De gezondheidstoestand van ouderen: een epidemiologisch overzicht | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Onderzoek in Zutphen en in de Italiaanse en Finse cohorten. De Zeven Landen Studie (2) | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Altered cytokine (receptor) mRNA expression as a tool in immunotoxicology | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
1997 proficiency testing results are mixed for regional reference and specialized laboratories | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
40 jaar onderzoek naar voeding en coronaire ziekten. De Zeven Landen Studie (1) | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Grondslagen voor gevecht 'Don' Tommel vs radon. Achtergrondinformatie bij analyse van radonbeleid | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Isolation, identification and immunosuppressive activity of a new IMM-125 metabolite from human liver microsomes. Identification of its cyclophilin A-IMM-125 metabolite complex by nanospray tandem mass spectrometry | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
In vivo and in vitro production of monoclonal antibodies: current possibilities and future perspectives : introduction | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
OPAL: Network for the detection of stratospheric change ozone profiler assessment at Lauder, New Zealand. 1. Blind comparison | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
The PEACE project: general discussion | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Maternal serum alpha-fetoprotein in fetal anal atresia and other gasto-intestinal obstructions | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Fruit and fish consumption: a possible explanation for population differences in COPD mortality (The Seven Countries Study) | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Production of monoclonal antibodies by the ascites method in laboratory animals | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
OPAL: Network for the detection of stratospheric change ozone profiler assessment at Lauder, New Zealand. 2. Intercomparison of revised results | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Descriptive epidemiology of exanthems in the Rotterdam region January 1997 to June 1998 | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Effect of short-term changes in urban air pollution on the respiratory health of children with chronic respiratory symptoms: the PEACE project: introduction | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Ra..ra..radon: antwoord op prangende vragen | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Dietary patterns and cognitive function in elderly men in Finland, Italy and the Netherlands | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
De problematiek rond de hormoonontregelaars doet de vraag rijzen of voor de humane risicoschatting gevoeliger testmethoden nodig zijn om de reproductietoxische eigenschappen van xenobiotica met endocriene eigenschappen vast te kunnen stellen. Wij hebben zes bekende en verdachte hormoonontregelaars getetst in een bestaande screeningstest voor reproductietoxiciteit, om vast te stellen of deze test deze stoffen als reproductietoxisch zou scoren. Het protocol omvat dagelijkse orale blootstelling van ouderdieren vanaf twee weken voorafgaand aan het paren, tot zes dagen postnataal voor moederdieren, en een totale blootstellingsduur van 28 dagen voor vaderdieren. Geteste stoffen waren het anticonceptivum Ethynyloestradiol, het fytooestrogeen Coumestrol, het surfactant 4-Tert-octylphenol, het plastic monomeer Bisphenol A, het fungicide Vinclozoline, en de weekmaker Butylbenzylftalaat. Doseringen werden gekozen op grond van de relatieve potentie op het niveau van de oestrogeenreceptor. Zodoende werden alle stoffen behalve Ethynyloestradiol getest bij doseringen die veel hoger liggen dan enige te verwachten blootstelling van de mens. Vijf stoffen kwamen uit de test duidelijk als reproductietoxisch naar voren, met effecten op vruchtbaarheid, luteinisatie, spermatogenese en foetale ontwikkeling. 4-Tert-octylphenol bleek lethaal bij de gekozen dosering en had weinig effect bij een tienvoudig lagere dosering. Deze data suggereren dat hormoonontregelaars waarschijnlijk effectief zijn in bestaande testen voor reproductietoxiciteit die gebruikt worden voor humane risicoschatting. Hormonale eigenschappen van xenobiotica, vastgesteld op het niveau van de hormoonreceptor, dienen beoordeeld te worden in combinatie met dierexperimentele gegevens over algemene en reproductietoxiciteit voor een zinvolle risicoevaluatie en risico management van deze stoffen.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
In het onderzoeksproject Monitoring Risicofactoren en Gezondheid in Nederland (het "MORGEN-project") wordt de gezondheidssituatie en het voorkomen van risicofactoren gemeten in een steekproef van de Nederlandse bevolking gedurende de periode 1993 tot en met 1997. In het onderzoeksjaar 1997 zijn circa 3900 mannen en vrouwen in de leeftijd van 20-59 jaar onderzocht door de GGD'en in Amsterdam, Doetinchem en Maastricht. Bij deze personen werden onder meer bloeddruk, gewicht en lichaamsomtrek gemeten, bloed afgenomen (voor totaal en HDL-cholesterol en glucose) en de longfunctie bepaald. Tevens werden een aantal vragen afgenomen. De geschatte prevalentie van diabetes mellitus op grond van de nieuwe Amerikaanse richtlijnen is 4%. Hypertensie komt voor bij circa 8% van de mannen en 6% van de vrouwen. Ernstig overgewicht (obesitas) komt bij 8% van de mannen en 10% van de vrouwen voor. Een te hoog cholesterolgehalte komt voor bij ruim 8% van de respondenten. Het percentage sigarettenrokers was 41% bij mannen en 35% bij vrouwen. Inactiviteit tijdens de vrije tijd werd gerapporteerd bij ruim 40%. Het percentage volwassenen met overgewicht, hypertensie of een te hoog cholesterol en het percentage volwassenen dat rookt is daarmee vergelijkbaar met de percentages van 1996.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
Met aan elkaar gekoppelde computermodellen zijn de radonconcentraties en externe bestraling door nucliden van de U-238-reeks in een representatieve tussenwoning berekend. Er is een analyse gemaakt van het effect van wijzigingen in parameterwaarden die veranderingen in bouwpraktijk gedurende de laatste decennia simuleren. Er zijn drie groepen parameters onderscheiden: 1) de luchtdichtheid van de bouwschil en de verdeling van luchtlekken over buitenmuren en begane grondvloer, 2) de radonrelevante kenmerken van de bouwmaterialen, en 3) parameters die bewonersgedrag karakteriseren, zoals debiet van het mechanische ventilatie-systeem en het openen van ventilatieroosters en deuren. Het relatief effect van de toegenomen luchtdichtheid en van het gebruik van beton in plaats van andere bouwmaterialen bij nieuwbouw wordt toegelicht. Vergeleken met vroeger zal de huidige bouwpraktijk gemiddeld genomen leiden tot hogere radonconcentraties in de woonkamer, maar de externe bestraling nauwelijks beinvloeden. In nieuwe luchtdichte woningen is de invloed van bewonersgedrag op de radonconcentratie relatief veel groter dan in oude woningen.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
Het communautair Referentie Laboratorium (CRL) voor Salmonella heeft een derde bacteriologisch ringonderzoek georganiseerd waaraan alle Nationale Referentie Laboratoria (NRLs) voor Salmonella deelnamen. Doel van het ringonderzoek was het vergelijken van de resultaten (tussen en binnen de verschillende laboratoria) van de isolatie van Salmonella Enteritidis en S. Typhimurium uit capsules met verschillende besmettingsniveaus (10 en 100 kve) in aanwezigheid van begeleidende flora. De gebruikte methode was de aangepaste ISO 6579 (referentie methode) en eventueel de methode die routinematig door een laboratorium werd gebruikt om Salmonella uit kippen faeces te isoleren. Er werden significante verschillen gevonden tussen en binnen de verschillende laboratoria. Geen van de laboratoria is erin geslaagd om Salmonella uit alle capsules te isoleren die 10 kolonie vormende eenheden bevatten. Het aantal positieven varieerde sterk van lab tot lab. Met semi-solid media werden significant meer positieve resultaten verkregen, in het bijzonder voor de capsules die Salmonella Enteritidis bevatten.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
Influenza A(H5N1) in Hongkong een epidemie? | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Ontwikkelingen in de gezondheidstoestand in Nederland volgens de Volksgezondheid Toekomst Verkenning 1997 | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Risk of gastroenteritis among triathletes in relation to faecal pollution of fresh waters | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Influenza A[H5N1]: stand van zaken | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Volksgezondheid toekomst verkenning 1997. IV. Gezondheid en levensverwachting gewogen | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Sedimentation of free and attached Cryptosporidium oocysts and Giardia cysts in water | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Allergische zwangere eet niet gezonder dan anderen | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Volksgezondheid toekomst verkenning 1997. II. Ontwikkelingen in de gezondheidstoestand | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Volksgezondheid toekomst verkenning 1997. VI. Zorgbehoefte en zorggebruik | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Evaluation of four DNA typing techniques in epidemiological investigations of bovine tuberculosis | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Global use and trade of feedstuffs and consequences for the nitrogen cycle | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Volksgezondheid toekomst verkenning 1997. III. Gezondheidsverschillen in Nederland | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
The psychotrophic bacterium Yersinia enterocolitica requires expression of pnp, the gene for polynucleotide phosphorylase, for growth at low temperature (5 degrees C) | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Plankton dynamics in a dead arm of the river Waal: a comparison with the main channel | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Aanzienlijke onderbehandeling vrouwen aangetoond. Sekseverschillen in de farmacologische behandeling van hypertensie | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Computer-assisted evaluation of anaerobic biodegradation products | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Serotyping and genotyping of genital Chlamydia trachomatis isolates reveal variants of serovars Ba, G, and J as confirmed by omp1 nucleotide sequence analysis | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Volksgezondheid toekomst verkenning 1997. VI. Effecten van zorg | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Volksgezondheid toekomst verkenning 1997. V. Effecten van preventie | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
De watergangen in het landelijke gebied worden eens in de 5 tot 20 jaar gebaggerd om voldoende diepgang te krijgen en om de aan- en afvoer van water te waarborgen. De vrijkomende baggerspecie wordt grotendeels op het land verspreid, waardoor verontreinigingen kunnen bijdragen aan de diffuse belasting van de landbodem. De Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen (PAK) zijn meestal de klassebepalende verontreiniging, waardoor een groot deel van de watergangen op basis van PAK ingedeeld worden in klasse 2. Bij de analyses van waterbodems met behulp van het Geografisch Informatie Systeem (GIS) is voor elk meetpunt vastgesteld wat de mate van beinvloeding was door verkeer, stedelijke bebouwing en rioolwateroverstorten. De analyse van de ruimtelijke spreiding van PAK in waterbodems in het Hollands Noorderkwartier toont aan dat WABOGIS een bruikbaar instrument is om meer inzicht te verkrijgen in de invloed van diffuse bronnen op de kwaliteit van waterbodems. Uit de ruimtelijke verspreiding kan afgeleid worden wat de kans is op een bepaalde waterbodemkwaliteit aan de hand van omgevingsfactoren, zoals de samenstelling van de naburige landbodem of de aanwezigheid van bebouwing of overstorten. Bij zand- en kleibodems heeft de waterbodem in de achtergrondbelaste situatie klasse 0 of 2, terwijl veenbodems meestal klasse 2 is. Bij een additionele belasting is het effect bij een zandbodem het grootst. Locaties in de buurt van overstorten en stedelijke gebieden hebben duidelijker hogere PAK gehaltes dan "niet-achtergrond belaste" locaties. Vooral in gevallen, waar een combinatie van belastingen de waterbodemkwaliteit bepaald heeft, is er een grotere kans op klasse 3 waterbodems. De kennis van de ligging van overstorten was en is nog steeds beperkt, er kon geen rekening gehouden worden met het al dan niet voorkomen van gecreosoteerde beschoeiingen of de inlaat van gebiedsvreemd water. De koppeling van de dataset van de waterbodems in het Hollands Noorderkwartier en de landelijke gegevens van het RIVM laten zien dat er veel voordelen te behalen zijn aan een wederzijds aanpassen van de geografische informatiebestanden.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
Mycobacterium microti : more widespread than previously thought [letter to the editor] | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Linkage mapping of fifty-eight new rat microsatellite markers | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Societal and personal costs of obesity | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Sex differences in antihypertensive drug use : determinants of the choice of medication for hypertension | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Er zijn onderzoekingen gedaan naar het voorkomen van Echinococcus multilocularis bij vossen in Nederland van 1996 tot 1998. Deze parasiet is de oorzaak van alveolaire echinococcose, een ernstige parasitaire zoonose. Hiervoor zijn eerst 272 vossen onderzocht in het grensgebied met Duitsland en Belgie. Uit de resultaten van de onderzoeken bleek dat er 5 vossen besmet waren met deze parasiet afkomstig uit 2 gebieden, Groningen (2x) en Limburg (3x). Om de verdere verspreiding in Nederland te onderzoeken zijn ook de Veluwe en de Noord- en Zuid-Hollandse kustgebieden onderzocht. In totaal zijn 181 vossen uit deze gebieden onderzocht maar er werden hier geen positieven aangetoond. Dit is de eerste keer dat E. multilocularis bij vossen in Nederland is aangetoond.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
Effect on biofilm formation by Pseudomonas 8909N on the bioavailability of solid naphthalene | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
A call for a European prohibition of monoclonal antibody production by the ascites procedure in laboratory animals | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Mechanistic approach for estimating bioconcentration of organic chemicals in earthworms (Oligochaeta) | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Risico's van ingestie van reinigingstabletten voor kunstgebitten en gebitsprothesen | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
A microcapillary column switching HPLC-electrospray ionization MS system for the direct identicifation of peptides presented by major histocompatibility complex class I molecules | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Sorption coefficients of polycyclic aromatic hydrocarbons for two lake sediments : influence of the bactericide sodium azide | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Reduction of campylobacter infections in broiler flocks by application of hygiene measures | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Varkens zijn mogelijk een bron van Mycobacterium avium infecties bij de mens | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Modelling of 2,3,7,8-tetrachlorodibenzo-p-dioxin levels in a cohort of workers with exposure to phenoxy herbicides and chlorophenols | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Incidence of patent Toxocara canis infection in bitches during the oestrous cycle | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Computer analysis of IS6110 RFLP patterns of Mycobacterium tuberculosis | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Geneesmiddelen en gluten : het probleem is straks de wereld uit | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Prevalence of Borrelia burgdorferi infection in Ixodes ricinus in Central Italy | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
IS1245 restriction fragment length polymorphism typing of Mycobacterium avium isolates : proposal for standardization | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
The lipopolysaccharide biosynthesis locus of Campylobacter jejuni 81116 | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Assessment of the efficacy of disinfectants on surfaces | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Rapid shell vial culture technique for detection of enteroviruses and adenoviruses in fecal specimens : comparison with conventional virus isolation method | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Anti-oxidants and cognitive function : a review of clinical and epidemiologic studies | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Comments on appendix C of the National Institutes of Health response to the petition of the American Anti-Vivisection Society to prohibit the use of animals in the production of monoclonal antibodies | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Selected polyhalogenated hydrocarbons in breast milk | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Estimating influenza-related hospitalization in the Netherlands | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Undertreatment of hypertension in a population-based study in the Netherlands | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Characterization of Giardia duodenalis by polymerase-chain-reaction fingerprinting | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
A competitive enzyme-linked immunosorbent assay for measuring the levels of serum antibody to Haemophilus influenzae type b | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
The influence of soil desiccation on plant production, nutrient uptake and plant nutrient availability in two french floodplain grasslands | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Blootstelling aan schimmels en schimmelproducten in het binnenhuismilieu zou kunnen leiden tot het optreden van allergien, astma en respiratoire aandoeningen in het algemeen. Aangezien meting volgens klassieke methoden ontoereikend is om blootstelling aan schimmels, schimmelproducten en door schimmels geproduceerde allergenen te bepalen werd gezocht naar een betere methode hiervoor. Onderzoek op laboratoriumschaal toonde aan dat Alternaria alternata antigenen produceert die onder alle gebruikte kweekomstandigheden detecteerbaar zijn. Deze gemeenschappelijke antigenen kunnen dienen als "indicator"-antigenen voor blootstelling aan A. alternata en zijn producten. Gezien het gelijktijdig voorkomen van zowel deze gemeenschappelijke antigenen als allergenen kunnen deze "indicator"-antigenen gebruikt worden om blootstelling aan allergenen geproduceerd door A. alternata te bepalen. Aangezien het hier laboratoriumstudies betreft moet de waarde van de hier vermelde "indicator"-antigenen in praktijkmonsters (huisstof- en luchtmonsters) nog aangetoond worden
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
Sinds april 1997 vindt een gestructureerde surveillance van zoonoseverwekkers bij landbouwhuisdieren plaats. In dit rapport zijn de resultaten van het eerste jaar (april 1997 tot en met maart 1998) beschreven. De surveillance vond plaats bij vleeskuikens, legkippen, vleeskalveren en melkkoeien en was hoofdzakelijk gericht op Salmonella en E. coli O157. Koppels vleeskuikens werden tevens onderzocht op het voorkomen van Campylobacter, terwijl een selectie van de koppels werd onderzocht op het voorkomen van verocytotoxine (VT)-producerende E. coli (VTEC) in het algemeen. De surveillance werd uitgevoerd voor schatting van de prevalentie van de doelorganismen op koppelniveau. In totaal werden in het eerste jaar mestmonsters van 591 koppels landbouwhuisdieren verzameld op de boerderij, uit te splitsen naar 100 koppels vleeskuikens, 163 koppels legkippen, 192 koppels vleeskalveren en 136 koppels melkkoeien. Salmonella spp. werden geisoleerd uit 22,0% van de koppels vleeskuikens, uit 15,3% van de koppels legkippen en uit 1,6% van de koppels vleeskalveren. S. Enteritidis werd geisoleerd uit 5,5% van de koppels legkippen. Bij melkkoeien werden geen Salmonella spp. aangetoond. De prevalentie van Campylobacter bij vleeskuikens (n=84 koppels) was 29,8%. E. coli O157 werd geisoleerd uit 4,4% van de onderzochte koppels melkkoeien, 1,6% van de koppels vleeskalveren (n=191) en uit 1 van de koppels legkippen. Alle onderzochte koppels vleeskuikens werden negatief bevonden voor E. coli O157. Van de koppels vleeskalveren bleek 40,5% positief voor VTEC, van de koppels melkkoeien 17,2%, van de koppels legkippen 4,4% en van de koppels vleeskuikens 3,2%. De betekenis voor de volksgezondheid van het grote aantal VTEC-positieve koppels rundvee is niet duidelijk. Hiervoor is meer inzicht vereist in de rol die de verschillende typen VTEC spelen bij het veroorzaken van gezondheidsproblemen bij de mens. Op grond van de resultaten van het eerste jaar van deze studie kan worden gesteld dat pluimvee nog steeds een belangrijk reservoir is van Salmonella spp. en Campylobacter spp. Rundvee moet worden beschouwd als een belangrijk reservoir van E. coli O157 en overige typen VTEC.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
Volgens de PKB Schiphol en Omgeving (1995) kunnen op Schiphol binnen de wettelijk vastgestelde milieurandvoorwaarden bij het 5P-stelsel circa 440.000 vliegtuigbewegingen geaccommodeerd worden. Bij een optimale benutting van de operationele mogelijkheden bij start-en landingsprocedures en het gebruik van stilste vliegtuigmotoren zou deze capaciteit verhoogd kunnen worden tot circa 520.000 vliegtuigbewegingen rond 2010 (50-55 miljoen passagiers). Daarvoor zou dan wel een aan de geluidemissie gerelateerd systeem van heffingen geintroduceerd moeten worden, waarvan de bedragen voor de meest lawaaiige vliegtuigen substantieel zijn. Overigens zal er bij het stiller worden van vliegtuigen een toenemende discrepantie ontstaan tussen de berekende geluidshinder en de daadwerkelijke blootstelling. Een herziening van de bestaande rekenmethode kan dan ook niet los worden gezien van voorgestelde maatregelen, daar anders de milieu-effecten worden overschat. Indien de geluidshinder die lager is dan 65 dB(A) wel wordt meegeteld, zou dit een halvering van de toelaatbare capaciteit inhouden. Bij een herconfiguratie die het meest aansluit bij de nu nog beschikbare dun bevolkte ruimte rondom Schiphol, tezamen met een maximale inzet van de technische mogelijkheden, zal in 2020 de 'milieucapaciteit' van Schiphol ruim boven de fysieke capaciteit kunnen liggen. Afgezien van een parallelle Kaagbaan zou daarbij een aanvullende oost-west baan ten zuiden van Hoofddorp aangelegd moeten worden ter ontlasting van de Buitenveldertbaan. Wanneer tegelijkertijd zou worden gestreefd naar een stabilisatie van de daadwerkelijke geluidbelasting (zonder de 65 dB(A)-afkap) in de 20 Ke-contour, dan wel vermindering in de 35 Ke-contour, dan is op zo'n aangepast stelsel potentieel een capaciteit van in de orde van 700.000 vliegbewegingen (70-85 miljoen passagiers) mogelijk. Om de potentiele capaciteit van Schiphol volledig te benutten zijn gelijktijdig substantiele inspanningen nodig van de rijks- en regionale overheid (planologie, handhaving), de luchthaven (herconfiguratie, start- en landingsprocedures, geluidsheffingen) en de vliegtuigmaatschappijen (gebruik stillere motoren en stillere vliegtuigtypen).
