Naar inhoud
Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu

Is the amount of pesticides in Dutch regional surface waters correlated with toxic effects? | RIVM

Jaar: 2004 Documenten: 1
In de zomer van 2002 werden Nederlandse regionale oppervlaktewateren bemonsterd voor de analyse van 53 bestrijdingsmiddelen en voor toxiciteitsexperimenten. De hydrofobe chemicalien (inclusief de meeste bestrijdingsmiddelen) werden geconcentreerd door sorptie aan kunsthars voorafgaand aan de toxiciteitsexperimenten. De concentraten werden getest met behulp van de PAM test met de groenalg Selenastrum capricornutum, de MicroTox test met de bacterie Vibrio fisheri, the IQ test met de watervlo Daphnia magna, een test met de kreeftachtige Thamnocephalus platyurus en een test met de rotifeer Brachionus calyciflorus. Om 50% inhibitie te veroorzaken moesten de monsters meer dan 100 keer geconcentreerd worden voor de rotifeer test en meer dan 10 keer voor de andere testen. In 44 van de 45 monsters was de concentratie van de gemeten bestrijdingsmiddelen te laag om de toxiciteit te verklaren. Dit impliceert dat de bijdrage van deze bestrijdingsmiddelen aan de totale toxiciteit vermoedelijk erg laag is in de meeste monsters, met uitzondering van een monster dat 3,1 4g parathion /liter bevatte. Dit is dichtbij de parathion concentratie die, volgens de wetenschappelijke literatuur, de mobiliteit van Daphnia magna met 50% verminderd. In onze toxiciteitsexperimenten moest het monster wel 20 keer geconcentreerd worden om 50% van Daphnia magna te remmen. Op dit moment hebben we nog geen goede verklaring voor deze discrepantie. De standaard Daphnia magna test zou kunnen verschillen van de hier gebruikte Daphnia IQ test. Verder onderzoek is nodig om te bepalen of bestrijdingsmiddelen werkelijk een acuut risico vormen voor aquatische ecosystemen in Nederlandse regionale oppervlaktewateren.