Naar inhoud
Raad van State

Tijdelijke wet notificatieapplicatie covid-19.

Jaar: 2020 Documenten: 1
Bij Kabinetsmissive van 13 juli 2020, no.2020001500, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet houdende Tijdelijke bepalingen in verband met de inzet van een notificatieapplicatie bij de bestrijding van de epidemie van covid-19 en waarborgen ter voorkoming van misbruik daarvan (Tijdelijke wet notificatieapp covid-19), met memorie van toelichting.Het voorstel wijzigt de Wet publieke gezondheid (Wpg), en introduceert het vrijwillige gebruik van een notificatieapplicatie (hierna: de app). Deze app wordt gebruikt ten behoeve van de bron- en contactopsporing door de gemeentelijke gezondheidsdiensten (GGD’en). Het voorstel bevat een wettelijke grondslag voor de met de toepassing van de app samenhangende gegevensverwerking en een regeling voor de verwerkingsverantwoordelijkheid. Voorts is in het voorstel een mogelijkheid van subdelegatie opgenomen wat betreft regels voor de inrichting, het beheer en de beveiliging, de bewaartermijn van bijzondere persoonsgegevens en de uitoefening van de rechten van betrokkene. Ten slotte kent het voorstel een antimisbruikbepaling en regelt het de handhaving en sanctionering daarvan.De Afdeling advisering van de Raad van State gaat allereerst in op de noodzaak voor een wettelijke grondslag. Ook maakt de Afdeling een aantal opmerkingen over de gegevensbescherming. Zij wijst in het bijzonder op het specificeren van het doeleinde en het beperken van verdere gegevensverwerking. Ook gaat zij in op het verwerken van bijzondere persoonsgegevens, de daarmee samenhangende verwerkingsverantwoordelijkheid, en het zorgdragen voor de uitoefening van de rechten van betrokkenen. Zij maakt in het kader van gegevensbescherming ook een opmerking over de rol van Google en Apple.Tevens maakt de Afdeling een opmerking over de mogelijkheid tot subdelegatie ten aanzien van de bewaartermijn en de rechten van betrokkenen. Verder wijst zij op het belang van parlementaire betrokkenheid, ook bij het intrekken van (onderdelen) van het voorstel. Voorts maakt zij een opmerking over het opnemen van een juridische grondslag in het voorstel ten behoeve van de interoperabiliteit. Tot slot adviseert ze de criteria voor deactivering nader toe te lichten. In verband daarmee is aanpassing van het wetsvoorstel en de toelichting wenselijk.1. InleidingHet wetsvoorstel hing oorspronkelijk samen met de eerder ingezette versoepeling van de maatregelen ter bestrijding van de epidemie van Covid-19. Bij de afbouw van maatregelen kan een goed functionerend systeem van bron- en contactopsporing door de gemeentelijke gezondheidsdienst (GGD) als onmisbaar worden beschouwd. Het voorstel is evenwel zeker ook goed voorstelbaar in het licht van de recente significante stijging van het aantal Covid-19 besmettingen, en van de daaropvolgende inzet van de overheid om verder oplopende verspreiding van het virus te bestrijden.De GGD heeft op grond van de Wpg de taak om bron- en contactopsporing te doen bij meldingen van besmetting met een infectieuze ziekte zoals het virus. (zie noot 1) Dit houdt kortgezegd in dat de GGD onderzoekt met wie een besmette patiënt contact heeft gehad, met diegenen contact opneemt en vervolgens hen een handelingsperspectief biedt. Dit heeft als doel de uitbraak van een epidemie te voorkomen of te beheersen. De uitvoering van de bron-en contactopsporing is vormvrij. Uitgangspunt is dat dit in alle gevallen plaatsvindt op grond van vrijwillige medewerking van de betrokkenen.Het Outbreak Management Team (OMT) heeft geadviseerd om met het oog op het intensievere testbeleid de mogelijkheden voor ondersteuning van bron- en contactopsporing met behulp van mobiele applicaties te onderzoeken. (zie noot 2) Ook andere Europese lidstaten ontwikkelen dergelijke apps. De voorgestelde app komt overeen met de notificatieapp zoals die wordt ontwikkeld in Duitsland, Italië en Ierland. (zie noot 3)De notificatieapp is bedoeld als niet-verplichte aanvulling op de analoge bron- en contactopsporing van de GGD en komt niet in plaats van het analoge onderzoek. De