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
Op verzoek van het ministerie van VWS heeft het RIVM onderzoek verricht naar mogelijke gezondheidsrisico's van de verbranding of verspreiding van stoffen en goederen die zich aan boord bevonden van de in 1992 verongelukte El Al-Boeing. Allereerst heeft het RIVM de in de ladinglijst genoemde stoffen geevalueerd en de overige in het vliegtuig aanwezige stoffen, zoals verarmd uranium, kerosine, kunststoffen en vlamvertragers. Vervolgens is, met behulp van verspreidingsmodellen, de concentratie van die stoffen op leefniveau berekend. Op basis van deze concentraties kon worden vastgesteld dat van de blootstelling geen blijvende gezondheidsschade verwacht mag worden. Wel is het aannemelijk dat er acute effecten zijn opgetreden, zoals irritatie van ogen en ademhalingswegen en gevoelens van benauwdheid. De kans op het ontstaan van kanker is als gevolg van de ramp wel toegenomen. Voor verarmd uranium met een extra geval van kanker op 100.000.000 blootgestelden. Voor de pak's en zware metalen met een tot twee extra gevallen van kanker per 10.000 blootgestelden. Dit laatste getal is vergelijkbaar met het niveau van het Maximaal Toelaatbaar Risico dat in het Nederlandse milieubeleid voor chemische stoffen wordt gehanteerd. Het "bij gebrek aan meetgegevens" grote aantal aannames en de lange periode die verlopen is tussen de brand en het onderzoek, maken dat de resultaten met het nodige voorbehoud moeten worden bezien.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
Assessing repellency in a modified avian LC50 procedure removes the need for additional tests | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Mapping the potentially affected fraction (PAF) of species as a basis for comparison of ecotoxicological risks between substances and regions | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Accumulation of environmental risks to human health: geographical differences in the Netherlands | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Confirmation of residues of thyreostatic drugs in thyroid glands by multiple mass spectrometry after thin-layer chromatographic screening | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
A probabilistic risk assessment for accidental releases from nuclear power plants in Europe | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
The implementation of Agenda 21 'our common failure'? | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Trichinella britovi in foxes in the Netherlands | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Patient referral outcome in gonorrhoea and chlamydial infections | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Immunogenicity of Streptococcus pneumoniae type 6B and 14 polysaccharide-tetanus toxoid conjugates and the effect of uncoupled polysaccharide on the antigen-specific immune response | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Anergic T cells actively suppress T cell responses via the antigen-presenting cell | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Community acquired infections and bacterial resistance | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
A prospective study on cortisol, dehydroepiandrosterone sulfate, and cognitive function in the elderly | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Environmental risk: towards an integrated assessment of industrial activities | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Risk maps and communication | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Physical activity and 10-year mortality from cardiovascular diseases and all causes. The Zutphen Elderly Study | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
The effect of soy isoflavones on the development of intestinal neoplasia in Apc-Min mouse | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Assessment of human exposure to fumonisin B1 | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Calculation and mapping of critical loads for heavy metals and persistent organic pollutants for Dutch forest soils | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
A study on possible modulating and direct effects of gamma2-MSH and ACTH-(1-24) on the cardiovascular system of the rat | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Time course of the porcine cellular and humoral immune responses in vivo against pseudorabies virus after inoculation and challenge: significance of in vitro antigenic restimulation | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Using geographic and cartographic principles for environmental assessment and risk mapping | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Rapid method for assessing pollution-induced community tolerance in contaminated soil | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Effects of dietary fat and a vegetable-fruit mixture on the development of intestinal neoplasia in the Apc-Min mouse | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Bij het RIVM worden partitiecoefficienten, of de daarmee samenhangende sorptierelaties, voor de beschrijving van de verdeling van zware metalen en metalloiden gehalten over de vloeibare en vaste fase, toegepast voor verschillende onderzoeksdoeleinden. Deze onderzoeksdoeleinden zijn o.a. afleiding van toxicologische risicos, verspreiding en accumulatie in bodem en oppervlaktewateren. Het partitiegedrag van zware metalen en metalloiden is complex door de meervoudige afhankelijkheid van eigenschappen van de vaste en de vloeibare fase. Uit een inventarisatie blijkt dat op het RIVM in het recente verleden een 15-tal verschillende partitiecoefficienten voor uiteenlopende toepassingen zijn gebruikt. Uit een evaluatie en onderlinge vergelijking van de op het RIVM gebruikte partitierelaties, blijkt dat er sprake is van een te grote en onvoldoende gemotiveerde diversiteit van partitie-relaties. Het gebruik kan leidden tot inconsistenties en systematische fouten in de onderzoeksresultaten. Problemen met tot op heden gebruikte partitiedata zijn de zwakke of onduidelijke theoretische of kwantitatieve onderbouwing, en de slechte vergelijkbaarheid met, voor Nederlandse omstandigheden, relevante referentiegegevens. Aanbevolen wordt om voor toepassingen voor het compartiment bodem op de nationale schaal of voor het nationale milieubeleid, het aantal te gebruiken sets terug te brengen tot 1 a 2. Voor sediment blijken er nauwelijks betrouwbare partitierelaties te zijn. Aanbevolen wordt om op korte termijn nieuw partitieonderzoek voor sediment te starten.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
Er wordt een overzicht gegeven van de meetresultaten van de bemonstering van een aantal niet-routinematige parameters, te weten borium, molybdeen en een aantal ftalaten. Tevens is getracht een methodiek te ontwikkelen voor het bepalen van polaire bestrijdingsmiddelen in water. Borium is aantoonbaar in het ruwe en reine water bij vrijwel alle grond- en oppervlaktewater-pompstations. Bij 2.2% van alle grondwaterpompstations is in zowel het ruwe als het reine water geen borium aangetoond. In slechts 19% van alle monsters is molybdeen aangetoond in het ruwe en reine water bij alle grond- en oppervlaktewaterpompstations. In de overige monsters is geen molybdeen aangetoond. De aangetoonde concentraties borium blijven echter onder de norm voor borium in drinkwater. In Nederland is er geen norm voor molybdeen in drinkwater. Aangetoonde concentraties van zowel borium als molybdeen blijven allen onder de desbetreffende WHO-richtlijn voor drinkwater. De resultaten geven geen aanleiding de verkennende metingen in de nabije toekomst te herhalen. Bij vier van de negen onderzochte ftalaten zijn concentraties aangetoond in het ruwe en het reine water bij alle oppervlaktewaterpompstations en bij de drie onderzochte (oever)grondwaterpompstations. De overige ftalaten liggen in het ruwe en reine water bij de onderzochte drinkwaterpompstations onder de desbetreffende aantoonbaarheidsgrens. Bij een aantal drinkwaterpompstations zijn de concentraties ftalaten gemeten in het distributienet hoger dan gemeten in het reine water (af pompstation). Mogelijk wordt dit veroorzaakt door het gebruik van kunststofleidingen. In Nederland is er geen norm voor ftalaten in drinkwater, de WHO hanteert wel een richtlijnwaarde voor diethylhexylftalaat (DEPH) in drinkwater. De aangetoonde concentraties DEHP blijven echter onder de WHO richtlijn voor DEHP in drinkwater. De eventuele oestrogene werking van enkele ftalaten is in dit onderzoek niet in beschouwing genomen. De verkeregen resultaten leveren geen problemen op voor de volksgezondheid.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
Deposition monitoring in Europe | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
In het kader van het Convenant Verpakkingen wordt door het RIVM jaarlijks gemeten hoeveel verpakkingsmateriaal als afval vrijkomt en hoeveel wordt hergebruikt. De meting heeft betrekking op verpakkingafval afkomstig van huishoudens, de kantoor-,winkel -en dienstensector en de industrie. De hoeveelheid verpakkingsafval uit huishoudens wordt bepaald aan de hand van sorteeranalyses van het RIVM (afval samenstelling) in combinatie met gegevens van het CBS (hoeveelheid afval). In de twee overige sectoren wordt gebruik gemaakt van een enquete. Tussen 1996 en 1997 steeg de totale hoeveelheid verpakkingsafval met circa 0,5 %. De stijging komt nagenoeg geheel voor rekening van het huishoudelijk verpakkingsafval.Ten opzichte van 1986 steeg de totale hoeveelheid met ongeveer 17%. In 1997 werd 55% van het verpakkingsafval hergebruikt. Dat is 3% meer dan in 1996. Daarbij lagen glas (75%), papier (65%) en blik (72%) boven het gemiddelde. Het hergebruik van aluminium (15%) en kunststof (12%) blijft bescheiden. De vrij grote groei van het hergebruik van blik is te danken aan meer verbrandingscapaciteit en meer verbrand huishoudelijk afval. De uit de reststoffen terug gewonnen hoeveelheid blik is daarmee teogenomen.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
Assessment of side effects induced by injection of different adjuvant/antigen combinations in rabbits and mice | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Experimental studies on immunosuppression: how do they predict for man? | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Detection of microorganisms in vessel wall specimens of the abdominal aorta: development of a PCR assay in the absence of a gold standard | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
HRWM-1: balancing the risks of drinking water disinfection: DALY's on the scale | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Humane end-points in animal experiments with particular emphasis on the pertussis vaccine potency test | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Microbiological quality assurance of laboratory animals exemplified by the family Pasteurellaceae | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Structural requirements for anaerobic biodegradation of organic chemicals: a fragment model analysis | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
New approaches in immunotoxicology | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Zonder extra analyses meer informatie. Chemometrie en validatie van analyseresultaten | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Comparative immunotoxicology of ultraviolet B exposure. I. Effects of in vitro and in situ ultraviolet B exposure on the functional activity and morphology of Langerhans cells in the skin of different species | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Adoption and maintenance of safe sex in a national cohort of gay men in the Netherlands | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Effect of organic matter content in the trace analysis of triazines in various types of soils with GC-NPD | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Effects of prolonged exposure to morphine and methadone on in vivo parameters of immune function in rats | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Direct inductively coupled plasma mass spectrometric determination of cadmium in urine with special attention to matrix effect correction | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Experimental mucosal induction of uveitis with the 60-kDa heat shock protein-derived peptide 336-351 | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Fluorocarbons and sulfur hexafluoride (SF6): a methodology for national emission inventories and scenarios applied to the Netherlands | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Analytical solutions of the convection-dispersion equation applied to transport of pesticides in soil columns | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Air pollution exposure distributions of adult urban populations in Europe: design of the "EXPOLIS"-study | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Multiple-stage tandem mass spectrometry for structural characterization of saponins | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Reference materials for mycotoxins developed in Europe | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Bridging the gaps between risk assessment and risk management for airborne PM | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Tien vertegenwoordigers van de EU-lidstaten en de chemische industrie zijn gevraagd naar hun mening over het toepassen van onzekerheidsanalyse bij de risicobeoordeling van industriele chemicalien. Ondanks de algemene interesse voor dit onderwerp krijgt onzekerheidsanalyse geen hoge prioriteit. Dit wordt voornamelijk veroorzaakt door de zorg dat onzekerheidsanalyse slechts tot meer werk leidt zonder noodzakelijkerwijs meer informatie op te leveren. Een aantal voorbeelden van probabilistische risicoschatting kunnen bruikbaar zijn als kan worden aangetoond hoe deze aanpak de besluitvorming verandert. Om onzekerheidsanalyse door alle partijen acceptabel te maken is het belangrijk om de analyse simpel en transparant te houden en voorlopig te beperken tot de blootstellingsanalyse.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM ontwikkelt een Decision Support System (DSS) Groene Ruimte, gericht op de diagnose van gebieds- en funktiegerichte ruimte- en milieuproblemen en het verkennen van oplossingsrichtingen. Voor het ontwerpen van de akkerbouwcomponent in het DSS zijn de ruimte- en milieu-aspecten van de tien belangrijkste vormen van gereglementeerde milieubewuste akkerbouw geinventariseerd en bestudeerd. Het volgende komt hieruit naar voren. Het niet gebruiken van bestrijdingsmiddelen in de biologische akkerbouw beperkt de teeltfrequentie en de groeiduur van aardappelen, het belangrijkste akkerbouwgewas. De opbrengst hiervan per jaar, gemiddeld over de vruchtwisselingscyclus, is 40% van die van de andere milieubewuste en gangbare vormen van akkerbouw, ofwel de gewasrotatiegroeiruimte benodigd voor biologische teelt van aardappelen is 2,5x zo groot. Op meer dan 70% van het akkerbouwareaal zou het gebruik van alleen organische mest, zoals in de biologische akkerbouw, leiden tot uit milieuoogpunt ongewenste toevoer van overmatig veel fosfaat en/of verhoogde nitraatuitspoeling. Dit is niet het geval bij milieubewust gebruik van kunstmest. De vormen van milieubewuste akkerbouw kunnen voor het DSS geaggregeerd worden tot twee typen: de biologische zonder gebruik van kunstmest en bestrijdingsmiddelen en de geintegreerde akkerbouw met agronomische en milieukundige optimalisatie van vruchtwisseling, bemesting en bestrijdingsmiddelen. De milieuvoordelen van alle vormen kunnen gecombineerd worden tot een nieuw derde type: milieubewuste akkerbouw zonder bestrijdingsmiddelen, maar wel met gebruik van kunstmest en/of organische mest. Met deze drie typen kan volstaan worden in het DSS bij beschouwing van de bijdrage van milieubewuste akkerbouw aan de oplossing van ruimte- en milieuproblemen. Daarop aanvullend is het dit behelst het onbemest en onbespoten laten van, bijvoorbeeld drie meter , brede akkerranden. Dit beheer kan zowel als afzonderlijk type beschouwd worden of toegevoegd worden aan ieder type akkerbouw.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
Abstract niet beschikbaar
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
De begrippen factor 4 en eco-efficientie worden geanalyseerd aan de hand van drie vragen die er op gericht zijn de beleidsrelevantie van deze begrippen te verhelderen. Deze drie vragen zijn: wat is factor 4? is een factor 4 haalbaar? wat betekent factor 4 voor het beleid? Met factor 4 wordt bedoeld: verdubbeling van de welvaart bij een gelijktijdige halvering van de milieudruk. In plaats van een afname van de milieudruk per eenheid product of per eenheid welvaart wordt ook wel gesproken van een toename van de eco-efficientie. Bij het operationaliseren van het begrip eco-efficientie doen zich verschillende problemen voor van natuurwetenschappelijke en van maatschappelijke c.q. politieke aard. Voor de haalbaarheid van factor 4 blijkt bestaat een groot optimisme over de technologische mogelijkheden. Bij het toepassen van technologische oplossingen dreigen echter verschillende problemen, die vaak onderbelicht worden. Deze problemen hebben betrekking op het hele productiesysteem, alsmede op institutionele, sociaal-culturele en psychologische factoren. Ten slotte is er nog het probleem van het zogenaamde rebound- effect. Het huidige beleid is sterk op het eco-efficientie spoor gericht. Het begrip eco-efficientie geeft echter geen inzicht in het bereiken van de uiteindelijke milieukwaliteitsdoelstellingen. Daarbij rijst de vraag wat het ontbreken van een verband tussen milieukwaliteitsdoelen en het begrip eco-efficientie voor de rol van factor 4 in het beleid betekent. Uit het antwoord op deze en andere vragen moet blijken of het zinvol is om het begrip eco-efficientie verder te operationaliseren.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
De individuele modellen die geimplementeerd zijn in 'het European Union System for the Evaluation of Substances' (EUSES) en de validatiestatus worden besproken alsmede de problemen bij de toepassing van het systeem in de dagelijkse praktijk. Samengevat blijkt EUSES normaliter conservatieve schattingen op te leveren voor een standaard blootstellingsscenario dat in het algemeen niet direct vergelijkbaar is met meetgegevens. Verscheidene modulen zijn met name conservatief: emissieschatting, biodegradatie, het blootstellingsscenario, blootstelling van werknemers en effectbeoordeling voor het milieu. EUSES is niet direct geschikt voor de beoordeling van andere dan neutrale organische stoffen.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
Beschreven wordt een aanvullend onderzoek naar de luchtconcentraties en de verspreiding van koper, arseen en chroom bij twee van de circa dertig houtverduurzamingsbedrijven in Nederland. Het aanvullend onderzoek had tot doel meer duidelijkheid te krijgen omtrent enkele onzekerheden in de conclusies van het eerder uitgevoerd onderzoek. Het aanvullend onderzoek bestond uit concentratiemetingen van grof stof en daarin aanwezig koper, chroom en arseen bij de houtopslag van een houtverduurzamingsbedrijf tijdens een periode van warm, droog weer met hoge windsnelheden (zo'n periode had zich tijdens het eerder uitgevoerd onderzoek niet voorgedaan). Daarnaast zijn enkele bodem- en grasmonsters genomen in de directe omgeving van twee houtverduurzamingsbedrijven. Deze monsters zijn geanalyseerd op koper, chroom en arseen. Doel hiervan was de resultaten van verspreidings- en depositieberekeningen uit het voorafgaande onderzoek te verifieren. Bij de grof stof metingen bij droog, winderig weer werden benedenwinds van de houtopslag concentraties aerosoldeeltjes en daarin aanwezig koper, arseen en chroom gemeten die vergelijkbaar waren met de waarden die in het eerder onderzoek zijn gemeten tijdens meer vochtige dan wel windstille perioden. In de meeste bodem- en grasmonsters werden vrijwel geen aantoonbaar verhoogde gehaltes koper, chroom en arseen gemeten ten opzichte van waarden die op achtergrondlocaties zijn gevonden. Hieruit werd afgeleid dat verspreiding en depositie van koper-, chroom- en arseenhoudende aerosoldeeltjes afkomstig van de houtverduurzamingsbedrijven niet leidt tot aantoonbare verontreiniging van bodem en gras rond de bedrijven. Dit is in overeenstemming met de resultaten van de verspreidings- en depositieberekeningen uit het voorafgaande onderzoek. Op een locatie zijn wel hoge gehaltes koper, chroom en arseen gevonden in de bodem, maar gebleken is dat deze verontreiniging zeer waarschijnlijk een gevolg is van vroegere activiteiten. Op basis van dit aanvullend onderzoek blijven de conclusies betreffende risico's voor omwonenden en milieu uit het eerder uitgevoerde onderzoek ongewijzigd, d.w.z. dat de gemiddelde concentraties koper, chroom en arseen in de lucht aan de rand van de bedrijfsterrein en daaromheen beneden de toxicologische adviesgrenswaarden en Maximaal Toelaatbare Risicoconcentraties voor langjarige inhalatoire blootstelling liggen. De verspreiding en depositie van koper-, chroom- en arseenhoudende aerosoldeeltjes afkomstig van de houtverduurzamingsbedrijven leidt niet tot aantoonbare verontreiniging van bodem, gewassen en oppervlaktewater rond de bedrijven.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
Op basis van literatuuronderzoek is nagegaan of restemissies van microverontreinigingen vanuit door AMvB's Wet Bodembescherming gereguleerde activiteiten voldoende laag zijn om over een periode van 100 jaar de streefwaarden voor bodem en grondwater te kunnen handhaven. Bij de berekeningen is uitgegaan van de maximale emissie-eisen welke in de AMvB's Wet Bodembescherming zijn vastgelegd. Deze emissies-eisen zijn vergeleken met de kritische bodembelasting en de kritische bodembelasting ter bescherming van het grondwater dit betreft de belasting waarbij respectievelijk de streefwaarde bodem en de streefwaarde grondwater net niet wordt overschreden. Per AMvB zijn conclusies en aanbevelingen opgenomen. De belangrijkste conclusies zijn: Dierlijke meststoffen (BGDM): De concentratie van koper en zink in dierlijke mest (met name varkensmest) geeft aanleiding tot overschrijding van de streefwaarde voor bodem- en grondwater hierbij is reeds rekening gehouden met voorstellen voor de fosfaat-eindnorm zoals vastgelegd in de gewijzigd meststoffenwet. Compost (BOOM): De eisen voor schone compost in het BOOM geven aanleiding tot overschrijding van de koper en zinkconcentratie in bodem en grondwater indien de compost aangewend wordt in combinatie met dierlijke mest. Voor het vaststellen van de bodembelasting is het zinvol rekening te houden met de belasting van het (ondiepe) grondwater. Met name voor zware metalen welke relatief mobiel zijn (cadmium en zink).
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
Gedurende het in 1997 uitgevoerde bewakingsonderzoek "bijzondere slachtplaatsen" werden 61 monsters urine,16 monsters huid, 16 monsters vlees en 13 monsters mest onderzocht op de aanwezigheid van anabole steroiden en 16 monsters vet werden onderzocht op de aanwezigheid van gestagenen. Tevens werden er 83 monsters varkens- en runderoog (retina) en 61 monsters urine op residuen van beta-agonisten onderzocht. Tenslotte werden 20 monsters schildklier op residuen van thyreostatica onderzocht. De monsters waren afkomstig van 119 dieren, van sommige dieren werden meerdere weefsels bemonsterd. In een dier werden residuen van de beta-agonisten clenbuterol en broombuterol aangetroffen. In twee dieren werden residuen van alleen clenbuterol aangetroffen. In een dier werden residuen van het thyreostaticum tapazol aangetroffen en in een dier werden residuen van het anabolicum ethinylestradiol aangetroffen. Van de 119 gecontroleerde dieren in dit bewakingsonderzoek werden in 5 dieren (4%) residuen van een of meerdere groeibevorderende stoffen gevonden.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
Dit rapport beschrijft een multiresidu methode voor de analyse, detectie en identificatie van residuen van anabolica. De analytische methode is gebaseerd op een geautomatiseerde vaste faseextractie en een High Performance Liquid Chromatography (HPLC) kolomschakelingssysteem. Detectie vindt plaats met Gas Chromatografie met Massa Spectroscopische Detectie (GC-MS). De methode is geschikt voor de screening van urine monsters op 17 anabolica en de metabolieten daarvan. Gedeutereerde analoga worden gebruikt als interne standaarden voor kwantificering en kwaliteitscontrole. Na screening kan de identiteit van de anabolica bevestigd worden door het gebruik van een gemodificeerde HPLC-procedure met gradintelutie en selectieve fractionering. De geautomatiseerde extractie wordt uitgevoerd door een Gilson ASPEC systeem met wegwerp vaste fase extractie kolommen gekoppeld aan een HPLC met kolomschakeling. Het kolom schakelsysteem bestaat uit twee analytische kolommen gekoppeld via een schakelklep. Na extractie en HPLC zuivering wordt voor de screening een enkele fractie uitgevangen die alle analieten bevat. Deze fractie wordt in tweeen gedeeld en gederivatiseerd met twee verschillende derivatiseringsreagentia voor analyse met GC-MS. De detectielimiet voor alle componenten, behalve diethylstilbestrol (DES), is 1 microg/l. Voor DES bedraagt deze limiet 0.1 microg/l. De meerderheid van de componenten heeft een nauwkeurigheid tussen de 90 en 110 %. Voor drie componenten (4-chloro-4-androst-3,17-dione, methyltestosterone en 17-beta-nortestosterone) werd een grotere spreiding waargenomen. Voor alle componenten is de nauwkeurigheid acceptabel. Deze screeningsmethode is getest op vals negatieve resultaten door het analyseren van runder- (n=20), schapen- (n=20) en varkens- (n=10) urines op het concentratie niveau van n en twee maal de detectielimiet. De resultaten werden acceptabel geacht als het aantal vals negatieve resultaten kleiner of gelijk was aan 5%. Voor runder- en varkensurines op het niveau van 1 microg/l werd aan deze eis voldaan. Voor monsters schapenurines werden de resultaten op het concentratie van 2 microg/l geaccepteerd. De methode kan ook gebruikt worden als bevestigingsmethode. Voor dit doel wordt de te bevestigen analiet selectief gesoleerd door HPLC met gradientelutie en fractionering. De uitgevangen fractie wordt gederivatiseerd en bevestigd met GC-MS door het meten van ten minste 4 specifieke massafragmenten. De analysemethode is in detail beschreven in ARO SOP 401
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
The prevalence of diabetes mellitus in the Netherlands: a quantitative review | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Gezondheidsklachten in verband met recreatie in oppervlaktewater in de zomer van 1997 | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Differences in detection of Chlamydia pneumoniae protein, HSP60, lipopolysaccharide and DNA in abdominal aneurysms | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Transmission of tuberculosis in the Netherlands | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Effect of l-NAME, an inhibitor of nitric oxide synthesis, on plasma levels of IL-6, IL-8, TNFa and nitrite/nitrate in human septic shock | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Broad range Chlamydia pcr detects previously unrecognized Chlamydia sequences: a new genus in the family Chlamydiaceae? | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Preparation of the first European working standard for phenylalanine determination in dried blood spots | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Earthworms in environmental research: still a promising tool | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Problems in detecting small effects in case-control and cohort studies | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Detection of circulating egg antigens in human Schistosoma infections | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Group A streptococci: a change in virulence? | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Bartonella serology for patients with intraocular inflammatory disease | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Radiation induced chromosome aberrations: some biophysical considerations | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Analysis of genetic heterogeneity in Chlamydia trachomatis serovars D, E and F by DNA fingerprinting | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
In het kader van de Gezondheidskundige Evaluatie Schiphol is door het RIVM en TNO-PG een onderzoek uitgevoerd naar ervaren hinder, gezondheids- en belevingsaspecten rond de luchthaven Schiphol. De gegevens voor dit onderzoek zijn verzameld met een schriftelijke vragenlijst. Van de 30.000 benaderde personen heeft 39 procent de vragenlijst teruggestuurd. Uit dit onderzoek bleek dat de hinder door vliegtuiggeluid rond de luchthaven Schiphol hoger was dan verwacht, ook wanneer rekening werd gehouden met mogelijk selectieve (non-)respons. Geluid door vliegtuigen leidde tot meer hinder en slaapverstoring, een vaker als slecht ervaren gezondheid en een toename in het gebruik van medicijnen. Ook ervaarde men meer risico's van het vliegverkeer en was men minder tevreden over de woonomgeving naarmate de geluidbelasting door vliegtuigen hoger is. Mensen die dichter bij de luchthaven wonen rapporteerden vaker hinder door geur en door stof/roet of rook van vliegtuigen en meer luchtwegklachten. Ook gebruikten meer mensen medicijnen tegen astma en/of allergie. Het aantal mensen dat aangaf erg gehinderd te zijn of in de slaap gestoord te worden door vliegtuiggeluid was in absolute aantallen het grootst buiten de wettelijke zones voor (nachtelijk) vliegverkeer. Ook werd op grotere afstand van de luchthaven nog hinder van geur en stof/roet of rook van vliegtuigen waargenomen.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
