zekerheid geleidelijk op te heffen. Zij onderzoekt welke maatregelen
kunnen leiden tot beperking van de kostenstijging op het terrein van de
    40 Rondje voor de publieke zaak
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>sociale voorzieningen in brede zin, mede gezien de sterke toeneming van
het aantal niet actieven in onze maatschappij.’ (Troonrede 1975)
Aanvankelijk richtte de regering haar aandacht vooral op het versterken
van de economie en het verbeteren van het systeem van solidariteits­
arrangementen. Gaandeweg bleek dat dit te weinig zou opleveren. In de
jaren tachtig kwam de focus daarom te liggen op de verantwoordelijkheid
van het individu. Het was niet langer meer vanzelfsprekend dat de overheid
altijd alles oploste. Daarnaast begonnen politici zich zorgen te maken over
het vergrijzingsvraagstuk. Solidariteit – dat is de basis van ons stelsel – zou
immers ook solidariteit tussen jong en oud moeten zijn. Toen het aantal
ouderen toenam, legde dat een zware hypotheek op een systeem waarin de
jongeren betalen voor de ouderen. De regering stelde dan ook:
   Geleidelijk aan moeten de overheidsactiviteiten weer mede gedragen
worden door een sterk bedrijfsleven in plaats van dat het bedrijfsleven
steeds meer rust op een subsidiërende overheid, die daarvoor schulden
maakt. (Troonrede 1985)
   ‘Voorzieningen moeten aangepast worden aan gewijzigde omstandig­
heden en inzichten. Naast de vergrijzing zijn in dit verband van belang
de behoefte aan individualisering, emancipatie en grotere eigen
verantwoordelijkheid, alsmede de noodzaak van meer solidariteit tussen
burgers en minder afwenteling op de overheid.’ (Troonrede 1985)
De trend die werd ingezet is er een waarbij burgers vooral (weer) onderling
solidair moesten zijn. Pas daarna volgde idealiter staatsinterventie. Die
trend zette zich voort in de jaren daarna. Mensen moesten meedoen en de
overheid zette in op diverse privatiseringen. Dat leverde financiële ruimte
op voor betere voorzieningen. Financieel ging het vervolgens een aantal
jaren goed. Maar vanaf 2005 werd duidelijk dat er drastisch ingegrepen
moest worden om de solidariteit betaalbaar te houden. De regering nam
onder meer maatregelen op het gebied van de zorg en de sociale zekerheid,
maar benadrukte daarnaast dat het ook de verantwoordelijkheid van de
burger is om tot houdbare en betaalbare voorzieningen te komen:
   ‘Met vastberadenheid en met de bereidheid tot verandering kunnen wij
de kansen benutten voor een economisch en sociaal krachtig Nederland.
De regering doet daartoe een beroep op alle Nederlanders en een ieder die
                                         Solidariteit in de verzorgingsstaat 41
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>in Nederland woont. Er rust een verantwoordelijkheid op ons allen, jong en
oud, burgers en bestuurders, werknemers en werkgevers.’ (Troonrede 2009)
   ‘Samen kiezen we voor een overheid die mensen niet in de eerste plaats
als consument ziet, maar als burgers die de ene keer zelfstandig, de andere
keer samen de toekomst van Nederland vormgeven.’ (Regeerakkoord 2012)
Terugkijkend naar situaties waarin de overheid probeert om voorzieningen
in stand te houden, zien we dat zij in de eerste plaats probeert overmatig
gebruik generiek af te remmen. Regelingen worden strenger en ­selectiever
om zo nog enigszins betaalbaar te blijven. Het probleem is dan wel dat
mensen die het echt nodig hebben vaak de dupe zijn van een dergelijke
korting (rmo 2004). De mensen voor wie de verzorgingsstaat ooit bedoeld
was, trekken aan het kortste eind (Kruiter 2012), omdat juist die mensen de
verzorgingsstaat het meest kosten. Op de langere termijn is dat dus geen
bevredigende optie. Een tweede scenario doemt daarom op. Mensen zullen
concessies moeten doen en deze accepteren. De collectieve schouders zijn
te smal om alle problemen op af te wentelen en de tijd van ‘u vraagt, wij
draaien’ is voorbij. Het besef dringt door – en ook de overheid probeert dat
mensen duidelijk te maken – dat mensen hun eigen belang zullen moeten
relateren aan het algemeen belang. In geval van de bekende rollator bete-
kent dit bijvoorbeeld niet het hamsteren van een rollator zolang ze nog
vergoed worden (zoals in 2012 gebeurde), maar zich afvragen in hoeverre
dergelijke voorzieningen niet uit eigen middelen gefinancierd moeten wor-
den. Inmiddels is natuurlijk duidelijk dat de financiële opgave vele malen
groter is dan het verdwijnen van de rollator uit het pakket. Op alle beleids­
terreinen waarbij solidariteit de basis vormt voor overheidsregelingen zijn
forse aanpassingen of bezuinigingen aangekondigd. De financiële grenzen
van de indirecte solidariteit komen nadrukkelijk in beeld en daarmee ook
een harde noodzaak tot verandering en vernieuwing van de vormgeving
van solidariteit.
3.4 Conclusie
De verzorgingsstaat heeft solidariteit doen stollen in tal van regelingen,
wetten en voorzieningen in onderwijs, sociale zekerheid en zorg. Doordat
solidariteit op deze wijze is verankerd, is de overgrote meerderheid van de
   42 Rondje voor de publieke zaak
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>bevolking beschermd en verzekerd tegen risico’s. Dat kan met recht een
verworvenheid worden genoemd. Het draagvlak voor de verzorgingsstaat
is dan ook nog steeds groot. Op het moment dat bezuinigingen in beeld
komen, weegt voor veel mensen het voordeel van de collectieve regelingen
zwaarder dan de publieke lasten die een regeling met zich meebrengt, ter-
wijl ze daar niet goed zicht op hebben.
    Inmiddels worden de beperkingen van gestolde solidariteit zichtbaar.
Indirecte solidariteit draagt in de eerste plaats een abstract en anoniem
karakter. Het is moeilijk voor mensen om zich in de regelingen te herken-
nen en om te doorgronden hoe financieringsstromen van schenkers en
ontvangers lopen. Met de verzorgingsstatelijke solidariteit is de lotsverbon-
denheid tussen mensen impliciet en versluierd geraakt. Solidariteit is als
het ware ingekapseld door de overheid en dat maakt het moeilijker om de
waarde van solidariteit zichtbaar te maken.
    Ten tweede heeft de verzorgingsstaat een aanzuigende werking.
De arrangementen zijn aantrekkelijk en worden als gevolg daarvan
uitgebreid voor nieuwe doelgroepen. Daar komt bij dat er inmiddels een
professionele middenklasse is ontstaan die afhankelijk is van het werk
binnen de verzorgingsstaat. Dit levert een vanzelfsprekendheid op van
regelingen die de overheid geacht wordt ‘te leveren’. Uit die situatie is maar
moeilijk te ontsnappen. Overheid en samenleving hebben elkaar in een
houdgreep van meer gebruik, klantgedrag en een voortdurende zoektocht
naar legitimiteit.
    Ten derde is de verzorgingsstaat verder ontwikkeld dan een systeem
voor gegarandeerde zekerheid en welvaart. De overheid heeft die zekerheid
en welvaart ook zelf actief georganiseerd. Ze is van een beleid van ‘zor-
gen dat’ naar een beleid van ‘zorgen voor’ gegaan. Dat zet druk op allerlei
­vormen van indirecte solidariteit. Maatschappelijke organisaties en bur-
 gers zijn deels verdrongen door de ruimhartigheid van statelijke regelin-
 gen.
    Tot slot zijn er de forse en aanhoudende financieringsmoeilijkheden van
 de verzorgingsstaat. De betaalbaarheid van regelingen staat door een com-
 binatie van economische en demografische ontwikkelingen zodanig onder
 druk dat herziening en aanpassing van de indirecte solidariteit onvermij-
 delijk zijn. En juist voor deze aanpassingen is wederom solidariteit van
 iedereen noodzakelijk.
                                          Solidariteit in de verzorgingsstaat 43
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>    Daarmee zijn we in de paradoxale situatie terechtgekomen dat waar
solidariteit eerst een argument was voor de opbouw de verzorgingsstaat,
zij inmiddels een argument voor de afbouw ervan is geworden. Solidariteit
wordt nu als argument gebruikt om mensen meer in onderlinge verbanden
te laten organiseren. Maar om solidariteit in de toekomst vorm te kunnen
geven, is een enkelvoudige discussie over de organisatiewijze van solida-
riteit te beperkt. De vraagstukken uit hoofdstuk 2 laten immers zien dat er
op basis van meer dimensies keuzes gemaakt moeten worden. Solidariteit
is gebaat bij een bredere benadering dan alleen een discussie over de houd-
baarheid van de verzorgingsstaat. De toekomst van de solidariteit heeft met
meer te maken dan alleen met de vraag of solidariteit vooral een verant-
woordelijkheid van de overheid of van de samenleving is.
    44 Rondje voor de publieke zaak
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>4
De dynamiek van solidariteit
De voorgaande hoofdstukken schetsen een ambigu beeld van solidariteit.
Er is sprake van talrijke maatschappelijke discussies over uiteenlopende
thema’s die geladen zijn met emotie en dilemma’s. Solidariteit zou zich
moeten uiten in de overdracht van tijd, geld of andere middelen aan ande-
ren, gebaseerd op een zeker gevoel van lotsverbondenheid. Maar in de prak-
tijk verwordt solidariteit steeds meer tot een financiële berekening van het
eigen belang, zijn de verworvenheden van indirecte solidariteit niet langer
betaalbaar, staat het uitgangspunt van lotsverbondenheid door toenemende
kennis over en voorspelbaarheid van risico’s onder druk, en ‘experimen-
teert’ de samenleving met allerlei nieuwe, zelf georganiseerde vormen van
solidariteit.
   De houding en het gedrag van mensen enerzijds en de gestolde organi-
satie van solidariteit anderzijds staan op gespannen voet met elkaar. Het is
lastig te voorspellen hoe de toekomst van solidariteit eruit zal zien. Maar
feit is dat de huidige status quo de komende tijd doorbroken gaat worden.
De wijze waarop we solidariteit organiseren zal gaan veranderen, zeker in
de verhouding tussen overheid en samenleving. Tegelijkertijd geeft alleen
een andere verhouding tussen overheid en samenleving onvoldoende
antwoord op de ontstane maatschappelijke dynamiek. Een nieuwe vormge-
ving van de solidariteit zal ook tegemoet moeten komen aan datgene waar
solidariteit om draait: een overdracht van tijd, geld en andere middelen
gebaseerd op een gevoel van lotsverbondenheid.
   In dit hoofdstuk gaan we op zoek naar de dimensies op basis waarvan
solidariteit gestalte krijgt wanneer zowel wordt gekeken naar de organi-
satie van solidariteit als naar de manier waarop mensen hun solidariteit
­bepalen. Daarbij laten we ons inspireren door een aantal denkers die zich
 over solidariteit hebben uitgelaten, deels al voordat de verzorgingsstaat
 bestond. Van die klassieke denkers leren we dat solidariteit een aantal
 dimensies kent waarvan de onderkenning kan helpen om solidariteit
                                               De dynamiek van solidariteit 45
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>opnieuw en eigentijds vorm te geven. Schematisch zijn die dimensies als
volgt weer te geven:
Figuur 1
Dimensies van solidariteit
     Dimensie 1: identiteit               Dimensie 2: belangen
    Met wie ben ik solidair?           Wat heb ik aan solidariteit?
           Motieven:                           Motieven:
           diversiteit                        eigen belang
           gelijkheid                       collectief belang
                             Solidariteit
      Dimensie 3: kennis                 Dimensie 4: organisatie
   Hoeveel risico wil ik delen?     Hoe organiseren we solidariteit?
           Motieven:                           Motieven:
         transparantie                           indirect
         onwetendheid                             direct
4.1 Dimensie 1: diversiteit én gelijkheid als bron voor solidariteit
De eerste dimensie hangt samen met de vraag met wie je in de samenleving
solidair bent en op welke gronden. Op basis van het gedachtegoed van een
aantal klassieke denkers kunnen we twee hoofdmotieven onderscheiden:
solidariteit met mensen op basis van het feit dat we verschillend zijn en
solidariteit op basis van het feit dat we gelijk zijn. Voor het eerste motief,
diversiteit, gaan we te rade bij Adam Smith (1723-1790) en Emile Durkheim
(1858-1917), die zich beiden uitlieten over wederzijdse afhankelijkheid in
moderne samenlevingen. Mensen doen niet allemaal hetzelfde, maar gaan
steeds specifiekere taken uitvoeren en verantwoordelijkheden dragen.
Smith noemde dit in zijn Wealth of Nations (1776) arbeidsdeling. Door de
   46 Rondje voor de publieke zaak
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>specialisatie die met arbeidsdeling gepaard gaat, is het mogelijk om meer
welvaart te creëren. De solidariteit die in dit soort samenlevingen tot stand
komt, is als gevolg van de arbeidsdeling bijna per definitie gebaseerd op ver-
schil en diversiteit tussen mensen. Durkheim spreekt daarom een kleine
honderd jaar later van organische solidariteit.
   Organische solidariteit typeert moderne samenlevingen. Mensen gaan
zich steeds meer specialiseren, waardoor er verschillen ontstaan in sociaal-
economische en sociaal-culturele zin. Juist daardoor neemt de wederzijdse
afhankelijkheid toe. Niemand kan alles, ieder doet een deel. Niemand kan
het zich veroorloven om zich volledig autonoom op te stellen. Niemand kan
volstrekt zelfstandig in zijn of haar eigen levensbehoefte voorzien. Dat was
in de premoderne samenleving al zo, maar toen waren gemeenschappen
nog tamelijk autarkisch. In de moderne samenleving neemt de behoefte
aan arbeidsdeling toe. De arts, de bakker, de boer, de advocaat, de straten-
maker, ze zijn allemaal nodig om de samenleving draaiende te houden.
   Dit besef van wederzijdse afhankelijkheid vraagt van mensen dat
ze publieke taken met elkaar organiseren, publieke problemen samen
oplossen, dingen voor elkaar doen. Het is echter niet vanzelfsprekend
dat mensen publieke problemen zoals armoede gezamenlijk oppakken.
Smith constateert dat veel mensen worden uitgesloten van de weldadige
samenleving. Vooral gilden maakten zich daar schuldig aan. Mensen
met dezelfde belangen verenigden zich ten koste van mensen met andere
belangen. En zeker ten koste van mensen die zich niet konden verenigen.
Dat lot trof vooral de armen, die Smith in zijn Theory of Moral Sentiments
(1759) bespreekt. We leren van Smith en Durkheim dat arbeidsdifferenti-
atie – diversiteit – als basis voor solidariteit leidt tot welvaart, maar ook tot
uitsluiting. In zekere zin een paradox.
   Naast diversiteit is ook gelijkheid een bron voor solidariteit. Gelijkheid
speelt immers een belangrijke rol bij de lotsverbondenheid die zo belang-
rijk is voor solidariteit. Hiervoor kunnen we teruggrijpen op een andere
klassieke denker, Alexis de Tocqueville (1805-1859). De Tocqueville schrijft
een halve eeuw na Smith, maar nog voor Durkheim. In zijn werk staat
reflectie op de ontluikende democratie in Europa centraal. Kenmerkend
voor die democratie is de politieke, juridische en culturele gelijkheid die
mensen hebben verworven na de Franse revolutie. In een democratische
samenleving hebben mensen mensenrechten en zijn zij voor de wet gelijk.
Mensen kunnen ook hetzelfde en mogen hetzelfde. Er bestaan dus geen
                                                 De dynamiek van solidariteit 47
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>expliciete, geformaliseerde hiërarchische afhankelijkheidsrelaties meer
binnen de samenleving, zoals dat in bijvoorbeeld een aristocratie wel het
geval is.
   De Tocqueville ziet dan ook niet diversiteit, maar juist gelijkheid als
het kenmerk van de moderne democratische samenleving. Het gevolg van
deze gelijkheid is dat mensen zich steeds meer met andere mensen (kun-
nen) identificeren. Omdat iedereen gelijk is, kunnen ze zich gemakkelijker
voorstellen dat ongeluk dat iemand aan de andere kant van het land treft,
henzelf ook zou kunnen treffen. Gelijkheid leidt er toe dat mensen elkaar
erkennen en herkennen. Om die reden zullen ze eerder iets voor elkaar
overhebben. Ze zullen zich eerder lotgenoot of deelgenoot voelen. Wanneer
de samenleving bestaat uit gelijken, ontstaat er meer onderling vertrou-
wen, zijn er meer collectieve voorzieningen en nemen de welvaart en de
democratische kwaliteit toe. Gelijkheid is in die zin een voorwaarde of
inspiratiebron voor solidariteit.
   Maar evenals diversiteit werkt ook gelijkheid paradoxaal uit op solida-
riteit. Ook gelijkheid kan omslaan in uitsluiting, namelijk van de mensen
met wie je je niet gelijk voelt. De Tocqueville gaat zelfs nog een stap verder.
Wanneer hij onderzoek doet in Frankrijk, ziet hij gelijkheid omslaan in
individualisme. Zijn verklaring daarvoor is dat mensen als volgt redeneren:
‘Als iedereen hetzelfde is, waarom zou je je dan afhankelijk opstellen van
een ander?’ Dat dit volgens hem toch nodig is, komt voort uit zijn waarne-
ming dat mensen voor gezamenlijke opgaven staan. We komen daar in een
volgende paragraaf op terug.
   Gelijkheid en diversiteit zeggen beide iets over de groep waarmee we
solidair zijn: we voelen ons solidair met wie we gelijk en verbonden zijn
vanuit het oogpunt van identiteit en verwantschap, en tegelijk met wie we
verschillen (we profiteren van elkaars expertise, maar ook van het recht
om anders te zijn). Diversiteit en gelijkheid kunnen botsen, maar ook
samenvallen. Mensen kunnen in een democratie bijvoorbeeld gelijk zijn
in hun mogelijkheden om hun diversiteit te uiten. De gelijke bekostiging
van openbaar en bijzonder onderwijs in Nederland is daar een voorbeeld
van. Mensen hebben de mogelijkheid om op basis van eigen overtuigin-
gen een school te besturen. En, om een heel ander voorbeeld te noemen,
niet ieder Broodfonds hoeft onder dezelfde voorwaarden te functioneren.
Tegelijkertijd kunnen gelijkheid en diversiteit de ontwikkeling van soli-
dariteit soms ook bemoeilijken. Diversiteit kan omslaan in uitsluiting, en
   48 Rondje voor de publieke zaak
</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre>gelijkheid in individualisme en onverschilligheid. Om hier meer zicht op
te krijgen is een tweede dimensie van solidariteit van belang: de manier
waarop mensen solidariteit vormgeven hangt ook af van de vraag hoe ze
hun belangen inschatten en die weten te behartigen.
4.2 Dimensie 2: inzet voor publiek én privaat belang
Een tweede dimensie van solidariteit draait om de vraag wat je aan solida-
riteit kunt hebben. Wat levert solidariteit mensen op? Ook hier zijn twee
hoofdmotieven te onderscheiden, namelijk een privaat en een publiek
belang. Beide kunnen op gespannen voet met elkaar staan, maar kunnen
elkaar ook versterken.
    Ook hier kan het werk van klassieke denkers behulpzaam zijn. In de op
diversiteit gebaseerde organische samenleving van Smith en Durkheim
staat het individu centraal. Als mensen allemaal zo goed mogelijk hun
eigen belang najagen, functioneert iedereen het beste en daarmee de hele
samenleving, zo is hun gedachte. Smith geloofde in het eigen belang van
mensen als productieve kracht, met uiteindelijk ook een positief resultaat
voor de gemeenschap, zij het onbewust. Zijn bekende bakker bakte zijn
brood omdat hij het wilde verkopen, niet om de samenleving van brood te
voorzien. Oftewel, mensen bewegen uit persoonlijke motieven. Zolang ze
daarin vrij zijn, zal het gezamenlijke resultaat gunstig zijn voor de publieke
zaak. Daar zorgt de invisible hand voor. Smiths focus op het eigen belang
was en is niet geheel onomstreden. Ook liefdadigheid, de wens een bijdrage
te leveren aan een betere samenleving en gevoelens van lotsverbondenheid
kunnen immers motieven zijn om solidair te handelen. Daarnaast kan de
focus op eigen belang tot excessen leiden. Waar de economie het niet kon
oplossen, moest de staat ingrijpen. Het opkomende kapitalisme met een
focus op eigen belang veroorzaakte in de tijden van Smith dus ook nieuwe
sociale problemen.
    Ook De Tocqueville zag dat louter de focus op eigen belang onvoldoende
was. Zoals vermeld zag hij gelijkheid omslaan in individualisme. Wie geen
vrienden of familie heeft aan wie hij ‘gelijk’ is, is volgens hem overgeleverd
aan de overheid. De Tocqueville heeft om die reden weinig op met de invi­
sible hand van Adam Smith. Juist de focus op eigen belang leidt tot micro-
samenlevingen waar uitsluiting op de loer ligt. Het betoog van Smith is in
                                              De dynamiek van solidariteit 49
</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 51 ======================================================================

