Naar inhoud

Onderzoeken Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 1996

Zoek binnen deze data in WooGLe

Eliminatie van virussen, Cryptosporidium en Giardia door drinkwaterzuiveringsprocessen | RIVM

Betreft een kwantitatieve beschrijving van de virus- en protozoaverwijderingscapaciteit van de verschillende processtappen die (gaan) worden toegepast voor de zuivering van Nederlands oppervlaktewater, op basis van Nederlandse en buitenlandse onderzoekgegevens. Daarbij wordt beschreven welke invloed verschillende procesparameters, ruw waterkwaliteit en micro-organisme-gebonden factoren op de verwijderingsefficientie hebben. Gezien het onvolledige beeld dat uit de literatuurgegevens is gekomen is de beschrijving conservatief opgesteld door uit te gaan van de meest kritische studies. De inventarisatie die in dit rapport wordt gemaakt is een weerslag van de huidige stand van de kennis. De beschikbare gegevens uit eigen en literatuur onderzoek geven een fragmentarisch beeld. De pretentie van dit rapport is daarom ook niet om aan te geven dat alle oppervlaktewater-zuiveringsprocessen in Nederland de weergegeven verwijdering van virussen en protozoa realiseren, maar om, daar waar gegevens ontbreken een betere inschatting te maken, en aan te geven waar een zuiveringsproces, dat goed is gedimensioneerd en goed wordt beheerst, toe in staat moet worden geacht. Waterleidingbedrijven kunnen aan de hand van metingen van virussen of protozoa in hun zuiveringsproces aantonen dat deze meer of minder effectief is dan in dit rapport wordt aangegeven. Het uitvoeren van locatie- en proces-specifieke metingen is altijd te prefereren, omdat dit inzicht geeft in welk verwijderingsrendement onder lokale condities wordt gerealiseerd.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

Description of EDGAR Version 2.0: A set of global emission inventories of greenhouse gases and ozone-depleting substances for all anthropogenic and most natural sources on a per country basis and on 1 degree x 1 degree grid | RIVM

RIVM en TNO hebben gezamenlijk een mondiale emissiedatabase EDGAR (Emission Database for Global Atmospheric Research) geconstrueerd ten behoeve van beleidsondersteuning, atmosferisch-chemici en klimaat-modelleurs. De EDGAR-database bevat voor het basisjaar 1990 per sector de emissies van directe en indirecte broeikasgassen (CO2, CH4, N2O, CO, NOx, niet-methaan VOS, SO2), inclusief ozonlaagafbrekende stoffen (gehalogeneerde koolwaterstoffen), per regio/land en op grid. Voor de berekening van de mondiale emissies van zowel menselijke als biogene bronnen is een complete dataset gecompileerd om de totale bronsterkte per gas te kunnen schatten met een ruimtelijke resolutie van 1 graad x 1 graad (hoogte-resolutie 1 km), zoals overeengekomen binnen de Global Emissions Inventory Activity (GEIA) van het International Atmospheric Chemistry Programme (IGAC). Omdat de inzichten op dit terrein nogal snel kunnen veranderen, is hier bij de opzet van het systeem rekening mee gehouden door de keuze van onderverdeling van bronnen, de ruimtelijke en temporele resolutie en de stoffen flexibel te houden. Dit rapport geeft een beschrijving van de constructie en inhoud van de database, inclusief het type en de bron van de gebruikte data. Achtereenvolgens worden de volgende onderwerpen besproken: de gebruikte methoden bij de opzet van de inventarisaties, de structuur en belangrijkste functies van het database-systeem, de opzet van broncategorieen, beschrijving van bronnen en hun data (activiteitenniveaus, emissiefactoren, kaarten om de emissies over een grid te verdelen), resulterende emissie-inventarisaties (per regio en op grid), onzekerheden en beperkingen in de datasets, beleidstoepassingen, en conclusies waarin de in het project bereikte resultaten worden samengevat.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

Evaluatie van het evenwichtspartitieconcept voor zware metalen in bodems en sedimenten | RIVM

Een evaluatie is uitgevoerd van de toepasbaarheid van het evenwichtspartitieconcept (EP) voor zware metalen en de daarbij gehanteerde partitiecoefficienten bij de afleiding van integraal afgestemde milieukwaliteitsdoelstellingen voor bodem en sediment. Een partitiecoefficient (Kp) geeft de verhouding weer tussen enerzijds de hoeveelheid van een verbinding die aan bodem- of sedimentdeeltjes gebonden is en anderzijds de hoeveelheid van dezelfde verbinding vrij in oplossing. Kp's voor zware metalen zijn niet constant, maar varieren sterk met bodemkarakteristieken. In bodems is voor de metalen Cd, Cr, Cu, Ni, Pb en Zn een partitiemodel afgeleid waarmee veldgemeten Kp's als functie van de pH en andere bodemkarakteristieken (Fe, Al, klei en/of organische stof) te berekenen zijn. Voor As is een partitiemodel afgeleid dat enkel is gebaseerd op het Fe-gehalte. Bovendien worden aanvullende partitiemodellen gepresenteerd waarmee de Kp op grond van eenvoudig te meten bodemkarakteristieken (pH, organische stof en klei) te berekenen is. In sedimenten kunnen sulfide precipitaten (AVS) in potentie grote hoeveelheden zware metalen binden. Het AVS-gehalte in sedimenten varieert sterk door plaats-, diepte- en seizoensvariabiliteit. Hierdoor is het op dit moment niet mogelijk om een partitiemodel af te leiden. Uit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat voor de onderlinge afstemming van bodem- en water kwaliteitsdoelstellingen voor metalen, het EP-concept een praktische en toepasbare benaderingswijze is. Echter mede door de onzekerheid in de variabiliteit van het AVS-gehalte, lijkt toepassing van het EP-concept voor sedimentkwaliteitscriteria voor metalen op dit moment te voorbarig.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

Het modelleren van verkeersstromen met GIS | RIVM

Het project 'Landelijk Beeld Verstoring' van RIVM en TNO probeert de verstoring door geluidhinder in Nederland in kaart te brengen. Het wegverkeer vormt een belangrijke bron van verstoring. Daarom is het nodig over een landelijk beeld te beschikken van de wegverkeersintensiteiten waarmee de geluidsemissie van het wegverkeer berekend kan worden. Het landelijk beeld van de verkeersintensiteiten kan verkregen worden door de verkeersstromen te modelleren. In dit rapport worden drie mogelijke methoden om de verkeersintensiteiten te modelleren besproken. De eerste methode berekent verkeersintensiteiten door het verkeer dat plaatsvindt over de wegen, te modelleren. De tweede methode berekent de verkeersintensiteiten op een weg aan de hand van een kenmerk van de weg dat een indicatie geeft van het belang (en dus van de hoeveelheid verkeer) van de weg. De derde en laatste methode modelleert de verkeersintensiteiten door reeds bestaande, niet landsdekkende verkeers- en vervoersmodellen samen te voegen tot een, wel landsdekkend geheel. Uit het onderzoek bleek dat de tweede methode het best bruikbaar is om voor het Landelijk Beeld Verstoring verkeersintensiteiten in te schatten.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

Modelling gas-phase and heterogeneous conversions of nitrogen oxides in the exhaust plume of an aircraft ; A parameterization for global models | RIVM

Een pluimmodel is ontwikkeld om de gasfase en heterogene chemische omzettingen in de pluim van een vliegtuig direct na de emissie van uitlaatgassen te kunnen bestuderen. De pluimmodelberekeningen resulteren in hoogte, breedtegraad en seizoensafhankelijke omzettingsfactoren waardoor de NOx (= NO + NO2) emissies van vliegtuigen kunnen worden vertaald in effectieve stikstofoxide emissies van de vliegtuigpluim. Uit deze omzettingsfactoren is een parameterisatie afgeleid die de subgrid effecten in de vliegtuigpluim verdisconteert. De parameterisatie kan direct gebruikt worden voor de emissiefactoren van vliegtuigen in mondiale 3D-modellen. In de pluimparameterisatie zijn geen corridor-effecten meegenomen. Pluimberekeningen laten zien dat de omzetting van NOx in andere stikstofoxiden sterk afhangt van de temperatuur en fotochemische activiteit. In the Noord Atlantische vliegcorridor wordt, afhankelijk van het seizoen, ongeveer 30 tot 70% van de ge-emitteerde NOx binnen twee dagen in de pluim omgezet in andere stikstofverbindingen. NOx wordt in de zomer veel sneller in andere stikstofverbindingen omgezet dat in de winter. De bijdrage van heterogene reacties op sulfaataerosolen, ijsdeeltjes en roetdeeltjes is bestudeerd. De heterogene reactie van N2O5 op sulfaataerosolen kan belangrijk zijn bij lage temperaturen aangezien hierdoor de HNO3 concentratie in de pluim een factor vijf groter kan worden. Onzekerheden in de achtergrond temperatuur hebben een groot effect op de omzetting van stikstofoxiden. Voorlopige gevoeligheidsstudies laten zien dat een variatie in temperatuur in de zomer op kruisvluchthoogte van 10% een variatie van 0.28 in de stikstofoxide fractie, t.o.v. de som van alle stikstofverbindingen, tot gevolg heeft. De onzekerheden in de achtergrond concentraties van stoffen rond de vliegtuigpluim kan ook een groot effect hebben. Variatie van 25% in de achtergrondconcentraties op kruisvluchthoogte in de zomer geeft een variatie van 0.20 in de stikstofoxide fracties, t.o.v. de som van alle stikstofverbindingen.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

Bedrijfsverplaatsingen naar het spoor en de effecten op verkeer en vervoer | RIVM

Deze scenariostudie heeft tot doel vast te stellen in welke mate de verplaatsing van werkgelegenheid van slecht naar beter per openbaar vervoer bereikbare locaties kan bijdragen aan de beperking van (de milieuschade door) de personenmobiliteit. Er is een ruimtelijk scenario opgesteld, waarin is verondersteld dat de helft van de werkgelegenheid wordt verplaatst van slecht naar goed per openbaar vervoer bereikbare locaties. Als maximale verplaatsingsafstand is 20 km hemelsbreed verondersteld. Teneinde expliciet met reacties van werkenden op bedrijfsverplaatsingen rekening te houden (wel/niet verhuizen ; wel/niet van werkgever veranderen), zijn modellen ontwikkeld voor deze reacties. Deze modellen zijn toegepast in de scenariostudie. De belangrijkste conclusies zijn: (1) De berekende effecten op het woon-werkverkeer hangen sterk af van de vraag of expliciet rekening is gehouden met de reacties van werkenden op bedrijfsverplaatsingen. Het autogebruik (uitgedrukt in kilometers) van de werkenden die geconfronteerd worden met bedrijfsverplaatsingen, neemt met circa 10% af indien expliciet rekening wordt gehouden met genoemde reacties, en met circa 30% indien van de lange termijn evenwichtssituatie wordt uitgegaan. (2) Het additionele effect van het verplaatsen van werkgelegenheid van slecht naar goed per openbaar vervoer bereikbare locaties is lager als de snelheid van het autosysteem 10% lager is en als de kosten van mobiliteit dubbel zo hoog zijn. (3) Het additionele effect van het genoemde ruimtelijke scenario is min of meer onafhankelijk van een eventuele wijziging in de voorkeur van werkenden van auto naar openbaar vervoer.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

How to estimate concentrations of pesticides in surface water semi-quantitatively: an interim report | RIVM

Dit rapport beschrijft een semi-quantitatieve module om concentraties in het oppervlaktewater te schatten uitgaande van verschillende routes. Het accent ligt op de bijdragen van de runoff (op of vlak onder het bodemoppervlak) en de erosie na zware regenbuien. Met behulp van deze module (in een spreadsheet) kunnen de potentiele bijdragen van zowel de runoff als de erosie worden ingeschat. De module schat geen actuele concentraties. De module is gebaseerd op twee complementaire processen: enerzijds worden hydrofobe pesticiden verondersteld het oppervlaktewater te kunnen bereiken door het transport van bodemdeeltjes, waaraan de pesticide is gesorbeerd ; anderzijds kunnen wateroplosbare pesticiden het aangrenzende oppervlaktewater bereiken met de waterstroom zelf, waarin het pesticide is opgelost, hetzij ter hoogte van of vlak onder het maaiveld. Deze semi-quantitatieve benadering heeft als voordelen een heldere structuur en een makkelijke toepasbaarheid. Bovendien biedt het een gestandaardiseerde manier om pesticiden te prioriteren op hun potentiele verspreidingsroutes. Dit rapport geeft de huidige praktijk wat betreft de toelating van pesticiden in Nederland niet weer.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

Greenhouse gas emissions in the Netherlands 1990 - 1995. Methodology and data for 1994 and provisional data for 1995 | RIVM

Met het rapport wordt voldaan aan de verplichtingen die voortvloeien uit het bewakingsmechanisme voor broeikasgasemissies van de Europese Unie alsmede van het Klimaatverdrag. Daarbij gaat het om emissierapportages van alle broeikasgassen die niet onder het Montreal protocol vallen. De gepresenteerde Nederlandse broeikasgasemissies zijn bepaald conform de richtlijnen van de IPCC en gebaseerd op cijfers uit de MilieuBalans 1996. Er wordt een korte beschrijving gegeven van de wijze waarop de IPCC richtlijnen in Nederland zijn toegepast. Verschillen tussen IPCC sectoren en Nederlandse doelgroepen worden toegelicht en de resulterende verschillen in emissiecijfers gequantificeerd. Voor alle broeikasgassen wordt een tijdreeks 1990-1995 gepresenteerd. In 1994 waren de CO2-emissies 2,8% hoger dan in 1990. In diezelfde periode daalde de emissies van methaan met 3%, stegen de emissies van lachgas met 11% van HFK's, PFK's en SF6 met 17%. De totale emissie in CO2-equivalenten van broeikasgassen die niet onder het Montreal-protocol vallen, steeg tussen 1990 en 1994 met 3%. Dit kwam voornamelijk door de toename van de emissie van CO2 en HFK's. De niet-CO2-broeikasgassen hadden in 1994 een aandeel van 22% in het totaal van broeikasgasemissies, waarvan methaan 10%, lachgas 8% en de gehalogeneerde koolwaterstoffen zonder ozon-aantastende werking 4%. De voorlopige cijfers voor 1995 laten een sterke toename van CO2-emissies zien (3,9%) alsmede van HFK's (33%).
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

Programmeringsstudie Veranderend Landgebruik ; Gedrag van geaccumuleerde stoffen in verband met veranderingen in landgebruik en herstelbaarheid van ecosystemen | RIVM

Het doel van deze programmeringsstudie was vast te stellen welke kennis aanwezig is en welk type onderzoek op korte en (middel)lange termijn nodig is om tot een risico-inschatting te komen voor effecten van mobilisatie van nutrienten en contaminanten bij de omzetting van landbouwgrond naar andere functies, zoals bosbouw en natuur. De studie concludeert dat bij herbebossing verzuring en toename in opgelost organisch koolstof (DOC) tot een verhoogde mobiliteit van aluminium en zware metalen kan leiden ; bij vernatting kunnen afname van redoxpotentiaal en verzuring fosfaat en zware metalen mobiliseren. Aanwezigheid van sulfide kan bij vernatting tot verminderde mobiliteit van zware metalen leiden. Bij wisselende grondwaterstanden is het mogelijk dat verzuring tot extra mobilisatie van zware metalen leidt. Verhoogde contaminantmobiliteit kan onder andere leiden tot verminderde decompositie, verhoging van interne concentraties in bodemfauna en doorvergiftiging naar terrestrische fauna. Het risico van organische microverontreinigingen wordt lager ingeschat ; hiernaar is echter nog niet afdoende onderzoek verricht. Voor de voorspelling van de risico's bij natuurontwikkeling wordt koppeling van bestaande modellen noodzakelijk geacht. De studie geeft aanbevelingen voor 'quick and dirty' modelkoppelingen op korte termijn en voor nderzoek naar voorbeeldsystemen op middellange termijn. Voor de lange termijn wordt prioriteit gelegd bij monitoring, procesonderzoek en modelintegratie.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

SimpleBox 2.0: a nested multimedia fate model for evaluating the environmental fate of chemicals | RIVM

Technische details worden gegeven van SimpleBox 2.0, een 'genest' multimedia boxmodel van het 'Mackay type'. Het milieu is gemodelleerd als een verzameling goed gemengde, homogene compartimenten (lucht, zoet water, zee water, sedimenten, drie bodemcompartimenten en twee vegetatiecompartimenten) in regionale,continentale en globale ruimtelijke schalen. Het model berekend steady-state concentraties van micro-verontreinigingen in het milieu aan de hand van emissies en snelheidscontanten voor transport- en transformatieprocessen. SimpleBox is een generiek model, het kan worden aangepast aan specifieke situaties. Vergeleken met de vorige versie zijn de belanrijkste wijzigingen het toevoegen van de continentale en globale schaal en het toevoegen van vegetatie- en bodemcompartimenten. De standaardinstelling van het model representeerd het gedrag van micro-verontreinigingen in een regionale en continentale schaal, respectievelijk een dicht bevolkt West-Europees gebied en de totale Europese Unie. De huidige versie is ter validatie van het voorgenomen gebruik van SimpleBox voor harmonisatie van milieukwaliteitsdoelstellingen van lucht, water en bodem in Nederland. Tevens wordt dit model gebruikt als basis voor de regionale/continentale distributie module in het European Union System for Evalution of Substances (EUSES). Dit document is bedoeld als technische handleiding voor deze toepassingen.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

Thema- en doelgroepindicatoren van het milieubeleid; Achtergronddocument bij de indicatoren in het Milieuprogramma 1997 - 2000 | RIVM

De functie van de milieu-indicatoren in het Milieuprogramma van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu, is het geven van inzicht in de ontwikkeling van de milieudruk in Nederland, gerelateerd aan de doelstellingen van het milieubeleid. In de periode 1994 - 1995 laat deze ontwikkeling in Nederland een gevarieerd beeld zien. Ten opzichte van 1994 namen in 1995 de emissies van ammoniak, fosfor en stikstofoxiden, de verzurende depositie, het storten van vast afval en de hinder door geluid of stank af. Het gebruik van CFK's en halonen is in 1995 zelfs helemaal gestopt. Daartegenover staat een toename van de emissies van koolstofdioxide, zwaveldioxide en prioritaire stoffen en van het gebruik van landbouwbestrijdingsmiddelen. De laatste jaren is sprake van een sterke daling van het storten, lozen en verbranden van afval door de doelgroepen industrie, consumenten en bouw, door een toename van recycling. In 1995 is bij de industrie echter sprake van een toename in de hoeveelheid gestort, geloosd en vebrand afval. Deze conclusies kunnen worden getrokken uit de indicatoren die zijn gepubliceerd in het Milieuprogramma 1997 - 2000 van de Nederlandse regering. Naast de presentatie van deze indicatoren, geeft dit rapport een gedetailleerde beschrijving en verantwoording van de methodiek en gebruikte gegevens van deze indicatoren. Het rapport is de basis voor de actualisatie van de indicatoren in 1997, in het Milieuprogrogramma 1998 - 2001.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

Prevalenties en consequenties van lage rugklachten in het MORGEN-project 1993-1995 | RIVM

De prevalentie van lage rugklachten in de algemene bevolking is in kaart gebracht. Er wordt aandacht besteed aan de verschillende kenmerken van de klacht, aan de consequenties van lage rugklachten en aan de risicogroepen voor zowel de prevalenties als consequenties van lage rugklachten. De populatie betreft een voor leeftijd gestratificeerde aselecte steekproef van mannen en vrouwen in de leeftijd van 20-59 jaar uit Amsterdam, Doetinchem en Maastricht. De gegevens zijn verzameld in de jaren 1993-1995 en betreffen 13.927 personen. Na de selectievraag 'Heeft u de afgelopen 12 maanden last (pijn, ongemak) gehad onder in de rug?' is via een aanvullende vragenlijst uitgebreide informatie over kenmerken en consequenties van de rugklachten verzameld. Bijna de helft van de populatie (49%) rapporteert lage rugklachten, ruim eenvijfde zelfs klachten die langer dan drie maanden duren of vrijwel altijd aanwezig zijn. De consequenties van lage rugklachten zijn: verhindering van de normale bezigheden (28%), medische behandeling (42%), werkverzuim (23%), (gedeeltelijk) afgekeurd (8%) en verandering of aanpassing van werk (11%). Van de personen met lage rugklachten beoordeelt 11% de gezondheid matig tot slecht, tegenover 4,4% van degenen zonder lage rugklachten. Risicogroepen voor hoge prevalenties van lage rugklachten en de consequenties ervan zijn onder meer personen van middelbare leeftijd, personen met lage sociaal-economische status (op basis van opleiding) en huisvrouwen/-mannen. Het MORGEN-project levert de eerste uitgebreide gegevens over het voorkomen van lage rugklachten in de bevolking sinds de EPOZ-studie uit 1975-1978. Lage rugklachten vertegenwoordigen een groot volksgezondheidsprobleem, niet alleen in termen van de omvang van de prevalenties maar eveneens in termen van de omvang van de consequenties.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

Laboratoriumsurveillance van HIV-infecties, regio Arnhem, 1989-1995 | RIVM

In de regio Arnhem loopt sinds april 1989 een surveillance-project voor HIV-infecties. Dit project is door het RIVM opgezet, in nauwe samenwerking met het Streeklaboratorium voor de Volksgezondheid/Rijnstate Ziekenhuis (SLA). Dit rapport presenteert de resultaten tot en met 1995 van ruim zes jaar monitoring van laboratoriumdiagnostiek van HIV-infecties aangevuld met een continue enquete naar de indicatiestelling voor de test bij alle aanvragers van deze diagnostiek. Het percentage geinfecteerde personen (1.0%, n=186) was bijna twee keer zo klein als het percentage positieve testen (1.8%, n=386). Het jaarlijks aantal nieuw positieve personen nam niet toe in de tijd, alhoewel er tot 1994 een sterke stijging was in het het aantal aangevraagde testen. De meeste testen worden verricht vanwege 'wisselende heteroseksuele contacten'. Bij mannen werden de meeste infecties waargenomen onder homo/biseksuelen. Dit was gemiddeld 8-9% tot 1994, maar lijkt in 1995 sterk afgenomen tot 3.2%. Ook onder de intraveneuze druggebruikers werden relatief veel infecties aangetoond. Bij de vrouwen ligt dit gemiddeld op 4.4% ; bij de mannelijke druggebruikers neemt het percentage toe van 3.9 in 1991 tot 12% in 1995. Er was geen trend zichtbaar in de heteroseksuele verspreiding over de afgelopen 6 jaar. Dit alles wijst erop dat de verspreiding van HIV-infecties zich nog steeds met name in de bekende risicogroepen voordoet. Opvallend is dat het percentage nieuw-positieven in stedelijke gebieden de laatste jaren lijkt af te nemen, terwijl dit op het platteland nog toeneemt. Ook neemt het aantal geteste personen afkomstig uit Afrika en Latijns-Amerika toe, evenals het percentage positieven in die groep. Seroprevalenties die worden waargenomen in groepen van vrijwillig geteste personen, kunnen i.v.m. onbekende selectiemechanismen, niet zonder meer worden geextrapoleerd naar diezelfde groepen in het verzorgingsgebied van het laboratorium. Desalniettemin wordt de HIV-surveillance vanuit het laboratorium als zeer nuttig beschouwd als indicatie voor de omvang van de problematiek en voor het volgen van trends. Het RIVM werkt aan het opzetten van een landelijk surveillancesysteem voor infectieziekten (ISIS) waarin het concept van de HIV-surveillance wordt gebruikt, ook voor andere infectieziekten. De regio Arnhem fungeert reeds als proefregio voor deze laboratoriumsurveillance.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

Depositie van verzurende componenten in Nederland in de periode 1980-1995 | RIVM

In dit rapport worden jaargemiddelde depositie-waarden voor de verzurende componenten in de periode 1980 tot en met 1995 gepresenteerd. In 1995 is de depositie van potentieel zuur sinds 1980 met ca. 51% gedaald. De belangrijkste oorzaak van deze daling is de daling in de SOx depositie in de tweede helft van de tachtiger jaren. De tussendoelstelling voor 1994 van 4000 mol/ha.j ('Bestrijdingsplan Verzuring') is gehaald. Regionaal wordt deze tussendoelstelling nog ruim overschreden. Van de Nederlandse emissies dragen ruim 30% van SO2-emissies, circa 15% van de NOx-emissies en circa 50% van de NH3-emissies bij aan de depositie van potentieel zuur in Nederland. De export van totaal zuur door Nederland is bijna vier keer zo groot als de import. In 1994 draagt de depositie van NHx voor 68% bij aan de depositie van totaal stikstof. De export van totaal stikstof is ruim zes keer zo groot als de import. De bijdrage van de Nederlandse bronnen aan de depositie van potentieel zuur op Nederland was in 1994 circa 53%. Voor NHx domineert de Nederlandse bijdrage met 82%, terwijl ongeveer tweederde van de depositie van SOx en van NOy afkomstig is van het buitenland. Naast het buitenland (47%) leveren de landbouw (31%) en het verkeer (10%) een grote bijdrage. Regionaal verschilt de bijdrage van het buitenland aan de depositie in de regio sterk. Het areaal bos- en natuurgebied met overschrijding van de kritische depositie voor potentieel zuur is in de periode van 1980-1994 afgenomen van 87% tot 81%. In dezelfde periode is het areaal met overschrijding van de kritische stikstofdepositie voor effecten op het bodemvocht afgenomen van 90% tot 86%. Het areaal met overschrijding van de kritische stikstofdepositie voor effecten op de vegetatie is in die periode niet wezenlijk afgenomen. Er heeft slechts een afname plaatsgevonden van het areaal met een overschrijding van meer dan een factor 2 van 90% naar 83%.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

