Naar inhoud

Onderzoeken Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 1985

Zoek binnen deze data in WooGLe

Methodologies for the analysis of organic micropollutants in the aquatic environment. Proceedings of a workshop organized within the framework of the Concerted Action "Organic micropollutants in the aquatic environment" COST641, Rome, 27-29 March, 1985 | RIVM

Methodologies for the analysis of organic micropollutants in the aquatic environment. Proceedings of a workshop organized within the framework of the Concerted Action "Organic micropollutants in the aquatic environment" COST641, Rome, 27-29 March, 1985 | RIVM
Jaar: 1985 Onderzoek

Determination of organic-bound halogen in water samples. Introduction; method 13. The determination of extractable organic-bound halogen (EOH) in water; method 14. The determination of volatile organic-bound halogen (VOH) in water | RIVM

Determination of organic-bound halogen in water samples. Introduction; method 13. The determination of extractable organic-bound halogen (EOH) in water; method 14. The determination of volatile organic-bound halogen (VOH) in water | RIVM
Jaar: 1985 Onderzoek

Adenylate Energy Charge. I. Achtergrond en bepalingsmethoden | RIVM

In dit rapport wordt een literatuur overzicht betreffende de "Adenylate Energy Charge" bepaling gegeven. In het bijzonder wordt ingegaan op de extractie methoden en de incubatie-buffers die gebruikt worden bij de enzymatische bepaling. Tevens wordt aandacht besteed aan de achtergrond (voor- en nadelen) van deze parameter en wordt er ingegaan op de bemonsteringsmethoden van de te onderzoeken organismen. De beste resultaten, met betrekking tot de extractie methoden, werden verkregen met Tris, TCA en PCA. Tricine, Mops, Tris, TES en Hepes bleken de meest effectieve incubatie-buffers te zijn. Het rapport wordt afgesloten met enige bevelingen tot nader onderzoek en een computerprogramma voor het besturen van de detectie apparatuur (Lumac).
Jaar: 1985 Onderzoek Documenten: 1

Samenvattende conclusies van het project "Variaties in fysisch- chemische bodemkarakteristieken" uitgevoerd op een proeflocatie nabij Best | RIVM

De bodemgegevens, verkregen in het proefgebied nabij Best zijn sedimentologisch geinterpreteerd. Met behulp van statistische bewerking van de beschikbare gegevens kon de verdeling in sedimentaire eenheden worden bevestigd. Onderzoek naar de variatie in de permeabiliteit is gebeurd door middel van pompproeven. Hieruit bleek de permeabiliteit van maaiveld tot ca. 25 m-mv. toe te nemen van 1,3 m/dag tot ca. 7 m/dag. De samenstelling van het grondwater varieert nogal en is plaatselijk sterk verontreinigd door percolatiewater van mestvaalten.
Jaar: 1985 Onderzoek Documenten: 1

Ruimtelijke variaties in fysisch-chemische bodemkarakteristieken in de Nuenen-groep nabij Best | RIVM

Ten noorden van Best is een onderzoek uitgevoerd naar de ruimtelijke variatie in fysisch-chemische bodemkarakteristieken in de Nuenen-groep. Doel van dit onderzoek was een methode te ontwikkelen om een beter inzicht te krijgen in de laterale existentie van lagen, die door hun eigenschappen, een bescherming bieden tegen verspreiding van evt. verontreinigingen t.o.v. het grondwater. De bodem is bemonsterd m.b.v. continu gestoken boringen ; de monsters zijn ganalyseerd op de volgende parameters: organische-stofgehalte, kalkgehalte, kationen- uitwisselings-capaciteit, zuurgraad en granulaire verdeling. De ruimtelijke variatie is onderzocht m.b.v. een sedimentologische analyse en statistische verwerking van bovengenoemde analysegegevens. Geconcludeerd kon worden dat de sedimentologie aangevuld met statistische verwerking van gemeten bodemparameters een goed inzicht geeft in de opbouw van de bodem. Voorts is gebleken dat een puntwaarneming in de Nuenen-groep in vele gevallen niet representatief is over een afstand van slechts twintig meter.
Jaar: 1985 Onderzoek Documenten: 1

