Werken aan duidelijke, eenvoudige en snelle procedures. De vrijgifte van klinisch proefmateriaal in het Besluit Immunologische Farmaceutische Producten | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Emerging viral zoonoses | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Undertreatment of hypercholesterolamia: a population-based study | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
De detectie van radioactief schroot met poortdetectoren | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Towards a UV-climatology of Europe | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Environmental risk assessment scheme for plant protection products. Chapter 11: Terrestrial vertebrates | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Antibiotica and resistentie | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Authors' reply (reference 2) to 'Criteria for identification of cross-contamination of cultures of Mycobacterium tuberculosis in routine microbiology laboratories' | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Validatie van de ninhydrine swab test voor het controleren van de reinheid van medische instrumenten | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Is the Current Definition for Diabetes Relevant to Mortality Risk From All Causes and Cardiovascular and Noncardiovascular Diseases? | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
De blootstelling van de Nederlandse bevolking aan cadmium, lood en kwik via voeding is geschat met behulp van concentraties gemeten in 1999-2002 en met de consumptiegegevens van de derde Voedsel Consumptie Peiling. De blootstelling is berekend met het MCRA (Monte Carlo Risico Analyse) programma van het RIKILT (ontwikkeld door Biometris, Universiteit Wageningen). De mediane lange-termijn inname van cadmium via de voeding van de Nederlandse bevolking wordt geschat op 0,14 ug/kg lg/dag. Voor kinderen in de leeftijd van 1 tot met 6 jaar is de geschatte inname 0,32 ug/kg lg/dag. Het 97,5e percentiel van de inname van de gehele bevolking wordt geschat op 0,32 ug/kg lg/dag. Dit komt overeen met 64 % van de toelaatbare dagelijkse inname (TDI) voor de orale blootstelling aan cadmium (0,5 ug/kg lg/dag). De TDI wordt wel overschreden door ongeveer 2,5 % van Nederlandse kinderen in de leeftijd van 1 tot met 6 jaar.De geschatte mediane lange-termijn inname van lood via voeding door de Nederlandse bevolking is 0,05 ug/kg lg/dag en door kinderen in de leeftijd van 1 tot met 6 jaar 0,10 ug/kg lg/dag. De 95e percentielen van de geschatte inname zijn laag ten opzichte van de TDI (3,6 ug/kg lg/dag). De geschatte mediane lange-termijn inname van kwik via voeding door de gehele bevolking en door kinderen in de leeftijd van 1 tot met 6 jaar op basis van de beschikbare data is 9 ng/kg lg/dag, respectievelijk 33 ng/kg lg/dag. De TDI voor orale blootstelling aan organisch kwik van 0,1 ug/kg lg/dag en voor inorganisch kwik van 2 ug/kg lg/dag worden niet overschreden door de 95e percentielen van de geschatte innames.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Epidemiological impact and cost-effectiveness of universal infant vaccination with a 7-valent conjugated pneumococcal vaccine in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
The long way from the International Classification of Impairments, Disabilities and Handicaps (IIDH) to the International Classification of Functioning, Disability and Health (ICF) | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Projets du programme Europeen: propositions d'indicateurs | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
De spanning stijgt .. | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Side effects of categorized environmental measures and their implications for impact analysis | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Een verziekt zorgstelsel | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Fuzzy modeling of cyanobacterial surface waterblooms: validation with NOAA-AVHRR satellite images | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Transgenic and knockout mice for DNA repair functions in carcinogenesis and mutagenesis | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
De PREZIES-module Lijnsepsis: ervaringen uit twee ziekenhuizen | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Consument en gegevensbronnen | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Site-specific manifestations of invasive group a streptococcal disease: type distribution and corresponding patterns of virulence determinants | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
The International Classification of Functioning, Disability and Health (ICF): revision, content and use | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Consument en gezondheidsprofielen | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Dit rapport beschrijft de resultaten van een in 2000 uitgevoerd bewakingsonderzoek. Zeventig dieren werden onderzocht op de aanwezigheid van anabolica en beta-agonisten. In twee gevallen werd een stof aangetoond. Een geval betrof de groeibevorderende stof stanozolol, een andere betrof het geregistreerde geneesmiddel Isoxsuprine.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Verslag van de 51e bijeenkomst van UNSCEAR | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Molecular epidemiology of human caliciviruses | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Horizontal transfer of segments of the 16S rRNA genes between species of the Streptococcus anginosus group | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Report of the IFSTP Professional Standards Subcommittee (PSSC) | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Risico op ziekenhuisinfecties gehalveerd door surveillance | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Long-term exposure to silicone breast implants does not induce antipolymer antibodies | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Choice and validation of a near infrared spectroscopic application for the identity control of starting materials. practical experience with the EU draft Note for Guidance on the use of near infrared spectroscopy by the pharmaceutical industry and the dat | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Determination of nicotine and cotinine in rat plasma by liquid chromatography-tandem mass spectrometry | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Reference values for the SERION classic ELISA for detecting Legionella pneumophila antibodies | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
I-risk: development of an integrated technical and management risk methodology for chemical installations | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Application of spoligotyping to noncultured Mycobacterium tuberculosis bacteria requires an optimized approach [Letter to the editor] | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Sante en soins de sante aus Pays-Bas: definition de politique a partir d'une perspective internationale | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Physicochemical and immunochemical techniques predict the quality of diphtheria toxoid vaccines | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Pollution-induced community tolerance as an ecological risk assessment tool for diffuse heavy metal contaminated areas | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
De gemiddelde inname van een aantal gebromeerde vlamvertragers via de voeding door de Nederlandse bevolking is geschat op basis van metingen van het Rijks Instituut voor Visserij Onderzoek (RIVO) en gegevens van de derde Voedsel Consumptie Peiling (VCP). Van de volgende gebromeerde vlamvertragers is een inname geschat: de polybroomdifenylether (PBDE) congeneren BDE #28, #47, #99, #100, #153 en #154, tetrabroombisfenyl-A (TBBP-A) en hexabroomcyclododecaan (HBCD). Polybroombifenylen en de PBDE congeneren BDE #71, #77, #190 en #209 konden door het RIVO niet gedetecteerd worden in voedingsmiddelen. Doordat er slechts een beperkt aantal monsters is gemeten en bovendien de concentraties in de monsters in veel gevallen niet hoger waren dan de detectielimiet kan met de huidige data slechts een grove innameschatting worden gedaan. Er zijn twee scenario's gehanteerd bij de innameberekeningen. De berekende gemiddelde inname van het "middelste" scenario (non-detects krijgen de waarde van de halve detectielimiet) en het "ondergrens"scenario (non-detects op nul gesteld; de resultaten worden tussen haakjes weergegeven), zijn 3,2-3,5 (0,2) ng/kg lg/dag voor de som van PBDEs, 0,04 (0,04) ng/kg lg/dag voor TBBP-A en 2,9 (1,5) ng/kg lg/dag voor HBCD. De verschillen tussen de resultaten van de twee innamescenario's zijn voor de meeste vlamvertragers groot. Ook zijn de procentuele bijdragen van de verschillende voedselgroepen aan de totale inname van gebromeerde vlamvertragers voor de twee scenario's vaak sterk verschillend. De toegekende waarden aan de non-detects hebben blijkbaar een grote invloed op het eindresultaat. Hieruit kan geconcludeerd worden dat gevoeligere analysetechnieken nodig zijn om een nauwkeuriger innameberekening van gebromeerde vlamvertragers via voeding door de Nederlandse bevolking te kunnen uitvoeren. Tevens zou een groter aantal monsters per voedselgroep moeten worden geanalyseerd om de verdeling binnen de populatie te kunnen berekenen.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Onderzoek aan milieuproblemen levert een grote varieteit aan meetreeksen. Bij analyse van deze gegevens komen onder andere de volgende vragen naar voren: 1) is er sprake van een trend in de data en is de stijging of daling statistisch significant, (2) zijn er cyclische signalen aanwezig en hoe zien die er uit, (3) wat is de invloed van externe variabelen op de metingen, en (4) hoe kunnen we voorspellingen genereren met onzekerheden? In dit rapport wordt de beschrijving gegeven van een generieke statistische techniek waarmee antwoord kan worden gegeven op deze vragen. De methode is gebaseerd op Structurele Tijdreeksmodellen en het Kalmanfilter. Het bijbehorende softwarepakket heet TrendSpotter, en is recentelijk beschikbaar gekomen voor toepassing op PC's. TrendSpotter werd aanvankelijk ontwikkeld bij KEMA onder de naam KALFIMAC voor de analyse van milieu-meetreeksen. Het pakket is door RIVM aangekocht in 1996, en momenteel met toestemming van KEMA verbeterd en aangepast aan de RIVM-praktijk (implementatie op PC en gebruik van S-PLUS). De methode heeft een aantal unieke kenmerken met hoge relevantie voor milieu-onderzoek. We noemen drie van zulke kenmerken:het schatten van trends met 5en of meer buigpunten in de tijd, waarbij steeds alle onzekerheidsinformatie beschikbaar is;het schatten van een cyclus waarbij de vorm van deze cylus in de tijd mag evolueren;het schatten van weegfactoren voor verklarende variabelen waarbij deze weegfactoren in de tijd mogen veranderen.Een tweetal toepassingen uit de praktijk van het MilieuNatuurPlanbureau (MNP) van het RIVM worden gegeven. De toepassingen zijn (A) het detecteren van klimaatveranderin-gen als gevolg van het broeikaseffect, en (B) het schatten van meteo-correcties voor luchtverontreinigende componenten.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Tot 1995 werden alle desinfectantia op de Nederlandse markt geregistreerd onder de Bestrijdingsmiddelenwet. Met de introductie van het Besluit medische hulpmiddelen worden desinfectantia die specifiek bedoeld zijn voor de desinfectie van medische hulpmiddelen geclassificeerd als medische hulpmiddelen. Conform de bepalingen in het Besluit worden deze door de fabrikant voorzien van het CE merk en kunnen vrij in de Europese gemeenschap verhandeld worden zonder aanvullende nationale toelatingen. De gebruikers van desinfectantia vrezen dat zonder de strikte eisen uit de Bestrijdingsmiddelenwet de fabrikanten eigenschappen aan hun producten toekennen die ze niet volledig kunnen onderbouwen. Om na te gaan of deze vrees terecht is zijn etiketten en gebruikhandleidingen ge6valueerd en is nagegaan of het CE merk terecht is aangebracht. Van de 85 onderzochte producten is op 35 producten (41%) het CE merk ten onrechte aangebracht. Dit is veelal terug te leiden naar de 'ruime' interpretatie die door de fabrikanten en de aangemelde instanties aan het begrip medisch hulpmiddel wordt gegeven. De gebruikers moeten op basis van de informatie op het etiket beoordelen of het product geschikt is voor de gewenste toepassing. De informatie op het etiket bleek over het algemeen onvoldoende om een verantwoorde keus te kunnen maken. Voor het veilig gebruik van een desinfectans moet concrete informatie over de concentratie, inwerktijd, de (minimale) temperatuur, het microbiologisch spectrum waartegen het middel werkzaam is en de beoogde toepassing op de verpakking vermeld worden. Een standaard voor de informatie op het etiket van desinfectantia is dan ook gewenst.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
In dit project is een testmodel ontworpen en toegepast voor de identificatie van hormoonactieve stoffen in het aquatisch milieu. In het laboratorium zijn zebravissen gedurende de reproductie en ontwikkelingsfase blootgesteld aan een reeks bekende hormoonactieve stoffen, te weten een oestrogeen (17 beta-oestradiol) , een anti-oestrogen (tamoxifen), androgeen (methyldihydro-testosteron), anti-androgeen (flutamide), een schildklierremmer (propylthiouracil); tenslotte is een veldmonster getest in het kader van het landelijk onderzoek oestrogene stoffen (LOES). Onderzocht zijn parameters voor eiproductie, vruchtbaarheid en ontwikkeling van het eieren en nageslacht. Daarnaast is het plasmaeiwit vitellogenine bepaald, dat een maat is oestrogene activiteit. Hiervoor zijn (immuno)histochemische bepalingsmethoden ontwikkeld als alternatief voor de klassieke ELISA. Voorts zijn dieren histopathologisch onderzocht op afwijkingen in (ontwikkeling van) geslachtsorganen en endocriene organen. Uit de resultaten blijkt dat met het testsysteem binnen een betrekkelijk korte blootstellingsperiode (9 weken) inzicht verkregen kan worden in effecten van hormoonverstoring op het niveau van reproductie en ontwikkeling, waarbij met name het histopathologisch onderzoek een cruciale rol speelt, zowel betreffende gevoeligheid als specificiteit voor alle geteste referentiestoffen. Verstoring in de geslachtsverhouding blijkt het meest gevoelige voor de voortplanting relevante effect te zijn. De histopathologische bevindingen staan in de vorm van een educatieve atlas op Internet ( http://www.rivm.nl/fishtoxpat/ ).
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
In dit rapport wordt beschreven wat ecologische kwaliteit van bodem is, en op welke wijze deze gekwantificeerd kan worden. In bodem vinden een groot aantal processen plaats, die van belang zijn voor de mens (nutsfuncties), omdat ze bijdragen aan bijvoorbeeld de voedselvoorziening, het type en de kwaliteit van de natuur en de levering van schoon grondwater (voor de productie van drinkwater). Bodemorganismen spelen een belangrijke rol in die processen. Bij een duurzaam gebruik van de bodem is het van belang, om de bodemorganismen zodanig te gebruiken en te beheren, dat deze processen ook voor de toekomst gewaarborgd zijn. Hierbij moet ook de mogelijkheid beschikbaar blijven om het bodemgebruik te veranderen. Ter onderbouwing van het duurzaamheidsbeleid van de bodem wordt gewerkt aan de ontwikkeling van een bodembiologische indicator (BoBI) voor gebruik op nationale schaal. Daarvoor worden ecologische gegevens over de soortdiversiteit, het aantal organismen per soort en de activiteit van de organismen verzameld. Ten behoeve van het beleid moet een karakteriseringsysteem van de bodem worden ontwikkeld in de termen van 'goed' en 'slecht'. In dit rapport worden twee benaderingen beschreven om tot dergelijke kwaliteitscriteria te komen op basis van de tot dusver verzamelde data. 1) De mechanistische of functionele methode. Hierbij wordt nagegaan welke combinatie van nutsfuncties op een bepaalde plek gewenst is en vervolgens wordt de samenstelling van het daarbij behorende 'goede' bodemecosysteem beschreven met behulp van statistische interpretatie van de verzamelde bodemecologische data. 2) De statistische methode. Bij deze methode wordt voor een bepaalde combinatie van grondsoort en bodemgebruik bodemecologische data van een groep van geografische referenties verzameld en op basis daarvan wordt dan aangegeven wat de optimale samenstelling van het bodemecosysteem type is. Bij de toepassing van de indicator zou dan, in beide benaderingen, moeten worden aangegeven, in hoeverre de huidige kwaliteit voldoet aan de criteria van de gewenste kwaliteit. Vanwege de complexiteit van de materie wordt voorgesteld beide benaderingen onafhankelijk van elkaar te ontwikkelen volgens het principe van multiple lines of evidence. Idealiter zullen beide benaderingen uiteindelijk tot een overeenkomend resultaat leiden. Tenslotte wordt een verdere ontwikkeling van de indicator voor toepassing op internationale en lokale schaal besproken.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Dit rapport geeft een samenvatting van de presentaties en de discussie van een RIVM-workshop met de titel 'Acute blootstelling en chronische effecten'. Eenmalige blootstelling aan chemische stoffen kan in potentie chronische gezondheidsklachten induceren (bijv. ontwikkelingstoxiciteit, carcinogeniteit, immunotoxiciteit, allergie). Echter, wanneer de (vermeende) blootstelling aan chemische stoffen plaatsvindt tijdens een incident of ramp, kunnen er ook z.g. lichamelijk onverklaarde klachten ontstaan (bijv. hoofdpijn, geheugenproblemen, neus-, keel-, luchtwegklachten, vermoeidheid etc). Het doel van deze interne RIVM-workshop is om initiatieven en activiteiten op het gebied van chronische effecten en/of lichamelijk onverklaarbare klachten bij eenmalige blootstelling in kaart te brengen.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Het zorgstelsel is altijd solidair | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Verblind door de zon. Arme Nefarma publiceert teleurstellend rapport | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Biodegradation and general aspects of bioavailability | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Door vaccinatiecampagne minder meningokokken C | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Verandering leefstijl levert belangrijke bijdrage. Behandeling van obesitas | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Kans op monkeypox door de import van prairiehonden | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Aristolochiaceae | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Vossen in Zuid-Limburg besmet met vossenlintworm | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Aizoaceae | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Can HIV epidemics among IDUs 'trigger' a generalised epidemic? | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Defining uncertainty. A conceptual basis for uncertainty management in model-based decision support | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Toename gediagnosticeerde SOA zet door | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Metabolic risk markers in an overweight and normal weight population with oversampling of carriers of the IRS-1 972Arg-variant | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Issues of replicability in Monte Carlo modeling: a case study with a pesticide leaching model | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Tuberculose bij drugsverslaafden en dak- en thuislozen in Rotterdam | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Vigorous but short-term gamma interferon T-cell responses against a dominant HLA-A*02-restricted measles virus epitope in patients with measles | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Aangifte van Hepatitis B in 2002. Aandeel mannen vertoont een stijging | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Bordetella pertussis protein pertactin induces type-specific antibodies: one possible explanation for the emergence of antigenic variants? | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Is een verbetering van de metaalnormen voor de waterbodems mogelijk? | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
NETHMAP geeft inzicht in antibioticagebruik en -resistentie | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Nosocomial Mycobacterium bovis-Bacille Calmette-Guerin infections due to contamination of chemotherapeutics: case finding and route of transmission | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Het voorkomen van MRSA bij verpleeghuispatienten | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Surveillance maakt probleem van antibioticaresistentie inzichtelijk | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
De naoorlogse geschiedenis van cholera in Nederland | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Viral gastroenteritis outbreaks in Europe, 1995-2000 | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Tuberculose loopt aardig in de papieren | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Biobeschikbaarheid: (hoe) kun je dat gebruiken in normstelling en risicobeoordeling? | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
SSD - wat kun je ermee? Ecologische risico's in de bodem hanteerbaar maken | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Infectieziekten kosten toch weinig | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Observational and simulated evidence of ecological shifts within the soil nematode community of agroecosystems under conventional and organic farming | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Plasma concentrations of fatty acids in nine European countries: cross-sectional study within the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition (EPIC) | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Long distance nitrogen air pollution effects on lichens in Europe | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Skin infections in renal transplant recipients and the relation with solar ultraviolet radiation | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Woontechnologie: vloek of zegen? | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Comparison between different traffic-related particle indicators: elemental, carbon (EC), PM2.4 mass, and absorbance | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Bodemkwaliteit mee aan het stuur in ordening en beheer van landgebruik | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Aangiftesysteem voor HCV moet beter. Surveillance van hepatitis C in Nederland, 1992-2002 | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Cryptosporidium na een bezoek aan de kinderboerderij | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
De naoorlogse geschiedenis van meningokokkenziekte in Nederland | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
De resultaten van 20 jaar metingen gamma-HCH in neerslag in Nederland worden gepresenteerd. Analyse van de data toont aan dat er sprake is van een systematisch seizoensgedrag met verhoogde niveaus van gamma-HCH in neerslag in de periode van april tot en met juni. Er zijn aanwijzingen gevonden voor een statistisch significante verandering in de concentraties in de afgelopen 20 jaar. De meetresultaten van de afgelopen drie jaar (1999-2001) laten een duidelijke dalende trend zien. Dit suggereert een afname in de lindaan emissies. Een evaluatie van meetresultaten uit noordwest Europa bevestigt de grootschalige verspreiding van gamma-HCH in neerslag in noordwest Europa. Op basis van de grote onzekerheden in emissieschattingen en in het modelleren van het atmosferisch transport en depositie wordt geconcludeerd dat metingen een beter instrument zijn om veranderingen in de milieukwaliteit en in de emissies te monitoren.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
In 2002 ging bij een schrootbedrijf het alarm af toen naast autoschroot enig radioactief keramisch materiaal door de detector werd gereden. Gedurende een groot aantal jaren is het keramische afval toegepast als verharding voor wegen en erven in de omgeving van Almelo, zo ook bij de autosloper. In het keramische materiaal is zirkoonzand verwerkt. Dit materiaal bevat van nature verhoogde concentraties van radionucliden. Het gebruik van het afval als verharding kan dan ook leiden tot een blootstelling van de persoon die zich daarop bevindt. Bij de autosloper zijn dosistempi gemeten tot tienmaal de natuurlijke achtergrond. Uit nader onderzoek van het keramische afval, is vastgesteld dat het zich deels boven de zogenaamde meldingsplichtige grens bevindt. Uit dit onderzoek is tevens naar voren gekomen dat radon en daaruit ontstane vervalproducten vrijwel niet uit het keramische afval vrijkomen. Uit enkele berekeningen is een maximale effectieve jaardosis geschat van ongeveer 1 mSv, voornamelijk door externe straling bij langdurige blootstelling op bijvoorbeeld een groot bedrijfsterrein. Op kleinere toegankelijke terreinen zoals erven kunnen ook kinderen worden blootgesteld. Dan speelt mogelijk ook ingestie een rol. Voor deze route is een effectieve jaardosis van 0,12 mSv berekend. Voor volwassenen speelt deze blootstellingsroute geen belangrijke rol. Inhalatie blijkt voor zowel volwassenen als kinderen een minder belangrijke rol te spelen.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
De gebiedenatlas bevat ruim honderd kaarten en meer dan 150 achterliggende digitale bestanden die betrekking hebben op vormen van beleid die van belang zijn voor het gebiedsgericht beleid. Het betreft hier zowel provinciale als nationale beleidscategorieen. Alle beleidscategorieen zijn, in deze rapportage, landsdekkend op een kaart weergegeven. De bijbehorende meta-informatie en de achterliggende digitale datasets is op een CD-ROM opgenomen. Op de door de bronhouders beschikbaar gestelde gegevens zijn een aantal analyses uitgevoerd. Zo is voor alle provinciale beleidscategorieen aangegeven wat het oppervlak is van de betreffende categorie en in hoeverre de verschillende vormen van provinciaal beleid overlappen. Ter illustratie is ook een stapelkaart opgenomen waarop alle vormen van provinciaal beleid zijn opgeteld om inzichtelijk te maken in hoeverre de verschillende vormen van beleid ruimtelijk overlappen.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Per 1 augustus 2003 zijn er in totaal 8.496 personen met HIV in Nederland geregistreerd (78% mannen en 22% vrouwen). De homo- en biseksuele mannen met HIV vormen de grootste groep in de HIV-registratie (51%), gevolgd door heteroseksueel geinfecteerden (27%). In de tijd is er een duidelijke toename te zien van deze laatste groep, van 3% in 1985 tot 38% in 2002. Het aandeel van personen uit HIV-endemische gebieden, met name uit sub-Sahara Afrika, neemt eveneens in de tijd toe, vooral bij de vrouwen.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Dit rapport beschrijft het beleidsondersteunende model FAIR 2.0 (Framework to Assess International Regimes for differentiation of commitments). FAIR is een interactief computer model voor het (kwantitatief) evalueren van de milieueffectiviteit en economische kosten van verschillende regimes voor internationale lastenverdeling voor het klimaatbeleid, in overeenstemming met doelstellingen voor bescherming van het klimaat, geformuleerd in Artikel 2 van het internationale Klimaatverdrag UNFCCC, de stabilisatie van de concentraties van broeikasgassen op een 'veilig' niveau. Het FAIR 2.0 model bevat drie deelmodellen: 1. Een klimaat model voor de evaluatie van de klimaateffecten van een mondiale emissieplafond en de berekening van de regionale bijdrage aan klimaatsveranderingen. 2. Een emissieallocatie model voor het verkennen en evalueren van de herverdeling van toegestane emissieruimte tussen de landen voor verschillende benaderingen voor internationale lastenverdeling-regimes. 3. Een kosten en emissie-handel model voor de berekening van de verdeling van de emissiereducties over de verschillende regio's, gassen en bronnen na de toepassingen van de Kyoto Mechanismen (bijvoorbeeld emissiehandel). Hierbij wordt gebruik gemaakt van een kosteneffectieve methode op basis van geaggregeerde vraag en aanbod curven, welke zijn afgeleid van deze marginale kosten curven. Dit model berekent ook de wereldwijde prijs op de internationale emissiemarkt, de kopers en verkopers op de markt, de marginale en totale kosten en de voordelen van emissiehandel.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Deze studie verkent de technische, economische en milieu implicaties van verschillende zogenaamde post-Kyoto regimes voor de verdeling van regionale reductie doelstellingen die leiden tot stabilisatie van de broeikasgasconcentratie in de atmosfeer op 550 en 650 ppmv CO2-equivalenten (het S550e en S650e profiel). Binnen deze profielen zijn de varianten van het 'Multi-stage' en 'Per Capita convergence' regime geevalueerd. Voor de Annex I landen zijn de reducties meer afhankelijk van het stabilisatieniveau dan van het type regime. In 2025 leiden de meeste regimes onder het S550e profiel tot een reductie van emissies van 25-50% ten opzichte van 1990 niveau (range afhankelijk van regio en regime). Voor de niet-Annex I landen zijn de reductiedoelstellingen meer gedifferentieerd, zowel wat betreft regiem als voor verschillende tijdsperiodes. Onder alle regimes is vroege toetreding van de (belangrijkste) niet-Annex I landen noodzakelijk. Vier groepen van regio's met vergelijkbare kostenniveaus ten opzichte van hun BNP kunnen worden geidentificeerd. De studie toont daarnaast dat klimaatbeleid kan leiden tot belangrijke nevenvoordelen, zoals een afname van de emissies van zwavel- en stikstofoxide. Samengevat, toont de studie aan dat in evaluatie van verdelingsregimes het niet voldoende is alleen naar de initiele allocatie te kijken, maar dat ook de bestrijdingkosten en consequenties voor energiehandel meegenomen moeten worden. De voordelen van het meedoen in emissiehandel en het reduceren van regionale luchtverontreiniging kunnen het mogelijk maken voor ontwikkelingslanden om deel te nemen aan het reduceren van mondiale broeikasgassen tegen lage kosten of zelfs opbrengsten. Echter, om de politieke haalbaarheid te vergroten zullen zowel het niveau als de vorm van de verplichtingen zo moeten worden gekozen dat economische risico's worden vermeden.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Dit rapport bevat een kwantitatieve verkenning van verschillende regimes voor lastenverdeling in het internationale klimaatbeleid op basis van mondiale emissieplafonds in overeenstemming met de EU lange termijn klimaatdoelstelling om de mondiaal gemiddelde temperatuurstijging te beperken tot 2 graden C niveau ten opzichte van het pre-industriele niveau. Vijf verschillende benaderingen voor internationale lastenverdeling zijn geanalyseerd: 1. het Braziliaans voorstel, met een differentiatie van emissiereductiedoelstellingen op basis van de bijdrage van landen aan de gerealiseerde mondiale temperatuurstijging. 2. 'Multi-stage' (toenemende participatie): in deze benadering neemt het aantal landen en hun inspanningsniveau geleidelijk toe op basis van regels en criteria voor zowel deelname als lastenverdeling; 3. Per Capita Convergentie (PCC), een benadering waarbij alle landen direct deelnemen en hun emissierechten in de tijd convergeren van bestaande naar gelijke niveaus per hoofd; 4. 'Preference Score' (PS) (preferentie score), waarbij alle partijen direct deel nemen aan een allocatie van de mondiale emissieruimte op basis van een naar bevolkingsaantallen gewogen voorkeur voor verdeling naar hun aandeel in de emissies of wereldbevolking. 5. De 'Jacoby regel' benadering, waarbij zowel de deelname van landen als de lastenverdeling is gebaseerd op hoofdelijke inkomensniveaus. De studie laat zien dat op de korte termijn (2025) stabilisatie van de CO2 concentratie op 450 ppmv betekent dat de emissieruimte van de industrielanden (Annex I) ten opzicht van 1990 met 20-60 procent afneemt, afhankelijk van het gekozen lastenverdelingsregime. Voor Europa zijn de reducties 40-60 procent. Tegelijkertijd is snelle deelname (binnen 20-40 jaar) van met name grote niet Annex I landen, zoals China en India aan wereldwijde beheersing van broeikasgassen noodzakelijk. Naast de kwantitatieve analyse is op basis van een multi-criteria analyse ook een kwalitatieve beoordeling gemaakt van de sterke en zwakke kanten van de verschillende regime benaderingen. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen verschillende soorten criteria: milieu criteria, politieke criteria, economische criteria, institutioneel-technische criteria en algemene beleidscriteria. Uit deze evaluatie komt naar voren dat de Multi-Stage benadering het beste voldoet aan de verschillende soorten criteria. Echter, er zijn ook mogelijkheden om de score van de andere benaderingen te verbeteren door middel van aanpassingen in het ontwerp
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
In dit onderzoek zijn met behulp van permanent registrerende meetposten geluidmetingen verricht aan wegverkeer, railverkeer en (militaire) luchtvaart. Er wordt gerapporteerd over de metingen die zijn verricht in 2002. Metingen aan het wegverkeer vonden plaats langs de rijksweg A2 bij Breukelen en zijn gecombineerd met tel- en snelheidsgegevens van het verkeer teneinde geluidemissies van personenauto's en het vrachtverkeer te bepalen. Daarnaast wordt een meetlocatie langs de A10 bij Amsterdam West geintroduceerd. Het onderzoek gaat ook in op de resultaten van metingen op een binnenstedelijke meetlocatie aan de Constant Erzeijstraat te Utrecht waar onder andere het effect van neerslag op geluidemissie is onderzocht. Metingen aan railverkeer zijn verricht langs het spoor tussen Utrecht en Amsterdam waarbij geluidmetingen bij een steekproef zijn gekoppeld aan treincategorie. Tenslotte wordt ingegaan op metingen die vanaf maart 2000 zijn verricht op een meetlocatie vlakbij het militaire luchtvaartterrein Volkel.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
In dit rapport wordt het GeoPEARL model gepresenteerd. GeoPEARL is een ruimtelijk verdeeld model, dat het gedrag van bestrijdingsmiddelen in het bodem - plant systeem beschrijft. Het model berekent de drainage naar het lokale oppervlaktewater en de uitspoeling naar het diepe grondwater. Met GeoPEARL kunnen stoffen met sterk uiteenlopende eigenschappen worden gesimuleerd, waaronder vluchtige stoffen en stoffen die bodemafhankelijke sorptie- en omzettingsconstanten hebben. Het model zal worden ingezet voor de evaluatie van nationale beleidsplannen, zoals het 'Meerjarenplan Gewasbescherming' en het plan 'Duurzame Gewasbescherming'. Het rapport bevat een aantal voorbeeldberekeningen voor stoffen met verschillende eigenschappen. De resultaten laten zien dat de gemiddelde belasting van het oppervlaktewater een orde groter is dan de gemiddelde belasting van het grondwater. Snelle afvoermechanismen, zoals buisdrainage, zijn hierbij dominant. Bestrijdingsmiddelen die op een dergelijke wijze worden afgevoerd kunnen direct het oppervlaktewater belasten. GeoPEARL is ook gebruikt om de huidige toelatingsprocedure voor bestrijdingsmiddelen te verifieren. In de huidige procedure wordt begonnen met de toepassing van PEARL op een enkele locatie. Deze locatie wordt verondersteld representatief te zijn voor kwetsbare gebieden. Resultaten van GeoPEARL laten echter zien dat, afhankelijk van het beschouwde middel, de maximum uitspoeling in verschillende gebieden plaats vindt. Dit duidt erop dat bij toepassing van het model op een locatie niet noodzakelijkerwijs de meest kwetsbare situatie gesimuleerd wordt. Om dit te bereiken moeten aanvullende voorwaarden gesteld worden. Om discussies over deze voorwaarden te voorkomen is directe toepassing van GeoPEARL echter te prefereren.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Methoden om emissietrends te verklaren | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Plant biodiversity and environmental stress | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Bioindicators & biomonitors. Principles, concepts and applications | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Definitions, strategies and principles for bioindication/biomonitoring of the environment | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Microbial indicators | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Preparation of polysaccharide-conjugate vaccines | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Problem formulation | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Review of current approaches and future directions in national ambient waterquality criteria for aquatic life protection: Canada, Netherlands, New Zealand, USA | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Als achtergrond bij een op korte termijn te starten veldstudie naar slaapverstoring en wegverkeer heeft het RIVM de beschikbare literatuur op het gebied van wegverkeersgeluid en slaapverstoring op een systematische wijze verzameld, beoordeeld en samengevat. Voor twee effecten 'ervaren slaapkwaliteit' en 'ontwakingen' is tevens beoordeeld of een kwantitatieve samenvatting (meta-analyse) van de bevindingen mogelijk was. De 34 geselecteerde studies zijn zowel dwarsdoorsnede als interventiestudies, voor het merendeel uitgevoerd in Europa in de jaren tachtig. Er worden vooral volwassenen bestudeerd. In bijna alle studies zijn meerdere slaapparameters gemeten. De geselecteerde studies zijn onvoldoende vergelijkbaar voor een meta-analyse. Om dit in de toekomst mogelijk te maken dienen studies vergelijkbare elementen te bevatten, zoals een gezamenlijk design, gestandaardiseerde vragenlijsten en vergelijkbare blootstellingsmaten. De bestudeerde studies geven aanwijzingen dat blootstelling aan het geluid van wegverkeer leidt tot een slechtere ervaren slaapkwalititeit en meer (of langer) ontwaken. Aanvullende analyses op gegevens uit een onderzoek rond Schiphol geven aanwijzingen dat slaapverstoring, slaapklachten en het gedrag van mensen beinvloed worden door blootstelling aan geluid van wegverkeer.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Het Communautair Referentie Laboratorium voor Salmonella (CRL-Salmonella, Bilthoven, Nederland) organiseerde in samenwerking met Public Health Laboratory Service (PHLS), London, Verenigd Koninkrijk en het Central Institute for Animal Disease Control - Sectie Infectieziekten (CIDC, Lelystad, Nederland) een achtste ringonderzoek aangaande de typering van Salmonella. Zeventien Nationale Referentie Laboratoria voor Salmonella (NRLs-Salmonella) en 15 EnterNet Laboratoria (ENLs) namen deel aan deze studie. Drie van deze NRLs zijn eveneens ENL. De resultaten van deze drie NRL-ENL laboratoria werden alleen geevalueerd bij de 17 NRLs voor Salmonella. In totaal werden 20 stammen van het species Salmonella enterica subspecies enterica geselecteerd voor serotypering terwijl 10 stammen van Salmonella Typhimurium (STM) en 10 stammen van Salmonella Enteritidis (SE) werden geselecteerd voor faagtypering. In het algemeen waren er geen problemen met het typeren van de O-antigenen. Sommige laboratoria hadden problemen met het typeren van de H-antigenen. Bijna alle laboratoria hadden weinig problemen met het faag-typeren. Enige ENLs hadden problemen met het faagtyperen van de SE stammen. Tien stammen van verschillende Salmonella serotypen werden getest op hun resistentie patronen tegen een panel van 12 antibiotica door bijna alle laboratoria. De NRLs en ENLs waren vrij om te kiezen tussen de Minimale Inhibitie Concentratie (MIC) of de disc diffusie test. Meer dan 95% van alle testen werden goed uitgevoerd. De meeste problemen werden veroorzaakt door streptomycine.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
In het kader van de Bestuursovereenkomst Gebiedsgerichte inrichting landelijk gebied 2002 - 2005 zijn een 78 tal zogeheten SGB-gebieden aangewezen door de provincies. Het RIVM heeft, ter ondersteuning van het gebiedsgericht beleid, onderzocht hoe de ligging is van de SGB-gebieden opzichte van andere bestaande provinciale beleidscategorieen, de kwetsbare functies natuur, landelijk wonen en recreatie en wat de milieubelasting is in de SGB-gebieden. Bij het analyseren van de milieubelasting in de SGB-gebieden zijn voorbeelden uitgewerkt voor geuroverlast door agrarische bedrijven, stikstof depositie en overschrijding van de kritische stikstofdepositie niveaus voor natuur.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Naar aanleiding van het kabinetstandpunt 'Beleidsvernieuwing bodemsanering' zijn in dit rapport getalswaarden afgeleid voor bodemgebruikswaarden. Diverse vormen van bodemgebruik in het landelijk gebied en het gebruik van de droge en natte waterbodem zijn beschouwd. De bodemgebruikswaarden zijn afgeleid voor een aantal immobiele verontreinigingen. Dit is gedaan door invulling te geven aan de gebruikseisen die bij de diverse vormen van bodemgebruik zijn gedefinieerd ten aanzien van humane gezondheid, landbouwkundige praktijken, gezondheid van het ecosysteem en overige eisen. Er volgt nog een beleidsmatige fase waarin de getallen en hun rol in het bodembeleid worden vastgesteld.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
In het rapport worden 4 factsheets gepresenteerd voor de risicoschattingsmethoden van het Stoffen Expertise Centrum (SEC) en het Centrum voor Stoffen en Integrale Risicoschatting (SIR) van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). 2 Factsheets hebben betrekking op de risicoschattingsmethoden voor de volksgezondheid en 2 op de risicoschattingsmethoden voor het milieu: 1/ Hazard assessment for direct immunotoxicity 2/ The interpretation of hepatic peroxisome proliferation and associated hepatocellular carcinogenesis 3/ Environmental risk assessment scheme for plant protection products: birds and mammals 4/ Environmental risk assessment scheme for plant protection products: non-target terrestrial higher plants Naast het vastleggen van de risicoschattingsmethoden zoals die bij het RIVM/CSR worden gehanteerd is het doel van deze publicatie de risicoschattingsmethoden transparanter te maken en een platform voor discussie te creeren. De auteurs van elke factsheet beschrijven de "state-of-the-art" van hun onderwerp. Opmerkingen, tekortkomingen en aanvullende informatie wordt op prijs gesteld en kunnen naar de eerste redacteur worden opgestuurd.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Chlorine | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Preparation of polysaccharide-conjugate vaccines | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Mapping the binding domains on meningococcal Opa proteins for CEACAM1 and CEA receptors | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Nitrogen and nitrogen oxides | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
A Neisserial autotransporter NaIP modulating the processing of other autotransporters | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Relative immunogenicity of PorA subtypes in a multivalent Neisseria meningitidis vaccine is not dependent on presentation form | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Genetic basis for the structural difference between Streptococcus pneumoniae serotype 15B and 15C capsular polysaccharides | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Low dose radiation risks | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Clinical prediction rule for 30-day mortality in Bjork-Shiley convexo-concave valve replacement | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Europees verpakkingsbeleid helpt Nederland niet | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Long-term measurements of gamma-HCH in precipitation in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Voeding en gezondheid - onduidelijk verband tussen inname van vitamine E en het risico op coronaire hartziekten | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Acrylamide exposure from foods of the Dutch population and an assessment of the consequent risks | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
A population based dynamic approach for estimating the cost effectiveness of screening for Chlamydia trachomatis | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
A standardised restriction fragment length polymorphism (RFLP) method for typing Mycobacterium avium isolates links IS901 virulence for birds | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Real-time PCR assay targets the 23S-5S spacer for direct detection and differentiation of legionella spp. and legionella pneumophila | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Smoking and the risk of gastric cancer in the European prospective investigation into cancer and nutrition (EPIC) | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Optimization of route of administration for coexposure to ovalbumin and particle matter to induce adjuvant activity in respiratory allergy in the mouse | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Levels of disability in Major Depression - findings from the Netherlands Mental Health Survey and Incidence Study (NEMESIS) | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Gezondheidsrisico's door Ephedra in voedingssupplementen | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Transgenic tumor models for carcinogen identification: the heterozygous Trp53-deficient and RasH2 mouse lines | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Inherited predisposition to prostate cancer | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
