Naar inhoud

Onderzoeken Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2004

Zoek binnen deze data in WooGLe

Bronnen en bronbeken van Zuid-Limburg; De kwaliteit van grondwater, bronwater en beekwater | RIVM

Het doel van het onderzoek aan bronnen in Zuid-Limburg was de waterkwaliteit te bepalen als gevolg van de belasting aan maaiveld door landbouw en atmosferische depositie. De bronnen voeren grondwater af. Nutrienten in water bepalen mede de ecologische toestand die voor het waterbeheer van belang is. In meerderheid zijn de nitraatconcentraties in grond- en bronwater hoger dan 50 mg/l en afhankelijk van reistijden in de bodem. In Zuid-Limburg zijn eenmalig 79 bronnen en 12 bronbeken onderzocht in najaar 2001. Het onderzoek omvatte veldmetingen en laboratoriumanalyses van de hoofcomponenten, van 49 spoorelementen en van de isotopen 3H en 18O. Uit een onderlinge vergelijking bleek dat sommige bepalingen minder betrouwbaar waren, zodat ze ingrijpend moesten worden bewerkt. De concentraties in bronwater hangen samen met een veranderende belasting aan maaiveld en reistijden van het water in de bodem, die zijn bepaald met tritium. Limburgse lossgronden blijken een met zandgronden vergelijkbare uitspoeling van nitraat te hebben. Denitrificatie in de diepere bodem is van weinig betekenis. Voor veel spoorelementen komen de concentraties overeen met de basiswaarden voor zoet grondwater. De bodem draagt praktisch niet bij aan de concentraties. De concentraties van ammonium- en fosfaat zijn relatief laag in het bronwater. De resultaten zijn vergeleken met eerder onderzoek. De toename van de gemiddelde concentraties van diverse stoffen hangt samen met een toegenomen bemesting.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Measuring Dutch meals, Healthy diet and safe food in the Netherlands, Summary and Key messages | RIVM

Ons voedsel is veiliger dan ooit, maar Nederlanders eten te veel en verkeerd. Hierdoor wordt aanzienlijk gezondheidsverlies geleden en leven we gemiddeld twee jaar korter. Dat zijn enkele belangrijke conclusies uit het rapport "Ons eten gemeten". Dit rapport geeft voor de eerste keer in Nederland een totaaloverzicht van de beschikbare kennis op het gebied van de voedselconsumptie, de voedselveiligheid, en de gevolgen voor de gezondheid op lange termijn.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Avian Flu Epidemic 2003: Public health consequences. Executive summary | RIVM

Beleidssamenvatting Vogelpest Epidemie 2003: gevolgen voor de volksgezondheid.Risicofactoren, gezondheid, welbevinden, zorgbehoefte en preventieve maatregelen tijdens de bestrijding van Aviaire Influenza H7N7 in Nederland.Naar schatting minimaal duizend mensen zijn tijdens de vogelpest epidemie in 2003 besmet met het vogelpest virus. Eenderde van de pluimveehouders met een geruimd bedrijf meldde stressreacties, vermoeidheid en depressieve klachten. De grootschalige verspreiding onderstreept het belang van maatregelen tegen overdracht van het vogelpestvirus van pluimvee naar de mens bij contact met besmet pluimvee. De mogelijke onzekerheid, stress en spanningsklachten samenhangend met de bestrijding van de vogelpest epidemie vereisen specifieke zorg.Er meldden zich 453 personen met gezondheidsklachten, voornamelijk oogvliesontsteking. Antistoffen werden ook aangetroffen bij 59% van huisgenoten van bestrijders die een infectie met vogelpestvirus doormaakten. Circa 50% van de 500 onderzochte personen die tijdens de epidemie contact hadden met besmet pluimvee had antistoffen tegen vogelpestvirus.Pluimveehouders en bestrijders leefden de preventieve maatregelen slecht na. Het antivirale middel oseltamivir bleek te beschermen tegen besmetting, mond-neus maskers niet. De aandacht voor de begeleiding van pluimveehouders en andere betrokkenen en voor de informatie over en de bejegening tijdens de ruimingen hebben behoorlijk gewerkt. Extern ingehuurde dierenartsen ervoeren hun werkzaamheden vaker als emotioneel belastend dan andere betrokken beroepsgroepen.Circa een kwart van de pluimveehouders met geruimde bedrijven heeft zorgen om het voortbestaan van het bedrijf en de sector, 16% had behoefte aan aanvullende ondersteuning, hulp of zorg vanwege de vogelpest. Daarvoor benaderden zij de agro-hulpverlening en de huisarts, en minder vaak de geestelijke gezondheidszorg.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

The GEO-3 Scenarios 2002-2032 Quantification and Analysis of Environmental Impacts | RIVM

De vier contrasterende toekomstbeelden die zijn gepresenteerd in de derde Global Environment Outlook (GEO-3) houden grote verschillen in voor de beleidsopgaven van de komende dertig jaar - varierend van honger tot klimaatverandering en zoetwater problemen tot biodiversiteit. De vier onderzochte scenario's zijn Markets First, Policy First, Security First, Sustainability First. In een analyse die dieper gaat dan het oorspronkelijke GEO-3 rapport kwantificeert dit Technisch Rapport de gevolgen van de vier scenario's voor alle 19 'sub-regio's', zoals Oost-Afrika of Centraal Europa. Deze gevolgen worden besproken in de context van duurzame ontwikkeling. Het rapport vergelijkt de gevolgen tussen de regio's en tussen de scenario's, waar mogelijk in het licht van de Millennium Development Goals. Het geeft een verantwoording van de analysemethoden zoals aannamen, modellen en de algehele aanpak. Zaten alle centra die aan het rapport hebben bijgedragen wel op hetzelfde spoor? Heeft de gevolgde aanpak bijgedragen aan het algemene doel van GEO, namelijk versterking van het GEO-netwerk en van de verbindingen tussen regionale en mondiale verkenningen?
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Vitamine A voorziening van de Nederlandse bevolking | RIVM

In dit rapport is de vitamine A inneming getoetst aan de behoefte. Voor 17 tot 30 procent van de volwassenen bleek de inneming inadequaat. Voor een aanzienlijk aantal daarvan was de vitamine A inneming meer dan 20 procent lager dan het niveau nodig om een adequate levervoorraad te kunnen handhaven. De gebruikte voedselconsumptiegegevens zijn afkomstig uit VCP-3 (1997/1998). De toegepaste methode is beschreven in een voorgaand rapport: 'Methode voor schatting van de prevalentie van inadequate innemingen van micronutrienten' (Waijers et al., 2004). De inneming van en behoefte aan vitamine A, een verzamelnaam voor retinol en provitamine A carotenooden, wordt uitgedrukt in retinolequivalenten. Omdat in Nederland nog verouderde equivalenties gebruikt worden, is voor dit rapport het aantal retinolequivalenten voor alle producten in het NEVO-bestand 2001 geschat uitgaande van de hogere omrekeningsfactoren. Vervolgens is uit de waargenomen inneming de gebruikelijke vitamine A inneming geschat. De Nederlandse voedingsnorm voor vitamine A dateert uit 1989. Voor de meeste leeftijdscategorieen zijn geen gegevens beschikbaar betreffende de gemiddelde behoefte. Daarom zijn deze geschat met behulp van een formule overgenomen van het Amerikaanse Institute of Medicine en karakteristieken van de Nederlandse bevolking. Aan de hand van de gebruikelijke innemingverdeling en de vitamine A behoefte is met behulp van de waarschijnlijkheidsbenadering het percentage individuen geschat waarvoor de inneming lager was dan de behoefte. De betekenis voor de gezondheid van de marginale vitamine A voorziening voor een aanzienlijk deel van de Nederlandse bevolking dient nader te worden onderzocht. Daarnaast moeten ontwikkelingen in de vitamine A voorziening nauwlettend worden gevolgd.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Referenties voor bodemecosystemen: evaluatie van functies en ecologische diensten | RIVM

Het bodembeleid gaat zich richten op een bewuster en meer duurzaam gebruik van de bodem, waarbij zowel de ecologische, economische als sociale dimensies meewegen. Dit is de boodschap die in de Beleidsbrief Bodem is verwoord die in december 2003 naar de Tweede Kamer is verzonden. In dit document wordt het raamwerk voor het bepalen van de duurzaamheid van het bodemgebruik voor wat betreft de ecologische dimensie en de bodembiodiversiteit verder ontwikkeld. In het rapport worden beschrijvingen van verschillende graslanden gepresenteerd (met name twee veehouderijbedrijven op zand en op rivierklei). Op basis van het actuele bodembeheer en ecologische theorieen, kunnen deze beschrijvingen beschouwd worden als referentiebeelden voor bodemecosystemen met een duurzaam bodemgebruik. Hier wordt een berekeningswijze geformuleerd, gebruik makend van gegevens uit veldobservaties en ecologische inzichten, om te verklaren hoe alle ondergrondse organismen beinvloed worden door abiotische omstandigheden en beheer. De resultaten worden besproken met het oog op het definieren van 'kritische' grenzen voor duurzame ecosystemen in landbouwgronden. De aanpak kan dan in de toekomst gebruikt worden om referenties voor andere bodemecosystemen te formuleren.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Handhaving door de VROM Inspectie gericht op gezondheid in het kader van VROM beleid; Informatie over aangrijpingspunten voor handhaving | RIVM

In het Actieprogramma Gezondheid en Milieu (april 2002) staat dat VROM en VWS onderzoek zullen doen naar die aspecten waar handhaving kan bijdragen aan het behalen van gezondheidswinst (actienummer 15). De opdracht tot het onderhavige onderzoek is in dit kader gegeven. Doel van deze opdracht is dat de VROM-Inspectie meer inzicht krijgt in haar mogelijkheden de gezondheid van de mensen in Nederland te bevorderen. Dit onderzoek heeft hieraan bijgedragen door alle thema's op een rij te zetten waarvoor VROM beleid is en die effecten op de volksgezondheid kunnen hebben. Vervolgens is in een vast stramien informatie gegeven over de geschatte of gemeten omvang van gezondheids-effecten, de doelgroepen of activiteiten waardoor het probleem optreedt, en de wettelijke aangrijpings-mogelijkheden voor de VROM-Inspectie. De omvang van de gezondheidseffecten is beschreven door aan te sluiten bij het Beoordelingskader Gezondheid en Milieu. Het schaalniveau om de omvang van de gezondheidseffecten in kaart te brengen was heel Nederland. Naast informatie over de thema's was het verzoek van de opdrachtgever de thema's te ranken naar grootte van de omvang. Enkele beschikbare methoden om een weging naar grootte van de omvang zijn gekvalueerd. De DALY - een samengestelde maat om het verlies aan gezonde levensjaren in uit te drukken - en de zogenaamde GES-methode zijn met name beschouwd. Voor de gegenereerde informatie bleek er geen methode beschikbaar om de verscheidenheid in gezondheidseffecten naar omvang te kunnen wegen.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Het rendement van de detectiemethode voor Cryptosporidium en Giardia in water | RIVM

Nederlandse waterleidingbedrijven zijn verplicht om te berekenen of als gevolg van consumptie van drinkwater infectie met Cryptosporidium of Giardia kan optreden. De kans hierop moet kleiner dan een infectie per 10000 personen per jaar zijn. De berekening (risicoanalyse) wordt gebaseerd op de aantallen van deze parasieten in het onbehandelde water en de mate waarin de parasieten door zuivering uit het water verwijderd worden. De aantallen parasieten in drinkwater zijn meestal erg laag, waardoor het niet mogelijk is ze direct in het drinkwater aan te tonen. Om overschatting van de kans op infectie te voorkomen, moeten deze aantallen en het rendement van de detectiemethode zo nauwkeurig mogelijk vastgesteld worden. De detectiemethode voor Cryptosporidium en Giardia in water is ingewikkeld en meestal is het rendement laag en variabel. RIVM en Kiwa hebben een protocol ontwikkeld voor gestandaardiseerde en optimale bepaling van het rendement om de variatie te verkleinen en de opbrengst te verhogen. Beide instituten hebben dit protocol gebruikt bij een serie rendementsmetingen. Het gezamenlijk gemiddeld rendement voor Giardia bedroeg 9,5 %. Voor Cryptosporidium mochten de gegevens niet samengevoegd worden; het gemiddelde rendement voor RIVM bedroeg 27 % en voor Kiwa 34 %. Factoren die specifiek zijn voor een bepaald watertype kunnen het rendement beinvloeden, daarom moet van verschillende locaties (en dus watertypen) een set rendementsgegevens opgebouwd worden en kunnen gegevens niet zomaar samengevoegd worden. Hoewel de verbeteringen gering waren, wordt het protocol voor gestandaardiseerde uitvoering van rendementsbepalingen als nuttig en bruikbaar beschouwd.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

The Operational Priority Substances model | RIVM

Dit rapport beschrijft OPS-Pro 4.1, de laatste versie van het Operationele Prioritaire Stoffen (OPS) model. Het OPS model is een mechanistisch model dat op lokale en nationale schaal de atmosferische verspreiding van stoffen simuleert aan de hand van actuele meteorologische gegevens. Het model is opgezet als een universeel raamwerk waarmee de verspreiding en depositie van een breed scala aan stoffen kan worden berekend maar het zwaartepunt ligt bij de modellering van de depositie van verzurende stoffen met een hoog ruimtelijke detail. Eerdere versies van het model worden al sinds 1989 gebruikt voor berekeningen in het kader van periodieke Milieubalansen en -verkenningen. Een uitgebreide vergelijking van modelresultaten met metingen van het Landelijk Meetnet Luchtverontreiniging is uitgevoerd. Een goede overeenstemming in ruimtelijke verdeling wordt gevonden voor verzurende stoffen. In absolute zin komen SOx en NOy concentraties goed overeen met de metingen voor de gehele beschouwde periode. Een uitzondering wordt gevormd door NHx stoffen, welke in hun algemeenheid met ca. 25% worden onderschat. Dit verschil is al enige tijd bekend als het 'ammoniakgat'. De totale onzekerheid voor depositie op een ecosysteem dat verspreid ligt over Nederland word geschat op 20, 25 en 30% voor respectievelijk SOx, NOy en NHx. Voor een specifiek ecosysteem (afmeting: 500 x 500m tot 5000 x 5000m) zijn de onzekerheden veel groter: 50, 60, 100% voor respectievelijk SOx, NOy en NHx. Deze onzekerheden zijn inclusief onzekerheden in de hedendaagse emissieschattingen. Onzekerheden in droge depositiesnelheden dragen verreweg het meest bij aan de grote onzekerheidsmarge bij de depositie op lokale schaal.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

De kwaliteit van ondiep en middeldiep grond-water in Nederland in het jaar 2000 en verandering daarvan in de periode 1984-2000 | RIVM

Gerapporteerd wordt over de kwaliteit van het ondiepe (circa 10 m-mv) en middeldiepe (circa 25 m-mv) grondwater in Nederland in de waarnemingsperiode: 1984-2000. De waarnemingen zijn gegroepeerd in zogenaamde ecodistrictgroepen. Per ecodistrictgroep is het percentage Oppervlakte uitgerekend met grondwater met concentraties Boven de kwaliteitsdoelstelling zoals bijvoorbeeld de Streefwaarde (%OBS) en voor het jaar 2000 in kaartjes afgebeeld. Ook zijn kaartjes gepresenteerd met de verandering van het %OBS tussen 1984 en 2000. In het ondiepe grondwater in de zand- en lossgebieden worden hoge %OBS (tenminste > 10%) gevonden voor nitraat, kalium, aluminium door effecten van vermesting, verzuring en verdroging. De effecten lijken veel op elkaar en zijn daardoor niet onderscheidbaar. De %OBS in het ondiepe grondwater zijn vaak hoger dan in het middeldiepe grondwater. Specifiek in het zuid-Nederlandse zandgebied komen de hoogste %OBS voor cadmium, nikkel en zink voor. Het meest aannemelijk is dat dit het gevolg is van vermesting, verzuring en verdroging in combinatie met de eigenschappen van de ondergrond (arm, pyriethoudend) en niet van transport vanaf het bodemoppervlak (directe belasting van metalen vanuit metaalindustrie of mest). In de zeeklei-/veengebieden worden door mariene afzettingen hoge %OBS gevonden voor chloride, sulfaat, ammonium, fosfaat en kalium. Vaak zijn hier de %OBS voor het middeldiepe grondwater hoger dan voor het ondiepe grondwater. In het rivierengebied is van nature het %OBS voor arseen hoog. Over het algemeen is de grondwaterkwaliteit tussen 1984 en 2000 weinig veranderd. Alleen bij chloride vertoont het %OBS een daling, wat overeenkomt met de daling van de Cl-belasting.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Risicogrenzen voor MTBE (Methyl tertiair-Butyl Ether) in bodem, sediment, grondwater, oppervlaktewater en voor drinkwaterbereiding | RIVM

Recentelijk is politieke commotie ontstaan ten gevolge van de mogelijke schadelijke gezondheidseffecten van Methyl tertiair-Butyl Ether (MTBE). Dit was reden voor het ministerie van VROM om het RIVM te verzoeken risicogrenzen voor MTBE in bodem, sediment, grondwater, oppervlaktewater, drinkwater en ten behoeve van drinkwaterbereiding af te leiden. Bij de afleiding van deze risicogrenzen werd afgestemd met de "Risk Assessment Report" van de EU (EU-RAR) uit 2002. Vanwege gebrek aan terrestrische data en de dominantie van de relatief onzekere inhalatieve blootstellingsroute voor de mens is de betrouwbaarheid van de risicogrenzen in het algemeen "beperkt".
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Schatting van de kans op infectie van melkkoeien door mond- en klauwzeervirus na verspreiding via water | RIVM

Mond- en klauwzeer (MKZ) is een virale ziekte onder gedomesticeerde en wilde evenhoevige dieren. Het doel van deze studie was het schatten van de kans op infectie van melkkoeien door het drinken van met MKZ-virus besmet oppervlaktewater door illegale melklozingen. De volgende literatuurgegevens werden verzameld: MKZ-virus afsterving in waterige milieus, MKZ-virusconcentraties in melk, verdunning van de geloosde melk in rioolwater, virusverwijdering door afvalwaterzuivering, verdunning van afvalwater in oppervlaktewater, waterconsumptie van koeien, gemiddelde grootte van een kudde koeien en dosis respons gegevens voor ingeslikt MKZ-virus door runderen. Geconcludeerd kan worden dat illegale en ongecontroleerde lozingen van besmette melk in het rioolwatersysteem binnen een dag tot hoge infectiekansen kunnen leiden voor vee van bedrijven op 6 tot 50 km afstand van de plaats van lozing in het oppervlaktewater. Dit onderstreept de huidige regels die een dergelijke lozing verbieden en benadrukt de noodzaak van stringente controle tijdens een MKZ-uitbraak.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

How to evaluate the environmental safety of plant protection products of natural origin - Proposals for decision trees for microbial, semio-chemical, and plant-derived biopesticides: version 1.0 | RIVM

De milieuveiligheid van diverse gewasbeschermingsmiddelen van natuurlijke oorsprong zal de komende jaren door de EU opnieuw worden beoordeeld. Bovendien zullen nieuwe middelen op de markt komen vanwege het toenemende belang van duurzame landbouw. Er zijn echter nauwelijks richtlijnen om de milieuveiligheid van dergelijke middelen te evalueren. Daarom worden in deze bureaustudie twee hulpmiddelen aangereikt om de milieuveiligheid van natuurlijke gewasbeschermingsmiddelen beter te kunnen beoordelen. Het eerste betreft beslisbomen om voor drie groepen onacceptabele potentiele risico's te kunnen scheiden van acceptabele. De groepen zijn microbiele gewasbeschermingsmiddelen, signaalstoffen als feromonen en middelen van plantaardige oorsprong. Het tweede hulpmiddel bestaat uit "samenvattings"-tabellen als format om de uitkomsten van experimenten met microbiele gewasbeschermingsmiddelen en de betrouwbaarheid en bruikbaarheid daarvan voor veiligheidsevaluaties vast te leggen. Van nature voorkomende gewasbeschermingsmiddelen zijn doorgaans minder persistent en toxisch dan synthetische gewasbeschermingsmiddelen. Het is echter niet juist om middelen van natuurlijke oorsprong derhalve te vrijwaren van milieuveiligheidsevaluaties. Ze kunnen infecties of vergiftigingen veroorzaken afhankelijk van de microbiele of chemische eigenschappen, de dosering, het type en de plaats van toepassing. Het is van het eerste belang de identiteit van het micro-organisme, de stof of het mengsel van stoffen, de microbiele of (bio)chemische eigenschappen, het werkingsmechanisme, de oorsprong, de eventuele rol onder natuurlijke omstandigheden en het gastheerbereik vast te stellen, indien van toepassing. Vervolgens kan, mede op grond van relevante wetenschappelijke literatuur en/of speciaal daartoe uitgevoerde experimenten, worden vastgesteld in hoeverre het gebruik van deze middelen veilig voor het milieu is.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

The GeoPEARL model: Part II - User guide and update of model description | RIVM

Nederland heeft sinds kort een nieuwe beslisboom om het risico van uitspoeling van bestrijdingsmiddelen naar het grondwater te kunnen beoordelen. In deze beslisboom wordt beoordeeld of de concentratie van bestrijdingsmiddelen in het grondwater de EU drinkwaternorm van 0,1 mu/L zal overschrijden. De nieuwe beslisboom houdt expliciet rekening met het oppervlak waarop het middel wordt toegepast. Een middel kan uitsluitend worden toegelaten indien de concentratie in het grondwater over een lange periode lager is dan 0,1 mu/L, onder tenminste 90% van het oppervlak waarop het middel zal worden verbruikt. Om dit criterium te kunnen toetsen is het model GeoPEARL ontwikkeld. Dit model zal een centrale rol gaan spelen in het nieuwe toelatingsbeleid. Dit rapport bevat een handleiding van het model, met nadruk op de nieuwe registratieprocedure. Het rapport dient te worden gebruikt in combinatie met rapport 601450019, dat de nieuwe beslisboom beschrijft.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

The new decision tree for the evaluation of pesticide leaching from soils | RIVM

Dit rapport beschrijft een nieuwe beslisboom voor de beoordeling van uitspoeling van gewasbeschermingsmiddelen naar het grondwater. Een nieuwe beslisboom was nodig om aansluiting te houden met Europese beoordelingsrichtlijnen. In de EU-beoordeling staat het begrip 'reasonable worst case' centraal. In de nieuwe beslisboom wordt dit begrip expliciet gedefinieerd als het 90-percentiel van de uitspoelingsconcentratie in het gebied waarin het gewasbeschermingsmiddel mogelijk wordt toegepast. In de eerste stap van de beoordeling wordt het model PEARL toegepast op een enkel scenario. Deze stap is bedoeld om stoffen met een verwaarloosbaar risico op uitspoeling te identificeren. Om aan te sluiten bij de EU-beoordeling wordt in deze stap gebruik gemaakt van een scenario dat ook in de EU-beoordeling gebruikt wordt, namelijk het 'FOCUS Kremsmunster scenario'. Indien het uitspoelingsrisico niet verwaarloosbaar klein is, kan de tweede stap in werking treden. In deze stap wordt met behulp van het ruimtelijk verdeeld uitspoelingsmodel GeoPEARL het 90-percentiel van de uitspoelingsconcentratie berekend. Ook biedt de tweede stap de mogelijkheid om meer realistische waarden voor stofparameters te introduceren, bijvoorbeeld stofparameters verkregen op basis van lysimeter- of veldstudies. Als in de tweede stap blijkt dat er een risico voor uitspoeling bestaat, dan kan in de derde stap van de beoordeling worden nagegaan of in de waterverzadigde zone tot op een diepte van 10 m voldoende afbraak plaats vindt en het risico van uitspoeling naar het diepere grondwater beneden de geaccepteerde norm blijft. In vergelijking met de oude beslisboom blijkt de nieuwe beslisboom in de eerste stap ongeveer even streng te zijn als de oude, zonder dat een veiligheidsfactor gebruikt hoeft te worden. In de nieuwe tweede stap worden, op het kritische niveau van 0,1 ug dm-3 (in de oude procedure), concentraties berekend die tot ongeveer een factor 10 hoger liggen. Het hanteren van herhaalde toepassing in de nieuwe beslisboom is de belangrijkste oorzaak voor dit verschil. Hoewel dit niet is onderzocht, wordt verwacht dat de nieuwe beslisboom op korte termijn geen invloed heeft op de breedte van het middelenpakket. De reden is dat de laatste - uiteindelijk beslissende stap - in de beoordeling niet is veranderd.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Potentieel effect op emissies van SO2, NOx, NH3, NMVOS en PM10 en kosten van door VROM aangedragen beleidsopties | RIVM

In december 2002 heeft de Nederlandse overheid de 'Rapportage emissieplafonds verzuring en grootschalige luchtverontreiniging 2002' gepubliceerd en conform de verplichtingen verstuurd naar de Europese Commissie. De Nederlandse overheid geeft in deze rapportage informatie over de verwachte emissies in 2010 uitgaande van het huidige geaccordeerde beleid. Daarnaast wordt verkend welke mogelijke extra maatregelen nog getroffen zouden kunnen worden. Voor deze rapportage heeft het Milieu- en Natuurplanbureau van het RIVM de emissieprognoses aangeleverd, alsmede zijn de gevolgen voor emissies becijferd van een pakket van twaalf voorgenomen beleidsopties. Het resultaat van deze berekeningen wordt in dit rapport beschreven. Deze berekeningen geven een inschatting van het technisch realiseerbaar potentieel in 2010 waaarbij dus geen rekening is gehouden met het maatschappelijk en politiek draagvlak voor voorgenomen maatregelen. De analyse toont aan dat Nederland met het voorgenomen maatregelpakket waarschijnlijk kan voldoen aan de EU-emissieplafonds voor de stoffen SO2, NOX en NH3. Het plafond voor NMVOS wordt maar net gerealiseerd met het voorziene pakket maatregelen. Om zeker te stellen dat Nederland aan het VOS-plafond kan voldoen zijn aanvullende maatregelen (bovenop de voorziene 12 maatregelen) nodig.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

The Dutch CAFE baseline: In or out of line? | RIVM

De Europese Commissie zet een strategie op voor de aanpak van luchtverontreiniging in het Clean Air for Europe (CAFE) programma. De strategie wordt gebaseerd op beoordelingen met het RAINS model van verschillende beleidsambities met het CAFE scenario en bestrijdingsstrategieen. Het Milieu- en Natuurplanbureau van het RIVM heeft de juistheid van gegevens in RAINS en het CAFE scenario gecontroleerd. Uit deze controle bleek dat voor de positiebepaling van Nederland in onderhandelingen over nieuw Europees luchtverontreinigingsbeleid het CAFE scenario niet volstaat. Er is een eigen nationaal scenario nodig om de Nederlandse toekomstverwachtingen goed in te brengen. Het RAINS model lijkt geschikt om beleidsscenario's uit te rekenen, maar contra expertise blijft nodig voor de beoordeling van verschillen in RAINS op berekende kosten en emissieniveaus in beleidsscenario's.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Quick scan milieu-effecten Nota Mobiliteit | RIVM

Dit rapport beschrijft een quick scan van de milieu-effecten van beleidsvarianten uit de Nota Mobiliteit om de bereikbaarheid en betrouwbaarheid van het wegennet te verbeteren. De belangrijkste conclusies zijn als volgt. De twee prijsvarianten uit de Nota Mobiliteit leveren bereikbaarheidswinst op en in beperkte mate milieuwinst. De vormgeving van de variabilisatie-variant is van grote invloed op de uiteindelijke omvang van de milieuwinst. Daarnaast wil het rijk investeren in het onderliggende wegennet als dit een oplossing biedt voor bereikbaarheidsproblemen op snelwegen en als het kosteneffectief is. Het verdient aanbeveling om in de besluitvorming over investeringen in het onderliggende wegennet ook expliciet rekening te houden met de ruimtelijke, milieu en sociale effecten van deze investeringen om mogelijke afwenteling van problemen naar het onderliggend wegennet te voorkomen. In de uitwerking van de Nota Mobiliteit in de plannen van de decentrale overheden lijkt het verder van belang aandacht te besteden geluidsknelpunten. Het aantal geluidsknelpunten langs provinciale wegen neemt zonder aanvullende maatregelen fors toe. Tenslotte is nader onderzoek aan te bevelen naar de prioritering van bouwprojecten binnen de onderzochte investeringspakketten in combinatie met prijsbeleid. Goed gekozen combinaties van beprijzen en benutten kunnen de noodzaak tot aanleg van nieuwe traces mogelijk beperken, negatieve effecten op natuur/landschap beperken, en hogere netto maatschappelijke baten opleveren.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Surveillance of zoonotic bacteria in farm animals in The Netherlands - Results from January 1998 until December 2002 | RIVM

De door de EU uitgevaardigde Zoonosen Richtlijn verplicht de Europese lidstaten om jaarlijks te rapporteren over het voorkomen van ziekteverwekkende micro-organismen die van dier naar mens overdraagbaar zijn (zoonoseverwekkers). In dit kader voert het RIVM in opdracht van de Voedsel en Waren Autoriteit / Keuringsdienst van Waren (VWA/KvW) een surveillance-programma uit naar het voorkomen van zoonoseverwekkers bij landbouwhuisdieren in Nederland. De prevalentie van Salmonella spp. in koppels leghennen is in de periode 1999-2002 significant gedaald, hetgeen mogelijk het gevolg is van beheersmaatregelen die de pluimveeindustrie heeft getroffen. De prevalentie-schattingen voor Salmonella spp. in koppels vleeskuikens leverden nog geen dalende trend op, hoewel een aanzienlijke daling in 2002 werd geconstateerd. De salmonella-prevalentie in koppels vleesvarkens vertoonde een dalende trend tussen 2000-2002. Het salmonella-besmettingspercentage bij melkkoeien en vleeskalveren bleef op een constant, relatief laag niveau. De prevalentie van Campylobacter spp. in koppels vleeskuikens vertoonde geen stijgende of dalende trend tussen 1998 en 2002, hetgeen in grote lijnen overeen komt met data afkomstig uit de pluimveevleesindustrie. De prevalentieschattingen voor E. coli O157 in koppels melkkoeien en vleeskalveren namen toe in de periode 2000-2002. Het merendeel van de E. coli O157-isolaten betrof Shigatoxine-producerende E. coli (STEC) O157, welke bacterien potentieel ziekteverwekkend zijn voor de mens. De toename van STEC O157 bij melkvee en vleeskalveren kan leiden tot een verhoogd risico van STEC-infecties bij de mens.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

HIV and Sexually Transmitted Infections in the Netherlands in 2003 | RIVM

De toename van seksueel overdraagbare aandoeningen (SOA), die de afgelopen jaren werd waargenomen, lijkt in 2003 enigszins te zijn gestabiliseerd. De continue toename in het aantal gevallen van syfilis en de epidemie van Lymphogranuloma venereum (LGV) bij homo/biseksuele mannen duidt echter op toename in onveilig seksueel gedrag. Continue alertheid is nodig om verdere verspreiding van SOA en HIV te voorkomen. Per augustus 2004 zijn 9767 personen met HIV geregistreerd, waarvan 847 gediagnosticeerd in 2003. Eind 2003 waren er naar schatting 16400 personen in Nederland geinfecteerd met HIV. Homo/biseksuele mannen vormden hierbij nog steeds de grootste groep. Het aandeel van heteroseksuelen met HIV steeg de laatste jaren, maar lijkt zich in 2003 te stabiliseren. De hoogste HIV prevalentie in Nederland werd gevonden bij homo/biseksuele mannen (0-22%) en injecterende druggebruikers (0-26%). De HIV prevalentie bij de heteroseksuele bevolkingsgroep varieerde van 0 tot 1,4%. Het aantal gevallen van Chlamydia is gelijk gebleven en gonorroe daalde met 16%. Het aantal gevallen van syfilis en virale SOA nam echter nog steeds toe. In 2000-2003 is het aantal gevallen van syfilis bij mannen meer dan verdubbeld. Deze forse toename van syfilis komt grotendeels op het conto van homo/biseksuele mannen. Genitale wratten zijn de meest voorkomende virale SOA. In 2003 is de resistentie tegen ciprofloxacin bij gonorroe toegenomen tot 9%. In Amsterdam wordt deze resistentie voor het eerst vaker gezien bij homo/biseksuele mannen dan bij heteroseksuelen. De epidemie van LGV bij, voornamelijk HIV positieve, homo/biseksuele mannen heeft tot intensivering van surveillance geleid. Op 1 september 2004 waren 92 gevallen gerapporteerd. Na (inter)nationale berichtgeving over deze epidemie worden gevallen nu ook vanuit andere Europese landen gemeld. In Nederland lijkt LGV nog steeds langzaam toe te nemen. Bekend HIV positieve personen nemen een belangrijk deel van de SOA voor hun rekening: 20% van alle gonorroe, chlamydia en syfilis in homo/biseksuele mannen wordt gezien bij HIV positieven. We concluderen dat het seksuele risicogedrag bij homo/biseksuele mannen onverminderd hoog is met een reeel risico op verdere verspreiding van SOA en HIV. Continue alertheid is geboden om verdere verspreiding van SOA en HIV te voorkomen en hierbij dient te worden gezocht naar innovatieve methoden in preventie en interventie.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

De drinkwaterkwaliteit in Nederland van 1992 tot 2002 - Een overzicht van tien jaar kwaliteitsbewaking | RIVM

In Nederland voldoet het drinkwater bijna altijd aan de kwaliteitseisen en is dus veilig en gezond. Voor bijna alle parameters voldoet meer dan 99,5 procent van de monsters aan de norm. Incidentele normoverschrijdingen komen voor en zullen ook in de toekomst voor blijven komen. Bewaking van de grondstof en de productkwaliteit zal ook in de toekomst een belangrijke activiteit van de drinkwatersector blijven. De productie van drinkwater wordt in Nederland uitgevoerd door waterbedrijven waarvan de aandelen in handen van de (regionale) overheden zijn. De Minister van VROM is door middel van de Waterleidingwet verantwoordelijk voor de kwaliteit van het drinkwater voor de consument. In dit kader wordt jaarlijks aan het Parlement gerapporteerd. Dit rapport geeft een overzicht van de afgelopen tien jaar. Opvallend is de afname van het aantal waterbedrijven van 43 in 1992 tot 14 in 2004. Fusies van bedrijven om de efficiency en de slagvaardigheid te verhogen liggen hieraan ten grondslag. De productie van drinkwater is redelijk constant gebleven (ca. 1250 Miljoen m3). De kwaliteit van drinkwater wordt vastgesteld aan de hand van chemische, fysische en microbiologische parameters. In het algemeen is er een verbetering opgetreden voor de indicatorparameters (ammonium, ijzer, mangaan). Pompstations waar het zuiveringsproces niet optimaal functioneerde zijn gerenoveerd of soms gesloten. Colibacterien (indicatoren voor fecale verontreinigingen) komen jaarlijks op circa tien, steeds andere, productielocaties in enkele monsters voor. Indien noodzakelijk wordt een kookadvies gegeven. De aandacht voor deze microbiologische indicatorparameters blijft belangrijk vooral omdat het drinkwater op de meeste locaties niet wordt gedesinfecteerd.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

