<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>    NATURA 2000-GEBIED: 057 VELUWE  VERSLAG VELDBEZOEK DD. 8 SEPTEMBER 2021    Aanwezig namens Provincie:    Aanwezig namens terreinbeheerders:    Aanwezige als externe deskundige:    Overige aanwezigen:  Datum bezoek: september         Doel   Het bevoegd gezag (provincie Gelderland) legt samen met beheerders jaarlijks een veldbezoek af op de Ve-  luwe. Het doel van het bezoek is na te gaan of de (stikstofgevoelige) habitattypen in het Natura 2000-gebied  zich ontwikkelen volgens verwachting, zoals is beschreven in het Beheerplan Natura 2000 Veluwe. Dit in het  licht van de uitgevoerde en voorgenomen maatregelen en het te verwachten effect op omvang en kwaliteit  van de habitattypen. Het veldbezoek beperkt zich daarbij tot zichtbare ontwikkelingen en vormt een aanvul-  ling op de overige monitoring die in het gebied plaatsvindt.    Bezochte gebieden en habitattypen  De Veluwe is een dermate groot Natura 2000-gebied dat het niet mogelijk is om alle locaties met stikstofge-  voelige habitattypen jaarlijks te bezoeken. Dit jaar is gekozen om aandacht te besteden aan het habitattype  H9120 Beuken-eikenbossen met hulst in de gebieden:   A. Speulderbos (Staatsbosbeheer)   B. De Duddel (Kroondomein Het Loo). Hier bevindt zich geen H9120, maar de ontwikkelingen in het   bos zijn wel relevant in het kader van dit habitattype.  C. Dassenberg (Kroondomein Het Loo)    ®  A. Speulderbos    e  B. De Duddel    C. Dassenberg    9    De locaties die binnen deze gebieden zijn bezocht en besproken staan met nummers weergegeven in figuren  1, 2 en 3.         0000000297</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>    Stand van zaken Herstelprogramma’s Veluwe  Momenteel wordt voor de Veluwe gewerkt aan de Natura 2000-herstelprogramma’s Bossen en Heide &    stuifzanden. In deze herstelprogramma’s worden de herstelmaatregelen die op hoofdlijn zijn geformuleerd  in het Beheerplan Veluwe nader uitgewerkt. Opdrachtnemer is een consortium van WenR, Stichting Barger-  veen en Sovon. Binnen de Herstelprogramma’s worden 12 deelgebieden onderscheiden, waarvoor werkses-  sies met de betreffende terreinbeheerders georganiseerd worden. Daarnaast wordt een Veluwe-breed do-  cument opgesteld dat eveneens met alle beheerders wordt afgestemd. Dit gebeurt (deels) parallel aan de  deelgebiedssessies.    Verslag per bezocht gebied    A. Speulderbos    dq > H9120, Beuken-e:kenbossen met hulst    Figuur 1: Bezochte locaties in het Speulderbos    Algemeen  Het Speulderbos is ca. 2.500 ha groot, waarvan 80% primair een houtproductiedoelstelling heeft en 20%    primair een natuurdoelstelling. Het gehele bos bestaat grofweg voor 25% uit beuk, voor 25% uit douglas,  voor 20% uit grove den, voor 10% uit winter-/zomereik, voor 10% uit Japanse lariks en 10% uit andere boom-  soorten. Van het oppervlak dat op de huidige habitattypenkaart is aangegeven als habitattype bestaat 20%  uit H9190 Oud eikenbos en 80% uit H9120 Beuken-eikenbossen met hulst. Beuk overheerst in dit laatste  type. Het Speulderbos is een oude bosgroeiplaats en ongeveer de helft van de opstanden is ouder dan 150  jaar.         0000000298</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>    Een klein deel van de H9120-percelen in het Speulderbos is in 1984 aangemerkt als bosreservaat, wat in-  houdt dat er geen beheer meer plaatsvindt. Maar ook in de jaren daarvoor vond in die percelen al weinig  beheer plaats. In de overige H9120-percelen is dat de facto nauwelijks anders. De enige recente ingreep  buiten het reservaatbos is het vrijstellen van eiken geweest, om deze voor het bos te behouden. Daarvoor  is een aantal beuken geringd. Maar Staatsbosbeheer vraagt zich af of die terughoudendheid in H9120 ook  per definitie de beste keuze is.    