Adviezen Raad van State, 2020
Zoek binnen deze data in WooGLe
Wijziging van de Wet voorraadvorming aardolieproducten 2012 in verband met de implementatie van Uitvoeringsrichtlijn 2018/1581/EU.
Bij Kabinetsmissive van 12 november 2020, no.2020002313, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Economische Zaken en Klimaat, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Wet voorraadvorming aardolieproducten 2012 in verband met de implementatie van Uitvoeringsrichtlijn 2018/1581/EU, met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van het Besluit bewijzen van bevoegdheid voor de luchtvaart, het Besluit luchtvaartuigen 2008 en het Besluit vluchtuitvoering.
Bij Kabinetsmissive van 1 september 2020, no.2020001683, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, in overeenstemming met de Staatssecretaris van Defensie, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit bewijzen van bevoegdheid voor de luchtvaart, het Besluit luchtvaartuigen 2008 en het Besluit vluchtuitvoering in verband met de uitvoering van de bepalingen inzake onbemande luchtvaartuigen opgenomen in verordening (EU) nr. 2018/1139 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2018 inzake gemeenschappelijke regels op het gebied van burgerluchtvaart en tot oprichting van een Agentschap van de Europese Unie voor de veiligheid van de luchtvaart, en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 2111/2005, (EG) nr. 1008/2008, (EU) nr. 996/2010, (EU) nr. 376/2014 en de Richtlijnen 2014/30/EU en 2014/53/EU van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 552/2004 en (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EEG) nr. 3922/91 van de Raad (PbEU 2018, L 212), van gedelegeerde verordening (EU) nr. 2019/945 van de Commissie van 12 maart 2019 inzake onbemande luchtvaartuigsystemen en uit derde landen afkomstige exploitanten van onbemande luchtvaartuigsystemen (PbEU 2019, L 152) en uitvoeringsverordening (EU) nr. 2019/947 van de Commissie van 24 mei 2019 inzake de regels en procedures voor de exploitatie van onbemande luchtvaartuigen (PbEU 2019, L 152), met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van het Besluit bestuurlijke boete overlast in de openbare ruimte in verband met actualisering van feitomschrijvingen en indexering van boetebedragen 2021.
Bij Kabinetsmissive van 2 december 2020, no.2020002457, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Justitie en Veiligheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit bestuurlijke boete overlast in de openbare ruimte in verband met actualisering van feitomschrijvingen en indexering van boetebedragen 2021, met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet.
Bij Kabinetsmissive van 7 april 2020, no.2020000699, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Milieu en Wonen, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit kwaliteit leefomgeving, het Omgevingsbesluit, het Besluit activiteiten leefomgeving, het Besluit bouwwerken leefomgeving, het Invoeringsbesluit Omgevingswet en enkele andere besluiten met het oog op de beheersing van geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen (Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet), met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wet vaststellingsprocedure staatloosheid.
Bij Kabinetsmissive van 20 september 2017, no.2017001520, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, mede namens de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet houdende regels met betrekking tot de vaststelling van staatloosheid (Wet vaststellingsprocedure staatloosheid), met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van de Wet precursoren voor explosieven en de Wet op de economische delicten.
Bij Kabinetsmissive van 10 november 2020, no.2020002308, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Justitie en Veiligheid, mede namens de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Wet precursoren voor explosieven en de Wet op de economische delicten ter uitvoering van Verordening (EU) 2019/1148 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 over het op de markt brengen en het gebruik van precursoren voor explosieven, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006 en tot intrekking van Verordening (Wijziging van de Wet precursoren voor explosieven en de Wet op de economische delicten ter uitvoering van Verordening (EU) 2019/1148 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 over het op de markt brengen en het gebruik van precursoren voor explosieven, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006 en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 98/2013 (PbEU 2019, L 186), met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap en de Paspoortwet alsmede intrekking van voorbehouden bij het Verdrag betreffende de status van staatlozen in verband met de vaststelling van staatloosheid.
Bij Kabinetsmissive van 13 oktober 2017, no.2017001776, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Veiligheid en Justitie, mede namens de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, bij de Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van rijkswet tot wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap en de Paspoortwet alsmede intrekking van voorbehouden bij het Verdrag betreffende de status van staatlozen in verband met de vaststelling van staatloosheid, met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 teneinde te voorzien in aanpassing van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
Bij Kabinetsmissive van 22 februari 2019, no.2019000391, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 teneinde te voorzien in aanpassing van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Goedkeuring en uitvoering van het op 23 juli 2018 te Brussel tot stand gekomen Verdrag tussen het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden inzake politiesamenwerking.
Bij Kabinetsmissive van 20 mei 2020, no.2020001049, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Justitie en Veiligheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot goedkeuring en uitvoering van het op 23 juli 2018 te Brussel tot stand gekomen Verdrag tussen het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden inzake politiesamenwerking (Trb. 2018, 160), met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015 (voorkomen vervallen hogere DAEB-toewijzingsgrens).
Bij Kabinetsmissive van 19 november 2020, no.2020002370, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015 (voorkomen vervallen hogere DAEB-toewijzingsgrens), met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van de bijlage van de Wahv, het Besluit OM-afdoening en het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens in verband met onder meer de jaarlijkse indexering van de tarieven.
Bij Kabinetsmissive van 28 oktober 2020, no.2020002203, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Justitie en Veiligheid, mede namens de Minister van Infrastructuur en Milieu, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van de bijlage, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften het Besluit OM-afdoening en het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens in verband met onder meer de jaarlijkse indexering van de tarieven, met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van onder meer het Besluit algemene rechtspositie politie in verband met de formalisering van onder meer de afspraken uit de Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Politie 2018-2020.
Bij Kabinetsmissive van 2 november 2020, no.2020002234, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Justitie en Veiligheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van onder meer het Besluit algemene rechtspositie politie in verband met de formalisering van onder meer de afspraken uit de Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Politie 2018–2020 inzake een regeling voor vervroegde uittreding, het politie-onderwijs en capaciteit, de introductie van het sociaal plannen en de WIA-compensatie, met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Aanvullingsbesluit grondeigendom Omgevingswet.
Bij Kabinetsmissive van 27 maart 2020, no.2020000639, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Milieu en Wonen, mede namens de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit kwaliteit leefomgeving, het Omgevingsbesluit, het Besluit activiteiten leefomgeving en enkele andere algemene maatregelen van bestuur vanwege het opnemen van regels over landinrichting, voorkeursrecht en onteigening en een verdere aanpassing van de regels over kostenverhaal (Aanvullingsbesluit grondeigendom Omgevingswet), met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Voorlichting naar aanleiding van de motie-Backer c.s. over versterking van de kwaliteit van de rechtsbescherming voor de individuele burger.
Bij brief van de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal van 9 juli 2020 heeft de Eerste Kamer op de voet van artikel 21a, eerste lid, van de Wet op de Raad van State aan de Afdeling advisering van de Raad van State gevraagd haar van voorlichting te dienen naar aanleiding van de motie-Backer c.s. over versterking van de kwaliteit van de rechtsbescherming voor de individuele burger.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van het Besluit internationale verplichtingen extraterritoriale rechtsmacht en het Besluit toezicht luchtvaart BES.
Bij Kabinetsmissive van 21 september 2020, no.2020001919, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Justitie en Veiligheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit internationale verplichtingen extraterritoriale rechtsmacht en het Besluit toezicht luchtvaart BES ter uitvoering van het op 4 april 2014 te Montreal tot stand gekomen Protocol tot wijziging van het Verdrag inzake strafbare feiten en bepaalde andere handelingen begaan aan boord van luchtvaartuigen (Trb. 2019, 140 en Trb. 2020, 3), met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van de Wet arbeid vreemdelingen.
Bij Kabinetsmissive van 17 april 2020, no.2020000791, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Wet arbeid vreemdelingen in verband met het toekomstbestendig maken van de wetgeving op het terrein van arbeidsmigratie, met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet (twintigste tranche).
Bij Kabinetsmissive van 13 juli 2020, no.2020001445, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, mede namens de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet en het Besluit milieueffectrapportage (Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet (twintigste tranche), met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van het Besluit vergoedingen Raad voor strafrechtstoepassing en jeugd.
Bij Kabinetsmissive van 28 oktober 2020, no.2020002193, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Rechtsbescherming, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit vergoedingen Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming in verband met de aanpassing van de vergoedingen van de voorzitter en de overige leden van de Raad, met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van het Besluit proceskosten bestuursrecht in verband met een verhoging van het tarief voor de vergoeding van de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in beroep en hoger beroep.
Bij Kabinetsmissive van 10 juni 2020, no.2020001160, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Rechtsbescherming, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit proceskosten bestuursrecht in verband met een verhoging van het tarief voor de vergoeding van de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in beroep en hoger beroep, met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van het Besluit tarieven in strafzaken 2003 in verband met de jaarlijkse indexering van de vergoedingen voor psychiaters en psychologen.
Bij Kabinetsmissive van 29 oktober 2020, no.2020002214, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Rechtsbescherming, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit tarieven in strafzaken 2003 in verband met de jaarlijkse indexering van de vergoedingen voor psychiaters en psychologen, met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van het Besluit beveiliging burgerluchtvaart in verband met de uitvoering van Verordening (EG) nr. 300/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2008.
Bij Kabinetsmissive van 4 september 2020, no.2020001732, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Justitie en Veiligheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit beveiliging burgerluchtvaart in verband met de uitvoering van Verordening (EG)nr. 300/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2008 inzake gemeenschappelijke regels op het gebied van de beveiliging van de burgerluchtvaart en tot intrekking van Verordening(EG) nr. 2320/2002 (Pb EU 2008, L 97/72) en enkele andere verordeningen op het gebied van de beveiliging van de burgerluchtvaart, met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van het Vuurwerkbesluit in verband met een tijdelijk vuurwerkverbod vanwege COVID-19.
Bij Kabinetsmissive van 20 november 2020, no.2020002397, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, in overeenstemming met de Minister van Justitie en Veiligheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Vuurwerkbesluit in verband met een tijdelijk vuurwerkverbod vanwege COVID-19, met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van enige uitvoeringsbesluiten op het gebied van de belastingen en enige andere besluiten.
Bij Kabinetsmissive van 20 november 2020, no.2020002375, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Financiën, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van enige uitvoeringsbesluiten op het gebied van de belastingen en enige andere besluiten, met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van het Besluit investeringsplan en kwaliteit elektriciteit en gas (uitvalsituaties hoogspanningsnet).
Bij Kabinetsmissive van 30 juni 2020, no.2020001302, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Economische Zaken en Klimaat, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit, tot wijziging van het Besluit investeringsplan en kwaliteit elektriciteit en gas (uitvalsituaties hoogspanningsnet), met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wet toezicht gelijke kansen bij werving en selectie.
Bij Kabinetsmissive van 7 juli 2020, no.2020001361, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Arbeidsomstandighedenwet en de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs in verband met de invoering van de verplichting om over een werkwijze te beschikken die gericht is op het creëren van gelijke kansen in het proces van werving en selectie en het toezicht daarop (Wet toezicht gelijke kansen bij werving en selectie), met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Verlenging van de termijn gedurende welke aanwijzingen krachtens de Luchtvaartwet van militaire luchtvaartterreinen hun geldigheid behouden en invoering van een jaarlijkse rapportageplicht.
Bij Kabinetsmissive van 26 oktober 2020, no.2020002187, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Defensie, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet houdende verlenging van de termijn gedurende welke aanwijzingen krachtens de Luchtvaartwet van militaire luchtvaartterreinen hun geldigheid behouden en invoering van een jaarlijkse rapportageplicht, met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van het Besluit voertuigen, het Kentekenreglement, het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 en enige andere besluiten ter implementatie van richtlijn nr. 2014/45/EU.
Bij Kabinetsmissive van 22 juni 2020, no.2020001224, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit voertuigen, het Kentekenreglement, het Reglement rijbewijzen en het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 en enige andere besluiten ter implementatie van richtlijn nr. 2014/45/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende de periodieke technische controle van motorvoertuigen en aanhangwagens en tot intrekking van Richtlijn 2009/40/EG (PbEU 2014, L 127) en enige andere wijzigingen, met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van een aantal onderwijswetten in verband met enkele aanpassingen op het gebied van de doorstroom van het basisonderwijs naar het voortgezet onderwijs.
Bij Kabinetsmissive van 8 juli 2020, no.2020001344, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, mede namens de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van een aantal onderwijswetten in verband met enkele aanpassingen op het gebied van de doorstroom van het basisonderwijs naar het voortgezet onderwijs en wijziging van de stelselinrichting van doorstroomtoetsen in het basisonderwijs, met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Besluit experimenten Elektriciteitswet 1998 en Gaswet.
Bij Kabinetsmissive van 14 juni 2019, no.2019001154, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Economische Zaken en Klimaat, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende nadere regels voor het bij wege van experiment afwijken van de Elektriciteitswet 1998 of de Gaswet (Besluit experimenten Elektriciteitswet 1998 en Gaswet), met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van de Kieswet in verband met de definitieve invoering van het nieuwe stembiljet voor kiezers buiten Nederland.
Bij Kabinetsmissive van 9 oktober 2020, no.2020002065, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Kieswet in verband met de definitieve invoering van het nieuwe stembiljet voor kiezers buiten Nederland, met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van de Wet verbod op kolen bij elektriciteitsproductie in verband met beperking van de CO2-emissie.
Bij Kabinetsmissive van 22 september 2020, no.2020001925, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Economische Zaken en Klimaat, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Wet verbod op kolen bij elektriciteitsproductie in verband met beperking van de CO2-emissie, met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg en de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten teneinde technische onvolkomenheden en omissies te herstellen.
Bij Kabinetsmissive van 21 oktober 2020, no.2020002135, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, mede namens de Minister voor Medische Zorg en de Minister voor Rechtsbescherming, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg en de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten teneinde technische onvolkomenheden en omissies te herstellen, met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van het Besluit paspoortgelden in verband met de aanpassing van de tarieven per 1 januari 2021.
Bij Kabinetsmissive van 28 oktober 2020, no.2020002186, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, bij de Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit paspoortgelden in verband met de aanpassing van de tarieven per 1 januari 2021, met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Verzamelwet IenW 2020.
Bij Kabinetsmissive van 25 juni 2020, no.2020001268, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, mede namens de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van enkele wetten van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (Verzamelwet IenW 2020), met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van de Tabaks- en rookwarenwet ter regeling van elektronische verhittingsapparaten.
Bij Kabinetsmissive van 9 september 2020, no.2020001844, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Tabaks- en rookwarenwet ter regeling van elektronische verhittingsapparaten voor tabaksproducten en in verband met de invoering van eisen aan het uiterlijk van sigaretten, met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2021).
Bij Kabinetsmissive van 27 november 2020, no.2020002451, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Financiën, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2021), met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van de Wet dieren in verband met de uitvoering van de herziene Europese wetgeving over diergeneesmiddelen en gemedicineerde diervoeders.
Bij Kabinetsmissive van 2 oktober 2020, no.2020002025, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Wet dieren in verband met de uitvoering van de herziene Europese wetgeving over diergeneesmiddelen en gemedicineerde diervoeders, met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van het Besluit prudentiële regels Wft, het Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten en enig ander besluit ter implementatie van Richtlijn 2019/878/EU.
Bij Kabinetsmissive van 17 juli 2020, no.2020001532, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Financiën, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit prudentiële regels Wft, het Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten en enig ander besluit ter implementatie van Richtlijn 2019/878/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019 tot wijziging van Richtlijn 2013/36/EU met betrekking tot vrijgestelde entiteiten, financiële holdings, gemengde financiële holdings, beloning, toezichtsmaatregelen en -bevoegdheden en kapitaalconserveringsmaatregelen (PbEU 2019, L 150) en ter uitvoering van Verordening (EU) 2019/876 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 575/2013 wat betreft de hefboomratio, de nettostabielefinancieringsratio, vereisten inzake eigen vermogen en in aanmerking komende passiva, tegenpartijkredietrisico, marktrisico, blootstellingen aan centrale tegenpartijen, blootstellingen aan instellingen voor collectieve belegging, grote blootstellingen, rapportage- en openbaarmakingsvereisten, en van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PbEU 2019, L 150) (wijziging van de kapitaalbuffers en uitvoering van de wijzigingsverordening kapitaalvereisten), met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van het besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten in verband met de maximale afwikkelingsvergoeding voor binnenlandse debetkaarttransacties.
Bij Kabinetsmissive van 2 november 2020, no.2020002230, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Financiën, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten in verband met de maximale afwikkelingsvergoeding voor binnenlandse debetkaarttransacties, met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Evaluatiewet Wfpp.
Bij Kabinetsmissive van 20 februari 2020, no.2020000367, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Wet financiering politieke partijen in verband met de evaluatie van deze wet (Evaluatiewet Wfpp), met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Uitvoeringswet Erasmusprogramma en Europees Solidariteitskorps.
Bij Kabinetsmissive van 15 oktober 2020, no.2020002112, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet houdende regels ter uitvoering van de EU-verordening
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van diverse algemene maatregelen van bestuur van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in verband met technische en redactionele wijzigingen.
Bij Kabinetsmissive van 9 oktober 2020, no.2020002064, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van diverse algemene maatregelen van bestuur van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in verband met technische en redactionele wijzigingen, met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Implementatie van Richtlijn 2019/713/EU betreffende de bestrijding van fraude met en vervalsing van niet contante betaalmiddelen.
Bij Kabinetsmissive van 15 juli 2020, no.2020001513, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Justitie en Veiligheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet houdende de implementatie van Richtlijn 2019/713/EU van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 betreffende de bestrijding van fraude met en vervalsing van niet contante betaalmiddelen en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/413/JBZ van de Raad (PbEU L 123/18), met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Besluit ambulancezorgvoorzieningen.
Bij Kabinetsmissive van 23 september 2020, no.2020001941, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Medische Zorg, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende bepalingen inzake de uitwisseling van gegevens tussen Regionale Ambulancevoorzieningen en afdelingen spoedeisende hulp en aanpassingen van verschillende algemene maatregelen van bestuur vanwege de invoering van de Wet ambulancezorgvoorzieningen (Besluit ambulancezorgvoorzieningen), met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Tijdelijke wijziging van het Arbeidsomstandighedenbesluit en het Arbeidsveiligheidsbesluit I BES.
Bij Kabinetsmissive van 16 juni 2020, no. 2020001201, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot tijdelijke wijziging van het Arbeidsomstandighedenbesluit en het Arbeidsveiligheidsbesluit I BES in verband met de bestrijding van het novel coronavirus (2019-nCOV), met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Tijdelijke wet Tweede-Kamerverkiezing covid-19.
Bij Kabinetsmissive van 17 november 2020, no.2020002367, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Tijdelijke wet verkiezingen covid-19 ten behoeve van de verkiezing van de leden van de Tweede Kamer in 2021 (Tijdelijke wet Tweede-Kamerverkiezing covid-19), met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Voorlichting betreffende vaccinatie in de kinderopvang.
Bij brief van 6 december 2019 heeft de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, mede namens de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op de voet van artikel 21a, eerste lid, van de Wet op de Raad van State aan de Afdeling advisering van de Raad van State gevraagd hem van voorlichting te dienen betreffende vaccinatie in de kinderopvang.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Besluit verhoging met ingang van het berekeningsjaar 2021 van bedragen in artikel 2, tweede lid, van de Wet op het kindgebonden budget.
Bij Kabinetsmissive van 9 november 2020, no.2020002291, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende verhoging met ingang van het berekeningsjaar 2021 van enige bedragen, genoemd in artikel 2, tweede lid, van de Wet op het kindgebonden budget, met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van het Besluit beslagvrije voet.
Bij Kabinetsmissive van 17 juli 2020, no.2020001557, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit beslagvrije voet in verband met de gewijzigde berekening van de beslagvrije voet en het treffen van nadere regels voor de ondersteuning bij de vaststelling van de beslagvrije voet, met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Tijdelijk besluit veilige afstand.
Bij Kabinetsmissive van 3 november 2020, no.2020002252, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende vaststelling van de veilige afstand, bedoeld in artikel 58f, tweede lid, van de Wet publieke gezondheid (Tijdelijk besluit veilige afstand), met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van de Wet basisregistratie personen.
Bij Kabinetsmissive van 26 juni 2020, no.2020001272, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Wet basisregistratie personen in verband met het bevorderen van de goede uitvoering van die wet op enkele onderdelen en het herstellen van enige omissies, alsmede van de Wet basisadministraties persoonsgegevens BES in verband met het opnemen van gegevens over kinderen die op het moment van de geboorte niet meer in leven zijn of omtrent wie een akte in een openbaar lichaam is opgemaakt die vermeldt dat het kind op het ogenblik van de aangifte niet in leven is, dan wel die zijn overleden zonder zelf ingeschrevene te zijn, met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van het Besluit energie vervoer in verband met het vaststellen van de jaarverplichting hernieuwbare energie vervoer en reductieverplichting vervoersemissies voor het kalenderjaar 2021.
Bij Kabinetsmissive van 17 juli 2020, no.2020001559, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit energie vervoer in verband met het vaststellen van de jaarverplichting hernieuwbare energie vervoer en reductieverplichting vervoersemissies voor het kalenderjaar 2021, met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Overeenkomst tot beëindiging van bilaterale investeringsverdragen tussen de lidstaten van de Europese Unie.
Bij Kabinetsmissive van 3 juni 2020, no.2020001116, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Buitenlandse Zaken, mede namens de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, bij de Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk ter overweging aanhangig gemaakt de overeenkomst tot beëindiging van bilaterale investeringsverdragen tussen de lidstaten van de Europese Unie; Brussel, 5 mei 2020 (Trb. 2020, 52), met toelichtende nota.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van het Besluit bekostiging financieel toezicht 2019 in verband met vaststelling van een nieuwe procentuele verdeling van de kosten.
Bij Kabinetsmissive van 23 oktober 2020, no.2020002177, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Financiën, mede namens de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit bekostiging financieel toezicht 2019 in verband met vaststelling van een nieuwe procentuele verdeling van de kosten van het doorlopend toezicht van de Autoriteit Financiële Markten, met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wet transparantie maatschappelijke organisaties.
Bij Kabinetsmissive van 16 december 2019, no.2019002640, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Rechtsbescherming, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet houdende regels voor het openbaar maken van substantiële donaties ontvangen door maatschappelijke organisaties en tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek, de Handelsregisterwet 2007 en de Wet op de economische delicten in verband met het deponeren van de balans en de staat van baten en lasten door stichtingen (Wet transparantie maatschappelijke organisaties), met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wet vliegbelasting.
Bij Kabinetsmissive van 16 november 2020, no.2020002351, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Financiën, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Wet belastingen op milieugrondslag (Wet vliegbelasting), met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Voorlichting betreffende het beperken van geldstromen uit onvrije landen.
Bij brief van 17 februari 2020 heeft de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op de voet van artikel 21a, eerste lid, van de Wet op de Raad van State aan de Afdeling advisering van de Raad van State gevraagd hem van voorlichting te dienen met betrekking tot de Proeve van wetgeving tot beperking ongewenste buitenlandse financiering van instellingen.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wet oneerlijke handelspraktijken landbouw- en voedselvoorzieningsketen.
Bij Kabinetsmissive van 18 juni 2020, no.2020001213, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, in overeenstemming met de van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet houdende regels strekkende tot implementatie van Richtlijn (EU) 2019/633 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 inzake oneerlijke handelspraktijken in de relaties tussen ondernemingen in de landbouw- en voedselvoorzieningsketen (PbEU 2019, L 111/59) (Wet oneerlijke handelspraktijken landbouw- en voedselvoorzieningsketen), met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Verzamelwet LNV 20..
Bij Kabinetsmissive van 17 juli 2020, no.2020001549, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet, houdende herstel van wetstechnische gebreken en leemten alsmede aanbrenging van andere wijzigingen van ondergeschikte aard in diverse wetsbepalingen op het terrein van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (Verzamelwet LNV 20..), met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Voorlichting over het reguleren van vrij verkeer van personen en diensten.
Bij brief van 1 juli 2020 heeft de Voorzitter van de Tweede Kamer op de voet van artikel 21a, eerste lid, van de Wet op de Raad van State aan de Afdeling advisering van de Raad van State gevraagd de Tweede Kamer van voorlichting te dienen over het reguleren van het vrije verkeer van personen en diensten.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Besluit compensatie transitievergoeding bij beëindiging van de werkzaamheden van de onderneming.
Bij Kabinetsmissive van 14 april 2020, no.2020000775, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende regels met betrekking tot de compensatie van de transitievergoeding bij beëindiging van de werkzaamheden van de onderneming vanwege pensionering, ziekte, gebreken of overlijden van de werkgever (Besluit compensatie transitievergoeding bij beëindiging van de werkzaamheden van de onderneming), met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van de Erfgoedwet en de Wet op de economische delicten in verband met EU-verordening (EU) 2019/880.
Bij Kabinetsmissive van 12 juni 2020, no.2020001187, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Erfgoedwet en Wet economische delicten in verband met EU-verordening (EU) 2019/880 inzake het binnenbrengen van cultuurgoederen, met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Besluit technische wijzigingen penitentiair recht en geestelijke verzorging.
Bij Kabinetsmissive van 10 juni 2020, no.2020001162, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Rechtsbescherming, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van de Penitentiaire maatregel, het Reglement verpleging ter beschikking gestelden en het Reglement justitiële jeugdinrichtingen in verband met de geestelijke verzorging en de instelling van een commissie van toezicht en een beklagcommissie voor het vervoer, met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Goedkeuring van het voornemen tot opzegging van deel IV van de op 16 april 1964 te Straatsburg tot stand gekomen Europese Code inzake sociale zekerheid (Trb. 1965, 47).
Bij Kabinetsmissive van 15 juli 2020, no.2020001506, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Buitenlandse Zaken, mede namens de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot goedkeuring van het voornemen tot opzegging van deel IV van de op 16 april 1964 te Straatsburg tot stand gekomen Europese Code inzake sociale zekerheid (Trb. 1965, 47), met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Besluit verzekeringskeuringen ex-kankerpatiënten.
Bij Kabinetsmissive van 17 juli 2020, no.2020001550, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Financiën, mede namens de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende regels voor verzekeringskeuringen van ex-kankerpatiënten ten behoeve van het afsluiten van overlijdensrisicoverzekeringen en uitvaartverzekeringen (Besluit verzekeringskeuringen ex-kankerpatiënten), met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van diverse besluiten in verband met de aanpassing van de methodiek voor het bepalen van de energieprestatie van gebouwen en de inijking van energielabels.
Bij Kabinetsmissive van 13 juli 2020, no.2020001444, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van diverse besluiten in verband met de aanpassing van de methodiek voor het bepalen van de energieprestatie van gebouwen en de inijking van energielabels, met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Tweede Aanvullend Protocol bij het Algemeen Postverdrag.
Bij Kabinetsmissive van 22 april 2020, no.2020000822, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Buitenlandse Zaken, mede namens de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat, bij de Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk ter overweging aanhangig gemaakt de tweede Aanvullend Protocol bij het Algemeen Postverdrag; Genève, 26 september 2019 (Trb. 2020, 1 en Trb. 2020, 33), met toelichtende nota.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van de Wet verbod pelsdierhouderij in verband met een vervroegde beëindiging van de pelsdierhouderij.
Bij Kabinetsmissive van 21 oktober 2020, no.2020002165, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, mede namens de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Wet verbod pelsdierhouderij in verband met een vervroegde beëindiging van de pelsdierhouderij, met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van het Besluit percentages drempel- en toetsingsinkomen zorgtoeslag.
Bij Kabinetsmissive van 12 oktober 2020, no. 2020002072, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Medische Zorg, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit percentages drempel- en toetsingsinkomen zorgtoeslag in verband met gewijzigde percentages met ingang van het berekeningsjaar 2021, met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van lijst I, behorende bij de Opiumwet, in verband met plaatsing van enkele stoffen op deze lijst.
Bij Kabinetsmissive van 8 oktober 2020, no.2020002056, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende wijziging van lijst I, behorende bij de Opiumwet, in verband met plaatsing van enkele stoffen op deze lijst, met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Onteigeningsplannen Veenweiden Krimpenerwaard en Veenweiden Krimpenerwaard 2.
Krachtens Koninklijke machtiging heeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties met een schrijven van 19 augustus 2020, no.RWS-2020/41132, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt een voordracht met ontwerpbesluit tot aanwijzing van onroerende zaken ter onteigening in de gemeente Krimpenerwaard krachtens artikel 78 van de onteigeningswet (onteigeningsplannen Veenweiden Krimpenerwaard en Veenweiden Krimpenerwaard 2).
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Voorlichting tot het verrichten van een aankooptransactie van aandelen in een beursgenoteerde vennootschap.
Bij brief van 20 mei 2020 heeft de Minister van Financiën op de voet van artikel 21a, eerste lid, van de Wet op de Raad van State aan de Afdeling advisering van de Raad van State gevraagd haar van voorlichting te dienen aanvullend verzoek om voorlichting tot het verrichten van een aankooptransactie van aandelen in een beursgenoteerde vennootschap.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van de Wet volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer BES in verband met het reguleren van de milieuaspecten van inrichtingen en enkele reparaties.
Bij Kabinetsmissive van 24 juni 2020, no.2020001264, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot Wijziging van de Wet volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer BES in verband met het reguleren van de milieuaspecten van inrichtingen en enkele reparaties, met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het evenwichtiger maken van de verhouding tussen het aantal mannen en vrouwen in het bestuur en de raad van commissarissen van grote naamloze en besloten vennootschappen.
Bij Kabinetsmissive van 15 juli 2020, no.2020001515, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Rechtsbescherming, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het evenwichtiger maken van de verhouding tussen het aantal mannen en vrouwen in het bestuur en de raad van commissarissen van grote naamloze en besloten vennootschappen, met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Tijdelijk besluit verkiezingen covid-19.
Bij Kabinetsmissive van 1 oktober 2020, no.2020002027, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot tijdelijke regels omtrent verkiezingen in verband met covid-19 (Tijdelijk besluit verkiezingen covid-19), met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van de Wet milieubeheer in verband met de implementatie van Richtlijn (EU) 2018/2001 bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en ter uitvoering van het Klimaatakkoord.
Bij Kabinetsmissive van 26 juni 2020, no.2020001265, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Wet milieubeheer in verband met de implementatie van Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en ter uitvoering van het Klimaatakkoord, met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van onder meer de Wet educatie en beroepsonderwijs met het oog op de verbetering van de rechtsbescherming van mbo-studenten.
Bij Kabinetsmissive van 5 juni 2020, no.2020001130, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van onder meer de Wet educatie en beroepsonderwijs met het oog op de verbetering van de rechtsbescherming van mbo-studenten, met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Samenvoeging van de gemeenten Boxmeer, Cuijk, Mill en Sint Hubert en Sint Anthonis.
Bij Kabinetsmissive van 28 september 2020, no.2020001993, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot samenvoeging van de gemeenten Boxmeer, Cuijk, Mill en Sint Hubert en Sint Anthonis, met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Samenvoeging van de gemeenten Landerd en Uden.
Bij Kabinetsmissive van 28 september 2020, no.2020001992, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot samenvoeging van de gemeenten Landerd en Uden, met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Regels betreffende het verstrekken van reisdocumenten (Paspoortbesluit).
Bij Kabinetsmissive van 17 juli 2020, no.2020001558, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, bij de Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende regels betreffende het verstrekken van reisdocumenten, met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Samenvoeging van de gemeenten Heerhugowaard en Langedijk.
Bij Kabinetsmissive van 28 september 2020, no.2020001994, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot samenvoeging van de gemeenten Heerhugowaard en Langedijk, met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Besluit plantgezondheid.
Bij Kabinetsmissive van 9 juli 2020, no.2020001381, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, mede namens de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende bepalingen in verband met plantgezondheid (Besluit plantgezondheid), met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Herindeling van de gemeenten Amsterdam en Weesp.
Bij Kabinetsmissive van 28 september 2020, no.2020001996, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot herindeling van de gemeenten Amsterdam en Weesp, met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Herindeling van de gemeenten Beemster en Purmerend.
Bij Kabinetsmissive van 28 september 2020, no.2020001995, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot herindeling van de gemeenten Beemster en Purmerend, met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wet digitale melding vermissing rijbewijs.
Bij Kabinetsmissive van 1 september 2020, no.2020001682, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 in verband met het laten vervallen van de verplichting een proces-verbaal van aangifte bij de politie op te maken in geval van diefstal of vermissing van het rijbewijs, en andere wijzigingen (Wet digitale melding vermissing rijbewijs), met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek BES ter uitvoering van het Internationaal Verdrag inzake de wettelijke aansprakelijkheid voor schade door verontreiniging door bunkerolie.
Bij Kabinetsmissive van 27 mei 2020, no.2020001056, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, mede namens de Minister voor Rechtsbescherming, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek BES ter uitvoering van het op 23 maart 2001 te Londen tot stand gekomen Internationaal Verdrag inzake de wettelijke aansprakelijkheid voor schade door verontreiniging door bunkerolie, 2001 (Trb. 2005, 329), met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Concept Klimaatnota 2020.
Bij brief van 14 september 2020, met kenmerk DGKE-K / 20230860, heeft de Minister van Economische Zaken en Klimaat, gelet op artikel 7, vierde lid, van de Klimaatwet, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het concept van de Klimaatnota.Sectoremissies*emissieramingen1990201820192030 (KEV 2019)2030 (KEV 2020)Elektriciteit39,644,942,313,7 [10,1 - 20,5]18,8 [11,1 - 25,3]Industrie87,056,856,754,2 [51,1 - 58,7]53,1 [47,3 - 56,1]gebouwde omgeving29,924,423,319,0 [16,5 - 22,7]18,6 [16,1 - 21,9]Mobiliteit32,335,635,232,9 [29,5 - 37,5]31,6 [27,8 - 34,8]landbouw32,926,526,424,5 [22,6 - 25,7]24,5 [21,9 - 25,6]Totaal221,7188,2183,9144,3 [135 - 159]146,6 [132 - 155]reductie t.o.v. 199015%17%35% [28% - 39%]34% [30% - 40%]
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013.
Bij Kabinetsmissive van 14 juli 2020, no.2020001462, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013 (vervallen onderscheid II-k en II-v en wijziging procedure gentherapie), met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van het Besluit Verklaring derdenbeslag en het Besluit tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders.
Bij Kabinetsmissive van 8 juli 2020, no.2020001347, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Rechtsbescherming, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit Verklaring derdenbeslag en het Besluit tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders, met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van de Wet stichting administratiekantoor beheer financiële instellingen.
Bij Kabinetsmissive van 25 mei 2020, no.2020001046, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Financiën, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Wet stichting administratiekantoor beheer financiële instellingen in verband met de toepassing van de onderzoeksbevoegdheden van de Algemene Rekenkamer ten aanzien van de financiële instellingen onder beheer bij de stichting administratiekantoor beheer financiële instellingen, met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Invoeringsbesluit Omgevingswet.
Bij Kabinetsmissive van 3 maart 2020, no.2020000357, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Milieu en Wonen, mede namens de Minister van Defensie, de Minister van Economische Zaken en Klimaat, de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, de Minister van Justitie en Veiligheid, de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot aanvulling en wijziging van het Besluit activiteiten leefomgeving, het Besluit bouwwerken leefomgeving, het Besluit kwaliteit leefomgeving en het Omgevingsbesluit, de intrekking en wijziging van andere besluiten en regeling van overgangsrecht voor de invoering van de Omgevingswet (Invoeringsbesluit Omgevingswet), met nota van toelichting.Het ontwerpbesluit vormt samen met het wetsvoorstel Invoeringswet Omgevingswet en de Invoeringsregeling Omgevingsregeling het zogenoemde invoeringsspoor van de Omgevingswet. Het invoeringsspoor beoogt een zorgvuldige en soepele overgang van de bestaande regelgeving naar het nieuwe stelsel voor het omgevingsrecht.De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal opmerkingen bij het ontwerpbesluit. Zij adviseert in de toelichting aandacht te schenken aan de rol van de verschillende bestuursorganen in de gedeelde zorg voor de fysieke leefomgeving. De Afdeling maakt verder opmerkingen die zien op een verantwoord moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet. Zij gaat daarbij in het bijzonder in op het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) en de voortgang van de implementatie van het nieuwe stelsel bij bestuursorganen.De Afdeling adviseert de Omgevingswet niet in werking te laten treden voordat de zekerheid is verkregen dat alle gemeenten op het moment van inwerkingtreding op het DSO zijn aangesloten en alle functies die behoren bij de minimale invulling van het DSO goed werken. In het bijzonder adviseert zij om in de aanloop naar de inwerkingtreding van de Omgevingswet per bestuurslaag meer aandacht te schenken aan het vullen van het DSO en de Omgevingswet niet in werking te laten treden voordat die vulling volledig is.Mede vanuit het perspectief van burgers en bedrijven, dient inzichtelijk te worden gemaakt welke doorontwikkeling en uitbouw van het DSO minimaal noodzakelijk worden geacht om de doelstellingen van de Omgevingswet te kunnen behalen. Voorts adviseert zij om inzicht te geven in de termijn waarbinnen die noodzakelijke doorontwikkeling en uitbouw zullen worden gerealiseerd.Verder adviseert de Afdeling de Omgevingswet niet eerder in werking te laten treden dan nadat op grond van de halfjaarrapportages de zekerheid is verkregen dat de betrokken overheden aan alle voor hen gestelde criteria voldoen en klaar zijn om de hun in de Omgevingswet toebedeelde taken uit te voeren.Ten slotte maakt de Afdeling nog twee technische opmerkingen. Zij adviseert in de eerste plaats te voorzien in een overgangsrechtelijke bepaling, die regelt dat toepassing van bestaande ontheffingsmogelijkheden in bestemmingsplannen (en andere ruimtelijke besluiten), die van rechtswege opgaan in het omgevingsplan, ook onder de Omgevingswet een bevoegdheid blijft, waarbij voldaan moet zijn aan de eis dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening (of een evenwichtige toedeling van functies aan locaties).De tweede technische opmerking betreft het advies om in de toelichting te verduidelijken of een uitzondering op het verbod om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten alleen betekent dat geen vergunningplicht vooraf bestaat, of ook dat geen handhaving achteraf kan plaatsvinden van regels in het omgevingsplan.In verband met deze opmerkingen is aanpassing wenselijk van het ontwerpbesluit en de toelichting.1. Het ontwerpbesluit in het wetgevingstraject van de stelselherzieningDe transitie naar het nieuwe stelsel voor het omgevingsrecht gaat in stappen. De vernieuwing, die gericht is op het samenbrengen van de gebiedsgerichte regelgeving van de fysieke leefomgeving, loopt langs drie zogenoemde sporen: het hoofdspoor, het invoeringsspoor en het aanvullingsspoor.Het hoofdspoor wordt gevormd door de Omgevingswet zelf, de vier omgevings-algemene maatregelen van bestuur (amvb’s), en de Omgevingsregeling. Het ontwerpbesluit vormt samen met de Invoeringswet Omgevingswet en Invoeringsregeling Omgevingswet het invoeringsspoor van de Omgevingswet. Met het invoeringsspoor wordt een zorgvuldige en soepele overgang van bestaande regelgeving naar de regelgeving van het nieuwe stelsel beoogd. Het aanvullingsspoor wordt gevormd door vier aanvullingswetten, vier aanvullingsbesluiten en vier aanvullingsregelingen.Het ontwerpbesluit bevat drie hoofdgroepen van regels:• Overgangsrecht. Het gaat in de eerste plaats om algemeen overgangsrecht, in aanvulling op het in de Invoeringswet reeds opgenomen overgangsrecht. Daarnaast wordt de zogenoemde bruidsschat geregeld. De bruidsschat voegt (tijdelijke) regels toe aan omgevingsplannen en waterschapsverordeningen over onderwerpen die nu nog op rijksniveau geregeld worden, maar die onder de Omgevingswet op decentraal niveau moeten worden geregeld. (zie noot 1) Deze (tijdelijke) regels zijn nodig ter voorkoming van een rechtsvacuüm waarbij de oude rijksregels zijn vervallen maar de betrokken onderwerpen op decentraal niveau nog niet zijn geregeld.• Intrekking van 35 amvb’s die opgaan in de Omgevingswet en wijziging van 45 andere amvb’s om deze te laten aansluiten bij de Omgevingswet en de vier omgevings-amvb’s.• Wijziging en aanvulling van de vier omgevings-amvb’s zelf. Daarbij gaat het om onderwerpen die nog niet waren opgenomen omdat de bestaande regelgeving bijvoorbeeld nog wijzigde, of om uitwerkingen van het wetsvoorstel Invoeringswet Omgevingswet en de verwerking van de moties van de parlementaire behandeling van de vier ontwerp-amvb’s.2. Het stelsel in het korta. Doelen en uitgangspuntenHet maatschappelijke doel van het nieuwe stelsel is in de Omgevingswet zelf expliciet vastgelegd. (zie noot 2) Het stelsel is gericht op: "het met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, en in onderlinge samenhang:- bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, en- doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijk behoeften."Het maatschappelijk doel van het nieuwe stelsel kan worden samengevat in het motto van de Omgevingswet: "ruimte voor ontwikkeling, waarborgen voor kwaliteit".De vorm en de inhoud van de stelselherziening van het omgevingsrecht zijn gebaseerd op vier verbeterdoelen. Deze verbeterdoelen zijn sturend voor de gemaakte keuzen voor de verdere uitwerking van het nieuwe stelsel en daarmee ook voor dit besluit.De vier verbeterdoelen zijn:1. het vergroten van de inzichtelijkheid, voorspelbaarheid en gebruikersgemak van het omgevingsrecht;2. het bewerkstelligen van een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving in beleid, besluitvorming en regelgeving;3. het vergroten van de bestuurlijke afwegingsruimte door een actieve en flexibele aanpak mogelijk te maken voor het bereiken van doelen voor de fysieke leefomgeving;4. het versnellen en verbeteren van besluitvorming over projecten in de fysieke leefomgeving.Daarnaast gelden er uitgangspunten voor het nieuwe stelsel. Een belangrijk uitgangspunt is gelijkwaardige bescherming: het niveau van bescherming van gezondheid, veiligheid en omgevingskwaliteit moet gelijkwaardig zijn aan het huidige niveau. Hetzelfde geldt voor het niveau van rechtsbescherming. Een ander belangrijk uitgangspunt is de vergroting van de bestuurlijke afwegingsruimte binnen de doelen van de wet en de overige wettelijke bepalingen. Ten slotte geldt als belangrijk uitgangspunt: decentraal tenzij. Dit houdt in dat de gemeente primair verantwoordelijk is voor de zorg voor de fysieke leefomgeving.b. Instrumentarium en doorwerking van beleidDe zorg van de overheid voor de leefomgeving wordt in het nieuwe stelsel inhoudelijk gekleurd en geconcretiseerd met normen die gericht zijn tot bestuursorganen - omgevingswaarden en instructieregels - en met algemene regels voor burgers en bedrijven.Omgevingswaarden zijn maatstaven die voor de fysieke leefomgeving of een onderdeel daarvan de gewenste staat of kwaliteit, de toelaatbare belasting door activiteiten, de toelaatbare concentratie of depositie van stoffen als beleidsdoel vastleggen. Deze omgevingswaarden kunnen bij omgevingsplan (door de gemeente), omgevingsverordening (door de provincie) of amvb worden vastgesteld. Zonder nadere bepalingen werken omgevingswaarden niet door bij de vaststelling van besluiten zoals omgevingsvisies, omgevingsplannen en omgevingsvergunningen.Om doorwerking te bewerkstelligen zijn er instructieregels (van het Rijk of de provincie) die het bevoegd gezag verplichten een omgevingswaarde op een bepaalde wijze te betrekken bij een besluit. Het Rijk en de provincies kunnen bij amvb respectievelijk omgevingsverordening instructieregels geven over de inhoud, toelichting of motivering van besluiten of over de uitoefening van taken door andere overheden. De instructieregels zijn bindend voor overheden.3. Eerdere adviezen van de AfdelingIn 2012 heeft de Afdeling een voorlichting uitgebracht over de voorgenomen stelselherziening. (zie noot 3) In 2014 is geadviseerd over de Omgevingswet zelf. (zie noot 4) Eind 2017 is één gezamenlijk advies uitgebracht over de Invoeringswet Omgevingswet en de vier omgevings-amvb’s die deel uitmaken van het hoofdspoor. (zie noot 5) In 2017 en 2018 zijn adviezen uitgebracht over de aanvullingswetten Geluid, (zie noot 6) Bodem, (zie noot 7) Natuur, (zie noot 8)en Grondeigendom. (zie noot 9)Vanaf 2017 heeft de Afdeling in haar adviezen geëxpliciteerd hoe zij de toetsing van de regelgeving in de stelselherziening heeft aangepakt. Zij heeft aangegeven de met de Omgevingswet gemaakte keuzes voor het nieuwe stelsel als uitgangspunt te nemen voor de verdere advisering en zich te zullen richten op de vraag of nieuwe regelgeving bijdraagt aan het behalen van de verbeterdoelen van het nieuwe stelsel en consistent is met de uitgangspunten en het instrumentarium van de Omgevingswet. Daarbij heeft de Afdeling zich, gelet op de omvang en voorgeschiedenis van de ter toetsing voorliggende pakketten regelgeving, steeds beperkt tot de hoofdlijnen daarvan.Het nu voorliggende ontwerpbesluit is één van de laatste onderdelen van het wetgevingstraject dat moet leiden tot de invoering van de Omgevingswet. De Omgevingswet zelf en de vier omgevings-amvb’s zijn al in het Staatsblad gepubliceerd. Het ontwerpbesluit bevat ook geen belangrijke beleidsmatige en systeemkeuzes meer. Het gaat vooral om de invoering en om de uitwerking van eerder gemaakte keuzes. Gelet hierop, en ook op de omvang van het voorliggende ontwerp, beperkt de Afdeling zich ook in dit advies wederom tot de hoofdlijnen van het stelsel zoals die nu worden ingevuld en is van een toets op detailniveau afgezien.Tevens wil de Afdeling in lijn met haar eerdere advisering aandacht vragen voor het volgende. Vanaf de start van het lang lopende wetgevingstraject van de Omgevingswet hebben de ontwikkelingen in Nederland niet stilgestaan. Nederland staat waar het betreft de fysieke leefomgeving voor een aantal grote opgaven. De bouwopgave voor de periode 2019-2030 bedraagt bijvoorbeeld jaarlijks naar schatting ruim 95 duizend woningen. (zie noot 10) Daarnaast moet vorm worden gegeven aan de energietransitie. En ook op het gebied van infrastructuur moeten keuzes gemaakt worden. Woningbouw, energievoorziening, infrastructuur en natuurbelangen concurreren met elkaar. De grenzen aan het ruimtegebruik komen al op korte termijn in zicht. (zie noot 11) Er is daarom een steeds nadrukkelijker maatschappelijk debat over de fysieke leefomgeving.De Omgevingswet zal de betrokken bestuurslagen het instrumentarium moeten bieden om in samenwerking en op gecoördineerde wijze te kunnen komen tot een verantwoorde ruimtelijke inpassing van de genoemde opgaven, waarbij oog is voor de onderlinge samenhang en alle betrokken belangen.De Tweede Kamer heeft vanuit dat perspectief in een Algemeen Overleg over het ontwerp van de omgevingsvisie van het Rijk - de zogenoemde Nationale Omgevingsvisie (NOVI) - in november vorig jaar verzocht om in de definitieve NOVI meer richtinggevende keuzes te maken. (zie noot 12) Het kabinet heeft die aanvullende nationale richtinggevende keuzes benoemd en erkend dat dit om meer regie vraagt vanuit het Rijk om richting te geven aan de toekomstige fysieke leefomgeving van Nederland. Daarbij is de insteek van het kabinet dat meer regie vanuit het Rijk niet betekent het centraliseren van taken en verantwoordelijkheden, maar wel het geven van richting op grote opgaven en regie op goed samenspel. Het betekent volgens het kabinet ook kiezen voor samenwerking tussen overheden, anders gezegd: het werken als één overheid vanuit het stelsel van de Omgevingswet. (zie noot 13)De Afdeling vraagt in dit kader aandacht voor het volgende.Artikel 2.1 van de Omgevingswet bevat de kernopdracht voor overheden: de taken en bevoegdheden worden uitgevoerd met oog voor de onderlinge samenhang van de relevante onderdelen of aspecten van de fysieke leefomgeving en van de daarbij betrokken belangen. Artikel 2.2 verplicht bestuursorganen in algemene zin tot onderlinge afstemming en brengt tot uitdrukking dat zij hun taken en bevoegdheden ook gezamenlijk kunnen uitoefenen. Artikel 2.3 bevat het subsidiariteitsbeginsel "decentraal, tenzij". Het samenstel van deze artikelen brengt aldus de integrale en gezamenlijke verantwoordelijkheid van alle overheden in abstracto tot uitdrukking en vormt daarmee de basis voor de bestuurlijke verhoudingen.In het advies over de Invoeringswet Omgevingswet en de bijbehorende omgevings-amvb’s constateerde de Afdeling echter al dat het samenstel van deze artikelen voor de bestuurlijke praktijk weinig houvast biedt. Het is de vraag of altijd voldoende duidelijkheid zal bestaan over ieders rol in de gedeelde zorg voor de fysieke leefomgeving. Duidelijke afspraken hierover zullen cruciaal zijn om interbestuurlijke fricties te voorkomen. De totstandkoming van solide bestuurlijke afspraken - en de nakoming daarvan - verdient daarom de aandacht van alle betrokken overheden, zowel in de komende jaren waarin het stelsel verder wordt voorbereid als in de periode na de inwerkingtreding ervan, zo merkte de Afdeling in dat advies op.De Afdeling begrijpt dat in dit stadium van de stelselherziening niet meer wordt afgeweken van de fundamentele keuzes die bij het ontwerpen van dat stelsel zijn gemaakt. Dat laat evenwel onverlet dat het geconstateerde gebrek aan houvast voor de bestuurlijke praktijk een punt van aanhoudende zorg is, zeker met het oog op de genoemde grote maatschappelijke opgaven Juist daar waar het belangrijk is dat overheden samenwerken als één overheid is een dergelijke houvast essentieel. Gelet op de hiervoor geschetste uitdagingen is het de vraag of de Omgevingswet voldoende houvast biedt. Het is daarom cruciaal dat die houvast op andere wijze, aansluitend op de afstemmings- en samenwerkingsbepalingen van de Omgevingswet wordt geboden.De Afdeling adviseert daaraan in de toelichting aandacht te schenken.4. Invoeringsrisico’sIn haar advies van 2017 over de Invoeringswet en de vier omgevings-amvb’s heeft de Afdeling uitdrukkelijk aandacht gevraagd voor de risico’s die met de invoering van het nieuwe stelsel gepaard gaan. De Afdeling heeft er onder meer op gewezen dat de invoering van het nieuwe stelsel aanzienlijke lasten meebrengt voor in het bijzonder de gemeenten, zowel door de overgang naar een nieuw stelsel - met DSO - als door de extra vrijheid en verantwoordelijkheden die gemeenten krijgen. Grote gemeentelijke bestuurskracht en een sterk ambtelijk apparaat zijn vereist. De Afdeling heeft het belang van invoeringsbegeleiding voor gemeenten en de totstandkoming van solide bestuurlijke afspraken benadrukt.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wet betaald ouderschapsverlof.
Bij Kabinetsmissive van 14 juli 2020, no.2020001396, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Wet arbeid en zorg, de Wet flexibel werken en enige andere wetten in verband met de implementatie van Richtlijn (EU) 2019/1158 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende het evenwicht tussen werk en privéleven voor ouders en mantelzorgers en tot intrekking van Richtlijn 2010/18/EU van de Raad (PbEU 2019, L 188) (Wet betaald ouderschapsverlof), met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van de Wet kinderopvang in verband met het opnemen van regels voor ouderparticipatiecrèches.
Bij Kabinetsmissive van 19 mei 2020, no.2020001010, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Wet kinderopvang in verband met het opnemen van regels voor ouderparticipatiecrèches, met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Invoerings- en aanpassingswet WVO 20xx.
Bij Kabinetsmissive van 31 maart 2020, no. 2020000660, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van Wet tot wijziging van de Wet voortgezet onderwijs 20xx en diverse andere wetten in verband met het opnemen van invoeringsrecht in en het overbrengen van overgangsrecht naar de Wet voortgezet onderwijs 20xx en wegens aanpassing van verwijzingen in andere wetten (Invoerings- en aanpassingswet WVO 20xx), met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wet harmonisatie kinderopvang en peuterspeelzaalwerk.
Voorstel van wet tot wijziging van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen en enkele andere wetten in verband met de harmonisatie van de regelgeving met betrekking tot kindercentra en peuterspeelzalen (Wet harmonisatie kinderopvang en peuterspeelzaalwerk), met memorie van toelichting.Bij Kabinetsmissive van 2 juni 2016, no.2016000955, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen en enkele andere wetten in verband met de harmonisatie van de regelgeving met betrekking tot kindercentra en peuterspeelzalen (Wet harmonisatie kinderopvang en peuterspeelzaalwerk), met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Voorstel van wet houdende nieuwe bepalingen met betrekking tot de medezeggenschap van cliënten in zorginstellingen, met memorie van toelichting.
Voorstel van wet houdende nieuwe bepalingen met betrekking tot de medezeggenschap van cliënten in zorginstellingen, met memorie van toelichting.Bij Kabinetsmissive van 28 maart 2017, no.2017000545, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, mede namens de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet houdende nieuwe bepalingen met betrekking tot de medezeggenschap van cliënten in zorginstellingen, met memorie van toelichting.Het wetsvoorstel beoogt verbeteringen aan te brengen in het stelsel van medezeggenschap in zorginstellingen, zoals dat is neergelegd in de huidige Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (Wmcz). Het wetsvoorstel beoogt de positie van cliëntenraden te verstevigen ten opzichte van zorginstellingen, en tegelijkertijd tegemoet te komen aan de wens van instellingsbesturen en cliëntenorganisaties tot grotere ruimte voor maatwerk.De Afdeling advisering van de Raad van State heeft opmerkingen over het voorstel die van dien aard zijn dat zij adviseert het voorstel niet aan de Tweede Kamer te zenden dan nadat daarmee rekening is gehouden. De Afdeling merkt op dat niet valt in te zien dat de gekozen benadering om de formele bevoegdheden van cliëntenraden uit te breiden en aan te scherpen werkelijk zal bijdragen aan het bereiken van effectieve medezeggenschap in zorginstellingen als niet eerst bestaande knelpunten in de uitoefening van medezeggenschap worden weggenomen en een feitelijke cultuurverandering binnen instellingen tot stand is gebracht. Zonder dat zal het voorstel een effectieve medezeggenschap en samenwerking tussen het bestuur en de cliëntenraad eerder in de weg staan dan bevorderen. Daarnaast merkt de Afdeling op dat de wijze waarop het voorstel voor alle vormen van zorg en categorieën van instellingen vrijwel uniforme medezeggenschapsrechten formuleert, miskent dat effectieve medezeggenschap gebaat is bij variëteit en differentiatie. Relevante verschillen tussen instellingen, vormen van zorg en zorgrelaties, dienen dan ook beter tot uitdrukking te worden gebracht in de vormgeving van medezeggenschapsregels.1. InleidingHet wetsvoorstel beoogt de positie van cliëntenraden te verstevigen ten opzichte van zorginstellingen door onder meer:- het aantal onderwerpen waarover in de medezeggenschapsregeling regels moeten worden gesteld uit te breiden;- het verzwaard adviesrecht te vervangen door een instemmingsrecht met een zwaarder toetsingscriterium indien de instelling ondanks het ontbreken van instemming een besluit wil nemen;- instellingen te verplichten om cliëntenraden de noodzakelijke voorzieningen en financiële middelen ter beschikking te stellen;- het regelen van toezicht door de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ);- het verplichten van het openbaar maken van vacatures voor de cliëntenraad;- cliëntenraden een enquêterecht te geven; en- de voorwaarde om tijdig advies of instemming te vragen aan te scherpen.Naast de versterking van de positie van cliëntenraden door voornoemde regels en bevoegdheden wordt de reikwijdte van de medezeggenschapsregels aangepast. Het voorstel regelt dat de verplichting tot het instellen van een cliëntenraad in beginsel geldt voor alle instellingen die zorg verlenen en die vallen onder de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz). Deze wet hanteert een ruime definitie van zowel het begrip "zorg" als het begrip "instelling". De reikwijdte van de verplichting om een cliëntenraad in te stellen is dan ook ruimer dan in de huidige Wmcz die zich bijvoorbeeld niet tot privaat gefinancierde aanbieders uitstrekt. (zie noot 1)Bij het verstevigen van de positie van cliëntenraden is volgens de toelichting maatwerk van belang omdat er niet één ‘best practice’ is voor het vormgeven van medezeggenschap in zorginstellingen. (zie noot 2) Volgens de toelichting wordt voorzien in meer ruimte voor maatwerk door gelaagdheid in medezeggenschap aan te brengen. In het voorstel is dit uitgewerkt door:- de instelling van een cliëntenraad niet langer voor elke instelling te verplichten, maar alleen voor de instelling die in de regel door meer dan tien personen zorg doet verlenen;- voor grotere instellingen waarin cliënten langdurig verblijven de verplichting op te nemen om verschillende cliëntenraden in te stellen;- de mogelijkheid op te nemen dat kleine instellingen vrijwillig een cliëntenraad instellen;- inspraakrechten toe te kennen aan cliënten in instellingen waarin cliënten in de regel langer dan een half jaar verblijven;- specifieke verplichtingen op te nemen voor instellingen waarin cliënten langer dan een half jaar verblijven. (zie noot 3)2. Nut en noodzaak uitbreiding formele bevoegdheden cliëntenradenDe positie van cliëntenraden wordt versterkt omdat de invloed van cliëntenraden op sommige onderdelen te beperkt geacht wordt en omdat adequate medezeggenschap soms belemmerd wordt door het gebrek aan financiële middelen en specifieke deskundigheid. (zie noot 4) Onderkend wordt daarbij dat het versterken van de positie van cliëntenraden nog niet betekent dat de medezeggenschap in zorginstellingen ook werkelijk effectief is. De toelichting zet uiteen - aan de hand van een rapport van het Instituut Beleid & Management Gezondheidszorg (iBMG) - dat het opnemen van een wettelijke verplichting tot het hebben van een vertegenwoordigend orgaan van cliënten wel een noodzakelijke, maar geen voldoende voorwaarde vormt voor effectieve medezeggenschap. (zie noot 5) De toelichting benoemt tevens het belang van een cultuurverandering binnen zorgorganisaties zodat ruimte ontstaat voor inbreng en kritische tegenspraak van onder meer de cliënt en wijst op een aantal initiatieven in de praktijk om tot die cultuurverbetering te komen. Het versterken van de wettelijke positie door de uitbreiding en aanscherping van (formele) bevoegdheden van cliëntenraden vormt derhalve geen doel op zich, maar dient om effectieve (materiële) medezeggenschap in zorginstellingen te bewerkstelligen.In het licht hiervan wijst de Afdeling erop dat er ondanks bestaande bevoegdheden van cliëntenraden momenteel niet overal sprake is van effectieve medezeggenschap in zorginstellingen die reeds verplicht zijn formele medezeggenschap te regelen door cliëntenraden in te stellen. In de praktijk komt in een aantal sectoren de uitvoering van de huidige Wmcz niet of minder goed van de grond. Volgens de toelichting is in 30% van de instellingen waar een cliëntenraad zou moeten worden ingesteld, deze (nog) niet ingesteld. (zie noot 6) Een individuele en vaak kortdurende relatie tussen cliënt en zorgverlener, de soms langjarige ervaring met andere vormen van medezeggenschap, gebrek aan belangstelling van cliënten en het feit dat een sector niet raakt aan de directe levenssfeer van cliënten zijn factoren die hierop van invloed zijn. (zie noot 7)Ook indien zorginstellingen wel cliëntenraden hebben ingesteld, worden deze in de praktijk nogal eens belemmerd in hun functioneren. Uit onderzoek blijkt dat het functioneren van cliëntenraden, meer dan van het bestaan van formele bevoegdheden, afhankelijk is van de cultuur in de instelling. (zie noot 8) Cliëntenraden zien hun formele bevoegdheden vooral als ‘stok achter de deur’ en maken mede vanwege de cultuur in de instelling vaak weinig gebruik van hun bevoegdheden. (zie noot 9) Overleg van de cliëntenraad met het bestuur is vaak vrij formeel. (zie noot 10) Het gebruik maken van formele bevoegdheden vergroot het gevaar van juridisering en stelt tevens hoge eisen aan de professionaliteit van cliëntenraadsleden. Daardoor zijn deze leden vaak lastig te vinden onder cliënten en is de representativiteit van cliëntenraden vaak beperkt. (zie noot 11) Mede uit onvrede over de formele medezeggenschap zijn informele vormen van medezeggenschap ontstaan waarbij cliënten op andere manieren dan via de cliëntenraad invloed uitoefenen op het beleid in zorginstellingen. (zie noot 12) Cliënten worden dan betrokken via bijvoorbeeld enquêtes, evaluaties van geleverde zorg en cliëntenpanels.Hoewel in de toelichting wordt onderkend dat het wettelijk versterken van de positie van cliëntenraden niet automatisch leidt tot effectieve medezeggenschap (zie noot 13) legt het voorstel zelf eenzijdig de nadruk op het uitbreiden en aanscherpen van wettelijke bevoegdheden van cliëntenraden. Nu in de praktijk is gebleken dat effectieve medezeggenschap met de huidige bevoegdheden op veel plaatsen moeizaam van de grond komt en functioneert, valt niet in te zien dat uitbreiding van die bevoegdheden het passende antwoord is om, daar waar de medezeggenschap gebrekkig functioneert, deze effectief te maken.Het al dan niet bestaan van formele bevoegdheden als zodanig is immers niet doorslaggevend voor de vraag of effectieve medezeggenschap ontstaat. Dit knelt temeer nu in het voorstel de reikwijdte van de medezeggenschapsregels wordt vergroot (zie onder punt 3).Bij het voorgaande speelt een rol dat de invloed van cliëntenraden in de praktijk vaak beperkt is en dat in veel instellingen een cultuurverandering noodzakelijk is, wil medezeggenschap effectief kunnen functioneren. De toelichting vermeldt een aantal initiatieven vanuit de zorgbrede governance code die zijn of worden ondernomen om aan die cultuurverandering bij te dragen. (zie noot 14) Deze min of meer formele maatregelen als zodanig brengen nog geen cultuurverandering tot stand. Daar is meer voor nodig. De toelichting besteedt hieraan nauwelijks aandacht terwijl in het tot stand brengen van een cultuurverandering een wezenlijker bijdrage ligt opgesloten dan in de aanscherping en uitbreiding van wettelijke bevoegdheden.De Afdeling merkt bovendien op dat het voorstel het risico meebrengt dat een effectieve medezeggenschap en samenwerking tussen het bestuur en de cliëntenraad, alsmede de beoogde cultuurveranderingen, frustreert, zelfs in instellingen waarin de medezeggenschap thans naar tevredenheid functioneert.Zij wijst in dit verband op het volgende. De uitbreiding en aanscherping van bevoegdheden zoals het toekennen van het enquêterecht en het vervangen van het verzwaard adviesrecht door een instemmingsrecht met een zwaarder toetsingscriterium leiden ertoe dat hogere professionele eisen aan cliëntenraden worden gesteld. De zoektocht naar geschikte cliënten om te participeren in deze raden zal daardoor lastiger worden en het knelpunt van representativiteit zal zich wellicht nog sterker doen gevoelen. Eveneens vergroot de versterking van de formele positie van de cliëntenraad het risico dat in het overleg tussen bestuurders en cliëntenraden partijen sneller tegenover elkaar komen te staan. Daar waar cliëntenraden wel gebruik (gaan) maken van hun formele rechten kunnen bevoegdheden als het enquêterecht en de instemmingsrechten met een verzwaard toetsingscriterium er immers gemakkelijk voor zorgen dat het overleg en de samenwerking tussen het bestuur van een instelling en een cliëntenraad formaliseert en juridiseert.In het licht van het vorenstaande komt de Afdeling tot de conclusie dat niet duidelijk is in hoeverre de gekozen benadering om de formele bevoegdheden van cliëntenraden uit te breiden en aan te scherpen werkelijk zal bijdragen aan het bereiken van effectieve medezeggenschap in zorginstellingen. Daarenboven wijst zij op het risico dat het voorstel een effectieve medezeggenschap en samenwerking tussen het bestuur en de cliëntenraad, alsmede de beoogde cultuurveranderingen, frustreert.De Afdeling adviseert in het licht hiervan vooralsnog in te zetten op het wegnemen van bestaande knelpunten in het functioneren van cliëntenraden. Zij adviseert af te zien van de uitbreiding en aanscherping van bevoegdheden van cliëntenraden zolang de cultuur binnen instellingen op teveel plekken nog in de weg staat aan een effectieve uitoefening daarvan. 3. Reikwijdte en differentiatie medezeggenschapsregelsMet het voorstel wordt de reikwijdte van de medezeggenschapsregels aangepast. Door de aansluiting bij de Wkkgz, krijgen deze regels een ruimere reikwijdte en gaan zij over de volle breedte van de zorg gelden. In de toelichting wordt ingegaan op het eerdere wetsvoorstel voor de Wet cliëntenrechten zorg (Wcz), (zie noot 15) waarin de reikwijdte was beperkt tot zorgaanbieders die zorg boden als bedoeld in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) en tot zorgaanbieders die buiten het terrein van de care zorg met verblijf boden. Een en ander ongeacht de wijze van bekostiging, privaat of publiek. (zie noot 16) In het huidige voorstel is de koppeling aan verblijf weer losgelaten en wordt zorg met verblijf onder de reikwijdte van de medezeggenschap gebracht, omdat veel partijen hebben gesteld dat ook bij bijvoorbeeld gezondheidscentra behoefte bestaat aan medezeggenschap. (zie noot 17)De Afdeling begrijpt de wens om effectieve inspraak en medezeggenschap van cliënten over de gehele breedte van de zorg van de grond te krijgen. In instellingen dient naast aandacht en ruimte voor de wensen en behoeften van de individuele cliënt in de individuele behandelrelatie ook plaats te zijn voor collectieve medezeggenschap. De Afdeling maakt daarbij evenwel opmerkingen over de noodzaak van een gedifferentieerde invulling van medezeggenschap en, mede gelet op de decentralisatie van zorgtaken, op de wijze waarop het voorstel de reikwijdte van de medezeggenschapsregels bepaalt.a. Differentiatie medezeggenschapsregels naar aard zorgrelatieOnderzoek naar medezeggenschap in de zorgpraktijk wijst erop dat vanwege de grote verschillen in relaties tussen cliënt en zorginstelling de collectieve medezeggenschap gebaat is bij ruimte voor een gevarieerde invulling. Afhankelijk van de vorm van verleende zorg en de categorie instelling kunnen in de praktijk vormen van zowel formele en informele medezeggenschap een belangrijke rol spelen. (zie noot 18) Dat impliceert dat bij het vormgeven van medezeggenschap nagedacht moet worden over de vraag op welke wijze collectieve medezeggenschap (formeel en informeel) toegevoegde waarde heeft voor een bepaalde categorie van zorg of type instelling. Tal van factoren spelen daarbij een rol: is sprake van eerste- of tweedelijnszorg, een kort of langer behandeltraject, intra- of extramurale zorg, curatieve zorg of langdurige zorg, grote of kleinere zorginstelling, het bestaan van korte of lange lijnen tussen behandelaar en cliënt etc. Zo blijken bijvoorbeeld cliënten in de langdurige zorg met name geïnteresseerd in de invloed op de directe leefomgeving en kwaliteit van leven, terwijl in de curatieve zorg vooral de kwaliteit van zorg van belang geacht wordt. (zie noot 19) Uit de analyse in het rapport van iBMG komt naar voren dat het van belang is dat ‘wetgeving niet teveel dichttimmert en inzet op vormvereisten.’ (zie noot 20) Verdere formalisering moet - mede gelet op de variëteit van medezeggenschap in zorginstellingen - dan ook worden vermeden, omdat daardoor het cliëntenperspectief juist naar de achtergrond zou verdwijnen. (zie noot 21)De toelichting onderkent dat er niet één ‘best practice’ is voor het vormgeven van medezeggenschap in zorginstellingen (zie noot 22) en dat een verschil in relaties tussen instelling en cliënt gevolgen moet hebben voor de (formele) medezeggenschap. (zie noot 23) Toch kiest het voorstel er niet voor om concrete vormen van zorg of categorieën van instellingen aan te wijzen waarvoor de regels inzake medezeggenschap minder geschikt zijn en derhalve niet of niet in volle omvang gelden. Daarbij leidt het voorstel er tevens toe dat, zoals hiervoor reeds aan de orde is gesteld, de medezeggenschapsregels door de aansluiting bij de Wkkgz een ruimere reikwijdte krijgen en over de volle breedte van de zorg gaan gelden. De enige afbakening van de reikwijdte is dat de medezeggenschapsregels niet verplicht van kracht zijn voor instellingen waar minder dan elf personen zorg verlenen. Ook wordt maar beperkt differentiatie aangebracht in de wijze waarop medezeggenschap geregeld wordt voor verschillende vormen van zorg of categorieën van instellingen. Slechts de duur van het verblijf in een instelling wordt door het voorstel erkend als een factor die van belang is voor het formuleren van specifieke medezeggenschapsrechten. (zie noot 24) Hiermee wordt de formele medezeggenschap over de volle breedte van de zorg versterkt ongeacht de aard van de zorgrelatie, de vorm van verleende zorg en de categorie zorginstelling. Dat brengt onder meer met zich dat iedere cliëntenraad, ook die van een kleinere instelling, beschikt over ingrijpende bevoegdheden als een enquêterecht en instemmingsrechten met een strikt toetsingscriterium. Gegeven de hiervoor genoemde verschillen tussen instellingen, vormen van zorg en variaties in de relatie tussen zorginstelling en cliënt, is de gekozen benadering om formele bevoegdheden van cliëntenraden uit te breiden en aan te scherpen zonder daarbij voldoende rekening te houden met die verschillen, te grofmazig.In het licht van het vorenstaande adviseert de Afdeling de gemaakte keuze om de voorgestelde medezeggenschapsregels vrijwel ongedifferentieerd van toepassing te verklaren op alle vormen van zorg en categorieën van instellingen nader te overwegen. Zij adviseert om de voor de vormgeving van (effectieve) medezeggenschap relevante verschillen tussen instellingen, vormen van zorg en zorgrelaties, beter tot uitdrukking te brengen in het voorstel.b. Reikwijdte voorstelUit de artikelsgewijze toelichting blijkt dat het niet de bedoeling is, dat het voorstel zich ook uitstrekt tot aanbieders van zorg op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Deze keuze is op zichzelf begrijpelijk nu de Wmo 2015 een eigen stelsel van medezeggenschap kent. (zie noot 25)Door bij de afbakening van de reikwijdte van het voorliggende voorstel aansluiting te zoeken bij de Wkkgz wordt dit echter niet bereikt, nu de regels van het voorstel onder omstandigheden ook van toepassing zullen zijn op zorgaanbieders in de Wmo 2015. (zie noot 26)Voorts wijst de Afdeling erop, dat zorgverleners die niet alleen zorg verlenen in het kader van de Wmo 2015, maar ook bijvoorbeeld in het kader van de Jeugdwet, zowel met de medezeggenschapsregels in het kader van de Wmo 2015 als met de regels op grond van het voorstel te maken krijgen. Om bovengenoemde redenen is de afbakening niet geschikt om te bewerkstelligen dat een zorgverlener slechts met één stelsel van medezeggenschap te maken krijgt.Onverminderd hetgeen hiervoor onder a is opgemerkt over de noodzaak van differentiatie van medezeggenschapsrechten, is de Afdeling van oordeel dat een nauwkeurige afbakening in het voorstel is vereist. Daarin voorziet het voorstel niet. Zij adviseert het voorstel op dit punt aan te passen.4. HandhavingIn de huidige Wmcz is het aan de betrokken partijen, zorginstellingen en cliënten, om ervoor te zorgen dat een cliëntenraad wordt ingesteld en dat deze overeenkomstig de bepalingen van de Wmcz functioneert. In voorkomend geval kan een cliënt via de kantonrechter instelling van een cliëntenraad afdwingen. Uit de toelichting blijkt dat dit in de praktijk zelden gebeurt, omdat de drempel voor het starten van een dergelijke procedure voor menig cliënt te hoog is. (zie noot 27) Daarom wordt voorgesteld de gang naar de kantonrechter te vervangen door publiek toezicht door de IGZ, die sneller en daadkrachtiger kan optreden. De toelichting vermeldt dat indien de IGZ constateert dat bij een instelling in strijd met de wet geen cliëntenraad actief is, zij hierover met de instelling het gesprek kan aangaan en in het uiterste geval handhavend kan ingrijpen door middel van een last onder bestuursdwang of dwangsom.De Afdeling begrijpt de voorgestelde benadering, maar wijst erop dat het niet instellen van een cliëntenraad niet alleen het gevolg kan zijn van onvoldoende inspanning van de zorginstelling, maar kan ook het gevolg zijn van het feit dat er onvoldoende interesse of behoefte aan participatie door cliënten. Met dit aspect zou bij de handhaving door de IGZ naar het oordeel van de Afdeling rekening gehouden moeten worden. Handhavend optreden door de IGZ ligt niet voor de hand indien door de zorginstelling voldoende inspanningen zijn gepleegd om een cliëntenraad in te stellen.De Afdeling adviseert in de toelichting nader in te gaan op het vorenstaande en de rol van de IGZ in dezen te verduidelijken.5. De Afdeling verwijst naar de bij dit advies behorende redactionele bijlage.De Afdeling advisering van de Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet niet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal dan nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.De vice-president van de Raad van State
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van het Besluit diergezondheidsheffing in verband met de vaststelling van de tarieven voor 2021.
Bij Kabinetsmissive van 15 juli 2020, no.2020001521, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit diergezondheidsheffing in verband met de vaststelling van de tarieven voor 2021, met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken.
Bij Kabinetsmissive van 17 juni 2020, no.2020001202, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Justitie en Veiligheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken, met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Voorlichting over de zelfgecreëerde zeggenschap van de Tweede Kamer en het uitsluiten daarbij van de Eerste Kamer, vanuit wetstechnisch en staatsrechtelijk oogpunt.
Bij brief van de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal van 13 oktober 2020 heeft de Eerste Kamer op de voet van artikel 21a, eerste lid, van de Wet op de Raad van State aan de Afdeling advisering van de Raad van State gevraagd hem van voorlichting te dienen over de zelfgecreëerde zeggenschap van de Tweede Kamer en het uitsluiten daarbij van een deel van het parlement, te weten de Eerste Kamer, vanuit wetstechnisch en staatsrechtelijk oogpunt.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van het Besluit ex artikel 85 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek, het Besluit ex artikel 110 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek en het Besluit ex artikel 983 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek.
Bij Kabinetsmissive van 10 juni 2020, no.2020001161, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Rechtsbescherming, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit ex artikel 85 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek, het Besluit ex artikel 110 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek en het Besluit ex artikel 983 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek, met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Verlenging tijdelijk besluit afwijkende examinering mbo voor keuzedelen vanwege covid-19.
Bij Kabinetsmissive van 28 september 2020, no.2020002007, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Examen- en kwalificatiebesluit beroepsopleidingen WEB vanwege een afwijkende examinering voor de keuzedelen in verband met de uitbraak van COVID-19 voor mbo-studenten die voor 1 augustus 2021 hun diploma behalen, met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van de bijlage bij het Uitvoeringbesluit Ambtenarenwet 2017 in verband met de toevoeging en wijziging van eed- en belofteformulieren en herstel van een omissie.
Bij Kabinetsmissive van 10 september 2020, no.2020001847, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van de bijlage bij het Uitvoeringbesluit Ambtenarenwet 2017 in verband met de toevoeging en wijziging van eed- en belofteformulieren en herstel van een omissie, met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Besluit vaststelling decentralisatie-en integratie- uitkeringen 2017.
Bij Kabinetsmissive van 13 juli 2020, no.2020001420, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, mede namens de Staatssecretaris van Financiën, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende vaststelling van de decentralisatie- en integratie-uitkeringen aan de gemeenten en provincies voor het uitkeringsjaar 2017 alsmede wijziging van het Besluit vaststelling decentralisatie- en integratie-uitkeringen 2015 en het Besluit vaststelling decentralisatie- en integratie-uitkeringen 2016 (Besluit vaststelling decentralisatie-en integratie-uitkeringen 2017), met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 ter bestendiging van de bevoegdheid om biometrische gegevens van vreemdelingen af te nemen en te verwerken.
Bij Kabinetsmissive van 10 juni 2020, no.2020001167, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 ter bestendiging van de bevoegdheid om biometrische kenmerken van vreemdelingen af te nemen en te verwerken, met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van een aantal onderwijswetten (vereenvoudiging bekostiging primair onderwijs).
Bij Kabinetsmissive van 15 juli 2020, no.2020001525, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van onder meer de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra, de Wet primair onderwijs BES, de Wet op het voortgezet onderwijs en enkele andere wetten vanwege de vereenvoudiging van de bekostiging van de scholen voor primair onderwijs en samenwerkingsverbanden (vereenvoudiging bekostiging po), met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wet bestuurlijke harmonisatie beroepsonderwijs.
Bij Kabinetsmissive van 15 juli 2020, no.2020001526, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, mede namens de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs en de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met een vereenvoudiging van de bestuurlijke inrichting van het stelsel voor beroepsonderwijs door omvorming van het aoc tot verticale scholengemeenschap en een andere invulling van bevoegd gezag (Wet bestuurlijke harmonisatie beroepsonderwijs), met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Loodsplichtbesluit 2021.
Bij Kabinetsmissive van 1 april 2020, no.2020000670, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende regels in verband met verdere flexibilisering van de loodsplicht (Loodsplichtbesluit 2021), met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van de Tijdelijke wet Groningen in verband met de versterking van gebouwen in de provincie Groningen.
Bij Kabinetsmissive van 24 februari 2020, no.2020000415, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Economische Zaken en Klimaat, mede namens de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Tijdelijke wet Groningen in verband met de versterking van gebouwen in de provincie Groningen, met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van het Besluit kinderopvangtoeslag in verband met de indexatie van de toetsingsinkomens en de maximum uurprijzen voor de dagopvang, buitenschoolse opvang en gastouderopvang 2021.
Bij Kabinetsmissive van 9 juli 2020, no.2020001378, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, mede namens de Staatssecretaris van Financiën, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit kinderopvangtoeslag in verband met de indexatie van de toetsingsinkomens en de maximum uurprijzen voor de dagopvang, buitenschoolse opvang en gastouderopvang 2021, met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van de Wet natuurbescherming en de Omgevingswet (stikstofreductie en natuurverbetering).
Bij Kabinetsmissive van 15 juli 2020, no.2020001516, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Wet natuurbescherming en de Omgevingswet (stikstofreductie en natuurverbetering), met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Voorstel van wet van het lid Nijboer (Wet maximering huurprijsverhogingen geliberaliseerde huurovereenkomsten).
Bij brief van de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 12 juni 2020 heeft de Tweede Kamer, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet van het lid Nijboer tot wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte (Wet maximering huurprijsverhogingen geliberaliseerde huurovereenkomsten), met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van de Wet op het financieel toezicht in verband met de invoering van een verbod op dienstverrichting door derdelandverzekeraars.
Bij Kabinetsmissive van 17 juli 2020, no.2020001544, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Financiën, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht in verband met de invoering van een verbod op dienstverrichting door derdelandverzekeraars, met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van de Wet kinderopvang.
Bij Kabinetsmissive van 10 april 2020, no.2020000745, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Wet kinderopvang in verband met enkele wijzigingen met betrekking tot het recht op kinderopvangtoeslag, met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Besluit regeling voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid.
Bij Kabinetsmissive van 10 april 2020, no.2020000752, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Milieu en Wonen, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende enkele regels betreffende een regeling voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid voor het beheer van afvalstoffen (Besluit Regeling voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid), met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Voorstel van wet van het lid Snels (Spoedwet conditionele eindafrekening dividendbelasting).
Bij brief van de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 10 juli 2020 heeft de Tweede kamer, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet van het lid Snels tot wijziging van de Wet op de dividendbelasting 1965 en enige andere belastingwetten in verband met de invoering van een conditionele eindafrekening (Spoedwet conditionele eindafrekening dividendbelasting), met memorie van toelichting.Het voorstel voorziet in de invoering van een zogenoemde conditionele eindafrekening (exit-heffing) in de Wet op de dividendbelasting 1965 (Wet DB 1965). Die houdt in dat heffing van dividendbelasting zeker wordt gesteld als (latente) winstreserves als gevolg van een grensoverschrijdende reorganisatie overgaan naar een andere (kwalificerende) staat. Het voorstel betekent een ingrijpende stelselwijziging van de Wet DB 1965. Bij de dividendbelasting worden namelijk winstuitkeringen op het moment van uitkering bij de aandeelhouders belast. In het voorstel wordt echter de - niet-uitgekeerde - winst bij de vennootschap belast.De Afdeling advisering van de Raad van State is zich bewust van het maatschappelijke en politieke debat over de belastingheffing van multinationals. Het staat de wetgever natuurlijk vrij de wetgeving terzake te wijzigen, maar ook dan moet wetgeving wel voldoen aan beginselen zoals zorgvuldigheid en rechtszekerheid, en mag deze niet in strijd zijn met hogere regels als verdragen of het Unierecht. De Afdeling komt tot de conclusie dat de ingrijpende stelselwijziging van de dividendbelasting die de initiatiefnemer voorstelt hieraan niet voldoet. De kans dat het voorstel juridisch niet houdbaar zal blijken te zijn is zodanig aanzienlijk dat zij invoering van deze exit-heffing niet verantwoord acht.In het voorstel is bepaald dat de exit-heffing met terugwerkende kracht vanaf 10 juli 2020 van toepassing is. Dit betekent dat grensoverschrijdende reorganisaties die op dat moment al in beweging zijn gezet, door het voorstel worden geraakt. Ook als die zetelverplaatsing niet is ingegeven door de wens om belasting te ontgaan, maar uit zakelijke plaatsvindt. De Afdeling acht het niet gerechtvaardigd dat zulke reorganisaties met een zakelijk karakter, waarbij dus geen sprake is van het ontgaan van dividendbelasting, ook door de terugwerkende kracht van de regeling worden getroffen.In verband hiermee kan over het initiatiefwetsvoorstel niet positief worden geadviseerd.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van de Auteurswet en de Wet op de naburige rechten in verband met de implementatie van de Richtlijn (EU) 2019/789 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019.
Bij Kabinetsmissive van 17 juni 2020, no.2020001203, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Rechtsbescherming, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Auteurswet en de Wet op de naburige rechten in verband met de implementatie van de Richtlijn (EU) 2019/789 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 tot vaststelling van voorschriften inzake de uitoefening van auteursrechten en naburige rechten die van toepassing zijn op bepaalde online-uitzendingen van omroeporganisaties en doorgifte van televisie- en radioprogramma’s en tot wijziging van Richtlijn 93/83/EEG van de Raad (Implementatiewet Richtlijn online omroepdiensten), met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van de Verzamelwet Brexit.
Bij Kabinetsmissive van 18 september 2020, no.2020001921, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Buitenlandse Zaken, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Verzamelwet Brexit in verband met aanpassing van de termijn waarbinnen regelgevende bevoegdheden ten behoeve van overgangssituaties gelden alsmede wijziging van enkele andere wetten in verband met de Brexit, met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Nota van wijziging op het voorstel van wet van het lid Snels (Spoedwet conditionele eindafrekening dividendbelasting).
Bij brief van de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 21 september 2020 heeft de Tweede Kamer, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt de nota van wijziging van het voorstel van wet van het lid Snels tot wijziging van de Wet op de dividendbelasting 1965 en enkele andere belastingwetten in verband met de invoering van een conditionele eindafrekening bij grensoverschrijdende zetelverplaatsing, fusie en splitsing (Spoedwet conditionele eindafrekening dividendbelasting), met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Onteigening in de gemeente Emmen (onteigeningsplan Reconstructie N391 aansluiting Emmerweg (Emmerschans)).
Krachtens Koninklijke machtiging heeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties met een schrijven van 9 juni 2020, no.RWS-2020/32438, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt een voordracht met ontwerpbesluit tot aanwijzing van onroerende zaken ter onteigening in de gemeente Emmen krachtens artikel 78 van de onteigeningswet (onteigeningsplan Reconstructie N391 aansluiting Emmerweg (Emmerschans)).
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Onteigening voor de uitvoering van de uitvoering van het inpassingsplan N831 Velddriel - Alemse Stoep in de gemeente Maasdriel.
Krachtens Koninklijke machtiging heeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties met een schrijven van 28 mei 2020, no.RWS-2020/31112, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt een voordracht met ontwerpbesluit tot aanwijzing van onroerende zaken ter onteigening in de gemeente Maasdriel krachtens artikel 78 van de onteigeningswet (onteigeningsplan N831 Velddriel - Alemse Stoep).
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van het Besluit experimenten flexibel hoger onderwijs, houdende de uitbreiding van de experimenten leeruitkomsten en flexstuderen.
Bij Kabinetsmissive van 13 juli 2020, no.2020001395, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit experimenten flexibel hoger onderwijs, houdende de uitbreiding van de experimenten leeruitkomsten en flexstuderen, met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Onteigening in de gemeente Barendrecht (onteigeningsplan Zuidpolder fase 2.1).
Krachtens Koninklijke machtiging heeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties met een schrijven van 9 juni 2020, no.RWS-2020/32427, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt een voordracht met ontwerpbesluit tot aanwijzing van onroerende zaken ter onteigening in de gemeente Barendrecht krachtens artikel 78 van de onteigeningswet (onteigeningsplan Zuidpolder fase 2.1).
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van de Elektriciteitswet 1998 en de Wet belastingen op milieugrondslag.
Bij Kabinetsmissive van 14 april 2020, no.2020000765, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Economische Zaken en Klimaat, mede namens de Staatssecretaris van Financiën, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Elektriciteitswet 1998 en de Wet belastingen op milieugrondslag ter uitvoering van de omvorming van de salderingsregeling voor kleinverbruikers, met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van de Wet publieke gezondheid vanwege het opnemen daarin van een gemeentelijke taak om prenataal huisbezoek te verrichten.
Bij Kabinetsmissive van 20 juli 2020, no.2020001563, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Wet publieke gezondheid vanwege het opnemen daarin van een gemeentelijke taak om prenataal huisbezoek te verrichten, met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Verzoek om voorlichting betreffende de procedure benoeming van bestuurders in de rechtspraak.
Bij brief van 24 februari 2020 heeft de Minister voor Rechtsbescherming op de voet van artikel 21a, eerste lid, van de Wet op de Raad van State aan de Afdeling advisering van de Raad van State gevraagd hem van voorlichting te dienen over mogelijke kwetsbaarheden in de Wet op de rechterlijke organisatie (Wet RO) met betrekking tot de benoeming, herbenoeming, schorsing en/of het ontslag van leden van de Raad voor de rechtspraak en het gerechtsbestuur.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Voorlichting over de bepaling van de stemwaarde van de leden van het kiescollege voor de Eerste Kamer.
Bij brief van 11 juni 2020 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op de voet van artikel 21a, eerste lid, van de Wet op de Raad van State aan de Afdeling advisering van de Raad van State gevraagd haar van voorlichting te dienen over de bepaling van de stemwaarde van de leden van het kiescollege voor de Eerste Kamer.Provincie AProvincie BStem waardeTotaal aantal stem-men%Stem waardeTotaal aantal stem-men%Alle inwoners10010.0005010010.00050Nederlanders808.00053707.00047Kiesgerechtigden606.0005352,55.25047Opgekomen kiezers303.0004931,53.15051In NederlandBuiten NederlandStem waardeTotaal aantal stemmen%Stem waardeTotaal aantal stemmen%Alle inwoners294173.0790,223.900.00078.000.00099,77Nederlanders**95,64008.0004,4Kiesgerechtigden**96,43206.4003,6Opgekomen kiezers**99,7306000,3In NederlandBuiten NederlandStem waardeTotaal aantal stemmen%Stem waardeTotaal aantal stemmen%Alle inwoners294173.0790,223.900.00078.000.00099,77Nederlanders275162.00095,34008.0004,7Kiesgerechtigden220129.60095,33206.4004,7Opgekomen kiezers12472.78399,2306000,8
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van het Besluit onderstand BES in verband met diverse verbeteringen ten aanzien van de AOV-toeslag, het uitsluiten van fraudevorderingen bij de vermogenstoets en diverse andere wijzigingen.
Bij Kabinetsmissive van 30 juni 2020, no.2020001310, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit onderstand BES in verband met diverse verbeteringen ten aanzien van de AOV-toeslag, het uitsluiten van fraudevorderingen bij de vermogenstoets en diverse andere wijzigingen, met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Nota van wijziging op het wetsvoorstel verbetering uitvoerbaarheid toeslagen.
Bij Kabinetsmissive van 18 september 2020, no.2020001667, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Financiën, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt de nota van wijziging van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen en enkele andere wetten met het oog op verbetering van de uitvoerbaarheid van toeslagen (Wet verbetering uitvoerbaarheid toeslagen), met toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Voorstel van wet van de leden Klaver en Bromet tot wijziging van de Wet natuurbescherming (Wet duurzame stikstof).
Bij brief van de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 22 april 2020 heeft de Tweede Kamer, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet van de leden Klaver en Bromet tot wijziging van de Wet natuurbescherming in verband met het treffen van maatregelen betreffende stikstofemissie en het opnemen van een grondslag voor subsidieverlening voor veestapelreductie en natuurversterking (Wet duurzame aanpak stikstof), met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Voorstel van wet van de leden Ploumen, Özütok, Jasper van Dijk en Van Brenk over gelijke beloning van vrouwen en mannen.
Bij brief van de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 7 maart 2019 heeft de Tweede Kamer, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet van de leden Ploumen, Özütok, Jasper van Dijk en Van Brenk tot wijziging van de Wet gelijke behandeling mannen en vrouwen in verband met de invoering van een certificaat als bewijs dat vrouwen en mannen gelijk loon ontvangen voor arbeid van gelijke waarde (Wet gelijke beloning van vrouwen en mannen), met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Tijdelijke wet verkiezingen covid-19.
Bij Kabinetsmissive van 15 september 2020, no.2020001897, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet houdende tijdelijke regels omtrent verkiezingen in verband met covid-19 (Tijdelijke wet verkiezingen covid-19), met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Nota van wijziging op het Belastingplan 2021 - baangerelateerde investeringskorting (BIK).
Bij Kabinetsmissive van 22 september 2020, no.2020001665, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Financiën, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt de nota van wijziging op het Belastingplan 2021 – baangerelateerde investeringskorting, met toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van het Besluit zorgverzekering in verband met voorwaardelijke toelating.
Bij Kabinetsmissive van 29 juni 2020, no.2020001278, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Medische Zorg, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit zorgverzekering in verband met voorwaardelijke toelating, met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van het Besluit basisregistratie ondergrond met betrekking tot het aanwijzen van registratieobjecten (derde tranche).
Bij Kabinetsmissive van 26 juni 2020, no.2020001273, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit basisregistratie ondergrond met betrekking tot het aanwijzen van registratieobjecten (derde tranche), met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Nota van wijziging op het wetsvoorstel Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2021) – beperking verliesverrekening.
Bij Kabinetsmissive van 18 september 2020, no.2020001665, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Financiën, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt de nota van wijziging op het wetsvoorstel Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2021) – beperking verliesverrekening, met toelichting.VpbIB – box 1IB – box 2voor 2007- 3 eerdere jaren- 3 eerdere jaren- 3 eerdere jaren2007 - 2015- 1 eerder jaar- 3 eerdere jaren- 1 voorafgaand jaar2015 - 2019- 1 eerder jaar- 3 eerdere jaren- 1 voorafgaand jaar2019 – nu- 1 eerder jaar- 3 eerdere jaren- 1 voorafgaand jaar
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van enkele besluiten in verband met de implementatie van richtlijn 2018/2002/EU betreffende energie-efficiëntie.
Bij Kabinetsmissive van 30 juni 2020, no.2020001309, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Economische Zaken en Klimaat, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van enkele besluiten in verband met de implementatie van richtlijn 2018/2002/EU betreffende energie-efficiëntie, met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en de Ziektewet.
Bij Kabinetsmissive van 28 april 2020, no.2020000892, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en de Ziektewet teneinde het advies van een bedrijfsarts over de belastbaarheid van de werknemer leidend te maken bij de toets op de re-integratie inspanningen door het UWV, met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van het Organisatiebesluit raad voor de kinderbescherming 2015.
Bij Kabinetsmissive van 26 juni 2020, no.2020001260, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Justitie en Veiligheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende enkele wijzigingen van het Organisatiebesluit raad voor de kinderbescherming 2015, met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van het Besluit Participatiewet in verband met het aanpassen van de verdeling van het macrobudget 2021.
Bij Kabinetsmissive van 18 september 2020, no.2020001918, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit Participatiewet in verband met het aanpassen van de verdeling van het macrobudget 2021 vanwege de verwachte effecten van COVID-19 op de uitgaven aan bijstand, met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van een aantal Warenwetbesluiten in verband met de uitvoering van enkele Europese verordeningen en enkele technische aanpassingen.
Bij Kabinetsmissive van 17 juli 2020, no.2020001555, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Medische Zorg, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende wijziging van een aantal Warenwetbesluiten in verband met de uitvoering van enkele Europese verordeningen en enkele technische aanpassingen, met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren en het Besluit rechtspositie leden gerechtsbesturen en Raad voor de rechtspraak.
Bij Kabinetsmissive van 15 juli 2020, no.202001517, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Rechtsbescherming, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren en het Besluit rechtspositie leden gerechtsbesturen en Raad voor de rechtspraak ter formalisering van de Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rechterlijke Macht 2018 - 2020, met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Onteigening in de gemeente Haarlemmermeer (onteigeningsplan "Groene As").
Krachtens Koninklijke machtiging heeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties met een schrijven van 22 mei 2020, no.RWS-2020/30523, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt een voordracht met ontwerpbesluit tot aanwijzing van een onroerende zaak ter onteigening in de gemeente Haarlemmermeer krachtens artikel 78 van de onteigeningswet (onteigeningsplan "Groene As").
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van het Besluit universele dienstverlening en eindgebruikersbelangen in verband met de vaststelling van de reikwijdte van de verplichting tot het aanbieden van de overstapdienst bij het overstappen van telecomaanbieder.
Bij Kabinetsmissive van 9 juli 2020, no.2020001387, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit, houdende wijziging van het Besluit universele dienstverlening en eindgebruikersbelangen in verband met de vaststelling van de reikwijdte van de verplichting tot het aanbieden van de overstapdienst bij het overstappen van telecomaanbieder, met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van de Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen in verband met de derde evaluatie.
Bij Kabinetsmissive van 8 juni 2020, no.2020001146, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen in verband met de derde evaluatie van die wet alsmede enkele wijzigingen van technische aard, met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Besluit klachtadviescommissie raad voor de kinderbescherming.
Bij Kabinetsmissive van 26 juni 2020, no.2020001261, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Rechtsbescherming, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende regels inzake de behandeling van klachten over de raad voor de kinderbescherming door een klachtenadviescommissie (Besluit klachtenadviescommissie raad voor de kinderbescherming), met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers teneinde het mogelijk te maken de duur van de overbruggingsregeling nogmaals te verlengen.
Bij Kabinetsmissive van 11 september 2020, no.2020-0000122391, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers teneinde het mogelijk te maken de duur van de overbruggingsregeling nogmaals te verlengen, in verband met het invoeren van een vermogenstoets en het aanbrengen van enkele technische wijzigingen, met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit belasting- en invorderingsrente.
Bij Kabinetsmissive van 2 september 2020, no.2020001731, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Financiën, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit belasting- en invorderingsrente, met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging Besluit regionale meld- en coördinatiefunctie voortijdig schoolverlaten in verband met het toevoegen van een maatstaf voor de berekening van de specifieke uitkering voor de regionale meld- en coördinatiefunctie en het regionaal programma.
Bij Kabinetsmissive van 15 juli 2020, no.2020001524, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit regionale meld- en coördinatiefunctie voortijdig schoolverlaten in verband met het toevoegen van een maatstaf voor de berekening van de specifieke uitkering voor de regionale meld- en coördinatiefunctie en het regionaal programma, met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Besluit ongewenste zeggenschap telecommunicatie.
Bij Kabinetsmissive van 17 juli 2020, no.2020001556, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende regels ter uitwerking van hoofdstuk 14a van de Telecommunicatiewet (Besluit ongewenste zeggenschap telecommunicatie), met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van het Bouwbesluit 2012 en andere besluiten in verband met de introductie van een stelsel van certificering voor werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties.
Bij Kabinetsmissive van 10 juni 2020, no.2020001163, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende wijziging van het Bouwbesluit 2012, het Besluit bouwwerken leefomgeving, het Besluit kwaliteit leefomgeving en het Omgevingsbesluit in verband met de introductie van een stelsel van certificering voor werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties, met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Verklaring van bepaalde Europese Regeringen inzake de exploitatiefase van de lanceervoertuigen Ariane, Vega en Sojoez vanaf het Ruimtecentrum in Guyana; Parijs, 4 december 2017 (Trb. 2020, 29 en Trb. 2020, 45).
Bij Kabinetsmissive van 17 juli 2020, no. 2020001542, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Buitenlandse Zaken, mede namens de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt de verklaring van bepaalde Europese Regeringen inzake de exploitatiefase van de lanceervoertuigen Ariane, Vega en Sojoez vanaf het Ruimtecentrum in Guyana; Parijs, 4 december 2017 (Trb. 2020, 29 en Trb. 2020, 45), met toelichtende nota.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Verdrag tot wijziging van artikel 8 van het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof; ‘s-Gravenhage, 6 december 2019 (Trb. 2020, 44).
Bij Kabinetsmissive van 17 juni 2020, no.2020001211, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Buitenlandse Zaken, mede namens de Minister van Justitie en Veiligheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk ter overweging aanhangig gemaakt de verdrag tot wijziging van artikel 8 van het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof; ’s-Gravenhage, 6 december 2019 (Trb. 2020, 44), met toelichtende nota.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van het Tijdelijk experimentenbesluit stembiljetten en centrale stemopneming in verband met de invoering van een elektronisch vervangend briefstembewijs.
Bij Kabinetsmissive van 15 juli 2020, no.2020001519, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Tijdelijk experimentenbesluit stembiljetten en centrale stemopneming in verband met de invoering van een elektronisch vervangend briefstembewijs, met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Voorlichting betreffende de regulering van cybriden en chimaeren.
Bij brief van 22 juli 2019 heeft de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport op de voet van artikel 21a, eerste lid, van de Wet op de Raad van State aan de Afdeling advisering van de Raad van State gevraagd haar van voorlichting te dienen betreffende de regulering van cybriden en chimaeren.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Besluit stimulering van aanvullende maatregelen ter vermindering van broeikasgas.
Bij Kabinetsmissive van 14 februari 2020, no.2020000345, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Economische Zaken en Klimaat, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit stimulering duurzame energieproductie in verband met de stimulering van aanvullende maatregelen ter vermindering van broeikasgas, met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Variawet hoger onderwijs.
Bij Kabinetsmissive van 1 april 2020, no.2020000671, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, de Wet studiefinanciering 2000 en de Wet op het onderwijstoezicht in verband met een verbeterde regeling voor diverse onderwerpen op het terrein van het hoger onderwijs en de studiefinanciering (Variawet hoger onderwijs), met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Implementatiebesluit registratie uiteindelijk belanghebbenden van vennootschappen en andere juridische entiteiten.
Bij Kabinetsmissive van 3 januari 2020, no.2019002736, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Financiën, mede namens de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat en de Minister van Justitie en Veiligheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Handelsregisterbesluit 2008 en het Uitvoeringsbesluit Wwft 2018 in verband met de registratie van uiteindelijk belanghebbenden van vennootschappen en andere juridische entiteiten ter implementatie van de gewijzigde vierde anti-witwasrichtlijn (Implementatiebesluit registratie uiteindelijk belanghebbenden van vennootschappen en andere juridische entiteiten), met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Voorstel van wet van de leden Koerhuis en Van Toorenburg tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering (Wet handhaving kraakverbod).
Bij brief van de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 3 oktober 2019 heeft de Tweede Kamer, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet van de leden Koerhuis en Van Toorenburg tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering in verband met het wijzigen van de rechterlijke procedure voor de beoordeling van de rechtmatige binnentreding van een woning of lokaal met als doel het verwijderen van personen alsmede voorwerpen die daar worden aangetroffen (Wet handhaving kraakverbod), met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van onder meer de Wet op de expertisecentra, de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet voortgezet onderwijs BES in verband met het uitreiken van een schooldiploma.
Bij Kabinetsmissive van 20 juni 2020, no.2020001234, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van Wet tot wijziging van onder meer de Wet op de expertisecentra, de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet voortgezet onderwijs BES in verband met het uitreiken van een schooldiploma aan leerlingen in het praktijkonderwijs en in het voortgezet speciaal onderwijs, met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van het Besluit zorgverzekering in verband met het zorgpakket Zvw 2021.
Bij Kabinetsmissive van 7 juli 2020, no.2020001342, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Medische Zorg, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit zorgverzekering in verband met het zorgpakket Zvw 2021, met nota van toelichting.De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen opmerkingen over het ontwerpbesluit en adviseert het besluit te nemen.Gelet op artikel 26, zesde lid jo vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, adviseert de Afdeling dit advies openbaar te maken.De waarnemend vice-president van de Raad van StateNader rapport (reactie op het advies) van 3 september 2020Van de gelegenheid is gebruik gemaakt twee wijzigingen aan te brengen in de nota van toelichting: de datum van het vervolgadvies van het Zorginstituut Nederland over gesuperviseerde oefentherapie bij COPD is toegevoegd en voor de Wet ambulancezorgvoorzieningen is een verwijzing naar de publicatie in het Staatsblad opgenomen.Ik moge U hierbij het ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.De Minister voor Medische Zorg,
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van het Besluit factuur, verbruiks- en indicatief kostenoverzicht energie.
Bij Kabinetsmissive van 5 juni 2020, no.2020001125, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Economische Zaken en Klimaat, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit factuur, verbruiks- en indicatief kostenoverzicht energie in verband met enkele aanpassingen betreffende de implementatie van richtlijn 2012/27/EU betreffende energie-efficiëntie, met nota van toelichting.De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen opmerkingen over het ontwerpbesluit en adviseert het besluit te nemen.Gelet op artikel 26, zesde lid jo vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, adviseert de Afdeling dit advies openbaar te maken.De vice-president van de Raad van State
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wet beperking liquidatie- en stakingsverliesregeling.
Bij Kabinetsmissive van 15 juni 2020, no.2020001185, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Financiën, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 in verband met het voorkomen van langdurig uitstel van verliesneming ingevolge de liquidatie- en stakingsverliesregeling en het inperken van de reikwijdte van deze regelingen (Wet beperking liquidatie- en stakingsverliesregeling), met memorie van toelichting.Door de deelnemingsvrijstelling blijven voor- en nadelen uit een deelneming buiten aanmerking bij het bepalen van de winst voor de vennootschapsbelasting. De liquidatieverliesregeling maakt hierop een uitzondering: verlies van een binnenlandse of buitenlandse deelneming dat tot uitdrukking komt nadat de deelneming is ontbonden komt tot maximaal het voor die deelneming opgeofferde bedrag wel ten laste van de Nederlandse winst. (zie noot 1) Voor vaste inrichtingen geldt met de stakingsverliesregeling een vergelijkbare uitzondering op de objectvrijstelling voor buitenlandse (positieve en negatieve) ondernemingswinsten.In de huidige regeling wordt het liquidatieverlies in aanmerking genomen op het tijdstip waarop de vereffening van de deelneming is voltooid. Het stakingsverlies komt in aftrek op het tijdstip waarop de belastingplichtige ophoudt winst te genieten uit de staat waarin de vaste inrichting werd uitgeoefend (hierna: staat van de vaste inrichting). Voor beide regelingen is geen maximum gesteld aan de omvang van het in aanmerking te nemen verlies.Het wetsvoorstel beperkt de reikwijdte van de liquidatie- en stakingsverliesregeling op twee punten.De eerste beperking is gelegen in de voorgestelde temporele voorwaarde. Het doel van die voorwaarde is het beperken van de mogelijkheid om te plannen in welk jaar het verlies ten laste van de Nederlandse winst komt. Wanneer de vereffening van de deelneming niet binnen een bepaalde periode plaatsvindt of de belastingplichtige niet binnen een bepaalde periode ophoudt winst uit de staat van de vaste inrichting te genieten, mag het liquidatieverlies respectievelijk het stakingsverlies niet meer in aanmerking worden genomen. Voor deze periode wordt aangesloten bij drie kalenderjaren. De bij de temporele voorwaarde voorgestelde tegenbewijsregeling maakt het mogelijk dat het verlies toch na deze periode ten laste van de winst komt. Daarvoor moet de belastingplichtige doen blijken dat het niet voldoen aan de temporele voorwaarde niet is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing.De tweede beperking ziet op de omvang van het in aanmerking te nemen liquidatie- en stakingsverlies. In het voorstel bedraagt het liquidatieverlies in beginsel maximaal € 5 miljoen per deelneming. Om een hoger bedrag aan liquidatieverlies in aanmerking te kunnen nemen, moet zijn voldaan aan zowel de voorgestelde kwantitatieve als de voorgestelde territoriale voorwaarde. De kwantitatieve voorwaarde houdt in dat de belastingplichtige gedurende een bepaalde periode voorafgaand aan de liquidatie een belang had in de deelneming waarmee zodanige invloed op de besluiten van die deelneming kon worden uitgeoefend dat de activiteiten van die deelneming konden worden bepaald (kwalificerend belang). De territoriale voorwaarde houdt in dat de deelneming was gevestigd in Nederland, in een andere lidstaat van de Europese Unie (EU), in de Europese Economische Ruimte (EER) of in een staat waarmee de EU een specifieke associatieovereenkomst heeft gesloten. In het voorstel wordt het stakingsverlies in beginsel gemaximeerd op € 5 miljoen per staat.De Afdeling advisering van de Raad van State maakt opmerkingen over de aanvang van de termijn van drie kalenderjaren van de temporele voorwaarde, de tegenbewijsregeling bij de temporele voorwaarde, het kwalificerend belang van de kwantitatieve voorwaarde en de materieel terugwerkende kracht van de kwantitatieve en territoriale voorwaarde. In verband daarmee is aanpassing wenselijk van het wetsvoorstel en de toelichting.1. Korte achtergrond en actualiteitDe regering heeft op Prinsjesdag 2019 aangekondigd de liquidatie- en stakingsverliesregeling te beperken langs de lijnen van het voorstel van de Tweede Kamerleden Snels (GroenLinks), Leijten (SP) en Nijboer (PvdA). (zie noot 2) Met dit wetsvoorstel wordt daaraan uitvoering gegeven. Het voorstel stelt beperkingen aan de reikwijdte van deze regelingen, waardoor de mogelijkheid om verlies te verrekenen wordt beperkt. Het voorstel komt op het moment dat de OESO bericht dat de COVID-19 pandemie "has triggered the most severe economic recession in nearly a century". (zie noot 3) De coronacrisis zal naar verwachting wereldwijd leiden tot meer verliezen en meer liquidaties en stakingen. Mogelijk krijgen meer belastingplichtigen dan eerder gedacht op korte termijn te maken met de aanscherpingen uit het wetsvoorstel. Het is daarom, nog meer dan anders het geval is, van belang dat voor belastingplichtigen duidelijk is hoe die aanscherpingen precies uitwerken.2. Temporele voorwaardea. Aanvang van de driejaarstermijnDoor de voorgestelde temporele voorwaarde wordt een liquidatieverlies in beginsel alleen in aanmerking genomen indien de liquidatie plaatsvindt binnen een termijn van drie kalenderjaren na het kalenderjaar waarin de onderneming geheel of nagenoeg geheel is gestaakt, dan wel daartoe is besloten. (zie noot 4) Het stakingsverlies wordt alleen in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ophoudt winst uit de staat van de vaste inrichting te genieten uiterlijk in het derde kalenderjaar na het kalenderjaar waarin de activiteiten in die staat geheel of nagenoeg geheel zijn gestaakt, dan wel daartoe is besloten. (zie noot 5)Het moment waarop de termijn van drie kalenderjaren begint te lopen is daarmee van groot belang voor de vraag of een liquidatie- of een stakingsverlies in aanmerking kan worden genomen. Indien de onderneming geheel of nagenoeg geheel is gestaakt in een ander kalenderjaar dan waarin daartoe is besloten, is voor de liquidatieverliesregeling niet duidelijk wanneer die termijn aanvangt. Eenzelfde onduidelijkheid over de aanvang van de termijn geldt ook voor de stakingsverliesregeling. De woorden "dan wel" in de wettekst en "of" (zie noot 6) in de toelichting geven immers geen rangorde aan.De Afdeling adviseert de wettekst en de toelichting naar aanleiding van het voorgaande te verduidelijken.b. TegenbewijsregelingDe temporele voorwaarde voorkomt dat belastingplichtigen de mogelijkheid hebben om het voltooien van de vereffening van het vermogen van het ontbonden lichaam uit te stellen tot het moment waarop het in aanmerking nemen van het liquidatieverlies voor hen fiscaal gezien het meest wenselijk is. (zie noot 7) Voor het geval een liquidatieverlies of een stakingsverlies door de temporele voorwaarde niet in aanmerking kan worden genomen, heeft de belastingplichtige de mogelijkheid om zich te beroepen op een tegenbewijsregeling. Het verlies kan toch in aanmerking worden genomen als de belastingplichtige doet blijken dat het op een later tijdstip voltooien van de vereffening (bij liquidatieverlies) of het op een later tijdstip ophouden winst te genieten uit staat van de vaste inrichting (bij stakingsverlies) niet is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing. (zie noot 8)Volgens de toelichting rust in dat geval op de belastingplichtige een verzwaarde bewijslast om aan de hand van de feiten en omstandigheden van het concrete geval te doen blijken dat op geen enkele wijze fiscale ten grondslag liggen aan de vertraging in de liquidatie. (zie noot 9) In de toelichting staat ook dat dit betekent dat geen enkel fiscaal motief bij de belastingplichtige ten grondslag mag liggen aan de vertraging in de vereffening. (zie noot 10)Deze tegenbewijsregeling is stringent vormgegeven. Gelet op het doel van de temporele voorwaarde, voorkomen dat belastingplichtigen het verlies in aanmerking kunnen nemen op het moment dat het voor hen fiscaal gezien het meest wenselijk is, mag worden verwacht dat voor de tegenbewijsregeling alleen wordt gekeken naar gerichtheid op ontgaan of uitstellen van belastingheffing naar de winst of het inkomen.Het in de voorgestelde wettekst gebruikte woord "belastingheffing" is echter niet gespecificeerd en uit de toelichting wordt ook niet duidelijk welke belastingheffing is bedoeld. Het lijkt daarom te zien op elke vorm van binnenlandse en buitenlandse belastingheffing. Zo lijkt volgens de voorgestelde wettekst en toelichting een belastingplichtige niet te kunnen voldoen aan de tegenbewijsregeling, als sprake is van een vertraging van de vereffening doordat de deelneming in een derde land nog is verwikkeld in een juridische procedure over een lokale belasting (bijvoorbeeld vergelijkbaar met waterschapsbelasting). Er is dan immers sprake van een fiscale overweging die ten grondslag ligt aan de vertraging in de liquidatie.Deze stringente invulling van de tegenbewijsregeling met de algemene term belastingheffing klemt te meer, omdat sprake is van de verzwaarde bewijslast "doet blijken". De keuze voor de verzwaarde bewijslast wordt niet gemotiveerd. Daarnaast wordt niet afdoende toegelicht hoe een belastingplichtige kan doen blijken dat op geen enkele wijze een fiscale overweging aanwezig is en ook geen enkel fiscaal motief.Deze aspecten zijn van belang om het realiteitsgehalte van de tegenbewijsregeling te kunnen beoordelen. De Afdeling adviseert de toelichting naar aanleiding van het voorgaande te verduidelijken en aan te vullen, en zo nodig het voorstel aan te passen.3. Kwantitatieve voorwaarde: kwalificerend belangEen groter liquidatieverlies dan € 5 miljoen kan alleen in aanmerking worden genomen als is voldaan aan de kwantitatieve voorwaarde: er moet een kwalificerend belang worden gehouden. Volgens de voorgestelde wettekst is van een kwalificerend belang sprake bij een belang in een lichaam waarmee zodanige invloed op de besluiten van dat lichaam kan worden uitgeoefend dat de activiteiten van dat lichaam kunnen worden bepaald. (zie noot 11) In de toelichting staat dat deze definitie is ontleend aan vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU). (zie noot 12) Die vaste rechtspraak wordt niet nader toegelicht.De toelichting merkt terecht op dat of in een concreet geval sprake is van beslissende invloed afhangt van de feiten en omstandigheden van dat geval. Hierop volgt de opmerking dat er zonder bijzondere rechten of overeenkomsten in beginsel sprake is van beslissende invloed indien de belastingplichtige meer dan 50% van de statutaire stemrechten bezit in het ontbonden lichaam. Opmerking verdient dat uit de rechtspraak van het HvJ EU geen absoluut percentage volgt, waarbij die beslissende invloed een gegeven is. Een bezit van meer dan 50% van de statutaire stemrechten is niet per definitie voldoende om te kunnen spreken van beslissende invloed. En aan de andere kant heeft het HvJ EU in een Griekse zaak geoordeeld dat een 25%-belang in een deelneming kan volstaan. (zie noot 13)De Afdeling adviseert de toelichting naar aanleiding van het voorgaande te verduidelijken en aan te vullen.4. Kwantitatieve en territoriale voorwaarde: materieel terugwerkende krachtVolgens het wetsvoorstel gaan de kwantitatieve en de territoriale voorwaarden gelden voor boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2021. Voor deze voorwaarden is geen overgangsrecht opgenomen. Dat betekent dat sprake is van materieel terugwerkende kracht. Dit kan belastingplichtigen raken met liquidatieverlies of stakingsverlies van meer dan € 5 miljoen. Voor het liquidatieverlies gaat het om belastingplichtigen die voor de inwerkintreding van het wetsvoorstel niet voldeden aan de nu voorgestelde kwantitatieve of territoriale voorwaarde en waarbij vóór 1 januari 2021 de onderneming van het ontbonden lichaam geheel of nagenoeg geheel is gestaakt of daartoe is besloten. Als de vereffening van het ontbonden lichaam dan niet is voltooid voor de aanvang van het boekjaar dat aanvangt op of na 1 januari 2021, kan het deel van het liquidatieverlies boven € 5 miljoen hoe dan ook niet in aanmerking worden genomen. Voor het stakingsverlies geldt iets vergelijkbaars met betrekking tot de voorgestelde territoriale voorwaarde.Materieel grijpt deze wetgeving dus in in lopende liquidatietrajecten. Dit kan tot onevenwichtigheden leiden als het door externe omstandigheden of de aard van de onderneming niet mogelijk is om voor de aanvang van dat boekjaar het vermogen vereffend te hebben of opgehouden te hebben winst te genieten uit die andere staat. Dit is ongewenst met het oog op voorspelbare wetgeving en rechtszekerheid.De Afdeling adviseert hier in de toelichting aandacht aan te schenken, en zo nodig het voorstel aan te passen.5. De Afdeling verwijst naar de bij dit advies behorende redactionele bijlage.De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal opmerkingen bij het voorstel en adviseert daarmee rekening te houden voordat het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal wordt ingediend.De vice-president van de Raad van StateRedactionele bijlage bij het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State betreffende no.W06.20.0178/III- In artikel I, onderdeel B, onder 1, in het voorgestelde artikel 13d, tweede lid, onderdeel b, aanhef, Wet Vpb 1969 "kalenderjaren" vervangen door "jaren" en voorts "het tijdstip van voltooiing van de vereffening van het vermogen van het ontbonden lichaam" vervangen door "de dag waarop de vereffening van het vermogen van het ontbonden lichaam is voltooid". De toelichting dient hiermee in overeenstemming te worden gebracht.- In artikel I, onderdeel B, onder 1, in het voorgestelde artikel 13d, tweede lid, onderdeel b, onder 2˚, Wet Vpb 1969 "het liquidatieverlies" vervangen door "een groter deel van het liquidatieverlies".- In artikel I, onderdeel E "tweede, derde" schrappen of toelichten waarom voor het voorgestelde artikel 13d, tweede en derde lid, Wet Vpb 1969 een delegatiegrondslag nodig is.Nader rapport (reactie op het advies) van 11 september 20202. Temporele voorwaardea. Aanvang van de driejaarstermijnDe Afdeling adviseert te verduidelijken wanneer de termijn aanvangt indien de onderneming geheel of nagenoeg geheel is gestaakt in een ander kalenderjaar dan het kalenderjaar waarin daartoe is besloten. De aanvangstijdstippen zijn nevengeschikt waardoor het eerste moment leidend is ingeval deze gebeurtenissen plaatsvinden in een ander kalenderjaar. Omdat dit, zoals de Afdeling terecht opmerkt, niet eenduidig uit de wettekst blijkt, zijn de woorden ‘indien dat eerder is’ toegevoegd. Het desbetreffende onderdeel van de wettekst luidt na deze aanpassing als volgt ‘de onderneming van het ontbonden lichaam geheel of nagenoeg geheel is gestaakt dan wel, indien dat eerder is, daartoe is besloten’. Overeenkomstig deze wijziging is ook de memorie van toelichting op dit punt aangevuld. (zie noot 14)b. TegenbewijsregelingDe Afdeling merkt op dat het onduidelijk is op welke belasting de term ‘belastingheffing’ in de voorgestelde tegenbewijsregeling in de temporele voorwaarde ziet. De temporele voorwaarde heeft tot doel om te voorkomen dat voltooiing van de vereffening kan worden uitgesteld tot het meest gunstige moment voor de belastingplichtige. Dit is bijvoorbeeld het moment waarop de belastingplichtige verwacht in een winstgevende positie te verkeren voor toepassing van de vennootschapsbelasting. Ook kan hierbij worden gedacht aan het moment waarop het risico op verdamping van de te verrekenen verliezen in de vennootschapsbelasting het meest beperkt is. De temporele voorwaarde is dus enkel relevant ter voorkoming van planning met het oog op de positie van de belastingplichtige voor de vennootschapsbelasting. Ter verduidelijking hiervan, is het begrip ‘belastingheffing’ in de wettekst vervangen door ‘de heffing van vennootschapsbelasting’. Als gevolg hiervan dient de belastingplichtige om te voldoen aan de tegenbewijsregeling in de temporele voorwaarde te doen blijken dat het op een later tijdstip voltooien van de vereffening (in het geval van een liquidatieverlies) of het op een later tijdstip ophouden winst te genieten uit de staat van de vaste inrichting (in het geval van een stakingsverlies) niet is gericht op het ontgaan of uitstellen van de heffing van vennootschapsbelasting. De toelichting is hiermee in overeenstemming gebracht. (zie noot 15)3. Kwantitatieve voorwaarde: kwalificerend belangZoals de Afdeling terecht opmerkt, heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) zich niet expliciet uitgelaten over de absolute percentages waarbij sprake is van beslissende invloed. In de memorie van toelichting is in dit kader benadrukt dat de vraag of sprake is van beslissende invloed wordt beantwoord aan de hand van de specifieke feiten en omstandigheden van het geval. Ter illustratie is een versimpeld voorbeeld opgenomen waarin een belastingplichtige meer dan 50% van de statutaire stemrechten bezit, zonder dat daarbij bijzondere rechten of overeenkomsten van toepassing zijn. Hieruit volgt dat in beginsel sprake is van beslissende invloed. Het voorbeeld verduidelijkt de uitleg van de bepaling in die situatie, terwijl gelijktijdig wordt opgemerkt dat een uiteindelijke toets in het individuele geval zal afhangen van de concrete feiten en omstandigheden. Daarbij is de invulling van wanneer sprake is van beslissende invloed - uiteindelijk - aan het HvJ EU. Om die reden is afgezien van een verdere toelichting op de toepassing van het begrip kwalificerend belang.4. Kwantitatieve en territoriale voorwaarde: materieel terugwerkende krachtIn overeenstemming met het (concept-)initiatiefwetsvoorstel van de Tweede Kamerleden Snels (GroenLinks), Leijten (SP) en Nijboer (PvdA) (zie noot 16) is geen overgangsrecht opgenomen met betrekking tot de kwantitatieve en de territoriale voorwaarde. Het kabinet wil met de introductie van deze voorwaarden de belastingheffing over winsten van multinationals evenwichtiger maken. Dit verhoudt zich niet met een ruimhartige overgangsregeling ingeval het liquidatie- of stakingstraject in het verleden is aangevangen. Derhalve is ervoor gekozen om met betrekking tot deze voorwaarden zonder uitzondering aan te sluiten bij het toetsmoment voor het in aftrek brengen van een liquidatie- of stakingsverlies dat reeds geldt voor de huidige liquidatie- en stakingsverliesregeling. Dit is voor toepassing van de liquidatieverliesregeling het tijdstip waarop de vereffening is voltooid en voor toepassing van de stakingsverliesregeling het moment waarop de belastingplichtige ophoudt winst uit de andere staat te genieten. In aanvulling hierop kan nog worden opgemerkt dat de voorgestelde voorwaarden reeds op Prinsjesdag 2019 door het kabinet zijn aangekondigd. (zie noot 17) Dit betekent dat belastingplichtigen een ruime periode voor de daadwerkelijke inwerkingtreding hebben om te anticiperen op de voorgestelde voorwaarden. Bovenstaande is naar aanleiding van het advies van de Afdeling nader toegelicht in de memorie van toelichting. (zie noot 18)5. Redactionele opmerkingenAan de redactionele kanttekeningen van de Afdeling met betrekking tot het wetsvoorstel is waar mogelijk gevolg gegeven.6. Overige wijzigingenVan de gelegenheid is gebruik gemaakt om een aantal redactionele wijzigingen in het wetsvoorstel en de memorie van toelichting aan te brengen. Tevens is de tabel met budgettaire effecten van de maatregel die is opgenomen in het algemeen deel van de memorie van toelichting aangepast naar aanleiding van een verfijning in de berekeningen en recente economische ontwikkelingen. Daarnaast is in de memorie van toelichting ingegaan op de eventuele samenloop tussen de toetsperiode uit het voorgestelde tweede lid, onderdeel b, aanhef en onder 1 van artikel 13d Wet Vpb 1969 enerzijds en de fiscale eenheidsregeling en fusie of splitsing anderzijds. Voorts is van de gelegenheid gebruik gemaakt om in de memorie van toelichting meer uitgebreid in te gaan op de vraag wanneer sprake is van nagenoeg gehele staking voor toepassing van de temporele voorwaarde. In verband met deze verduidelijking zijn de eerder opgenomen delegatiegrondslagen in de voorgestelde wettekst met betrekking tot nagenoeg gehele staking verwijderd. Tot slot is aan artikel 13e Wet Vpb 1969 (dat ziet op de voortzetting van de onderneming van een geliquideerd lichaam door het concern) een toevoeging gedaan om te bewerkstelligen dat de nieuwe voorwaarden ook op de juiste wijze uitwerken bij toepassing van deze specifieke bepaling.Ik moge U verzoeken het hierbij gevoegde gewijzigde voorstel van wet en de gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.De Staatssecretaris van Financiën
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Vaststelling van de begrotingsstaat van het Defensiematerieelbegrotingsfonds voor het jaar 2021.
Bij Kabinetsmissive van 2 september 2020, no.2020001661, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Defensie, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot vaststelling van de begrotingsstaat van het Defensiematerieelbegrotingsfonds (K) voor het jaar 2021, met memorie van toelichting.De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen opmerkingen bij het voorstel en adviseert het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal in te dienen.Gelet op artikel 26, zesde lid jo vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, adviseert de Afdeling dit advies openbaar te maken.De vice-president van de Raad van State
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Vaststelling van de begrotingsstaat van de Staten-Generaal (II)A voor het jaar 2021.
Bij Kabinetsmissive van 1 september 2020, no.2020001640, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, mede namens de Minister van Financiën, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot vaststelling van de begrotingsstaat van de Staten-Generaal (IIA) voor het jaar 2021, met memorie van toelichting.De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen opmerkingen bij het voorstel en adviseert het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal in te dienen.Gelet op artikel 26, zesde lid jo vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, adviseert de Afdeling dit advies openbaar te maken.De vice-president van de Raad van State
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Vaststelling van de begrotingsstaat van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (XV) voor het jaar 2021.
Bij Kabinetsmissive van 2 september 2020, no.2020001653, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, mede namens de Minister van Financiën, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot vaststelling van de begrotingsstaten van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (XV) voor het jaar 2021, met memorie van toelichting.De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen opmerkingen bij het voorstel en adviseert het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal in te dienen.Gelet op artikel 26, zesde lid jo vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, adviseert de Afdeling dit advies openbaar te maken.De vice-president van de Raad van StateNader rapport (reactie op het advies) van 14 september 2020IB. Beantwoording blanco adviesBlijkens het bijgaande advies kan de Afdeling advisering van de Raad van State zich verenigen met bovenvermelde begroting.II. Nadere wijzigingenInmiddels is het noodzakelijk gebleken in bovenvermelde begroting een aantal wijzigingen/aanpassingen aan te brengen.1. Verwerking CPB cijfers (MEV 2021)De aanpassingen betreffen de verwerking van de definitieve cijfers van het Centraal Planbureau (rapport Macro Economische Verkenning 2021) in artikel 2 Bijstand, Participatiewet en Toeslagenwet, artikel 5 Werkloosheid, artikel 7 Kinderopvang, artikel 10 Tegemoetkoming ouders en artikel 12 Rijksbijdragen.2. Verwerking augustusbesluitvormingDe aanpassingen betreffen de verwerking van de augustusbesluitvorming, waaronder het steun- en herstelpakket, in artikel 1 Arbeidsmarkt, artikel 2 Bijstand, Participatiewet en Toeslagenwet, artikel 5 Werkloosheid, artikel 7 Kinderopvang, artikel 10 Tegemoetkoming ouders, artikel 11 Uitvoering, artikel 96 Apparaat Kerndepartement, artikel 98 Algemeen en artikel 99 Nog onverdeeld.3.Technische aanpassingenDe technische aanpassingen zijn verwerkt in artikel 1 Arbeidsmarkt, artikel 2 Bijstand, Participatiewet en Toeslagenwet, artikel 3 Arbeidsongeschiktheid, artikel 7 Kinderopvang, artikel 11 Uitvoering, artikel 13 Integratie en maatschappelijke samenhang, artikel 96 Apparaat Kerndepartement, artikel 98 Algemeen en artikel 99 Nog onverdeeld.De memorie van toelichting is met deze wijzigingen in overeenstemming gebracht.Het totaal van de uitgaven in duizenden euro’s komt daarmee op 52.493.974 (was 48.020.437). Het totaal van de ontvangsten in duizenden euro’s komt op 1.837.107 (was 1.824.412).De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wet verbetering uitvoerbaarheid van toeslagen.
Bij Kabinetsmissive van 31 augustus 2020, no.2020001667, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Financiën (Toeslagen en Douane), mede namens de Staatssecretaris van Financiën (Fiscaliteit en Belastingdienst), de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Minister voor Medische Zorg, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen en enkele andere wetten met het oog op verbetering van de uitvoerbaarheid van toeslagen (Wet verbetering uitvoerbaarheid toeslagen), met memorie van toelichting.Het voorstel is onderdeel van het fiscale pakket voor het jaar 2021 samen met de wetsvoorstellen: Belastingplan 2021, Overige fiscale maatregelen 2021, CO2-heffing industrie, Wijziging van de Wet opslag duurzame energie- en klimaattransitie in verband met de vaststelling van tarieven voor de jaren 2021 en 2022, Aanpassing box 3, Differentiatie overdrachtsbelasting en Eenmalige huurverlaging huurders met lager inkomen.Met het voorstel wordt in het toeslagenstelsel een aantal praktische aanpassingen doorgevoerd. (zie noot 1) Daartoe wordt de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) gewijzigd. De rode draad van deze wijzigingen is om daarmee de Belastingdienst/Toeslagen beter in staat te stellen meer maatwerk aan toeslaggerechtigden te bieden en de praktische rechtsbescherming te vergroten en zo de ‘menselijke maat’ in het stelsel te verbeteren. Deze wijzigingen van praktische aard worden ingevoerd vooruitlopend op een aangekondigde fundamentele hervorming van het toeslagenstelsel.De Afdeling advisering van de Raad van State begrijpt de ambitie om in de uitvoering van de toeslagwetgeving de menselijke maat terug te brengen en te komen tot meer maatwerk. Volgens de Afdeling moet echter ook de vraag onder ogen worden gezien of de Belastingdienst/Toeslagen over voldoende capaciteit en mogelijkheden beschikt om de voorgestelde maatregelen in de praktijk zonder te grote risico’s en problemen uit te voeren, en zonder dat andere taken in het gedrang komen. Voorkomen moet worden dat de problemen bij de Belastingdienst/Toeslagen alleen maar groter worden door de stapeling van eisen die aan de dienst worden gesteld, en dat daarmee ook de kans op teleurstellingen voor belanghebbenden toeneemt. Daarnaast maakt zij enkele opmerkingen van technische aard. In verband daarmee is aanpassing wenselijk van het voorstel en de toelichting.1. InleidingDe toelichting vermeldt dat in de afgelopen jaren duidelijk is geworden dat het huidige toeslagenstelsel grote nadelen kent. (zie noot 2) Het stelsel leidt tot een groot aantal terugvorderingen en nabetalingen en leidt daarmee tot veel onzekerheid bij burgers. Dit komt omdat voorschotten in het stelsel een belangrijke rol vervullen. De reden daarvan is dat belanghebbenden de desbetreffende kosten vaak niet zelf (kunnen) voorfinancieren en omdat het toetsingsinkomen op basis waarvan de definitieve hoogte van de toeslag wordt bepaald, pas na afloop van het kalenderjaar kan worden vastgesteld.De aansluiting van de toeslagen bij de fiscaliteit (die ook zichtbaar is in de vormgeving van de Awir) en de wens om betrokkenen snel die financiële ondersteuning te bieden die zij op dat moment nodig hebben, leidt tot een ingewikkelde systematiek met veel onzekerheid voor de betrokkenen. De aansluiting bij de fiscaliteit in de vormgeving van de Awir heeft daarenboven tot gevolg dat in de afgelopen jaren de verhouding tussen de Awir en de Algemene wet bestuursrecht (Awb) tot veel vragen heeft geleid. Het voorliggende voorstel maakt de verhouding tussen Awir en Awb er niet eenvoudiger op. Verschillende van de in de Awir voorgestelde bepalingen vertonen flinke overlap met bestaande bepalingen in de Awb. Een fundamentele hervorming van het toeslagenstelsel wordt aangekondigd. Bij die hervorming zullen deze vraagstukken van meer systematische aard een plaats moeten krijgen, zodat een inzichtelijker stelsel ontstaat.In dit verband moet worden bedacht dat het bij toeslagen om enorme aantallen beschikkingen gaat. Er worden meer dan 7 miljoen toeslagen uitgekeerd aan meer dan 5,5 miljoen huishoudens. (zie noot 3) Die grote aantallen hebben een aanzienlijke impact op de inrichting van processen en het functioneren van de Belastingdienst/Toeslagen. Daarbij dient niet alleen rechtvaardigheid en de menselijke maat in ogenschouw te worden genomen, maar zijn ook effectiviteit en uitvoerbaarheid van groot belang. Dat in de afgelopen periode rechtvaardigheid en de menselijke maat teveel uit het oog zijn verloren is helder. Telkens weer zal naar een redelijke balans moet worden gezocht. Dat is, zeker met het oog op de voorgeschiedenis, geen sinecure.Het voorstel beoogt slechts enkele praktische verbeteringen in het bestaande stelsel aan te brengen, vooruitlopend op een fundamentele hervorming van het stelsel. Tegen deze achtergrond richt de Afdeling zich in dit advies niet op de meer fundamentele vraagstukken, die ook in dit voorstel aan de orde zijn, maar beperkt zij zich tot met name de praktische aspecten van het voorstel.2. Maatwerk en menselijke maatHet voorstel is erop gericht om bij de uitvoering van de toeslagen de menselijke maat terug te brengen en te komen tot meer maatwerk. Daartoe wordt op een aantal plaatsen voorzien in procedurele waarborgen. Het gaat om vastlegging van regels die de Belastingdienst/Toeslagen moet hanteren, bijvoorbeeld het geven van gelegenheid om een zienswijze naar voren te brengen, het sturen van een aanmaning om gegevens aan te leveren en het maken van een belangenafweging met de mogelijkheid van matiging bij een terugvorderingsbesluit. Sommige van deze voorzieningen zullen in geautomatiseerde vorm kunnen worden doorgevoerd, voor andere voorzieningen zal geautomatiseerde uitvoering niet (meer) mogelijk zijn en is een handmatige aanpak vereist.Daarnaast zij opgemerkt, dat verschillende onderdelen van het voorstel ertoe leiden dat meer procedurele stappen moeten worden gezet voordat een besluit wordt genomen. Het gevolg daarvan kan zijn dat dit afdoet aan de effectiviteit van de uitvoering en dat een en ander tot vertraging in het besluitvormingsproces leidt, ook in situaties waarin snelheid geboden is. Dan moet niet alleen aan gevallen van fraude worden gedacht, maar ook aan situaties waarin maandelijkse betalingen ten onrechte tot een te hoog bedrag plaatsvinden: hoe langer het duurt tot een besluit wordt genomen, hoe verder daarmee het terug te vorderen bedrag oploopt.Gelet op de voorgeschiedenis begrijpt de Afdeling de ambitie om in de uitvoering van de toeslagwetgeving de menselijke maat terug te brengen en te komen tot meer maatwerk. Zij wijst echter ook op de vele problemen die de Belastingdienst/Toeslagen thans al heeft bij de uitvoering van de toeslagenwetgeving en bij de afwikkeling van de problematiek uit het verleden. Daarbij dient in ogenschouw te worden genomen dat het bij toeslagen, zoals hiervoor in punt 1 is geschetst, om processen gaat met grote aantallen beschikkingen. Dat betekent dat er grenzen zijn aan de mogelijkheden tot maatwerk, tenzij men bereid is om aanzienlijke investeringen te doen in - vooral - personeel.Het is de Afdeling in dit verband opgevallen dat voor de uitvoering van de voorgestelde maatregelen een relatief klein bedrag van € 1,25 miljoen structureel en een beperkte personeelsuitbreiding is ingeboekt. (zie noot 4) De Afdeling wijst er in dit verband ook op dat de Belastingdienst/Toeslagen in de uitvoeringstoetsen bij verschillende onderdelen van het voorstel zorgen uit over de ingrijpende gevolgen voor de uitvoering(scapaciteit) en aandacht vraagt voor de risico’s van procesverstoringen. (zie noot 5)
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Belastingplan 2021.