A metamodel for PCLake | RIVM

PCLake is een waterkwaliteitsmodel ontwikkeld door het RIVM. Het model kan onder andere gebruikt worden om het effect van voorgestelde maatregelen op de waterkwaliteit van meren te berekenen. De grote gedetailleerdheid van het model leidt tot relatief lange reken-tijden, wat een bezwaar vormt als het model ingezet wordt in scenariostudies met een groot aantal simulaties. Doel van deze studie is het opstellen van een metamodel PCLake, d.w.z. een model van het model PCLake dat - bij benadering - dezelfde resultaten genereert, maar in een aanzienlijk kortere tijd. De operationele doelstelling van deze studie was om het effect van acht belangrijke omgevingsvariabelen op het chlorofylgehalte van het meer, zoals gesimuleerd door PCLake, te beschrijven met behulp van een metamodel. Deze invoer-variabelen waren de oppervlakte en diepte van het meer, de instroomsnelheid van het water, het fosfaat- en slibgehalte van het instromende water, de verhouding tussen het nitraat- en het fosfaatgehalte van het instromende water, de visserijdruk en de oppervlakte moeras. Voor de metamodellering werden drie verschillende methoden toegepast: (1) regressieboom, (2) radial basis function network en (3) interpolatie. In een vergelijking tussen de drie methoden bleek dat interpolatie de meest nauwkeurige benadering gaf van de door PCLake gesimuleerde waarden. De overeenkomst tussen PCLake en het meest nauwkeurige meta-model, toegepast op een aselecte steekproef van 80000 punten uit de invoerruimte, leverde een R2 van 0.965. De rekentijd van alle metamodellen varieerde van 1 - 2 milliseconden per berekening, tegen 9 seconden voor PCLake. Omdat het metamodel is opgesteld voor een breed bereik van invoervariabelen, houdt dit in dat het gebruikt kan worden in scenariostudies, om in de plaats van PCLake voorspellingen te doen voor de waterkwaliteit in toekomstige situaties. Naast een methode-vergelijking bevat dit rapport ook practische aanwijzingen over de toepassing van de bestudeerde methoden in de vorm van een aantal procedures.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

NPBats, Bayesiaans statistisch instrument voor trenddetectie en tijdreeksmodellering | RIVM

Onderzoekers van milieu en volksgezondheid kunnen met het computerprogramma NPBats snel en efficient gegevens in de tijd (tijdreeksen) analyseren. Voorbeelden zijn de jaarlijkse CO2-uitstoot of het aantal mensen met overgewicht in Nederland. Met de analyses kunnen ze a) systematische veranderingen in de tijd (trends) opsporen b) verklarende relaties tussen tijdreeksen leggen c) kennis vergaren over de invloed van overheidsbeleid op mens en milieu. NPBats maakt gebruik van Bayesiaanse statistiek om de samenhang tussen opeenvolgende waarnemingen te beschrijven. Dit gebeurt via zogeheten 'prior' modellen. Deze modellen maken het mogelijk om op basis van respectievelijk een, twee en drie direct voorafgaande waarnemingen de volgende waarneming te voorspellen. Hierdoor is NPBats flexibeler dan de klassieke tijdreeksmodellen en kan het al gebruikt worden bij 8-10 waarnemingen. Ontbrekende waarnemingen worden automatisch geschat. Extra verklarende variabelen kunnen aan het model worden toegevoegd. Dit vergroot de kennis over het proces in het verbetert de voorspellingen. Daarbij geeft NPBats automatisch de betrouwbaarheid van de voorspellingen aan. Hierdoor wordt duidelijk of een trend significant stijgt of daalt. NPBats is ontwikkeld door het RIVM in het statistische softwarepakket S-PLUS, heeft een gemakkelijke bediening en een uitvoerige helpfunctionaliteit. NPBats is binnen het RIVM beschikbaar via de S-PLUS gebruikersgroep en is voor overige belangstellenden op aanvraag te verkrijgen.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Acute Reference Dose en acute innameberekeningen: Nationale en internationale ontwikkelingen | RIVM

In het project 'Acute toxiciteit en risicoschatting', was een van de doelstelling om actief te participeren in activiteiten die leiden tot internationale harmonisatie van het Acute Reference Dose (ARfD) concept. Op het internationale vlak wordt er goede guidance ontwikkeld binnen de 'Joint Meeting of Pesticides Residues' van de WHO en de FAO waarin RIVM/SIR participeert. Een definitief EU richtlijndocument is nog niet beschikbaar maar het is te verwachten dat de EU de JMPR benadering zal volgen. Met betrekking tot de acute innameberekeningen is de introductie van probabilistische blootstellingsberekeningen een belangrijk aandachtspunt. Internationale harmonisatie zoals ondersteund door VWS lijkt nu goed ontwikkeld te worden voor pesticiden hoewel de volgende aspecten die in dit rapport worden bediscussieerd een nadere (beleidsmatige) aandacht verdienen: 1) gebruik van de ARfD bij toelatingsprocedures en handhaving, 2) gebruik van de ARfD in andere stoffenkaders (bijvoorbeeld drinkwater richtlijnen), 3) procedure om voorlopige nationale ARfD waarden vast te stellen voor pesticiden waarvoor nog geen EU waarde beschikbaar is (bijvoorbeeld in geval van handhaving), 4) mengmonsters bij de handhaving (bijvoorbeeld virtuele cumulatieve blootstelling aan verschillende pesticiden) en 5) (inter)nationale harmonisatie van probabilistische blootstellingberekeningen.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

The ninth workshop organised by CRL-Salmonella | RIVM

De negende workshop georganiseerd door het Communautair Referentie Laboratorium voor Salmonella (CRL-Salmonella) werd gehouden op 13 en 14 mei 2004 in Bilthoven, Nederland. De vertegenwoordigers van de Nationale Referentie Laboratoria voor Salmonella (NRLs-Salmonella) van de lidstaten van de Europese Unie (inclusief de 10 nieuwe lidstaten) waren aanwezig. Ook vertegenwoordigers van de Europese Commissie (DG-Sanco) namen deel aan de workshop. Presentaties werden gehouden door vertegenwoordigers van DG-Sanco, van de NRLs en van CRL-Salmonella en door enkele gastsprekers. Onderwerpen die werden bediscussieerd waren: de nieuwe Zoonosen Richtlijn en Verordening, taken en plichten van CRLs en NRLs, het Zoonosen rapport van 2002, methoden (PCR bevestiging, validatie), anti-microbiele resistentie, ringonderzoeken georganiseerd door NRLs en door het CRL (2003, 2004 en 2005), en het werkprogramma van het CRL-Salmonella voor het komende jaar.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Neurotoxicity of Folic Acid | RIVM

Het huidige literatuuroverzicht vat de neurotoxische effecten van foliumzuur samen. Enkele dierexperimentele studies gaven aan dat foliumzuur, indien direct toegediend in de hersenen, neurotoxisch en epileptogeen is. In 1970 maakte een, overigens slecht gecontroleerde en niet gereproduceerde, studie melding van neurotoxische symptomen, zoals malaise, slaapverstoring en mentale stoornissen in veertien gezonde vrijwilligers, die een maand lang dagelijks 15 mg foliumzuur oraal kregen toegediend. Vijf jaar later werden convulsies gemeld na hoge intraveneuze toediening van foliumzuur aan een patient met een slecht gecontroleerde epilepsie. Overigens zijn er geen gegevens, die duiden op een direct neurotoxisch effect in de mens bij oraal foliumzuurgebruik. Klinische studies, waarbij patienten langdurig (tot 3 jaar lang) 5 tot 15 mg per dag kregen toegediend gaven geen aanwijzing voor aan foliumzuur gerelateerde neurotoxiciteit. Tenslotte wordt uiteen gezet, dat een deficientie in foliumzuur, die de synthese van S-adenosylhomocysteine remt en stapeling van homocysteine veroorzaakt, wel kan leiden tot neurotoxische schade.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Acute vergiftigingen bij mens en dier - Jaaroverzicht 2003 - Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum | RIVM

Het Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum (NVIC) van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) verstrekt 24 uur per dag telefonische informatie over de mogelijke gevolgen en behandeling van patienten met gezondheidsbedreigende aandoeningen als gevolg van blootstelling aan chemische stoffen. Het NVIC is in Nederland het centrale aanspreekpunt in het geval van (potentiele) acute vergiftigingen en wordt veelvuldig geconsulteerd door medici en andere hulpverleners zoals politie en brandweer. De jaarlijkse stijging van het aantal informatieverzoeken zette zich door in 2003; de vraag steeg van bijna 32.000 consulten in 2002 naar ruim 33.000 in 2003, over in totaal 43.948 verschillende blootstellingen aan chemische verbindingen. Dit overzicht is samengesteld om inzicht te geven in de in Nederland meest voorkomende acute vergiftigingen. In hoofdstuk 2 komt de signaleringsfunctie van het NVIC aan bod en wordt aangegeven met welke (consumenten) producten veel intoxicaties voorkwamen en welke stoffen vooral tot potentieel ernstige gezondheidsproblemen aanleiding gaven. In hoofdstuk 3 wordt nader ingegaan op de rol van het NVIC bij calamiteiten en worden ter illustratie een aantal incidenten uit 2003 besproken. Tevens wordt hier het nieuwste door het NVIC ontwikkelde product besproken: een digitaal differentiaal diagnostisch systeem voor chemische stoffen. Dit systeem dient om zo snel mogelijk klachten en symptomen van patienten te kunnen duiden en de veroorzakende stoffen te identificeren. Overdoseringen met geneesmiddelen kwamen veel voor: het NVIC werd over 23.163 blootstellingen aan geneesmiddelen geraadpleegd. Het aantal informatieverzoeken over slaapmiddelen, anxiolytica, antidepressiva en antipsychotica is weer verder toegenomen. Datzelfde geldt voor de pijnstillers paracetamol en ibuprofen. Procentueel de grootste stijger bij de kinderen t/m 12 jaar waren de innames van multivitaminen, met een toename van 25% ten opzichte van 2002. De trend om verpakkingen en vitaminepreparaten op snoep te laten lijken is vanuit het oogpunt van preventie van vergiftigingen zeer ongewenst. Evenzeer geldt dat steeds meer niet-eetbare (cosmetica)producten een voorkomen of verpakking hebben die lijkt op eet- of drinkwaren. Ook deze producten verhogen de kans op vergiftigingen, doordat consumenten, met name kinderen, ze kunnen verwarren met echte voedingsmiddelen en sneller geneigd zijn ze in de mond te steken, op te zuigen of in te slikken. Het aanzien van kunstgebitreinigingstabletten voor pepermuntjes, is bij hoogbejaarden al jaren een oorzaak van accidentele inname van deze tabletten. Kleine kinderen waren het meest frequent betrokken bij (potentiele) vergiftigingen met huishoudmiddelen (vooral schoonmaakmiddelen en petroleumproducten). Tijdens en kort na de grote publieksvoorlichtingscampagne "Giftige Verleiders" van de Stichting Consument en Veiligheid van september 2000 tot voorjaar 2002 leek er sprake te zijn van een daling in het aantal kinderintoxicaties met deze middelen, echter in 2003 is het aantal blootstellingen weer met 19% gestegen ten opzichte van 2002. Voorlichting aan ouders over de gevaren van in huis aanwezige producten blijft noodzakelijk. Het aantal keren dat het NVIC in 2003 is geraadpleegd over acute alcoholintoxicaties bij jongeren van 13 t/m 17 jaar is 63% gestegen ten opzichte van 2002. Het totaal aantal informatieverzoeken over intoxicaties met drugs is eveneens flink toegenomen, met in de laatste 4 jaar bijna een verdubbeling van 656 meldingen in 2000 naar 1210 in 2003. De sterkste stijgers waren te vinden in de groep van de smartproducts, met "energizers" als ginseng en met name efedra. Het aantal intoxicaties met GHB (gammahydroxyboterzuur) heeft zich, na een sterke toename in 2000 en 2001, redelijk gestabiliseerd.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

The role of a baseline casual blood pressure measurement and of blood pressure changes in middle age in prediction of cardiovascular and all-cause mortality occurring late in life: a cross-cultural comparison among the European cohorts of the Seven Countr | RIVM

The role of a baseline casual blood pressure measurement and of blood pressure changes in middle age in prediction of cardiovascular and all-cause mortality occurring late in life: a cross-cultural comparison among the European cohorts of the Seven Countr | RIVM
Jaar: 2004 Onderzoek

Geluidmonitor 2003 | RIVM

In dit onderzoek zijn met behulp van permanent registrerende meetposten geluidmetingen verricht aan wegverkeer, railverkeer en (militaire) luchtvaart. Er wordt gerapporteerd over de metingen die zijn verricht in 2003. Metingen aan het wegverkeer vonden plaats langs de rijkswegen A2 bij Breukelen en A10 bij Amsterdam en op een binnenstedelijke meetlocatie aan de Constant Erzeijstraat te Utrecht. De metingen bij de A2 en de A10 zijn gecombineerd met tel- en snelheidsgegevens van het verkeer teneinde geluidemissies van personenautos en het vrachtverkeer te bepalen.. Metingen aan railverkeer zijn verricht langs het spoor tussen Utrecht en Amsterdam. Daarnaast wordt een meetlocatie langs het spoor tussen Delft en Schiedam geintroduceerd, waarbij gelijktijdig met geluidmetingen ook treincategorie en snelheid worden geregistreerd. Tenslotte wordt ingegaan op metingen die vanaf maart 2000 zijn verricht op een meetlocatie vlakbij het militaire luchtvaartterrein Volkel.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Gezondheid Getroffenen vier jaar na de Vuurwerkramp Enschede | RIVM

Gezondheid getroffenen vier jaar na de vuurwerkramp Enschede.Bij de groep getroffen bewoners met zware schade aan het huis zet het herstel van de gezondheidsklachten niet door in de periode van 18 maanden tot 4 jaar na de ramp. De aanwezige gezondheidsklachten zijn chronisch van aard. Getroffen reddingswerkers rapporteerden vier jaar na de ramp niet eenduidig meer gezondheidsklachten of problemen op het werk dan niet-getroffen reddingswerkers.De aanwezigheid van chronische klachten bij bepaalde groepen getroffen bewoners is van belang voor de zorgverleners in Enschede. Zij kunnen hun nazorgactiviteiten specifiek op deze groepen richten.Autochtone bewoners met zware schade aan het huis rapporteerden 1,5 tot 2 keer zo vaak gezondheidsklachten als de niet-getroffen autochtonen uit Tilburg. Autochtone getroffenen zonder zware schade aan het huis hadden nauwelijks meer klachten dan de autochtonen uit Tilburg. Allochtone getroffenen rapporteerden 1,5 tot 3 keer meer gezondheidsklachten dan de niet-getroffen allochtonen uit Tilburg, ongeacht of ze wel of geen zware schade aan het huis hadden.In 80-90% van alle getroffen bewoners met gezondheidsklachten vier jaar na de ramp bleken deze klachten chronisch te zijn; zij rapporteerden deze klachten ook al op eerdere onderzoeken. Alhoewel sommige getroffen groepen bewoners nog problemen op het werk hadden, zaten getroffen bewoners vier jaar na de ramp niet vaker in de WAO dan de niet-getroffenen uit Tilburg. Van de getroffen bewoners met psychische klachten heeft 70-83% contact gehad met de GGZ in de afgelopen vier jaar. Een minderheid van 25-40% heeft nu nog contact.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Schuiven op zand. Ex-ante evaluatie van de reconstructieplannen | RIVM

De 'Reconstructiewet concentratiegebieden' (2002) is van toepassing op de Nederlandse zandgebieden met intensieve veehouderij. Doelen zijn verduurzaming van de landbouw met vermindering van veterinaire risico's, kwaliteitsverbetering van natuur en landschap, en kwaliteits-verbetering van milieu en water. In het kader van deze wet zijn door provincies reconstructieplannen uitgebracht. Er is draagvlak voor deze plannen bij de partijen die betrokken zijn geweest bij de planvorming. Dit is een belangrijke succesfactor voor implementatie. De plannen voorzien in een ruimtelijke scheiding van functies. De voorgestelde zonering is kleinschalig, door een keuze voor grotere gebieden kan zonering effectiever zijn. Een randvoorwaarde hierbij is ontsnippering van de EHS. Het gevraagde budget in de plannen bedraagt 7 miljard euro voor 2004 tot 2016, en zal vooral ge6nvesteerd worden in natuur, waterbeheer en landbouw. De landbouwinvesteringen zijn vooral gericht op schaalvergroting, via bedrijfsverplaatsing van ruim 400 intensieve veehouderijbedrijven en de inrichting van landbouw-ontwikkelingsgebieden. Bedrijfsverplaatsingen hebben weinig meerwaarde voor de milieu- en natuurkwaliteit, behalve incidenteel op lokaal niveau. Vermindering van de veterinaire risico's, de politieke aanleiding tot de reconstructie, krijgt weinig aandacht in de reconstructieplannen. Curatieve maatregelen zijn minder noodzakelijk na verlaten van het non-vaccinatiebeleid, preventieve maatregelen blijven nodig. De voorziene investeringen in waterberging, beekherstel, en verdrogingsbestrijding kunnen aanzienlijk bijdragen aan het doelbereik voor kwantitatief waterbeheer van het 'Nationaal Bestuursakkoord Water'. Uitvoering van de reconstructie draagt bij aan de realisatie van de Ecologische Hoofdstructuur. Ondanks de grote milieubeleidopgave richt de reconstructie zich niet op vermindering van de nutrientenstromen; dit wordt verwacht van het generieke mestbeleid. Omdat het onzeker is of het nieuwe mestbeleid in deze doelstelling zal slagen, is dit een risicovolle oplossingsrichting. Bij gelijkblijvende omvang van de veestapel en nutrientenstromen is een zich nog te bewijzen inzet van technologie nodig, om te voldoen aan regelgeving.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Acceptatie- en statustesten van radiodiagnostische apparatuur. Aanbevelingen voor te inspecteren parameters | RIVM

In afwezigheid van Nederlandse richtlijnen voor kwaliteitscontroles van moderne (digitale) radiodiagnostische apparatuur, is aangegeven welke apparatuurparameters in ieder geval gecontroleerd moeten worden bij ingebruikname en periodieke controles (zogenaamde acceptatie- en statustesten). Acceptatie- en statustesten vormen een essentieel onderdeel van de kwaliteitsborging van radiodiagnostische apparatuur. Deze kwaliteitsborging moet bijdragen aan een goede beeldkwaliteit ten behoeve van een accurate diagnosestelling en een lage stralingsdosis voor de patient. Voor de Inspectie voor de Gezondheidszorg is in dit rapport de inhoud van acceptatie- en statustesten onderzocht. Deze blijkt in de huidige Nederlandse praktijk vaak nogal beperkt. Daarom is, grotendeels op basis van internationale richtlijnen en literatuur, een lijst gemaakt van te testen parameters, waarbij parameters zijn geidentificeerd waarvan bekend is dat ze regelmatig tekort schieten. Een groot deel daarvan heeft betrekking op de beeldkwaliteit en is daarmee essentieel voor een accurate diagnosestelling. De parameters die direct van invloed zijn op de patientendosis zijn van speciaal belang voor de patientveiligheid. Voor een aantal van deze parameters kunnen normen zoals beschikbaar uit de internationale literatuur worden gehanteerd, totdat actuele Nederlandse richtlijnen zijn opgesteld.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Indeling van diagnosen en verrichtingen en toepassing in nieuwe statistieken over ziekenhuisopnamen | RIVM

Koppelen van opnamegegevens van ziekenhuizen aan de bevolkingsadministratie biedt nieuwe mogelijkheden voor wetenschappelijk onderzoek naar de epidemiologie van ziektes. Uit een proefbestand berekende incidenties blijken goed overeen te komen met literatuurwaarden, voor een brede groep aandoeningen. De koppeling maakt het ook mogelijk om op termijn het gebruik van ziekenhuiszorg uit te splitsen naar maatschappelijke doelgroepen. Deze studie is uitgevoerd in samenwerking met het Centraal Bureau voor de Statistiek. Hoofddoel van de studie was de selectie van diagnoseindelingen, welke gebruikt zullen worden in nieuwe gezondheidsstatistieken. Tevens werd een methode ontwikkeld om gewenste uitkomstmaten voor ziekenhuiszorg te berekenen uit de beschikbare databestanden. Tenslotte zijn proefberekeningen uitgevoerd voor geselecteerde ziektes. De gebruikte data zijn afkomstig uit de 'Landelijke Medische Registratie'. Vrijwel alle Nederlandse ziekenhuizen leveren gegevens aan voor deze registratie. Drie diagnose-indelingen zijn geselecteerd voor rapportage, waarbij zowel op nationale als internationale bruikbaarheid is gelet. Het gaat om de volgende indelingen: (1) De diagnose- en verrichtingen indeling ontwikkeld in het Hospital Data Project. Deze is ontwikkeld door een brede projectgroep, met deelnemers uit 16 Europese landen, en met participatie van de Wereldgezondheidsorganisatie. (2) De lijst van belangrijke doodsoorzaken zoals gebruikt in de Nederlandse doodsoorzakenstatistiek. (3) De diagnose-indeling zoals gebruikt in het Nationaal Kompas Volksgezondheid van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Postlaunch Monitoring of Functional Foods - Methodology development (I) | RIVM

Sinds enkele jaren staat de ontwikkeling van een 'postlaunch monitoring' (PLM) systeem voor functionele voedingsmiddelen op de onderzoeksagenda van diverse betrokken partijen zoals de industrie, de overheid en onderzoeksinstellingen. Tot nu toe zijn de voorstellen voor een dergelijk systeem grotendeels hypothetisch van aard geweest en is er aan de hand van een aantal beperkte case-studies mondjesmaat ervaring opgedaan. De Nederlandse overheid heeft belangstelling voor de ontwikkeling van een dergelijk systeem in het geval de veiligheid van het totale voedselpakket voor de consument in het geding komt. Een PLM systeem zou kunnen bestaan uit de volgende fasen: a ) passieve registratie consumentenklachten aan de hand van speciale klachtenlijnen; b) actieve registratie van ongewenste effecten aan de hand van (pre- en postmarkt) onderzoeksgegevens; c) bepaling van de relevantie van de onder a en b verzamelde gegevens; d) kwantificeren van de ongewenste effecten op bevolkings(groeps)niveau; e) afwegen van de gewenste (positieve) en ongewenste (negatieve) effecten; en f) regulering. Om het systeem operationeel te krijgen zijn investeringen nodig voor het opstellen van criteria en beslisbomen voor het passeren van de verschillende fasen binnen het systeem. Eveneens zullen expert-commissies in het leven geroepen moeten worden om beoordelingen uit te voeren en beslissingen te nemen. Inhoudelijk zullen er standaardmethoden ontwikkeld moeten worden voor de data-analyses waaronder het opstellen van blootstellingsscenario's en modellering. We nodigen onze collega's in het veld uit te reageren op dit rapport en mee te discussieren over het onderwerp om uiteindelijk een haalbaar en betaalbaar PLM systeem te kunnen ontwikkelen.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Van inzicht naar doorzicht, Beleidsmonitor water, thema chemische kwaliteit van oppervlaktewater | RIVM

De chemische kwaliteit van het Nederlandse oppervlaktewater is sterk verbeterd ten opzichte van enkele decennia terug, maar niet alle doelen worden gehaald. Gevoelige functies als 'natuur', 'recreatie' en 'drinkwater' ondervinden nog steeds problemen. Puntbronnen van verontreiniging zijn ver gesaneerd, diffuse bronnen hebben nu de overhand. Voor de aanpak hiervan is samenwerking nodig. De belangrijkste redenen waarom de doelen niet worden gehaald zijn: onvoldoende afstemming tussen het beleid voor landbouw, milieu en water, weinig politieke prioriteit, nalevering van verontreiniging die is opgehoopt in de land- en waterbodem en aanvoer vanuit het buitenland. De Europese Kaderrichtlijn Water vereist dat het water een goede kwaliteit heeft binnen tien tot hooguit twintig jaar. Een les uit het verleden is dat hiervoor een goede afstemming tussen de verschillende beleidsterreinen en met het buitenland nodig is, evenals samenwerking tussen uitvoerende partijen. Dit is inhoudelijk en bestuurlijk een grote opgave.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Relevancy of human exposure via house dust to the contaminants lead and asbestos | RIVM

In het rapport wordt bestudeerd of huisstof substantieel kan bijdragen aan de blootstelling van de mens aan contaminanten, met name voor de contaminanten lood en asbest. Huisstof bestaat voor 30-70% uit bodemmateriaal, wat betekent dat verontreinigde bodem kan leiden tot verontreinigd huisstof. Er is geconcludeerd dat blootstelling aan lood via huisstof zou moeten worden meegenomen in risicobeoordeling van bodemverontreiniging. De studies waarin de inname van bodem door kinderen worden geschat gebruiken merkstoffen in bodem die zowel in bodem buiten als in bodem in huisstof zitten. Het is daarom redelijk om deze hoeveelheid bodem te gebruiken om zowel blootstelling aan lood via bodem buiten en huisstof te omvatten. Echter, een correctiefactor van 2 wordt aanbevolen om voor verrijking van lood in huisstof te verdisconteren. Deze factor verdisconteert tevens voor andere loodbronnen dan lood afkomstig van gecontamineerde bodem. Een significante bijdrage van asbest in bodem aan asbest in huisstof kan gebeuren bij concentraties hoger dan 100 mg/kg. Daarom wordt aanbevolen de asbestconcentraties in huisstof te bepalen in huizen waarbij de bodem is verontreinigd met asbest boven de 1000 mg/kg voor hechtgebonden asbest, en boven de 100 mg/kg voor niet-hechtgebonden asbest. Deze aanbevelingen zijn in overeenstemming met een concept beoordelingsprotocol voor locatie-specifieke risicobeoordeling van asbest in bodem. Enkele aanmerkingen op dit protocol zijn beschreven. Voor verdere aanbevelingen m.b.t. asbest in huisstof wordt verwezen naar dit protocol.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

PREZIES: PREventie van ZIEkenhuisinfecties door Surveillance. Deelcomponent Lijnsepsis, 2000-2003 | RIVM

Korte termijn centraal-veneuze katheters zijn infuuskatheters (lijnen) die, ingebracht via andere aders, tot in de holle ader vlakbij het hart of verder tot in de longslagader worden opgeschoven. Hierdoor kunnen parenterale voeding, bepaalde in kleine aders snel vaatontsteking opwekkende medicatie of grote hoeveelheden vocht toegediend worden. Ook kunnen metingen aan hartfunctie en bloedsomloop gedaan worden. Centraal-veneuze katheters zijn onmisbaar in de klinische zorg, maar vormen ook de belangrijkste oorzaak van ziekenhuisgerelateerde bloedvergiftiging (sepsis). Dit rapport beschrijft de resultaten van de, door het samenwerkingsverband PREventie van ZIEkenhuisinfecties door Surveillance (PREZIES) opgezette, surveillancemodule voor centraal-veneuze katheter-gerelateerde sepsis (lijnsepsis), voor de periode 2000 - 2003. De gegevens, afkomstig van 3 ziekenhuizen, betroffen 751 lijnen bij 554 patienten, met 6443 lijndagen en 19 gevallen van lijnsepsis. De gemiddelde lijnsepsisincidentie was 2,9 per 1000 lijndagen en varieerde tussen de ziekenhuizen van 0 tot 8,0 per 1000 lijndagen. Bij univariate Cox-regressie bleken inbrengafdeling en parenterale voeding een significant effect op het lijnsepsisrisico te hebben. Bij multivariate Cox-analyse van deze 2 factoren bedroegen de relatieve risico's voor inbrengen op de OK/verkoever t.o.v. de IC 2,9 (95% BI: 0,9-9,8) en voor parenterale voeding 11,1 (95%BI: 2,4-52). De gemiddelde lijnsepsisincidentie komt goed overeen met de 2 a 3 in andere onderzoeken. Een verhoogd risico bij inbrengen op de OK vergeleken met de IC verwacht men niet omdat op de OK makkelijker steriel gewerkt kan worden. Parenterale voeding is een bekende risicofactor voor lijnsepsis. Ook na correctie voor het gebruik van parenterale voeding was de variatie tussen de ziekenhuizen aanzienlijk.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

The influence of outrage and technical detail on the perception of environmental health risks | RIVM

Verschillen tussen een bevolking die door een bepaald risico getroffen is en mensen die beroepsmatig een risico moeten beoordelen, blijken vaak obstakels te zijn in de risico-communicatie. Het hier gerapporteerde onderzoek tracht inzicht te verkrijgen in de factoren die de bezorgdheid van mensen over een risico kunnen beinvloeden. Het onderzoek richt zich met name op de invloed van de hoeveelheid technische (risico) details en de hoeveelheid 'outrage' in een risico-bericht. Voor dit onderzoek werden vier fictieve krantenartikelen geschreven. Van elk van deze artikelen werden vier versies gemaakt (te weten: weinig technische details en een lage outrage; weinig technische details en een hoge outrage; veel technische details en een lage outrage; veel technische details en een hoge outrage), dus zestien verhalen in totaal. Elke deelnemer ontving een versie van elk van de vier verhalen en werd gevraagd zich voor te stellen dat deze in de regionale krant hadden gestaan en dat hij of zij te maken had met de beschreven situatie. Na het lezen van elk verhaal, vulden de deelnemers een vragenlijst in met vragen betreffende hun perceptie van het specifieke, in het verhaal beschreven, risico. De analyses toonden geen significante relatie aan tussen outrage en risicoperceptie(behalve wat betreft de beheersbaarheid van het risico), en evenmin tussen technische details en risico-perceptie. De manipulaties hadden ook geen significante invloed op de aanvaardbaarheid van het risico. Andere factoren zoals deelnemers' geslacht, leeftijd, opleidingsniveau, bekendheid met het risico, natuurlijke neiging om risico's te nemen of te mijden, en het feit of de deelnemers kinderen hadden - allemaal factoren waar een bedrijf of overheidsinstelling geen invloed op heeft - bleken betere voorspellers te zijn van de risico-perceptie. In het rapport worden de mogelijke oorzaken van deze bevinding verder uitgewerkt.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Risico's in bedijkte termen, een thematische evaluatie van het Nederlandse veiligheidsbeleid tegen overstromen | RIVM

De waterkeringen die Nederland beschermen tegen overstroming vanuit de zee of de rivieren zijn nog nooit zo sterk geweest: de kans op overstroming van delen van het land is sinds de watersnoodramp van 1953 sterk verminderd. Toch is Nederland in de afgelopen jaren aanmerkelijk kwetsbaarder geworden voor het gevaar van overstroming: het overstromingsrisico is toegenomen door een sterke toename van de schade bij een eventuele overstroming. De controverse tussen sterkere dijken en een groter risico wordt grotendeels toegeschreven aan een sluipende discrepantie tussen de handhaving van wettelijk voorgeschreven normen gericht op de sterkte van dijken, en de gestaag doorgaande sociale en economische ontwikkeling. De normen zijn grotendeels gebaseerd op inzichten van de periode 1953-1960, kort na de watersnoodramp in zuidwest Nederland. De huidige ruimtelijke verdeling van de financieel-economische waarde van dijkringgebieden sluit niet langer aan bij de ruimtelijke verdeling van normniveaus in de wet. Bovendien lijkt de Nederlander overstromingen door falende dijken niet meer te zien als een natuurverschijnsel dat af en toe kan optreden. Het overstromingsgevaar lijkt te worden beschouwd als een risico vergelijkbaar met extern opgelegde risico's als industriele installaties, luchthavens en treinemplacementen. Vergelijking van het overstromingsgevaar met deze externe risico's laat zien dat de kans op veel dodelijke slachtoffers tengevolge van overstromingen veel groter is dan de kans op veel slachtoffers tengevolge van alle bekende externe risico's bij elkaar. Vergeleken met andere landen (Europa, de VS, Japan) gelden in Nederland al hogere normen voor de waterkeringen, wat ook in overeenstemming is met de hoge kwetsbaarheid van de Nederlandse samenleving (dichtbevolkte en hoogontwikkelde onder zeeniveau gelegen gebieden). Een verdere toename van het overstromingsrisico wordt voorzien, als gevolg van de verdere stijging van de zeespiegel, klimaatwijzigingen en verdere sociale en economische ontwikkeling. Technische oplossingen zijn niet langer het enige antwoord op deze toename. In de afgelopen jaren was de aandacht met name gericht op de hoogte en sterkte van waterkeringen. Opties op het gebied van de ruimtelijke ordening zijn buiten beeld gebleven. Gedacht kan worden aan het vermijden van risicovolle bouwlocaties en het compartimenteren van grote dijkringgebieden. Steun vanuit de politiek is essentieel: het verleden heeft laten zien dat deze steun enige tijd na een ramp snel inzakt.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Maatschappelijke waardering van duurzame ontwikkeling. Achtergrondrapport bij de Duurzaamheidsverkenning | RIVM

Uit verschillende recente onderzoeken blijkt dat de Nederlandse consument niet warm loopt voor duurzame producten of diensten. Daarnaast laat recent onderzoek zien dat de belangstelling voor duurzame producten of diensten verschilt tussen consumenten. Hoe is dit te verklaren? Om deze vraag te kunnen beantwoorden deden Telos en Motivaction in opdracht van het MNP-RIVM onderzoek naar het duurzaamheidbewustzijn en -gedrag van de Nederlandse bevolking. Er werden drie duurzaamheidsegmenten gevonden, op grond van de waardenpatronen van mensen. Laag duurzamen: zijn sterk gericht op leven in het hier en nu, houden erg van gemak, stellen het eigen belang centraal, zijn hedonistisch en materialistisch ingesteld, zijn niet bezorgd over het milieu. Middelhoog duurzamen: zijn bezorgd over het milieu, willen milieubewust leven, zijn gehecht aan maatschappelijke verantwoordelijkheid van bedrijven, zijn betrokken bij de buurt, voelen zich verantwoordelijk voor de maatschappij. Hoog duurzamen: hebben dezelfde mentaliteit als middelhoog duurzamen en willen daarnaast ook bewust milieuvriendelijk consumeren, meer betalen voor milieuvriendelijke en natuurlijk gefabriceerde producten en zijn tevens betrokken bij de wereldgemeenschap. De duurzaamheidsegmenten zijn vergeleken met de door Motivaction ontwikkelde 'sociale milieus'. Traditionele burgers enerzijds en kosmopolieten/ postmaterialisten anderzijds bleken het meest duurzaam. Bij de eerste gaat het vooral om zorg en behoud van de eigen omgeving, bij de tweede vooral om mondiale betrokkenheid. Men kan met andere woorden vanuit een totaal verschillende waardenorientatie tot duurzaamheid komen. Opvallend was verder dat generaties sterk blijken te verschillen in de mate van duurzaamheid. Jongere generaties vinden duurzame ontwikkeling een stuk minder belangrijk dan ouderen. Dit kan waarschijnlijk deels worden toegeschreven aan de levensfase waarin men zich bevindt, maar er zijn ook aanwijzingen dat duurzaamheid minder goed aansluit bij het waardenpatroon van jongere generaties.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Kwaliteit en Toekomst. Verkenning van duurzaamheid | RIVM

Duurzaamheid gaat over de vraag of de huidige ontwikkeling van de wereld kan worden voortgezet. Het antwoord is afhankelijk van maatschappelijke opvattingen over de kwaliteit van leven en de verdeling ervan over de wereld en van wetenschappelijke inzichten in het functioneren van het maatschappelijk en het natuurlijk systeem.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Dioxins in Dutch vegetables | RIVM