Tijdens een bodemsanering in het centrum van Deil zijn metingen uitgevoerd naar piekblootstellingen en semichronische blootstellingen aan verontreinigingscomponenten in de directe omgeving van de saneringslocatie. Uit het onderzoek is gebleken dat piekblootstellingen slechts optraden bij beroering van de verontreinigde grond, en de concentraties verontreinigingen in de lucht snel afnamen met de afstand tot de saneringslocatie. Gedurende het onderzoek zijn de vooraf vastgestelde grenswaarden voor de verontreinigingscomponenten in de lucht niet overschreden. Een algemeen beoordelingskader voor blootstelling aan combinaties van componenten is nog niet ontwikkeld.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
De methode van bodemluchtbemonstering en -analyse is gebruikt om na te gaan of een vastgestelde verhoogde concentratie tetrachlooretheen in de buitenlucht veroorzaakt wordt door uitdamping van deze verbinding uit de bodem van een boorslibdepot en/of een voormalige huisvuilstortplaats. Een bodemsonde wordt in de grond gebracht, waarna via een capillaire buis lucht uit de bodem wordt aangezogen. Deze lucht is met een draagbare gaschromatograaf met fotoionisatiedetector geanalyseerd op tetrachlooretheen. Gezien de lage concentraties tetrachlooretheen die in de bodemlucht zijn gemeten, is het onwaarschijnlijk dat de concentratieverhoging van deze component in de buitenlucht wordt veroorzaakt door uitdamping ervan uit de bodem.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
Er wordt verslag gedaan van 3 jaar milieubeleidsanalyse voor de milieubalans, met nadruk op de onderbouwing van de in MB95, MB96 en MB97 getrokken conclusies. Samen met de RUU en CSTM zijn kwantitatieve en kwalitatieve methoden ontwikkeld. Aan de hand van een instrumententheorie van Glasbergen is een inventarisatie en karakterisering van beleidsinstrumenten uitgevoerd. De beleidsmixen zijn geanalyseerd per doelgroep en per thema. In de vergelijkende beleidsanalyse zijn voor een groot aantal kwantitatieve en meer kwalitatieve factoren tijdseries opgesteld voor 44 cases (doelgroep-stof-combinaties) over de periode tussen 1970 en 1995. Met behulp van het zo opgebouwde gegevensbestand was het mogelijk kwantitatieve relaties te leggen tussen de beleidsimpuls, maatschappelijke aandacht, kosten van maatregelen enerzijds en de emissiefactor anderzijds. Inzicht is verkregen in het verloop en de duur van beleidsprocessen en het effect van het aandeel juridische, financiele en communicatieve instrumenten in de beleidsmix. Een aparte analyse is gewijd aan de milieu-convenanten en meerjarenafspraken over energie met de industrie.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
Een vergelijking tussen de non-competitieve ELISA van Phipps et al., de klassieke radio-antigeen bindings assay (RABA) en de nieuw ontwikkelde Chiron competitieve ELISA voor de bepaling van anti-Hib polysaccharide (HibPs) antistof concentraties in humane sera wordt beschreven in het rapport. Voor dit onderzoek werden 4 serum panels, alle afkomstig uit hetzelfde klinische veldonderzoek, gebruikt en de resultaten werden vergeleken met de originele veldonderzoek gegevens, bepaald m.b.v. Phipps' non-competitieve ELISA. Betrouwbaarheid, reproduceerbaarheid plus een goede correlatie met de RABA tonen aan dat zowel de Chiron competitieve ELISA als de Phipps' non-competitieve ELISA de gevestigde RABA kunnen vervangen voor de bepaling van anti-HibPs totaal Ig. Het duidelijke voordeel van de enigszins meer bewerkelijke competitieve ELISA, zoals voorgesteld door Mariani et al., is echter dat overschatting van het percentage individuen met antistof titers > 0,15 mug/ml achterwege blijft in vergelijking met de non-competitieve ELISA. Competitie met vrij HibPs bleek noodzakelijk om vals positieve binding te voorkomen bij antistof concentraties Ăł 1,0 mug/ml. Hoewel het probleem mogelijk grotendeels beperkt blijft tot pre-immuun sera, kan het toch wel degelijk van invloed zijn op het aantal mensen dat ten onrechte als voldoende beschermd wordt beschouwd (tegen Hib). De Phipps' non-competitieve ELISA is te verbeteren door veranderingen in de incubatie tijd, incubatie temperatuur, incubatie buffers, conjugaat en type ELISA plaat in de richting van de Chiron competitieve ELISA toe te passen. Op basis van de resultaten introduceren we een verbeterde ELISA voor het bepalen van Hib antistoffen. Belangrijkste elementen zijn dat monsters worden getest in een tweevoudige verdunningsreeks en controle wells met vrij oplosbaar Haemophilus influenzae type b polysaccharide worden ingezet voor monsters met een Hib antistof concentraties Ăł 1,0 mug/ml.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
Het 'Uniform System for the Evaluation of Substances' (USES) wordt gebruikt om de risico's van aangemelde stoffen te evalueren op basis van een beperkte set gegevens. Het computermodel USES is ontworpen om de risico's van neutrale organische verbindingen te analyseren. De toxiciteit, het risico op bioaccumulatie en de verdeling van de stof over vaste en vloeibare fases, kan worden geschat via de octanol/water partitie-coefficient (Kow) van deze verbindingen. Deze schattingen zijn alleen geldig voor neutrale organische verbindingen die een minimum toxiciteit vertonen. Er is een overzicht van de problemen die ontstaan wanneer moeilijke stoffen worden geevalueerd met USES. Eerst wordt een indicatie gegeven van de verschillende klassen van chemicalien die problemen kunnen geven in USES. Vervolgens worden de problemen beschreven die optreden wanneer de fysisch-chemische eigenschappen van deze verbindingen in de inputmodule van USES worden gebracht. Smeltpunt, kookpunt, dampspanning en Kow van moeilijke stoffen zijn vaak niet beschikbaar en de Kow van deze stoffen mag niet worden toegepast in USES. Veel standaardschattingen van sorptie of bioaccumulatie in USES zijn niet geldig bij deze stoffen. Dit betekent, dat alle sorptie- en bioconcentratiefactoren in USES moeten worden geschat vanuit de literatuur. Normalisatie van deze factoren naar het organisch koolstofgehalte van grond en sedimenten is alleen mogelijk, als er bewijs is dat de sorptie wordt veroorzaakt door de organische fractie.Vergeleken met neutrale moleculen zijn speciatie, bioaccumulatie en toxiciteit van geladen moleculen sterker afhankelijk van een aantal milieuparameters zoals pH en de aanwezigheid van zouten. Dit veroorzaakt bij de risico-evaluatie van deze moleculen grotere onzekerheden, die kunnen worden verminderd door grotere veiligheidsmarges of een uitgebreidere dataset.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
Het Communautair Referentie Laboratorium (CRL) voor Salmonella heeft een derde ringonderzoek voor de serotypering van Salmonella georganiseerd. Alle Nationale Referentie Laboratoria (NRLs) voor Salmonella van de Europese Unie deden aan het onderzoek mee. Het belangrijkste doel was het vergelijken van de serotyperingsresultaten van de NRLs. In totaal werden er door het CRL 20 serotypen van Salmonella enterica subsp. enterica geselecteerd. Deze moesten door de NRLs met de routinematig gebruikte serotyperingsmethode worden onderzocht. Voor de eerste keer voerden enkele laboratoria faagtypering uit. De meerderheid van de laboratoria typeerde de stammen, waaronder veel voorkomende serotypen, correct. Het lijkt zinvol om dit in vervolgonderzoeken te herhalen.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
Op verzoek van de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, heeft een werkgroep van vertegenwoordigers van betrokken partijen de afgifte van ftalaten uit zacht PVC babyspeelgoed onderzocht. Omdat di-isononylftalaat (DINP) veruit de meest gebruikte weekmaker in PVC babyspeelgoed is, is alleen dit ftalaat in het verdere onderzoek nader beschouwd. Het volgende experimentele onderzoek is uitgevoerd: (1) een vrijwilligersonderzoek om afgifte van DINP uit PVC-monsters aan speeksel te bepalen (uitgevoerd door TNO Voeding), (2) een observatie-onderzoek met kinderen om te bepalen hoe lang kinderen via de mond in contact zijn met babyspeelgoed (uitgevoerd door de Landbouwuniversiteit Wageningen), (3) een nieuwe beoordeling van de blootstelling van baby�s aan DINP uit zacht PVC (uitgevoerd door het RIVM), (4) de ontwikkeling van een routine laboratoriummethode voor de bepaling van de afgifte van DINP uit zacht PVC babyspeelgoed (hoofdzakelijk uitgevoerd door TNO Voeding, met ondersteuning van enkele andere laboratoria). Op grond van de resultaten van dit onderzoek en aannemend dat zacht PVC babyspeelgoed de belangrijkste bron van blootstelling van baby's aan DINP is, wordt geconcludeerd dat blootstelling van kinderen die ouder dan 1 jaar zijn, duidelijk onder de maximaal Toelaatbare Dagelijkse Inname (TDI) van 0,15 mg/kg/dag ligt, voor het onderzochte monster. Voor kinderen van 3 - 12 maanden kan de blootstelling in zeldzame gevallen de TDI benaderen of overschrijden. Er wordt een routine laboratoriummethode voorgesteld voor de bepaling van de afgiftesnelheid van DINP. Tevens wordt een methode voorgesteld om een maximaal toegestane afgiftesnelheid af te leiden.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
Speciation of arsenic compounds in urine by LC-ICP MS | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Vaccine strategies to overcome maternal antibody mediated inhibition of measles vaccine | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Antigen detection in vivo after immunization with different presentation forms of rabies virus antigen. II. Cellular, but not humoral, systemic immune responses against rabies virus immune-stimulating complexes are macrophage dependent | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Ultraviolet-B induced hyperplasia and squamous cell carcinomas in the cornea of XPA-deficient mice | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Postvaccinale verschijnselen | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Microbiological aspects of surfactant use for biological soil remediation | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Op zoek naar een duurzame wereld: het TARGETS-model | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Contra-indicaties | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Repeated administration of whole-cell and acellular pertussis vaccines affects haemodynamics and autonomic responsiveness | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Biodegradation kinetics of toluene, m-xylene, p-xylene and their intermediates through the upper TOL pathway in Pseudomonas putida (pWW0) | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Evaluation of the uncertainty factor for subchronic-to-chronic extrapolation: statistical analysis of toxicity data | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Pfiesteria piscida, een probleem in Nederland: mythe of realiteit? | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Een totaal meningitis vaccin: waar zijn we? | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Dislocation of type I membrane proteins from the ER to the cytosol is sensitive to changes in redox potential | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Food plant toxicants and safety : risk assessment and regulation of inherent toxicants in plant foods | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Reducing the use of laboratory animals in biomedical research: problems and possible solutions | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Elevated frequencies of benzo(a)pyrene-induced Hprt mutations in internal tissue of XPA-deficient mice | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
European consensus statement on lung cancer: risk factors and prevention | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Diagnosis of Mycobacterium microti infections among humans by using novel genetic markers | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
A mouse model to study immunity against pseudorabies virus infection: significance of CD4+ and CD8+ cells in protective immunity | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Immuniteit en vaccinatie | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Occupational risk of HIV infection among Western health care professionals posted in AIDS endemic areas | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Clinical features of Lyme borreliosis in the middle Urals and distribution of Borrelia burgdorferi sensu lato species in local ixodes persulcatus ticks | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Antigenic and molecular characterization of wild type 1 poliovirus causing outbreaks of poliomyelitis in Albania and neighboring countries in 1996 | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Association between apolipoprotein E e4 and the rate of cognitive decline in community-dwelling elderly individuals with and without dementia | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Analysis of record-low ozone values during the 1997 winter over Lauder, New Zealand | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
On-line solid phase extraction-gas chromatography-cryotrapping-infrared spectrometry for the trace-level determination of microcontaminants in aqueous samples | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Monitoring of Chlamydia trachomatis infections after antibiotic treatment using RNA detection by nucleic acid sequence based amplification | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Progression of cerebral white matter hyperintensities on MRI is related to diastolic blood pressure | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Silent memory induction in maternal immune young animals | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Selection of anthropometric indicators for classification of abdominal fatness - a critical review | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Determination of butyltins in harbour sediment and water by aqueous phase ethylation GC-ICP-MS and hydride generation GC-AAS | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Magic, safe and smart model applications at integrated monitoring sites: effects of emission reduction scenarios | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
A risk assessment approach to evaluating food safety based on product surveillance | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
The battle of perspectives: a multi-agent model with adaptive responses to climate change | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Nonaccidental endosulfan intoxication: a case report with toxicokinetic calculations and tissue concentrations | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Linkage analysis and construction of a congenic strain for a blood pressure QTL on rat chromosome 9 | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Simultaneous detection and strain differentiation of Mycobacterium tuberculosis complex in paraffin wax embedded tissues and in stained microscopic preparations | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Identification of a novel gene involved in pilin glycosylation in Neisseria meningitidis | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Multicenter evaluation of the amplicor enterovirus PCR test with cerebrospinal fluid from patients with aseptic meningitis | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Exposure to dioxin and nonneoplastic mortality in the expanded IARC international cohort study of phenoxy herbicide and chlorophenol production workers and sprayers | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Flow cytometrie als extra zuiveringsstap heeft de detectiemethode voor Cryptosporidium oocysten en Giardia cysten in water verbeterd. Door middel van flow cytometrie kunnen (oo)cysten gescheiden worden van het meeste debris dat in waterconcentraten aanwezig is, waardoor de toepassing van fluorogene vitale kleurstoffen om de levensvatbaarheid van (oo)cysten vast te stellen mogelijk wordt. Kleuren met DAPI (4',6-dimidine-2-fenylindol-dihydrochloride) en propidiumjodide (PI), gevolgd door sorteren met de Becton Dickinson FACSort flow cytometer, resulteerde in microscopische preparaten waarin de afleesbaarheid van de levensvatbaarheidskleuring uitstekend was. PI positieve en PI negatieve oocysten werden evengoed gesorteerd en sorteren had geen effect op de levensvatbaarheid van de oocysten. Ook centrifugeren, sonificeren, floteren en wassen hadden geen effect. Dehydratie van membraanfilters, om toepassing van DIC microscopie mogelijk te maken, had een negatief effect op de levensvatbaarheid. Alle monster opwerk stappen veroorzaakten een aanzienlijk verlies in levensvatbaarheid bij Giardia cysten. De DAPI/PI kleuring geeft informatie over de levensvatbaarheid van Cryptosporidium oocysten, maar deze is onvolledig omdat DIC microscopie niet toegepast kan worden om te bepalen of DAPI en PI negatieve oocysten als dood of levend beschouwd moeten worden. De hier gebruikte detectiemethode kan slechts de aanwezigheid van Giardia cysten in monsters water aantonen en geeft geen informatie over de levensvatbaarheid van de gedetecteerde cysten omdat die door de methode beinvloed wordt. Andere methoden, zoals celkweek technieken, zijn waarschijnlijk meer geschikt om vast te stellen of (oo)cysten uit milieumonsters een risico vormen voor de volksgezondheid
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
De acute aquatische risico-indicator voor bestrijdingsmiddelen kan beschouwd worden als een indicator voor de toxische druk van bestrijdingsmiddelen op het aquatische milieu. De indicator is gebaseerd op alle bestrijdingsmiddelen die in Nederland gebruikt worden of werden sinds 1984. Voor elk bestrijdingsmiddel werd de quotient van de voorspelde concentratie (PEC) in het oppervlakte water en de toxiciteit voor een bepaalde groep van waterorganismen, vermenigvuldigd met het relatieve oppervlakte waarop de stof werd toegepast (ten opzichte van al het met bestrijdings-middelen behandelt agrarisch areaal). De indicator is berekend voor elk jaar sinds het in werking treden van het MJPG. De druk op algen en daphniaĂľs is verminderd met 40% en voor vissen met 15%. Minder dan twintig bestrijdingsmiddelen zijn verantwoordelijk voor ongeveer 85% van de hoogte van de indicator. De bestrijdingsmiddelen die met meer dan 10% bijdragen aan de indicator waarde zijn fentin-acetaat en monolinuron bij de algen, fentin-acetaat, ethyl-parathion en fosalone bij de daphniaĂľs en captan en lambda-cyhalothrin bij de vissen. De grootste winst voor het aquatische milieu kan bereikt worden door deze bestrijdingsmiddelen niet meer te gebruiken, zelfs wanneer we ervan uit gaan dat andere bestrijdingsmiddelen dan meer gebruikt worden. De vervangende bestrijdingsmiddelen dienen dan wel een lagere PEC/TOX verhouding te hebben.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
Bij de twee Nederlandse destructiebedrijven werd in 1997 onderzoek uitgevoerd naar de effectiviteit van de autoclaveringsprocessen en de microbiologische gesteldheid van eindproducten. Daartoe werden monsters halfproduct, genomen direct na autoclaveren, onderzocht op sporen van Clostridium perfringens. Monsters eindproduct werden onderzocht op Salmonella, terwijl in vijf deelmonsters van ieder eindproductmonster het Enterobacteriaceae-kiemgetal werd bepaald. Bij bedrijf N werden sporen van sulfiet reducerende clostridia aangetoond in 1 (4,8 %) van de 21 monsters halfproduct. Bij bedrijf C werden sporen van sulfiet reducerende clostridia aangetoond in 5 (20,0 %) van de 25 monsters halfproduct. Bij geen van beide bedrijven werden sporen van C. perfringens aangetoond. Conform EU-Richtlijn 90/425/EEG dienen monsters halfproduct (als het verwerking van hoog-risicomateriaal betreft), die onmiddelijk na autoclavering worden genomen, vrij te zijn van sporen van C. perfringens. In geen van de monsters eindproduct werd Salmonella aangetoond. In alle deelmonsters was het Enterobacteriaceae-kiemgetal lager dan 10 kiemen per gram. Conform EU-Richtlijn 90/425/EEG dienen monsters eindproduct (hoog- en laag-risicomateriaal) vrij te zijn van Salmonella en dient het Enterobacteriaceae-kiemgetal in geen van de 5 deelmonsters > 300 en in maximaal 2 van de 5 deelmonsters > 10 en < 300 te zijn . Naast het onderzoek van half- en eindproducten werd door het RIVM in 1997 tweemaal een microbiologisch controle-onderzoek uitgevoerd met de twee laboratoria (lab. A t.b.v. bedrijf N en lab. C t.b.v. bedrijf C) die het 'eigen' microbiologische onderzoek van de destructoren verrichten. Daarbij werd gebruik gemaakt van referentiematerialen die dienden te worden onderzocht op Salmonella, C. perfringens of Enterobacteriaceae. Wat Salmonella betreft voldeden de bevindingen van geen van beide laboratoria aan de verwachtingen. Wat de Enterobacteriaceae-kiemtelling betreft voldeden de resultaten van lab. C volledig aan de verwachtingen. Bij lab A. werd bij het tweede controle-onderzoek een geringe afwijking van de gemiddelde kiemtelling t.o.v. de verwachte waarde geconstateerd. Wat C. perfringens betreft voldeden de resultaten van lab. C volledig aan de verwachtingen. De resultaten van het eerste controle-onderzoek van lab. A kwamen echter niet overeen met de verwachtingen. Hierop werd op verzoek van de opdrachtgever een extra controle-onderzoek m.b.t. C. perfringens uitgevoerd bij dit laboratorium. De resultaten van dit extra onderzoek kwamen overeen met de verwachte resultaten.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
Paralytic shellfish poisoning (PSP) wordt veroorzaakt door consumptie van schelpdieren die PSP toxinen bevatten. Er zijn 18 verschillende PSP toxinen, waarvan saxitoxine de meest bekende en de meest toxische is. PSP toxinen kunnen worden aangetoond met de muis bioassay, waarbij de dood van het dier als toxiciteitscriterium geldt. Deze methode wordt op dit moment nog veel toegepast, maar de internationale druk die wordt uitgeoefend door o.a. de dierenbeschermingsorganisaties stimuleert het onderzoek naar chemische analysemethoden om de muis bioassay te vervangen. Hoewel er verschillende methoden voorhanden zijn, heeft elke methode wel zwakke punten. Het grootste probleem is dat er weinig analytische standaarden en gecertificeerde referentiematerialen voorhanden zijn, alhoewel er wel veelbelovende ontwikkelingen op dit gebied zijn. De PSP toxinen worden voornamelijk geproduceerd door zogeheten dinoflagellaten van het geslacht Alexandrium. Deze soort komt zowel in tropische gebieden als in de gematigde zones voor en wanneer schelpdieren zich voeden met deze algen, kunnen de toxinen accumuleren in de schelpdieren. De hoogste concentraties toxinen komen voor tijdens, of vlak na een algenbloei, maar zelf ondervinden de schelpdieren bijna geen effect van de toxinen. Wanneer mensen de verontreinigde schelpdieren opeten kunnen ze vergiftigd raken met de PSP toxinen. De effecten zijn aanvankelijk het waarnemen van tintelingen en gevoelloosheid maar uiteindelijk kan verlamming optreden en in ernstige gaveling an dit tot tot de dood leiden doordat ook de ademhalingsspieren verlamd raken. De laatste jaren lijkt het alsof er een toename in het aantal intoxicaties, veroorzaakt door PSP, plaatsvindt.Op dit moment zijn er 25 landen met wetgeving op het gebied van PSP. De meeste landen hebben wetgeving voor PSP in het algemeen, maar sommige landen hebben ook specifieke wetgevingen voor een of meer PSP toxinen.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
Deze rapportage bevat de resultaten van een modelleringsproject. Er worden beelden geschetst van de huidige en toekomstige kwaliteit van de regionale waterbodems met betrekking tot de vier metalen cadmium, koper, lood en zink in afhankelijkheid van diverse emissiebronnen in zand- klei- en veensloten. Het onderzoek is uitgevoerd ter evaluatie van het Beleidsstandpunt Verwijdering Baggerspecie uit 1993, waarin het voornemen staat verwoord om na 2000 geen klasse 2 baggerspecie meer op land te verspreiden. Uitgegaan is van een modelslootsysteem waarin gehalten worden berekend onder invloed van belasting met zware metalen en processen, die van invloed zijn op de samenstelling van het systeem en de metaalgehalten in water en sediment. Een probabilistische aanpak is gekozen om de onzekerheid van processen en parameters te kwantificeren, waardoor er een kansverdeling ontstaat van mogelijke uitkomsten waarmee een risicoanalyse kan worden uitgevoerd. Modelresultaten laten zien dat de achtergrondbelasting in zand- en kleisloten over het algemeen een grote kans op klasse 0 specie veroorzaakt. Voor veensloten daarentegen blijkt dat voor koper een zeer grote kans op klasse 2 ontstaat en voor de andere metalen klasse 1 specie. Additionele bronnen zorgen in veen voor een geringe verschuiving in klasseverdeling, in zand- en kleisloten ontstaat echter voor koper klasse 2 en voor de andere metalen voornamelijk klasse 1 specie. Deze resultaten blijken, gegeven de onzekerheid in het model, goed overeen te komen met de schaarse veldgegevens. De landbodem, die door historische belasting vanuit met name atmosferische depositie en mestgift verhoogde metaalgehalten bevat, blijkt de belangrijkste bron bij de vorming van het sediment. Doordat het zeer waarschijnlijk is dat de landbodemgehalten de komende jaren niet sterk zullen verbeteren, is het aannemelijk dat een verbetering van nieuw te vormen sediment in regionale wateren de komende decennia niet zal optreden.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
Trends in cigarette smoking habits in the Netherlands in relation to age, gender and educational level 1987-1991 | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Identification of Borrelia burgdorferi sensu lato species in Europe | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Detection of Borrelia burgdorferi sensu lato in ticks: immunofluorescence assay versus polymerase chain reaction | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
European interlaboratory comparison of Lyme borreliosis serology | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
The quality of the groundwater in the Netherlands | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Een explosie van E. coli O157-infectie binnen een gezin | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Rate of infection of Ixodes ricinus ticks with Borrelia burgdorferi sensu stricto, Borrelia garinii, Borrelia afzelii and group VS116 in an endemic focus of lyme disease in Italy | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
In vivo cardiovascular reactivity and baroreflex activity in diabetic rats | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Characterization of Neisseria meningitidis strains causing disease in complement-deficient and complement-sufficient patients | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Separate associations of waist and hip circumference with lifestyle factors | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Towards internationally acceptable standards for food additives and contaminants based on the use of risk analysis | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Identification of isomeric polycyclic aromatic hydrocarbons (PAH) in pyrolysates from ethynylated PAH by gas chromatography-Fourier infrared spectroscopy. Their relevance for the understanding of PAH rearrangement and interconversion processes during comb | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
An assessment of ECC ozonesondes operated using 1% and 0.5% KI cathode solutions at Lauder, New Zealand | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
SUSCLIME: a simulation/game on population and development in a climate-constrained world | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Comment on "Temperature dependence of slow adsorption and desorption kinetics of organic compounds in sediments" [Letter to the editor] | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
A model study on the stability of the macrophyte-dominated state as affected by biological factors | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
De humane blootstelling aan Butylbenzyl ftalaat (BBP) is geschat aan de hand van een bron-effekt ketenbenadering. Blootstelling is zowel indirekt (via het milieu) als direkt (via consumentenprodukten en op de werkplek van een vinyl-producerend bedrijf). Blootstelling via het milieu is geschat met behulp van het EUSES model en consumentenblootstelling met behulp van het CONSEXPO model. Gecombineerde opname is berekend door inhalatoire, dermale en orale opname bij elkaar op te tellen en blootstelling via het milieu te combineren met consumentenblootstelling. De risicoschatting is gemaakt op basis van de gecombineerde opname en de tijdelijke TDI. De TDI is gebaseerd op lever-effekten bij rodentia. BBP heeft mogelijk ook effekten op de embryonale ontwikkeling en het mannelijk reproduktie-systeem. Op basis van de tijdelijke TDI is het niet te verwachten dat BBP effekten zal veroorzaken.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