<pre>zijn ogen te veel gericht op financiële prikkels en individuele nutsmaxima-
lisatie. Voor esprit public is volgens hem meer vereist. Met de komst van
de democratie is de periode waarin mensen (lees: aristocraten) het als het
hoogste goed zagen om zich op te offeren voor de res publica, voorbij. Maar
in plaats van de tegenstelling tussen het eigen en het publieke belang te
benadrukken, beschrijft De Tocqueville de verbinding tussen beide belan-
gen. Wanneer mensen zien dat ze belang hebben bij het publieke belang,
zullen zij immers in overeenstemming met het publieke belang handelen.
De Tocqueville noemde dat het welbegrepen eigen belang.
    Het welbegrepen eigen belang vormt volgens De Tocqueville de synthese
tussen publiek belang en eigen belang. Welbegrepen eigen belang houdt
ten diepste in dat je je inspant voor de publieke zaak omdat je er zelf belang
bij hebt. En dat is breed op te vatten. Niet alleen als direct persoonlijk voor-
deel, maar ook in de vorm van ‘een veilige buurt’ of ‘een gezonde samen-
leving’. Maar niet iedereen spant zich automatisch in vanuit welbegrepen
eigen belang. Mensen ontwikkelen welbegrepen eigen belang alleen als ze
op kleine schaal gezamenlijke problemen gezamenlijk oplossen. Denk daar-
bij aan het bouwen van een school, een terp of een weg. Hoe minder men-
sen dat gezamenlijk doen, hoe minder eigen belang ze zullen ontwikkelen,
zo voorzag de Fransman. Bij welbegrepen eigen belang relateren mensen
het publieke belang aan hun eigen belang. Het publieke belang wordt ook
in de afwegingen van mensen betrokken en opent daarmee de weg naar
generieke wederkerigheid: het idee en het vertrouwen dat wanneer men
iets bijdraagt, daar ooit weer iets voor terugkomt.
    Evenwicht tussen publiek en privaat belang is net als evenwicht tussen
gelijkheid en diversiteit noodzakelijk, maar zal niet per definitie uit zich-
zelf ontstaan. Een belangrijke voorwaarde voor welbegrepen eigen belang
is dat een overheid mensen niet alles uit handen neemt. Mensen raken het
zicht op de verbinding tussen eigen belang en publiek belang dan kwijt. In
de volgende paragraaf zullen we bovendien zien dat de mate waarin men-
sen hun eigen belang met het publieke belang kunnen overeenstemmen
ook afhangt van de kennis die ze over anderen en zichzelf hebben.
    50 Rondje voor de publieke zaak
</pre>

====================================================================== Einde pagina 51 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 52 ======================================================================