Bij Kabinetsmissive van 31 augustus 2020, no.2020001665, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Financiën, mede namens de Staatssecretaris van Financiën (Fiscaliteit en Belastingdienst) en de Staatssecretaris van Financiën (Toeslagen en Douane), bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2021), met memorie van toelichting.Het voorstel is onderdeel van het fiscale pakket voor het jaar 2021, samen met de wetsvoorstellen: Overige fiscale maatregelen 2021, CO2-heffing industrie, Verbetering uitvoerbaarheid toeslagen, Wijziging van de Wet opslag duurzame energie- en klimaattransitie in verband met de vaststelling van tarieven voor de jaren 2021 en 2022, Aanpassing box 3, Differentiatie overdrachtsbelasting en Eenmalige huurverlaging huurders met lager inkomen.De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen inhoudelijke opmerkingen bij het voorstel.De Afdeling verwijst naar de bij dit advies behorende redactionele bijlage.De Afdeling adviseert het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal in te dienen.Gelet op artikel 26, zesde lid jo vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, adviseert de Afdeling dit advies openbaar te maken.De vice-president van de Raad van StateRedactionele bijlage bij het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State betreffende no.W06.20.0320/III- Ten aanzien van artikel XXXII (wijzigingen in de belastingen van personenauto’s en motorrijwielen): toelichten wat de gevolgen zijn voor de voorgestelde wijzigingen nu de RDW - volgens zijn uitvoeringstoets van 27 augustus 2020 - pas in de eerste helft van 2021 kan beginnen met implementeren van het wetsvoorstel, terwijl de beoogde inwerkingtredingsdatum van de voorgestelde wijzigingen 1 januari 2021 is.- In artikel XXXII, onderdeel A, tweede lid (wijziging van artikel 1, derde lid, Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (Wet BPM 1992)): "en wordt" vervangen door "en".- In artikel XXXII, onderdeel H, tweede lid (wijziging van artikel 10, tiende lid, Wet BPM 1992): "bedoeld het zesde lid" vervangen door "bedoeld in het zesde lid".- Ten aanzien van artikel XXXVII, tweede lid (wijziging van artikel 3 Wet opslag duurzame energie- en klimaattransitie; waardoor geen tarief wordt vastgesteld voor elektriciteit die wordt geleverd aan walstroominstallaties, als bedoeld in artikel 60b Wet belastingen op milieugrondslag): toelichten in hoeverre dit nultarief kwalificeert als steunmaatregel in de zin van artikel 107, eerste lid, VWEU en, indien nodig, ingaan op de aanmeldverplichting van artikel 108, derde lid, VWEU.- In artikel XLV, eerste lid, onderdeel g: "Wet loonbelasting 1964" vervangen door "Wet op de loonbelasting 1964".Nader rapport (reactie op het advies) van 15 september 20202. Redactionele bijlageDe Afdeling adviseert om toe te lichten wat de gevolgen zijn voor de voorgestelde wijzigingen in de belastingen van personenauto’s en motorrijwielen, nu de RDW aangeeft dat hij pas in de eerste helft van 2021 kan beginnen met implementeren van de maatregel. Vanzelfsprekend wordt rekening gehouden met het tijdstip waarop wetgeving kan worden uitgevoerd. De inwerkingtreding van deze maatregel geschiedt daarom bij koninklijk besluit. Het voorstel vereist technische aanpassingen in de systemen van de Belastingdienst en de RDW. In de memorie van toelichting is vermeld dat om deze reden het streven is dat dit onderdeel van het wetsvoorstel in werking treedt met ingang van 1 juli 2021. Daarbij moet rekening worden gehouden met een uitloop naar 1 januari 2022.Naar aanleiding van het advies van de Afdeling betreffende artikel XXXVII zijn de paragrafen 20 en 21 van het algemeen deel van de memorie van toelichting aangepast. Hierin wordt duidelijker tot uitdrukking gebracht wat de Europese aspecten zijn bij het niet vaststellen van een tarief voor de opslag duurzame energie- en klimaattransitie (ODE) voor de levering van elektriciteit aan een oplaadinstallatie voor elektrische voertuigen (paragraaf 20) en aan een walstroominstallatie (paragraaf 21). Ook wordt benoemd dat deze regelingen in de ODE onderdeel uitmaken van de kennisgeving die op grond van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening zal worden gedaan voor de verlaagde energiebelastingtarieven voor die installaties.Ook aan de overige redactionele opmerkingen van de Afdeling is gevolg gegeven. Voorts zijn in het wetsvoorstel en in de memorie van toelichting enkele redactionele wijzigingen doorgevoerd en is een omissie in artikel XXXVIII hersteld. Per abuis werd artikel IVB van de Wet tijdelijk verlaagd tarief laadpalen gewijzigd. Tot slot is de memorie van toelichting aangevuld met een passage die de samenloop tussen de fiscale coronareserve en een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting verduidelijkt.3. ConcluderendIk moge U, mede namens de Minister van Financiën, verzoeken het hierbij gevoegde gewijzigde voorstel van wet en de gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.De Staatssecretaris van Financiën
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wet aanpassing box 3.
Bij Kabinetsmissive van 31 augustus 2020, no.2020001671, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Financiën, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van enkele wetten houdende aanpassing van de belastingheffing over sparen en beleggen in de inkomstenbelasting. (Wet aanpassing box 3), met memorie van toelichting.Het voorstel is onderdeel van het fiscale pakket voor het jaar 2021 samen met de wetsvoorstellen: Belastingplan 2021, Overige fiscale maatregelen 2021, CO2-heffing industrie, Verbetering uitvoerbaarheid toeslagen, Wijziging van de Wet opslag duurzame energie- en klimaattransitie in verband met de vaststelling van tarieven voor de jaren 2021 en 2022, Differentiatie overdrachtsbelasting en Eenmalige huurverlaging huurders met lager inkomen.De wens bestaat al langer om de box 3-heffing beter te laten aansluiten op het werkelijk behaalde rendement. Omdat dit niet op korte termijn te realiseren is, wordt voorgesteld het heffingvrije vermogen voor box 3 per 1 januari 2021 te verhogen van momenteel € 30.846 naar € 50.000. Tevens wordt voorgesteld het belastingtarief voor box 3 te verhogen van 30% naar 31%.Het is niet de bedoeling dat de verhoging van het heffingvrije vermogen doorwerkt naar de vermogenstoets in inkomens- en vermogensafhankelijke regelingen. Daarom bevat het wetsvoorstel maatregelen om dit te voorkomen. De doorwerking van de verhoging van het heffingvrije vermogen naar het verzamelinkomen (lager) en daarmee op diverse toeslagen (hoger) wordt niet voorkomen, maar gefinancierd uit de tariefsverhoging in box 3.De Afdeling advisering van de Raad van State maakt opmerkingen over het verder uitstellen van een structurele box 3-stelselwijziging en over de keuze voor en gevolgen van het niet doorwerken van de verhoging van het heffingvrije vermogen naar de vermogenstoets in inkomens- en vermogensafhankelijke regelingen. In verband daarmee dient het voorstel nader te worden overwogen.1. Inhoud van het voorstelDe vermogensrendementsheffing (box 3-heffing) in de inkomstenbelasting is al langere tijd onderwerp van discussie. Al jaren bestaat de wens om de box 3-heffing beter te laten aansluiten bij het werkelijke rendement op het vermogen. Hiervoor is een stelselwijziging nodig, die op korte termijn niet is te realiseren. (zie noot 1) Met dit wetsvoorstel wordt beoogd om door aanpassingen binnen de kaders van het huidige stelsel met name de belastingdruk op kleinere vermogens in box 3 te laten dalen. (zie noot 2)Zonder dit voorstel zou het heffingvrije vermogen in 2021 € 31.340 bedragen. Het voorstel verhoogt het heffingvrije vermogen naar € 50.000 en het belastingtarief voor box 3 van 30% naar 31%.Het is niet de bedoeling dat de verhoging van het heffingvrije vermogen doorwerkt naar de vermogenstoets in diverse inkomens- en vermogensafhankelijke regelingen. Daarom bevat het wetsvoorstel onder meer formeelrechtelijke maatregelen om die doorwerking te voorkomen. De doorwerking naar de inkomenstoetsen voor inkomensafhankelijke regelingen wordt niet voorkomen, maar gefinancierd uit de tariefsverhoging in box 3.2. Structurele aanpassing box 3Bij invoering van de box 3-heffing in 2001 werd uitgegaan van een forfaitair rendement van 4% van de grondslag sparen en beleggen. Naarmate de spaarrentes daalden, nam het maatschappelijk ongenoegen over de box 3-heffing steeds meer toe. Vooral kleine spaarders worden geconfronteerd met een belastingdruk op de inkomsten uit vermogen die ver uitstijgt boven hun werkelijke rendement.De Hoge Raad heeft op 14 juni 2019 geoordeeld dat voor de jaren 2013 en 2014 de heffing van box 3 op stelselniveau een schending oplevert van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) indien het nominaal zonder (veel) risico’s gemiddeld haalbare rendement voor de jaren 2013 en 2014 lager is dan 1,2 procent. (zie noot 3) De Hoge Raad oordeelt tevens dat in dit rechtstekort slechts kan worden voorzien door keuzes te maken op stelselniveau. Nu die keuzes niet voldoende duidelijk uit het stelsel van de wet volgen, is de wetgever aan zet. (zie noot 4)Op 6 september 2019 heeft de toenmalige Staatssecretaris van Financiën de contouren geschetst van een aangepaste box 3-heffing vanaf 1 januari 2022. De huidige Staatssecretaris van Financiën heeft in een brief aan de Tweede Kamer van 26 juni 2020 geschreven dat het voorstel van 6 september 2019 leidt tot onevenwichtigheden, en dat het kabinet zal onderzoeken welke mogelijkheden er op de langere termijn zijn voor een hervorming van het box 3-stelsel. (zie noot 5) Hij licht toe dat dit fundamentele wijzigingen in de structuur van het stelsel zijn die meer tijd kosten, omdat de Belastingdienst in de gelegenheid moet worden gesteld om deze wijzigingen door te voeren in de systemen en te implementeren. In een algemeen overleg van 23 juni 2020 heeft de huidige staatssecretaris van Financiën aangegeven, dat hij denkt aan een termijn van tien jaar voordat de heffing in box 3 kan plaatsvinden op basis van het werkelijke rendement. (zie noot 6)Uit het voorgaande volgt dat de wetgever een structurele aanpassing voor de box 3-heffing dus (weer/verder) voor zich uitschuift. Dit tast het maatschappelijke draagvlak voor de box 3-heffing en de geloofwaardigheid van de wetgever ernstig aan en zal het maatschappelijke ongenoegen over de box 3-heffing niet wegnemen. Vooral ook omdat de Hoge Raad heeft beslist dat het op het pad van de wetgever ligt op stelselniveau in een rechtstekort te voorzien.De Afdeling adviseert daarom inzicht te geven in wat op kortere termijn en binnen welk tijdsbestek wel mogelijk is en in hoe de op langere termijn te realiseren hervorming van het box 3-stelsel, dat op stelselniveau recht doet aan voornoemde bezwaren, eruit gaat zien.3. Niet doorwerken van de verhoging heffingvrije vermogenHet niet doorwerken van de verhoging van het heffingvrije vermogen naar diverse inkomens- en vermogensafhankelijke regelingen noodzaakt tot formeelrechtelijke wijzigingen, aanpassing van een groot aantal wetten en het leidt tot complicaties bij de uitvoering. De Afdeling maakt hierover de volgende opmerkingen.a. Geharmoniseerd begrippenkaderVanaf de introductie van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) is voor inkomensafhankelijke regelingen waarvan de aanspraak op een tegemoetkoming mede afhankelijk is gesteld van het vermogen het volgende bepaald. Er bestaat geen aanspraak op een tegemoetkoming, indien - kort gezegd - over het berekeningsjaar voordeel uit sparen en beleggen als bedoeld in artikel 5.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) in aanmerking wordt genomen. Er werd belang gehecht aan harmonisatie van begrippen. Dit bevordert namelijk de transparantie van de inkomensafhankelijke regelingen voor burgers en beleidsmakers. Ook maakt transparantie van begrippen het eenvoudiger om de effecten van het gebruik van verschillende inkomensafhankelijke regelingen en het effect van inkomenspolitieke maatregelen te meten. (zie noot 7) Specifiek voor de vermogenstoets is opgemerkt dat volledige harmonisatie met uitsluitend het box-3-vermogen ertoe leidt dat de uitvoering effectiever en efficiënter kan plaatsvinden en een verzwaring van de uitvoeringslast voor alle betrokkenen voorkomt. (zie noot 8)De voorgestelde wijziging, die noopt tot het introduceren van een tweetal beschikkingen in de inkomstenbelasting, maakt dat de oorspronkelijke harmonisatie deels wordt losgelaten en dat het geheel complexer wordt. Daaraan wordt in de toelichting onvoldoende aandacht besteed.De Afdeling adviseert om in de toelichting te motiveren waarom de argumenten die destijds werden gehanteerd om te komen tot een geharmoniseerd begrippenkader thans geen opgeld meer doen.b. Uitvoeringstoets BelastingdienstBij het voorstel is een kritische uitvoeringstoets van de Belastingdienst gevoegd. De Belastingdienst wijst onder meer op ingrijpende gevolgen bij de maakbaarheid van de informatievoorzieningssystemen, omdat in de systemen voor de inkomensheffing ingrijpende aanpassingen nodig zijn om voor de afnemers van de vermogensgegevens de juiste vermogens te kunnen blijven vaststellen. Dit heeft volgens de uitvoeringstoets vier consequenties. Ten eerste moeten de geplande werkzaamheden voor het Elektronisch Berichten Verkeer naar een later moment worden doorgeschoven. Ten tweede betekent dit dat er vanaf half 2021 tot en met het eerste kwartaal van 2022 (buiten parameteraanpassingen) geen ruimte is om nieuwe, aanvullende wijzigingen in de systemen voor de inkomensheffing door te voeren. Ten derde zijn de risico’s op procesverstoringen groot. Ten vierde is een risico verbonden aan doorwerking van de maatregel in het portfolio voor de inkomensheffing.De enkele constatering in de toelichting dat de Belastingdienst de maatregel uitvoerbaar acht per de voorgestelde datum van inwerkingtreding, doet hieraan onvoldoende recht. (zie noot 9)De Afdeling adviseert in de toelichting meer inhoudelijk in te gaan op de uitvoeringstoets van de Belastingdienst.c. GegevensverwerkingHet voorstel regelt, ter voorkoming van ongewenste doorwerking van de verhoging van het heffingvrije vermogen naar de vermogenstoets voor diverse inkomens- en vermogensafhankelijke regelingen, dat belastingplichtigen aangifte inkomstenbelasting moeten doen en daarin informatie moeten geven over de waarde van hun box 3 bezittingen en schulden. Die verplichting geldt ook als zij geen belastbaar box 3-inkomen hebben en zelfs als zij waarschijnlijk geen inkomstenbelasting verschuldigd zijn. (zie noot 10) In de aangifte worden fiscaal relevante persoonsgegevens opgevraagd. Deze gegevensverwerking dient enerzijds het (nieuwe) doel om inzicht te verkrijgen in het vermogen van belastingplichtigen, zodat de levering van een vermogensgegeven wordt gecontinueerd aan uitvoerders van inkomensafhankelijke regelingen.Anderzijds worden de gegevens gebruikt voor controledoeleinden in het kader van de belastingheffing en beoordeling van de vraag of toch nog inkomstenbelasting verschuldigd zal zijn. (zie noot 11) De toelichting toetst deze gegevensverwerking aan het EVRM en de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). (zie noot 12) Ten aanzien van de AVG wordt volstaan met de opmerking dat voor deze verwerking nu een wettelijke grondslag wordt geboden, en dat dit in combinatie met goede voorlichting ervoor zorgt dat het proces en de doelen ervan voor iedereen inzichtelijk, transparant en rechtmatig zijn (zie noot 13).Uit de toelichting blijkt niet in hoeverre de gegevensverwerking verder voldoet aan de AVG. De Afdeling acht het daarom aangewezen de toelichting met betrekking tot de AVG aan te vullen. In het bijzonder wijst de Afdeling op het gemotiveerd toelichten van de juiste grondslag. (zie noot 14) Ook dient de toelichting in te gaan op de algemene beginselen van de AVG. (zie noot 15) Met name wijst de Afdeling op de beginselen van doelbinding en van minimale gegevensverwerking, nu in ieder geval een gedeelte van de belanghebbenden zonder de uitbreiding van de verplichting om aangifte te doen geen aangifte (meer) had hoeven doen en dus geen gegevens had hoeven verstrekken. (zie noot 16)De Afdeling adviseert de toelichting op dit punt aan te vullen.d. Uitvragen gegevens via het aangiftebiljet inkomstenbelastingZoals hiervoor beschreven moeten belastingplichtigen aangifte inkomstenbelasting doen, als ze een vermogen hebben van meer dan € 31.340 (op 1 januari 2021) ook als dat leidt tot een nihil aanslag inkomstenbelasting en informatie die zij in de aangifte moeten opnemen over de waarde van hun box 3 bezittingen en schulden niet relevant is voor de vaststelling van de verschuldigde belasting.Het doel van een belastingaangifte is om de belastingschuld te kunnen vaststellen. Met dit wetsvoorstel worden aanpassingen voorgesteld in de Wet IB 2001 en in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, voor doelen die liggen buiten de inkomstenbelastingheffing en zelfs niets van doen hebben met de rijksbelastingen. Het doel is om informatie op te halen voor partijen die nu ook al afnemer van een gegeven van de Belastingdienst zijn, maar met dien verstande dat het op dit moment gaat om een gegeven dat door de Belastingdienst al wordt vastgesteld ten behoeve van de aanslag inkomstenbelasting. Vanaf 2021 krijgt de Belastingdienst uitdrukkelijk een nieuwe taak. De dienst moet andere gegevens aan afnemers gaan leveren. Om dat te kunnen realiseren moet de Belastingdienst behoorlijke investeringen doen in de ICT-systemen en moet de Belastingdienst mensen gaan uitnodigen om aangifte inkomstenbelasting te doen of gegevens voor box 3 in te vullen, ook als daarover geen belasting is verschuldigd.Volgens de toelichting is dit nodig, omdat er tot op heden geen andere vermogensuitvraag is waarop de uitvoeringsorganisaties zich kunnen baseren. (zie noot 17)Een nadere motivering en een afweging van de voor- en nadelen die samenhangen met de principiële vraag of in belastingaangiften zaken moeten kunnen worden uitgevraagd die niet noodzakelijk zijn voor de vaststelling van de verschuldigde belasting, ontbreekt echter. Dit is een discussie die breder zou moeten worden gevoerd dan voor specifiek deze situatie. Het speelt te meer daar waar in de aangifte verzamelde gegevens breder worden gedeeld en afnemers graag andere informatie zouden ontvangen dan nu kant en klaar uit de aangiften kan worden opgelepeld. (zie noot 18)Het wetsvoorstel introduceert een verplichting om gegevens te overleggen waarvan de kennisneming voor de vaststelling van de beschikking bedrag rendementgrondslag en de beschikking bedrag groen beleggen van belang kunnen zijn. (zie noot 19) De toelichting besteedt echter geen aandacht aan de vraag hoe de inspecteur kan afdwingen dat de correcte gegevens in de aangifte staan en de informatie wordt overlegd, als dat niet van invloed is op de verschuldigde belastingDe Afdeling adviseert de toelichting op deze punten aan te vullen en zo nodig het voorstel aan te passen.e. Tot slotTot slot merkt de Afdeling nog het volgende op. Het voordeel in de inkomstenbelasting van deze wetswijziging voor belastingplichtigen bedraagt maximaal € 106 per belastingplichtige. (zie noot 20) Volgens de toelichting zou met de doorwerking van de verhoging van het heffingvrije vermogen naar diverse inkomens- en vermogensafhankelijke regelingen, zonder dat in die regelingen een aanpassing plaatsvindt, een budgettair beslag van ongeveer € 400 miljoen gemoeid zijn. Ook met de doorwerking naar eigen bijdragen aan (bijvoorbeeld) een zorginstelling zou een budgettair beslag gemoeid zijn. De regering ziet dit als ongewenste neveneffecten van de verhoging van het heffingvrije vermogen. (zie noot 21)Om deze neveneffecten te voorkomen worden wijzigingen in een groot aantal wetten voorgesteld en aantal formeelrechtelijke wijzigingen die leiden tot complicaties bij de uitvoering door de Belastingdienst. De complicaties doen zich versterkt voor bij belastingplichtigen met een vermogen tussen de € 31.340 en € 50.000. Het beperkte maximale voordeel van € 106 en alle wijzigingen en complicaties die worden opgeroepen door de wens om vervolgens de neveneffecten van de verhoging van het heffingvrije vermogen te voorkomen, roept vragen op over de afwegingen die in het wetsvoorstel zijn gemaakt. Met name of er geen andere mogelijkheden zijn om de kleinere spaarders tegemoet te komen zonder dat dit leidt tot de hiervoor genoemde wijzigingen en complicaties.De Afdeling adviseert in het licht van het voorgaande de gemaakte afwegingen te heroverwegen.4. De Afdeling verwijst naar de bij dit advies behorende redactionele bijlage.De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal bezwaren bij het voorstel en adviseert het voorstel niet bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal in te dienen, tenzij het is aangepast.De vice-president van de Raad van StateRedactionele bijlage bij het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State betreffende no.W06.20.0297/III- De wettekst van artikel I, onderdeel B, artikel 5.2, eerste lid, Wet IB 2001 en de memorie van toelichting, paragraaf 3, eerste tekstblok en de artikelsgewijze toelichting bij artikel VI en VII wat betreft de verdeling van de rendementsklassen en de schijfgrenzen met elkaar in overeenstemming brengen.- De wettekst van artikel I, onderdeel D, artikel 9.4, eerste lid, onderdeel c, en artikel I, onderdeel E, artikel 9.4a, derde en vijfde lid, en de artikelsgewijze toelichtingen op die bepalingen wat betreft de beschikking bedrag aan groene beleggingen met elkaar in overeenstemming brengen.- Artikel I, onderdeel E, artikel 9.4a, vierde lid, Wet IB 2001 aanvullen dan wel in de memorie van toelichting aanvullen waarom wordt afgeweken van de systematiek bij herziening zoals die elders wordt gehanteerd (zie artikel 3.54, zevende en achtste lid, artikel 3.119b, vierde lid, artikel 3.151, zesde lid, artikel 4.37, tweede en derde lid, artikel 4.50, zesde lid, en artikel 6.2a, vijfde lid, Wet IB 2001).- Toelichten uit welke wettelijke bepaling volgt dat buitenlands belastingplichtigen niet standaard een beschikking rendementsgrondslag ontvangen (vgl. memorie van toelichting, paragraaf 2, negende tekstblok en artikelsgewijze toelichting bij artikel I, onderdeel E, derde alinea).- In artikel VIII, onderdeel A "de rendementsgrondslag, bedoeld in artikel 5.3 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001;" vervangen door "de rendementsgrondslag, bedoeld in artikel 5.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001;".- In artikel IX, onderdeel A "bedoeld in artikel 5.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001" vervangen door "gemiddelde rendementsgrondslag, bedoeld in artikel 5.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001" en "bedoeld in artikel 5.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001" vervangen door "rendementsgrondslag, bedoeld in artikel 5.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001".
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wet C02-heffing industrie.
Bij Kabinetsmissive van 1 september 2020, no.2020001668, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Financiën, mede namens de Minister van Economische Zaken en Klimaat, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Wet belastingen op milieugrondslag en de Wet Milieubeheer voor de invoering van een CO2-heffing voor de industrie (Wet CO2-heffing industrie), met memorie van toelichting.Het voorstel is onderdeel van het fiscale pakket voor het jaar 2021, samen met de wetsvoorstellen: Belastingplan 2021, Overige fiscale maatregelen 2021, Verbetering uitvoerbaarheid toeslagen, Wijziging van de Wet opslag duurzame energie- en klimaattransitie in verband met de vaststelling van tarieven voor de jaren 2021 en 2022, Aanpassing box 3, Differentiatie overdrachtsbelasting en Eenmalige huurverlaging huurders met lager inkomen.Het wetsvoorstel regelt de invoering van een belastingheffing voor de emissie van broeikasgassen (waaronder CO2) door de industrie met ingang van 1 januari 2021. De belastingheffing heeft niet als doel om belastingopbrengst te genereren, maar dient als aanvulling op het Europese systeem van emissiehandel (EU ETS). (zie noot 1) Doel is te borgen dat de CO2-reductiedoelstelling voor de industrie uit het Klimaatakkoord (van 14,3 Mton ten opzichte van het PBL (zie noot 2)-basispad in 2030) wordt gerealiseerd, zonder het gelijke speelveld met omringende landen te zeer aan te tasten. Het effectieve belastingtarief is daarom voor zogenoemde ETS-uitstoot het wettelijke tarief verminderd met de EU ETS-prijs. Het wettelijke tarief start relatief laag en loopt met de tijd op. De belasting wordt geheven over de emissie in een jaar, waarbij een deel van emissies is vrijgesteld.Daarnaast wijzigt het wetsvoorstel de belastingplicht voor de minimum CO2-prijs elektriciteitsopwekking.De Afdeling advisering van de Raad van State maakt opmerkingen over de doelmatigheid en doeltreffendheid van het wetsvoorstel, over de systematiek van deze heffing en de belastingplicht voor de minimum CO2-prijs elektriciteitsopwekking, en over de verhouding tot het Unierecht. In verband daarmee is aanpassing wenselijk van het wetsvoorstel en de toelichting.1. Achtergrond en inhoud wetsvoorstela. AchtergrondIn het Klimaatakkoord van 28 juni 2019 hebben overheden, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties samen afspraken gemaakt over welke maatregelen ze de komende 10 jaar gaan nemen. Elke sector stelt zijn eigen doelen en neemt zelf maatregelen om de CO2-uitstoot te verminderen. (zie noot 3) Voor de sector industrie is afgesproken dat de gezamenlijke inzet van overheid en bedrijfsleven bestaat uit onder andere acht elementen waarvan "een prijsprikkel in de vorm van een verstandige CO2-heffing" er één is. (zie noot 4) In het Klimaatakkoord staat:"Er komt een nationale CO2-heffing die borgt dat 14,3 Mton uitstootreductie ten opzichte van het basispad in 2030 wordt gerealiseerd en wordt uitgekomen op een reductie van 14,3 Mton ten opzichte van het PBL-basispad. De CO2-heffing wordt zo vormgegeven dat:1. de integrale beleidsaanpak maximaal aanzet tot het behalen van het reductiedoel (14,3 Mton ten opzichte van het basispad);2. tegelijkertijd zoveel mogelijk voorkomen wordt dat bedrijven en/of productie naar het buitenland vertrekken of investeringsbereidheid in Nederland reduceert;a. Het betreft een door de overheid vastgestelde, objectieve CO2-heffing op basis van verifieerbare maatstaven die maximaal aansluit op de Europese ETS-benchmarks die nu al door de NEa worden toegepast;b. Geen verdere aanpassing van budgettaire kaders." (zie noot 5)In het Klimaatakkoord zijn verder uitgangspunten opgenomen waaraan de CO2-heffing moet voldoen, bijvoorbeeld op het gebied van de heffingsgrondslag en het vaststellen van het belastingtarief.De CO2-heffing industrie is nadrukkelijk bedoeld als een borgingsmechanisme om de beoogde CO2-reductie te realiseren. Volgens de toelichting zou het EU ETS in zijn huidige vormgeving onvoldoende zijn om de doelen van het Akkoord van Parijs te realiseren. In de toelichting wordt opgemerkt dat het kabinet tegelijkertijd blijft inzetten op een versterking van het EU ETS, omdat een Europees systeem, met een gelijke CO2-prijs in alle EU-lidstaten, de voorkeur geniet boven het unilateraal voeren van beprijzingsbeleid. (zie noot 6)De minister van Economische Zaken en Klimaat heeft in een brief van 19 juni 2020 aan de Tweede Kamer benadrukt dat de CO2-heffing industrie een belangrijk onderdeel is van het maatregelenpakket gericht op verduurzaming van de industrie. Hij schrijft dat het kabinet kiest voor een voorzichtige start van de heffing waarbij bedrijven in de beginjaren relatief veel dispensatierechten (vrijgestelde emissie) toegekend krijgen ten opzichte van de feitelijke uitstoot, maar dat het reductiedoel voor 2030 gehandhaafd blijft, zodat de industrie hiermee rekening zal houden in investeringsbeslissingen. (zie noot 7)Het wetsvoorstel is een uitwerking van de genoemde afspraken in het Klimaatakkoord.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Ontwerp-Miljoenennota 2021.
Bij Kabinetsmissive van 1 september 2020, no.2020001638, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Financiën, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerp-Miljoenennota 2021 en Septemberrapportage OBT, met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Vaststelling van de begrotingsstaat van het Ministerie van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking (XVII) voor het jaar 2021.
Bij Kabinetsmissive van 2 september 2020, no.2020001655, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, mede namens de Minister van Financiën, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot vaststelling van de begrotingsstaat van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking (XVII) voor het jaar 2021, met memorie van toelichting.De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen opmerkingen bij het voorstel en adviseert het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal in te dienen.Gelet op artikel 26, zesde lid jo vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, adviseert de Afdeling dit advies openbaar te maken.De vice-president van de Raad van StateNader rapport (reactie op het advies) van 14 september 2020IB. Beantwoording blanco adviesBlijkens het bijgaande advies kan de Afdeling advisering van de Raad van State zich verenigen met bovenvermelde begroting.II. Nadere wijzigingenInmiddels is het noodzakelijk gebleken in bovenvermelde begroting een aantal wijzigingen/aanpassingen aan te brengen.1. Verwerking CPB cijfers (MEV 2019)De wijzigingen/aanpassingen betreffen de verwerking van de definitieve cijfers van het Centraal Planbureau (rapport Macro Economische Verkenning 2019) in het artikel 5 Multilaterale samenwerking en overige inzet.De memorie van toelichting is met deze wijzigingen in overeenstemming gebracht.Het totaal van de uitgaven komt daarmee op € 3.064.088.000 (was € 3.049.987.000).Het totaal van de verplichtingen en ontvangsten verandert niet.De Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van de Wet maatregelen woningmarkt 2014 II en de Woningwet (verplichte huurverlaging toegelaten instellingen).
Bij Kabinetsmissive van 31 augustus 2020, no.2020001672, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, mede namens de Staatssecretaris van Financiën, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het wijziging van de Wet maatregelen woningmarkt 2014 II en de Woningwet (verplichte huurverlaging toegelaten instellingen), met memorie van toelichting.Het wetsvoorstel strekt ertoe dat huurders met een laag inkomen en hoge huur eenmalig een verzoek tot huurverlaging kunnen indienen bij de woningcorporatie. Achtergrond van het voorstel is dat er, ondanks het zogenoemde ‘passend toewijzen’, huurders zijn waarbij de huur te hoog is in verhouding met hun inkomen. Daarnaast bevat het voorstel een verlaging van de verhuurdersheffing.De Afdeling advisering van de Raad van State begrijpt de zorgen van de regering voor de problemen van huurders met een laag inkomen en een in verhouding daarmee te hoge huur. Het voorstel schiet echter dusdanig tekort dat daarover niet positief kan worden geadviseerd.Het voorstel leidt ten eerste tot arbitraire effecten. Deze regeling leidt tot langdurige ongelijke behandeling tussen huurders die hier wel en niet gebruik van kunnen maken. Woningcorporaties en particuliere verhuurders krijgen een korting op de verhuurderheffing, maar alleen woningcorporaties zijn in het voorstel verplicht tot huurverlaging. Ten tweede kan de regeling bij gebreke van betrouwbare gegevens niet goed worden uitgevoerd. Dit werkt onevenwichtige uitkomsten in de hand.Ten derde wijst de Afdeling op de nodige financiële risico’s voor de woningcorporaties, in het bijzonder voor de verschillende wijze waarop deze kunnen neerslaan tussen corporaties, mede in het licht van de vraag of zij voldoende middelen beschikken om alle maatschappelijke opgaven tot en met 2035 uit te voeren. Tot slot merkt de Afdeling op dat het aanbeveling verdient om te onderzoeken hoe de middelen die voor dit beleidsdoel beschikbaar worden gesteld, op een effectiever wijze kunnen worden ingezet voor het bereiken van de beleidsdoelen.1. Nut en noodzaakHet Sociaal Huurakkoord is er op gericht voor verschillende groepen zittende huurders met een structureel laag inkomen en met een voor dat inkomen hoge huur te voorzien in huurverlaging of -bevriezing. (zie noot 1) Anders dan in het Sociaal Huurakkoord is in het voorstel gekozen voor een eenmalig recht op een huurverlaging in plaats van een huurbevriezing. De reden om woningcorporaties te verplichten hieraan mee te werken, is om de achterliggende doelen van het Sociaal Huurakkoord sneller te bereiken. De gevolgen van de corona-crisis en de onzekerheid waarmee dit is omgeven versterken deze wens. (zie noot 2) Het wetsvoorstel gaat daarnaast op twee punten verder dan het Sociaal Huurakkoord: er wordt een hogere inkomensgrens gehanteerd, en de huur wordt sterker verlaagd (kort gezegd de aftoppingsgrens in plaats van de huurtoeslaggrens). (zie noot 3) Uit de toelichting blijkt echter niet dat er indicaties zouden zijn dat de afspraken uit het Sociaal Huurakkoord niet of in onvoldoende mate tot de beoogde resultaten zouden leiden.De Afdeling acht onvoldoende gemotiveerd waarom de voorgestelde maatregel voor een grotere groep huurders moet gaat gelden door het hanteren van de hogere inkomensgrens en de verlaging tot een aanzienlijk lager bedrag plaatsvindt door het hanteren van de aftoppingsgrens. De toelichting vermeldt in dit verband niet meer dan dat dit gebeurt met het oog op de betaalbaarheid. (zie noot 4) Enige motivering waarom deze aanpassingen nodig zijn om de betaalbaarheid te garanderen ontbreekt.In de toelichting wordt mede gerefereerd aan de gevolgen van de corona-crisis. (zie noot 5) De Afdeling begrijpt dat veel mensen thans met aanzienlijke inkomensachteruitgang worden geconfronteerd, ook al zijn er verschillende ad hoc maatregelen getroffen, zoals de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (TOZO) en dergelijke. In veel van die gevallen moet er echter van uit worden gegaan dat de gevolgen van de corona-crisis voor het inkomen van tijdelijke aard zullen zijn. De Afdeling wijst daarbij op het wetsvoorstel Wet tijdelijke huurkorting. (zie noot 6) In dat wetsvoorstel is, mede in verband met de corona-crisis, voorzien in de mogelijkheid van tijdelijke huurkortingen. Niet duidelijk is waarom met betrekking tot de corona-problematiek niet met die regeling voor tijdelijke huurverlaging zou kunnen worden volstaan.De Afdeling acht het voorstel problematisch, nu de gevolgen van de voorgestelde regeling niet tijdelijk zijn: voor de huurders die ervoor in aanmerking komen is de huurverlaging permanent zolang zij in de woning blijven wonen, ongeacht of zij na afloop van de crisis weer een hoger inkomen genieten. De Afdeling ziet niet in waarom een groep huurders die tijdelijk met een inkomensachteruitgang wordt geconfronteerd, in aanmerking zou moeten komen voor een permanente huurverlaging in weerwil van de bestaande systematiek dienaangaande. Dit leidt tot een arbitraire, ongelijke behandeling ten opzichte van huurders met een vergelijkbaar inkomen die niet voor de huurverlaging in aanmerking komen, omdat zij niet worden geconfronteerd met een tijdelijke inkomensachteruitgang of pas later (als de regeling alweer gestopt is).Deze permanente gevolgen leiden ook tot averechtse effecten. Ten aanzien van huurders die voor deze huurvermindering in aanmerking komen en nadien (weer) een hoger inkomen genieten, betekent dit dat zij langdurig een voor hun inkomen te lage huur betalen. De problematiek van scheefwonen wordt daardoor verergerd. Ook kan het voorstel, doordat de drempel om te verhuizen hoger wordt, een negatieve invloed hebben op de arbeidsmobiliteit. 2. Vaststelling hoogte inkomenHuurders met een huishoudinkomen dat niet hoger is dan het op grond van artikel 14, eerste en tweede lid, van de Wet op de huurtoeslag toepasselijke bedrag, kunnen op grond van het voorstel een verzoek tot huurverlaging indienen bij de verhuurder. Bij het verzoek dient de huurder bewijsstukken te voegen waaruit zijn huishoudinkomen over de zes kalendermaanden voorafgaand aan het verzoek blijkt, alsmede een door hem opgestelde en ondertekende verklaring over de samenstelling van zijn huishouden. Op grond van deze bewijsstukken moet de woningcorporatie een voorstel doen tot huurverlaging.a. GegevensUit de toelichting blijkt dat de Belastingdienst niet in staat is om op korte termijn op verzoek van de woningcorporatie een verklaring te geven over het huishoudinkomen van huurders ten behoeve van deze huurverlaging; dat zou een nieuwe taak zijn voor de Belastingdienst waarvoor eerst een geautomatiseerd systeem opgezet zou moeten worden. (zie noot 7)De Afdeling begrijpt dat de Belastingdienst niet in staat is om de voor deze regeling relevante gegevens beschikbaar te stellen. Niet alleen zou zulks ingewikkelde automatisering vergen, maar ook moet worden bedacht dat de Belastingdienst betreffende een periode van een half jaar maar beperkt beschikking heeft over actuele en relevante gegevens. Waar het gaat om loongegevens zou een en ander realiseerbaar kunnen zijn, maar waar het gaat om inkomsten uit flexibele arbeid, onderneming of vermogen zijn dergelijke gegevens op halfjaarbasis niet voorhanden. Pas na afloop van een kalenderjaar en nadat het proces van aangifte en aanslag is afgerond beschikt de Belastingdienst over betrouwbare gegevens over het inkomen.Het gevolg hiervan is dat de verhuurder in veel gevallen niet of nauwelijks mogelijkheden heeft om te verifiëren of de door de huurder aangeleverde gegevens juist zijn en of terecht een verzoek wordt gedaan tot huurverlaging. (zie noot 8) Dit werkt onevenwichtige uitkomsten in de hand.b. HuurcommissieIndien huurder en verhuurder niet gezamenlijk tot een oplossing komen, kan de kwestie worden voorgelegd aan de Huurcommissie, maar die zal vervolgens met hetzelfde probleem te kampen hebben. Zonder betrouwbare en actuele gegevens omtrent het inkomen kan de Huurcommissie moeilijk een uitspraak doen die op objectieve gegevens is gebaseerd.Daar komt bij dat de Huurcommissie veel kennis en ervaring heeft op het gebied van de hoogte van de huren (en het puntenstelsel) maar minder op het gebied van de vaststelling van het inkomen. De Huurcommissie zal die dan ook op zeer korte termijn moeten ontwikkelen. Nu het volgens de toelichting naar verwachting om bijna 5000 zaken zal gaan, is dit een majeure operatie.De Afdeling acht een probleemloze implementatie door de Huurcommissie dan ook bepaald niet vanzelfsprekend en heeft in het licht hiervan een uitvoeringstoets van de Huurcommissie node gemist.c. CorrectieBij inkomensafhankelijke regelingen is bovendien meestal voorzien in correctiemechanismen indien achteraf blijkt dat het inkomen hoger of lager is dan eerder werd aangenomen. Op die manier kunnen onzekerheden later worden geredresseerd. In de voorgetelde regeling ontbreekt een dergelijk mechanisme. Daardoor blijft een huurverlaging van kracht ook als dat die verlaging ten onrechte heeft plaatsgevonden omdat van onjuiste inkomensgegevens is uitgegaan.3. Financiële gevolgenHet voorstel leidt voor woningcorporaties tot een derving aan huurinkomsten van ongeveer € 160 miljoen. Ter compensatie wordt de verhuurderheffing verlaagd. Dat levert voor de woningcorporaties gezamenlijk een lastenverlaging van € 131 miljoen op. Dit betekent dat per saldo € 31 miljoen van de huurverlaging door de woningcorporaties zelf opgevangen moet worden.Daar komt bij dat, zoals ook in de toelichting wordt onderkend, de effecten voor individuele woningcorporaties veel groter kunnen zijn, nu zowel de effecten van de huurverlaging als die van de compensatie via de verhuurderheffing zeer ongelijk zijn verdeeld. (zie noot 9)Uit het onderzoek Opgaven en middelen woningcorporaties waarin de verhouding tussen de opgaven en de financiële mogelijkheden voor corporaties is bezien, blijkt dat corporaties over onvoldoende middelen beschikken om alle maatschappelijke opgaven tot en met 2035 op te pakken. (zie noot 10) Bij handhaving van het huidige beleid en bij het volledig uitvoeren van de berekende maatschappelijke opgave, ontstaan vanaf 2024 op regionaal niveau financiële knelpunten en is er vanaf 2028 sprake van een sectorbreed tekort, zo is berekend. Tegen die achtergrond is het de Afdeling niet duidelijk waarom de gevolgen van het voorstel voor woningcorporaties aanvaardbaar worden geacht.Ten slotte wijst de Afdeling erop, dat de huurverlagingsregeling niet geldt voor particuliere verhuurders van woningen in het gereguleerde segment, maar dat een deel van deze verhuurders wel profiteert van de vermindering van de verhuurderheffing. (zie noot 11) De Afdeling ziet niet in waarom deze verhuurders voor dat voordeel in aanmerking zouden moeten komen.Tot slot merkt de Afdeling op, dat in het licht van hetgeen in dit advies is opgemerkt, het aanbeveling verdient om te onderzoeken hoe de middelen die voor dit beleidsdoel beschikbaar worden gesteld, op een effectiever wijze kunnen worden ingezet.4. ConclusieGelet op het voorgaande concludeert de Afdeling dat nut en noodzaak van de regeling niet zijn aangetoond, terwijl deze wel leidt tot langdurige ongelijke behandeling tussen huurders die hier wel en niet gebruik van kunnen maken. Daarnaast brengt de regeling aanzienlijke uitvoeringproblemen mee, zowel voor verhuurders als voor de Huurcommissie vanwege een gebrek aan betrouwbare gegevens. Ten slotte acht de Afdeling de financiële gevolgen voor woningcorporaties niet evenwichtig.5. De Afdeling verwijst naar de bij dit advies behorende redactionele bijlage.De Afdeling advisering van de Raad van State heeft ernstige bezwaren tegen het voorstel en adviseert het niet bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal in te dienen.De vice-president van de Raad van StateRedactionele bijlage bij het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State betreffende no.W04.20.0292/I- Nader bezien hoe de regeling voor tijdelijke huurverlaging in het wetsvoorstel Wet tijdelijke huurkorting (zie noot 12) zich verhoudt tot de thans voorgestelde regeling, bijvoorbeeld ten aanzien van de vraag of huurverlaging op grond van de voorgestelde regeling kan worden gevraagd indien de huur al tijdelijk is verlaagd.Nader rapport (reactie op het advies) van 15 september 2020
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Vaststelling van de begrotingsstaat van de overige Hoge Colleges van Staat, Kabinetten van de Gouverneurs en de Kiesraad (IIB) voor het jaar 2021.
Bij Kabinetsmissive van 2 september 2020, no.2020001641, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, mede namens de Minister van Financiën, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot vaststelling van de begrotingsstaat van de overige Hoge Colleges van Staat, Kabinetten van de Gouverneurs en de Kiesraad (IIB) voor het jaar 2021, met memorie van toelichting.De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen opmerkingen bij het voorstel en adviseert het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal in te dienen.Gelet op artikel 26, zesde lid jo vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, adviseert de Afdeling dit advies openbaar te maken.De vice-president van de Raad van State
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Vaststelling van de begrotingsstaten van Koninkrijksrelaties (IV) en het BES-fonds (H) voor het jaar 2021.
Bij Kabinetsmissive van 1 september 2020, no.2020001643, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, mede namens de Minister van Financiën, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot vaststelling van de begrotingsstaten van Koninkrijksrelaties (IV) en het BES-fonds (H) voor het jaar 2021, met memorie van toelichting.De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen opmerkingen bij het voorstel en adviseert het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal in te dienen.Gelet op artikel 26, zesde lid jo vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, adviseert de Afdeling dit advies openbaar te maken.De vice-president van de Raad van State
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (XVI) voor het jaar 2021.
Bij Kabinetsmissive van 2 september 2020, no.2020001654, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, mede namens de Minister van Financiën, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot vaststelling van de begrotingsstaten van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (XVI) voor het jaar 2021, met memorie van toelichting.De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen opmerkingen bij het voorstel en adviseert het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal in te dienen.Gelet op artikel 26, zesde lid jo vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, adviseert de Afdeling dit advies openbaar te maken.De vice-president van de Raad van State
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII) voor het jaar 2021.
Bij Kabinetsmissive van 1 september 2020, no.2020001647, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, mede namens de Minister van Financiën, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot vaststelling van de begrotingsstaten van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII) voor het jaar 2021, met memorie van toelichting.De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen opmerkingen bij het voorstel en adviseert het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal in te dienen.Gelet op artikel 26, zesde lid jo vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, adviseert de Afdeling dit advies openbaar te maken.De vice-president van de Raad van State
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (XIII) voor het jaar 2021.
Bij Kabinetsmissive van 2 september 2020, no.2020001651, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Economische Zaken en Klimaat, mede namens de Minister van Financiën, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot vaststelling van de begrotingsstaten van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat (XIII) voor het jaar 2021, met memorie van toelichting.De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen opmerkingen bij het voorstel en adviseert het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal in te dienen.Gelet op artikel 26, zesde lid jo vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, adviseert de Afdeling dit advies openbaar te maken.De vice-president van de Raad van State
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wet differentiatie overdrachtsbelasting.
Bij Kabinetsmissive van 31 augustus 2020, no.2020001670, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Financiën, mede namens de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (Wet differentiatie overdrachtsbelasting), met memorie van toelichting.Het voorstel is onderdeel van het fiscale pakket voor het jaar 2021 samen met de wetsvoorstellen: Belastingplan 2021, Overige fiscale maatregelen 2021, CO2-heffing industrie, Verbetering uitvoerbaarheid toeslagen, Wijziging van de Wet opslag duurzame energie- en klimaattransitie in verband met de vaststelling van tarieven voor de jaren 2021 en 2022, Aanpassing box 3 en Eenmalige huurverlaging huurders met lager inkomen.Het wetsvoorstel regelt een nadere differentiatie in de overdrachtsbelasting. Het algemene tarief wordt verhoogd tot 8%. Het huidige lage belastingtarief van 2% voor woningen geldt vanaf 1 januari 2021 alleen nog voor verkrijgers die daadwerkelijk in de woning gaan wonen. Als de verkrijger op het moment van de verkrijging meerderjarig is, maar jonger dan vijfendertig jaar, en voldoet aan de voorwaarden voor het 2%-tarief gaat voor een periode van vijf jaar een eenmalige vrijstelling gelden.De Afdeling advisering van de Raad van State maakt opmerkingen over de doelmatigheid van de maatregelen, de handhaafbaarheid en over de evaluatie van de vrijstelling. In verband daarmee dient het wetsvoorstel nader te worden overwogen.1. Inhoud en doel van het voorstelMet ingang van 1 januari 2021 wordt het algemene tarief van de overdrachtsbelasting 8%. (zie noot 1) Het voorstel regelt verder dat het huidige tarief van 2% voor woningen vanaf 1 januari 2021 alleen nog geldt voor de verkrijging van een woning, als de verkrijger de woning na de verkrijging, anders dan tijdelijk, als hoofdverblijf gaat gebruiken én dat onmiddellijk voorafgaand aan de verkrijging schriftelijk verklaart. (zie noot 2) Alle andere verkrijgers van woningen worden aangemerkt als belegger, waarvoor het algemene tarief van 8% gaat gelden.Daarnaast gaat een eenmalige vrijstelling gelden voor verkrijgers die aan de nieuwe voorwaarden voor het 2%-tarief voldoen én op het moment van de verkrijging meerderjarig zijn, maar jonger dan vijfendertig jaar. (zie noot 3) Zij worden in het wetsvoorstel starter genoemd, ook als zij feitelijk geen starter op de koopwoningmarkt zijn. Die eenmalige vrijstelling is door middel van een horizonbepaling voorlopig voorzien voor een periode van vijf jaar. (zie noot 4)Per verkrijger wordt beoordeeld of aan de voorwaarden voor het verlaagde tarief van 2% dan wel voor de vrijstelling is voldaan.Doel van het voorliggende wetsvoorstel is• om de positie van starters en doorstromers te verstevigen ten opzichte van andere kopers, zoals beleggers, zodat zij meer kans maken op een koopwoning; (zie noot 5)• om de drempel voor jongvolwassenen bij het voor het eerst kopen van een woning te verlagen. (zie noot 6)Daarbij is gekozen voor een maatregel die indirect starters helpt en indirect beleggers treft. (zie noot 7)2. DoelmatigheidDe Afdeling stelt voorop dat het voorstel niet bijdraagt aan een structurele oplossing van de woningmarktproblematiek. Zolang het aanbod van woningen achterblijft bij de vraag zullen maatregelen aan de vraagkant van de woningmarkt slechts in beperkte mate effect sorteren. Het is in een verkopersmarkt immers zeer waarschijnlijk dat een belangrijk deel van het fiscale voordeel ten goede komt aan verkopers door middel van hogere prijzen van woningen. Kopers betalen dan weliswaar geen overdrachtsbelasting, maar wel een hogere prijs voor de woning. Een belangrijk nadeel hiervan is dat kopers dan wellicht meer gaan lenen, omdat de marktwaarde stijgt en de zogenoemde Loan to Value-voorwaarde een groter leenbedrag dan mogelijk maakt. (zie noot 8) Dat staat haaks op de opmerking in de Miljoenennota dat het nodig is om te zorgen voor minder prikkels voor starters en doorstromers om hoge schulden aan te gaan. (zie noot 9)De toelichting gaat vooral in op de problemen van starters op de koopwoningmarkt en de rol van beleggers daarin. Daarmee doet de toelichting onvoldoende recht aan de complexe problematiek op de woningmarkt. Differentiatie van de overdrachtsbelasting kan echter flinke negatieve neveneffecten hebben op de koopwoningmarkt en op de huurmarkt. (zie noot 10) Voor de koopwoningmarkt kan onder meer worden gewezen op de gevolgen voor kopers van 35 jaar en ouder in het algemeen (zie noot 11) en op de gevolgen bij onvoorziene omstandigheden na de koop, maar voor de verkrijging. (zie noot 12) De marktsituatie - ook waar het gaat om concurrentie tussen starters en beleggers - verschilt bovendien per regio. (zie noot 13) Voor de beoordeling van de doelmatigheid van de differentiatie van de overdrachtsbelasting is het van belang deze effecten mede in de beschouwing te betrekken.Opvallend is verder dat het wetsvoorstel geen begrenzing kent. Een "starter" die een woning koopt van bijvoorbeeld € 1 miljoen kan evengoed (volledig) gebruik maken van de vrijstelling als een starter die een woning koopt van € 150.000. De vraag rijst daarbij in hoeverre deze onbegrensdheid bijdraagt aan het doel van het wetsvoorstel.De Afdeling wijst bovendien nog op de schenkingsvrijstelling in de schenkbelasting. In het jaar 2020 kan een bedrag van maximaal € 103.643 ten behoeve van de eigenwoning vrij van schenkingsrecht worden geschonken, als de ontvanger op dat moment tussen de 18 en 40 jaar oud is. (zie noot 14) Starters die in de positie verkeren dat zij van deze schenkingsvrijstelling kunnen profiteren, kunnen evenzeer aanspraak maken op de vrijstelling voor de overdrachtsbelasting. In de toelichting wordt niet duidelijk in hoeverre dit past in het doel van het wetsvoorstel. Dat doel moet er voor de regering vooral toe leiden dat "starters" door de vrijstelling voor de overdrachtsbelasting minder lang hoeven te sparen voor hun kosten koper. Ook is onduidelijk waarom de leeftijdsgrens in beide vrijstellingen (35 jaar bij de overdrachtsbelasting en 40 jaar bij het schenkingsrecht) niet op elkaar zijn afgestemd.Verder merkt de Afdeling op dat de regeling overkill bevat. Volgens de toelichting kan het totaal aantal starters dat de woningmarkt betreedt naar schatting met circa 2 tot 10% stijgen. In 2018 waren er bijna 52.000 koopstarters zoals gedefinieerd in het voorstel. (zie noot 15) Dit betekent dat in absolute aantallen het aantal extra starters dat de woningmarkt betreedt, ligt tussen de 1040 (2%) en 5.200 (10%). Het structurele budgettaire beslag van deze maatregel bedraagt € 221 miljoen. Omgerekend per extra starter belopen de kosten van deze maatregel dus ergens tussen de € 212.500 en € 42.500. (zie noot 16)De Afdeling plaatst dan ook vraagtekens bij de motivering van de doelmatigheid van de vrijstelling. Dit klemt te meer omdat uit onderzoek blijkt dat afschaffing van fiscale regelingen lastig is, ook als ze niet doelmatig zijn. (zie noot 17) De Afdeling adviseert het voorstel te heroverwegen.3. HandhaafbaarheidHet verlaagde tarief van 2% en de vrijstelling voor starters geldt alleen voor natuurlijke personen die de verkregen woning als hoofdverblijf gaan gebruiken. Of de woning als hoofdverblijf wordt gebruikt, moet blijken uit een verklaring van de verkrijger (hoofdverblijfverklaring). Volgens de uitvoeringstoets van de Belastingdienst is de hoofdverblijfverklaring fraudegevoelig omdat op het moment dat de verklaring wordt afgelegd feitelijk niet kan worden getoetst. Het betreft immers omstandigheden die pas later zullen blijken. Daarnaast heeft de Belastingdienst twee jaar (tot 1 januari 2023) nodig voordat aangifteverwerking en toezicht op gestructureerde wijze kunnen plaatsvinden. In deze periode kan ook het meer dan één keer gebruiken van de startersvrijstelling niet worden vastgesteld.De Afdeling adviseert in de toelichting aandacht te besteden aan de handhaafbaarheid.4. EvaluatieDe vrijstelling voor de overdrachtsbelasting en het verlaagde tarief van 2% zijn zogenoemde openeinderegelingen. Het budgettair beslag kan daarbij behoorlijk oplopen. De Afdeling wijst in dit verband op het budgettaire beslag van het huidige verlaagde 2%-tarief van € 2,865 miljard, terwijl oorspronkelijk € 1,5 miljard was geraamd. Het is daarom van belang om te monitoren dat de voorgestelde regelingen budgettair niet uit de hand lopen. De Afdeling onderschrijft in dit verband het belang van een horizonbepaling en een voorafgaande evaluatie.Wat betreft de evaluatie dient vooraf in elk geval duidelijk te worden gemaakt(i) wat wordt geëvalueerd, dat wil zeggen wat zijn de kernelementen hierbij?(ii) hoe de evaluatie wordt uitgevoerd, dat wil zeggen welke waarderingscriteria en waarderingsmethoden worden gehanteerd? In lijn hiermee wordt in de Evaluatiedoorlichting fiscale regelingen geadviseerd om bij het plannen van de evaluatie al te concretiseren hoe de evaluatie er globaal uit komt te zien, zodat tijdig kan worden begonnen met het verzamelen van data. (zie noot 18)In de wettekst van het onderhavige voorstel is geen evaluatiebepaling opgenomen. In de toelichting is enkel in het kader van de horizonbepaling voor de vrijstelling aangegeven dat na circa vijf jaar op basis van een positieve evaluatie naar de doeltreffendheid en doelmatigheid van deze regeling besloten moet worden de startersvrijstelling te continueren en dat deze anders wordt beëindigd. (zie noot 19) Uit de toelichting blijkt niet hoe de evaluatie wordt vormgegeven en welke criteria worden gehanteerd om te beoordelen of de vrijstelling al dan niet wordt gecontinueerd.De Afdeling adviseert hier in de toelichting aandacht aan te besteden. Gelet op het risico van een oplopend budgettair beslag, de vraagtekens die de Afdeling heeft over de doelmatigheid van de vrijstelling en het feit dat de overdrachtsbelasting een tijdstipbelasting is, waarvan de gegevens snel bekend zijn bij de Belastingdienst en de woningmarktgegevens jaarlijks beschikbaar komen, adviseert de Afdeling bovendien om niet bijna vijf jaar te wachten met evalueren, maar dat bijvoorbeeld na twee of drie jaar te doen.5. De Afdeling verwijst naar de bij dit advies behorende redactionele bijlage.De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal bezwaren bij het voorstel en adviseert het voorstel niet bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal in te dienen, tenzij het is aangepast.De vice-president van de Raad van StateRedactionele bijlage bij het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State betreffende no.W06.20.0322/III- In artikel II, onderdeel A, "onderdeel p" vervangen door "onderdeel p, en achtste lid".Nader rapport (reactie op het advies) van 15 september 20202. DoelmatigheidHet kabinet vindt het wenselijk de positie van starters en doorstromers te verstevigen ten opzichte van andere kopers, zoals beleggers, zodat zij meer kans maken op een koopwoning.Naar aanleiding van het advies van de Afdeling is het algemeen deel van de memorie van toelichting aangevuld en zijn enkele punten over de doelmatigheid nader toegelicht. Zo is onder andere verder onderbouwd waarom het kabinet de verwachting heeft dat de maatregel de toegankelijkheid en betaalbaarheid voor starters verbetert. Ook is nader toegelicht waarom de gekozen leeftijdsgrens van de startersvrijstelling afwijkt van de leeftijdgrens die wordt gehanteerd voor de schenkvrijstelling in de Successiewet 1956 ten behoeve van de eigen woning.Een differentiatie van de overdrachtsbelasting zorgt ervoor dat "starters" minder lang hoeven te sparen voor hun kosten koper. Hier komt bij dat een beperking van de reikwijdte van het verlaagde tarief van 2% voor de overdrachtsbelasting dat de positie van koopstarters ten opzichte van andere kopers, zoals beleggers, wordt verbeterd. De afdeling benoemt dat het fiscale voordeel van de starter mogelijk ten goede komt aan de verkoper. In de toelichting wordt uitgelegd dat het mogelijke prijsopdrijvende effect van de startermaatregel in samenhang moet worden gezien met het mogelijk grotere tegengestelde prijsdrukkende effect dat uit gaat van het hogere tarief voor beleggers.Een ander punt dat de Afdeling opmerkt is dat de regeling een overkill bevat vanwege de hoge marginale kosten voor het helpen van een extra starter. Het doel van het kabinet is echter om de positie van alle starters op de woningmarkt te verbeteren. Daardoor heeft het delen van het budgettaire beslag door alleen het toegenomen aantal starters geen juist beeld. De maatregelen zijn bedoeld om alle starters een steuntje in de rug te geven bij de aanschaf van een eerste huis, door hen in ieder geval een deel van de kosten koper te besparen. Tegelijkertijd worden beleggers zwaarder belast, waardoor de positie van starters ten opzichte van beleggers zal verbeteren. Daarbij wordt een maatregel voor beleggers voorgesteld die effectiever is vormgegeven dan de variant die door het externe onderzoeksbureau Dialogic is onderzocht, door meer beleggers te treffen en mogelijke ontwijkconstructies weg te nemen.Het kabinet hecht veel belang aan deze doelstellingen van de maatregel. Tegelijkertijd is het kabinet zich ervan bewust dat deze maatregel niet de structurele problemen op de woningmarkt zal oplossen, die vooral aan de aanbodzijde liggen. Het oplossen van problemen aan de aanbodzijde kost veel tijd en zijn niet van vandaag op morgen te realiseren. Het kabinet kijkt daarom ook naar maatregelen voor de korte termijn die de positie van de starter op de woningmarkt kunnen verbeteren. De daadwerkelijke effecten op de koop- en huurmarkt van de maatregel zijn op voorhand onzeker. Het kabinet heeft daarom aan het wetsvoorstel, zoals ook in het advies gevraagd, een evaluatiemoment toegevoegd voor de startersvrijstelling - die ook gekoppeld is aan een horizonbepaling - en het hoofdverblijfcriterium. Hiermee houdt het kabinet zicht op de doelmatigheid en kan bijgestuurd worden indien dat nodig zou zijn.3. HandhaafbaarheidNaar aanleiding van het advies van de Afdeling is het algemeen deel van de memorie van toelichting aangevuld en is in de uitvoeringsparagraaf meer aandacht besteed aan de handhaafbaarheid van de maatregelen.De maatregelen van dit wetsvoorstel zijn door de Belastingdienst beoordeeld met een uitvoeringstoets, waarbij alle handhavingsaspecten kritisch zijn afgewogen. Voor alle maatregelen geldt dat het eindoordeel van de Belastingdienst is dat zij uitvoerbaar zijn per de voorgestelde data van inwerkingtreding. Om uitvoering te geven aan de gewenste mate van handhaving moeten er aanvullende gegevens worden toegevoegd aan de huidige aangifte, waaronder het burgerservicenummer (BSN) van de verkrijger. Hierdoor is het mogelijk om te controleren op leeftijd van de verkrijger (meerderjarig en jonger dan 35 jaar) en of het gekochte adres als hoofdverblijf wordt gebruikt. Daarnaast zal door de vastlegging van het BSN van de verkrijger eveneens controle kunnen plaatsvinden op het eenmalig gebruik van de vrijstelling. Om deze gegevens geautomatiseerd te kunnen verkrijgen, moeten de systemen bij het notariaat, bij de KNB en bij de Belastingdienst worden aangepast. Dit zal in verschillende stappen worden gerealiseerd. Voor realisatie van de benodigde wijzigingen moet eerst de aangifteverwerking aangepast worden. Daarmee wordt geborgd dat de gegevens die nodig zijn om toezicht uit te oefenen beschikbaar zijn. De aangepaste aangifteverwerking kan november 2021 gerealiseerd zijn. Vervolgens moet ondersteuning van toezicht gerealiseerd worden. Deze laatste aanpassingen zijn naar verwachting op 1 januari 2023 gereed. De Belastingdienst zal slechts beperkt en steekproefsgewijs toezicht kunnen uitoefenen, totdat het aangiftebericht zodanig is aangepast dat aangifteverwerking én toezicht op gestructureerde (en digitale) wijze kunnen plaatsvinden Ook in deze fase zullen afspraken met KNB gemaakt worden om dit handmatige, steekproefsgewijze toezicht gemakkelijker te maken.4. EvaluatieHet advies van de Afdeling is opgevolgd. Naar aanleiding van het advies van de Afdeling is in het algemeen deel van de memorie van toelichting een evaluatieparagraaf opgenomen. In de evaluatieparagraaf is aandacht besteed aan de vormgeving van de evaluatie van de startersvrijstelling, waar de horizonbepaling voor geldt. Daarnaast is ook aanvullend aandacht besteed aan de wijze waarop de evaluatie van het hoofdverblijfcriterium zal worden vormgegeven. Daarbij is nadrukkelijk aandacht besteed aan de door de Afdeling aangedragen vragen "wat wordt geëvalueerd?" en "hoe de evaluatie wordt uitgevoerd?". Voorgesteld wordt om de evaluatie in het najaar van 2024 op te starten, zodat de uitkomsten in 2025 bekend zijn.5. Redactionele bijlageAan de redactionele opmerking van de Afdeling is gevolg gegeven.6. Overige wijzigingenEr is een wijziging opgenomen in de tabel met de uitvoeringskosten voor de Belastingdienst, die per abuis nog niet was verwerkt. Ook is het advies van het Adviescollege Toetsing Regeldruk (ATR), dat eerder nog niet bekend was, in de toelichting verwerkt. Verder is van de mogelijkheid gebruik gemaakt om in het voorgestelde artikel 13, vierde lid een omissie te herstellen door, vergelijkbaar met artikel 13, eerste lid, een koppeling toe te voegen met schenk- of erfbelasting. Voorts zijn enkele redactionele wijzigingen in het wetsvoorstel en de memorie van toelichting aangebracht.Ik moge U, mede namens de Minister van Financiën, verzoeken het hierbij gevoegde gewijzigde voorstel van wet en de gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.De Staatssecretaris van Financiën
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Financiën (IX) en Nationale Schuld (IXA) voor het jaar 2021.
Bij Kabinetsmissive van 2 september 2020, no.2020001648, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Financiën, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot vaststelling van de begrotingsstaat van het ministerie van Financiën (IXB) en de begrotingsstaat van Nationale Schuld (IXA) voor het jaar 2021, met memorie van toelichting.Artikel 4 van de Begrotingswet Financiën bepaalt dat de Comptabiliteitswet 2016 (CW 2016) als volgt wordt gewijzigd:"Aan artikel 2.1 wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van het vijfde lid, onderdeel d, door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:e. de begroting van het Nationaal Groeifonds."Deze nieuwe bepaling in artikel 2.1 CW 2016 vormt de wettelijke grondslag voor het Nationaal Groeifonds. Hiermee wordt een zogeheten niet-departementale begroting aan de rijksbegroting toegevoegd. De wettelijke bepaling in de CW 2016 krijgt terugwerkende kracht tot en met 15 september 2020.De Afdeling advisering van de Raad van State maakt opmerkingen over de wijze waarop het Nationaal Groeifonds wordt ingesteld. Zij adviseert de begrotingswet niet te gebruiken om wijzigingen in andere wetten door te voeren. Het voorgestelde fonds is naar zijn aard een begrotingsfonds in de zin van artikel 2.11 CW 2016. De Afdeling adviseert het begrotingsfonds in te stellen door middel van een afzonderlijke instellingswet en daarbij de voor begrotingsfondsen geldende waarborgen in acht te nemen. Daarbij hoort dat in de wet nauwkeurig wordt omschreven voor welke doelen de middelen van het fonds bijeen worden gebracht en kunnen worden ingezet. Voorts dient daarbij de verhouding van het fonds ten opzichte van reeds bestaande investeringsregelingen en de afbakening met die regelingen in ogenschouw te worden genomen.De Afdeling is van oordeel dat het voorstel in verband met deze opmerkingen nader dient te worden overwogen.a. Het gebruik van de begrotingswet om de CW 2016 aan te passenIn het voorstel wordt de begrotingswet van het ministerie van Financiën gebruikt om een andere wet - de CW 2016 - aan te passen.Zoals de Afdeling eerder heeft opgemerkt en benadrukt dient het uitgangspunt te zijn dat de inhoud van de begrotingswetten beperkt blijft tot de begroting van de ontvangsten en de uitgaven van het Rijk. (zie noot 1) Het bijzondere karakter van de begrotingswetten komt ook tot uitdrukking in de van de normale wetgevingsprocedure afwijkende procedureregels, die zijn neergelegd in de CW 2016. Het past slecht in de systematiek van afzonderlijke begrotingswetten op grond van artikel 105, eerste lid, van de Grondwet, dat in de desbetreffende voorstellen tevens bepalingen worden opgenomen die strekken tot wijziging van niet-begrotingswetten. (zie noot 2)b. FondsHet voorgestelde investeringsfonds heeft alle kenmerken van een begrotingsfonds in de zin van artikel 2.11 CW 2016. Het is erop gericht meerjarig geld apart te zetten ten behoeve van bepaalde uitgaven die niet regulier en gelijkmatig over de jaren zijn verspreid.De Afdeling merkt op dat de thans voorgestelde niet-departementale begroting minder goed past voor het beoogde fonds, nu voor de reguliere begrotingen een voorziening als in artikel 2.11, vierde lid, CW 2016 ontbreekt. Dit artikellid bepaalt dat een voordelig jaarsaldo van een begrotingsfonds ten gunste van de begroting van het fonds van het daarop volgende jaar wordt gebracht. Bij een niet-departementale begroting ontbreekt een dergelijke bepaling. Ook ontbreekt in de wet een omschrijving van de doelen waarvoor de middelen die in het fonds apart zijn gezet, kunnen worden besteed, zoals artikel 2.11, derde lid, onder a, CW 2016 voorschrijft ten aanzien van begrotingsfondsen (zie ook hierna onder c).Uit de toelichting blijkt niet waarom er voor is gekozen om een aparte categorie ‘e’ toe te voegen in artikel 2.1 lid 5 CW 2016 en niet voor de geëigende weg van een instellingswet voor een begrotingsfonds.Gelet op het voorgaande ligt het, zoals ook de Algemene Rekenkamer opmerkt (zie noot 3), voor de hand overeenkomstig artikel 2.11 CW 2016 te voorzien in een zelfstandige instellingswet voor het (begrotings)fonds.c. De formulering van de doelstellingen van het fondsIn de voorgestelde wettekst zijn geen doelstellingen geformuleerd. De toelichting noemt drie thema’s die aandacht behoeven (kennisontwikkeling, R&D en infrastructuur) en waarin geïnvesteerd kan worden.De Afdeling wijst in dit verband op de wettelijke eis voor begrotingsfondsen dat de doelomschrijving wettelijk wordt vastgelegd. (zie noot 4) De functie daarvan is dat daarmee wettelijk is bepaald waaraan de middelen die apart worden gezet, mogen worden besteed. Daarmee wordt voorkomen dat geld bestemming gaat zoeken en gelden ondoelmatig worden besteed. Tevens is daarmee voor het parlement duidelijk waarop het de regering kan controleren. (zie noot 5)De Afdeling wijst in dit verband nog op onderzoek van de Algemene Rekenkamer naar de besteding van de aardgasbaten en de wijze waarop die via het FES is verlopen. De lessen uit dit onderzoek kunnen bijdragen aan een doelmatige en doeltreffende besteding van publieke middelen bij de opzet van andere fondsen. (zie noot 6) De Rekenkamer onderstreept onder andere het belang van nauwkeurig omschreven doelstellingen, transparante verantwoording en onafhankelijke advisering over de toewijzing van de middelen. De instelling van een commissie voor de selectie van investeringsvoorstellen kan daarbij overigens dienstbaar zijn, maar ook dan is het van belang te leren van het verleden. (zie noot 7)De Afdeling merkt op dat door het ontbreken van een wettelijke doelomschrijving en afbakening voor het fonds er rekening mee moet worden gehouden dat de hiervoor genoemde risico’s zich voltrekken en afbreuk wordt gedaan aan de controlefunctie van het parlement. De Afdeling is dan ook van oordeel dat in de instellingswet voor dit fonds een duidelijke doelomschrijving en afbakening dient te worden opgenomen.Belangrijk aandachtspunt daarbij is, dat naast reeds bestaande investeringsregelingen, zoals het Infrastructuurfonds en het Toekomstfonds en enkele fiscale regelingen, zoals de WBSO, recent een aantal nieuwe regelingen zijn of worden ingevoerd, zoals Invest-NL, Invest International en onlangs in het derde Corona-steunpakket. (zie noot 8) Dit roept de vraag op naar de verhouding van het thans voorgestelde Nationaal Groeifonds tot de verschillende regelingen en de afbakening tussen die regelingen. In dit verband wijst de Afdeling nog op de suggestie van de Algemene Rekenkamer, dat de beoogde investeringen ook via de bestaande instrumenten kunnen plaatsvinden, of tijdelijk via de departementale begrotingen, nu de doelstellingen ervan veel overlap vertonen. (zie noot 9)Voorts dient aandacht te worden besteed aan de wijze waarop het fonds zal functioneren. Zo dient ingegaan te worden op de risico’s die het fonds met zich meebrengt voor de overheidsfinanciën, onder andere in verband met rente- en kredietrisico’s. Noch de toelichting bij artikel 4, noch de toelichting op de begroting van het Nationaal Groeifonds geven hierover duidelijkheid.d. AdviesGelet op het voorgaande adviseert de Afdeling artikel 4 van de Begrotingswet Financiën te schrappen en alsnog te voorzien in een instellingswet voor een begrotingsfonds.De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal bezwaren bij het voorstel en adviseert het voorstel niet bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal in te dienen, tenzij het is aangepast.De vice-president van de Raad van State
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Vaststelling van de begrotingsstaat van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (V) voor het jaar 2021.
Bij Kabinetsmissive van 1 september 2020, no.2020001644, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Buitenlandse Zaken, mede namens de Minister van Financiën, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot vaststelling van de begrotingsstaten van het ministerie van Buitenlandse Zaken (V) voor het jaar 2021, met memorie van toelichting.De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen opmerkingen bij het voorstel en adviseert het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal in te dienen.Gelet op artikel 26, zesde lid jo vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, adviseert de Afdeling dit advies openbaar te maken.De vice-president van de Raad van StateNader rapport (reactie op het advies) van 14 september 2020IB. Beantwoording blanco adviesBlijkens het bijgaande advies kan de Afdeling advisering van de Raad van State zich verenigen met bovenvermelde begroting.II. Nadere wijzigingenInmiddels is het noodzakelijk gebleken in bovenvermelde begroting een aantal wijzigingen/aanpassingen aan te brengen.1.Verwerking CPB cijfers (MEV 2020)De wijzigingen/aanpassingen betreffen de verwerking van de definitieve cijfers van het Centraal Planbureau (rapport Macro Economische Verkenning 2019) in het artikel 6 Nog onverdeeld.De memorie van toelichting is met deze wijzigingen in overeenstemming gebracht. Het totaal van de uitgaven komt daarmee op € 11.393.366.000 (was € 11.394.490.000). Het totaal van de verplichtingen komt daarmee op € 11.172.607.000 (was € 11.173.731.000). Het totaal van de ontvangsten verandert niet.De Minister van Buitenlandse Zaken
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Vaststelling van de begrotingsstaat van het Gemeentefonds (B) voor het jaar 2021.
Bij Kabinetsmissive van 2 september 2020, no.2020001658, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, mede namens de Minister van Financiën, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot vaststelling van de begrotingsstaat van het gemeentefonds (B) voor het jaar 2021, met memorie van toelichting.De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen opmerkingen bij het voorstel en adviseert het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal in te dienen.Gelet op artikel 26, zesde lid jo vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, adviseert de Afdeling dit advies openbaar te maken.De vice-president van de Raad van State
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Overige fiscale maatregelen 2021.
Bij Kabinetsmissive van 31 augustus 2020, no.2020001666, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Financiën, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Overige fiscale maatregelen 2021), met memorie van toelichting.Het voorstel is onderdeel van het fiscale pakket voor het jaar 2021, samen met de wetsvoorstellen: Belastingplan 2021, CO2-heffing industrie, Verbetering uitvoerbaarheid toeslagen, Wijziging van de Wet opslag duurzame energie- en klimaattransitie in verband met de vaststelling van tarieven voor de jaren 2021 en 2022, Aanpassing box 3, Differentiatie overdrachtsbelasting en Eenmalige huurverlaging huurders met lager inkomen.De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen inhoudelijke opmerkingen bij het voorstel.De Afdeling verwijst naar de bij dit advies behorende redactionele bijlage.De Afdeling adviseert het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal in te dienen.Gelet op artikel 26, zesde lid jo vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, adviseert de Afdeling dit advies openbaar te maken.De vice-president van de Raad van StateRedactionele bijlage bij het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State betreffende no.W06.20.0295/III- In artikel IV, onderdeel F, wijzigen in:F. In artikel 15bd, eerste lid, onderdeel b, wordt "winst" vervangen door "winst, alsmede bedragen van dubbel in aanmerking genomen inkomen die op grond van artikel 12af, eerste lid, in aftrek komen bij het bepalen van de winst van dat jaar, voor zover deze bedragen door de toepassing van artikel 12af, tweede lid, worden geacht te bestaan uit renteaftrek".- De tekst van artikel VIII wijzigen in: In Overige fiscale maatregelen 2020 wordt in het in artikel VIII, onder 1, opgenomen artikel 23b, tweede lid, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 "artikel 9, elfde lid" vervangen door "artikel 9, elfde tot en met dertiende lid" en "zoals dat artikel luidde op 30 juni 2020" door ", voor zover het betrekking heeft op de meting van de CO2-uitstoot".Nader rapport (reactie op het advies) van 15 september 2020
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Vaststelling van de begrotingsstaat van het Provinciefonds voor het jaar 2021.
Bij Kabinetsmissive van 2 september 2020, no.2020001659, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, mede namens de Minister van Financiën, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot vaststelling van de begrotingsstaat van het provinciefonds (C) voor het jaar 2021, met memorie van toelichting.De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen opmerkingen bij het voorstel en adviseert het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal in te dienen.Gelet op artikel 26, zesde lid jo vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, adviseert de Afdeling dit advies openbaar te maken.De vice-president van de Raad van State
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Vaststelling van de begrotingsstaat van de Koning (I) voor het jaar 2021.
Bij Kabinetsmissive van 31 augustus 2020, no.2020001639, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister-President, de Minister van Algemene Zaken, mede namens de Minister van Financiën, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot vaststelling van de begrotingsstaat van de Koning (I) voor het jaar 2021, met memorie van toelichting.De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen opmerkingen bij het voorstel en adviseert het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal in te dienen.Gelet op artikel 26, zesde lid jo vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, adviseert de Afdeling dit advies openbaar te maken.De vice-president van de Raad van State
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Vaststelling van de begrotingsstaat van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en Diergezondheidsfonds (F) voor het jaar 2021.
Bij Kabinetsmissive van 2 september 2020, no.2020001652, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, mede namens de Minister van Financiën, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot vaststelling van de begrotingsstaten van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (XIV) en het Diergezondheidsfonds (F) voor het jaar 2021, met memorie van toelichting.De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen opmerkingen bij het voorstel en adviseert het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal in te dienen.Gelet op artikel 26, zesde lid jo vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, adviseert de Afdeling dit advies openbaar te maken.De vice-president van de Raad van State
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van de Wet opslag duurzame energie- en klimaattransitie in verband met de vaststelling van tarieven voor de jaren 2021 en 2022.
Bij Kabinetsmissive van 31 augustus 2020, no.2020001714, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Economische Zaken en Klimaat, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Wet opslag duurzame energie- en klimaattransitie in verband met de vaststelling van tarieven voor de jaren 2021 en 2022, met memorie van toelichting.Het voorstel is onderdeel van het fiscale pakket voor het jaar 2021, samen met de wetsvoorstellen: Belastingplan 2021, Overige fiscale maatregelen 2021, CO2-heffing industrie, Verbetering uitvoerbaarheid toeslagen, Aanpassing box 3, Differentiatie overdrachtsbelasting en Eenmalige huurverlaging huurders met lager inkomen.De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen opmerkingen bij het voorstel en adviseert het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal in te dienen.Gelet op artikel 26, zesde lid jo vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, adviseert de Afdeling dit advies openbaar te maken.De vice-president van de Raad van StateNader rapport (reactie op het advies) van 11 september 2020
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Vaststelling van de begrotingsstaat van het Ministerie van AZ, de begrotingsstaat van het Kabinet van de Koning en de begrotingsstaat van de Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten voor 2021
Bij Kabinetsmissive van 1 september 2020, no.2020001642, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister-President, de Minister van Algemene Zaken, mede namens de Minister van Financiën, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot vaststelling van de begrotingsstaat van het ministerie van Algemene Zaken (IIIA), de begrotingsstaat van het Kabinet van de Koning (IIIB) en de begrotingsstaat van de Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (IIIC) voor het jaar 2021, met memorie van toelichting.De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen opmerkingen bij het voorstel en adviseert het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal in te dienen.Gelet op artikel 26, zesde lid jo vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, adviseert de Afdeling dit advies openbaar te maken.De vice-president van de Raad van State
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Defensie (X) voor het jaar 2021.
Bij Kabinetsmissive van 2 september 2020, no.2020001649, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Defensie, mede namens de Minister van Financiën, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot vaststelling van de begrotingsstaten van het ministerie van Defensie (X) voor het jaar 2021, met memorie van toelichting.De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen opmerkingen bij het voorstel en adviseert het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal in te dienen.Gelet op artikel 26, zesde lid jo vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, adviseert de Afdeling dit advies openbaar te maken.De vice-president van de Raad van State
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Vaststelling van de begrotingsstaat van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor het jaar 2021.
Bij Kabinetsmissive van 1 september 2020, no.2020001646, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, mede namens de Minister van Financiën, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot vaststelling van de begrotingsstaten van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (VII) voor het jaar 2021, met memorie van toelichting.De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen opmerkingen bij het voorstel en adviseert het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal in te dienen.Gelet op artikel 26, zesde lid jo vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, adviseert de Afdeling dit advies openbaar te maken.De vice-president van de Raad van State
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Vaststelling van de begrotingsstaat van Deltafonds (J) voor het jaar 2021.
Bij Kabinetsmissive van 2 september 2020, no.2020001660, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, mede namens de Minister van Financiën, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot vaststelling van de begrotingsstaat van het Deltafonds voor het jaar 2021, met memorie van toelichting.De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen inhoudelijke opmerkingen bij het voorstel.De Afdeling verwijst naar de bij dit advies behorende redactionele bijlage.De Afdeling adviseert het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal in te dienen.Gelet op artikel 26, zesde lid jo vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, adviseert de Afdeling dit advies openbaar te maken.De vice-president van de Raad van StateRedactionele bijlage bij het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State betreffende no.W17.20.0317/IV- In artikel 1 "departementale" schrappen, nu artikel 7.22 b, eerste lid, van de Waterwet bepaalt dat het Deltafonds een begrotingsfonds als bedoeld in artikel 2.11 van de Comptabiliteitswet 2016 is, en dus niet een departementale begrotingsstaat.Nader rapport (reactie op het advies) van 14 september 2020IB. Beantwoording blanco adviesBlijkens het bijgaande advies kan de Afdeling advisering van de Raad van State zich verenigen met bovenvermelde begroting.II. Nadere wijzigingenNaar aanleiding van de Redactionele bijlage bij het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State betreffende no.W17.20.0317/IV is in artikel 1 “departementale” geschrapt. , nu artikel 7.22 b, eerste lid, van de Waterwet bepaalt dat het Deltafonds een begrotingsfonds als bedoeld in artikel 2.11 van de Comptabiliteitswet 2016 is, en dus niet een departementale begrotingsstaat.De Minister van Infrastructuur en Waterstaat
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (XII) voor het jaar 2021.
Bij Kabinetsmissive van 2 september 2020, no.2020001650, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, mede namens de Minister van Financiën, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot vaststelling van de begrotingsstaten van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat(XII) voor het jaar 2021, met memorie van toelichting.De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen opmerkingen bij het voorstel en adviseert het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal in te dienen.Gelet op artikel 26, zesde lid jo vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, adviseert de Afdeling dit advies openbaar te maken.De vice-president van de Raad van State
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Vaststelling van de begrotingsstaat van het Nationaal Groeifonds (XIX) voor het jaar 2021.
Bij Kabinetsmissive van 2 september 2020, no.2020001656, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Economische Zaken en Klimaat, mede namens de Minister van Financiën, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot vaststelling van de begrotingsstaat van het Nationale Groeifonds (XIX) voor het jaar 2021, met memorie van toelichting.De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen opmerkingen bij het voorstel en adviseert het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal in te dienen.Gelet op artikel 26, zesde lid jo vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, adviseert de Afdeling dit advies openbaar te maken.De vice-president van de Raad van State
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Vaststelling van de begrotingsstaat van het ministerie van Justitie en Veiligheid voor het jaar 2021.
Bij Kabinetsmissive van 1 september 2020, no.2020001645, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Justitie en Veiligheid, mede namens de Minister van Financiën, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot vaststelling van de begrotingsstaten van het ministerie van Justitie en Veiligheid (VI) voor het jaar 2021, met memorie van toelichting.De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen opmerkingen bij het voorstel en adviseert het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal in te dienen.Gelet op artikel 26, zesde lid jo vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, adviseert de Afdeling dit advies openbaar te maken.De vice-president van de Raad van State
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Vaststelling van de begrotingsstaat van het Infrastructuurfonds (A) voor het jaar 2021.
Bij Kabinetsmissive van 2 september 2020, no.2020001657, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, mede namens de Minister van Financiën, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot vaststelling van de begrotingsstaat van het Infrastructuurfonds voor het jaar 2021, met memorie van toelichting.De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen opmerkingen bij het voorstel en adviseert het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal in te dienen.Gelet op artikel 26, zesde lid jo vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, adviseert de Afdeling dit advies openbaar te maken.De vice-president van de Raad van StateNader rapport (reactie op het advies) van 14 september 2020IB. Beantwoording blanco adviesBlijkens het bijgaande advies kan de Afdeling advisering van de Raad van State zich verenigen met bovenvermelde begroting.II. Nadere wijzigingenInmiddels is het noodzakelijk gebleken in bovenvermelde begroting een aantal wijzigingen aan te brengen. De wijzigingen betreffen de mutatie op artikel 13.07 voor de afrekening van de incidentele vennootschapsbelasting en dividendbelasting door het besluit van het Kabinet om de vennootschapsbelasting niet te verlagen naar 21,7 %. De memorie van toelichting is met deze wijzigingen in overeenstemming gebracht. Het totaal van de uitgaven/ontvangsten komt daarmee op euro 13.804.440.000 (was euro 13.304.440.000).
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van de Wet milieubeheer in verband met het opnemen van een grondslag voor een erkenningplicht voor personen die pyrotechnische artikelen voor theatergebruik of vuurwerk binnen Nederland brengen.
Bij Kabinetsmissive van 26 april 2017, no.2017000726, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Wet milieubeheer in verband met het opnemen van een grondslag voor een erkenningplicht voor personen die pyrotechnische artikelen voor theatergebruik of vuurwerk binnen Nederland brengen, met memorie van toelichting.Het voorstel voorziet in wijziging van artikel 11a.2 van de Wet milieubeheer (Wm), inhoudende dat eisen kunnen worden gesteld aan het binnen Nederland brengen van pyrotechnische artikelen voor theatergebruik en vuurwerk.De Afdeling advisering van de Raad van State heeft opmerkingen over het voorstel die van dien aard zijn dat zij adviseert het voorstel niet aan de Tweede Kamer te zenden dan nadat daarmee rekening is gehouden. Dit betreft de noodzaak van regulering van de invoer van de genoemde producten, mede gelet op de eisen voortvloeiende uit de Europeesrechtelijke vrijverkeersbepalingen.1. NoodzaakHet voorstel wijzigt artikel 11a.2, tweede lid, van de Wm, zodanig dat eisen kunnen worden gesteld aan de (rechts-) personen die invoerhandelingen met de pyrotechnische artikelen voor theatergebruik en vuurwerk verrichten. Op grond van het derde lid, van artikel 11.a.2 van de Wm kan bij algemene maatregel van bestuur (amvb) een erkenningplicht worden opgelegd aan deze (rechts-)personen. De Afdeling merkt hierover het volgende op.a. Keten van handelingenDe in het wetsvoorstel voorgestelde wijziging beoogt meer zicht te krijgen op de sector die pyrotechnische artikelen en vuurwerk binnen Nederland brengt om zo de mogelijkheden tot illegale handel in die producten te beperken. (zie noot 1) Die illegale handel heeft in de afgelopen jaren tot gevaarlijke situaties geleid, aldus de toelichting. Hiertoe wordt uitdrukkelijk niet voorzien in extra eisen aan de producten, maar in de mogelijkheid om bij amvb (zie noot 2) te voorzien in een erkenningplicht voor personen die pyrotechnische artikelen voor theatergebruik en vuurwerk binnen Nederland brengen.De Afdeling onderschrijft dat illegale handel moet worden tegengegaan, om zo gevaarlijke situaties te voorkomen. Uit de toelichting blijkt echter onvoldoende dat maatregelen bij de invoer, aan het begin van de keten, effectief zijn om een veilig gebruik door de consument, aan het einde van de keten, te bereiken. Legaal ingevoerd vuurwerk kan na invoer immers alsnog illegaal worden verhandeld en tot gevaarlijke situaties bij gebruik door consumenten leiden. Het is bovendien de vraag of een erkenningplicht voor degenen die de invoerhandeling verrichten het probleem van invoer van en handel in illegale producten wel kan voorkomen.De Afdeling wijst er op dat het geldende Vuurwerkbesluit reeds een veelvoud aan regels en instrumenten bevat ter regulering van de hele keten van handelingen met pyrotechnische artikelen voor theatergebruik en vuurwerk. Het gaat dan om de invoer, de opslag, het vervaardigen, het voorhanden hebben, het aan een ander ter beschikking stellen, het toepassen en het tot ontbranding brengen. Voorbeelden van regulering zijn: de verplichting de invoer te melden, de verplichting het ter beschikking stellen van de producten aan een groothandelaar te melden en de plicht om producten te etiketteren en te registreren. (zie noot 3) Net als de meldplicht bij invoer zal de erkenningplicht in beginsel op een ruime en onbestemde groep van marktdeelnemers rusten. Bij de invoer kunnen immers veel verschillende actoren betrokken zijn zoals importeurs, expediteurs, vervoerders, handelaren, distributeurs, maar ook eindgebruikers die de producten rechtstreeks uit het buitenland invoerenUit de toelichting kan worden afgeleid dat deze geldende vereisten niet of onvoldoende leiden tot het beoogde zicht op de keten. De vraag is of de voorgestelde erkenningplicht wel tot meer zicht zal leiden en problemen bij het gebruik van de producten zal voorkomen. De vraag is of een illegale handelaar, die de invoer niet bij het bevoegd gezag meldt, wel een erkenning zal aanvragen. Evenals voor de reeds bestaande verplichtingen, geldt voor de te introduceren erkenningplicht dat de effectiviteit daarvan vooral afhangt van het toezicht op en de handhaving van deze verplichting. De toelichting gaat niet in op de nalevingsbereidheid van de diffuse doelgroep noch op de capaciteit voor toezicht en handhaving die nodig is om het voorstel beoogde doel te bereiken. De toelichting maakt evenmin duidelijk waarom niet kan worden volstaan met intensivering van toezicht en handhaving van de thans geldende regels. Ten slotte wordt niet duidelijk of alternatieve instrumenten zijn overwogen, zoals nadere regulering van de verkoop aan consumenten.De Afdeling adviseert de toelichting aan te vullen met dragende argumenten voor de noodzaak en de geschiktheid van de voorgestelde wijziging, mede in het licht van de bestaande reguleringsmogelijkheden van het Vuurwerkbesluit, en zo nodig het voorstel te heroverwegen.b. Europees rechtDat niet op voorhand duidelijk is dat het nagestreefde doel met de voorgestelde regeling wordt bereikt en geen alternatieven meer voorhanden zijn klemt temeer nu de voorgestelde eisen aan de invoerhandeling tot gevolg kunnen hebben dat het vrije verkeer van goederen (zie noot 4) en diensten en de vrije vestiging al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel, wordt beperkt.Het erkenningsstelsel, waarin op grond van de voorgestelde wijziging bij amvb kan worden voorzien, valt in elk geval onder de reikwijdte van de Dienstenrichtlijn, voor zover onder de normadressaten van de erkenningplicht ook dienstverrichters (zie noot 5) kunnen vallen. Het erkenningsstelsel moet worden beschouwd als een vergunningstelsel in de zin van artikel 1 van de Dienstenrichtlijn. (zie noot 6) Dit betekent dat moet worden voldaan aan de voorwaarden van artikel 9 en artikel 10 van de richtlijn (voor zover het gaat om een dienstverlener die zich in Nederland wil vestigen) en artikel 16 (voor zover het gaat om een in een andere lidstaat gevestigd dienstverlener die diensten in Nederland wil verrichten.In het bijzonder wijst de Afdeling op artikel 16, tweede lid, onderdeel b, van de Dienstenrichtlijn, waar het stellen van de eis aan de (in het buitenland gevestigde) dienstverrichter om een vergunning te verkrijgen in beginsel is verboden. Artikel 16, tweede lid, moet worden gelezen in relatie met artikel 16, eerste en derde lid, van de Dienstenrichtlijn. Dat betekent dat er een sterke veronderstelling is dat de eisen van artikel 16, tweede lid, niet kunnen worden gerechtvaardigd omdat zij in het algemeen onevenredig zijn. (zie noot 7) Wil derhalve de erkenningplicht in overeenstemming zijn met artikel 16 van de Dienstenrichtlijn dan geldt een verzwaarde motivering waarom deze procedure aan artikel 16, eerste lid en derde lid, voldoet, dus dat deze non-discriminatoir, evenredig, noodzakelijk en gerechtvaardigd is.In het voorgaande, onder punt a, is geconstateerd dat de noodzaak en de geschiktheid van het stellen van eisen aan de (rechts)personen die de invoerhandeling verrichten en daarmee het erkenningsstelsel niet overtuigend is gemotiveerd in de toelichting. Derhalve dringt de vraag zich op of wel kan worden voldaan aan de verzwaarde motiveringsplicht ingevolge artikel 16, tweede lid, van de Dienstenrichtlijn. In de memorie van toelichting wordt hier niet op ingegaan. Er wordt slechts opgemerkt dat in de toelichting bij de wijziging van het Vuurwerkbesluit nader wordt aangegeven hoe de erkenningplicht is in te passen in het systeem van bestaande (Europese) regelgeving.De Afdeling acht deze motivering ontoereikend. Het voorstel heeft als enige doel het voorzien in een grondslag voor de - door Europese regels beheerste - erkenningplicht. Dientengevolge ligt het in de rede om in de toelichting op het voorstel in te gaan op de vraag of en zo ja, onder welke voorwaarden de Dienstenrichtlijn ruimte biedt om te voorzien in een erkenningplicht. Bij de amvb kan dan vervolgens worden ingegaan in hoeverre het daar vormgegeven instrument ook daadwerkelijk voldoet aan de Europeesrechtelijke voorwaarden. De Afdeling kan, zonder kennis te hebben genomen van de concrete vormgeving van de erkenningplicht in de amvb, niet beoordelen of de Dienstenrichtlijn in de weg staat aan de introductie van deze verplichting. De wetgever dient te beoordelen of dit het geval is en of de thans voorgestelde wetswijziging uitvoerbaar is.De Afdeling adviseert, in het bijzonder met het oog op de Dienstenrichtlijn, de evenredigheid van de beoogde erkenningplicht te motiveren en zo nodig het voorstel te heroverwegen.2. Bescherming van de gezondheid van de mensHet voorstel voorziet in een verbreding van het wettelijk vastgelegde doel: behalve dat eisen kunnen worden gesteld aan de in artikel 11a.2, tweede lid, van de Wm opgesomde werkzaamheden ter bescherming van het milieu, kunnen - na inwerkingtreding van het voorstel - aan de invoer van pyrotechnische artikelen voor theatergebruik en vuurwerk eisen worden gesteld ter bescherming van de gezondheid van de mens.In de toelichting op het voorstel wordt als reden voor de verbreding van de wettelijke grondslag opgemerkt: "[..] pyrotechnische artikelen en vuurwerk kunnen negatieve effecten hebben op het milieu, maar nog veel evidenter zijn de gevaren die dit oplevert voor de gezondheid van de mens"… "Vanwege de verwevenheid tussen de bescherming van het milieu en de bescherming van de gezondheid van de mens is ervoor gekozen om de bescherming van de gezondheid van de mens aanvullend [ ] op te nemen". (zie noot 8)Hiermee is echter de noodzaak voor de verbreding van de grondslag niet voldoende gemotiveerd omdat deze slechts gaat gelden voor één van de (vele) handelingen in de hele keten, namelijk de invoer. Dit terwijl niet de invoer, maar het gebruik, het tot ontbranding brengen van illegale producten door consumenten, zal leiden tot het directe gevaar voor de gezondheid van de mens. Voor dit gebruik, maar ook voor de overige handelingen (opslag, vervaardigen, voorhanden hebben, etc.) geldt de voorgestelde verbrede grondslag echter niet. Zonder nadere toelichting maakt dit een willekeurige indruk. Daarbij komt dat voor handelingen met vuurwerk geldt dat ingevolge artikel 1.1, tweede lid, van de Wm onder "gevolgen voor het milieu" mede "de gevolgen voor het fysieke milieu, gezien vanuit het belang van de bescherming van de mens" moet worden verstaan. Door alleen voor de invoer de gezondheid van de mens te expliciteren, kan verwarring ontstaan over de reikwijdte van het begrip "gevolgen voor het milieu" voor de overige handelingen.De Afdeling adviseert de toelichting op dit punt aan te vullen.3. Administratieve lastenHet voorstel brengt administratieve en bestuurlijke lasten met zich. De reële lasten van de erkenningsverplichting hangen samen met de vormgeving van dit nieuwe instrument en zijn pas kenbaar bij de wijziging van het Vuurwerkbesluit. Een indicatie van de voorgenomen wijziging en de daarbij behorende lasten voor degene die de artikelen binnen Nederland wil brengen alsmede voor het tot het verstrekken van de erkenning bevoegde bestuursorgaan, is thans reeds op zijn plaats. In de toelichting wordt echter niet ingegaan op deze lasten.De Afdeling adviseert de toelichting op dit punt aan te vullen.De Afdeling advisering van de Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet niet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal dan nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.De vice-president van de Raad van StateNader rapport (reactie op het advies) van 8 september 2020Het voorstel geeft de Afdeling advisering van de Raad van State aanleiding tot het maken van inhoudelijke opmerkingen die van dien aard zijn dat zij adviseert het voorstel niet aan de Tweede Kamer te zenden dan nadat met de opmerkingen rekening is gehouden.Naar aanleiding van de opmerkingen van de Afdeling en in verband met het internationale karakter van de handel in vuurwerk, is bezien of in Benelux-verband de handel in illegaal vuurwerk gezamenlijk kan worden tegengegaan. Dit heeft inmiddels geresulteerd in voorgenomen beschikking op grond waarvan de Benelux-landen zich ertoe verplichten een zogenoemde pyropas in te voeren voor o.a. vuurwerkbedrijven die handelen in vuurwerk. Met behulp van een verplichte pyropas voor vuurwerkbedrijven bij de aankoop van vuurwerk is gemakkelijker onderscheid te maken tussen professionele vuurwerkbedrijven en illegale handel. De verkoop van professioneel vuurwerk is niet toegestaan aan kopers die niet voldoen aan de wettelijke bevoegdheidseisen. In Nederland, België en Luxemburg wordt de pyropas het bewijs dat een koper van vuurwerk voldoet aan de vereisten. Duitsland en de Europese Commissie waren bij het Benelux-overleg aanwezig en steunen dit initiatief dat bij succes mogelijk navolging gaat krijgen binnen de hele Europese Unie.De invoering van de pyropas dient hetzelfde doel als een erkenningsstelsel, namelijk de handel in illegaal vuurwerk tegengaan. De noodzaak en geschiktheid van het beoogde erkenningsstelsel komt te vervallen met de voorgenomen invoering van de pyropas. Daartoe gemachtigd door de ministerraad moge ik U, verzoeken goed te vinden dat het hierbij gevoegde voorstel van wet gezien het voorgaande niet aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal wordt aangeboden en dat het onderhavige nader rapport tezamen met het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State en het voorstel van wet en de daarbij behorende memorie van toelichting, zoals deze aan de Afdeling advisering van de Raad van State is voorgelegd, openbaar wordt gemaakt.DE STAATSSECRETARIS VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAATVoetnoten(1) Memorie van toelichting, algemeen deel.(2) Het reeds bestaande Vuurwerkbesluit.(3) Bijvoorbeeld de artikelen 1.3.1 e.v., 1A.2B.1 ev, 1A.2E.1 e.v..(4) Hoewel het voorstel en de beoogde erkenningplicht niet voorziet in eisen aan goederen.(5) Anderen dan vervoerders (zie artikel 2, tweede lid, aanhef en onder d, van de Dienstenrichtlijn),(6) Richtlijn 2006/123/EG betreffende de diensten op de interne markt (PB 2006, L 376), zie considerans 33 van de richtlijn en de ICER-handleiding over de Dienstenrichtlijn.(7) De meeste voorbeelden van in lid 2 genoemde eisen zijn al beoordeeld in de jurisprudentie van het Hof van Justitie en daarin strijdig bevonden met het huidige artikel 56 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Op deze basis is er een sterke veronderstelling dat dergelijke eisen niet kunnen worden gerechtvaardigd met een beroep op een van de vier doelen van algemeen belang van artikel 16, lid 3, omdat zij in het algemeen onevenredig zijn. Handboek voor de implementatie van de Dienstenrichtlijn, Luxemburg: Bureau voor officiële publicaties der Europese Gemeenschappen 2007, blz. 40.(8) Memorie van toelichting, toelichting op artikel I, onderdeel C, onder 1,2, en 3.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van het Besluit Wfsv om in verband met de bijzondere omstandigheden als gevolg van covid-19 tijdelijk de AWf-premie niet te herzien bij overwerk.
Bij Kabinetsmissive van 9 juli 2020, no.2020001379, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit Wfsv om in verband met de bijzondere omstandigheden als gevolg van covid-19 tijdelijk de AWf-premie niet te herzien bij overwerk, met nota van toelichting.De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen opmerkingen over het ontwerpbesluit en adviseert het besluit te nemen.Gelet op artikel 26, zesde lid jo vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, adviseert de Afdeling dit advies openbaar te maken.De vice-president van de Raad van StateNader rapport (reactie op het advies) van 31 augustus 2020Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om in de nota van toelichting de conclusie van het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) anders te verwoorden.Ik moge U hierbij het ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928 in verband met de evaluatie van de Natuurschoonwet 1928.
Bij Kabinetsmissive van 20 april 2020, no.2020000799, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, mede namens de Staatssecretaris van Financiën, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende wijziging van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928 in verband met de evaluatie van de Natuurschoonwet 1928, met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Tijdelijk besluit COVID-19 aanspraak bovenwettelijke vakantie-uren van raadsheren-plaatsvervangers en rechters-plaatsvervangers.
Bij Kabinetsmissive van 13 juli 2020, no.2020001443, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Rechtsbescherming, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerp Tijdelijk besluit COVID-19 aanspraak bovenwettelijke vakantie-uren van raadsheren-plaatsvervangers en rechters-plaatsvervangers in verband met de tijdelijke verhoging van de leeftijdsgrens tot drieënzeventig jaar, met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten (versterking strafrechtelijke aanpak ondermijnende criminaliteit).
Bij Kabinetsmissive van 27 maart 2020, no.2020000648, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Justitie en Veiligheid, mede namens de Minister voor Rechtsbescherming en de Minister voor Medische Zorg, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten in verband met versterking van de strafrechtelijke aanpak van ondermijnende criminaliteit (versterking strafrechtelijke aanpak ondermijnende criminaliteit), met memorie van toelichting.Het wetsvoorstel voorziet in een aantal maatregelen ter versterking van de strafrechtelijke aanpak van ondermijnende criminaliteit.De Afdeling advisering van de Raad van State onderschrijft het belang van de strafrechtelijke aanpak van ondermijnende criminaliteit, maar maakt opmerkingen over de effectiviteit en de vormgeving van een aantal voorgestelde wijzigingen. Deze opmerkingen betreffen de effectiviteit en de reikwijdte van de maatregel kostenverhaal, de toerekening en matiging bij de maatregel kostenverhaal en de vormgeving van de maatregel kostenverhaal in de Wet op de economische delicten (WED).Voorts maakt de Afdeling opmerkingen over de verhouding van de strafbaarstelling van invoer, uitvoer, vervoer of bezit van precursoren met artikel 10a van de Opiumwet, over de afbakening van de reikwijdte van het strafrechtelijk executie onderzoek en over de verhouding van de strafbaarstelling van wederrechtelijk verblijf op een haven, luchthaven of rangeerterrein tot artikel 62a Luchtvaartwet. In verband daarmee is aanpassing wenselijk van het voorstel en de toelichting.1. InleidingDit wetsvoorstel strekt tot aanpassing van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Stafvordering en enkele andere wetten met het oog op de versterking van de strafrechtelijke aanpak van ondermijnende criminaliteit. Het vormt onderdeel van een breder wetgevingsprogramma, bestaande uit meerdere wetsvoorstellen op bestuursrechtelijk en strafrechtelijk terrein die onderling gemeen hebben dat zij (mede) tot doel hebben de aanpak van ondermijning te versterken. Dit wetsvoorstel ziet binnen dat bredere kader op de strafrechtelijke aanpak van ondermijnende criminaliteit. (zie noot 1)De Afdeling onderschrijft het belang van de strafrechtelijke aanpak van ondermijnende criminaliteit, maar maakt opmerkingen over de effectiviteit en de vormgeving van een aantal voorgestelde wijzigingen. Vanwege de uiteenlopende aard van de voorgestelde wijzigingen wordt het voorstel hierna per onderdeel besproken. De Afdeling maakt opmerkingen over de maatregel kostenverhaal (paragraaf 2), de strafbaarstelling van invoer, uitvoer, vervoer of bezit van precursoren (paragraaf 3), de verruiming van het strafrechtelijk executie onderzoek (paragraaf 4) en de strafbaarstelling van wederrechtelijk verblijf op een haven, luchthaven of rangeerterrein (paragraaf 5).2. Maatregel kostenverhaala. AlgemeenDe opsporingsdiensten en het openbaar ministerie (OM) kunnen in het kader van een strafrechtelijke procedure voorwerpen in beslag nemen. Voor bepaalde voorwerpen geldt dat zij zich naar hun aard niet lenen om terug te worden gebracht in de maatschappij, omdat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang (bijvoorbeeld drugs of wapens). Deze voorwerpen zullen moeten worden vernietigd. Met de vernietiging zijn vaak hoge kosten gemoeid. Deze kosten worden thans ten laste gebracht van de gemeenschappelijke middelen.Met dit onderdeel van het wetsvoorstel wordt een maatregel geïntroduceerd die het mogelijk maakt dat de kosten van de vernietiging en de daarmee samenhangende kosten (zie noot 2) worden verhaald op de veroordeelde van een strafbaar feit waarvoor oplegging van de maatregel kostenverhaal mogelijk is. (zie noot 3) Het huidige recht biedt daarvoor geen basis. (zie noot 4) Op deze wijze wordt degene die strafbare feiten pleegt verantwoordelijk gehouden voor de kosten van het ongedaan maken van de gevolgen van deze strafbare gedragingen voor de leefomgeving en de volksgezondheid. (zie noot 5) De maatregel wordt opgenomen in de Opiumwet, (zie noot 6) de Wet wapens en munitie (Wwm) (zie noot 7) en de WED (zie noot 8) en wordt ingebed in de bestaande structuur van het strafproces. (zie noot 9) De tenuitvoerlegging van deze maatregel zal plaatsvinden op de wijze van tenuitvoerlegging van de ontnemingsmaatregel. (zie noot 10)b. Effectiviteit; financiële opbrengstenIn het Wetboek van Strafvordering is bepaald dat de kosten, verbonden aan de tenuitvoerlegging van maatregelen, ten laste van de staat komen, voor zover niet bij of krachtens enige wet anders is bepaald. (zie noot 11) Die bepaling betreft een verbijzondering van het algemene uitgangspunt dat de handhaving van wet- en regelgeving uit de algemene middelen dient te worden gefinancierd, omdat deze plaatsvindt ten behoeve van het algemeen belang. De maatregel kostenverhaal vormt hierop een uitzondering. Daarom moeten de uitgangspunten in acht worden genomen die zijn neergelegd in het rapport "Maat houden" (2014), (zie noot 12) dat richtlijnen geeft voor het doorberekenen van handhavingskosten. (zie noot 13)Volgens het rapport "Maat houden" (2014) kan het ‘de veroorzaker betaalt-beginsel’ een grondslag bieden voor de doorberekening van handhavingskosten. Eén van de aan (gedeeltelijke) doorberekening gestelde randvoorwaarden (zie noot 14) houdt in dat deze er niet toe mag leiden dat de baten ervan niet opwegen tegen de kosten. In de toelichting wordt aangegeven dat het de verwachting is dat de opbrengsten in ieder geval tegen de structurele kosten zullen opwegen, waarmee dit onderdeel van het wetsvoorstel kostenneutraal ingevoerd kan worden. (zie noot 15) De Afdeling is er evenwel niet van overtuigd dat de baten die met het voorstel gerealiseerd zouden moeten worden, opwegen tegen de financiële en mogelijk maatschappelijke lasten van het voorstel.De Afdeling wijst daartoe op het volgende. Het is aannemelijk dat vooral de daders met een ondergeschikte rol in een groter crimineel netwerk worden veroordeeld. (zie noot 16) De inning kan bij deze personen problematisch zijn. De schuldenlast van veroordeelden zal toenemen, hetgeen effect zal kunnen sorteren op recidive en resocialisatie. Bovendien kan het voorstel naast de kosten die gepaard gaan met de inning ook andere kosten met zich meebrengen, zoals meer beroepsprocedures en meer gevallen waarin een beroep wordt gedaan op bijvoorbeeld schuldhulpverlening. (zie noot 17) De berekening in de toelichting is bovendien gemaakt op basis van een aantal aannames (zie noot 18) en is voorts niet volledig. (zie noot 19) In dat licht bezien rijst de vraag of de te verwachten opbrengsten van doorberekening daadwerkelijk zullen opwegen tegen de kosten. De beantwoording van die vraag verdient meer aandacht in de toelichting. Daarnaast acht de Afdeling het in verband met de onzekerheden over het te verwachten financiële effect wenselijk om een evaluatiebepaling in het voorstel op te nemen.De Afdeling adviseert in de toelichting extra aandacht te besteden aan de financiële gevolgen van dit onderdeel van het wetsvoorstel en in het voorstel een evaluatiebepaling op te nemen.c. ReikwijdteIn de toelichting wordt de toepassing van de voorgestelde maatregel telkens en alleen gekoppeld aan de vernietiging van illegaal vuurwerk, illegale gewasbeschermingsmiddelen, drugs(laboratoria) en hennepkwekerijen. (zie noot 20) De reikwijdte van de voorgestelde bepalingen is evenwel geenszins beperkt tot deze gevallen. De maatregel kan immers worden toegepast bij (feitelijk) alle strafbare feiten uit de Opiumwet, de WED en de Wwm. De reikwijdte van de maatregel is in zoverre dan ook veel ruimer dan in de toelichting wordt gesuggereerd. Zo omvat de WED naast bepalingen over illegaal vuurwerk en illegale gewasbeschermingsmiddelen zeer veel andere strafbare feiten van uiteenlopende aard en komt de maatregel in verhouding tot de Wwm in de toelichting in het geheel niet aan bod.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van het Besluit inburgering in verband met een vrijstelling voor ondernemers van het examenonderdeel oriëntatie op de Nederlandse arbeidsmarkt.
Bij Kabinetsmissive van 30 juni 2020, no.2020001311, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit van een algemene maatregel van bestuur tot wijziging van het Besluit inburgering in verband met een vrijstelling voor ondernemers van het examenonderdeel oriëntatie op de Nederlandse arbeidsmarkt, met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 in verband met enkele aanpassingen in het alcoholslotprogramma.
Bij Kabinetsmissive van 11 juli 2014, no.2014001390, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Infrastructuur en Milieu, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 in verband met enkele aanpassingen in het alcoholslotprogramma, met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg in verband met het creëren van grondslagen voor het verwerken van gepseudonimiseerde persoonsgegevens.
Bij Kabinetsmissive van 17 juni 2020, no.2020001208, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Medische Zorg, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet houdende wijziging van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg in verband met het creëren van grondslagen voor het verwerken van gepseudonimiseerde persoonsgegevens ten behoeve van registraties ter bevordering van de kwaliteit en veiligheid van de gezondheidszorg en wijziging van de Wet langdurige zorg in verband met het toevoegen van de bevoegdheid voor het CIZ om geaggregeerde informatie te genereren en verstrekken aan de Minister van VWS ten behoeve van het doen van ramingen, met memorie van toelichting.Het wetsvoorstel regelt een wettelijke grondslag voor de verwerking van (gepseudonimiseerde) persoonsgegevens ten behoeve van kwaliteitsregisters van verslavingszorg en traumazorg. Daarnaast regelt het wetsvoorstel een grondslag voor de verwerking van (bijzondere) persoonsgegevens door het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ).De Afdeling advisering van de Raad van State maakt opmerkingen over het opnemen van een definitie van verslavingszorg in de wet en de uitoefening van de rechten van betrokkenen. In verband daarmee is aanpassing wenselijk van het wetsvoorstel en de toelichting.1. Opnemen wettelijke definitie van verslavingszorgHet wetsvoorstel regelt onder meer dat een zorgaanbieder die verslavingszorg verleent (bijzondere) persoonsgegevens verstrekt aan onze Minister ten behoeve van statistische doeleinden, beleidsvorming, kwaliteitsbewaking en kwaliteitsbevordering van de verslavingszorg. (zie noot 1) Uit de toelichting blijkt dat het hierbij specifiek gaat om de (gepseudonimiseerde) gegevensverwerking ten behoeve van het Landelijk Alcohol- en drugsinformatiesysteem (LADIS). Dit register bestaat al geruime tijd. De gegevens uit LADIS worden onder meer gebruikt om te kunnen voldoen aan de Europeesrechtelijke verplichting om inzicht te geven in de vraag naar verslavingszorg in Nederland. (zie noot 2) Daarnaast worden de gegevens gebruikt voor de Nationale drug monitor, kerncijfers verslavingszorg en de landelijke monitor gezondheidszorg. (zie noot 3)De Afdeling merkt op dat deze rapportages gegevens bevatten over uiteenlopende vormen van verslavingszorg. Zonder nadere toelichting is daarom niet duidelijk wat onder verslavingszorg moet worden verstaan. Als gevolg daarvan is ook niet zonder meer duidelijk op welke zorgaanbieders de voorgestelde verplichting rust om gegevens te verstrekken.Gelet daarop adviseert de Afdeling de reikwijdte van de wettelijke verplichting te verduidelijken en in het wetsvoorstel een definitie van verslavingszorg op te nemen.2. Rechten van betrokkenen bij gepseudonimiseerde gegevensverwerkingVoorgesteld wordt dat zorgaanbieders van verslavingszorg en traumazorg aan respectievelijk de minister en de traumacentra (bijzondere) persoonsgegevens verstrekken ten behoeve van de kwaliteitsregisters LADIS en de Landelijke Traumaregistratie (LTR). (zie noot 4) De minister en traumacentra verwerken deze gegevens vervolgens ten behoeve van deze registers voor zover deze gegevens zijn gepseudonimiseerd. (zie noot 5)Voor verwerking van persoonsgegevens geldt dat een ieder in beginsel moet kunnen nagaan of, en zo ja, welke gegevens worden verwerkt. Ter invulling van dit beginsel zijn in de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) een aantal rechten toegekend aan betrokkene. (zie noot 6) Ten aanzien van de rechten van betrokkenen wordt in de toelichting enerzijds opgemerkt dat deze bij algemene maatregel van bestuur nader zullen worden uitgewerkt. (zie noot 7) Elders in de toelichting wordt echter opgemerkt dat de rechten van betrokkenen niet bij Nederlands recht worden beperkt en dat de bepalingen in de AVG die zien op de rechten van betrokkenen niet van toepassing zijn. (zie noot 8)De Afdeling merkt op dat de toelichting aldus tegenstrijdig is over de (nadere) regulering van de rechten van betrokkenen. Daarbij wordt onvoldoende onderscheid gemaakt tussen de verschillende verwerkingen die plaatsvinden door respectievelijk zorgaanbieders, de minister en traumacentra. Weliswaar geldt voor de verwerking door de minister en de traumacentra dat sprake is van gepseudonimiseerde gegevens. Dit geldt blijkens het voorstel echter niet voor de gegevensverstrekking door de zorgaanbieders van verslavingszorg en acute zorg aan respectievelijk de minister en traumacentra. De Afdeling adviseert in de toelichting in te gaan op de wijze waarop de rechten van betrokkenen in die gevallen zullen worden gewaarborgd en zo nodig het voorstel aan te passen.Volgens de toelichting zijn de bepalingen van de AVG ten aanzien van de rechten van betrokkenen niet van toepassing. Ter motivering van die stelling wordt aangevoerd dat het een verwerking betreft waarvoor de betrokkene niet wordt geïdentificeerd en ook niet hoeft te worden geïdentificeerd. De verwerkingsverantwoordelijke kan vanwege de dubbele pseudonimisering de betrokkene niet identificeren, omdat hij de gebruikte unieke pseudoniemen niet kan herleiden tot de betrokkenen, aldus de toelichting. (zie noot 9) Aldus is sprake van de uitzonderingssituatie waarin de bepalingen in de AVG, die zien op de rechten van betrokkenen, niet van toepassing zijn. (zie noot 10)De Afdeling wijst erop dat deze motivering vragen oproept. De AVG regelt immers eveneens waarborgen en afwijkingen voor de verwerking van (gepseudonimiseerde) gegevens met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of voor statische doeleinden. Deze verwerkingen zijn onderworpen aan passende waarborgen voor de rechten en vrijheden van betrokkene. Bij Unierecht of nationaal recht kan in dat geval worden afgeweken van een aantal (specifieke) bepalingen met betrekking tot de rechten van betrokkenen. (zie noot 11) Inperking van deze rechten kan echter pas aan de orde zijn voor zover die rechten het verwezenlijken van de specifieke doeleinden onmogelijk dreigen te maken of ernstig dreigen te belemmeren en dergelijke afwijkingen noodzakelijk zijn om die doeleinden te bereiken. (zie noot 12)De Afdeling adviseert hierop in de toelichting nader in te gaan.De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal opmerkingen bij het voorstel en adviseert daarmee rekening te houden voordat het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal wordt ingediend.De waarnemend vice-president van de Raad van StateNader rapport (reactie op het advies) van 4 september 20201. Naar aanleiding van het advies van de Afdeling heeft de regering een definitie van verslavingszorg opgenomen. Daarbij wordt opgemerkt dat deze opsomming niet limitatief is, aangezien verslavingszorg vele verschijningsvormen kent en er door de tijd kunnen nieuwe verslavingen ontstaan. Om die reden is een definitie opgenomen die enerzijds helderheid verschaft ten behoeve van de reikwijdte van dit onderdeel van de wet en anderzijds enige flexibiliteit verleent in het licht van toekomstige ontwikkelingen. De (artikelsgewijze)toelichting is eveneens aangepast.2. Naar aanleiding van de opmerking van de Afdeling is paragraaf 5.1.1 van de memorie van toelichting aangepast zodat de onbedoelde inconsistentie is verholpen.Voorts geeft de opmerking van de Afdeling over de toepasselijkheid van de rechten van betrokkenen in het geval van gepseudonimiseerde persoonsgegevens (die door desbetreffende kwaliteitsregistraties ook niet zonder meer te ontsleutelen zijn) de regering aanleiding om een en ander nader toe te lichten in het nader rapport en in de toelichting bij het wetsvoorstel. De Afdeling maakt een vergelijking met de verwerking als bedoeld in artikel 89 van de AVG, te weten de verwerking van (gepseudonimiseerde) gegevens met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of voor statische doeleinden. Alhoewel kwaliteitsregistraties ook statistische doeleinden (kunnen) dienen is dit niet de enige dan wel primaire taak van kwaliteitsregistraties. Deze beogen de kwaliteit van de gezondheidszorg te verbeteren. Om die reden is een beroep op artikel 89 van de AVG niet haalbaar. Aangezien de persoonsgegevens (dubbel) gepseudonimiseerd worden verstrekt aan de beide kwaliteitsregistraties en zij niet beschikken over de sleutel van de pseudonimisering, zijn zij niet in staat om de gegevens te herleiden tot een persoon. Bovendien bestaat er voor deze registraties geen noodzaak om deze gegevens tot een persoon te kunnen herleiden. Dit heeft als gevolg dat kwaliteitsregistraties geen uitvoering kúnnen geven aan de in de AVG gestelde rechten van betrokkenen, tenzij deze gegevens worden ontsleuteld zodat de kwaliteitsregistraties vervolgens in staat worden gesteld de rechten van een betrokkenen te effectueren. Echter, dit betekent dat de waarborg die pseudonimisering met zich meebrengt wordt teniet gedaan en leidt bovendien tot een aanvullende (grote) verwerking van persoonsgegevens. Om die reden is een beroep op artikel 11 van de AVG gerechtvaardigd. Daarbij wordt ten overvloede nog opgemerkt dat betrokkenen wel door de zorgaanbieders worden geïnformeerd dat hun gegevens aan derden (op grond van een wettelijke verplichting) kunnen worden verstrekt en worden zij gewezen op hun rechten.Ik moge U verzoeken het hierbij gevoegde gewijzigde voorstel van wet en de gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.De Minister voor Medische ZorgVoetnoten(1) Voorgesteld artikel 30a, eerste lid, Wkkgz.(2) Verordening (EG) nr.19020/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving (herschikking) PbEU L376/1.(3) Memorie van Toelichting, paragraaf 2.2.(4) Voorgesteld artikel 30a, eerste lid, en artikel 30b, eerste lid.(5) Voorgesteld artikel 30a, derde lid, en artikel 30b, vierde lid.(6) Artikelen 12-22 Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG, PbEU 2016, L 119/1 (Algemene verordening gegevensbescherming).(7) Memorie van Toelichting, paragraaf 5.1.1.(8) Memorie van Toelichting, paragraaf 5.1.2.(9) Memorie van Toelichting, paragraaf 5.1.2.(10) Artikel 11, eerste en tweede lid, AVG.(11) Artikel 89 en 156-163, AVG.(12) Artikel 89, tweede en derde lid, AVG.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 zodat voor de maanden april en mei van 2020 geen eigen bijdrage is verschuldigd.
Bij Kabinetsmissive van 15 juli 2020, no.2020001504, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende wijziging van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 zodat voor de maanden april en mei van 2020 geen eigen bijdrage is verschuldigd, met nota van toelichting.De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen inhoudelijke opmerkingen over het ontwerpbesluit.De Afdeling verwijst naar de bij dit advies behorende redactionele bijlage.De Afdeling adviseert het besluit te nemen.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Verzamelbesluit VWS 2020.
Bij Kabinetsmissive van 29 juni 2020, no.2020001279, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, in overeenstemming met de Minister voor Rechtsbescherming, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van een aantal besluiten op het terrein van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport teneinde de orthopedagoog-generalist toe te voegen aan de begripsbepaling van geregistreerde professional en de naamswijziging van het AMHK en enkele andere wijzigingen door te voeren (Verzamelbesluit VWS 2020), met nota van toelichting.De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen inhoudelijke opmerkingen over het ontwerpbesluit.De Afdeling verwijst naar de bij dit advies behorende redactionele bijlage.De Afdeling adviseert het besluit te nemen.Gelet op artikel 26, zesde lid jo vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, adviseert de Afdeling dit advies openbaar te maken.De vice-president van de Raad van StateRedactionele bijlage bij het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State betreffende no.W13.20.0208/III- De keuze om 16- en 17-jarigen zelfstandig te laten beslissen over deelname aan bevolkingsonderzoek toelichten.- In artikel IV, onderdeel B, de meervoudsvorm "Veilig Thuis-organisaties" uitschrijven: "Veilig Thuis-organisaties zoals bedoeld in artikel 4.1.1, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015".- In de toelichting van artikel IV, onderdeel C, verwijzen naar het moment van inwerkingtreding van deze artikelen (Stb. 2014, 443), zodat kenbaar is dat deze zijn uitgewerkt.- In artikel VI, onderdeel B, het woord "telkens" toevoegen na "het AMHK".- De wijzigingen van artikel XII, onderdelen B, onder 2 t/m 5, toelichten met een verwijzing naar Stb. 2019, 319.- De wijzigingen van artikel XII, onderdeel C, splitsen in wijzigingen m.b.t. "het AMHK" en "Het AMHK".Nader rapport (reactie op het advies) van 18 augustus 2020Het ontwerpbesluit geeft de Afdeling advisering van de Raad van State geen aanleiding tot het maken van inhoudelijke opmerkingen. Wel zijn een paar redactionele opmerkingen gemaakt. De redactionele opmerkingen zijn grotendeels verwerkt in het ontwerpbesluit en de nota van toelichting. Er is voor gekozen om in artikel 1.1 van het Besluit Jeugdwet de begripsbepaling van jeugddomein het “advies- en meldpunten huiselijk geweld en kindermishandeling” niet te vervangen door “Veilig Thuis-organisaties als bedoeld in artikel 4.1.1, eerste lid, van de Wmo 2015”, maar slechts door “Veilig Thuis-organisaties”. In artikel 1.1 van de Jeugdwet is als begripsbepaling van Veilig Thuis opgenomen dat dit een Veilig Thuis-organisatie is als bedoeld in artikel 4.1.1 van de Wmo 2015. Het is niet nodig om dit in het Besluit Jeugdwet te herhalen.Van de gelegenheid is gebruik gemaakt het ontwerpbesluit aan te vullen met enkele wijzigingen in het Besluit medische hulpmiddelen en het Besluit actieve implantaten vanwege de vertraging in het van toepassing worden van Verordening (EU) 2017/745 in verband met de Covid-crisis.Deze verordening bevat het regelgevingskader omtrent de markttoelating van medische hulpmiddelen. De Wet medische hulpmiddelen (Stb. 2019, 400, hierna: Wmh) vormt de uitvoering van deze verordening. De huidige Wet op de medische hulpmiddelen, het Besluit medische hulpmiddelen en Besluit actieve implantaten zullen ingetrokken worden wanneer Verordening (EU) 2017/745 van toepassing wordt.Echter, in verband met de uitbraak van COVID-19 is recent besloten dat die verordening van toepassing wordt per 26 mei 2021 in plaats van 26 mei 2020. Dit uitstel heeft gevolgen voor de reeds in gang gezette implementatiewerkzaamheden van Verordening (EU) 2017/745. Deze verordening brengt namelijk mee dat de huidige notificatieplicht voor klinisch onderzoek niet langer bij de IGJ hoeft te geschieden, maar slechts nog bij de CCMO. De IGJ en de CCMO zijn dan ook al geruime tijd bezig de overdracht van deze taken in hun processen in te bouwen.Nu Verordening (EU) 2017/745 en de Wmh pas per 26 mei 2021 van toepassing worden, blijven het huidige Besluit medische hulpmiddelen en het Besluit actieve implantaten nog een jaar van toepassing. Dit zou betekenen dat de CCMO en de IGJ de voorbereidingen van de overdracht van de bedoelde taken voor nu stop moeten zetten en deels zelfs terug zouden moeten draaien, terwijl de overdracht bij inwerkingtreding van de Wmh (2021) opnieuw plaats zou moeten vinden. De wijziging van het Besluit medische hulpmiddelen en het Besluit actieve implantaten is er dan ook op gericht dat de notificaties niet meer bij de IGJ hoeven te worden gedaan, vooruitlopend op de inwerkingtreding van Verordening (EU) 2017/745. Met deze wijzigingen wordt voorkomen dat reeds in gang gezette implementatiewerkzaamheden door de IGJ, CCMO en fabrikanten stopgezet of teruggedraaid zouden moeten worden.Van de gelegenheid is daarnaast gebruik gemaakt om een wetstechnische omissie in het Besluit opleidingseisen en deskundigheidsgebied klinisch technoloog (Stb. 2020, 96) te herstellen. Bij publicatie van dat besluit bleek dat de daarin opgenomen wijzigingen van het Besluit buitenslands gediplomeerden volksgezondheid en het Registratiebesluit BIG niet doorgevoerd konden worden. De formulering van de wijzigingsvoorstellen klopte niet meer vanwege recent aangebrachte andere wijzigingen in dezelfde artikelen. De formulering is daarom nu aangepast aan de huidige teksten, zodat de gewenste wijzigingen alsnog doorgevoerd kunnen worden.Ik moge U hierbij in overeenstemming met de Minister voor Rechtsbescherming het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Aanwijzing van 's-Hertogenbosch als nevenzittingsplaats van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Eindhoven.