Samenstelling en stroming van het grondwater op een proeflocatie te Best | RIVM

Op de proeflocatie Best zijn op de hoekpunten van een vierkant van 40 x 40 m een aantal boringen gezet tot een maximale diepte van 30 m. Deze boringen zijn uitgerust met een groot aantal pomp-, peil- en minifilters. Uit de filters zijn monsters getrokken die in het veld en op het laboratorium zijn onderzocht op hun fysische en chemische eigenschappen (hoofdcomponenten). Hieruit bleek een zeer sterke variatie in deze eigenschappen. Deze variatie is verklaarbaar indien de stroming van het grondwater nader wordt beschouwd. De verschillen in samenstelling volgen uit verschillen in het lokale landgebruik.
Jaar: 1985 Onderzoek Documenten: 1

Stralingsbelasting van de bevolking en stralingsniveaus in het binnenmilieu in Nederland t.g.v. natuurlijke gammabronnen | RIVM

Het resultaat van het onderzoek - afgeleid uit 2 onafhankelijke meetmethoden - omvatte ca. 750 personen, 400 woningen en 275 werklocaties. De deelnemers werden geselecteerd en verdeeld in twee groepen op basis van hun woonplaats in gebieden met resp. "hoog" en "laag" terrestrisch stralingsniveau. Onderscheid werd gemaakt tussen drie kategorieen personen op grond van hun leefpatroon. Een schatting werd gemaakt van de invloed die de terrestrische component van de natuurlijke straling en enkele veel gebruikte bouwmaterialen hebben op het stralingsniveau van het binnenmilieu. Het gemiddelde exposietempo aangetroffen in het binnenmilieu, bedraagt 9,4 mu-R.h-1 (6,7 x 10-13 C(kg.s)-1). Het gemiddelde dosistempo waaraan personen worden blootgesteld bedraagt 9,3 mu-rad.h-1 (93 nGy.h-1). Voor beide werd een standaarddeviatie van 15-20% gevonden.
Jaar: 1985 Onderzoek Documenten: 1

Landelijk Meetnet Grondwaterkwaliteit: 1. eindrapport van de inrichtingsfase | RIVM

In het kader van de inrichting van het landelijk meetnet grondwaterkwaliteit werden verspreid over het gehele land 370 meetpunten geplaatst met filters op globaal 10, 15 en 25 m-mv. De meetpunten werden onderzocht op het voorkomen van de macroparameters, Zn, N-4 en As en de somparameters EOCl en VOCl. Incidenteel werden tal van andere spoorelementen en organische microverontreinigingen gemeten. Uit het onderzoek blijkt, dat een duidelijke relatie aanwezig is tussen de kwaliteit van het grondwater enerzijds en gebruik van de bodem, bodemtype en geohydrologische situatie anderzijds. Duidelijk is sprake van een geleidelijke verslechtering van de grondwaterkwaliteit. Afdekkende kleilagen hebben in deze veelal slechts een beperkte betekenis. In feite wordt in Nederland tot op dieptes van 30 m-mv zeker in de zandgebieden nog nauwelijks grondwater met een natuurlijke samenstelling aangetroffen.
Jaar: 1985 Onderzoek Documenten: 1

Een regionaal geohydrologisch modelonderzoek van de Centrale Slenk van Noord-Brabant | RIVM

Met een computermodel dat 4 watervoerende pakketten omvat zijn voor een stationaire situatie grondwaterstanden berekend. De stijghoogte van het eerste pakket is ingevoerd als bovenrandvoorwaarde. Met relatief grote modelelementen (7,5 km2) is getracht de grondwatersituatie van 1979 te simuleren. De calibratie van onbevredigend. Met een tweede model met kleinere elementen (2,4 km2) zijn berekeningen voor 1995 uitgevoerd. Vooral wordt daarbij water uit ondiepe lagen aangetrokken.
Jaar: 1985 Onderzoek Documenten: 1

De analyse van zes pompproeven op korte filters, in de Nuenen-groep nabij Best | RIVM

Ter verwerving van permeabiliteitsgegevens van de ondiepe ondergrond (< 30 m) nabij Best zijn zes zogeheten puntproeven van korte duur uitgevoerd (ca. 133 min). De resultaten zijn als volgt: 1) van 2,50 m - mv - 10,65 m - mv is een watervoerend pakket aanwezig met een horizontale - en een verticale permeabiliteit van 1,5 m/dag. 2) van 12,65 m - mv - 17,00 m - mv, is een watervoerend pakket aanwezig met een verticale- en een horizontale permeabiliteit van 4,2 m/dag. 3) van 18,70 m - mv - 28,70 m - mv is een watervoerend pakket aanwezig met een verticale- en horizontale permeabiliteit van 7,1 m/dag.
Jaar: 1985 Onderzoek Documenten: 1