<pre>De Tocqueville en het welbegrepen eigen belang
Wanneer De Tocqueville rond 1831 Amerika bezoekt, ziet hij Amerikanen
die samen scholen, brandweerkazernes en ziekenhuizen bouwen. Overal
waar in Frankrijk de staat aan te pas moet komen, doen de Amerikanen het
zelf. Dat fascineert de Fransman. Amerikanen lossen gemeenschappelijke
problemen gemeenschappelijk op, omdat ze er belang bij hebben. Niet
omdat het in morele zin correct is. Maar het belang dat De Tocqueville
ontmaskert als de drijfveer achter de moderne democratische samenleving,
is welbegrepen. Hij spreekt letterlijk van l’intérêt bien entendu. Eigen belang
kan namelijk ook verkeerd begrepen zijn. Stel: een aantal mensen besluit
een weg aan te leggen door een dorp. Sommigen van hen willen een
kronkelweg die overal langs gaat, anderen willen een rechte weg, en weer
anderen willen dat de weg langs de kerk gaat en verder niet. In Amerika, zo
constateert de Fransman, zullen ze er snel uit zijn en een route verzinnen
waar iedereen het mee eens is. Mensen kunnen concessies doen aan hun
eigen belang voor de korte termijn, omdat het op langere termijn in hun
belang is dat de weg er komt. En als ze blijven discussiëren, gebeurt er
überhaupt niks. Dat noemt De Tocqueville welbegrepen eigen belang.
Zelfs als hun voorkeuren niet in het uiteindelijk ontwerp terechtkomen,
kunnen ze er vrede mee hebben, omdat later, bij de bouw van een school,
ziekenhuis of brandweerkazerne, hun voorkeur wel wordt gehonoreerd.
Zo lang ze maar mee blijven doen, kunnen ze invloed uitoefenen en hun
belangen behartigen. Ze geven de voorkeur aan het oplossen van een
publiek probleem: liever een weg dan helemaal geen weg (De Tocqueville
2000).
4.3 Dimensie 3: kennis én onwetendheid over risico’s
Een derde dimensie bij solidariteit betreft het inschatten van risico’s en de
mate waarin mensen deze willen delen. Kennis over risico’s kan solidariteit
tussen mensen zowel positief als negatief beïnvloeden. De vraag is steeds:
wat weten we van degenen met wie we solidair moeten of willen zijn? En
welke betekenis kennen we toe aan deze kennis in relatie tot onze solida-
riteit met anderen of de opvattingen die we hebben over verzorgingsstate-
                                               De dynamiek van solidariteit 51
</pre>

====================================================================== Einde pagina 52 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 53 ======================================================================

<pre>lijke solidariteit? Deze vraag is bijvoorbeeld actueel in de discussies over de
consequenties van leefstijl voor de hoogte van verzekeringspremies.
    Met het werk van Max Weber (1852-1937) kunnen we die vraag aanscher-
pen. Weber constateerde niet eens zozeer dat we in de moderne samenleving
steeds meer weten, maar dat we steeds meer willen weten, zeker als het gaat
om collectieve actie. De ratio staat hoog in aanzien en is allesbepalend voor
de moderne samenleving. Het intellect is onze voornaamste eigenschap en
zet aan tot een voortdurende nieuwsgierigheid naar kennis over hoe het
precies zit. We nemen bijvoorbeeld niet langer genoegen nemen met het feit
dat de natuur en het levenslot op ons afkomen, maar willen het begrijpen en
indien mogelijk beïnvloeden. Dat leidt tot Webers bekende ‘onttovering van
de wereld’ (Weber 1919). In moderne samenlevingen kunnen we steeds meer
weten, willen we steeds meer weten en zullen we die kennis ook gebruiken
in onze afwegingen rond solidariteit. Kennis beïnvloedt onze afwegingen en
brengt nieuwe onzekerheden met zich mee.
    Dat we steeds meer willen en kunnen weten, lijkt te botsen met het idee
dat de ontwikkeling van solidariteit ook gebaat is bij een zekere anonimiteit.
Ook hier kunnen we te rade gaan bij een inmiddels klassieke denker, hoewel
uit een recentere periode: John Rawls (1921-2002). Hoewel Rawls’ primaire
thema rechtvaardigheid is, raakt zijn werk permanent aan het vraagstuk van
solidariteit. Kort gezegd geeft Rawls antwoord op de vraag hoe we solidair
kunnen zijn met mensen die we niet kennen. Hij introduceerde daarvoor het
gedachte-experiment van de veil of ignorance. Dat ging als volgt: Een groep
mensen ontwikkelt de ideale samenleving zonder dat ze weten welke positie
ze daar zelf in zullen innemen. Ze zijn ‘onwetend’ over hun talenten, ziektes,
carrière, gezinssituatie, inkomen, et cetera. Pas als de veil of ignorance wordt
weggehaald, zien mensen in welke positie ze terecht zijn gekomen. Hoe
zouden ze in zo’n geval de samenleving vormgeven? Volgens Rawls zullen
mensen vanuit een positie van onwetendheid kiezen voor solidariteit met
mensen die bij het optrekken van de sluier op een slechte positie terecht blij-
ken te zijn gekomen. Onwetendheid leidt dus tot solidariteit, aangezien de
kans dat men zelf slecht terechtkomt (ziek, dakloos, werkeloos) even groot is
als de kans dat men goed terechtkomt. Ook hier komt het welbegrepen eigen
belang om de hoek kijken. Juist omdat men onwetend is, heeft men er belang
bij dat de risico’s en de solidariteit eerlijk gespreid worden.
    De vraag is natuurlijk in hoeverre de veil of ignorance van toepassing is op
de praktijk van alledag. Enerzijds weten we ook in het echte leven niet hoe
    52 Rondje voor de publieke zaak
</pre>

====================================================================== Einde pagina 53 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 54 ======================================================================

<pre>de toekomst eruitziet. Ziekte en ongeluk liggen voor iedereen op de loer.
Anderzijds weten we wel steeds meer en kunnen we risico’s – in elk geval in
algemene termen – beter inschatten. Dit leidt tot een voortdurende trans-
parantieparadox. Kennis over de ander is in zekere zin een bron van lots-
verbondenheid en solidariteit. Maar te veel kennis kan er ook toe leiden dat
solidariteit verdwijnt en dat welbegrepen eigen belang ontaardt in eigen­
belang. Solidariteit is in die zin gebaat bij een zekere mate van mystificatie
en betovering. Maar te veel betovering leidt tot onzekerheid en wantrou-
wen ten aanzien van de ontvangende partij. Ook hier vereist solidariteit
dus een balans.
4.4 Dimensie 4: organisatie, tussen samenleving en overheid
Een laatste, maar niet minder belangrijke dimensie is die van de vorm-
geving van solidariteit. Wie organiseert solidariteit en op welke wijze?
Solidariteit is voor een belangrijk deel ingegeven door de noodzaak om
publieke taken gezamenlijk op te pakken vanuit de gedachte dat dit ‘de
zwakkere’, maar uiteindelijk iedereen, voordeel kan opleveren. Dat is de
afgelopen decennia voor een groot deel in de verzorgingsstaat gebeurd, met
al zijn hierboven beschreven consequenties.
    De meeste denkers die we hierboven aanhaalden, leefden in een tijd
waarin de verzorgingsstaat zoals we die nu kennen, nog in een embryonaal
stadium verkeerde. Solidariteit leek dan ook vooral een maatschappelijk,
sociologisch fenomeen te zijn, iets wat in de samenleving zelf zonder tus-
senkomst van een overheid tot stand komt. Inmiddels is die overheid in
de organisatie van solidariteit nauwelijks weg te denken. Om de dimensie
overheid/samenleving beter te doorgronden, kunnen we bij een heden-
daagse denker als Abram de Swaan (*1942) terecht.
    De Swaan wijst op het belang van externe effecten als drijvende kracht
achter de mechanismen, wetten en voorzieningen die we nu als solidariteit
ervaren. Externe effecten zorgen ervoor dat collectieve problemen aan de
oppervlakte komen. Kort en goed houden externe effecten in dat bijvoor-
beeld armoede in eerste instantie negatieve effecten heeft voor de arme.
De Swaan legt echter uit dat rijken uiteindelijk voor armen gingen zorgen,
omdat ze bang waren om door dezelfde epidemieën getroffen te worden
als die de armen in wijken zonder riolering troffen. Hij laat zien dat rijken
                                                De dynamiek van solidariteit 53
</pre>

====================================================================== Einde pagina 54 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 55 ======================================================================

<pre>vooral solidair waren met de armen uit angst hun ziekten over te nemen.
Door voorzieningen als rioleringssystemen en armenhuizen te treffen,
probeerden ze de externe effecten van de armoede te voorkomen. Ook het
optreden van externe effecten pleit voor de notie van welbegrepen eigen
belang. Mensen hebben er baat bij als ze zich voor de ander inzetten. Het is
eigen belang om zich voor de ander in te zetten of voor systemen waar heel
de samenleving van profiteert, maar wel welbegrepen eigen belang.
   Zowel de overheid als de samenleving kan externe effecten bestrijden.
Hoe meer de samenleving in staat is om solidariteit te organiseren, des te
minder zal de overheid hoeven te interveniëren. De balans tussen overheid
en samenleving wordt door elke klassieke denker anders ingevuld. Volgens
Emile Durkheim is een organische, op diversiteit gebaseerde solidariteit
vooral een zaak van de samenleving. Max Weber daarentegen heeft meer
oog voor de rol van de overheid en wijst op de bureaucratie als ultieme
moderne organisatievorm van solidariteit, al noemt hij ook een aantal
(negatieve) consequenties. Bureaucratie is een product van rationalisering,
maar produceert volgens hem ook rationalisering. Ze beoogt gelijke geval-
len gelijk te behandelen, zodat standaardisering de maat der dingen is.
Dit heeft in termen van efficiency veel voordelen. Tegelijk kan de waarde
van solidariteit onder druk komen te staan als de ratio ons leven beheerst
en de standaard de hoogste norm is. Bureaucratie reproduceert immers
nieuwe bureaucratie. We zien dat in veel domeinen terug. Om bijvoorbeeld
sociale zekerheid gelijkelijk te kunnen toedelen, is een omvangrijk appa-
raat nodig om te controleren of mensen rechtmatig gebruikmaken van
voor­zieningen.
   Maar bureaucratie kent meer nadelen. Volgens De Tocqueville vervangt
de anonieme financiële transactie de (warmere) band tussen schenker en
ontvanger (de schenker voelt tevredenheid, de ontvanger dankbaarheid).
En dit leidt er weer toe, zoals we in onze analyse van de verzorgingsstaat
zagen, dat mensen zich afhankelijk gaan opstellen. Daarnaast waarschuwt
De Tocqueville ervoor dat decentrale organisatie van voorzieningen door
gemeenten het risico met zich meebrengt dat de uitsluiting zich verplaatst.
Zo hebben gemeenten er belang bij om niet te veel ‘ontvangers’ binnen hun
poorten te hebben. Mensen die de zorg het hardst nodig hebben, worden uit
de steden gejaagd of niet toegelaten. Hetzelfde gebeurt met mensen die arm
dreigen te worden, bijvoorbeeld doordat ze net hun baan hebben verloren
of ziek zijn geworden. Decentralisatie van de uitvoering van beleid kan zo
   54 Rondje voor de publieke zaak
</pre>

====================================================================== Einde pagina 55 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 56 ======================================================================

<pre> leiden tot nieuwe vormen van uitsluiting. En bureaucratie lijkt de geperci-
 pieerde waarde van solidariteit te vernietigen.
    Ook bij de organisatie van solidariteit draait het dus om de zoek-
tocht naar de juiste balans. In de kern gaat het om het slim oplossen van
­prisoner’s dilemma’s: samenwerken levert collectief voordeel op, maar het
 eigen belang voorrang geven leidt (of lijkt te leiden) tot snelle winst voor
 het individu. Met de auto ben je over het algemeen sneller dan met de bus.
 Maar wanneer iedereen de auto neemt, sta je in de file en verlies je de tijds-
 winst. Door met het openbaar vervoer te gaan, lever je tijd in, maar is een
 grote groep sneller op de plaats van bestemming.
    Het punt is echter dat de verzorgingsstaat jarenlang gefungeerd heeft
 als een soort ‘bliksemafleider’ voor prisoner’s dilemma’s. Overheden heb-
 ben het vormgeven van solidariteit langzaam van de samenleving overge-
 nomen. De Swaan (1988) schetst dit aan de hand van de geschiedenis van
 armenhuizen. De gemeente die als eerste een armenhuis bouwt, loopt
 de kans dat alle armen naar die gemeente toegaan. Maar als geen enkele
 gemeente een armenhuis bouwt, blijft het armoedeprobleem voortbestaan.
 De oplossing is overleg, afstemming en het collectief bouwen van armen-
 huizen. Maar op die manier vormt het prisoner’s dilemma tevens de kiem
 van de uitdijende verzorgingsstaat. Een staat die groeide, die een toene-
 mende vraag creëerde en die solidariteit stolde in beleid.
    Het is verleidelijk om de organisatie van solidariteit in handen te leggen
 van een institutie die een uitweg biedt uit het prisoner’s dilemma. Maar
 daar zitten grenzen aan. Zolang er voldoende collectieve financiële dek-
 king is, lijkt er weinig aan de hand. Maar juist in een tijd van financiële
 beperkingen komt de grens van de overheidsorganisatie in zicht. Daarnaast
 zijn er morele overwegingen: de door de samenleving georganiseerde
 solidariteit biedt in potentie tegenwicht aan te veel afhankelijkheid van
 de overheid en maakt het mogelijk om solidariteit met waarden te laden.
 Misschien zijn we het vergeten, maar ook de samenleving kan instituties
 voortbrengen die prisoner’s dilemma’s kanaliseren.
                                               De dynamiek van solidariteit 55
</pre>