Bij Kabinetsmissive van 2 juli 2020, no.2020001308, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Medische Zorg, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende aanwijzing van 's-Hertogenbosch als nevenzittingsplaats van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Eindhoven, met nota van toelichting.De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen opmerkingen over het ontwerpbesluit en adviseert het besluit te nemen.Gelet op artikel 26, zesde lid jo vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, adviseert de Afdeling dit advies openbaar te maken.De vice-president van de Raad van StateNader rapport (reactie op het advies) van 17 augustus 2020De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen opmerkingen over het ontwerpbesluit en adviseert het besluit te nemen.Ik moge U hierbij het ontwerpbesluit en de nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.De Minister voor Medische Zorg
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Aanpassing van het Besluit publieke gezondheid vanwege de opname van een nieuwe vaccinatie in het Rijksvaccinatieprogramma.
Bij Kabinetsmissive van 22 juli 2020, no.2020001568, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende aanpassing van het Besluit publieke gezondheid vanwege de opname van een nieuwe vaccinatie in het Rijksvaccinatieprogramma, met nota van toelichting.De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen opmerkingen over het ontwerpbesluit en adviseert het besluit te nemen.Gelet op artikel 26, zesde lid jo vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, adviseert de Afdeling dit advies openbaar te maken.De vice-president van de Raad van StateNader rapport (reactie op het advies) van 24 augustus 2020Ik moge U hierbij het ontwerpbesluit en de nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Implementatiewet kapitaalvereisten 2020.
Bij Kabinetsmissive van 15 mei 2020, no.2020001001, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Financiën, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht in verband met implementatie van Richtlijn 2019/878/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019 tot wijziging van Richtlijn 2013/36/EU met betrekking tot vrijgestelde entiteiten, financiële holdings, gemengde financiële holdings, beloning, toezichtsmaatregelen en -bevoegdheden en kapitaalconserveringsmaatregelen (PbEU 2019, L 150) en ter uitvoering van Verordening (EU) 2019/876 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 575/2013 wat betreft de hefboomratio, de nettostabielefinancieringsratio, vereisten inzake eigen vermogen en in aanmerking komende passiva, tegenpartijkredietrisico, marktrisico, blootstellingen aan centrale tegenpartijen, blootstellingen aan instellingen voor collectieve belegging, grote blootstellingen, rapportage- en openbaarmakingsvereisten, en van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PbEU 2019, L 150) (Implementatiewet kapitaalvereisten 2020), met memorie van toelichting.De Afdeling advisering maakt opmerkingen over de toepassing van een aantal lidstaatopties voor beloningsmaatregelen, over een aantal aspecten van de regeling voor goedkeuring van (gemengde) financiële holdings, over de reikwijdte van de verplichting een intermediaire EU-onderneming te hebben en ten slotte over de noodzaak en waarborgen van gegevensverwerking in de uitzonderlijke gevallen waarin volgens de toelichting uitwisseling van persoonsgegevens nodig is. Daarnaast heeft de Afdeling een algemene opmerking: zij adviseert om in de toelichting in te gaan op de termijn waarbinnen en de voorwaarden waaronder een noodzakelijke structurele verbetering van de inzichtelijkheid en de toegankelijkheid van de Wft kan plaatsvinden. In verband daarmee is aanpassing wenselijk van het wetsvoorstel en de toelichting.1. Achtergrond en inhoud wetsvoorstelHet wetsvoorstel geeft uitvoering aan de Europese wijzigingsrichtlijn kapitaalvereisten (zie noot 1) en de wijzigingsverordening kapitaalvereisten (zie noot 2), die de richtlijn kapitaalvereisten (zie noot 3) onderscheidenlijk de verordening kapitaalvereisten (zie noot 4) wijzigen. Deze wijzigingsrichtlijn en -verordening maken onderdeel uit van het ‘Bankenpakket’ (zie noot 5) waarmee een volgende stap wordt gezet naar de voltooiing van de bankenunie. Zij bevatten belangrijke wijzigingen van onder meer het kapitaaleisenraamwerk voor banken en bepaalde beleggingsondernemingen.Zo regelt de wijzigingsverordening een nieuwe risico-ongewogen minimum hefboomratiokapitaaleis van 3%, ook bekend als de ‘leverage ratio’, waaraan banken vanaf 28 juni 2021 moeten voldoen.Het wetsvoorstel wijzigt de Wet op het financieel toezicht (Wft). Met het wetsvoorstel wordt onder meer een nieuw goedkeuringsvereiste geregeld voor (gemengde) financiële holdings die moederonderneming zijn van groepen met banken en beleggingsondernemingen waarop geconsolideerd toezicht wordt gehouden. (zie noot 6) Voorts wordt een nieuwe verplichting tot aanwijzing van een intermediaire EU-moederonderneming geregeld voor groepen met een moederonderneming met zetel in een derde land en die in de EU actief zijn met twee of meer banken of beleggingsondernemingen in de zin van de richtlijn kapitaalvereisten. (zie noot 7) Ook worden onder meer wijzigingen voorgesteld die verband houden met de verdergaande harmonisatie van het microprudentiële toezicht op banken en beleggingsondernemingen, in het bijzonder van het toezicht- en evaluatieproces (‘Supervisory Review and Evalution Process’) en de instellingsspecifieke Pijler 2-kapitaalvereisten.2. Toegankelijkheid en inzichtelijkheid van de WftDe Afdeling ziet aanleiding voor een algemene opmerking vooraf. De Afdeling brengt in herinnering dat zij in haar advies over het wetsvoorstel herstel en afwikkeling van banken en verzekeraars heeft opgemerkt dat met een grondige herziening van de opzet van de Wft de toegankelijkheid moet worden verbeterd. (zie noot 8) Naar aanleiding van deze adviesopmerking is door de Minister van Financiën een verkenning uitgevoerd hoe de Wft toegankelijker en toekomstbestendiger kan worden gemaakt. Daartoe is een verkenningsnotitie in consultatie gebracht waarin zowel het probleem als een aantal mogelijke oplossingsrichtingen werd verkend.Over de uitkomsten van deze verkenning heeft de Minister van Financiën op 24 mei 2019 aan de Tweede Kamer geschreven dat belanghebbenden zijn analyse van de gebreken in inzichtelijkheid en toegankelijkheid delen. Echter, de minister achtte het toen niet opportuun om gezien de lopende werkzaamheden rondom beleid en wetgeving voor de financiële markten en de verwachte nationale en internationale ontwikkelingen op dit terrein, een omvangrijk traject tot herziening van de Wft te starten. Tegelijkertijd onderkende de minister het belang van een goed functionerend regelgevend kader voor de financiële sector en zegde hij toe bij gelegenheid en op incidentele basis wetstechnische verbeteringen door te voeren, om de toegankelijkheid en inzichtelijkheid van de Wft te bevorderen. (zie noot 9)De Afdeling stelt vast dat gegeven de probleemanalyse van de minister, die door belanghebbenden wordt onderschreven, het bij gelegenheid en op incidentele basis doorvoeren van wetstechnische verbeteringen geen toereikende oplossing is. Dat betekent dat de bestaande gebreken in inzichtelijkheid en toegankelijkheid zich alleen maar zullen verdiepen. Het is volgens de Afdeling voor een goed functionerend regelgevend kader essentieel dat op enig moment in de toekomst een (meer) structurele oplossing wordt gerealiseerd.De Afdeling beveelt aan in de toelichting aandacht te besteden aan de termijn waarop en de voorwaarden waaronder de inzichtelijkheid en de toegankelijkheid van de Wft structureel zullen worden verbeterd.3. Beloningsmaatregelen: vrijstelling voor kleine en niet-complexe instellingen of individuele personeelsledenDe wijzigingsrichtlijn introduceert een meer proportionele toepassing (zie noot 10) van de beloningsregels op kleine en niet-complexe instellingen en op individuele personeelsleden van instellingen. (zie noot 11) Dit houdt in dat kleine niet-complexe instellingen of personeelsleden van instellingen onder voorwaarden vrijgesteld zijn van de toepassing van drie specifieke beloningsregels. (zie noot 12) Op grond van de richtlijn kapitaalvereisten is deze vrijstelling uitsluitend van toepassing op:(i) kleine en niet-complexe instellingen (zie noot 13) waarvan de waarde van de activa niet meer bedraagt dan € 5 miljard; of(ii) individuele personeelsleden van instellingen van wie de variabele beloning niet hoger is dan € 50.000 op jaarbasis, mits dat niet meer is dan een derde van de totale beloning.a. Lidstaatopties bij toepassing van de vrijstellingDe wijzigingsrichtlijn kent ten aanzien van de betreffende vrijstelling twee lidstaatopties. Ten eerste kan een lidstaat ervoor kiezen de drempel van de waarde van activa (van vijf miljard euro) voor instellingen te verhogen of te verlagen. (zie noot 14) Ten tweede kan een lidstaat besluiten dat bepaalde personeelsleden die voldoen aan de voorwaarden voor toepassing van de vrijstelling (zie noot 15) toch van de toepassing ervan worden uitgesloten, vanwege specifieke kenmerken van de nationale markt op het gebied van beloningspraktijk of vanwege de aard van de taken en het beroepsprofiel van die personeelsleden.In het voorstel wordt invulling gegeven aan de tweede lidstaatoptie ten aanzien van personeelsleden door de drempel van een variabele beloning van maximaal 33% (zie noot 16) te verlagen naar een variabele beloning van maximaal 10%. (zie noot 17) De Afdeling merkt op dat dit een onjuiste toepassing is van de lidstaatoptie uit de wijzigingsrichtlijn. (zie noot 18) Deze lidstaatoptie omvat immers niet de mogelijkheid om de drempel (de maximale variabele beloning) voor toepassing van de vrijstelling te verlagen.De lidstaatoptie bij de vrijstelling ten aanzien van personeelsleden biedt uitsluitend de mogelijkheid om bepaalde categorieën van personeelsleden alsnog van de toepassing van de vrijstelling uit te sluiten, vanwege specifieke kenmerken van de nationale markt op het gebied van beloningspraktijk of vanwege de aard van de taken en het beroepsprofiel van die personeelsleden. De wijzigingsrichtlijn biedt geen ruimte voor de voorgestelde invulling van de lidstaatoptie. Dit zou slechts anders kunnen zijn indien de verlaging van de drempel ertoe strekt personeelsleden van de vrijstelling uit te sluiten vanwege specifieke kenmerken van de nationale markt op het gebied van beloningspraktijk of vanwege de aard van de taken en het beroepsprofiel van die personeelsleden.De Afdeling adviseert gezien het bovenstaande om de wijze waarop deze lidstaatoptie wordt toegepast te heroverwegen.b. Delegatie regelgevende bevoegdheidDe toelichting van het voorstel stelt dat de betreffende lidstaatoptie zal worden toegepast door dit in lijn met de bestaande systematiek te regelen in de Regeling beheerst beloningsbeleid Wft 2017 van De Nederlandsche Bank (DNB). (zie noot 19) Deze toezichthouderregeling is gebaseerd op artikel 1:117, vierde lid, Wft. Op grond daarvan kan DNB nadere regels stellen met betrekking tot (i) de wijze waarop het beloningsbeleid wordt opgesteld en vastgesteld of goedgekeurd, uitgevoerd, geëvalueerd en aangepast en (ii) de wijze waarop vorm wordt gegeven aan beloningscomponenten en beloningsstructuren en de wijze waarop de risico’s die uit het beleid en de uitvoering daarvan voortvloeien, worden beheerst.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van het Uitvoeringsbesluit WEB inzake niet bestede of op de rijksbijdrage in mindering gebrachte aanvullende middelen.
Bij Kabinetsmissive van 3 juli 2020, no.20220001332, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit WEB inzake niet bestede of op de rijksbijdrage in mindering gebrachte aanvullende middelen in verband met bijzondere omstandigheden, met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Tijdelijke wet COVID-19 SZW en JenV.
Bij Kabinetsmissive van 6 juli 2020, no.2020001355, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, mede namens de Minister voor Rechtsbescherming, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet houdende de wijziging van enkele wetten op het terrein van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en het Ministerie van Justitie en Veiligheid en de introductie van bepalingen ter invoering van de tijdelijke mogelijkheid voor de rechter om de behandeling van faillissementsverzoeken aan te houden en andere verhaalsacties te schorsen en een schuldenaar een tijdelijk betalingsuitstel te verlenen in verband met de uitbraak van COVID-19 (Tijdelijke wet COVID-19 SZW en JenV), met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van het Waterbesluit (actualisering van bijlagen III en IV).
Bij Kabinetsmissive van 15 juli 2020, no.2020001520, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Waterbesluit (actualisering bijlagen III en IV), met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van het Mediabesluit in verband met aanpassing van de evenementenlijst.
Bij Kabinetsmissive van 10 juni 2020, no.2020001166, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende wijziging van het Mediabesluit 2008 in verband met een aanpassing van de evenementenlijst, met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van de Wet financiering sociale verzekeringen om te voorzien in differentiatie naar grootte van werkgever bij de premieheffing voor het Arbeidsongeschiktheidsfonds.
Bij Kabinetsmissive van 15 juli 2020, no.2020001522, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet houdende wijziging van de Wet financiering sociale verzekeringen om te voorzien in differentiatie naar grootte van werkgever bij de premieheffing voor het Arbeidsongeschiktheidsfonds en om de systematiek van voortschrijdend cumulatief rekenen aan te passen, met memorie van toelichting.De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen inhoudelijke opmerkingen bij het voorstel.De Afdeling verwijst naar de bij dit advies behorende redactionele bijlage.De Afdeling adviseert het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal in te dienen.Gelet op artikel 26, zesde lid jo vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, adviseert de Afdeling dit advies openbaar te maken.De vice-president van de Raad van StateRedactionele bijlage bij het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State betreffende no.W12.20.0266/III- Bij de voorgestelde differentiatie naar kleine en overige werkgevers voor de Aof-premie, inhoudelijk toelichten waarom niet bij de reeds bestaande driedeling naar kleine, middelgrote en grote werkgevers in het kader van de regeling gedifferentieerde premie Werkhervattingskas wordt aangesloten (artikel 2.5, eerste lid, onderdeel b tot en met d van het Besluit Wfsv).Nader rapport (reactie op het advies) van 31 augustus 2020De gedifferentieerde Aof-premie is uitsluitend bedoeld om kleine werkgevers financieel tegemoet te komen. Het zijn ook met name kleine werkgevers die aangeven de behoefte te hebben om ontzorgd te worden. Kleine werkgevers kunnen deze tegemoetkoming aanwenden om zich goed te verzekeren via bijvoorbeeld de MKB-verzuim-ontzorgverzekering, die het financiële risico van loondoorbetaling bij ziekte afdekt en de kleine werkgever helpt bij de verplichtingen en taken rondom loondoorbetaling bij ziekte, waarmee zij dus ook ontzorgd kunnen worden. Derhalve is er niet voor gekozen om aan te sluiten bij de reeds bestaande driedeling. Daarnaast is het niet conform de afspraken die het kabinet heeft gemaakt met de werkgevers.Aangezien eenzelfde opmerking ook is gemaakt in de internetconsultatie, is de bovenstaande toelichting aangevuld in hoofdstuk 7 van het algemeen deel van de memorie van toelichting, onder Internetconsultatie gedifferentieerde Aof-premie.Ik moge U verzoeken het hierbij gevoegde voorstel van wet en de gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Tijdelijk besluit verlenging geldigheidsduur rijbewijs in verband met COVID-19.
Bij Kabinetsmissive van 17 juli 2020, no.2020001554, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Reglement rijbewijzen en enige andere besluiten in verband met de tijdelijke verlenging van de geldigheidsduur van het rijbewijs in verband met COVID-19 en enkele andere wijzigingen (Tijdelijk besluit verlenging geldigheidsduur rijbewijs in verband met COVID-19), met nota van toelichting.De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen opmerkingen over het ontwerpbesluit en adviseert het besluit te nemen.Gelet op artikel 26, zesde lid jo vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, adviseert de Afdeling dit advies openbaar te maken.De waarnemend vice-president van de Raad van StateNader rapport (reactie op het advies) van 26 augustus 2020Het ontwerp geeft de Afdeling advisering van de Raad van State geen aanleiding tot het maken van inhoudelijke opmerkingen. Desondanks is het ontwerp op een tweetal punten aangepast.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van de Pensioenwet en Wvb in verband met introduceren keuzemogelijkheid bedrag ineens, vrijstelling RVU-heffing en uitbreiden verlofsparen.
Bij Kabinetsmissive van 11 juni 2020, no.2020001169, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Pensioenwet, de Wet verplichte beroepspensioenregeling, de Wet op het financieel toezicht, de Wet inkomstenbelasting 2001 en de Wet op de loonbelasting 1964 in verband met de introductie van de mogelijkheid om een deel van de waarde van de aanspraken op ouderdomspensioen of op periodieke uitkeringen van oudedagsvoorzieningen in de derde pijler op de ingangsdatum daarvan te laten afkopen, de tijdelijke versoepeling van de pseudo-eindheffing op regelingen voor vervroegde uittreding en de uitbreiding van de fiscale ruimte voor het sparen van bovenwettelijk verlof (Wet bedrag ineens, RVU en verlofsparen), met memorie van toelichting.Het voorstel bevat drie flankerende maatregelen die zijn opgenomen in het in juni 2019 gesloten pensioenakkoord. (zie noot 1) In de eerste plaats wordt de mogelijkheid geboden om bij het ingaan van het pensioen maximaal 10% als een bedrag ineens op te nemen. (zie noot 2) In de tweede plaats geeft een - tijdelijke - versoepeling van de zogenoemde RVU-heffing (zie noot 3) meer ruimte voor uittredingsregelingen waarmee werknemers de mogelijkheid krijgen om drie jaar voor de AOW-leeftijd te stoppen met werken. Ten derde wordt de regeling voor verlofsparen uitgebreid van 50 naar 100 weken. (zie noot 4)De Afdeling advisering van de Raad van State begrijpt de introductie van de mogelijkheid om een deel van het pensioen ineens op te nemen, gelet op de behoefte aan meer flexibiliteit bij pensioenuitkeringen. De daaraan in het voorstel gestelde voorwaarden en de gevolgen voor de inkomstenbelasting en toeslagen roepen echter de vraag op of het voorstel in deze vorm iets zal toevoegen voor de praktijk, terwijl het risico in het leven wordt geroepen dat betrokkenen beslissingen nemen die verkeerd voor hen uitvallen, nu veel betrokkenen - ook na de voorlichting door uitvoerders - de gevolgen onvoldoende zullen kunnen overzien.Bij de versoepeling van de zogenoemde RVU-heffing en de uitbreiding van de mogelijkheid van verlofsparen merkt de Afdeling op dat deze voorstellen in de voorgestelde vorm het beleid inzake duurzame inzetbaarheid en langer doorwerken dreigen te doorkruisen. De Afdeling kan zich voorstellen dat maatregelen als deze worden getroffen voor bepaalde groepen die moeite hebben om werkend de pensioenleeftijd te halen en voor wie weinig of geen alternatieven beschikbaar zijn. Dat vergt echter een veel gerichtere aanpak dan thans wordt voorgesteld.In verband met deze opmerkingen is aanpassing wenselijk van de toelichting, en zo nodig van het wetsvoorstel.Hierna wordt eerst ingegaan op de hoofdlijnen van de drie onderdelen van het wetsvoorstel (punten 1 tot en met 3). Daarna worden enkele specifieke aspecten besproken.1. Bedrag ineensVolgens de toelichting bestaat toenemende behoefte aan meer flexibiliteit met betrekking tot het pensioen, waaronder de mogelijkheid om een deel van het pensioenvermogen ineens op te kunnen nemen. (zie noot 5) Ook wordt vermeld dat het Nederlandse stelsel, in vergelijking met dat van veel andere landen, deelnemers en pensioengerechtigden weinig keuzevrijheid biedt.Tegen deze achtergrond past het voorliggende voorstel om de mogelijkheid te introduceren om een bedrag ineens op te nemen. Het ligt voor de hand dat daarbij voorwaarden en beperkingen worden gesteld. Het bieden van een mogelijkheid tot opname ineens mag immers niet de werking van het pensioenstelsel als geheel in gevaar brengen.De voorwaarden die in het voorstel aan het recht op een bedrag ineens worden gesteld, roepen tegen de geschetste achtergrond echter wel vragen op.a. TijdstipDe mogelijkheid om een bedrag ineens op te nemen, wordt uitsluitend geboden op het tijdstip waarop het pensioen ingaat. (zie noot 6) Opname in de opbouwfase of uitkeringsfase is niet mogelijk. De vraag is waarom deze voorwaarde zo strikt is geformuleerd. De Afdeling wijst in dit verband op de problematiek van de zogenoemde lange balansen van huishoudens en de daarmee verband houdende beperkte vrije bestedingsruimte. In het kader van de advisering over de Miljoenennota 2020 is zij op deze problematiek uitgebreider ingegaan. (zie noot 7)Een gevolg van deze problematiek is dat juist in de opbouwfase grote behoefte kan bestaan aan de mogelijkheid een deel van het pensioen ineens op te nemen. Te denken valt aan situaties als studie van de kinderen, de aankoop van een eigen woning of ter medefinanciering van een sabbatical of studieverlof. Het voorstel zou aan het verminderen van die problematiek een nuttige bijdrage kunnen leveren, maar door de gestelde voorwaarden wordt dit effect grotendeels teniet gedaan. Van de beperking tot de ingangsdatum kan zelfs, zo is in één van de consultatiereacties opgemerkt, een perverse prikkel uitgaan om eerder met pensioen te gaan om de pensioenuitkering naar voren te kunnen halen. (zie noot 8)b. Hoog-laagEen tweede belangrijke beperking in het voorstel is dat niet tegelijkertijd voor een bedrag ineens én een hoog-laag uitkering (zie noot 9) mag worden gekozen. Bij de hoog-laag pensioenuitkering mag de verhouding hoog tot laag niet meer zijn dan 100% tot 75%. Bovendien gelden voorwaarden ten aanzien van de periode dat de uitkering hoog mag zijn. Een hoog-laag uitkering heeft per saldo het effect dat een deel van de pensioenuitkering naar voren wordt gehaald. De omvang van het deel van het pensioen dat naar voren wordt gehaald, is bij een hoog-laag uitkering uiteindelijk vergelijkbaar met dat bij een bedrag ineens. Nu de meeste pensioenuitvoerders een hoog-laag uitkering al mogelijk maken, is de toegevoegde waarde van een bedrag ineens relatief beperkt. Daarbij speelt een belangrijke rol dat ten opzichte van een hoog-laag uitkering de gevolgen voor de heffing van inkomstenbelasting en inkomensafhankelijke regelingen (zoals toeslagen) bij een bedrag ineens in veel gevallen ongunstiger zijn (zie hierna onder c).In de toelichting wordt in dit verband nog opgemerkt dat regelingen waarbij bij de pensioeningangsdatum ligt op een tijdstip vóór de AOW-leeftijd is bereikt en in die tussentijd (met AOW-gat) het pensioen (al dan niet geheel) wordt aangevuld met een (overbruggings)pensioen, die aanvulling ook geldt als hoog-laag uitkering. (zie noot 10) Indien daarvan gebruik wordt gemaakt, kan dus niet worden gekozen voor een bedrag van (maximaal) 10% ineens. Deze voorwaarde zal in de praktijk temeer betekenen dat van de thans voorgestelde regeling in veel gevallen geen gebruik zal (kunnen) worden gemaakt.c. Belastingen/toeslagenVerder merkt de Afdeling op dat de uitkering van een bedrag ineens in het jaar van die uitkering leidt tot een hoger verzamelinkomen voor de inkomstenbelasting. (zie noot 11) Het gevolg daarvan is niet alleen een hogere inkomstenbelastingheffing (mede door afbouw heffingskortingen), maar mogelijk ook een hogere inkomensafhankelijke premie voor de Zorgverzekeringswet en afbouw van toeslagen. (zie noot 12) In het bijzonder voor lagere inkomens betekent dit dat de betrokkene die kiest voor een pensioenbedrag ineens daarvan soms weinig netto overhoudt. (zie noot 13) Deze effecten lijken pensioen ineens (als variant van hoog-laag ten opzichte van een hoog - laag uitkering) in het bijzonder voor de lage inkomens onaantrekkelijk te maken.d. Informatievoorziening over het bedrag ineensDe toelichting signaleert terecht dat de introductie van de keuzevrijheid om bij pensioen een bedrag ineens op te nemen tot gevolg kan hebben dat het maken van een verantwoorde keuze voor deelnemers niet altijd eenvoudig is. (zie noot 14) De toelichting vermeldt dat pensioenuitvoerders de verplichting hebben om de aanspraakgerechtigde correct, duidelijk, evenwichtig en tijdig te informeren. (zie noot 15) Die informatie moet in ieder geval bevatten (i) de hoogte van de afkoopwaarde ("het bedrag ineens"), (ii) de daarna resterende hoogte van de periodieke, levenslange pensioenuitkering en (iii) de hoogte van de periodieke, levenslange pensioenuitkering als geen gebruik wordt gemaakt van het keuzerecht.De Afdeling merkt op dat een aanspraakgerechtigde ook precies dient te weten wat de consequenties van zijn keuze zijn voor de verschuldigde loon- en inkomstenbelasting, alsmede voor zijn aanspraken op inkomensafhankelijke regelingen, waaronder toeslagen. Voor een weloverwogen keuze is ook een berekening van die gevolgen nodig. En zonder overzicht over de totale financiële en privé-situatie van de aanspraakgerechtigde is het niet mogelijk om de gevolgen in kaart te brengen.Dit betekent dat het voorstel meebrengt dat een weloverwogen keuze eigenlijk alleen met behulp van een financieel planner of andere deskundige zal kunnen worden gemaakt. Dit zijn kostbare adviestrajecten. Het risico dat betrokkenen onvoldoende zijn geïnformeerd en op basis van onjuiste aannames beslissingen nemen die uiteindelijk nadelig uitpakken is dan ook groot. Dit is te meer relevant, omdat juist degenen met lage inkomens, voor wie de gevolgen van het kiezen voor een bedrag ineens ingrijpend kunnen zijn, (zie noot 16) minder gemakkelijk toegang hebben tot de benodigde deskundigheid. Dit betekent dat volgens de Afdeling nadere voorzieningen nodig zijn om te voorkomen dat betrokkenen als gevolg van onvoldoende informatie tot beslissingen komen die voor hen zeer nadelig uitpakken.In dit verband wijst de Afdeling er nog op dat het voorgaande ook, en mogelijk zelfs in nog sterkere mate, geldt voor de derde pijler oudedagsvoorzieningen. (zie noot 17)
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wet bevorderen integriteit en functioneren decentraal bestuur.
Bij Kabinetsmissive van 12 juni 2020, no.2020001183, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, mede namens de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Gemeentewet, Provinciewet, Waterschapswet, Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba en Kieswet in verband met het bevorderen van de bestuurlijke integriteit en de aanpak van aanhoudende bestuurlijke problemen in het decentraal bestuur (Wet bevorderen integriteit en functioneren decentraal bestuur), met memorie van toelichting.De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen opmerkingen bij het voorstel en adviseert het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal in te dienen.Gelet op artikel 26, zesde lid jo vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, adviseert de Afdeling dit advies openbaar te maken.De vice-president van de Raad van StateNader rapport (reactie op het advies) van 14 augustus 2020Het voorstel geeft de Afdeling advisering van de Raad van State geen aanleiding tot het maken van inhoudelijke opmerkingen. Ik moge U verzoeken het hierbij gevoegde voorstel van wet en de memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in verband met de organisatie van de regionale tuchtcolleges.
Bij Kabinetsmissive van 2 juli 2020, no.2020001307, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Medische Zorg, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in verband met de organisatie van de regionale tuchtcolleges en tot het aanbrengen van enkele andere wijzigingen, met memorie van toelichting.De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen inhoudelijke opmerkingen bij het voorstel.De Afdeling verwijst naar de bij dit advies behorende redactionele bijlage.De Afdeling adviseert het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal in te dienen.Gelet op artikel 26, zesde lid jo vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, adviseert de Afdeling dit advies openbaar te maken.De vice-president van de Raad van StateRedactionele bijlage bij het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State betreffende no.W13.20.0212/III- Artikel I, onderdelen B en C, van het voorstel inhoudelijk toelichten.- De formulering van de voorhangbepaling (artikel 91 Wet BIG) in lijn brengen met aanwijzing 2.36 van de Aanwijzingen voor de regelgeving.- Het gebruik van een fictie in lijn met aanwijzing 3.10 van de Aanwijzingen voor de regelgeving vermijden en daartoe artikel I, onderdeel C, van het voorstel herformuleren.Nader rapport (reactie op het advies) van 17 augustus 2020De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen inhoudelijke opmerkingen bij het voorstel.In het wetsvoorstel en de memorie van toelichting zijn een aantal niet inhoudelijke wijzigingen aangebracht. Die wijzigingen betreffen de door de Afdeling gemaakte redactionele opmerkingen, een aantal andere redactionele punten en een aanvulling in de memorie van toelichting van de cijfers over het aantal klachten van het jaar 2019.Ik moge U verzoeken het hierbij gevoegde gewijzigde voorstel van wet en de gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.De Minister voor Medische Zorg
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van de Algemene wet bestuursrecht in verband met enkele wijzigingen in het belang van de rechtseenheid en de rechtsontwikkeling bij de hoogste rechtscolleges (amicus curiae en kruisbenoemingen).
Bij Kabinetsmissive van 15 mei 2020, no.2020001007, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Rechtsbescherming, mede namens de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Algemene wet bestuursrecht, de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Wet op de rechterlijke organisatie en de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren in verband met enkele wijzigingen in het belang van de rechtseenheid en de rechtsontwikkeling bij de hoogste rechtscolleges (amicus curiae en kruisbenoemingen), met memorie van toelichting.De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen opmerkingen bij het voorstel en adviseert het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal in te dienen.Gelet op artikel 26, zesde lid jo vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, adviseert de Afdeling dit advies openbaar te maken.De vice-president van de Raad van StateNader rapport (reactie op het advies) van 20 augustus 2020Het voorstel geeft de Afdeling advisering van de Raad van State geen aanleiding tot het maken van inhoudelijke opmerkingen.Ten opzichte van het aan de Afdeling voorgelegde ontwerp is de memorie van toelichting geactualiseerd door aan het slot van paragraaf 3 een passage toe te voegen over de voorgenomen wijziging van de prejudiciële procedure in de Tijdelijke wet Groningen. Voorts zijn enkele kleine misslagen in de memorie van toelichting hersteld.Ik moge U, mede namens mijn ambtgenote van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, verzoeken het hierbij gevoegde voorstel van wet en de gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.De Minister voor Rechtsbescherming
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van de Paspoortwet in verband met de uitvoering van Verordening identiteiskaarten.
Bij Kabinetsmissive van 3 april 2020, no.2020000673, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, bij de Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van rijkswet tot wijziging van de Paspoortwet in verband met de uitvoering van Verordening (EU) 2019/1157 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende de versterking van de beveiliging van identiteitskaarten van burgers van de Unie en van verblijfsdocumenten afgegeven aan burgers van de Unie en hun familieleden die hun recht van vrij verkeer uitoefenen (PbEU 2019, L 188) (Wet uitvoering verordening identiteitskaarten), met memorie van toelichting.Dit wetsvoorstel geeft uitvoering aan Verordening (EU) 2019/1157. Deze verordening scherpt de veiligheidseisen aan voor nationale identiteitskaarten en verblijfsdocumenten voor burgers van de Europese Unie en hun familieleden. Het doel is de aanzienlijke verschillen tussen de beveiligingsniveaus van de door lidstaten afgegeven documenten op te heffen en fraude met deze documenten te doen afnemen. Dit is nodig om bedreigingen voor de interne veiligheid van de Unie, met name vanwege terrorisme en grensoverschrijdende criminaliteit, te voorkomen. De Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk maakt opmerkingen over het toepassingsgebied van Verordening (EU) 2019/1157 en het ontbreken van de transponeringstabel. Daarnaast acht zij een verduidelijking van de toelichting wenselijk voor wat betreft de mogelijkheden voor personen met een beperking om een identiteitsbewijs aan te vragen. Tot slot vindt zij een aanvulling van de toelichting wenselijk ten aanzien van de toepasbaarheid van de verordening in de Caribische openbare lichamen. In verband hiermee is aanpassing wenselijk van de toelichting, en waar nodig van het wetsvoorstel.1. Toepassingsgebied van Verordening (EU) 2019/1157Dit wetsvoorstel geeft uitvoering aan de verordening, voor zover het (procedures omtrent) identiteitskaarten betreft. De verordening stelt echter ook eisen aan verblijfsdocumenten voor burgers van de Unie en verblijfskaarten voor familieleden die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten.De Afdeling realiseert zich dat uitvoering op dit punt niet op het terrein van de paspoortregelgeving ligt. Toch adviseert zij de regering in de inleiding van de toelichting kort in te gaan op de uitvoering van de verordening.2. TransponeringstabelDe toelichting bevat geen transponeringstabel. De Afdeling wijst erop dat de Aanwijzingen voor de regelgeving het opnemen van een transponeringstabel in de toelichting voorschrijven bij implementatie van bindende EU-rechtshandelingen. (zie noot 1) Hieronder vallen ook verordeningen. Voor de kenbaarheid van de uitvoeringsregelgeving is het van belang dat de regering aangeeft of de rechtstreekse toepasselijkheid van een verordening volstaat, of dat er uitvoering nodig is in de Nederlandse rechtsorde, of de rechtsorde van het Koninkrijk. Van dit laatste kan sprake zijn als met een verordening strijdige regelgeving dient te worden aangepast of ingetrokken, of als een verordening eist dat er een autoriteit wordt aangewezen. Ook verschaft een transponeringstabel inzicht in hoe de regering omgaat met eventuele beleidsruimte die een verordening biedt. Verordening 2019/1157 bevat op een aantal punten beleidsruimte, wat het toevoegen van een transponeringstabel nog belangrijker maakt. (zie noot 2)De Afdeling adviseert in licht van het voorgaande een transponeringstabel in de toelichting op te nemen.3. Toegankelijkheid van aanvraagprocedure Nederlandse identiteitskaartOp dit moment geldt als uitgangspunt dat de burger die een Nederlandse identiteitskaart aanvraagt, voor de autoriteit verschijnt die bevoegd is de aanvraag in ontvangst te nemen. (zie noot 3) Een uitzondering is mogelijk voor personen van wie dat om zwaarwegende redenen niet gevergd kan worden, onder de voorwaarde dat de autoriteit van oordeel is dat op een andere wijze voldoende zekerheid verkregen kan worden over identiteit, nationaliteit en verblijfstitel van de aanvrager. Bij zwaarwegende redenen kan gedacht worden aan invaliditeit of bedlegerigheid door ziekte. (zie noot 4)Volgens de toelichting laat Verordening 2019/1157 niet langer toe dat de huidige uitzondering wordt gemaakt en wordt deze daarom geschrapt. (zie noot 5) In de toelichting wordt echter eveneens aangekondigd dat bij de aanpassing van lagere regelgeving de mogelijkheden worden onderzocht tot huisbezoek door de autoriteiten indien een persoon vanwege ziekte niet in staat is om naar de aanvraaglocatie toe te komen. (zie noot 6) De vraag rijst daarbij of het schrappen van de uitzondering op wetsniveau, zoals hierboven omschreven is, noodzakelijk is. Gezien het belang van een toegankelijke aanvraagprocedure, is het wenselijk dat de wet expliciteert dat er een mogelijkheid tot huisbezoek bestaat (bijvoorbeeld in bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gevallen).De Afdeling adviseert dit punt te verduidelijken en daarbij ook aan te geven hoe een zo toegankelijk mogelijk aanvraagproces wordt verwezenlijkt. (zie noot 7)4. Toepassing in de Caribische delen van het KoninkrijkBinnenkort wordt het mogelijk om in de Caribische landen en op Bonaire, Sint Eustatius en Saba een Nederlandse identiteitskaart aan te vragen. (zie noot 8) De Afdeling maakt in dat kader enkele opmerkingen over de toepassing van de verordening op het Caribische deel van het Koninkrijk. Het betreft in het bijzonder de bescherming van persoonsgegevens en de procedure rond het verzamelen van biometrische gegevens. (zie noot 9)a. Toepasbaarheid verordening en AVG op de openbare lichamenVolgens de regering hoeven "de autoriteiten op de eilanden zelf niet te voldoen aan het Europees recht". (zie noot 10) De eisen die Verordening 2019/1157 stelt ten aanzien van het aanvraagproces en het verzamelen van biometrische gegevens, zijn inderdaad niet rechtstreeks van toepassing als de autoriteiten in de Caribische landen en openbare lichamen de lokale identiteitskaarten uitgeven. Dat laat onverlet dat wanneer in de Caribische delen van het Koninkrijk (Europees-) Nederlandse identiteitskaarten worden uitgegeven, hierbij aan de eisen van de verordening moet worden voldaan.Uit de toelichting begrijpt de Afdeling dat de eisen uit de verordening ook worden neergelegd in de paspoortregelgeving (naar het zich laat aannemen in de paspoortuitvoeringsregeling). Aangezien de paspoortregelgeving in het hele Koninkrijk geldt zouden de eisen uit de verordening van overeenkomstige toepassing worden op iedere autoriteit die Nederlandse identiteitskaarten afgeeft en de aanvraag daartoe in ontvangst neemt. (zie noot 11)De Afdeling gaat er vanuit dat de eisen uit de verordening rechtstreeks gelden voor alle (Europees-) Nederlandse autoriteiten. Daaronder valt ook de Nederlandse vertegenwoordiging in de Caribische landen, welke zal worden aangewezen als bevoegde autoriteit. (zie noot 12)
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van de Mediawet 2008 met het oog op de versterking van het toekomstperspectief van de publieke omroep.
Bij Kabinetsmissive van 18 december 2019, no.2019002693, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, mede namens de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Mediawet 2008 met het oog op de versterking van het toekomstperspectief van de publieke omroep, met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van de Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid in verband met het verlengen van de geldingsduur van de voorzieningen in de artikelen 33 en 34 van die wet.
Bij Kabinetsmissive van 15 juli 2020, no.2020001514, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Justitie en Veiligheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid in verband met verlengen van de geldingsduur van voorzieningen in de artikelen 33 en 34 van die wet, met memorie van toelichting.De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen opmerkingen bij het voorstel en adviseert het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal in te dienen.Gelet op artikel 26, zesde lid jo vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, adviseert de Afdeling dit advies openbaar te maken.De waarnemend vice-president van de Raad van StateNader rapport (reactie op het advies) van 24 juli 2020Het voorstel geeft de Afdeling advisering van de Raad van State geen aanleiding tot het maken van inhoudelijke opmerkingen.Ik moge U verzoeken het hierbij gevoegde voorstel van wet en de memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.De Minister van Justitie en Veiligheid
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers onder meer in verband met de harmonisering van het partnerpensioen en het wezenpensioen met de regelingen voor het overheidspersoneel.
Bij Kabinetsmissive van 8 juli 2020, no.2020001357, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van het tot wijziging van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers onder meer in verband met de harmonisering van het partnerpensioen en het wezenpensioen met de regelingen voor het overheidspersoneel alsmede tot wijziging van de Wet schadeloosstelling leden Tweede Kamer, de Wet vergoedingen leden Eerste Kamer, de Wet rechtspositie ministers en staatssecretarissen, de Wet rechtspositie Raad van State, Algemene Rekenkamer en Nationale ombudsman, de Wet schadeloosstelling, uitkering en pensioen leden Europees Parlement, de Gemeentewet en de Provinciewet betreffende de rechtspositie van politieke ambtsdragers, en aanpassing van de Wet privatisering ABP (Wet aanpassing Appa en enkele andere wetten 2021) , met memorie van toelichting.De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen opmerkingen bij het voorstel en adviseert het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal in te dienen.Gelet op artikel 26, zesde lid jo vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, adviseert de Afdeling dit advies openbaar te maken.De vice-president van de Raad van StateNader rapport (reactie op het advies) van 21 augustus 2020Het voorstel geeft de Afdeling advisering van de Raad van State geen aanleiding tot het maken van inhoudelijke opmerkingen. Ik moge U verzoeken het hierbij gevoegde voorstel van wet en de memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelatie
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van de Wet op de lijkbezorging in verband met het elektronisch doen van de opgave van de doodsoorzaak.
Bij Kabinetsmissive van 6 april 2020, no.2020000697, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Wet op de lijkbezorging in verband met het elektronisch doen van de opgave van de doodsoorzaak ten behoeve van de statistiek en het elektronisch verzenden van verslagen in het kader van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding, met memorie van toelichting.Het voorstel regelt het elektronisch verzenden van verslagen van de behandelend arts in het kader van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (Wtl) aan de gemeentelijke lijkschouwer en de Regionale Toetsingcommissies Euthanasie (RTE) en het verzenden van doodsoorzaakgegevens aan het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Ook regelt het voorstel dat de minister voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) kan voorschrijven dat deze verzendingen op enig moment uitsluitend elektronisch zullen plaatsvinden.De Afdeling advisering van de Raad van State adviseert in de toelichting in te gaan op de stand van zaken wat betreft de aansluiting van de verschillende systemen van de betrokken partijen op elkaar en op de financiële consequenties. In verband daarmee is aanpassing wenselijk van de toelichting.1. Aansluiting systemen op elkaarWtlDe behandelend arts doet in het kader van de Wtl mededeling aan de gemeentelijke lijkschouwer over de oorzaak van overlijden. (zie noot 1) Deze mededeling vindt plaats door het invullen van een formulier, met daarbij gevoegd een beredeneerd verslag. Het voorstel regelt dat als de gemeentelijke lijkschouwer elektronische verzending daarvan toestaat, deze daarvoor een voldoende betrouwbare en vertrouwelijke wijze van elektronisch verzenden aanwijst.De gemeentelijke lijkschouwer dient de formulieren en verslagen die nodig zijn in het kader van de Wtl door te zenden aan de RTE. Het voorstel regelt ook dat indien elektronische verzending aan de RTE mogelijk wordt, de RTE daartoe een voldoende betrouwbare en vertrouwelijke wijze van elektronisch verzenden aanwijst. Aldus kan er sprake zijn van een digitale keten als de gemeentelijke lijkschouwer de stukken digitaal van de arts ontvangt en de stukken digitaal aan de RTE verzendt.CBSHet voorstel regelt voorts dat een behandelend arts (of de gemeentelijke lijkschouwer) het formulier met de doodsoorzaakgegevens rechtstreeks kan aanleveren bij het CBS. Deze behandelend arts kan bij verschillende soorten zorgaanbieders werkzaam zijn. Het kan bijvoorbeeld een huisarts zijn, een medisch-specialist van een ziekenhuis of een specialist ouderengeneeskunde.De toelichting onderkent dat voorkomen moet worden dat de systemen van het CBS, de zorgaanbieders en de gemeentelijke lijkschouwers, respectievelijk de zorgaanbieders, de gemeentelijke lijkschouwers en de RTE’s, niet op elkaar aansluiten en de elektronische verzending daardoor onnodig wordt belemmerd of zelfs onmogelijk wordt gemaakt. Het wordt echter niet noodzakelijk geacht hiervoor wettelijke regels te stellen. Verwacht wordt dat partijen hierover afspraken maken. (zie noot 2) De Afdeling maakt twee opmerkingen.a. Stand van zaken aansluiting ICT-systemenDe Afdeling wijst erop dat een goede aansluiting van systemen noodzakelijk is voor de effectiviteit van beide onderdelen van het wetsvoorstel. Uit de toelichting blijkt dat momenteel in proefprojecten wordt bezien op welke wijze uniforme aanlevering van het doodsoorzakenformulier aan het CBS op een zo laagdrempelige manier kan worden gerealiseerd in de systemen van de verschillende (soorten) zorgaanbieders en gemeentelijke lijkschouwers. (zie noot 3)Sinds bekendmaking van een concept-wetsvoorstel via de internetconsultatie is inmiddels geruime tijd verstreken. (zie noot 4) Om de effectiviteit van het voorstel goed te kunnen beoordelen adviseert de Afdeling de toelichting aan te vullen met de stand van zaken van de proefprojecten voor de aansluiting op elkaar van de ICT-systemen van het CBS, de aanleverende zorgaanbieders en de gemeentelijke lijkschouwers, respectievelijk de aansluiting van de systemen van de zorgaanbieders, de gemeentelijke lijkschouwers en de RTE’s.b. Financiële gevolgenDe financiële gevolgen voor de aanpassing van de ICT-systemen van respectievelijk de zorgaanbieders, het CBS, de gemeentelijke lijkschouwers en de RTE’s zijn niet nader gekwantificeerd. (zie noot 5) De kosten kunnen een belemmering vormen voor de realisatie van de gewenste aansluitingen. Weliswaar wil de minister ondersteuning bieden bij de inwerkingtreding van de wet, maar uit de toelichting blijkt niet dat dit ook in financiële zin het geval is.De Afdeling adviseert hierop in de toelichting nader in te gaan.2. De Afdeling verwijst naar de bij dit advies behorende redactionele bijlage.De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal opmerkingen bij het voorstel en adviseert daarmee rekening te houden voordat het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal wordt ingediend.De vice-president van de Raad van StateRedactionele bijlage bij het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State betreffende no.W13.20.0091/III- In de samenloopbepaling Artikel II, onderdeel A, onder a, subonderdeel 1, de voorgestelde toevoeging na de tweede volzin, bezien in samenhang met de eerste volzin van artikel 7, vierde lid, zoals voorgesteld in artikel I, onderdeel B;- In de samenloopbepaling Artikel II, onderdeel A, onder c, vijfde lid, na ‘artikel 2:13, tweede lid’, toevoegen: ‘van die wet’.Nader rapport (reactie op het advies) van 17 augustus 20201. Aansluiting systemen op elkaara. Stand van zaken aansluiting ICT-systemenNaar aanleiding van dit advies is de memorie van toelichting aangevuld. Wat betreft de elektronische verzending van verslagen aan de RTE is in paragraaf 1 van het algemeen deel van de toelichting aangegeven welke pilot momenteel loopt (pagina 4, eerste alinea van de toelichting). Wat betreft de elektronische aanlevering van doodsoorzaakgegevens aan het CBS is de reeds in paragraaf 1 van het algemeen deel van de memorie van toelichting beschreven stand van zaken van de proefprojecten geactualiseerd (pagina 6, laatste alinea van de toelichting).
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Onteigening in de gemeenten Waalwijk en Heusden (onteigeningsplan Gebiedsontwikkeling Oostelijke Langstraat (GOL)).
Krachtens Koninklijke machtiging heeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties met een schrijven van 22 mei 2020, no.RWS-2020/30377, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt een voordracht met ontwerpbesluit tot aanwijzing van onroerende zaken ter onteigening in de gemeenten Waalwijk en Heusden krachtens artikel 78 van de onteigeningswet (onteigeningsplan Gebiedsontwikkeling Oostelijke Langstraat (GOL)).De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen inhoudelijke opmerkingen over het ontwerpbesluit.De Afdeling verwijst naar de bij dit advies behorende redactionele bijlage.De Afdeling adviseert het besluit te nemen.Gelet op artikel 26, zesde lid jo vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, adviseert de Afdeling dit advies openbaar te maken.De vice-president van de Raad van StateRedactionele bijlage bij het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State betreffende no.W04.20.0150/IV- In het ontwerpbesluit alsnog ingaan op de klacht van reclamanten 5 over de wijze van horen.Nader rapport (reactie op het advies) van 14 juli 2020De Afdeling kan zich met het ontwerpbesluit verenigen. Met de door de Afdeling gemaakte redactionele opmerkingen is in het ontwerpbesluit rekening gehouden.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Onteigening voor de uitvoering van de uitvoering van het inpassingsplan Fietsroute Plus Groningen Winsum in de gemeente Het Hogeland.
Krachtens Koninklijke machtiging heeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties met een schrijven van 28 mei 2020, no.RWS-2020/31116, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt een voordracht met ontwerpbesluit tot aanwijzing van onroerende zaken ter onteigening in de gemeente Het Hogeland krachtens artikel 78 van de onteigeningswet (onteigeningsplan Fietsroute Plus Groningen-Winsum).De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen opmerkingen over het ontwerpbesluit en adviseert het besluit te nemen.Gelet op artikel 26, zesde lid jo vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, adviseert de Afdeling dit advies openbaar te maken.De vice-president van de Raad van StateNader rapport (reactie op het advies) van 14 juli 2020De Afdeling kan zich met het ontwerpbesluit verenigen. Ik moge U hierbij het ontwerpbesluit doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Tijdelijke wet notificatieapplicatie covid-19.
Bij Kabinetsmissive van 13 juli 2020, no.2020001500, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet houdende Tijdelijke bepalingen in verband met de inzet van een notificatieapplicatie bij de bestrijding van de epidemie van covid-19 en waarborgen ter voorkoming van misbruik daarvan (Tijdelijke wet notificatieapp covid-19), met memorie van toelichting.Het voorstel wijzigt de Wet publieke gezondheid (Wpg), en introduceert het vrijwillige gebruik van een notificatieapplicatie (hierna: de app). Deze app wordt gebruikt ten behoeve van de bron- en contactopsporing door de gemeentelijke gezondheidsdiensten (GGD’en). Het voorstel bevat een wettelijke grondslag voor de met de toepassing van de app samenhangende gegevensverwerking en een regeling voor de verwerkingsverantwoordelijkheid. Voorts is in het voorstel een mogelijkheid van subdelegatie opgenomen wat betreft regels voor de inrichting, het beheer en de beveiliging, de bewaartermijn van bijzondere persoonsgegevens en de uitoefening van de rechten van betrokkene. Ten slotte kent het voorstel een antimisbruikbepaling en regelt het de handhaving en sanctionering daarvan.De Afdeling advisering van de Raad van State gaat allereerst in op de noodzaak voor een wettelijke grondslag. Ook maakt de Afdeling een aantal opmerkingen over de gegevensbescherming. Zij wijst in het bijzonder op het specificeren van het doeleinde en het beperken van verdere gegevensverwerking. Ook gaat zij in op het verwerken van bijzondere persoonsgegevens, de daarmee samenhangende verwerkingsverantwoordelijkheid, en het zorgdragen voor de uitoefening van de rechten van betrokkenen. Zij maakt in het kader van gegevensbescherming ook een opmerking over de rol van Google en Apple.Tevens maakt de Afdeling een opmerking over de mogelijkheid tot subdelegatie ten aanzien van de bewaartermijn en de rechten van betrokkenen. Verder wijst zij op het belang van parlementaire betrokkenheid, ook bij het intrekken van (onderdelen) van het voorstel. Voorts maakt zij een opmerking over het opnemen van een juridische grondslag in het voorstel ten behoeve van de interoperabiliteit. Tot slot adviseert ze de criteria voor deactivering nader toe te lichten. In verband daarmee is aanpassing van het wetsvoorstel en de toelichting wenselijk.1. InleidingHet wetsvoorstel hing oorspronkelijk samen met de eerder ingezette versoepeling van de maatregelen ter bestrijding van de epidemie van Covid-19. Bij de afbouw van maatregelen kan een goed functionerend systeem van bron- en contactopsporing door de gemeentelijke gezondheidsdienst (GGD) als onmisbaar worden beschouwd. Het voorstel is evenwel zeker ook goed voorstelbaar in het licht van de recente significante stijging van het aantal Covid-19 besmettingen, en van de daaropvolgende inzet van de overheid om verder oplopende verspreiding van het virus te bestrijden.De GGD heeft op grond van de Wpg de taak om bron- en contactopsporing te doen bij meldingen van besmetting met een infectieuze ziekte zoals het virus. (zie noot 1) Dit houdt kortgezegd in dat de GGD onderzoekt met wie een besmette patiënt contact heeft gehad, met diegenen contact opneemt en vervolgens hen een handelingsperspectief biedt. Dit heeft als doel de uitbraak van een epidemie te voorkomen of te beheersen. De uitvoering van de bron-en contactopsporing is vormvrij. Uitgangspunt is dat dit in alle gevallen plaatsvindt op grond van vrijwillige medewerking van de betrokkenen.Het Outbreak Management Team (OMT) heeft geadviseerd om met het oog op het intensievere testbeleid de mogelijkheden voor ondersteuning van bron- en contactopsporing met behulp van mobiele applicaties te onderzoeken. (zie noot 2) Ook andere Europese lidstaten ontwikkelen dergelijke apps. De voorgestelde app komt overeen met de notificatieapp zoals die wordt ontwikkeld in Duitsland, Italië en Ierland. (zie noot 3)De notificatieapp is bedoeld als niet-verplichte aanvulling op de analoge bron- en contactopsporing van de GGD en komt niet in plaats van het analoge onderzoek. De aanvulling bestaat eruit dat door de app (sneller) personen worden bereikt die de besmette patiënt niet kent of waarvan de besmette patiënt zich niet kan herinneren daarmee in contact te zijn gekomen.De notificatieapp werkt kortgezegd als volgt. Een gebruiker installeert de app op de telefoon. De app herkent andere gebruikers door middel van bluetooth. De app geeft een melding als de smartphone van de gebruiker in de buurt is geweest van de smartphone van een besmette persoon en geeft daarbij advies hoe te handelen. Als de (smartphone van de) gebruiker van de app tenminste 15 minuten bij een andere (smartphone van een) gebruiker van de app in de buurt is, wordt een versleutelde code uitgewisseld tussen de gebruikers van de app. Pas in geval van een geconstateerde besmetting kan de besmette patiënt ervoor kiezen met hulp van de GGD een melding van besmetting te doen. In dat geval wordt gecheckt met welke andere app-gebruikers in de afgelopen 14 dagen deze codes zijn uitgewisseld. Vervolgens ontvangen die gebruikers een melding en wordt hen geadviseerd hoe te handelen. (zie noot 4)Het gebruik van de app is expliciet vrijwillig. Voor de effectiviteit van de app is het van belang dat zoveel mogelijk mensen de app gaan gebruiken. Terecht wordt dan ook in de toelichting opgemerkt dat de doeltreffendheid van de app exponentieel evenredig is met het aantal personen dat eenzelfde app installeert en activeert. (zie noot 5) Voor de effectiviteit is daarnaast echter ook relevant dat er zo min mogelijk valspositieve en valsnegatieve meldingen worden gedaan, dat de door de GGD bij de melding geadviseerde handelingsperspectieven zo snel en volledig mogelijk worden opgevolgd (waaronder het zich laten testen), en het testbeleid daarop aansluit. De Afdeling stelt vast dat over de mate waarin de app op dit moment effectief is de opvattingen verschillen. (zie noot 6)Gelet op de maatschappelijke discussie over mogelijk misbruik van de app en de effectiviteit ervan, acht de Afdeling het van belang dat in de voorbereiding van de ingebruikname van de app veel aandacht is besteed aan het onderkennen van de mogelijkheden van misbruik en de risico’s van de met de app samenhangende gegevensverwerkingen, alsmede aan het formuleren van mogelijke oplossingen daarvoor. Ook zal, zo blijkt uit de toelichting, de effectiviteit van de app steeds worden geëvalueerd. Indien nodig kan dit ertoe leiden dat het gebruik van de app wordt beëindigd. (zie noot 7)2. Noodzaak wettelijke grondslagIn de toelichting wordt vermeld dat het wetsvoorstel zo snel mogelijk in werking treedt. (zie noot 8) Uit de kabinetsbrief van 16 juli j.l. kan worden opgemaakt dat wordt beoogd de app per 1 september 2020 in gebruik te nemen. (zie noot 9) Daarmee zal de app naar verwachting in gebruik worden genomen voordat de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel is afgerond. De Afdeling is met de regering van oordeel dat dit op zichzelf mogelijk is. Strikt genomen is een wettelijke basis voor vrijwillig gebruik van de app juridisch niet noodzakelijk. Verdedigbaar is dat vanwege het feit dat gebruik vrijwillig is toestemming, gelet op de AVG, (zie noot 10) een toereikende grondslag vormt voor met gebruik van de app samenhangende verwerkingen van persoonsgegevens, mits aan de voorwaarden die op grond van de AVG aan de verlening van rechtsgeldige toestemming worden gesteld, (zie noot 11) wordt voldaan.Het voorgaande betekent echter niet dat totstandbrenging van een wettelijke basis op zeer korte termijn niet bijzonder gewenst is. Met het in gebruik nemen van de app voordat het wetgevingsproces is afgerond wordt immers afbreuk gedaan aan een belangrijke doelstelling van het wetsvoorstel. Die doelstelling is namelijk maximale duidelijkheid bieden over de inzet van de app en de te verwerken persoonsgegevens op wetsniveau. Dit draagt bij aan de effectieve werking van de voor de bestrijding van de epidemie essentiële bron- en contactopsporing. (zie noot 12) Met een wettelijke grondslag kunnen voorts specifieke waarborgen worden geboden zoals het voorgestelde verbod op misbruik. Deze antimisbruikbepaling borgt immers de vrijwilligheid van het gebruik van de app.De recente significante stijging van het aantal coronavirusbesmettingen en de grote urgentie om deze zo veel en zo snel als mogelijk onder controle te krijgen kan niettemin een rechtvaardiging zijn de app toch snel in gebruik te nemen zelfs als dat betekent dat de voltooiing van het wetgevingsproces niet kan worden afgewacht. De Afdeling adviseert in dat geval wel deze afweging in overleg met de Tweede Kamer te maken in het licht van de te verwachte duur van de parlementaire behandeling van dit wetsvoorstel. Daarbij zou gelet op de geschetste voordelen van de wet, gestreefd moeten worden naar een behandeling op zo kort mogelijke termijn, zoals ook is aangegeven in de kabinetsbrief van 17 augustus j.l. (zie noot 13)De Afdeling adviseert in de toelichting nader op het voorgaande in te gaan.3. Gegevensbescherminga. DoelomschrijvingVoorgesteld wordt dat een notificatieapplicatie kan worden ingezet ‘ter ondersteuning van de bron- en contactopsporing, waarmee vroegtijdig zicht kan worden verkregen op een mogelijke infectie met dat virus’. (zie noot 14)Op grond van de AVG moet het doel van de gegevensverwerking welbepaald en uitdrukkelijk omschreven zijn. (zie noot 15) De richtsnoeren van de Commissie bevelen bovendien aan om het doel dermate specifiek te omschrijven dat er geen twijfel bestaat over het soort persoonsgegevens dat met het oog daarop moet worden verwerkt. Ten aanzien van de functionaliteit ‘contacttracering en waarschuwing’ merkt de Commissie bovendien op dat het enkel vermelden van preventie van verdere besmetting met COVID-19 als doel onvoldoende specifiek is. De richtsnoeren bevelen aan het doel inzake contacttracering en waarschuwing te specificeren als ‘het bewaren van de contacten van de personen die de app gebruiken en die mogelijk blootgesteld zijn geweest aan besmetting met COVID-19 om degenen te waarschuwen die eventueel besmet kunnen zijn’. (zie noot 16)Gelet hierop is de formulering van het doel van de notificatieapp in het wetsvoorstel niet specifiek genoeg. (zie noot 17) De Afdeling adviseert in het voorstel het doel in de hiervoor genoemde zin aan te passen.b. Beperking gegevensverwerkingDe met de app verkregen persoonsgegevens mogen niet worden gebruikt voor andere doeleinden dan het in de wet omschreven doel, (zie noot 18) aldus de toelichting. (zie noot 19) Dit is in overeenstemming met de Europese maatstaven. Volgens de richtsnoeren van de Commissie zou in de wettelijke grondslag voor de app onder meer de mogelijkheid moeten worden uitgesloten dat de gegevens voor andere dan de in de wetgeving vermelde doeleinden worden verwerkt. (zie noot 20) Ook de richtsnoeren van het Europees Comité voor de gegevensbescherming vereisen een uitdrukkelijke beperking op het verdere gebruik van persoonsgegevens. (zie noot 21)Dat de gegevens niet mogen worden gebruikt voor andere doeleinden wordt volgens de toelichting onder meer gewaarborgd door de eisen aan de vormgeving van de app, het in de wet omschreven doel, de antimisbruikbepaling, de toegepaste dataminimalisatie en het tijdelijk karakter van de wet. (zie noot 22) Voorts is van belang dat de gegevens zich voornamelijk bevinden op de smartphone van de gebruiker. Deze bewaart alleen de gegevens van de laatste twee weken. De gegevens op de server worden daarnaast gescheiden van het IP-adres van de smartphone. (zie noot 23)De Afdeling erkent dat de voorgaande, ook in de toelichting genoemde elementen met het oog op de doelbinding belangrijke waarborgen zijn. Desalniettemin is het, gelet op de gevoeligheid van het onderwerp, het belang van vertrouwen in de app en de hiervoor genoemde richtsnoeren, aangewezen dat in het wetsvoorstel verder gebruik van persoonsgegevens uitdrukkelijk wordt uitgesloten.De Afdeling adviseert het wetsvoorstel in die zin aan te passen.c. Verwerking bijzondere persoonsgegevens door GGDHet wetsvoorstel regelt dat de GGD bij de toepassing van de app bijzondere persoonsgegevens verwerkt. (zie noot 24) Noch uit het voorstel, noch uit de toelichting, volgt echter in welke fase(n) van het gebruik van de app bijzondere persoonsgegevens worden verwerkt. In de gegevensbeschermingseffectbeoordeling (hierna: DPIA) wordt opgemerkt dat in de validatie-, koppelings- en notificatiefase sprake is van verwerking van bijzondere persoonsgegevens. In de verschillende fasen betreffen dit verschillende gegevens, zoals de identificatiesleutels, de autorisatiecode, de eerste ziektedag, maar ook bijvoorbeeld het bericht aan de gebruiker dat hij mogelijk besmet is. (zie noot 25)Volgens de DPIA worden de (bijzondere) persoonsgegevens alleen in de validatiefase door de GGD verwerkt. (zie noot 26) Nu de verwerking van bijzondere persoonsgegevens door de GGD in het voorstel wordt geregeld, acht de Afdeling het aangewezen om, in overeenstemming met de DPIA, in de toelichting nader aan te geven welke bijzondere persoonsgegevens door de GGD in welke fase worden verwerkt. (zie noot 27) Voorts acht zij het nuttig om, mede met het oog op de parlementaire behandeling, gedeeltes uit de DPIA te verwerken in de toelichting voor zover ook in andere fase(n) van het gebruik van de app bijzondere persoonsgegevens worden verwerkt.De Afdeling adviseert in het licht van het voorgaande de toelichting aan te vullen.d. VerwerkingsverantwoordelijkheidDe verwerkingsverantwoordelijkheid is in het voorstel vastgelegd op twee niveaus. Het voorstel bepaalt dat de minister verwerkingsverantwoordelijke is in de zin van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) voor de verwerking van persoonsgegevens met de app. (zie noot 28) In afwijking daarvan echter wordt de GGD van de verblijfplaats van de betrokkene aangewezen als verwerkingsverantwoordelijke (onder meer) voor wat betreft het uitvoering geven aan de rechten van betrokkenen en het melden van een inbreuk in verband met persoonsgegevens. (zie noot 29) Volgens de toelichting wordt met deze verdeling aangesloten bij respectievelijk de taken van de minister in het kader van de Wpg, en de bron- en contactopsporing waarmee de GGD is belast. (zie noot 30)De verwerkingsverantwoordelijke is volgens de AVG degene die het doel van en de middelen voor de verwerking van persoonsgegevens vaststelt. Als doel en middelen door de nationale wetgever wordt vastgesteld, kan in de betreffende wet worden bepaald wie de verwerkingsverantwoordelijke is. (zie noot 31) Als twee (of meer) verwerkingsverantwoordelijken gezamenlijk de doeleinden en middelen van de verwerking bepalen, zijn zij gezamenlijk verwerkingsverantwoordelijken. In dat geval dienen zij, zo schrijft de AVG voor, hun verantwoordelijkheden voor de nakoming van hun verplichtingen onderling vast te stellen. (zie noot 32) Bij een gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijkheid kan de betrokkene zijn rechten uitoefenen jegens iedere verwerkingsverantwoordelijke. (zie noot 33) Deze AVG-regels zijn van belang omdat voor de burger duidelijk moet zijn wie waarvoor verantwoordelijk is en hij als gevolg daarvan weet wie hij op de verwerking van zijn persoonsgegevens kan aanspreken.Met het oog op de noodzakelijke helderheid van de burger is de vraag of het voorstel niet kan worden vereenvoudigd. Het gaat hier ten eerste om de vraag waarom ook de minister als verwerkingsverantwoordelijke is aangewezen. Ten tweede zou het voorstel vereenvoudigd kunnen worden door de verwerkingsverantwoordelijkheid van de GGD’en in het wetsvoorstel te verduidelijken.In dat kader merkt de Afdeling allereerst op dat uit onder meer de DPIA blijkt dat in ieder geval de GGD’en persoonsgegevens verwerken in de validatiefase (zie hiervoor onder c). Het ligt derhalve voor de hand dat als het gaat om die verwerkingen de GGD van de verblijfplaats van betrokkene als verwerkingsverantwoordelijken wordt aangewezen. Uit de toelichting volgt echter niet waarom naast de GGD’en ook de minister verwerkingsverantwoordelijke zou moeten zijn. Dat de minister verantwoordelijk is voor de inrichting en het beheer van de app leidt niet zonder meer tot de conclusie dat hij ook als verwerkingsverantwoordelijke moet worden aangewezen. Uit de toelichting blijkt immers niet in hoeverre de minister in het kader van zijn beheerstaak ook persoonsgegevens verwerkt. (zie noot 34)Voorts is de vraag of hetgeen het wetsvoorstel op dit moment regelt inzake de verwerkingsverantwoordelijkheid van de GGD wel afdoende is. Deze beperkt zich tot de toepassing van een aantal bepalingen uit de AVG die betrekking hebben op de specifieke informatieverplichtingen van de verwerkingsverantwoordelijke en de uitoefening van de rechten van betrokkenen. Uit de toelichting blijkt onvoldoende in hoeverre deze beperkingen aansluiten bij de rol van de GGD’en bij de toepassing van de app in de verschillende fasen. (zie noot 35) Daarbij merkt de Afdeling op dat de verwerking van persoonsgegevens door de GGD’en in de validatiefase niet zonder meer samenvalt met de verwerking van persoonsgegevens die samenhangt met de informatieverplichtingen uit de AVG.De Afdeling merkt ten slotte op dat indien wordt gekozen voor een gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijkheid van de minister en de GGD’en aandacht moet worden besteed aan de onderlinge regeling waarin op grond van de AVG de verantwoordelijkheden tussen de minister en de GGD’en moet worden geregeld. (zie noot 36) Zij acht het raadzaam de essentiële onderdelen daarvan in de toelichting te expliciteren. Daarbij dient in acht te worden genomen dat bij een gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijkheid de betrokkene zijn rechten kan uitoefenen jegens elke verwerkingsverantwoordelijke. (zie noot 37)De Afdeling adviseert in het licht van het voorgaande de regeling van de verwerkingsverantwoordelijkheid nader toe te lichten en zo nodig het voorstel aan te passen.e. Rechten van betrokkenenDe GGD is in het voorstel verwerkingsverantwoordelijke voor wat betreft het uitvoering geven aan de rechten van betrokkenen en de informatieverstrekking aan gebruikers. (zie noot 38) Volgens de toelichting gaat het dan onder meer om de plicht om gebruikers te informeren, het recht op inzage en het recht op rectificatie. (zie noot 39) Inherent aan de decentrale aanpak is dat de GGD zelf niet beschikt over de gegevens die de gebruiker op zijn telefoon heeft. De plaatselijke GGD verwerkt immers alleen persoonsgegevens tijdens de validatiefase. Daarom is het volgens de DPIA slechts dan mogelijk uitvoering te geven aan de rechten van betrokkenen. (zie noot 40) Buiten de validatiefase is de GGD op grond van artikel 11, tweede lid, AVG daarom niet gehouden uitvoering te geven aan deze rechten. (zie noot 41)De Afdeling wijst erop dat de GGD op grond van het voorstel zoals het nu luidt verwerkingsverantwoordelijke is voor het uitvoeren van de rechten van betrokkenen in álle fasen van het gebruik van de app. Gelet op voorgaande opmerking en op de uitvoerbaarheid van de regeling voor de GGD, ligt echter in de rede dat onderscheid wordt gemaakt tussen de gegevensverwerkingen in de verschillende fasen in relatie tot de verwerkingsverantwoordelijkheid en de rechten van de betrokkenen die in de verschillende fases kunnen worden uitgeoefend.De Afdeling onderschrijft dat het gebruik van de gepseudonimiseerde identificatiesleutels in de uitwisselings- en koppelingsfase en de daaraan gekoppelde notificatie in de notificatiefase pleit voor toepassing van de hiervoor genoemde uitzondering van artikel 11, tweede lid, AVG. De betrokkene kan immers in deze fasen niet worden geïdentificeerd. Daarom is het niet nodig om de GGD in die fasen uitvoering te laten geven aan de rechten van de betrokkene. Dit ligt echter anders voor de validatiefase, waarin de GGD (bijzondere) persoonsgegevens verwerkt. In de toelichting wordt hier echter niet op in gegaan. In het bijzonder besteedt de toelichting geen aandacht aan de gevallen waarin al dan niet uitvoering zou moeten worden gegeven aan de rechten van betrokkenen als bedoeld in de AVG.De Afdeling adviseert in de toelichting op het voorgaande in te gaan.f. De rol van Google en AppleVoor de app wordt gebruik gemaakt van de application programming interface (api) die door Google en Apple is ontwikkeld. (zie noot 42) De api zorgt ervoor dat de pseudonieme identificatiesleutels (RPIs), die gegenereerd zijn op basis van andere pseudonieme identificatiesleutels (TEKs), kunnen worden uitgewisseld tussen smartphones van gebruikers. (zie noot 43)De Autoriteit Persoonsgegevens (AP) acht het ‘onvoldoende duidelijk […] of, en zo ja welke, persoonsgegevens worden verwerkt door Google en Apple middels het aanbieden van het framework’. (zie noot 44) In de Kamerbrief wijst de minister erop dat Google en Apple geen verwerkers zijn. Wel vindt de minister het belangrijk dat er goede afspraken zijn met Google en Apple, waarbij wordt verwezen naar de FAQ van Google en Apple. (zie noot 45)Dit doet de vraag rijzen in hoeverre het voor Google en Apple in het kader van het gebruik van de app nu of in de toekomst mogelijk zou zijn persoonsgegevens te verwerken. Ook rijst de vraag in hoeverre de door Google en Apple zelf opgestelde FAQ - waar in de Kamerbrief naar wordt verwezen - toereikend zijn om uit te sluiten dat de ondernemingen persoonsgegevens (kunnen) verwerken. Mede naar aanleiding van het advies van de AP is de Afdeling daarom van oordeel dat in de toelichting nader moet worden ingegaan op de rol van Google en Apple. In het bijzonder dient daarbij aandacht te worden besteed aan de vraag in hoeverre contractueel dan wel in de wet zelf aanvullende waarborgen noodzakelijk zijn.De Afdeling adviseert in de toelichting nader op het bovenstaande in te gaan en zo nodig het wetsvoorstel aan te passen.4. SubdelegatieHet voorstel regelt dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels kunnen worden gesteld over de notificatieapplicatie. Dit betreft de inrichting, het beheer en de beveiliging, de bewaartermijn van bijzondere persoonsgegevens en de uitoefening van de rechten van betrokkenen. (zie noot 46)De Afdeling merkt op dat dit in elk geval deels onderwerpen zijn die raken aan het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Ingevolge artikel 10 van de Grondwet mag de bevoegdheid tot het stellen van regels inzake de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer worden gedelegeerd aan lagere regelgevers. (zie noot 47) In het licht van het legaliteitsbeginsel dient wel op hoofdlijnen een afweging te worden gemaakt op het niveau van de formele wet. Onderwerpen die betrekking hebben op de uitvoering kunnen worden gedelegeerd naar een ministeriële regeling. (zie noot 48)In ieder geval waar het de bewaartermijn van bijzondere persoonsgegevens en de uitoefening van de rechten van betrokkenen betreft, is geen sprake van uitvoering van een regeling waarvan eventueel op het niveau van een ministeriële regeling regels kunnen worden gesteld. De Afdeling adviseert daarom in ieder geval de bewaartermijnen en de uitoefening van de rechten van betrokkenen op het niveau van de algemene maatregel van bestuur te regelen. (zie noot 49)Het voorstel schrijft bovendien niet dwingend voor dat deze onderwerpen nader worden geregeld, maar laat daartoe slechts de mogelijkheid open. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat - in ieder geval waar het de hiervoor genoemde onderwerpen betreft - uitdrukkelijk bepaald dient te worden dat nadere regeling bij algemene maatregel van bestuur zal geschieden. (zie noot 50)De Afdeling adviseert het voorstel in het licht van het voorgaande aan te passen.5. Parlementaire betrokkenheidDe door het voorstel aangebrachte wijzigingen in de Wpg vervallen zes maanden na inwerkingtreding van het voorstel. Eventuele verlenging is mogelijk door middel van het op een later tijdstip laten vervallen van de wet, maar niet eerder dan dat het besluit daartoe is voorgehangen bij het parlement. (zie noot 51) Ook kan bij Koninklijk Besluit worden bepaald dat (onderdelen van) de bepalingen op een eerder tijdstip vervallen. (zie noot 52) In dat geval wordt voorgesteld het parlement daarbij niet vooraf te betrekken.De Afdeling acht het ongewenst dat parlementaire betrokkenheid bij eerdere vervallenverklaring in de wet ontbreekt. (zie noot 53) Ook als een bepaling of een onderdeel daarvan, wordt ingetrokken, zijn verschillende belangen in het geding die zorgvuldig tegen elkaar moeten worden afgewogen. (zie noot 54) Om die reden ligt het voor de hand dat het parlement ook actief betrokken is bij het intrekken van (onderdelen van) bepalingen op een eerder moment.De Afdeling adviseert het voorstel aan te vullen.6. InteroperabiliteitUit de toelichting blijkt niet dat de app interoperabel is of zal zijn met (decentrale) notificatieapplicaties in andere Europese landen. Wel komt de app grotendeels overeen met de Duitse, Italiaanse en Ierse apps, aldus de Kamerbrief van de minister. (zie noot 55) In de Kamerbrief wordt aangegeven dat momenteel een ‘Federation Gateway Service’ wordt gecreëerd waarop landen met een decentrale methode hun nationale back-end server kunnen aansluiten. (zie noot 56) De back-end servers van de landen versturen periodiek de sleutels van nieuwe geïnfecteerden naar de Federation Gateway Service. Deze sleutels worden 14 dagen opgeslagen. Het ophalen van de buitenlandse codes kan alleen met aanvullende toestemming van de gebruiker gebeuren. Op basis van testen zal worden bepaald of en wanneer de app interoperabel zal worden met andere Europese decentrale apps. Voor de feitelijke invoering zal, aldus de Kamerbrief, de juridische grondslag nog worden geëxpliciteerd. (zie noot 57)De Europese richtsnoeren sturen aan op interoperabiliteit van (decentrale) apps. (zie noot 58) In een verklaring over de interoperabiliteit licht de EDPB dat nader toe. (zie noot 59) Hierin wordt onder meer opgemerkt dat als voor de wettelijke grondslag een beroep wordt gedaan op het algemeen belang, de nationale wetgeving mogelijk moet worden aangepast. (zie noot 60)De Afdeling merkt op dat de voorgenomen aanpak inzake interoperabiliteit in overeenstemming lijkt met de hiervoor geschetste benadering op Europees niveau. Zij onderschrijft dat een juridische grondslag moet worden geëxpliciteerd, nu in het voorstel de gegevensverwerking plaatsvindt binnen de taken van de minister en de GGD. De Afdeling meent echter dat gegeven de huidige ontwikkelingen snel moet worden voorzien in deze grondslag. Ook met toestemming als grondslag (zie hiervoor punt 2) dient immers duidelijkheid te worden gecreëerd ten aanzien van de rollen en verantwoordelijkheden van verschillende partijen. Door de grondslag in het huidige voorstel op te nemen, kan het parlement bovendien een volledige afweging maken in relatie tot het voorstel als geheel. De Afdeling is daarom van oordeel dat de juridische grondslag voor het toestaan van interoperabiliteit in het huidige voorstel dient te worden geëxpliciteerd.De Afdeling adviseert het voorstel aan te passen.7. DeactiveringHet voorstel regelt niet de deactivering van de app. Uit de toelichting blijkt dat de gebruiker de mogelijkheid heeft zelf de app te verwijderen. Na veertien dagen zijn vervolgens alle gegevens verwijderd van de smartphone.Het Europees Comité voor gegevensbescherming beveelt in zijn richtsnoeren aan criteria in de wettelijke maatregel op te nemen aan de hand waarvan wordt bepaald wanneer de app buiten gebruik wordt gesteld, alsmede de entiteit die verantwoordelijk en aansprakelijk is voor het nemen van het besluit daartoe. (zie noot 61) Daarbij wordt ervan uitgegaan dat vooraf dient te worden bepaald wanneer de app wordt gedeactiveerd. In de toelichting wordt hier niet op ingegaan.De Afdeling adviseert in de toelichting op het voorgaande in te gaan.8. De Afdeling verwijst naar de bij dit advies behorende redactionele bijlage.De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal opmerkingen bij het voorstel en adviseert daarmee rekening te houden voordat het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal wordt ingediend.De vice-president van de Raad van StateRedactionele bijlage bij het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State betreffende no.W13.20.0254/III- Stel de grondslag voor het verwerken van bijzondere gegevens in paragraaf 4.2 van de toelichting (artikel 9, tweede lid, onder h, AVG) gelijk met de grondslag zoals genoemd in de DPIA (artikel 9, tweede lid, onder i, AVG).- Benoem in paragraaf 4.2 van de toelichting dat als geen directe behandelrelatie bestaat er desalniettemin sprake kan zijn van een afgeleide geheimhoudingsplicht.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Onteigening in de gemeente Amsterdam (reconstructie van het zuidelijke en noordelijke deel van de Provincialeweg N247).
Krachtens Koninklijke machtiging heeft de Minister van Infrastructuur en Waterstaat met een schrijven van 9 april 2020, no.RWS-2020/23371, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt een voordracht met ontwerpbesluit tot aanwijzing van onroerende zaken ter onteigening in de gemeenten Amsterdam en Waterland krachtens artikel 72a van de onteigeningswet.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Onteigening in de gemeente Rijswijk (onteigeningsplan 't Haantje Midden).
Krachtens Koninklijke machtiging heeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties met een schrijven van 22 mei 2020, no.RWS-2020/30573, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt een voordracht met ontwerpbesluit tot aanwijzing van een onroerende zaak ter onteigening in de gemeente Rijswijk krachtens artikel 78 van de onteigeningswet (onteigeningsplan 't Haantje Midden).
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Onteigening in de gemeente Amstelveen (onteigeningsplan Brug Ouderkerk aan de Amstel N522).
Krachtens Koninklijke machtiging heeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties met een schrijven van 22 mei 2020, no.RWS-2020/30528, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt een voordracht met ontwerpbesluit tot aanwijzing van onroerende zaken ter onteigening in de gemeente Amstelveen krachtens artikel 78 van de onteigeningswet (onteigeningsplan Brug Ouderkerk aan de Amstel N522).
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Besluit aanwijzing meldkamers.
Bij Kabinetsmissive van 29 juni 2020, no. 2020001276, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Justitie en Veiligheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende aanwijzing van de locaties en de werkgebieden van de meldkamers, bedoeld in artikel 25a, eerste lid, van de Politiewet 2012 (Besluit aanwijzing meldkamers), met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van onder meer de Mediawet 2008 in verband met de modernisering van de regionale publieke omroep.
Bij Kabinetsmissive van 4 mei 2016, no.2016000792, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van onder meer de Mediawet 2008 in verband met de modernisering van de regionale publieke omroep, met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Besluit tenuitvoerlegging jeugdstrafrecht BES.
Bij Kabinetsmissive van 30 maart 2020, no. 2020000651, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Rechtsbescherming, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende vaststelling van regels voor de tenuitvoerlegging van het jeugdstrafrecht op Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Besluit tenuitvoerlegging jeugdstrafrecht BES), met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Besluit harmonisatie rechtspositie politievrijwilligers.
Bij Kabinetsmissive van 6 mei 2020, no.2020000939, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Justitie en Veiligheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit algemene rechtspositie politie en enkele andere algemene maatregelen van bestuur in verband met de invoeging van rechtspositionele bepalingen omtrent politievrijwilligers en de intrekking van het Besluit rechtspositie vrijwillige ambtenaren van politie, met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van onder meer de wetten voor de onderscheiden onderwijssectoren in verband met een verbod op gelaatsbedekkende kleding in het onderwijs.
Bij Kabinetsmissive van 2 december 2009, no.09.003411, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, mede namens Staatssecretaris mevrouw S.A.M. Dijksma van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Staatssecretaris mevrouw M. van Bijsterveldt-Vliegenthart van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van onder meer de wetten voor de onderscheiden onderwijssectoren in verband met een verbod op gelaatsbedekkende kleding in het onderwijs, met memorie van toelichting.Het wetsvoorstel verplicht het bevoegd gezag of instellingsbestuur (hierna: bevoegd gezag) van een school of onderwijsinstelling (hierna: school) ervoor zorg te dragen dat op locaties waarover zijn verantwoordelijkheid zich uitstrekt tijdens het onderwijsproces geen gelaatsbedekkende kleding wordt gedragen. Het verbod geldt voor alle onderwijssectoren en heeft betrekking op alle personen die zich ophouden in gebouwen en op terreinen die onder de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag vallen. Voor het personeel van de school geldt het verbod ook als zij hun functie - bijvoorbeeld in het kader van museumbezoek met de klas - op een andere locatie uitoefenen. Verder geldt het verbod in de lokalen waar examens worden afgenomen onder verantwoordelijkheid van het College voor examens. Tijdelijke uitzonderingen op het verbod zijn mogelijk indien dat noodzakelijk is voor de veiligheid of de lichamelijke gezondheid, of vanwege culturele activiteiten die verband houden met het onderwijs.De Raad van State maakt naar aanleiding van het wetsvoorstel een aantal opmerkingen met betrekking tot de aanleiding en de noodzaak van het voorstel, de daaraan verbonden constitutionele aspecten, de reikwijdte en de sanctionering. Hij is van oordeel dat in verband met deze opmerkingen het voorstel nader dient te worden bezien.Op de voet van artikel 22 van de Wet op de Raad van State heeft een delegatie van de Raad van State op 6 april 2010 met de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, mr A. Rouvoet, en de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, mevrouw M. van Bijsterveldt-Vliegenthart, beraadslaagd over het wetsvoorstel.1. Motivering en achtergrond van het voorstelDoel van het voorgestelde verbod is het waarborgen van de kwaliteit van het onderwijs. Volgens de toelichting is het op school (en in met het onderwijsproces verbonden ruimten) dragen van gelaatsbedekkende kleding ongewenst, omdat het pedagogisch-didactische onderwijsproces vereist dat leraren en ander personeel de gelaatsuitdrukkingen van leerlingen kunnen zien en omgekeerd. Verder is zichtbare communicatie essentieel voor het waarborgen van een schoolklimaat waarin de leerling zich veilig voelt.De toelichting gaat er niet van uit dat de kwaliteit van het onderwijs op dit moment wordt aangetast doordat op bepaalde scholen gelaatsbedekkende kleding daadwerkelijk wordt toegelaten. Zij wijst er bovendien op dat het bevoegd gezag van scholen naar huidig recht waar nodig al een verbod op gelaatsbedekkende kleding kan invoeren. Niettemin wordt een wettelijk verbod zinvol geacht. De keuze voor een wettelijk verbod berust op drie overwegingen. In de eerste plaats de overweging dat een wettelijk verbod nodig is om te garanderen dat het verbod, dat nu nog een aangelegenheid van de scholen zelf is, op alle scholen op gelijke wijze geldt. Volgens de toelichting kan het tot onduidelijkheid en onbegrip leiden wanneer de scholen verschillende regels hanteren; ook kan de acceptatie van die regels daar onder lijden. In de tweede plaats is er de op 20 december 2005 door de Tweede Kamer der Staten-Generaal aangenomen motie, die de regering verzoekt het openbaar gebruik van de boerka in Nederland te verbieden. Ten derde geeft de regering aan dat met een verbod de vrijheid van godsdienst als bedoeld in artikel 6 van de Grondwet in het geding is, welk grondrecht slechts bij wege van een formele wet beperkt kan worden.De motie van 20 december 2005 was voor het toenmalige kabinet aanleiding om een deskundigenonderzoek te laten uitvoeren over de mogelijkheden voor een verbod op gelaatsbedekkende kleding, dat resulteerde in het rapport Overwegingen bij een boerkaverbod.(zie noot 1) Dat rapport geeft aan dat in bepaalde sectoren, zoals het onderwijs, een wettelijk verbod op het dragen van gelaatsbedekkende kleding mogelijk en wenselijk is, aldus de toelichting.(zie noot 2) Vervolgens heeft het kabinet in een drietal brieven zijn gedachten ontvouwd over de contouren van een wettelijk verbod op gelaatsbedekkende kleding. Aanvankelijk wilde het kabinet komen tot de invoering van een verbod in het onderwijs en voor de openbare rijksdienst.(zie noot 3) Later is dit voornemen beperkt tot het formuleren van een verbod voor het primair en voortgezet onderwijs.(zie noot 4) Thans wordt, mede naar aanleiding van een overleg met de Tweede Kamer(zie noot 5), een verbod voor het gehele onderwijs, inclusief het hoger onderwijs, voorgesteld.2. Noodzaak van een wettelijk verbodHet wetsvoorstel berust op de vooronderstellingen(a) dat het dragen van gelaatsbedekkende kleding in alle onderwijssectoren een serieus maatschappelijk probleem vormt in verband met de communicatie als aspect van de kwaliteit van het onderwijs, en(b) dat dit probleem onvoldoende, althans niet voldoende uniform, door de onderwijssectoren zelf aangepakt wordt. Een verbod op het dragen van die kleding is derhalve noodzakelijk, aldus de regering.Hoewel het verbod neutraal geformuleerd is, is de aanleiding ervoor gelegen in verzoeken vanuit de Tweede Kamer aan de regering om het dragen van de boerka - een islamitische gelaatssluier - in de openbare ruimte te verbieden. De toelichting geeft daar ook blijk van, door erop te wijzen dat gelaatsbedekkende kleding vooral wordt gedragen door Islamitische vrouwen, en ingegeven is door (hun) godsdienstige motieven. "Het verbod treft overwegend islamitische vrouwen en meisjes die vanwege hun geloof een gelaatssluier dragen", aldus de toelichting.(zie noot 6)De Raad heeft eerder benadrukt dat hij - nog daargelaten de symbolische lading die met de dracht van de gelaatsbedekkende sluier is verbonden - het belang van open communicatie tussen burgers onderling, zowel visueel als verbaal, van groot belang acht voor de Nederlandse samenleving.(zie noot 7) Daarbij noemde de Raad specifiek het onderwijs. In zoverre onderschrijft de Raad de stelling in de toelichting dat het dragen van gelaatsbedekkende kleding tijdens het onderwijs onderling contact en communicatie kan belemmeren en in die zin niet functioneel is. Dat neemt niet weg dat de noodzaak om een wettelijk verbod in te stellen omwille van de kwaliteit van het onderwijs, mede gegeven de bevoegdheden die schoolbesturen ter zake al hebben en het gebruik dat zij er van maken, moet worden aangetoond. De Raad gaat hierop in het navolgende in.a. In zijn brief van 8 februari 2008 schrijft het kabinet dat er reeds diverse mogelijkheden zijn om het dragen van gelaatsbedekkende kleding tegen te gaan of anderszins gevolgen te verbinden aan het dragen van gelaatsbedekkende kleding.(zie noot 8) Het kabinet komt in deze brief tot de conclusie dat er op dit moment voldoende wettelijke mogelijkheden zijn om veiligheidsrisico’s ten gevolge van het dragen van gelaatsbedekkende kleding in de openbare ruimte en in het openbaar vervoer op effectieve wijze tegemoet te treden. In dit verband wijst het kabinet in het bijzonder op de mogelijkheid voor gemeenten tot het realiseren van een lokaal verbod en op de algemene voorwaarden van vervoerbedrijven in samenhang met de bevoegdheden op grond van de Wet Personenvervoer 2000. In de vervoerssector is nadere regelgeving dan ook niet nodig. Op grond van eenzelfde redenering is ook afgezien van een wettelijk verbod voor de meeste andere sectoren waarin communicatie en zichtbaarheid met het oog op kwaliteit en veiligheid essentieel is, zoals de zorg, de rijksdienst, de provincies en de gemeenten. De regering gaat er derhalve van uit dat deze sectoren zelf in staat zijn regels te stellen en op adequate wijze van hun bevoegdheden daartoe gebruik (zullen) maken, en volstaat met de oproep om gelaatsbedekkende kleding te weren.(zie noot 9)Thans wordt niettemin een wetsvoorstel ingediend, uitsluitend gericht op het onderwijs, en primair ingegeven door overwegingen van kwaliteit. De vraag rijst evenwel waarom het in de voorgaande alinea geschetste uitgangspunt niet ook voor de onderwijssectoren kan en moet gelden, en waarom er niet - net als in die andere sectoren, waarin communicatie en zichtbaarheid evenzeer van belang zijn - van uitgegaan zou mogen worden dat het onderwijs de noodzakelijke maatregelen zal treffen opdat door het dragen van gelaatsbedekkende kleding de kwaliteit van het onderwijs niet in het gedrang komt.(zie noot 10) De Raad voegt hier aan toe dat in Nederland traditioneel juist aan het onderwijs een hoge mate van vrijheid wordt gelaten om zelf de nodige maatregelen te treffen, zodat een wettelijk afgedwongen verbod op het dragen van gelaatsbedekkende kleding daarmee in strijd lijkt.b. De Raad wijst erop dat er getalsmatig geen sprake is van een groot maatschappelijk probleem. In Nederland dragen naar schatting maximaal 200 tot 400 vrouwen gelaatsbedekkende kleding, maar een verantwoording van deze cijfers ontbreekt.(zie noot 11) Slechts een klein deel van deze vrouwen volgt onderwijs (of zou werkzaam kunnen zijn in het onderwijs), aldus de toelichting. Er zijn geen aanwijzingen dat het aantal vrouwen met gelaatsbedekkende kleding dat onderwijs volgt, toeneemt. En er is geen indicatie dat er personeel in het onderwijs is dat gelaatsbedekkende kleding draagt. Het is daarom de vraag of scholen op enigszins relevante schaal met dit verschijnsel te maken zullen krijgen. En als zich dat alsnog zou voordoen, geldt dat het - zoals ook de regering zelf stelt - "zeer de vraag is of er onderwijsinstellingen zijn die voorstander zijn van gelaatsbedekkende kleding op school".(zie noot 12) Daar komt het volgende bij. De beslissing om deze kleding te gaan dragen wordt in de regel niet voor het 18e levensjaar genomen.(zie noot 13) Indien de problematiek zich al voordoet, zal deze in hoofdzaak studentes in het hoger onderwijs betreffen. De meeste vrouwen met gelaatsbedekkende kleding genieten echter geen hoger onderwijs; er zijn tot nu toe slechts één of twee gevallen bekend, aldus de minister.(zie noot 14) Recent wetenschappelijk onderzoek noemt als laatst bekend geworden voorval een kwestie aan de Rijksuniversiteit Groningen in juni 2007. Hoewel het dragen van gelaatsbedekkende kleding onderwerp is van een maatschappelijke discussie, is het in het primair, voortgezet en beroepsonderwijs feitelijk geen maatschappelijk probleem. Voor het hoger onderwijs geldt hetzelfde, en betreft het slechts een beperkt aantal studentes.c. Uit de toelichting leidt de Raad af dat het de regering niet zozeer gaat om het getalsmatige aspect - dat immers verwaarloosbaar is - doch dat zij in het bijzonder veel waarde hecht aan het gegeven dat het voorstel een garantie biedt dat het verbod op alle scholen en op gelijke wijze geldt. Doordat het wetsvoorstel scholen een uniform kader biedt, wordt een discussie over de toelaatbaarheid en de grenzen van een door een school ingesteld verbod voorkomen, wat ook uit een oogpunt van rechterlijke toetsing voordelen biedt, aldus de regering.Hier staat echter tegenover dat deze materie sinds 1994 bestreken wordt door de Algemene wet gelijke behandeling en dat de Commissie gelijke behandeling (CGB) op basis van deze wet met haar oordeel 2003/40 een duidelijke en consistente koers heeft uitgezet over de toelaatbaarheid van een verbod op gelaatsbedekkende kleding op scholen; ook de regering wijst daar in paragraaf 6.3 van de toelichting op, en sluit zich daarbij aan. Volgens de CGB is een dergelijk verbod in het licht van de Algemene wet gelijke behandeling toelaatbaar, gezien het belang van non-verbale communicatie voor het onderwijs, de veiligheid op de school en de wettelijke taak om deelnemers op te leiden voor een plaats in de Nederlandse samenleving en een beroep in de Nederlandse maatschappij.(zie noot 15) In latere oordelen en adviezen heeft de CGB deze opvatting herhaald en nog onlangs van overeenkomstige toepassing geacht op het didactische proces in peuterspeelzalen, in een zaak waarin een vrouw haar kind niet bij een (met een islamitische school samenwerkende) peuterspeelzaal kon aanmelden omdat ze een gelaatssluier droeg.(zie noot 16) Hoewel zij nog geen oordeel heeft uitgesproken over een verbod van gelaatsbedekkende kleding van docenten - hetgeen een indicatie vormt dat een dergelijke casus zich tot op heden niet voordoet - is niet in te zien waarom de CGB hier niet - a fortiori - dezelfde lijn zou volgen als ten aanzien van leerlingen en ouders.(zie noot 17)Hoewel de regering de jurisprudentie van de CGB onderschrijft (paragraaf 6.3), acht zij het niettemin noodzakelijk om met wetgeving te komen, nu niet alle scholen gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid om een verbod in te stellen, en scholen die dat wel hebben gedaan dat verbod op uiteenlopende manieren hebben geformuleerd (toelichting, paragraaf 1.3). Dat sommige scholen geen verbod hebben ingesteld, vloeit echter ongetwijfeld voort uit het feit dat het fenomeen van gelaatsbedekkende kleding zich daar tot op heden niet heeft voorgedaan, en zij er terecht van uitgaan met hun interne ordebevoegdheden dit fenomeen als het zich toch voordoet genoegzaam tegemoet te kunnen treden. En het feit dat de scholen die wel een verbod hebben ingevoerd, dat mogelijk op verschillende wijzen hebben gedaan, lijkt evenmin een groot probleem op te roepen. Niet wordt aangevoerd dat bepaalde meer toegespitste verbodsvarianten de onderwijskwaliteit onvoldoende waarborgen. Slechts wordt gesteld dat de reikwijdte van het verbod van school tot school kan verschillen, dat dit tot onduidelijkheid en onbegrip kan leiden en dat de acceptatie van het verbod hieronder kan lijden. Deze stelling is evenwel niet gemotiveerd. Uit de praktijk zijn geen voorbeelden bekend waaruit blijkt dat de acceptatie en juridische gelding van een door de school opgelegd verbod ondergraven is doordat elders zo een verbod niet op dezelfde wijze is geformuleerd.d. Het voorstel heeft tot gevolg dat de bevoegdheid van scholen om eigen voorschriften ter zake van gelaatsbedekkende kleding te stellen, weggenomen wordt. Anders dan de toelichting suggereert, wijst het rapport Overwegingen bij een boerkaverbod niet in de richting van de noodzaak van een wettelijk verbod op het dragen van gelaatsbedekkende kleding in het onderwijs, ten detrimente van de eigen orde-bevoegdheid van het onderwijs. Het rapport benadrukt dat door het bevoegd gezag geformuleerde verboden binnen de "eigen sfeer" zonder aanvullende wetgeving mogelijk zijn, en dat dergelijke verboden veelal reeds ingevoerd zijn. Daarbij wordt in het bijzonder gewezen op de vigerende huisregels en ordemaatregelen in het onderwijs.(zie noot 18) De Raad herinnert er in dit verband aan dat het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen een aantal jaren geleden ten behoeve van de scholen en met het oog op inachtneming van de Algemene wet gelijke behandeling de "Leidraad Kleding Scholen" heeft opgesteld.(zie noot 19) In de leidraad wordt met behulp van voorbeelden uit de praktijk duidelijk gemaakt welke eisen scholen wèl en welke eisen ze niet aan kleding mogen stellen. Het advies van de CGB over gelaatssluiers en hoofddoeken van april 2003 is hierbij als richtlijn gebruikt. Uit de toelichting wordt niet duidelijk waarom het uitgangspunt dat scholen vrij zijn om zelf kledingvoorschriften te stellen, en tegelijkertijd verondersteld mag worden dat zij van die vrijheid een verstandig gebruik zullen maken, thans niet meer zou opgaan. Volgens de toelichting is een wettelijk verbod nodig, omdat lang niet alle scholen zijn overgegaan tot de instelling van een verbod op gelaatsbedekkende kleding. Daarmee wordt ongewild de suggestie gewekt dat er scholen zouden zijn die niet zouden willen optreden tegen gelaatsbedekkende kleding, ook al zou dat omwille van kwaliteit, orde en veiligheid nodig zijn. De gezamenlijke onderwijskoepels hebben echter in het overleg met de minister naar voren gebracht dat zij een wettelijke verplichting niet noodzakelijk vinden, omdat zij het doel - goed en veilig onderwijs - zelf kunnen realiseren.(zie noot 20) Een illustratie hiervan vormt het feit dat de Nederlandse universiteiten al in 2003 hebben afgesproken dat studentes aan universiteiten geen gelaatssluiers mogen dragen. Tegen een wettelijk verbod pleit verder, dat het - zoals ook de regering zelf stelt - "zeer de vraag is of er onderwijsinstellingen zijn die voorstander zijn van gelaatsbedekkende kleding op school".(zie noot 21) De Raad acht het dan ook plausibel dat het ontbreken van voorschriften op sommige onderwijsinstellingen er vooral mee te maken heeft dat gelaatsbedekkende kleding in het onderwijs zich vrijwel niet voordoet, en dat het waar het zich toch zou kunnen voordoen, alsnog door middel van een "huisregel" - zoals bijvoorbeeld aanbevolen door de Vereniging van universiteiten - tegengegaan kan worden, of voor het incidentele geval door een concrete aanwijzing van het bevoegd gezag dan wel met een goed gesprek kan worden opgelost.e. De toelichting voert als (derde) grond voor een uniform wettelijk verbod aan dat artikel 6, eerste lid, van de Grondwet (de vrijheid van godsdienst binnen gebouwen en besloten plaatsen) in geding is (paragrafen 1.3 en 6.1). Ingevolge deze bepaling kunnen beperkingen van de godsdienstvrijheid alleen plaatsvinden op grond van een wet in formele zin. Aldus worden wat betreft de noodzaak van een verbod op gelaatsbedekkende kleding evenwel twee gezichtspunten gehanteerd die elkaar uitsluiten. Enerzijds wordt door de regering opgemerkt dat het bevoegd gezag van scholen zelf mag en kan zorgen voor een verbod op gelaatsbedekkende kleding, en wordt derhalve voorondersteld dat zo een verbod (dat geen formele wet is maar slechts voortvloeit uit een intern-huishoudelijke regel/bevoegdheid) blijkbaar niet met de vrijheid van godsdienst, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Grondwet in strijd is. Anderzijds wordt betoogd dat artikel 6, eerste lid, van de Grondwet vereist dat een dergelijk verbod alleen door de formele wetgever kan worden ingesteld, omdat het verbod beperkingen kan opleveren voor het gebruik van kleding waarvan het dragen door sommigen als een religieuze plicht wordt ervaren, en daarmee de godsdienstvrijheid "binnen gebouwen en besloten plaatsen" beperkt.Naar het oordeel van de Raad dient bij de beoordeling van de noodzaak van een wettelijk verbod het eerstgenoemde gezichtspunt te gelden, dat het bevoegd gezag van een school functionele kledingvoorschriften kan vaststellen in de vorm van huisregels en concrete bevelen kan geven in de vorm van ordemaatregelen. Voor het hoger onderwijs is de bevoegdheid tot het stellen van dergelijke interne voorschriften expliciet geregeld in artikel 7.57h van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Voor de andere onderwijssectoren - en ook voor het hoger onderwijs, los van genoemde bepaling - vloeit deze bevoegdheid voort uit de aan de onderwijsinstellingen toekomende pedagogisch-organisatorische autonomie, die niet alleen aan het bijzonder onderwijs (op grond van de vrijheid van inrichting) maar ook aan het openbaar onderwijs toekomt.(zie noot 22) De op grond van deze autonomie ingestelde algemene voorschriften en op basis daarvan gegeven concrete verboden, gericht tegen gelaatsbedekkende kleding, maken geen inbreuk op de vrijheid van godsdienst zoals gewaarborgd in artikel 6 van de Grondwet.Artikel 6 van de Grondwet is in casu immers niet van toepassing. Voor een uitgebreide motivering verwijst de Raad naar het door de regering genoemde rapport Overwegingen bij een boerkaverbod. Daarin wordt, samengevat, uiteengezet dat de grondwettelijke vrijheid van godsdienst primair is vormgegeven als een recht om binnen de eigen private sfeer of organisatie (huis, kerk, school) een godsdienst te beleven en uit te dragen.(zie noot 23) Artikel 6 van de Grondwet omvat dan ook niet het recht om dat ook te doen binnen ruimten, instellingen en organisaties die "van een ander" zijn. Veelal heeft "die ander" - het bevoegd gezag - zelf op grond van zijn grondrechten (vrijheid van onderwijs, van vereniging en van godsdienst) de ruimte om met het oog op de eigen grondslag interne huisregels te stellen en maatregelen te treffen.(zie noot 24) Maar ook als het bevoegd gezag geen beroep kan doen op een grondwettelijke vrijheid, heeft het - inclusief de overheid, waaronder begrepen de besturen in het openbaar onderwijs - niettemin een zekere interne autonomie. Op grond van die autonomie kan het bevoegd gezag binnen de marges van het redelijke - in de praktijk de Algemene wet gelijke behandeling - eigen voorschriften zoals een verbod op gelaatsbedekkende kleding stellen, zonder dat deze geacht worden de vrijheid van godsdienst in artikel 6 van de Grondwet te beperken, aldus het rapport. Deze gedachtegang - interne voorschriften en geboden raken niet aan artikel 6 van de Grondwet - ligt ook ten grondslag aan de Wet openbare manifestaties, de Ambtenarenwet en eerdere advisering door de Raad.(zie noot 25)f. Het voorstel is gestoeld op de gedachte dat het onderwijsproces op grond van pedagogisch-didactische overwegingen vereist dat leraren en ander personeel de gelaatsuitdrukkingen van leerlingen kunnen zien en omgekeerd. Wordt aan die eis niet voldaan, dan is de kwaliteit van het onderwijs in het geding, en daarmee de verantwoordelijkheid van de overheid. De toelichting bevat op dit punt een uitvoerige schets van het pedagogisch en didactisch handelen van de leraar, waarbij vooral gedacht is aan het basisonderwijs en het voortgezet onderwijs. Zo stelt paragraaf 1.2. (Doel van het wetsvoorstel): "Zichtbare verbale en non-verbale communicatie zijn in het onderwijs (..) essentieel voor het pedagogisch-didactische onderwijsproces, dat erop gericht moet zijn de jongere voor te bereiden op vervolgonderwijs of op de maatschappij, de persoonlijke ontplooiing te bevorderen en het maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef te stimuleren."De Raad acht de keuze van het begrip "kwaliteit" als aangrijpingspunt voor een ongeclausuleerd wettelijk verbod niettemin problematisch. In de eerste plaats wijst hij erop dat de zorgplicht van de overheid voor de kwaliteit van het onderwijs niet voor elke onderwijssector op dezelfde wijze geldt. Erkend zij, dat een kenmerk van het basisonderwijs is dat het onderwijs betreft met een belangrijke opvoedkundige component, en dat op de overheid de grondwettelijke plicht rust om ervoor zorg te dragen dat dit onderwijs van een goede kwaliteit is en in voldoende mate beschikbaar is. Hetzelfde geldt, zij het met andere accenten, voor het voortgezet onderwijs. Voor het hoger onderwijs daarentegen heeft de verantwoordelijkheid van de overheid voor het onderwijs niet zozeer te maken met pedagogische en didactische keuzen, als wel met het aanbod en de kwaliteit van de onderwijsvoorzieningen. De volwassen studenten die hoger onderwijs volgen kiezen er zelf voor om onderwijs te volgen, en het is in eerste instantie dan ook aan hen om te beoordelen of zij gelaatsbedekkende kleding willen dragen respectievelijk in het dragen van deze kleding door anderen berusten, zoals het ook hun verantwoordelijkheid is of zij al dan niet verzuimen. Om deze reden zag het kabinet aanvankelijk dan ook af van een wettelijk verbod op gelaatsbedekkende kleding in het hoger onderwijs. Bovendien wordt in het hoger onderwijs op grote schaal gebruik gemaakt van onderwijsmethoden waar het persoonlijke contact en de interactie van minder belang zijn. In die gevallen springt het met direct contact verbonden kwaliteitsaspect minder in het oog, en hangt het vooral van de context af of een verbod functioneel is met het oog op de voortgang van het onderwijs.Concluderend is de Raad van oordeel dat de toelichting onvoldoende motiveert dat een wettelijk verbod op het dragen van gelaatsbedekkende kleding in de onderwijssectoren noodzakelijk is. Het onderwerp vormt weliswaar onderdeel van maatschappelijk debat, maar het verschijnsel is feitelijk niet omvangrijk. Bovendien heeft een wettelijke regel uit een oogpunt van geschilbeslechting slechts een geringe meerwaarde, omdat scholen in de praktijk voldoende mogelijkheden hebben om hetzij in de vorm van huisregels, hetzij toegespitst op het concrete geval, kledingvoorschriften te stellen. Verder is niet aannemelijk gemaakt dat scholen hun bevoegdheid om gelaatsbedekkende kleding met het oog op de onderwijskwaliteit zo nodig te verbieden of anderszins te reguleren, niet zullen hanteren wanneer dat vanuit overwegingen van kwaliteit wel vereist zou zijn. Tenzij alsnog aannemelijk kan worden gemaakt dat regulering niet aan de scholen kan worden overgelaten, is de Raad van oordeel dat een wettelijk verbod niet noodzakelijk is, en zo een verbod ten onrechte treedt in de autonomie van de onderwijsinstellingen.3. Vrijheid van godsdienst in artikel 9 EVRMIn de toelichting wordt erop gewezen dat het verbod beperkingen kan opleveren voor het gebruik van kledingstukken waarvan het dragen door sommigen als een religieuze plicht wordt ervaren. In dit geval is de vraag aan de orde of het verbod op het dragen van gelaatsbedekkende kleding de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging zoals gewaarborgd door artikel 9 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) rechtmatig beperkt. De relevantie van artikel 6 van de Grondwet is reeds aan de orde geweest in punt 2e; de Raad heeft daar beargumenteerd dat deze bepaling op de onderhavige kwestie niet van toepassing is. Artikel 9 EVRM is gezien de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) hier wel relevant.(zie noot 26) Hoewel een toetsing aan andere waarborgen ook mogelijk is,(zie noot 27) concentreert de Raad zich in het navolgende enkel op de al dan niet verenigbaarheid met artikel 9 EVRM, daar deze bepaling het meest stringente toetsingskader bevat.(zie noot 28)
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten, het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten en het Besluit voorkoming of beperking samenloop AAW-uitkering met uitkering ingevolge de sociale wetgeving van een andere Mogendheid.
Bij Kabinetsmissive van 5 juni 2020, no.2020001127, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten, het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten en het Besluit voorkoming of beperking samenloop AAW-uitkering met uitkering ingevolge de sociale wetgeving van een andere Mogendheid in verband met de inwerkingtreding van de Wet van PM tot wijziging van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten en enkele andere wetten in verband met verdere activering van de participatie van jonggehandicapten en het harmoniseren van de verschillende regimes Wajong en andere technische aanpassingen, met nota van toelichting.De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen opmerkingen over het ontwerpbesluit en adviseert het besluit te nemen.Gelet op artikel 26, zesde lid jo vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, adviseert de Afdeling dit advies openbaar te maken.De vice-president van de Raad van StateNader rapport (reactie op het advies) van 6 juli 2020Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om een nieuw artikel IV op te nemen in het ontwerpbesluit. Dit artikel bevat een technische aanpassing van artikel V en XIII van het Besluit van 18 december 2019 tot wijziging van diverse algemene maatregelen van bestuur van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van het Besluit politiegegevens in verband met diverse technische aanpassingen. Deze aanpassing hangt samen met de Wet vereenvoudiging Wajong. De inwerkingtreding van dit onderdeel moest worden gesplitst zodat het onderdeel dat samenhangt met de maatregel Wajong en studie per 1 september 2020 in werking kan treden.Ik bied U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting aan en verzoek U overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging Bjsg in verband met eigen Bibob-onderzoek door bestuursorganen.
Bij Kabinetsmissive van 14 januari 2020, no.2020000026, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Justitie en Veiligheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens in verband met de verstrekking van justitiële gegevens over de zakelijke omgeving van betrokkene ten behoeve van het eigen onderzoek door bestuursorganen op grond van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, met nota van toelichting.De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen opmerkingen over het ontwerpbesluit en adviseert het besluit te nemen.Gelet op artikel 26, zesde lid jo vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, adviseert de Afdeling dit advies openbaar te maken.De vice-president van de Raad van StateNader rapport (reactie op het advies) van 9 juli 2020Het ontwerp geeft de Afdeling advisering van de Raad van State geen aanleiding tot het maken van opmerkingen.Van de gelegenheid is gebruikgemaakt om een wetstechnische aanpassing van het Besluit Bibob mee te nemen in verband met de Wet tot wijziging van de Wet Bibob in verband met diverse uitbreidingen van de toepassingsmogelijkheden daarvan alsmede enkele overige wijzigingen. Tevens zijn de inwerkingtredingsbepaling en het opschrift in verband met de vaststelling van de inwerkingtreding van voornoemde wet aangevuld.Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.De Minister van Justitie en Veiligheid
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Besluit garantiebedrag Wajong.
Bij Kabinetsmissive van 5 juni 2020, no.2020001126, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende de vaststelling van de periode waarover het inkomen ten behoeve van het garantiebedrag Wajong in aanmerking wordt genomen (Besluit garantiebedrag Wajong), met nota van toelichting.De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen opmerkingen over het ontwerpbesluit en adviseert het besluit te nemen.Gelet op artikel 26, zesde lid jo vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, adviseert de Afdeling dit advies openbaar te maken.De vice-president van de Raad van State
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Besluit tijdelijke verlaging kredietvergoeding.
Bij Kabinetsmissive van 15 juni 2020, no.2020001212, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Financiën, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit kredietvergoeding ten behoeve van een tijdelijke verlaging van de ten hoogste toegelaten kredietvergoeding in verband met de gevolgen van COVID-19 (Besluit tijdelijke verlaging kredietvergoeding), met nota van toelichting.Het ontwerpbesluit strekt ertoe de maximale kredietvergoeding tijdelijk te verlagen in verband met de gevolgen van COVID-19. De opslag op de wettelijke rente wordt verlaagd van 12 procentpunt naar 8 procentpunt. Hiermee wordt beoogd tijdens de coronacrisis consumenten te beschermen tegen hoge kosten van krediet.De Afdeling advisering van de Raad van State begrijpt de achtergrond en het doel van dit besluit, maar maakt een opmerking over de afweging van de mogelijke effecten van de verlaging van de maximale kredietvergoeding. Nu de toelichting geen nadere motivering bevat van de in het ontwerpbesluit gemaakte keuze, kan thans niet worden beoordeeld of met het ontwerpbesluit een aanvaardbaar evenwicht is gevonden tussen de gewenste verlaging van de kredietvergoeding ter bescherming van consumenten en de mogelijke nadelige gevolgen ervan. In verband daarmee is aanpassing wenselijk van de toelichting, en zo nodig van het ontwerpbesluit.1. MotiveringDe maximale kredietvergoeding is bedoeld om consumenten te beschermen tegen onredelijke rentes. Ook dient te worden voorkomen dat hoge renten geldgevers stimuleren om te gemakkelijk krediet te verstrekken. Uitgangspunt is altijd geweest een normale bedrijfsvoering zonder buitensporige winst voor de geldgevers, waarbij concurrentie op basis van rente mogelijk is. Destijds heeft de wetgever er bewust voor gekozen de maximale rentevergoeding gelijk te stellen aan de wettelijke rente plus een opslag. Bij een wettelijke rente van 2% en een opslag van 12%-punt is de maximale kredietvergoeding thans 14%. Het voorstel verlaagt deze opslag tot 8%-punt. Deze verlaging is tijdelijk tot 1 maart 2021, met eenmalige mogelijkheid tot verlenging.In deze systematiek ziet de wetgever de opslag als de maximale vergoeding die een geldgever redelijker wijze in rekening mag brengen voor de kosten die de geldgever maakt naast de financieringskosten. De wetgever heeft destijds bewust gekozen voor een vast percentage voor alle verschillende typen geldgevers. Afhankelijk van de kostenstructuur en de aard van de geldgever, zullen sommige geldgevers dus bij hun tariefstelling gemakkelijker onder het maximum kunnen blijven dan andere.De Afdeling heeft begrip voor de maatregel in het licht van de omstandigheid dat consumenten door de coronacrisis in financiële problemen kunnen komen, zeker wanneer hun financiële positie ook hiervoor al kwetsbaar was. Een verlaging van de maximale kredietvergoeding kan financiële problemen voor consumenten verlichten. De toelichting geeft onvoldoende informatie om het gekozen percentage van de verlaging te beoordelen en in het bijzonder of een grotere of kleinere verlaging denkbaar is.Nu er voor is gekozen om de opslag die bedoeld is voor de kosten van de geldgever te verlagen, zal aannemelijk gemaakt moeten worden dat de nieuwe opslag de kosten weergeeft die de geldgever redelijkerwijze maximaal maakt. Met de voorgestelde verlaging van 4%-punt van de opslag komt de totale maximale kredietvergoeding uit op 10%. Dit is vanuit het perspectief van de consument nog zeer hoog. In de consultatiereacties komt echter ook naar voren dat kleine, kortlopende kredieten (waaronder retailkredieten en verzendhuiskredieten) relatief kostbaar en risicovol zijn. Reguliere kredietverstrekkers bieden deze vaak daarom niet aan (daar geldt vaak een ondergrens van €5.000 of €10.000 met daarbij voorwaarden, waardoor de meest kwetsbaren niet in aanmerking komen voor deze kredieten). (zie noot 1)Het is dan ook niet verwonderlijk dat de partijen die deze kredieten wel aanbieden, in verband met deze risico’s en kosten een relatief hoge opslag rekenen. Onder andere NIBUD en verschillende partijen (Gemeentelijke kredietbanken en NVVK) geven aan dat verlaging van de maximale kredietvergoeding kan leiden tot het opdrogen van kredietfaciliteiten en/of een verschuiving naar langer lopende kredieten. (zie noot 2) Gemeentelijke kredietbanken geven aan dat zij als gevolg van het ontwerpbesluit bij gemeenten voor financiering zullen moeten aankloppen om kostendekkend te kunnen opereren. In de toelichting wordt erkend dat deze gevolgen kunnen optreden, maar niet duidelijk wordt gemaakt in welke mate dit het geval zal zijn.Nu de toelichting geen nadere motivering bevat van de in het ontwerpbesluit gemaakte keuze, kan thans niet worden beoordeeld of met het voorstel een aanvaardbaar evenwicht is gevonden tussen de gewenste verlaging van de kredietvergoeding ter bescherming van consumenten en de hiervoor geschetste mogelijke gevolgen. Daardoor is ook onduidelijk of daarmee daadwerkelijk zal kunnen worden bereikt dat de schuldenproblematiek van met name kwetsbare consumenten adequaat wordt verlicht zonder dat het nadelige gevolg van opdroging van kredietmogelijkheden optreedt. Een nadere motivering is te meer van belang gelet op het belemmerend effect dat deze verlaging kan hebben voor het vrij kapitaalverkeer (als bedoeld in artikel 63 VWEU). Ook om die reden behoeft de maatregel een nadere motivering om te laten zien dat deze geschikt en evenredig is met het oog op het daarmee beoogde dwingende reden van algemeen belang, namelijk de consumentenbescherming.De Afdeling merkt nog op dat zij uit de toelichting opmaakt dat onderzoek wordt gedaan naar een structurele verlaging van de maximale kredietvergoeding. Een dergelijk onderzoek is volgens de Afdeling mede van belang om zicht te krijgen in hoeverre de schuldenproblematiek van consumenten vergroot wordt door de verstrekking van kortlopende consumentenkredieten. Normaal zou het de voorkeur hebben om hier op te wachten. Gegeven de financiële problemen van consumenten in het licht van de plotselinge uitbraak van COVID-19 heeft de Afdeling er begrip voor dat hierop vooruitgelopen wordt in het huidige besluit en de informatie met betrekking tot het huidige besluit beperkt blijft. Dat betekent echter niet dat een motivering volledig achterwege mag blijven.Gelet op het voorgaande adviseert de Afdeling de hoogte van het in het ontwerpbesluit opgenomen maximale percentage van de kredietvergoeding nader te motiveren en zo nodig het ontwerpbesluit aan te passen.2. De Afdeling verwijst naar de bij dit advies behorende redactionele bijlage.De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal opmerkingen bij het ontwerpbesluit en adviseert daarmee rekening te houden voordat een besluit wordt genomen.De vice-president van de Raad van StateRedactionele bijlage bij het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State betreffende no.W06.20.0192/III
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van de Overleveringswet.
Bij Kabinetsmissive van 7 maart 2019, no.2019000453, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Justitie en Veiligheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet houdende herimplementatie van onderdelen van het kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie (wijziging van de Overleveringswet), met memorie van toelichting.Het voorstel strekt tot wijziging van de Overleveringswet. De wijzigingen houden onder meer verband met een reeks arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof van Justitie). Het voorstel voorziet daarnaast, naar aanleiding van de inmiddels in de praktijk opgedane ervaring met overlevering, in een aantal andere wijzigingen van de Overleveringswet en de Uitleveringswet.De Afdeling advisering van de Raad van State merkt op dat het voorstel niet voorziet in aanpassing van artikel 6 van de Overleveringswet en wijst in dat verband op enkele arresten van het Hof van Justitie. In verband daarmee is aanvulling van de toelichting wenselijk.1. Achterwege laten van aanpassing van artikel 6 van de OverleveringswetHet kaderbesluit betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (hierna: het kaderbesluit) (zie noot 1) is in 2004 geïmplementeerd in de Overleveringswet. (zie noot 2) Inmiddels heeft het Hof van Justitie verschillende arresten gewezen waarin uitleg is gegeven aan de verplichtingen van het kaderbesluit voor de lidstaten. De Overleveringswet bleek in een aantal gevallen niet in lijn met deze uitleg van het Hof van Justitie. In het wetsvoorstel is voornamelijk beoogd de oorspronkelijke implementatie van de Overleveringswet in overeenstemming te brengen met deze jurisprudentie van het Hof van Justitie. Door de regering wordt het voorstel dan ook beschouwd als een herimplementatie.De Afdeling wijst in dit verband op de arresten Poplawski (zie noot 3) en Wolzenburg (zie noot 4) van het Hof van Justitie. Deze arresten zien op de verhouding tussen artikel 6 van de Overleveringswet en artikel 4, punt 6, van het kaderbesluit. In het voorstel zijn echter geen wijzigingen van artikel 6 van de Overleveringswet opgenomen.Artikel 4, punt 6, van het kaderbesluit bepaalt dat de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel ten aanzien van een gezochte persoon kan worden geweigerd indien dat is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel. Het moet dan gaan om een persoon die verblijft in of onderdaan of ingezetene is van de uitvoerende lidstaat. De uitvoerende staat is dan gehouden zich ertoe te verbinden die straf of maatregel overeenkomstig zijn nationale recht zelf ten uitvoer te leggen.Artikel 6 van de Overleveringswet bepaalt dat de overlevering van een Nederlander niet wordt toegestaan indien deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf (tweede lid). Bij een dergelijke weigering stelt de officier van justitie de uitvaardigende justitiële autoriteit in kennis van de bereidheid om de tenuitvoerlegging van het vonnis over te nemen (derde lid). Het voorgaande is onder een tweetal voorwaarden eveneens van toepassing op een vreemdeling met "een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd" (vijfde lid). (zie noot 5)a. Facultatieve weigeringsgrond en verbintenis tot overname van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf bij weigering overleveringUit het arrest Poplawski volgt dat artikel 4, punt 6, van het kaderbesluit zich verzet tegen de wijze waarop die bepaling in artikel 6 van de Overleveringswet is geïmplementeerd. Artikel 6, tweede lid, van de Overleveringswet is niet geformuleerd als een facultatieve weigeringsgrond, maar als een imperatieve weigeringsgrond. Bovendien is de bereidheid tot overname van de tenuitvoerlegging als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Overleveringswet niet een garantie tot tenuitvoerlegging als bedoeld in artikel 4, punt 6, van het kaderbesluit. (zie noot 6)De memorie van toelichting vermeldt dat artikel 6 van de Overleveringswet nu niet gewijzigd wordt "in verband met nog lopende zaken bij het Hof". (zie noot 7) In de toelichting wordt niet aangegeven om welke lopende zaken het gaat en wordt evenmin ingegaan op de in deze zaken te beantwoorden rechtsvragen.Gezien de doelstelling van dit wetsvoorstel en de bestaande strijdigheid van artikel 6 van de Overleveringswet met de jurisprudentie van het Hof van Justitie, adviseert de Afdeling hierop in de toelichting nader in te gaan.b. Gelijkstelling van lang verblijvende vreemdelingen met eigen onderdanen zonder nadere administratieve eisenOok in het arrest Wolzenburg is uitleg gegeven aan artikel 4, punt 6, van het kaderbesluit. In dit arrest is bepaald dat de uitvoerende lidstaat bij het toepassen van de facultatieve grond tot weigering van de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel in het geval van een burger van de Unie, geen aanvullende administratieve eisen mag stellen naast een vereiste met betrekking tot de duur van het verblijf in die staat. Het Hof van Justitie noemt als voorbeeld van een dergelijke administratieve eis het beschikken over "een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd". (zie noot 8) In artikel 6, vijfde lid, van de Overleveringswet wordt deze administratieve eis gesteld en is daarmee als zodanig in strijd met jurisprudentie van het Hof van Justitie.In de memorie van toelichting is onder ‘Overzicht van de belangrijkste wijzigingen’ opgenomen dat lang verblijvende vreemdelingen met eigen onderdanen zullen worden gelijkgesteld zonder nadere administratieve eisen. Artikel 6, vijfde lid, van de Overleveringswet wordt in het wetsvoorstel zelf echter niet gewijzigd.Gezien de doelstelling van dit wetsvoorstel en de bestaande strijdigheid adviseert de Afdeling nader toe te lichten waarom geen wijziging van dit onderdeel van artikel 6 van de Overleveringswet wordt voorgesteld. Daarbij dient de tekst van de toelichting in overeenstemming te worden gebracht met het voorstel.2. De Afdeling verwijst naar de bij dit advies behorende redactionele bijlage.De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal opmerkingen bij het voorstel en adviseert daarmee rekening te houden voordat het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal wordt ingediend.De waarnemend vice-president van de Raad van StateRedactionele bijlage bij het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State betreffende no.W16.19.0059/II- In het voorgestelde artikel 11, eerste lid, "een op feiten en omstandigheden gebaseerd gegrond vermoeden bestaat" vervangen door "zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan" in lijn met de jurisprudentie van het Hof van Justitie, en anders nader toelichten dat niet wordt beoogd af te wijken van het criterium van het Hof van Justitie.- In het voorgestelde artikel 11, vierde lid, na "worden uitgesloten, kan", "de rechtbank" invoegen.- In het voorgestelde artikel 22, vierde lid, schrappen "onder opgave van redenen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit".- In het voorgestelde artikel 22, vijfde lid, schrappen "onder opgave van redenen aan de justitiële autoriteit".- De voorgestelde invoeging "20 tot en met 24" in artikel 30 vervangen door "21 tot en met 25".- In het voorgestelde artikel 31, tweede lid, "wordt toegestaan" in aansluiting op artikel 35, eerste lid aanhef, van de Uitleveringswet vervangen door "ontvankelijk en voor inwilliging vatbaar is".- In het voorgestelde artikel 36, zesde lid, "54 en 57, eerste lid" vervangen door "61 en 64, eerste lid".- In het voorlaatste tekstblok van de artikelsgewijze toelichting bij artikel 2 in de memorie van toelichting "8c, onderdeel a" vervangen door "7, eerste en derde lid".Nader rapport (reactie op het advies) van 13 juli 20201. Achterwege laten van aanpassing van artikel 6 van de OverleveringswetMet de Afdeling is de regering van mening dat de tekst van de toelichting in overeenstemming dient te zijn met het voorstel van wet ten aanzien van artikel 6 van de Overleveringswet. De regering is echter, mede naar aanleiding van het advies van de Afdeling, tot de conclusie gekomen dat een verdergaande herziening van artikel 6 van de Overleveringswet nodig is. Niet alleen de door de Afdeling in haar advies aangehaalde arresten van 6 oktober 2019 in de zaak C-123/08 Wolzenburg, ECLI:EU:C:2009:616 en van 29 juni 2017 in de zaak C-579/15 Poplawski, ECLI:EU:C:2017:503, maar ook het na ontvangst van het advies van de Afdeling gewezen arrest van 25 juni 2019 in de vervolgzaak Poplawski C-573/17, ECLI:EU:C:2019:530 geven daartoe alle aanleiding. Deze wijzigingen van artikel 6 van de Overleveringswet worden momenteel voorbereid en zullen in een nota van wijziging worden opgenomen. Gezien de reikwijdte en de strekking van de voorgenomen wijziging is de regering voornemens om hierover eerst de daarvoor in aanmerking komende organisaties te consulteren. Daarna zal deze nota van wijziging aan de Afdeling ter advisering worden voorgelegd.2. De Afdeling verwijst naar de bij dit advies behorende redactionele bijlage.Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om het voorstel van wet aan te vullen met een naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 11 maart 2020 in de zaak C-314/18 SF (ECLI:EU:C:2020:191) noodzakelijke wijziging van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties. De wijziging houdt in dat het huidige vijfde lid van artikel 2:11 van die wet komt te vervallen. De in dit artikellid opgenomen bevoegdheid om de opgelegde straf aan te passen aan de straf die in Nederland voor het desbetreffende feit zou zijn opgelegd heeft, zo oordeelde het Hof van Justitie, geen grondslag in het Europees recht. Voor een meer uitvoerige toelichting verwijs ik naar de aangepaste memorie van toelichting bij het wetsvoorstel.Ik verzoek U het hierbij gevoegde gewijzigde voorstel van wet en de gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.De Minister van Justitie en VeiligheidVoetnoten(1) Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen lidstaten, PbEU 2002, L 190. Dit kaderbesluit is gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009, PbEU 2009, L 81.(2) Stb. 2004, 195.(3) HvJEU 29 juni 2017, C-579/15, Poplawski, ECLI:EU:C:2017:503.(4) HvJEG 6 oktober 2009, C-123/08, Wolzenburg, ECLI:EU:C:2009:616.(5) Het gaat hier om een verblijfsrecht. Zie ook de memorie van toelichting onder de artikelsgewijze toelichting bij artikel 2.(6) HvJEU 29 juni 2017, C-579/15, Poplawski, ECLI:EU:C:2017:503, punten 18-24.(7) Zie de memorie van toelichting onder ‘Consultatie’.(8) HvJEG 6 oktober 2009, C-123/08, Wolzenburg, ECLI:EU:C:2009:616, punt 53.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van het Besluit Wet arbeid vreemdelingen in verband met maandelijkse girale loonbetaling Europese blauwe kaart houders.
Bij Kabinetsmissive van 11 juni 2020, no.2020001170, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen in verband met loonbetaling voor Europese blauwe kaart houders en vervanging bij incidentele arbeid, met nota van toelichting.De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen inhoudelijke opmerkingen over het ontwerpbesluit.De Afdeling verwijst naar de bij dit advies behorende redactionele bijlage.De Afdeling adviseert het besluit te nemen.Gelet op artikel 26, zesde lid jo vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, adviseert de Afdeling dit advies openbaar te maken.De vice-president van de Raad van StateRedactionele bijlage bij het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State betreffende no.W12.20.0176/III- In de nota van toelichting aangeven waaruit blijkt dat het woord "aaneengesloten" abusievelijk is opgenomen in artikel 10, eerste lid, onderdeel l, van het Besluit arbeidsvoorwaarden gedetacheerde werknemers in de Europese Unie. Daarbij verwijzen naar Stb. 2005, 187 en Stb. 2015, 301.- In artikel 1, vierde lid, van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen (nieuw) de onnodige verwijzing naar artikel 1 schrappen.- In artikel 1, vierde lid van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen (nieuw) verwijzen naar de termijnen die krachtens het derde lid gelden voor "incidentele arbeid" in plaats van naar het eerste lid, onderdeel a, zodat duidelijk wordt dat de verschillende perioden moeten worden opgeteld en bij overschrijding dus juist geen sprake meer is van incidentele arbeid.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer en het Reglement rijbewijzen.
Bij Kabinetsmissive van 20 mei 2020, no. 2020001018, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer en het Reglement rijbewijzen in verband met uitbreiding van de instellingsgehandicaptenparkeerkaart, de verlaging van de minimumleeftijd voor het besturen van bepaalde motorrijtuigen en het gebruik van alternatieven voor spiegels in het kader van rijonderricht en rijexamens, met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Aanpassingsbesluit versterken positie mbo-studenten.
Bij Kabinetsmissive van 14 april 2020, no.2020000766, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van diverse onderwijsbesluiten in verband met de terminologiewijzigingen in de Wet versterken positie mbo-studenten (Aanpassingsbesluit Wet versterken positie mbo-studenten), met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Besluit verwijzingsportaal bankgegevens.
Bij Kabinetsmissive van 17 juni 2020, no.2020001214, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Financiën, mede namens de Minister van Justitie en Veiligheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende regels met betrekking tot het via een centraal elektronisch systeem geautomatiseerd ontsluiten van identificerende gegevens alsmede enkele andere gegevens door banken en andere betaaldienstverleners (Besluit verwijzingsportaal bankgegevens), met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van het Besluit Wfsv in verband met een technische wijziging van de premievaststelling voor de vrijwillige algemene ouderdomsverzekering en de vrijwillige nabestaandenverzekering.
Bij Kabinetsmissive van 27 maart 2020, no.2020000608, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit Wfsv in verband met een technische wijziging van de premievaststelling voor de vrijwillige algemene ouderdomsverzekering en de vrijwillige nabestaandenverzekering als gevolg de wijziging van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 en artikel 8 van de Wet financiering sociale verzekeringen in het Belastingplan 2020, met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Besluit rechtspositie Kamer van Koophandel.
Bij Kabinetsmissive van 20 december 2019, no.2019002722, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende de voor het personeel van de Kamer van Koophandel ten opzichte van Rijksambtenaren afwijkende arbeidsvoorwaardelijke aangelegenheden (Besluit rechtspositie Kamer van Koophandel), met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Verandering in de Grondwet van de bepalingen inzake de verkiezing en de inrichting en de samenstelling van de Eerste Kamer.