De blootstelling aan dioxinen vindt plaats via de voeding. De belangrijkste bron van deze stoffen in de voeding is dierlijk vet. Desalniettemin is de bijdrage van groenten geschat op 13 % van de totale dioxine-inname via de voeding, hoewel de onzekerheid van die waarde groot werd geacht (Freijer et al., 2001). Het doel van de huidige studie is om de dioxineconcentraties in individuele groenten en vervolgens de inname door de consumptie van groenten vast te stellen. Daartoe zijn achttien soorten groenten ingekocht bij acht Nederlandse detailhandels in twee seizoenen. De monsters zijn per seizoen gemengd en geanalyseerd op het voorkomen van polychloordibenzo-p-dioxinen en -dibenzofuranen (PCDDs/PCDFs) en de dioxine-achtige non-ortho polychloorbifenylen (no-PCBs). De zomergroenten zijn met extreme gevoeligheid geanalyseerd. De maximum niveaus (waarbij als een congeneer niet werd aangetroffen de concentratie werd aangenomen ter waarde van de detectielimiet) varieren van 3 tot 10 pg toxische equivalenten (TEQ) per kg versgewicht. De analyse van de wintergroenten was iets minder gevoelig. Hierbij zijn detectiegrenzen gehaald van ongeveer 10 pg TEQ/kg versgewicht per congeneer. De maximum niveaus (met uitzondering van boerenkool) varieren van 30 -70 pg TEQ/ kg versgewicht. Het gemiddelde niveau van de boerenkool is 100-200 pg /kg versgewicht. Met deze maximale niveaus kan een maximale gemiddelde inname via de consumptie van groente van 0,12 pg TEQ/kg lichaamsgewicht/dag worden geschat. Indien wordt aangenomen dat er een consistent patroon is voor deze verbindingen in de diverse type groenten dan is de meest waarschijnlijke gemiddelde inname ongeveer 0,014 pg TEQ/kg lichaamsgewicht/dag. Dit is minder dan 2 % van de totale gemiddelde dioxine inname.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Resultaten van de voedselconsumptiepeiling 2003 | RIVM

Nederlandse jongvolwassenen consumeren veel te weinig groenten en fruit. Met betrekking tot de vetinneming is met name de inneming van verzadigde vetzuren te hoog, terwijl de inneming van transvetzuren de aanbeveling gemiddeld benadert. Er valt veel gezondheidswinst te behalen wanneer de voedingsgewoonten in lijn zouden zijn met de aanbevelingen, met name door de groente- en fruitconsumptie te verhogen en het vetzuurprofiel in de voeding te verbeteren. In dit onderzoek zijn de voedingsgewoonten van 750 19-30 jarige Nederlanders gemeten. Uitgaande van de aanbeveling van 150-200 gram groenten per dag, bleek dat slechts 2% van de deelnemers (5,5% van de mannen en 0,2% van de vrouwen) minstens 150 g per dag consumeerde en niemand gewoonlijk 200 gram groente of meer gebruikte. Op basis van gebruikelijke consumptie voor de groep 'vruchten' bleek dat slechts 7-8% de aanbevolen 200 gram at. Ruim de helft van de deelnemers (53% van de vrouwen en 58% van de mannen) gebruikte een voeding met minder dan 35 energie% vet. De richtlijn om minder dan 10 energie% verzadigde vetzuren te gebruiken werd slechts door weinigen bereikt: namelijk door 11% van de mannen en 6% van de vrouwen. Bijna 60% van de mannen en 28% van de vrouwen gebruikte een voeding die minder dan een energie% transvetzuren bevatte. Op basis van deze resultaten wordt geadviseerd om het voedingsbeleid te blijven richten op het stimuleren van de groente- en fruitconsumptie en het verminderen van de hoeveelheid verzadigde vetzuren in de voeding.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Vogelpest Epidemie 2003: Gevolgen voor de volksgezondheid | RIVM

Vogelpest Epidemie 2003: gevolgen voor de volksgezondheid.Risicofactoren, gezondheid, welbevinden, zorgbehoefte en preventieve maatregelen tijdens de bestrijding van Aviaire Influenza H7N7 in Nederland.Naar schatting minimaal duizend mensen zijn tijdens de vogelpest epidemie in 2003 besmet met het vogelpest virus. Eenderde van de pluimveehouders met een geruimd bedrijf meldde stressreacties, vermoeidheid en depressieve klachten. De grootschalige verspreiding onderstreept het belang van maatregelen tegen overdracht van het vogelpestvirus van pluimvee naar de mens bij contact met besmet pluimvee. De mogelijke onzekerheid, stress en spanningsklachten samenhangend met de bestrijding van de vogelpest epidemie vereisen specifieke zorg.Er meldden zich 453 personen met gezondheidsklachten, voornamelijk oogvliesontsteking. Antistoffen werden ook aangetroffen bij 59% van huisgenoten van bestrijders die een infectie met vogelpestvirus doormaakten. Circa 50% van de 500 onderzochte personen die tijdens de epidemie contact hadden met besmet pluimvee had antistoffen tegen vogelpestvirus.Pluimveehouders en bestrijders leefden de preventieve maatregelen slecht na. Het antivirale middel oseltamivir bleek te beschermen tegen besmetting, mond-neus maskers niet. De aandacht voor de begeleiding van pluimveehouders en andere betrokkenen en voor de informatie over en de bejegening tijdens de ruimingen hebben behoorlijk gewerkt. Extern ingehuurde dierenartsen ervoeren hun werkzaamheden vaker als emotioneel belastend dan andere betrokken beroepsgroepen.Circa een kwart van de pluimveehouders met geruimde bedrijven heeft zorgen om het voortbestaan van het bedrijf en de sector, 16% had behoefte aan aanvullende ondersteuning, hulp of zorg vanwege de vogelpest. Daarvoor benaderden zij de agro-hulpverlening en de huisarts, en minder vaak de geestelijke gezondheidszorg.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Gezondheidseffecten van blootstelling aan radiofrequente elektromagnetische velden - Probleemanalyse niet-ioniserende straling | RIVM

Het is onbekend of en zo ja hoe blootstelling aan radiofrequente velden tot subjectieve gezondheidseffecten zoals hoofdpijn kan leiden. Ook ontbreekt er een systematisch overzicht van alle bronnen in Nederland en hun bijdragen aan de totale blootstelling. Radiofrequente velden worden bijvoorbeeld veroorzaakt door diverse communicatiezenders zoals gebruikt voor mobiele telefonie en omroep. Er bestaat bezorgdheid onder de bevolking over mogelijke gezondheidseffecten en onbekendheid met dergelijke velden. Het eerste deel van het rapport gaat over wat er internationaal over radiofrequente velden en gezondheidseffecten bekend is. Het tweede deel geeft een overzicht van de Nederlandse situatie voor drie groepen bronnen: communicatie-apparatuur, huishoudelijke apparatuur en gebruiks-artikelen en ten slotte detectie-apparatuur. Als de blootstelling beneden de grenzen in de Europese aanbeveling blijft, dan komen bepaalde kortetermijneffecten niet voor. Het gaat dan om effecten zoals verhoging van de lichaamstemperatuur en het onwillekeurig samentrekken van spieren, die het gevolg zijn van opwarming en in het lichaam opgewekte stromen. Sommige mensen claimen aspecifieke effecten zoals slaapstoornissen en een gevoel van malaise of subjectieve effecten zoals hoofdpijn. Om de blootstelling in te schatten en de bevolking te informeren, is een openbaar overzicht van de locaties en kenmerken van radiofrequente bronnen nodig. Het is aan te bevelen om bronnen die met hoog vermogen kunnen zenden, zoals AM-zenders en apparatuur van zendamateurs, in de gaten te houden. Dat geldt ook voor nieuwe bronnen zoals UMTS-basisstations en WiFi-zenders en bronnen met hoge piekvermogens zoals anti-diefstalpoortjes en elektronische streepjescodelezers. Zenders met sterk gepulste signalen verdienen aandacht vanwege de mogelijkheid dat hier mechanismen een rol spelen die niet met opwarming te maken hebben.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Beleidssamenvatting Vogelpest Epidemie 2003: Gevolgen voor de volksgezondheid | RIVM

Beleidssamenvatting Vogelpest Epidemie 2003: gevolgen voor de volksgezondheid.Risicofactoren, gezondheid, welbevinden, zorgbehoefte en preventieve maatregelen tijdens de bestrijding van Aviaire Influenza H7N7 in Nederland.Naar schatting minimaal duizend mensen zijn tijdens de vogelpest epidemie in 2003 besmet met het vogelpest virus. Eenderde van de pluimveehouders met een geruimd bedrijf meldde stressreacties, vermoeidheid en depressieve klachten. De grootschalige verspreiding onderstreept het belang van maatregelen tegen overdracht van het vogelpestvirus van pluimvee naar de mens bij contact met besmet pluimvee. De mogelijke onzekerheid, stress en spanningsklachten samenhangend met de bestrijding van de vogelpest epidemie vereisen specifieke zorg.Er meldden zich 453 personen met gezondheidsklachten, voornamelijk oogvliesontsteking. Antistoffen werden ook aangetroffen bij 59% van huisgenoten van bestrijders die een infectie met vogelpestvirus doormaakten. Circa 50% van de 500 onderzochte personen die tijdens de epidemie contact hadden met besmet pluimvee had antistoffen tegen vogelpestvirus.Pluimveehouders en bestrijders leefden de preventieve maatregelen slecht na. Het antivirale middel oseltamivir bleek te beschermen tegen besmetting, mond-neus maskers niet. De aandacht voor de begeleiding van pluimveehouders en andere betrokkenen en voor de informatie over en de bejegening tijdens de ruimingen hebben behoorlijk gewerkt. Extern ingehuurde dierenartsen ervoeren hun werkzaamheden vaker als emotioneel belastend dan andere betrokken beroepsgroepen.Circa een kwart van de pluimveehouders met geruimde bedrijven heeft zorgen om het voortbestaan van het bedrijf en de sector, 16% had behoefte aan aanvullende ondersteuning, hulp of zorg vanwege de vogelpest. Daarvoor benaderden zij de agro-hulpverlening en de huisarts, en minder vaak de geestelijke gezondheidszorg.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Testbevuilingen voor de beoordeling van wasmachines voor chirurgische instrumenten; een vergelijkend onderzoek | RIVM

De komende Europese norm voor desinfecterende wasmachines (prEN ISO 15883-1) specificeert voor het beoordelen van het reinigingsresultaat van wasmachines voor chirurgische instrumenten zeven verschillende testbevuilingen. De norm geeft echter geen informatie over de kwaliteit van de testbevuilingen. Er worden evenmin selectiecriteria genoemd. Om hierop zicht te krijgen heeft het RIVM onderzoek uitgevoerd. Hiertoe werden de in de concept norm gespecificeerde testbevuilingen geprepareerd, op stalen plaatjes aangebracht en gedroogd, conform de instructies in de ontwerpnorm. De testplaatjes werden in een standaard wasmachine geplaatst en onderworpen aan een aantal spoel- en wasprocessen. Een van de testbevuilingen bleek niet bereid te kunnen worden. Drie testbevuilingen bleken weinig resistent tegen de spoelprocessen. De overige testbevuilingen werden niet weggespoeld met koud water, noch met warm water van 45 graden Celcius. Een grondig reinigingsproces uitgevoerd met een alkalisch reinigingsmiddel bij 60 graden Celcius gedurende 5 minuten, was noodzakelijk om deze testbevuilingen volledig te verwijderen. Deze testbevuilingen voldoen daarmee aan de eisen van de onderzoekers. Twee commercieel verkrijgbare instant testbevuilingen werden door spoelen met koud water reeds verwijderd en voldeden derhalve niet aan de eisen. Gebruikers van desinfecterende wasmachines wordt geadviseerd om bij de validatie van de wasmachines een van de drie testbevuilingen te gebruiken die aan de eisen voldoen.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Hinder door milieufactoren en de beoordeling van de leefomgeving in Nederland. Inventarisatie Verstoringen 2003 | RIVM

Naar schatting zijn 3,7 miljoen Nederlanders van 16 jaar en ouder (29%) ernstig gehinderd door het geluid van wegverkeer. Na wegverkeer veroorzaken vliegverkeer en buren het vaakst ernstige hinder (beide 12%). Bromfietsen staan met 19% ernstige hinder op de eerste plaats in de top tien van meest hinderlijke geluidbronnen. Op de tweede en derde plaats volgen motoren (11% ernstige hinder) en vrachtauto's (10% ernstige hinder). Ernstige hinder door het geluid van bromfietsen, snelwegen en bouw- en sloopterreinen vertoont vanaf 1993 een stijgende trend. Voor militaire vliegtuigen, personenauto's en bussen is er sprake van een dalende trend. Brommers zijn naast geluidhinder ook de belangrijkste bron van slaapverstoring. Bij 7% van de respondenten wordt de slaap ernstig verstoord door het geluid van brommers. Naast geluid blijkt met name het (roekeloos en luidruchtig) gedrag van bromfietsrijders een belangrijke hinderbron. Dit zijn enkele bevindingen uit een periodiek landelijk onderzoek naar de verstoringen van de leefomgeving. Er is ook gevraagd naar de tevredenheid met de woonomgeving. Nederlanders zijn in het algemeen tevreden met hun woning en woonomgeving. Deze wordt beoordeeld met een gemiddelde van 7,7 op een schaal van 0-10. Het meest ontevreden is men over de parkeergelegenheden in de buurt (18%), het openbaar vervoer (16%) en de ruimte voor speelgelegenheid in de buurt (12%). Ten opzichte van de vorige peiling in 1998 is de tevredenheid over de woning en de woonomgeving toegenomen.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

MICROCRM: Feasibility certification studies of microbiological reference materials | RIVM

In 2002 werden haalbaarheid certificeringsringonderzoeken georganiseerd met drie verschillende typen microbiologische referentiematerialen voor acht verschillende ISO en EN standaard methoden, gerelateerd aan EU water wetgeving (Drinkwaterrichtlijn en Zwemwaterrichtlijn). De studies werden uitgevoerd in het kader van het Europese project: 'Microbiologische gecertificeerde referentiematerialen ter ondersteuning van EU water wetgeving, testen van performance en laboratorium kwaliteitscontrole' (MICROCRM 01/02/2001 - 01/11/2003). De doelstelling van het MICROCRM project was om de condities te bepalen welke nodig zijn voor de productie en certificering van belangrijke referentiematerialen voor watermicrobiologie. De drie verschillende typen referentiematerialen waren capsules, lenticules en pastilles. Voor ieder type referentiemateriaal werden acht partijen, met verschillende stammen, bereid (om te gebruiken met de acht verschillende methoden). Dertien Europese laboratoria namen deel aan de studies. De resultaten van de studies werden statistisch geanalyseerd door drie statistici van de drie partners in het project. De belangrijkste conclusie was dat certificering van de microbiologische referentiematerialen haalbaar was voor alle tot doel gestelde parameters op de gewenste besmettingsniveaus voor de richtlijnen zoals hierboven vermeld.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Quick Scan van de Beleidsnota Verkeersemissies | RIVM

Het Milieu- en Natuurplanbureau (MNP-RIVM) heeft een evaluatie uitgevoerd van de Beleidsnota Verkeersemissies. Deze nota is op 18 juni 2004 door het kabinet aangenomen en is in november 2004 behandeld in de Tweede Kamer. De belangrijkste conclusies van de evaluatie zijn: - NOx-doel sector verkeer haalbaar, maar onder veel voorbehouden; - Stimulering van biobrandstoffen is niet kosteneffectief; - Stimulering van roetfilters is kosteneffectief.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Spoorzoeken naar de invloed van Nederlanders op de mondiale biodiversiteit: Model voor een ecologische voetafdruk | RIVM

Nederlanders hebben invloed op de mondiale biodiversiteit binnen en vooral buiten de eigen grenzen. Nederlanders hebben op vele manieren invloed. Toch kan de invloed op de biodiversiteit in een maat worden uitgedrukt. Deze studie presenteert een indicator, waarin de verschillende invloeden worden verdisconteerd in een maat voor het verlies aan biodiversiteit of natuurkwaliteit op het land en in het water. Dit is de ecologische claim. Deze indicator 'ecologische claim' is een verbetering van de zogeheten voetafdruk van Wackernagel en Rees. De methodiek geeft een integrale beoordeling van de effecten op de natuur. Hiermee kunnen opties -of maatregelen- om de aantasting van de biodiversiteit te verminderen worden vergeleken.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Environmental (in)equity in the Netherlands - A case study on the distribution of environmental quality in the Rijnmond region | RIVM

Als onderdeel van een breder onderzoek naar milieu en sociale ongelijkheid in Nederland is een verkennend casusonderzoek uitgevoerd naar de sociaal-economische verdeling van (ervaren) milieukwaliteit in de regio Rijnmond. Verschillen in milieukwaliteit tussen postcodegebieden met een verschillend inkomensniveau zijn geanalyseerd voor geluid, luchtverontreiniging, beschikbaarheid van groen, veiligheidsrisico's en aanwezigheid van afvalverwerkingsbedrijven, zowel voor de afzonderlijke aspecten als gecumuleerd. Verder is ervaren milieukwaliteit van bewoners vastgesteld en geanalyseerd op ruimtelijke en inkomensverschillen en de relatie van beleving met 'objectieve' milieukwaliteit. Dit is gedaan op basis van recente literatuur en bestaande nationale en regionale gegevensbestanden. Er bleken verschillen in lokale milieukwaliteit te bestaan tussen postcodegebieden met een verschillend inkomensniveau, met name voor luchtverontreiniging en beschikbaarheid van groen. Ook bleek stapeling van positieve milieu-aspecten vaker voor te komen in hogere inkomensgebieden dan in lagere inkomensgebieden. Daarnaast noemden Rotterdammers vuil op straat en hondenpoep als grootste milieuproblemen. Alle inkomenscategorieen ervoeren hinder, maar van verschillende, vaak locatiespecifieke bronnen. Gezien deze resultaten is het voor beleidsmakers van belang in hun beleid aandacht te besteden welke uitwerking deze heeft voor verschillende inkomensgroepen.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

PREventie van ZIEkenhuisinfecties door Surveillance. Component wondinfecties na hartchirurgie, pilotstudie 2001-2002 | RIVM

In Nederland ondergaan jaarlijks ongeveer 14.000 patienten een openhartoperatie in een van de 13 gespecialiseerde hartcentra. Als complicatie van openhartoperaties kunnen postoperatieve wondinfecties optreden. Zowel bij het borstbeen (sternum) als bij de plaats, meestal het been, waar het vervangende bloedvat voor een by-pass vandaan word gehaald (donorplaats), kunnen wondinfecties ontstaan. Surveillance, het doorlopend registeren van het voorkomen van deze wondinfecties, is een belangrijk hulpmiddel om de infectiepreventie te verbeteren. In 2001-2002 is een proefonderzoek uitgevoerd door zeven Nederlandse hartcentra om een gestandaardiseerde registratiemethode voor wondinfecties na hartchirurgie uit te testen en om te bepalen voor welke risicofactoren gecorrigeerd zou moeten worden, voordat infectiepercentages van ziekenhuizen met elkaar vergeleken kunnen worden. Op basis van de resultaten van dit proefonderzoek is een definitief protocol vastgesteld voor de surveillance van wondinfecties na hartchirurgie.De hartcentra verzamelden informatie over 1612 openhartoperaties en over het gevolgde infectiepreventiebeleid bij openhartoperaties. Er werden 21 diepe infecties van de sternumwond (incidentie 1,3%) en 24 oppervlakkige infecties van de sternumwond (incidentie 1,5%) geregistreerd. Bij de 1013 patienten met een donorwond werd bij 43 een donorwondinfectie (incidentie 4,2%) geregistreerd. Ongeveer de helft van de sternumwondinfecties en 84% van de donorwondinfecties trad op na ontslag uit het hartcentrum. Bij patienten die langer gevolgd werden in de surveillance, werd dan ook een hoger infectiepercentage gevonden. De belangrijkste risicofactoren voor het krijgen van een wondinfectie waren hogere leeftijd, vrouwelijk geslacht, hoger lichaamsgewicht, insuline-afhankelijke suikerziekte, langere tijd gebruik hart-longmachine, hogere laagste temperatuur tijdens de operatie, en het ondergaan van een spoedeisende operatie of een re-incisie van de sternumwond. Deze risicofactoren kunnen gebruikt worden om referentiecijfers te genereren die gecorrigeerd zijn voor de belangrijkste verstorende factoren.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Cost of illness in the Netherlands - Highlights | RIVM

In Nederland werd in 1999 ongeveer 36 miljard euro aan gezondheidszorg uitgegeven. Dat bedrag zal de komende jaren stijgen onder invloed van toenemende medische mogelijkheden en de vergrijzing van de bevolking. Om vast te stellen of al dat geld zo goed mogelijk wordt besteed, moet eerst bekend zijn waar dat geld precies aan wordt besteed. Dit rapport beschrijft hoe het zorggebruik in 1999 was verdeeld over ziekten, mannen en vrouwen, verschillende leeftijdsgroepen en zorgsectoren. Ook wordt beschreven hoe de kosten van de gezondheidszorg zich in de afgelopen jaren hebben ontwikkeld, en hoe zij zich in de toekomst naar verwachting zullen ontwikkelen. Daarbij wordt rekening gehouden met het geheel afwijkende patroon van zorgkosten in het laatste levensjaar. In dit rapport wordt tevens een eerste aanzet gegeven om de kosten ook te verdelen naar risicofactoren achter de ziekten. Verder wordt een vergelijking gemaakt met kosten van ziektenstudies uit andere landen. Het rapport besluit met een algemene checklist van 10 punten voor de interpretatie van kostenstudies in de gezondheidszorg.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Pesticide emissions from greenhouses | RIVM

Er zijn slechts weinig metingen van bestrijdingsmiddelen in de lucht in en rondom tuinbouwkassen die bruikbaar zijn voor acute risicoschattingen voor omwonenden. Daarom heeft het RIVM een bestaande blootstellingsmodule in USES, een computerprogramma voor integrale risicobeslissingen van overheden, verbeterd. Hiermee kunnen concentraties in de lucht tot een afstand van 20 m van de kas worden geschat. Dergelijke schattingen worden belangrijker omdat meer mensen in Nederland in de nabijheid van kassen kunnen komen te wonen. De moduleaanpassingen verbeteren naar verwachting met name de concentratieschattingen gedurende de eerste uren direct na de toepassing. In een vervolgonderzoek, waarin het RIVM participeert, zullen chemische analyses worden uitgevoerd om de module te staven. Alleen dan kan een verdere aanpassing en verfijning plaatsvinden van de module die de complexe en causale keten in kaart brengt van het gebruik van bestrijdingsmiddelen, de depositie en vervluchtiging in de kas en tenslotte de ventilatie van resterende hoeveelheden naar buiten. De verbeterde module wordt ingebouwd in het risicobeoordelings-systeem USES 5.0.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

How much does a 30% emissionreduction cost? Macroeconomic effects of post-Kyoto climate policy in 2020 | RIVM

Deze studie verkent de macro-economische gevolgen van klimaatbeleid, waarbij industrielanden voor 2020 een reductiedoelstelling nastreven die 30% beneden de emissies van 1990 ligt. Een dergelijk regime past bij het uitgangspunt van de Europese Unie, dat de gemiddelde wereldtemperatuur niet meer dan 2 graden Celsius mag stijgen ten opzichte van het preindustriele niveau. De macro-economische gevolgen kunnen sterk uiteen lopen. Als alle (ontwikkelings)landen meedoen aan het klimaatbeleid en emissiemarkten efficient werken, dan worden de kosten in 2020 voor Nederland in een scenario met hoge groei geraamd op 0,8 procent van het reeel Nationaal Inkomen. Als ontwikkelingslanden echter niet meedoen aan klimaatbeleid en alleen de industrielanden beleid voeren, dan kunnen de geschatte kosten oplopen tot 4,8 procent van het Nationaal Inkomen. De kosten van klimaatbeleid zijn ook afhankelijk van toekomstige economische ontwikkelingen. Bij een gematigde economische groei zullen bij een mondiale coalitie de kosten 0,2 procent bedragen.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Zoonoses in Europe: a risk to public health | RIVM

Infectieziekten die afkomstig zijn van dieren (zoonosen) vormen een constant gevaar voor de volksgezondheid. Recente voorbeelden van zoonosen zijn de vogelpest en SARS. Het is niet te voorspellen welke zoonosen in de komende jaren voor problemen gaan zorgen in Europa. Toch wordt in dit rapport de wetenschappelijke kennis over de risico's van opkomende zoonosen voor de Europese volksgezondheid samengevat en een overzicht gegeven van bekende zoonosen waarvan in meer of mindere mate gevreesd wordt dat ze in de toekomst voor problemen kunnen zorgen in Europa. Hierbij is zowel gebruik gemaakt van literatuurgegevens als ook van de meningen van experts. Ook wordt een overzicht gegeven van de factoren die in het verleden bij het opkomen van zoonosen een rol hebben gespeeld. Verder wordt de Europese wetgeving op het gebied van zoonosen samengevat en worden de sterke en de zwakke punten die naar voren kwamen in interviews met Nederlandse en Europese deskundigen genoemd. Om het opkomen van zoonosen te voorkomen en te bestrijden is een tweezijdige strategie nodig. Aan de ene kant moeten we ons beter voorbereiden op de zoonosen waarvan al gevreesd wordt dat zij in de toekomst voor problemen gaan zorgen, door humane en veterinaire systemen beter op elkaar af te stemmen (voorbereiden op het bekende/voorstelbare). Aan de andere kant moet meer fundamenteel onderzoek gedaan worden naar allerlei onbekende variabelen en moeten systemen ontwikkeld worden om nieuwe ziekten tijdig op te merken. De Europese landen moeten gezamenlijk optreden om tijdig en effectief op het opkomen van (nieuwe) zoonosen ter reageren.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Toekomstige ontwikkelingen in overgewicht - Inschatting effecten op de volksgezondheid | RIVM

Op dit moment heeft 36% van de Nederlanders matig overgewicht en 12% heeft ernstig overgewicht oftewel obesitas. Naar verwachting zullen deze percentages in de toekomst verder gaan stijgen. Overgewicht veroorzaakt veel ziektelast in de Nederlandse bevolking en daarom streeft het kabinet er naar om de verwachte toekomstige stijging tegen te gaan. Het ministerie van VWS vroeg het RIVM om de effecten op de volksgezondheid te schatten van twee mogelijke toekomstige situaties rond overgewicht. In de eerste situatie stijgt het aantal mensen met overgewicht in dezelfde mate verder als in de afgelopen jaren. In 2024 zal dan 41% van de Nederlanders matig overgewicht hebben en 18% heeft obesitas. De gevolgen voor het optreden van ziekten zijn het grootst bij diabetes mellitus type II. Het aantal patienten met diabetes mellitus type II zal in deze 20 jaar toenemen met 64.000, een stijging van 9%, vergeleken met de situatie dat het aantal mensen met overgewicht gelijk blijft. Daarnaast zijn ook de effecten geschat van een tweede toekomstsituatie. Hierbij is aangenomen dat het aantal mensen met overgewicht over 20 jaar gelijk is aan de huidige situatie in de Verenigde Staten. In 2024 heeft dan 35% van de Nederlanders matig overgewicht en 30% heeft obesitas. De gevolgen voor het optreden van ziekten zijn groot. Het aantal patienten met diabetes mellitus type II zal met 135.000 toenemen, een stijging van 19%, vergeleken met de situatie dat het aantal mensen met overgewicht gelijk blijft. Ook het aantal patienten met een myocard infarct, beroerte en heupartrose zal stijgen met enkele procenten. Deze berekeningen schatten de gezondheidswinst van beleid dat gericht is op preventie van overgewicht. Men moet zich realiseren dat bij het modelleren de werkelijkheid wordt vereenvoudigd, en deze resultaten zijn daarom een globale indicatie van de effecten.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Milieu- en gezondheidsonderzoek in de leefomgeving van Van Voorden gieterij te Zaltbommel: samenvatting van de deelonderzoeken | RIVM

Naar aanleiding van onrust bij omwonenden van een metaalgieterij is een onderzoek uitgevoerd om vast te stellen welke stoffen door de metaalgieterij worden uitgestoten en in welke hoeveelheden. Ook is gemeten hoe hoog de concentraties en depositie van deze stoffen in de leefomgeving zijn en wat de gezondheidsrisico's voor de omwonenden zijn als gevolg van blootstelling aan deze stoffen. Daarnaast is met behulp van dagboekjes, vragenlijsten en de kankerregistratie inzicht verkregen in aard, omvang en mate van gezondheidsklachten en hinder bij omwonenden. Het onderzoek is uitgevoerd door het RIVM en de GGD Rivierenland in opdracht van de gemeente Zaltbommel en de VROM Inspectie regio Oost. Conclusie is dat voor bepaalde stoffen die de gieterij emitteert er sprake is van verhoogde blootstelling in de wijk ten opzichte van achtergrondniveaus. Er worden geen gezondheidskundige grenswaarden overschreden. Het aantal borstkankergevallen in de wijk is verhoogd ten opzichte van wat normaal gesproken verwacht kan worden, maar er kan geen verband gelegd worden met omgevingsfactoren. Er is verder geen verhoogd aantal gezondheidsklachten en/of aandoeningen gevonden, maar er is wel sprake van een hoge mate van (geur)hinder, ongerustheid en ontevredenheid bij omwonenden.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Emissieonderzoek bij Van Voorden gieterij BV te Zaltbommel | RIVM

Bij het bedrijf Van Voorden Gieterij BV in Zaltbommel zijn emissiemetingen uitgevoerd. Deze metingen maken deel uit van een onderzoek naar de blootstelling van omwonenden aan stoffen, die door de gieterij worden geemitteerd, en naar de gezondheidsklachten en hinder van omwonenden. Het doel van de emissiemetingen was vast te stellen welke stoffen door het bedrijf worden uitgestoten en te bepalen hoeveel van elke stof wordt ge6mitteerd. De resultaten van deze metingen zijn met name van belang voor vervolgonderzoek in de leefomgeving. Uit het emissieonderzoek is gebleken dat het bedrijf de volgende stoffen in relatief hoge mate uitstoot: stof, respirabel kwarts, metalen (waaronder chroom, koper, mangaan, kobalt, nikkel, lood en zink), formaldehyde, isopropanol, benzeen, tolueen en andere vluchtige organische componenten en zwavelhoudende verbindingen, waaronder waterstofsulfide, carbonylsulfide en zwaveldioxide. De meeste van deze stoffen konden in verband worden gebracht met de bij de processen gebruikte grond- en hulpstoffen, met reacties tijdens de bedrijfsprocessen of met het bewerken (slijpen en afbramen) van gietstukken. De resultaten blijken goed overeen te komen met die van twee eerder verrichte emissieonderzoeken bij het bedrijf.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Immissie-, gewas en depositieonderzoek in de omgeving Van Voorden Gieterij BV te Zaltbommel | RIVM

In de leefomgeving rond het bedrijf Van Voorden Gieterij BV in Zaltbommel is een immissieonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek maakt deel uit van een studie naar de blootstelling van omwonenden aan stoffen, die door de gieterij worden geemitteerd, en naar de gezondheidsklachten en hinder van omwonenden. Het immissieonderzoek bestond uit metingen van de concentraties aan schadelijke stoffen in de lucht, bepaling van de depositie aan stof en metalen en analyses van gras- en bodemmonsters uit de omgeving van het bedrijf. Uit de resultaten blijkt dat op werkdagen benedenwinds van het bedrijf verhoogde concentraties aan schadelijke stoffen in de lucht voorkomen, met piekwaarden tot 10 a 50-maal het achtergrondniveau. Ook kan er geurhinder optreden, met name in de winterperiode. De gemiddelde luchtkwaliteit in de omgeving van het bedrijf ligt op het niveau in regionale en onbelaste stedelijke gebieden, behalve voor isopropylalcohol en metalen, waarvan de gemiddelde concentraties een factor 2 tot 5 boven het achtergrondniveau liggen. Ook de depositie aan metalen in de omgeving van het bedrijf is verhoogd en in grasmonsters uit de omgeving zijn verhoogde gehalten van enkele metalen gevonden. De blootstelling van omwonenden door inademing van stoffen in de lucht ligt onder de gezondheidskundige grenswaarden. De orale blootstelling aan metalen ligt onder de Toelaatbare Dagelijkse Inname, mits er geen intensieve consumptie van zelf gekweekte gewassen plaatsvindt ('dagelijks eten uit eigen tuin'). Intensief consumeren van zelf gekweekte gewassen geeft een risico op te hoge blootstelling aan lood en barium, met name voor zeer jonge kinderen.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Monitoring of Greenhouse Gases in the Netherlands: uncertainty and priorities for improvement ; Proceedings of a national workshop held in Bilthoven, 1 September 1999 | RIVM

Op 1 September 1999 is een workshop gehouden om het zgn. nationale systeem voor monitoring van broeikasgasemissies in Nederland te verbeteren. Het verslag bevat de discussiepapers, presentaties van sprekers, verslagen van de discussiesessies en de conclusies. Deze workshop werd georganiseerd om het nationale systeem te verbeteren en de informatie die in dit kader verzameld is in het Engels beschikbaar te maken. Startpunt was de monitoring van het effect van de implementatie van reductiemaatregelen in het licht van de onzekerheden in de emissies. De huidige monitoringactiviteiten hebben geresulteerd in redelijk nauwkeurige emissie-inventarisaties en de emissieschattingen, berekeningsmethodieken en werkprocessen zijn redelijk goed beschreven. Niettemin kan geconcludeerd worden dat een systematische evaluatie en documentatie van procedures, methoden en data kan leiden tot een efficienter proces van emissiecompilatie en een kwantitatief betere emissie-inventarisatie voor broeikasgassen. De doelen werden op de workshop als volgt uitgewerkt: (1) Per doelgroep: Overzicht maken van de mogelijkheden voor kwantitatieve analyse van de onderheden in de emissieberekeningen. Inschatting van alle relevante onzekerheden in emissies per sector; (2) Per doelgroep: Mogelijkheden vaststellen voor verbetering van de monitoring van emissiereducties; (3) Expertise voor vervolg-onderzoek: Overzicht van instituten die met name geschikt zijn voor uitvoering van vervolgponderzoek naar verkleining van onzekerheden in broeikasgasemissies; (4) Wie, wat, wanneer: Prioritering wat het beste wanneer en door wie kan worden gedaan om de onzekerheden in Nederlandse broeikasgasemissies te reduceren; (5) Actieplan. Een plan van aanpak per doelgroep om bovenstaande doelen verder uit te werken.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Ervaringen met bijwerkingen van de eenmalige Meningokokken C vaccinatie-campagne in 2002. Meldingen bij gestimuleerde passieve veiligheidsbewaking | RIVM

De landelijke meningokokken C-vaccinatiecampagne in 2002 werd intensief bewaakt op veiligheid door het RIVM. De meldgraad van postvaccinale verschijnselen was hoog (5,1/10.000 of 1/1960 vaccinaties) met grote bereidheid tot melden van de GGD-en. Een zeer klein deel van de meldingen betrof ernstige ziektebeelden (105); 41 hiervan waren als bijwerking van de vaccinatie te beschouwen en de overige ernstige ziektebeelden werden door iets anders veroorzaakt. Deze gevoelige bijwerkingenbewaking heeft bevestigd dat de landelijke MenC-campagne veilig was.Van totaal 1512 meldingen betrof het overgrote deel niet-ernstige verschijnselen (1407), met in 62% een oorzakelijke relatie met de vaccinatie. Dit percentage varieerde van 34% bij gemelde huidverschijnselen tot boven 96% bij flauwtes en lokale reacties. Bij de 41 gemelde ernstige bijwerkingen betrof het 17 kinderen met heftige lokale reacties, 3 stuipen bij koorts, 7 atypische aanvallen en 14 kinderen met zeer hoge koorts (>40,5oC). Al deze kinderen herstelden volledig. De overige meldingen met een ernstig ziektebeeld (61) hadden een andere oorzaak voor de klachten. Hier was sprake van toevallige samenloop. Bij 3 meldingen miste de noodzakelijke informatie voor beoordeling.De bijwerkingen vallen in het niet bij de grote aantallen vaccinaties tijdens de campagne (bijna 3 miljoen vaccinaties bij kinderen van 1 tot 19 jaar). Dit wordt verder geaccentueerd door het grote effect van deze MenC-campagne met zeer sterke reductie van het aantal opgetreden ziektegevallen en tot op heden nog geen enkel geval van vaccinfalen.De MenC-campagne van 2002 kan daarmee tot een zeer veilige en uitermate effectieve interventie worden gerekend.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Ons eten gemeten. Gezonde voeding en veilig voedsel in Nederland | RIVM