aanvulling bestaat eruit dat door de app (sneller) personen worden bereikt die de besmette patiënt niet kent of waarvan de besmette patiënt zich niet kan herinneren daarmee in contact te zijn gekomen.De notificatieapp werkt kortgezegd als volgt. Een gebruiker installeert de app op de telefoon. De app herkent andere gebruikers door middel van bluetooth. De app geeft een melding als de smartphone van de gebruiker in de buurt is geweest van de smartphone van een besmette persoon en geeft daarbij advies hoe te handelen. Als de (smartphone van de) gebruiker van de app tenminste 15 minuten bij een andere (smartphone van een) gebruiker van de app in de buurt is, wordt een versleutelde code uitgewisseld tussen de gebruikers van de app. Pas in geval van een geconstateerde besmetting kan de besmette patiënt ervoor kiezen met hulp van de GGD een melding van besmetting te doen. In dat geval wordt gecheckt met welke andere app-gebruikers in de afgelopen 14 dagen deze codes zijn uitgewisseld. Vervolgens ontvangen die gebruikers een melding en wordt hen geadviseerd hoe te handelen. (zie noot 4)Het gebruik van de app is expliciet vrijwillig. Voor de effectiviteit van de app is het van belang dat zoveel mogelijk mensen de app gaan gebruiken. Terecht wordt dan ook in de toelichting opgemerkt dat de doeltreffendheid van de app exponentieel evenredig is met het aantal personen dat eenzelfde app installeert en activeert. (zie noot 5) Voor de effectiviteit is daarnaast echter ook relevant dat er zo min mogelijk valspositieve en valsnegatieve meldingen worden gedaan, dat de door de GGD bij de melding geadviseerde handelingsperspectieven zo snel en volledig mogelijk worden opgevolgd (waaronder het zich laten testen), en het testbeleid daarop aansluit. De Afdeling stelt vast dat over de mate waarin de app op dit moment effectief is de opvattingen verschillen. (zie noot 6)Gelet op de maatschappelijke discussie over mogelijk misbruik van de app en de effectiviteit ervan, acht de Afdeling het van belang dat in de voorbereiding van de ingebruikname van de app veel aandacht is besteed aan het onderkennen van de mogelijkheden van misbruik en de risico’s van de met de app samenhangende gegevensverwerkingen, alsmede aan het formuleren van mogelijke oplossingen daarvoor. Ook zal, zo blijkt uit de toelichting, de effectiviteit van de app steeds worden geëvalueerd. Indien nodig kan dit ertoe leiden dat het gebruik van de app wordt beëindigd. (zie noot 7)2. Noodzaak wettelijke grondslagIn de toelichting wordt vermeld dat het wetsvoorstel zo snel mogelijk in werking treedt. (zie noot 8) Uit de kabinetsbrief van 16 juli j.l. kan worden opgemaakt dat wordt beoogd de app per 1 september 2020 in gebruik te nemen. (zie noot 9) Daarmee zal de app naar verwachting in gebruik worden genomen voordat de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel is afgerond. De Afdeling is met de regering van oordeel dat dit op zichzelf mogelijk is. Strikt genomen is een wettelijke basis voor vrijwillig gebruik van de app juridisch niet noodzakelijk. Verdedigbaar is dat vanwege het feit dat gebruik vrijwillig is toestemming, gelet op de AVG, (zie noot 10) een toereikende grondslag vormt voor met gebruik van de app samenhangende verwerkingen van persoonsgegevens, mits aan de voorwaarden die op grond van de AVG aan de verlening van rechtsgeldige toestemming worden gesteld, (zie noot 11) wordt voldaan.Het voorgaande betekent echter niet dat totstandbrenging van een wettelijke basis op zeer korte termijn niet bijzonder gewenst is. Met het in gebruik nemen van de app voordat het wetgevingsproces is afgerond wordt immers afbreuk gedaan aan een belangrijke doelstelling van het wetsvoorstel. Die doelstelling is namelijk maximale duidelijkheid bieden over de inzet van de app en de te verwerken persoonsgegevens op wetsniveau. Dit draagt bij aan de effectieve werking van de voor de bestrijding van de epidemie essentiële bron- en contactopsporing. (zie noot 12) Met een wettelijke grondslag kunnen voorts specifieke waarborgen worden geboden zoals het voorgestelde verbod op misbruik. Deze antimisbruikbepaling