<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>Verkenning
Ruimte voor redzaamheid
www.ruimtevoorredzaamheid.nl
Verkenning uitgebracht door de Raad voor de Volksgezondheid en Zorg.
Den Haag, 2015
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>2</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>Raad voor de Volksgezondheid en Zorg
Postbus 19404
2500 CK DEN HAAG
Tel        070 3405060
Email mail@rvens.nl
URL        www.rvz.net
Colofon
De verkenning is vanuit de Raad voor de Volksgezondheid en Zorg voorbereid onder leiding van:
Marjanne Sint
Johan Mackenbach
Henk Bosma
Projectteam
Ingrid Doorten
Flip van Sloten
Taoufik Abou
Albertine van Diepen
Lieke Oldenhof
Anne-Marie van der Tuin
Monique Noteboom
Jolanda Hamelink
Angelique Dees
Redactie
Ellen Segeren
Online publicatie
Coördinatie en technische realisatie: Zaaks!
Grafische vormgeving: L5
Fotografie
Eveline Renaud
Nationale Beeldbank
Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten
Locus Architecten
Film
KABK: Leo Ottes en Flip van Sloten
You Tube
                                            3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>Inhoudsopgave
Samenvatting                                             5
1.     Inleiding                                         8
1.1    Aanleiding                                        8
1.2    Vraagstelling                                     8
1.3    Beleidsaandacht                                   9
1.4    Werkwijze                                        10
1.5    Leeswijzer                                       11
2.     Doet de publieke ruimte ertoe?                   12
2.1    De bevolking verandert                           12
2.2    Kwaliteit van leven                              14
2.3    Andere zorg                                      14
2.4    De leefomgeving als bron voor redzaamheid        15
2.5    Beleving van de publieke ruimte                  19
2.6    Conclusie                                        21
3.     Vervagende grenzen en nieuwe tussenruimten       23
3.1    Verschillende soorten ruimte                     23
3.2    Vervagende grenzen                               24
3.3    Nieuwe tussenruimten                             25
3.4    Continu veranderbare ruimten                     26
3.5    Conclusie                                        27
4.     Wie doen wat in de publieke ruimte?              30
4.1    Vrije ruimte of noodzaak tot ordening?           30
4.2    Burgerparticipatie                               30
4.3    Burgerinitiatieven en nieuwe beheerarrangementen 32
4.4    Bedrijven                                        33
4.5    Conclusie                                        34
5.     Een agenda voor de toekomst                      35
5.1    Conclusie                                        35
5.2    Agendapunten voor de toekomst                    35
Bijlagen                                                38
1.     Tekst werkprogramma RVZ 2014                     39
2.     Voorbereiding verkenning                         40
3.     Lijst van afkortingen                            43
4.     Literatuurlijst                                  44
Overzicht publicaties RVZ                               48
                                          4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>Samenvatting
Nadenken over de rol van de publieke ruimte in relatie tot gezondheid is niet
nieuw. Tot begin vorige eeuw stond daarbij vooral het belang van de
volksgezondheid centraal, zoals het voorkomen van besmettelijke ziekten. De
nieuwe uitdaging is om in de publieke ruimte rekening te houden met de
vergrijzing. Het aantal ouderen zal de komende jaren sterk oplopen. Dit heeft
uiteenlopende gevolgen voor de publieke ruimte. Als gevolg van demografische
ontwikkelingen zal het aantal ouderen in steden toenemen, terwijl de vergrijzing op
het platteland versterkt wordt doordat jongere generaties er wegtrekken. In de
steden kan dus concurrentie om de publieke ruimte met andere groepen ontstaan.
Op het platteland zal de verschraling van de publieke ruimte verder doorzetten.
Beide ontwikkelingen kunnen nadelig zijn voor de redzaamheid van ouderen.
Het is van belang te onderzoeken of en hoe de publieke ruimte aanknopingspunten
biedt voor het versterken van de redzaamheid van ouderen. Hoe kan de inrichting van
de publieke ruimte bijvoorbeeld de fysieke veiligheid op straat vergroten, de eventuele
achteruitgang van mobiliteit uitstellen, en zodoende bijdragen aan het langer zelfstandig
blijven wonen van ouderen? De Raad heeft deze vraag verkennend uitgewerkt met
achtergrondstudies naar de wetenschappelijke inzichten in de relatie tussen publieke
ruimte en redzaamheid, met werkbezoeken aan wijken in een aantal steden en met
gesprekken met deskundigen van onder andere gemeenten, architectenbureaus en het
College van Rijksadviseurs (CRa) voor de ruimtelijke inrichting.
Is het realistisch om te verwachten dat redzaamheid kan worden bevorderd door de
inrichting van de publieke ruimte? Onderzoek van TNO en het Erasmus MC geeft
duidelijke aanwijzingen dat de fysieke omgeving een rol speelt bij de redzaamheid
van ouderen. De redzaamheid kan bijvoorbeeld vergroot worden door de
bewandelbaarheid van buurten te verbeteren of door ontmoeting tussen mensen te
stimuleren door functiemenging van openbare ruimten. Redzaamheid van ouderen
heeft namelijk veel te maken met de mate waarin ouderen mobiel kunnen blijven ,
met voorzieningen dichtbij, en met de sociale binding in de wijk.
De publieke ruimte is een medebepalende factor in de redzaamheid van ouderen. De
relatie is overigens meervoudig. Niet alleen de daadwerkelijke inrichting werkt positief
op de redzaamheid. Ook het betrekken van (oudere) burgers bij de inrichting en bij het
gebruik van de publieke ruimte kan de redzaamheid bevorderen. Burgers in staat stellen
verantwoordelijkheid te nemen voor de eigen buurt houdt hen actief en in beweging en
levert sociale contacten en netwerken op. De maatschappelijke baten kunnen
aanzienlijk zijn.
Gemeenten denken nu al na - maar zullen dat veel meer moeten gaan doen - over
de effecten van de vergrijzing, want de inrichting van de publieke ruimte gaat met
stenen en beton gepaard. Dat betekent dat het lang duurt voordat er iets staat, en
als het er eenmaal staat, is het lastig te veranderen. Gemeenten moeten bij
afwegingen omtrent ruimtelijke ordening de gezondheid en redzaamheid van de
bevolking expliciet meenemen. Er is veel te winnen als ook de publieke ruimte kan
worden ingezet bij het versterken van de redzaamheid van ouderen. Dit kunnen de
gemeenten niet alleen doen, zij hebben maatschappelijke partners, bedrijven en
burgers hard nodig. Het bij elkaar brengen van deze verschillende publieke en
private partijen kan meerwaarde opleveren. Zij hebben allemaal een belang bij een
leefbare en toegankelijke publieke ruimte.
                                             5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>De maatschappelijke ontwikkelingen zoals vergrijzing en de veranderingen in de
langdurige zorg maken ook dat publieke ruimte, private ruimte en privésfeer steeds
meer in elkaar gaan overlopen: het onderscheid is minder duidelijk dan voorheen.
Juist in deze overloopgebieden - wij noemen dat de tussenruimten - ontstaan
nieuwe inrichtingsvormen die de redzaamheid van ouderen bevorderen,
bijvoorbeeld doordat die ruimten bijdragen aan de sociale contacten tussen
ouderen en aan hun gevoel van veiligheid. Ook tijdelijke invulling van in onbruik
geraakte gebouwen en terreinen en die voor meerdere functies geschikt maken,
kunnen bijdragen aan meer flexibiliteit. Naast functioneel knooppunt, moet de
publieke ruimte vooral ook een aangename ruimte zijn.
De Raad geeft de betrokken partijen graag een aantal agendapunten voor de toekomst
mee. Om in het ontwikkelen en uitvoeren van beleid rekening mee te houden. Het zijn
agendapunten omdat de concrete invulling ervan maatwerk is; toegesneden op de lokale
situatie.
     1.   Stel de publieke ruimte ook in dienst van de redzaamheid van ouderen.
     2.   Maak van de publieke ruimte een aangename ontmoetingsplaats.
     3.   Erken het potentieel van tussenruimten.
Om met deze agendapunten aan de slag te gaan zijn de volgende twee
randvoorwaarden van belang:
     - Bied ruimte voor initiatieven en experimenten en leer ervan.
     -    Maak meer partijen deelgenoot van de publieke ruimte.
                                            6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>Voorbeeld van hoe het nu is en hoe het beter kan. Bron: Cammelbeeck, 2013.
                                            7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>1. Inleiding
1.1      Aanleiding
Met deze verkenning onderzoekt de Raad de relatie tussen de redzaamheid van
ouderen en de inrichting van de publieke ruimte. De publieke ruimte omvat de
fysieke leefomgeving en infrastructuur waar mensen in terechtkomen als ze hun
voordeur of tuinhek achter zich dichttrekken. Het is de ruimte buitenshuis die
overbrugd wordt om op een andere bestemming te komen, en waar mensen elkaar
kunnen tegenkomen en ontmoeten. Die ruimte is veelal in de buitenlucht, op straat
of in een park, maar ook binnen gebouwen, bijvoorbeeld in de hal van de
bibliotheek, op het station of in de supermarkt. Deze ruimte heeft een
verkeersfunctie en een verblijfs- of recreatiefunctie. De grond kan van de gemeente
zijn of van een private partij. Onderscheidend is dat de ruimte in principe
toegankelijk is voor iedereen, dus ook voor ouderen. Deze verkenning gaat over de
vraag of de publieke ruimte de redzaamheid van ouderen kan versterken.
Er zijn een paar aanleidingen voor deze verkenning:
-      Vergrijzing. In 2040 zal het aandeel ouderen in de bevolking aanzienlijk zijn
       gestegen ten opzichte van nu, namelijk van 17% nu naar ruim een kwart van de
       bevolking straks. Het aantal ouderen van 75 jaar of ouder zal dan meer dan
       verdubbeld zijn; de helft van de bevolking is dan ouder dan 52 jaar (nu 49 jaar).
       Deze grote groep ouderen zal daarmee vermoedelijk zichtbaarder zijn in de
       publieke ruimte. Welke eisen stellen zij aan de publieke ruimte?
-      Gezondheid en kwaliteit van leven. Onze opvattingen over gezondheid veranderen.
       Het is meer dan alleen de afwezigheid van ziekte. Bij ‘gezond ouder worden’ gaat
       het om behoud van levenskwaliteit. Ouderen voelen zich op steeds hogere leeftijd
       vaak goed ondanks ziekte en beperkingen (Westendorp, 2014). Zij blijven ook
       steeds langer zelfstandig wonen en daardoor ook zo veel mogelijk gebruikmaken
       van de publieke ruimte.
-      Grotere verantwoordelijkheid van gemeenten voor maatschappelijke ondersteuning. Gemeenten
       hebben met de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) de
       verantwoordelijkheid gekregen om mensen te ondersteunen die het zelf of met
       hun eigen sociale netwerk alleen niet redden. Het zijn veelal mensen van 65 jaar of
       ouder die tot nu toe gebruikmaken van de individuele voorzieningen voor
       ondersteuning (Non en Vermeulen, 2014). Voordat mensen een beroep kunnen
       doen op individuele ondersteuning wordt gekeken of de algemene en
       groepsvoorzieningen voldoende soelaas kunnen bieden. De Raad ziet de publieke
       ruimte als onderdeel van deze algemene voorzieningen.
1.2      Vraagstelling
De kernvraag van deze verkenning is of en hoe de inrichting van de publieke
ruimte kan bijdragen aan de redzaamheid van ouderen. Onder de publieke ruimte
verstaan we de onderdelen van de gebouwde en natuurlijke omgeving die in
principe vrij toegangelijk zijn voor het publiek (Carmona et al., 2008). Deze ruimte
omvat het stedenbouwkundig ontwerp en de materiële inrichting ervan. Over
redzaamheid spreken we vanuit het idee dat gezondheid veel meer is dan de
afwezigheid van ziekte, maar - juist met het oog op een vergrijzende samenleving -
steeds meer moet worden begrepen als “the ability to adapt and to self manage, in the face
of social, physical and emotional challenges” (Huber et al., 2011). Het gaat om het
                                                 8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>aanpassingsvermogen van mensen bij veranderingen in hun eigen toestand (denk
aan lichamelijke of mentale beperkingen) en/of in hun omgeving (denk aan
stressoren). Een voorbeeld van redzaamheid is wanneer een oudere een rollator
gaat gebruiken als hij of zij merkt dat het lopen onzekerder is geworden. Een ander
voorbeeld van redzaamheid is wanneer een oudere gaat verhuizen naar een
woonzorgcombinatie om zelfstandig te kunnen blijven wonen.
De laatste jaren is de redzaamheid van ouderen prominent op de beleidsagenda
gekomen, wat heeft geleid tot aanpassingen in de wetgeving rondom de langdurige zorg
en de Wmo. In het advies Redzaam ouder (RVZ, 2012) concludeerde de Raad dat
ouderen hun redzaamheid eerder verliezen dan noodzakelijk. Niets doen zet de
financiële houdbaarheid van het stelsel voor langdurige zorg sterk onder druk als gevolg
van een onevenredige verdeling van de lasten over geboortecohorten (RVZ, 2013). Het
Centraal Plan Bureau (CPB) heeft uitgerekend dat de recente stelselwijzigingen in de
zorg en de verhoging van de AOW-leeftijd de overheidsfinanciën op termijn (2060)
houdbaar maken (CPB, 2014). Echter, dat betekent dat we de transformatie die wordt
beoogd met de Wmo wel moeten gaan doen en dat we ouderen en hun sociale omgeving
ook in staat moeten stellen hun nieuwe rol op te pakken. Meer ruimte dus voor mensen
in overdrachtelijke zin; deze verkenning gaat over wat dat betekent voor de publieke
ruimte, dat wat wij vaak letterlijk onder ruimte verstaan.
1.3 Beleidsaandacht
Gezondheid en stedelijke planning waren in de negentiende eeuw en de eerste helft
van de twintigste eeuw zeer nauw met elkaar verbonden. Ruimtelijke ordening en
woningbouw stonden in het teken van het bestrijden van infectieziekten (zoals
tuberculose) en armoede. Voor ouderen ging het vooral om huisvesting van de
kwetsbaren, diegenen die op niemand konden terugvallen en die niet over de
fysieke gezondheid of de middelen beschikten om voor zichzelf te zorgen. Dit
gebeurde vanuit de kerk, het stadsbestuur, de eigen zuil of de beroepsgroep.
Ouderen die ondersteuning nodig hadden, werden gehuisvest in armenhuizen,
hofjeswoningen, pensions voor ouden van dagen en zelfstandige
bejaardenwoningen.
Na de Tweede Wereldoorlog werden er, mede door de grote woningnood, op grote
schaal verzorgingshuizen gebouwd waar ouderen terechtkonden zodra zij de
pensioengerechtigde leeftijd hadden bereikt. Begin jaren zestig werd er bijna
maandelijks een verzorgingshuis geopend. Tegelijkertijd werden de eerste tekenen
zichtbaar dat ouderen liever op zichzelf wilden blijven wonen. In het afgelopen
decennium is meer met toekomstvisie gebouwd, gericht op het langer, redzamer en
flexibeler in de eigen woning kunnen blijven. Ook technische ontwikkelingen, zoals
domotica, maken dit mogelijk.