Surveillance van HIV-infectie onder intraveneuze druggebruikers in Nederland ; meting Utrecht 1996 | RIVM

In dit project wordt de prevalentie van HIV onder intraveneuze druggebruikers (IVD's) in Utrecht vastegesteld en wordt het risico ingeschat van verdere verspreiding onder IVD's, naar niet-IVD's en naar de algemene bevolking. Tussen 11 maart en 19 april 1996 is bij 196 IVD's in Utrecht een speekselmonster en een korte vragenlijst naar risicogedrag afgenomen. Deelnemers werden geworven via de methadonverstrekking (53%), een huiskamerproject (41%) en via straatwerving (5%). Van de 196 IVDs waren 10 seropositief (prevalentie 5%, 95%-betrouwbaarheidsinterval [BI] 2.4-9.4%). Het bereik van de spuitomruil was groot (84%). Onder IVDs die geen gebruik maken van de spuitomruil was de prevalentie hoger (3/19) dan onder hen die wel van de omruil gebruik maakten (3/99). 17% van de actueel spuitende IVDs rapporteerde in de laatste 6 maanden een spuit of naald van een ander te hebben gebruikt. 18% van de IVDs hebben een niet-druggebruiker als vaste seksuele partner. Bij seksueel contact tussen vaste partners werd weinig gebruik gemaakt van condooms.Concluderend is de prevalentie van HIV onder IVDs in Utrecht ongeveer 5%. Het bereik van de spuitomruil is hoog, maar een hoger bereik kan waarschijnlijk nog steeds infecties voorkomen. Spuitgerelateerd risicogedrag komt regelmatig voor. Verspreiding naar niet-IVDs of de algemene bevolking is in beperkte mate mogelijk.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

Evaluatie van de met CSOIL berekende blootstelling, middels een op Monte Carlo-technieken gebaseerde gevoeligheids- en onzekerheidsanalyse | RIVM

Om inzicht te verkrijgen in de betrouwbaarheid van de met het CSOIL-model berekende blootstelling is, middels een op Monte Carlo-technieken gebaseerde gevoeligheids- en onzekerheidsanalyse met behulp van het software pakket UNCSAM, de spreiding in de potentiele blootstelling in beeld gebracht. Dit betreft de spreiding die veroorzaakt wordt door onzekerheid in de input-parameters ten gevolge van zowel ruimtelijke spreiding als gebrek aan informatie. Tevens wordt, op basis van de kansverdeling van de berekende potentiele blootstelling, de kans van voorkomen aangegeven van de deterministisch (op puntschatting gebaseerde) berekende potentiele blootstelling, zoals ten grondslag ligt aan de interventiewaarden. Tenslotte is onderzocht door welke input-parameters de spreiding in de blootstelling wordt bepaald, voor zowel de potentiele als de actuele blootstelling. De studie is uitgevoerd voor een vijftal contaminanten met uiteenlopende eigenschappen. Bovendien is de blootstelling via de separate blootstellingroutes geevalueerd. Op grond van grote onzekerheden in de berekening van gehaltes in de contact-media, met name binnenlucht-concentratie en gewasgehalte, dient voor sommige contaminanten meting in deze contact-media te worden overwogen. Aanbevolen wordt in de toekomst probabilistisch onderbouwde normen (zoals interventiewaarden) en/of andere milieu-kwaliteitsdoelstellingen (zoals saneringseinddoel) af te leiden. Hiertoe zal, behalve de in deze studie afgeleide probabilistische weergegeven blootstelling, tevens het Maximaal Toelaatbare Risico (MTR) voor blootstelling en de ecotoxicologische ernstige-bodemverontreinigingsconcentratie (ECOTOX EBVC) in probabilistische vorm moeten worden vertaald.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

Statistics and the assessment of interlaboratory studies | RIVM

Bij de studie naar de diverse vormen van de statistiek toegepast in interlaboratorium onderzoeken wordt zoveel mogelijk verwezen naar bestaande normen en guidelines op dit gebied. Uit de bespreking van deze normen in relatie tot ervaringen opgedaan in de praktijk bleek telkens dat de ideale statistiek voor interlaboratorium onderzoeken in algemene zin niet bestaat en dat telkens keuzes moeten worden gemaakt waarbij het doel van het onderzoek als een rode draad door de gemaakte keuzes loopt. Afgezien van dit concrete hoofddoel, wordt het extraheren en presenteren van informatie uit de resultaten, om de deelnemers zo goed mogelijk in staat te stellen om de kwaliteit van hun werk te beoordelen en te verbeteren, altijd van belang geacht. Derhalve zijn diverse verwijzingen naar alternatieve berekenings- presentatievormen opgenomen. Met deze achtergrond zijn vele aspecten van met name de evaluatie van de resultaten van interlaboratorium onderzoeken behandeld. Hierbij zijn de toepassing van uitbijtertesten versus robuuste statistiek en de presentatie van de resultaten belangrijke onderwerpen.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

Urban Air Quality Assessment Model UAQAM | RIVM

Het Urban Air Quality Assessment Model (UAQAM) berekent de concentratie van luchtverontreiniging in stedelijk gebied veroorzaakt door emissies uit de stad zelf. In een werkversie van dit model werden 3 beschrijvingen van de verspreiding bestudeerd: een Box-model, het Gifford-Hanna (GH)-model en een combinatie van de twee: het Box-GH-model. Deze modelversies zijn vergeleken met metingen van de concentratie van SO2 en NOx in steden. De regionale achtergrondsconcentratie van de steden, samengesteld uit metingen en TREND modelberekeningen, is aan de UAQAM berekeningen toegevoegd. De Box-GH- en GH-modellen blijken beter geschikt te zijn dan het Box-model om de stadsachtergrond te beschrijven. De resultaten en de uitbreidingsmogelijkheden van het Box-GH-model zijn iets beter dan van het GH-model en kan daarom als uitgangspunt genomen worden voor het schatten van de stedelijke luchtkwaliteit met UAQAM.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

Bijlagen bij: Evaluatie van de met CSOIL berekende blootstelling, middels een op Monte Carlo-technieken gebaseerde gevoeligheids- en onzekerheidsanalyse | RIVM

Om inzicht te verkrijgen in de betrouwbaarheid van de met het CSOIL-model berekende blootstelling is, middels een op Monte Carlo-technieken gebaseerde gevoeligheids- en onzekerheidsanalyse met behulp van het software pakket UNCSAM, de spreiding in de potentiele blootstelling in beeld gebracht. Dit betreft de spreiding die veroorzaakt wordt door onzekerheid in de input-parameters ten gevolge van zowel ruimtelijke spreiding als gebrek aan informatie. Tevens wordt, op basis van de kansverdeling van de berekende potentiele blootstelling, de kans van voorkomen aangegeven van de deterministisch (op puntschatting gebaseerde) berekende potentiele blootstelling, zoals ten grondslag ligt aan de interventiewaarden. Tenslotte is onderzocht door welke input-parameters de spreiding in de blootstelling wordt bepaald, voor zowel de potentiele als de actuele blootstelling. De studie is uitgevoerd voor een vijftal contaminanten met uiteenlopende eigenschappen. Bovendien is de blootstelling via de separate blootstellingroutes geevalueerd. Op grond van grote onzekerheden in de berekening van gehaltes in de contact-media, met name binnenlucht-concentratie en gewasgehalte, dient voor sommige contaminanten meting in deze contact-media te worden overwogen. Aanbevolen wordt in de toekomst probabilistisch onderbouwde normen (zoals interventiewaarden) en/of andere milieu-kwaliteitsdoelstellingen (zoals saneringseinddoel) af te leiden. Hiertoe zal, behalve de in deze studie afgeleide probabilistische weergegeven blootstelling, tevens het Maximaal Toelaatbare Risico (MTR) voor blootstelling en de ecotoxicologische ernstige-bodemverontreinigingsconcentratie (ECOTOX EBVC) in probabilistische vorm moeten worden vertaald.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

Modelling pesticide leaching at a regional scale in the Netherlands | RIVM

De aanwezigheid van bestrijdingsmiddelen in het grondwater introduceert een risico voor de volksgezondheid en ecosystemen. Om deze reden zijn schattingen nodig van de uitspoeling van bestrijdingsmiddelen naar het ondiepe grondwater. Hiervoor wordt een regionaal model van het gedrag van bestrijdingsmiddelen in de grond (GEOPESTRAS) in combinatie met het informatiesysteem bestrijdingsmiddelen (ISBEST) gebruikt. ISBEST levert gegevens over het gebruik van bestrijdingsmiddelen per gemeente. Berekeningen met GEOPESTRAS werden uitgevoerd voor unieke combinaties van bodemtype (textuur en organische-stofgehalte), grondwatertrap, landgebruik en klimaat. De invoer voor PESTRAS werd via vertaalfuncties afgeleid en een ruimtelijk beeld van de uitspoeling werd verkregen door de resultaten van de individuele berekeningen te combineren met geografische informatie. Het aantal combinaties waarvoor het model moest worden toegepast bedroeg 897. Het berekende ruimtelijk beeld van uitspoeling was sterk afhankelijk van het type bestrijdingsmiddel. Bestrijdingsmiddelen die een gemiddeld gedrag wat betreft afbraak en sorptie vertonen (bijvoorbeeld atrazin), zijn sterk afhankelijk van het organische-stofgehalte. Mobiele stoffen (bentazon en hydroxy-chloorthalonil) vertonen een sterke correlatie met de textuurkaart, terwijl de uitspoeling van vluchtige stoffen (dichloorpropeen) sterk afhankelijk is van de diepte van het grondwater en bodemfysische eigenschappen. In het algemeen werd berekend dat bestrijdingsmiddelen in veengronden niet of nauwelijks uitspoelden. De hoogste concentraties werden gevonden in zand- en leemgronden met een laag organisch-stofgehalte (concentratie vaak boven 1 mug L-1). De grootste hoeveelheden bestrijdingsmiddelen spoelden uit in de Veenkolonien, de Noord-Oost Polder, het bloembollengebied en de zandgronden van Noord-Brabant. De totale uitspoeling bedroeg in 1993 ongeveer 51000 kg, waarvan 27000 kg in het diepe grondwater en 24000 kg in het oppervlaktewater terechtkwam.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

Naar een integrale milieumonitoringstrategie | RIVM

Dit rapport vormt een aanzet tot een integrale milieumonitoringstrategie voor het RIVM. Milieumonitoring is het diagnostisch apparaat waarmee op regelmatige basis informatie wordt verzameld die nodig is om de ontwikkeling van de milieukwaliteit in relatie tot het milieubeleid te volgen. Het gaat om de doorwerking van beleidsinstrumenten naar doelgroepactiviteiten, de resulterende milieudruk, de abiotische milieukwaliteit en de effecten op volksgezondheid, ecosystemen en voorraden (de 'beleid-effectketen'). De volgende verschuivingen worden voorzien: 1) Verbetering van de doelgroepmonitoring heeft de hoogste prioriteit. 2) De inzet van beleidsinstrumenten zal beperkt worden gemonitord. 3) Milieukwaliteitsmonitoring wordt meer toegespitst op de, vanuit bronnen en effect bezien, meest relevante gebieden.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

The differentiation of Bordetella parapertussis and Bordetella bronchiseptica from humans and animals as determined by DNA polymorphism mediated by two different insertion sequence elements suggests their phylogenetic relationship | RIVM

The differentiation of Bordetella parapertussis and Bordetella bronchiseptica from humans and animals as determined by DNA polymorphism mediated by two different insertion sequence elements suggests their phylogenetic relationship | RIVM
Jaar: 1996 Onderzoek

PAK in stedelijke omgeving, benzo[a]pyreen en mogelijke alternatieven als gidsstof voor PAK | RIVM

Resultaten van metingen van PAK concentraties op negen dagen op drie typen lokaties (landelijke achtergrond, stadsachtergrond, drukke verkeersstraat) zijn statistisch geanalyseerd. Onderzocht is de bruikbaarheid van individuele PAK (22 componenten) als indicator voor de carcinogene potentie van het PAK-mengsel. Het best voldoen benzo[e]pyreen, chryseen en benzo[a]antraceen. Benzo[a]pyreen, de huidige PAK-gidsstof, voldoet eveneens. Voorts zijn de mogelijkheden onderzocht voor bewaking van de PAK-norm met behulp van andere luchtverontreinigende stoffen (zwarte rook, PM-10, CO, NOx, SO2). Zwarte rook en NOx toonden de beste resultaten.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

Meta-analyse van observationeel onderzoek ; Mogelijkheden en beperkingen bij toepassingen ten behoeve van het kwantificeren van gezondheidsrisico's | RIVM

Toepassingsmogelijkheden van meta-analyse werden bekeken als hulpmiddel bij kwantitatieve review van observationeel (niet-experimenteel) onderzoek. Dit onderzoek betreft meestal de relatie tussen risicofactoren (milieuverontreiniging, leefstijl e.d.) en gezondheidseindpunten, soms ook de werkzaamheid van bepaalde vormen van gezondheidszorg. Deze kwantitatieve overzichten zijn noodzakelijk om tot schattingen te komen van de effecten van preventiebeleid, die onder meer in het kader van toekomstverkenningen voor de volksgezondheid of voor de toestand van het milieu worden gemaakt. Het rapport beschrijft het wat, hoe en waarom van meta-analyse, evenals recente methodologische ontwikkelingen. Daarnaast worden mogelijkheden en beperkingen van meta-analyse van observationeel onderzoek kritisch bekeken. Op basis hiervan en van literatuuronderzoek worden globale richtlijnen gegeven voor het uitvoeren van meta-analyses. In het rapport wordt een statistische procedure voor meta-analyse voorgesteld, die de mogelijkheid biedt om naast blootstelling en respons andere populatie- of studiekenmerken bij de analyse te betrekken, ookwel analytische meta-analyse of 'meta-regressie-analyse' genoemd. Tevens biedt de procedure de mogelijkheid een Bayesiaanse herwaardering ('update') van afzonderlijke studieresultaten te maken, gegeven de uitkomsten van een verzameling vergelijkbare studies. Het rapport concludeert dat meta-analyse een nuttig hulpmiddel kan zijn bij het maken van systematische, consistente, omvattende en navolgbare, kwantitatieve overzichten van observationeel onderzoek. Daarbij dient de nadruk te liggen op kritische vergelijking, het 'leren' van verschillen tussen studies en patroonherkenning, en niet zozeer op het afleiden van geaggregeerde effectmaten.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

Evaluatie van het evenwichtspartitieconcept voor zware metalen in bodems en sedimenten | RIVM

Een evaluatie is uitgevoerd van de toepasbaarheid van het evenwichtspartitieconcept (EP) voor zware metalen en de daarbij gehanteerde partitiecoefficienten bij de afleiding van integraal afgestemde milieukwaliteitsdoelstellingen voor bodem en sediment. Een partitiecoefficient (Kp) geeft de verhouding weer tussen enerzijds de hoeveelheid van een verbinding die aan bodem- of sedimentdeeltjes gebonden is en anderzijds de hoeveelheid van dezelfde verbinding vrij in oplossing. Kp's voor zware metalen zijn niet constant, maar varieren sterk met bodemkarakteristieken. In bodems is voor de metalen Cd, Cr, Cu, Ni, Pb en Zn een partitiemodel afgeleid waarmee veldgemeten Kp's als functie van de pH en andere bodemkarakteristieken (Fe, Al, klei en/of organische stof) te berekenen zijn. Voor As is een partitiemodel afgeleid dat enkel is gebaseerd op het Fe-gehalte. Bovendien worden aanvullende partitiemodellen gepresenteerd waarmee de Kp op grond van eenvoudig te meten bodemkarakteristieken (pH, organische stof en klei) te berekenen is. In sedimenten kunnen sulfide precipitaten (AVS) in potentie grote hoeveelheden zware metalen binden. Het AVS-gehalte in sedimenten varieert sterk door plaats-, diepte- en seizoensvariabiliteit. Hierdoor is het op dit moment niet mogelijk om een partitiemodel af te leiden. Uit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat voor de onderlinge afstemming van bodem- en water kwaliteitsdoelstellingen voor metalen, het EP-concept een praktische en toepasbare benaderingswijze is. Echter mede door de onzekerheid in de variabiliteit van het AVS-gehalte, lijkt toepassing van het EP-concept voor sedimentkwaliteitscriteria voor metalen op dit moment te voorbarig.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

The Targets/IMage Energy (TIME) 1.0 Model | RIVM

Betreft een technische documentatie van de vijf deelmodellen van het Targets/IMage Energy (TIME) 1.0 model. Energy Demand, Liquid Fuel (LF), Gaseous Fuel (GF), Solid Fuel (SF) en Electric Power Generation (EPG) worden gedetailleerd beschreven. Tevens zijn enkele resultaten van modelkalibratie voor de wereld 1900-1990 opgenomen.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

Deeltjesemissie door wegverkeer: emissiefactoren, deeltjesgrootteverdeling en chemische samenstelling | RIVM

In deze literatuurstudie werden zowel gegevens over uitlaatgas-deeltjesemissie alsook over deeltjesemissie als gevolg van slijtage van banden, remvoering en wegdek ge-inventariseerd. Daarnaast werd aandacht besteed aan deeltjesemissie als gevolg van, door rijdend verkeer, opgewerveld stof. Naast emissiefactoren zijn ook grootteverdeling en chemische samenstelling van door verkeer geemitteerde deeltjes bekeken. De invloed van technische maatregelen als oxidatiekatalysatoren of roetfilters zijn opgenomen. De conclusies die aan de hand van deze inventarisatie kunnen worden getrokken zijn: deeltjes in uitlaatgas zijn kleiner dan 1 mum; personenauto's met dieselmotor hadden in 1995 een 40 maal hogere deeltjesemissie dan personenauto's met een benzinemotor en drieweg-katalysator ; oxidatiekatalysatoren toegepast op lichte dieselvoertuigen leiden tot een 25-70% afname van de deeltjesemissiefactor ; oxidatiekatalysatoren toegepast op zware dieselvoertuigen kunnen tot een toename van de deeltjesemissiefactor leiden als gevolg van de omzetting van het in de motor gevormde SO2 tot sulfaat, een verlaging van het zwavelgehalte van dieselbrandstof verkleint dit fenomeen ; roetfilters toegepast bij zware dieselmotoren leiden tot een 80% reductie van de deeltjesemissie; verkeersgerelateerde deeltjesemissie door andere bronnen dan uitlaatgas dragen substantieel bij aan de deeltjesemissie door een rijdend voertuig.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit. Meetresultaten 1994. Deel 4: Stadsstations, Straatstations | RIVM

Betreft de meetresultaten van de stads- en straatstations in alle regio's in samengevatte vorm. Over de volgende periodes wordt gerapporteerd: het kalenderjaar 1994, de zomer van 1994, de winter van 1993-1994 en van 1 april 1993 t/m 31 maart 1994 (meteorologisch jaar: EG-referentieperiode). De tabellen bevatten informatie over de componenten fijn stof (PM10), CO, Ox (=NO2+O3), O3, NO2, NO, NOx (=NO2+NO), zwarte rook (= zwevende deeltjes gemeten volgens de zwarte rook-methode) en SO2. De meetresultaten van fijn stof (PM10) zijn gecorrigeerd voor de systematische onderschatting veroorzaakt door een systematische afwijking van de PM10 afscheider. Tevens is voor alle stations nagegaan of de Nederlandse grenswaarden voor deze componenten in 1994 zijn overschreden. Op landelijk niveau werden overschrijdingen van de grenswaarden voor zwarte rook, PM10 en O3 waargenomen. De grenswaarden voor SO2, NO2 en CO zijn niet overschreden.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

Residual effects of prolonged heavy cannabis use | RIVM

Recente literatuur werd geraadpleegd om na te gaan of langdurig gebruik van van grote hoeveelheden cannabis (dagelijks gebruik gedurende minimaal 6 maanden) leidt tot aanhoudende cognitieve effecten en effecten op het immuunsysteem. Het resultaat van deze studie is weergegeven in het huidige rapport.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

Landelijk Meetnet Regenwatersamenstelling. Meetresultaten 1994 | RIVM

Metingen van de chemische samenstelling van de neerslag in Nederland zijn uitgevoerd aan de hand van 4-wekelijkse monsters verkregen uit het Landelijk Meetnet Regenwatersamenstelling (LMRe). Op 15 stations werden monsters verzameld voor analyse op hoofdcomponenten en op anorganische microcomponenten (zware metalen). Daarnaast werden op twee stations aparte monsters verzameld voor analyse op het bestrijdingsmiddel lindaan (gamma-HCH) en kwik (vanaf juli) en op een station werden monsters verzameld voor analyse op een aanvullende set bestrijdingsmiddelen. Deze set bestaat uit 2,4-D, 2,4,5-T, atrazin, bentazon, cyanazin, desethylatrazin, desisopropylatrazin, dichloorprop, MCPA, mecoprop, metolachloor en simazin. In de monsters van de hoofdcomponenten werden de concentraties van hydronium (vrij zuur), natrium, kalium, calcium, magnesium, fluoride, chloride, nitraat, sulfaat, bicarbonaat en fosfaat bepaald. Voorts werden van deze monsters de geleidbaarheid en de pH bepaald. De monsters voor zware metalen werden geanalyseerd op cadmium, koper, lood, mangaan, ijzer en zink. Bovendien werden de monsters van twee stations geanalyseerd op arseen, chroom, nikkel en vanadium. De gepresenteerde resultaten worden ingeleid door informatie over het LMRe, een toelichting en een weergave van de berekeningswijze.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

Emissie en verspreiding van Cryptosporidium, Giardia en enterovirussen via huishoudelijk afvalwater | RIVM

In een kwantitatieve beschrijving van de emissie en verspreiding van Cryptosporidium, Giardia en enterovirussen in de Nederlandse oppervlaktewateren met behulp van emissie- en verspreidingsmodellen zijn concentraties van genoemde pathogenen geschat. De emissies werden met PROMISE gemodelleerd, uitgaande van gemiddelde concentraties in ongezuiverd afvalwater en gemiddelde verwijdering bij afvalwaterzuivering. De emissie van Cryptosporidium was grotendeels afkomstig van gezuiverde lozingen (84%), terwijl emissie van Giardia en enterovirussen grotendeels afkomstig was van ongezuiverde lozingen (respectievelijk 82% en 69%). Verspreiding in het oppervlaktewater werd berekend met WATNAT met voor Cryptosporidium een constante inactivatie-snelheid en voor Giardia en enterovirussen een temperatuurafhankelijke inactivatie-snelheid. Op verschillende locaties in de grote rivieren was er een goede overeenstemming tussen gemeten en berekende concentraties van de protozoa. Voor enterovirussen was dit op vrijwel alle locaties het geval. Volgens de schattingen had echter de buitenlandse aanvoer van pathogene micro-organismen een overheersende invloed op de concentraties in het oppervlaktewater van de grote rivieren. De concentraties protozoa vanuit Duitsland waren in orde van grootte gelijk aan die vanuit Belgie, hetgeen een indicatie is voor de aanwezigheid van andere emissiebronnen dan huishoudelijk afvalwater, zoals uit- en afspoeling van mest van landbouwhuisdieren. De benodigde verwijderingen van Cryptosporidium, Giardia en enterovirussen voor de bereiding van drinkwater werden geschat op 5 tot 8 logeenheden. Deze modellering vormt de basis voor berekening van de blootstelling aan deze micro-organismen ten gevolge van het gebruik van oppervlaktewater voor recreatie en drinkwater. In combinatie met dosis-response relaties kunnen gezondheidsrisico's worden geschat. Deze modellen kunnen ook worden toegepast om de effecten van maatregelen te kwantificeren en om volgens bepaalde scenario's prognoses te geven van de te verwachten kwaliteit van het oppervlaktewater en de daaraan gerelateerde gezondheidsrisico's.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

Fysisch onderzoek naar de samenstelling van het Nederlandse huishoudelijk afval ; Resultaten 1995 | RIVM