Ons voedsel is veiliger dan ooit, maar Nederlanders eten te veel en verkeerd. Hierdoor wordt aanzienlijk gezondheidsverlies geleden en leven we gemiddeld twee jaar korter. Dat zijn enkele belangrijke conclusies uit het rapport "Ons eten gemeten". Dit rapport geeft voor de eerste keer in Nederland een totaaloverzicht van de beschikbare kennis op het gebied van de voedselconsumptie, de voedselveiligheid, en de gevolgen voor de gezondheid op lange termijn.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Outstanding environmental issues. A review of the EU's environmental agenda | RIVM

Het rapport evalueert de toestand van het Europese milieu en de effectiviteit van het Europese milieubeleid. Het rapport bevat hoofdstukken over: De kwaliteit van groei; klimaatverandering en energie, grondstoffen en verspilling, natuur en biodiversiteit, volksgezondheid en milieu; de Europese burger en het milieu. Het rapport concludeert dat het Europese milieubeleid van de afgelopen decennia heeft geleid tot investeringen in de economie waarvan ook de gezondheid van mensen en de natuur geprofiteerd hebben. Toch blijft het milieu in Europa om aandacht vragen. Dit geldt in het bijzonder voor de klimaatverandering, het verlies aan natuur en de luchtvervuiling in stedelijke gebieden. Implementatie en handhaving van bestaand EU-beleid in de lidstaten kan nog veel milieu- en natuurwinst opleveren. Om de Europese milieudoelen te halen, zal nieuw beleid zich moeten richten op de stimulering van schone en energiezuinige technieken. Daarnaast is een betere afstemming van de Europese financiering voor landbouwproductie en natuurbeheer nodig. De belangrijkste uitdaging voor het Europese milieubeleid blijft het opnemen van milieu- en natuurbescherming in de prijzen van producten.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Optiedocument Verkeersemissies: effecten van maatregelen op verzuring en klimaatverandering | RIVM

De Nederlandse overheid moet de komende jaren extra milieumaatregelen nemen om aan internationale afspraken en verdragen zoals de NEC-richtlijn en het Kyoto-verdrag te kunnen voldoen. Het ministerie VROM heeft in overleg met de sector verkeer en vervoer een groslijst met 136 mogelijke opties opgesteld en aan het MNP-RIVM en het onderzoeks-bureau CE gevraagd de kosten, de effecten op emissies en de kosten-effectiviteit van deze opties uit te rekenen. Verder heeft VROM het MNP-RIVM verzocht om een actualisatie te doen van de in 2002 door het MNP-RIVM uitgevoerde Referentieraming 2010 voor de sector verkeer en vervoer. Dit omdat sindsdien politieke overeenstemming is bereikt over nieuw toekomstig beleid dat invloed heeft op de emissies in 2010. Een tweede reden om een actualisatie van de emissieraming uit te voeren zijn de recente inzichten dat de praktijkemissies van met name nieuwere vrachtauto's aanzienlijk hoger bleken te zijn. Bovendien speelde mee dat tot op heden gehanteerde definitie van 'Nederlandse emissies' niet conform de NEC-richtlijn was. Dit is in de nieuwe emissieraming gecorrigeerd. Het voorliggende optiedocument maakt het voor beleidsmakers mogelijk een selectie te maken van de meest kosten-effectieve opties. De eventueel gekozen opties moeten nog wel aan een nauwkeurigere kosten- en effectenanalyse worden onderworpen alvorens te worden geimplementeerd. Van alle opties is zover mogelijk de mate van emissiereductie geanalyseerd voor de stoffen: kooldioxide (CO2), stikstofoxiden (NOx), fijn stof (PM10), vluchtige organische stoffen (VOS) en zwaveldioxide (SO2). Daarnaast zijn enkele beleidsopties geanalyseerd om te komen tot verdere geluidreductie in verkeer en tot het halen van luchtkwaliteitseisen rond drukke wegen. Vooral prijsmaatregelen blijken vanuit oogpunt van emissiereductie effectief en hebben tevens een gunstige tot redelijke kosteneffectiviteit. Voorbeelden van dergelijke opties zijn: 1) heffingen doorvoeren op het gebruik van relatief vervuilende binnenschepen en vrachtwagens; 2) een 'cocktail' aan veranderingen doorvoeren in het belastingregime van personenauto's en in de brandstofaccijnzen op zodanige wijze dat de automobilist meer gaat betalen naarmate hij/zij keuzes maakt die het milieu meer vervuilen; 3) het invoeren van een kilometerheffing voor wegverkeer. Relatief hoge geluidsreducties kan de overheid bereiken door zo stil mogelijke wegdekken toe te passen en een heffing op te leggen aan het gebruik van lawaaiige banden (dan wel het gebruik van geluidarme banden te stimuleren). Deze opties zijn technisch en organisatorisch reeds haalbaar.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Kwaliteit van grond- en oppervlaktewater in het project Telen met Toekomst, 2002 | RIVM

In Telen met Toekomst (TmT) werken agrarische ondernemers, samen met adviseurs en onderzoekers, aan duurzame bedrijfssystemen voor akkerbouw, vollegrondsgroenteteelt, bloembollen en boomteelt. In 2002 heeft het RIVM voor het eerst systematisch waterkwaliteitsmetingen verricht op de deelnemende bedrijven. De resultaten van deze metingen worden in dit rapport gepresenteerd en besproken. Hierbij wordt vooral gekeken naar de concentraties van verschillende vormen van stikstof en fosfaat en de verbanden met landgebruik en omgevingsfactoren. De bedrijfsgemiddelde nitraatconcentratie in het grondwater (of bodemvocht) was op 15 van de 37 onderzochte bedrijven lager dan de grenswaarde van 50 mg/l (als NO3). Het grondwater bij de akkerbouwers-op-klei en de bollentelers vertoont de laagste nitraatconcentraties in vergelijking met de andere sectoren. De volle-gronds-groente-telers springen er uit met de hoogste waarden, gevolgd door de boom-telers. Deze verschillen kunnen deels verklaard worden door omgevingsspecifieke factoren. Bedrijven op 'natte' gronden, waaronder alle bollentelers en akkerbouwers-op-klei, vertonen lagere concentraties dan bedrijven op van nature goedgedraineerde gronden met een diepe grondwaterstand. Echter, ook onder ogenschijnlijk vergelijk-bare omstandigheden vertoont het grondwater van de bedrijven in de vollegronds-groenteteelt in het algemeen hogere nitraatconcentraties dan bij de akkerbouwers op zand. Voor wat betreft P in het grondwater, springen de bollentelers er duidelijk uit met de hoogste concentraties (gemiddeld totaal-P = 7,4 mg/l), gevolgd door de akkerbouwers-op-klei (gemiddeld 0,61 mg/l) en enkele akkerbouwers-op-zand. De belangrijkste factoren die verantwoordelijk lijken te zijn voor de hoge fosfaatconcentraties in het grondwater van de bollentelers zijn het geringe fosfaatvastleggend vermogen van de betreffende duingronden; de hoge fosfaatoverschotten (met name in het verleden); de hoge grondwaterstand en de diepe grondbewerking. Het bemonsterde slootwater voldeed op geen enkel van de 5 akkerbouw-op-klei- en 3 bollen-bedrijven aan de TmT-doelstelling voor totaal-N in oppervlaktewater (2,2 mg/l). Voor wat betreft totaal-P voldeed het slootwater op 3 van de akkerbouw-op-klei bedrijven maar op geen van de bollen-bedrijven aan de doelstelling van 0,15 mg/l. Het is echter de vraag in hoeverre deze doelstellingen voor elk van de bedrijven van toepassing zijn. Verschillen tussen grond-, drain- en slootwater lijken vooral te maken te hebben met de periode van bemonsteren en de verblijftijd in de bodem van het betreffende water.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Inschatting effecten van openbaar gezondheidsbeleid gericht op roken. Scenario analyses totale bevolking en laag opgeleiden | RIVM

Roken veroorzaakt veel ziekte in de Nederlandse bevolking. Het is bekend dat mensen met een lage opleiding vaker roken dan mensen met een hoge opleiding. Een van de doelen van het kabinet is het terugbrengen van het aantal rokers. Als dit lukt dan zullen de ziektes die door roken veroorzaakt worden in de toekomst minder vaak voorkomen. Het ministerie van VWS heeft het RIVM gevraagd om de gezondheidseffecten te schatten van de situatie waarbij het aantal rokers daalt met 2 procentpunt over een periode van drie jaar. Dit betekent dat ongeveer 250.000 mensen stoppen met roken. Vergeleken met de situatie waarbij het aantal rokers over die periode gelijk blijft, zal het aantal sterfgevallen in 2014 met 0,2% gedaald zijn, het aantal longkankerpatienten met 1,5% en het aantal hart- en vaatziekten- en COPD patienten met maximaal 0,5%. Een kleine daling in het aantal rokers leidt dus al tot een geringe daling in sterfte en rookgerelateerde ziektes op bevolkingsniveau. Daarnaast is door het ministerie van VWS gevraagd om na te gaan wat de situatie zou zijn als laag opgeleiden hetzelfde rookgedrag zouden vertonen als hoog opgeleiden. Het verschil in levensverwachting tussen hoog en laag opgeleiden zou in dit geval bij de mannen afnemen van 5,1 naar 3,6 jaar en bij de vrouwen van 2,7 naar 2,1 jaar. Een belangrijke conclusie is dat theoretisch gezien het huidige verschil in levensverwachting met maximaal 35% wordt verkleind als laag opgeleiden hetzelfde zouden roken als hoog opgeleiden. Deze situatie is echter niet realistisch en dit effect is in de praktijk niet haalbaar. Wel geeft de berekening inzicht in de omvang van het verschil in levensverwachting tussen hoog en laag opgeleiden dat aan verschil in rookgedrag toe te schrijven is. Men moet zich echter realiseren dat bij het modelleren de werkelijkheid vereenvoudigd wordt, en de resultaten moeten daarom gezien worden als een globale indicatie van de effecten.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Inventory of biomarkers for oxidative stress | RIVM

Deze inventarisatie is geschreven als product van het project 'Vermindering van onzekerheden in causale relaties tussen inhalatoire blootstelling en gezondheidseffecten', welke wordt uitgevoerd in het kader van het strategisch onderzoek Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). Dit project richt zich op reductie van onzekerheden in de causale relaties tussen inhalatoire blootstelling en gezondheidseffecten met behulp van dierexperimenteel onderzoek. De onderliggende vraag hierbij is of de gezondheidseffecten ten gevolge van luchtverontreiniging veroorzaakt worden door oxidatieve stress.Oxidatieve stress kan enerzijds ontstaan door verhoogde blootstelling aan reactieve zuurstofdeeltjes of anderzijds door verlaging van antioxidantia. In beide gevallen kan dit resulteren in schade aan macromoleculen (eiwitten, lipiden en DNA). Biomarkers voor oxidatieve stress welke binnen het project van belang kunnen zijn, zijn: carbonyl niveaus als maat voor geoxideerde eiwitten, 'thiobarbituric acid-reactive substances' als maat voor lipide oxidatie en 8-hydroxy-deoxyguanosine als maat voor oxidatieve schade aan DNA. In de antioxidant respons kunnen, superoxide dismutase, heemoxygenase, metallothioneins, thioredoxine reductase en glutathion als waardevolle markers fungeren.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Voortgangsrapportage 2003, Lokale en Nationale Monitor Volksgezondheid | RIVM

In 2002 is het project "Lokale en Nationale Monitor Volksgezondheid" (Monitor VGZ) van start gegaan. Het project is een samenwerking tussen GGD'en, het RIVM en GGD Nederland. Met dit project wordt een basis gelegd voor continue monitoring van de belangrijkste indicatoren van de gezondheid op lokaal en landelijk niveau. Het project is erop gericht de lokale gegevensverzamelingen die plaatsvinden bij GGD'en, op elkaar af te stemmen zodat na samenvoeging een nationaal beeld kan worden verkregen. Gegevens uit diverse regio's kunnen dan tevens onderling vergeleken worden, en de vergelijking met landelijke referentiecijfers behoort tot de mogelijkheden. In deze voortgangsrapportage 2003 wordt een beschrijving gegeven van de projectstructuur, van de in 2003 geplande en uitgevoerde activiteiten en van de planning voor 2004. De activiteiten van 2003 hadden vooral betrekking op de ontwikkeling van standaardvraagstellingen en van een ondersteuningsstructuur. De ondersteuningsstructuur is nodig voor het opslaan van de lokaal verzamelde gegevens, het creeren en toegankelijk maken van landelijke referentiecijfers en het ter beschikking stellen van verschillende datasets.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Registratie voedselinfecties en -vergiftigingen bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg en Voedsel en Waren Autoriteit, 2003 | RIVM

In deze rapportage worden de gegevens gepresenteerd van geregistreerde voedselinfecties en voedselvergiftigingen in Nederland in 2003. Bij de vijf regionale diensten van de Keuringsdienst van Waren (KvW) werden in 2003 324 explosies, met 1548 ziektegevallen, en 258 enkele gevallen gemeld. Het totaal aantal meldingen was met 582 vergelijkbaar met 2002 (585). Bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) werden 130 meldingen gedaan, 86 explosies en 64 patienten werkzaam in de zorg of levensmiddelen-sector. Ook hier was het aantal vergelijkbaar met 2002. Bij de KvW werd voor 13% een mogelijke oorzaak gevonden. Bacillus cereus (4,1%) werd daarbij het meest frequent gezien, gevolgd door Salmonella (1,3%). Alhoewel slechts bij een melding norovirus werd gevonden, werd indirect geschat dat ruim 8% viraal van oorsprong was. Bij IGZ werd voor 80% van de explosies een verwekker aangegeven. Salmonella was de meest gevonden verwekker (41%), gevolgd door norovirus (23%) en Campylobacter (12%). Voor norovirus is het relatieve belang als verwekker sinds 2000 duidelijk toegenomen door toenemende diagnostiek. Het hoge voorkomen in 2003 is echter mede het gevolg van de verspreiding van een nieuwe 'emerging' variant van dit virus in Europa in het seizoen 2002/2003. Voor Campylobacter werd in 2003 een afname gezien ten opzichte van 2002, wat overeenkomt met de daling in diagnoses in de laboratoriumsurveillance. De gelijktijdige toename in laboratoriumdiagnoses voor Salmonella Enteritidis als gevolg van de import van relatief hoog-besmette eieren tijdens de vogelpestepidemie wordt daarentegen niet teruggezien bij IGZ of de KvW. Dit betekent dat de registraties voor voedsel-explosies relatief ongevoelig zijn voor epidemische verheffingen.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

What if the Russians don't ratify? | RIVM

Ratificatie van het Kyoto Protocol (KP) door Rusland, noodzakelijk voor de inwerkingtreding van het Kyoto Protocol, is nog steeds onzeker. Dit rapport evalueert een aantal opties voor behoud van het KP in het geval Rusland niet (op afzienbare termijn) ratificeert. Het rapport laat zien dat de milieu-effectiviteit van sommige alternatieven beter is dan het huidige KP door de hoeveelheid surplus emissieruimte (hot air) die wordt vermeden als Rusland niet ratificeert. Tegelijkertijd leiden sommige alternatieven tot meer inkomsten uit CDM (Clean Development Mechanisms) voor ontwikkelingslanden, zonder dat dit resulteert in veel hogere kosten voor de (deelnemende) industrielanden. Echter, in alle gevallen vormen de juridische en practische problemen die samenhangen met het opzetten van een alternatief juridische raamwerk of amendering van het KP, een groot obstakel voor het behouden van het KP zonder Rusland. De beste manier om Russische ratificatie te bewerkstelligen lijkt het benadrukken van de politieke en economische voordelen van ratificatie en - zo nodig - ratificatie te koppelen aan andere vraagstukken zoals toetreding van Rusland tot de wereldhandelsorganisatie. Middels de betrokkenheid van beleidsmakers op het hoogste niveau (staatshoofden) kan dan wellicht tot een politieke deal worden gekomen.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

The Atmosphere-Ocean System of IMAGE 2.2. A global model approach for atmospheric concentrations, and climate and sea level projections | RIVM

Dit rapport beschrijft de technische achtergrond van het atmosfeer-oceaan systeem van het IMAGE-model (Integrated Model to Assess the Global Environment). Het atmosfeer-oceaan systeem van IMAGE modelleert de atmosferische concentraties van de meest belangrijke broeikasgassen en de directe en indirecte effecten van die gassen op de stralingsbalans. Deze submodellen zijn gebaseerd op state-of-the-art benaderingen van meer complexe modellen, zoals gepubliceerd in de Third Assessment Report van het IPCC (Intergovernmental Panel on Climate Change). Dit geldt ook voor het eenvoudige klimaatmodel, wat in dit rapport wordt beschreven en wat de mondiaal gemiddelde klimaatverandering en zeespiegelstijging berekent. Naast de belangrijkste kenmerken van de submodellen, wordt ook de meest relevante wetenschappelijke achtergrond geschetst. Eveneens worden voor een aantal mondiale indicatoren de resultaten vergeleken met observaties en resultaten van meer complexe modellen en wordt aangetoond voor deze indicatoren dat het atmosfeer-oceaan systeem in de periode 1970 - 1995 goed benadert. Elk hoofdstuk wordt afgesloten met projecties tot 2100 volgens de SRES scenario's van het IPCC, zoals die door het IMAGE team in 2001 zijn gepubliceerd.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

De helixtest in de praktijk | RIVM

Om na te gaan in hoeverre de autoclaven op de centrale sterilisatie afdelingen in de Nederlandse ziekenhuizen in staat zijn om de helixtest conform Europese norm EN867-5 tot een positief resultaat te brengen is een praktijkonderzoek uitgevoerd in 20 ziekenhuizen. In totaal zijn 476 testresultaten verkregen, waarvan slechts 59% positief was. Na analyse van de testresultaten blijkt de uitslag van de testhelixen bepaald te worden door het type testhelix, het type lading waarin de testhelix wordt toegevoegd en het type sterilisatieproces. Twee van de vier typen testhelixen geven minder vaak een positief testresultaat. Alle typen testhelixen komen minder vaak tot een positief resultaat indien ze worden opgenomen in een testlading. Een licht instrumentennet met een massa van 2 kg bleek in dit kader het meest kritisch te zijn. Het type sterilisatieproces waarin gebruikt wordt gemaakt van de 'klassieke' ontluchtingsfase, bestaande uit drie diepe vacuumpulsen afgewisseld met stoompulsen, blijkt een significant beter resultaat te geven dan andere type sterilisatieprocessen. De helixtest kan een waardevolle bijdrage leveren aan de optimalisatie van het sterilisatieproces en de stoomkwaliteit ten behoeve van de sterilisatie van holle instrumenten. Het rapport geeft informatie en aanbevelingen om tot implementatie van de helixtest te komen.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Beoordelingskader Gezondheid en Milieu: GSM-basisstations, Legionella, radon, fijn stof en geluid door wegverkeer | RIVM

In mei 2002 hebben de ministeries van VROM en VWS het Actieprogramma Gezondheid en Milieu gepresenteerd. Daarin was opgenomen een ontwerp van het Beoordelingskader Gezondheid en Milieu, een instrument dat factoren in beeld brengt die belangrijk zijn bij beleids-beslissingen over milieuproblemen met gezondheids-aspecten. Het gaat daarbij niet alleen om ernst en omvang van de gezondheidseffecten, maar ook om risico-perceptie, kosten-baten analyses en handhavingsaspecten. In het daaropvolgende rapport, RIVM-rapport 609026003 (2003), werd aannemelijk gemaakt dat voor dit beoordelingskader de juiste uitgangspunten zijn gekozen. Tevens werden daarin de eerste ervaringen met het gebruik in de praktijk verwerkt. In het huidige rapport is het beoordelingskader toegepast voor de onderwerpen: Legionella, straling in het binnenmilieu, GSM-basisstations, fijn stof en geluid door wegverkeer. Het ministerie van VROM heeft de resultaten van de rapporten gebruikt om het beleid voor de onderwerpen hoogspanningslijnen, GSM-basisstations en radon te concretiseren. Ondanks kinderziekten, waaronder het nagenoeg ontbreken van gegevens over kosteneffectiviteit, mag worden geconcludeerd dat het beoordelingskader de discussie op het ministerie, hoe om te gaan met risico's, heeft gefaciliteerd.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Emissies en doses door bronnen van ioniserende straling in Nederland - Jaarrapport 2003 'Beleidsmonitoring straling' | RIVM

De uitstoot van radioactieve stoffen door Nederlandse ondernemingen is de laatste jaren fors afgenomen, vooral door de sluiting van twee erts en grondstof verwerkende bedrijven uit de procesindustrie. De procesindustrie blijft echter verantwoordelijk voor de grootste industriele bijdrage aan de gemiddelde stralingsbelasting in Nederland, beduidend groter dan die door de nucleaire industrie en ziekenhuizen. Bij activiteiten waarbij straling en radioactieve stoffen worden gebruikt voor het controleren van bijvoorbeeld lasnaden of bedrijfsprocessen, het niet-destructief onderzoek, zou vooral bij een beperkte terreingrootte de dosis per opname groter kunnen zijn dan in het Besluit Stralingsbescherming is verondersteld. In de praktijk zou daardoor een lokale overschrijding van de dosislimiet kunnen optreden. Werknemers die gemiddeld blootstaan aan een stralingsdosis boven de 1 milliSievert per jaar zijn te vinden in de sectoren: interventie rontgenologie, nucleaire toepassingen, niet-destructief onderzoek met mobiele opstellingen, isotopenproductie voor bijvoorbeeld radiofarmaca en de luchtvaart.Het RIVM maakt jaarlijks voor het ministerie van VROM een inventarisatie van de stralingsbelasting die het menselijk handelen toevoegt aan de achtergrondstraling. Dit rapport beschrijft deze toegevoegde stralingsbelasting over de afgelopen 10 jaar in relatie tot het gevoerde stralingsbeschermingsbeleid en de handhaving. Voor het eerst zijn dit jaar ook gegevens over de beroepsmatige blootstelling aan straling opgenomen. NRG heeft in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid hierover een hoofdstuk geschreven.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Risk assessment of fumonisin B1 in the Netherlands | RIVM

Fumonisine B1 is een mycotoxine, dat kan worden gevormd door bepaalde Fusarium schimmels. Het toxine wordt vooral in mais (-producten) aangetroffen, maar het kan ook voorkomen in tarwe (-producten). De inname van fumonisine B1 in de Nederlandse populatie is geschat door fumonisine B1 concentraties in voedingsmiddelen te combineren met voedselconsumptiegegevens. Uit de (beperkte) gegevens bleek dat tarwe de belangrijkste innamebron (73%) is van fumonisine B1. De 99e percentielwaarde (0,38 ug/kg lichaamsgewicht/dag bij een "worst case scenario") is veel lager dan de toelaatbare inname (2 ug/kg lichaamsgewicht/dag). Daarom vormt de huidige inname van fumonisine B1 in Nederland geen merkbaar gezondheidsrisico.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Transgenic mice as alternatives in carcinogenicity testing: current status | RIVM

Nieuwe chemische stoffen en geneesmiddelen worden continu ontwikkeld. Voordat deze agentia worden toegelaten, moeten ze getest worden op mogelijke schadelijke effecten voor de mens in een panel van toxiciteits testen. De test die wordt voorgeschreven om stoffen te identificeren die kanker veroorzaken is de 'chronische bioassay'. In deze chronische bioassay worden ratten en muizen hun leven lang blootgesteld aan de te testen stof, waarna gekeken wordt of de dieren tumoren ontwikkelen. Inmiddels is echter duidelijk geworden dat aan deze test nogal wat nadelen kleven. Er worden grote hoeveelheden dieren gebruikt (>1000 per stof), de testen duren erg lang (3 tot 5 jaar) en zijn als een gevolg hiervan erg duur. Verder worden in de bioassay veel vals-positieve resultaten gevonden, vermoedelijk omdat langdurig extreem hoge doseringen worden gebruikt. Dergelijke stoffen worden ten onrechte geidentificeerd als kankerverwekkend, met onnodige gevolgen voor toelating en risico evaluatie. Er is daarom al jaren dringend behoefte aan alternatieve test systemen, die recent nog meer is toegenomen omdat door de invoering van het REACH systeem grote hoeveelheden toxiciteits testen zullen moeten worden uitgevoerd. Een alternatieve test zal de kankerverwekkende eigenschap van een stof met minder dieren, in kortere tijd en met een hogere betrouwbaarheid moeten kunnen vaststellen, om het testen van naar schatting duizenden stoffen mogelijk te maken voor REACH. Een potentieel bruikbaar alternatief zijn transgene muizen met modificaties in genen betrokken bij het ontstaan van kanker. Verschillende transgene muismodellen zijn inmiddels geevalueerd als alternatief voor de chronische bioassay, en de eerste resultaten zijn bemoedigend. Transgene muismodellen bleken goed in staat te discrimineren tussen kankerverwekkende- en niet-kankerverwekkende stoffen, met een enorme reductie van het aantal vals-positieve stoffen. Bovendien bleek dit mogelijk met 3 tot 4 keer minder dieren in een 3 keer kortere tijdsduur. Nadeel van de transgene muismodellen is echter het incidenteel voorkomen van vals-negatieve resultaten. Een combinatie van een chronische bioassay met ratten met een kortdurende carcinogeniteits assay met transgene muizen elimineert deze vals-negatieve resultaten volledig, bovendien kunnen kankerverwekkende en niet-kankerverwekkende stoffen met een zeer hoge nauwkeurigheid (85% correct) geidentificeerd worden. In vergelijking met de nauwkeurigheid (69%) van de huidige test strategie (twee chronische bioassays) is dit een aanzienlijke verbetering, en toepassing van deze combinatie lijkt daarom op dit moment de beste strategie om kankerverwekkende stoffen te identificeren. De genoemde voordelen van transgene muismodellen hebben er inmiddels toe geleid dat de FDA en de EMEA/CPMP de combinatie van een chronische bioassay met ratten en een test met transgene muizen accepteren als reguliere testmethode voor geneesmiddelen. De tot nu toe gebruikte tweede chronische bioassay met muizen komt hierbij te vervallen. Echter, voor een bredere toepassing van transgene muismodellen in reguliere carcinogeniteitstesten zal een uitgebreidere evaluatie met meer stoffen en nieuw ontwikkelde transgene modellen moeten worden uitgevoerd, met de focus op modellen die geen vals-negatieve resultaten meer laten zien.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Simplified Multi-Stage and Per Capita Convergence: an analysis of two climate regimes for differentiation of commitments | RIVM

Dit rapport beschrijft een analyse van twee post-Kyoto regimes voor lastenverdeling in het internationale klimaatbeleid: 1. de Multi-stage benadering, waarbij landen op grond van hoofdelijk inkomen en emissies worden ingedeeld in groepen met verschillende typen van doelstellingen (stadia). 2. de Per Capita Convergentie benadering, waarbij voor alle landen de emissierechten worden gedefinieerd op basis van een convergentie van hoofdelijke emissie ruimte. Dit is gedaan met behulp van twee mondiale emissieprofielen voor broeikasgassen die resulteren in een stabilisatie van de CO2 equivalente concentratie op een niveau van respectievelijk ongeveer 550 en 650 ppmv (S550e en S650e profielen). De reductie doelstellingen van Annex I landen voor S550e liggen in 2025 tussen de 25-50% onder het 1990 niveau en in 2050 70-85%. Voor S650e varieren deze doelstellingen van een 10% toename tot een 25% reductie in 2025 en een 40-60% reductie in 2050. De resultaten voor niet-Annex I regios laten in de regel een diverser beeld zien voor verschillende regimes, stabilisatie doelen, regio's en tijdsperiodes. Naast de kwantitatieve analyse is op basis van een multi-criteria analyse ook een kwalitatieve beoordeling gemaakt van de sterke en zwakke kanten van de verschillende Multi-Stage en Per Capita Convergentie varianten. De analyse laat ook zien waar de belangrijkste obstakels en condities liggen voor een mogelijke uitvoerbaarheid en aanvaardbaarheid van dergelijk post-Kyoto klimaatbeleid.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Gezondheidsaspecten van Legionella in water | RIVM

Legionella pneumophila is een veroorzaker van ernstige longontsteking bij mensen. Legionella bacterien blijken overal in waterige milieus aanwezig te zijn. Met name in kunstmatige waterige milieus kunnen mensen blootgesteld worden aan aerosolen waarin Legionella aanwezig is. Dit beknopte overzicht van de huidige stand van het onderzoek naar Legionella geeft aan dat, hoewel vele onderzoeksgroepen Legionella bestuderen, er nog vele vragen over dit complexe pathogeen onbeantwoord blijven. Omdat volledige eliminatie uit alle watersystemen onmogelijk is, dient bescherming van de volksgezondheid er op gericht te zijn het besmettingsrisico zo klein mogelijk te maken door adequate preventieve maatregelen te treffen. Hiervoor is echter kennis vereist omtrent de factoren die resulteren in de vorming van biofilms en die bepalen of Legionella een leidingnet kan koloniseren en zich kan vermenigvuldigen tot voor de volksgezondheid relevante niveaus. Het is bekend dat de aanwezigheid van Legionella in watersystemen niet altijd tot ziekte bij blootgestelde personen leidt. Het is daarom van belang te weten wat de aanwezigheid van Legionella in een leidingsysteem betekent voor de volksgezondheid. De detectiemethode voor Legionella in water, die een slechte specificiteit en gevoeligheid heeft, dient hiertoe geoptimaliseerd te worden. Bovendien dienen Legionella isolaten uit patienten en water vergeleken te worden. Het is duidelijk dat aanvullend onderzoek ter onderbouwing van huidige en toekomstige wetgeving onontbeerlijk is.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Procedure voor virusdetectie in water ten behoeve van het Nederlandse Waterleidingbesluit 2001 | RIVM

In dit rapport wordt een overzicht gegeven van de detectiemethoden voor virussen in water in Nederland. De norm voor drinkwater is vastgesteld in het Nederlandse Waterleidingbesluit op een risico van minder dan een infectie per 10.000 personen per jaar. Om te bepalen of drinkwater aan deze norm voldoet wordt het aantal virussen bepaald in de grondstof waaruit drinkwater wordt geproduceerd en de verwijdering van virussen door zuiveringsprocessen uit deze grondstof. De berekende virusconcentratie kan vervolgens gebruikt worden voor een schatting van het infectierisico. De virussen die zijn opgenomen in het Waterleidingbesluit staan omschreven als (entero)virussen, wat inhoud dat enterovirussen, maar mogelijk ook andere virusgroepen die kritisch zijn voor de drinkwatervoorziening onder het Waterleidingbesluit vallen. Dergelijke virussen zijn rota- en norovirussen, omdat dit de belangrijkste veroorzakers zijn van virale gastro-enteritis in Nederland. De volgende procedure is beschreven voor virusdetectie in watermonsters: Virussen worden uit water geconcentreerd met behulp van filtratie door een negatief geladen membraan, het eluaat wordt verder geconcentreerd met behulp van twee-fasenscheiding voor Reverse Transcriptase-polymerase chain reaction (RT-PCR) en door middel van ultrafiltratie voor celkweek, met behulp van RT-PCR wordt eventueel aanwezig virus in het watermonster gedetecteerd en indien de enterovirus RT-PCR positief is wordt met behulp van celkweek bepaald of infectieus virus aanwezig is. Bacteriofagen worden bepaald in de grondstof en in verschillende stadia van het zuiveringsproces om zo de mate van zuivering te kunnen vaststellen. Voor- en nadelen van de beschreven detectiemethoden zullen worden bediscussieerd. Om de beschreven procedure te optimaliseren zullen aanbevelingen worden gedaan om nieuwe klinische methoden uit de virale diagnostiek te implementeren in de procedure voor virusdetectie in water.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

De bijdrage van leefstijl aan gewichtsstijging bij jong volwassenen | RIVM

In dit rapport gaan we na welke specifieke aspecten van leefstijl verantwoordelijk zijn voor gewichtstijging bij jongvolwassenen. De aard van de leefstijlfactoren die bijdragen aan gewichtstijging verschilt tussen mannen en vrouwen. Het lijkt bijvoorbeeld zo te zijn dat bij mannen het eten van zoute snacks samenhangt met gewichtstijging, terwijl bij vrouwen juist het eten van zoete snacks lijkt samen te hangen met gewichtstijging. Echter, de resultaten van de verschillende studies over de invloed van voeding op gewichtstijging spreken elkaar vaak tegen. Voor lichamelijke activiteit is er iets meer duidelijkheid. Weinig bewegen hangt, met name bij mannen, samen met gewichtstijging. Het is echter niet duidelijk om welke specifieke activiteiten het gaat. Zowel uit literatuurstudie als uit eigen analyses bleek dat jongvolwassenen die gestopt zijn met roken een grotere gewichtstijging hebben. Wij concluderen dat er redelijke tot goede onderbouwing is voor de samenhang tussen leefstijlfactoren en gewichtstijging. Er zijn echter onvoldoende gegevens beschikbaar om dit toe te schrijven aan specifieke aspecten van leefstijl.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Standaardisatie van persoonsdosimetrie bij beroepsmatige blootstelling aan ioniserende straling | RIVM

In opdracht van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is een onderzoek gedaan naar de standaardisatie van persoonsdosimetrie bij beroepsmatige blootstelling aan ioniserende straling. Wettelijk is voorgeschreven dat de effectieve of equivalente doses van blootgestelde werkers moeten worden bepaald. Overeenkomstig de doelstelling van het onderzoek is een overzicht gegeven van mogelijkheden om het meetresultaat van de persoonsdosismeter te vertalen naar een effectieve dosis en vast te leggen in het Nationaal Dosisregistratie en Informatiesysteem (NDRIS). Daarmee is de mogelijkheid gecreeerd de in NDRIS geregistreerde dosis een zo juist mogelijke weergave te laten zijn van de werkelijk ontvangen (effectieve) dosis. Op basis van beschikbare literatuur en door het voorleggen van vragen aan experts op het gebied van stralingsbescherming en werkprotocollen is een viertal beleidsopties voor het eventueel toepassen van een correctiefactor voorgesteld. Een dergelijke correctie zou alleen van toepassing zijn in de medische praktijk en slechts in die gevallen dat een dosismeter op kraaghoogte buiten het loodschort wordt gedragen. Wij bevelen aan om overeenkomstig met de rest van Europa geen correctie op de gemeten dosis toe te passen. Voorts wordt door ons het volgende aanbevolen. Slechts indien de maanddosis of vierwekelijkse dosis een afgeleide grenswaarde van een tiende van de jaardosislimiet overschrijdt zou een herbepaling van de effectieve dosis zijn toegestaan. Dit gebeurt in zeven landen binnen de Europese Unie. Deze herbepaling mag worden uitgevoerd door een daartoe bevoegd lokaal deskundige met een stralingshygiene-diploma (minimaal) niveau 3 werkend onder de verantwoordelijkheid van een niveau 2-stralingsdeskundige. Als de gecorrigeerde waarde duidelijk afwijkt van het gemeten persoonsdosisequivalent dan mag de werkgever een verzoek indienen voor een aanpassing van de dosis in het dosisregistratiesysteem bij de Arbeidsinspectie. Als deze het verzoek honoreert dan dient de gecorrigeerde dosis te worden ingevoerd in NDRIS.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Benchmark en Beleidstoets voor de Drinkwatersector. Indicatoren Waterkwaliteit en Milieu | RIVM