Van aanpassingen in de publieke ruimte, specifiek voor ouderen, is tot voor kort
eigenlijk nauwelijks sprake geweest. Wel is in veel gemeenten een ontwikkeling
gaande waar op ouderen gerichte voorzieningen dicht bij elkaar in de buurt worden
gebouwd. Pas de laatste jaren is er wat meer aandacht voor wat de leefomgeving
kan betekenen voor ouderen. In december 2012 vond in Groningen een
conferentie plaats genaamd ‘Healthy cities: onze leefomgeving als medicijn’, met als
doel het vergroten van de aandacht voor de relatie tussen gezondheid en omgeving.
Op de conferentie is een convenant ondertekend: USP Healthy ageing (USP staat
voor Urban Strategic Planning), waarin verschillende partijen hun krachten
                                              9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>bundelen bij onderzoek, beleidsontwikkeling en experimenten gericht op het
verbeteren van de leefomgeving van ouderen.
Ook het rijk zet het thema gezondheid en leefomgeving op de agenda. Het kabinet
heeft aangekondigd in 2015 een Agenda Stad te presenteren met maatregelen om
groei, leefbaarheid en innovatie in Nederlandse steden te versterken. Daarbij is er
vooral aandacht voor de stad als motor van economische ontwikkeling en
innovatie. Kansen van de stad in dit opzicht veranderen voortdurend onder invloed
van technologische, economische, demografische en sociaal-culturele
ontwikkelingen en door fysieke veranderingen van de stad zelf. De kracht van de
stad zal vooral gezocht worden in nieuwe relaties van openbaar bestuur met
burgers en bedrijven (Cramers, 2014).
Daarnaast komt er in de onderzoekswereld steeds meer aandacht voor het thema
gezondheid en publieke ruimte. Het gaat om een relatief jong onderzoeksterrein dat
een exponentiële toename in het aantal studies laat zien (Kamphuis et al., 2015).
Ondanks de toename in studies bestaat er onduidelijkheid over de rol van de
leefomgeving voor de redzaamheid van ouderen. Wat is bijvoorbeeld de relatie
tussen ruimte en bewegen of sociaal contact maken? Resultaten vertonen veel
inconsistenties. De oorzaken daarvan liggen in zwakke onderzoeksdesigns,
heterogeniteit van de methoden waarmee is gewerkt, en heterogeniteit van de
omgevingen waarin het onderzoek is uitgevoerd (dat wil zeggen in zeer
verschillende landen). Veel studies hanteren een cross-sectioneel design, waardoor
het moeilijk is om oorzaak en gevolg uit elkaar te halen. Het is bijvoorbeeld niet
uitgesloten dat mensen verhuizen naar een leefomgeving die aansluit bij hun
leefstijl en gezondheid. Zo zouden ouderen die merken dat hun gezondheid
achteruitgaat ervoor kunnen kiezen dichter bij voorzieningen te gaan wonen om zo
langer zelfstandig te kunnen wonen. We weten dan niet of de leefomgeving van
invloed is op de redzaamheid of dat er eerder sprake van is dat de gezondheid en
redzaamheid van invloed zijn op de leefomgeving.
Kortom, het thema staat zowel in beleid als in onderzoek nog in de
kinderschoenen. Om handvatten te bieden voor het maatschappelijk debat over
ruimte en redzaamheid, verkent de Raad dit thema in dit rapport.
1.4 Werkwijze
Samenwerking
Er is samengewerkt met de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli), de
Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (RMO) en de Rijksbouwmeester/het
College van Rijksadviseurs (CRa).
Achtergrondstudies en literatuuronderzoek
TNO en de afdeling Maatschappelijke gezondheidszorg van het Erasmus MC
hebben achtergrondstudies geschreven. Zij zijn op zoek gegaan naar goede
voorbeelden in binnen- en buitenland en naar wetenschappelijke bewijzen voor de
relatie tussen ruimte en gezond gedrag, redzaamheid en sociale verbinding en
ontmoeting. Daarnaast heeft de projectgroep uitgebreid literatuuronderzoek
verricht.
Stadswandelingen
De projectgroep organiseerde stadswandelingen om verschillende publieke ruimten
te ervaren. Vragen die aan de orde kwamen, waren: Wat hebben ouderen nodig in
                                         10
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>de fysieke omgeving voor een mooie oude dag met kwaliteit van leven? Wie
organiseren die fysieke omgeving? Wat doet de gemeente en wat doen burgers of
organisaties van burgers? Zo was de projectgroep in verschillende Haagse wijken,
in de Rotterdamse wijk Feyenoord, in Amsterdam-Noord en bezocht de groep de
Zuiderzeewijk en het Stadshart in Lelystad.
Consultaties
De projectgroep heeft verschillende deskundigen geconsulteerd (zie bijlage 2). Zo
zijn in samenwerking met onderzoeksbureau Regioplan gemeenten geselecteerd en
gesprekken gevoerd met gemeenteambtenaren over de relatie tussen (de inrichting
van) de publieke ruimte en de redzaamheid van ouderen, waarbij knelpunten en
kansen zijn geïnventariseerd.
Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten
Bij het nadenken over het onderwerp ruimte kunnen concrete ruimtelijke
voorstellingen behulpzaam zijn. Er is daarom samenwerking gezocht met de
Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag. Een groep studenten
houdt zich dit studiejaar bezig met een toekomstige publieke ruimte die dienstbaar
is aan de redzaamheid van een sterk vergrijsde bevolking.
Expertmeeting
In samenwerking met het Atelier Rijksbouwmeester en de Raad voor de
leefomgeving en infrastructuur is een expertmeeting georganiseerd om de ideeën
uit de wereld van de ruimtelijke inrichting te verbinden met de ontwikkelingen in
de zorg.
1.5 Leeswijzer
De kernvraag van deze verkenning is hoe de publieke ruimte kan bijdragen aan de
redzaamheid van ouderen. Deze vraag kent twee dimensies, te weten de ruimtelijke
inrichting in fysiek opzicht en de psychologische ruimte, ofwel de mate waarin burgers en
in het bijzonder ouderen gebruik kunnen maken van de fysieke ruimte en deze
mede vormgeven.
Hoofdstuk 2 gaat over de eerste dimensie, de fysieke kant van de ruimtelijke
inrichting. Het hoofdstuk begint met een bredere maatschappelijke context
(vergrijzing, kwaliteit van leven en veranderingen in de zorg) en zoomt vervolgens
in op het vraagstuk ruimtelijke inrichting en redzaamheid. Doet de publieke ruimte
ertoe?
In hoofdstuk 3 en 4 staat de tweede dimensie, de ruimte in psychologisch opzicht,
centraal. Hoofdstuk 3 schetst hoe de fysieke ruimte mee kan veranderen met brede
maatschappelijke ontwikkelingen. Meer specifiek worden de mogelijkheden om de
fysieke ruimte hierop aan te passen en geschikt te maken voor ouderen besproken,
bijvoorbeeld door het benutten van nieuwe tussenruimten. Hoofdstuk 4 behandelt
de vraag welke partijen de publieke ruimte vormgeven en beheren, ofwel wie wat
doet in de publieke ruimte.
Tot slot trekt de Raad in hoofdstuk 5 een conclusie en geeft hij een overzicht van
agendapunten voor de toekomst.
                                             11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>2. Doet de publieke ruimte ertoe?
In dit hoofdstuk richten we ons op de ruimtelijke inrichting in fysiek opzicht.
Hierbij staan de volgende vragen centraal. Welke maatschappelijke ontwikkelingen
spelen een rol? Wat weten we over de invloed van de fysieke ruimte op
redzaamheid? Wat werkt en wat niet? Wat zijn de goede voorbeelden? Waar wordt
momenteel mee geëxperimenteerd? Wat kunnen we leren van het buitenland? We
beginnen met een schets van de bredere maatschappelijke context.
2.1 De bevolking verandert
Meer oudere ouderen
In de komende decennia zal de bevolkingssamenstelling aanmerkelijk veranderen.
Het aantal mensen van 65 jaar of ouder neemt toe van 3 miljoen in 2015 naar
4,7 miljoen in 2060 (CBS Statline). Relatief gezien omvat het aandeel ouderen ruim
een kwart van de bevolking (zie tabel 1).
Tabel 1: Kerncijfers van bevolkingsprognoses (in procenten)
Perioden                                       Leeftijdsgroepen
                              0 tot 20 jaar      20 tot 65 jaar     65 jaar of ouder
2014                               22,9               59,8                17,4
2020                               22,0               58,3                19,8
2030                               21,2               54,9                23,9
2040                               21,4               52,1                26,5
2050                               21,0               52,8                26,2
2060                               20,8               52,8                26,3
Bron: CBS Statline, 8 oktober 2014
De Raad meent dat deze ontwikkeling gevolgen heeft voor het gebruik en de
beleving van de publieke ruimte. In het straatbeeld zullen naar verhouding meer
ouderen te zien zijn, en generaties zullen zich anders tot elkaar gaan verhouden. In
absolute aantallen neemt in de nabije toekomst in steden het aantal ouderen het
sterkst toe, maar het zijn vooral de plattelandsgemeenten die het sterkst vergrijzen ,
doordat jongere generaties naar de stad trekken (Rli, 2014).
Meer ouderen met beperkingen
‘Ouderdom komt met gebreken’ zo luidt een veel gebruikte tegelwijsheid. Een eind
wandelen, een tas dragen, een gesprek voeren of een krant lezen zijn voorbeelden
van prestaties die met het klimmen der jaren meer moeite kunnen gaan kosten.
Aandoeningen zoals gewrichtsproblemen, duizeligheid, hartziekten, rugklachten en
incontinentie treffen vaker mensen vanaf 75 jaar (tabel 2). Naarmate mensen ouder
worden, neemt de mobiliteit af. Overigens zien we dat de helft van deze oudere
ouderen ondanks beperkingen een goede gezondheid ervaart en dat de verschillen
binnen de groep ouderen dus heel groot kunnen zijn. Leeftijd zegt wel veel maar
lang niet alles.
                                            12
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>Tabel 2: Ervaren gezondheid, aandoeningen en beperkingen als percentage
van de betreffende leeftijdsgroep, 2013
Aandoeningen en beperkingen                                        Leeftijdsgroepen
                                                         55 - 65           65 - 75           > 75
Niet als goed ervaren gezondheid                           31,8             32,8             49,2
Chronische gewrichtsontsteking                               6,7             9,8             12,1
Duizeligheid met vallen                                       3              5,1             10,9
Slijtage van heupen en knieën                              22,1             32,8             35,7
Hartaandoening                                               2,6             4,2              9,3
Incontinentie                                                7,4             9,3             20,4
Rugaandoening                                              12,7             11,3             17,3
Diabetes                                                     9,4            12,8              19
Beroerte gehad                                               3,8             6,5             10,3
Kanker gehad                                                 9,7            19,9             25,6
Dementie/alzheimer (2011)                                    0,1             0,5              3,4
Gemiddeld aantal beperkingen (OESO)                          0,3             0,3              0,8
Gemiddeld aantal beperkingen (ADL)                           0,1             0,2              0,8
Bron: CBS statistiek Gezondheid aandoeningen beperkingen; persoonskenmerken d.d. 30 juni 2014.
Het proces van veroudering
Tabel 2 toont de ervaren gezondheid en een overzicht van aandoeningen en
beperkingen van ouderen naar leeftijd. We zien dat naarmate mensen ouder worden
de percentages ervaren aandoeningen en beperkingen omhoog gaan. Het is
belangrijk te onderkennen dat het om een proces kan gaan van toenemende
kwetsbaarheid (SCP, 2011a): een opeenstapeling van lichamelijke, psychische en/of
sociale tekorten in het functioneren die de kans vergroot op negatieve
gezondheidsuitkomsten (functiebeperkingen, opname, vroegtijdig overlijden) .1
Westendorp (2014) verdeelt het verouderingsproces in vier perioden: voorzorg,
multi-morbiditeit2, kwetsbaarheid en afhankelijkheid. Bij voorzorg gaat het erom
ziekte te voorkomen. Wanneer ziekten zijn ontstaan (multi-morbiditeit), is het zaak
om blijvende complicaties te voorkomen of uit te stellen. Bij kwetsbaarheid is het
eerste doel het dagelijks functioneren te waarborgen.
Vanuit de omgevingspsychologie speelt nog een invalshoek een grote rol. De controle
die mensen ervaren over hun omgeving wordt in deze discipline gezien als basale
menselijke behoefte. Het proces van veroudering impliceert vaak dat de ervaren
controle over de publieke ruimte verandert (Van Dorst, 2005). Mensen voelen zich
bijvoorbeeld minder veilig op straat of kunnen niet meer zelfstandig voorzieningen
bereiken zoals winkels, het buurthuis of het theater. Aanpassingen van de fysieke
ruimte of meer mogelijkheden voor vervoer kunnen het gevoel van controle of regie
eventueel herstellen en daarmee de redzaamheid van ouderen vergroten.
1 Volgens het SCP zal het aantal kwetsbare ouderen toenemen van bijna 700.000 in 2010 tot meer dan
1 miljoen in 2030.
2 Co- en multi-morbiditeit betekent dat één persoon verschillende chronische ziekten heeft die vaak
ook nog invloed op elkaar hebben.
                                                 13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>2.2 Kwaliteit van leven
Bij het meten van kwetsbaarheid worden fysieke, mentale en sociale aspecten
onderscheiden.3 Kwetsbare ouderen zijn dus niet per se zieke ouderen, al kan ziekte
ook kwetsbaar maken. Andersom zijn niet alle ouderen met aandoeningen en
beperkingen kwetsbaar. Door kwetsbaarheid (voor)tijdig te onderkennen -
bijvoorbeeld door preventie van chronische aandoeningen, het stimuleren van
sociale contacten, verhuizen naar een levensloopbestendige omgeving - kunnen
ouderen geholpen worden om langer hun zelfstandigheid te behouden en op een
prettige(re) manier oud te worden (SCP, 2011a). Daarbij is kwetsbaarheid geen
onomkeerbaar, maar een dynamisch proces. Een adequate inrichting van de
leefomgeving en/of geschikte interventies in de fysieke inrichting kunnen de
redzaamheid van ouderen vergroten (Cammelbeeck, 2013; Etman et al., 2012;
Gobbens et al., 2010).
Kwetsbaarheid tijdig onderkennen draagt volgens het SCP (2011b) bij aan de
levenskwaliteit van ouderen. Dit betekent oog hebben voor kwetsbaarheid, maar ook
begrijpen dat ouderen die aandoeningen en beperkingen hebben lang niet altijd
kwetsbaar zijn. Wordt ouderen gevraagd naar hoe zij zich voelen, dan blijkt vaak dat zij
zich ondanks het hebben van een of meerdere chronische ziekten goed voelen. Dit
wordt door onderzoekers de disability-paradox genoemd. Daaruit blijkt dat ouderen een
groot vermogen hebben om zich aan te passen aan de omstandigheden (Westendorp,
2014).
Medische problemen spelen lang niet altijd een hoofdrol bij de vraag of ouderen zich
goed voelen. Het welbevinden van ouderen - gemeten aan de hand van een te geven
cijfer voor de kwaliteit van het leven - heeft veel te maken met de mate waarin ouderen
zich succesvol voelen (Westendorp, 2014) of controle kunnen houden over hun leven
(Van Dorst, 2005). Omgaan met verlies en beperkingen en die in het leven kunnen
integreren draagt bij aan dat gevoel. Onafhankelijk of redzaam zijn - het zelf kunnen
regelen van allerlei zaken, al dan niet met moeite of betaalde hulp van anderen - is
daarbij van belang, alsook de aanwezigheid van voorzieningen in de nabije
leefomgeving en het hebben van sociale contacten.
