Naar inhoud

Onderzoeken Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 1989

Zoek binnen deze data in WooGLe

Sensitivity and specificity of an enzyme-linked immunosorbent assay using the recombinant DNA-derived Treponema pallidum protein TmpA for serodiagnosis of syphilis and the potential use of TmpA for assessing the effect of antibiotic therapy | RIVM

Sensitivity and specificity of an enzyme-linked immunosorbent assay using the recombinant DNA-derived Treponema pallidum protein TmpA for serodiagnosis of syphilis and the potential use of TmpA for assessing the effect of antibiotic therapy | RIVM
Jaar: 1989 Onderzoek

Safety evaluation of geological disposal concepts for low and medium level wastes in rock salt (Pacoma project). Final report - annex 3. Transport of radionuclides with groundwater in the geosphere after release from rock-salt formations for various waste | RIVM

Safety evaluation of geological disposal concepts for low and medium level wastes in rock salt (Pacoma project). Final report - annex 3. Transport of radionuclides with groundwater in the geosphere after release from rock-salt formations for various waste | RIVM
Jaar: 1989 Onderzoek

Gedetailleerd onderzoek naar de effecten van vuilemissies uit het gemengde rioolstelsel van Bodegraven op de waterkwaliteit van het ontvangende slootsysteem. NWRW 10.2 : integrerend eindrapport. NWRW 10.2.1: de fysisch chemisch waterkwaliteit. NWRW 10.2.2 | RIVM

Gedetailleerd onderzoek naar de effecten van vuilemissies uit het gemengde rioolstelsel van Bodegraven op de waterkwaliteit van het ontvangende slootsysteem. NWRW 10.2 : integrerend eindrapport. NWRW 10.2.1: de fysisch chemisch waterkwaliteit. NWRW 10.2.2 | RIVM
Jaar: 1989 Onderzoek

Regulation of delayed-type hypersensititivy-like responses in the mouse lung, determined with histological procedures: serotonin, T-cell suppressor-inducer factor and high antigen dose tolerance regulatie the magnitude of T-cell dependent inflammatory rea | RIVM

Regulation of delayed-type hypersensititivy-like responses in the mouse lung, determined with histological procedures: serotonin, T-cell suppressor-inducer factor and high antigen dose tolerance regulatie the magnitude of T-cell dependent inflammatory rea | RIVM
Jaar: 1989 Onderzoek

Onderzoek naar de effecten van bekalking op de nematodenfauna van drie bosopstanden in Boswachterij St. Anthonis (Peel-regio) | RIVM

In opdracht van de Directie Bos- en Landschapsbouw (voormalig Staatsbosbeheer/ sector Bosontwikkeling) van het ministerie van Landbouw en Visserij is deelgenomen aan de praktijkproef Peel. Naast bosbouwkundige aspecten wordt er in de bekalkings-proeven ook aandacht besteed aan effecten op andere onderdelen van het ecosysteem. In verschillende deelprojecten worden diverse organismen en fysisch-chemische processen bestdeerd. In di rapport worden de resultaten beschreven van het onderzoek dat gedaan is aan de vrijlevende bodemnematodenfauna, in de eerste 8 maanden na de bekalking. Drie verschillende bostypen zijn bemonsterd (zomereik, grove den en douglas). Uit dit onderzoek is gebleken dat: 1. de pH na bekalking in de strooisellaag toenam van 4 tot neutraal. 2. het vochtgehalte niet veranderde t.g.v. de bekalking. 3. de totale nematodendichtheid in alle bossen en lagen niet beinvloed werd door de bekalking 4. de drie bossen een specifieke nematodenfauna-samenstelling hebben 5. alleen in het eikebos de bacterie-eters een toename lieten zien na bekalking. Er eerder sprake van tijdseffect is op de nematodenfauna dan kalkeffect.
Jaar: 1989 Onderzoek Documenten: 1

