Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu
Een gezond grotestedenbeleid? | RIVM
Jaar: 2003
Documenten: 1
In dit rapport wordt verslag gedaan van een screening op de gezondheidsrelevantie van de meerjarenontwikkelingsprogramma's van vier gemeenten: Leiden, Groningen, Utrecht en Den Haag. Doel van de screening is aanknopingspunten te vinden om het aspect gezondheid een duidelijkere plaats te geven in de meerjarenontwikkelingsprogramma's van het Grotestedenbeleid. De screening is verricht door Okapi, een adviesbureau beleid en organisatie. Uit de analyse blijkt dat er weinig tot geen relatie wordt gelegd tussen het Grotestedenbeleid van gemeenten en hun lokaal volksgezondheidsbeleid. Veel beleidsmaatregelen in de meerjarenontwikkelingsprogramma's blijken gezondheidsrelevant te zijn, maar die gezondheidsrelevantie wordt niet benoemd, niet nagestreefd en niet gemeten. In de sociale pijler wordt voor een aantal beleidsvoornemens wel een relatie gelegd met gezondheid, maar juist ook bij de fysieke en economische pijler is veel gezondheidswinst te behalen. Het grootste deel van de beleidsmaatregelen kunnen de gezondheid bevorderen. In een aantal gevallen is er ook sprake van potentieel gezondheidsschadende maatregelen. Zo kan het versterken van de economische concurrentiepositie van de steden een negatief gezondheidseffect hebben via de determinanten werkdruk, milieu, verkeersveiligheid, informele zorg, vrije tijd, sociale contacten en zorgzaamheid. En bij herstructurering van wijken moet ervoor worden gewaakt dat huizen niet te duur worden voor mensen met een sociaal-economische achterstand. Zij worden anders gedwongen te verhuizen naar een minder aantrekkelijke wijk. In het rapport worden ook kansen voor gezondheid in het GSB genoemd. Zo kan het benoemen en verbeteren van de samenwerking tussen uitkeringsinstellingen voor sociale zekerheid en gezondheidsinstellingen de arbeidsparticipatie wellicht bevorderen. Voor uitkeringsinstellingen is het van belang dat ze weten dat een hoog percentage van hun clienten een of meer lichamelijke problemen heeft, dat ze de aard van die problemen kennen en de relatie ervan met mogelijkheden en onmogelijkheden van het werk dat ze kunnen doen. Zelfstandige zorgaanbieders, zoals huisartsen, verloskundigen en tandartsen kunnen in het komende GSB-beleid worden behandeld als vrije ondernemers, zodat ze kunnen profiteren van de maatregelen voor huisvesting van startende ondernemers. Dit kan het (dreigende) tekort aan deze zorgaanbieders in de steden mee helpen voorkomen. De ministeries van VWS en BZK zouden gezondheidsbevordering van met name mensen met een lage sociaal-economische status als expliciet doel in het GSB moeten opnemen. Als de gezondheidsrelevantie van maatregelen in de mop's wordt benoemd en nagestreefd, kunnen positieve gezondheidseffecten sterker worden, met name door een betere timing, een duidelijkere keuze voor doelgroepen met gezondheidsrisico's en door afstemming met activiteiten in de openbare gezondheidszorg. Gezondheid als doel opnemen, betekent dat men gezondheidseffecten ook moet kunnen meten. Het ministerie van VWS moet aangeven welke indicatoren voor gezondheid moeten worden opgenomen in de GSB-monitor. Ook kunnen zowel het ministerie van VWS als de gemeenten een duidelijkere relatie leggen tussen het GSB en de nota's volksgezondheid, bijvoorbeeld door het opnemen van het onderwerp in de nieuwe Preventienota en de lokale nota's volksgezondheidsbeleid. Het is belangrijk dat het ministerie van VWS en de steden prioriteiten stellen. Veel gezondheidswinst is ons inziens te behalen door het tegengaan van de mogelijk negatieve invloed van het versterken van de economische concurrentiepositie op de sociale samenhang, het verbeteren van de aansluiting van onderwijs op de arbeidsmarkt en het verbeteren van de woonomgeving in achterstandswijken.
Bron:
rivm.nl
Documenten (1)
-
rivm.nl71 pagina's, pdf Tekst