2.3 Andere zorg
De Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli, 2014) signaleert voor de nabije
toekomst een kwantitatief en kwalitatief verschil tussen vraag en aanbod naar verzorgd
wonen. De vraag naar verzorgd wonen neemt toe van 41.000 woningen in 2013 naar
81.000 in 2021, onder andere omdat het aantal 80-plussers in de samenleving toeneemt,
evenals het aantal alleenwonenden (van 900.000 nu naar 1,4 miljoen in 2030). De Rli
stelt dat zelfstandig blijven wonen niet vanzelfsprekend betekent dat iemands huidige
woning en leefomgeving geschikt zijn om er met beperkingen te blijven wonen. En
hoewel de Rli vooral kijkt naar de wooncomponent, concludeert hij dat een vitale
leefomgeving van groot belang is voor het onder eigen regie zo veel mogelijk
zelfstandig wonen. We moeten waken voor het verdwijnen van voorzieningen in wijken
en buurten wanneer verzorgingshuizen weggaan, want veel verzorgingshuizen hebben
namelijk ook een publieke functie voor de buurt.
3 Van de kwetsbare ouderen is circa 70 procent fysiek kwetsbaar, en circa 60 procent psychisch of
sociaal kwetsbaar.
                                                 14
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>De veranderingen in de langdurige zorg zijn ook gebaseerd op de gedachte dat mensen
meer voor elkaar gaan doen. Buren komen in beeld bij hand- en spandiensten, en
vrijwilligers doen vooral aan welzijn (gezelschap bieden en begeleiding en emotionele
steun geven) en minder aan zorg (SCP, 2014b). Buren moeten elkaar wel kennen, en
aardig vinden, voordat ze hulp gaan geven. Voor het vinden van nieuwe vrijwilligers
zou men vooral mensen persoonlijk moeten vragen of ervoor zorgen dat ze in een
hulpvraag iets herkennen wat hen raakt. Buren en vrijwilligers maken het steunnetwerk
van ouderen en hun familie groter, waardoor het risico op overbelasting van
mantelzorgers kan worden verkleind. Ontmoeting met anderen buiten de familie om,
ook intergenerationeel, is daarom van belang voor een vitaal steunnetwerk van ouderen.
Ook de fysieke ruimte kan een rol spelen bij het bevorderen van sociale verbanden.
2.4 De leefomgeving als bron voor redzaamheid
In deze en de volgende paragraaf focussen we op de rol die de ruimtelijke
inrichting speelt bij de redzaamheid van ouderen. Onderzoek van TNO naar
woonservicezones (nog niet gepubliceerd) toont aan dat wanneer ouderen
verhuizen naar een serviceflat dit vooral te maken heeft met hun mobiliteit, terwijl
verhuizen naar een intramurale setting samenhangt met de sociale binding in d e
wijk of met kinderen die in de buurt wonen. De vraag is wat ruimte kan betekenen
voor de mobiliteit van ouderen en hun sociale contacten in de buurt.
Uit de achtergrondstudies bij deze verkenning blijkt dat bepaalde kenmerken van
de leefomgeving een positief effect hebben op de mobiliteit van ouderen.
Beweegvriendelijke omgevingen zijn omgevingen die wandelvriendelijk zijn en
waarin de loop- en fietsroutes verkeersveilig zijn. Zo kunnen looproutes van
ouderen aantrekkelijker worden gemaakt door de bewegwijzering aan te passen en
door enge bosjes, blinde muren, tochtige hoeken en rommelige bestrating aan te
pakken, waardoor deze routes een veel vriendelijkere en veiligere uitstraling krijgen.
Ook de nabijheid tot en een gemakkelijke toegankelijkheid van winkels en
voorzieningen maakt een omgeving beweegvriendelijk. De bewandelbaarheid 4 van
buurten draagt dan bij aan lichamelijke activiteit. TNO en het Nederlands Instituut
voor Sport en Bewegen (NISB) identificeerden 27 ontwerpprincipes voor een
beweegvriendelijke omgeving (Cammelbeeck et al., 2014). Een selectie:
-      voorzieningen op loopafstand in de wijk, waarbij verschillende functies door
       elkaar heen lopen (wonen, werken, winkelen, recreatie);
-      een aaneengesloten netwerk van langzaamverkeerroutes;
-      gemarkeerde fiets- en looproutes, duidelijke straatzonering;
-      autoluwe/autovrije zones;
-      bebouwing gericht naar de openbare ruimte;
-      gevarieerd en voldoende groen, ook in het straatprofiel;
-      zitmeubilair langs wandelroutes, rustplekken;
-      oversteekplaatsen en straatverlichting;
-      trottoirs van minimaal twee meter breed, zonder obstakels.
4 De bewandelbaarheid van een buurt is een kenmerk van de buurt dat lichamelijke activiteit zoal s
wandelen stimuleert (Arvidsson et al., 2013). Het kan dan gaan om woondichtheid, verbindingen van
de straten en gemengd gebruik (het combineren van functies zoals maatschappelijke voorzieningen,
commerciële functies en/of wonen).
                                                  15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>Cammelbeeck (2013) onderzocht welke obstakels oudere inwoners van Spijkenisse
tegenkomen in de publieke ruimte wanneer zij doelen buitenshuis proberen te bereiken. Zij
maakte een stedenbouwkundige analyse aan de hand van GPS-tracks, interviews en
beweegdagboeken van 437 oudere inwoners. Zelfs met relatief kleine interventies in de
publieke ruimte is de mobiliteit van ouderen te bevorderen (zie pagina 17-18). Bij het
ontwerpen van een leefomgeving die voor ouderen geschikt is, spelen herkenbaarheid,
leesbaarheid, comfort, verscheidenheid, toegankelijkheid en veiligheid een rol.
Beweegvriendelijke omgevingen bevorderen niet alleen de mobiliteit van ouderen
in relatie tot hun redzaamheid, ze bevorderen de gezondheid ook directer: door
hun conditie op peil te houden blijven ouderen fysiek langer redzaam. Scherder
(2014) houdt een sterk pleidooi voor lichaamsbeweging op alle leeftijden. Zo lang
het nog kan, is het verstandig om te blijven bewegen. Zowel voor lichaam als geest
geldt het adagium ‘use it or lose it’. Steeds meer wordt duidelijk dat bewegen ook
bijdraagt aan een betere werking van de hersenen (Scherder, 2014). Daar komt bij
dat bewegen in een verrijkte omgeving (een omgeving waarin iemand veel
verschillende zintuiglijke prikkels ervaart) waarschijnlijk nog iets extra ’s oplevert,
namelijk een dosis ‘onzekerheid’ die een beroep doet op iemands cognitieve
flexibiliteit. Het aanspreken van deze cognitieve flexibiliteit vergroot de cognitieve
reserve van mensen, die ervoor zorgt dat bijvoorbeeld in de eerste jaren van de
ziekte van Alzheimer de bijbehorende symptomen veel beter kunnen worden
opgevangen (waardoor het lijkt alsof de ziekte later begint; Scherder, 2014). De
combinatie van cognitieve en lichamelijke inspanning zou daarom wel eens het
grootste voordeel voor de hersenen kunnen opleveren. Bewegen is dus zowel van
belang als voorzorg - voor het uitstellen van ziekte - als voor het dagelijks
functioneren van ouderen die in meer of mindere mate kwetsbaar zijn geworden.
Voor alle fases van het ouder worden is het belangrijk dat de dagelijkse
leefomgeving uitnodigt tot bewegen.
Inclusive design
Als men vanuit het perspectief van ouderen naar de ruimtelijke inrichting kijkt, krijgt de
dimensie van ruimte, maar ook van tijd een andere betekenis. Oudere mensen bewegen vaak
wat trager dan jongere. In een vergrijzende samenleving zullen tempoverschillen duidelijker
optreden. Hier kunnen we leren van ‘inclusive design’. De grondlegger van dit idee,
productdesigner Patricia Moore, bezocht als 26-jarige vermomd als 85-jarige (met beugels en
bandages om de romp en ledematen, wazige bril etc.) een groot aantal steden in de VS,
waarna zij producten ontwierp die geschikt waren voor alle mensen van alle leeftijden, hoe
begaafd ze ook zijn (Krznaric, 2014). De gemeente Schiedam is onlangs gestart met een
project levensloopvriendelijke wijken, ‘grey but mobile’, waarbij ambtenaren eveneens een wijk
verkennen als ‘oudere’, in zware korsetten, zodat zij weten hoe het voelt om stram te lopen.
Van daaruit proberen zij te inventariseren waar obstakels zijn.
                                              16
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>Voorbeeld van hoe het nu is en hoe het beter kan. Bron: Cammelbeeck, 2013.
                                           17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>Voorbeeld van hoe het nu is en hoe het beter kan. Bron: Cammelbeeck, 2013.
                                           18
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>Een nieuwe factor die een rol speelt in de mobiliteit van ouderen is het klimaat.
Recentelijk is er meer aandacht voor het effect van klimaatverandering op het
klimaat in Nederlandse steden. De komende decennia worden significant meer
zomerse dagen en hittegolven verwacht. In combinatie met verstedelijking leidt dit
mogelijk tot zogenoemde hitte-eilanden. In het centrum van Rotterdam is het
bijvoorbeeld op warme zomerdagen aanmerkelijk warmer dan in de omstr eken
(TNO, 2010). Dit kan wel 10 graden schelen. Gebiedskenmerken die de ruimtelijke
variatie in oppervlaktetemperatuur verklaren zijn gerelateerd aan groen, verharding,
bebouwing, gebouwhoogte en materiaaleigenschappen. Ook antropogene
warmtebronnen, zoals huishoudens, verkeer en industrie, zorgen voor
hitteproductie. Juist voor ouderen maakt hitte nogal wat uit. Tijdens hittegolven
sterven er in Nederland meer ouderen dan gemiddeld. Wellicht zouden voldoende
schaduwrijke rustplekken en gratis waterpunten in openbare gebouwen het voor
ouderen mogelijk maken om zich in warmere perioden meer en veiliger op straat te
begeven; denk aan het oude Rome (zie plattegrond pagina 28). Ook voldoende
groen en water kunnen als tegenwicht voor stenen, asfalt en beton de opwarming
van steden temperen.
2.5 Beleving van de publieke ruimte
In het voorgaande hebben we inzichten verkregen in de rol die de inrichting van de
publieke ruimte kan spelen in het bevorderen van de mobiliteit en daarmee indirect
van de gezondheid en de redzaamheid van ouderen. Belangrijke factor hierbij is
ook hoe ouderen hun omgeving beleven (Ministerie van VROM, 2008). Zo blijkt
dat bewoners zich duidelijk beter voelen wanneer zij alleen al de buurt als ‘schoon,
heel en veilig’ ervaren (Urban40-onderzoek). Ook voelen zij zich in een goed
onderhouden woonomgeving meer uitgenodigd om de straat op te gaan en
bewegen zij daardoor meer.
          Bron: Ministerie van VROM, 2008.
Als het uitgangspunt is dat de buurt belangrijk kan zijn voor het steunnetwerk van
ouderen, dan moeten buren elkaar wel tegenkomen. Aantrekkelijke, goed
onderhouden, als veilig ervaren, wandelvriendelijke buurten met open ruimte n
zoals parken en goede functiemenging (combinatie van wonen, werken, winkelen
en recreëren) bevorderen ontmoetingen en onderling contact tussen buurtbewoners
en versterken de ‘collective efficacy’, ofwel de mate waarin buurtbewoners bereid zijn
om samen te werken voor een gemeenschappelijk doel (Kamphuis et al., 2015;
TNO, 2015).
                                               19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>Het belang van functiemenging voor het ontstaan van ontmoetingen tussen mensen
wordt ook aangetoond in onderzoek in vier Rotterdamse wijken (Blokland, 2009). In
een buurt met meerdere functies is de kans groter dat buurtbewoners elkaar in het
dagelijks gebruik van deze voorzieningen tegenkomen en gaan herkennen. Juist de
korte contacten in de openbare ruimte, het elkaar zien, bepalen de cohesie in een buurt,
meer dan de netwerken die men in een buurt heeft. “Voor korte contacten doen
buurtvoorzieningen ertoe, omdat voorzieningen de gelegenheid scheppen voor die
korte contacten. […] Publieke familiariteit, het elkaar herkennen en sociaal kunnen
plaatsen zonder elkaar noodzakelijk echt te kennen, draagt bij aan het vermogen van
mensen om hun omgeving sociaal te kunnen interpreteren en ordenen, en zich er
daardoor veilig te kunnen voelen.” (Blokland, 2009, p. 224). Elkaar kennen in de buurt
en iets voor elkaar kunnen betekenen of steun bieden is ook belangrijk voor het
tegengaan van gevoelens van eenzaamheid.
Bredewold noemt in haar proefschrift Lof der oppervlakkigheid (2014) het belang van
korte, oppervlakkige ontmoetingen tussen buurtgenoten. Deze ontmoetingen kunnen
bijdragen aan het gevoel van welbevinden, van erbij horen. Oppervlakkige
ontmoetingen kunnen worden aangemoedigd door aanpassingen te doen in de publieke
ruimte. Whyte (1980) noemt als voorbeelden het verbreden van straathoeken door het
inleveren van een enkele parkeerplaats, het fysiek toegankelijk maken van de straat
(bredere trottoirs, wegnemen van drempels, lage traptreden), het visueel aantrekkelijker
maken van de straat of plein (schoon, goed verlicht, verzorgde vitrines en entrees van
winkels, iets interessants om naar te kijken en over te praten) en het plaatsen van
straatmeubilair waar je op kunt zitten (banken, plantenbakken met brede randen,
kunstobjecten).
Er is nog weinig onderzoek gedaan naar ruimte in relatie tot sociale steun (Kamphuis et
al., 2015), terwijl juist met het oog op ontwikkelingen in de zorg de verwachting is dat
de publieke ruimte kan bijdragen aan een positief klimaat voor sociale steun.
Kanttekening
De relatie tussen de fysieke omgeving en redzaamheid is complex. Of ouderen
daadwerkelijk meer gaan bewegen of meer anderen ontmoeten door aanpassingen
in de omgeving hangt af van veel factoren. Het gaat dan om factoren die te maken
hebben met de fysieke omgeving (zoals fysiek en mentaal gemak, de ‘leesbaarheid’
van een omgeving, de sfeer - kleur, geur en licht), de sociale omgeving (zoals
rolmodellen en peers) en persoonlijke factoren (zoals omgaan met onzekerheid en
het minimaliseren van verlies) (KIM, 2011). Kamphuis et al. (2015) merken op dat
het onderzoek op dit gebied nog een stap verder gebracht kan worden door beter
na te denken over de conceptuele match tussen omgeving en gedrag. Het helpt
bijvoorbeeld niet als bij het meten van het effect van de buurtomgeving op
beweeggedrag een totaal-uitkomstmaat van bewegen wordt gebruikt, bijvoorbeeld
de totale wandel- of beweegtijd per week waarbij mensen ook in andere
omgevingen zijn geweest, zoals binnenshuis of buiten de buurt.
