<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>Terugtreden is vooruitzien</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>Terugtreden is vooruitzien_2e proef INDD retour CS4.indd 2 29-5-2013 14:24:07</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>Terugtreden is vooruitzien
Maatschappelijke veerkracht
in het publieke domein
Den Haag, juni 2013
r a a d v o o r
m a a t s c h a p p e l i j k e
on t w i k k e l i ng
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>De Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling is de adviesraad van de
regering en het parlement op het terrein van participatie van burgers en
stabiliteit van de samenleving. De RMO werkt aan nieuwe concepten voor
de aanpak van sociale vraagstukken.
De Raad bestaat uit onafhankelijke kroonleden: de heer mr. S. Harchaoui
(voorzitter), de heer drs. B.J. Drenth, de heer prof. dr. P.H.A. Frissen,
de heer dr. E. Gerritsen, mevrouw drs. J.G. Manshanden MPA, de heer
prof. dr. L.C.P.M. Meijs en mevrouw prof. dr. I. van Staveren. De heer dr. R.
Janssens is algemeen secretaris van de Raad.
Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling
Rijnstraat 50
Postbus 16139
2500 BC Den Haag
Tel. 070 340 52 94
Fax 070 340 70 44
www.adviesorgaan-rmo.nl
rmo@adviesorgaan-rmo.nl
Advies 54
ISBN 978 90 077758 40 3
NUR 740
Zet- en binnenwerk: Textcetera, Den Haag
Basisontwerp: Christoph Noordzij, Wierum
Figuren: Mantext, Moerkapelle
© Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling, Den Haag, 2013
Niets in deze uitgave mag worden openbaar gemaakt of verveelvoudigd,
opgeslagen in een dataverwerkend systeem of uitgezonden in enige vorm
door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welk wijze dan ook zonder
toestemming van de rmo.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>Voorwoord
In de Nederlandse samenleving voltrekt zich een veranderingsproces. Van
een verzorgingsstaat waarin de overheid veel voorzieningen garandeerde,
groeien we naar een maatschappij met meer eigen verantwoordelijkheid en
zelfredzaamheid van de burger.
   Deze verandering is niet van de ene op de andere dag gerealiseerd. Ze
zal bovendien gepaard gaan met kansen (meer onderlinge betrokkenheid,
meer initiatief en meer eigenaarschap), maar ook met bedreigingen (pijn
over verlies aan voorzieningen, wrijving over toenemende ongelijkheden,
conflicten over in- en uitsluiting).
   Het kabinet heeft de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling daarom
gevraagd een advies te schrijven over de consequenties van dit verande-
ringsproces. Wat betekent het voor de overheid als zij haar verzorgings-
statelijke rol loslaat? Welke strategie past haar in relatie tot nieuw en al
bestaand maatschappelijk initiatief? Hoe kan ze maatschappelijk verschil
beschermen en tegelijk draaglijk maken als zich vormen van wrijving en
conflict voordoen?
   In het voorliggend advies agendeert de Raad de gevolgen van de oproep
tot meer eigen verantwoordelijkheid. Dat gebeurt onder meer op het ter-
rein van nieuwe financieringsarrangementen, van begrenzing vanuit de
rechtsstaat en van de noodzaak tot zelfbinding van de overheid in haar
verzorgingsstatelijke rol.
   Bij de totstandkoming van het advies hebben we dankbaar gebruikge-
maakt van een achterliggende studie over maatschappelijke veerkracht van
Arjen Boin en Michel van Eeten (zie bijlage 1). Ook danken we Willemijn
van der Zwaard die als stagiaire een historisch onderzoek deed naar de
verstatelijking van publieke voorzieningen aan de hand van drie bepa-
lende momenten in de wording van de Nederlandse verzorgingsstaat. Haar
onderzoek is te raadplegen op onze website. Tevens gaat onze dank uit naar
Winny Bierman voor haar bijdrage als stagiaire en tijdelijk medewerker
aan het advies.
                                                                  Voorwoord 5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>De commissie die het advies heeft voorbereid, bestond uit:
Prof. dr. Paul Frissen (Raad)
Drs. José Manshanden MPA (Raad)
Jasper Zuure MSc (secretariaat)
Dr. Rik Peeters (tijdelijk toegevoegd lid secretariaat, verbonden aan de
Nederlandse School voor Openbaar Bestuur)
Dr. Rienk Janssens (secretariaat)
Lotte van Vliet MA (secretariaat)
De verantwoordelijkheid voor het advies berust bij de Raad.
Sadik Harchaoui			                    Rienk Janssens
Voorzitter			Algemeen secretaris
   6 Terugtreden is vooruitzien
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>Inhoud
Samenvatting 9
1   Inleiding 11
1.1 Aanleiding 11
1.2 Probleemschets 12
1.3 Doel- en vraagstelling 13
1.4 Leeswijzer 15
2   De wens: het verlangen naar terugtreden 16
2.1 Inleiding 16
2.2 Een geschiedenis van verstatelijking 17
2.3 De verzorgingsstaat onder druk 19
2.4 Eigen verantwoordelijkheid en de strijd om normaliteit 23
2.5 Tussenstap 26
3   Het probleem: waarom loslaten lastig is 28
3.1 Inleiding 28
3.2 De verstikkende omarming van samenleving en verzorgingsstaat 28
3.3 Het ongemak van variëteit en verschil 32
3.4 Bestuurscentrisme en het geloof in geplande orde 34
3.5 Tussenstap 37
4   De uitdaging: ontsnappen aan de gelijkheidsfuik 39
4.1 Inleiding 39
4.2 De verstatelijking van zorg en zekerheid 39
4.3 De gelijkheidsfuik doorbroken 43
4.4 Naar een veerkrachtig maatschappelijk aanbod 47
4.5 Tussenstap 50
5   Conclusie en aanbevelingen 51
5.1 Conclusie 51
5.2 Geef maatschappelijke initiatieven inhoudelijk zeggenschap 52
5.3 Creëer nieuwe financiële arrangementen 53
                                                              Inhoud 7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>5.4 Formuleer rechtsstatelijke criteria voor in- en uitsluiting 54
5.5 Tot slot 56
Literatuur 57
Bijlage 1 Maatschappelijke veerkracht: een nieuw ideaal doorgrond 65
Arjen Boin en Michel van Eeten
Overzicht van uitgebrachte publicaties 114
   8 Terugtreden is vooruitzien
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>Samenvatting
De Nederlandse samenleving maakt een veranderingsproces door. Van
een verzorgingsstaat groeien we naar een maatschappij met meer eigen
verantwoordelijkheid en zelfredzaamheid van de burger. Hoewel er al veel
onderzoeken en adviezen in wetenschap en beleid zijn verschenen die de
overheid uitnodigen om maatschappelijk initiatief meer ruimte te geven,
blijkt dit in de politiek-bestuurlijke praktijk nog niet zo eenvoudig. Dat
komt mede doordat een goede doordenking van de consequenties van het
streven naar ‘minder overheid, meer samenleving’ ontbreekt. In dit advies
beredeneert de Raad daarom de verhouding tussen samenleving en over-
heid vanuit de gedachte dat de organisatie van publieke voorzieningen ten
principale in handen is van maatschappelijke initiatieven.
   De gedachte dat maatschappelijke initiatieven een grote rol hebben in de
organisatie van publieke voorzieningen is historisch niet nieuw. De hui-
dige aandacht ervoor houdt verband met normatieve, praktische en finan-
ciële grenzen van de verzorgingsstaat. Maar vooralsnog komt het ruimte
geven aan maatschappelijk initiatief aarzelend tot stand. Enerzijds is er
een breed besef van een vastgelopen verzorgingsstaat en een noodzaak van
een terugtredende overheid; anderzijds bestaat er veel politiek ongemak
bij het loslaten van zeggenschap en is er nog weinig erkenning voor het feit
dat meer maatschappelijk initiatief de consequentie heeft dat er rondom
publieke voorzieningen meer verschil gaat ontstaan rondom identiteit,
omvang, keuzeaanbod en kwaliteit.
   Aan de hand van drie ‘oerkrachten’ analyseert de Raad waarom loslaten
voor de overheid lastig is. De eerste is de verstikkende dynamiek tussen
democratische samenleving en verzorgingsstaat, die ervoor zorgt dat
burgers voortdurend geneigd zijn om meer beroep te doen op overheids-
voorzieningen. De tweede is het politieke ongemak dat ontstaat doordat
maatschappelijke initiatieven gerechtigd zijn tot in- en uitsluiten. De derde
betreft de voorkeur voor centrale ordening in plaats van voor een spontane
ordening op basis van een variëteit aan actoren en initiatieven.
   Het gevolg van deze oerkrachten is dat het sociale vangnet van de ver-
zorgingsstaat verworden is tot een gelijkheidsfuik. De historisch gegroeide
toepassing van rechtszekerheid en rechtsgelijkheid binnen het domein
                                                              Samenvatting 9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>van de verzorgingsstaat beperkt de mogelijkheid voor maatschappelijke
initiatieven om verschil te maken in inhoud, toegang en financiering van
publieke voorzieningen. Om hieraan te ontsnappen is het nodig om de
zorgplicht van de overheid te veranderen: van een ‘zorgen voor’ naar een
‘zorgen dat’. De organisatie, inhoud en deels ook bekostiging is daarbij aan
de samenleving zelf. Hoe dat er vervolgens uit gaat zien valt moeilijk te
voorspellen. Wel is zeker dat er een gevarieerd aanbod van publieke voor-
zieningen zal ontstaan dat nieuwe politieke en rechtsstatelijke vraagstuk-
ken met zich meebrengt rondom zeggenschap, financiering en vormen van
in- en uitsluiting.
   Voor de overheid is het de opgave om deze nieuwe kwesties niet vanuit
verzorgingsstatelijk perspectief te benaderen, maar vanuit rechtsstatelijk
perspectief. Daartoe formuleert de Raad drie aanbevelingsrichtingen.
De eerste is maatschappelijke initiatieven inhoudelijke zeggenschap te
geven en de consequentie te aanvaarden dat dit leidt tot verschil in inhoud,
omvang, identiteit en kwaliteit van de voorziening. De tweede is nieuwe
financierings­arrangementen te ontwikkelen waarbij meer ruimte is voor
particuliere middelen en waarbij de particuliere initiatieven ook (mede)
risicodragend zijn. De derde is maatschappelijke initiatieven vanuit de
rechtsstaat te beschermen en de wrijving die mogelijk gepaard gaat met het
verschil dat ontstaat, te begrenzen. Waar de rol van de overheid als hoedster
van de verzorgingsstaat minder wordt, zal die als hoedster van de rechts-
staat toenemen.
   10 Terugtreden is vooruitzien
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>1
Inleiding
1.1 Aanleiding
Vanuit de samenleving en de overheid klinkt tegenwoordig dikwijls een
pleidooi voor ‘minder overheid, meer samenleving’. Denk bijvoorbeeld
aan discussies die worden gevoerd over zelfredzaamheid, samenredzaam-
heid, solidariteit, ‘Big Society’ (Blond 2010), maatschappelijke vitaliteit en
sociale veerkracht. Denk ook aan de opkomst van nieuwe m      ­ aatschap­pelijke
initiatieven op allerlei terreinen: van huizenbezitters die hun eigen
stroom opwekken tot voedselbanken die de armen van voedsel voorzien,
van ouders die hun eigen kinderopvang beginnen tot zzp’ers die zich via
Broodfondsen verzekeren tegen ziekte of arbeidsongeschiktheid (vgl.
Schulz et al. 2013).
   De grote diversiteit aan maatschappelijke initiatieven is inmiddels uit-
voerig beschreven en besproken in verschillende onderzoeken en adviezen
in wetenschap en beleid. De meeste daarvan nodigen de overheid uit om
deze initiatieven van burgers, maatschappelijke organisaties en bedrijven
meer ruimte te geven (bv. RMO 2006; WRR 2012; Rob 2012; Veldheer et al.
2012). Echter, in de politiek-bestuurlijke praktijk blijkt het nog niet zo een-
voudig om dit te bereiken. Zoals de minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties van kabinet-Rutte I op 22 december 2011 aangaf, is er
onvoldoende kennis en kunde ten opzichte van ‘strategieën die buiten het
directe bereik van het overheidshandelen vallen, namelijk het geven van
meer ruimte aan mensen en samenleving’ (BZK 22-12-2011).
   Het vorige kabinet dacht te komen tot een compactere overheid en meer
ruimte voor de samenleving met de strategie van de ‘vermaatschappelij-
king van overheidstaken’ (BZK 2011). Ook het huidige kabinet stelt in zijn
regeerakkoord dat het goed is ruimte te maken voor maatschappelijk initi-
atief en ondernemerschap. Het kabinet stelt daarnaast dat het verstandig en
sociaal is er te zijn voor mensen die niet mee kunnen komen: ‘Ieder mens
                                                                  Inleiding 11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>is allereerst zelf verantwoordelijk voor succes in het leven en de mogelijk­
heden daartoe willen wij zo groot mogelijk maken. Maar nooit zullen wij
de ogen sluiten voor de mensen die het zonder extra zetje in de rug niet
kunnen redden’ (Regeerakkoord 2012: 1).
1.2 Probleemschets
De veronderstelling die ten grondslag ligt aan dit advies is dat meer ruimte
geven aan mensen en samenleving vraagt om een verandering van de over-
heid die fundamenteler is dan over het algemeen wordt aangenomen. Meer
ruimte geven aan mensen en samenleving betekent een beweging weg van
de huidige conceptie van de verzorgingsstaat. Concreter: de organisatie
van publieke voorzieningen zal minder in handen zijn van de overheid via
arrangementen van de staat en meer in handen van burgers via particuliere
arrangementen. Echter, als de overheid nog steeds verantwoordelijk is of
zich nog steeds verantwoordelijk voelt voor deze publieke voorzieningen,
zal dit onherroepelijk leiden tot een spanning in het overheidsbeleid tussen
ruimte geven en ingrijpen. Een spanning die gemakkelijk kan leiden tot
juist meer interventies, met als gevolg dat er uiteindelijk een situatie ont-
staat van ‘meer overheid en minder samenleving’.
    Het is daarom goed de oproep tot ‘minder overheid, meer samenle-
ving’ nauwkeuriger te doordenken. Dat is immers geen gratuite leus. Als
de zorg voor publieke voorzieningen in handen is van maatschappelijke
initiatieven, zal dit waarschijnlijk leiden tot meer verschil, ongelijkheid
en m­ ogelijk conflict in de organisatie en verdeling van publieke voorzie-
ningen in zorg, onderwijs, welzijn, huisvesting en misschien zelfs wel
veiligheid. Maatschappelijke initiatieven zullen immers verschil willen
maken op basis van identiteit en particuliere voorkeuren. Dat verschil
tussen publieke voorzieningen is er historisch gezien ook altijd geweest.
Kenmerkend voor de laatste halve eeuw is echter dat de overheid zich in
toenemende mate heeft gemanifesteerd als verzorgingsstaat die publieke
voorzieningen in gelijke mate aan de bevolking wil toedelen. De heden-
daagse conceptie van de verzorgingsstaat staat niet in het teken van ver-
schil maken, maar in het teken van gelijkheid (RMO 2006).
    Volgens de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (RMO) zou deze
spanning kunnen verklaren waarom het voor de overheid moeilijk is meer
    12 Terugtreden is vooruitzien
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>ruimte te geven aan maatschappelijk initiatief. Als de overheid maatschappe-
lijk initiatief serieus neemt, moet zij immers met een aantal implicaties reke-
ning houden. Als de organisatie voor publieke voorzieningen bij maatschap-
pelijke initiatieven komt te liggen, kan dit ertoe leiden dat de samenleving
bepaalde taken niet overneemt van de overheid, dat de samenleving bepaalde
taken op een andere manier uitvoert dan de overheid voor ogen heeft of dat de
samenleving zich verzet tegen de overheid vanwege onenigheid over de doel-
stellingen van het beleid.
    Om dus daadwerkelijk ruimte te laten aan maatschappelijk initiatief is er
niet alleen ruimte nodig voor zelforganisatie van burgers, maar ook ruimte
voor zeggenschap. Hierin schuilt een groot voordeel. Onder de juiste voor-
waarden kan een strategie van ruimte laten aan verschil namelijk maatschap-
pelijke veerkracht vergroten: het vermogen van de samenleving om zich aan
te passen aan veranderende omstandigheden met behoud van kernwaarden
(Van Gunsteren 2003; Boin en Van Eeten 2013).
    Tegelijk komt met meer zelforganisatie en meer zeggenschap de vraag op
tafel hoe we het toenemend maatschappelijk verschil dat zal gaan ontstaan,
draaglijk kunnen houden. Verschil kan immers ook gepaard gaan met wrij-
ving, met conflict en met vormen van uitsluiting. Als de overheid de verlei-
ding wil weerstaan om voortdurend in te grijpen en voorzieningen toch weer
gelijkelijk toe te delen, zullen er andere, rechtsstatelijke, garanties moeten
komen die enerzijds het recht op verschil beschermen en anderzijds het toe-
nemend verschil niet laten uitmonden in een situatie van democratisch en
rechtsstatelijk onaanvaardbare vormen van uitsluiting. Daarover blijft een
politieke afweging noodzakelijk. Die afweging zal e­ chter minder gemaakt
moeten worden vanuit een verzorgingsstaat­perspectief en meer vanuit een
rechtsstatelijk perspectief.
1.3 Doel- en vraagstelling
In dit advies stelt de RMO zich tot doel om regering en Staten-Generaal te
adviseren over het creëren van meer ruimte voor maatschappelijk initiatief.
De Raad doet dit vanuit zijn taak regering en parlement te adviseren over de
hoofdlijnen van beleid inzake de gevolgen van maatschappelijke ontwikke-
lingen voor zover deze van invloed zijn op de participatie van burgers en de
stabiliteit van de samenleving.
                                                                  Inleiding 13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>   De RMO neemt daarbij als uitgangspunt de wens van de regering dat de
overheid terugtreedt en stelt deze wens zelf in dit advies niet uitgebreid ter
discussie. De vraag op welke specifieke beleidsterreinen terugtreden van
de overheid wenselijk is, is namelijk voor een groot gedeelte een politieke
kwestie, waarover de politiek zal moeten besluiten. De Raad heeft er in dit
advies dan ook voor gekozen de algemene sturingsfilosofie van de overheid
te bespreken en geen uitgebreide beschrijving te geven van verschillende
beleidsterreinen. Tevens zal hij zich voornamelijk richten op de verhouding
tussen Rijksoverheid, individuele burgers en civil society.
   In dit advies hoopt de Raad de politieke besluitvorming te ondersteunen
door de consequenties van meer ruimte voor maatschappelijk initiatief
te doordenken. Daarbij past in zijn ogen allereerst het afstand nemen van
het idee van de vermaatschappelijking van overheidstaken, omdat dit ten
diepste een omkering van zaken is. De huidige omvang en aard van de ver-
zorgingsstaat zijn historisch gezien eerder uitzondering dan regel. Het gaat
vaak om taken die ‘van nature’ niet bij de overheid horen, maar die door een
specifieke opvatting over de verzorgingsstaat geleidelijk zijn verstatelijkt.
   In dit advies doordenkt de Raad de verhouding tussen samenleving en
overheid vanuit de gedachte dat de organisatie van publieke voorzieningen
ten principale een zaak is van maatschappelijke initiatieven. Hij hanteert
daarbij een ruime definitie van publieke voorzieningen. Publieke voorzie-
ningen zijn niet noodzakelijkerwijs staatsvoorzieningen of door de staat
gefinancierde voorzieningen. Het zijn weliswaar voorzieningen die een
publiek doel hebben, maar die ook, en historisch gezien vooral, door maat-
schappelijke initiatieven in de samenleving zijn en worden georganiseerd
en gefinancierd. De staat heeft immers niet het monopolie op de publieke
zaak.
De volgende vraag staat centraal:
Welke strategie kan de overheid toepassen om meer ruimte te laten aan maat­
schappelijke initiatieven bij de organisatie van publieke voorzieningen?
   14 Terugtreden is vooruitzien
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>1.4 Leeswijzer
In hoofdstuk 2 zal de Raad eerst de achtergrond van het verlangen naar
een terugtredende overheid schetsen. In hoofdstuk 3 analyseert hij het
probleem van enkele ‘oerkrachten’ in de samenleving en bij de overheid die
ervoor zorgen dat loslaten lastig is. In hoofdstuk 4 wordt vervolgens geana-
lyseerd en beschreven voor welke uitdaging de overheid staat als zij meer
ruimte wil laten aan maatschappelijke initiatieven. In hoofdstuk 5 wordt
uiteindelijk besproken met welke strategie de overheid meer ruimte kan
laten voor maatschappelijke initiatieven bij de organisatie van publieke
voorzieningen en doet de Raad een drietal aanbevelingen.
                                                               Inleiding 15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>2
De wens: het verlangen naar terugtreden
2.1 Inleiding
Voordat de RMO in het volgende hoofdstuk ingaat op de vraag waarom het
zo moeilijk is voor de overheid om de organisatie van publieke voorzienin-
gen meer in handen te laten van maatschappelijke initiatieven, doet hij in
dit hoofdstuk eerst nog een stap terug. Voor welk probleem is een terugtre-
dende overheid de oplossing?
    De ambitie van de regering om meer ruimte te geven aan maatschappe-
lijk initiatief wordt daarbij als uitgangspunt genomen. Deze ambitie moet
niet worden gezien als een simpele aanvulling op het bestaande repertoire
van de overheid. In plaats daarvan gaat het hier om een meer fundamentele
cesuur in de ontwikkeling van en het denken over de verzorgingsstaat. Het
gaat om een correctie op een zeer specifieke conceptie van de verzorgings-
staat, die niet alleen historisch gezien verre van vanzelfsprekend is, maar
ook leidt tot fundamentele financierings- en beheersingsvraagstukken.
    Een korte historische terugblik op de geschiedenis van de organisatie
van publieke voorzieningen in Nederland plaatst de huidige discussies
over aanpassingen van de verzorgingsstaat in perspectief. In dit hoofdstuk
bespreekt de Raad daarom eerst hoe de regulering, financiering en organi-
satie van publieke voorzieningen sinds de negentiende eeuw langzaamaan
verstatelijkten en hoe na de Tweede Wereldoorlog de verzorgingsstaat werd
opgebouwd. Daarna bespreekt hij het herijkingsproces en de normatieve,
praktische en financiële problemen van de verzorgingsstaat. Ten slotte
komt aan de orde hoe de overheid hier momenteel mee om probeert te gaan.
    16 Terugtreden is vooruitzien
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>2.2 Een geschiedenis van verstatelijking
De wijze waarop men in een samenleving publieke voorzieningen organi-
seert is geen vaststaand gegeven: de culturele en maatschappelijke context
speelt een belangrijke rol in de interpretatie van de waarden die ten grond-
slag liggen aan de huidige verzorgingsstaat. Daarbij valt te denken aan de
vraag in wiens handen deze organisatie dient te liggen of aan de vraag wat
de invloed van demografische ontwikkelingen (zoals vergrijzing en immi-
gratie) is op de houdbaarheid van publieke voorzieningen.
   In de negentiende eeuw was de organisatie van publieke voorzieningen
voornamelijk een zaak van het particulier of maatschappelijk initiatief.
Sommigen typeren de overheid in deze eeuw als een ‘nachtwakersstaat’
die zich vooral bezighield met kerntaken voor het bewaken van de (sociale)
orde, zoals openbare orde en veiligheid, buitenlands beleid en defensie. In
de negentiende eeuw verscheen echter ook al de eerste sociale wetgeving.
Denk bijvoorbeeld aan de Grondwet van 1848 die bepaalde dat publieke
taken als armen- en jeugdzorg niet alleen een ‘aanhoudende zorg’ voor de
regering moesten zijn (zoals in de Grondwet van 1815 al werd vermeld),
maar daarnaast ook ‘door de wet geregeld’ moesten worden. Of denk aan
de eerste Armenwet van 1854 die bepaalde dat de overheid ‘bij volstrekte
onvermijdelijkheid’ bijstand mocht verlenen (Van der Zwaard 2013:10).
   Vanaf het einde van negentiende eeuw groeide langzaam de rol van
lokale overheden bij de organisatie van publieke voorzieningen. Deze
ontwikkeling ging gepaard met de opkomst van de moderne industriële
samenleving en de sociaaleconomische gevolgen daarvan (bv. Bruce 1968).
Veel mensen trokken naar de stad en de woon- en werkomstandigheden
van de arbeidersklasse waren daar vaak bar en boos (bv. Van der Woud
2010). Tegelijkertijd namen vooral in stedelijke omgevingen de zorgen om
de openbare orde, om de publieke hygiëne en om de lokroep van het socia-
lisme sterk toe (bv. De Swaan 1988; Donzelot, in Burchell et al. 1991).
   Hier ligt de geboorte van ‘de sociale kwestie’ die ging over de rechtsorde
van de arbeid en de arbeidsongevallen-, ouderdoms-, en ziektewetgeving.
Met andere woorden: de kwestie die ging over wetgeving die arbeidsrisico’s
moest dekken, omdat die risico’s een zaak van collectief belang zijn. In de
sociale kwestie probeerde men door middel van wetgeving de woon- en
werkomstandigheden van de arbeider te verbeteren en hem meer garanties
en bescherming te bieden. Fabrikanten hadden immers ook behoefte aan
                                   De wens: het verlangen naar terugtreden 17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre> goede arbeidskrachten. Daarnaast zou de opkomst van de socialistische
 arbeidersbeweging een gevaar vormen voor de bestaande maatschappelijke
 orde.
    De politiek raakte doordrongen van het feit dat bij grote werkloosheid
 (nog in de tijd zonder voorzieningen) ook de armoede groot was: arbei-
ders die bijvoorbeeld wegens een ongeval hun baan kwijtraakten, waren
veroordeeld tot de bedeling. Armoede was niet langer alleen een probleem
van de onderklasse, aangezien de sociale gevolgen van die armoede zich
over grote delen van de samenleving uitstrekten. Criminaliteit en epide-
mische ziekten hielden zich niet aan de grenzen van sociale klassen of
sloppenwijken. Het besef van dergelijke wederzijdse afhankelijkheden
tussen grote bevolkingsgroepen – arm en rijk – vormt een belangrijke
reden voor collectivisering van de armoedezorg (Elias 1939; De Swaan
1988). Met het oog op het algemeen welzijn en de openbare orde werd in de
tweede helft van de negentiende eeuw een begin gemaakt met sociale wet-
geving: het Kinderwetje van Van Houten (1874), de Woningwet (1901) en de
Gezondheidswet (1901).
    De overheidsbemoeienis met de organisatie van publieke voorzieningen
kwam echter vooral na de Tweede Wereldoorlog tot stand (bv. Beveridge
1944; Leibfried en Mau 2008). Voorzieningen in zorg en sociale zekerheid
kregen een wettelijke grondslag en boden daarmee rechtszekerheid in een
domein dat voorheen door particuliere caritas werd gekenmerkt. Ook wer-
den geleidelijk aan steeds meer publieke voorzieningen van staatswege
gefinancierd. Daarmee werd de zorgplicht van de overheid steeds verder
uitgebreid, hoewel particuliere instellingen in het verzuilde Nederland
­lange tijd zeer belangrijk bleven in de uitvoering (bv. Schuyt en Van
 der Veen 1986; Trommel en Van der Veen 1999; Andeweg en Irwin 2002;
 De Rooij 2002; WRR 2006).
    De afgelopen decennia hebben de zuilen echter hun centrale positie in
 de ordening van de Nederlandse samenleving verloren. Hierdoor is de over-
 heid zich op een andere manier tot de samenleving gaan verhouden. Het
 maatschappelijke middenveld raakte versnipperd en verloor zijn ordenende
 kracht. Aanvankelijk werd heil gezocht in marktwerking en privatisering.
 Inmiddels lijkt de aandacht zich echter meer te richten op een verdere
 versterking van de normerende en regulerende functie van de verzorgings-
 staat (bv. Frissen 2007).
    18 Terugtreden is vooruitzien
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>   Het is evenwel goed te bedenken dat elke sturingsvorm specifieke voor-
en nadelen heeft. Sturing via de staat kan rechtszekerheid en maatschap-
pelijke orde waarborgen, maar daarbij bestaat het risico van conformisme
en de disciplinering van de burger door een grote en bureaucratische staat.
Sturing via de markt kan welvaart scheppen, maar brengt het risico met
zich mee dat de markt de heerschappij van het geld oplegt en alles in ter-
men van economische waarde formuleert. En sturing via civil society kan
zingeving en binding bieden, maar heeft als risico uitsluiting of knellende
verbanden (Kinneging, in Kwakkelstein et al. 2012: 41; vgl. Van Gunsteren
2003).
2.3 De verzorgingsstaat onder druk
De hiervoor geschetste geschiedenis van verstatelijking loopt tegen twee
grenzen aan. Ten eerste is er de vraag wat de gewenste relatie is tussen over-
heid en burger in het ontzuilde Nederland, en ten tweede de vraag wat de
financiële houdbaarheid is van huidige verzorgingsstaatarrangementen.
Beide vragen nopen tot een fundamentele doordenking van de huidige
organisatie van publieke voorzieningen.
   Bekend is uiteraard de fundamentele kritiek op de verzorgingsstaat aan
het begin van de jaren tachtig van de twintigste eeuw. Veel van de toen
geformuleerde kritiek geldt nu nog. Een belangrijk verschil is wel dat de
kritiek destijds vooral vanuit economische, (neo)liberale hoek kwam (bv.
Hayek 1944; Friedman 1962), maar dat de zorgen over de toekomst van de
verzorgingsstaat nu breder gedeeld lijken te worden. In die kritiek kunnen
we twee, overigens vaak met elkaar vervlochten, sporen herkennen: een
spoor dat de normatieve superioriteit van de verzorgingsstaat in twijfel
trekt en een spoor dat de efficiëntie en financiële houdbaarheid van de ver-
zorgingsstaat bekritiseert.
Normatieve kritiek
Normatieve kritiek op de verzorgingsstaat spitst zich vaak toe op discussies
over vrijheid. In de aanloop naar de politieke agenda van de jaren tachtig
weerspiegelden discussies tussen filosofen als Rawls (1971) en Nozick (1974)
de verhouding tussen wat Berlin (1969; 2007) ‘negatieve’ en ‘positieve’ vrij-
heid heeft genoemd. Daarbij staat negatieve vrijheid voor het vrij zijn van
                                   De wens: het verlangen naar terugtreden 19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>inmenging van anderen, en positieve vrijheid voor de mogelijkheid te kie-
zen en het eigen leven in te richten. De verzorgingsstaat kan in termen van
positieve vrijheid worden gelegitimeerd, omdat hij de materiële voorwaar-
den voor keuzevrijheid en zelfontplooiing biedt. Individuen zijn daardoor
voor hun levenskansen minder overgeleverd aan noodlot of geluk (Maier
1994: 14).
   Tegelijkertijd is er de kritiek dat de verzorgingsstaat een ongewenste
inmenging van de staat in de negatieve vrijheid van burgers vormt.
Bovendien, zo betogen anderen (bv. RMO 2006; Frissen 2007), belemmert
de eenduidige opvatting van positieve vrijheid in de verzorgingsstaat het
bestaan van andere, meervoudige en maatschappelijke invullingen van
positieve vrijheid. Als burgers moeten voldoen aan allerlei voorwaarden om
in aanmerking te komen voor financiële ondersteuning (en tegelijkertijd
via belastingen vaak wel moeten bijdragen aan de financiering daarvan),
kan dit de vrijheid aantasten om naar eigen inzicht te beschikken over
middelen en naar eigen inzicht vorm te geven aan voorzieningen zoals
onderwijs en zorg. Deze kwestie is zeker actueel in een ontzuild Nederland,
waar de overzichtelijkheid van het verschil tussen de zuilen en de van-
zelfsprekende positie van het maatschappelijk middenveld is verdwenen.
De behoefte aan het maken van verschil is gebleven, maar de institutionele
context is verstatelijkt.
   Daarnaast klinken eveneens uit republikeinse en c­ ommunitaristische
hoek in de politieke filosofie zorgen door over de negatieve effecten van
de huidige verzorgingsstaat. Hierbij staat een zorg om ‘burgerschap’ cen-
traal (bv. Beiner 1995; Van Gunsteren 1998). De verzorgingsstaat zou van
de burger een passieve consument van collectieve goederen maken in
plaats van een actief betrokken lid van een politieke gemeenschap. In de
individualistische aanspraak op de verzorgingsstaat liggen ondermijning
van solidariteit en overconsumptie van publieke goederen voortdurend
op de loer. De nobele ambities van de verzorgingsstaat – zoals verzekeren
en verheffen – zijn voor een belangrijk deel gerealiseerd, maar hebben ook
ongewenste neveneffecten gegenereerd: ‘De verzorgingsstaat stuit op de
grenzen van het eigen succes, op grenzen bij geëmancipeerde burgers en op
de normatieve grenzen van abstracte en anonieme solidariteit, van bureau-
cratisering en disciplinering’ (RMO 2006: 42; vgl. Kruiter 2010).
   In dit perspectief is de verzorgingsstaatcrisis ook een burgerschaps­
crisis. Deze zou gepaard gaan ‘met afkalvende solidariteit, meer nadruk op
   20 Terugtreden is vooruitzien
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>rechten dan op plichten en een onoverbrugbare kloof tussen burger en poli-
tiek’ (Van Noije et al. 2012: 303). De verzorgingsstaat zou minder een van-
zelfsprekendheid moeten zijn waar burgers aanspraak op kunnen maken.
Burgers zouden eerst en vooral ook moeten bezien in hoeverre ze zelf en
met anderen zorg en zekerheid kunnen organiseren. De verzorgingsstaat
zou een vangnet moeten zijn in plaats van een subsidieruif.
Kritiek op efficiëntie en financiële houdbaarheid
Een tweede type kritiek op de verzorgingsstaat richt zich op de efficiëntie
en de financiële houdbaarheid van het stelsel van collectieve voorzienin-
gen. Ook hier liggen de wortels in de (neo)liberale kritiek (Hayek 1960;
Friedman 1962; Harvey 2005). De verzorgingsstaat was (en is) in financieel-
economische termen onhoudbaar geworden vanwege de explosief toene-
mende kosten: de eerdergenoemde neiging tot overconsumptie (en bijbeho-
rend overaanbod) speelt hierin een belangrijke rol, maar ook de kosten van
de vergrijzing doen dat. Daarnaast bleek de verzorgingsstaat in bestuurlijk-
organisatorisch opzicht problematisch te zijn geworden: de omvang en
complexiteit van wet- en regelgeving en ingewikkelde procedures maakten
de verzorgingsstaat onbestuurbaar voor politici en bestuurders (bv. Bank et
al. 1983; Economisch Statistische Berichten 1991; Esping-Andersen 2002).
    In de jaren tachtig zocht men in meer marktwerking en privatise-
ring de oplossing voor overaanbod en bureaucratisering. Het New Public
Management, waarbij werkwijzen uit het bedrijfsleven werden geïmpor-
teerd naar de publieke context, won aan populariteit (Osborne en Gaebler
1992). In het oog springende voorbeelden van privatisering in Nederland
waren de brutering van de woningcorporaties, de verzelfstandiging van
de Nederlandse Spoorwegen en de liberalisering van sectoren als telecom,
post en energie.
    In meer algemene termen kan worden gesteld dat de organisatie van
de verzorgingsstaat op drie punten is veranderd (Yeung, in Baldwin et al.
2010: 64-83). Ten eerste zijn, zoals gezegd, veel publieke voorzieningen
geprivatiseerd. Ten tweede is de rol van de overheid veranderd van directe
leverancier van voorzieningen naar een meer regulerende en toezicht-
houdende partij in de verstrekking van voorzieningen door andere, pri-
vate partijen. Ten slotte is het repertoire van de overheid verschoven van
­hiërarchische planning naar ‘governance’ en ‘sturen op afstand’ (Majone
 1994; 1997).
                                       De wens: het verlangen naar terugtreden 21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>   Na de eeuwwisseling kwamen echter de beperkingen van markt­
werking aan het licht. In veel gevallen is er sprake van quasi-markten,
waarbij de overheid kunstmatig prijs- en kwaliteitsprikkels ontwerpt bij
de onmogelijkheid van een daadwerkelijke ‘onzichtbare hand’ (zoals in het
openbaar vervoer). Ook vervreemdden veel organisaties van publieke voor-
zieningen van hun achterban. Ten slotte kan worden gewezen op het feit dat
de overheid de organisatie van veel publieke voorzieningen niet volledig
heeft losgelaten: er blijft behoefte aan politieke invloed op de aard van voor-
zieningen en op het bewaken van een goed functionerend stelsel van voor-
zieningen. Dat laatste zien we tegenwoordig ook terug in het voorkomen
van faillissementen van publieke voorzieningen, omdat die faillissemen-
ten de publieke belangen te zeer zouden schaden (zie de recente problemen
bij onderwijsinstelling Amarantis, woningcorporatie Vestia en banken als
ABN Amro, ING en SNS).
Actuele kritiek
Op dit moment zien we dat de normatieve kritiek op de verzorgingsstaat
zich vervlecht met de zorgen om de financiële houdbaarheid. Door de domi-
nante positie van de overheid krijgt de relatie tussen burger en publieke
voorziening een individualistisch karakter. Prikkels tot overconsumptie
en overaanbod zijn in overvloed aanwezig door de abstracte en eenduidige
organisatie van publieke voorzieningen. De burger eist en de overheid
moet leveren. Solidariteit, beheersbaarheid en financierbaarheid van de
verzorgingsstaat staan in deze verhouding onder grote druk.
   In dit licht moet ook het hernieuwde beroep van de overheid op de bur-
ger worden gezien. Zowel de staat als de markt heeft normatieve en finan-
ciële beperkingen in de organisatie van collectieve voorzieningen. Nu is de
samenleving aan zet. Het terugtreden van de overheid wordt nu niet bepleit
ten faveure van marktwerking, maar ten faveure van niet-winstgedreven
maatschappelijke zelforganisatie. Burgers zouden meer publieke voorzie-
ningen zelf moeten organiseren in plaats van steeds een beroep te doen op
de overheid of op subsidie.
   Samenvattend stelt de Raad met het SCP dat de strategie van ‘meer eigen
verantwoordelijkheid’ door de overheid wordt gepresenteerd als remedie
voor twee maatschappelijke vraagstukken (Van Noije et al. 2012: 317):
   22 Terugtreden is vooruitzien
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>‘De ontwikkeling naar meer eigen verantwoordelijkheid lijkt enerzijds prag-
matisch te zijn ingegeven door de financiële onhoudbaarheid van de verzor-
gingsstaat, versterkt door de actuele economische crisis, die de overheid tot
hervormen dwingt. Anderzijds is deze trend ideologisch ingegeven door de
morele crisis van een burger die zijn plaats in de samenleving niet meer zou
kennen. In het publieke en politieke debat wordt niet alleen gewezen op ver-
ruwing, anonimiteit en onverschilligheid in het sociale verkeer, maar ook op
al te makkelijk gebruik van overheidsvoorzieningen.’
2.4 Eigen verantwoordelijkheid en de strijd om normaliteit
De overheid lijkt zelf voorop te lopen in de promotie van actief burgerschap
en meer eigen verantwoordelijkheid (bv. RMO 2006; Peeters en Drosterij 2011;
Verhoeven en Ham 2010; WRR 2012; Rob 2012). Zo laat het Sociaal en Cultureel
Planbureau (SCP) in zijn Sociaal en Cultureel Rapport (Veldheer et al. 2012)
zien hoe de overheid op tal van terreinen ambieert om burgers een grotere
rol te geven in de organisatie van publieke voorzieningen, zoals onderwijs,
kinderopvang, sociale zekerheid, zorg, integratie en veiligheid. Opvallend
genoeg lijkt er in veel gevallen echter sprake te zijn van schijnruimte, omdat
de overheid niet daadwerkelijk loslaat en de eigen verantwoordelijkheid voor
de burger wil definiëren.
Schijnruimte
In de uiteindelijke beleidspraktijk blijkt het beeld van eigen verantwoor-
delijkheid genuanceerd. Behalve substitutie van verantwoordelijkheid (de
daadwerkelijke overdracht van overheid naar burgers) komt het eveneens
veelvuldig voor dat de overheid burgers voorschrijft hoe zij zich moeten
gedragen of maatschappelijke initiatieven moeten organiseren, en sancties
oplegt als zij zich hier niet aan houden. Het komt ook regelmatig voor dat de
overheidsrol onveranderd blijft. Met andere woorden: ‘De overheid bepaalt
wat er in het algemeen belang moet gebeuren, schrijft voor wat burgers
daarvoor moeten doen en grijpt in bij ongewenste resultaten’ (Van Noije et
al. 2012: 303). Volgens het SCP lijken zich momenteel de contouren af te teke-
nen van een nieuw verantwoordelijkheidsmodel dat zich kenmerkt door
                                    De wens: het verlangen naar terugtreden 23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>‘meer r­ esponsabele burgers onder regie van de overheid’ (Van Noije et al.
2012: 303).
    Volgens het SCP komt dit tot uiting in de volgende rolverdeling:
– ‘de overheid definieert doelstellingen en randvoorwaarden en legt die
vast in wetten of convenanten met private partijen’;
– ‘de verwezenlijking van die doelstellingen wordt zoveel mogelijk over-
gelaten aan burgers, maatschappelijk middenveld en marktpartijen’;
– ‘de overheid legt burgers een gewenst handelingsperspectief voor en
maakt collectieve aanspraken en bijdragen afhankelijk van hun gedrag’;
– ‘de overheid ziet toe of de gewenste resultaten bereikt worden en grijpt
in als dat niet zo is’ (ibid.).
In dit nieuwe verantwoordelijkheidsmodel komen de drie spanningen tot
uitdrukking die de RMO (2006: 11) eerder al eens benoemde:
– De staat moet terugtreden om meer ruimte voor de eigen verantwoorde-
lijkheid van burgers te realiseren, maar moet tegelijkertijd sterker worden
om zich te beschermen tegen het ‘onverantwoordelijke’ gedrag van diezelf-
de burgers.
– De staat wil burgers stimuleren tot het nemen van eigen verantwoor­
delijkheid, maar loopt daarmee het risico die burgers opnieuw afhankelijk
te maken (het emancipatiedilemma).
– Meer ruimte voor eigen verantwoordelijkheid kan leiden tot ongewens-
te of onbedoelde uitkomsten, maar regels en controle door de staat om deze
uitkomsten aan te pakken ondermijnen de eigen verantwoordelijkheid.
Deze spanningen lijken een gordiaanse knoop voor de overheid te vormen.
In het overheidsbeleid ten aanzien van de drie grote decentralisaties is dit
zeer goed te herkennen. Goedbeschouwd zijn deze spanningen en het voor-
noemde verantwoordelijkheidsmodel echter terug te voeren op een zeer
specifieke invulling van het begrip ‘eigen verantwoordelijkheid’. De klas-
sieke opvatting van eigen verantwoordelijkheid benadrukt het ‘ex post’-
karakter ervan: het gaat om het achteraf verantwoording afleggen voor je
daden (bv. Hart 1968). Deze vorm van verantwoordelijkheid kan voortvloei-
en uit een ‘vermogen’ (toerekeningsvatbaarheid), uit ‘aansprakelijkheid’
(verantwoording) of uit een ‘taak’ (bepaalde functie of rol) (­Ossewaarde
2005).
    24 Terugtreden is vooruitzien
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>   Daartegenover staat echter de interpretatie van eigen verantwoordelijk-
heid als ‘deugd’. Hier gaat het niet om ‘ex post’ verantwoording maar juist
om het ‘ex ante’ vermogen om de consequenties van het eigen handelen
in te schatten en daarnaar te handelen (Bovens 1990). Bovens spreekt in
dit verband van een nadruk op handelen in het hier en nu en op het voor­
komen van ongewenste situaties (1990: 35). Het is juist deze interpretatie
van eigen verantwoordelijkheid die kenmerkend is voor de nieuwe verant-
woordelijkheidsverdeling tussen staat en burgers (Peeters 2013b).
Definitiemacht van normaliteit
Uit de verschillende analyses van verschuivende verantwoordelijkheden
tussen staat en samenleving blijkt dat het politieke discours over ‘eigen ver-
antwoordelijkheid’ en ‘verantwoordelijkheid nemen’ een ambigu karakter
heeft. Enerzijds appelleert het discours aan het beeld van een terugtreden-
de overheid, anderzijds stelt de overheid voorafgaand aan dat terugtreden
normen over wat ‘normaal’ of ‘gewenst’ gedrag is van burgers. Met andere
woorden, er bestaat een sterke neiging tot ‘responsabilisering op voorwaar-
den van de staat’ (Peeters en Drosterij 2011), waarbij van de burger tegelij-
kertijd zelfredzaam én conformistisch gedrag wordt verwacht (Drosterij en
Peeters 2011). Wie zich niet conformeert – burger of publieke professional –
heet al snel ‘spookrijder’ (Lamé 2011).
   Dit leidt tot een argumentatieve omkering in de verhouding tussen over-
heid en samenleving. In principe is in het democratisch bestel zoals wij
dat kennen, de politiek de besluitvormende actor en de burger de manda-
terende actor. Echter, in de moderne, activerende verzorgingsstaat lijkt de
vraag soms niet zozeer wat de overheid voor mensen kan betekenen, maar
wat mensen voor de overheid kunnen of moeten doen (Trommel en Van den
Berg 2012). Het is ‘de regering die van de samenleving verantwoording en
een specifiek soort handelen vraagt: de burger wordt ter verantwoording
geroepen of zijn handelen wel een bijdrage levert aan collectieve doelstel-
lingen’ (Drosterij en Peeters 2011: 459).
   Kort gezegd lijkt burgerschap in het pleidooi voor meer eigen verant-
woordelijkheid te verworden tot een beleidsinstrument ten dienste van
bezuinigingen in de verzorgingsstaat. Het is om precies deze reden dat
de Raad afstand neemt van het adagium ‘vermaatschappelijking van
overheids­taken’ (BZK 2011) in de discussie over de terugtredende overheid.
Het particuliere initiatief bevindt zich immers dan al snel in een situatie
                                   De wens: het verlangen naar terugtreden 25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>die zich laat kenmerken als survival of the fitting: het initiatief dient zich
aan te passen aan de wensen en de eisen van de overheid (RMO 2012b).
Het i­ nitiatief dat afwijkt, loopt al snel tegen beknellende regulering, kwali-
teitscriteria of subsidievoorwaarden aan.
   Achter het discours van eigen verantwoordelijkheid gaat een strijd om
de normaliteit schuil. Wie bepaalt uiteindelijk wat gewenst of deugdelijk
gedrag is? Hoeveel verschil in invulling van eigen verantwoordelijkheid
accepteert de overheid? De eigenwijze onderwijzer, de verstokte roker, de
ambitieuze bankbestuurder, de opstandige puber, de ongeschoolde werklo-
ze, de milieuvervuilende autorijder en de slecht geïntegreerde immigrant.
Wat al deze burgers met elkaar gemeen hebben, is dat ze levensstijlen en
waardenpatronen hanteren of vertegenwoordigen die afwijken van poli-
tieke voorkeuren en wensbeelden over normaliteit.
   Veel van het huidige overheidsbeleid is erop gericht om dergelijke bur-
gers via regulering, toezicht, subsidievoorwaarden en gedragsprikkels tot
‘verantwoordelijker’ gedrag te stimuleren. Beleid dat daarmee bovendien de
‘prijs van deviantie’ verhoogt en dus ook een disciplinerend effect heeft op
burgers die zich binnen de grenzen van de normaliteit bevinden. De fun-
damentele vraag is echter of de overheid, zeker in een pluriforme samenle-
ving, wel het monopolie op het bepalen van de normaliteit zou moeten of
zou kunnen hebben.
   Ongeacht het antwoord op die vraag volgt uit het voorgaande dat een
overheid die ‘loslaten’ en ‘terugtreden’ serieus neemt, niet anders kan dan
dit monopolie en de instrumentele opvatting van ‘eigen verantwoordelijk-
heid’ loslaten. Overdracht van verantwoordelijkheid impliceert immers
ook een overdracht van zeggenschap.
2.5 Tussenstap
We hebben in dit hoofdstuk gezien dat de wijze waarop publieke voorzie-
ningen worden georganiseerd niet in beton gegoten is. De hedendaagse
verzorgingsstaat is historisch gezien allesbehalve vanzelfsprekend. Slechts
vanaf de tweede helft van de twintigste eeuw – en vooral na de ontzuiling –
heeft de overheid een dominante rol gekregen in de regulering, de organi-
satie en de financiering van publieke voorzieningen. De gedachte dat het
   26 Terugtreden is vooruitzien
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>maatschappelijk initiatief een grote rol heeft in de organisatie van publieke
voorzieningen is historisch gezien dus niet nieuw.
    Dat dit maatschappelijke initiatief weer in de schijnwerpers staat, heeft
alles te maken met de normatieve, praktische en financiële grenzen van de
huidige verzorgingsstaat. Solidariteit staat onder druk door abstracte en
eenduidige voorzieningen. Beheersbaarheid staat onder druk door bureau-
cratisering. En de financiële houdbaarheid staat onder druk door overcon-
sumptie en overaanbod. Bovendien loopt de weg van marktwerking en
privatisering tegen beperkingen aan.
    De Raad constateert echter dat het ruimte geven aan maatschappelijk
initiatief in de organisatie van publieke voorzieningen slechts zeer aarze-
lend tot stand komt. Enerzijds wordt de noodzaak van een terugtredende
overheid breed gedeeld door de kritiek op de vastgelopen verzorgingsstaat.
Anderzijds schuilt er ongemak in het loslaten van zeggenschap. Veel beleid
lijkt actief burgerschap vooral te willen zien als beleidsinstrument. Volgens
de Raad kan het één – terugtreden – niet zonder het ander – overdracht
van zeggenschap. De daad van zeggenschap moet bij het woord van de
terugtred worden gevoegd. In het vervolg van dit advies wordt geanalyseerd
waarom loslaten zo lastig is en wat er nodig is om meer ruimte te geven aan
maatschappelijk initiatief.
                                   De wens: het verlangen naar terugtreden 27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>3
Het probleem:
waarom loslaten lastig is
3.1 Inleiding
In het vorige hoofdstuk hebben we gezien dat de huidige verzorgingsstaat
tegen grenzen van normativiteit, bestuurbaarheid en financierbaarheid
aanloopt. Daarom kijkt de overheid nu naar de rol die verantwoordelijke
burgers kunnen spelen. De praktijk laat echter een worsteling van de over-
heid zien met het idee van ‘eigen verantwoordelijkheid’.
   In dit hoofdstuk analyseert de Raad waarom het zo moeilijk is voor de
overheid om de organisatie van publieke voorzieningen meer over te laten
aan maatschappelijke initiatieven. We werken in dit hoofdstuk daartoe
drie verklaringen uit, zonder de pretentie volledig te zijn. De Raad zoekt
deze verklaringen bij drie ‘oerkrachten’: 1. de verstikkende omarming van
samenleving en verzorgingsstaat, 2. het ongemak van variëteit en verschil,
en 3. bestuurscentrisme en het geloof in centrale planning.
3.2 De verstikkende omarming van samenleving en verzorgingsstaat
Een eerste reden voor het ‘ongemak van het loslaten’ vloeit voort uit de
specifieke dynamiek tussen samenleving en verzorgingsstaat, die als een
verstikkende omarming is: de verzorgingsstaat spreekt de burger aan als
individuele rechthebbende, en de burger spreekt de verzorgingsstaat aan
om ‘waar voor zijn belastinggeld’ te leveren. Solidariteit kent de vorm van
belastingheffing, en burgers besteden de realisatie van hun particuliere
belangen uit aan de overheid. Hierdoor ontstaat een permanente neiging
tot uitdijing van de verzorgingsstaat en tot overconsumptie van publieke
goederen.
   28 Terugtreden is vooruitzien
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>    Deze dynamiek werd al door de politiek filosoof De Tocqueville voorzien
 in de negentiende eeuw (1835/1840). Recentelijk is deze door Kruiter (2010)
 voor de Nederlandse situatie uitgewerkt, en ook in zijn recente advies over
 solidariteit bestudeert de RMO (2013) de achtergronden van deze dynamiek
 nader. Aanvankelijk hoopten velen in de negentiende eeuw dat de demo-
cratie hen zou bevrijden van het juk van een despoot. De Tocqueville zag
echter in dat de democratie ook een despotische tendens kende waarbij
meerderheden de staatsmacht gebruikten om hun particuliere belangen
te verwezenlijken. Het juk van de oude despoot werd als het ware vervan-
gen door het juk van een nieuwe despoot: de meerderheid. Daarin schuilt
ook nog eens het voortdurende gevaar dat het onderscheid tussen staat en
samenleving – tussen politieke en publieke sfeer – vervaagt ten faveure van
de staat.
    In veel staatsvormen is dit besef zeer pregnant aanwezig en komen
staatsmacht en bevolking met enige regelmaat tegenover elkaar te staan.
Met name aristocratieën of dictaturen leven in een voortdurend latent
antagonisme ten opzichte van de samenleving. Een belangrijke remedie
hiertegen – naast gewapend verzet – is de introductie van de rechtsstaat,
die beoogt om de staatsmacht op te breken en een stelsel van checks-
and-­balances te organiseren. In een democratisch staatsbestel komt het
gevaar echter ook uit een andere hoek. Hier is namelijk het latente antago-
nisme tussen staat en samenleving veel minder sterk aanwezig. Doordat
maatschappelijke belangen en wensen toegang vinden tot de politieke
arena, kennen veel democratische staatsinrichtingen een neiging tot
­interventionisme. Zeker in Nederland luidde de opkomst van de democrati-
 sche staat ook de opkomst van de interventiestaat in (Van Doorn 2009: 437).
    Zodra burgers niet langer in onderlinge samenwerking publieke waar-
 den realiseren, maar dat proberen uit te besteden aan de overheid, treedt