De externe deskundige van WUR merkt op dat een bosperceel vaak automatisch als ‘natuurbos’ wordt be-  heerd wanneer het als Natura 2000-habitattype op de kaart staat. Dit houdt in dat er vrijwel geen actief  beheer meer plaatsvindt. Maar dat is geen vereiste en ook niet altijd wenselijk.    Staatsbosbeheer wil een bijdrage leveren aan de Natura 2000 Veluwe uitbreidingsopgave van het habitat-  type H9120. Belangrijk hierbij is het lopende Natura 2000-herstelprogrammas Bossen Veluwe. Vanuit de  deelgebiedsuitwerkingen en daaruit volgende Veluwe-brede inzichten en afwegingen zal helder moeten  worden welke ambitie wordt beoogd (areaal, verspreiding), wat de meest geschikte locaties zijn en op welke  termijn de ambitie moet worden gerealiseerd.   Staatsbosbeheer geeft aan dat het zeer wenselijk is om de uitbreiding met behoud van bosklimaat te reali-  seren, dus kleinschalig en geleidelijk. Belangrijke randvoorwaarde voor Staatsbosbeheer is, feitelijk geldend  voor al haar bossen op de Veluwe, dat doorgroei van inheemse loofboomsoorten weer mogelijk wordt (zie  onderdeel “discussie wilddruk”). Ook zal Staatsbosbeheer afwegingen maken met betrekking tot de hout-  productie, waarbij hout als circulaire grondstof en CO2-vastlegging belangrijke doelen zijn.    Locatie 1: Pijpenbrandje (Vak 10)   We staan stil bij een dikke omgevallen beuk in het bosreservaat Pijpenbrandje (ook bekend als Vak 10). In  de kroon van de gevallen beuk zijn enige verjonging van douglas en enkele stekelvarens ontsnapt aan de  graasdruk. In de rest van het bos om ons heen ontbreekt de ondergroei volledig en is geen verjonging zicht-  baar van welke boomsoort dan ook.         In dit bosreservaat heeft weliswaar sinds de jaren ‘80 geen actief beheer plaatsgevonden, maar op grotere  tijdschaal hebben ook de oude bosgroeiplaatsen op de Veluwe wel degelijk grote veranderingen doorge-  maakt. Zeker vanaf de middeleeuwen waren de bossen door beheer veel opener van structuur. Pas relatief  recent vond sterke verbeuking plaats en zijn gesloten beukenbos met een kleiner aandeel eiken ontstaan. In  de 20e eeuw is tenslotte een aanzienlijk deel van de loofbossen omgevormd tot exotisch naaldbos ten be-  hoeve van de houtproductie.    In dit bosreservaat wordt de bosontwikkeling nauwlettend gevolgd door monitoringonderzoek. In steek-  proefcirkels wordt van elke boom de soort en diameter bepaald en wordt gemeten hoeveel verjonging er  optreedt en hoeveel dood hout aanwezig is. Dit is gebeurd in 1988 (nulmeting) en herhaald in 1998 en in  2020-2021. Daarnaast maakt het reservaat onderdeel uit van het internationale Forest Global Earth Obser-  vatory (ForestGEO), waarbij variabelen als diameterverdeling en relatieve sterfte van boomsoorten vlakdek-  kend gemonitord worden. Uit deze onderzoeken is gebleken dat er nauwelijks nieuwe bomen bij komen en  dat de bestaande beuken in het bos kunnen uitgroeien tot meer dan een meter in diameter. De eiken worden  minder omvangrijk en hebben een hogere mortaliteit dan de beuken. Uit een ander onderzoek is voorts  gebleken dat zware beuken voornamelijk blijken te sterven door het uitbreken van de kroon (aftakelings-  fase), terwijl jongere beuken vooral sterven door te veel lichtconcurrentie. Beukenzaailingen komen in het  voorjaar wel massaal op maar sterven vrijwel allemaal als gevolg van lichtgebrek en de hoge wilddruk. De  wilddruk alleen is echter al beperkend genoeg, want ook op open plekken in het bos met voldoende licht  komt verjonging van beuken niet van de grond, laat staan van andere loofboomsoorten. Er is alleen perspec-  tief voor naaldboomsoorten.    