The relationship between air pollution from heavy traffic and allergic sensitization, bronchial hyperresponsiveness, and respiratory symptoms in Dutch schoolchildren | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Het RIVM heeft in het jaar 2002 een meetprogramma geneesmiddelen in drinkwater en drinkwaterbronnen uitgevoerd. De aanleiding hiervoor was het toenemend aantal publicaties waarin melding werd gemaakt van het voorkomen van geneesmiddelen in drinkwater en drinkwaterbronnen. Het doel van het onderzoek was een inventarisatie van een selectie van humane geneesmiddelen in drinkwater en drinkwaterbronnen. Het meetprogramma omvatte 13 stoffen uit verschillende categorieen geneesmiddelen (antibiotica, pijnstillers, fibraten, B-blokkers en anti-epileptica). In totaal zijn er 21 drinkwaterproductielocaties bemonsterd, inclusief de ruwwaterbronnen en enkele zuiveringsstappen. Het bemonsteringsprogramma is tweemaal uitgevoerd in het voor- en najaar. Het RIVM-onderzoek toont aan dat geneesmiddelen incidenteel in zeer lage concentraties (tot enkele tientallen nanogrammen) aanwezig zijn in drinkwater. De concentraties liggen een factor 1000 lager dan de afgeleide (voorlopige) drinkwaterlimieten. Hieruit volgt dat het risico voor de consument op basis van dit onderzoek en de beschikbare toxicologische informatie verwaarloosbaar is. Het betreft de stoffen (acetyl)salicylzuur (pijnstiller), carbamazepine (anti-epilepticum), clofibrinezuur (hart- en vaatmiddel) en sulphamethoxazol (antibioticum). De zuiveringstappen ozonisatie en actief koolfiltratie lijken op basis van dit onderzoek een beter resultaat op te leveren bij de verwijdering van de onderzochte geneesmiddelen dan de combinatie chloor en actief koolfiltratie. In het effluent van de rioolwaterzuivering (een monster) zijn negen stoffen aangetroffen in tientallen tot honderden nanogrammen per liter. De VROM-Inspectie wordt aanbevolen resultaten van de meetprogramma's geneesmiddelen in het milieu onder de aandacht te brengen van de stakeholders in de gezondheidszorg (College ter Beoordeling van Geneesmiddelen; Ministerie VWS). Indien er overwogen wordt normen voor geneesmiddelen in drinkwater op te stellen kan er worden gekozen voor normen per individuele stof gebaseerd op toxicologische gegevens of voor het voorzorgsprincipe. Aanbevolen wordt geneesmiddelen als groep onder het voorzorgsprincipe te brengen. De stoffen horen niet in drinkwater thuis. Voorgesteld wordt om in de meetprogramma's voor kwaliteitsbewaking van de drinkwaterinnamepunten de stoffen die in de drinkwaterbronnen zijn aangetroffen op te nemen.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Om het energiebesparingsgedrag van bedrijven in kaart te brengen en te kwantificeren heeft het RIVM in samenwerking met de Universiteit van Utrecht en de Vrije Universiteit Amsterdam het Model Effectiviteit Instrumenten - Energie (MEI-Energie) ontwikkeld. Het model beoogt een raamwerk te bieden voor consistente en methodische analyses van historische en toekomstige energiebesparing, met speciale aandacht voor de doorwerking en effectiviteit van het overheidsbeleid. MEI-Energie simuleert het besluitvormingsproces binnen industriele sectoren om al dan niet te investeren in energiebesparende technieken. Het rapport beschrijft de structuur en de algoritmes van het model, en gaat tevens in op de resultaten van een eerste validatie. Daartoe is voor een drietal industriele sectoren de ontwikkeling van de besparing op het finale energiegebruik in de periode 1990 tot 1999 gesimuleerd; de resultaten zijn vervolgens vergeleken met cijfers die gebaseerd zijn op waarneming.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Naar aanleiding van de aanbevelingen van de tweede programmacommissie Sociaal-Economische GezondheidsVerschillen (SEGV) heeft het kabinet zich ten doel gesteld de ontwikkeling van de gezondheid van mensen in de verschillende sociaal-economische statusgroepen in Nederland te monitoren. Monitoren is het systematisch en periodiek verzamelen van informatie om maatschappelijke ontwikkelingen en effecten van beleid te meten. De SEGV monitor zal dus periodiek de omvang van sociaal-economische gezondheidsverschillen weergeven om de effectiviteit van het beleid gericht op de reductie van SEGV te evalueren. De doelstelling van het huidige SEGV beleid is het verlengen van de gezonde levensverwachting van lage sociaal-economische statusgroepen in 2020 met ten minste 25% van het huidige sociaal-economische verschil in gezonde levensverwachting, namelijk drie jaren. De SEGV monitor geeft periodiek de omvang van sociaal-economische verschillen in gezondheid weer. Maar ook determinanten van gezondheid, zoals gedrag, omgevingsfactoren en zorggebruik, zijn onderdeel van de SEGV monitor. De trends in de omvang van deze sociaal-economische verschillen wordt geschetst tegen de achtergrond van ontwikkelingen in sociaal-economische status, zoals opleidingniveau van de bevolking en inkomen, oftewel armoede. De SEGV monitor monitort in eerste instantie de sociaal-economische verschillen op nationaal niveau. Omdat echter veel beleid en maatregelen op lokaal niveau worden vastgesteld en uitgevoerd, is het wenselijk dat ook op lokaal niveau uitspraken gedaan kunnen worden over sociaal-economische verschillen of dat de ontwikkeling in gezondheid in bepaalde (achterstands)wijken beschreven kan worden. Geadviseerd wordt binnen de SEGV monitor gebruik te maken van bestaande databronnen. Alleen monitors met een landelijke dekking zijn geselecteerd om een representatief en valide beeld van de ontwikkeling in SEGV in Nederland te kunnen schetsen. De SEGV monitor levert elke vier jaar informatie over de sociaal-economische verdeling van gezondheids-determinanten en sociaal-economische gezondheidsverschillen, aangevuld met een uitwerking van elke keer een ander specifiek SEGV thema. De resultaten van de SEGV monitor zullen worden gepresenteerd op het internet via een thematische ingang 'SEGV' in het Nationaal Kompas Volksgezondheid.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Als uitwerking van actiepunt 78, dat is opgesteld naar aanleiding van de vuurwerkramp in Enschede en de nieuwjaarsbrand in Volendam, is een protocol ontwikkeld waarin beschreven wordt hoe hulpverleners beschermd dienen te worden tegen blootstelling aan gevaarlijke stoffen en biologische agentia tijdens de repressiefase van een incident dat valt onder de Wet Rampen en Zware Ongevallen (WRZO). De huidige rapportage waarin een ontwerpversie van het protocol is beschreven is vastgesteld door een struurgroep waarin de ministeries van SZW, VWS, BZK en VROM zijn vertegenwoordigd. Het rapport zal worden aangeboden aan de taskforce "Slagen voor Veiligheid". Na een evaluatie door de Taskforce wordt een implementatietraject ingezet waarin onder andere de gemaakte keuzes vanuit andere gezichtspunten dan arbeidshygienische bescherming van hulpverleners getoetst moeten worden. Naast het ontwikkelde protocol bevat dit raport tevens achtergrondinformatie m.b.t. de diverse keuzes die ten grondslag liggen aan de verschillende stappen binnen het protocol.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
In dit rapport wordt de validatie van blootstellings- en verspreidingsmodellen voor bodem, grondwater en oppervlaktewater ten behoeve van de milieurisicobeoordeling bij de registratie van diergeneesmiddelen onderzocht. De functionele validatie met (oxy)tetracycline en sulfonamiden geven een indicatie dat het onmogelijk is de bijdrage van elke afzonderlijke modelparameter aan de variabiliteit in de modelvoorspellingen te bepalen op basis van willekeurige veldbemonstering. Geconcludeerd moet worden dat de beschikbare veldgegevens niet voldoende zijn om de parameter selectie in de modellen te valideren of te verwerpen.Een lysimeter studie met sulfachloropyridazine is gebruikt om de functionele validatie van het grondwatermodel PEARL uit te voeren. Een simulatiefout van 0,02 werd bepaald, hetgeen betekent dat de berekende waarden een factor 50 verschillen van de gemeten waarden. In deze studie worden twee factoren voor onzekerheid in de simulatie onderscheiden. Ten eerste, het voortijdig beeindigen van de studie belemmert de volledige expressie van het neerwaartse transport. Ten tweede, de onzekerheid in de adsorptieprocessen en -parameter is van groot belang voor een betrouwbare simulatie. Ondanks de tekortkomingen van de casus is de potentiele bruikbaarheid van uitspoelingsmodellen voor gewasbeschermingsmiddelen in het algemeen en van PEARL in het bijzonder aangetoond.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Er is onderzoek verricht naar de aanwezigheid van gasvormige bestrijdingsmiddelen in containers die via de Rotterdamse haven in Nederland worden ingevoerd. Tevens is onderzocht of een risicoprofiel op grond van herkomst, lading of etikettering kon worden gemaakt, van de containers die onder andere in verband met restanten gasvormige Uit het onderzoek is gebleken dat - in eenentwintig procent van de onderzochte steekproef van driehonderddrie containers de bestrijdingsmiddelen methylbromide, formaldehyde of fosfine zijn aangetoond-in geen van de onderzochte containers sulfurylfluoride is aangetoond - in vijftien procent van de onderzochte containers sprake is van een risico ten gevolge van een te laag zuurstofgehalte, explosiegevaar of een kooldioxide- of koolmonoxidegehalte hoger dan de MAC-waarden voor deze verbindingen - in totaal twintig procent van de onderzochte containers een risico vormde, ofwel als gevolg van aanwezigheid van bestrijdingsmiddelen, ofwel als gevolg van overige parameters - een monsternameprofiel gericht op containers met voedingsmiddelen een verdubbeling van het percentage aangetroffen containers met gasvormige bestrijdingsmiddelen tot gevolg kan hebben.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Er is onderzoek verricht naar de aanwezigheid van gasvormige bestrijdingsmiddelen in containers die via de Rotterdamse haven in Nederland worden ingevoerd. Tevens is onderzocht of een risicoprofiel op grond van herkomst, lading of etikettering kon worden gemaakt, van de containers die onder andere in verband met restanten gasvormige Uit het onderzoek is gebleken dat - in eenentwintig procent van de onderzochte steekproef van driehonderddrie containers de bestrijdingsmiddelen methylbromide, formaldehyde of fosfine zijn aangetoond-in geen van de onderzochte containers sulfurylfluoride is aangetoond - in vijftien procent van de onderzochte containers sprake is van een risico ten gevolge van een te laag zuurstofgehalte, explosiegevaar of een kooldioxide- of koolmonoxidegehalte hoger dan de MAC-waarden voor deze verbindingen - in totaal twintig procent van de onderzochte containers een risico vormde, ofwel als gevolg van aanwezigheid van bestrijdingsmiddelen, ofwel als gevolg van overige parameters - een monsternameprofiel gericht op containers met voedingsmiddelen een verdubbeling van het percentage aangetroffen containers met gasvormige bestrijdingsmiddelen tot gevolg kan hebben.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
De SaneringsUrgentieSystematiek (SUS) is in 1994 ontwikkeld om de urgentie van ernstige gevallen van bodemverontreiniging te bepalen. De methode is gebaseerd op risico's voor de mens, voor ecosystemen en verspreiding van verontreiniging. Het rapport behandelt de knelpuntenanalyse van de locatiespecifieke humane risicobeoordeling en de beoordeling van verspreidingsrisico's. Op bases van interviews met deskundigen en resultaten van eerder uitgevoerde evaluaties zijn de belangrijkste knelpunten benoemd en zijn oplossingsrichtingen aangegeven en geprioriteerd, mede op basis van wetenschappelijke haalbaarheid. Naast deze analyse zijn enkele verkenningen van oplossingsrichtingen en mogelijke verbeteringen uitgevoerd. Voor de humane risicobeoordeling is ingegaan op het bepalen van de orale biobeschikbaarheid, het meten van concentraties in gewas en het meten van binnenlucht concentraties. Voor de beoordeling van verspreidingsrisico's is een raamwerk voor beoordeling opgesteld en is een studie uitgevoerd naar een methode voor beoordeling van uitloging in de onverzadigde bodem. Onderzoek naar de verbetering van de locatiespecifieke risicobeoordeling van bodemverontreiniging zal zich in 2003 met name richten op de oplossingsrichtingen waaraan een hoge prioriteit is toegekend.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
In dit rapport wordt verslag gedaan van de achtergrondstudie die het RIVM en NIVEL hebben uitgevoerd ten behoeve van de IGZ-rapportage 'Staat van de Gezondheidszorg 2003'. De studie is bedoeld als een eerste verkenning van de (keten)zorg voor 15 chronische aandoeningen in Nederland. Het gaat daarbij niet om de zorginhoud zelf maar om de afstemming van de zorgverlening tussen de betrokken zorgaanbieders.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Dynamic modelling of surface waters: impact of emission reduction-possibilities and limitations | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Nationwide assessments of non-point source pollution with field-scale developed models: the pesticide case | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Meer dan een ziekte. De gevolgen van comorbiditeit vanuit het perspectief van chronisch zieken en gehandicapten | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Great transition: the promise and lure of the times ahead | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Changing consortia of algae and bacteria in rivers and lakes: discriminating the roles of toxicants and natural variables | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Association of transcription-coupled repair but not global genome repair with ultraviolet-B-induced Langerhans cells depletion and local immunosuppression | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Effective approaches for predicting environmental concentrations of pesticides: the APECOP project | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Incorporating macropore flow into focus PEC models | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Actualisering landelijk mestoverschot 2003 | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Comparison of GeoPEARL with the single scenario approach in pesticide registration | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Methodological approach for evaluating first tier PEC groundwater scenarios supporting the prediction of environmental concentrations of pesticides at the European scale | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Development of an environmental indicator which can be used on national and regional scales for evaluating pesticide emissions in The Netherlands | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Emissie van zeven zware metalen naar landbouwgrond | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Assessment of pesticide leaching at the Pan-European level using a spatially distributed model | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Effects of heavy metals on microbial communities | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
European exchange of air quality monitoring meta information in 2001. ETC/ACC technical paper 2003-1 | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Assessment of pesticide leaching at the Pan-European level using a spatially distributed model | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Dit rapport informeert de Conventie van grensoverschrijdende luchtverontreiniging (CLRTAP) en het netwerk van National Focal Centra (NFCs) over de meest recente Europese database van kritische drempels voor verzuring en vermesting. Deze database is in 2003 voor het eerst uitgebreid met gegevens die de gevolgtijdelijke (dynamische) modellering van geochemische processen, vooral in bodems, mogelijk maakt. Deze informatie is nodig om het Europese luchtbeleid te kunnen ondersteunen met kennis over tijdsvertragingen van ecosysteemherstel of -schade als gevolg van veranderingen, in de tijd, van verzurende depositie. De aldus uitgebreide database van kritische drempels en dynamische modellerings is door het MNP-Coordination Center for Effects gemaakt op verzoek van de Working Group on Effects onder de Conventie op haar 21e vergadering (Geneve, 28-30 augustus 2002). Negentien landen stuurden gegevens in waarvan 10 inclusief dynamische modellerings parameters. De onderbouwing van de ingezonden data zijn voor elk land afzonderlijk in het rapport opgenomen. Daarnaast bevat het rapport een analyse van de grensoverschrijdende consistentie van de nieuwe database. Ook is een vergelijking opgenomen met data die zijn gebruikt bij de ondersteuning van het 1999 CLRTAP Protocol voor de bestrijding van verzuring, vermesting en troposferische ozon (het Gotenburg protocol) en de EU-richtlijn 2001/81/EG van het Europese Parlement (2001) inzake nationale emissieplafonds voor bepaalde luchtverontreinigende stoffen (NEC directive). De in de rapportage beschreven resultaten zijn belangrijk voor de volgende stap, te weten de ondersteuning van het revisieproces van deze Europese overeenkomsten waarschijnlijk in 2004/2005. Het rapport zal op de 22e vergadering van de Working Group on Effects (Geneve, 3-5 september 2003) worden gepresenteerd.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
De grondmarkt bepaalt in belangrijke mate de ruimtelijke ontwikkelingen in Nederland, en heeft mede hierdoor ook gevolgen voor de leefomgeving, natuur en landschap. Het prijsverschil tussen stedelijke en landelijke grond is groot, waardoor er veel druk ontstaat op het planningsproces. Grondprijsstijgingen maken het moeilijker om natuur- en recreatieplannen te realiseren, vooral rond de grote steden. Uit een analyse van grondtransacties wordt geconcludeerd dat zowel de schaalvergroting als 'verhobbying' van landbouwgrond voor landschapsveranderingen zullen zorgen. Projectontwikkelaars en beleggers zijn vanwege de hoge winsten steeds actiever in het verwerven van grondposities en het exploiteren van bouwgrond, terwijl gemeenten over onvoldoende beleidsinstrumenten en capaciteit beschikken om aandacht voor de publieke leefomgeving te waarborgen. Met betrekking tot grondgebruiksmodellen, wijst deze studie op de noodzaak om het gedrag van grondmarktactoren te verwerken in de simulatieregels. De studie bevat aanbevelingen om het gebruik van het grondprijzenmechanisme van een van de modellen, de RuimteScanner, te verbeteren.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
In dit rapport is de bruikbaarheid geanalyseerd van het Landelijk Meetnet Flora - Milieu- en Natuurkwaliteit voor de berekening van de kwaliteit van de flora ten behoeve van de Natuurwaarde graadmeter. Veranderingen in de plantensamenstelling kunnen worden bepaald doordat presentie van afzonderlijke plantensoorten in de huidige situatie kunnen worden vergeleken met een historische referentiesituatie. Informatie over presentie zijn met het Landelijk Meetnet Flora beschikbaar gekomen. In dit rapport worden bestaande referenties gecombineerd die zijn gebaseerd op de botanische kwaliteit en de oppervlakte. Hierbij is gebruik gemaakt van referentiestudies van Alterra (Smits en Schaminee, 2002) en FLORON (Groen en Van der Meijden, 1997). Met de resultaten in dit rapport kan de kwaliteit van de flora worden berekend. Het doel van dit rapport is te onderzoeken of het LMF-M&N bruikbaar is voor de graadmeter Natuurwaarde. De benodigde keuzes die aan de voorgestelde methode ten grondslag liggen worden onderbouwd en expliciet vast gelegd, zodat de Natuurwaarde voor de flora reproduceerbaar en verbeterbaar is. De aanleiding voor dit rapport is het vrijkomen van data uit een nieuw meetnet, het Landelijk Meetnet Flora - Milieu- en Natuurkwaliteit. De berekening van de Natuurwaarde met de LMF-M&N gegevens, is op een aantal punten, een verbetering voor de bepaling van de Natuurwaardegraadmeter. Voor de kwaliteits berekening van de flora voor de Tweede Natuurverkenning (2002) werd nog gebruik gemaakt van presentie/ absentie data per kilomterhok uit FLORBase. Het LMF-M&N, daarentegen meet niet alleen de presentie/ absentie van soorten, maar meet ook de abundantie per soort. Het gebruik van deze abundanties kan de Natuurwaardegraadmeter veel gevoeliger maken. Ontwikkelingen in de kwaliteit van de Nederlandse natuur kunnen veel frequenter worden gesignaleerd omdat een meetronde van het LMF-M&N maar vier jaar duurt. In dit rapport zijn keuzes beschreven aangaande de gebiedsindeling, soortselectie de bepaling van de berekeningswijze van de kwaliteit van de flora. Het gaat om: De bepaling hoe gegevens uit het LMF-M&N en de referentie kunnen worden gebruikt voor de berekening voor de Natuurwaarde. de bepaling van de precieze berekeningsgrondslag/ methode voor het kwaliteitsaspect van de Natuurwaarde. De selectie van kenmerkende soorten voor de bepaling van de florakwaliteit. Aanbevelingen voor verbeteringen van de soortselectie en het referentie-onderzoek. Alle resultaten overziend lijkt het dat voor de volgende strata een betrouwbare Natuurwaarde berekend kan worden: hogere zandgrond halfnatuurlijk grasland, laagveen halfnatuurlijk grasland, laagveen moeras en rivierengebied halfnatuurlijk grasland. De rest van de strata hebben onvoldoende gescoord op een of meerdere overwegingen.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Het Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum (NVIC) van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) verstrekt 24 uur per dag telefonische informatie over mogelijke acute vergiftigingen aan artsen, dierenartsen, apothekers en overheidsinstanties als GG&GD, brandweer en politie. In 2002 nam het totale aantal informatieverzoeken aan het NVIC wederom toe, naar bijna 32.000. Deze informatieverzoeken betreffen o.a. blootstelling aan geneesmiddelen, huishoudmiddelen, voedsel, dranken, drugs, planten, paddestoelen, dieren, bestrijdingsmiddelen, industrieproducten en cosmetica. Naast de informatieverstrekking, heeft het NVIC een signalerende functie voor ontwikkelingen ten aanzien van acute vergiftigingen. Een opvallend voorbeeld van een dergelijke ontwikkeling, die het NVIC in 2002 signaleerde, was een verontrustende toename van het aantal ernstige intoxicaties na blootstelling aan waterafstotend makende middelen. Na overleg met de Voedsel en Warenautoriteit/Keuringsdienst van Waren is een publiekswaarschuwing in kranten geplaatst en zijn de betreffende middelen van de markt gehaald. Het NVIC heeft verder in 2002 een aantal middelen nauwgezet gevolgd, waaronder drugs als gammahydroxyboterzuur (GHB), XTC en efedra bevattende middelen, fluorescerende staafjes (gedragen in de partyscene), methylfenidaat (RitalinP) en zelfzorgmedicatie. Het NVIC had in 2002 bij verschillende calamiteiten een adviserende rol, waaronder een incident met een lekkende treinwagon op station Amersfoort en een brand met dichte rookontwikkeling op een vissersschip in Vlaardingen. Dit rapport geeft een overzicht van de informatieverstrekking over acute vergiftigingen bij mensen en dieren, alsmede bij calamiteiten, in 2002 en gaat verder in op opvallende ontwikkelingen.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Donor-specific tolerance in a murine model: the result of extra-thymic T cell deletion? | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Are we sure? Some thoughts about uncertainty treatment in integrated assessment | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
On health risks of ambient PM in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Risk assessment scheme for the impact of plant protection products on birds and mammals | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
A primate model to study the pathogenesis of influenza A (H5N1) virus infection | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Respons van natuurlijke systemen op klimaatsverandering is niet lineair | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Cross-reactivity of antibodies against porA after vaccination with a meningococcal B outer membrane vesicle vaccine | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Dimension-specific burden of caregiving among partners of rheumatoid arthritis patients | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Energy use, spatial planning and air quality | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Short and long term variability of the interrupter technique under field and standardised conditions in 3-6 year old children | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Assessing immunotoxicity: guidelines | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Microvascular complications at time of diagnosis of type 2 diabetes are similar among diabetic patients detected by targeted screening and patients newly diagnosed in general practice: the Toorn Screening Study | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Regional differences in healthy life expectancy in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Duurzame landbouw 2030 in drie organisatievormen: beelden voor de toekomst | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Mutations in the DNA mismatch repair proteins MutS and MutL of oxazolidinone-resistant or -susceptible Enterococcus faecium | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Hypocretin deficiency in narcoleptic humans is associated with abdominal obesity | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Shiga-toxineproducerende Escherichia coli O157 in Nederland: microbiologische resultaten van de intensieve surveillance, januari 1999-juni 2002 | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Selective digestive decontamination and antibiotic resistance: a balancing act | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Options for international climate policies: towards an effective regime | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Antimicrobial susceptibilities of salmonella strains isolated from humans, cattle, pigs, and chickens in the Netherlands from 1984 to 2001 | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Persistent hematologic and immunologic disturbances in 8-year-old Dutch children associated with perinatal dioxin exposure | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Acute vergiftigingen bij mens en dier. Jaaroverzicht 2002 Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Benchmark risk analysis models used in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Antibodies against mumps in The Netherlands as assessed by indirect ELISA and virus neutralization assay | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Risk factors for atopic dermatitis in infants at high risk of allergy: the PIAMA study | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Issues in international climate policy: theory and policy | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Sero-epidemiology of mumps in western Europe | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Presence of Brachyspira aalborgi and B. pilosicoli in feces of patients with diarrhea | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Flow dependency and off-line measurement of exhaled NO in children | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Abstract niet beschikbaar
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
In dit rapport worden de gezondheids- en mogelijke verslavende effecten van het gebruik van zoethoutpreparaten als conditionerings- en smaakstof in tabaksproducten geevalueerd. Gebaseerd op literatuuronderzoek worden de blootstelling, farmacologie, farmacokinetiek, toxicologie, als ook de verslavende aspecten van glycyrrhizinezuur beschreven, de belangrijkste biologisch actieve component in zoethoutpreparaten.De hoeveelheid glycyrrhizinezuur in sigarettenrook en tabak is onbekend. Het lijkt niet waarschijnlijk dat de opname van glycyrrhizinezuur door het roken van tabaksproducten groter zal zijn dan de dagelijkse oraal ingenomen hoeveelheid. De aard van de verbrandingsproducten die gevormd worden tijdens het roken van tabaksproducten zijn een reden voor bezorgdheid. Het is onwaarschijnlijk dat een aan roken gerelateerde blootstelling aan glycyrrhizinezuur zal leiden tot een verhoging van de mineralocorticoide activiteit en onder sommige omstandigheden tot hypertensie. De bewering dat glycyrrhizinezuur de bronchiaalboom verwijdt, kan niet worden bevestigd op basis van de huidig beschikbare literatuur. De mogelijkheid dat zoethoutpreparaten als smaakstof direct of indirect de verslaving aan sigaretten verhogen kan niet worden uitgesloten. Er is meer onderzoek nodig naar de gezondheids- en verslavingsrisico's van toevoeging van zouthout preparaten aan tabaksproducten
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Het Kabinet heeft in 1997 besloten tot een herziening van de aanpak van de bodemsanering in Nederland. Een van de elementen is de keuze voor een functiegerichte saneringsdoelstelling afgestemd op het (beoogde) gebruik van de bodem. Aan het RIVM is gevraagd om, mede op basis van beleidsmatige keuzes, saneringsdoelstellingen voor immobiele verontreinigingen uit te werken in de vorm van BodemGebruiksWaarden (BGW's). Doel hiervan is ontoelaatbare risico's voor mens en ecosystemen te voorkomen en onbelemmerd functioneren te waarborgen bij het (beoogde) gebruik van de bodem. Aangezien de blootstelling van mens en ecosystemen, afhankelijk van het gebruik van de bodem, voornamelijk bepaald wordt door de kwaliteit van de bovenste laag van de bodem (contactzone), zijn de BGW's specifiek op deze laag van toepassing. Deze rapportage beschrijft de methodiek en uitwerking van de BGW's. Vier clusters van bodemgebruiksvormen zijn onderscheiden: I. Wonen en intensief gebruikt (openbaar) groen; II. Extensief gebruikt (openbaar) groen; III. Bebouwing en verharding; IV. Landbouw en natuur. Daarbij is uitgegaan van normaal bodemgebruik. Voor de clusters I t/m III zijn achtereenvolgens: bodemgebruikseisen gesteld; bijbehorende bodemkwaliteitseisen bepaald; en BodemGebruiksWaarden (BGW's) afgeleid. De gehanteerde bodemkwaliteitseisen zijn gebaseerd op: humane risico's, risico's voor ecosystemen en andere risico's of kwaliteitskenmerken (waaronder de LAC-signaalwaarden). Voor situaties die niet binnen de clustering van bodemgebruik passen en voor bijzonder bodemgebruik kan een locatiespecifieke benadering worden gevolgd (maatwerk). Voor de clusters I en II zijn BGW's afgeleid voor zware metalen, arseen, PAK, DDTs en drins. Voor cluster III zijn geen BGW's afgeleid, omdat hieraan beleidsmatig geen gebruikseisen zijn gesteld. De BGW's liggen tussen de streef- en interventiewaarden. Voor bodemgebruik in cluster IV zijn beleidsmatig (voorlopig) de LAC-signaalwaarden van toepassing verklaard voor agrarische functies.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
In november 2002 heeft het RIVM de derde Volksgezondheid Toekomst Verkenning gepresenteerd, onder de titel 'VTV-2002, Gezondheid op koers?'. Met het verschijnen van dit samenvattend rapport is de derde VTV-cyclus afgerond. Behalve het rapport 'Gezondheid op koers?' is in deze cyclus ook een aantal themarapporten verschenen en zijn twee websites ontwikkeld, de Nationale Atlas Volksgezondheid en het Nationaal Kompas Volksgezondheid. Net als bij de VTV-1993 en de VTV-1997 is ook nu weer een evaluatie uitgevoerd, gezamenlijk door het centrum voor Volksgezondheid Toekomst Verkenningen van het RIVM en de Directie Preventie en Openbare Gezondheidszorg van het ministerie van VWS. De evaluatie betreft alle bovengenoemde producten en is zowel een product- als een procesevaluatie. De evaluatie is in de eerste plaats bedoeld om inzicht te krijgen in de waarde van de verschillende onderdelen van de VTV-2002 voor de belanghebbenden. Daarnaast is de evaluatie gericht op het identificeren van punten waar verbetering gewenst is. Op basis hiervan zijn adviezen en aandachtspunten geformuleerd die gebruikt kunnen worden voor de opzet van de VTV-2006.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Voedingsadvies is effectief preventief | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Explosive increase of Salmonella java in poultry in the Netherlands: consequences for public health | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Circadian variation in cortisol reactivity to an acute stressor | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Verification of literature-derived SARs for skin irritation and corrosion | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Small glutamine-rich tetratricopeptide repeat-containing protein (SGT) interacts with the ubiquitin-dependent endocytosis (UbE) motif of the growth hormone receptor | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Scaling up of the fluidized bed granulation process | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
A systematic approach for optimisation of supercritical-fluid extraction of polycyclic aromatic hydrocarbons from earthworms | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
RIVM/MNP guidance for uncertainty assessment and communication. Mini-checklist & quickscan questionnaire | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Proton-metal exchange processes in synthetic and natural polyelectrolyte solution systems | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Using deepest regression method for optimization of fluidized bed granulation on semi-full scale | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Fate and transport of surface water pathogens in watersheds | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Enhanced immunological memory responses to Listeria monocytogenes in rodents, as measured by delayed-type hypersensitivity (DTH), adoptive transfer of DTH, and protective immunity, following Lactobacillus casei Shirota ingestion | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
De tweede nationale studie naar ziekten en verrichtingen in de huisartsenpraktijk: aanleiding en methoden | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Application of bioassays for risk characterisation and remediation control of soils polluted with nitroaromatics and PAHs | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
RIVM/MNP guidance for uncertainty assessment and communication. Quickscan hints & actions list | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Future burden and costs of smoking-related disease in the Netherlands: a dynamic modeling approach | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Lung function decrease in relation to pneumoconiosis and exposure to quartz-containing dust in construction workers | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Investigation of an unexplained skin disorder in a prison clinic in the Netherlands in 2002 | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Gly972Arg variant in the insulin receptor substrate-1 gene and association with Type 2 diabetes: a meta-analysis of 27 studies | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Present state and future prospects for groundwater ecosystems | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Introduction of surveillance of infections with Staphylococcus aureus containing the Panton-Valentine Leukocydin gene in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Ammonia | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
The integrated modeling system STONE for calculating nutrient emissions from agriculture in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Availability of polycyclic aromatic hydrocarbons to earthworms (Eisenia andrei, oligochaeta) in field-polluted soils and soil-sediment mixtures | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Migration of N-nitrosamines, N-nitrosatable substances and 2-mercarptobenzthiazol from baby bottle teats and soothers: a Dutch retail survey | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Colistin sulfate as a suitable substitute of thallium acetate in culture media intended for mycoplasma detection and culture | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Compliance with PM standards in the European Union: a Netherlands case study | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
SF6 from electrical equipment and other uses | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Feedings activity of the earthworm Eisenia andrei in artificial soil | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Interlaboratory ring test of time-resolved fluoroimmunoassays for zeranol and alpha-zearalenol and comparison with zeranol test kits | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Mattress encasings and mite allergen levels in the Prevention and Incidence of Asthma and Mite Allergy study | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
The new Dutch "Register for risk situation involving hazardous substances" | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Onderzoek naar nieuwe middelen voor diagnostiek, behandeling en preventie van tuberculose | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Identification of Borrelia burgdorferi sensu lato, Anaplasma and Ehrlichia species, and spotted fever group rickettsiae in ticks from Southeastern Europe | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Early identification of common-source foodborne virus outbreaks in Europe | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Crucial role of antibodies to pertactin in Bordetella pertussis immunity | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Documentation of the activities within the framework of the completion of the CRF for the 2003 submission to the UNFCCC | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Copper-induced modifications of the trophic relations in riverine algal-bacterial biofilms | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Epidemic and nonepidemic multidrug-resistant Enterococcus faecium | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Checks and verification at national and international levels | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Limitations of current risk characterization methods in probabilistic environmental risk assessment | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Global emission sources of greenhouse gas emissions from industrial processes: SF6 | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Molecular epidemiology of Enterococcus faecalis in liver transplant patients at University Hospital Groningen | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Histopathology as a tool for the evaluation of endocrine disruption in zebrafish (Danio rerio) | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Chitosan microparticles for mucosal vaccination against diphtheria: oral and nasal efficacy studies in mice | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Automated, laboratory-based system using the Internet for disease outbreak detection, the Netherlands | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Belangrijkste conclusies uit de Natuurbalans 2003. Aanpassing van natuur aan klimaatverandering vraagt tijd en ruimte: 1/ Om soorten een kans te geven zich aan klimaatverandering aan te passen, zou het overheidsbeleid zich zowel moeten richten op het verlagen van het tempo van opwarming van de aarde als op het bieden van leefruimte. 2/Soorten waarvan de leefgebieden ongeschikt worden, moeten naar andere gebieden kunnen uitwijken anders sterven de populaties uit. Daarom is het van belang dat er een netwerk van samenhangende natuurgebieden beschikbaar is. Ecologische hoofdstructuur biedt op papier perspectief, maar praktijk blijkt weerbarstig. 1/ Met de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) zou een samenhangend netwerk van natuurgebieden moeten ontstaan. De realisatie ervan ligt echter achter op schema. 2/ Bovendien is de milieukwaliteit in en rond de EHS ongeschikt voor de gewenste natuur.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Campylobacter (C.) jejuni is de meest frequente veroorzaker van gastro-enteritis in Nederland. Onderzoek met verschillende genetische typeringstechnieken laat zien dat er zeer veel campylobactertypen bestaan. Pluimvee wordt beschouwd als een belangrijke bron van C. jejuni, maar veel van de stammen die worden ge6soleerd uit pluimvee worden niet teruggevonden in de humane populatie, terwijl van de stammen die zijn ge6soleerd uit humane pati6nten slechts 30% wordt teruggevonden bij pluimvee. Hieraan kunnen verschillende oorzaken ten grondslag liggen: (1) Mogelijk bestaan er nog andere bronnen van C. jejuni. Risicofactoren voor het oplopen van een infectie met Campylobacter zijn het houden van (jonge) huisdieren en het drinken van ongepasteuriseerde melk. Opvallend genoeg wordt het eten van kip niet altijd als risicofactor gezien; (2) Groei van campylobacters lijkt beperkt te zijn tot het maagdarmstelsel van warmbloedig dieren. Onder omstandigheden waar groei niet mogelijk is, blijft Campylobacter weliswaar vitaal, maar neemt de kweekbaarheid, en daarmee de aantoonbaarheid, af. Mogelijk is Campylobacter in deze vitale, maar niet meer kweekbare vorm toch nog in staat om een infectie te veroorzaken; (3) Pluimvee is besmet met verschillende typen C. jejuni waarvan er een of enkele domineren en dus worden aangetoond. Bij een voedselinfectie worden alle typen overgedragen, maar omdat in de mens andere typen gaan domineren, worden in de mens ook andere typen aangetoond; (4) Mogelijk treden er veranderingen op in het genotype van Campylobacter, waardoor het slechts lijkt alsof er sprake is van niet-verwante typen. In deze studie is C. jejuni gedurende 150 generaties gekweekt onder gecontroleerde omstandigheden en is van op geregelde tijdstippen genomen monsters met behulp van verschillende genetische technieken het genotype bepaald. Er zijn in deze periode en onder de gebruikte omstandigheden geen veranderingen in genotype waargenomen.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Ten behoeve van het Europese project 'MICROCRM' werden partijen microbiologische referentiematerialen (RMs) bereid voor het uitvoeren van haalbaarheid certificeringsstudies. De drie partners in het project, Instituut Pasteur (Lille, Fr), Public Health Laboratory Services (Newcastle, UK) en het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (Bilthoven, NL), produceerden elk partijen van 55n van drie verschillende typen microbiologische RMs (pastilles, lenticules of capsules). Bij het RIVM werden vier partijen capsule RMs bereid, elk met een verschillende stam. Iedere partij werd gecontroleerd op homogeniteit, lange termijn stabiliteit bij opslagtemperatuur (-20 graden C) en korte termijn stabiliteit bij verhoogde temperaturen (5 graden C, 22 graden C, 30 graden C en 36 graden C). De partij RMs met Escherichia coli werd geanalyseerd met 2 verschillende kweekmethoden. De partij RMs met Enterococcus faecium werd geanalyseerd met 4 verschillende kweekmethoden. De partijen RMs met Clostridium perfringens en Pseudomonas aeruginosa werden ieder geanalyseerd met 1 kweekmethode. De partij RMs met P. aeruginosa was weinig stabiel bij opslagtemperatuur (-20 graden C) en er werd besloten om deze partij niet te gebruiken voor de haalbaarheid certificeringsstudies. De kwaliteit van de andere partijen capsule RMs was voldoende om te gebruiken in verdere studies.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Dit rapport vormt de afronding van het project pT. pT verwijst naar de toxische potentie van oppervlaktewater door de aanwezigheid van lage concentraties van toxische stoffen, maar waarvan de aard en concentraties onbekend zijn. De veelheid van stoffen beperkt de informatie die conventionele chemische monitoring kan leveren. Ook al zou het mogelijk zijn om de meeste stoffen te meten, dan is het onmogelijk om deze informatie te vertalen naar zoiets als toxische stress, omdat van slechts een klein aantal stoffen de toxische eigenschappen bekend zijn. Het milieubeleid heeft behoefte aan een instrument waarmee monitoring van toxische stress in het ecosysteem mogelijk is, zowel om de effectiviteit van het stoffenbeleid te kunnen volgen als om een afweging te kunnen maken met andere stressfactoren, zoals verzuring en vermesting. De methode pT werd ontwikkeld waarmee 1.) de onbekende cocktail van organische toxische stoffen uit een monster van oppervlaktewater wordt geextraheerd, 2) de acute toxiciteit wordt bepaald van het aldus geconcentreerde watermonster m.b.v. een testbatterij van geminiaturiseerde in vivo-bioassays ("toxkits") en 3.) uit de waargenomen variatie in gevoeligheid van de toxkits de toxische stress in het lokale ecosysteem wordt afgeleid die indicatief is voor aantasting van de soortenrijkdom, PAF (potentieel aangetaste fractie). Aan de hand van verschillende testmengsels, bestaande uit stoffen met een a-specifieke (narcotiserende) werking, pesticiden en surfactanten, werd de concentratietechniek geoptimaliseerd. Deze mengsels met meer dan 30 verschillende verbindingen met uiteenlopende fysisch-chemische en toxische eigenschappen, werden gebruikt bij het uittesten van de in vivo-bioassays. De efficientie van de concentratietechniek van ca 60 % moet als het maximaal haalbare worden gezien vanwege het feit dat deze gebaseerd is op vaste fase extractie met onvermijdelijk specificiteit voor fysisch-chemische eigenschappen van stoffen. De testbatterij bestond uit Daphnia IQ, PAM (een algentest), Microtox en Thamnotox F. Omdat voor metalen deze methode ongeschikt is, werd daarvoor een andere procedure ontwikkeld. Deze is gebaseerd op multi-elementanalyse van watermonsters in combinatie met ecotoxiccteits data van 16 metalen. Gezamelijk onderzoek met het RIZA heeft aangetoond dat de totale toxische stress afneemt in volgorde van Schelde, Maas en Rijn. Met behulp van de pT methode, ook wel "msPAF(gemeten)" (multi substance PAF) genoemd, werd door toepassing op de verschillende testmengsels een eerste aanzet gegeven tot de validatie van het PAF concept voor mengsels van stoffen.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Op 29 januari 2003 werd door het Milieu- en Natuurplanbureau in samenwerking met de werkgroep Sociaal-Wetenschappelijk Onderzoek Milieu en Energie (SWOME) een colloquium georganiseerd. Zeven genodigde sprekers gingen vanuit diverse invalshoeken in op het thema: "De Europese context van het nationale milieubeleid. Verschillen tussen de vormgeving en effectiviteit van het milieubeleid in de EU-landen en de betekenis hiervan voor Nederland". Enkele conclusies van de sprekers luidden: Natuur en milieu hebben veelal baat bij Europese regelgeving op deze terreinen. Europa heeft inmiddels een sterke, en toenemende, invloed op het milieubeleid van lidstaten. De Europese beleidsvoorbereiding en besluitvorming is een zeer complex en vaak onvoorspelbaar proces. De besluitvorming in de EU voltrekt zich in feite geheel buiten het zicht van het Nederlandse parlement. Onvoldoende oog voor de Europese context van het nationale beleid leidt tot juridische conflicten en een inefficiente nationale beleidsvoering. Als aanbeveling stellen de organisatoren van de colloquiumdag dat het Milieu- en Natuurplanbureau de Tweede Kamer beter zou kunnen informeren over de Europese context door in rapportages als de Milieubalans en Milieuverkenning meer aandacht te besteden aan: de beleidsontwikkelingen die in Brussel gaande zijn; de vraag hoe Nederland die ontwikkelingen optimaal kan beinvloeden; de vraag hoe andere landen hun milieubeleid inrichten en wat kan Nederland daarvan leren.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
De procedures die in dit document beschreven worden ten behoeve van de registratiebeoordeling geven richtsnoeren voor de beoordeling van het lot in het milieu en de effecten op niet-doelwitorganismen, van diergeneesmiddelen die met de mest verspreid worden. Het rapport bevat overwegingen voor het testen van gedrag en effecten met nadruk op de eigenschappen van antibiotica. Het rapport geeft aan welke modelbenaderingen beschikbaar zijn en welke overwegingen aan modelscenario's ten grondslag zouden kunnen liggen. Aandacht wordt besteed aan risicoreductie maatregelen en de omstandigheden waaronder deze van toepassing zouden kunnen zijn.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
In de normstelling wordt voor bepaalde groepen verbindingen rekening gehouden met de totale toxiciteit van een mengsel van stoffen in het milieu. De huidige concepten om hier normen voor af te leiden zijn geevalueerd en getoetst aan de huidige praktijk. Het rapport bevat aanbevelingen om op een consistente manier om te gaan met mengseltoxiciteit in de normstelling.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
De kosten-effectiviteit van preventie - een verkennende studie | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Bij het beheersen van milieurisico's zal de politiek regelmatig een afweging moeten maken tussen rechtvaardigheid en betaalbaarheid (doelmatigheid). Hiervoor heeft het Milieu- en Natuurplanbureau van het RIVM een systematiek ontwikkeld. Dit staat in het rapport 'Nuchter omgaan met risico's' dat op verzoek van staatssecretaris Van Geel is geschreven. De systematiek biedt handvatten om op een transparante en te verantwoorden manier tot beschermingsniveaus te komen, afhankelijk van de beleving van risico's door de burger en de kosten van risicovermindering. De aanvaarde risico's zouden bij zo'n 'nuchtere' aanpak niet perse overal even groot hoeven te zijn, maar in bepaalde situaties kunnen afwijken van de huidige risiconorm. Het huidige risicobeleid van de overheid voor het milieu gaat uit van het recht op bescherming van iedere inwoner van Nederland. Niemand in Nederland mag blootgesteld worden aan een kans op sterfte van meer dan 1 op de miljoen (de zogenaamde miljoen norm) door grote ongevallen, giftige stoffen en straling. Deze norm voldoet in de praktijk niet voor alle risicovolle situaties. Het rapport 'Nuchter omgaan met risico's' bespreekt de mogelijkheid het huidige beleid uit te breiden met drie stappen. Er kan dan bewust gekozen worden voor een andere strategie voor de beheersing van risico's, wanneer:1. het oplossen van de knelpunten te duur is; 2. de berekende sterfte risico's geen goede maat zijn voor de maatschappelijke onrust; 3. de complexiteit en de wetenschappelijke onzekerheid groot is. Centraal in de gepresenteerde aanpak staat een zogenaamde 'risicoladder' om verschillende soorten risico's te typeren. Hiermee kan de overheid bewuste keuzen maken tussen de kosten van een mogelijke ingreep (doelmatigheid) en het oorspronkelijke uitgangspunt van het recht op risicobescherming voor iedereen
