Naar inhoud
Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu

Fijn stof in Nederland een tussenbalans | RIVM

Jaar: 1998 Documenten: 1
In dit rapport wordt de bron-effectketen kwantitatief beschreven voor de fijn stof-problematiek voor drie ruimtelijke schalen - ruraal, urbaan en industrieel - in Nederland met als basisjaar 1993. Fijn stof wordt hierbij gekarakteriseerd naar deeltjesgrootte (PM2,5 en PM10) en naar chemische samenstelling (secundair (PMsec) en carbonaceous aerosol (Pmcarb). De waargenomen jaargemiddelde PM10 concentratie bedraagt voor Nederland ca. 40 mug/m exp. 3, waarvan circa een derde secundair is. Metingen voor PM2, 5 en PMcarb zijn niet beschikbaar. Met modelberekeningen gebaseerd op de huidige emissiegegevens wordt voor het grootste deel van Nederland circa 50% van de gemeten PM10 concentraties verklaard. Op specifieke locaties kan dit oplopen tot 75%. Nagenoeg 100% van de PMsec concentraties kan op grond van de bekende emissies van precursorgassen en modelberekeningen verklaard worden. Belangrijke bronnen voor PM10, PM2,5 en PMsec in Nederland zijn verkeer en energie opwekking in zowel Nederland als andere Europese landen. In de industriele omgeving is bovendien de categorie handel, diensten en overheid van belang. De PMsec concentraties worden voornamelijk door Europese bronnen bepaald. Epidemiologische studies wijzen op consistente en coherente associaties tussen deeltjesvormige luchtverontreiniging en ernstige gezondheidseffecten in de algemene bevolking. Zonder milieubeleid zouden autonome ontwikkelingen in 2020 leiden tot PM10 niveaus van 41 tot 47 mug/m exp. 3. Door reeds geformuleerd Nederlands en Europees beleid wordt echter een daling verwacht naar ca. 37 mug/m exp. 3 in 2010, die door aanvullende maatregelen verder kan worden teruggebracht tot 35 mug/m exp. 3 in 2020. Deze daling is daarmee niet voldoende om de in Europees verband circulerende limiet van 30 mug/m exp. 3 te realiseren.
Documenten (1)