Winter- en zomereiken (en hun hybriden) verdwijnen langzaam uit het beukenbos. Dit is enerzijds het gevolg  van natuurlijke successie, maar de drukfactoren wilddruk, stikstofdepositie en klimaatverandering dragen  hier vermoedelijk aan bij. Het bos wordt qua boomsoortensamenstelling dus homogener. Maar wordt het  daarmee ook minder biodivers? Dat hangt sterk af van de soortgroepen die je als graadmeter gebruikt. Het  aantal soorten vaatplanten, vlinders en broedvogels (als totale groep) is in een homogeen beukenbos niet         0000000299</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>    hoog, maar de diversiteit aan schimmels, korstmossen, kevers en de dichtheid aan holenbroeders kan in een  oud, ongestoord beukenbos des te groter zijn. Soorten als fraai hertshooi, grote weerschijnvlinder en vlie-  gend hert worden als graadmeters van biodiverse bossen gezien, maar zijn in feite eerder bosrandsoorten  en daarmee niet kenmerkend voor gesloten bosopstanden. Oude beukenbossen met veel dood hout voegen  op landschapsschaal dus biodiversiteit toe ten opzichte van omliggende andere, meer open bostypen, die  wijder verbreid zijn. Dit pleit ervoor om terughoudend te zijn met ingrepen in de resterende snippers oud  beuken-eikenbos die we nog hebben.    Het verdwijnen van eiken uit oude beukenbossen is voor de Natura 2000-doelstellingen op zichzelf geen  probleem. Oud bos dat volledig uit beuken bestaat kan ook kwalificeren als H9120 en is niet per definitie  van mindere kwaliteit. In dat opzicht zijn dus verschillende beheerkeuzes mogelijk. Wél een knelpunt is het  feit dat de enige verjonging die vanwege de hoge wilddruk nog van de grond komt uit douglas en (elders)  Japanse lariks bestaat. Wild vreet nauwelijks (uitheemse) naaldbomen en prefereert duidelijk loofbomen.  Daardoor raakt verjonging gedomineerd door naaldbomen. Vooral Japanse lariks kan zich daarbij invasief  gedragen. Zaden van douglas en vooral Japanse lariks kunnen open plekken in het loofbos bereiken doordat    in het verleden een flink areaal malebos is omgevormd tot uitheems naaldbos. De nabijheid van naaldbomen  is dus een knelpunt voor de ontwikkeling van H9120 in het Speulderbos. Voor de ontwikkeling van een  nieuwe generatie H9120 in verjongingsgaten is het daarom wenselijk om het aandeel uitheemse naaldbo-  men met een invasief karakter uit de omliggende bospercelen te verlagen. Dat kan in één keer of meer  geleidelijk via een fase van gemengd bos. Ook kan jeugdverzorging een bijdrage leveren: verwijderen van  ongewenste naaldbomen uit de verjonging.    Locatie 2: open plek in beukenbos   Deze locatie betreft een grote open plek in het beukenbos die is ontstaan tijdens noodweer zo’n 8 jaar gel-  den. Gaten van deze omvang die het gevolg zijn van natuurlijke dynamiek zijn zeldzaam. Maar zelfs op zo’n  grote lichtplek vindt met de huidige wilddruk geen verjonging van beuken plaats, laat staan van andere loof-  houtsoorten. In het voorjaar worden zaailingen van meerdere soorten gevonden, maar de sterfte later in  het jaar is vrijwel 100%. Een naaldboomsoort zoals de douglas is veel minder in trek bij het wild en weet zich  hier wel te vestigen. Zonder actief beheer en bij voorzetting van de huidige graasdruk zal hier dus een ge-  mengd naaldbos ontstaan, die niet kwalificeert als H9120.              