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Het rapport geeft een overzicht van het recente (1998/1999) voorkomen van indicator-PCB's in voedingsmiddelen, gebaseerd op twee meetprogramma's waarbij in verschillende consumentenproducten en primaire agrarische producten concentraties werden gemeten van de zeven indicator PCB's (polychloor-bifenylen, congeneren 28, 52, 101, 118, 138, 153 en 180). Door deze informatie te combineren met recente voedselconsumptiegegevens kon een berekening gemaakt worden van de lange termijn inname van indicator-PCB's. De mediane inname in de bevolking wordt geschat op 5,6 ng per kg lichaamsgewicht per dag; de inname van het 95ste percentiel wordt geschat op 11,9 ng per kg lichaamsgewicht per dag. De bijdrage van de verschillende groepen voedingsmiddelen aan de inname van indicator-PCB's is redelijk uniform verspreid over het Nederlandse voedselpakket, met 75% via dierlijke producten (vleesproducten 27%, zuivelproducten 17%, vis 26% en eieren 5%). Daarnaast dragen plant-aardige producten 7% en industriele olien en vetten 18% bij aan de totale inname. Sinds de jaren zeventig zijn de concentraties in de meeste voedingsmiddelen sterk afgenomen. Dit heeft geleid tot een sterke afname van de inname van indicator-PCB's vergeleken met 1978, zij het dat deze afname gedurende het laatste decennium minder is geworden. Niettemin heeft een klein gedeelte van de bevolking een relatief hoge inname. Als een dergelijke inname van korte duur is, wordt niet verwacht dat dit tot effecten zal leiden die schadelijk zijn voor de gezondheid. Aanbevolen wordt om voor de indicator-PCB's een TDI af te leiden, bij voorkeur door internationale organisaties, zodat de overheid de beschikking krijgt over een gezondheid-gerelateerde richtlijn om schadelijke effecten van de blootstelling aan PCB's te voorkomen. Voortdurende aandacht voor de inname van PCB's is net zo belangrijk als aandacht voor de inname van dioxinen, en terugdringing van deze innames verdient blijvende aandacht.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Bij de evaluatie van de toelaatbaarheid van gewasbeschermingsmiddelen spelen gegevens uit laboratorium- en veldexperimenten een belangrijke rol. Ook gegevens uit monitoring programma's kunnen bij de registratie van gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Bij de beoordeling van uitspoeling worden gegevens van monitoring programma's in de laatste stadia van de beoordeling gebruikt. Het CTB gaat bij de toelatingsbeoordeling uit van het voorzorgsprincipe. Dat wil zeggen dat een toelating pas wordt verstrekt als uit de evaluatie blijkt dat een stof voldoet aan wettelijke gestelde normen. Om bruikbaar te zijn in het evaluatieproces dienen monitoring gegevens dan ook een antwoord te geven op de vraag of een stof aan de wettelijke normen voldoet. Gezien de plaats in het evaluatieproces dienen aan opzet, uitvoering, interpretatie en evaluatie hoge eisen te worden gesteld. Dit rapport geeft richtlijnen voor elk van deze aspecten van monitoring studies. Tevens wordt een richtlijn gegeven voor het samenvatten van dergelijke studies.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
A review on the application of microbial toxicity tests for deriving sediment quality guidelines | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Phylogenetic and evolutionary relationships among Totovirus field variants: evidence for multiple intertypic recombination events | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Underlying issues including appraches and information needs in risk assessment | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Evaluation of EU risk assessment existing chemicals (EC regulation 793/93) | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Occupational level of the father and alcohol consumption during adolescence; patterns and predictors | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Group level validation of protein intakes estimated by 24-hour diet recall and dietary questionnaires against 24-hour urinary nitrogen in the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition (EPIC) Calibration Study | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Vitellogenin expression in zebrafish Danio rerio: evaluation by histochemistry, immunohistochemistry, and in situ mRNA hybridisation | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Heterogeneous case definitions used for the surveillance of influenza in Europe | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Pathogenesis of poliovirus infection in PVRTg mice: poliovirus replicates in peritoneal macrophages | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Liposomal meningococcal B vaccination: role of dendritic cell targeting in the development of a protective immune response | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Genetic characterization of glycopeptide-resistant enterococci of human and animal origin from mixed pig and poultry farms | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
(Q)SARs: gatekeepers against risk on chemicals? | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Fatal Mycobacterium bovis Bacille Calmette-Guerin infection caused by contamination of chemotherapeutic agents and not by endogenous reactivation: correction of a previous conclusion [Letter to the editor] | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Monitoring approaches to assess bioaccessibility and bioavailability of metals: Matrix issues | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Evaluation of serological and virological tests in the diagnosis of clinical and subclinical measles virus infections during an outbreak of measles in The Netherlands | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Comparison of measles virus-specific antibody titres as measured by enzyme-linked immunosorbent assay and virus neutralisation assay | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
European antimicrobial resistance surveillance as part of a Community strategy | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Lessons from an LPS-deficient Neisseria meningitidis mutant | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Een meticilline-resistente Staphylococcus aureus (MRSA)-infectie bij een hond in Nederland | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Genotyping by amplified fragment length polymorphism analysis reveals persistence and recurrence of infection with Streptococcus anginosus group organisms | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Study of lyssaviruses of bat origin as a source of rabies for other animal species in the State of Rio De Janeiro, Brazil | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Patient experiences with the performance of tablet score lines needed for dosing | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Study on lifestyle-intervention and impaired glucose tolerance Maastricht (SLIM): design and screening results | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Mycobacterium vaccae administration during allergen sensitization or challenge suppresses asthmatic features | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Differences in clinical manifestations and hematological and serological responses after experimental infection with genetic variants of Anaplasma phagocytophilum in sheep | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Duurzame landbouw 2030 in drie organisatievormen: beelden voor de toekomst | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Health implications of exposure to environmental nitrogenous compounds | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
NAT2 slow acetylation and GSTM1 null genotypes may increase postmenopausal breast cancer risk in long-term smoking women | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Pro/con debate of activated protein C in severe sepsis [Letter to the editor] | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Circulation of endemic type 2 vaccine-derived poliovirus in Egypt from 1983 to 1993 | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Meningococcal vaccines | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Elucidating the routes of exposure for organic chemicals in the earthworm, Eisenia andre (Oligochaeta) | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Lignan precursors from flaxseed or rye bran do not protect against the development of intestinal neoplasia in ApcMin mice | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Drug resistance among failure and relapse cases of tuberculosis: is the standard re-treatment regiment adequate? | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Analysis of optically active compounds using conventional chromatography with a circular dichroism detector | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Improvement of steam sterilization [Letter to the editor] | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Dit rapport evalueert met een quick scan methode een aantal beleidsvarianten voor zonering rond VHR en WAV-gebieden, wat betreft de effectiviteit inzake de bescherming van natuurgebieden. Tevens wordt ingegaan op de mogelijke risico's van de beleidsvarianten. Uit de resultaten blijkt dat voor realisatie van de gestelde natuurdoelen (inclusief Habitatrichtlijn verplichtingen), los van de discussie over zoneringsmaatregelen, het terugdringen van de hoge achtergronddepositie met generiek beleid een conditio sine qua non is. De zoneringsvarianten kunnen wel een afwaartse beweging van landbouw ten opzichte van natuur ingang zetten. Bovendien kan zonering, mits resulterend in emissiereductie, een bijdrage leveren aan de aanpak van lokale 'hot spots', waar hoge natuurwaarde worden beinvloed door hoge lokale emissiebronnen.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Natuur: meer geld, minder sturing. Het kabinet Balkenende-2 reserveert in de periode 2004-2007 700 miljoen euro extra voor natuur en reconstructie, waarvan ruim 400 miljoen voor de realisatie van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Daarmee is voldoende geld beschikbaar om het voor de komende kabinetsperiode beoogde areaal EHS te realiseren. De realisatie heeft echter grote risico's omdat de sturing van de rijksoverheid op de EHS afneemt. Het kabinet zet - evenals het kabinet Balkenende-1 sterk in op particulier natuurbeheer. Maar de belangstelling daarvoor is tot nu toe erg klein. Het realiseren van een goede natuurkwaliteit in de EHS komt in gevaar, omdat uitbreiding van intensieve veehouderij rond kwetsbare natuur mogelijk blijft door de voorgenomen aanpassing van de Wet ammoniak en veehouderij. Milieu: goedkoper, met weinig effect op emissies. Het kabinet bespaart in de periode 2004-2007 900 miljoen euro op milieu-uitgaven. Deze bezuinigingen hebben per saldo nauwelijks een negatief milieu-effect. Dit komt omdat de Nederlandse aankoop van emissiereducties in het buitenland momenteel kan plaatsvinden tegen een lagere prijs dan oorspronkelijk begroot en de stimulering van duurzame energie verder wordt gestroomlijnd ('maatwerk'). Het blijft onzeker of Nederland aan zijn Kyoto-verplichting voor 2010 kan voldoen. De internationale milieuverplichtingen op het terrein van verzurende emissies (SO2,NOx en VOS)en de grenswaarden aan de luchtconcentraties van NO2 en fijn stof blijven bij de huidige kabinetsvoornemens buiten bereik.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Kinderen kunnen worden blootgesteld aan stoffen afkomstig uit speelgoed als gevolg van sabbelen en eventueel inslikken van (stukjes) speelgoed. Alleen het deel van de contaminant dat is vrijgemaakt van het speelgoed kan terechtkomen in de bloedbaan (interne blootstelling) en kan toxiciteit veroorzaken. In huidige risicoschatting wordt het vrijmaken van de contaminant uit speelgoed niet meegenomen, of wordt dit bepaald onder niet fysiologische omstandigheden. Daardoor kan het risico van kinderen door blootstelling aan contaminanten in speelgoed worden overschat. Met een in vitro digestiemodel gebaseerd op humane fysiologie kan een beter beeld worden verkregen van de hoeveelheid contaminant die vrijkomt uit speelgoed onder invloed van sabbelen en/of het digestieproces in het maagdarmkanaal. Het huidige rapport beschrijft de ontwikkeling van een drietal in vitro digestiemodellen die gebaseerd zijn op fysiologische omstandigheden in kinderen. Met deze modellen kan het vrijkomen van contaminanten uit speelgoed worden bepaald onder verschillende omstandigheden: 1) sabbelen aan speelgoed, 2) sabbelen aan speelgoed in combinatie met inslikken van het speelgoed, en 3) inslikken van speelgoed zonder een sabbelfase. De digestiemodellen zijn getest voor lood uit 4 verschillende speelgoedmatrices (stoepkrijt, bordkrijt, vingerverf, verfschilfers). Het gebruik van de in vitro digestiemodellen voor blootstellingsbeoordeling van contaminanten is bediscussieerd in relatie tot bestaande richtlijnen en het humane blootstellingsmodel CONSEXPO.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Een belangrijk aspect van voedselveiligheid is de controle van bestrijdingsmiddelenresiduen op voeding. Residubeoordelingen van bestrijdingsmiddelen worden uitgevoerd om wettelijke residulimieten (MRLs = maximum residue limits) vast te stellen voor plantaardige en dierlijke producten. In de EU-handleiding voor residubeoordelingen, het zogenaamde Lundehn document, worden agrarische gewassen ingedeeld in groepen, waarbinnen de resultaten vergelijkbaar worden geacht. Binnen deze groepen kunnen de resultaten van een enkel gewas geextrapoleerd worden hetzij naar een ander gewas of de gehele gewasgroep. Omdat in het Lundehn document per beoordelingsonderdeel alleen voorbeelden van gewassen worden genoemd, bestaat het gevaar dat gewassen, die niet genoemd zijn in dit document, verschillend geclassificeerd worden door de verschillende gebruikers van deze classificatie. De classificatie die in het huidige rapport gepresenteerd wordt, bevat een uitgebreide classificatie voor agrarische gewassen die in de Europese Unie worden geteeld of worden geimporteerd hetzij voor humane consumptie of voor veevoer. Elk gewas is geclassificeerd voor de relevante onderdelen onderdelen van het bestrijdingsmiddelenbeoordelings-proces, te weten: plantmetabolisme, gewasbemonstering, residuproeven onder toezicht, veevoer, stabiliteit tijdens opslag van analytische monsters, validatie van analysemethoden en volggewassen.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Ochratoxine A is een mycotoxine aanwezig op verschillende voedingsmiddelen. In dit rapport wordt de toxiciteit van ochratoxine A samengevat. De inname van ochratoxine A in de Nederlandse populatie wordt op een probabilistische wijze geschat. Granen dragen het meeste bij (55%) aan de totale ochratoxine A inname. Aangezien het 99e percentiel van de levenslang-gemiddelde inname (28 ng/kg lg/week) beduidend lager is dan de "Provisional Tolerable Weekly Intake" (100 ng/kg lg/week), wordt geconcludeerd dat er geen gezondheidsrisico is met betrekking tot de huidige inname van ochratoxine A.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Dit rapport beschrijft een referentiescenario voor de ammoniakemissie uit de landbouw in 2010 en een aantal varianten hierop. Het referentiescenario beschrijft op basis van het vastgestelde en voorgenomen milieubeleid tot 2010 een mogelijk scenario. De varianten richten zich zowel op minder beleid (effecten van bestaande beleidsmaatregelen) als op meer beleid (effecten van aanvullend beleid).De ammoniakemissie uit de landbouw in 2010 zal onder het vastgestelde en voorgenomen beleid naar schatting ongeveer 106 mln. kg ammoniak bedragen. Uit het onderzoek blijkt dat de AMvB Huisvesting, de aanscherping van Minas in de periode 2000-2004 en de RbV respectievelijk, ongeveer 11, 7 en 7 mln. kg ammoniakemissie reductie teweeg gebracht hebben danwel zullen brengen tot 2010. Aanvullend beleid met aanscherping van de regels voor aanwending van dierlijke mest, beperking van het melkureumgehalte en emissiearme stallen voor rundvee leiden in 2010 tot maximaal een reductie van ongeveer 17 mln. kg ammoniakemissie.Het nationale emissieplafond (emissieverplichting van de EU 128 mln. kg ammoniak) gecorrigeerd voor de overige doelgroepen (14 a 15 mln. kg) wordt op basis van resultaten van dit onderzoek gehaald en de doelstelling uit NMP4 voor 2010 (100 mln. kg ammoniak) gecorrigeerd voor de overige doelgroepen komt binnen bereik.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Residuen van diergeneesmiddelen bereiken het milieu met de mest die op landbouwgronden wordt aangewend. In dit rapport worden veehouderij, mestbehandeling en milieuomstandigheden in Europa gekarakteriseerd en worden realistische scenarios voor deze parameters voorgesteld, in samenhang met geschikte verspreidingsmodellen. In verband met de variabiliteit in mestbehandeling is gekozen voor een eenvoudige benadering. Een scenario onder realistische 'worst-case' omstandigheden wordt voorgesteld, uitgaande van een enkele behandeling per dierverblijfplaats, een vastgestelde stikstofproductie, toediening van een stikstofgift van 170 kg N/ha/jaar met een hoeveelheid mest gelijk aan de productie in 1 maand, geen verdwijning van het residue tijdens de opslag, geen nabehandeling van de mest, en een inwerkdiepte van 5 cm in de bodem. Risicoreductiemaatregelen die betrekking hebben op mestbehandeling en mestgebruik kunnen met deze benadering niet worden geverifieerd. Scenario's en modellen voor distributie in het milieu zoals vastgesteld zijn door FOCUS worden geschikt geacht voor diergeneesmiddelen. In aanvulling wordt voor oppervlakkige afstroming en bodemerosie in mediterrane gebieden een toegespitst stroomgebiedenscenario en -model aangedragen.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
In dit rapport worden milieurisicogrenzen (MTR, VR) afgeleid voor de stof ethyleen- diamine tetra-azijnzuur (EDTA, ; CAS No. 64-02-8, EINECS No. 200-573-9), gebaseerd op het EU risk assessment rapport voor deze stof. De MTR voor deze stof in water is 2.2. mg/l en de VR is 0.022 mg/l. Berekening van een MTR voor bodem of sediment is niet mogelijk omdat de speciatie van EDTA complex is.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
In dit rapport worden milieurisicogrenzen (MTR, VR en SRC-eco) afgeleid voor de stof aminomethyl-fosfonzuur (AMPA, de primaire metaboliet van het herbicide glyfosaat en fosfonaten, o.a ingredienten van wasmiddelen. De MTR voor AMPA is 79,7 ug/L. MTR's voor bodem en sediment konden niet worden vastgesteld.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
In april 2002 werd door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) een internationale workshop over Omgevingskwaliteit en Kwaliteit van Leven georganiseerd. De workshop had als doel consensus te bereiken over de belangrijkste assumpties en principes, die ten grondslag liggen aan modellen met betrekking tot omgevingskwaliteit. Een ander hoofddoel was de vorming van een internationaal onderzoeksteam (consortium). De problemen en vragen rondom de begrippen omgevingskwaliteit en kwaliteit van leven werden belicht vanuit zes perspectieven (samenvattingen in Bijlage 1). De discussie spitste zich toe op a) definities, b) modellen, c) de keuze van domeinen en indicatoren, d) geografische schaalniveaus, e) het raakvlak tussen theorie (wetenschappers) and praktijk (beleid/ planners) en f) de noodzaak tot communicatie met en participatie van relevante belanghebbenden.Uitkomsten van de workshop zijn een interdisciplinair netwerk van deskundigen op het gebied van omgevingskwaliteit, een 'Expression of Interest' voor een geintegreerd project (IP) ten behoeve van het 6e EU Kader Programma en een speciale uitgave van het internationale tijschrift 'Landscape and Urban Planning', in het eerste kwartaal van 2003.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Aard en omvang van complicaties van gastrostomata bij ernstig meervoudig gehandicapten | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
No modifying effect of NAT1, GSTM1, and GSTT1 on the relation between smoking and colorectal cancer risk | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Acute effect of air pollution on respiratory complaints, exhaled NO and biomarkers in nasal lavages of allergic children during the pollen season | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Eerste effect van landelijke vaccinatiecampagne tegen meningokokken-C-ziekte: snelle en sterke afname van het aantal patienten | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Prediction of ecological no-effect concentrations for initial risk assessment: combining substance-specific data and database information | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Central role of complement in passive protection by human IgG1 and IgG2 anti-pneumococcal antibodies in mice | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Repeated introduction of genetically modified pseudomonas putida WCS358r without intensified effects on the indigenous microflora of field-grown wheat | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Association of Bordetella pertussis with host immune cells in the mouse lung | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Air pollution and mortality in the Netherlands: are the elderly more at risk? | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Surveillance of HCV infection in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Adjuvant activity of various diesel exhaust and ambient particles in two allergic models | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Tussen 1995 en 1999 zijn in opdracht van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) ca. 16000 triple testen uitgevoerd voor de bepaling van het risico op een zwangerschap van een kind met Down syndroom of een neuraalbuisdefect (NBD). In het rapport wordt een overzicht van de herkomst van de aanvragen gegeven, en gecategoriseert als monsters afkomstig van enkelvoudige zwangerschappen zonder bijzonderheden en overige zwangerschappen. Het geeft een overzicht van de experimenteel gevonden waarden van enkelvoudige 'niet bijzondere' zwangerschappen. Daarnaast geeft het op basis van teruggerapporteerde gegevens over de uitkomst van zwangerschappen een indicatie van de prestaties van de triple test. Daartoe worden o.a. het percentage opgespoorde Down syndroom en NBD zwangerschappen en het percentage onterecht als 'verhoogd' geclassificeerde triple test uitslagen gepresenteerd. In de verslagperiode werd na een aanvankelijk maximum in het aantal aanvragen (ca.4000) in 1996 een daling gezien tot ca. 3200 in de volgende jaren. Het aantal aanvragen van academische centra nam af ten gunste van het aantal aanvragen van o.a. de perifere ziekenhuizen. Gedurende de verslagperiode is de leeftijd van de zwangeren die een triple test doen hoger geworden. Dit veroorzaakt ook een hoger percentage 'verhoogd risico op Down syndroom zwangerschap' uitslagen. Van ca. 70% van de zwangerschappen waarvoor een triple test is aangevraagd zijn uiteindelijk post partum gegevens ontvangen. Deze zijn noodzakelijk voor het bepalen van het percentage opgespoorde Down syndroom en NBD zwangerschappen. De multiple-of-the-median waarden van de triple test parameters (alfafoetoproteine, ongeconjugeerd oestriol en humaan choriongonadotropine), voldeden, behoudens enkele uitzonderingen, aan de eisen van log-normaliteit en bias die de triple test risicoschatting verlangt. In de periode 1995-1999 werd 89% van de Down syndroom zwangerschappen opgespoord bij een percentage onterecht verhoogde uitslagen van 13.7 %. Van de NBD zwangerschappen werd 63% opgespoord bij een percentage onterecht verhoogde uitslagen van 3.3%. De triple test zoals uitgevoerd bij het RIVM presteert daarmee in termen van het percentage opgespoorde Down syndroom zwangerschappen en percentage onterecht verhoogde uitslagen vergelijkbaar met of beter dan modelmatig bepaalde grenswaarden op basis van de leeftijdsverdeling van de zwangeren. Dit rapport geeft ook een beschrijving van de praktische en logistieke aspecten van het uitvoeren van de triple test, waarbij de nadruk ligt op de complexe relaties tussen de verschillende actoren in de aanvraagcyclus en de daardoor veroorzaakte knelpunten.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
In deze rapportage worden de gegevens gepresenteerd van geregistreerde voedselinfecties en voedselvergiftigingen in Nederland in 2002. De resultaten zijn gebaseerd op meldingen door consumenten aan de Keuringsdienst van Waren en op wettelijk verplichte meldingen van ziektegevallen bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg. Bij de vijf Keuringsdiensten van Waren werden in 2002 349 explosies en 236 enkele gevallen gemeld, in totaal (585) een groter aantal dan in 1999-2001 (460-516). Echter, door de relatief kleinere omvang van de explosies was het totaal aantal betrokken ziektegevallen in 2002 (1784) vergelijkbaar met voorgaande jaren. Bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg werden 122 meldingen gedaan: 81 meldingen van explosies (2 of meer gerelateerde ziektegevallen), 53 pati6nten met een verzorgend of verplegend beroep of werkzaam in de levensmiddelensector (waarvan 17 ook betrokken bij een explosie) en 5 met onbekend criterium voor melding. Het aantal gemelde explosies was in 2002 lager dan in 2001 (101), maar vergelijkbaar met de circa 70-80 explosies gemeld in 1999 en 2000. Het totaal aantal betrokken ziektegevallen in 2002 was 1016, gemiddeld ruim 13 zieken per explosie. Bij de Keuringsdienst van Waren werd een mogelijke oorzaak gevonden bij 14% van de meldingen. Bacillus cereus (3,4%) werd daarbij het meest frequent gezien, gevolgd door Salmonella (1,5%). Echter, bij de incidenten waar een restant van het verdachte voedsel beschikbaar was voor onderzoek (bij 27,5% van het totaal), werd vaker een oorzaak gevonden, namelijk bij 52%. Bij de Inspectie Gezondheidszorg werd voor 78% van de explosies met aanvullende informatie een verwekker aangegeven. Salmonella was de meest gevonden verwekker (43%), gevolgd door Campylobacter (20%) en Norovirus (12%). Voor zowel Campylobacter als norovirus is het relatieve belang als verwekker bij voedsel-gerelateerde explosies sinds 2000 toegenomen. Indien pati6ntendiagnostiek voor norovirus breder beschikbaar komt in de Nederlandse laboratoria en recent ontwikkelde detectiemethoden voor norovirus voor bepaalde voedselproducten toegepast gaan worden, zal het relative belang van norovirus als verwekker in de komende jaren vermoedelijk nog sterker zichtbaar worden.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Het Gezondheidsraadrapport 'Prenatale screening. Downsyndroom, neuralebuisdefecten, routine-echoscopie' (1) laat nadrukkelijk ruimte voor het evalueren van nieuwe methoden voor de schatting van het risico op een zwangerschap van een kind met Down syndroom. Het onderzoeken van dergelijke nieuwe methoden is ook een van de expliciete onderzoeksvragen van het onderhavige project. Vooral vanwege de verwachte hoge detectiegraad is gekozen voor het nader uitwerken van een risicoschattingsmethode gebaseerd op een meting van de nekplooi bij de foetus in week 10-14 van de zwangerschap (Eng: nuchal translucency thickness; NT), in combinatie met de meting van pregnancy-associated plasma protein A (PAPP-A) en de vrije beta subunit van humaan choriongonadodotropine (fbeta-hCG) in het bloed van de moeder in het 1e trimester van de zwangerschap. Voor het operationeel maken van deze methode dienen allereerst betrouwbare of mediane concentraties (normaalwaarden) per zwangerschapsdag vastgesteld te worden. Dit gebeurde in samenwerking met het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis (OLVG), het Academisch Medisch Centrum (AMC), en het ziekenhuis van de Vrije Universiteit (VUMC) in Amsterdam, die 1e trimester sera konden aanleveren. In deze sera werden de concentratie PAPP-A en fbeta-hCG bepaald met de AutoDelfia methode, die al routinematig gebruikt werd voor Down syndroom risicoschatting in het tweede trimester van de zwangerschap (de zgn. triple test). De PAPP-A en fbeta-hCG metingen van de serummonsters afkomstig van het VUMC en eerder uitgevoerde bepalingen van het VUMC bleken overeen te komen. Ze werden daarom geincludeerd bij het modelleren van mediane concentraties. Op basis van gegevens van 338 geanalyseerde sera werden mediane concentraties per zwangerschapsdag berekend. De mate van overeenkomst tussen de gevonden mediane concentraties per zwangerschapsweek en de gemodelleerde mediane waarden per zwangerschapsdag met beschikbare gegevens van andere laboratoria was acceptabel. De resultaten van deelname aan een extern kwaliteitscontroleprogramma voor PAPP-A en fbeta-hCG waren eveneens acceptabel. Geconcludeerd kan worden dat de bepaling van PAPP-A en fbeta-hCG concentraties in het eerste trimester van de zwangerschap in combinatie met de gemodelleerde mediane concentraties per zwangerschapsdag geschikt is voor de risicoschattingen voor Down syndroom. Voor de verdere voorbereiding van het routinematig uitvoeren van deze risicoschattingen zullen logistieke aspecten en kwaliteitsbewaking worden uitgewerkt.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
In Nederland zijn twee modellen in gebruik om op nationale schaal de effecten van milieuveranderingen op de vegetatie in te schatten: DEMNAT en SMART/MOVE. DEMNAT richt zich vooral op de effecten van grondwaterveranderingen op natte en vochtige systemen, terwijl SMART/MOVE zich vooral richt op de gecombineerde effecten van verdroging, verzuring en vermesting van alle ecosystemen. Er is een overlap tussen beide modellen. Daarom is besloten tot verdere afstemming om mogelijk op termijn tot integratie te komen. Een eerste stap naar afstemming is het gebruik maken van dezelfde basisgegevens. Hiervoor is een grote dataset samengesteld die bestaat uit 170.000 opnamen, waar zowel de responsmodule MOVE van afgeleid werd als de ecotopenindeling van DEMNAT. Dit rapport beschrijft hoe deze gegevens zijn gebruikt om de indeling van soorten in ecologische soortengroepen te verbeteren. De dataset bevat opnamen uit alle delen van het land, maar de dichtheid van opnamen is in sommige delen groter dan in andere delen. De data, waarop een eerste indeling is gebaseerd, zijn vergeleken met literatuurgegevens. Met gevonden inconsistenties tussen indeling en literatuur, die vooral veroorzaakt werden door heterogeniteit van opnamen en het voorkomen van meerdere vegetatielagen in een opname, b.v. oppervlakkig wortelende mossen en diep wortelende struiken, is rekening gehouden bij de analyse. Deze procedure leidde tot een groot aantal aanbevelingen ter verbetering van de indeling in ecologische soortengroepen.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Op 18 december 2002 werd er binnen de sector Voeding en ConsumentenVeiligheid van het RIVM een workshop gehouden met als doelstelling de positie en de gewenste taken van de sector in een Postlaunch Monitoring (PLM) systeem voor 'functional foods' in kaart te brengen. PLM dient ervoor om systematisch de (onverwachte) effecten van 'functional foods' te kunnen monitoren nadat de voedingsmiddelen op de markt gekomen zijn onder vrije condities van gebruik. PLM moet zich in eerste instantie richten op veiligheidsaspecten, maar er kunnen ook effectiviteitsvraagstukken binnen PLM behandeld worden. Effecten waar postlaunch naar gekeken kan/moet worden zijn bijvoorbeeld: cumulatieve effecten, interactie-effecten, lange termijn effecten en effecten in risicogroepen. Er waren in totaal 18 deelnemers van de verschillende afdelingen van de sector aanwezig. De discussie was opgedeeld in 3 deelonderwerpen: 1) moeten we ons binnen PLM richten op 'functional foods', op 'novel foods' of op beide categorieen?2) moeten we ons binnen PLM richten op veiligheid of op zowel veiligheid als effectiviteit?3) voor welke PLM fasen liggen er taken voor de sector?Consensus werd bereikt over het feit dat PLM activiteiten binnen de sector zich moeten richten op veiligheid op het niveau van stoffen. Dientengevolge was het niet meer aan de orde of deze stoffen tot de functionele categorie en/of novel categorie behoren. De sector ziet vooral taken op het gebied van actieve rooksignalering/blootstellingsonderzoek, inschatting van de relevantie van de rook/blootstelling, kwantificeren van de rook/blootstelling en de kwantitatieve afweging van gezondheidsverlies versus -winst. De activiteiten zullen uitmonden in advisering. Voor die PLM taken die bedrijfsmatig uitgevoerd kunnen en moeten worden zou de sector graag de evaluatie op zich willen nemen.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Respiratory Allergy and Inflammation Due to Ambient Particles (RAIAP) Collection of Particulate Matter samples from 5 European sites with High Volume Cascade Impactors | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Habitat conversion and global avian biodiversity loss | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Emissions of N2O and NO from fertilized fields: summary of available measurement data | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Skin infections in renal transplant recipients and the relation with solar ultraviolet radiation | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Modeling global annual N2O and NO emissions from fertilized fields | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Molecular analysis of ectomycorrhizal basidiomycete communities in a Pinus sylvestris L. stand reveals long-term increased diversity after removal of litter and humus layers | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Exploration of the ranges of the global potential of biomass for energy | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Subscapular skinfold thickness distinguishes between transient and persistent impaired glucose tolerance: Study on Lifestyle-Intervention and Impaired Glucose Tolerance Maastricht (SLIM) | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Association of consumption of products containing milk fat with reduced asthma risk in pre-school children: the PIAMA birth cohort study | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Towards a myeloablative regimen with clinical potential: I. Treosulfan conditioning and bone marrow transplantation allow induction of donor-specific tolerance for skin grafts across full MHC barriers | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Dit rapport bevat het technisch ontwerp van de graadmeter Natuurwaarde en de realisatie ervan in het signaleringsdeel van de Tweede Nationale Natuurverkenning. Het is een nadere uitwerking van het globaal ontwerp dat beschreven is in het rapport Natuurgraadmeters voor de behoudoptiek van het RIVM, CBS en Alterra (Ten Brink et al., 2000). De directie van het RIVM en het Natuurplanbureau gaven de opdracht voor dit rapport. Dit rapport is tevens een achtergronddocument voor de Tweede Nationale Natuurverkenning. Het doel van dit rapport is een onderbouwing te geven van de vele keuzes die aan dit technisch ontwerp ten grondslag liggen en deze expliciet vast te leggen zodat de Natuurwaarde reproduceerbaar en verbeterbaar is. Het gaat om een eerste versie, de Natuurwaarde 1.0. Dit rapport is uitgevoerd met behulp van de inbreng van diverse PGO's, instituten en onderzoeksbureaus waaronder: Alterra, CBS, RIZA, RIKZ, FLORON, SOVON, Vlinderstichting, VZZ, RAVON, Nationaal Herbarium Nederland, Wageningen-UR, RIVO, OVB en STOWA. Dit rapport:Deelt Nederland in in 27 gebieden, zogenaamde natuurtypen per fysisch-geografische regio (NT/FGR), waarvoor begrenzing, referentie en abiotiek zijn gespecificeerd. Selecteert voor de 27 NT/FGR's in totaal 980 kenmerkende soorten aan de hand van 9 overwegingen, voor het bepalen van de natuurkwaliteit. Bepaalt voor de 27 NT/FGR's de ligging, het areaal, de natuurkwaliteit en de Natuurwaarde. Idem voor het gehele agrarische en natuurlijke gebied. Geeft de berekeningsmethodiek hiervoor weer;doet aanbevelingen voor op te nemen soorten, monitoring, modellering en referentie-onderzoek. De huidige kwaliteit voor natuurlijke gebieden bedraagt momenteel 44%, de natuurkwantiteit bedraagt 40% en de Natuurwaarde bedraagt 18%. De natuurkwaliteit voor agrarische gebieden bedraagt momenteel 36%, de natuurkwantiteit bedraagt 48 %, waardoor de Natuurwaarde op17% uitkomt. In 1950 bedroeg deze naar schatting 51%. De kwaliteit van het natuurtype open duin is het hoogst (55%), die van vennen het laagst (31%). De Natuurwaarde versie 1.0 moet gezien worden als een eerste schatting van de voorraad biodiversiteit of ecologisch kapitaal in Nederland. Hoewel de Natuurwaarde 1.0 naar verwachting een van de best onderbouwde nationale biodiversiteitschattingen ter wereld is, is op verschillende onderdelen verbetering gewenst. Evenzeer is een verbeterde aansluiting gewenst op het beleid zoals de indeling in gebieden en de vertaling van enkele beleidsdoelen in Natuurwaarde-termen. Dit is een proces van enige jaren. De Natuurwaarde zal stapsgewijs verder worden uitgebreid en verbeterd, in samenhang met de ontwikkeling van meetnetten, modellen, referenties en beleidsdoelen. Ook dient de huidige koppeling met het Biodiversiteitsverdrag te worden behouden. Met name bossen en de regionale en rijkswatersystemen vragen de nodige aandacht voor de keuze van kwaliteitsvariabelen en het specificeren van de referentiewaarden. Deze uitbreidingen zullen als nieuwe versies worden vastgesteld in geactualiseerde rapporten. De uitwerking van de andere natuurgraadmeters van het Milieu- en Natuurplanbureau (Soortgroep Trend Index, EHS-Doelrealisatie Graadmeter en de Rode Lijst Indicator) zullen op termijn de beoordeling van de natuur volgens verschillende invalshoeken mogelijk maken.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Inleiding. In Nederland worden baby's gescreend voor drie aandoeningen: adrenogenitaal syndroom, congenitale hypothyreoidie en phenylketonurie. Hiertoe wordt bij voorkeur de 4e levensdag en uiterlijk op dag 7 hielprikbloed verzameld op filtreerpapier en geanalyseerd in een van de 5 screeningslaboratoria. De screeningsprocedure is in detail beschreven in het 'Draaiboek neonatale screening'. Om een aantal aspecten van de uitvoering van de hielprik procedure te kunnen evalueren werden van 10.000 setjes demografische en andere gegevens geanalyseerd per categorie uitvoerder van de hielprik, per entadministratie en per laboratorium. Resultaten. 1) Op ongeveer 10% van de setjes ontbrak een of meer van de in te vullen gegevens, zoals: uitvoerder hielprik (3.6%), geboortegewicht (1.3%), zwangerschapsduur (3.6%). 2) Op dag 4 was slechts 50% van de hielprikken uitgevoerd met grote verschillen tussen categorieen uitvoerders; op dag 7 was 98% geprikt. 3) Er was een groot verschil tussen categorie6n uitvoerders in setjes met onvoldoende of onbetrouwbaar bloed (OV): verloskundigen, wijkverpleegkundigen en kraamcentra 0.4%, kraamzorg 0.6%, ziekenhuizen 1.4% en huisartsen 2.3%. De ziekenhuizen voeren slechts 18% van de hielprikken uit, maar zijn verantwoordelijk voor ruim 39% van de OV. 4) De bezorging van de setjes door de TPG-Post laat te wensen over en vooral in de regio's Noord-West en Noord-Oost Nederland. Op dag 3 na de hielprik is slechts 79% van alle setjes in het laboratorium ontvangen. 5) De uitvoering van de analyses en de rapportage van de resultaten door de laboratoria waren adequaat en conform het 'Draaiboek neonatale screening' en conform de afspraken die het RIVM met de screeningslaboratoria heeft gemaakt.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
In 2002 zijn wederom havenspeciemonsters verzameld in de Rotterdamse havens en in de Nieuwe Waterweg. Van 25 monsters is het 226Ra-gehalte bepaald. Zoals ook in eerdere meetcampagnes is vastgesteld, worden hoge radiumgehalten gevonden in de omgeving van de voormalige lozingspunten van de fosfaatertsverwerkende industrieen. In de meetcampagne van 2002 is het hoogste 226Ra-gehalte, circa 209 Bq kg-1, gevonden in een mengmonster afkomstig uit een vak gelegen in de Nieuwe Maas (NM-2). Uit resultaten van internationale ringonderzoeken is gebleken dat de voorheen gerapporteerde radiumgehalten zijn overschat. De oorzaak daarvan lag in het niet geheel lekdicht zijn van de eertijds gebruikte kalibratiemonsters, waardoor een fractie van het radongas ontsnapte. Na herziening van de kalibratiemethode bleek de overschatting 16% te bedragen. De verbeterde kalibratiemethode heeft ook geleid tot een aanpassing in de berekening van de natuurlijke radiumgehalten in slibmonsters, zoals die vanaf 1998 plaatsvond. In dit rapport worden naast de nieuwe waarden voor 2002, alle gecorrigeerde waarden voor de periode 1994-2001 gegeven. Hoewel de eerder gerapporteerde overschotgehalten aan Ra-226 iets zijn verminderd, is de trend ongewijzigd gebleven en leiden de gecorrigeerde waarden niet tot andere conclusies. De totale hoeveelheid radium van industriele oorsprong, in negen frequent onderzochte vakken met de hoogste radiumgehalten, blijkt gemiddeld over 2000-2002 ongeveer de helft te bedragen van het gemiddelde over de periode 1995-1997. Daarmee lijkt het stoppen van de lozingen eind 1999/begin 2000 er ook inderdaad toe te hebben geleid dat het overschotgehalte aan radium in het havenslib is afgenomen.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Het Communautair Referentie Laboratorium voor Salmonella (CRL-Salmonella, Bilthoven, Nederland) organiseerde in 2002 een zesde bacteriologisch ringonderzoek. Zeventien Nationale Referentie Laboratoria voor Salmonella (NRLs-Salmonella) namen deel aan deze studie. Referentie materialen in combinatie met of zonder de aanwezigheid van kippenfeces, zowel als natuurlijk besmette feces monsters (bevattende Salmonella Infantis) werden getest door alle laboratoria. De referentie materialen bestonden uit gelatine capsules met verschillende besmettingsniveaus Salmonella Typhimurium (STM), Salmonella Enteritidis (SE) of Salmonella Panama (SPan). Bovendien werd naast de uitvoering van de testen van de laboratoria een vergelijking gemaakt tussen de media zoals beschreven in de nieuwe ISO 6579:2002 [Rappaport Vassiliadis Soya Broth (RVS), Mueller Kauffmann Tetrathionate-novobiocin broth (MKTTn) and Xylose Lysine Deoxycholate agar (XLD)] en de alternatieve media Modified Semi-solid Rappaport Vassiliadis (MSRV) en Briljant Groen Agar (BGA). Significant meer positieve isolaties werden gevonden met capsules welke STM bevatten dan met capsules welke SE bevatten, onafhankelijk van het besmettingsniveau of methode. De totale resultaten van alle verschillende capsules zowel als de resultaten van de natuurlijk besmette monsters lieten betere resultaten zien voor MSRV (met BGA en XLD als uitplaat-medium) in vergelijking met de ISO 6579:2002 methode.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Europa: een smeltkroes van keukens of zijn er nog verschillen? De voedselconsumptie van deelnemers aan de EPIC-studie in 10 Europese landen | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Exhaled NO level and number of eosinophils in nasal lavage as markers of pollen-induced upper and lower airway inflammation in children sensitive to grass pollen | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Mutations in putative mutator genes of Mycobacterium tuberculosis strains of the W-Beijing family | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Fatty acids in breast milk of allergic and non-allergic mothers: the PIAMA birth cohort study | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Community income and surgical rates in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Detection of a nosocomial outbreak of salmonellosis may be delayed by application of a protocol for rejection of stool cultures | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Synthesis and biological evaluation of novel turn-modified gramicidin S analogues | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Characterization of the Manila family of Mycobacterium tuberculosis | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Molecular characterization of ampicillin-resistant Enterococcus faecium isolates from hospitalized patients in Norway | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
De naoorlogse geschiedenis van tularemie | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Permanent acceptance of both cardiac and skin allografts using a mild conditioning regimen for the induction of stable mixed chimerism in mice | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Prevalence of self reported musculoskeletal diseases is high | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
The evaluation of the equilibrium partitioning method using sensitivity distributions of species in water and soil | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Experimenteel vaccin tegen humaan papillomavirus blijkt zeer effectief | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
De naoorlogse geschiedenis van miltvuur in Nederland | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Syfilis in Europa neemt toe: vooral onder homo- en biseksuele mannen | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
The Slc11a1 (Nramp1) gene controls efficacy of mycobacterial treatment of allergic asthma | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
A contribution to the linear no-treshold discussion | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Therapeutic treatment with heat-killed Mycobacterium vaccae (SRL172) in a mild and severe mouse model for allergic asthma | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Lipoprotein signal peptidase of Streptococcus suis serotype 2 | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Sporadische akute Hepatitis E in Deutschland: eine zu selten erkantte Erkrankung? | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Laboratory surveillance of bacterial gastroenteric pathogens in The Netherlands, 1991-2001 | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Enviromental impacts of high-speed rail links in cost-benefit analyses: a case study of the Dutch Zuider Zee line | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Cryptosporidium and Giardia in Nederlandse zwembaden | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
A marked difference in pathogenesis and immune response induced by different Mycobacterium tuberculosis genotypes | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Health on Course? Key Messages from the 2002 Dutch Public Health Status and Forecasts Report | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Physical inactivity: a risk factor for low back pain in the general population? | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Soft data, hard effects. Strategies for effective policy on health impact assessment: an example from the Netherlands | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Antibody specificities and effect of meningococcal carriage in icelandic teenagers receiving the Norwegian serogroup B outer membrane vesicle vaccine | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Circulating levels of insulin-like growth factor I, its binding proteins -1,-2, -3, C-peptide and risk of postmenopausal breast cancer | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
De derde Volksgezondheid Toekomst Verkenning (VTV) bevat opnieuw een grote hoeveelheid actuele informatie over volksgezondheid, preventie en zorg in Nederland. Vergeleken met de ons omringende landen gaat het met de gezondheid in Nederland minder goed. Onze levensverwachting is weliswaar toegenomen, maar minder snel dan in de meeste andere EU-landen. Het relatief ongezonde gedrag is de belangrijkste oorzaak van deze stagnatie. Een nieuwe, krachtige preventieaanpak kan dit ongunstige tij keren. Naast versterking van de preventie zal in de toekomst door groei en vergrijzing meer zorg nodig zijn. Bovendien is hierbij een verdere verschuiving van genezing naar verzorging nodig. Het gaat echter niet alleen om meer zorg, maar ook om goede zorg: effectief, veilig en toegankelijk voor iedereen. De informatie in de VTV-2002 is niet alleen van belang voor VWS; ook voor lokale overheden, andere ministeries en de verschillende partijen in het zorgveld kan het een waardevolle informatiebron zijn. Dit rapport maakt deel uit van de VTV-2002. Naast dit samenvattend rapport zijn reeds verschillende VTV-themarapporten verschenen, over uiteenlopende onderwerpen als gezondheid in de grote steden, bevorderen van gezond gedrag, geneesmiddelen en medische hulpmiddelen, ouder- en kindzorg en kosten van ziekten. Bovendien maken drie websites deel uit van de VTV: het Nationaal Kompas Volksgezondheid ( www.nationaalkompas.nl ), de Nationale Atlas Volksgezondheid ( www.zorgatlas.nl ) en de Kosten-van-Ziektenwebsite ( www.kostenvanziekten.nl ).