Huishoudelijk afval, afkomstig van 1000 geselecteerde huishoudens, werd geanalyseerd voor de bepaling van de fysische samenstelling. Dit afval vormt een afspiegeling van het totale Nederlands huishoudelijke restafval (exclusief de gescheiden ingezamelde afvalstromen). Het rapport geeft gedetailleerde informatie over 15 hoofdcomponenten en een groot aantal subcomponenten aanwezig in het huishoudelijk afval, de hoeveelheid verpakkingsmateriaal, de calorische waarde en de concentratie van een aantal elementen. De belangrijkste componenten in het huishoudelijk restafval zijn: GFT en ongedefinieerde rest (34,8%), papier en karton (33,6%), kunststof (10,8%), glas (3,5%, ferro (3,8%), non-ferro (0,5%), textiel (2,6%), brood (2,0%), dierlijk afval (1,5%), keramiek (2,7%), tapijten/matten (0,6%), leer/rubber (1,5%), hout (1,6%), bijzonder afval (0,4%) en klein chemisch afval (0,2%). De hoeveelheid verpakkingsafval is vastgesteld op 24,8% van de totale hoeveelheid huishoudelijk restafval.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

Voorkomen van bestrijdingsmiddelen in de bodem. Een eerste inventarisatie (herziene uitgave) | RIVM

Een eerste inventariserend onderzoek is verricht om een globaal inzicht te krijgen in het voorkomen van bestrijdingsmiddelen in de bodem. Daartoe werd een zevental bestrijdingsmiddelen geselecteerd en een bemonsteringsprogramma opgezet. Een viertal bestrijdingsmiddelen kon worden aangetoond: atrazin, fenpropimorf, parathion en simazin. De bepaalde gehalten lagen niet ver boven het detectieniveau. Uitzonderingen hierop waren de atrazingehalten welke voor een aantal percelen relatief hoog waren, maar waarvoor ook een duidelijke afname in de tijd werd waargenomen. De stoffen paraquat, pencycuron en pirimicarb werden in geen enkel monster aangetroffen. De gemeten bestrijdingsmiddelgehalten komen redelijk overeen met de berekende gehalten uit het simulatiemodel PESTLA. Voor zowel atrazin, parathion als simazin werden de streefwaarden overschreden. De betekenis van deze gehalten en overschrijdingen kan op basis van de beperkte gegevens en het inventariserende karakter van de studie nog niet worden vastgesteld.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

Afzet Afvalstoffen als Secundaire grondstoffen: Milieuhygienische kwaliteit van secundaire bouwstoffen | RIVM

In het kader van het programma 'Afzet Afvalstoffen als Secundaire grondstof' is de kwaliteit van de in kwantitatief opzicht belangrijkste secundaire grondstofstromen die momenteel in de markt worden afgezet gemonitord. Doel van dit onderzoek is het creeren van een betrouwbaar gegevensbestand over de kwaliteit van granulaire afvalstoffen en hun (potentiele) toepassingen. In dit onderzoek is aan de hand van de organische samenstelling en de uitloging de milieuhygienische kwaliteit van een aantal niet-vormgegeven - en vormgegeven secundaire bouwstoffen beschreven en een lijst met kritische stoffen opgesteld. De uitloging van de niet-vormgegeven bouwstoffen is bepaald met behulp van de kolomproef en de uitloging van de vormgegeven bouwstoffen met behulp van de diffusieproef. Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat voor betonKORRELMIX, poederkoolbodemas, gewassen mijnsteen, cementgebonden vormzand en zeer open asfaltbeton alle bemonsterde partijen in categorie 1 toepasbaar zijn en dus open mogen worden toegepast. Voor AVI-bodemas, gereinigd straalgrit, baggerspecie, kleigebonden vormzand en ijzerhoudend oppervlaktewaterslib blijkt daarentegen geen van de bemonsterde partijen toepasbaar te zijn. Bij de overige onderzochte niet-vormgegeven bouwstoffen is de indeling van de bemonsterde partijen naar toepassingscategorie minder eenduidig. De partijen zijn verdeeld over de categorieen 1, 2 en 'niet toepasbaar'. Bij de vormgegeven bouwstoffen zijn negen van de dertien onderzochte materialen bestempeld als een categorie 1A of 2/1B bouwstof. Dit geldt met name voor beton met betongranulaat (1A), hydraulisch mengKORRELMIX (2/1B), beton met gesinterde poederkoolvliegas (1A), betonmortel met hoogovencement (1A), betonmortel met vliegascement (1A), LD-staalslak stortsteen (1A en 2/1B), de asfaltbeton met de vulstof 1 en 2 (1A) en steenslagasfaltbeton (1A). Bij de overige vormgegeven bouwstoffen zijn de partijen verdeeld over de categorieen 1A, 2/1B en niet toepasbaar. Het betreft zandcementstabilisatie, asfaltbeton met asfaltKORRELMIX en breekasfaltcement met asfaltKORRELMIX.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

Infectieziektenmodellering in het RIVM ; een strategienota | RIVM

Het infectieziektenonderzoek van het RIVM concentreert zich in toenemende mate op een beperkt aantal thema's (integratie, maag/darm/leverinfecties, sexueel en bloedoverdraagbare aandoeningen, luchtweginfecties, zoonotische agentia, rijksvaccinatieprogramma), en is sterker dan voorheen kwantitatief en populatiegericht van aard. Deze verschuivingen leiden tot een toenemende behoefte aan het gebruik van wiskundige en statistische modellen, met name ten behoeve van de evaluatie van preventie- en interventiemaatregelen, scenario-analyses, kosten-effectiviteits en kosten-batenanalyses en optimalisatie van surveillanceprogramma's. De noodzaak tot het opnemen van modelresultaten in integrale documenten, en om de beperkte capaciteit effectief en flexibel in te zetten maken onderlinge afstemming van modellen noodzakelijk. Ook is er behoefte aan een kader voor prioriteitstelling en uitwisseling tussen modelleurs en aspectdeskundigen. In deze rapportage wordt voor de speerpuntthema's van het infectieziektenonderzoek in het RIVM een inventarisatie gemaakt van de beschikbaarheid van modellen in relatie tot de aanwezige inhoudelijke deskundigheid. Op grond daarvan worden aanbevelingen gedaan voor toekomstige strategische keuzen. Prioritering en toetsing op haalbaarheid dienen in overleg met de opdrachtgevers te worden gedaan.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

Koperemissies door drinkwaterleidingen (herziene editie) | RIVM

Ge-inventariseerd werd wat er bekend is over de fluxen van koper door (corrosie van) waterleidingen naar rioolwaterzuiveringsinstallaties (rwzi's), rwzi-slib en het oppervlaktewater. Gebleken is dat in 1993 (landelijk gemiddeld) 57% van de koperbelasting van rwzi's afkomstig is van corrosie van waterleidingen. De totale koperflux naar rwzi's lijkt dalende te zijn. Landelijk gemiddeld wordt bij rwzi's 77% van de kopervracht uit het water verwijderd ; per provincie komen grote verschillen voor. Dit koper komt terecht in het rwzi-slib in dusdanige concentraties dat nuttige toepassing in bijvoorbeeld de landbouw onmogelijk is (overschrijding zogenoemde BOOM2-norm). Het overige koper komt terecht in het oppervlaktewater waar het mede debet is aan de veelvuldige en veelvoudige overschrijding van de grenswaarde voor koper in oppervlaktewater. Forse emissiereducties zijn nodig om de grenswaarde overal te halen. Conditionering van drinkwater is een van de manieren om de koperafgifte te reduceren, echter onvoldoende om overschrijding van de grenswaarde te voorkomen. Er is weinig informatie over de bijdrage van warmwatertoestellen en over de bijdrage van huishoudens ten opzichte van andere verbruikers.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

Evaluation of the health risk resulting from exposure to polycyclic aromatic hydrocarbons in coal-tar shampoo | RIVM

Omdat verscheidene PAK, waaronder benzo(a)pyrene (BaP) worden beschouwd als carcinogene stoffen, zijn er vraagtekens gesteld bij de veiligheid van deze producten. Een schatting van de externe dermale blootstelling aan BaP is afgeleid door toepassing van een mathematisch model. Deze schatting was het uitgangspunt in een beoordeling van het additionele risico op huidtumoren. Er werden risicoschattingen afgeleid voor twee verschillende contacttijden en voor twee perioden waarover de shampoo wordt gebruikt. In het meest optimistische scenario resulteert een concentratie van ongeveer 1000 mug BaP/kg product in een additioneel risico op huidtumoren van 1 per 10 exp.6 blootgestelden en in het meest pessimistische scenario wordt dit risiconiveau (1 per 10 exp.6) bereikt bij een concentratie van 100 mug BaP/kg product. In verband met een aantal onzekerheden kan het kankerrisico van het gehele mengsel van PAK in koolteershampoo niet precies worden vastgesteld. Om voor deze onzekerheden te compenseren kan een extra factor van 10 worden toegepast op de concentratie van BaP die samenhangt met het geaccepteerde niveau van additioneel risico. Uitgaande van het meest optimistische scenario zou een maximale concentratie van 100 mug BaP als indicator voor totaal PAK/kg product raadzaam zijn, terwijl in het meest pessimistische scenario een maximale concentratie van 10 mug BaP als indicator voor totaal PAK/kg product raadzaam zou zijn. De schatting van de concentraties aan totaal PAK die een acceptabel risico inhouden op huidtumoren kunnen een onderschatting betekenen voor het risico op systemische tumoren.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

Serodiagnostiek van kinkhoest: interpretatie van hoge IgG/IgA concentraties in acute fase serum: (Her)evaluatie van eenpuntsserologie | RIVM

Voor aangifte van kinkhoest geldt sinds 1988 dat serodiagnostiek alleen positief genoemd mag worden indien een significante titerstijging in gepaarde sera is aangetoond. Vaak blijft het serologisch onderzoek echter inconclusief ; doordat geen tweede serummonster was ingestuurd of de patienten al verhoogde titers in het eerste serummonster hadden die niet verder meer stegen. De casus-definitie voor aangifte heeft hierdoor een hoge specificiteit, maar lage gevoeligheid. Om de diagnostiek van kinkhoest te verbeteren werd in dit onderzoek de diagnostische waarde van eenpuntsserologie bestudeerd. Hiertoe werden IgA-antistof concentraties tegen sonicaat van Bordetella pertussis bacterien en IgG-antistofconcentraties tegen gezuiverd pertussistoxine gemeten: 1. bij 799 personen uit de algemene bevolking ; 2. bij 503 kinderen op de leeftijden van +-3 maanden, +-6 maanden, +-11 maanden en +-13 maanden d.w.z. resp. voor vaccinatie, 2-6 weken na de primaire serie van drie entingen tegen DKTP-Hib, voor de vierde (re)vaccinatie en 2-6 weken na de revaccinatie en 3. in het tweede serummonster van patienten bij wie een significante titerstijging in gepaarde sera is aangetoond (n=1590). Geconcludeerd wordt dat meting van bepaalde leeftijdspecifieke IgA/IgG-antistofconcentraties in een eerste serum van een patient met hoestklachten de diagnose 'infectie met B. pertussis' of 'kinkhoest' in sterke mate ondersteunen. Door acceptatie van eenpuntsserologie is het voor een groter deel van de kinkhoest patienten en in een vroeger stadium van ziekte mogelijk de diagnose te stellen en tijdig preventieve maatregelen voor bescherming van kwetsbaren te nemen. Echter, de incidentie gebaseerd op aangiften zal dan veranderen en daarmee de interpretatie van trends in incidentie. Verdere validatie van de gevonden cut-off waarden in een voor de algemene bevolking representatieve steekproef is noodzakelijk. Tevens zal in de nabije toekomst geanalyseerd worden of cut-off waarden voor positiviteit van eenpuntsserologie separaat geformuleerd kunnen worden voor de IgA-titer en de IgG-titer.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

Onderzoek naar het gebruik van medroxyprogesteron-, chloormadinon-, megestrol- en melengestrol-acetaat in slachtdieren ; Methodevalidatie en bewakingsonderzoek | RIVM

Ten behoeve van bewakingsonderzoek werd onderzoek verricht naar de aanwezigheid van residuen van deze stoffen met groeibevorderende werking in monsters niervet. Daar het gebruik van genoemde stoffen voor dit doel niet is toegestaan geldt geen Maximale Residue Limiet (MRL). Vanwege het feit dat bestaande analysemethode arbeids- en tijdsintensief is, werd een nieuwe methode op basis van vaste fase extractie, gas chromatografische scheiding en massaspectrometrische detectie ontwikkeld. De binnen- laboratorium reproduceerbaarheid op het concentratie niveau van 2mug/kg (geaddeerd) bedroeg voor medroxyprogesteron-acetaat, megestrol-acetaat en melengestrol-acetaat respectievelijk 19%, 14% en 18%. Voor chloormadinon-acetaat is vanwege het ontbreken van een interne standaard alleen semi-kwantitatief onderzoek verricht. 197 monsters niervet werden met behulp van de ontwikkelde methode geanalyseerd, een monster (0.5%) werd positief bevonden op medroxyprogestron-acetaat. De aanwezigheid werd bevestigd op basis van de vier karakteristieke ionen. De concentratie aan medroxyprogesteron-acetaat bedroeg ca 2mug/kg.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

Description and analysis of ambient fine particle concentrations in the Netherlands | RIVM

De ruimtelijke variatie en de variabiliteit in de tijd van PM10-concentraties in Nederland, zoals gemeten in het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit in de periode 1993-1994, zijn geanalyseerd. De concentratiegradienten zijn klein en de concentratieverschillen tussen diverse meetstations bedragen maximaal 20%. Diverse bronnen, zoals verkeers- en stedelijke emissies naast industriele, landbouw- en natuurlijke bronnen, kunnen PM10-concentraties lokaal verhogen. Deze bijdrage is ca. 10% t.o.v. de regionale achtergrondconcentratie. Omdat PM10 een somparameter is voor fijn stof, kan de samenstelling meer variatie vertonen dan het concentratiepatroon in Nederland. Dat voornamelijk bepaald wordt door grootschalige weerpatronen. De meerderheid van waargenomen PM10-concentraties ligt tussen 20 en 50 mug/m3 jaargemiddeld, met slechts kleine verschillen tussen de zomer en de winter. Tijdens episodes kan de PM10 concentratie oplopen tot vier- a vijfmaal het jaargemiddelde (>200 mug/m3). Het Kalman-filter is een tijdsvariable lineaire regressie methode. Het is een geschikte methode gebleken voor het modelleren van de dagelijkse variaties van PM10. In het uiteindelijke model worden de windrichting, de temperatuur en de neerslagduur als verklarende variabelen gebruikt.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

Meetprogramma 'kwaliteit bovenste grondwater landbouwbedrijven'; resultaten tweede bemonstering 1993 | RIVM

In maart 1992 is een driejarig meetprogramma gestart voor de kwaliteitsmeting van het bovenste grondwater onder landbouwbedrijven in het zandgebied. Naast het bepalen van de huidige toestand is dit programma ook bedoeld om relaties te vinden tussen de grondwaterkwaliteit en het bodemgebruik (waaronder het gebruik van meststoffen). Het meetprogramma is een proefproject dat moet leiden tot de inrichting van een meetnet voor de kwaliteitsmonitoring van het bovenste grondwater onder landbouwbedrijven. De opzet van het meetprogramma is primair gericht op uitspraken kunnen doen over de kwaliteit van het bovenste grondwater op bedrijfsniveau. Het project wordt uitgevoerd door het RIVM in samenwerking met het LEI-DLO in opdracht van de ministeries van VROM en LNV. Dit tweede rapport doet verslag van de resultaten van het onderzoek in 1993 op circa 100 landbouwbedrijven in het zandgebied. Het betreft 4 categorieen veehouderijbedrijven en de akkerbouwbedrijven in de veenkolonien. De resultaten uit 1993 worden vergeleken met de resultaten van 1992. Met de bemonsterde bedrijven wordt een representatief beeld gegeven van de kwaliteit van het bovenste grondwater in ongeveer 62% van het areaal cultuurgrond in de zandgebieden van Nederland.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

Bron- en effectgericht milieubeleid in samenhang - Berekening van effectgerichte emissiereduktiepercentages voor prioritaire stoffen op grond van milieukwaliteitsdoelstellingen ten opzichte van 1992-emissies | RIVM

Een van de doelstellingen binnen het thema 'Verspreiding' van het Nederlandse milieubeleid is het reduceren van de schadelijke milieu-effecten van prioritaire stoffen. Om dit te bereiken zijn nationale emissiereduktiedoelstellingen vastgesteld voor het jaar 2000 ten opzichte van de emissies in het basisjaar 1985. Deze emissiereduktiepercentages zijn gebaseerd op internationale afspraken, 'expert judgement', en technologische mogelijkheden. De percentages zijn dus maar ten dele gebaseerd op een kwantitatieve relatie tussen de emissieniveau's en de gewenste milieukwaliteitsdoelstellingen. Het doel van dit rapport is het afleiden van emissiereduktiepercentages voor prioritaire stoffen, die volledig zijn gebaseerd op milieukwaliteitsdoelstellingen. De percentages zijn bepaald met modelberekeningen op doelgroepniveau en gelden ten opzichte van de emissies in 1992. Hiermee wordt een relatie gelegd tussen milieudruk en milieukwaliteit. Tevens wordt een vergelijking gemaakt tussen de bestaande NMP-2 emissiereduktiedoelstellingen en de in dit rapport berekende doelstellingen. Uit de studie blijkt dat de emissies van veel prioritaire stoffen maar bij een beperkt aantal bronnen gereduceerd hoeven te worden. Emissiereducties bij enkele specifieke bedrijven of diffuse bronnen zijn dan voldoende om de gewenste milieukwaliteit te bereiken. Voor een beperkt aantal stoffen is wel sprake van grootschalige overschrijding van de milieukwaliteit, dikwijls in meerdere milieucompartimenten. Dit is veelal het gevolg van emissies bij meerdere doelgroepen. Om voor deze stoffen aan de gestelde milieukwaliteitseisen te voldoen zijn emissiereductiedoelstellingen op nationaal niveau wenselijk. Het betreft de stoffen: etheen, koper, kwik, zink, PAK's en fijn stof.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

The simultaneous influence of pH and Acid Volatile Sulphide on the speciation of heavy metals in calcareous sediments | RIVM

In een aantal kalkrijke zoetwater sedimenten is de invloed van de pH en het zuur extraheerbaar sulfidegehalte (AVS) op de speciatie van zware metalen experimen-teel bestudeerd. Zowel de som van de simultaan ge-extraheerde metalen (SEM: Cd, Cu, Ni, Pb en Zn), als het zuur extraheerbare sulfidegehalte en de bijbehorende SEM-AVS verhouding, hetgeen een maat is voor de beschikbaarheid van zware metalen, namen af met toenemende pH. De steilheid van de bijbehorende helling was afhankelijk van het carbonaatgehalte van het sediment. Het oplosgedrag van de metalen in de sedimenten is beschreven met een vereenvoudigd uitwisselingsmodel. Dit model kon alleen toegepast worden voor zink, omdat door analytische beperkingen niet voldoende gegevens voor de andere metalen voorhanden waren. Dit model was in staat om de verdeling van zink over de vrije en vaste fase in het sediment goed te beschrijven. De bijbehorende protonuitwisselcoefficient was in overeenstemming met literatuurwaarden. De resultaten van dit onderzoek zijn van belang voor een juiste interpretatie van ecotoxiciteitsexperimenten in sedimentsystemen en leveren derhalve een bijdrage aan projecten als integrale normstelling (INS).
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

Meetstrategie TIG: opzet en nadere aanbevelingen. Metingen in het kader van het Nationaal Plan voor de Kernongevallenbestrijding | RIVM

De door de overheid vastgestelde interventieniveaus voor het nemen van maatregelen vormen het uitgangspunt voor het beschrijven van de noodzakelijke metingen in lucht, water, bodem, voedingsmiddelen en aan personen. Om alle meetinspanningen te coordineren is binnen het Nationaal Plan voor de Kernongevallenbestrijding een Technische Informatie Groep (TIG) ingesteld. De beschreven meetstrategie is primair bedoeld voor de leden van de TIG, die de verschillende betrokken meetinstituten (de zogenaamde Steuncentra) vertegenwoordigen. In de meetstrategie wordt in de bestrijdingsfase onderscheid gemaakt tussen een vroege en een uitgebreide meetfase. Metingen in de vroege meetfase hebben als voornaamste doel om de gemodelleerde prognoses van lucht- en bodembesmetting te toetsen. In de uitgebreide meetfase ligt de nadruk op metingen aan voedingsmiddelen en drinkwater. In dit rapport worden de gewenste en bestaande meetfaciliteiten vergeleken. Knelpunten liggen op het gebied van (snelle) metingen aan alfa- en betastralers in alle matrices, mogelijkheden tot analyse van meetgegevens in het Informatie- en Documentatie Centrum, het bemonsteren van gras en landbouwgewassen, analysecapaciteit voor oppervlaktewatermetingen, de organisatie van metingen aan geimporteerde voedingswaren en het ontbreken van meetstrategieen voor drinkwater en persoonsontsmetting.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

Significance and application of microbial toxicity tests in assessing ecotoxicological risks of contaminants in soil and sediment | RIVM

Micro-organismen zijn belangrijk voor de bodemvruchtbaarheid en voor de afbraak van organisch materiaal en vervuilingen in bodems en sedimenten. Door hun functie en alomtegenwoordige aanwezigheid kan de microflora dienen als een zeer milieurelevante indicator voor milieuverontreiniging. Microbiele testen moeten selectief gebruikt worden voor het vaststellen van kwaliteitsrichtlijnen voor bodem en sediment. Dit literatuuroverzicht geeft een evaluatie van microbiele toxiciteitstesten en een nieuwe methode om kwaliteitsrichtlijnen af te leiden. Het vervangen van gevoelige micro-organismen door andere resistente soorten kan ernstige ecologische gevolgen hebben. Dit gaat gepaard met het uitsterven van gewenste soorten en het woekeren van ongewenste soorten. De aanpassing van een levensgemeenschap aan een vervuiling moet dan ook gezien worden als het proces dat een vervuild ecosysteem verstoort. De resistente micro-organismen kunnen vaak specifieke ecologische functies niet vervullen. Het voorkomen van resistente soorten kan gebruikt worden als een gevoelige en ecologisch relevante indicator voor de achteruitgang door milieuvervuiling. Persistente toxische effecten op de microflora kunnen door zink, cadmium en koper worden veroorzaakt bij gehalten die lager liggen dan de huidige normwaarden van de Europese Gemeenschap. Na de evaluatie van de testen, wordt een nieuwe methode beschreven om bodem en sediment kwaliteitsrichtlijnen af te leiden uit microbiele testen. Microbiele toxiteitstesten kunnen gebruikt worden voor risico-evaluatie omdat micro-organismen tot de gevoeligste organismen voor effecten van verontreingingen behoren.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

Monitoring of radiation in the atmosphere and a food chain. Results in the Netherlands in 1995 | RIVM

Betreft metingen die geacht worden essentieel te zijn voor een doelmatige controle van radioactieve besmetting in het milieu. De analyses worden uitgevoerd in monsters luchtstof, depositie, gras en melk. Monsters van gras en melk zijn genomen in de omgeving van Nederlandse kerncentrales en op Nederlands grondgebied in de omgeving van kerncentrales in het buitenland. Ook zijn melkmonsters van vier melkfabrieken, verspreid over het land, geanalyseerd. In dit rapport worden tevens de resultaten van het Landelijk Meetnet voor Radioactiviteit (LMR) besproken. Op basis van de resultaten is de conclusie van de rapportage dat de resultaten niet significant afwijken van de resultaten van het voorgaande jaar. De gemeten stralingsniveaus en activiteitsconcentraties zijn overeenkomstig respectievelijk het niveau en de concentraties van de periode vlak voor het ongeluk met de centrale in Chernobyl in april 1986.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

Surveillance van HIV-infectie onder intraveneuze druggebruikers in Nederland ; meting Arnhem 1995 | RIVM

