Naar inhoud
Raad van State

Implementatiewet kapitaalvereisten 2020.

Jaar: 2020 Documenten: 1
Bij Kabinetsmissive van 15 mei 2020, no.2020001001, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Financiën, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht in verband met implementatie van Richtlijn 2019/878/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019 tot wijziging van Richtlijn 2013/36/EU met betrekking tot vrijgestelde entiteiten, financiële holdings, gemengde financiële holdings, beloning, toezichtsmaatregelen en -bevoegdheden en kapitaalconserveringsmaatregelen (PbEU 2019, L 150) en ter uitvoering van Verordening (EU) 2019/876 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 575/2013 wat betreft de hefboomratio, de nettostabielefinancieringsratio, vereisten inzake eigen vermogen en in aanmerking komende passiva, tegenpartijkredietrisico, marktrisico, blootstellingen aan centrale tegenpartijen, blootstellingen aan instellingen voor collectieve belegging, grote blootstellingen, rapportage- en openbaarmakingsvereisten, en van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PbEU 2019, L 150) (Implementatiewet kapitaalvereisten 2020), met memorie van toelichting.De Afdeling advisering maakt opmerkingen over de toepassing van een aantal lidstaatopties voor beloningsmaatregelen, over een aantal aspecten van de regeling voor goedkeuring van (gemengde) financiële holdings, over de reikwijdte van de verplichting een intermediaire EU-onderneming te hebben en ten slotte over de noodzaak en waarborgen van gegevensverwerking in de uitzonderlijke gevallen waarin volgens de toelichting uitwisseling van persoonsgegevens nodig is. Daarnaast heeft de Afdeling een algemene opmerking: zij adviseert om in de toelichting in te gaan op de termijn waarbinnen en de voorwaarden waaronder een noodzakelijke structurele verbetering van de inzichtelijkheid en de toegankelijkheid van de Wft kan plaatsvinden. In verband daarmee is aanpassing wenselijk van het wetsvoorstel en de toelichting.1. Achtergrond en inhoud wetsvoorstelHet wetsvoorstel geeft uitvoering aan de Europese wijzigingsrichtlijn kapitaalvereisten (zie noot 1) en de wijzigingsverordening kapitaalvereisten (zie noot 2), die de richtlijn kapitaalvereisten (zie noot 3) onderscheidenlijk de verordening kapitaalvereisten (zie noot 4) wijzigen. Deze wijzigingsrichtlijn en -verordening maken onderdeel uit van het ‘Bankenpakket’ (zie noot 5) waarmee een volgende stap wordt gezet naar de voltooiing van de bankenunie. Zij bevatten belangrijke wijzigingen van onder meer het kapitaaleisenraamwerk voor banken en bepaalde beleggingsondernemingen.Zo regelt de wijzigingsverordening een nieuwe risico-ongewogen minimum hefboomratiokapitaaleis van 3%, ook bekend als de ‘leverage ratio’, waaraan banken vanaf 28 juni 2021 moeten voldoen.Het wetsvoorstel wijzigt de Wet op het financieel toezicht (Wft). Met het wetsvoorstel wordt onder meer een nieuw goedkeuringsvereiste geregeld voor (gemengde) financiële holdings die moederonderneming zijn van groepen met banken en beleggingsondernemingen waarop geconsolideerd toezicht wordt gehouden. (zie noot 6) Voorts wordt een nieuwe verplichting tot aanwijzing van een intermediaire EU-moederonderneming geregeld voor groepen met een moederonderneming met zetel in een derde land en die in de EU actief zijn met twee of meer banken of beleggingsondernemingen in de zin van de richtlijn kapitaalvereisten. (zie noot 7) Ook worden onder meer wijzigingen voorgesteld die verband houden met de verdergaande harmonisatie van het microprudentiële toezicht op banken en beleggingsondernemingen, in het bijzonder van het toezicht- en evaluatieproces (‘Supervisory Review and Evalution Process’) en de instellingsspecifieke Pijler 2-kapitaalvereisten.2. Toegankelijkheid en inzichtelijkheid van de WftDe Afdeling ziet aanleiding voor een algemene opmerking vooraf. De Afdeling brengt in herinnering dat zij in haar advies over het wetsvoorstel herstel en afwikkeling van banken en verzekeraars heeft opgemerkt dat met een grondige herziening van de opzet van de Wft de toegankelijkheid moet worden verbeterd. (zie noot 8) Naar aanleiding van deze adviesopmerking is door de Minister van Financiën een verkenning uitgevoerd hoe de Wft toegankelijker en toekomstbestendiger kan worden gemaakt. Daartoe is een verkenningsnotitie in consultatie gebracht waarin zowel het probleem als een aantal mogelijke oplossingsrichtingen werd verkend.Over de uitkomsten van deze verkenning heeft de Minister van Financiën op 24 mei 2019 aan de Tweede Kamer geschreven dat belanghebbenden zijn analyse van de gebreken in inzichtelijkheid en toegankelijkheid delen. Echter, de minister achtte het toen niet opportuun om gezien de lopende werkzaamheden rondom beleid en wetgeving voor de financiële markten en de verwachte nationale en internationale