In deze studie is onderzoek gedaan naar de wijze waarop in de verschillende provincies wordt omgegaan met de monitoring van het gebiedsgericht beleid in de milieubeschermingsgebieden. Het blijkt dat de doelstellingen van het beleid voor deze gebieden nog niet zijn uitgewerkt in concrete milieukwaliteitseisen. De relatie tussen de doelstellingen, de feitelijke milieubelasting, de gerealiseerde acties en de gewenste milieukwaliteit is veelal onduidelijk. Alhoewel in vele gebieden aandacht wordt besteed aan monitoring is de coordinatie en organisatie van de monitoring van gebiedsgerichte projecten op provinciaal niveau doorgaans gebrekkig. Vrijwel nergens is het systeem volledig uitgekristalliseerd, zowel methodisch als organisatorisch. Nergens is sprake van centrale regie. Bestaande monitoringsystemen zijn veelal gericht op het afleggen van verantwoording over voortgang en kosten richting financiers. Doorgaans bestaat er onvoldoende inzicht in de relaties tussen de geleverde prestaties en de gebiedsspecifieke doelstellingen. Onduidelijk is, hoe informatie gebruikt wordt voor bijsturing van de uitvoering van de projecten. Milieukwaliteitsmonitoring is in vele gebiedsgerichte projecten nog in opbouw. Nulmetingen zijn slechts in een beperkt aantal projecten daadwerkelijk uitgevoerd. Momenteel wordt door de provincies gewerkt aan een meer systematische opzet en uitwerking van de monitoring.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
In de Vervolgnota Klimaatverandering is aangekondigd dat er een verkenning zou worden uitgevoerd naar de mogelijkheden om in Nederland een reductie van de broeikasgassen van 1% a 2% per jaar te realiseren in de periode 2000-2020. Het onderzoek naar de mogelijkheden en kosten van een reductie van de broeikasgasemissies met 32% ten opzichte van het 1990 niveua is uitgevoerd door het Energieonderzoek Centrum Nederland (ECN). Hiervoor zijn twee beleidsvarianten (sturing en markt) gebaseerd op het Global Competion scenario uit de lange termijn verkenning uitgewerkt. De belangrijkste conclusie is dat voor het bereiken van zulke vergaande CO2-reducties opties als het importeren van biomassa en de opslag van CO2 in beeld komen. Het RIVM heeft de twee beleidsvarianten doorgerekend op hun overige milieueffecten door te kijken naar veranderingen in de locale emissies van NOx, SO2, PM10 and VOS. De belangrijkste conclusie dat een reductie van de CO2-emisies leidt tot een gelijktijdige daling van de locale emissies met 8% tot 30%. Bij combinatie van nieuwe technologieen (zoals brandstofcellen) met backstops kunnen de emissiereductie oplopen tot 50% ten opzichte van het referentiescenario.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
Microwave assisted solvent extraction (MASE) of organochlorine pesticides from soil samples | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
The application of quantum chemical and statistical technique in develping quantitative structure-property relationships for the photohydrolysis quantum yields of substituted aromatic halides | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Modelling the spread of HIV in social networks of injecting drug users | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Spacer oligotyping of Mycobacterium bovis isolates compared to typing by restriction fragment length polymorphism using PGRS, DR and IS6110 probes | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
HIV-associated dementia: clinical epidemiological and resource utilization issues | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
An improved linkage map of rat Chromosome 3 with three mapping panels | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Potentiometric titration of poly(acryl acid) in mixed counterion systems: Chemical binding of Cd ions | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
A mouse model for the basal transcription/DNA repair syndrome trichothiodystrophy | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Serotypes of Escherichia coli isolated from septicaemic chickens in Galicia (Northwest Spain) | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
In Nederland vinden minstens 4 a 5 keer per jaar accidenten plaats in zwembaden, waarbij te hoge concentraties chloorgas vrijkomen. Het Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum (NVIC), onderdeel van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), vervult een monitoringsfunctie ten aanzien van dit soort accidenten door registratie van de informatieverzoeken over de gezondheidseffecten en behandeling van acute blootstelling aan chloorgas. Dit rapport heeft als doel de gegevens uit het in 1988 verschenen rapport te actualiseren met gegevens over de afgelopen 10 jaar (1988-1997). De gezondheidseffecten van acute blootstelling aan chloorgas en de behandeling ervan zijn in dit rapport beschreven. Verder is meer inzicht gegeven in de toedracht van chloorgasincidenten in zwembaden in de periode 1995 tot en met 1997. De meeste blootstellingen aan te hoge concentraties chloorgas worden veroorzaakt door technische defecten aan apparatuur. Deze defecten hebben betrekking op de elektronische meetapparatuur en doseersystemen en op onvoldoende functionerende afvoersystemen. Aanbevolen wordt om op verschillende plaatsen in de zwembadinstallatie (geautomatiseerde) controlemetingen te verrichten, met name op de punten waar hypochloriet en zuur aan de zwembadinstallatie worden toegevoegd. Hierdoor is terugkoppeling mogelijk en kan op geleide van deze controlemetingen de toevoeging van hypochloriet en zuur worden aangepast of gestopt. Verder verdient het aanbeveling om het pompsysteem uit te rusten met een waarschuwingssysteem waardoor de pompen afslaan als de circulatie wordt onderbroken. Bij storingen kan dan sneller duidelijk worden waar het probleem zit en hoe dit het beste opgelost kan worden.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
In dit rapport worden gegevens gepresenteerd van voedselinfecties en -vergiftigingen in Nederland in 1997 zoals gemeld door consumenten bij de regionale Inspecties Gezondheidsbescherming, zoals onderzocht door GGD's en zoals aangegeven door behandelend artsen aan de Inspectie Gezondheidszorg. De resultaten van 1997 worden vergeleken met bevindingen in voorgaande jaren. In Nederland werden in 1997 586 explosies van voedselinfectie en -vergiftiging, 481 endemische gevallen en 13 patienten met onbekende achtergrond (explosie versus endemisch geval) geregistreerd. In totaal waren daarbij 3324 ziektegevallen betrokken. Het voorkomen in 1997 was zeer vergelijkbaar met de bevindingen in 1996. Een mogelijk veroorzakende verwekker werd gevonden bij 25% van de bij de IGB/KvW gemelde incidenten. Bij de GGD's werd in 55% van de onderzochte explosies een mogelijke oorzaak gevonden.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
Het inventariseren, binnen Nederland, van de beschikbaarheid van methoden en expertise voor laboratorium-diagnostiek van volksgezondheid-relevante humane infectieziekten. Een selectie van bacterien, parasieten, schimmels en virussen werd gemaakt op basis van de lijst van aangifteplichtige ziekten en de verwekkers van infectieziekten waarvoor officiele protocollen voor beheersing en bestrijding in het kader van volksgezondheid bestaan (eerste categorie). In een later stadium werden enkele 'opduikende' micro-organismen toegevoegd aan deze selectie (tweede categorie). Middels schriftelijke enquetes en interviews met stafleden van enkele grote microbiologische laboratoria, werden gegevens verzameld betreffende de beschikbare methoden voor laboratorium-diagnostiek. Voor alle pathogenen werd tevens informatie verzameld over indicatoren als incidentie en lethaliteit, karakteristieken van het pathogeen als transmissie-wijze en mogelijke reservoirs, en enkele andere factoren als beschikbaarheid van vaccinatie-mogelijkheid en kans op outbreaks. De inventarisatie betrof 105 micro-organismen, 66 van de eerste categorie (36 bacterien, 9 parasieten/schimmels en 21 virussen) en 39 van de tweede categorie (3 bacterien, 8 parasieten/schimmels, 27 virussen en 1 niet-classificeerbaar agens (BSE)). Per micro-organisme worden de laboratoria (c.q. het laboratorium) vermeld die de laboratorium-diagnostiek van dat agens uitvoeren (c.q uitvoert), inclusief vermelding van de specifiek toegepaste methode(n). In Nederland zijn voor de meeste van de geselecteerde micro-organismen methoden en expertise voor laboratorium-diagnostiek beschikbaar. Voor enkele micro-organismen geldt dat klinische diagnose volstaat en laboratorium-diagnostiek niet beschikbaar is of toegepast wordt. Voor enkele andere micro-organismen zou men de beschikbare laboratorium-diagnostische methoden als suboptimaal kunnen beschouwen. Voor een groot deel van de geinventariseerde micro-organismen functioneert het Rijksinstitituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) als referentie-laboratorium. Desalniettemin zijn verschillende andere laboratoria van belang, in het bijzonder voor de laboratorium-diagnostiek van enkele zeldzame of exotische micro-organismen waarvoor het RIVM geen praktische expertise heeft. Er is geen geformaliseerde structuur van referentie-laboratoria.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
Het eerste internationale ringonderzoek met bacteriofagen in zwemwater werd in mei 1997 georganiseerd. Zestien Europese laboratoria (inclusief het organiserende laboratorium) namen deel aan de studie. Zij analyseerden faag referentiematerialen (RMs) voor de bepaling van somatische colifagen (RMs met èX174), F-specifieke RNA-fagen (RMs met MS2) en fagen van Bacteroides fragilis (RMs met B40-8). De referentiematerialen voldeden aan de eisen van stabiliteit en homogeniteit en waren bruikbaar voor het ringonderzoek. Tijdens de discussie met de deelnemende laboratoria over de resultaten van de studie werd besloten om een aantal resultaten niet te gebruiken bij verdere statistische analyse vanwege opgetreden technische problemen bij de laboratoriumanalyse. Analyse van de overgebleven resultaten resulteerde in de volgende waarden voor de herhaalbaarheid (r): 1.35 - 1.38 en reproduceerbaarheid (R): 1.52 - 2.04. Deze waarden liggen dicht bij het theoretische optimum. De conclusie is dat de deelnemende laboratoria in staat waren de huidige methoden toe te passen voor de bepaling van de drie typen bacteriofagen op faag referentiematerialen.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
Het onderzoek dat in dit rapport wordt beschreven richt zich op een verdere ontwikkeling van geintegreerde milieunormen, die ontworpen zijn met het oog op de bescherming van mens en milieu. Tot nu toe werd bij de afleiding van deze normen alleen rekening gehouden met ecotoxicologische criteria. De techniek om ook humaan-toxicologische criteria bij de afleiding te betrekken is in ontwikkeling. In voorliggend rapport werd bestudeerd of de reeds beschikbare (ecotoxicologisch onderbouwde) integrale milieunormen nu reeds voldoende bescherming bieden voor de mens. Het bleek dat voor vele stoffen dat niet het geval was. Daarom is het inderdaad nodig om zowel ecotoxicologische als humaan-toxicologische gegevens bij de afleiding van deze milieunormen te betrekken. Verder bleek het eveneens noodzakelijk om meerdere blootstellingsroutes in de afleiding te betrekken. Het is een te sterke vereenvoudiging van de werkelijkheid als voor de mens slechts naar een blootstellingsroute wordt gekeken (bv. inhalatie van vluchtige verbindingen). Het computer model EUSES bleek een geschikt instrument voor het analyseren van humane multi-route blootstellingsprofielen, in het bijzonder voor organische stoffen.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
Dit rapport bestaat uit twee delen. Deel A is een vrijwel integrale weergave van de tekst van hoofdstuk 7 uit VTV-1997 III: Gezondheid en levensverwachting gewogen. In dit hoofdstuk is een schatting gemaakt van de ziektelast in Nederland voor de in VTV-1997 geselecteerde aandoeningen , op basis van elders berekende wegingsfactoren voor ziekte en de gegevens over prevalentie, incidentie en verloren levensjaren die voor VTV-1997 verzameld zijn. De ziektelast wordt uitgedrukt in DALY's (Disability-Adjusted Life Years), die een optelling zijn van ziektejaar-equivalenten en verloren levensjaren. De ziektejaar-equivalenten worden berekend als de prevalentie maal een wegingsfactor voor de ernst van de aandoening. Een opvallend resultaat was dat de hart- en vaatziekten en kankers verantwoordelijk waren voor het grootste deel van de verloren levensjaren, terwijl de psychische aandoeningen en de lichamelijke chronische aandoeningen juist het grootste deel van de ziektejaarequivalenten voor hun rekening namen. In de beschouwing worden de belangrijkste onzekerheden en problemen van deze benadering besproken. Deel B bevat de berekeningen van de ziektejaar-equivalenten en DALY's per aandoening, gerangschikt naar ICD-hoofdgroep.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
Het kwantificeren van het effect van metalen op organisme-, populatie- en ecosysteem-niveau wordt op dit moment bemoeilijkt door een gebrek aan kennis over de fysisch-chemische en fysiologische factoren die de biobeschikbaarheid van de metalen bepalen. In dit rapport zijn de fysisch-chemische aspecten van biobeschikbaarheid voor de Nederlandse veldsituatie bestudeerd. Dit is gedaan aan de hand van een bemonstering van 49 landbodems, die een dwarsdoorsnede vormen van de verschillende bodemtypes die in Nederland voorkomen. Na bemonstering is de verdeling van 6 metalen (Cd, Cr, Cu, Ni, Pb, Zn) en het metalloide As over de vaste bodemmatrix en het poriewater bestudeerd. De bodemeigenschappen waarvan verondersteld wordt dat zij het partitiegedrag in grote mate beinvloeden, zijn voor elke bodem gekwantificeerd en modellen zijn afgeleid voor het beschrijven van het partitieproces op basis van een aantal eenvoudig te bepalen bodemeigenschappen. De modellen zijn geschikt voor het berekenen van metaalgehaltes in het poriewater. Aangezien de meeste organismen die in de bodem leven, metalen via het poriewater opnemen zijn de modellen bruikbaar voor het voorspellen van de beschikbaarheid van metalen voor opname door deze organismen.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
Afzonderlijke monitoringsprogramma's zijn getoetst aan de uitkomsten van een werkbijeenkomst over mogelijke luchtverontreiniging-gezondheid monitoringsactiviteiten op het RIVM. De mogelijkheden om de relatie luchtverontreiniging - gezondheid te monitoren blijken gering te zijn omdat monitoring van blootstelling aan en effecten van luchtverontreiniging sterk wordt gecompliceerd door de aspecificiteit van de gezondheidseffecten die door luchtverontreiniging zouden kunnen worden veroorzaakt. Dit maakt het dat slechts gerichte monitoringsactiviteiten haalbaar worden geacht om aan de eisen van een programma tegemoet te komen. Tot de haalbaar geachte activiteiten behoren: (1) het monitoren van specifieke situaties, zoals voor/na meting van blootstelling en veronderstelde effecten bij grote infrastructurele werken, (2) jaarlijkse modellering van (trends in) populatieblootstellingen aan regulier in het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit gemeten componenten, (3) jaarlijkse schattingen van het actuele populatierisico van blootstelling aan een aantal componenten aan de hand van dosis-respons relaties, (4) 5 jaarlijkse periodieke updating van de blootstellings - respons relaties door statistische analyse van gezondheidsstatistieken en luchtverontreinigingsgegevens, (5) gebruik van literatuurinformatie en periodieke beoordeling hiervan op relevantie voor de relatie luchtverontreiniging - gezondheid. In overleg met de opdrachtgever zullen deze activiteiten in het MAP '99 e.v. opgenomen kunnen worden.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
Beschreven worden de resultaten van het onderzoek naar de dagelijkse inname aan lood en cadmium via de voeding, inclusief drank en drinkwater. Hiervoor werden 123 duplicaten van 24-uurs voedingen verzameld in de regio Utrecht waarbij twee groepen vrijwilligers werden geselecteerd die, sociaal en qua leeftijd, een zo getrouw mogelijk beeld vormden van de Nederlandse volwassen bevolking. Een groep (n=62) bemonsterde hun voeding in maart 1994, de tweede groep (n=61) in september 1994. De 24-uurs voedingen werden verzameld en gehomogeniseerd waarna deelporties werden gevriesdroogd en opnieuw gehomogeniseerd. Het gehalte aan lood en cadmium werd bepaald door analyseporties van de gevriesdroogde monsters met salpeterzuur te ontsluiten in een microgolfoven, gevolgd door metingen met vlamloze atoomabsorptie met Zeeman achtergrondcorrectie. Uit de resultaten van het onderzoek werd de dagelijkse lood- en cadmiuminname via de voeding door de respondenten berekend. De resultaten van meervoudige analyses van diverse monsters en van het gecertificeerde referentiemateriaal "Total Diet", van het Agricultural Research Centre te Finland voldoen voor beide elementen aan de prestatiekenmerken van de toegepaste methode. De neerwaartse trend in loodbelasting, vastgesteld in de twee voorgaande, vergelijkbare studies in 1976/1978 en in 1984/1985, zette door. Ten opzichte van 1984/1985 is de loodinname bijna gehalveerd. De dagelijkse cadmiuminname veranderde daarentegen nauwelijks.In dit 24-uurs voedingenonderzoek bedroeg de gemiddelde inname per dag 17,9 �g lood (bereik 4,1 tot 134 �g) en 11,4 �g cadmium (bereik 3,4 tot 29,0 �g). De dagelijkse inname door mannen (n=60) was gemiddeld 19,5 �g lood (bereik 4,1 tot 96,6 �g) en 11,4 �g cadmium (bereik 3,4 tot 29,0 �g). Minder voeding met een relatief hoger vochtgehalte leidde bij vrouwen tot lagere lood- en cadmiuminnamen. De gemiddelde inname door de vrouwelijke respondenten (n=63) bedroeg 16,5 �g lood (bereik 4,7 tot 134 �g) en 10,2 �g cadmium (bereik 3,6 tot 27,1 �g). De FAO/WHO adviseert (voorlopig) een toelaatbare wekelijkse inname van 25 �g lood en 7 �g cadmium per kg lichaamsgewicht, wat neerkomt op een maximaal toelaatbare dagelijkse inname van 3,6 �g lood en 1,0 �g cadmium. De dagelijkse innamen aan beide elementen van alle respondenten lagen ruim beneden deze normen. Per kg lichaamsgewicht werd gemiddeld 0,25 �g lood (bereik 0,05 tot 2,17 �g) en 0,15 �g cadmium (bereik 0,05 tot 0,43 �g) ingenomen.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
In de omgeving van de BV Aluminiumsmelterij FHS te Dedemsvaart zijn op negen locaties concentraties van dioxinen in de toplaag van de bodem gemeten. Aanleiding van dit onderzoek was ongerustheid bij de bewoners van de naburig gelegen dorpsgemeenschap Drogteropslagen over een mogelijk verband tussen de uitstoot van dioxinen door deze aluminiumsmelterij en een verhoogd voorkomen van kanker in de dorpsgemeenschap. De gemeten dioxine concentraties varieerden van 1,5 tot 5,0 ng I-TEQ/kg d.s., met een gemiddelde van 3,0 en een spreiding van 1,2 ng I-TEQ/kg d.s. Dit gemiddelde verschilde niet significant van de gemiddelde achtergrondconcentratie in de regio, welke in een eerder onderzoek was bepaald op 3,1+-0,7 ng I-TEQ/kg d.s. Deze meetgegevens en ook berekeningen met een verspreidingsmodel op basis van gegevens over de emissies van het bedrijf over de afgelopen 25 jaar toonden aan de uitstoot van de aluminiumsmelterij geen significante bijdrage levert aan de achtergrondconcentratie van dioxinen in de bodem.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
Huishoudelijk afval, afkomstig van 1000 geselecteerde huishoudens, werd geanalyseerd voor de bepaling van de fysische samenstelling. Dit afval vormt een afspiegeling van het totale Nederlands huishoudelijke restafval (exclusief de gescheiden ingezamelde afvalstromen). Het rapport geeft gedetailleerde informatie over 15 hoofdcomponenten en een groot aantal subcomponenten aanwezig in het huishoudelijk afval, de hoeveelheid verpakkingsmateriaal en de concentratie van een aantal elementen. De belangrijkste componenten in het huishoudelijk restafval zijn: GFT en ongedefinieerde rest (30,7%), papier en karton (34,9%), kunststof (11,0%) , glas (4,7%), ferro (3,8%), non-ferro (0,7%), textiel (3,1%), brood (2,2%) , dierlijk afval (1,7%), keramiek (2,7%), tapijten/matten (0,4%), leer/rubber (1,1%), hout (2,2%), bijzonder afval (0,5%) en klein chemisch afval (0,4%). De hoeveelheid verpakkingsafval is vastgesteld op 25,7% van de totale hoeveelheid huishoudelijk restafval.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
In verscheidene meetprogrogramma's is het herbicide bentazon in grondwater aangetoond, waarbij de meeste metingen kunnen worden gerelateerd aan toepassingen vroeg in het groeiseizoen. Door een geringe sorptie constante kan bentazone erg makkelijk met het watertransport mee door de bodem worden getransporteerd. Als gevolg hiervan neemt de kans op uitspoeling toe als het neerslagoverschot toeneemt in de herfst. In 1996 werd een meetprogramma uitgevoerd om het voorkomen van bentazon in het bovenste grondwater na een late (na 1 sept) seizoenstoepassing te bepalen. Op vijf velden waar bentazon was toegepast werd het grondwater bemonsterd en geanalyseerd op bentazon op twee tijdstippen. Op 2 van de 5 velden werden in de eerste bemonsteringsronde bentazon aangetoond en daarnaast op nog een derde veld in de tweede bemonsteringsronde. Op basis van de resultaten van deze studie was het niet mogelijk de onderzoeksvraag 'Wat is de dreiging van uitspoeling van bentazon naar het grondwater na een late seizoens toepassing?', te beantwoorden. Te weinig velden voldeden aan de onderzoekscriteria. Daarbij was extrapolatie met behulp van het simulatiemodel PESTRAS niet mogelijk omdat teveel input parameters zouden moeten worden aangepast om overeen te komen met de veldsituaties.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
Glycyrrhizine (uit zoethoutwortel) is een belangrijk ingredient van het in Nederland veel geconsumeerde produkt drop. Het kan ziekteverschijnselen (zoals hoge bloeddruk en oedeem) veroorzaken bij dagelijkse consumptie. Deze verschijnselen ontstaan doordat bij een verhoogde blootstelling aan glycyrrhizine het enzym beta-hydroxysteroid dehydrogenase in het nierweefsel wordt geremd. Om een advieswaarde vast te stellen voor glycyrrhizine bij dropgebruik, werd een onderzoek uitgevoerd naar de beschikbaarheid van glycyrrhizine uit drop. Bij 9 van de 16 deelnemende vrijwilligers was ongeveer 95% van de opgenomen hoeveelheid glycyrrhetine (het afbraakprodukt van glycyrrhizine) binnen 24 uur reeds uit het lichaam verwijderd. Maar bij de 7 andere vrijwilligers verliep dit proces echter trager, over meer dan 48 uur. Bij deze laatste groep met 'langzame klaring' kan bij dagelijkse consumptie glycyrrhetine accumulatie optreden , mogelijk gevolgd door het ontstaan van nadelige effecten. Bij het aanhouden van een advieswaarde van maximaal 200 mg glycyrrhizine per dag wordt de algemene bevolking een behoorlijke bescherming geboden tegen het optreden van de nadelige effecten van dropgebruik.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
Binnen de betrokken instituten van de verschillende verkenningen van 1996/1997 is een enquete gehouden naar de uitvoering van de modellen gebruikt voor het realiseren van deze verkenningen. Aangezien de meeste modellen voor hun invoer gegevens afhankelijk zijn van de resultaten van voorafgaande modelberekeningen is getracht de onderlinge relaties tussen de modellen te achterhalen. Dit heeft geresulteerd in een totaal overzicht van alle gebruikte modellen. De gehele set van modellen beschouwend zijn een aantal voorzichtige conclusies trekken die van belang zijn in de verdere ontwikkeling van de 'Leefomgevingsverkenner'. De ruimtelijke resolutie van de modellen neemt toe naarmate men verder in de keten komt. De economische en demografische modellen gaan veelal tot COROP niveau, terwijl de effect modellen op een 500m grid worden gemodelleerd. In zijn algemeenheid dient opgemerkt te worden dat de verschillende modellen uit de modelketen zijn ontwikkeld als zelfstandige systemen en men bij het gebruik van uitvoer in een volgende schakel bedacht dient te zijn op de aannames en modelmatige versimpelingen in de voorafgaande schakels die aanleiding kunnen zijn voor inconsistente of foutieve voorspellingen.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
Een stagnatie van de voortgang van de bodemsaneringsoperatie wordt gesignaleerd als gevolg van langdurige procedures en de hoge kosten. In deze studie worden de private en sociale kosten en baten van bodemsanering geidentificeerd. Hieruit blijkt dat een financieel-economische analyse gebaseerd op de welvaartstheorie nuttig is: de kosten-baten analyse levert inzicht in de stagnatiefactoren van een bodemsanering. Omdat het moeilijk is kosten- en batenfactoren te kwantificeren is het belangrijk dat de factoren systematisch worden gecategoriseerd om vervolgens te bekijken in hoeverre deze factoren kwantificeerbaar zijn. Uit deze studie is gebleken dat er drie typen actoren kunnen worden onderscheiden: de eigenaar; de gebruikers en de omgeving van de locatie; en de regio. De saneringskosten worden met name bepaald door het beleid, de ernst, omvang en urgentie en door locatiespecifieke omstandigheden. Baten worden gevormd door bijvoorbeeld factoren die de gebruikswaarde van de grond beinvloeden, een 'groen' imago, afname van gezondheidsrisico's en de ontwikkeling van de regio. Veel factoren hebben een ruimtelijke component. Stagnatie vindt plaats daar waar de kosten hoger zijn dan de baten. Dit is met name het geval bij de gebruiksfuncties natuur, landbouw en kleine industrie. De overheid kan op verschillende momenten invloed uitoefenen op het bodemsaneringsproces door het inzetten van instrumenten.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
Flavonoids prevent UV-induced immunosuppression of contact hypersensitivity but this does not affect protection of the tumor rejection immunity in SKH-1 hairless mice | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Human volunteer studies in consumer product research | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Evaluation of effects of air pollution on host resistance using animal models | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
The kinetics of reductive dehalogenation of a set of halogenated aliphatic hydrocarbons in anaerobic sediment slurries | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
A maternity waiting home experience in Zimbabwe | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Application of cystamine and N,N'-bis(glycycl)cystamine as linkers in polysaccharide - protein conjugation | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Characterization of Actinomyces turicensis and Actinomyces radingae strains from human clinical samples | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Determining alternative models for vegetation response analysis: a non-parametric approach | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Monk seal mortality: virus or toxin? | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Report of validation study of assessment of direct immunotoxicity in the rat | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Role of the epithelial layer in the generation of superoxide anion by the guinea-pig isolated trachea | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Vagal efferent control of electrical properties of the heart in experimental diabetes | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Tick-borne borreliosis pathogen identification in Ixodes ticks (Acarina, Ixodidae) collected in St.Petersburg and Kaliningrad Baltic regions of Russia | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Rat middle cerebral artery occlusion by an intraluminal thread compromises collateral blood flow | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Incidents cliniques suite a la consommation supposee d'ecstasy ou de drogues apparentees | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Door verbetering van sociaal-economische omstandigheden en de daarmee samenhangende hygiene, en de invoering van het Rijksvaccinatieprogramma (RVP), komen de doelziekten uit het RVP tegenwoordig weinig meer voor. Inzicht in het voorkomen van de ziekten blijft nodig om zo tijdig mogelijke secundaire effecten van het vaccinatieprogramma te herkennen. De vaccinatiegraad is erg hoog in Nederland maar er zijn grote geografische verschillen binnen het land. Vooral in gemeenten, waar groepen die vaccinatie om religieuze redenen afwijzen, zijn geclusterd, is de vaccinatiegraad laag. De groepsimmuniteit kan worden doorbroken in sociaal en geografisch geclusterde niet-gevaccineerde groepen. Op basis van de resulaten van het voorkomen van de doelziekten uit het RVP geven wij aanbevelingen voor de surveillance van de doelziekten uit het RVP en invasieve meningo- en pneumokokken infecties in de toekomst. Naast voortzetting van de surveillance zoals deze er op dit moment is, wordt aanbevolen additioneel onderzoek te doen bij outbreaks en epidemieen om zodoende meer inzicht te krijgen in de circulatie van de ziekteverwekkers.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
De nuttige toepassing van reststoffen van afvalverbrandingsinstallaties (AVI's ) als bouwstof wordt beperkt, doordat de uitloging van o.a. molybdeen de daarvoor gestelde norm overschrijdt. De kwaliteit van de reststoffen met betrekking tot molybdeen kan mogelijk worden verbeterd door de hoeveelheid molybdeen in het afvalaanbod naar de AVI (AVI-input) te reduceren. Hiervoor is het noodzakelijk een gedetailleerd inzicht te hebben in de herkomst van molybdeen in de AVI-input. In dit rapport wordt een gedetailleerd overzicht gegeven van de toepassingen van molybdeen in produkten en produktieprocessen en de route naar de AVI, op basis van informatie van bedrijven, brancheorganisaties, andere instellingen en literatuur. Uit de studie blijkt dat een aantal mogelijke bronnen in huishoudelijk afval geen relevante bijdrage levert aan de input naar de AVI. Het betreft kunststoffen, verven, toners, pigmenten, electronica, email, smeermiddelen en brandvertragers. De grootste bijdrage aan de AVI-input van molybdeen via huishoudelijk afval is de zogeheten 'restfraktie'. Deze verzamelfraktie bevat diverse bronnen van molybdeen, waaronder 'natuurlijke' bronnen als GFT, asresten en grond. Bronnen van molybdeen in bedrijfsafval die in de AVI's worden verbrand konden niet eenduidig worden vastgesteld.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