Doel van de studie was het vaststellen van de prevalentie van HIV onder intraveneuze druggebruikers (IVDs) in Arnhem. Het resultaat werd vergeleken met het onderzoek uit 1991/1992 in Arnhem. Tevens werd een schatting gemaakt van het risico op verdere verspreiding van HIV onder IVDs, en naar niet-IVDs en de algemene bevolking. Hiertoe werden tussen 30 november 1995 en 1 februari 1996 bij 197 frequente gebruikers van harddrugs (185 IVDs) in Arnhem een speekselmonster en een korte vragenlijst naar risicogedrag afgenomen. Deelnemers werden geworven via de methadonverstrekking (73%), een huiskamerprojekt (24%) en via straatwerving (3%). De HIV-prevalentie is vergeleken met het resultaat (2%) van een vergelijkbare studie onder IVDs in 1991/1992. Van de 185 IVDs konden bij 4 personen HIV-antistoffen in het speeksel worden aangetoond (prevalentie 2%, 95%-betrouwbaarheidsinterval [BI] 0.6-5.5%), onder de 12 niet-IVDs werden geen infecties gevonden. Vier op de tien actueel spuitende IVDs rapporteerden in de laatste 6 maanden een spuit of naald van een ander te hebben gebruikt. Dit riskante gedrag komt ongeveer tweemaal zo veel voor als in de andere onderzochte steden in Nederland, maar evenveel als in 1991/1992 in Arnhem. Een op de vijf IVDs heeft een niet-druggebruiker als vaste seksuele partner. Bij seksueel contact tussen vaste partners worden weinig condooms gebruikt. Geconcludeerd kan worden dat de prevalentie van HIV onder IVDs in Arnhem ongeveer 2% is, hetzelfde niveau als in 1991/1992. Het niveau van spuitgerelateerd risicogedrag is onveranderd hoog. Het risico van verspreiding naar niet-IVDs of de algemene bevolking is bij deze prevalentie laag.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

HIV-infectie en riskant gedrag onder travestieten en transseksuelen in de Rotterdamse straatprostitutie | RIVM

Doel van de studie was het vaststellen van de HIV-prevalentie en de mate van spuitgerelateerd en seksueel risicogedrag, en het verkrijgen van inzicht in de bekendheid met en het gebruik van preventie-activiteiten. Dit onderzoek maakte deel uit van een onderzoek naar de HIV-prevalentie onder druggebruikers in Rotterdam (eind 1994). Daarin werden ook travestieten en transseksuelen in de straatprostitutie die hormonen of siliconen gebruikten opgenomen. Toen bleek dat dit om een behoorlijk grote groep ging is de vragenlijst met enkele voor deze groep specifieke vragen uitgebreid. Bij alle deelnemers zijn speekselmonsters afgenomen en getest op anti-HIV 1/2. Deelname aan het onderzoek was vrijwillig en anoniem. Alle deelnemers waren biologisch van het mannelijk geslacht. De HIV-prevalentie in deze groep bleek laag (8%) vergeleken met studies uit andere landen. Intraveneus druggebruik speelt geen rol in deze groep. Ook bij het spuiten van hormonen/siliconen lijkt riskant gedrag weinig voor te komen. Mogelijk loopt deze groep travestieten en transseksuelen risico door commerciele- en privecontacten met homo/biseksuele mannen. Onbeschermde seks vindt vooral plaats met de vaste partners. De bekendheid met en het gebruik van preventieve maatregelen tegen AIDS zijn hoog.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

Landelijke beelden van de diffuse metaalbelasting van de bodem en de metaalgehalten in de bovengrond, alsmede de relatie tussen gehalten en belasting | RIVM

Schattingen van de diffuse belasting van de bodem met zware metalen zijn beschikbaar voor elke gemeente, grondsoort en grondgebruik. De zware metalenbelasting per gridcel van 500 x 500 m2 werd berekend door gebruik te maken van kaarten van de grondsoort en het grondgebruik. De gepresenteerde kaarten geven een indruk van de regionale verschillen in de diffuse belasting van de bodem in Nederland in de periode 1980-1990. Gegevens over het gehalte aan zware metalen in de bovengrond zijn in de periode 1960-1988 verzameld door verscheidene instituten voor bodemonderzoek in Nederland. Afhankelijk van het metaal zijn van 350-2500 waarnemingen beschikbaar. Gegevens over de grondsoort, het grondgebruik en het gebied zijn gebruikt om de waarnemingen in groepen in te delen. Deze studie heeft geresulteerd in gemiddelde gehalten aan zware metalen in de bovengrond en percentages oppervlakte met een gehalte aan zware metalen in de bovengrond boven de streefwaarde per groep en gebied. De laatste zijn in kaarten weergegeven. Regressieanalyse werd gebruikt om het verband tussen diffuse belasting van de bodem en de gehalten in de bovengrond te onderzoeken.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

Environmental quality of primary and secundary construction materials in relation to re-use and protection of soil and surface water | RIVM

Ter ondersteuning van het Bouwstoffenbesluit (Bodem en Oppervlaktewateren Bescherming) levert dit rapport de volgende informatie: 1) de bepaling van de normwaarden voor het gebruik van bouwmaterialen ; 2) de milieukwaliteit (karakterisering) van de bouwmaterialen ; 3) het resultaat voor het gebruik en het hergebruik van bouwmaterialen.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

Dosis-effect relaties in de humane risicoschatting: een inventarisatie voor stoffen | RIVM

Dit rapport beschrijft de rol van dosis-effect relaties in de preventieve en actuele risicoschatting. Hiertoe wordt een globaal overzicht gegeven van de normstellings-procedure (preventieve risicoschatting) voor stoffen. De afgeleide normen worden verondersteld dusdanig conservatief te zijn, dat aangenomen kan worden dat er bij blootstellingen beneden de advieswaarden geen (onacceptabele) risico's zijn voor de humane populatie. Gezien de blootstellingsniveaus en de hiermee geassocieerde effecten is voor veel stoffen een nauwkeurige risicoschatting niet noodzakelijk. Voor sommige stoffen is echter een nauwkeurige (actuele) risicoschatting wel degelijk gewenst. Dit kan worden bepaald door de actuele blootstellingsniveaus, het voorkomen van gevoelige groepen binnen de humane populatie en de ernst van het effect. Uit een projectinventarisatie bleek dat de ontwikkeling van toxicokinetische modellen vordert, terwijl de ontwikkeling van toxicodynamische modellen nog in de opzetfase verkeert. Beschrijvende statistische modellen betreffen de blootstelling aan luchtverontreinigende stoffen en pathogene micro-organismen. Interspecies extrapolatie wordt in verschillende projecten bestudeerd, terwijl aan intraspeciesvariatie haast geen aandacht wordt besteed. Besloten wordt met de aanbeveling om dit rapport als basis voor een strategiediscussie te gebruiken.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

A further look at zinc - A response to the Industry addendum to the integrated criteria document zinc | RIVM

In dit document wordt een reactie gegeven op het in 1995 uitgebrachte 'Industrie addendum' (IA), waarin commentaar wordt geleverd op het in 1992 door het RIVM uitgebrachte 'Basisdocument Zink'. Het rapport gaat vooral in op de belangrijkste kritiekpunten: i) de ecotoxicologische gegevens (NOEC-waarden) die zijn gebruikt bij de afleiding van maximaal toelaatbare risiconiveaus (MTR-waarden) in oppervlaktewater en bodem, ii) de hoogte van het MTR in oppervlaktewater en bodem, in relatie tot de achtergrondconcentraties in deze compartimenten, en iii) de schatting van de emissie door atmosferische corrosie van zink en verzinkt staal. Met betrekking tot de ecotoxicologische gegevens wordt de in het IA vermelde kritiek grotendeels verworpen. De huidige MTR-waarden, afgeleid in het basisdocument, worden daarom nog steeds geldig geacht. Om deze reden en vanwege het feit dat er momenteel in het kader van het project 'Integrale Normstelling Stoffen' een her-evaluatie plaatsvindt van MTR-waarden voor metalen, waaronder zink, wordt in dit rapport geen concreet voorstel gedaan voor een herziening van de huidige MTR-waarden. Met betrekking tot de emissies door corrosie is in het basisdocument een totale corrosievracht vanuit binnenlandse bronnen geschat van 4125 ton/jaar, hetgeen volgens de huidige inzichten inderdaad een overschatting is. In recentere RIZA/RIVM-publicaties is de corrosievracht reeds naar beneden bijgesteld, naar ca. 1600-1700 ton/jaar. De huidige RIZA/RIVM-schattingen zijn in overeenstemming met een recente schatting van het Centraal Bureau voor de Statistiek (1340 ton/jaar), maar zijn nog steeds aanzienlijk hoger dan de schattingen van de industrie (IA ; 490 ton/jaar ; recentelijk bijgesteld naar 560 ton/jaar).
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

Geneesmiddelengebruik als indicator voor de effecten van milieuverontreiniging ; een studie in de regio Schiphol | RIVM

De Faculteit Farmacie van de Universiteit Utrecht heeft in samenwerking met het RIVM een onderzoek uitgevoerd om inzicht te krijgen in de geschiktheid van apotheekregistraties in milieu-epidemiologisch onderzoek. In het onderzoek is het gebruik van slaapmiddelen en geneesmiddelen ter behandeling van luchtwegaandoeningen in de omgeving van de luchthaven Schiphol in kaart gebracht. Deze prevalenties zijn vergeleken met nationale gegevens en gerelateerd aan de mate van milieuverontreiniging in de omgeving van de luchthaven Schiphol. Uit dit onderzoek blijkt dat er geen grote invloed van de belasting door vliegtuiggeluid op het gebruik van slaapmiddelen gevonden werd. Deze bevinding is in lijn met recente veldstudies waarin geen sterke associatie tussen het voorkomen van manifeste slaapproblemen en geluid door onder meer vliegtuigen kon worden aangetoond. De resultaten van de studie naar het gebruik van CARA-middelen sluiten aan bij recent onderzoek waaruit blijkt dat in de regio Schiphol bij kinderen onder de 15 jaar het aantal CARA-klachten relatief verhoogd is. Gezien het exploratieve karakter van dit onderzoek moet de toename in het gebruik van CARA-middelen met enige voorzichtigheid worden geinterpreteerd. Apotheekgegevens blijken een geschikte bron te zijn omdat door hen gegevens over het gebruik van geneesmiddelen bij grote groepen personen verkregen kunnen worden, bovendien is de kwaliteit van de gegevens uitstekend te noemen. Uit dit onderzoek zijn een aantal aspecten naar voren gekomen die het toepassen van de methode in milieu-epidemiologisch onderzoek kunnen beperken. Indien deze aspecten nader aandacht krijgen, kan de methode geschikt zijn voor toepassing in een monitoringsysteem. Validatie van de prevalentieschattingen, koppeling van gegevens op individueel niveau en betere gegevens over de blootstelling aan milieuverontreiniging en over verstorende variabelen zullen de nauwkeurigheid van de uitspraken vergroten.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

A collaborative study on serotyping of Salmonella amongst the National Reference Laboratories for Salmonella | RIVM

Het Communautair Referentie Laboratorium voor Salmonella heeft een ringonderzoek voor de serotypering van Salmonella georganiseerd met deelname van alle Nationale Referentie Laboratoria (NRLs) voor Salmonella. Het doel van dit ringonderzoek was meer informatie te krijgen over de resultaten van de serotypering van Salmonella enterica in de NRLs. De deelnemende laboratoria moesten de stammen identificeren volgens de serotyperingsmethode die routinematig in hun laboratorium werd uitgevoerd. Zeven van de 17 deelnemende laboratoria identificeerden alle 20 geselecteerde stammen correct. De belangrijkste redenen voor de incorrecte resultaten waren een incorrecte detectie van de antigenen, identificatie van de stammen op grond van een onvolledige antigeenstructuur en een incorrecte interpretatie van de antigeenstructuur.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

Ontwikkeling en implementatie van een NPK-versie van het PUFF-model op een LSO-computer | RIVM

In het kader van het Nationaal Plan voor de Kernongevallen-bestrijding (NPK) geeft het Informatie en Documentatiecentrum (IDC) van het LSO prognoses van de verspreiding van radioactieve nucliden. Hierbij wordt gebruik gemaakt van het verspreidingsmodel PUFF. Dit rapport beschrijft de implementatie van een nieuwe versie van het PUFF model op een LSO computer systeem, de versie NPK-PUFF. Deze versie heeft een verbeterde invoer-route en kan gebruik maken van meteovelden met een hogere resolutie, de HIRLAM meteovelden. Het rapport presenteert de stand van zaken op 1 januari 1996.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

A collaborative study on the detection of Salmonella amongst the National Reference Laboratories for Salmonella | RIVM

Het Communautair Referentie Laboratorium (CRL) voor Salmonella heeft een bacteriologisch ringonderzoek georganiseerd waaraan alle Nationale Referentie Laboratoria (NRLs) voor Salmonella deelnamen. Doel van het ringonderzoek was om de resultaten te vergelijken van de voorgestelde referentiemethode voor de detectie van Salmonella (ISO 6579 methode) tussen en binnen de laboratoria en om de resultaten van de referentie en eigen methode binnen een laboratorium te vergelijken. De resultaten van 3 deelnemers werden niet gebruikt voor de statistische analyse vanwege gemaakte fouten. Bij het uitvoeren van de referentiemethode vond een laboratorium in vergelijking met de andere laboratoria significant meer capsules negatief. Acht laboratoria voerden hun eigen methode uit, waarbij geen significant verschil gevonden werd tussen de eigen en referentiemethode. Drie laboratoria met afwijkende resultaten voerden de studie nogmaals uit. In deze aanvullende studie werden geen afwijkende resultaten meer gevonden.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

Cumulatie van milieurisico's voor de mens: geografische verschillen in Nederland | RIVM

De aanleiding voor het project 'Cumulatie van milieurisico's' was de vraag of er relaties bestaan tussen geconstateerde geografische verschillen in gezondheid van mensen en geografische verschillen in risico's als gevolg van diverse typen milieuverontreinigingen. Het project beoogde eerst het ontwikkelen van methoden om deze geografische verschillen in risico's in kaart te brengen en vervolgens het toepassen van deze methoden. De methoden zijn toegepast voor de volgende agentia: mogelijke grote ongevallen (externe veiligheid), radioactieve stoffen en straling, luchtverontreinigende stoffen en geluid. Het onderzoek heeft geleid tot twee rapporten. Het hoofdrapport bevat een algemene beschrijving van de gevolgde methoden en de geproduceerde kaarten. Het bijbehorende achtergronddocument (rapportnr. 610127002) gaat nader in op de details van de gevolgde methoden en de gebruikte gegevens. Ondanks de complexiteit van de discussies rond de risico-problematiek is gebleken dat met de ontwikkelde methoden op basis van het risico-concept dat in het Nederlandse milieubeleid wordt gehanteerd, inzicht is verkregen in de geografische verdeling en de onderlinge verhoudingen van risico's. De geografische verdeling van de risico's verschilt sterk tussen enerzijds externe veiligheid en geluid en anderzijds straling en stoffen. De kaarten voor externe veiligheid en geluid tonen zeer lokaal hoge risico's; daarnaast zijn er gebieden waar het risico voor deze twee categorieen gelijk is aan nul, namelijk die gebieden waar zich geen gevaren- en/of geluidsbronnen bevinden. Vooral voor geluid is het werkelijke 'schone' gebied veel beperkter dan de hier opgenomen kaarten tonen, omdat bij gebrek aan informatie een significant deel van de belasting niet kon worden berekend. Ruimtelijk samenvallen van de externe-veiligheidsrisico's treedt nauwelijks op. Voor geluid treedt ruimtelijk samenvallen vooral op nabij knooppunten van transportwegen en nabij (grote) vliegvelden. De risico's als gevolg van straling en stoffen daarentegen strekken zich uit over grote delen van Nederland, met lokaal verhogingen rond grote (industriele) bronnen. Risicopieken op een schaal kleiner dan 500 of 100 m, bijvoorbeeld nabij wegverkeer, zijn niet zichtbaar op de kaarten.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

Analyse verpakkingsafval in 1995 ter monitoring van het convenant verpakkingen | RIVM

Om inzicht te krijgen in de voortgang van de uitvoering van het Convenant Verpakkingen wordt jaarlijks door het RIVM de output van verpakkingsafval vastgesteld. Dit rapport presenteert de resultaten van de analyse naar de hoeveelheid verpakkingsafval in 1995, uitgesplitst in de componenten kunststof, papier/karton, (eenmalig) glas, blik (ferro) en aluminium. Ingegaan wordt op hoeveelheid, samenstelling en verwerkingswijze van verpakkingsafval afkomstig van de verschillende sectoren (huishoudens, kantoor-, winkel- en dienstensector en industrie). Rekening houdend met de nauwkeurigheden van de gehanteerde meetmethoden lijken de gegevens voldoende betrouwbaar om te concluderen dat de totale hoeveelheid verpakkingsafval in 1995 redelijk constant is gebleven ten opzichte van 1994. Niet geconcludeerd mag worden dat er sprake is van een significante afname in 1995. Ten opzichte van 1986 is de totale heveelheid verpakkingsafval in 1995 met circa 13 procent toegenomen. In het Convenant Verpakkingen zijn voor 1995 als tussentijdse doelstellingen opgenomen dat: 1) voor 31-12-1995 minimaal 40% van de hoeveelheid verpakkingsafval wordt hergebruikt, 2) voor 1-1-1996 de hoeveelheid gestort verpakkingsafval is teruggebracht tot maximaal 40% van de hoeveelheid verpakkingsafval die in 1986 is gestort, en 3) een inspanningsverplichting geldt om voor 31-12-1995 minimaal 50% van de hoeveelheid verpakkingsafval te hergebruiken. Op basis van de gegevens in dit rapport kan worden geconstateerd dat in 1995 een percentage hergebruik is gerealiseerd van circa 51% ; tussentijdse doelstelling 1) is dus gehaald en 3) lijkt te zijn gehaald. Tussentijdse doelstelling 2) is echter niet gehaald ; deze ligt met een aandeel van circa 60% ten opzichte van de gestorte hoeveelheid in 1986 nog boven de doelstelling.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

Safety evaluation of nitrate: Mathematical modeling of nitrite formation in man and its application in the risk assessment of nitrate | RIVM

De huidige risicoschatting van de blootstelling van de mens aan nitraat is gebaseerd op de evaluatie van dierexperimenteel onderzoek bij de rat. Deze procedure verdient heroverweging . Bij de mens, maar niet bij de rat, wordt nitraat door bacteriele fermentatie in het speeksel omgezet in nitriet. Aangezien nitriet veel toxischer is dan nitraat kan een relatief geringe nitraat => nitriet omzetting leiden tot dominantie van nitriettoxiciteit over nitraattoxiciteit. De vorming van nitriet uit nitraat dient derhalve in beschouwing genomen worden bij de risicobeoordeling van de blootsteling van de mens aan nitraat. De vorming van nitriet uit nitraat in het speeksel van de mens is het resultaat van een gecompliceerd proces. Bij dit proces spelen de opname van nitraat uit voedsel of drinkwater, het vermogen van de mens om zelf nitraat aan te maken, de secretie van nitraat uit het bloed naar het speeksel, het metabolisme van nitraat tot nitriet in het speeksel en de terugvorming van nitraat uit nitriet in het bloed een rol. Om de nitrietbelasting van de mens na blootstelling aan nitraat te evalueren zijn deze processen opgenomen in een humaan toxicokinetisch model voor nitraat en nitriet. Dit model is m.b.v. experimenteel onderzoek met humane vrijwilligers (Spiegelhalder et al., 1976 ; Wagner et al., 1983 ; Shapiro et al., Kortboyer et al., 1995) gecalibreerd. Het model berekende dat de endogene vorming van nitraat in volwassen gemiddeld 121 mg per dag bedraagt. Tevens berekende het model dat 32-60% van oraal opgenomen nitraat vanuit het bloed in speeksel wordt uigescheiden. Van deze hoeveelheid wordt 13-22% omgezet in nitriet. De berekende nitraat => nitriet conversiefactor zou 7-9% bedragen. De door het model berekende dagelijkse nitriet belasting na eenmalige of herhaalde (een dosis per 24 uur ) blootsteling van de mens aan nitraat op het niveau van zijn Acceptable Daily Intake (ADI, 3.65 mg nitraat/kg/dag), werd volgens de berekening voor 31-41% veroorzaakt door de endogene synthese van nitraat. Geconcludeerd kan worden dat de risicoschatting van de blootstelling van de mens aan nitraat gebaseerd moet worden op de hierop volgende nitrietbelasting en nitriettoxiciteit. Een methode om de risicoschatting van nitraat m.b.v. het toxicokinetische model te verbeteren wordt besproken.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

Toxic effects of heavy metals in three worm species exposed in artificially contaminated soil substrates and contaminated field soils | RIVM

De toxiciteit van chemische stoffen wordt vaak bepaald via gestandaardiseerde laboratorium experimenten. OECD-kunstgrond wordt vaak gebruikt om de toxiciteit van stoffen voor bodemorganismen te bepalen. Dit rapport beschrijft een blootstellings- en effectbeoordeling van metalen bij drie wormensoorten (Eisenia andrei, Enchytraeus crypticus en Enchytraeus albidus) bij blootstelling aan metaalverontreinigde veldgrond. De onderzochte wormsoorten verschillen wat betreft metaalgevoeligheid en ecologische niche. Veldgronden werden verzameld in een geometrische reeks van toenemende afstand rond een voormalige zinksmelter, om zodoende een concentratie-responscurve voor de veldgronden te kunnen vaststellen. De gronden werden fysisch-chemisch gekarakteriseerd. De concentraties van zink, koper, lood en cadmium werden gemeten, en de partitie over de vaste en vloeibare fase van de grond werd bepaald met behulp van totaal-, en CaCl2-extraheerbare- en poriewater concentraties. Bodemkarakteristieken verschilden tussen de verschillende monsterlokaties. De beschikbaarheid van metalen in de veldgronden was lager dan in kunstgrond met toegevoegde metaalzouten. De blootstellingsbeoordeling toonde aan dat de lichaamsconcentratie van verschillende metalen minder toenam in de veldgronden dan in kunstgrond bij vergelijkbare metaalconcentraties. Effectbeoordelingen werden uitgevoerd door het vaststellen van concentratie-effect curves voor het dominante metaal zink apart, en voor het metaalmengsel in de veldgronden, bij gelijke pH. Bij beoordeling op basis van totaalconcentraties bleken de toxische effecten in de veldgrond lager dan in kunstgrond voor E. andrei. Voor E. crypticus werd het omgekeerde gevonden. E. albidus reproduceerde onvoldoende om vergelijkingen te kunnen maken. De voorspelbaarheid van effecten in veldgrond op basis van laboratoriumgegevens nam toe indien rekening gehouden werd met de verschillen in fysisch-chemische metaalbeschikbaarheid en gecombineerde inwerking van de in de veldgrond aanwezige metalen. Bij de beoordeling van gecombineerde inwerking is gebruik gemaakt van het concept van relatieve concentratie additie. Aanbevolen wordt om deze factoren te betrekken bij de beoordeling van toxische effecten op verontreinigde veldlocaties en bij het afleiden van ecotoxicologische risicogrenzen op basis van resultaten uit laboratorium-toxiciteitsstudies.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

Monitoring prioritaire afvalstoffen, gegevens 1994 | RIVM

De resultaten van het monitoringprogramma voor prioritaire afvalstoffen zijn weergegeven voor 1994. In het rapport zijn de rapportages van 26 prioritaire afvalstoffen gebundeld. Per afvalstof worden de belangrijkste gegevens betreffende de hoeveelheden (onder meer naar herkomst en verwerkingsmethode) en samenstelling volgens een standaard opzet gepresenteerd en toegelicht. De gegevens zijn vastgesteld op basis van een werkwijze en met behulp van bronnen die beschreven zijn in meetprotocollen. Verder bevat het rapport een overzichtstabel waarin voor de prioritaire afvalstoffen de hoeveelheden per verwerkingsmethode voor 1993 en 1994 zijn weergegeven. Het blijkt dat ten opzichte van 1993 geen grote veranderingen vastgesteld kunnen worden in het aanbod van afval. Wel is sprake van meer hergebruik en minder storten van afval.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

Achtergronddocument bij 'Cumulatie van milieurisico's voor de mens: geografische verschillen in Nederland' | RIVM

Het project 'Cumulatie van milieurisico's' is gericht op het ontwikkelen en toepassen van methoden voor het in kaart brengen van die locaties waar risico's voor de mens als gevolg van diverse typen milieuverontreinigingen samenvallen. Daartoe zijn er kaarten van Nederland vervaardigd met risico's die zijn uitgedrukt in de kans op overlijden (externe veiligheid, straling en diverse stoffen), de kans op overige gezondheidseffecten (andere stoffen) en de kans op hinder (geluid). De kaarten zijn opgenomen in rapport 610127001, 'Cumulatie van milieurisico's voor de mens: geografische verschillen in Nederland'. In dit achtergronddocument is de nodige informatie opgenomen over ondermeer de methoden die zijn gevolgd bij de keuze van in kaart te brengen bronnen en stoffen en bij het maken van de kaarten. Dit achtergronddocument gaat achtereenvolgens in op de achtergrondinformatie betreffende het berekenen van externe-veiligheidsrisico's, het berekenen van doses en risico's als gevolg van blootstelling aan straling, het berekenen van concentraties van diverse luchtverontreinigende stoffen op een schaal van 500 bij 500 m, de toxicologische gegevens van de beschouwde stoffen en het berekenen van de risico's als gevolg van blootstelling aan deze stoffen, een mogelijke methode voor het combineren van diverse typen effecten op de gezondheid van de mens, en tenslotte het berekenen van hinder als gevolg van geluid en geur. Het achtergronddocument heeft de vorm van een 'bundel' bijlagen, die elk zelfstandig kunnen worden gelezen.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