====================================================================== Einde pagina 56 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 57 ======================================================================

<pre>4.5 Conclusie
Wat hebben we geleerd in onze zoektocht naar de totstandkoming van
solidariteit aan de hand van een aantal (klassieke) denkers? Een eerste
conclusie is dat solidariteit een dynamisch concept is dat op basis van
verschillende dimensies gestalte krijgt. Dat was in het verleden zo en dat
tekent zich vandaag de dag opnieuw af (vgl. In ’t Veld en Van Daal 2013).
Het dynamische karakter ervan is echter lange tijd versluierd geweest,
doordat de organisatie van solidariteit in handen is komen te liggen van de
overheid. De overheid heeft de keuzes binnen de dimensies in feite voor de
mensen ingevuld, vastgepind, waardoor de dynamiek verdween. Nu soli-
dariteit zich in de toekomst weer meer aandient als een maatschappelijk
concept dat minder vanzelfsprekend in handen van de overheid ligt, komt
de invulling van de verschillende dimensies weer open op tafel te liggen.
Dat betekent dat solidariteit in ieder geval meervoudig ingevuld zal wor-
den. Mensen in bijvoorbeeld Appelscha zullen het anders vormgeven dan
mensen in Eindhoven of Middelburg.
   Op de vraag ‘met wie ben ik solidair?’ zijn op basis van de klassieke
denkers twee bronnen of motieven te noemen. Smith en Durkheim wezen
op het belang van diversiteit als voorwaarde voor solidariteit: in een gespe-
cialiseerde moderne samenleving hebben we baat bij elkaars expertise,
en jouw recht om anders te zijn garandeert ook het mijne. Tegelijk kan te
veel diversiteit ook de mogelijkheid tot identificatie met de ander vermin-
deren en zo solidariteit ondergraven. Vandaar dat De Tocqueville wees
op het belang van gelijkheid als basis van solidariteit, al zag hij ook de
keerzijde hiervan in de vorm van individualisme en het zich opsluiten in
microsamen­levingen.
   Bij de vraag ‘wat heb ik aan solidariteit?’ is er sprake van een delicaat
evenwicht tussen het private en publieke belang. Mensen zijn geneigd
gericht te zijn op het eigen belang op korte termijn, maar dat zal op den
duur het publieke belang ondergraven. De Tocqueville wees daarom op
de noodzaak van het welbegrepen eigen belang: het is in jouw belang om
niet altijd te streven naar de individuele kortetermijnwinst, aangezien dat
op den duur zich niet alleen tegen de samenleving, maar ook tegen jezelf
keert.
   De vraag ‘hoeveel risico wil ik delen?’ kan eveneens vanuit twee ver-
schillende motieven worden beantwoord. Enerzijds is voor solidariteit een
   56 Rondje voor de publieke zaak
</pre>

====================================================================== Einde pagina 57 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 58 ======================================================================

<pre>bepaalde mate van kennis noodzakelijk vanuit het oogpunt van lotsver-
bondenheid met de ander. Anderzijds, zo leert Rawls, blijken onwetendheid
en anonimiteit de bereidheid tot solidariteit te vergroten. Als we zouden
weten dat we persoonlijk weinig met ziekte en armoede in aanraking zou-
den komen, zijn we minder bereid af te dragen aan de ander dan wanneer
we geen kennis zouden hebben over de risico’s die we lopen. Dit zien we
vandaag de dag in de discussie over leefstijldifferentiatie bij premiehef-
fing voortdurend terug. Kennis over risicofactoren maakt mensen terug­
houdend om solidair te zijn met de meer risico lopende medemens.
   Tot slot de vraag naar ‘hoe we solidariteit organiseren’. Op goede gron-
den is er in het verleden voor gekozen om de overheid hierin een belang-
rijke rol te geven. Juist de overheid is immers in staat om externe effecten
op te kunnen vangen. Maar dat heeft een keerzijde. De bureaucratie die
daar volgens Weber voor noodzakelijk is, heeft een zichzelf reproducerend
karakter. Vandaar dat Durkheim wees op de mogelijkheid om externe effec-
ten in de samenleving zelf te kanaliseren. De overheid mag dan misschien
de meest efficiënte organisator van solidariteit zijn (niets zo efficiënt om
fondsen te werven als de blauwe envelop), het gaat wel ten koste van het
besef van solidariteit als waarde en van de heilzaamheid van de notie van
welbegrepen eigen belang.
                                              De dynamiek van solidariteit 57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 58 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 59 ======================================================================

<pre> Samengevat in een tabel:
 Dimensie Motief                      Positief                             Negatief
                     Diversiteit      Vergroot interdependentie.           Vermindert identificatie met
IDENTITEIT
                                                                           de ander.
                     Gelijkheid       Vergroot identificatie met en        Leidt tot individualisme en
                                      erkenning van de ander.              dwang.
                     Eigen belang     Leidt tot productiviteit en zet      Vergroot individualisme.
BELANGEN
                                      mensen in beweging.
                     Publiek belang   Maakt collectiviteit mogelijk.       Kracht individu wordt
                                                                           ontkracht.
                     Wel weten        Kennis is een noodzakelijke          De wil om alles te weten
KENNIS                                voorwaarde voor solidariteit.        ondergraaft solidariteit.
                     Niet weten       Onwetendheid en anonimiteit          In moderne tijden vormt
                                      kunnen de band met onbekende         mystiek/onwetendheid geen
                                      anderen versterken.                  legitieme basis.
                     Overheid         ‘De blauwe envelop’ is de meest      De manier waarop de over-
ORGANISATIE
                                      efficiënte manier voor het           heid indirecte solidariteit
                                      organiseren van solidariteit.        organiseert holt solidariteit
                                                                           als waarde uit.
                     Samenleving      Directe solidariteit is krachtiger   Directe solidariteit is
                                      dan indirecte solidariteit.          inefficiënt en heeft vaak
                                      Bovendien is het bevorderlijk        een uitsluitende werking
                                      voor solidariteit als waarde.        (microsamenlevingen).
              58 Rondje voor de publieke zaak
</pre>

====================================================================== Einde pagina 59 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 60 ======================================================================

<pre>5
Conclusie en aanbevelingen
Hoe krijgt solidariteit in de toekomst vorm en wat betekent dat voor de
verhouding tussen indirecte en directe solidariteit? Dat was de vraagstel-
ling waarmee we begonnen. Dit hoofdstuk sluit af met een conclusie en
een vooruitblik op die nieuwe verhouding. In vier aanbevelingslijnen
schetsen we de contouren van een solidariteit die de waarde ervan weer in
beeld brengt en meer ruimte biedt aan een organisatie van solidariteit in de
samenleving.
5.1 Conclusie
In de voorgaande hoofdstukken analyseerden we op welke wijze solidari-
teit vorm heeft gekregen in de verzorgingsstaat, welke grenzen die organi-
satiewijze kent en welke vraagstukken er op dit moment spelen wanneer er
in beleid of in het publieke debat discussie over solidariteit wordt gevoerd.
De conclusie is dat solidariteit als fundament van de verzorgingsstaat
slachtoffer dreigt te worden van haar eigen succes. De voorzieningen in de
verzorgingsstaat zijn een verworvenheid, maar zijn daarmee ook zo aan-
trekkelijk dat mensen er veel gebruik van maken en de verzorgingsstaat
als gevolg nog steeds uitdijt. Daarmee komen kwesties van legitimiteit
en rechtvaardigheid aan de oppervlakte. De overheid verplicht mensen in
veel gevallen een substantieel deel van hun inkomen in te leveren voor de
bekostiging van de indirecte solidariteit. Dat levert diverse vragen op, zoals
naar de mate waarin mensen zelf profijt verwachten van hun solidaire
bijdrage en naar de bereidheid om solidair te zijn met mensen die aantoon-
baar verwijtbaar gedrag vertonen. Deze vragen winnen aan urgentie nu de
economische groei de aanspraken op de verzorgingsstaat niet langer zal
kunnen opvangen en demografische ontwikkelingen bovendien het aantal
inactieven in de samenleving (mensen die dus aan de ontvangende kant
                                              Conclusie en aanbevelingen 59
</pre>

====================================================================== Einde pagina 60 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 61 ======================================================================

<pre>van solidariteit staan) zullen doen toenemen. Waar solidariteit eerst als
argument werd gebruikt om de verzorgingsstaat uit te bouwen, is het nu
een argument om verzorgingsarrangementen te doen inkrimpen.
    Uit de analyse van dit advies blijkt eveneens dat de organisatie van soli-
dariteit in verzorgingsstaat ervoor zorgt dat de waarde van solidariteit en
lotsverbondenheid uit beeld raakt. Binnen de verzorgingsstaat is er vooral
sprake van impliciete solidariteit, waarbij de relatie tussen ontvanger en
schenker nauwelijks zichtbaar is. Solidariteit is een star idee geworden.
Met wie mensen solidair zijn, onder welke voorwaarden en op welke wijze,
wordt bepaald door collectieve belangen en wordt geregeld door de over-
heid. De conclusie luidt dan ook dat de manier waarop solidariteit gestold
is in de verzorgingsstaat, ten koste is gegaan van solidariteit als waarde.
Indirecte, afgedwongen solidariteit heeft het vermogen gefrustreerd om
solidariteit direct en vrijwillig in onderlinge verhoudingen vorm te geven.
Nu we naar een oplossing van deze problematiek zoeken, stellen we veelal
eerst de organisatorische vraag: moet de overheid het doen of dragen we
taken over aan de samenleving? De rmo concludeert echter dat dit een te
beperkt debat is. Solidariteit krijgt vorm op basis van meerdere dimen-
sies; solidariteit is een dynamisch concept en zal in de toekomst met meer
nadruk op directe solidariteit ook zodanig gestalte krijgen.
    De solidariteit van de toekomst zal er dus op een aantal aspecten anders
uitzien dan de solidariteit van vandaag. In de eerste plaats zal de verhou-
ding van indirecte en directe solidariteit opschuiven naar de door mensen
georganiseerde en zelfstandig gekozen directe solidariteit. De financiële
grenzen en tekortkomingen van de verzorgingsstaat maken een nieuwe
balans binnen die dimensie onvermijdelijk. Dat betekent in de tweede
plaats dat de waarde van solidariteit op enige wijze weer een nadrukke-
lijker vorm krijgt. Voor solidariteit van de toekomst is het belangrijk dat
mensen er gevoel bij hebben en dat zichtbaar is waar hun offer naartoe gaat.
In de discussies over solidariteit is het ten derde van belang om solidariteit
te beschouwen als iets wat tot stand komt door voortdurende en wisselende
afwegingen omtrent identiteit (met wie ben ik solidair?), belangen (wat heb
ik aan solidariteit?), kennis (hoeveel risico’s wil ik delen op basis van wat ik
van de ander en van mijzelf weet?) en organisatie (leggen we de uitvoering
in handen van de samenleving of van de overheid?). Die permanente afwe-
ging kenmerkt de solidariteit van de toekomst. Het meervoudige karakter
hebben we lange tijd kunnen negeren, omdat de overheid degene was die
    60 Rondje voor de publieke zaak
</pre>