Determinants of obesity-related underreporting of energy intake | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Soil quality assessment in an international perspective: generic and land-use based quality standards | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
State-of-the-art computer models related to climate change : impact model and their uncertainties | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Underreporting of energy, protein and potassium intake in relation to body mass index | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Surveillance of acute flaccid paralysis in the Netherlands, 1992-94 | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Utility of molecular epidemiology of tuberculosis | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Identification and characterization of heparin binding regions of the Fim2 subunit of Bordetella pertussis | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Fumonisin B1 in maize for food production imported in the Netherlands | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Demografische projecties van gezondheid en gezondheidszorg | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Comparison of the large subunit ribosomal DNA of Neospora and Toxoplasma and development of a new genetic marker for their differentiation based on the D2 domain | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
The occurrence of fumonisin B1 in maize-containing foods in The Netherlands | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Age, period, and cohort effects on physical activity among elderly men during 10 years of follow-up: the Zutphen Elderly Study | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Standardisation of dioxin measurement procedures for incinerator waste gases according to the European Standard EN 1948 | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Studies on the efficacy of hyperbaric rendering procedures in inactivating bovine spongiform encephalopathy (BSE) and scrapie agents | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Asthma severity and susceptibility to air pollution | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Pulmonary tuberculosis in Harare, Zimbabwe: analysis by spoligotyping | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Hepatitis C virus infections in dialysis centers in the Netherlands: a national survey by serological and molecular methods | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
The effect of the adrenocorticotropin-(4-9) analogue, ORG 2766, and of dizolcipine (MK-801) on infarct volume in rat brain | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Short-term toxicity of bis(tri-n-butyltin)oxide in flounder (Platichthys flesus): pathology and immune function | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
The potential for long-range transboundary atmospheric transport | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Capsaicin treatment induces muscarinic hyperreactivity in guinea pig trachea: a warning | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Following sustainable development in relation to the North-South dialogue: ecosystem health and sustainability indicators | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Modelling the influence of terrestrial vegetation on the environmental fate of xenobiotics | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Second follow-up of a Dutch cohort occupationally exposed to phenoxy herbicides, chlorophenols, and contaminants | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
A no-observed-adverse-effect level of 1000 mg/kg in a 28-day repeated-dose study as a limit value for acute toxicity testing | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Techniek biedt nog veel perspectieven | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Het voorkomen van fusaria in Nederland en hun betekenis | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Wereldwijde regelgeving voor mycotoxinen | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Effecten van milieubeleid | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Het doel van het onderzoek was het effect te berekenen van een verandering van de ruimtelijke ligging van de EHS en de landbouwgebieden in Noord Nederland op de ammoniakemissies uit de landbouw en de kwaliteit van de natuur. De analyse heeft plaatsgevonden door gebruik te maken van (vereenvoudigde) modellen als de Source Receptor Matrix (SRM; een matrix vermenigvuldiging om vanuit emissies deposities te berekenen) en de Natuurplanner en door GIS-bewerkingen. De emissies en de daaruit berekende ammoniakdeposities zijn ten opzichte van de overige provincies laag. De drie scenario's zoals die hier zijn doorgerekend, voldoen aan de doelstelling van 1400 mol zuurdepositie/ha.jr in het jaar 2010 en zitten daar op sommige plaatsen zelfs ruim onder. Dit betekent dat alle drie scenario's in principe goede mogelijkheden bieden voor de realisatie van hoge natuurwaarden, op locaties waar op dit moment verzuring of vermesting het belangrijkste probleem is. In het algemeen geldt dat de natuurwaarden in de drie noordelijke provincies hoog zijn, onafhankelijk van het gewenste scenario. Op detailniveau blijkt het ruimtelijk beeld Raamwerk (grootschalige scheiding van natuur en landbouw) in het algemeen iets hogere natuurwaarden te behalen dan Weefwerk en Marktwerk. In Weefwerk (natuur als nevenfunctie van menselijk gebruik) wordt dit vooral veroorzaakt door de ruime inzet van licht-bemeste graslanden waar, door de bemesting , geen hoge natuurwaarden behaald kunnen worden. Bij Marktwerk zijn, als gevolg van de centrale rol van de marktwerking, de iets hogere deposities en de sterk versnipperde ligging van natuurgebieden de belangrijkste oorzaken van een wat lager gerealiseerde natuurwaarde.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
In de kwartaalrapportages van de PKU/CHT screeningslaboratoria wordt onder andere nagegaan of de hielprik conform de in het Draaiboek PKU en CHT gestelde eisen wordt uitgevoerd. Daarbij wordt gekeken naar de termijn tussen geboorte- en hielprikdatum, tussen hielprikdatum en datum van analyse en tussen geboortedatum en datum van analyse. Tevens wordt geregistreerd in hoeverre de voor de uitvoering van de screening van belang zijnde demografische gegevens op de setjes zijn ingevuld. Het probleem is echter dat de hielpriksetjes, waarop deze rapportages zijn gebaseerd, geen aselecte steekproef vormen. Daarom werd besloten in een aselecte steekproef een aantal van bovengenoemde aspecten te analyseren. Van in totaal 5000 setjes (1000 per laboratorium) werd een aantal gegevens geregistreerd. De gegevens werden vervolgens geanalyseerd per categorie uitvoerder van de hielprik, per provinciale entadministratie en per laboratorium. Per provincie bestaan grote verschillen tussen de categorieen uitvoerders van de hielprik. Op gemiddeld 6.9% van de setjes was niet pasgeborenen met een geboortegewicht < 2500 gram ontbrak de zwangerschapsduur. Op dag 7, de laatst aanbevolen dag, was 94% van de pasgeborenen geprikt. Op dag 3 na de hielprik zijn nog slechts 81% van alle setjes in het laboratorium ontvangen/geanalyseerd. Met name de regio Noord-West Nederland valt hierbij in negatieve zin. De bezorging van de setjes door de PTT laat overigens duidelijk te wensen over.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
Bij mortaliteitsanalyses op basis van longitudinale studies wordt veelal gebruik gemaakt van het Cox proportional hazards model. Sterfteverschillen tussen verschillende risicogroepen worden weergegeven in de vorm van geschatte regressiecoefficienten of relatieve risico's. De vraag is hoe mortaliteitsverschillen eruitzien voor een andere belangrijke maat als de levensverwachting. Beschreven wordt hoe deze geschat kan worden uitgaande van het Cox model. Verschillen in levensverwachting worden berekend voor twee voorbeeld-studies: tussen klassen van Body Mass Index op basis van gegevens uit de Zeven-Landen studie, en tussen klassen van lichamelijke activiteit op basis van gegevens uit de Zutphen-Ouderen Studie. De berekeningswijze is eenvoudig toepasbaar voor ook andere determinanten.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
In dit onderzoek zijn dieten bestudeerd die rijk waren aan flavonoiden en thee-extracten. Hiervan is onderzocht in hoeverre deze bescherming bieden bij het ontstaan van huidtumoren en tumoren ontwikkeld in de dunne en dikke darm. Daarnaast is onderzocht of deze dieten en extracten bescherming geven aan het immuunsysteem. De resultaten geven aan dat deze dieten en thee-extracten geen duidelijke anticarcinogene werking hadden, maar dat zij in alle gevallen wel bescherming boden aan de UV geinduceerde immuunsuppressie in de huid. De anticarcinogene werking van thee op dunne en dikke darm tumoren als gevolg van een mutatie in het APC gen is aanleiding tot verder onderzoek.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
In Nederland worden de risicogrenzen, de zogenaamde 'Hazardous Concentrations' (HC5 en HC50), afgeleid uit bestaande laboratorium-toxiciteitsgegevens via statistische extrapolatie. In een meerjarig onderzoek van RIVM, samen met VU en TNO zijn de volgende vragen kritisch getoetst: (1) wat is de veldrelevantie van laboratorium-toxiciteitsgegevens, en (2) wat is de ecologische betekenis van de via de bovenomschreven methodiek afgeleide risicogrenzen? Metalen dienden als modelstoffen. Het onderzoek toont aan, dat de veldrelevantie van laboratorium-toxiciteitsgegevens groter wordt als voor belangrijke stuurvariabelen zoals bodem-pH en veroudering gecorrigeerd wordt. Correctie van toxiciteitsgegevens wordt echter beperkt doordat bestaande literatuurgegevens onvoldoende informatie bevatten. Het onderzoek bevestigt dat de uitkomsten van de huidige extrapolatiemethoden plausibel zijn. Optredende, en in het onderzoek gemeten, toxische effecten op kenmerken van levensgemeenschappen, zoals soortendiversiteit, zijn bij de HC5-waarde niet of slechts in geringe mate zichtbaar, terwijl boven het niveau van de HC50-waarde de effecten wezenlijk zijn. Gezien deze resultaten, zijn er geen doorslaggevende redenen om de methode ter afleiding van generieke risicogrenzen aan te passen. Bij de beoordeling van specifieke gevallen van verontreiniging, waarbij overschrijding van generieke grenzen optreedt, wordt er van uitgegaan dat nader onderzoek plaats moet vinden naar de locatie-specifieke risico's.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
Deze rapportage bevat de resultaten van een modelleringsproject. Er worden beelden geschetst van de kwaliteitsontwikkeling van de landbodem met betrekking tot de vier metalen cadmium, koper, lood en zink bij verspreiding van baggerspecie. Het model beschrijft een vereenvoudigde en gemiddelde situatie voor de Nederlandse regionale wateren waarbij de modeldefinities een grote invloed op het uiteindelijke resultaat hebben. Het model voorspelt (binnen een periode van 50 jaar waarin vier keer baggerspecie wordt verspreid) een sterke beinvloeding van de gehalten aan cadmium, koper, lood en zink in de landbodem indien klasse 1, midden klasse 2 of bovengrens klasse 2 specie op land wordt verspreid. Enkel het op de kant zetten van klasse 0 specie levert binnen een periode van 50 jaar geen sterk verhoogde kans op overschrijding van de streefwaarde op. De huidige metaalgehalten van slootbodems in het landelijk gebied blijken zonder additionele belasting (uit een analyse van een dataset van 552 monsters) ruim onder de streefwaarde te liggen. In gebieden zonder additionele belasting is de kans op overschrijding van de streefwaarde voor landbodems als gevolg van specie verspreiding hierdoor beperkt.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
In 1996 steeg het aantal consulten ten behoeve van een SOA-hulpvraag en HIV-testverzoek met 12,5% (vrouwen 18%; mannen 7%) tot 13.226. Het aantal gediagnostiseerde SOA steeg in 1996 met 10,1% (vrouwen 16,9%; 4,5% mannen) tot 4976. Voor zowel mannen als vrouwen is infectie met chlamydia trachomatis de meeste voorkomende SOA; voor mannen gevolgd door gonorroe en genitale wratten; voor vrouwen gevolgd door candidiasis, bacteriele vaginose en gonorroe. De forse stijging van chlamydia (32,8%; vrouwen 43,8%; mannen 22,8%) kon niet alleen worden verklaard door de toename in het aantal consulten maar waarschijnlijk ook door verbeterde diagnostiek en toegenomen alertheid. Chlamydia werd bij vrouwen zes keer zo vaak gesteld als gonorroe; bij mannen anderhalf keer. Er werden evenveel vrouwen als mannen met chlamydia geconstateerd hetgeen duidt dat chlamydia minder vaak lijkt voor te komen bij de klassieke risicogroepen, in tegenstelling tot gonorroe. Het aantal mannen met syfilis is flink gestegen en blijkt ook vaker voor te komen bij de etnische bevolkingsgroepen al dan niet gecombineerd met recente prostitutie-contacten. De diagnose syfilis wordt echter veel minder gesteld dan chlamydia en gonorroe. Bij ruim 6000 consulten was sprake van een HIV-testverzoek waarbij ongeveer 1% positief bleek te zijn. In deze groep waren de homo/biseksuele mannen het meest vertegenwoordigd. Ondanks de beperkingen van deze registratie, zal deze SOA/HIV-registratie in de toekomst de enige zijn op nationaal niveau. Verbeteringen in de gegevensverzameling zijn dientengevolge van belang voor de surveillance van SOA en HIV in het algemeen.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
In het kader van de Duurzame Ontwikkelingsverdragen tussen Nederland en Bhutan, Benin en Costa Rica geeft dit rapport een eerste overzicht van een groot aantal geselecteerde gegevens op sociaal, economisch en milieu gebied afkomstig uit rapporten van internationale en multilaterale organisaties (bijvoorbeeld de Wereldbank en het World Resources Institute), hier en daar aangevuld met informatie uit nationale bronnen. Veel van de getoonde data zouden beschouwd kunnen worden als potentiele indicatoren voor duurzame ontwikkeling. Vergelijking van de vier landen wordt echter gecompliceerd door 1) een gebrek aan een algemeen geaccepteerde definitie van duurzame ontwikkeling en 2) een gebrek aan gegevens en betrouwbare gegevens in het bijzonder. Voor onderwerpen zoals welzijn en culturele aspecten ontbreekt het bijna volledig aan kwantitatieve informatie. Ondanks genoemde beperkingen komen in dit overzicht opvallende verschillen en overeenkomsten naar voren. Betere gegevensverzameling en het afstemmen van methodologieen en indicatoren zou dit verder kunnen verbeteren. Inhoudelijk valt uit het overzicht af te lezen dat in elk van de vier landen specifieke problemen bestaan die een meer duurzame ontwikkeling in de weg staan. De strategie om een duurzame ontwikkeling te bereiken zal per land verschillen.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
Plantaardige voeding en darmkanker : een cross-culturele studie | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Antistoffen tegen Chlamydia trachomatis als marker voor infectie in het verleden | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Adherence to the European Code Against Cancer in relation to long-term cancer mortality: intercohort comparisons from the Seven Countries Study | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Non-response bias in a study of cardiovascular diseases, functional status and self-rated health among elderly men | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Influence of hydrodynamic conditions on naphthalene dissolution and subsequent biodegradation | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Age-stratified seroprevalance of neutralizing antibodies to astrovirus types 1 to 7 in humans in The Netherlands | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Influence of nucleotide excision repair on N-hydroxy-2-acetylaminofluorene-induced mutagenesis studied in labda-lacZ-transgenic mice | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Associations of body composition with type 2 diabetes mellitus | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Calibrating Ellenberg indicator values for moisture, acidity, nutrient availability and salinity in the Netherlands | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Estimation of the effect of increasing UVB exposure on the human immune system and related resistance to infectious diseases and tumours | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Human B- and T-cell responses after immunization with a hexavalent porA meningococcal outer membrane vesicle vaccine | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Use of IS901 and IS1245 in RFLP typing of Mycobacterium avium complex: relatedness among serovar reference strains, human and animal isolates | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Modelling global change. The art of integrated assessment modelling | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Effecten van heffingen en overstap naar HST op de luchtvaart | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Evolutionary, network, and cellular memory in immune systems | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Milieurendement van het NMP3 | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Verkiezingen en milieu | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Laboratory investigations in the diagnosis of septicaemia and malaria | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Soil monitoring systems and their suitability for predicting delayed effects of diffuse pollutants | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
XPA-deficiency in hairless mice causes a shift in skin tumor types and mutational target genes after exposure to low doses of UVB | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Assessment of control of hypertension in the population | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Detection of bacterial DNA in joint samples from patients with undifferentiated arthirtis and reactive arthritis, using polymerase chain reaction with universal 16S ribosomal RNA primers | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
The Asn9 variant of lipoprotein lipase is associated with the - 93G promoter mutation and an increased risk of coronary artery disease | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Long-term gender-specific effects of manipulation during pregnancy on immune and endocrine responsiveness in rat offspring | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Prevalence and risk factors for hepatitis B virus infections among visitors to an STD clinic | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Molecular epidemiology of drug-resistant pneumococci: toward an international approach | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
In dit rapport wordt de bron-effectketen kwantitatief beschreven voor de fijn stof-problematiek voor drie ruimtelijke schalen - ruraal, urbaan en industrieel - in Nederland met als basisjaar 1993. Fijn stof wordt hierbij gekarakteriseerd naar deeltjesgrootte (PM2,5 en PM10) en naar chemische samenstelling (secundair (PMsec) en carbonaceous aerosol (Pmcarb). De waargenomen jaargemiddelde PM10 concentratie bedraagt voor Nederland ca. 40 mug/m exp. 3, waarvan circa een derde secundair is. Metingen voor PM2, 5 en PMcarb zijn niet beschikbaar. Met modelberekeningen gebaseerd op de huidige emissiegegevens wordt voor het grootste deel van Nederland circa 50% van de gemeten PM10 concentraties verklaard. Op specifieke locaties kan dit oplopen tot 75%. Nagenoeg 100% van de PMsec concentraties kan op grond van de bekende emissies van precursorgassen en modelberekeningen verklaard worden. Belangrijke bronnen voor PM10, PM2,5 en PMsec in Nederland zijn verkeer en energie opwekking in zowel Nederland als andere Europese landen. In de industriele omgeving is bovendien de categorie handel, diensten en overheid van belang. De PMsec concentraties worden voornamelijk door Europese bronnen bepaald. Epidemiologische studies wijzen op consistente en coherente associaties tussen deeltjesvormige luchtverontreiniging en ernstige gezondheidseffecten in de algemene bevolking. Zonder milieubeleid zouden autonome ontwikkelingen in 2020 leiden tot PM10 niveaus van 41 tot 47 mug/m exp. 3. Door reeds geformuleerd Nederlands en Europees beleid wordt echter een daling verwacht naar ca. 37 mug/m exp. 3 in 2010, die door aanvullende maatregelen verder kan worden teruggebracht tot 35 mug/m exp. 3 in 2020. Deze daling is daarmee niet voldoende om de in Europees verband circulerende limiet van 30 mug/m exp. 3 te realiseren.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
Microbiotesten met waterorganismen zijn geevalueerd op hun bruikbaarheid voor het meten van milieutoxiciteit. Microbiotesten zijn testen met ongewervelde waterorganismen die een kortere blootstellingstijd en een kleiner testvolume vereisen dan de traditionele ecotoxiciteitstesten met waterorganismen. De geevalueerde testen zijn de Thamnotox F test, de Rotox F test, de Algentoxkit F test, de Microtox test en de Daphnia IQ test. Ze zijn getest met een metaalzout, en, behalve de Algentoxkit F, met twee gedefinieerde mengsels van toxische stoffen. Het ene mengsel bevatte toxische stoffen met een niet-specifiek werkingsmechanisme, het andere mengsel bestond uit bestrijdingsmiddelen. De gevoeligheid en reproduceerbaarheid van de microbiotesten werd vergeleken met de traditionele kortdurende testen met de watervlo en de stekelbaars. Het verlies van zelfs matig vluchtige mengselstoffen uit de originele microbiotestvaten bleek behoorlijk groot te zijn. In monitoringsprogramma's kan dat tot een onderschatting van de milieutoxiciteit leiden. Aanpassing van de testvaten van de Thamnotox F en Daphnia IQ test gaf een verbetering van de testresultaten. Samen met de Microtox test zijn zij een goede basis voor een testbatterij. De huidige opzet van de Rotox F test kon niet worden verbeterd en bleek vanwege zijn geringe gevoeligheid minder geschikt. Vanwege hun ecologische functie zou een microbiotest met algen aan de batterij moeten worden toegevoegd, maar momenteel is er geen geschikte methode voorhanden.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
Het voorspellen van het vermogen van verbindingen om huid irritatie en sensibilisatie te veroorzaken is voornamelijk onderzocht met behulp van dierproeven. Dergelijke studies hebben veel informatie opgeleverd betreffende de sensibiliserende activiteit van verbindingen. Echter, het is niet eenvoudig diergegevens te vertalen naar de mens. Bovendien is er sprake van een tendens het gebruik van proefdieren voor deze doelstelling te reduceren, terwijl er voor cosmetica al in een aantal landen wettelijke restricties op dit gebied bestaan. Om deze redenen is er behoefte aan predictieve huidtesten voor irritatie en sensibilisatie door bepaalde producten in de mens. Om ethische redenen dienen testen uitgevoerd in de mens niet te leiden tot sensibilisatie; in tegenstelling tot allergische patienten waarbij om diagnostische redenen testen worden uitgevoerd, hebben vrijwilligers waarbij predictieve testen worden uitgevoerd zelf geen voordeel van de uitkomst van de test. Indien testen in de mens het enige alternatief vormen, zullen dergelijke predictieve testen in het algemeen beperkt dienen te blijven tot huidirritatie testen, uitgaande van de gedachte dat over het algemeen geen sensibilisatie optreedt zonder irritatie. Dit rapport gaat in op de mogelijkheden en beperkingen van testen in de mens gericht op het voorspellen van het irriterende en sensibiliserende karakter van chemicalien.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
Een wiskundige modelstructuur wordt beschreven waarmee veranderingen van de gezondheidstoestand van de Nederlandse bevolking gesimuleerd kunnen worden. Het model is gebaseerd op het concept van demografische en epidemiologische processen (gebeurtenissen) en is afgeleid van de overlevingstafel. De bevolking wordt verdeeld over verschillende mogelijke toestanden, namelijk voor onderscheiden risicofactoren in verschillende klassen en voor onderscheiden ziekten in een of meer stadia. Toestandsveranderingen zijn mogelijk ten gevolge van geboorte, veroudering, migratie, sterfte, verandering van risicofactor-klasse, incidentie, voortschrijding van de ziekte en remissie. De belangrijkste modelparameters zijn initiele bevolkingsaantallen, initiele risicofactor en ziekte-prevalentiefracties, eenjaars overgangskansen tussen de risicofactor-klassen en ziektestadia, en risicofactor-oorzaak-specifieke relatieve risico's. Het model wordt gebruikt om de gezondheidseffecten door te rekenen van mogelijke beleidsmaatregelen, interventies etc. Enkele voorbeelden worden beschreven van verschillende modeltoepassingen: een vergelijking van trendextrapolaties en modelmatige vooruit-berekeningen voor oorzaak-specifieke sterfte, en een vergelijking van de effectiviteit van verschillende mogelijke anti-roken en meer-bewegen campagnes.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
De mens wordt in toenemende mate, via de voeding, blootgesteld aan nitraat. De toxiciteit van nitraat is laag. In het lichaam vindt echter omzetting plaats van nitraat in nitriet in het proximale deel van de tractus digestivus. Nitriet is toxischer dan nitraat. Bij evaluatie van de gezondheidsrisico's van nitraat moet dan ook rekening worden gehouden met de omzetting in nitriet en de orale biobeschikbaarheid en toxiciteit van nitriet in het lichaam. De planning was om een orale biobeschikbaarheidsstudie van nitriet uit te voeren. Nitriet wordt in het bloed echter snel omgezet in nitraat onder de vorming van methemoglobine. Vanwege de snelle eliminatie van nitriet zijn dan ook relatief hoge nitriet doseringen nodig om de biobeschikbaarheid te bepalen. Vanwege de door nitriet geinduceerde bloeddrukverlaging en methemoglobine vorming zijn er echter grenzen aan de hoeveelheid nitriet die nog veilig kan worden toegediend tijdens een biobeschikbaarheidsstudie. De geplande biobeschikbaarheidsstudie werd daarom voorafgegaan door een pilot-studie waarin aan 3 proefpersonen opklimmende, intraveneuze doseringen van natriumnitriet gegeven werden. Het doel was om de maximale dosis te vinden die nog veilig aan proefpersonen kan worden toegediend, te weten, een dosis die ongeveer 10-15% methemoglobine induceert. Geconcludeerd kan worden dat een dosis van 0.12 mmol NaNO2 per mmol Hemoglobine (tussen 290 en 370 mg natriumnitriet), waarbij 10.8% metHb werd geinduceerd, de hoogste, nog veilige, natriumnitriet dosis is voor proefpersonen.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
Van 1991 t/m 1996 werden 14365 sera van zwangeren ingestuurd ten behoeve van de risicobepaling op Down syndroom en neuraalbuisdefecten via AFP, uE3 en hCG, de 'triple test'. Sinds invoering van de wet bevolkingsonderzoek (WBO) is het inzendpatroon sterk veranderd: er vond een decentralisatie plaats, meer inzenders zonden minder sera in. Dit heeft negatieve gevolgen voor kwaliteitscontrole en voor de voorlichting aan inzender en zwangere. De leeftijdsverdeling is anders dan bij de totale Nederlandse populatie zwangeren. Vooral zwangeren in de leeftijd van 34-37 jaar waren oververtegenwoordigd. Van de zwangeren had 1.5 % een verhoogd risico op NBD (> 2.50 MoM voor AFP), 11.3% een verhoogd risico voor Down syndroom, en 0.5% voor Trisomie 18. Zou men deze percentages omrekenen voor de leeftijdsverdeling van de toenmalige totale populatie Nederlandse zwangeren, dan worden deze respectievelijk 1.5%, 7.9% en waarschijnlijk 0.4%. Van de tot nu toe bekende Down Syndroom gevallen was in 29 van de 35 gevallen het risico op Down syndroom verhoogd. De verschillende chromosoomafwijkingen worden, afhankelijk van een eventuele associatie met andere (open) defecten, gevonden via een verhoogd risico op neuraalbuisdefecten, op Down Syndroom of op trisomie 18. De voorlopige resultaten zijn dus indrukwekkend, de sensitiviteit is 86.4% voor alle via de 3 risico-berekeningen gevonden afwijkingen, de specificiteit is 87.1%, de positief voorspellende waarde is 3.03%, en de negatief voorspellende waarde is 99.93%. Voor een definitieve conclusie met betrekking tot de statistische parameters is het wachten op meer post partum gegevens. Het binnenkrijgen en afwerken van de gegevens kan nog veel tijd in beslag nemen.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
Voor veel parenteraal toe te dienen geneesmiddelen dient partijgewijs te worden aangetoond dat zij niet pyrogeen (koortsverwekkend) zijn. De meest voorkomende pyrogene verontreinigingen in biologische en biotechnologische geneesmiddelen zijn bacteriele toxinen. Met name endotoxinen afkomstig van Gram-negatieve bacterien zijn bekend om hun pyrogene eigenschappen. De klassieke test voor de detectie van pyrogene activititeit is gebaseerd op vergelijking van de rectale temperatuur van konijnen, voor en na toediening van een te testen substantie. Circa twintig jaar geleden is een in vitro test op bacterieel endotoxine ontwikkeld, die voor veel geneesmiddelen kan dienen als alternatief voor de pyrogenentest: de zogenaamde LAL-test (Limulus Amoebocyten Lysaat test). De LAL-test kent echter een aantal beperkingen, waardoor het niet voor alle parenterale geneesmiddelen geschikt is als alternatief voor de pyrogenentest. Onderzoek is verricht naar de mogelijkheid een alternatieve in vitro pyrogenentest te ontwikkelen, die is gebaseerd op de in vitro productie van cytokines (IL-6 en TNFalfa) door een humane monocyten cellijn (MonoMac-6). De resultaten van het onderzoek wezen er op dat voor een aantal bacteriele vaccins zowel de test op bacterieel endotoxine als de bepaling van cytokine-afgifte door humane monocyten een goed alternatief kunnen vormen voor de pyrogenentest in konijnen.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