Het gaat om de relatie tussen enerzijds de beperkingen, de kwetsbaarheden, waar
meer ouderen last van gaan krijgen, en anderzijds de mogelijkheden om daar via de
leefomgeving aan tegemoet te komen. Uitgaande van de definitie van kwetsbaarheid
van het SCP (2011), waarbij het gaat om lichamelijke, psychische en/of sociale
tekorten, bestudeerden we in deze en de vorige paragraaf tot dusverre vooral de
eerste en de laatste dimensie en bleef de psychische dimensie nog grotendeels
buiten beschouwing. We schreven dat de leefomgeving een grote rol speelt bij het
uitstellen van tekenen van dementie. Maar wat kan de fysieke leefomgeving
                                             20
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>betekenen wanneer er wel sprake is van (lichte) dementie? Ouderen met lichte
dementie zijn vaak nog goed in staat om een wandeling te maken. Moderne
techniek (GPS) maakt het mogelijk dat zij er ook alleen op uittrekken; mochten zij
verdwalen, dan kunnen thuisblijvers hen traceren (CEG, 2010). Desondanks
kunnen we ons voorstellen dat een vertrouwde en veilige omgeving, met markante
herkenningspunten en bewegwijzering, kan helpen de weg nog te vinden en sociale
ontmoeting mogelijk te maken in de publieke ruimte. Ook bij verder gevorderde
dementie vinden ouderen het fijn om in de publieke ruimte te kunnen verkeren.
Een mooi voorbeeld daarvan vinden we in verpleeghuis Hogewey in Weesp, waar
dementerende ouderen wonen en leven in een besloten ‘publieke’ ruimte, met een
plein, een winkel, een restaurant en een theater. De organisatie heeft het over een
verpleegwijk of kleinschalig wonen in leefstijl. Hogewey staat hierin niet alleen, ook
elders vinden we steeds vaker vergelijkbare vormen van besloten publieke ruimten.
In het proces van veroudering zien we dat er grote verschillen kunnen bestaan
tussen ouderen. Vraagstukken over vergrijzing en zorg zouden vooral kunnen
ontstaan in wijken waar de problematiek zich opstapelt en waar sociaaleconomische
of culturele verschillen een rol spelen. Ook daar verwachten we dat de beleving van
de ruimte verschil kan maken.
We hebben in dit hoofdstuk een aantal aspecten van de leefomgeving als bron van
redzaamheid voor ouderen verkend. Er lijkt potentie te zijn, er zijn goede
voorbeelden, maar er zijn ook onzekere factoren. Bovendien hebben we te maken
met het gegeven dat wat in stenen, asfalt en beton is gegoten niet zomaar is te
veranderen. De gebouwde omgeving en infrastructuur liggen meestal voor jaren
vast en wijzigingen vergen een lange termijnvisie. Toch hebben we in dit hoofdstuk
ook gezien dat kleine aanpassingen veel kunnen doen.
2.6 Conclusie
De samenleving verandert, maar verandert de ruimte mee? Redzaam ouder worden
stelt andere eisen aan de publieke ruimte. Voldoende mobiel kunnen zijn en sociale
contacten kunnen onderhouden zijn van groot belang voor het zelfstandig kunnen
blijven wonen van ouderen. De inrichting van de publieke ruimte is daarmee een
van de bepalende factoren in de redzaamheid van ouderen. Een toegankelijke
publieke ruimte is een veilige ruimte die sanitair, rustpunten en voldoende prikkels
biedt, de weg wijst aan wie die vergeten is, en mensen helpt elkaar te ontmoeten.
Op die manier wordt de publieke ruimte een toevoeging aan het assortiment van
algemene voorzieningen waarmee de gemeente de participatie van haar inwoners
bevordert.
Dit hoofdstuk laat zien dat ‘anders kijken’ naar de publieke ruimte
redzaamheidswinst voor ouderen kan opleveren. Anders kijken betekent
bijvoorbeeld zich inleven: weten hoe bewoners van verschillende leeftijden hun wijk
beleven. Dat kan bijdragen aan ‘inclusive design’. En het betekent bijvoorbeeld
nadenken over de bewandelbaarheid van buurten en over verrijkte omgevingen waar
combinaties van lichamelijke én cognitieve inspanningen worden bevorderd voor
een betere werking van onze hersenen. Of mogelijkheden voor korte
ontmoetingen, die kunnen worden bevorderd door functiemenging. Of over extra groen
in straten en schaduwplekken om de toenemende hitte in de bebouwde omgeving, als
gevolg van klimaatverandering, te reguleren. Ook de beleving is van groot belang:
de omgeving moet aangenaam zijn.
                                          21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>Maar hoe flexibel is de gebouwde omgeving eigenlijk? Is het wel mogelijk de
redzaamheidswinst te verzilveren? Hoe is de fysieke ruimte te veranderen zodat
ouderen zich de ruimte (meer) kunnen toe-eigenen? De ruimtelijke inrichting lijkt
voor een groot deel vast te liggen. Welke aanpassingen zijn mogelijk? Daarover gaat
hoofdstuk 3.
                                         22
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>3. Vervagende grenzen en nieuwe tussenruimten
Met de ouder wordende bevolking en gestegen levensverwachting verandert de
dynamiek in de publieke ruimte. Dit hoofdstuk gaat over de zogenoemde
psychologische ruimte, namelijk over hoe ouderen gebruik (kunnen) maken van de
ruimte. We zoomen daarbij in op de begrenzingen tussen waar de publieke ruimte
eindigt en het privédomein begint en beschrijven hoe deze grenzen vervagen. We
besteden daarbij aandacht aan het ontstaan van nieuwe zogeheten tussenruimten.
3.1 Verschillende soorten ruimte
We onderscheiden publieke ruimte, private ruimte en privéruimte. Daarnaast zijn er
ook mengvormen waarbij de grenzen niet scherp zijn, zoals de publiek-private
ruimte.5 Hierna lichten we de verschillende soorten ruimte kort toe.
Publieke ruimte: de onderdelen van de gebouwde en natuurlijke omgeving die vrij
toegankelijk zijn voor het publiek (Carmona et al., 2008). Dit kunnen zijn: pleinen,
parken, stoepen, openbare (overheids)gebouwen en vrij toegankelijke binnentuinen.
De partijen die zeggenschap hebben over deze ruimten zijn publieke partijen zoals
gemeenten en private partijen zoals woningstichtingen, bedrijven en burgers die
eigenaar zijn van ruimte die vrij toegankelijk is voor publiek. Bij de laatste gaat het
eigenlijk om een mengvorm: een ruimte die vrij toegankelijk is voor het publiek,
maar waarvan een private partij eigenaar is. De verantwoordelijke partijen kunnen
ook een mix zijn van private en publieke partijen.
Private ruimte: onderdelen van de gebouwde en de natuurlijke omgeving die niet vrij
toegankelijk zijn voor het publiek. Voorbeelden zijn een bedrijfsterrein of een
militair oefenterrein. Verantwoordelijke partijen zijn onder meer bedrijven , maar
ook de overheid.
Privéruimte of -sfeer: Een (denkbeeldig) gebied waarin de privézaken thuishoren en
waar een mens er zeker van is dat zo weinig mogelijk mensen zich er zonder zijn
toestemming zullen begeven, ofwel waar hij zich kan afzonderen en storende
invloeden van de buitenwereld kan ontgaan (zie ook privacy). Een voorbeeld is het
huis of de wooneenheid van mensen (gehuurd of gekocht). In aanleg zijn bewoners
hier zelf verantwoordelijk, maar ook andere partijen kunnen hier in specifieke
situaties een rol hebben. Denk aan een woningstichting of de wijkverpleging.
De definities laten zien dat er niet altijd sprake is van scherpe scheidslijnen tussen
de soorten ruimte en partijen die er zeggenschap over hebben. Scheidslijnen
veranderen in de loop der tijd, worden al dan niet minder scherp, waardoor
verschillende ruimten in elkaar overvloeien. Daarover gaat de volgende paragraaf.
De ontwikkelingen die we in het vorige hoofdstuk schetsten, zijn van invloed op de
ruimte en vragen om anders kijken naar die ruimte.
5 De Raad richt zich in deze verkenning specifiek op de fysieke ruimte in relatie tot redzaamheid. De
digitale ruimte vergt volgens de Raad een aparte studie. Overigens heeft de Raad in verschillende
adviezen en signalementen al geadviseerd over de mogelijkheden van ICT en domotica in de zorg. In
april van dit jaar volgt het advies Consumenten eHealth.
                                                    23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>3.2 Vervagende grenzen
Ruimte bestaat niet onafhankelijk van de mens, maar wordt geproduceerd
(Lefebvre, 1991). Grenzen tussen publieke, private en privéruimte zijn niet ‘in
beton gegoten’, maar worden telkens opnieuw uitonderhandeld en gereproduceerd
door wetten en regels (rondom bijvoorbeeld eigenaarschap) en door gedrag en
gewoonten van mensen (bijvoorbeeld wel of niet gebruikmaken van ruimte).
De Raad constateert dat er sprake is van vervagende grenzen tussen de
verschillende soorten ruimte. Aan de ene kant wordt de privéruimte publieker door
verplaatsing van steeds meer zorg en ondersteuning naar de thuissituatie van
burgers. Deze verplaatsing van zorg heeft verschillende oorzaken:
-      de afname van verzorgings- en verpleeghuizen (ouderen willen langer thuis wonen
       met behulp van het eigen netwerk en professionele zorg);
-      het toenemend gebruik van e-health, telemedicine en self-management waardoor
       zorg die eerder in ziekenhuizen werd gegeven nu in de thuissituatie plaatsvindt;
-      de opkomst van de ‘achter-de-voordeur’-aanpak bij gemeenten en
       woningstichtingen, zoals de ‘keukentafelgesprekken’ bij burgers thuis;
-      de woonkamer die buurthuis wordt (bijvoorbeeld in de Schilderswijk).
“What remains of the home as the private area par excellence when it takes on at least some
characteristics of the hospital, an almost public space?” (Willems, 2008: 63).
Aan de andere kant wordt de publieke ruimte privater en meer privé. Dit heeft
meerdere oorzaken:
-      de verdergaande commercialisering van publieke ruimte die maakt dat niet
       iedereen zich daar meer thuisvoelt (Low en Smith, 2006);
-      zorginstellingen en ziekenhuizen die een ‘thuisgevoel’ creëren door
       kleinschaligheid, gezellig ingerichte woonkamers enzovoort (Gilmore, 2006);
-      de wellicht groeiende behoefte aan privacy in de publieke ruimte, zoals de
       gelegenheid voor sanitaire stops voor ouderen die het stadscentrum willen
       bezoeken.
Vervagende grenzen vereisen een flexibele aanpak
De geschetste ontwikkelingen roepen vragen op over hoe we in de fysieke ruimte
omgaan met mengvormen tussen de verschillende soorten ruimte. Hoe flexibel is de
fysieke ruimte eigenlijk? De fysieke inrichting van de publieke ruimte is - zoals we ook
al in het vorige hoofdstuk constateerden - vaak een kwestie van een lange adem en een
langetermijnvisie. De (her)inrichting van een inloopcentrum, plein of collectieve
zorgboerderij vereist bouwplannen, akkoorden, stenen en soms jarenlange
herstructurering. Tegelijkertijd zijn de wensen en persoonlijke situaties van burgers
veranderlijk: een sociaal netwerk kan wegvallen of men kan ziek worden. Hierdoor zijn
fysieke veranderingen in de ruimte op de korte termijn juist wenselijk. Bij de ruimtelijke
inrichting bestaat er dus een spanning tussen kortetermijndenken en
langetermijndenken, tussen flexibele maakbaarheid en onwrikbare gebouwen
(Hommels, 2008).
Omgaan met deze spanning vereist een flexibele aanpak van ruimte. Hierbij moeten wij
ons realiseren dat de (psychologische) ruimte geen ‘vaste’ entiteit is. Ruimtelijke
ordening is niet slechts een technische kwestie van goede bouwplannen en criteria,
zoals vaak wordt voorgesteld. Het is een (continue) afweging tussen visies voor de
korte en de lange termijn op allerlei waarden zoals toegankelijkheid van zorg- en
welzijnsvoorzieningen, kwaliteit van leven, betaalbaarheid van zorg, wonen
enzovoorts.
                                                  24
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>De fysieke inrichting van de publieke ruimte kent een langere tijdshorizon dan veel
ander beleid. We moeten nu al keuzes maken voor de langere termijn. Hoe willen we
dat onze omgeving er over twintig jaar of daarna uitziet? Welke belangen spelen er in de
ruimte, en wat kunnen gemeenten regelen en wat niet? Er lijkt een noodzaak te zijn om
het concept fysieke ruimte flexibeler te benaderen dan tot nu toe het geval is.
3.3 Nieuwe tussenruimten
In het voorgaande signaleerde de Raad dat wat onder publieke, private en
privéruimte moet worden verstaan niet rigide is, maar aan constante verandering
onderhevig. Met het oog op de veranderingen in bevolkingssamenstelling en de
redzaamheid van ouderen lijkt het erop dat de privéruimte publieker wordt en de
publieke ruimte meer mogelijkheden biedt voor privacy en dat er meer zogeheten
tussenruimten ontstaan waarin deze sferen in elkaar overlopen, zoals
drempelzones.
Drempelzones
Vanuit de wereld van de architectuur komt de gedachte dat ruimten tussen
privéruimte en publieke ruimte ontmoetingen tussen mensen en hun gevoel van
veiligheid bevorderen. Dit is wat de architect Herzberger ‘drempelzones’ noemt.
Wanneer de scheidslijn tussen de publieke en de privéruimte van mensen te abrupt
is, ontstaat daar spanning (Herzberger spreekt van de ‘territoriale spanningsreeks’).
Mensen voelen zich dan eerder onveilig en worden niet uitgenodigd om met elkaar
in contact te treden. Veiligheid en sociaal contact maken in de nabijheid van de
woning is voor de kwaliteit van leven van ouderen van groot belang. Is de ruimte
wat breder, dan voelt dat voor mensen veel prettiger aan, en men voelt zich thuis
veiliger. Privéruimte en openbare ruimte mengen zich, er ontstaan plekken om
elkaar te ontmoeten en om gezamenlijk iets te doen. In oude steden maken
dergelijke plekken het stedelijk weefsel (zie pagina 28, plattegrond van Rome).
Architecten spreken over de stad als huiskamer: het gaat dan om de schaal en de
aangenaamheid van plekken.
Ankerpunten
Veel ontmoetingsplaatsen in de stad zijn geen straten of pleinen, maar plekken die als
interieur te beschouwen zijn. Willen mensen zich thuis voelen in een stad, dan moeten
ze de stad als het ware ‘veroveren’ (De Boer, 2012). Daarvoor zijn ankerpunten nodig,
plekken waarmee ze zich identificeren, routes vanuit die plekken om de stad verder te
exploreren, netwerken die deze plekken verbinden. Publieke interieurs zoals stadhuizen,
stations en bibliotheken zijn van die ankerpunten. Maar ook intermediaire zones -
plekken die informeel gebruik toelaten - die bemiddelen tussen de publieke ruimte
(buiten) en de private of privéruimte (veelal binnen), dus tussen de niet-publiek-
toegankelijke delen van een gebouw aan de ene kant en de ‘echte’ openbare ruimte aan
de andere kant.6 We kunnen ons voorstellen dat naarmate mensen ouder worden,
ankerpunten (evenals bewegwijzering, zie hoofdstuk 2) er nog meer toe doen dan
wanneer mensen jonger en mobieler zijn. Intermediaire zones bieden ruimte voor
rustpunten en beschutting. Het informele gebruik van de publieke ruimte komt vaak
niet aan bod in een bestemmingsplan, maar het is wel een belangrijke waarde voor de
stad en een wezenlijke eigenschap van bepaalde ruimten in de stad. Ook voor het
bouwen van solids, gebouwen met een zodanige flexibiliteit dat de functionele invulling
6 Overigens kan er ook sprake zijn van ongewenst informeel gebruik: rondhangende jeugd, bedelende
zwervers en wildplassers.