borgt immers de vrijwilligheid van het gebruik van de app.De recente significante stijging van het aantal coronavirusbesmettingen en de grote urgentie om deze zo veel en zo snel als mogelijk onder controle te krijgen kan niettemin een rechtvaardiging zijn de app toch snel in gebruik te nemen zelfs als dat betekent dat de voltooiing van het wetgevingsproces niet kan worden afgewacht. De Afdeling adviseert in dat geval wel deze afweging in overleg met de Tweede Kamer te maken in het licht van de te verwachte duur van de parlementaire behandeling van dit wetsvoorstel. Daarbij zou gelet op de geschetste voordelen van de wet, gestreefd moeten worden naar een behandeling op zo kort mogelijke termijn, zoals ook is aangegeven in de kabinetsbrief van 17 augustus j.l. (zie noot 13)De Afdeling adviseert in de toelichting nader op het voorgaande in te gaan.3. Gegevensbescherminga. DoelomschrijvingVoorgesteld wordt dat een notificatieapplicatie kan worden ingezet ‘ter ondersteuning van de bron- en contactopsporing, waarmee vroegtijdig zicht kan worden verkregen op een mogelijke infectie met dat virus’. (zie noot 14)Op grond van de AVG moet het doel van de gegevensverwerking welbepaald en uitdrukkelijk omschreven zijn. (zie noot 15) De richtsnoeren van de Commissie bevelen bovendien aan om het doel dermate specifiek te omschrijven dat er geen twijfel bestaat over het soort persoonsgegevens dat met het oog daarop moet worden verwerkt. Ten aanzien van de functionaliteit ‘contacttracering en waarschuwing’ merkt de Commissie bovendien op dat het enkel vermelden van preventie van verdere besmetting met COVID-19 als doel onvoldoende specifiek is. De richtsnoeren bevelen aan het doel inzake contacttracering en waarschuwing te specificeren als ‘het bewaren van de contacten van de personen die de app gebruiken en die mogelijk blootgesteld zijn geweest aan besmetting met COVID-19 om degenen te waarschuwen die eventueel besmet kunnen zijn’. (zie noot 16)Gelet hierop is de formulering van het doel van de notificatieapp in het wetsvoorstel niet specifiek genoeg. (zie noot 17) De Afdeling adviseert in het voorstel het doel in de hiervoor genoemde zin aan te passen.b. Beperking gegevensverwerkingDe met de app verkregen persoonsgegevens mogen niet worden gebruikt voor andere doeleinden dan het in de wet omschreven doel, (zie noot 18) aldus de toelichting. (zie noot 19) Dit is in overeenstemming met de Europese maatstaven. Volgens de richtsnoeren van de Commissie zou in de wettelijke grondslag voor de app onder meer de mogelijkheid moeten worden uitgesloten dat de gegevens voor andere dan de in de wetgeving vermelde doeleinden worden verwerkt. (zie noot 20) Ook de richtsnoeren van het Europees Comité voor de gegevensbescherming vereisen een uitdrukkelijke beperking op het verdere gebruik van persoonsgegevens. (zie noot 21)Dat de gegevens niet mogen worden gebruikt voor andere doeleinden wordt volgens de toelichting onder meer gewaarborgd door de eisen aan de vormgeving van de app, het in de wet omschreven doel, de antimisbruikbepaling, de toegepaste dataminimalisatie en het tijdelijk karakter van de wet. (zie noot 22) Voorts is van belang dat de gegevens zich voornamelijk bevinden op de smartphone van de gebruiker. Deze bewaart alleen de gegevens van de laatste twee weken. De gegevens op de server worden daarnaast gescheiden van het IP-adres van de smartphone. (zie noot 23)De Afdeling erkent dat de voorgaande, ook in de toelichting genoemde elementen met het oog op de doelbinding belangrijke waarborgen zijn. Desalniettemin is het, gelet op de gevoeligheid van het onderwerp, het belang van vertrouwen in de app en de hiervoor genoemde richtsnoeren, aangewezen dat in het wetsvoorstel verder gebruik van persoonsgegevens uitdrukkelijk wordt uitgesloten.De Afdeling adviseert het wetsvoorstel in die zin aan te passen.c. Verwerking bijzondere persoonsgegevens door GGDHet wetsvoorstel regelt dat de GGD bij de toepassing van de app bijzondere persoonsgegevens verwerkt. (zie noot 24) Noch uit het voorstel, noch uit de toelichting, volgt echter in welke fase(n) van het gebruik