Bij Kabinetsmissive van 20 februari 2020, no.2020000368, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, mede namens de Minister-President, de Minister van Algemene Zaken, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet houdende verklaring dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering in de Grondwet van de bepalingen inzake de verkiezing en de inrichting en de samenstelling van de Eerste Kamer der Staten-Generaal, met memorie van toelichting.Met dit wetsvoorstel wordt de zittingstermijn van Eerste Kamerleden van vier naar zes jaar verlengd, waarbij om de drie jaar beurtelings 38 en 37 leden aftreden. (zie noot 1) In feite wordt daarmee teruggegaan naar het stelsel zoals dat gold tussen 1922 en 1983. Het doel van deze aanpassing is bijdragen aan "een goede positionering van de Eerste Kamer in het tweekamerstelsel en een heldere rolverdeling tussen de beide Kamers". (zie noot 2)De Afdeling advisering van de Raad van State constateert dat tegen de voorgestelde wijziging geen staatsrechtelijke beletselen bestaan. De Afdeling meent niettemin dat de motivering van het voorstel nog niet toereikend is. Zij mist in de toelichting een voldoende grondige bespreking van de mogelijke voor- en nadelen van het voorstel die nodig is voor de grondwetgever om een evenwichtige afweging te kunnen maken. Dit geldt te meer omdat het voorstel samenhangt met andere grondwetsherzieningen die op dit moment worden overwogen.Voorts moet de toelichting meer duidelijkheid bieden over de uitwerking van de nieuwe verkiezingswijze van de Eerste Kamer in de Kieswet en de gevolgen die het wetsvoorstel in dat kader zal hebben voor de positie van kleine partijen en voor de invloed van de verschillende provincies op de samenstelling van de Eerste Kamer. In verband daarmee is aanpassing wenselijk van het voorstel en de toelichting.1. AchtergrondDe beurtelingse verkiezing en langere zittingsduur van de leden van hogerhuizen in tweekamerstelsels hebben van oudsher als reden om dat deel van het parlement meer stabiliteit te geven. Daarbij gaat het om het vinden van de juiste balans tussen democratische legitimatie en parlementaire ervaring. (zie noot 3) Toen bij de grondwetsherziening van 1848 verkiezingen voor de Eerste Kamer werden ingevoerd, werden Eerste Kamerleden dan ook gekozen voor een periode van negen jaar waarbij een derde van de leden om de drie jaren aftrad. (zie noot 4) De achterliggende reden was om de Eerste Kamer ten opzichte van de Tweede Kamer "meer vastheid" te geven. (zie noot 5) In 1922 werd de zittingsduur van de Eerste Kamer verkort van negen tot zes jaar, waarbij de helft van de leden om de drie jaar aftrad. (zie noot 6) Het verschil met de Tweede Kamer wat betreft zittingsduur en verkiezingswijze bleef zodoende gehandhaafd.In 1954 stelde de Staatscommissie-Van Schaik voor om de zittingsduur van zes jaar terug te brengen naar vier jaar en geen aftreden bij helfte meer voor te schrijven. De gedachte was dat er geen behoefte zou bestaan aan een grotere duurzaamheid van de Eerste Kamer. (zie noot 7) De meerderheid van de Staatscommissie-Cals/Donner sloot zich in 1971 bij dit voorstel aan en adviseerde daarbij eveneens om Eerste Kamerleden rechtstreeks te laten kiezen. (zie noot 8) Een minderheid van acht leden van de commissie wees er echter op dat een op dezelfde wijze en gelijktijdig gekozen Eerste Kamer de politieke positie van de Eerste Kamer te veel zou versterken. Zij vreesden dat het eigen karakter van de Eerste Kamer daardoor zou verdwijnen. (zie noot 9)De regering volgde in 1974 bij de voorbereiding van de algehele grondwetsherziening het meerderheidsadvies en stelde voor om Eerste Kamerleden rechtstreeks te laten kiezen, en het om de drie jaar aftreden van de helft van de leden te vervangen door een vernieuwing van de gehele Kamer om de vier jaar. (zie noot 10) Volgens de toenmalige regering bestond er geen behoefte om de Eerste Kamer een duurzamer karakter te geven dan de Tweede Kamer. (zie noot 11) Bij de beraadslagingen over dit onderwerp riep de Tweede Kamer de regering op om de leden van de Eerste Kamer blijvend te laten kiezen door de leden van de Provinciale Staten, maar wel de Eerste Kamer in één keer voor een periode van vier jaar te verkiezen. (zie noot 12) De regering voldeed aan dit verzoek. Zodoende is het tot dan toe geldende stelsel verlaten met de algehele grondwetsherziening in 1983. (zie noot 13) Sindsdien is de wijze van verkiezing van de Eerste Kamer wel diverse keren in een bredere context aan de orde gekomen, maar dit heeft niet geleid tot (voorstellen tot) wijziging. (zie noot 14)Een gevolg van deze wijziging is dat de Eerste Kamer soms een recenter mandaat heeft dan de Tweede Kamer. Ook komt iedere vier jaar bij de verkiezingen van de Provinciale Staten prominent de vraag aan de orde of de regeringspartijen "een meerderheid behalen in de Eerste Kamer". (zie noot 15) Aldus is sinds 1983 te veel de nadruk komen te liggen op het politieke karakter van de Eerste Kamer, aldus de toelichting. (zie noot 16) De regering stelt daarom voor om terug te keren naar het stelsel zoals dat gold tussen 1922 en 1983. (zie noot 17)2. Probleemanalyse en samenhanga. ProbleemanalyseHet gaat in het wetsvoorstel om een belangrijke keuze. Een wijziging van de verkiezing van de Eerste Kamer is van invloed op de positie van de Eerste Kamer en daarmee op het functioneren van het parlementaire stelsel in bredere zin. Het betreft hier een grondwetswijziging die alleen tot stand kan komen volgens een verzwaarde procedure die veel tijd kost. Tegen die achtergrond mist de Afdeling in de toelichting een voldoende grondige bespreking van de mogelijke voor- én nadelen van het voorstel. (zie noot 18) Deze is nodig voor de grondwetgever om een evenwichtige afweging te kunnen maken. De toelichting op het voorstel verdient daarmee te worden uitgebreid. In de huidige toelichting wordt immers wel ingegaan op de voordelen van het voorgestelde stelsel, maar minder op de mogelijke nadelen.De Afdeling wijst hierbij in het bijzonder op het gegeven dat de uitslag van de verkiezing van de Provinciale Staten zich pas veel later zal vertalen naar de samenstelling van de Eerste Kamer. Dit kan gevolgen hebben voor de ervaren democratische legitimiteit van de beslissingen van de Eerste Kamer. Ook heeft de voorgestelde wijziging, afhankelijk van haar uitwerking (zie ook punt 3), mogelijk negatieve consequenties voor kleinere partijen en kan de invloed die verschillende Provinciale Staten op de samenstelling van de Eerste Kamer hebben variëren. Daarnaast valt op dat de toelichting weliswaar stelt dat het politieke karakter van de Eerste Kamer de afgelopen decennia meer naar voren is gekomen, maar dat een onderbouwing voor deze stelling ontbreekt. Daarbij is van belang dat de Eerste Kamer en zijn rol na 1983 ook eerder wel eens in de schijnwerpers is komen te staan.Vanwege het ontbreken van deze gezichtspunten en een grondige bespreking van de mogelijke keerzijden van de voorgestelde wijziging ontbreekt op dit moment in de toelichting een voldragen probleemanalyse die nodig is voor een evenwichtige afweging.De Afdeling is zich ervan bewust dat deze nadere weging slechts zeer ten dele gebaseerd kan zijn op empirisch bewijs. Wat de effecten zullen zijn van de voorgestelde wijziging van het kiesstelsel voor de Eerste Kamer wordt immers pas inzichtelijk na een langere periode na invoering. Zonder die kennis gaat het op dit moment vooral om een zo goed mogelijke inschatting en beoordeling van de mogelijke voor- en nadelen. Een nadere uiteenzetting daarvan in de toelichting acht de Afdeling noodzakelijk.b. SamenhangEen nadere uiteenzetting zoals hiervoor bedoeld acht de Afdeling te meer noodzakelijk omdat momenteel meerdere voorstellen worden overwogen die raken aan de positie van de Eerste Kamer binnen het tweekamerstelsel. Zo verwijst de regering in de toelichting kort naar het voorstel om de tweede lezing bij grondwetsherzieningen in verenigde vergadering te behandelen en naar het door de Staatscommissie aanbevolen terugzendrecht voor de Eerste Kamer. (zie noot 19) Een kabinetsreactie met betrekking tot laatstgenoemd voorstel wordt nog verwacht. (zie noot 20) Tevens heeft de regering onlangs bij de Tweede Kamer een voorstel ingediend om het kiesrecht voor de Eerste Kamer ook toe te kennen aan kiezers met de Nederlandse nationaliteit buiten Nederland. (zie noot 21)Deze onderwerpen en de voorstellen die daarop betrekking hebben, raken aan het functioneren van het tweekamerstelsel en de samenstelling en positie van de Eerste Kamer daarbinnen. Dit roept de vraag op wat de samenhang is tussen enerzijds het onderhavige voorstel en anderzijds de andere, hiervoor genoemde (grond)wetswijzigingen die (mede) de positie van de Eerste Kamer betreffen. Het valt op dat de toelichting hier niet uitgebreid op ingaat, terwijl deze onderwerpen niet goed los van elkaar kunnen worden beoordeeld. Veranderingen in het staatkundig bestel moeten in samenhang worden bezien omdat sommige wijzigingen niet samengaan, terwijl anderen elkaar juist kunnen versterken.Dit betekent niet dat elke wijziging van de Grondwet alleen kan worden doorgevoerd in het kader van een volledige herziening, maar wel dat steeds voldoende acht moet worden geslagen op onderlinge afhankelijkheden binnen het stelsel. Dit geldt te meer ingeval diverse op elkaar inwerkende grondwetswijzigingen min of meer gelijktijdig in discussie zijn. Dat geldt in het bijzonder voor een mogelijk voorstel voor een terugzendrecht, dat immers een wijziging van de bevoegdheden van de Eerste Kamer en van de verhoudingen binnen het tweekamerstelsel impliceert.c. ConclusieDe Afdeling adviseert de voorgestelde wijziging van het kiesstelsel voor de Eerste Kamer nader te motiveren. Daarbij dient de toelichting in te gaan op de mogelijke voor- en nadelen hiervan in samenhang met de andere, hierboven genoemde voorstellen die op dit moment met betrekking tot de positie van de Eerste Kamer worden overwogen.3. Uitwerking in de KieswetWat betreft de uitwerking van dit voorstel in de Kieswet rijzen enkele vragen. Deze betreffen in de eerste plaats de positie van kleine partijen. In de consultatiereacties en in de debatten in Tweede en Eerste Kamer is ruimschoots aandacht voor dit onderwerp gevraagd. Eén zorg is dat het voor kleinere partijen moeilijker wordt om in de Eerste Kamer te komen, omdat beurtelingse verkiezingen feitelijk leiden tot een verdubbeling van de kiesdrempel. Een ander vraagstuk is dat, afhankelijk van de uitwerking, sommige Provinciale Staten meer invloed zouden kunnen krijgen op de samenstelling van een bepaalde Eerste Kamer dan andere. In de toelichting wordt gesteld dat het aan de wetgever is om op deze punten keuzes te maken bij de wijziging van de Kieswet die noodzakelijk is voor de realisatie van dit voorstel. (zie noot 22)De Afdeling acht de toelichting met het oog daarop niet toereikend. Zij merkt over de beide genoemde punten het volgende op.De verschillende manieren waarop dit voorstel uitgewerkt kan worden in de Kieswet hebben uiteenlopende effecten voor de samenstelling van de Eerste Kamer. Het effect van de verschillende uitwerkingsvarianten op de positie van kleine partijen is ook reeds onderzocht en in kaart gebracht in het rapport Kiesstelsels in Kaart. (zie noot 23) Daarbij is een vergelijking gemaakt tussen de effecten van het huidige kiesstelsel en kiesstelsels die op twee dimensies hiervan verschillen, te weten:- het gebruik van ofwel het zogenoemde algehele stelsel ofwel het groepenstelsel; en- de keuze van de methode van restzetelverdeling.Het algehele stelsel houdt in dat alle leden van de Provinciale Staten om de drie jaar de helft van de Eerste Kamerleden kiezen. Het groepenstelsel houdt grofweg in dat beurtelings een cluster van de Provinciale Staten de helft van de Eerste Kamerleden kiest; bijvoorbeeld Groningen, Noord-Holland, Noord-Brabant, Limburg, Utrecht en Flevoland in de eerste verkiezingscyclus en de overige provincies de tweede. (zie noot 24) Het algehele stelsel leidt tot een verdubbeling van de kiesdeler en heeft daarom de grootste gevolgen voor kleinere partijen. Bij een groepenstelsel is met name de samenstelling van de groepen van groot belang voor de mate waarin dat gevolgen heeft voor de kleine partijen.De keuze voor één van de stelsels kan worden gemitigeerd door het aanpassen van de systematiek van restzetelverdeling. De resultaten van het hiervoor genoemde onderzoek wijzen uit dat het restzetelverdelingsstelsel van grootste gemiddelden (zie noot 25) partijen die momenteel niet meer dan één zetel hebben waarschijnlijk buiten de Eerste Kamer houdt. Onder het algehele stelsel geldt dit voor 60% en onder het groepenstelsel voor ongeveer 50% van die partijen.Er zijn ook stelsels waarbij dit effect aanzienlijk minder sterk is. Onder de restzetelverdelingsstelsels grootste overschotten (zie noot 26) en Sainte-Laguë (zie noot 27) is dit minder dan 11% bij zowel het algehele als het groepenstelsel. (zie noot 28) Structureel gebruik van die stelsels zorgt echter voor oververtegenwoordiging van partijen met niet meer dan één zetel ten opzichte van het huidige stelsel: partijen die onder het huidige stelsel één zetel krijgen, krijgen in meer dan de helft van de gevallen dat deze stelsels worden toegepast twee zetels. (zie noot 29)Ook dit kan worden gecorrigeerd, namelijk via een zogenoemd gemengd stelsel om restzetels te verdelen. Daarbij wordt bij de verkiezing van 38 zetels het stelsel van grootste gemiddelden toegepast en bij de verkiezing van 37 zetels het stelsel van grootste overschotten’. Kleine partijen kunnen in dit stelsel wel een zetel in de Eerste Kamer krijgen, maar tegelijkertijd niet oververtegenwoordigd zijn. Dit stelsel beoogt daarmee de nadelen van de andere genoemde stelsels zoveel mogelijk op te heffen.Gelet op de uiteenlopende effecten die de verschillende uitwerkingsvarianten kunnen hebben op de samenstelling van de Eerste Kamer kan niet worden volstaan met de stelling in de toelichting dat de keuzes voor de uitwerking pas aan de orde zijn bij de wijziging van de Kieswet. Dit geldt te meer omdat uit Kiesstelsels in Kaart naar voren komt dat de verschillende varianten ook gevolgen hebben voor de evenredige vertegenwoordiging van provincies en de vraag of kiezers bij bepaalde verkiezingen van Provinciale Staten één keer, meerdere keren, of geen invloed hebben op de verkiezingsuitslag van de Eerste Kamer. (zie noot 30) Dit hangt samen met het moment van verkiezing van Provinciale Staten ten opzichte van dat van de Eerste Kamer.Ook op dit punt is er verschil tussen de uitwerking met het algemene stelsel en het groepenstelsel. Omdat sommige kiezers daarmee in bepaalde jaren via de provincies een grotere invloed krijgen op de samenstelling van de Eerste Kamer dan anderen, is dit van groot belang. Hiermee is er immers een direct verband tussen de keuze voor een bepaalde uitwerkingsvariant en andere relevante grondwetsbepalingen. Daarbij gaat het om het kiesrecht en de evenredige vertegenwoordiging zoals neergelegd in de artikelen 4 en 53 van de Grondwet.De Afdeling adviseert in het licht van het voorgaande in de toelichting nader in te gaan op de verschillende keuzes die gemaakt kunnen worden bij de uitwerking van dit stelsel en daarbij in het bijzonder aandacht te besteden aan de evenredigheid van het stelsel, de gelijke invloed van kiezers en Provinciale Staten, en de positie van kleinere partijen.4. Transitie naar beurtelingse verkiezingenIn het voorgestelde additionele artikel III wordt bepaald dat bij de eerste Eerste Kamerverkiezingen na de invoering van de nieuwe verkiezingswijze één groep senatoren voor drie jaar wordt gekozen en een andere groep voor zes jaar. Bij eerdere soortgelijke wijzigingen heeft de grondwetgever ervoor gekozen deze materie in de Kieswet te regelen. (zie noot 31)Het meest recente voorbeeld is de uitbreiding van het aantal senatoren in 1956. Toen is de keuze gemaakt om het lot te laten bepalen welke helft van de Eerste Kamerleden na drie jaar aftreedt en welke helft na zes jaar. (zie noot 32) Daarbij werd geen verschil gemaakt in de termijn waarvoor een lid werd verkozen, maar werd gedifferentieerd in aftredingstermijn na verkiezing. Een andere mogelijkheid bij de transitie naar beurtelingse verkiezingen is om dit aan de betreffende senaat zelf te laten. (zie noot 33) Uit de toelichting blijkt niet waarom in dit geval niet is gekozen voor de eerder door de grondwetgever gebruikte methode, dan wel voor andere, in het buitenland toegepaste alternatieven.De Afdeling adviseert hier in de toelichting aandacht aan te besteden en het voorstel zo nodig aan te passen.5. Opnemen additioneel artikelNadat deze grondwetswijziging is aanvaard en bekrachtigd, zal de Kieswet nog op een aantal punten moeten worden aangepast voordat Eerste Kamerleden daadwerkelijk voor een periode van zes jaar kunnen worden gekozen en voordat om de drie jaren beurtelings achtendertig leden en zevenendertig leden af kunnen treden. (zie noot 34)Omdat voorkomen moet worden dat de wijziging van de Grondwet in werking treedt op het moment dat de Kieswet nog niet is aangepast, adviseert de Afdeling een additioneel artikel op te nemen waarin geregeld wordt dat de wijziging van de Grondwet in werking treedt op het moment dat de Kieswet overeenkomstig is aangepast.De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal opmerkingen bij het voorstel en adviseert daarmee rekening te houden voordat het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal wordt ingediend.De vice-president van de Raad van StateNader rapport (reactie op het advies) van 13 juli 20202. Probleemanalyse en samenhangc. ConclusieOp zichzelf genomen is het inderdaad een nadeel van de voorgestelde wijziging dat de samenstelling van de Eerste Kamer tot stand komt op basis van verkiezingsuitslagen die verder in het verleden liggen dan in de huidige situatie. Zoals de Afdeling opmerkt, heeft de langere zittingsduur van de leden van hogerhuizen in tweekamerstelsels van oudsher als reden om dat deel van het parlement meer stabiliteit te geven. In het zoeken naar een juiste inrichting van het stelsel moet het belang van een zo actueel mogelijke democratische legitimatie worden afgewogen tegen belangen als stabiliteit, parlementaire ervaring en een goede rolverdeling tussen de Kamers. De regering meent dat deze afweging niet optimaal tot uitdrukking komt in de huidige verkiezingswijze.De memorie van toelichting is aangevuld met deze overwegingen.Zoals de Afdeling terecht opmerkt, kan dit voorstel, afhankelijk van de gekozen uitwerking in de Kieswet, van invloed zijn op de vertegenwoordiging van kleinere partijen. De doorrekening op basis van eerdere verkiezingsuitslagen, die in opdracht van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is gemaakt (zie voetnoot 23), wijst erop dat het hierbij gaat om partijen die onder het huidige stelsel niet meer dan één senaatzetel halen. In de memorie van toelichting is naar aanleiding van het advies van de Afdeling een nadere beschouwing opgenomen over de mogelijke uitwerkingsvarianten en de gevolgen voor kleine partijen die de verschillende keuzes kunnen hebben.De Afdeling wijst op het ontbreken van een onderbouwing van de stelling dat het politieke karakter van de Eerste Kamer de afgelopen decennia meer naar voren is gekomen. De bedoelde stelling slaat niet op ontwikkelingen in de Eerste Kamer zelf, of de wijze waarop zij haar rol vervult, maar op het effect van een integrale verkiezing kort na de provinciale statenverkiezingen. Zoals uiteengezet in de memorie van toelichting vergt het goed functioneren van ons tweekamerstelsel dat een balans wordt gevonden tussen enerzijds het reflectieve karakter van de Eerste Kamer met haar focus op de kwaliteit van wetsvoorstellen, en anderzijds het politieke karakter als gekozen volksvertegenwoordiging. Een vaste koppeling van een integrale verkiezing van de Eerste Kamer aan het moment van verkiezing van de provinciale staten, zorgt ervoor dat eens in de vier jaar te veel de nadruk komt te liggen op dit politieke karakter. In de memorie van toelichting is dit verhelderd.De Afdeling adviseert om in te gaan op de samenhang met twee andere wetsvoorstellen die raken aan de positie van de Eerste Kamer en met de aanbeveling van de staatscommissie om de Eerste Kamer een terugzendrecht te geven.In de eerste plaats gaat het hierbij om het voorstel om niet-ingezeten Nederlanders kiesrecht te verlenen voor een kiescollege dat zal deelnemen aan de verkiezing van de Eerste Kamer. Dit voorstel is op dit moment aanhangig bij de Eerste Kamer (nr. 35 418). Dit voorstel beoogt een onevenwichtigheid in het huidige kiesstelsel weg te nemen. Nederlanders die in het buitenland wonen, kunnen wel stemmen voor de Tweede Kamer en het Europees Parlement, maar hebben geen invloed op de samenstelling van de Eerste kamer. Door de invoering van het voorgestelde kiescollege wordt deze onevenwichtigheid weggenomen. Het voorstel heeft derhalve een achtergrond die losstaat van het onderhavige voorstel. Beide voorstellen dienen (en kunnen) daarom los van elkaar behandeld en beoordeeld te worden.In de tweede plaats is er het voorstel om de tweede lezing van Grondwetswijzigingen voortaan in de verenigde vergadering van de Eerste en Tweede Kamer te behandelen. Dit voorstel is net als het onderhavige voorstel aangekondigd in de kabinetsreactie op het eindrapport van de staatscommissie parlementair stelsel. Beide voorstellen beogen bij te dragen aan een goede rolverdeling binnen het tweekamerstelsel. Vanwege deze samenhang waren deze voorstellen oorspronkelijk in één concept-wetsvoorstel opgenomen. Naar aanleiding van het plenaire debat over de kabinetsreactie op het advies van de staatscommissie parlementair stelsel in de Eerste Kamer op 4 februari 2020 is besloten om het wetsvoorstel te splitsen. Door deze splitsing is een afzonderlijke beoordeling door de Eerste Kamer mogelijk gemaakt, zonder de samenhang uit het oog te verliezen.Het kabinet deelt de conclusie van de staatscommissie dat er behoefte bestaat aan invoering van een bevoegdheid voor de Eerste Kamer om wetsvoorstellen terug te zenden aan de Tweede Kamer (terugzendrecht). Deze aanvullende bevoegdheid moet goed passen bij een rolvaste Eerste Kamer die zich, met enige distantie ten opzichte van de dagelijkse politiek, richt op het beoordelen van de kwaliteit van wetsvoorstellen op criteria als rechtsstatelijkheid, handhaafbaarheid en uitvoerbaarheid. (zie noot 35)3. Uitwerking in de KieswetIn de uitwerking van de voorgestelde Grondwetswijziging moeten inderdaad enkele belangrijke keuzes worden gemaakt. In het oog springen vooral de vraag of er ten behoeve van de driejaarlijkse verkiezing een indeling in groepen van provinciale staten en de kiescolleges in de openbare lichamen wordt gemaakt, zoals tussen 1922 en 1983 het geval was voor de provinciale staten, en de vraag hoe de restzetels verdeeld gaan worden. Ook tijdens de consultatie is nadrukkelijk aandacht gevraagd voor deze punten. In paragraaf 5 van de aan de Afdeling voorgelegde memorie van toelichting, waarin verslag wordt gedaan van de resultaten van de consultatie, wordt hierop gereageerd.In het kader van de onderhavige procedure van wijziging van de Grondwet wil ik echter enige terughoudendheid betrachten. De genoemde vraagpunten zijn immers niet van constitutionele orde. Ook vóór 1983 zweeg de Grondwet over de indeling in groepen en over de restzetelverdeling. Deze zaken werden en worden aan de gewone wetgever overgelaten. Bij de beantwoording van deze vragen zal de wetgever uiteraard binnen de kaders moeten blijven die door de Grondwet worden gesteld. Het gaat dan niet alleen om de nieuwe redactie van artikel 52, maar ook om de artikelen 4 (kiesrecht) en 53 (evenredige vertegenwoordiging), zoals de Afdeling terecht opmerkt.Vóór 1983 golden grotendeels dezelfde Grondwettelijke kaders. Daarmee is echter niet gezegd dat de wetgever dezelfde keuzes zal (moeten) maken in de uitwerking in de Kieswet. De uitwerking die tussen 1922 en 1983 bestond, kende nadelen die mede ten grondslag lagen aan het besluit om af te stappen van de verkiezing in helften. Binnen de Grondwettelijke kaders zijn echter ook (vele) andere uitwerkingen mogelijk, zoals dr. S.P. Otjes in opdracht van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in kaart heeft gebracht.Met inachtneming van deze overwegingen heb ik het advies van de Afdeling gevolgd en is aan paragraaf 2 van de memorie van toelichting een nieuw onderdeel toegevoegd waarin nader wordt ingegaan op de verschillende keuzes die gemaakt kunnen worden bij de uitwerking van dit voorstel in de Kieswet.4. Transitie naar beurtelingse verkiezingenIn 1956 werd de Eerste Kamer gekozen op basis van een indeling in vier groepen provincies. Het additioneel artikel van 1956 was goed uitvoerbaar in de toen bestaande vormgeving van de verkiezingswijze. Deze oplossing zou echter niet samengaan met een keuze voor een stelsel waarin alle provinciale staten deelnemen aan elke Eerste Kamerverkiezing (het algehele stelsel). Anders dan in 1956 zou er dan immers niet geloot worden tussen de groepen van provinciale staten maar tussen individuele Kamerleden. Hierdoor zou de representativiteit van de Eerste Kamer ernstig in het gedrang kunnen komen. Een loting tussen alle Kamerleden kan immers tot gevolg hebben dat de leden van sommige fracties allen na drie jaar moeten aftreden, terwijl bij andere fracties alle leden pas na zes jaar hoeven af te treden.De regering wil in het onderhavige voorstel niet vooruitlopen op een keuze tussen het groepenstelsel of het algehele stelsel. Die keuze is aan de wetgever (de Kieswet). Daarom is het overgangsrecht zo ingericht dat het toegepast kan worden in verschillende mogelijke uitwerkingsvarianten.De Afdeling wijst op de mogelijkheid om de Eerste Kamer zelf te laten beslissen welke 37 senatoren na drie jaar aftreden, vergelijkbaar met de wijze waarop de Senaat van de Verenigde Staten zichzelf in 1789 in drie groepen verdeelde. De Amerikaanse Senaat gebruikte een loting om te bepalen welke van de groepen, waarin zij zichzelf verdeeld hadden, als eerste, tweede en derde zoude aftreden. Een dergelijke procedure zou in de huidige Nederlandse situatie, in combinatie met een eventuele keuze voor het algehele stelsel, al snel op gespannen voet komen te staan met het beginsel van evenredige vertegenwoordiging, zoals hiervoor betoogd, nog los van de vraag of het mogelijk zou blijken om de Kamer in twee groepen van 38 en 37 leden te verdelen. Om deze reden lijkt het mij niet opportuun om de Eerste Kamer op te dragen de overgang naar de voorgestelde verkiezingswijze zelf te faciliteren.5. Opnemen additioneel artikelHet advies van de Afdeling om te regelen dat de wijziging van de Grondwet pas in werking treedt als de Kieswet is aangepast, neem ik graag over. Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om ook te voorzien in een bepaling die ertoe strekt dat het additionele artikel (van rechtswege) vervalt nadat het is uitgewerkt. Het wetsvoorstel en de memorie van toelichting zijn dienovereenkomstig aangepast.Ik verzoek U, mede namens de Minister-President, Minister van Algemene Zaken, het hierbij gevoegde gewijzigde voorstel van wet en de gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.De Minister van Binnenlandse Zaken en KoninkrijksrelatiesVoetnoten(1) Voorgestelde wijziging van artikel 52 Grondwet.(2) Toelichting, algemeen deel, paragraaf 1.(3) J. Madison, ‘Federalist 62’, in: A. Hamilton, J. Madison, J. Jay & J.R. Pole (red.) The Federalist, Indianapolis, IN: Hackett 2005 (1788), p. 334.(4) Artikel 86 Grondwet 1848.(5) Handelingen van de Regering en de Staten-Generaal over de Herziening der Grondwet 1847-1848, Deel I, ’s-Gravenhage: Gebroeders Belinfante 1848, p. 344.(6) Artikel 92 Grondwet 1922.(7) Eindrapport van de Staatscommissie tot herziening van de Grondwet, Den Haag: Staatsuitgeverij 1954, p. 51.(8) Eindrapport Staatscommissie Grondwet en Kieswet, Den Haag: Staatsuitgeverij 1971, p. 101-103.(9) Eindrapport Staatscommissie Grondwet en Kieswet, Den Haag: Staatsuitgeverij 1971, p. 104.(10) Kamerstukken II 1974/75, 12944, nr. 2, p. 8.(11) Kamerstukken II 1974/75, 12944, nr. 2, p. 8.(12) Kamerstukken II 1974/75, 12944, nr. 22; Handelingen II 28 januari 1975, p. 2449.(13) Zie ook D.J. Elzinga, G. Hoogers & R. de Lange, Van der Pot. Handboek van het Nederlandse staatsrecht, Deventer: Kluwer 2014, p. 560.(14) Zie bijvoorbeeld het rapport ‘Het bestel bijgesteld’ van de Commissie-De Koning, Kamerstukken II 1992/93, 21427, nr. 37, p. 57; de notitie ‘Reflecties over de positie van de Eerste Kamer’, Kamerstukken I 1999/00, 26976, nr. 1; Handelingen I 2001/02, nr. 5, 176-207 en nr.17, 856-879; Handelingen I 2008/09, nr. 20, 1011-1027 en 1047-1055; Handelingen I 2012/13, nr. 15, item 5, 30-52; Handelingen I 2012/13, nr. 15, item 8, 69-87; en Handelingen I nr. 16, item 5, 6-7.(15) Toelichting, algemeen deel, paragraaf 1.(16) Toelichting, algemeen deel, paragraaf 1.(17) Toelichting, algemeen deel, paragraaf 1.(18) Zie ook het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State van 20 februari 2020 inzake het voorstel van wet houdende verklaring dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering in de Grondwet strekkende tot het opnemen van een bepaling over een door niet-ingezetenen gekozen kiescollege voor de verkiezing van de Eerste Kamer der Staten-Generaal, W01.19.0386/I, Kamerstukken II 2019/20, 35418, nr. 4.(19) Toelichting, algemeen deel, paragraaf 1(20) Kamerstukken I 2018/19, 34430, nr. F, p. 6.(21) Kamerstukken II 2019/20, 35418, nr. 2.(22) Toelichting, algemeen deel, paragraaf 2,(23) S.P. Otjes, Kiesstelsels in kaart, Den Haag: 29 januari 2019, bijlage bij Kamerstukken I 2019/20, 34430, nr. M.(24) Andere varianten zijn mogelijk. Tussen 1922 en 1983 waren er vier groepen van drie Provinciale Staten die beurtelings in beurten van drie jaar een vierde van de Eerste Kamerleden verkozen.(25) Toekennen van zetels aan partijen met de hoogste gemiddelden. In de praktijk bevoordeelt dit stelsel de grotere partijen.(26) Toekennen van zetels aan partijen met de hoogste overschotten. In principe is dit stelsel neutraal ten opzichte van het aantal zetels dat een partij al heeft gehaald.(27) Toekennen van zetels op basis van het grootste gemiddelde als een extra zetel zou zijn toegekend en het aantal zetels zou zijn verdubbeld.(28) S.P. Otjes, Kiesstelsels in kaart, Den Haag: 29 januari 2019, bijlage bij Kamerstukken I 2019/20, 34430, nr. M.(29) S.P. Otjes, a.w., p. 2.(30) S.P. Otjes, a.w., p. 19. De regering lijkt uit te gaan van een stelsel waarbij het eens in de twaalf jaar zal voorkomen dat door dezelfde Provinciale Staten twee keer verkiezingen voor de Eerste Kamer plaatsvinden, en in andere gevallen één keer (Toelichting, algemeen deel, paragraaf 5).(31) Additioneel artikel 6 van de Grondwet 1848 jo. artikel 113 van de Wet van 4 juli 1850, Stb. 37. (regelende het kiesrecht).(32) Additioneel artikel VI Grondwet 1956(33) Zie bijvoorbeeld U.S. Const. art. I, § 3.(34) Dit betreft onder meer artikel Q 2 van de Kieswet.(35) Brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, 1 juli 2020
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Verandering in de Grondwet strekkende tot invoering van behandeling in verenigde vergadering van de tweede lezing van veranderingen in de Grondwet
Bij Kabinetsmissive van 20 februari 2020, no.2020000369, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, mede namens de Minister-President, de Minister van Algemene Zaken, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet houdende verklaring dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering in de Grondwet strekkende tot invoering van behandeling in verenigde vergadering van de tweede lezing van veranderingen in de Grondwet, met memorie van toelichting.Het wetsvoorstel regelt dat de tweede lezing van een voorstel tot herziening van de Grondwet voortaan in de verenigde vergadering der Staten-Generaal wordt behandeld. Dit voorkomt volgens de regering dat een beperkte minderheid van de Eerste Kamer een grondwetswijziging verhindert die gesteund wordt door een grote meerderheid van de Tweede Kamer die direct gekozen is in verkiezingen die mede tot doel hebben om kiezersinvloed op die grondwetswijziging mogelijk te maken.De Afdeling advisering van de Raad van State adviseert af te zien van de voorgestelde wijziging van de grondwetsherzieningsprocedure tenzij de noodzaak en de toegevoegde waarde daarvan alsnog kunnen worden gemotiveerd. Voorts gaat zij in op de samenhangende Grondwetsbepalingen en de samenloopbepaling. In verband met deze opmerkingen dient het wetsvoorstel nader te worden overwogen.1. VoorgeschiedenisDe positie van de Eerste Kamer bij de tweede lezing van een grondwetsherziening is in het verleden meerdere malen aan de orde geweest. Deze kwam aan de orde bij de voorstellen tot wijziging van de Grondwet van de commissie Cals/Donner. (zie noot 1) De regering kwam naar aanleiding van het rapport van de commissie met het voorstel om de Eerste Kamer helemaal geen rol meer te geven in de tweede lezing van de grondwetsherzieningsprocedure. (zie noot 2) Voor dit voorstel bestond toen onvoldoende draagvlak in beide Kamers. (zie noot 3)Vervolgens stelde de genoemde staatscommissie voor om de tweede lezing in de verenigde vergadering te laten behandelen. Hierbij was relevant dat de commissie tegelijkertijd ook voorstelde om de Eerste Kamer rechtstreeks te laten kiezen. Omdat beide kamers in dat geval op gelijke wijze representatief zouden zijn en zich - behoudens de mogelijkheid van splitsing - zouden moeten beperken tot aanneming of verwerping van het voorstel zoals het daar ligt, zag de staatscommissie geen grond meer de kamers afzonderlijk te laten beslissen. Bij handhaving van de huidige, indirecte wijze van verkiezing van de Eerste Kamer, stelde de staatscommissie voor vast te houden aan het bestaande stelsel van beslissing door de afzonderlijke kamers. In dat geval immers zou bij beslissing in verenigde vergadering zich het bezwaar voordoen dat een zelfde gewicht zou worden toegekend aan de stemmen van Kamerleden die ten aanzien van de aanhangige grondwetsherziening niet gelijkelijk representatief moeten worden geacht. (zie noot 4)De regering was geen voorstander van de behandeling in de verenigde vergadering. Zij stelde: "Aan het vereiste van een versterkte meerderheid is inherent dat een minderheid over het lot van een herzieningsontwerp kan beslissen. Dit is evenzeer het geval bij behandeling in een verenigde vergadering als bij behandeling door de Tweede en de Eerste Kamer afzonderlijk. Weliswaar is het mogelijk dat in een verenigde vergadering het boven een derde liggende aantal tegenstemmen van Eerste Kamerleden gecompenseerd wordt door het boven twee derden liggende aantal vóórstemmen van Tweede Kamerleden. Evenzeer is echter denkbaar dat door het toedoen van stemmen van Eerste Kamerleden een ontwerp in de verenigde vergadering niet de vereiste meerderheid haalt, terwijl diezelfde Eerste Kamerleden, geconfronteerd met een door de Tweede Kamer met een meerderheid van meer dan twee derden aangenomen ontwerp, het niet op een verwerping zouden hebben doen aankomen. Men mag er naar onze mening niet zonder meer vanuit gaan dat een tegenstem van een Eerste Kamerlid in een verenigde vergadering ook een tegenstem in een afzonderlijk beslissende Eerste Kamer zou zijn. De specifieke positie van de Eerste Kamer als kamer van heroverweging komt immers in een verenigde vergadering niet tot haar recht." (zie noot 5)Sindsdien zijn verschillende alternatieven voorgesteld met betrekking tot de rol van de Eerste Kamer bij de tweede lezing, zoals het afschaffen van de tweede lezing, het instellen van een speciale Grondwetskamer of het genoemde uitsluitend behandelen van de tweede lezing door de Tweede Kamer. Deze kregen echter nooit voldoende steun, zoals ook in de toelichting wordt gesteld. Bij al deze voorstellen was steeds de balans tussen beide Kamers in het wetgevingsproces in zijn algemeenheid en het grondwetsherzieningsproces in het bijzonder in discussie. (zie noot 6) Recentelijk adviseerde de staatscommissie Parlementair stelsel in haar eindrapport om de tweede lezing in een verenigde vergadering te behandelen. (zie noot 7) Over dit voorstel is al enkele malen gediscussieerd in beide Kamers. (zie noot 8)Voorts is ook de aard van de verenigde vergadering als zodanig bij de grondwetsherziening van 1983 aan de orde geweest. De Grondwet regelt dat bij een verenigde vergadering de kamers als één worden beschouwd. (zie noot 9) Het is niet aan de kamers zelf om te besluiten wanneer zij dit doen; de Grondwet noemt de gevallen waarin dit van toepassing is. Het gaat daarbij met name om aangelegenheden die betrekking hebben op de Koning en de erfopvolging, waaronder het goedkeuren van huwelijken door de Koning en vermoedelijke troonopvolgers en de inhuldiging van een nieuwe Koning. (zie noot 10) Ook een oorlogsverklaring moet in de verenigde vergadering worden gedaan. (zie noot 11) Daarnaast is er jaarlijks een zitting van de verenigde vergadering op Prinsjesdag en zijn er enkele bijzondere bijeenkomsten geweest, bijvoorbeeld voor de herdenking van overleden koninginnen en hun echtgenoten (zie noot 12) en andere bijzondere momenten. (zie noot 13) Ten slotte is een enkele maal een (voormalige) regeringsleider ontvangen door de verenigde vergadering. (zie noot 14)De grondwetgever heeft in 1983 voor de vraag wat wel en niet in de verenigde vergadering moet worden besproken en besloten als criterium gehanteerd dat dit dient te geschieden indien de aard van de aangelegenheid zodanig is dat het ongewenst zou zijn indien de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal tot onderling afwijkende besluiten daaromtrent zouden komen. (zie noot 15) Daarbij is uitdrukkelijk de vraag aan de orde geweest of een tweede lezing niet in de verenigde vergadering zou moeten worden behandeld. De regering overwoog destijds: "dat in het hier te lande bestaande tweekamerstelsel van het instituut van de verenigde vergadering niet dan in zeer uitzonderlijke gevallen gebruik dient te worden gemaakt. Tot die gevallen rekenen wij niet de behandeling in tweede lezing van een voorstel tot grondwetsherziening. De specifieke voorwaarden, die een afwijking van de normaal te bewandelen weg van een gescheiden behandeling door de beide Kamers zouden kunnen rechtvaardigen, achten wij hier niet aanwezig." (zie noot 16)2. Motivering wetsvoorstela. Evenwicht in het grondwettelijk stelselIn de grondwettelijke procedure die van toepassing is op de behandeling van en besluitvorming over wetten en grondwetswijzigingen zijn vanuit de historie (zie hiervoor punt 1) checks and balances verankerd, gericht op een evenwichtige verdeling en uitoefening van bevoegdheden. Daarbij is het in Nederland bestaande tweekamerstelsel van belang. In dit stelsel is in de Grondwet een balans gezocht tussen regering, Tweede en Eerste Kamer. In die balans is mede met het oog op een zorgvuldige besluitvorming een bijzondere rol weggelegd voor de Eerste Kamer als kamer van heroverweging. (zie noot 17)De in de Grondwet vastgelegde verhouding tussen regering, Tweede en Eerste Kamer is regelmatig onderwerp van debat. Met het wetsvoorstel is dat debat opnieuw aan de orde. Het verschuift de balans tussen Tweede en Eerste Kamer waardoor het zwaartepunt bij het wijzigen van de Grondwet feitelijk meer bij de (leden van de) Tweede Kamer komt te liggen. Een verandering in genoemde verhouding is staatsrechtelijk niet onmogelijk en kan vanuit bepaalde gezichtspunten ook worden bepleit. Dat neemt niet weg dat een grondwetswijziging als de onderhavige, deugdelijk gemotiveerd moet worden. In de toelichting dient op grond van een grondige afweging van alle relevante aspecten en gezichtspunten op overtuigende wijze te worden gemotiveerd waarom een wijziging in de genoemde balans nodig is en hoe de voorgestelde wijziging uitpakt in het staatsrechtelijk stelsel als geheel.b. Motivering aanpassing evenwichtBlijkens de toelichting is het motief voor het neerleggen van de tweede lezing bij de verenigde vergadering in het bijzonder gelegen in de wens te voorkomen dat een beperkte minderheid van de senatoren een wijziging, die gesteund wordt door een meerderheid van de Eerste Kamer en een ruime meerderheid van de Tweede Kamer, verhindert. De toelichting stelt dat dit rechtstreeks ingaat tegen een van de bedoelingen van de tweede lezing, namelijk het faciliteren van volksinvloed via een verplichte, tussenliggende Tweede Kamerverkiezing. Dit maakt de Eerste Kamer als instituut kwetsbaar voor kritiek, aldus de toelichting. (zie noot 18) Op grond van de huidige wijzigingsprocedure voor de Grondwet is inherent dat een minderheid in tweede lezing over het lot van een voorstel tot grondwetswijziging kan beslissen. Dit is een weerslag van het hierboven genoemde evenwicht tussen de verschillende actoren in het grondwetswijzigingsproces. De toelichting motiveert niet goed waarom dit evenwicht gelet op de gedachtevorming die daaromtrent in het verleden heeft plaatsgevonden en de argumenten die destijds zijn gewisseld (zie hiervoor punt 1 en 2a), thans moet worden heroverwogen. Daaruit blijkt dat het in het wetsvoorstel gekozen perspectief, zoals de toelichting ook erkent, slechts één van de perspectieven is die aan de orde zijn. In de motivering zou in dat licht bezien meer aandacht moeten worden besteed aan de waarborgfunctie die de grondwetgever tot nu heeft toegekend aan de Eerste Kamer, onder meer als het gaat om staatrechtelijke kwesties, en waarom de betekenis van die waarborgfunctie in de huidige tijd anders moet worden gewogen. (zie noot 19)c. Onderscheiden rollen Tweede en Eerste KamerIn samenhang met het voorgaande dient in de afweging ook een rol te spelen dat, zoals ook tijdens de grondwetsherziening van 1983 aan de orde is geweest, de Eerste Kamer op een andere wijze wordt verkozen dan de Tweede Kamer en dat dat een argument kan zijn om vast te houden aan besluitvorming door de afzonderlijke kamers. In die zin komen de te onderscheiden posities en rollen van de Tweede en Eerste Kamer in het geval de besluitvorming door de verenigde vergadering plaatsvindt, minder tot hun recht. In dat geval immers vinden beraadslaging en besluitvorming door de leden van de Tweede en Eerste Kamer gezamenlijk plaats en zal daardoor het met het tweekamerstelsel beoogde verschil tussen beide instituten en tussen de individuele leden daarvan, minder goed zichtbaar zijn.Besluitvorming door de verenigde vergadering betekent tevens dat de uiteindelijke weging van het wetsvoorstel niet altijd in het voordeel van (de leden van) de Tweede Kamer hoeft uit te pakken. De regering heeft er destijds terecht op gewezen dat zeer wel denkbaar is dat in het nu voorgestelde stelsel door toedoen van stemmen van Eerste Kamerleden een wetsvoorstel in de verenigde vergadering niet de vereiste meerderheid haalt, terwijl diezelfde Eerste Kamerleden in de huidige procedure, geconfronteerd met een door de Tweede Kamer met twee derde meerderheid aangenomen voorstel, het niet op een verwerping zouden laten aankomen.d. Aard van de verenigde vergaderingHet wetsvoorstel kent een nieuwe rol toe aan de verenigde vergadering. Zoals hiervoor opgemerkt heeft de grondwetgever bij de grondwetsherziening van 1983 overwogen dat de verenigde vergadering alleen een rol zou moeten spelen "indien de aard van de aangelegenheid zodanig is dat het ongewenst zou zijn indien de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal tot onderling afwijkende besluiten daaromtrent zouden komen". De vraag of de behandeling van een voorstel tot grondwetswijziging in tweede lezing aan dat criterium voldoet, werd destijds ontkennend beantwoord. De toelichting gaat niet in op de vraag hoe het wetsvoorstel zich verhoudt tot dit standpunt en welke argumenten, gelet op het tijdens de grondwetsherziening van 1983 geformuleerde criterium, thans mogelijk tot een andere afweging nopen.In dat verband merkt de Afdeling op dat het samenstel van de politieke partijen in beide kamers niet gelijk is. Zo zitten er partijen in de Tweede Kamer die niet in de Eerste Kamer zitten en andersom. Daarnaast kent elk van de Kamers zijn eigen dynamiek met een eigen gegroeide werkwijze van het (schriftelijk en mondeling) voorbereiden en behandelen van wetsvoorstellen via de bijzondere commissies en de plenaire vergadering, mede ook vanuit de verschillende grondwettelijke functies en bevoegdheden die elke Kamer afzonderlijk heeft. Dergelijke staatsrechtelijke conventies en vaste praktijken hebben zich in de context van een verenigde vergadering nog niet of nauwelijks kunnen ontwikkelen. De vraag is ook of dat wenselijk is en zou passen in het parlementaire bestel in Nederland.e. Samenhang met andere voorstellenTen slotte is voor de beoordeling van het wetsvoorstel van belang dat op dit moment meerdere voorstellen worden overwogen die raken aan de grondwetsherzieningsprocedure, dan wel aan de positie van de Eerste Kamer binnen het tweekamerstelsel. De Afdeling wijst hierbij naar het voorstel om te bepalen welke Tweede Kamer een besluit neemt over de tweede lezing van een voorstel tot verandering in de Grondwet, (zie noot 20) het voorstel om de wijze van verkiezing van de Eerste Kamer aan te passen en naar het door de Staatscommissie parlementair stelsel aanbevolen terugzendrecht voor de Eerste Kamer. Een kabinetsreactie met betrekking tot het laatstgenoemde voorstel wordt nog verwacht. (zie noot 21)Deze onderwerpen en de voorstellen die daarop betrekking hebben, raken aan het functioneren van het tweekamerstelsel en de samenstelling en positie van de Eerste Kamer daarbinnen. Dit roept de vraag op wat de samenhang is tussen enerzijds het onderhavige voorstel en anderzijds de andere, hiervoor genoemde (grond)wetswijzigingen die (mede) de positie van de Eerste Kamer betreffen. Het valt op dat de toelichting hier niet uitgebreid op ingaat, terwijl deze onderwerpen niet goed los van elkaar kunnen worden beoordeeld. Fundamentele veranderingen in het staatkundig bestel via grondwetswijziging moeten in samenhang worden bezien omdat sommige wijzigingen niet samengaan, terwijl anderen elkaar juist kunnen versterken.Dit betekent niet dat elke wijziging van de Grondwet alleen kan worden doorgevoerd in het kader van een volledige herziening, maar wel dat steeds voldoende acht moet worden geslagen op onderlinge afhankelijkheden binnen het stelsel. Dit geldt te meer ingeval diverse op elkaar inwerkende grondwetswijzigingen min of meer gelijktijdig in discussie zijn. Dat geldt in het bijzonder voor een mogelijk voorstel voor een terugzendrecht, dat immers een belangrijke wijziging van de bevoegdheden van de Eerste Kamer en van de verhoudingen binnen het tweekamerstelsel impliceert.f. ConclusieIn het licht van het voorgaande schiet de toelichting aanzienlijk tekort. Dat neemt niet weg dat een wijziging van de positie van de Eerste Kamer en van de verhoudingen tussen regering, Tweede en Eerste Kamer staatsrechtelijk mogelijk is. Voor een daartoe strekkende grondwetswijziging is echter vanwege de fundamentele aard ervan, een veel bredere staatsrechtelijke beschouwing en weging (ook van andere mogelijke opties) noodzakelijk dan thans in de toelichting plaatsvindt.De Afdeling adviseert in het licht van het voorgaande af te zien van de voorgestelde wijziging van de grondwetsherzieningsprocedure tenzij de noodzaak en opportuniteit daarvan alsnog overtuigend kunnen worden gemotiveerd.Onverminderd het voorgaande merkt de Afdeling het volgende op.3. Samenhangende GrondwetsbepalingenHet voorstel ziet alleen op aanpassing van artikel 137 van de Grondwet, dat ziet op de procedure voor aanpassing van de Grondwet. De Afdeling wijst erop dat er naast deze procedure ook andere bepalingen zijn in het constitutionele recht die materieel kunnen leiden tot een aanpassing van de Grondwet. Dit is het geval bij artikel 91, derde lid, dat ziet op de goedkeuring van verdragen die afwijken van de Grondwet. Omdat verdragen op grond van artikel 93 van de Grondwet direct kunnen doorwerken in de Nederlandse rechtsorde kan met de goedkeuring van een verdrag dat van de Grondwet afwijkt de materiele inhoud van de Grondwet worden aangepast. Artikel 91, derde lid, van de Grondwet schrijft daarom voor dat dergelijke verdragen door beide kamers alleen kunnen worden goedgekeurd met een twee derden meerderheid van het aantal uitgebrachte stemmen.Een vergelijkbare situatie doet zich voor indien na afronding van een wijziging van de Grondwet onder toepassing van artikel 138, eerste lid, onder a, van de Grondwet andere (niet in het voorstel tot wijziging opgenomen) bepalingen van de Grondwet in overeenstemming worden gebracht met de aangenomen wijzigingen. Ook daarbij is sprake van aanpassing van de Grondwet buiten de procedure van artikel 137 om en ook daar schrijft de Grondwet voor dat dergelijke aanpassingen door de beide Kamers met twee derden meerderheid moeten worden aanvaard.In deze gevallen geldt net als nu op grond van de huidige tekst van artikel 137 Grondwet dat een kleine minderheid in de Eerste Kamer de voorstellen kan tegenhouden terwijl er in de Tweede Kamer een grote meerderheid voor is. Daarmee lijken de argumenten die in de toelichting worden gegeven voor de voorgestelde aanpassing van artikel 137 Grondwet ook hiervoor te gelden. De toelichting gaat hier niet op in.De Afdeling adviseert alsnog te motiveren waarom deze artikelen niet worden aangepast, dan wel het voorstel aan te vullen.4. SamenloopbepalingEr is bij de Tweede Kamer een ander wetsvoorstel aanhangig dat artikel 137 van de Grondwet wijzigt. Het gaat daarbij om het voorstel waarin wordt bepaald welke Tweede Kamer een besluit moet nemen over de tweede lezing. (zie noot 22) Dit betekent dat het wenselijk is om de samenloop tussen deze twee voorstellen te regelen. In het voorliggende voorstel gebeurt dat zowel in het derde lid van het op grond van artikel III van het voorstel op te nemen additionele artikel IV als in artikel IV van het voorstel. Het op te nemen additionele artikel IV regelt verder in de eerste twee leden geen samenloop, maar een uitgestelde werking van het voorstel voor lopende grondwetsherzieningen en voor wijzigingen van het Statuut.De verhouding tussen de verschillende leden van het op te nemen additionele artikel IV en de verhouding tussen de artikelen III en IV van het voorstel, die beide zien op de samenloop is lastig te doorgronden. Ook is de werkingsduur van de verschillende onderdelen van het additionele artikel IV verschillend, van het eerste lid deze duur beperkt, van het tweede lid hangt dit af van de tijd die nodig is om te komen tot aanpassing van het Statuut en van het derde lid het moment van inwerkingtreding van het andere voorstel dat ziet op de aanpassing van artikel 137 van de Grondwet. Om die reden zou overwogen kunnen worden om het additionele artikel IV te beperken tot de gevallen van uitgestelde werking uit het eerste en tweede lid. Daarnaast zou een apart additioneel artikel kunnen worden opgenomen dat ziet op de samenloop met het andere grondwetsvoorstel dat artikel 137 van de Grondwet wijzigt.De Afdeling adviseert hierop in de toelichting in te gaan dan wel het voorstel aan te passen.De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal bezwaren bij het voorstel en adviseert het voorstel niet bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal in te dienen, tenzij het is aangepast.De vice-president van de Raad van StateNader rapport (reactie op het advies) van 13 juli 20202. Motivering wetsvoorstelb. Motivering aanpassing evenwichtDe voorgestelde wijziging van de herzieningsprocedure heeft tot doel om te voorkomen dat zich in de tweede lezing een onwenselijke situatie kan voordoen. Anders dan de Afdeling aanneemt, ligt aan dit voorstel geen gewijzigde visie op de functie van de Eerste Kamer ten grondslag. Ook de achtergrond van de bijzondere aspecten van de huidige vormgeving van herzieningsprocedure (twee lezingen met een tussentijdse ontbinding van de Tweede Kamer) is niet gelegen in een bepaalde visie op de functie van de Eerste Kamer. Het huidige artikel 137 beoogt vooral te verzekeren dat een wijziging van de Grondwet zorgvuldig wordt voorbereid én dat de wijziging pas tot stand komt als er via een democratisch proces grote steun voor blijkt te bestaan. Centraal in dit proces staat het specifieke mandaat om de tweede lezing af te ronden, dat de Tweede Kamer verwerft tijdens de ontbindingsverkiezingen die volgen op de eerste lezing.De Raad van State wees er eerder op dat het tegen deze achtergrond ‘weinig overtuigend [is], dat het gevoelen van tenminste tweederde van het aantal uitgebrachte stemmen in de Tweede Kamer moet wijken voor een negatief votum van éénderde van het aantal uitgebrachte stemmen in de Eerste Kamer’ (advies van de Raad van State over het voorstel tot aanpassing van de bepalingen inzake de herzieningsprocedure, Kamerstukken II 1976/77, 14 213, nr. 4, p. 12). Net als de Staatscommissie parlementair stelsel, zag ook de Staatscommissie-Cals/Donner het als probleem dat de ‘Eerste Kamer met betrekking tot de herziening geen verhoogde representativiteit’ bezit (eindrapport van de Staatscommissie van advies inzake de Grondwet en de Kieswet, 1971, p. 334).De regering onderschrijft deze analyse, waarbij zij wil benadrukken dat die specifiek ziet op het bijzondere karakter van de tweede lezing van een Grondwetswijziging. De weeffout in het huidige stelsel kan er wel toe leiden dat de positie van de Eerste Kamer in bredere zin ter discussie wordt gesteld, zoals in het verleden is gebleken. Slechts in dit opzicht is er een verband tussen het onderhavige voorstel en de positie van de Eerste Kamer in het staatsbestel. Een en ander is verhelderd in de memorie van toelichting.Voor een bredere beschouwing over het tweekamerstelsel en de positie van de Eerste Kamer daarbinnen, verwijzen wij naar het voorstel van de regering om de zittingstermijn van de Eerste Kamerleden op zes jaar te stellen, waarbij om de drie jaar de helft van de leden wordt gekozen.c. Onderscheiden rollen Tweede en Eerste KamerInderdaad is het mogelijk dat de verschillen in benadering en beoordeling door de leden van beide Kamers in een verenigde vergadering minder goed zichtbaar zijn. Er zijn echter naar onze mening voldoende mogelijkheden om deze verschillen desgewenst zichtbaar te maken tijdens het debat en in de stemming.Bovendien moet benadrukt worden dat de tweede lezing van een Grondwetswijziging een eigensoortig karakter heeft. Zoals gezegd dient de tweede lezing ertoe om vast te stellen of een wijziging van de Grondwet, die is aangenomen door beide Kamers en die is bekrachtigd door de regering, voldoende breed gesteund wordt. Hierbij is vooral het specifieke mandaat van belang dat de Tweede Kamer heeft gekregen als resultaat van de ontbindingsverkiezingen. Strikt vanuit de staatkundige dogmatiek geredeneerd zou dit ervoor pleiten om de Eerste Kamer geen rol te geven bij de tweede lezing. Wij hechten er echter aan dat alle leden van de Staten-Generaal kunnen deelnemen aan de beraadslaging en stemming over een wijziging van Grondwet, ook tijdens de tweede lezing.Een ander alternatief, dat in het kader van de Grondwetsherziening van 1983 door de Staatscommissie-Cals/Donner en de Raad van State werd aanbevolen, komt erop neer dat de Eerste Kamer het voorstel in de tweede lezing met een gewone meerderheid kan aannemen. Het vereiste van een twee derde meerderheid zou dan alleen voor de Tweede Kamer blijven gelden. Dit alternatief kan gezien worden als een verbetering ten opzichte van de huidige vormgeving. Echter blijft dan de mogelijkheid bestaan dat de Eerste Kamer als apart instituut een wijziging verhindert waarvoor in een zorgvuldig en democratisch proces grote steun is verworven.Als er in de Eerste Kamer tijdens de tweede lezing bij een meerderheid van de leden ernstige bezwaren bestaan tegen een wijziging waarvoor in de nieuwgekozen Tweede Kamer juist brede steun bestaat, dan biedt een verenigde vergadering een uitgelezen forum om deze bezwaren te bespreken en te laten meewegen in het eindoordeel van ieder Kamerlid. Aldus wordt verzekerd dat alle relevante argumenten, overwegingen en inzichten worden meegewogen in het besluit van de Staten-Generaal om de Grondwetswijziging wel of niet aan te nemen.De Afdeling schetst een scenario waarin een voorstel tot Grondwetswijziging in de verenigde vergadering niet de vereiste meerderheid haalt terwijl het met de huidige procedure wel zou zijn aangenomen. Los van de vraag hoe waarschijnlijk dit scenario is, moet opgemerkt worden dat het onderhavige voorstel niet bedoeld is om het makkelijker te maken om de Grondwet te wijzigen. In de voorgestelde procedure is het inderdaad zo dat een voorgestelde wijziging van de Grondwet niet tot stand kan komen als de Staten-Generaal in de tweede lezing, na een debat in een verenigde vergadering, tot de conclusie komt dat minder dan twee derde van haar leden het voorstel steunt. In dat geval ontbreekt eenvoudigweg de brede parlementaire steun die een Grondwetswijziging nodig heeft. Om deze redenen geven wij er de voorkeur aan dat de laatste beoordeling van de voorgestelde wijziging gebeurt door de Staten-Generaal als geheel, waarmee op een heldere, overtuigende manier tot uitdrukking wordt gebracht dat er brede steun is voor een wijziging van de Grondwet (of niet).d. Aard van de verenigde vergaderingDe Afdeling wijst er terecht op dat de regering bij de Grondwetsherziening van 1983 als criterium heeft gehanteerd dat beraadslaging en besluitvorming in de verenigde vergadering dient te geschieden als de aard van de aangelegenheid zodanig is, dat het ongewenst zou zijn indien de Kamers tot onderling afwijkende besluiten komen (Kamerstukken II 16 034 (R 1138), nr. 9, p. 11). De Grondwet wijst een aantal aangelegenheden aan waarover de Kamers alleen in verenigde vergadering kunnen besluiten. Daarbij gaat het om concrete beslissingen, die zich niet of nauwelijks lenen voor amendering.Hoewel de Grondwetgever bij de herziening van 1983 niet heeft besloten om de tweede lezing van Grondwetswijzigingen aan de verenigde vergadering op te dragen, is dit een aangelegenheid waarbij het zeer ongewenst kan zijn als de Kamers tot verschillende besluiten komt, om de redenen die uiteengezet zijn in de memorie van toelichting. Net als bij de reeds aangewezen aangelegenheden gaat het om een situatie waarin de Kamers niet meer kunnen amenderen, maar een concrete beslissing gevraagd wordt. Daarom past de voorgestelde wijziging goed in het bestaande stelsel.De tweede lezing van een voorstel tot wijziging van de Grondwet is een relatieve zeldzaamheid, zeker bezien tegen de achtergrond van de omvang van de andere werkzaamheden van de Kamers. De bijeenkomst van de Staten-Generaal in een verenigde vergadering benadrukt - door de zeldzaamheid ervan en door de inherente afwijking van de normale parlementaire procedures - ook in symbolisch opzicht het bijzondere karakter van de tweede lezing. Dat zich nog geen conventies en gebruiken hebben ontwikkeld rondom de behandeling van Grondwetswijzigingen in de verenigde vergadering spreekt voor zich. De verenigde vergadering is echter een reeds lang bestaand onderdeel van het Nederlands parlementair bestel. Conventies en praktijken zullen zich naar behoefte ontwikkelen, zoals na iedere staatkundige verandering.e. Samenhang met andere voorstellenZoals hiervoor is uiteengezet naar aanleiding van onderdeel 2.b. van het advies, is het oogmerk van het onderhavige voorstel specifiek gericht op een onderdeel van de herzieningsprocedure. Daarom wordt in de toelichting op het onderhavige voorstel niet uitgebreid ingegaan op de samenhang met andere Grondwetswijzigingen die in voorbereiding zijn en die betrekking hebben op de positie van de Eerste Kamer. In het nader rapport op het advies van de Afdeling over het voorstel om de wijze van verkiezing van de Eerste Kamer aan te passen, is ingegaan op de verhouding tussen deze Grondwetswijzingen. Kortheidshalve wordt hier verwezen naar dat nader rapport.f. ConclusieMet tevredenheid constateren wij dat de Afdeling met de regering van mening is dat de voorgestelde wijziging van de herzieningsprocedure staatsrechtelijk mogelijk is. In het voorgaande hebben wij nader uiteengezet waarom dit voorstel noodzakelijk en opportuun is. De memorie van toelichting is aangevuld met deze nadere uiteenzettingen.3. Samenhangende GrondwetsbepalingenDe Afdeling wijst er terecht op dat de argumenten die pleiten voor een aanpassing van artikel 137, tot op zekere hoogte ook gelden voor artikel 138 van de Grondwet. Bij de vormgeving van het tweede lid van die bepaling is er destijds naar gestreefd om deze zoveel mogelijk te laten aansluiten bij de normale herzieningsprocedure (Kamerstuk 10 738, nr. 3, p. 6). Alleen het vereiste van een tweede lezing na ontbinding van de Tweede Kamer werd weggelaten. Om deze aansluiting op de normale herzieningsprocedure te handhaven wordt voorgesteld om ook de aanpassingen in de zin van artikel 138, eerste lid onder a, te behandelen in de verenigde vergadering. Het wetsvoorstel en de memorie van toelichting zijn in deze zin aangepast.Bij de toepassing van het derde lid van artikel 91 van de Grondwet is geen sprake van een ‘verhoogde representativiteit’ van de Tweede Kamer. Een voorstel tot goedkeuring van een verdrag wordt in één lezing behandeld, ook als het verdrag afwijkt van de Grondwet. Deze situatie wijkt daarmee dusdanig af van de tweede lezing van een voorstel tot wijziging van de Grondwet, dat het buiten de reikwijdte van het onderhavige voorstel valt.4. SamenloopbepalingDe mogelijke samenloop tussen het onderhavige voorstel en het voorstel tot herijking van de herzieningsprocedure (Kamerstuk 35 419) vergt een inderdaad complexe voorziening. De Afdeling wijst erop dat deze complexiteit vergroot wordt doordat de regeling in meerdere artikelen is opgenomen. Dit heeft als achtergrond dat alleen die elementen in de additionele artikelen worden opgenomen die in de geconsolideerde tekst van de Grondwet terecht moeten komen. De regelingsopdracht die slechts beoogt het onderhavige voorstel zelf te wijzigen (en dus niet de Grondwet), is in artikel IV van het onderhavige voorstel opgenomen, omdat zij geen onderdeel van de Grondwet moet worden. Dit is verhelderd in de toelichting.Van de gelegenheid is gebruikgemaakt om aan het voorgestelde additionele artikel IV een vierde lid toe te voegen dat regelt wanneer dit additionele artikel is uitgewerkt.Ik verzoek U, mede namens de Minister-President, Minister van Algemene Zaken, het hierbij gevoegde gewijzigde voorstel van wet en de gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.De Minister van Binnenlandse Zaken en KoninkrijksrelatiesVoetnoten(1) Zie onder meer Kamerstukken II 1973/74, 12944, nr. 2, p. 5.(2) Kamerstukken II 1973/74, 12944 nr. 2.(3) Zie ook Parlementaire tweekamerstelsels, een internationale vergelijking, E.C. Drexhage, 2014.(4) Kamerstukken II 1976/77,14213, nrs. 1-5, p. 8.(5) Kamerstukken II 1976/77, 14213, nr. 9, p. 3.(6) Zie bijvoorbeeld Kamerstukken II 1996/97, 21427, nr. 164, Kamerstukken II 1999/2000, 26976, nr. 1, Kamerstukken II 2007/08, 30184, nr. 19, Kamerstukken 2009/10, 31570, nr. 14, Handelingen II 2013/14, p.5, item 4-52 en Kamerstukken I 2014/15, 34000, C.(7) Eindrapport van de staatscommissie parlementair stelsel (Lage drempels, hoge dijken, democratie en rechtsstaat in balans), Kamerstuk 34430, nr. 9, p. 313-314.(8) Zie bijvoorbeeld Kamerstukken II 2019/20, 34430, nr. 12 en Handelingen I 2019/20, 4 februari 2020, 19-6, 1-90.(9) Artikel 51, vierde lid.(10) Zie bijvoorbeeld de artikelen 28, 29, 30, 32 en 34.(11) Artikel 96, eerste lid, van de Grondwet.(12) Prins Claus, Prinses Juliana en Prins Bernhard(13) Onder meer de herdenking van 500 jaar Staten-Generaal, het 25-jarig regeringsjubileum van koningin Beatrix en recent de viering van 200 jaar Tweede en Eerste Kamer in Den Haag.(14) Bijvoorbeeld Winston Churchill op 9 mei 1946 en de toenmalige eerste ministers van Zuid Afrika en Canada in 1946 respectievelijk 1947.(15) Kamerstukken II 1980/81, 16034, nr. 9, p. 11.(16) Kamerstukken II 1976/77, 14213, nr. 9, p. 3.(17) Uitgebreider P.P.T. Bovend’Eert, H.R.B.M. Kummeling, Het Nederlandse parlement, Deventer 2017, p. 31 e.v. met vele literatuurverwijzingen.(18) Toelichting, algemeen deel, paragraaf 2.(19) P.P.T. Bovend’Eert, H.R.B.M. Kummeling, Het Nederlandse parlement, Deventer 2017, p. 32. In deze optiek moet de Eerste Kamer waken tegen de waan van de dag en overijlde besluitvorming.(20) Kamerstukken II 2019/20, 35419.(21) Kamerstukken I 2018/19, 34430, nr. F, p. 6.(22) Kamerstukken II 2019/20, 35419.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van het Dierproevenbesluit 2014 in verband met precisering verwijzingen naar de Dierproevenrichtlijn.
Bij Kabinetsmissive van 26 mei 2020, no.2020001048, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Dierproevenbesluit 2014 in verband met precisering verwijzingen naar de Dierproevenrichtlijn, met nota van toelichting.De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen opmerkingen over het ontwerpbesluit en adviseert het besluit te nemen.Gelet op artikel 26, zesde lid jo vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, adviseert de Afdeling dit advies openbaar te maken.De vice-president van de Raad van StateNader rapport (reactie op het advies) van 30 juni 2020Het voorstel geeft de Afdeling advisering van de Raad van State geen aanleiding tot het maken van inhoudelijke opmerkingen.Bij gelegenheid van dit nader rapport is de passage aangaande regeldruk in de nota van toelichting aangevuld naar aanleiding van ambtelijke opmerkingen bij het ontwerpbesluit nadat het is voorgelegd aan het Adviescollege toetsing regeldruk.Ik moge U hierbij het ontwerpbesluit en de nota van toelichting wederom doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van de Mijnbouwwet (aanpassing van het vergunningsstelsel voor opsporen en winnen van aardwarmte).
Bij Kabinetsmissive van 25 november 2019, no.2019002470, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Economische Zaken en Klimaat, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Mijnbouwwet (aanpassing van het vergunningsstelsel voor opsporen en winnen van aardwarmte), met memorie van toelichting.Het voorstel strekt tot aanpassing van de Mijnbouwwet, waarmee het vergunningstelsel voor de opsporing en winning van aardwarmte wordt aangepast. In de wet wordt specifiek voor aardwarmte voorzien in een reguleringsmethode, die het eenvoudiger maakt voorbereidingen op de aardwarmtewinning te treffen en subsidie aan te vragen en waarmee versneld tot daadwerkelijke winning kan worden overgegaan. Doel van de wijziging is de opsporing en winning van aardwarmte te bevorderen.De Afdeling advisering van de Raad van State maakt opmerkingen over de keuze niet te voorzien in coördinatie van de startvergunning en de omgevingsvergunning, de verplichte deelname van Energiebeheer Nederland (EBN) in geothermieprojecten en de verhouding van het vergunningstelsel tot de Europese Dienstenrichtlijn. Ook signaleert de Afdeling een aantal mededingingsrechtelijke aandachtspunten. In verband daarmee is aanpassing wenselijk van het wetsvoorstel en de toelichting.1. Achtergronden en schets van de vergunningsstructuurMet het voorstel wordt in de Mijnbouwwet voorzien in een nieuw vergunningstelsel, specifiek voor geothermie (ook wel aardwarmte genoemd). De huidige vergunningenstructuur voor de winning van aardwarmte, is identiek aan die voor de winning van delfstoffen. Dat betekent dat eerst een opsporingsvergunning wordt verleend en vervolgens een winningsvergunning. De winning kan echter pas plaatsvinden nadat het winningsplan door de Minister van Economische Zaken en Klimaat (EZK) is goedgekeurd.Aanleiding voor de wijziging is dat de ervaringen met de eerste aardwarmteprojecten leren dat de huidige reguleringssystematiek onvoldoende aansluit bij de feitelijke kenmerken van aardwarmte en mogelijkheid tot winning. Bij aardwarmte gaat de opsporingsfase met proefboringen na een korte testperiode over in de winnings- of exploitatiefase. De benodigde vergunningen zijn dan echter nog niet verleend en er is ook nog geen instemming gegeven op het winningsplan. De initiatiefnemers van aardwarmteprojecten willen de aardwarmteproductie echter zo snel mogelijk kunnen opstarten. Dit heeft productietechnische en financiële redenen. Productie- en injectieputten die niet gebruikt worden, kunnen verstopt raken en zonder productie zijn er geen inkomsten, terwijl de kosten wel doorlopen.Het voorstel introduceert specifiek voor de winning van aardwarmte een afzonderlijke vergunningenstructuur. Een bedrijf dat aardwarmte wil winnen, dient eerst een zoekgebied aan te vragen. Met deze zogenoemde "toewijzing zoekgebied aardwarmte" kan de vergunninghouder onderzoek doen naar de aanwezigheid van aardwarmte in de bodem. Alvorens hij kan beginnen met de fysieke werkzaamheden (boren, testen en een eerste periode van winning) moet een startvergunning worden aangevraagd. Voor de daadwerkelijke exploitatie zal, tot slot, de initiatiefnemer een vervolgvergunning moeten aanvragen met het oog op de definitieve vaststelling van het winningsgebied en de winningsactiviteiten.2. CoördinatieDe startvergunning is de belangrijkste vergunning voor de opsporing en winning van aardwarmte. Die vergunning is nodig voordat echt met de opsporing en aansluitend de winning van aardwarmte mag worden begonnen. Naast de startvergunning heeft de vergunninghouder nog andere vergunningen nodig, zoals een omgevingsvergunning voor het aanleggen van de boorgaten en voor de winningsinstallatie. Volgens de toelichting is er voor gekozen de startvergunning, die een uitgebreide procedure kent, niet te coördineren met de benodigde omgevingsvergunningen. Dit, omdat de omgevingsvergunningen onder de Omgevingswet een reguliere procedure doorlopen met een doorlooptijd van acht weken en daarom later kunnen worden aangevraagd.De Afdeling merkt op dat dat naar huidig recht alleen het geval is indien het bestemmingsplan de winning van aardwarmte mogelijk maakt. Indien dat niet het geval is, zal een omgevingsvergunning voor de afwijking van het bestemmingsplan ten behoeve van de winning van aardwarmte nodig zijn. (zie noot 1) Bij de voorbereiding van zo’n besluit zal de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure moeten worden gevolgd. (zie noot 2) Omdat nog weinig bestemmingsplannen de winning van aardwarmte mogelijk zullen maken, zal dit in veel gevallen nodig zijn. In die gevallen is coördinatie van de vergunningenprocedures efficiënt, omdat daarmee wordt voorkomen dat de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure voor dezelfde activiteit een aantal keer moet worden doorlopen.Waar in de toelichting staat dat onder de Omgevingswet deze vergunningen een reguliere procedure doorlopen is dat niet toegelicht. Voorstelbaar is dat ook onder de Omgevingswet bij aanvraag van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure moet worden doorlopen. (zie noot 3)De Afdeling adviseert de keuze om niet te voorzien in coördinatie van de startvergunning en de omgevingsvergunning te heroverwegen.3. Positie EBNHet voorstel voorziet in de verplichte deelname van EBN in alle geothermieprojecten. (zie noot 4) In de toelichting wordt in dit verband opgemerkt dat de geothermiesector een jonge sector is, die nog klein en relatief onervaren is. Bovendien zijn voor nieuwe projecten hoge, risicovolle investeringen vereist en heeft thans nog geen enkel project in Nederland de gehele levensduur doorlopen. Gelet hierop, ligt hier volgens de toelichting een publieke taak. Door EBN een belang te laten nemen in al deze projecten, kan haar kennis en ervaring worden gedeeld. Als publieke partner (zie noot 5) kan zij aldus meepraten over de te maken keuzes en kan zij kennis ophalen die ten gunste van andere projecten kan worden gebruikt. (zie noot 6)De Afdeling stelt voorop dat zij de toegevoegde waarde ziet van de betrokkenheid van EBN bij de totstandkoming van geothermieprojecten en voor een veilige en doelmatige exploitatie van geothermiebronnen. De inbreng van haar expertise en kennis, zeker in de opstartfase van de projecten, maakt een meer gestructureerde aanpak mogelijk. Dit kan de risico’s verkleinen. De omstandigheid dat EBN risicodragend participeert kan ook gunstig zijn met het oog op het aantrekken van financiering en bij de vergunningverlening. Ook een aantal marktpartijen heeft aangegeven meerwaarde te zien in de betrokkenheid van EBN, omdat zulks vertrouwen geeft richting derden, zoals bewoners, banken en decentrale overheden. (zie noot 7)Tegelijkertijd zou de verplichte risicodragende participatie van EBN ook negatieve consequenties kunnen hebben voor (potentiële) vergunninghouders. EBN zal namelijk naar verwachting voor tussen 20 en 40% deelnemen in projecten (zie noot 8), bijvoorbeeld door aandelen in een (project)vennootschap te houden. Daarmee krijgt EBN een substantieel aandelenbelang, hetgeen betekent dat het aandeel van de overige aandeelhouders navenant is beperkt. De verplichting EBN te laten deelnemen leidt bovendien tot hogere administratieve lasten voor de vergunninghouders. (zie noot 9) Dergelijke belemmeringen zouden marktpartijen wellicht ervan kunnen weerhouden om in geothermieprojecten te stappen. (zie noot 10)Tegen deze achtergrond rijst de vraag waarom ervoor is gekozen EBN in substantiële mate financieel te laten deelnemen in de geothermieprojecten. Die vraag dringt zich op omdat, blijkens de toelichting, haar verplichte betrokkenheid niet zozeer lijkt te zijn ingegeven om te voorzien in een kapitaal- of financieringsbehoefte van marktpartijen, maar vooral is gelegen in haar kennis en expertise. Voor de inbreng van kennis en expertise lijkt het niet noodzakelijk dat EBN een significant belang neemt in de projecten. Haar betrokkenheid zou ook op een andere wijze kunnen worden vormgegeven. Gedacht kan worden aan een symbolische deelname (van bijvoorbeeld 1%), of door EBN een positie in het bestuur of het toezichthoudend orgaan van de projectvennootschap te geven. Ook dan heeft zij de nodige sturingsinstrumenten.Waarom deze, of mogelijk andere, alternatieven niet toereikend zouden zijn en waarom alleen via een (significante) deelname van EBN de beoogde doelen van kennisdeling kunnen worden gerealiseerd, wordt in de toelichting niet besproken. Een dergelijke beschouwing acht de Afdeling, mede in het licht van de mogelijke gevolgen voor marktpartijen, (zie noot 11) echter wel aangewezen. Daar voegt de Afdeling aan toe dat indien met EBN’s deelname mede wordt beoogd te voorzien in een kapitaal- of financieringsbehoefte, dit een afzonderlijke motivering in de toelichting verdient. (zie noot 12)De Afdeling adviseert dan ook, in het licht van het voorgaande, de toelichting aan te vullen en, zo nodig, het voorstel aan te passen.4. Mededingingsrechtelijke aandachtspuntenMet het voorstel wordt voor aanvragers van een toewijzing zoekgebied aardwarmte de verplichting geïntroduceerd met elkaar in overleg te treden over de mogelijkheden tot samenwerking, dan wel over aanpassing van de aanvraag. (zie noot 13) Deze aanvragers zijn potentiële concurrenten van elkaar en bij een dergelijk overleg dienen zij zich te onthouden van mededingingsbeperkende gedragingen, zoals het heimelijk afstemmen van marktstrategieën of de uitwisseling van concurrentiegevoelige informatie.Ook bij de verplichte betrokkenheid van EBN bij de geothermieprojecten spelen mededingingsrechtelijke aandachtspunten. Haar betrokkenheid betekent niet alleen dat zij - als marktdeelnemer - zich niet mag inlaten met mededingingsbeperkend gedrag. Ook bestaat het risico dat de vergunninghouders van de verschillende projecten hun strategieën via EBN met elkaar (heimelijk) afstemmen of dat concurrentiegevoelige informatie (zie noot 14) (onbewust) via EBN bij concurrenten terecht komt. (zie noot 15) Dat risico is reëel, omdat EBN nadrukkelijk tot taak krijgt om kennis en expertise uit eerdere mijnbouwprojecten te delen ten behoeve van andere projecten. Daarbij zal het mogelijk ook deels om concurrentiegevoelige informatie gaan.In de toelichting wordt alleen ten aanzien van de wettelijke overlegverplichting ingegaan op de verhouding tot het mededingingsrecht. In dat verband wordt opgemerkt dat het voeren van overleg op zich niet is verboden, maar dat partijen er wel voor moeten waken dat zij bij het uitvoeren van die overlegverplichting het mededingingsrecht in acht nemen. (zie noot 16) Aan de verhouding van de verplichte betrokkenheid van EBN met het mededingingsrecht wordt in de toelichting geen aandacht besteed.De Afdeling merkt op dat het in de rede ligt dat meer duidelijkheid wordt geboden over de mededingingsrechtelijke grenzen die marktpartijen bij het voeren van het overleg in acht moeten nemen. Ook ligt het in de rede in de toelichting uit te leggen hoe in de praktijk wordt gewaarborgd dat niet via EBN (onbedoeld) op ongeoorloofde wijze concurrentiegevoelige informatie wordt gedeeld.Meer duidelijkheid hierover is bovenal van belang, aangezien niet alleen EBN, maar ook de vergunninghouders het risico lopen in strijd te handelen met het mededingingsrecht. (zie noot 17) Marktpartijen zijn weliswaar zelf verantwoordelijk de regels in acht te nemen, maar dat laat onverlet dat in dit geval de wetgever hen verplicht met elkaar in overleg te treden en EBN te laten deelnemen. In zoverre ligt het ook op de weg van de wetgever te waarborgen dat marktpartijen niet (onbedoeld) de mededingingsregels overtreden. (zie noot 18) Die verantwoordelijkheid weegt in dit geval des te zwaarder, omdat naar verwachting ook kleine, nog onervaren partijen de markt zullen betreden, die allicht minder bekend zijn met de mededingingsregels.De Afdeling adviseert de toelichting op de genoemde punten aan te vullen. Daarnaast ligt het volgens de Afdeling in de rede dat de minister of de ACM in voorkomende gevallen partijen proactief gerichte voorlichting geeft. Zo kan gedacht worden aan een speciale handreiking, die marktpartijen specifiek ten aanzien van de overlegverplichting en de rol van EBN in de geothermieprojecten inzicht geeft in de kaders van het mededingingsrecht in deze stelt. (zie noot 19)De Afdeling adviseert de toelichting in het licht van het voorgaande aan te vullen.5. DienstenrichtlijnMet het voorstel wordt specifiek voor de winning van aardwarmte voorzien in een stelsel van vergunningverlening. In de toelichting wordt opgemerkt dat het stelsel is aan te merken als een vergunningsstelsel in de zin van de Europese Dienstenrichtlijn. (zie noot 20) De met het voorstel ingevoerde vergunningen hebben betrekking op het doen van onderzoek naar de ondergrond en de fysieke winning van aardwarmte. (zie noot 21) De toelichting maakt niet duidelijk in hoeverre de vergunningen daarmee ook een dienstenactiviteit reguleren. De fysieke winning is in ieder geval niet als zodanig aan te merken. (zie noot 22)De Afdeling wijst erop dat niet zonder meer vast staat dat de vergunningen, in de terminologie van de Dienstenrichtlijn (zie noot 23), een ‘beslissing over de uitoefening van een dienstenactiviteit’ bevatten. In de toelichting wordt niet uitgelegd waarom, desondanks, de Dienstenrichtlijn van toepassing is. De Afdeling adviseert dat standpunt nader te motiveren.Voor zover inderdaad sprake is van een vergunningsstelsel in de zin van de Dienstenrichtlijn, merkt de Afdeling het volgende op.Op grond van de Dienstenrichtlijn mogen lidstaten de uitoefening van dienstenactiviteiten alleen afhankelijk stellen van een vergunningstelsel, indien- de behoefte aan een vergunningstelsel wordt gerechtvaardigd om dwingende redenen van algemeen belang,- dit belang niet met andere, minder beperkende, maatregelen kan worden gerealiseerd en- het stelsel geen discriminerende werking heeft. (zie noot 24)Voorts moeten ook de vergunningsvoorwaarden zelf zijn gerechtvaardigd door dwingende redenen van algemeen belang en aan deze redenen evenredig zijn. (zie noot 25)In de toelichting bij het voorstel wordt opgemerkt dat het vergunningstelsel is gerechtvaardigd, omdat het een veilige winning van aardwarmte waarborgt én de winning van aardwarmte bevordert. Het vergunningstelsel zelf is noodzakelijk om winning op een efficiënte wijze te laten plaatsvinden en omdat niet kan worden volstaan met minder vergaande instrumenten, zoals controle achteraf. Ook worden volgens de toelichting geen beperkingen opgelegd die verder gaan dan noodzakelijk is. Een nadere motivering ontbreekt evenwel.Hoewel de Afdeling zich kan voorstellen dat het vergunningstelsel als zodanig met het oog op een veilige winning van aardwarmte kan worden gerechtvaardigd, verdient de toelichting op dit punt aanvulling. De toelichting specificeert niet welk doel concreet met de in dat stelsel gehanteerde voorwaarden wordt nagestreefd en in hoeverre de daartoe gestelde voorwaarden en beperkingen noodzakelijk en evenredig zijn. Een precisering ligt in de rede, nu de genoemde doelstellingen (veilige winning en bevordering van winning) niet noodzakelijkerwijze dezelfde vergunningsvoorwaarden en beperkingen rechtvaardigen. Zo zullen strenge veiligheidseisen eerder zijn gerechtvaardigd in het licht van het veiligheidsbelang, dan in het licht van het belang dat met de bevordering van de warmtewinning is gemoeid.De Afdeling acht een nadere beschouwing op deze punten in de toelichting bij het voorstel aangewezen en adviseert dan ook de toelichting aldus aan te vullen.6. De Afdeling verwijst naar de bij dit advies behorende redactionele bijlage.De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal opmerkingen bij het voorstel en adviseert daarmee rekening te houden voordat het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal wordt ingediend.De vice-president van de Raad van StateRedactionele bijlage bij het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State betreffende no.W18.19.0379/IV- In Artikel I, onderdeel M: in voorgesteld artikel 24t, tweede lid, onder f, schrappen en in voorgesteld artikel 24w, eerste lid, onder e, schrappen.- In Artikel I, onderdeel M: in voorgesteld artikel 24f, derde lid, eerste volzin het woord "de" na "ingediende" schrappen.- In Artikel I, onderdeel M: in voorgesteld artikel 24g "provincie" vervangen voor "provincies".
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van onder andere het Eindexamenbesluit VO en het Staatsexamenbesluit VO in verband met het afschaffen van de rekentoets in het voortgezet onderwijs.
Bij Kabinetsmissive van 27 mei 2020, no.2020001012, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van onder andere het Eindexamenbesluit VO en het Staatsexamenbesluit VO in verband met het afschaffen van de rekentoets in het voortgezet onderwijs, met nota van toelichting.De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen opmerkingen over het ontwerpbesluit en adviseert het besluit te nemen.Gelet op artikel 26, zesde lid jo vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, adviseert de Afdeling dit advies openbaar te maken.De vice-president van de Raad van StateNader rapport (reactie op het advies) van 2 juli 2020Het voorstel geeft de Afdeling advisering van de Raad van State geen aanleiding tot het maken van inhoudelijke opmerkingen.Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om de volgende drie technische wijzigingen door te voeren in het ontwerpbesluit.In de eerste plaats is in de overgangsartikelen 61 Eindexamenbesluit VO en 43a Staatsexamenbesluit VO een lid ingevoegd. In dat lid wordt geregeld dat op de bijlage bij de cijferlijst van eindexamen- of staatsexamenkandidaten, die op grond van het betreffende overgangsartikel een vrijstelling hebben voor het schoolexamen of college-examen rekenen, wordt vermeld dat zij een vrijstelling hebben. Het is nodig om dit te regelen in de overgangsbepalingen, omdat deze vrijstelling op de bijlage bij de cijferlijst wordt opgenomen en deze vrijstellingen niet vallen onder de regeling over de vermelding op de cijferlijst van vrijstellingen voor vakken, zoals opgenomen in artikel 52 van het Eindexamenbesluit VO of artikel 30 van het Staatsexamenbesluit VO.Daarnaast is in het ontwerpbesluit artikel IV ingevoegd, dat een wijziging van het Besluit register onderwijsdeelnemers (hierna: Bro) bevat. De relevante bepalingen uit het Bro treden in werking op 1 juli 2020, maar waren per abuis nog niet meegenomen in het ontwerpbesluit. De wijzigingen in het ontwerpbesluit als gevolg van de inwerkingtreding van het Bro zijn technisch en regelen het vervallen van de rekentoets in het register onderwijsdeelnemers. Het opnemen van gegevens over de rekentoets in het register is immers niet meer nodig, als de rekentoets is afgeschaft.Als laatste is de inwerkingtredingsbepaling aangepast, zodanig dat artikel V regelt dat de onderdelen die betrekking hebben op het afschaffen van de rekentoets terugwerken tot en met 1 augustus 2019. De wijzigingen van het Bro werken terug tot de inwerkingtredingsdatum van het Bro, namelijk 1 juli 2020. De overgangsartikelen voor het schoolexamen rekenen respectievelijk het college-examen rekenen treden in werking met ingang van 1 augustus 2020 en gaan gelden voor leerlingen die vanaf schooljaar 2020-2021 of kalenderjaar 2021 het eindexamen of het staatsexamen afleggen.Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wet uitbreiding taakstrafverbod.
Bij Kabinetsmissive van 9 april 2020, no.2020000741, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Rechtsbescherming, mede namens de Minister van Justitie en Veiligheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met het beperken van de mogelijkheden om een taakstraf op te leggen bij geweld tegen functionarissen met een publieke taak, met memorie van toelichting.Het voorstel strekt ertoe het huidige taakstrafverbod voor ernstige geweld- en zedenmisdrijven uit te breiden naar elke vorm van fysiek geweld tegen personen met een publieke taak in het kader van de handhaving van de orde of veiligheid.De Afdeling advisering van de Raad van State onderschrijft de laakbaarheid van het toegenomen geweld tegen publieke ambtsdragers en het belang van een effectief optreden daartegen. Wel stelt zij vragen bij de motivering en de effectiviteit van de voorgestelde uitbreiding van het taakstrafverbod, mede in het licht van de reeds bestaande mogelijkheden om geweld tegen personen met een publieke taak tegen te gaan.Verder wijst de Afdeling erop dat het voorstel ook in lichtere gevallen de mogelijkheid om een mildere of meer op de persoon gerichte straf op te leggen uitsluit. Daarbij vraagt zij aandacht voor mogelijke alternatieve maatregelen. Tot slot adviseert de Afdeling de reikwijdte van het verruimde taakstrafverbod te verduidelijken en deze te beperken tot personen die daadwerkelijk belast zijn met een publieke taak in het kader van de handhaving van de orde of veiligheid. In verband daarmee is aanpassing wenselijk van het wetsvoorstel en de toelichting.1. Inhoud en achtergrond van het voorstelHet wetsvoorstel strekt ertoe het huidige taakstrafverbod voor geweld- en zedenmisdrijven uit te breiden naar elke vorm van fysiek geweld tegen politiemensen, medewerkers van de brandweer of ambulance, buitengewoon opsporingsambtenaren en andere personen met een publieke taak in het kader van de handhaving van de orde of veiligheid. Tegen geweld jegens deze personen moet volgens de toelichting stevig worden opgetreden; een taakstraf is hierbij geen passende sanctie. Het wetsvoorstel wil het bestaande taakstrafverbod daarom uitbreiden, zodat in deze gevallen niet kan worden volstaan met het opleggen van een ‘kale taakstraf’ (een taakstraf die niet wordt gecombineerd met een andere, vrijheidsbenemende sanctie). (zie noot 1)Met het wetsvoorstel wordt uitvoering gegeven aan een door de leden Helder, Van Oosten en Van Dam voorgestelde motie. (zie noot 2) In reactie op deze motie heeft de regering toegezegd een wetsvoorstel in voorbereiding te nemen dat het taakstrafverbod uitbreidt tot alle varianten van mishandeling (in de zin van de artikelen 300 tot en met 303 Wetboek van Strafrecht (Sr)) van functionarissen met een publieke taak. (zie noot 3) Het taakstrafverbod gaat gelden ongeacht de gevolgen die het gepleegde geweld heeft gehad, zodat volgens de toelichting ook strafbare pogingen eronder komen te vallen. (zie noot 4)In het huidige artikel 22b Sr zijn de mogelijkheden voor het opleggen van een taakstraf beperkt in geval van veroordeling voor een ernstig zeden- of geweldsmisdrijf. Ook bij enkele andere specifiek aangeduide misdrijven en in het geval van recidive geldt een taakstrafverbod. Met de invoering van dit taakstrafverbod wilde de wetgever de taakstraf positioneren als passende straf voor minder ernstige strafbare feiten. (zie noot 5)Het nu voorliggende wetsvoorstel sluit ook aan bij die gedachte. De regering is van oordeel dat elke vorm van fysiek geweld tegen personen met een publieke taak dusdanig ernstig en laakbaar is, dat een afdoening met een taakstraf niet passend is. Dit geldt volgens de toelichting ook in situaties waarin het geweld niet tot (ernstig) letsel heeft geleid en er geen sprake is van een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van de functionaris. Voor ernstige geweldsmisdrijven geldt in zijn algemeenheid immers nu al een taakstrafverbod. (zie noot 6)2. Motivering van het voorstelDe Afdeling onderschrijft het uitgangspunt dat elke vorm van geweld tegen personen in de uitoefening van een publieke taak passend moet worden bestraft. In veel gevallen zal een (deels) onvoorwaardelijke vrijheidsstraf in beginsel een passende reactie zijn op geweld tegen publieke ambtsdragers. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat geweld tegen politiemedewerkers en hulpverleners een ernstig en hardnekkig probleem is, dat nog altijd in omvang lijkt toe te nemen. (zie noot 7) Van een bijzondere bepaling met betrekking tot deze doelgroep gaat een duidelijk signaal uit dat geweld tegen deze personen niet acceptabel is.Daarmee is een uitbreiding van het taakstrafverbod in de nu voorgestelde vorm echter nog niet dragend gemotiveerd. De Afdeling merkt op dat een cijfermatige ondersteuning van deze uitbreiding in de toelichting ontbreekt. In het bijzonder rijst de vraag in hoeveel gevallen tot dusverre uitsluitend een taakstraf is opgelegd ter zake van mishandeling van een publieke functionaris. In de toelichting wordt slechts verwezen naar één incident, dat aanleiding vormde voor de motie-Helder c.s. (zie noot 8) Voorts wordt in de toelichting opgemerkt dat het aantal zaken waarop het wetsvoorstel betrekking heeft gering is en dat het effect op de benodigde celcapaciteit naar verwachting verwaarloosbaar zal zijn. (zie noot 9) Verschillende geconsulteerde organisaties hebben dan ook te kennen gegeven geen noodzaak te zien voor de voorgenomen uitbreiding van artikel 22b Sr. (zie noot 10) Daarbij wordt opgemerkt dat in de gevallen die de minister voor ogen lijken te staan doorgaans al wordt gereageerd met een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf. (zie noot 11) Misdrijven tegen publieke dienstverleners en andere beroepsbeoefenaars worden ook nu als regel - terecht - al streng aangepakt. (zie noot 12)Voorts wijst de Afdeling op het reeds bestaan van andere voorzieningen die erop zijn gericht geweld tegen personen met een publieke taak terug te dringen. De toelichting noemt in dit verband onder meer het strafvorderingsbeleid van het openbaar ministerie ten aanzien van geweldsmisdrijven tegen personen met een publieke taak, de oriëntatiepunten voor de straftoemeting van het Landelijk Overleg Voorzitters Strafsectoren (LOVS) en de wettelijke strafverzwaringsgrond voor mishandeling van ambtenaren in de rechtmatige uitoefening van hun bediening (artikel 304, onder 2°, Sr). Daarnaast is het bestaande taakstrafverbod nu al van toepassing op wederspannigheid met lichamelijk letsel tot gevolg (artikel 181 Sr) en op zwaardere gevallen van mishandeling. (zie noot 13)Niet toegelicht is of, en zo ja hoe deze bestaande mogelijkheden tekort zouden schieten, dan wel zouden kunnen worden aangescherpt. De Afdeling adviseert de voorgestelde uitbreiding van het taakstrafverbod in de toelichting nader te motiveren en daarbij aandacht te besteden aan de reeds bestaande voorzieningen om geweld tegen personen met een publieke taak tegen te gaan.3. EffectiviteitMet betrekking tot de effectiviteit van de voorgestelde verruiming van het taakstrafverbod wijst de Afdeling op het volgende. Uit de evaluatie van het bestaande taakstrafverbod voor ernstige geweld- en zedenmisdrijven (het huidige artikel 22b Sr) is gebleken dat dit verbod in de praktijk vooral wringt als het vastgestelde misdrijf gelet op alle bijzondere omstandigheden van het geval onvoldoende ernstig is voor een gevangenisstraf. In dat geval kan de rechter zich genoopt zien om de taakstraf te combineren met een zeer korte onvoorwaardelijke gevangenisstraf, hetgeen sinds de invoering van het taakstrafverbod veel vaker blijkt te gebeuren dan voordien. Ook kan de rechter er bijvoorbeeld voor kiezen te veroordelen voor een lichter delict. (zie noot 14) Gelet op deze mogelijkheden om in een individueel geval toch een lichtere straf op te leggen, is het onzeker of het voorstel in de praktijk tot aanmerkelijk andere uitkomsten zal gaan leiden. (zie noot 15)De Afdeling adviseert om hierop in de toelichting nader in te gaan.4. Proportionaliteit en alternatievenDe Afdeling merkt op dat het voorstel de mogelijkheid van het opleggen van een taakstraf in de beoogde situaties categorisch uitsluit, zodat ook bij relatief lichte vergrijpen een vrijheidsstraf zal moeten volgen. Daarmee rijst de vraag of de rechter in dergelijke gevallen voldoende rekening kan houden met alle bijzondere omstandigheden van het individuele geval, waaronder eventuele geringe ernst van het feit, kwetsbaarheid van sommige verdachten (zie noot 16) en de beoordeling van de kansen op een effectievere aanpak gelet op de individuele achtergronden van de verdachte. (zie noot 17)In dit verband is van belang dat mishandeling zich in vele verschijningsvormen kan voordoen. Zo is voor de juridische kwalificatie van een gedraging als mishandeling niet noodzakelijk dat aan het slachtoffer lichamelijk letsel of pijn is toegebracht. (zie noot 18) Nu ernstiger en herhaalde geweldsdelicten al onder het bestaande taakstrafverbod vallen, heeft het wetsvoorstel uitsluitend betekenis voor ‘lichtere’ vormen van mishandeling door iemand aan wie in de vijf voorafgaande jaren niet eerder een taakstraf is opgelegd wegens een soortgelijk misdrijf. (zie noot 19) Voorop staat dat ook dergelijke gedragingen tegen publieke functionarissen passend moeten worden bestraft, maar de vraag rijst of een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming in deze gevallen steeds als een adequate en evenredige straf kan worden beschouwd.In eerdere adviezen heeft de Afdeling benadrukt dat bij het toemeten van de straf in het strafrechtelijk stelsel de weging van concrete feiten en omstandigheden (maatwerk) een wezenlijk element vormt. (zie noot 20) In dit verband is van belang dat het taakstrafverbod absoluut is geformuleerd en geen enkele ruimte laat aan de rechter om in individuele gevallen een uitzondering te maken. (zie noot 21) Uiteraard is het aan de wetgever om de grenzen te bepalen waarbinnen bepaalde delicten kunnen worden bestraft. Dat neemt niet weg dat naarmate de rechter minder ruimte krijgt om de verschillende relevante factoren tegen elkaar af te wegen dit ook eerder tot disproportionele uitkomsten kan leiden. In het licht hiervan rijst de vraag of er alternatieve of aanvullende maatregelen denkbaar zijn die kunnen bijdragen aan een meer passende bestraffing van geweld tegen personen met een publieke taak.In de eerste plaats wijst de Afdeling op de mogelijkheid van een aanscherping van de strafvorderingsrichtlijnen. De rechter behoudt dan in individuele gevallen de mogelijkheid om tot een andere afdoening te komen als dat werkelijk nodig is. (zie noot 22) Dat laatste geldt bijvoorbeeld ook bij een eventuele verruiming van de reikwijdte van de strafverzwaringsgrond van artikel 304, onder 2°, Sr, die thans alleen geldt voor geweld tegen een ambtenaar in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.In de tweede plaats wijst de Afdeling op de mogelijkheid om (de verruiming van) het taakstrafverbod zodanig vorm te geven dat de rechter meer ruimte krijgt om de taakstraf te combineren met (of te vervangen door) andere sancties, zoals een geldboete of een voorwaardelijke gevangenisstraf. (zie noot 23) In het kader van de evaluatie van het huidige taakstrafverbod is de aanbeveling gedaan om het combineren van een taakstraf met een voorwaardelijke gevangenisstraf (weer) (zie noot 24) mogelijk te maken. In de rechtspraktijk doen zich volgens de onderzoekers veel zaken voor waarin een combinatie van een voorwaardelijke gevangenisstraf met gedragsvoorwaarden en een taakstraf de aangewezen aanpak is. Een dergelijke aanpak kan bijdragen aan het streven om recidive te beperken door een persoonsgerichte benadering. (zie noot 25) De toelichting vermeldt in dit verband slechts dat de wetsevaluatie geen aanleiding heeft gegeven tot een heroverweging van de regeling op dit punt. (zie noot 26) Een uitbreiding van de mogelijkheden om de taakstraf (in afwijking van het huidige artikel 22b, derde lid, Sr) te combineren met andere niet-vrijheidsbenemende sancties zou, ook als de reikwijdte van het verbod om uitsluitend een taakstraf op te leggen wordt verruimd, kunnen bijdragen aan een evenwichtig sanctiepakket.De Afdeling adviseert in de toelichting nader aandacht te besteden aan de bovengenoemde alternatieven voor een uitbreiding van het taakstrafverbod in de voorgestelde vorm en zo nodig het voorstel aan te passen.5. ReikwijdteDe voorgestelde uitbreiding van het taakstrafverbod heeft betrekking op geweld tegen politiemensen, medewerkers van de brandweer of ambulance, buitengewoon opsporingsambtenaren (bijvoorbeeld boswachters of medewerkers van parkeerbeheer) en andere personen met een publieke taak in het kader van de handhaving van de orde of veiligheid. De toelichting noemt een groot aantal voorbeelden van dergelijke personen, waaronder jeugdbeschermers, deurwaarders, conducteurs, gevangenisbewaarders, beveiligers en verkeersregelaars. (zie noot 27) Volgens de toelichting wordt de beperking van de mogelijkheden om bij geweld tegen de genoemde personen een taakstraf op te leggen gerechtvaardigd door de omstandigheid dat zij vanwege de aard van hun werkzaamheden eenvoudig in een situatie kunnen geraken waarin zij geen stap terug kunnen doen zonder dat dit mogelijk ernstige consequenties heeft. (zie noot 28)In het kader van de consultatie is door verschillende organisaties gevraagd om een verduidelijking van de reikwijdte van het wetsvoorstel. Daaraan is gevolg gegeven door in de wet vier categorieën personen expliciet te noemen en in de toelichting te verhelderen op welke beroepsgroepen het wetsvoorstel betrekking heeft. Van een limitatieve opsomming is echter afgezien, omdat de groep van personen met een publieke taak niet homogeen is en de samenstelling daarvan als gevolg van mogelijke nieuwe inzichten aan verandering onderhevig kan zijn. (zie noot 29)De Afdeling merkt het volgende op. In de toelichting wordt weliswaar een groot aantal voorbeelden genoemd van beoogde beroepsgroepen, maar de vraag rijst of van al deze personen inderdaad kan worden gezegd dat zij (primair) een "publieke taak" in het kader van de "handhaving van de orde of veiligheid" hebben. (zie noot 30) Volgens de toelichting ligt in de voorgestelde definitie besloten dat de taakuitoefening altijd herleidbaar moet zijn tot een "publieke opdrachtgever". (zie noot 31) Van advocaten en van beveiligers (bijvoorbeeld in winkelcentra, bedrijfsgebouwen en uitgaansgelegenheden of op evenementenlocaties) kan echter moeilijk worden gezegd dat zij een tot een publieke opdrachtgever herleidbare publieke taak vervullen. De Afdeling adviseert daarom de reikwijdte van de voorgestelde bepaling dienovereenkomstig te beperken.Met de verwijzing naar de "(handhaving van de) veiligheid" wordt volgens de toelichting vooral gedoeld op hulpverleners zoals ambulancepersoneel en brandweerlieden. Om onduidelijkheid in de rechtspraktijk te voorkomen adviseert de Afdeling personeel in de zorgsector en functionarissen in het openbaar vervoer expliciet te vermelden in artikel 22b Sr.Tot slot merkt de Afdeling op dat de reikwijdte van het voorgestelde taakstrafverbod afwijkt van die in verwante regelingen zoals artikel 304 Sr (zie noot 32) en artikel 67a Sv (zie noot 33), terwijl de strafvorderingsrichtlijnen van het openbaar ministerie (zie noot 34) en de oriëntatiepunten van de rechtspraak (zie noot 35) eveneens een andere terminologie hanteren. Aldus ontstaat een onoverzichtelijk geheel van bepalingen die een vergelijkbaar doel nastreven, maar waarin de groep te beschermen personen telkens weer anders is afgebakend. Voor zover het niet mogelijk is om te komen tot een eensluidende omschrijving van de groep te beschermen personen in de verschillende regelingen, behoeft dit nadere toelichting.De Afdeling adviseert de reikwijdte van het verruimde taakstrafverbod te beperken tot personen die daadwerkelijk belast zijn met een publieke taak in het kader van de handhaving van de orde of veiligheid. Daarnaast adviseert de Afdeling deze reikwijdte in het voorstel en in de toelichting nader te verduidelijken, mede in verhouding tot de afbakening van vergelijkbare regelingen.De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal opmerkingen bij het voorstel en adviseert daarmee rekening te houden voordat het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal wordt ingediend.De vice-president van de Raad van StateNader rapport (reactie op het advies) van 6 juli 20201. De Afdeling onderschrijft de laakbaarheid van het toegenomen geweld dat het onderwerp vormt van dit wetsvoorstel. Zij is van mening dat daartegen effectief moet worden opgetreden. De Afdeling constateert dat het wetsvoorstel aansluit bij het bestaande taakstrafverbod. Bij de totstandkoming daarvan is als opvatting van de wetgever tot uitdrukking gebracht dat de taakstraf een passende straf kan zijn voor de afdoening van naar verhouding minder ernstige strafbare feiten. Bij fysiek geweld tegen politiemensen, medewerkers van de brandweer of ambulance, buitengewoon opsporingsambtenaren en andere personen met een publieke taak in het kader van de handhaving van de orde of veiligheid, zijn wij van oordeel dat een taakstraf geen passende straf is. De voorgestelde uitbreiding van het taakstrafverbod moet in dit licht worden gezien.2. Aan het advies van de Afdeling is gevolg gegeven door in de memorie van toelichting cijfermateriaal over de omvang van het probleem op te nemen en daarnaast beter tot uitdrukking te laten komen dat de voorgestelde uitbreiding van het taakstrafverbod een aanvullend karakter heeft. Zij is complementair aan de andere voorzieningen die in de memorie van toelichting zijn benoemd en die er op zijn gericht geweld tegen personen met een publieke taak terug te dringen. De strenge aanpak die het gevolg hiervan is en die de Afdeling ook terecht zegt te vinden, wordt met de voorgestelde uitbreiding van het taakstrafverbod aldus aangevuld.Zoals ook in de memorie van toelichting reeds tot uitdrukking is gebracht, ligt het tegen de achtergrond van het bestaande taakstrafverbod in artikel 22b Sr op de weg van de wetgever om, waar het noodzakelijk wordt geacht de mogelijkheid een taakstraf op te leggen te beperken, die beperking ook wettelijk te verankeren. Het wetsvoorstel is dan ook niet ingegeven door een verondersteld tekortschieten van andere voorzieningen. Evenmin doet de door de Afdeling benoemde omstandigheid dat op geweld in de zin van het wetsvoorstel ook nu al wordt gereageerd met een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf, af aan de wenselijkheid van de voorgestelde wettelijke verankering af. Eerder biedt deze vaststelling steun aan de opvatting dat een dergelijke afdoening ook de meeste wenselijke is. Het wetsvoorstel maakt dit transparant en stelt de onmogelijkheid van het opleggen van een taakstraf, ook vanuit een oogpunt van rechtszekerheid, buiten twijfel. Tot slot merken wij in dit verband nog op dat ook de motie waaraan wij met het wetsvoorstel uitvoering wensen te geven, slechts zo kan worden begrepen dat een uitbreiding van het taakstrafverbod zoals voorgesteld, wordt nagestreefd.3. De Afdeling wijst op de evaluatie van het bestaande taakstrafverbod uit 2017 en vraagt aandacht voor situaties waarin de rechter tot het oordeel komt dat een misdrijf, gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval, onvoldoende aanleiding geeft tot het opleggen van een gevangenisstraf. Wij merken op dat in de memorie van toelichting op deze situatie ook wordt ingegaan. Paragraaf 3.1 van de memorie van toelichting vermeldt dat het wetsvoorstel de noodzakelijke ruimte biedt om bijzondere omstandigheden, gelegen in de persoonlijkheid van de verdachte of de omstandigheden waaronder het feit is begaan, in de rechterlijke beoordeling te betrekken. Daarbij wordt verwezen naar de jurisprudentie die dit ook bevestigt. (zie noot 36) Met de genoemde verwijzing naar de toepasselijke jurisprudentie komt dit naar onze mening afdoende in de memorie van toelichting tot uitdrukking.4. Met de Afdeling zijn wij van mening dat bij het toemeten van de straf in het strafrechtelijk stelsel de weging van concrete feiten en omstandigheden (maatwerk) een wezenlijk element vormt. De op te leggen straf dient proportioneel te zijn in relatie tot de ernst van het feit. Bij de afwegingen die aan de straftoemetingsbeslissing ten grondslag liggen, komt verder betekenis toe aan de persoonlijkheid van de dader en aan de omstandigheden waaronder het feit is begaan. Zoals in de hiervoor onder 3 aangeduide passages in de memorie van toelichting is aangegeven, biedt het wetsvoorstel afdoende ruimte om dergelijke omstandigheden in de rechterlijke beoordeling te betrekken. Voor disproportionele uitkomsten als gevolg van het wetsvoorstel zijn we dan ook niet bevreesd.Wij onderkennen dat, zoals de Afdeling opmerkt, het misdrijf van mishandeling zich in vele verschijningsvormen kan voordoen. Daarbij signaleren wij dat die verschijningsvormen een belangrijk gemeenschappelijk kenmerk hebben. Het opzet van de dader is er bij deze misdrijven op gericht om aan het slachtoffer lichamelijk letsel of pijn toe te brengen, diens gezondheid te benadelen of een min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam teweeg te brengen. (zie noot 37) Met het bestaan van dergelijk opzet en de daaruit voortvloeiende gedraging is de laakbaarheid van de diverse vormen van mishandeling gegeven. Wanneer het geweld zich daarbij richt tegen de in het wetsvoorstel genoemde personen met een publieke taak in het kader van de handhaving van de orde of veiligheid, vormt een (kale) taakstraf daarop geen passende reactie.De Afdeling geeft twee alternatieven in overweging. Zo wijst de Afdeling op de mogelijkheid de strafvorderingsrichtlijnen te verruimen. Zoals hiervoor onder 2 is aangegeven, heeft het Advies aanleiding gegeven in de memorie van toelichting beter tot uitdrukking te laten komen dat de voorgestelde verruiming van het taakstrafverbod een aanvullend karakter heeft op reeds bestaande voorzieningen.De strafvorderingsrichtlijnen waarnaar de Afdeling verwijst, schrijven reeds een aanzienlijke verhoging van de strafeis voor bij geweld tegen personen met een publieke taak. Aan deze richtlijnen is inherent dat daarvan door de officier van justitie in individuele gevallen ook kan worden afgeweken. Ook merken wij op dat de rechter aan een geformuleerde strafeis niet is gebonden.De Afdeling vraagt eveneens aandacht voor een mogelijke verruiming van de reikwijdte van artikel 304, onder 2°, Sr. Als gevolg van deze strafverzwaringsgrond kunnen de in de artikelen 300 tot en met 303 Sr genoemde gevangenisstraffen met een derde worden verhoogd, indien het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening. De Afdeling laat in het midden waaruit een verruiming van deze strafverzwaringsgrond zou kunnen bestaan. In zijn algemeenheid echter kan worden opgemerkt dat de werking van een strafverzwaringsgrond een andere is dan hetgeen met dit wetsvoorstel wordt beoogd. Als gevolg van de strafverzwaringsgrond ontstaat er binnen de beschikbare strafmaxima meer ruimte om de strafverzwarende omstandigheden in de straftoemeting te betrekken. Het verhoogde strafmaximum laat dit toe. Met de uitbreiding van het taakstrafverbod wordt juist verduidelijkt dat een vrijheidsbenemende straf een passende straf is en dat het met opleggen van een (kale) taakstraf niet kan worden volstaan.In de tweede plaats vraagt de Afdeling in de memorie van toelichting nader in te gaan op de mogelijkheden de taakstraf te combineren met andere niet-vrijheidsbenemende sancties. Zij geeft in overweging nader te onderbouwen waarom de mogelijkheid om de taakstraf in de gevallen waarop artikel 22b Sr betrekking heeft, niet (opnieuw) met een voorwaardelijke sanctie kan worden gecombineerd. Aan dit advies is gevolg gegeven. In paragraaf 3.1 van de memorie van toelichting is nader uiteengezet dat sanctiedoelen als vergelding en preventie onvoldoende worden gediend met een taakstraf of een voorwaardelijke gevangenisstraf bij een veroordeling voor geweld in de zin van het wetsvoorstel.5. Het advies van de Afdeling heeft aanleiding gegeven de memorie van toelichting op onderdelen verder aan te vullen. Zo is in paragraaf 3.3.1 van de memorie van toelichting verduidelijkt dat personeel in de zorgsector een veiligheidsbevorderende taak in de zin van het wetsvoorstel uitoefent. Ook aan het advies om nader te expliciteren dat de taakuitoefening herleidbaar is tot een publieke opdrachtgever, is gevolg gegeven. In paragraaf 3.3.1 van de memorie van toelichting is nader beschreven dat deze eis van herleidbaarheid voortvloeit uit de in het voorgestelde artikel 22b, eerste lid, onderdeel c, Sr opgenomen verwijzing naar ‘een publieke taak’. Ten behoeve van de rechtsvinding zijn daarbij enkele voorbeelden opgenomen.Met de Afdeling constateren wij dat de beschreven reikwijdte van het wetsvoorstel niet geheel congruent is met de door de Afdeling als verwant bestempelde regelingen. In het bijzonder wijst de Afdeling op artikel 304, onder 2˚, Sr en op artikel 67a, tweede lid, onder 4˚en vijfde lid, Sv. Ook kent de Afdeling in dit verband betekenis toe aan de strafvorderingsrichtlijnen en aan de oriëntatiepunten voor de straftoemeting. Op het karakter van de richtlijnen zijn wij hiervoor onder 4 ingegaan. Ten behoeve van de toepassing van die richtlijnen kan daarin worden volstaan met een indicatieve opsomming van personen die een publieke taak uitoefenen. De landelijke oriëntatiepunten voor de straftoemeting zijn opgesteld door het Landelijk Overleg Voorzitters Strafsectoren (LOVS). Ook daarin worden voorbeelden gegeven ten behoeve van een juiste aanduiding van de persoon met een publieke taak. Ook hier heeft de opsomming geen limitatief, maar een oriënterend karakter. Die keuze kan tegen de achtergrond van de straftoemetingsvrijheid van de rechter en de functie van de oriëntatiepunten door ons goed worden begrepen. In relatie tot artikel 304, onder 2˚, Sr en artikel 67a, vijfde lid, Sv is het volgende van belang. Zoals in de memorie van toelichting ook tot uitdrukking is gebracht, moet het voorgestelde artikel 22b, eerste lid, onderdeel c, Sr worden gezien als autonoom en in het bijzonder betekenisvol in de context van de hier voorziene uitbreiding van het taakstrafverbod. De reikwijdte in dit verband is anders beschreven dan de reikwijdte van de in artikel 67a, tweede lid, onderdeel 4˚, Sv opgenomen grond voor voorlopige hechtenis ten behoeve van de toepassing van het snelrecht. Artikel 67a, vijfde lid, Sv bevat ten behoeve daarvan een omschrijving van personen met een publieke taak. Het gaat daarbij om personen die ten behoeve van het publiek en in het algemeen belang een hulp- of dienstverlenende taak vervullen. Bij de totstandkoming van die bepaling is een niet-limitatieve omschrijving gegeven van de personen die daaronder in het bijzonder zijn te verstaan (Kamerstukken II 2011/12, 33360, nr. 3, p. 17). Een dergelijke ruimere omschrijving past bij de functie die deze bepaling in het strafvorderlijk stelsel heeft. Ten behoeve van de straftoemeting dient de beschrijving van de bijzondere kwalificatie van het slachtoffer, die ertoe leidt dat geen taakstraf kan worden opgelegd, strikter bepaald te zijn. Om die reden zijn de afzonderlijke elementen van het voorgestelde artikel 22b, eerste lid, onderdeel c, Sr en de betekenis die daaraan dient te worden gegeven, uitvoerig toegelicht.Met betrekking tot artikel 304 Sr merken wij tot slot op dat de reikwijdte van die bepaling beperkt is in vergelijking tot de reikwijdte van de hier voorgestelde uitbreiding van het taakstrafverbod. Niet beoogd is de reikwijdte van het wetsvoorstel te beperken tot de in artikel 304, onderdeel 2˚, Sr genoemde ambtenaren.Ik moge u hierbij, mede namens de Minister van Justitie en Veiligheid verzoeken het voorstel van wet en de gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.De Minister voor RechtsbeschermingVoetnoten(1) Toelichting, Algemeen deel, paragraaf 1.(2) Kamerstukken II 2018/19, 35000-VI, nr. 24. De stemming over deze motie werd tijdens het debat op 22 november 2018 aangehouden na de toezegging van de minister om een dergelijke uitbreiding van het taakstrafverbod te overwegen.(3) Kamerstukken II 2018/19, 28684, nr. 551.(4) Toelichting, Algemeen deel, paragraaf 1. Poging tot eenvoudige mishandeling is niet strafbaar, zie artikel 300 lid 5 Sr. Er wordt op dit moment nog onderzoek verricht naar de afdoening van zaken waarin openlijke geweldpleging (artikel 141, eerste lid, Sr) aan de orde is. Vooralsnog is ervan afgezien om het taakstrafverbod ook te laten gelden voor openlijke geweldpleging, omdat daarvan ook sprake kan zijn bij een beperkte individuele bijdrage aan gemeenschappelijk gepleegd geweld.(5) Kamerstukken II 2009/10, 32169, nr. 3.(6) Toelichting, Algemeen deel, paragraaf 3.1.(7) Volgens het advies van de Politie d.d. 3 december 2019 is het aantal zaken op het gebied van geweld tegen politieambtenaren gestegen van 9.598 zaken in 2017 naar 10.781 zaken in 2018.(8) Het betrof een poging tot zware mishandeling, waarbij een lid van de mobiele eenheid tegen zijn hoofd was geschopt. Dit leidde niet tot letsel omdat de agent een helm ophad. Vanwege de persoonlijke omstandigheden van de dader werd een taakstraf opgelegd. Waarschijnlijk betrof het Rb. Rotterdam 15 juni 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:4741 (aldus R.A. Hoving, ‘Het wetsvoorstel uitbreiding taakstrafverbod’, NJB 2020/289).(9) Toelichting, Algemeen deel, paragraaf 4.(10) Zie het Advies van de reclasseringsorganisaties (3RO) d.d. 17 december 2019; Advies NOvA d.d. 3 december 2019; Advies Raad voor de rechtspraak d.d. 4 december 2019.(11) Advies NVvR d.d. 16 december 2019.(12) R.A. Hoving, ‘Het wetsvoorstel uitbreiding taakstrafverbod’, NJB 2020/289. Overigens hoeft dit niet altijd te leiden tot het vorderen of opleggen van een gevangenisstraf. De Richtlijn voor strafvordering mishandeling (2019R007) verhoogt het uitgangspunt voor de strafeis met 200% bij mishandeling van ambtenaren of andere gezagsfunctionarissen of journalisten. Voor een first offender die een droge klap geeft geldt als uitgangpunt voor de strafeis bijvoorbeeld een geldboete van €400, zodat een verhoging van 200% geen gevangenisstraf oplevert. Volgens de LOVS-oriëntatiepunten voor straftoemeting kan de straf met 33% tot 100% worden verhoogd voor zover het feit is begaan tegen een politieagent of een andere daar genoemde functionaris. Deze verhoging leidt bij een droge klap zonder letsel evenmin tot een gevangenisstraf, nu het uitgangspunt daar een geldboete van €500 is. Hoving verwijst daarnaast nog naar onderzoek van Pemberton & Bosmans uit 2012, waaruit blijkt dat officieren in afwijking van de strafvorderingsrichtlijnen meestal volstaan met een verhoging van de strafeis van 50%-70%.(13) Toelichting, Algemeen deel, paragraaf 1.(14) J. de Ridder e.a., Evaluatie Wet Beperking Oplegging Taakstraffen, Groningen 2017. In een toenemend aantal gevallen wordt gekozen voor de combinatie van de taakstraf met één dag onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Deze praktijk is door de Hoge Raad goedgekeurd in zijn arrest van 20 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:202 (Valkenburgse zedenzaak). A-G Knigge vermeldt in zijn conclusie voor dit arrest dat deze combinatie in 2013 werd toegepast in 328 gevallen en in 2016 in 622 gevallen.(15) Zie ook M. Reijneveld & P. Sijtsma, ‘Het wetsvoorstel uitbreiding taakstrafverbod: effectief of symbolisch?’, AA 2020, p. 227.(16) Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan verdachten met een psychiatrische aandoening of een verstandelijke beperking.(17) Zie ook F.W. Bleichrodt, ‘Dynamiek tussen de wetgever en de strafrechter’, NJB 2020, nr. 24, p. 6-7.(18) Ook het bij een ander teweegbrengen van een min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam kan onder omstandigheden als mishandeling in de zin van artikel 300 Sr worden gekwalificeerd (HR 9 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2677).(19) R.A. Hoving, ‘Het wetsvoorstel uitbreiding taakstrafverbod’, NJB 2020/289. Alleen de misdrijven van de artikelen 300, eerste en tweede lid, Sr en 301, eerste lid, Sr (en de poging tot de misdrijven van de artikelen 301-303 Sr) vallen niet onder de huidige, maar wel onder de nieuwe regeling.(20) Zie onder meer Kamerstukken II 2009/10, 32169, nr. 5 over de invoering van het huidige taakstrafverbod en Kamerstukken II 2011/12, 33 151, nr. 4 over de introductie van minimumstraffen in het strafrecht.(21) Van het taakstrafverbod kan op grond van het derde lid van artikel 22b Sr slechts worden afgeweken indien naast de taakstraf een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel wordt opgelegd.(22) Advies NVvR d.d. 16 december 2019.(23) Volgens de toelichting (Algemeen deel, paragraaf 3.2) is het bij toepasselijkheid van het taakstrafverbod niet mogelijk om in plaats van een taakstraf een geldboete op te leggen. Zie voor een andere opvatting hierover echter het advies van de NOvA d.d. 3 december 2019, het advies van de Raad voor de rechtspraak d.d. 4 december 2019 en het advies van de NVvR d.d. 16 december 2019, alsmede R.A. Hoving, ‘Het wetsvoorstel uitbreiding taakstrafverbod’, NJB 2020/289. Als met het taakstrafverbod ook de mogelijkheden van oplegging van een geldboete moet worden beperkt, zou dit volgens de NVvR en volgens Hoving expliciet in de wet tot uitdrukking moeten worden gebracht.(24) Deze mogelijkheid was oorspronkelijk ook opgenomen in het wetsvoorstel dat leidde tot de invoering van artikel 22b Sr, maar werd in een laat stadium geschrapt door de regering (inmiddels in andere samenstelling); bij amendement werd vervolgens het derde lid van artikel 22b Sr in zijn huidige redactie opgenomen.(25) Zie J. de Ridder e.a., Evaluatie Wet Beperking Oplegging Taakstraffen, Groningen 2017. Zie ook het advies van de Raad voor de rechtspraak d.d. 4 december 2019.(26) Toelichting, Algemeen deel, paragraaf 3.1.(27) Toelichting, Algemeen deel, paragraaf 1. Verderop in de toelichting (paragraaf 3.3.1) worden nog genoemd: al dan niet private toezichthouders in het openbaar vervoer; ov-personeel (onder wie: chauffeurs, machinisten, controleurs en conducteurs), personeel in de zorgsector (onder wie: artsen, psychologen, psychiaters en verplegend personeel), jeugdbeschermers, rechters, griffiers, officieren van justitie en advocaten, inspecteurs van de inspectiediensten, beveiligers en bewakers, verkeersregelaars, defensieambtenaren, deurwaarders en reddingzwemmers.(28) Toelichting, Algemeen deel, paragraaf 3.3.1.(29) Toelichting, Algemeen deel, paragraaf 3.3.1.(30) Advies Raad voor de rechtspraak d.d. 4 december 2019.(31) Toelichting, Algemeen deel, paragraaf 3.3.1. Zie ook het advies van de Politie d.d. 3 december 2019.(32) Artikel 304, onderdeel 2˚, Sr bevat een strafverzwaringsgrond ten aanzien van mishandeling van "een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening". Voor de toepasselijkheid van het taakstrafverbod is daarentegen niet van betekenis of de taakuitoefening door de persoon met een publieke taak rechtmatig was (Toelichting, Algemeen deel, paragraaf 3.3.1).(33) Artikel 67a, tweede lid, onderdeel 5˚, Sv bepaalt dat een bevel tot voorlopige hechtenis kan worden gegeven indien er sprake is van verdenking van één van de daar vermelde misdrijven, begaan op een voor het publiek toegankelijke plaats, dan wel gericht tegen "personen met een publieke taak".(34) De Richtlijn voor strafvordering mishandeling (2019R007) verhoogt het uitgangspunt voor de strafeis met 200% bij mishandeling van "ambtenaren of andere gezagsfunctionarissen of journalisten".(35) Volgens de LOVS-oriëntatiepunten voor straftoemeting kan de straf met 33% tot 100% worden verhoogd voor zover het feit is begaan tegen een politieagent, een buitengewoon opsporingsambtenaar (boa) of een andere toezichthouder indien het misdrijf is gepleegd gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn of haar bediening dan wel tegen een professionele hulpverlener (brandweerman, ambulancebroeder, arts, verpleegkundige e.d.) of functionaris in het openbaar vervoer (buschauffeur, machinist, trambestuurder e.d.).(36) Vgl. HR 20 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:202.(37) Vergelijk HR 12 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1751, NJ 2019/456 en HR 8 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:155,4, NJ 2011/466, zie ook HR 9 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2677, NJ 2014/402 en HR 12 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1237 en HR 11 februari 1929, NJ 1929, p. 503 en HR 12 december 1967, NJ 1970/314.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wet adviescollege rechtspositie politieke ambtsdragers.