 een proces van verstatelijking en bureaucratisering in werking. Burgers
 worden hierdoor van dragers van publieke waarden tot individualistische
 ‘rechthebbenden’: ze kunnen aanspraak maken op bepaalde diensten en
 inspanningen van de overheid. Juist doordat de overheid burgers aan-
 spreekt als individuele rechthebbenden, versterkt zij dit individualisme en
 ontmoedigt zij maatschappelijk initiatief. Kruiter (2010) spreekt in dit ver-
 band van een ‘noodlottige omhelzing’ tussen overheid en samenleving.
    De hedendaagse verzorgingsstaat kan worden gezien als het resul-
 taat van deze omhelzing. De organisatie van publieke voorzieningen
                                    Het probleem: waarom loslaten lastig is 29
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>is uitbesteed aan de overheid; burgers gedragen zich als ­consumenten
en v­ erwachten dat de overheid aan hun belangen tegemoetkomt.
Overconsumptie van publieke voorzieningen ligt voortdurend op de loer.
Het zorgstelsel vormt een archetypisch voorbeeld van deze dynamiek.
Burgers zijn verplicht zich te verzekeren tegen zorgkosten. In ruil daar-
voor bewaakt de overheid de gelijke mate van toegang tot goede zorg voor
iedere burger – met andere woorden: geen kwaliteitsdifferentiatie en geen
voorkeursbehandeling. Het logische gedrag van burgers is hierdoor echter
individualistisch: zij willen value for money. Een ander voorbeeld is dat van
het oneigenlijk gebruik van het persoonsgebonden budget: er is een hele
industrie ontstaan rond het aanvragen van financiële vergoeding voor man-
telzorg, die voorheen als ‘normale’ hulp binnen het gezins- en familieleven
werd gezien. Familierelaties raakten daardoor ‘gemonetariseerd’.
   De tragiek is dat deze verstikkende omarming van democratie en bureau-
cratie voortkomt uit goede bedoelingen. Er is sprake van een ‘mild despotis-
me’ (Kruiter 2010), dat niet wil onderdrukken, maar juist goed wil doen. Het
resultaat is evenwel dat de herinnering aan het collectieve probleem, waar-
voor gemeenschappelijk handelen wordt gevraagd, steeds verder vervaagt,
terwijl de ervaring van gedeelde belangen en problemen door burgers – een
‘democratische ervaring’ – juist essentieel is voor het ontstaan van gemeen-
schappelijk handelen (vgl. Dewey 1927). In die zin zijn maatschappelijke
initiatieven en vormen van zelforganisatie dus ook steeds ‘experimenten in
democratie’.
   Om ten minste twee redenen is de hier geschetste dynamiek tussen
samenleving en verzorgingsstaat problematisch. Ten eerste wordt de over-
heid in veel gevallen probleemeigenaar. Collectieve vraagstukken worden
niet in de samenleving zelf opgelost, maar krijgen een plaats aan beleids-
tafels en in politieke ambities. Deze uitgebreide ‘definitiemacht’ (Peeters
2013a) van de overheid heeft de neiging om tot eenvormigheid van publieke
voorzieningen te leiden: de overheid bepaalt immers de aard van het onder-
liggende maatschappelijke probleem en stelt de voorwaarden op waaraan de
oplossing dient te voldoen. De verzorgingsstaat belemmert daarmee maat-
schappelijke zeggenschap over de organisatie van publieke voorzieningen.
   Ten tweede leidt de hierboven beschreven dynamiek tussen samen­leving
en verzorgingsstaat tot bureaucratisering en financiële overbelasting van de
overheid. Publieke voorzieningen bestaan vaak bij de gratie van collectieve
financiering uit belastinggeld. De overheid wordt vervolgens aangesproken
   30 Terugtreden is vooruitzien
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>op de behoorlijke besteding van die middelen. Dit c­ onfronteert de overheid
enerzijds met de onmogelijke opgave om iedere burger naar tevredenheid
zorg en zekerheid te bieden: in een collectief probleem kunnen immers
nooit ieders individuele belangen volledig gediend worden. Zo blijkt ook
onbehagen over maatschappelijke problemen vaak veel meer divers en
tegenstrijdiger te zijn dan aan de oppervlakte meestal lijkt (RMO 2013a).
Anderzijds geeft dit de overheid een enorme zeggenschap over de besteding
van belastinggeld: ‘wie betaalt, bepaalt’. En daarmee wordt de voornoemde
definitiemacht van de verzorgingsstaat weer versterkt.
    Veel prikkels voor bureaucratisering en verstatelijking komen dus niet
alleen voort uit een ‘gulzig bestuur’ (Trommel 2009), maar ook uit een
‘opwaartse druk’ van de samenleving. Dit roept de vraag op in hoeverre
burgers zitten te wachten op meer ruimte voor maatschappelijk initiatief
als dat betekent dat ze zich tegenover de overheid minder als rechthebbende
kunnen opstellen. Vanzelfsprekend is dat niet. Wat als ouderen, zieken en
gehandicapten in eerste instantie zelf hun zorg moeten organiseren en de
overheid pas met financiering voor professionele zorg over de brug komt
wanneer zelforganisatie van zorg onmogelijk blijkt? Of als maatschap­
pelijke organisaties zoals zorgverzekeraars en onderwijsinstellingen
ook zelf financieel risicodragend moeten zijn in plaats van te kunnen
­vertrouwen op een overheidsvangnet? Burgers reageren kritisch wanneer
 de overheid daadwerkelijk een beroep op hun eigen inzet doet. Bovendien
 vrezen veel burgers dat de zwakkeren de dupe worden van een terugtreden-
 de overheid, dat degenen met de grootste mond hun belangen doorzetten
 en dat dit de sociale cohesie bedreigt (Dekker en De Ridder 2011).
    Met andere woorden: op de achtergrond speelt steeds een kwestie die
 de politiek filosoof Benjamin Constant al aan de orde stelde toen hij in de
 negentiende eeuw de vrijheidsopvatting van de moderne mens kenschetste
 (Constant 1819). Waar het hoogtepunt van vrijheid in de klassieke oud-
 heid actieve deelname aan het publieke leven was, daar staat de moderne
 vrijheidsopvatting in het teken van het maatschappelijke leven – carrière,
 gezin. Dat laatste is ook een logisch gevolg van het feit dat tegenwoordig
 vrijwel iedereen moet werken voor zijn geld, terwijl de klassieken slaven
 gebruikten om in hun levensonderhoud te voorzien. Maatschappelijk ini-
 tiatief kost tijd. Heel concreet: kunnen we van twee werkende ouders ver-
 wachten dat ze zich actief bemoeien met de inrichting van het onderwijs op
 de school van hun dochter? Of zullen deze ouders toch een beroep doen op
                                      Het probleem: waarom loslaten lastig is 31
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>de overheid om zorg te dragen voor goed onderwijs en nemen ze daarbij een
vorm van ‘mild despotisme’ voor lief?
   Daarnaast: maatschappelijk initiatief kost geld. In de huidige verzor-
gingsstaat zijn publieke voorzieningen ook in financiële zin aan de over-
heid uitbesteed. De overheid int belasting en verdeelt deze middelen vervol-
gens over de gewenste voorzieningen. In die zin is het niet verwonderlijk
dat burgers waar voor hun geld willen van de overheid en naar de overheid
kijken voor de financiering van hun initiatieven. Als de retoriek over de
terugtredende overheid alleen een middel is om bezuinigingen te verhul-
len, zal dit niet onmiddellijk leiden tot een overdaad aan maatschappelijk
initiatief. Zo bepleitte onlangs ook de Raad van State (2013: 16) dat tegen-
over verminderde aanspraken op collectieve voorzieningen uiteindelijk
ook lastenverlichting gesteld zal moeten worden. Meer maatschappelijk
initiatief is alleen realistisch als de financieringsverhouding tussen over-
heid en samenleving verandert en dit ook fiscaal gefaciliteerd wordt. De
verhouding tussen collectieve en particuliere uitgaven zal anders moeten
worden. Concreet: verlichting van de belastingdruk moet ten eerste finan-
ciële ruimte scheppen om initiatieven te ontplooien en ten tweede meer
autonomie creëren om financiële middelen naar eigen inzicht in te zetten.
Omgekeerd zullen uiteraard de aanspraken op overheidsfinanciering klei-
ner moeten worden. Maatschappelijk initiatief dient in eerste instantie ook
maatschappelijk en dus particulier gefinancierd te worden.
3.3 Het ongemak van variëteit en verschil
Een tweede ‘oerkracht’ ligt in de problematische verhouding van politiek en
samenleving tot maatschappelijke verschillen. Serieuze maatschappelijke
initiatieven zullen immers zelfstandig de wijze van organisatie, richting
en financiering willen bepalen (Meijs 2010). Maatschappelijke initiatieven
starten vaak vanuit een duidelijke missie van de oprichters. Zij hebben
een doel voor ogen en formuleren voor wie zij op aarde zijn en wie ze gaan
bedienen. Ze handelen vrijwel altijd particularistisch.
   Dit impliceert dat de initiatieven zich in veel gevallen richten op een
bepaalde minderheid in de samenleving. Dat kan een geografische min-
derheid zijn (alle bewoners van wijk ‘x’) of een afgebakende groep op basis
van leeftijd, religie, levensovertuiging, sekse, problematiek enzovoort.
   32 Terugtreden is vooruitzien
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>Denk daarbij aan de toelating van andersgelovigen tot bijzonder onder-
wijs, aan gescheiden naschoolse opvang voor jongens en meisjes of aan het
­religieuze karakter van een zorginstelling.
    Wanneer een bepaalde minderheid door een maatschappelijk initia-
 tief wordt bediend, betekent dit dat er mensen worden uitgesloten. Het
 selectieve karakter van maatschappelijke initiatieven zorgt ervoor dat
 niet iedereen vooraf de garantie heeft in gelijke mate bediend te worden.
 Ruimte voor maatschappelijk initiatief impliceert dus zowel ‘insluiting’ als
 ‘uitsluiting’. Waar de overheid de verplichting heeft om (zo veel mogelijk)
 neutraal tegenover verschillen in sekse, geloof en dergelijke te staan, daar
 zijn maatschappelijke initiatieven vrijwel nooit neutraal. Ze komen meest-
 al voort uit de behoefte aan het maken van verschil, aan het uitdrukken van
 bepaalde particuliere waarden en aan vormen van zingeving – zowel voor
 de initiatiefnemers als voor hun achterban (vgl. RMO 2006).
    Waar de verzorgingsstaat zo inclusief mogelijk probeert te zijn, daar
 wordt maatschappelijk initiatief dus vaak gekenmerkt door een zekere
 mate van exclusiviteit. Dit kan om verschillende redenen een ongemak­
 kelijk gegeven zijn voor samenleving en overheid:
 – Particulier initiatief raakt aan het principe van gelijke kansen en gelijke
 toegang. Wat als de betere scholen of de betere zorginstellingen ook hogere
 prijzen vragen en daardoor onbetaalbaar worden voor grote delen van de
 bevolking? Reikt de taak van de verzorgingsstaat niet verder dan het bieden
 van een sociaal vangnet of strekt deze zich ook uit tot het garanderen van
 gelijkheid in de aard van publieke voorzieningen?
 – Particulier initiatief raakt aan de vraag hoeveel verschil en welk verschil
 we willen accepteren. Wat als bewoners in een probleemwijk naschoolse
 opvang en bijscholing willen organiseren voor hun kinderen, maar als
 voorwaarde stellen dat jongens en meisjes gescheiden les krijgen? En dat
 Koranles ook een onderdeel van de bijscholing is? Ontvangt dit initiatief
 dan financiering van de overheid of beoordelen we dit als een initiatief dat
 ongewenste segregatie in stand houdt?
 – Particulier initiatief raakt aan de vraag naar de kwaliteit van publieke
 voorzieningen. Wat als burgers een nieuw kinderopvangconcept ontwik-
 kelen dat rust op een vrijwillige actieve rol van ouders? Wat als in plaats
 van professionals goedbedoelende amateurs zonder specifieke opleiding
 aan het roer staan? Tot hoever reikt dan de zorgplicht van de overheid voor
 de kwaliteit van de kinderopvang? Of is dit ook iets wat ouders onderling
 kunnen bewaken?
                                    Het probleem: waarom loslaten lastig is 33
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>– Particulier initiatief roept de vraag op in welke mate en in welke ge-
vallen de overheid financieel bij moet springen. Dienen particuliere ini-
tiatieven ook particulier gefinancierd te worden of kunnen ze alleen tot
stand komen als er ook overheidssteun tegenover staat? Hier ligt een al te
gemakkelijke aanspraak op overheidsfinanciering op de loer, terwijl een
belangrijk doel dat de overheid beoogt met meer particulier initiatief juist
kostenbeheersing is. Bovendien speelt ook hier de vraag naar de hoeveel-
heid verschil die de overheid wil accepteren. Op basis van welke argumen-
ten wordt subsidie toegekend? Waarom het ene initiatief wel en het andere
niet? En welke mate van zeggenschap kan er verbonden worden aan subsi-
diëring, zonder het maatschappelijk initiatief daarmee van zijn zingeving
te ontdoen?
3.4 Bestuurscentrisme en het geloof in geplande orde
Een derde reden waarom loslaten lastig is vloeit voort uit opvattingen over
de maakbaarheid van de samenleving, die overigens niet alleen onder
politici en ambtenaren, maar ook onder burgers wijdverbreid zijn. Aan het
maakbaarheidsdenken liggen ten minste twee diepgewortelde overtuigin-
gen ten grondslag. Beide leiden tot een sterk bestuurscentrisme.
    De eerste overtuiging is dat ordening alleen via centrale coördinatie
en planning tot stand kan komen. Resnick spreekt in dit verband van een
‘centralized mindset’: ‘The centralized mindset is deeply entrenched. When people
see patterns and structures, they instinctively assume centralized causes or cen­
tralized control’ (Resnick 1997: 130). En ook Polanyi sprak al van een men-
selijk instinct om te denken dat orde enkel uit ontwerp kan voortkomen:
‘Wherever we see a well ordered arrangement of things or men, we instinctively
assume that someone has intentionally placed them in that way. A well kept garden
must have been laid out; a machine working properly must have been construc­
ted; a company on parade must have been drilled and placed under command […]’
(Polanyi 1948: 238).
    Een tweede overtuiging die ten grondslag ligt aan bestuurscentrisme
is dat een legitieme toedeling van publieke waarden enkel kan voort-
vloeien uit politieke wilsvorming. Het primaat van de politiek staat niet
alleen onder druk van een veronderstelde vierde macht, maar ook van de
groeiende macht van de private sector, de bancaire sector, de EU en de G20.
    34 Terugtreden is vooruitzien
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>Nationale overheden zijn op zoek naar nieuwe domeinen van zeggenschap.
Bovendien zijn politici in tijden waarin legitimiteit steeds minder van-
zelfsprekend voortvloeit uit een formele positie (Jansen et al. 2012) voort­
durend bezig hun persoonlijk gezag te bevechten.
    Ons punt is hier echter fundamenteler dan een discussie over persoon-
lijk gezag. Aan de zoektocht naar het primaat van de politiek ligt namelijk
een tamelijk eenzijdige interpretatie van democratie ten grondslag. Zoals
Rosanvallon (2008) laat zien, draait democratie altijd ook om de organisatie
van wantrouwen tegen samenballing van macht. Dat heeft zijn uitdruk-
king gekregen in juridische checks-and-balances, maar betekent ook dat
er niet zoiets kan bestaan als een monopolie op de representatie van de
volkswil. Sterker nog, de volkswil of het onbehagen bestaat niet als we een
democratie opvatten als een staatsinrichting die recht wil doen aan ver-
schillende overtuigingen en levensopvattingen (RMO 2013a). De organisatie
van tegenkrachten is van groot belang, zoals de RMO eerder naar aanleiding
van de kredietcrisis adviseerde. (RMO 2012b).
    In het gangbare discours wordt gesteld dat de jaren zeventig het hoog-
tepunt van het maakbaarheidsgeloof waren. Inmiddels zouden we sadder
and wiser zijn. Analyses over de onkenbaarheid van de samenleving (bv. Van
Gunsteren en Van Ruyven 1993), over de onbedoelde gevolgen van beleid
(bv. Ankersmit 1996; Frissen 1999), over de weerbarstigheid van de samen-
leving (bv. Scott 1998) en over de grenzen aan de bestuurbaarheid van een
laat-moderne netwerksamenleving (bv. Castells 1996; Giddens 1998; Rose
1999; Hajer en Wagenaar 2003) zouden politiek, beleidsmakers en professi-
onals tot de overtuiging hebben gebracht dat zij een zekere bescheidenheid
dienen te betrachten bij overheidsinterventies in maatschappelijke proces-
sen. Men heeft afstand genomen van het klassieke besturen en de omslag
naar ‘governance’ gemaakt (bv. Rhodes 1996), die is gebaseerd op ‘the recog­
nition of the limits of government and governmental steering and the shift towards
central government’s reliance upon other actors, sectors, and levels of government’
(Bekkers et al. 2007:3).
    Echter, op tal van terreinen blijkt allerminst sprake te zijn van een
bescheiden bestuur. Sterker nog, via een omweg lijkt het geloof in
­maakbaarheid volledig teruggekeerd (Frissen 2009; Trommel 2009). In
 domeinen waar sprake is van een omslag naar governance impliceert dat
 niet onmiddellijk ook een terughoudende rol van de overheid (Pierson
 2004; Bell en Hindmoor 2009; Davies 2011; Peeters 2013b). Maakbaarheid
                                     Het probleem: waarom loslaten lastig is 35
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>anno 2013 komt niet via langetermijnblauwdrukken, maar via governance
tot stand. Via governance kunnen maatschappelijke partijen worden
ingekapseld in beleidsambities: ‘Governance [...] marks the space of a liberal
game of assimilation. Where many political discourses seek to articulate a field
of a­ ntagonistic forces as agents of political transformation, governance seeks
to implicate them as “partners” in a game of collective self-management and
­modulated social adjustment’ (Walters 2004:35).
     De reflex om juist in tijden van snelle maatschappelijke verandering te
 zoeken naar centrale leiding en aansturing is begrijpelijk, maar werkt uit-
eindelijk averechts (bv. Van Gunsteren 1976). Centrale sturing vereist analy-
se, overzicht en coördinatie, terwijl de hedendaagse samenleving juist door
onoverzichtelijkheid, onbegrensdheid en fragmentatie wordt gekenmerkt
(bv. Bauman 2000). Dit betekent niet dat we zonder enige vorm van sturing
kunnen, maar wel dat sturing adaptief moet kunnen zijn en ruimte moet
kunnen bieden aan nieuwe maatschappelijke ontwikkelingen en initiatie-
ven. Een samenleving kan stabiel blijven gedurende verandering, omdat zij
kan leren, zich kan aanpassen en kan improviseren (Van Gunsteren 2006;
Boutellier 2011). Daarbij gaat het niet om ontwerp, organisatie en planning,
maar om spontane ordeningsprocessen.
     Een variant van dit type processen doet tegenwoordig opgeld onder de
noemer ‘veerkracht’: het vermogen van de samenleving om zich aan te
passen aan veranderende omstandigheden met behoud van kernwaarden
(Van Gunsteren 2003; Boin en Van Eeten 2013). Waar planmatige ordening
robuust maar log is, daar is spontane ordening juist onvoorspelbaar maar
flexibel. Het is volgens de Raad waardevol om in het licht van de kritiek op
de huidige verzorgingsstaat deze alternatieve ordeningsstrategie te verken-
nen. Niet de overbelaste verzorgingsstaat, maar een gevarieerd stelsel van
publieke voorzieningen uit maatschappelijk initiatief. In hoofdstuk 5 ver-
kent de Raad wat dit concreet zou kunnen betekenen voor strategieën van
terugtreden en loslaten.
     Democratie kan worden opgevat als een intelligente vorm van zelfor-
ganisatie die meervoudige uitingen van maatschappelijke wilsvorming
kent (multiple representaties) (Van Gunsteren 2006). Deze kunnen vorm
krijgen op institutioneel niveau, waar verschillende representatieve
machten – parlement, provinciale staten, gemeenteraden, maar ook de
Nationale Ombudsman – elkaar beconcurreren in verschillende concepties
van het algemeen belang. Dat dient echter ook altijd vorm te krijgen in
     36 Terugtreden is vooruitzien
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>­ aatschappelijke manifestaties van meningsvorming, zoals via demon-
m
stratie, publieke opinie, vakbonden, vrije pers, belangenorganisaties en het
maatschappelijk middenveld. Stuk voor stuk betreft dit organisaties die
uiting geven aan de variëteit van een democratische samenleving.
    Het streven naar democratische legitimiteit moet dus niet worden ver-
ward met het primaat van de representatieve politiek of van de verzorgings-
staat. In een pluriforme samenleving zoals Nederland die is en ook altijd is
geweest (vgl. De Rooij 2002) kan een legitieme toedeling van publieke waar-
den ook voortvloeien uit maatschappelijke initiatieven die de belangen en
waarden van een bepaalde groep of achterban tot uitdrukking brengen.
Democratische legitimiteit betekent in dat geval de mogelijkheid die bur-
gers hebben om zelf hun waarden te verwerkelijken in maatschappelijke
organisaties en voorzieningen – uiteraard binnen de grenzen van de wet.
3.5 Tussenstap
In dit hoofdstuk hebben we geanalyseerd waarom loslaten voor de overheid
zo lastig is. Dit hebben we gedaan aan de hand van drie ‘oerkrachten’ die
de overheid belemmeren om de organisatie van publieke voorzieningen
meer over te laten aan maatschappelijke initiatieven. De dynamiek tus-
sen democratische samenleving en verzorgingsstaat kan maatschappelijk
initiatief verstikken en leiden tot overconsumptie van publieke goederen.
De variëteit van maatschappelijke initiatieven kan voor politiek onge-
mak zorgen. De voorkeur voor en het geloof in centrale ordening werken
tenslotte bestuurscentrisme in de hand. Maar vergeten wordt dat voor de
democratische legitimiteit van publieke voorzieningen niet per se een
toedeling via representatieve politiek en verzorgingsstaat noodzakelijk
is. Ook maatschappelijke initiatieven die de belangen en waarden van een
bepaalde groep representeren, zijn (binnen de grenzen van de rechtsstaat)
democratisch gelegitimeerd.
    Als het verlangen naar terugtreden van de overheid meer wil zijn dan
retoriek of een verkapte bezuinigingsmaatregel, zal er meer zeggenschap
over maatschappelijk initiatief moeten komen. Zowel in normatieve als
in financiële zin zullen burgers meer ruimte moeten hebben om publieke
voorzieningen naar eigen inzicht vorm te geven en op eigen voorwaarden
– en op eigen risico – te financieren. Dit vereist evenwel een fundamenteel
                                    Het probleem: waarom loslaten lastig is 37
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>andere manier van denken over de positie van de verzorgingsstaat. In het
volgende hoofdstuk zal de Raad hier dan ook nader op ingaan.
   38 Terugtreden is vooruitzien
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>4
De uitdaging: ontsnappen
aan de gelijkheidsfuik
4.1 Inleiding
In het vorige hoofdstuk is geanalyseerd welke ‘oerkrachten’ het voor de
overheid lastig maken om terug te treden. In dit hoofdstuk bespreekt de
Raad hoe deze oerkrachten kunnen worden beteugeld door de zorgplicht
van de verzorgingsstaat te begrenzen. Deze beperkt momenteel de norma-
tieve en financiële ruimte voor maatschappelijk initiatief. De Raad pleit,
als het gaat om de verzorgingsstaat, voor een interpretatie van rechtsgelijk-
heid en rechtszekerheid die meer ruimte laat voor verschil en een meer
terughoudende toepassing van deze principes. Het sociale vangnet van de
verzorgingsstaat is verworden tot een ‘gelijkheidsfuik’. In dit hoofdstuk
bespreken we achtereenvolgens hoe deze gelijkheidsfuik tot stand komt,
wat het mechanisme achter deze fuik is en welke kwesties spelen als dit
mechanisme wordt doorbroken.
4.2 De verstatelijking van zorg en zekerheid
De huidige verzorgingsstaat is de verwerkelijking van een aantal sociale
waarden die sinds de tweede helft van de negentiende eeuw onderdeel zijn
geworden van het denken over de rol en taak van de overheid. Specifieke
politieke keuzes over de aard, vorm en omvang van verzorgingsstaatarran-
gementen zijn in belangrijke mate bepalend geweest voor de hedendaagse
situatie. Daarbij valt met name op dat in de loop der jaren de verzorgings-
staat steeds meer in termen van rechtszekerheid en rechtsgelijkheid is
geïnterpreteerd – waarden die voortkomen uit de klassieke rechtsstaat,
                           De uitdaging: ontsnappen aan de gelijkheidsfuik 39
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre> maar niet zo vanzelfsprekend toepasbaar zijn op de verzorgingsstaat als
 wel eens wordt gedacht.
    De rechtsstaat vormt enerzijds een binding van staatsmacht aan de wet
 en anderzijds een legitimatie voor overheidshandelen als dat berust op een
 wettelijke grondslag (Gribnau 2009). Sociale wetgeving en de latere sociale
 grondrechten vormen een inhoudelijke instructie en opdracht voor de
 overheid om bepaalde handelingen te verrichten en voor bepaalde taken
 zorg te dragen (bv. Burkens et al. 1997). De verzorgingsstaat heeft dus ook
 per definitie een rechtsstatelijke kant: is het handelen van de overheid
­gelegitimeerd?
    Hoe verschillend deze vraag in de loop der jaren is beantwoord laat Van
 der Zwaard (2013) in haar onderzoek voor dit rapport zien aan de hand van
 drie bepalende momenten in de wording van de Nederlandse verzorgings-
 staat: de Armenwet van 1854, de Ongevallenwet van 1901 en het Van Rhijn-
 rapport uit 1945. De oorspronkelijke staatsbemoeienis voor gevallen van
 ‘volstrekte onvermijdelijkheid’ veranderde in de vanzelfsprekendheid van
 de verzorgingsstaat.
    In de periode tussen de Grondwet van 1815 en die van 1848 werden de
 eerste overheidsverplichtingen inzake armenzorg geformuleerd, maar die
 konden op weinig enthousiasme van de tot dan toe dominante religieuze
 caritas rekenen. De protestantse notie van soevereiniteit in eigen kring en
 de katholieke subsidiariteitgedachte vormden de belangrijkste argumenten
 om de staat op afstand te houden. De overtuiging dat zorg voortkomt uit
 liefdadigheid verhoudt zich immers slecht tot de idee dat zorg volgt uit een
 kille wettelijke verplichting, die bovendien door belastinggeld wordt gefi-
 nancierd.
    De Grondwet van 1848 verplichtte de overheid echter de armenzorg
 bij wet te regelen. Dat gebeurt in de vorm van de Armenwet uit 1854, die
 bepaalt dat armenzorg van staatswege alleen op die plekken wordt toege-
 staan waar private en kerkelijke zorg uitblijft. Ingevolge artikel 21 van de
 wet is de staat enkel in geval van ‘volstrekte onvermijdelijkheid’ gerechtigd
 om in te grijpen. Toch is hiermee een eerste stap in de verstatelijking van
 de zorg gezet. Vanaf 1848 is de armenzorg immers een rechtsstatelijk vraag-
 stuk geworden: de politiek dient expliciet te formuleren of en in hoeverre
 dit een overheidstaak is. De Grondwet verplicht tot het reguleren van de
 verhouding tussen overheid en particulier initiatief.
    40 Terugtreden is vooruitzien
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>Een tweede belangrijk moment is de totstandkoming van de Ongeval-
lenwet van 1901, die de staatsbemoeienis met arbeidsrisico’s regelt. Deze
wet geldt als de eerste sociale verzekeringswet van Nederland. In de
tweede helft van de negentiende eeuw groeit de Nederlandse arbeiders-
klasse en, als gevolg van werkloosheid en arbeidsongeschiktheid, ook het
aantal armen. Bestaande instellingen van liefdadigheid kunnen de grote
toestroom nauwelijks verwerken. Langzaam groeide het bewustzijn dat
armoede een breder maatschappelijk probleem was (vgl. De Swaan 1988).
   Dit bewustzijn van de aard en omvang van het probleem rechtvaardigde
uiteindelijk ook voor katholieke en protestantse partijen de wettelijke ver-
plichting voor werkgevers tot het invoeren van een ongevallenverzekering
voor hun werknemers. Daarbij mocht echter de organisatie en inrichting
van die verplichting nadrukkelijk geen staatstaak zijn. De daadwerkelijke
vormgeving van de verzekering zou het resultaat van onderhandeling tus-
sen werkgevers- en werknemersorganisaties per branche moeten zijn.
   Een derde cruciaal moment in de wording van de Nederlandse verzor-
gingsstaat is het Van Rhijn-rapport Sociale Zekerheid uit 1945. Dit rapport
schetst de contouren van een algemeen stelsel van sociale zekerheid. Tegen
die tijd werd van staatswege gegarandeerde bestaanszekerheid gezien als de
beste remedie tegen maatschappelijke onrust, zoals die in de jaren voor de
Tweede Wereldoorlog in Europa was ontstaan. Zoals het in een belangrijke
inspiratiebron voor het Van Rhijn-rapport – de Britse nota Full Employment
in a Free Society uit 1944 van William Beveridge – wordt verwoord: ‘misery
generates hate’.
   In de plaats van particuliere verzekeringen en regelingen komt een door
de staat te waarborgen recht op sociale zekerheid. Om dat voor iedereen
te kunnen garanderen, dienen alle inkomens onderdeel te zijn van her-
verdelingspolitiek. Voor ‘charitatieve willekeur’ is in dat perspectief geen
plaats meer (Schuyt en Taverne 2000: 288). Rechtsgelijkheid en rechtszeker-
heid zijn twee belangrijke pijlers van sociale zekerheid. De uitvoering en
organisatie van verzekeringen dient dus niet particulier, maar collectief
te zijn. Op tal van terreinen krijgt dit principe van ‘sociale zekerheid als
recht’ in later jaren ook vorm, zoals in de Algemene Ouderdomswet van
1956, de Algemene Bijstandswet van 1963 en de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten van 1967. Het principe vindt zijn voltooiing met de codificatie
van sociale grondrechten in 1983.
                             De uitdaging: ontsnappen aan de gelijkheidsfuik 41
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>Deze ontwikkeling overziende valt met name het toenemende rechtsstate-
lijke karakter van sociale zekerheid op. Parallel aan die ontwikkeling zien
we dat de particulariteit in de organisatie van zorg wordt teruggedrongen.
In 1854 wordt de eerste schoorvoetende stap gezet: de overheid dient zorg te
dragen voor een vangnet als particulier initiatief achterwege blijft. In 1901
wordt het particulier initiatief onder een wettelijke verplichting geschaard:
de samenleving dient ervoor te zorgen dat er een bepaalde verzekering
wordt georganiseerd. Particuliere initiatieven zijn vervolgens vrij om de
vorm te bepalen waarin dat gebeurt. In 1945 wordt de stap van ‘zorgen dat’
naar ‘zorgen voor’ gezet: sociale zekerheid wordt een recht, dat iedere bur-
ger in gelijke mate moet kunnen afdwingen. De overheid neemt nu ook de
organisatie van sociale zekerheid ter hand.
    Met name de laatste stap is cruciaal. Vanaf dat moment worden namelijk
rechtsstatelijke principes van rechtszekerheid en rechtsgelijkheid toege-
past op de sociale zekerheid. In de context van de rechtsstaat dienen deze
principes om de macht van de overheid te kanaliseren en in te perken: iede-
re burger is gelijk voor de wet en overheidsinterventies dienen te rusten op
een expliciete wettelijke bevoegdheid. In de context van de verzorgings-
staat leiden deze principes echter tot een permanente neiging om de ver-
plichting van staatswege (‘zorgen dat’) uit te breiden tot de organisatie van
staatswege (‘zorgen voor’). Willekeur dient immers te worden tegen­gegaan
in de rechtsstatelijke interpretatie van de verzorgingsstaat. Eenieder dient
verzekerd te zijn van een gelijke toedeling van de voorzieningen van de
verzorgingsstaat op basis van algemene rechtsregels.
    ‘Ongelijkheid’, ‘variëteit’ en ‘particulariteit’ worden hierdoor proble-
matische begrippen. Ook op terreinen waar de organisatie van publieke
voorzieningen voor een deel privaat is gebleven – zoals het onderwijs – zien
we een permanente neiging tot overheidsbemoeienis met de inhoud en
inrichting van die voorzieningen (Frissen et al. 2013). Vaak wordt de route
van de financiering (via subsidievoorwaarden) en daaropvolgende verant-
woording over de opbrengsten (via toezicht) gebruikt om het particuliere
initiatief in te kapselen. Wie betaalt, bepaalt.
    42 Terugtreden is vooruitzien
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>4.3 De gelijkheidsfuik doorbroken
De hedendaagse verzorgingsstaat concentreert zich rond de vraag naar
gelijkheid: de organisatie van publieke voorzieningen wordt langs de meet-
lat van rechtszekerheid en rechtsgelijkheid gelegd. Juist doordat de over-
heid voor de inrichting en financiering van veel publieke voorzieningen
verantwoordelijk is, zal zij door politiek en samenleving steeds worden
geconfronteerd met eisen van gelijke toedeling.
    Een voorbeeld dat dit illustreert is het huidige zorgstelsel. Daarin bepaalt
de overheid, op basis van adviezen van het College voor Zorgverzekeringen,
de aard van het basispakket van zorgverzekeraars. Dit basispakket is voor
iedereen gelijk. Bovendien hebben verzekeraars een acceptatieplicht.
Daarboven kunnen mensen zich aanvullend verzekeren. Dat gaat echter
over slechts een beperkte aanvulling op het basispakket, waardoor het
private initiatief van zorgverzekeraars en zorgaanbieders beperkt blijft.
Hoewel het formeel mogelijk is, kunnen zij in de praktijk dus nauwelijks
differentiëren in de hoogte van hun zorgpremie. Zowel differentiatie naar
inhoud als naar prijs wordt immers sterk begrensd.
    In dit stelsel zijn er twee belangrijke sturingsinstrumenten: de hoogte
van de premie (zorgverzekeraars bepalen weliswaar zelf de hoogte van de
premie, maar de overheid heeft hier indirect invloed op door de hoogte van
zorgtoeslagen en het eigen risico vast te stellen) en de aard van het basis-
pakket. Echter, variatie in de hoogte van de premie roept de vraag op of dit
niet leidt tot een ongelijke behandeling die onrechtvaardig is. En ook als
de overheid bepaalde zaken uit het basispakket wil halen, roept dit onmid-
dellijk de vraag op of hiermee bepaalde bevolkingsgroepen onevenredig
worden geraakt. Kortom: elke wezenlijke beslissing over de aard van het
zorgstelsel is in deze constellatie een vraag naar gelijke behandeling en
daarmee een politieke in plaats van een maatschappelijke kwestie.
    Een ander voorbeeld is het hoger onderwijs, waarin de overheid de
hoogte van collegegelden bepaalt. Dit bedrag is voor iedereen gelijk. Daarbij
komt dat iedereen met de vereiste kwalificatie toegang heeft tot het hoger
onderwijs. Alleen via numerus fixus kunnen opleidingen in het hoger
onderwijs de instroom van studenten reguleren en selectie toepassen.1
Echter, de financiering voor die opleidingen is voornamelijk afhankelijk
van het aantal studenten. Dit beperkt de praktische ruimte die o      ­ pleidingen
                              De uitdaging: ontsnappen aan de gelijkheidsfuik 43
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre> hebben om streng te selecteren of om zich op bepaalde marktniches te
 ­r ichten.
      Het hoger onderwijsstelsel wordt dus in belangrijke mate gestructureerd
  door twee principes: gelijkheid in collegegelden en gelijke toegangsmoge-
 lijkheden. Als gevolg daarvan wordt de differentiatieruimte voor onderwijs-
 instellingen sterk beperkt. Verhoging van collegegelden of differentiatie in
 collegegelden roept de vraag op wat dit betekent voor gelijke behandeling en
 gelijke toegang tot het hoger onderwijs. Net als in de zorg heeft de overheid
 dus de sleutel in handen voor de inrichting van het onderwijs doordat zij de
 inhoudelijke en financiële randvoorwaarden bepaalt.
      Deze korte schetsen van de inrichting van het zorgstelsel en het hoger
 onderwijs maken duidelijk dat de huidige conceptualisering van de verzor-
 gingsstaat is gevangen in een gelijkheidsfuik. De overheid heeft immers
 zeggenschap over de belangrijkste variabelen – financiering van, toegang
 tot en in zekere mate ook inhoud van de publieke voorziening. De overheid
 kan wel beleid voeren, bijvoorbeeld door het collegegeld te verhogen of door
 het basispakket in de zorg te verkleinen, maar dat beleid zal altijd langs de
 maatstaf van het gelijkheidsprincipe worden gelegd. In deze conceptie van
 de verzorgingsstaat zit de noodzaak tot sturing en regulering door de over-
 heid vrijwel ingebakken. Het gelijkheidsstreven produceert beheersings-
 drang.
      Hier komt nog bij dat de overheid vrijwel altijd te maken heeft met
 schaarse middelen. Deze schaarste zet het verdelingsvraagstuk onder druk.
 In een situatie zonder schaarste van middelen zou gelijkheid een minder
 groot probleem vormen: gelijkheid zou immers gepaard kunnen gaan met
 zeer hoge kwaliteit voor iedereen, ook al is in die situatie de ruimte voor
 maatschappelijk initiatief nog steeds zeer beperkt. Het punt is echter dat de
 solidariteit nog veel meer onder druk komt te staan als de kostenbeheersing
 van de verzorgingsstaat problematisch wordt (vgl. RMO 2013). Het gaat dan
 bij de inrichting van de verzorgingsstaat om de gelijke verdeling van armoe-
  de. Bij schaarse middelen leidt gelijkheid tot rantsoenering en verschraling.
      Volgens de Raad zou solidariteit moeten rusten op een besef van
  wederzijdse afhankelijkheden tussen de leden van een gemeenschap,
  waardoor men bereid is (financiële) offers te aanvaarden – ook als die niet
  onmiddellijk bijdragen aan het eigen belang (RMO 2013). In de huidige
­conceptualisering van de verzorgingsstaat is solidariteit echter een abstrac-
  tie geworden, die via belastingheffing is overgedragen aan de overheid.
      44 Terugtreden is vooruitzien
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>Daarmee is de verzorgingsstaat vooral een uiting van individualisme, niet
van solidariteit. Het toestaan van verschil, als uitdrukking van particulier
initiatief, zou echter juist de solidariteit kunnen versterken. De organisatie
van publieke voorzieningen vanuit maatschappelijk initiatief komt name-
lijk niet voort uit een aanspraak op rechten die de burger ten opzichte van
de overheid heeft, maar juist uit de behoefte van burgers om zelf een oplos-
sing te organiseren voor een zelf ervaren probleem (RMO 2013).
    Op twee manieren reduceert de huidige conceptie van de verzorgings-
staat de ruimte voor maatschappelijk initiatief:
1) Doordat bij elke beslissing het basisniveau van een publieke voorzie-
ning voor elke burger in het geding is, zal deze beslissing steeds worden
gewogen in het licht van het gelijkheidsprincipe. Concreet zal dit leiden
tot een ‘omhoog kruipen’ van het basisniveau, doordat alle deelbelangen
van burgers of maatschappelijke groeperingen hierin een plaats moeten
krijgen. Aangezien iedereen betaalt voor het basisniveau en iedereen recht
heeft op het basisniveau, dient dat niveau voor iedereen acceptabel te zijn.
De basisvoorziening neigt naar expansie en drukt daarmee de ruimte
voor m­ aatschappelijk initiatief weg – bijvoorbeeld omdat het financieel
onaantrekkelijk is voor zowel burger als aanbieder of omdat het in termen
van voorziening weinig toegevoegde waarde heeft. Overigens moet het
‘omhoog kruipen’ van de basisvoorziening niet worden verward met een
verhoging van de kwaliteit: het gaat hier vooral om de neiging tot over­
consumptie en eenvormigheid in het aanbod voor iedere burger. Gegeven
een context van schaarse middelen zal het ‘omhoog kruipen’ van het basis­
niveau dus juist tot een verschraling van het aanbod en tot een gelijke ver-
deling van armoede leiden.
2) Het maatschappelijk initiatief wordt in dit stelsel slechts opgevat als een
‘kop’ boven op de algemene basis. Zelfs als de hierboven beschreven tendens
kan worden weerstaan, legt dit uitgangspunt een belangrijke begrenzing
op aan het maatschappelijk initiatief. Immers, maatschappelijke partijen
hebben ofwel de rol van beleidsuitvoerder – als zij de basisvoorziening
van de overheid vormgeven – ofwel de rol van marginale ondernemer – als
zij binnen de gestelde randvoorwaarden verschil proberen te maken: de
kruimels die van het bord zijn gevallen. Die laatste rol zien we bijvoorbeeld
terug in de verschillende masters die onderwijsinstellingen aanbieden:
binnen de marges van een gefixeerd collegegeld en een bekostigings­
systeem op basis van aantallen studenten zoeken zij naar manieren om
                            De uitdaging: ontsnappen aan de gelijkheidsfuik 45
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>toch onderscheid te kunnen maken. Dat onderscheid is evenwel beperkt:
de mate waarin opleidingen kunnen variëren wordt vooral bepaald door de
omvang van de instroom aan studenten. In economische termen gaat het
dus altijd om massaproductie.
   De huidige conceptualisering van de verzorgingsstaat wordt gedomi-
neerd door de rechtsstatelijke noties van rechtszekerheid en rechtsgelijk-
heid. De gelijkheidsfuik is het gevolg daarvan. Iedereen dient gelijkelijk
aanspraak te kunnen maken op publieke voorzieningen. Dit plaatst de
overheid in de positie waarin zij moet oordelen over de gevolgen van aan-
passingen in publieke voorzieningen voor alle Nederlanders en plaatst
maatschappelijke initiatieven in de positie waarin zij binnen de beknellen-
de kaders van de overheid moeten opereren. Dit zijn dus geen condities die
recht doen aan de drijfveer van maatschappelijk initiatief: verschil maken.
   Naar het oordeel van de Raad dient op een fundamenteel andere manier
te worden nagedacht over de inrichting van de verzorgingsstaat als de rege-
ring recht wil doen aan haar ambitie om ruimte te creëren voor maatschap-
pelijk initiatief. Alleen door het loslaten van een deel van de inhoudelijke
en financiële zeggenschap kan de overheid ontsnappen aan de gelijkheids-
fuik en kan er ruimte ontstaan voor maatschappelijk initiatief. In het ver-
lengde hiervan ligt het in de rede om als overheid de principes van rechts-
zekerheid en rechtsgelijkheid dusdanig te herinterpreteren dat er meer
ruimte ontstaat voor variëteit.
   In dat alternatief zijn maatschappelijk initiatief en het overheidsge-
stuurd aanbod van elkaar losgekoppeld en is er een breed en gevarieerd
particulier aanbod. De zorgplicht van de overheid strekt zich niet per defi-
nitie uit over de organisatie van publieke voorzieningen, enkel over het
garanderen dat er een stelsel van voorzieningen bestaat waardoor burgers
niet verstoken blijven van onderwijs, zorg en sociale zekerheid. De zorg-
plicht van de verzorgingsstaat is een plicht van ‘zorgen dat’, niet van ‘zorgen
voor’. Er wordt als het ware een beweging ingezet van een gelijkheidsfuik
naar een sociaal vangnet. Deze beweging is in figuur 1 schematisch weer­
gegeven.
   46 Terugtreden is vooruitzien
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>                           algemeen verbindende kaderstelling overheid:
                           - financiering (b.v. toeslagen en eigen risico)
                           - regulering (b.v. inhoud van het basispakket)
          ruimte voor
        privaat initiatief
       (b.v. aanvullende
         verzekeringen)               basisniveau
                                                                                           gevarieerd
                                      sturingsruimte:                                      stelsel van
                                      - verhoging of                                       maatschappelijke
                                       verlaging                                           initiatieven
      overheidsgestuurd                tariefstelling
              aanbod                  - vergroting of
                                       verkleining
        (b.v. basispakket              basisvoorziening
       zorgverzekering)
                                                                  overheidsgestuurd aanbod
Figuur 1: Van gelijkheidsfuik naar veerkrachtig maatschappelijk aanbod
4.4 Naar een veerkrachtig maatschappelijk aanbod
Het is moeilijk, zo niet onmogelijk, om te voorspellen hoe het aanbod van
publieke voorzieningen er precies uit gaat zien als de overheid ruimte
maakt voor maatschappelijk initiatief. Daar waar de overheid zich momen-
teel al terugtrekt, of daar waar burgers zelf initiatieven ontplooien, zien
we vooral diversiteit ontstaan. Deze lijn doortrekkend kunnen we ons een
voorstelling maken van de mogelijke gevolgen van een gevarieerd aanbod
aan publieke voorzieningen. Deze gevolgen kunnen enerzijds positief
zijn – ze zorgen voor een veerkrachtige civil society – en anderzijds ook tot
nieuwe politieke vraagstukken leiden.
   Om met de positieve consequenties te beginnen: een gevarieerd maat-
schappelijk aanbod van voorzieningen heeft als belangrijke voordelen dat
het aansluit op gevoelde behoeften vanuit de samenleving, dat het ruimte
biedt aan de meervoudigheid die onze samenleving kenmerkt, dat het een
tegenwicht vormt voor centraliseringstendensen bij de overheid, dat het in
staat is zich aan te passen aan veranderende omstandigheden en behoeften,
en dat het democratische ervaringen van burgers bevordert.
                                     De uitdaging: ontsnappen aan de gelijkheidsfuik 47
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>    Naar deze alternatieve ordening van publieke voorzieningen wordt,
 zoals we al kort bespraken in hoofdstuk 3, vaak verwezen met de notie
 ‘veerkracht’. De nadruk ligt bij veerkracht vaak op het aanpassingsvermo-
gen: het terugveren na een tegenslag of een verstoring. Dat vermogen komt
niet voort uit anticipatie, preventie en planning, maar juist uit trial-and-
 error en variëteit. De aanpassing wordt niet centraal ontworpen, maar vloeit
 voort uit het slagen en falen van de verschillende, los van elkaar opererende
 onderdelen van een sociaal systeem: ‘Resilience is the capacity to cope with
 unanticipated dangers after they have become manifest, learning to bounce back’
 (Wildavsky 1991: 77).
    Bij een gevarieerd maatschappelijk aanbod hoeven niet alle onderdelen
 van het stelsel op elkaar afgestemd te zijn of even sterk te zijn om de stabi-
liteit van het stelsel als geheel te bewaren. Een systeem dat wordt geken-
merkt door veerkracht heeft geen weakest link die het hele systeem in gevaar
brengt (Wildavsky 1991: 6). Het is dus ook niet erg als sommige onderdelen
falen – dat is onderdeel van het leerproces. Concreet betekent dit voor het
ruimte geven aan maatschappelijk initiatief dat het niet erg is als bepaalde
initiatieven ‘doodbloeden’ of failliet gaan omdat er geen draagvlak voor is;
andere initiatieven zullen hun plaats innemen. Het gaat erom dat maat-
 schappelijk initiatieven waar wel draagvlak voor is, ruimte hebben voor
 zelforganisatie en zeggenschap.
    Veerkracht is echter nog geen handelingsstrategie. Zoals Boin en Van
 Eeten ook stellen in hun achtergrondstudie bij dit advies: ‘De gloedvolle
 betogen van politici en beleidsmakers suggereren vaak ten onrechte dat
 veerkracht een keuze is, een vernieuwende handelingsrichting: de econo-
mie, onze samenleving, de burger – alles en iedereen moet veerkrachtiger
worden’ (Boin en Van Eeten 2013: 70). Net als liefde, vertrouwen en sponta-
niteit kan veerkracht niet worden afgedwongen. Voor zover er dus kan wor-
den ‘gestuurd’ op veerkracht gaat het vooral om indirecte sturing: het creë-
ren van de voorwaarden waaronder de kans groter wordt dat veerkracht zal
ontstaan.
    De vele lokale praktijken en initiatieven waaruit het aanbod aan voorzie-
ningen is opgebouwd kennen geen gemeenschappelijk en eenduidig doel
of plan, maar komen juist voort uit particuliere motivaties en kennen dus
ook – in tegenstelling tot geplande of bureaucratische organisaties – een
sterk element van zingeving voor hun initiatiefnemers en volgers. Aan
­maatschappelijk initiatief gaat geen bevel van hogerhand vooraf. Een veer-
    48 Terugtreden is vooruitzien
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>krachtig aanbod van publieke voorzieningen vraagt niet om overzicht van
een onoverzichtelijke samenleving, niet om anticipatie van een onvoor-
spelbare toekomst, niet om centrale aansturing in een gefragmenteerde
samenleving en niet om controle van onbeheersbare maatschappelijke
processen.
   Als de overheid haar huidige mate van zeggenschap over de toegang,
financiering en inhoud van publieke voorzieningen loslaat, zullen er wel
allerlei nieuwe politieke vragen opkomen. Diversiteit kan namelijk ook
leiden tot vormen van uitsluiting. De vraag welke vormen van uitsluiting
ongewenst zijn en hoe de overheid hierop dient te reageren zal dan ook een
cruciaal politiek aandachtspunt worden.
   Concreet zijn er drie mogelijke alternatieven die zich tegelijkertijd kun-
nen voordoen in het maatschappelijke aanbod van publieke voorzieningen.
Ten eerste kan de burger doen wat de overheid verwacht: de maatschap­
pelijke initiatieven zijn gelijk aan het bestaande overheidsgestuurde aan-
bod. Er vallen geen gaten in de dienstverlening en de initiatieven leiden
niet tot onacceptabele vormen van uitsluiting. Tot deze uitingsvormen van
maatschappelijk initiatief kan de overheid zich vrij eenvoudig verhouden.
Waarschijnlijker is het echter dat twee andere alternatieven optreden waar-
bij de rol van de overheid minder eenvoudig is.
   De burger kan, ten tweede, ook iets anders doen dan wat de overheid ver-
wacht. Vanuit de behoefte verschil te maken ontstaat een aanbod voor een
publieke voorziening dat er anders uitziet dan het bestaande overheidsge-
stuurde aanbod. Particuliere initiatieven kunnen zich richten op bepaalde
bevolkingsgroepen, kunnen variëren in kwaliteit en kunnen eigen toe-
latingscriteria stellen. De politieke vraag die hier speelt is welke vormen
van verschil acceptabel zijn. Wanneer wordt uitsluiting discriminatie?
Wanneer zijn kwaliteitscriteria onvoldoende? Wat kan de overheid hieraan
doen zonder maatschappelijke initiatieven hun zeggenschap te ontnemen?
   Ten derde kan het gebeuren dat de burger geen initiatief neemt of dat
hij uitgesloten wordt van alle vormen van maatschappelijk initiatief. Er
komt voor bepaalde groepen burgers geen maatschappelijk initiatief tot
stand, waardoor zij verstoken blijven van voorzieningen die de overheid
misschien wel van belang acht, zoals zorg of onderwijs. Ook hier speelt de
politieke vraag naar insluiting en uitsluiting. Hoe gaan we om met mensen
die geen plaats vinden in een maatschappelijke publieke voorziening? Moet
                           De uitdaging: ontsnappen aan de gelijkheidsfuik 49
</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre>de overheid een vangnet of basisvoorziening voor hen organiseren? Of hen
juist in staat stellen toegang te krijgen tot een maatschappelijk initiatief?
4.5 Tussenstap
In dit hoofdstuk hebben we gezien hoe het sociale vangnet van de verzor-
gingsstaat is verworden tot een gelijkheidsfuik. De huidige interpretatie en
toepassing van de kernwaarden rechtszekerheid en rechtsgelijkheid beper-
ken de mogelijkheden van maatschappelijke initiatieven om verschil te
maken en zelf zeggenschap te dragen over inhoud, toegang en financiering
van publieke voorzieningen. Om te ontsnappen aan de gelijkheidsfuik pleit
de Raad voor een andere interpretatie van de zorgplicht van de verzorgings-
staat, waarin niet meer rechtsgelijkheid en rechtszekerheid centraal staan,
maar waarin meer inhoudelijk en financieel zeggenschap wordt overgela-
ten aan maatschappelijke initiatieven. De zorgplicht van de verzorgings-
staat is dan (weer) een plicht van ‘zorgen dat’, niet van ‘zorgen voor’.
   Hoe het landschap van publieke voorzieningen eruit zal zien als er meer
ruimte ontstaat voor maatschappelijk initiatief, valt in principe niet te
voorspellen. Het ordeningsprincipe is immers niet meer dat van controle
en ontwerp, maar juist van zelforganisatie en variëteit. Wat we wel kunnen
zeggen is dat een gevarieerd aanbod van publieke voorzieningen nieuwe
politieke vraagstukken met zich zal brengen rond insluiting en uitsluiting.
In het volgende hoofdstuk formuleert de Raad hierover aanbevelingen aan
de regering en Staten Generaal.
Noot
1   Selectie aan de poort is alleen bij uitzondering en specifieke toestem-
   ming toegestaan.
   50 Terugtreden is vooruitzien
</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 51 ======================================================================