Characterization of the catalase-peroxidase gene (katG) and inhA locus in isoniazid-resistant and -susceptible strains of Mycobacterium tuberculosis by automated DNA sequencing: restricted array of mutations associated with drug resistance | RIVM

Characterization of the catalase-peroxidase gene (katG) and inhA locus in isoniazid-resistant and -susceptible strains of Mycobacterium tuberculosis by automated DNA sequencing: restricted array of mutations associated with drug resistance | RIVM
Jaar: 1996 Onderzoek

Meetactiviteiten in 1996 in het kader van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit | RIVM

Het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit (LML) is een van de taakgebieden van het Laboratorium voor Luchtonderzoek van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu. De belangrijkste doelstellingen van het meetnet zijn het monitoren van de luchtkwaliteit, de controle van luchtkwaliteitseisen, het waarschuwen van overheden en het publiek bij periodes met verhoogde luchtverontreiniging, het leveren van gegevens voor validatie van modellen, het ondersteunen van diagnose van de luchtkwaliteit door middel van modellen, het ondersteunen van korte termijn voorspellingen met modellen en het leveren van gegevens voor het kwantificeren van de atmosferische depositie. Als onderdeel van de informatie over het LML wordt jaarlijks een rapport gepubliceerd waarin overzichten van de meetlokaties per component worden gegeven tezamen met kaarten waarop de ligging van de locaties is aangegeven en met informatie over de meetmethoden. Het meetprogramma wordt jaarlijks vastgesteld in overleg met de Directie Lucht van het Ministerie voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Het meetprogramma voor 1996 omvat de gasvormige componenten ammoniak, koolmonoxide, ozon, stikstofoxiden, zwaveldioxide, Vluchtige Organische Componenten, Zeer Vluchtige Organische Componenten en fluoriden. Verder behelst het programma stofvormige luchtverontreiniging zoals zware metalen (arseen, cadmium, lood, zink), verzurende componenten (ammonium, chloride, nitraat, sulfaat), zwarte rook en fijn stof (PM10) en de chemische samenstelling van neerslag (verzurende componenten, zware metalen, kwik, lindaan en een set bestrijdingsmiddelen). Windrichting en windsnelheid completeren het programma.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

Deposition of base-cations in Europe and its role in acid neutralization and forest nutrition | RIVM

In relatie tot de verzuringsproblematiek wordt meestal weinig aandacht besteed aan de rol van basische kationen zoals Na+, Mg2+, Ca2+ en K+. Echter, door depositie van basische kationen kan een deel van de zure depositie geneutraliseerd worden. Daarnaast zijn basische kationen belangrijke nutrienten voor ecosystemen. Tot op heden zijn op Europese schaal geen betrouwbare depositieschattingen voor basische kationen aanwezig, alhoewel deze informatie nodig is voor het bepalen van kritische depositiewaarden en haar overschrijdingen. In dit rapport worden kaarten van de totale (natte en droge) depositie in Europa gepresenteerd welke zijn gebaseerd op de zogenaamde 'inferentie' modellering. De natte depositie is gekarteerd op basis van resultaten van veldmetingen op meer dan 600 lokaties verspreid over Europa. De berekende depositievelden weerspiegelen de geografische variatie in bronnen, landgebruik en klimaat. Vergelijking met berekende potentieel zure deposities laat zien dat in Zuid-Europa over het algemeen meer dan 50% van de potentieel zure depositie geneutraliseerd wordt door depositie van basische kationen. In Centraal- en Noordwest-Europa is dit in de regel minder dan 25%. De laagste depositie van basische kationen in verhouding tot de depositie van potentieel zuur vindt plaats in Zuid-Scandinavie, Denemarken, Noord-Duitsland en Nederland. Voor de neutralisatie van zuurvormende anionen in neerslag werd een vergelijkbaar ruimtelijk patroon gevonden. De gemodelleerde deposities komen goed overeen met depositieschattingen die op 174 locaties verspreid over Europa gemaakt zijn op basis van doorval- en neerslagmetingen, zeker gezien de relatief grote onzekerheid in beide schattingen. Gemiddeld waren de schattingen niet significant verschillend. Wel bleek het model de droge depositie op bossen nabij lokale bronnen systematisch te onderschatten. Met behulp van foutenvoortplantings-technieken is voor een gemiddelde gridcel van 10x20 km in Europa de toevallige en systematische fout in de totale depositie van basische kationen geschat op 35-50%, respectievelijk 25-40%.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

Risicoberekening voor in het milieu geloosde radionucliden - Onderbouwing richtlijn voor vergunningen (RIBRON) EERSTE HERZIENE VERSIE | RIVM

Ten behoeve van de vergunningverlening in de milieubescherming moeten de risico's van toepassingen van radioactieve stoffen vastgesteld worden. Uitgaande van de beleidsnotitie ORS en de recente Europese richtlijn betreffende 'basic safety standards', moeten de daarin gestelde grenzen (risicogrenzen en dosislimieten) o.a. resulteren in emissielimieten voor de verschillende toepassingen. De op modelberekeningen gebaseerde schatting van het risico dient tevens ter onderbouwing van een vergunningaanvraag voor de betreffende toepassing. In verband met rechtsgelijkheid voor alle aanvragers van een dergelijke vergunning, is een standaard richtlijn voor de uitvoering van modelberekeningen met de daarin te gebruiken parameterwaarden ontwikkeld. In het rapport wordt een methode gegeven voor het uitvoeren van risico-analyses van reguliere lozingen door alle bronnen van ioniserende straling en radioactiviteit en van ongevalslozingen door alle bronnen behalve kerncentrales. Voor de verschillende bronnen wordt aangegeven wat de relevante emissies en blootstellingspaden zijn. De conceptuele modellering van de blootstellingspaden met de te gebruiken parameterwaarden wordt vervolgens gegeven in de vorm van standaarden, voorschriften en aanbevelingen. Hierbij is zoveel mogelijk uitgegaan van de in Nederland algemeen geaccepteerde wijze van modelleren. Aangegeven wordt in welke computerprogramma's de conceptuele modellering is uitgewerkt. Randvoorwaarden en eindpunten zoals beschreven in de Beleidsstandpunten Stralingshygiene zijn in dit rapport meegenomen.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

Crematoria | RIVM

In dit rapport is informatie verzameld over de milieuaspecten van "Crematoria". Het is gepubliceerd binnen het samenwerkingsproject WESP: de Werkgroep Emissies Servicebedrijven en Productgebruik. In dit project wordt informatie verzameld over processen in de doelgroepen van consumenten, bouw, handel en dienstverlening om tot overeenstemming te komen over de gegevens die gebruikt worden bij verschillende instituten en levert ondersteunende informatie voor het regeringsbeleid over emissiereductie. Dit document bevat informatie over processen, emissiebronnen, emissies naar lucht en water, afval, emissiefactoren, gebruik van energie en energiefactoren, emissiereductie, energiebehoud, onderzoek naar schone technologie normstelling en vergunningen.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

Kwaliteitsborging binnen literatuuronderzoek | RIVM

Literatuuronderzoek is een van de vele vormen van onderzoek die bij het RIVM worden uitgevoerd. Elke onderzoeker voert regelmatig literatuuronderzoek uit, hetzij als zelfstandig onderzoek, hetzij als onderdeel van een groter onderzoek. Net als op elk ander type onderzoek zijn op literatuuronderzoek kwaliteitseisen als reproduceerbaarheid en aantoonbare wetenschappelijke borging van toepassing. In deze leidraad worden aandachtspunten gegeven, die het mogelijk maken het proces van literatuuronderzoek gecontroleerd te laten verlopen. Hierbij wordt uitgegaan van de verschillende processtappen in literatuuronderzoek: probleemstelling en planning, recherche, selectie, verzameling, acceptatie, verwerking en rapportage. Deze processtappen worden beschreven. Bij elke processtap worden borgpunten aangegeven die het proces traceerbaar maken en wetenschappelijke betrouwbaarheid aantonen.
Jaar: 1996 Onderzoek

Late tissue reactions and degradation of biodegradable polylactide implants. An experimental study in rats | RIVM

Biologisch afbreekbare implantaten van poly-L-lactide (PLLA) worden thans gebruikt als alternatief voor metalen platen en schroeven voor de fixatie van botbreuken. Tijdens het gebruik van deze afbreekbare implantaten zijn er echter locale complicaties waargenomen in de vorm van zwellingen vanaf ongeveer drie tot vier jaar na implantatie. In deze studie werd de histopathologische reactie van ongedegradeerd en pre-gedegradeerd 'as-polymerized' PLLA, en als controle van polyethyleen (PE) onderzocht door middel van de subcutane implantatie van schijfjes materiaal in ratten. Tevens werd in deze studie een recent ontwikkeld copolymeer van D- en L-lactide onderzocht, poly(96%L,4%D-lactide) (PLA96), een polymeer met een lagere kristalliniteit wat resulteert in een snellere en meer complete degradatie. De histologische reactie op de pre-gedegradeerde implantaten was kwalitatief gelijk, maar kwantitatief veel sterker dan de reactie op de ongedegradeerde implantaten. De zwelling die in vivo waargenomen werd na in vitro predegradatie van de PLLA en PLA96 polymeren vertoont histologisch dezelfde karakteristieken als de zwelling zoals deze bij patienten na enkele jaren werd waargenomen. De resultaten van deze studie geven aan dat in vitro predegradatie gevolgd door in vivo implantatie als een model gebruikt kan worden om laat optredende reacties van afbreekbare implantaten te voorspellen. Afbreekbare materialen zijn tot op heden nog niet opgenomen in de ISO/CEN richtlijnen voor wat betreft de locale effecten na implantatie (ISO/CEN 10993-6, Biological evaluation of medical devices. Part 6 Tests for local effects after implantation). Het in dit rapport beschreven model, in vitro predegradatie gevolgd door in vivo implantatie, is mogelijk geschikt om als implantatie model te dienen voor afbreekbare materialen.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

Radium in baggerspecie van 1994 en 1995 uit het Rijnmondgebied - Metingen en dosisberekeningen | RIVM

Baggerspecie uit de havens en vaarwegen van het Rijnmondgebied bevat een verhoogd gehalte aan van nature voorkomende radioactieve stoffen. De te beschouwen wijzen waarop de bevolking aan deze stoffen blootgesteld zou kunnen worden en daarmee de berekeningswijze van het risico, stonden de afgelopen tijd sterk ter discussie. Een deel van dit rapport beschrijft deze problematiek en de resultaten van een discussie tussen de betrokken instituten, bedrijven en de overheid. Daarnaast worden meetgegevens gepresenteerd van het gehalte Ra-226 in monsters die in 1994 en 1995 tijdens de monstercampagnes van Rijkswaterstaat en Gemeentewerken Rotterdam voor dit doel werden verzameld. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen het natuurlijke radiumgehalte en wat daaraan door industriele lozingen is toegevoegd, het 'overschot'. In de bemonsterde vakken bedroeg in 1994 en 1995 het natuurlijke radiumgehalte 8-25 Bq kg-1, het gemeten radiumgehalte 13-264 Bq kg exp.-1 en het overschot 0-240 Bq kg exp.-1. Uit gemeten waarden van zowel in 1994 als in 1995 bemonsterde vakken blijkt dat het radiumgehalte in de tussenliggende periode met 16 plusminus 2 (standaardfout) procent is gestegen. In het van nature voorkomende radiumgehalte was geen verandering te constateren en het overschot nam gemiddeld toe met 39 plusminus 7 procent. De gevonden waarden zijn van dezelfde orde als eerdere incidenteel gemeten waarden. Blootstelling aan radon in woningen die zijn gebouwd op polders opgehoogd met specie met een verhoogd radiumgehalte, wordt beschouwd als het belangrijkste potentiele blootstellingspad. Volgens dit model leidt gebruik van specie afkomstig uit de meest verontreinigde haven als ophoogmateriaal tot een toegevoegde potentiele individuele dosis van circa 6 mSv a exp.-1. Voor circa 15% van de uit het Rijnmondgebied opgebaggerde specie geldt dat gebruik als ophoogmateriaal kan leiden tot een toegevoegde dosis van meer dan 1 mSv a exp.-1.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

Ontwikkeling van uitloogproeven voor minerale olie. Ontwikkelingsonderzoek | RIVM

Het project 'Uitloging van organische componenten' wordt door het RIVM uitgevoerd in het kader van het Taakstellend Plan ter ondersteuning van de normcommissie 390 11 'Uitloogkarakterisering van bouw- en afvalstoffen' (TSP). Het doel van het project is het ontwikkelen van een set van uitloogproeven voor organische componenten. In dit rapport wordt het uitgevoerde ontwikkelingsonderzoek beschreven in drie deelrapporten. In deelrapport 1 worden de verliezen van minerale olie uit eluaten onderzocht met betrekking tot adsorptie, afbraak en vervluchting. De experimenten zijn dusdanig opgezet dat de resultaten als maatgevend kunnen worden beschouwd voor de verliezen die optreden bij de uitvoering van uitloogproeven. Een aantal voorfiltermaterialen zijn onderzocht op hun geschiktheid om verstoppingsproblemen bij toepassing van on-line filtratie bij de kolomproef tegen te gaan. In deelrapport 2 is onderzoek beschreven naar het kwantificeren van de verliezen van minerale olie bij het afscheiden van deeltjes groter dan 0.45 um uit eluaten van uitloogproeven middels twee methoden filtratie over een 0.45 um membraanfilter en centrifugeren onder condities waarbij deeltjes groter dan 0.45 um uit de oplossing verwijderd worden. De opbrengst van minerale olie uit deze eluaten bereid met schud- en roerproeven op grond en bouw- en sloopafval is bepaald na filtreren en na centrifugeren. Om de optredende verliezen van minerale olie tijdens centrifugeren eenduidig toe te kennen aan vervluchting of adsorptie, zijn massabalansen over de centrifuge procedure opgesteld. In deelrapport 3 wordt onderzoek beschreven naar een aantal verschillende uitloogproeven : kolom- en cascadeproeven volgens het voorschrift voor PAK, waarbij eluaten worden gefiltreerd ; kolom- en cascadeproeven volgens een aangepast voorschrift, waarbij eluaten worden gecentrifugeerd en onderscheid gemaakt wordt tussen de fracties C10-C12, C12-C18 en C18-C40 ; de invloed van de pH op de uitloging, uitgevoerd aan de hand van de beschikbaarheidsproef voor anorganische contaminanten. In het evaluatie rapport (RIVM-rapportnr. 771402020) zal met name ingegaan worden op de uiteindelijke vorm en richting die standaard uitloogproeven voor minerale olie zullen moeten krijgen.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

SEDISOIL ; Model ter berekening van humane blootstelling ten gevolge van verontreinigde waterbodems | RIVM

In analogie met het CSOIL model, waarmee de blootstelling aan verontreinigde landbodems geschat kan worden, is het blootstellingsmodel SEDISOIL ontwikkeld waarmee de blootstelling aan verontreinigde waterbodems kan worden gekwantificeerd. Bij toepassing van het model dient rekening te worden gehouden met beperkte nauwkeurigheid van de resultaten, zeker indien geen metingen in oppervlaktewater en vis zijn uitgevoerd. SEDISOIL kan worden gebruikt voor de bepaling van de saneringsurgentie van ernstig verontreinigde waterbodems.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

Effecten van medische zorg ; een conceptueel kader | RIVM

Het conceptuele kader voor de analyse van effecten van medische interventies wordt beschreven. Centraal staan de begrippen 'efficacy' en 'effectiviteit'. De efficacy is gedefinieerd als het theoretisch haalbare effect van een medische interventie. Het wordt gemeten in experimenteel onderzoek (gerandomiseerde klinische trials). De effectiviteit is gedefinieerd als het in de praktijk gerealiseerde effect van een medische interventie. Het wordt gemeten in observationeel onderzoek (uitkomst-onderzoek). Een discrepantie tussen efficacy en effectiviteit kan worden veroorzaakt door een verschil in: (1) effectmeting, (2) patientenpopulatie, (3) uitvoering van de medische interventie, (4) indicatiestelling of (5) de omstandigheden waaronder de zorg is verleend. Het opsporen en analyseren van een dergelijke discrepantie geeft informatie over aangrijpingspunten voor beleidsmaatregelen. Een bestudering van het effect van zidovudine bij een HIV-infectie of AIDS illustreert de toepassing van het conceptuele kader.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

Ontwikkeling van uitloogproeven voor minerale olie. Evaluatierapport | RIVM

Het project 'Uitloging van organische componenten' wordt door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) uitgevoerd in het kader van het Taakstellend Plan ter ondersteuning van de normcommissie 390 11 'Uitloogkarakterisering van bouw- en afvalstoffen' (TSP). Het doel van het project is het ontwikkelen van een set van uitloogproeven voor organische componenten. Het laboratoriumonderzoek is gerapporteerd in de vorm van drie deelrapportages onder RIVM-rapportnummer 771402019. In dit evaluatierapport worden de resultaten van het laboratoriumonderzoek samengevat en geevalueerd in het licht van het einddoel van het onderzoek. Mogelijke opties voor het oplossen van de gesignaleerde problemen worden verkend. De evaluatie van de onderzoeksresultaten is uitgevoerd aan de hand van de handelingen, die deel uit maken van het verrichten van uitloogonderzoek. Bij monsterneming en monstervoorbehandeling betreffen de problemen het optreden van vervluchtingsverliezen. Bij de extrapolatie van de gemeten emissie naar perioden langer dan de duur van de uitloogproef, wordt gewezen op de mogelijke invloed van microbiologische afbraakprocessen. Om bij het opvangen van de afzonderlijke eluaten, gesignaleerde problemen te ondervangen is het noodzakelijk om op onderdelen sterk af te wijken van de gestandaardiseerde uitloogproeven voor anorganische componenten. De haalbaarheid van meerstaps uitloogproeven (cascadeproef, diffusieproef) wordt laag ingeschat. De belangrijkste problemen worden gesignaleerd bij het verwijderen van deeltjes groter dan 0.45 um uit de eluaten. Hiervoor zijn de methoden filtreren en centrifugeren onderzocht. Beide methoden leiden tot zeer grote verliezen van minerale olie. De verliezen varieren sterk voor de verschillende fracties minerale olie C10-C12, C12-C18 en C18-C40. De verliezen van minerale olie bij het afscheiden van deeltjes groter dan 0.45 um zijn dermate groot, dat de problematiek bij eventueel vervolgonderzoek de eerste prioriteit heeft. Om deze verliezen tegen te gaan worden een drietal opties onderscheiden: uitloogproeven enkel richten op de zware fractie C18-C40, de eluaten centrifugeren, eluaten laten bezinken (niet actief filtreren of centrifugeren), het afwijken van de grens van 0.45 um. De verschillende opties zijn beoordeeld op de mate waarin hiermee verliezen voorkomen kunnen worden, en op de mate waarin andere problemen ontstaan bij uitvoering van de opties. Deze problemen liggen met name op het gebied van een beperkt testbereik van de uitloogproeven en de praktische uitvoerbaarheid. Op grond van de resultaten van het uitgevoerde onderzoek en de daarop gebaseerde conclusies en mogelijke opties, wordt door de auteurs geconcludeerd dat de ontwikkeling van routinematig uitvoerbare uitloogproeven voor minerale olie met de huidige stand der techniek niet haalbaar is.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

Gezondheidsrisico's van drinkwater bereid uit oppervlaktewater: een pilotstudie | RIVM

De resultaten van een pilotstudie zijn beschreven waarin getracht is via een modelmatige ketenbenadering meer inzicht te geven in de gezondheidsrisico's van drinkwater dat bereid is uit oppervlaktewater. Van twee bestrijdingsmiddelen en het micro-organisme Cryptosporidium is met behulp van verschillende modellen de gehele keten van emissie tot gezondheidsrisico (=effect) doorgerekend. Voor Cryptosporidium gaf dit de meeste problemen omdat het organisme moeilijk te detecteren is en de verspreidingsroutes naar water nog niet goed kunnen worden gekwantificeerd. Toch kunnen op basis van de uitgevoerde berekeningen enkele voorzichtige conclusies worden getrokken. Een gezondheidsrisico kan eerder verwacht worden door blootstelling aan Cryptosporidium dan door blootstelling aan bestrijdingsmiddelen. Verder onderzoek is gewenst om de resterende onzekerheden te verkleinen.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

The VOLASOIL risk assessment model based on CSOIL for soils contaminated with volatile compounds | RIVM

Het blootstellingsmodel CSOIL is ontwikkeld voor de afleiding van de Interventiewaarden voor bodem- en grondwatersanering. Deze Interventiewaarden zijn gebaseerd op het potentiele risico voor de mens bij blootstelling aan bodemverontreiniging. Theoretische evaluatie van de vervluchtigingsmodule uit het CSOIL-model heeft aangetoond dat de module niet geschikt is voor actuele risico-analyse. Daarom is het VOLASOIL-model ontwikkeld voor de actuele risico-analyse in het geval van bodemverontreiniging met vluchtige verbindingen. Het VOLASOIL-model berekent, voor de Nederlandse situatie, de binnenluchtconcentratie in huizen gebouwd op dergelijk vervuilde bodems. Het model kan beschouwd worden als een optimum tussen degelijke theoretische onderbouwing en toepasbaarheid in de praktijk van het bodemonderzoek. Doordat een flexibele combinatie mogelijk is tussen meten en rekenen en omdat het model berekeningen kan uitvoeren voor verschillende verontreinigingssituaties (drijflaag, puur produkt in de onverzadigde zone, gecontamineerd grondwater in de kruipruimte, etc.), kan het model gebruikt worden voor locatie-specifieke risico-analyse. Het VOLASOIL-model zou gebruikt kunnen gaan worden als een beslissingsondersteunend instrument in het kader van de saneringsurgentiesystematiek (Wet Bodembescherming), de systematiek voor de beoordeling van de bodemkwaliteit bij bouwvergunningsaanvragen (Woningwet) en Actief Bodembeheer (Ruimtelijke Ordening). Ten behoeve van het gebruik in de praktijk is een gebruikersvriendelijke windows-applicatie ontwikkeld. Dit computerprogramma is bij het RIVM te verkrijgen.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

Kalibratie van Ellenbergs milieu-indicatiegetallen aan werkelijk gemeten bodemfactoren | RIVM

Momenteel wordt een multiple stress model ontwikkeld waarmee op nationale schaal de kans op voorkomen van plantesoorten wordt voorspeld als gevolg van verdroging, verzuring en vermesting (SMART-MOVE). Het model bestaat uit een bodemmodule (SMART) en een vegetatie module (MOVE). Essentiele invoergegevens voor deze modules, zoals grondwaterpeil en kwelflux kunnen worden berekend met bijvoorbeeld het LGM (Landelijk Grondwater Model). Met de vegetatie-module kan de kans op voorkomen van een soort bepaald worden aan de hand van ecologische amplitudes van de plantesoorten. De ecologische amplitudes zijn weergegeven op een milieu-as die weergegeven is in gemiddelde indicatie-getallen van Ellenberg per proefvlak. In dit rapport wordt een ijking uitgevoerd van deze semi-kwantitatieve milieu-as aan daadwerkelijk gemeten bodemfactoren zoals de zuurgraad (pH), de grondwaterstand (GVG: gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand), gehalten van nutrienten (b.v. nitraat en fosfaat- gehalten), primaire productie (gemeten in biomassa opbrengst en stikstof-opbrengst) en het chloride gehalte. Hiervoor is behalve van de hiervoor doorgaans toegepaste lineaire regressie analyse ook gebruik gemaakt van non-lineaire regressie analyse met een S-vormig model als uitgangspunt. In totaal konden bijna 7000 opnamen worden gebruikt. Voor pH, GVG, biomassa opbrengst en stikstof opbrengst bleken de R2-waarden zodanig hoog dat vertaling van de gemiddelde Ellenberggetallen naar gemeten waarden vrij goed mogelijk is. Deze relaties worden gebruikt voor de koppeling tussen de vegetatiemodule en de abiotische modules. Daarnaast dragen zij bij aan een betere kwantificering van de betrouwbaarheid van de modeluitkomsten. Het gemiddelde milieu-indicatiegetal van Ellenberg lijkt voor modellen zoals SMART/MOVE een bruikbare schattingsmethode van de abiotisch milieucondities.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

The dose-response relation in human volunteers for gastro-intestinal pathogens | RIVM

Gepubliceerde gegevens omtrent infectie van humane proefpersonen met pathogene micro-organismen die gastro-enteritis veroorzaken (protozoa, bacterien en virussen), worden gebruikt om een kwantitatieve relatie vast te stellen tussen de ingenomen dosis en het risico op infectie. Voor alle bestudeerde datasets wordt deze relatie bepaald door het fitten van een exponentiele curve dan wel een beta-poisson curve. Deze relaties kunnen b.v. worden toegepast bij het vaststellen van het risico op infectie bij inname van drinkwater of voedsel dat is verontreinigd met een kleine hoeveelheid van een infectieus pathogeen.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