ontwikkelingen op dit terrein, een omvangrijk traject tot herziening van de Wft te starten. Tegelijkertijd onderkende de minister het belang van een goed functionerend regelgevend kader voor de financiële sector en zegde hij toe bij gelegenheid en op incidentele basis wetstechnische verbeteringen door te voeren, om de toegankelijkheid en inzichtelijkheid van de Wft te bevorderen. (zie noot 9)De Afdeling stelt vast dat gegeven de probleemanalyse van de minister, die door belanghebbenden wordt onderschreven, het bij gelegenheid en op incidentele basis doorvoeren van wetstechnische verbeteringen geen toereikende oplossing is. Dat betekent dat de bestaande gebreken in inzichtelijkheid en toegankelijkheid zich alleen maar zullen verdiepen. Het is volgens de Afdeling voor een goed functionerend regelgevend kader essentieel dat op enig moment in de toekomst een (meer) structurele oplossing wordt gerealiseerd.De Afdeling beveelt aan in de toelichting aandacht te besteden aan de termijn waarop en de voorwaarden waaronder de inzichtelijkheid en de toegankelijkheid van de Wft structureel zullen worden verbeterd.3. Beloningsmaatregelen: vrijstelling voor kleine en niet-complexe instellingen of individuele personeelsledenDe wijzigingsrichtlijn introduceert een meer proportionele toepassing (zie noot 10) van de beloningsregels op kleine en niet-complexe instellingen en op individuele personeelsleden van instellingen. (zie noot 11) Dit houdt in dat kleine niet-complexe instellingen of personeelsleden van instellingen onder voorwaarden vrijgesteld zijn van de toepassing van drie specifieke beloningsregels. (zie noot 12) Op grond van de richtlijn kapitaalvereisten is deze vrijstelling uitsluitend van toepassing op:(i) kleine en niet-complexe instellingen (zie noot 13) waarvan de waarde van de activa niet meer bedraagt dan € 5 miljard; of(ii) individuele personeelsleden van instellingen van wie de variabele beloning niet hoger is dan € 50.000 op jaarbasis, mits dat niet meer is dan een derde van de totale beloning.a. Lidstaatopties bij toepassing van de vrijstellingDe wijzigingsrichtlijn kent ten aanzien van de betreffende vrijstelling twee lidstaatopties. Ten eerste kan een lidstaat ervoor kiezen de drempel van de waarde van activa (van vijf miljard euro) voor instellingen te verhogen of te verlagen. (zie noot 14) Ten tweede kan een lidstaat besluiten dat bepaalde personeelsleden die voldoen aan de voorwaarden voor toepassing van de vrijstelling (zie noot 15) toch van de toepassing ervan worden uitgesloten, vanwege specifieke kenmerken van de nationale markt op het gebied van beloningspraktijk of vanwege de aard van de taken en het beroepsprofiel van die personeelsleden.In het voorstel wordt invulling gegeven aan de tweede lidstaatoptie ten aanzien van personeelsleden door de drempel van een variabele beloning van maximaal 33% (zie noot 16) te verlagen naar een variabele beloning van maximaal 10%. (zie noot 17) De Afdeling merkt op dat dit een onjuiste toepassing is van de lidstaatoptie uit de wijzigingsrichtlijn. (zie noot 18) Deze lidstaatoptie omvat immers niet de mogelijkheid om de drempel (de maximale variabele beloning) voor toepassing van de vrijstelling te verlagen.De lidstaatoptie bij de vrijstelling ten aanzien van personeelsleden biedt uitsluitend de mogelijkheid om bepaalde categorieën van personeelsleden alsnog van de toepassing van de vrijstelling uit te sluiten, vanwege specifieke kenmerken van de nationale markt op het gebied van beloningspraktijk of vanwege de aard van de taken en het beroepsprofiel van die personeelsleden. De wijzigingsrichtlijn biedt geen ruimte voor de voorgestelde invulling van de lidstaatoptie. Dit zou slechts anders kunnen zijn indien de verlaging van de drempel ertoe strekt personeelsleden van de vrijstelling uit te sluiten vanwege specifieke kenmerken van de nationale markt op het gebied van beloningspraktijk of vanwege de aard van de taken en het beroepsprofiel van die personeelsleden.De Afdeling adviseert gezien het bovenstaande om de wijze waarop deze lidstaatoptie wordt toegepast te heroverwegen.b. Delegatie regelgevende bevoegdheidDe toelichting van het voorstel stelt dat de betreffende lidstaatoptie zal worden toegepast door dit in lijn met de bestaande systematiek te regelen in de Regeling beheerst beloningsbeleid Wft 2017 van De Nederlandsche Bank (DNB). (zie noot 19) Deze toezichthouderregeling is gebaseerd op artikel 1:117, vierde lid, Wft. Op grond daarvan kan DNB nadere regels stellen met betrekking tot (i) de wijze waarop het beloningsbeleid wordt opgesteld en vastgesteld of goedgekeurd, uitgevoerd, geëvalueerd en aangepast en (ii) de wijze waarop vorm wordt gegeven aan beloningscomponenten en beloningsstructuren en de wijze waarop de risico’s die uit het beleid en de uitvoering daarvan voortvloeien, worden beheerst.
Documenten (1)