<pre>5
Conclusie en aanbevelingen
5.1 Conclusie
De centrale vraag van dit advies was welke strategie de overheid kan toe-
passen om meer ruimte te laten aan maatschappelijke initiatieven bij de
organisatie van publieke voorzieningen. De Raad heeft in dit advies de
wens van de regering dat de overheid terugtreedt als uitgangspunt geno-
men en deze in dit advies niet uitgebreid ter discussie gesteld. Op welke
specifieke beleids­terreinen terugtreden van de overheid wenselijk is, is
voor een groot gedeelte namelijk een politieke kwestie, waarover de poli-
tiek zal moeten besluiten. Een politiek die oproept tot meer ruimte voor
maatschappelijk initiatief in het publieke domein zal echter wel rekening
moeten houden met de implicaties van die oproep, consequent moeten
blijven en het beleid van de overheid daarop moeten aanpassen.
    In dit advies hebben we gezien dat ruimte laten aan maatschappelijk
initiatief betekent dat de overheid ruimte moet laten voor zelforganisatie
én zeggenschap. Maatschappelijk initiatief en burgerschap zijn er niet voor
de overheid, maar voor de mensen zelf. De overheid – en politici in het bij-
zonder – kan weliswaar behoeften van mensen articuleren, maar de valkuil
is dat ze de organisatie van voorzieningen van de samenleving overneemt.
De organisatie en toedeling van publieke voorzieningen vragen ook niet
noodzakelijkerwijs democratische legitimatie via de weg van politieke
representatie en verzorgingsstaat, ook de samenleving zelf kan die demo-
cratische legitimatie bieden. Dat betekent dat de overheid een fors gedeelte
van haar zeggenschap zal moeten loslaten. Als de overheid maatschap-
pelijke ­initiatieven wil versterken, dient zij terughoudend te zijn met het
formuleren van opvattingen over normaliteit die maatschappelijk initiatief
en burgerschap invullen. De overheid zal ruimte moeten openlaten die
burgers op eigen initiatief en op eigen wijze kunnen invullen.
                                                 Conclusie en aanbevelingen 51
</pre>