De aanleiding van de studie is het voornemen van de Minister van VROM de benchmark op te nemen in de Waterleidingwet. Deze verplichte benchmark zal bestaan uit vier onderdelen: waterkwaliteit, dienstverlening, milieu en financien. De drinkwatersector voert sinds 1999 op vrijwillige basis een benchmark uit. De informatie in de vrijwillige benchmark over de prestaties op het gebied van waterkwaliteit is eenzijdig. Daarom stelt het RIVM voor het onderdeel waterkwaliteit, behalve een verplichte prestatievergelijking (benchmark) ook een beleidstoets voor. De doelgroep voor de prestatievergelijking zijn alle 'stakeholders' en voor de beleidstoets de rijksoverheid. De waterleidingsector kan de prestatievergelijking zelf uitvoeren. Een onafhankelijke instelling (bijvoorbeeld de Rekenkamer of het RIVM) kan de beleidstoets uitvoeren. Indicatoren voor waterkwaliteit (prestatievergelijking en beleidstoets) en milieu zijn in dit rapport beschreven. Een van de indicatoren voor de prestatievergelijking is de Waterkwaliteitsindex (WKI). De WKI is een getal, gebaseerd op drinkwaterkwaliteitsgegevens, waarmee op een hoog abstractieniveau de waardering van de drinkwaterkwaliteit tussen de waterleidingbedrijven wordt vergeleken. De WKI die de bedrijfstak gebruikt in de vrijwillige benchmark is geevalueerd. Het RIVM doet naar aanleiding hiervan voorstellen voor veranderingen van de WKI. Het RIVM heeft samen met de VEWIN de voorstellen uitgewerkt tot een operationele WKI 'nieuwe stijl'. Voor het onderdeel milieu van de prestatievergelijking is de milieu-Levenscyclusanalyse (m-LCA) goed toepasbaar, maar er mist een goede indicator voor het onderwerp verdroging. Verdroging als gevolg van grondwaterwinning is het belangrijkste onderwerp als het om de mileubelasting van de sector gaat. De milieubelasting van de drinkwatersector vergeleken met andere netwerksectoren is relatief gering. Het belangrijkste onderwerp van de milieubelasting maakt geen deel uit van de m-LCA. Daarom is het de vraag of het zinvol is dit relatief complexe instrument in te zetten voor de verplichte benchmark. Wellicht kan worden volstaan met indicatoren voor de meest relevante onderwerpen namelijk: verdroging/vernatting; energieverbruik; milieuvriendelijke energieverbruik en hergebruik van afvalstoffen. De overige indicatoren voor de prestatievergelijking en de beleidstoetsing zijn in dit rapport op hoofdlijnen weergegeven. Nadere uitwerking zal in een vervolgopdracht plaatsvinden.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Inschatting effecten van gezondheidsbeleid gericht op bewegen. Scenario analyses in de totale bevolking | RIVM

Het kabinet wil een gezonde leefstijl bevorderen en daarbij hoort het stimuleren van bewegen. Tijdens de aanloop naar de kabinetsnota 'Langer gezond leven' was sprake van een beleidsdoel om het aantal zeer inactieve Nederlanders te verlagen met 4 procentpunt en het aantal Nederlanders dat voldoende beweegt te verhogen met 10 procentpunt. Dit betekent dat ruim 1.800.000 mensen meer moeten gaan bewegen. Dit beleidsdoel staat in de eerdere nota 'Sport, bewegen en gezondheid' uit 2001. Het ministerie van VWS verzocht het RIVM om de effecten op de gezondheid te schatten wanneer dit beleidsdoel inderdaad gehaald zou worden. Het beleidsdoel is hiertoe vertaald naar een toekomstscenario, oftewel het doelscenario, waarvan de effecten worden geschat met een wiskundig model. In vergelijking met de situatie waarbij het beweeggedrag van de Nederlanders gelijk blijft, zal bij het doelscenario de totale sterfte 2,3% lager zijn in 2014, en het aantal mensen met een myocard infarct, beroerte, diabetes mellitus type II en colonkanker is dan gedaald met 1,0 tot 2,4%. De effecten zijn nog groter na 20 jaar en blijven tenminste 30 jaar bestaan. In totaal zullen gedurende 20 jaar ruim 48.000 mensen minder overlijden (1,6%), en worden ongeveer 30.000 myocard infarcten (3,0%), 28.000 beroertes (3,5%), 27.000 gevallen van diabetes mellitus type 2 (2,5%) en 4000 gevallen van colon kanker (3,0%) voorkomen in het doelscenario, vergeleken met de situatie dat het beweeggedrag gelijk blijft. Van het aantal beroertes wordt 5% voorkomen voor de leeftijd van 50 jaar en bij diabetes mellitus type II is dat 20%. Bij het modelleren wordt de werkelijkheid vereenvoudigd en deze resultaten geven een indicatie van de omvang van de effecten. De conclusie is dat het bereiken van dit beleidsdoel veel gezondheidswinst zal opleveren. Of zo'n beleidsdoel ook realistisch is wordt verder onderzocht.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Is the amount of pesticides in Dutch regional surface waters correlated with toxic effects? | RIVM

In de zomer van 2002 werden Nederlandse regionale oppervlaktewateren bemonsterd voor de analyse van 53 bestrijdingsmiddelen en voor toxiciteitsexperimenten. De hydrofobe chemicalien (inclusief de meeste bestrijdingsmiddelen) werden geconcentreerd door sorptie aan kunsthars voorafgaand aan de toxiciteitsexperimenten. De concentraten werden getest met behulp van de PAM test met de groenalg Selenastrum capricornutum, de MicroTox test met de bacterie Vibrio fisheri, the IQ test met de watervlo Daphnia magna, een test met de kreeftachtige Thamnocephalus platyurus en een test met de rotifeer Brachionus calyciflorus. Om 50% inhibitie te veroorzaken moesten de monsters meer dan 100 keer geconcentreerd worden voor de rotifeer test en meer dan 10 keer voor de andere testen. In 44 van de 45 monsters was de concentratie van de gemeten bestrijdingsmiddelen te laag om de toxiciteit te verklaren. Dit impliceert dat de bijdrage van deze bestrijdingsmiddelen aan de totale toxiciteit vermoedelijk erg laag is in de meeste monsters, met uitzondering van een monster dat 3,1 4g parathion /liter bevatte. Dit is dichtbij de parathion concentratie die, volgens de wetenschappelijke literatuur, de mobiliteit van Daphnia magna met 50% verminderd. In onze toxiciteitsexperimenten moest het monster wel 20 keer geconcentreerd worden om 50% van Daphnia magna te remmen. Op dit moment hebben we nog geen goede verklaring voor deze discrepantie. De standaard Daphnia magna test zou kunnen verschillen van de hier gebruikte Daphnia IQ test. Verder onderzoek is nodig om te bepalen of bestrijdingsmiddelen werkelijk een acuut risico vormen voor aquatische ecosystemen in Nederlandse regionale oppervlaktewateren.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Dietary intake of phytoestrogens | RIVM

De inname van fyto-oestrogenen via de voeding wordt verondersteld een verscheidenheid aan ziekten te beinvloeden, zowel in positieve als negatieve zin. Dit rapport beschrijft de huidige kennis van inname van fyto-oestrogenen via de voeding in Westerse landen en vat beknopt de bewijzen voor gezondheidseffecten van deze stoffen samen. De belangrijkste fyto-oestrogenen in het Westerse dieet zijn de isoflavonen en de lignanen. De consumenten-groepen met de hoogste isoflavoneninname zijn de consumenten die deze fyto-oestrogenen bevattende voedingssupplementen gebruiken (+/- 40-100 mg/d), veganistische consumenten (+/- 75 mg/d), zuigelingen die gevoed worden met zuigelingenvoeding op sojabasis (+/- 40 mg/d) en consumenten van een traditioneel Zuidoost-Aziatisch dieet (+/- 25-100 mg/d). De inname van isoflavonen via de voeding van gemiddelde Westerse (inclusief Nederlandse) consumenten en vegetariers is veel lager (respectievelijk <1-2 mg/d en +/- 3-12 mg/d). Van de inname van lignanen is minder bekend. Deze wordt geschat op 1.1 mg/d voor de gemiddelde Nederlandse consument. Dit is echter waarschijnlijk een onderschatting. De evaluatie van de gezondheidseffecten van fyto-oestrogenen is erg ingewikkeld, voornamelijk vanwege een tekort aan gegevens. Er is bezorgdheid over het gebruik van op soja gebaseerde zuigelingenvoeding in relatie tot de mogelijke remming van de schildklier. Tevens zijn individuen met een traag werkende schildklier en vrouwen met oestrogeenafhankelijke borstkanker een bron van mogelijke ongerustheid. Ofschoon negatieve gezondheidseffecten van isoflavonen op de twee laatstgenoemde subgroepen niet in de wetenschappelijke literatuur zijn gerapporteerd is meer onderzoek nodig naar de toxicologische eigenschappen van soja en isoflavonen voor specifiek deze groepen. De gezondheidseffecten van lignanen zijn nog onderwerp van studie.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Wat kost een emissiereductie van 30%? Macro-economische effecten in 2020 van post-Kyoto klimaatbeleid | RIVM

Deze studie verkent de macro-economische gevolgen van klimaatbeleid, waarbij industrielanden voor 2020 een reductiedoelstelling nastreven die 30% beneden de emissies van 1990 ligt. Een dergelijk regime past bij het uitgangspunt van de Europese Unie, dat de gemiddelde wereldtemperatuur niet meer dan 2 graden Celsius mag stijgen ten opzichte van het preindustriele niveau. De macro-economische gevolgen kunnen sterk uiteen lopen. Als alle (ontwikkelings)landen meedoen aan het klimaatbeleid en emissiemarkten efficient werken, dan worden de kosten in 2020 voor Nederland in een scenario met hoge groei geraamd op 0,8 procent van het reeel Nationaal Inkomen. Als ontwikkelingslanden echter niet meedoen aan klimaatbeleid en alleen de industrielanden beleid voeren, dan kunnen de geschatte kosten oplopen tot 4,8 procent van het Nationaal Inkomen. De kosten van klimaatbeleid zijn ook afhankelijk van toekomstige economische ontwikkelingen. Bij een gematigde economische groei zullen bij een mondiale coalitie de kosten 0,2 procent bedragen.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Methode voor schatting van de prevalentie van inadequate innemingen van micronutrienten - Toepassing: Foliumzuur | RIVM

In Nederland worden periodiek voedselconsumptiepeilingen uitgevoerd om inzicht te krijgen in de voedselconsumptie en de voedingstoffenvoorzieningen van de Nederlandse bevolking. Van een algehele kwantitatieve beoordeling van de inneming van de afzonderlijke voedingsstoffen is echter geen sprake. Daarom wordt in dit rapport een beoordelingskader voorgesteld voor het toetsen van de inneming micronutrienten aan de voedingsnorm. De vitamine foliumzuur is gekozen als voorbeeldstof. De eerste stap in het beoordelingsproces is het schatten van de behoefteverdeling van de micronutrienten in de (sub)populatie. Vervolgens dient de verdeling van de gebruikelijke inneming van de micronutrienten te worden geschat uit de waargenomen inname. Hierbij wordt de binnenpersoonsvariatie uit de ruwe data verwijderd. Twee methoden om dit te doen worden met elkaar vergeleken; het 'STatistical Exposure Model' (STEM) van Slob en de 'semiparametric transformation approach' ontwikkeld door Nusser en medewerkers (de Nussermethode). Beide methoden doen verschillende aannames en hebben voor- en nadelen. Tenslotte kan de verdeling van de gebruikelijke inneming worden gecombineerd met de verdeling van de behoefte om de prevalentie (mate van voorkomen), van inadequate innemingen in de populatie te schatten. Hiervoor bestaan twee benaderingen, de grenswaardebenadering en de waarschijnlijkheidsbenadering. Wij achten de waarschijnlijkheidsbenadering de beste methode, omdat schending van de aannames van de grenswaardebenadering al snel leidt tot grote onnauwkeurigheden in de prevalentieschatting. Voor de beoordeling van de voedingstoffenvoorzieningen van kinderen zou het wellicht beter zijn de behoefte uit te drukken als functie van de leeftijd. Dit dient nader onderzocht te worden.Een schatting van de foliumzuurinneming met behulp van voedselconsumptiegegevens afkomstig uit de VCP-3 laat zien dat voor 40 tot 68 procent van de volwassenen de foliumzuurinneming inadequaat is. Met de voorgestelde methode kan de situatie ook voor andere micronutrienten nauwkeurig in beeld worden gebracht.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Milieu- en Natuureffecten Nota Ruimte | RIVM

In april 2004 is de Nota Ruimte van het Ministerie van VROM verschenen. Deze nota bevat het nationaal ruimtelijk beleid tot aan 2030. Het ministerie van VROM heeft aan de vier planbureaus (CPB, SCP, RPB en MNP) gevraagd om te bepalen wat de effecten van deze nieuwe nota zijn. In de evaluatie-rapportage van het Milieu- en Natuurplanbureau (MNP-RIVM) worden de consequenties voor milieu, natuur, landschap en water beschreven. Een van de conclusies is dat bundeling van verstedelijking goed is voor natuur en bereikbaarheid. De Nota Ruimte beoogt de verstedelijking te bundelen rondom de grotere steden. Daarmee kunnen de gewenste stedelijke en groene woonmilieus gecreeerd worden, terwijl tegelijkertijd de aantasting van natuur en landschap beperkt blijft en voorzieningen bereikbaar blijven. Voor de Randstad geldt dat woningbouw buiten het Groene Hart de minste aantasting van milieu, natuur, landschap en water op leveren. De Nota Ruimte kiest echter ook voor verstedelijking die het Groene Hart niet ongemoeid laat.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Update of risk assessment models for the indirect human exposure | RIVM

Dit rapport beschrijft de evaluatie van indirecte humane blootstellingsmodellen, die worden gebruikt in de risicobeoordelingsinstrumenten EUSES en CSOIL. De validiteit van deze modellen is vaak onduidelijk en daarom worden alternatieve methoden voorgesteld. Het huidige gewasmodel blijkt geschikt te zijn om de route van lucht en bodem naar de plant te beschrijven. Het model kan nog wel worden verbeterd wanneer bijvoorbeeld het deeltjesgebonden transport vanuit de lucht naar het blad wordt toegevoegd. De twee vergelijkingen, die de bioconcentratie in vis beschrijven, schijnen voldoende valide te zijn. De meetgegevens zijn echter onzeker en voor hydrofobe stoffen worden ernstige afwijkingen berekend. Bij gebruik van het model dat de concentratie in vlees en melk schat moet rekening worden gehouden met grote onzekerheden, wat vooral van belang is voor hydrofobe stoffen. De methode om de zuiveringsfactoren te schatten voor het gebruik van drinkwater is behoorlijk slecht en schetsmatig. Er moeten meer Europese gegevens beschikbaar komen om de huidige benadering te actualiseren en te valideren. Het model voor de humane bodeminname zou ook de inname van huisstof moeten meenemen, omdat een gedeelte van huisstof afkomstig is uit de bodem. Naast de al genoemde verbeteringen, wordt verder nog nader onderzoek voorgesteld voor de verschillende blootstellingsroutes.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Agricultural practice and water quality in the Netherlands in the 1992-2002 period. Background information for the third EU Nitrate Directive Member States report | RIVM

Dit rapport levert de informatie die nodig is voor de derde landenrapportage die Nederland medio 2004 in het kader van de EU-Nitraatrichtlijn aan de Europese Commissie dient toe te zenden. Het rapport geeft een overzicht van de huidige landbouwpraktijk en kwaliteit van grond- en oppervlaktewater in Nederland, en laat tevens de ontwikkeling hiervan zien in met name de periode 1992-2002. Dit betreft een overzicht van de implementatie van de maatregelen uit de eerdere Actieprogramma's en gevolgen hiervan op de waterkwaliteitsontwikkeling tot nu toe. Verder geeft het een verwachting van de termijn waarop effecten van het derde Actieprogramma op de waterkwaliteit zichtbaar worden. Nederland is er in 1987 in geslaagd de stijgende tendens van nutrientenoverschotten in de landbouw om te buigen in een dalende tendens. Na de invoering van MINAS in 1998 vertoont het stikstofoverschot opnieuw een dalende tendens, na deze voor een periode van ongeveer zeven jaar stabiel waren geweest. In de rapportageperiode (1992-2002) is de waterkwaliteit verbeterd, zowel met betrekking tot de nitraatconcentraties als eutrofiering. Dit is het gevolg van de maatregelen die genomen zijn sinds 1987. Nitraatconcentraties in het diepe grondwater (> 30 m beneden maaiveld) nemen nog steeds toe als gevolg van de toename in het stikstofoverschot in de periode voor 1987. De verwachting is dat de waterkwaliteit zal in de volgende periode (2003-2006) verder zal verbeteren als gevolg van de maatregelen genomen in het tweede Actie Programma (1999-2003). Wat betreft de nitraatconcentraties in het diepe grondwater wordt verwacht dat de omkering van de stijgende tendens nog enig decennia kan duren.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Preliminary modelling and mapping of critical loads for cadmium and lead in Europa | RIVM

De "Working Group on Effects" (WGE) van de "Convention on Long-range Transboundary Air Pollution" onder de "United Nations Economic Commission or Europe" (UNECE-CLRTAP) heeft tijdens haar 20e bijeenkomst besloten dat de methode om kritische depositiewaarden (critical loads) voor cadmium en lood in kaart te brengen verder ontwikkeld moet worden. Het RIVM-Coordination Center for Effects (RIVM-CCE), als onderdeel van de WGE, heeft gevolg hieraan gegeven met een oproep aan haar netwerk van 24 National Focal Centers om op basis van vrijwilligheid relevante data te verschaffen. 17 landen reageerden waarvan er 11 data verschaften. Dit rapport beschrijft de resultaten, waaronder data analyses en geografische kaarten van tentatieve kritische depositiewaarden voor cadmium en lood en van overschrijdingen in Europa
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Detectie van radioactief schroot met poortdetectoren - Verslag van een ringonderzoek | RIVM

Er zijn diverse mogelijkheden waardoor radioactief materiaal in een partij schroot terecht kan komen. Het kan dan gaan om kunstmatige bronnen of bijvoorbeeld om ijzeren pijpen uit de olie- en gaswinning waarin zich een laag natuurlijke radioactiviteit heeft afgezet. In alle gevallen is het gewenst dat deze bronnen niet in een smelterij of hoogoven worden gemengd met 'schoon' materiaal bij de productie van nieuwe ijzerproducten. Afgezien van het feit dat schroothandelaren ook zelf liever geen radioactiviteit in hun schroot hebben, wordt het voor een aantal grotere bedrijven (bij overschrijding van een bepaalde omzet) door de rijksoverheid vanaf 2003 verplicht gesteld dat zij hierop controleren. Bij de aanvoer van schroot per vrachtwagen vindt dergelijk onderzoek veelal plaats met zogenaamde poortdetectoren. De vrachtwagen rijdt hierbij langzaam tussen een aantal detectoren door. Indien activiteit wordt gedetecteerd, wordt gealarmeerd. Om een beter beeld te verkrijgen van de poortdetectoren zoals die worden toegepast en om te zien of ze aan door de overheid in een Regeling gestelde minimumeisen voldoen, is een ring-onderzoek uitgevoerd in de zomer van 2003. Bij dit onderzoek aan een 32-tal poorten bleek een zevental niet te voldoen aan het minimaal te meten dosistempo. Waarschijnlijk is een slechte afregeling hiervan de oorzaak. Bij elf van de poortdetectoren bleek de breedte tussen de detectoren groter dan de in de Regeling opgenomen 4,5 meter. Overigens voldeden acht van deze 'brede' poorten wel aan de eis betreffende het dosistempo.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Ouderen nu en in de toekomst. Gezondheid, verpleging en verzorging 2000 - 2020 | RIVM

Dit rapport geeft een breed overzicht van de gezondheidstoestand, verpleging en verzorging van ouderen in de periode 2000-2020. Onder ouderen worden in dit rapport personen vanaf 65 jaar verstaan. De levensverwachting is toegenomen en zal naar verwachting verder stijgen. Tegelijkertijd is bij de meeste chronische ziekten sprake van een stijgende trend, bovenop die van de vergrijzing. Ziekten kunnen steeds beter worden behandeld en er komen steeds meer en betere hulpmiddelen ter beschikking. Mede hierdoor is het aantal jaren zonder lichamelijke beperkingen toegenomen. Ook diverse mogelijkheden voor preventie van ziekten komen aan bod. Bij de toekomstige inrichting van de zorg moet niet alleen rekening worden gehouden met de veranderende gezondheidstoestand van ouderen, ook de samenstelling van het huishouden, het opleidingsniveau en het inkomen zijn van belang. Het rapport bevat basisramingen en enkele alternatieve ramingen van de potentiele vraag naar en het gebruik van verpleging en verzorging door ouderen. Volgens de basisraming stijgt de potentiele vraag met 49% en het gebruik met 24%.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Jaaroverzicht Luchtkwaliteit 2002 | RIVM

Op basis van metingen en modelberekeningen wordt een samenvattend beeld gegeven van de luchtkwaliteit en de belasting van bodem en oppervlaktewater door atmosferische depositie in Nederland in 2002. Het rapport bestaat uit hoofdstukken over mondiale, fotochemische, verzurende en vermestende, deeltjesvormige en lokale luchtverontreiniging.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Guidance for deriving Dutch Environmental Risk Limits from EU-Risk Assessment Reports of existing substances | RIVM

In de Europese Unie worden er voor prioritaire stoffen risicobeoordelingen uitgevoerd. De resultaten hiervan worden gepubliceerd in 'risk assessment reports'. De in deze rapporten berekende Predicted No Effect Concentrations (PNECs) worden afgeleid op een manier die vergelijkbaar is met de afleiding van het in Nederland gebruikte Maximum Toelaatbaar Risiconiveau (MTR). De Stuurgroep Integrale Normstelling heeft besloten PNEC-waarden te beschouwen als voldoende wetenschappelijke basis voor de onderbouwing van Nederlandse milieurisicogrenzen. In dit rapport worden de verschillen tussen de afleiding van de Europese PNECs en de Nederlandse MTRs op een rij gezet en worden voorstellen gedaan om deze verschillen te overbruggen. Daarna wordt de wijze waarop de PNEC-waarden worden vertaald in Nederlandse milieurisicogrenzen nader belicht. De minimale eisen voor de verslaglegging worden gegeven en besloten wordt met een overzicht van reeds eerder voorgestelde milieurisicogrenzen op basis van Europese PNECs.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Adverse Events Following Immunisation under the National Vaccination Programme of The Netherlands Number IX - Reports in 2002 | RIVM

Sinds 1962 bewaakt het RIVM de veiligheid van het Rijksvaccinatieprogramma. Vanaf 1964 gebeurt dat in nauwe samenwerking met de Gezondheidsraad. Het merendeel van de meldingen van vermoede bijwerkingen komt binnen via de telefoondienst van het RIVM, waarbij de meeste meldingen afkomstig zijn van de Jeugdgezondheidszorg. Nadere informatie wordt zonodig verkregen van ouders en behandelende artsen. Na aanvulling en verificatie wordt aan de hand van de (werk)diagnose de causaliteit beoordeeld. Alle in 2002 binnengekomen meldingen zijn in dit rapport opgenomen en gerubriceerd naar aard van de gebeurtenis en naar causaal verband. Onderrapportage, vertekening en specifieke beelden worden besproken, met aandacht voor effecten van de vervroeging van het vaccinatieschema. Er zijn 1332 meldingen binnengekomen, op een totaal van meer dan 2,5 miljoen vaccinaties. Hiervan waren 12 (0,9%) meldingen niet te beoordelen vanwege ontbrekende informatie. Bij 80% (1057) van de meldingen werd een mogelijk causaal verband vastgesteld en bij 263 meldingen (20%) werd een oorzakelijk verband onwaarschijnlijk of afwezig geacht. Vergeleken met 2001 waren er geen relevante verschillen in aantal, aard, ernst en mate van oorzakelijk verband van de meldingen.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Reductie van blootstelling aan omgevingstabaksrook in de horeca door ventilatie en luchtreiniging | RIVM

Naar aanleiding van het beleid van de rijksoverheid om het tabaksgebruik te verminderen en de niet-roker te beschermen (bijvoorbeeld door het creeren van rookvrije werkplekken) is de vraag ontstaan in welke mate ventilatie en luchtzuivering kunnen bijdragen aan vermindering van de blootstelling aan omgevingstabaksrook in de horeca. In de horeca worden ventilatie technieken gebruikt die zijn gebaseerd op menging en verdunning (raam- en muurventilatoren bijvoorbeeld). Met optimale ventilatie (verdringing met de juiste volumestromen in plaats van mengventilatie en fysieke scheiding) en luchtreiniging is in principe een aanzienlijke reductie van de blootstelling aan omgevingstabaksrook te bewerkstelligen. De huidige praktijk in de horeca is daar erg ver van verwijderd. Met vigerende ventilatietechnieken in de horeca zijn reducties van de blootstelling tot maximaal enkele tientallen procenten te bereiken als optimaal gebruik gemaakt gaat worden van de ventilatie-eisen die in het Bouwbesluit zijn beschreven. Inadequaat gebruik van geavanceerd ventilatie- en luchtreinigingstechnieken vormt een serieuze bedreiging voor de optimaal te bereiken reductie van de blootstelling aan omgevingstabaksrook. Een veilig niveau van blootstelling aan omgevingstabaksrook is niet aan te geven op basis van beschikbare literatuur. Volledige reductie van het gezondheidsrisico door ventilatie zal dan ook niet mogelijk zijn. Aangezien precieze blootstelling-effect-relaties niet bekend zijn voor omgevingstabaksrook, is niet te kwantificeren in welke mate reductie van het gezondheidsrisico daadwerkelijk bereikt kan worden door reductie van de blootstelling.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

The prevalance of Echinococcus multilocularis in foxes in Limburg 2002-2003 | RIVM

Dit rapport beschrijft de resultaten van een onderzoek uitgevoerd tussen januari 2002 en maart 2003 naar het voorkomen (prevalentie) van Echinococcus multilocularis bij vossen in Zuid Limburg. Deze parasiet is de oorzaak van een ernstige fatale leveraandoening bij de mens, alveolaire echinococcose. In een eerdere studie uitgevoerd tussen 1996 en 1998 is deze parasiet voor het eerst vastgesteld in Zuid-Limburg. Dit blijkt het meest westelijke verspreidingsgebied van E. multilocularis, die steeds vaker aangetroffen wordt buiten het historisch bekende endemische gebied in Centraal Europa. Het bepalen van de prevalentie is van groot belang om een eventuele verdere verspreiding in de toekomst te kunnen vaststellen. De prevalentie werd bepaald aan de hand van 196 onderzochte vossen en bleek 12,6% (95% betrouwbaarheidsinterval: 7,6-16,8%) te zijn. Deze resultaten bevestigen de eerdere bevindingen over het voorkomen van deze parasiet in Nederland, waarbij een opvallende bevinding in dit onderzoek is dat de parasiet nu ook in de noordelijke grens van het onderzoeksgebied is gevonden. Analyse van de geografische verspreiding laat een afname van de prevalentie in noordelijke richting zien. Daarnaast zijn in dit onderzoek meer parasieten per vos aangetroffen. Dit alles kan wijzen op een toenemende verspreiding van de parasiet in Limburg.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Platteland in beweging? | RIVM

Als gevolg van de 'Reconstructiewet concentratiegebieden intensieve veehouderij' worden in vijf provincies reconstructieplannen gemaakt. Het doel is een nieuw evenwicht te bereiken tussen de verschillende functies in het landelijk gebied. Op basis van literatuur en interviews wordt een aantal conclusies getrokken over inhoudelijke, juridische of bestuurlijke aspecten bij de planontwikkeling in de reconstructiegebieden. Uit het onderzoek komt de indruk naar voren dat betrokken partijen op hoofdlijnen de plannen onderschrijven. De wet schrijft voor het gebied ruimtelijk te differentieren in landbouwontwikkelingsgebieden, verwevingsgebieden en extensiveringsgebieden. Door deze nadruk op zonering krijgen andere mogelijke oplossingsrichtingen voor de problemen met intensieve veehouderij minder aandacht. In Limburg en Noord-Brabant worden bestaande, maar ongebruikte, planologische rechten gerespecteerd in de extensiveringsgebieden; er verandert niets aan de bestaande situatie zoals vastgelegd in streekplannen. De oorspronkelijke ambities in de extensiveringsgebieden zijn bijgesteld, nadat zowel het Rijk als de provincies huiverig bleken om planschade te betalen. Het aanwijzen van varkensvrije zones is een verplichting vanuit de wet, maar informanten zijn zeer sceptisch over het nut ervan. Een nauwere samenwerking tussen boeren en aanleverende en verwerkende industrie in de keten zou de veterinaire kwetsbaarheid kunnen verminderen, maar hiertoe worden geen aanzetten gedaan in de plannen. Het Rijk toetst de plannen achteraf volgens een gedetailleerd kader en stelt vervolgens geld ter beschikking. Op gebiedsniveau wordt weinig ruimte gevoeld voor eigen invulling. Vanwege een nadere prioritering van beleidsdoelen en de ontwikkeling van relevante (milieu-) regelgeving gedurende het planproces, hadden betrokken partijen weinig duidelijkheid op voorhand. De nadruk op doelbereik, vanuit subsidieregelingen, leidt tot risicovrij plannen.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Ex-ante evaluatie van de Beleidsbrief Bodem. Beoordeling van de milieu- en natuureffecten van het voorgenomen bodembeleid | RIVM

In december 2003 is de Beleidsbrief Bodem naar de Tweede Kamer gezonden. In deze beleidsbrief wordt aangekondigd dat het bodembeleid wordt verbreed; de focus komt te liggen op duurzaam bodemgebruik. Met deze beleidsbrief wordt een goede aanzet gegeven, namelijk een beleid dat aansluit bij de ontwikkelingen in de Europese Unie en op trends in de maatschappij (decentralisatie, externe integratie en marktwerking). De beleidsbrief biedt evenwel onvoldoende waarborgen dat met de ingezette weg ook het doel, duurzaam bodemgebruik, behaald zal worden. Het begrip duurzaam bodemgebruik is in de Beleidsbrief Bodem niet onderbouwd met indicatoren. Eveneens ontbreekt een adequaat monitoringsysteem. Daardoor is het lastig de doelmatigheid en effectiviteit van het in de brief voorgestelde beleid te beoordelen.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Application of in vitro digestion models to assess release of lead and phthalate from toy matrices and azo dyes from textile | RIVM

Kinderen kunnen worden blootgesteld aan stoffen afkomstig uit speelgoed als gevolg van sabbelen en eventueel inslikken van (stukjes) speelgoed. Alleen het deel van de contaminant dat is vrijgemaakt van het speelgoed in het maagdarmkanaal kan terechtkomen in de bloedbaan (interne blootstelling) en kan toxiciteit veroorzaken. In het huidige project zijn een drietal in vitro digestiemodellen ontwikkeld op basis van de fysiologie van het maagdarmkanaal van kinderen, waarmee op eenvoudige wijze kan worden geschat hoeveel van een contaminant vrijkomt als kinderen op de matrix sabbelen en/of inslikken. Door alleen dit vrijgekomen deel van de stof te gebruiken voor de blootstellingsschatting, kan de risicobeoordeling worden verfijnd en zullen minder snel risico's worden overschat. Het huidige rapport beschrijft het toepassen van de in vitro digestiemodellen aan verschillende (praktijk)voorbeelden. Ten eerste is het effect van de hoeveelheid matrix op het vrijkomen van lood uit stoepkrijt en verfschilders in maag- en darmsap bestudeerd. Tevens is het vrijkomen van ftalaat uit PVC schijfjes, en het vrijkomen van azo-kleurstoffen uit textiel in speekselsimulant bestudeerd. In alle gevallen kwam aanzienlijk minder dan 100% van de contaminant vrij. Dit betekent dat kinderen waarschijnlijk slechts aan een deel van de contaminanten in de bestudeerde matrices worden blootgesteld als ze op de matrix sabbelen of haar inslikken. De resultaten van ftalaat zijn vergeleken met data van een humane vrijwilligersstudie.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Detection of infectious Cryptosporidium oocysts by cell culture: applicability to environmental samples | RIVM

Cryptosporidium is een van de belangrijkste veroorzakers van gastro-enteritis bij de mens. Cryptosporidium-infecties worden vaak via water overgedragen, dit kan zowel drinkwater als recreatiewater zijn. Bij schatting van de kans op infectie met Cryptosporidium na blootstelling aan drinkwater is informatie over de infectieusiteit van oocysten nodig. Volgens het Nederlandse Waterleidingbesluit mag het jaarlijkse infectierisico de grenswaarde van een infectie per 10.000 personen niet overschrijden. Wij hebben de toepasbaarheid van in vitro celkweek- methoden op HCT-8 en Caco-2 cellen voor bepaling van de infectieusiteit van oocysten in natuurlijk besmette wateren geevalueerd. Uit experimenten met Cryptosporidium oocysten bleek een aanzienlijke variatie in infectieusiteit. Verdunnings- en overlevingsexperimenten gaven aan dat alleen relatief hoge aantallen verse of verouderde oocysten infectie van cellijnen veroorzaakten. Natuurlijk besmette Nederlandse oppervlaktewateren bevatten gewoonlijk lage concentraties Cryptosporidium oocysten. De celkweekmethoden zijn niet gevoelig genoeg om de infectieusiteit van zulke lage aantallen oocysten te detecteren. De methoden kunnen echter goed gebruikt worden om het effect van desinfectieprocessen op de infectieusiteit van oocysten te bestuderen. Surrogaatmethoden die in plaats van de infectieusiteit de levensvatbaarheid van oocysten bepalen, overschatten het aantal infectieuze oocysten. Indien levensvatbaarheid gebruikt wordt in een risicoanalyse, zal de kans op infectie met Cryptosporidium worden overschat. Voor een nauwkeurige risicoschatting is verdere verbetering van de detectiemethode voor Cryptosporidium in water van belang. Een verbeterd rendement van de detectiemethode en detectie van de infectie in cellijnen met behulp van PCR kunnen mogelijk de gevoeligheid verhogen.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Milieukosten energiemaatregelen 1990-2010 - Overzicht kosten en mogelijke verbeteringen in de monitoring | RIVM

De kosteneffectiviteit van subsidieregelingen voor klimaatbeleid blijkt sterk uiteen te lopen. Een evenwichtig afwegingskader, dat aangeeft waarom welke technologie subsidie ontvangt, ontbreekt echter in Nederland. Het Milieu- en Natuurplanbureau pleit voor een transparant kader op basis van het rapport Milieukosten energiemaatregelen 1990 - 2010. Milieu- en Natuurplanbureau (MNP) gezamenlijk opgestelde rapport zijn historische en toekomstige milieukosten van energiemaatregelen ingeschat. Hieruit blijkt dat de milieukosten die de sectoren maken voor het grootste deel worden vergoed door de overheid. De milieukosten blijken in veel gevallen niet met zekerheid vast te stellen vanwege het ontbreken van een adequate registratie van financiele gegevens. Gezien de omvangrijke financiele uitgaven van zowel de sectoren als de overheid is een verbetering gewenst. Verder geeft het rapport een inventarisatie van bestaande informatiebronnen en beschrijft het de berekeningsmethode van de milieukosten van energiemaatregelen.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Astma bij peuters en kleuters: Resultaten van het PIAMA onderzoek | RIVM