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Het rapport geeft een verkennende analyse naar de mogelijke effecten van het toestaan van extra woningbouw in het landelijke gebied. In het rapport wordt aandacht besteed aan verschillende definities van platteland, lokale woningbehoefte en ruimtebeslag. Daarnaast wordt een kwantitatieve doorrekening gepresenteerd. Hiervoor zijn gegevens gebruikt van enkele gemeenten uit de regio Stedendriehoek in Gelderland. De resultaten van het onderzoek illustreren de onzekerheid omtrent de definities van platteland en lokale woningbehoefte. In het onderzoek wordt een voorbeeld voor definiering uitgewerkt. Deze wordt geillustreerd met resultaten van een door Dimensus gehouden woningbehoefteonderzoek. Hieruit komt naar voren dat de lokale behoefte voor een groot deel bestaat uit huur- en meergezinswoningen. Qua ruimtebeslag betekent dit een betrekkelijk geringe vraag naar ruimte. Deze resultaten zijn weliswaar gebaseerd op een casestudy, de vraag rijst of de lokale woningbehoefte van andere landelijke gebieden op een zelfde manier zal uitpakken?
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
STONE is het landsdekkende nutrientenemissiemodel dat ontwikkeld is voor het evalueren van effecten van milieu- en landbouwbeleid op de belasting met stikstof en fosfaat van het grond- en oppervlaktewater. De commissie Spiertz vroeg in 2000 om validatie van dit model. Om deze reden werd de STONE toets opgezet, waarvan in dit rapport een samenvatting gegeven wordt. Doel van het project was het vergelijken van STONE resultaten met monitoring gegevens op verschillende schaalniveaus. Op de veldschaal werden conclusies getrokken over processen en temporele dynamiek. Op de nationale schaal werden ruimtelijke patronen en frequentiediagrammen beoordeeld. Het bleek dat STONE de mediane nitraatconcentratie in het grondwater onderschatte. De correlatie tussen de metingen en de modelresultaten bleken op de nationale schaal echter goed te zijn. Op de regionale schaal waren er wel grote verschillen, waardoor de inzetbaar van STONE voor regionale vraagstukken beperkt is. Het gebrek aan overeenstemming tussen de gemeten en gesimuleerde nitraatconcentraties op regionale schaal dient onderzocht te worden in een aanvullend toetsingstraject. STONE berekende hogere concentraties in het drainwater dan gemeten in het oppervlaktewater. Dit wordt vermoedelijk veroorzaakt door retentie en verliezen in het oppervlaktewater. Deze hypothese kan getoetst worden door STONE te koppelen aan een oppervlaktewater model.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
In dit rapport wordt een methode voorgesteld om de ecotoxicologische risico's van mengsels in de bodem te beoordelen voor diverse risicobeoordelingssituaties. De methode is afgeleid uit een evaluatie van recente wetenschappelijke ontwikkelingen en validatiestudies. Een expliciet onderscheid wordt gemaakt tussen de mogelijkheden om experimentele resulaten van mengseleffecten in detail te interpreteren en de extrapolatie van deze resulaten naar het veld van risicobeoordeling. De methode bestaat uit drie stappen, waarbij milieu-chemische, toxicologische en ecologische interacties apart behandeld worden. In de eerste stap wordt blootstelling behandeld. In de tweede stap wordt de "mixed-model approach" toegepast. Hierbij wordt de toxische druk van groepen van stoffen met hetzelfde werkingsmechanisme voorspeld door concentratie addititie aan te nemen voor de biologische actieve fracties binnen deze groepen, terwijl de algehele risico's over deze groepen en de overgebleven groepen (met een uniek werkingsmechanisme in het mengsel) voorspeld wordt door response addititie aan te nemen voor de biologische actieve fracties. De derde stap is het inschatten van de ecologische interacties. Voor deze laatste stap is de theoretische onderbouwing echter zwak en zijn er nauwelijks -tot geen- gegevens voorhanden. Mogelijkheden voor het toepassen van de voorgestelde methode in de risicobeoordelingspraktijk worden bediscussieerd door de voor- en nadelen op te sommen voor de diverse risicobeoordelingssituaties.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
In de Planologische Kernbeslissing (PKB) Schiphol en Omgeving van 1994 zijn door het kabinet een aantal doelstellingen geformuleerd voor de verbetering van de woon- en leefkwaliteit in de omgeving van de luchthaven. Voor slaapverstoring door luchtvaartgeluid was een forse verbetering vanaf de ingebruikname van de vijfde baan beoogd ten opzichte van de situatie in 1990. Voor deze verbetering was in de PKB een referentiegetal van 39.000 "slaapverstoorden" binnen de 20 dB(A) contour opgenomen, hetgeen overeenkomt met een afname van circa 70% van het aantal slaapverstoorden ten opzichte van 1990.Recent slaapverstoringsonderzoek rond Schiphol uitgevoerd door TNO in samenwerking met het RIVM heeft nieuwe informatie opgeleverd over het verband tussen luchtvaartgeluid en slaapverstoring (RIVM rapport 441520019). Dit rapport maakt een vergelijking tussen de schattingen van het aantal slaapverstoorden volgens de methodiek van het slaapverstoringsonderzoek rondom Schiphol en de methodiek zoals beschreven in de PKB Schiphol.De resultaten laten zien dat zowel met gebruikmaking van het verband tussen vliegtuiggeluid en slaapverstoring uit de PKB als met die uit het slaapverstoringsonderzoek het aantal slaapverstoorden - na ingebruikname van de vijfde baan - voldoet aan de in de PKB beoogde verbetering ten opzichte van 1990. Binnen de grenswaarden van vliegtuiggeluid bedraagt het aantal slaapverstoorden in de 20 dB(A) nachtcontour volgens de PKB-systematiek 18.800. Volgens de systematiek van het slaapverstoringsonderzoek komt dit op 28.400 uit. Het merendeel van dit verschil (8.000 van de 9.600) is toe te schrijven aan verschillen in actualiteit en de gebiedsdekkendheid van de woning- en bevolkingsbestanden waarmee de aantallen slaapverstoorden worden bepaald. De rest (1600) kan worden verklaard uit het verschil in het verband tussen vliegtuiggeluid en slaapverstoring.Uit het rapport blijkt daarnaast dat, wanneer naar een groter gebied dan de 20 dB(A) contour gekeken wordt, de afname van het aantal slaapverstoorden minder is dan binnen die contour. Het aantal slaapverstoorden binnen de grenswaarden van vliegtuiggeluid daalt ten opzichte van 1990, maar neemt weer toe ten opzichte van 2001, zowel binnen de 20 dB(A) nachtcontour als binnen het grotere gebied.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Dit rapport bevat een evaluatie van het project Natuurverkenning 2, naar inhoud, vorm en proces. Het is geschreven door de projectleiders die daarbij gebruik hebben gemaakt van commentaar van leden van hun projectteam. Het rapport is bedoeld voor het projectteam dat een volgende Verkenning gaat maken, maar het kan ook van belang zijn bij het maken van andere planbureauproducten en het programmeren van onderzoek. Speciale aandacht wordt geschonken aan de scenario-methodiek in het bijzonder de mogelijke synthese tussen de modelmatige en de ontwerpende scenario-verkenningsmethodiek. Het rapport sluit af met een aantal aanbevelingen. Meer gedetailleerde aanbevelingen voor meetnetten, modellen, graadmeters en scenario-kaarten worden gegeven in de desbetreffende achtergrondrapporten en evaluaties per deelproject. Het product NVK2 valt op door de brede beleidsanalyse (ook milieu-, water en ruimtelijke plannen), de graadmetersystematiek, de interactief tot stand gekomen scenario- en grondgebruikkaarten, en de doorrekening van effecten. Het proces NVK2 kenmerkt zich door een zoektocht naar een goede combinatie van integrale en thematische verkenning, model en ontwerpbenadering, gesloten en interactieve werkprocessen, wetenschappelijke en aansprekende visuele presentatie. In de aanbevelingen wordt benadrukt dat het planbureau in deze helder keuzes moeten maken en dat in geval in 2006 een volgende integrale scenariostudie voor de Natuurverkenning 3 moet verschijnen, in 2003 de eerste stappen genomen moeten worden
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Dit rapport geeft een inschatting van het technisch potentieel op lange termijn van drie duurzame energiebronnen (biomassa, CO2-opslag, zon/wind/water) om de mondiale CO2-emissies met meer dan 80% te verminderen ten opzichte van 1990. 'Biomassa' blijkt alleen niet voldoende potentie te hebben om de mondiale CO2-emissies met meer dan 80% te reduceren ten opzichte van 1990. 'Fossiel + CO2-opslag' heeft dat wel, maar voor een beperkt aantal jaren. De technische potentie van hernieuwbare energie uit zon, wind of water blijkt op mondiale schaal ruim voldoende om het fossiele energiegebruik volledig te substitueren. Bovendien kunnen windturbines of zonnecollectoren worden geplaatst op onvruchtbare gronden zodat concurrentie met voedselproductie en afwenteling op biodiversiteit zijn uitgesloten. Andere conclusies uit de studie zijn: 1) de niet-CO2-emissies door de sector verkeer kunnen op lange termijn technisch gezien met 95% worden teruggedrongen en voor deze reductie is de toepassing van brandstofcel-elektrische of batterij-elektrische aandrijving niet noodzakelijk omdat ook de emissies uit verbrandingsmotoren door technische verbeteringen met meer dan 95% kunnen worden teruggedrongen ten opzichte van de huidige emissieniveau's, 2) het ruimtegebruik ten behoeve van een mondiale verduurzaming van de energievoorziening in alle sectoren is aanzienlijk in het geval de optie CO2-opslag wordt uitgesloten, 3) in het meest optimistische geval zijn de technische kosten voor alternatieve energieketens iets lager dan of vrijwel gelijk aan de technische kosten van de referentieketen (fossiel + verbrandingsmotoren), 4) problemen kunnen optreden met externe veiligheid bij energieketens waarbij gasvormig onder hoge druk opgeslagen waterstof als energiedrager wordt toegepast maar deze problemen zijn te elimineren door andere vormen van vervoer en opslag toe te passen. Als ruimtegebruik in relatie tot de concurrentie met voedselproductie/drinkwatervoorziening en afwenteling op biodiversiteit door het beleid als belangrijke indicatoren worden aangemerkt voor een keuze tussen energieketens, ligt het voor de hand de aandacht voor de lange termijn te richten op elektriciteit of waterstof uit zon/wind/water. Dit omdat deze energiebron op mondiale schaal een enorm potentieel heeft en omdat windparken of zonnecollectoren op bijvoorbeeld woestijngronden kunnen worden geplaatst en concurrentie met voedselproductie of drinkwatervoorziening of aantasting van biodiversiteit uitgesloten zijn. In de tijd die het vergt om op grote schaal energie op te wekken uit zonlicht, wind of waterkracht zou de optie 'fossiel + CO2-opslag' kunnen worden ingezet om op korte termijn al een bepaalde mate van CO2-emissiereductie te kunnen realiseren. Ook biomassa moet voor de korte termijn niet worden uitgesloten omdat een transitie naar biobrandstoffen (toegepast in verbrandings-motoren) in de sector verkeer, in vergelijking tot een transitie naar bijvoorbeeld energieketens met waterstof als energiedrager of met brandstofcelvoertuigen, relatief eenvoudig is te realiseren.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
In dit rapport wordt de huidige kennis op het gebied van nicotineverslaving bediscussieerd. Er is een speciaal hoofdstuk gewijd aan roken onder jongeren, omdat de meeste rokers op jeugdige leeftijd beginnen met roken. De overgangsjaren van basisschool naar middelbare school (13 tot en met 14 jaar oud) blijken een hoog-risico periode te zijn voor het beginnen met roken. Hoe eerder een kind begint met roken hoe waarschijnlijker het is dat hij of zij verslaafd raakt. Daarnaast correleert vroeg starten met veel roken op latere leeftijd. Omdat nicotine in staat lijkt te zijn om verslaving te veroorzaken in een korte tijdsperiode, is het belangrijk om te voorkomen dat kinderen met sigaretten gaan experimenteren. Studies hebben aangetoond dat zware rokers minder aversieve effecten hebben ervaren tijdens het roken van hun eerste sigaret dan lichte rokers. 'Light' sigaretten en smaakverbeterende additieven kunnen waarschijnlijk aversieve effecten verminderen tijdes het roken vergeleken met gewone sigaretten zonder zulke additieven. Daarom kan het verbieden van 'light' sigaretten en het verbieden van smaakverbeterende additieven, bijdragen aan het voorkomen dat kinderen een tweede sigaret proberen en zo uiteindelijk bijdragen aan het voorkomen van verslaving onder de jeugd.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Er is een methodiek ontwikkeld, gebaseerd op een stapsgewijze aanpak, om de locatie-specifieke risico's van bodemverontreiniging met asbest te kunnen bepalen. Bovendien is een onderbouwing gegeven voor de interventiewaarde voor asbest, welke recentelijk werd geformaliseerd door het Ministerie van VROM via het Interimbeleid voor asbest in bodem, grond en puin(granulaat). Risico's voor de mens ten gevolge van inhalatie van asbest vezels zijn het meest kritisch. Daarom is de risico-analyse gebaseerd op de mogelijkheid voor asbestvezels om in de lucht te komen, waarbij een verschil wordt gemaakt tussen chrysotiel en amfibool asbest, hechtgebonden en niet-hechtgebonden asbest en respirabele en niet-respirabele fractie in de bodem. Omdat het gedrag van asbest in de bodem verschilt van die van andere contaminant is geen gebruik gemaakt van het CSOIL blootstellingsmodel. In plaats hiervan is voor de afleiding van de interventiewaarde gebruik gemaakt van meetresultaten uit de praktijk, te weten asbestconcentraties in de bodem en de lucht. In stap 2 en 3 van de methode om het locatie-specifieke risico te bepalen is gebruik gemaakt van meetmethoden.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
De Nederlandse bevolking wordt blootgesteld aan ioniserende straling door verschillende natuurlijke en antropogene bronnen. Hier wordt een overzicht gegeven van de stralingsdoses voor leden van de bevolking door alle bronnen voor het jaar 2000. De gemiddelde jaarlijkse effectieve dosis per hoofd van de bevolking wordt geschat op 2,5 mSv, hetgeen bijna dezelfde waarde is als geschat voor 1988. In de review voor 1988 is de dosis gepresenteerd als een effectief dosisequivalent, waarbij gebruik is gemaakt van de toenmalige dosisconversiefactoren. Om een goede vergelijking te maken met de gegevens uit 1988 zijn ze opnieuw geanalyseerd, gebruikmakende van een betere kennis van de toenmalige situatie en de huidige dosiscoefficienten. Deze herberekening gaf dezelfde waarde voor de totale gemiddelde jaarlijkse blootstelling: 2,4 mSv. Echter, de onderliggende geanalyseerde blootstelling ten gevolge van de specifieke bronnen vertoont behoorlijke verschillen. De grootste verschillen tussen de gemiddelde jaarlijkse blootstelling aan straling tussen het huidige overzicht en dat van de herberekening voor 1988 betreffen de toegenomen medische diagnostische blootstelling (+0,12 mSv) en de toegenomen blootstelling aan radon (+0,05 mSv). De blootstelling aan straling ten gevolge van de andere bronnen bleef of gelijk of vertoont een kleine afname (<0,03 mSv per bron).Tegenwoordig wordt 75% van de totale blootstelling aan straling toegeschreven aan natuurlijke bronnen, waarbij bouwmaterialen in deze categorie meegenomen worden. Bouwmaterialen en blootstelling aan radon dragen voor 47% bij aan de totale gemiddelde stralingsdosis. Andere natuurlijke bronnen zijn kosmische straling, inclusief de extra blootstelling aan kosmische straling in vliegtuigen (11%), interne bestraling door consumptie van radioactiviteit in voedsel (15%) en externe straling vanuit de bodem (2%). Medisch diagnostisch gebruik van straling draagt voor 24% bij aan het totaal en levert veruit de grootste bijdrage aan de stralingsbelasting door de antropogene bronnen. Ongeveer 1% wordt toegeschreven aan andere antropogene bronnen als fall-out door nucleaire wapenproeven in de beginjaren '60 van de vorige eeuw, het Tjernobyl-ongeval van 1986 en radioactieve uitstoot door industriele activiteiten.In vergelijking met de ons omringende landen is de stralingsdosis voor leden van de bevolking in ons land het laagst. Dit komt voornamelijk door de relatieve lage radonconcentratie in woningen en de relatief lage gemiddelde stralingsbelasting door medisch diagnostisch onderzoek.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
In dit rapport wordt het project 'milieudruk consumptie in beeld', kortweg ook wel aangeduid als CIB (Consumptie In Beeld) omschreven. In dit project zijn milieudrukintensiteiten van huishoudelijke bestedingen berekend met behulp van zgn input/outputanalyses. Huishoudelijke bestedingen vormen uiteindelijk de inkomsten van vele bedrijfsactiviteiten. De milieudruk die door economische activiteiten wereldwijd plaatsvindt wordt aan de hand van financiele stromen toebedeeld aan Consumenten-produkten. Dit is de milieudruk die optreedt alvorens een consument een product of dienst aanschaft. Dit wordt wel als indirecte milieudruk aangeduid. Daarnaast onderscheiden we de directe milieudruk: de milieudruk die optreedt na aanschaf van produkten, bijvoorbeeld uitlaatgassen van de personenwagen, vluchtige stoffen uit verf etc. Deze milieudruk is ook gekwantificeerd, zij het op een andere wijze dan de indirecte milieudruk. Voor de direct milieudruk, welke afkomstig is uit een beperkt aantal produktcategorieen, zijn gegevens gebruikt uit specifieke literatuur. Het onderzoek heeft geresulteerd in een basisdataset met MDI's (milieudrukintensiteiten) die voor veel andere studies kan worden gebruikt. Deze set is weergegeven in bijlage 2 Vermenigvuldiging van de MDI's met de huishoudelijke bestedingen uit het CBS-budgetonderzoek resulteert in de totale milieudruk van particuliere consumptie. Deze totale milieudruk, die men ook het 'footprintprofiel' zou kunnen noemen, bedraagt per persoon per jaar (op basis van het budgetonderzoek 2000): Landgebruik 0,9 ha; Klimaatverandering 11 ton CO2 eq ; Verzuring 73 kg SO2 eq ; Vermesting 29 kg PO4 eq; Smogvorming 16 kg VOS eq ; Houtonttrekking 0,52 m3 hout ; Visonttrekking 13 kg vis; Geluidsemissie wegverkeer 106 duizend autokm-eq ; Wateronttrekking 989 m3 water; Bestrijdingsmiddelgebruik 437 g actieve stof Het landgebruik ten gevolge van de totale Nederlandse particuliere consumptie bedraagt 3,9 maal de oppervlakte van Nederland.De klimaat verandering van 11 ton komt ongeveer overeen met een autorit van 55 duizend km, oftewel 1,4 maal rond de aarde. De meeste milieudata betreffen het basisjaar 1995. De bestedingen zijn afkomstig uit de CBS- Budgetonderzoeken 1995 en 2000. Er kunnen diverse doorsneden worden gemaakt van de milieudruk: per consumptiedomein, per economische regio en ingedeeld naar direct/indirect. In Hoofdstuk 7 worden deze doorsneden nader omschreven en gepresenteerd. De belangrijkste conclusies zijn dat met name het domein voeden grote milieudruk met zich meebrengt, en dat de meeste milieudruk plaatsvindt in het buitenland. Autovervoer en ruimteverwarming brengen de belangrijkste binnenlandse emissies met zich mee.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Het rapport beschrijft de validatie van een analysemethode voor monsters vlees, geschikt voor humane consumptie, op de aanwezigheid van een aantal groeibevorderende stoffen (steroiden). De validatie is uitgevoerd conform de meest recente richtlijnen van de Europese Commissie en toont aan dat de methode geschikt is voor het aantonen en bevestigen van zeer lage gehalten van deze stoffen. De methode kan worden toegepast ten behoeve van de controle van (import)vlees en het vaststellen van de daadwerkelijke belasting van de consument met hormonaal actieve stoffen.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Het aluminium recyclebedrijf Aluminium Hardenberg stoot onder meer dioxinen uit, via een schoorsteen en via diffuse emissies van op het terrein opgeslagen filterstof uit de rookgasreiniging. De concentraties en depositie van dioxinen rondom dit bedrijf zijn berekend met behulp van emissiegegevens en een verspreidingsmodel. Ook zijn in de omgeving van het bedrijf bodem- en veegmonsters genomen en geanalyseerd op dioxinen. Met uitzondering van de locatie het dichtst bij het bedrijf (op circa 200 m) weken de gemeten gehalten in de bodem (1,6 tot 7,6 ng WHO-TEQ/kg d.s.) niet significant af van de achtergrondwaarde. De analyses van de veegmonsters wezen uit dat tot op circa 500 m een verhoogde depositie van dioxinen voorkomt, veroorzaakt door de emissies van het opgeslagen filterstof. De overeenkomst van de congenerenpatronen van het veegstof en het filterstof bevestigt dit beeld. Ook de berekende concentraties aan dioxinen in de lucht liggen tot op circa 500 m boven het achtergrondniveau in landelijk gebied. De extra dagelijkse inname als gevolg van blootstelling aan dioxinen door omwonenden via orale inname en inhalatie is geschat op maximaal circa 0,4 pg WHO-TEQ/kg lichaamsgewicht bedraagt. De totale inname (circa 1,6 pg WHO-TEQ/kg lichaamsgewicht per dag) ligt onder de Toegestane Wekelijkse Inname van 14 pg WHO-TEQ/kg lichaamsgewicht.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Het Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit (LMB) heeft als primaire doelstelling het nagaan van trendmatige veranderingen in de kwaliteit van de bodem ten gevolge van diffuse belasting van de bodem. Het object van onderzoek is de toplaag van de bodem (0-10 cm); daarnaast wordt ook een diepere bodemlaag en het bovenste grondwater onderzocht. Het LMB wordt in samenwerking met LEI-DLO en Alterra uitgevoerd. Jaarlijks wordt een 2-tal combinaties van bodemgebruik en grondsoort bemonsterd, bestaande uit ca. 20 lokaties per combinatie. De categorieen die in 1997 zijn onderzocht, zijn graslandbedrijven op zeeklei en tuinbouw- en bollenbedrijven op klei en zand. Naast algemene kwaliteitsparameters zijn parameters onderzocht die gerelateerd zijn aan de milieuthema's vermesting en verspreiding. Voor beide categorieen geldt dat de categoriegemiddelde metaalgehalten in de bodem beneden de streefwaarde liggen. In het grondwater geldt dat in de categorie grasland op zeeklei de categoriegemiddelde metaalconcentraties beneden de streefwaarden liggen, in de categorie tuinbouw liggen de categoriegemiddelde concentraties van enkele metalen boven de streefwaarden. Voor een groot aantal individuele PAK liggen in beide categorie6n de lokatiegemiddelde gehalten boven de streefwaarde. Voor de categorie grasland liggen de categoriegemiddelde gehalten aan HCB in de bodem boven de streefwaarde. Voor de categorie tuinbouw geldt dit voor HCB, beta-endosulfan en de som-DDT, op de bollenbedrijven geldt dit voor HCB en dieldrin. Op de graslandbedrijven liggen de categoriegemiddelde concentraties aan orthofosfaat, chloride, sulfaat en kalium in het bovenste grondwater boven de normen, op de tuinbouwbedrijven geldt dit voor orthofosfaat, nitraat, sulfaat en kalium, op de bollenbedrijven geldt dit voor totaal- en orthofosfaat, ammonium, chloride, sulfaat en kalium. Het overschot aan N is op de bemonsterde graslandbedrijven vergelijkbaar met het gemiddelde graslandbedrijf, het P-overschot is lager. Uit het zware metalen-overschot verminderd met de berekende uitspoeling op basis van de categoriegemiddelde concentraties aan zware metalen in het grondwater blijkt dat op de grasland- en bollenbedrijven sprake is van accumulatie van cadmium, koper, zink en lood in de bodem. In het rapport is beschreven in hoeverre er correlaties bestaan tussen de huidige belasting (zware metalen) en gehalten in bodem en grondwater. In de categorie grasland wordt alleen voor koper een positieve correlatie gevonden tussen belasting en bodemgehalten en in de categorie bollenteelt wordt alleen voor lood een positieve correlatie gevonden tussen belasting en concentraties in grondwater.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu heeft een methode ontwikkeld voor de extractie van formaldehyde en glutaaraldehyde residuen op flexibele endoscopen en de daarbij behorende analyse van deze extractiemonsters. Om inzicht te krijgen in de hoeveelheden aldehyde residuen op endoscopen uit de dagelijkse praktijk is de methode toegepast op 38 gastroscopen uit 13 ziekenhuizen. De extractie van het distale uiteinde van endoscopen werd met water uitgevoerd bij 40 graden C in een glazen buis met een verwarmingsmantel. Voor de analyse reageerden de aldehyden met het reagent DNPH. De ontstane verbindingen konden worden gescheiden en gedetecteerd met HPLC-technieken. De ontwikkelde methode is gevoelig genoeg om de aanwezige hoeveelheden aldehyden op het distale einde van endoscopen te detecteren en kwantificeren. De maximaal gedetecteerde hoeveelheden formaldehyde en glutaaraldehyde op een gastroscoop bedroegen respectievelijk 11,0 plus of min 4,4 ug en 68,0 plus of min 27,2 ug. Er waren significante verschillen tussen de hoeveelheden residueel formaldehyde en glutaaraldehyde op endoscopen in de bezochte ziekenhuizen. Bovendien was er een significant verschil tussen de hoeveelheden residueel formaldehyde op endoscopen die met verschillende desinfectantia waren gedesinfecteerd. De ontwikkelde methode kan worden gebruikt voor de procesontwikkeling van endoscopendesinfectoren, wanneer er twijfel is over de staat van een endoscoop en om de hoeveelheden aldehyden te vergelijken wanneer verschillende desinfectantia worden gebruikt.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
In opdracht van de VROM Inspectie is door het RIVM een pilot studie verricht naar de inzetmogelijkheden van een mobiel laboratorium bij handhavingsacties. Het doel van de pilot studie was om het nut en de noodzaak van de inzet van een dergelijke voorziening bij de controle van afval transporten over de weg, het water en het spoor in kaart te brengen. Het RIVM heeft voor de monsterneming en de (veld) analyse van afvaltransporten en de hiervoor benodigde inzet van mensen en middelen nauw samengewerkt met twee andere onderzoeksinstituten, te weten het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) en het douanelaboratorium (DL). In het onderzoek is geconcludeerd dat de handhaver de aanwezigheid van een mobiele laboratorium als zeer waardevol ervaart. Het mobiel laboratorium blijkt vooral effectief te zijn op controlelocaties waar veel doorstroming is van afvaltransporten. Verder blijkt de effectiviteit af te hangen van de doelgroep van de handhaver. Het aantal opdrachten van de Inspectiemedewerker voor monsterneming en veldanalyse van afvaltransporten is van invloed op de doelmatigheid van de inzet van de aanwezige meetploegen van het RIVM, NFI en DL. De resultaten van de veldmetingen uitgevoerd in het mobiel laboratorium blijken voor de inspectiemedewerker een goede basis te leveren voor de besluitvorming om monsters van verdachte afvalstoffen aan een vervolgonderzoek op een instituutslaboratorium te onderwerpen. Op grond van het onderzoek beveelt het RIVM aan om het gebruik van een mobiel laboratorium bij transportcontroleacties en zo mogelijk andere handhavingsacties voort te zetten en verder te ontwikkelen. De VROM Inspectie wordt in overweging gegeven om het mobiel meten als een integraal onderdeel op te nemen in de handhavingstrategie.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
De algemene hypothese bestaat dat NH4 gehalte in sigaretten en NO concentratie in sigarettenrook de nicotine beschikbaarheid in de longen beinvloedt en daardoor ook een factor speelt bij de tabaksverslaving. Een correlatie tussen het NH4 gehalte, de NO emissie en de gedeclareerde nicotine waarde kan gebruikt worden om de hypothese te ondersteunen. Het doel van dit rapport is om na te gaan of er een onderlinge correlatie bestaat tussen het NH4 gehalte, de stikstofoxide concentratie en de gedeclareerde teer en nicotine waarden. In dit rapport werden ammonium gehaltes in sigaretten en stikstof oxide (NO) in sigarettenrook van 100 verschillende sigaretten soorten bepaald. Het NH4 gehalte van de sigaretten werd via een extractiemethode bepaald. NO concentratie in sigarettenrook werd met behulp van rookmachine en een NO-analyser bepaald. De gedeclareerde teer en nicotine waarden werden afgelezen op de sigaretten verpakking. Om de correlaties tussen de sigaretten parameters te onderzoeken, werden de NH4, NO, teer en nicotine resultaten in grafieken in functie van elkaar uitgezet en de correlatie coefficienten berekend. Er werd een positieve correlatie gevonden tussen de teer en nicotine waarden (r2 = 0.95). Verder werd een zwakke correlatie tussen de gemeten NO concentratie en de gedeclareerde teer waarde gevonden (r2 = 0.47). Het NH4 gehalte was niet gecorreleerd met een van de parameters. De 100 verschillende soorten sigaretten werden onderverdeeld in verschillende groepen en deze groepen werden met elkaar vergeleken aan de hand van de NH4 gehalte, NO concentratie en de ratio tussen teer/nicotine. De merken werden onderverdeeld in de volgende groepen: filter/geen-filter sigaretten menthol/geen menthol filter sigaretten light of regular filter sigaretten De NO concentratie in sigarettenrook van menthol en light filter sigaretten waren significant lager dan van niet-menthol en van regular filter sigaretten. De ratio teer/nicotine was significant hoger in light sigaretten dan in regular sigaretten. In deze studie hebben we een zwakke correlatie gevonden tussen de NO emissie en de gedeclareerde teer waarde, terwijl het NH4 gehalte niet was gecorreleerd met een van de parameters. Het NH4 gehalte was wel kenmerkend voor het sigaretten merk. De correlaties gevonden in deze studie zijn onvoldoende om gebruikt te worden voor onderbouwing van de hypothese dat toegevoegd NH4 of NO emissie de nicotine beschikbaarheid in de longen beinvloedt.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Modeling ventilation and radon in new Dutch dwellings | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Pokken-misere in Tilburg | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Spread of an MRSA clone with heteroresistance to oxacillin in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
De etiologie van door teken overdraagbare infectieziekten | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Opnieuw weinig influenza tijdens winter 2002/2003 | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Immunogenicity and efficacy of recombinant subunit vaccines against phocid herpesvirus type 1 | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Toxicity and immunogenicity of pertussis whole cell vaccine in one animal model | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Consistency testing of diphtheria and tetanus to replace potency testing for lot release | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Lyme-borreliose: de betekenis voor de volksgezondheid | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Wateroverdraagbare virussen soms zeer infectieus. RIVM-workshop: ziektelast onduidelijk | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Advancing science and elimination of the use of laboratory animals for development and control of vaccines and hormones | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Metal uptake from soils and soil-sediment mixtures by larvae of Tenebrio molitor (L.) (Coleoptera) | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Seroreactivity to epidermodysplasia verruciformis-related human papillomavirus types is associated with nonmelanoma skin cancer | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Het voorkomen van Q-koorts in Nederland | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Vogelpest in Nederland. Virus nu ook bij mensen | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Verdubbeling consulten voor tekenbeten en ziekte van Lyme. Onderzoek in de huisartsenpraktijk : 1994 en 2001 | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Combined oral benzo[a]pyrene and inhalatory ozone exposure have no effect on lung tumor development in DNA repair-deficient Xpa mice | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Alcohol consumption, alcohol dehydrogenase 3 polymorphism, and colorectal adenomas | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Serological methods for potency testing of tetanus toxoid vaccines for human use | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Intensieve surveillance van darminfecties door STEC O157. Januari 1999-juni 2002 | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Self-reported disability and its association with performance-based limitation in elderly men: a comparison of three European countries | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
MRSA in Nederlandse ziekenhuizen. Surveillanceresultaten 2002 en recente ontwikkelingen | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Development of an in vitro digestion model for estimating the bioaccessibility of soil contaminants | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
De naoorlogse geschiedenis van pokken in Nederland | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Excretion of wild-type and vaccine-derived poliovirus in the feces of poliovirus receptor-transgenic mice | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Eerste effect van landelijke vaccinatiecampagne tegen meningokokken-C-ziekte: snelle en sterke afname van het aantal patienten | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Adherence to local hospital guidelines for surgical antimicrobial prophylaxis: a multicentre audit in Dutch hospitals | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Hoe gevaarlijk is rabies van vleermuizen? | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Immunomodulatory effects of tetrachlorobenzoquinone, a reactive metabolite of hexachlorobenzene | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Snapshot of moving and expanding clones of mycobacterium tuberculosis and their global distribution assessed by spoligotyping in an international study | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Validation of EN ISO standard methods 6888 part 1 and part 2:1999 - enumeration of coagulase-positive staphylococci in foods | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Populatiedynamiek en fenologie van teken in Nederland. Effecten van geografische ligging, habitat en microklimaat op tekenpopulaties | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
RVP in Nederland een succes. Verslag congres Rijksvaccinatieprogramma | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Physiological differences between burnout patients and healthy controls: blood pressure, heart rate, and cortisol responses | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
A retail and consumer phase model for exposure assessment of Bacillus cereus | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
De naoorlogse geschiedenis van rabies in Nederland | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Meer muizen, meer teken, meer ziekte van Lyme | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Bijzondere MRSA's in Nederland. Stammen in het bezit van het Panton-Valentine Leucocidine (PVL) gen | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Reconstruction of measles dynamics in a vaccinated population | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Bronnen van humane campylobacteriose en salmonellose | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Drug output of unvented jet nebulizers as a function of time | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
The Omp85 protein of Neisseria meningitidis is required for lipid export to the outer membrane | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
The contribution of steady and casual partnerships to the incidence of HIV infection among homosexual men in Amsterdam | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Promicromonospora pachnodae sp. nov., a member of the (hemi)cellulolytic hindgut flora of larvae of the scarab beetle Pachnoda marginata | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Instrumenten voor lokaal facetbeleid | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Factors affecting antibody levels after allogeneic hematopoietic cell transplantation | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Immunogenicity of peptide-vaccine candidates predicted by molecular dynamics simulations | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Planning for future energy resources [Letter to the editor] | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Determination of aluminium in albumin: influences of glass packing and sample pretreatment | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Om betrouwbare kwantitatieve data te verkrijgen over het voorkomen van zoonotische bacterien in landbouwhuisdieren in Nederland, is in 1997 een surveillance-programma geimplementeerd. De resultaten hiervan over de periode januari 1998 tot en met december 2000 zijn in dit rapport beschreven. In deze periode zijn in totaal 2.378 koppels leghennen, vleeskuikens, vleesvarkens, melkkoeien en vleeskalveren onderzocht op de aanwezigheid van Salmonella spp., Campylobacter spp. en/of tes afgenomen om gegevens voor risicofactor-analyses te verzamelen. Salmonella-prevalenties bij leghennen waren 12% (1998, bij gebruik van Rappaport-Vassiliadis (RV) als selectief ophopingsmedium) en ongeveer 20% (1999 en 2000, bij gebruik van RV en modified semisolid RV (MSRV)); bij vleeskuikens nam deze prevalentie gedurende de onderzoeksperiode af van 28% (1998, RV) tot 16% (2000, RV & MSRV). Bij vleesvarkens zijn 34% (1998; alleen 4e kwartaal bemonsterd), 13% (1998) en 16% (2000) positieve koppels waargenomen, bij melkkoeien en vleeskalveren lagen de prevalenties rond de 3% (alle prevalenties gebaseerd op RV). S. Enteritidis (voornamelijk faagtype PT4) was het meest voorkomende serotype bij leghennen. Tot en met 1999 werd dit type ook het meest gevonden bij vleeskuikens, maar in 2000 werd hier S. Paratyphi B var. Java het meest prevalent. Bij vleesvarkens domineerde S. Typhimurium, met een toenemende rol voor faagtype DT104 in de onderzoeksperiode. De campylobacter-prevalentie bij vleeskuikens nam af van 31% (1998) tot 18% (1999), gevolgd door een niet-significante stijging tot 24% (2000). Bij vleesvarkens, melkkoeien en vleeskalveren werd een lagere campylobacter-prevalentie gemeten in 1999 ten opzichte van 1998. Bij vleeskuikens en melkkoeien werd voornamelijk C. jejuni geisoleerd, terwijl C. coli domineerde bij vleesvarkens; beide typen werden in nagenoeg gelijke mate gevonden bij vleeskalveren. Prevalentieschattingen voor E. coli O157 in melkkoeien waren 5% (1998), 8% (1999) en 6% (2000; 8% bij een gewijzigde verwerking van monsters); voor vleeskalveren waren deze cijfers respectievelijk 5%, 9% en 11% (17% met de gewijzigde methode). Minstens een van de virulentie-genen SLT-I, SLT-II en eae, werd aangetoond in alle onderzochte isolaten. Potentiele risicofactoren zijn geidentificeerd voor E. coli O157 bij melkkoeien en voor Campylobacter spp. bij vleeskuikens.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Basiswaarden voor het zoete grondwater zijn gedefinieerd als de concentraties van stoffen in het grondwater die uitsluitend zijn ontstaan uit natuurlijke neerslag in het huidige landschap. Metingen aan grondwater met reistijden van meer dan 50 jaar in de bodem van gebieden met een natuurlijke vegetatie uit de Landelijke en Provinciale Meetnetten Grondwaterkwaliteit (LMG, PMG) en uit de sprengen van de Veluwe zijn bewerkt om basiswaarden te bepalen voor 50 anorganische spoorelementen. De gegevens uit LMG en PMG waren onvoldoende consistent om ze in samenhang te beschouwen; de resultaten van PMG zijn niet gebruikt. Concentraties in natuurlijke neerslag kunnen uit de basiswaarden voor het grondwater worden afgeleid. Basiswaarden dienen in beschouwing genomen te worden bij de vaststelling van streef- en grenswaarden om ongewenste overschrijdingen te voorkomen. De basiswaarden voor Cd, Cu en Ni zijn vrijwel gelijk aan de thans geldende streefwaarden, zodat overschrijdingen veel voorkomen. De basiswaarden maken het mogelijk om veranderingen in de samenstelling van het grondwater door menselijke invloed te bepalen. Uit een vergelijking van de concentraties in grondwater met lange (meer dan 50 jaar) en korte (minder dan 25 jaar) reistijd in de bodem blijkt dat menselijke invloeden aantoonbaar zijn. Hoge concentraties van de metalen Al, Cd, Cu, Pb, Ni en Zn worden vooral als gevolg van verzuring gevonden in grondwater met korte reistijden onder natuurlijke vegetatie. Overschrijdingen van de streefwaarden zijn aanzienlijk in het zuidelijk zandgebied en iets minder groot in de overige. Andere stoffen hebben de hoogste concentraties in ondiep grondwater onder landbouw (bemesting). Recent in de bodem geinfiltreerd grondwater is bemonsterd in het Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit (LMB). Uit deze gegevens volgt dat een toegenomen atmosferische depositie van Cd, Cu en Ni merkbaar is in het grondwater van natuurgebieden. De verschillen in de concentraties van veel spoorelementen zijn relatief gering voor ondiep grondwater onder diverse vormen van landbouw.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Bij de GGD-en en soa-poliklinieken wordt ten behoeve van de non-curatieve soa-bestrijding een registratie bijgehouden van de bezoekers met een soa-hulpvraag of HIV-testverzoek. In 2002 registreerden 37 GGD-en en twee soa-poliklinieken in totaal 23.353 consulten (stijging van 16% t.o.v. 2001), waarvan 49% bij mannen en 50% bij vrouwen. Van deze consulten werd bij 48% een soa-onderzoek uitgevoerd, bij 11% een HIV-test en bij 41% beide. In vergelijking met 2001 is het aantal testen voor soa alleen met 1% toegenomen, voor HIV alleen met 6% afgenomen en voor zowel soa als HIV met 53% toegenomen. Driekwart van de bezoekers was afkomstig uit Nederland. Het aantal soa steeg in 2002 met 11% tot 6.197. Bij 29% van de bezoekers werd een soa geconstateerd. De meest voorkomende soa was chlamydia; bij mannen gevolgd door genitale wratten, gonorroe en niet specifieke urethritis en bij vrouwen gevolgd door bacteriele vaginose, candidiasis en genitale wratten. Chlamydia steeg met 17%; bij mannen 19% en bij vrouwen 15%. Gonorroe steeg met 22%; bij mannen 18% en bij vrouwen 34%. Opvallend is het aandeel jonge vrouwen: 65% was jonger dan 25 jaar. Het aantal gevallen van syfilis steeg met 78%, vooral door een toename bij mannen van 122%; bij homo-en biseksuele mannen nam het aantal met 182% toe. Van alle vrouwen met syfilis was 46% werkzaam in de prostitutie. Het aantal HIV-testverzoeken steeg met 35% tot 12.151 waarbij 1,1% positief bleek te zijn. Bij de homo- en biseksuele mannen steeg het aantal HIV-testen met 47% en bij heteroseksuele mannen 28%. Het aantal HIV-positieven is met 111% meer dan verdubbeld. Van alle mannen met HIV was 76% homo- of biseksueel en van alle vrouwen was 63% afkomstig uit het buitenland waaronder 26% afkomstig uit sub-Sahara Afrika.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