====================================================================== Einde pagina 51 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 52 ======================================================================

<pre>   Er zijn verschillende ‘oerkrachten’ in samenleving en overheid die losla-
ten lastig maken. Deze oerkrachten kennen hun voedingsbodem in de zeer
specifieke conceptie van de hedendaagse Nederlandse verzorgingsstaat.
Door toepassing van de principes van rechtsgelijkheid en rechtszekerheid
in aanspraken van burgers op publieke voorzieningen is de verzorgings-
staat gevangen in een gelijkheidsfuik: elke vorm van verschil in het aanbod
van publieke voorzieningen is in de grond problematisch als iedere burger
in gelijke mate recht heeft op dezelfde voorzieningen. De Raad stelt daarom
voor om de zorgplicht van de overheid minder eenduidig te verbinden
met de principes van rechtsgelijkheid en rechtszekerheid. Daar waar de
overheid meer ruimte wil bieden aan maatschappelijk initiatief dient de
zorgplicht van de verzorgingsstaat zich niet verder uit te strekken dan ‘zor-
gen dat’. Ruimte voor maatschappelijk initiatief is alleen mogelijk als de
verhouding tussen collectieve en particuliere financieringsarrangementen
verandert. Alleen dan kunnen maatschappelijke initiatieven meer noodza-
kelijke zeggenschap over inhoud, toegang en financiering van voorzienin-
gen krijgen.
   In het navolgende formuleert de Raad drie aanbevelingsrichtingen om
ruimte te maken voor maatschappelijk initiatief.
5.2 Geef maatschappelijke initiatieven inhoudelijk zeggenschap
Maatschappelijk initiatief dient leidend te zijn bij de organisatie van
publieke voorzieningen. Een overheid die maatschappelijk initiatief serieus
neemt, ziet het niet als een verlengstuk van beleid, maar als een zelfstandi-
ge organisatie van een publieke voorziening. Een maatschappelijk initiatief
kan niet zonder zeggenschap van de ‘eigenaren’ van het initiatief. Dit bete-
kent erkenning van eigenstandige keuzes van het maatschappelijk initia-
tief inzake identiteit, omvang, keuzeaanbod en tot op zekere hoogte kwali-
teit. Dit betekent dus ook dat het initiatief verschil maakt: in termen van de
inhoud van het aanbod, in termen van toegankelijkheid en in termen van
prijsstelling. Organisatievormen als stichtingen, verenigingen, bedrijven
en coöperaties lenen zich hier het beste voor. Alle onderwijs bijzonder (met
openbaar onderwijs mogelijk als aanvulling als er onvoldoende aanbod is)
ligt bijvoorbeeld meer voor de hand dan alle o  ­ nderwijs openbaar. Net als
   52 Terugtreden is vooruitzien
</pre>

====================================================================== Einde pagina 52 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 53 ======================================================================

<pre>particuliere zorginstellingen en welzijnscoöperaties meer voor de hand
liggen dan aan de overheid gerelateerde instellingen.
    De overheid zal er verder voor moeten waken zich te veel met de inhoud
van publieke voorzieningen te bemoeien. In het licht van de ‘oerkrachten’
die de verzorgingsstaat doen uitdijen staat de overheid hiermee voor een
belangrijke uitdaging: ‘niks doen’ is zo ongeveer het moeilijkste wat er is.
Maar alleen door ruimte te laten kunnen maatschappelijke initiatieven
spontaan ontstaan. Er gaat geen probleemdefinitie van de overheid vooraf
aan maatschappelijk initiatief. Sterker nog: probleemdefinities van de over-
heid belemmeren in veel gevallen het ontstaan van maatschappelijke initi-
atieven. Voor een vitale civil society is een ‘democratische ervaring’ (Dewey
1927) van burgers nodig: zij moeten een bepaald probleem zelf ervaren en
zelf de bereidheid hebben om tot collectieve actie over te gaan.
    Wel kan de overheid een aantal randvoorwaarden bewaken voor maat-
schappelijk initiatief. Bij de toegang tot voorzieningen laat ze de toelatings-
criteria weliswaar in principe over aan het maatschappelijk initiatief, maar
kan ze wel zorgdragen voor een recht op uittreding en een eigen alternatief
(vangnet) aanbieden als er gaten in het maatschappelijk aanbod ontstaan.
En de overheid is tot slot weliswaar terughoudend ten aanzien van de
inhoud van voorzieningen, maar ze kan binnen de wettelijke kaders wel
een aantal eisen stellen rondom deugdelijkheid en minimale standaarden.
5.3 Creëer nieuwe financiële arrangementen
Zeggenschap betekent ook dat het maatschappelijk initiatief verantwoorde-
lijkheid draagt voor de (financiële) consequenties van het eigen handelen.
De overheid dient maatschappelijke (‘opwaartse’) druk tot overheidsinter-
ventie of overheidsfinanciering te weerstaan. Het ontstaan van een gevari-
eerd maatschappelijk aanbod van publieke voorzieningen is alleen realis-
tisch als daarvoor ook financiële ruimte bestaat. Deze ruimte is drieledig.
    Ten eerste zullen maatschappelijke initiatieven meer gebruik moeten
maken van private middelen. Er kan geen vanzelfsprekendheid zijn van
collectieve financiering voor een privaat initiatief. In veel domeinen zal de
overheid maatschappelijke initiatieven alleen te hulp schieten zodra pri-
vate middelen ontoereikend zijn en er onvoldoende aanbod is aan publieke
voorzieningen. De vrijheid van het maatschappelijk initiatief impliceert
                                                Conclusie en aanbevelingen 53
</pre>

====================================================================== Einde pagina 53 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 54 ======================================================================

<pre> ook eigen verantwoordelijkheid. Publieke voorzieningen zijn zelf (mede)
 risicodragend. Ze kunnen en mogen dus failliet gaan.
    Ten tweede zal er gezocht moeten worden naar vormen van cofinancie-
ring ofwel nieuwe combinaties van collectieve en particuliere middelen.
Er zijn nu eenmaal basistaken die de overheid wil garanderen voor haar
burgers, ook financieel. Maar het maatschappelijk initiatief kan hierop
­variëren en combinaties maken met andere geldstromen. Dit geeft ook
 beperkingen aan de inhoudelijke voorwaarden die de overheid kan stellen
 als er toch aanspraak wordt gemaakt op collectieve middelen. Er bestaat
 geen vanzelfsprekend principe van ‘wie betaalt, bepaalt’. Een keuze voor
 bijvoorbeeld een basisbekostiging van bijzonder en openbaar onderwijs
 betekent niet dat ze ook in de basis meer op elkaar moeten gaan lijken.
    Ten derde behelst de verandering naar maatschappelijk initiatief als
 uitgangspunt het ontstaan van nieuwe financieringsarrangementen.
 Meer maatschappelijk initiatief is alleen realistisch als de financierings-
 verhouding tussen overheid en samenleving verandert en dit ook fiscaal
 gefaciliteerd wordt. Als maatschappelijke initiatieven zelf hun financiering
 moeten regelen, dient daar een passende lastenverlichting door de overheid
 tegenover te staan (Raad van State 2013).
 5.4 Formuleer rechtsstatelijke criteria voor in- en uitsluiting
 Ruimte voor maatschappelijk initiatief vereist een sterke rechtsstaat. Ten
 eerste doordat de rechtsstaat de overheid bindt aan een inhoudelijk neu-
 trale houding tegenover maatschappelijk initiatief. De rechtsstaat heeft
 een belangrijke beschermende en begrenzende functie: pluriformiteit
 en verschil dienen (rechtsstatelijk) beschermd te worden. De rechtsstaat
 beschermt verschil door het tegengaan van monopolies en het beschermen
 van de vrijheid van vereniging en het recht op uittreding uit een gemeen-
 schap of voorziening.
    Ten tweede biedt de rechtsstaat waarborgen tegen ongewenste vormen
 van maatschappelijk initiatief en tegen ongewenste vormen van maat-
 schappelijke uitsluiting. Zoals Boin en Van Eeten (2013) in hun achter-
 grondstudie laten zien, passen niet alle vormen van veerkracht binnen
 een democratische, rechtsstatelijke samenleving – denk aan vormen van
 eigenrichting, criminele organisaties, voetbalhooligans en extremistische
    54 Terugtreden is vooruitzien
</pre>

====================================================================== Einde pagina 54 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 55 ======================================================================

<pre>groeperingen. De rechtsstaat garandeert dat maatschappelijke veerkracht
rechtsstatelijk begrensd is en dat de zwaardmacht in handen van de over-
heid blijft en niet in handen van (groepen of organisaties in) de samenle-
ving kan komen.
   Bovendien kan de rechtsstaat bescherming bieden voor zwakkeren die
zichzelf niet weten te redden of te organiseren (geld en opleiding maken
het eenvoudiger om veerkrachtig te zijn). Voor een deel is dit een politieke
kwestie, voor een deel ook een rechtsstatelijke: welk verschil is aanvaard-
baar? Wanneer wordt gerechtvaardigde uitsluiting op basis van particu-
liere zeggenschap ongeoorloofde discriminatie? Hoe wordt er met tegen-
strijdige belangen van burgers omgegaan en voorkomen dat de burger met
de grootste mond altijd wint?
   De rechtsstaat biedt in het verlengde hiervan een kader waarin onge-
makken over maatschappelijk verschil (in omvang, kwaliteit, geografische
spreiding, identiteit, enz.) geadresseerd kunnen worden. Toenemende
variatie in voorzieningen zal leiden tot wrijving, spanning en misschien
wel conflict. Dat is de consequentie van meer eigen verantwoordelijkheid
en meer maatschappelijk initiatief. Om als overheid niet terug te grijpen
op het mechanisme van gelijke toedeling, verscherping van toezicht en
uitbreiding van wetgeving, is het nodig dat mensen wrijving die zij binnen
de rechtsstaat ervaren aanhangig kunnen maken. Minder overheidsinter-
venties en meer eigen verantwoordelijkheid impliceren dan ook een goede
toegang tot recht (vgl. RMO 2004).
    Een pluriforme samenleving die uitgaat van maatschappelijk initiatief
steunt op instituties voor de omgang met verschil en conflict: het rechts-
proces met zijn hoor en wederhoor, de mededinging op de markt, de parle-
mentaire democratie met zijn regeren en oppositievoeren, de academische
vrijheid en waarheidsvinding, religieuze tolerantie en geweldloze conflict-
beslechting (vgl. Schuyt 2006; Van Gunsteren 2003). Het is de taak van de
overheid erop toe te zien dat deze instituties onaangetast blijven, juist in
een samenleving waarin de organisatie van publieke voorzieningen in han-
den is van de samenleving zelf. Haar taak als hoedster van de rechtsstaat zal
dan ook niet aan belang inboeten. Minder overheid en meer samenleving
impliceert meer rechtsstaat.
                                               Conclusie en aanbevelingen 55
</pre>

====================================================================== Einde pagina 55 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 56 ======================================================================

<pre>5.5 Tot slot
Om te kunnen ontsnappen aan de gelijkheidsfuik en om de ‘oerkrachten’
te beteugelen die telkens het maatschappelijk initiatief in de weg zitten is
met andere woorden bestuurlijke zelfbinding nodig. Net als Odysseus die
zichzelf door zijn eigen bemanning liet vastbinden aan de mast om te ont-
snappen aan de Sirenen, zal de overheid een manier van zelfbinding moe-
ten vinden om te voorkomen dat zij de ruimte voor burgers inperkt. Die
zelfbinding zou gevonden kunnen worden in de klassieke grondrechten
die burgers tegen de staat en elkaar beschermen en in algemene rechtsbe-
ginselen die het functioneren van de staat reguleren. Zo kan daadwerkelijk
recht worden gedaan aan de eigen ambitie van de regering om terug te
treden, los te laten en daadwerkelijk meer ruimte te geven aan mensen en
samenleving.
   56 Terugtreden is vooruitzien
</pre>

====================================================================== Einde pagina 56 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 57 ======================================================================

<pre>Literatuur
Andeweg, R. en G.A. Irwin (2002). Governance and Politics of The Netherlands.
    Basingstoke: Palgrave Macmillan.
Ankersmit, F.R. (1996). Aesthetic Politics: political philosophy beyond fact and
    value. Stanford CA: Stanford University Press.
Bank, J., P. Kalma, M. Ros en B. Tromp (red.) (1983). Het vierde jaarboek voor het
    democratisch socialisme. Amsterdam: De Arbeiderspers.
Bauman, Z. (2000). Liquid Modernity. Cambridge: Polity Press.
Beiner, R. (red.) (1995). Theorizing Citizenship. Albany: State University of
    New York Press.
Bekkers, V., G. Dijkstra, A. Edwards en M. Fenger (red.) (2007). Governance
    and the Democratic Deficit. Assessing the Democratic Legitimacy of
    Governance Practices. Aldershot: Ashgate Publishing.
Bell, S. en A. Hindmoor (2009). Rethinking Governance. Cambridge:
    Cambridge University Press.
Berlin, I. (1969). Four Essays on Liberty. Oxford: Oxford University Press.
Berlin, I. (2007). Liberty. Oxford: Oxford University Press.
Beveridge, W.H. (1944). Full employment in a free society: a report. Londen:
    Allen & Unwin.
Blond, P. (2010). Red Tory: How Left and Right Have Broken Britain and How We
    Can Fix It. Londen: Faber and Faber.
Boin, A. en M. van Eeten (2013). Maatschappelijke veerkracht: een nieuw ideaal
    doorgrond. Achtergrondstudie bij het advies Terugtreden is vooruitzien.
    Den Haag: Raad voor Maatschappelijke ontwikkeling.
Boutellier, H. (2011). De Improvisatiemaatschappij: over de sociale ordening van
    een onbegrensde wereld. Den Haag: Boom/Lemma.
Bovens, M.A.P. (1990). Verantwoordelijkheid en organisatie. Beschouwingen
    over aansprakelijkheid, institutioneel burgerschap en ambtelijke
    ongehoorzaamheid. Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink.
Bruce, M. (1968). The Coming of the Welfare State. Londen: Batsford.
Burkens, M.C., H.R.B.M. Kummeling, B.P. Vermeulen en R.J.G.M.
    Widdershoven (1997). Beginselen van de democratische rechtsstaat. Inleiding
    tot de grondslagen van het Nederlandse staats- en bestuursrecht. Deventer:
    W.E.J. Tjeenk Willink.
                                                                   Literatuur 57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 57 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 58 ======================================================================

<pre>Castells, M. (1996). The rise of the network society. Cambridge MA: Blackwell
    Publishers.
Constant, B. (1988). The Liberty of the Ancients Compared with that of the
    Moderns (1819). In: B. Fontana (red.), Constant: Political Writings.
    Cambridge: Cambridge University Press.
Davies, J. S. (2011). Challenging Governance Theory. Bristol: The Policy Press.
Dekker,P. en M. de Ridder (2011). Kwartaalbericht van het Continu Onderzoek
    Burgerperspectieven (COB, 2011/3). Den Haag: Sociaal en Cultureel
    Planbureau.
Dewey, J. (1954). The public and its problems (eerste druk 1927). Athens:
    Swallow Press.
Donzelot, J. (1991). The mobilization of society. In: Burchell, G., C. Gordon
    en P. Miller (red.), The Foucault Effect. Studies in Governmentality, with two
    lectures by and an interview with Michel Foucault. Chicago: The University
    of Chicago Press.
Doorn, J.A.A. van (2009). Nederlandse democratie: historische en sociologische
    waarnemingen. Amsterdam: Mets en Schilt.
Drosterij, G. en R. Peeters (2011). De nieuwe burgerlijkheid: participatie als
    conformerende zelfredzaamheid. In: Beleid & Maatschappij, jg. 2011, nr. 4,
    p. 85-101.
Economisch Statistische Berichten (1991). Themanummer Kerntaken,
    jg. 76, nr. 3828. Met bijdragen van K. Groenveld, Van verzorgingsstaat naar
    waarborgstaat, p. 986-989; A. Klink, Kerntaken van de overheid, p. 990-993;
    P. Kalma, Kerntaken: een overschat concept, p. 994-997.
Elias, N. (1969). Über den Prozeß der Zivilisation: soziogenetische und
    psychogenetische Untersuchungen (eerste druk 1939). Bern: Francke.
Esping-Andersen, G., D. Gallie, A. Hemerijk en J. Myerset (2002). Why we
    need a New Welfare State. Oxford: Oxford University Press.
Friedman, M. (1982). Capitalism and Freedom (eerste druk 1962). Chicago:
    University of Chicago Press.
Frissen, P.H.A. (1999). De lege staat. Amsterdam: Uitgeverij Nieuwezijds.
Frissen, P.H.A. (2007). De staat van verschil. Een kritiek van de gelijkheid.
    Amsterdam: Van Gennep.
Frissen, P.H.A. (2009). Gevaar Verplicht. Over de noodzaak van aristocratische
    politiek. Amsterdam: Van Gennep.
Frissen, P.H.A., R.H. Hofman en R. Peeters (nog te verschijnen). Het ongemak
    van autonomie: onderwijsbeleid tussen vrijheid en verantwoording. Review
   58 Terugtreden is vooruitzien
</pre>

====================================================================== Einde pagina 58 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 59 ======================================================================

<pre>   van het BOPO-onderzoek naar ‘educational governance’ in de periode
   2009-2012.
Giddens, A. (1998). The Third Way: The Renewal of Social Democracy. Cambridge:
   Polity Press.
Gribnau, J.L.M. (2009). Soevereiniteit en legitimiteit: grenzen aan (fiscale)
   regelgeving. Amersfoort: Sdu Uitgevers.
Gunsteren, H.R. van (1976). The Quest of Control: a critique of the rational-
   central-rule approach in public affairs. New York: John Wiley & Sons.
Gunsteren, H.R. van (1998). A Theory of Citizenship. Organizing Plurality in
   Contemporary Democracies. Boulder/Oxford: Westview Press.
Gunsteren, H.R. van (2003). Veerkracht (afscheidsrede uitgesproken bij
   het neerleggen van het ambt van hoogleraar Politieke theorieën en
   Rechtsfilosofie aan de Universiteit Leiden op 19 december 2003). Leiden:
   Universiteit Leiden.
Gunsteren, H.R. van (2006). Vertrouwen in democratie: over de principes van
   zelforganisatie. Amsterdam: Van Gennep.
Gunsteren, H.R. van en E. Van Ruyven (1993). De Ongekende Samenleving
   (DOS), een verkenning. In: Beleid en Maatschappij, jg. 1993, nr. 3,
   p. 114-125.
Hajer, M. en H. Wagenaar (red.) (2003). Deliberative Policy Analysis:
   Understanding Governance in the Network Society. Cambridge: Cambridge
   University Press.
Hart, H.L.A. (1968). Punishment and Responsibility: Essays in the Philosophy of
   Law. Oxford: Clarendon Press.
Harvey, D. (2005). A brief history of neoliberalism. Oxford: Oxford University
   Press.
Hayek, F.A. (1976). The Road to Serfdom (eerste druk 1944). Londen: Routledge
   & Kegan Paul.
Hayek, F.A. (2006). The Constitution of Liberty (eerste druk 1960). Londen:
   Routledge.
Jansen, T., G. van den Brink en R. Kneyber (red.) (2012). Gezagsdragers: de
   publieke zaak op zoek naar haar verdedigers. Den Haag: Boom.
Kinneging, A. (2012). Staat, markt en sociéte civile. In: T. Kwakkelstein,
   A. van Dam en A. van Ravenzwaaij (red.), Van verzorgingsstaat naar
   waarborgstaat: nieuwe kansen voor overheid en samenleving (p. 33-42).
   Den Haag: Boom/Lemma.
                                                                  Literatuur 59
</pre>

====================================================================== Einde pagina 59 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 60 ======================================================================

<pre>Kruiter, A.J. (2010). Mild despotisme: democratie en verzorgingsstaat door de
    ogen van Alexis de Tocqueville. Amsterdam: Van Gennep.
Lamé, J. (2011). Spookrijders in de zorg. Pleidooi voor een gezondheidszorg zonder
    meldplicht, privacyschending, afbraak van instituties en zonder megalomane
    systemen. Delft: Eburon.
Leibfried, S. en S. Mau (2008). Welfare states: construction, deconstruction,
    reconstruction. Cheltenham: Edward Elgar.
Maier, C.S. (red.) (1994). Changing Boundaries of the Political. Essays on the
    evolving balance between the state and society, public and private in Europe
    (eerste druk 1987). Cambridge: Cambridge University Press.
Majone, G. (1994). The rise of the regulatory state in Europe. In: West
    European Politics, jg. 17, nr. 3, p. 77-101.
Majone, G. (1997). From the positive to the regulatory state: causes and
    consequences of changes in the mode of governance. In: Journal of Public
    Policy, jg. 17, nr. 2, p. 139-167.
Meijs, L.C.P.M. (2010). Betrokkenheid als verzekering tegen een zwalkende
    overheid (Paul Cremerslezing, 15 april 2010). Geraadpleegd op 17 april
    via http://www.erim.eur.nl/fileadmin/default/content/erim/research/
    centres/erasmus_centre_for_strategic_philanthropy/research/
    publications/paul_cremerslezing_lucas_meijs.pdf
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) (2011).
    Brief aan de Rob van 22-12-2011. Adviesaanvraag Raad voor het openbaar
    bestuur.
Noije, L. van, J.J. Jonker, V. Veldheer en C. Vrooman (2012).Verschuivende
    verantwoordelijkheden. In: V. Veldheer, J.J. Jonker, L. van Noije, en
    C. Vrooman (red.) (2012). Een beroep op de burger: minder verzorgingsstaat,
    meer eigen verantwoordelijkheid? Sociaal en Cultureel Rapport 2012
    (p.­303-322). Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.
Nozick, R. (1974). Anarchy, State and Utopia. (1974). New York, Basic Books.
Osborne, D. en T. Gaebler (1992). Reinventing Government. How the
    entrepreneurial spirit is transforming the public sector. Reading
    MA: Addison-Wesley.
Ossewaarde, M.R. (2005). Eigen verantwoordelijkheid: bevrijding of beheersing?
    Achtergrondstudie bij het advies Verschil maken van de Raad voor
    Maatschappelijke Ontwikkeling. Amsterdam: Uitgeverij SWP.
Peeters, R. (2013a). The Preventive Gaze: How Prevention Transforms Our
    Understanding of the State. Den Haag: Eleven International Publishers.
   60 Terugtreden is vooruitzien
</pre>

====================================================================== Einde pagina 60 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 61 ======================================================================

<pre>Peeters, R. (2013b, nog te verschijnen). Responsibilisation on Government’s
    Terms: New Welfare and the Governance of Responsibility and
    Solidarity. In: Social Policy and Society.
Peeters, R. en G. Drosterij (2011). Verantwoordelijke vrijheid:
    responsabilisering van burgers op voorwaarden van de staat. In: Beleid
    en Maatschappij, jg. 2011, nr. 2, p. 179-198.
Pierson, C. (2004). The modern state. Londen: Routledge.
Polanyi, M. (1948). Planning and Spontaneous Order. In: The Manchester
    School, jg. 16, nr. 3, p. 237-268.
Raad van State (2013). Jaarverslag 2012.
Raad voor het openbaar bestuur (2012). Loslaten in vertrouwen. Naar een
    nieuwe verhouding tussen overheid, markt èn samenleving. Den Haag: Rob.
Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (RMO) (2004). Toegang tot recht.
    Den Haag: Sdu Uitgevers.
Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (2005). Verschil maken. Eigen
    verantwoordelijkheid na de verzorgingsstaat. Amsterdam: Uitgeverij SWP.
Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (2012a). Mind the trap. Reflectie
    op het advies Loslaten in vertrouwen van de Raad voor het openbaar bestuur.
    Den Haag: RMO.
Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (2012b). Tegenkracht organiseren.
    Lessen uit de kredietcrisis. Den Haag: RMO.
Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (2013a). Het onbehagen voorbij.
    Een wenkend perspectief op onvrede en onmacht. Den Haag: RMO.
Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (2013b). Rondje voor de publieke
    zaak. Pleidooi voor de solidaire ervaring. Den Haag: RMO.
Rawls, J. (1999). A Theory of Justice (eerste druk 1971). Oxford: Oxford
    University Press.
Regeerakkoord (2012). Bruggen slaan. http://www.rijksoverheid.nl/
    regering/regeerakkoord
Resnick, M. (1997). Turtles, Termites, and Traffic Jams. Explorations in Massively
    Parallel Microworlds. Cambridge MA: MIT Press.
Rhodes, R.A.W. (1996). The New Governance: Governing without
    Government. In: Political Studies, jg. 44, nr. 4, p. 652-667.
Rooij, P. de (2002). Republiek van rivaliteiten. Nederland sinds 1813. Amsterdam:
    Mets & Schilt.
Rosanvallon, P. (2008). Counter-democracy. Politics in an Age of Distrust.
    Cambridge: Cambridge University Press.
                                                                   Literatuur 61
</pre>