Deze studie uit 1998 gaat de (on)mogelijkheden na voor een meer gestructureerd en transparant milieu-risicobeoordelingssysteem voor microbiele bestrijdingsmiddelen. De uitdaging is om de bestaande case-by-case aanpak bij de registratie van dergelijke bestrijdingsmiddelen om te vormen tot een meer systematische aanpak zodat overheden beter en sneller in staat zullen zijn om de te verwachten toename van het aantal registraties voor microbiele bestrijdingsmiddelen te verwerken. Dit moet gebeuren op grond van de bestaande expertise op dit gebied, niet alleen in Nederland, maar vooral ook in de Verenigde Staten en Canada. Belangrijke belemmeringen voor de verdere ontwikkelingen van een dergelijk raamwerk zijn: I de diversiteit en complexiteit van micro-organismen, en hun gedrag en interacties in het milieu; II het gebrek aan in situ onderzoeksgegevens wat betreft het gedrag, lotgevallen en schadelijke effecten van microbiele bestrijdingsmiddelen in het milieu (m.u.v. Bacillus thuringiensis en sommige Baculoviridae); III de te verwachten kleine afzetmarkten voor nieuwe microbiele bestrijdingsmiddelen. Daarom worden in dit rapport een aantal 'grote gemene delers' op een rijtje gezet: de gevaarsidentificatie , de blootstellings- en de effectbeoordeling en de risicokarakterisatie. Omdat de gevaarsidentificatie de gegevensevaluatie van de aan te leveren individuele testen omvat, zijn tevens een aantal tabellen opgenomen met daarin geannoteerd de belangrijkste items wat betreft het gedrag en de lotgevallen in het milieu en de effecten op biota. Deze tabellen kunnen als leidraad dienen bij het samenvatten en beoordelen van experimenten in het kader van de registratie.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
In het kader van het Convenant Verpakkingen wordt door het RIVM jaarlijks gemeten hoeveel verpakkingsmateriaal als afval vrijkomt en hoeveel wordt hergebruikt. De meting heeft betrekking op verpakkingsafval afkomstig van huishoudens, de kantoor-,winkel- en dienstensector en de industrie. De hoeveelheid verpakkingsafval uit huishoudens wordt bepaald aan de hand van sorteeranalyses van het RIVM (afvalsamenstelling) in combinatie met gegevens van het CBS (hoeveelheid afval). Voor de twee overige sectoren wordt gebruik gemaakt van een enquete. Tussen 1995 en 1996 steeg de totale hoeveelheid verpakkingsafval met 3%. De stijging komt geheel voor rekening van de kantoor-, winkel- en dienstensector. Ten opzichte van 1986 steeg de totale hoeveelheid met ongeveer 15%. In 1996 werd 52% van het verpakkingsafval hergebruikt. Daarbij lagen glas (72%), papier (62%) en blik (64%) boven het gemiddelde. Het hergebruik van aluminium (16%) en kunststof (11%) blijft bescheiden.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
The potential of restricted access media columns as applied in coupled-column LC/LC-TSP/MS/MS for the high-speed determination of target compounds in serum. Application to the direct trace analysis of salbutamol and clenbuterol | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Meningitis bacterium is viable without endotoxin | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Rate of recurrent collapse after vaccination with whole cell pertussis vaccine: follow up study | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
The effect of pertussis toxin and whole-cell pertussis vaccine on haemodynamics and autonomic responsiveness in the rat depends on route of administration and age | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Differential transmission of the genospecies of Borrelia burgdorferi sensu lato by game birds and small rodents in England | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Epididymal sperm aneuploidies in three strains of rats detected by multicolor fluorescence in situ hybridization | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Storage reservoirs - a first barrier for pathogenic micro-organisms in the Netherlands | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Impairment of health and quality of life in people with large waist circumference | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Dietary intake of antioxidant (pro)-vitamins, respiratory symptoms and pulmonary function: the MORGEN study | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Low-dose radiation sensitivity and a subpopulation of sensitive cells | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Chlamydia pneumoniae is a risk factor for coronary heart disease in symptom-free elderly men, but Helicobacter pylori and cytomegalovirus are not | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Estimating ammonia emission factors in Europe: summary of the work of the UNECE ammonia expert panel | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Lipid profiles reflecting high and low risk for coronary heart disease: contribution of apolipoprotein E polymorphism and lifestyle | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Nitrogen oxides and tropical agriculture | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Bioconcentration of gaseous organic chemicals in plant leaves: comparison of experimental data with model predictions | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Effect of pH on the toxicity and biodegradation of pentachlorophenol by Sphingomonas sp. strain P5 in nutristat culture | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
The role of prostanoids in ozone-induced changes in airway responsiveness: receptor activation-specific prostanoid release | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Reference materials for PAHs in foodstuffs: results of the certification exercise of two coconut oil reference materials | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Protection of UV-induced suppression of skin contact hypersensitivity: a common feature of flavonoids after oral administration? | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Ammonia exchange over coniferous forest | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Application of the pesticide transport assessment model to a field study in a humic sandy soil in Vredepeel, The Netherlands | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Dynamics and stratification of functional groups of nematodes in the organic layer of a Scots pine forest in relation to temperature and moisture | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
An automatic atmospheric ammonia network in the Netherlands : set-up and results | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Prevalence and correlates of herpes simplex virus type 2 infection: evaluation of behavioural risk factors | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
In het kader van de Leefomgevingsbalans is een systeem ontworpen waarmee de belevingswaarde van de groene omgeving in kaart gebracht kan worden. Het waarderingssysteem richt zich op de belevingswaarde van buitenstedelijke groenvoorzieningen, vanuit het oogpunt van de recreant die van deze groenvoorzieningen gebruik wil maken. Het systeem is, hoewel het op sommige punten nog niet volledig uitgewerkt en getest is, operationeel en werkt op basis van bestaande gegevens uit de literatuur. De belevingswaarde is afhankelijk van een aantal fysieke kenmerken van het landschap, deze kenmerken vormen de objecten waaruit het systeem is opgebouwd. Elk object is gekoppeld aan een bestand met ruimtelijke gegevens, waaraan de waardering wordt gekoppeld. Wanneer de grids voor de afzonderlijke objecten worden gecombineerd ontstaat een grid met de totale belevingswaarde per cel. De waarden zijn relatief en kunnen al naar gelang het doel worden vertaald naar andere interpretatieniveaus, zoals gemiddelden per COROP-gebied of per gemeente. Als aanvulling op het waarderingssysteem is een methode ontwikkeld om bevolkingsdruk in Nederland te berekenen. De methode 'bevolkingsdruk' en de toepassingsmogelijkheden hiervan zijn nog slechts schetsmatig uitgewerkt. Het waarderingssysteem en de methode om bevolkingsdruk te berekenen zijn beide ontwikkeld in Arc-Info, in combinatie met AML. Dit biedt de mogelijkheid om zo veel mogelijk bewerkingen te automatiseren, terwijl 'onzekere' parameters interactief kunnen worden ingevoerd.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
Atmospheric deposition of ammonia to semi-natural vegetation in the Netherlands - methods for mapping and evaluation | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Ozone-induced airway hyperresponsiveness in patients with asthma: role of neutrophil-derived serine proteinases | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
The incidence of suspected myocardial infarction in Dutch general practice in the periode 1978-1994 | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Capillary gas-chromatographic method for determining non-derivatized sterols - some results for duplicate 24 h diet samples collected in 1994 | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Epidemiology and control of sexually transmitted diseases in a Rotterdam STD clinic | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Embryotoxicity of carbamazepine in rat postimplantation embryo culture after in vitro exposure via three different routes | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Field comparison of two NO2 passive samplers to assess spatial variation | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Isolation, characterization, and transfer of cryptic gene-mobilizing plasmids in the wheat rhizosphere | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Bank of reference samples of blank urine from livestock | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
ACE inhibitor-induced angioedema. Incidence, prevention and management | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Viewpoint from ECVAM. Approaches for the validation of serological methods as an alternative to the challenge procedures | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Recommendations of ECVAM workshop #4 for clostridial vaccines | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Effects of in vivo exposure to bis(tri-n-butyltin)oxide, hexachlorobenzene, and benzo(a)pyrene on cytokine (receptor) mRNA levels in cultured rat splenocytes and on IL-2 receptor protein levels | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Risk assessment on the carcinogenic potential of hybridoma cell DNA: implications for residual contaminating cellular DNA in biological products | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Dietary fat and obesity: an epidemiologic perspective | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Surveillance of antibiotic resistance in Neisseria gonorrhoeae in the Netherlands, 1977-95 | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Modelling cadmium accumulation at a regional scale in the Netherlands | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Risk assessment for the harmful effects of UVB radiation on the immunological resistance to infectious diseases | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Immunotoxic effects of TCDD and toxic equivalency factors | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Using PM3 Hamiltonian, factor analysis and regression analysis in developing quantitative structure-property relationships for photohydrolysis quantum yields of substituted aromatic halides | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Diesel exhaust particles induced release of interleukin 6 and 8 by (primed) human bronchial epithelial cells (beas 2B) in vitro | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Review of the requirements for models and model applications | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Revision of the Netherlands national model for short range dispersion of air pollutants | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Quercetin in foods, cardiovascular diasease, and cancer | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
In dit rapport worden voorstellen gedaan voor de vierde tranche interventiewaarden voor grond en grondwater voor de volgende 15 contaminanten en contaminantgroepen: 1) metalen: vanadium, selenium, tellurium, thallium, tin; 2) aromatische koolwaterstoffen: mono- t/m pentachlooranilinen, 4-chloor-methylfenol; 3) gechloreerde noolwaterstoffen: 1,1,2-trichloorethaan, dichloorpropanen, 1,1-dichlooretheen; 4) pesticiden: MCPA en 5) overige contaminanten: tribroommethaan, isopropanol, ethylacetaat, 1,2-butylacetaat. De interventiewaarden zijn gebaseerd op integratie van de ecotoxicologische en humaan-toxicologische ernstige bodemverontreinigingsconcentratie (respectievelijk ECOTOX EBVC en HUM-TOX EBVC). De afleiding van de HUM-TOX EBVC maakt onderdeel uit van dit rapport. Deze afleiding vond plaats op basis van het CSOIL blootstellingsmodel, de standaard dataset voor potentiele blootstelling, geselecteerde fysisch-chemische contaminant-specifieke input parameters en het Maximaal Toelaatbare Risico niveau voor inname (MTRhumaan). In het algemeen worden de voorstellen voor interventiewaarden voor grond en met name die voor grondwater gekenmerkt door een beperkte nauwkeurigheid.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
Betreft de eerste van een serie inhalatiestudies die tot doel hebben inzicht te krijgen in de potentiele acute toxiciteit van het secundair deel van deeltjesvormige luchtverontreiniging (PM) in de buitenlucht. In dit onderzoek is gebruik gemaakt van een dierexperimenteel model voor astma als representatieve aandoening voor een van de risicogroepen in de humane populatie. Gezien de complexiteit van PM10 is deze eerste studie beperkt tot ultrafijn (1,70 x 10 exp. 5 deeltjes per cm3, 85 nm MMD) en fijn (2,74 x 10 exp. 3 en 3,58 x 10 exp. 4 deeltjes per cm3, 531-543 nm MMD) ammonium bisulfaat. Gepresenteerde gegevens suggereren dat ammoniumbisulfaat, zijnde een modelstof voor het secundaire deel van PM10 , bij realistische concentraties en blootstellingsduur niet leidt tot pulmonaire effecten in gezonde dan wel licht-astmatische muizen. Er zijn geen indicaties voor een versterking door ammoniumbisulfaat van de allergische reactie in de muizen. Dit impliceert dat deze component van PM10 niet verantwoordelijk zou zijn voor de verergering van astmatische symptomen in de humane populatie zoals dit uit epidemiologisch onderzoek naar voren komt.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
Dit rapport documenteert emissiebestanden in het kader van het project Luchtverontreiniging en Gezondheid en de Vierde Milieuverkenning ten behoeve van verspreidingsberekeningen. Het betreft emissiebestanden voor basis- en toekomstjaren voor primair fijn stof en NH3, SO2 en NOx als precursors van secundair fijn stof, voor binnen- en buitenland. In het rapport worden de economische scenario's en maatregelen die ten grondslag liggen aan de berekeningen voor toekomstjaren toegelicht. Ook wordt een eerste analyse gemaakt van onzekerheden in zowel binnen- als buitenlandse emissiegegevens voor fijn stof. Geadviseerd wordt vervolgonderzoek te richten op i) nadere analyse van onzekerheden in huidige emissiebestanden , ii) doorwerking daarvan, en van de onzekerheden in modelparameters in het verspreidingsmodel, in de berekende fijn-stofconcentraties en iii) het vergroten van het inzicht in de kwaliteit van huidige emissieschattingen, en eventuele hiaten daarin, door metingen aan de bron en versterkte koppeling van emissieinventarisaties aan luchtkwaliteitsmetingen.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
Voor het meten van kwikgehalten in urine die in het kader van de studie naar de blootstelling van de bevolking aan milieucontaminanten worden aangeboden werd de methode geoptimaliseerd en gevalideerd. De optimalisering van een methode voor kwik in urine was gebaseerd op de operationele methode 'bepaling van kwik in regenwater'. In ongewijzigde vorm bleek broomconcentratie te laag om alle oxideerbare stoffen inclusief kwik (verbindingen) om te zetten. De methode werd geoptimaliseerd door het monster zodanig te verdunnen dat de beoogde aantoonbaarheidsgrens van 0.1 mug Hg/l nog mogelijk is. Bij een 50-voudige verdunning en een broomconcentratie van 2,5 mmol/l werd experimenteel een aantoonbaarheidsgrens van 0.08 mug Hg/l vastgesteld. De herhaalbaarheid en reproduceerbaarheid op een meetniveau van 3,44 mug Hg/l is respectievelijk 0,07 en 0.27 mug Hg/l. Addities, van anorganisch gebonden kwik en organisch gebonden kwik, worden kwantitatief teruggevonden.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
In de periode 1995-1996 zijn radonconcentraties en luchtstromen gemeten in circa 1500 Nederlandse nieuwbouwwoningen (bouwjaar 1985-1993). Het onderzoek had tot doel de trend in de radonconcentratie te beschrijven en het relatieve belang van de diverse bronnen van radon in de woning te kwantificeren. In de woonkamers varieerde de concentratie tussen 5 en 400 Bq/m3. Gemiddeld bedroeg de radonconcentratie er 30 Bq/m3 bij een concentratie in de buitenlucht van ongeveer 5 Bq/m3. Dit is circa 50% hoger dan wat in 1984 werd gemeten in woningen die tot circa 1970 werden gebouwd. In de kruipruimten is de gemiddelde radonconcentratie 70 Bq/m3. In slaapkamers is gemiddeld 10% minder radon gevonden dan in de woonkamer. Uit meting van luchtstromen in en tussen woonkamer en kruipruimte kon worden afgeleid dat voor de woonkamer de bouwmaterialen de belangrijkste bron van radon zijn met een gemiddelde bijdrage van 70%. Circa 15% van het radon is afkomstig uit de kruipruimte. De buitenlucht levert een even grote bijdrage. De radonconcentratie in de onderzochte nieuwbouwwoningen bleek te worden beinvloed door het gebruik van de mechanische ventilatievoorziening en gecorreleerd te zijn met de radonconcentratie in de kruipruimte en met het totale oppervlak van de uit beton opgetrokken wanden. De lange termijn toename in de radonconcentratie wordt voornamelijk veroorzaakt door verbeteringen in de woningisolatie sinds de zeventiger jaren, wat resulteerde in een toename van de luchtdichtheid van de bouwschil met een factor vier, en in mindere mate door een stijging in het gebruik van betonproducten met een factor vier, over een periode van circa 40 jaar. Sinds 1970 is de gemiddelde radonconcentratie voor het totale woningbestand met circa 4 Bq/m3 toegenomen tot 23 Bq/m3, nog steeds de op een na laagste gemiddelde waarde in West-Europa.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
Resultaten worden gepresenteerd van een studie met ammoniumnitraat in gezonde en astma dieren. Ammoniumnitraat is de belangrijkste component van het secundair gevormde fijnstof in Nederland. We hebben gezonde en astma muizen blootgesteld aan fijn (CMD = 0.3 mum; 4 x 10 exp. 3 deeltjes per cm3) en ultrafijn (CMD = 0.03 mum; 2 x 10 exp. 5 deeltjes per cm3) ammoniumnitraat. De gemiddelde massa concentratie bedroeg respectievelijk 140 en 250 mug/m3. De gegevens suggereren dat bij concentraties die vergelijkbaar zijn met eerdere studies met ammoniumbisulfaat en ammoniumferrosulfaat nu wel pulmonaire effecten in gezonde en astma muizen optreden. Hierbij blijkt dat deze effecten wel bij fijn en niet bij ultrafijn nitraat optreden. Uit het feit dat de massaconcentratie van fijn ammoniumnitraat lager was dan die van ultrafijn nitraat kan worden opgemaakt dat de invloed van de grootte van de deeltjes niet verwaarloosd mag worden. Depositiemodellering zal hier meer inzicht in geven. Er zijn geen indicaties voor een versterking van de allergische reactie.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
Het Basis Selectie Document (BSD) is het wettelijk voorgeschreven selectie-instrument voor overheidsarchieven. Het is recent ontwikkeld omdat door verkorting van de overbrengingstermijn van overheidsarchieven, zoals vastgelegd in de Archiefwet 1995, binnen een kort tijdsbestek een grote inhaalslag moet gaan plaatsvinden bij de bewerking van deze archieven. Niet de informatieve waarde van documenten maar de waardering van het overheidshandelen is bij deze nieuwe methode de bepalende factor bij de selectie van de documentaire neerslag. Dit BSD geeft aanwijzingen voor bewaren of vernietigen van die bescheiden die het resultaat zijn van handelingen van het voormalige Rijksinstituut voor Volksgezondheid (RIV) en het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiene (RIVM) in de periode 1940-1995. De context waarin de handelingen hebben plaatsgevonden wordt weergegeven in het RIVM-rapport 840701001 (En morgen gezond weer op; een Institutioneel Onderzoek naar het taken-pakket en de handelingen van het Rijksinstituut voor de Volksgezondheid en Milieuhygiene 1940-1995). De documentaire neerslag die het resultaat is van handelingen die met bewaren zijn gewaardeerd, komt in aanmerking voor overbrenging naar de Rijksarchiefdienst en de overige archiefbescheiden kunnen op termijn worden vernietigd. De 87 handelingen die in het BSD zijn weergegeven beschrijven alle taken die in de aangegeven periode door het RIV en RIVM uitgeoefend zijn. Van iedere handeling is weergegeven: de actor of het onderdeel van de organisatie belast met de taak, de tijdsperiode, de beleidsfase, de waardering en de eventuele vernietigingstermijn. In dit rapport wordt eveneens toelichting gegeven op de criteria die gebruikt zijn bij de waardering van handelingen. In totaal zijn 38 van de 87 handelingen gewaardeerd met bewaren.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
De leefomgevingsbalans is een door VROM voorgesteld toekomstig beleidsinstrument om gedane ingrepen in het fysieke milieu op hun integrale gevolgen voor de leefomgeving te beoordelen. De leefomgevingsbalans zou hiermee een belangrijke evaluerende en signalerende functie hebben: door beschouwing van alle relevante aspecten maakt de balans zichtbaar waar tekorten zijn of dreigen te ontstaan en waar extra inspanningen nodig zijn. Hiermee vormt de leefomgevingsbalans een integratief raamwerk dat richtinggevend kan zijn voor de aard en locatie van gewenste investeringen. Dit rapport is een verkenning van een mogelijk invulling van een dergelijke leefomgevingsbalans en dient uitsluitend als basis voor discussie. Het beschouwt de fysieke leefomgeving als een verzameling van (voorraden) van allerlei objecten in een bepaalde ruimtelijke configuratie. Deze objecten worden vanuit verschillende invalshoeken verschillend gewaardeerd. Hierbij is onderscheid gemaakt in een ecologisch, economisch en sociaal-psychologisch perspectief. De eerste twee perspectieven zijn vooral gericht op lange termijn-vraagstukken waarbij duurzaamheid voorop staat. Bij het laatste perspectief gaat om de individuele leefbaarheid van de burger, veelal handelend over korte termijn-vraagstukken op vooral lokaal niveau. Op deze wijze wordt het 'leefomgevingskapitaal' gepresenteerd als een drieluik van economische, ecologische en sociaal-psychologische waarden. In het rapport is ook een eerste uitwerking van dit concept voor de periode 1970-1995 gegeven.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
Voor de humane blootstelling aan bodemverontreinigende stoffen via de consumptie van planten is een verkenning uitgevoerd naar de mogelijkheid van locatie-specifieke risico-inschattingen. Deze inschattingen van het actuele risico zijn nodig voor beslissingen om te saneren. In het rapport wordt voortgebouwd op de module voor plantenopname van verontreinigende stoffen in het CSOIL model (v. 7.1) voor de berekening van de Nederlandse interventiewaarden op basis van potentiele risico-inschattingen. Voor ongeveer de helft van de onderzochte verontreinigende stoffen blijkt de route via consumptie van planten 80% of meer bij te dragen aan de totale blootstelling. In dit rapport wordt de aandacht in de eerste plaats gericht op de invloed van het bodemtype op de accumulatie van bodemverontreinigende stoffen in planten en er wordt ingegaan op de consequenties van de keuze van gewassen in het model. Er is een onderzoek gedaan naar alternatieve modellen. Voor metalen lijkt het Duitse UMS model een goede aansluiting te geven. Voor organische stoffen is de beschrijving van het transport van de verontreinigende stoffen door de stengels en bladeren een zwak punt in de CSOIL module. Dit onderdeel zou voor de opname door bladgewassen kunnen worden verbeterd met behulp van het model van Trapp en Matthiess. Dit model is ook ingebouwd in het EUSES-model (Europees Uniform Systeem voor de Evaluatie van Stoffen), maar is nog niet gevalideerd.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
Doel was de evaluatie van het gebruik van de surveillanceresultaten in de aan het project 'Preventie van Ziekenhuisinfecties door surveillance' (PREZIES) deelnemende ziekenhuizen. Methode: een vragenlijstonderzoek naar verspreiding en gebruik van de surveillanceresultaten, invloed op beleid en/of besluitvorming op het gebied van infectiepreventie, interventiemaatregelen en tevredenheid met het project. In totaal werden 48 contactpersonen aangeschreven. De respons was 79%. De resultaten van de eigen surveillance werden in vrijwel alle gevallen verspreid naar de specialisten en naar de infectiecommissie en in de meeste gevallen ook naar de verpleegafdelingen en naar de directie. De vergelijking met de andere PREZIES-ziekenhuizen werd ook in vrijwel alle gevallen verspreid naar de infectiecommissie en naar de specialisten en in mindere mate naar verpleegafdelingen en directie. De rapportage werd in de helft van de ziekenhuizen gebruikt om voorlichting te geven en droeg volgens de contactpersonen in alle ziekenhuizen bij tot grotere bewustwording op het gebied van infectiepreventie. In bijna de helft van de ziekenhuizen leidden de resultaten tot een interventiemaatregel. Een aantal contactpersonen gaf aan dat de maatregel vermindering van POWI tot gevolg had. In vrij veel ziekenhuizen was de tijd na het invoeren van een interventiemaatregel te kort om het effect te kunnen beoordelen. In meer dan de helft van de ziekenhuizen heeft de surveillance het beleid en /of besluitvorming op het gebied van infectiepreventie ondersteund. Vierentachtig procent van de ziekenhuizen waren tevreden met het PREZIES-project in de huidige vorm en 89% wil deelname aan de landelijke surveillance continueren.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
In dit tweede rapport over acute inhalatiestudies met modelcomponenten van fijnstof in de buitenlucht worden de resultaten gepresenteerd van een studie met ammoniumferrosulfaat in astmamuizen. De keuze van een zout met een overgangsmetaal (ijzer) is ingegeven door de hypothese dat ijzerionen radicaalvorming kunnen versterken. Het diermodel voor astma is ingezet omdat astmatici een risicogroep lijken te zijn als het gaat om blootstelling aan fijnstof. Gezonde en 'astmatische' muizen werden blootgesteld aan fijn (MMD= 459 nm; 4 x 10 exp. 3 deeltjes per cm3) ammoniumferrosulfaat . De gemiddelde massaconcentratie bedroeg 250 mug/m3. De pulmonaire reactie werd vastgesteld middels longspoelvloeistof (BALF) analyse, luchtwegreactiviteitsmetingen en histopathologie. De gegevens suggereren dat bij net iets hogere concentraties dan de in Nederland voorkomende concentraties en bij een korte blootstellingsduur geen pulmonaire effecten in gezonde dan wel gecompromitteerde muizen (als model voor astma) optreden. In vergelijking met eerdere experimenten waarbij aan ammonium bisulfaat werd blootgesteld kon geen effect van het overgangsmetaal ijzer worden aangetoond.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
Doel was om na een inventarisatie van methoden voor Surveillance Na Ontslag (SNO) in de aan het PREZIES-project deelnemende ziekenhuizen en in het buitenland te komen tot een aanbeveling voor een gestandaardiseerde methode van SNO. Methodes waren telefonische interviews over de uitvoering van SNO in de deelnemende ziekenhuizen en literatuurstudie naar methoden van SNO in het buitenland. Twintig ziekenhuizen namen deel aan de inventarisatie (respons 95%), waarbij de validiteit, efficientie en haalbaarheid van de methode werden beoordeeld. De preferente methode van SNO lijkt een actief surveillancesysteem in de poliklinische setting waarbij de controlerend specialist schriftelijk vastlegt of de patient wel of geen POWI heeft. Een goed alternatief is onderzoek van de dossiers van polikliniekpatienten. Poliklinische controle rond 30 dagen na de operatie heeft de voorkeur. POWI die ontstaan binnen 30 dagen na de operatie worden gerelateerd aan de operatie, behalve bij operaties met implantaten. Dan is die periode een jaar.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