In dit rapport worden resultaten gepresenteerd over het beloop van gediagnosticeerd astma bij kinderen van 0-5 jaar in het PIAMA onderzoek. Specifiek voor deze leeftijdsgroep is het probleem dat astma wel voorkomt, maar medisch niet met zekerheid is vast te stellen. Bij jonge kinderen leiden luchtweginfecties, in combinatie met een kleine diameter van de luchtwegen namelijk vaak tot symptomen, zoals een piepende ademhaling. Die symptomen zijn weliswaar typisch voor astma, maar hoeven niet altijd te betekenen dat er ook sprake is van astma. Uit de resultaten van het PIAMA onderzoek bij ruim 3000 kinderen blijkt dat relatief veel jonge kinderen een diagnose astma krijgen. In het PIAMA onderzoek had 5,7% van de kinderen jonger dan 1 jaar gediagnosticeerd astma (zoals gerapporteerd door de ouders in jaarlijkse schriftelijke vragenlijsten). Op de leeftijd van 5 jaar was dit nog 3,9 %. De longitudinale gegevens uit het PIAMA onderzoek laten bovendien zien dat al een jaar na diagnose bij ruim de helft van de kinderen met een vroege diagnose astma, door de ouders geen astma meer wordt gerapporteerd. Dit laatste strookt niet met het gegeven dat astma een chronische ziekte is, die niet snel en vaak helemaal niet 'over' gaat. Op grond van de relatief hoge prevalentie van astma diagnoses bij heel jonge kinderen, constateren wij dat in deze leeftijdsgroep de betekenis van een diagnose astma en m.n. de eraan gekoppelde prognose voor de betrokkenen moeilijk te interpreteren is. Daarnaast concluderen we dat de mogelijkheid bestaat dat 'over'diagnose van astma bij jonge kinderen gepaard gaat met onnodig en misschien zelfs schadelijk gebruik van astma medicatie en dat hierover op dit moment geen gegevens bekend zijn.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Greenhouse Gas Emissions in the Netherlands 1990-2002. National Inventory Report 2004 | RIVM

Dit rapport over de Nederlandse inventarisatie van broeikasgasemissies is geschreven om te voldoen aan de nationale rapportageverplichtingen in 2004 van het Klimaatverdrag van de Verenigde Naties (UNFCCC) en van het Bewakingsmechanisme Broeikasgassen van de Europese Unie. Dit rapport bevat trendanalyses voor de emissies van broeikasgas in de periode 1990-2002; een analyse van zgn. sleutelbronnen en de onzekerheid in hun emissies; documentatie van gebruikte berekeningsmethoden, databronnen en toegepaste emissiefactoren; en een overzicht van het kwaliteitssysteem en de verificatie van de emissiecijfers voor de Nederlandse Emissieregistratie. Afgelopen jaar is de emissietrend door herberekeningen met 2% naar beneden bijgesteld. Volgens de huidige inventarisatie is totale uitstoot van broeikasgassen in 2002 gelijk aan die in het basisjaar 1990 (1995 voor de F-gassen). Na temperatuurcorrectie voor 2002 zijn de emissies 3% hoger. In die periode zijn de emissies van CO2 met 10% toegenomen, terwijl de CH4- en N2O-emissies met resp. 32% en 7% afnamen. Van de zgn. F-gassen, waarvoor 1995 het referentiejaar is, nam de totale emissie met 60% af. De HFK- en PFK-emissies namen met resp. 65% en 35% af, terwijl de SF6 met circa 15% toenamen in 2002 ten opzichte van 1995. Volgend jaar zal opnieuw een bijstelling volgen van mogelijk enkele procenten omdat in het kader van de afronding van het verbeterprogramma voor veel bronnen en stoffen de emissies herberekend zullen worden zodat voldaan wordt aan de eisen van de UNFCCC en het Kyoto Protocol.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Campylobacteriosis and sequelae in the Netherlands - Estimating the disease burden and the costs-of-illness | RIVM

Naar schatting maken 80.000 personen per jaar (onzekerheidsinterval 30.000 - 160.000) een episode van gastro-enteritis door ten gevolge van infectie met Campylobacter bacterien. Ongeveer 18.000 patienten consulteren een huisarts, 500 patienten worden in het ziekenhuis opgenomen en 30 patienten overlijden als gevolg van de gastro-enteritis. Daarnaast treden er ieder jaar naar schatting 1400 gevallen van reactieve artritis op, 60 gevallen van Guillain-Barre syndroom en 10 gevallen van inflammatoire darmziekte ten gevolge van een voorgaande Campylobacter infectie. De ziektelast en de ziektegebonden kosten van Campylobacter infectie werden geschat met behulp van een stochastisch simulatiemodel. Ziektegebonden kosten in het basisjaar 2000 betroffen directe kosten in de gezondheidszorg (bijvoorbeeld consulten van een arts, ziekenhuisopname en rehabilitatie), directe kosten buiten de gezondheidszorg (bijvoorbeeld reiskosten en eigen bijdragen van patienten) en de indirecte kosten buiten de gezondheidszorg, met name productiviteitsverlies. De ziektelast werd geschat op 1200 DALYs (Disability Adjusted Life Years) per jaar, met een 90% onzekerheidsinterval tussen 900 en 1600 DALYs per jaar. DALYs zijn de som van verloren levensjaren ten gevolge van voortijdige sterfte en jaren doorgebracht met een ziekte, gewogen naar de ernst ervan. De ziektegebonden kosten werden geschat op ongeveer 21 miljoen Euro, met een 90% onzekerheidsinterval tussen 11 en 36 miljoen Euro per jaar. Campylobacter infecties vormen dus een belangrijk volksgezondheidsprobleem in Nederland.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Validating SimpleBox-Computed Steady-State Concentration Ratios | RIVM

De validiteit van het 'multi-media' model SimpleBox versie 2.0 met betrekking tot de toepassing van het model bij het harmoniseren van onafhankelijk van elkaar afgeleidde milieukwaliteitsdoelstellingen voor de verschillende compartimenten is onderzocht. De procedure voor het harmoniseren van milieukwaliteitsdoelstellingen zoals die met het model SimpleBox wordt uitgevoerd, is in 1995 kritisch onderzocht door een commissie van de Gezondheidsraad. De commissie adviseerde het testen van de validiteit van SimpleBox voor die specifieke toepassing. Concentraties in het milieu van een vijftal stoffen, tetrachloorethyleen, lindaan, benzo[a]pyreen, fluorantheen en chryseen, zijn vergeleken met door het model voorspelde concentraties. De monitoringgegevens zijn gebruikt om verhoudingen af te leiden van concentraties in het milieu. Deze verhoudingen zijn vergeleken met de gemodelleerde verhoudingen van 'steady-state' concentraties in aangrenzende compartimenten. Hierbij zijn de onzekerheden in de invoergegevens van het model meegenomen in de berekeningen. De resultaten geven aan dat de concentratieratios over het algemeen niet veel meer afwijken dan een factor 10 van de waargenomen gegevens. De verschillen tussen de berekende en de waargenomen concentratieverhoudingen voor de compartimenten lucht en bodem zijn echter groter dan een factor 30.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Milieubalans 2004. Het Nederlandse milieu verklaard | RIVM

Het Milieu- en Natuurplanbureau publiceert jaarlijks een Milieubalans. Dit boekt beschrijft de toestand van het milieu en de samenhang tussen de toestand van het milieu en het gevoerde beleid. De volgende hoofdstukken staan in deze Milieubalans: Milieu en maatschappij; Klimaatverandering; Verzuring en grootschalige luchtverontreiniging; Milieukwaliteit in het landelijk gebied; Kwaliteit van de leefomgeving; Externe integratie en decentralisatie van het milieubeleid (een tussenbalans). Als bijlage worden onder andere de emissies per thema per doelgroep gegeven. Het gevoerde milieubeleid is effectief gebleken; door technische maatregelen zijn de meeste emissies afgenomen ondanks economische groei. De meeste doelen worden in het huidige tempo echter niet gehaald. Om economische groei en vermindering van de milieudruk te blijven combineren, en tot herstel van collectieve waarden als stilte, natuur en landschap te komen, is een steeds grotere beleidsinspanning nodig. De Milieubalans 2004 besteedt bijzondere aandacht aan de spanning tussen de EU, het Rijk en het regionale milieubeleid. De implementatie van Europese richtlijnen in Nederland en de ingezette decentralisatie en integratie van het milieubeleid leidt tot spanningen, zowel in Nederland zelf als tussen Den Haag en Brussel. Er ligt op rijksniveau nog een uitdaging om een duidelijke strategie te formuleren over de interactie tussen het Rijk en de EU en over de invulling van de scharnierfunctie tussen de EU en de regio.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

European Union System for the Evaluation of Substances 2.0 (EUSES 2.0); background report | RIVM

Dit rapport beschrijft de tweede versie van het computerprogramma 'European Union System for the Evaluation of Substances, EUSES 2.0'. Dit programma vervangt EUSES 1.0 en de documentatie daarvan volledig. EUSES 2.0 is een beslissingsondersteunend systeem voor de evaluatie van risico's van stoffen voor de mens en het milieu. Het systeem is volledig gebaseerd op Europese 'Technical Guidance Documenten' voor de risicobeoordeling van nieuwe en bestaande stoffen en biociden. De documentatie en het programma kunnen worden verkregen bij het 'European Chemical Bureau' (Ispra, Italie). EUSES is het resultaat van een gezamenlijke inspanning van Europese lidstaten, de Europese Commissie en de Europese chemische industrie. Deze risicobeoordeling is transparant en eenvoudig uit te voeren; EUSES is goed gedocumenteerd en beschikbaar als een gebruikersvriendelijk computerprogramma. Risico's voor de mens betreffen consumenten, werkenden, en mensen blootgesteld via het milieu. Beschermingsdoelen in het milieu betreffen micro-organismen in waterzuiveringssituaties, aquatische, terrestrische en sediment ecosystemen en populaties van predatoren. Ook het marine milieu hoort bij deze risicobeoordeling. De stapsgewijze risicobeoordeling begint met de data invoer en inschatting en gaat verder in op de emissie schatting, de verdeling over milieu-compartimenten, de berekening van de blootstelling van de mens en van het milieu, de afleiding van de no-effect niveaus en de risicokarakterisering. Veel waarden van parameters kunnen worden aangepast en alle parameterwaarden en tussenresultaten kunnen worden overschreven door gemeten data. De schatting van de blootstelling omvat de gehele levenscyclus van stoffen en de verdeling over het milieu op drie ruimtelijk schaalniveaus: het persoonlijk niveau voor consumenten en werkenden, het locale niveau voor de mens en ecosystemen nabij puntbronnen en het regionale niveau voor mensen en ecosystemen blootgesteld aan emissies in een grotere regio. In de effecten module worden, indien nodig, no-effect niveaus afgeleid voor alle relevante ecosystemen en populaties. De effecten beoordeling van de mens betreft alle relevante eindpunten voor zowel drempelwaarde als niet-drempelwaarde stoffen. Het resultaat van EUSES is een kwantitatief vergelijk per stof van de beoordeling van de blootstelling en het effect. De risico karakterisatie ratio's (RCR's) kunnen gezien worden als de kans op het voorkomen van effecten.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Determination of denitrification parameters in deep groundwater. A pilot study for several pumping stations in the Netherlands | RIVM

Nitraatmetingen in het grondwater in midden en oost Nederland geven aan dat op een groot aantal locaties denitrificatie optreedt. Bij modelstudies ter ondersteuning van beleidsbeslissingen dient men derhalve rekening te houden met denitrificatie. Er is echter weinig informatie over de denitrificatiesnelheid en de ruimtelijke verdeling ervan. In dit rapport wordt een modelconcept voorgesteld om denitrificatie te simuleren. De onbekende parameters van dit concept worden bepaald aan de hand van een kalibratieprocedure met hulp van het programma PEST. Voor de kalibratie zijn nitraatmetingen gebruikt van het Landelijk en Provinciaal Meetnet Grondwater, alsmede nitraatgegevens van het grondwater dat bij een aantal drinkwater-pompstations wordt onttrokken. De kalibratie is uitgevoerd voor negen pompstations in het midden en oosten van Nederland. Voor zones waar organisch materiaal mag worden verwacht kan denitrificatie worden beschreven als een exponentieel verval met een halfwaardetijd van ongeveer 500 dagen. In zones waar organisch materiaal niet voorkomt is de halfwaardetijd veel hoger (ca 2750 dagen). In de buurt van het freatisch vlak wordt een 'instantane' denitrificatie verondersteld. Hier treedt een gemiddelde reductie op van 50%. Dit getal doet echter tevens dienst als compensatie voor een mogelijke onder- of overschatting van de hoeveelheid nitraat die bij de waterspiegel het systeem ingaat. De gevonden parameterwaarden bezitten een grote onzekerheid. Enkele verklaringen worden geopperd en bediscussieerd.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

The occurrence of Carcinogenic, Mutagenic and Reprotoxic (CMR) substances in consumer preparations | RIVM

Bescherming van de algemene bevolking tegen de gezondheidsnadelige effecten van Carcinogene, Mutagene en reproductietoxische stoffen wordt voor een belangrijk deel gerealiseerd door een verbod op de verkoop van producten die categorie 1 en 2 CMR-stoffen (Annex I of 67/548/EEC) boven de toegestane limiet bevatten. Het is derhalve belangrijk na te gaan in hoeverre deze stoffen voorkomen in consumenten preparaten en inzicht te verkrijgen in potentiele CMR-stoffen die niet voorkomen op Annex 1. Met behulp van elektronisch toegankelijke databases werd gezocht naar potentiele CMR-stoffen. Dit leverde een additionele lijst van 514 potentiele CMR-stoffen op die niet voorkomen op Annex 1. Het voorkomen van geclassificeerde en potentiele CMR-stoffen in consumentenpreparaten werd geverifieerd aan de hand van het Noord-Europese SPIN databestand. In totaal bleken 146 CMR-stoffen voorkomend op Annex I en 24 potentiele CMR-stoffen voor te komen in consumentenpreparaten. Het kan niet worden uitgesloten dat deze stoffen ook in Nederland kunnen voorkomen in consumenten-preparaten. Aangezien kwantitatieve gegevens over de gehalten van deze stoffen in de betreffende preparaten niet vrij toegankelijk zijn, is een kwantitatieve schatting van de blootstelling niet mogelijk.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Risicofactoren En GezondheidsEvaluatie Nederlandse Bevolking, een Onderzoek Op GGD'en; vier jaar Regenboogproject, resultaten op GGD niveau | RIVM

Het Regenboog-project was een samenwerkingsverband tussen het RIVM, CBS, GGD Nederland en alle GGD'en. Het doel van het Regenboogproject was een beeld te krijgen van de gezondheidssituatie van de Nederlandse bevolking op het gebied van chronische en infectieziekten. Een aselecte steekproef werd getrokken door het CBS van zowel mannen als vrouwen. Bij deze personen werd thuis de gezondheidsenquete afgenomen. Vervolgens werd gevraagd om deel te nemen aan een aanvullend lichamelijk onderzoek op de GGD. In de periode 1998-2001 zijn 19544 mensen geinterviewd en 5441 deelnemers (28%) op de GGD onderzocht. Het rapport presenteert de resultaten van een aantal gezondheidsaspecten afkomstig van het interview en het lichamelijk onderzoek per GGD regio. Het gaat om aspecten zoals ervaren gezondheid, medische consumptie, endogene factoren, roken, alcohol gebruik, chronische aandoeningen en lichamelijke beperkingen en klachten. Mannen ervaren hun gezondheid beter dan vrouwen. Het percentage mannen dat rookt en alcohol gebruikt is hoger dan bij vrouwen. Ernstig overgewicht (QI > 30 kg/m2) komt bij mannen in Brabant het minst voor. Hoge bloeddruk komt meer voor bij mannen in het Westen. Bij vrouwen komt een hoge bloeddruk vaker voor in de regio Noord en Oost. Tot slot gaan vrouwen vaker naar een huisarts of specialist dan mannen.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Kwaliteit van de leefomgeving en leefbaarheid; Naar een begrippenkader en conceptuele inkadering | RIVM

Het RIVM heeft in samenwerking met RIGO Research en Advies BV (Amsterdam) een uitgebreid literatuuronderzoek verricht (Leidelmeijer, van Kamp, 2002) met als doel de verschillende concepten met betrekking tot leefomgevingskwaliteit en de relaties hiertussen te identificeren en te beschrijven tegen hun theoretische achtergrond. Dit rapport vat de uitkomsten van deze literatuurstudie samen. De ontwikkeling van de centrale concepten wordt geplaatst tegen het bredere kader van maatschappelijke ontwikkeling. Een overzicht wordt gegeven van de belangrijkste (typen van) concepten van leefbaarheid, omgevingskwaliteit, kwaliteit van leven en duurzaamheid en presenteert voorbeelden van onderliggende conceptuele modellen. De verschillende noties en concepten worden vergeleken op de dimensies van domein, indicator, schaal-niveau, tijdpad en context, zoals beschreven door Pacione. Geconcludeerd wordt dat voor de vooruitgang op dit terrein een begrippen kader met betrekking tot omgevingskwaliteit en kwaliteit van leven, dat het niveau van de verschillende disciplines overstijgt, noodzakelijk is. Voor de ondersteuning van de beleidsbehoeften en beleidsdoelen van het NMP4 en het MILO project is een aantal onderzoeksrichtingen geidentificeerd.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Biobank voor onderzoek naar chronische ziekten. Overzicht van de opbouw en het gebruik van de bloedverzamelingen van RIVM-cohorten | RIVM

Dit rapport beschrijft de opbouw en en het gebruik van de biobank van de RIVM-centra CVG en PZO. Deze biobank is voor het grootste deel opgebouwd tussen 1987 en 1998 in het kader van drie grootschalige epidemiologische projecten. De deelnemers (ca. 60 000) aan deze projecten hebben bloed afgestaan, dat is opgeslagen in vriezers van -20 graden Celsius, -86 graden Celsius en -196 graden Celsius. Het bloed is verdeeld in fracties (plasma, serum, witte bloedcellen, rode bloedcellen) en opgeslagen in porties van 0,5 ml en 1,5 ml. Het bloed is al voor verschillende onderzoeksvraagstellingen op gebied van chronische ziekten gebruikt, waarbij het bloed van het oudste project het meest is uitgeput. Ook is er DNA opgewerkt. Om bloed veilig te stellen voor onderzoek naar specifieke chronische ziekten of andere kenmerken zijn er zogenaamde beschermde cohorten ingesteld. Op dit moment zijn er vier beschermde cohorten: hart- en vaatziekten, kanker, migraine, en overleden deelnemers.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Mineralen beter geregeld. Evaluatie van de werking van de Meststoffenwet 1998-2003 | RIVM

Binnen de huidige nationale en Europese context wijzen de resultaten van deze evaluatie uit dat het Nederlandse Mestbeleid in een beslissende fase is gekomen. De hoge concentraties van nitraat in grondwater zijn aanzienlijk gedaald, maar blijven in uitspoelingsgevoelige gronden boven de Europese doelstelling van 50 mg/l. De bodembelasting met stikstof zal daar nog met tientallen kg per hectare omlaag moeten voordat de doelen zijn gehaald. De landbouw heeft weliswaar de bodembelasting met fosfaat vanaf 1997 met 30% omlaag gebracht, maar de ophoping van fosfaat in de bodem gaat door. Hierdoor is de fosfaatbelasting van sloten en beken door de landbouw niet afgenomen. De MINAS-verliesnormen, de beleidsdoelen, zijn in hoge mate bereikt, evenwichtsbemesting echter nog niet. Het stelsel van Dierrechten was effectief omdat de grotere en vitale intensieve veehouderijbedrijven hun mestproductie hierdoor niet konden laten groeien. Het Europese Hof heeft zich in oktober 2003 tegen MINAS uitgesproken. Inmiddels heeft het kabinet besloten om MAO in 2005 en MINAS in 2006 af te schaffen. Nederland zal in 2008, wanneer het derde Actieprogramma voor implementatie van de Europese Nitraatrichtlijn afloopt, het nitraatprobleem moeten hebben opgelost. Doorrekening van een beleidsvariant met een gebruiksnorm van 105 kg/ha fosfaat op grasland en 85 kg/ha op bouwland, en gebruiksnormen voor stikstof van 170 kg/ha op bouwland en 250 kg/ha op grasland, laat zien dat in 2030 op ongeveer 20% van het landbouwareaal, niet wordt voldaan aan de 50 mg/l nitraatdoelstelling.Ook brengen deze varianten de fosfaatophoping niet tot stilstand en ontstaat een landelijk mestoverschot van 4-14 miljoen kg fosfaat.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Gezondheidkundige advieswaarden binnenmilieu | RIVM

Dit rapport geeft gezondheidkundige advieswaarden voor een groot aantal chemische agentia die in de woningen kunnen voorkomen, alsmede voor een aantal fysische factoren. In de praktijk bestaat behoefte aan dergelijke advieswaarden, omdat er voor veel agentia geen waarden beschikbaar zijn om de kwaliteit van het binnenmilieu van woningen aan te toetsen. Bij het vaststellen van de lijst van agentia waarvoor waarden dienden te worden afgeleid, is uitgegaan van stoffen of produkten die veel binnenshuis worden gebruikt of die vanuit de praktijk regelmatig als probleem naar voren komen. Voor de (chemische) stoffen geldt dat alleen blootstelling via inhalatie in ogenschouw is genomen. Voor de andere agentia is de bijbehorende wijze van blootstelling beoordeeld. De 'gezondheidkundige advieswaarde' is hier gedefinieerd als het Maximaal Toelaatbaar Risico (MTR). Voor het compartiment lucht wordt dit meestal aangeduid als de Toelaatbare Concentratie in Lucht (TCL). Voor stoffen met drempelwaarde is dit de concentratie die bij levenslange blootstelling (70 jaar, 365 dagen/jaar en 24 uur per dag) geen effect op de gezondheid heeft. Bij de afleiding wordt rekening gehouden met risicogroepen als zieken, zwangeren, ouderen of kinderen. Van genotoxisch werkende carcinogenen wordt aangenomen dat er geen drempelwaarde is waaronder geen effecten optreden: elke dosis, hoe gering ook, is verbonden met een zeker risico op kanker. Voor deze categorie stoffen is het MTR gedefinieerd als 1 geval (van kanker) per 1.000.000 blootgestelden per jaar of 1 op 10.000 gedurende een heel leven. Voor de agentia waarvoor geen advieswaarde kon worden afgeleid (onder andere biologische agentia) wordt uitgebreid beschreven welke informatie dan wel beschikbaar is en waarom er geen gezondheidkundige advieswaarde is vast te stellen. In principe zijn de advieswaarden gericht op woningen, maar ze zijn ook toepasbaar op andere locaties waar mensen langdurig verblijven (zoals kantoren en scholen). De gezondheidkundige advieswaarden hebben geen wettelijke status, maar kunnen dienen als uitgangspunt voor beleid ten aanzien van het binnenmilieu.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

INterACTIE met provinciale ruimte. Rapportage provinciale proefprojecten LeefOmgevingsVerkenner | RIVM

In samenwerking tussen IPO en RIVM is de toepasbaarheid van de LeefOmgevingsVerkenner op provinciaal niveau geevalueerd bij de provincies Utrecht en Noord-Holland. De LeefOmgevingsVerkenner is een nationaal georienteerd, ruimtelijk allocatiemodel en wordt ontwikkeld door het RIVM, in samenwerking met AVV, RIZA en RIKZ. Beide provincies zijn ondersteund bij het gebruik van de LeefOmgevingsVerkenner en hebben beter kennis kunnen maken met het instrument. Hun ervaringen staan centraal in deze rapportage. Na een korte introductie van de LeefOmgevingsVerkenner volgen hun bijdragen die daarna in een breder perspectief worden geplaatst. De projectgroep komt, op basis van de ervaringen met het instrument, tot de conclusie dat "de LeefOmgevingsVerkenner, indien voorzien van de nodige aanvullingen, een goede rol kan spelen bij de afweging van de belangen van de verschillende beleidsvelden die betrokken zijn bij de voorbereiding van, met name, strategische omgevingsplannen. Het kan snel de consequenties van bepaalde beleidskeuzen visualiseren, concretiseert impliciet gemaakte afwegingen en vormt daarmee vanuit communicatief oogpunt een waardevolle aanvulling op de normale planningspraktijk". Vanuit beide provincies is een top 5 samengesteld van de meest gewenste aanpassingen en uitbreidingen van de LeefOmgevingsVerkenner. Met name de ontwikkeling van een scenariomanagementsysteem, om het model makkelijker toegankelijk te maken en overzicht te houden over aannames, consequenties en de aanwezige data, wordt sterk aanbevolen. Daarnaast is een conclusie van de werkgroep dat het huidige samenwerkingsverband tussen RIVM en IPO een formeler kader dient te krijgen waarbij ook andere relevante kennisinstituten worden betrokken
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Sectoral CO2 emissions in the Netherlands up to 2010. Update of the Reference Projection for Policy-making on Indicative Targets | RIVM

Op verzoek van de Ministeries van VROM, EZ, V&W en LNV hebben Energieonderzoek Centrum Nederland (ECN) en het Milieu- en Natuurplanbureau (MNP) van het RIVM de CO2-emissie per sector tot 2010 ingeschat. Nederland stoot in 2010 precies zoveel CO2 uit om de doelstelling volgens het Kyoto-protocol te halen. In deze studie is uitgegaan van een eerdere studie, de Referentieraming energie en CO2 uit 2002. Deze raming is aangepast met onder meer gecorrigeerde emissiecijfers voor 2000 en een groot aantal recente beleidsaanpassingen.De update is door de vier ministeries gebruikt voor het opstellen van CO2-streefwaarden voor de sectoren op hun beleidsterrein. Hiermee hoopt de overheid meer zekerheid te scheppen over het behalen van het binnenlandse emissiedoel in 2010. Uit het rapport blijkt dat de CO2-emissie in 2010 overeenkomt met de Kyoto-doelstelling van 186 Mton. Enkele aanpassingen van sectorontwikkelingen leiden tot een iets hogere verwachte emissie van de industrie en energiesector. Echter, door een verbetering in de nationale emissie-registratie blijken de CO2 emissies de afgelopen jaren bijna 4 Mton lager te zijn dan tot nu toe is gedacht. Dit werkt ook door in de prognoses voor het jaar 2010. Hierdoor komt het behalen van de binnenlandse Kyoto doelstelling voor broeikasgassen dichterbij. De beleidsmaatregelen van de kabinetten Balkenende I en II hebben per saldo weinig effect op het realiseren van het Kyoto-doel.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Determination of chloramphenicol in bovine urine, meat and shrimp by GC-MS. Method validation according to Commission Decision 2002/657/EC | RIVM

Dit rapport beschrijft de validatie, de kwantificering en de wijze van identificatie van een analysemethode voor de bepaling van lage concentraties (0,1-1,0 micro g/kg) chlooramphenicol in monsters urine, garnalen en spierweefsel (vlees) Deze validatie is gebaseerd op de criteria beschreven in de Beschikking van de Commissie 2002657EC. Na een eerste extractie, voorafgegaan door enzymatische hydrolyse (urine) of enzymatische digestie (spierweefsel), wordt chlooramphenicol geextraheerd vanuit de matrix met ethylacetaat. Het verkregen extract wordt vervolgens verder gezuiverd met vaste fase extractie (Solid Phase Extraction, SPE) en LC-fractionering. Bij het opwerken van monsters garnaal kan de zuiveringsstap over SPE worden overgeslagen. Na derivatisering wordt het verkregen extract geanalyseerd met GC-MS. Detectie kan plaatsvinden met negatieve chemische ionisatie (NCI), de meest gevoelige methode. Indien NCI niet beschikbaar is kunnen electron impact (EI) of positieve chemische ionisatie (PCI) als alternatief gebruikt worden. De beschreven methode is zowel geschikt voor screening als bevestiging. De beslissingsgrens voor alle monsters bedraagt ongeveer 0,05 micro g/l of 0,05 micro g/kg. Het detectievermogen voor urinemonsters is 0,3 micro g/l, voor garnalen is deze 0,1 micro g/kg. Wanneer PCI of EI gebruikt worden is het detectievermogen 0,5 microg/l of 0,5 micro g/kg.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Het Rijksvaccinatieprogramma in Nederland: het voorkomen van de doelziekten (1997-2002) | RIVM

Het Rijksvaccinatieprogramma (RVP) is een preventieprogramma dat sinds 1957 door de overheid wordt aangeboden. Het doel van het RVP is kinderen te beschermen tegen de volgende ernstige infectieziekten: difterie, kinkhoest, tetanus, poliomyelitis, infecties door haemophilus influenza type b, bof, mazelen, rodehond, meningokokken C en hepatitis B (voor bepaalde groepen zuigelingen). Het huidige rapport geeft een kort overzicht van het voorkomen van de infectieziekten waartegen in het RVP gevaccineerd wordt (periode 1997-2002). Ziekte- en sterftecijfers uit verschillende bronnen over de periode 1997 - 2002 worden kort beschreven en eventuele epidemische verheffingen of waargenomen trends worden toegelicht. Het RVP is een succesvol programma. Europa is sinds 2002 officieel vrij verklaard van endemische polio en voor de periode 1997-2002 werden in Nederland slechts enkele gevallen van difterie, tetanus, bof en rodehond gemeld. Aangezien de kans dat zich een epidemie voordoet van een van de infectieziekten waartegen binnen het RVP gevaccineerd wordt bepaald niet ondenkbaar is, zeker niet zolang deze ziekten wereldwijd nog niet zijn uitgeroeid, zijn het handhaven van een hoge vaccinatiegraad en een continue monitoring van het voorkomen van de doelziekten uit het RVP van essentieel belang. Kinkhoest laat zien dat ondanks een hoge vaccinatiegraad een ziekte nog steeds endemisch kan zijn met epidemische verheffingen. De mazelenepidemie van 1999/2000 bewijst wederom dat ondanks de gemiddeld hoge vaccinatiegraad clustering van ongevaccineerde individuen in Nederland een daadwerkelijk risisco vormt. Voor een blijvend succes van het RVP is continue evaluatie en eventuele aanpassing van het programma noodzakelijk. Recent voorbeeld daarvan is de introductie van de vaccinatie tegen meningokokken C naar aanleiding van de toename van meningokokken C in Nederland in 2001/2002. Conclusies voor de verschillende doelziekten uit het RVP staan vermeld voor alle ziektes apart en worden nogmaals samengevat in het laatste hoofdstuk.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Sportzorg op de kaart | RIVM

Sportzorg op de kaart is een regionale verkenning van vraag naar en gebruik van sportzorg. Sportzorg is zorg die specifiek gericht is op behoud, herstel en bevordering van de gezondheid van de sportende en bewegende populatie. De sportzorgaanbieder, zoals een sportarts of een sportfysiotherapeut, kan door zijn specifieke kennis een belangrijke rol spelen voor mensen met een blessure. We richten ons met name op de curatieve aspecten van de sportzorg. Met behulp van sportparticipatiegegevens van 15 grote sporten geven we een beeld van het regionaal spreidingspatroon van sporten en daarmee van de verwachte vraag naar sportzorg die daaruit voortvloeit.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

PCR-detaining gradient gel electrophoresis profiling of inter- and intraspecies 18S rRNA gene sequence heterogeneity is an accurate and sensitive method to assess species diversity of arbuscular mycorrhizal fungi of the genus gigaspora | RIVM

PCR-detaining gradient gel electrophoresis profiling of inter- and intraspecies 18S rRNA gene sequence heterogeneity is an accurate and sensitive method to assess species diversity of arbuscular mycorrhizal fungi of the genus gigaspora | RIVM
Jaar: 2004 Onderzoek

Locatiespecifieke ecologische risicobeoordeling. Praktijkonderzoek met de TRIADE-benadering: deel 3 | RIVM

Het doel van het onderzoek was de beproeving van de TRIADE methodiek voor de inschatting van locatiespecifieke ecologische risico's in een praktijksituatie. De TRIADE geeft de mogelijkheid om trapsgewijs effecten van verontreinigingen te bepalen voor de aspecten chemie, toxicologie en ecologie. Deze methodiek moet een verbetering opleveren ten opzichte van de ecologische risicoschatting in de huidige saneringsurgentie-systematiek. Het onderzoek werd uitgevoerd op vijf locaties rond de zinkfabriek te Budel. Twee van deze locaties lagen op grotere afstand en werden als (lokale) referentie gebruikt. Drie locaties in de nabijheid van de zinkfabiek hadden verhoogde gehaltes aan zink en cadmium. Interventiewaarden werden niet overschreden. Het chemische onderzoek richtte zich op totaal-gehaltes, extraheerbare fracties en poriewaterconcentraties van zware metalen. Op basis daarvan werd de toxische druk berekend. Het ecotoxicologisch onderzoek bestond uit bioassays met algen, springstaarten en radijsplanten. De gebruikte testorganismen vertoonden verschillende gevoeligheden voor zware metalen, mede als gevolg van bodemeigenschappen als zuurgraad en voedingsstoffenbeschikbaarheid. Het TRIADE-onderdeel "ecologie" werd ingevuld met indicatoren uit de Bodembiologische Indicator (BoBI) en met een vegetatie-inventarisatie. Verontreinigde locaties verschillen bijna altijd in meer eigenschappen van de referentie dan alleen de concentratie van de contaminanten. Het vaststellen van een simpele oorzaak-gevolg relatie voor ecologische effecten zal daarom meestal niet mogelijk zijn. Uit het TRIADE-onderzoek kan worden geconcludeerd, dat de keuze van de locale referentie aanzienlijke invloed heeft op het berekende ecologisch risico. De TRIADE-systematiek geeft de ecologische risicoschatting desondanks een aanzienlijk bredere basis dan de huidige urgentiesystematiek. De methodiek is gebaseerd op het 'multiple weight of evidence' principe en biedt een kwantitatieve maat voor ecologische risico's. Aangezien ook het bodembeschermingsbeleid zich ontwikkelt naar een meer locatiespecifieke benadering, wordt verder inpassing van de TRIADE-methodiek aanbevolen.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Guidelines for selection and presentation of residue values of pesticides | RIVM

Residubeoordelingen van bestrijdingsmiddelen worden uitgevoerd om wettelijke residulimieten (MRLs = maximum residue limits) vast te leggen. MRLs worden afgeleid uit de resultaten van die residuproeven met bestrijdingsmiddelen die volgens kritisch "Good Agricultural Practice" zijn uitgevoerd. Er mag slechts een residugehalte per residuproef geselecteerd worden voor de afleiding van de MRL. Het huidige rapport beschrijft een voorstel voor de selectie en weergave van residugehaltes in adviesrapporten die in Nederland worden opgesteld hetzij in opdracht van het College voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen hetzij in opdracht van de "Food and Agricultural Organisation of the United Nations". In deze adviesrapporten worden de residugehaltes van elke aangeleverde residuproef weergegeven in een tabel. Bij residuproeven wordt onderscheid gemaakt tussen onafhankelijke en herhaalde residuproeven. Residuproeven die op dezelfde locatie op hetzelfde tijdstip met dezelfde apparatuur zijn uitgevoerd worden beschouwd als een residuproef met meerdere herhalingen (mits ook het toepassingsgebied, formulering, dosering, aantal toepassingen en gewasvarieteit dezelfde zijn). Als een residuproef bestaat uit herhaalde residuproeven, worden alle individuele residugehaltes weergegeven, maar alleen het maximum residugehalte wordt geselecteerd. Daarnaast kunnen per residuproef een of meer veldmonsters zijn genomen en elk veldmonster kan verder worden verdeeld in een of meer laboratoriummonsters, die op hun beurt kunnen worden verdeeld in een of meer analytische porties. Als een residuproef bestaat uit herhaalde veldmonsters, worden alle individuele residugehaltes weergegeven, maar alleen het gemiddelde residugehalte wordt geselecteerd. Als een residuproef bestaat uit herhaalde laboratoriummonsters of herhaalde analytische porties, wordt alleen het gemiddelde residugehalte weergegeven en geselecteerd.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Bepaling ad-hoc humane risicogrenzen voor sediment en oppervlaktewater i.v.m. 'calamiteit Vredestein' te Enschede | RIVM

