Naar inhoud
Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu

Surveillance van HIV-infectie onder intraveneuze druggebruikers in Nederland ; meting Arnhem 1995 | RIVM

Jaar: 1996 Documenten: 1
Doel van de studie was het vaststellen van de prevalentie van HIV onder intraveneuze druggebruikers (IVDs) in Arnhem. Het resultaat werd vergeleken met het onderzoek uit 1991/1992 in Arnhem. Tevens werd een schatting gemaakt van het risico op verdere verspreiding van HIV onder IVDs, en naar niet-IVDs en de algemene bevolking. Hiertoe werden tussen 30 november 1995 en 1 februari 1996 bij 197 frequente gebruikers van harddrugs (185 IVDs) in Arnhem een speekselmonster en een korte vragenlijst naar risicogedrag afgenomen. Deelnemers werden geworven via de methadonverstrekking (73%), een huiskamerprojekt (24%) en via straatwerving (3%). De HIV-prevalentie is vergeleken met het resultaat (2%) van een vergelijkbare studie onder IVDs in 1991/1992. Van de 185 IVDs konden bij 4 personen HIV-antistoffen in het speeksel worden aangetoond (prevalentie 2%, 95%-betrouwbaarheidsinterval [BI] 0.6-5.5%), onder de 12 niet-IVDs werden geen infecties gevonden. Vier op de tien actueel spuitende IVDs rapporteerden in de laatste 6 maanden een spuit of naald van een ander te hebben gebruikt. Dit riskante gedrag komt ongeveer tweemaal zo veel voor als in de andere onderzochte steden in Nederland, maar evenveel als in 1991/1992 in Arnhem. Een op de vijf IVDs heeft een niet-druggebruiker als vaste seksuele partner. Bij seksueel contact tussen vaste partners worden weinig condooms gebruikt. Geconcludeerd kan worden dat de prevalentie van HIV onder IVDs in Arnhem ongeveer 2% is, hetzelfde niveau als in 1991/1992. Het niveau van spuitgerelateerd risicogedrag is onveranderd hoog. Het risico van verspreiding naar niet-IVDs of de algemene bevolking is bij deze prevalentie laag.