Naar inhoud

Onderzoeken Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 1984

Zoek binnen deze data in WooGLe

Relation between induction of rat heptic ornithine decarboxylase activity by tumor promoters 12-0-tetradecanoylphorbol-13-acetate and phenobarbital and levels of the polyamines putrescine, spermidine and spermine, in vivo; differential effect of retinyl-a | RIVM

Relation between induction of rat heptic ornithine decarboxylase activity by tumor promoters 12-0-tetradecanoylphorbol-13-acetate and phenobarbital and levels of the polyamines putrescine, spermidine and spermine, in vivo; differential effect of retinyl-a | RIVM
Jaar: 1984 Onderzoek

Sedimentologische interpretatie van de afzettingen van de Nuenen-groep nabij Best | RIVM

In het kader van het project "Variaties in fysisch-chemische bodemkarakteristieken" zijn twaalf boringen uit de Nuenen-groep bij Best beschreven. Uit deze beschrijvingen is de sedimentologische ontstaansgeschiedenis van de onderscheiden bodemlagen gereconstrueerd. Vijf pakketten (sequenties van lagen) worden onderscheiden, waarvan er vermoedelijk drie uit glaciale perioden stammen en twee uit inter- glaciale perioden. Met behulp van de kennis over de ontstaansgeschiedenis wordt een uitspraak gedaan over de uitgestrektheid van de leem- en zandlagen in de ondergrond van de onderzoekslokatie. De mate van uitgestrektheid van die lagen bepaalt grotendeels de kwetsbaarheid van de diepe ondergrond voor eventuele verontreinigingen. De uitgestrektheid van leemlagen varieert van enkele kilometers (boven in de Nuenen-groep) tot een tiental meters (onder in de Nuenen-groep).
Jaar: 1984 Onderzoek Documenten: 1

Induction of ornithine decarboxylase and augmentation of tyrosine aminotransferase activity by N-hydroxy-2-acetylaminofluorene and 2- acetylaminofluorene in rat liver. Influence of sex, retinylacetate, indomethacin and pentachlorophenol | RIVM

Induction of ornithine decarboxylase and augmentation of tyrosine aminotransferase activity by N-hydroxy-2-acetylaminofluorene and 2- acetylaminofluorene in rat liver. Influence of sex, retinylacetate, indomethacin and pentachlorophenol | RIVM
Jaar: 1984 Onderzoek

Verslag van het onderzoek naar de werking van het formaldehyde sterilisatieproces in het Rode Kruis Ziekenhuis te Den Haag | RIVM

Het onderzoek heeft zich gericht op een tweetal onderdelen van het totale proces, namelijk: 1. Welke factoren in de procesvoering zijn van belang bij het steriliseren met formaldehyde? 2. Hoe is de functionaliteit van de sterilisator? Uit de 6 series proeven zijn de volgende conclusies te trekken: 1. Bij een concentratie formaline (+/- 36%) van 0.34 ml/ltr ketelinhoud, bij 78 graden C en een inwerktijd van 8 min. vertonen de gebruikte bacteriestrips in de Helix, die in een onbeladen sterilisator was geplaatst, geen groei meer. 2. Een goede ontluchtingsfase is zeer belangrijk voor het goed afdoden van de bacterien in de Helix-tester. 3. Tijdens de sterilisatiefase is het van belang dat er zo weinig mogelijk vocht ontstaat. 4. Aan de hand van de verzadigde waterdampspanning is de maximale concentratie formaline bij een bepaalde temperatuur te berekenen.
Jaar: 1984 Onderzoek Documenten: 1

Onderzoek naar een geschikte combinatie toetsmethoden ter bepaling van de aquatische toxiciteit van milieugevaarlijke stoffen. Bijl.2: Onderzoek naar de bruikbaarheid van Lemna minor (eendekroos) voor routine toxiciteitsonderzoek en vergelijking van deze | RIVM

Als aanvulling op het project "Onderzoek naar een geschikte combinatie toetsmethoden ter bepaling van de aquatische toxiciteit van milieugevaarlijke stoffen" werd vergelijkend onderzoek verricht naar de bruikbaarheid en gevoeligheid van eendekroos (Lemna minor) als toetsorganisme. Deze waterplant bleek goed bruikbaar als proefplant: de toetsen zijn met eenvoudige middelen en binnen twee weken uit te voeren. De gevoeligheid van L.minor voor 6 "non regulated" chemicalien was vergelijkbaar met die van eencellige groenalgen. Ten opzichte van het "standaard pakket" alg-crustacee-vis", verschaften de toetsen met L.minor geen extra informatie.
Jaar: 1984 Onderzoek Documenten: 1

Literatuuronderzoek naar gegevens betreffende de betekenis van een aantal verwekkers van zoonosen in verband met vleesconsumptie. I: Erysipelothrix rhusiopathiae | RIVM

Erysipelothrix rhusiopathiae infecties bij de mens zijn in hoofdzaak wondinfecties, die meestal gelocaliseerd blijven. De belangrijkste diersoorten betrokken bij de besmetting van de mens zijn varkens en vis. De enkele beschreven gevallen van besmetting door consumptie van besmet voedsel zijn niet geheel overtuigend. Antibiotisch zijn locale infecties goed behandelbaar. Er is geen overdracht van mens op mens bekend. Deze infectieziekte kan dus niet als een belangrijke alimentaire ziekte beschouwd worden, waartegen directe maatregelen getrokken zouden moeten worden om de consument te beschermen. Wel kan de ziekte van belang zijn voor bepaalde risicogroepen, zoals personeel, betrokken bij de produktie en verwerking van vlees en vis.
Jaar: 1984 Onderzoek Documenten: 1

Vergelijkend onderzoek naar de fungicide werking van desinfectantia | RIVM

Bij vergelijking met een zestal desinfectantia ten opzichte van 2 gisten, 2 Aspergillus stammen en 2 dermatofieten is o.a. gevonden dan Aspergillus sporen veelal minder gevoelig zijn voor desinfectantia van gistcellen. Dit impliceert dat toekenning van een algemene fungicidie-aanprijzing op grond van de SST of de EST, waarin naast bacteriestammen alleen een gist is opgenomen, niet verantwoord is.
Jaar: 1984 Onderzoek Documenten: 1

Optimalisatie bestrijding verzurende emissies | RIVM

In dit rapport is de huidige kennis geinventariseerd omtrent emissie- effecten en kosten van maatregelen ter vermindering van de uitworp van zwaveldioxide, stikstofoxiden en ammoniak. Uitgaande van een economisch-energetisch scenario zijn voor de jaren 1990 en 2000 de te bereiken emissiereductie en kosten berekend voor een aantal pakketten bestrijdingsmaatregelen. Op basis van de kosten per ton emissiereductie zijn optimale maatregelen vastgesteld om een bepaalde uitworp te bereiken. In het jaar 2000 kan de SO2-uitworp gereduceerd worden tot 150.000 ton voor 650 miljoen gulden, de NOx-uitworp tot 350.000 voor 550 miljoen en de NH3-uitworp tot 80.000 ton voor 590 miljoen (prijspeil 1980).
Jaar: 1984 Onderzoek Documenten: 1