Bij een brand bij de bandenfabriek Vredestein te Enschede op 22 augustus 2003, zijn met het bluswater verschillende verbindingen in het milieu terechtgekomen. Het RIZA heeft een lijst met 23 verbindingen geleverd die in het oppervlaktewater zijn aangetroffen, met de vraag om de humane risico's van deze verbindingen in te schatten. Meer specifiek hield dit in: -het afleiden van ad hoc waarden MTR-humaan. -Het afleiden van risicogrenzen voor sediment voor het standaardscenario viswater. -Het afleiden van risicogrenzen voor water ten behoeve van drinkwatergebruik.-Het schatten van de concentratie in vis. Aangezien de risicogrenzen op korte termijn gewenst zijn is een quick scan uitgevoerd van de beschikbare toxicologische literatuur over deze verbindingen. De aangetroffen data zijn onderworpen aan een summiere beoordeling en waar mogelijk zijn er provisionele MTR (Maximaal Toelaatbaar Risico) voor humane blootstelling afgeleid. Voor 12 verbindingen waren de toxicologische gegevens zelfs niet toereikend om een provisioneel MTR vast te stellen. Voor de overige 11 verbindingen is voor de benodigde fysisch-chemische gegevens eveneens een quick scan uitgevoerd. Op basis van de provisionele MTR's en de fysisch-chemische gegevens zijn vervolgens blootstellingsscenario's doorgerekend om humane risicogrenzen af te leiden. Hierbij is gebruik gemaakt van het blootstellingsmodel SEDISOIL. De resulterende risicogrenzen worden door het RIZA gebruikt ter beoordeling van de situatie bij Vredestein te Enschede.De berekende risicogrenzen zijn niet formeel vastgesteld, zoals voor interventiewaarden het geval is, en hebben derhalve geen wettelijke status. Ze moeten worden beschouwd als zogenaamde ad hoc risicogrenzen, en zijn derhalve alleen toepasbaar voor de beoordeling van het geval Vredestein-Enschede. Volgens de Wet bodembescherming dient bij overschrijding van (ad hoc) risicogrenzen een actuele (locatie-specifieke) risicobeoordeling te volgen middels een Nader Onderzoek (NO). Gezien de relatief beperkte betrouwbaarheid van de afgeleide risicogrenzen moet worden overwogen dit ook te doen indien de gevonden concentraties de ad hoc risicogrenswaarden benaderen.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Definitiestudie voor de integratie LOV en RS | RIVM

Het RIVM beschikt over twee instrumenten om ruimtelijke processen in de fysieke leefomgeving te modelleren: de Leef Omgevings Verkenner (LOV) en de Ruimtescanner (RS). Uit overwegingen van efficientie streeft het RIVM ernaar beide systemen te integreren, waarbij de specifieke eigenschappen van de modellen moeten worden gehandhaafd. Deze integratie zal leiden tot een toolbox, die onder de naam LUMOS (Land Use MOdelling System) verder door het leven zal gaan. In opdracht van het RIVM heeft Nexpri/Universiteit Utrecht een definitiestudie uitgevoerd, resulterend in een Globaal Functioneel Model (GFO). De Leef Omgevings Verkenner en de Ruimtescanner vertonen veel overeenkomsten als het gaat om de gebruikte basisgevens en de presentatie van resultaten. De belangrijkste verschillen tussen RS en LOV zijn gelegen in de allocatiemechanismen. De RS maakt gebruik van een logitmodel, terwijl de LOV voor het simuleren van ruimtelijke processen gebruik maakt van cellulaire automata. Deze mechanismen zijn fundamenteel verschillend en kunnen niet zonder meer als uitwisselbaar worden beschouwd. Een ander belangrijk verschil tussen beide instrumenten is de mate waarin gebruik gemaakt wordt van expertoordelen tijdens het modelproces. Het Globaal Functioneel Ontwerp voor LUMOS beschrijft op hoofdlijnen de vorm waarin integratie tussen RS en LOV kan plaatsvinden. Uitgangspunt bij het GFO is dat de allocatiemechanismen van RS en LOV in hun huidige vorm gehandhaafd blijve, gezien hun zeer specifieke karakter. Integratie is vooral mogelijk bij de invoer van gegevens, en de nabewerking en uitvoer van de resultaten. Daarnaast dient een gemeenschappelijke gebruikersinterface en beheertool te worden ontwikkeld. Op basis van het Globaal Functioneel Ontwerp voor LUMOS is een heel scala aan vervolgstappen mogelijk. Het rapport geeft daarom per functioneel onderdeel van de toolbox de belangrijkste keuzes en bijbehorende argumentaties weer. Deze keuzes worden sterk bepaald door de mate van integratie die wordt nagestreefd en door de systeemomgeving waarin de toolbox moet gaan functioneren.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Kwaliteitsborging van radiodiagnostische apparatuur: Een inventarisatie van initiatieven in binnen- en buitenland | RIVM

Dit rapport bevat een inventarisatie van initiatieven voor kwaliteitsborging van apparatuur in de radiodiagnostiek. De aanleiding voor dit onderzoek is de constatering van de Inspectie voor de Gezondheidszorg dat de kwaliteitsborging op afdelingen radiologie verbetering behoeft. Voor deze inventarisatie is een literatuurstudie uitgevoerd, zijn interviews gehouden met Nederlandse deskundigen en is een enquete gestuurd naar experts in het buitenland. De belangrijkste conclusies die hieruit voortvloeien zijn de volgende: de wet schrijft niet precies voor wat kwaliteitsborging moet inhouden, de beroepsgroepen moeten daar zelf richtlijnen voor opstellen. Op dit moment is de veldstandaard verouderd en beperkt tot conventionele technieken. Voor de ontwikkeling van nieuwe richtlijnen dient kwaliteitsborging van apparatuur door alle betrokken beroepsverenigingen hoog op de agenda te worden geplaatst. Voorlopig dient de Inspectie voor de Gezondheidszorg zelf eisen te formuleren en openbaar te maken om de kwaliteitsborging toch te kunnen toetsen. Op dit moment gaan afdelingen radiologie hun eigen weg. Voor het opstellen van een actuele veldstandaard voor kwaliteitsborging kan echter efficient gebruik gemaakt worden van het pionierswerk in het buitenland. Om een nieuwe standaard vervolgens geimplementeerd te krijgen is het noodzakelijk daarbij zoveel mogelijk afdelingen radiologie te betrekken. Hierbij kunnen multidisciplinaire visitaties een goed hulpmiddel zijn indien daarbij ook specifiek naar kwaliteitsborging van apparatuur gekeken wordt.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Monitoring of radiation in the environment in the Netherlands. Results in 2002 | RIVM

In het kader van het Euratom Verdrag van 1957 is de Nederlandse overheid verplicht om radioactiviteit te meten in het milieu. Dit rapport presenteert de resultaten van radioactiviteitsmetingen in het Nederlandse milieu in 2002 uitgevoerd door RIVM, RIZA, RIKZ en Keuringsdienst van Waren. De metingen zijn uitgevoerd in luchtstof, depositie, oppervlaktewater, zeewater, drinkwater en voedsel (honing, melkpoeder, wild, gevogelte, bosbes en cantharel). Sinds 1998 zijn er geen metingen verricht aan melk. Omgevingsdosisequivalenttempi werden verkregen van het Nationale Meetnet Radioactiviteit. In twee gevallen zijn er in 2002 ongebruikelijke niveaus van radioactiviteit gevonden in het Nederlandse milieu. De activiteitsconcentratie van 210Pb in luchtstof gedurende week 45 (3000 plus minus 300 microBq5m-3) is de hoogste concentratie sinds 1991. Sinds 1998 is de gedeponeerde 7Be-activiteit niet meer zo hoog geweest als die van week 43 (158 plus minus 19 Bq5m-2). Daarnaast overschreed de 3H-activiteit in de Maas de streefwaarde (10 Bq5L-1) in tien van de dertien monsters genomen in 2002. Het jaargemiddelde (15 Bq5L-1) ligt in het bereik van voorgaande jaren. Vergeleken met de aanbevelingen van de Europese Unie blijkt dat het Nederlandse meetprogramma op een aantal punten tekortschiet, met name voor wat betreft controle van drinkwater, melk en overige voedingsmiddelen.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Ecological effects of pesticide use in the Netherlands: Modeled and observed effects in the field ditch | RIVM

Dit rapport behandeld een nieuwe methode voor het berekenen van het ecologische risico in kavelsloten dat wordt veroorzaakt door het gebruik van een groot aantal bestrijdingsmiddelen (261) in Nederland voor het jaar 1998. De gehele berekening is terug te voeren op een GIS-kaart van het agrarisch landgebruik, waarbij 51 verschillende teelten worden onderscheiden. Hierdoor is het mogelijk om de resultaten in kaartbeelden weer te geven. Door de toepassing van soortengevoeligheidsverdelingen (SSD) en rekenregels voor combinatietoxiciteit, wordt de berekende blootstelling omgerekend naar een risicoschatting voor de aquatische levensgemeenschap die aanwezig hoort te zijn in kavelsloten. Dit risico wordt weergegeven als de fractie van de soorten die wordt geacht enig effect van de blootstelling te ondervinden. In de samenvatting van de risicokaarten wordt aangetoond dat het merendeel van het voorspelde risico wordt veroorzaakt door het gangbare bestrijdingsmiddelengebruik in de aardappelteelt. Slechts 7 van de 261 bestrijdingsmiddelen zijn verantwoordelijk te stellen voor 95% van het voorspelde risico. Voor alle bestrijdingsmiddelen tezamen is 50% het maximum risico dat is berekend voor enige plek in Nederland. Met behulp van simpele statistische regressie technieken is het berekende risico vergeleken met de door waterkwaliteitsbeheerders gemeten soortensamenstelling in het veld. Deze analyse levert een zwakke indicatie dat de voorspelde aantasting van het ecosysteem ook werkelijk waarneembaar is in het veld. Het geringe aantal beschikbare biologische waarnemingen in klavelsloten tezamen met een grote variabiliteit in de meetgegevens is er echter voor verantwoordelijk dat er geen significante relatie tussen modelvoorspelling en waarnemingen is aan te tonen.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Orienterende Evaluatie Gezondheidsrisico door Metalen in Tatoeages | RIVM

Veel tatoeagekleurstoffen bevatten metalen, zo blijkt uit recent onderzoek door de Keuringsdienst van Waren. We hebben een eerste evaluatie uitgevoerd van de mogelijke risico's die dit oplevert voor de gezondheid van de consument. De uitkomst van deze evaluatie is dat naar verwachting de aangetroffen metalen geen lange-termijnschade aan inwendige organen zullen veroorzaken. Een uitzondering hierop is chroom dat, wanneer het aanwezig is als zeswaardig ion, wel dergelijke schade teweeg kan brengen. Ook wordt in dat geval een verhoogd kankerrisico verwacht. De mogelijk lokale effecten (in het behandelde huidgebied) door metalen in tatoeages zijn bij de huidige stand van kennis slechts zeer beperkt te beoordelen. Wel kan worden geconcludeerd dat de kans op lokale reacties groot is wanneer zeswaardig chroom of nikkel aanwezig zijn in tatoeages. Uit de dermatologische praktijk is verder bekend dat ook cadmium, kobalt en kwik huidreacties kunnen veroorzaken.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Development and applicability of an in vitro digestion model in assessing the bioaccessibility of contaminants from food | RIVM

Voeding is een belangrijke bron voor humane blootstelling aan contaminanten. Dit rapport beschrijft de ontwikkeling en toepasbaarheid van een in vitro digestiemodel waarmee het effect van een voedselproduct op de biobeschikbaarheid van een stof onderzocht kan worden. Met dit model wordt gemeten welke fractie van een stof vrijkomt tijdens het digestieproces (bioaccessibility). Alleen deze fractie is beschikbaar voor opname in het lichaam en kan toxiciteit veroorzaken. Dit model zou bij kunnen dragen tot verbetering van de humane risicoschatting van contaminanten uit voeding. De toepasbaarheid van het in vitro digestiemodel werd onderzocht aan de hand van 3 voedselproducten waarin contaminanten waren aangetroffen: cadmium in sla en radijs, aflatoxine B1 in pinda en ochratoxine A in boekweit. De bioaccessibility van een contaminant kon reproduceerbaar gemeten worden, was afhankelijk van de matrix waarin het zich bevond, en kon beinvloed worden door de toegepaste experimentele condities in het digestiemodel, bijvoorbeeld simulatie van nuchtere of gevoede condities. Niet alle contaminant werd vrijgemaakt uit de voedselproducten tijdens het digestieproces. Dit impliceert dat de interne blootstelling aan contaminant dus waarschijnlijk overschat wordt. De resultaten van de kwalitatieve validatie van het in vitro digestiemodel met aflatoxine B1 en ochratoxine A in aanwezigheid van adsorberende materialen tonen aan dat het in vitro digestiemodel een waardevol hulpmiddel kan zijn om de in vivo biobeschikbaarheid van stoffen te voorspellen.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Environmental Risk Limits for mineral oil (Total Petroleum Hydrocarbons) | RIVM

In dit rapport zijn maximaal toelaatbare risiconiveaus en "serious risk concentrations" voor ecosystemen afgeleid voor minerale olie ("total petroleum hydrocarbons"). De gebruikte methode berust op een benadering met analyse van fracties, waarbij de alifatische en aromatische stoffen apart worden beschouwd en beide verder worden verdeeld in verschillende fracties. Voor elke fractie of blok zijn aparte risicogrenzen afgeleid. De "toxic unit" benadering moet worden toegepast op deze blokken om de milieurisicogrenzen te berekenen voor de totale (som)toxiciteit van een bepaald type olie.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Een multimedia campagne gericht op de preventie van lage rugpijn: de potentiele gezondheidswinst | RIVM

Een op de vijf mensen heeft chronische rugklachten, een op de tien consulteert jaarlijks de huisarts vanwege lage rugklachten, en lage rugklachten veroorzaken veel ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid. Alle reden om de mogelijkheden voor preventie na te gaan.In 1997-1999 is in Australie een succesvolle multimedia campagne gericht op de preventie van lage rugpijn uitgevoerd. In opdracht van het ministerie van VWS is nagegaan wat de opbrengst zou kunnen zijn indien we in Nederland een dergelijke multimedia publiekscampagne gericht op lage rugpijn zouden uitvoeren.Voor deze schattingen zijn gegevens over effecten van een campagne (uit het buitenland) en de omvang van de gezondheidsproblematiek van lage rugpijn (in Nederland) gecombineerd.Effecten zijn gekwantificeerd voor de omvang van lage rugpijn, de omvang van het zorggebruik, het ziekteverzuim en de arbeidsongeschiktheid.De effecten kunnen als volgt worden samengevat:-het 'de-medicaliseren' van een public health probleem-het verbeteren van de implementatie van richtlijnen in de medische praktijk-het verminderen van de lastendruk op huisarts en specialist-het mensen beter in staat stellen met pijnklachten om te gaan (empowerment)-het verminderen van verzuim en arbeidsongeschiktheid.Indien de effecten van de Australische campagne worden vertaald naar Nederland dan is naar schatting 5% van chronische rugpijn episoden, 25% van de kosten van de gezondheidszorg ten gevolg van lage rugklachten, 15% van de verzuimdagen ten gevolge van rugklachten en 15% van de nieuwe arbeidsongeschiktheidsuitkeringen te voorkomen.Als de potentiele effecten uitgedrukt worden in geld, zou een kostenreductie kunnen worden verwacht van ruim 200 miljoen Euro in het derde jaar na de start van zo'n campagne. Daarbij is zoveel mogelijk uitgegaan van de situatie in het jaar 2000. Deze schatting geeft een indruk van de potentieel grote impact van een preventiecampagne, maar dient als feitelijk cijfer met voorzichtigheid geinterpreteerd te worden, gezien de grote onzekerheden rondom de schattingen.De potentieel grote gezondheidswinst en kostenbesparing zouden ervoor pleiten ook in Nederland een multimedia campagne gericht op de preventie van lage rugklachten uit te voeren.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Beoordeling van de Uitvoeringsnotitie Emissieplafonds verzuring en grootschalige luchtverontreiniging 2003 | RIVM

In de Uitvoeringsnotitie 'Erop of eronder' geeft het kabinet invulling aan het nationale programma dat in het kader van de Europese richtlijn voor emissieplafonds (NEC-richtlijn) opgesteld moest worden. Op verzoek van het kabinet heeft het Milieu- en Natuurplanbureau van het RIVM de Uitvoeringsnotitie getoetst op doelbereiking en kosteneffectiviteit. Als belangrijkste conclusie komt naar voren dat het allerminst zeker is dat Nederland de uitstoot van zwaveldioxide (SO2), stikstofoxiden (NOx) en vluchtige koolwaterstoffen (NMVOS) kan terugbrengen tot onder het niveau van de plafonds. Veel beleidsvoornemens zijn onvoldoende geconcretiseerd en geinstrumenteerd. Het blijft onduidelijk welk aanvullend beleid de overheid de komende jaren wil gaan implementeren om de uitstoot te beperken. De keuze voor het vertalen van nationale plafonds naar sectorale taakstellingen heeft niet geleid tot acceptatie van deze taakstellingen door sectoren. Het geheel is risicovol omdat de resultaten van het beleid onzeker zijn en met het verstrijken van de tijd een deel van de benodigde reducties niet meer voor 2010 gerealiseerd zal kunnen worden. Een ingebrekestelling is daardoor niet uit te sluiten. Voor ammoniak (NH3) lijkt het doel bij uitvoering van het huidig beleid wel haalbaar, hoewel er gegeven de onzekerheidsmarges een kans aanwezig is dat het plafond toch overschreden wordt. Met de voorgenomen bestrijdingsmaatregelen voor NH3 wordt een doelonderschrijding verwacht. De kans op realisatie van het plafond neemt dan toe. De Uitvoeringsnotitie kan in 2006 worden geactualiseerd. In de tussenliggende jaren zal blijken of 'Erop of eronder' voor het halen van de NEC-doelen de juiste koers heeft uitgezet.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Nieuwe vormen van governance, een essay over nieuwe vormen van bestuur met een empirische uitwerking naar de domeinen van voedselveiligheid en gebiedsgericht beleid | RIVM

Maatschappelijke processen zoals globalisering en ICT zorgen voor een verschuiving van het beleidsproces, van 'government' naar 'governance' . Er is steeds meer sprake van bestuur gericht op samenwerking, waarbij andere actoren dan de overheid deel nemen aan de beleidsvorming. In dit rapport worden een aantal mogelijke vormen van governance onderscheiden en geanalyseerd met behulp van de casestudies voedselveiligheid en gebiedsgericht beleid.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Kwaliteitsnormen Medicinale Cannabis | RIVM

Vanaf 1 september 2003 mogen apothekers op voorschrift van een huisarts of specialist aan patienten medicinale cannabis verstrekken. De kwaliteit van dit product wordt getest conform de monografie Cannabis flos. In deze monografie zijn testen en kwaliteitseisen beschreven, onder andere met betrekking tot de kenmerken, gewichtsverlies door drogen, het gehalte delta 9 -trans-tetrahydrocannabinol, microbiologische contaminatie en pesticiden. In dit rapport is de monografie beschreven, inclusief een korte toelichting.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Het effect van logistiek slachten en/of een kiemreducerende behandeling op de besmetting van kippenvlees met Campylobacter | RIVM

De doelstelling van het CARMA project, waarin de effecten van logistiek slachten worden bestudeerd, is het adviseren van de overheid over de effectiviteit en doelmatigheid van maatregelen die zijn gericht op het terugdringen van campylobacteriose in de Nederlandse bevolking. Logistiek slachten is een methode waarbij koppels vleeskuikens worden onderzocht op besmetting met Campylobacter, waarna positief geteste koppels aan het einde van de dag of op een andere locatie worden geslacht. Daarmee wordt kruisbesmetting in het slachthuis beperkt. Echter, tengevolge van de lange periode (twee weken of meer) die verloopt tussen bemonstering van koppels op de boerderij en aflevering van deze koppels op het slachthuis wordt slechts een-derde van de ge6nfecteerde koppels als zodanig herkend. Dientengevolge wordt een gering effect verwacht van logistiek slachten op de prevalentie van Campylobacter op kippenkarkassen. Bovendien blijkt dat de aantallen Campylobacter op een karkas - en daarmee de volksgezondheidsrisico's - na kruiscontaminatie aanzienlijk lager zijn dan op een karkas van een koppel dat bij aanvoer op het slachthuis besmet is. Een combinatie van logistiek slachten en een kiemreducerende behandeling van karkassen na het slachten kan aanzienlijk bijdragen aan reductie van het risico. Deze gecombineerde maatregel is alleen effectief wanneer een gevoelige test wordt gebruikt die zo kort mogelijk voor het slachten wordt ingezet. Een dergelijke test is momenteel nog niet beschikbaar. Daarnaast zijn er wettelijke beperkingen die het gebruik van chemische decontaminatie momenteel verhinderen. Het toepassen van een kiemreducerende behandeling op alle koppels voorkomt de noodzaak tot testen op besmetting met Campylobacter spp., wat kan leiden tot lagere kosten en minder ingewikkelde procedures. Echter, sommige kiemdodende behandelingen kunnen een negatief effect hebben op de kwaliteit van het product. Het optimaliseren van de combinatie van logistiek slachten en kiemreducerende behandelingen vormt onderwerp van nader onderzoek in het CARMA project.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Immunomodulation by probiotics: a literature survey | RIVM

De belangrijkste functie van voeding is te voorzien in voldoende nutrienten en energie. Bij nutrienten moet gedacht worden aan zowel macronutrienten (eiwitten, vetten en koolhydraten) als micronutrienten zoals mineralen, vitaminen en spore-elementen. Een niet te onderschatten additionele functie is meer van sensorische aard zoals smaak en kleur van de voeding. Sinds enige jaren is er interesse in nog een derde functie ontstaan. Er komt steeds meer voeding op de markt waarvan geclaimd wordt dat ze fysiologische systemen zoals het immuunsysteem, endocrine systeem, hart- en vaatstelsel etc. kunnen verbeteren. Deze voedingsmiddelen worden functionele voedingsmiddelen genoemd. Dit rapport gaat met name over de immuunmodulerende werking van probiotische bacterieen. Het merendeel van de gepubliceerde literatuur is gericht op positive gezondheidseffecten. Over eventuele schadelijke gevolgen van probiotica gebruik is nauwelijks tot niets bekend. Een eindconclusie over probiotica als groep is zeker moeilijk te maken aangezien er grote verschillen bestaan tussen typen probiotica, met verschilllende en soms zelfs tegengestelde effecten. Daarom zijn meer gegevens nodig voordat een conclusie getrokken kan worden over de voors en tegens van het gebruik van een bepaald type probioticum.Een adequate manier om te concluderen of blootstelling aan probiotica gezondheidsbevorderend of juist nadelig zullen zijn is het uitvoeren van experimenten gebruikmakend van ziektemodellen, zoals infectiemodellen, huid-, luchtweg-, of voedselallergiemodellen, en autoimmuunmodellen. Patronen in veranderingen in immuunparameters, geevalueerd in de context van klinische effecten die worden waargenomen met dergelijke ziektemodellen, kunnen uiteindelijk indicatief zijn voor mogelijke gezondheidsbevorderende of juist nadelige effecten van probiotica, en dergelijke informatie kan de basis vormen voor een systeem van evaluatie van probiotica die op de markt worden gebracht.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Vergelijking van kosten en effecten van prenatale screeningsmethoden voor Down syndroom en neuraalbuisdefecten | RIVM

In opdracht van het ministerie van VWS heeft het RIVM een kosten-effectiviteitsanalyse (KEA) uitgewerkt betreffende scenario's voor een op te zetten nationaal programma voor Down syndroom screening en neuraalbuisdefecten (NBD). De kosten van alle onderdelen van het screeningsproces (van de counseling tot het einde van de zwangerschap) en de kansen op verschillende uitkomsten gedurende dat proces werden geinventariseerd. Deze parameters werden in een beslismodel verwerkt en daarmee werden, ter illustratie, twee verschillende scenario's doorgerekend. In het eerste scenario, dat model staat voor een ruim aanbod aan testen, wordt aangenomen dat 50% van alle zwangeren deelneemt aan een screeningsprogramma voor Down syndroom (ca. 100.000 zwangeren). In het tweede scenario, dat model staat voor een beperkt aanbod, neemt 50% van de zwangeren van 36 jaar en ouder (ca 14.000 zwangeren) deel aan een screeningsprogramma. Vergeleken werden de kosten per gedetecteerd geval van Down syndroom en de verhouding tussen het aantal gedetecteerde Down syndroom gevallen en het aantal abortussen dat door de screening veroorzaakt wordt (detectie-iatrogene abortus ratio). Omdat met sommige screeningsmethoden ook NBD kunnen worden opgespoord, werden ook de extra kosten en extra effecten hiervan meegenomen in de analyse. Om de robuustheid van de uitkomsten te onderzoeken wordt zowel een gevoeligheids- als een onzekerheidsanalyse beschreven in dit rapport. Uit de KEA blijkt dat kosten per gedetecteerd geval van Down syndroom liggen tussen 100.000 euro en 199.000 euro in scenario 1 en tussen 31.000 euro en 62.000 euro in scenario 2. De detectie-iatr. abortus ratio in scenario 1 varieert van 0,2 tot 8,7 en in scenario 2 van 0,6 tot 23,0. Afhankelijk van de test vari6ren de totale kosten van een screeningsprogramma tussen 10,2 miljoen euro en 38,0 miljoen euro in scenario 1 en tussen 1,4 miljoen euro en 5,3 miljoen euro in scenario 2. Op het gebied van kosten per gedetecteerd geval van Down syndroom presteren de screeningsmethoden gebaseerd op serumtests (triple test en eerste trimester dubbeltest) relatief gunstig. Vooral testen die mede gebaseerd zijn op de resultaten van een NT-meting hebben een relatief gunstige detectie-iatr. abortus ratio.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Evaluatie pilot Endogene Factoren | RIVM

In het kader van het project Lokale en Nationale Monitor Volksgezondheid (Monitor VGZ) is een aantal pilots opgezet voor het meten van endogene factoren. Doel van de pilot is het bestuderen van de haalbaarheid van een te in combinatie met een lichamelijk onderzoek op de GGD en nagaan of de waarden van totaal- en HDL cholesterol en glucose volgens een vingerprik methode overeenkomen met de uitslagen afkomstig van analysetechnieken in een gecertificeerd laboratorium. Haalbaarheid: De respons voor het lichamelijk onderzoek varieerde van 27% tot 43%. De samenwerking tussen RIVM en GGD / GG&GD was goed. Er werd meestal goed ingespeeld op problemen die tijdens het veldwerk ontstonden. Helaas weigerde de apparatuur enkele malen. De voorbereiding en de uitvoering kosten veel tijd voor de co6rdinatoren van de GGD'en. Deelnemers waren positief over het onderzoek. Vergelijkbaarheid: De correlatie voor totaal- en HDL-cholesterol tussen de vingerprik methode en de veneuze bloedafname is circa 0,86. De correlatie voor glucose is lager (0,62). Het gemiddelde totaal- en HDL-cholesterolgehalte en glucose is in het bloed afkomstig van de vingerprik significant hoger dan de waarden in veneus bloed. De prevalentie van hypercholesterolemie blijkt 2 keer zo hoog te zijn volgens de vingerprik waarden in vergelijking met de veneuze bloedwaarden. Conclusie: De uitvoering van een schriftelijke / mondelinge te in combinatie met een lichamelijk onderzoek op de GGD of op een wijkpost is haalbaar. De nieuwe meetmethode om met behulp van een vingerprik het totaal- en HDL-cholesterol en glucose te bepalen is niet vergelijkbaar met de waarden die bepaald worden in veneus bloed door een gecertificeerd laboratorium.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Uncertainty analysis for NOx emissions from Dutch passenger cars in 1998. Applying structured expert elicitation and distinguishing different types of uncertainty | RIVM

Bij besluitvorming over maatregelen op het gebied van emissie-reductie zijn niet alleen gegevens over emissies nodig maar ook over de onzekerheid daarvan. Dit rapport beschrijft een studie naar het gebruik van gestructureerde expertbevraging bij onzekerheidsanalyse van de NOx-emissies uit personenauto's. Experts van verschillende Nederlandse onderzoeksinstituten zijn bevraagd over prestatiegegevens (emissie-factoren) en volumegegevens (kilometrages). De totale populatie onzekerheid is berekend door het opschalen van de onzekerheid van individuele auto's door Monte Carlo simulaties. In de berekening is expliciet onderscheid gemaakt tussen variabelen die inherent variabel zijn (aleatorische onzekerheid) en variabelen die onzeker zijn vanwege een gebrek aan kennis (epistemische onzekerheid). Het kleinste 95% betrouwbaarheidsinterval werd verkregen voor de TNO-CBS expert (-12% tot +15%), en het grootste interval voor de RIVM expert (-35% tot +51%). De combinatie van experts (decision-makers [DM] genoemd in deze methode) kreeg intervallen van -30% tot +41% (DM voor propagatie) en van -46% tot +81% (DM na aggregatie). Het gebruik van expert bevraging bleek arbeidsintensief en er is veel discussie over het wel of niet combineren van expert antwoorden. Het gebruik van deze methode moet daarom goed onderbouwd worden, en moet zich richten op de meest gevoelige en controversiele parameters.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Towards human and social sustainability indicators | RIVM

Sinds de Brundtland commissie het rapport ten aanzien van duurzame ontwikkeling heeft gepresenteerd, heeft een groot aantal instellingen getracht deze te operationaliseren en/of the verfijnen met andere, gerelateerde concepten. In deze nieuwe concepten komen aspecten als armoede en ontwikkeling, bestaanzekerheid en kwaliteit van leven vaak terug. Operationaliseren van deze concepten heeft geleid tot een grote verzameling van indicatoren en samengestelde indicatoren (zogenoemde indices). Belangrijke voorbeelden zijn hiervan de Human Development Index en de Millennium Development Goals. De meeste van deze indicatoren zijn echter niet of niet goed theoretisch onderbouwd. De precieze omschrijving van wat deze indicatoren beogen te beschrijven ontbreekt vaak en de selectie van indicatoren lijkt soms meer gebaseerd te zijn op beschikbaarheid van data in plaats van een ex-ante set van criteria. Selectie van indicatoren kan worden gedaan op basis van criteria als gevoeligheid voor de te meten veranderingen, transparantie en redundantie. Met het toepassen van het Pressure-State-Impact-Response raamwerk komen indicatoren beter tot hun recht doordat er causaliteit onderscheiden wordt, en er een duidelijke relatie wordt gelegd met het onderliggende proces. Daarnaast levert het gebruik van een hierarchische representatie een transparant en traceerbaar indicatorenraamwerk op. De theorie van Maslow, waarin de sequentie van levensbehoeften wordt uiteengerafeld, sluit hierbij goed aan en is dan ook gebruikt om een beter gefundeerde, maar nog steeds praktische collectie van indicatoren te krijgen voor het sociale domein van duurzame ontwikkeling.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

De RIVM-MNP bijdrage aan de evaluatie van het EMEP Unified model | RIVM

Een aantal aspecten van het EMEP Unified (Euleriaans) model zijn geevalueerd door het analyseren van de depositie parameterisatie van verzurende stoffen, de concentratie en depositie van SOx, NOx en NHx in Nederland, de bron-receptor matrices voor Nederland en de geografische verdeling van de emissies. De resultaten zijn vergeleken met die van het OPS model en met metingen. Het EMEP Unified model geeft vrij goede resultaten voor de meeste verzurende stoffen in Nederland. De bron-receptor matrices voor geoxideerd zwavel berekend door het EMEP model komen goed overeen met die van het OPS model, terwijl de overeenkomst voor gereduceerd stikstof redelijk is. Grote afwijkingen worden gevonden tussen de modellen voor de bron-receptor matrices voor geoxideerd stikstof. De lokale depositie bijdrage van Nederlandse emissies aan de depositie in Nederlandse is een factor vier hoger in het OPS model dan in het EMEP model en de depositie bijdragen van Belgie en Duitsland zijn ook veel groter dan in het OPS model. Deze verschillen kunnen herleid worden naar de lagere concentratie en droge depositie en grotere natte depositie van NOx in het EMEP model. Er is een opvallend verschil in de invloed van de Grens- en Begincondities op de bron-receptor matrices van geoxideerd stikstof. Het EMEP suggereert dat ongeveer 30% van de depositie in Nederland is afkomstig van bronnen buiten Europa. De door het EMEP model berekende concentratie van SO2 in Nederland komt goed overeen met metingen, the concentratie van NOx zijn ongeveer 40% lager en de concentraties van NH3 30% tot 40% lager dan de metingen.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Multi-gas emission profiles for stabilising greenhouse gas concentrations: Emission implications of limiting global temperature increase to 2 degrees centigrade | RIVM

In dit rapport presenteren we twee broeikasgas emissieprofielen die leiden tot twee verschillende stabilisatieniveaus van concentraties. De multi-gas emissieprofielen zijn gebaseerd op het 'Global Warming Potential' (GWP) concept. De concentratieniveaus zijn berekend aan de hand van de som van de stralingsforcering van de Kyoto gassen (CO2, CH4, N2O en de F-gassen). Het profiel dat stabiliseert op 550 ppmv CO2-equivalenten resulteert in een temperatuurtoename tot onder de 2 graden Celsius wanneer de klimaatgevoeligheid wordt gevarieerd tussen de 1.5 graden Celsius en 2.5 graden Celsius. Bij hogere waardes van de klimaatgevoeligheid zal het profiel leiden tot hogere temperatuurtoenames, daarmee het EU-doel overschrijdend. De onzekerheidsband van de klimaatgevoeligheid is gesteld op 1.5 graden Celsius tot 4.5 graden Celsius. Verder blijkt dat het 2 graden Celsius doel bij het 650 ppmv stabilisatieprofiel alleen binnen bereik is als de klimaatgevoeligheid aan de lage kant zit van die onzekerheidsband. Om het temperatuurdoel van de 2 graden Celsius met grotere waarschijnlijkheid te kunnen halen, zou stabilisatie dus gericht moeten worden op 550 ppmv CO2-equivalenten. Zonder het toestaan van een overshoot betekent dit stringente restricties voor de mondiale emissies, die niet later mogen pieken dan 2015 - 2020. Deze conclusies zijn ook afhankelijk van de aannames in de zwavelemissies, die niet worden meegenomen in het GWP-concept. In deze studie blijkt de onzekerheid door zwavelemissies niet groter dan 0.3 graden Celsius te zijn, wat verwaarloosbaar is ten opzichte van de onzekerheid in de klimaatgevoeligheid. Voor onze conclusies hebben we aangenomen dat de niet-CO2 broeikasgassen 100 ppmv CO2-equivalenten bijdragen aan de stabilisatieniveaus. Uit een gevoeligheidsanalyse blijkt dat variatie in de bijdrage van niet-CO2 broeikasgassen resulteert in een ander stabilisatieniveau (plusminus 50 ppmv) en ook een andere temperatuurtoename (plusminus 0.2 graden Celsius) in de komende 100 jaar. Dit wordt verklaard door het feit dat het gebruik van GWP's, met een 100-jarig tijdshorizon, ervoor zorgt dat de bijdrage van kortlevende gassen zoals methaan wordt onderschat. Dit effect is minder zichtbaar op de langere termijn (meer dan 100 jaar), maar zorgt ervoor dat het GWP-concept minder goed bruikbaar is om temperatuurdoelen te vertalen naar equivalente broeikasgas emissiedoelen.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Sectorale CO2-emissies tot 2010 Update van Referentieramingen ten behoeve van besluitvorming over Streefwaarden | RIVM