====================================================================== Einde pagina 61 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 62 ======================================================================

<pre>de invulling ervan grotendeels op zich nam. Nu dat steeds minder het
geval is, zal het dynamische karakter van solidariteit in alle hevigheid op
ons afkomen. In die dynamiek zullen we, ten vierde, moeten erkennen dat
belangen een wezenlijke rol spelen bij de totstandkoming van solidariteit.
Het organiseren en vormgeven van solidariteit zal meer vragen dan een
moreel appel op ‘eigen verantwoordelijkheid’ of ‘hart voor de goede zaak’.
Solidariteit moet terug naar haar kern, waar zij kan worden gevoeld, erva-
ren en gedeeld. Dit leidt tot de volgende vier aanbevelingen.
5.2 Aanbevelingen
5.2.1 Erken de eigenheid van indirecte en directe solidariteit
De balans tussen directe en indirecte solidariteit zal de komende tijd
verschuiven. Het aandeel van indirecte solidariteit wordt kleiner, dat
van directe solidariteit groter. De valkuil is echter om te denken dat de
samenleving het op eenzelfde manier gaat organiseren als de overheid.
Beleidsprogramma’s spreken vaak over ‘de overheid geeft het terug aan de
samenleving’ of variaties op dat thema. Maar het valt nog te bezien of de
samenleving dat geschenk ook zo aanneemt, laat staan dat de samenleving
ermee omgaat zoals de overheid dat ooit deed (vgl. rmo 2012). Bij de tot-
standkoming van directe solidariteit kunnen mensen de richting, inhoud,
vorm en wijze van de organisatie zelf bepalen. Zij laten zich daarbij leiden
door hun eigen waarden, ambities of idealen. Dat betekent dat de directe
solidariteit die de samenleving voortbrengt een andere solidariteit is dan
die welke de overheid tot stand brengt. Voor de toekomst is het van belang
om de eigenheid van indirecte en directe solidariteit te erkennen. Ook al
kunnen zorg, onderwijs of sociale zekerheid op beide manieren georgani-
seerd worden, indirecte en directe solidariteit zijn niet een-op-een inwis-
selbaar.
   Dit vraagt om een andere blik op de verhouding tussen overheid en
samenleving. Niet door te bepalen wie goede burgers zijn en hoe zij
zich moeten gedragen, ook niet door eigen verantwoordelijkheid in
te zetten als beleidsinstrument (Verhoeven en Ham 2010; Kruiter en
Blokker 2011). De misvatting die lijkt te bestaan, is die van overheid en
samenleving als communicerende vaten. Maar het is niet zo dat als de
overheid iets loslaat, de burger het vanzelf overneemt. Burgers zullen
                                                   Conclusie en aanbevelingen 61
</pre>

====================================================================== Einde pagina 62 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 63 ======================================================================

<pre>dingen anders gaan doen dan volgens vigerende beleidskaders gedacht.
Overheidsverantwoordelijkheid en eigen verantwoordelijkheid zijn geen
zero sum game, zoals de rmo in een advies over maatschappelijke veerkracht
nader zal uitwerken (rmo, nog te verschijnen).
   Het is goed te beseffen dat in relatie tot solidariteit en de verwezenlij-
king daarvan, overheid en samenleving zich binnen verschillende kaders
bevinden. Ze definiëren solidariteit verschillend en geven die verschillend
vorm. Ze zijn bovendien aan verschillende wetten en regels gebonden. De
solidariteit van de overheid is een solidariteit die gebaseerd is op aanspra-
ken in de verzorgingsstaat waarvan (staats)burgerschap in de natiestaat
de grondslag is. De basis van indirecte solidariteit is dan ook dat gelijke
gevallen gelijk worden behandeld. De solidariteit van de samenleving daar-
entegen is een solidariteit op basis van gedeelde identiteit en overtuigingen
waarbij de zelfgekozen gunst voor de ander de basis is. Hoe de samenleving
dat doet, zal nog moeten blijken, maar duidelijk is dat er meer ruimte ont-
staat om de afwegingen rondom identiteit, belangen, risico’s en organisatie
per gemeente, per wijk, per straat, per domein en per voorziening anders
te maken. Mensen zullen solidariteit op verschillende manieren gestalte
geven, verschillende keuzes maken en soms ook dingen niet doen.
5.2.2 Herwaardeer de notie van welbegrepen eigen belang
Als mensen in de toekomst solidariteit willen kunnen realiseren, is het
nodig dat zij de waarde van solidariteit zelf zien. Maar wanneer mensen
hierbij slechts hun eigen kortetermijnbelang voor ogen hebben of genoe-
gen nemen met solidariteit met ‘ons soort mensen’, schiet de solidariteit
tekort. Solidariteit van de toekomst vraagt dan ook om een hernieuwd
besef van welbegrepen eigen belang.
   Bij welbegrepen eigen belang wordt het mogelijk om het private belang
en het publieke belang aan elkaar te verbinden. Het maakt het mogelijk dat
mensen zich inspannen voor de publieke zaak juist omdat ze er een per-
soonlijk belang bij hebben. En dat is breed op te vatten, niet alleen als direct
persoonlijk voordeel (word ik er rijker of gezonder van?), maar ook in de
vorm van collectieve voordelen waaraan het eigen belang verbonden is. Dat
varieert van ‘een veilige buurt’ en ‘een betaalbaar zorgstelsel’ tot ‘onderwijs-
kansen voor iedereen’. Bij welbegrepen eigen belang relateren mensen het
publieke belang aan hun eigen belang. Zij betrekken het publieke belang in
hun afwegingen en daarmee opent zich de weg naar generieke wederkerig-
   62 Rondje voor de publieke zaak
</pre>

====================================================================== Einde pagina 63 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 64 ======================================================================

<pre>heid: het idee en het vertrouwen dat wanneer men iets bijdraagt, daar ooit
weer iets voor terugkomt, op individueel óf collectief niveau.
   Het bevorderen van welbegrepen eigen belang is iets anders dan de
morele plicht je in te spannen voor de publieke zaak. Met een simpel moreel
appel van de overheid tot wederkerigheid of tot ‘een behoud van solidariteit’
komen we er niet. Daarvoor is de moderne democratische samenleving
te veel gebaseerd op het nastreven van belangen. In een moderne samen-
leving hebben mensen elkaar nodig voor het oplossen van hun eigen én
publieke problemen. Dat betekent dat het eigen belang ook te vinden is in
het collectieve belang. Een overheid die nadruk legt op de morele kant van
solidariteit en geen oog heeft voor de aanwezigheid van belangen, zal soli-
dariteit via welbegrepen eigen belang niet snel dichterbij brengen. Maar
ook de manier waarop de overheid tot op heden de organisatie van solida-
riteit naar zich toe heeft getrokken, is niet bevorderlijk voor het ontstaan
van welbegrepen eigen belang. Wanneer de overheid publieke problemen
oplost, is er immers weinig reden voor mensen om zich zelf voor publieke
aangelegenheden in te zetten. Mensen raken in dat geval het zicht op wel-
begrepen eigen belang kwijt en verliezen zich in individualisme.
   De bevordering van welbegrepen eigen belang vraagt om dus om twee
dingen: ten eerste een besef dat het verder gaat dan een morele oproep en
dat belangen inherent zijn aan een moderne samenleving, ten tweede de
erkenning dat te ver doorgevoerde indirecte solidariteit de ontwikkeling
van welbegrepen eigen belang frustreert. Mensen zullen nooit welbegre-
pen eigen belang ontwikkelen als ze zien dat de overheid alle problemen
oplost of denkt te kunnen oplossen. Wanneer mensen echter op kleine
schaal gezamenlijk problemen gaan oplossen en zo oefenen met solidari-
teit, ontstaat het besef dat het opschorten van het kortetermijnbelang wel
eens winst voor henzelf en de ander zou kunnen opleveren.
5.2.3 Ontwikkel solidaire ervaringen
Om belangen welbegrepen vorm te kunnen geven, heeft men ervaring
nodig. Solidaire ervaring, wel te verstaan. Pas als mensen gezamenlijke
problemen gezamenlijk oplossen, zullen ze belangen van anderen leren
kennen en de noodzaak voelen om daar rekening mee te houden. Het direct
ervaren van solidariteit (of het ervaren van directe solidariteit) is daarom
cruciaal. Alleen dan kunnen mensen de waarde van solidariteit weer voe-
len. De overheid kan solidariteit doen stollen in wetten, kan die afbreken
                                                Conclusie en aanbevelingen 63
</pre>

====================================================================== Einde pagina 64 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 65 ======================================================================

<pre>en kan de krachten die erdoor worden opgestuwd sturen, maar de overheid
zal altijd moeite houden om solidariteit als waarde op te bouwen. Historisch
gezien is dat ook altijd in de samenleving gebeurd. De samen­leving is de
natuurlijke habitat van solidariteit.
   Het letterlijk waarderen van solidariteit, het toekennen van waarde eraan,
geschiedt in alledaagse gebeurtenissen. Zo is het ook ontstaan, in coöpe-
raties, verenigingen en kerken. Maar de overheid nam het over, omdat dat
efficiënter en goedkoper was. Er zijn generaties opgegroeid die feitelijk zel-
den of nooit onderling voorzieningen van solidariteit geregeld hadden en
dus ook zelden de waarde van solidariteit ervoeren. Samenwerken is niet in
de solidariteitsarrangementen van de verzorgingsstaat verdisconteerd, of is
zodanig versluierend dat niemand er meer een op samenwerking gerichte
organisatie in herkent (Sennett 2012). Alleen in de alledaagse ervaringen van
het oplossen van publieke problemen kunnen we dat (weer) leren. Politici,
wetenschappers en vakbondsleiders vertellen weliswaar regelmatig hoe
belangrijk solidariteit is, maar ervaring is altijd urgenter en indringender als
les dan cognitieve overdracht. Voor duurzame toekomstige solidariteit is het
nodig dat mensen solidariteit ervaren, niet dat ze horen hoe belangrijk het is.
   De solidaire ervaring is geen eenvoudige opgave. Wanneer mensen soli-
dariteit opnieuw zelf invullen, zullen zij ook de complexiteit ervan ervaren.
Directe solidariteit vraagt immers dat mensen hun eigen tijd en eigen mid-
delen inzetten voor een ander. Ze zullen een offer moeten brengen, waarna
de waardering van de gift – maar ook het ongemak – bij de schenker en de
ontvanger voelbaar zullen zijn. Dat betekent dat mensen elkaar ook kunnen
aanspreken op elkaars gedrag (zie bv. Ostrom 1990), wat weer vraagt om een
zekere kleinschaligheid van de organisatie van solidariteit. Deze kleinscha-
ligheid hoeft overigens niet gebonden te zijn aan een fysieke afbakening,
maar kan ook digitaal vorm krijgen.
   Behalve dat de ervaring met solidariteit in particuliere gemeenschap-
pen het gevoel van lotsverbondenheid versterkt, is er nog een ander positief
effect. Het is niet onwaarschijnlijk dat het ervaren van solidariteit positief
uitwerkt op de waardering voor indirecte solidariteit. Meer directe solidariteit
betekent immers nog niet dat de overheid volledig buitenspel komt te staan.
Veel zaken zullen nog steeds via de overheid geregeld moeten of kunnen
worden. Ook dat behoort tot de dynamiek van solidariteit. Ervaringen met
directe solidariteit kunnen het draagvlak voor arrangementen waarbij de
overheid nog wel de organiserende of financierende partij is, versterken.
   64 Rondje voor de publieke zaak
</pre>

====================================================================== Einde pagina 65 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 66 ======================================================================