van de app bijzondere persoonsgegevens worden verwerkt. In de gegevensbeschermingseffectbeoordeling (hierna: DPIA) wordt opgemerkt dat in de validatie-, koppelings- en notificatiefase sprake is van verwerking van bijzondere persoonsgegevens. In de verschillende fasen betreffen dit verschillende gegevens, zoals de identificatiesleutels, de autorisatiecode, de eerste ziektedag, maar ook bijvoorbeeld het bericht aan de gebruiker dat hij mogelijk besmet is. (zie noot 25)Volgens de DPIA worden de (bijzondere) persoonsgegevens alleen in de validatiefase door de GGD verwerkt. (zie noot 26) Nu de verwerking van bijzondere persoonsgegevens door de GGD in het voorstel wordt geregeld, acht de Afdeling het aangewezen om, in overeenstemming met de DPIA, in de toelichting nader aan te geven welke bijzondere persoonsgegevens door de GGD in welke fase worden verwerkt. (zie noot 27) Voorts acht zij het nuttig om, mede met het oog op de parlementaire behandeling, gedeeltes uit de DPIA te verwerken in de toelichting voor zover ook in andere fase(n) van het gebruik van de app bijzondere persoonsgegevens worden verwerkt.De Afdeling adviseert in het licht van het voorgaande de toelichting aan te vullen.d. VerwerkingsverantwoordelijkheidDe verwerkingsverantwoordelijkheid is in het voorstel vastgelegd op twee niveaus. Het voorstel bepaalt dat de minister verwerkingsverantwoordelijke is in de zin van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) voor de verwerking van persoonsgegevens met de app. (zie noot 28) In afwijking daarvan echter wordt de GGD van de verblijfplaats van de betrokkene aangewezen als verwerkingsverantwoordelijke (onder meer) voor wat betreft het uitvoering geven aan de rechten van betrokkenen en het melden van een inbreuk in verband met persoonsgegevens. (zie noot 29) Volgens de toelichting wordt met deze verdeling aangesloten bij respectievelijk de taken van de minister in het kader van de Wpg, en de bron- en contactopsporing waarmee de GGD is belast. (zie noot 30)De verwerkingsverantwoordelijke is volgens de AVG degene die het doel van en de middelen voor de verwerking van persoonsgegevens vaststelt. Als doel en middelen door de nationale wetgever wordt vastgesteld, kan in de betreffende wet worden bepaald wie de verwerkingsverantwoordelijke is. (zie noot 31) Als twee (of meer) verwerkingsverantwoordelijken gezamenlijk de doeleinden en middelen van de verwerking bepalen, zijn zij gezamenlijk verwerkingsverantwoordelijken. In dat geval dienen zij, zo schrijft de AVG voor, hun verantwoordelijkheden voor de nakoming van hun verplichtingen onderling vast te stellen. (zie noot 32) Bij een gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijkheid kan de betrokkene zijn rechten uitoefenen jegens iedere verwerkingsverantwoordelijke. (zie noot 33) Deze AVG-regels zijn van belang omdat voor de burger duidelijk moet zijn wie waarvoor verantwoordelijk is en hij als gevolg daarvan weet wie hij op de verwerking van zijn persoonsgegevens kan aanspreken.Met het oog op de noodzakelijke helderheid van de burger is de vraag of het voorstel niet kan worden vereenvoudigd. Het gaat hier ten eerste om de vraag waarom ook de minister als verwerkingsverantwoordelijke is aangewezen. Ten tweede zou het voorstel vereenvoudigd kunnen worden door de verwerkingsverantwoordelijkheid van de GGD’en in het wetsvoorstel te verduidelijken.In dat kader merkt de Afdeling allereerst op dat uit onder meer de DPIA blijkt dat in ieder geval de GGD’en persoonsgegevens verwerken in de validatiefase (zie hiervoor onder c). Het ligt derhalve voor de hand dat als het gaat om die verwerkingen de GGD van de verblijfplaats van betrokkene als verwerkingsverantwoordelijken wordt aangewezen. Uit de toelichting volgt echter niet waarom naast de GGD’en ook de minister verwerkingsverantwoordelijke zou moeten zijn. Dat de minister verantwoordelijk is voor de inrichting en het beheer van de app leidt niet zonder meer tot de conclusie dat hij ook als verwerkingsverantwoordelijke moet worden aangewezen. Uit de toelichting blijkt immers niet in hoeverre de minister in het kader van zijn beheerstaak