<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>    NATURA 2000-GEBIED: 071 LOEVESTEIN, POMPVELD EN KORNSCHE BOEZEM    VERSLAG VELDBEZOEK DD. 14 MEI 2019    Aanwezig namens Provincie:  Aanwezig namens Terreinbeheerder:  Overige aanwezigen:    Datum bezoek: 14 mei 2019                                       Doel   Het jaarlijkse veldbezoek is in het kader van de PAS uitgevoerd om de vinger aan de pols te houden m.b.t.  zichtbare ontwikkelingen. Centraal staat daarbij de vraag of er ontwikkelingen zijn die afwijken van dat-  gene waar in de Gebiedsanalyse vanuit is gegaan. Als voorbereiding op het veldbezoek is de Gebiedsana-  lyse bestudeerd en is de beheerder bevraagd m.b.t. eerder waargenomen signalen uit het veld. De Ge-  biedsanalyse voor dit gebied geeft aan dat voor de PAS relevante verzuringsgevoelige habitattypen  (H6510A Glanshaverhooiland, H6120 Stroomdalgrasland en H91EOC Vochtige alluviale bossen — beekbe-  geleidend bos) alleen voorkomen in deelgebied Loevestein. Het veldbezoek is daarom beperkt tot dit  deelgebied.         Bevindingen  Op onderstaande habitattypenkaart zijn de bezochte locaties genummerd. Dit jaar zijn alleen de habitat-    typen H6510A Glanshaverhooiland en H6120 Stroomdalgrasland bezocht.              Legenda    EE rose weren met raooerscnter en rormerenusoen  BEER ‘orc. oenoe rvorvees   61S, Stuomdagrancen  EE soc Rugten et zor er moerssapren:  GBR 55e Ornanneer- on voetereuartmoounden ‚garneer;  WEN ozon voonvge a uvane vossen (zacreammooossen,  EN 00590. vorige atnlae ossen (etkoegsseerae Dot zer}                   0000000720</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>    Glanshaverhooilanden (H6510A)   Het habitattype Glanshaverhooiland (H6510A) komt voor in het oosten van het Natura 2000-gebied  (locatie A). De begrenzing is anders dan op de habitattypenkaart in dit verslag is weergegeven. De habitat-  typekaart uit dit verslag komt overeen met de kaart zoals die is opgenomen in de PAS gebiedsanalyse 071  Loevestein, Pompveld en Kornsche Boezem. Een deel van het Glanshaverhooiland is verloren gegaan door  de uitvoering van het Ruimte voor de Rivier project Munnikenland. Dit gedeelte is gecompenseerd door  realisatie van Glanshaverhooiland richting het oosten (locatie B). De habitattypenkaart zal worden geac-  tualiseerd na de uitvoering van de volgende vegetatiekartering in 2019 of 2020. De maatregelen in de PAS  gebiedsanalyse gaan uit van de situatie na uitvoering van het Ruimte voor de Rivier project.    Ten tijde van het PAS-veldbezoek is de eerste snede reeds gemaaid. Dit is het tweede jaar dat er vroeg in  het jaar (begin mei) gemaaid wordt om het aandeel grassen terug te dringen en daarmee de kruiden te  bevorderen. Na de eerste snede volgen aanvankelijk nog een 2° of 3° snede maaien om verder te verschra-  len (M2 hooilandbeheer). Het vroege maaien werpt intern bij Staatsbosbeheer (onder de vrijwilligers) vra-  gen op. Ondanks dat het gebied voorafgaand aan het maaien gecontroleerd wordt op jonge dieren en  broedvogels, kan het toch nog wel eens voorkomen dat er een (jong) dier onder de maaier komt.  Staatsbosbeheer zal een blog en/of nieuwsbericht maken voor publiek en vrijwilligers over de voordelen  en het belang van tijdelijk vroeg maaien in het Glanshaverhooiland.   Er is een positieve vegetatieontwikkeling te zien. Enkele kensoorten zoals Kleine ratelaar en Karwijvarkens-  kervel komen voor. De beheerder verwacht dat na nog 2 tot 3 jaar vroeg maaien de eerste maaironde naar  achter (half juni/ begin juli) geschoven kan worden. Het te ontwikkelen Glanshaverhooiland (locatie B) lijkt  nog niet aan de eisen te voldoen. Verdere verschraling door middel van maaien en afvoeren (M2 hooiland-  beheer) is wenselijk.    Vorig jaar is gesproken over het laten staan van extra faunastraken. Er was toen een kleine strook onder  de rasters en een ijlere vegetatie net buiten het raster blijven staan welke onvoldoende bleken om schuil!-  mogelijkheden te bieden. Dit jaar is in het noordelijke deel van het habitattype een brede faunastrook  blijven staan. Er wordt geconstateerd dat direct buiten het aanwezige raster de vegetatie nu zover ontwik-  keld is dat hier voldoende ruimte is voor winteroverleving van fauna. Het speciaal sparen van faunastroken  is hiermee niet meer nodig.    Stroomdalgraslanden (H6120)    Op de oeverwal langs de Waal is op twee locaties Stroomdalgrasland (H6120) op de habitattypenkaart  aangegeven. Net zoals vorig jaar is ook dit jaar het oostelijke deel bezocht (locatie C). Er zijn potenties voor  de uitbreiding van het habitattype. Meerdere locaties op en nabij de oeverwal hebben de potentie Stroom-  dalgrasland. Er is nog wel sprake van verruiging met onder andere Grote brandnetel. Dit heeft enerzijds te  maken met stikstofdepositie, anderzijds met het begrazingsbeheer, waardoor de vegetatie vaak niet kort  de winter in gaat. Dit is niet optimaal voor behoud en ontwikkeling van het habitattype stroomdalgrasland.  Afgelopen najaar is door Rijkswaterstaat de oeverwal geklepeld. Het maaisel is echter blijven liggen. Rijks-  waterstaat gaat intern na of dit in overeenstemming is met de afspraken met de uitvoerend aannemer.  