Bij Kabinetsmissive van 20 maart 2020, no.2020000573, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, mede namens de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet houdende instelling van een adviescollege op het terrein van de rechtspositie van politieke ambtsdragers (Wet adviescollege rechtspositie politieke ambtsdragers), met memorie van toelichting.Het wetsvoorstel beoogt de instelling van een permanent adviescollege op het terrein van de (financiële) rechtspositie voor politieke ambtsdragers. Inhoudelijke deskundigheid en politieke onafhankelijkheid zijn de belangrijkste argumenten die ten grondslag liggen aan dit voorstel. Het voorstel regelt de voorwaarden voor de samenstelling van het college, de reikwijdte van de taak van het college, en het moment van inwerkingtreding van wetgeving die volgt uit adviezen van het college.De Afdeling advisering van de Raad van State onderschrijft het nut van de instelling van een onafhankelijk adviescollege voor deze materie. Zij heeft een aantal opmerkingen bij het voorstel. De Afdeling adviseert om de reikwijdte van de adviestaak van het adviescollege te verduidelijken. Daarnaast geeft de zij in overweging om als uitgangspunt een periodieke herijking van de rechtspositie voor politieke ambtsdragers door het college op te nemen. Verder adviseert de Afdeling om in het voorstel te regelen dat leden van het college niet onder de WNT-norm mogen vallen. In verband hiermee is aanpassing wenselijk van het wetsvoorstel en de toelichting.1. Inhoud en achtergrond van het voorstelHet wetsvoorstel betreft de oprichting van een permanent adviescollege op het terrein van de rechtspositie voor politieke ambtsdragers. De adviezen van dit college betreffen het beloningsniveau, de onderlinge beloningsverhoudingen en overige geldelijke aanspraken van volksvertegenwoordigers en bestuurlijke ambtsdragers op het niveau van het (Konink)rijk (inclusief de hoge colleges van staat), provincie, waterschappen, openbare lichamen en gemeenten. (zie noot 1) Het belang van het op te richten college ligt volgens de toelichting in zowel de inhoudelijke deskundigheid als de gedepolitiseerde en onafhankelijke oordeelsvorming. Op basis daarvan moet het college komen tot zwaarwegende adviezen die ten goede komen aan de rechtspositie van politieke ambtsdragers. Dit is van belang voor het functioneren van de parlementaire democratie, aldus de toelichting. (zie noot 2)In 2004 adviseerde de Commissie-Dijkstal over de rechtspositie van politieke ambtsdragers en topambtenaren. (zie noot 3) De adviezen van deze commissie hielpen regering en Staten-Generaal om tot wetgeving te komen. Zoals de toelichting aangeeft is het niet eenvoudig om beslissingen te nemen met betrekking tot de eigen rechtspositie. (zie noot 4) Uit de ervaringen met de Commissie-Dijkstal vloeide de wens voort om tot een permanent adviescollege te komen. In 2006 deed de regering een eerste voorstel voor een adviescollege rechtspositie politieke ambtsdragers en topambtenaren. (zie noot 5) Dit voorstel werd in 2009 op grond van financiële ingetrokken. (zie noot 6)In 2015 kwam de regering met een integrale visie op de rechtspositie van politieke ambtsdragers waarin het zich positief uitsprak over een adviescommissie. (zie noot 7) Op basis daarvan gaf de regering in 2018 aan met een voorstel te komen voor de oprichting van een adviescommissie voor de geldelijke aanspraken van politieke ambtsdragers. (zie noot 8) Het wetsvoorstel geeft daaraan nu uitvoering.De Afdeling onderschrijft het nut van de instelling van een onafhankelijk adviescollege. Terecht wordt in de toelichting in dat verband het belang van zowel inhoudelijke deskundigheid en onafhankelijke oordeelsvorming onderstreept. Zij merkt over het wetsvoorstel nog het volgende op.2. Reikwijdte van de adviestaakVolgens het voorstel en de toelichting zal het permanente adviescollege zich buigen over alle financiële aanspraken van politieke ambtsdragers. Dit betreft niet alleen de beloning maar ook andere geldelijke aanspraken. (zie noot 9) Daarbij is onduidelijk welke onderwerpen nu precies vallen onder ‘geldelijke aanspraken’. Hierop is ook gewezen door de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG). De VNG heeft gevraagd om verduidelijking of een onderwerp zoals de sollicitatieplicht voor politieke ambtsdragers, waar de Commissie-Dijkstal destijds over adviseerde, onder de adviestaak valt. (zie noot 10)De toelichting stelt in reactie hierop dat financiële aspecten uitgangspunt zijn en dat voor daarmee samenhangende zaken de aard van het betreffende onderwerp bepaalt of het college hierover kan adviseren. (zie noot 11) Daarmee staat niet zonder meer vast of een onderwerp, zoals bijvoorbeeld door de VNG genoemd, valt onder de reikwijdte van de adviestaak. In dit kader verdient het aanbeveling om aan te sluiten bij de definitie van ‘geldelijke voorzieningen’ zoals volgt uit artikel 63 van de Grondwet voor wat betreft de rechtspositie van de leden van de Staten-Generaal. (zie noot 12) Het wetsvoorstel voor het instellen van een permanent adviescollege maakt overigens geen inbreuk op dit artikel. (zie noot 13)Verder blijkt uit de toelichting dat het college dient te adviseren over majeure, structurele wijzigingen in de rechtspositie van politieke ambtsdragers in bredere zin. (zie noot 14) Dit blijkt niet uit de tekst van het wetsvoorstel. Bovendien wordt niet toegelicht wat wordt verstaan onder ‘majeure, structurele’ wijzigingen, bijvoorbeeld aan de hand van voorbeelden. Daarmee wordt veel ruimte gelaten voor de regering om per voorstel te bepalen of dit wel of niet aan het college ter advisering moet worden voorgelegd. De vraag is of dit niet in te veel gevallen kan leiden tot discussie over de vraag of over een voorstel advies moet worden gevraagd. Gelet op de aanleiding voor het instellen van het permanente adviescollege, te weten dat dit een onafhankelijk en gedepolitiseerd oordeel kan geven over het aansprakenniveau, (zie noot 15) lijkt dit niet wenselijk.De Afdeling adviseert om de reikwijdte van de adviestaak in de toelichting te verduidelijken en zo nodig het voorstel aan te passen.3. Periodieke herijking rechtspositie politieke ambtsdragersUit de toelichting blijkt de verwachting dat het college in ieder geval eenmaal per kabinetsperiode advies uitbrengt. (zie noot 16) De toelichting gaat daarbij niet in op de vraag of en hoe deze verwachting in de praktijk zal worden gerealiseerd. In het voorstel zelf is hierover geen bepaling opgenomen. De vraag rijst in hoeverre, gelet op de periodieke herijking van de financiële rechtspositie die de regering kennelijk voor ogen heeft, deze verwachting in het wetsvoorstel zou moeten worden vastgelegd. Op deze wijze zou kunnen worden voorkomen dat het college in een politiek debat terecht komt over de vraag of en wanneer het tot een advies zou moeten komen.In dit kader wijst de Afdeling op het in de toelichting genoemde voorbeeld van Canada. Daar is bepaald dat er zo snel mogelijk na de verkiezingen van het parlement wordt gestart met een periodieke herijking. (zie noot 17) Kenmerk hiervan is dat een dergelijke herijking relatief vroeg in een kabinetsperiode gereed kan zijn, waardoor eventuele aanpassingen in de regelgeving tijdig voor de volgende verkiezingen tot stand kunnen komen. Indien deze praktijk in Nederland zou worden gevolgd, zou mogelijk worden voorkomen dat regering en Tweede Kamer kort voor verkiezingen van de Tweede Kamer over de eigen financiële rechtspositie moeten besluiten. Dit sluit aan bij de keuze in het voorstel dat aanpassingen pas in werking treden na installatie van nieuwe Kamerleden en bewindspersonen. (zie noot 18)De Afdeling adviseert hierop in de toelichting in te gaan en zo nodig het voorstel aan te passen.4. Onafhankelijkheid van het adviescollegeDe toelichting stelt dat leden van het college die afkomstig zijn uit de wetenschap niet onderhevig mogen zijn aan de norm in de Wet Normering Topinkomens (WNT). (zie noot 19) Dit om te voorkomen dat zij indirect over hun eigen salaris adviseren. De (WNT) regelt hoeveel salaris topfunctionarissen in de (semi)publieke sector maximaal mogen verdienen. Enkele sectoren hebben een eigen maximum voor het salaris van topfunctionarissen. De WNT definieert een aantal specifieke topfuncties bij de overheid. (zie noot 20) Voor andere WNT-instellingen wordt een meer algemene definitie gehanteerd:"Topfunctionarissen zijn degenen die behoren tot het hoogste uitvoerende of toezichthoudende orgaan van een rechtspersoon of instelling, alsmede de hoogste ondergeschikte of de leden van de groep hoogste ondergeschikten aan dat orgaan of degenen belast met de dagelijkse leiding van de gehele rechtspersoon of instelling." (zie noot 21)Voor topfunctionarissen geldt dat een verhoging van het salaris van de ministers kan leiden tot een verhoging van de WNT-norm. Om die reden is begrijpelijk dat gesteld wordt dat de leden die uit de wetenschap afkomstig zijn geen topfunctionaris kunnen zijn in de zin van de WNT. Deze incompatibiliteit is echter niet in het voorstel zelf opgenomen. Tevens is niet duidelijk waarom dit alleen zou moeten gelden voor leden uit de wetenschap en niet voor alle leden. Nu de reikwijdte van de WNT periodiek ter discussie staat kan bovendien niet worden uitgesloten dat ook andere leden van het college, dan zij afkomstig uit de wetenschap, onder deze definitie en daarmee de bezoldigingsnorm (gaan) vallen.De Afdeling adviseert in het voorstel te bepalen dat leden van het college niet onder de reikwijdte van de WNT mogen vallen.De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal opmerkingen bij het voorstel en adviseert daarmee rekening te houden voordat het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal wordt ingediend.De vice-president van de Raad van StateNader rapport (reactie op het advies) van 6 juli 2020Reikwijdte van de adviestaakDe Afdeling adviseert om de reikwijdte van de adviestaak van het adviescollege te verduidelijken. Het kabinet acht de voorgestelde wetstekst op dit punt toereikend omdat een sluitende opsomming wordt gegeven van de arbeidsvoorwaardelijke aspecten waarover het college moet gaan adviseren. Naar aanleiding van dit advies is wel de uiteenzetting in de memorie van toelichting over de reikwijdte van de adviestaak aangepast. Toegelicht is dat de adviestaak betrekking heeft op arbeidsvoorwaardelijke onderwerpen met een financiële dimensie. Ook zijn voor de adviestaak van het college voorbeelden gegeven van majeure en structurele wijzigingen in de rechtspositie van politieke ambtsdragers waarover geadviseerd dient te worden.Periodieke herijking rechtspositie politieke ambtsdragersIn het advies merkt de Afdeling op dat uit de toelichting blijkt dat de verwachting van de regering is dat het college in ieder geval eenmaal per kabinetsperiode advies uitbrengt. De Afdeling leidt hieruit af dat de regering kennelijk een periodieke herijking van de financiële rechtspositie van politieke ambtsdragers voor ogen heeft. De Afdeling vraagt zich daarbij af in hoeverre dit in het wetsvoorstel zou moeten worden vastgelegd. Volgens de Afdeling zou het vastleggen van een periodieke herijking kunnen voorkomen dat het adviescollege in een politiek debat terecht komt over de vraag of wanneer het tot een advies zou moeten komen. De Afdeling wijst in dit kader op het in de toelichting aangehaalde voorbeeld van Canada, waar zo snel mogelijk na de verkiezingen van het parlement wordt gestart met een herijking en stelt dat Nederland deze praktijk zou kunnen volgen.In de memorie van toelichting is de verwachting en niet de verplichting uitgesproken dat eenmaal tijdens een kabinetsperiode een advies wordt uitgebracht. Met het voorstel is beoogd een adviescollege in te stellen dat – gegeven de adviesaanvragen van de regering – ook juist zelf op eigen instigatie adviezen kan uitbrengen. Het opnemen van een vaste termijn waarbinnen of een moment waarop het adviescollege periodiek met een advies zou moeten komen is, gegeven deze onafhankelijke positie, volgens het kabinet daarom niet wenselijk. Het vastleggen van een adviesverplichting in de wet in lijn met de praktijk in Canada is bovendien lastig gegeven de onvoorspelbaarheid van de duur van een kabinetsperiode in de Nederlandse verhoudingen. Het opnemen van een bepaalde termijn waarbinnen of een moment waarop periodiek een advies moet worden uitgebracht zou er om deze reden toe kunnen leiden dat uitgerekend een advies wordt verwacht tijdens een demissionaire periode van een kabinet.Onafhankelijkheid van het adviescollegeVerder adviseert de Afdeling om in het voorstel te regelen dat leden van het college niet onder de WNT-norm mogen vallen. In lijn met dit advies is in artikel 3 een nieuw vierde lid ingevoegd waarin is bepaald dat een lid van het adviescollege niet tevens een functie als topfunctionaris in de zin van de WNT mag bekleden. De uiteenzetting in de toelichting over onverenigbare betrekkingen van de leden van de adviescommissie is op dit punt aangepast.Ik moge U verzoeken het hierbij gevoegde gewijzigde voorstel van wet en de gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.De minister van Binnenlandse Zaken en KoninkrijksrelatiesVoetnoten(1) Voorgesteld artikel 2.(2) Memorie van toelichting, paragraaf 2 ‘Aanleiding’, paragraaf 3 ‘Uitgangspunt in de ‘Integrale visie op de (rechts)positie van politieke ambtsdragers’, Zie ook Kamerstukken II 2014/15, 28479, nr. 73, bijlage.(3) Kamerstukken II 2005/06, 28479, nr. 4, bijlage.(4) Memorie van toelichting, paragraaf 3 ‘Uitgangspunt in de ‘Integrale visie op de (rechts)positie van politieke ambtsdragers’’.(5) Kamerstukken II 2009/10, 30427, nr. 16.(6) Kamerstukken II 2008/09, 30424, nr. 17, p. 1-2.(7) Kamerstukken II 2014/15, 28479, nr. 73, bijlage, p. 61.(8) Kamerstukken II 2017/18, 28479, nr. 78.(9) Voorgesteld artikel 2; memorie van toelichting, paragraaf 6 ‘De reikwijdte van de adviestaak’.(10) Memorie van toelichting, paragraaf 4 ‘Advies en consultatie’.(11) Memorie van toelichting, paragraaf 4 ‘Advies en consultatie’.(12) Zie in dit verband de Wet schadeloosstelling Tweede Kamerleden, de Wet Vergoedingen leden Eerste Kamer en de Algemene Pensioenwet politieke ambtsdragers.(13) Artikel 63 Grondwet regelt dat geldelijke voorzieningen ten behoeve van leden en gewezen leden van de Staten-Generaal en van hun nabestaanden worden geregeld bij wet en dat de beide kamers een wetsvoorstel ter zake alleen kunnen aannemen met een tweederde meerderheid. Het wetsvoorstel valt daar buiten: het bevat geen regeling van geldelijke voorzieningen maar alleen de instelling van een adviescollege dat daarover gaat adviseren en een regeling van het moment van inwerkingtreding.(14) Memorie van toelichting, paragraaf 2 ‘Aanleiding’, paragraaf 3 ‘Uitgangspunt in de ‘Integrale visie op de (rechts)positie van politieke ambtsdragers’, paragraaf 5 ‘Permanent karakter van het college en wijze van advisering’.(15) Memorie van toelichting, paragraaf 2 ‘Aanleiding’.(16) Memorie van toelichting, paragraaf 2 ‘Financiële gevolgen’.(17) Memorie van toelichting, paragraaf 4 ‘Buitenlandse adviescolleges’.(18) Voorgesteld artikel 4.(19) Memorie van toelichting, paragraaf 7 ‘Instelling en samenstelling van het college’.(20) Zie artikel 1.1.sub b.(21) Zie artikel 1.1.sub b.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wet implementatie richtlijnen elektronische handel.
Bij Kabinetsmissive van 16 maart 2020, no.2020000525, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Financiën, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet implementatie richtlijnen elektronische handel), met memorie van toelichting.Het wetsvoorstel wijzigt de Wet op de omzetbelasting 1968 om richtlijn 2017/2455 over bepaalde btw-verplichtingen voor diensten en afstandsverkopen van goederen (zie noot 1) en richtlijn 2019/1995 over afstandsverkopen en bepaalde binnenlandse leveringen van goederen (zie noot 2) te implementeren. Deze richtlijnen elektronische handel strekken tot aanpassing van twee oudere richtlijnen (zie noot 3) in verband met de explosieve groei van de elektronische handel en daarmee ook van de verkoop op afstand van goederen. Om te voldoen aan deze richtlijnen elektronische handel heeft Nederland de verplichting uiterlijk op 31 december 2020 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken en deze vanaf 1 januari 2021 toe te passen.De Afdeling advisering van de Raad van State maakt een opmerking over de implementatie van de richtlijnen elektronische handel. Volgens de uitvoeringstoets van de Belastingdienst is uitvoering daarvan op zijn vroegst in 2024 mogelijk.In verband daarmee is aanpassing van de toelichting wenselijk.1. Achtergrond en inhoud van de richtlijnen elektronische handelRichtlijn 2017/2455 is een reactie op de explosieve groei van de elektronische handel en op een evaluatie van een aantal bijzondere regelingen. Deze richtlijn bevat diverse aanpassingen voor de omzetbelastingheffing bij elektronische handel, grensoverschrijdende internetverkopen van goederen en diensten aan particulieren en niet-ondernemers in de Unie. Bij die verschillende maatregelen is rekening gehouden met het beginsel van omzetbelastingheffing in het land van bestemming en de behoefte om de belastinginkomsten van de lidstaten te beschermen, met het creëren van gelijke concurrentievoorwaarden voor de betrokken bedrijven en met het zo veel mogelijk beperken van de lasten voor hen. Richtlijn 2019/1995 geeft een aantal aanvullende regels.De richtlijnen elektronische handel bevatten aanpassingen in diverse, verschillende btw-regelingen op het gebied van elektronische handel. Zonder uitputtend te zijn, houden de aanpassingen in de verschillende regelingen onder meer in:- Er is eerder btw verschuldigd in de lidstaat waar de consument woont.- De btw-vrijstelling bij invoer van goederenzendingen met een waarde van maximaal € 22 vervalt.- Voor ondernemers vindt een uitbreiding plaats van een aantal bijzondere regelingen, waarvoor zij - als zij aan de voorwaarden voldoen - kunnen kiezen.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van het Besluit register onderwijsdeelnemers en tot intrekking van het Besluit experimenten doorlopende leerlijnen vmbo-mbo 2014-2022.
Bij Kabinetsmissive van 5 juni 2020, no.2020001131, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, mede namens de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit register onderwijsdeelnemers en tot intrekking van het Besluit experimenten doorlopende leerlijnen vmbo-mbo 2014-2022 in verband met de invoering van doorlopende leerroutes vmbo-mbo, met nota van toelichting.De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen opmerkingen over het ontwerpbesluit en adviseert het besluit te nemen.Gelet op artikel 26, zesde lid jo vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, adviseert de Afdeling dit advies openbaar te maken.De vice-president van de Raad van StateNader rapport (reactie op het advies) van 6 juli 2020Het voorstel geeft de Afdeling advisering van de Raad van State geen aanleiding tot het maken van inhoudelijke opmerkingen.Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om nog een tekstuele correctie aan te brengen in artikel 6, vijfde lid, van het Besluit register onderwijsdeelnemers. In de aanhef van dat lid wordt de zinsnede ‘voor zover van toepassing’ ingevoegd. Met de toevoeging van gegevens over de doorlopende leerroute zijn immers niet meer alle in het vijfde lid genoemde gegevens op elke onderwijsdeelnemer van toepassing. Hiermee wordt aangesloten bij de formulering in de overige leden van artikel 6.Naast bovengenoemde wijziging wordt de inwerkingtreding van het besluit nu in dit besluit zelf geregeld in plaats van bij afzonderlijk koninklijk besluit.Ik bied U hierbij, mede namens de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting aan en verzoek U overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Machtigingswet oprichting Invest International.
Bij Kabinetsmissive van 9 april 2020, no.2020000763, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, mede namens de Minister van Financiën, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet, houdende machtiging tot oprichting van de Nederlandse financierings- en ontwikkelingsinstelling Invest International (Machtigingswet oprichting Invest International), met memorie van toelichting.Het voorstel strekt tot oprichting van Invest International, een nieuwe instelling, voor de uitvoering van activiteiten op het terrein van exportfinanciering en buitenlandse investeringen.De Afdeling advisering van de Raad van State maakt naar aanleiding van het wetsvoorstel een aantal opmerkingen. Zij begrijpt de wens om aan ondernemers, middels één loket, dienstverlening en expertise aan te bieden voor de ontwikkeling van internationale projecten waarin de markt zelf nog niet voorziet. Tegelijkertijd roept het voorstel problemen op in de vormgeving en besturing (governance) van (de besloten vennootschap) Invest International, en is de doelomschrijving van het voorstel onvoldoende afgebakend. Ook is onduidelijk welk normrendement geldt bij de financieringsactiviteiten van Invest International. In verband daarmee dient het wetsvoorstel nader te worden overwogen.1. InleidingDit wetsvoorstel vloeit voort uit het regeerakkoord "Vertrouwen in de toekomst" waarin is aangegeven dat het kabinet de oprichting van de Nederlandse financierings- en ontwikkelingsinstelling Invest-NL doorzet. Aanvankelijk zou Invest-NL, additioneel aan de markt, niet alleen ondersteuning bieden aan ondernemingen die een bijdrage leveren aan de economie in Nederland, maar ook aan ondernemingen en internationale projecten in het buitenland. Het gaat onder meer om projecten die voorzien in oplossingen voor wereldwijde vraagstukken, zoals de Sustainable Development Goals (SDG’s) van de Verenigde Naties. Er wordt ondersteuning geboden in de vorm van financiering, projectontwikkeling, en subsidieregelingen. Ten behoeve van de ondersteuning van projecten in het buitenland, zou Invest-NL een samenwerkingsverband met de Nederlandse Financierings-Maatschappij voor Ontwikkelingslanden N.V. (FMO) aangaan. (zie noot 1)Bij indiening van het wetsvoorstel voor de oprichting van Invest-NL bij de Tweede Kamer werd aangekondigd dat van het voornemen van een samenwerkingsverband tussen Invest-NL en FMO is afgezien en dat een separate instelling zou worden opgericht voor het internationale onderdeel van Invest-NL. Reden voor deze wijziging, aldus het kabinet, was gelegen in de complicaties in de governance die het onderbrengen van de internationale taken in Invest-NL zou opleveren. Inmiddels is het (aldus aangepaste) voorstel voor een machtigingswet tot oprichting van Invest-NL aangenomen door de Eerste en Tweede Kamer en is Invest-NL ook al in werking getreden. (zie noot 2)Dit wetsvoorstel beoogt - in de plaats van het oorspronkelijke plan - Invest International B.V. op te richten, een joint venture van de Staat (51%) en de publiek-private ontwikkelingsbank FMO (49%). (zie noot 3) De toelichting op het voorstel vermeldt dat de eerder beoogde joint venture tussen Invest-NL en FMO dusdanig ingewikkeld was dat governance issues optraden en dat ook de overlap tussen de nationale en internationale doelgroepen van Invest-NL en FMO te beperkt zou zijn. (zie noot 4) Daarnaast zou de vermeende synergie tussen de nationale en internationale activiteiten gering blijken te zijn. Daarom is gekozen voor de oprichting van een afzonderlijke entiteit naast Invest-NL.De opzet van het voorstel voor de nieuwe vennootschap Invest International is dezelfde als die is gekozen voor Invest-NL. Zo is bepaald dat Invest International aanvullend op de markt opereert. Verder kent Invest International een investeringstaak, een ontwikkelingstaak en een regelingentaak (uitvoering van subsidieregelingen en subsidiebesluiten). (zie noot 5)Bijzonderheid bij Invest International is evenwel dat dit een samenwerkingsverband betreft tussen de publiek-private ontwikkelingsbank FMO en de Staat. Zoals gezegd is de Staat voor 51% aandeelhouder in Invest International. (zie noot 6) FMO, die 49% aandeelhouder van Invest International wordt, is zelf een staatsdeelneming, maar voor slechts 51%.Uit de toelichting blijkt dat Invest International verder zal samenwerken met vele partijen. (zie noot 7) Zo zal er worden samengewerkt met Atradius Dutch State Business (DSB), FMO, Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) en tevens Invest-NL B.V. om de financiële kennis, advisering en dienstverlening bij elkaar te brengen zodat bedrijven vanuit één loket goed worden bediend en partijen zo nodig worden doorverwezen. De samenwerking tussen de partijen wordt vormgegeven door middel van samenwerkingsprotocollen. Verder zal Invest International intensief samenwerken met uiteenlopende partijen zoals Nederlandse banken en - op internationaal niveau - met buitenlandse banken en overheden, ngo’s, ambassades, toezichthouders, projectinitiators en internationale financiële instellingen.Deze bundeling van bestaande dienstverlening, instrumenten en expertise, in combinatie met additionele middelen voor projectontwikkeling en investeringen via een kapitaalstorting, zal Nederlandse ondernemingen beter in staat stellen aan financiering te komen voor grote maatschappelijke en ontwikkelingsrelevante investeringsprojecten buiten Nederland, aldus de toelichting op het voorstel. (zie noot 8)2. Vormgeving, sturing en verantwoordelijkheden (governance)Eén loket voor verschillende takenDe Afdeling begrijpt de wens om de bij verschillende organisaties beschikbare dienstverlening, instrumenten en expertise bij elkaar te brengen. Het gevolg van het integreren van verschillende taken in Invest International is echter wel dat er een "gedifferentieerde vorm van aansturing en verantwoording" nodig zal zijn. (zie noot 9) Voor bepaalde taken van Invest International zal de Staat op afstand moeten worden geplaatst (met name voor wat betreft de investeringstaak). Voor andere taken is er juist weer aansturing van de Minister nodig (voor wat betreft de regelingentaak is dit de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking). Er ontstaan verantwoordelijkheden die goed van elkaar moeten worden onderscheiden. De (juridische) vormgeving en daarmee ook sturing, verantwoording en verantwoordelijkheden (governance) zijn uitermate complex.Bij het voorstel voor de oprichting van Invest-NL - dat een hiermee sterk vergelijkbare opzet kent - plaatste de Afdeling eerder al opmerkingen over de wijze van aansturing. (zie noot 10) In het bijzonder wees zij op het gevaar dat met een te sluiten aanvullende overeenkomst de beoogde onafhankelijke positie bij de investeringstaken in gevaar komt. Verder merkte zij op dat door de hiërarchische relatie bij de uitvoering van subsidieregelingen (er is sprake van mandaat) de beoogde onafhankelijke positie bij de investeringstaken in de knel kan komen, nu investeringstaken en subsidietaken vaak samengaan. Deze opmerkingen zijn hier, omdat is gekozen voor een zelfde opzet, mutatis mutandis van toepassing. Daarenboven wijst de Afdeling op het volgende.Aandeelhouderschap FMOHet is de Afdeling niet op voorhand duidelijk waarom een verdere complicatie wordt aangebracht door FMO medeaandeelhouder van Invest-International te maken. Zoals eerder al is onderkend zouden ook bij een joint venture tussen Invest-NL en FMO ingewikkelde governance vraagstukken opkomen. Besloten werd dan ook om af te zien van deze joint venture. De toelichting zelf illustreert de complicaties die nu het gevolg zijn van de keuze om de regelingentaak te integreren in Invest International en om FMO medeaandeelhouder te laten zijn. (zie noot 11)Zo bespreekt de toelichting dat de financierings- en de regelingentaak niet in één en dezelfde rechtspersoon kan worden samengebracht. Het risico kan immers ontstaan dat oneigenlijke informatie-uitwisseling, dan wel wederzijdse beïnvloeding plaatsvindt. Enerzijds kan de benodigde zakelijkheid en onafhankelijkheid bij het uitvoeren van de investeringstaak in het geding komen, en anderzijds ook de neutrale uitvoering van de subsidieregelingen overeenkomstig de beginselen van behoorlijk bestuur. (zie noot 12) Daarbij dient te worden bedacht dat FMO naast de Staat verschillende niet tot de overheid behorende partijen als aandeelhouder heeft (te weten commerciële banken, bepaalde vakbonden en andere private investeerders) wier belangen met die van de overheid in een Invest International constructie niet op voorhand parallel lopen.De investeringstaak en de regelingentaak worden daarom ondergebracht in twee afzonderlijke dochterondernemingen. De aansturing van die dochterondernemingen vindt vervolgens weer op verschillende wijzen plaats. De toelichting stelt dat de sturing (en verantwoording) door de Staat niet via het aandeelhouderschap verloopt, maar via het wettelijk kader, en verder wordt gewezen op de gebruikelijke rolverdeling tussen aandeelhouders en het bestuur van de vennootschap. Er wordt een bijzondere sturing door de minister voor BHOS op de regelingentaak geïntroduceerd, en er wordt verwezen naar artikel 9 van het voorstel dat nadere regelgeving mogelijk maakt ten aanzien van de uitoefening van taken. (zie noot 13)De Afdeling mist een uitleg over hoe een en ander samenhangt, wat dit betekent voor de verschillende verantwoordelijkheden van de onderscheiden ministers en voor de verantwoording door het bestuur aan hen, als aandeelhouder respectievelijk beleidsverantwoordelijke, en vervolgens hoe dit zich verhoudt tot sturing door en verantwoording aan de andere aandeelhouder (FMO) en wat zulks vervolgens voor de verschillende aandeelhouders van FMO kan betekenen.Het voorgaande roept de vraag op of het niet veel eenvoudiger was geweest om met de relevante organisaties, zoals FMO, een samenwerkingsprotocol vast te stellen zoals dat ook is gebeurd ten aanzien van bijvoorbeeld Atradius DSB. De formele juridische vormgeving van de samenwerking kan vervolgens praktisch worden ingevuld door de meest relevante onderdelen van de verschillende organisaties zo efficiënt mogelijk te laten samenwerken. Verder zou het ook nuttig kunnen zijn als de activiteiten van NL Business van FMO worden overgenomen en worden voortgezet door Invest International. Die inbreng kan tegen een marktconforme vergoeding plaats vinden; daar hoeft niet per se een mede-aandeelhouderschap van FMO tegenover te staan. In de toelichting op het voorstel wordt daar niet op ingegaan. Bij de bespreking van de alternatieve mogelijkheden wordt enkel uitgelegd dat FMO en RVO de bestaande knelpunten bij export- en internationale financiering niet kunnen oplossen, vanwege de beperkte sector- en landenfocus en de beperkte financieringsmogelijkheden van deze instellingen. (zie noot 14)Regelingen- en ontwikkelingstaakIn het advies over Invest-NL is ook gewezen op de governance-vraagstukken die rijzen wanneer activiteiten van verschillende aard, met verschillende sturings- en verantwoordingsvoorwaarden, worden samengevoegd; in het bijzonder wees de Afdeling in dat verband op de investeringstaak en de regelingentaak in Invest-NL. (zie noot 15)Uit de voorbeelden in de toelichting blijkt op zichzelf het nut van samenwerking tussen FMO, de Staat en diverse andere organisaties, maar niet dat het per se noodzakelijk is om de regelingentaak en ontwikkelingstaak onder te brengen in dochterondernemingen van Invest International. (zie noot 16) Bij het voorbeeld van de Nederlandse MKB-onderneming in een opkomende markt wordt door Invest International een integrale oplossing geboden die bestaat uit zes verschillende elementen, zoals leningen, garanties, een ontwikkelbudget en export kredietverzekering. Hierbij wordt wat betreft de export kredietverzekering samengewerkt met Atradius DSB. Niet wordt besproken waarom in dit geval een dergelijke samenwerking niet ook mogelijk is voor het ontwikkelbudget van RVO. Bij het voorbeeld van het havenproject in Afrika wordt als voordeel van Invest International aangegeven dat door commerciële kredietverlening en subsidie van RVO via een "one stop shop" aan te bieden de onzekerheid en vertraging wordt beperkt. Niet wordt besproken waarom dit niet ook het geval kan zijn bij een nauwe samenwerking met RVO, zoals kennelijk ook mogelijk is bij de nauwe samenwerking met Atradius DSB bij het vorige voorbeeld.De Afdeling adviseert in de toelichting nader op beide voorgaande opmerkingen in te gaan, mede in het licht van de opmerkingen die de Afdeling in het vorige advies over Invest-NL maakte over de wijze van aansturing en de regelingentaak, en het voorstel wat betreft de vormgeving aan te passen.3. DoelomschrijvingArtikel 3 van het wetsvoorstel bepaalt dat Invest International tot doel heeft ondersteuning te bieden voor op het buitenland gerichte activiteiten van ondernemingen en internationale projecten die een bijdrage leveren aan de Nederlandse economie, waaronder internationale projecten die voorzien in oplossingen voor wereldwijde vraagstukken. Invest International ontplooit haar activiteiten additioneel aan de markt, door middel van financiering en projectontwikkeling.De Afdeling merkt op dat deze doelomschrijving zeer ruim is en daardoor weinig onderscheidend vermogen heeft. Een bijdrage aan de Nederlandse economie wordt immers al snel geleverd indien er sprake is van een relatie met Nederlandse bedrijven. Dat de oplossing van wereldwijde vraagstukken daar ook onder moet worden begrepen draagt niet bij aan het onderscheidend vermogen van de doelomschrijving. Zoals de Afdeling eerder heeft opgemerkt over Invest-NL is de te sluiten aanvullende overeenkomst geen geschikt instrument om tot een nadere afbakening te komen. (zie noot 17) Bij Invest-NL heeft het kabinet vervolgens zijn voorstel ook aangepast en is een nadere afbakening van de doelomschrijving aangebracht, naast de ruimte die is gelaten om in een aanvullende overeenkomst de terreinen aan te wijzen waarop Invest-NL zich zal gaan concentreren. (zie noot 18)Niet gemotiveerd is waarom in het geval van Invest-International geen duidelijke beperking is aangebracht. De doelomschrijving "de rest van de wereld" is nog minder onderscheidend dan "Nederland".De Afdeling adviseert in het voorstel zelf tot een nadere afbakening te komen van de doelomschrijving, en het voorstel dienovereenkomstig aan te passen.4. Additionaliteit en normrendementIn de gekozen opzet treedt Invest International ingevolge het principe van additionaliteit alleen op daar waar in de markt de financiering van initiatieven gericht op maatschappelijke transitieprocessen niet of onvoldoende van de grond komt. Dit maakt deze financieringsactiviteiten al snel risicovol. Tegelijkertijd is blijkens de toelichting het streven, uit oogpunt van het uitgavenkader en de EMU, dat de kapitaalstorting van € 800 miljoen als financiële transactie wordt gekwalificeerd en niet als uitgave voor het bereiken van bepaalde beleidsdoelen. (zie noot 19) Daarbij hoort een bepaald normrendement. Het voorstel legt deze norm niet neer en geeft hierover ook overigens geen uitsluitsel of normstelling.Voor de ruimte die Invest International krijgt om effectief financiering in te zetten en additioneel aan de markt te zijn, is het evenwel van groot belang op welk niveau het normrendement wordt bepaald. Juist een beperkt negatief rendement zou goed kunnen passen bij de relatief grote risico’s van de investeringen en de maatschappelijke doelstelling van Invest International. Dit zou inderdaad kunnen betekenen dat de kapitaalstorting niet als financiële transactie moet worden gezien, en dan onder het uitgavenkader valt en ten laste van het overheidssaldo (EMU-saldo) komt. Maar waarom dat in dit geval als een belangrijk nadeel geldt wordt niet gemotiveerd. Van belang is overigens nog wel hoe het risicomanagement binnen Invest International gestalte wordt gegeven.De Afdeling adviseert in de toelichting nader op het voorgaande in te gaan.De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal bezwaren bij het voorstel en adviseert het voorstel niet bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal in te dienen, tenzij het is aangepast.De vice-president van de Raad van StateNader rapport (reactie op het advies) van 10 juli 20202. Vormgeving, sturing en verantwoordelijkheden (governance)Eén loket voor verschillende takenDe Afdeling merkt op dat de (juridische) vormgeving en daarmee ook sturing, verantwoording en verantwoordelijkheden (governance) uitermate complex zijn.Omdat de opzet van Invest International sterk vergelijkbaar is met die van Invest-NL wordt door de Afdeling verwezen naar eerdere opmerkingen, uit het advies over de Machtigingswet oprichting Invest-NL, over de wijze van aansturing.Het kabinet onderkent dat de opzet van Invest International complex is. Deze complexiteit is echter het gevolg van het samenbrengen van reeds bestaande en nieuwe dienstverlening. Het is een uitdrukkelijk wens van het kabinet en van de gebruikers om de regelingen en de financieringsactiviteiten samen te brengen in een gespecialiseerde en op financiering gerichte financiële instelling. In de vormgeving hiervan zijn verschillende keuzes te maken. Hieronder zal nader worden toegelicht waarom het kabinet de gekozen opzet als beste optie beschouwt.Een belangrijke aanleiding voor de oprichting van deze nieuwe instelling is het samenbrengen van middelen en expertise in één organisatie met als doel het zo goed mogelijk bedienen van de Nederlandse onderneming die exporteert en investeert buiten Nederland, waarbij alle expertise als het gaat om het financieren en ontwikkelen van projecten in het buitenland is ondergebracht bij één gespecialiseerde partij. De gekozen opzet van Invest International zorgt voor een goede toegang en duidelijkheid voor het Nederlands bedrijfsleven: de organisatie biedt een one-stop-shop voor Nederlandse ondernemers die internationaal zaken willen doen. De organisatie zal direct contact onderhouden met andere financiers en een platformfunctie vervullen richting overige financieringspartijen, waardoor een onderneming niet zelf zijn weg hoeft te zoeken bij de bestaande financieringsopties. Ook zal Invest International een duidelijk aanspreekpunt bieden aan buitenlandse overheden die op zoek zijn naar financiering voor (publieke infrastructuur-)projecten. Daarnaast is sprake van synergie tussen financieringsinstrumenten; Invest International biedt een breed financieringsaanbod gericht op de hele range aan internationale activiteiten (projectontwikkeling, export-, investerings-, en projectfinanciering) voor zowel het MKB en grootbedrijf als voor buitenlandse overheden. De organisatie gaat werken met een projectontwikkelingstak, waardoor er een gezamenlijke projectenpijplijn wordt opgebouwd en die ertoe leidt dat activiteiten worden ontplooid die de markt vaak (nog) niet oppakt. Door het brede financieringsaanbod kan de organisatie gericht inspelen op de behoeften van de klant. Intern wordt gekeken naar de beste financieringsopties en mogelijke blending van verschillende instrumenten. De klant krijgt op deze wijze een maatwerk-financieringsoplossing aangeboden. Daarnaast kunnen klanten efficiënter worden bediend door bijv. de procedures voor de toetsing aan geldende IMVO-eisen en due diligence-regels te harmoniseren.Door het bundelen van de regelingen en de projectontwikkeling met het investeringskapitaal worden een groot aantal financiële professionals samengebracht met expertise op verschillende terreinen, waaronder export- en investeringsfinanciering, publieke projecten, IMVO, geografische regio’s, risicomanagement en portfoliobeheer, die nu werkzaam zijn bij verschillende instellingen. Door het samenbrengen van deze expertises zal er formele en informele uitwisseling van kennis, best practices, procedures e.d. plaatsvinden. Ook kan Invest International zich in de markt positioneren als interessante financiële partij en zo talent aantrekken.De uitvoering van de wettelijke taken wordt van elkaar gescheiden op een zodanige wijze dat de onafhankelijke beoordeling over het al dan niet toekennen van een subsidie of het verstrekken van een lening niet in het geding komt. Dit wordt uitgewerkt in de interne processen van Invest International. Er zijn voorbeelden waarbij verschillende taken ook binnen één onderneming zijn georganiseerd. Een voorbeeld is FMO, die zowel via de eigen balans als via de door haar uitgevoerde publieke programma’s activiteiten ontplooit. Een ander voorbeeld hiervan is Atradius NV, die zowel een commerciële kredietverzekeraar is (Atradius NV) en daarnaast als staats-exportkredietverzekeraar (Atradius Dutch State Business NV; ADSB) functioneert.In de huidige situatie hebben de betrokken organisaties ieder een eigen doel, verantwoordelijkheid en werkwijze. Interne processen of interne eisen zijn vaak verschillend bij deze organisaties, wat voor praktische problemen in de samenwerking zorgt. De Raad van Bestuur (RvB) en de Raad van Commissarissen (RvC) krijgen de opdracht het doel en de strategie van Invest International zo goed mogelijk uit te voeren en synergie te creëren. Het gescheiden houden van de beslissingsbevoegdheid van de verschillende taken is bedoeld om onafhankelijke besluitvorming te waarborgen en kruissubsidiëring te voorkomen, en staat hier los van. Een dergelijke constructie is niet ongebruikelijk bij financiële instellingen. Zo is binnen FMO de beslissingsbevoegdheid voor de debt en equity portefeuilles gescheiden. Een ander voorbeeld bestaat bij grootbanken waarbij de fusie en overname begeleiders gescheiden zijn van het onderdeel waar leningen worden uitgegeven.Door diensten onder één dak te brengen, onder eindverantwoordelijkheid van één RvB (met in achtneming van de ministeriële verantwoordelijkheid voor de regelingen), komt een integraal aanbod van op export en buitenlandse investeringen gerichte financieringsinstrumenten beschikbaar dat voor de ontvanger aantrekkelijker is dan in het door de Afdeling voorgestelde alternatief, dat er met verschillende organisaties op basis van samenwerkingsprotocollen en overeenkomsten gewerkt zou worden.Aansturing en verantwoordingDe Afdeling wijst specifiek op de extra complexiteit die het integreren van de regelingentaak in de nieuwe instelling en het aandeelhouderschap van FMO met zich brengen. Met betrekking tot het eerste punt vraagt de Afdeling om een toelichting op de samenhang tussen de aansturing op de investerings- en regelingentaak, de verschillende verantwoordelijkheden van de onderscheiden ministers en de verantwoording van het bestuur aan hen.Voor het algehele functioneren van Invest International in financiële en bedrijfsmatige zin is de Minister van Financiën in de rol van aandeelhouder namens de Staat eerstverantwoordelijke. De Minister van Financiën legt vervolgens in het Jaarverslag Beheer Staatsdeelnemingen verantwoording af over de invulling van het aandeelhouderschap van Invest International (en andere staatsdeelnemingen waaronder FMO). De Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking (BHOS) draagt de politieke en beleidsinhoudelijke verantwoordelijkheid voor de beleidsterreinen waarop Invest International actief is. De Raad van Bestuur (RvB) van Invest International, belast met het dagelijks bestuur van de onderneming, is verantwoordelijk voor het opstellen en ten uitvoer brengen van een overkoepelende meerjarige strategie. In de strategie van de onderneming zal het geïntegreerde aanbod (i.e. de bundeling van regelingen, investeringskapitaal en ontwikkeldiensten) worden uitgewerkt, in lijn met de één-loketgedachte. Over deze overkoepelende strategie legt het bestuur verantwoording af aan beide aandeelhouders.Overigens merkt de Afdeling op dat de toelichting stelt dat de sturing (en verantwoording) door de Staat niet via het aandeelhouderschap verloopt, maar via het wettelijk kader. Dit geldt alleen voor de ontwikkeltaak en de regelingentaak. Voor de ontwikkeltaak geldt dat de subsidievoorschriften uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing zijn op subsidieverlening (paragraaf 4.2.8.5 van de Awb). Voor de regelingentaak geldt dat Invest International uitsluitend schenkingsprogramma’s en subsidieregelingen uitvoert krachtens een door de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking (BHOS) verleende volmacht respectievelijk mandaat. Anders dan voor de regelingentaak en ontwikkeltaak wordt de investeringstaak door Invest International uitgevoerd met behulp van eigen financiële middelen en verloopt de sturing en verantwoording door de Staat via het aandeelhouderschap.Om de governance en sturingsmogelijkheden van de beide bewindspersonen te verduidelijken is onderstaand overzicht opgesteld. Dit overzicht is ook toegevoegd aan de memorie van toelichting. De cijfers in het organogram corresponderen met de cijfers in de tabel eronder.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Tijdelijke wet maatregelen covid-19.
Bij Kabinetsmissive van 12 juni 2020, no.2020001188, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, mede namens de Minister van Justitie en Veiligheid en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet houdende Tijdelijke bepalingen in verband met maatregelen ter bestrijding van de epidemie van covid-19 voor de langere termijn (Tijdelijke wet maatregelen covid-19), met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Besluit gemeentelijke schuldhulpverlening.
Bij Kabinetsmissive van 28 april 2020, no.2020000891, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende regels voor de uitvoering van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Besluit gemeentelijke schuldhulpverlening), met nota van toelichting.Het ontwerpbesluit regelt onder meer een nadere invulling van de wettelijke grondslagen voor gegevensverwerking door gemeenten in het kader van schuldhulpverlening. (zie noot 1) Zo regelt het besluit welke signalen een goede indicatie vormen voor de vroegsignalering van schulden, welke personen en instanties informatie aan de gemeenten verstrekken en aan wie het college onder voorwaarden gegevens verstrekt die noodzakelijk zijn voor hun rol bij de gemeentelijke schuldhulpverlening.De Afdeling advisering van de Raad van State maakt een opmerking over de bewaartermijn voor het verstrekken van gegevens over een schuldhulpverleningstraject door gemeenten aan derden. In verband daarmee is aanpassing wenselijk van de toelichting.Het ontwerpbesluit regelt onder meer dat het college het gegeven dat de cliënt schuldhulpverlening ontvangt verstrekt aan de gerechtsdeurwaarders, verstrekkers van de signalen, schuldeisers, bewindvoerders en kredietverstrekkers. (zie noot 2) Het is van belang dat deurwaarders, schuldeisers, bewindvoerders en kredietverstrekkers op de hoogte zijn dat een persoon schuldhulpverlening ontvangt, aldus de toelichting. (zie noot 3) Het ontwerpbesluit regelt niet hoe lang deze partijen deze informatie mogen bewaren. Ook in de toelichting wordt geen duiding gegeven van een bewaartermijn, maar wordt slechts vermeld dat de betrokken organisaties hierover nadere afspraken kunnen maken. Aldus is het aan partijen overgelaten of zij hierover afspraken maken en zo ja, welke bewaartermijn zij daarin vastleggen.De Afdeling merkt op dat het verstrekken van het gegeven dat iemand schuldhulpverlening ontvangt door de gemeente aan een derde, voor betrokkenen ingrijpend is. De Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) vereist dat de verwerking van persoonsgegevens beperkt blijft tot hetgeen noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt en ter zake dienend is. Dit brengt met zich dat de opslag van persoonsgegevens moet worden beperkt tot het strikte minimum. (zie noot 4) Voor betrokkenen die een traject van schuldhulpverlening succesvol hebben kunnen afronden, is het van groot belang om daarna daadwerkelijk met een schone lei te kunnen beginnen. Dit wordt bemoeilijkt als een eerder schuldhulpverleningstraject de betrokkene onnodig lang wordt nagedragen.Gelet hierop is een nadere duiding van de bewaartermijn in de toelichting aangewezen. De Afdeling adviseert daarbij in te gaan op wat elders wordt vermeld in de toelichting ten aanzien van hetgeen gebruikelijk is voor het Bureau Kredietregistratie (BKR) en het Centraal Insolventieregister. Het BKR registreert saneringskredieten en schuldregelingen tot vijf jaar na beëindiging van de schuld. In het Centraal Insolventieregister staan schuldsaneringen die de rechter op grond van de Wet schuldsanering natuurlijke personen uitspreekt tot zes maanden na beëindiging.De Afdeling adviseert in de toelichting op het voorgaande in te gaan.De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal opmerkingen bij het ontwerpbesluit en adviseert daarmee rekening te houden voordat een besluit wordt genomen.De vice-president van de Raad van StateVoetnoten(1) Artikel 8 Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, en artikel 3, eerste lid, onder b, zoals voorgesteld in de Wet tot Wijziging van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, Kamerstukken I 2019/20, 35316, A.(2) Voorgesteld artikel 17, eerste lid.(3) Nota van toelichting, paragraaf 6.(4) Zie artikel 5, eerste lid, onder e, en r.o. 39, Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG, PbEU 2016, L 119/1 (Algemene verordening gegevensbescherming).
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Tijdelijk besluit specifieke uitkering verbetering digitale dienstverlening.
Bij Kabinetsmissive van 6 mei 2020, no.2020000938, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende tijdelijke regels voor de toekenning van een specifieke uitkering aan gemeenten en provincies ten behoeve van innovatie in de digitale dienstverlening (Tijdelijk besluit specifieke uitkering verbetering digitale dienstverlening), met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van de Winkeltijdenwet in verband met de bescherming van winkeliers.
Bij Kabinetsmissive van 27 maart 2020, no.2020000647, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Winkeltijdenwet in verband met de bescherming van winkeliers tegen eenzijdige wijzigingen van openingstijden, met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wet verandering koppeling AOW-leeftijd.
Bij Kabinetsmissive van 27 maart 2020, no.2020000609, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Algemene Ouderdomswet en de Wet op de loonbelasting 1964 in verband met de verandering van de koppeling van de AOW- en pensioenrichtleeftijd aan de stijging van de levensverwachting (Wet verandering koppeling AOW-leeftijd), met memorie van toelichting.Het wetsvoorstel voorziet in een aanpassing van de Algemene Ouderdomswet (AOW), ter uitvoering van de afspraken die het kabinet met sociale partners in het op 5 juni 2019 gesloten Pensioenakkoord heeft gemaakt. Daardoor stijgt de AOW-leeftijd vanaf 2025 niet één op één mee met de ontwikkeling van de (resterende) levensverwachting, maar met 2/3 van een jaar stijging van de levensverwachting. Daarmee ontstaat naar het oordeel van het kabinet een meer evenwichtige verhouding tussen de winst in levensverwachting en de leeftijd waarop het recht op ouderdomspensioen op grond van de AOW ontstaat. Het wetsvoorstel geeft de Afdeling advisering van de Raad van State als zodanig geen aanleiding tot het maken van opmerkingen. Wel merkt zij bij het voorstel het volgende op.Uit de toelichting blijkt dat het voorstel een aanzienlijk en structureel beslag legt op de overheidsfinanciën. (zie noot 1) Ook wordt gewezen op nieuwe cijfers van het Centraal Planbureau. Daaruit komt een gunstige ontwikkeling van het houdbaarheidssaldo door een hogere verwachte arbeidsparticipatie naar voren. Gelet hierop acht de regering het verantwoord om de koppeling van de AOW-leeftijd aan de levensverwachting te matigen. Dat versterkt het draagvlak voor de noodzakelijke koppeling van de AOW- en pensioenrichtleeftijd aan de levensverwachting en leidt tot een meer evenwichtige balans tussen werk en pensioen.De Afdeling merkt op dat thans onduidelijk is wat de gevolgen zullen zijn van de corona-crisis voor de overheidsfinanciën, alsook voor het stelsel van aanvullende pensioenen. Er moet rekening mee worden gehouden dat die gevolgen ook op de langere termijn groot zijn en dat de uitvoering van het Pensioenakkoord hierdoor diep kan worden geraakt. (zie noot 2) Tegen de achtergrond van de huidige crisis is het volgens de Afdeling thans dan ook niet goed in te schatten of de gevolgen van het voorliggende voorstel op verantwoorde wijze te dragen zullen zijn.De Afdeling adviseert daarom pas op de plaats te maken met het voorstel totdat hierover meer duidelijkheid bestaat.De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een opmerking bij het voorstel en adviseert daarmee rekening te houden voordat het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal wordt ingediend.De vice-president van de Raad van StateNader rapport (reactie op het advies) van 6 juli 2020De coronapandemie heeft grote gevolgen voor de mondiale economie en ook in Nederland zijn de economische gevolgen merkbaar. In veel sectoren is de economische activiteit tot stilstand gekomen of vertraagd als gevolg van de contactbeperkende maatregelen. Ook de gevolgen van de coronacrisis voor de overheidsfinanciën zijn groot. Het kabinet neemt maatregelen om de gevolgen van de recessie voor burgers en bedrijven zoveel mogelijk te beperken. In maart heeft het kabinet een eerste noodpakket gepresenteerd om ervoor te zorgen dat zo veel mogelijk mensen hun baan behouden en dat bedrijven de crisis doorstaan. Met een tweede pakket zijn deze maatregelen verlengd. Deze maatregelen zijn noodzakelijk, maar de kosten ervan zijn hoog. Tegelijkertijd leidt de afgenomen economische activiteit tot een afname van de belasting- en premie-inkomsten en een toename aan conjunctuurgevoelige uitgaven, zoals bijvoorbeeld werkloosheidsuitkeringen. De overheidsschuld loopt hierdoor op korte termijn sterk op. De ruimte om de schuld op te laten lopen is er, omdat de schuld in de jaren dat het economisch voor de wind ging, gestaag is afgebouwd.De precieze impact op de Nederlandse economie en de overheidsfinanciën zal afhangen van de snelheid waarmee het coronavirus onder controle komt in binnen- en buitenland, hetgeen op dit moment niet met zekerheid te voorspellen is. Voor de korte termijn (2020 en 2021) heeft het CPB verschillende scenario’s uitgewerkt om de mogelijke gevolgen in kaart te brengen van het coronavirus voor de economie en voor de overheidsfinanciën (zie noot 3). De scenario’s verschillen in de duur en de diepte van de economische crisis. In het basisscenario krimpt de economie in 2020 met 6%, gevolgd door een herstel van 3% in 2021. De uitgaven aan noodpakketten en de teruglopende inkomsten leiden, gepaard met een lagere economische groei, in dit scenario tot een begrotingstekort van 8% van het bbp in 2020 en 5% in 2021. De overheidsschuld loopt in het scenario op van 49% van het bbp eind 2019 naar 62% van het bbp eind 2021. In de scenario’s met een zwak herstel van de economie of een tweede golf komt de EMU-schuld eind 2021 uit op 76% van het bbp. Volgens het CPB blijft de schuld hiermee ‘op ruime afstand van niveaus die in de literatuur als risicovol worden aangemerkt’. In hoeverre de huidige gezondheidscrisis gevolgen heeft voor de houdbaarheid van de overheidsfinanciën op lange termijn, is niet in de CBP-scenario’s meegenomen. Op Prinsjesdag publiceert het CPB een nieuwe middenlangetermijnraming. Deze raming zal ook een eerste inschatting zal geven van de gevolgen van de crisis voor de houdbaarheid van de overheidsfinanciën.De gevolgen van de coronacrisis voor het stelsel van aanvullende pensioenen zijn nog niet duidelijk. Pensioen is in beginsel de resultante van premie en rendement, en met name de gevolgen van de crisis op het rendement is ongewis. Na de enorme daling op de internationale financiële markten in maart 2020, lijkt een voorzichtig herstel ingezet. De volatiliteit in de markt geeft geen aanleiding om voorafgaand aan het gebruikelijke toetsmoment op 31 december van een jaar maatregelen te nemen.De noodzaak van het hervormen van het arbeidsvoorwaardelijk pensioen blijft ook na de coronacrisis onverminderd van belang om een goede oudedagsvoorziening te bieden voor huidige en toekomstige generaties ouderen. Op 19 juni 2020 heeft het kabinet de uitwerking van de pensioenafspraken uit het pensioenakkoord in de hoofdlijnennotitie aan het parlement gestuurd.Om zekerheid te bieden aan burgers en bedrijven in deze onzekere tijd, houdt het kabinet zo veel mogelijk koers. Koers houden betekent dat voorgenomen beleid zo veel mogelijk wordt uitgevoerd en dat gemaakte afspraken worden nagekomen.Met het indienen van het wetsvoorstel, komt het kabinet ook de afspraak na die op 5 juni 2019 is gemaakt met sociale partners in het Pensioenakkoord. Een onderdeel van het akkoord, is dat de stijging van de AOW-leeftijd wordt gematigd.Zoals in het wetsvoorstel toegelicht, is de aanpassing van de koppeling van de AOW-leeftijd aan de levensverwachting van belang om het draagvlak voor het publieke pensioenstelstel te behouden. Met de een-op-een koppeling van de AOW-leeftijd aan de levensverwachting zoals deze in de Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd is opgenomen, wordt elk extra jaar aan levensverwachting volledig vertaald in een hogere AOW-leeftijd. De winst aan levensverwachting wordt volledig omgezet in een verlenging van de arbeidsloopbaan. Uit de maatschappelijke discussie komt naar voren dat dit niet als eerlijk wordt ervaren en dat een deel van de levenswinst zich ook zou moeten vertalen in een langere pensioenperiode. Het kabinet erkent het gevoel dat werkenden ervaren en wil met een vertraagde koppeling hieraan tegemoetkomen. Met deze gedeeltelijke koppeling streeft het kabinet naar een evenwichtige verhouding tussen de duur van het werkzame leven en de duur van het pensioen voor huidige en toekomstige generaties, waarvoor meer draagvlak lijkt te bestaan.Door het wetvoorstel nu reeds in te dienen kan worden bewerkstelligd dat burgers die de komende jaren de AOW-leeftijd zullen bereiken, tijdig zekerheid wordt verschaft over de ingangsdatum van hun AOW-uitkering. Die zekerheid is van belang, zodat burgers zich tijdig kunnen voorbereiden op hun pensionering. De beoogde wetswijziging biedt die mensen duidelijkheid en zekerheid. Dit is mede van belang omdat mensen zelf hun pensioendatum kunnen kiezen voor het arbeidsvoorwaardelijke pensioen en dat die pensioendatum niet standaard de AOW-datum is. In wetgeving is geregeld dat reeds ingegane pensioenen kunnen worden aangepast indien de AOW-datum onverwacht op een ander moment valt dan verwacht op het moment dat het pensioen is ingegaan. Het is zeer wenselijk dat een dergelijke onverwachte aanpassing van de AOW-datum zich bij zo min mogelijk mensen voordoet.Ook voor de in het pensioenakkoord afgesproken drempelvrijstelling voor regelingen voor vervroegde uittreding (RVU), te introduceren per 1 januari 2021, is duidelijkheid over de AOW-datum van belang. Deze maatregel biedt ruimte voor vervroegde uittreding in de 36 maanden voor AOW-datum. Om sociale partners voldoende gelegenheid te geven tijdig afspraken te kunnen maken in arbeidsvoorwaardelijke regelingen dient er duidelijkheid te zijn over de AOW-datum.Ten slotte wil ik ook kort ingaan op de gevolgen van de coronapandemie voor de ontwikkeling van de levensverwachting op de lange termijn. In het wetsvoorstel blijft de methodiek gehandhaafd dat de stijging van de AOW-leeftijd gekoppeld is aan de ontwikkeling van de levensverwachting, zoals deze wordt geraamd door het CBS. Helaas zijn er in de eerste maanden van dit jaar meer overledenen te betreuren geweest dan in normale jaren het geval zou zijn geweest (zie noot 4). Het is nog onbekend wat de exacte gevolgen zijn van de hogere sterfte als gevolg van de coronapandemie op de levensverwachting. Opgemerkt moet worden dat de huidige gezondheidscrisis een uitzonderlijke situatie is, en dat een eenmalige gebeurtenis wellicht meerjarige maar geen structurele gevolgen hoeft te hebben voor de ontwikkeling van de levensverwachting op de lange termijn. Door de koppelingssystematiek volgt de AOW-leeftijd de meest recente inzichten omtrent de ontwikkeling van de levensverwachting.De memorie van toelichting is naar aanleiding van de opmerkingen van de Afdeling advisering van de Raad van State op verschillende plaatsen aangevuld met de hierboven genoemde teksten.Ik moge U, mede namens de Staatssecretaris van Financiën - Fiscaliteit en Belastingdienst, verzoeken het hierbij gevoegde voorstel van wet en de gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.De Minister van Sociale Zaken en WerkgelegenheidVoetnoten(1) Toelichting, paragraaf 2. Daarin wordt vermeld dat het voorstel leidt tot een verslechtering van het houdbaarheidssaldo met 0,3% BBP.(2) Zie in dit verband Centraal Planbureau, Scenario’s economische gevolgen coronacrisis, 26 maart 2020.(3) Juniraming 2020, CPB, juni 2020(4) https://cbs.nl/nl-nl/cijfers/detail/70895ned
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van de Gemeentewet in verband met de differentiatie van parkeertarieven.
Bij Kabinetsmissive van 4 juli 2019, no.2019001322, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, mede namens de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Gemeentewet in verband met differentiatie van parkeertarieven naar uitlaatemissies van een voertuig, met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van het Besluit SUWI in verband met de versterking van de werkgeversdienstverlening.
Bij Kabinetsmissive van 18 december 2019, no.2019002695, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit SUWI in verband met de regeling van samenwerking, regie en de werkgeversdienstverlening in arbeidsmarktregio’s ten behoeve van de uitvoering van de arbeidstoeleidingstaak van UWV en de colleges van B&W en het matchen van werkzoekenden en werkgevers, met nota van toelichting.Het ontwerpbesluit beoogt de samenwerking tussen UWV en gemeenten in de arbeidsmarktregio te verduidelijken. Daartoe wordt een aantal maatregelen voorgesteld.De Afdeling advisering van de Raad van State merkt op dat de gemeenten en het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (hierna: UWV), aangeven dat het UWV meer (manoeuvreer)ruimte nodig heeft van de Minister van SZW om de samenwerking tussen het UWV en de gemeenten in de arbeidsmarktregio te laten slagen. Het betreft hier de twee partijen die het besluit moeten uitvoeren. De Afdeling adviseert het besluit aan te passen door daarin op te nemen op welke wijze de (manoeuvreer)ruimte van het UWV wordt vergroot.1. Inhoud van het ontwerpbesluitIngevolge artikel 10 wet SUWI dienen UWV en gemeenten met elkaar samen te werken bij de dienstverlening aan werkgevers en het verrichten van andere taken in de arbeidsmarktregio’s. Het gaat daarbij om de verantwoordelijkheid van UWV en gemeenten ter zake van de arbeidsbemiddeling van personen in het kader van verschillende regelingen die deze instanties uitvoeren. (zie noot 1) Daarbij werken zij ook samen met werknemers- en werkgeversorganisaties.Om tot een duidelijker aanpak in de arbeidsmarktregio’s te komen voorziet het ontwerpbesluit in een aantal maatregelen. De arbeidsmarktregio’s worden voortaan jaarlijks door het UWV vastgesteld. Bij ministeriële regeling wordt voor elke arbeidsmarktregio een centrumgemeente vastgesteld. Een centrumgemeente is verantwoordelijk voor de regie op de regionale samenwerking en het beheer van de daarmee gemoeid zijnde financiële middelen. Voorts dient per arbeidsmarktregio één gezamenlijk aanspreekpunt te worden ingericht voor de dienstverlening aan werkgevers. Daarbij treedt de centrumgemeente als regievoerder op.2. Ruimte van UWV als voorwaarde voor effectieve samenwerkingUit de toelichting maakt de Afdeling op dat bij zowel UWV als bij gemeenten (VNG) zorgen bestaan over de vraag of UWV over voldoende (manoeuvreer)ruimte beschikt om in de afzonderlijke arbeidsmarktregio’s tot adequate samenwerking met de betrokken gemeenten te komen. Ook is het de vraag of daarbij voldoende rekening kan worden gehouden met alle differentiatie aan uitvoeringsvormen die daar zijn ontstaan. Door de VNG is daarbij aan de orde gesteld dat het ontwerpbesluit uit lijkt te gaan van "een blauwdruk" die onvoldoende recht doet aan onderscheiden organisatievormen, bestaande werkverbanden en differentiatie in de uitvoering die de praktijk te zien geeft. (zie noot 2)Zo kan bij de werkgeversdienstverlening in de arbeidsmarktregio’s op verschillende gebieden spanning ontstaan tussen de wens van landelijk uniform beleid en regionaal maatwerk. Daarbij merkt de Afdeling op dat het UWV zich de afgelopen jaren steeds meer is gaan toeleggen op e-coaching/online begeleiding. Daarbij heeft het UWV te maken met landelijk bepaalde regionale targets. Gemeenten zijn minder gericht op uniformiteit en digitale dienstverlening. Zij leggen zich sinds de decentralisatie juist toe op persoonlijke kennis en context van de betrokken huishoudens en op relaties met werkgevers in de lokale gemeenschap.Zoals ook blijkt uit het rapport van de Inspectie SZW hebben de eerder doorgevoerde bezuinigingen bij UWV Werkbedrijf de regionale samenwerking tussen gemeenten en UWV onbedoeld geschaad. (zie noot 3) Dat rapport vormt in belangrijke mate de grondslag voor het voorliggende ontwerpbesluit. Ook wordt er in dat rapport op gewezen dat gemeenten en UWV elke hun eigen aansturingsstructuur, doelgroepen en doelstellingen hebben.Een ander onderzoek in opdracht van het ministerie van SZW concludeerde in 2015 dat bestuurlijke verschillen tussen UWV en gemeenten een belemmering vormen voor samenwerking. Tussen UWV en gemeenten is sprake van concurrentie bij de plaatsing van uitkeringsgerechtigden. Beide partijen hebben belang bij de uitstroom van de eigen populatie, waarbij WW-gerechtigden relatief meer kans hebben op werk dan bijstandsgerechtigden. Tevens belemmert het verschil in aansturing effectieve samenwerking. Het UWV wordt landelijk aangestuurd, hetgeen een flexibele opstelling in de afzonderlijke regio’s belemmert. Aan de andere zijde van het spectrum bevinden zich de gemeenten, die sterk gehecht zijn aan hun lokale autonomie. (zie noot 4)Uit recent onderzoek naar ervaringen van gemeenten met de Participatiewet blijkt dat het verder uniformeren van de dienstverlening aan werkgevers op grenzen lijkt te stuiten. Die grenzen hebben te maken met de verschillende systemen van waaruit UWV en gemeenten werken. Regiomanagers van het UWV ervaren een structurele belemmering in de verschillende opdrachten die UWV en gemeenten hebben. Daarbij hebben gemeenten beleidsvrijheid in de instrumenten die zij werkgevers ter beschikking stellen, terwijl het UWV deze vrijheid mist. (zie noot 5)De toelichting vermeldt in reactie op deze zorgen dat het besluit de bestaande differentiatie aan uitvoeringsmodaliteiten en de bestaande bestuurlijke verhoudingen in stand laat. Verder wordt volstaan met de opmerking dat er voldoende ruimte voor het UWV blijft. (zie noot 6) Wat betreft de wens van het UWV om regionaal meer financiële en personele regelmogelijkheden te krijgen van het ministerie van SZW, stelt de toelichting dat dit aspect in het ontwerpbesluit niet wordt geregeld en daarom separaat zal worden besproken. (zie noot 7De Afdeling merkt op dat de (manoeuvreer)ruimte in de verhoudingen tussen UWV en gemeenten een wezenlijk aandachtspunt is voor het slagen van de met het ontwerpbesluit beoogde verbeterde samenwerking. De verschillende bestuurlijke kaders vormen daarbij een spanningsveld. Het UWV is een centraal bestuurd zbo, terwijl tegelijkertijd sprake is van een diversiteit aan gemeenten die op grond van hun beleidsvrijheid elk hun eigen accenten leggen.Om de samenwerking te kunnen laten slagen is inzet van mensen en middelen en voldoende flexibiliteit van alle betrokken partijen noodzakelijk. Dat geldt temeer nu het ontwerpbesluit leidt tot een strakkere regie in die samenwerking. Ook dan zal er binnen de arbeidsmarktregio’s voldoende ruimte moeten blijven om met ieders rol en belangen rekening te kunnen houden. Dat is van belang om de betrokken volksvertegenwoordigingen op lokaal en nationaal niveau in de gelegenheid te stellen ieder hun eigen verantwoordelijkheden te dragen, met inbegrip van die op het budgettaire vlak.De Afdeling merkt op dat voor het slagen van de samenwerking in de arbeidsmarktregio’s en de regelmogelijkheden van het UWV voldoende (manoeuvreer)ruimte van belang is. De twee partijen die het besluit moeten uitvoeren (gemeenten en UWV) geven er blijk van die ruimte thans onvoldoende te achten. Gelet daarop kan in de toelichting niet worden volstaan met een opmerking dat er voldoende ruimte blijft voor het UWV en de bespreking daarover wordt verschoven naar een separaat traject.De Afdeling adviseert het besluit aan te passen door daarin op te nemen op welke wijze de (manoeuvreer)ruimte van het UWV wordt vergroot.De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal bezwaren bij het ontwerpbesluit en adviseert dit besluit niet te nemen, tenzij het is aangepast.De vice-president van de Raad van StateNader rapport (reactie op het advies) van 29 juni 20201. InleidingGoede werkgeversdienstverlening die aansluit op de werkzoekenden dienstverlening van iedere gemeente en van het UWV en die ook aansluit op scholing, vraagt om bereidheid van de gemeenten en het UWV om dit op het niveau van de arbeidsmarktregio gezamenlijk te organiseren én dit waar relevant te verbinden met activiteiten van andere partners in de regio. De arbeidsmarktregio is het niveau waarop de matches op de arbeidsmarkt voor de doelgroepen van het UWV en de gemeenten veelal plaatsvinden en het niveau waarop veel werkgevers bediend willen worden. In het besluit wordt de al bestaande wettelijke verplichte samenwerking bij de werkgeversdienstverlening verduidelijkt en wordt de bestaande praktijk van de regierol van de centrumgemeente op de samenwerking in de arbeidsmarktregio geformaliseerd. Aangesloten wordt bij de indeling van de arbeidsmarktregio’s zoals die al jaarlijks werden en worden vastgesteld door UWV.2. Ruimte van UWV als voorwaarde voor effectieve samenwerkingNa ontvangst van het advies is gesproken met het UWV en de VNG ter verduidelijking van hetgeen de Afdeling opmerkt. Gezamenlijk is gekomen tot een onderverdeling in drie aspecten van de manoeuvreerruimte die hierna afzonderlijk worden beantwoord. Als eerste is er sprake van een eigen aansturing, doelgroep en opdracht bij het UWV en bij de gemeenten. Dit kan spanning opleveren bij de samenwerking op de schaal van de arbeidsmarktregio. Ten tweede zijn er vragen over de regelruimte bij het UWV om, binnen de landelijke aansturing door het ministerie van SZW, deel te nemen aan regionale samenwerking en ten derde spelen de beperkingen bij het UWV ten aanzien van de harmonisatie van instrumenten met de verschillende gemeenten. Naar aanleiding van het advies van de Afdeling is de nota van toelichting bij het wijzigingsbesluit aangevuld met paragraaf 6 over ruimte voor de samenwerking tussen partijen in de regio.Landelijke versus lokale aansturing en de beweging naar samenwerking in de arbeidsmarktregio.De Afdeling constateert dat uit onderzoek blijkt dat bestuurlijke verschillen tussen het UWV en de gemeenten een belemmering vormen voor samenwerking. (zie noot 8) De Afdeling brengt naar voren dat er ruimte moet zijn voor differentiatie gezien de verschillen in de aansturing tussen het UWV en de gemeenten. De Afdeling merkt tevens op dat het UWV zich de afgelopen jaren steeds meer is gaan toeleggen op e-coaching/online begeleiding. Daarbij heeft het UWV te maken met landelijk bepaalde regionale targets. Gemeenten zijn minder gericht op uniformiteit- en digitale dienstverlening. Zij leggen zich sinds de decentralisatie juist toe op persoonlijke kennis en context van de betrokken huishoudens en op relaties met werkgevers in de lokale gemeenschap.Ik begrijp het punt van de Afdeling dat nauwere samenwerking spanning kan opleveren, omdat het UWV een landelijk gestuurde organisatie is en de gemeenten lokaal worden aangestuurd. Voor de nauwere samenwerking bij de werkgeversdienstverlening zoals beoogd in dit besluit is het nodig dat de gemeenten van lokaal naar regionaal kunnen bewegen en het UWV van landelijk naar regionaal. Dit betekent dat beide partijen naast voldoende ruimte om samen te werken in de arbeidsmarktregio ook voldoende ruimte nodig hebben om vanuit hun rol de eigen opgaven te realiseren.Het besluit laat ruimte voor differentiatie aan uitvoeringsmodaliteiten en bestuurlijke verhoudingen tussen de regio’s. In het Besluit SUWI is in artikel 2.5 opgenomen wat in elk geval in elk werkgeversservicepunt onder de dienstverlening valt (het wat). Daarnaast maken het UWV en de gemeenten op grond van artikel 2.6 in de regio afspraken over de wijze waarop (het hoe). De verantwoordelijkheid voor de inhoud van deze afspraken blijft bij de partijen in de regio. Daarmee wordt geborgd dat het UWV en de gemeenten voldoende ruimte houden om binnen de gestelde beperkingen hun eigen uitvoeringsvormen te kunnen hanteren.Tegelijkertijd biedt het opereren op verschillende niveaus (lokaal / regionaal / landelijk) ook kansen voor alle partijen in de arbeidsmarktregio om elkaar in een goede uitvoering van de dienstverlening te versterken en te ondersteunen. Het gedecentraliseerde beleid van de gemeenten heeft als voordeel dat de uitvoering meer ruimte heeft voor lokaal maatwerk en aansluiting op de dienstverlening in het sociaal domein zoals (schuld)hulpverlening. Het UWV draagt bij door middel van deskundigheid op het gebied van de arbeidsmarkt en brede contacten met werkgevers. Partijen vullen elkaar hiermee goed aan. Daarbij zij opgemerkt dat het UWV sinds 2016 - naast e-coaching en online begeleiding - de persoonlijke dienstverlening aan werkzoekenden sterk heeft geïntensiveerd en het kabinet in het huidige regeerakkoord daar bovenop extra middelen hiervoor heeft vrijgemaakt.De Afdeling wijst erop dat er tussen het UWV en de gemeenten sprake kan zijn van concurrentie bij de plaatsing van uitkeringsgerechtigden. Beide partijen hebben belang bij de uitstroom van de eigen populatie, waarbij WW-gerechtigden relatief meer kans hebben op werk dan bijstandsgerechtigden.Het is efficiënter en effectiever om niet te concurreren, maar in plaats daarvan gezamenlijk werkgevers te benaderen om zo werkgevers een goede match, ongeacht uit welke populatie aan te kunnen bieden.Zoals ik heb aangegeven in mijn reactie op de eindevaluatie van de Participatie wet bij Kamerbrief van 20 november 2019, is samenwerking op het regionaal niveau nodig voor goede werkgeversdienstverlening (Kamerstukken II 2019/20, 34352, nr. 187). Het realiseren van een hoogwaardige dienstverlening aan werkzoekenden en werkgevers is een gezamenlijke opgave van alle betrokken partijen. De gezamenlijke opgave op een doelmatige wijze uitvoeren betekent betrokkenheid bij elkaar. Het uitgangspunt van de gezamenlijke organisatie in het besluit is onderlinge betrokkenheid. Partijen zijn met elkaar in gesprek en leggen jaarlijks vast hoe zij werken in een uitvoeringsplan. Het uitvoeringsplan garandeert ook een uitvoering die gedragen wordt door de verantwoordelijke besturen. Om onderlinge concurrentie tussen uitvoerders te voorkomen leggen de gemeenten en het UWV voortaan de te behalen resultaten in de arbeidsmarktregio met betrekking tot de dienstverlening aan werkgevers in het werkgeversservicepunt vast. Daarnaast maken de gemeenten en het UWV afspraken over hoe vacatures en gegevens van werkzoekenden beschikbaar worden gemaakt, zodat er meer inzicht ontstaat in de profielen van de werkzoekenden van het UWV en de gemeenten.2. Regelruimte bij het UWVGemeenten ervaren te weinig ruimte bij het UWV om mee te kunnen doen aan regionale initiatieven en netwerken. Zij wijten dat aan de wettelijke taak die het UWV vanuit het ministerie van SZW gekregen heeft en de daardoor beperkte beschikbare financiële en personele regelruimte bij het UWV voor samenwerking in de regio.Het UWV heeft aangegeven dat het ernaar streeft zijn regionale aanwezigheid te vergroten. Onder andere door inzet van de regionale arbeidsdeskundigen en regionale beleidsadviseurs. Samen met het UWV is geconstateerd dat het UWV, binnen de met het ministerie van SZW afgesproken kaders van het budget bemiddelingsdienstverlening, voldoende keuzeruimte heeft om het budget bemiddelingsdienstverlening op landelijke of regionale schaal in te zetten. De regionale samenwerking is een wettelijke taak van het UWV en kan daarom gefinancierd worden uit dit budget. Daarmee heeft het UWV voldoende vrijheid binnen de regels van het budget bemiddelingsdienstverlening om de in het besluit beoogde verbeterde samenwerking uit te voeren.3. Harmonisatie van instrumentenHet derde aspect betreft het verschil tussen de gemeenten en het UWV in de beleidsvrijheid in de instrumenten die zij aan werkgevers ter beschikking stellen. De Afdeling wijst op onderzoek waaruit blijkt dat de samenwerking wordt belemmerd omdat het UWV met de landelijke beschikbare instrumenten en voorzieningen minder kan meebewegen met gemeentelijke of regionale ontwikkelingen.Op dit punt is ingegaan in het onderdeel ‘harmoniseren’ in paragraaf 3 van de toelichting bij het besluit. Vanuit de behoefte van werkgevers is het wenselijk om verdere stappen te zetten op het vlak van harmonisatie en eenduidige inzet van instrumenten tussen de gemeenten onderling en tussen de gemeenten en het UWV. Er is een onderscheid tussen landelijk harmoniseren en binnen de regio harmoniseren.Als onderdeel van het Breed Offensief wordt aan de harmonisering op landelijk niveau gewerkt (Kamerstukken II 2018/19, 34352, nr. 163). De VNG en Divosa zullen ten behoeve van de gemeenten een model of handreiking opstellen ter uitvoering van de onderwerpen en thema’s die in het concept-wetsontwerp Breed Offensief zijn opgenomen, waaronder de persoonlijke ondersteuning. Het UWV geeft aan als uitgangspunt te streven naar harmonisatie van de inzet van voorzieningen en instrumenten tussen het UWV en de gemeenten. Indien uit de modelverordening van de VNG en Divosa aanknopingspunten naar voren komen voor harmonisatie met de instrumenten van het UWV kunnen deze worden bezien. De instrumenten - zoals jobcoaching - van het UWV zijn landelijk bepaald en het is niet wenselijk vanuit het oogpunt van werkgevers, die juist meer standaardisatie willen, dat het UWV deze moet kunnen differentiëren naar 35 regio’s. Voor het slagen van de met dit besluit beoogde samenwerking is dit ook niet nodig.Het besluit stelt harmonisatie in de regio niet verplicht, het verplicht de regio’s alleen om aan werkgevers informatie en advies bieden over de in de regio beschikbare instrumenten en voorzieningen van de gemeenten en het UWV. Wel acht ik, naast de voorgenomen harmonisering op landelijk niveau, ook harmonisatie op het niveau van de arbeidsmarktregio’s van belang. De verwachting is dat door verder inzicht in het aanbod en de verschillen hierin, er in de praktijk een beweging zal ontstaan tot verdere harmonisatie tussen de gemeenten onderling.4. ConclusieIk dank de Afdeling voor het uitgebrachte advies en heb, zoals hierboven beschreven, de nota van toelichting aangevuld met een paragraaf die ingaat op de ruimte voor samenwerking in de regio.Tot slot is van de gelegenheid gebruik gemaakt om een technische omissie te herstellen in artikel 2.5, eerste lid, door het opnemen van de colleges van burgemeester en wethouders en het UWV in plaats van een verwijzing naar de bestuursorganen. En in artikel 2.6, derde lid, is in lijn met de bedoeling en de toelichting opgenomen dat de colleges van burgemeester en wethouders in de arbeidsmarktregio en het UWV jaarlijks één gezamenlijk uitvoeringsplan vaststellen.Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.De Staatssecretaris van Sociale Zaken en WerkgelegenheidVoetnoten(1) Zoals de Werkloosheidswet, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (UWV) en de Participatiewet (gemeenten).(2) Bestuurlijke reactie VNG inzake concept-AMvB SUWI, 4 november 2019 (https://vng.nl/sites/default/files/2019-11/reactie_amvb_suwi.pdf). Zie ook toelichting p. 12.(3) Inspectie SZW, Werk aan de … uitvoering, Programmarapportage, oktober 2016, p. 15.(4) Sax, M. en P. Donker van Heel, 2015. De uitgestoken hand. Evaluatie van de samenwerking van UWV en gemeenten op het gebied van werk en inkomen 2012-2014. Zoetermeer, Panteia, p. 7.(5) Cuelenaere, B., E. van den Brink en J. Leenen, 2019. Ervaringen van gemeenten met Participatiewet. Rapportage derde meting. Tilburg, CentERdata, p.5.(6) Nota van toelichting, p. 12.(7) Nota van toelichting, p. 12.(8) Sax, M. en P. Donker van Heel, 2015. De uitgestoken hand. Evaluatie van de samenwerking van UWV en gemeenten op het gebied van werk en inkomen 2012-2014. Zoetermeer, Panteia, p. 7.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Onteigening in de gemeente Heerhugowaard (onteigeningsplan Reconstructie Middenweg–Zuid).
Krachtens Koninklijke machtiging heeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties met een schrijven van 8 april 2020, no.RWS-2020/19585, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt een voordracht met ontwerpbesluit tot aanwijzing van een onroerende zaak ter onteigening in de gemeente Heerhugowaard krachtens artikel 78 van de onteigeningswet (onteigeningsplan Reconstructie Middenweg–Zuid).De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen opmerkingen over het ontwerpbesluit en adviseert het besluit te nemen.Gelet op artikel 26, zesde lid jo vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, adviseert de Afdeling dit advies openbaar te maken.De vice-president van de Raad van StateNader rapport (reactie op het advies) van 11 juni 2020Het bestemmingsplan voorziet in de reconstructie van een gedeelte van de Middenweg te Heerhugowaard, te weten een gedeelte globaal gelegen ter hoogte van de woningen Middenweg 2/2a. De reconstructie is nodig om de verkeersveiligheid te verhogen en de doorstroming van het verkeer te verbeteren. Dit wordt bereikt door het zicht ter hoogte van de bocht nabij Middenweg 2/2a te verbeteren door de daar gelegen bestaande opstallen te slopen. Ook wordt een vrij liggend fietspad aangelegd. Ten slotte wordt een watergang verlegd, waardoor de waterhuishouding verbetert.De Afdeling kan zich met het ontwerpbesluit verenigen.Ik moge U hierbij het ontwerpbesluit doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.DE MINISTER VAN BINNENENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van de Woningwet.
Bij Kabinetsmissive van 3 april 2020, no.2020000687, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Milieu en Wonen, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Woningwet naar aanleiding van de evaluatie herziene Woningwet, met memorie van toelichting.Het voorstel voorziet in verschillende wijzigingen van de Woningwet, waarmee wordt beoogd meer lokaal maatwerk mogelijk te maken en administratieve vereenvoudigingen door te voeren.De Afdeling advisering van de Raad van State maakt een opmerking over de staatssteunaspecten van het voorstel. In verband daarmee is aanpassing wenselijk van de toelichting.1. InleidingMet de voorgestelde wijziging van de Woningwet beoogt de minister dat woningcorporaties (zie noot 1) ‘lokaal maatwerk’ kunnen leveren en dat de administratieve lasten voor hen afnemen. Verder bleken diverse artikelen in de praktijk ongewenste bijeffecten te hebben; deze zijn geherformuleerd. De wetswijzigingen hebben onder andere betrekking op fusies, benoeming van bestuurders en commissarissen, het werkdomein van corporaties en het externe toezicht.De wijzigingen betekenen een versoepeling van het in 2015 aangescherpte regime voor corporaties. Dit regime vormde destijds een reactie op de aanbevelingen van de parlementaire enquêtecommissie woningcorporaties, die was ingesteld na een reeks misstanden. (zie noot 2) Vanaf 2015 moesten corporaties zich meer richten op hun kerntaak en werden de interne ‘governance’ en het externe toezicht aangescherpt.Het wetsvoorstel bevat vooral technische aanpassingen die erop zijn gericht de administratieve lasten voor corporaties te verlichten. Tegen deze achtergrond geeft het voorstel als zodanig geen aanleiding tot het maken van opmerkingen. Wel maakt de Afdeling hieronder een opmerking van algemene aard en vraagt zij aandacht voor de staatssteunaspecten van het voorstel.De toelichting plaatst het wetsvoorstel in het kader van het beleid van de regering voor de woningmarkt, in het bijzonder het vraagstuk van voldoende beschikbaarheid van betaalbare woningen voor huishoudens met een lager inkomen in een ‘prettig leefbare’ omgeving. (zie noot 3) Het wetsvoorstel bevat vooral technische aanpassingen die erop zijn gericht de administratieve lasten voor corporaties te verlichten. Verder krijgen corporaties iets meer ruimte om onroerend-goedposities buiten de eigen regio uit te breiden. Ook voor leefbaarheid en verduurzaming van woningen heeft het voorstel aandacht. Tegen deze achtergrond ziet de Afdeling, anders dan de toelichting suggereert, niet op voorhand in dat dit wetsvoorstel een betekenisvolle impuls zal geven aan de oplossing van de fundamentele problemen op de woningmarkt.2. StaatssteunHet voorstel voorziet in een aantal wijzigingen in het werkdomein van de toegelaten instellingen. Doel daarvan is, zo staat in de toelichting, een aantal belemmeringen en dubbele waarborgen weg te nemen. (zie noot 4) Een deel van deze wijzigingen betreft activiteiten, die verband houden met taken die als dienst van algemeen economisch belang (‘DAEB’) aan de toegelaten instellingen zijn opgedragen. Onder meer krijgen toegelaten instellingen meer ruimte om binnen de DAEB-taak diensten te verlenen, niet alleen aan huishoudens behorende tot de doelgroep maar ook aan derden, zoals huurders van maatschappelijk onroerend goed (bijvoorbeeld het leveren van warmte). (zie noot 5) Voorts wordt het hen toegestaan de overheadkosten in verband met verduurzaming te dragen. (zie noot 6) Beide activiteiten zullen onderdeel zijn van de in artikel 47 van de Woningwet omschreven DAEB-taken. (zie noot 7) De Afdeling sluit niet uit dat ook andere wijzigingen van het werkdomein gevolgen hebben voor de omvang en uitvoering van DAEB-taken. (zie noot 8)De Afdeling merkt op dat de kenmerken van de DAEB-taken zijn vastgelegd in een besluit van de Europese Commissie, waarmee zij de financiering als verenigbare staatssteun heeft goedgekeurd. (zie noot 9) De afbakening van de DAEB-taken en de goedkeuringsvoorwaarden zijn voorwerp geweest van een langdurig overleg tussen de Commissie en de Nederlandse autoriteiten. Een wijziging van deze DAEB-taken kan ertoe leiden dat deze niet langer in overeenstemming zijn met (de voorwaarden van) het goedkeuringsbesluit. Dit kan tot gevolg hebben dat de financiering van deze taken niet langer als verenigbare staatssteun is aan te merken. (zie noot 10)In de toelichting wordt, in algemene termen, opgemerkt dat enkele wijzigingen raken aan het besluit van de Commissie en dat met de huidige formulering van het voorstel binnen de grenzen van het goedkeuringsbesluit wordt gebleven. (zie noot 11) Dit wordt niet gemotiveerd, noch gespecificeerd voor de verschillende wijzigingen. Uit de toelichting blijkt ook niet of in dit verband overleg met de Commissie heeft plaatsgehad. Voor zover dat nog niet heeft plaatsgehad, acht de Afdeling een dergelijk overleg omwille van de rechtszekerheid van belang. Dit geldt te meer, aangezien ten aanzien van (de uitvoering van) de DAEB-taken reeds eerder wijzigingen zijn doorgevoerd, waarbij onduidelijk is in hoeverre deze passen binnen de kaders van het goedkeuringsbesluit. (zie noot 12)De Afdeling adviseert in overleg te treden met de Europese Commissie over de voorgestelde wijzigingen, alvorens het wetsvoorstel in te dienen bij de Tweede Kamer. De Afdeling adviseert voorts in de toelichting uiteen te zetten in hoeverre de verschillende wijzigingen van het voorstel in overeenstemming zijn met het goedkeuringsbesluit en daarbij in te gaan op de uitkomsten van het gevoerde overleg met de Commissie.De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal opmerkingen bij het voorstel en adviseert daarmee rekening te houden voordat het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal wordt ingediend.De vice-president van de Raad van StateNader rapport (reactie op het advies) van 1 juli 20201. Dit wetsvoorstel geeft in samenhang met andere maatregelen aangaande de huurmarkt een belangrijke impuls aan de woningmarkt. Zoals in de Kamerbrief aangaande maatregelen huurmarkt en evaluatie herziene Woningwet (zie noot 13) wordt toegelicht spelen corporaties een belangrijke rol op de woningmarkt. Hierbij heeft het kabinet het uitgangspunt naar aanleiding van de evaluatie van de herziene Woningwet dat woningcorporaties meer mogelijkheden krijgen om op lokaal niveau met gemeenten en huurders invulling te geven aan de volkshuisvesting binnen wettelijke principes.Zij zijn daarmee een belangrijke partij in het oplossen van problemen op de woningmarkt. Corporaties zorgen immers voor betaalbare huurwoningen van goede kwaliteit voor mensen die op de woningmarkt moeilijk passende huisvesting kunnen vinden, en leveren daarmee een onmisbare bijdrage in het aanbieden van een betaalbare woning in een prettige en leefbare wijk. Met dit wetsvoorstel wordt voorgesteld de Woningwet te wijzigen om corporaties meer mogelijkheden te bieden om lokaal maatwerk toe te passen, om ruimte te geven voor meer risicogericht toezicht en om de administratieve lasten te beperken. Hiermee worden corporaties beter in staat gesteld om hun belangrijke rol te spelen. Dit is in de memorie van toelichting nader verduidelijkt.2. StaatssteunNaar aanleiding van de opmerkingen van de Afdeling is de toelichting in hoofdstuk 4 van het algemeen deel van de memorie van toelichting aangevuld. Indien een maatregel op basis van het goedkeuringsbesluit van de Europese Commissie uit 2009 (hierna: EC-besluit uit 2009) mogelijk is, hoeft deze niet te worden gemeld aan de Europese Commissie.In hoofdstuk 4 van de memorie van toelichting is naar aanleiding van de opmerkingen van de Afdeling toegelicht hoe de verschillende wijzigingen zich verhouden tot het EC-besluit uit 2009. Er is slechts één wijziging die het staatssteunkader voor woningcorporaties raakt. Dat betreft de wijziging die betrekking heeft op de exploitatie van maatschappelijk vastgoed. Het betreft echter een wijziging waarmee het karakter als zodanig van maatschappelijk vastgoed of de doelstelling van de daarin uitgeoefende functie niet verandert. Het moet nog steeds gaan om op het maatschappelijk belang gerichte werkzaamheden, zonder commerciële doelstellingen. Exploitatie met als doel het behalen van winst, blijft bij de verhuur van het maatschappelijk vastgoed niet toegestaan. Daarmee past de wijziging nog steeds binnen de categorie maatschappelijk vastgoed in het EC-besluit 2009. De door de Afdeling aangehaalde wijzigingen met betrekking tot de DAEB-taak zijn gericht op het mogelijk maken van een goede uitvoering van die taak en veranderen die taak niet. Als onderdeel van de uitvoering van de DAEB-taak mogen corporaties de huurwoningen die daaronder vallen verduurzamen. Het maken van de kosten hiervoor is daarom binnen de geldende Europese regelgeving reeds toegestaan. Wat betreft het dragen van (overhead)kosten geldt dat de kosten die de corporatie maakt hierdoor niet veranderen. Met de door de Afdeling aangehaalde wijziging vindt derhalve geen wijziging van de DAEB-taak zelf plaats, waardoor de wijziging niet aan het staatssteunkader raakt. Dit is in de Memorie van Toelichting nader verduidelijkt.De overige wijzigingen hebben betrekking op het bieden van meer ruimte voor lokaal maatwerk, risico-gericht toezicht en het beperken van de administratieve lasten op onderwerpen die niet raken aan het EC-Besluit 2009.3. Verder is van de gelegenheid gebruik gemaakt om de volgende wijzigingen door te voeren:- De begripsbepaling "voorziening" in artikel I, onderdeel A, van het voorstel is uitgebreid om in dit begrip ruimte te bieden voor maatregelen gericht op het opwekken van hernieuwbare energie, zoals het installeren van zonnepanelen.- Er is een nieuw artikel II ingevoegd met oog op het herstellen van een omissie in de samenloop met de Invoeringswet Omgevingswet wat betreft het begrip "voorziening" om te voorkomen dat dit begrip in de Invoeringswet Omgevingswet zou komen te vervallen.- De wijziging van artikel 46, tweede lid, van de Woningwet in artikel I, onderdeel Y, van het voorstel is aangescherpt omdat onzelfstandige woningen per abuis ook onder passend toewijzen waren geschaard. Dit wordt met de voorgestelde aanpassing verholpen.- Er wordt voorgesteld een nieuw zevende lid in te voegen in artikel 48 van de Woningwet in artikel I, onderdeel BB, van het voorstel. Het lid is ingevoegd om rekening te houden met de situatie dat er op grond van artikel 45, zevende lid, onderdeel a, van de Woningwet, woongelegenheden van derden worden verhuurd. Dergelijke woongelegenheden moeten meegerekend worden in de berekening van de DAEB toewijzingsgrens van 90% als bedoeld in het eerste lid van artikel 48. Als gevolg van het invoegen van een nieuw zevende lid, is een aantal verwijzingen in de Woningwet aangepast.- Ten slotte zijn er in het algemeen deel van de toelichting enkele kleine tekstuele toevoegingen gedaan.Ik moge U verzoeken het hierbij gevoegde gewijzigde voorstel van wet en de gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.De minister van Binnenlandse Zaken en KoninkrijksrelatiesVoetnoten(1) In de wet aangeduid als ‘toegelaten instellingen’.(2) Kamerstukken II, vergaderjaar 2014/15, 33 606, nr.4.(3) Memorie van toelichting, paragraaf 1.(4) Memorie van toelichting, paragraaf 3.4 ("Werkdomein").(5) Voorgesteld artikel 45, tweede lid, onder c, onderdeel 3 en Memorie van toelichting, paragraaf 3.4.1 ("Diensten aan bewoners").(6) Voorgesteld artikel 45, tweede lid onder c, onderdeel 1 en Memorie van toelichting, paragraaf 3.4.2 ("Verduurzaming").(7) Vergelijk het voorgestelde artikel 45, tweede lid onder c (waarin deze diensten staan omschreven) en voorgesteld artikel 47, eerste lid onder e (waarin de tot de DAEB behorende werkzaamheden staan omschreven en naar eerstgenoemde bepaling wordt verwezen).(8) Zo wijst de Afdeling onder meer erop dat toegelaten instellingen wordt toegestaan woningen die uit de DAEB-tak met een terugkoopplicht zijn verkocht kunnen worden teruggekocht om deze definitief te verkopen (voorgesteld artikel 47, eerste lid onder j en Memorie van toelichting, paragraaf 3.4.7 "Verkoop onder voorwaarden"). Ook wordt voorzien in een wijziging van de regels voor het passend toewijzen van woningen aan huishoudens onder de inkomensgrens (Memorie van toelichting, paragraaf 3.4.8 ("Passend toewijzen").(9) Besluit van 15 december 2009, E 2/2005 en N 642/2009, C(2009) 9963 def.(10) Vergelijk artikel 1, onder c. van Verordening 2015/1589 van de Raad van 13 juli 2015 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, Pb L 248, p. 9 en HvJ EU 25 oktober 2017, Commissie/Italië, C-467/15, ECLI:EU:C:2017:799, punt 54.(11) Memorie van toelichting, paragraaf 4 ("Verhouding tot het hoger recht").(12) Zo heeft de Afdeling recent in haar advies over het wetsvoorstel inzake de wijziging huurverhogingsmogelijkheden en inkomensgrenzen Woningwet geadviseerd met de Commissie in overleg te treden over de wijziging van de DAEB-inkomensgrens en de vrije toewijzingsruimte (advies nr. W04.19.0304/I). Zie in dezelfde zin het advies bij de wijziging van de Herzieningswet toegelaten instellingen volkshuisvesting (Kamerstukken II 2013/14, 33 966, nr. 4).(13) Kamerstukken 2018/2019, 32847, nr. 470.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte en de Woningwet (wijziging huurverhogingsmogelijkheden en inkomensgrenzen Woningwet).
Bij Kabinetsmissive van 7 oktober 2019, no.2019002080, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, mede namens de Minister voor Rechtsbescherming, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte en de Woningwet (wijziging huurverhogingsmogelijkheden en inkomensgrenzen Woningwet), met memorie van toelichting.Met dit wetsvoorstel worden vier maatregelen voorgesteld voor de sociale huursector:- Een differentiatie van de DAEB-inkomensgrens naar huishoudenssamenstelling.- Een aanpassing van de inkomensafhankelijke hogere huurverhoging.- Het mogelijk maken van een hogere huurverhoging voor woningen met een zeer lage huur.- Het mogelijk maken van een hogere huurverhoging wanneer de verhuurder de huurder eerder op diens verzoek een tijdelijke huurkorting heeft gegeven.Daarnaast wordt ruimte geboden om lokaal afspraken te maken over een vergroting van de vrije toewijzingsruimte.De Afdeling advisering van de Raad van State maakt opmerkingen over de verwachte effecten en samenhang van de op doorstroom gerichte maatregelen in de huidige markt, en over de voorgestelde wijzigingen van de DAEB-inkomensgrens en de vrije toewijzingsruimte in het licht van de staatssteunregels. In verband daarmee is aanpassing van de toelichting wenselijk.1. InleidingWoningcorporaties dienen ten minste 90% van de sociale huurwoningen in hun portefeuille te verhuren aan huurders met een huishoudinkomen onder een bij amvb bepaalde inkomensgrens. (zie noot 1) Omdat deze inkomensgrens tot stand is gekomen in overleg met de Europese Commissie in het licht van de staatssteunregels, wordt deze ook wel DAEB-inkomensgrens genoemd. (zie noot 2)Voorgesteld wordt om de DAEB-inkomensgrens van € 38.035 te vervangen door twee DAEB-inkomensgrenzen: een van € 35.000 voor eenpersoonshuishouders en een van € 42.000 voor meerpersoonshuishoudens. Hiermee wordt beoogd de beschikbaarheid en betaalbaarheid van woningen voor meerpersoonshuishoudens met lage middeninkomens binnen de huursector te verbeteren. (zie noot 3) Door de voorgestelde hogere DAEB-inkomensgrens voor meerpersoonshuishoudens zal een groter deel van deze groep toegang krijgen tot de gereguleerde huursector. Daar staat tegenover dat de groep eenpersoonshuishoudens die toegang heeft tot de gereguleerde huursector met dit voorstel wordt verkleind. De gedachte daarachter is dat eenpersoonshuishoudens meer keuzevrijheid hebben buiten de sociale huursector dan meerpersoonshuishoudens met een vergelijkbaar inkomen, omdat zij een relatief groter deel van hun inkomen kunnen besteden aan wonen en de grootte van de woning een minder belemmerende factor is. (zie noot 4)Tevens wordt voorgesteld om het huidige systeem van de inkomensafhankelijke huurverhogingen aan te passen. Deze aanpassing is gericht op het in snellere stappen doorgroeien naar de maximale huurprijsgrens van de woning. Daardoor betalen huishoudens met een hoog (midden)inkomen sneller een meer passende huur en wordt de stimulans om na enige tijd naar een woning buiten het gereguleerde segment uit te kijken groter, aldus de toelichting. (zie noot 5) Indien huishoudens hierdoor gestimuleerd worden om te verhuizen naar een woning buiten het sociale huursegment, komen sociale huurwoningen beschikbaar voor huishoudens met een lager inkomen waardoor de slagingskansen van die huishoudens toenemen. (zie noot 6)Daarnaast wordt voorgesteld de vrije toewijzingsruimte voor huishoudens met een inkomen boven de DAEB-inkomensgrenzen te verruimen. Woningcorporaties hebben momenteel 10% vrije toewijzingsruimte voor huishoudens met een inkomen boven de DAEB-inkomensgrens. Vanuit de wens om het volkshuisvestingsbeleid meer lokaal in te vullen, stelt de regering voor om deze 10% vrije ruimte aan te passen naar een landelijke vrije toewijzingsruimte van 7,5% met een lokale afwijkingsbevoegdheid van maximaal 7,5%. De totale beschikbare vrije toewijzingsruimte van woningcorporaties stijgt daarmee van 10% naar maximaal 15%. (zie noot 7)2. Verwachte effecten en samenhang in de huidige woningmarkta. EffectUit het voorgaande blijkt dat zowel de differentiatie van de DAEB-inkomensgrens als de aanpassing van het huidige systeem van de inkomensafhankelijke huurverhogingen ten dele gericht zijn op doorstroom vanuit de sociale huursector. De Afdeling onderkent de noodzaak om de doorstroom op de woningmarkt te verbeteren. De vraag is echter wat het effect van de voorgestelde maatregelen zal zijn binnen de huidige markt. Zo is het essentieel dat er reële alternatieven bestaan voor diegenen die niet (meer) tot de doelgroep van de sociale huursector behoren. In de toelichting wordt hier niet op ingegaan.De Afdeling wijst er daarbij op dat er op veel plaatsen vrijwel geen actueel aanbod is op de particuliere markt waarvoor deze groep in aanmerking komt. Tevens worden op de particuliere huurmarkt door verhuurders vaak strenge inkomenseisen gesteld. Daarmee rijst de vraag of de voorgestelde maatregelen voldoende rekening houden met de toegankelijkheid van de woningmarkt voor deze huishoudens. De Afdeling ziet dat met het wetsvoorstel een aantal stappen wordt gezet om de doorstroom op de woningmarkt te verbeteren, maar acht het wenselijk om aan bovengenoemde gezichtspunten meer aandacht te schenken.b. Samenhang Eveneens is de vraag wat de samenhang is tussen de diverse maatregelen waarin het wetsvoorstel voorziet en wat de samenhang is met recente en aangekondigde maatregelen voor regulering van het middensegment. Deze vraag rijst onder meer bij de combinatie van de differentiatie van de DAEB-inkomensgrenzen en de structurele verhoging van de vrije toewijzingsruimte. Gezien de aparte inkomensgrens voor meerpersoonshuishoudens is de vraag of de structurele verhoging van de vrije toewijzingsruimte nog nodig is en omgekeerd.De Afdeling tekent daarbij aan dat uit de evaluatie van de herziene Woningwet blijkt dat zowel de tijdelijke extra toewijzingsruimte van 10% als de structurele vrije toewijzingsruimte van 10% weinig worden gebruikt. (zie noot 8) Het beperkte gebruik van de tijdelijke vrije toewijzingsruimte wordt deels verklaard vanuit het tijdelijke karakter daarvan, (zie noot 9) maar het beperkte gebruik van de structurele vrije toewijzingsruimte wordt in de toelichting niet verklaard. Uit de evaluatie van de herziene Woningwet blijkt echter dat corporaties aangeven hier weinig gebruik van te maken, omdat zij zich primair willen richten op de doelgroep met de laagste inkomens. (zie noot 10) Een zekere voorzichtigheid binnen de sector om de grenzen op dit punt niet te overschrijden zou daarbij ook een rol kunnen spelen. De Afdeling constateert ten slotte dat recente en aangekondigde maatregelen voor regulering van het middensegment slechts deels in de toelichting worden genoemd, (zie noot 11) en dat de verwachte effectiviteit van het onderhavige voorstel niet in samenhang met deze maatregelen wordt toegelicht.c. ConclusieDe Afdeling adviseert in het licht van het voorgaande de verwachte effectiviteit van de stimulans die uitgaat van de voorgestelde wijzigingen nader toe te lichten en daarbij tevens aandacht te besteden aan de samenhang tussen de verschillende maatregelen.3. DAEB-inkomensgrens en de vrije toewijzingsruimteDe kenmerken van de dienst van algemeen economisch belang die door woningcorporaties wordt verricht zijn vastgelegd in een besluit van de Europese Commissie van 2009. (zie noot 12) Met dit wetsvoorstel worden deze kenmerken gewijzigd. Dit geldt zowel voor de differentiatie in de DAEB-inkomensgrens als voor de verruiming van de vrije toewijzingsruimte voor huishoudens met een inkomen boven de DAEB-inkomensgrens.Nederland beschikt in beginsel over een ruime beoordelingsmarge om diensten van algemeen economisch belang als de volkshuisvesting te definiëren. (zie noot 13) De Europese Commissie en de Nederlandse autoriteiten hebben lang overleg gevoerd over de voorwaarden waaronder de Europese Commissie het Nederlandse stelsel van volkshuisvesting in overeenstemming achtte met de Europese staatssteunregels. Dit is uitgemond in een besluit van 2009, waarin onder meer de door Nederland toegezegde DAEB-inkomensgrens en het percentage vrije toewijzingsruimte zijn vastgelegd. (zie noot 14) Over (de betekenis en uitvoering van) dit besluit is nadien nog veel gediscussieerd en geprocedeerd. (zie noot 15)De Commissie heeft bij het beoordelen van de verenigbaarheid van deze steunmaatregelen vooropgesteld dat het aanbieden van sociale woningbouw kan worden aangemerkt als een DAEB mits dit aanbod beperkt is tot een duidelijk afgebakende doelgroep van kansarme burgers of sociaal achtergestelde groepen. (zie noot 16) In het licht daarvan achtte zij de door Nederland toezegde beperking van de doelgroep acceptabel, omdat de reikwijdte daarvan duidelijk beperkt was tot sociaal achtergestelde huishoudens die een achterstand hebben in vergelijking met huishoudens buiten de doelgroep. (zie noot 17) De Commissie aanvaardde de 10% vrije toewijzingsruimte enkel in het licht van de daaraan door Nederland verbonden beperkingen, waaronder die van de tijdelijke afwijkingsbevoegdheid. (zie noot 18)In de toelichting wordt opgemerkt dat de differentiatie van de DAEB-inkomensgrens en de voorgestelde wijziging van de vrije toewijzingsruimte "een aanvulling" vormen op het hierboven aangehaalde besluit van de Commissie. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat het DAEB-vrijstellingsbesluit 2012 (zie noot 19) ruimte biedt voor het maken van deze wijzigingen. (zie noot 20) De Afdeling acht het nodig dat wordt geverifieerd of de aanvullende financiering van de DAEB en de nieuwe definitie van de reikwijdte van de DAEB nog beantwoorden aan de uitgangspunten zoals die in het besluit van 2009 zijn vastgesteld.De Afdeling benadrukt in dit licht het belang dat omwille van de rechtszekerheid in overleg wordt getreden met de Commissie over de voorgenomen wijziging van de DAEB, en dat in de toelichting nader wordt ingegaan op de uitkomsten van dat overleg alvorens het wetsvoorstel in te dienen bij de Tweede Kamer.De Afdeling adviseert in de toelichting op het voorgaande in te gaan, en het wetsvoorstel in ieder geval niet in werking te laten treden voordat overeenstemming is bereikt met de Commissie.De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal opmerkingen bij het voorstel en adviseert daarmee rekening te houden voordat het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal wordt ingediend.De vice-president van de Raad van StateNader rapport (reactie op het advies) van 30 juni 2020Verwachte effecten en samenhang in de huidige woningmarktDe woningmarkt in Nederland kent momenteel krapte met een woningtekort van 3,8% (zie noot 21). Het kabinet zet daarom in op het bouwen van meer woningen om het woningtekort te verminderen, met onder meer de woningbouwimpuls en woondeals in de regio’s waar de woningmarkt het krapste is. Het duurt echter een tijd voordat de benodigde woningen zijn gebouwd. In de tussentijd zet Het kabinet daanaast in op het eerlijker verdelen van de bestaande woningvoorraad, het bevorderen van de doorstroming en een betere relatie tussen de huurprijs van de woning, de kwaliteit van de woning en het inkomen van de huurder(s). In dit kader beoogt dit wetsvoorstel een differentiatie in de DAEB-inkomensgrenzen aan te brengen met als doel om de toewijzing van de DAEB-huurwoningen doelmatiger te richten op de betaalbaarheid voor de doelgroep van woningcorporaties. Op basis van gegevens van het Nibud blijkt dat meerpersoonshuishoudens met een gegeven inkomen minder bestedingsruimte voor wonen hebben dan eenpersoonshuishoudens met eenzelfde inkomen. Een meerpersoonshuishouden heeft namelijk over het algemeen hogere overige uitgaven voor levensonderhoud, zoals de boodschappen, vervoer, verzekeringen en de energierekening, dan een eenpersoonshuishouden. De voorgestelde DAEB-inkomensgrenzen voor meerpersoonshuishoudens en eenpersoonshuishoudens zijn gebaseerd op de indicaties die Nibud over huishoudensbudgetten presenteert.De voorgestelde DAEB-inkomensgrenzen spelen net als bij de huidige regeling alleen een rol bij de toewijzing van woningen in het DAEB-segment; zij spelen geen rol bij zittende huurders.Daarom is het van belang om te kijken naar het aantal verhuizingen binnen het DAEB-segment en de verhuismogelijkheden binnen en buiten het DAEB-segment. In de afgelopen drie jaar werden jaarlijks gemiddeld bijna 200.000 woningen in het DAEB-segment toegewezen, waarvan gemiddeld ruim 62.000 woningen in de drie meest gespannen woningmarktregio’s. Dit zijn de metropoolregio Amsterdam (MRA), gemeente Utrecht en de 15 omliggende gemeenten (U16) en de regio Haaglanden/Rotterdam/Midden-Holland. Het kabinet is van mening dat de slagingskansen van de huishoudens met een laag inkomen, waaronder de huurtoeslagdoelgroep, in het oog moeten worden gehouden vanwege de gegeven voorraad DAEB-woningen van circa 2,2 miljoen woningen en de wijze waarop deze DAEB-woningen worden verdeeld. Het gaat hierbij om huishoudens die moeilijker zelfstandig in hun huisvesting kunnen voorzien buiten het DAEB-segment.Meer dan de helft van 135.000 eenpersoonshuishoudens met een inkomen tussen € 35.938 en € 39.055 die als gevolg van dit wetsvoorstel niet meer per definitie in aanmerking komen voor een DAEB-woning, is eigenaar-bewoner. Uit het langjarig WoonOnderzoek Nederland blijkt dat huishoudens die in een koopwoning wonen bij verhuizing overwegend verhuizen naar een andere koopwoning. Het is daardoor te verwachten dat met name hurende huishoudens in deze inkomensgroep (ca. 64.000 huishoudens) bij verhuizing in aanmerking zouden willen komen voor een huurwoning in het DAEB-segment. Van de hurende eenpersoonshuishoudens in deze inkomensgroep tussen € 35.938 en € 39.055 verhuizen jaarlijks ongeveer 6.500 huishoudens, waarvan ca. 3.000 in de drie meest gespannen woningmarktregio’s. Indien deze eenpersoonshuishoudens willen verhuizen kunnen zij een woning zoeken bij overige verhuurders, zoals particuliere verhuurders of institutionele beleggers. Deze verhuurders bieden zowel woningen aan in het gereguleerde huursegment als in het middenhuursegment. In de private huursector zijn er 541.000 woningen met een gereguleerde huurprijs tot € 737 (prijspeil 2020). Jaarlijks komen ruim 83.000 woningen binnen dit segment vrij, waarvan circa 30.000 in de drie meest gespannen woningmarktregio’s. Daarnaast kunnen deze huishoudens een woning zoeken in de koopsector.Huishoudens met een inkomen boven de voorgestelde inkomensgrenzen kunnen een woning met een huur boven de liberalisatiegrens betalen. Waar deze huishoudens in zijn algemeenheid buiten het DAEB-segment terecht kunnen, kan dat lokaal anders zijn voor bepaalde huishoudens, zoals starters, ouderen of grote gezinnen, met specifieke omstandigheden. Daarom wil het kabinet het met voorliggend wetsvoorstel mogelijk maken dat lokale partijen hun beleid voor de vrije toewijzingsruimte verder toespitsen op de woningmarktsituatie in hun gemeente. Het kabinet wil hiermee stimuleren dat de vrije toewijzingsruimte beter wordt benut. Indien de partijen het wenselijk vinden kunnen zij lokaal beleid formuleren en maatwerk toepassen voor bepaalde huishoudens met een inkomen boven de voorgestelde DAEB-inkomensgrenzen. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan grote gezinnen, ouderen die in aanmerking komen voor een zorgwoning of het geven van voorrang aan starters op de woningmarkt die tot bepaalde beroepsgroepen behoren vanwege lokale schaarste aan woningen. De vrije toewijzingsruimte kan dan lokaal maximaal jaarlijks 15% van de toewijzingen van woningen in het DAEB-segment van een woningcorporatie bevatten. Indien de lokale situatie of wensen geen aanleiding geven tot het maken van beleid op een grotere vrije toewijzingsruimte, krijgen woningcorporaties jaarlijks 7,5% vrije toewijzingsruimte. Op deze wijze neemt de potentiële doelgroep van DAEB-woningen niet integraal toe waardoor de slagingskansen voor de huishoudens met de laagste inkomens afnemen. Het kabinet wil deze mogelijkheid om daar waar nodig lokaal in de prestatieafspraken te komen tot een grotere vrije toewijzingsruimte actief ondersteunen en faciliteren. In overleg met de betrokken partijen zal bekeken worden op welke wijze de ondersteuning opgezet kan worden.In de brief ‘Middenhuur, starters en de rol van beleggers op de woningmarkt’ (Kamerstukken II 2018/19, 32 847, nr. 440) van 9 november 2018 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de Tweede Kamer der Staten-Generaal geïnformeerd over de minimuminkomenseisen die private verhuurders en woningcorporaties stellen bij verhuringen in de vrije sector (huurwoningen met een aanvangshuurprijs boven de liberalisatiegrens). Private verhuurders stellen deze minimumeisen doorgaans ook bij verhuringen van woningen in het gereguleerde huursegment. Verhuurders trachten zich hiermee te verzekeren van een huurder die de huur kan betalen, gelet op de inkomens- of vermogenspositie van die huurder en het perspectief dat hij heeft. Uit gesprekken met Aedes en IVBN volgt het beeld dat de meeste verhuurders een inkomenseis hanteren van een maandelijks bruto-inkomen dat ongeveer vier keer zo hoog is als de huur. Bij een inkomenseis van vier keer de maandhuur, komt dat neer op een bruto-inkomen van ten minste € 36.000 bij een huur van € 750 per maand en een bruto-inkomen van ten minste € 48.000 bij een huur van € 1.000 per maand. Met deze inkomenseis kunnen huishoudens met een inkomen boven de voorgestelde DAEB-inkomensgrenzen dus een woning huren in het middenhuursegment.Daarnaast bleek uit gesprekken met Aedes en de IVBN dat de verhuurders die zij vertegenwoordigen ook maatregelen bekijken voor maatwerk rondom de inkomensvereisten voor middenhuur (huurwoningen met een huurprijs tussen de liberalisatiegrens en € 1.000) of dit al hanteren. Zo geeft IVBN aan dat leden kijken naar de individuele situatie van huurders, bijvoorbeeld naar een redelijk te verwachten inkomensstijging bij starters of beschikbaar vermogen. Aedes heeft aangegeven een oproep te doen aan de sector om geen hogere eis aan het bruto-inkomen dan het viervoudige van de maandhuur te stellen bij woningtoewijzing.De verbeterde systematiek voor de inkomensafhankelijke hogere huurverhoging uit dit wetsvoorstel heeft als doel dat huishoudens die vanwege hun inkomen niet afhankelijk zijn van een gereguleerde huurprijs, (op termijn) een meer bij de kwaliteit van de woning passende huur gaan betalen. Huishoudens die te maken krijgen met deze inkomensafhankelijke hogere huurverhogingen (zie noot 22) kunnen er ook voor kiezen om door te stromen naar een andere woning. Op basis van WoON2018 blijkt dat in de twee jaar voorafgaand aan het onderzoek circa 125.000 huishoudens met een inkomen boven € 43.574, die grotendeels in aanmerking kwamen voor een inkomensafhankelijke hogere huurverhoging, zijn verhuisd. Deze huishoudens zijn in circa 60% van de gevallen verhuisd naar een koopwoning. Daarnaast is 25% verhuisd naar een huurwoning in het geliberaliseerde segment. De overige 15% van de huishoudens is verhuisd naar een andere huurwoning in het gereguleerde segment. Het WoON2018 laat daarbij zien dat huishoudens die in aanmerking komen voor een inkomensafhankelijke hogere huurverhoging net zo vaak willen verhuizen als andere huurders. Slechts een beperkt aantal huishoudens die in aanmerking komen voor een inkomensafhankelijke hogere huurverhoging (circa 5%) geeft aan dat zij wel willen verhuizen, maar dat zij geen geschikte woning kunnen vinden. Dit is vergelijkbaar met andere huishoudens die een woning huren. Als huishoudens die in aanmerking komen voor een inkomensafhankelijke hogere huurverhoging willen verhuizen is dat in vergelijking met andere huurders vaker omdat ze een woning willen kopen. Op basis van de bovenstaande cijfers blijkt dit ook vaak te lukken.b. SamenhangIn de brief Maatregelen woningmarkt van 17 september 2019 (Kamerstukken II 2018/19, 32 847, nr. 555) heeft het kabinet maatregelen aangekondigd om de krapte op de woningmarkt aan te pakken en de betaalbaarheid te stimuleren. Onderdeel van dit pakket is een woningbouwimpuls van € 2 miljard per 2020 ter stimulering van de bouw van betaalbare woningen. Ten eerste een budgettaire impuls voor de woningbouw van 1 miljard euro waarmee wordt gewerkt aan het inlopen van het woningtekort en het meerjarig hoog houden van de bouwproductie. Ten tweede een impuls van 1 miljard euro voor het aanjagen van de bouw via de verhuurderheffing, waarmee een gerichte stimulans ontstaat voor woningcorporaties en andere verhuurders die meer betaalbare woningen bouwen.Omdat het tijd kost om de woningen te bouwen heeft het kabinet daarnaast in die brief diverse andere maatregelen aangekondigd voor het behoud van betaalbare woningen in de bestaande huurvoorraad, een betere verdeling van de bestaande voorraad, meer mogelijkheden voor lokaal maatwerk voor woningcorporaties en voor een betere balans tussen starters en beleggers. Dit wetsvoorstel draagt bij aan een betere verdeling van de bestaande voorraad en meer mogelijk voor lokaal maatwerk voor woningcorporaties.Eén van deze aangekondigde maatregelen is het beperken van het aandeel van de WOZ-waarde in het woningwaarderingsstelsel. Verder vermeldt deze brief dat een voorstel wordt uitgewerkt om het voor woningcorporaties eenvoudiger te maken woningen te verschuiven tussen de DAEB- en de niet-DAEB-portefeuilles. Woningcorporaties kunnen woningen aanbieden in het DAEB-segment, maar ook in het middenhuursegment (niet-DAEB-segment). Het kabinet heeft ook aangekondigd om de aanpak van malafide verhuurders, het tegengaan van excessieve huren in de vrije sector en het versterken van de positie van koopstarters ten opzichte van beleggers in samenhang te bezien (Kamerstukken II 2018/19, 32 847, nr. 578).In de huidige situatie met het woningtekort is het belangrijk om de bestaande woningvoorraad eerlijker te verdelen. Hierbij heeft het kabinet het uitgangspunt naar aanleiding van de evaluatie van de herziene Woningwet (zie noot 23) dat woningcorporaties meer mogelijkheden krijgen om op lokaal niveau met gemeenten en huurders invulling te geven aan de volkshuisvesting binnen wettelijke principes. Uit de evaluatie van de herziene Woningwet komt ook naar voren dat er winst te behalen is in de samenwerking tussen verschillende instanties en verschillende domeinen op lokaal niveau. Samen met de sector is een informatietraject ingezet om onder andere de samenwerking op wonen-zorg-welzijn verbeteren, de regierol van gemeenten te versterken, onderlinge prestatieafspraken te stimuleren en te bevorderen dat de kwaliteit van woonvisies verder verbetert.Met voorliggend wetsvoorstel gaat het kabinet verder in deze lijn. Het kabinet heeft er met dit wetsvoorstel voor gekozen om op landelijk niveau de DAEB-inkomensgrens te differentiëren naar huishoudenssamenstelling met als doel om de toewijzing van de DAEB-huurwoningen doelmatiger te richten op de betaalbaarheid voor de doelgroep van woningcorporaties en daarnaast ruimte te bieden om lokaal beleid te maken voor de invulling van de vrije toewijzingsruimte. De lokale partijen kunnen het wenselijk vinden om lokaal maatwerk aan bepaalde huishoudens te bieden wanneer de situatie op de lokale of regionale woningmarkt hierom vraagt. In dergelijke gevallen kunnen zij de vrije toewijzingsruimte vergroten naar maximaal 15%. Indien de lokale situatie of wensen geen aanleiding geven tot het maken van lokaal beleid hebben woningcorporaties 7,5 procent vrije toewijzingsruimte (nu: 10%). Het kabinet vindt dat hiermee een goed evenwicht is gevonden tussen de doelstelling om de betaalbare huurwoningen in de bestaande voorraad beter te verdelen en de doelstelling om de mogelijkheden voor het toepassen van lokaal maatwerk door woningcorporaties te vergroten. Ook kan de vrije toewijzingsruimte op deze manier beter bijdragen aan behoud of verbetering van de sociale mix en de sociale cohesie in de betreffende wijken.De memorie van toelichting is op dit punt aangevuld.DAEB-inkomensgrenzen en de vrije toewijzingsruimteStaatssteun dient in overeenstemming te zijn met de geldende Europese regels. De steun waarvoor woningcorporaties in aanmerking kwamen is tussen 2005 en 2009 door de Europese Commissie onderzocht. Met Nederland zijn de voorwaarden vastgelegd waaronder naar het oordeel van de Europese Commissie sprake is van geoorloofde steun als compensatie voor het beheer van de opgedragen dienst van algemeen economisch belang (hierna: DAEB). De huidige DAEB-inkomensgrens en de vrije toewijzingsruimte is vastgelegd in het staatssteunbesluit van de Europese Commissie over de Nederlandse woningcorporaties van 15 december 2009 (hierna: EC-besluit van 2009). Concreet betekent dit dat woningcorporaties ten minste 90% van de vrijkomende sociale huurwoningen (met een huurprijs tot € 737,14, prijspeil 2020) moeten toewijzen aan hun doelgroep - dit zijn huishoudens met een inkomen beneden € 39.055 (prijspeil 2020). De overige 10% van de sociale huurwoningen mogen woningcorporaties vrij toewijzen.Met de in 2015 herziene Woningwet is voor de tijd van 5 jaar (2016 tot 2021) een 80-10-10 regeling in werking getreden. Dit betekent dat woningcorporaties jaarlijks ten minste 80 procent van de vrijkomende sociale huurwoningen moeten toewijzen aan huishoudens met een inkomen tot € 39.055 (prijspeil 2020). Van de resterende vrijgekomen woningen mag tijdelijk (tot en met 2020) jaarlijks maximaal 10 procentpunt worden toegewezen aan huishoudens met een inkomen tussen de € 39.055 en € 43.574 (prijspeil 2020). Dit tezamen betreft daarmee de hiervoor genoemde 90 procent van de jaarlijks vrijgekomen sociale huurwoningen in het DAEB-segment. Daarnaast mag nu maximaal 10 procent van de jaarlijks vrijgekomen sociale huurwoningen in het DAEB-segment toegewezen worden aan huishoudens met een hoger inkomen, rekening houdend met de voorrangsregels en de gemeentelijke huisvestingsverordening. De 80-10-10 regeling is een aanvulling op het EC-besluit van 2009 en is gebaseerd op het Europese DAEB-vrijstellingsbesluit (2012/21/EU (PbEU 2012, L 7)) (hierna: DAEB-vrijstellingsbesluit).Kenmerk van steun die kan worden gegeven onder het DAEB-vrijstellingsbesluit is dat deze niet vooraf hoeft te worden gemeld bij de Europese Commissie en dat daarop daarom ook geen formeel akkoord wordt gegeven door de Commissie. Het is aan de lidstaat om te zorgen dat wordt voldaan aan de voorwaarden van het DAEB-vrijstellingsbesluit. Daarmee is 80-10-10 regeling destijds vrijgesteld van aanmelding bij de Europese Commissie. De 80-10-10 regeling loopt af op 1 januari 2021.Op grond van artikel 21 van de Herzieningswet toegelaten instellingen volkshuisvesting, is in 2018 de herziene Woningwet geëvalueerd. Uit de evaluatie is naar voren gekomen dat de positie van middeninkomens op de woningmarkt meer aandacht verdient. Ander onderzoek (zie noot 24) bevestigt dit.Het blijkt dat de doelstelling om personen te huisvesten die door hun inkomen of door andere omstandigheden moeilijkheden ondervinden bij het vinden van hun passende huisvesting (zoals beschreven in het EC-besluit van 2009) onvoldoende is behaald voor de groep lage middeninkomens met de huidige inkomensgrens. Enerzijds is gebleken dat de meerpersoonshuishoudens in deze groep door hun inkomen nog steeds moeilijkheden ondervinden bij het vinden van passende huisvesting. Anderzijds is gebleken dat de tijdelijke extra toewijzingsruimte voor middeninkomens in de 80-10-10 regeling niet voldoende effectief is. Uit de evaluatie van de herziene Woningwet kwam naar voren dat corporaties hiervan maar zeer beperkt gebruik maken. Als redenen voor het geringe gebruik van de toewijzingsruimte voor middeninkomens, noemen corporaties dat zij zich primair willen richten op de doelgroep met de laagste inkomens. Daarnaast zijn zij naar eigen zeggen in verband met het tijdelijk karakter van de maatregel terughoudend met nieuwbouwinvesteringen voor deze doelgroep. Dit is de aanleiding om na het aflopen van de tijdelijke 80-10-10 regeling de DAEB-inkomensgrens structureel te differentiëren naar huishoudsamenstelling.Uit de evaluatie van de herziene Woningwet is ook gebleken dat woningcorporaties zeer beperkt gebruik maken van de bestaande reguliere vrije toewijzingsruimte in de DAEB-tak. De bestaande vrije toewijzingsruimte heeft daarmee onvoldoende bijgedragen aan de sociale vermenging en de cohesie in wijken. Ook wordt maar weinig gebruik gemaakt van de mogelijkheid om met de vrije toewijzingsruimte (lokaal) maatwerk te bieden voor individuele huishoudens die, hoewel hun inkomen boven de DEAB-inkomensgrens ligt, toch door de lokale situatie moeilijk een passende woning kunnen vinden. Woningcorporaties vinden de vrije ruimte wel nuttig om in te spelen op onverwachte situaties en om bepaalde type huishoudens woonruimte te bieden waarvoor zij anders niet in aanmerking zouden komen of die ze ergens anders niet kunnen vinden (Beuzenberg, V. en A. Corèl, 2018, Maatwerk bij woningtoewijzing - Verkenning naar maatwerk bij woningtoewijzing door woningcorporaties, Platform 31). De behoefte verschilt per gebied. De notie van regionale verschillen uit het EC-besluit van 2009, is vandaag de dag nog altijd relevant. Woningcorporaties in stedelijke gebieden kampen met andere problematiek dan woningcorporaties in rurale gebieden. Om hiermee rekening te houden en om lokaal maatwerk te stimuleren wordt de vrije toewijzingsruimte aangepast, zodat beter wordt bijgedragen aan de sociale mix en sociale cohesie in wijken. Het behoud of de verbetering van de sociale mix en de sociale cohesie beschouwt de Europese Commissie blijkens het staatssteunbesluit van de Europese Commissie over de Nederlandse woningcorporaties van 15 december 2009 (zie pagina 16 daarvan) tot de valide doelstellingen van openbaar beleid.Het Europese DAEB-vrijstellingsbesluit (2012/21/EU) biedt de mogelijkheid om maatregelen te nemen in aanvulling op het EC-besluit van 2009. Zolang deze maatregelen voldoen aan het DAEB-vrijstellingsbesluit hoeven deze niet bij de Europese Commissie gemeld te worden. Dit betekent ook dat er dan geen formeel overleg met de Europese Commissie plaatsvindt en geen formeel akkoord volgt. Het is aan de lidstaat om te verzekeren dat wordt voldaan aan de voorwaarden van het DAEB-vrijstellingsbesluit. De Europese Commissie kan achteraf wel optreden indien blijkt dat niet aan de voorwaarden wordt voldaan en in dat geval bijvoorbeeld eisen dat de steun wordt teruggevorderd.Het uitgangspunt van het DAEB-vrijstellingsbesluit is dat de maatregelen moeten dienen om de toegang tot de Nederlandse woningmarkt te verbeteren voor "achterstandsgroepen of sociaal kansarme groepen, welke door solvabiliteitsbeperkingen, geen huisvesting tegen marktvoorwaarden kunnen vinden". Zoals hierboven al aangehaald is blijkt de groep meerpersoonshuishoudens met een laag middeninkomen nog steeds moeilijkheden te ondervinden bij het vinden van passende huisvesting. Onderzoek bevestigt dit. Omdat er sprake is van marktfalen waar het gaat om de mogelijkheid voor meerpersoonshuishoudens met een laag middeninkomen om een betaalbare sociale huurwoning te vinden en omdat de Nederlandse overheid zich ook de zorg voor huisvesting van deze groep aantrekt, neemt zij dan ook het standpunt in, dat deze doelgroep valt binnen de afgebakende doelgroep voor sociale huisvesting en dat de maatregelen vallen onder het DAEB-vrijstellingsbesluit. Een formele melding is daarom niet nodig. Wel is Nederland informeel met de diensten van de Europese Commissie in gesprek over dit onderwerp en is voor zover nodig guidance gevraagd. Dit wordt regelmatig gedaan bij nieuwe beleidsvoornemens. In haar guidance bevestigen de Commissiediensten dat aanvullende maatregelen op basis van het DAEB-vrijstellingsbesluit mogelijk zijn, zolang aan de voorwaarden van dat besluit wordt voldaan. Ook gaf men daarin aan dat wat als achterstandsgroepen of sociaal kansarme groepen kunnen worden gezien afhankelijk is van de situatie in een lidstaat en dat het in ieder geval niet goed voorstelbaar is dat een meerderheid van de huishoudens onder deze groep zou vallen.De voorgestelde DAEB-inkomensgrenzen voor meerpersoonshuishoudens en eenpersoonshuishoudens zijn gebaseerd op de indicaties die Nibud over huishoudensbudgetten presenteert. Het bijkomstige effect van de voorgestelde DAEB-inkomensgrenzen is dat 3,36 miljoen huishoudens tot de potentiële doelgroep gaan behoren. Per saldo groeit de potentiële doelgroep daardoor licht (met 106.000 huishoudens). Met deze wijzigingen blijft er dus sprake van een potentiële doelgroep die in relatieve omvang beperkt is (ca. 45% van alle huishoudens).Daarnaast is er de vrije toewijzingsruimte waarbinnen woningcorporaties DAEB-woningen aan huishoudens die buiten de doelgroep vallen, kunnen toewijzen. Ook deze vrije toewijzingsruimte blijft naar verwachting met de voorgestelde wijzigingen landelijk gezien grosso modo gelijk. Nederlandse woningcorporaties hebben een DAEB-taak opgedragen gekregen, waarmee invulling wordt gegeven aan de gedeelde waarden van de Unie met betrekking tot diensten van algemeen economisch belang in de zin van artikel 14 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). Zo waarborgen zij een hoog niveau van kwaliteit, toegankelijkheid, veiligheid, gelijke behandeling, en betaalbaarheid (zoals verwoord in protocol nr. 26 bij het VWEU betreffende diensten van algemeen belang).De toelichting op het wetsvoorstel is verder aangevuld met de wijze waarop deze maatregelen de gedeelde waarden van de Unie met betrekking tot diensten van algemeen economisch belang op grond van het VWEU waarborgen. Tevens gaat de toelichting specifieker in op de voorwaarden waaronder staatssteun verenigbaar is met de interne markt (geschiktheid en noodzakelijkheid).Resumerend is de inschatting van het kabinet dat een formele melding op grond van het DAEB-vrijstellingsbesluit niet nodig is. Zoals hierboven toegelicht, neemt dat niet weg dat het kabinet in gesprek is met de Europese Commissie en voor zover nodig om guidance vraagt.Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om in het wetsvoorstel en de memorie van toelichting enkele redactionele verbeteringen aan te brengen.Voorts is van de gelegenheid gebruikt gemaakt om het wetsvoorstel zoals dat aan de Afdeling advisering van de Raad van State is voorgelegd, te splitsen.Tijdens de parlementaire behandeling van de Tijdelijke wet verlenging tijdelijke huurovereenkomsten is gebleken dat er behoefte is aan een snelle wettelijke regeling voor tijdelijke huurkorting. Om aan die wens tegemoet te komen, is besloten dat onderdeel uit het aan de Afdeling advisering van de Raad van State voorgelegde wetsvoorstel te lichten en als zelfstandig wetsvoorstel voort te zetten.Bovendien is in het wetsvoorstel tijdelijke huurkorting een wijziging van de Wet maatregelen woningmarkt 2014 II opgenomen. Die wijziging strekt tot verlenging van de geldigheidsduur van voorlopige investeringsverklaringen als bedoeld in die wet die eindigen in 2020. Als gevolg van de beperkingen in verband met de Coronacrisis is het voor houders van dergelijke verklaringen niet mogelijk gebleken om de voorgenomen investeringen tijdig te doen. De geldigheid van die investeringsverklaringen wordt daarom met een jaar verlengd.Ik moge U, mede namens mijn ambtgenoot voor Rechtsbescherming, verzoeken de hierbij gevoegde gewijzigde voorstellen van wet en de gewijzigde memories van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.De minister van Binnenlandse Zaken en KoninkrijksrelatiesVoetnoten(1) Zie artikel 48, eerste lid van de Woningwet.(2) DAEB is de afkorting voor dienst van algemeen economisch belang.(3) Toelichting, algemeen deel, paragraaf 1.(4) Toelichting, algemeen deel, paragraaf 2.1.(5) Toelichting, algemeen deel, paragraaf 2.2.(6) Toelichting, algemeen deel, paragraaf 8.5.(7) Toelichting, algemeen deel, paragraaf 2.1.(8) Bijlage bij Kamerstukken II 2018/19, 32847, nr. 470.(9) Bijlage bij Kamerstukken II 2018/19, 32847, nr. 470, p. 26.(10) Bijlage bij Kamerstukken II 2018/19, 32847, nr. 470, p. 26.(11) Toelichting, algemeen deel, paragraaf 2.1.(12) Besluit van 15 december 2009, E 2/2005 en N 642/2009, C(2009) 9963 def.(13) C(2009) 9963 def., punt 50.(14) C(2009) 9963 def., punt 41.(15) Zie laatstelijk Gerecht EU 15 november 2018, ECLI:EU:T:2018:795, T-202/10 RENV II en T-203/10 RENV II (Stichting Woonlinie e.a./Commissie).(16) C(2009) 9963 def., punt 55.(17) C(2009) 9963 def., punt 57.(18) "In view of these limitations and the legitimate public policy objective the existence of this social mix mechanism can therefore be accepted as valid within the public service definition", aldus de Commissie. Zie C(2009) 9963 def., punt 58.(19) Besluit van de Commissie van 20 december 2011 betreffende de toepassing van artikel 106, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst, verleend aan bepaalde met het beheer van diensten van algemeen economisch belang belaste ondernemingen (2012/21/EU) (PbEU 2012, L 7/3).(20) Toelichting, algemeen deel, paragraaf 2.1.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wet bevordering samenwerking en rechtmatige zorg.