Bestrijdingsmiddelen in oppervlaktewater van het Westland | RIVM

Oppervlaktewatermonsters, maandelijks genomen op 10 punten in het Westland gedurende de periode april 1988 t/m januari 1989, zijn onderzocht op het voorkomen van 77 bestrijdingsmiddelen en verwante stoffen. Aldicarb-sulfon, aldicarb-sulfoxide, atrazin, diazinon, dichlobenil, alpha- en beta-endosulfan, endosulfan-sulfaat, endrin, furalaxyl, beta-HCH, gamma-HCH, delta-HCH, heptenofos, metalaxyl, metolachloor, parathion, permethrin, propazin, simazin, tolclofos-methyl en vinchlozolin zijn in concentraties gevonden boven de EG drinkwaternorm (0,1 ug/1). Op grond van een door de Gezondheidsraad aanbevolen evaluatiemethode zijn veilige waarden voor het ecosysteem overschreden voor aldicarb-sulfon, aldicarb-sulfoxide, diazinon, alfa- en beta-endosulfan, heptenofos en parathion wordt deze veilige waarde aanzienlijk overschreden, zodat hier ook voor minder gevoelige organismen een risico kan bestaan.
Jaar: 1989 Onderzoek Documenten: 1

Literatuurstudie over dispersie en kolonisatie van vrijlevende bodemnematoden: basis voor een projectvoorstel in het kader van het onderzoek "Ecologisch herstel van gereinigde bodems" | RIVM

De literatuurstudie is uitgevoerd in het kader van een onderzoek naar de rekolonisatie van gereinigde grond door nematoden. Onderzocht is hoe nematoden zich verspreiden, en door welke factoren de verspreiding en de kolonisatie beinvloed worden. Enige conclusies zijn: 1) Nematoden worden vnl. door de lucht verspreid. 2) Phorese is een andere belangrijke wijze van transport. 3) Er was geen literatuur beschikbaar over kolonisatie van gereinigde (steriele) bodems. Wel is veel bekend over factoren die in het algemeen snelheid en richting van kolonisatie beinvloeden. Er is een overzicht gemaakt van methodieken om door de wind meegenomen nematoden te vangen. Er worden suggesties gedaan voor verder onderzoek.
Jaar: 1989 Onderzoek Documenten: 1

Basisdocument Chroom | RIVM

Dit rapport bevat een systematisch overzicht en een kritische evaluatie van de belangrijkste gegevens over de prioritaire stof chroom ten behoeve van het effectgericht milieubeleid.
Jaar: 1989 Onderzoek Documenten: 1

Nitraatgehalte en kwaliteit van het grondwater onder grasland in de zandgebieden | RIVM

De kwaliteit van het grondwater, vanaf het freatisch vlak tot +/- 13 m hieronder, is gekarteerd op 10 moderne melkveehouderijen. In totaal zijn ongeveer 1500 grondwatermonsters genomen. De nitraatgehalten zijn hoger dan verwacht kan worden op basis van (globaal-empirische) relaties tussen stikstoftoediening en -uitspoeling. Op ongeveer 90% van het zandgrasland zal de EG-drinkwaternorm worden overschreden. De stikstof, die door beweiding op het grasland komt, spoelt niet extra uit. Ondiepe grondwaterstanden verminderen de uitspoeling. De kaliumgehaltes overschrijden de norm ook. Sulfaat, chloride en elektrische geleidendheid zijn onder de norm, maar boven het EG-richtniveau.
Jaar: 1989 Onderzoek Documenten: 1

Onderzoek emissies afvalverbrandingsinstallaties. Addendum | RIVM

In het onderzoek is ingegaan op de aard en de omvang van de bij verbrandingsinstallaties voor stedelijk afval optredende emissies, in het bijzonder van polychloordibenzo-p-dioxinen (PCDD's), polychloordibenzofuranen (PCDF's) en zware metalen en de daarmee samenhangende risico's voor de volksgezondheid. Uit het onderzoek is gebleken dat de emissies ten gevolge van de verbranding van afval afhankelijk zijn van het ovenontwerp, de afvalsamenstelling, de instelling van de procescondities resp. de bedrijfsvoering en de werking van het rookgasreinigingssysteem. Met gebruikmaking van literatuurgegevens en met de gegevens uit het toxicologisch onderzoek kan worden geschat dat de humane belasting in Nederland door PCDD's en PCDF's beneden de toelaatbare grenswaarde ligt. Optimale stookcondities en technische verbeteringen aan de oven, die leiden tot een regelmatiger verbranding van het afval, beperken de uiteindelijke vorming van PCDD's en PCDF's. Om de emissies van stofgebonden verbindingen, zuren en zuurvormende verbindingen verder te beperken, is het nodig additionele rookgasreinigingssystemen te installeren.
Jaar: 1989 Onderzoek Documenten: 1