Het klepelwerk had nadelige effecten voor de begrazing. Er was onvoldoende ‘vul’ voedsel aanwezig voor  het vee, waardoor alles werd afgegraasd en men moest bijvoeren. De vegetatie toont op het eerste gezicht  nog geen negatieve effecten van de klepelactie. Echter is het niet wenselijk om jaarlijks te klepelen, omdat  hiermee verruiging zal optreden.    Een knelpunt vormt het vegetatiebeheer op de oeverwal. Rijkswaterstaat is eigenaar van de oeverwal en  verantwoordelijk voor het beheer. Het ten behoeve van behoud en uitbreiding van het stroomdalgrasland  noodzakelijk beheer wordt niet uitgevoerd. De provincie is in overleg met Rijkswaterstaat over de uitvoe-  ring van het gewenste beheer. Het is voor de instandhouding en ontwikkeling van het stroomdalgrasland  van belang dat hierin op korte termijn duidelijkheid komt om op tijd de aanvultende beheermaatregelen  (M3: aanvullend maaibeheer) te kunnen uitvoeren.    In het bezochte gebied is een Ruimte voor de rivier project uitgevoerd. De Wet Natuurbescherming ver-  gunning voor dit project staat op naam van het Waterschap Rivierenland en wordt overgedragen naar         0000000721</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>    Rijkswaterstaat. Rijkswaterstaat gaat na hoe het hiermee staat, wat er in de vergunning staat over de com-  pensatieverplichting en wat dit betekend voor het beheer en eventueel voor Staatsbosbeheer.    Het is van belang dat voorafgaand aan de uitvoering van de maatregelen M3, de nulsituatie van de vege-  tatie in kaart wordt gebracht. In 2018 werd gesproken om de vegetatiekartering naar voren te halen en in  2019 uit te voeren. Dit is niet gelukt. De vegetatiekartering wordt nu conform planning in 2020 uitgevoerd  in combinatie met de SNL monitoring. Na de uitvoering van de maatregelen zal de ontwikkeling gemoni-    tord worden (M4 monitoring vegetatieontwikkeling).                                                                                                                                                                                            Conclusies 2019  De habitattypen in het Natura 2000-gebied laten een beeld zien dat overeenkomt met de gebiedsanalyse.  De habitattypenkaart dient voor het Glanshaverhoailand (H6510A) geactualiseerd te worden. De actuali-  satie zal worden uitgevoerd na de uitvoering van de volgende vegetatiekartering in 2020.         De bevindingen van het veldbezoek zijn verder:   e De ontwikkeling van het habitattype H6510A Glanshaverhooiland gaat de goede kant op.   e In november 2018 is de oeverwal geklepeld. Het maaisel is echter blijven liggen met nadelige  effecten voor de begrazing en daarmee op de vegetatieontwikkeling. Rijkswaterstaat is op dit  deel verantwoordelijk voor het beheer. Rijkswaterstaat gaat intern na of dit in overeenstemming  is met de afspraken met de uitvoerend aannemer.   e De provincie is in overleg met Rijkswaterstaat over de uitvoering van het gewenste beheer. Het  is voor de instandhouding en ontwikkeling van het stroomdalgrasland van belang dat hierin op  korte termijn duidelijkheid komt om op tijd de aanvullende beheermaatregelen (M3: aanvullend  maaibeheer) te kunnen uitvoeren.   e _ Rijkswaterstaat gaat na hoe het staat met de overdracht van de Wet Natuurbescherming ver-  gunning van het waterschap naar Rijkswaterstaat en wat de gevolgen hiervan zijn voor het be-   heer.         Bevindingen uit verslag 2018 en stand van zaken n.a.v. veldbezoek 2019   e 2017: Op termijn dient er door de provincie te worden nagegaan of het areaal Glanshaverhooi-  land zich voldoende ontwikkelt.   2018 en 2019: De provincie zal na uitvoering van een vegetatiekartering (2020) een nieuwe habi-  tattypenkaart opstellen.   e 2017: De verschillende typen monitoring (PAS-procesmonitoring, SNL en aanvullend vanuit de  PAS) dienen goed op elkaar te worden afgestemd.   2018 en 2019: Nog steeds van toepassing. Een nulmeting van de vegetatiesamenstelling is van  belang voorafgaand aan het uitvoeren van maatregelen en/of beheerexperimenten.   e 2018: Het is wenselijk om te starten met aanvullende beheermaatregelen voor het behoud en  de ontwikkeling van het stroomdalgrasland. Uitgegaan wordt van aanvullend maaien (M3) en  eventueel drukbegrazing. Knelpunt is nu de gerezen onduidelijkheid over wie (Staatsbosbeheer  of Rijkswaterstaat) verantwoordelijk is voor het beheer van de oeverwal. Als dit niet op korte  termijn duidelijk wordt, kunnen aanvullende beheermaatregelen (M3) niet op tijd worden uitge-  voerd. De provincie is dit nog aan het uitzoeken.   2019: De provincie overlegt met Rijkswaterstaat over de uitvoering van het gewenste beheer.  e 2018: Na uitvoering van maatregel M3 is monitoring van belang om de effecten van het beheer  vast te leggen (PAS-maatregel M4: monitoring vegetatieantwikkeling).  2019: Nog steeds van toepassing.         Dit verslag is vastgesteld door:            (datum)    10-10-2019    a —  (datum) Lt G fok er 20 ‘7  rood 2 Geldor laud    0000000722</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>