                                                25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>na de oplevering nog kan worden bepaald en op termijn kan worden veranderd, is het
huidige bestemmingsplan geen adequaat toetsingsinstrument, aldus De Boer (2012).
3.4 Continu veranderbare ruimten
Verschillende partijen, zowel publieke als private, kunnen (publieke) ruimten een
andere bestemming geven waardoor de omgeving anders kan worden beleefd.
Gevoelens van onbehagen en onveiligheid als gevolg van leegstand bijvoorbeeld
kunnen ermee worden teruggedrongen. Voorbeelden zijn de solids op IJburg, de
omvorming van de oude scheepswerven in Amsterdam-Noord tot creatieve
broedplaatsen en de popup stores in als onveilig ervaren donkere leegstaande
winkelplinten van gebouwen en winkelcentra. Dat het gebruik van gebouwen mee
verandert met de tijd, met ontwikkelingen in de samenleving, zien we ook aan de
zeventiende-eeuwse panden in oude binnensteden: de aanpassing van pakhuizen
naar kantoren naar woonhuizen naar woon- of werkplekken. Het is dan wel van
belang dat gebouwen voor meerdere functies geschikt te maken zijn.
Illustratief voor het idee van veranderbare ruimten is het voorbeeld van Schieblock
in Rotterdam.
Schieblock
De projectgroep heeft op 21 oktober 2014 een bezoek gebracht aan ontwerpbureau ZUS
(Zones Urbaines Sensitives). ZUS combineert de disciplines landschap, stedenbouw en
architectuur. Focus van ZUS is het stadslandschap (Glocal District), waarin de publieke
ruimte een prominente plaats heeft (Sufficient Publicness). Uitgangspunt is ‘permanente
tijdelijkheid’. Dat is de les van de oplopende leegstand van kantoorgebouwen, onder andere
in het gebied rond het Rotterdamse Centraal Station. De cyclus van bouwen, slopen en
opnieuw bouwen kan in die visie bijvoorbeeld worden vervangen door een organisch proces
met behoud van de goede elementen in het bestaande.
Een doorbraak voor ZUS was het winnen in 2012 van de prijs voor het Rotterdamse
Stadsinitiatief (€ 4 miljoen), waarmee de publieke zone rond het Schieblock-gebouw kon
worden ingericht. Schieblock is een kantoorpand aan de rand van het centrum van
Rotterdam dat na een periode van leegstand en gebrekkig beheer in 2009 in gebruik is
genomen door bedrijven in de creatieve sector, tegen een zakelijke huurprijs. Het beleid van
de Schieblock-partners (ZUS en twee projectontwikkelaars) is gericht op een goede
interactie tussen binnen- en (publieke) buitenruimte. Zo is veel aandacht besteed aan de
plint die het verbindende element tussen beide vormt. Met het budget voor het
stadsinitiatief zijn onder andere de aanleg van een daktuin op het pand, een luchtsingel
erdoorheen en een plantsoen naast het gebouw gerealiseerd.
Het gesprek levert vooral materiaal op voor de vraag waar en in welke mate de publieke
ruimte onwrikbaar dan wel vormbaar kan of moet zijn. De noodzaak van vormbaarheid
neemt toe, omdat de technologie (ICT) ons daartoe dwingt: inflexibel gebouwde objecten
zoals kantoorgebouwen verliezen de functie waarvoor ze gebouwd zijn en komen leeg te
staan. Dit levert risico’s op voor de leefbaarheid van de publieke ruimte, zoals slecht beheer
en minder toezicht of sociale controle. Schieblock is een voorbeeld van de manier waarop
flexibiliteit en tijdelijkheid de leefbaarheid kunnen redden.
                                                 26
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>3.5 Conclusie
De huidige ontwikkelingen van vergrijzing en gestegen levensverwachting zorgen
voor een andere dynamiek in de ruimte. Publieke ruimte, private ruimte en
privésfeer gaan steeds meer in elkaar overlopen. In deze tussenruimten ontstaan
nieuwe inrichtingsvormen die dienstbaar kunnen zijn aan het bevorderen van de
redzaamheid van ouderen, bijvoorbeeld doordat ze bijdragen aan ontmoeting
tussen mensen en hun gevoel van veiligheid. Ook nadenken over de tijdelijke
invulling van in onbruik geraakte gebouwen (continu veranderbare ruimten), of
beter nog, nadenken over gebouwen die voor meerdere functies geschikt te maken
zijn (solids) is aan te raden in een tijd waarin ontwikkelingen in de samenleving zich
in rap tempo voltrekken. Bestemmingsplannen moeten daartoe anders worden
ingevuld.
                                             27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>                 De kaart van Rome door Giambattista Nolli, 1748.
Door functiemenging, een afwisselende omgeving met pleinen, maar ook met veel
smalle straten (schaduw), is er een gunstig klimaat voor ouderen om een wandeling
            te maken en anderen (ook andere generaties) te ontmoeten.
                (met dank aan Ianthe Mantingh, Locus Architecten)
                                         28
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>  OUDE EN NIEUWE STEDEN
  Je voelt je razendsnel vertrouwd
  met oude steden, fraai gebouwd
           om torens heen:
   al kende je daar heg noch steg,
   na een klein uur vind je de weg
          heel goed alleen.
 Maar neem een wijk uit onze tijd:
 je raakt er vaak de weg nog kwijt
          na honderd keer.
Zelfs in één bouwwerk, één kantoor,
     zoek je je rot, de jaren door
           en telkens weer.
   Ach, architecten van vandaag,
 ik zoek een antwoord op de vraag
           waarom u faalt:
     waarom is bijna elk ontwerp
    zo zonder hart en zo onscherp
         dat men verdwaalt?
          Willem Wilmink
                  29
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>4. Wie doen wat in de publieke ruimte?
Welke kenmerken en aanpassingen van de fysieke leefomgeving de redzaamheid
van ouderen kunnen bevorderen is in hoofdstuk 2 belicht. We beschreven tastbare,
zichtbare elementen in de ruimtelijke inrichting die de mobiliteit van ouderen dan
wel de sociale inbedding in de buurt stimuleren, waardoor ouderen langer en
gezonder zelfstandig kunnen blijven. Dit hoofdstuk gaat over de wijzen waarop
ouderen zich de publieke ruimte toe-eigenen en daardoor de ruimte mede
vormgeven. Bijvoorbeeld door hun al dan niet specifieke wensen en behoeften
kenbaar te maken of er aandacht voor te vragen, door initiatieven te ontplooien en
zelf oplossingen te zoeken voor knelpunten die zij tegenkomen. Ouderen
verschillen daarin overigens niet van andere burgers. Dit hoofdstuk heeft daarmee
een bredere scope dan de voorgaande hoofdstukken.
4.1 Vrije ruimte of noodzaak tot ordening?
De publieke ruimte is van ons allemaal. Tal van (groepen) mensen maken vrijelijk
gebruik van de publieke ruimte. Men begeeft zich daarin om naar een bepaalde
bestemming te gaan, zoals een winkel, een vriend, een kantoor. Maar dat is niet het
hele verhaal. Publieke ruimte is er ook om in te verblijven, zich te ontspannen of te
vermaken en anderen te ontmoeten.
Op sommige plaatsen zal de concurrentie om de ruimte toenemen, bijvoorbeeld als
gevolg van tempoverschillen tussen generaties. Publieke ruimte klinkt in eerste
instantie democratisch en laagdrempelig: iedereen heeft toegang. Toch is historisch
gezien de publieke ruimte altijd een betwiste ruimte geweest. Algemene en
individuele of groepsbelangen kunnen gemakkelijk conflicteren. Denk aan
verzoeken om meer bushaltes in de buurt, maar deze niet voor de eigen deur willen
hebben.
De verdeling van de publieke ruimte over de verschillende deelbelangen en de
inrichting en het beheer ervan, zijn veelal een zaak van de gemeente. Het is aan de
gemeente om (tegengestelde) belangen af te wegen en compromissen te sluiten over
het gebruik van de publieke ruimte. Zij is dus een bewaker van pluriform
waardenbeleid. Daarbij gelden soms regels, zoals verkeersregels en openingstijden
bedoeld om het gebruik te regelen, uitsluiting van burgers te voorkomen,
grensoverschrijdend gedrag of overlast te beperken en de veiligheid te bewaren.
Of mensen nu passant zijn of er verpozen, het gaat erom dat burgers zich de
publieke ruimte eigen kunnen maken en zich er thuis voelen. De kunst is om een
evenwicht te vinden tussen ordening (regels) en vrij gebruik van de publieke
ruimte.
4.2       Burgerparticipatie
Mensen weten vaak heel goed wat zij belangrijk vinden en wat er beter kan in hun
directe leefomgeving. Onder andere de Wet ruimtelijke ordening, de Gemeentewet
en de Algemene wet bestuursrecht bieden wettelijke waarborgen voor inspraak en
participatie. Gemeenten hebben dit vertaald in hun inspraak- en
participatieverordeningen. Zulke beleidsbeïnvloedende burgerparticipatie (SCP,
                                          30
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>2014a) betreft de gelegenheid die burgers krijgen om bijvoorbeeld hun mening over
beleidsvoornemens kenbaar te maken via inspraak of om zitting te nemen in Wmo-
raden om gemeentebesturen te adviseren. Niet alleen in het begin van het
beleidsvormingsproces kunnen burgers participeren. Bij de lokale overheid bestaat
de wil om burgers als mede-uitvoerder van beleid een rol te geven. De uitdaging
daarbij is om ook ouderen deelgenoot te maken van het inrichten van de
leefomgeving.
Echter, voor burgers, waaronder ouderen, is de weg van inspraak en participatie in
het plan- en besluitvormingsproces niet aantrekkelijk en vanuit burgers gezien
weinig effectief. Het vraagt van burgers dat ze wegwijs worden in het
bureaucratische proces alvorens zij hun inbreng kunnen geven. Dat vergt veel inzet
en kennis en het staat meestal ver af van de eigen leefwereld van mensen.
Burgerparticipatie in deze vorm heeft dan ook een zeer beperkte schaal (SCP,
2014a).
Buurtrechten vormen de nieuwe loot aan de boom van burgerparticipatie. Het idee
van buurtrechten is komen overwaaien uit het Verenigd Koninkrijk. Buurtrechten
geven bewoners meer zeggenschap over hun voorzieningen (WRR, 2005; Van
Houten, 2014). Hierbij gaat het om beleid dat bewoners verleidt om in actie te
komen, omdat het inspeelt op hun behoeften en kwaliteiten en hen de mogelijkheid
geeft de eigen buurt in te kleuren 7. Drie vormen worden onderscheiden:
      1.    Right to challenge: als bewoners denken een publieke taak beter te kunnen
            uitvoeren, kan er een nieuwe aanbesteding worden afgedwongen waaraan de
            bewoners als volwaardige partner meedoen. Hiermee kunnen bewoners
            bijvoorbeeld betaald ouderenvervoer overnemen of het groenbeheer in een
            wijk op zich nemen.8 Dit biedt veel kansen voor experimenten in de openbare
            ruimte.
      2.    Right to buy: voordat een pand of stuk land dat wordt afgestoten in de vrije
            verkoop of verhuur komt, hebben bewoners het recht om er als eerste een
            bod op uit te brengen. Ook het gebruik door bewoners kan worden
            vastgelegd.
      3.    Right to plan: bewoners hebben het recht om zelf een plan te maken voor de
            inrichting van de buurt.
    Tijdens een van de werkbezoeken komen we in aanraking met een vereniging die als
    doel heeft om vervoer per busje aan de leden te bieden. Er zijn 1.200 leden (in de
    leeftijd van 55 tot 90 jaar) en 130 vrijwilligers, meest chauffeurs, meest
    jonggepensioneerd, die het prettig vinden om op deze wijze een deel van hun tijd
    nuttig te besteden.
Dit soort zelfredzame participatie zal ten goede komen aan het sociale netwerk van
ouderen in wijk, buurt of straat (wederkerigheid vormt een basis voor sociale
cohesie). Bovendien snijdt het mes aan twee kanten. Deelnemers die zelf (nog)
geen ondersteuning of zorg nodig hebben, bouwen met vrijwilligerswerk ook voor
zichzelf een sociaal netwerk op, blijven in beweging en ervaren zingeving; dit zijn
allemaal factoren die bijdragen aan langer behoud van redzaamheid en uitstel van
beperkingen. Ook (oudere) mensen met beperkingen en ondersteuningsbehoefte
kunnen op hun productieve capaciteiten worden aangesproken, op een manier die
uitstel van verdere beperkingen en vraag naar zorg en ondersteuning oplevert. De
7 De ene buurt is de andere niet, het gaat dus om maatwerk per buurt (WRR, 2005).
8 Dit recht is nu via een amendement ook opgenomen in de Wmo.
                                                  31
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>opdracht aan de gemeente op basis van de Wmo is om ervoor te zorgen dat dat
ook werkelijk gebeurt. Het is voorstelbaar dat de gemeente in dat verband
bijvoorbeeld als voorwaarde aan burgerinitiatieven stelt dat deze ruimte bieden
voor mensen met een ondersteuningsvraag.
4.3       Burgerinitiatieven en nieuwe beheerarrangementen
We zien dat burgers steeds vaker taken en verantwoordelijkheden op zich nemen
die tot nu toe bij de gemeente zijn geborgd. Burgers die samen een stuk groen of
speeltuin in beheer nemen of een moestuin inrichten. Of burgers die gezamenlijk
de bibliotheek of het zwembad runnen wanneer de gemeente de subsidie intrekt.
Dat burgers in het publieke domein zelf het heft in handen nemen, heeft te maken
met een mengeling van persoonlijke gedrevenheid, ervaringsdeskundigheid en
onvrede met de bestaande of de nieuw ontstane situatie. Sommigen signaleren dat
de publieke ruimte de afgelopen decennia verweesd is geraakt (Franke et al., 2012).
Het is daarom belangrijk om op een andere manier met de fysieke ruimte om te
gaan en om fysieke investeringen te combineren met nieuwe beheerarrangementen.
   Voedseltuin Rotterdam
   Gemeenschappelijke moestuinen komen vaak voort uit burgerinitiatief. Bijvoorbeeld de
   Voedseltuin in Rotterdam, waarvan de productie naar de voedselbank in Rotterdam gaat
   en waar veel vrijwilligers werken, ook ouderen en mensen met een psychische
   aandoening. De tuin levert dus productie, maar mogelijk zijn de sociale opbrengsten
   groter, doordat mensen elkaar bij de tuin ontmoeten.
   De belangrijkste effecten van Urban Farming in de literatuur (Bellows et al., 2004 in
   TNO, 2015) zijn:
        -    Het kweken van voedsel is gecorreleerd met de consumptie: hoe meer voedsel men
             verbouwt, hoe groter de kans dat men het zelf eet. Mensen die tuinieren, geloven
             dat wat zij kweken goed voor hen is en willen het daarom eten.
        -    Tuinieren en landbouw in de stad zorgen voor gezonde, actieve recreatie van de
             stedeling. Het wordt ook geassocieerd met bevredigende arbeid, fysieke en mentale
             ontspanning en socializen.
        -    Stadslandbouw zorgt voor veilige, gezonde en groene omgevingen in wijken, bij
             scholen, maar ook in verlaten gebieden.