====================================================================== Einde pagina 61 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 62 ======================================================================

<pre>Rose, N. (1999). Powers of Freedom: Reframing Political Thought. Cambridge:
    Cambridge University Press.
Schulz, M., M. van der Steen en M. van Twist (2013). De koopman als dominee:
    de realisatie van publieke waarde door sociaal ondernemerschap in relatie tot
    de overheid. Den Haag: Boom/Lemma.
Schuyt, C.J.M. en E. Taverne (2000). 1950. Welvaart in zwart-wit. Den Haag:
    Sdu Uitgevers.
Schuyt, C.J.M. en R. van der Veen (red.) (1986). De verdeelde samenleving. Een
    inleiding in de ontwikkeling van de Nederlandse verzorgingsstaat. Leiden:
    Stenfert Kroese.
Schuyt, C.J.M. (2006). Steunberen van de samenleving. Sociologische essays.
    Amsterdam: Amsterdam University Press.
Scott, J.C. (1998). Seeing like a state. How certain schemes to improve the human
    condition have failed. New Haven CT: Yale University Press.
Swaan, A. de (1988). In Care of the State: Health Care, Education and Welfare in
    Europe and the USA in the Modern Era. Cambridge: Polity Press.
Tocqueville, A. de (2011). Over de democratie in Amerika (oorspronkelijke
    Franstalige uitgave 1835 en 1840). Rotterdam: Lemniscaat.
Trommel, W.A. (2009). Gulzig Bestuur. Den Haag: Boom/Lemma.
Trommel, W. en J. van den Berg (2012). Échte wederkerigheid vernedert niet.
    Geraadpleegd op 17 april 2013 via http://www.socialevraagstukken.nl/
    site/2012/04/15/echte-wederkerigheid-vernedert-niet/
Trommel, W.A. en R. van der Veen (1999). De herverdeelde samenleving.
    De ontwikkeling en herziening van de Nederlandse verzorgingsstaat.
    Amsterdam: Amsterdam University Press.
Veldheer, V., J.J. Jonker, L. van Noije, en C. Vrooman (red.) (2012). Een beroep
    op de burger: minder verzorgingsstaat, meer eigen verantwoordelijkheid?
    Sociaal en Cultureel Rapport 2012. Den Haag: Sociaal en Cultureel
    Planbureau.
Verhoeven I. en M. Ham (red.) (2010). Brave burgers gezocht. De grenzen van de
    activerende overheid. Amsterdam: Van Gennep.
Walters, W. (2004). Some critical notes on ‘governance’. In: Studies in Political
    Economy, jg. 73, p. 27-46.
Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) (2006). De
    verzorgingsstaat heroverwogen. Over verzorgen, verzekeren, verheffen en
    verbinden. Amsterdam: Amsterdam University Press.
   62 Terugtreden is vooruitzien
</pre>

====================================================================== Einde pagina 62 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 63 ======================================================================

<pre>Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) (2012). Vertrouwen
   in burgers. Amsterdam: Amsterdam University Press.
Wildavsky, A. (1991). Searching for Safety (eerste druk 1988). New Brunswick/
   Oxford: Transaction Publishers.
Woud, A. van der (2010). Koninkrijk vol sloppen. Achterbuurten en vuil in de
   negentiende eeuw. Amsterdam: Uitgeverij Bert Bakker.
Yeung, K. (2010). The regulatory state. In: R. Baldwin, M. Cave en M. Lodge
   (red.), The Oxford Handbook of Regulation. Oxford: Oxford University
   Press.
Zwaard, W. van der (2013). Van Rechtsgrond tot Grondrecht: Sociale Wetgeving
   en het Dilemma van Particulariteit (1840-1960). Achtergrondstudie bij het
   advies Terugtreden is vooruitzien van de Raad voor Maatschappelijke
   Ontwikkeling. Den Haag: RMO.
                                                                Literatuur 63
</pre>

====================================================================== Einde pagina 63 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 64 ======================================================================

<pre>Terugtreden is vooruitzien_2e proef INDD retour CS4.indd 64 29-5-2013 14:24:09</pre>

====================================================================== Einde pagina 64 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 65 ======================================================================

<pre> Bijlage 1
 Maatschappelijke
 veerkracht: een nieuw
 ideaal doorgrond
 Arjen Boin en Michel van Eeten in opdracht van de Raad voor
­Maatschappelijke Ontwikkeling
 September 2011
 Arjen Boin is Hoogleraar Bestuurskunde aan de Universiteit Utrecht,
 Michel van Eeten is Hoogleraar Bestuurskunde aan de Technische
 Universiteit Delft
</pre>

====================================================================== Einde pagina 65 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 66 ======================================================================

<pre>Terugtreden is vooruitzien_2e proef INDD retour CS4.indd 66 29-5-2013 14:24:09</pre>

====================================================================== Einde pagina 66 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 67 ======================================================================

<pre>Inhoud
1   Opkomst van een ideaal 69
2   Veerkracht: een korte geschiedenis van een modieus concept 75
3   De veerkrachtige samenleving: een weerbarstig ideaal 84
4   De maakbaarheid van veerkracht: oorzaken, condities en mogelijke
    strategieën 95
5   Op weg naar een veerkrachtige samenleving? 102
Literatuur 109
                                                            Bijlage 1 67
</pre>

====================================================================== Einde pagina 67 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 68 ======================================================================

<pre>Terugtreden is vooruitzien_2e proef INDD retour CS4.indd 68 29-5-2013 14:24:09</pre>

====================================================================== Einde pagina 68 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 69 ======================================================================

<pre>1
Opkomst van een ideaal
In de aanloop naar de verkiezingen van 2010 die hem naar het premier-
schap voerden, stelde Mark Rutte dat de staat een ‘geluksmachine’ was die
‘uitgezet’ diende te worden. Inmiddels is het een leidmotief geworden van
zijn kabinet. Uitdrukkingen als ‘zelfredzaamheid’, ‘eigen verantwoordelijk-
heid’ en ‘veerkracht’ passen bij dit vertoog. Ook in andere westerse landen
wint het terrein. Een van de meer opvallende voorbeelden daarvan is het
Britse idee van ‘the Big Society’, waar vergelijkbare termen opduiken.
   Het idee van veerkracht is al langer met een opmars bezig. In de ‘risico-
maatschappij’ bestaat veel aandacht voor potentiële verstoringen van het
maatschappelijke leven. Denk aan terroristische aanslagen, de implosie van
het financiële bestel, klimaatverandering, internetaanvallen, pandemie-
dreigingen en de opkomst van het populisme. Hoewel moderne maatschap-
pijen in objectieve zin veiliger zijn dan ooit, lijken burgers en bestuurders
opvallend bang voor dergelijke verstoringen (Bauman 2007; Beck 1992;
Furedi 2006; Giddens 1991).
   De gedachte dat we risico’s volledig kunnen uitsluiten is niet geloof-
waardig (Taleb 2007). Crises en rampen demonstreren met enige regelmaat
tekortkomingen in het maatschappelijk vermogen om bedreigingen te
voorzien en, waar voorspeld, adequaat te ondervangen. De meer pessimis-
tische wetenschappers beargumenteren dat we rekening moeten houden
met grootschalige en zeer bedreigende verstoringen (OECD 2003; Rees 2003;
Perrow 2007; Brown 2008).
   Razendsnelle veranderingen voeden de vrees voor verstoringen. Deze
veranderingen – denk aan de opkomst van sociale media, technologische
ontwikkelingen en de politieke en economische opmars van China en
India – brengen kansen en mogelijkheden met zich mee, maar lijken toch
vooral kwetsbaarheden en bedreigingen op te roepen. In de risicomaat-
schappij worden de kwetsbaarheden uitgelicht; de kansen die deze ontwik-
kelingen bieden krijgen minder aandacht.
                                                                  Bijlage 1 69
</pre>

====================================================================== Einde pagina 69 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 70 ======================================================================

<pre>   Een snel veranderende wereld creëert bij velen behoefte aan stabili-
teit. Een preoccupatie met maatschappelijke stabiliteit – het behoud van
verworvenheden in het licht van gepercipieerde bedreigingen – voedt
twee typen reacties die zich moeizaam tot elkaar verhouden. In het decen-
nium na 9/11 hebben we de groei van de krachtdadige overheid gezien.
Doorzettingsmacht is hier het toverwoord. De overheid versterkt de
robuustheid van de maatschappij, zodat schokken worden voorkomen en
afgeweerd. Een tegenbeweging zoekt stabiliteit niet in een sterke overheid,
maar in veerkrachtige instituties en zelfredzame burgers.
   Het begrip veerkracht staat ons toe dit moderne onbehagen te articule-
ren zonder in fatalisme te vervallen. Het schept het beeld van een moderne
maatschappij die met ernstige verstoringen kan omgaan. Het is een hoop-
vol concept: veerkracht betekent immers het verschil tussen langdurige
verlamming en een snel herstel na een ramp of crisis.
   In dit essay betekent veerkracht de maatschappelijke capaciteit om met
(dreigende) verstoringen om te gaan (we formuleren een preciezere defi-
nitie in hoofdstuk 3). Deze capaciteit kan op verschillende niveaus worden
gelokaliseerd. We kunnen veerkracht op het niveau van de samenleving
bestuderen. We kunnen veerkracht ook in de instituties van een maatschap-
pij lokaliseren. En we kunnen veerkracht zoeken bij burgers.
   Deze drie niveaus hangen nauw met elkaar samen. Wij hanteren daarom
de assumptie dat maatschappelijke veerkracht voortvloeit uit geïnstituti-
onaliseerde verhoudingen tussen burgers, publieke en private instituties,
en de staat. Publieke instituties fungeren hierbij als scharnierpunt tussen
burger en staat.
   Veerkracht is in onze optiek nadrukkelijk geen strategie, maar een capa-
citeit. De gloedvolle betogen van politici en beleidsmakers suggereren vaak
ten onrechte dat veerkracht een keuze is, een vernieuwende handelings-
richting: de economie, onze samenleving, de burger – alles en iedereen
moet veerkrachtiger worden. Het is moeilijk daar iets op tegen te hebben.
En precies dat geeft aan dat het politieke taalgebruik verhult welke stra-
tegieën er schuilgaan achter het begrip veerkracht. In dit essay maken we
een scherp onderscheid tussen veerkracht als capaciteit en de strategieën
die een dergelijke capaciteit kunnen bewerkstelligen. Zodra die strategieën
zichtbaar worden, verliest het concept zijn onschuld – en daarmee een deel
van zijn belofte.
   70 Terugtreden is vooruitzien
</pre>

====================================================================== Einde pagina 70 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 71 ======================================================================

<pre>Veerkracht als normatief concept
In het dagelijks taalgebruik is veerkracht een positief begrip. Het sug-
gereert wederopstanding, het niet meer verwachte herstel na een zware
inzinking. Veerkrachtige personen komen terug na inktzwarte perioden in
hun leven, veerkrachtige voetbalteams zetten vlak voor tijd een achterstand
om in winst, veerkrachtige organisaties komen sterker terug na een crisis,
en een veerkrachtig sociaal verband – een stad of een land – bouwt een
nieuw paradijs op de puinhopen van het oude. In het licht van snelle veran-
deringen en grote bedreigingen biedt het idee van veerkracht hoop. Of het
nu gaat om bezuinigingen (‘de kunstsector zal er sterker van worden’) of
grote rampen (‘de Engelsen reageerden stoïcijns op de bombardementen’),
veerkracht wordt steevast gepresenteerd als een nastrevenswaardig idee.
   Veerkracht presenteert, impliciet of expliciet, een ideaalbeeld: een
systeem dat ‘als vanzelf ’ schokken kan absorberen en verwerken, zonder
erdoor te worden beschadigd. De veerkrachtige samenleving is een ‘intel-
ligente samenleving’, waarin bedreigingen en verstoringen worden benut
om het systeem nog beter en slimmer te maken. Het gaat dan om ‘een toe-
komstbestendig openbaar bestuur, behoud van sociale samenhang, een
robuust financieel stelsel, een excellent kennis- en onderwijssysteem, een
duurzaam rechtssysteem, etc.’ (KNAW 2011, p. 12). Zo bezien is er weinig in te
brengen tegen het idee van veerkracht.
   Er schuilt echter ook iets controversieels in veerkracht: het gaat immers
om behoud van het bestaande. Het suggereert een hang naar stabiliteit.
Wanneer we veerkracht expliciet verbinden met het behoud van stabiliteit,
komt het potentieel controversiële karakter van dit concept scherp aan het
licht.
   Velen mogen waarde hechten aan stabiliteit, maar stabiliteit (de ‘status
quo’) is altijd controversieel. Stabiliteit vereist immers voortdurende, soms
structurele aanpassingen in het licht van de veranderende omstandighe-
den. Structurele aanpassingen zijn doorgaans controversieel. Denk aan
de aanpassingen van het pensioenstelsel of van het ontslagrecht. Mensen
die stabiliteit waarderen, bezien proactieve aanpassingen met achterdocht.
Voor degenen die de status quo ter discussie stellen, gaan proactieve veran-
deringen vaak niet ver genoeg.
   Onder deze paradoxale samenhang tussen stabiliteit en adaptatie ligt
een ander spanningsveld, tussen staat en maatschappij. Veerkracht duikt
vaak op in betogen over nut en wenselijkheid van een kleinere staat.
                                                                  Bijlage 1 71
</pre>

====================================================================== Einde pagina 71 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 72 ======================================================================

<pre>Het afnemende vermogen van de overheid om stabiliteit te bewaren zou
gecompenseerd kunnen worden door meer maatschappelijke veerkracht.
Maar het is tegelijkertijd een argument voor vergaande hervormingen.
Sommigen beargumenteren dat het bewerkstelligen van maatschappelijke
veerkracht juist een helpende hand van diezelfde staat vereist.
   Deze inherente spanningsvelden worden zelden geëxpliciteerd.
Verwarring ligt op de loer: een debat over stabiliteit en de rol van veer-
kracht wordt al snel gekleurd door opvattingen over staat en maatschappij.
Op zoek naar de kosten en baten van een ideaal
Het is natuurlijk prachtig als instituties en burgers zich snel, eigenhandig
en effectief aanpassen in het licht van dreigende verstoringen. De goed
voorbereide burger – met noodpakket in huis – kan zich best redden tijdens
een ramp. De weldenkende burger heeft geen buurtregisseur nodig om
een conflict over hondenpoep in het plantsoen op te lossen. En migranten
– toch een toonbeeld van veerkracht – hebben geen overheid nodig om hun
plaats te vinden in de Nederlandse maatschappij. Veerkracht lijkt veel over-
heidsbemoeienis overbodig te maken.
   De roep om meer veerkracht is dan ook begrijpelijk. Toch schuurt er
iets. De ogenschijnlijke behoefte aan veerkracht kan niet worden verklaard
uit toenemende instabiliteit. Nederland is stabiel gebleven, zelfs na grote
schokken (zoals de moord op Fortuyn en Van Gogh). Het zou misschien
allemaal niet zo veel uitmaken als er geen kosten waren verbonden aan dit
ideaalbeeld. Maar die kosten zijn er wel.
   Neem bijvoorbeeld discussies over het socialezekerheidsstelsel. Een
beperkte vorm van solidariteit kan op brede maatschappelijke steun reke-
nen en ligt ten grondslag aan allerlei regelingen die mensen behoeden voor
plotseling onheil, zoals de dood van een kostwinner, ontslag of een onge-
luk dat werken onmogelijk maakt. Critici stellen dat een dergelijk stelsel
te ver gaat wanneer het de zelfredzaamheid van burgers ondermijnt door
hen afhankelijk van steun te maken. Zelfredzaamheid wordt niet alleen
verondersteld, het moet worden aangemoedigd. Dit is het argument dat
de regering van president Clinton hanteerde toen zij de uitkeringen voor
alleenstaande vrouwen met kinderen verlaagde. Toen veel van deze alleen-
staande vrouwen vervolgens aan het werk gingen, bevestigde dat het idee
van veerkracht.
   72 Terugtreden is vooruitzien
</pre>

====================================================================== Einde pagina 72 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 73 ======================================================================

<pre>   Zelfredzaamheid figureert ook steeds vaker in het denken en praten
over veiligheid.1 Onderzoekers wijzen op het feit dat mensen zichzelf en
elkaar vaak goed kunnen helpen in de eerste uren na een ramp (Dynes
1970; Helsloot 2007; Quarantelli 1988). Beleidsmakers wijzen erop dat de
overheid niet alles kan regelen voor de burgers. Zelfredzaamheid verwordt
zo tot een tegengeluid, een markering van het feit dat de intensivering van
overheidsbemoeienis in het veligheidsdomein een (voorlopig) eindpunt
heeft bereikt.
   Een snelle blik op de Verenigde Staten doet beseffen dat veerkracht
ook een donkere kant heeft: private scholen, wapenbezit en gated com­
munities zijn vormen van veerkracht waar niet iedereen vrolijk van wordt.
Daarnaast is veerkracht gemakkelijker op te brengen (en te verdragen) door
hogeropgeleiden en mensen in hogere inkomenscategorieën. De mensen
die zich in de praktijk echt zelf moeten redden, hebben niet altijd baat bij de
strategieën die in naam van veerkracht worden gepropageerd.
   Daardoor zijn de lofzangen op veerkracht eenzijdig en een beetje ver-
dacht. Ze benadrukken positieve effecten en gaan voorbij aan de maat-
schappelijke kosten die aan veerkracht kunnen kleven. Maar het is niet
duidelijk waar dit positieve beeld op is gebaseerd. Het is ook niet duidelijk
of het kan werken in andere domeinen dan veiligheid, waar andere waar-
den domineren, zoals zorg, zekerheid en welzijn. In deze domeinen is het
op voorhand veel minder helder wat dit concept inhoudt en wat het te bie-
den heeft.
Dit essay
Groeiende risicopercepties werpen als vanzelf de vraag op hoe een samen-
leving zich kan weren tegen onverwachte en ongewenste verstoringen.
Het idee dat onze samenleving best tegen een stootje kan is geruststellend.
Maar het is niet duidelijk of en hoe een veerkrachtige maatschappij kan
worden ‘ontworpen’ en tegen welke kosten. Veerkracht mag een mooi alter-
natief lijken voor wat Willem Trommel (2009) ‘het gulzige bestuur’ noemt,
maar dat maakt het nog niet tot een baken voor de beleidsvorming.
  Dit alles moeten we afzetten tegen de tegendraadse constatering dat de
meeste sociale en kritieke systemen in de praktijk verbazingwekkend veer-
krachtig blijken – onafhankelijk van de gehanteerde definitie en in weer-
wil van de toenemende complexiteit (Lopez 2006; Van Eeten 2011; Van Eeten
et al. 2011). Nederland kan hier als voorbeeld dienen: de vele crises van het
                                                                  Bijlage 1 73
</pre>

====================================================================== Einde pagina 73 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 74 ======================================================================

<pre>afgelopen decennium hebben niet tot een objectief aantoonbare destabilise-
ring van de maatschappij geleid.
    Dit essay stelt het idee van maatschappelijke veerkracht – de gepercipi-
eerde voordelen en mogelijke nadelen – ter discussie. We beschrijven de
opkomst van dit ideaal en proberen te doordenken wat het precies inhoudt
en welke strategieën nodig zijn om dit ideaal te bereiken. We besteden
aandacht aan de schaduwkanten van veerkracht en de onderliggende strate-
gieën, die vooralsnog onderbelicht zijn gebleven.
    Drie vragen staan centraal. We beginnen met de simpele vraag wat
veerkracht nu eigenlijk precies betekent. Wat zijn de kenmerken van een
veerkrachtige maatschappij? Dit essay laat zien dat daar verrassend veel dis-
cussie over is geweest. Zodra de definitie is vastgesteld, kunnen we nagaan
wat de oorzaken van het bestaan van veerkracht zijn: Wat maakt een maat-
schappij veerkrachtig? Welke rol spelen burgers, instituties en de staat
in het bewerkstelligen van veerkracht? Welke strategieën leiden tot een
veerkrachtige samenleving? Het antwoord op de tweede vraag helpt ons de
laatste vraag te beantwoorden: is het de moeite waard om in veerkracht te
investeren?
    Het essay is als volgt opgebouwd. We beginnen met een wetenschap-
pelijke plaatsbepaling door drie wetenschappelijke velden te visiteren
waarin het begrip veerkracht een opkomst heeft doorgemaakt. Vervolgens
gebruiken we de zogenoemde groep-rastertypologie om de relatie tussen
maatschappelijke veerkracht en de staat te ontrafelen. De volgende stap
is een reflectie op de beschikbare kennis over de causale factoren die aan
maatschappelijke veerkracht ten grondslag liggen. We sluiten af met een
korte beschouwing over onze bevindingen.
Noot
1   Zie bijvoorbeeld het debat over zelfredzaamheid in Magazine Nationale
    Veiligheid en Crisisbeheersing, november/december issue, 2009, p. 30-35.
    74 Terugtreden is vooruitzien
</pre>

====================================================================== Einde pagina 74 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 75 ======================================================================

<pre>2
Veerkracht: een korte geschiedenis
van een modieus concept
Veerkracht is als metafoor ontleend aan de materiaalkunde. Het begrip
duidt in deze context op het vermogen van een materiaal om schokken te
absorberen. De Engelse vertaling van veerkracht is resilience. Dit concept
duikt op in allerlei wetenschappelijke disciplines, van engineering tot psy-
chiatrie, van biologie tot bestuurskunde. Wij concentreren ons hier op drie
wetenschappelijke gebieden waarin het begrip een belangrijke positie heeft
verworven: de ecologie, de risk and safety sciences en de bestuurskunde.1
Ecologie: de ontdekking van veerkracht als organiserend principe
Het begrip resilience wordt in de ecologie gebruikt om te beschrijven hoe
complexe systemen zich herstellen en aanpassen na een verstoring in het
biologische evenwicht van dat systeem. Holling (1973) onderscheidt twee
concepten van veerkracht.
    Het eerste concept, dat het vakgebied lang heeft gedomineerd, noemde
Holling (enigszins misleidend) ‘engineering resilience’. Een klassiek voorbeeld
is de relatie tussen populaties van roofdieren en prooidieren. Een versto-
ring, zoals een aanhoudende droogte, leidt tot een kleinere populatie van
bijvoorbeeld konijnen. Daardoor zal ook de vossenpopulatie terug­lopen. Zo
kan de konijnenpopulatie zich herstellen, gevolgd door de vossenpopulatie.
    De gedachte is dat dit proces van wederzijdse aanpassing weliswaar met
fluctuaties gepaard gaat, maar dat die fluctuaties langzaam afnemen om
uiteindelijk te eindigen in een evenwichtstoestand, als een knikker die tot
rust komt op het laagste punt in een kommetje.
    In dit model wordt uitgegaan van natuurlijke evenwichten, vergelijkbaar
met de marktevenwichten in economische modellen. Een verstoring duwt
het systeem uit evenwicht, waarna krachten in het systeem het schijnbaar
vanzelf terugbrengen naar de evenwichtssituatie. Veerkracht wordt dan
                                                                 Bijlage 1 75
</pre>

====================================================================== Einde pagina 75 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 76 ======================================================================

<pre> gemeten als de snelheid waarmee naar het systeem naar het evenwicht
 terugkeert.
    Holling herkende een tweede vorm van veerkracht. 2 ‘Ecological resilience’
Hier keren systemen na een verstoring niet terug naar de uitgangssituatie,
maar naar een nieuw evenwicht. Met andere woorden, ecosystemen ken-
nen niet één natuurlijk evenwicht, maar bewegen tussen verschillende
evenwichtstoestanden. Die eigenschap maakt dat ze grote schokken kun-
nen verwerken. Veerkracht duidt hier op de omvang van de verstoring die
een systeem kan verwerken, zonder radicaal van structuur te veranderen
– bijvoorbeeld een steppegebied dat droogteperioden kan doorstaan zonder
te verworden tot woestijngebied.
    Het concept ecological resilience omvat het idee dat stabiliteit voortdu-
 rende aanpassing en verandering vereist; de terugkeer naar een statisch
 evenwicht is niet het uitgangspunt. Deze vorm van veerkracht gedijt bij een
 bepaalde bandbreedte aan verstoringen – preciezer: veerkracht vereist juist
 variatie in de condities waaronder het systeem functioneert. Als die vari-
 atie drastisch afneemt (of te veel toeneemt), verliest het systeem aan functi-
 onele diversiteit en wordt het kwetsbaarder voor verstoringen.
    Menselijke ingrepen om ecosystemen te beschermen leiden vaak tot een
 reductie in variëteit. In het bosbeheer probeert men bijzondere gebieden te
 beschermen door bosbranden in te dammen in plaats van de gebieden bloot
 te stellen aan periodieke verwoestende branden. Dat leidt op korte termijn
 inderdaad tot de bloei van die gebieden. Maar uiteindelijk blijken de gebie-
den kwetsbaarder te worden voor andere verstoringen, zoals ziektes en
parasieten. Door de afwezigheid van grote branden ontstaat er bovendien
minder ruimte voor jonge aangroei, terwijl die juist bestand is tegen ande-
re verstoringen dan de volwassen exemplaren. Door de afname in diver-
siteit is de schade van deze verstoringen veel groter en onomkeerbaarder
dan de gevolgen van bosbrand. Juist het voorkomen van bosbranden leidt
tot een opeenhoping van brandbaar materiaal in de bossen, waardoor een
ongecontroleerde brand veel destructiever is dan in een bos dat periodiek
aan brand wordt blootgesteld.
    Een belangrijk inzicht is dat het beheer van ecologische systemen vaak
onbedoelde en negatieve effecten heeft. Effectief beheer vermindert –
logischerwijs – de variëteit van verstoringen waaraan het systeem wordt
­blootgesteld. Daarmee neemt ook de functionele diversiteit van het systeem
    76 Terugtreden is vooruitzien
</pre>

====================================================================== Einde pagina 76 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 77 ======================================================================

<pre>af. Uiteindelijk vermindert dat de veerkracht, in de zin van het kunnen
verwerken van een groot scala aan onvoorspelbare verstoringen.3
    Deze ideeën zijn zeer invloedrijk geworden, zowel in de ecologie als
daarbuiten (Folke 2006). Het werk van Holling is een bron van inspiratie
voor de studie van complexe systemen en vice versa. 4 Complexiteitstheorie
biedt een verklaring voor structurele en schoksgewijze veranderingen in
een complex systeem. De these is dat complexe systemen zich naar een deli-
caat evenwicht met hun omgeving ontwikkelen. Wanneer dat systeem een
tipping point bereikt, is dit evenwicht zo precair dat een kleine verstoring
een radicale verandering in het systeem kan uitlokken.5
Deze inzichten uit de natuurlijke wereld worden inmiddels gebruikt om
grootschalige verstoringen in man-made systemen te verklaren (zie bv. Sor-
nette 2003). Zo constateerde Nassim Taleb (2007) al voor de kredietcrisis dat
de financiële markten zeer kwetsbaar waren voor zeldzame gebeurtenis-
sen – ‘black swans’ – omdat de banken hun keuzes optimaliseerden voor een
zeer smalle bandbreedte aan condities. Toen de markten buiten die band-
breedte traden, bleken de banken extreem kwetsbaar geworden voor zelfs
de kleinste verstoringen.
    Taleb stelt dat de fragiliteit van complexe systemen wordt versterkt door
overheden die voortdurend crises proberen af te wenden. De peperdure
reddingspakketten voor banken en landen ondermijnen de veerkracht van
kapitalistische markten. Die is juist voor een belangrijk deel gelegen in de
mogelijkheid dat bedrijven failliet gaan. Dat wordt hier voortdurend uitge-
sloten. Door het voortdurend uitsluiten van falen kon de situatie ontstaan
die we nu aanduiden als too big to fail – een extreme vorm van kwetsbaar-
heid.
Veiligheidsstudies: veerkracht als strategie voor risicomanagement
De eerste sociale wetenschapper die het potentieel van het concept resilience
herkende was Aaron Wildavsky (1988). Het is dan ook een goed idee zijn
inmiddels klassieke Searching for Safety te raadplegen. Wildavsky was zijn
tijd ver vooruit toen hij zijn polemiek tegen het voorzichtigheidsdenken
schreef; zijn onderzoeksagenda wacht eigenlijk nog steeds op uitvoering.
    Wildavsky stelde dat personen, organisaties en sociale verbanden ver-
bazingwekkend veerkrachtig zijn en best tegen een stootje kunnen. Hij
presenteerde veerkracht als een bron van optimisme en vooruitgang, en
                                                                   Bijlage 1 77
</pre>

====================================================================== Einde pagina 77 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 78 ======================================================================

<pre>als een alternatief voor preventie en regulering, die hij beschouwde als de
contraproductieve instrumenten van behoudzuchtige bureaucraten. Die
laatste strategie noemde Wildavsky anticipatie: het voorzien en wegnemen
van risico’s.
   Hij introduceerde het concept veerkracht om tegenwicht te bieden aan
de opkomst van risicomijdend beleid en het zogenoemde voorzorgsprin-
cipe (first do no harm). Dit beleid heeft veel goeds gebracht en helpt veelvoor-
komende risico’s (overstromingen, brand, bepaalde ziekten) te minimali-
seren. Maar Wildavsky heeft bedenkingen. Zo kan deze strategie kostbaar
zijn en kent die soms aanzienlijke en ongewenste bijwerkingen. De vraag
rijst daarom of deze aanpak niet te dominant is, of we er niet te zwaar op
leunen, ten nadele van alternatieve benaderingen zoals veerkracht.
   Zijn baanbrekende inzicht was dat juist dit voorzorgsprincipe ons onvei-
liger kan maken wanneer het innovatie en welvaartsgroei belemmert. Die
leveren uiteindelijk veel grotere veiligheidswinsten op dan risicomijding
en anticipatie. Anticipatie holt innovatie en welvaartsgroei uit, zo luidt de
kritiek.
   Volgens Wildavsky wordt er in veel risicobeleid ten onrechte van uit-
gegaan dat we weten hoe we veiligheid kunnen verhogen – met andere
woorden, welk effect beleidsinterventies hebben op de veiligheid van de
maatschappij en haar burgers. In de praktijk is die causaliteit vaak veel
complexer dan wordt verondersteld. Veel interventies hebben niet de
beoogde, of zelfs perverse effecten – en dat betekent dat ze middelen consu-
meren die niet meer voorhanden zijn bij het reageren op de schade die zich
daadwerkelijk voordoet. Veiligheid is beter gediend met een strategie van
voorzichtig experimenteren: ‘Because safety must be discovered, and cannot be
merely chosen, trial and error risk taking, rather than risk aversion, is the prefera­
ble strategy for securing safety. Encouraging trial-and-error promotes resilience’
(Wildavsky 1988: p. 2).
   Deze tegenstelling tussen anticipatie en veerkracht keert in verschil-
lende gedaanten terug in het nadenken over de risico’s van verstoringen
in complexe en gevaarlijke technologische systemen. Organisaties die
risicovolle technologieën beheren, zoals kerncentrales en vliegdekschepen,
moeten nagenoeg zonder fouten opereren, omdat de eerste ‘error’ meteen
ook de laatste ‘trial’ zou kunnen zijn. Dat lijkt het idee van veerkracht uit te
sluiten.
   78 Terugtreden is vooruitzien
</pre>

====================================================================== Einde pagina 78 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 79 ======================================================================