De afbraak van organische stoffen in het grondwater | RIVM

Dit literatuuroverzicht laat zien dat veel organische microverontreinigingen in het grondwater onder bepaalde omstandigheden chemisch en biologisch afbreekbaar zijn. Zuurstof remt de reductieve dehalogenering van bijna alle verbindingen. In aanwezigheid van nitraat zijn hoofdzakelijk gebromeerde alifatische verbindingen reduceerbaar. Wanneer nitraat en zuurstof afwezig zijn en sulfaat als elektronacceptor dienst doet kunnen alifatische gechloreerde koolwaterstoffen wel worden afgebroken maar aromatische gechloreerde koolwaterstoffen niet. Reductie van deze laatste verbindingen is slechts mogelijk onder methanogene omstandigheden. Een groot deel van de nitraatloze winningen is anaeroob zodat daar denitrificatie en reductieve dehalogenering kan optreden. Dit betekent dat deze winningen minder kwetsbaar zijn doordat de microflora in de ondergrond in staat is om gehalogeneerde alifatische verbindingen te verwijderen.
Jaar: 1989 Onderzoek Documenten: 1

Biodegradatie van chloorfenolen in de bodem | RIVM

Er is een onderzoek gedaan naar de biodegradatie van chloorfenolen in een viertal bodemtypen, verschillend in zuurgraad en organisch stofgehalte, onder aerobe/anaerobe en steriele/niet-steriele condities. In tegenstelling tot eerder onderzoek werd geen omzetting onder anaerobe omstandigheden waargenomen. Er werd alleen afname van de chloorfenolenconcentraties gevonden onder aerobe, niet-steriele omstandigheden. Dit duidt erop dat geen chemische omzetting plaatsvond maar dat de afname waarschijnlijk werd veroorzaakt door biodegradatie. Onderzoek met 14-C-gelabelde chloorfenolen toonde aan dat geen volledige mineralisatie plaatsvond en dat daarnaast vorming van gebonden residuen optrad. Het is nog niet mogelijk om op dit moment een betrouwbare volledige voorspelling te doen over de omzetting van chloorfenolen in de bodem. Indirect bewijs is verzameld dat de gebonden residuvorming plaatsvindt vanuit metaboliet(en) gevormd na biologische omzetting van chloorfenolen. Nader onderzoek is noodzakelijk om de massabalans verder op te stellen en om de processen te begrijpen die de degradatie beinvloeden.
Jaar: 1989 Onderzoek Documenten: 1

Optimaliseren van de bepaling van vluchtige organohalogeenverbindingen (VOX) | RIVM

Vluchtige organohalogeenverbindingen komen thans in aantoonbare concentraties in het milieu voor. Voor een snelle screening van deze groep staat de bepaling van de somparameter vluchtige organohalogenen (VOX) in de belangstelling. De coulometrische bepaling van de halogeniden, die bij verbranding van VOX-verbindingen ontstaan, is een methode om deze parameter te meten. Omdat deze methode niet in voldoende mate is gestandaardiseerd werd een onderzoek verricht naar de optimale waarden voor een aantal experimentele variabelen. Voor de OX-bepaling aan een onbekend monster worden aanbevolen: een purgetijd van 18 min, een purgedebiet van 80 ml.min-1, een purgetemperatuur van 80 graden C en een desorptietemperatuur van 200 graden C. Met behulp van de verkregen resultaten werd, in samenhang met NEN 6401, een voorlopig voorschrift voor de coulometrische VOX-bepalingen opgesteld. Als onderste analysegrens wordt 0.001 mumol.l-1 aangehouden. Het rendement van de VOX-bepaling, uitgevoerd bij de uit dit onderzoek resulterende waarden van de experimentele variabelen, is > 80%.
Jaar: 1989 Onderzoek Documenten: 1

The usefulness of Gasterosteus aculeatus -the three-spined stickleback- as a testorganism in routine toxicity tests | RIVM