<pre>    Tot slot is het ook mogelijk om solidaire ervaringen in te brengen in
vormen van indirecte solidariteit. Op allerlei manieren is het mogelijk om
solidariteit minder impliciet te maken. Bijvoorbeeld door beter uit te dra-
gen hoe het zorgstelsel of de pensioenvoorziening in elkaar zit. Of door de
afdrachten op het loonstrookje te relateren aan publieke voorzieningen die
daarvan betaald worden. Ook kan gedacht worden aan andere vormen van
zeggenschap over de indirecte solidariteit, zoals het uitvragen van ambities
en idealen van mensen (zie ook rmo 2013) of het instellen van keuzebelas-
ting voor uitgaven in het sociale domein van gemeenten.
5.2.4 Schenk aandacht aan nieuwe vormen van uitsluiting
Directe solidariteit is, zo hebben we gezien, naar haar aard anders dan indi-
recte solidariteit. Er is geen sprake meer van een gelijke toedeling in gelijke
gevallen, maar van een gunst voor een zelfgekozen doelgroep. Het voordeel
daarvan is dat directe solidariteit vanwege de specifieke keuze en vrijwil-
ligheid per definitie legitimiteit geniet (Meijs 2012). Vervreemding en ano-
nimiteit zijn hier niet aan de orde. Directe solidariteit is in staat subjectieve
kwaliteit te realiseren en sluit aan bij de behoeften van een groep mensen
die zich in elkaar herkennen.
    Dit betekent wel dat er nieuwe vragen ontstaan over uitsluiting en
afhankelijkheid. Het is daarom goed om de ogen open te houden voor de
schaduwkanten van directe solidariteit. Wanneer een specifiek belang
gediend wordt, komt daar per definitie uitsluiting van andere belangen bij
kijken. Mensen zijn geneigd directe solidariteit te organiseren op basis van
verwantschap en gedeelde waarden. Het Broodfonds komt tot stand omdat
mensen in dezelfde situatie zich willen verzekeren. Thomashuizen worden
gevierd als maatschappelijk initiatief voor mensen die speciale zorg nodig
hebben. Het zijn maatschappelijke innovaties die inspelen op behoeften
binnen een herkenbare en deels afgebakende groep. Aan de andere kant
geldt dat insluiting ook uitsluiting betekent (vgl. Komter et al. 2000).
Broodfondsen zullen zieken en mensen met risicovolle beroepen niet snel
tot hun participanten rekenen. Het werkt simpelweg beter als men elkaar
kent en vertrouwt én als de mogelijkheid van sociale controle aanwezig
is. Thomashuizen weren mensen met beperkingen die niet in de finan­
cieringssystematiek passen.
                                               Conclusie en aanbevelingen 65
</pre>

====================================================================== Einde pagina 66 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 67 ======================================================================

<pre>Directe solidariteit komt dus tot stand in netwerken van mensen die waarde
toevoegen aan het netwerk, met als logisch gevolg dat mensen die van minder
waarde zijn erbuiten vallen. Dat is niet nieuw, dat is bij mensen altijd zo
gegaan. Kleine netwerken die solidariteit organiseren zijn gebaseerd op
bonding (Putnam 2000) en kenmerken zich door homogeniteit. Het risico
van directe solidariteit, hoe productief ook, is dat mensen zich opsluiten
in kleine gemeenschappen met specifieke toelatingscriteria. Er ontstaan
minisamenlevingen waarbinnen mensen met voldoende resources zich
kunnen redden, maar waarin degenen die de solidariteit misschien het hardst
nodig hebben buiten de boot dreigen te vallen. Directe solidariteit heeft met
andere woorden de neiging bij te dragen aan een capsulaire samenleving
waarin iedereen zich in zijn eigen kringetje begeeft (De Cauter 2009).
   De solidariteit van de toekomst zal ingericht moeten worden met aandacht
voor nieuwe vormen van uitsluiting en er zullen manieren gevonden moeten
worden om extreme gevallen van uitsluiting tegen te gaan. Dat kan door het
organiseren van een publiek vangnet, maar ook door het organiseren van een
privaat vangnet. In het geval van een collectief publiek vangnet bewaakt de
overheid een ondergrens van solidariteit. Waar deze grens ligt, is een politieke
afweging. Private vangnetten kunnen gekoppeld zijn aan vormen van directe
solidariteit. Denk aan een ‘sociale clausule’ in het regelement van een zorg­
verzekering, waarbij verzekerden samen afspreken een klein percentage van
hun premie ter beschikking stellen voor de zorgkosten van onverzekerden.
Of aan fondsen, opgebracht door alumni, die studiekosten dekken van stu-
denten met weinig inkomen of vermogen.
5.3 Tot slot
Solidariteit is, zoals we aan het begin stelden, een van de bakens van een
beschaafde samenleving. Lange tijd hebben we solidariteit indirect georgani-
seerd via de verzorgingsstaat. Dat bracht ons veel goeds. Maar solidariteit als
waarde stolde in verschillende regels, wetten, procedures en voorzieningen.
Het werd een recht, een product. Een mogelijkheid om de negatieve conse-
quenties van ons eigen handelen op elkaar af te wentelen. En daarmee werd
het contraproductief. Bovendien werd solidariteit in deze indirecte, statelijke
vorm onbetaalbaar. Dus wordt het behoud van solidariteit nu gebruikt als
argument om de verzorgingsstaat in te krimpen. Tegelijkertijd vereist dat
   66 Rondje voor de publieke zaak
</pre>

====================================================================== Einde pagina 67 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 68 ======================================================================

<pre>weer meer solidariteit van de kant van de samenleving: dáár moet immers
het gat dat de overheid laat vallen gedicht worden. In theorie vindt er dus een
verschuiving plaats van directe, statische en statelijke solidariteit naar dyna-
mische en maatschappelijke solidariteit.
Figuur 2
Van indirecte naar directe solidariteit
                    Overheid
      Indirect
   Statisch        Solidariteit    Dynamisch
                                    Direct
                  Samenleving
Hoe dat in de praktijk uitpakt, zal moeten blijken. Dat de samenleving soli-
dariteit net zo zal vormgeven als de overheid altijd deed, lijkt de rmo hoogst
onwaarschijnlijk. Door solidariteit te omschrijven als een dynamisch begrip,
heeft de Raad willen benadrukken dat mensen daar individueel, maar ook
als groep, verschillende keuzes in zullen maken. Solidariteit, kortom, als
dynamisch verschijnsel dat op basis van welbegrepen eigen belang en soli-
daire ervaringen tot stand komt. Pas op het moment dat solidariteit weer in
de samenleving bediscussieerd en georganiseerd wordt, komen we terug bij
deze kern. Dat zal vermoedelijk met horten en stoten gaan. De overheid moet
blijven waken voor uitsluiting van kwetsbare groepen. Wat er te winnen valt
is het besef dat solidariteit geen product of recht is, maar een waarde die niet
zonder maatschappelijk onderhoud kan. Acceptatie van dynamiek en meer-
voudigheid is daarvoor een noodzakelijke voorwaarde. Zowel aan de kant
van de overheid, als aan de kant van de samenleving.
                                                Conclusie en aanbevelingen 67
</pre>

====================================================================== Einde pagina 68 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 69 ======================================================================

<pre>Literatuur
21Minuten.nl (2009). Editie 2009. De Nederlandse samenleving. Geraadpleegd
   op 14 januari 2013 via http://www.denationaledialoog.nl/upload/
   content/21minuten/21minuten_samenleving.pdf
Adriaansens, H. en A. Zijderveld (1981). Vrijwillig initiatief en de
   verzorgingsstaat. Cultuursociologische analyse van een beleidsprobleem.
   Deventer: Van Loghum Slaterus.
afm (2010). Geef Nederlanders pensioeninzicht. Werken aan vertrouwen door
   dichten van de verwachtingskloof. Amsterdam: Autoriteit Financiële
   Markten.
Becker, J. (2005). De steun voor de verzorgingsstaat in de publieke opinie, 1970-
   2002. Een analyse van trends in meningen. Den Haag: Sociaal en Cultureel
   Planbureau.
Beer, P. de (2005). De solidariteit onder druk. In: P. de Beer, J. Bussemaker,
   P. Kalma (red.), Keuzen in de sociale zekerheid (p. 26-37). Amsterdam: De
   Burcht/Wiardi Beckman Stichting.
Beer, P. de (2012). Solidariteit onder druk. In: S&D, nr. 7/8, p. 30-38.
Cauter, L. de (2009). De capsulaire beschaving. Rotterdam: NAi Publishers.
Coevert, A. (2012). Nog geen helderheid over vergoeding dure medicijnen.
   Geraadpleegd op 11 augustus 2012 via http://www.nrc.nl/
   nieuws/2012/08/10/nog-geen-helderheid-over-vergoeding-dure-
   medicijnen/
cpb (2013). cpb Notitie. Deelname-effecten van de invoering van het sociaal
   leenstelsel in de bachelor- en masterfase. Den Haag: Centraal Planbureau
Cuperus, R. (2011). Bestaanszekerheid voor wie? In: S&D, jg. 2011, nr. 5/6,
   p. 91-96.
Dekker, P., P. van Houwelingen en E. Pommer (2012). Burgerperspectieven
   2012/3. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.
Den Ridder, J. en P. Dekker (2012). De Publieke opinie over eigen
   verantwoordelijkheid. In: V. Veldheer, J.J. Jonker, L. van Noije, en
   C. Vrooman (red.), Een beroep op de burger. Minder verzorgingsstaat, meer
   eigen verantwoordelijkheid? Sociaal en Cultureel Rapport 2012 (p. 277-302).
   Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.
  68 Rondje voor de publieke zaak
</pre>

====================================================================== Einde pagina 69 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 70 ======================================================================

<pre>Doorn, J.A.A. van (1977). De verzorgingsmaatschappij in de praktijk.
    In: J.A.A. van Doorn en C.J.M. Schuyt (red.), De stagnerende
    verzorgingsstaat (p. 17-46). Meppel: Boom.
Doorn, J.A.A. van, en C.J.M. Schuyt (red.) (1977). De stagnerende
    verzorgingsstaat. Meppel: Boom.
Durkheim, E. (1997). The Division of Labour in Society (eerste druk 1893). New
    York: The Free Press.
Elchardus, M. (2012). Onderwijs als (nieuwe) sociale scheidslijn. In:
    De sociale klasse voorbij. Over nieuwe scheidingslijnen in de samenleving
    (p. 35-84). Den Haag: Ministerie van Binnenlandse Zaken en
    Koninkrijksrelaties, Ministerie van Onderwijs, Cultuur en
    Wetenschap, Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Sociaal
    Cultureel Planbureau en Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling.
Engels, H. (2012). De noodzaak van constitutionele hervormingen in de
    waarborgstaat. In: T. Kwakkelstein, A. van Dam en A. van Ravenzwaaij
    (red.), Van verzorgingsstaat naar waarborgstaat. Nieuwe kansen voor overheid
    en samenleving (p. 127-148). Den Haag: Boom Lemma uitgevers.
Everdingen, M. van, en M. Ydema-Gutjahr (2011). Solidariteit in troonredes.
    In: Sociale Verzekeringsbank, Voor alle leeftijden. Solidariteit en
    Sociale Zekerheid: kunnen we het nog uitleggen? Amstelveen: Sociale
    Verzekeringsbank.
Fenger, H.J.M., M. van der Steen en S.M. Groeneveld (2011). De legitimiteit en
    responsiviteit van sociaal beleid. Rotterdam: Erasmus Universiteit.
Frissen, P. (2011). De verzorgingsstaat en het verlangen naar gelijkheid.
    In: Christen Democratische Verkenningen, jg. 2011, nr. 2, p. 63-71.
Frissen, P.H.A. (2007) De staat van verschil. Een kritiek van de gelijkheid.
    Amsterdam: Van Gennep.
Giesen, P. (2012). Zijn sommige ziekten te duur? In: de Volkskrant, 31 juli
    2012.
Hart, P. ’t (2012). Van verzorgingsstaat tot waarborgstaat.
    In: T. Kwakkelstein, A. van Dam en A. van Ravenzwaaij (red.), Van
    verzorgingsstaat naar waarborgstaat. Nieuwe kansen voor overheid en
    samenleving (p. 23-32). Den Haag: Boom Lemma uitgevers.
Horst, A. van der, L. Bettendorf, N. Draper, C. van Ewijk, R. de Mooij en
    H. ter Rele (2010). Vergrijzing verdeeld. Toekomst van de Nederlandse
    overheidsfinanciën. Den Haag: Centraal Planbureau.
                                                                    Literatuur 69
</pre>

====================================================================== Einde pagina 70 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 71 ======================================================================