In mei 2002 hebben de ministeries van VROM en VWS het Actieprogramma Gezondheid en Milieu aan de Tweede Kamer gepresenteerd. Daarin was onder meer opgenomen een ontwerp van het Beoordelingskader Gezondheid en Milieu. Dit is een instrument waarmee factoren in beeld worden gebracht die een rol spelen bij beleids-beslissingen over milieuproblemen met gezondheidsaspecten. Het gaat dan niet alleen om ernst en omvang van gezondheidseffecten, maar ook om risicoperceptie, kosten-baten analyses en handhavingsaspecten. In dit rapport wordt aan de hand van een deskundigen-consultatie, een literatuur-onderzoek en een tweetal workshops aannemelijk gemaakt dat voor de ontwerpversie de juiste uitgangspunten zijn gekozen. Tevens wordt een vernieuwde versie van het beoordelingskader gepresenteerd, waarin de eerste ervaringen met het gebruik in de praktijk zijn verwerkt.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Dit rapport beschrijft de tweede fase in het praktijkonderzoek naar de bruikbaarheid van de TRIADE-benadering voor locatiespecifieke ecologische risicobeoordeling. In deze tweede fase werd gekozen voor een uitbreiding van de ecologische veldwaarnemingen en werd gestreefd naar een betere locale referenties voor verontreinigde percelen. Het is een volgende stap in de ontwikkeling van een beslissingsondersteunende methodiek, die op termijn de huidige urgentie-systematiek voor bodemverontreiniging zou kunnen aanvullen of vervangen. De verontreinigingsgraad was op twee van de drie locaties (te) hoog door de aanwezigheid van een cocktail aan stoffen. De monsters van de vloeivelden Tilburg voldeden het best aan de doelstelling om een uitgebreide TRIADE-beoordeling uit te voeren langs een gradient van matig verontreinigde gronden. De methodiek gaf ook hier een gradatie in effecten weer. Er zijn een groot aantal bodemecologische metingen uitgeprobeerd. De meeste gaven onderscheid tussen de monsters. De waargenomen effecten waren kleiner dan op grond van het TRIADE-onderdeel chemie verwacht zou worden. De keuze van een goede referentie blijkt een belangrijk en kritisch aspect in de beoordelingsmethodiek.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Dit rapport beschrijft het deelmodel Verkeer en Vervoer (PIE-VeV) van het Platform voor Integrale Energie- en emissieverkenningen (PIE). PIE is door de doelgroep Energie ontwikkeld in nauwe samenwerking met het ECN en is een integratieplatform dat de grootte en de samenstelling van de vraag naar energiedragers door de verschillende sectoren koppelt aan het aanbod van de energieproductiesector. PIE heeft tot doel de effecten op de nationale emissies van veranderingen in de grootte en de samenstelling van de energievraag door de verschillende sectoren over de gehele energieketen door te kunnen rekenen. PIE-VeV, een onderdeel van PIE, beschouwt veranderingen in het energievraag 'aan de pomp' en de emissies ter plaatse van het vervoermiddel. Veranderingen in de energievraag 'aan de pomp' kunnen het gevolg zijn veel factoren. In PIE-VeV is op basis van de modelstructuur van PIE voor de volgende indeling gekozen: 1) volumegroei = vervoersomvang in reizigerkilometers of tonkilometers, 2) dematerialisatie = veranderingen in de modal split in het personen- of goederenvervoer en veranderingen in de bezetting/belading van vervoermiddelen, 3) besparing = veranderingen in de energiebehoefte van vervoermiddelen (aan de wielen) en 4) aanbod = samenstelling naar motortype-brandstofcombinatie en de omzettingsrendementen daarvan. Veranderingen in emissies zijn het gevolg van veranderingen in energievraag en veranderingen in energiegerelateerde emissiefactoren (g/GJ). In deze emissiefactoren zitten impliciet technische maatregelen aan voertuigen en veranderingen in brandstofkwaliteit besloten. PIE-VeV is geen model dat de absolute vraag naar vervoer in een gegeven scenariocontext kan berekenen en vervangt dus niet de bestaande vervoersmodellen. Met PIE-VeV kunnen wel eerste-ordeschattingen worden gegeven van de effecten op energiegebruik en emissies door de sector verkeer en vervoer van veranderingen ten opzichte van het referentiescenario in enkele economische groeiparameters, modal-shifts in het personen- en goederenvervoer, veranderingen in bezettings- en beladingsgraden, efficientieverbeteringen en verschuivingen in de brandstofmix.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Normstelling van zware metalen geschiedt momenteel op basis van het totaalgehalte in de vaste fase. De methodiek leidt tot risicogrenzen die in de praktijk in sommige gevallen ongeveer gelijk zijn aan de achtergrondconcentratie. Bovendien houdt de methodiek onvoldoende rekening met het gegeven dat sommige metalen essentieel zijn voor het functioneren van organismen. Dit is reden geweest om een conceptueel kader op te stellen voor een verbeterde beoordelingmethodiek die wel met deze factoren rekening houdt. Het kader behoeft invulling. In dit rapport wordt nagegaan of het mogelijk is om toxiciteitstoetsen uit te voeren met natuurlijke substraten en met organismen die daadwerkelijk voorkomen in deze substraten, terwijl daarbovenop ook voldoende rekening gehouden wordt met de biobeschikbaarheid van de metalen. Geconcludeerd wordt dat integratie van kennis van de chemie van de bodem (speciatie en competitie), van de ecologische karakteristieken van de gebruikte toetsorganismen en van de achterliggende mechanismen van toxiciteit het inderdaad mogelijk maken om invulling te geven aan een verbeterde onderbouwing van de normstellingsmethodiek voor zware metalen. Concreet wordt aangetoond dat het belangrijk is om hierbij rekening te houden met de routes waarlangs organismen metalen accumuleren en de aanwezigheid van andere metaalionen (inclusief H+) in het poriewater. De wijze waarop geaccumuleerde metalen door organismen onschadelijk worden gemaakt en waardoor slechts een fractie van het in het beest aanwezige metaal toxisch is, zou gebruikt kunnen worden voor een verbeterde normstelling waarbij interne gehaltes als uitgangspunt genomen worden. Interne metaalgehaltes die daadwerkelijk beschikbaar zijn voor interactie met receptoren van toxiciteit kunnen immers als de ultieme uitdrukking van biobeschikbaarheid worden beschouwd.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Rapportage 'Effecten van luchtverontreiniging op allergie'. Basisschool Onderzoek Luchtverontreiniging en Allergie (BOLA) | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Het principe van de Threshold of Toxicological Concern (TTC) verwijst naar de mogelijkheid om voor alle chemische stoffen een humane blootstellinggrens te bepalen, waaronder geen noemenswaardig risico optreedt voor de gezondheid van de mens. Deze grenswaarde is in de eerste plaats gebaseerd op carcinogenese gegevens. Voor andere gevoelige effecten, zoals neurotoxiciteit en ontwikkelingseffecten gelden hogere grenswaarden. Daarbij is met name de chemische structuur bepalend voor de hoogte van de TTC. De vraag is of grenswaarden afgeleid op basis van algemene toxiciteit ook van toepassing kunnen worden beschouwd voor teratogene effecten, danwel of voor deze effecten een extra veiligheidsfactor in rekening gebracht moet worden. Dit zou het geval kunnen zijn indien teratogene effecten bij lagere doseringen gevonden worden dan meer algemene effecten op de ontwikkeling, zoals groeivertraging en foetale sterfte. In dit rapport wordt een database gepresenteerd, waarmee het mogelijk is de NOELs voor teratogeniteit met de NOELs van andere ontwikkelingseffecten en de NOELs van maternale toxiciteit van dezelfde stof te vergelijken. Om bruikbare studies naar ontwikkelingstoxiciteit te vinden van stoffen met teratogene effecten zijn meerdere bronnen geraadpleegd, en zijn de originele wetenschappelijke artikelen geanalyseerd. Alleen stoffen met onomstreden teratogene effecten werden in de database vermeld. Het idee was dat als een teratogeen effect bij een lagere dosering optreedt dan een ander toxisch ontwikkelingseffect, er een extra veiligheidsfactor 10 overwogen zou moeten worden. Om dit te bepalen is voor iedere stof de ratio bepaald van de NOEL voor ontwikkelingseffecten en de NOEL voor teratogene effecten. Stoffen waarvan de ratio groter is dan 1, zouden een extra factor 10 nodig hebben. Uit de hier samengestelde database van 38 chemische stoffen blijkt dat slechts 8 stoffen een ratio opleveren die groter is dan 1. Voor al deze stoffen geldt dat ze vanwege hun genotoxiciteit al in een vroege fase buiten het TTC concept gehouden worden. Deze database geeft daarmee geen aanleiding voor een extra veiligheidsfactor in het TTC concept voor stoffen met een teratogeen effect. De database in dit rapport is echter nog maar een voorlopige inventarisatie en laat geen definitieve conclusies toe. De database dient als basis voor verder onderzoek door de ILSI Europe Threshold of Toxicological Concern Task Force.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
De Nederlandse overheid overweegt om, op grond van het voorzorgprincipe, maatregelen te nemen om de blootstelling van de bevolking aan magnetische velden afkomstig van bovengrondse hoogspanningslijnen te reduceren. Aanleiding hiervoor vormen diverse rapportages over mogelijke schadelijke gezondheidseffecten van deze velden en de bezorgdheid van mensen die bij een hoogspanningslijn wonen. Uit een recent KEMA/RIVM onderzoek gericht op reductie van magnetische velden bij bestaande woningen bleek dat een aanzienlijke reductie van de blootstelling van de bewoners mogelijk is, maar dat de kosten hoog zijn. In deze studie heeft RIVM voor de nieuwbouwplannen die de komende 25 jaar gerealiseerd zullen worden, onderzocht waar een bovengrondse hoogspanningslijn door of dicht langs het plan loopt. Verder is berekend hoeveel nieuwe woningen er binnen die plannen bij een hoogspanningslijn komen te liggen. De Nieuwe Kaart van Nederland bevat bijna 1300 plannen waar woningen gebouwd zullen worden. Van deze plannen worden er 79 doorsneden door een bovengrondse hoogspanningslijn over een totale lengte van 57 km. Een mogelijk verhoogd risico op kinderleukemie zou optreden bij blootstelling aan magnetische velden met een veldsterkte boven ongeveer 0,4 microtesla. Van de 800.000 nieuwe woningen die binnen de plannen van de Nieuwe Kaart gerealiseerd worden, zijn er 10.000 binnen de 0,4 microtesla contour geprojecteerd. Dit betekent een stijging met ruim 40% ten opzichte van de 23.000 woningen die er nu binnen deze contour staan. Daardoor zal de komende 25 jaar het aantal mensen dat wordt blootgesteld aan veldsterktes boven 0,4 microtesla met circa 40% toenemen. De mogelijkheden voor blootstellingspreventie hangen af van hoe definitief een bouwplan al is ingevuld. Het is, op basis van de gegevens in de Nieuwe Kaart over planstatus en start van de uitvoering, niet mogelijk om daarover een betrouwbare uitspraak te doen. Vaak ligt het woningtype en de precieze locatie van de woningen nog niet vast. Bovendien is de overlap van een bouwplan met het gebied binnen de 0,4 microtesla contour voor de meeste plannen relatief klein. Daarom is het naar verwachting meestal mogelijk een toename in blootstelling van de bevolking te voorkomen door bij de nadere planuitwerking rekening te houden met de aanwezigheid van de hoogspanningslijn(en).
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
In het "Ontwerp-besluit vaststelling milieukwaliteitseisen voor externe veiligheid van inrichtingen" wordt voor categorale inrichtingen binnen een afstand tot het 1%-letaliteitsniveau een maximaal toegestane bevolkingsdichtheid gehanteerd. Als binnen deze zone deze dichtheid niet wordt overschreden, dan zal de orienterende waarde voor het groepsrisico niet worden overschreden. De berekende dichtheden zijn gebaseerd op 100% aanwezigheid in een "object", zoals een woning, sportaccommodatie of station. Bij een kleiner aanwezigheidspercentage in een object mag een correctie worden toegepast. De correctiefactor, ten gevolge van het niet gedurende de volledige tijd aanwezig zijn van personen, geeft aan met welke getal de bevolkingsdichtheid mag worden vermenigvuldigd, zonder dat de orienterende waarde voor het groepsrisico wordt overschreden. In dit rapport zijn voor 22 objecten waar personen kunnen verblijven, ingedeeld in de categorien kwetsbaar en beperkt kwetsbaar, de verblijftijdfracties bepaald en daaruit zijn correctiefactoren berekend. De correctiefactoren liggen tussen 1,1 voor woningen en asielzoekerscentra en 14 voor stadions.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Dit rapport beschrijft onderzoek naar de relevantie van een aantal eindpunten binnen de ontwikkelingstoxiciteit die kunnen worden waargenomen in dierstudies voor het afleiden van limieten voor acute blootstelling. Hiertoe worden NOAELs en LOAELs uit studie met een eenmalige blootstelling vergeleken met studies met herhaalde blootstelling (uitgevoerd volgens gangbare richtlijnen). Op basis van deze analyse wordt geconcludeerd dat maternale toxiciteit (lichaamsgewicht, voedselopname, orgaangewichten, klinische verschijnselen) geen geschikt einpunt is voor het vaststellen van limieten voor acute blootstelling. De relevantie van foetal lichaamsgewicht (en vertraagde ossificatie) voor het vaststellen van acute limieten moeten worden geevalueerd binnen de totale context van effecten op de foetus en de moeder. Resorpties worden beschouwd als relevante eindpunten voor acute limieten. Malformaties and effecten op het skelet worden beschouwd als relevante eindpunten tenzij er informatie beschikbaar is die anders uitwijst. Het gebruiken van een NOAEL uit een ontwikkelingstudie volgens de gangbare richtlijnen (herhaalde blootstelling) verschaft te allen tijde een conservatieve (veilige) inschatting van de NOAEL bij een eenmalige blootstelling.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
In de komende 3e editie van de WHO Guidelines for Drinking-Water Quality wordt een preventief raamwerk voor het beheersen van de kwaliteit van drinkwater voorgesteld dat gelijk is voor alle soorten verontreinigingen - microbiologisch, chemisch en radiologisch. Risico's die zijn verbonden aan water worden meestal uitgedrukt in specifieke gezondheidseffecten (zoals kanker, diarree etc.). Omdat verschillende contaminanten gezondheidsklachten veroorzaken die sterk verschillen in aard en ernst van b.v. milde diarree tot verlamming door fluorose en kindersterfte, is een gemeenschappelijke eenheid noodzakelijk om de effecten op de volksgezondheid van verschillende agentia en interventies te kunnen vergelijken. Dit rapport beoogt materiaal aan te dragen voor een discussie over de grondslagen en methoden van Disability Adjusted Life Years (DALYs) als een gemeenschappelijke volksgezondheidsmaat en de bruikbaarheid ervan op het gebied van drinkwaterkwaliteit. De methode wordt geillustreerd aan de hand van enkele contaminanten in drinkwater waarvan de ziektelast eerder bestudeerd was, en voorlopige gegevens worden gepresenteerd voor enkele andere belangrijke contaminanten.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
De zorg in de achterstandswijken van de grote steden functioneert niet optimaal door de grote diversiteit in bevolkingsgroepen, de gebrekkige samenhang in de zorg en de tekorten aan huisartsen, verpleegkundigen en verzorgenden. Juist in deze wijken is de gezondheid van de bevolking bovendien slechter dan in de rest van Nederland. Vooral de allochtone bevolking in de grote steden is de laatste jaren sterk gegroeid en bestaat uit een toenemend aantal nationaliteiten. Ook groepen in de marge van de samenleving, zoals dak- en thuislozen, verslaafden, ex-psychiatrische patienten, vereenzaamde ouderen en illegalen zijn oververtegenwoordigd. De werklast van huisartsen in de grote steden is de afgelopen jaren meer toegenomen dan in andere plaatsen. De werklast is het grootst in achterstandswijken. De animo onder jonge huisartsen om in de stad te werken is onvoldoende om de openvallende plaatsen van stoppende huisartsen in te vullen. De vacatures voor verpleegkundig en verzorgend personeel zijn in de drie grootste steden het moeilijkst te vervullen. In het algemeen kunnen zowel de autochtone als de allochtone bevolking in de grote steden de weg naar de zorg nog goed vinden. Maar zowel zorgverleners als patienten rapporteren dat de kwaliteit van de zorg voor allochtone patienten niet optimaal is. Er zijn daarom specifieke inspanningen nodig om de toegankelijkheid en kwaliteit van de zorg in de grote steden in de toekomst veilig te stellen en te verbeteren. Vooral de eerstelijns gezondheidszorg in achterstandswijken heeft extra aandacht nodig. Deze inspanningen moeten gericht zijn op de verbetering van de toegankelijkheid en kwaliteit van de kwetsbare groepen. Meer samenhang en samenwerking tussen verschillende zorgsectoren (preventie, curatieve zorg, care en welzijn is nodig om patienten met meervoudige medische en psychosociale problemen te helpen. Ook zijn acties nodig om het werken voor huisartsen en ander zorgpersoneel in de grote steden aantrekkelijker te maken. Op het lokale niveau zullen vooral zorgverzekeraars en gemeentebesturen moeten gaan samen werken om een goede eerstelijnszorg veilig te stellen.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Het begrip 'kwaliteit' speelt in steeds meer beleidsvoornemens van de (rijks)overheid een krachtig sturende rol. Voor de lokale omgeving, de leefomgeving, is de algemene beleidsdoelstelling van VROM het verbeteren en in stand houden van de woonkwaliteit. Belangrijke determinanten van de ervaren kwaliteit van de leefomgeving zijn (hinder van) geluid, geur, luchtverontreiniging en externe veiligheid. In dit onderzoek wordt de invloed van hinder van geluid en geur op de ervaren kwaliteit (tevredenheid) van de leefomgeving onderzocht. De belangrijkste vragen waren a) wat is de invloed van hinder op de woontevredenheid en b) welke persoons- en/of woonkenmerken zijn van invloed op de woontevredenheid? De gegevens zijn verzameld met behulp van Telefonische Leefsituatie Onderzoeken (TLO's) bij mensen die in de buurt van (industriele) bedrijvigheid wonen. Verschillende TLO's (n=19) zijn in een groot TLO-bestand samengevoegd. In deze analyse is gebruik gemaakt van 17 TLO's met daarin in totaal 86 onderzoekslocaties en ongeveer 18.000 respondenten. Vanwege de gelaagde structuur van de gegevens is uitgevoerd. Gegevens over (individuele) blootstellingniveaus waren voor deze analyses niet beschikbaar. Een opmerkelijk bevinding is de grote spreiding in de (cor)relatie tussen woontevredenheid en hinder per locatie (n=84, correlaties voor geluid tussen: -0,57 en 0,07; voor geur tussen -0,57 en 0,37). Dit is de reden waarom in afwijking van eerder onderzoek een multi-level analyse (MLA) is uitgevoerd. Deze bevinding duidt op locatie-specifieke verschillen die van invloed kunnen zijn op de relatie woontevredenheid en hinder. Verschillen in blootstellingsnivo's zouden hieraan ten grondslag kunnen liggen. De andere bevindingen zijn in overeenstemming met resultaten van soortgelijk onderzoek. De bezitsvorm van de woning (eigenaar-huurder) en het type woning blijken relatief belangrijke voorspellers van tevredenheid met de leefomgeving. In het algemeen zijn huurders minder tevreden dan eigenaren. Flatbewoners zijn minder tevreden dan mensen in (half)vrijstaande huizen. Daarnaast blijkt hinder (van lawaai en stank) een relatief belangrijke voorspeller van woontevredenheid te zijn. Naarmate respondenten meer hinder ondervinden zijn ze minder tevreden met hun leefomgeving. De leeftijd, het geslacht, en het aantal voorzieningen in de woning van de respondent zijn eveneens voorspellers van woontevredenheid, zij het in mindere mate. Vrouwen en oudere mensen zijn meer tevreden met hun leefomgeving dan mannen respectievelijk jongere mensen. Naarmate in een woning meer voorzieningen aanwezig zijn tonen de bewoners zich meer tevreden. De tevredenheid met de leefomgeving in woongebieden nabij industriele activiteit wordt bepaald door een mix van persoons-, belevings- en omgevingsgebonden kenmerken. De mate van hinder is een relatief belangrijke determinant van woontevredenheid maar is niet de belangrijkste. Bezitsvorm van de woning en type woning zijn, relatief gezien, belangrijker. Het is aan te bevelen de, mede op basis van de variatie in de relatie tussen hinder en woontevredenheid de TLO-data uit te breiden met (vergelijkbare) blootstellingsgegevens.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
In opdracht van het Nederlands Astma Fonds worden in dit rapport beschikbare gegevens in kaart gebracht over de gezondheidsgerelateerde kwaliteit van leven van personen met astma en COPD vergeleken met die van andere groepen. Hiertoe is enerzijds een literatuurstudie uitgevoerd waarvoor studies zijn geselecteerd waarin de kwaliteit van leven van personen met astma of COPD wordt vergeleken met die van de algemene bevolking of van personen met een andere (chronische) ziekte. In totaal werden 27 studies geselecteerd, waarvan 9 over kinderen en 18 over volwassenen. Anderzijds zijn secundaire analyses uitgevoerd op data verzameld in drie epidemiologische studies.Gezondheidsgerelateerde kwaliteit van leven is een begrip met meerdere dimensies. Zowel de gezondheidstoestand als de gevolgen daarvan voor het functioneren en de waardering daarvoor zijn van belang. Astma en COPD kunnen leiden tot fysieke en emotionele klachten die op hun beurt kunnen leiden tot beperkingen in het fysieke, emotionele en sociale functioneren. Beperkingen in het functioneren kunnen door de ene patient anders worden ervaren dan door de andere. Bij kinderen ging het hebben van astma samen met een minder goed fysiek, emotioneel en sociaal functioneren. Dit gold sterker voor meisjes dan voor jongens, sterker voor 10-13-jarigen dan voor 7-9-jarigen en ook sterker voor kinderen van laagopgeleide ouders dan voor kinderen van ouders met een hogere opleiding. Bij kinderen met astma ging het hebben van recente astmaklachten samen met een minder goed fysiek en emotioneel functioneren. In vergelijking met kinderen met diabetes mellitus voerden kinderen met astma fysieke activiteiten minder vaak en goed uit, maar hadden zij minder zorgen om hun ziekte. In vergelijking met kinderen met epilepsie voerden kinderen met astma fysieke en sociale activiteiten minder goed uit. Bij volwassenen gingen astma en COPD gepaard met een slechtere kwaliteit van leven op zowel fysiek, emotioneel als op sociaal terrein. Ook ervoeren personen met astma of COPD hun gezondheid als slechter dan de gemiddelde algemene bevolking. Net als bij kinderen waren deze relaties sterker voor vrouwen dan voor mannen, sterker voor oudere dan voor jongere personen en sterker voor personen met een lage dan voor personen met een hoge opleiding. Personen met COPD leken een slechtere kwaliteit van leven te hebben dan personen met astma, zeker als het gaat om fysiek functioneren, ervaren gezondheid en de subjectieve beleving. In vergelijking met personen met andere ziekten rapporteerden personen met astma of COPD over het algemeen een goede kwaliteit van leven, zeker in sociaal opzicht. De resultaten naar ernstgradaties waren zoals te verwachten: hoe ernstiger de astma of COPD, hoe slechter de kwaliteit van leven. In een vervolgtraject lijkt onderzoek naar monitoring van, en verandering in, de kwaliteit van leven bij personen met astma en COPD zinvol, ook in relatie tot beloop en ernst van de aandoening en gebruik en kosten van zorg. Een aantal lopende studies zal hier aan bij kunnen dragen. Om specifieke risicofactoren voor een slechtere kwaliteit van leven binnen groepen met astma of COPD op te kunnen sporen is tevens nader onderzoek nodig.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Derivation of cation exchange constants for sand, loess, clay and peat soils on the basis of field measurements in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Tissue levels of fish fatty acids and risk of colorectal adenomas: a case-control study (Netherlands) | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
The effects of chemical contaminants on immune function in harbour seals: results of a semi-field study | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Ultraviolet B radiation induces upregulation of calcitonin gene-related peptide levels in human Finn chamber skin samples | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Conclusions and perspectives for the future | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Author's reply to: Coffee consumption and risk of type 2 diabetes mellitus | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
The impact of land-cover modification on the june meteorology of China since 1700, simulated using a regional climate model | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
The immune system, environmental contamination and virus-associated mass mortalities among pinnipeds | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Return of Haemophilus influenzae type b infections [Letter to the editor] | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Rapid N-acetyltransferase 2 imputed phenotype and smoking may increase risk of colorectal cancer in women (Netherlands) | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Pandemic influenza and healthcare demand in the Netherlands: scenario analysis | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Milieubeleid tussen Den Haag en Brussel | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Ultrastructural characterization of effector-target interactions for human neonatal and adult NK cells reveals reduced intercellular surface contacts of neonatal cells | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Neisseria meningitidis can induce pro-imflammatory cytokine production via pathways independent from CD14 an toll-like receptor 4 | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Musculoskeletal pain in the Netherlands: prevalences, consequences and risk groups, the DMC(3)-study | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Study on Lifestyle Intervention and Impaired Glucose Tolerance Maastricht (SLIM): preliminary results after one year | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Food sources of carbohydrates in a European cohort of adults | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Trends in self-reported past alcoholic beverage consumption and ethanol intake from 1950 to 1995 observed in eight European countries participating in the European Investigation into Cancer and Nutrition (EPIC) | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Patterns of alcohol consumption in 10 European countries participating in the European Investigation into Cancer and Nutrition (EPIC) project | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Physical activity of subjects aged 50-64 years involved in the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition (EPIC) | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Soy product consumption in 10 European countries: the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition (EPIC) study | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Epidermal cis-urocanic acid levels correlate with lower specific cellular immune responses after hepatitis B vaccination of ultraviolet B-exposed humans | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Consumption of added fats and oils in the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition (EPIC) centres across 10 European countries as assessed by 24-hour dietary recalls | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition (EPIC): study populations and data collection | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Expansion of human gammadelta cells after in vitro stimulation with Campylobacter jejuni | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Evaluation of under- and overreporint of energy intake in the 24-hour diet recalls in the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition (EPIC) | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Consumption of dairy products in the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition (EPIC) cohort: data from 35955 24-hour dietary recalls in 10 European countries | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Overweight, obesity and fat distribution in 50- to 64-year-old participants in the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition (EPIC) | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition (EPIC) calibration study: rationale, design and population characteristics | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Consumption of vegetables, fruit and other plant foods in the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition (EPIC) cohorts from 10 European countries | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Variability of fish consumption within the 10 European countries participating in the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition (EPIC) study | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Chlamydia pneumoniae induces neointima formation in coronary arteries of normal pigs | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Meat consumption in the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition (EPIC) cohorts : results from 24-hour dietary recalls | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Impact of exposure duration by low molecular weight compounds on interferon-gamma and interleukin-4 mRNA expression and production in the draining lymph nodes of mice | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Diversity of dietary patterns observed in the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition (EPIC) project | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
To shift or not to shift, that's the question. The environmental performance of the principal modes of freight and passenger transport in the policy-making context | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Humane endpoints in the efficacy testing of swine erysipelas vaccines | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
PCR-based method to differentiate the subspecies of the Mycobacterium tuberculosis complex on the basis of genomic deletions | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Detection of Salmonella in fresh cheese, poultry products, and dried egg products by the ISO 6579 Salmonella culture procedure and the AOAC official method: collaborative study | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Patterns of food consumption and risk factors for cardiovascular disease in the general Dutch population | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Dietary fibre in food and protection against colorectal cancer in the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition (EPIC): an observational study | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Bacteriophages and clostridium spores as indicator organisms for removal of pathogens by passage through saturated dune sand | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
A structure of models for future projection of environmental pressure due to consumption | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Crustal structure of the continental margin of Korea in the East Sea (Japan Sea) from deep seismic sounding data: evidence for rifting affected by the hotter than normal mantle | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
International collaborative study to compare reverse transcriptase PCR assays for detection and genotyping of noroviruses | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Influence of transferable genetic determinants on the outcome of typing methods commonly used for Enterococcus faecium | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Functional activity of antibodies against the recombinant OpaJ protein from Neisseria meningitidis | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
DNA fingerprinting of Mycobacterium tuberculosis: bands and links | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Diet, physical activity, genetic susceptibility, and risk for type 2 diabetes | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
The public health impact of smoking and smoking cessation | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Feeding activity of the earthworm Eisenia andrei in artificial soil | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
The adaptive response of Escherichia coli O157 in an environment with changing pH | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Use of DNA extracts from Ziehl-Neelsen-stained slides for molecular detection of rifampin resistance and spoligotyping of Mycobacterium tuberculosis | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
A common variant of the methylenetetrahydrofolate reductase gene (1p36) is associated with an increased risk of cancer | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Patterns of resistance associated with integrons, the extended-spectrum beta-lactamase SHV-5 gene, and a multidrug efflux pump of Klebsiella pneumoniae causing a nosocomial outbreak | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Adaptive responses of Salmonella enterica serovar Typhimurium DT104 and other S. Typhimurium strains and Escherichia coli O157 to low pH environments | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
De huidige epidemische toename van diabetes in de westerse samenleving is geassocieerd met leefstijlfactoren. Verhoogde calorische inname in combinatie met verminderde lichamelijke inspanning verhoogt de kans op het krijgen van obesitas en diabetes. Echter, een additionele oorzaak van de diabetes epidemie ligt mogelijk in de voeding tijdens de zwangerschap. Programmering door de voeding tijdens de zwangerschap van fysiologische parameters in het nageslacht wordt in toenemende mate beschouwd als een belangrijke determinant van aandoeningen op volwassen leeftijd waaronder cardiovasculaire ziekten, obesitas en diabetes. Dit onderzoek beschrijft de verdere ontwikkeling van een diermodel voor prenatale programmering. Continue bloeddrukmeting in stressvrije wakkere dieren lieten geen veranderingen zien na prenatale dieten met verminderd eiwitgehalte dan weleen verhoogde concentratie verzadigd vet. Ook de bijnierrespons op ACTH, gemeten in vivo en in vitro, liet geen veranderingen zien. Opvallend was de verhoogde insulinerespons in volwassen nakomelingen na een prenataal dieet verrijkt met verzadigd vet. Deze bevinding vraagt om nader onderzoek naar de rol van vetzuren in het dieet bij de prenatale programmering van de regulatie van de glucosespiegel in het bloed. Dit mechanisme kan belangrijke implicaties hebben voor de volksgezondheid, gegeven moderne eetgewoonten en de toenemende prevalentie van diabetes in de westerse wereld.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
De reistijden van het grondwater in de bodem (in jaren) zijn onmisbaar bij het verklaren van verontreinigingen in het grondwater voor milieukundige overzichten. Gegevens over de concentraties aan tritium (3H) in monsters water uit 332 filters van 187 putten van provinciale meetnetten grondwaterkwaliteit (PMG) in Drenthe, Gelderland, Zuid-Holland en Brabant zijn gebruikt voor bepalingen van reistijden in de bodem en de aanvulling van het grondwater in de zandgebieden. Eerdere resultaten uit het landelijk meetnet zijn nogmaals samengevat. De filters van PMG liggen op een diepte van minder dan 10 tot ongeveer 25 m onder maaiveld. De tritiumconcentraties leverden waarden op voor de reistijden in de bodem en de aanvulling door de neerslag van het bemonsterde grondwater. In 45 monsters was de 3H concentratie lager dan de detectiegrens. In bepaalde gebieden komt oppervlakkige afvoer van de neerslag voor, zodat de aanvulling van het grondwater kleiner is dan het neerslagoverschot. De belangrijkste oorzaak is het voorkomen van slecht doorlatende lagen in de ondiepe bodem. De analyse van de PMG gegevens toont echter aan dat nog andere factoren een rol kunnen spelen zoals het geringe doorlaatvermogen van de ondergrond in Oost-Gelderland en in delen van De Peel en het voorkomen van Holocene kleilagen in het kustgebied. Het betreft relatief kleine gebieden, zodat de eerder gegeven beelden van de reistijden en de aanvulling van het grondwater gebaseerd op het landelijk meetnet in het algemeen geldig blijven.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
De NATUURPLANNER versie 2.4 bestaat uit 5 modulen. Elke module bevat een model en een schil eromheen, waarmee het model aanstuurbaar is binnen de NATUURPLANNER. Met versie 2.4 zijn de berekeningen uigevoerd voor de terrestrische natuurkwaliteit in de tweede Natuurverkenning (RIVM, 2002). In dit rapport worden de technische testen beschreven die zijn uitgevoerd, voordat de NATUURPLANNER is ingezet in de Natuurverkenning. De testen richten zich op het technisch functioneren van de modellen binnen de NATUURPLANNER. Inhoudelijk is er voor de verschillende modellen documentatie beschikbaar. De testprocedure voor de modulen is een stapsgewijze aanpak. De eerste stap is een eenvoudige test, indien een module niet door de test komt werd de module teruggelegd bij de ontwikkelaars. Na herstel werd de module opnieuw getest met de eenvoudige test en een uitgebreide test. Tot de module foutloos door de testen heen komt. Deze testprocedure heeft ertoe geleid dat de Natuurverkenning uitgevoerd is met modules die voldoen aan technisch functionele eisen. Dit testrapport en de toepassing in de Natuurverkenning 2 tonen aan dat een test vooraf resulteert in een vrijwel foutloze en efficiente berekening, zonder dat in de loop van een project extra tijd en inzet nodig zijn.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Het Milieu- en Natuurplanbureau publiceert jaarlijks een Milieubalans. Dit boekt beschrijft de toestand van het milieu en de samenhang tussen de toestand van het milieu en het gevoerde beleid. Tevens is dit de eerste Milieubalans die in mei wordt uitgebracht in plaats van in september rond Prinsjesdag. De reden hiervan is om aan te sluiten bij het jaarlijkse proces van beleidsverantwoording (VBTB) door de ministers aan de Tweede Kamer. De volgende hoofdstukken staan in deze milieubalans: Halen van doelen en inzet van middelen; Leefomgeving en verkeer; Landbouw en landelijk gebied; Klimaat; Nederland in de Europese Unie. De Milieubalans 2003 besteedt bijzondere aandacht aan het Nederlandse milieu(beleid) in Europese context. Meer dan 80% van het milieuen natuurbeleid in Nederland wordt door Brussel voorgeschreven. De uitvoering daarvan leidt soms tot conflicten met Nederlands beleid, zoals bij de Nitraatrichtlijn. Toch pakken gemeenschappelijke Europese milieuregels vaak gunstig uit. Nederland kan milieukosten besparen door goed en vroeg te kiezen welk beleid Nederland moet maken en welk de Europese Unie.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
De derde Global Environment Outlook (GEO-3) werd gepubliceerd vlak voor de top in Johannesburg. GEO-3 keek dertig jaar terug en dertig jaar vooruit. Met vier contrasterende scenarios is verkend langs welke wegen de wereld kan ontwikkelen, inclusief implicaties voor sociale en milieudoelen. De GEO-3 scenarios zijn respectievelijk Markets First, Policy First, Security First and Sustainability First. Kenmerkend voor GEO-3 is dat betrekkelijk diepgaand wordt onderzocht wat van elk van deze scenarios de gevolgen zijn voor de verschillende wereldregio's. De brochure presenteert de uitwerking van de GEO-3 scenario's voor West-, Centraal- en Oost-Europa.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
In dit rapport wordt de mogelijke bijdrage van cacao aan rookverslaving beschreven. Cacao wordt aan tabak toegevoegd om de smaak te verbeteren. Daarnaast bevat cacao tal van psychoactieve stoffen die mogelijk bijdragen aan rookverslaving Dit literatuuronderzoek beschrijft de blootstelling, farmacologie, farmacokinetiek, toxicologie, interacties en verslavende eigenschappen van de tien meest bekende stoffen in cacao. De onderzochte stoffen zijn theobromine, caffeine, serotonine, histamine, tryptofaan, tryptamine, tyramine, fenylethylamine, octopamine en anandamide. Deze stoffen komen ook via dranken en voedsel het lichaam binnen of worden door het lichaam zelf aangemaakt. Dit rapport laat zien dat de aan roken gerelateerde blootstelling aan de psychoactieve stoffen uit cacao gering is ten opzichte van de inname via voeding en dranken en/of de lichaamseigen productie van deze stoffen. Een systemisch effect lijkt derhalve onwaarschijnlijk ook al omdat lichaamseigen stoffen snel worden afgebroken. Daarnaast kunnen deze stoffen, omdat ze geinhaleerd worden, een direct effect op de luchtwegen hebben. Daarmee zou de opname van nicotine beinvloed kunnen worden. De nicotine opname zou bijvoorbeeld kunnen toenemen via luchtwegverwijding door theobromine en cafe6ne of kunnen afnemen door luchtwegvernauwing door histamine. Dit rapport laat zien dat de aan roken gerelateerde blootstelling aan deze stoffen waarschijnlijk te gering is voor een direct effect op de luchtwegen. Verder dient te worden opgemerkt dat de hoeveelheid tryptamine, tyramine en fenylethylamine die via cacao wordt toegevoegd verwaarloosbaar is ten opzichte van de hoeveelheid die in tabak zelf aanwezig is. Tot slot is aandacht besteed aan de verbrandingsproducten van cacao. Amine verbindingen als serotonin, tryptofaan, tyramine, tryptamine en fenylethylamine vormen tijdens het roken stoffen die het enzym mono amine oxidase (MAO) remmen. MAO-remmers hebben een anti-depressieve werking en kunnen op die manier bijdragen aan rookverslaving. De conclusie van dit literatuur onderzoek is dat de afzonderlijke psychoactieve stoffen in tabak als gevolg van toevoeging van cacao niet direct bijdragen aan rookverslaving. De verbrandingsproducten van cacao doen dit, via remming van het enzym mono amine oxidase, mogelijk wel. Ook de smaak van cacao wordt geassocieerd met verslaving. De literatuur biedt geen inzicht in het effect op gezondheid en verslaving van het inhaleren van de combinatie van de 10 onderzochte stoffen uit cacao.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
De aanwezigheid van fijn stof (deeltjes < 10 mum) in de buitenlucht kan gezondheidsproblemen veroorzaken; om deze reden zijn in EU verband normen voor fijn stof gesteld. Voor het bestrijden van de emissie van fijn stof is het van belang om de omvang van de verschillende bronnen te kennen. Over de emissie vanuit de landbouw bestond een aantal onduidelijkheden. De afdeling Monitoring en Informatiemanagement (Ministerie VROM, DGM, HIM) heeft een opdracht gegeven aan Alterra om in samenwerking met RIVM, de methodiek van emissieschatting te verbeteren. Het project heeft bestaan uit literatuuronderzoek en het bespreken van de problematiek met een aantal terzake deskundigen tijdens een discussiedag. Uit het onderzoek blijkt dat emissie uit stallen waarschijnlijk de grootste bron is van emissie van fijn stof vanuit de landbouw. Daarnaast is er een aantal relatief kleine posten, met als belangrijkste de toediening van bestrijdingsmiddelen en kunstmest en de aanvoer van krachtvoer op het agrarisch bedrijf. Winderosie is vermoedelijk ook een grote bron, die variabel is in de tijd. De omvang ervan is echter moeilijk te schatten.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
In dit rapport wordt verslag gedaan van een screening op de gezondheidsrelevantie van de meerjarenontwikkelingsprogramma's van vier gemeenten: Leiden, Groningen, Utrecht en Den Haag. Doel van de screening is aanknopingspunten te vinden om het aspect gezondheid een duidelijkere plaats te geven in de meerjarenontwikkelingsprogramma's van het Grotestedenbeleid. De screening is verricht door Okapi, een adviesbureau beleid en organisatie. Uit de analyse blijkt dat er weinig tot geen relatie wordt gelegd tussen het Grotestedenbeleid van gemeenten en hun lokaal volksgezondheidsbeleid. Veel beleidsmaatregelen in de meerjarenontwikkelingsprogramma's blijken gezondheidsrelevant te zijn, maar die gezondheidsrelevantie wordt niet benoemd, niet nagestreefd en niet gemeten. In de sociale pijler wordt voor een aantal beleidsvoornemens wel een relatie gelegd met gezondheid, maar juist ook bij de fysieke en economische pijler is veel gezondheidswinst te behalen. Het grootste deel van de beleidsmaatregelen kunnen de gezondheid bevorderen. In een aantal gevallen is er ook sprake van potentieel gezondheidsschadende maatregelen. Zo kan het versterken van de economische concurrentiepositie van de steden een negatief gezondheidseffect hebben via de determinanten werkdruk, milieu, verkeersveiligheid, informele zorg, vrije tijd, sociale contacten en zorgzaamheid. En bij herstructurering van wijken moet ervoor worden gewaakt dat huizen niet te duur worden voor mensen met een sociaal-economische achterstand. Zij worden anders gedwongen te verhuizen naar een minder aantrekkelijke wijk. In het rapport worden ook kansen voor gezondheid in het GSB genoemd. Zo kan het benoemen en verbeteren van de samenwerking tussen uitkeringsinstellingen voor sociale zekerheid en gezondheidsinstellingen de arbeidsparticipatie wellicht bevorderen. Voor uitkeringsinstellingen is het van belang dat ze weten dat een hoog percentage van hun clienten een of meer lichamelijke problemen heeft, dat ze de aard van die problemen kennen en de relatie ervan met mogelijkheden en onmogelijkheden van het werk dat ze kunnen doen. Zelfstandige zorgaanbieders, zoals huisartsen, verloskundigen en tandartsen kunnen in het komende GSB-beleid worden behandeld als vrije ondernemers, zodat ze kunnen profiteren van de maatregelen voor huisvesting van startende ondernemers. Dit kan het (dreigende) tekort aan deze zorgaanbieders in de steden mee helpen voorkomen. De ministeries van VWS en BZK zouden gezondheidsbevordering van met name mensen met een lage sociaal-economische status als expliciet doel in het GSB moeten opnemen. Als de gezondheidsrelevantie van maatregelen in de mop's wordt benoemd en nagestreefd, kunnen positieve gezondheidseffecten sterker worden, met name door een betere timing, een duidelijkere keuze voor doelgroepen met gezondheidsrisico's en door afstemming met activiteiten in de openbare gezondheidszorg. Gezondheid als doel opnemen, betekent dat men gezondheidseffecten ook moet kunnen meten. Het ministerie van VWS moet aangeven welke indicatoren voor gezondheid moeten worden opgenomen in de GSB-monitor. Ook kunnen zowel het ministerie van VWS als de gemeenten een duidelijkere relatie leggen tussen het GSB en de nota's volksgezondheid, bijvoorbeeld door het opnemen van het onderwerp in de nieuwe Preventienota en de lokale nota's volksgezondheidsbeleid. Het is belangrijk dat het ministerie van VWS en de steden prioriteiten stellen. Veel gezondheidswinst is ons inziens te behalen door het tegengaan van de mogelijk negatieve invloed van het versterken van de economische concurrentiepositie op de sociale samenhang, het verbeteren van de aansluiting van onderwijs op de arbeidsmarkt en het verbeteren van de woonomgeving in achterstandswijken.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Het Regenboog-project is een samenwerkingsverband tussen het RIVM, CBS en GGD Nederland en GGD'en. Het doel van het Regenboogproject is een beeld te krijgen van de gezondheidssituatie van de Nederlandse bevolking op het gebied van chronische en infectieziekten. Een aselecte steekproef wordt getrokken door het CBS. Bij deze personen wordt thuis de gezondheidsenquete afgenomen. Vervolgens wordt gevraagd om deel te nemen aan een aanvullend lichamelijk onderzoek op de GGD. Hierop reageert 56,7% positief. Het onderzoek op de GGD bestaat uit het invullen van een vragenlijst over infectieziekten, meting van bloeddruk, lengte, gewicht en middel-heupomtrek. Tot slot wordt er een gewrichtsfunctietest en 4 buisjes bloed afgenomen. Van de geinterviewde personen komt uiteindelijk 25,7 % op de GGD voor het lichamelijk onderzoek. De prevalentie van hypertensie is voor mannen 34% en vrouwen 30%. De prevalentie van overgewicht neemt toe met de leeftijd. De schatting van overgewicht blijkt sterk te verschillen tussen gerapporteerde en gemeten lengte en gewicht. Met name bij vrouwen is dit verschil duidelijk aanwezig. De onderzochte groep blijkt een bruikbare afspiegeling van de Nederlandse bevolking.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Dit rapport informeert het netwerk van National Focal Centra (NFCs) over de vereisten van methodologien voor de gevolgtijdelijke (dynamische) modellering van geochemische processen, vooral in bodems. Deze informatie is nodig om het Europese luchtbeleid te kunnen ondersteunen met kennis over tijdsvertragingen van ecosysteemherstel of -schade als gevolg van veranderingen, in de tijd, van verzurende depositie. Het is geschreven op verzoek van werkgroepen onder de Conventie van Grootschalige Grensoverschrijdende Luchtverontreiniging (CLRTAP). Dit ter ondersteuning van de uitbreiding met dynamische model parameters van de Europese databank die momenteel uitsluitend kritische waarden voor verzurende en vermestende deposities bevat. Een Very Simple Dynamic (VSD) model wordt beschreven teneinde NFCs aan te moedigen om te voldoen aan minimale databehoeften bij de uitbreiding van nationale databanken van kritische waarden. De handleiding kan worden geraadpleegd in combinatie met het gebruik van een geimplementeerde versie van het VSD dat beschikbaar is op www.rivm.nl/cce . De handleiding geeft ook een overzicht van bestaande dynamische modellen die doorgaans meer complexe databehoeften hebben. Tenslotte verschaft het rapport een eerste beschrijving van mogelijke verbindingen tussen resultaten van dynamische modellering en geintegreerde modellen voor de analyse en ondersteuning van luchtbeleid. Deze zijn in de nabije toekomst nodig voor de ondersteuning van de beleidsmatige evaluatie van het 1999 CLRTAP Protocol voor de bestrijding van verzuring, vermesting en troposferische ozon (het Gotenburg protocol) en de EU-richtlijn 2001/81/EG van het Europese Parlement (2001) inzake nationale emissieplafonds voor bepaalde luchtverontreinigende stoffen (NEC directive).