De stekelbaars (Gasterosteus aculeatus) is een algemeen voorkomende vissoort in Europa, grote delen van Azie en Noord-Amerika in veel typen wateren. De gevoeligheid van de stekelbaars voor enkele toxische stoffen is vergeleken met een viertal (inter)nationaal erkende (tropische) vissoorten. Uit dit vergelijkende onderzoek bleek dat de stekelbaars net zo gevoelig en soms zelfs gevoeliger was dan de andere vier vissoorten. Op grond van deze resultaten, zijn algemeen voorkomen in wateren van de gematigde zone en het feit dat de stekelbaars makkelijk te kweken is wordt aanbevolen de stekelbaars op te nemen als aanbevolen toetsorganisme in OECD-guidelines en EG-testmethoden.
Jaar: 1989 Onderzoek Documenten: 1

Onderzoek naar de uitspoeling en omzetting van chloorfenolen in de bodem met 14-C gelabelde verbindingen | RIVM

Orienterende laboratoriumexperimenten zijn uitgevoerd om te onderzoeken of uitspoeling uit een kolom bodemmateriaal kan optreden van niet volledig gemineraliseerde afbraakprodukten van chloorfenolen. Er zijn kolomexperimenten uitgevoerd met 14-C-gelabeld 4-monochloorfenol en 3,4-dichloorfenol in vier verschillende soorten grond (duinzand, vaaggrond, eerdgrond en podzol). Er is gebruik gemaakt van korte grondkolommen en een hoge percolatiesnelheid. Uit de resultaten van het onderzoek is gebleken dat onder de gegeven niet-realistische omstandigheden uitspoeling van dichloorfenol optrad in kalkrijke zandgrond die weinig organische stof bevat. In deze grond spoelden tevens niet volledig gemineraliseerde afbraakprodukten van mono-chloorfenol uit. In de overige gronden trad slechts uitspoeling op van gelabeld koolstofdioxide tot een maximum van 30% ten opzichte van de invoer. Uit analyses van het kolommateriaal is gebleken dat gebonden residuvorming optrad tot 50%. Het is niet bekend om welke stoffen dit ging. Het was niet mogelijk volledige massabalansen op te stellen daar 10 tot 40% van de toegevoerde activiteit tijdens de analyses niet werd teruggevonden. Nader onderzoek onder realistischer omstandigheden is noodzakelijk om de implicaties van deze resultaten duidelijk te maken.
Jaar: 1989 Onderzoek Documenten: 1

Ontwikkeling van een gevoelige bepalingsmethode van cotinine in humane urine met capillaire gaschromatografie en stikstofgevoelige detectie na vaste-fase extractie | RIVM

In dit rapport wordt de ontwikkeling van een gevoelige methode beschreven voor de kwantitatieve bepaling van cotinine in humane urine. Cotinine is een metaboliet van nicotine, die in de urine wordt uitgescheiden en gerelateerd kan worden aan de actieve of passieve inhalatie van tabaksrook. Cotinine wordt uit urine geisoleerd door middel van een vaste-fase extractie gevolgd door een clean-up van het vaste-fase extract door selective heroplossing in een niet mengbare combinatie van methyleenchloride en natriumboraat-bufferoplossing. Kwantificering vindt plaats met gaschromatografie en stikstofgevoelige detectie, waarbij tripelennamine als interne standaard wordt gebruikt. De beschreven methode zal worden toegepast bij epidemiologisch onderzoek naar het verschil in enerzijds de uitscheiding van cotinine urines van rokende longkankerpatienten en rokende controlepersonen (effect actief roken) en anderzijds het verschil in uitscheiding van cotinine in urines van niet-rokende longkankerpatienten en niet-rokende controlepersonen (effect passief roken).
Jaar: 1989 Onderzoek Documenten: 1

Enzymactiviteit als indicator voor de bodemkwaliteit: Methodiekontwikkelhulp voor het enzym fosfatase | RIVM

