Naar inhoud
Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu

De milieu-evaluatie van organische niet-landbouw bestrijdingsmiddelen met USES 1.0 | RIVM

Jaar: 1996 Documenten: 1
Ter ondersteuning van het Meerjarenplan Hygiene en Materiaalbescherming (MJP-H) is een risico-analyse voor het milieu opgesteld voor een aantal niet-landbouw bestrijdingsmiddelen. Alleen organische stoffen waarvoor voldoende gegevens beschikbaar waren, zijn met het Uniform Beoordelingssysteem Stoffen (UBS 1.0) geevalueerd. Het betreft actieve ingredienten die toegepast worden als: antifouling ; biocide in koelwatersystemenen houtverduurzamingsmiddel. Op basis van beschikbare gegevens over de fysisch-chemische eigenschappen, emissie tijdens de toepassing, distributie en toxiciteit, zijn risicoquotienten berekend voor waterorganismen. Uit de risicoquotient evaluatie blijkt dat de beoordeelde koelwaterbiociden het hoogste risico hebben, gevolgd door de beoordeelde antifoulings, en daarna de beoordeelde houtverduurzamingsmiddelen. Van deze laatste groep stoffen is het risico door impregneren veel hoger dan door drenken/dompelen. Voor antifoulings en koelwaterbiociden worden extreem hoge risicoquotienten gevonden. Veel stoffen die niet geevalueerd zijn, hebben hoge gebruikspercentages (metaal-zouten, chloor, en creosoot). Deze stoffen zijn niet geevalueerd, omdat metaal-zouten en chloor nog niet met UBS 1.0 te beoordelen zijn, en omdat voor creosoot niet voldoende gegevens beschikbaar zijn om de combinatietoxiciteit van de PAKs te berekenen. Bovendien zijn er onvoldoende gegevens om van de wel beoordeelde stoffen het risico voor bodemorganismen te evalueren. Dit rapport geeft dus geen volledig beeld van het risico van alle niet-landbouwbestrijdingsmiddelen. Het geeft wel aan dat de speerpunten antifouling, koelwaterbiocide, en houtverduurzamingsmiddel hoge risicoquotienten hebben, en op basis van dit resultaat goed gekozen zijn.