0000000300</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>    B. De Duddel, Kroondomein Het Loo    &  5  0    > H9120. Beuken-e kenbossen met hulst  > H9190 Oude eikenbossen    Figuur 2: Bezochte locatie in De Duddel, Kroondomein Het Loo    Algemeen   De Duddel bevindt zich in Paleispark Het Loo, onderdeel van Kroondomein Het Loo dat in totaal ca. 10.000  ha groot is. Op het Kroondomein worden qua beheer drie bostypen onderscheiden: ‘uitheems uitkapbos’  (productiedoelstelling), ‘inheems uitkapbos’ (natuurdoelstelling, met beperkte houtoogst) en ‘reservaatbos’  (geen actief beheer).    De Duddel is sinds eind 19e eeuw niet actief beheerd en heeft nu de status van reservaatbos. Het kwalificeert  niet als H9120, omdat het niet op een oude bosgroeiplaats staat en een te groot aandeel grove den heeft.  Direct ten westen, zuidwesten en even ten noorden van De Duddel staan overigens opstanden die wel als  H9120 kwalificeren.   De Duddel is waarschijnlijk afs strubbenbos vanuit een heideontginning ontstaan en is daarna ca. 150 jaar  met rust gelaten. Mogelijk is het bosje aan de bosbouwactiviteiten van Willen III ontsnapt omdat het een  favoriete plek was van koningin Wilhelmina om te schilderen en te vertoeven, aldus de anekdotische over-  levering. Zeer bepalend voor de bosontwikkeling is dat het Paleispark omheind is, waardoor er geen hoef-  dieren voorkomen. Spontane verjonging treedt in dit bos dus veel gemakkelijker op dan in bijvoorbeeld het  Speulderbos.    Locatie 3   We zien een prachtige structuurrijk gemengd bos, met meerdere imposante grove dennen. Er is geen beu-  kenbos ontstaan, simpelweg omdat beuken in de omgeving lange tijd ontbraken. Recent is deze soort wel in  het bos gekomen, we zien verschillende jonge exemplaren. Het is waarschijnlijk dat beuken op termijn alsnog  een belangrijk aandeel zullen krijgen. Spontaan ontwikkeld bos zonder beuken is heel bijzonder voor de  Veluwe. Kroondomein Het Loo heeft zich daarom afgevraagd of de jonge beuken niet verwijderd zouden  moeten worden. Daar is niet voor gekozen vanwege de bosreservaatdoelstelling (geen beheer en natuurlijke         0000000301</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>    successie nauwlettend volgen). Bovendien is een spontane successie naar een gemengd bostype met beuken  ook beschermenswaardig.    Doordat beuk zich nu gevestigd heeft zou dit bos over een aantal decennia kunnen voldoen aan de definities  van H9120. Ook geeft het aan dat dit habitattype mogelijk uitgebreid kan worden door jonge grove dennen-  bossen of gemengde bossen lange tijd met rust te laten, onder de voorwaarde van een beperkte wilddruk.    C. Dassenberg, Kroondomein Het Loo    Hoog Soeren    mh H9120, Beuken-e:kenbossen met hulst    C > H9190. Oude eikenbossen    Figuur 3: Bezochte locaties in Dassenberg, Kroondomein Het Loo    Algemeen   De Dassenberg is eveneens aangemerkt als bosreservaat en bestaat grotendeels uit oud beukenbos dat kwa-  lificeert als H9120. Sinds 1987 vindt geen actief beheer meer plaats, met uitzondering van de verwijdering  van alle uitheemse naaldbomen.    Recent is onderzoek uitgevoerd naar bodemverzuring, bladchemie en biodiversiteit in de bosreservaten van  het Kroondomein (incl. Dassenberg), in vergelijking met nabijgelegen bosvakken uit de beheercategorie ‘in-  heems uitkapbos’ (Nijssen et al., 2021). De hoofdvraag was of een beheer van enkele decennia ‘niets doen’  extra natuurwaarden oplevert. Qua bodem- en bladkwaliteit bleek dat niet het geval: in beide bostypen is  de bodem even ernstig verzuurd en hebben de boombladeren sterk verstoorde maar vergelijkbare element-  ratio’s. Biodiversiteit werd gemeten aan de hand van bodemfauna, mieren, kevers van dood hout en broed-  vogels. Qua bodemfauna werden geen duidelijke verschillen gemeten tussen de bostypen. Qua mieren ble-  ken de reservaatbossen hogere