In het onderhavige rapport wordt ingegaan op de rol die enzymactiviteiten kunnen spelen bij de beoordeling van de kwaliteit van de bodem. Een eerste stap in deze beoordeling vormt de methodiekontwikkeling voor de activiteitsbepaling. In het rapport wordt met name aandacht besteed aan de methodiekontwikkeling voor het enzym fosfatase. Voor dit enzym wordt beschreven de monstername, opslag, voorbehandeling, deelbemonstering en enzymassay. Ook worden enzymassays beschreven voor urease, beta-glucosidase, arylsulfatase, protease en rhodenase. Daarnaast wordt voor de fosfatase-activiteit ingegaan op de variatie in de veldsituatie en de beinvloeding door toevoeging van verontreinigingen aan de bodem.
Jaar: 1989 Onderzoek Documenten: 1

In situ bioreaction of a subsoil, contaminated with gasoline | RIVM

Het doel van het project "In situ biorestauratie van een met benzine verontreinigde ondergrond" is de beoordeling van de technische en economische haalbaarheid van deze techniek. Dit rapport beschrijft en bediscussieert de resultaten van het pilot plant schaal kolomonderzoek. Daarnaast wordt een beschrijving van de proeflokatie en van het saneringsontwerp gegeven. De benzine werd in de ongestoorde grondkolommen door twee processen verwijderd: uitspoeling en (bio) degradatie. Door uitspoeling werden voornamelijk aromaten verwijderd. Aanzienlijke (bio) degradatie, naast uitspoeling, trad alleen op indien waterstofperoxide werd gedoseerd als extra zuurstofbron, als het effluent werd gerecirculeerd of als beide behandelingen werden gecombineerd. Vooral de alifaten werden (biologisch) afgebroken. De benzine concentraties in de grond na 6 maanden peroxide dosering lagen beneden de C-referentie waarde (800 mg/kg) en in delen van de grond zelfs beneden de achtergrondwaarde (20 mg/kg). Geconcludeerd wordt dat een combinatie van waterstofperoxide en recirculatie goede mogelijkheden biedt voor deze sanering. Het ontwerp van de sanering, gebaseerd op de bovenstaande resultaten en de hydrologische gegevens heeft nog geen technische problemen opgeleverd. De kosten van in situ biorestauratie lijken lager te zullen liggen dan conventionele technieken. In situ biorestauratie biedt dus een goed alternatief als saneringsmethode, met voordelen ten opzichte van andere methoden die gebruik maken van afgraven.
Jaar: 1989 Onderzoek Documenten: 1

Onderzoek naar de toxiciteit van TBTO voor een aantal zoetwaterorganismen | RIVM

Bis(tri-n-butyltin)oxide (TBTO) is onderzocht om na te gaan (1) wat de ecotoxicologische effecten van TBTO voor waterorganismen zijn, (2) of de slak specifiek gevoelig is voor TBTO, (3) of er verschil in toxiciteit is waar te nemen bij het gebruik van slootwater of DSW of toetsmedium en (4) of het mogelijk is om een "veilige" NOEC voor het ecosysteem op te geven. Er is onderzoek uitgevoerd met Chlorella pyrenoidosa en Scenedesmus pannonicus, eencellige groenalgen, Daphnia magna, een kreeftachtige Lymnaea stagnalis, een slak en met Poecilia reticulata, Oryzias latipes en Gasterosteus aculeatus, drie vissoorten. De conclusies uit dit onderzoek zijn: (1) Bij het kortdurend onderzoek varieerde de LC50 van 4.7 tot 42 g/l met D.magna als gevoeligste organisme. Bij het langdurend onderzoek varieerde de NOEC van 0.32 tot 1.0 g/l met L.stagnalis en P.reticulata als gevoeligste organismen. De NOEC's voor histopathologische effecten waren 0.01 en 0.32 g/l voor resp. P.reticulata en O.latipes. (2) L.stagnalis lijkt niet gevoeliger te zijn voor TBTO dan de andere waterorganismen. (3) Er is geen verschil in toxiciteit waargenomen bij het gebruik van slootwater of DSW als toetsmedium. (4) Uit de resultaten van dit onderzoek kan een veilige waarde voor het ecosysteem van 0.01 g/l voor TBTO berekend worden.
Jaar: 1989 Onderzoek Documenten: 1

Onderzoek naar de gehalten aan polycyclische aromaten in binnen het voormalige Laura-terrein te Kerkrade verzamelde monsters. Uitloogbaarheidsproeven. Risico-evaluatie met betrekking tot de Volksgezondheid | RIVM