ook persoonsgegevens verwerkt. (zie noot 34)Voorts is de vraag of hetgeen het wetsvoorstel op dit moment regelt inzake de verwerkingsverantwoordelijkheid van de GGD wel afdoende is. Deze beperkt zich tot de toepassing van een aantal bepalingen uit de AVG die betrekking hebben op de specifieke informatieverplichtingen van de verwerkingsverantwoordelijke en de uitoefening van de rechten van betrokkenen. Uit de toelichting blijkt onvoldoende in hoeverre deze beperkingen aansluiten bij de rol van de GGD’en bij de toepassing van de app in de verschillende fasen. (zie noot 35) Daarbij merkt de Afdeling op dat de verwerking van persoonsgegevens door de GGD’en in de validatiefase niet zonder meer samenvalt met de verwerking van persoonsgegevens die samenhangt met de informatieverplichtingen uit de AVG.De Afdeling merkt ten slotte op dat indien wordt gekozen voor een gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijkheid van de minister en de GGD’en aandacht moet worden besteed aan de onderlinge regeling waarin op grond van de AVG de verantwoordelijkheden tussen de minister en de GGD’en moet worden geregeld. (zie noot 36) Zij acht het raadzaam de essentiële onderdelen daarvan in de toelichting te expliciteren. Daarbij dient in acht te worden genomen dat bij een gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijkheid de betrokkene zijn rechten kan uitoefenen jegens elke verwerkingsverantwoordelijke. (zie noot 37)De Afdeling adviseert in het licht van het voorgaande de regeling van de verwerkingsverantwoordelijkheid nader toe te lichten en zo nodig het voorstel aan te passen.e. Rechten van betrokkenenDe GGD is in het voorstel verwerkingsverantwoordelijke voor wat betreft het uitvoering geven aan de rechten van betrokkenen en de informatieverstrekking aan gebruikers. (zie noot 38) Volgens de toelichting gaat het dan onder meer om de plicht om gebruikers te informeren, het recht op inzage en het recht op rectificatie. (zie noot 39) Inherent aan de decentrale aanpak is dat de GGD zelf niet beschikt over de gegevens die de gebruiker op zijn telefoon heeft. De plaatselijke GGD verwerkt immers alleen persoonsgegevens tijdens de validatiefase. Daarom is het volgens de DPIA slechts dan mogelijk uitvoering te geven aan de rechten van betrokkenen. (zie noot 40) Buiten de validatiefase is de GGD op grond van artikel 11, tweede lid, AVG daarom niet gehouden uitvoering te geven aan deze rechten. (zie noot 41)De Afdeling wijst erop dat de GGD op grond van het voorstel zoals het nu luidt verwerkingsverantwoordelijke is voor het uitvoeren van de rechten van betrokkenen in álle fasen van het gebruik van de app. Gelet op voorgaande opmerking en op de uitvoerbaarheid van de regeling voor de GGD, ligt echter in de rede dat onderscheid wordt gemaakt tussen de gegevensverwerkingen in de verschillende fasen in relatie tot de verwerkingsverantwoordelijkheid en de rechten van de betrokkenen die in de verschillende fases kunnen worden uitgeoefend.De Afdeling onderschrijft dat het gebruik van de gepseudonimiseerde identificatiesleutels in de uitwisselings- en koppelingsfase en de daaraan gekoppelde notificatie in de notificatiefase pleit voor toepassing van de hiervoor genoemde uitzondering van artikel 11, tweede lid, AVG. De betrokkene kan immers in deze fasen niet worden geïdentificeerd. Daarom is het niet nodig om de GGD in die fasen uitvoering te laten geven aan de rechten van de betrokkene. Dit ligt echter anders voor de validatiefase, waarin de GGD (bijzondere) persoonsgegevens verwerkt. In de toelichting wordt hier echter niet op in gegaan. In het bijzonder besteedt de toelichting geen aandacht aan de gevallen waarin al dan niet uitvoering zou moeten worden gegeven aan de rechten van betrokkenen als bedoeld in de AVG.De Afdeling adviseert in de toelichting op het voorgaande in te gaan.f. De rol van Google en AppleVoor de app wordt gebruik gemaakt van de application programming interface (api) die door Google en Apple is ontwikkeld. (zie noot 42) De api zorgt ervoor dat de pseudonieme identificatiesleutels (RPIs), die gegenereerd zijn op basis van andere