De milieu-evaluatie van organische niet-landbouw bestrijdingsmiddelen met USES 1.0 | RIVM

Ter ondersteuning van het Meerjarenplan Hygiene en Materiaalbescherming (MJP-H) is een risico-analyse voor het milieu opgesteld voor een aantal niet-landbouw bestrijdingsmiddelen. Alleen organische stoffen waarvoor voldoende gegevens beschikbaar waren, zijn met het Uniform Beoordelingssysteem Stoffen (UBS 1.0) geevalueerd. Het betreft actieve ingredienten die toegepast worden als: antifouling ; biocide in koelwatersystemenen houtverduurzamingsmiddel. Op basis van beschikbare gegevens over de fysisch-chemische eigenschappen, emissie tijdens de toepassing, distributie en toxiciteit, zijn risicoquotienten berekend voor waterorganismen. Uit de risicoquotient evaluatie blijkt dat de beoordeelde koelwaterbiociden het hoogste risico hebben, gevolgd door de beoordeelde antifoulings, en daarna de beoordeelde houtverduurzamingsmiddelen. Van deze laatste groep stoffen is het risico door impregneren veel hoger dan door drenken/dompelen. Voor antifoulings en koelwaterbiociden worden extreem hoge risicoquotienten gevonden. Veel stoffen die niet geevalueerd zijn, hebben hoge gebruikspercentages (metaal-zouten, chloor, en creosoot). Deze stoffen zijn niet geevalueerd, omdat metaal-zouten en chloor nog niet met UBS 1.0 te beoordelen zijn, en omdat voor creosoot niet voldoende gegevens beschikbaar zijn om de combinatietoxiciteit van de PAKs te berekenen. Bovendien zijn er onvoldoende gegevens om van de wel beoordeelde stoffen het risico voor bodemorganismen te evalueren. Dit rapport geeft dus geen volledig beeld van het risico van alle niet-landbouwbestrijdingsmiddelen. Het geeft wel aan dat de speerpunten antifouling, koelwaterbiocide, en houtverduurzamingsmiddel hoge risicoquotienten hebben, en op basis van dit resultaat goed gekozen zijn.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

De kwaliteit van het grondwater in Nederland op een diepte tussen 5 en 30 meter in Nederland in het jaar 1992 en de verandering daarvan in de periode 1984-1993 | RIVM

In het Landelijk Meetnet Grondwaterkwaliteit wordt vanaf 1984 jaarlijks op circa 400 locaties grondwater bemonsterd op diepten van ca 10 en 25 m onder maaiveld. Sinds 1989 groeit het aantal locaties door de inrichting en de bemonstering van de provinciale meetnetten grondwaterkwaliteit. In 1992 werden grondwatermonsters genomen op ongeveer 600 locaties. Van de monsters werden enkele fysische eigenschappen en de concentraties van ongeveer 25 componenten gemeten. De waarnemingen zijn in groepen ingedeeld op basis van de bemonsteringsdiepte (filterdiepte), grondgebruik, grondsoort, grondwatertrap en gebied. Twee diepteniveaus zijn onderscheiden: 1) het ondiepe grondwater tussen 5 en 15 m -mv en 2) het diepe grondwater tussen 15 en 30 m -mv. Onderzocht zijn de gemiddelde waarde van de grondwaterkwaliteit en het percentage waarnemingen boven de streefwaarde voor grondwater. Per fysisch-geografisch gebied en per eco-district zijn geschatte percentages oppervlakte boven de streefwaarde in kaartvorm gepresenteerd. De verandering van de grondwaterkwaliteit in de meetperiode 1984-1993 is gekwantificeerd als het verschil tussen de waarnemingen in 1984 en 1993. Voor de zandgebieden is het verloop in de tijd van de grondwaterkwaliteit weergegeven. De relatie tussen de grondwaterkwaliteit en de tijd is nader onderzocht op lineaire samenhang. Regionale eigenschappen van gebieden, zoals hoogteligging, mariene invloed, organische stof en klei in de ondergrond zijn bepalend voor de grondwaterkwaliteit. De componenten Cl, NH4, P, K ,pH, SO4, Al, NO3 , As, Pb, Cu, Zn, Cd, CR, Ni worden in het rapport behandeld.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

Mutagenic and antimutagenic activities of bioflavonoids and structural analogues in the Ames/Salmonella test | RIVM

De mutagene en antimutagene eigenschappen van bioflavonoiden werden in de bacteriele mutageniteitstest van Ames met Salmonella typhimurium stammen TA98 en TA100 onderzocht. De volgorde van mutagene activiteit voor beide stammen in aanwezigheid van metabole activering was quercetine>myricetine-kaempferol>morin hydraat. De stoffen galangin, luteoline, apigenine en chrysin vertoonden geen mutagene werking voor Salmonella TA98 en/of TA100. De antimutagene werking van de bioflavonoiden werd bepaald tegen de mutagene werking van benzo(a)pyreen in Salmonella stammen TA98 en TA100. Alle hier onderzochte stoffen, inclusief de stof met het laagst aantal hydroxylgroepen en chrysin vertoonden een antimutagene werking tegen de mutageniteit van benzo(a)pyreen.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

Towards development of a deposition monitoring network for air pollution of Europe | RIVM

In 1993 werd vanuit het LIFE project van de Europese Commissie DG XI het project 'Towards the development of a deposition monitoring network for air pollution of Europe' gefinancierd. Het doel van dit project was het ontwikkelen en implementeren van een depositiemonitoring-methode voor luchtverontreiniging in Europa. Een dergelijke methode zou gebruikt moeten worden als uitbreiding van bestaande Europese monitoring netwerken voor het meten van luchtconcentraties om depositieschattingen op ecosysteem-schaal te kunnen maken. In dit project werd een drietal monitoringstations ontworpen welke op drie plaatsen in Europa gedurende een jaar werden ingezet: Auchencorth, een semi-natuurlijke lage vegetatie in Schotland ; Melpitz, een grasland in Duitsland en Speulder bos, een Douglas sparrenbos in Nederland. Dit rapport beschrijft de eindresultaten van het zogenaamde LIFE project. De resultaten van het project laten zien dat de ontwikkeling van depositiemonitoring-methoden succesvol was en dat routinematige metingen voor de bepaling van de depositie van luchtverontreiniging uitgevoerd kunnen worden. De inzet van de apparatuur op drie lokaties in Europa, representatief voor verschillende condities en ecosystemen, leverde continu hoge kwaliteit gegevens voor de bepaling van de jaargemiddelde deposities. De droge depositie van SO2, NH3 en NOx werd continu gemeten met behulp van de gradientmethode. De evaluaties van parametrisaties voor de uitwisseling van deze componenten met het oppervlak vormden een belangrijk onderdeel van het project, daar deze parametrisaties gebruikt worden voor de bepaling van de depositie van de andere componenten in de zogenaamde inference methode. Er werden systematische afwijkingen gevonden tussen gemodelleerde en gemeten fluxen. Het was echter niet het doel van dit project de modellen te verbeteren. De metingen vormen een goede basis voor modelverbeteringen en zullen in de toekomst daartoe worden geanalyseerd.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

EUPHIDS, a decision-support system for the admission of pesticides | RIVM

Beschreven is EUPHIDS (EUropean Pesticide Hazard Information and Decision-support System), een beslissingsondersteunend systeem te gebruiken voor de toelating van bestrijdingsmiddelen in de Europese Unie en lidstaten ervan. EUPHIDS is het resultaat van een EU-onderzoeksproject dat in de jaren 1993-1995 is uitgevoerd door een viertal instituten uit drie landen. EUPHIDS geeft in aanvulling op de Uniforme Beginselen (Annex 6 van de Europese Unie Directive 91/414/EEC) een kwantitatieve evaluatie van de risico's afhankelijk van specifieke, regionale omstandigheden. In het systeem zijn modellen opgenomen voor de berekening van processen zoals uitspoeling en afspoeling, druppeldrift, blootstelling van werknemers in de landbouw en blootstelling van de mens via voedsel en drinkwater. Risico's worden weergegeven als de verhouding tussen de blootstellingsconcentratie en de concentratie waarbij (geen) effecten worden verwacht, zogenaamde risico-quotienten. De resultaten worden weergegeven als kaarten, zodat eenvoudig die gebieden kunnen worden geidentificeerd waarin een verhoogd risico aanwezig is. EUPHIDS v1.0 is een volledig werkend systeem, dat echter niet uitputtend is in mogelijke berekeningsmethoden. Bovendien bevat het slechts de geografische informatie van een aantal voorbeeldgebieden en zijn slechts voor een achttal stoffen chemische, biologische en (eco)toxicologische gegevens opgenomen. Het systeem is zeer open (flexibel) opgezet, zodat aanvullende gegevens, maar ook alternatieve berekeningswijzen en beslissingsregels, eenvoudig kunnen worden toegevoegd. De gebruiker van het systeem kan middels een interface eenvoudig aangeven voor welk gebied hij berekeningen wil uitvoeren en welke berekeningswijzen en beslissingsregels hij wenst te hanteren. De resultaten van de berekeningen met EUPHIDS moeten met enige voorzichtigheid worden geinterpreteerd gezien onzekerheden in invoerparameters, scenario's en modellen. Voor de vergelijking van verschillende middelen en van verschillende regio's en landen is het systeem zeer bruikbaar. Daarenboven wordt een volledig inzicht gegeven in de informatie die voor het nemen van een beslissing noodzakelijk is. Het systeem is beschikbaar op floppy-disk, voorzien van gebruiksaanwijzing en technische beschrijving.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

Electrospray ionisatie massaspectrometrie: Verkenning van het toepassingsgebied | RIVM

Betreft de resultaten van een studie naar de toepasbaarheid van electrospray ionisatie massaspectrometrie (ESI-MS). Er werd onderzoek verricht op het gebied van de eitwit- en peptide-analyse en de bepaling van polaire bestrijdingsmiddelen, macrolide antibiotica en metabolieten van polycyclische aromatische koolwaterstoffen. De techniek werd zowel met continue infusie van peptide- en eiwitoplossingen toegepast als in combinatie met HPLC voor de bepaling van laag-moleculaire verbindingen. De molecuulmassa van enkele eiwitten (17 - 66 kDa) en peptiden (5 kDa) kon met grote nauwkeurigheid bepaald worden. Bestrijdingsmiddelen en macrolide antibiotica werden op laag concentratieniveau bepaald met behulp van HPLC-ESI-MS. De identificatie van een naftaleenmetaboliet gaf de mogelijkheden van ESI-MS aan bij de structuuropheldering.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

Invloed veranderingen in inkomens, autokosten en snelheden op autobezit en -gebruik, energiegebruik en emissies | RIVM

Volgens het personenautomodel FACTS kennen prijsmaatregelen een verschillende invloed op het autobezit en gebruik, afhankelijk van de wijze waarop de maatregelen ingevoerd worden (procentueel of een vast bedrag, algemene maatregel of gedifferentieerd naar auto-/brandstoftype) en de kostenpost waarop de prijsmaatregel van toepassing is (MRB, BPM, brandstof, rekeningrijden e.d.). Daarnaast blijkt de invloed afhankelijk te zijn van de scenariocontext en de omvang van de prijsmaatregel. Tenslotte is het effect van de maatregel in de tijd niet constant. Indien twee prijsmaatregelen worden gecombineerd blijkt het effect in 30% van de gevallen af te wijken van het 'verwachte' effect (het gecombineerde effect bij 'onafhankelijkheid' van de maatregelen). Soms treedt zelfs onderlinge tegenwerking op. Emissies van NOx en VOS zijn naast veranderingen in de omvang van het autogebruik sterk afhankelijk van eventuele wijzigingen in de aandelen diesel, benzine en LPG. Vanwege de soms niet verwachte resultaten bij gecombineerde maatregelen en vanwege de gevoeligheid van de NOx- en VOS-emissies voor veranderingen in de aandelen benzine, diesel en LPG, verdient het aanbeveling beleidsvragen te beantwoorden met behulp van modelsimulaties in plaats van gebruik te maken van bekende simulaties en/of literatuur.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

Oral bioavailability of heavy metals and organic compounds from soil ; too complicated to absorb? An inventarisation of factors affecting bioavailability of environmental contaminants from soil | RIVM

Biologische beschikbaarheid is een belangrijke factor in de risicobepaling van milieucontaminanten uit de bodem. Het is een van de determinanten in de bepaling van interventiewaarden. Tot op heden wordt door gebrek aan betrouwbare informatie in PBPK-modellen de biologische beschikbaarheid uit bodem op 100% gesteld. Als blijkt dat de biologische beschikbaarheid in deze benadering met een factor 2 of meer wordt overschat, betekent dit dat de huidige interventiewaarden 50% of meer te laag zijn gesteld. Gevolg hiervan is dat te snel tot het advies bodemsanering wordt overgegaan. In dit rapport is een overzicht gegeven van de literatuurgegevens over de biologische beschikbaarheid van zware metalen (lood, arseen, cadmium) en organische verbindingen (TCDD's, TCDF's en PCB's) uit bodem. Naast algemene achtergrondinformatie over de verbindingen, is ook aandacht besteed aan de problematiek rondom het definieren van het begrip 'biologische beschikbaarheid', inclusief bepalingsmethoden en factoren die de biologische beschikbaarheid uit bodem kunnen beinvloeden. Op basis van de literatuur lijkt de conclusie gerechtvaardigd dat de biologische beschikbaarheid van milieucontaminanten vanuit een bodemmatrix inderdaad een factor 2 tot 10 lager kan zijn dan 100%. Het rapport toont echter aan dat de in de literatuur beschreven data te beperkt zijn voor directe toepassing in de berekening van interventiewaarden. Aanvullend onderzoek lijkt vereist, waarbij de aandacht met name gericht zou moeten worden op: 1) het definieren van het begrip 'biologische beschikbaarheid', 2) het verkrijgen van informatie over extractie van contaminanten uit de bodemmatrix door digestiesappen, en 3) het verkrijgen van informatie over absorptie van contaminanten vanuit de 'digestiesappen-matrix', waarbij vooral aandacht aan de speciatie van zware metalen in die matrix moet worden besteed.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit ; Resultaten 1993 | RIVM

Het Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit (LMB) heeft als primaire doelstelling het nagaan van trendmatige veranderingen in de kwaliteit van de bodem ten gevolge van diffuse belasting van de bodem. In 1993 is met de bemonstering gestart van landbouwgrond op zandgrond (melkveebedrijven). De bemonsterde bedrijven beslaan een oppervlakte die representatief is voor 25% van het zandgebied in Nederland. Onderzocht zijn bedrijven met een lage veedichtheid (extensief ; aantal: 19) en bedrijven met een hoge veedichtheid (intensief ; aantal: 16 lokaties). Naast algemene kwaliteitsparameters zijn in de landbouwgronden parameters onderzocht die gerelateerd zijn aan de milieuthema's vermesting en verspreiding. Vermestingsparameters zijn fosfaat (bodem en grondwater), nitraat, kalium en ammonium (grondwater). Voor verspreiding zijn zware metalen onderzocht (bodem en grondwater). Voorts zijn bodemgehalten aan PAK en een aantal organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB) bepaald. Daarnaast is een verkennend onderzoek (scanning) naar antimoon uitgevoerd. Voor alle lokaties geldt dat de gemiddelde metaalgehalten in de bodem beneden de streefwaarde liggen. De gemiddelde concentraties van arseen en lood in het grondwater zijn bij alle lokaties beneden de streefwaarde gelegen. Overschrijding van de streefwaarde is waargenomen voor koper, cadmium, zink en chroom. Voor zink wordt op 1 lokatie zelfs de interventiewaarde benaderd. Voor een aantal individuele PAK's liggen de lokatiegemiddelde gehalten boven de streefwaarde. Van de 16 OCB's konden een 4-tal niet worden aangetoond. Voor lindaan wordt de streefwaarde op alle lokaties overschreden. Voor dieldrin en totaal-DDT geldt dat in een belangrijk deel van de mengmonsters gehalten boven de streefwaarde worden aangetroffen. De onderzochte categorieen onderscheiden zich statistisch gezien niet duidelijk van elkaar wat betreft gehalten metalen, PAK, OCB's en vermestende stoffen (fosfaat, nitraat en kalium). In het algemeen zijn de gehalten op de intensieve bedrijven wel hoger. In het rapport is beschreven in hoeverre er correlaties bestaan tussen de huidige belasting (zware metalen) en gehalten in bodem en grondwater. De gevonden verbanden zijn in het algemeen zwak. Het overschot (aanvoer min afvoer door oogst) aan N, P en K is op de intensieve bedrijven groter dan op de extensieve bedrijven. Hetzelfde geldt voor lood, koper en zink. Daarentegen is het gemiddelde cadmiumoverschot lager dan op de extensieve bedrijven. Aan de hand van het zware-metalenoverschot (belasting) en de categoriegemiddelde concentraties van zware metalen in het grondwater, blijkt dat cadmium, lood, koper en zink nog steeds accumuleren in de bodem. Op basis van de accumulatiecijfers voor zware metalen is berekend dat voor herhaling van de bemonstering van deze categorieen, met als doel het aantonen van significante veranderingen in de gehalten van de bodem, het jaar 1998 als een zinvol tijdstip aangemerkt kan worden.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

Multi-center study on the simultaneous administration of DPT-IPV and Hib PRP-T vaccines. Part 1. Immunogenicity | RIVM

Resultaten worden beschreven van een multi-center klinische studie naar antistofvorming na twee vaccinatieschemas met simultane en gecombineerde toediening van DKTP en Hib PRP-T vaccins. 543 zuigelingen werden gerecruteerd uit 42 consultatiebureaus voor zuigelingen in Apeldoorn, Capelle en Rotterdam. De antistofrespons tegen alle vaccin-antigenen was in beide studiegroepen voldoende voor bescherming hiertegen. Een matige, maar statistisch significante interferentie werd gevonden bij de tetanus antistoffen. Deze waren lager in de groep kinderen die gecombineerde injecties kreeg dan in de groep die de injecties apart kreeg. Deze negatieve beinvloeding moet worden geinterpreteerd in het licht van de voordelen van gecombineerde toediening van deze belangrijke vaccins, waardoor het aantal injecties kan worden verminderd.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

Emissies van HFK's, PFK's, FIK's en SF6 in Nederland in 1990, 1994, 2000 , 2005, 2010 en 2020 | RIVM

Zoals overeengekomen in de United Nations Framework Convention on Climate Change is Nederland verplicht nationale emissies van broeikasgassen te rapporteren aan het klimaatsecretariaat. Om een beter inzicht te hebben in de omvang van emissies en hun toekomstige ontwikkeling wordt in dit rapport een aantal scenario's gepresenteerd voor Nederlandse emissies van HFK's, PFK's, FIK's en SF6. In het referentie-scenario nemen de Nederlandse emissies toe van 886 ton in 1990 tot 6841 ton in 2020. De uitstoot kan in 2000 gelijk zijn aan ongeveer 9 Mton CO2-equivalenten, ofwel 5% van de Nederlandse CO2-uitstoot, die in dat jaar gerealiseerd moet zijn conform de regeringsdoelstelling. In 2020 is de berekende emissie opgelopen tot 21 Mton CO2-equivalenten, ofwel 13% van de CO2-doelstelling in dat jaar (stabilisatie op het niveau van 2000). In de scenario's met maximum emission control zijn de emissies na 2000 40 - 50% lager dan in de no control-scenario's. In het scenario waarin het gebruik beperkt is tot de toepassingen stationaire koeling en gesloten schuimen is de emissie 15 - 25% lager dan in het referentie-scenario, en in combinatie met maximum emission control 50 - 60% lager. De grootste reductie (tot 90%) wordt gevonden in het scenario waarin voor iedere toepassing geldt dat de gemiddelde GWP van de gebruikte stoffen lager dan 250 is.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

Variations in outdoor radiation levels in the Netherlands | RIVM

De van nature aanwezige achtergrond aan ioniserende straling varieert als functie van tijd en plaats. Deze variaties en de onderliggende processen zijn nauwkeurig onderzocht en beschreven. Het onderzoek is voor een belangrijk deel gebaseerd op de analyse van data afkomstig van het Landelijk Meetnet voor Radioactiviteit (LMR). De externe straling in het buitenmilieu wordt voornamelijk bepaald door kosmische straling, (natuurlijke) radioactiviteit in en op de bodem en natuurlijke radionucliden in de atmosfeer, voornamelijk Rn-222 en kortlevende vervalprodukten. Met behulp van een Geografisch Informatiesysteem (GIS) is de plaatsafhankelijkheid van het terrestrische stralingsniveau in kaart gebracht. Verder is een methode beschreven om op basis van drie goed bekende parameters de tijdsvariatie in het externe stralingsniveau tot binnen een kleine onzekerheidsmarge te kunnen berekenen. Met de beschreven techniek kunnen kleine afwijkingen in het stralingsniveau (bv. door industriele activiteiten of radiologische ongevallen) in een vroeg stadium worden opgespoord. De concentratie van Rn-222 en vervalprodukten in de buitenlucht vertoont grillige tijdspatronen. Gemiddelde waarden tonen echter een duidelijke seizoensafhankelijkheid en, in de zomerperiode, een dagelijkse oscillatie. Verder zijn correlaties gevonden tussen de concentratie van Rn-222 (dochters) enerzijds en de vertikale atmosferische menging, de windrichting en -snelheid, de atmosferische druk (bij verschillende windrichtingen), de luchtvochtigheid en de mate van regenval anderzijds. Tenslotte zijn de resultaten beschreven van een model dat op continentale schaal de verspreiding van Rn-222 berekent.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

Projectbeschrijving Surveillance Ziekenhuisinfecties 1996-1999 | RIVM

Uit de literatuur is bekend dat ziekenhuisinfecties, infecties die ontstaan tijdens het verblijf van de patient in het ziekenhuis, optreden bij 5 tot 10% van de patientenpopulatie in Nederlandse ziekenhuizen. Ter onderbouwing van preventie en bestrijding van ziekenhuisinfecties dient surveillance uitgevoerd te worden. In het Project Surveillance Ziekenhuisinfecties wordt een surveillancesysteem voor ziekenhuisinfecties in een landelijk netwerk van ziekenhuizen ontwikkeld, geimplementeerd en geexploiteerd. Dit landelijk surveillancesysteem maakt het mogelijk te komen tot een continue en systematische verzameling, analyse, interpretatie en terugkoppeling van gegevens met betrekking tot het voorkomen van ziekenhuisinfecties. In het Project Surveillance Ziekenhuisinfecties wordt de surveillance van ziekenhuisinfecties in surveillancecomponenten geimplementeerd. Elke surveillancecomponent wordt gefaseerd uitgevoerd. Binnen de projectperiode, 1996-1999, komt de surveillance van postoperatieve wondinfecties in een permanente fase, de surveillance van infecties in intensive care units in een semi-permanente fase, en de surveillance van een derde, nader te definieren component zal in een pilotfase zijn.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

Non-nuclear industries in the Netherlands and radiological risks | RIVM

Betreft een overzicht van de risico's van de natuurlijke radioactiviteit betrokken bij de niet-nucleaire industrieen (NNI) voor de bevolking en een update van eerdere rapporten over dit onderwerp. Bij de risicoberekeningen worden de richtlijnen van het Ministerie van VROM met betrekking tot modellering en risico-evaluaties als uitgangspunt genomen. De conclusies kunnen gebruikt worden voor een verbeterde vergelijking van de risico's van de verschillende industriele bedrijfstakken met fabrieken van niet-nucleaire industrieen en met andere milieurisico's. In de risicobepalingen zijn drie soorten bijdragen meegenomen: emissies van radionucliden in lucht, emissies in oppervlaktewater en externe straling van grote hoeveelheden materialen. Het beschouwde risico is de verhoogde kans op sterfte door kanker bij leden van de bevolking blootgesteld aan straling in de buurt van niet-nucleaire industrieen. Daartoe werd de jaarlijkse dosis bij de bevolking berekend en vermenigvuldigd met een risicofactor van 2,5*10 exp.-2 Sv exp.-1. Een eerste screening van de NNI is gedaan door, uitgaande van emissiegegevens, de dosis te berekenen met generieke factoren en door het risico voor een (hypothetisch) lid van de bevolking in de buurt van een industrie te berekenen. Dit geeft een multifunctioneel risico (MIR). Voor bedrijven met een relatief hoog risico (groter dan 10 exp.-8 a exp.-1) is nader onderzoek gedaan. Het werkelijke gebruik van de omgeving door de bevolking werd in acht genomen. Dit levert het actuele individuele risico (AIR) op: voor 15 bedrijven met een individueel risico hoger dan het AIR door emissies in lucht, voor vier bedrijven door emissies in water en voor negen bedrijven door externe straling. Bij zes bedrijven overschrijdt het multifunctioneel individueel risico (MIR) 10 exp.-6 a exp.-1, maar indien het werkelijk gebruik van de omgeving in acht werd genomen, was het actuele risico (AIR) slechts eenmaal boven dit niveau. Indien de resultaten worden vergeleken met eerdere rapporten, blijkt dat een aantal risicoschattingen nu lager uitkomt, omdat gebruik gemaakt is van de nieuwe richtlijnen van VROM. Vooral de bijdrage door ingestie van besmette vis is lager, omdat een lagere gemiddelde visconsumptie is aangehouden dan in vorige rapporten. Het belastingspad water - havenslib - polderophoging - radon in huizen is voor het eerst beschouwd ; het geeft een aanzienlijke bijdrage, maar heeft een grote onzekerheid. De inherente onzekerheid in de resultaten zouden verkleind kunnen worden door nader onderzoek.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