<pre>   Echter, het onderzoek naar dergelijke organisaties – ook wel High
Reliability Organizations (HRO’s) genoemd – laat zien dat anticipatie en
veerkracht ook samen kunnen gaan (LaPorte 1996; Roe en Schulman 2008;
Weick en Sutcliffe 2001). HRO’s leunen sterk op anticipatie: het voortdu-
rend proberen te voorzien van risico’s om deze te ondervangen in regels en
voorzorgsmaatregelen. Maar empirisch onderzoek heeft laten zien dat deze
organisaties geen regelvolgende machines zijn. Daarnaast zijn ze evenmin
zo robuust dat ze verrassingen kunnen uitsluiten. Daarom hebben ze ook
veerkracht nodig.
   Juist omdat HRO’s verrassingen moeten kunnen verwerken, kunnen ze
zich niet veroorloven hun kernprocessen volledig te formaliseren of slaafs
procedures te volgen. Improvisatie speelt een cruciale rol. Het personeel
wordt getraind in regelvolging, maar ook in het afwijken van de regels als
de situatie daarom vraagt. De bevoegdheid – of eerder nog: de plicht – af te
wijken van de regels in het licht van een dreigende crisis is tot op de laagste
niveaus van de organisatie geïnstitutionaliseerd. De organisatiecultuur
van een HRO beloont een voortdurende zoektocht naar (potentiële) fouten,
zonder de makers van die fouten daarop af te rekenen of te straffen. Fouten
worden gezien als onvermijdelijk en bieden de mogelijkheid om te leren.
In deze en andere karakteristieken herkennen we bouwstenen van veer-
kracht.
Bestuurskunde: veerkracht als nieuw ideaal
Veerkracht duikt regelmatig op in debatten over democratie. Dan gaat
het om de vraag of ons politieke systeem kan omgaan met schokken en
veranderingen, zoals globalisering, de economische crisis, afnemend ver-
trouwen van burgers en de opkomst van het populisme (bv. Huitema et al.
2009).
   De wetenschap biedt inzichten die hier van pas komen. Politicologen en
bestuurskundigen weten allang dat een ‘sterke overheid’ niet automatisch
tot meer stabiliteit leidt. De overheid beschikt niet over de informatie en
kennis om te bedenken welke aanpassingen precies nodig zijn om nieuwe
ontwikkelingen het hoofd te bieden of te benutten.
   Bestuurskundigen hebben het idee van de maakbare, beheersbare
samenleving al in de jaren zeventig ten grave gedragen (zie bv. Van
Gunsteren 1976; Hood 1976). Hun onderzoek benadrukt de onbedoelde en
ongewenste effecten van beleid dat top-down wordt opgelegd. Roel in ’t Veld
                                                                  Bijlage 1 79
</pre>

====================================================================== Einde pagina 79 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 80 ======================================================================

<pre>(1989) wees er in de jaren tachtig al op dat allerlei overheidsinitiatieven
stuklopen op een maatschappij die zich slim en snel hergroepeert om aan
de negatieve effecten van het geformuleerde beleid te ontsnappen (zie ook
Scott 1998).
    Als het om een stabiele, hoogwaardige samenleving gaat, lijken weten-
schappers meer geloof te hechten aan veerkrachtige instituties en zelf-
redzame burgers – die blijken immers keer op keer over een groot aanpas-
singsvermogen te beschikken. In dit licht bezien kunnen alleen crises een
centrale overheid met doorzettingsmacht legitimeren.
    Het is slechts een kleine stap naar de promotie van veerkracht. Zo pleit
Van Gunsteren (2006) voor het bewerkstelligen van een veerkrachtiger
maatschappij. De Leidse politicoloog definieert veerkracht als ‘het vermo-
gen met verrassingen om te gaan, zodanig dat kernwaarden behouden blij-
ven’ (2006, p. 37). Van Gunsteren ziet het gebrek aan veerkracht zelfs als een
kernprobleem van de moderne democratie.
    In het beantwoorden van de vraag hoe veerkracht kan worden gerea-
liseerd grijpt Van Gunsteren terug op een klassieke tegenstelling uit de
bestuurskunde, door hemzelf al in de jaren zeventig beschreven: een stra-
tegie van analyse en instructie versus een strategie van variëteit en selectie
(Van Gunsteren 1976). Die laatste strategie biedt ‘een diversiteit van con-
currerende alternatieven en aanpakken waaruit al naar gelang de omstan-
digheden gekozen kan worden’. Van Gunsteren gebruikt de metafoor van
zelforganisatie in complexe ecosystemen – hetgeen hij omschrijft als ‘orde
zonder baas’. Door in het politieke systeem meer zelforganisatie mogelijk te
maken, zou veerkracht versterkt worden.
    Diversiteit is cruciaal voor zelforganisatie en dus voor een veerkrach-
tige samenleving, zo stelt Van Gunsteren. Naast diversiteit identificeert
Van Gunsteren nog vier strategieën: multiple mappings, selectie, indirecte
controle en ‘onafhankelijk, maar niet geïsoleerd’. Het principe multiple
mappings duidt op een repertoire van herinneringen of lessen, die kunnen
worden gebruikt bij het duiden van nieuwe, onverwachte gebeurtenissen.
Het inrichten van selectiemechanismen, het tweede principe, is noodza-
kelijk om uit de diversiteit van opties die varianten te kiezen die bijdra-
gen aan de realisatie van de waarden die in het systeem zijn belichaamd.
Indirecte controle drukt uit dat directe controle over het systeem contra-
productief is voor zelforganisatie. Wel kan indirect de intelligentie van de
­zelforganisatie worden beïnvloed, bijvoorbeeld door veranderingen aan te
    80 Terugtreden is vooruitzien
</pre>

====================================================================== Einde pagina 80 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 81 ======================================================================

<pre> brengen in de feedback- of selectiemechanismen. Tot slot is het van belang
 de onafhankelijkheid van individuen, groepen en instituties te bescher-
 men, omdat dit cruciaal is voor variëteit. De onafhankelijkheid mag echter
 niet zo ver gaan dat interactie uit de weg gegaan kan worden.
    Ook Frissen (2009, p. 184) ziet veerkracht als nastrevenswaardig. En ook
 hij verbindt dit met zelforganisatie: ‘[het gaat] in een democratie vooral om
 het scheppen en beschermen van de voorwaarden voor maatschappelijke
 zelforganisatie. De wijsheid van het collectief komt immers in belangrijke
 mate voort uit de variëteit die weer voorwaarde is voor veerkracht.’6 Om
 die variëteit mogelijk te maken en in stand te houden, is het cruciaal om
 een stelsel van checks and balances te arrangeren, mede om de staat te beteu-
 gelen. Frissen ziet in de ambities van de staat – in termen van fijnmazige
 beheersing, maakbaarheid, het uitsluiten van risico’s en verschil – een
 bedreiging van veerkracht. Uiteindelijk leidt dit tot een ‘institutionele
­sclerosis’.
    Frissen verbindt veerkracht met bestuurlijke bescheidenheid en het
 terugdringen van verstatelijking. Hij wijt de door hem geconstateerde
 crisis van de verzorgingsstaat mede aan de aantasting van autonomie,
 zelfredzaamheid en eigen verantwoordelijkheid van burgers. Hij is min-
 der expliciet over hoe die veerkracht zich manifesteert, anders dan in het
 opbloeien van maatschappelijke variëteit. Van Gunsteren is hier eveneens
 weinig expliciet over. Net als Frissen lijkt hij zelforganisatie in belangrijke
 mate te situeren in maatschappelijke verbanden. Maar hoe we dit kunnen
 onderscheiden van de verzuilde samenleving of de Amerikaanse maat-
 schappijvorm is niet onmiddellijk duidelijk.
    Het is voor beleidsmakers verleidelijk het begrip te gebruiken als window
 dressing voor verstrekkende overheidsbezuinigingen: als zelforganisatie
 zo goed werkt, kan de rol van de staat wel een ‘onsje minder’. Maar staat
 het afbreken van overheidsprogramma’s gelijk aan het realiseren van
 veerkracht? Hilhorst (2011, p. 150) betoogt dat overheidsinvesteringen juist
 noodzakelijk zijn om veerkracht te versterken: ‘De keuze is niet mensen
 in de watten leggen of zelfredzaamheid eisen, maar investeren in sociale
 veerkracht.’
    Dit alles maakt de vraag des te urgenter wat veerkracht precies inhoudt
 in de context van overheid en samenleving. In hoofdstuk 3 proberen we de
 verschillende impliciete beelden achter het concept veerkracht te ontwar-
 ren. Eerst moeten we echter een definitie van het begrip vaststellen.
                                                                    Bijlage 1 81
</pre>

====================================================================== Einde pagina 81 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 82 ======================================================================

<pre>Naar een definitie van veerkracht
Veerkracht heeft een ontwikkeling doorgemaakt van een specifiek con-
cept in de ecologie naar een beleidsterm die zowel een strategie als een
ideaaltypische samenleving kan aanduiden. Een dergelijke verwarring van
descriptie en prescriptie – zonder een onderliggende ‘beleidstheorie’ die
causaliteit suggereert – staat een helder debat in de weg. Wij moeten eerst
formuleren wat een veerkrachtig systeem is voordat we kunnen verkennen
hoe – indien gewenst – een dergelijk systeem kan worden bewerkstelligd.
   De verschillende definities van veerkracht vertonen op het eerste gezicht
een duidelijke overeenkomst: het draait vrijwel altijd om het fenomeen van
‘bouncing back’ – het ‘terugveren’ van een systeem in reactie op een (dreigen-
de) verstoring. Deze overeenkomst maskeert echter diepe verschillen langs
drie dimensies. Op basis van deze dimensies kunnen we een onderscheid
maken tussen ‘rekkelijke’ en ‘precieze’ concepties van veerkracht.
   De eerste dimensie betreft het moment waarop veerkracht optreedt.
Het ligt voor de hand om veerkracht te bestuderen nadat een schok is
opgetreden. Een mooi voorbeeld is de razendsnelle herbouw van steden als
Chicago, San Francisco, Warschau en Berlijn na getroffen te zijn door een
vernietigende ramp – in het geval van Warschau was zelfs sprake van drie
opeenvolgende rampen (Vale en Campanella 2005). Soms bestrijkt de defi-
nitie een veel ruimere tijdspanne. Veerkracht betekent dan het reageren op
onvoorziene verstoringen voordat een desastreuze gebeurtenis plaatsheeft.
Een invloedrijke groep onderzoekers hanteert bijvoorbeeld de volgende
definitie: ‘organizations who are resilient […] recognize, adapt to and absorb vari­
ations, changes, disturbances, disruptions, and surprises’ (Woods en Hollnagel
2006: p. 3).
   Ron Westrum (2006: p. 59) identificeert drie dominante betekenissen
van veerkracht: ’1. ability to prevent something bad from happening; 2. prevent
something bad from becoming worse; 3. recover once something bad has happened.’
Een rekkelijke definitie omvat ieder van deze drie betekenissen, waardoor
de vraag ontstaat hoe resilience zich onderscheidt van vooruitzien, tijdige
anticipatie, ‘to roll with the punches’. De zuiverste definitie lijkt de derde door
Westrum genoemde optie, maar die roept weer de vraag op hoe vaak en
waar precies het verschijnsel zich daadwerkelijk voordoet.
   De tweede dimensie betreft de ernst van de verstoring. In een ‘precieze’
definitie is sprake van desastreuze verstoringen die zware schade aan het
systeem toebrengen. Diane Coutu (2003) definieert veerkracht als ‘bouncing
   82 Terugtreden is vooruitzien
</pre>

====================================================================== Einde pagina 82 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 83 ======================================================================

<pre>back from life’s hardships’. De rekkelijken spreken echter van ‘disruptions that
fall outside of the set of disturbances the system is designed to handle’ (Woods en
Hollnagel 2006, p. 3). Sommige definities zijn van elastiek: veerkracht blijkt
niets anders dan het adequaat reageren op allerlei routinematige verstorin-
gen, zoals het tijdelijk wegvallen van een leverancier (Sheffi 2005). Zo ver-
wordt het concept al snel tot een slordig synoniem voor flexibiliteit.
    De derde dimensie betreft de vraag: terugkeer naar welke staat precies?
De ‘preciezen’ bieden hier geen duidelijkheid. Zij houden het niet voor
mogelijk dat een systeem in precies dezelfde vorm terugkeert na een zware
verstoring. Sommigen lijken van mening te zijn dat pas echt sprake is van
veerkracht als een stad of organisatie sterker uit de crisis tevoorschijn
komen; adaptatie en innovatie gaan dan hand in hand. Zij scharen alle acti-
viteiten die zorgen dat een organisatie onder dreiging van een verstoring
blijft functioneren onder de definitie.
    Wij leunen naar de preciezen en definiëren veerkracht als het vermogen
van een systeem om ernstige verstoringen te absorberen en zich aan te passen aan
nieuwe omstandigheden, terwijl de kernfuncties van het systeem behouden blijven.
Noten
1 Wij bespreken hier kort de bevindingen van wetenschapsgebieden met
    bijzondere relevantie voor onze discussie. Voor een meer volledig over-
    zicht zie De Bruijne et al. (2010).
2 Holling herkende dat de twee vormen van veerkracht ten koste van e­ lkaar
    kunnen gaan. Engineering resilience draait om ‘efficiency of function’, terwijl
    ecological resilience draait om ‘existence of function’ (Holling 1996, p. 33).
3 Anders gezegd: de eerste benadering denkt in termen van het voorkomen
    van falen (fail-safe), de tweede in termen van om kunnen gaan met falen
    (safe-fail).
4 Zo stelt een recent adviesrapport van de KNAW (2011) voor om maatschap-
    pelijke veerkracht te bestuderen en te verbeteren via de methoden van de
    complexiteittheorie en complexe adaptieve systemen.
5 Deze ideeën zijn gepopulariseerd in Malcolm Gladwell’s The Tipping Point.
6 Deze observatie sluit aan bij theorieën over collectieve intelligentie (­zoals
    ‘wisdom of the crowd’ van Surowiecki (2004)), zelforganisatie en politicolo-
    gische beschouwingen over de ‘intelligence of democracy’ (­Lindblom 1965).
                                                                        Bijlage 1 83
</pre>

====================================================================== Einde pagina 83 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 84 ======================================================================

<pre>3
De veerkrachtige samenleving:
een weerbarstig ideaal
Het is gemakkelijk om de tekortkomingen van de gebureaucratiseerde ver-
zorgingsstaat aan te wijzen en daar veerkracht als ideaal tegenover te stel-
len. Het is aanzienlijk lastiger om te concretiseren hoe dat ideaal er precies
uitziet of hoe het bereikt kan worden. Wat zijn de kenmerken van een veer-
krachtige samenleving? Kan de staat zelf ook veerkrachtig zijn?
    In het politieke debat duikt veerkracht vaak op in betogen over de wense-
lijkheid van een kleinere staat. Ergens is dat merkwaardig. Zoals we hebben
gezien zegt het begrip zelf niets over de relatie tussen staat en samenleving
– het zegt slechts iets over het vermogen met schokken om te gaan. Waarom
zou een kleinere overheid er beter voor zorgen dat de samenleving met
schokken kan omgaan? Dat idee vereist een theorie over de gewenste relatie
tussen staat en samenleving.
    Als we het ideaal van veerkracht willen doorgronden, moeten we dus de
onderliggende, vaak impliciete, theorieën blootleggen. Waarom zou een
bepaalde maatschappelijke ordening beter schokken kunnen verwerken dan
een andere? Op deze vraag bestaan geen strikt empirisch gefundeerde ant-
woorden. Daarvoor is ze te complex. Iedereen die haar beantwoordt, moet
allerlei aannames doen en begeeft zich daarmee de facto op het terrein van
de normatieve politieke theorie. Op dat terrein vinden we coherente per-
spectieven die allemaal een bepaalde gewenste maatschappelijke ordening
propageren. Elk perspectief zal het ideaal van veerkracht anders invullen.
    Door verschillende politieke perspectieven te onderscheiden, kunnen we
verkennen: 1. hoe veerkracht wordt gezien, 2. waar het wordt gelokaliseerd
in de samenleving en 3. hoe het kan worden versterkt.
    We gebruiken hiervoor de zogenoemde Cultural Theory, oorspronkelijk
ontwikkeld door Mary Douglas en later uitgewerkt met Aaron Wildavsky
(Douglas and Wildavksy 1983). Deze theorie biedt een eenvoudig, maar
    84 Terugtreden is vooruitzien
</pre>

====================================================================== Einde pagina 84 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 85 ======================================================================

<pre>krachtig raamwerk om politieke opvattingen over risico’s en verstoringen
te analyseren (zie Hood 1998; Lodge 2009). Uiteraard bestaan er ook allerlei
andere typologieën van ideaaltypische maatschappijordeningen die we
hadden kunnen gebruiken. Maar voor onze doeleinden doet de precieze
indeling van de typologie er weinig toe. Het gaat ons erom te verkennen
hoe veerkracht als ideaal intrinsiek verbonden is met maatschappijopvat-
tingen. Sterker nog, hoe het eigenlijk geen betekenis heeft buiten die opvat-
tingen.
   De leidende gedachte is dat elk politiek perspectief een bepaalde maat-
schappelijke ordening voorstaat waarin veerkracht een specifieke plaats
inneemt. Elk perspectief kun je typeren aan de hand van twee analytische
dimensies: externe dwang (raster) en zelfbinding (groep). De eerste dimen-
sie beschrijft de mate waarin de maatschappij het gedrag van individuen
structureert en voorschrijft of juist ruimte laat voor individuele autono-
mie. De tweede dimensie beschrijft de mate van groepsbinding en collec-
tivisering in sociale en politieke organisaties. Door deze dimensies tegen
elkaar af te zetten, ontstaan vier basispatronen van sociale verbanden die
met een politieke cultuur samenhangen: hiërarchie, egalitarisme, indivi-
dualisme en fatalisme (figuur 1).
                          +
         fatalisme              hiërarchie
 -                                           +    groep
      individualisme           egalitarisme
                          -
                      raster
Figuur 1: Groep-rastertypologie van politieke culturen
                                                                Bijlage 1 85
</pre>

====================================================================== Einde pagina 85 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 86 ======================================================================

<pre>Deze culturele typen corresponderen ruwweg met de klassieke gover-
nance-arrangementen: staat (hiërarchie), civil society (egalitarisme) en
markt (individualisme). De fatalistische cultuur is een apart geval. Daarin
verwacht men weinig goeds van welk governance-arrangement dan ook.
Daarom is men primair aangewezen op pure zelfredzaamheid en een zeke-
re tolerantie voor de spelingen van het lot.
    Elk van deze perspectieven zal veerkracht anders duiden en ook elders
lokaliseren in de samenleving. Daarnaast zijn er concurrerende ideeën over
hoe de veerkracht van de samenleving kan worden versterkt, ondermijnd of
verminderd. Wij bespreken elk perspectief heel kort en laten zien hoe sterk
de concepties van veerkracht kunnen variëren. We illustreren de verschil-
lende opvattingen aan de hand van twee beleidssectoren: nationale veilig-
heid en sociale zekerheid – meer specifiek: de Wajong-regeling.1
    Veiligheidsmaatregelen en sociale zekerheid helpen beide onze maat-
schappij te beschermen tegen verstoringen. De nationale veiligheidssector
is gericht op crises en rampen. De sociale zekerheidssector is gericht op een
heel ander type verstoring: het stijgend aantal mensen dat niet deelneemt
aan het arbeidsproces. Een belangrijke groep hierin vormt de jongeren met
beperkingen, voor wie de Wajong is gecreëerd. De bedreiging betreft zowel
sociale uitsluiting als de financiële last voor de staat.
Hiërarchie: veerkracht als sluitpost
In een hiërarchisch perspectief zijn maatschappelijke banden sterk
gestructureerd. Iedereen heeft zijn of haar plaats. Sociale regels omschrij-
ven wie wat kan doen, afhankelijk van zijn of haar sociale klasse, leeftijd,
geslacht of opleiding. Expertise staat hoog aangeschreven en is leidend bij
het collectief bepalen van de gewenste richting. Regeren is vooruitzien.
Voor elk probleem bestaat een oplossing, zolang de politieke wil bestaat
om deze door te voeren. Of het nu gaat om veiligheid of sociale zekerheid,
veerkracht is niet een heel belangrijk principe in dit perspectief. Het voor-
komen van en reageren op verstoringen is voornamelijk de verantwoorde-
lijkheid van de overheid – en in feite een kerntaak van de staat.
    De overheid probeert fysieke verstoringen te voorkomen middels een
strategie van anticipatie: op rationale wijze risico’s in beeld brengen en
die vervolgens trachten te voorkomen met een combinatie van regulering,
beleid en toezicht. Responsorganisaties spelen een belangrijke rol: deze
organisaties worden onderworpen aan standaardisering, certificering,
    86 Terugtreden is vooruitzien
</pre>

====================================================================== Einde pagina 86 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 87 ======================================================================

<pre>toezicht en verantwoordingsmechanismen. Veiligheid is in dit perspectief
de resultante van een effectieve combinatie van beleid en een strak georga-
niseerd responssysteem.
    In het hiërarchische perspectief werpt de verzorgingsstaat zich op als
de hoeder van kwetsbare groepen die tegen uitsluiting beschermd moeten
worden. Er bestaat weinig vertrouwen in de zelfredzaamheid van de men-
sen voor wie de voorziening is gecreëerd. Zonder een collectieve voorzie-
ning worden de mensen in dit perspectief ‘aan hun lot overgelaten’.
    Veerkracht fungeert als sluitstuk voor beleid. Waar veiligheid niet
door middel van beleid kan worden bereikt, doet de overheid een beroep
op ‘de eigen verantwoordelijkheid’ van de burger. Veerkracht wordt van
bovenaf georganiseerd: de eigen verantwoordelijkheid van de burger wordt
nauwkeurig bepaald en helder gecommuniceerd – zie bijvoorbeeld de
Postbus 51-campagnes ‘Goed voorbereid zijn heb je zelf in de hand’ en ‘Weet
u wat uw pensioen waard is?’.
    Een groot aantal deskundigen denkt mee over de noodzakelijke aan-
passingen in het collectieve arrangement om de gewenste uitkomst te
bereiken. Regels worden herzien, instrumenten worden verfijnd, effecten
worden geschat. In dit centralistische, technocratische proces kunnen
beleidsexperimenten een bescheiden rol spelen, vooral daar waar decentra-
lisatie bestaat of ingevoerd wordt. Dan kunnen lokale instanties binnen de
generieke structuren verschillende opties uitproberen. Bij gebleken of ver-
meend succes kunnen deze navolging krijgen op centraal niveau.
Individualisme: veerkracht als privaat initiatief
In dit perspectief is de rol van de staat minimaal. Niet collectieve besluit-
vorming is leidend, maar individuele keuzes en vrijwillige transacties.
Burgers worden gezien als gemotiveerd en capabel om vorm te geven aan
hun leven. Variatie, verschillen en afwijkingen worden gevierd.
    De conceptualisatie van veiligheidsbeleid en sociale zekerheid is nave-
nant minimalistisch. De burger is grotendeels verantwoordelijk voor de
eigen veiligheid, zowel voor het vaststellen van de mate en aard van veilig-
heid als voor de wijze waarop men die wil arrangeren. Veiligheid wordt in
principe zo weinig mogelijk collectief georganiseerd of door de staat gefaci-
liteerd; de burger moet het via eigen initiatief organiseren.
    Vanuit het individualistisch perspectief is veerkracht primair gebaat
met het wegnemen van belemmeringen voor individueel handelen. Zo ook
                                                                  Bijlage 1 87
</pre>

====================================================================== Einde pagina 87 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 88 ======================================================================

<pre>in de sociale zekerheid. Het feit dat bepaalde jongeren met beperkingen te
maken hebben, is geen reden om te veronderstellen dat ze geen initiatief
kunnen nemen of niets te bieden hebben. De collectieve voorzieningen
voor deze groep maken de jongeren passief en afhankelijk en kunnen
zelfs een medicaliserend effect hebben (het uitkeringsrecht is immers
afhankelijk van het al of niet ziek of gehandicapt zijn). Of zoals sommigen
deze effecten samenvatten: het werkt een slachtoffercultuur in de hand
(Dalrymple 2006).
   De markt speelt in dit perspectief een belangrijke rol en voorziet, op
doelmatige en effectieve wijze, in de behoeften – zo is de gedachte. De bur-
ger kan dan naar eigen inzicht en vermogen bepalen hoe bijvoorbeeld de
persoonlijke veiligheid wordt georganiseerd. Op individueel niveau kan
de burger bijvoorbeeld een alarmsysteem laten installeren in het huis of
besluiten naar een veiligere buurt of stad te verhuizen. De burger kan zich
voor rechtshulp en tegen brand, overstromingen en orkanen verzekeren.
Burgers kunnen samenwerken om bepaalde collectieve goederen te organi-
seren (veilig vervoer, buurtbewaking).
   Ook sociale zekerheid wordt via de markt vormgegeven. Allerlei vrij-
heidsbeperkende vereisten, die intrinsiek zijn aan onze arbeidsmarkt, die-
nen in dit perspectief daarom te worden weggenomen of opgeschort. Juist
die goedbedoelde regels, zoals ontslagbescherming, houden de jongeren
met beperkingen gevangen in hun uitzonderingspositie. Het maakt het
voor werkgevers onaantrekkelijker om via trial-and-error te zoeken naar het
nut dat jongeren met beperkingen kunnen hebben voor hun ondernemin-
gen. Ontslag kan eenvoudiger gemaakt worden en verplichtingen kunnen
worden opgeschort, zoals de plicht tot het aanbieden van een vast contract
na een aantal tijdelijke contracten. Jongeren worden ‘geactiveerd’ door mid-
del van prikkels, in de hoop dat ze zo eerder de voorziening verlaten. Het
impliceert dat ze daar zelf invloed op kunnen uitoefenen, hetgeen past bij
het individualistische perspectief.
Egalitarisme: veerkracht als saamhorigheid
In egalitaire verbanden hechten mensen aan gelijkheid en solidariteit. Ze
staan kritisch ten opzicht van de instituties van zowel de staat als de markt.
Alternatieve arrangementen moet de gemeenschap zelf ontwikkelen. In
egalitaire verbanden behouden individuen hun autonomie doordat de
   88 Terugtreden is vooruitzien
</pre>

====================================================================== Einde pagina 88 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 89 ======================================================================

<pre>leden van de groep een gelijke stem, en dus ook vetomacht, hebben in col-
lectieve besluitvorming.
   In dit perspectief is veerkracht een van de belangrijkste organiserende
principes van het maatschappelijke systeem. De verantwoordelijkheid voor
geluk, zekerheid en veiligheid ligt bij de burgers. Zij opereren in sterke
sociale verbanden die maatschappelijk verankerd zijn. Sociale instituties
(lokale gemeenschappen, de kerk, de vakbond, de sportverenigingen) vor-
men de lijm van de veerkrachtige samenleving – een samenleving die tegen
een stootje kan. Veerkracht is in dit perspectief vanzelfsprekend.
   Veiligheid en sociale zekerheid worden in eerste instantie lokaal georga-
niseerd. De lokale instituties – de gemeente, scholen, kerken, verenigingen
– spelen een centrale rol. De centrale staat heeft een bescheiden rol: de staat
kan faciliteren, bijstaan of coördineren. 2 Maar dat is niet zonder risico’s.
Pogingen van de staat om sociaal kapitaal van burgers of groepen te stimu-
leren hebben niet zelden een perverterend effect.3
   Een egalitair perspectief op sociale zekerheid deelt veel van de indivi-
dualistische kritiek op de verzorgingsstaatarrangementen, maar koestert
evenzeer wantrouwen tegenover de markt. In plaats daarvan vestigt het
de hoop op de eigen groep, het netwerk of de gemeenschap waarvan de
jongeren deel uitmaken. In het egalitaire perspectief horen noties thuis
als solidariteit en gelijkheid, maar ook een afkeer van de smalle focus op
het economisch productief maken van jongeren, die in veel van de huidige
arrangementen te zien is. Het perspectief hier is breder: op emancipatie
en sociale inclusie. Na een ramp of tijdens een crisis blijkt hoe sterk de
veerkracht van een samenleving is. Als het gaat zoals het hoort, wordt de
respons gekenmerkt door een hoge mate van solidariteit, improvisatiever-
mogen en effectiviteit.
   Dit idee van veerkracht past bij een bepaald type samenleving dat gezien
vanuit het huidige tijdsgewricht al snel overkomt als ouderwets, ruraal,
vooroorlogs. Maar deze vorm van veerkracht wordt nog regelmatig waarge-
nomen in bijvoorbeeld de Verenigde Staten. Denk aan de gemeenschappen
in de Midwest die hard samenwerken – zandzakken op de dijk en voor de
deur – wanneer de rivier dreigt te overstromen. Volendam is een voorbeeld
van een hechte gemeenschap die een traumatische gebeurtenis – de café-
brand in de oudejaarsnacht van 2000 – op eigen kracht te boven is geko-
men.
                                                                 Bijlage 1 89
</pre>

====================================================================== Einde pagina 89 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 90 ======================================================================

<pre> Fatalisme: veerkracht als overlevingsdrang
 In het fatalistische perspectief zien burgers zich niet primair als lid van
 een groep. Maar anders dan individualisten zien ze weinig ruimte om zelf
 initiatief te nemen. De structuren die hun leven inperken zijn dwingend en
 liggen buiten hun invloed. Ze worden met wantrouwen tegemoet getreden.
    In dit perspectief neemt veerkracht een paradoxale positie in. De burger
 vertrouwt noodgedwongen op de eigen veerkracht, omdat hij geen beroep
 kan of wil doen op de staat of andere georganiseerde verbanden. De burger
 maakt gebruik van parallelle structuren, maar is ook terughoudend met
 het daarin investeren. De overheid vertrouwt niet op deze vorm van veer-
kracht en probeert die te reguleren, mede omdat die gepaard gaat met kri-
tiek op haar eigen functioneren.
    Een crisis is olie op het vuur bij dit wantrouwen. De burger, die geen
vertrouwen heeft in de aangeboden hulp van de overheid, leunt voor zover
mogelijk op primaire groepsbanden, zoals familie. De overheid heeft
een verwrongen beeld van de burger: die raakt snel in paniek, zal gaan
­plunderen, handelt niet rationeel – een beeld dat in de praktijk zelden waar
 blijkt te zijn. Maar de maatregelen worden op dit beeld afgestemd, waar-
 door het gedrag als het ware wordt opgeroepen. Als de burger zich veer-
 krachtig toont, wordt dat al snel verkeerd begrepen.
    De orkaan Katrina biedt een treffende illustratie voor deze conceptie
van veerkracht. Een aanzienlijk gedeelte van de armere burgers van New
Orleans weigerde de stad te verlaten voor de storm. Zij hadden weinig
vertrouwen in de overheid en geen geld om het zelf te regelen. De geboden
opvang in de Superdome bleek al snel ontoereikend, wat alleen maar beves-
 tigde wat inwoners van de overheid verwachtten. De getroffen inwoners
 moesten zelf voor eten en onderdak zorgen, hetgeen tot plunderingen
 leidde.
    Ook de Wajonger is in dit perspectief aangewezen op een basaal soort
 zelfredzaamheid. Bijvoorbeeld door zich afzijdig te houden of, wanneer
 men participeert, zich te onttrekken aan het gedrag dat het systeem pro-
 beert af te dwingen. Het strategisch omgaan met voorschriften, zelfs het
 ontduiken ervan, kan dan als rechtvaardig worden gezien. De belangrijkste
 vorm van veerkracht die fatalisten herkennen is het vermogen de schokken
 die het systeem toebrengt uit de weg te gaan of te incasseren.
    Vanuit het fatalistische perspectief staat de legitimiteit van het Wajong-
 beleid, met zijn eenzijdige focus op het economisch productief maken van
    90 Terugtreden is vooruitzien
</pre>

====================================================================== Einde pagina 90 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 91 ======================================================================

<pre>alle burgers, ter discussie. Er is geen reden om de doelen over te nemen van
een systeem waarvan je geen deel uitmaakt en waarop je geen invloed kunt
uitoefenen. In plaats van een dergelijk opgelegd doel na te streven, is de
jongere meer gebaat bij het leren omgaan met zijn beperkingen.
    Het fatalistische perspectief wordt vanuit de andere perspectieven vaak
geïnterpreteerd als een vorm van falen: staat, markt en civil society laten
het allemaal afweten, met een ongewenste, onopgeloste situatie tot gevolg.
Dit is een eenzijdige interpretatie. Soms is niets doen beter dan iets doen,
zoals de beleidsanalyse al decennialang benadrukt. Zo is het tolereren van
onveiligheid bijvoorbeeld soms wenselijker, ook vanuit economisch en
maatschappelijk opzicht, dan die onveiligheid terug te dringen middels de
arrangementen van de staat, markt of civil society (zie Van Eeten 2011). Zo
is bijvoorbeeld de innovatiekracht van internet als technologisch platform
voor nieuwe diensten direct verbonden met de onveiligheid ervan (Zittrain
2008). Elk arrangement om die onveiligheid terug te dringen zal gepaard
gaan met grote opportunity costs voor de samenleving, kosten die ­aanzienlijk
groter kunnen zijn dan de kosten van de onveiligheid zelf. Veerkracht is hier
het vermogen schokken te kunnen verwerken in plaats van deze ongedaan
te maken.
Normatieve pluriformiteit: de voor- en nadelen van veerkracht
Elk van de besproken perspectieven biedt een andere, logisch consistente
conceptie van veerkracht. Elk perspectief suggereert ook voordelen van de
eigen conceptie, evenals nadelen die bij andere concepties passen. Helaas
zijn de argumenten vóór en tegen van een verschillende orde, waardoor een
vergelijking niet gemakkelijk is.
    Zo suggereert een hiërarchisch perspectief dat veerkracht onnodig is – of
zou moeten zijn, omdat het onvoldoende garanties biedt. De fijnmazige en
ingewikkelde structuren bieden de belofte van beheersing. De regelstruc-
tuur maakt het mogelijk overwegingen van rechtvaardigheid en gelijkheid
te incorporeren. De nadelen van een dergelijk arrangement zijn evident:
hiërarchische beleidsarrangementen zijn vaak inert, formalistisch, duur en
ineffectief; ze ontkennen verschillen, scheppen afhankelijkheden en belem-
meren de emancipatie en zelfredzaamheid van burgers. Als het toch onver-
hoopt fout gaat, gaat het ook goed fout.
    Het individualistisch perspectief belooft dat fysieke en sociale veiligheid
op nieuwe en mogelijk innovatieve wijzen kan worden georganiseerd. De
                                                                   Bijlage 1 91
</pre>