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Dit rapport over de Nederlandse inventarisatie van broeikasgasemissies is geschreven om te voldoen aan de nationale rapportageverplichtingen in 2003 van het Klimaatverdrag van de Verenigde Naties (UN-FCCC) en van het Bewakingsmechanisme Broeikasgassen van de Europese Unie. Dit rapport bevat trendanalyses voor de emissies van broeikasgas in de periode 1990-2001; een analyse van zgn. sleutelbronnen en de onzekerheid in hun emissies; documentatie van gebruikte berekeningsmethoden, databronnen en toegepaste emissiefactoren; en een overzicht van het kwaliteitssysteem en de verificatie van de emissiecijfers voor de Nederlandse Emissieregistratie. De totale netto CO2-eq.-emissies waren in 2001 4% hoger dan in 1990 (1995 voor de F-gassen). Dit wordt 2%-punt minder na temperatuurcorrectie. In die periode is de emissie van CO2 met 13% toegenomen, terwijl de CH4- en N2O-emissies met resp. 25% en 3% afnamen. Van de zgn. F-gassen, waarvoor 1995 het referentiejaar is, nam de totale emissie met 60% af. De HFK- en PFK-emissies namen met resp. 75% en 20% af, terwijl de SF6 met 7% toenamen in 2001 ten opzichte van 1995.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Zwembad gerelateerde explosies van cryptosporidiose zijn regelmatig gerapporteerd in Groot-Brittannie en de Verenigde Staten. De bron van de explosie kon soms achterhaald worden doordat Cryptosporidium oocysten in het zwembadwater of in het terugspoelwater van de zwembadfilters konden worden gedetecteerd. Het voorkomen van Cryptosporidium en Giardia in Nederlandse zwembaden is op vijf locaties onderzocht. Het terugspoelwater van zeven zwembadfilters (van peuterbaden, whirlpools, recreatie- en instructiebaden met verhoogde watertemperatuur) is gedurende een jaar bemonsterd en onderzocht op het voorkomen van Cryptosporidium oocysten en Giardia cysten. In totaal werden 153 monsters terugspoelwater geanalyseerd, 18 monsters (11,8 %) waren positief voor Cryptosporidium (4,6 %), Giardia (5,9 %) of beide (1,3 %). De aanwezigheid van Cryptosporidium oocysten en Giardia cysten in terugspoelwater van zwembadfilters geeft de eerdere aanwezigheid van deze parasieten in het zwembadwater aan. Oocysten en cysten werden eveneens gedetecteerd in het zwembadwater van een peuterbad en van een instructiebad. In de meeste gevallen voldeed het zwembadwater aan de kwaliteitsnormen. Vrijwel alle oocysten en cysten uit het terugspoelwater waren dood, maar in het instructiebad werden levensvatbare en potentieel infectieuze oocysten gedetecteerd. Gebaseerd op de aantallen potentieel infectieuze oocysten en uitgaande van een bezoek aan een besmet zwembad per jaar, resulteerde risico analyse in een geschat infectierisico voor Cryptosporidium dat het algemeen geaccepteerde risico van een infectie per 10.000 personen per jaar overschreed. Het opstellen van richtlijnen voor zwembadbeheerders die aangeven hoe zij dienen te handelen indien fecaal materiaal in een bassin wordt aangetroffen en het informeren van het publiek over het belang van hygiene in zwembaden, zijn aanbevolen maatregelen ter beheersing van het infectierisico.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
In 1999 zijn in het kader van de 'beleidsvernieuwing bodemsanering (BEVER) bodemgebruikswaarden (BGW) voor acht metalen, PAK, DDTs en drins vastgesteld als saneringsdoelstelling voor de bovengrond. Het Kabinetsstandpunt beleidsvernieuwing bodemsanering geeft aan de BGW zowel betekenis in het curatieve bodembeleid als in het bodembeheer. Aanleiding voor de evaluatie van de onderbouwing van de BGW waren 1) beschikbaar komen van nieuwe gegevens en methodieken, 2) vrijwel ontbreken van een bodemkwaliteitseis specifiek voor planten en voor doorvergiftiging; 3) ontbreken van een methodiek om vanuit de kwaliteitseisen voor compost kritische gehalten voor de bodem af te leiden; 4) onduidelijkheid over wat de werkelijke ecologische consequenties zijn van het hanteren van de HC50 als algemeen ecologische criterium. Geconcludeerd is dat op basis van meer recente gegevens en methodieken een aanpassing nodig is van de BGW voor cluster I voor 3 stoffen en van de BGW voor cluster II voor de meeste stoffen. Nieuwe toxiciteitsgegevens voor planten maken het mogelijk een apart criterium af te leiden voor cadmium, lood, chroom en nikkel. Meenemen van doorvergiftiging (op HC50-niveau) leidt tot lagere risicogrenzen voor cadmium, lood, kwik, methyl-kwik en zink. De gehanteerde methode om bodemkwaliteitseisen af te leiden voor compost met een goede kwaliteit leidt tot de conclusie dat de BGW arseen, kwik en zink verlaagd zou moeten worden. De kwaliteitseis voor compost blijkt echter in de praktijk al zeer streng. De vergelijking van laboratorium toxiciteitsgegevens met (semi)veld gegevens laat zien dat de veldgegevens in dezelfde orde, maar iets hoger lijken te liggen. Aanbevolen is meer veldgegevens te gebruiken om een uitgebreidere studie te kunnen uitvoeren naar de ecologische relevantie van laboratorium toxiciteitsgegevens. Daarnaast wordt aanbevolen meer specifieke beschermingsdoelen te formuleren, wanneer volledige bescherming niet haalbaar is. Om de onzekerheid van de potentiele risico's voor het ecosysteem te kunnen verminderen wordt aanbevolen de onderkant van het 90%-betrouwbaarheidsinterval van de HC50 (LLHC50) als algemeen ecologisch criterium te hanteren.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Cytokine polymorphisms play a role in susceptibility to ultraviolet B-induced modulation of immune responses after hepatitis B vaccination | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Homocysteine and coronary heart disease: the importance of a distinction between low and high risk subjects [Letter to the editor] | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Relationship between exhaled NO, respiratory symptoms, lung function, bronchial hyperresponsiveness, and blood eosinophilia in school children | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Geographical scenario uncertainty in generic fate and exposure factors of toxic pollutants for life-cycle impact assessment | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Integrated human and ecological risk assessment: a case study of organophosphorous pesticides in the environment | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Genetic variation in the leptin receptor gene, leptin, and weight gain in young Dutch adults | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Estimating long-term average particulate air pollution concentrations: application of traffic indicators and geographic information systems | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Postprandial recruitment of neutrophils may contribute to endothelial dysfunction | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Nutrition and respiratory health in children in six Central and Eastern European countries | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
The average cost of measles cases and adverse events following vaccination in industrialised countries | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Identification of extractable substances from rubber nettings used to package meat products | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Effect of the methylenetetrahydrofolate reductase 677C-->T mutation on the relations among folate intake and plasma folate and homocysteine concentrations in a general population sample | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Evaluation of accessibility impacts of land-use scenarios: the implications of job competition, land-use and infrastructure developments for the Netherlands | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Het rapport beschrijft 2 statistische smogmodellen die begin jaren negentig zijn ontwikkeld ten behoeve van de dagelijkse smogverwachting die het RIVM uitbrengt. Voor ozon is dit het model Prozon, in gebruik sinds 1992. Het model Propart, dat een verwachting geeft voor PM10 (fijn stof), is in de huidige vorm in gebruik sinds 1998. De centrale rekenregel waarmee een prognose wordt uitgebracht is steeds dezelfde. De concentratie in de toekomst is de concentratie van het heden, vermenigvuldigd met een correctiefactor. Deze correctiefactor wordt afgeleid uit statistieken van luchtkwaliteitsmetingen uit het verleden, waarbij omstandigheden als stationstype, seizoen en de verwachte weersverandering identiek zijn aan de situatie waarvoor de prognose wordt gemaakt. Deze statistische modellen zijn vervaardigd met het softwarepakket Creamod, ontwikkeld op het RIVM (Noordijk 2003). Dit pakket bestaat uit een aantal modules waarmee zeer snel luchtkwaliteitsmodellen kunnen worden gedefinieerd, vervaardigd en getoetst. Een werkend model bestaat uit de rekenstructuur die Creamod en definitiebestand waarin de structuur van het model is vastgelegd en statistiekbestanden waarin de correctiefactoren zijn opgeslagen.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
De doelstelling van dit onderzoek is het beschrijven van de gezondheid-gerelateerde kwaliteit van leven bij 53 ziekten en aandoeningen ten behoeve van het Nationaal Kompas Volksgezondheid, een van de websites van de Volksgezondheid Toekomst Verkenning. Door middel van een literatuuronderzoek zijn per ziekte gegevens gezocht over kwaliteit van leven, zo mogelijk in relatie tot ziektekenmerken. De inventarisatie is beperkt tot generieke meetinstrumenten (met name de SF-36) afkomstig uit Nederlands onderzoek gepubliceerd in de periode 1990-2001. Voor 24 (45%) ziekten was het mogelijk om de kwaliteit van leven te beschrijven op basis van generieke meetinstrumenten. Voor 6 (11%) ziekten waren er alleen data beschikbaar op basis van ziektespecifieke instrumenten. Hier is volstaan met een verwijzing naar enkele kernpublicaties. Voor 23 (43%) ziekten was er geen informatie. Informatie over kwaliteit van leven van patienten kan in de toekomst verder aangevuld worden door nieuwe gegevens van omvangrijke bevolkingsstudies. Om de informatie over kwaliteit van leven beter toepasbaar te maken voor het beleid, zou meer informatie over ziektekenmerken gewenst zijn.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
In dit rapport worden milieurisicogrenzen (MTR, VR en SRC-eco) afgeleid voor de stoffen 2-propanol, formaldehyde en de twee 4-chloormethylfenolen, te weten PCOC (p-chloor-o-cresol; 4-chloro-2-methylfenol) en PCMC (4-chloor-m-cresol; 4-chloor-3-methylfenol). De risicogrenzen voor de 4-chloormethylfenol PCOC zijn gebaseerd op een door de EU opgestelde risico-analyse.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Het project Bodembiologische Indicator (BoBI) heeft tot doel een meetmethode op te zetten om de biologische bodemkwaliteit in beeld te brengen en te kwantificeren. De ontwikkeling van BoBI is een meerjarige activiteit waarin veldbiologische gegevens worden verzameld over de diversiteit (aantallen en samenstelling) van bodemorganismen en het verloop van processen. De volgende groepen organismen zijn in het onderzoek betrokken: 1) microorganismen; 2) nematoden; 3) potwormen; 4) regenwormen; 5) mijten en springstaarten; en daarnaast de potentiele koolstof- en stikstofmineralisatie. In het totaal werden 63 indicatoren gebruikt om de biologische bodemkwaliteit te beschrijven. Het onderzoek is gekoppeld aan het Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit (LMB). In 1999 is het meetprogramma van start gegaan voor een periode van 5 jaar. In dat meetjaar werden drie categorieen van graslanden op zandgrond onderzocht. Een groep van 10 biologische bedrijven werd als referentie gekozen voor 19 extensieve en 20 intensieve melkveehouderij bedrijven uit het LMB. Bij de extensieve bedrijven verschilde er 13 indicatorwaarden (21%) significant van de biologische bedrijven. In de categorie intensief waren dit er 17 (27%). Wanneer gekeken wordt naar de specifieke diversiteitsmaten (bijv. aantal soorten), dan had het merendeel, respectievelijk 59% en 71%, lagere waarden op de extensieve- en intensieve melkveehouderijbedrijven. Indien de indicatorwaarden van de biologische bedrijven op 100% worden gesteld, levert het gemiddelde van alle afwijkingen de volgende Bodemkwaliteitsindexen op: BKX(extensief)= 73%; BKX(intensief)= 67%.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
In dit rapport is op grond van de resultaten van veldonderzoeken een ecotoxicologisch Maximaal Toelaatbaar Risiconiveau (MTR) afgeleid voor discontinue blootstelling van planten aan etheen in lucht, waarbij het discontinue blootstellingsregime van een Nederlandse industriele puntbron als uitgangspunt is genomen. Daarnaast zijn de huidige ecotoxicologische MTR's voor etheen in lucht, die gebaseerd zijn op continue blootstelling van planten in laboratoriumonderzoeken, geevalueerd.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Er zijn diverse mogelijkheden waardoor radioactief materiaal in een partij schroot terecht kan komen. Het kan dan gaan om kunstmatige bronnen of bijvoorbeeld om ijzeren pijpen uit de olie- en gaswinning waarin zich een laag natuurlijke radioactiviteit heeft vastgezet. In alle gevallen is het gewenst dat deze bronnen niet in een smelterij of hoogoven worden gemengd met 'schoon' materiaal bij de productie van nieuwe ijzerproducten. Afgezien van het feit dat schroothandelaren ook zelf liever geen radioactiviteit in hun schroot hebben, wordt het voor een aantal grotere bedrijven door de rijksoverheid vanaf 2003 verplicht gesteld dat zij hierop controleren. Bij de aanvoer van schroot per vrachtwagen vindt dergelijk onderzoek veelal plaats met zogenaamde poortdetectoren. De vrachtwagen rijdt hierbij langzaam tussen een aantal detectoren door. Indien activiteit wordt gedetecteerd, wordt gealarmeerd. Om een beter beeld te verkrijgen van de poortdetectoren zoals die worden toegepast en om te zien of ze aan bepaalde door de overheid gestelde minimumeisen voldoen, is een ring-onderzoek in voorbereiding. In dit rapport is aan de hand van metingen bij enkele bedrijven met een poortdetector en ondersteund door enige berekeningen, onderzocht aan welke eisen een dergelijk ringonderzoek dient te voldoen. Daarbij kan gedacht worden aan bijvoorbeeld een keuze van de te gebruiken testbronnen, de testconfiguratie en eventuele andere aanbevelingen. Het eindresultaat is een concept protocol voor het uitvoeren van een ringonderzoek.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Voor u ligt het jaarlijkse rapport in de reeks "De drinkwaterkwaliteit in Nederland". Het rapport is gebaseerd op de resultaten van de meetprogramma's over 2001, die de waterleidingbedrijven uitvoeren ter controle van de drinkwaterkwaliteit en de gebruikte grondstof. De meetgegevens worden jaarlijks op grond van de Waterleidingwet aan de VROM-Inspectie (VI) gerapporteerd. Het RIVM heeft de gegevens in samenwerking met de VI verwerkt tot een rapport ten behoeve van de Minister, Tweede Kamer, producenten en consumenten van drinkwater. Uit de gegevens blijkt dat ook in 2001 de wettelijke voorschriften met betrekking tot de controle van het drinkwater goed zijn nageleefd. De kwaliteitsgegevens zijn getoetst aan de normen van het Waterleidingbesluit dat in 2001 van kracht is geworden. In het overgangsjaar 2001 is het meetprogramma volgens afspraak uitgevoerd conform het vorige WLB. De meetprogramma's zullen in 2002 volgens de eisen van dit besluit worden uitgevoerd. Het WLB is op een aantal punten gewijzigd; normen zijn aangescherpt of geschrapt. Het aantal pompstations (65 = 29%) waar in 2001 een normoverschrijding is vastgesteld, is ten opzichte van het voorgaande jaar in dezelfde orde van grootte (60 pompstations = 25%) gebleven. Dit aantal varieert in de afgelopen periode (1992-2001) van 60 tot 90 pompstations. Een groot deel van de normoverschrijdingen is incidenteel. De aangescherpte norm voor de troebelingsgraad in het drinkwater direct na de zuivering is een reden voor de toename in 2001. De normwaarden van de parameters ijzer en mangaan worden het vaakst overschreden. Bij vier grondwaterpompstations zijn bestrijdingsmiddelen of hun metabolieten in het drinkwater gerapporteerd. Bij een pompstation is de overschrijding van de norm voor bentazon en mecoprop structureel van aard. In 2002 is dit probleem opgelost via technische maatregelen. De concentraties zijn inmiddels lager dan de norm. Op termijn zal het pompstation worden gesloten. De metaboliet BAM wordt op drie locaties aangetroffen. De oorzaak is een verontreiniging, met de genoemde stoffen, van het grondwater. De metaboliet BAM is beoordeeld als een toxiclogisch niet relevante metaboliet en hoeft daarom niet aan de norm van 0,1 mug/l te voldoen.Geen van de normoverschrijdingen gaf aanleiding tot een bedreiging van de volksgezondheid. In 2001 hebben zich enkele kortdurende bacteriologische besmettingen voor gedaan. De betreffende bedrijven hebben in overleg met de VI de problemen adequaat opgelost. De kwaliteit van het drinkwater is in het algemeen goed. In het WLB is momenteel nog geen meetverplichting opgenomen voor Legionella. Met ingang van 2003 zal Legionella in het meetprogramma (reinwater) worden opgenomen. De VI rapporteert haar toezicht met betrekking tot Legionella separaat. Een goede en betrouwbare drinkwatervoorziening blijft de voortdurende aandacht vragen van de bedrijfstak en van de overheid. Voor de waarborging van de drinkwaterkwaliteit op de langere termijn is het noodzakelijk dat het milieubeleid gericht blijft op de bescherming van de bronnen.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
In deze literatuurstudie worden de gezondheids- en mogelijke verslavende effecten van blootstelling aan aldehyden ten gevolge van het roken van sigaretten beschreven. Dit literatuuronderzoek richt zich met name op acetaldehyde, formaldehyde, acrolein, en propionaldehyde. Alle aldehyden veroorzaken pathologische schade aan de luchtwegen en bereiken hoge piekconcentraties in de luchtwegen tijdens het roken. In ratten leidt een gecombineerde blootstelling aan de genoemde aldehyden tot een significante toename van de schade aan de luchtwegen en tot een afname van de ademfrequentie. Bij lage concentraties wordt als gevolg van combineren geen potentiering van de schade gezien. Onduidelijk is of tijdens het roken van sigaretten, waarbij hoge piek concentraties ontstaan, potentiering van de schade optreedt. Alhoewel er vanuit dierexperimenteel onderzoek aanwijzingen zijn dat met name acetaldehyde verslavende eigenschappen heeft, is in de geraadpleegde literatuur geen onderbouwing gevonden voor verslaving aan ge6nhaleerde aldehyden.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Het rapport beschrijft een softwarepakket dat begin jaren negentig is ontwikkeld om statistische luchtkwaliteitsmodellen te vervaardigen ten behoeve van de dagelijkse smogverwachting die het RIVM uitbrengt. Het pakket, Creamod, bestaat uit een aantal modules waarmee zeer snel luchtkwaliteitsmodellen kunnen worden gedefinieerd, vervaardigd en getoetst. De centrale rekenregel waarmee een prognose wordt uitgebracht is steeds dezelfde. De concentratie in de toekomst is de concentratie van het heden, vermenigvuldigd met een correctiefactor. Deze correctiefactor wordt afgeleid uit statistieken van luchtkwaliteitsmetingen uit het verleden, waarbij omstandigheden als stationstype, seizoen en de verwachte weersverandering identiek zijn aan de situatie waarvoor de prognose wordt gemaakt. Een werkend model bestaat uit een definitiebestand waarin de structuur van het model is vastgelegd, statistiekenbestanden waarin de correctiefactoren zijn opgeslagen en de rekenstructuur die Creamod biedt.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
In samenwerking met de Inspectie voor de Gezondheidszorg heeft het RIVM een methode ontwikkeld voor de handhaving van het Besluit medische hulpmiddelen betreffende klasse I hulpmiddelen. Deze methode werd gebruikt voor de beoordeling van de inhoud van technische dossiers tegen de eisen uit het besluit. Fabrikanten moeten technische dossiers samenstellen als onderdeel van de conformiteitbeoordelingsprocedure. Het onderzoek omvatte de ontwikkeling van een dossierbeoordelingsformulier en een pilotstudie van 40 dossiers. De methode voldeed aan de verwachtingen en kleine aanpassingen zijn voorgesteld. Van de 40 fabrikaten hebben er vijf hun registratie ingetrokken. Van de overgebleven 35 dossiers werden er 33 binnen 16 weken ontvangen en 55n daarna. Geen van deze 34 dossiers bevatte alle vereiste onderdelen. Het aantal tekortkomingen varieerde tussen 2 en 14. Aanvullende informatie werd opgevraagd voor 20 dossiers voor de inhoudelijke beoordeling ervan. Deze informatie kwam op tijd binnen voor 15 dossiers, zodat 29 dossiers konden worden beoordeeld. Het aantal onderdelen van de essentiele eisen waarin tekortkomingen zijn geconstateerd varieerde van 1 tot 8 per dossier. Alle dossiers hadden tekortkomingen op het onderdeel etikettering en gebruiksaanwijzing. De resultaten geven aan dat de meeste fabrikanten uit dit onderzoek bekend zijn met het besluit. De kwaliteit van de technische dossiers moet worden verbeterd. Verbetering van de dossiers stimuleert een systematische evaluatie van de veiligheid en geschiktheid van hulpmiddelen die op de markt worden gebracht.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
In de loop van de tijd zijn er diverse punten van kritiek naar voren gebracht over de wijze waarop ecotoxicologische risicogrenzen voor essentiele metalen worden afgeleid. De kritiek heeft geleid tot het opstellen van een conceptueel kader waarmee de risicobeoordeling voor essentiele metalen zou moeten worden verbeterd. Dit kader bestaat uit zes stappen en een van de stappen betreft de keuze van karakteristieke organismen voor een aantal vooraf vastgestelde milieutypen. In het in dit rapport beschreven pilot-onderzoek is nagegaan of de in ecotoxiciteitstoetsen gebruikte toetssoorten voor koper en zink relevant zijn voor de Nederlandse bodemtypen. Een belangrijke overweging die hierbij een rol speelde, was of de betreffende soort in het desbetreffende bodemtype daadwerkelijk voorkomt, danwel voor zou kunnen komen. Indien dit het geval is, worden de gegevens uit die toetsen bruikbaar geacht voor risicobeoordelingen voor het desbetreffende bodemtype. Het pilot-onderzoek werd uitgevoerd voor de worm Allolobophora caliginosa en de springstaart Folsomia candida, door interpretatie van gegevens uit drie bronnen: biogeografische bronnen, algemene ecologische bronnen (overzichts-werken) en kwantitatieve ecologische datasets. Uit het pilot-onderzoek wordt duidelijk dat de hier gekozen benaderingswijze erg arbeidsintensief is. Pas indien op basis van algemene ecologische literatuur over een soortgroep geen uitspraak gedaan kan worden over de overlap tussen de habitat-eisen van de bestudeerde soorten (potentieel voorkomen) en de Nederlandse bodemtypen, dienen gedetailleerde gegevens te worden aangeboord. Het toevoegen van ecologische relevantie als extra criterium voor normstelling betekent dat met een kleinere dataset voor risicobeoordelingen kan worden volstaan. De toxicologische uitkomsten zijn ecologisch relevanter. De kleinere dataset leidt echter tot een lagere statistische betrouwbaarheid van de uitkomsten. In het licht van de trapsgewijze aanpak die bij de risicobeoordeling gevolgd wordt (zowel generieke normstelling als locatiespecifieke beoordelingen spelen een rol) wordt voorgesteld om allereerst de fundamentele vraag te beantwoorden of de ecologische relevantie van toetssoorten in principe voor alle stoffen geadresseerd moet worden. Daarnaast wordt aanbevolen om selectiecriteria omtrent 'ecologische relevantie' te formuleren die aansluiten bij het aspect generiek/specifiek van de beoogde risicobeoordeling.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Gedurende een jaar (september 2000-september 2001) is in Nederland op 159 locaties met passieve samplers de maandelijkse concentratie van ammoniak bepaald. Het doel van de metingen was drieledig: a) te onderzoeken hoe goed de representativiteit van de LML-stations is, b) een ruimtelijk dekkend beeld van de ammoniakconcentratie over Nederland te verkrijgen en c) te onderzoeken hoe goed dit beeld berekend kan worden met het OPS-model op basis van emissiegegevens. Op de onderdelen a en b is gerapporteerd door Velders et al. (2002). In dt rapport wordt de vergelijking beschreven tussen concentratieberekeningen met OPS op basis van ammoniakemissies in Nederland en omgeving en de metingen van ammoniakconcentraties. Speciale aandacht wordt tevens besteed aan de representativiteit van de meetlocaties van het landelijk meetnet Luchtverontreiniging (LML). De passieve samplers zijn zodanig gesitueerd dat ze representatief zijn met betrekking tot de ruimtelijke verdeling van de ammoniakemissies in Nederland. Van de LML meetstations liggen er relatief meer in gebieden met hoge emissiedichtheden. In het algemeen wordt een goede overeenkomst gevonden tussen de ruimtelijke verdeling van de berekende concentraties en de metingen. In absolute zin zijn de berekende concentraties ca. 30% lager dan de metingen. Dit is in lijn met wat gevonden wordt in andere jaren op basis van de reguliere metingen op de LML-stations. De overeenkomst blijkt beter te zijn bij gebruik van ruimtelijk meer gedetailleerde emissies (500x500 m in plaats van 5x5 km). De verschillen tussen modelberekeningen en metingen vertonen een grillig ruimtelijk patroon over Nederland. Een verband met ruimtelijk varierende factoren zoals emissies en landbedekking kan (nog) niet gelegd worden.In principe voldoet het meetnet aan de eis van representativiteit voor de ammoniakconcentratie over Nederland. Wel moet regelmatig de directe omgeving geinspecteerd worden voor zeer lokale verstoringen. Van drie stations is gebleken dat de specifieke emissie- en/of meetomstandigheden zodanig zijn dat de vergelijking tussen meting en berekening nadelig beinvloed wordt.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Transities kunnen worden gezien als structurele maatschappelijke veranderingen. Zij vragen tijd, vele decennia soms. Het kan dus lang duren, voordat de resultaten van een transitie echt zichtbaar worden. Om de voortgang al in een vroeg stadium te kunnen beoordelen is dus meer nodig dan het in beeld brengen van de daadwerkelijke verandering. Het gaat om een analyse van vele activiteiten van vele actoren. In het beschreven onderzoek staan (verdere) ontwikkeling van de methodiek voor die analyse en de eerste toepassing voor de casus Nederlandse landbouw en voedingsketen centraal. Voor een overzichtelijke analyse zijn alle activiteiten in een transitieproces in dit onderzoek toegedeeld aan zes arena's. Een arena is daarmee gedefinieerd als een samenspel van activiteiten en actoren rond een bepaald onderdeel van de transitie. De structuur van arena's met hun onderlinge verbanden heeft geholpen om de relatie tussen gegevens op microniveau en inzicht op macroniveau vast te houden. Voor analyse binnen de arena's is modelinstrumentarium van het MNP-RIVM toegepast en verder ontwikkeld. De belangrijkste resultaten in de methodische ontwikkeling zijn een systematische, kwantitatieve benadering van de betekenis van toekomstbeelden voor de transitie, de operationalisatie van krachtenveldanalyses rond actoren en de verdere detaillering van de landbouw en voedingsketen in input-output modellen; op enkele punten worden voorstellen gedaan om gebruikte methoden nog een stap verder uit te werken en te koppelen aan monitoring. De methoden zijn behulpzaam gebleken bij het genereren van een zekere maat om de voortgang binnen een arena vast te stellen. Hiermee is het mogelijk gebleken ook de interactie tussen de arena's te evalueren, hetgeen voor het voorbeeld van biologische landbouw is uitgewerkt. In het kader van transitie-evaluatie kunnen conclusies worden getrokken op het niveau van een arena en voor een bepaald onderwerp over de arena's heen. Hiermee is de basis gelegd voor conclusies op het meest algemene niveau: over arena's en onderwerpen binnen de transitie heen. Dit laatste vraagt niet zozeer meer methoden, als wel meer gegevens en meer deelanalyses. Hoewel voor een complete inhoudelijke evaluatie van de transitie in de landbouw en voedingsketen nog onvoldoende gegevens beschikbaar waren, is het beeld ontstaan van een transitie met vele gerelateerde problemen, waarvoor steeds meer langetermijndoelen worden gesteld voor landbouw en milieu, veel minder voor de consumenten en hun voeding of de afwenteling op het buitenland. Deze probleemperceptie en doelen hebben tal van activiteiten in onderzoek (Nederland heeft relatief veel R&D op dit terrein) en praktijkexperimenten op gang gebracht. Diverse niches zijn (technisch en institutioneel) ingericht. Doorwerking in de daadwerkelijke systeemverandering hapert echter, mede doordat het toekomstbeeld op het punt van middelen (technieken en structuren) te weinig houvast biedt. Dat wordt veroorzaakt door de vele (gepercipieerde) nadelen, die naast de voordelen aan de nieuwe opties voor de lange termijn kleven. Bovendien laten krachtenveld- en actoranalyses zien, dat er nog grote weerstanden moeten worden overwonnen. Die hebben te maken met kosten van afbraak van het oude systeem en schaalvergroting van nieuwe processen, en zijn sterk afhankelijk van institutionele randvoorwaarden (onder andere internationaal).