dichtheden en meer soorten te bevatten. Dit kan verklaard worden doordat  in de reservaatbossen meer open plekken zijn, waardoor warmteminnende soorten kunnen voorkomen, en  omdat er veel meer dood hout is, waardoor doodhoutspecialisten kunnen voorkomen. Bij kevers werd dit  verschil ook verwacht maar niet waargenomen, hoewel enkele zeldzame soorten alleen in de reservaatbos-  sen gevangen werden. Een mogelijke verklaring voor dit beperkte verschil is dat voor de keverbemonstering  azijnzuurvallen zijn gebruikt, die mogelijk over grote afstanden kevers aantrekken. Hierdoor kunnen in de         0000000302</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>    beheerde bosvakken kevers zijn gevangen die uit de naastgelegen onbeheerde bosvakken afkomstig waren.  Qua broedvogels bleken de holenbroeders beduidend talrijker te zijn in de reservaatbossen, ongetwijfeld  door de aanwezigheid van meer dode bomen en dus meer nestgelegenheid.    Het zou informatief zijn om dit onderzoek te herhalen in referentiebossen met minder stikstofdepositie,  bijvoorbeeld in Oost-Europa, de noordkust van Duitsland of bepaalde delen van Frankrijk. Ook wordt ge-  dacht aan het meten van element-ratio’s in Nederlands herbariummateriaal uit de periode vóór de ver-  hoogde zwavel- en stikstofdeposities.    Locatie 4   Het bosbeeld op deze locatie lijkt op dat van het Pijpenbrandje (locatie 1): voornamelijk dikke beuken, veel  staand en liggend dood hout en nauwelijks enige ondergroei of verjonging als gevolg van de hoge wilddruk.  De Dassenberg is een oude bosgroeiplaats, maar de meeste beuken in dit deel van het bos zijn aangeplant  door koning Willem Ill en daarom allemaal ruim 200 jaar oud. Door deze gelijkjarigheid verkeren de beuken  nu allemaal in de aftakelingsfase. De komende decennia zal het bos verder instorten. Verwacht kan worden  dat hierop een zeer open bosfase volgt, waarin (uiteindelijk) beukenverjonging optreedt. Hieruit zal zich  weer een gesloten en nog steeds tamelijk gelijkjarig beukenbos ontwikkelen, en zo verder.   Idealiter zijn in H9120 verschillende bosfasen naast elkaar aanwezig. Dus wanneer geprobeerd wordt om de  kwaliteit van dit habitattype te verbeteren door jonge beuken(-eiken)bossen op oude bosgroeiplaatsen door  te ontwikkelen en ouder te laten worden, kan het raadzaam zijn om tenminste eenmalig differentiatie in de  leeftijdsopbouw aan te brengen. Daarna kan gekozen worden voor ‘niets doen’, maar dat is voor H9120 niet  noodzakelijk en soms ook niet wenselijk, bijvoorbeeld wanneer veel naaldbomen opslaan.    Locatie 5   Op deze locatie zijn de beuken later aangeplant. Ze zijn nu van ‘middelbare leeftijd’. In 1984 zijn hier open  plekken gemaakt om meer structuur in het bos te krijgen. Daarna heeft geen beheer meer plaatsgevonden.  Door de hoge wilddruk en afwezigheid van (voor wild minder aantrekkelijke) naaldbomen kwam lange tijd  geen enkele verjonging van de grond, maar de afgelopen 10 jaar is een groep jonge beuken er toch in ge-  slaagd om door te groeien. Deze nieuwe generatie beuken is jarenlang kort gehouden door het wild, maar  wel als ‘bonsai-boompjes’ aanwezig gebleven onder de vraatlijn, tussen de bosbesstruiken. Vroeg of laat  komt er klaarblijkelijk een moment waarop de lokale wilddruk wat lager is, zodat kleine stukken vegetatie  aan de vraatdruk ontsnappen. Op dat moment groeien de beukjes uit. Die kans is groter bij een relatief groot  oppervlak aan open plekken in het bos. Door middel van mozaïekbeheer kan het omslagpunt sneller bereikt  worden. Hierbij moet de kanttekening worden geplaatst dat beukenverjonging onder deze wilddruk het  hoogst haalbare is, andere loofbomen krijgen geen kans. En dan nog alléén wanneer geen naaldbomen in  de omgeving aanwezig zijn.    