De mondiale koolstofkringloop: een systeem met vele terugkoppelingen | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Molecular evolution and host adaptation of Bordetella spp.: phylogenetic analysis using multilocus enzyme electrophoresis and typing with three insertion sequences | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Methods for intercomparing instruments | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Exposure to polychlorinated organic compounds and thyroid hormone plasma levels of human newborns | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Analysis of tuberculosis transmission between nationalities in the Netherlands in the period 1993-1995 using DNA fingerprinting | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Public health aspects of Fusarium mycotoxins in food in The Netherlands: a risk assessment | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Sentinel system for nosocomial infections in The Netherlands: a pilot study | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Microwave-assisted solvent extraction and reversed-phase liquid chromatography-UV detection for screening soils for sulfonylurea herbicides | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Soil ecotoxicological risk assessment: how to find avenues in a pitch dark labyrinth | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Bordetella bronchiseptica expresses the fimbrial structural subunit gene fimA | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Carcinogenesis in XPA-deficient mice | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Genes coding for enterotoxins and verotoxins in porcine Escherichia coli strains belonging to different O:K:H serotypes: relationship with toxic phenotypes | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Influenza vaccination in 22 developed countries: an update to 1995 | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Variations in random amplified polymorphic DNA patterns and secondary metabolite profiles within Fusarium species from cereals from various parts of The Netherlands | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Comparison of five incubation systems for rat liver slices using functional and viability parameters | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Chemical inactivation of recombinant vaccinia viruses and the effects on antigenicity and immunogenicity of recombinant simian immunodeficiency virus envelope glycoproteins | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Thermodynamic analysis of the interaction between a bactericidal antibody and a porA epitope of Neisseria meningitidis | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Base cation deposition in Europe - part 1. Model description, results and uncertainties | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Yersinia enterocolitica: a cause of chronic polyarthritis | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Determination of total dissolved phosphorus in water samples by axial inductively coupled plasma atomic emission spectrometry | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Exposure to dust and its particle size distribution in California agriculture | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Molecular typing of Enteroviruses: current status and future requirements | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Plasma superwarfarin levels and vitamin K1 treatment in dogs with anticoagulant rodenticide poisoning | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Health effects of the Chernobyl disaster: illness of illness behavior? A comparative general health survey in two former Soviet regions | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Antibody response to Haemophilus influenzae type b vaccine in relation to the number of CD4+ T lymphocytes in adults infected with human immunodeficiency virus | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
A 3-(3-hydroxyphenyl)propionic acid catabolic pathway in Rhodococcus globerulus PWD1: cloning and characterization of the hpp operon | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Enterovirus infections of the central nervous system | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Induction of DNA adducts and mutations in spleen, liver and lung of XPA-deficient/lacZ transgenic mice after oral treatment with benzo[a]pyrene: correlation with tumour development | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Verstedelijkingsscenario's bekeken op hun effecten voor het milieu | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Base cation deposition in Europe - part 2. Neutralization capacity and contribution to forest nutrition | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
The determination of chromium, copper and nickel in groundwater using axial plasma inductively coupled plasma atomic emission spectrometry and proportional correction matrix effect reduction | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Potency grading in carcinogen classification | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Environmental risk assessment of musk ketone and musk xylene in the Netherlands in accordance with the EU-TGD | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Biologically safe, non-transmissible pseudorabies virus vector vaccine protects against both Aujeszky's disease and classical swine fever | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Potency of wild-type or sabin trivalent inactivated poliovirus vaccine, by enzyme-linked immunosorbent assay using monoclonal antibodies specific for each antigenic site | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Disease-staging for modelling current and future health-care impact of disease: illustrations for diabetes mellitus and AIDS | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Salmonella typhimurium aroA recombinants and immunestimulating complexes as vaccine candidates for feline immunodeficiency virus | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
First lidar observations of mesospheric hydroxyl | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Reproducibility of performance-based and self-reported measures of functional status | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Identification of inorganic, methylated and hydride-refractory arsenic species in estuarine waters. Advances by electrospray, ES-MS, pyrolysis-GC-MS and HPLC-ICP/MS | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
The effect of chorionic villus sampling on the number of fetal cells isolated from maternal blood and on maternal serum alpha-fetoprotein levels | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Chlamydia trachomatis genotypes: correlation with clinical manifestations of infection and patients' characteristics | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Dose response analysis for microorganisms causing gastroenteritis | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Verband tussen 2 tuberculose-explosies van 8 jaar bewezen door DNA-'fingerprinting' van de oorzakelijke mycobacterien | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Een opzet voor early warning van Salmonella infecties | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Modelling prevention strategies for sexually transmitted diseases | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Polio in Turkije: moleculair epidemiologisch onderzoek naar poliovirus | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Influenza A(H5N1): update. Stand van zaken op 14 januari 1998 | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Mucosale immuniteit tegen poliovirus bij de mens: OPV versus IPV | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
De betekenis van 'environmental surveillance' voor de poliobestrijding | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Workshop infectious diseases modelling | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Wat kunnen muizenstudies ons leren over de immuniteit tegen poliovirus? | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Polymorphism in the Bordetella pertussis virulence factors P.69/pertactin and pertussis toxin in the Netherlands: temporal trends and evidence for vaccine-driven evolution | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
A birth cohort analysis of AIDS in Europe: high incidence among young persons at risk | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Nieuwe keuzes van Salmonella types voor 4-wekelijkse rapportage | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
De rol van het laboratorium bij de eradicatie van poliomyelitis | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Ending polio immunization | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Intensieve surveillance van polio in Nederland | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Explosie van Salmonella typhimurium 20 infecties | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Immune responses and side effects of five different oil-based adjuvants in mice | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Frequentie van postoperatieve wondinfecties in Nederland | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Hepatitis A explosie in Rotterdam: voornamelijk homomannen | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
The efficacy of a whole cell pertussis vaccine and fimbriae against Bordetella pertussis and Bordetella parapertussis infections in a respiratory mouse model | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Verheffing van hepatitis A in het eerste kwartaal van 1998 | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Effect of nationwide vaccination of 3-month-old infants in the Netherlands with conjugate Haemophilus influenzae type b vaccine: high efficacy and lack of herd immunity | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Resistance of staphylococci in the Netherlands: surveillance by an electronic network during 1989-1995 | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Experimentele gegevens met betrekking tot emissies van landbouwbestrijdingsmiddelen uit kassen zijn over het algemeen schaars vanwege het bewerkelijke, complexe en kostbare karakter van het vaststellen ervan. Het modelleren kan daarom van nut zijn. USES 2.0 - een beslissingsondersteunend systeem voor overheidsinstellingen - bevat o.a. een module om bestrijdingsmiddelenconcentraties in de lucht te schatten in de lijwervel tot op 25 meter van een kas. In een studie uit 1998 wordt deze module gebruikt om de concentraties te schatten van zeven organofaat bestrijdingsmiddelen dichtbij kassen. De humaan-toxicologische grenswaarden, die voor deze bestrijdingsmiddelen beschikbaar zijn, maken het mogelijk een initiele risicobeoordeling uit te voeren voor mensen die wonen in de nabijheid van kassen. Dit gebeurt door deze grenswaarden te vergelijken met de geschatte concentraties. Gezien het tentatieve karakter van zowel de grenswaarden als de geschatte concentraties in de lucht, moeten de uitkomsten van deze risicobeoordeling worden beschouwd als indicatief. Zo kan het optreden van acute effecten voor omwonenden van een kas niet geheel worden uitgesloten gedurende de eerste uren na toediening in een kas, als gevolg van blootstelling aan dichloorvos, chloorfenvinfos , mevinfos, parathion of methylparathion. Acute effecten als gevolg van blootstelling aan azinfos-methyl of diazinon kunnen waarschijnlijk wel worden uitgesloten. Omdat de onzekerheidsmarges voor zowel de effectbeoordeling als de blootstellingsschatting groot moeten worden verondersteld, pleiten de uitkomsten van deze studie voor een meer verfijnde risicobeoordeling.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
In dit rapport worden alle meetgegevens van enterovirussen in oppervlaktewater, welke dient als grondstof voor de drinkwaterbereiding, samengevat voor de periode 1978 Ăľ 1996. De meeste metingen hebben plaatsgehad in het stroomgebied van de grote rivieren in midden Nederland , gedurende de winterperiode. Gedurende deze periode bereiken de concentraties hun maximale waarden. De enterovirusconcentratie was in de grote rivieren gemiddeld 0,4 tot 3 per liter met een maximum van 13 per liter. In de overige grote oppervlaktewateren (IJsselmeer, Haringvliet, Drentsche Aa) was de concentratie gemiddeld 0,014 tot 0,022 per liter en maximaal 0,45 per liter. Uitgaande van een maximaal toelaatbare concentratie van 1,83 x 10-7 virussen per liter in drinkwater (infectierisico van 10-4 per persoon per jaar) kan een indicatie voor de benodigde verwijdering voor de bereiding van drinkwater worden afgeleid. Deze bedraagt voor oppervlaktewater uit het stroomgebied van de grote rivieren, gemiddeld 6-7 logeenheden en maximaal 8 logeenheden. Voor de bedrijven die gebruik maken van overig oppervlaktewater als bron is de benodigde verwijdering gemiddeld 5 en maximaal 6 logeenheden.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
De interventiewaarde voor bodem en grondwater is gebaseerd op de integratie van een humaan toxicologisch ernstige bodem verontreinigingsconcentratie of HUM-TOX EBVC en ecotoxicologische ernstige bodemverontreiningsconcentratie of ECOTOX EBVC. In dit rapport zijn voorstellen voor ECOTOX EBVC's gedaan voor de zogenaamde 4e serie stoffen. De data beschikbaarheid was laag voor alle in dit rapport opgenomen stoffen. Voor geen van de stoffen was het mogelijk om een HC50 voor zowel terrestrische soorten als processen af te leiden. Alleen voor de monochlooranilines en dichlooranilines is de ECOTOX SCC gebaseerd op een beperkte set terrestrische data, resulterend in een waarde met een matige betrouwbaarheid. Voor alle andere stoffen is de ECOTOX SCC gebaseerd op aquatische data en het toepassen van de equilibrium partitie methode resulterend in een waarde met lage betrouwbaarheid. Voor sommige stoffen zijn aquatische data geschat met behulp van QSARs: 1,1,2-trichloroethane, 1,1-dichloroethene, dichloorpropanen, ethylacetaat, butylacetaat en tribroommethaan.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
Experimentele gegevens met betrekking tot emissies van landbouwbestrijdingsmiddelen uit kassen zijn over het algemeen schaars vanwege het bewerkelijke, complexe en kostbare karakter van het vaststellen ervan. Het modelleren kan daarom van nut zijn. USES 2.0 - een beslissingsondersteunend systeem voor overheidsinstellingen - bevat o.a. een module om bestrijdingsmiddelenconcentraties in de lucht te schatten in de lijwervel tot op 25 meter van een kas. In een studie uit 1998 wordt deze module gebruikt om de concentraties te schatten van zeven organofaat bestrijdingsmiddelen dichtbij kassen. De humaan-toxicologische grenswaarden, die voor deze bestrijdingsmiddelen beschikbaar zijn, maken het mogelijk een initiele risicobeoordeling uit te voeren voor mensen die wonen in de nabijheid van kassen. Dit gebeurt door deze grenswaarden te vergelijken met de geschatte concentraties. Gezien het tentatieve karakter van zowel de grenswaarden als de geschatte concentraties in de lucht, moeten de uitkomsten van deze risicobeoordeling worden beschouwd als indicatief. Zo kan het optreden van acute effecten voor omwonenden van een kas niet geheel worden uitgesloten gedurende de eerste uren na toediening in een kas, als gevolg van blootstelling aan dichloorvos, chloorfenvinfos , mevinfos, parathion of methylparathion. Acute effecten als gevolg van blootstelling aan azinfos-methyl of diazinon kunnen waarschijnlijk wel worden uitgesloten. Omdat de onzekerheidsmarges voor zowel de effectbeoordeling als de blootstellingsschatting groot moeten worden verondersteld, pleiten de uitkomsten van deze studie voor een meer verfijnde risicobeoordeling.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
Doel van dit onderzoek was het ontwikkelen van een bepalingsmethode voor boor (B) en molybdeen (Mo) met ICP-MS om een indruk te krijgen van de concentraties in grond-, drink- en regenwater van Nederland. Omdat B adsorbeert aan de wand van de meeste verstuiverkamers (memory-effect) werd een directe injectie verstuiver (DIN) onderzocht, waarbij het monster via een dun capillair meteen in het plasma werd geinjecteerd. Bij de DIN was jecteerd. Bij de DIN was de aantoonbaarheidsgrens voor memory-gevoelige elementen zoals B en Hg een factor 30-40 lager, de analysesnelheid een factor 6 hoger en de juistheid verbeterd ten opzichte van een normale cross-flow-verstuiver. De signalen van met name grondwatermonsters waren zeer instabiel. Instabiliteit werd veroorzaakt door de vorming van zoutkorsten aan het uiteinde van het capillair van de DIN en door adsorptie van humuszuren aan de capillairwand. De vorming van zoutkorsten werd gereduceerd door monsters vooraf te verdunnen tot minder dan 200 mg/l Ca en 100 mg/l Na. Instabiliteit werd gecorrigeerd met een interne standaard (20 mug/l Rh, 1 mg/l Be). De aantoonbaarheidsgrens voor DIN-ICP-MS was 3 mug/l B en 0,5 mug/l Mo. De regenwatermonsters bevatten <3-14 mug/l B en <0,5 mug/l Mo. De ruwe en reine drinkwatermonsters bevatten <3-367 mug/l B en <0,5-2,8 mug/l Mo. De diepe en ondiepe grondwatermonsters bevatten <3-7598 mug/l B en <0,5-17 mug/l Mo.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
Dit rapport beschrijft de transmissie van Salmonella via de pluimveevleesproductieketen in het kader van blootstellingsmodellering. De keten is onderverdeeld in vier stadia: productiebedrijven, slachterij, winkel en consument. Eenvoudige modellen van de eerste twee stadia laten zien dat modelleren een nuttig instrument is om effecten van interventiemaatregelen van tevoren in te schatten. Volgens de huidige (schaarse) gegevens lijkt de prevalentie tussen de ingang van de slachterij en de uitgang van de winkel meer dan drie keer zo groot te worden. Meer gegevens en meer onderzoek naar deze stadia zijn daarom noodzakelijk. Er worden methoden voorgesteld om ook de consumentfase te modelleren.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
Om inzicht te krijgen in de belasting van het oppervlaktewater ten gevolge van de veranderende maatschappelijke activiteiten hebben RIZA en RIVM het model PROMISE (PROgnosis Model for Inputs to Surface water and Emission reductions) ontwikkeld. Dit model beoogt de omvang van de emissies naar het oppervlaktewater te bepalen evenals de gevolgen van maatschappelijke ontwikkelingen en effecten van ingrepen en maatregelen daarop. In 1992 werd door het RIZA het project Watersysteemverkenningen (WSV) gestart om een volgende Nota Waterhuishouding kwantitatief beter te kunnen onderbouwen. Dit is de aanleiding geweest om binnen de WSV een reken- en scenariomodel te ontwikkelen waarmee meting en toetsing mogelijk wordt gemaakt. Daarnaast was bij het RIVM de behoefte ontstaan aan een goed prognose-instrument bij de voorbereidingen van de Milieuverkenningen (MV) en het nationaal Milieubeleidsplan (NMP). De activiteiten van RIZA en RIVM voor het ontwikkelen van een scenariomodel vertoonden inhoudelijk zoveel overeenkomsten dat werd besloten gezamenlijk een scenariomodel te ontwikkelen waarmee voor prioritaire stoffen de emissies naar water, lucht en bodem kan worden berekend. Samengevat levert PROMISE de volgende gegevens: 1) per prioritaire of milieubelastende stof een overzicht van de daardoor veroorzaakte emissies naar oppervlaktewater voor een bepaald uitgangs- en een prognosejaar. De berekening voor een prognosejaar is gebaseerd op een autonome economische, een sociaal-demografische en/of een technologische ontwikkeling. Daarbij wordt tevens rekening gehouden met ingezet milieubeleid; 2) de netto emissies naar oppervlaktewater, regionaal over Nederland opgesplitst volgens het Pawn districten model.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
De algemene doelstelling van dit discussierapport is bij te dragen aan verdere harmonisatie van de humaan-toxicologische risicobeoordeling en aan de ontwikkeling van een formeel, geharmoniseerd stelsel van assessment factoren. De status quo van assessment factoren wordt geevalueerd. Opties worden aangeboden voor een stelsel van default waarden, of probabilistische verdelingen, van assessment factoren op basis van de huidige stand van de wetenschap. Methoden om deze default waarden of verdelingen te combineren worden beschreven. Het 'benchmark dose' concept wordt voorgesteld als een betere manier om het werkelijke geen-effectniveau voor de mens op probabilistische wijze te beschrijven. Gedemonstreerd wordt hoe de probabilistische verdeling van de benchmark dose gecombineerd kan worden met verdelingen van assessment factoren met als resultaat de waarschijnlijkheidsverdeling van een toxicologische grenswaarde voor de mens.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
De mogelijkheid is onderzocht om de toxische druk van stoffen (uitgedrukt als de Potentieel Aangetaste Fractie, PAF) te karteren voor doelsoorten als vlinders, libellen, amfibieen, reptielen en planten. Onvoldoende informatie is beschikbaar voor vlinders, libellen, waterjuffers en reptielen. Lage PAF waarden (minder dan 1%) voor koper, zink en cadmium werden gevonden voor amfibieen bij mediane concentraties in oppervlaktewater. PAF berekeningen voor hogere planten geven aan dat de toxische druk hoger is voor zink dan voor cadmium of koper. De hoogste toxische druk ten gevolge van deze metalen wordt gevonden in de Brabantse Kempen.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
Het beleid van de Europese Unie voor bestaande en nieuwe stoffen vereist risicoschattingen voor mens en milieu. Daarvoor is een systeem ontwikkeld , EUSES geheten, wat staat voor European Union System for the Evaluation of Substances. Teneinde residuen van lipofiele milieucontaminanten te voorspellen in vlees en melk van koeien, wordt in EUSES gebruik gemaakt van een empirische Quantitatieve Structuur-Activiteit Relatie (QSAR) gebaseerd op de octanol-water partitie van lipofiele stoffen. Het blijkt dat de verschillen tussen schatting en werkelijke, experimenteel gevonden waarden enkele orde-grootten kan bedragen. Daarom is onderzocht of een meer mechanistische benadering, in de vorm van een PBPK (Physiologically Based PharmacoKinetic) model zou kunnen bijdragen tot een betrouwbaarder schatting. Uit dit onderzoek blijkt dat zulks in potentie mogelijk is, maar dat de huidige stand van kennis over modelparameters onvoldoende is om dat te effectueren. Vruchtbaar gebruik van modellen is slechts dan mogelijk, als generieke relaties gelegd kunnen worden tussen molecuulstructuur en -eigenschappen van een lipofiele stof en zijn verdeling over de organen, zijn verdeling tussen bloed en melkvet, zijn metabolisme in de lever en zijn absorptie over de darmwand.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
De gevolgen van dispersie op de pesticideconcentratie in het verzadigde grondwater is onderzocht aan de hand van scenario computer simulaties voor een gebied in Nederland (Lochem). De simulaties tonen aan dat de concentratie afneemt met de diepte, maar de mate waarin dit gebeurt is niet systematisch en varieert over het gebied. Aan de randen, waar maisland en grasland aan elkaar grenzen is de reductie aanzienlijk. In andere delen, vooral bij lange belastingsperioden (d.w.z. > 10 jaar), is de reductie beperkt en naderen de concentraties geleidelijk de ingangsconcentraties. De verlaging van de concentratie door dispersie is gebaseerd op menging van het verontreinigde grondwater met grondwater uit de omringende gebieden. Dat betekent dat de reductie klein zal zijn als er sprake is van diffuse verontreiniging of wanneer de belasting lange tijd op een bepaald niveau blijft. Het belangrijkste effect van dispersie is het afvlakken van pieken. De uiteindelijke verdunning hangt daarom in hoge mate af van hetgeen er in de omgeving gebeurt. Het optreden van dispersie is op zich geen garantie dat concentraties op 10 meter diepte worden gereduceerd tot beneden de drempelwaarde als ze in het bovenste grondwater net boven die waarde liggen.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
RORISC is een PC-applicatie toe te passen op het gebied van ruimtelijk ordening en externe veiligheid. Met RORISC is het mogelijk om een inschatting te maken van de gevolgen voor het groepsrisico van een nieuw ruimtelijk ordeningsplan in de omgeving van een potentieel gevaarlijke inrichting. De methode in RORISC, beschreven in RIVM rapport nr. 610066004, maakt gebruik van de individueel risicocontouren en de groepsrisicocurve voor de bestaande situatie en de populatiedichtheid en dimensies van het nieuwe ruimtelijk ordeningsplan. In de handleiding, waarin een floppy disk met RORISC (versie 1.0) is opgenomen, wordt de benodigde informatie voor het gebruik van RORISC beschreven.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
Na het ongeval van Chernobyl hebben het KNMI en RIVM gezamenlijk een model ontwikkeld voor het berekenen van de verspreiding van radioactieve stoffen in de atmosfeer op Europese schaal, het RIVM/KNMI PUFF-model. Het model wordt onder andere toegepast in het Nationaal Plan voor de Kernongevallenbestrijding (NPK). Het KNMI en het RIVM beschikken beide over een versie van het model. Door voortschrijdende modelontwikkeling zijn er in de loop van de tijd verschillen ontstaan tussen beide modelversies. Daarom is besloten om voor de toepassing van het PUFF model in de ongevalsorganisatie een nieuwe versie van het model te ontwikkelen. Dit model, het NPK-PUFF model, combineert de beste elementen van beide versies, en maakt gebruik van de meer gedetailleerde HIRLAM- en ECMWF-meteovelden. Het NPK-PUFF model is nu operationeel bij het KNMI en het RIVM. Voor toepassing van het model in de NPK-organisatie moet gecontroleerd worden of de beide operationele versies van NPK-PUFF gelijke resultaten geven. Dit rapport beschrijft het testplan en de resultaten van de vergelijking. Het testplan bestaat uit een berekening voor een hypothetische lozing op 17 november 1994 met verschillende combinaties van meteorologische invoergegevens, en een berekening voor een actuele weersituatie in juni 1997. Ook zijn in het testplan criteria opgenomen voor de vergelijking van de resultaten en de acceptatie hiervan. De resultaten van de verschillende testberekeningen laten zien dat de overeenkomst in de beide operationele versies van NPK-PUFF in het algemeen goed is. De geconstateerde afwijkingen zijn gering, niet systematisch en niet van invloed op de rapportage aan de NPK-organisatie. Enkele berekeningen voldoen voor een beperkt aantal tijdstippen niet volledig aan de criteria, maar deze afwijkingen zijn niet essentieel. Met de resultaten van deze test wordt voorgesteld versie 1.0 van NPK-PUFF te accepteren voor toepassing in de NPK-organisatie.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
In het kader van een studie naar de gevolgen van historische en toekomstige stofuitspoeling naar het verzadigde grondwater is het quasi-driedimensionale RIVM grondwatermodel LGM (versie 2) gebruikt voor berekening van stroombanen, verblijftijden en concentratie-doorbraakkrommen op 165 grondwater-pompstations in de zandgebieden van Nederland. Berekend zijn de toekomstige concentraties van nitraat en pesticiden (atrazin, bentazon en 1,2-dichloorpropaan). De studie is uitgevoerd in het kader van de nationale lange-termijn planning voor drink- en industriewatervoorziening. De berekening is uitgevoerd voor 76 freatische en 89 semi-spanningslocaties, gebaseerd op de maximale vergunningshoeveelheid voor 1988. Drie economische scenario's zijn gebruikt voor de bepaling van stofuitspoeling naar het verzadigde grondwater. Nitraatuitspoeling is gesimuleerd door een combinatie van methoden, waaronder het model NLOAD voor het landbouwgebied. De uitspoeling van pesticiden is gesimuleerd m.b.v. het model GEOPESTRAS. Vervolgens, gebruik makend van de concentraties van de uitspoelingsflux, is het LGM gebruikt voor de berekening van concentraties op pompstations. Het LGM is een numeriek model (gebaseerd op de eindige elementenmethode), dat complexe geohydrologische systeem-componenten bevat. Het maakt gebruik van ruimtelijk variabele (heterogene) gegevens voor vier watervoerende pakketten voor het gehele gebied van Nederland. De doorbraakconcentraties zijn berekend m.b.v. het module LGMCAM, gebaseerd op de voorwaartse particle tracking in het verzadigde grondwater. De gebruikte processen zijn advectie en volledige menging in putfilters. Denitrificatie en degradatie van pesticiden in het verzadigde grondwater zijn buiten beschouwing gelaten. De resultaten zijn gepresenteerd als (1) kaarten van concentraties op 165 pompstations voor 2020 en 2050 en (2) als staafdiagrammen van concentraties in de tijd (1950-2050) voor de getotaliseerde onttrekkingshoeveelheid op freatische en semi-spanningslocaties. Verder is voor een aantal pompstations een vergelijking gemaakt van berekende en gemeten doorbraakkrommen. De hierop gebaseerde conclusie is dat de berekende concentraties als een 'worst-case' resultaat kunnen worden gezien. Tenslotte zijn aanbevelingen gedaan voor verdere verbetering van de berekeningsmethodiek in de toekomst.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
Van 18 havenspeciemonsters die in 1997 zijn verzameld in de Rotterdamse havens en in de Nieuwe Waterweg, is het 226Ra-gehalte en de korrelgrootte-verdeling bepaald. Hieruit is afgeleid hoe groot de invloed op het 226Ra-gehalte is van lozingen door de fosfaaterts-verwerkende industrie. Zoals in eerdere meetcampagnes is vastgesteld, is de invloed van de industrie vooral merkbaar in de omgeving van en in de eerste en tweede Petroleumhaven. Verhogingen van het 226Ra-gehalte tot maximaal 211 Bq/kg zijn gemeten ten opzichte van een achtergrond varierend tussen 22 en 46 Bq/kg. Van het geloosde 226Ra blijft naar schatting 13% in de havens achter. De jaarlijks verzamelde monsters lijken de langjarige trend in de lozingen te weerspiegelen.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