====================================================================== Einde pagina 91 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 92 ======================================================================

<pre> markt voor veiligheid gaat gepaard met een veiligheidsindustrie die werk-
 gelegenheid en economische groei genereert (Christie 1993). Privatisering
 van sociale zekerheid en marktmechanismen bevorderen inclusie van
 mensen met beperkingen op de arbeidsmarkt. De kosten van dit model
 worden door het marktmechanisme inzichtelijk gemaakt. Het nadeel van
 deze conceptie van veerkracht zal eveneens helder zijn: het werkt versplin-
 tering van het maatschappelijke domein in de hand. Veiligheid en sociale
 zekerheid zullen zich concentreren in gated communities – de minder
 bedeelden worden steeds meer blootgesteld aan allerlei vormen van onvei-
ligheid en onzekerheid – variërend van geweld tot massaontslag.
     Het voordeel van een egalitair perspectief is dat het aansluit bij een sys-
teem dat in de praktijk heel goed lijkt te werken. Door de respons dicht
bij de crisishaard te organiseren en gebruik te maken van lokale kennis
en goed functionerende netwerken, wordt voldaan aan de belangrijkste
­condities voor effectief crisismanagement (Quarantelli 1988; Rodriguez et
 al. 2006).
     Dit geldt ook voor sociale zekerheid. De voordelen overlappen de nadelen
 van verstatelijkte arrangementen: minder fijnmazige beheersing, minder
 gelijkheidsdwang, minder afhankelijkheid van publieke middelen en voor-
 zieningen, meer handelingsvrijheid en eigen verantwoordelijkheid voor
 burgers, meer variëteit.
     Het is echter ook een inefficient systeem. Routineverstoringen worden
 niet op een doelmatige wijze bestreden, omdat een lokale gemeenschap
 geneigd zal zijn het wiel opnieuw uit te vinden of omdat diepgewortelde
 culturen een effectief reguleringssysteem in de weg staan (zie bijvoorbeeld
 Volendam). Het is ook een potentieel onrechtvaardig systeem. Het maakt
 burgers kwetsbaar voor falende samenwerking in sociale netwerken en
 gemeenschappen; ze worden aan meer onzekerheid blootgesteld en er
 kunnen onrechtvaardige verdelingseffecten ontstaan doordat sommige
 gemeenschappen onevenredig veel van dergelijke taken moeten zien te ver-
 vullen, terwijl de zelfredzamen naar elders zijn getrokken. Ook herinnert
 het aan de nadelen van de private zorg en charitas in de eigen gemeenschap
 die voorafgingen aan de verzorgingsstaat. Voor een deel bood juist het ano-
 nieme publieke arrangement ook bescherming tegen de afhankelijkheid
 van naasten.
     In maatschappelijk opzicht heeft de fatalistische vorm van veerkracht
wel enige waarde als een antwoord – hoe gebrekkig of omstreden ook –
     92 Terugtreden is vooruitzien
</pre>

====================================================================== Einde pagina 92 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 93 ======================================================================

<pre>op het falen van publieke instituties, de markt en civil society – of minder
dramatisch: op de afnemende ambities van die instituties. De resulterende
mate van zelfredzaamheid zal uiteraard zeer sterk verschillen. Ze zal soms
schrijnend tekortschieten en hoeft in niets te lijken op de vormen van zelf-
redzaamheid die beleidsmakers voor ogen hebben.
     Zelfredzaamheid is hier een antwoord op collectieve voorzieningen die
geen legitimiteit hebben omdat ze mensen tegenwerken of aan hun lot over-
laten. Er is dan ook geen enkele reden voor burgers om het gedrag te vertonen
dat die voorzieningen beogen wanneer ze oproepen tot zelfredzaamheid.
     De grens tussen veerkracht en deviant gedrag is flinterdun. De para-
dox van het fatalistische perspectief is dat mensen niet passief afwachten
tot anderen het voor hen regelen. Veerkracht als noodzaak en bron van
­subversiviteit: het normatieve karakter van dit concept komt zo scherp aan
 het licht.
     Wij concluderen dat pleidooien voor veerkracht vaak bestaan uit kritiek
 op de ideeën die figureren in andere perspectieven. Met name ‘hiërarchi-
 sche’ argumenten moeten het hierin ontgelden. Kritiekpunten die klinken
 vanuit individualisme en egalitarisme hebben betrekking op de obsessie
 met beheersing en het risicomijdend, technocratisch, centralistisch karak-
 ter van dit regime.
     Een illustratief voorbeeld is de kritiek van Frissen (2007) op het gelijk-
 heidsdenken dat in onze verzorgingsstaat geïnstitutionaliseerd zou zijn.
 Dat ondermijnt veerkracht, omdat het variëteit belemmert of zelfs actief
 bestrijdt. Frissen refereert aan een impliciet ideaalbeeld van veerkracht
 dat meer op individualisme leunt, eventueel in combinatie met een van de
 andere typen – zoals de Amerikaanse politieke cultuur in het verleden vaak
 is gedomineerd door een coalitie van individualisme en egalitarisme tegen
 hiërarchie (Wildavsky et al. 1998, p. 205). 4
 Noten
 1 Voor alle duidelijkheid: dit zijn geen casestudies gericht op realistische
     beleidsvoorstellen. Het zijn gedachte-experimenten die verkennen hoe
     ideaaltypische politieke perspectieven tegen veerkracht aankijken.
 2 Zo betoogde Hilhorst (2011) dat de uitkeringsinstanties hun cliënten zou-
     den moeten helpen hun sociaal kapitaal te mobiliseren in tijden van nood.
                                                                   Bijlage 1 93
</pre>

====================================================================== Einde pagina 93 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 94 ======================================================================

<pre>  Een vergelijkbaar idee is gearticuleerd door Nico de Boer en Jos van der
  Lans (2011). Zij pleiten voor een ‘faciliterend bedrijf ’ voor wat ze ‘burger-
  kracht’ noemen.
3 Veel maatschappelijke organisaties die voortkomen uit particulier initi-
  atief zijn door steun van de overheid verstatelijkt geraakt. Dit heeft hun
  maatschappelijke verankering ondermijnd, omdat de organisatie meer
  gericht raakt op het behouden van de geldstromen en daarmee op de
  functie die ze vervullen voor de staat, niet voor de eigen gemeenschap
  (RMO 2010). Dit is bijvoorbeeld ook waargenomen bij etnische zelforga-
  nisaties: juist het faciliteren door de overheid ondermijnde het sociaal
  kapitaal dat ze vertegenwoordigen en mobiliseren voor de gemeenschap
  (Berger 2010).
4 Overigens wees Wildavsky ook op de instabiliteit van die coalitie, die
  in de loop van de twintigste eeuw opnieuw uiteen viel. Het onderscheid
  tussen de moderne Republikeinse partij en de Democratische par-
  tij zag hij als een individualistisch-hiërarchische coalitie versus een
  ­egalitaristisch-hiërarchische coalitie (Wildavsky et al. 1998).
   94 Terugtreden is vooruitzien
</pre>

====================================================================== Einde pagina 94 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 95 ======================================================================

<pre>4
De maakbaarheid van veerkracht:
oorzaken, condities en mogelijke
strategieën
Het blijkt dat achter de pleidooien voor veerkracht bepaalde maatschappij-
beelden schuil gaan. Wij hebben aan de hand van de groep-rastertypologie
van politieke basisculturen laten zien dat een combinatie van mensbeeld
en maatschappijbeeld tot zeer verschillende concepties leidt van veerkracht
en de manier waarop dat bereikt zou kunnen worden. En de verschillende
concepties brengen weer heel verschillende kosten en baten met zich mee.
Elk van de vier politieke culturen – hiërarchie, individualisme, egalitaris-
me en fatalisme – lokaliseert maatschappelijke veerkracht elders en prefe-
reert daarmee andere strategieën om veerkracht te bereiken.
    De strategieën die door elke cultuur worden aangereikt zijn niet echt
nieuw en niet puur op veerkracht gericht. Achter het begrip maatschap-
pelijke veerkracht gaan recepten schuil die we vaak onder andere noemers
al eerder hebben gezien: de staat (hiërarchie), de markt (individualisme), de
civil society (egalitarisme) en, uiteindelijk, pure individuele zelfredzaam-
heid (fatalisme). De noemers doen er niet toe, wel het feit dat veerkracht er
niet los van kan worden gezien.
    Dit betekent uiteraard ook dat er heel verschillend – en tegenstrijdig
– gedacht wordt over de maakbaarheid van maatschappelijke veerkracht.
Toch weten we uit het veiligheidsdomein, breed opgevat als het overleven
door een samenleving van een ramp, wel het een en ander over de oorzaken
van veerkracht. Het is interessant om deze lessen samen te vatten, omdat
het laat zien welke mechanismen naar voren komen wanneer er min of
meer overeenstemming bestaat over wat veerkracht beoogt te bereiken.
    We presenteren deze bevindingen met onze ‘minimalistische’ definitie
van veerkracht in gedachten: veerkracht als het vermogen van een systeem om
                                                                 Bijlage 1 95
</pre>

====================================================================== Einde pagina 95 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 96 ======================================================================

<pre>ernstige verstoringen te absorberen en zich aan te passen aan nieuwe omstandig­
heden, terwijl de kernfuncties van het systeem behouden blijven.
   Wij hanteren twee kernassumpties. Ten eerste moet veerkracht worden
afgezet tegen de ernst (duur, gevolgen) van de verstoring. Hoe ernstiger de
verstoring, hoe meer veerkracht nodig is. Maar hier geldt ook: hoe ernstiger
de verstoring, hoe moeilijker het is om veerkracht te vertonen. Daarnaast
gaan wij ervan uit dat maatschappelijke veerkracht is gelokaliseerd op ver-
schillende niveaus: op het metaniveau van de staat, op het mesoniveau van
publieke instituties en op het microniveau van burgers.
   Hieruit vloeit onze kernhypothese voort: hoe veerkrachtiger burgers
en instituties zijn, hoe veerkrachtiger de maatschappij. Maatschappelijke
veerkracht leunt dus sterk op institutionele en individuele veerkracht.
Logischerwijs geldt dan ook: hoe ernstiger de verstoring, hoe meer veer-
kracht wordt vereist van burgers en publieke instituties. Een relatief kleine
verstoring – denk aan een stroomstoring van enkele uren – vereist vooral
veerkracht van enkele gespecialiseerde instituties (de netwerkbeheerder,
crisisautoriteiten); burgers hoeven niet zo veel te laten zien. Een grootscha-
lige ramp – denk aan de orkaan Katrina – vereist in eerste instantie vooral
veerkracht van burgers (het kost tijd voor de betrokken instituties om een
respons te organiseren). Maar een stad die door een dergelijke ramp getrof-
fen is, komt er alleen bovenop als publieke instituties en burgers veer-
kracht demonstreren op de lange termijn.
   Wat bepaalt nu het vermogen om op effectieve wijze een grootschalige
verstoring het hoofd te bieden? Het is handig om hier nog een analytisch
onderscheid te maken tussen de kortetermijnrespons (het reageren op de
onmiddellijke effecten van de verstoring) en de langetermijnrespons (het
zich aanpassen aan de nieuwe omstandigheden). Veerkracht is, met andere
woorden, de resultante van twee vectoren: crisismanagement en adaptief
vermogen.
   Voordat wij de state of the art in de kennisgebieden crisismanagement
en adaptief vermogen bekijken, is het goed om een opmerking te maken
over de bredere context waarin dit alles plaats heeft. Maatschappijen scoren
verschillend, in de tijd en ten opzichte van elkaar, op kwalitatief belang-
rijke indicatoren zoals welvaart, milieu, demografische factoren, educatie
en integratie. Het lijkt voor de hand te liggen dat dergelijke factoren de
veerkracht direct en indirect beïnvloeden. Maar er is geen onderzoek
waarin een relatie is vastgesteld tussen deze factoren en de veerkracht van
   96 Terugtreden is vooruitzien
</pre>

====================================================================== Einde pagina 96 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 97 ======================================================================

<pre>een maatschappij. Hoewel ogenschijnlijk belangrijk, kunnen wij daar niets
over zeggen.
Crisismanagement
Het onderzoek naar de reacties van burgers op ernstige verstoringen levert
consequent dezelfde bevindingen op: burgers tonen zich in de praktijk
‘zelfredzaam’ na een crisis of ramp (Drabek 2009; Rodriguez et al. 2006;
Helsloot 2007.1 Het zelforganiserend vermogen van burgers is in de regel
hoog (Kendra en Wachtendorf 2003). Burgers vervallen zelden in disfunc-
tioneel gedrag (apathie, paniek, plunderingen). 2 Deze bevindingen sug-
gereren dat zelfredzaamheid niet bewerkstelligd hoeft te worden middels
beleid; beleid zou juist gestoeld moeten zijn op deze bevindingen (Helsloot
2007).
   Publieke instituties hebben doorgaans meer moeite met het managen
van crises (Rosenthal et al. 1989; Rosenthal et al. 2001; Boin et al. 2000). Een
lange reeks verstoringen – van Volendam tot Moerdijk, van 9/11 tot de aan-
houdende financiële crisis – heeft dit laten zien.
   Dat is niet zo vreemd als we de kenmerken van een crisis in ogenschouw
nemen. Het gaat om een ernstige verstoring die het functioneren van
belangrijke maatschappelijke functies, en daarmee de kernwaarden van
een maatschappij, bedreigt. De legitimiteit van de overheid staat daarmee
op het spel (’t Hart 1993). Publieke instituties moeten onder zware tijdsdruk
optreden, hoewel zij niet over de benodigde informatie beschikken en vaak
niet weten wat er gedaan moet worden om het tij te keren. Deze instituties
zijn in hun respons afhankelijk van de structuren en processen die tijdens
een crisis ter discussie staan (Boin en ’t Hart 2000).
   Een graadmeter van effectief crisismanagement, en daarmee veerkracht,
is het herstel van legitimiteit. Hiervan is sprake wanneer stakeholders
(burgers, klanten, politici, media) hun vertrouwen uitspreken in de
manier waarop betrokken instituties omgaan met een verstoring. Na de
dubbele aanslag in Oslo op 22 juli 2011 kon de Noorse premier op massale
bijval rekenen voor reactie van de Noorse regering. De Spaanse regering
kreeg na de aanslagen in Madrid veel kritiek en verloor de verkiezingen
die enkele dagen na de aanslagen op de agenda stonden (Olmeda 2008).
President Bush genoot brede steun na de aanslagen van 11 september 2001,
maar werd scherp bekritiseerd voor zijn optreden na de orkaan Katrina.
De ­legitimiteit van veel financiële instituties is scherp gedaald in de afgelo-
                                                                  Bijlage 1 97
</pre>

====================================================================== Einde pagina 97 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 98 ======================================================================

<pre>pen jaren. De legitimiteit van de Amerikaanse brandweerdiensten – die elk
jaar weer een ongelijke strijd aangaat met grootschalige bosbranden – blijft
onverminderd hoog.
    Waarom legitimiteit van instituties na een crisis behouden blijft danwel
verloren gaat, blijft een vooralsnog onbeantwoorde vraag. Een startpunt
voor onderzoek is het in kaart brengen van crisismanagement-capaciteit.
Drie taken lijken van essentieel belang voor het omgaan met een crisis:
sense-making, decision-making en meaning-making. Het vermogen deze taken
uit te voeren zal de effectiviteit van de respons ten goede komen (Boin et al.
2005).3
    Een publieke institutie moet een goed besef ontwikkelen van de aard en
reikwijdte van de verstoring (sense-making). In het crisisveld wordt gespro-
ken van shared awareness of een common operational picture. Het blijkt in de
praktijk niet mee te vallen om een helder, correct en breed gedeeld beeld
van de verstoring te krijgen (Weick en Sutcliffe 2001). Er is een veelheid
van factoren die kan verklaren waarom publieke instituties zo veel moeite
hebben met het genereren, verwerken en delen van de juiste informatie
(Turner 1978; Perrow 1999). De paradox hier is dat juist de factoren die een
institutie in ‘gewone tijden’ zo effectief maken, de urgente zoektocht naar
een correct beeld van de situatie bemoeilijken. Dit betekent ook dat er geen
eenvoudige handgrepen of beleidsopties zijn om dit vermogen te verster-
ken.
    De tweede taak voor een publieke institutie is het uitzetten van de juiste
koers. Tijdens snel escalerende crises en rampen worden allerlei belang-
rijke beslissingen genomen door zogenoemde first responders (ambulance-
personeel, politieagenten, control room operators enz.). Veel van de insti-
tutionele veerkracht zit in de capaciteit van deze operators om snel de juiste
beslissingen te nemen (Roe en Schulman 2008). Op het strategische niveau
moeten andere moeilijke beslissingen worden genomen.
    Een belangrijk type beslissing dat zich vaak aandient tijdens een crisis
is de keuze tussen reparatie en hervorming (Boin en ’t Hart 2000): moeten
getroffen of falende structuren worden hersteld of is de tijd gekomen om
deze structuren grondig te vernieuwen? Beide opties laten zich moeilijk
verenigen en hebben verregaande consequenties voor de veerkracht van
een institutie of beleidssector.
    Een derde taak (meaning-making) voor publieke instituties is de stakehol-
ders te overtuigen dat de gekozen koers en de ingezette respons acceptabel,
    98 Terugtreden is vooruitzien
</pre>

====================================================================== Einde pagina 98 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 99 ======================================================================

<pre>correct en juist is. Dit is geen eenvoudige taak, omdat crises onderhuidse
spanningen in een maatschappij aan het licht brengen en daarmee de
handelingsopties politiseren. Zoals we in hoofdstuk 3 hebben gezien is
veerkracht een normatief begrip. Het gaat om de richting waarin een maat-
schappij zich beweegt: terugkeer naar de status quo of een sprong vooruit.
Het debat over de Europese Monetaire Unie vormt een treffende illustratie.
Crisiscommunicatie van publieke instituties wordt daarmee snel – en veel
sneller dan crisisautoriteiten doorgaans verwachten of verantwoord ach-
ten – onderdeel van een emotioneel politiek debat. Veerkracht kan alleen
worden bewerkstelligd met brede politieke en maatschappelijke steun.
Dergelijke saamhorigheid is echter zeldzaam en zelden van lange duur.
Adaptief vermogen
Naast het vermogen om de onmiddellijke gevolgen van een verstoring op te
vangen, draait veerkracht ook (en misschien wel vooral) om het vermogen
structurele aanpassingen te kunnen bewerkstelligen. Een verstoring mar-
keert vaak een structurele discrepantie tussen een sociaal verband en de
omgeving waarin dat verband functioneert en waarvan het afhankelijk is.
Het gaat hier dus om het adaptief vermogen van een maatschappij en haar
instituties (waarbij we als kernassumptie hanteren dat burgers adaptief
zijn).
   Wetenschappelijke studies over verdwenen maatschappijen benadruk-
ken dat een gebrek aan adaptief vermogen funeste gevolgen kan hebben
voor een samenleving die met grote, structurele verstoringen wordt gecon-
fronteerd (zie bv. Diamond 2005; Morris 2010). Alle maatschappijen worden
op enig moment met grote verschuivingen (politiek, militair, klimaat, eco-
nomisch) geconfronteerd. Wanneer die veranderingen groot genoeg zijn,
zal een maatschappij zich moeten aanpassen. Sommige maatschappijen
lukt dat, veel samenlevingen zijn daar niet in geslaagd.
   Wetenschappers zijn verdeeld over het hoe en waarom van succesvolle
en minder effectieve aanpassingen. Er bestaan veel theorieën die de val
van het Romeinse Rijk verklaren, maar die theorieën blijken dan weer
niet in staat de neergang van andere maatschappijen te verklaren – of
ze kunnen niet verklaren waarom andere maatschappijen juist niet te
gronde gaan (voor een overzicht zie Morris 2010). Wij noemen hier enkele
­ogenschijnlijk plausibele factoren, maar we moeten vaststellen dat syste-
 matisch bewijs voor het belang van deze factoren ontbreekt.
                                                                 Bijlage 1 99
</pre>

====================================================================== Einde pagina 99 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 100 ======================================================================

<pre>   Leiderschap, of het gebrek daaraan, is ongetwijfeld een factor die bij veel
mensen zal opkomen als een mogelijke verklaring voor maatschappelijk
aanpassingsvermogen. Leiders die vasthouden aan de structuren waarop
hun machtspositie stoelt, zullen het aanpassingsvermogen van hun staat of
organisatie logischerwijs frustreren – de leiders van veel Arabische landen
strekken hier tot voorbeeld. Daartegenover kunnen we dan voorbeelden
van visionair leiderschap plaatsen. Een instructief voorbeeld is Governor
Hunt die de Amerikaanse staat North Carolina door een periode van dra-
matische economische veranderingen leidde: North Carolina ontwikkelde
zich van een arme tabaksstaat tot een staat met topuniversiteiten, technolo-
gische bedrijven en een bloeiende medische industrie. De these die hieruit
voortvloeit is dat effectieve leiders de institutionele structuur op tijd weten
aan te passen aan de nieuwe omgeving waarin die samenleving moet over-
leven en bloeien (Skowronek 1993; Wildavsky 1984).
   Een andere veelgenoemde factor is het innoverend vermogen van een
samenleving. Ook in deze argumentatie figureren veel voor de hand liggen-
de verklaringen die niet van systematisch bewijsmateriaal vergezeld gaan
(vgl. Garcia en Calantone 2002; McLean 2005). Het lijkt bijvoorbeeld logisch
dat innovatievermogen positief wordt beïnvloed door de aanwezigheid van
durfkapitaal, hoogwaardig onderwijs, cultuur, tolerantie en democratie –
kortom, al die factoren die een staat als California kenmerken. Het is alleen
niet duidelijk of deze factoren de oorzaak of het resultaat van innovatie zijn.
Zo wijst Morris (2010) op de wet van de remmende voorsprong: het zijn
juist de ‘achtergebleven’ culturen die radicale sprongen kunnen maken,
omdat ze niets hebben te verliezen. Dit suggereert dat slim kopiëren – denk
aan China – belangrijker is dan innovatie.
   Een vergelijkbare argumentatie geldt voor democratie als conditie voor
aanpassingsvermogen. De geschiedenis is rijk aan voorbeelden van autori-
taire regimes die verrassend innovatief zijn geweest en zich daarmee veer-
krachtig toonden (Morris 2010).
   Een factor die zelden wordt genoemd en wetenschappelijk niet echt seri-
eus wordt genomen is mazzel. Het onderzoek van Morris (2010) laat echter
zien dat sommige samenlevingen hun veerkracht niet alleen aan slim inno-
veren of visionair leiderschap hadden te danken, maar aan de gelukkige
geografische ligging die hun kansen na een ingrijpende klimaatwijziging
verbeterde – en de kansen van andere maatschappijen minimaliseerde.
   100 Terugtreden is vooruitzien
</pre>

====================================================================== Einde pagina 100 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 101 ======================================================================

<pre>Een menukaart voor veerkracht
De snelle tour d’horizon langs de wetenschappelijke velden die op een of
andere manier iets met maatschappelijke veerkracht van doen hebben,
genereert een variëteit aan soms voor de hand liggende, maar ook contra-
intuïtieve en fascinerende inzichten. Wij moeten vaststellen dat dit onder-
zoek aanknopingspunten voor handelen biedt, maar geen wetenschap-
pelijk getoetste set van strategieën die maatschappij veerkrachtig zullen
maken. Eerder lijkt sprake van een menukaart waaruit naar eigen inzicht
en hartenlust kan worden gekozen.
   Het onderzoek stelt wel vraagtekens bij het beeld dat een welvarende
maatschappij, met welvarende burgers en goed functionerende institu-
ties, veerkrachtiger zal zijn dan een maatschappij die lager scoort op deze
dimensies. Het tegenovergestelde zou heel goed het geval kunnen zijn. De
eenvoudigste conclusie die we kunnen trekken is dat dit onderzoek geen
grondslag biedt voor een vijfjarig beleidsprogramma of een subsidierege-
ling.
   Het onderzoek suggereert dat het laaghangende fruit voor beleidsma-
kers meer op het gebied van crisismanagement ligt dan op het gebied van
maatschappelijk aanpassingsvermogen. Het is relatief goedkoop om het
crisismanagement van publieke instituties te verbeteren. De veerkracht
op korte termijn kan daarmee worden verbeterd. Meer onderzoek is nodig
voordat we iets dergelijks kunnen beweren voor over het adaptief vermogen
van een samenleving. De geheimen van veerkracht op lange termijn moe-
ten nog worden ontsloten.
Noten
1 Amerikaanse rampensociologen hebben zeer uitgebreid onderzoek ge-
   daan naar de zelfredzaamheid van burgers.
2 Het is overigens interessant vast te stellen dat crisisautoriteiten met heel
   andere beelden werken en dergelijk disfunctioneel gedrag juist veron-
   derstellen.
3 Boin et al. (2005) onderscheiden nog twee taken (verantwoording en
   ­leren), maar die taken hebben betrekking op de lange termijn (en die
    laten we daarom hier buiten beschouwing).
                                                                Bijlage 1 101
</pre>

====================================================================== Einde pagina 101 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 102 ======================================================================

<pre>5
Op weg naar een veerkrachtige
samenleving?
Het wordt tijd om de balans op te maken. Wij zijn dit essay begonnen met
de constatering dat veerkracht een hoopvol concept is: het impliceert, ja
belooft zelfs, een onvermoede eigenschap die een angstige en onzekere
gemeenschap graag op het juiste moment bij zichzelf ontdekt. Het gaat dan
om het vermogen grote schokken te weerstaan, om stabiliteit te bewaren in
het licht van ingrijpende veranderingen. Beter zelfs: het gaat om het vermo-
gen beter en sterker uit een crisis te komen. Het mag geen verrassing heten
dat de idylle van de veerkrachtige samenleving juist in deze spannende
tijden opgeld doet.
    Wij hebben in dit essay links en rechts vraagtekens gezet bij dit idylli-
sche beeld van maatschappelijke veerkracht. Wij worstelden met de vraag
of veerkracht nu echt een waardevol concept is met meerwaarde voor the-
orie en praktijk. Of is het misschien toch een modieus concept dat vroeg
of laat zal verwaaien? Onze conclusie ligt ergens in het midden: veerkracht
is potentieel interessant en relevant voor beleidsmakers en sociaal weten-
schappers; er moet echter veel gebeuren om het concept te behoeden voor
een roemloze aftocht.
Geen nieuw recept
Alles begint met de definitie van veerkracht. Wij definiëren veerkracht als
het vermogen van een sociaal systeem om schokken of ernstige verstorin-
gen te weerstaan zonder dat het karakter van het systeem of kritieke pro-
cessen in dat systeem worden aangetast. Veerkracht is het vermogen of de
capaciteit van een systeem om stabiel te functioneren.
    Sommige auteurs doen voorkomen alsof veerkracht specifieke strate-
gieën impliceert. In recente politieke en bestuurskundige debatten wordt
veerkracht vaak geassocieerd met het terugdringen van de staat en het
    102 Terugtreden is vooruitzien
</pre>

====================================================================== Einde pagina 102 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 103 ======================================================================

<pre>meer zelfredzaam maken – of meer zelfredzaam veronderstellen – van bur-
gers.1 Het begrip zelf zegt echter niets over een vereiste staatsordening of
burgerschapsopvatting. Dat komt dus ergens anders vandaan, namelijk uit
impliciete maatschappijopvattingen die schuilgaan achter het gebruik van
het concept. Sterker nog, veerkracht heeft geen betekenis buiten die opvat-
tingen.
   De groep-rastertypologie stelt ons in staat ‘veerkrachtstrategieën’ te
ontmaskeren. Er zijn geen nieuwe recepten. Achter het begrip gaan ideeën
schuil die we vaak onder andere noemers al eerder hebben gezien: de staat,
de markt, de civil society en ook pure individuele zelfredzaamheid.
   Met elk van die governance-arrangementen zijn hele wetenschapsgebie-
den verbonden die hebben nagedacht over de vraag hoe het aanpassings-
vermogen van het arrangement kan worden versterkt. Uit al die gebieden
komen recepten voor veerkracht. Soms geschraagd door een stevige empiri-
sche basis, maar meestal niet. Wie volgens individualistisch perspectief de
veerkracht wil vergroten, bekijkt wat economen te berde hebben gebracht
over het vergroten van het aanpassingsvermogen van bedrijven, markten en
hele economieën aan schokkende veranderingen.
   Sommige auteurs doen voorkomen alsof veerkracht wel degelijk specifie-
ke strategieën impliceert. Met name het mechanisme van variëteit en selec-
tie duikt regelmatig op als strategie voor veerkracht (zie bv. Van Gunsteren
2006). De krachtigste machine voor variëteit en selectie is het initiatief van
in vrijheid handelende individuen die onderling transacties aangaan – ofte-
wel: de markt. Is de markt daarmee ook veerkrachtiger dan de drie andere
arrangementen? Het korte antwoord op die vraag moet luiden: nee. Op die
vraag is vooralsnog geen wetenschappelijk antwoord. Er zijn alleen politieke
stellingnames, zoals de debatten van de afgelopen jaren duidelijk hebben
gemaakt. In sommige opzichten is de markt veerkrachtiger, in andere niet.
Voor sommige problemen wel, voor andere niet.
   Wel kunnen we stellen dat veerkracht niet hetzelfde is als een kleinere
staat, laat staan dat het bezuinigen op bepaalde overheidsvoorzieningen
vanzelf maatschappelijke veerkracht bevordert. Het kan die evenzeer onder-
mijnen. Ter illustratie: als de voorzieningen om jongeren met gebreken aan
werk te helpen worden afgebroken terwijl een verregaande flexibilisering
van de arbeidsmarkt uitblijft, dan zal volgens elk perspectief de maatschap-
pelijke veerkracht eerder afnemen dan toenemen. Als het wél gepaard gaat
met flexibilisering van de arbeidsmarkt, zal het individualistische perspec-
                                                                 Bijlage 1 103
</pre>

====================================================================== Einde pagina 103 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 104 ======================================================================

<pre>tief een toename van de veerkracht voorspellen, maar de andere perspectie-
ven op voorhand niet.
    Het opportunistische gebruik van termen als veerkracht, zelfredzaam-
heid en eigen verantwoordelijkheid in combinatie met overheidsbezuini-
gingen moet dus gewantrouwd worden. Het uitzetten van de ‘geluksma-
chine’ an sich dwingt hoogstens meer fatalistische vormen van veerkracht
af. De zelfredzaamheid die daarmee gepaard gaat, is grillig en soms ronduit
subversief – heel anders dan het hoopvolle beeld van vindingrijke indivi-
duen die de staat werk uit handen nemen.
De leugenachtige belofte van veerkracht
Veerkracht is een normatief geladen begrip. Dat mag eigenlijk niet verba-
zen. Volgens de definitie kan bijvoorbeeld een dictatuur enorm veerkrach-
tig zijn. De maffia, Griekse belastingontduikers, het wereldwijde netwerk
van pedofielen, voetbalhooligans en rechtsextremistische politieke partij-
en tonen zich volgens deze definitie bijzonder veerkrachtig. De vraag wordt
dan ineens: hoe kunnen we veerkracht de kop indrukken?
    Het voorafgaande toont een cruciaal probleem met het huidige gebruik
van het begrip veerkracht, namelijk dat veerkracht wordt gezien als intrin-
siek goed. Niemand is erop tegen. Dit is echter een schijnconsensus die
diepe politieke conflicten maskeert. Veerkracht kan alleen intrinsiek goed
zijn als we overeenstemming hebben over de toestand waarnaar we moeten
terugkeren en de wijze waarop dat bereikt kan worden. Beide zijn nu juist
vaak controversieel. Moeten we terug naar de begintoestand van voor de
verstoring? Of juist via adaptatie naar een hervormde toestand? En zo ja,
welke?
    Het huidige gebruik van de term ontwijkt meestal dergelijke politieke
conflicten. Juist daaraan dankt het begrip zijn leugenachtige belofte een
nieuwe strategie te zijn die door iedereen omarmd kan worden. Een advies-
rapport van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen
over veerkracht (KNAW 2011) illustreert dit prima. Het belooft bijvoorbeeld
strategieën te vinden om de veerkracht van het financiële systeem te ver-
groten. Wat kan daarop tegen zijn? Maar de huidige crisis rond de euro
toont aan dat het verwerken van schokken een intrinsiek politiek en con-
troversieel vraagstuk is. Weinigen zullen betogen dat we terug moeten
keren naar de toestand van voor de crisis. Die is nu juist ontmaskerd als
hoogst problematisch en kwetsbaar. Maar waar moeten we dan wel naar
    104 Terugtreden is vooruitzien
</pre>

====================================================================== Einde pagina 104 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 105 ======================================================================