                                              32
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>Wanneer burgers zelf zaken ter hand nemen, geven zij uitdrukking aan hun wensen
om dingen zelf of anders te doen. Zij doen dat zoals hen dat goeddunkt en leggen
eigen accenten. Dat gaat in principe buiten de overheid om. Pas wanneer
initiatieven botsen of regelgeving raken, komt de overheid in beeld. Dat is
bijvoorbeeld het geval wanneer het burgerinitiatief een vergunning of een
accommodatie nodig heeft of op zoek is naar financiering. Met de opkomst van
meer en veelsoortige maatschappelijke initiatieven zal de gemeente vaker de rol op
zich nemen van scheidsrechter, adviseur of verbinder (RMO 2013; 2014).
Om burgerinitiatieven te laten floreren, is het ten eerste zaak dat gemeenten zich
hiertegenover terughoudend opstellen. En dat is lastig voor bestuurders en
ambtenaren, omdat ze gewend zijn de inrichting en het beheer van de publieke
ruimte naar zich toe te trekken. Te meer als het maatschappelijk initiatief voor een
publieke taak niet helemaal naar wens is van de gemeente. Wat gemeenten wel
kunnen doen, is blokkades wegnemen die burgerinitiatieven ondervinden van
algemene regelgeving en verordeningen. In plaats van vanuit bestaand beleid en
regelgeving handelen, kunnen gemeenten initiatieven vooruit helpen door te kijken
met welke oplossingen die initiatieven gebaat zouden zijn. Ten tweede kunnen
gemeenten initiatieven op andere manieren ondersteunen, bijvoorbeeld door
cofinanciering en het delen van kennis en ervaring.
Meer ruimte en rechten voor burgers betekenen een cultuuromslag bij gemeenten.
Tot nog toe is aansprakelijkheid vaak een barrière voor vernieuwing en zelfbeheer.
De natuurlijke houding van ambtenaren is die van fouten voorkomen. Gemeenten
zouden echter meer kunnen experimenteren met samenwerkingsvormen met
burgers in de publieke ruimte. Uitproberen wat wel en wat niet werkt: een vorm
van ‘experimental governance’ (Sabel en Zeitlin, 2012). Vooral doen, waarbij er ook
fouten mogen worden gemaakt. Gemeenten stellen zich minder op als
regelgestuurde beheerders van de publieke ruimte, maar meer als experimenterende
spelers die samen met andere actoren de ruimte vormgeven ‘in actie’. Sommige
gemeenten experimenteren al met hun rol. Ze doen bijvoorbeeld wat extra voor de
wijk als bewoners het groen onderhouden of zich anderszins inzetten voor de wijk.
Daartoe sluiten gemeenten participatieovereenkomsten met bewoners.
Gezamenlijke reflectie op actie is daarbij nodig en dit is een belangrijk onderdeel
van experimental governance. Kortom, een combinatie van experimenterend doen en
reflecteren.
4.4       Bedrijven
In de nabijheid van de woning, in de buurt, kunnen burgers zelf initiatieven
ontplooien. Denk aan een buurttuin waar mensen tot rust kunnen komen. Willen
ouderen echter uitgaan en het stadscentrum bezoeken, dan komen zij meer in de
publieke ruimte. Mogelijk hebben ouderen - meer dan jongere generaties - behoefte
aan privacy in de publieke ruimte. Ouderen moeten bijvoorbeeld vaker een
sanitaire stop maken of even uitrusten. Dit kan bij het uitgaan een probleem zijn.
Wellicht zodanig dat ouderen het uitgaan maar achterwege laten. Wat kunnen
bedrijven op dat gebied doen en wanneer komt de gemeente in beeld?
Supermarktketens bieden bijvoorbeeld steeds vaker een aangename omgeving voor
klanten met een koffiehoek, en in sommige fastfoodketens en grootwinkelbedrijven
kun je gemakkelijk naar toilet.
Voor de dagelijkse levensbehoeften is de nabijheid van winkels voor ouderen ook
belangrijker dan voor jongeren. In focusgroepen van TNO geven ouderen aan dat
                                            33
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>een pinautomaat (binnen), een (goedkope) supermarkt, een drogist, een apotheek
en een huisarts belangrijke voorzieningen in de wijk zijn. Veel van deze
voorzieningen zijn afhankelijk van private partijen: het verdwijnen van de
buurtsuper of de pinautomaat is lastig te beïnvloeden. Gemeenten kunnen bij het
verlenen van vergunningen aan winkels rekening houden met specifieke wensen
van een ouder wordend winkelend publiek.
4.5 Conclusie
Burgers worden steeds meer betrokken bij de inrichting en het beheer van de
publieke ruimte en nemen ook vaker zelf het initiatief om problemen die zij in hun
dagelijkse leefomgeving tegenkomen, aan te pakken.
Verschillende publieke en private partijen - gemeenten, maatschappelijke partners,
bedrijven en burgers - zijn het echter niet altijd met elkaar eens over wat de juiste
inrichting van de publieke ruimte is. Wat voor de een prettig kan zijn, is voor de
ander juist onplezierig. Een focus op redzame participatie vraagt daarom om een
andere rol van de gemeente. De gemeente wordt vaker verbinder, adviseur of
scheidsrechter in plaats van beslisser. Het is van belang dat een goed samenspel
ontstaat tussen gemeenten, private partijen en burgerinitiatief, waarbij er ook oog is
voor (groepen) burgers die niet vanzelfsprekend meedoen.
Publieke partijen, zoals de gemeente, moeten altijd een afweging maken tussen
verschillende belangen (bijvoorbeeld veiligheid, rust, culturele diversiteit,
speelruimte) en groepen (bijvoorbeeld ouderen die willen wandelen door de stad,
gezinnen en skateboarders). Soms wordt de wens van de één beter gehonoreerd
dan die van de ander. Gemeenten kunnen bijvoorbeeld voorwaarden verbinden aan
het toekennen van middelen voor burgerinitiatief (bijvoorbeeld dat iedereen mag
en kan participeren in het initiatief, ook kwetsbare mensen). Of andersom iets
extra’s doen voor burgers die zich inzetten voor de leefomgeving (bijvoorbeeld het
geven van een kleine vergoeding aan de buurt of het beschikbaar stellen van
gereedschap).
Nieuwe verhoudingen in de samenleving vragen ook om andere governance en
organisatiecultuur. Experimental governance - uitproberen wat wel en wat niet werkt -
is een werkwijze die daarbij behulpzaam kan zijn. Deze werkwijze vraagt wel dat
alle spelers zich anders opstellen dan nu vaak het geval is, dat geldt ook voor de
gemeente: meer gericht op experimenteren en leren en minder op beslissen en
sanctioneren.
                                           34
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>5. Een agenda voor de toekomst
5.1 Conclusie
Kan de publieke ruimte bijdragen aan de redzaamheid van ouderen? Deze vraag
heeft de Raad in twee stappen beantwoord.
Allereerst door na te gaan of de publieke ruimte er dan toe doet. Het antwoord
daarop is ja. De inrichting van de publieke ruimte is een bepalende factor in de
redzaamheid van ouderen. Voor het zelfstandig kunnen blijven wonen van ouderen
is het van groot belang dat zij voldoende mobiel zijn, voorzieningen in de buurt
hebben en sociale contacten kunnen onderhouden. De publieke ruimte kan dit
ondersteunen en is daarmee een toevoeging aan het assortiment van algemene
voorzieningen waarmee de gemeente de redzaamheid van haar inwoners bevordert.
Overigens moeten ontwerpen van de publieke ruimte niet specifiek gericht zijn op
ouderen. Iedereen wil graag vertoeven in een aangename omgeving.
De tweede stap in het beantwoorden van de kernvraag was hoe ouderen in de toekomst
gebruik kunnen blijven maken van de publieke ruimte en deze ook mede vormgeven.
De Raad constateert dat onder meer vergrijzing en gestegen levensverwachting zorgen
voor een andere dynamiek in de ruimte. Publieke, private en privéruimte gaan meer in
elkaar overlopen. Tussenruimten, die elementen van privé, privaat en publiek in zich
dragen (denk bijvoorbeeld aan privé aanvoelende ontmoetingsruimte in de publieke
ruimte of publieke interieurs), bieden de mogelijkheid om de redzaamheid van ouderen
te bevorderen. Ze dragen bij aan ontmoeting tussen mensen en hun gevoel van
veiligheid. De publieke ruimte behoort in aanleg veelal tot het domein van de gemeente,
maar in het licht van de decentralisaties ligt het voor de hand dat burgers, en dus ook
ouderen, meer gelegenheid krijgen om verantwoordelijkheid en initiatief te nemen in
hun eigen leefomgeving. Daarvoor is het nodig de regels aan te passen. Het gaat dan
om regelgeving aangaande eigenaarschap en beheer (meer gedeeld eigenaarschap en
zelfbeheer) en rond financiering (cofinanciering en buurtrechten) en om nieuwe
afspraken tussen publieke en private partijen. Nieuwe verhoudingen in de samenleving
vragen om vormen van experimentele governance en een andere organisatiecultuur van
gemeenten, en om meer experimenten en reflectie in samenspraak met andere actoren.
5.2 Agendapunten voor de toekomst
Op basis van de uitkomsten van deze verkenning en gesprekken met experts willen
wij bij gemeenten en andere betrokken partijen een aantal zaken agenderen waar zij
bij het maken van beleid rekening mee zouden moeten houden.
      1.  Stel de publieke ruimte ook in dienst van de redzaamheid van ouderen.
Gemeenten ga - in samenspraak met publieke en private partijen - verkennen hoe
de inrichting van de publieke ruimte ook in dienst kan worden gesteld van de
redzaamheid van ouderen. Onderzoek hoe de ruimte een rol kan spelen bij
preventie en ondersteuning bij ziekte en verlies aan redzaamheid. Een aangename
en afwisselende fysieke ruimte kan ouderen uitnodigen tot bewegen en actief
blijven, en zo ook bijdragen aan de cognitieve reserve van ouderen. Gemeenten
denken nu al na - maar zullen dat veel meer moeten gaan doen - over de effecten
van de vergrijzing, want de inrichting van de publieke ruimte gaat met stenen en
                                             35
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>beton gepaard. Dat betekent dat het lang duurt voordat er iets staat, en als het er
eenmaal staat, is het lastig te veranderen. Gemeenten moeten bij afwegingen
omtrent ruimtelijke ordening de gezondheid en redzaamheid van de bevolking
expliciet meenemen. Uit de verkenning blijkt dat het loont om de werelden van de
ruimtelijke inrichting en infrastructuur en die van de gezondheid (meer) met elkaar
te verbinden: ook binnen gemeenten zelf. Dit vraagt samenspel tussen de
wethouder ruimtelijke ordening en de wethouder volksgezondheid/welzijn.
     2.   Maak van de publieke ruimte een aangename ontmoetingsplaats.
Voor ouderen is een aangename leefomgeving, veel meer dan voor jonge mensen,
van belang om naar buiten te gaan en de publieke ruimte te betreden. L ooproutes
kunnen aantrekkelijk en veilig worden gemaakt door duidelijke bewegwijzering en
enge bosjes, blinde muren, tochtige hoeken en rommelige bestrating aan te pakken.
De publieke ruimte kunnen we zien als functioneel knooppunt, maar tegelijkertijd
moet het een aangename verblijfplaats zijn. Mensen moeten naar buiten willen
komen. Ook inspiratie in de ruimte is daarbij belangrijk, zoals het delen van
verhalen op een bankje of het bekijken van kunst.
Met het verdwijnen van verzorgingshuizen, verdwijnen vaak ook voorzieningen
voor ouderen in de buurt. Het verlies van oude ontmoetingsplaatsen biedt
tegelijkertijd ruimte voor de opkomst van nieuwe ontmoetingsplaatsen. Het is
belangrijk dat alternatieven, zoals de koffiehoek bij de supermarkt, een dergelijke
functie gaan overnemen. Hoe ouderen elkaar en andere generaties kunnen
ontmoeten en hoe eenzaamheid kan worden tegengegaan zijn vraagstukken die
expliciet op de agenda moeten komen. Daarbij is het essentieel aan te sluiten bij de
wensen van ouderen zelf.
     3.   Erken het potentieel van tussenruimten.
De publieke ruimte ligt er niet altijd even florissant bij. De economische crisis van
de afgelopen jaren heeft de publieke ruimte ook geen goed gedaan. Een nieuw
fenomeen is de ‘ontwinkeling’: winkels die uit buurt- en winkelcentra verdwijnen en
een onaangename leegte achterlaten. Lege ‘plinten’, zoals de benedenverdiepingen
van gebouwen ook wel genoemd worden, dragen bij aan gevoelens van onveiligheid
en aan de verloedering van buurten. Het is dus van groot belang om nieuwe
bestemmingen voor lege panden te vinden. Samen met aangename (brede) trottoirs
of pleinen kunnen winkels en horeca beschutting, comfort en gelegenheid tot
ontmoeting bieden. Tussenruimten zijn gebieden die zowel publiek als privaat zijn
en het risico lopen ‘van niemand’ te zijn. Kenmerk van deze ‘tussenruimten’ is dat
zij zowel een bron van creativiteit als van verloedering kunnen zijn.
Om met deze agendapunten aan de slag te gaan zijn de volgende twee
randvoorwaarden van belang:
     -    Bied ruimte voor initiatieven en experimenten en leer ervan.
Fysieke investeringen vragen om nieuwe beheerarrangementen: wie gaat de
publieke ruimte onderhouden? Tot nu toe is de gemeente de eerstverantwoordelijke
partij, maar ook hier winnen nieuwe vormen van co-beheer aan belang, waarbij
gemeenten samenwerken met maatschappelijke dienstverleners en individuele
burgers. Daarnaast kunnen gemeenten veelbelovende initiatieven en experimenten
op het gebied van de publieke ruimte voor de redzaamheid van ouderen stimuleren
en ondersteunen. Kamphuis et al. (2015) adviseren om initiatieven op dit gebied,
gericht op veelbelovende determinanten, te evalueren. De maatschappelijke baten
                                            36
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>kunnen aanzienlijk zijn, maar dan moeten ze wel in kaart worden gebracht. Het is
aan te bevelen daarbij ook onderzoeksmethoden uit het sociale domein te
betrekken en uit te gaan van verschillende ‘gradaties van bewijs’ of ‘passend bewijs’
(Pawson en Tilley, 1997; Doorten en Rouw, 2006; CEG, 2007), bijvoorbeeld
kwalitatieve casestudies die laten zien hoe een initiatief heeft gewerkt. Deze kunnen
inspiratiebron zijn voor andere plekken of gemeenten. Maak van de onderzochte en
bestaande initiatieven eventueel een digitale bibliotheek ‘Ruimte en redzaamheid’ of
een digitaal knooppunt waar verschillende al bestaande websites op dit thema met
elkaar worden verbonden.
     -    Maak meer partijen deelgenoot van de publieke ruimte.
Ontwerpers, architecten, landschapsarchitecten en stedenbouwers buigen zich al
eeuwen over leefbaarheidsvraagstukken. Dat doen ze in opdracht van de overheid
en van ondernemers. Winkels, winkelcentra en horeca hebben een groot belang b ij
een aangenaam verblijfsklimaat en goede toegankelijkheid en nemen steeds vaker
een maatschappelijke verantwoordelijkheid door ook toegang te bieden aan
ouderen zonder directe bestedingsintentie. Een deel van de oplossing ligt dus in het
koppelen van de publieke en private belangen.
Hier speelt de vraag hoe een concurrerende stad vanuit economisch perspectief
gecombineerd kan worden met de noodzakelijke grotere leefbaarheid in de
openbare ruimte. De oplossing ligt in het gegeven dat ouderen steeds meer o ok een
economische factor worden, misschien voor steden en bedrijven juist een
aantrekkelijke groep. Het gaat er dan om dat gemeenten en private partners elkaar
in een dergelijke ontwikkeling weten te vinden.