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Future activities: ECVAM and the quality control of biologicals | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
ECVAM's activities on biologicals | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
ECVAM's role in the implementation of the three Rs concept in the field of biologicals | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Epidemiology of Norwalk-like virus infections in cattle in The Netherlands | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Demographic and lifestyle characteristics of functional food consumers and dietary supplement users | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Geochemistry of some rare earth elements in groundwater, Vierlingsbeek, The Netherlands | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Atmospheric secondary inorganic particulate matter: the toxicological perspective as a basis for health effects risk assessment | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Health effects from stratospheric ozone depletion and interactions with climate change | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Voeding en gezondheid: obesitas | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Restored functional immunogenicity of purified meningococcal PorA by incorporation into liposomes | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Relationship between exhaled NO, respiratory symptoms, lung function, bronchial hyperresponsiveness, and blood eosinophilia in school children | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Annual Mycobacterium tuberculosis infection risk and interpretation of clustering statistics | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
International issues on human health effects of exposure to chemical mixtures | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Aging and genome maintenance: lessons from the mouse? | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Dit rapport beschrijft de aannames en keuzes gemaakt tijdens de ontwikkeling van de milieudrukindicator verspreiding. Het doel van de milieudrukindicator is inzicht geven in de gevolgen van het milieubeleid op de milieudruk van prioritaire stoffen. Dit vindt plaats door toetsing van het verloop van de milieudruk aan wetenschappelijk onderbouwde reductiedoelstellingen, op diverse niveaus (basisindicatoren, deelindicatoren, totaalindicatoren). De bruikbaarheid van de indicator is sterk afhankelijk van de beschikbaarheid van gevalideerde emissies. De afgelopen jaren waren gevalideerde emissies van prioritaire stoffen niet beschikbaar.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
In Nederland wordt de risicobeoordeling van bestrijdingsmiddelen uitgevoerd met het computermodel Uniform Systeem voor de Evaluatie van Stoffen (USES). In USES is de risicokarakterisering een deterministische schatting of puntschatting. Dit rapport toont aan hoe een probabilisitische beoordeling de beleidsmaker beter inzicht kan geven ten behoeve van het risicomanagement van bestrijdingsmiddelen. De voordelen en mogelijkheden van een probabilistsiche beoordeling worden daartoe gepresenteerd en voorzien van voorbeeldberekeningen. Dit rapport is een discussiedocument en meer onderzoek is nodig voordat een kwantitatieve onzekerheidsanalyse routinematig kan worden toegepast in de risicobeoordeling van bestrijdingsmiddelen.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Lidstaten van de Europese Gemeenschap moeten inzicht hebben in de blootstelling van hun bevolking aan ioniserende straling als gevolg van medische handelingen. Deze regel is vastgelegd in de Europese richtlijn ter bescherming van patienten, die recent in de Nederlandse wetgeving is geimplementeerd. Voor dit doel ontwikkelt RIVM een Informatiesysteem Medische Stralingstoepassingen (IMS). In dit rapport worden voor drie onderwerpen gegevens voor het IMS gepresenteerd als vervolg op een eerdere pilotstudie. Deze drie onderwerpen zijn aantallen verrichtingen, leeftijds- en geslachtopbouw van blootgestelde patienten en de relatie personele bezetting en aantallen verrichtingen. De drie informatiebronnen waar we voor dit rapport uit geput hebben zijn de Enquete Jaarcijfers Ziekenhuizen (EJZ), declaratiegegevens van ziektekostenverzekeraars en de te Personeelssterkte. De gegevens uit de EJZ tonen aan dat het totale aantal rontgen-, en nucleair geneeskundige onderzoeken eind jaren negentig vrij stabiel blijft, respectievelijk 8,5 miljoen en 240 duizend onderzoeken per jaar. Het aantal CT onderzoeken neemt licht toe, ongeveer 1,8% per jaar, tot 494 duizend in 1998. Van ziektekostenverzekeraars zijn declaratiegegevens over 2000 verkregen van ongeveer vier miljoen verzekerden. Deze gegevens geven inzicht in het verband tussen verschillende verrichtingen en de leeftijds-, en geslachtsverdeling van betrokken patienten. De toename van het aantal CT onderzoeken in de tweede helft van de jaren negentig loopt gelijk op met de toename die te verwachten was op grond van bevolkingsgroei en vergrijzing. De aantallen rontgen- en nucleair geneeskundige onderzoeken zijn daarentegen achtergebleven bij de verwachte toename.Met gegevens uit de Enquete Personeelssterkte is gekeken in hoeverre de personele bezetting en het aantal verrichtingen aan elkaar gerelateerd zijn. De relatie tussen het aantal verrichtingen en de personeelssterkte in 1997 laat grote verschillen zien tussen ziekenhuizen, maar de gegevens zijn niet gedetailleerd genoeg om daar conclusies aan te verbinden.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Dit rapport presenteert de resultaten van radioactiviteitsmetingen in het Nederlandse milieu in 2001 uitgevoerd door RIVM, RIZA, RIKZ en Keuringsdienst van Waren. Radioactiviteitsmetingen zijn uitgevoerd in luchtstof, depositie, oppervlaktewater, zeewater, drinkwater en voedsel (honing, melkpoeder, wild, gevogelte, bosbes en cantharel). Omgevingsdosisequivalenttempi werden verkregen van het Nationale Meetnet Radioactiviteit. Er zijn geen metingen verricht aan melk. In 2001 werden er geen verhoogde hoeveelheden radioactiviteit gevonden in het Nederlandse milieu.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Liposomes and ISCOMs | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Evaluation of the national immunisation programme in the Netherlands: immunity to diphtheria, tetanus, poliomyelitis, measles, mumps, rubella and Haemophilus influenzae type b | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Coronary heart disease mortality, plasma homocysteine, and B-vitamins: a prospective study | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Serrated adenomas and mixed polyposis caused by a splice acceptor deletion in the mouse Smad4 gene | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Options for improvement of the Dutch measles vaccination schedule | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
The prevention and incidence of asthma and mite allergy (PIAMA) birth cohort study: design and first results | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Survey non-response in the Netherlands. Effects on prevalence estimates and associations | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Immunotoxicological consequences of perinatal chemical exposures: a plea for inclusion of immune parameters in reproduction studies | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Door voorkomen en verminderen van bewegingsarmoede in Nederland kan gezondheidswinst behaald worden. De inrichting van de woonomgeving is waarschijnlijk van invloed op het beweeggedrag van de bewoners. In de Nota Wonen worden een aantal beleidsvoornemens gepresenteerd die van invloed zijn op de inricht van de woonomgeving. De beleidsmaatregelen die in deze gezondheidseffectrapportage worden geevalueerd zijn keuzevrijheid voor de burger, verdichten of verdunnen van de woonomgeving en het toepassen van domotica. Keuzevrijheid leidt zeer waarschijnlijk tot meer bewegingsarmoede, met name bij de bevolkingsgroepen die al minder actief zijn zoals allochtonen en lager opgeleiden. Verdichten van een woonomgeving heeft enerzijds tot gevolg dat er meer gewandeld en gefietst kan worden in de woonomgeving. Anderzijds verdwijnt er bewegingsruimte uit de woonomgeving waardoor minder recreatieve beweging kan plaatsvinden. Verdunnen van een woonomgeving zal waarschijnlijk, onder de voorwaarde dat de sociale en verkeersveiligheid op peil is, bewegingsarmoede tegengaan. Met name voor ouderen en kinderen zal dit effect merkbaar zijn, omdat zij meer afhankelijk zijn van hun directe omgeving. Het toepassen van domotica zal voor ouderen een gunstig effect hebben op het uitvoeren van dagelijkse activiteiten. Voor andere subgroepen van de bevolking is dit effect moeilijk in te schatten. De case-studie wees uit dat de relatie tussen woonomgeving en lichamelijke activiteit met name wordt verklaard door sociaal economische status. Om te voorkomen dat door de implementatie van beleidsmaatregelen uit de Nota Wonen de sociaal economische gezondheidsverschillen groter worden, is het van cruciaal belang dat er extra aandacht wordt besteed aan de financieel minder draagkrachtigen.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Mens centraal in Natuurbalans 2002 | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Hemodialyse en andere technieken: richtlijnen voor de praktijk | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Cell type-specific hypersensitivity to oxidative damage in CSB and XPA mice | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Achter de schermen van het NVIC. Intoxicaties: kengetallen en trends | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Absorptieverminderende technieken in de toxicologie: dubbelblind vergelijkend onderzoek is niet beschikbaar | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Cooking of meat and fish in Europe: results from the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition (EPIC) | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Acute rabdomyolyse bij patienten met intoxicaties: een aandoening om in het achterhoofd te houden | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Exogenous re-infection as a cause of recurrent tuberculosis in a low-incidence area | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Trends in risk assessment of chemicals in the European Union | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Ambient fine and coarse particle suppression of alveolar macrophage functions | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Dynamics of measles virus protein expression are reflected in the MHC class I epitope display | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Sorption kinetics and microbial biodegradation activity of hydrophobic chemicals in sewage sludge: model and measurements based on free concentrations | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Infectie met Shiga-toxine producerende Escherichia coli serotype O157 (STEC O157) leidt meestal tot een episode van acute gastro-enteritis (GE). De symptomen varieren van relatief milde, waterige diarree tot een ernstige vorm van bloederige diarree die bekend is als hemorragische colitis. In kinderen, en sporadisch in volwassenen, kan het Shiga-toxine aanleiding geven tot het Hemolytisch Uremisch syndroom (HUS). Sommige HUS patienten ontwikkelen chronisch nierfalen, leidend tot uiteindelijk terminale nierinsufficientie (End Stage Renal Disease - ESRD), hetzij direct ofwel tot 20 jaar of meer na de HUS episode. ESRD patienten zijn afhankelijk van niervervangende therapie (dialyse of niertransplantatie). Zowel GE, HUS als ESRD kunnen leiden tot voortijdige sterfte. Dit rapport beschrijft de epidemiologie van met STEC O157 geassocieerde ziekte in Nederland, gebaseerd op onderzoek in de periode 1990-2000. De beschikbare informatie wordt geintegreerd in een volksgezondheidsmaat, de Disability Adjusted Life Year (DALY). DALYs zijn de som van het aantal verloren levensjaren ten gevolge van voortijdige sterfte, en het aantal jaren dat met ziekte wordt doorgebracht, gewogen met een factor tussen 0 en 1 voor de ernst van die ziekte. De incidentie van met STEC O157 geassocieerde GE wordt geschat op 1250 gevallen per jaar (mediaan), waarvan ongeveer 180 patienten hun huisarts bezoeken. Van 40 patienten wordt uit een voor laboratoriumonderzoek ingezonden fecesmonster STEC O157 geisoleerd. Het aantal sterfgevallen is erg onzeker, de meest waarschijnlijke waarde is 2 sterfgevallen per 3 jaar, met name onder ouderen. De incidentie van HUS veroorzaakt door STEC O157 in Nederland is ongeveer 22 gevallen per jaar, waarvan 15 kinderen onder 15 jaar. Daarvan leiden gemiddeld 2.5 gevallen per jaar tot ESRD. Naar schatting overlijden 2 patienten per jaar ten gevolge van HUS, en 1 patient per 2 jaar aan de gevolgen van ESRD. Weegfactoren voor de ernst van GE, HUS en ESRD werden afgeleid uit eerder gepubliceerde studies. De duur van ziekte en levensverwachting van fatale gevallen werden uit verschillende epidemiologische onderzoekingen afgeleid. Het beloop van patienten met ESRD werd gebaseerd op de registratie van de Stichting Renine.Combinatie van bovengenoemde informatie leidt tot een schatting van de ziektelast door STEC O157 in de Nederlandse bevolking. Onzekerheid en variabiliteit in de epidemiologische informatie zijn expliciet bij de analyse betrokken door middel van Monte Carlo simulatie en gevoeligheidsanalyse. De geschatte gemiddelde ziektelast bedraagt ca. 116 (90% betrouwbaarheidsinterval 85-160) DALY per jaar. De belangrijkste bijdragen worden geleverd door sterfte ten gevolge van HUS (58 DALY), sterfte ten gevolge van ESRD (21 DALY), en morbiditeit door dialyse ten gevolge van ESRD (21 DALY). (Bloederige) diarree (7 DALY) levert eveneens bijdragen aan de ziekte last. Vergelijking met de resultaten van een eerder onderzoek geeft aan dat de ziektelast van thermofiele Campylobacter spp. in absolute zin groter is dan die van STEC O157 (1400 vs. 116 DALY per jaar) maar per geval van primaire gastroenteritis minder ernstig. De invloed van onzekere aannames in de berekeningen werd geevalueerd met behulp van scenario analyse. In alle scenario's was de berekende ziektelast binnen het bovengenoemde betrouwbaarheidsinterval.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
In de 2e Nationale Natuurverkenning gaat het Milieu- en NatuurPlanbureau (MNP) na hoe trends in maatschappelijke ontwikkelingen natuur en landschap rond 2030 kunnen gaan beinvloeden. De achterliggende analyse van vier contrasterende integrale omgevingsscenario's kwantificeert de ecologische effecten van het totale samenspel van trends. Dit rapport beschrijft de methode van de ecologische effectberekening voor de terrestrische natuur oftewel natuur op het land, waarin de stappen 1) van scenariobeschrijving tot modelinvoer 2) van modelinvoer tot modeluitvoer 3) van modeluitvoer tot graadmeter, aan bod komen. Daarnaast behandelt het rapport de resultaten met enkele illustrerende analyses en enige discussiepunten bij de methode en resultaten. De terrestrische natuurkwaliteit als geheel herstelt zich in de komende dertig jaar met gemiddeld circa 10 a 15% van de waarde van optimaal ontwikkelde natuur. De kwaliteitsverbetering verschilt echter sterk per natuurtype (tot maximaal 60%) en tussen soortgroepen. De natuurkwaliteit op het land neemt duidelijk toe. De natuurkwaliteit van het agrarisch deel verandert daarentegen niet.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Met het multi-media lotgevallen model SimpleBox worden o.a. steady-state concentratieverhoudingen berekend voor de harmonisatie van milieu-kwaliteitsdoelstellingen voor lucht, water, sediment en bodem. In 1995 werd door de Gezondsheidsraad validatie van het model aanbevolen. Een aantal activiteiten waren het gevolg van dit advies, waaronder een herziening van een aantal model-aannamen en een analyse van de operationele onzekerheden van het model. Dit rapport beschrijft het laatste traject van het validatieproces, nl. totaal-validatie. Specifieke modeloutput t.a.v. een gemodelleerde chemische stof, bijv. de concentratieverhouding tussen lucht en water, wordt vergeleken met metingen in het veld. Diethyl-hexylftalaat (DEHP) en dibutylftalaat (DBP), twee hoog volume chemicalien, werden in de periode 1997-2001 gemonitored in de milieucompartimenten lucht, water, vis, sediment, bodem en vegetatie. Concentratieverhoudingen gemeten tussen de compartmenten vertoonden een aanzienlijke spreiding. De door SimpleBox voorspelde steady-state concentratieverhoudingen kwamen met probabilistische technieken tot stand. In plaats van een deterministische output werd een distributie verkregen. De breedte wordt voornamelijk bepaald door de grote onzekerheid t.a.v. emissie van de beide ftalaten. De 50-ste percentiel bleek in alle gevallen minder dan een factor 10 af te wijken van concentratieverhoudingen op basis van veldmetingen. De voorlopige conclusie van dit rapport luidt dat toepassing van SimpleBox bij het harmoniseren van milieukwaliteitsdoelstellingen gecontinueerd kan worden.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Pathogenesis of Haemophilus influenzae respiratory infection in COPD patients | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Response of human alveolar macrophages to ultrafine, fine, and coarse urban air pollution particles | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Identification of immunodominant epitopes derived from the respiratory syncytial virus fusion protein that are recognized by human CD4 T cells | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Immune system | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
EDC-related modes of action in immunotoxicity | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Smoking, blood pressure and serum cholesterol-effects on 20-year mortality | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Fijnstof bestaande uit vaste deeltjes en druppels is aanwezig in binnen- en buitenlucht. Deeltjes met aerodynamische diameter kleiner dan 10 micro m kunnen ingeademd worden door mensen. Kennis van weefsel specifieke interne dosis van fijn stof is een kritische schakel tussen individuele externe blootstelling en gevolgen voor de gezondheid. Computer modellen zijn belangrijk gereedschap om fijnstof dosimetrie te analyseren. Het Multiple Path Particle Dosimetry (MPPD) model is ontwikkeld door CIIT (Chemical Industry Institute of Toxicology, VS) in samenwerking met het RIVM. Het MPPD model biedt de mogelijkheid om depositiefracties en blootstellingsdosis aan fijnstof te berekenen voor mensen en ratten, en bevat leeftijdsafhankelijke humane longmodellen. Dit rapport beschrijft resultaten van de berekeningen met het MPPD model van depositie van monodisperse aerosolen en de gevoeligheid van het model voor verschillende parameters. Regionale, lobspecifieke en alveolaire deposities zijn berekend met een stochastische longmodel voor de volwassen mens. Leeftijdsafhankelijkheid van fijnstof depositie voor kinderen en adolescenten is onderzocht. Afhankelijkheid van regionale depositie van het niveau van fysieke inspanning is onderzocht voor een volwassen mens. Coefficienten voor rat-mens depositieextrapolatie zijn vastgesteld voor drie niveaus van menselijke fysieke inspanning (slaap, rust en lichte inspanning).
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Het Laboratorium voor Ecotoxicologie van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu heeft een database gevuld met resultaten van eigen onderzoek van 1993 tot en met 1999. Deze database werd aangevuld met resultaten van onderzoek uitgevoerd in het Lheebroekerzand voor 1993, verkregen van samenwerkende organisaties en instituten of uit de literatuur. Dit rapport beschrijft de verwerking van de data en de uitvoering van de trend- en correlatie-analyses. Het eerste doel van dit onderzoek is om na te gaan of er met de beschikbare monitoringgegevens trends in de tijd statistisch zijn aan te tonen. Het tweede doel is om, van de biologische variabelen waarvoor statistisch een trend in de tijd is aangetoond, na te gaan of er correlaties te vinden zijn met chemische variabelen. De correlatieanalyse is beperkt tot chemische variabelen die gerelateerd zijn aan de milieubeleidsthema's verzuring, vermesting, verdroging en de aanwezigheid van zware metalen.Resultaten van de trend analyses voor biologische variabelen geven aan dat er geen indicatie is voor een afname van soorten en aantallen van vogels, bladmineerders, korstmossen en macrofauna in het Lheebroekerzand. Wel is er een afname te zien in het totale aantal aanwezige vlinders. De conditie van de bomen lijkt in de tijd te verbeteren. Concentraties van de meeste chemische stoffen in de verschillende compartimenten van het ecosysteem nemen af in de tijd, met uitzondering van ammonium, nitraat en sulfaat in het venwater, de zuurgraad van het venwater en lood in bladeren en naalden.Correlaties tussen biologische en chemische variabelen zijn aangetoond voor de aanwezigheid van vlinders met cadmium, lood and sulfaat in lucht en regenwater. Ontbladering van bomen is gecorreleerd met sulfaat en stikstof concentraties in de lucht en in regenwater en met de zuurgraad van het regenwater. Stoffen die verantwoordelijk zijn voor verzuring, vermesting, verdroging en aanwezigheid van zware metalen in het ecosysteem hebben geen invloed op de aanwezigheid van vogels, bladmineerders, korstmossen en de macrofauna in het Lheebroekerzand.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Op 3 oktober 2002 werd een workshop gehouden met de titel "Bodemleven, bodemkwaliteit en duurzaam bodemgebruik" georganiseerd door Wageningen Universiteit en Researchcentrum (WUR) en het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), in opdracht van de Ministeries LNV en VROM. Het doel van de workshop was de ontwikkelingen op het gebied van duurzaam bodembeheer en bodemecosystemen te bespreken en de onderzoeksactiviteiten van WUR en RIVM af te stemmen op de wensen van de gebruikers en opdrachtgevers. Gedurende bijna 5 jaar wordt op een gestandaardiseerde wijze de bodemecologie in Nederland geinventariseerd via de zogenaamde Bodembiologische Indicator (BoBI), onder andere in het Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit (LMB). De eerste resultaten laten zien dat er relaties gelegd kunnen worden tussen (intensiteit van) het bodemgebruik en veranderingen in het bodemecosysteem bij landbouwkundig grondgebruik. Deze informatie is van belang voor het beleid op het gebied van duurzaam bodembeheer en voor de lokale bodembeheerder (bijvoorbeeld de boer). De gegevens uit de inventarisatie zijn bruikbaar om de vragen die bij het bodembeheer en bodembeleid leven, te beantwoorden. Tevens is de verwachting dat de actuele vragen zullen leiden tot aanpassingen in de technische uitvoering van BoBI binnen het meetprogramma, in drie richtingen: 1. Buiten de locaties van het LMB zijn metingen noodzakelijk om tot landsdekkende beelden te komen voor wat betreft aanvullende combinaties van bodem en landgebruik, 2. Aanpassing van BoBI zodat de indicator geschikt wordt voor locatiespecifiek gebruik door bodembeheerders (boeren, bevoegd gezag, t.b.v. gebiedsgericht beleid), 3.Bij de potentiele gebruikers is de wens naar voren gekomen om de veranderbaarheid van het bodemgebruik in beeld te (kunnen) brengen
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Kortdurende blootstellingen aan relatief hoge concentraties van chemische stoffen geven regelmatig aanleiding tot bezorgdheid, vooral als het gaat om stoffen met een carcinogene potentie. Op basis van een door de Gezondheidsraad gepubliceerd rapport en aanvullende literatuur, kon worden geconludeerd dat een piekblootstelling aanleiding kan geven tot tumorvorming. De mogelijkheden voor het ontwikkelen van een beslisboom voor een risicoschatting van piekblootstellingen aan carcinogene stoffen werden tijdens een workshop bediscussieerd door wetenschappers en beleidsmedewerkers van diverse ministeries. Een trapsgewijze ontwikkeling van een categorale beslisboom door een multi-disciplinaire werkgroep werd aangemoedigd. Tijdens de workshop werden diverse aspecten aangegeven die door de werkgroep zullen worden meegewogen.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Voorafgaand aan de invoering van de derde EU-dochterrichtlijn, wordt de luchtkwaliteit, voor ozon, in de lidstaten beoordeeld. Op basis van de metingen en de modelberekeningen blijkt dat in 2010 de streefwaarden voor de bescherming van de gezondheid van de mens en van ecosystemen niet worden overschreden. De ozonmeetwaarden per station voor de jaren 1997-2001 zijn getoetst aan de langetermijndoelstellingen voor de bescherming van de gezondheid van de mens en van ecosystemen. Hieruit blijkt dat deze in alle zones en agglomeraties worden overschreden. Daardoor worden alle zones en agglomeraties in het strengste regime (1) ingedeeld. Indien metingen de enige informatiebron zijn voor de beoordeling van de luchtkwaliteit voor ozon dan geldt volgens de derde dochterrichtlijn voor regime 1 een meetverplichting van 31 meetstations die worden verdeeld over locaties in stadsgebied (3), voorstadsgebied (12) en platteland/regionaal (16). Uit een vergelijking met de huidige aantallen en locaties van de ozonmeetstations in het LML blijkt dat er met name meetstations voor ozon en stikstofdioxide in voorstedelijk gebied, in zones en agglomeraties, bij moeten komen.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Het doel van dit project is een prototype van een 'dataportaal' te bouwen. Een 'dataportaal' is een informatiesysteem voor het zoeken naar en het bekijken, gebruiken, uitwisselen en beheren van data via internettechnologie.Het prototype is ontworpen als een informatiesysteem infrastructuur van de primaire RIVM-processen volgens het meerlagen model. De informatiesysteem infrastructuur is gerealiseerd met gebruikmaking van ESRI ArcGIS TM componenten en een Oracle TM data base management systeem.Het 'data portaal' biedt een transparante toegang tot zowel geografische als niet-geografische data via metadata. Het bevat data- en metadata-functionaliteit voor eindgebruikers, professionele GIS-gebruikers, gegevensbeheerders en databasebeheerders in een gedistribueerde omgeving.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Dit rapport geeft inzicht in prevalentie en incidentie van astma en COPD in aanvulling op een eerder inventariserend rapport (Smit en Beaumont, 2000). Specifieke doelen waren: 1) het integreren van recent beschikbare gegevens over trends in astma en COPD uit huisartsenregistraties 2) het vullen van leemtes in kennis over prevalentie van combinaties van kenmerken van astma en COPD en van sociaal-economische en etnische verschillen in astma en COPD, door secundaire analyse van populatiestudies. De actualisering van de huisartsenregistraties lieten zien dat de prevalentie van astma is toegenomen van 5 per 1000 personen in 1983 tot 26-31 per 1000 personen in 1999. De prevalentie van COPD was licht afgenomen bij mannen tussen 1975 en 19999, terwijl er bij vrouwen een sterke stijging werd waargenomen van 10 per 1000 rond 1980 tot 19 per 1000 in 19999. Secundaire analyse van epidemiologische populatiestudies liet zien dat: - De prevalentie van astma symptomen in combinatie met luchtweggevoeligheid en atopie in 8-12 jarige kinderen rond 3,5% was; - De prevalentie van COPD-symptomen in combinatie met een verlaagde longfunctie ongeveer 2% was in volwassen mannen en 1% in volwassen vrouwen. De analyses van respiratoire symptomen in combinatie met klinische kenmerken van astma en COPD gaf een beter beeld van de respiratoire problemen die ten grondslag liggen aan de prevalentiecijfers die in huisartsenpraktijken worden geregistreerd. Secundaire analyse van sociaal-economische en etnische verschillen in astma en COPD lieten de volgende resultaten zien: - er waren geen sociaal-economische verschillen in de prevalentie van astma in kinderen en volwassenen - De prevalentie van COPD in hoogopgeleide volwassenen was lager dan in laagopgeleide volwassenen. Verschillen in rookgewoonten en andere leefstijlfactoren verklaren een belangrijk deel van deze sociaal-economische verschillen; - Er waren geen etnische verschillen in de incidentie van de huisartsendiagnose COPD. De conclusie is dat de aanvullende analyses op basis van beschikbare gegevens zonder nieuwe gegevensverzameling, een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan het vullen van leemtes in kennis over de morbiditeit van astma en COPD in Nederland.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
A European perspective on hazardous air pollutants | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Betere afstemming MER's en KBA's nodig | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Comparative genotyping of Campylobacter jejuni by amplified fragment length polymorphism, multilocus sequence typing, and short repeat sequencing: strain diversity, host range, and recombination | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Lead speciation in artificial human digestive fluid | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Molecular identification of ectomycorrhizal mycelium in soil horizons | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Association of severe respiratory syncytial virus bronchiolitis with interleukin-4 and interleukin-4 receptor alpha polymorphisms | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Respiratory syncytial virus enhances respiratory allergy in mice despite the inhibitory effect of virus-induced interferon-gamma | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Analysis of lobar differences in particle deposition in the human lung | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Climate impact response functions as impact tools in the tolerable windows approach | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Effect of prolonged exposure to low antigen concentration for sensitization | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Variability in zinc tolerance, measured as incorporation of radio-labeled carbon dioxide and thymidine, in periphyton communities sampled from 15 European river stretches | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
The direct and indirect energy requirement of households in the European Union | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Autoreactivity against induced or upregulated abundant self-peptides in HLA-A*0201 following measles virus infection | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Cluster of cases of acute hepatitis associated with hepatitis E virus infection acquired in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Establishing the link between ammonia emission control and measurements of reduced nitrogen concentrations and deposition | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
In vitro intestinal lead uptake and transport in relation to speciation | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Het Communautair Referentie Laboratorium voor Salmonella (CRL-Salmonella, Bilthoven, Nederland) organiseerde in samenwerking met Public Health Laboratory Services (PHLS), London, Verenigd Koninkrijk een zevende ringonderzoek aangaande de typering van Salmonella. Zeventien Nationale Referentie Laboratoria voor Salmonella (NRLs-Salmonella) en 15 EnterNet Laboratoria (ENLs) namen deel aan deze studie. Drie van de NRLs zijn eveneens ENL. De resultaten van deze drie NRL-ENL laboratoria werden alleen geevalueerd bij de NRLs voor Salmonella. In totaal werden 20 stammen van het species Salmonella enterica subspecies enterica geselecteerd voor serotypering terwijl 10 stammen van Salmonella Typhimurium (STM) en 10 stammen van Salmonella Enteritidis (SE) werden geselecteerd voor faagtypering. In het algemeen waren er geen problemen met het typeren van de O-antigenen. Sommige laboratoria hadden echter problemen met het typeren van de H-antigenen. Bijna alle laboratoria hadden weinig problemen met het faag-typeren. Enige ENLs hadden veel problemen met het faagtyperen van zowel de STM als de SE stammen. Een enquete onder de NRLs toond dat standaardisatie van de antimicrobiele gevoeligheidsbepalingen wenselijk is om vergelijking tussen laboratoria mogelijk te maken.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
In het jaar 2000 werden binnen het thema Verspreiding van het jaarlijks Milieuprogramma, op verzoek van DGM, drie nieuwe indicatoren geintroduceerd. Een van deze indicatoren is de Milieukwaliteitsindicator (MKI). De MKI geeft een beeld van de mate waarin de milieukwaliteit afwijkt van de geformuleerde beleidsdoelstellingen (streefwaarden). Voor berekening van de MKI wordt uitgegaan van de distance-to-target (dtt) benadering. Bij het gebruik van deze rekenmethode voor het compartiment oppervlaktewater, uitgaande van de dtt benadering, traden in voorgaande jaren een aantal problemen op, teweten: veel meetwaarden liggen onder de detectiegrens, er zijn meerdere detectiegrenzen voor een parameter, er zijn weinig meetwaarden, de streefwaarde ligt onder de detectiegrens. Dit vervolgonderzoek, uitgevoerd op verzoek van de directie Bodem, Water, Landelijk Gebied richt zich in eerste instantie op het vergelijken van een aantal rekenmethodes die inspelen op het feit dat 'op het basale niveau de meetgegevens aanzienlijke onzekerheden kennen, wat de interpretatie van het verloop van de indicator op hoger aggregatieniveau lastig maakt'. De vraag is welk kental het meest geschikt is voor vaststelling van de toetswaarde en de dtt. De belangrijkste conclusie van dit onderzoek is dat van een aantal parameters dermate weinig bruikbare gegevens voorhanden zijn, dat geen van de onderzochte rekenmethodes voldoet. Voor het berekenen van een betrouwbare MKI met de huidige keuze van prioritaire stoffen, dienen de meetgegevens van een aantal van deze stoffen kwantitatief en kwalitatief verbeterd te worden.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
A joint effort in the field of environment and health | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Is iemand na een kinkhoestinfectie immuun? [Vraag en antwoord] | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Refinement, reduction, and replacement of animal use for regulatory testing: current best scientific practices for the evaluation of safety and potency of biologicals | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Improvement of dispersion models by using RIVM's model validation tool | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Comparison of atmospheric dispersion modelling according to old and new regulations in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Milieubalans 2002 | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Influence of soil remediation techniques on the bioavailability of heavy metals | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Responses working group of the Millennium Ecosystem Assessment: promoting informed decisions | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Diagnosis of infection | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
The ecological footprint as indicator for sustainable development: result of an international case study | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Model comparison at the parameter level within the Dutch-German commission for nuclear facilities in the border region | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Natuurbalans 2002 | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Climate change and biodiversity | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Gezonde levensverwachting naar sociaal economische status | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
In dit rapport is de toegankelijkheid van de gezondheidszorg voor groepen met verschillende sociaal-economische status onderzocht. Geconcludeerd wordt dat over het algemeen de toegankelijkheid goed is. Er zijn echter wel verschillen in zorggebruik naar sociaal-economische status gevonden - o.a. in contacten met huisartsen, geneesmiddelengebruik, psychosociale hulpverlening en chirurgische zorg - die mogelijk duiden op verschillen in toegankelijkheid van zorg voor de onderscheiden groepen. Deze verschillen lijken echter meer te maken te hebben met culturele aspecten van toegankelijkheid (informatie deficient of ineffectief gebruik) dan met financiele belemmeringen. Investering in monitoring en nader onderzoek, incl. verbetering van dataverzameling en registratie, is gewenst om de toegankelijkheid van de zorg in de komende jaren te kunnen volgen.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Perinatale pertussis: van moeder naar kind [Letter to the editor] | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Het risico op kanker bij lage doses | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Placebo-controlled trial of house dust mite-impermeable mattress covers. Effect on symptoms in early childhood | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Ontwikkelingen op het gebied van hoorhulpmiddelen [Letter to the editor] | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Assessing health consequences in an environmental impact assessment. The case of Amsterdam Airport Schiphol | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Voedselinfecties in Nederland | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Zorgen over vliegtuig-geluid | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Ontwikkelingen op het gebied van hoorhulpmiddelen [Letter to the editor] | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Explosies van virale gastro-enteritis, in het bijzonder door het Norwalk-achtig virus: een onderschat probleem | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Kinetics of the IgG antibody response to pertussis toxin after infection with B.pertussis | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Pulmonary effects of ultrafine and fine ammonium salts aerosols in healthy and monocrotaline-treated rats following short-term exposure | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Change in saturated fat intake is associated with progression of carotid and femoral intima-media thickness, and with levels of soluble intercellular adhesion molecule-1 | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Klachtenbehandeling van voedselinfecties en voedselvergiftigingen door de Keuringsdienst van Waren | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Assessment of the sensitizing potency of low molecular weight chemicals | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
The epidemiology of soft tissue rheumatism | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Biomass performance: monitoring and control in bio-pharmaceutical production | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Prevention of surgical site infections through surveillance | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Legionnaires' disease at a Dutch Flower show: prognostic factors and impact of therapy | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Analyzing the Kyoto protocol under the Marrakesh accords: economic efficiency and environmental effectiveness | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Vaccinaties bij kinderen. Uitvoering en achtergronden van het Rijksvaccinatieprogramma en andere vaccinaties bij kinderen | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Mappae mundi. Humans and their habitats in a long-term socio-ecological perspective. Myths, maps and models | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Hospitalizations during a measles epidemic in the Netherlands, 1999 to 2000 | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Ouder- en kindzorg: basisboek voor artsen | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
In het kader van de "Regeling Verpakking en Verpakkingsafval" worden eisen gesteld aan de gehalten van cadmium, lood, kwik en zeswaardige chroom. De som van de gehalten mag de grens van 100 ug/g niet overschrijden. Wegens analytische beperkingen wordt chroom als totaal chroom (Cr) bepaald i.p.v. zeswaardig chroom (CrVI). Een verkennend onderzoek is ingesteld naar toepassingsmogelijkheden van drie apparaten in het kader van handhaving: ICP-MS (Inductively Coupled Plasma Mass Spectrometry), XRF-XEPOS (XRF: X-Ray Fluorescence Spectrometry), XRF-NITON. Criteria van beoordeling zijn: Nauwkeurigheid, Snelheid/ efficiency, locatiegebondenheid met de XRF-NITON. Een beperkt aantal monsters is geanalyseerd met INAA (Instrumental Neutron Activation Analysis) als referentiemethode. De ICP-MS resultaten worden vergeleken met INAA en de resultaten van de XRF-XEPOS met die van INAA en/of ICP-MS. Uit de vergelijking van de resultaten blijkt ICP-MS het meest nauwkeurig met uitzondering van het element chroom. Chroom in casing (kunstdarmen) gaat tijdens de ontsluiting niet of onvolledig in oplossing. ICP-MS is een tijdrovende techniek en de analyse is gebonden aan het laboratorium. De resultaten verkregen met XRF-XEPOS zijn in goede overeenstemming met de INAA en/of ICP-MS resultaten. De XRF-XEPOS resultaten voor Cr verkregen met de huidige semi kwantitatieve meetmethode liggen een factor 2 tot 4 hoger dan de INAA en/of ICP-MS resultaten. Het toevoegen van vergelijkbare kalibratiemonsters aan het meetprogramma kan een verschuiving van een semi-kwantitatieve naar een kwantitatieve analyse bewerkstelligen. De XRF-XEPOS is een snelle, efficiente en op locatie inzetbare meetmethode. De XRF-NITON is alleen inzetbaar als indicatie voor monsters met een zeer hoge overschrijding van de norm, waarbij echter ook vals positieve monsters worden gemeten.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