Bij Kabinetsmissive van 3 januari 2020, no.2019002731, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet houdende bepalingen over gegevensuitwisseling ter bevordering van samenwerking binnen het zorgdomein en van doelmatige en rechtmatige zorg, maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp (Wet bevorderen samenwerking en rechtmatige zorg), met memorie van toelichting.Het voorstel introduceert het Waarschuwingsregister zorgfraude (hierna: Waarschuwingsregister) voor gemeenten en ziektekostenverzekeraars. Daarnaast biedt het voorstel een wettelijke grondslag voor de gegevensverstrekking aan en door het samenwerkingsverband Informatieknooppunt zorgfraude (hierna: IKZ). Tot slot regelt het voorstel dat in plaats van verstrekking door elke afzonderlijke gemeente het Inlichtingenbureau (hierna: IB) namens alle gemeenten gegevens verstrekt en ontvangt van het IKZ.De Afdeling advisering van de Raad van State maakt opmerkingen over de definitie van fraude, de gevolgen van het Waarschuwingsregister en de rechtsbescherming voor betrokkenen, de wettelijke grondslagen voor gegevensverstrekking aan het IKZ, de eventuele mogelijkheid tot profilering, het aanwijzen van een stichting IKZ, de verwerkingsverantwoordelijkheid van het IB, en de mogelijkheid tot subdelegatie. In verband daarmee is aanpassing wenselijk van het wetsvoorstel en de toelichting.1. Achtergrond en inhoud van het voorstelHet voorstel moet worden bezien tegen de achtergrond van de maatschappelijke discussie over een effectieve aanpak van zorgfraude. (zie noot 1) In dat kader is in 2016 het samenwerkingsverband IKZ van start gegaan tussen verschillende samenwerkingspartners. Het doel daarvan is onderling signalen van zorgfraude te kunnen uitwisselen. Binnen het huidige samenwerkingsverband worden gegevens verstrekt aan deelnemende instanties op grond van bilaterale en multilaterale wettelijke grondslagen. (zie noot 2) Volgens de toelichting worden - ondanks deze grondslagen voor gegevensverwerking - toch knelpunten ervaren. In het bijzonder vanwege het ontbreken van een wettelijke grondslag voor het (door)verstrekken van gegevens via het IKZ en het verwerken van persoonsgegevens door het IKZ. (zie noot 3)Het voorstel beoogt deze knelpunten weg te nemen door het IKZ wettelijk te verplichten tot het verwerken en verstrekken van gegevens noodzakelijk voor de bestrijding van fraude in de zorg. (zie noot 4) Onder zorgfraude verstaat de toelichting "het opzettelijk misleidend handelen binnen het zorgdomein, met het oog op eigen of andermans gewin". (zie noot 5) Ook krijgt het IKZ tot taak om op basis van de verzamelde gegevens trends en ontwikkelingen te signaleren, en beleidsinformatie en statistische informatie te ontwikkelen. (zie noot 6)Daarnaast regelt het voorstel een wettelijke grondslag voor een Waarschuwingsregister. Het Waarschuwingsregister is een instrument dat los staat van het IKZ. Het Waarschuwingsregister is een uitwerking van de motie-Potters en Van Dijk. (zie noot 7) Daarin is gevraagd om een zwarte lijst van frauderende zorgaanbieders en -bemiddelingsbureaus. (zie noot 8) Het voorstel regelt ten behoeve van het Waarschuwingsregister de grondslag voor de verwerking van persoonsgegevens, waaronder gegevens over de gezondheid en gegevens van strafrechtelijke aard.Uit de toelichting blijkt dat met deze verwerking wordt gedoeld op de registratie van deze gegevens in een centraal register. In dit register kunnen zorgaanbieders worden geregistreerd als de betreffende instantie tot de gerechtvaardigde overtuiging is gekomen dat sprake is van fraude in de zorg. (zie noot 9) Gemeenten, zorgverzekeraars, uitvoerders van de Wet langdurige zorg (Wlz) en particuliere ziektekostenverzekeraars (zie noot 10) kunnen dit register raadplegen om te kijken of een bepaalde zorgaanbieder (of houder van een persoonsgebonden budget) hierin geregistreerd staat.Ten slotte regelt het voorstel dat het IB het gegevensknooppunt wordt tussen de gemeenten en het IKZ. Het IB functioneert momenteel al als gegevensknooppunt tussen gemeenten en andere instanties. Zo verstrekt het signalen van instanties, zoals het UWV, aan gemeenten ten behoeve van de rechtmatigheidscontrole van bijvoorbeeld uitkeringen. Sinds de decentralisaties in het sociaal domein is het IB ook knooppunt voor het berichtenverkeer en andere diensten in het kader van de uitvoering van de Jeugdwet en de Wmo 2015.Het wetsvoorstel regelt nu ook de verwerkingsverantwoordelijkheid in het kader van deze wetten. (zie noot 11) Het voorstel regelt daarnaast dat het IB persoonsgegevens verwerkt ten behoeve van de gemeenten voor zorgfraude: het verstrekken van gegevens aan het IKZ en het ontvangen van signalen via het IKZ verloopt via het IB. Voor deze gegevensverwerking wordt het IB ook verwerkingsverantwoordelijke. (zie noot 12)2. Definitie van fraude opnemen in de wettekstHet wetsvoorstel regelt dat gemeenten en ziektekostenverzekeraars gehouden zijn gegevens van natuurlijke personen of rechtspersonen te verstrekken, van wie zij op grond van een protocol de gerechtvaardigde overtuiging hebben dat zij fraude in de zorg hebben gepleegd, indien dat noodzakelijk is voor de bestrijding van deze fraude. Zoals hiervoor uiteen gezet, wordt volgens de toelichting onder het begrip fraude verstaan: "het opzettelijk misleidend handelen binnen het zorgdomein, met het oog op eigen of andermans gewin". (zie noot 13)De Afdeling merkt op dat essentiële onderdelen van regelgeving op het niveau van de wet dienen te worden vastgelegd. Dit geldt ook voor de definitie van het begrip ‘fraude’: deze definitie is essentieel voor het vaststellen van de reikwijdte van de wet. Mede op grond daarvan worden natuurlijke personen of rechtspersonen al dan niet geregistreerd in het Waarschuwingsregister en kunnen signalen worden verstrekt aan en door het IKZ. De gevolgen daarvan kunnen voor natuurlijke personen of rechtspersonen aanzienlijk zijn.De Afdeling adviseert de in de toelichting genoemde definitie van fraude in de wettekst op te nemen en het voorstel aldus aan te passen.3. Het Waarschuwingsregistera. Rol van het WaarschuwingsregisterIn het voorstel is geregeld dat het Waarschuwingsregister afzonderlijk functioneert van het IKZ. Volgens de toelichting kan in de praktijk echter een zekere samenhang bestaan. (zie noot 14) Naar aanleiding van door het IKZ verrijkte signalen kan de gerechtvaardigde overtuiging ontstaan dat sprake is van fraude. Dat kan vervolgens leiden tot opname in het Waarschuwingsregister, zo stelt de toelichting. (zie noot 15)Ook wordt toegelicht dat gebruik van het Waarschuwingsregister kan leiden tot gegevensverstrekking via het IKZ. (zie noot 16) Het kan dus gaan om tweerichtingsverkeer. Tegelijkertijd stelt de toelichting dat informatie uit het Waarschuwingsregister geen onderdeel uitmaakt van de gegevensuitwisseling met het IKZ. (zie noot 17) Dit roept de vraag op of er niet een zekere volgordelijkheid is in de gegevensverwerking van het IKZ en het Waarschuwingsregister, namelijk dat signaleren wel kan leiden tot opname in het Waarschuwingsregister, maar niet andersom.De Afdeling adviseert in de toelichting de verhouding tussen en in het bijzonder de volgordelijkheid van het Waarschuwingsregister en het IKZ te verduidelijken, en zo nodig het voorstel aan te passen.b. Rechtsbescherming betreffende registratie in het WaarschuwingsregisterRegistratie in het Waarschuwingsregister kan slechts plaatsvinden op grond van een bij een gemeente of ziektekostenverzekeraar gerezen gerechtvaardigde overtuiging van fraude. Een gerechtvaardigde overtuiging van fraude is echter niet hetzelfde als een strafrechtelijke veroordeling. Aan een gerechtvaardigde overtuiging worden minder zware eisen gesteld. (zie noot 18) Ook zonder dat er een strafrechtelijke veroordeling aan ten grondslag ligt, kunnen de gevolgen van opname in het Waarschuwingsregister voor de betrokkene aanzienlijk zijn. In de regel zullen deelnemers bijvoorbeeld besluiten niet tot contractering met de betrokkene over te gaan.Ook bestaat de kans dat de betrokkene niet wordt geïnformeerd over opname in het Waarschuwingsregister. Afzien van het informeren van de betrokkene is mogelijk als het informeren de ‘verwezenlijking van de doeleinden van die verwerking onmogelijk dreigt te maken of ernstig in het gedrang dreigt te brengen’, (zie noot 19) zoals ook in de toelichting wordt aangegeven. (zie noot 20) Omdat het voor de betrokkene dan niet mogelijk is zich te verweren door een beroep te doen op de rechten die hij op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (hierna: AVG) heeft, moeten passende maatregelen worden genomen. (zie noot 21) Deze maatregelen zijn er blijkens de AVG op gericht om ‘de rechten, de vrijheden en de gerechtvaardigde belangen van de betrokkene te beschermen, waaronder het openbaar maken van informatie’. (zie noot 22)Bovendien moeten, zodra sprake is van een gerechtvaardigde overtuiging, de gegevens worden beschouwd als gegevens van strafrechtelijke aard in de zin van artikel 10 van de AVG, aldus de toelichting. (zie noot 23) Uit de AVG volgt dat als gegevens van strafrechtelijke aard worden verwerkt, in passende waarborgen moet worden voorzien. (zie noot 24) Gelet op het criterium van de gerechtvaardigde overtuiging van fraude en op het feit dat sprake is van gevoelige gegevens van strafrechtelijke aard, moeten in het voorstel de rechtsbescherming van betrokkenen, de bewaartermijnen en het toezicht op de juistheid van de gegevens voldoende worden gewaarborgd. Dat geldt zeker ook voor de bewaartermijnen. Van belang is dat deze zo kort mogelijk zijn om te voorkomen dat registratie in het Waarschuwingsregister de betrokkene langer wordt nagedragen dan strikt noodzakelijk is.De Afdeling adviseert in de toelichting nader in te gaan op de rechtsbescherming van betrokkenen. In het bijzonder dient te worden ingegaan op de wijze waarop wordt voorzien in de noodzakelijke passende maatregelen die getroffen moeten worden als wordt afgezien van het informeren van de betrokkene en het voorstel zo nodig aan te passen.4. Bestaande wettelijke grondslagen van verstrekking aan het IKZHet voorstel creëert een wettelijke grondslag voor gegevensverstrekking aan het IKZ (zie noot 25) en door het IKZ aan deelnemende instanties (zie noot 26) ten behoeve van fraudebestrijding. In het huidige samenwerkingsverband IKZ worden gegevens verstrekt op grond van bilaterale en multilaterale wettelijke grondslagen. Het IKZ hanteert hiervoor een informatieprotocol, met daarin de mogelijke rechtsgronden op basis waarvan de samenwerkingspartners aan elkaar (via het IKZ) gegevens kunnen verstrekken. (zie noot 27)Het voorstel verandert deze al bestaande wettelijke grondslagen niet. Volgens de toelichting wordt ook niet beoogd om te veranderen wat op basis van geldende wet- en regelgeving al concreet mogelijk is. (zie noot 28) Dit roept de vraag op of het voorstel beoogt alle signalen van zorgfraude via het IKZ te verstrekken en daarmee niet meer bilateraal of multilateraal. Of moet die mogelijkheid blijven bestaan en kunnen ook naast de nu voorgestelde grondslagen de bilaterale of multilaterale grondslagen van toepassing zijn.De Afdeling adviseert in de toelichting in te gaan op de mogelijke samenloop van bestaande wettelijke grondslagen en de in dit wetsvoorstel voorziene grondslag voor uitwisseling van persoonsgegevens, en zo nodig deze grondslagen op elkaar af te stemmen.5. ProfileringHet IKZ kan onder meer signalen verrijken (zie noot 29) door bij de deelnemende instanties "geanonimiseerde en geaggregeerde gegevens op [te] vragen over andere zorgaanbieders, vergelijkbaar met de aanbieder waarover het signaal is geregistreerd", die "kunnen bijdragen aan het bekrachtigen dan wel ontkrachten van de informatie uit een (verrijkt) signaal", aldus de toelichting. (zie noot 30) Het IKZ kan daarnaast trends en ontwikkelingen signaleren en beleidsinformatie en statistische informatie ontwikkelen, waarvoor persoonsgegevens kunnen worden verwerkt. (zie noot 31Volgens de toelichting kunnen "nieuwe fenomenen (…) beter in beeld worden gebracht als bijvoorbeeld duidelijk is om welke zorgaanbieder(s) het gaat en in welke regio en welk domein deze zorgaanbieder actief is". (zie noot 32) Persoonsgegevens kunnen onderdeel uitmaken van deze informatie, aldus de toelichting. (zie noot 33) Dit kan duiden op het gebruik van profilering, zoals dat is omschreven in de AVG. (zie noot 34) Door middel van profilering worden bepaalde persoonlijke aspecten van een individu geëvalueerd aan de hand van groepskenmerken. Dit kan vérgaande gevolgen hebben als deze groepskenmerken in concrete situaties aan individuele burgers worden toegerekend. Profilering moet daarom worden omkleed met de nodige waarborgen. (zie noot 35)De vraag is of beoogd is profilering mogelijk te maken. Als dit niet wordt beoogd, dan zou dit in het voorstel uitdrukkelijk kunnen worden uitgesloten. Als echter wordt beoogd de mogelijkheid tot profilering open te houden, (zie noot 36) dan zijn meer wettelijke waarborgen nodig. Immers, profilering kan vergaande en indringende consequenties hebben. (zie noot 37) Zo kan een verrijkt signaal leiden tot registratie in het Waarschuwingsregister. Dat kan vervolgens leiden tot het niet overgaan tot contractering van zorgaanbieders. (zie noot 38) Ook kan het leiden tot stigmatisering. (zie noot 39) Bovendien kan sprake zijn van false positives, waarbij iemand ten onrechte wordt aangemerkt als risicogeval.Indien het voorstel beoogt profilering niet uit te sluiten dient het voorstel met concrete waarborgen te worden omkleed, als uitwerking van de algemene waarborgen die de AVG bevat. In het bijzonder kan worden gewezen op het transparantiebeginsel, het doelbindingsbeginsel en het beginsel van dataminimalisatie, zoals ook recentelijk aan de orde is geweest in de uitspraak van de rechtbank Den Haag over het Systeem Risico Indicatie. (zie noot 40)De Afdeling adviseert in de toelichting nader in te gaan op de mogelijkheid van profilering en het voorstel aan te passen.6. Aanwijzen stichting IKZHet IKZ functioneert op dit moment als een publiekrechtelijk samenwerkingsverband zonder rechtspersoonlijkheid. Het wetsvoorstel beoogt dit samenwerkingsverband om te vormen tot een stichting belast met een wettelijke taak. Deze stichting wordt niet door de wet zelf ingesteld, maar wordt aangewezen bij regeling van de Minister. (zie noot 41) Volgens de toelichting is voor het aanwijzen van een stichting gekozen om de gelijkwaardige samenwerking tussen deelnemende (private en publieke) partijen te waarborgen. (zie noot 42) Ook wordt regie vanuit het departement niet wenselijk geacht vanwege het overkoepelende belang van fraudebestrijding, aldus de toelichting. (zie noot 43) De minister krijgt instrumenten die zien op de verantwoording van de bedrijfsvoering van de stichting. (zie noot 44)De Afdeling wijst erop dat met de gekozen constructie onduidelijk blijft door wie en op welke wijze politieke verantwoordelijkheid voor de gegevensverwerking kan worden gedragen. (zie noot 45) Gedacht kan worden aan situaties waarin ten onrechte gegevens worden verwerkt. De toelichting gaat hier niet op in.De Afdeling merkt daarbij op dat de verantwoordingsmechanismen zoals besproken in de toelichting voor deze situatie niet afdoende zijn, nu deze uitsluitend zien op de bedrijfsvoering en niet op de inhoud van de gegevensverwerking. Met het oog op de ministeriële verantwoordelijkheid rijst bovendien de vraag waarom in plaats van een stichting niet is gekozen voor een publiekrechtelijke rechtsvorm.De Afdeling adviseert in de toelichting op het bovenstaande in te gaan en het voorstel aan te passen.7. Verwerkingsverantwoordelijkheid van het InlichtingenbureauHet Inlichtingenbureau functioneert momenteel al als gegevensknooppunt tussen gemeenten en andere instanties: het IB verzamelt en verwerkt gegevens van verschillende instanties en kan zo signalen verstrekken aan gemeenten over de (on)rechtmatigheid van een uitkering. Sinds de decentralisaties in het sociaal domein is het IB ook knooppunt voor het berichtenverkeer tussen gemeenten en andere diensten in het kader van de uitvoering van de Jeugdwet en de Wmo 2015. Het voorstel regelt dat het IB tevens knooppunt tussen gemeenten en het IKZ wordt.Het IB wordt op grond van het voorstel verwerkingsverantwoordelijke als zij persoonsgegevens verwerkt. (zie noot 46) Daarnaast wordt het IB verwerkingsverantwoordelijke als het gegevens verwerkt op grond van de Wmo 2015 en de Jeugdwet. (zie noot 47) Volgens de toelichting ligt de belangrijkste reden voor toekenning van deze verwerkingsverantwoordelijkheid erin dat gemeenten onvoldoende in staat blijken om individueel en direct de taakuitoefening door het IB te sturen. (zie noot 48) De taken van het IB hebben een domein-overstijgend karakter en passen niet bij de rol van verwerker voor elke individuele gemeente, aldus de toelichting. (zie noot 49)De Afdeling merkt op dat het IB een faciliterende functie heeft tussen het IKZ en gemeenten. (zie noot 50) Tegelijkertijd maakt het voorstel het IB echter verwerkingsverantwoordelijke, wat de wettelijke plichten van de AVG met zich brengt. Dit houdt onder meer in dat het IB een zelfstandige afweging zal moeten maken van de noodzaak van de verstrekking van de gegevens aan en verwerking van deze gegevens door het IKZ. Met andere woorden, het IB krijgt een verantwoordelijkheid die moeilijk past bij zijn faciliterende taak. Het is niet goed mogelijk om zowel slechts te faciliteren namens de gemeenten, als het tegelijkertijd fungeren als verwerkingsverantwoordelijke.De Afdeling adviseert het voorstel op dit punt nader toe te lichten en zo nodig aan te passen.8. SubdelegatieZowel bij het Waarschuwingsregister (zie noot 51) als bij het IKZ (zie noot 52) worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels gesteld. Deze regels hebben voor het Waarschuwingsregister onder meer betrekking op de eisen aan het protocol; (zie noot 53) de wijze waarop goedkeuring van het protocol plaatsvindt; de beveiliging en bewaartermijnen van de gegevens en de uitoefening van de rechten van betrokkenen. Voor het IKZ hebben zij onder meer betrekking op de wijze van en aanleiding voor de gegevensverstrekking; de voorwaarden voor gegevensverstrekking en -verwerking; de beveiliging, de bewaartermijnen en ten slotte de uitoefening van de rechten van betrokkenen.De Afdeling merkt op dat niet nader wordt toegelicht waarom wordt gekozen voor deze ruime delegatiegrondslag. Op zichzelf kunnen onderwerpen die betrekking hebben op de uitvoering worden gedelegeerd naar een ministeriële regeling. (zie noot 54) De Afdeling adviseert echter de mogelijkheid tot subdelegatie van onderwerpen die de rechtsbescherming raken, uit te sluiten. Rechtsbescherming is een essentieel en voor de burger ingrijpend onderwerp dat niet kan worden beschouwd als uitvoering van een regeling, waarvan op het niveau van een ministeriële regeling regels kunnen worden gesteld. Dat geldt in elk geval voor de bewaartermijnen en de uitoefening van de rechten van betrokkenen.De Afdeling adviseert het voorstel aan te passen in die zin dat voor onderwerpen die de rechtsbescherming raken alleen delegatie mogelijk is bij algemene maatregel van bestuur.De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal opmerkingen bij het voorstel en adviseert daarmee rekening te houden voordat het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal wordt ingediend.De vice-president van de Raad van StateNader rapport (reactie op het advies) van 2 juli 20201. Achtergrond en inhoud van het wetsvoorstelDe Afdeling geeft een samenvatting van wat in het wetsvoorstel is opgenomen en maakt hierbij geen opmerkingen waar de Regering op dient in te gaan.2. Definitie van fraude opnemen in de wettekstHet advies van de Afdeling is overgenomen. Besloten is de definitie zoals deze reeds was opgenomen in de Memorie van Toelichting op te nemen in de begripsomschrijving in artikel 1.1 van dit wetsvoorstel, deze komt aldus te luiden: "opzettelijk misleidend handelen binnen het domein van de Zorgverzekeringwet, Wet langdurige zorg, Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 of Jeugdwet, met het oog op eigen of andermans gewin, voor zover het in de wet strafbaar gestelde feiten betreft".3. Het Waarschuwingsregistera. Rol van het WaarschuwingsregisterUit het advies van de Afdeling maakt de Regering op dat de onduidelijkheid voortvloeit uit de zinsneden waarin staat dat "in de praktijk echter een zekere samenhang (kan) bestaan (tussen de twee instrumenten; VWS)" en "dat gebruik van het Waarschuwingsregister kan leiden tot gegevensverstrekking via het IKZ". De Regering erkent dat dit onderdeel verduidelijking behoefde. Naar aanleiding van het advies is daarom de verhouding tussen het Waarschuwingsregister en het IKZ te verduidelijkt. Dit is gedaan in zowel paragraaf 1.3 als 2.3 van de toelichting. Duidelijker is beschreven dat het in een centraal registratiesysteem, zoals het Waarschuwingsregister, onderling uitwisselen van (persoons)gegevens enerzijds en de uitwisseling van (persoons)gegevens met tussenkomst van het IKZ anderzijds, twee verschillende en apart van elkaar functionerende instrumenten zijn. Er is geen directe relatie tussen (het gebruik van) de twee instrumenten. Zij hebben elk eigen kenmerken en functies, dienen elk een eigen doel en worden elk op een ander moment in de bestrijding van fraude in de zorg ingezet. De mogelijkheden tot het gebruik van de instrumenten en de daarin opgenomen gegevens zijn, mede gelet op de te onderscheiden doelen, afzonderlijk van elkaar geregeld en voorzien van eigen voorwaarden en waarborgen. Aan de hand van een voorbeeld is in paragraaf 2.3 toegelicht hoe het gebruik van het ene instrument mogelijk indirect een gevolg kan hebben voor het gebruik van het andere instrument. Deze indirecte relatie of samenhang is daarin gelegen, dat het beide instrumenten zijn in de bestrijding van fraude in de zorg.b. Rechtsbescherming betreffende registratie in het WaarschuwingsregisterDe Regering onderschrijft het grote belang van het bieden van passende waarborgen voor en een zorgvuldige omgang met de rechten van betrokkene(n) bij de verwerking van persoonsgegevens in het algemeen en bij de verwerking van gegevens van strafrechtelijke aard in het bijzonder. Naar aanleiding van het advies is de toelichting op dit punt uitgebreid. In paragraaf 3.4 van de toelichting is naar aanleiding van het advies een doorkijk gegeven naar hetgeen in de amvb (en het protocol) moet worden geregeld ten aanzien van waarborgen en rechtsbescherming. Beschreven is dat specifiek ten aanzien van het afzien van de informatieplicht kan worden gedacht aan het in het protocol inzichtelijk maken in welke gevallen hiervan gebruik wordt gemaakt en welke maatregelen worden getroffen om de betrokkene zo spoedig mogelijk alsnog te informeren. Betreffende rechtsbescherming is toegelicht dat instanties aan betrokkenen inzichtelijk kunnen maken wanneer welke (rechts)handeling wordt verricht en welke (juridische) procedures mogelijk zijn om daartegen op te komen. In het advies heeft de Afdeling ook gewezen op de waarborgen wat betreft de bewaartermijnen en het toezicht op de juistheid van de gegevens. In de toelichting is ten aanzien van nadere regels over bewaartermijnen opgemerkt dat rechtsgelijkheid, rechtszekerheid en uniformiteit voor betrokkenen het uitgangspunt moeten zijn. Voor de invulling ervan is meegegeven dat gedacht kan worden aan de mogelijkheid tot differentiatie in de te hanteren bewaartermijnen, mits dat is omkleed met voorwaarden en waarborgen. Voorts is in de toelichting nog geëxpliciteerd dat de betrokken instanties zelf verantwoordelijk zijn voor intern toezicht op de juistheid van de gegevens(verwerking).In de toelichting is tot slot ook verduidelijkt dat de wijze waarop de wet is ingericht, de invulling die daaraan moet worden gegeven in de amvb en het door instanties op te stellen protocol, samen het geheel van passende maatregelen en waarborgen vormen waarmee de inbreuk op privacy en de mogelijke gevolgen daarvan voor betrokkenen steeds tot een minimum worden beperkt. Het betreft de in het algemeen geldende strikte voorwaarden voor de gegevensverwerking, procedurele voorschriften en vereisten (zie paragraaf 3.3 van de toelichting).4. Bestaande wettelijke grondslagen van verstrekking aan het IKZDe opmerking van de Afdeling geeft de Regering de aanleiding om nogmaals te benadrukken dat het onderhavige wetsvoorstel beoogt te voorzien in een gesignaleerde lacune. Efficiënte en zorgvuldige samenwerking tussen instanties door middel van het IKZ, wordt in de eerste plaats bemoeilijkt doordat de huidige sectorale wetgeving onvoldoende wettelijke grondslagen biedt om persoonsgegevens uit te wisselen. (Sectorale) wetgeving bevat doorgaans enkel grondslagen voor verwerking van persoonsgegevens door de instantie die in die specifieke wet is aangewezen.Als instanties multilateraal samenwerken teneinde fraude in de zorg te bestrijden en verstrekking en verwerking van persoonsgegevens nodig is, moet per instantie en per verwerking worden beoordeeld of er een grondslag is tot verwerking. Dit kost niet alleen veel werk en tijd, maar hierdoor kunnen verrijkte signalen ook niet of niet volledig met bepaalde instanties gedeeld worden en kan fraude onnodig lang(er) doorgaan. Ook maakt het de uitwisseling van persoonsgegevens foutgevoelig en risicovol.Het is niet de bedoeling dat onderhavig wetsvoorstel de bestaande grondslagen vervangt en het is ook niet nodig om de grondslagen op elkaar af te stemmen, omdat deze binnen het eigen domein voor eigen doeleinden hun meerwaarde hebben. Om die reden is de toelichting ten aanzien van dit onderdeel verduidelijkt. Onder andere het volgende is opgenomen in paragraaf 4.1: "De in de wet gecreëerde grondslag bestaat naast de reeds bestaande grondslagen voor het verstrekken van persoonsgegevens in andere (specifieke) wetgeving en verandert die grondslagen ook niet. Deze wet doet niets af aan de bestaande grondslagen voor bilaterale of multilaterale uitwisseling van (persoons)gegevens tussen betrokken instanties. Die onderlinge uitwisseling van gegevens blijft mogelijk, maar daarbij moet ook de toepassing van onderhavige wet worden meegenomen. Benadrukt wordt dat de met deze wet gecreëerde grondslag voor uitwisseling van (persoons)gegevens alleen de gegevensuitwisseling tussen het IKZ en de in artikel 2.3, eerste lid, genoemde instanties betreft en geen grondslag biedt voor een uitwisseling tussen instanties onderling."5. ProfileringIn dit onderdeel van het advies van de Afdeling wordt in de eerste alinea ook het verrijken van gegevens door het IKZ genoemd, waarna het vervolg van het advies ziet op de taak ‘onderzoek en analyse’. Zekerheidshalve merken wij hier daarom eerst op dat het bij de taak van verrijking gaat om het staven van een signaal van fraude in de zorg in een concreet geval, betreffende een partij die daarbij al in beeld is. Bij het staven van het signaal kan aan de hand van een benchmark bijvoorbeeld een afwijking van het ‘normale’ inzichtelijk worden gemaakt. Het gaat bij deze taak dan ook niet om het in beeld brengen van niet bij het signaal betrokken (mogelijke) fraudeurs of fenomenen of het signaleren van ‘nieuwe fraudeurs’.In het advies van de Afdeling gaat het vervolgens over de taak van het IKZ tot het signaleren van trends en fenomenen. De Regering erkent dat de door de Afdeling met betrekking tot deze taak van het IKZ aangehaalde passage uit de toelichting de indruk kan wekken, dat sprake is van (het mogelijk maken van) profilering door het IKZ. Dat is echter niet beoogd en naar aanleiding van het advies van de Afdeling is dit dan ook expliciet uitgesloten in artikel 2.5 van de wet.In de toelichting is daarover opgenomen dat is uitgesloten dat het IKZ profileert zoals bedoeld in artikel 4, onder 4, van de AVG. Er mag geen enkele vorm van geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens plaatsvinden waarbij aan de hand van persoonsgegevens bepaalde persoonlijke aspecten van een natuurlijke persoon worden geëvalueerd, met name met de bedoeling zijn beroepsprestaties, economische situatie, gezondheid, persoonlijke voorkeuren, interesses, betrouwbaarheid, gedrag, locatie of verplaatsingen te analyseren of te voorspellen. Er worden geen personen in categorieën (profielen) ingedeeld op basis van hun persoonsgegevens en er is geen sprake van het in kaart brengen van personen met een verhoogd risico (op betrokkenheid bij fraude in de zorg). Tot slot vindt door het IKZ ook geen (geautomatiseerde individuele) besluitvorming plaats als bedoeld in artikel 22 van de AVG. Hoewel gegevens over (individuele) rechtspersonen mogelijk geen persoonsgegevens bevatten, mogen uitkomsten van de IKZ taak onderzoek en analyse nooit terug te herleiden zijn tot (individuele) rechtspersonen.6. Aanwijzing stichting IKZDe opmerkingen van de Afdeling zijn te verdelen in twee punten, namelijk ten eerste de vraag wie (politiek) verantwoordelijk is voor de gegevensverwerking en ten tweede de keuze voor de vorm van een stichting en hoe deze zich verhoudt tot de ministeriële verantwoordelijkheid.Ten aanzien van de gegevensverwerking wil de Regering benadrukken dat expliciet is gekozen de gegevensverwerking in te vullen in wet- en regelgeving en vervolgens bij de stichting te beleggen. Op deze manier wordt deze taak op afstand van het ministerie geplaatst.De kaders voor de gegevensverwerking door de stichting worden vastgesteld in wet- en regelgeving. De eerste verantwoordelijkheid voor een goede uitvoering van die wet- en regelgeving berust bij de stichting. De stichting wordt in het licht van de AVG beschouwd als verwerkingsverantwoordelijke. Zij is daarmee het eerste aanspreekpunt bij de uitvoering van de voor hen geldende wet- en regelgeving. De minister van Volksgezondheid, Welzijn en sport (hierna: de minister) kan politiek worden aangesproken op de inhoud en kwaliteit van de door hem in de wet- en regelgeving vastgestelde kaders en het toezicht op een deugdelijke uitvoering daarvan zoals dit ook geldt voor andere taken die bij wet- en regelgeving worden toebedeeld aan derden (instanties). De instrumenten die de minister tot zijn beschikking heeft om toezicht te houden op de stichting worden hierna omschreven.Ten aanzien van de opmerking van de Afdeling dat de gegeven verantwoordingsmechanismen onvoldoende zijn in het licht van de (politieke) verantwoordelijkheid ten opzichte van de stichting erkent de Regering dat hier verduidelijking nodig is. Zoals hiervoor aangegeven is de Stichting IKZ verwerkingsverantwoordelijke en in zoverre op grond van de AVG aanspreekbaar. Echter, de minister dient ten aanzien van de uitoefening van de toebedeelde taak voldoende instrumenten in handen te hebben om toe te zien op een deugdelijke uitvoering. Om die reden is allereerst in artikel 1.1 bepaald dat de minister het IKZ bij ministeriële regeling kan aanwijzen. Dit geeft de bevoegdheid de taakuitoefening indien daartoe aanleiding bestaat bij een andere (geschiktere) instelling te beleggen. Voorts is door middel van delegatiegrondslagen bepaald dat bij of krachtens amvb regels worden gesteld over de inrichting, het beheer van, en de verantwoording door het IKZ. In de amvb worden regels opgenomen ten aanzien van vaststellen van het jaarplan van het IKZ en de hieraan verbonden bevoegdheid tot het geven van aanwijzingen. Hieronder zijn ook de begroting, het werkprogramma en beleidsvoornemens opgenomen. Deze grondslag in de wet ziet dus op actieve sturingsmogelijkheden voor de minister op de inhoudelijke uitvoering van de taak door het IKZ en niet enkel op aspecten die te maken hebben met de bedrijfsvoering. Voorts is bepaald dat er regels kunnen worden gesteld over de financiering en financiële verslaglegging. Te denken valt aan het overleggen van de begroting, zoals welke verantwoordingsvereisten er zijn. Voorzien wordt dat het IKZ wordt opgenomen in de Planning & control-cyclus van het Ministerie van VWS. Tot slot is er een ruime grondslag opgenomen dat er bij of krachtens amvb regels kunnen worden gesteld aan het aanwijzen van het IKZ (bij ministeriële regeling) en welke voorwaarden aan die aanwijzing worden verbonden. Dit kan in zoverre worden beschouwd als een sluitstuk op basis waarvan minimumvereisten kunnen worden opgenomen waaraan de aan te wijzen instelling dient te voldoen.Parallel aan dit wetsvoorstel wordt de Stichting IKZ opgericht. In de statuten van de stichting is opgenomen wat het doel van de stichting is, waarmee een duidelijke doelbinding met de wet is vastgelegd. Ook is hierin bepaald dat het doel van de stichting niet kan worden gewijzigd zonder tussenkomst van de minister. De minister heeft de bevoegdheid om de bestuurders aan te wijzen (gehoord hebbende VNG en ZN), te schorsen en te ontslaan. Dit geeft hem de mogelijkheid om bij eventueel wanbeleid exclusief en direct op te treden en is hij niet afhankelijk van derden om te kunnen handelen. Ook moet de stichting alle door de minister verzochte inlichtingen aan de minister verstrekken en heeft de minister zitting in de raad van advies van de stichting.Gelet op het advies van de Afdeling is nagegaan in hoeverre de gegeven instrumenten afwijken van de instrumenten die de minister zou hebben bij een publiekrechtelijke variant. Hieruit blijkt dat het samenspel aan instrumenten voortvloeiend uit onderhavig wetsvoorstel en de statuten van de op te richten stichting een nagenoeg vergelijkbaar niveau aan sturingsmogelijkheden biedt als bij een publiekrechtelijke rechtsvorm. Het advies van de Afdeling heeft aanleiding gegeven om in de (onderliggende) regelgeving de nodige instrumenten op te nemen en een aantal extra instrumenten voor de minister toe te voegen in de statuten voor de stichting, zodat een nog meer vergelijkbaar niveau aan sturingsmogelijkheden wordt gecreëerd.Concreet is in de Wbsrz, artikel 2.7, bepaald dat bij of krachtens amvb regels worden gesteld over de inrichting en het beheer van en verantwoording door het IKZ. Ten aanzien van de verantwoording door het IKZ is in de Wbsrz bepaald dat de minister expliciet de bevoegdheid heeft om een aanwijzing te geven ten aanzien van het jaarplan. In de amvb wordt vervolgens ook bepaald dat de minister het jaarplan zal moeten goedkeuren. Daarnaast is in de Wbsrz nu aanvullend opgenomen dat de minister het IKZ kan verzoeken om de verstrekking inlichtingen en kan hij ook naar aanleiding hiervan een aanwijzing geven. In de amvb zal dit nader worden uitgewerkt. Ook worden er in de amvb regels gesteld over inzage en inspraak in de begroting, het werkprogramma en de beleidsvoornemens van het IKZ. Voorts is in de Wbsrz geregeld dat er regels worden gesteld over de financiering en financiële verslaglegging, dit omvat in ieder geval dat de minister hier inzage in krijgt. Tot slot is in de Wbsrz een bepaling opgenomen dat bij het aanwijzen van de instelling nog nadere regels kunnen worden gesteld, hiermee is beoogd om indien nodig in de amvb extra zekerheid te creëren rondom een zorgvuldige taakuitoefening van de aan te wijzen instelling.In de statuten worden daarnaast de volgende aanvullende elementen opgenomen. Allereerst is bepaald dat twee leden van de Raad van Bestuur gezamenlijk kunnen overgaan tot ontslag van het derde lid van de Raad van Bestuur. Hieraan is toegevoegd dat dit plaatsvindt op grond van de door de minister verleende goedkeuring, nadat hij daarover de VNG en ZN heeft gehoord. Ten tweede is bepaald dat de stichting een intern register van nevenfuncties van bestuurders en medewerkers van de stichting bijhoudt. Toegevoegd is dat de minister te allen tijde recht heeft op kosteloze inzage van dit register en dat opname of wijzigingen in dit register onverwijld gemeld worden bij de minister. Ten derde is bepaald dat de leden van de Raad van Advies worden toegelaten door de Raad van Bestuur. Hieraan is toegevoegd dat deze toelating door de minister wordt goedgekeurd, nadat hij de VNG en ZN daarover gehoord heeft. Dit geldt tevens voor de opzegging en beëindiging van het lidmaatschap van de Raad van Advies. Tot slot is opgenomen dat de minister het jaarplan van de stichting vaststelt.De in onderliggende regelgeving opgenomen instrumenten bieden een extra waarborg, omdat de sturingsmogelijkheden ten aanzien van de stichting op deze manier niet alleen vastliggen in de statuten van de stichting maar ook verankerd zijn in de wet- en regelgeving. Met het totaal van deze instrumenten kan de minister invulling geven aan zijn ministeriële verantwoordelijkheid ten opzichte van de stichting. Gelet op het feit dat een goede uitvoering van de wet- en regelgeving afhankelijk is van draagvlak bij alle betrokken instanties, ook de private partijen (zorgverzekeraars) en partijen met decentrale beleidsvrijheid (gemeenten), zoals ook toegelicht in paragraaf 4.2 van de toelichting, vindt de Regering dat de keuze voor de stichtingsvorm van belang is voor het waarborgen van een goede betrokkenheid van de diverse instanties en sluit deze keuze aan bij de functie die het IKZ bekleedt. Het geheel aan instrumenten en waarborgen in wet- en regelgeving en hetgeen bepaald is in de statuten, biedt volgens de Regering afdoende sturingsinstrumenten om invulling te geven aan de ministeriële verantwoordelijkheid, zonder afbreuk te doen aan de positie van betrokken instanties met oog voor de gelijkwaardigheid van die instanties. Daarmee zijn de uitgangspunten voor het noodzakelijke draagvlak onder en bereidheid tot actieve deelname van de betrokken instanties geborgd.7. Verwerkingsverantwoordelijkheid van het InlichtingenbureaIn het wetsvoorstel worden voor het IB wettelijke grondslagen gecreëerd voor de verwerking van persoonsgegevens ten behoeve van gemeenten ten aanzien van de Wmo 2015, Jeugdwet en uitwisseling van gegevens met het IKZ. De opmerking van de Afdeling gaat enkel over de rol en beoogde verwerkingsverantwoordelijkheid van het IB ten opzichte van die laatste rol, te weten de gegevensuitwisseling met het IKZ. Daarin signaleert zij dat een zelfstandige verwerkingsverantwoordelijkheid en de in de toelichting genoemde faciliterende rol voor het IB niet goed mogelijk zijn.De Regering erkent dat dit verwarrend overkomt, met name door het woord ‘faciliteren’. Daarmee is bedoeld dat het IB gemeenten faciliteert door een knooppuntfunctie in de Wmo 2015 en Jeugdwet te bekleden die gemeenten anders allemaal zelf hadden moeten organiseren. Dit geldt in dezelfde mate voor de aansluiting van gemeenten op het IKZ. Beoogd is dat dit, zoveel mogelijk, geautomatiseerd gaat plaatsvinden. Het is daarbij ondenkbaar dat alle gemeenten hiervoor zelf een aansluiting moeten creëren.Desalniettemin vervult het IB de rol van verwerkingsverantwoordelijke omdat er ten eerste onvoldoende sturingsrelatie tussen álle gemeenten enerzijds en het IB anderzijds kan bestaan. Dit heeft de AP, zoals in de toelichting aangegeven, reeds gesignaleerd. Anderzijds is ten aanzien van de verstrekking van gegevens aan het IKZ de rol van het IB bovendien groter. Het IB zal ten behoeve van gemeenten in de situatie dat een signaal is verstrekt aan het IKZ en het IKZ het signaal verrijkt en daarvoor gegevens opvraagt bij de betrokken instanties, zelf gegevens uit het Wmo- en Jw-berichtenverkeer verstrekken aan het IKZ. Bij die verwerking hebben gemeenten geen direct zicht op wat er bij die verwerking gebeurt, uitgaande van de nagestreefde automatisering van dit proces. Binnen de kaders van dit wetsvoorstel en beoogde onderlinge regelgeving zal het IB de noodzakelijke gegevens aan het IKZ verstrekken, in zoverre maakt het IB derhalve een zelfstandige afweging tot verstrekking van gegevens.In paragraaf 4.8 is naar aanleiding van het advies van de Afdeling de rol en verwerkingsverantwoordelijkheid van het IB bij de gegevensuitwisseling met het IKZ verder verduidelijkt.8. SubdelegatieNaar aanleiding van het advies is het wetsvoorstel overeenkomstig de opmerking van de Afdeling aangepast. Zowel ten aanzien van het Waarschuwingsregister als het IKZ is subdelegatie voor de onderwerpen bewaartermijnen en rechten van betrokkenen uitgesloten. Voorts wordt opgemerkt dat het in de rede ligt dat ten aanzien van essentiële onderdelen, zoals de voorwaarden, vereisten, maatregelen en waarborgen waarbinnen de verwerking van gegevens in het kader van de wet moet plaatsvinden, de mogelijkheden tot subdelegatie beperkt zijn. Deze zaken worden in ieder geval gedetailleerd uitgewerkt op het niveau van algemene maatregel van bestuur. De mogelijkheden tot subdelegatie zien op aspecten die de uitvoeringspraktijk zodanig raken en aan verandering onderhevig zijn, dat het uit praktische overweging voor de hand ligt dit op het niveau van een ministeriële regeling te regelen. Het gaat dan bijvoorbeeld om (de technische) aspecten van inrichting van de elektronische voorzieningen van het IKZ en het mogelijk maken van geautomatiseerde koppelingen met systemen van betrokken instanties en de beveiliging van de elektronische voorzieningen. Wat betreft de beveiliging van persoonsgegevens bestaat het voornemen om het BIO voor te schrijven voor zowel het Waarschuwingsregister als het IKZ. (zie noot 55)9. Voorts wordt van de gelegenheid gebruik gemaakt om enkele wijzigingen aan te brengen in de wettekst en memorie van toelichting, anders dan hiervoor reeds aan de orde gekomen en toegelicht.In de eerste plaats betreft het aanpassingen van tekstuele en redactionele aard in zowel de wettekst als toelichting.In de tweede plaats betreft het verbetering van de wettekst, naar aanleiding van voortschrijdend inzicht die onder andere voortvloeien uit het schrijven van de onderliggende regelgeving en die in het verlengde liggen van wat reeds in het wetsvoorstel was beoogd. Het betreft de volgende aanpassingen:- In artikel 2.3 is in een nieuw ingevoegd lid expliciet opgenomen welke openbare bronnen het IKZ in het kader van verrijken van gegevens mag raadplegen. Het betreft het Handelsregister en het Jaardocument Maatschappelijke Verantwoording (JMV). Daarnaast zijn in de toelichting de mogelijkheden tot het raadplegen van (openbare) bronnen in het kader van de onderzoek en analyse taak van het IKZ beter beschreven, waarbij beter is aangesloten op de wettekst.- In afstemming met diverse betrokkenen in het kader van de totstandkoming van de bij dit wetsvoorstel behorende amvb, is de wettekst betreffende de verstrekking van gegevens door het IKZ aan geëigende instanties aangepast. De bepaling is zo vormgegeven dat de uitzondering die voor deze verstrekking geldt, ingegeven door de geheimhoudingsplicht in artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, alleen geldt voor gegevens van de rijksbelastingdienst en voor gegevens van de FIOD, voor zover het gegevens uit fiscaal opsporingsonderzoek betreft. Als gevolg van deze wijziging geldt de bepaling niet voor gegevens uit niet-fiscale opsporingsonderzoeken van de FIOD en voor gegevens van de Inspectie SZW, zoals dat in de vorige versie van het wetsvoorstel het geval was.- In afstemming met diverse betrokkenen in het kader van de totstandkoming van de bij dit wetsvoorstel behorende amvb is de toelichting ten aanzien van politiegegevens als bedoeld in de Wet politiegegevens aangescherpt. Het betreft met name paragraaf 4.7.- In artikel 1.2 van het voorstel, waarin is opgenomen dat op grond van de wet geen gegevens worden verstrekt waarop het medisch beroepsgeheim rust is artikel 88 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) opgenomen, omdat deze wettelijke bepaling aangaande het beroepsgeheim onbedoeld nog ontbrak.- In de Wmo 2015 en Jeugdwet is in de bepalingen waarin de verwerkingsverantwoordelijkheid voor het IB wordt geregeld, toegevoegd dat het gaat om de bij of krachtens amvb aangewezen verwerkingen. Dit is noodzakelijk gebleken om beter te verduidelijken bij welke verwerkingen het IB deze verantwoordelijkheid draagt. Daarbij wordt ten overvloede opgemerkt dat het niet gaat om een uitbreiding van bestaande verwerkingsgrondslagen, maar om een betere duiding welke verwerking het college verricht en welke door het IB (zullen) worden verricht.Ik moge U verzoeken het hierbij gevoegde gewijzigde voorstel van wet en de gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.De minister van Volksgezondheid, Welzijn en SportVoetnoten
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Voorlichting over het amendement van het lid Krol (Kamerstuk 32 411, nr. 11) (toevoeging van leeftijd als non-discriminatiegrond in de Grondwet).
Bij brief van 11 februari 2020 heeft de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal op de voet van artikel 21a, eerste lid, van de Wet op de Raad van State aan de Afdeling advisering van de Raad van State gevraagd de Tweede Kamer van voorlichting te dienen over het amendement van het lid Krol (Kamerstukken II 2019/20, 32 411, nr. 11) bij het voorstel van wet van de leden Bergkamp, Özütok en Van den Hul houdende verklaring dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering in de Grondwet, strekkende tot toevoeging van handicap en seksuele gerichtheid als non-discriminatiegrond.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wet nadere beloningsmaatregelen financiële ondernemingen.
Bij Kabinetsmissive van 31 maart 2020, no. 2020665, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Financiën, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht houdende nadere regels met betrekking tot het beloningsbeleid van financiële ondernemingen (Wet nadere beloningsmaatregelen financiële ondernemingen), met memorie van toelichting.Het wetsvoorstel bevat een aantal nadere maatregelen over beloningen in financiële ondernemingen. Daartoe wijzigt het hoofdstuk 1.7 van de Wet op het financieel toezicht (Wft). Geregeld wordt onder meer dat een financiële onderneming er zorg voor draagt dat aandelen (zie noot 1) die bestanddeel vormen van de vaste beloning van personen die werkzaam zijn onder haar verantwoordelijkheid ten minste tot vijf jaar na verwerving worden aangehouden (hierna: de wettelijke retentieperiode). (zie noot 2)De Afdeling advisering van de Raad van State maakt een opmerking over het eigendomsrecht en de voorgestelde overgangsregeling. In verband daarmee is aanpassing van het wetsvoorstel en de toelichting wenselijk.1. Eigendomsrecht en overgangsregelingZoals in de toelichting wordt onderkend, kan de voorgestelde introductie van een wettelijke retentieperiode een aantasting vormen van bestaande overeenkomsten met werknemers. (zie noot 3) In zoverre kan het wetsvoorstel dan ook een inbreuk vormen op het beschermde recht op een ongestoord genot van eigendom. (zie noot 4)In de toelichting wordt opgemerkt dat voor zover de maatregelen hierop een inbreuk vormen, dat gerechtvaardigd is ter voorkoming van perverse prikkels die ertoe kunnen leiden dat de stabiliteit van de onderneming in gevaar komt of het klantbelang wordt veronachtzaamd en met het oog op het borgen van het maatschappelijk draagvlak voor en het vertrouwen in banken. Mede met het oog op de proportionaliteit wordt voor bestaande gevallen voorzien in overgangstermijn van een jaar na het moment van inwerkingtreding. (zie noot 5)De Afdeling wijst erop dat de regeling voor een wettelijke retentieperiode gevolgen kan hebben voor overeenkomsten die zien op financiële instrumenten die reeds daadwerkelijk aan medewerkers in eigendom zijn overgedragen. In de toelichting worden die gevallen niet uitdrukkelijk onderkend. De betrokken medewerkers kunnen de beloning in aandelen aanvaard hebben of keuzes hebben gemaakt over de aanwending van de aandelen zonder kennis van de nieuwe regels.De vraag rijst of het correct is de eventuele nadelige financiële gevolgen daarvan ten laste van de betrokken medewerkers te brengen. Weliswaar is voorzien in een overgangsperiode van een jaar, zoals dat ook bij de invoering van maatregelen voor bonussen destijds is gebeurd. De Afdeling merkt echter op dat bonussen meestal per jaar worden betaald, terwijl het bij in de onderhavige maatregelen gaat om een periode van vijf jaar. In dat licht behoeft een overgangsperiode beperkt tot een jaar een aanvullende toelichting, mede gelet op het vereiste van proportionaliteit bij het maken van een inbreuk op het eigendomsrecht.De Afdeling adviseert om daarbij tevens aandacht te besteden aan de mogelijke gevolgen voor de uitoefening van de eigendomsrechten van aandeelhouders van niet-beursgenoteerde financiële ondernemingen in de gevallen waarin bijzondere regimes van toepassing zijn wat betreft de verkoop van aandelen. Voor het geval dat er voorafgaand aan de invoering van de nieuwe maatregel reeds regelingen zijn getroffen voor bijvoorbeeld vaste verkoopmomenten, dienen de gevolgen hiervoor van de nieuwe regeling nader te worden bezien. (zie noot 6)De Afdeling adviseert de toelichting naar aanleiding van het voorgaande te verduidelijken en aan te vullen, en zo nodig het voorstel aan te passen.2. De Afdeling verwijst naar de bij dit advies behorende redactionele bijlage.De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal opmerkingen bij het voorstel en adviseert daarmee rekening te houden voordat het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal wordt ingediend.De vice-president van de Raad van StateRedactionele bijlage bij het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State betreffende no.W06.20.0089/III- In artikel I, onderdeel A, onder 2, in het voorgestelde tweede lid van artikel 1:111 Wft de zinsnede "en richtsnoeren van Europese toezichthoudende autoriteiten" schrappen. Deze richtsnoeren vinden steeds hun grondslag in bindende EU-rechtshandelingen. Hierom, en vanwege het niet-verbindende karakter van dergelijke richtsnoeren als zodanig, is het apart vermelden ervan overbodig en onwenselijk. (zie noot 7)Nader rapport (reactie op het advies) van 2 juli 20201. Hieraan is gevolg gegeven. Het overgangsrecht bij de voorgestelde introductie van een wettelijke retentieperiode voor aandelen en vergelijkbare financiële instrumenten in de vaste beloning van financiële ondernemingen is aangepast. Er is nu in eerbiedigende werking voorzien ten aanzien van financiële instrumenten die reeds voor afloop van het overgangsrecht zijn verworven door medewerkers die al op het moment van inwerkingtreding van de retentieperiode voor de financiële onderneming werkzaam zijn. De overgangsperiode van een jaar wordt in stand gelaten om, waar nodig, de arbeidsvoorwaarden, contractuele afspraken en dergelijke te herzien die voorafgaand aan de inwerkingtreding van de retentieperiode zijn overeengekomen. In de toelichting is verduidelijkt dat hiermee ook wordt gedoeld op (bijzondere) regelingen zoals voor vaste verkoopmomenten.2. Aan de redactionele opmerking van de Afdeling is gevolg gegeven. In verband hiermee is ook de memorie van toelichting aangepast (zie paragraaf 7 van het algemeen deel en de artikelsgewijze toelichting bij artikel I, onderdeel A).3. Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om de weergave en bespreking van de consultatiereacties in paragraaf 6 van de toelichting iets in te korten en de bespreking van de reacties meer te beperken tot de scope van dit wetsvoorstel.Ik verzoek U het hierbij gevoegde gewijzigde voorstel van wet en de gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.De Minister van FinanciënVoetnoten(1) Of andere financiële instrumenten waarvan de waarde afhankelijk is van de waarde van de onderneming.(2) Artikel 1:130 Wft (artikel I, onderdeel H).(3) Dit geldt eveneens voor een andere maatregel, namelijk de voorgestelde beperking van de uitzondering op het bonusplafond voor niet-CAO personeel, waarvoor het voorstel eveneens voorziet in overgangsrecht.(4) Als bedoeld in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM en artikel 17 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.(5) Memorie van toelichting, artikel I, onderdeel H.(6) In een aandeelhoudersovereenkomst kunnen hieraan beperkingen zijn gesteld. Zo kunnen bepalingen zijn opgenomen die een grootaandeelhouder de mogelijkheid bieden om minderheidsaandeelhouders tot verkoop van hun aandelen te dwingen en/of die minderheidsaandeelhouders de mogelijkheid bieden om onder dezelfde voorwaarden als een grootaandeelhouder mee te verkopen (de zogeheten ‘drag along’ en/of ‘tag along’ of meesleep- en meeverkoopregelingen).(7) Zie over de omzetting van richtsnoeren onder meer het advies van de Afdeling van 26 maart 2020 (W16.20.0020/II) over het wetsvoorstel voor de Implementatiewet richtlijn auteursrecht in de digitale eengemaakte markt (Kamerstukken II 2019/20, 35454 nr. 4).
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Kaderwet overige JenV-subsidies.
Bij Kabinetsmissive van 6 mei 2020, no.2020000940, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Justitie en Veiligheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet houdende regels voor het verstrekken van subsidies door de Minister van Justitie en Veiligheid en de Minister voor Rechtsbescherming en tot intrekking van de Wet Justitie-subsidies, met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wet versterking legitimiteit gemeenschappelijke regelingen.
Bij Kabinetsmissive van 24 januari 2020, no.2020000149, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Wet gemeenschappelijke regelingen en enige andere wetten in verband met het versterken van de democratische legitimatie van gemeenschappelijke regelingen, met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Voorstel van wet van de leden Nijboer, Beckerman en Smeulders tot wijziging van de Woningwet (Wet voldoende betaalbare woningen).
Bij brief van de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 21 juni 2018 heeft de Tweede Kamer, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet van de leden Nijboer, Beckerman en Smeulders tot wijziging van de Woningwet teneinde te voorkomen dat het aantal sociale- huurwoningen in gemeenten daalt als gevolg van prestatieafspraken (Wet voldoende betaalbare woningen), met memorie van toelichting.Het voorstel strekt ertoe in de Woningwet een bepaling op te nemen dat het aantal sociale huurwoningen van een corporatie in een gemeente ten minste op peil blijft. Daartoe wordt in een nieuw artikel 44, vierde lid, van de Woningwet bepaald dat de jaarlijkse afspraken tussen huurders, gemeente en woningcorporaties over het gemeentelijke huisvestingsbeleid niet als resultaat mogen hebben dat het aantal sociale huurwoningen van een corporatie afneemt.Volgens de toelichting is het voorstel nodig omdat er sprake is van een geleidelijke uitholling van de sociale huurvoorraad. De indieners achten inkrimping van de sociale huursector een onverstandige ontwikkeling gelet op de toekomstige woningbehoefte als gevolg van de toename van het aantal huishoudens. Volgens de indieners is er niet behoefte aan minder sociale huurwoningen, maar juist aan meer, diverse, betaalbare huurwoningen.De Afdeling is van oordeel dat vooralsnog niet aannemelijk is gemaakt dat het voorstel recht doet aan reële knelpunten die zich voordoen op de woningmarkt en daarvoor een zinvolle en bruikbare oplossing biedt. Voorts concludeert zij dat het voorstel ingrijpt in het decentrale stelsel, zoals dat is neergelegd in de Woningwet, zonder dat de noodzaak daartoe vast is komen te staan.1. NoodzaakDe toelichting stelt dat sprake is van een geleidelijke uitholling van de sociale huurmarkt, (zie noot 1) maar geeft geen nadere analyse van de situatie in deze huurmarkt, mede in het licht van de situatie op de woningmarkt als geheel. Daardoor kan de Afdeling niet beoordelen voor welk probleem het voorstel nu precies een oplossing beoogt te bieden en welke betekenis het voorstel daarbij moet worden toegekend.Op basis van de verschillende rapportages en onderzoeken heeft de Afdeling het volgende beeld van de situatie op de woningmarkt. (zie noot 2) Nederland heeft, internationaal vergeleken, een grote sociale huursector, terwijl de vrije huursector, vergeleken met andere landen, juist klein van omvang is. (zie noot 3) Dit is een gevolg van overheidsbeleid, dat zowel de sociale huursector als de koopsector stimuleert.De kleine omvang van de vrije huursector vormt in toenemende mate een belemmering voor een goed functionerende woningmarkt als geheel. (zie noot 4) Gebrek aan alternatieven (betaalbare koopwoningen, betaalbare vrije huursector) beperkt de doorstroom vanuit de sociale huursector. Het gebrek aan doorstroming leidt ertoe dat er te weinig sociale huurwoningen beschikbaar zijn voor diegenen voor wie deze bestemd zijn. De toelichting constateert terecht dat voor sociale huurwoningen vaak lange wachtlijsten bestaan. (zie noot 5) Dat is evenwel niet zo zeer het gevolg van een tekort aan sociale huurwoningen, alswel van het gegeven dat deze bewoond worden door anderen dan de doelgroep. De omvang van de sociale-huursector lijkt dan ook niet als zodanig het probleem te zijn, als wel het gebrek aan doorstroming op de woningmarkt. (zie noot 6)Dat vergt vooral een focus op het creëren van reële alternatieven voor diegenen die niet (meer) tot de doelgroep van de sociale huursector behoren. Het creëren van dergelijke alternatieven behoort echter nu juist niet tot de kerntaken van woningcorporaties. Mede als gevolg van de Europese staatssteunbeschikking is het beleid er immers op gericht dat woningcorporaties zich bij uitstek dienen te richten op huisvesting van de doelgroep. Zo kan uit artikel 42 Woningwet worden afgeleid dat woningcorporaties hun middelen bij voorrang in dienen te zetten ten behoeve van de volkshuisvesting, dat wil zeggen voor huisvesting van de doelgroep. Er lijkt dan ook niet op voorhand reden te zijn om te veronderstellen dat woningcorporaties de beschikbare middelen anders dan daarvoor zouden inzetten en dat dientengevolge aanvullende maatregelen nodig zouden zijn.Tot slot moet worden geconstateerd dat de situatie op de woningmarkt grote regionale en lokale verschillen kent. Niet alleen is sprake van krimp- en groeigebieden, maar ook is sprake van verschillen in de samenstelling van de doelgroep (jongeren, ouderen e.d.). In de consultatiereacties wordt dan ook voor maatwerkoplossingen gepleit. Dat laat zich moeilijk verenigen met een centrale, uniforme aanpak als voorgesteld.De Afdeling komt dan ook tot de conclusie dat vooralsnog niet aannemelijk is gemaakt dat het voorstel recht doet aan reële knelpunten die zich voordoen op de woningmarkt en daarvoor een zinvolle en bruikbare oplossing biedt.2. Decentraal beleidDaarenboven roept het voorstel vragen van meer bestuurlijke aard op. In het stelsel van de Woningwet hebben gemeenten een belangrijke regiefunctie in het volkshuisvestingsbeleid. Woningcorporaties dienen met hun werkzaamheden bij te dragen aan de uitvoering van het volkshuisvestingsbeleid dat geldt in de desbetreffende gemeente waar zij feitelijk werkzaam zijn. (zie noot 7) Zij zetten hun middelen in de eerste plaats in om aan die (gemeentelijke) volkshuisvestingsdoelen te voldoen. (zie noot 8) Met het oog op een adequate uitvoering van het gemeentelijke volkshuisvestingsbeleid vindt jaarlijks overleg plaats tussen woningcorporaties, het betrokken college van burgemeester en wethouders, betrokken huurdersorganisaties en bewonerscommissies om afspraken te maken over de uitvoering van het geldende volkshuisvestingsbeleid voor het daaropvolgende jaar. (zie noot 9) De Minister (van BZK) heeft in dezen geen (sturende) rol, behalve die van arbiter ingeval partijen er niet (tijdig) in slagen tot afspraken te komen. (zie noot 10)Wettelijk ingrijpen, centraal van bovenaf, zoals beoogd met het voorstel, is in de decentrale verhoudingen van de Woningwet niet op voorhand uit te sluiten, maar ligt alleen in de rede, wanneer daarvoor een concrete aanleiding bestaat. Zoals de Afdeling hiervoor in punt 1 heeft uiteengezet, ziet zij die aanleiding voor wettelijk ingrijpen vooralsnog niet. Bovendien ligt centraal ingrijpen temeer niet in de rede, nu tussen gemeenten in dezen aanzienlijke verschillen bestaan. In het algemeen is weliswaar sprake van een toename van het aantal huishoudens, maar die groei is zeer ongelijk verdeeld. In verschillende regio’s zal naar verwachting juist sprake zijn van krimp van het aantal huishoudens. (zie noot 11)De Afdeling concludeert dat het voorstel ingrijpt in het decentrale stelsel, zoals dat is neergelegd in de Woningwet, zonder dat de noodzaak daartoe vast is komen te staan.De vice-president van de Raad van StateReactie van de initiatiefnemers van 1 juli 20201. NoodzaakDe initiatiefnemers hebben kennis genomen van het advies van de Raad van State en danken de Afdeling advisering voor het snelle advies. De conclusie van de Afdeling dat lange wachtlijsten worden veroorzaakt door een gebrek aan alternatieven (betaalbare koopwoningen, betaalbare vrije huursector) en beperkte doorstroom uit de sociale huursector, is volgens de initiatiefnemers echter niet terecht.De initiatiefnemers menen dat er sprake is van woningnood op veel plaatsen in het land. Het huidige stelsel leidt tot onvoldoende betaalbare woningen over de gehele linie. Huizenprijzen stijgen tot historische hoogtes, ouderen kunnen slecht doorverhuizen, starters hebben geen kans, wachtlijsten lopen op. Dat wordt zowel maatschappelijk, wetenschappelijk als politiek breed onderkend. Indieners stellen dat de huidige regels onvoldoende of niet functioneren en zien een afname van het aantal sociale huurwoningen, mede veroorzaakt door het overmatig liberaliseren van sociale huurwoningen. De initiatiefnemers concluderen daarom dat er wel degelijk sprake is van een uitholling van de sociale huurmarkt. Er is zowel sprake van een absolute als een relatieve afname van het aantal sociale huurwoningen. Eind 2016 waren er 340 corporaties met ongeveer 2,4 miljoen huurwoningen. Ondanks dat alle corporaties in 2016 bij elkaar ongeveer 8 duizend woningen meer bijbouwden dan dat zij sloopten, en dus woningen toevoegden aan de totale woningmarkt, nam het totale woningbezit van de corporaties met 3 duizend wooneenheden af. (zie noot 12) Dit betekent dat er meer woningen werden verkocht dan het aantal dat zij aankochten of bijbouwden.Naast een absolute daling van het aantal sociale huurwoningen, is er sprake van een relatieve afname van het aantal sociale huurwoningen per inwoner. Ondanks dat het aantal inwoners al jaren stijgt, bleef de voorraad sociale huurwoningen in de afgelopen jaren ongeveer gelijk. Volgens de vereniging van woningcorporaties, Aedes, beheren de corporaties al jaren om en nabij 2,4 miljoen sociale huurwoningen, terwijl het aantal inwoners van Nederland toenam van 16,5 miljoen in 2010 naar 17,3 miljoen in 2019. Het aantal corporatiewoningen betrof in 2018 2,219 miljoen woningen. (zie noot 13) Meer mensen moesten gebruik maken van hetzelfde aantal sociale huurwoningen. Voor de woningmarkt is niet alleen de bevolkingsgroei, maar vooral de toename van het aantal huishoudens van belang. Doordat huishoudens steeds kleiner worden en het aantal alleenwonenden toeneemt, stijgt het aantal huishoudens nog sneller dan de bevolkingsgroei. Het aantal huishoudens ging omhoog van 7,3 miljoen huishoudens in 2013, naar 7,8 miljoen huishoudens in 2018. (zie noot 14) Het relatieve aantal sociale huurwoningen nam de afgelopen jaren af. Voor de toekomst staan deze nog verder onder druk.Daarnaast is ook de inkomensontwikkeling van belang. Zo is bijvoorbeeld het aantal mensen dat recht heeft op huurtoeslag toegenomen de afgelopen jaren. In 2010 werd 1,173 miljoen huishoudens huurtoeslag toegekend. In 2017 waren dat 1,392 miljoen huishoudens. (zie noot 15) De primaire doelgroep voor sociale huurwoningen, zoals deze benoemd is in de Woningwet, is dus gegroeid, terwijl het aantal sociale huurwoningen is afgenomen.Bovendien zijn mensen die een urgentieverklaring krijgen omdat zij in een extra kwetsbare positie zitten, bijvoorbeeld omdat zij uit de maatschappelijke opvang komen, of een zorg nodig hebben, aangewezen op sociale huurwoningen. Voor hen is een koopwoning of een duurdere huurwoning geen alternatief. Momenteel zijn er opstoppingen in de doorstroming bij vrouwen- en daklozenopvang omdat er onvoldoende sociale huurwoningen beschikbaar zijn.De genoemde ontwikkeling hebben tot gevolg dat de wachtlijsten langer worden en wachttijden toenemen. Inmiddels zijn wachtlijsten opgelopen tot gemiddeld negen jaar. (zie noot 16) In grote steden zie je dat de afgelopen jaren de gemiddelde wachttijd enorm is gestegen, in Amsterdam steeg de gemiddelde inschrijfduur van 12 jaar in 2013, naar 15 jaar in 2017. In Utrecht steeg de wachttijd van 8,2 jaar in 2013 naar 10,1 jaar in 2017. (zie noot 17) Maar niet alleen in de grote steden neemt de wachttijd toe, ook in de Achterhoek is de wachttijd voor een sociale huurwoning sinds 2013 verdubbeld. (zie noot 18) De situatie is momenteel zo nijpend dat ook mensen met een urgentieverklaring moeten wachten op een woning. (zie noot 19)De initiatiefnemers maken zich echter niet alleen zorgen om de huidige uitholling van de sociale woningvoorraad, maar ook om de uitholling van de sociale woningvoorraad in de nabije toekomst. De prognose van het CBS is dat de Nederlandse bevolking de komende jaren verder zal groeien, in 2029 zal het inwonertal van Nederland naar verwachting de 18 miljoen bereiken. (zie noot 20) Het CBS voorspelt bovendien dat tot 2025 het aantal huishoudens in Nederland met 630 duizend zal toenemen tot 8,2 miljoen. (zie noot 21) Deze cijfers worden ondersteund door prognoses van in Primos 2016 en De Staat van de Woningmarkt; in Primos 2016 wordt uitgegaan van een stijging van 592.000 huishoudens voor de komende tien jaar. (zie noot 22) De Staat van de Woningmarkt 2018 gaat uit van een stijgende behoefte aan woningen met 667 duizend voor de periode 2017-2030. (zie noot 23Voldoende woningen om te beantwoorden aan de stijgende woningbehoefte kunnen ook worden gerealiseerd door het bijbouwen van sociale huurwoningen, in plaats van het tegengaan van liberalisatie. En gelukkig investeren corporaties inmiddels weer in nieuwe woningen. (zie noot 24) Maar het aantal gebouwde corporatiewoningen blijft achter op de ambities van woningcorporaties en de ambities zoals verwoord in de door de minister gepresenteerde Woonagenda. (zie noot 25) Door stijgende bouwkosten en gebrek aan locaties kunnen woningcorporaties minder nieuwe woningen bouwen, blijkt uit een enquête die de vereniging voor woningcorporaties Aedes heeft afgenomen onder haar leden. Deze belemmeringen in combinatie met de steeds hogere belastingen voor corporaties brengen hun ambitie om de nieuwbouwproductie op te schroeven naar 34.000 sociale huurwoningen per jaar in gevaar. In 2018 werden slechts zo’n 17.000 nieuwe huizen gebouwd. (zie noot 26) Daarom moet ook door middel van een rem op de verkoop van sociale huurwoningen en het voorkomen van verdere liberalisering van woningen de voorraad worden beschermd.De initiatiefnemers ontkennen hiermee niet dat de oververhitte woningmarkt gebaat zou kunnen zijn bij een toename van betaalbare koopwoningen en huurwoningen in de private sector om doorstroming te bevorderen, maar dat neemt niet weg dat er sprake is van een groot tekort aan betaalbare huurwoningen dat in de toekomst verder zal oplopen. De woningnood dient te worden opgelost. Dit initiatiefwetsvoorstel is daarbij slechts een van de oplossingen en focust zich op de knellende sociale huursector en wil een oplossing bewerkstellingen voor mensen die op basis van hun inkomen geen alternatief hebben, ook niet bij een goed functionerende private huurmarkt.De initiatiefnemers zijn zich terdege bewust van het feit dat de woningmarkt grote regionale en lokale verschillen kent. Prognoses van de woningbehoefte per provincie voor de periode 2016-2026 lopen sterk uiteen, in Friesland (9.700), Zeeland (7.500) en Groningen (14.300) stijgt de woningbehoefte minder snel dat in Noord-Holland (133.500), Zuid-Holland (130.500) en Noord-Brabant (86.800). Maar we zien dat ook in de regio’s met een lagere prognose woningbehoefte de wachttijden voor een sociale huurwoning langer worden. Zo is de wachttijd in West-Friesland toegenomen, (zie noot 27) en ook op Walcheren is er sprake van een wachttijd van 2,5 jaar. (zie noot 28)De initiatiefnemers zijn zich bewust van de regionale en lokale verschillen op de woningmarkt en dat is de reden dat de initiatiefnemers in het wetsvoorstel hebben opgenomen dat de minister op verzoek van de toegelaten instelling gemotiveerd kan besluiten om de sociale huurwoningen van die toegelaten instelling in een of meerder gemeenten uit te zonderen van de voorgestelde hoofdregel. Te denken valt dan bijvoorbeeld aan krimpregio’s.2. Decentraal beleidDit wetsvoorstel sluit aan bij de huidige systematiek, waarin de minister systeemverantwoordelijkheid draagt. Gemeenten, huurders en woningbouwcorporaties maken in overleg met elkaar prestatieafspraken. Dat zijn afspraken over de uitvoering van het volkshuisvestingsbeleid in de gemeente, naar aanleiding van de woonvisie van de gemeente en het activiteitenoverzicht van de woningbouwcorporatie. In de prestatieafspraken kan een breed scala aan onderwerpen aan de orde komen. Daaronder inbegrepen afspraken over de sociale-woningvoorraad. Men kan daarbij denken aan afspraken over nieuwbouw, sloop, verkoop, toewijzing van sociale-huurwoningen en de betaalbaarheid. De Woningwet stelt op dit moment geen eisen aan de uitkomsten van de onderhandelingen over prestatieafspraken. Dat betekent dat ook in het geval er prestatieafspraken zijn, de voorraad sociale-huurwoningen kan afnemen. Door verkoop, sloop, of liberalisering zonder dat daar voldoende compenserende nieuwbouw, aankopen of huurverlagingen, waardoor een woning niet langer geliberaliseerd is, tegenover staan. Uit voorgaande is gebleken dat er steeds meer behoefte aan sociale huurwoningen is, terwijl de voorraad afneemt.Die leemte in de wet wordt met dit wetsvoorstel ingevuld. Het wetsvoorstel stelt dat de uitkomst van de onderhandelingen over de prestatieafspraken in beginsel niet mag zijn dat het aantal sociale-huurwoningen van de betrokken woningcorporaties daalt. Dit betekent dat de voorraad op peil moet blijven. Sloop, liberalisatie en verkoop blijven toegestaan, mits gelijktijdig maatregelen worden genomen om de voorraad weer aan te vullen. Dit kan zijn nieuwbouw, maar ook aankoop of anderszins. De minister kan op verzoek gemotiveerd besluiten gemeenten uit te zonderen van de hoofdregel. Hierbij kan worden gedacht aan gemeenten in krimpgebieden.De initiatiefnemersVoetnoten (1) Toelichting, paragraaf 2. Het is de Afdeling in dit verband overigens opgevallen dat door de betrokken partijen in de consultatiereacties bij het voorstel is aangegeven dat van krimp van het aantal corporatiewoningen geen sprake is. Weliswaar fluctueert het aantal sociale huurwoningen jaarlijks als gevolg van sloop, renovatie en nieuwbouw, maar landelijk blijft het aantal sociale huurwoningen per saldo gelijk. Zie in dit verband onder andere de consultatiereacties van AEDES en de Amsterdamse federatie van woningcorporaties.(2) PBL, infographic Samenstelling van de woningvoorraad, 13/10/2015; PBL Perspectieven voor het middensegment van de woningmarkt, 2017, figuur 2.1; BZK, Staat van de Woningmarkt, Jaarrapportage 2017, november 2017; BZK, Staat van de Volkshuisvesting, jaarrapportage 2018, april 2018.(3) Opvallend hierbij zijn de daling van het aantal particuliere huurwoningen in de afgelopen decennia (van bijna een derde naar een tiende) en de sterke stijging van het aantal koopwoningen (van een derde naar 60%).(4) De Europese Commissie signaleert dit ook in haar recente aanbeveling aan de Raad voor de aan Nederland te richten landspecifieke aanbevelingen: "[Neem maatregelen] om […] de resterende verstoringen op de woningmarkt terug te dringen, met name door de ontwikkeling van de particuliere huursector te bevorderen" (COM(2018) 418 final).(5) Toelichting, paragraaf 2.(6) Dit wordt ondersteund door recent onderzoek waaruit blijkt dat (potentieel) voldoende goede huisvesting tegen een betaalbare huur beschikbaar is voor huishoudens met een relatief laag inkomen. Op macroniveau is voor 110% van de doelgroep een gereguleerde huurwoning (potentieel) beschikbaar. Zie Interdepartementaal Beleidsonderzoek Sociale Huur, De prijs voor betaalbaarheid, oktober 2016.(7) Artikel 42, eerste lid, Woningwet.(8) Artikel 42, tweede lid, Woningwet.(9) Artikel 44, tweede lid, Woningwet.(10) Artikel 44, vierde lid, Woningwet.(11) Zie BPL/CBS, regionale bevolkings- en huishoudensprognose 2017-2040: woningbouwveronderstellingen, juli 2017.(12) Staat van de volkshuisvesting, jaarrapportage, p. 6.(13) Rijksoverheid, Data in wonen, woningcorporaties, https://vois.datawonen.nl/jive/jivereportcontents.ashx?report=cowb_framework_report_preview&chaptercode=2019_cowh1.(14) Data CBS, zie: https://statline.cbs.nl/statweb/publication/?vw=t&dm=slnl&pa=71486ned&d1=0-2,23-26&d2=0&d3=0,5-16&d4=(l-1)-l&hd=090402-0910&hdr=t,g3&stb=g1,g2. Zie ook: https://www.clo.nl/indicatoren/nl000115-bevolkingsomvang-en-huishoudens.(15) Rijksoverheid, Data in wonen, Cijfers in beeld, huurtoeslag, https://hcib.datawonen.nl/jive?presel_code=pht.(16) RTL Nieuws (2018) Jaren wachten op een sociale huurwoning: "Het is een ramp" (https://www.rtlnieuws.nl/nieuws/nederland/artikel/4485056/jaren-wachten-op-een-sociale-huurwoning-het-een-ramp.)(17) NOS (2018) Woningzoekenden zonder urgentieverklaring vissen steeds vaker achter het net (https://nos.nl/artikel/2244999-woningzoekenden-zonder-urgentieverklaring-vissen-steeds-vaker-achter-het-net.html.)(18) De Gelderlander (2018) Wachttijd sociale huurwoningen in Achterhoek verdubbeld (https://www.gelderlander.nl/bronckhorst/wachttijd-sociale-huurwoningen-in-achterhoek-verdubbeld~a2f77c8a/.)(19) NOS (2018) Woningzoekenden zonder urgentieverklaring vissen steeds vaker achter het net (https://nos.nl/artikel/2244999-woningzoekenden-zonder-urgentieverklaring-vissen-steeds-vaker-achter-het-net.html.)(20) CBS (2018) Prognose: 18 miljoen inwoners in 2029 (https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2018/51/prognose-18-miljoen-inwoners-in-2029.)(21) CBS (2013) Tot 2025 jaarlijks 50 duizend huishoudens erbij (https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2013/17/tot-2025-jaarlijks-50-duizend-huishoudens-erbij)(22) Primos (2016) Prognose van de bevolking, huishoudens en woningbehoefte 2016-2050(23) Staat van de Woningmarkt, jaarrapportage 2018.(24) Aedes (2018) https://www.aedes.nl/feiten-en-cijfers/woning/hoe-ontwikkelt-het-bezit-van-corporaties-zich/hoe-ontwikkelt-het-bezit-van-corporaties-zich.html.(25) EIB (2019) Meer inspanning nodig om ambities uit Nationale Woonagenda te realiseren (https://www.eib.nl/nieuws/meer-inspanningen-nodig-om-ambities-uit-nationale-woonagenda-te-realiseren/.)(26) Aedes (2019) Woningcorporaties: Nieuwbouw sociale huurwoningen in gevaar (https://www.aedes.nl/artikelen/woningmarkt/hervorming-woningmarkt/nieuwbouw-huurwoningen-in-gevaar.html)(27) Medemblik Actueel (2018) De wachtlijsten voor een sociale huurwoning in West Friesland zijn veel te lang (https://www.medemblikactueel.nl/2018/12/de-wachtlijsten-voor-sociale-huurwoningen-in-westfriesland-zijn-veel-te-lang/.)(28) Rigo (2016) Wachten, zoeken en vinden: Hoe lang duurt het zoeken naar een sociale huurwoning?
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Voorstel van wet van de leden Snels en Van Weyenberg tot wijziging van het voorstel van wet van de leden Snels en Van Weyenberg houdende regels over de toegankelijkheid van informatie van publiek belang (Wet open overheid) (Wijzigingswet Woo).
Bij brief van de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 2 januari 2019 heeft de Tweede Kamer, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet van de leden Snels en Van Weyenberg tot wijziging van het voorstel van wet van de leden Snels en Van Weyenberg houdende regels over de toegankelijkheid van informatie van publiek belang (Wet open overheid) (Wijzigingswet Woo), met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging Besluit tarieven in strafzaken en Besluit beëdigde tolken en vertalers in verband met herziening vergoedingen en waarborgen kwaliteit.
Bij Kabinetsmissive van 13 december 2019, no.2019002630, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Justitie en Veiligheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijzing van het Besluit tarieven in strafzaken 2003, het Besluit beëdigde tolken en vertalers en het Besluit proceskosten bestuursrecht in verband met het instellen van minimumtarieven en het borgen van de kwaliteit en integriteit van beëdigde tolken en vertalers, met nota van toelichting.Het ontwerpbesluit heeft betrekking op de inzet van tolken en vertalers bij de Rijksoverheid. Het voorziet in het omzetten van de vaste tarieven voor tolken en vertalers naar een minimum tarief. Daarnaast strekt het ontwerpbesluit ertoe de inschrijfeisen voor tolken in het Register beëdigde tolken en vertalers (Rbtv) aan te passen, waardoor in het Rbtv ook tolken met B2-niveau kunnen worden opgenomen.De Afdeling advisering van de Raad van State maakt opmerkingen over de motivering van het ontwerpbesluit. In verband daarmee is aanpassing wenselijk van het ontwerpbesluit en de toelichting.1. Inhoud van het ontwerpbesluitHet ontwerpbesluit heeft tot doel het verbeteren van de systematiek voor de inzet en afname van tolkdiensten door de Rijksoverheid. De aanleiding daarvoor is een viertal gesignaleerde problemen rond de inzet van tolken en vertalers bij de overheid. Zo is de bestaande systematiek onvoldoende opgewassen tegen piekbelasting. Daarnaast is door een wijziging in de Europese regelgeving het aanbestedingsregime gewijzigd als gevolg waarvan overheidsorganisaties tolk- en vertaaldiensten verplicht moeten aanbesteden. Voorts hebben zich verschillende integriteitskwesties voorgedaan ten aanzien van tolken. Tot slot werken de huidige versnipperde werkwijzen inefficiënties in de hand en wordt de kwaliteitsontwikkeling van de sector en de markt belemmerd.De Richtlijn betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten (zie noot 1) is gewijzigd en geïmplementeerd in de Aanbestedingswet. Als gevolg daarvan moeten tolk- en vertaaldiensten vanaf 1 juli 2016 als gewone overheidsopdrachten worden aanbesteed. In de toelichting is vermeld dat de afname van tolk- en vertaaldiensten voortaan standaard via een intermediair gaat verlopen. Deze uniformering van de werkwijze zal een bijdrage leveren aan de efficiëntie en kwaliteitsontwikkeling, aldus de toelichting.Het ontwerpbesluit voorziet in twee maatregelen waarmee wordt beoogd de geschetste problemen op te lossen. De eerste maatregel strekt ertoe de inschrijfeisen voor tolken in het Rbtv aan te passen, waardoor ook tolken met B2-niveau kunnen worden opgenomen. Wanneer registertolken, die thans allen beschikken over C1-niveau, (zie noot 2) niet beschikbaar zijn door bijvoorbeeld piekbelasting, wordt in de praktijk gebruik gemaakt van tolken- of vertalers buiten het register die vaak beschikken over een lager niveau dan het C1-niveau.Openstellen van het register voor tolken op B2-niveau maakt het mogelijk om in het kader van de behandeling van een verzoek om inschrijving in het register na te gaan of de betreffende tolk of vertaler voldoet aan de voor inschrijving in het register geldende integriteitseisen en tolk- en vertaalkwaliteitseisen. Daarmee wordt de integriteit van door overheidsdiensten ingezette tolken en vertalers gewaarborgd wanneer registertolken of -vertalers met C1-niveau niet beschikbaar zijn en moet worden uitgeweken naar tolken of vertalers met B2-niveau.De andere maatregel betreft het omzetten van de vaste tarieven in het Besluit tarieven in strafzaken (hierna: het Besluit) voor tolk- en vertaaldiensten naar een minimum tarief. Doel daarvan is enerzijds om de markt in te laten spelen op vraag en aanbod per taal en anderzijds om tolken en vertalers te belonen naar kwaliteit en specialisaties. Hierdoor wordt het aanvaarden van opdrachten voor overheidsdiensten door kwalitatief goede tolken en vertalers bevorderd.Bovendien is de verwachting dat tolken en vertalers door de potentieel hogere beloning gestimuleerd zullen worden om zich verder te ontwikkelen. Het hanteren van een minimumtarief dient ter bescherming van de positie van tolken en vertalers, omdat het zekerheid biedt op een redelijke beloning, hetgeen uiteindelijk de continuïteit van de verlening van deze dienst eveneens ten goede komt.2. Motivering van het ontwerpbesluitDe Afdeling advisering heeft begrip voor de doelen die het ontwerpbesluit beoogt te bereiken, maar de voorgestelde maatregelen roepen een aantal vragen op.a. Verlaging van de inschrijfeisenIn gevallen waarin een registertolk- of vertaler met C1-niveau niet beschikbaar is, wordt thans in de praktijk nog wel eens uitgeweken naar een tolk of vertaler buiten het register met een lager niveau. Het ontwerpbesluit bevestigt deze situatie, door het register ook voor tolken op B2-niveau open te stellen. Dit brengt in zoverre een verbetering mee dat hierdoor ook aan hen bij hun inschrijving in het register integriteitseisen en kwaliteitseisen zullen worden gesteld.De Afdeling merkt op dat uit de toelichting evenwel niet duidelijk wordt wat de inzet van tolken en vertalers met B2-niveau betekent voor het niveau van het tolk- en vertaalwerk en hoe de handhaving van een verantwoord niveau wordt verzekerd. De Commissie Kwaliteitseisen Tolken en Vertalers heeft in haar rapport ‘Praktisch en effectief’ van februari 2005 ten aanzien van de inschrijving in het register aanbevolen voor de taalvaardigheid het niveau C1 als het vereiste beheersingsniveau vast te stellen. (zie noot 3) Mede in het licht van de aanbevelingen van deze commissie en overeenkomstig de bedoeling zoals geschetst in de toelichting (zie noot 4) zullen in beginsel tolken en vertalers met C1-niveau worden ingeschakeld. De vraag rijst hoe dit feitelijk wordt gerealiseerd, nu het Besluit daarvoor zelf geen waarborgen bevat.Tegen die achtergrond adviseert de Afdeling in het ontwerpbesluit waarborgen op te nemen dat in beginsel tolken en vertalers met C1- niveau worden ingeschakeld.b. MinimumtariefDe Afdeling merkt voorts op dat niet vaststaat of de omzetting van de vaste tarieven naar een minimumtarief het beoogde effect zal hebben. De inkoop van tolk- en vertaaldiensten zal voortaan standaard via intermediairs verlopen. Dit betekent dat tolken en vertalers alleen via deze intermediairs hun tolk- en vertaaldiensten voor de overheid kunnen aanbieden.In de aanbestedingsprocedures zullen intermediairs ook concurreren op prijs, dat wil zeggen op de hoogte van de tarieven van de door hen aangeboden tolken en vertalers. Bij deze aanbestedingen zal een minimumtarief worden gehanteerd als tarief waarboven intermediairs zich kunnen inschrijven. Aangezien op dit moment het aantal intermediairs nog beperkt is, dringt de vraag zich op of in de praktijk tolken en vertalers wel de mogelijkheid hebben hogere tarieven te bedingen. Onduidelijk is op welke wijze wordt voorkomen dat het minimumtarief een standaardtarief wordt.Daarnaast rijst de vraag hoe wordt gewaarborgd dat het in het Besluit opgenomen minimumtarief bij de tolken en vertalers terecht komt. Hoewel de toelichting stelt dat het minimumtarief bij de tolken en vertalers terecht moet komen, is het gelet op het gebruik van intermediairs onduidelijk of het Besluit daarvoor voldoende waarborgen biedt. (zie noot 5)Gelet op het voorgaande adviseert de Afdeling in het ontwerpbesluit waarborgen op te nemen dat het minimumtarief bij de tolken en vertalers terecht komt en in de toelichting uiteen te zetten hoe wordt voorkomen dat het minimumtarief een standaardtarief wordt.c. Financiële consequentiesUit de toelichting volgt verder dat wordt voorzien dat de financiële consequenties van de voorgestelde maatregelen budgetneutraal zijn. Met het hanteren van een minimumtarief is beoogd de marktwerking te stimuleren. Afhankelijk van vraag en aanbod van taal en kwaliteit ligt daardoor potentieel een hogere beloning voor de werkzaamheden van tolken en vertalers in het verschiet. Aan kwaliteit en schaarste zijn immers kosten verbonden. De vraag rijst of de in de toelichting aangehaalde inverdieneffecten dermate substantieel zullen zijn dat hiermee de te verwachten hogere kosten van de beloning volledig kunnen worden gedekt. Dit roept de vraag op of het ontwerpbesluit werkelijk budgetneutraal zal kunnen worden ingevoerd. Op voorhand acht de Afdeling dat niet aannemelijk. In de toelichting ontbreekt een toereikende motivering voor dat standpunt.De Afdeling adviseert de toelichting op dit punt aan te vullen.De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal opmerkingen bij het ontwerpbesluit en adviseert daarmee rekening te houden voordat een besluit wordt genomen.De vice-president van de Raad van State
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Onteigening in de gemeente Doetinchem (onteigeningsplan Slingeland Ziekenhuis Doetinchem).
Krachtens Koninklijke machtiging heeft de Minister voor Milieu en Wonen met een schrijven van 16 maart 2020, no.RWS-2020/11113, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt een voordracht met ontwerpbesluit tot aanwijzing van onroerende zaken ter onteigening in de gemeente Doetinchem krachtens artikel 78 van de onteigeningswet (onteigeningsplan Slingeland Ziekenhuis Doetinchem).De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen opmerkingen over het ontwerpbesluit en adviseert het besluit te nemen.Gelet op artikel 26, zesde lid jo vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, adviseert de Afdeling dit advies openbaar te maken.De vice-president van de Raad van StateNader rapport (reactie op het advies) van 3 juni 2020Het bestemmingsplan voorziet op de te onteigenen onroerende zaken In de realisatie van een ziekenhuis van maximaal 45.000 m2 bruto vloeroppervlakte waarvan maximaal 40.000 m2 beschikbaar zal zijn voor de ziekenhuisfunctie en maximaal 5.000 m2 voor de huisvesting van zorggerelateerde functies en direct aan het ziekenhuis gerelateerde retailfuncties. Ook worden parkeervoorzieningen, waaronder een parkeergarage voor circa 800 auto's, een entree, een natuurpark en een landschapspark voor het ziekenhuis gerealiseerd.De Afdeling kan zich met het ontwerpbesluit verenigen.Ik moge U hierbij het ontwerpbesluit doen toekomen en u verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.DE MINISTER VAN BINNENLANDSE Z i\KEN EN KONINKRIJKSRELATIES
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van het Tabaks- en rookwarenbesluit.
Bij Kabinetsmissive van 1 april 2020, no.2020000674, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, in overeenstemming met de Minister van Justitie en Veiligheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende wijziging van het Tabaks- en rookwarenbesluit ter introductie van de verplichting een rookverbod in te stellen, aan te duiden en te handhaven op de terreinen die horen bij gebouwen en inrichtingen die worden gebruikt voor onderwijs, met nota van toelichting.Het ontwerpbesluit introduceert een rookverbod op terreinen grenzend aan, of in de directe nabijheid gelegen van, gebouwen en inrichtingen van basisscholen, scholen voor voortgezet en speciaal onderwijs, en instellingen voor middelbaar beroeps-, hoger beroeps- en wetenschappelijk onderwijs. Daarnaast regelt het een rookverbod voor de open lucht binnen onderwijsinstellingen. Daarmee wordt uitvoering gegeven aan artikel 10, tweede lid, onder a van de Tabaks- en rookwarenwet. Deze bepaling is ingevoerd bij een amendement en bevat een delegatiegrondslag voor het stellen van regels over rookverboden op terreinen bij scholen en onderwijsinstellingen. Het rookvrij maken van schoolterreinen is ook genoemd als maatregel binnen het Nationaal Preventieakkoord.De Afdeling advisering van de Raad van State maakt een opmerking over de mogelijke differentiatie tussen verschillende scholen en onderwijsinstellingen. In verband daarmee is aanpassing van de toelichting wenselijk.1. Een algeheel rookverbodOp dit moment geldt een rookverbod alleen binnen gebouwen en inrichtingen in gebruik bij onderwijsinstellingen. (zie noot 1) Het ontwerpbesluit breidt dit verbod uit tot de buitenruimte. Het behelst een verplichting voor beheerders om een rookverbod in te stellen, aan te duiden en te handhaven op terreinen behorende bij gebouwen of inrichtingen die in gebruik zijn bij scholen en onderwijsinstellingen. Deze terreinen moeten wel in gebruik zijn. Het rookverbod is daarmee van toepassing op terreinen bij basisscholen en speciale scholen voor basisonderwijs. Ook is het van toepassing op terreinen grenzend aan, of in de directe nabijheid gelegen van, alle door de overheid bekostigde scholen voor voortgezet onderwijs.Het rookverbod is eveneens van toepassing op onderwijsinstellingen voor het middelbaar beroeps-, hoger beroeps- en wetenschappelijk onderwijs. Terreinen behorende bij niet-bekostigde internationale scholen, niet-bekostigde instellingen voor middelbaar, hoger, wetenschappelijk en post-initieel onderwijs vallen niet onder de reikwijdte van de delegatiegrondslag. (zie noot 2) Het ontwerpbesluit introduceert verder een rookverbod voor de open lucht binnen deze gebouwen of inrichtingen, zoals bijvoorbeeld voor binnentuinen. (zie noot 3)Met het ontwerpbesluit wordt uitvoering gegeven aan artikel 10, tweede lid, onder a, van de Tabaks- en rookwarenwet. Deze bepaling is ingevoerd bij een amendement en bevat een delegatiegrondslag voor het stellen van regels over rookverboden op terreinen bij scholen en onderwijsinstellingen. (zie noot 4) Het rookvrij maken van schoolterreinen is ook één van de maatregelen in het kader van het Nationaal Preventieakkoord. Daarin is afgesproken dat deze maatregel in 2020 in werking zal treden. (zie noot 5)De wet biedt ruimte om onderscheid te maken tussen de verschillende scholen en instellingen. (zie noot 6) Het ontwerpbesluit heeft van deze ruimte echter geen gebruik gemaakt. Met andere woorden, er is sprake van een algeheel rookverbod op terreinen rondom scholen en onderwijsinstellingen. De toelichting motiveert een algeheel rookverbod met een verwijzing naar een onderzoek op dit gebied. Uit dit onderzoek wordt afgeleid dat uitzonderingen de norm ondermijnen waardoor de maatregel minder effectief zou zijn. (zie noot 7)De Afdeling merkt op dat in het bijzonder tussen instellingen voor hoger onderwijs en overig onderwijs een onderscheid denkbaar is. Hierbij wijst de Afdeling op het verschil tussen minder- en meerderjarigen. Bij het hoger onderwijs, (zie noot 8) en zeker bij het wetenschappelijk onderwijs, volgen immers in de regel volwassenen onderwijs. Het rookverbod wordt echter gerechtvaardigd ter bescherming van de gezondheid van jongeren. (zie noot 9) Bij het hoger onderwijs is bovendien vaak sprake van lastig af te bakenen terreinen, zoals op campussen. (zie noot 10) De Afdeling merkt op dat een campus zonder (veel) bedrijven al snel volledig onder de regeling zal vallen.Daarnaast wijst de Afdeling op het in de toelichting genoemde onderzoek. Uit dit onderzoek blijkt dat specifiek het in zicht roken de norm van niet-roken ondermijnt. (zie noot 11) Het gaat er dus in het bijzonder om dat rokers niet worden gezien. Andere maatregelen zijn daarom ook denkbaar, bijvoorbeeld door het aanwijzen van een rookzone waarbij rokers niet worden gezien. Dit wordt eveneens door het onderzoek aangedragen. (zie noot 12) Bovendien betreft het onderzoek de implementatie van een rookverbod op terreinen bij scholen voor secundair onderwijs, niet bij instellingen voor hoger onderwijs. Dit betekent dat de onderzoeksresultaten betrekking hebben op minderjarige scholieren, en wellicht niet één-op-één van toepassing zijn op meerderjarigen in het algemeen en studenten van het hoger onderwijs in het bijzonder.Vanwege de verschillen tussen hoger onderwijs en overig onderwijs, en het genoemde onderzoek, adviseert de Afdeling de toelichting aan te vullen. De Afdeling adviseert daarbij specifiek in te gaan op de mogelijkheid tot differentiatie tussen de verschillende scholen en instellingen.De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal opmerkingen bij het ontwerpbesluit en adviseert daarmee rekening te houden voordat een besluit wordt genomen.De vice-president van de Raad van StateNader rapport (reactie op her advies) 18 juni 2020Naar aanleiding van bovenvermeld advies van de Afdeling advisering van de Raad van State (hierna: Afdeling advisering) is de toelichting op het besluit aangevuld. In hoofdstuk 1 is de vijfde alinea aangevuld met enige zinnen over de bredere context van onderhavig besluit: de omslag naar rookvrije gebouwen en omgevingen die tal van maatschappelijke organisaties aan het maken zijn. In paragraaf 3.1. is de eerste alinea aangevuld met de notie dat het aannemelijk is dat het aangehaalde onderzoek over ‘zien roken, doet roken’ onder kinderen vertaald kan worden naar de andere doelgroepen van deze maatregel. Tot die conclusie strekt een onderzoek dat is toegevoegd als voetnoot 21. In paragraaf 3.1. zijn voorts twee nieuwe alinea’s opgenomen waarin wordt ingegaan op de noodzaak die de regering ziet om voor alle onderwijsinstellingen één lijn te trekken en over te gaan tot een volledig rookvrij terrein. In de ogen van ondergetekende is voor het realiseren van een rookvrije generatie onontbeerlijk dat iedere leerling de mogelijkheid heeft een rookvrije schoolcarrière te doorlopen.Van de gelegenheid is gebruik gemaakt een omissie in het overgangsrecht behorende bij het zogenoemde uitstalverbod te herstellen. Daartoe is artikel I, onderdeel B toegevoegd aan het ontwerpbesluit en voorzien van een artikelsgewijze toelichting.Ik bied U hierbij in overeenstemming met de Minister van Justitie en Veiligheid het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting aan en verzoek U overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Uitvoeringswet Verordening conflictmineralen.
Bij Kabinetsmissive van 8 april 2020, no.2020000704, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet, houdende bepalingen tot uitvoering van Verordening (EU) 2017/821 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2017 tot vaststelling van verplichtingen inzake passende zorgvuldigheid in de toeleveringsketen voor Unie-importeurs van tin, tantaal en wolfraam, de overeenkomstige ertsen, en goud uit conflict- en hoogrisicogebieden (Pb EU 2017, L 130), met memorie van toelichting.De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen inhoudelijke opmerkingen bij het voorstel.De Afdeling verwijst naar de bij dit advies behorende redactionele bijlage.De Afdeling adviseert het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal in te dienen.Gelet op artikel 26, zesde lid jo vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, adviseert de Afdeling dit advies openbaar te maken.De vice-president van de Raad van StateRedactionele bijlage bij het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State betreffende no.W02.20.0107/II- Vul in aanhef van art. 4 lid 5 het woord ‘personen’ aan tot: ‘natuurlijke of rechtspersonen’ en vervang in lid b ‘betrokken partijen’ door ‘deze personen’- Een transponeringstabel toevoegen (zie aanwijzing 9.12 van de Aanwijzingen voor de regelgeving)
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van het Aanbestedingsbesluit in verband met de wijziging van de Gids proportionaliteit en het Aanbestedingsreglement Werken.
Bij Kabinetsmissive van 9 maart 2020, no.2020000491, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Aanbestedingsbesluit in verband met wijziging van de Gids proportionaliteit en het Aanbestedingsreglement Werken 2016, met nota van toelichting.De herziene Gids Proportionaliteit, die door het wijzigingsbesluit vanwege de herziening opnieuw als richtsnoer wordt aangewezen, verduidelijkt dat bedingen die op voorhand tenderkostenvergoedingen uitsluiten bij een voortijdige intrekking van een aanbesteding niet proportioneel zijn. (zie noot 1) Deze verduidelijking is nodig omdat het volgens de nota van toelichting in de praktijk voorkomt dat aanbestedende diensten in hun aanbestedingsstukken de uitkering van een kostenvergoeding voor inschrijvers uitsluiten als de aanbesteding wordt ingetrokken. (zie noot 2)Een kostenvergoeding is volgens de nota van toelichting aan de orde als (i) een inschrijver daadwerkelijk kosten heeft gemaakt en (ii) deze kosten zo aanzienlijk zijn geweest dat een vergoeding ook aan de orde zou zijn geweest als de aanbesteding niet zou zijn ingetrokken. (zie noot 3) De redenen waarom (of omstandigheden waaronder) intrekking plaatsvindt, worden in dit verband niet genoemd als relevant voor de afweging bepaalde kosten te vergoeden. Echter, de Gids Proportionaliteit noemt de omstandigheden waaronder intrekking plaatsvindt in dit verband wel. (zie noot 4) Onduidelijk is hoe een en ander zich tot elkaar verhoudt.De Afdeling adviseert de nota van toelichting en de Gids Proportionaliteit op dit punt met elkaar in overeenstemming te brengen en te verduidelijken of de omstandigheden waaronder intrekking plaatsvindt wel of niet relevant zijn voor een tenderkostenvergoeding.De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een opmerking bij het ontwerpbesluit en adviseert daarmee rekening te houden voordat een besluit wordt genomen.De vice-president van de Raad van State
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van het Besluit rijonderricht motorrijtuigen 2009 in verband met wijzigingen ten aanzien van de vooropleiding, de bijscholing en het herintrederstraject.
Bij Kabinetsmissive van 15 november 2019, no.2019001416, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende wijziging van enige onderwijsbesluiten in verband met het monitoren van de veiligheid op scholen, met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers teneinde het mogelijk te maken de duur van de overbruggingsregeling met vier maanden te verlengen.
Bij Kabinetsmissive van 12 juni 2020, no.2020001199, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers teneinde het mogelijk te maken met vier kalendermaanden te verlengen en het aanbrengen van enige technische wijzigingen, met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van het Besluit bekostiging WPO BES.
Bij Kabinetsmissive van 31 maart 2020, no.2020000661, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit bekostiging WPO BES in verband met voornamelijk technische wijzigingen vanwege de herijking van de bekostiging van basisscholen in Caribisch Nederland, met nota van toelichting.De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen inhoudelijke opmerkingen over het ontwerpbesluit.De Afdeling verwijst naar de bij dit advies behorende redactionele bijlage.De Afdeling adviseert het besluit te nemen.Gelet op artikel 26, zesde lid jo vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, adviseert de Afdeling dit advies openbaar te maken.De vice-president van de Raad van StateRedactionele bijlage bij het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State betreffende no.W05.20.0086/I- Gezien de Wet van 19 december 2018 tot wijziging van de Wet primair onderwijs BES in verband met herijking van de bekostiging van basisscholen in Caribisch Nederland (Stb. 2019,19) nog niet in werking is getreden, artikel II herformuleren overeenkomstig de modelbepaling in Aanwijzing 4.22, onder d van de Aanwijzingen voor de regelgeving.Nader rapport (reactie op het advies) van 10 juni 2020Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (kustfundament, grote rivieren, radarstations en hoogspanningsverbindingen).
Bij Kabinetsmissive van 10 december 2019, no.2019002577, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Milieu en Wonen, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (kustfundament, grote rivieren, radarstations en hoogspanningsverbindingen), met nota van toelichting.Het ontwerpbesluit wijzigt diverse onderdelen van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De wijzigingen hebben onder meer betrekking op de mogelijkheden voor recreatieve bebouwing aan de kust en op de bescherming van de goede werking van civiele radarstations.De Afdeling advisering van de Raad van State maakt een opmerking over de wijze waarop de bescherming van de goede werking van civiele radarstations wordt geregeld. In verband daarmee is aanpassing van het ontwerpbesluit wenselijk.1. Bescherming van de goede werking van civiele radarstationsHet Barro en het Bkl bevatten regels voor de bescherming van de goede werking van militaire radarstations. Het ontwerpbesluit beoogt het mogelijk te maken om ook civiele radarstations onder de werking van die regels te brengen. Daarvoor wordt in het Barro onder meer artikel 2.6.9, eerste lid, aangepast. (zie noot 1)Het aangepaste artikel 2.6.9, eerste lid, heeft uitsluitend betrekking op radarstations "buiten een militair terrein of een luchtvaartterrein". Hierdoor vallen radarstations op burgerluchthavens er niet onder. Als gevolg daarvan kunnen die radarstations niet volledig onder de beschermingsregels van het Barro worden gebracht. Dit sluit niet aan bij de bedoeling van het ontwerpbesluit.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van de Tabaks- en rookwarenwet in verband met aanscherping reclameverbod.
Bij Kabinetsmissive van 20 maart 2020, no.2020000569, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Tabaks- en rookwarenwet om het reclameverbod aan te scherpen en de verhouding van artikel 10 van de wet ten opzichte van de autonome verordenende bevoegdheid van provincies en gemeenten te verduidelijken, met memorie van toelichting.Dit wetsvoorstel geeft uitvoering aan het Nationaal Preventieakkoord en beoogt bij te dragen aan het verwezenlijken van een ‘rookvrije generatie’ in 2040. (zie noot 1) Hiertoe wordt het gedeeltelijke reclameverbod dat nu al geldt voor rookwaren uitgebreid. Daarnaast beoogt het wetsvoorstel de verhouding tussen de bevoegdheden van decentrale overheden enerzijds en de wettelijke verplichtingen voor personen en organen anderzijds om rookverboden in te stellen, te verduidelijken.De Afdeling advisering van de Raad van State maakt onder andere opmerkingen over de rol van het reclameverbod in het rookontmoedigingsbeleid. Ook maakt zij opmerkingen over het bevestigen van reeds bestaande bevoegdheden van decentrale overheden in dit wetsvoorstel. In verband daarmee is aanpassing wenselijk van het voorstel en de toelichting.1. Inhoud van het wetsvoorstelIn de huidige situatie is er sprake van een reclameverbod, waarvan een beperkt aantal soorten verkooppunten, namelijk speciaalzaken, is vrijgesteld. Het soort reclame dat deze speciaalzaken mogen maken is beperkt. Het wetsvoorstel perkt de mogelijkheid om reclame te maken op twee manieren in. Ten eerste wordt het aantal speciaalzaken dat is vrijgesteld van het reclameverbod aanzienlijk verkleind. Speciaalzaken moeten aan aanzienlijk scherpere eisen voldoen dan voorheen om als aangewezen verkooppunt te worden beschouwd. (zie noot 2) Enkel ‘aangewezen verkooppunten’, die voldoen aan de criteria die zijn neergelegd in het Tabaks- en Rookwarenbesluit, mogen reclame maken. Dit betekent onder andere dat zogenaamde ‘shops-in-shops’ (die per definitie niet voldoen aan de criteria voor ‘aangewezen verkooppunten’) geen reclamemogelijkheden meer hebben. Ten tweede worden bepaalde reclame-uitingen van speciaalzaken die nu nog wel onder de vrijstelling vallen, zoals reclame op de gevel en - in beperkte gevallen - de etalage, verboden. (zie noot 3)De verplichting om rookverboden in te stellen, aan te duiden en te handhaven rust op de personen en organen die verantwoordelijk zijn voor verschillende locaties. (zie noot 4) Volgens de toelichting bestaat onduidelijkheid over wat dit betekent voor bevoegdheden van gemeenten en provincies om in de openbare (buiten)ruimte rookverboden in te stellen. Daarom is in het voorstel geëxpliciteerd dat de gemeenteraad en provinciale staten de bevoegdheid behouden om bij verordening regels te stellen voor locaties waarover nog geen regels zijn gesteld. (zie noot 5)2. Reclameverbod als onderdeel van het rookontmoedigingsbeleidDe toelichting geeft aan dat uitbreiding van het reclameverbod mogelijkerwijs een beperking is van zowel vrijeverkeersbepalingen als de vrijheid van meningsuiting. (zie noot 6) De proportionaliteit van de maatregel in relatie tot het te bereiken doel is mede om die reden van groot belang. Om een beperking te rechtvaardigen moeten de maatregelen immers niet alleen een gerechtvaardigd doel dienen, maar ook proportioneel zijn. (zie noot 7) De regering geeft in de toelichting in algemene bewoordingen aan dat uitbreiding van het reclameverbod proportioneel is om het doel te bereiken, namelijk het bevorderen van de volksgezondheid en met name het bewerkstelligen van een rookvrije generatie.De toelichting gaat niet in op de vraag wat deze specifieke maatregel, namelijk een uitbreiding van het reclameverbod, toevoegt aan de maatregelen die al zijn genomen en nog genomen worden in het kader van het rookontmoedigingsbeleid. Daarbij dient in acht te worden genomen dat iedere reclamemogelijkheid wegvalt voor shops-in-shops en alle andere speciaalzaken die straks niet meer vallen onder de bij algemene maatregel van bestuur ‘aangewezen verkooppunten’. De Afdeling maakt uit de toelichting op dat het ruim 1400 (voormalige) speciaalzaken betreft.Dit doet de vraag rijzen naar de toegevoegde waarde en het effect van deze maatregel binnen het algehele rookontmoedigingsbeleid. Ook is het de vraag of minder vergaande maatregelen zijn overwogen om het beoogde doel te bereiken. Hierbij kan gedacht worden aan het toestaan van reclame binnen een speciaalzaak, zijnde geen aangewezen verkooppunt, of een shop-in-shop, buiten het zicht van personen die zich buiten deze zaken bevinden. Ook kan gedacht worden aan het aanpassen van de criteria voor ‘aangewezen verkooppunten’, zodat meer huidige speciaalzaken enige reclamemogelijkheid behouden.Tot slot vermeldt de toelichting niet ten aanzien van deze specifieke groep in hoeverre een financiële tegemoetkoming of een overgangsperiode is overwogen. Hiermee zou het effect van de maatregel gemitigeerd kunnen worden, waarmee de proportionaliteit van de maatregel wordt vergroot.De Afdeling adviseert de toelichting op dit punt aan te vullen.3. DelegatieIn de huidige situatie wordt op wetsniveau geregeld welke verkooppunten zijn vrijgesteld van het reclameverbod. Alle verkooppunten die onder de begripsbepaling ‘speciaalzaak’ vallen, zijn vrijgesteld van het reclameverbod en mogen het soort reclame maken dat bij of krachtens de wet is toegestaan.In het wetsvoorstel worden de vrijstellingen van het reclameverbod volledig gedelegeerd. In het Tabaks- en rookwarenbesluit worden de aangewezen verkooppunten vastgelegd die onder de vrijstellingen vallen. Ook de aanvullende voorwaarden waaraan voldaan moet worden, worden gedelegeerd. In deze systematiek wordt de uitzondering voor speciaalzaken niet meer wettelijk geregeld en wordt de term speciaalzaak op wetsniveau niet meer gebruikt.De Afdeling merkt op dat deze ingrijpende wijziging in de systematiek niet als een technische uitvoering kan worden aangemerkt die voor delegatie in aanmerking komt. Ook geeft de toelichting niet aan waarom de wettelijke definitie van speciaalzaak niet geschrapt wordt, nu deze niet meer wordt gebruikt.De Afdeling adviseert een en ander nader toe te lichten en zo nodig het voorstel aan te passen.4. Bevoegdheden van decentrale overhedenIn de Tabaks- en rookwarenwet worden personen en instanties aangewezen die verantwoordelijk zijn voor het instellen, aanduiden en handhaven van een rookverbod binnen een bepaalde locatie. (zie noot 8) Volgens de toelichting is het voor gemeenten en provincies onduidelijk in hoeverre zij, vanuit hun eigen verordenende bevoegdheid, rookverboden mogen instellen in de openbare ruimte. De regering heeft aangegeven dat de wet hiervoor ruimte laat. Toch wordt in het wetsvoorstel geëxpliciteerd dat de gemeenteraad en provinciale staten de bevoegdheid behouden om, kort gezegd, bij verordening regels te stellen over rookverboden. (zie noot 9)De Afdeling zet vraagtekens bij de noodzaak en (in verband daarmee) bij de wenselijkheid om de bevoegdheden van decentrale overheden op deze wijze te bevestigen. Ook zet zij vraagtekens bij de stelling van de regering dat de voorgestelde bepaling de reikwijdte van de gemeentelijke en provinciale bevoegdheden verduidelijkt.a. Noodzaak bevestiging van bevoegdhedenZoals in de memorie van toelichting is aangegeven, is het aan de gemeenteraad om verordeningen te maken die hij in het belang van de gemeente nodig oordeelt. (zie noot 10) Op provinciaal niveau geldt hetzelfde voor de provinciale staten. (zie noot 11) Ook ten aanzien van onderwerpen waarin hogere regelgeving voorziet blijft deze bevoegdheid bestaan, mits de provinciale en gemeentelijke verordeningen niet in strijd zijn met deze regelgeving.Van "hetzelfde onderwerp", bedoeld in artikel 121 Gemeentewet en artikel 118 Provinciewet, is sprake als zowel de genormeerde gedraging als het motief van de regeling gelijkluidend zijn. Indien dat het geval is en de hogere regeling uitputtend is bedoeld, mogen gemeenteraad en provinciale staten de hogere regeling niet met een eigen verordening aanvullen. Bestaat er wel ruimte tot aanvulling, dan mag de lagere regeling de hogere regeling niet doorkruisen.In dit geval is in ieder geval geen sprake van dezelfde genormeerde gedraging. De Tabaks- en rookwarenwet normeert het instellen, aanduiden en handhaven van rookverboden in aldaar genoemde gebouwen, inrichtingen en vervoersmodaliteiten. De buitenruimte valt hier niet onder. (zie noot 12) Een gemeentelijke of provinciale verordening (en eventuele concretiserende besluiten van algemene strekking), zullen naar verwachting het roken in de openbare ruimte reguleren.Omdat hier geen sprake is van hetzelfde onderwerp bestaat er geen noodzaak om in de wet te bevestigen dat de hogere regeling niet uitputtend bedoeld is. (zie noot 13) Ook zou met een gemeentelijk of provinciaal rookverbod geen sprake zijn van doorkruising. Immers, de hogere regelgeving stelt geen regels over het roken in de openbare ruimte. Evenmin blijkt uit de hogere regelgeving dat restricties aan roken in de openbare ruimte ontoelaatbaar zijn. De Afdeling tekent hierbij aan dat uit de toelichting niet blijkt dat gemeenten op juridische barrières stuiten.De Afdeling is het dan ook met de regering eens dat de wet ruimte laat voor de gemeenteraad en provinciale staten om rookverboden in de openbare ruimte in te stellen, zolang deze rookverboden niet de locaties betreffen waarbij ingevolge de Tabaks- en rookwarenwet en onderliggende regelgeving rookverboden moeten gelden. Uiteraard moet bij het instellen van dergelijke gemeentelijke of provinciale rookverboden acht geslagen worden op de juridische randvoorwaarden, in het bijzonder proportionaliteit. Het bevestigen van de bevoegdheden van decentrale overheden op dit gebied is daarom niet noodzakelijk.Daarnaast is de voorgestelde bepaling onwenselijk. Het in de wet bevestigen van bevoegdheden van decentrale overheden die ook zonder dergelijke wettelijke bepaling niet ter discussie staan, kan een verkeerd signaal kan afgeven. Het idee zou kunnen ontstaan dat bij het ontbreken van een dergelijke bepaling, de decentrale overheden niet bevoegd zijn. Daarom zou het op deze manier expliciteren van bevoegdheden in de wet enkel moeten plaatsvinden als redelijkerwijs vragen kunnen rijzen over de bedoeling van de wetgever om al dan niet een uitputtende regeling te treffen.De Afdeling adviseert dan ook om het voorgestelde artikel 10, vijfde lid, te laten vervallen. Dit laat echter de mogelijkheid onverlet dat de regering in de toelichting, of op enige andere wijze, haar standpunt over de gemeentelijke en provinciale bevoegdheden uiteenzet.b. Verduidelijken bevoegdheden decentrale overhedenUit de toelichting blijkt dat de regering met het voorstel beoogt duidelijkheid te verschaffen over de mogelijkheden die gemeenten en provincies hebben om rookverboden in de openbare ruimte in te stellen. Zoals hierboven is opgemerkt, ontbreekt volgens de Afdeling de noodzaak om de bevoegdheden van gemeenten en provincies in de wet te expliciteren. Het is de vraag in hoeverre een dergelijke bepaling daadwerkelijk duidelijkheid verschaft over de reikwijdte van de bevoegdheden van de decentrale overheden. Dit klemt te meer omdat een dergelijke bepaling de gemeenteraad of provinciale staten niet ontslaat van de plicht om een verbod op, onder andere proportionaliteit te toetsen.De Afdeling wijst in dit verband bij wijze van voorbeeld op de vraag of decentrale overheden het gehele grondgebied (voor zover het de openbare ruimte betreft) rookvrij mogen verklaren. Ook dienen zich vragen aan over de verhouding tussen de bevoegdheid van de provinciale staten enerzijds en de gemeenteraad anderzijds. Hoeveel ruimte heeft bijvoorbeeld de gemeenteraad om eigen keuzes te maken als provinciale staten in dezen maximaal van de bevoegdheid op grond van artikel 145 gebruik zou maken? In meer algemene zin merkt de Afdeling op dat, vanuit het oogpunt van proportionaliteit en maatwerk, uitoefening van provinciale bevoegdheden op dit punt waarschijnlijk niet voor de hand ligt.Zoals hiervoor aangegeven adviseert de Afdeling om het voorgestelde artikel 10, vijfde lid, te laten vervallen. Indien wordt overwogen in de toelichting, of op enige andere wijze, de bevoegdheden van de decentrale overheden op dit punt te expliciteren, adviseert zij om hierbij aandacht te besteden aan de reikwijdte van de gemeentelijke bevoegdheden. Daarbij adviseert de Afdeling ook in te gaan op de rol van provinciale staten.De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal opmerkingen bij het voorstel en adviseert daarmee rekening te houden voordat het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal wordt ingediend.De vice-president van de Raad van StateNader rapport (reactie op het advies) van 23 juni 20202. Reclameverbod als onderdeel van het rookontmoedigingsbeleidNaar aanleiding van bovenvermeld advies van de Afdeling Advisering is de memorie van toelichting van onderhavig wetsvoorstel aangevuld. De toegevoegde waarde van een verstrekkend reclameverbod staat voor de regering vast. Op de vraag naar de toegevoegde waarde en het effect van deze maatregel binnen het algehele tabaksontmoedigingsbeleid is ingegaan in hoofdstuk 2, onder de nieuwe kopjes ‘Effect van uitbreiding van het reclameverbod’ en ‘Uitbreiding reclameverbod in verhouding tot andere wettelijke maatregelen’, onder aanhaling van onderzoeksrapporten.In hoofdstuk 2 is onder het nieuwe kopje ‘Effect van uitbreiding van het reclameverbod’ en in een aanvulling op de tekst onder het kopje ‘Uitzondering bepaalde speciaalzaken’ voorts ingegaan op de vraag of minder vergaande maatregelen zijn overwogen. Die zijn inderdaad overwogen, maar niet effectief bevonden. Iedere verdere uitzondering op het reclameverbod zou afbreuk aan het doel de rookprevalentie te verminderen, en zou tevens afbreuk doen aan de maatregel die bekend staat als het uitstalverbod. Bij het toestaan van meer uitzonderingen zoals de Afdeling advisering suggereert, is het niet waarschijnlijk dat hetzelfde doel - vermindering van de rookprevalentie en een rookvrije generatie in 2040 - worden bereikt (RIVM 2018. Quickscan mogelijke impact Nationaal Preventieakkoord. Bilthoven.). Het aangescherpte rookverbod is voorts in lijn met de verplichtingen en aanbevelingen voortvloeiend uit het WHO-Kaderverdrag in zake tabaksontmoediging. Partijen bij dat verdrag erkennen dat een allesomvattend reclameverbod de tabaksconsumptie zal verminderen. In hoofdstuk 4 (nieuw) is hierover een alinea opgenomen.De Afdeling advisering noemt dat in de toelichting onvoldoende is opgenomen in hoeverre een financiële tegemoetkoming of een overgangsperiode is overwogen. De Afdeling advisering geeft aan daarmee de proportionaliteit van het reclameverbod zou kunnen worden vergroot. Van een financiële tegemoetkoming kan geen sprake zijn nu de mogelijk gederfde winst als gevolg van deze wetswijziging kan worden gerekend tot het normaal ondernemersrisico van zowel verkooppunten als fabrikanten. Aansprakelijkheid wegens een onrechtmatige daad, ontneming van eigendom, nadeelcompensatie wegens onevenredige schade of redenen voor onverplichte tegemoetkoming doen zich in deze context niet voor. Het tabaksontmoedigingsbeleid in het algemeen, en de uitbreiding van het reclameverbod - dat wat voortvloeit uit het Nationaal preventieakkoord - in het bijzonder, zijn al geruime tijd bekend. Een overgangsperiode voor de uitbreiding van het reclameverbod lijkt daarom ook niet opportuun. Het dalen van de rookprevalentie gedurende de jaren betekent een daling van inkomsten uit tabaksproducten en aanverwante producten (stijging van winst door prijsstijgingen niet meegerekend). Dit is een gegeven waar ieder verkooppunt zich op kan voorbereiden. Daarbij wordt opgemerkt dat het maken van reclame op zichzelf geen aanmerkelijke economische waarde voor verkooppunten zou moeten vertegenwoordigen, in die zin dat het aannemen van een financiële tegemoetkoming voor het plaatsen van reclame al lange tijd verboden is; het valt onder het reclameverbod. (zie noot 14) Hoofdstuk 6 (nieuw) van de memorie van toelichting is aangevuld met een paragraaf waarin dit naar voren komt.3. DelegatieDe regering merkt hierover op dat ingrijpendheid van de wijziging in haar ogen niet zit in het wijzigen van de systematiek van (uitzonderingen op) artikel 5 van de wet, maar in het verbieden van gevelreclame, etalagereclame en bijna alle reclame in verkooppunten. Deze aanscherping van het reclameverbod vindt plaats op het niveau van wet (de Tabaks- en rookwarenregeling zal te zijner tijd in overeenstemming worden gebracht met de aangepaste wet) en is beschreven in hoofdstuk 2 van de memorie van toelichting. Met het introduceren van het zogenoemde uitstalverbod als onderdeel van het reclameverbod, is in artikel 5, derde lid, van de wet een delegatiegrondslag opgenomen om nader omschreven verkooppunten onder voorwaarden van dat uitstalverbod uit te zonderen. Deze uitgezonderde verkooppunten zijn omschreven in artikel 5.9 van het Tabaks- en rookwarenbesluit. De regering stelt in het wetsvoorstel voor enkel die verkooppunten uit te zonderen van het - aangescherpte - reclameverbod, aangezien voor exact die verkooppunten een uitzondering in de rede ligt. Het realiseren van uitzonderingen op het reclameverbod in artikel 5 van de wet zou in de ogen van de regering niet bijdragen aan de kenbaarheid, helderheid of uitvoerbaarheid van deze uitzonderingen. Een verkooppunt zou op twee verschillende plaatsen (artikel 5 van de wet en artikel 5.9 van het besluit) moeten bezien of hij is uitgezonderd, terwijl het inhoudelijk om twee keer dezelfde Uitzondering gaat. Het verplaatsen van de bepaling over uitgezonderde verkooppunten van het uitstalverbod naar het niveau van de wet zou daarenboven juist een grote verandering van de systematiek betekenen, die overigens ook niet in lijn is met de systematiek van de rest van de wet. Zo wordt in artikel 7 van de wet naar het niveau van algemene maatregel van bestuur (hierna: amvb) verwezen om aan te duiden om op welke plaatsen een verkoopverbod geldt, en wordt op grond van artikel 2 van de wet op het niveau van amvb duidelijk welke tabaksproducten - en daarmee welke tabaksproducenten - onder de regels voor neutrale verpakkingen vallen.Juist nu al op voorhand al helder is welke verkooppunten zijn uitgezonderd van het reclameverbod, namelijk de verkooppunten die op dit moment zijn uitgezonderd van het uitstalverbod, ziet de regering geen noodzaak artikel 5 van de wet hierop aan te passen. In de artikelsgewijze toelichting bij artikel I, onderdeel B, is dit kort toegelicht.Naar aanleiding van de opmerking van de Afdeling advisering over de definitie van speciaalzaak heeft de regering besloten voor te stellen de definitie in de wet te laten vervallen. Het is zuiverder het begrip te definiëren daar waar het in artikelen gebruikt wordt. Artikel I, onderdeel A, en de bijbehorende toelichting zijn daartoe aangepast.4. Bevoegdheden van decentrale overhedenIn de Tabaks- en rookwarenwet worden personen en instanties aangewezen die verantwoordelijk zijn voor het instellen, aanduiden en handhaven van een rookverbod binnen een bepaalde locatie. (zie noot 15) Volgens de toelichting is het voor gemeenten en provincies onduidelijk in hoeverre zij, vanuit hun eigen verordenende bevoegdheid, rookverboden mogen instellen in de openbare ruimte. De regering heeft aangegeven dat de wet hiervoor ruimte laat. Toch wordt in het wetsvoorstel geëxpliciteerd dat de gemeenteraad en provinciale staten de bevoegdheid behouden om, kort gezegd, bij verordening regels te stellen over rookverboden. (zie noot 16)De Afdeling zet vraagtekens bij de noodzaak en (in verband daarmee) bij de wenselijkheid om de bevoegdheden van decentrale overheden op deze wijze te bevestigen. Ook zet zij vraagtekens bij de stelling van de regering dat de voorgestelde bepaling de reikwijdte van de gemeentelijke en provinciale bevoegdheden verduidelijkt.a. Noodzaak bevestiging van bevoegdhedenBovenvermeld advies sterkt de regering in haar oordeel dat artikel 10 van de wet niet uitputtend bedoeld is. De regering heeft naar aanleiding van dit advies besloten de voorgestelde bepaling, waarmee artikel 10 werd aangevuld, uit het wetsvoorstel te verwijderen. Daartoe is artikel I, onderdeel C, van het wetsvoorstel komen te vervallen en is de inwerkingtredingsbepaling aangepast. Het wordt nuttig geacht de memorie van toelichting op dit onderdeel te behouden, gezien het feit dat het onderwerp ‘decentrale rookverboden’ redelijk onontgonnen gebied is, voor zowel de regering als voor decentrale overheden. De teksten zoals die waren opgenomen in de versie van het wetsvoorstel dat aan de Afdeling advisering is aangeboden voor advies, zijn daarom grotendeels blijven staan, met een aantal aanpassingen in verband met het advies van de Afdeling advisering, met de leesbaarheid en met het wegvallen van de voorgestelde bepaling.De teksten over de verhouding tussen artikel 10 van de wet en de autonome verordenende bevoegdheid van decentrale overheden zijn geconcentreerd in een nieuw hoofdstuk 3 van de memorie van toelichting. De tekst uit de artikelsgewijze toelichting is, voor zover bruikbaar, verplaatst naar dit hoofdstuk, en verder geschrapt. De overige hoofdstukken zijn vernummerd. In hoofdstuk 5 (gevolgen voor de handhaving), hoofdstuk 6 (gevolgen voor verkooppunten en producenten) en 8 (inwerkingtreding) zijn de teksten over dit onderwerp komen te vervallen. Hoofdstuk 7, waarin de internetconsultatie wordt besproken, is geactualiseerd door zowel in te gaan op het wetsvoorstel zoals dat aan het publiek is voorgelegd tijdens de internetconsultatie, als op het wetsvoorstel zoals dat wordt aangeboden aan de Tweede Kamer.b. Verduidelijken bevoegdheden decentrale overhedenHet doel van de voorgestelde bepaling in het wetsvoorstel was het verschaffen van duidelijkheid over de reikwijdte van artikel 10 van de wet, en daarmee het wegnemen van onzekerheid over de uitputtendheid van dat artikel. Dat is overigens nog steeds het doel van dit wetsvoorstel, maar nu enkel door een bespreking in de memorie van toelichting. Onderhavige wijziging van de Tabaks- en rookwarenwet of de toelichting daarop kunnen niet het instrument zijn om in die zin algehele duidelijkheid te verschaffen over de reikwijdte van de bevoegdheden van de decentrale overheden en de onderlinge verhoudingen, niet in het algemeen en niet ten aanzien van rookverboden in het bijzonder. Gezien het onderwerp en doel van de wet wordt de reikwijdte van deze bevoegdheden geregeld door de Gemeentewet en de Provinciewet. Hoofdstuk 3 van de memorie van toelichting is evenwel aangevuld met enkele actuele en hypothetische voorbeelden van rookverboden op lokaal niveau.De Afdeling advisering merkt verder op dat lokale rookverboden op het niveau van de gemeente meer voor de hand liggen dan provinciale rookverboden. Daar kan de regering zich het nodige bij voorstellen. Niettemin kunnen ook provincies besluiten gebruik te willen maken van hun autonome verordende bevoegdheid. Het enkel benoemen van gemeenten in de - inmiddels geschrapte - bepaling, of in de memorie van toelichting op onderhavig wetsvoorstel, zou de indruk kunnen wekken dat de Tabaks- en rookwarenwet bepalend is voor de vraag of het implementeren van lokale rookverboden meer geëigend zou zijn bij gemeenten dan bij provincies, of bij provincies helemaal niet aan de orde zou kunnen zijn. Nu niet ondergetekende, maar de gemeenten en provincies zelf leidend zijn in het oplossen van vraagstukken over de opportuniteit van maatregelen op decentraal niveau en de onderlinge verhoudingen is in de memorie van toelichting op onderhavig wetsvoorstel op dit punt terughoudendheid betracht.Ik verzoek U het hierbij gevoegde gewijzigde voorstel van wet en de gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en SportVoetnoten(1) Nationaal preventieakkoord: Naar een gezonder Nederland (november 2018), p. 14.(2) Het voorstel regelt dat de aparte wettelijke vrijstelling voor speciaalzaken verdwijnt. In de nieuwe situatie worden vrijstellingen uitsluitend gegeven aan in artikel 5.9, eerste en tweede lid, van het Tabaks- en rookwarenbesluit aangewezen verkooppunten die voldoen aan de aldaar vastgelegde voorwaarden. Op dit moment gelden die criteria al ten aanzien van de vrijstelling van het uitstalverbod. Met andere woorden: enkel speciaalzaken die voldoen aan de criteria, mogen (in beperkte mate) hun rookwaren uitstallen. Zie ook p. 12 van de memorie van toelichting.(3) Voorgestelde wijziging van artikel 5, zesde lid, onder b.(4) Artikel 10, eerste lid, van de Tabaks- en Rookwarenwet.(5) Voorgesteld artikel 10, vijfde lid.(6) De toelichting verwijst in dit verband naar artikel 34 VWEU en artikel 10 EVRM. Zie t.a.v. artikel 10 EVRM ook EHRM 17 oktober 2002, 37928/97, Stambuk t. Duitsland, punt 38-39.(7) Zie ook EHRM 30 januari 2018, 69317/14, Sekmadienis LTD t. Litouwen, punt 72.(8) Artikel 10, eerste lid, van de Tabaks- en Rookwarenwet.(9) Voorgesteld artikel 10, vijfde lid.(10) Artikel 149 Gemeentewet (11) Artikel 145 Provinciewet(12) Zie artikel 6.2, eerste lid, onder c. Artikel 10, lid 2a, van de Tabaks- en Rookwarenwet bevat de uitzondering op deze hoofdregel. Bij amvb is het mogelijk om een rookverbod te verplichten op terreinen rond onderwijsinstellingen.(13) Zie in dit verband Aanwijzing 2.2. van de Aanwijzingen voor de Regelgeving.(14) In artikel 1, eerste lid, van de Tabaks- en rookwarenwet is reclame als volgt gedefinieerd:reclame: elke handeling in de economische sfeer met als doel de verkoop van tabaksproducten en aanverwante producten te bevorderen en elke vorm van commerciële mededeling die het bekendheid geven aan of het aanprijzen van een tabaksproduct of aanverwant product tot doel dan wel rechtstreeks of onrechtstreeks tot gevolg heeft, met inbegrip van reclame waarmee, zonder het tabaksproduct of aanverwant product rechtstreeks te noemen, wordt getracht het reclameverbod te omzeilen door gebruik te maken van een naam, merk, symbool of enig ander onderscheidend teken van een tabaksproduct of aanverwant product. Artikel 1, eerste lid, van de Tabaks- en rookwarenwet.(15) Artikel 10, eerste lid, van de Tabaks- en Rookwarenwet.(16) Voorgesteld artikel 10, vijfde lid.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Verlenging van de Tijdelijke wet verlenging tijdelijke huurovereenkomsten.