Raad voor de Volksgezondheid en Zorg
Pauline Meurs,                                   Theo Hooghiemstra,
voorzitter                                        algemeen secretaris/directeur
                                          37
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>Bijlagen
         38
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>Bijlage 1
Tekst werkprogramma RVZ 2014
Omgevingsfactoren zijn van invloed op de gezondheid en het welzijn van mensen.
In deze verkenning verkent de RVZ de wisselwerking van gezondheid en zorg met
de ruimtelijke context. Enerzijds gaat het dan over de positieve invloed van die
context bij gezond blijven en gezond worden. Anderzijds gaat het om bestemming
en herbestemming van bestaande zorggebouwen (met name in de care) en de vraag
of de gebouwen in de zorgsector wel zijn afgestemd op de toekomstige
zorgbehoefte van mensen of dat er nieuwe concepten nodig zijn die beter passen
bij het verlenen van zorg op maat.
Architectuur en het inrichten van ruimte spelen bij beide aspecten - gezondheid en
zorg - een belangrijke rol. Het gaat dan om het betekenisvol samenbrengen van
functies en ruimte.
Het thema van deze verkenning sluit nauw aan bij ‘De techniek van het verbinden’,
het werkprogramma van het college van Rijksadviseurs, waarin onderzoek naar
gezonde steden en gezonde infrastructuur en onderzoek naar de huisvesting en het
landschap van de zorg op de agenda staan. De Rijksbouwmeester heeft de RVZ
verzocht om mogelijkheden tot samenwerking te onderzoeken. Daarnaast wordt
vanuit de Rli gevraagd samen te werken op het gebied van het onderwerp
‘hervorming woonruimte in de zorg’. De RVZ streeft naar een goede samenwerking
met genoemde partners. Hij heeft daarnaast het voornemen te komen tot een o p
zichzelf staand advies op gebied van gezondheid, zorg en ruimte met een nadruk
op strategische beleidsadvisering.
                                         39
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>Bijlage 2
Voorbereiding verkenning
De verkenning is vanuit de Raad voor de Volksgezondheid en Zorg voorbereid onder leiding van:
Mevrouw drs. M. Sint
Prof. dr. J.P. Mackenbach
Mr. H. Bosma (tot juli 2014)
Relevante functies en nevenactiviteiten raadsleden:
Mevrouw drs. M. Sint
- Voorzitter STZ (Samenwerkende Topklinische opleidingsziekenhuizen)
- Voorzitter Transitieautoriteit Jeugd
- Voorzitter Raad van Commissarissen NLHealthcrae
- Vicevoorzitter Raad van Commissarissen Bouwinvest
- Lid Raad van Commissarissen BNG Bank
- Lid Raad van Commissarissen De Friesland Zorgverzekeringen
Prof. dr. J.P. Mackenbach
-     Voorzitter bestuur Netherlands Institute for Health Sciences
-     Lid Raad van Toezicht, Instituut voor onderzoek naar Leefwijzen en Verslaving
      (IVO)
-     Lid Gezondheidsraad, vicevoorzitter Beraadsgroep Maatschappelijke
      Gezondheidszorg van de Gezondheidsraad, lid presidiumcommissie
      Gezondheidsraad
-     Lid bestuur Gerrit-Jan Mulder stichting
-     Vicevoorzitter Programmacommissie Preventie, ZonMw
-     Honorary professor London School of Hygiene and Tropical Medicine
-     Lid Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen
-     Lid Raad van Bestuur Fonds NutsOhra
-     Lid Bestuur van de Vereniging Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde
De Raad is in de voorbereiding bijgestaan door een ambtelijke projectgroep bestaande uit:
Mevrouw dr. I. Doorten, projectmanager
Drs. F.J. van Sloten, senioradviseur
Dr. A.M.L. van Diepen, senioradviseur
Mevrouw L.E. Oldenhof MSc, adviseur
Mevrouw drs. A.C. van der Tuin, adviseur
T. Abou MSc, adviseur (tot april 2014)
Mevrouw M.L. Noteboom, communicatieadviseur
Mevrouw J. Hamelink, projectondersteuner
De Raad adviseert onafhankelijk. Gesprekken tijdens de voorbereiding van een
advies of verkenning hebben niet het karakter van draagvlakverwerving. De
gesprekspartners hebben zich niet aan de verkenning gecommitteerd.
Achtergrondstudies
De Raad heeft de volgende achtergrondstudies laten uitvoeren:
                                                 40
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>Kamphuis, C.B.M., Etman, A., Oude Groeninger, J. et al. van de afdeling
Maatschappelijke gezondheidszorg van het Erasmus MC hebben een
achtergrondstudie geschreven met de titel ‘Relaties van de fysieke omgeving met
leefstijl, redzaamheid en sociale verbindingen’.
Bottenheft, C. en Staalduinen, W. van, TNO, hebben een achtergrondstudie
geschreven met de titel ‘Voorbeelden van ruimte in relatie tot gezond gedrag,
redzaamheid en sociale verbanden’.
Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten: projecten van studenten.
Stadswandelingen
De projectgroep heeft een aantal stadswandelingen gemaakt:
-        Den Haag: Bezuidenhout, Benoordenhout en de Schilderswijk
-        Rotterdam: Feijenoord
-        Amsterdam: Amsterdam Noord
-        Lelystad: Zuiderzeewijk en Stadshart
Geconsulteerden
Tijdens het traject zijn de volgende personen geconsulteerd:
Mevrouw drs. S. Badal                    Gemeente Schiedam
A.C. Balm                                Gemeente Heerhugowaard
Mevrouw mr. M.J. Bitterberg              Ministerie van Infrastructuur en Milieu
Dr. D. van Bodegom                       Leyden Academy on Vitality and Ageing
Mevrouw E. van Boxel                     Zones Urbaines Sensitives
Dr. L. van Bree                          Planbureau voor de Leefomgeving
Dr. C. van Campen                        Sociaal en Cultureel Planbureau
Mevrouw C. van Dijk, Msc                 Caro van Dijk Architectuur
Docenten en studenten                    Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten
Dr. ir. L.M. Doeswijk                    Raad voor de leefomgeving en infrastructuur
Ir. F.J.C.M. van Dongen                  College van Rijksadviseurs
Dr. ir. M.J. van Dorst                   Technische Universiteit Delft
Mevrouw R. Eerhart                       Instituut voor natuureducatie en duurzaamheid
Mevrouw drs. M.L.C. Fleer                Gemeente Nijmegen
Drs. M.H.J.M. van Heck                   College van Rijksadviseurs
Dr. R. Hillebrand                        Raad voor de leefomgeving en infrastructuur
M.J. Hinkema MA                          TNO
Drs. P.H.A.M. Huijts                     Ministerie van Volksgezondheid,
                                         Welzijn en Sport
Dr. A.A.J. van Iersel                    Ministerie van Volksgezondheid,
                                         Welzijn en Sport
Mevrouw dr. C.B.M. Kamphuis              Universiteit Utrecht
Kluswinkel Lelystad
C. Kruithof                              Gemeente Heerhugowaard
Mevrouw A. Koornstra, MPH                Publieke Gezondheid en Veiligheid
                                         Nederland
Mevrouw J. Kriens                        Vereniging van Nederlandse Gemeenten
Mevrouw D. L’Abee                        Nederlands Instituut voor Sport en Bewegen
Dr. F.J. van Lenthe                      Erasmus Medisch Centrum
Mevrouw dr. J. Lindenberg                Leyden Academy on Vitality and Ageing
A.J. Lycklama                            Gemeente Breda
Mevrouw ir. I.A. Mantingh                Locus Architecten
                                           41
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>Mevrouw M. Mascini                     Gemeente Utrecht
Ir. C.V. Neevel                        Ministerie van Volksgezondheid,
                                       Welzijn en Sport
Mevrouw A. Nossent                     Gemeente Rotterdam
Ir. J.L. Pleeging                      Gemeente Zwolle
Mevrouw K. Ramakers                    Gemeente Utrecht
Mevrouw dr. O.A.W.T. van Riet          Ministerie van Infrastructuur en Milieu
Drs. P. Roelfsema                      Ministerie van Volksgezondheid,
                                       Welzijn en Sport
Mevrouw K. Sleeking                    Vereniging van Nederlandse Gemeenten
Mevrouw mr. drs. W. Smit               Regioplan
Mevrouw drs. W.H. van Staalduinen TNO
Mevrouw M. Sterkenburg                 Gemeente Zwolle
Dr. E.C.P.M. Tak                       TNO
Ir. S. Thorissen                       Gemeente Alphen a/d Rijn
J. Toet                                Gemeente Utrecht
Mevrouw K. de Vaan                     Regioplan
Mevrouw drs. B. Vervoorn               Ministerie van Infrastructuur en Milieu
S. Volmer                              Gemeente Enschede
B.A. Vos                               Gemeente Schiedam
Dr. ir. C.M. Vos                       Ministerie van Volksgezondheid,
                                       Welzijn en Sport
Mevrouw ir. S. de Vries                Woonstad Rotterdam
Mevrouw J. van Walderveen              Woonstad Rotterdam
Expertmeeting samenwerkingspartners Rli en CRa 5 februari 2015
Ir. A. de Bont                         Urhahn Urban Design bv
Dr. C. van Campen                      Sociaal en Cultureel Planbureau
S. van Dieken                          Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten
Mevrouw drs. D.A. Harkes               Actiz-Aedes Kenniscentrum Wonen-Zorg
Drs. M.H.J.M. van Heck                 Atelier Rijksbouwmeester
Ir. E.J.J. Huijten                     Greiner van Goor Huijten Architecten bv
Mevrouw ir. M.G.H. Joosten             Atelier Rijksbouwmeester
Mevrouw dr. C.B.M. Kamphuis            Universiteit Utrecht
Dr. V.J.M. Smit                        Raad voor de leefomgeving en infrastructuur
H.A. Snel                              Rietveld Academie
Prof. dr. W.A.J. Vanstiphout           Raad voor de leefomgeving en infrastructuur
D.C. van Wijk                          Planbureau voor de Leefomgeving
Mevrouw S. Zoon                        Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten
Ten slotte is tijdens de voorbereiding enkele keren overleg gevoerd met
beleidsambtenaren van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
De Raad heeft de verkenning op 18 december 2014 vastgesteld.
                                         42
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>Bijlage 3
Lijst van afkortingen
Adl           algemene dagelijkse levensverrichtingen
AOW           Algemene ouderdomswet
AWB           Algemene wet bestuursrecht
BZK           Ministerie van Binnenlandse Zaken en
              Koninkrijksrelaties
CBS           Centraal Bureau voor de Statistiek
CEG           Centrum voor Ethiek en Gezondheid
CPB           Centraal Planbureau
CRa           College van Rijksadviseurs
GPS           Global Positioning System
KABK          Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten
KIM           Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid
NISB          Nederlands Instituut voor Sport en Bewegen
OESO          Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling
RIVM          Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu
Rli           Raad voor de leefomgeving en infrastructuur
RMO           Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling
RVZ           Raad voor de Volksgezondheid en Zorg
SCP           Sociaal en Cultureel Planbureau
Tbc           Tuberculose
TNO           Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek
UPS           Urban Strategic Planning
VROM          Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
VS            Verenigde Staten
VWS           Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Wmo           Wet maatschappelijke ondersteuning
WRO           Wet op de Ruimtelijke Ordening
ZUS           Zones Urbaines Sensitives
                                     43
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>Bijlage 4
Literatuurlijst
Amin, A. Collective culture and urban public space. City 2008: analysis of urban
trends, culture, theory, policy action, 12; (1): p. 5-24.
Angus, J. et al. The personal signifiance of home: habitus and the experience of
receiving long-term home care. Sociology of Health & Ilness 2005; 27(2): 161-187.
Arvidsson, D. et al. Neighborhood walk ability, income, and hour-by-hour physical
activity patterns. Medicine and science in sports and exercise 2013; 45(4): 698-705.
Bellows, A.C. et al. Health benefits of urban agriculture. Community food, 2003.
Boer, M. de. Binnen in de stad. Ontwerp en gebruik van publieke interieurs.
Trancity/Valiz, 2012.
Blokland, T. Oog voor elkaar. Amsterdam: Amsterdam University Press, 2009.
Bredewold, F.H. Lof der oppervlakkigheid: Contact tussen mensen met een
verstandelijke of psychiatrische beperking en buurtbewoners. Amsterdam: University of
Amsterdam (UvA), 2014.
Cammelbeeck, C. Greying cities. Graduation Thesis TU Delft, 2013.
Carmona, M. et al. Public space: the management dimension. Routlegde, 2008.
Centraal Bureau voor de Statistiek. Statline, verschillende statistieken.
Centraal Planbureau. Minder zorg om vergrijzing. Den Haag: CPB, 2014.
Centrum voor Ethiek en Gezondheid. Passend bewijs. Den Haag: CEG, 2007.
Centrum voor Ethiek en Gezondheid. Ver weg en toch dichtbij: ethische
overwegingen bij zorg op afstand. Den Haag: CEG, 2010.
College van Rijksadviseurs. De techniek van het verbinden. Jaarprogramma 2014.
Den Haag: CRa, 2014.
College van Rijksadviseurs. De gevolgen van de verkoop van een grote portefeuille
overheidsgebouwen en de argumenten voor een andere aanpak. Den Haag: CRa,
2014.
Cramers, M. Vernieuwend verbinden van overheid, markt en burgers. ROM,
Special Agenda Stad, november 2014.
Dorst, M. van. Een duurzaam leefbare woonomgeving. Fysieke voorwaarden voor
privacyregulering. Delft: Eburon, 2005.
                                           44
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>Doorten, I. en Rouw R. (red.) Opbrengsten van sociale investeringen. Den Haag:
RMO, 2006.
Dyck, I. et al. The home as a site for long-term care: meanings and management of
bodies and spaces. Health & Place 2005; 11: 173-185.
Etman, A. et al. Socio-demographic determinants of worsening in frailty among
community-dwelling older people in 11 European countries. Journal of Epidemial
Community Health, 2012.
Franke, S. et al. Publieke ruimte – publieke zaak: inhoud, organisatie en
vormgeving van het programma van de stad. www. trancity.nl.
Gehl, J. Life between buildings: using public space. Washington: Island Press, 2011.
Gilmore, J.A. Hybrid space: constituting the hospital as home. Nursing Inquiry
2006; 13 (1): 16-22.
Gobbens, R.J. et al. In search of an integral conceptual definition of frailty.
Opinions of experts. American Medical Directors Association 2010; 11: 338-343.
Herzberger, H. Lessons for students in architecture. Rotterdam, 2001.
Hommels, A. Unbuilding cities: obduracy in urban sociotechnical design.
Massachusetts: MIT Press, 2008.
Houten, M. van. Buurtrechten geven bewoners meer zeggenschap over hun
voorzieningen. Trouw, 24 oktober 2014.
Huber, M., Knottnerus, J.A., Green, L. et al. How should we define health? BMJ
2011, 343; (4163): 235-237.
Jacobs, J. The death and life of great American cities. New York, Random House,
Inc., 1989 [1961].
Kamphuis et al. Relaties van de fysieke omgeving met leefstijl, redzaamheid en
sociale verbindingen. Een samenvatting van de wetenschappelijke literatuur in
opdracht van de Raad voor de Volksgezondheid en Zorg. Rotterdam: Erasmus MC,
2015.
KIM. Gedrag in beleid. Met psychologie en gedragseconomie het mobiliteitsbeleid
versterken. Den Haag: Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid, 2011.