<pre>Horst, A. van der en H. ter Rele (2013). De prijs van gelijke zorg. cpb Policy Brief
   2013/01. Den Haag: Centraal Planbureau.
Houwelingen, P. van, J. de Hart en P. Dekker (2011). Maatschappelijke en
   politieke participatie en betrokkenheid. In: R. Bijl, J. Boelhouwer, M.
   Cloïn en E. Pommer (red.), De sociale staat van Nederland (p. 185-207).
   Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.
Komter, A.E., J. Burgers en G. Engbersen (2000). Het cement van de
   samenleving. Een verkennende studie naar solidariteit en cohesie.
   Amsterdam: Amsterdam University Press.
Kooiker, S., M. de Klerk, J. ter Berg en Y. Schothorst (2012). Meebetalen aan de
   zorg. Nederlanders over solidariteit en betaalbaarheid van de zorg. Den Haag:
   Sociaal en Cultureel Planbureau.
Kruiter, A.J. (2010). Mild despotisme. Democratie en verzorgingsstaat door de
   ogen van Alexis de Tocqueville. Amsterdam: Van Gennep.
Kruiter, A.J. (2012). De kiezer is een opportunistische draaikont. Essay:
   Nooit meer een stabiel kabinet. In: De Groene Amsterdammer, jg. 136,
   nr. 40
Kruiter, A.J. en E. Blokker (2011). Big society of big brother? Geraadpleegd
   op 14 januari 2013 via http://www.socialevraagstukken.nl/
   site/2011/11/16/big-society-of-big-brother/
Kuhlman, E. (2011). Citizenship and healthcare in Germany. In: J. Newman
   en E. Tonkens, Participation, Responsibility and Choice. Summoning the
   Active Citizen in Western European Welfare States (p. 29-44). Amsterdam:
   Amsterdam University Press.
Manifest Pensioenbewustzijn (2011). Geraadpleegd op 2 april 2013 via
   http://www.wijzeringeldzaken.nl/media/136942/manifest%20
   pensioenbewustzijn_maart2011.pdf
Meijs, L. (2012). Red de solidariteit: verstevig de directe solidariteit tussen
   mensen. In: Christen Democratische Verkenningen, jg. 2012, nr. 3, p. 70-77.
Minderman, G.D. (2008). Legitimatie en verankering. Uitdagingen voor de maat­
   schappelijke ondernemer. Oratie vu Amsterdam 10 april 2008. Amsterdam:
   Vrije Universiteit.
Muijlwijk, IJ., D. Wiersma, W. Berg en X. den Uyl (2013). Bruggen slaan in
   plaats van afbreken. In: nrc Next, 25 februari 2013.
Oorschot, W.J.H. van (1991). Solidariteit in verzekering en sociale zekerheid:
   Analyse van een begrip. In: Sociaal Maandblad Arbeid, jg. 46, nr. 7-8,
   p. 461-471.
  70 Rondje voor de publieke zaak
</pre>

====================================================================== Einde pagina 71 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 72 ======================================================================

<pre>Oorschot, W. van, en M. Jeene (2011). De truc voor een breed maatschap-
   pelijk draagvlak. In: Ministerie van szw, Het profijt van solidariteit.
   Draagvlak voor herziening in het stelsel van werk en inkomen (p. 20-31).
   Den Haag: Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Oort, N. (2013). Zorg over thuiszorg. In: Spits, 8 februari 2013.
Ostrom, E. (1990). Governing the commons. The Evolution of Institutions for
   Collective Action. Cambridge: Cambridge University Press.
Oudijk, D., A. de Boer, I. Woittiez, J. Timmermans en M. de Klerk (2010).
   Mantelzorg uit de doeken. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.
Putnam, R. (2000). Bowling Alone: The Collapse and Revival of American
   Community. New York: Simon & Schuster.
Rawls, J. (1971). A Theory of Justice. Cambridge: Harvard University Press.
Regeerakkoord vvd-PvdA (2012). Bruggen slaan. Geraadpleegd op 27 maart
   2013 via http://www.rijksoverheid.nl/regering/regeerakkoord
rmo (2004). Verschil in de verzorgingsstaat. Over schaarste in de publieke sector.
   Den Haag: Sdu Uitgevers.
rmo (2006). Verschil maken. Eigen verantwoordelijkheid na de verzorgingsstaat.
   Amsterdam: Uitgeverij swp.
rmo (2009). Stem geven aan verankering. Over de legitimering van maat­
   schappelijke dienstverlening. Den Haag: Raad voor Maatschappelijke
   Ontwikkeling.
rmo (2010). Terug naar de basis. Over legitimiteit van maatschappelijke
   dienstverlening. Den Haag: Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling.
rmo (2011). Nieuwe ronde, nieuwe kansen. Sociale stijging en daling in
   perspectief. Den Haag: Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling.
rmo (2012). Mind the trap. Reflectie op het advies Loslaten in vertrouwen.
   Den Haag: Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling.
rmo (2013). Het onbehagen voorbij. Een wenkend perspectief op onvrede en
   onmacht. Den Haag: Raad voor Maatschappelijke ontwikkeling.
rmo, nog te verschijnen advies over maatschappelijke veerkracht.
Rob (2012). Loslaten in vertrouwen. Naar een nieuwe verhouding tussen overheid,
   markt én samenleving. Den Haag: Raad voor het openbaar bestuur.
Rooijen, M. van (2013). Politiek schaadt oudere buiten alle proporties.
   In: de Volkskrant, 7 februari 2013.
Rosanvallon, P. (1988). The decline of social visibility. In: J. Keane (red.), Civil
   society and the state. New European perspectives (p. 199-220). London: Verso.
                                                                    Literatuur 71
</pre>

====================================================================== Einde pagina 72 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 73 ======================================================================

<pre>Rosanvallon, P. (2000). The new social question. Rethinking the welfare state.
    Princeton: Princeton University Press.
Rusman, F. (2012). Eerlijk lijden. In: nrc Next, 22 juni 2012.
rvz (2013). Het belang van wederkerigheid… solidariteit gaat niet vanzelf!
    Den Haag: Raad voor de Volksgezondheid & Zorg.
Sennett, R. (2012). Together. The rituals, pleasures and politics of co-operation.
    New Haven: Yale University Press.
Smith, A. (2010). Theory of Moral Sentiments (eerste druk 1759). Digireads.
    com.
Smith, A. (2000) The Wealth of Nations, Complete and Unabridged (eerste druk
    1776). New York: Random House.
Soyer, M. (2012). Wees solidair: eet wat broccoli. In: NRC Next, 4 juli 2012.
Swaan, A. de (1988). In care of the state. Oxford: Oxford University Press.
Swaan, A. de (2004). Zorg en de staat. Welzijn, onderwijs en gezondheidszorg in
    Europa en de Verenigde Staten in de nieuwe tijd. Amsterdam: Bert Bakker.
Thoenes, P. (1971). De elite in de verzorgingsstaat. Sociologische proeve van een
    terugkeer naar domineesland. Leiden: Stenfert Kroese.
Tocqueville, A. de (2000). Democracy in America (eerste druk 1835). Chicago:
    University of Chigaco Press.
Trappenburg, M. (2009). Actieve solidariteit. Rede uitgesproken bij de aan­
    vaarding van het ambt van bijzonder hoogleraar Sociaal-politieke aspecten
    van de verzorgingsstaat (de Willem Drees-leerstoel) aan de Universiteit
    van Amsterdam. Geraadpleegd op 30 januari 2013 via http://www.
    margotrappenburg.nl/PDF-5156oratie_Trappenburg_def.pdf
Trappenburg, M. (2012). Blijf bij ons. Ode aan de verzorgingsstaat. In: S&D,
    jg. 2012, nr. 7/8, p. 62-68.
Troonrede 1975. Geraadpleegd op 15 januari 2013 via www.troonredes.nl
Troonrede 1985. Geraadpleegd op 15 januari 2013 via www.troonredes.nl
Troonrede 2009. Geraadpleegd op 15 januari 2013 via http://www.
    rijksoverheid.nl/regering/troonrede/2009
Uffelen, X. van (2012). Grote goede doelen zijn immuun voor crisis. In:
    de Volkskrant, 17 juli 2012.
Veen, R. van der (2005). Nieuwe vormen van solidariteit. Sociaaldemocratische
    beginselen en de verzorgingsstaat. Amsterdam: wbs/Mets&Schilt.
Veld, R. in ’t (2010). Kennisdemocratie. Opkomend stormtij. Amsterdam: Sdu
    Uitgevers.
Veld, R.J. in ‘t, en R. van Daal (2013). Overheid in Transitie. In: Openbaar
    Bestuur, jg. 23, nr. 2.
   72 Rondje voor de publieke zaak
</pre>

====================================================================== Einde pagina 73 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 74 ======================================================================

<pre>Verhaeghe, P. (2012). Identiteit. Amsterdam: De Bezige Bij.
Verhoeven, I. en M. Ham (2010). De overheid op zoek naar brave burgers.
    In: Brave burgers gezocht. De grenzen van de activerende overheid.
    Amsterdam: Van Gennep.
Vertovec, S. (2007). Super-diversity and its implications. In: Ethnic and Racial
    Studies, jg. 29, nr. 6, p. 1024-1054.
Weber, M. (2012). Wetenschap als beroep. Politiek als beroep (eerste druk 1919).
    Nijmegen: VanTilt.
wrr (2004). Bewijzen van goede dienstverlening. Amsterdam: Amsterdam
    University Press.
wrr (2005). De verzorgingsstaat herwogen. Over verzorgen, verzekeren, verheffen
    en verbinden. Amsterdam: Amsterdam University Press.
wrr (2012). Vertrouwen in burgers. Amsterdam: Amsterdam University Press.
Zijderveld, A.C. (1998). De verstatelijking van het middenveld.
    In: Intermediair, jg. 24, nr. 21.
                                                                  Literatuur 73
</pre>

====================================================================== Einde pagina 74 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 75 ======================================================================

<pre>Bijlage 1
Adviesaanvraag
Solidariteit is een van de ankers van een stabiele samenleving. Van de klas-
sieke verzorgingsstaat groeien we langzaam naar een sociale investerings-
maatschappij waarin mensen minder een beroep doen op overheidsvoor-
zieningen en meer terugvallen op de onderlinge zelfredzaamheid, bijvoor-
beeld via de Wmo. Maar hoe staat het met het vermogen (de veerkracht)
van de samenleving om met deze verandering om te gaan? Op microniveau
lijken burgers zich wel degelijk in allerlei nieuwe en spontaan gevormde
informele verbanden voor elkaar in te zetten. Hoe verhoudt zich dat tot de
grote herverdelingsvraagstukken op macroniveau? Is er toekomst voor een
nieuwe vorm van solidariteit die niet via de onpersoonlijke staat ontstaat,
maar via zelfgekozen verbanden? En wie zijn dan de winnaars en wie de
verliezers?
    74 Rondje voor de publieke zaak
</pre>

====================================================================== Einde pagina 75 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 76 ======================================================================

<pre>Bijlage 2
Geraadpleegde deskundigen
Hans Adriaansens    University College Roosevelt Academy
Fleur de Beaufort   Prof.mr. B.M. Teldersstichting
Fred Beekers        Stichting Resto Van Harte
Linda Bouws         Felix Meritis
Louk Burgers        Stichting De Sportbank
Paul Dekker         Sociaal en Cultureel Planbureau
Marius Ernsting     Vereniging nov
Raymond Gradus      Wetenschappelijk Instituut voor het cda
Pieter Hovens       Ministerie vws
Frank Karsten       Stichting MeerVrijheid
Sandra Kessels      Ministerie bzk
Aafke Komter        Universiteit Utrecht
Diewertje Kuijpers  Prof.mr. B.M. Teldersstichting
Frank van Mil       Mr. Hans van Mierlo Stichting
Harriët Nipperus    Sociale Verzekeringsbank
Dick Pels           Bureau de Helling
Jan van der Schaar  rigo Research en Advies
Patrick van Schie   Prof.mr. B.M. Teldersstichting
Paul Schnabel       Sociaal en Cultureel Planbureau
Monika Sie Dhian Ho Wiardi Beckman Stichting
Arjan Soede         Sociaal en Cultureel Planbureau
Willem Trommel      Vrije Universiteit Amsterdam
Arjen Verweij       Ministerie szw
Cok Vrooman         Sociaal en Cultureel Planbureau
                                                          Bijlage 2 75
</pre>

====================================================================== Einde pagina 76 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 77 ======================================================================