<pre>toe? Waar kan een nieuw stabiel evenwicht gevonden worden? Meer over-
heidstoezicht met een nieuwe Europese euro-autoriteit? De beleggers zelf
de gevolgen laten dragen van hun risicovolle en lucratieve leningen aan
Griekenland? Griekenland helpen om zo de solidariteit tussen Eurolanden
te redden of het land juist om die reden uit de eurozone zetten? Of moet
Nederland catch-as-catch-can spelen door zichzelf te redden en zo veel moge-
lijk te profiteren van de keuzes die elders worden gemaakt? Hierin kunnen
we grofweg dezelfde ideaaltypische politieke culturen herkennen die ons
onderling verdeeld houden: respectievelijk meer hiërarchie, meer individu-
alisme en meer egalitarisme en meer fatalisme. En dat zijn nog maar enkele
van de vele controversiële voorstellen voor de wijze waarop deze schok het
beste verwerkt kan worden. De belofte dat het bevorderen van veerkracht
in het financiële systeem verschoond kan blijven van deze controverses is
ronduit misleidend en onwetenschappelijk.
    Wat betekent dit voor de bruikbaarheid van het concept? Niet alle terrei-
nen zijn in de greep van dergelijke controverses. Als er overeenstemming
is over de toestand waarnaar teruggekeerd moet worden, kan het concept
zijn werk doen. Het is niet voor niets dat veerkracht juist op het terrein van
veiligheid opkomst heeft gemaakt. Na een natuurramp, aanslag of ongeluk
is het primaire doel om de samenleving weer op gang te brengen. Daarover
bestaat weinig verschil van mening. Op andere terreinen, zoals zorg,
onderwijs, cultuur en sociale zekerheid, is het echter veel moeilijker om
hierover consensus te vinden. Het concept kan nog steeds gebruikt worden,
maar dan wordt het – impliciet of expliciet – gekoppeld aan een intrin-
siek politiek begrip van de wenselijke toestand die na herstel en adaptatie
bereikt wordt. Zoals onze analyse met de groep-rastertypologie heeft laten
zien, zullen die standpunten uiteenlopen – en daarmee ook de strategieën
voor veerkracht.
Verder met veerkracht
Als veerkracht aan een veelheid van structuren en processen kan refereren,
wat voegt het concept dan eigenlijk toe? Een concept moet precies worden
geformuleerd om bruikbaar te zijn in de wetenschap (Schulman 2011).
Wetenschappers zullen dan ook overeenstemming moeten bereiken over
een werkbare definitie van veerkracht die in de praktijk relevant wordt
geacht. Dat is voorwaar een hele opgave. 2 Twee belangrijke uitdagingen
dienen dan overwonnen te worden.
                                                                Bijlage 1 105
</pre>

====================================================================== Einde pagina 105 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 106 ======================================================================

<pre>   Ten eerste moeten we bedenken hoe om te gaan met het hardnekkige
probleem dat een veerkrachtige samenleving al snel verwordt tot een syno-
niem voor een stabiele samenleving. Het wordt dan – niet tot ieders genoe-
gen – een conservatief begrip: de wereld verandert, maar wij willen alles
bij het oude houden. Japan toont zich bijzonder veerkrachtig na de recente
aardbeving – velen hadden nu juist gehoopt dat de grootschalige ramp ein-
delijk tot structurele veranderingen zou leiden.
   Ten tweede moeten we bedenken dat een veerkrachtige samenleving
kosten met zich meebrengt. Die kosten variëren met de manier waarop we
veerkracht invullen. In het hiërarchische perspectief liggen de kosten in
het organiseren en in stand houden van een bureaucratie bemenst door
experts. In het egalitaire perspectief liggen de kosten vooral bij de gemeen-
schappen die het niet op eigen kracht redden en bij het bestrijden van
routinecrises, omdat elke gemeenschap het wiel opnieuw moet uitvinden.
Het individualistische perspectief zou het meest efficiënt moeten zijn. De
kosten worden daar gedragen door degenen die geen middelen hebben om
veerkracht te arrangeren. In het fatalistische perspectief worden kosten
afgewenteld op de samenleving zonder dat de baten duidelijk worden of aan
de gemeenschap als geheel toekomen.
   Stel nu – for argument’s sake – dat een consensus rond onze definitie
wordt bereikt: veerkracht als systeemvermogen om met verstoringen om te
gaan. Dan zien wij ons al snel geconfronteerd met de interessantere vraag
of en vooral hoe maatschappelijke veerkracht kan worden bewerkstelligd.
   Wij constateren dat er niet zo veel over de oorzaken van veerkracht
bekend is. Dit neemt niet weg dat sommige steden, organisaties of lan-
den beter met schokken, crises en rampen omgaan dan de meeste andere
(Diamond 2005). Het empirisch bewijsmateriaal mag dan misschien ‘dun’
zijn, het blijft een belangwekkende observatie die serieus onderzoek ver-
dient. Wij moeten leren welke factoren de veerkracht van complexe syste-
men positief dan wel negatief beïnvloeden.
Wij kunnen ons een onderzoeksagenda voorstellen die zich richt op de
oorzaken van veerkracht – of een gebrek daaraan. Een dergelijke onder-
zoeksagenda vereist dan wel een normatieve plaatsbepaling die de meeste
discussies ontberen. Maar is het eigenlijk wel interessant of nodig om meer
onderzoek te propageren? Wij denken van wel. We noemen hier drie argu-
menten die door het schrijven van dit essay op de voorgrond zijn getreden.
   106 Terugtreden is vooruitzien
</pre>

====================================================================== Einde pagina 106 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 107 ======================================================================

<pre>    Ten eerste heeft het idee van veerkracht een heuristische waarde.
Onderzoek naar systemen die enorme schokken hebben weerstaan is de
bron van contra-intuïtieve, fascinerende inzichten. Zo leren we van de
ecologie dat natuurlijke systemen – denk aan een oerbos of een savanne –
gebaat zijn bij schokken. Bosbranden vormen een bedreiging, maar zijn
tegelijkertijd noodzakelijk om het systeem vitaal te houden. Het voor-
komen van bosbranden ondermijnt het systeem, waardoor het broos en
kwetsbaar wordt. Het streven naar stabiliteit op de korte termijn onder-
mijnt zo stabiliteit op de langere termijn.
    Een vergelijkbaar inzicht komt voort uit de studies naar de beheersing
van risicovolle technologieën zoals kernenergie, gevaarlijke virussen en
– zoals we nu weten – financiële systemen. De beheersing van dergelijke
technologieën leunt sterk op wat Wildavsky ‘anticipatie’ noemt: het ratio-
neel doordenken van allerlei mogelijke risico’s om die vervolgens middels
allerlei defensieve strategieën te ondervangen. Maar anticipatie blijkt in
de praktijk niet geheel zonder improvisatie en trial-and-error te kunnen.
Kleine verstoringen kunnen in dit perspectief heel nuttige leermomenten
bevatten. Belangrijker nog, trial-and-error leidt op termijn tot grotere veilig-
heidswinsten dan voorzorgbeleid dat direct probeert veiligheid te verbete-
ren door risico’s af te weren.
    Ook in bestuurskundig opzicht is het een contra-intuïtief idee dat maat-
schappelijke stabiliteit juist bedreigd kan worden door een bovenmatige
obsessie met beheersing en bevorderd kan worden door het tolereren van
kleine fouten en schokken. Dit idee heeft enige verwantschap met klassieke
bestuurskundige theorieën die kleinschalige experimenten en ‘muddling
through’ voorstaan (Lindblom 1965) en voor variëteit en selectie pleiten (Van
Gunsteren 1976).
    Een tweede reden voor de aantrekkingskracht van veerkracht ligt in
het polemisch potentieel van het concept. Op veel terreinen is het domi-
nante denken sterk verwant met het hiërarchische perspectief, hetgeen
inherent is aan onze sterk verstatelijkte arrangementen. Dat geeft de
strategieën voor veerkracht die verbonden zijn met individualistische
en egalitaire culturen een contra-intuïtief karakter. Ze vormen een bron
van argumenten die tegen het dominante denken over stabiliteit kunnen
worden ingezet. Dit verklaart waarom aan veerkracht gerelateerde termen
(­zelfredzaamheid, institutionele variëteit) vooral opduiken in polemische
verhandelingen over de allesbepalende staat (Van Gunsteren 2006, Frissen
                                                                 Bijlage 1 107
</pre>

====================================================================== Einde pagina 107 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 108 ======================================================================

<pre>2007). Het verklaart ook waarom met veerkracht geassocieerde strategieën
(eigen initiatief, decentralisatie) opduiken in bezuinigingsvoorstellen. Zo
vernemen wij tegenwoordig dat grootschalige bezuinigingen op bijvoor-
beeld de kunstsector die juist sterker zullen maken.
   De derde reden – het hoopgevende potentieel van veerkracht – is misschien
wel de meest overtuigende. Het lijkt erop dat de kritieke systemen die de
moderne maatschappij kenmerken structureel instabiel zijn. Of het nu
gaat om ICT-systemen, het imploderende financiële systeem, klimaatver-
andering of stagnerende integratie – de vectoren lijken dezelfde kant op te
wijzen. Een kleine verstoring kan verstrekkende gevolgen hebben voor de
manier waarop wij leven en willen leven.
   De veerkrachtige samenleving kan een antwoord bieden op de uitdagin-
gen, bedreigingen en schokken die voortvloeien uit de snel veranderende
wereld. Het is misschien een vaag concept dat vele ideologische meesters
kan dienen, maar de belofte van een veerkrachtig systeem is te groot en te
belangrijk om te negeren.
   Een legitiem systeem dat een ingebouwd vermogen bezit om schokken
te weerstaan is waardevol maatschappelijk bezit. Het is niet alleen een
hoopvol idee, het is een cruciaal idee in het licht van de grootschalige ver-
anderingen die we op ons af kunnen zien komen.
   Onze bevindingen suggereren dat investeringen in crisismanagement
een eerste, relatief goedkope manier zijn om veerkracht te vergroten. Maar
dit is slechts een bescheiden eerste stap. Veerkracht berust ook (en mis-
schien wel vooral) op de tweede pijler van adaptief vermogen. Maar we heb-
ben eigenlijk nauwelijks een idee hoe we dat vermogen kunnen beïnvloe-
den of versterken. Een onderzoeksagenda zal daarom sterk op deze tweede
pijler gericht moeten zijn.
Noten
1 Met name het mechanisme van variëteit en selectie wordt met enige re-
   gelmaat gepresenteerd als een strategie voor veerkracht (Van Gunsteren
   2006; Frissen 2007).
2 Voor een moeizame poging zie De Bruijne et al. (2010).
   108 Terugtreden is vooruitzien
</pre>

====================================================================== Einde pagina 108 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 109 ======================================================================

<pre>Literatuur
Bauman, Z. (2007). Liquid Times: Living in an Age of Uncertainty. Cambridge:
   Cambridge University Press.
Beck, U. (1992). Risk Society: Towards a New Modernity. Londen: Sage
   Publications.
Berger, M. (2010). Politiek burgerschap van migranten in Berlijn. De weerbarstige
   relatie tussen sociaal kapitaal en integratie van Turken, Italianen, Russische
   Joden en Aussiedler (proefschrift). Amsterdam: IMES.
Boer, N. de, en J. van der Lans, J. (2011). Burgerkracht. De toekomst
van het sociaal werk in Nederland. Den Haag: Raad voor Maatschappelijke
   Ontwikkeling.
Boin, R.A. en P ’t Hart. (2000). Institutional Crises in Policy Sectors:
   An exploration of characteristics, conditions and consequences.
   In: H. Wagenaar (red.), Government Institutions: Effects, Changes and
   Normative Foundations (p. 9-31). Boston: Kluwer Press.
Boin, R.A, S.L. Kuipers en M.H.P. Otten (red.) (2001). Institutionele crises.
   Breuklijnen in beleidssectoren. Alphen a/d Rijn: Samsom.
Boin, R.A., P. ’t Hart, E. Stern en B. Sundelius (2005). The Politics of Crisis
   Management. Public Leadership Under Pressure. Cambridge: Cambridge
   University Press
Brown, L.R. (2008). Plan B 3.0: Mobilizing to Save Civilization. New York:
   Norton.
Bruijne, M.L.C. de, A. Boin en M.J.G. van Eeten (2010). Resilience: Exploring
   the Concept and Its Meanings. In: L. Comfort, A. Boin en C. Demchak
   (red.), Designing Resilience: Preparing for Extreme Events (p. 13-31).
   Pittsburgh, PA: University of Pittsburgh Press.
Christie, N. (1993). Crime Control as Industry: Towards Gulags. Londen:
   Routledge.
Coutu, D.L. (2003). How Resilience Works. In: Harvard Business Review on
   Building Personal and Organizational Resilience (p. 1-18). Harvard: Harvard
   Business Review Press.
Dalrymple, T. (2006). Leven aan de onderkant. Het systeem dat de onderklasse
   instandhoudt. Houten: Het Spectrum.
                                                                     Bijlage 1 109
</pre>

====================================================================== Einde pagina 109 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 110 ======================================================================

<pre>Diamond, J. (2005). Ondergang. Waarom zijn sommige beschavingen verdwenen
    en hoe kan de onze haar ondergang voorkomen? Houten: Spectrum.
Douglas, M. W. en A. Wildavsky (1983). Risk and Culture. An Essay on the
    Selection of Technological and Environmental Dangers. Berkeley: University
    of California Press.
Drabek, T. (2009). The Human Side of Disaster. Boca Raton: CRC Press.
Dynes, R.R. (1970). Organized Behavior in Disaster. Lexington: D.C. Heath and
    Company.
Eeten, M. van (2011). Gedijen bij onveiligheid. Afwegingen rond de
    risico’s van informatietechnologie. In: D. Broeders, M.K.C. Cuijpers
    en J.E.J. Prins (red.), De staat van informatie (p. 133-157). Amsterdam:
    Amsterdam University Press.
Eeten, M. van, A. Nieuwenhuijs, E. Luijf, M. Klaver en E. Cruz (2011). The
    state and the threat of cascading failure across critical infrastructures.
    In: Public Administration, jg. 89, nr. 2, p. 361-380.
Folke, C. (2006). Resilience: The emergence of a perspective for
social-ecological systems analyses. In: Global Environmental Change, nr. 16,
    p. 253–267.
Frissen, P.H.A. (2007). De staat van verschil: Een kritiek van de gelijkheid.
    Amsterdam: Van Gennep.
Frissen, P.H.A. (2009). Gevaar verplicht: Over de noodzaak van aristocratische
    politiek. Amsterdam: Van Gennep.
Furedi, F. (2006). Culture of Fear Revisited. Risk-taking and the Morality of Low
    Expectation. Londen: Continuum.
Garcia, R. en R. Calantone (2002). A Critical Look at Technological
    Innovation Typology and Innovativeness Terminology. A Literature
    Review. In: The Journal of Product Innovation Management, jg. 19, nr. 2,
    p. 110-132.
Giddens, A. (1991). The Consequences of Modernity. Stanford: Stanford
    University Press.
Gladwell, M. (2000). The Tipping Point. How Little Things Can Make a Big
    Difference. New York: Little Brown and Company.
Gunsteren, H.R. van (1976). The Quest for Control. A Critique of the Rational-
    central-rule Approach in Public Affairs. Londen: John Wiley.
Gunsteren, H.R. van (2006). Vertrouwen in democratie. Over de principes van
    zelforganisatie. Amsterdam: Van Gennep.
   110 Terugtreden is vooruitzien
</pre>

====================================================================== Einde pagina 110 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 111 ======================================================================

<pre>Hart, P. ’t (1993). Symbols, rituals and power. The lost dimension in crisis
   management. In: Journal of Contingencies and Crisis Management, jg. 1,
   nr. 1, p. 36-50.
Helsloot, I. (2007) Voorbij de symboliek. Over de noodzaak van een rationeel
   perspectief op fysiek veiligheidsbeleid (oratie bij de aanvaarding van
   de leerstoel Crisisbeheersing en Fysieke Veiligheid aan de Vrije
   Universiteit Amsterdam). Den Haag: Boom Juridische Uitgevers.
Helsloot, I. en B. van ’t Padje (red.) (2010). Zelfredzaamheid, concepten, thema’s
   en voorbeelden nader beschouwd. Den Haag: Boom Juridische Uitgevers.
Hilhorst, P. (2011). Sociale veerkracht als vangnet. In: S&D, jg. 68, nr. 5/6,
   p. 149-158. Holling, C.S. (1973). Resilience and stability of ecological
   systems. In: Annual Review of Ecology and Systematics, vol. 4, p. 1–23.
Holling, C.S. (1996). Engineering resilience versus ecological resilience.
   In: P. Schulze (red.), Engineering within ecological constraints (p. 31-44).
   Washington, D.C.: National Academy Press.
Hood, C. (1976). The Limits of Administration. Londen: Wiley.
Hood, C. (1998). The Art of the State. Oxford: Oxford University Press.
Huitema, D., B. Steur, M. van der Steen en S. Zouridis (red.) (2009). De
   veerkracht van de Nederlandse democratie. In: Bestuurskunde, jg. 2009,
   nr. 1.
Kendra, J.M. en T. Wachtendorf. (2003). Elements of Resilience after
   the World Trade Center Disaster: Reconstituting New York City’s
   Emergency Operations Centre. Disasters, vol. 27, nr. 1, p. 37-53.
KNAW. (2011). Kwetsbaarheid en veerkracht van maatschappelijke systemen.
   (Advies van de Sociaal-Wetenschappelijke Raad). Amsterdam:
   Koninklijke Akademie van Wetenschappen.
LaPorte, T. (1996). High Reliability Organizations: Unlikely, Demanding
   and At Risk. In: Journal of Contingencies and Crisis Management, jg. 4, nr. 2,
   p. 60-71.
Lindblom, C. (1965). The Intelligence of Democracy. New York: Free Press.
Lodge, M. (2009). The public management of risk. In: Review of Policy
   Research, jg. 26, nr. 4, p. 395-408.
Lopez, B. (2006). Critical infrastructure protection in the United States
   since 1993. In: P. Auerswald, L.M. Branscomb, T.M. LaPorte en
   E.O. Michel-Kerjan (red.), Seeds of Disaster, Roots of Response. New York:
   Cambridge University Press.
                                                                     Bijlage 1 111
</pre>

====================================================================== Einde pagina 111 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 112 ======================================================================

<pre>Magazine Nationale Veiligheid en Crisisbeheersing, november/december issue,
    2009, p. 30-35.
McLean, L.D. (2005) Organizational Culture’s Influence on Creativity and
    Innovation. A Review of the Literature and Implications for Human
    Resource Development. In: Advances in Developing Human Resources, jg. 7,
    nr. 2, p. 226-246.
Morris, I. (2010). Why the West Rules (For Now). Londen: Profile Books.
OECD (2003). Emerging Risks in the 21st Century. Parijs: OECD.
Olmeda, J.A. (2008). A reversal of fortune: Blame games and framing
    contests after the 3/11 terrorist attacks in Madrid. In: A. Boin, A.
    McConnell en P. ’t Hart (red.), Governing after Crisis. The Politics of
    Investigation, Accountability and Learning. Cambridge: Cambridge
    University Press.
Perrow, C. (1999). Normal accidents: Living with high-risk technologies. With a
    new afterword and a postscript on the Y2K Problem. Princeton, NJ: Princeton
    University Press.
Perrow, C. (2007). The Next Catastrophe. Reducing Our Vulnerabilities to Natural,
    Industrial, and Terrorist Disasters. Princeton, NJ: Princeton University
    Press.
Quarantelli, E.L. (1988). Disaster crisis management. A summary of
    research findings. Journal of Management Studies, jg. 25, nr. 4, p. 373-385.
Rees, M. (2003). Our Final Hour. New York: Basic Books.
RMO (2010). Terug naar de basis. Over legitimiteit van maatschappelijke
    dienstverlening. Den Haag: Raad voor Maatschappelijk Ontwikkeling.
Rodriguez, H., E.L. Quarantelli en R. Dynes (red.) (2006). Handbook of
    Disaster Research. New York: Springer.
Roe, E.M. en P. Schulman (2008). High Reliability Management. Operating on
    the Edge. Stanford: Stanford Business Books.
Rosenthal, U., M. Charles en P. ’t Hart (red.) (1989). Coping with Crises.
    Springfield: Charles C Thomas.
Rosenthal, U., A. Boin en L. Comfort (red.) (2001). Managing Crises: Threats,
    Dilemmas, Opportunities. Springfield: Charles C Thomas.
Schulman, P.R. (2011). Problems in the Organization of Organization
    Theory. An Essay in Honour of Todd LaPorte. Journal of Contingencies and
    Crisis Management, jg. 19, nr. 1, p. 43-50.
Scott, J.C. (1998). Seeing Like a State. How Certain Schemes to Improve the Human
    Condition Have Failed. Yale: Yale University Press.
   112 Terugtreden is vooruitzien
</pre>

====================================================================== Einde pagina 112 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 113 ======================================================================

<pre>Sheffi, Y. (2005). The Resilient Enterprise: Overcoming Vulnerability for
    Competitive Advantage. Cambridge: MIT Press.
Sornette, D. (2003). Why stock markets crash. Critical events in complex financial
    systems. Princeton: Princeton University Press.
Skowronek, S. (1993). The Politics Presidents Make. Cambridge: Harvard
    University Press.
Surowiecki, J. (2004). The Wisdom of Crowds: Why the Many Are Smarter Than
    the Few and How Collective Wisdom Shapes Business, Economies, Societies and
    Nations. New York: Doubleday.
Taleb, N.N. (2007). The Black Swan. The Impact of the Highly Improbable. New
    York: Random House.
Trommel, W. (2009). Gulzig bestuur. Den Haag: Boom.
Turner, B.A. (1978). Man-made Disasters. Londen: Wykeham.
Vale, L.J. en T.J. Campanella (red.) (2005). The resilient city. How modern cities
    recover from disaster. Oxford: Oxford University Press.
Veld, R.J. in ’t (1989). De verguisde staat. Den Haag: VUGA.
Weick, K.E. en K.M. Sutcliffe (2001). Managing the Unexpected. San Francisco:
    Jossey Bass.
Westrum, R. (2006). A Typology of Resilience Situations. In: E. Hollnagel,
    D.D. Woods en N. Leveson (red.), Resilience Engineering: Concepts And
    Precepts (p. 55-66). Aldershot: Ashgate.
Wildavsky, A.B. (1984). The Nursing Father. Moses as a Political Leader.
    Tuscaloosa, AL: University of Alabama Press.
Wildavsky, A.B. (1988). Searching For Safety. New Brunswick, NJ: Transaction
    Books.
Wildavsky, A.B., S.-K. Chai en B. Swedlow (1998). Culture and Social Theory.
    New Brunswick, NJ: Transaction Books.
Woods, D.D. en E. Hollnagel. (2006). Prologue: Resilience Engineering
    Concepts. In: E. Hollnagel, D.D. Woods en N. Leveson (red.), Resilience
    Engineering: Concepts And Precepts (p. 1-8). Aldershot: Ashgate.
Zittrain, J. (2008). The Future of the Internet - And how to stop it. New Haven:
    Yale University Press.
                                                                       Bijlage 1 113
</pre>

====================================================================== Einde pagina 113 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 114 ======================================================================

<pre>Overzicht van uitgebrachte publicaties
Adviezen
Vijfde raadsperiode 2013-2016
54 Terugtreden is vooruitzien. Maatschappelijke veerkracht in het
    ­publieke domein. (2013)
53 Rondje voor de publieke zaak. Pleidooi voor de solidaire ervaring. (2013)
52 Het onbehagen voorbij. Een wenkend perspectief op onvrede en
     onmacht. (2013)
Vierde raadsperiode 2009-2012
51 Ontzorgen en normaliseren. Naar een sterke eerstelijns jeugd- en
     gezinszorg. (2012)
50 Tegenkracht organiseren. Lessen uit de kredietcrisis. (2011)
49 De nieuwe regels van het spel. Internet en publiek debat. (2011)
48 Migratiepolitiek voor een open samenleving. (2011)
47 Nieuwe ronde, nieuwe kansen. Sociale stijging en daling in perspectief.
     (2011)
46 Polariseren binnen onze grenzen. (2009)
45 De wijk nemen. Een subtiel samenspel van burgers, maatschappelijke
     organisaties en overheid. (2009)
Briefadviezen:
Tussen ratio en symboliek. Een reflectie op adolescentenstrafrecht. (2012)
Tussen afkomst en toekomst. Etnische categorisering door de overheid.
     (2012)
Bevrijdend kader voor de jeugdzorg. (2011)
Terug naar de basis. Over legitimiteit van maatschappelijke
     dienstverlening. (2010)
De toekomst van de bestuurlijke inrichting. (2010)
Sociaal bezuinigen. (2010)
Briefadvies wmo. (2009)
In samenwerking met de rvz. Investeren rondom kinderen. (2009)
   114 Terugtreden is vooruitzien
</pre>

====================================================================== Einde pagina 114 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 115 ======================================================================

<pre>Derde raadsperiode 2005-2008
44 De ontkokering voorbij. Slim organiseren voor meer regelruimte. (2008)
43 Tussen flaneren en schofferen. Een constructieve aanpak van het
    fenomeen hangjongeren. (2008)
42 Vormen van democratie. Een advies over democratische gezindheid.
    (2007)
41 Straf en zorg: een paar apart. Passende interventies bij delictplegers met
    psychische en psychiatrische problemen. (2007)
40 Inhoud stuurt de beweging. Drie scenario’s voor het lokale debat over de
    WMO. (2006)
39 Ontsnappen aan medialogica. Tbs in de maatschappelijke
    beeldvorming. (2006)
38 Verschil maken. Eigen verantwoordelijkheid na de verzorgingsstaat.
    (2005)
37 Niet langer met de ruggen naar elkaar. Een advies over verbinden. (2005)
36 Lokalisering van maatschappelijke ondersteuning. Voorwaarden voor
    een succesvolle WMO (2005)
In samenwerking met de rvz. Versterking voor gezinnen. (2008)
Tweede Raadsperiode 2001-2004
35 Eenheid, verscheidenheid en binding. Over concentratie en integratie
    van minderheden in Nederland. (2005)
34 Ouderen tellen mee. Advies aan de Themacommissie Ouderenbeleid
    van de Tweede Kamer. (2004)
33 Mogen ouderen ook meedoen. (2004)
32 Toegang tot recht. (2004)
31 Sociale veiligheid organiseren. Naar herkenbaarheid in de publieke
    ruimte. (2004)
30 Verschil in de verzorgingsstaat. Over schaarste in de publieke sector.
    (2004)
29 Humane genetica en samenleving. Bouwstenen voor een ander debat.
    (2004)
28 Europa als sociale ruimte. Open coördinatie van sociaal beleid in de
    Europese Unie. (2004)
27 Hart voor Europa. De rol van de Nederlandse overheid. (2003)
26 Medialogica. Over het krachtenveld tussen burgers, media en politiek.
    (2003)
                                    Overzicht van uitgebrachte publicaties 115
</pre>

====================================================================== Einde pagina 115 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 116 ======================================================================

<pre>25 De handicap van de samenleving. Over mogelijkheden en beperkingen
    van community care. (2002)
24 Bevrijdende kaders. Sturen op verantwoordelijkheid. (2002)
23 Geen woorden maar daden. Bijdrage aan het normen- en waardendebat.
    (2002)
22 Werken aan balans. Een remedie tegen burn-out. (2002)
21 Educatief centrum voor ouder en kind. Advies over voor- en
    vroegschoolse opvang. (2002)
20 Levensloop als perspectief. Kanttekeningen bij de Verkenning
    Levensloop. Beleidsopties voor leren, werken, zorgen en wonen.
    (2002)
19 Van uitzondering naar regel. Maatwerk in het grotestedenbeleid.
    (2001)
18 Aansprekend opvoeden. Balanceren tussen steun en toezicht. (2001)
17 Instituties in lijn met het moderne individu. De Sociale Agenda 2002-
    2006. (2001)
16 Kwetsbaar in kwadraat. Krachtige steun aan kwetsbare mensen. (2001)
In samenwerking met acvz. Inburgering. Educatieve opdracht voor
    nieuwkomer, overheid en samenleving. (2003)
In samenwerking met rob. Etniciteit, binding en burgerschap. (2001)
In samenwerking met de Onderwijsraad. Samen naar de taalschool. (2001)
Eerste raadsperiode 1997-2000
15 Ver weg en dichtbij. Over hoe ict de samenleving kan verbeteren. (2000)
14 Van discriminatie naar diversiteit. Kanttekeningen bij de
    Meerjarennota Emancipatiebeleid ‘Van vrouwenstrijd naar
    vanzelfsprekendheid’. (2000)
13 Wonen in de 21e eeuw. (2000)
12 Alert op vrijwilligers. (2000)
11 Ongekende aanknopingspunten. Strategieën voor de aanpassing van de
    sociale infrastructuur. (2000)
10 Aansprekend burgerschap. De relatie tussen de organisatie van het
    publieke domein en de verantwoordelijkheid van burgers. (2000)
9 Nationale identiteit in Nederland.Internationalisering en nationale
    identiteit. (1999)
8 Arbeid en zorg. Reactie op de kabinetsnota ‘Op weg naar een nieuw
    evenwicht tussen arbeid en zorg’. (1999)
   116 Terugtreden is vooruitzien
</pre>

====================================================================== Einde pagina 116 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 117 ======================================================================

<pre>7 Integratie in perspectief. Advies over integratie van bijzondere groepen
    en van personen uit etnische groeperingen in het bijzonder. (1998)
6 Verantwoordelijkheid en perspectief. Geweld in relatie tot waarden en
    normen. (1998)
5 Uitsluitend vrijwillig!? Maatschappelijk actief in het vrijwilligerswerk.
    (1997)
4 Kwaliteit in de buurt. (1997)
3 Werkeloos toezien. Activering van langdurig werklozen. (1997)
2 Stedelijke vernieuwing. (1997)
1 Vereenzaming in de samenleving. (1997)
In samenwerking met de rvz. Gezond zonder zorg. (2000)
In samenwerking met de rvz. Verslavingszorg herijkt. (1999)
In samenwerking met de rvz. Zorgarbeid in de toekomst. (1999)
In samenwerking met de Onderwijsraad. Voorschools en buitenschools.
    (1998)
Onderzoeken
Klaar voor de start. Overwegingen bij de startkwalificatie. S.Harchaoui, R.
    Janssens, J. van der Meer. (2013)
De ingenieur en de buurman. Communicatie rondom de aanleg van de
    Noord/Zuidlijn. T. Baetens. (2012)
Burgerkracht. De toekomst van het sociaal werk in Nederland. N. de Boer en
    J. van der Lans. (2011)
De weg omhoog. Een analyse van het vertoog over sociale mobiliteit in
    regeringsbeleid. M. van der Steen, R. Peeters en M. Pen. (2010)
Naar een open samenleving? Recente ontwikkelingen in sociale stijging en
    daling in Nederland. J. Tolsma en M.H.J. Wolbers. (2010)
Je voelt het gewoon. Een onderzoek naar schoolkeuze en segregatie in
    Amsterdam-Noord. D. Zeldenrijk. (2010)
Indicatiestelling: omstreden toegang tot zorg. J. van der Meer (2010)
Uit de koker van. Praktijken van verkokering en ontkokering. rmo/vom
    (red.) (2010)
Stem geven aan verankering. rmo (2009)
Beperkt maar niet begrensd. rmo (red.) (2009) Webpublicatie.
Bericht van de werkvloer. J. van der Meer. (2009) Webpublicatie.
                                    Overzicht van uitgebrachte publicaties 117
</pre>

====================================================================== Einde pagina 117 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 118 ======================================================================

<pre>Polarisatie. Bedreigend en verrijkend. rmo (red.) (2009)
Verkenning participatie: Arbeid, vrijwillige inzet en mantelzorg in
    perspectief. rmo (red.) (2008)
Levensvraagstukken. De sociale context van ongewenste zwangerschappen
    en van ondraaglijk en uitzichtloos lijden. (2008)
30 Plannen voor een beter Nederland. De sociale agenda. K. van Beek en
    Y. Zonderop (red.) (2006)
Opbrengsten van sociale investeringen. I. Doorten en R. Rouw (red.) (2006)
Eigen verantwoordelijkheid: bevrijding of beheersing? R. Ossewaarde.
    (2006)
Democratie voorbij de instituties. Vooronderzoek van de Raad voor
    Maatschappelijke Ontwikkeling. (2006)
Horizontale verantwoording bij ZBO’s en agentschappen. T. Schillemans.
    (2005)
Tussen zorgen en begrenzen. Over de aanpak van delictplegers met
    psychi(atri)sche problemen. D. Graas en R.Janssens. (2005)
Gezin anno nu. M. Distelbrink, N. Lucassen en E. Hooghiemstra. (2005)
Tussen vangnet en trampoline. Over de inzet van publieke middelen voor
    participatie en zekerheid. H.Adriaansens, K. van Beek en R. Janssens.
    (2005)
Preventiebeleid. Een verkennende achtergrondstudie. R. Torenvlied en
    A.Akkerman. (2005)
Over insluiting en vermijding. Twee essays over segregatie en integratie.
    J. Uitermark en J.W. Duyvendak; P. Scheffer. (2004)
“Nee, ik voel me nooit onveilig”. Determinanten van sociale
    veiligheidsgevoelens. H. Elffers en W. de Jong. (2004)
Ouderen en maatschappelijke inzet. K. Breedveld, M. de Klerk en J. de Hart.
    (2004)
Financiële prikkels voor werknemers bij uittreding. I. Groot en A. Heyma.
    (2004)
Sociale veiligheid vergroten door gelegenheidsbeperking: wat werkt en wat
    niet? K. Wittebrood en M. van Beem. (2004)
Inburgering. Educatieve opdracht voor nieuwkomer, overheid en
    samenleving. (2003)
Publicaties van de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling zijn te down-
loaden via www.adviesorgaan-rmo.nl
   118 Terugtreden is vooruitzien
</pre>

====================================================================== Einde pagina 118 =================================================================

<br><br>