Bij Kabinetsmissive van 3 juni 2020, no.2020001103, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot verlenging van de Tijdelijke wet verlenging tijdelijke huurovereenkomsten, met nota van toelichting.De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen opmerkingen over het ontwerpbesluit en adviseert het besluit te nemen.Gelet op artikel 26, zesde lid jo vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, adviseert de Afdeling dit advies openbaar te maken.De vice-president van de Raad van StateNader rapport (reactie op het advies) van 16 juni 2020Het ontwerpbesluit geeft de Afdeling advisering van de Raad van State geen aanleiding tot het maken van opmerkingen.Ik moge U hierbij het ontwerpbesluit en de nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Tijdelijk besluit afwijking artikel 17 Ekb WEB voor keuzedelen en rekenen in verband met COVID-19.
Bij Kabinetsmissive van 5 juni 2020, no.2020001148, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het tijdelijk besluit van tot wijziging van het Examen- en kwalificatiebesluit beroepsopleidingen WEB vanwege de mogelijkheid tot afwijking van de examinering voor de examenonderdelen die een keuzedeel en rekenen betreffen in verband met de uitbraak van COVID-19 voor mbo-studenten die in 2020 hun diploma behalen, met nota van toelichting.De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen opmerkingen over het ontwerpbesluit en adviseert het besluit te nemen.Gelet op artikel 26, zesde lid jo vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, adviseert de Afdeling dit advies openbaar te maken.De vice-president van de Raad van State
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Besluit Tijdelijke wet Groningen.
Bij Kabinetsmissive van 30 maart 2020, no.2020000658, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Economische Zaken en Klimaat, mede namens de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister voor Rechtsbescherming, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende regels ter uitvoering van de Tijdelijke wet Groningen (Besluit Tijdelijke wet Groningen), met nota van toelichting.Het ontwerpbesluit strekt tot uitvoering van de Tijdelijke wet Groningen (hierna: de wet) en stelt onder meer nadere regels aan de procedure omtrent benoeming, schorsing en ontslag en de rechtspositie van de leden van het Instituut Mijnbouwschade Groningen en aan het jaarverslag.De Afdeling advisering van de Raad van State maakt opmerkingen over de rechtspositie van anderen dan leden van het Instituut Mijnbouwschade Groningen. In verband daarmee is aanpassing wenselijk van het ontwerpbesluit.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Besluit gescheiden inzameling huishoudelijke afvalstoffen.
Bij Kabinetsmissive van 9 april 2020, no.2020000740, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Milieu en Wonen, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende implementatie van enkele bepalingen van Richtlijn (EU) 2018/851 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 tot wijziging van Richtlijn 2008/98/EG betreffende afvalstoffen (PbEU L 150/109) (Besluit gescheiden inzameling huishoudelijke afvalstoffen), met nota van toelichting.De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen opmerkingen over het ontwerpbesluit en adviseert het besluit te nemen.Gelet op artikel 26, zesde lid jo vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, adviseert de Afdeling dit advies openbaar te maken.De vice-president van de Raad van StateNader rapport (reactie op het advies) van 12 juni 2020Het ontwerp geeft de Afdeling advisering van de Raad van State geen aanleiding tot het maken van inhoudelijke opmerkingen.Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om, met het oog op de Omgevingswet, een artikel toe te voegen dat bepaalt dat na inwerkingtreding van de Omgevingswet bepalingen uit de afvalstoffenverordening tevens in het omgevingsplan kunnen worden opgenomen. Ook is een correctie doorgevoerd in het Activiteitenbesluit milieubeheer met betrekking tot de geldingstermijn van het overgangsrecht voor geurvoorschriften, waardoor de termijn aansluit bij de uitgestelde inwerkingtreding van de Omgevingswet. Daarnaast zijn enkele redactionele onvolkomenheden aangepast, waaronder in de inwerkingtredingsbepaling. Tot slot is de toelichting verduidelijkt op het punt van de verplichting tot het melden van informatie over zeer zorgwekkende stoffen aan de ECHA database.Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting wederom doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Besluit pleegzorg BES.
Bij Kabinetsmissive van 27 maart 2020, no.2020000649, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende nadere regels voor de uitvoering van pleegzorg op Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Besluit pleegzorg BES), met nota van toelichting.De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen inhoudelijke opmerkingen over het ontwerpbesluit.De Afdeling verwijst naar de bij dit advies behorende redactionele bijlage.De Afdeling adviseert het besluit te nemen.Gelet op artikel 26, zesde lid jo vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, adviseert de Afdeling dit advies openbaar te maken.De vice-president van de Raad van StateRedactionele bijlage bij het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State betreffende no.W13.20.0076/III- Ga in de toelichting in op de redenen om in bepaalde gevallen af te wijken van hoofdstuk 5 van de Jeugdwet.- Breng tot uitdrukking dat artikel 2, eerste lid, onderdeel d, een aanvulling is ten opzichte van de Jeugdwet.- Breng in het besluit tot uitdrukking dat pleegoudervoogden begeleiding krijgen die bestaat uit tenminste een gesprek per jaar, tenzij de pleegzorgaanbieder meer begeleiding nodig acht.Nader rapport (reactie op het advies) van 11 mei 2020Het voorstel geeft de Afdeling advisering van de Raad van State geen aanleiding tot het maken van inhoudelijke opmerkingen.Ik moge U hierbij het ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging Besluit voorwaarden in mindering brengen kosten op transitievergoeding in verband met ruimere mogelijkheid om scholingskosten af te trekken van transitievergoeding.
Bij Kabinetsmissive van 10 oktober 2019, no.2019002132, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit voorwaarden in mindering brengen kosten op transitievergoeding teneinde het mogelijk te maken inzetbaarheidskosten op de transitievergoeding in mindering te brengen indien verworven kennis en vaardigheden zijn aangewend om een andere functie bij de werkgever uit te oefenen, met nota van toelichting.Het ontwerpbesluit regelt dat ook inzetbaarheidskosten (scholingskosten) die de inzetbaarheid van een werknemer binnen de eigen organisatie vergroten in mindering kunnen worden gebracht op de transitievergoeding, indien deze kosten worden gemaakt ten behoeve van het uitoefenen van een andere functie binnen die organisatie.De Afdeling advisering van de Raad van State maakt opmerkingen over het mogelijke effect van het ontwerpbesluit, de vormgeving van het in mindering brengen van inzetbaarheidskosten en bij een tweetal onduidelijkheden in het ontwerpbesluit. In verband daarmee is enige aanpassing van het ontwerpbesluit en de toelichting wenselijk.1. InleidingIn het Besluit voorwaarden in mindering brengen kosten op transitievergoeding (hierna: het Besluit) wordt bepaald welke kosten onder welke voorwaarden in mindering kunnen worden gebracht op de transitievergoeding. Het gaat om transitiekosten (zie noot 1) en inzetbaarheidskosten. (zie noot 2)Inzetbaarheidskosten kunnen in mindering op de transitievergoeding worden gebracht als deze worden gemaakt ter bevordering van de bredere inzetbaarheid van de werknemer buiten de organisatie van de werkgever. Daarbij moeten de werknemer en werkgever overeenstemming bereiken over het in mindering brengen van die kosten, en mogen enkel kosten in mindering worden gebracht die gemaakt zijn vijf jaar voorafgaand aan het verschuldigd worden van de transitievergoeding. Verder dient te worden voldaan aan de overige in artikel 2 van het Besluit genoemde voorwaarden. (zie noot 3)Met het ontwerpbesluit wordt geregeld dat ook inzetbaarheidskosten die worden gemaakt ten behoeve van het uitoefenen van een andere functie bij binnen de organisatie van de werkgever in mindering op de transitievergoeding kunnen worden gebracht. Daarvoor gelden als aanvullende voorwaarden dat de met scholing verworven kennis en vaardigheden niet zijn aangewend voor de functie die de werknemer al uitoefende en dat kosten die verband houden met de re-integratieverplichtingen van de werkgever niet in mindering mogen worden gebracht.Het doel van het ontwerpbesluit is het stimuleren van werkgevers om gedurende het dienstverband meer te investeren in de bredere inzetbaarheid van werknemers.2. Effect van het ontwerpbesluitMet dit ontwerpbesluit komen inzetbaarheidskosten die gemaakt worden ten behoeve van een andere dan de huidige functie binnen de onderneming, in aanmerking voor het in mindering brengen op de transitievergoeding. De Afdeling onderkent dat dit werkgevers zou kunnen stimuleren om te investeren in de bredere inzetbaarheid van de werknemer. De vraag rijst echter of, en in welke mate, daadwerkelijk meer in de bredere inzetbaarheid van werknemers zal worden geïnvesteerd.De Afdeling merkt op dat de regelgever nog geen uitsluitsel heeft gegeven of, en in welke mate, de werknemer ook financieel verantwoordelijk is voor het volgen van scholing voor een andere functie bij zijn werkgever. Met het ontwerpbesluit suggereert de regering dat, zelfs als de scholing óók ten bate van de onderneming komt, de werknemer financieel medeverantwoordelijk is voor zijn scholing ten behoeve van de bredere inzetbaarheid voor andere functies binnen het bedrijf van zijn werkgever. Immers, deze kosten voor scholing kunnen in mindering worden gebracht op de transitievergoeding.Een mogelijk gevolg is dat een werkgever weliswaar vaker een opleiding zal aanbieden aan zijn werknemer, maar daar de voorwaarde aan zal verbinden dat de werknemer akkoord gaat met het in mindering brengen van de daarvoor te maken kosten op de transitievergoeding. Indien de werknemer daar in voorkomende gevallen niet akkoord mee gaat, kan dit ontwerpbesluit contraproductief uitwerken. Zo zal in plaats van meer scholing, minder scholing worden gevolgd.Dit niet beoogde effect is niet onlogisch. Uit de internetconsultatie blijkt het geschetste spanningsveld. De werkgeversorganisaties hadden liever gezien dat nog meer inzetbaarheidskosten onder de werkingssfeer van het Besluit zouden worden gebracht (meer verantwoordelijkheid voor de werknemer). Werknemers vinden het daarentegen de verantwoordelijkheid van de werkgever om te investeren in scholing ten behoeve van (huidige en toekomstige) functies bij de werkgever. (zie noot 4)De toelichting bij het ontwerpbesluit volstaat met de stelling dat het ontwerpbesluit ‘hoogstwaarschijnlijk’ bijdraagt aan de bredere inzetbaarheid van werknemers. (zie noot 5) In het licht van het grote belang van een brede inzetbaarheid van werknemers (‘een leven lang ontwikkelen’) (zie noot 6) acht de Afdeling het aangewezen dat in de toelichting nader wordt ingegaan op de mogelijke (neven)effecten van het ontwerpbesluit. De toelichting geeft te weinig duidelijkheid over de vraag of de voorgestelde maatregel een geschikt middel is om het beoogde doel te bereiken.De Afdeling adviseert de toelichting aan te vullen.3. Glijdende schaalHet investeren in de bredere inzetbaarheid van werknemers is een gedeelde verantwoordelijkheid van werkgevers en werknemers. Deze verantwoordelijkheid is in de praktijk al vormgegeven, onder andere door cao-afspraken en opleidings- en ontwikkelfondsen.Ook is een praktijk ontstaan waarin werknemers met werkgevers afspraken maken over het geheel of gedeeltelijk terugbetalen van door de werkgever gemaakte studiekosten, (zie noot 7) indien een werknemer binnen afzienbare tijd het bedrijf verlaat. Dit staat bekend als het studiekostenbeding. De ratio achter dit beding is dat de werkgever met de te maken studiekosten een risico neemt. Als de werknemer spoedig na het volgen van de opleiding het bedrijf verlaat, heeft de werkgever geen kans gehad om profijt te hebben van de beter opgeleide werknemer. Met het studiekostenbeding wordt dit risico op vroegtijdig vertrek op een overeen te komen wijze bij de werknemer gelegd.De werking van het studiekostenbeding is onderworpen aan de derogerende werking van goed werkgeverschap en de redelijkheid en billijkheid. Op basis van deze normen is in de jurisprudentie (zie noot 8) bepaald dat een studiekostenbeding moet aangeven over welke periode de werkgever geacht wordt baat te hebben bij de door de werknemer op kosten van de werkgever opgedane kennis en dat de terugbetalingsverplichting wordt verminderd naar evenredigheid van het verstrijken van die periode. (zie noot 9) Hierdoor is sprake van een glijdende schaal. (zie noot 10)Anders dan de in de jurisprudentie ontwikkelde lijn over het studiekostenbeding, is een verplichting tot een glijdende schaal niet aanwezig bij het in mindering brengen van inzetbaarheidskosten op de transitievergoeding. Het Besluit bevat uitsluitend de voorwaarde dat slechts kosten in mindering worden gebracht die gemaakt zijn binnen vijf jaar voorafgaand aan het verschuldigd zijn van de transitievergoeding. De ratio achter de gekozen termijn van vijf jaar kan worden gevonden in de relevantie van de gevolgde scholing. Deze wordt geacht na vijf jaar in beginsel niet meer aanwezig te zijn. (zie noot 11) Met andere woorden, de werknemer heeft door tijdsverloop minder baat bij de gevolgde scholing.De Afdeling adviseert in de toelichting in te gaan op een eventuele verplichte glijdende schaal. Een glijdende schaal zou een zekere evenredigheid tot uiting brengen van de baten van de scholing voor zowel de werkgever als de werknemer. Hiermee kan recht worden gedaan aan de gezamenlijke verantwoordelijkheid die werknemers en werkgevers hebben voor de (bredere) inzetbaarheid van de werknemer, waarbij beiden voordeel hebben bij de te volgen scholing.De Afdeling adviseert in de toelichting op het voorgaande in te gaan.4. OnduidelijkhedenVanwege de mogelijk aanzienlijke financiële gevolgen van het in mindering brengen van inzetbaarheidskosten acht de Afdeling het van belang dat duidelijk is wanneer kosten in mindering kunnen worden gebracht op de transitievergoeding. Op een tweetal punten constateert zij dat die duidelijkheid ontbreekt, nu de tekst van het ontwerpbesluit niet altijd overeenkomt met de toelichting daarbij.a. Uitoefenen van een andere functieDe tekst van het ontwerpbesluit stelt dat kosten die gemaakt zijn ter bevordering van de inzetbaarheid van de werknemer voor een andere dan zijn huidige functie in aanmerking komen voor het in mindering brengen van de transitievergoeding. (zie noot 12) Deze formulering laat de mogelijkheid open dat kosten in mindering kunnen worden gebracht als deze weliswaar gemaakt zijn ter bevordering van de bredere inzetbaarheid van de werknemer, maar de werknemer niet daadwerkelijk een andere functie is gaan vervullen. (zie noot 13) Op verschillende plaatsen in de toelichting wordt echter gesuggereerd dat de andere functie daadwerkelijk dient te zijn vervuld, willen de kosten in aanmerking komen voor het in mindering brengen op de transitievergoeding. (zie noot 14) Daarnaast is onduidelijk hoe de situatie is als de werknemer lopende het scholingstraject de nieuwe functie ten behoeve waarvan die scholing plaatsvindt al gaat vervullen.De Afdeling adviseert de toelichting, en zo nodig het ontwerpbesluit, aan te passen.b. Kennis en vaardigenheden aangewend in de huidige functieAls één van de voorwaarden voor het in mindering brengen van de inzetbaarheidskosten, stelt het ontwerpbesluit dat de verworven kennis en vaardigheden niet aangewend mogen zijn om de functie die de werknemer ten tijde van de scholingsactiviteiten verrichtte (beter) uit te oefenen. (zie noot 15) In de toelichting wordt echter aangegeven dat de verworven kennis en vaardigheden wel in zijn huidige functie mogen zijn aangewend. Dit staat niet aan het in mindering brengen van de inzetbaarheidskosten in de weg, als die scholingsactiviteiten maar niet op verbetering van het functioneren in de huidige functie gericht was. (zie noot 16) Dat komt in de tekst van het ontwerpbesluit niet tot uitdrukking.De Afdeling adviseert de tekst van het voorstel aan te passen.De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal opmerkingen bij het ontwerpbesluit en adviseert daarmee rekening te houden voordat een besluit wordt genomen.De vice-president van de Raad van StateNader rapport (reactie op het advies) van 8 juni 20202. Effect van het ontwerpbesluitHet investeren in de bredere inzetbaarheid van de werknemer is, zoals de Afdeling terecht schetst, een gedeelde verantwoordelijkheid van werkgever en werknemer. De aard van de verruiming van het besluit ligt in de wens om drempels weg te nemen voor werkgevers om te investeren in de brede inzetbaarheid van de werknemer, ook buiten de eigen functie. Het doel van de maatregel is dan ook gelegen in het bevorderen van de brede inzetbaarheid van werknemers. De verruiming heeft niet tot doel om werknemers financieel medeverantwoordelijk te maken voor investering in bredere inzetbaarheid. Het kan echter wel een neveneffect zijn van het besluit, zoals de Afdeling terecht stelt. Echter, dit neveneffect is slechts beperkt aanwezig, omdat het in mindering brengen van kosten is gelimiteerd tot een periode van vijf jaar na het overeenkomen van het beding én alleen mogelijk is in die gevallen waarin een transitievergoeding verschuldigd is bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Daarnaast is het doel van de maatregel in het voordeel van de werknemer, omdat hij profijt heeft van een verbeterde arbeidsmarktpositie.Het verwachte effect van de maatregel is dat de investering in de brede inzetbaarheid van de werknemer toeneemt. Het risico dat de Afdeling schetst, namelijk dat de werknemer zal aarzelen om te tekenen voor een dergelijk beding wordt slechts in beperkte mate aanwezig geacht. Als gezegd verbetert de werknemer immers zijn algehele arbeidsmarktpositie door in te zetten op brede inzetbaarheid. Daarnaast zijn de voorwaarden voor het beding beperkt, waardoor het slechts als de werknemer binnen vijf jaar na het overeenkomen van het beding ontslagen wordt op initiatief van de werkgever effect zal hebben voor de werknemer.De Afdeling geeft aan dat de toelichting te weinig duidelijkheid geeft over de vraag of de voorgestelde maatregel een geschikt middel is om het beoogde doel te bereiken. Inzet op de brede inzetbaarheid van werknemers vraagt veel investering door werkgevers. Op het moment dat zij deze kosten alleen in mindering mogen brengen op de transitievergoeding als de werknemer bij een andere werkgever een nieuwe functie gaat uitoefenen, zal het voor werkgevers minder aantrekkelijk zijn om te investeren. De verruiming van het besluit zorgt ervoor dat ook als de werkgever wil investeren in de brede inzetbaarheid van de werknemer met het oog op een andere functie binnen zijn eigen bedrijf, de kosten in mindering kunnen worden gebracht. Dit maakt het voor werkgevers een stuk aantrekkelijker om te investeren in brede inzetbaarheid van de werknemer. Mocht de werknemer binnen vijf jaar toch ontslagen worden, bijvoorbeeld omdat er bedrijfseconomische redenen zijn, en de werkgever heeft daarmee niet of slechts zeer beperkt kunnen profiteren van de nieuw opgedane kennis en vaardigheden van de werknemer, kan hij deze kosten in mindering brengen op de transitievergoeding.De werknemer aan de andere kant profiteert omdat hij een verbeterde arbeidsmarktpositie heeft, en de werkgever eerder een aanbod zal doen voor het inzetten op scholing voor een andere functie binnen het bedrijf van de werkgever.De toelichting is op onderdelen met bovenstaande punten aangevuld om duidelijker te maken dat de maatregel naar verwachting een geschikt middel is om het beoogde doel te bereiken.3. Glijdende schaalHet staat werkgevers en werknemers vrij om, ook in geval van een afspraak over welke kosten in mindering gebracht kunnen worden op de transitievergoeding, een glijdende schaal overeen te komen. Dit is een sympathieke gedachte, die aansluit bij de redenering dat het nut van genoten scholing na verloop van tijd afneemt. Het verplicht stellen van een algemeen geldende glijdende schaal lijkt niet opportuun. De scholing die genoten wordt in het kader van dit besluit is zo divers van aard voor verschillende werkenden dat het aan partijen onderling gelaten wordt om hier afspraken over te maken. Ook in cao’s zouden dergelijke afspraken overeengekomen kunnen worden.De toelichting is aangevuld met uitleg over de mogelijkheden van het overeenkomen van een glijdende schaal in individuele en collectieve afspraken.4. OnduidelijkhedenHet is onder het huidige besluit al mogelijk om kosten in mindering te brengen die gericht zijn op het vervullen van een andere functie bij een andere werkgever. Dat de werknemer daadwerkelijk een andere functie is gaan vervullen bij de werkgever is dus geen vereiste in het huidige besluit om de kosten in mindering te mogen brengen op de transitievergoeding. Op het moment dat de werknemer de nieuwe functie ook daadwerkelijk bij de eigen werkgever is gaan uitoefenen, kunnen als gevolg van de verruiming deze kosten ook in mindering worden gebracht. Om verwarring op dit punt te voorkomen is de tekst van de nota van toelichting aangepast.Of de werknemer gedurende of na afloop van de scholing een andere functie gaat bekleden is niet relevant in het kader van dit besluit. Omdat de tekst van het besluit zelf hier wat onduidelijkheid schept, is de tekst van het besluit aangepast. In het voorstel is ‘ten tijde van de activiteiten’ aangepast naar ‘bij aanvang van de activiteiten’. Dit met als doel om beter naar voren te laten komen dat het in het kader van dit besluit met name van belang is wat het doel is van de scholing ten tijde van het aangaan van de schriftelijke overeenkomst tot het in mindering brengen van kosten op de transitievergoeding. De toelichting is op dit punt verduidelijkt en aangevuld.b. Kennis en vaardigenheden aangewend in de huidige functieHet advies van de Afdeling is gevolgd. De tekst van het voorstel is aangepast, zodat de tekst en de nota van toelichting beter op elkaar aansluiten. In het voorstel is nu opgenomen dat de kosten die gemaakt zijn met het doel de bredere inzetbaarheid van de werknemer te bevorderen in mindering kunnen worden gebracht, tenzij de verworven kennis en vaardigheden in overwegende mate zijn aangewend in de functie die de werknemer had ten tijde van de aanvang van de activiteiten.Overige wijzigingVan de gelegenheid is gebruik gemaakt om een wijziging in het Besluit loonbegrip vergoeding aanzegtermijn en transitievergoeding aan te brengen. De wijziging ziet erop om de berekening van het bruto loon per maand voor de berekening van de transitievergoeding bij opvolgende contracten waarin geen of een wisselende arbeidsduur is overeengekomen te verduidelijken. Het gaat hierbij om het berekenen van de gemiddelde arbeidsduur, aan de hand waarvan het bruto loon per maand wordt berekend. Sinds de inwerkingtreding van de Wet arbeidsmarkt in balans is er ook bij beëindiging van contracten korter dan 24 maanden een transitievergoeding verschuldigd. Onder het huidige besluit zou gelezen kunnen worden dat voor het berekenen van de gemiddelde arbeidsduur per maand alleen wordt gekeken naar het laatste contract in de keten. Dit zou kunnen uitnodigen tot berekenend gedrag om de transitievergoeding kunstmatig lager te laten uitvallen. Het is van belang dit negatieve effect te beperken. Daarom wordt voor opvolgende contracten niet alleen naar de gemiddelde arbeidsduur en daarmee het gemiddelde bruto loon per maand over het laatste contract gekeken, maar wordt aangesloten bij de hoofdregel uit het besluit. Dit betekent dat het gemiddelde bedrag aan loon per maand over de laatste 12 maanden (of indien de duur van het dienstverband korter dan 12 maanden was, over de duur van het gehele dienstverband) als uitgangspunt genomen wordt. Dit wordt met onderhavige wijziging duidelijk geregeld.Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting wederom doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.De Minister van Sociale Zaken en WerkgelegenheidVoetnoten(1) Dit zijn kosten in verband met het eindigen van de arbeidsovereenkomst, gericht op het voorkomen of het bekorten van werkloosheid van de werknemer. Voorbeelden hiervan zijn kosten voor outplacement of (om)scholing.(2) Dit zijn (scholings)kosten gericht op het vergroten van de inzetbaarheid van een werknemer.(3) Genoemd in artikel 2 van het Besluit.(4) Zie de reacties van ONL voor Nederland, LTO Nederland en Koninklijke Horeca Nederland respectievelijk de FNV, CNV en de VCP. Te vinden via https://www.internetconsultatie.nl/ wijziging_besluit_mindering_kosten_transitievergoeding/reacties.(5) Toelichting, algemeen deel, paragraaf 4.2.(6) Zie het advies van de Afdeling bij het voorstel tot temporisering van de verhoging van de AOW-leeftijd (W12.19.0139/III) en het advies van de Afdeling bij de ontwerp-Miljoenennota over het begrotingsjaar 2020 (W06.19.0195/III), paragraaf 4.2.(7) Het gaat hierbij om studiekosten in enge zin (de daadwerkelijke kosten van de opleiding) of studiekosten in ruime zin (de studiekosten in enge zin en daarbij eventuele loonkosten, die gemaakt zijn omdat de werkgever de werknemer in de gelegenheid heeft gesteld om tijdens werkuren te studeren). In dit advies wordt, nu loonkosten niet in mindering kunnen worden gebracht op de transitievergoeding (artikel 2, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit voorwaarden in mindering brengen van transitiekosten), gedoeld op studiekosten in enge zin.(8) Het standaardarrest hierbij is HR 10 juni 1983, NJ 1983/796 (Muller/Van Opzeeland). In dit arrest gaat het om de loonkosten die gemaakt zijn ten behoeve van de opleiding. De jurisprudentie laat een verdeeld beeld zien van het van toepassing zijn van de in Muller/Van Opzeeland opgenomen criteria voor de terugbetaling van studiekosten in enge zin (zie J. Seghrouchmi, Het studiekostenbeding: kwestie van ‘het kan vriezen het kan dooien’?, Arbeidsrecht 2019/40). Hoewel de Hoge Raad hier nog geen uitsluitsel over heeft gegeven, acht de Afdeling het plausibel dat dezelfde voorwaarden op studiekosten in enge zin van toepassing zijn.(9) De andere voorwaarden betreffen het duidelijk uitleggen van de werking van het studiekostenbeding aan de werknemer en dat het initiatief voor het ontslag niet bij de werkgever ligt.(10) Als voorbeeld: indien de werknemer binnen een jaar na het volgen van de scholing ontslag neemt, dient deze alle studiekosten terug te betalen. Indien de werknemer na een jaar ontslag neemt, is dat nog maar 80%, na twee jaar 60%, enzovoorts.(11) Zie Stb. 2015, 171, p. 10.(12) Zie het voorgestelde artikel 3, onderdeel a.(13) Dit zou gerechtvaardigd kunnen zijn, indien de werknemer bijvoorbeeld niet met (vooraf af te spreken) afdoende goed gevolg de opleiding heeft afgerond.(14) Toelichting, algemeen deel, paragraaf 1, eerste alinea ("(…) indien de werknemer die kennis en vaardigheden heeft gebruikt om een andere functie bij de werkgever uit te oefenen") en de artikelsgewijze toelichting ("(…) namelijk dat de verworven kennis en vaardigen moeten zijn aangewend om een andere functie uit te gaan oefenen (…)").(15) Het voorgesteld artikel 3, onderdeel a, onder 1°.(16) Toelichting, algemeen deel, paragraaf 3.2, en de artikelsgewijze toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van het Bouwbesluit 2012 en het Besluit bouwwerken leefomgeving in verband met het verbeteren van de veiligheid bij het bouwen en de veiligheid en gezondheid in bouwwerken en enkele andere wijzigingen.
Bij Kabinetsmissive van 5 november 2019, no.2019002281, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Bouwbesluit 2012 en het Besluit bouwwerken leefomgeving in verband met het verbeteren van de veiligheid bij het bouwen en de veiligheid en gezondheid in bouwwerken en enkele andere wijzigingen, met nota van toelichting.De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen opmerkingen over het ontwerpbesluit en adviseert het besluit te nemen.Gelet op artikel 26, zesde lid jo vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, adviseert de Afdeling dit advies openbaar te maken.De vice-president van de Raad van StateNader rapport (reactie op het advies) van 26 mei 2020Het ontwerp geeft de Afdeling advisering van de Raad van State geen aanleiding tot het maken van inhoudelijke opmerkingen.Van de gelegenheid is gebruikgemaakt om enkele omissies in de verwijzingen naar het nieuwe artikel 2.69a (elektrische leidingen en pijpisolatie) te herstellen. Ook zijn er beperkte wetgevingstechnische verbeteringen aangebracht en is de verwachte inwerkingtreding van een deel van het besluit afgestemd op de verlate inwerkingtreding van het gerelateerde Besluit houdende wijziging van het Bouwbesluit 2012 en van enkele andere besluiten inzake bijna energie-neutrale nieuwbouw (inwerkingtreding naar verwachting 1 januari 2021).Ik bied U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting aan en verzoek U overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Advies inzake diverse verbeteringen in de wetgeving.
1. InleidingReeds anderhalve eeuw geleden vroeg de toenmalige Minister van Justitie, mr. F.A. van Hall, aandacht voor de nationale wetgeving, waarin leemten zouden voorkomen die niet direct door middel van jurisprudentie konden worden opgelost. Aan alle ambtenaren bij de gerechtshoven werd daarom verzocht iedere zes maanden een lijst met opmerkingen over wetgeving in te sturen en daarbij tevens aan te geven op welke wijze de gebreken zouden kunnen worden opgeheven.(zie noot 1) In 1973 verzuchtte Drion echter dat een goed geregelde terugkoppeling van rechtspraak naar wetgeving nog steeds ontbrak.(zie noot 2) Enkele jaren later suggereerde Polak dat de rechterlijke macht "feilen en gebreken in de wet meer systematisch en opzettelijk ter kennis van bevoegde organen" zou moeten brengen.(zie noot 3) Hij vroeg zich in dat verband tevens af of "het vermetel was te hopen" dat door de op 1 juli 1976 beginnende Afdeling rechtspraak van de Raad van State de in administratieve wetten en regelingen voorkomende gebreken "voortaan in het jaaroverzicht zullen worden gesignaleerd en suggesties tot wegneming zullen worden gedaan". De Raad van State heeft in zijn Jaarverslag 2003 uiteengezet dat hij zoekt naar de juiste methode om bij zijn wetgevingsadvisering meer systematisch gebruik te maken van ervaringen van de bestuursrechter met wettelijke voorschriften om tekortkomingen in die voorschriften waarmee de bestuursrechter wordt geconfronteerd, naar de wetgever "terug te koppelen".(zie noot 4) Daarbij worden de mogelijkheden bezien om onvolkomenheden, waarvan de Raad is gebleken dat ze zich in de bestuursrechtspraak voordoen, na weging en selectie, in zijn adviezen te signaleren en tevens aanbevelingen te doen om die onvolkomenheden op te lossen. Het betreft punten waarop de Afdeling bestuursrechtspraak meermalen is gestuit. Veelal zijn deze onvolkomenheden eerst in de praktijk gebleken en waren deze consequenties in het wetgevingsproces - ook voor de Raad - nog niet voorzien. Waar mogelijk zal de Raad naast de ervaringen van de Afdeling bestuursrechtspraak ook onvolkomenheden in de wetgeving waarmee andere bestuursrechters en de Nationale ombudsman in hun werk worden geconfronteerd bij de terugkoppeling betrekken. De Raad heeft verschillende mogelijkheden om dergelijke punten onder de aandacht te brengen, zoals signalering in het jaarverslag en het meenemen in adviezen over aanhangige onderwerpen. Thans brengt de Raad een afzonderlijk advies uit. 2. Tekortschietend overgangsrecht: tijdsdruk en complexiteit onderschat Rechters worden bij de beoordeling van geschillen veelvuldig met problemen van overgangsrecht geconfronteerd. Vaak wordt gedacht dat overgangsrechtelijke problemen vooral van juridisch-technische aard zijn. In de praktijk blijken dergelijke kwesties echter een ruimere dimensie te hebben. Onduidelijkheden, leemtes, inconsistenties en mogelijk door de wetgever niet bedoelde gevolgen in overgangsrecht leiden niet alleen tot rechtsonzekerheid, maar ook tot veel ergernis en onbegrip bij uitvoeringsinstanties en andere betrokkenen. Het zoeken naar oplossingen voor deze problemen leidt bij alle betrokkenen - burgers, bedrijven, bestuursorganen en rechters - voorts tot verspilling van tijd. Om die rechtsonzekerheid en tijdverspilling te voorkomen, verdient de formulering van overgangsrecht intensieve aandacht van de wetgever. Een verklaring voor het feit dat het overgangsrecht soms lacunes of gebreken vertoont is dat bij het tot stand brengen van nieuwe wetgeving de meeste aandacht uitgaat naar het nieuwe recht. Het nadenken over de vraag of maatregelen van overgangsrecht getroffen moeten worden, vindt pas in de laatste fase van de voorbereiding van het wetsvoorstel plaats. Dat leidt er dan vaak toe dat het overgangsrecht in de verdrukking komt. Omdat de toegezegde datum van indiening van het wetsvoorstel dan veelal nabij is, is haast geboden zodat het overgangsrecht vaak onder grote tijdsdruk totstandkomt. Een tweede factor die nadelig is voor de kwaliteit van het overgangsrecht is dat het overgangsrecht vanuit beleidsperspectief en politiek perspectief veelal niet belangrijk wordt geacht. Men is zich er nog steeds vaak onvoldoende van bewust dat het met onmiddellijke werking invoeren van wetten in concrete gevallen tot grote problemen kan leiden. Voorts wordt wel gevreesd dat het toekennen van eerbiedigende werking te zeer afbreuk doet aan de effectiviteit van het beoogde nieuwe beleid. Die vrees bestaat vooral - maar zeker niet alleen - als dat beleid gericht is op beperking van het beslag op de overheidsfinanciën. Een derde factor die verklaart waarom juist het overgangsrecht gebreken kan vertonen, is dat het opstellen van overgangsrecht vaak conceptuele problemen oplevert. Niet alleen voor wetgevingsafdelingen en beleidsafdelingen kan het bijzonder lastig zijn om zich alle gevallen die zich kunnen voordoen, voor de geest te halen. Ook voor hen die dichter bij de praktijk staan, zoals uitvoeringsinstanties en belangengroeperingen, is dat vaak bijzonder lastig zolang er nog geen ervaring met de nieuwe wet is opgedaan. Doordat deze drie factoren elkaar kunnen versterken, vertoont juist het overgangsrecht relatief vaak gebreken, tot schade voor de rechtszekerheid en de uitvoerbaarheid van de wet. Hierna worden enkele meer specifieke overgangsrechtelijke problemen die in de praktijk van de afgelopen jaren naar voren zijn gekomen kort aangestipt. Deze voorbeelden zijn ontleend aan de bestuursrechtspraak. Soortgelijke problemen doen zich voor op andere terreinen van het recht.(zie noot 5) a. Overgangstermijn bij wijziging van rechten of verplichtingen Een van de eerste vragen die bij de doordenking van het overgangsrecht aan de orde komen is of een overgangstermijn noodzakelijk is en wat de duur daarvan dient te zijn. Het ontbreken van een overgangstermijn of een te korte termijn kan er onder omstandigheden toe leiden dat de rechter de wettelijke regeling geheel of gedeeltelijk buiten toepassing laat of schadevergoeding toekent. In dit verband is in het bijzonder artikel 1, eerste lid, van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) van belang, waarin het recht op eigendom wordt beschermd. Uit dit artikel vloeien eisen voort met betrekking tot de overgangstermijn bij onder meer sociale zekerheidswetgeving.(zie noot 6) Anderzijds kunnen te lange overgangstermijn leiden tot strijdigheid met EG-richtlijnen.(zie noot 7) Tegen die achtergrond beveelt de Raad aan bij de invoering van nieuwe wetgeving steeds zorgvuldig af te wegen of voor bestaande gevallen een overgangstermijn vereist is en wat daarvan de duur dient te zijn. In het bijzonder vraagt de Raad aandacht voor de bepaling van de overgangstermijn bij wetgeving die raakt aan de eigendom in de zin van artikel 1, eerste lid, van het Eerste Protocol bij het EVRM. b. Overgangsrecht bij aanhangige zaken en wijziging van competentietoedeling Als een regeling wordt vervangen door een nieuwe regeling betreffende hetzelfde onderwerp, is het belangrijk dat de wetgever duidelijkheid verschaft over de behandeling van aanvragen, bezwaren en (hoger) beroepen die bij de inwerkingtreding van de nieuwe regeling reeds en nog aanhangig zijn. Dat geldt temeer indien in de nieuwe regeling taken worden toebedeeld aan een ander bestuursorgaan of een andere rechter. Als dit niet (duidelijk) wordt geregeld, kan dat in de praktijk leiden tot problemen voor burgers en bestuursorganen en tot nodeloos gecompliceerde rechterlijke procedures.(zie noot 8) Bij de overgang van het oude naar het nieuwe wettelijke regime dient naar het oordeel van de Raad steeds ten aanzien van de volgende punten duidelijkheid te worden verschaft: - de toepasselijkheid van het materiële recht na de datum van inwerkingtreding van het nieuwe recht: er moet een keuze worden gemaakt met betrekking tot het toepasselijk recht voor lopende aanvragen en eventueel korte tijd na inwerkingtreding van het nieuwe recht te nemen ambtshalve besluiten (zoals handhavings- en intrekkingsbesluiten); - de toepasselijkheid van het procesrecht na de datum van inwerkingtreding van het nieuwe recht: bepaald moet worden of bezwaar- en/of beroepsprocedures volgens oud dan wel volgens nieuw recht moeten worden afgehandeld; - de verdeling van competenties van bestuursorganen en rechters na de datum van inwerkingtreding van het nieuwe recht: in situaties waarin sprake is van een wijziging van het bevoegde bestuursorgaan dan wel van de bevoegde rechter dient uitdrukkelijk in de wet te worden vastgelegd welk bestuursorgaan of welke rechter in de lopende procedures beslist. De Raad wijst erop dat de rechtszekerheid en ook de uitvoerbaarheid ertoe nopen dergelijke keuzes in de regeling zelf vast te leggen en te motiveren; in het bijzonder in de situatie dat wordt gekozen voor onmiddellijke werking verdient het aanbeveling de gemaakte afweging in de toelichting te motiveren. c. Overgangsrecht bij amendering Afzonderlijke aandacht verdient de situatie waarin een wetsvoorstel in de Tweede Kamer der Staten-Generaal is geamendeerd. Het komt voor dat een wetsvoorstel na amendering geen adequaat overgangsrecht meer bevat.(zie noot 9) Om de kwaliteit van de wetgeving ook tijdens de fase van de amendering te waarborgen, is het naar het oordeel van de Raad van belang dat de amendering van wetsvoorstellen zorgvuldig wordt begeleid. Dit onderstreept ook in dit opzicht de wenselijkheid om over (overgangsrechtelijke consequenties van) belangrijke amendementen het advies in te winnen van de Raad. d. Conclusies In het licht van het voorgaande adviseert de Raad de organisatie van wetgevingsprojecten zo in te richten dat is gewaarborgd dat het overgangsrecht in de diverse stadia van het wetgevingsproces steeds specifieke aandacht krijgt. Op die manier kan worden voorkomen dat door tijdsdruk overgangsrecht achterwege blijft of gebrekkig overgangsrecht totstandkomt. In dit verband is onder meer van belang dat in het kader van een ex ante evaluatie specifiek aandacht wordt geschonken aan het overgangsrecht. De Raad beveelt aan dit onderwerp structureel als afzonderlijk onderdeel van de wetgevingsvisitatie te monitoren. Tevens adviseert de Raad bij toekomstige regelgeving rekening te houden met de hiervoor onder a tot en met c genoemde aspecten. Gelet op het belang voor de rechtspraktijk van een goede regeling van de beschreven aspecten geeft de Raad in overweging de Aanwijzingen voor de regelgeving (Ar) met betrekking tot het overgangsrecht - die in paragraaf 4.14 maar gedeeltelijk zijn geregeld - aan te vullen. 3. Doorzendplicht van bedenkingen of zienswijzen De Algemene wet bestuursrecht (Awb) bevat enkele bepalingen met de voor burgers belangrijke waarborg dat geschriften die bij een verkeerd bestuursorgaan of verkeerde administratieve rechter zijn ingediend, naar het juiste orgaan of de juiste rechter worden doorgezonden. Op het punt van de doorzendplicht wordt een onderscheid gemaakt tussen bezwaar- en beroepschriften enerzijds (artikel 6:15 Awb), en andere geschriften (artikel 2:3 Awb) anderzijds. De doorzendplicht van bezwaar- en beroepschriften is een beginsel van behoorlijk procesrecht; de doorzendverplichting zoals omschreven in artikel 2:3 Awb is een beginsel van behoorlijk bestuur. Omdat de doorzending van bezwaar- en beroepschriften procesrechtelijke consequenties kan hebben, is artikel 6:15 Awb in vergelijking met artikel 2:3 Awb op een aantal punten verder uitgewerkt. Om te voorkomen dat de burger door de onjuiste indiening van zijn bezwaar- of beroepschrift zijn bezwaar- of beroepstermijn verspeelt, is in artikel 6:15 Awb neergelegd dat het tijdstip van indiening bij het onbevoegde orgaan bepalend is voor de vraag of het bezwaar- of beroepschrift tijdig is ingediend. Tevens zijn het onbevoegde bestuursorgaan en de onbevoegde administratieve rechter verplicht op het verkeerd ingediende bezwaar- of beroepschrift de datum van ontvangst aan te tekenen. De toepassing van artikel 6:15 Awb is, gegeven de tekst van het artikel en de plaats ervan, uitdrukkelijk beperkt tot bezwaar- en beroepschriften. Dit artikel geldt dan ook niet voor schriftelijke bedenkingen of zienswijzen die, naar aanleiding van een voorgenomen besluit, bij een verkeerd bestuursorgaan worden ingediend. Wel vloeit uit het algemene artikel 2:3 Awb voort dat het onbevoegde bestuursorgaan een dergelijk geschrift naar het bevoegde bestuursorgaan moet doorzenden. Maar artikel 2:3 Awb regelt niet dat het tijdstip van indiening bij het onbevoegde orgaan bepalend is voor de vraag of het geschrift tijdig is ingediend. Deze leemte heeft tot gevolg dat de burger door de toezending aan het verkeerde bestuursorgaan zijn termijn kan verspelen. Dit gevolg wordt voorkomen doordat artikel 6:15 volgens de Afdeling bestuursrechtspraak analoog op de bedenkingenprocedure van afdeling 3.5 Awb moet worden toegepast.(zie noot 10) Hetzelfde geldt met betrekking tot het doorzenden van zienswijzen op grond van de met ingang van 1 juli 2005 in werking getreden nieuwe afdeling 3.4 Awb (uniforme openbare voorbereidingsprocedure). Ter wille van de rechtszekerheid acht de Raad het gewenst dat deze leemte in de Awb wordt verholpen en deze essentiële waarborgen in de wet worden neergelegd. Daarom adviseert het college een met artikel 6:15 vergelijkbaar artikel op te nemen in afdeling 3.4 Awb. 4. Uniforme openbare voorbereidingsprocedure bij vrijstelling en bouwvergunning Sinds 1 juli 2005 kan de situatie dat tegelijkertijd een bouwvergunning en een vrijstelling op grond van artikel 17 of artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening worden gevraagd, leiden tot het uiteenlopen van procedures.(zie noot 11) Vrijstellingen worden voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 Awb (uniforme openbare voorbereidingsprocedure). Voor de bouwvergunning is dit niet voorgeschreven; wel kan het bestuursorgaan besluiten de bouwvergunning voor te bereiden met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure.(zie noot 12) Indien het bestuursorgaan geen gebruik maakt van genoemde mogelijkheid, leidt dit ertoe dat ten aanzien van het onderdeel van het besluit dat betrekking heeft op de bouwvergunning - voorafgaand aan het instellen van beroep bij de rechtbank - de bezwaarschriftprocedure moet worden doorlopen. Tegen het (onderdeel van hetzelfde) besluit dat betrekking heeft op de vrijstelling, staat direct beroep open bij de rechtbank. Naar de mening van de Raad is het niet wenselijk dat één samenhangend primair besluit of twee sterk samenhangende besluiten ieder een eigen traject met een daaraan verbonden eigen tijdpad volgen. Uit een oogpunt van eenvoud van juridische procedures en coördinatie van besluitvorming verdient het aanbeveling een wettelijke voorziening te treffen om het uiteenlopen van deze procedures terzake van hetzelfde bouwplan te voorkomen. Daarom adviseert de Raad in de wet te bepalen dat, wanneer voor een bouwvergunning een vrijstelling op grond van artikel 17 of 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening noodzakelijk is, beide besluiten of onderdelen van één besluit worden voorbereid met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure. 5. Keuze tussen bezwaar en administratief beroep In een aantal bijzondere wetten, zoals de Wegenwet(zie noot 13), wordt administratief beroep bij een hoger bestuursorgaan mogelijk gemaakt tegen een afwijzend besluit. Is men het niet eens met een naar zijn aard soortgelijk besluit waarbij de aanvraag wordt toegewezen, dan dient op grond van de algemene regeling van artikel 7:1 Awb bezwaar te worden gemaakt bij het oorspronkelijke bestuursorgaan. De Raad wijst erop dat een dergelijk stelsel van rechtsbescherming voor de betrokken burgers en beide bestuursorganen tot verwarring en onnodige complicaties kan leiden. Dat geldt onder meer indien niet (tijdig) op de aanvraag wordt beslist. Aangezien in een dergelijk geval geen sprake is van een afwijzend besluit - ook uit artikel 6:2 Awb vloeit dit niet voort -, moet tegen het uitblijven van die beslissing bij het oorspronkelijke bestuursorgaan bezwaar worden gemaakt. Indien hangende het bezwaar of beroep een afwijzing volgt, moet alsnog bij het hogere bestuursorgaan administratief beroep worden ingesteld. Deze versnippering van rechtsbeschermingsmogelijkheden leidt voor de betrokken burgers en bestuursorganen tot verwarring en tijdverspilling. De Raad adviseert per wettelijke regeling steeds te kiezen voor eenzelfde voorprocedure - bezwaar dan wel administratief beroep - tegen zowel toewijzende als afwijzende en niet tijdig genomen besluiten. Tevens beveelt de Raad aan de Ar die betrekking hebben op de bestuurlijke rechtsbescherming (aanwijzingen 148-160 Ar) in dit opzicht aan te vullen en daarvoor in aanmerking komende wettelijke regelingen op dit punt te vereenvoudigen. Voorts geeft de Raad in overweging te bezien of na jarenlange ervaring met de bezwaarschriftprocedure geen aanleiding bestaat om ter vereenvoudiging van het bestuursrecht de mogelijkheid van administratief beroep nog verder te beperken dan in aanwijzing 155 Ar is voorzien. Indien dit het geval is, verdient het aanbeveling ook in dit opzicht de Ar terzake aan te passen en de daarvoor in aanmerking komende wettelijke regelingen op dit punt te vereenvoudigen. 6. Gesplitste beslissing op bezwaar en beslistermijn in bezwaar Het komt in de bestuurspraktijk nogal eens voor dat de bestuursrechter wordt geconfronteerd met onvolledige besluitvorming in de bezwaarfase. Een beslissing op bezwaar wordt dan uitgesmeerd over twee deelbeslissingen die elkaar in de tijd opvolgen; de zogenoemde "gesplitste beslissing op bezwaar". Het bestuursorgaan neemt dan eerst een besluit tot gegrondverklaring van het bezwaar. Bij de bekendmaking hiervan wordt de bezwaarde - soms onder vermelding van de mogelijkheid van beroep bij de rechter tegen dit "besluit" - meegedeeld dat op basis van nader onderzoek een nieuw besluit zal worden genomen. Na kortere of langere tijd volgt dan het nieuwe besluit waarbij het primaire besluit waartegen het bezwaar was gemaakt wordt vervangen of gehandhaafd. Veelal wordt dit nieuwe besluit door het bestuursorgaan als een nieuw primair besluit aangemerkt en wordt daarbij vermeld dat (wederom) bezwaar kan worden gemaakt. Deze "gesplitste" wijze van bestuurlijke besluitvorming staat haaks op het stelsel van artikel 7:11 Awb.(zie noot 14) Ingevolge dat artikel moet het bestuursorgaan het (primaire) besluit waartegen bezwaar is gemaakt, op de grondslag van het bezwaar heroverwegen. Het dient, indien die heroverweging daartoe aanleiding geeft, tevens bij de beslissing op dat bezwaar het primaire besluit te herroepen en voor dat primaire besluit zo nodig een nieuw besluit in de plaats te stellen. Volgens het stelsel van artikel 7:11 dient de beslissing op bezwaar, indien het bezwaar gegrond is, deze beide elementen te bevatten. Hieraan ligt het uitgangspunt ten grondslag dat de beslissing op bezwaar het eindpunt van een volledige heroverweging markeert. Deze dient ingevolge artikel 7:10 Awb binnen een beslistermijn van - na verdaging - uiterlijk 14 weken te zijn voltooid. Verder uitstel is alleen mogelijk als de indiener van het bezwaarschrift daarmee instemt en andere belanghebbenden niet geschaad worden of eveneens instemmen. Het komt evenwel voor dat binnen bedoelde 14 weken wel het bezwaar gegrond wordt verklaard, maar het ter vervanging van het primaire besluit te nemen nieuwe besluit nog lange tijd uitblijft. Om dit in te dammen vat de Afdeling bestuursrechtspraak een beroep tegen een beslissing die beperkt is tot gegrondverklaring van het bezwaar, met toepassing van artikel 6:2 Awb op als een beroep gericht tegen niet tijdig beslissen.(zie noot 15) Een dergelijk beroep kan voortvarend worden behandeld, wat kan bevorderen dat de voltooiing van de bestuurlijke besluitvorming niet nog langer uitblijft. Hiermee is het probleem van de gesplitste beslissing op bezwaar echter nog niet opgelost. De in artikel 7:10 Awb neergelegde uniforme termijnen waarbinnen de beslissing op bezwaar moet zijn genomen, vormen namelijk een knelpunt voor bepaalde categorieën besluiten. In het algemeen moet het voor bestuursorganen goed te doen zijn de interne gang van zaken zo te organiseren dat bij één, tijdig genomen, besluit de gehele besluitvorming naar aanleiding van het bezwaar wordt voltooid. Er zijn echter gevallen waarin voor het vervangen van het primaire besluit in bezwaar een aanmerkelijk langere termijn nodig is dan artikel 7:10 Awb toelaat, omdat alsnog een wettelijk voorgeschreven procedure dient te worden doorlopen of een verplicht extern advies dient te worden ingewonnen, of het een situatie betreft ten aanzien waarvan voor de aanvankelijke afwijzing van de aanvraag minder strenge procedure-eisen golden dan voor een positieve beslissing. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de situatie waarin, alvorens alsnog te kunnen anticiperen, eerst de uitgebreide procedure van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening moet worden gevolgd, of waarin alsnog een MER-procedure moet worden doorlopen dan wel wegens de gegrondheid van het bezwaar alsnog een medisch of arbeidskundig onderzoek moet worden verricht.(zie noot 16) Artikel 7:10 Awb biedt het bestuursorgaan en de rechter echter geen enkele ruimte voor het maken van een uitzondering voor dergelijke gecompliceerde procedures. Tegen deze achtergrond geeft de Raad in overweging in artikel 7:10 Awb een voorziening te treffen voor onder meer de hiervoor genoemde situaties, in de vorm van een uitzondering op de in genoemde artikelen opgenomen termijnen voor die categorieën van besluiten. Denkbaar is ook om de verdagingsregeling van artikel 7:10 Awb op te zetten volgens de in artikel 4:14 Awb gekozen structuur. Tevens verdient het aanbeveling in de toelichting bij dat wetsvoorstel uiteen te zetten dat een gesplitste beslissing op bezwaar niet verenigbaar is met het in artikel 7:11 Awb neergelegde stelsel. 7. Vergoeding van kosten in bezwaar als een tijdig besluit uitblijft Met de inwerkingtreding van de Wet kosten bestuurlijke voorprocedures op 12 maart 2002 is in de Awb een regeling betreffende de vergoeding van de kosten van belanghebbenden in bezwaar en administratief beroep opgenomen. Het bestuursorgaan dient de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar of administratief beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, op verzoek van de belanghebbende te vergoeden "voorzover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid". Een kernelement is de herroeping van het bestreden primaire besluit. Deze formulering voorziet niet in kostenvergoeding ingeval tegen het uitblijven van het primair besluit bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld. Bij uitspraak van 23 juni 2004 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak overwogen dat, nu een gegrond bezwaar tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet kan leiden tot herroeping van enig primair besluit, vergoeding van de kosten in bezwaar op grond van artikel 7:15 Awb niet mogelijk is.(zie noot 17) In een uitspraak van 13 juni 2005 komt de Centrale Raad van Beroep (CRvB) tot het oordeel dat het woord "herroepen" in de artikelen 7:15, tweede lid, en 7:28, tweede lid, Awb niet in de weg staat aan het aanvaarden van de mogelijkheid van vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar of administratief beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit.(zie noot 18) Naar het oordeel van de Raad verdient het aanbeveling de tekst van de artikelen 7:15, tweede lid, en 7:28, tweede lid, Awb zodanig te herformuleren dat ook de kosten die een belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het bezwaar of administratief beroep tegen het uitblijven van een besluit, voor vergoeding in aanmerking komen. 8. Bevoegdheid van de bestuursrechter om bij einduitspraak mede een voorlopige voorziening te treffen Ingevolge artikel 8:72, vijfde lid, Awb, is de rechtbank bevoegd om tegelijk met de einduitspraak een voorlopige voorziening te treffen. De rechtbank bepaalt bij het treffen van de voorlopige voorziening wanneer zij vervalt. Deze regeling is per 1 april 2002 in werking getreden. Ingevolge schakelbepalingen beschikken de Afdeling bestuursrechtspraak, de CRvB en het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) bij het geven - in eerste aanleg of in hoger beroep - van een einduitspraak over dezelfde bevoegdheid.(zie noot 19) De wetgever meende dat de voorlopige voorziening een vertrouwde figuur was en dat daarom met betrekking tot deze nieuwe bevoegdheid vrijwel geen nieuwe regels nodig waren. Het werd daarom niet nodig geacht bepalingen op te nemen inzake opheffing of wijziging van deze voorlopige voorziening, nu deze deel uitmaakt van de einduitspraak(zie noot 20) en een belanghebbende zijn hoger beroep tegen de einduitspraak daarom tevens tot deze voorlopige voorziening kan doen uitstrekken.(zie noot 21) Uiteraard tenzij het een voorlopige voorziening in hoogste instantie betreft. Een belanghebbende heeft daarmee de keuze de getroffen voorlopige voorziening als onderdeel van het hoger beroep in de bodemzaak aan de orde te stellen of zijn hoger beroep tot deze voorlopige voorziening te beperken.(zie noot 22) Aldus vertoont de voorlopige voorziening ex artikel 8:72, vijfde lid, Awb aanmerkelijke verschillen met de voorlopige voorziening die voorzieningenrechters met (overeenkomstige) toepassing van artikel 8:81 Awb in het bestuursrechtelijk kort geding kunnen geven. Tegen laatstbedoelde voorlopige voorziening is geen hoger beroep mogelijk, maar zij kan - ingevolge artikel 8:87 - wel worden opgeheven of ingetrokken. In de praktijk van de bestuursrechtspraak is inmiddels gebleken dat de in artikel 8:72, vijfde lid, Awb neergelegde regeling een aantal lacunes bevat. In de eerste plaats is geen rekening gehouden met gevallen waarin in de hoofdzaak geen hoger beroep mogelijk is of waarin in de hoofdzaak van de mogelijkheid van hoger beroep geen gebruik is gemaakt, omdat er binnen de beroepstermijn nog geen behoefte bestond aan een wijziging of opheffing van de voorlopige voorziening. Dat dit met betrekking tot de op grond van artikel 8:72, vijfde lid, Awb getroffen voorlopige voorziening tot problemen kan leiden, blijkt uit een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 9 april 2003.(zie noot 23) De Afdeling had bij einduitspraak van 18 september 2002 de voorlopige voorziening getroffen dat een aantal plandelen geacht werd te zijn goedgekeurd tot zes maanden na de datum van openbaarmaking van die uitspraak.(zie noot 24) Deze voorziening werd gegeven om het bestuursorgaan in staat te stellen een bouwvergunning te verlenen, zodat de renovatie en aanpassing van een aantal in slechte staat verkerende monumentale gebouwen in het plangebied konden worden voortgezet. Nadat was gebleken dat deze termijn niet toereikend was, werd een verzoek ingediend om de voorlopige voorziening met toepassing van artikel 8:87 Awb te wijzigen. Omdat dit artikel niet van toepassing is op de bij einduitspraak gegeven voorlopige voorziening en de uitspraak van 18 september 2002 onherroepelijk was, werd zij bij uitspraak van 9 april 2003 met toepassing van artikel 8:88 Awb door de Afdeling herzien en werd tevens een voorlopige voorziening met een ander eindtijdstip getroffen. Het bijzondere rechtsmiddel van artikel 8:88 Awb is hiervoor echter niet bedoeld. De tweede lacune betreft de situatie waarin de voorzieningenrechter, indien hij het geraden acht met kortsluiting een einduitspraak te geven (artikel 8:86 Awb), tegelijk met die uitspraak een voorlopige voorziening treft. Als deze voorlopige voorziening met toepassing van artikel 8:81 Awb is getroffen, vormt zij geen onderdeel van de einduitspraak en is daartegen geen hoger beroep mogelijk. Maakt de voorzieningenrechter echter gebruik van zijn bevoegdheid om krachtens artikel 8:72, vijfde lid (juncto artikel 8:84, vierde lid) Awb als onderdeel van zijn einduitspraak een voorlopige voorziening te treffen, dan kan deze voorlopige voorziening in beginsel wel in hoger beroep worden aangevochten. Hoewel het in beide gevallen gaat om een voorlopige voorziening, hangt het dus van de wijze van afdoening af of daartegen wel of niet hoger beroep mogelijk is. Daar komt nog bij dat de voorzieningenrechter, als hij ingeval van kortsluiting een voorlopige voorziening treft, soms niet aangeeft of dit met toepassing van artikel 8:81 of artikel 8:72, vijfde lid, Awb geschiedt. Dan is voor betrokkenen en de appèlrechter niet duidelijk of de voorlopige voorziening in hoger beroep kan worden aangevochten. De Afdeling bestuursrechtspraak lost deze rechtsonzekerheid op door in een dergelijk geval aan te nemen dat de voorlopige voorziening met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, Awb is getroffen, zodat daartegen hoger beroep mogelijk is. Uit het voorgaande blijkt dat de wettelijke regeling van artikel 8:72, vijfde lid, Awb in de praktijk tot problemen leidt. Het probleem dat de gegeven voorlopige voorziening onaantastbaar is omdat tegen de einduitspraak geen hoger beroep mogelijk is, zou kunnen worden opgelost door ten aanzien van de bij de einduitspraak gegeven voorlopige voorzieningen een met artikel 8:87 Awb vergelijkbare regeling te treffen. Dit heeft bovendien als voordeel dat de rechter die de voorziening trof, ook oordeelt over een verzoek tot wijziging ervan. Met dit voorstel wordt echter ook een meer principiële vraag zichtbaar, namelijk of hoger beroep met betrekking tot een voorlopige voorziening ex artikel 8:72, vijfde lid, Awb wel wenselijk is. Immers, als opheffing of wijziging mogelijk is, dan is er weinig reden voor hoger beroep, ongeacht of de voorlopige voorziening nu getroffen is bij de einduitspraak of niet. De Raad herinnert er in dit verband aan dat de wetgever steeds het standpunt heeft ingenomen dat hoger beroep tegen een met toepassing van artikel 8:81 Awb gegeven voorziening niet wenselijk is. Omdat de met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, Awb gegeven voorlopige voorziening naar inhoud daarvan niet verschilt, dringt de vraag zich op of de mogelijkheid om beroep in te stellen dan wel om wijziging of opheffing te verzoeken niet voor beide typen van voorlopige voorzieningen gelijk zou moeten worden geregeld. Wel kan men het standpunt innemen dat wanneer hoger beroep ingesteld is, de beoordeling van een zaak, daarbij inbegrepen de mogelijkheid tot het wijzigen of opheffen van een voorlopige voorziening, aan de bevoegdheid van de lagere rechter moet worden onttrokken. Tegen deze achtergrond geeft de Raad in overweging het stelsel met betrekking tot de in artikel 8:72, vijfde lid, Awb geregelde voorlopige voorziening als volgt te wijzigen: - in de wet vast te leggen dat tegen een op grond van artikel 8:72, vijfde lid, Awb gegeven voorlopige voorziening geen hoger beroep mogelijk is; - in genoemd artikel tot uitdrukking te brengen dat de rechter die een voorlopige voorziening heeft getroffen, deze kan opheffen of wijzigen, tot het moment dat hoger beroep is ingesteld; - in de wetgeving inzake hoger beroep te regelen dat indien in de hoofdzaak eenmaal hoger beroep is ingesteld, de voorzitter van het appèlcollege bevoegd is de door de rechter in eerste aanleg gegeven voorlopige voorziening te wijzigen; deze is immers thans reeds bevoegd tot het treffen van een (nieuwe) voorlopige voorziening indien in de hoofdzaak hoger beroep is ingesteld. 9. Intrekkings- of wijzigingsbesluiten van het bestuursorgaan tijdens een voorlopige voorzieningprocedure De artikelen 6:18 tot en met 6:20 Awb zijn niet van - rechtstreekse of overeenkomstige - toepassing op de voorlopige voorzieningprocedure. Hieraan kleeft een aantal nadelen. Deze houden, kort gezegd, in dat verzoeker - nadat het bestuursorgaan een intrekkings- of wijzigingsbesluit heeft genomen - in tegenstelling tot de gebruikelijke gang van zaken in de bodemprocedure een nieuw verzoek moet indienen of zijn eerste verzoek moet aanpassen. Daar komt bij dat bij een nieuw verzoek om voorlopige voorziening opnieuw griffierecht is verschuldigd. In de praktijk van de rechtspraak wordt wel getracht deze nadelen te ondervangen door aan te nemen dat de belanghebbende zijn verzoek om voorlopige voorziening hangende die procedure kan uitbreiden met een verzoek om voorlopige voorziening ten aanzien van het intrekkings- of wijzigingsbesluit. Het is echter twijfelachtig of artikel 8:82, eerste lid, Awb hiervoor ruimte biedt. Een andere weg die in de rechtspraak wordt ingeslagen, is dat het eerste verzoek wordt beschouwd als te zijn uitgebreid met een verzoek om voorlopige voorziening ten aanzien van het intrekkings- of wijzigingsbesluit. Materieel komt deze laatste benadering neer op overeenkomstige toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19, zonder dat de Awb daarvoor echter een duidelijke grondslag biedt. De Raad is van oordeel dat het, mede vanuit een oogpunt van versnelling van het proces, aanbeveling verdient in de Awb uitdrukkelijk te bepalen dat de artikelen 6:18 tot en met 6:20 Awb ook op de voorlopigevoorzieningsprocedures van artikel 8:81 Awb toepassing kan zijn. 10. Griffierecht bij voorlopige voorziening in appèl In het bestuursrecht is het gebruikelijk dat degene die in een rechterlijke procedure als aanlegger griffierecht heeft betaald, als zijn beroep slaagt, aanspraak heeft op vergoeding van het griffierecht door het verwerend orgaan.(zie noot 25) Het bestuursorgaan is eerst tot betaling van het griffierecht gehouden indien zijn hoger beroep ongegrond wordt verklaard.(zie noot 26) Op deze wijze wordt voorkomen dat de burger wordt veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht aan het bestuursorgaan indien de rechtbank ten onrechte een beroep gegrond heeft verklaard, en wordt tevens gewaarborgd dat degene wiens beroep slaagt, niet met de kosten van het griffierecht blijft zitten. Met betrekking tot het griffierecht in hoger beroep heeft de wetgever ten aanzien van de voorlopige voorziening voor een enigszins afwijkende regeling gekozen. Verzoekt een bestuursorgaan in hoger beroep een voorlopige voorziening, dan is het vooraf griffierecht verschuldigd, maar artikel 41, vijfde lid, van de Wet op de Raad van State voorziet in terugbetaling door de secretaris als het verzoek van het bestuur wordt ingewilligd. Beide uitgangspunten hebben de Afdeling er toe gebracht om in de gevallen waarin in hoger beroep blijkt dat de rechtbank ten onrechte een beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard of een besluit heeft vernietigd, de terugbetalingsregeling van artikel 41, vijfde lid, van de Wet op de Raad van State analoog toe te passen. Dit houdt in dat in de gevallen waarin de rechtbank een achteraf bezien onjuiste beslissing heeft genomen waar het bestuursorgaan geheel buiten staat, niet wordt vastgehouden aan de in artikel 43, eerste lid, van de Wet op de Raad van State neergelegde regel dat bij iedere geheel of gedeeltelijke vernietiging van de uitspraak van de rechtbank het griffierecht door het bestuursorgaan moet worden vergoed.(zie noot 27) Aldus wordt recht gedaan aan de regel dat een geslaagd beroep leidt tot vergoeding van het griffierecht en aan de regel dat deze verplichting alleen wordt opgelegd aan een bestuursorgaan dat aanleiding heeft gegeven tot het ontstaan van een rechterlijke procedure. De Raad adviseert artikel 43 van de Wet op de Raad van State, artikel 25 van de Beroepswet en artikel 27 van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie aan te vullen in die zin dat in genoemde situatie het griffierecht aan de desbetreffende rechtspersoon wordt terugbetaald door de secretaris van de Raad van State, onderscheidenlijk door de griffier van de CRvB dan wel van het CBb. 11. Griffierecht bij de opheffing of wijziging van een voorlopige voorziening Artikel 8:87 Awb geeft de voorzieningenrechter van de rechtbank de bevoegdheid een door hem getroffen voorlopige voorziening op te heffen of te wijzigen. Ingevolge artikel 8:87, tweede lid, Awb is artikel 8:82 Awb van overeenkomstige toepassing. In laatstgenoemd artikel is bepaald dat van de verzoeker griffierecht wordt geheven. Voor het beroep in eerste en enige aanleg geldt hetzelfde. Daartoe is in de verschillende beroepswetten bepaald dat de artikelen 8:87 en 8:82 Awb van overeenkomstige toepassing zijn.(zie noot 28) Voor het hoger beroep is echter niet geregeld dat voor een verzoek tot wijziging of opheffing van een voorlopige voorziening griffierecht verschuldigd is: artikel 8:82 Awb is immers niet van overeenkomstige toepassing verklaard op het hoger beroep. De Raad adviseert deze onduidelijkheid op te heffen door in de afzonderlijke beroepswetten artikel 8:82 van overeenkomstige toepassing te verklaren. 12. Versnelde behandeling en termijn voor het indienen van nadere stukken Ingevolge artikel 8:52 Awb kàn de rechtbank, in spoedeisende zaken, de zaak in de bodemprocedure versneld behandelen. Dat houdt in dat de rechtbank diverse proceduretermijnen kan bekorten en enkele beperkingen kan aanbrengen in de omvang van het vooronderzoek.(zie noot 29) In de Vreemdelingenwet 2000 is voorgeschreven dat hoger beroepen versneld worden behandeld.(zie noot 30) Ingevolge het tweede lid van genoemd artikel is géén bekorting mogelijk van de in artikel 8:58 Awb opgenomen termijn van tien dagen voor de zitting voor het indienen van nadere stukken. In de situatie waarin op korte termijn - soms zelfs op een termijn van minder dan tien dagen - een zitting wordt gehouden, levert de in genoemd artikel opgenomen tiendagentermijn een knelpunt op. Hierdoor kan, indien partijen bezwaar maken tegen het niet in acht nemen van deze termijn, de procedure onnodig vertraging oplopen. Dit is - mede gelet op het streven van de wetgever om (rechterlijke) procedures te versnellen - onwenselijk. De Raad wijst er in dit verband op dat de wetgever ten aanzien van de voorlopige voorzieningenprocedure - waarbij eveneens op korte termijn oproepingen voor een zitting plaatsvinden - wel heeft voorzien in een bekorting van de tiendagentermijn. Ingevolge artikel 8:83, eerste lid, derde volzin, Awb is artikel 8:58 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat tot één dag voor de zitting nadere stukken kunnen worden ingediend. De Raad adviseert ten aanzien van de versnelde behandeling te voorzien in een soortgelijke bepaling. 13. Bekendmaking besluiten op basis van de Vreemdelingenwet In de Vreemdelingenwet 2000 is de bevoegdheid geregeld om voor de bekendmaking van afwijzingen van reguliere verblijfsvergunningen en verblijfsvergunningen asiel af te wijken van artikel 3:41, eerste lid, Awb.(zie noot 31) Deze afwijkingsmogelijkheden zijn niet op een uniforme wijze uitgewerkt in de op de Vreemdelingenwet 2000 gebaseerde regelingen. Met betrekking tot de reguliere verblijfsvergunningen wordt in artikel 3.104, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) bepaald dat de beschikking ten aanzien van de vreemdeling, wiens aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning geheel of gedeeltelijk wordt afgewezen en van wie geen raadsman bekend is, en die niet of niet langer woont op het door hem opgegeven adres, wordt bekendgemaakt door toezending naar het laatst bekende adres van de vreemdeling. In het Vb 2000 ontbreekt voor asielzaken echter een equivalent van artikel 3.104, vierde lid, Vb 2000. Als gevolg daarvan is geen toereikende grondslag aanwezig voor de wel terzake in de Vreemdelingencirculaire 2000 opgenomen regeling. De Raad adviseert daarom in het Vb 2000 een met artikel 3.104, vierde lid, Vb 2000 overeenkomende voorziening te treffen met betrekking tot verblijfsvergunningen asiel. 14. Onvolkomenheden inzake de competentieafbakening tussen rechters Met de inwerkingtreding van de Awb is het gebouw van de bestuursrechtelijke rechtsbescherming grondig verbouwd. Eén van de doelen was het bevorderen van eenheid binnen de bestuursrechtelijke wetgeving. Daartoe behoorde ook het creëren van een duidelijke rechtsmachtverdeling. Toch bevat de bevoegdheidsverdeling tussen rechters in sommige wetten nog steeds onvolkomenheden. Dit betreft zowel de afbakening tussen de civiele en de bestuursrechter als de afbakening tussen bestuursrechters onderling. De Raad beschrijft hierna enkele "afbakeningsproblemen". Competentieafbakening tussen civiele rechter en bestuursrechter a. De Wegenwet biedt een voorbeeld van onduidelijke afbakening van rechtsmacht tussen de civiele rechter en de bestuursrechter. Deze wet kent bestuursrechtelijke en civielrechtelijke procedures. Bestuursrechtelijk zijn bijvoorbeeld de procedures tot het verlenen van medewerking aan het geven van de bestemming tot openbare weg, het onttrekken van een weg aan de openbaarheid, de vaststelling van de wegenlegger en de op artikel 16 van de Wegenwet gebaseerde handhavingsbesluiten. Civielrechtelijk zijn de procedures om toegang tot openbare wegen af te dwingen of om een verklaring voor recht omtrent de openbaarheid van een weg te verkrijgen. Ook bij gedingen inzake de aansprakelijkheid voor de staat van openbare wegen kan de burgerlijke rechter worden gevraagd om een oordeel of de weg openbaar is of niet. Het naast elkaar bestaan van deze verschillende procedures hoeft niet problematisch te zijn. Wel is van belang dat de rechtsmachtverdeling naar onderwerp helder is afgebakend. Dat is niet het geval met betrekking tot het onderwerp openbaarheid van wegen in de Wegenwet, aangezien ten aanzien daarvan, al naar gelang de aard van het geschil, verschillende rechters bevoegd zijn. Dit leidt tot overlapping van rechterlijke procedures bij de wijziging van de wegenlegger. Met betrekking tot de besluiten daartoe is beroep mogelijk bij de rechtbank en hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak. Hiernaast kent de Wegenwet een bijzondere civielrechtelijke rechtsgang, bestaande uit de mogelijkheid binnen een jaar na de vaststelling van de legger een rechtsvordering tot wijziging van de wegenlegger in te dienen (artikel 43 juncto artikel 47).(zie noot 32) Nadat alle bestuursrechtelijke wegen zijn gevolgd of ervan is afgezien die wegen te volgen, kan nog in een civielrechtelijke procedure de onrechtmatigheid van het besluit tot vaststelling of wijziging van de wegenlegger worden vastgesteld. Het feit dat het besluit onherroepelijk is geworden, staat niet aan de civielrechtelijke vordering in de weg. Artikel 43 van de Wegenwet bevat daarmee een opvallende uitzondering op de gebruikelijke competentieverdeling tussen de bestuursrechter en de civiele rechter. De Raad is van oordeel dat een dergelijke overlap van procedures, in het licht van de dejuridisering en het tegengaan van onnodige procedures en uiteenlopende jurisprudentie, niet wenselijk is. Hij adviseert de geconstateerde overlap in de Wegenwet ongedaan te maken en te kiezen voor een duidelijke rechtsmachttoedeling naar onderwerp. Competentieafbakening tussen bestuursrechters b. Ook de rechtsmachtverdeling tussen de bestuursrechtelijke appèlcolleges roept in bepaalde gevallen vragen op. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de CRvB en het CBb hebben in november 2001 een gezamenlijk advies aan de Minister van Justitie uitgebracht over een mogelijke herverdeling van rechtsmacht tussen deze gerechten, die leidt tot een logischer en praktischer afbakening van hun werkterreinen.(zie noot 33) Daarbij zijn de algemene onvolkomenheden geïnventariseerd en oplossingen aangedragen. De regering heeft terzake nog geen concrete adviesaanvragen bij de Raad aanhangig gemaakt. Naast deze algemene punten vraagt de Raad aandacht voor gevallen waarin uit de tekst van wettelijke regelingen voortvloeit dat ten aanzien van vergunningsbesluiten een andere bestuursrechter bevoegd is dan ten aanzien van daarmee verband houdende handhavingsbesluiten, zonder dat daarvoor een goede reden is. De Raad noemt twee voorbeelden. - Ingevolge artikel 14 van de Grondwaterwet is voor het onttrekken van grondwater of het infiltreren van water vergunning vereist. Tegen dergelijke vergunningsbesluiten is beroep mogelijk bij de Afdeling bestuursrechtspraak.(zie noot 34) Ten aanzien van de handhavingsbesluiten staat beroep open bij de rechtbank en hoger beroep bij de Afdeling. Gedeputeerde Staten ontlenen hun handhavingsbevoegdheid aan de algemene regeling van artikel 122 van de Provinciewet, omdat de Grondwaterwet zelf geen grondslag voor handhavingsbesluiten bevat. Tegen besluiten op grond van artikel 122 van de Provinciewet staat namelijk bij de Afdeling alleen beroep open, voorzover het besluiten betreft die betrekking hebben op de handhaving van het bepaalde bij of krachtens de wetten waarop hoofdstuk 18 van de Wet milieubeheer (Wm) van toepassing is.(zie noot 35) Artikel 18.1, eerste lid, Wm bepaalt dat hoofdstuk 18 (Handhaving) van toepassing is met betrekking tot de handhaving van het bij of krachtens de in artikel 13.1, tweede lid, genoemde wetten bepaalde, voorzover dit bij of krachtens de betrokken wet is bepaald. Nu de Grondwaterwet wel in dit artikellid wordt genoemd, maar deze niets over handhaving bepaalt, is hoofdstuk 18 Wm niet van toepassing. Als gevolg daarvan staat inzake handhavingsbesluiten op grond van de Grondwaterwet beroep open bij de rechtbank met hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak, terwijl inzake vergunningsbesluiten op grond van de Grondwaterwet in eerste en enige aanleg beroep openstaat bij de Afdeling. - Een soortgelijke discrepantie tussen vergunningsbesluiten en handhavingsbesluiten doet zich voor bij de Winkeltijdenwet. Tegen een op grond van die wet genomen besluit staat beroep open bij het CBb.(zie noot 36) Maar de Winkeltijdenwet bevat geen grondslag voor handhavingsbesluiten. Het gemeentebestuur ontleent de bevoegdheid tot handhavend optreden terzake aan het algemene artikel 125 van de Gemeentewet. Dat zou betekenen dat tegen dergelijke handhavingsbesluiten beroep moet worden ingesteld bij de rechtbank en hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak. Het CBb overwoog dat, hoewel bij een strikt tekstuele uitleg van artikel 10 van de Winkeltijdenwet twijfel mogelijk is over het antwoord op de vraag of een handhavingsbesluit is te beschouwen als een besluit als genoemd in artikel 10, toch van de bevoegdheid van het CBb moet worden uitgegaan.(zie noot 37) Het CBb wees hiertoe op de omstandigheid dat bij artikel 10 aan het CBb terzake van de materie ten gronde competentie is verleend inzake alle op grond van de Winkeltijdenwet genomen besluiten, en het oogmerk van die wet en de daaraan voorafgaande wet om versnippering van rechtsmacht tegen te gaan. Gelet op de hiervoor besproken situaties komt de Raad tot de conclusie dat het van belang is dat voor handhavingsbesluiten in de Awb wordt voorzien in een algemene wettelijke grondslag, waarin onder meer zou kunnen worden bepaald dat het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit inzake een vergunning of ontheffing, tevens het bevoegde bestuursorgaan is met betrekking tot een besluit terzake van de daarmee samenhangende handhaving. Dat voorkomt dat met betrekking tot vergunningbesluiten en rechtsbeschermingsprocedures verschillen ontstaan in competente rechters. 15. Slot De Raad beveelt aan een verzamelwetsvoorstel voor te bereiden waarin de in dit advies gesignaleerde onvolkomenheden in de wetgeving worden verholpen respectievelijk de Ar op de aangegeven punten aan te vullen. De Vice-President van de Raad van State
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Besluit rijden onder invloed BES.
Bij Kabinetsmissive van 24 januari 2020, no.2020000145, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Justitie en Veiligheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende regels over de onderzoeken die kunnen worden ingezet op Bonaire, Sint Eustatius en Saba ter vaststelling van het gebruik van alcohol of andere stoffen die de rijvaardigheid kunnen beïnvloeden (Besluit rijden onder invloed BES), met nota van toelichting.In dit ontwerpbesluit worden, ten behoeve van alcoholcontroles in het verkeer, regels gesteld omtrent de uitvoering van blaas- en bloedonderzoeken op de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten in verband met de bijzondere omstandigheden door COVID-19.
Bij Kabinetsmissive van 8 juni 2020, no.2020001158, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten in verband met de bijzondere omstandigheden door COVID-19 om tijdelijk de geldigheidsduur van functies in het CBBS te verlengen, met nota van toelichting.De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen opmerkingen over het ontwerpbesluit en adviseert het besluit te nemen.Gelet op artikel 26, zesde lid jo vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, adviseert de Afdeling dit advies openbaar te maken.De vice-president van de Raad van StateNader rapport (reactie op het advies) van 16 juni 2020Ik bied U hierbij het ontwerpbesluit en de nota van toelichting wederom aan en verzoek U overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Uitvoeringswet screeningsverordening buitenlandse directe investeringen.
Bij Kabinetsmissive van 4 mei 2020, no.2020000941, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Economische Zaken en Klimaat, mede namens de Minister van Justitie en Veiligheid en de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet houdende regels omtrent de uitvoering van Verordening (EU) 2019/452 van het Europees Parlement en de Raad van 19 maart 2019 tot vaststelling van een kader voor de screening van buitenlandse directe investeringen in de Unie (Uitvoeringswet screeningsverordening buitenlandse directe investeringen), met memorie van toelichting.De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen inhoudelijke opmerkingen bij het voorstel.De Afdeling verwijst naar de bij dit advies behorende redactionele bijlage.De Afdeling adviseert het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal in te dienen.Gelet op artikel 26, zesde lid jo vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, adviseert de Afdeling dit advies openbaar te maken.De vice-president van de Raad van StateRedactionele bijlage bij het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State betreffende no.W18.20.0131/IV- In de memorie van toelichting verduidelijken hoe de verantwoordelijke minister invulling zal geven aan zijn verwerkingsverantwoordelijkheid (als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het voorstel) indien andere betrokken ministers persoonsgegevens verwerken voor de uitvoering van dit voorstel.- In de memorie van toelichting verduidelijken of de benodigde investeringen zijn gedaan, ofwel tijdig worden gedaan, zodat het Nederlandse contactpunt uiterlijk per 11 oktober 2020 operationeel en aangesloten op het Europese netwerk zal zijn.Nader rapport (reactie op het advies) van 18 juni 2020De redactionele kanttekeningen van de Afdeling zijn verwerkt door middel van een aanvulling van de memorie van toelichting in de paragrafen 3.2 en 5.2.Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om een wijziging door te voeren in het wetsvoorstel en de memorie van toelichting daarop aan te passen. Er is in artikel 7 een wijziging van de Handelsregisterwet 2007 opgenomen. In de Wet van 26 juni 2019 tot wijziging van de Handelsregisterwet 2007 in verband met de evaluatie van die wet, alsmede regeling van enkele andere aan het handelsregister gerelateerde onderwerpen in het Burgerlijk Wetboek, de Handelsregisterwet 2007 en de Wet op de Kamer van Koophandel (Stb. 2019, 280) is een wijziging van artikel 28, derde lid, van de Handelsregisterwet 2007 opgenomen. De wijziging strekt ertoe de lijst die in dit artikellid is opgenomen te verplaatsen naar het Handelsregisterbesluit 2008. In de memorie van toelichting werd tot nu toe uitgegaan van de nieuwe situatie. Echter, deze wijziging is nog niet in werking getreden. Het is essentieel dat de verantwoordelijke minister vanaf de inwerkingtreding van de uitvoeringswet de mogelijkheid heeft de gegevens uit het handelsregister te rangschikken naar natuurlijke personen. Daarom wordt de verantwoordelijke minister opgenomen in de lijst in artikel 28, derde lid, van de Handelsregisterwet 2007.Wanneer bovengenoemde wijziging van de Handelsregisterwet 2007 in werking treedt en de lijst wordt overgeheveld naar het Handelsregisterbesluit 2008, zal ook de bevoegdheid voor de verantwoordelijke minister worden overgeheveld.Ik verzoek U, mede namens de Minister van Justitie en Veiligheid en de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, het hierbij gevoegde gewijzigde voorstel van wet en de gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.De Minister van Economische Zaken en Klimaat
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Besluit belasting- en invorderingsrente.
Bij Kabinetsmissive van 19 mei 2020, no.2020001019, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Financiën, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende vaststelling van het Besluit belasting-en invorderingsrente, met nota van toelichting.De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen opmerkingen over het ontwerpbesluit en adviseert het besluit te nemen.Gelet op artikel 26, zesde lid jo vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, adviseert de Afdeling dit advies openbaar te maken.De vice-president van de Raad van State
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van de Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring met het oog op het handhaven van de mogelijkheden om maatregelen te nemen ten aanzien van overlastgevende vreemdelingen.
Bij Kabinetsmissive van 27 januari 2020, no.2020000158, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring met het oog op het handhaven van de mogelijkheden om maatregelen te nemen ten aanzien van overlastgevende vreemdelingen, met memorie van toelichting.Het wetsvoorstel strekt tot aanpassing van het wetsvoorstel terugkeer en vreemdelingenbewaring (Wtvb), dat momenteel bij de Eerste Kamer ligt. Deze novelle voorziet onder meer in een bevoegdheid voor de directeur van een inrichting voor vreemdelingenbewaring om bij ernstige orde- en veiligheidsproblemen een "lock down" in te stellen, waarbij vreemdelingen gedurende 23 uur per dag kunnen worden opgesloten in hun cel.De Afdeling advisering van de Raad van State maakt opmerkingen over de mogelijke duur van de "lock down"-bevoegdheid. In verband daarmee is aanpassing van het voorstel wenselijk.1. InleidingDe uitvoering van vreemdelingenbewaring in huizen van bewaring waar een strafrechtelijk regime geldt op grond van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) heeft in het verleden tot veel kritiek geleid. Daarom diende de regering in 2015 de Wtvb in bij de Tweede Kamer. Met de Wtvb wordt een eigen (bestuursrechtelijk) kader voor vreemdelingenbewaring geïntroduceerd. Dat kader moet meer aansluiten bij de doelstelling van die bewaring en er moet meer worden uitgegaan van het beginsel van minimale beperkingen. De Wtvb introduceert hiertoe twee hoofdregimes voor vreemdelingenbewaring: het verblijfsregime en het beheersregime.Binnen beide regimes heeft een vreemdeling onder meer recht op een minimaal aantal uren aan vrije beweging binnen de inrichting en aan dagbesteding. Daarbij houdt het verblijfsregime een verruiming in ten opzichte van het huidige regime onder de Pbw. De artikelen 22 en 23 van de Wtvb regelen deze rechten voor het verblijfsregime; artikel 36 Wtvb regelt (onder meer) deze rechten voor het beheersregime.2. Duur "lock down"De toelichting maakt melding van een aantal incidenten in 2019 in het Detentiecentrum Rotterdam, waar vreemdelingen in bewaring zitten. Momenteel geldt daar nog het strafrechtelijk regime van de Pbw. Deze incidenten hebben de directeur er diverse keren toe genoodzaakt om in te grijpen, waarbij onder meer besloten is tot een "lock down", aldus de toelichting.De regering acht het voor uitzonderingssituaties noodzakelijk om deze mogelijkheid ook op te nemen in de Wtvb, voor het geval het bestaande palet aan orde- en disciplinaire maatregelen geen soelaas biedt. Daarmee kan de rust na een ernstig incident weerkeren en wordt de norm ‘handen af van het personeel’ kracht bijgezet, aldus de toelichting. De directeur krijgt daarom in de Wtvb de bevoegdheid om, zowel in het verblijfsregime als het beheersregime, een "lock down" van maximaal zes weken in te stellen. Daarbij kunnen vreemdelingen gedurende maximaal 23 uur per dag worden ingesloten op hun cel. (zie noot 1)De Afdeling heeft begrip voor het opnemen van een bevoegdheid in de Wtvb om in een uiterste noodsituatie een algemene maatregel (en geen individuele) te treffen gericht tegen alle vreemdelingen in de inrichting of een afdeling daarvan. Daarmee kunnen de orde, rust en veiligheid worden hersteld. De duur van deze maatregel dient zo beperkt mogelijk te zijn zoals ook de regering in de toelichting onderkent. Dit mede in het licht van het doel van de Wtvb om voor vreemdelingenbewaring een eigen bestuursrechtelijk, minder-penitentiair kader te introduceren met het beginsel van minimale beperkingen als uitgangspunt. De vraag rijst of een maximale duur van zes weken, zoals voorzien in de novelle, daar bij past.Uit de toelichting blijkt dat deze maximale duur van zes weken mede bedoeld is om de mogelijkheid te bieden om in fasen terug te keren naar het gewone dagprogramma. Gelet op het algemene en ingrijpende karakter van een "lock down" lijkt het de Afdeling weinig gelukkig deze maatregel mede voor de terugkeer naar het gewone dagprogramma te gebruiken. De "lock down" zou niet langer moeten duren dan strikt noodzakelijk is om de orde, rust en veiligheid terug te laten keren. Vreemdelingen die niet verantwoordelijk waren voor de verstoring van de orde, rust en veiligheid, zouden daarna weer volledig moeten kunnen terugkeren naar het gewone dagprogramma. Voor de vreemdelingen die wel verantwoordelijk waren voor de verstoring geldt dat zij zo nodig langer van het gewone dagprogramma kunnen worden uitgesloten of daarin kunnen worden beperkt, met gebruikmaking van de bevoegdheid in de Wtvb om een orde- of disciplinaire maatregel op te leggen of overplaatsing naar het beheersregime te realiseren. Gelet hierop denkt de Afdeling wat de maximale duur van de "lock down" betreft eerder aan een aantal dagen dan aan weken.De Afdeling adviseert daarom het wetsvoorstel op dit punt aan te passen.3. GemeenschapsonderdaanHet voorgestelde artikel 59d, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) bepaalt dat de ‘gemeenschapsonderdaan’ die niet rechtmatig in Nederland verblijft onder bepaalde voorwaarden met het oog op uitzetting naar een andere lidstaat van de Europese Unie in vreemdelingenbewaring kan worden gesteld. (zie noot 2) Het begrip gemeenschapsonderdaan is een bestaand begrip in de Vw 2000, gedefinieerd in artikel 1, dat meer omvat dan alleen onderdanen van EU-lidstaten. (zie noot 3) Nu het doel van het artikel is om personen beschikbaar te houden met oog op uitzetting naar een andere lidstaat, rijst de vraag of het artikellid zich niet zou moeten beperken tot Unieburgers, zoals de toelichting ook doet vermoeden. (zie noot 4)Indien wel bedoeld is alle gemeenschapsonderdanen onder het bereik van artikel 59d te brengen, rijst de vraag hoe de bepaling zich verhoudt tot het doel de vreemdeling beschikbaar te houden met het oog op ‘uitzetting naar een andere lidstaat van de Europese Unie’.De Afdeling adviseert in de toelichting op het voorgaande in te gaan en het wetsvoorstel zo nodig aan te passen.4. AdviezenUit de toelichting blijkt dat - gezien de beperkte reikwijdte van het voorstel en met het oog op de voortgang - over de novelle geen consultatie-adviezen zijn ingewonnen. (zie noot 5) De Afdeling merkt op dat nu de behandeling van het wetsvoorstel Wtvb reeds geruime tijd in beslag neemt (het voorstel is in 2015 bij de Tweede Kamer ingediend) en gelet op de mogelijk ingrijpende gevolgen voor vreemdelingen van met name de "lock down", het in de rede had gelegen over de novelle consultatiereacties te vragen aan deskundigen en betrokken uitvoeringsinstanties.De Afdeling adviseert advies te vragen aan de relevante organisaties en instanties.5. De Afdeling verwijst naar de bij dit advies behorende redactionele bijlage.De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal opmerkingen bij het voorstel en adviseert daarmee rekening te houden voordat het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal wordt ingediend.De vice-president van de Raad van StateRedactionele bijlage bij het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State betreffende no.W16.20.0009/II- Verduidelijk in het voorgestelde artikel 5, eerste lid, van de Wtvb dat met de "lock down"-bevoegdheid alleen van artikel 36 van de Wtvb kan worden afgeweken, voor zover het gaat om de rechten op bewegingsvrijheid en dagbesteding.Nader rapport (reactie op het advies) van 10 juni 20202. Duur "lock down"De regering is verheugd te constateren dat de Afdeling in haar advies begrip heeft voor het opnemen van een bevoegdheid in de Wtvb om in een uiterste noodsituatie een algemene maatregel (en geen individuele) te treffen gericht tegen alle vreemdelingen in de inrichting of een afdeling daarvan. Het advies om de maximale termijn van een lockdown te verkorten vanwege het ingrijpende karakter, heeft geleid tot een heroverweging van deze termijn. Deze is in het wetsvoorstel aangepast naar vier weken. De 'enkele dagen' waar de Afdeling aan refereert zijn in de praktijk niet werkbaar aangezien het in sommige gevallen noodzakelijk kan zijn om gedurende een wat langere periode toe te werken naar normalisering van de omstandigheden in bewaring. Dit verloopt dan volgens een fasenplan, waarbij soms na een stap vooruit helaas weer een stap achteruit moet worden gezet. Van belang hierbij is dat, zoals de Afdeling zelf ook opmerkt in haar advies, een lockdown niet altijd de gehele inrichting treft. Daar waar mogelijk gelden de beperkingen alleen voor degenen die met hun gedrag de lockdown hebben veroorzaakt, bijvoorbeeld iedereen die in het beheersregime verblijft op de daartoe bestemde beheersafdeling. Zo wordt voorkomen dat de andere vreemdelingen langer worden ingesloten dan nodig en dat men bijvoorbeeld weinig tot geen dagbesteding heeft.Deze benadering om vreemdelingen zoveel mogelijk gericht aan te pakken in plaats van ongericht is onderdeel van de standaardwerkwijze in vreemdelingenbewaring en past in het uitgangspunt van regimedifferentiatie en het protocol van de-escalatie en relationele veiligheid (Handhavingsmatrix Detentie Centrum Rotterdam, hierna DCR). Voorop staat dat in geval van ongewenst gedrag van vreemdelingen in bewaring een persoonlijke benadering de voorkeur geniet. In dialoog met betrokkene wordt hij aangesproken op zijn gedrag en wordt gezamenlijk gezocht naar een oplossing. De-escalatie en dialoog zijn de sleutelwoorden met het oog op het bieden van een veilig leefklimaat voor zowel ingesloten vreemdelingen als personeel. Deze aanpak kent echter zijn grenzen. Waar de dialoog geen soelaas biedt bij het oplossen van een onveilige of ongewenste situatie, kan een persoonsgerichte straf of maatregel noodzakelijk zijn.Maar net zoals de-escalerend optreden zijn grenzen kent, kent ook de individuele aanpak zijn grenzen. Er zijn situaties waarin ingesloten vreemdelingen groepsgewijs personeelsleden belagen of anderszins onrust stoken. Soms gebeurt dit georkestreerd, waarbij de onrust zich over meerdere delen van de inrichting kan verspreiden. Het spreekt vanzelf dat deze stressvolle situaties het uiterste vragen van het personeel maar ook van vreemdelingen die zich wel normaal gedragen en de onrust als bedreigend ervaren. Het tijdelijk insluiten van alle vreemdelingen is dan het enige instrument om de rust te waarborgen en het personeel de gelegenheid te geven zich te herpakken en op adem te komen. Hetzelfde kan overigens evenzeer geacht worden te gelden voor de vreemdelingen die zich verre willen houden van de onrust en negatieve dynamiek onder de mede-ingeslotenen.In een dergelijk gespannen sfeer komt er een limiet aan de belasting die nog redelijkerwijs van het personeel kan worden verlangd. Bij grootschalige ordeverstoringen volstaat het niet altijd de onruststokers en meelopers aan te spreken, maar is ook sprake van impact op andere betrokkenen: personeel en de andere vreemdelingen. De directeur van een inrichting heeft ruimte nodig om te beoordelen wat nodig is. Met een lockdown kan worden voorkomen dat echt gevaarlijke situaties gaan ontstaan en daarmee is deze bevoegdheid onmisbaar voor een veilige tenuitvoerlegging. De inzet van de directeur is om de lockdown zo kort mogelijk te laten duren. Dit zal in de praktijk voor een hele inrichting vaak maximaal enkele dagen zijn. Voor een afdeling kan dit langer duren en daarom is meer speelruimte hier noodzakelijk.De lockdown heeft enkel tot doel het herstellen van de rust en stabiliteit in de inrichting voor vreemdelingenbewaring. Geenszins wordt beoogd de gehele inrichting gedurende de gehele duur van de lockdown het gehele dagprogramma te onthouden. Integendeel, de lockdown wordt zoals eerder opgemerkt gericht ingezet, dat wil zeggen gefaseerd en per afdeling. Het kan zo zijn dat afdelingen afzonderlijk in andere fasen zitten. Tijdsduur van fasen is afhankelijk van het gedrag van ingesloten vreemdelingen. In de eerste en meest kritieke fase van de lockdown worden op alle onrustige afdelingen de vreemdelingen ingesloten. Er wordt enkel buiten luchten aangeboden in kleine groepen. Alle ingesloten vreemdelingen van deze afdelingen krijgen hierop een toelichting en een besluit van de directeur uitgereikt. Vervolgens wordt per dag en per afdeling bekeken of een overgang naar een volgende fase mogelijk is. Zodra dat mogelijk is, wordt het dagprogramma weer opgestart met halve afdelingen (dit heet een gespiegeld dagprogramma). Indien er opnieuw sprake is van groepsgerichte agressie tegen personeel of andere vreemdelingen, valt men terug op de eerste fase. Indien het rustig blijft, wordt het dagprogramma weer volledig opgestart, echter nog zonder avondopenstelling. In een volgende fase is ook weer sprake van halve avondopenstelling (gespiegeld programma), waarbij elke vreemdeling de halve avond is uitgesloten.Wanneer de rust en stabiliteit volledig zijn teruggekeerd en de situatie is genormaliseerd, wordt het volledige dag- en avondprogramma opgestart. Eerst dan is sprake van een beëindiging van de lockdown. Dit gefaseerd opstarten vereist een zorgvuldige aanpak, waarbij het noodzakelijk kan blijken ook weer af te schalen in eerder verleende vrijheden. Een zorgvuldige uitvoering van dit proces waarbij gefaseerd en gevarieerd op- en afgeschaald kan worden, vergt een periode van minimaal vier weken.Benadrukt wordt dat het besluit om een lockdown in te stellen geen sinecure is en niet lichtvaardig zal worden genomen. Het lockdownproces is bovendien met belangrijke waarborgen omkleed. Ingeval de directeur tijdelijk afwijkt van de artikelen 22 en 23 of van artikel 36 van het wetsvoorstel doet hij hiervan onverwijld schriftelijk mededeling aan de vreemdelingen in bewaring. Tevens stelt hij onverwijld de commissie van toezicht op de hoogte. Omdat de lockdown een maatregel betreft die eenieder in de inrichting voor vreemdelingenbewaring kan treffen en dus ziet op de algemene omstandigheden in bewaring, kan men beklag doen op grond van artikel 72, eerste lid, onder b. Hierna is vervolgens beroep mogelijk bij de speciale beroepskamer tenuitvoerlegging vreemdelingenbewaring van de Raad voor de strafrechtstoepassing en jeugdbescherming.3. GemeenschapsonderdaanHet voorgestelde 59d, eerste lid, van de Vw 2000 regelt de bewaring van vreemdelingen die niet onder de Terugkeerrichtlijn (onrechtmatig verblijvende derdelanders), de Opvangrichtlijn (asielzoekers) of de Dublinverordening vallen. De Afdeling vraagt zich af of in het voorgestelde artikel 59d van de Vw 2000 niet het begrip ‘Unieburger’ moet worden gebruikt. In reactie hierop zijn de toelichting en het wetsvoorstel aangepast. De Terugkeerrichtlijn is niet van toepassing op personen die onder het Unierecht inzake vrij verkeer vallen. Dit zijn niet alleen Unieburgers maar ook hun familieleden tevens derdelanders, alsmede onderdanen van Noorwegen, IJsland, Liechtenstein en Zwitsersland en hun familieleden tevens derdelanders. Het begrip ‘gemeenschapsonderdaan’ van artikel 1 van de Vw 2000 omvat deze hele groep en het voorgestelde artikel 59d dient hierop van toepassing te zijn. Er is namelijk anders geen wettelijke grondslag voor vreemdelingenbewaring, die specifiek op deze doelgroep is toegesneden.Op advies van de Afdeling is tevens aangepast dat vreemdeling beschikbaar wordt
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Besluit experiment gesloten coffeeshopketen.
Bij Kabinetsmissive van 20 november 2019, no.2019002437, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Medische Zorg, mede namens de Minister van Justitie en Veiligheid, in overeenstemming met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende regels over het experiment met een gesloten coffeeshopketen (Besluit experiment gesloten coffeeshopketen), met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Aanpassing van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (modernisering bewijsrecht).
Bij Kabinetsmissive van 21 oktober 2019, no.2019002208, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Rechtsbescherming, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot aanpassing van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en enige andere wetten in verband met de vereenvoudiging en modernisering van het bewijsrecht, met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Tweede Verzamelwet COVID-19.
Bij Kabinetsmissive van 5 juni 2020, no.2020001149, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, mede namens de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, in overeenstemming met de Minister voor Medische Zorg, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet houdende tijdelijke voorzieningen op het terrein van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en het Ministerie van Justitie en Veiligheid, en tot wijziging van enkele wetten op het terrein van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, het Ministerie van Justitie en Veiligheid en het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Tweede Verzamelspoedwet COVID-19), met memorie van toelichting.De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen inhoudelijke opmerkingen bij het voorstel.De Afdeling verwijst naar de bij dit advies behorende redactionele bijlage.De Afdeling adviseert het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal in te dienen.Gelet op artikel 26, zesde lid jo vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, adviseert de Afdeling dit advies openbaar te maken.De vice-president van de Raad van StateRedactionele bijlage bij het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State betreffende no.W05.20.0168/I- In het voorgestelde artikel 7.37c, eerste lid, onder b, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek "bedoeld in de artikelen 7.30a tot en met 7.30c" vervangen door "bedoeld in de artikelen 7.30b en 7.30c".- In artikel 3.3, eerste en tweede lid, aansluiten bij de terminologie van artikel 1, aanhef en onder c, juncto artikel 1, onderdeel b, onder 2° en 3° van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren.- In artikel 3.3, tweede lid, de zin die begint met "Het bestuur van het gerecht" overbrengen in een nieuw derde lid. De zinsnede die begint met "Hoofdstuk 2" in een nieuw vierde lid.Nader rapport (reactie op het advies) van 16 juni 2020Het voorstel geeft de Afdeling advisering van de Raad van State geen aanleiding tot het maken van inhoudelijke opmerkingen.De redactionele opmerking van de Afdeling advisering bij het voorgestelde artikel 7.37c, eerste lid, onderdeel b, is overgenomen. Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om enkele artikelen toe te voegen aan de in artikel 7.37c, eerste lid, onder a opgenomen opsomming van artikelen waarin vooropleidings- en toelatingseisen zijn neergelegd. De artikelen waren abusievelijk in de opsomming achterwege gelaten.Ook de redactionele opmerkingen van de Afdeling advisering bij artikel 3.3 zijn overgenomen. Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om de tekst van artikel 3.3 en de memorie van toelichting op dit onderdeel verder te verduidelijken en beter in te passen in het systeem van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren.Ik moge U, mede namens mijn ambtgenoot voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, mijn ambtgenoot van Infrastructuur en Waterstaat, mijn ambtgenoot van Justitie en Veiligheid en mijn ambtgenoot voor Rechtsbescherming, en in overeenstemming met mijn ambtgenoot voor Medische Zorg, verzoeken het hierbij gevoegde gewijzigde voorstel van wet en de gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van het Scheepsafvalstoffenbesluit Rijn- en binnenvaart.
Bij Kabinetsmissive van 7 april 2020, no.2020000700, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Scheepsafvalstoffenbesluit in verband met de invoering van een ontgassingsverbod op de binnenwateren in het Verdrag inzake de verzameling, afgifte en inname van afval in de Rijn- en binnenvaart (CDNI), met nota van toelichting.De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen opmerkingen over het ontwerpbesluit en adviseert het besluit te nemen.Gelet op artikel 26, zesde lid jo vijfde li d, van de Wet op de Raad van State, adviseert de Afdeling dit advies openbaar te maken.De vice-president van de Raad van State
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Voorlichting inzake het voorstel lid Van Meenen tot wijziging kinderopvang rijksvaccinatieprogramma.
Bij brief van 7 april 2020 heeft de Voorzitter van de Eerste Kamer op de voet van artikel 21a, eerste lid, van de Wet op de Raad van State aan de Afdeling advisering van de Raad van State gevraagd de Eerste Kamer van voorlichting te dienen betreffende een nota van wijziging bij het voorstel van wet van het lid Van Meenen tot wijziging van de Wet kinderopvang teneinde te bevorderen dat ouders kunnen kiezen tussen kindercentra die wel of niet kinderen toelaten die niet deelnemen aan het rijksvaccinatieprogramma.Uitsluiting door een kinderopvangcentrum van kinderen en werknemers die - uit godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging - niet gevaccineerd zijn vormt indirect onderscheid op grond van godsdienst of levensovertuiging als bedoeld in de Algemene wet gelijke behandeling (hierna: Awgb). De wetgever heeft een zekere ruimte om in een bijzondere wet (lex specialis) een uitzondering op het verbod op indirect onderscheid op te nemen. Dat geldt onder meer in het onderhavige geval. Wel dient de wetgever bij het maken van zulke uitzonderingen terughoudend te zijn.Als gevolg van een dergelijke lex specialis zal geen ruimte meer zijn voor een nadere belangenafweging in concrete gevallen in het licht van de Awgb door de rechter of het College voor de Rechten van de Mens. De wetgever dient daarom op wetsniveau - in de wet en in de vorm van een in de toelichtende stukken uitdrukkelijke belangenafweging - een objectieve rechtvaardiging voor het indirect onderscheid te bieden. Artikel 6 van de Grondwet is als zodanig weliswaar niet op deze materie van toepassing. Wel zal de wetgever in het licht van de systematiek van de Awgb, het EVRM en het Unierecht aannemelijk moeten maken dat sprake is van een legitiem doel dat met het indirect onderscheid gediend wordt, en dat het middel dat daartoe wordt gebruikt (het onderscheid) geschikt en noodzakelijk is.De Afdeling van de Raad van State is van oordeel dat transparantie van kinderopvangcentra over hun beleid om niet-gevaccineerde kinderen en personeelsleden al dan niet te weigeren op zichzelf een onvoldoende passende en zwaarwegende doelstelling vormt om het maken van indirect onderscheid in de zin van de Awgb te kunnen rechtvaardigen. Wanneer de doelstelling verbreed zou worden en zich naast het doel om transparantie te bieden ook zou richten op de bevordering van de volksgezondheid en beperking van het besmettingsrisico binnen een kinderopvangcentrum, is een dergelijke rechtvaardiging wel denkbaar. Daartoe is noodzakelijk dat de wetgever een adequate en inzichtelijke afweging maakt van de verschillende belangen die in het geding zijn, waarin de toelaatbaarheid van het indirect onderscheid op grond van godsdienst of levensovertuiging (mede) in het licht van het belang van de gezondheid generiek gerechtvaardigd wordt. Op grond van een dergelijke afweging zou de voorgestelde specifieke wettelijke regeling in het licht van het systeem van de Awgb evenals het EVRM en het Unierecht objectief gerechtvaardigd kunnen worden.1. InleidingDe Afdeling advisering is door de Eerste Kamer om voorlichting gevraagd over een nota van wijziging bij het voorstel van wet van het lid Van Meenen tot wijziging van de Wko teneinde te bevorderen dat ouders kunnen kiezen tussen kindercentra die wel of niet kinderen toelaten die niet deelnemen aan het rijksvaccinatieprogramma. (zie noot 1) Deze wijziging beoogt buiten twijfel te stellen dat, voor zover het uitsluitend toelaten van gevaccineerde kinderen en werknemers met zich mee zou brengen dat indirect onderscheid op grond van godsdienst of levensovertuiging wordt gemaakt, zulk onderscheid per definitie objectief gerechtvaardigd is in de zin van artikel 2, eerste lid, Awgb. (zie noot 2)Aan de Afdeling is de vraag voorgelegd hoe deze toevoeging zich verhoudt tot artikel 6 van de Grondwet en de Awgb, met name voor wat betreft de passendheid en noodzakelijkheid van het gekozen middel voor het bereiken van het voorgestane doel. Om deze vraag te beantwoorden worden eerst de inhoud en achtergrond van het wetsvoorstel en de nota van wijziging uiteengezet (punt 2). Vervolgens wordt het juridisch kader geschetst en wordt ingegaan op de legitimiteit van de doelstelling, de passendheid en de noodzakelijkheid van de specifieke wetsbepaling waar de nota van wijziging op ziet (punt 3). De voorlichting wordt afgesloten met een conclusie (punt 4).2. Het initiatiefwetsvoorstela. Inhoud en doelstelling initiatiefwetsvoorstelHet initiatiefwetsvoorstel van het lid Van Meenen (zie noot 3) beoogt wijziging van de Wet kinderopvang (Wko) met als doel het tot stand brengen van transparantie op de markt van kinderopvangcentra, in het belang van ouders die zich zorgen maken over de veiligheid van hun kinderen op de kinderopvang. Daarbij gaat het met name om het risico op besmetting met mazelen. Op grond van het wetsvoorstel worden kinderopvangcentra verplicht transparant te zijn over hun beleid met betrekking tot het accepteren of weigeren van niet-gevaccineerde kinderen en personeelsleden. Kinderopvangcentra mogen zelf bepalen of zij uitsluitend (of nagenoeg uitsluitend) kinderen en personeelsleden, die aantoonbaar deelnemen aan het Rijksvaccinatieprogramma, toelaten. (zie noot 4) Zij moeten dit beleid via een landelijk register kinderopvang openbaar maken. (zie noot 5)b. Advies Afdeling advisering Raad van StateIn haar advies over het initiatiefwetsvoorstel sprak de Afdeling begrip uit voor het oogmerk van het voorstel om zorgen van ouders weg te nemen over mogelijke besmetting van hun kinderen binnen kinderopvangcentra. Wel adviseerde zij het voorstel mede in het perspectief van het maatschappelijke probleem van de dalende vaccinatiegraad te plaatsen. (zie noot 6) In dat verband adviseerde de Afdeling in de toelichting een nadere rechtvaardiging te geven voor het maken van indirect onderscheid op grond van godsdienst of levensovertuiging, op basis van bescherming van de gezondheid en de rechten en vrijheden van anderen. (zie noot 7) In zijn reactie op het advies stelde de (toenmalige) initiatiefnemer Raemakers dat een voldoende rechtvaardiging voor het maken van indirect onderscheid gelegen is in transparantie en het recht van ouders om geïnformeerde keuzes te kunnen maken inzake de gezondheidsrisico’s voor hun kind. Volgens de initiatiefnemer is het voorstel geschikt en noodzakelijk om dat doel te bereiken. (zie noot 8)c. Gewijzigd voorstel van wetNaar aanleiding van de parlementaire behandeling (zie noot 9) is het voorstel van wet bij nota van wijziging van 13 juni 2019 op enkele punten gewijzigd. (zie noot 10) Eén van die wijzigingen betreft een toevoeging aan artikel 1.49a Wko. Voorgesteld wordt daaraan een derde lid toe te voegen, luidend: "Voor zover handelen overeenkomstig het eerste lid het maken van indirect onderscheid op grond van godsdienst of levensovertuiging met zich meebrengt is dat gerechtvaardigd in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Algemene wet gelijke behandeling" (zie noot 11) (hierna: de wijziging).Met de voorgestelde wijziging wordt beoogd buiten twijfel te stellen dat, voor zover het weigeringsbeleid indirect onderscheid op grond van godsdienst of levensovertuiging met zich brengt, zulk onderscheid per definitie objectief gerechtvaardigd is in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Awgb. Dat impliceert, aldus de toelichting, "dat de wetgever ervan uit gaat dat sprake is van een legitiem doel en van een middel voor het bereiken daarvan dat passend en noodzakelijk is". (zie noot 12) Het aldus gewijzigde voorstel van wet (zie noot 13) is op 18 februari 2020 door de Tweede Kamer aangenomen.3. Verhouding van de wijziging tot artikel 6 van de Grondwet en de AwgbHet gevolg van de nota van wijziging zal zijn dat kinderopvangcentra niet-gevaccineerde kinderen en personeelsleden de toegang kunnen weigeren zonder dat een beroep daartegen op grond van de Awgb nog kans van slagen heeft.Er is een zekere ruimte voor de wetgever om bij bijzondere wet (lex specialis) een uitzondering op het in de Awgb geformuleerde algemene verbod op indirect onderscheid op te nemen. In onderhavig geval zal met een specifieke wetsbepaling voor kinderopvangcentra meer zekerheid worden geboden over de juridische houdbaarheid van het voeren van een weigeringsbeleid. Het gevolg daarvan is, dat voor een belangenafweging in concrete situaties aan de hand van de Awgb door de rechter of het College voor de Rechten van de Mens geen ruimte meer is. Een dergelijke belangenafweging dient daarom meer generiek, op wetsniveau verricht te worden en inzichtelijk gemaakt te worden in de vorm van de toelichtende stukken bij het voorstel.a. Artikel 6 Grondwet, artikel 9 EVRM, UnierechtDe vraag is allereerst hoe het beleid van kinderopvangcentra om niet-gevaccineerde kinderen en werknemers uit te sluiten beoordeeld moet worden in het licht van artikel 6, eerste lid, van de Grondwet, indien het nalaten van vaccinatie is ingegeven door godsdienst of levensovertuiging. Klassieke grondwettelijke vrijheidsrechten hebben als zodanig in het algemeen slechts verticale werking, gericht op de gezagsrelatie tussen overheid en burger. Kinderopvangcentra zijn evenwel private ondernemingen, die een vrijheidsmarge hebben om op basis van eigen beleid kinderen en medewerkers uit te sluiten. (zie noot 14)Binnen de private, horizontale verhoudingen tussen kinderopvangcentra en ouders zijn bepalingen zoals artikel 6 van de Grondwet als zodanig niet van toepassing: zij hebben geen rechtstreekse, directe werking. Wel zullen achterliggende grondrechtelijke beginselen, afhankelijk van de aard van de specifieke belangen en situaties, in de afweging bij de concretisering van open privaatrechtelijke normen toch een belangrijke rol kunnen spelen (de zogenaamde indirecte horizontale werking van grondrechten). (zie noot 15)Een en ander vloeit ook voort uit het EVRM en het Unierecht. De Afdeling zal derhalve ook dit recht in ogenschouw nemen. De vrijheid van godsdienst en levensovertuiging wordt mede gewaarborgd door artikel 9 van het EVRM, welke bepaling door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens rechtstreeks in vergelijkbare zaken als de onderhavige wordt toegepast op horizontale verhoudingen. (zie noot 16) Daarnaast is van belang Richtlijn 2000/78 betreffende gelijke behandeling in arbeid en beroep, (zie noot 17) welke is geïmplementeerd in de voor het onderhavige geval relevante Awgb-bepalingen en evenzeer op horizontale verhoudingen ziet. (zie noot 18) Binnen beide kaders (EVRM en Unierecht) spelen de beginselen van subsidiariteit, proportionaliteit en legitiem doel een doorslaggevende rol. De beoordeling of aan deze criteria wordt voldaan, is materieel gelijk aan de beoordeling of er sprake is van een objectieve rechtvaardiging in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Awgb. Daarop wordt hierna ingegaan.b. Algemene wet gelijke behandelingDe vrijheidsmarge van kinderopvangcentra om als private ondernemingen op basis van eigen beleid kinderen en werknemers uit te sluiten, wordt begrensd door de Awgb. (zie noot 19) De Awgb vormt een nadere, ook op horizontale verhoudingen toegespitste uitwerking van de beginselen die ten grondslag liggen aan artikel 1 van de Grondwet, dat voorschrijft dat gelijke gevallen gelijk behandeld worden en discriminatie op welke grond dan ook verboden is. Indien kinderopvangcentra wordt toegestaan om niet-gevaccineerde kinderen en medewerkers te weigeren, kan dit kwalificeren als een vorm van indirect onderscheid in de zin van artikel 1 van de Awgb. Een dergelijke weigering zal weliswaar neutraal geformuleerd zijn (in termen van het al dan niet gevaccineerd zijn), dus niet rechtstreeks gebaseerd op één van de in de Awgb opgesomde discriminatiegronden en daarmee geen direct onderscheid inhouden. Maar ouders of werknemers die op grond van hun godsdienst of levensovertuiging bezwaren hebben tegen vaccinatie zullen er wel bijzonder door getroffen worden. Ten opzichte van hen is derhalve sprake van indirect onderscheid. (zie noot 20)Op grond van artikel 7, eerste lid, respectievelijk artikel 5, eerste lid, van de Awgb is het genoemde indirect onderscheid jegens ouders respectievelijk werknemers in beginsel verboden. Zulk onderscheid kan niettemin objectief gerechtvaardigd zijn doordat het een legitiem doel dient en voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk is (artikel 2, eerste lid, van de Awgb). Het beroep op een dergelijke objectieve rechtvaardiging kan onderworpen worden aan een op het concrete geval toegesneden toetsing door de rechter en het College voor de Rechten van de Mens. De Awgb kent naast de generieke rechtvaardigingsgrond voor indirect onderscheid in de vorm van een objectieve rechtvaardiging onder artikel 2, eerste lid, van de Awgb, ook een aantal specifieke uitzonderingen op het verbod van (in)direct onderscheid. Deze zien onder meer op de interne sfeer van kerkgenootschappen en andere organisaties, op basis waarvan deze onderscheid op grond van godsdienst of geloofsovertuiging kunnen maken. (zie noot 21) Tot op zekere hoogte vergelijkbaar met de voorgestelde wijziging, is artikel 5, lid 2a, van de Awgb, dat ruimte biedt aan gemeenten om onderscheid te maken op grond van godsdienst of levensovertuiging ten aanzien van een (buitengewoon) ambtenaar van de burgerlijke stand die in de uitoefening van zijn ambt onderscheid maakt. Op grond hiervan kan de (buitengewoon) ambtenaar van de burgerlijke stand, die op religieuze of levensbeschouwelijke gronden bezwaren heeft tegen het voltrekken van het huwelijk van personen van gelijk geslacht, zonder overtreding van de Awgb uitgesloten worden. (zie noot 22)Bij het invoeren van zulke specifieke wettelijke uitzonderingen op de in de Awgb neergelegde verboden ten aanzien van (in)direct onderscheid dient terughoudendheid betracht te worden. Handelen dat gedekt wordt door deze uitzonderingen wordt daardoor immers buiten het bereik van individuele toetsing aan de Awgb door de rechter en het College van de Rechten voor de Mens geplaatst. Tegelijkertijd zal dergelijk handelen nog steeds onderworpen blijven aan toetsing aan - zoals hiervoor benoemd ook in de horizontale verhoudingen rechtstreeks doorwerkende - bepalingen van het EVRM en het Unierecht.Met de voorgestelde wijziging wordt niettemin voorgesteld een nieuwe, specifieke uitzondering op het in artikelen 5, eerste lid, en 7 eerste lid, van de Awgb neergelegde verbod op indirect onderscheid op grond van godsdienst en levensovertuiging in te voeren. Met het oog hierop dient de wetgever in de toelichtende stukken in de vorm van een duidelijke belangenafweging een objectieve rechtvaardiging te geven voor dit onderscheid, zodanig dat daarmee op wetsniveau voldaan is aan de criteria neergelegd in artikel 2, eerste lid, van de Awgb, en daarmee in principe ook aan de vereisten die voortvloeien uit het EVRM en het Unierecht. (zie noot 23) Die belangenafweging en daarop gebaseerde rechtvaardiging is tot nu toe niet gegeven. (zie noot 24)c. Legitiem doel, subsidiariteit, proportionaliteitDe Afdeling gaat nader in op de elementen die in deze alsnog te verrichten belangenafweging aan de orde zijn.i. Legitiem doelUit zowel de toelichting als de parlementaire discussie volgt dat het initiatiefwetsvoorstel uitsluitend tot doel heeft transparantie op de markt van kinderopvangcentra te bewerkstelligen, opdat ouders een goed geïnformeerde keuze kunnen maken voor de opvang van hun kind. (zie noot 25) Hoewel transparantie voor ouders over het voeren van een weigeringsbeleid door kinderopvangcentra kan bijdragen aan de geïnformeerde keuzevrijheid van ouders om hun kind al dan niet bloot te stellen aan een zeker besmettingsrisico, vormt die transparantie op zichzelf nog niet een voldoende rechtvaardiging voor een weigeringsbeleid. Een transparant weigeringsbeleid dat indirect onderscheid als bedoeld in de Awgb oplevert, is niet gerechtvaardigd op de enkele grond dat dat beleid transparant is. Het belang van transparantie sec is dan ook geen passend en voldoende zwaarwegend doel om een rechtvaardiging te bieden voor kinderopvangcentra die op grond van het voorstel niet-gevaccineerde kinderen en werknemers de toegang weigeren en daarbij indirect onderscheid op grond van godsdienst of levensovertuiging maken. (zie noot 26) Ten behoeve van een dragende motivering van de voorgestelde maatregel zullen derhalve andere legitieme doeleinden aangevoerd moeten worden.Legitieme doestellingen die - tezamen met het transparantiebelang - het maken van indirect onderscheid wel zouden kunnen rechtvaardigen, zijn de bevordering van de volksgezondheid in brede zin en het beperken van het besmettingsrisico binnen een kinderopvangcentrum. Te verwachten is dat sommige ouders, zodra het kinderopvangcentrum waar zij hun kind willen onderbrengen een weigeringsbeleid voert, het uitgangspunt om hun kind niet te laten vaccineren zullen heroverwegen en alsnog tot vaccinatie zullen overgaan. (zie noot 27) Als zodanig kan de weigering van niet-ingeënte kinderen en werknemers door een kinderopvangcentrum - zij het indirect - bijdragen aan verhoging van de vaccinatiegraad en daarmee aan het bevorderen van de volksgezondheid.Ook is de verwachting dat het besmettingsrisico binnen een kinderopvangcentrum dat een weigeringsbeleid voert enigszins kan worden ingedamd, al zullen de effecten beperkt zijn. Zoals ook de toelichting onderkent, zijn kinderen jonger dan 14 maanden (nog) niet gevaccineerd tegen mazelen, de meest besmettelijke infectieziekte. (zie noot 28) Zij kunnen derhalve elders geïnfecteerd raken en vervolgens kinderen uit dezelfde leeftijdscategorie binnen het kinderopvangcentrum besmetten, nu binnen kinderopvangcentra de groepsimmuniteit veel minder goed werkt. (zie noot 29) Al met al zijn de effecten van de weigering door kinderopvangcentra van niet-ingeënte kinderen en werknemers op de volksgezondheid in brede zin en de gezondheid van kinderen op de kinderopvang naar verwachting positief, alhoewel beperkt. (zie noot 30)Het gezondheidsbelang in samenhang met het belang van transparantie zijn legitieme doelen die mogelijk voldoende zwaar wegen. Het indirect onderscheid moet dan echter niet alleen die legitieme doelen dienen en passend zijn, maar dient ook noodzakelijk te zijn. Daarbij spelen de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit een belangrijke rol.ii. SubsidiariteitIn het kader van het subsidiariteitvereiste is relevant dat het hier slechts om een mild ingrijpende maatregel gaat. (zie noot 31) Kinderopvangcentra worden immers niet verplicht om onderscheid te maken tussen al dan niet gevaccineerde kinderen en werknemers, en ouders worden niet verplicht hun kinderen te laten vaccineren. Bovendien zullen ouders veelal nog steeds een kinderopvangopvangcentrum kunnen vinden dat hun weigering om te vaccineren respecteert.iii. ProportionaliteitToetsing aan het vereiste van proportionaliteit vergt daarnaast een afweging van de verschillende belangen die in het geding zijn. (zie noot 32) Enerzijds moeten de belangen van ouders en kinderopvangcentra die waarde hechten aan een veilige omgeving worden meegewogen, alsmede het belang om de volksgezondheid in brede zin te bevorderen en het besmettingsrisico binnen een kinderopvangcentrum te beperken. Anderzijds moeten ook de belangen worden meegewogen van ouders en medewerkers die inenting op religieuze of levensbeschouwelijke gronden afwijzen. Daarbij zal met de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en het Hof van Justitie van de EU rekening moeten worden gehouden.Uit jurisprudentie van beide hoven volgt dat de nationale wetgever met het oog op beleid op de gezondheid te waarborgen een beoordelingsruimte heeft, aangezien de bescherming van de volksgezondheid tot de bevoegdheidssfeer van de lidstaten behoort, maar ook dat afwijkingen van het verbod op onderscheid strikt dienen te worden uitgelegd. (zie noot 33) Verwacht mag worden dat de Nederlandse rechter daarom ook terughoudendheid in acht neemt. (zie noot 34)4. Conclusie
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Verzamelwet SZW 2021.
Bij Kabinetsmissive van 18 mei 2020, no. 2020001008, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van enkele wetten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Verzamelwet SZW 2021), met memorie van toelichting.De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen opmerkingen bij het voorstel en adviseert het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal in te dienen.Gelet op artikel 26, zesde lid jo vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, adviseert de Afdeling dit advies openbaar te maken.De vice-president van de Raad van StateNader rapport (reactie op het advies) van 15 juni 2020
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wet excessief lenen bij eigen vennootschap.
Bij Kabinetsmissive van 18 november 2019, no.2019002428, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Financiën, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001 en de Invorderingswet 1990 ter bestrijding van belastinguitstel en –afstel als gevolg van excessief lenen bij een eigen vennootschap (Wet excessief lenen bij eigen vennootschap), met memorie van toelichting.Het wetsvoorstel omvat fiscale maatregelen die leiden tot heffing van inkomstenbelasting over een voorgesteld fictief voordeel in de situatie dat een aanmerkelijkbelanghouder, zijn partner of een met hen verbonden persoon leent bij vennootschappen waarin een aanmerkelijk belang wordt gehouden.Kort gezegd komt het voorstel erop neer dat als de totale som van de schulden van de aanmerkelijkbelanghouder en zijn partner aan de eigen vennootschappen aan het eind van het jaar meer dan € 500.000 bedraagt, het meerdere wordt geacht inkomen uit aanmerkelijk belang te vormen. Eigenwoningschulden worden van de regeling uitgezonderd.De Afdeling plaatst vraagtekens bij het tijdstip van indiening van het wetsvoorstel. Zij adviseert te wachten met wetswijziging totdat de resultaten van het onderzoek bekend zijn naar de wijze waarop kapitaalinkomen van de directeur grootaandeelhouder (dga) wordt belast.De Afdeling maakt voorts opmerkingen over de effectiviteit van het wetsvoorstel. Voor een afgewogen oordeel daarover is meer inzicht noodzakelijk in de aard en omvang van de problematiek. Daarbij is in het bijzonder van belang:- hoeveel schulden van aanmerkelijkbelanghouders (en tot welke bedragen) onzakelijke voorwaarden kennen, dan wel zijn ontspoord en als verkapt dividend zijn te kwalificeren;- hoe vaak van belastingafstel sprake is en welke schuld- en belastingbedragen daarmee zijn gemoeid.Verder dienen bestaande schulden te worden geëerbiedigd, of in ieder geval van een ruimere overgangsperiode te worden voorzien.In verband daarmee dient het wetsvoorstel nader te worden overwogen.1. Achtergrond bij het wetsvoorstelVoordelen die een aandeelhouder geniet uit een aanmerkelijk belang worden sinds 2001 met inkomstenbelasting belast in box 2. Een aandeelhouder is aanmerkelijkbelanghouder als hij beschikt over minimaal 5 procent van het aandelenkapitaal in een vennootschap. Belastingheffing in box 2 vindt plaats indien en voor zover middelen het vermogen van een vennootschap definitief verlaten ten gunste van een aanmerkelijkbelanghouder. (zie noot 1) Als de winst van de vennootschap niet wordt uitgekeerd, vindt alleen vennootschapsbelastingheffing plaats en nog geen box 2 heffing. Deze mogelijkheid van inkomstenbelastinguitstel over overwinsten ligt besloten in de bestaande fiscale systematiek. (zie noot 2) Dit leidt tot een verschil ten opzichte van ondernemers die onder de inkomstenbelasting vallen. Die hebben immers geen mogelijkheid de heffing van inkomstenbelasting uit te stellen.Volgens de toelichting wil de regering "deze vorm van belastingontwijking als gevolg van het langdurig uitstellen (of definitief afstellen) van belastingheffing in excessieve gevallen tegengaan". (zie noot 3) Als doel van de maatregelen in het wetsvoorstel wordt verder genoemd het "ontmoedigen van excessief lenen", (zie noot 4) "bovenmatige leningen te ontmoedigen", (zie noot 5) maar ook "het tegengaan van belastinguitstel en -afstel". (zie noot 6)In de paragraaf over advies en consultatie wordt gesproken over meerdere doelen: "het tegengaan van belastinguitstel en -afstel en het ontmoedigen van excessief lenen bij de eigen vennootschap". (zie noot 7) Volgens de toelichting is in de ogen van de regering de grote mate waarin aanmerkelijkbelanghouders beschikken over financiële middelen die afkomstig zijn van de vennootschap onwenselijk. (zie noot 8)2. Het bredere perspectief en het tijdstip van het voorstelDe Afdeling heeft er begrip voor dat wordt gezocht naar een meer gelijke fiscale behandeling van aanmerkelijkbelanghouders en ondernemers die onder de inkomstenbelasting vallen, in het bijzonder wat betreft de mogelijkheid van langdurig uitstel van de box 2 heffing. (zie noot 9)De Afdeling wijst er op dat in de zogenoemde bouwstenennotitie van april 2019 een onderzoek is aangekondigd naar de wijze waarop kapitaalinkomen van de dga wordt belast. (zie noot 10) Onderzocht wordt hoe bij de dga kapitaalinkomen en arbeidsinkomen relatief tot elkaar worden belast en of hier verbeteringen mogelijk zijn. In het onderzoek zal onder andere worden gekeken ‘naar de mogelijkheden voor dga’s om belastingheffing langdurig uit te stellen of zelfs af te stellen, en mogelijkheden van het huidige boxenstelsel om vermogen aan te houden in box 2 of box 3’. De resultaten van dit onderzoek zijn toegezegd voor begin 2020.Het wetsvoorstel biedt slechts een oplossing voor het (langdurig) uitstellen van de box 2 heffing in zeer specifieke situaties. (zie noot 11) Gelet daarop rijst de vraag waarom niet wordt gewacht op de resultaten van het onderzoek van de bouwstenennotitie alvorens tot wetswijziging over te gaan. Dit klemt te meer, omdat niet duidelijk is of het huidige voorstel een mogelijke structurele oplossing in de weg kan zitten. Bovendien is een eenmaal ingeslagen weg nauwelijks terug te bewandelen.Tegen die achtergrond adviseert de Afdeling te wachten met wetswijziging totdat de resultaten van het onderzoek van de bouwstenennotitie bekend zijn en meegenomen kunnen worden bij het opstellen van concept wetgeving.3. Effectiviteit van het voorstelVolgens de toelichting hebben ongeveer 216.000 aanmerkelijkbelanghouders-huishoudens een schuld bij de eigen vennootschap. Bij ongeveer 11.000 daarvan bedraagt de schuld meer dan € 500.000. (zie noot 12)De grote mate waarin aanmerkelijkbelanghouders beschikken over financiële middelen die afkomstig zijn van de vennootschap is volgens de toelichting onwenselijk en dient te worden ontmoedigd. (zie noot 13) Uit de toelichting blijkt niet waarom de regering het lenen van de eigen vennootschap onwenselijk vindt en waarom de grens bij € 500.000 wordt gelegd. Als op zakelijke basis van de eigen vennootschap wordt geleend in plaats van bij een financiële instelling ziet de Afdeling niet in waarom dat onwenselijk zou zijn. En als dit onwenselijk zou zijn, waarom dat dan niet geldt voor leningen van de eigen vennootschap voor de eigen woning.Indien de regering het lenen van de eigen vennootschap onwenselijk acht vanwege uitstel van belastingheffing, wijst de Afdeling er op dat uitstel van belastingheffing niet alleen plaatsvindt door te lenen van de eigen vennootschap, maar in de eerste plaats door geen dividend uit te keren. Voor het probleem van ‘onwenselijk uitstel’ is het onderhavige wetsvoorstel, dat ziet op een totale som van schulden van meer dan € 500.000, dus maar een zeer beperkte oplossing. (zie noot 14)Indien de regering het lenen van de eigen vennootschap onwenselijk acht vanwege afstel van belastingheffing, wijst de Afdeling er op dat in de toelichting op meerdere plaatsen wordt opgemerkt dat door het langdurige uitstel zelfs helemaal geen belastingheffing meer plaatsvindt (belastingafstel). De toelichting geeft hiervan één voorbeeld, namelijk als de vennootschap failliet gaat en de aanmerkelijkbelanghouder geen middelen (meer) heeft om zijn schuld af te lossen. (zie noot 15) Uit de toelichting wordt echter niet duidelijk hoe vaak van belastingafstel sprake is en welke schuld- en belastingbedragen daarmee zijn gemoeid.Indien de regering met onwenselijk bedoelt het als lening presenteren van inkomen wijst de Afdeling op het volgende. Als een aanmerkelijkbelanghouder geld leent van zijn vennootschap, is er in beginsel geen sprake van een vermogensverschuiving en vindt geen belastingheffing in box 2 plaats. Dat is slechts anders als er geen intentie of mogelijkheid (meer) bestaat om de lening terug te betalen. Dan vindt aan de hand van in de rechtspraak ontwikkelde criteria fiscale herkwalificatie plaats: er is sprake van ‘verkapt’ dividend, waarover op dat moment box 2 heffing is verschuldigd.Uit de toelichting blijkt echter niet of er inzicht bestaat hoeveel schulden van aanmerkelijkbelanghouders (en tot welke bedragen) onzakelijke voorwaarden kennen, dan wel zijn ontspoord en als verkapt dividend zijn te kwalificeren. De Afdeling acht inzicht daarin voor de beoordeling van het wetsvoorstel noodzakelijk.Het wetsvoorstel is een forse ingreep in de al sinds jaar en dag bestaande fiscale systematiek en praktijk. Om tot een afgewogen oordeel te komen, is het daarom noodzakelijk inzicht te hebben in de aard en omvang van de problematiek. Voor de keuze van een oplossing is het relevant of een substantieel deel van de schulden als verkapt dividend is te kwalificeren, of slechts enkele procenten. Indien sprake zou zijn van slechts enkele procenten ligt aanpak in de uitvoeringssfeer op basis van de in de rechtspraak ontwikkelde criteria meer voor de hand dan via wetgeving. In de uitvoeringssfeer kan immers veel beter maatwerk worden geleverd dan het voorstel dat alle gevallen, dus ook die gevallen die niet voor herkwalificatie in aanmerking komen, over één wetgevende kam scheert.Hoewel de uitvoeringstoets opmerkt dat het voorstel op termijn per saldo leidt tot een beperkte complexiteitsreductie, (zie noot 16) wijst de Afdeling erop dat het voorstel technisch complex is en niet bijdraagt aan vereenvoudiging van de fiscale wetgeving. Inzicht in de aard en omvang van de problematiek is dan ook nodig om te kunnen beoordelen of dit nadeel opweegt tegen de voordelen die met dit wetsvoorstel worden beoogd. De Afdeling wijst in dit verband in het bijzonder op de flankerende maatregelen ter zake van het regulier voordeel (zie noot 17) en de regelingen rond het begin en het einde van de binnenlandse belastingplicht. (zie noot 18) Hierbij is tevens van belang dat onder de huidige formulering aanpassing van belastingverdragen nodig is om bij buitenlandse belastingplichtigen te kunnen heffen over het voorgestelde fictief regulier voordeel. (zie noot 19)Gelet op het voorgaande adviseert de Afdeling het doel, de omvang van de problematiek en de effectiviteit van het wetsvoorstel nader te motiveren. Indien die motivering niet kan worden gegeven, adviseert de Afdeling van het voorstel af te zien.4. Bestaande schuldenDe beoogde ingangsdatum van het voorstel is 1 januari 2022 en geldt ook voor bestaande schulden. Formeel is er geen sprake van terugwerkende kracht, maar door de onmiddellijke werking materieel wel. Uit de toelichting op de inwerkingtredingsdatum blijkt niet waarom geen uitzondering is gemaakt voor bestaande schulden, (zie noot 20) terwijl een uitzondering wel voor de hand had gelegen. Zoals hiervoor opgemerkt, betekent dit wetsvoorstel een forse ingreep in een reeds jarenlang bestaande fiscale systematiek en praktijk. Uit de toelichting volgt niet in hoeverre sprake is van leningen met onzakelijke voorwaarden of als lening presenteren van inkomen. Veel aanmerkelijkbelanghouders zullen te goeder trouw onder zakelijke voorwaarden een lening met hun eigen vennootschap hebben afgesloten.De Afdeling merkt op dat zij er uit een oogpunt van rechtszekerheid op mogen vertrouwen dat de fiscale behandeling van bestaande schulden wordt geëerbiedigd. Bovendien is de periode waarin de schulden moeten zijn afgebouwd om de gevolgen van het wetsvoorstel te voorkomen (31 december 2022) uitermate beperkt. Dat geldt in het bijzonder voor schulden waarmee beleggingen zijn gefinancierd die minder snel liquide zijn te maken.De Afdeling adviseert het wetsvoorstel aan te passen in die zin dat bestaande schulden worden geëerbiedigd dan wel een ruimere overgangsperiode in acht wordt genomen.5. De Afdeling verwijst naar de bij dit advies behorende redactionele bijlage.De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal bezwaren bij het voorstel en adviseert het voorstel niet bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal in te dienen, tenzij het is aangepast.De vice-president van de Raad van State
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van het Inrichtingsbesluit WVO en het Inrichtingsbesluit WVO BES in verband met doorstroom vmbo-havo.