De PAK gehalten zijn bepaald in bodem, luchtstof en vloerstof. Op basis van deze metingen en reeds bij de provincie beschikbare meetresultaten is een risico-analyse uitgevoerd. Blootstelling via de huid, via consumptie van zelfgeteelde groenten en via gebruik van drinkwater is nagenoeg nihil. De belangrijkste blootstellingsroute is hand- mondgedrag van kinderen. Hoewel het risico groter is dan een extra sterfgeval per miljoen personen bij levenslange blootstelling zullen geen aantoonbare gevallen aan te wijzen zijn. Bevolkingsonderzoek is dan ook zinloos.
Jaar: 1989 Onderzoek Documenten: 1

Gedrag van chloorfenolen in de bodem. Resultaten van het biodegradatieonderzoek | RIVM

Onderzocht is de aerobe en anaerobe (of liever zuurstofarme) omzetting van chloorfenolcongeneren, met 1 tot 5 chloorsubstituenten, in het bovengrondmateriaal van een viertal bodemtypen, die in zuurgraad en organisch stofgehalte verschilden. Gebonden residuvorming, gedefinieerd als het met de toegepaste extractiemethode niet extraheerbare deel, bleek alleen instantaan op te treden en is met name vastgesteld door 4-chloorfenol, pentachloorfenol en 3-chloorfenol. Een directe relatie met organisch stofgehalte, bodem pH, pKa en Kow van de stof kon niet worden vastgesteld. Vervluchtiging en chemische omzetting bleken niet op te treden. Alle getoetste chloorfenolen werden microbiologisch omgezet en dit proces werd beschreven met eerste orde kinetiek. In het algemeen waren de resultaten voor zuurstofarme en aerobe incubatie overeenkomstig, met slechts incidenteel een aanwijzing voor een significant verschil. DFe omzettingspercentages varieerden van 40-100 procent en leken af te nemen met de mate van chlorering. Lagfasen van maximaal 20 dagen werden geconstateerd. De berkende halfwaardetijden varieerden van 1 tot 103 dagen. Met uitzondering van incubatie met duinzand werd de trend waargenomen van een langere halfwaardetijd met toenemende mate van chlorering. Aanwijzingingen werden gevonden dat desorptie de snelheidsbeperkende stap voor omzetting vormt. Gesteld kan worden dat nog geen betrouwbare voorspelling van het gedrag op basis van stof- en bodemparameters mogelijk is omdat de mechanismen achter de omzetting nog niet bekend zijn. Nader onderzoek, met name naar de omzettingsprodukten is noodzakelijk.
Jaar: 1989 Onderzoek Documenten: 1

Onderzoek emissies afvalverbrandingsinstallaties. Eindrapport | RIVM

In het onderzoek is ingegaan op de aard en de omvang van de bij verbrandingsinstallaties voor stedelijk afval optredende emissies, in het bijzonder van polychloordibenzo-p-dioxinen (PCDD's), polychloordibenzofuranen (PCDF's) en zware metalen en de daarmee samenhangende risico's voor de volksgezondheid. Uit het onderzoek is gebleken dat de emissies ten gevolge van de verbranding van afval afhankelijk zijn van het ovenontwerp, de afvalsamenstelling, de instelling van de procescondities resp. de bedrijfsvoering en de werking van het rookgasreinigingssysteem. Met gebruikmaking van literatuurgegevens en met de gegevens uit het toxicologisch onderzoek kan worden geschat dat de humane belasting in Nederland door PCDD's en PCDF's beneden de toelaatbare grenswaarde ligt. Optimale stookcondities en technische verbeteringen aan de oven, die leiden tot een regelmatiger verbranding van het afval, beperken de uiteindelijke vorming van PCDD's en PCDF's. Om de emissies van stofgebonden verbindingen, zuren en zuurvormende verbindingen verder te beperken, is het nodig additionele rookgasreinigingssystemen te installeren.
Jaar: 1989 Onderzoek Documenten: 1

Basisdocument PAK | RIVM

Dit rapport bevat een systematisch overzicht en een kritische evaluatie van de belangrijkste gegevens over de prioritaire stofgroep PAK ten behoeve van het effectgericht milieubeleid.
Jaar: 1989 Onderzoek Documenten: 1