Onderzoek naar de effecten van verschillende doseringen glycyrrhizine bij gezonde vrouwelijke vrijwilligers | RIVM

Teneinde een "no effect level" van glycyrrhizine vast te stellen, werd een dubbelblind, gerandomiseerd, gecontroleerd onderzoek uitgevoerd bij 39 gezonde vrouwelijke vrijwilligers. Gedurende 8 weken werd glycyrrhizine in een dosis van 0, 1, 2 of 4 mg per kg lichaamsgewicht ingenomen. De doseringen en de keus voor vrouwelijke deelnemers waren gebaseerd op een voorafgaand pilot onderzoek. De volgende parameters werden bestudeerd: gewicht, bloeddruk, electrolyten concentratie in plasma, 24-uurs excretie van electrolyten in urine, plasma renine activiteit, plasma aldosteron concentratie, atriaal natriuretisch peptide concentratie en de concentratie van glycyrrhetinezuur in plasma. De deelnemers hielden een klachtenlogboek en eetdagboekjes bij. Alleen in de hoogste doseringsgroep van 4 mg glycyrrhizine per kg lichaamsgewicht werden effecten waargenomen. Deze betroffen volume expansie enerzijds en veranderingen in plasma electrolyten anderzijds. De volume expansie tijdens glycyrrhizine-inname kwam tot uiting in suppressie van het renine-angiotensine-aldosteron systeem en toename van gewicht. Tevens daalde de atriaal natriuretisch peptide-concentratie na het staken van de glycyrrhizine-inname. De electrolytveranderingen betroffen daling van plasma kalium en stijging van plasma bicarbonaat-concentratie tijdens de glycyrrhizine-inname. Op grond van deze gegevens kan een "no effect level" van 2 mg glycyrrhizine per kg lichaamsgewicht per dag worden afgeleid.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

Verspreiding van emissies uit secundaire grondstoffen in bodems. Deel 1. Kolomexperimenten | RIVM

Onderzoek is verricht naar de verspreiding in de bodem van emissies uit secundaire grondstoffen. Hiertoe zijn in het laboratorium 3 kolomproeven uitgevoerd. Per proef is een alkalische secundaire grondstof uitgeloogd met pH4 water ; vervolgens is dit percolaat over verschillende typen bodems geleid. Als secundaire grondstoffen zijn fosforslak, staalslak respectievelijk AVI-bodemas onderzocht. In totaal zijn een 7-tal gronden met varierend organisch koolstof-, klei-, en oxide-gehalte in het onderzoek meegenomen. Uit het onderzoek bleek dat stoffen die sterk uitlogen uit secundaire grondstoffen (Ba uit staalslak, F uit fosforslak en F, Mo, Sb en Cu uit AVI-bodemas, Ca uit alle alkalische secundaire grondstoffen) in meer of minder mate worden gebonden in de onderliggende bodem. De mate van binding bleek linear gecorreleerd met het organisch koolstof gehalte danwel het oxalaat extraheerbaar ijzer en aluminium gehalte van de onderzochte gronden. Alkalisch reststofpercolaat mobiliseerde de 'bodem-eigen' chemische componenten Zn, As en Sb sterker dan pH4 water (referentie experiment), terwijl voor Cu het omgekeerde gold. De resultaten van dit onderzoek worden in deelrapport-2 verder uitgewerkt tot bindings(sorptie)vergelijkingen waarmee de verspreiding van reststof-componenten in de bodem modelmatig kan worden berekend.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

In situ biorestauratie van een met olie verontreinigde bodem: Resultaten van het onderzoek in ongestoorde grondkolommen | RIVM

In het kader van het onderzoeksproject "in situ biorestauratie van een met olie verontreinigde bodem" zijn kolomexperimenten uitgevoerd. De experimenten werden uitgevoerd om de mogelijkheid na te gaan met behulp van micro-organismen de bodem te reinigen zonder dat de grond hiervoor afgegraven wordt. De experimenten zijn uitgevoerd in zes ongestoorde grondkolommen, die gestoken zijn op een met benzine verontreinigde lokatie te Asten (Noord-Brabant). Door aan de kolommen verschillende nutrienten toe te voeren, is onderzocht welke omstandigheden de activiteit van de micro-organismen gunstig beinvloeden. Uit de resultaten is gebleken dat de benzinecomponenten via uitspoeling en door microbiele omzettingen uit de bodem kunnen verdwijnen, afhankelijk van de toevoegingen. De grond is het eerst gereinigd waar het percolatiewater de kolom binnentreedt. Vrijwel alle toegevoerde zuurstof werd in de kolommen gebruikt ; er vonden aerobe omzettingen plaats. Bij kolom 5, waaraan nitraat toegevoegd was, bleef een grote hoeveelheid stikstof achter in de kolom. Waarschijnlijk vonden in deze kolom ten gevolge van de nitraatdosering ook omzettingen plaats onder anaerobe omstandigheden. Het is niet duidelijk of dit ook in de andere kolommen opgetreden is. Bij de kolommen 3 en 4, waaraan peroxyde gedoseerd was, zijn de laagste gehaltes aan minerale olie teruggevonden bij de ontmanteling. Toch is bij kolom 5 de grootste hoeveelheid benzine verdwenen. Het is echter niet bekend of dit veroorzaakt is door de anaerobe omzettingen tijdens de eerste fase van de experimenten of door recirculatie tijdens de tweede fase. Ook bij kolom 6, waarbij alleen het effluent gerecirculeerd is, zijn goede resultaten geboekt. Bij alle kolommen, met uitzondering van kolom 1, zijn onderin de kolom gehaltes aan individuele componenten gevonden beneden de detectiegrens. Alleen bij kolom 4 is dit ook bovenin de kolom gevonden. De beste resultaten werden verkregen in de kolommen waaraan peroxyde gedoseerd werd of waarbij het effluentwater gerecirculeerd werd. Echter kan niet met zekerheid gesteld worden dat de streefwaarden overal gehaald zouden kunnen worden. Uit het onderzoek is gebleken dat in situ biorestauratie een veel belovende techniek is voor de sanering van bodemverontreinigingen met olieprodukten. Verdere ontwikkeling van deze techniek door middel van een praktijksanering is aan te bevelen.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

Afstemming tussen de modellen DEMNAT, SMART/MOVE en GREINS | RIVM

Al enkele jaren zijn er verschillende vegetatiemodellen in ontwikkeling ter ondersteuning van het nationale milieu-, water- en natuurbeleid, nl. DEMNAT, SMART/MOVE en GREINS. DEMNAT is vooral sterk in de verdrogingsproblematiek, MOVE in de combinatie van verdroging, verzuring, en vermesting. GREINS is weliswaar een regionaal model maar combineert wel al deze stressfactoren met de factoren beheer en successie. Vooralsnog is integratie van de modellen niet mogelijk. Bij een vergelijkende analyse van de modellen konden wel een aantal modules/bouwstenen onderscheiden worden die in meerdere modelconstellaties bruikbaar zouden zijn, zoals de grondwater-trapkaarten de ecologische responsies van soorten. Voor enkele prioritaire bouwstenen is een gemeenschappelijk actieprogramma opgesteld. Dit betrof o.a. een digitale kaart van natuurgebieden, kaarten voor kwelflux en -kwaliteit, koppeling van het hydrologisch model MOZART met het bodemmodel SMART2, de ecologische optima-curves van plantesoorten en een vergelijking tussen modellen op onderdelen en op einduitkomsten.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

De kans op infectie en ziekte na het eten van schelpdieren, besmet met Campylobacter lari - een orienterende studie | RIVM

Voor schatting van de gezondheidsrisico's bij de consumptie van rauwe schelpdieren, besmet met Campylobacter lari, zijn kwantitatieve gegevens nodig over de dosis en de dosis-responsrelatie. In dit onderzoek zijn aantallen C. lari in rauwe oesters en mosselen geschat uit gegevens van een Most Probable Numbers (MPN)-test met 1 verdunning. Samen met gegevens over het aantal schelpdieren in een portie en de gewichtsverdeling van oesters/mosselen, kan hiermee de dosis pathogenen in een portie oesters/mosselen geschat worden. Voor Campylobacter lari zijn geen dosis-responsgegevens bekend, daarom zijn gegevens uit een vrijwilligersexperiment met C. jejuni gebruikt voor schatting van het infectierisico. Het mediane risico op infectie door C. lari na het eten van een enkele portie rauwe schelpdieren blijkt dan 2-10% (oesters) of 5-20% (mosselen) te zijn, afhankelijk van het tijdstip binnen het seizoen. Onzekerheidsanalyse leidt tot een 95% bovengrens voor het infectierisico van 60% . Uitgaande van gegevens voor C. jejuni zou de kans op acute gastro-enteritis na infectie tot 20% kunnen bedragen, zodat de geschatte mediane kans op ziekte 0.4-2% (oesters) of 1-4% (mosselen) zou kunnen zijn. Voor de consumptie van rauwe schelpdieren zijn geen bevolkingsgegevens bekend, zodat de geschatte risico's niet kunnen worden vertaald in mogelijke incidenties. Het is echter wel mogelijk om het risico na herhaalde blootstelling te berekenen: maandelijkse consumptie van een portie rauwe schelpdieren gedurende een kompleet seizoen leidt tot een geschatte kans op infectie van 50% (voor oesters, voor mosselen 60% . Na koken mag aangenomen worden dat besmette mosselen veilig zijn voor consumptie, mits het standaardrecept wordt gevolgd, en de mosselen niet gegeten worden, onmiddellijk na het openen van de schelp. De hier gegeven analyse geeft duidelijk aan dat er grote behoefte is aan meer kwantitatieve gegevens omtrent concentraties van pathogenen, consumptiepatronen, en dosis-responsrelaties, om de betrouwbaarheid van de geschatte risico's te verbeteren.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

Klachten over vliegtuiglawaai in kaart | RIVM

Het RIVM brengt op verzoek van de Commissie Geluidshinder Schiphol sinds een aantal jaren klachten over vliegtuiglawaai rond de luchthaven Schiphol in kaart. Vanwege externe belangstelling voor deze informatie zijn in dit rapport kaarten met klachten over vliegtuiglawaai rondom de luchthaven Schiphol voor 1993 en 1994 gebundeld en beschreven. Het absolute aantal klachten en klagers neemt toe in de tijd, parallel aan de toename van het vliegverkeer. De kaarten geven een beeld van de ruimtelijke spreiding van de mate van overlast door vliegtuiggeluid in relatie tot geluidsbelasting. Tezamen met de hoge correlatie tussen het aantal klachten per 4-cijferig postcodegebied van opeenvolgende jaren maakt dit de registratie van klachten potentieel bruikbaar als monitoringsinstrument. De klachten geven echter geen volledig beeld van de werkelijke overlast, uitgedrukt in de mate van hinder.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

Definition Report -Indicator Effects Toxic Substances (Itox) | RIVM

De mogelijkheden zijn onderzocht om een indicator (Itox) te ontwikkelen, die in staat is om op regionale schaal het effect van toxische stoffen op de gezondheid van ecosystemen aan te geven. Met betrekking tot de milieukwaliteit, kan Itox worden toegepast als een alternatief voor de huidige Milieubeleidsindikator-Verspreiding (MBI-V). In de toekomst kunnen mondiale Itox-berekeningen eveneens worden toegepast binnen de Wereldmilieuverkenningen. Op basis van de resultaten van deze definitiestudie wordt een plan van aanpak voorgesteld waarmee jaarlijkse indicatorwaarden berekend kunnen worden, zoals Itox-1996.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

A Comparison of Different Options for Electricity Production: Environmental Indicators for Application in a Multi Attribute Utility Analysis | RIVM

Het project "Vergelijking van de risico's van electriciteits-produktie" heeft als doel een methode te vinden voor het vergelijken van zowel gezondheidseffecten als milieu-effecten van verschillende manieren van elektriciteitsproduktie. Hiertoe zijn twee voorbeelden gekozen: een kolencentrale in Duitsland en een kerncentrale in Frankrijk die vergeleken worden op basis van een multicriteria analyse. Dit rapport beschrijft een mogelijke set van milieu-indicatoren voor deze vergelijking. Voor een beperkt aantal milieuthema's als verandering van klimaat, verspilling, verzuring en verspreiding (zware metalen en radionucliden), zijn de indicatoren verder uitgewerkt met voorbeeldberekeningen. De voorbeeldberekeningen laten zien dat het mogelijk is indicatoren, die gebaseerd zijn op de concentraties waarbij nog geen effect optreedt, eenvoudig uit te rekenen en onderling te vergelijken. De vergelijking van de verschillende soorten indicatoren moet nog worden uitgevoerd in de multicriteria analyse.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

Onderzoek naar het voorkomen van dioxinen in de Nederlandse atmosfeer. Deel V: Samenvatting, evaluatie en conclusies van een surveillance-onderzoek | RIVM

De resultaten van een onderzoek naar het voorkomen van dioxinen in de Nederlandse atmosfeer zijn beschreven. Bemonsteringen zijn op vier representatieve locaties verspreid over het land uitgevoerd in de perioden mei-september 1991 (Vlaardingen), september-november 1992 (Witteveen), maart-mei 1993 (Wijnandsrade) en juni-juli 1993 (Zegveld). De gevonden, gemiddelde waarden waren: Vlaardingen, 56 +- 30 ; Witteveen, 28 +- 9 ; Wijnandsrade, en Zegveld, 23 +- 8 fg TEQ/m3. Daarnaast is een schatting gemaakt van de bijdragen van de trajecten aan de locale lange-termijnwaarden. Op drie noordelijke locaties (Vlaardingen, Zegveld, Witteveen) zijn de hoogste concentraties gevonden in de zuidwestelijke richting (Vlaardingen 125 +- 75 fg TEQ/m3, relatief snel dalend tot een waarde rond 45 +- 20 pg TEQ/m3 op de lijn Zegveld-Witteveen). De laagste waarden zijn gevonden in lucht uit noordelijke richtingen, varierend van 8 +- 3 uit noordwestelijke tot 20 +- 10 pg TEQ/m3 uit de noordoostelijke richting. De bijdrage van de zuidwestelijke windrichting aan de jaargemiddelde waarden lag op deze locaties tussen 65 tot 85%. In Zuid-Limburg (Wijnandsrade) was de richtingsafhankelijkheid veel kleiner. Hoogste waarden varierend van 70 +- 25 fg TEQ/m3 en 65 +- 25 fg TEQ/m3 zijn gevonden uit zuidwestelijke (centraal Belgie) resp. noordoostelijke richting (Roergebied). De concentratie in zuidoostelijke en noordwestelijke windrichtingen lagen gemiddelde rond 50 +- 25 fg TEQ/m3. Op basis van dit profiel en de normale windrichtingsverdeling wordt de bijdrage van het grensoverschrijdend transport aan de locale achtergrondwaarde geschat op 50% uit Belgie (regio Luik, Brussel), 25% uit Duitsland (Roergebied) en 25% uit Noord-Belgie en Nederland. De resultaten kwamen goed, d.w.z. binnen een factor twee, overeen met de berekende waarde (OPS-model) op basis van emissiegegevens van 1990. Geconstateerde relatieve verschillen op de verschillende locaties kunnen mogelijk worden toegeschreven aan een onderschatting van de gemiddelde transportafstand in de atmosfeer van deeltjesgebonden dioxinen door het model.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

Mobiele werktuigen in Nederland ; prognoses tot 2020 ; Beschrijving en toepassing van het model PROMIN | RIVM

Onder mobiele werktuigen vallen zowel speciale voertuigen als overige mobiele bronnen. Speciale voertuigen zijn volgens de definitie van het CBS voor een specifieke functie verbouwde bestel- of vrachtwagens, zoals ambulances, vuilniswagens en betonmolens. Overige mobiele bronnen zijn werktuigen zonder kenteken, met een motor om zichzelf mee te kunnen verplaatsen. In dit rapport wordt een model beschreven waarmee energiegebruik en emissies van mobiele werktuigen voor de periode van 1990 tot 2020 berekend kunnen worden. In 1990 is het energiegebruik door mobiele werktuigen 28,6 PJ, hetgeen een aandeel vormt van 1,0% in het totale Nederlandse energiegebruik. De landbouwwerktuigen hebben daarin met 9 PJ het grootste aandeel, gevolgd door speciale voertuigen, graafmachines en heftrucks. Met het model worden de emissies van mobiele werktuigen berekend voor een groot aantal stoffen ; de belangrijkste hiervan zijn CO2, CO, VOS, NOx en Aerosolen. Voor het maken van prognoses met betrekking tot energiegebruik en emissies is in deze studie gebruik gemaakt van de CPB-scenario�s Global Shift en European Renaissance. Daarnaast zijn er een drietal beleidsvarianten verondersteld ; een pakket zonder beleid, een beleidspakket I, met de voorstellen voor emissienormeringen zoals die er op moment van schrijven liggen en een maatregelpakket II, met, aanvullend op de maatregelen ten opzichte van pakket I, in 2010 verdere aangescherpte emissienormeringen.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

Risk assessment of contact allergens: a feasibility study | RIVM

Huidsensibilisatie ofwel allergische contactdermatitis, is weliswaar geen levensbedreigende aandoening, maar toch kan deze aandoening het functioneren van getroffenen ernstig beperken. Daarom wordt bij de toelating van stoffen, waaronder chemicalien, huishoudprodukten en cosmetica, inzicht in de sensibiliserende eigenschap van de stoffen geeist. In het algemeen wordt deze sensibiliserende eigenschap in diermodellen onderzocht. Door de opzet van deze diermodellen is slechts inzicht in de intrinsieke sensibiliserende eigenschap mogelijk. Voor een goede risicoschatting is echter meer inzicht in de kwantitatieve aspecten van het sensibiliserend karakter van een stof nodig. In deze studie is onderzocht welke beperkingen de huidige diermodellen voor een dergelijke kwantitatieve risicoschatting hebben. Vervolgens worden aanpassingen aan de testprotocollen voorgesteld, alsmede additioneel onderzoek met behulp van in-vitro modellen. Tenslotte wordt een teststrategie voorgesteld.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

Tropospheric Ozone Research: Monitoring and modelling of photo-oxidants over Europe | RIVM

Het EUROTRAC-TOR programma is opgezet om chemische- en transportprocessen, die van belang zijn voor het optreden van foto-oxidantia in Europa te bestuderen. Kernvraag is: "welke rol spelen emissies in Europa en welke resultaten kunnen beleidsmatig maximaal behaald worden?". In het kader van TOR is een meetnet van kwalitatief hoogwaardige meetstations opgezet, enkele jaren intensief gemeten en heeft analyse van de metingen plaatsgevonden onder andere met behulp van modellen. Dit rapport geeft de technische en weten-schappelijke documentatie van het Nederlandse TOR station Kollumerwaard. Verder omvat het de documentatie van de TOR database, een evaluatie van de O3, NMVOC, CO, CO2, CH4 en PAN data, zowel van Kollumerwaard als van het internationale TOR netwerk, en een beschrijving van het O3-budget in Europa. Voor het laatste onderdeel zijn ook modellen toegepast.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

Generalized Soil Map of Europe ; aggregation of the FAO-Unesco soil units based on the characteristics determining the vulnerability to degradation processes | RIVM

De bodemeenheden die op de Europese bodemkaart (FAO-Unesco, 1981) voorkomen, zijn geaggregeerd tot 11 categorieen van bodems met vergelijkbare bodemkarakteristieken. Deze karakteristieken zijn van belang bij het schatten van de gevoeligheid van de bodem voor de belangrijkste bodemdegradatie processen. Het betreft hier, onder andere, de volgende bodemkarakteristieken: bodemdiepte, stenigheid, textuur en zuurgraad. De belangrijkste bodemdegradatie processen in Europa zijn wind- en watererosie, compactie, verzuring en verontreiniging via de bodem van het grondwater en het ecosysteem met milieuvreemde en milieu-eigen stoffen. De elf bodemcategorieen zijn samengevoegd tot vier groepen van bodemcategorieen die een vergelijkbaar gedrag vertonen ten aanzien van bodemdegradatie. Op basis van het voorliggende materiaal wordt geschat dat 15% van het Europese landoppervlak zeer gevoelig is voor alle vormen van bodemdegradatie. Ongeveer 30% is zeer gevoelig voor 3 van de 4 vormen van bodemdegradatie.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

Plasmaspiegels van benzo(a)pyreen na viereneenhalve maand herhaalde orale toediening van benzo(a)pyreen aan de Riv:TOX rat | RIVM

In het kader van project '658603 (chronische carcinogeniteitsstudie met benzo(a)pyreen in de rat)' zijn er bij 48 ratten (24 mannelijke en 24 vrouwelijke) na een periode van viereneenhalve maand van regelmatige orale toediening van benzo(a)pyreen bloedmonsters afgenomen. De toediening bestond uit dagelijkse doses van een oplossing van benzo(a)pyreen in soya-olie per maagsonde, gedurende vijf dagen per week. Er waren vier doseringsniveaus: 0,1, 3, 10 en 30 mg per kg lichaamsgewicht. Op tijdstippen tot zes uur na toediening werden twee bloedmonsters per dier afgenomen. De tijdstippen van monstername waren gelijk voor de verschillende doseringsniveaus. De plasmaspiegels waren evenredig met de toegediende dosis tot de macht 1,5 voor mannetjesdieren en tot de macht 1,6 voor vrouwtjesdieren. De gemiddelde blootstelling aan onveranderd benzo(a)pyreen was gelijk voor mannetjes en vrouwtjes bij doseringen van 0,1 mg/kg en 3,0 mg/kg, maar ongeveer twee maal zo groot voor mannetjes dan voor vrouwtjes bij doseringen van 10 en 30 mg/kg. De blootstelling na de laatste dosis van 30 mg/kg was hetzelfde als waargenomen in een 15-daagse studie aan het einde van elk doseringsinterval. De in dit onderzoek verkregen resultaten zullen worden gebruikt in het Physiologically Based Pharmacokinetic (PB-PK) model voor benzo(a)pyreen dat momenteel in ontwikkeling is. Aan de hand daarvan worden de resultaten in samenhang met de waargenoment effecten geinterpreteerd.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

The use of disinfectants in livestock farming | RIVM

In 1993 werd een beoordelingsmethode voor niet landbouwbestrijdingsmiddelen gepresenteerd. Deze beoordelingsmethode is ingebouwd in het Uniform Beoordelingsysteem voor Stoffen (UBS). Het UBS kan worden gebruikt voor het maken van snelle risico analyses en voor het stellen van prioriteiten bij de beoordeling van nieuwe- en bestaande stoffen, gewasbeschermings-middelen en biociden in het kader van de Wet milieugevaarlijke stoffen en de Bestrijdingsmiddelenwet. In 1996 zal een tweede nationale versie van het UBS worden opgeleverd. In dit rapport worden modellen voor het gebruik van ontsmettingsmiddelen in de veeteelt beschreven in aanvulling op de reeds bestaande modellen voor de beoordeling van niet-landbouwbestrijdingsmiddelen. De gepresenteerde modellen zullen in de tweede versie van het UBS worden geimplementeerd en beschrijven de volgende emissie scenario's: ontsmetting van dierverblijven ; ontsmetting van schoeisel (van mensen) en klauwen van dieren ; desinfectie van melkwininstallaties ; onsmetting van transportmiddelen en desinfectie van kuikenbroederijen.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

Pesticides amenable to gas chromatography: Multi Residue Method 1 | RIVM

In dit rapport wordt een multiresidue methode voor de bepaling van bestrijdingsmiddelen met behulp van gaschromatografie in een grote verscheidenheid aan voedingsprodukten beschreven. De methode omvat organochloor-pesticiden, organofosfor-verbindingen, pyrethroiden en stikstofhoudende verbindingen. Het betreft een gemoderniseerde versie en omvat multiresidu methoden voor genoemde groepen bestrijdingsmiddelen zoals beschreven in het handboek 'Analytical Methods for Residues of Pesticides in Foodstuffs', vijfde editie (1988), onder supervisie van het Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, gepubliceerd door SDU uitgeverij (ISBN 90 12 06172 5). Dit handboek is tot stand gekomen onder redaktie van de Werkgroep 'Ontwikkeling en Verbetering van Residu-analyse methoden' (OVR), waarin experts op het gebied van de residu- analyse van bestrijdingsmiddelen werkzaam bij de Inspecties Gezondheidsbescherming en Nederlandse onderzoeksinstituten deelnemen. De methode, zoals in dit rapport beschreven, zal in de zesde editie (1996) van boven genoemd handboek worden opgenomen. Dit rapport bevat informatie verzameld op basis van gegevens uit de praktische ervaringen van de leden van de Werkgroep OVR, en geeft een beeld van de hedendaagse praktijk van de residu-analyse van bestrijdingsmiddelen in Nederland.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