pseudonieme identificatiesleutels (TEKs), kunnen worden uitgewisseld tussen smartphones van gebruikers. (zie noot 43)De Autoriteit Persoonsgegevens (AP) acht het ‘onvoldoende duidelijk […] of, en zo ja welke, persoonsgegevens worden verwerkt door Google en Apple middels het aanbieden van het framework’. (zie noot 44) In de Kamerbrief wijst de minister erop dat Google en Apple geen verwerkers zijn. Wel vindt de minister het belangrijk dat er goede afspraken zijn met Google en Apple, waarbij wordt verwezen naar de FAQ van Google en Apple. (zie noot 45)Dit doet de vraag rijzen in hoeverre het voor Google en Apple in het kader van het gebruik van de app nu of in de toekomst mogelijk zou zijn persoonsgegevens te verwerken. Ook rijst de vraag in hoeverre de door Google en Apple zelf opgestelde FAQ - waar in de Kamerbrief naar wordt verwezen - toereikend zijn om uit te sluiten dat de ondernemingen persoonsgegevens (kunnen) verwerken. Mede naar aanleiding van het advies van de AP is de Afdeling daarom van oordeel dat in de toelichting nader moet worden ingegaan op de rol van Google en Apple. In het bijzonder dient daarbij aandacht te worden besteed aan de vraag in hoeverre contractueel dan wel in de wet zelf aanvullende waarborgen noodzakelijk zijn.De Afdeling adviseert in de toelichting nader op het bovenstaande in te gaan en zo nodig het wetsvoorstel aan te passen.4. SubdelegatieHet voorstel regelt dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels kunnen worden gesteld over de notificatieapplicatie. Dit betreft de inrichting, het beheer en de beveiliging, de bewaartermijn van bijzondere persoonsgegevens en de uitoefening van de rechten van betrokkenen. (zie noot 46)De Afdeling merkt op dat dit in elk geval deels onderwerpen zijn die raken aan het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Ingevolge artikel 10 van de Grondwet mag de bevoegdheid tot het stellen van regels inzake de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer worden gedelegeerd aan lagere regelgevers. (zie noot 47) In het licht van het legaliteitsbeginsel dient wel op hoofdlijnen een afweging te worden gemaakt op het niveau van de formele wet. Onderwerpen die betrekking hebben op de uitvoering kunnen worden gedelegeerd naar een ministeriële regeling. (zie noot 48)In ieder geval waar het de bewaartermijn van bijzondere persoonsgegevens en de uitoefening van de rechten van betrokkenen betreft, is geen sprake van uitvoering van een regeling waarvan eventueel op het niveau van een ministeriële regeling regels kunnen worden gesteld. De Afdeling adviseert daarom in ieder geval de bewaartermijnen en de uitoefening van de rechten van betrokkenen op het niveau van de algemene maatregel van bestuur te regelen. (zie noot 49)Het voorstel schrijft bovendien niet dwingend voor dat deze onderwerpen nader worden geregeld, maar laat daartoe slechts de mogelijkheid open. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat - in ieder geval waar het de hiervoor genoemde onderwerpen betreft - uitdrukkelijk bepaald dient te worden dat nadere regeling bij algemene maatregel van bestuur zal geschieden. (zie noot 50)De Afdeling adviseert het voorstel in het licht van het voorgaande aan te passen.5. Parlementaire betrokkenheidDe door het voorstel aangebrachte wijzigingen in de Wpg vervallen zes maanden na inwerkingtreding van het voorstel. Eventuele verlenging is mogelijk door middel van het op een later tijdstip laten vervallen van de wet, maar niet eerder dan dat het besluit daartoe is voorgehangen bij het parlement. (zie noot 51) Ook kan bij Koninklijk Besluit worden bepaald dat (onderdelen van) de bepalingen op een eerder tijdstip vervallen. (zie noot 52) In dat geval wordt voorgesteld het parlement daarbij niet vooraf te betrekken.De Afdeling acht het ongewenst dat parlementaire betrokkenheid bij eerdere vervallenverklaring in de wet ontbreekt. (zie noot 53) Ook als een bepaling of een onderdeel daarvan, wordt ingetrokken, zijn verschillende belangen in het geding die zorgvuldig tegen elkaar moeten worden afgewogen. (zie noot 54) Om die reden ligt het voor de hand dat het