In dit rapport wordt een geografisch beeld gegeven van normoverschrijding door nitraat in het bovenste grondwater bij landbouw, bos en heideveld in de zandgebieden onder omstandigheden van een gemiddeld neerslagoverschot. Het beeld is verkregen met behulp van een groot aantal metingen die het RIVM de afgelopen jaren heeft verzameld met diverse monitoringprogramma's , en die statistisch geinterpoleerd worden. Volgens het statistische model wordt de norm voor nitraat overschreden op 77-85% van de oppervlakte landbouw, bos en heideveld. Het statistische nationale beeld, dat is gebaseerd op metingen in de praktijk, is vergeleken met NLOAD, een procesmodel welke is gebaseerd op proefveldonderzoek. NLOAD is o.a. gebruikt voor de Milieubalans en Milieuverkenning. De nitraatconcentraties volgens NLOAD zijn lager dan volgens het statistische model. Volgens het statistische nationale beeld is minstens 94% van het landbouwoppervlak boven de norm. Volgens NLOAD is dit ongeveer 70%. Als mogelijke oorzaken voor de verschillen worden genoemd: 1- verouderde informatie over de grondwaterstand op de bodemkaart; 2- efficienter gebruik van stikstof op proefvelden dan in de praktijk; 3- stikstofgiften zijn te weinig gedetailleerd bekend om te gebruiken als invoer voor NLOAD. De geconstateerde verschillen indiceren dat het oppervlak aan landbouwgrond in de zandgebieden, waar de nitraatnorm in het bovenste grondwater wordt overschreden, in werkelijkheid enkele tientallen procenten hoger is dan gerapporteerd in de Milieuverkenningen.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
In dit rapport zijn Maximaal Toelaatbare Risiconiveaus (MTR's) en Verwaarloosbare Risicioniveaus (VR's) voor chloor-, nitro- en methylgesubstitueerde anilines afgeleid. De keuze van stoffen is vooral gebaseerd op hun voorkomen in het Nederlandse milieu. Anilines zijn de afgelopen tien jaar regelmatig aangetoond in zoete oppervlaktewateren. Er is geprobeerd zo veel mogelijk 'groep MTR's' af te leiden. Dit betekent dat een waarde kan worden toegepast voor een groep van isomeren. Dit is gedaan door de toxiciteitsdata van een groep van isomeren te combineren en vervolgens een extrapolatie-methode toe te passen. Hiervoor is aangenomen dat de isomeren hetzelfde werkingsmechanisme bezitten en dat de effecten additief zijn, in het geval een organisme tegelijkertijd is blootgesteld aan meer dan een isomeer. Een groep-MTR kan worden toegepast op de som van de isomeren binnen een groep waarvoor een MTR is afgeleid. In het geval meerdere isomeren tegelijkertijd zijn aangetoond in water, kan de som van de concentraties worden gerelateerd aan de groep-MTR voor deze groep van stoffen. De MTR's en VR's zijn vergeleken met recent gemeten concentraties van het Rijksinstituut voor Integraal Zoetwaterbeheer en Afvalwaterbehandeling (RIZA) en de Samenwerkende Rijn- en Maaswaterleidingsbedijven (RIWA). Slechts een fractie van de behandelde stoffen wordt regelmatig gemeten dan wel aangetoond. Recent gemeten concentraties in 1995-96 in Nederlandse oppervlaktewateren blijken de in dit rapport afgeleide MTR's niet te overschrijden. Data over gehaltes van anilines in bodem en sediment zijn niet beschikbaar.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
Lozingen door de fosfaatertsverwerkende industrieen van 1 TBq/a van de radionucliden 226Ra, 210Pb en 210Po in de Nieuwe Waterweg veroorzaken een potentiele individuele dosis van ten hoogste 0,53 mSv/a. Circa 96% van deze dosis wordt veroorzaakt door blootstelling aan 222Rn in woningen en 4% door consumptie van visserijproducten. De berekende dosis is een factor 5 lager dan de dosis becijferd in 1992-1993, toen KeW-vergunningen werden aangevraagd. De nieuwe berekeningen zijn gebaseerd op de nieuwste inzichten in de verspreiding en effecten van de betrokken nucliden en op de meest recente beleidsstandpunten over de bescherming van de algemene bevolking tegen ioniserende straling. Vooral wijzigingen in het beeld over de verspreiding van 222Rn in woningen hebben geleid tot een forse bijstelling van de dosisschatting.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
In dit jaarverslag over 1996 zijn de resultaten weergegeven van de metingen van radioactiviteit in milieumonsters uit de atmosfeer uitgevoerd door het Laboratorium voor Stralingsonderzoek (LSO). De analyses zijn uitgevoerd aan monsters luchtstof en depositie genomen op het RIVM-terrein in Bilthoven. Ook zijn mengmonsters melk, gemengd uit melkmonsters afkomstig van vier melkfabrieken verspreid over het land, geanalyseerd. In 1996 zijn de jaargemiddelde totale alfa- en beta-activiteitsconcentraties in luchtstof, bemonsterd met een high volume sampler, 0,0671 +- 0,0009 (SD 0,03) en 0,540 +- 0,003 (SD 0,33) mBq.m-3, waarbij SD de variatie in de wekelijkse resultaten gedurende het jaar representeert. Deze waarden zijn overeenkomstig die van de periode 1992-1995. De gamma-spectrometrische analyses uitgevoerd aan luchtstofmonsters gaven voor de nucliden 7Be, 137Cs en 210Pb de activiteitsconcentraties 3890 +- 50 (SD 1320), 1,60 +- 0,03 (SD 1,2) en 500 +- 10 (SD 390) mBq.m-3. De jaarlijkse totale alfa- en beta-activiteiten in depositie in Bilthoven over 1996 bedroegen 16,4 +- 1,5 en 67 +- 5 Bq.m-2. De jaarlijkse totale activiteit van 3H in depositie was 970 +- 50 Bq.m-2. De totale jaarlijkse deposities van 137Cs, 7Be en 210Pb, verkregen via gamma-spectrometrie, bedroegen 0,55 +- 0,03, 920 +- 20 en 64,9 +- 1,6 Bq.m-2. De 210Pb- en 210Po-resultaten bepaald met alfa-spectroscopie waren 57 +- 3 en 9 +- 2 Bq.m-2. Al de gemeten waarden zijn van dezelfde orde van grootte als de waarden die in de voorafgaande jaren zijn gemeten. De jaargemiddelde activiteitsconcentratie van 137Cs in melk van een landelijk mengmonster is 0,073 +- 0,010 Bq.L-1, hetgeen nagenoeg gelijk is aan het resultaat van vorig jaar. Voor 90Sr is een waarde gemeten beneden de detectielimiet van 0,2 Bq.L-1.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
Volksgezondheid Toekomst Verkenning 1997. De som der delen | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Exchange of ozone between the atmospheric boundary layer and the free troposphere | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Spatial and temporal variability of tropospheric ozone over Europe | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Budget of ozone and precursors over Europe | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Continental ozone issues: monitoring of trace gases, data analysis and modelling of ozone over Europe | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
An overview of tropospheric ozone research | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
The bio-availability of long-lived radionuclides in relation to their physicochemical form in soil systems: final report of RIVM-contribution to contract F13P-CT920035-A22 | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Pathways of radionuclides emitted by non nuclear industries. Objectives for the reporting period | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Biophysical models for the effectiveness of different radiations: final report of RIVM contribution to contract F13P-CT920027-B11 | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
In het kader van een herziening van het 'Groene Boek', Methoden voor het bepalen van mogelijke schade aan mensen en goederen door het vrijkomen van gevaarlijke stoffen' is een literatuurstudie uitgevoerd naar de hoeveelheid verbrandingsproducten die wordt gevormd bij de verbranding van chemicalien en/of bestrijdingsmiddelen. Het betreft de verbrandingsproducten waterstofchloride, chloor, fosgeen, zwaveldioxide, zwavelwaterstof, carbonylsulfide, koolstofdisulfide, fosforpentoxide, fluorwaterstof en broomwaterstof. Dit onderzoek is een uitbreiding van een eerder onderzoek uit 1995 naar de hoeveelheid stikstofoxiden die bij brand in opslagen van chemicalien of bestrijdingsmiddelen wordt gevormd. Van de literatuur die in dit eerdere onderzoek niet is meegenomen, zijn in dit rapport ook de gegevens over stikstofoxiden opgenomen. Uit de onderzochte literatuur blijkt dat de omzetting van de meeste stoffen voornamelijk is bepaald door middel van experimenten op laboratoriumschaal, waarbij enkele grammen stof onder verschillende omstandigheden zijn verbrand. De resultaten zijn niet direct te vertalen naar een brand op werkelijke schaal. Met name de DIN 53 436 methode blijkt geschikt voor het bepalen van omzettingspercentages voor verschillende stoffen. In het Groene Boek [TNO89] zijn de omzettingen bij gloeiend houtskool voor HCl en COCl2 verwisseld ten opzicht van de gegevens in [Sj52]. De omzetting van Cl vindt voornamelijk plaats naar HCl en in veel mindere mate naar Cl2 en COCl2. De omzetting van S vindt vooral plaats naar SO2. De omzetting naar H2S, COS en CS2 wordt in mindere mate gemeten. De omzetting van P naar P2O5 verloopt gemakkelijk. Uit de literatuur die niet is meegenomen in de RIVM-studie uit 1995 blijkt, dat voor veel chemicalien en bestrijdingsmiddelen HCN een belangrijk verbrandingsproduct is. Ook met de toegevoegde gegevens blijft de conclusie uit de RIVM-studie uit 1995 gehandhaafd, dat het maximaal omzettingspercentage naar NOx 35% bedraagt.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
Voor de Milieubalans 1995 en 1996 is het model NLOAD, dat de nitraatuitspoeling van landbouwgrond in een evenwichtssituatie berekent, geactualiseerd en opnieuw beschreven. Enige hoofdpunten uit het onderzoek zijn: conceptuele verbetering van het model, toetsing van het model aan metingen en de toepassing van het model in een GIS-omgeving. Modelconcept: Met het model NLOAD wordt de uitspoeling van nitraat_stikstof berekend als de som van de basisuitspoeling, de bemestingsuitspoeling van werkzame stikstof, de extra uitspoeling van stikstof in dierlijke mest en de uitspoeling van stikstof, die bij het beweiden op grasland terecht komt. De basisuitspoeling in het model is verlaagd, omdat hierin tijdafhankelijke bijdragen door beweiding, atmosferische depositie en mineralisatie van organisch gebonden stikstof in dierlijke mest verwerkt waren. Een van de consequenties is dat nu de atmosferische N_depositie bij de N_kunstmestgift moet worden opgeteld. De fractie werkzame stikstof in dierlijke mest is verhoogd, teneinde beter rekening te houden met de nalevering van stikstof op de lange termijn. Het uitspoelingspercentage van de werkzame N neemt nu bij bouwland progressief toe met de hoeveelheid werkzame stikstof. De urine_N productie van weidend rundvee is afhankelijk gemaakt van het N_bemestingsniveau en de vaste mest wordt beschouwd als in het groeiseizoen uitgereden dierlijke mest. Resultaten en validatie model: NLOAD_MB (versie Milieu Balans) geeft betere resultaten dan NLOAD. NLOAD_MB onderschat de gemeten uitspoeling van proefvelden bij een extreem hoge bemestingsintensiteit. Het model kon worden gevalideerd voor beweid en gemaaid grasland op zandgrond. Voor de overige vormen van grondgebruik en grondsoort is NLOAD_MB niet gevalideerd. De modelresultaten hebben in het algemeen slechts indicatieve betekenis, d.w.z. zijn goed te gebruiken voor kwalitatieve interpretatie (alleen de richting en de orde van grootte). De modelresultaten voor grasland op zandgrond zijn ook goed te gebruiken als kwantitatieve schattingen.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
De Provincie Zuid-Holland heeft sinds 1989 een meetnet grondwaterkwaliteit, met als doel de kwaliteit van het grondwater en de veranderingen hierin te meten. Doelen van deze evaluatie waren: een beeld te schetsen van de grondwaterkwaliteit in de provincie Zuid-Holland, en onderzoeken of er in dit beeld trendmatige wijzigingen zijn opgetreden sinds de inrichting van het meetnet. In de provincie Zuid-Holland vindt veel overschrijding van de streefwaarde voor chloride, kalium, ammonium en fosfaat plaats. De concentraties voor deze stoffen zijn van nature hoog in de provincie, net als in andere laagveengebieden en door de zee beinvloede gebieden in Nederland. Nitraatconcentraties en concentraties van zware metalen zijn in de hele provincie laag. De grondwaterkwaliteit in de provincie Zuid-Holland bleek in de periode 1989 - 1996 nauwelijks te zijn veranderd. Zowel per meetpunt als per homogeen deelgebied was het aantal trends gering. Er zijn geen aanwijzingen gevonden voor trends in het grondwater als gevolg van recente antropogene beinvloeding.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
Dit rapport geeft een overzicht van het humaan-toxicologische beoordelingswerk uitgevoerd bij het Centrum voor Stoffen en Risicobeoordeling in de jaren 1996 en 1997 in het kader van het RIVM-project betreffende interventiewaarden t.b.v. bodemsanering. De methode voor afleiding van het Maximum Toelaatbare Risico (MTR) zoals beschreven in een eerder RIVM-rapport (711701006) werd toegepast voor een set van 12 chemische stoffen (of groepen van stoffen). Binnen het project worden deze stoffen aangeduid als de vierde tranche stoffen (de in de eerdere RIVM-rapporten 725201005 en 715810009) behandelde stoffen vormen de tranches een, twee en drie). Voor sommige van de in het huidige rapport opgenomen stoffen kon geen MTR worden afgeleid wegens het ontbreken van toxicologische gegevens. In veel gevallen konden alleen voorlopige waarden worden afgeleid omdat het beschikbare pakket aan toxicologische gegevens voor de betreffende stoffen incompleet is.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
De handleiding van het CAR-AMvB programma (versie 2.0) beschrijft de werking van het programma voor de berekening van de luchtkwaliteit in stedelijke verkeerssituaties. Het CAR-programma wordt voor de uitvoering van de Besluiten luchtkwaliteit: koolstofmonoxide en lood, stikstofdioxide en benzeen door het RIVM ter beschikking gesteld aan gemeenten. In het kader van deze Beluiten luchtkwaliteit moeten deze gemeenten jaarlijks de overschrijdingen van concentraties rapporteren aan de provincies. De handleiding hoort bij het CAR-AMvB programma dat gebruikt kan worden voor de verplichte rapportage over 1997 en de eventuele rapportages over 1998, 1999 en 2000. Deze versie van het CAR-model kan tevens worden gebruikt voor toekomst berekeningen voor de jaren 2010 en 2020, op basis van emissiefactoren en achtergrondsconcentraties zoals gebruikt in het Global Competition scenario van de Nationale Milieuverkenningen 4.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
Een twee-staps carcinogenese model werd beschouwd om de ontwikkeling van longtumoren veroorzaakt door radon en uraniumertsstof te beschrijven. Een tumor werd verondersteld via twee mutaties te ontstaan, een van een normale cel naar een intermediaire cel, en een van een intermediaire cel naar een kwaadaardige cel. De snelheid van de stappen is afhankelijk van de mate van blootstelling aan radon en uraniumstof. Ook werd er verondersteld dat een intermediaire cel zichzelf vermenigvuldigt naar twee intermediaire cellen met een snelheid die afhankelijk is van de radon en uranium concentraties. Een aantal verschillende biologisch realistische mogelijkheden van deze afhankelijkheden werd beschouwd. Ook werd de link tussen de aanwezigheid van tumoren en het overlijden van een dier onderzocht. Tumoren kunnen als incidenteel, als fataal, of soms als incidenteel en soms als fataal worden behandeld. De invloed van deze mogelijke keuzes is hier onderzocht. Tenslotte werd er een vergelijking gemaakt tussen een veelgebruikte benadering en de exacte oplossing van dit model. Voor de tumorontwikkeling in de onderzochte ratten bleek dat de snelheid van de intermediaire-malignant mutatie onafhankelijk van de radonconcentratie was. Ook bleek dat de groei van de intermediaire cellen groter werd bij grotere radonconcentraties. Tenslotte is gevonden dat verschillende waarden van de modelparameters de data even goed kunnen beschrijven maar verschillende risicoschattingen geven in andere dan de onderzochte stralingsomstandigheden.
Jaar: 1998
Onderzoek
Documenten: 1
Common C-to-T substitution at position -480 of the hepatic lipase promoter associated with a lowered lipase activity in coronary artery disease patients | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Samenwerking GGD, RIVM en CBS in epidemiologisch onderzoek | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Telemetrie bij de rat, een eerste impressie van zenderimplantatie en postoperatieve periode | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Epidemische gastro-enteritis. Diagnostiek en preventie van HECV | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
De Nederlandse volksgezondheid in internationaal perspectief | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Gezonde en ongezonde levensverwachting | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Meer of minder geluidhinder? | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Effecten van preventiestrategieen voor gonorroe en infecties met Chlamydia trachomatis | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Mapping of rat chromosome 5 markers generated from chromosome-sorted DNA | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Lichaamsgewicht | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Different demographic and sexual correlates for chlamydial infection and gonorrhoea in Rotterdam | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Milieu- en gezondheidsrisico's in kaart gebracht | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Wegingsfactoren voor ziekte | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Serum cholesterol | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Glucosetolerantie | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Chemische factoren | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Assignment of hexokinase types 1,2,3 (Hk1,2,3) and glucokinase (Gck) to rat chromosome band 20q11, 4q34, 17q12 and 14q21 respectively, by in situ hybridization | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Volksgezondheid Toekomst Verkenning 1997. Deel VII: Gezondheid en zorg in de toekomst | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Sociale relaties | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Effecten van cholesterolverlaging | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Lichamelijke beperkingen en handicaps | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Relaxation of vascular smooth muscle and stimulation of cyclic GMP production ty tetrahydrobiopterin but not biopterin. | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Cough scare [Letter to the editor] | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Rode hond vaccinatie en congenitaal rubella syndroom | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Samengestelde volksgezondheidsmaten: concepten en uitwerkingen | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Dikke darm- en endeldarmkanker | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Homocysteine, een mogelijk gunstig effect van foliumzuur? | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Influenza | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Huidkanker en ozonaantasting: indicaties van het mogelijke succes van het CFK-beleid | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Fysieke omgeving | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
A molecular epidemiological approach to studying the transmission of tuberculosis in Amsterdam | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
(Medisch)-technologische ontwikkelingen | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Proces-georienteerde modellen: een korte schets | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Parasitologie in Nederland weer in de lift | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Psychische problematiek | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Geografische gezondheidsverschillen | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Maagkanker | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Physical activity and cardiovascular disease risk among elderly men. The Zutphen Elderly Study 1985-1995 | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Economische en sociaal-culturele ontwikkelingen | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Ongewenste effecten van geneesmiddelen | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Aanwezigheid van ziekten en aandoeningen | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Infectieziekten van het maagdarmkanaal | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Sterfte, levensverwachting en verloren levensjaren | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Een eerste berekening van de ziektelast in Nederland voor de in VTV-1997 geselecteerde aandoeningen | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
GIS en volksgezondheid: een gezonde ontwikkeling | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Biotische factoren | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
The effect of greenhouse emissions on the ozone layer | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Antibioticagebruik en het optreden van resistentie | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Vaccinatie | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Incidentie en prevalentie | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Sepsis | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Bloeddruk | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Scenario's voor de sterfte aan longkanker en coronaire hartziekten | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Morphological variation in Plantago lanceolata L.: effects of light quality and growth regulators on sun and shade populations | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
The role of arthropods in transfer and transformation of cadmium in forest soil | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Evaluation of a poliovirus-binding inhibition-assay as an alternative for neutralization assays | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Poliomyelitis vaccinatie in Nederland | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Kosten van ziekten binnen de gezondheidszorg | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Roken | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
DNA fingerprinting voor het traceren van de transmissie van tuberculose | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Ervaren gezondheid | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Evaluation of information management in The Netherlands during the early phase of an accident | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Risico's van radon en roken: enige beschouwingen vanuit mechanistisch perspectief | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Mapping of rat chromosome 2 markers generated from chromosome-sorted DNA | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
De toekomst van modellering van volksgezondheidsvraagstukken | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Straling | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Beroerte | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Toekomstige trends in incidentie en prevalentie van aandoeningen | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Homocysteine, atherosclerosis and prevalent cardiovascular disease in the elderly: The Rotterdam study | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Zorgbehoefte vanuit het professionele perspectief | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Reizen en importziekten | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Acuut hartinfarct | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Werkzaamheid en doeltreffendheid van gezondheidsvoorlichting bij roken, lichamelijke activiteit en stresshantering | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Effectiviteit van influenza vaccinatie | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Narrow hips and broad waist circumferences independently contribute to increased risk of non-insulin-dependent diabetes mellitus | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Competition of plasmid-bearing Pseudomonas putida strains catabolizing naphthalene via various pathways in chemostat culture | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Seksueel Overdraagbare Aandoeningen (SOA) | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Volksgezondheid Toekomst Verkenning 1997. Deel I: De gezondheidstoestand: een actualisering | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Effecten van foliumzuursuppletie | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Variation in growth form in relation to spectral light quality (red/far-red ratio) in Plantago lanceolata L. in sun and shade populations | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
The effect of the conversion of nitrogen oxides in aircraft exhaust plumes in global models | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Ozone and ozone precursors over Europe | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Effects of photochemical air pollution and allergen exposure on upper respiratory tract inflammation in asthmatics | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Coronaire hartziekten | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Human B- and T-cell responses after immunization with a hexavalent porA meningococcal outer membrane vesicle vaccine | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
OECD - harmonization of classification and labelling systems: germ cell mutagenicity | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Hoge-snelheidstrein dure milieu-investering | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
AIDS en HIV-infecties | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Effecten van maternale serumscreening | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Volksgezondheid Toekomst Verkenning 1997. Deel II: Gezondheidsverschillen | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Artrose van de heup en knie | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Alcoholgebruik | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Tropospheric ozone research (TOR). A sub-project of EUROTRAC | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
De gezondheidswinst van maatregelen ter bestrijding van het roken | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Land Use and Cover Change (LUCC). Open science meeting proceedings | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Ziekenhuisinfecties | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Suikerziekte | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Demografische prognoses en mobiliteit van personen | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Transmission between HIV-infected patients of multidrug-resistant tuberculosis caused by Mycobacterium bovis | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Volksgezondheid Toekomst Verkenning 1997. Deel IV: Effecten van preventie | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Volksgezondheid Toekomst Verkenning 1997. Deel VI: Zorgebhoefte en zorggebruik | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Dietary fat intake and the risk of incident dementia in the Rotterdam study | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Growth yield coefficients of Sphingomonas sp. strain P5 on various chlorophenols in chemostat culture | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Mapping urban air pollution using GIS: a regression-based approach | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Reconstructie en predictie van de HIV/AIDS-epidemie in de Europese Unie | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
De kwaliteit van het grondwater in Nederland | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Langdurige oestrogeensuppletie na de overgang | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Volksgezondheid Toekomst Verkenning 1997. Deel III: Gezondheid en levensverwachting gewogen | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
A global high-resolution emission inventory for ammonia | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Reproducibility of fat area measurements in young, non-obese subjects by computerized analysis of magnetic resonance images | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Voeding | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
A lack of radiation-induced ornithine decarboxylase activity prevents enhanced reactivation of herpes simplex virus and is linked to non-cancer proneness in xeroderma pigmentosum patients | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Lichamelijke (in)activiteit | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Uptake of polonium-210 by mussels from effluents emitted by different phosphorus plants | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Volksgezondheid Toekomst Verkenning 1997. Deel V: Effecten van zorg | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Genetyping in relation to pharmacokinetics and pharmacodynamics | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
A historical data base for global change models | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
The effect of ozone exposure on the release of eicosanoids in guinea-pig BAL fluid in relation to cellular damage and inflammation | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Risk assessment and immunotoxicity | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Practice of tiered testing for immunosuppression in rodents | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Influenza A(H5N1): stand van zaken | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Molecular tools in support of the global polio eradication campaign | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Immunotoxicology: extrapolation from animal to man. Estimation of the immunotoxicologic risk associated with TBTO exposure. | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Effects of labour and medication on major lymphocyte subsets in cord blood | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek
Impaired cellular immune response in rats exposed perinatally to Baltic Sea herring oil of 2,3,7,8-TCDD | RIVM
Jaar: 1998
Onderzoek