Bij Kabinetsmissive van 3 april 2020, no.2020000689, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende wijziging van het Inrichtingsbesluit WVO en het Inrichtingsbesluit WVO BES in verband met doorstroom vmbo-havo, met nota van toelichting.Het ontwerpbesluit betreft een uitwerking van de Wet gelijke kans op doorstroom naar havo en vwo. (zie noot 1) Deze wet wil zogenoemde drempelloze doorstroom realiseren. Daarbij geldt als hoofdregel dat scholen leerlingen die beschikken over een vmbo-diploma (gemengde en theoretische leerweg, gl/tl) respectievelijk een havo-diploma de toelating tot het vierde leerjaar havo respectievelijk het vijfde leerjaar vwo niet kunnen weigeren op grond van hun kennis, vaardigheden of leerhouding.In afwijking daarvan kunnen bij algemene maatregel van bestuur (amvb) met betrekking tot genoemde aspecten bepaalde voorwaarden geformuleerd worden die scholen nog wel kunnen stellen aan de doorstroom naar havo vanuit het vmbo en naar vwo vanuit het havo. (zie noot 2) Het ontwerpbesluit maakt daarbij voor de overgang van vmbo-gl/tl naar havo een drempelvoorwaarde mogelijk van een examen in een extra vak. Voor de overgang van havo naar vwo wordt geen drempelvoorwaarde mogelijk gemaakt. Daarnaast bepaalt het ontwerpbesluit dat havo- en vwo-scholen gelijke regels moeten hanteren voor alle leerlingen inzake doubleren, ongeacht of zij zijn doorgestroomd.De Afdeling advisering van de Raad van State adviseert om de programmatische aansluiting op en succeskans in het vervolgonderwijs beter te waarborgen. Daarnaast dient de omvang van de ruimte voor het voeren van een toelatingsbeleid door scholen verduidelijkt te worden. Ten slotte vraagt de Afdeling aandacht voor de wijze waarop dit ontwerpbesluit en onderliggende wetgeving geëvalueerd kan worden. In verband daarmee is aanpassing wenselijk van het ontwerpbesluit en de toelichting.1. Programmatische aansluiting en succeskans vervolgonderwijsa. Doorstroomprogramma’sHet bevoegd gezag beslist over de toelating van leerlingen. (zie noot 3) De wet zoals gewijzigd gaat daarbij uit van het principe van doorstroom zonder voorwaarden, tenzij bij amvb de mogelijkheid is gegeven om bepaalde voorwaarden te hanteren met betrekking tot kennis, vaardigheden of leerhouding van de leerling. (zie noot 4) Het ontwerpbesluit gaat uit van een mogelijke drempelvoorwaarde van een extra vak voor de overgang van vmbo gl/tl naar het havo. Voor de overgang van havo naar vwo worden geen drempelvoorwaarden mogelijk gemaakt. De Afdeling wijst erop dat hiermee de programmatische aansluiting op en succeskans in het vervolgonderwijs onvoldoende gewaarborgd is.Uit onderzoek blijkt het belang en de wens van scholen, ouders en leerlingen van een goede samenwerking tussen onderwijssectoren, toelatingsgesprekken, loopbaanoriëntatie en -begeleiding, en mogelijkheden om extra lessen, examentraining, en vakken (op een hoger niveau) te volgen. Ook komt het belang van (extra) ondersteuning van doorstroomleerlingen op het vervolgonderwijs voor een geslaagde doorstroom hieruit naar voren. (zie noot 5) Genoemde aspecten maken onderdeel uit van doorstroomprogramma’s voor zowel de overgang vmbo gl/tl naar havo, als van havo naar vwo.Om die reden ligt het opnemen van doorstroomprogramma’s als mogelijke drempelvoorwaarde voor de hand. De Afdeling geeft bij het opnemen van deze drempelvoorwaarde in overweging om bij of krachtens amvb eisen te stellen aan de inhoud van de doorstroomprogramma’s. Daarmee kan in ieder geval worden verzekerd dat als deze worden ingezet, een goede en meetbare bijdrage kan worden geleverd aan de programmatische aansluiting zowel voor de overgang vmbo-havo als die van havo-vwo. Uit de toelichting blijkt niet waarom hier niet voor wordt gekozen.De Afdeling adviseert in de toelichting op het voorgaande in te gaan en zo nodig het ontwerpbesluit aan te passen.b. Aansluiting havo-vwoVoor de overgang tussen havo en vwo wordt zonder motivering afgezien van elke voorwaarde. Daarmee wordt onvoldoende voorzien in programmatische aansluiting tussen de beide opleidingen. (zie noot 6) Hierbij is allereerst de vraag relevant of het gekozen vakkenprofiel op het havo hetzelfde is als dat op het vwo. Voor een goede doorstroom lijkt dit noodzakelijk. Daarnaast moet de havoleerling die doorstroomt dan nog een vak ‘inhalen’. (zie noot 7)De regering was eerst voornemens om het - net als voor de doorstroom vmbo-havo - ook voor vwo-scholen mogelijk te maken de voorwaarde te stellen van een examen in een extra vak ten behoeve van de programmatische aansluiting havo-vwo. (zie noot 8) De Tweede Kamer heeft evenwel een motie aangenomen die de regering vraagt deze voorwaarde van een extra vak niet mogelijk te maken, maar wel verzoekt deelname van leerlingen aan een doorstroomprogramma in de zomer verplicht te stellen. (zie noot 9) Aan dit verzoek is in de amvb geen gehoor gegeven.In de toelichting bij de nota van wijziging heeft de regering geconstateerd dat op dit moment drempelloze doorstroming nog niet aan de orde is, omdat de curricula van de verschillende schoolsoorten onvoldoende op elkaar aansluiten, en een doorstroomvoorwaarde vooralsnog noodzakelijk is. (zie noot 10) Gelet op het belang van een goede programmatische aansluiting is het dan ook zeer onwenselijk nu te besluiten om de doorstroom havo-vwo geheel zonder de mogelijkheid van het stellen van voorwaarden te laten verlopen.De Afdeling adviseert de keuze om voor de doorstroom van havo naar vwo geen mogelijke drempelvoorwaarden, zoals doorstroomprogramma’s, toe te staan nader te bezien en zo nodig het ontwerpbesluit aan te passen.c. Aansluiting vmbo-havoVoor vmbo-gl gediplomeerden is er, zoals de regering vaststelt, (zie noot 11) een aanvullend probleem. Deze leerlingen krijgen in het havo ten opzichte van hun vmbo-opleiding twee examenvakken meer. Met uitsluitend de mogelijke drempelvoorwaarde van één extra vak rijst de vraag of voor deze leerlingen niet aanvullende ondersteuning wenselijk is om te komen tot een succesvolle doorstroom.In aanvulling daarop vraagt de Afdeling aandacht voor leerlingen met een extra ondersteuningsbehoefte en NT-2 leerlingen op vmbo-gl/tl die willen doorstromen naar het havo. Uit de toelichting blijkt niet waarom niet is gekozen voor de mogelijkheid om juist voor deze kwetsbare leerlingen nog aanvullende voorwaarden mogelijk te maken, zoals een doorstroomprogramma.De Afdeling adviseert in de toelichting op het voorgaande in te gaan en zo nodig het ontwerpbesluit aan te passen.d. SlagingspercentageHet is van belang dat leerlingen kunnen doorstromen, maar ook dat zij vervolgens in staat zijn om een diploma te halen in het vervolgonderwijs. Een succesvolle doorstroom is niet vanzelfsprekend. Zo haalt een kwart van de vmbo-leerlingen die doorstroomt het havodiploma niet. (zie noot 12) De wet maakt het mogelijk om naast de in het ontwerpbesluit opgenomen drempelvoorwaarde van een extra vak (op een later moment) aanvullende voorwaarden te stellen. Om te bepalen of dit nodig is, moet wel duidelijk zijn bij welk slagingspercentage gesproken wordt van een goede regeling en wanneer er aanleiding is om de amvb aan te passen. Hierbij moeten de drempels voor doorstroom niet te hoog zijn, maar ook niet zo laag dat veel leerlingen die doorstromen vervolgens niet slagen.De Afdeling adviseert in de toelichting op het voorgaande in te gaan.e. Cijfereis kernvakkenDe kans op een succesvolle doorstroom kan worden verhoogd door voor de kernvakken aanvullende voorwaarden mogelijk te maken voor de overgang van vmbo-gl/tl naar het havo. Voor de havo geldt dat het diploma alleen gehaald kan worden als voor de kernvakken een voldoende wordt gehaald. Dit betekent dat de kans op een succesvolle doorstroom kleiner is indien een leerling op het vmbo-gl/tl voor deze vakken geen voldoende heeft gehaald. De toelichting gaat niet in op de vraag of dit geen aanleiding zou moeten zijn om een cijfereis te stellen voor de kernvakken.De Afdeling adviseert in dat licht nader in te gaan op de keuze om geen cijfereis mogelijk te maken voor de kernvakken en zo nodig het ontwerpbesluit aan te passen.2. Verduidelijking ruimte toelatingsbeleida. Leerlingen zonder extra vakUit het ontwerpbesluit en het eerste deel van de nota van toelichting lijkt te volgen dat havo-scholen uitsluitend de voorwaarde van een extra vak mogen stellen in het toelatingsbeleid. (zie noot 13) Andere voorwaarden lijken op het eerste gezicht uitgesloten te zijn. Vervolgens stelt de nota van toelichting echter dat havo-scholen eigen toelatingsvoorwaarden mogen hanteren voor vmbo-gl/tl leerlingen die niet voldoen aan de eis van een extra examenvak. (zie noot 14)De Afdeling wijst erop dat niet op voorhand vaststaat dat alle vmbo-scholen de mogelijkheid van een extra vak aanbieden. Daarom kan het voorkomen dat een leerling die wil doorstromen niet aan deze eis kan voldoen. Uit de toelichting blijkt dat havo-scholen zulke vmbo-gl/tl gediplomeerden mogen toelaten, ook als zij als voorwaarde stellen dat de leerling een extra vak heeft gedaan. Blijkbaar is de gedachte dat in dat geval ruimte bestaat om door het stellen van andere voorwaarden het ontbreken van een extra vak te compenseren. In de toelichting wordt dit echter niet uiteengezet. (zie noot 15) De verhouding tussen de tekst van het ontwerpbesluit en de verschillende passages in de toelichting is daarmee onhelder. Voor scholen en leerlingen is het van belang dat zonder meer vaststaat of en zo ja welke ruimte (zie noot 16) er is om voorwaarden te stellen aan de toelating van leerlingen die niet voldoen aan de eis van het extra vak.De Afdeling adviseert in de toelichting uiteen te zetten welke toelatingsvoorwaarden gesteld kunnen worden aan leerlingen die niet voldoen aan het vereiste van een extra vak en zo nodig het ontwerpbesluit op dit punt aan te passen.b. Consistentie toelatingsbeleidUit de toelichting wordt niet duidelijk of havo-scholen aan leerlingen die niet voldoen aan de eis van het extra vak in alle gevallen dezelfde voorwaarden moeten stellen aan toelating van deze leerlingen of dat hierbij onderscheid mag worden gemaakt. Hierbij rijst tevens de vraag of een school deze voorwaarden vooraf moet vastleggen en bekendmaken, of dat per individueel geval kan worden bezien welke eisen gesteld worden. In dit laatste geval is goede communicatie hierover te meer van belang. Voor ouders en leerlingen moet immers duidelijk zijn wat het schoolspecifieke toelatingsbeleid is voor leerlingen die niet aan de drempelvoorwaarde van een extra examenvak voldoen. (zie noot 17)De Afdeling adviseert in de toelichting op het voorgaande in te gaan en zo nodig het ontwerpbesluit aan te passen.3. Evaluatie besluit en wetgevingDe regering zal de omvang en het studiesucces van doorstroomleerlingen monitoren en onderzoeken in relatie tot de doorstroomvoorwaarde. (zie noot 18) De Afdeling onderschrijft het belang van een goede evaluatie. Hierbij vraagt zij bijzondere aandacht voor het volgende. Het traject om doorstroom te vergemakkelijken staat niet op zichzelf, maar moet worden bezien in het licht van andere ingezette ontwikkelingen. Hierbij kan in het bijzonder worden gedacht aan het Wetsvoorstel Sterk Beroepsonderwijs (doorlopende leerroutes vmbo-mbo), (zie noot 19) de nieuwe leerwegen in het vmbo (onderdeel van Sterk Beroepsonderwijs) (zie noot 20) en de voorgenomen curriculumherziening. Doel van deze voorstellen is eveneens om de doorstroom tussen verschillende onderwijssectoren te bevorderen. In dat licht kan dit wetstraject niet goed op zichzelf worden geëvalueerd.Het verdient aanbeveling om een breder programma op te zetten waarin de effecten van verschillende wetten en beleidsmaatregelen op de doorstroming in het onderwijs worden bezien. Daarbij is ook de ontwikkeling van versterking van leerrechten in het algemeen relevant. (zie noot 21) Ten slotte zou daarbij aandacht moeten zijn voor de schoolloopbanen van leerlingen (inclusief keuzes voor extra vakken, doorstroomprogramma’s en slagingspercentages) in relatie tot achtergrondkenmerken van leerlingen en de verschillen in het aanbod van scholen.De Afdeling adviseert in de toelichting in te gaan op het voorgaande.De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal opmerkingen bij het ontwerpbesluit en adviseert daarmee rekening te houden voordat een besluit wordt genomen.De vice-president van de Raad van StateNader rapport (reactie op het advies) van 3 juni 020201. Programmatische aansluiting en succeskans vervolgonderwijsa. Doorstroomprogramma’sHet is van belang op te merken dat er momenteel geen (onafhankelijke) kwaliteitsborging is van doorstroomprogramma’s, zoals een landelijke toets. Het is daarom niet vast te stellen of deelname aan een doorstroomprogramma, anders dan de eis van het extra vak, een indicatie geeft over de mate waarin een individuele leerling wordt voorbereid op de overstap. De regering deelt desalniettemin de mening van de Afdeling dat doorstroomprogramma’s mogelijk een goede bijdrage kunnen leveren aan een succesvolle overstap naar een hoger niveau in het voortgezet onderwijs. Om die reden ondersteunt de regering de inrichting van doorstroomprogramma’s op vmbo-scholen. De doorstroomprogramma’s bevinden zich in de ontwikkelingsfase. Op dit moment is er nog niet op alle vmbo-scholen sprake van een dergelijk programma. Vmbo-scholen krijgen de tijd en de ruimte om programma’s op te stellen en onderling kennis hierover te delen. Er wordt gelijktijdig onderzoek gedaan naar de inhoud en de werking van de doorstroomprogramma’s. Mede in aanmerking genomen dat het invoeren van doorstroomprogramma’s financiële consequenties heeft, is de tijd daarom nu nog niet rijp om te bepalen of een doorstroomprogramma een geschikte doorstroomvoorwaarde zou kunnen zijn, zoals ook aangegeven in paragraaf 3.2.2 van de nota van toelichting.Na afloop van deze ontwikkelfase en de afronding van het onderzoek zal de regering, in overleg met de VO-raad, besluiten of en hoe de doorstroomprogramma’s een vervolg krijgen en of het wenselijk of mogelijk is om generieke eisen te stellen aan de inhoud van een doorstroomprogramma.Het bovenstaande geldt ook voor de overstap van havo naar vwo. Specifiek voor deze overstap geldt dat er momenteel geen subsidieregeling is voor doorstroomprogramma’s havo-vwo en dat er ook geen onderzoek is naar de effectiviteit van dergelijke programma’s. De regering gaat daarom onderzoeken of een doorstroomprogramma havo-vwo wenselijk is als toekomstige doorstroomvoorwaarde voor de overstap van havo naar vwo. De resultaten van dat onderzoek zullen naast de monitor van doorstroomprogramma’s vmbo-havo worden gelegd.b. Aansluiting havo-vwoMet de nota van wijziging is het wetsvoorstel uitgebreid met een doorstroomrecht havo-vwo. In de toelichting werd beschreven dat de overstap van havo naar vwo niet makkelijk is, doordat vwo’ers in een vak meer eindexamen moeten doen dan havisten. Met het oog op doorstroomsucces werd daarom voorgesorteerd op een doorstroomvoorwaarde in de vorm van een extra vak. De regering heeft uiteindelijk afgezien van een doorstroomvoorwaarde, mede vanwege de door de Afdeling genoemde motie. Inderdaad is daarbij niet gekozen voor het verplicht stellen van een doorstroomprogramma, om de onder 1a genoemde redenen.De regering ziet voldoende argumenten voor een drempelloze overgang tussen het havo en het vwo. In vergelijking met de overstap van vmbo naar havo zijn de programmatische verschillen kleiner bij een overstap van havo naar vwo. Zo wordt dezelfde profielstructuur gehanteerd, met bijna identieke vakkenpakketten en is er binnen de vakken een relatief grote overlap in eindtermen tussen havo en vwo. Doordat havisten vrijstelling kunnen krijgen voor sommige vakken in het vwo (bijvoorbeeld maatschappijleer en ckv) ontstaat er ruimte om gemiste lesstof in te halen. Hiermee, samen met het gegeven dat in 97% van de gevallen (zie paragraaf 2.2 van de nota van wijziging) doorstromende havisten hetzelfde profiel kiezen op vwo als op havo, staat de kans de op doorstroomsucces, ook zonder doorstroomvoorwaarde, in verhouding met het bieden van onderwijskansen. De toelichting is aangevuld met deze overwegingen.c. Aansluiting vmbo-havoDe Afdeling stelt de vraag waarom leerlingen die vanuit de gemengde leerweg van het vmbo overstappen naar het havo geen aanvullende ondersteuning wordt geboden, aangezien zij op het havo twee extra algemeen vormende vakken moeten volgen, terwijl de doorstroomvoorwaarde (ook) voor hen inhoudt dat zij één extra vak volgen.De regering stelt in dit besluit vast dat overstappende leerlingen vanuit de gemengde leerweg in een extra algemeen vormend vak eindexamen moeten hebben afgelegd. De reden hiervoor is dat zij van mening is dat het eisen van twee extra vakken een te hoge drempel voor doorstroom naar het havo zou betekenen. De studielast van tl-leerlingen en gl-leerlingen is immers gelijk, omdat gl-leerlingen, in plaats van een avo-vak, een beroepsgericht programma volgen. Daarbij komt dat de slaagpercentages van voormalige gl-leerlingen en tl-leerlingen op het havo niet zodanig van elkaar verschillen dat een extra voorwaarde voor gl-leerlingen noodzakelijk is om het studiesucces op niveau te houden.Bovendien kunnen vmbo-scholen deze leerlingen via een bijspijker- of doorstroomprogramma voorbereiden op een overstap naar het havo. Het aantal leerlingen dat vanuit de gemengde leerweg overstapt naar het havo is niet groot, zo’n 200 leerlingen per jaar. Het behoort tot de verantwoordelijkheid van de havo-scholen om hen na de overstap de juiste begeleiding te bieden. Zij kunnen dit doen vanuit de lumpsum bekostiging of met een subsidie voor een doorstroomprogramma die zij in samenwerking met een vmbo-school hebben aangevraagd. De nota van toelichting is aangevuld met de genoemde mogelijkheden voor scholen om extra begeleiding te bieden aan gl-leerlingen.De Afdeling vraagt daarnaast waarom de regering er niet voor heeft gekozen om voor leerlingen met een extra ondersteuningsbehoefte of NT2-leerlingen aanvullende doorstroomvoorwaarden mogelijk te maken. De overweging van de regering om voor leerlingen met een behoefte aan extra ondersteuning geen extra doorstroomvoorwaarden mogelijk te maken is dat zij al extra ondersteuning, indien nodig, ontvangen vanuit het samenwerkingsverband passend onderwijs om de schoolloopbaan met succes te kunnen doorlopen. Voor NT2-leerlingen geldt dat de vmbo-school, wanneer deze school boven een bepaalde drempel veel NT2-leerlingen telt, extra bekostiging ontvangt op basis van de Regeling Leerplus arrangement, Nieuwkomers VO en eerste opvang Vreemdelingen VO 2009. (zie noot 22)Vanwege de mogelijkheid voor ondersteuning voor zowel leerlingen met een extra ondersteuningsbehoefte als voor NT2-leerlingen, vindt de regering het niet noodzakelijk om voor hen een extra doorstroomvoorwaarde te stellen. Het voorgaande is aan de toelichting toegevoegd.d. SlagingspercentageDe regering deelt de constatering van de Afdeling dat het slaagpercentage een indicator is om te bepalen of het beleid omtrent doorstroom succesvol is. Daarom heeft de regering bij het bepalen van de doorstroomvoorwaarde ook mee laten wegen of deze bijdraagt aan het behalen van een diploma na de overstap. Er spelen echter ook andere overwegingen, zoals het bieden van gelijke kansen aan leerlingen en de toegankelijkheid van de verschillende schoolsoorten. De regering is daarom van mening dat aan het beleid omtrent doorstroom geen getalsmatige ondergrens gekoppeld kan worden. Bovendien is een ondergrens tot op zekere hoogte arbitrair. De slaagpercentages zullen immers deels ook fluctueren als gevolg van verstorende cohorteffecten en toevalligheden. Uiteraard zal de regering de slaagpercentages wel goed monitoren en dit betrekken bij de evaluatie van het beleid.e. Cijfereis kernvakkenAnders dan de Afdeling veronderstelt, geldt voor het havo niet dat een diploma alleen gehaald kan worden als voor alle kernvakken een voldoende is gehaald. Artikel 50, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 1, van het Eindexamenbesluit VO bepaalt dat een leerling voor "een van de vakken Nederlandse taal en literatuur, Engelse taal en literatuur en voor zover van toepassing wiskunde A, B of C als eindcijfer een 5 of meer heeft behaald en hij voor het andere vak dan wel andere hier genoemde vakken als eindcijfer 6 of meer heeft behaald (…)". Het is dus niet zo dat een leerling die een onvoldoende haalt voor een van deze vakken op het vmbo, zich daarmee per definitie diskwalificeert voor het havo, want de kernvakkenregeling op het havo is niet zo streng als de Afdeling suggereert. In de kernvakkenregeling ziet de regering dus geen bijzondere aanleiding om specifiek voor die vakken een cijfereis te stellen.Aan een cijfereis voor alleen de kernvakken kleven bovendien dezelfde bezwaren als aan een cijfereis in het algemeen. Zoals aangegeven in paragraaf 3.2.1 van de nota van toelichting, levert een bepaald (hoog) eindcijfer geen bijdrage aan het verbeteren van de programmatische aansluiting. De regering tekent bij het stellen van een cijfereis aan de kernvakken, bovenop de eis van het extra vak, bovendien aan dat de doorstroomdrempel daardoor te veel zou worden verhoogd. Er ontstaat voor de vmbo-leerling extra druk op de kernvakken terwijl er tot nu toe niet zo’n eis bestaat. De toegankelijkheid van het onderwijs komt daardoor onder druk te staan, omdat doorstroom lastiger wordt. Ook wordt verwacht dat de (eenzijdige) prestatiedruk bij de examens op de kernvakken verder zal toenemen.2. Verduidelijking ruimte toelatingsbeleida. Leerlingen zonder extra vakDe Afdeling concludeert dat er onduidelijkheid is over de ruimte voor schooleigen toelatingsbeleid, indien een leerling niet aan de bij amvb gestelde doorstroomvoorwaarde voldoet.Artikel 10 van het Inrichtingsbesluit WVO moet worden gelezen in samenhang met artikel 27a, tweede lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs. Daarin staat dat scholen leerlingen mogen weigeren, indien zij niet voldoen aan de doorstroomvoorwaarde. Omdat de bepalingen in wet (en amvb) niet imperatief zijn geformuleerd, mogen scholen deze leerlingen ook toelaten. Of zij dat doen, en welke voorwaarden zij daarvoor hanteren, is aan de scholen, omdat de wet en de amvb die ruimte van scholen niet inperken. Het is daarom niet aan de regering om in de nota van toelichting uiteen te zetten welke voorwaarden door scholen gesteld kunnen worden. Wel is de toelichting aangepast om duidelijker te maken in welke mate scholen eigen toelatingsbeleid mogen hanteren, onder meer door toevoeging van een figuur. b. Consistentie toelatingsbeleidIn het huidige praktijk publiceren scholen hun algemene regels omtrent het toelatingsbeleid op hun website, in de schoolgids of door middel van informatiebrochures. (zie noot 23) De geschillencommissie toelating en verwijdering, bedoeld in artikel 27c van de Wet op het voortgezet onderwijs, past dergelijk toelatingsbeleid ook toe in het kader van de beoordeling van geschillen tussen scholen en leerlingen over doorstroom. (zie noot 24) Voor zover het ontwerpbesluit (en bovenliggende wet) nog ruimte laat voor het voeren van eigen toelatingsbeleid, wordt aangesloten bij die praktijk. De regering heeft geen aanleiding te veronderstellen dat deze praktijk niet goed zou functioneren en ziet daarom geen noodzaak daarover aanvullende regels te stellen.3. Evaluatie besluit en wetgevingDe regering deelt de visie van de Afdeling dat er een belangrijke samenhang is tussen de genoemde beleidstrajecten en het ontwerpbesluit. In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel is daarom ook ingegaan op deze samenhang. (zie noot 25) Het verschil in tempo van de afzonderlijke trajecten maakt het echter niet mogelijk om hiervan een volledig geïntegreerd evaluatietraject te maken. De invoering van de nieuwe leerweg in het vmbo zal nog een aantal jaren vergen, evenals de curriculumherziening voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs. In de tussentijd zal in ieder geval de monitoring van het doorstroomrecht en de doorstroomvoorwaarde, zoals voorgeschreven op grond van artikel 127e van de Wet op het voortgezet onderwijs, waar mogelijk in samenhang met deze trajecten plaatsvinden.De redactionele opmerkingen van de Afdeling op het ontwerpbesluit en toelichting zijn verwerkt. Ook is van de gelegenheid gebruik gemaakt om ambtshalve enige redactionele verbeteringen in de toelichting aan te brengen.Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Onteigening in de gemeente Schouwen-Duiveland (aanleg van een rotonde in de kruising van de Rijksweg N59 met de Zwaardweg en Boogerdweg).
Krachtens Koninklijke machtiging heeft de Minister van Infrastructuur en Waterstaat met een schrijven van 20 maart 2020, no.RWS-2020/10206, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt een voordracht met ontwerpbesluit tot aanwijzing van onroerende zaken ter onteigening in de gemeente Schouwen-Duiveland krachtens artikel 72a van de onteigeningswet (onteigening voor de aanleg van een rotonde in de kruising van de Rijksweg N59 met de Zwaardweg en Boogerdweg, met bijkomende werken in de gemeente Schouwen-Duiveland).De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen opmerkingen over het ontwerpbesluit en adviseert het besluit te nemen.Gelet op artikel 26, zesde lid jo vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, adviseert de Afdeling dit advies openbaar te maken.De vice-president van de Raad van State
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Onteigening in de gemeente Epe (onteigeningsplan De Pirk-Noord).
Krachtens Koninklijke machtiging heeft de Minister voor Milieu en Wonen met een schrijven van 16 maart 2020, no.RWS-2020/11127, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt een voordracht met ontwerpbesluit tot aanwijzing van onroerende zaken ter onteigening in de gemeente Epe krachtens artikel 78 van de onteigeningswet (onteigeningsplan De Pirk-Noord).De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen opmerkingen over het ontwerpbesluit en adviseert het besluit te nemen.Gelet op artikel 26, zesde lid jo vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, adviseert de Afdeling dit advies openbaar te maken.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Onteigening in de gemeente Waddinxveen (onteigeningsplan Triangel plan 5).
Krachtens Koninklijke machtiging heeft de Minister voor Milieu en Wonen met een schrijven van 27 januari 2020, no.RWS-2020/1804, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt een voordracht met ontwerpbesluit tot aanwijzing van onroerende zaken ter onteigening in de gemeente Waddinxveen krachtens artikel 78 van de onteigeningswet (onteigeningsplan Triangel plan 5).De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen opmerkingen over het ontwerpbesluit en adviseert het besluit te nemen.Gelet op artikel 26, zesde lid jo vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, adviseert de Afdeling dit advies openbaar te maken.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Onteigening in de gemeenten Gulpen-Wittem en Eijsden-Margraten (onteigeningsplan Reconstructie N598 De Hut – De Plank).
Krachtens Koninklijke machtiging heeft de Minister voor Milieu en Wonen met een schrijven van 20 januari 2020, no.RWS-2020/692, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt een voordracht met ontwerpbesluit tot aanwijzing van onroerende zaken ter onteigening in de gemeenten Gulpen-Wittem en Eijsden-Margraten krachtens artikel 78 van de onteigeningswet (onteigeningsplan Reconstructie N598 De Hut – De Plank). De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen opmerkingen over het ontwerpbesluit en adviseert het besluit te nemen.Gelet op artikel 26, zesde lid jo vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, adviseert de Afdeling dit advies openbaar te maken.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Ongevraagd advies over de ministeriële verantwoordelijkheid.
1.1 Zichtbare aanspreekbaarheid van de overheid1.2 Maatschappelijke veranderingen1.3 Een veranderend politiek bestel1.4 Doel en inhoud van het advies
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van het Besluit internationale verplichtingen extraterritoriale rechtsmacht in verband met de implementatie van de richtlijn (EU) 2018/1673.
Bij Kabinetsmissive van 16 maart 2020, no.2020000538, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Justitie en Veiligheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit internationale verplichtingen extraterritoriale rechtsmacht in verband met de implementatie van de richtlijn (EU) 2018/1673 van het Europees parlement en de Raad van 23 oktober 2018 inzake de strafrechtelijke bestrijding van het witwassen van geld (PbEU 2018, L 284), met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Voorstel van wet van het lid Ziengs tot wijziging van de Drank- en Horecawet (Wet regulering mengformules).
Bij brief van de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 6 juni 2018 heeft de Tweede Kamer, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet van het lid Ziengs tot wijziging van de Drank- en Horecawet en enkele andere wetten in verband met verruiming van de mogelijkheid tot het inzetten van mengformules (Wet regulering mengformules), met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wet nieuwe procedure vaststelling verkiezingsuitslagen.
Bij Kabinetsmissive van 5 november 2019, no.2019002283, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Kieswet in verband met de aanpassing van de procedure voor de vaststelling van verkiezingsuitslagen alsmede regeling van enkele andere onderwerpen in die wet, de Waterschapswet, de Mediawet 2008 en de Mediawet BES (Wet nieuwe procedure vaststelling verkiezingsuitslagen), met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van het Besluit Centrale beoordeling medisch-wetenschappelijk onderzoek.
Bij Kabinetsmissive van 28 april 2020, no.2020000893, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit centrale beoordeling medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen in verband met wijziging van de categorieën onderzoek waarvan beoordeling door de Centrale Commissie Mensgebonden Onderzoek gewenst is, met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Besluit financiële verhouding 2001 in verband met de overheveling van de integreerbare delen van uitkeringen.
Bij Kabinetsmissive van 10 april 2020, no.2020000746, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, mede namens de Staatssecretaris van Financiën, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit financiële verhouding 2001 in verband met de overheveling van de integreerbare delen van de integratie-uitkering Sociaal domein naar de algemene uitkering van het gemeentefonds, met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Warenwetbesluit uitvoering verordening wederzijdse erkenning.
Bij Kabinetsmissive van 20 april 2020, no. 2020000800, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Medische Zorg, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende vaststelling van regels in verband met de uitvoering van Verordening (EU) 2019/515 betreffende de wederzijdse erkenning van goederen die in een andere lidstaat rechtmatig in de handel zijn gebracht (Warenwetbesluit uitvoering verordening wederzijdse erkenning), met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wet inburgering 20...
Bij Kabinetsmissive van 28 januari 2020, no.2020000211, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet houdende regels over inburgering in de Nederlandse samenleving (Wet inburgering 20..), met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wet opheffing verpandingsverboden.
Bij Kabinetsmissive van 11 december 2019, no.2019002608, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Rechtsbescherming, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het opheffen van bedingen in het handelsverkeer die ertoe strekken vervreemding dan wel verpanding van geldvorderingen op naam tegen te gaan (Wet opheffing verpandingsverboden), met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Tijdelijke wet informatieverstrekking RIVM in verband met COVID-19.
Bij Kabinetsmissive van 25 mei 2020, no.2020001050, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet houdende tijdelijke bepaling in verband met de informatieverstrekking aan het RIVM bij de bestrijding het novel coronavirus (2019-nCoV)(Tijdelijke wet informatieverstrekking RIVM i.v.m. COVID-19), met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND.
Bij Kabinetsmissive van 20 april 2020, no.2020000786, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt de tijdelijke wet tot opschorting van regels omtrent dwangsommen en het instellen van beroep bij niet tijdig beslissen op een asielaanvraag (Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND), met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Evaluatiewet bestuursrechtelijke geldschuldenregeling Awb.
Bij Kabinetsmissive van 10 maart 2017, no.2017000407, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Veiligheid en Justitie, mede namens de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet houdende aanpassing van de Algemene wet bestuursrecht naar aanleiding van de evaluatie van de regeling over bestuursrechtelijke geldschulden (Evaluatiewet bestuursrechtelijke geldschuldenregeling Awb), met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Voorlichting over de capaciteitsnorm in de Wet taal en toegankelijkheid.
Bij brief van 3 maart 2020 heeft de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal op de voet van artikel 21a, eerste lid, van de Wet op de Raad van State aan de Afdeling advisering van de Raad van State gevraagd de Kamer van voorlichting te dienen over een onderdeel van het wetsvoorstel Wet taal en toegankelijkheid.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van het Besluit identificatie en registratie van dieren vanwege de introductie van een grondslag om aanvullende regels te stellen over de registratie van gegevens over geiten.
Bij Kabinetsmissive van 18 december 2019, no.2019002696, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit identificatie en registratie van dieren vanwege de introductie van een grondslag om aanvullende regels te stellen over de registratie van gegevens over geiten en enkele technische aanpassingen, met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van de Wet luchtvaart in verband met het inzetten van het instrument van een bestuurlijke boete.
Bij Kabinetsmissive van 2 april 2020, no.2020000683, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet houdende wijziging van de Wet luchtvaart in verband met het inzetten van het instrument van een bestuurlijke boete om slotmisbruik op gecoördineerde luchthavens effectief te kunnen bestraffen, met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wet ambulancevoorzieningen.
Bij Kabinetsmissive van 18 december 2019, no.2019002694, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Medische Zorg, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet houdende regels inzake de organisatie, beschikbaarheid en kwaliteit van ambulancevoorzieningen, met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Voorlichting over grondwettelijke aspecten van (voor)genomen crisismaatregelen.
Bij brief van 6 mei 2020 heeft de Voorzitter van de Tweede Kamer op de voet van artikel 21a, eerste lid, van de Wet op de Raad van State aan de Afdeling advisering van de Raad van State gevraagd de Kamer van voorlichting te dienen over de grondrechtelijke aspecten van (voor)genomen crisismaatregelen.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wet hardheidsaanpassing Awir.
Bij Kabinetsmissive van 12 mei 2020, no. 2020000970, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Financiën, mede namens de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het wijziging van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen in verband met uitbreiding van de hardheidsclausule en invoering van een hardheidsregeling en een vangnetbepaling (Wet hardheidsaanpassing Awir), met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van de Mededingingswet en de Instellingswet ACM in verband met de implementatie van richtlijn (EU) 2019/1 (PbEU 2019, L 11).
Bij Kabinetsmissive van 3 december 2019, no.2019002535, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Mededingingswet en de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt in verband met de implementatie van richtlijn (EU) 2019/1 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 tot toekenning van bevoegdheden aan de mededingingsautoriteiten van de lidstaten voor een doeltreffendere handhaving en ter waarborging van de goede werking van de interne markt (PbEU 2019, L 11), met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Onteigening voor de uitvoering van het bestemmingsplan bestemmingsplan Weginfrastructuur omgeving Eindhoven Noordwest, Oirschot en Best in de gemeente Eindhoven.
Krachtens Koninklijke machtiging heeft de Minister voor Milieu en Wonen met een schrijven van 20 januari 2020, no.RWS-2020/632, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt een voordracht met ontwerpbesluit tot aanwijzing van onroerende zaken ter onteigening in de gemeente Eindhoven krachtens artikel 78 van de onteigeningswet (onteigeningsplan Weginfrastructuur omgeving Eindhoven Noordwest, Oirschot en Best).
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Onteigening voor de aanleg van twee spooronderdoorgangen in de gemeente Sittard-Geleen.
Krachtens Koninklijke machtiging heeft de Minister van Infrastructuur en Waterstaat met een schrijven van 16 januari 2020, no.RWS-2020/102, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt een voordracht met ontwerpbesluit tot aanwijzing van onroerende zaken ter onteigening in de gemeente Sittard-Geleen krachtens artikel 72a van de onteigeningswet (onteigening voor de aanleg van twee spooronderdoorgangen in verband met het opheffen van de onbewaakte gelijkvloerse spoorwegovergangen Raadskuilderweg en Lintjesweg, met bijkomende werken).
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Implementatiebesluit wijziging vierde anti-witwasrichtlijn.
Bij Kabinetsmissive van 13 januari 2020, no.2020000020, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Financiën, mede namens de Minister van Justitie en Veiligheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit Wwft 2018 ter implementatie van richtlijn (EU) 2018/843 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 tot wijziging van richtlijn (EU) 2015/849 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, en tot wijziging van de Richtlijnen 2009/138/EG en 2013/36/EU (PbEU 2018, L 156) (Implementatiebesluit wijziging vierde anti-witwasrichtlijn), met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Onteigening voor de uitvoering van het bestemmingsplan bestemmingsplan Weginfrastructuur omgeving Eindhoven Noordwest, Oirschot en Best in de gemeente Oirschot.
Krachtens Koninklijke machtiging heeft de Minister voor Milieu en Wonen met een schrijven van 20 januari 2020, no.RWS-2020/636, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt een voordracht met ontwerpbesluit ingevolge titel IV van de onteigeningswet, tot aanwijzing van onroerende zaken ter onteigening voor de uitvoering van het bestemmingsplan Weginfrastructuur omgeving Eindhoven Noordwest, Oirschot en Best in de gemeente Oirschot.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Onteigening voor de uitvoering van het bestemmingsplan Westelijke Ontsluiting, in de gemeente Amersfoort.
Krachtens Koninklijke machtiging heeft de Minister voor Milieu en Wonen met een schrijven van 17 januari 2020, no.RWS-2020/616, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt een voordracht met ontwerpbesluit tot aanwijzing van onroerende zaken ter onteigening in de gemeente Amersfoort krachtens artikel 78 van de onteigeningswet (onteigeningsplannen Westelijke ontsluiting en Westelijke ontsluiting II).
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Uitvoeringswet EU-zeehavenverordening.
Bij Kabinetsmissive van 17 april 2019, no.2019000820, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet houdende uitvoering van Verordening (EU) 2017/352 van het Europees Parlement en de Raad van 15 februari 2017 tot vaststelling van een kader voor het verrichten van havendiensten en gemeenschappelijke regels inzake de financiële transparantie van havens (PbEU 2017, L 57) (Uitvoeringswet EU-zeehavenverordening), met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van de Mijnbouwwet (het verwijderen of hergebruiken van mijnbouwwerken en investeringsaftrek mijnbouw op zee).
Bij Kabinetsmissive van 11 juli 2019, no.2019001366, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Economische Zaken en Klimaat, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Mijnbouwwet (het verwijderen of hergebruiken van mijnbouwwerken en investeringsaftrek mijnbouw op zee), met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging Ambtsinstructie in verband met de herziening van de geweldsmelding.
Bij Kabinetsmissive van 5 februari 2019, no.2019000209, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Justitie en Veiligheid, in overeenstemming met de Minister van Defensie, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende wijziging van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren, het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar en het Besluit politiegegevens in verband met de herziening van de geweldsmelding, met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Besluit vestigingsplaatsen kamers voor het notariaat.
Bij Kabinetsmissive van 13 maart 2020, no.2020000517, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Rechtsbescherming, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot vaststelling van het Besluit vestigingsplaatsen kamers voor het notariaat, met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Besluit Woningbouwimpuls 2020.
Bij Kabinetsmissive van 16 maart 2020, no.2020000545, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Milieu en Wonen, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende regels tot verstrekking van een specifieke uitkering aan gemeenten ten behoeve van het versnellen van de bouw van betaalbare woningen in een kwalitatief goede leefomgeving (Besluit Woningbouwimpuls 2020), met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 ivm implementatie Richtlijn (EU) 2018/645.
Bij Kabinetsmissive van 13 februari 2020, no.2020000335, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 in verband met implementatie van de Richtlijn (EU) 2018/645 van het Europees Parlement en de Raad van 18 april 2018 tot wijziging van Richtlijn 2003/59/EG betreffende de vakbekwaamheid en de opleiding en nascholing van bestuurders van bepaalde voor goederen- en personenvervoer over de weg bestemde voertuigen en Richtlijn 2006/126/EG betreffende het rijbewijs (PbEU 2018, L 112), met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme BES.
Bij Kabinetsmissive van 18 december 2019, no.2019002699, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Financiën, mede namens de Minister van Justitie en Veiligheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme BES en de Wet financiële markten BES in verband met het aanpakken van geconstateerde risico’s op witwassen en financieren van terrorisme op de BES en het in overeenstemming brengen van deze wetgeving met de aanbevelingen van de Financial Action Task Force, met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg en de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten teneinde de uitvoerbaarheid op punten te vergroten.
Bij Kabinetsmissive van 24 april 2020, no.2020000878, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, mede namens de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Minister voor Rechtsbescherming, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg en de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten teneinde de uitvoerbaarheid op punten te vergroten en enkele technische onvolkomenheden en omissies te herstellen, met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Tijdelijke experimentenwet nieuwe stembiljetten.
Bij Kabinetsmissive van 16 maart 2020, no.2020000546, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet houdende Tijdelijke regels voor experimenten met nieuwe stembiljetten (Tijdelijke experimentenwet nieuwe stembiljetten), met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van het Arbeidsomstandighedenbesluit i.v.m. gebruik van werkbakken en werkplafforms aan hijswerktuigen.
Bij Kabinetsmissive van 5 april 2019, no.2019000695, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Arbeidsomstandighedenbesluit in verband met nieuwe regels met betrekking tot het gebruik van werkbakken en werkplatforms aan hijswerktuigen, met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van de Mediawet 2008 in verband met aanscherping van de nieuwedienstenprocedure.
Bij Kabinetsmissive van 16 maart 2020, no.2020000528, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van het voorstel van wet tot wijziging van de Mediawet 2008 in verband met aanscherping van de nieuwedienstenprocedure, modernisering van procedures voor de benoeming van raden van toezicht en besturen, modernisering van het bestuur en verduidelijking van de positie van de Ster, alsmede technische verbeteringen onder meer in verband met taken van het Commissariaat voor de Media, met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Implementatiewet richtlijn auteursrecht in de digitale eengemaakte markt.
Bij Kabinetsmissive van 30 januari 2020, no.2020000223, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Rechtsbescherming, mede namens de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Auteurswet, de Wet op de naburige rechten, de Databankenwet en de Wet toezicht en geschillenbeslechting collectieve beheersorganisaties auteurs- en naburige rechten in verband met de implementatie van Richtlijn (EU) 2019/790 van het Europees parlement en de Raad van 17 april 2019 inzake auteursrechten en naburige rechten in de digitale eengemaakte markt en tot wijziging van de Richtlijnen 96/9/EG en 2001/29/EG (Implementatiewet richtlijn auteursrecht in de digitale eengemaakte markt), met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Tijdelijke tegemoetkomingsregeling KO.
Bij Kabinetsmissive van 24 april 2020, no.2020000894, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, mede namens de Staatssecretaris Financiën, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit, houdende de vaststelling van een tijdelijke algemene maatregel van bestuur regelende een tegemoetkoming voor de eigen bijdrage van de ouder in de kosten voor kinderopvang in verband met COVID-19 (Tijdelijke tegemoetkomingsregeling KO), met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Voorstel van wet van de leden Wilders en Emiel van Dijk tot wijziging van de Vreemdelingenwet (afschaffing van de dwangsomregeling bij asielaanvragen).
Bij brief van de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 6 maart 2020 heeft de Tweede Kamer, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet van de leden Wilders en Emiel van Dijk tot wijziging van de Vreemdelingenwet in verband met afschaffing van de dwangsomregeling bij asielaanvragen (Noodwet afschaffing dwangsomregeling ter voorkoming van misbruik door asielzoekers), met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Besluit medische hulpmiddelen.
Bij Kabinetsmissive van 20 september 2019, no.2019001950, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Medische Zorg, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende regels met betrekking tot de herverwerking en het verder gebruik van hulpmiddelen voor eenmalig gebruik in de zin van artikel 17 van Verordening (EU) 2017/745 en nadere regels over het gebruik van medische hulpmiddelen (Besluit medische hulpmiddelen), met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Tijdelijke voorzieningen in verband met de uitbraak van COVID-19.
Bij Kabinetsmissive van 28 april 2020, no.2020000896, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Economische Zaken en Klimaat, mede namens de Minister voor Rechtsbescherming, bij de Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk ter overweging aanhangig gemaakt het rijkswet tijdelijke voorzieningen voor de Rijksoctrooiwet 1995 en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en wijziging van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Invorderingswet 1990 en de Luchtvaartwet BES, in verband met de uitbraak van COVID-19, met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van het Besluit zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten.
Bij Kabinetsmissive van 6 april 2020, no.2020000698, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten in verband met het aanwijzen van ziekten en aandoeningen die gelijkgesteld worden met een psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap, met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Voorstel van wet van het lid Gijs van Dijk houdende wijziging van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wet invoering minimumuurloon).
Bij brief van de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 15 november 2019 heeft de Tweede Kamer, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet van het lid Gijs van Dijk houdende wijziging van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag en enige andere wetten in verband met de invoering van een uniform wettelijk minimumuurloon en enige andere wijzigingen (Wet invoering minimumuurloon), met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Besluit orgaandonatie.
Bij Kabinetsmissive van 21 februari 2020, no.2020000385, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Medische Zorg, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende regels ter uitvoering van de Wet op de orgaandonatie (Besluit orgaandonatie), met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Onteigening voor de uitvoering van het bestemmingsplan Badhoevedorp De Veldpost in de gemeente Haarlemmermeer.
Krachtens Koninklijke machtiging heeft de Minister voor Milieu en Wonen met een schrijven van 20 januari 2020, no.RWS-2020/624, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt een voordracht met ontwerpbesluit tot aanwijzing van een onroerende zaak ter onteigening in de gemeente Haarlemmermeer krachtens artikel 78 van de onteigeningswet (onteigeningsplan De Veldpost).
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van het Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG met betrekking tot opleidingen, post mortem orgaanuitname bij donoren, mobiel medische teams en enkele andere actualisaties en technische aanpassingen.
Bij Kabinetsmissive van 31 maart 2020, no.2020000662, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Medische Zorg, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende de wijziging van het Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG met betrekking tot opleidingen, post mortem orgaanuitname bij donoren, mobiel medische teams en enkele andere actualisaties en technische aanpassingen, met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van het Scheepsafvalstoffenbesluit Rijn- en binnenvaart in verband met het herstel van een omissie (lozen zeeschepen).
Bij Kabinetsmissive van 10 januari 2020, no.202000009, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging Scheepsafvalstoffenbesluit Rijn- en binnenvaart in verband met het herstel van een omissie (lozen zeeschepen), met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Voorlichting betreffende het voornemen tot het verrichten van een aankooptransactie van aandelen in een beursgenoteerde vennootschap.
Bij brief van 16 december 2019 heeft de Minister van Financiën op de voet van artikel 21a, eerste lid, van de Wet op de Raad van State aan de Afdeling advisering van de Raad van State gevraagd hem van voorlichting te dienen over het spanningsveld tussen enerzijds de uitoefening van het budgetrecht door het parlement en de openbare informatie-uitwisseling die daarbij hoort en anderzijds de regels voor de omgang met koersgevoelige informatie op grond van onder andere de Wet financieel toezicht en de Verordening marktmisbruik (PbEU 2014, L173).
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Onteigening in de gemeente Deurne (onteigeningsplannen Leegveld Deurne en Leegveld Deurne-2).
Krachtens Koninklijke machtiging heeft de Minister voor Milieu en Wonen met een schrijven van 14 januari 2020, no.RWS-2020/482, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt een voordracht met ontwerpbesluit tot aanwijzing van onroerende zaken ter onteigening in de gemeente Deurne krachtens artikel 78 van de onteigeningswet (onteigeningsplannen Leegveld Deurne en Leegveld Deurne-2).
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wet gegevensverwerking door samenwerkingsverbanden (WGS).
Bij Kabinetsmissive van 21 juni 2019, no.2019001220, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Justitie en Veiligheid, mede namens de Minister voor Rechtsbescherming, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van Wet gegevensverwerking door samenwerkingsverbanden (WGS), met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Besluit maatregelen kunststof drankflessen.
Bij Kabinetsmissive van 15 juli 2019, no.2019000471, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit beheer verpakkingen 2014 in verband met het opnemen van een doelstelling voor gescheiden inzameling voor kunststof drankflessen en het aanpassen van de artikelen over statiegeld op drankverpakkingen (Besluit maatregelen kunststof drankflessen), met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Voorstel van wet van de leden Van den Bosch en Van der Molen tot wijziging van de Gemeentewet en andere wetten (laten vervallen van het verplicht voorzitterschap door raadsleden statenleden en eilandsraadsleden van raads-, staten- en eilandsraadscommissies).
Bij brief van de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 18 februari 2020 heeft de Tweede Kamer, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet van de leden Van den Bosch en Van der Molen tot wijziging van de Gemeentewet, de Provinciewet en de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba in verband met het laten vervallen van het verplicht voorzitterschap door raadsleden, statenleden en eilandsraadsleden van raads-, staten- en eilandsraadscommissies, met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van het Besluit bloedtest in strafzaken in geval van een ernstige besmettelijke ziekte.
Bij Kabinetsmissive van 10 april 2020, no. 2020000777, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Justitie en Veiligheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit bloedtest in strafzaken in geval van een ernstige besmettelijke ziekte, met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Goedkeuring samenwerkingsovereenkomst EU - Afghanistan inzake partnerschap en ontwikkeling.
Bij Kabinetsmissive van 16 maart 2020, no.2020000555, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Buitenlandse Zaken, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot goedkeuring van de Samenwerkingsovereenkomst inzake partnerschap en ontwikkeling tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Islamitische Republiek Afghanistan, anderzijds (Trb. 2017, 45), met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Onteigening in de gemeente Rotterdam (onteigeningsplan 2e Carnissestraat 4 t/m 34).
Krachtens Koninklijke machtiging heeft de Minister voor Milieu en Wonen met een schrijven van 23 december 2019, no.RWS-2019/44772, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt een voordracht met ontwerpbesluit tot aanwijzing van onroerende zaken ter onteigening in de gemeente Rotterdam krachtens artikel 78 van de onteigeningswet (onteigeningsplan 2e Carnissestraat 4 t/m 34).
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Onteigening voor de uitvoering van het bestemmingsplan bestemmingsplan Ontsluitingsweg Oeverrijk in de gemeente Capelle aan den IJssel.
Krachtens Koninklijke machtiging heeft de Minister voor Milieu en Wonen met een schrijven van 27 januari 2020, no.RWS-2020/2307, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt een voordracht met ontwerpbesluit tot aanwijzing van een onroerende zaak ter onteigening in de gemeente Capelle aan den IJssel krachtens artikel 78 van de onteigeningswet (onteigeningsplan Ontsluitingsweg Oeverrijk).
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers.
Bij Kabinetsmissive van 14 april 2020, no.2020000774, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit van houdende tijdelijke regels omtrent bijstandsverlening aan zelfstandigen die financieel getroffen zijn door de gevolgen van de crisis in verband met COVID-19 (Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers), met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Herstelwet financiële markten 2020.
Bij Kabinetsmissive van 20 januari 2020, no.2020000098, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Financiën, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht, de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, de Wet toezicht trustkantoren 2018 en enige andere wetten in verband met het herstel van gebreken en omissies bij de implementatie van Europese regelgeving op het terrein van de financiële markten (Herstelwet financiële markten 2020), met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Voorlichting in verband met het functioneren van de Eerste Kamer in tijden van de coronacrisis.
Bij brief van 7 april 2020 heeft de Voorzitter van de Eerste Kamer op de voet van artikel 21a, eerste lid, van de Wet op de Raad van State aan de Afdeling advisering van de Raad van State gevraagd hem van voorlichting te dienen in verband met het functioneren van de Eerste Kamer in tijden van de coronacrisis.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van de Wet griffierechten burgerlijke zaken.
Bij Kabinetsmissive van 16 maart 2020, no.2020000537, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Rechtsbescherming, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Wet griffierechten burgerlijke zaken in verband met het introduceren van meerdere griffierechtcategorieën voor lagere geldvorderingen, met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Onteigening in de gemeente Oldebroek (onteigeningsplan Aansluiting A28).
Krachtens Koninklijke machtiging heeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties met een schrijven van 28 oktober 2019, no.RWS-2019/36534, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt een voordracht met ontwerpbesluit tot aanwijzing van onroerende zaken ter onteigening in de gemeente Oldebroek krachtens artikel 78 van de onteigeningswet (onteigeningsplan Aansluiting A28).
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van het Meeteenhedenbesluit 2006 in verband met de implementatie van de richtlijn (EU)2019/1258.
Bij Kabinetsmissive van 13 februari 2020, no.2020000338, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Meeteenhedenbesluit 2006 ter implementatie van richtlijn (EU) 2019/1258, met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Voorlichting met betrekking tot de Implementatiewet registratie uiteindelijk belanghebbenden van vennootschappen en andere juridische entiteiten.
Bij brief van 12 maart 2020 heeft de Voorzitter van de Eerste Kamer op de voet van artikel 21a, eerste lid, van de Wet op de Raad van State aan de Afdeling advisering van de Raad van State gevraagd hem van voorlichting te dienen met betrekking tot de wijziging van de Handelsregisterwet 2007, de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme en enkele andere wetten in verband met de registratie van uiteindelijk belanghebbenden van vennootschappen en andere juridische entiteiten ter implementatie van de gewijzigde vierde anti-witwasrichtlijn (Implementatiewet registratie uiteindelijk belanghebbenden van vennootschappen en andere juridische entiteiten).
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Fiscale verzamelwet 2021.
Bij Kabinetsmissive van 26 november 2019, no.2019002486, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Financiën, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten, alsmede invoering grondslag voor compensatieregeling (Fiscale verzamelwet 2021), met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Reparatiewet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen.
Bij Kabinetsmissive van 16 maart 2020, no.2020000538, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Rechtsbescherming, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering en enkele andere wetten in verband met het doorvoeren van enkele noodzakelijke reparaties en andere kleine wijzigingen (Reparatiewet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen), met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van de Wet implementatie EU-richtlijnen energie-efficiëntie teneinde een grondslag op te nemen voor de energie-audit.
Bij Kabinetsmissive van 3 januari 2020, no.2019002741, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Economische Zaken en Klimaat, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Wet implementatie EU-richtlijnen energie-efficiëntie teneinde een grondslag op te nemen voor de energie-audit, met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Onteigening in de gemeenten Rijswijk en Delft (realisatie van het project PHS Rijswijk - Delft Zuid).
Krachtens Koninklijke machtiging heeft de Minister van Infrastructuur en Waterstaat met een schrijven van 19 november 2019, no.RWS-2019/39577, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt een voordracht met ontwerpbesluit tot aanwijzing van onroerende zaken ter onteigening in de gemeenten Rijswijk en Delft krachtens artikel 72a van de onteigeningswet (onteigening voor de realisatie van het project PHS Rijswijk - Delft Zuid, met bijkomende werken in de gemeenten Rijswijk en Delft).
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Spoedwet COVID-19 Justitie en Veiligheid.
Bij Kabinetsmissive van 3 april 2020, no.2020000701, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Rechtsbescherming, mede namens de Minister van Justitie en Veiligheid en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet in verband met tijdelijke voorzieningen van procedurele aard en wijziging van enkele wetten op het terrein van het Ministerie van Justitie en Veiligheid in verband met de uitbraak van COVID-19 (Spoedwet COVID-19 Justitie en Veiligheid), met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Onteigening in de gemeente Westerkwartier voor het project Extra Sneltrein Groningen-Leeuwarden, dat onder meer voorziet in spoorverdubbeling en de aanpassing van de huidige overweg aan de Hogeweg (2e verzoek).
Krachtens Koninklijke machtiging heeft de Minister van Infrastructuur en Waterstaat met een schrijven van 3 december 2019, no.RWS-2019/42186, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt een voordracht met ontwerpbesluit tot aanwijzing van een onroerende zaak ter onteigening in de gemeente Westerkwartier krachtens artikel 72a van de onteigeningswet (aanvulling op een eerdere onteigening voor het project Extra Sneltrein Groningen-Leeuwarden, met bijkomende werken in de gemeente Westerkwartier).
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Onteigening in de gemeente Rottterdam (onteigeningsplan Mijnkintbuurt, fase 1).
Krachtens Koninklijke machtiging heeft de Minister voor Milieu en Wonen met een schrijven van 10 december 2019, no.RWS-2019/43977, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt een voordracht met ontwerpbesluit tot aanwijzing van onroerende zaken ter onteigening in de gemeente Rotterdam krachtens artikel 78 van de onteigeningswet (onteigeningsplan Mijnkintbuurt, fase 1).
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Onteigening in de gemeente Weesp (onteigeningsplan Bloemendalerpolder).
Krachtens Koninklijke machtiging heeft de Minister voor Milieu en Wonen met een schrijven van 23 december 2019, no.RWS-2019/44768, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt een voordracht met ontwerpbesluit tot aanwijzing van onroerende zaken ter onteigening in de gemeente Weesp krachtens artikel 78 van de onteigeningswet (onteigeningsplan Bloemendalerpolder).
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Onteigening in de gemeente Terneuzen (onteigeningsplan Terneuzen, Othene Oost).
Krachtens Koninklijke machtiging heeft de Minister voor Milieu en Wonen met een schrijven van 23 december 2019, no.RWS-2019/44776, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt een voordracht met ontwerpbesluit tot aanwijzing van een onroerende zaak ter onteigening in de gemeente Terneuzen krachtens artikel 78 van de onteigeningswet (onteigeningsplan Terneuzen, Othene Oost).
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Tijdelijke wet verlenging tijdelijke huurovereenkomsten.
Bij Kabinetsmissive van 1 april 2020, no. 2020000688, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Milieu en Wonen, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet houdende tijdelijke regels omtrent het kunnen verlengen van huurovereenkomsten voor bepaalde tijd (Tijdelijke wet verlenging tijdelijke huurovereenkomsten), met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Aanpassing van enkele wetten ter uitvoering van de Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie (invoeringswet EOM).
Bij Kabinetsmissive van 31 oktober 2019, no.2019002264, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Justitie en Veiligheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot aanpassing van enkele wetten ter uitvoering van de Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie (“EOM”) (PbEU 2017, L 283) (Invoeringswet EOM), met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van het Besluit geslachtsnaamswijziging en het Besluit regelen betreffende verzoeken tot naamswijziging en tot naamsvaststelling.
Bij Kabinetsmissive van 8 februari 2020, no.2020000298, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Rechtsbescherming, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit geslachtsnaamswijziging en de Regelen betreffende verzoeken tot naamswijziging en tot naamsvaststelling, met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van het Registratiebesluit BIG teneinde regels to stellen over het gebruik van het BIG-nummer door geregistreerde beroepsoefenaren.
Bij Kabinetsmissive van 21 februari 2020, no.2020000386, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Medische Zorg, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Registratiebesluit BIG teneinde regels te stellen over het gebruik van het BIG-nummer door geregistreerde beroepsbeoefenaren, met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van het Tabaks- en rookwarenbesluit in verband met de invoering van standaardverpakking voor sigaretten en shagtabak.
Bij Kabinetsmissive van 3 januari 2020, no.2019002732, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende wijziging van het Tabaks- en rookwarenbesluit in verband met invoering van standaard verpakking voor sigaretten en shagtabak, met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Uitvoeringswet verordening (EU) 2018/858 (wijziging Wegenverkeerswet).
Bij Kabinetsmissive van 18 oktober 2019, no.2019002205, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 en enkele andere wetten in verband met de uitvoering van verordening (EU) 2018/858 en andere besluiten van de Europese Unie betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op motorvoertuigen, aanhangers daarvan en systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voortuigen zijn bestemd (Uitvoeringswet verordening (EU) 2018/858), met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wet Mobiliteitsfonds.
Bij Kabinetsmissive van 15 november 2019, no.2019002418, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, mede namens de Minister van Financiën, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet houdende regels inzake instelling van een Mobiliteitsfonds (Wet Mobiliteitsfonds), met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (adviesrecht gemeenten bij schuldenbewind).).
Bij Kabinetsmissive van 15 juli 2019, no.2019001431, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Rechtsbescherming, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek teneinde te voorzien in een adviesrecht voor gemeenten bij de procedure rond beschermingsbewind wegens problematische schulden, met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van de Kaderovereenkomst inzake de oprichting van de International Solar Alliance (ISA); New Delhi, 3 oktober 2018 (Trb. 2020, 6).
Bij Kabinetsmissive van 3 februari 2020, no.2020000261, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Buitenlandse Zaken, mede namens de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, bij de Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk ter overweging aanhangig gemaakt de wijziging van de Kaderovereenkomst inzake de oprichting van de International Solar Alliance (ISA); New Delhi, 3 oktober 2018 (Trb. 2020, 6), met toelichtende nota.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Tijdelijke wet digitale beraadslaging en besluitvorming provincies, gemeenten, waterschappen en de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Bij Kabinetsmissive van 27 maart 2020, no.2020000669, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet, houdende regels voor het tijdelijk voorzien in besluitvorming via digitale weg door besturen van provincies, gemeenten, waterschappen en de openbare lichamen Bonaire en Saba (Tijdelijke wet digitale beraadslaging en besluitvorming provincies, gemeenten, waterschappen en de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba), met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van het Uitvoeringsbesluit verordening Europees burgerinitiatief in verband met de nieuwste verordening betreffende het Europees burgerinitiatief.
Bij Kabinetsmissive van 20 november 2019, no.2019002439, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit verordening Europees burgerinitiatief in verband met de nieuwste verordening betreffende het Europees burgerinitiatief, met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wet herstel voorzieningen Sint Eustatius.
Bij Kabinetsmissive van 19 december 2019, no.2019002716, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet houdende herstel van de voorzieningen in het bestuur van het openbaar lichaam Sint Eustatius (Wet herstel voorzieningen Sint Eustatius), met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van de Postwet 2009 (toegang, flexibilisering, borging UPD en arbeidsbescherming postbezorgers).
Bij Kabinetsmissive van 15 juli 2019, no.2019001395, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Postwet 2009 in verband met de wijziging van de toegangsregulering van postvervoerders tot een landelijk netwerk voor postaanbieding, de borging van de continuïteit van de universele postdienst, de flexibilisering van de eisen aan de universele postdienst en de bescherming van de arbeidspositie van postbezorgers, met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van de Telecommunicatiewet in verband met het invoeren van een opt-in-systeem voor het overbrengen van ongevraagde communicatie voor commerciële, ideële of charitatieve doeleinden aan natuurlijke personen.
Bij Kabinetsmissive van 18 november 2019, no.2019002427, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Telecommunicatiewet in verband met het invoeren van een opt-in-systeem voor het overbrengen van ongevraagde communicatie voor commerciële, ideële of charitatieve doeleinden aan natuurlijke personen, met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Besluit gereglementeerde markten Wft en het Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten.
Bij Kabinetsmissive van 27 februari 2020, no.2020000419, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Financiën, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit gereglementeerde markten Wft in verband met de implementatie van artikel 64, punt 5, van richtlijn (EU) 2019/2034 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende het prudentiële toezicht op beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijnen 2002/87/EG, 2009/65/EG, 2011/61/EU, 2013/36/EU, 2014/59 en 2014/65/EU (PbEU 2019, L 314) en tot wijziging van het Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten in verband met de uitvoering van artikel 63, punt 3, van verordening (EU) nr. 2019/2033 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende prudentiële vereisen voor beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1093/2010, (EU) nr. 575/2013, (EU) nr. 600/2014 en (EU) nr. 806/2014 (PbEU 2019, L 314), met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Voorstel van wet houdende regels over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving (Omgevingswet), met memorie van toelichting.
Voorstel van wet houdende regels over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving (Omgevingswet), met memorie van toelichting.Bij Kabinetsmissive van 22 juli 2013, no.13.001568, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Infrastructuur en Milieu, mede namens de Minister van Economische Zaken, de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de Minister van Veiligheid en Justitie en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet houdende regels over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving (Omgevingswet), met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van het Besluit videoconferentie.
Bij Kabinetsmissive van 26 november 2019, no.2019002474, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Justitie en Veiligheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit videoconferentie in verband met het schrappen van de categorale uitzonderingssituaties, met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Verandering in de Grondwet strekkende tot het opnemen van een bepaling over een door niet-ingezetenen gekozen kiescollege voor de verkiezing van de Eerste Kamer der Staten-Generaal.r een door niet-ingezetenen gekozen kiescollege voor de verkiezing van de Eerste Kamer der Staten-Generaal.
Bij Kabinetsmissive van 3 december 2019, no.2019002531, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister-President, Minister van Algemene Zaken, mede namens de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet houdende verklaring dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering in de Grondwet strekkende tot het opnemen van een bepaling over een door niet-ingezetenen gekozen kiescollege voor de verkiezing van de Eerste Kamer der Staten-Generaal, met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Verandering in de Grondwet van de bepaling inzake veranderingen in de Grondwet (herijking Grondwetsherzieningsprocedure).
Bij Kabinetsmissive van 6 december 2019, no.2019002557, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister-President, Minister van Algemene Zaken, mede namens de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet houdende verklaring dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering in de Grondwet van de bepaling inzake veranderingen in de Grondwet (herijking Grondwetsherzieningsprocedure), met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Verandering in de Grondwet, strekkende tot het doen vervallen van additionele artikelen die zijn uitgewerkt.
Bij Kabinetsmissive van 3 december 2019, no.2019002530, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, mede namens de Minister-President, de Minister van Algemene Zaken, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet houdende verklaring dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering in de Grondwet, strekkende tot het doen vervallen van additionele artikelen die zijn uitgewerkt, met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van het Besluit periodieke registratie Wet BIG in verband met de toevoeging van de physician assistants.
Bij Kabinetsmissive van 8 februari 2020, no.2020000290, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Medische Zorg, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit periodieke registratie Wet BIG in verband met de toevoeging van de physician assistants, met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Besluit houdende regels inzake de opleiding tot en de deskundigheid van de klinisch technoloog.
Bij Kabinetsmissive van 12 februari 2020, no.2020000328, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Medische Zorg, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende regels inzake de opleiding tot en de deskundigheid van de klinisch technoloog (Besluit opleidingseisen en deskundigheidsgebied klinisch technoloog), met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Singapore inzake wederzijdse administratieve bijstand in douanezaken; Singapore, 14 oktober 2019 (Trb. 2019, 168).
Bij Kabinetsmissive van 5 december 2019, no.2019002552, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Buitenlandse Zaken, mede namens de Staatssecretaris van Financiën, bij de Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk ter overweging aanhangig gemaakt het verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Singapore inzake wederzijdse administratieve bijstand in douanezaken; Singapore, 14 oktober 2019 (Trb. 2019, 168), met toelichtende nota.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van het Warenwetbesluit Kruidenpreparaten en het Warenwetbesluit bestuurlijke boeten in verband met de toevoeging van enkele schadelijke (stoffen in) kruidenpreparaten.
Bij Kabinetsmissive van 17 december 2019, no.2019002676, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Medische Zorg, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende wijziging van het Warenwetbesluit Kruidenpreparaten en het Warenwetbesluit bestuurlijke boeten in verband met de toevoeging van enkele schadelijk (stoffen in) kruidenpreparaten en enkele technische aanpassingen, met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Besluit houdende vaststelling van de betalingstermijn op grond van artikel 34, derde lid, van de Wet op de Kamer van Koophandel.
Bij Kabinetsmissive van 20 januari 2020, no.2020000095, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende de vaststelling van de betalingstermijn op grond van artikel 34, derde lid, van de Wet op de Kamer van Koophandel, met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Reparatiewet verhuurderheffing bij mede-eigendom.
Bij Kabinetsmissive van 7 januari 2020, no.2019002730, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Milieu en Wonen, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Wet maatregelen woningmarkt 2014 II (reparatie verhuurderheffing bij gedeeld genot huurwoningen), met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van de Wet implementatie EU-richtlijnen energie-efficiëntie (energielabel).
Bij Kabinetsmissive van 4 juli 2019, no.2019001321, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Economische Zaken en Klimaat, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Wet implementatie EU-richtlijnen energie-efficiëntie (uitvoering van Verordening (EU) nr. 2017/1369 inzake energie-etikettering van energiegerelateerde producten), met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het verbeteren van de huurbescherming voor huurders van ligplaatsen.
Bij Kabinetsmissive van 19 november 2019, no.2019002431, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de minister voor Milieu en Wonen, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het verbeteren van de huurbescherming voor huurders van ligplaatsen, met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Besluit ter implementatie van richtlijn 2018/844 (tweede herziening EPBD).
Bij Kabinetsmissive van 24 januari 2020, no.2020000150, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Bouwbesluit 2012 en van enkele andere besluiten inzake de implementatie van de tweede herziening van de richtlijn energieprestatie gebouwen, met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens in verband met het verstrekken van justitiële gegevens over begin en einde vrijheidsbeneming aan gemeenten ten behoeve van de re-integratie van ex-gedetineerden.
Bij Kabinetsmissive van 20 december 2018, no.2018002395, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Rechtsbescherming, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens in verband met het verstrekken van justitiële gegevens over begin en einde vrijheidsbeneming aan gemeenten ten behoeve van de re-integratie van ex-gedetineerden, met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Onteigening in de gemeente Hulst (reconstructie van de N258 Absdaalseweg Absdale-Hulst).
Krachtens Koninklijke machtiging heeft de Minister van Infrastructuur en Waterstaat met een schrijven van 3 december 2019, no.RWS-2019/42175, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt een voordracht met ontwerpbesluit tot aanwijzing van onroerende zaken ter onteigening in de gemeente Hulst krachtens artikel 72a van de onteigeningswet (onteigening voor de reconstructie van de N258 Absdaalseweg Absdale-Hulst, met bijkomende werken in de gemeente Hulst).
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Onteigening in de gemeente Hoeksche Waard (reconstructie van de provinciale weg N489).
Krachtens Koninklijke machtiging heeft de Minister van Infrastructuur en Waterstaat met een schrijven van 5 november 2019, no.RWS-2019/36541, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt een voordracht met ontwerpbesluit tot aanwijzing van onroerende zaken ter onteigening in de gemeente Hoeksche Waard krachtens artikel 72a van de onteigeningswet (onteigening voor de reconstructie van de provinciale weg N489, met bijkomende werken in de gemeente Hoeksche Waard).
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet (negentiende tranche).
Bij Kabinetsmissive van 17 juli 2019, no.2019001463, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, in overeenstemming met de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging en aanvulling van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet en tot aanvulling van bijlage II van de Crisis- en herstelwet (Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet) (negentiende tranche)), met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van het Besluit bekostiging financieel toezicht 2019.
Bij Kabinetsmissive van 10 december 2019, no.2019002575, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Financiën, mede namens de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit bekostiging financieel toezicht 2019 in verband met onder meer wijziging van enkele maatstaven en toevoeging van enkele onder toezicht staande personen voor de doorberekening van de toezichtkosten vanaf het jaar 2020, met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Onteigening in de gemeente West Betuwe (onteigeningsplan PAS-maatregel Lingegebied en Diefdijk-Zuid).
Krachtens Koninklijke machtiging heeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties met een schrijven van 28 oktober 2019, no.RWS-2019/36515, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt een voordracht met ontwerpbesluit tot aanwijzing van onroerende zaken ter onteigening in de gemeente West Betuwe krachtens artikel 78 van de onteigeningswet (onteigeningsplan PAS-maatregel Lingegebied en Diefdijk-Zuid).
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Onteigening in de gemeenten Almelo, Apeldoorn, Deventer, Hof van Twente, Lochem, Rijssen-Holten, Voorst en Wierden (2e verzoek om onteigening voor de reconstructie van de rijksweg A1 Apeldoorn – knooppunt Azelo (fase 1).
Krachtens Koninklijke machtiging heeft de Minister van Infrastructuur en Waterstaat met een schrijven van 29 oktober 2019, no.RWS-2019/36526, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt een voordracht met ontwerpbesluit tot aanwijzing van onroerende zaken ter onteigening in de gemeenten Deventer en Lochem krachtens artikel 72a van de onteigeningswet (2e verzoek om onteigening voor de reconstructie van de rijksweg A1 Apeldoorn – knooppunt Azelo (fase 1), met bijkomende werken in de gemeenten Almelo, Apeldoorn, Deventer, Hof van Twente, Lochem, Rijssen-Holten, Voorst en Wierden).
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Onteigening ten algemenen nutte voor de uitvoering van het bestemmingsplan N282 van de gemeente Gilze en Rijen ten name van de provincie Noord-Brabant.
Krachtens Koninklijke machtiging heeft de Minister voor Milieu en Wonen met een schrijven van 26 november 2019, no.RWS-2019/40005, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt een voordracht met ontwerpbesluit tot de aanwijzing van onroerende zaken ter onteigening ten algemenen nutte voor de uitvoering van het bestemmingsplan N282 van de gemeente Gilze en Rijen ten name van de provincie Noord-Brabant.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van het Wetboek van Strafvordering en Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen o.a. confiscatie uitvoering van Verordening (EU) nr. 2018/1805 EP.
Bij Kabinetsmissive van 9 oktober 2019, no.2019002120, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Rechtsbescherming, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering en de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie in verband met de uitvoering van Verordening (EU) nr. 2018/1805 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 inzake de wederzijdse erkenning van bevriezingsbevelen en confiscatiebevelen (PbEU 2018, L 303/1), met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van de Wet publieke gezondheid tot incorporatie van de Regeling 2019-nCoV.
Bij Kabinetsmissive van 13 februari 2020, no.2020000339, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Medische Zorg, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet houdende wijziging van de Wet publieke gezondheid tot incorporatie van de Regeling 2019-nCoV, met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wet toezicht trustkantoren 2018.
Voorstel van wet houdende regels met betrekking tot het verlenen van trustdiensten en het toezicht daarop (Wet toezicht trustkantoren 2018), met memorie van toelichting.Bij Kabinetsmissive van 16 november 2017, no.2017001983, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Financiën, mede namens de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet houdende regels met betrekking tot het verlenen van trustdiensten en het toezicht daarop (Wet toezicht trustkantoren 2018), met memorie van toelichting.Het voorstel strekt tot vervanging van de Wet toezicht trustkantoren (Wtt) door een geheel nieuwe Wet toezicht trustkantoren 2018 (Wtt 2018). De Wtt trad in 2004 in werking en zette de tot dan toe bestaande zelfregulering in de trustdienstensector om in wettelijke regulering en ondertoezichtstelling door De Nederlandsche Bank N.V. (DNB). Het voorstel strekt tot aanscherping van de normen waaraan trustkantoren moeten voldoen en tot uitbreiding van het toezichtsinstrumentarium.De Afdeling advisering van de Raad van State wijst op twee onderliggende dilemma’s bij het voorstel. Ten eerste is het toezicht op trustkantoren in belangrijke mate een afgeleide van problemen met internationale belastingconcurrentie en belastingontwijking. Zolang er geen internationale afspraken zijn over deze problemen, blijft het toezicht op trustkantoren suboptimaal. Ten tweede continueert het voorstel de keuze die ook in 2004 is gemaakt om het toezicht niet te richten op de achterliggende financiële structuren en vehikels, maar op trustkantoren als "poortwachter". Dertien jaar toezichtuitoefening heeft de beperkingen daarvan aangetoond. Gegeven deze dilemma’s en de daarmee verbonden open normstelling van verschillende kernbepalingen van het voorstel legt dit voorstel een hypotheek op het toezicht en op de toezichthouder.De Afdeling adviseert daarom over enige jaren de wet te evalueren op grond van ervaringen met de (geïntensiveerde) toezichtspraktijk en nadere internationaal-fiscale ontwikkelingen. Voorts adviseert de Afdeling om in het voorstel een adequate voorziening te treffen inzake (openbare) verslaglegging en verantwoording door DNB over de toezichtsuitoefening. Daarnaast zou een voorziening te moete worden getroffen waarmee de toezichthouder wordt verplicht de open normstelling te concretiseren voordat handhavingsmaatregelen worden getroffen zodat voor betrokkenen tijdig duidelijk is wat er van hen wordt verwacht.Ten slotte adviseert de Afdeling een grondslag voor de uitwisseling met derden van gegevens van strafrechtelijke aard op te nemen, en in de toelichting op de effectiviteit en handhaafbaarheid van het voorgestelde verbod van de combinatie van trustdiensten en belastingadvies, alsook op de verhouding tot het vrije verkeer van diensten en tot de Dienstenrichtlijn in te gaan.De Afdeling adviseert het voorstel aan de Tweede Kamer te zenden, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.1. Achtergrond van het voorstelInternationalisering van markten en van productieprocessen maakt dat ondernemingen opereren voor verschillende eigenaars of belanghebbenden in verschillende landen, en dat zij daar activiteiten ontwikkelen met een veelvoud van rechts- en natuurlijke personen. Die ondernemingen gebruiken vaak intermediaire dienstverleners (trustkantoren) voor het opzetten en beheren van die structuren. Daarbij is het voor hen van belang dat dergelijke diensten worden verleend in jurisdicties waar, naast gunstige fiscale voorwaarden, sprake is van een stabiele en betrouwbare rechtsstaat, en dubbele belastingdruk door belastingverdragen (zoveel mogelijk) wordt voorkomen. Nederland heeft met zeer veel landen belastingovereenkomsten gesloten, kent een stabiel en betrouwbaar rechtsstelsel en is voor bepaalde activiteiten fiscaal gunstig. (zie noot 1) Mede daarom is Nederland een aantrekkelijk land voor het afnemen van trustdiensten. (zie noot 2) De Nederlandse trustdienstensector is dan ook, ook in vergelijking met omringende landen, groot. (zie noot 3)Kenmerken die het Nederlandse stelsel aantrekkelijk maken voor fiscale planning, maken het echter ook gevoelig voor belastingfraude, -ontduiking en -ontwijking. De grens tussen fiscale planning ("optimalisering") en belastingontwijking is moeilijk te bepalen.Hoewel sprake is van vele ontwikkelingen - ook internationaal - (zie noot 4) is van consensus op dit vlak beperkt sprake. In de belastingrechtspraak in binnen- en buitenland is het bovendien uitgangspunt dat belastingplichtigen het recht hebben binnen de wettelijke grenzen hun activiteiten op fiscaal zo gunstig mogelijke wijze te plannen.De bijzondere eigenschappen van de clientèle van trustkantoren, en de daarmee gepaard gaande grote financiële stromen, brengen een verhoogd risico mee dat bepaalde cliënten ‘gekunstelde’ structuren opzetten, met als (enkel) doel om zo het Nederlands financiële stelsel te gebruiken voor illegale praktijken, zoals witwassen van gelden, financiering van terrorisme, of belastingontduiking, -ontwijking of -fraude in binnen- en buitenland. Dat misbruik vindt als zodanig meestal niet in Nederland zelf plaats, maar het Nederlandse financiële stelsel wordt daarvoor wel gebruikt.In de toelichting op het wetsvoorstel wordt gewezen op actuele maatschappelijke en politieke discussies over Nederland als (vermeend) "belastingparadijs", zoals recentelijk naar aanleiding van de zogenoemde "Panama Papers" en de bevindingen van de Parlementaire ondervragingscommissie Fiscale constructies. (zie noot 5)De Wet toezicht trustkantoren (2004)Tot 2004 was sprake van zelfregulering in de sector. Daarvóór gold enkel de algemene witwaswetgeving (thans de Wet ter voorkoming van witwassen en de financiering van terrorisme (Wwft)); op basis daarvan moesten trustdienstverleners net als andere dienstverleners slechts cliënten onderzoeken en bepaalde meldingen doen. Omdat echter erkend werd dat met de trustdienstverlening bijzondere integriteitsrisico’s samenhangen is in 2004 een sectorspecifieke regeling waarop DNB toezicht houdt, ingevoerd. Trustdiensten zijn in de Wtt breed gedefinieerd; ook bepaalde reguliere advocaten-, notaris-, en belastingadviesdiensten vallen eronder. De wet kent aldus een ruime personele reikwijdte, ook al wordt deze in de praktijk thans veel beperkter toegepast (volgens de toelichting zijn er thans 229 trustkantoren met een vergunning).Trustkantoren zijn in de Wtt gepositioneerd als "poortwachter"; er wordt van hen een eigen verantwoordelijkheid verwacht om onderzoek te doen naar de bijzondere integriteitsrisico’s. Voor trustkantoren is het evenwel vaak moeilijk om de gehele structuur van het netwerk van betrokken internationale bedrijven te (kunnen) overzien. Het komt daarbij ook regelmatig voor dat bij het trustkantoor onduidelijkheden bestaan over de natuurlijke persoon of personen voor wie de trustdiensten uiteindelijk verricht worden, of over de uiteindelijke oorsprong of het uiteindelijke doel van de geldstromen.Waar de Wwft slechts cliëntenonderzoeken en meldingen vereist, geldt voor trustkantoren op grond van de Wtt een vergunning- en verbodstelsel. De Wtt vormt zo een significante verzwaring ten opzichte van de generieke regels van de Wwft. De Wwft vormt de implementatie van de Europese vierde anti-witwasrichtlijn, (zie noot 6) en is van toepassing als de Wtt niet van toepassing is. (zie noot 7)De waardering van het effectief toezicht op het naleven van de Wtt lijkt in de loop van de tijd aanzienlijk te zijn veranderd. Aanvankelijk, toen de Wtt in 2010 werd geëvalueerd, werd op grond van gegevens van DNB geconcludeerd dat de vergunninghoudende trustkantoren de Wtt grotendeels correct naleefden, en er daarom nooit aanleiding was geweest om vergunningen in te trekken. (zie noot 8) In de jaren daarna heeft DNB in het lopend toezicht thematisch steekproeven bij de trustkantoren gedaan (2012-2015). DNB constateerde vaak dat een groot deel van de beproefde kantoren de wet niet adequaat naleefde en de onderzochte integriteitsrisico’s onvoldoende afdekte. Weliswaar volgden die onderzochte trustkantoren vervolgens de aanwijzingen van DNB telkens op, maar ook bij elke nieuwe steekproef bleken kantoren pas na aanwijzingen van DNB in staat om de wet na te leven. (zie noot 9) De Parlementaire ondervragingscommissie Fiscale constructies constateerde dat het toezicht op de naleving van de Wtt er niet toe heeft geleid dat trustkantoren bereid zijn de wet naar de letter en naar de geest na te leven, en stelde vast dat de toezichthouder te beperkte mogelijkheden heeft om daarin op te treden. (zie noot 10) Trustkantoren maken de poortwachtersfunctie niet (meer) waar.2. Hoofdpunten van het voorstelHet voorliggende wetsvoorstel handhaaft de oorspronkelijke bedoeling van de Wtt om de integriteit van het financiële stelsel te bevorderen door middel van toezicht op de trustkantoren (poortwachtersfunctie). De normen voor integere bedrijfsvoering en een beheerste bedrijfsuitoefening van en door trustkantoren worden uitgebreid en in de wet zelf neergelegd. Scherpere eisen worden gesteld aan de rechtsvorm van een trustkantoor. Om onafhankelijke trustdienstverlening te bevorderen, introduceert het voorstel een verbod om aan eenzelfde cliënt zowel trustdiensten als belastingadvies te geven. Vanwege het zwaarwegende belang van cliëntenonderzoek zijn ook hier de regels van lagere regelgeving naar het niveau van de wet getild. In de wet is bepaald dat een trustkantoor niet alleen onderzoek moet doen naar de formele zeggenschapsstructuur van een cliënt (en doelvennootschappen) maar ook naar de feitelijke belanghebbende (de zogenoemde uiteindelijk belanghebbende of ultimate beneficiary owner, UBO).Het voorstel vult het toezichtinstrumentarium aan, mede in overeenstemming met diverse anti-witwasrichtlijnen. De publicatiebevoegdheden van DNB over (voorgenomen) formele maatregelen, worden uitgebreid, en DNB kan personen verbieden beleidsbepalende functies te vervullen. DNB kan voorts, aldus het voorstel, boetes van een bepaalde (aan omzet gerelateerde) hoogte opleggen.De al in de Wtt voorkomende regeling voor het verstrekken van informatie door de toezichthouder aan binnen- en buitenlandse overheidsinstanties wordt in het voorstel verduidelijkt. Al met al wordt het toezicht op trustkantoren meer in lijn gebracht met overeenkomstige bepalingen in de Wet op het financieel toezicht (Wft) en de Wwft.3. AlgemeenDe Afdeling onderkent, met het kabinet en met de parlementaire bevindingen, dat de aard van trustdiensten en trustkantoren risico’s met zich brengt en dat signalen wijzen op de noodzaak om het toezicht op de trustsector aan te scherpen. Zij wijst evenwel op een tweetal onderliggende complicaties, die weliswaar ook in de huidige Wtt spelen, maar die gelet op de ambitie van het voorstel om te komen tot intensiever toezicht, des te knellender worden.In het voorstel is, in aansluiting op de huidige wetgeving, sprake van "integriteitsrisico’s" bij risico’s op ontoereikende naleving van enig wettelijk voorschrift, alsmede bij het risico van handelingen die op een dusdanige manier ingaan tegen "hetgeen volgens het ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt", dat hierdoor het vertrouwen in het trustkantoor of in de financiële markten ernstig kan worden geschaad. (zie noot 11)Het toezicht op de trustsector is in belangrijke mate een afgeleide van problemen met internationale belastingconcurrentie en belastingontwijking. Een effectieve aanpak van die problemen vereist internationale consensus en afspraken. De bevindingen van de Parlementaire ondervragingscommissie geven inzicht in de moeizame verhouding tussen het internationaal en nationaal fiscaal stelsel, belastingbesparing (fiscale planning en optimalisering), belastingontwijking, - ontduiking en -fraude. Ook de zogenoemde "Panama Papers" maken zichtbaar dat verschillen tussen nationale belastingsystemen en de honderden losse belastingafspraken tussen landen oorzaken van problemen zijn die zich ook via de trustsector openbaren. (zie noot 12) De verdere ontwikkeling van normen waaraan trustdiensten in Nederland moeten voldoen, in het bijzonder het vermijden van handelingen die ingaan tegen "hetgeen volgens het ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt", zal dus afhankelijk blijven van fiscale en internationale ontwikkelingen, en vooralsnog voor de trustsector de nodige onzekerheid impliceren. De thans voorgestelde wet zal hier van rekenschap moeten geven door zo kenbaar mogelijk te zijn (rechtszekerheid) en evenwichtig in de belangenafwegingen (waartoe mede adequate rechtsbescherming strekt).Gelet op het vorenstaande hangt veel af van de uitoefening van het toezicht; er rust met andere woorden een flinke hypotheek op DNB.In dit voorstel worden de normen zoveel mogelijk in de wet zelf in plaats van in lagere regelgeving neergelegd. Aldus kan het parlement zich over het normgevend kader uitspreken. Net als in de huidige Wtt en Wft behoudt een aantal wettelijke normen, zoals "maatschappelijke betamelijkheid" en "integriteitsrisico" evenwel een open karakter. Die open normstelling leidt tot spanning, nu de DNB in de toezichtspraktijk deze normen nader zal moeten invullen terwijl de toezichts- en sanctiebevoegdheden worden uitgebreid en aangescherpt. Deze bevoegdheidsuitbreiding vergroot het knelpunt dat onder de huidige Wtt al speelt:de praktijk laat immers al zien dat de invulling die DNB aan de Wtt geeft, bepalend is voor de betekenis die de wet heeft voor trustkantoren. Eerder heeft de Afdeling opgemerkt dat een toezichthouder die nog zoekende is naar de (precieze inhoud van de) te handhaven normen, intussen de onder zijn toezicht gestelde niet mag afrekenen op de nog niet getoetste uitkomsten van zijn zoektocht. De gevolgen zijn daarvoor te groot, publicitair en mogelijk daarmee ook financieel, (zie noot 13) en brengen bovendien ook de toezichthouder zelf in een kwetsbare positie.De Afdeling heeft in de toelichting een beschouwing gemist hoe voldoende tegenwicht en rechtszekerheid kan worden geboden. Met het oog hierop wijdt de Afdeling in de punten 4 en 5, enige beschouwingen aan respectievelijk de verhouding tussen de Minister van Financiën en de DNB, alsmede aan rechtsbescherming. Daarnaast adviseert de Afdeling om in ieder geval het voorstel enkele jaren na invoering te evalueren, en in dat verband het normgevend kader zoveel als mogelijk nader in te vullen aan de hand van de ervaringen in de (geïntensiveerde) toezichtspraktijk en de ontwikkelingen in de internationale fiscale praktijk.4. Verhouding Minister van Financiën en toezichthouderDe veronderstelling die aan dit voorstel ten grondslag ligt is, zoals gezegd, dat de toezichthouder met een uitgebreider instrumentarium de handhaving van de scherpere normstelling met het oog op de integriteit van het financiële stelsel beter weet waar te maken. De mate waarin DNB effectief toezicht kan uitoefenen, en inzicht in de wijze waarop dat dan gebeurt, is een belangrijk thema in gesprekken van de Parlementaire ondervragingscommissie geweest. De Afdeling merkt meer in het algemeen op dat adequate inbedding van onafhankelijke toezichthouders in democratische besluitvorming en verantwoording aandacht vraagt. Dit geldt ook DNB, zo blijkt niet alleen uit voornoemde parlementaire ondervraging maar ook uit het recente rapport van de Algemene Rekenkamer "Toezicht op banken". Op grond van de Wft en de Bankenwet 1998 verkrijgt de Minister van Financiën slechts beperkte informatie van DNB. In het financieel toezicht (Wft) heeft die informatievoorziening, en de beperkingen daarop, herhaaldelijk tot discussies geleid tussen minister en Staten-Generaal. De Algemene Rekenkamer heeft in dat verband in 2017 in zijn rapport "Toezicht op banken" nadrukkelijk aandacht besteed aan opzet en werking van de "toezichthoudende rol" van de minister van Financiën op DNB. Het gaat zowel om de (informatie- en verantwoordings-) verhouding tussen minister en DNB als om de verhouding jegens het parlement. Dat rapport bevat de nodige aanbevelingen; de minister van Financiën heeft aangegeven daar binnen zijn mogelijkheden zo veel mogelijk gevolg aan te geven. In het wetsvoorstel is ervoor gekozen wat betreft de verhouding tussen de Minister van Financiën en DNB aan te sluiten bij de bepalingen in de Wft dienaangaande. De Afdeling merkt in dit verband op dat de bepalingen in de Wft in belangrijke mate de implementatie vormen van de voorschriften in de toepasselijke richtlijnen inzake financieel toezicht. (zie noot 14) Dergelijke richtlijnen zijn ten aanzien van trustkantoren niet van toepassing. Tegen die achtergrond vergen de in het voorstel gemaakte keuzes met betrekking tot deze verhouding een nadere motivering.In dit verband wijst de Afdeling er in het bijzonder op, dat de huidige Wtt de bepaling in artikel 18 bevat dat de toezichthouder jaarlijks aan de minister over de uitoefening van zijn taken en bevoegdheden verslag doet, en dat dit verslag, geschoond voor gegevens over individuele trustkantoren, wordt geopenbaard. In het voorliggende voorstel ontbreekt een dergelijke bepaling. Op grond van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen brengt DNB weliswaar al verslag uit van (alle) toezichtuitoefening, maar op een tamelijk globaal niveau, en geen rekening houdend met de specifieke omstandigheden van een Wtt. Dit roept de vraag op of de Kamers met het voorstel voldoende in staat zijn om jaarlijks met de minister te spreken over alle relevante ontwikkelingen die met het toezicht op de trustsector, en de onderliggende fiscale en internationale ontwikkelingen, te maken hebben.De Afdeling adviseert in het licht van het vorenstaande in het voorstel een adequate voorziening inzake (openbare) verslaglegging en verantwoording door DNB te treffen.5.RechtsbeschermingVoor de rechtsbescherming tegen door DNB genomen besluiten gelden de normale bestuursrechtelijke regels uit hoofde van de Algemene wet bestuursrecht. Gelet op de in punt 3 hiervoor geduide hypotheek die op het toezicht rust, is de Afdeling van oordeel dat bijzondere aandacht nodig is voor de rechtsbescherming. In dit verband wijst de Afdeling op het volgende.De hiervoor geschetste fiscale problematiek leidt ertoe dat voor een trustkantoor moeilijk valt te achterhalen wanneer sprake is van een integriteitsrisico. Veel hangt daarom af van de wijze waarop DNB in de praktijk invulling geeft aan deze open normstelling. Zoals ook uit de consultatiereacties naar voren komt (zie noot 15) brengt dit mee dat binnen de sector behoefte bestaat om vooraf duidelijkheid te krijgen van DNB in concrete situaties. Het voorstel voorziet niet in een procedure waarmee een trustkantoor in een vroeg stadium die zekerheid van DNB kan krijgen. De Afdeling verwijst in dit verband naar ontwikkelingen in vergelijkbare situaties op andere terreinen. Zo heeft de Afdeling onlangs geadviseerd bij de bescherming van persoonsgegevens in te voorzien dat alvorens een boete kan worden opgelegd op overtreding van een open norm, eerst een bindende aanwijzing moet worden gegeven door de toezichthouder zodat de betrokkenen weten wat er van hen verwacht wordt. (zie noot 16) In fiscale zaken is op verschillende plaatsen de mogelijkheid geboden vooraf zekerheid te krijgen en staan tegen de beslissing van de inspecteur afzonderlijk rechtsmiddelen open.Ook is het de vraag of de genoemde onzekerheden aanleiding zouden moeten zijn om hiermee in de toezichts- en handhavingspraktijk rekening te houden. Zo kan worden gedacht aan de regelmatig in de praktijk gehanteerde figuur dat eerst een (informele) waarschuwing ("normoverdragend gesprek") wordt gegeven voordat handhavend wordt opgetreden, of voordat een publiekswaarschuwing wordt gedaan. (zie noot 17)De Afdeling adviseert het voorstel aan te vullen met een adequate procedure waarmee DNB wordt verplicht de normstelling te concretiseren voordat handhavend wordt opgetreden, zodat voor betrokkenen tijdig duidelijk is wat er van hen wordt verwacht .6.Gegevensuitwisseling tussen trustkantorenHet voorgestelde artikel 68 over gegevensuitwisseling tussen trustkantoren is nieuw ten opzichte van het huidige recht. Een trustkantoor moet bij aanvang van een zakelijke relatie of het verlenen van een trustdienst onderzoeken of een ander trustkantoor diensten verleent of heeft verleend aan de cliënt. Indien dat het geval is, dan is het trustkantoor verplicht om bij het andere trustkantoor navraag te doen naar geconstateerde integriteitsrisico’s ten aanzien van een cliënt. Een trustkantoor dat wordt verzocht om informatie over een voormalig cliënt is verplicht deze informatie onverwijld te verstrekken.De verplichte gegevensuitwisseling kan in sommige gevallen ook verstrekking van gegevens van strafrechtelijke aard betreffen (bijvoorbeeld een verdenking door een trustkantoor van een strafbaar feit). Artikel 10 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) bepaalt dat deze gegevens alleen mogen worden verwerkt als dat is toegestaan bij lidstatelijke bepalingen waarbij passende waarborgen zijn geboden. In het voorstel Uitvoeringswet AVG wordt een grondslag geboden indien de verwerkingsverantwoordelijke persoonsgegevens van strafrechtelijke aard ten eigen behoeve verwerkt ter beoordeling van een verzoek van betrokkene om een beslissing over hem te nemen of aan hem een prestatie te leveren. (zie noot 18) Hieronder valt de verwerking van persoonsgegevens van strafrechtelijke aard voor zover een trustkantoor dat voor zichzelf doet. Zoals ook uit de toelichting bij de Uitvoeringswet AVG blijkt volgt uit deze bepaling niet dat de persoonsgegevens van strafrechtelijke aard aan derden (i.c. een ander trustkantoor) mogen worden verstrekt. (zie noot 19) Voor een dergelijke verstrekking is dus een expliciete grondslag vereist, hetgeen echter in het wetsvoorstel ontbreekt.De Afdeling adviseert om in het kader van de gegevensuitwisseling tussen trustkantoren in het wetsvoorstel expliciet een grondslag op te nemen voor de verstrekking van persoonsgegevens van strafrechtelijke aard.7. BelastingadviesHet wetsvoorstel introduceert in artikel 17 het verbod om een trustdienst te verlenen aan een cliënt, als die trustdienst op enigerlei wijze samenhangt met een belastingadvies dat aan diezelfde cliënt is verstrekt. Het voorgestelde verbod heeft tot doel een onafhankelijke afweging van de integriteitrisico’s en mogelijke beheersmaatregelen door het trustkantoor te waarborgen. De Afdeling begrijpt de overwegingen die aan het voorgestelde verbod ten grondslag liggen, maar heeft, gelet op de ruime definitie die gehanteerd wordt ("op enigerlei wijze"), een beschouwing gemist over de effectiviteit en de handhaafbaarheid van het voorgestelde verbod. Een dergelijke beschouwing acht de Afdeling mede van belang in het licht van het vrije verkeer van diensten.De Afdeling adviseert hierop in de toelichting nader in te gaan8. Verhouding tot het vrije verkeer van dienstenDe thans nieuw voorgestelde voorschriften voor trustkantoren kunnen de dienstverlening verder belemmeren of deze minder aantrekkelijk maken en vormen als zodanig een beperking van het vrije verkeer van diensten. (zie noot 20) Bij gebreke van relevante harmonisatie ten aanzien van trustkantoren staat het Nederland vrij om dergelijke voorschriften te stellen. Deze dienen echter wel in overeenstemming met het Unierecht te zijn. (zie noot 21)a. Beperkingen van het vrije verkeer van dienstenDe Afdeling merkt op dat belemmeringen voor het vrije verkeer van diensten die vanuit andere lidstaten worden aangeboden, enkel mogen worden gesteld indien dit gerechtvaardigd is uit het oogpunt van een dwingende reden van algemeen belang en dat belang niet reeds wordt gewaarborgd door de regels die voor het trustkantoor gelden in de lidstaat waar deze is gevestigd. Voorts dienen de voorschriften te voldoen aan de eisen van non-discriminatie, noodzakelijkheid en evenredigheid. (zie noot 22) Daarbij is van belang dat de betreffende diensten reeds in belangrijke mate vallen onder het bereik van Europese regels die, net als de Wtt 2018, ten dienste staan aan het bevorderen van de integriteit van het financiële stelsel, en ook in de andere lidstaten gelden. (zie noot 23) De toelichting besteedt geen aandacht aan de wijze waarop in andere lidstaten de integriteit van het financieel stelsel wordt bevorderd. Voorts wordt met het wetsvoorstel geen rekening gehouden met eventuele overige (vergunning)voorschriften in andere lidstaten en het toezicht daarop. (zie noot 24) De Afdeling merkt op dat, anders dan de Wtt, de Wtt 2018 niet in de mogelijkheid voorziet dat aan trustkantoren met een zetel in lidstaten waar sprake is van een gelijkwaardig beschermingsniveau, vrijstelling kan worden verleend van de aanvullende verplichtingen (wederzijdse erkenning). (zie noot 25)De Afdeling adviseert in de toelichting de noodzaak en evenredigheid van aanvullende regels voor trustkantoren met zetel in een andere lidstaat dragend te motiveren, en zo nodig het wetsvoorstel aan te passen.b. DienstenrichtlijnDe Europese verdragsregels inzake het vrije verkeer van diensten en de vrijheid van vestiging van dienstverleners zijn nader ingevuld door de Dienstenrichtlijn. (zie noot 26) Indien diensten onder het bereik van deze richtlijn vallen, kunnen geen nationale regels worden gesteld die het vrije dienstenverkeer belemmeren tenzij voldaan wordt aan de in die richtlijn genoemde voorwaarden. Sommige diensten zijn uitgezonderd van de werkingssfeer van de Dienstenrichtlijn, waaronder onder meer financiële diensten. (zie noot 27) Onder financiële diensten worden onder andere begrepen bankdiensten, kredietverstrekking en verzekering, maar ook advisering aan ondernemingen inzake kapitaalstructuur, bedrijfsstrategie en dienstverrichtingen op het gebied van fusie en overname van ondernemingen of diensten betreffende vermogensbeheer en -advisering. (zie noot 28) In dergelijke gevallen is de Dienstenrichtlijn dus niet van toepassing maar gelden onverkort de algemene verdragsbepalingen inzake het vrije verkeer van diensten (zie hiervoor).Sommige van de in de wet als trustdienst aangemerkte diensten vallen onder het bereik van uitgezonderde financiële diensten in de zin van de Dienstenrichtlijn; daarvan kan bijvoorbeeld sprake zijn in het geval van vermogensbeheer en -advisering. (zie noot 29) Mogelijk echter kunnen niet alle in artikel 1 van de Wtt 2018 genoemde diensten als financiële dienst in de zin van de Dienstenrichtlijn worden aangemerkt. Zo is daarvan bijvoorbeeld mogelijk geen sprake bij de dienst van "het zijn van bestuurder van een rechtspersoon of vennoot van een vennootschap in opdracht van een natuurlijke persoon, rechtspersoon, of vennootschap die niet tot dezelfde groep behoort als degene die bestuurder of vennoot is." (zie noot 30) Dergelijke diensten vallen in dat geval onder het bereik van de Dienstenrichtlijn.In de toelichting wordt op het vraagstuk van de toepasselijkheid van de Dienstenrichtlijn niet ingegaan.De Afdeling adviseert in de toelichting op het voorgaande in te gaan, en het wetsvoorstel zo nodig aan te passen.De Afdeling advisering van de Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.De vice-president van de Raad van State
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van de Wet op het primair onderwijs en de Wet op de expertisecentra in verband met beëindiging van de verplichte aansluiting bij een rechtspersoon.
Bij Kabinetsmissive van 13 december 2019, no.2019002635, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, mede namens de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van Wet houdende wijziging van de Wet op het primair onderwijs en de Wet op de expertisecentra in verband met beëindiging van de verplichte aansluiting bij een rechtspersoon in verband met kosten van vervanging en in verband met wijziging van de wijze waarop de werkloosheidsuitkeringen worden verevend (beëindiging vervangingsfonds en modernisering participatiefonds), met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Voorstel van wet van het lid Markuszower tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met de invoering van minimumstraffen bij bepaalde gewelds- en zedendelicten (Wet hoge minimumstraffen).
Voorstel van wet van het lid Markuszower tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met de invoering van minimumstraffen bij bepaalde gewelds- en zedendelicten (Wet hoge minimumstraffen), met memorie van toelichting.Bij dit advies is een samenvatting uitgebracht. Bij brief van de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 30 november 2017 heeft de Tweede Kamer, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet van het lid Markuszower tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met de invoering van minimumstraffen bij bepaalde gewelds- en zedendelicten (Wet hoge minimumstraffen), met memorie van toelichting.Het voorstel voorziet voor een aantal gewelds- en zedendelicten in invoering van onvoorwaardelijke minimumstraffen zowel bij eerste veroordeling als bij recidive, zonder mogelijkheden voor de rechter om daarvan af te wijken. Voor deze delicten voorziet het voorstel daarnaast in hogere maximum gevangenisstraffen.De Afdeling advisering van de Raad van State is van oordeel dat het wetsvoorstel tot onrechtvaardige en onaanvaardbare straffen leidt door (hoge) wettelijke minimumstraffen, zonder mogelijkheden voor de rechter om daarvan in concrete gevallen af te kunnen wijken. Het voorstel geeft op geen enkele wijze rekenschap van de uitkomsten van de voorgestelde minimumstraffen in concrete strafzaken. De voor deze minimumstraffen in de toelichting genoemde motieven kunnen het wetsvoorstel geenszins dragen. De voorgestelde hoogtes van de straffen staan ook overigens in geen verhouding tot de bestaande maximumstraffen in het Wetboek van Strafrecht.De Afdeling concludeert tevens dat het wetsvoorstel een schending oplevert van het evenredigheidsbeginsel, als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en van het recht op behoorlijke rechtspraak. Het rechtskarakter van de straf brengt mee dat zij proportioneel en effectief moet zijn, met andere woorden in een evenredige verhouding moet staan tot de ernst van het feit, schuld, gevolgen voor slachtoffer en maatschappij, omstandigheden en persoon van de dader. Het voorstel beperkt op een onaanvaardbare wijze de mogelijkheid van de rechter om een passende straf op te leggen. De Afdeling adviseert daarom om af te zien van de verdere behandeling van het voorstel.1. Inleiding en beoordelingskader
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wet publiekrechtelijke omvorming ProRail.
Bij Kabinetsmissive van 10 juli 2019, no.2019001338, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, mede namens de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Spoorwegwet en enige andere wetten in verband met de omvorming van ProRail van een besloten vennootschap tot een publiekrechtelijk zelfstandig bestuursorgaan (Wet publiekrechtelijke omvorming ProRail), met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van de Wet dieren in verband met de uitvoering van de herziene Europese diergezondheidswetgeving.
Bij Kabinetsmissive van 18 december 2019, no.2019002691, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Wet dieren in verband met de uitvoering van de herziene Europese diergezondheidswetgeving, met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van de Kadasterwet in verband met de elektronische ondertekening van volledig geautomatiseerd aangemaakte en ondertekende berichten.
Bij Kabinetsmissive van 20 december 2019, no.2019002733, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de minister voor Milieu en Wonen, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Kadasterwet in verband met de elektronische ondertekening van volledig geautomatiseerd aangemaakte en ondertekende berichten, met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren en enige andere besluiten (formalisering van de Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rechterlijke Macht 2017).
Bij Kabinetsmissive van 16 december 2019, no.2019002639, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Rechtsbescherming, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren en enige andere besluiten ter formalisering van de Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rechterlijke Macht 2017 en enige andere aanpassingen, met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van de Participatiewet en enkele andere wetten in verband met het verbeteren van de regeling voor loonkostensubsidie en enkele andere wijzigingen (uitvoeren breed offensief).
Bij Kabinetsmissive van 24 september 2019, no.2019001980, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Participatiewet en enkele andere wetten in verband met het verbeteren van de regeling voor loonkostensubsidie en enkele andere wijzigingen (uitvoeren breed offensief), met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van het Besluit opneming buitenlandse kinderen ter adoptie.
Bij Kabinetsmissive van 18 december 2019, no.2019002697, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Rechtsbescherming, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit opneming buitenlandse kinderen ter adoptie, met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wet franchise.
Bij Kabinetsmissive van 17 juli 2019, no.2019001456, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat, mede namens de Minister voor Rechtsbescherming, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de invoering van regels omtrent de franchiseovereenkomst (Wet franchise), met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van het Wetboek van Strafvordering BES o.a. ter uitvoering van het op 4 april 2014 te Montreal tot stand gekomen Protocol strafbare feiten aan boord van luchtvaartuigen (Trb. 2019, 140).
Bij Kabinetsmissive van 13 november 2019, no.2019002403, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Justitie en Veiligheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht BES ter uitvoering van het op 4 april 2014 te Montreal tot stand gekomen Protocol tot wijziging van het Verdrag inzake strafbare feiten en bepaalde andere handelingen begaan aan boord van luchtvaartuigen (Trb. 2019, 140), met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van het Besluit rijonderricht motorrijtuigen 2009 in verband met wijzigingen ten aanzien van de vooropleiding, de bijscholing en het herintrederstraject en enige andere wijzigingen.
Bij Kabinetsmissive van 28 oktober 2019, no.2019002231, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit rijonderricht motorrijtuigen 2009 in verband met wijzigingen ten aanzien van de vooropleiding, de bijscholing en het herintrederstraject en enige andere wijzigingen, met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Staat Koeweit inzake luchtdiensten tussen en via hun onderscheiden grondgebieden, ‘s-Gravenhage, 16 oktober 2019 (Trb. 2019, 163).
Bij Kabinetsmissive van 12 december 2019, no.2019002619, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Buitenlandse Zaken, mede namens de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Staat Koeweit inzake luchtdiensten tussen en via hun onderscheiden grondgebieden, ‘s-Gravenhage, 16 oktober 2019 (Trb. 2019, 163), met toelichtende nota.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van het Vergoedingenbesluit Wet Nationale ombudsman 2006 in verband met herijking van bedragen.
Bij Kabinetsmissive van 18 december 2019, no.2019002698, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende wijziging van het Vergoedingenbesluit Wet Nationale ombudsman 2006 in verband met herijking van bedragen, met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Ontwerpbesluit houdende wijziging van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet in verband met het mogelijk maken van een verhoging van de fosfaatgebruiksnorm bij het treffen van de equivalente maatregel gewasopbrengstafhankelijke fosfaatgebruiksnormen op landbouwgrond met fosfaattoestand neutraal.
Ontwerpbesluit houdende wijziging van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet in verband met het mogelijk maken van een verhoging van de fosfaatgebruiksnorm bij het treffen van de equivalente maatregel gewasopbrengstafhankelijke fosfaatgebruiksnormen op landbouwgrond met fosfaattoestand neutraal.Bij Kabinetsmissive van 12 juli 2016, no.2016001282, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Economische Zaken, mede namens de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende wijziging van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet in verband met het mogelijk maken van een verhoging van de fosfaatgebruiksnorm bij het treffen van de equivalente maatregel gewasopbrengstafhankelijke fosfaatgebruiksnormen op landbouwgrond met fosfaattoestand neutraal, met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Voorstel van wet houdende versterking veiligheidsbelang mijnbouw en regie opsporings- en winningsvergunningen en opslagvergunningen
Voorstel van wet houdende wijziging van de Mijnbouwwet (versterking veiligheidsbelang mijnbouw en regie opsporings- en winningsvergunningen en opslagvergunningen), met memorie van toelichting.Bij Kabinetsmissive van 8 september 2015, no.2015001504, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Economische Zaken, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet, houdende wijziging van de Mijnbouwwet (versterking veiligheidsbelang mijnbouw en regie opsporings- en winningsvergunningen en opslagvergunningen), met memorie van toelichting.Amendement nr. 36VoorstelAfwijzing opsporings- en winningsvergunning of winningsplan is mogelijk indien op grond van beschikbare gegevens blijkt dat het risico bestaat dat de activiteit: i. nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt, ii. schade door bodembeweging veroorzaakt, iii. de veiligheid schaadt, of iv. de volksgezondheid schaadt.Afwijzing opsporings- en winningsvergunning, winningsplan of opslagvergunning is mogelijk: a. krachtens in een amvb gestelde regels over: - het geheel of gedeeltelijk uitsluiten van een gebied van de opsporing of winning van een delfstof of aardwarmte, - de diepte waarop een activiteit plaatsvindt, - de soort activiteit, of - de soort delfstof b. indien het in de aanvraag aangeduide gebied niet geschikt wordt geacht om reden van het belang van: - de veiligheid voor omwonenden, of - het voorkomen van ernstige schade aan gebouwen of infrastructurele werken - het planmatig gebruik of beheer van delfstoffen, aardwarmte, andere natuurlijke rijkdommen, waaronder grondwater met het oog op de winning van drinkwater, of mogelijkheden tot het opslaan van stoffen. (zie noot 55)Aan een vergunning kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden indien het aannemelijk is dat bedoelde nadelige gevolgen of schade kunnen ontstaan. Een vergunning kan tevens onder andere beperkingen worden verleend. Ook kunnen andere voorschriften aan de vergunning worden verbonden.Aan een vergunning kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden indien het aannemelijk is dat bedoelde nadelige gevolgen of schade kunnen ontstaan. (zie noot 56)Amendement nr. 38VoorstelAdviesrecht over mijnbouwwetvergunningen en winningsplan naast GS voor: a. colleges van burgemeester en wethouders; b. dagelijks bestuur van waterschappen.GS moeten bij het advies over mijnbouwwetvergunningen betrekken: a. colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten van het gebied waarop de aanvraag betrekking heeft en b. dagelijks bestuur van de waterschappen van het gebied waarop de aanvraag betrekking heeft met het oog op waterkwaliteit, waterkwantiteit en infrastructurele werken. (zie noot 57)Adviesrecht over winningsplan voor: a. colleges van burgemeester en wethouders; b. dagelijks bestuur van waterschappen. (zie noot 58)Indien de beslissing van de minister afwijkt van een of meer van de door deze colleges uitgebrachte adviezen, verplichting tot vermelding redenen hiervan.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Implementatiewet wijziging richtlijn transparantie.
Voorstel van wet tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht en het Burgerlijk Wetboek ter implementatie van richtlijn nr. 2013/50/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 tot wijziging van Richtlijn 2004/109/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de transparantievereisten die gelden voor informatie over uitgevende instellingen waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten, Richtlijn 2003/71/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende het prospectus dat gepubliceerd moet worden wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel worden toegelaten en Richtlijn 2007/14/EG van de Commissie tot vaststelling van concrete uitvoeringsvoorschriften van een aantal bepalingen van Richtlijn 2004/109/EG (PbEU 2013, L 294) (Implementatiewet wijziging richtlijn transparantie).Bij Kabinetsmissive van 28 april 2015, no.2015000751, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Financiën, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht en het Burgerlijk Wetboek ter implementatie van richtlijn nr. 2013/50/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 tot wijziging van Richtlijn 2004/109/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de transparantievereisten die gelden voor informatie over uitgevende instellingen waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten, Richtlijn 2003/71/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende het prospectus dat gepubliceerd moet worden wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel worden toegelaten en Richtlijn 2007/14/EG van de Commissie tot vaststelling van concrete uitvoeringsvoorschriften van een aantal bepalingen van Richtlijn 2004/109/EG (PbEU 2013, L 294) (Implementatiewet wijziging richtlijn transparantie), met memorie van toelichting. Het voorstel van wet geeft de Afdeling advisering van de Raad van State geen aanleiding tot het maken van inhoudelijke opmerkingen. De Afdeling geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Gelet op artikel 26, zesde lid jo vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, is de Afdeling van oordeel dat openbaarmaking van dit advies achterwege kan blijven. De vice-president van de Raad van State
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wetsvoorstel Strafbaarstelling verblijf in een door een terroristische organisatie gecontroleerd gebied.
Voorstel van wet tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering tot strafbaarstelling van verblijf in een door een terroristische organisatie gecontroleerd gebied (strafbaarstelling verblijf in een door een terroristische organisatie gecontroleerd gebied).Bij Kabinetsmissive van 17 april 2018, no.2018000711, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Justitie en Veiligheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering tot strafbaarstelling van verblijf in een door een terroristische organisatie gecontroleerd gebied (strafbaarstelling verblijf in een door een terroristische organisatie gecontroleerd gebied), met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Ontwerpbesluit infrastructuur alternatieve brandstoffen.
Ontwerpbesluit houdende regels in verband met de implementatie van richtlijn 2014/94/EU betreffende de uitrol van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen (Besluit infrastructuur alternatieve brandstoffen).Bij Kabinetsmissive van 13 oktober 2016, no.2016001784, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, mede namens de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Minister van Economische Zaken, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende regels in verband met de implementatie van richtlijn 2014/94/EU betreffende de uitrol van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen (Besluit infrastructuur alternatieve brandstoffen), met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Ontwerpbesluit tot wijziging van het Activiteitenbesluit milieubeheer (rendementseisen kolencentrales), met nota van toelichting.
Ontwerpbesluit tot wijziging van het Activiteitenbesluit milieubeheer (rendementseisen kolencentrales), met nota van toelichting.Bij Kabinetsmissive van 8 juni 2015, no.2015001004, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, mede namens de Minister van Economische Zaken, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Activiteitenbesluit milieubeheer (rendementseisen kolencentrales), met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Goedkeuring van het op 4 april 2014 te Montreal tot stand gekomen Protocol tot wijziging van het Verdrag inzake strafbare feiten en bepaalde andere handelingen begaan aan boord van luchtvaartuigen (Trb. 2019, 140).
Bij Kabinetsmissive van 14 november 2019, no.2019002409, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Buitenlandse Zaken, mede namens de Minister van Infrastructuur en Waterstaat en de Minister van Justitie en Veiligheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van rijkswet houdende goedkeuring van het op 4 april 2014 te Montreal tot stand gekomen Protocol tot wijziging van het Verdrag inzake strafbare feiten en bepaalde andere handelingen begaan aan boord van luchtvaartuigen (Trb. 2019, 140), met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Besluit houdende vaststelling van de protocollen voor vaststelling van de dood op grond van circulatoire criteria.
Bij Kabinetsmissive van 28 november 2019, no.2019002490, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Medische Zorg, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende vaststelling van de protocollen voor vaststelling van de dood op grond van circulatoire criteria en wijziging van de citeertitel van het Besluit Hersendoodprotocol naar Besluit vaststelling van de dood bij postmortale orgaandonatie, met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van de Wet op het bevolkingsonderzoek in verband met actuele ontwikkelingen op het terrein van preventief medisch onderzoek.
Bij Kabinetsmissive van 10 juli 2019, no.2019001348, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Wet op het bevolkingsonderzoek in verband met actuele ontwikkelingen op het terrein van preventief medisch onderzoek, met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van het Arbeidsomstandighedenbesluit in verband met implementatie van richtlijn 2017/2398 wijziging van diverse Warenwetbesluiten in verband met de bijgestelde implementatie van richtlijn 2014/68/EU.
Bij Kabinetsmissive van 28 november 2019, no.2019002495, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende wijziging van het Arbeidsomstandighedenbesluit in verband met enige technische aanpassingen en de implementatie van richtlijn 2017/2398 betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico’s van blootstelling aan carcinogene of mutagene agentia op het werk en wijziging van diverse Warenwetbesluiten in verband met enige technische correcties en de bijgestelde implementatie van richtlijn 2014/68/EU betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake het op de markt aanbieden van drukapparatuur, met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van het Uitvoeringsbesluit WHW 2008 houdende met name de maximering van het verlaagd wettelijk collegegeld voor eerstejaars studenten voor opleidingen met het bijzonder kenmerk kleinschalig en intensief onderwijs.
Bij Kabinetsmissive van 25 september 2019, no.2019001992, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit WHW 2008 houdende met name de maximering van het verlaagd wettelijk collegegeld voor eerstejaars studenten voor opleidingen met het bijzonder kenmerk kleinschalig en intensief onderwijs, met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Goedkeuring van het Aanvullend Protocol RvE-Verdrag voorkoming terrorisme.
Bij Kabinetsmissive van 8 oktober 2019, no.2019002090, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Justitie en Veiligheid, mede namens de Minister van Buitenlandse Zaken, bij de Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van rijkswet tot goedkeuring van het op 22 oktober 2015 te Riga tot stand gekomen Aanvullend Protocol bij het Verdrag van de Raad van Europa ter voorkoming van terrorisme (Trb. 2016, 180), met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van de Uitleveringswet, het Wetboek van Strafrecht BES en het Wetboek van Strafvordering ter uitvoering van het Aanvullend Protocol bij het Verdrag van de Raad van Europa ter voorkoming van terrorisme.
Bij Kabinetsmissive van 8 oktober 2019, no.2019002094, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Justitie en Veiligheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Uitleveringswet, het Wetboek van Strafrecht BES en het Wetboek van Strafvordering ter uitvoering van het Aanvullend Protocol bij het Verdrag van de Raad van Europa ter voorkoming van terrorisme, met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Besluit Wmcz 2018.
Bij Kabinetsmissive van 1 november 2019, no.2019002269, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Medische Zorg, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende regels over de reikwijdte van de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen 2018 en de inperking van de verplichting tot het instellen van een cliëntenraad (Besluit Wmcz 2018), met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Uitvoeringsprotocol tussen de Benelux-staten en de Oekraïne (Trb. 2019, 64).
Bij Kabinetsmissive van 5 december 2019, no.2019002553, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Buitenlandse Zaken, mede namens de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het uitvoeringsprotocol tussen de Benelux-staten (het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden) en Oekraïne bij de Overname-overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en Oekraïne; Brussel, 17 december 2018 (Trb. 2019, 64), met toelichtende nota.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van het Arbeidstijdenbesluit vervoer in verband met de implementatie van het Verdrag betreffende werk in de visserijsector en Richtlijn (EU) 2017/159.
Bij Kabinetsmissive van 28 oktober 2019, no.2019002233, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, mede namens de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Arbeidstijdenbesluit vervoer in verband met de implementatie van het Verdrag betreffende werk in de visserijsector en Richtlijn (EU) 2017/159, met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van het Warenwetbesluit Meel en brood en het Warenwetbesluit bestuurlijke boeten in verband met de toevoeging van enkele gereserveerde en verplichte aanduidingen.
Bij Kabinetsmissive van 6 november 2019, no.2019002319, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Medische Zorg, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Warenwetbesluit Meel en brood en het Warenwetbesluit bestuurlijke boeten in verband met de toevoeging van enkele gereserveerde en verplichte aanduidingen en enkele technische aanpassingen, met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Voorstel van wet tot wijziging van de Wet referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen en andere onderwijswetten (i.v.m. differentiatie taal- en rekenniveaus vo en mbo).
Bij Kabinetsmissive van 11 juli 2018, no.2018001270, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, mede namens de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Wet referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen en andere onderwijswetten teneinde meer differentiatie mogelijk te maken in referentieniveaus en daarmee in examens taal en rekenen in het voortgezet onderwijs en in het beroepsonderwijs (differentiatie taal- en rekenniveaus vo en mbo), met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België inzake de uitwisseling en wederzijdse bescherming van gerubriceerde gegevens.
Bij Kabinetsmissive van 16 november 2020, no.2020002335, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Buitenlandse Zaken, mede namens de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister van Defensie, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België inzake de uitwisseling en wederzijdse bescherming van gerubriceerde gegevens; Brussel, 5 november 2019 (Trb. 2019, 169), met toelichtende nota.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Onteigening in de gemeenten Venray en Horst aan de Maas (onteigeningsplan Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum).
Krachtens Koninklijke machtiging heeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties met een schrijven van 27 augustus 2019, no.RWS-2019/30162, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt een voordracht met ontwerpbesluit tot aanwijzing van onroerende zaken ter onteigening in de gemeenten Venray en Horst aan de Maas krachtens artikel 78 van de onteigeningswet (onteigeningsplan Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum).
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Onteigening in de gemeente Voorschoten (onteigeningsplan Noortveer).
Krachtens Koninklijke machtiging heeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties met een schrijven van 5 september 2019, no.RWS-2019/ 30776, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt een voordracht met ontwerpbesluit tot aanwijzing van een onroerende zaak ter onteigening in de gemeente Voorschoten krachtens artikel 78 van de onteigeningswet (onteigeningsplan Noortveer).
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van het Besluit draagbaar klimmaterieel (Warenwet), het Glasartikelenbesluit (Warenwet), het Spaanplaatbesluit (Warenwet) en het Warenwetbesluit bestuurlijke boeten.
Bij Kabinetsmissive van 12 november 2019, no.2019002361, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Medische Zorg, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit draagbaar klimmaterieel (Warenwet), het Glasartikelenbesluit (Warenwet), het Spaanplaatbesluit (Warenwet) en het Warenwetbesluit bestuurlijke boeten in verband met de toevoeging van verbodsbepalingen en enkele technische aanpassingen, met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van de Wet op rechterlijke organisatie in verband met het wegnemen van belemmeringen voor gerechten bij het verlenen van onderlinge bijstand in geval van gebrek aan voldoende zittingscapaciteit.
Bij Kabinetsmissive van 22 oktober 2019, no.2019002210, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Rechtsbescherming, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Wet op rechterlijke organisatie in verband met het wegnemen van belemmeringen voor gerechten bij het verlenen van onderlinge bijstand in geval van gebrek aan voldoende zittingscapaciteit, met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in verband met het regelen van de regieverpleegkundige als basisberoep.
Bij Kabinetsmissive van 13 juli 2018, no.2018001332, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Medische Zorg, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in verband met het regelen van de regieverpleegkundige als basisberoep, het uitbreiden van de eisen voor periodieke registratie en enige andere wijzigingen, met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Voorstel van wet van de leden Bergkamp en Van Wijngaarden tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (directe koppeling van erkenning en gezamenlijk gezag voor ongehuwde en niet-geregistreerde partners).
Bij brief van de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 15 november 2016 heeft de Tweede Kamer, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet van de leden Bergkamp en Van Wijngaarden tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek in verband met directe koppeling van erkenning en gezamenlijk gezag voor ongehuwde en niet-geregistreerde partners, met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van de Participatiewet in verband met het uitsluiten van fraudevorderingen bij de vermogenstoets.
Bij Kabinetsmissive van 10 oktober 2019, no.2019002133, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Participatiewet in verband met het uitsluiten van fraudevorderingen bij de vermogenstoets, met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Voorstel van wet tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 in verband met het ongeldig maken van getuigschriften van vakbekwaamheid ter uitvoering van Richtlijn 2003/59/EG.
Bij Kabinetsmissive van 18 juli 2019, no.2019001473, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 in verband met het ongeldig maken van getuigschriften van vakbekwaamheid ter uitvoering van Richtlijn 2003/59/EG betreffende de vakbekwaamheid en de opleiding en nascholing van bestuurders van bepaalde voor goederen- en personenvervoer over de weg bestemde voertuigen (PbEU 2003, L 226), met memorie van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1
Wijziging van het Besluit arbeidsvoorwaarden gedetacheerde werknemers in de EU (regels over de meldingsplicht voor transnationale dienstverrichters en de persoonsgegevens die in verband met transnationale dienstverrichting worden verwerkt).
Bij Kabinetsmissive van 3 oktober 2018, no.2018001752, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit arbeidsvoorwaarden gedetacheerde werknemers in de Europese Unie, houdende regels over de meldingsplicht voor transnationale dienstverrichters en de persoonsgegevens die in verband met transnationale dienstverrichting worden verwerkt, met nota van toelichting.
Jaar: 2020
Advies
Documenten: 1