Krznaric, R. Empathie. Utrecht: Uitgeverij Ten Have, 2014.
Lefebvre, H. The production of space. Oxford: Basil Blackwell, 1991.
Low, S. and Smith, N. et al. The politics of public space. Routledge: New York,
2006.
Malone, K. Street life: youth, culture and competing uses of public space,.
Environment and Urbanization 2002: 14 (2): 157-168.
Massey, D. For space. London etc.: SAGE, 2005.
                                          45
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>Merrifield, A. Public space: integration and exclusion in urban life. City: analysis of
urban trends, culture, theory, policy and action 1996; 1 (5-6): 57-72.
Milligan, C. Geographies of care. Space, place and the voluntary sector. Alderhsot
etc.: Ashgate, 2001.
Ministerie van VROM. Gezonde plannen. Overzicht van instrumenten voor het
bevorderen van gezondheids- en milieuprestaties in ruimtelijke plannen. VROM:
Den Haag, 2008.
Mort, M., Milligan, C., Roberts, C. and Moser, I. Aeging, technology and home
care: new actors and responsibilities. Parijs: ParisTech Les Presses, 2008.
Non, M. en Vermeulen, W. Samenhang bij decentralisaties in het sociaal domein.
ESB 2014; 99: (4694).
Pawson, R. en Tilley, N. Realistic Evaluation. London: SAGE Publications, 1997.
Raad voor de leefomgeving en infrastructuur. Langer zelfstandig, een gedeelde
opgave van wonen, zorg en welzijn. Den Haag: Rli, 2014.
Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling. Terugtreden is vooruitzien.
Maatschappelijke veerkracht in het publieke domein. Den Haag: RMO, 2013.
Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling. Leren innoveren in het sociaal domein.
Den Haag: RMO, 2014.
Raad voor de Volksgezondheid en Zorg. Redzaam Ouder: zorg voor niet-redzame
ouderen vraagt om voorzorg door iedereen. Den Haag: RVZ, 2012.
Raad voor de Volksgezondheid en Zorg. Het belang van wederkerigheid.
Solidariteit gaat niet vanzelf. Den Haag: RVZ, 2013.
Raad voor de Volksgezondheid en Zorg. Gemeentezorg. Randvoorwaarden voor
een succesvolle decentralisatie van langdurige zorg naar gemeenten. Den Haag:
RVZ, 2014.
Sabel, C.F. and Zeitlin, J.. Experimentalist governance, in: Levi, D. _Faur (?) et al.
The Oxford Handbook of Governance, 169-183. Oxford: Oxford University Press,
2012..
Scherder, E. Laat je hersenen niet zitten. Hoe lichaamsbeweging de hersenen jong
houdt. Amsterdam: Athenaeum-Polak & Van Gennep, 2014.
Sociaal en Cultureel Planbureau. Kwetsbare ouderen. Den Haag: SCP, 2011a.
Sociaal en Cultureel Planbureau. Kwetsbare ouderen in de praktijk. Den Haag:
SCP, 2011b.
Sociaal en Cultureel Planbureau. Burgermacht op eigen kracht? Een brede
verkenning van ontwikkelingen in burgerparticipatie. Den Haag: SCP, 2014a.
                                          46
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>Sociaal en Cultureel Planbureau. Hulp geboden. Een verkenning van de
mogelijkheden en grenzen van (meer) informele hulp. Den Haag: SCP, 2014b.
TNO. Ruimtelijke verdeling en mogelijke oorzaken van het hitte-eiland effect.
Utrecht: TNO, 2010.
TNO. Wat is effectief? Een studie naar langer thuiswonen in woonservicegebieden.
Presentatie, niet gepubliceerd, 2014.
TNO. Achtergrondstudie: voorbeelden van ruimte in relatie tot gezond gedrag,
redzaamheid en sociale verbanden. Soesterberg: TNO, 2015.
Urban40-onderzoek. Achterstandswijken gezonder door krachtwijkenbeleid.
www.amc.nl, november 2013.
Westendorp, R. Oud worden zonder het te zijn. Over vitaliteit en veroudering.
Amsterdam/Antwerpen: Uitgeverij Atlas Contact, 2014.
Whyte, H. The social life of small urban spaces. New York: Project for public spaces,
1980.
Willems, D. Homes as in: Home care technologies. In: Mort, M., Milligan, C.,
Roberts, C. and Moser, I. (eds.) Ageing, technology and home care: new actors and
new responsibilities, Paris: Presses de l’Ecole des Mines, 62–63, 2008.
WRR. Vertrouwen in de buurt. Den Haag/Amsterdam, Wetenschappelijke Raad voor
het Regeringsbeleid/Amsterdam University Press, 2005.
Yanow, D. How does a policy mean? Interpreting policy and organizational actions.
Washington D.C.: Georgetown University Press, 1996.
                                           47
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>Overzicht publicaties RVZ
15/03  Consumenten eHealth: gezondheid van de markt
       Publicaties bij dit advies, alleen te downloaden
       Scoping review over de toegevoegde waarde van eHealth
       voor zelfmanagement bij ouderen, IQ Healthcare, april
       2015
       Doe-het-zelf Zorg: disruptieve effecten van
       consumenten eHealth, TNO, april 2015
       Financiering en bekostiging van eHealth. Flim Project
       Management i.s.m. RVZ, april 2015
       Het perspectief van artsen in de ouderenzorg op het
       gebruik van eHealth toepassingen, april 2015
       Consumenten eHealth en de zorg van de toekomst, april
       2015
       eHealth in het gemeentelijk domein, april 2014
       Juridische drempels voor toepassing (consumenten)
       eHealth’, april 2015
       Consumenten eHealth: A game changer?!, april 2015
       Adoptie van professionele eHealth, april 2015
       Gebruik van eHealth bij zelfmanagement: verschillen die
       het verschil uitmaken, april 2015
       Dossier Consumenten eHealth: gezondheid van de
       markt, april 2015
15/02  Doorwerken en gezondheid in balans
       Publicaties bij dit advies, alleen te downloaden
       Brochure ‘Werken tot je zeventigste: last of lust?’, april 2015
15/01  Ruimte voor redzaamheid
       Publicaties bij dit advies, alleen te downloaden
       Relaties van de fysieke omgeving met leefstijl,
       redzaamheid en sociale verbindingen’, juli 2014
       Voorbeelden van ruimte in relatie tot gezond gedrag,
       redzaamheid en sociale verbanden’, juni 2014
14/05  De stem van verzekerden, november 2014
14/04  Patiënteninformatie, juni 2014
       14/03 Brochure ‘De toekomst van tien’
14/02  Met de kennis van later
14/01  Randvoorwaarden voor een succesvolle decentralisatie
       van zorg, januari 2014
       Publicaties bij dit advies, alleen te downloaden
       Beleidsidealen in de praktijk, Movisie, januari 2014
       Effectieve decentralisatie?, Regioplan, januari 2014
       De wijkprofessional van de toekomst, januari 2014
       Van rol naar bekostiging in 3D, januari 2014
                                              48
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>      Sporen naar strategieën voor een beter leven, januari
      2014
13/05 Werkprogramma 2014, december 2013
13/04 Garanties voor kwaliteit van zorg, december 2013
      Publicaties bij dit advies, alleen te downloaden
      Een goed gesprek, december 2013
      Goede wijn behoeft een krans, december 2013
      Governance in private healthcare organizations,
      december 2013
      Invloed van de organisaties van medisch specialisten op
      de governance van het ziekenhuis, december 2013
      Rapportage uitkomsten enquête RVZ over Corporate
      governance, december 2013
13/02 De participerende patiënt, april 2013
      13/03 Brochure ‘Samen kiezen voor goede zorg’
      Publicaties bij dit advies, alleen te downloaden
      Shared Decision Making & Zelfmanagement, IQ, april
      2013
      Gezamenlijke besluitvorming & Zelfmanagement, IQ,
      april 2013
      Nieuwe Verhoudingen in de spreekkamer: Juridische
      aspecten, Legemaate, april 2013
13/01 Het belang van wederkerigheid, maart 2013
      Publicaties bij dit advies, alleen te downloaden
      Feitelijke en gewenste solidariteit in de zorg, maart 2013
      Instrumenten voor gepast zorggebruik, maart 2013
      Theorie en praktijk van menselijk gedrag in een solidair
      zorgstelsel, maart 2013
      Lets Care, maart 2013
12/08 Werkprogramma 2013, december 2012
12/07 Regie aan de poort, december 2012
      Publicaties bij dit advies, alleen te downloaden
      Mensen met meervoudige problemen en hun
      zorggebruik, november 2012
      Eerstelijnszorg voor de jeugd, november 2012
      Geestelijke gezondheidszorg, november 2012
      Meer aandacht voor participatie in de eerstelijn,
      november 2012
      Eerstelijnszorg voor ouderen, november 2012
      Wijkgericht werken: intersectorale samenwerking in de
      wijk door grenzenwerk, november 2012
      Verslag opgesteld van focusgroeponderzoek onder
      huisartsen en andere eerstelijns zorgverleners, november
      2012
      De ontwikkeling van de rol van de huisarts gedurende de
      twintigste eeuw, november 2012
                                             49
</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre>12/05 Redzaam ouder, zorg voor niet-redzame ouderen vraagt
      om voorzorg door iedereen, april 2012
      12/06 Jong over Oud, Jonge BN’ers over ouderenzorg,
      brochure, mei 2012
      Publicaties bij dit advies, alleen te downloaden
      Trends in de gezondheid en het belang van
      zelfredzaamheid bij zelfstandig wonende ouderen, 2012
      Kwaliteit van zorg voor ouderen thuis en in het
      ziekenhuis, aanbevelingen vanuit de wetenschap met
      accent op verpleegkunde, 2012
      De intramurale ouderenzorg: nieuwe leiders, nieuwe
      kennis, nieuwe kansen, 2012
      Ouder worden in Nederland, een achtergrondstudie naar
      de visie van ouderen met een migratieachtergrond, 2012
      De sociale dimensie van ouder worden, 2012
      Bouwstenen voor een toekomstbestendige zorg voor
      ouderen, 2012
      Van Alzheimer tot Methusalem, wetenschappelijke
      inzichten van belang voor zorg voor ouderen, 2012
12/02 Stoornis en delict, mei 2012
      12/03 In profiel: de doelgroepen van GGZ en Justitie
      (achtergrondstudie), mei 2012
      12/04 Het forensische zorgstelsel, beschrijving van het
      besturingsmodel in de forensische zorg
      (achtergrondstudie), mei 2012
      Publicaties bij dit advies, alleen te downloaden
      Mogelijke gevolgen Wfz en WvGGZ voor de reguliere
      GGZ, Indigo beleidsonderzoek en advies
      Zorg aan delinquent. Opsluiten va patiënt.
      Cultuurverschillen justitie, forensische zorg en de
      reguliere GGZ.
12/01 Werkprogramma 2012, januari 2012
11/08 Preventie van welvaartsziekten, december 2011
11/04 Medisch-specialistische zorg in 20/20, oktober 2011
      Publicaties bij dit advies
      11/05 - Ziekenhuislandschap 2020: Niemandsland of
      Droomland (achtergrondstudie), oktober 2011
      11/06 - Medisch-technologische ontwikkelingen zorg
      20/20 (achtergrondstudie), oktober 2011
      11/07 – Brochure, oktober 2011
      Publicaties bij dit advies, alleen te downloaden
      Samenwerking en mededinging in de zorg
      (achtergrondstudie), oktober 2011
      Het contracteren en bekostigen van medisch
      specialistische netwerken (achtergrondstudie), oktober
      2011
      De rol van e-Health in een veranderend
      ziekenhuislandschap (achtergrondstudie), oktober 2011
      Demografische krimp en ziekenhuiszorg
                                             50
</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 51 ======================================================================

<pre>      (achtergrondstudie), oktober 2011
11/03 Sturen op gezondheidsdoelen, juni 2011
      Publicaties bij dit advies, alleen te downloaden
      Levensverwachting (achtergrondstudie), juni 2011
      Pay for performance and health outcomes: Promising,
      not proven (achtergrondstudie), juni 2011
      Sturen op uitkomsten in het primair proces
      (achtergrondstudie), juni 2011
      Sturen op gezondheidsdoeleinden en gezondheidswinst
      op macroniveau (achtergrondstudie), juni 2011
11/02 Prikkels voor een toekomstbestendige Wmo (briefadvies),
      mei 2011
11/01 Bekwaam is bevoegd: Innovatieve opleidingen en nieuwe
      beroepen in de zorg, februari 2011
      Publicaties bij dit advies
      Wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen en
      nieuwe beroepen
      Het Chronic Care Model in Nederland
      Zorgredistributie, sturen op kwaliteit en doelmatigheid in
      de zorg
      Samenwerken in de opleiding Geneeskunde
10/13 Ruimte voor arbeidsbesparende innovaties in de zorg,
      november 2010
      Publicaties bij dit advies
      10/14 - Krant bij het advies ruimte voor
      arbeidsbesparende innovaties in de zorg, november 2010
10/10 Perspectief op gezondheid 20/20, september 2010
      Publicaties bij dit advies
      10/11 - Komt een patiënt bij zijn coach…… (achter-
                grondstudie behorende bij het advies Perspec-
                tief op gezondheid 20/20), september 2010
      10/12 - Veranderen met draagvlak (achtergrondstudie
                behorende bij het advies Perspectief op gezond-
                heid 20/20), oktober 2010
10/05 Zorg voor je gezondheid! Gedrag en gezondheid: de
      nieuwe ordening (discussienota), april 2010
      Publicaties bij dit advies
      10/09 - Van zz naar gg
                Acht debatten, een sprekend verhaal
      10/08 - Moderne patiëntenzorg: Acht jaar later (achter-
                grondstudie behorende bij de discussienota Zorg
                voor je gezondheid!), april 2010
      10/07 - Leefstijl en de zorgverzekering (achtergrond-
                studie behorende bij de discussienota Zorg voor
                je gezondheid!), april 2010
      10/06 - Een nieuwe ordening door het naar voren
                schuiven van zorg (achtergrondstudie behorende
                bij de discussienota Zorg voor je gezondheid!),
                april 2010
                                             51
</pre>

====================================================================== Einde pagina 51 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 52 ======================================================================

<pre>          Publicaties bij dit advies, alleen te downloaden
          Van eerste lijn naar primaire gezondheidsondersteuning
          (achtergrondstudie), april 2010
          Publicaties bij dit advies, alleen te downloaden
10/04     De patiënt als sturende kracht
10/03     De relatie medisch specialist en ziekenhuis in het licht
          van de kwaliteit van zorg
10/01     Gezondheid 2.0 (advies), februari 2010
          Publicaties bij dit advies
          10/02 - Health 2.0: It's not just about medicine and
                    technology, it's about living your life
                   (achtergrondstudie behorende bij het advies
                    Gezondheid 2.0), februari 2010
Publicaties CEG vanaf 2010
Sig       Leefstijldifferentiatie in de zorgverzekering: een
13/03     overzicht van ethische argumenten, maart 2013
Sig       Rechtvaardige selectie bij pandemie, december 2012
12/12
Sig       Toekomstverkenning Ethiek en Gezondheid,
12/10     oktober 2012
Sig       De mens centraal? Ethische dilemma’s bij
12/04     gezondheidsbeleid met goede zorg voor dier en
          natuur, april 2012
Sig       Ver weg en toch dichtbij? Ethische overwegingen bij
10/11     zorg op afstand, november 2010
                                                 52
</pre>

====================================================================== Einde pagina 52 =================================================================

<br><br>