De actuele mate van heterogeniteit van bosopstanden in Natura 2000-gebied Veluwe is een belangrijk uit-  gangspunt voor de uitwerking van de 12 deelgebieden uit het Herstelprogramma Bossen. De resultaten van  de vele bosinventarisaties die in afgelopen jaren onder andere in het kader van de SNL-monitoring zijn uit-  gevoerd (volgens de woodstock/SYHI-methode en vlaktegewijze methode) leveren een schat aan informatie.  Het is daarom zeer wenselijk dat deze gebruikt worden bij het uitwerken van de maatregelen per deelgebied.    Discussie wilddruk   In grote delen van Natura 2000-gebied Veluwe is de wilddruk dermate hoog dat bosverjonging onvol-  doende op gang komt om de kwaliteitsdoelen van habitattype H9120 (en H9190) te halen.   Alle deelnemers aan het veldbezoek beamen dit. De bezochte locaties in het Speulderbos en de Dassen-  berg illustreren het knelpunt overduidelijk en het verschil met het uitgerasterde bos van De Duddel is over-  tuigend. Een andere vergelijking kan gemaakt worden met de bossen ten zuiden van de spoorlijn Ede-Arn-  hem, zoals de gebied Oostereng bij Bennekom, waar geen edelherten en wilde zwijnen voorkomen. Ver-  jonging van loofhout komt daar wel van de grond.         0000000303</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>    Specifiek onderzoek naar de wilddruk op de Veluwe bevestigt dit beeld. Naaldhoutverjonging wordt nau-  welijks aangevreten (wel geschuurd en omgewoeld), loofhoutverjonging juist wel, maar tussen de loof-  houtsoorten is veel variatie. De meest aantrekkelijke soorten verdwijnen het eerst, zoals lijsterbes, vuil-  boom, ratelpopulier en boswilg. De aanplant van soorten met een goede strooiselvertering (‘rijkstrooisel-  soorten)’, met onder meer als doel om in verzuurde bossen de mineralenhuishouding te helpen herstellen,  maakt bij een hoge wilddruk geen enkele kans van slagen.    In de jaren 2010 werd de dichtheid van respectievelijk edelhert, damhert, ree, en wild zwijn geschat op  4,2/100 ha, 1,5/100 ha, 7,8/100 ha en 3,3 /100 ha. Anno 2021 is deze stand waarschijnlijk hoger. Voor een  gezonde bosontwikkeling worden streefgetallen van respectievelijk 1-1,5 edelherten of 4 reeën per 100 ha  en 2-4 wilde zwijnen per 100 ha genoemd (Den Ouden et al., 2020). Maar dit is sterk gebiedsafhankelijk.  Beter is daarom om veranderingen in de bosvegetatie als graadmeter te gebruiken. Pas als de voor wild  meest aantrekkelijke loofboomsoorten weer in het bos verschijnen en een ‘veilige’ leeftijd bereiken is de  wilddruk voldoende laag. Dit vraagt echter om extra monitoring.    Om de wilddruk te verlagen zijn verschillende scenario’s denkbaar (Den Ouden et al, 2020). Een daarvan is  een forse generieke verlaging van het aantal hoefdieren op de Veluwe, door een intensiever (en conse-  quenter uitgevoerd) jachtbeleid. De vraag is of dat praktisch en maatschappelijk haalbaar is en ook moet  rekening gehouden worden met de minimale levensvatbare populatie (MVP) van de hoefdieren zelf.   Een ander scenario gaat uit van meer maatwerk, door de jachtintensiteit binnen de Veluwe ruimtelijk te  differentiëren. De wildstand hoeft wellicht niet ten alle tijden in alle deelgebieden evenveel te worden ver-  laagd, zolang maar in voldoende gebieden met H9120 en H9190 over een langere periode kansen ontstaan  voor loofbosverjonging. Aanvullend op een generieke wildstandverlaging kan op lokale schaal tijdelijk extra  intensief gejaagd worden, zodat hoefdieren leren om bepaalde plekken te mijden (‘patches of fear’). Van  nature kan dit effect ook optreden door toedoen van de wolf, maar de invloed van de wolf op de totale  populatiegrootte van edelhert, ree en wild zwijn is naar verwachting minimaal.    