In de 'regulatory toxicology' (beleidsondersteunende toxicologie) groeit het besef dat kinderen en volwassenen kunnen verschillen in hun gevoeligheid voor xenobiotica. In het huidige rapport wordt een beknopt overzicht gegeven van de relevante gegevens over de verschillen tussen volwassenen en kinderen met betrekking tot blootstelling, kinetiek en dynamiek van chemische stoffen, en de geschiktheid van de momenteel gebruikte toxicologische testen in het kader van de toelatingsbeoordeling wordt bediscussieerd. Gezien de potentieel andere gevoeligheid van kinderen wordt tevens een aantal aanbevelingen gedaan voor de verdere ontwikkeling van risicobeoordeling. Binnen het veld van de toxicologische risicobeoordeling zijn er drie belangrijke gebieden waarin kinderen en volwassenen verschillen; blootstelling aan en toxicokinetiek en toxicodynamiek van xenobiotica. Of in de risicobeoordeling specifiek rekening gehouden moet worden met kinderen is in de eerste plaats afhankelijk van het blootstellingspatroon. Met name de situatie waarin kinderen hoger blootgesteld worden dan volwassenen verdient de volle aandacht. Kinderen eten en drinken meer per kilogram lichaamsgewicht dan volwassenen, en hun voedingspatroon is anders en minder gevarieerd. Bovendien hebben kinderen een relatief hoge respiratoire activiteit (waardoor er een verhoogde blootstelling via de ademhalingswegen kan optreden) en een hoge lichaamsoppervlak-lichaamsgewicht ratio (mogelijk resulterend in een verhoogde dermale blootstelling). Tevens kan de blootstelling van kinderen aan toxische stoffen hoger zijn dan volwassenen omdat kinderen vaak langer in een bepaalde ruimte of omgeving verblijven, ze zich dichter bij een besmet oppervlak kunnen bevinden (bijvoorbeeld tijdens kruipen over een behandeld oppervlak), en minder hygienische gedrag vertonen (sabbelen op handen, objecten en oppervlakken; picagedrag). De route van blootstelling kan bepalend zijn voor het potentieel toxische effect van een stof. In de meeste toxicologische studies ten behoeve van de veiligheidsbeoordeling van een stof wordt de stof oraal toegediend. Echter, bij de opzet van een toxicologische studie moet de route waarlangs het kind naar verwachting wordt blootgesteld in aanmerking worden genomen, aangezien de interne blootstelling aan een stof kan varieren als gevolg van een andere mate van absorptie en de afwezigheid van een 'first-pass effect' na inhalatoire en dermale blootstelling. Een verder punt van aandacht, voor de hele bevolking, maar daardoor ook specifiek voor kinderen, is de totale blootstelling aan een specifieke stof uit verschillende bronnen (geaggregeerde blootstelling), en de blootstelling aan verschillende stoffen met hetzelfde werkingsmechanisme (bijvoorbeeld organofosfaten en carbamaten), de cumulatieve blootstelling. Door de fysiologische verschillen tussen kinderen en volwassenen kan de kinetiek van een stof in het lichaam beinvloed worden, waardoor het kind meer of minder gevoelig is voor de toxische effecten van de stof. Bijvoorbeeld, de orale absorptie van een stof kan worden beinvloed door de verschillen in zuurgraad van de maag, de snelheid van maaglediging, de concentratie van de spijsverteringsenzymen en de darmflora. Als gevolg van de hoge ademhaling en de hoge lichaamsoppervlak-lichaamsgewicht ratio kan de relatieve inhalatoire en dermale blootstelling aan stoffen in kinderen verhoogd zijn vergeleken met volwassenen. Het hoge gehalte aan water in het lichaam, de lage bindingscapaciteit van het plasmaeiwit en de permeabiliteit van de bloed-hersen barriere kunnen de distributie van een stof in het lichaam beinvloeden. Het nog niet volledig ontwikkelde systeem van metabole enzymen in de lever, en de lage snelheid van de renale doorbloeding en glomerulaire filtratie kunnen de eliminatie van een stof uit het lichaam beinvloeden. Met betrekking tot de toxicodynamiek, dit betreft de effecten van een chemische stof op het lichaam (organen, weefsels), is de invloed die een stof kan uitoefenen op de zich ontwikkelende organen en systemen in jonge kinderen een belangrijk aandachtspunt. Verstoring van de proliferatie, differentiatie, migratie en maturatie van lichaamscellen kan ernstige en onomkeerbare gevolgen hebben. In de mens vindt de ontwikkeling van bepaalde organen en systemen, zoals de longen en luchtwegen, het immuunsysteem, de endocriene systemen en de hersenen, tot lang na de geboorte plaats. De huidige reproductietoxiciteitstesten en de recent geintroduceerde ontwikkelingsneurotoxiciteitstest richten zich voornamelijk op de reproductie- en neurotoxische effecten van een stof, en zijn niet ontworpen om bijvoorbeeld immunotoxische effecten, effecten op longontwikkeling en afwijkingen in weefsels en bloed aan te tonen. Wanneer in een toxicologische test de jonge dieren worden blootgesteld aan de stof via de moedermelk, is het opportuun dat wordt vastgesteld dat er relevante hoeveelheden van de stof worden uitgescheiden in de melk. De kritische periodes in de ontwikkeling van proefdieren en kinderen komen niet noodzakelijkerwijs overeen. Hiermee moet rekening gehouden worden bij het bepalen van de blootstellingsperiode van het proefdier in een toxicologische studie. Aangezien er bij zoveel processen verschillen kunnen optreden tussen kinderen en volwassenen, en het niet duidelijk is wat het uiteindelijke resultaat is, is er niet voldoende informatie om een kwantitatieve 'overall' uitspraak te doen met betrekking tot verschillen in gevoeligheid. Bijvoorbeeld, ook al wordt een stof beter opgenomen in een kind, dan hoeft er nog geen sprake te zijn van een verhoogd risico, indien er nauwelijks vorming van een toxische metaboliet plaatsvindt of de uitscheiding van de stof ook verhoogd is. Men moet zich echter wel realiseren dat bij de huidige risciobeoordeling de default assessment factor 10 voor intraspecies verschillen betekent dat het 'meest gevoelige kind' verondersteld wordt 10x gevoeliger te zijn dan een 'gemiddeld persoon' uit bevolking, en er derhalve rekening gehouden wordt met een 100-voudige variatie in gevoeligheid in de hele bevolking. Bovendien wordt bij de extrapolatie van de dierexperimentele gegevens naar de mens ook een factor 10 gebruikt, waarbij verondersteld wordt dat de 'gemiddelde mens' een factor 10 gevoeliger is dan het 'meest gevoelige proefdier' dat getest is. Wanneer een volledige toxicologische dataset beschikbaar is, wordt in het algemeen verondersteld dat de gebruikte assessment factoren (10 x 10) voldoende zijn om de bevolking te beschermen. Echter, het gebruik van een additionele assessment factor om de gevoelige groepen in de samenleving, waaronder kinderen, te beschermen moet altijd in overweging worden genomen, op een 'case-by-case' basis. Voor de toekomstige ontwikkelingen in risicobeoordeling van stoffen wordt, met betrekking tot kinderen een aantal aanbevelingen gedaan. Voor zowel volwassenen als voor kinderen is meer inzicht in de specifieke blootstellingsscenario's noodzakelijk. Daarnaast dient een beslisboom te worden opgesteld die gebruikt kan worden bij de beoordeling van stoffen om te toetsen of het toxicologische pakket en de kennis over de specifieke blootstelling voldoende zijn om een adequate risicobeoordeling voor kinderen op te stellen. De geschiktheid van de toxiciteitstesten in jonge proefdieren moet worden onderzocht. Een vergelijking van de dosis-respons gegevens en de NOAELs van testen in volwassen en jonge dieren kan inzicht geven in de spreiding van de intraspecies variatie met betrekking tot leeftijd. Aangezien er voor farmaca veel humane data beschikbaar zijn, is het zinvol om de ontwikkelingen te volgen in het veld van de kinetiek en de dynamiek van farmaca ten behoeve van kinderen. Door gebruik te maken van de distributie van fysiologische en kinetische parameters en van farmacologisch-farmacokinetische modellen (PBPK modellen) die gebaseerd zijn op de fysiologie van kinderen kan worden vastgesteld welke subgroep van kinderen het hoogste risico loopt bij blootstelling aan een bepaalde chemische stof.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Twintig scenario's die verschillen voor wat betreft bodemgebruik, bodem type en contaminant vormden de basis voor berekening van de humane blootstelling aan contaminanten in de bodem, met behulp van modellen afkomstig uit zeven Europese landen. (een model per land). Hiertoe werden de humane blootstelling van kinderen en volwassenen zoals berekend met deze modellen, vergeleken. Alle berekeningen werden in tweevoud uitgevoerd: eenmaal met een voorgeschreven set aan input parameters en eenmaal met de land-specifieke default input parameters. De blootstelling via de drie belangrijkste blootstellingsroutes, namelijk via grondingestie, gewasconsumptie en inhalatie binnenlucht, werd berekend . Bovendien werden de relevante concentraties in de contactmedia and in de bodemcompartimenten berekend. Evaluatie van de variaties in de berekende blootstelling voor elke belangrijkste blootstellingsroute en van de factoren die de variatie beinvloeden, leidde tot de volgende belangrijkste conclusies: De variatie in berekende blootstelling is groot voor blootstelling via inhalatie binnenlucht, substantieel voor blootstelling via gewasconsumptie en beperkt voor blootstelling via grondingestie. De variatie in berekende blootstelling wordt met name be6nvloed door de keuze van het blootstellingsmodel, in mindere mate door de selectie van de contaminant en type input parameter (gestandaardiseerd of default). De variatie in berekende bloostelling in nauwelijks afhankelijk van bodemgebruik en nog minder van bodem type. Mis-communicate is een (moeilijk te vermijden) bron voor variatie in berekende blootstelling. Bovendien werd een overzicht gegeven van de karakteristieken van de humane blootstellingsmodellen en van de waarden voor de default input parameters, zoals in de verschillende landen gebruikt. Een aanbeveling is op de langere termijn een toolbox te ontwikkelen voor gebruik op Europees niveau, met een gestandaardiseerde methode ter bepaling van de humane blootstelling, maar met ruimte voor flexibele (land-specifieke) elementen.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Neveneffecten van bestrijdingsmiddelen op terrestrische ecosystemen | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Evaluatie van de ecosystemen op aarde | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Assessment of four methods to estimate surface UV radiation using satellite date, by comparison with ground measurements from four stations in Europe | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Progress report on modelling forest ground vegetation at a continental scale | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Risk factor analysis of Escherichia coli O157 on dutch dairy farms: preliminary results | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Validation of the Gaussian puff models TSTEP and REM-3 using the Kincaid data set | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Phase variation in meningococcal lipooligosaccharide biosynthesis genes | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Performance testing of HR-ICPMS instrumentation and first applications for analyzing biomedical samples under routine laboratory conditions | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Five years of observations of ozone profiles over Lauder, New Zealand | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Incorporation of soil-pH dependent behaviour in pesticide leaching assessment | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Ozone profile retrieval from recalibrated Global Ozone Monitoring Experiment data | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Effect of long-term sorption kinetics on leaching as calculated with the PEARL model for FOCUS scenarios | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Een belangrijk onderdeel van het huidige natuurbeleid is de Ecologische Hoofdstructuur (EHS): een samenhangend netwerk van kwalitatief hoogwaardige natuurgebieden van in totaal 695.000 ha. Door middel van natuurontwikkeling kunnen verbindingszones en landbouwenclaves omgevormd worden tot natuurgebieden. Dit rapport heeft als doelstelling na te gaan: Waar liggen huidige en toekomstige natuurontwikkelingsprojecten in Nederland en hoe groot is hun kans van slagen, gelet op de aanwezige milieukwaliteit? In het kader van dit rapport is de natuurontwikkeling in Nederland letterlijk in kaart gebracht, hetgeen resulteerde in de 'Kaart van de Hoop'. Deze kaart geeft aan waar natuurontwikkeling tot nu toe heeft plaatsgevonden en waar in de toekomst natuur ontwikkelt gaat worden. De voortgang van het begrenzen, verwerven, inrichten en overdragen van de EHS en dus ook van de no-gebieden loopt achter op schema. Hoewel de komende jaren een versnelling in de inrichting verwacht wordt, blijft het onduidelijk of alle doelstellingen in 2018 gehaald worden.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Dit rapport presenteert de schatting van kosten voor de bestrijding van broeikasgasemissies. Het gaat daarbij om de emissies van methaan (CH4) bij vuilstortplaatsen en van methaan (CH4) en lachgas (N2O) bij afvalwaterbehandeling. Tevens worden de kosten geschat van koolstofvastlegging in bos- of koolstofplantages. Dit gebeurt met behulp van zogenaamde marginale kostencurves. Het potentieel van de emissiereductie is gebaseerd op het GECS basisscenario voor landbouw en landgebruik in de periode van 1995 - 2030 zoals dat is ontwikkeld met het IMAGE 2.2 model. De kostensoorten van de verschillende maatregelen voor emissiereductie zijn: investeringskosten, operationele kosten en ook eventuele opbrengsten. Deze kosten en opbrengsten varieren op basis van regionale schattingen van kosten voor investeringen en arbeid en besparingen en opbrengsten. In het GECS baseline scenario stijgen de emissies afkomstig van vuilstortplaatsen en afvalwater in vrijwel alle wereldregio's tussen 1995 en 2030 als gevolg van de snelle bevolkingsgroei en urbanisatie. Door de toenemende emissie stijgt ook het reductiepotentieel aanzienlijk. Voor het schatten van de graad van implementatie van maatregelen zijn er aannames gebruikt op basis van literatuur gegevens. De kostensoorten die worden onderscheiden bij de koolstofvastlegging in plantages zijn de kosten voor land, het kweken van de bomen, grondbewerking, plantkosten en de jaarlijks terugkerende onderhouds- en operationele kosten. Door het combineren van de berekende jaarkosten per hectare voor elke regio met de gemiddelde jaarlijkse koolstofvastlegging per hectare worden de kosten van de koolstofvastlegging verkregen. De kosten zijn berekend als een gemiddelde over een periode van 50 jaar. De voormalige Sovjet Unie heeft met afstand het grootste potentieel voor koolstofvastlegging, tegen ook nog lage kosten. De resultaten bij veronderstelling van 100% implementatie geven het volledige potentieel weer, terwijl resultaten bij de lagere implementatie graad aangeven wat het effect zou kunnen zijn van sociaal-economische en andere barri{res die realisatie van bosaanplant voor koolstofvastlegging verhinderen. De marginale kostencurves die zijn ontwikkeld, kunnen niet zomaar worden gebruikt in combinatie met andere dan het GECS baseline scenario, omdat zowel de potentiele emissiereductie als de graad van implementatie van maatregelen aangepast dienen te worden aan de specifieke scenariocontext. De marginale kostencurves ontwikkeld in deze studie en in andere zogenaamde 'bottum-up' kosten studies zijn discontinue omdat wordt aangenomen dat ze een voor een worden geimplementeerd op basis van hun kosteneffectiviteit.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Dag-op-dag-variaties in meteorologische condities zijn een belangrijke oorzaak van variaties in het concentratieverloop van luchtveronreinigende stoffen. Deze aan meteorologie gekoppelde variaties werken ook door in jaargemiddelde concentraties. Daarom is het moeilijk om te beoordelen in hoeverre jaargemiddelde patronen van luchtverontreinigende componenten beinvloed worden door emissiereducties. Zo'n beoordeling is zeer beleidsrelevant omdat emissiereducties over het algemeen gepaard gaan met hoge kosten. Daarom zal er, om een een maatschapppelijke draagvlak te garanderen, een relatie gelegd moeten worden tussen trends in antropogene emissies enerzijds en trends in concentraties anderzijds. In dit rapport tonen we aan hoe met behulp van een reeks binaire beslisregels, bekend staand onder de naam Classificatie- en Regressiebomen (Eng: CART), gemeten concentraties getransformeerd kunnen worden naar concentraties die er zouden zijn geweest onder standaard meteorologische condities. Deze meteo-gecorrigeerde concentraties kunnen vervolgens gebruikt worden om trends in luchtkwaliteit beter te identificeren. Voorbeelden worden gegeven voor SO2- en PM10-meetreeksen.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Dit rapport gaat in op de volume- en ruimtelijke ontwikkelingen in de binnenvaart en de zeescheepvaart. Gebruik is gemaakt van bestaande bronnen (data, literatuur, modelsimulaties). Het geeft de consequenties voor de bestaande RIVM-modellen aan. Uit de studie blijkt dat het vervoerde tonnage van de binnenvaart en de zeescheepvaart de aankomende decennia zal toenemen. Daarbij zal er een verschuiving optreden van bulkgoederen naar containers. Door een verschuiving naar grotere schepen neemt het aantal scheepvaartbewegingen minder toe dan het tonnage. Verder blijkt dat door veranderingen in de te vervoeren goederen er een voortgaande trend is naar concentratie van de binnenvaart op de hoofdvaarwegen c.q., maar dat door de landinwaartse verschuiving van havenfaciliteiten en het ontstaan van zogenoemde inlandterminals het gebruik van secundaire vaarwegen zal toenemen. Voor de zeescheepvaart treedt een relatieve verschuiving op naar het zuidelijk deel van het zogenoemde Continentale Plat. Het aandeel van de Rotterdamse haven binnen het totale Nederlandse zeescheepvaartverkeer zal naar verwachting toenemen. Door een verschuiving van de Rotterdamse havenfaciliteiten richting open zee zal de hoeveelheid landinwaartse scheepvaartbewegingen afnemen.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Risk assessment for surgical-site infections following total hip and total knee prostheses | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Acrylamide in food: are french fried potatoes and crisps carcinogenic? | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Vrijwillige gezondheidswinst per prik | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Cost effectiveness of guideline advice for children with asthma: a literature review | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Biobeschikbaarheid: (hoe) te gebruiken in normstelling en risicobeoordeling? | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Risk assessment for protozoan parasites | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
RIVM zoekt naar E.coli O157 in zelfstandige drinkwaterwinningen | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Prevalence and time trends of obesity in Europe | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Vaccinatiegids voor ouders | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Vaccines | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
The role of nitric oxide in cigarette smoking and nicotine addiction | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Groeidiagrammen. Handleiding bij het meten en wegen van kinderen en het invullen van groeidiagrammen, 2e dr | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Advanced process monitoring: the ultimate alternative | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
MTBE bedreigt de smaak van water | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
An evaluation of the level of ambition and implications of the Bush climate change initiative | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Ter ondersteuning van het gebiedsgerichte beleid van rijk en provincies in het landelijk gebied zoals dat vorm wordt gegeven in het kader van de Bestuursovereenkomst Gebiedsgerichte Inrichting Landelijk Gebied is door het RIVM en Alterra, Research Instituut voor de Groene Ruimte, gezamenlijk een onderzoek verricht naar de akoestische kwaliteit van een aantal functiegerelateerde typen landelijk gebied. De onderzochte gebieden betreffen EHS gebieden (Ecologische Hoofd Structuur), stiltegebieden, landelijk wonen, verblijfsrecreatie en extensieve recreatie. Het onderzoek is een vervolg op de 'Quick-Scan' studie die Alterra heeft verricht naar de aantasting van de akoestische kwaliteit deze gebieden op basis van landelijke geluidkaarten die het RIVM voor de Milieubalans in 2001 heeft opgesteld voor de geluidbelasting (LAeq,24 uur) van wegverkeer (rijkswegen en provinciale wegen), railverkeer en luchtvaart. In het onderhavige vervolgonderzoek is de geluidbelasting voor de bovenstaande typen gebieden getoetst aan een op basis van de gebiedsfunctie gekozen gebruikelijke norm, zowel in de huidige situatie uitgaande van geluidkaarten uit de Milieubalans van 2001 als voor de geprognosticeerde toekomstige situatie uit de vijfde milieuverkenning van het RIVM voor 2030. In het onderzoek is een tevens raming gemaakt van kosten die voor rijkswegen en provinciale wegen nodig zijn om maatregelen te treffen teneinde aan de normstelling te voldoen. Daarnaast is een variant beoordeeld, waarbij de kosten niet zijn gebaseerd op een strikte normstelling maar volgens het ALARA principe (As Low As Reasonably Achievable. Uit het onderzoek blijkt dat voor een strikte realisatie van normen in de genoemde gebieden langs grote delen van rijks- en provinciale wegen in het landelijke gebied schermen en wallen nodig zijn, hetgeen tot buitenproportionele kosten leidt en praktische bezwaren heeft. Het alternatief, waarbij in de civieltechnische vervangingscyclus van rijkswegen en provinciale wegen steeds wordt gekozen voor de stilst mogelijke implementatie van wegdekken, verdient duidelijk de voorkeur, zowel vanuit praktische en visuele aspecten als uit kostenoogpunt.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Dit rapport beschrijft de resultaten van een inventarisatie, gemaakt door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, van de wijzigingen in de EC Technical Guidance Documents (TGD's) ter ondersteuning bij de risicobeoordeling van nieuwe stoffen, bestaande stoffen en biociden. De TGD's (voor het eerst gepubliceerd in 1996) zijn onderworpen aan verfijning als gevolg van een jarenlange ervaring opgedaan bij de beoordeling van een groot aantal nieuwe- en bestaande stoffen. Het document is verder uitgebreid met de vereisten voor biociden. De aangepaste TGD's zijn geaccordeerd door de Competente Autoriteiten (CA's) van de EU lidstaten. De "final draft" documenten zoals deze beschikbaar waren op de beschermde internet pagina van het Europees Chemicalien Bureau (ECB) op 1 augustus 2002 zijn door het RIVM gebruikt voor de huidige inventarisatie. De documenten zijn niet gewijzigd tot aan het verschijnen van het huidige rapport in november 2002. Dit rapport vormt een basis voor de aanpassing van de (procedures voor) risicobeoordeling zoals deze wordt uitgevoerd door het RIVM en het computermodel EUSES (European Union System for the Evaluation of Substances).
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Dit rapport gaat in op de toedeling van emissies door internationale luchtvaart aan landen. Momenteel wordt een klein deel van deze emissies aan landen toegerekend, voor koolstofdioxide betreft dit bijvoorbeeld alleen de emissies door binnenlandse luchtvaart. Omdat internationale luchtvaart grensoverschrijdend is, zijn de emissies die hierdoor veroorzaakt worden, niet eenvoudig aan een land toe te rekenen. Anno 2002 is in diverse internationale kaders (IPCC, V.N.) gediscussieerd over de vraag of de emissies wel toebedeeld moeten worden aan landen. Wanneer afspraken gemaakt worden over de allocatie van emissies door de internationale luchtvaart, zal waarschijnlijk de bereidheid om deze emissies te verminderen toenemen. Er zijn reeds diverse allocatiemethoden voorgesteld. Het onderhavige onderzoek richt zich op de vraag wat de implicaties van de diverse voorgestelde allocatiemethoden zijn voor de aan Nederland toe te rekenen emissies. Om de consequenties te kunnen inschatten, is het model MOBLEM ontwikkeld. Het model berekent dat, door de toedeling van de internationale luchtvaartemissies, onder andere de omvang van de jaarlijkse Nederlandse rapportage van CO2-emissies door de luchtvaart met maximaal een factor 27 stijgt. MOBLEM blijkt goed toepasbaar voor de berekening van de emissies voor de allocatiemethoden, maar dat met name de resultaten voor HC- en CO-emissies gevoelig zijn voor veronderstellingen over onzekere factoren. Onzekerheden betreffen de gebruikte emissiefactoren en de representativiteit van de gebruikte vloot.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Internationale en nationale rapportages over mogelijke gezondheidseffecten van bovengrondse hoogspannings-lijnen vormden voor de Nederlandse overheid aanleiding om op basis van het voorzorgprincipe te laten onderzoeken welke mogelijkheden er zijn om de blootstelling van de bevolking aan de magnetische velden rond deze hoogspanningslijnen te reduceren. In het kader van dit onderzoek heeft RIVM de aantallen woningen in zones van 10 tot 200 m aan weerszijden van de hoogspanningslijnen geteld. Deze aantallen zijn nodig om de effecten van de door KEMA geinventariseerde technische maatregelen aan de hoogspanningslijnen te kunnen evalueren. Deze rapportage beschrijft de methode en de resultaten van de woningtellingen. In Nederland blijken zich ruim 120.000 woningen binnen 200 m van een hoogspanningslijn te bevinden. Van deze woningen ligt ongeveer 75% rond de 150 kV hoogspanningslijnen. Smallere zones bevatten minder woningen. Binnen 100 m liggen circa 45.000 woningen en binnen 30 m nog ruim 5.000. Op basis van een steekproef is geconcludeerd dat de onnauwkeurigheid in de locaties van de hoogspanningsmasten en van de woningen gering is. Omdat de resterende onnauwkeurigheden bij tellingen over grote gebieden uitmiddelen, is een systematische onder- of overschatting in de berekende aantallen woningen niet waarschijnlijk. Een mogelijk beleidsdoel is het reduceren van het aantal woningen binnen bepaalde magneetveldzones. In dit rapport wordt een methode van presenteren voorgesteld die onderzoek naar een kosten-effectieve aanpak van zo'n reductie kan ondersteunen.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Author's reply to: The beneficial effect of alpha-linolenic acid in coronary artery disease is not questionable [Letter to the editor by Renaud SC, Lanzmann-Petithory D] | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Mathematical epidemiology of chlamydia trachomatis infections | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Homocysteine determinants and the evidence to wat extent homocysteine determines the risk of coronary heart disease | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Subsidy refrom deals to jump-start global sustainability: a recipe for success | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
A waiting list model for residential care for the mentally disabled in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Improvement of differentiation and interpretability of spoligotyping for mycobacterium tuberculosis complex isolates by introduction of new spacer oligonucleotides | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Equivalence testing of salbutamol dry powder inhalers: in vitro impaction results versus in vivo efficacy | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Comparability of antimicrobial susceptibility test results from 22 European countries and Israel: an externa quality assurance exercise of the European Antimicrobial Resistance Surveillance System (EARSS) in collaboration with the United Kingdom National | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Intoxicaties | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Smoking cessation would substantially reduce the future incidence of pancreatic cancer in the European Union | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Brancherapport preventie '98-'01 | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
A global analysis of acidification and eutrophication of terrestrial ecosystems | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Longevity of neutralizing antibody levels in macaques vaccinated with Quil A-adjuvanted measles vaccine candidates | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
The global burden of disease study and applications in water, sanitation and hygiene | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
A low cost, home-made, reverse-line blot hybridisation assay for rapid detection of rifampicin resistance in Mycobacterium tuberculosis | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Tuberculin skin testing and in vitro T cell responses to ESAT-6 and culture filtrate protein 10 after infection with Mycobacterium marinum or M. kansasii | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Guidelines: the current position | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Regional validation of a nation wide application of a comprehensive 1D hydrological model | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Linear first order estimate of the spatially distributed prediction accuracy of groundwater models: a practical example | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Het rapport Ambulances binnen bereik beschrijft de resultaten van een landelijk onderzoek naar de geografische spreiding van standplaatsen en de beschikbaarheid (capaciteit) van ambulances. Knelpunten in de spreiding en beschikbaarheid uiten zich in het aantal keren dat een ambulance niet binnen de norm van 15 minuten na melding op de plaats van bestemming arriveert. In een tweetal scenario's worden mogelijkheden verkend hoe door uitbreiding en verplaatsing van standplaatsen en verandering van beschikbaarheid knelpunten in de voorziening van ambulancezorg voor een deel kunnen worden opgelost. In 2001 vond bij 8,2% (27.800) van het aantal spoedritten een overschrijding van de norm plaats. Hoogstens 20% van de overschrijdingen waarvoor de rijtijd kon worden bepaald, is het gevolg van ongunstige spreiding van ambulancestandplaatsen. Hoe groot het effect van wijzigingen in de aard en omvang van beschikbare ambulancecapaciteit zal zijn op het aantal overschrijdingen is niet te zeggen. Daarvoor ontbreekt in de rittenregistraties van ambulances informatie over de toedracht van overschrijdingen. Om dezelfde reden kunnen de onderzoekers evenmin kwantificeren in hoeverre overschrijdingen worden bepaald door nog andere factoren zoals de invloed van langere opstarttijden bij piketdiensten en overmachtsituaties zoals verkeersopstoppingen en -omleidingen, extreme weersopstandigheden of materiaalpech. Om overschrijdingen en maatregelen in de toekomst beter te kunnen evalueren doen de onderzoekers de aanbeveling om de kwaliteit van de rittenregistraties en de registratiewijze in de ambulancezorg te verhogen.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Designation of the European Working Group on Legionella infection (EWGLI) amplified fragment length polymorphism types of legionella pneumophila serogroup 1 and results of intercentre proficiency testing using a standard protocol | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
High occurence of esp among ampicillin-resistant and vancomycin-susceptible Enterococcus faecium clones from hospitalized patient | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Effects of waterborne exposure of octylphenol and oestrogen on pregnant viviparous eelpout (Zoarces viviparus) and her embryos in ovario | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
New strains of bacteria and exacerbations of COPD [Letter to the editor] | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Nationwide assessments of non-point source pollution with field-scale developed models: the pesticide case | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Het WHO MONICA Project is een monitoringsonderzoek naar veranderingen in hart- en vaatziekten en de risicofactoren over een periode van 10 jaar. Als onderdeel van dit project werd een voedingsonderzoek (Optional Study on Nutrition) uitgevoerd in een subpopulatie van circa 40000 mannen in de leeftijd van 40 tot 64 jaar uit 11 landen van Europa. In dit rapport worden de methodes die in de verschillende landen gebruikt zijn om de dagelijkse voedselconsumptie te meten, beschreven. Vervolgens wordt de kwaliteit van de gebruikte methodes vergeleken en wordt nagegaan of deze gegevens geschikt zijn voor vervolgonderzoek. De meetmethodes werden beoordeeld op de volgende punten: moment van rapportage, instructies met betrekking tot de beschrijving van geconsumeerde voedingsmiddelen en de schatting van portiegroottes, procedure voor gegevensverzameling en training van de interviewers. Het bleek dat er veel overeenkomsten waren in de meetmethodes die gebruikt werden in de verschillende onderzoekscentra. Toch had bijna elk onderzoekscentrum zijn beperkingen. De conclusie van dit rapport is dat de voedingsgegevens van de verschillende centra eerst moeten worden gestandaardiseerd voordat ze kunnen worden vergeleken. Deze harmonisatie van datasets zal veel extra tijd vragen. Aangezien voor deze activiteiten geen financiering aanwezig is, zal de MONICA Optional Study on Nutrition niet worden gecontinueerd.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Het Braziliaans voorstel om totale emissiereducties te verdelen onder Annex-I landen is gebaseerd op een berekening van het percentage dat elk land bijdraagt aan de totaal gerealiseerde klimaatverandering. Dit rapport presenteert dergelijke berekeningen en analyseert de invloed van de tijdshorizon van de emissies en niet-lineariteiten in de mondiale koolstofcyclus. De analyse laat zien dat naarmate de historische emissies vanaf een vroeger tijdstip worden meegenomen de bijdrage van Annex-I regio's aan totale klimaatverandering in 2000 hoger wordt. Als het eindjaar verder in de toekomst wordt gekozen, dan neemt de bijdrage van niet-Annex-I landen toe, vanwege sterk groeiende emissies in de 21ste eeuw. Door het evaluatiejaar te kiezen later dan het eindjaar van de emissies worden ook de vertraagde klimaateffecten van emissies meegenomen. Hoe groter het gat tussen eindjaar en evaluatiejaar, hoe meer de bijdrage van niet-Annex-I landen afneemt, met name door het relatief grote aandeel van methaan in de totale emissies, met een korte verblijftijd in de atmosfeer.Ons voorstel voor een nieuwe 'niet-lineaire', maar transparante, methode om de bijdrage van landen aan de totale verhoogde CO2 concentratie te berekenen verlaagt de bijdrage van Annex-I landen. Het effect is groter dan dat van niet-lineariteit in stralingsforcering (verzadiging), met tegengesteld teken. Aangezien het laatste effect toeneemt in de tijd, heffen de twee effecten elkaar vrijwel op tegen het eind van de 21ste eeuw. De analyse is uitgevoerd voor verschillende aggregaties van landen binnen de klimaatconventie (Annex-I/non-Annex-I, 4 IPCC SRES regio's, of 17 kleinere RIVM IMAGE-regio's). Er bestaat aanzienlijke heterogeniteit binnen geaggregeerde IPCC groepen, zodat algemene conclusies met betrekking tot groepen als geheel niet gelden voor elke kleinere emissie-eenheid (land) daarbinnen.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
De gehalten van de organochloorverbindingen HCB, beta-HCH, p,p'-DDE, 2,3,7,8-chloorgesubstitueerde dibenzodioxinen en furanen (PCDD/F's), non-ortho PCBs, mono-ortho PCBs en indicator PCBs zijn in 1998 in Nederlandse moedermelk bepaald. De mediane concentraties van HCB, beta-HCH en p,p'-DDE bedroegen 29,2 ng/g melkvet, 21,4 ng/g melkvet en 198 ng/g melkvet. De mediane WHO-TEQ concentraties voor PCDD/F's, nonortho PCBs en mono-ortho PCBs bedroegen 19,1 pg TEQ/g melkvet, 5,9 pg TEQg melkvet en 6,6 pg/g melkvet. Tesamen met eerdere monitoringscampagnes laten de resultaten van de in 1998 gehouden campagne een dalende trend zien van de gehalten van organochloorverbindingen in Nederlandse moedermelk. Deze trend wordt veroorzaakt door de gestaag dalende inname van deze verbindingen via de voeding. Aangezien de daling van de inname via de voeding de komende jaren mogelijk tot stilstand zal komen zou dit voor de daling van de gehalten van organochloorverbindingen in moedermelk ook het geval kunnen zijn.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Dit rapport is een van de achtergrondrapporten van het MNP-RIVM rapport MINAS en Milieu, Balans en Verkenning en bevat een overzicht en analyse van monitoringgegevens over nutrienten in bodem en grondwater in de periode 1984-2000. Het accent ligt op de effecten van bemesting in de landbouw. Ook de huidige stand van zaken over normstelling wordt in dit achtergrondrapport beschreven. De fosfaatgehalten van de landbouwgronden in Nederland zijn landbouwkundig gezien in zeker 40% van het areaal onnodig hoog. Hier zou voor een reeks van jaren bemesting geheel achterwege kunnen blijven. De kwaliteit van het grondwater die op verschillende diepten wordt gemeten wordt besproken. Aan de nitraatconcentraties is de invloed van bemesting met name in de zandgebieden tot ca 10m diepte merkbaar. In het bovenste grondwater is de gemiddelde concentratie 125 mg/l (ruim 2 maal de norm). Nitraatconcentraties in de zandgebieden zijn sinds 1995 afgenomen als gevolg van dalende N-overschotten bij melkveehouderijbedrijven. Uit gegevens van o.a. (drink)waterbedrijven blijkt dat vanwege de lange verblijftijd van het grondwater de invloed van bemesting op grotere diepte nog maar ten dele aantoonbaar is. Het verloop van de nitraatconcentratie met de diepte wordt ook door nitraatafbraak (denitrificatie) bepaald. In bepaalde gebieden blijkt denitrificatie gepaard te gaan met stijging van sulfaat en metaalconcentraties (o.a. nikkel). Ook neemt de hardheid van het opgepompte water hier toe.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Om de bloostelling aan stoffen uit consumentenproducten en de opname daarvan door de mens te kunnen schatten en beoordelen zijn wiskundige modellen beschikbaar. Het grote aantal consumentenproducten verhindert dat voor elk afzonderlijk product bloostellingsmodellen en parameterwaarden vastgesteld kunnen worden. Daarom is een beperkt aantal hoofdcategorieen met gelijksoortige producten gedefinieerd. Voorbeelden van hoofdcategorieen zijn verf, bestrijdingsmiddelen, cosmetica en vloerbedekking. Voor elke hoofdcategorie wordt de informatie in een factsheet weergegeven. In de voorliggende factsheet wordt informatie gegeven over het gebruik van cosmetica door consumenten. Het gebruik van cosmetica wordt beschreven met behulp van 36 productcategorieen, zoals shampoo, make-up, lippenstift, tandpasta en deodorant. Het gehele gebied van het cosmeticagebruik wordt met deze productcategorieen bestreken. Voor elke productcategorie wordt ingegaan op samenstelling en gebruik van het type producten. Om de blootstelling en opname van stoffen uit cosmetica te kunnen schatten en beoordelen zijn voor elke productcategorie defaultmodellen met defaultwaarden voor de parameters vastgesteld. Deze modellen met bijbehorende parameterwaarden kunnen worden doorgerekend met het computerprogramma CONSEXPO.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Fijn stof in de lucht kan leiden tot gezondheidsklachten en zelfs vroegtijdige sterfte. Dat blijkt uit een honderdtal epidemiologische studies. Hoe die effecten precies ontstaan is nog niet duidelijk. Vast staat echter dat de gezondheidseffecten door fijn stof zo ernstig en omvangrijk zijn dat nadere actie geboden is. In de wetenschappelijke literatuur staat fijn stof bekend als 'deeltjesvormige luchtverontreiniging' (Engels: Particulate Matter, ofwel PM.). Afhankelijk van de doorsnee van de stofdeeltjes wordt gesproken van PM10 (voor deeltjes met een doorsnee tot 10 micrometer) of PM 2,5 (doorsnee tot 2,5 micrometer). Een micrometer is een duizendste millimeter. Deeltjes kleiner dan 10 micrometer worden door mensen ingeademd en dringen door in de luchtwegen. Dankzij recente studies zijn er gegronde vermoedens over de biologische mechanismen die in het spel zijn en welke groepen mensen waarschijnlijk gevoelig zijn voor blootstelling aan fijn stof. Maar aangezien 'fijn stof ' een verzamelnaam is voor een complex mengsel van allerhande grote en kleinere stofdeeltjes in de luchtverontreiniging blijft het lastig om oorzakelijke verbanden te ontrafelen. In hoofdstuk 2 van dit rapport komen de verschillende fijn stof deeltjes, hun onderlinge wisselwerking in de atmosfeer en de diverse meetmethoden aan bod. Ook wordt een overzicht gegeven van de gezondheidsklachten die fijn stof kan veroorzaken. In hoofdstuk 3 worden de nieuwste epidemiologische, toxicologische en medische inzichten in onderlinge samenhang besproken. Op grond van epidemiologische studies wordt geschat dat in Nederland jaarlijks zo'n 1700 tot 3.000 mensen vroegtijdig overlijden door het inademen van fijn stof. En dan hebben we het alleen nog over de acute gevolgen van blootstelling aan luchtverontreiniging. Nemen we ook de lange-termijneffecten van chronische blootstelling aan fijn stof in beschouwing, dan zouden in Nederland mogelijk zelfs 10.000 tot 15.000 mensen jaarlijks vroegtijdig overlijden. De laatste schattingen zijn met meer onzekerheid omgeven, aangezien chronische effecten in minder studies gekwantificeerd zijn dan acute effecten. Bovendien is de berekening het resultaat van een vertaalslag van internationale onderzoeksresultaten naar de Nederlandse situatie en die is niet helemaal vergelijkbaar. Hoofdstuk 4 van dit rapport geeft een overzicht van de meest recente informatie over bronnen en emissies van fijn stof in Nederland. Aansluitend wordt in hoofdstuk 5 de huidige en toekomstige Europese normstelling kritisch beoordeeld. Aanbevolen wordt om voorlopig PM10 te blijven hanteren als Europese standaard voor luchtverontreiniging door grove {n fijnere stofdeeltjes. Daarnaast zou er voor het fijnste stof een aparte normstelling of een meer brongerichte normstelling ontwikkeld moeten worden omdat er steeds meer aanwijzingen komen dat kleinere stofdeeltjes de gezondheid bedreigen Overigens is nooit aangetoond dat de gezondheidseffecten pas boven een bepaalde drempelwaarde optreden. Zelfs van fijn stof concentraties ver onder de huidige Europese normen zijn gezondheidseffecten in de bevolking te verwachten. Fijn stof is een complex mengsel van allerlei fracties die meer of minder van belang zijn voor de gezondheid. Die verschillen in toxische potentie wegen zwaar mee bij een doeltreffend emissiebeleid. Bestrijding van de uitstoot van fijn stof valt te rechtvaardigen vanuit het voorzorgbeginsel. Door verdere brongerichte maatregelen kan men de totale massa PM10 aerosol in de luchtverontreiniging terugdringen, of eerst die fracties aanpakken die vermoedelijk het meest relevant zijn voor de gezondheid. Waarschijnlijk behoren tot de relevante fracties het dieselroet uit de vervoerssector en fijn stof afkomstig van overige verbrandingsprocessen. Dergelijke bronnen verdienen prioriteit in het beleid voor uitstootbeperking van fijn stof. Bestrijding van de ongecontroleerde scheepvaartemissies blijkt bijzonder kosten-effectief. De aanpak van andere verbrandingsprocessen, zoals industriele verbranding, open haarden en mobiele werktuigen is ook mogelijk, maar minder kosten-effectief. De EU heeft voor fijn stof twee normen vastgesteld, namelijk een dag- en een jaargemiddelde. Deze beide normen zijn niet gelijkwaardig, hoewel dat oorspronkelijk wel de bedoeling was. De Europese jaargemiddelde PM10 norm bedraagt 40 microgram fijn stof per kubieke meter lucht (ug/m3). In Nederland kunnen we dat vertalen naar een dagelijkse norm van 50 ug/m3 met 80 toegestane overschrijdingen per jaar (terwijl de EU-norm maar 35 overschrijdingen toestaat) of een dagelijkse norm van 100 ug/m3 met 7 toegestane overschrijdingen per jaar. Om praktische redenen verdient die laatste norm de voorkeur. Overigens zijn er goede argumenten om maar een norm, en dan liefst een jaargemiddelde, te hanteren. Een daggemiddelde norm kan echter van pas komen bij publieksvoorlichting. In 2005 lijkt de jaargemiddelde EU norm van 40 ug/m3 voor fijn stof in Nederland in het algemeen haalbaar. Lokale overschrijdingen op 'hot spots' zijn echter niet uit te sluiten. In 2010 is de indicatieve jaargemiddelde waarde van 20 ug/m3 in Nederland echter niet haalbaar, zelfs niet tegen hoge kosten. Zelfs als in 2010 alle voorgenomen stofbestrijdingsmaatregelen zijn uitgevoerd zullen vermoedelijk nog steeds 36 tot 40 maal per jaar daggemiddelde concentraties boven de 50 ug/m3 voorkomen. De dagelijkse EU normen voor 2005 en voor 2010 lijken voor Nederland dan ook niet haalbaar en gezondheidseffecten zullen blijven bestaan.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Ten behoeve van de handhaving van de Regeling verpakking en verpakkingsafval is een onderzoek verricht naar gehalten aan zware metalen, in het bijzonder cadmium, lood, kwik en zeswaardig chroom, in verpakkingen. Het totaalgehalte aan deze metalen in verpakkingen mag niet meer dan 100 mg/kg bedragen. Het onderzoek omvatte een literatuurstudie, gericht op het in kaart brengen van de verpakkingsketen, de hoeveelheden in omloop zijnde verpakkingsmaterialen en de gehalten aan zware metalen in verschillende soorten verpakkingsmaterialen. Daarnaast is een orienterende pilot studie uitgevoerd, waarbij bij een klein aantal bedrijven uit de keten kunststof verpakkingen zijn geselecteerd en geanalyseerd op zware metalen. Kunststof verpakkingen blijken de meest relevante groep te vormen wat betreft het voorkomen van zware metalen en de milieubelasting die ontstaat door emissies uit afgedankte verpakkingen. Van de onderzochte monsters, in totaal 357 stuks, voldeed 7-8% niet aan de eis uit de Regeling. De gehanteerde strategie, waarbij verdachte monsters bij de bedrijven werden geselecteerd op grond van een screening met een draagbare XRF analyser gevolgd door analyse van de verdachte monsters in het laboratorium, bleek goed te werken. Mits aan enkele voorwaarden wordt voldaan, zijn XRF en ICP-MS in principe beide geschikt als analysemethode voor handhaving van de Regeling. Vanwege de grotere efficientie verdient XRF de voorkeur.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Uit IGZ-inspectiebezoeken in 1998/1999 in Nederlandse Ziekenhuizen kwam naar voren dat in onvoldoende mate aandacht werd besteed aan de validatie van het reinigings- en desinfectieproces van flexibele endoscopen. Door de ziekenhuizen werd aangegeven dat validatie van de reiniging een moeilijk punt is vanwege het ontbreken van een standaard testmethode. Dit laatste was een reden om het RIVM de opdracht te geven tot ontwikkeling van een testmethode voor reiniging van flexibele endoscopen. Er is gekozen voor een testmethode waarbij gebruik wordt gemaakt van een surrogaatendoscoop welke het kanaalsysteem en de daaraan verbonden ventielcilinders van een flexibele endoscoop nabootst. Na uitvoerige validatie van de belangrijkste parameters (type testbevuiling, droogtijd, droogtemperatuur) in het laboratorium is de test uitgevoerd in 17 verschillende ziekenhuizen om de praktische toepasbaarheid te evalueren. De methode met de bevuilde surrogaatendoscopen bleek in de praktijk goed hanteerbaar en was in staat om onderscheid tussen reinigingsprocedures (wel of niet ragen, koud of warm reinigen) aan te tonen. De surrogaatendoscoop geeft fabrikanten en gebruikers een methode waarmee het resultaat van de reinigingsprocedure bij ontwikkeling en installatie van de wasmachine geoptimaliseerd kan worden.
Jaar: 2003
Onderzoek
Documenten: 1
Risico's van zoonosen bij werk met proefdieren en aanbevelingen voor preventieve maatregelen. Deel 2 | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Using multiple imputation methods to estimate relative risks in small EPIC lung cancer subsets | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Comparison of various extraction techniques for the determination of polycyclic aromatic hydrocarbons in worms | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Thrombospondin-2 polymorphism is associated with a reduced risk of premature myocardial infarction | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Winter 2001-2002 in Nederland: een rustig influenzaseizoen. Stand van zaken op 19 maart 2002 | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Correlation of the partitioning of dissolved organic matter fractions with the desorption of Cd, Cu, Ni, Pb and Zn from 18 Dutch soils | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Wacht u voor het water | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Hart- en vaatziekten in Nederland 2002: cijfers over ziekte en sterfte | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Impetigo: de feiten op een rij | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Op excursie bij de boer: schoolkinderen ziek door ongepasteuriseerde melk | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Vals positieve statuslijst is mogelijke door onjuiste identificatie van op B. bronchiseptica lijkende bacterien | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
The use of global-change scenarios to determine changes in species and habitats | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Infectieziekten kosten weinig | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
A consistent two-mutation model of bone cancer for two data sets of radium-injected beagles | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Modelling the impact of vaccination strategies | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
De huidige vaccinatiecampagne tegen Meningokokken C: achtergrond en uitvoering | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
The last outbreak of bovine tuberculosis in cattle in the Czech Republic in 1995 was caused by Mycobacterium bovis subspecies caprae | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Dietary fatty acid composition during pregnany and lactation in the rat programs growth and glucose metabolism in the offspring | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Pain catastrophizing and kinesiophobia: predictors of chronic low back pain | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Pseudo-epidemie met groep-A-streptokokken op een kraamafdeling | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Long-term world metal use: application of industrial ecology in a system dynamics model | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Socioeconomic variations in the course of stroke: unequal health outcomes, equal care? | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
The implications of re-analysing radiation-induced leukaemia in atomic bomb survivors: risks for acute and chronic exposures are different | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Milieuonderzoek: tussen ideologie en objectiviteit | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Database dedicated to information published during the Benelux conferences on hormone and veterinary drug residue analysis | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Responsiveness of the impact on participation and autonomy questionnaire | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Klimaatbeleid en Europese concurrentieposities | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Industrial ecology and integrated assessment: an integrated modeling approach for climate change | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Explosieve toename van Salmonella Java in pluimvee: consequenties voor de volksgezondheid | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Adjustment for smoking in lung cancer analyses in the EPIC cohort | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Development of a monoclonal antibody detection assay for species-specific identification of abalone | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Stabilisation scenarios for climate impact assessment | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Plant foods and the risk of colorectal cancer in Europe: preliminary findings | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
The overrated role of 'promotion' in mechanistic modelling of radiation carcinogenesis | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek
Analytical possibilities for the detection of stanozolol and its metabolites | RIVM
Jaar: 2003
Onderzoek