Bodemkwaliteitskartering van de Nederlandse landbouwgronden | RIVM

In dit rapport wordt nagegaan in hoeverre bodemkwaliteitsverschillen tussen de 13 landbouwgebieden volgens het Landbouw Economisch Instituut (LEI) optreden en waar streefwaarden worden overschreden. Hierbij is gebruik gemaakt van bodemmonsters die op routine basis worden genomen ten behoeve van bodemvruchtbaarheidsonderzoek. Verschillende combinaties van grondsoort (zand, rivierklei, zeeklei, leem en veen) en bodemgebruik (grasland, bouwland, mais, boomgaarden en bloembollenteelt) zijn onderzocht op zware metalen en organische verbindingen. De resultaten van de zware metaalanalyses laten ondermeer zien dat in het westelijk weidegebied over het algemeen hogere cadmium-, koper-, lood-, zink-, kwik- en arseengehalten zijn gemeten dan in andere regio's van Nederland, hetgeen ondermeer een gevolg is van regionale verschillen in atmosferische depositie. Toetsing van de resultaten aan de streefwaarden laat zien dat streefwaarden worden overschreden in diverse regio's voor cadmium, lood, zink, koper en kwik. De resultaten van de analyses van organische verbindingen laten zien dat de gehalten aan polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) het hoogst zijn in de fruitteelt in het Rivierkleigebied ; het gemiddelde fluorantheengehalte bedraagt daar bijvoorbeeld 48 keer de streefwaarde. Voor lindaan wordt in alle monsters de streefwaarde overschreden. In het zuidelijk zandgebied werd een lindaangehalte gemeten 147 x hoger dan de streefwaarde. De resultaten van de calciumchloride-extracties laten zien dat cadmium van de onderzochte zware metalen het meest beschikbaar/mobiel (ca. 10% in zandgrond) is in de bodem. Voor zink is in zandgrond 3-9% beschikbaar. De percentages liggen lager voor koper (0,5%), nikkel (ca. 1%) en arseen (0,3%). Lood en chroom zijn in de bodem praktisch niet beschikbaar (lood: max. 0,07% en chroom: max. 0,04%). Een vergelijking tussen resultaten van een soortgelijk onderzoek dat in 1986 is uitgevoerd, levert geen aanwijzingen op over significante veranderingen in koper-, lood- en zinkgehalten in grasland en bouwland tussen 1986 en 1992. Voor cadmium zijn de gehalten voor grasland op klei en zand, in 1992 significant lager (afname ca. 40%) in vergelijking met meetresultaten uit 1986. Dit verschil kan niet worden toegeschreven aan een afname van de belasting van landbouwgrond, maar is voornamelijk het gevolg van steekproefverschillen. Ter verkrijging van een landelijk c.q. regionaal beeld van stofgehalten in de bodem is een onderzoek als dit aan te bevelen. Voor het detecteren van trends is een onderzoekopzet als het onderhavige niet geschikt.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

Ecologisering van het belastingstelsel ; Indicatieve berekeningen van de milieu-effecten van belastingen op het terrein van energie en verkeer en vervoer | RIVM

Op verzoek van de werkgroep 'vergroening van het fiscale stelsel' (ingesteld door het Ministerie van Financien) heeft het RIVM de milieu-effecten van een aantal fiscale maatregelen geraamd, die betrekking hebben op het energiegebruik (en de daaraan gekoppelde CO2-emissies) en op het personenautogebruik. Het betreft zowel maatregelen die in het verleden zijn genomen, als beleidsvoornemens of mogelijke beleidsopties voor de toekomst. Op het energieterrein zijn de effecten geraamd van de brandstofheffing (WBM) in het verleden en van een reeel constante brandstofheffing tot en met het jaar 2000. Tevens is het effect gekwantificeerd als 25% van de heffingsopbrengst in de periode 1994-2000 wordt teruggesluisd naar de betreffende doelgroepen voor extra maatregelen voor energiebesparing. Ten aanzien van verkeer en vervoer is een schatting gemaakt van het effect van de (reele) verhoging van de brandstofaccijns in het verleden en van een verhoging van de brandstofaccijns in de toekomst conform NMP-2. Tot slot zijn berekeningen gemaakt van de effecten van veranderingen in het reiskostenforfait. Alle geraamde effecten zijn uitgedrukt in reducties in energiegebruik, in CO2-emissies en - voor zover relevant - in personenautogebruik.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

Indikatieve studie naar de ammoniakproblematiek in het ROM gebied Zuid-Oost Friesland | RIVM

Door de Ministers van VROM en LNV, als mede de milieugedeputeerde van Friesland is een zogenaamde 'Commissie NH3' ingesteld met als opdracht een oplossing te vinden in het conflict dat gerezen is o.a. omtrent de ammoniakproblematiek in het ROM gebied Zuid-Oost Friesland. Ter ondersteuning van de commissie is door het RIVM een studie uitgevoerd waarin de situatie in het ROM gebied in kaart is gebracht en enkele emissievarianten zijn doorgerekend. Voor het RIVM is dit een proef-projekt om te zien in hoeverre modellen en data voorhanden zijn om op deze lokale, gedetailleerde schaal de milieukwaliteit te beschrijven en inzicht te krijgen in de onzekerheden en hiaten in kennis. Uit de studie blijkt dat in 1993 een emissiereduktie van ongeveer 10% ten opzichte van 1980 is gerealiseerd. Voorlopige cijfers voor 1994 laten zien dat, voornamelijk door de onderwerkverplichting, de emissie verder gedaald is tot ongeveer 70% van de emissie in 1980. Emissiereduktie door implementatie van technische maatregelen geeft een emissieniveau dat in de buurt komt van het emissieplafond (41 kg NH3 ha-1) noodzakelijk voor het bereiken van deposities op de grote voor verzuring gevoelige gebieden, die overal onder de kritische waarden blijven. Uit de optimalisatiestudie is verder gebleken dat wanneer de generieke doelstelling voor totaal-stikstof aangehouden wordt, 1000 mol ha-1 j-1 voor alle grote natuurgebieden, een emissieplafond van ongeveer 45 kg NH3 ha-1 in het gebied zou volstaan.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

SimpleTreat 3.0: a model to predict the distribution and elimination of Chemicals by Sewage Treatment Plants | RIVM

Dit rapport beschrijft het spreadsheet SimpelTreat 3.0 een model waarmee de distributie en eliminatie van chemicalien door een rioolwaterzuiveringsinstallatie (rwzi) kan worden voorspeld. SimpelTreat 3.0 is een verbeterde versie van SimpleTreat, dat ten behoeve van het Uniform Beoordelingssysteem Stoffen (UBS versie 1.0, 1994) in Nederland wordt toegepast. Ofschoon aanvankelijk bij dit model de nodige reserves bestonden, werd het al spoedig geaccepteerd als een nuttig instrument voor generieke blootstellingsbeoordeling. Thans wordt onderkend dat de nauwkeurigheid van exposure assessment, met name voor het compartiment water, grotendeels wordt bepaald door de nauwkeurigheid waarmee de emissie door rwzi's kan worden voorspeld. In SimpelTreat 3.0 hebben de geformuleerde transport- en omzettingsprocessen van een chemische verbinding een breder toepassingsgebied, zowel t.a.v. stofeigenschappen als scenario's. Emissie van stoffen door een rwzi via slibproduktie, werd gemodificeerd waarbij rekening werd gehouden met de aan- dan wel de afwezigheid van voorbezinking van afvalwater. Primaire bezinking wordt veel toegepast in stedelijke gebieden, waar meestal zeer grote installaties het onbezonken afvalwater verwerken. Afwezigheid van voorbezinking komt meer voor in landelijke gebieden waar het overgrote deel gezuiverd wordt, zoals in Denemarken. Mathematische formuleringen voor de afzonderlijke lotgevallen van een stof in een rwzi werden herzien. Voor emissie naar lucht als gevolg van het beluchtingsproces in de aeratietank, is een verbeterde schatting gemaakt rekening houdend met de gas-film weerstand. Dit is een meer correcte beschrijving van het gedrag van semi-vluchtige verbindingen. De invoer en de verwerking van biodegradatiegegevens hebben echter de meeste veranderingen ondergaan. Modificaties zijn gedeeltelijk ingegeven door de discussies die hebben plaatsgevonden tijdens de ontwikkeling van het risicobeoordelingssysteem voor "nieuwe" en "bestaande" stoffen voor Europese Gemeenschap. Ook recent gepubliceerde onderzoeksresultaten zijn in toepassing gebracht. Momenteel wordt voor de EU een tweede versie van UBS voorbereid (USES 2.0). Aangezien de modelmatige beschrijving van het lot van stoffen in rwzi een sleutelrol speelt bij de blootstellingschatting, is besloten om voor dit doel SimpelTreat 3.0 aan te wenden i.p.v. SimpleTreat. Dit rapport dient als naslagwerk voor SimpelTreat 3.0. De spreadsheet-file op diskette aan dit rapport toegevoegd werd geschreven in MicroSoft EXCEL.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

Relevance of effect modelling for the risk assessment of substances | RIVM

Dosis-gerelateerde effecten spelen een belangrijke rol bij de risico-evaluatie van stoffen. De preventieve risicoschatting (normstelling) gebruikt in het algemeen slechts een punt van de dosis-effect curve: het Geen-waargenomen-schadelijk-effect-niveau oftewel de 'No-observed-adverse-effect-level'. Voor de actuele risicoschatting is echter inzicht in de dosis-effect curve van belang om het risico bij een bepaalde actuele blootstelling te kunnen schatten. De vorm van de dosis-effect curve wordt bepaald door de toxicokinetiek en toxicodynamie van een stof. De toxicokinetiek behelst de absorptie, distributie, metabolisme en excretie van een stof. De toxicodynamie omvat de manier waarop een stof tot toxische effecten leidt. Door mathematische modellering kunnen toxicokinetische en toxicodynamische processen dynamisch worden beschreven. Dit rapport gaat in op hoe toxicokinetische modellering (PBPK-modellering) en toxicodynamische modellering (effect-modellering) kunnen bijdragen aan een verbetering van de preventieve en actuele risicoschatting. Het gecombineerd toxicokinetisch/toxicodynamisch modelleren maakt de risico-evaluatie van stoffen mogelijk voor alle humane blootstellingsniveaus (geen hoge-dosis-lage-dosis extrapolatie), voor elk blootstellingsprofiel (geen concentratie-tijd extrapolaties) en voor verschillende blootstellingsroutes (geen route-to-route extrapolatie). Het rapport besluit met een onderzoeksvoorstel voor toxicokinetisch/toxicodynamisch modelleren. Gebaseerd op de relatief hoge humane blootstellingsniveaus en de variaties in blootstelling, is benzeen geselecteerd als een relevante stof. Een belangrijk voordeel van benzeen is dat toxicokinetische en toxicodynamische modellen uit de literatuur kunnen worden verkregen. Als een voorbeeld van een meer generiek probleem, zal een toxicodynamisch model voor het proces van de carcinogenese worden gebruikt, om de effecten van verschillende blootstellingsprofielen op tumorinductie te illustreren.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

Een conceptuele basis voor het omgaan met risicogrenzen en achtergrondgehalten bij het afleiden van milieukwaliteitsdoelstellingen | RIVM

Van nature aanwezige stoffen kunnen voorkomen in concentraties die hoger liggen dan de huidige risiconiveau's. Dit was aanleiding voor een inventariserend onderzoek met als vraagstelling: "Hoe kan op wetenschappelijk verantwoorde wijze bij het afleiden van milieukwaliteitsdoelstellingen voor zware metalen rekening gehouden worden met de achtergrondgehaltes van deze van nature voorkomende stoffen en met verschillen in beschikbaarheid van deze verbindingen voor opname door organismen?". Om deze vraag te beantwoorden zijn experts geconsulteerd op de vakgebieden (hydro-)geochemie, aquatische en terrestrische chemie en (eco-)toxicologie. Deze consultaties hebben geleid tot een voorstel voor een methode om natuurlijke achtergrondgehaltes en verschillen in beschikbaarheid in de normstelling van van nature voorkomende stoffen te incorporeren: de methode van effect-limitatie. Deze methode gaat ervan uit dat voor wat betreft natuurlijk voorkomende verbindingen, er een onderscheid gemaakt kan worden tussen een biobeschikbare en een niet-beschikbare fractie. De biobeschikbare fractie zal leiden tot een achtergrondeffect. Dit achtergrondeffect is gedefinieerd als die fractie van de species in een ecosysteem die niet wordt beschermd als gevolg van de biobeschikbare fractie van het achtergrondgehalte. Door vervolgens het beleidsmatig vastgestelde beschermingsniveau op te tellen bij het achtergrondeffect kan aan de hand van de cumulutatieve dosis-effect curve het maximaal toelaatbare (biobeschikbare) risiconiveau worden berekend.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

The CARMEN Status Report 1995 | RIVM

Recente RIVM publikaties, zoals het GLOBE rapport, hebben een bijdrage geleverd aan het succes van Europese conferenties over milieu- en volksgezondheid aspecten (Dobrice 1991, Luzern 1993). Om de volgende conferenties te ondersteunen heeft het RIVM daartoe het computer-model CARMEN: CAuse effect Relation Model for Environmental policy Negotiations ontwikkeld. Het model kan in principe ook worden uitgebreid met deelmodellen van andere instituten. Veel van de milieu-thema's zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en het is daarom bij de analyse nuttig om meer dan een thema tegelijkertijd te beschouwen. Op die manier kan een beter inzicht worden verkregen in de efficientie van de beleidsmaatregelen, die worden genomen om milieuproblemen te bestrijden. CARMEN is een geintegreerd model dat de gebruiker de mogelijkheid biedt om simultaan de invloed van beleidsmaatregelen op verscheidene milieu-thema's van bron tot effekt te evalueren. Het model maakt op kwantitatieve wijze de verbinding tussen de druk op het milieu en haar gevolgen in een analyse van socio-economische ontwikkelingen, van lokale emissies, van milieu-problemen en van de gevolgen voor de ecologie en de volksgezondheid. Dit rapport beschrijft de voortgang die geboekt is met het samenstellen van het CARMEN-model. Er is nu een emissie-model, een atmosferisch transport-model, een bodem- en grondwater-model, en een oppervlakte-wateren-model geimplementeerd. Figuur 1.3 geeft een overzicht van de huidige status. De verzuring van bodems en de vermesting van rivieren en kustzeeen zijn volledig beschreven. De luchtkwaliteit in de grote Europese steden en de verspreiding van zware metalen en persistente organische stoffen zullen in de nabije toekomst aan het model worden toegevoegd. Om beleidsmaatregelen te kunnen optimaliseren, is het eerst nodig een goed overzicht van alle economische aspecten te krijgen. Dit houdt niet alleen de kosten van beleidsmaatregelen in, maar ook de sociale kosten van de schade die opgetreden zou zijn, indien er geen voorzorgmaatregelen genomen zouden zijn. Als een voorbeeld van de analyse, die met het CARMEN-model gemaakt kan worden, wordt in het zesde hoofdstuk de vermesting van Europese rivieren en kustzeeen behandeld. Figuur 6.1 is een diagram van de opbouw van het stikstof-verspreidingsmodel in CARMEN. De gevolgen voor de kustzeeen van de huidige beleidsmaatregelen zijn gerapporteerd. De analyse werd uitgevoerd voor drie kustzeeen: de Oostzee, de Noordzee, en de Zee van Azov.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

Determination of field-based partition coefficients for heavy metals in Dutch soils and the relationships of these coefficients with soil characteristics | RIVM

Twintig met zware metalen verontreinigde bodems zijn bemonsterd. Veldgemeten partitiecoefficienten (Kp) voor As, Cd, Cr, Cu, Ni, Pb en Zn zijn bepaald als de verhouding tussen de metaalgehalten geextraheerd met 0,01M CaCl2 of geconcentreerd HNO3 en de metaal concentraties in het poriewater. De gemeten Kp waarden varieerden sterk per metaal en bodemtype. De Kp waarden gebaseerd op de CaCl2 extracten, zijn slecht gerelateerd aan poriewater- en bodemkarakteristieken. Daarentegen bleken de Kp waarden, gebaseerd op de HNO3 destructies, sterk gerelateerd te zijn aan dezelfde karakteristieken. Vooral pH, lutum gehalte, amorf Fe- en Al gehalte, CEC en de Ca concentratie in het poriewater bleken van grote invloed op de variatie in de Kp waarden. Tenslotte zijn per metaal regressiemodellen opgesteld, waarin met een combinatie van twee van bovengenoemde bodemkarakteristieken de variatie in Kp waarden goed kon worden voorspeld.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

De behandeling van loodintoxicaties | RIVM

Regelmatig worden het Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu en de polikliniek Medische Toxicologie van het Academisch Ziekenhuis Utrecht geconfronteerd met vragen van artsen die te maken hebben met personen met een verhoogde blootstelling aan lood. Om deze vragen te kunnen beantwoorden is het noodzakelijk inzicht te hebben in de kinetiek van lood in het menselijk lichaam. In deze studie is een model ontwikkeld dat als hulpmiddel gebruikt kan worden bij het tot stand brengen van dit inzicht. Vervolgens wordt aan de hand van computersimulaties het verloop van een chronisch verhoogde loodbelasting en het nut van chelatietherapie beschreven.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

Roken van tabaksprodukten | RIVM

In dit rapport is informatie verzameld over de milieuaspecten van het roken van tabaksproducten. Het is gepubliceerd binnen het samenwerkingsproject WESP: de Werkgroep Emissies Servicebedrijven en Productgebruik. In dit project wordt informatie verzameld over processen in de doelgroepen van consumenten, bouw, handel en dienstverlening om tot overeenstemming te komen over de gegevens die gebruikt worden bij verschillende instituten en levert ondersteunende informatie voor het regeringsbeleid over emissiereductie. Dit document bevat informatie over processen, emissiebronnen, emissies naar lucht en water, afval, emissiefactoren, emissiereductie, onderzoek naar schone processen en producten, normstelling en vergunningen.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

Bestrijdingsmiddelen in oppervlaktewater van St. Maartenszee (1992/1994) | RIVM

Op vijf locaties ten noorden van St. Maartenszee (NH) in het gebied van het Waterschap De Aangedijkte Landen en Wieringen, zijn gedurende de maanden maart 1992 t/m maart 1994 maandelijks monsters oppervlaktewater genomen. Het betreft een gebied dat voor de bollenteelt wordt gebruikt en waar zich tevens recreatiegebieden bevinden. De monsters zijn onderzocht op de aanwezigheid van 18 bestrijdingsmiddelen en verwante stoffen. In totaal werden 6 stoffen in een of meerdere monsters aangetroffen. In het tweede meetjaar (1993) is een duidelijke afname geconstateerd van het aantal metingen van bestrijdingsmiddelen boven de grens van aantoonbaarheid, op vier van de vijf monsterlocaties, ten opzichte van het eerste meetjaar (1992). Voor 4 van de 6 aangetroffen bestrijdingsmiddelen, aldicarb en - twee metabolieten en tolclofosmethyl, werd het indicatieve Maximaal Toelaatbare Risiconiveau (MTR) voor het ecosysteem een of meerdere malen overschreden. Voor 2 van deze 4 stoffen, aldicarb en aldicarb-sulfoxide, werd in alle gevallen dat de stof werd aangetroffen de veilige waarde overschreden. Voor de stof aldicarb wordt in de Derde Nota waterhuishouding een getal (0,5 mug/l) als waarde gegeven voor de algemene milieukwaliteit. Deze getalswaarde werd in geen enkel geval door de gemeten concentraties aldicarb overschreden.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

Handrekenmethode voor het groepsrisico bij Externe Veiligheid | RIVM

Het gebruik van informatie met betrekking tot het groepsrisico bij het ontwikkelen van ruimtelijke ordeningsplannen rond potentieel gevaarlijke bedrijven is op praktische bezwaren gestoten. Het belangrijkste bezwaar is de noodzaak om voor elk alternatief plan een nieuwe risico-analyse uit te voeren. Daarom is in opdracht van het ministerie van VROM onderzoek uitgevoerd naar de mogelijkheden van een eenvoudige schattingsmethode voor de vereiste zoneringsafstand. Dit rapport beschrijft de generieke groepsrisicomethodiek die is ontwikkeld voor de lokale ruimtelijke ordening autoriteiten voor het inschatten van het effect op het groepsrisico van bouwplannen rond EVR-plichtige inrichtingen zonder het opnieuw uitvoeren van een risico-analyse. De methode maakt gebruik van informatie uit het externe veiligheidsrapport (EVR) welke voor de autoriteiten beschikbaar is. Deze informatie betreft de Potential Loss of Life, de F-N curve en de ligging van de individuele risicocontouren.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

Application of CATS models for regional risk-assessment of toxicants | RIVM

Toepassing van CATS modellen voor een regionale risicobeoordeling van bioaccumulatie bleek mogelijk. Voorbeeldstudies voor zware metalen en organotin lieten zien dat beginconcentraties, de belasting van het systeem en sorptieconstantes de berekening van platrisico's sterk beinvloeden. Consistente milieunormen voor land, water en sediment maken een vergelijking mogelijk tussen verschillende ecosystemen en/of regio's. Het beoordelen van bioaccumulatie van verschillende stoffen in voedselwebben is minder consistent omdat kritische concentraties, NOECs etc. vaak niet voor dezelfde organismen voorhanden zijn. De overschrijding van bestaande normen voor voedselwebben kan routinematig worden berekend door de hier getoonde berekeningswijze te vereenvoudigen.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1

Methode-ontwikkeling en analyse van PCB's, OC's, PAK's en triazines in grond in het kader van bodemkwaliteitskartering | RIVM

In het kader van de nieuwe opzet van een aantal meetnetten bij LBG, waarbinnen bemonstering van de bodem en bepaling van de gehalten van onder andere een aantal organische componenten in bodemmonsters centraal staat, is de kwaliteitskartering van 1992 aanleiding geweest om voor deze stofgroepen methoden te ontwikkelen of bestaande analysemethoden verder te optimaliseren om de gewenste lage bepalingsgrenzen te halen. In dit rapport wordt de ontwikkeling van nieuwe methoden voor de bepaling van 13 polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK's) (16 EPA-PAK's met uitzondering van naftaleen, acenafteen, en acenaftyleen) ; 15 polychloorbifenylen (PCB's), te weten de indicator PCB's met IUPAC-nrs. 28, 52, 101, 138, 153 en 180, en de mono-ortho PCB's met IUPAC-nrs. 60, 74, 105, 114, 118, 156, 157, 167 en 189 ; en organochloorbestrijdingsmiddelen (OC's) beschreven. De ontwikkeling van de methode heeft geresulteerd in een gezamenlijke monstervoorbewerking en zuivering voor de analyse van PAK's, PCB's en lindaan (y-HCH). Na een tweevoudige extractie met aceton/petroleumether wordt een zuivering over gedesactiveerde aluminiumoxide, beladen met natriumsulfiet, en natriumhydroxide, uitgevoerd om met name zwavelverbindingen in de extrakten te verwijderen. Voor de PCB- en lindaan-analyse is vervolgens nog een zuivering over silica, beladen met zwavelzuur noodzakelijk. De methode resulteert voor alle componenten in lagere bepalingsgrenzen dan voorheen mogelijk waren, te weten van 1 tot 10 mug/kg d.s. voor de verschillende PAK's en 0.1 mug/kg d.s. voor de PCB's en lindaan. Voor de triazines is een bestaande methode toegepast ; de bepalingsgrens bedraagt hierbij 10 mug/kg d.s. In alle monsters van dit onderzoek naar de bodemkwaliteitskartering werden PAK's aangetroffen op een mediaan-niveau tussen 5 mug/kg d.s. en 100 mug/kg d.s., met enkele uitschieters tot 1 mg/kg droge stof. PCB's komen op laag niveau (onder de bepalingsgrens van 0.1 tot maximaal 2.0 mug/kg d.s.) in de monsters voor ; lindaan gehalten varieren tussen 0.2 en 2.0 mug/kg d.s. Triazines worden slechts in negen van de 43 monsters aangetroffen. De individuele verschillen tussen diverse monsters - met name voor de PAK's - zijn groot, maar er kan geen onderscheid gemaakt worden naar de verschillende faktoren als grondgebruik, grondsoort en lokatie.
Jaar: 1996 Onderzoek Documenten: 1