Het is belangrijk om de effecten van de wilddruk op de omvang en kwaliteit van de Natura 2000-habitatty-  pen goed te monitoren, op een wetenschappelijk verantwoorde manier. Hiertoe is recent de ‘graasdruk-  monitor’ gestart. Dit maakt het mogelijk voor Provincie Gelderland om, indien nodig, in te grijpen.    Conclusies   e De huidige hoge wilddruk is een sterke belemmering voor de verjonging van H9120 en voor de  ontwikkeling van H9120 uit andere bostypen. Een generieke verlaging van de wildstand op de Ve-  luwe is nodig, al dan niet in combinatie met tijdelijke extra intensieve jacht op lokale schaal.  (Uitheemse) naaldbomen met een invasief karakter kunnen de ontwikkeling van een nieuwe gene-  ratie inheems loofbos dat als H9120 kwalificeert beletten en daarmee mogelijk tot oppervlaktever-  lies van het habitattype leiden. Een goede zonering van loof- en naaldbos in de omliggende percelen  is daarom belangrijk.  Vergelijkingen van biodiversiteit tussen verschillende bostypen zijn sterk afhankelijk van de soort-  groepen die als graadmeter worden gebruikt. Homogene, maar oude beukenbossen met veel dood  hout voegen op landschapsschaal biodiversiteit toe ten opzichte van andere, wijder verbreide bos-  typen.  Onderzoek op Kroondomein Het Loo wees uit dat bodem- en bladkwaliteit van beheerde loofbos-  sen en onbeheerde bosreservaten in vergelijkbare mate verstoord zijn. Verschillen in biodiversiteit  werden aan de hand van sommige soortgroepen niet of nauwelijks (bodemfauna, doodhoutkevers)  en aan de hand van andere soortgroepen wel (mieren, holenbroeders) vastgesteld.  De bosontwikkeling in De Duddel laat zien dat een opstand van grove dennen en eiken op een voor-  malige heideontginning zich na verloop van tijd spontaan kan ontwikkelen naar een meer gemengd  bostype met een hoog aandeel inheemse loofbomen en zich daarmee kan gaan kwalificeren als  H9120. Mits er geen hoge wilddruk is.    Deze conclusies zijn input voor het op te stellen Natura 2000-herstelprogramma Bossen.         0000000304</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>    Afspraken   e Tijdens de deelgebiedssessies ten behoeve van het Natura 2000-herstelprogramma Bossen dient  de ambitie voor de ontwikkeling van H9120 te worden geconcretiseerd en dient te worden afgewo-  gen welke locaties het meest geschikt zijn voor de ontwikkeling/uitbreiding van dit habitattype.  Provincie Gelderland agendeert dit onderwerp.  Provincie Gelderland gaat bestaande resultaten van recente bosinventarisaties (woodstock/SYHI-  methode, vlaktegewijze methode) gebruiken ter voorbereiding van de deelgebiedssessies ten be-  hoeve van het Natura 2000-herstelprogramma Bossen.    Afspraken/actiepunten uit veldbezoeken afgelopen jaren    Omdat binnen de Veluwe jaarlijks andere deelgebieden en habitattypen worden bezocht, wordt voor de    afspraken en acties uit eerdere Natura 2000-veldbezoeken verwezen naar de desbetreffende verslagen.    Referenties  Den Ouden, J., D. Lammertsma & H. Jansman (2020). Effecten van hoefdieren op Natura 2000-boshabitat-  typen op de Veluwe. WENR-rapport 3013, Wageningen University Research, Wageningen.    Nijssen, M., J. Bouwman, M. Weijters, R. Bobbink, J. Noordijk, B. de Wit, H. Sierdsma,  E.O. Colijn & Th. Heijerman (2020). Biodiversiteit en duurzaamheid van oude bosreservaten. Rapport Stich-  ting Bargerveen, B-WARE, EIS-Nederland, Kroondomein het Loo en Sovon Vogelonderzoek Nederland.         0000000305</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>