<pre>Overzicht van uitgebrachte publicaties
Adviezen
Vijfde raadsperiode 2013-2016
53 Rondje voor de publieke zaak. Pleidooi voor de solidaire ervaring. (2013)
52 Het onbehagen voorbij. Een wenkend perspectief op onvrede en
    onmacht. (2013)
Vierde raadsperiode 2009-2012
51 Ontzorgen en normaliseren. Naar een sterke eerstelijns jeugd- en
    gezinszorg. (2012)
50 Tegenkracht organiseren. Lessen uit de kredietcrisis. (2011)
49 De nieuwe regels van het spel. Internet en publiek debat. (2011)
48 Migratiepolitiek voor een open samenleving. (2011)
47 Nieuwe ronde, nieuwe kansen. Sociale stijging en daling in perspectief.
    (2011)
46 Polariseren binnen onze grenzen. (2009)
45 De wijk nemen. Een subtiel samenspel van burgers, maatschappelijke
    organisaties en overheid. (2009)
Briefadviezen:
Tussen ratio en symboliek. Een reflectie op adolescentenstrafrecht. (2012)
Tussen afkomst en toekomst. Etnische categorisering door de overheid.
    (2012)
Bevrijdend kader voor de jeugdzorg. (2011)
Terug naar de basis. Over legitimiteit van maatschappelijke
    dienstverlening. (2010)
De toekomst van de bestuurlijke inrichting. (2010)
Sociaal bezuinigen. (2010)
Briefadvies wmo. (2009)
   76 Rondje voor de publieke zaak
</pre>

====================================================================== Einde pagina 77 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 78 ======================================================================

<pre>In samenwerking met de rvz. Investeren rondom kinderen. (2009)
Derde raadsperiode 2005-2008
44 De ontkokering voorbij. Slim organiseren voor meer regelruimte. (2008)
43 Tussen flaneren en schofferen. Een constructieve aanpak van het
    fenomeen hangjongeren. (2008)
42 Vormen van democratie. Een advies over democratische gezindheid.
    (2007)
41 Straf en zorg: een paar apart. Passende interventies bij delictplegers met
    psychische en psychiatrische problemen. (2007)
40 Inhoud stuurt de beweging. Drie scenario’s voor het lokale debat over de
    WMO. (2006)
39 Ontsnappen aan medialogica. Tbs in de maatschappelijke
    beeldvorming. (2006)
38 Verschil maken. Eigen verantwoordelijkheid na de verzorgingsstaat.
    (2005)
37 Niet langer met de ruggen naar elkaar. Een advies over verbinden. (2005)
36 Lokalisering van maatschappelijke ondersteuning. Voorwaarden voor
    een succesvolle wmo (2005)
In samenwerking met de rvz. Versterking voor gezinnen. (2008)
Tweede Raadsperiode 2001-2004
35 Eenheid, verscheidenheid en binding. Over concentratie en integratie
    van minderheden in Nederland. (2005)
34 Ouderen tellen mee. Advies aan de Themacommissie Ouderenbeleid
    van de Tweede Kamer. (2004)
33 Mogen ouderen ook meedoen. (2004)
32 Toegang tot recht. (2004)
31 Sociale veiligheid organiseren. Naar herkenbaarheid in de publieke
    ruimte. (2004)
30 Verschil in de verzorgingsstaat. Over schaarste in de publieke sector.
    (2004)
29 Humane genetica en samenleving. Bouwstenen voor een ander debat.
    (2004)
28 Europa als sociale ruimte. Open coördinatie van sociaal beleid in de
    Europese Unie. (2004)
                                     Overzicht van uitgebracht publicaties 77
</pre>

====================================================================== Einde pagina 78 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 79 ======================================================================

<pre>27 Hart voor Europa. De rol van de Nederlandse overheid. (2003)
26 Medialogica. Over het krachtenveld tussen burgers, media en politiek.
    (2003)
25 De handicap van de samenleving. Over mogelijkheden en beperkingen
    van community care. (2002)
24 Bevrijdende kaders. Sturen op verantwoordelijkheid. (2002)
23 Geen woorden maar daden. Bijdrage aan het normen- en waardendebat.
    (2002)
22 Werken aan balans. Een remedie tegen burn-out. (2002)
21 Educatief centrum voor ouder en kind. Advies over voor- en
    vroegschoolse opvang. (2002)
20 Levensloop als perspectief. Kanttekeningen bij de Verkenning
    Levensloop. Beleidsopties voor leren, werken, zorgen en wonen.
    (2002)
19 Van uitzondering naar regel. Maatwerk in het grotestedenbeleid.
    (2001)
18 Aansprekend opvoeden. Balanceren tussen steun en toezicht. (2001)
17 Instituties in lijn met het moderne individu. De Sociale Agenda 2002-
    2006. (2001)
16 Kwetsbaar in kwadraat. Krachtige steun aan kwetsbare mensen. (2001)
In samenwerking met acvz. Inburgering. Educatieve opdracht voor
    nieuwkomer, overheid en samenleving. (2003)
In samenwerking met rob. Etniciteit, binding en burgerschap. (2001)
In samenwerking met de Onderwijsraad. Samen naar de taalschool. (2001)
Eerste raadsperiode 1997-2000
15 Ver weg en dichtbij. Over hoe ict de samenleving kan verbeteren. (2000)
14 Van discriminatie naar diversiteit. Kanttekeningen bij de
    Meerjarennota Emancipatiebeleid ‘Van vrouwenstrijd naar
    vanzelfsprekendheid’. (2000)
13 Wonen in de 21e eeuw. (2000)
12 Alert op vrijwilligers. (2000)
11 Ongekende aanknopingspunten. Strategieën voor de aanpassing van de
    sociale infrastructuur. (2000)
10 Aansprekend burgerschap. De relatie tussen de organisatie van het
    publieke domein en de verantwoordelijkheid van burgers. (2000)
   78 Rondje voor de publieke zaak
</pre>

====================================================================== Einde pagina 79 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 80 ======================================================================

<pre>9 Nationale identiteit in Nederland.Internationalisering en nationale
    identiteit. (1999)
8 Arbeid en zorg. Reactie op de kabinetsnota ‘Op weg naar een nieuw
    evenwicht tussen arbeid en zorg’. (1999)
7 Integratie in perspectief. Advies over integratie van bijzondere groepen
    en van personen uit etnische groeperingen in het bijzonder. (1998)
6 Verantwoordelijkheid en perspectief. Geweld in relatie tot waarden en
    normen. (1998)
5 Uitsluitend vrijwillig!? Maatschappelijk actief in het vrijwilligerswerk.
    (1997)
4 Kwaliteit in de buurt. (1997)
3 Werkeloos toezien. Activering van langdurig werklozen. (1997)
2 Stedelijke vernieuwing. (1997)
1 Vereenzaming in de samenleving. (1997)
In samenwerking met de rvz. Gezond zonder zorg. (2000)
In samenwerking met de rvz. Verslavingszorg herijkt. (1999)
In samenwerking met de rvz. Zorgarbeid in de toekomst. (1999)
In samenwerking met de Onderwijsraad. Voorschools en buitenschools.
    (1998)
Onderzoeken
De ingenieur en de buurman. Communicatie rondom de aanleg van de
    Noord/Zuidlijn. T. Baetens. (2012)
Burgerkracht. De toekomst van het sociaal werk in Nederland. N. de Boer en
    J. van der Lans. (2011)
De weg omhoog. Een analyse van het vertoog over sociale mobiliteit in
    regeringsbeleid. M. van der Steen, R. Peeters en M. Pen. (2010)
Naar een open samenleving? Recente ontwikkelingen in sociale stijging en
    daling in Nederland. J. Tolsma en M.H.J. Wolbers. (2010)
Je voelt het gewoon. Een onderzoek naar schoolkeuze en segregatie in
    Amsterdam-Noord. D. Zeldenrijk. (2010)
Indicatiestelling: omstreden toegang tot zorg. J. van der Meer (2010)
Uit de koker van. Praktijken van verkokering en ontkokering. rmo/vom
    (red.) (2010)
                                     Overzicht van uitgebracht publicaties 79
</pre>

====================================================================== Einde pagina 80 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 81 ======================================================================

<pre>Stem geven aan verankering. rmo (2009)
Beperkt maar niet begrensd. rmo (red.) (2009) Webpublicatie.
Bericht van de werkvloer. J. van der Meer. (2009) Webpublicatie.
Polarisatie. Bedreigend en verrijkend. rmo (red.) (2009)
Verkenning participatie: Arbeid, vrijwillige inzet en mantelzorg in
    perspectief. rmo (red.) (2008)
Levensvraagstukken. De sociale context van ongewenste zwangerschappen
    en van ondraaglijk en uitzichtloos lijden. (2008)
30 Plannen voor een beter Nederland. De sociale agenda. K. van Beek en
    Y.Zonderop (red.) (2006)
Opbrengsten van sociale investeringen. I. Doorten en R. Rouw (red.) (2006)
Eigen verantwoordelijkheid: bevrijding of beheersing? R. Ossewaarde.
    (2006)
Democratie voorbij de instituties. Vooronderzoek van de Raad voor
    Maatschappelijke Ontwikkeling. (2006)
Horizontale verantwoording bij ZBO’s en agentschappen. T. Schillemans.
    (2005)
Tussen zorgen en begrenzen. Over de aanpak van delictplegers met
    psychi(atri)sche problemen. D. Graas en R.Janssens. (2005)
Gezin anno nu. M. Distelbrink, N. Lucassen en E. Hooghiemstra. (2005)
Tussen vangnet en trampoline. Over de inzet van publieke middelen voor
    participatie en zekerheid. H.Adriaansens, K. van Beek en R. Janssens.
    (2005)
Preventiebeleid. Een verkennende achtergrondstudie. R. Torenvlied en
    A.Akkerman. (2005)
Over insluiting en vermijding. Twee essays over segregatie en integratie.
    J. Uitermark en J.W. Duyvendak; P. Scheffer. (2004)
“Nee, ik voel me nooit onveilig”. Determinanten van sociale
    veiligheidsgevoelens. H. Elffers en W. de Jong. (2004)
Ouderen en maatschappelijke inzet. K. Breedveld, M. de Klerk en J. de Hart.
    (2004)
Financiële prikkels voor werknemers bij uittreding. I. Groot en A. Heyma.
    (2004)
Sociale veiligheid vergroten door gelegenheidsbeperking: wat werkt en wat
    niet? K. Wittebrood en M. van Beem. (2004)
   80 Rondje voor de publieke zaak
</pre>

====================================================================== Einde pagina 81 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 82 ======================================================================

<pre>Inburgering. Educatieve opdracht voor nieuwkomer, overheid en
   samenleving. (2003)
Publicaties van de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling zijn te down-
loaden via www.adviesorgaan-rmo.nl
                                   Overzicht van uitgebracht publicaties 81
</pre>

====================================================================== Einde pagina 82 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 83 ======================================================================

<pre>Rondje voor de publieke zaak CS5.indd 82 1-5-2013 9:39:56</pre>

====================================================================== Einde pagina 83 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 84 ======================================================================

<pre>Van een klassieke verzorgingsstaat groeit Nederland naar
een maatschappij waarin mensen minder een beroep
doen op overheidsvoorzieningen en meer terugvallen op
onderlinge zelfredzaamheid. Deze transitie brengt vragen
met zich mee over de manier waarop we solidariteit ge-
stalte geven. Overal is discussie gaande: in de zorg, de soci-
ale zekerheid en op de woning- en arbeidsmarkt. Er leven
vragen over de betaalbaarheid van verworvenheden, over
nieuwe insluitings- en uitsluitingsmechanismen, over de
toekomstige herverdeling van collectieve middelen en
over de al of niet aanwezige vrijheid om te kunnen bepa-
len met wie je solidair wilt zijn. In Rondje voor de publieke
zaak schept de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling
(rmo) een kader om de discussies op uiteenlopende be-
leidsterreinen weloverwogen te kunnen voeren.
De rmo is de adviesraad van de regering en het parlement
op het terrein van participatie van burgers en stabiliteit
van de samenleving. De rmo werkt aan nieuwe concepten
voor de aanpak van sociale vraagstukken.
isbn 978 90 77758 40 3
nur 740
www.adviesorgaan-rmo.nl
 9 789077 758403
</pre>

====================================================================== Einde pagina 84 =================================================================

<br><br>