parlement ook actief betrokken is bij het intrekken van (onderdelen van) bepalingen op een eerder moment.De Afdeling adviseert het voorstel aan te vullen.6. InteroperabiliteitUit de toelichting blijkt niet dat de app interoperabel is of zal zijn met (decentrale) notificatieapplicaties in andere Europese landen. Wel komt de app grotendeels overeen met de Duitse, Italiaanse en Ierse apps, aldus de Kamerbrief van de minister. (zie noot 55) In de Kamerbrief wordt aangegeven dat momenteel een ‘Federation Gateway Service’ wordt gecreëerd waarop landen met een decentrale methode hun nationale back-end server kunnen aansluiten. (zie noot 56) De back-end servers van de landen versturen periodiek de sleutels van nieuwe geïnfecteerden naar de Federation Gateway Service. Deze sleutels worden 14 dagen opgeslagen. Het ophalen van de buitenlandse codes kan alleen met aanvullende toestemming van de gebruiker gebeuren. Op basis van testen zal worden bepaald of en wanneer de app interoperabel zal worden met andere Europese decentrale apps. Voor de feitelijke invoering zal, aldus de Kamerbrief, de juridische grondslag nog worden geëxpliciteerd. (zie noot 57)De Europese richtsnoeren sturen aan op interoperabiliteit van (decentrale) apps. (zie noot 58) In een verklaring over de interoperabiliteit licht de EDPB dat nader toe. (zie noot 59) Hierin wordt onder meer opgemerkt dat als voor de wettelijke grondslag een beroep wordt gedaan op het algemeen belang, de nationale wetgeving mogelijk moet worden aangepast. (zie noot 60)De Afdeling merkt op dat de voorgenomen aanpak inzake interoperabiliteit in overeenstemming lijkt met de hiervoor geschetste benadering op Europees niveau. Zij onderschrijft dat een juridische grondslag moet worden geëxpliciteerd, nu in het voorstel de gegevensverwerking plaatsvindt binnen de taken van de minister en de GGD. De Afdeling meent echter dat gegeven de huidige ontwikkelingen snel moet worden voorzien in deze grondslag. Ook met toestemming als grondslag (zie hiervoor punt 2) dient immers duidelijkheid te worden gecreëerd ten aanzien van de rollen en verantwoordelijkheden van verschillende partijen. Door de grondslag in het huidige voorstel op te nemen, kan het parlement bovendien een volledige afweging maken in relatie tot het voorstel als geheel. De Afdeling is daarom van oordeel dat de juridische grondslag voor het toestaan van interoperabiliteit in het huidige voorstel dient te worden geëxpliciteerd.De Afdeling adviseert het voorstel aan te passen.7. DeactiveringHet voorstel regelt niet de deactivering van de app. Uit de toelichting blijkt dat de gebruiker de mogelijkheid heeft zelf de app te verwijderen. Na veertien dagen zijn vervolgens alle gegevens verwijderd van de smartphone.Het Europees Comité voor gegevensbescherming beveelt in zijn richtsnoeren aan criteria in de wettelijke maatregel op te nemen aan de hand waarvan wordt bepaald wanneer de app buiten gebruik wordt gesteld, alsmede de entiteit die verantwoordelijk en aansprakelijk is voor het nemen van het besluit daartoe. (zie noot 61) Daarbij wordt ervan uitgegaan dat vooraf dient te worden bepaald wanneer de app wordt gedeactiveerd. In de toelichting wordt hier niet op ingegaan.De Afdeling adviseert in de toelichting op het voorgaande in te gaan.8. De Afdeling verwijst naar de bij dit advies behorende redactionele bijlage.De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal opmerkingen bij het voorstel en adviseert daarmee rekening te houden voordat het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal wordt ingediend.De vice-president van de Raad van StateRedactionele bijlage bij het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State betreffende no.W13.20.0254/III- Stel de grondslag voor het verwerken van bijzondere gegevens in paragraaf 4.2 van de toelichting (artikel 9, tweede lid, onder h, AVG) gelijk met de grondslag zoals genoemd in de DPIA (artikel 9, tweede lid, onder i, AVG).- Benoem in paragraaf 4.2 van de toelichting dat als geen directe behandelrelatie bestaat er desalniettemin sprake kan zijn van een afgeleide geheimhoudingsplicht.
Documenten (1)