Op verzoek van de Ministeries van VROM, EZ, V&W en LNV hebben Energieonderzoek Centrum Nederland (ECN) en het Milieu- en Natuurplanbureau (MNP) van het RIVM de CO2-emissie per sector tot 2010 ingeschat. Nederland stoot in 2010 precies zoveel CO2 uit om de doelstelling volgens het Kyoto-protocol te halen. In deze studie is uitgegaan van een eerdere studie, de Referentieraming energie en CO2 uit 2002. Deze raming is aangepast met onder meer gecorrigeerde emissiecijfers voor 2000 en een groot aantal recente beleidsaanpassingen.De update is door de vier ministeries gebruikt voor het opstellen van CO2-streefwaarden voor de sectoren op hun beleidsterrein. Hiermee hoopt de overheid meer zekerheid te scheppen over het behalen van het binnenlandse emissiedoel in 2010. Uit het rapport blijkt dat de CO2-emissie in 2010 overeenkomt met de Kyoto-doelstelling van 186 Mton. Enkele aanpassingen van sectorontwikkelingen leiden tot een iets hogere verwachte emissie van de industrie en energiesector. Echter, door een verbetering in de nationale emissie-registratie blijken de CO2 emissies de afgelopen jaren bijna 4 Mton lager te zijn dan tot nu toe is gedacht. Dit werkt ook door in de prognoses voor het jaar 2010. Hierdoor komt het behalen van de binnenlandse Kyoto doelstelling voor broeikasgassen dichterbij. De beleidsmaatregelen van de kabinetten Balkenende I en II hebben per saldo weinig effect op het realiseren van het Kyoto-doel.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Quick Scan, Groen/Blauwe effecten woningbouwlocaties Deltametropool | RIVM

Het Milieu- en Natuurplanbureau (MNP-RIVM) heeft in overleg met het Ministerie van VROM een Quick Scan verricht van de groen/ blauwe effecten van verschillende verstedelijkingsopties voor de Deltametropool. De conclusie stemt overeen met die uit de grote hoeveelheid studies die reeds eerder op dit terrein zijn verricht: bouwlocaties in het Groene Hart en verspreide verstedelijkingsvarianten leveren de meeste aantasting van groene en blauwe waarden op.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Certification of the clenbuterol mass concentration in lyophilised bovine liver reference materials with indicative information on the salbutamol and terbutaline mass concentrations. BCR-648 (beta-agonist-free) and BCR-649 (beta-agonist-positive) | RIVM

Certification of the clenbuterol mass concentration in lyophilised bovine liver reference materials with indicative information on the salbutamol and terbutaline mass concentrations. BCR-648 (beta-agonist-free) and BCR-649 (beta-agonist-positive) | RIVM
Jaar: 2004 Onderzoek

Population and Scenarios: Worlds to win? | RIVM

Bevolkingsontwikkelingen hebben een zeer belangrijke rol gespeeld bij het functioneren van het natuurlijk systeem. De hoge bevolkingsgroei in de afgelopen eeuw heeft geleid tot een hoge druk op het milieu, waarvan de voedselproblematiek een van de voorbeelden is waarin deze druk zichtbaar wordt. Alhoewel de bevolking in bepaalde regio's aan het afnemen is, zal de wereldbevolking nog verder stijgen, in ieder geval de komende decennia. Door te kijken naar de drie basiscomponenten van de demografische veranderingen d.w.z. fertiliteit, mortaliteit en migratie, kan de dynamiek van veranderingen in omvang maar ook in structuur van de toekomstige bevolking, beter begrepen worden. De samenhang en verandering van deze componenten wordt beschreven in de theorie van de demografische transitie. Er zijn diverse instellingen die bevolkingsprojecties maken. De bekendste is wellicht de Verenigde Naties die voor de meeste landen projectie tot 2050 maken. Daarnaast worden er op nationale (bijvoorbeeld Nederland) en regionale schaal (bijvoorbeeld Europa) ook projecties gemaakt. Doordat deze projectie door verschillende instellingen gemaakt wordt ontbreekt de consistentie over de schaalniveaus. Ook de onderbouwing van de veronderstellingen die ten grondslag liggen aan deze projecties ontbreekt nogal eens, en de onzekerheden worden vaak slechts gepresenteerd in varianten: hoog, midden en laag.Een mogelijkheid om beter om te gaan met onzekerheden is het gebruik van scenario's. In scenario's wordt getracht een of meerdere consistente beelden van de toekomst te geven. Door de IPPC is deze methodiek toegepast om een beter inzicht te krijgen in toekomstige emissies. Deze zeer bruikbare toepassing gaat uit van twee trends die tezamen een groot deel van de onzekerheden ten aanzien van toekomstige ontwikkelingen dienen af te dekken. Deze trends zijn globalisering versus regionalisering, en individualisme/marktwerking versus collectivisme. De combinatie van deze twee dimensies resulteert in 4 scenario's. Deze scenariomethodiek is toegepast op Nederland, Europa en de 17 belangrijkste wereldregio's waarbij de veronderstellingen voor fertiliteit, mortaliteit en migratie zoveel mogelijk gebaseerd zijn op achterliggende sociaal-economische en milieu-gerelateerde ontwikkelingen. Doordat een zelfde benadering gebruikt is voor de diverse schaalniveaus worden consistente bevolkingsprojecties verkregen. De resultaten voor de drie schaalniveaus laten zien dat, gegeven de twee scenariodimensies, een grote diversiteit van toekomstbeelden verkregen wordt.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Application of principal component analysis to time series of daily air pollution and mortality | RIVM

De vraagstelling van het onderzoek was of er een de relatie te leggen is tussen dagelijkse sterfte in de Nederlandse bevolking en specifieke bronnen van grootschalige luchtverontreiniging. Op basis van bestaande datareeksen over de periode 1993-1998 van dagelijkse sterftestatistieken en dagelijkse luchtverontreingingsniveaus, konden vijf factoren van luchtverontreiniging worden geidentificeerd. De geidentificeerde factoren waren gerelateerd aan de volgende bronnen: verkeer, secundair anorganisch aerosol, bio-industrie, industrie en fotochemische luchtverontreiniging. Deze vijf bronnen zijn vervolgens geanalyseerd in relatie tot de dagelijkse sterfte. Alle onderzochte bronfactoren bleken gerelateerd te zijn aan de dagelijkse sterftegegevens, waarbij er geen voorkeur werd gevonden voor een specifieke bronfactor. De sterkste associaties werden gevonden voor de industriele factor en voor de fotochemische factor. Voor de andere factoren werden eveneens significante associaties gevonden, maar met een lager relatief risico. Alhoewel met principale componenten analyse dus meer inzicht is verkregen in de rol van de afzonderlijke bronnen in het gehele mengsel van luchtverontreiniging konden op basis van de resultaten van het onderzoek, geen specifieke bronnen van grootschalige luchtverontreiniging worden aangegeven die van relatief groter belang zijn voor de gezondheidsschade dan andere bronnen. De resultaten suggereren juist dat alle geidentificeerde bronnen een bijdrage leveren aan de aan grootschalige luchtverontreiniging gerelateerde dagelijkse sterfte.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Environmental Risk Assessment for Veterinary Medicinal Products Part 1. Non-immunological drug substances. Second update | RIVM

Het milieurisico van het gebruik van diergeneesmiddelen wordt beoordeeld bij de registratie van het middel in Nederland. Dit rapport gidst aanvragers en de nationale toelatings-autoriteit door het beoordelingsschema. Het bevat inzichtelijke modellen die blootstellingsconcentraties voorspellen, evenals uniforme methoden om de potentiele effecten van het middel op blootgestelde organismen in mest, bodem en water te beoordelen.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

The influence of environmental conditions on the infectivity of non-growing Campylobacter jejuni | RIVM

Campylobacter jejuni is de meest frequente bacteriele veroorzaker van voedselinfecties. Onder omstandigheden waarbij C. jejuni niet kan groeien, bijvoorbeeld bij temperaturen lager dan 30 graden C, verliest de bacterie zijn kweekbaarheid, maar lijkt de bacterie niet dood te gaan. In deze studie is onderzocht of een niet-kweekbare C. jejuni een infectie kan veroorzaken, en of de omstandigheden waaronder de kweekbaarheid verloren is gegaan van invloed zijn op een eventuele infectie. Gedurende 40 dagen zijn kweekbaarheid, levensvatbaarheid en vermogen om een infectie te veroorzaken bepaald van C. jejuni die was opgeslagen in twee verschillende media bij drie verschillende temperaturen. Wanneer opgeslagen in een nutrient-arm medium bij lage temperatuur (4 graden C) bleek C. jejuni langer zijn kweekbaarheid te behouden dan bij hogere temperaturen (12 graden C, 25 graden C) of in een rijk medium. Bacterien bleven onder alle condities levensvatbaar. De mate van adhesie en invasie van de opgeslagen cultures nam af in de tijd; bij lage temperatuur in buffer behielden de bacterien het langst hun vermogen om aan darmepitheel- cellen te hechten of om erin binnen te dringen. Terwijl de infectiviteit van de totale cultuur afnam, nam de infectiviteit per kweekbare bacterie in die cultuur toe gedurende de eerste 5 dagen om daarna weer af te nemen. Dit resultaat suggereert dat een niet-kweekbare C. jejuni infectieus kan zijn. Echter, er kan ook een alternatieve verklaring zijn, namelijk dat er slechts een beperkt aantal specifieke bindingsplaatsen voor de hechting van C. jejuni aanwezig zijn. De eventuele aanwezigheid van specifieke bindingsplaatsen voor Campylobacter heeft mogelijk grote gevolgen voor onderzoek aan de invloed van niet-kweekbare cellen. Als niet-kweekbare cellen niet meer infectief zijn, maar wel kunnen hechten aan een bindingsplaats, dan kunnen zij met kweekbare cellen concurreren om een bindingsplaats. Dit zou een geheel nieuw rol betekenen voor niet-kweekbare cellen: niet-kweekbare cellen zouden dan de kans op een infectie verlagen!
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Pertussis in the Netherlands 2001-2002 | RIVM

Om inzicht te krijgen in de incidentie en ernst van kinkhoest in Nederland in 2001 en 2002 zijn gegevens uit de surveillance op basis van wettelijke meldingen, serodiagnostiek, ziekenhuisopnames en sterfgevallen in 2001 en 2002 geanalyseerd en vergeleken met de periode 1989-2000. Hierbij is rekening gehouden met de afnemende dekking van de serodiagnostiek ten opzichte van 1996, uitgevoerd bij het LIS-RIVM. Sinds 1996 is er elke 2 a 3 jaar een verheffing van de incidentie van kinkhoest geweest, met pieken in 1996, 1999 en 2001. De gerapporteerde incidentie van aangiften was het hoogste in 2001 (50,2/100.000) en nam weer af in 2002 (28,0/100.000). De incidentie/100.000 in 2001 berekend op basis van positieve tweepuntsserologie bedroeg 4,4 (gecorrigeerd voor afnemende dekking 8,0), positieve eenpuntsserologie 30,7 (gecorrigeerd 55,8) en ziekenhuisopnamen 2,5. Na de piek in 2001 was de incidentie berekend op basis van deze surveillance bronnen weer lager in 2002: incidentie/100000 positieve tweepuntsserologie 2,1 (gecorrigeerd 4,1); positieve eenpuntsserologie 15,4 (gecorrigeerd 29,9) en ziekenhuisopnamen 1,6. De piekincidentie voor ziekenhuisopname lag bij zuigelingen jonger dan 1 jaar (voornamelijk < 3 maanden). In 2002 -het eerste jaar dat een mogelijk effect van de boostervaccinatie op 4-jarige leeftijd zichtbaar kan zijn- werd op basis van alle surveillancebronnen een daling in de incidentie ten opzichte van voorgaande jaren waargenomen voor de 3 en 4 jarigen. Onafhankelijk hiervan werd een lichte toename gezien in de incidentie van >5 jarigen. Schattingen van vaccin-effectiviteit op basis van surveillance data laten voor de periode 1998-2002 een lichte verbetering zien voor 1 jarigen ten opzichte van 1996-1997. Kinkhoest is nog steeds endemisch in Nederland met een hogere incidentie dan in de periode v66r de epidemie in 1996-1997 en met elke twee a drie jaar een verheffing van de incidentie. De introductie van acellulaire boostervaccinatie voor vierjarigen in 2001 heeft geleid tot een daling van het aantal patienten in deze leeftijdsgroep zelf. Lange termijn surveillance is nodig om het mogelijke effect van deze booster voor de hele populatie vast te stellen. Schattingen van vaccineffectiviteit zijn in de periode 1998-2002 verbeterd ten opzichte van 1996-1997, mogelijk als gevolg van de invoering van het 'versterkte' vaccin in 1997. Kinkhoest verloopt nog steeds het meest ernstig bij jonge ongevaccineerde zuigelingen. Hiermee moet bij de ontwikkeling van toekomstige vaccinatiestrategieen (bijvoorbeeld revaccinatie van ouders en verzorgers) rekening worden gehouden.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Lange-termijn bevolkingsscenario's voor Nederland | RIVM

Sinds een aantal decennia worden er voor Nederland door het CBS bevolkingsprognoses gemaakt. Deze prognoses geven de op dat moment, meest waarschijnlijke ontwikkeling weer. Er gaan echter veel onzekerheden gepaard met de manier waarop de toekomst van de Nederlandse bevolking zich gaat ontvouwen. Om deze onzekerheden in beeld te brengen, wordt er veelal gebruik gemaakt van scenario's. Aan de hand van een aantal dominante ontwikkelingsrichtingen, is in dit rapport beschreven hoe de omvang en structuur van de Nederlandse bevolking zullen veranderen volgens vier scenario's, te weten Global Economy, Strong Europe, Transatlantic Market, Regional Communities. Deze vier scenario's geven aan hoe, uitgaande van bepaalde economische en sociaal-culturele ontwikkelingen, de drie componenten van bevolkingsgroei (vruchtbaarheid, sterfte en migratie) zich de komende vijftig jaar zullen ontwikkelen. Hierbij wordt een relatie gelegd tussen de determinanten van de demografische componenten en de economische en sociaal-culturele ontwikkelingen. Voor vruchtbaarheid, uitgedrukt in het aantal kinderen per vrouw, zijn de belangrijkste determinanten: de opleidingsgraad van vrouwen, inkomen en kinderopvang. Voor sterfte, uitgedrukt in levensverwachting, zijn op de korte termijn vooral inkomen, leefstijl en toegang tot gezondheidszorg van belang, terwijl op langere termijn ook de verdere medisch technologische ontwikkelingen een belangrijk effect kunnen sorteren. Voor migratie, onderscheiden in immigratie en emigratiestromen, zijn zowel het migratiebeleid (met betrekking tot asielmigratie en gezinsmigratie) als de aantrekkelijkheid van de Nederlandse economie (arbeidsmarktontwikkelingen) belangrijke determinanten. De uitwerking van deze drie componenten (vruchtbaarheid, sterfte en migratie) voor de scenario's heeft geleid tot vier uiteenlopende demografische toekomstbeelden van Nederland. In het scenario met de hoogste bevolkingsgroei (Global Economy) stijgt de bevolking tot boven de 20 miljoen in 2050, met name als gevolg van hogere vruchtbaarheid en hoge migratie. Deze componenten zijn juist het laagst in het Regional Communities scenario hetgeen resulteert in een bevolking die piekt in 2030 en daarna afneemt tot ongeveer 15 miljoen in 2050. In alle scenario's is er sprake van een doorzettend proces van vergrijzing.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Integrale analyse van stikstofstromen en stikstofbeleid in Nederland; Een nadere verkenning | RIVM

Nederland heeft door zijn grote bevolkingsdichtheid, energiegebruik en intensieve landbouw de meest stikstofintensieve economie ter wereld. De negatieve effecten hiervan worden door een uitgebreide en complexe regelgeving bestreden. Dit rapport biedt een integraal overzicht van de stikstofproblematiek in Nederland. Het combineert de bestaande kennis van bronnen, stromen en negatieve effecten van stikstof, alsmede de effectiviteit van huidige en mogelijke beleidsmaatregelen. Het huidige stikstofbeleid blijkt voornamelijk sectoraal en facetgericht van opzet. Dit brengt het risico met zich mee dat het beleid per saldo niet effectief is. Tot nu toe heeft het beleid weinig afwentelingen tot gevolg gehad. Voor nieuwe beleidsmaatregelen is de kans op afwenteling en gemiste synergieen groter en is een betere afstemming tussen de verschillende stikstofmaatregelen wenselijk. Echter belangrijker is de afstemming tussen het stikstofbeleid en andere beleidsdossiers. Het is aan te bevelen om bij de ontwikkeling en evaluatie van nieuwe stikstofmaatregelen meer rekening te houden met de huidige integrale inzichten in de samenhang van bronnen, stromen, effecten en beleidsmaatregelen rond stikstof.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

De kwaliteit van het drinkwater in Nederland in 2002 | RIVM

Voor u ligt het jaarlijkse rapport in de reeks "De drinkwaterkwaliteit in Nederland". Het rapport is gebaseerd op de resultaten van de meetprogramma's over 2002, die de waterleidingbedrijven uitvoeren ter controle van de drinkwaterkwaliteit en de gebruikte grondstof. De meetgegevens worden jaarlijks op grond van de Waterleidingwet aan de VROM-Inspectie (VI) gerapporteerd. Het RIVM heeft de gegevens in samenwerking met de VI verwerkt tot een rapport ten behoeve van de Minister, Tweede Kamer, producenten en consumenten van drinkwater. Uit de gegevens blijkt dat ook in 2002 de wettelijke voorschriften met betrekking tot de controle van het drinkwater goed zijn nageleefd. De kwaliteitsgegevens zijn getoetst aan de normen van het Waterleidingbesluit dat in 2001 van kracht is geworden. De meetprogramma's zijn in 2002 volgens de eisen van dit besluit uitgevoerd. Het meetprogramma is op onderdelen aanzienlijk gewijzigd. Het aantal pompstations (68 = 30%) waar in 2001 een normoverschrijding is vastgesteld, is ten opzichte van het voorgaande jaar in dezelfde orde van grootte (29%) gebleven. Dit aantal varieert in de afgelopen periode (1992-2001) van 60 tot 90 pompstations. Een groot deel van de normoverschrijdingen is incidenteel. De norm voor bestrijdingsmiddelen is slechts incidenteel, meestal als gevolg van een storing in de zuivering, overschreden. In het afgeleverde water van een pompstation is de concentratie nikkel structureel hoger dan de norm. De kwaliteit van het grondwater is hiervan de oorzaak. Het betreffende bedrijf zal begin 2004 een verzoek tot ontheffing indienen. De indicatorparameter voor besmetting met pathogenen (E.coli) is niet aangetoond. Er zijn wel enkele kortdurende besmettingen met de bedrijfstechnische parameter bacterien van de coligroep geweest. De betreffende bedrijven hebben in overleg met de VI de problemen adequaat opgelost. De normoverschrijding van de parameter trihalomethanen op twee locaties zal vanaf 2006 tot het verleden behoren wanneer de UV-desinfectie in bedrijf is genomen. Legionella is in het afgeleverde water van 70 pompstations gemeten maar niet aangetoond. Geen van de normoverschrijdingen gaf aanleiding tot een bedreiging van de volksgezondheid. De kwaliteit van het drinkwater is in het algemeen goed.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Report on the eighth workshop organised by CRL-Salmonella | RIVM

De achtste workshop, welke georganiseerd werd door het Communautair Referentie Laboratorium voor Salmonella (CRL-Salmonella), vond plaats van 14 tot en met 16 Mei 2003 in Bilthoven (Nederland). De afgevaardigden van de Nationale Referentie Laboratoria voor Salmonella (NRLs-Salmonella) van de Kandidaat Landen van de EU woonden de workshop bij op de 14e en 15e Mei 2003. De afgevaardigden van de NRLs-Salmonella van de EU namen deel aan de workshop op 15 en 16 mei. De candidate lidstaten presenteerden zichzelf door het houden van een presentatie over Salmonella onderzoek in hun eigen land. Presentaties over de vergroting van de EU en de zoonose richtlijn werden gehouden alsmede over de resultaten van twee ringonderzoeken, welke georganiseerd werden door het CRL-Salmonella. Op de derde dag van de workshop werden twee sessies georganiseerd getiteld: "Antibiotische resistentie" en "Standaardisatie van detectie methoden". Over beide onderwerpen werd door experts een introductie gehouden, waarna de inhoud van de presentaties in detail werd besproken. Vergelijking van data van antimicrobi6le resistentie bepalingen wordt belemmerd door het gebruik van verschillende methoden en interpretatie criteria. De discussie, welke gehouden werd over dit onderwerp, wees uit dat standaardisatie van test methoden en harmonisatie van internationale gegevens noodzakelijk is. Tevens werd besproken of een aparte methode voor de analyse van Salmonella in faeces beschreven zou moeten worden als een Annex bij de geldende ISO 6579: 2002.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Effects of atmospheric deposition of pesticides on terrestrial organisms in the Netherlands | RIVM

De laatste jaren is er in toenemende mate aandacht voor de verspreiding van bestrijdingsmiddelen via de atmosfeer. Het blijkt echter dat er vrijwel niets bekend is over de mogelijke effecten van atmosferische depositie, dit geldt in het bijzonder voor effecten op terrestrische ecosystemen. Daarom wordt in dit rapport een schatting gemaakt van deze effecten, met behulp van de thans beschikbare gegevens. Om de beschikbare data bruikbaar te maken voor dit doel was het noodzakelijk om een aantal aannamen te doen en daarom gaan de resultaten gepaard met relatief grote onzekerheden en moeten ze met enige voorzichtigheid worden gehanteerd. Met dit in het achterhoofd, wordt geconcludeerd dat het Maximum Toelaatbaar Risico (MTR) voor bodem ten gevolge van atmosferische depositie van bestrijdingsmiddelen wordt overschreden voor 3 van de 60 middelen waarvan een MTR bekend was. Het Verwaarloosbaar Risico (VR) voor bodem wordt voor 20 van deze 60 middelen overschreden. Het VR wordt voor een aantal stoffen voor alle onderzochte soortengroepen overschreden (bodemorganismen, vliegende insecten, vogels en planten). Voor deze groepen wordt het MTR in het bijzonder bij planten overschreden (voor 11 herbiciden). Verder onderzoek is noodzakelijk om de effecten te beoordelen van de overschrijding van het MTR en het VR. Over effecten van fungiciden op niet-doelwit schimmels kunnen geen uitspraken worden gedaan wegens het ontbreken van gegevens. De conclusies hebben betrekking op de middellange afstand (regio). Dichter bij de behandelde percelen kunnen hogere deposities worden verwacht. Dit is een van de onderwerpen voor nader onderzoek. Een ander belangrijk aspect dat nu nog buiten beschouwing is gelaten is de rol van transport naar en van het buitenland.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Het relatieve belang van Campylobacter transmissieroutes op basis van blootstellingsschatting | RIVM

In dit onderzoek, dat verkennend van aard is, is een poging gedaan om het relatieve belang van transmissieroutes voor Campylobacter te bepalen, door de humane blootstelling via elk van deze routes te schatten. Er werden 31 routes beschouwd, waarvan 19 via voedsel, 9 via direct contact (bijv. huisdieren) en 3 via water (bijv. zwemmen). De berekeningsmethode voor het aantal ingenomen campylobacters was eenvoudig; voor voedsel was dit bijv. het product van de hoeveelheid ingenomen voedsel, de fractie besmet voedsel, de Campylobacter concentratie en de fractie overleving na verhitting. De onzekerheid van de puntschattingen van de parameters werd beschreven met verdelingsdichtheden. Veel parameters waren moeilijk te schatten vanwege gebrek aan gegevens. Uitspraken over verschillen tussen transmissieroutes zijn slechts in beperkte mate mogelijk vanwege de grote onzekerheden van de geschatte blootstellingen. De direct contact routes kinderboerderijdieren en boerderijdieren vertonen een hoge blootstelling; zwemmen in recreatiewater is een belangrijke water route. Rauw voedsel (bijv. rauwe melk, rauwe kip) veroorzaakt ook een hoge blootstelling, gewoonlijk hoger dan verhit voedsel. De gesommeerde blootstelling via water, voedsel en direct contact is respectievelijk 0,0015, 0,050 en 0,084 campylobacters per persoon per dag. De model parameters die het meest bepalend zijn voor de model output en daarmee belangrijk om verder te onderzoeken, zijn de consumptie van rauw voedsel voor voedsel routes, de hoeveelheid ingenomen feces voor direct contact routes en de waterzuivering voor water routes.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Controlling Campylobacter in the chicken meat chain- Towards a decision support model | RIVM

Het doel van het CARMA (Campylobacter Risk Management and Assessment) project is om de overheid te adviseren over de effectiviteit en doelmatigheid van interventies gericht op het reduceren van campylobacteriose in de Nederlandse bevolking. Dit rapport beschrijft het raamwerk van het CARMA project, zoals toegepast op risico's geassocieerd met kippenvlees. De belangrijkste onderdelen van het onderzoek zijn: een risicomodel, interventiemaatregelen, aanvaardbaarheid van deze maatregelen, economische evaluatie, autonome ontwikkelingen en de politieke cultuur omtrent besluitvorming ten aanzien van voedselveiligheid. Het risicomodel zal gebruikt worden om de effecten van interventies in de productieketen, van de boerderij tot en met de verwerking bij de consument thuis, te schatten. De uitkomst van het risicomodel, het verwachte aantal infecties per leeftijdsgroep en per periode, vormt de invoer van het economische model. Autonome ontwikkelingen, die de risicoschatting en de interventiemaatregelen kunnen beinvloeden zijn schaalvergroting in de productieketen, stijging van de consumptie en een toenemend aandeel van buitenshuis eten. In de economische evaluatie zijn de kosten per vermeden geval van campylobacteriose en de kosten per (kwaliteits-gewogen) levensjaar de voornaamste doelvariabelen. De effectiviteit van maatregelen hangt ook af van de acceptatie door belanghebbende groeperingen (industrie, detaillisten, consumenten). Er zijn verschillen in de rol die economische evaluatie speelt in de besluitvorming van de Ministeries van VWS en van LNV.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Outreach of IPCC findings in developing countries: lessons learned | RIVM

Na het voltooien van het IPCC's Derde Assessment Rapport, begon IPCC's Werkgroep 3, belast met onderzoek naar mogelijkheden om het klimaatprobleem aan te pakken (mitigatie), een verspreidings programma van IPCC's bevindingen in ontwikkelingslanden en in landen met een transitie economie. Hierbij ging het hoofdzakelijk om communicatie van studies van werkgroep 3 over mitigatie van klimaat veranderingen, overdracht van technologien en emissie scenario's. Het rapport bevestigt het belang van deze communicatie-activiteiten in landen waar de rapporten veel minder toegankelijk zijn dan in OECD landen. Klimaatverandering is een mondiaal probleem is. Het is belangrijk om de kennis van wetenschappelijke experts, beleidsmakers en andere belanghebbenden in deze landen te verbeteren en de implicaties voor de lokale situatie te evalueren.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit; Resultaten eerste meetronde 1993-1997 | RIVM

Het Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit (LMB) heeft als doelstelling het beschrijven en verklaren van de huidige bodemkwaliteit en veranderingen daarvan in het landelijk gebied van Nederland onder invloed van diffuse belasting. De eerste meetronde is in 1993 gestart en beeindigd in 1997. De tweede meetronde vindt van 1999 t/m 2003 plaats. In dit rapport worden de resultaten van de eerste meetronde samengevat. Het blijkt dat voor zware metalen en PAK in de bodem van het landelijk gebied relatief weinig streefwaardeoverschrijdingen voorkomen. De gehalten aan (inmiddels verboden) persistente bestrijdingsmiddelen als DDT, HCH en drins in de bodem zijn nog op grote schaal fors hoger dan de streefwaarde. In het bovenste grondwater wordt de streefwaarde voor zware metalen vaak overschreden. Onder bos op zand in Zuid-Nederland wordt soms de interventiewaarde voor zware metalen in het grondwater overschreden. De bronnen van de gevonden streefwaardeoverschrijdingen liggen voor een belangrijk deel in het verleden: de zinkindustrie in Zuid-Nederland, de toemaakdekken in het veenweidegebied, de overstromingen van rivierkleigronden, de looddepositie door verkeer en de bemesting in de landbouw. Anno 2000 speelt van deze historische bronnen alleen de landbouw nog een grote rol. In de meeste landbouwgronden treedt momenteel accumulatie van zink, lood, koper en cadmium op, vooral door bemesting. Op een termijn van enkele tot tientallen jaren zal vooral bij koper en cadmium het oppervlak met overschrijding van de streefwaarde toenemen. Op kleine schaal hebben de huidige gehalten aan zware metalen in landbouwbodems tot gevolg dat gewaskwaliteitsnormen overschreden kunnen worden. In de komende decennia zal, als gevolg van de voortgaande accumulatie, het oppervlak met overschrijding van gewaskwaliteitsnormen verder toenemen. In sommige akkerbouw-percelen liggen de gehalten aan lindaan, DDT en drins momenteel nog boven de LAC-signaalwaarde. Omdat deze middelen niet meer gebruikt worden, zullen de gehalten in de bodem (langzaam) dalen.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Informatieanalyse Waterbeheer. Beleidsmonitor water | RIVM

De informatie over de toestand van watersystemen is vrij goed op orde. Jaarrapportages, mede ter ondersteuning van het VBTB-proces, zijn hiermee goed op te stellen. Voor grote delen van die informatie bestaan goed functionerende systemen voor inwinning. Scherper formuleren van beleidsdoelen en een nadere vaststelling over welke beleidsdoelen jaarlijks in VBTB-kader wordt gerapporteerd, leidt tot een betere evalueerbaarheid en een efficienter systeem van inwinning. Op enkele onderdelen is momenteel geen informatie beschikbaar of wordt die niet centraal ingewonnen. Dit betreft met name informatie over waterkwantiteit, infrastructuur en inrichting. Hiervoor zijn nadere afspraken nodig, met name met de (water)beheerders. Het waterbeheer ondergaat grote veranderingen, vooral als gevolg van de EU-Kaderrichtlijn Water en de implementatie van het Waterbeleid 21e Eeuw. Procesinformatie over de voortgang van deze veranderingen is niet centraal beschikbaar. Voor toekomstige evaluaties is informatie nodig uit aanpalende beleidsterreinen (Milieu, Ruimtelijke Ordening, Landbouw, Natuur). De informatievoorziening zal ook op deze beleidsterreinen moeten aansluiten.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

The MAP COMPARISON KIT: methods, software and applications | RIVM

Kaarten, en in het bijzonder landgebruikskaarten, worden gepresenteerd in een reeks van uitgaves van het Milieu- en Natuurplanbureau (MNP/RIVM). Voorbeelden zijn de Milieu- en Natuurverkenning die eens per vier jaar uitkomen, als ook de Milieubalans en Natuurbalans die jaarlijks worden gepubliceerd. Kaarten en kaartbeeldvergelijkingen spelen een belangrijke rol bij het tot stand komen van deze producten. Hierbij kunnen kaarten voor allerlei doeleinden vergeleken worden: (i) kaarten kunnen gebaseerd zijn op verschillende economische/demografische scenario's, (ii) detectie van veranderingen in landgebruik in de tijd, (iii) calibratie en validatie van landgebruiksmodellen, (iv) detectie van hot-spots in kaarten, (v) onzekerheidsanalyse en (vi) analyse van kaarten die afkomstig zijn van verschillende onderzoeksgroepen of modellen. Dit rapport is gericht op het kwantificeren van verschillen en overeenkomsten in kaarten. Hierbij ligt de nadruk op nominale en ordinale kaarten. Voor dit type kaarten is het uitvoeren van vergelijkingen het lastigst. Immers, hoe zou je verschillen tusen de nominale landgebruikscategorieen 'grasland', 'bebouwing' of 'recreatie' numeriek moeten uitdrukken? We beschrijven een vijftal methodes om kaartbeelden te vergelijken. Deze methodes verschillen in wiskundige benadering (geen wiskunde, 'cel bij cel', twee soorten 'fuzzy' en kengetallen voor enkelvoudige kaarten) als ook in het type kaarten waarvoor ze bedoeld zijn (nominale schaal, ordinale schaal, ratio-schaal en interval-schaal ). Speciale aandacht wordt besteed aan kaartbeeldvergelijking gebaseerd op rekenregels uit de fuzzy-set theorie. De kaartbeeldvergelijkingsmethodes worden geillustreerd aan de hand van een aantal case-studies. De voorbeelden varieren van de analyse van historisch agrarisch grondgebruik over de periode 1700 tot 1990, tot het analyseren voor landgebruikstoekomstbeelden voor het jaar 2020. Speciale toepassingen zijn het calibreren en valideren van landgebruiksmodellen, en het zoeken naar inconsistenties in landgebruikskaarten van het CBS. Alle analyses uit het rapport zijn uitgevoerd met de MAPCOMPARISONKIT-software. Dit software pakket is in opdracht van het RIVM ontwikkeld door het Research Instituut voor KennisSystemen (RIKS). De software is uniek in het integreren van vier kaartbeeld-vergelijkingsmethodes. De software zal begin 2004 algemeen beschikbaar worden gesteld via de RIVM-website ( www.rivm.nl ). We concluderen dat de nieuw ontwikkelde MAPCOMPARISONKIT-software een krachtig 'state of the art' hulpmiddel is bij het analyseren van kaartbeelden.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Adverse Events Following Immunisation under the National Vaccination Programme of The Netherlands Number VIII - Reports in 2001 | RIVM

Sinds 1962 bewaakt het RIVM de veiligheid van het Rijksvaccinatieprogramma. Vanaf 1964 gebeurt dat in nauwe samenwerking met de Gezondheidsraad. Het merendeel van de meldingen van vermoede bijwerkingen komt binnen via de telefoondienst van het RIVM, waarbij de meeste meldingen afkomstig zijn van de Jeugdgezondheidszorg. Nadere informatie wordt zonodig verkregen van ouders en behandelende artsen. Na aanvulling en verificatie wordt aan de hand van de (werk)diagnose de causaliteit beoordeeld. Alle in 2001 binnengekomen meldingen zijn in dit rapport opgenomen en gerubriceerd naar aard van de gebeurtenis en naar causaal verband. Onderrapportage, vertekening en specifieke beelden worden besproken, met aandacht voor effecten van de vervroeging van het vaccinatieschema. Er zijn 1331 meldingen binnengekomen, op een totaal van bijna 2,5 miljoen vaccinaties. Hiervan waren 17 (1,3%) meldingen niet te beoordelen vanwege ontbrekende informatie. Bij 82% (1091) van de meldingen werd een mogelijk causaal verband vastgesteld en bij 223 meldingen (18%) werd een oorzakelijk verband onwaarschijnlijk of afwezig geacht. De stijging van het aantal meldingen in 2001 (17% meer dan in 2000) wordt besproken.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Environmental Risk Limits for Alkylphenols and Alkylphenol ethoxylates | RIVM

In dit rapport worden milieurisicogrenzen afgeleid voor nonylfenol, octylfenol 1+2 ethoxylaat (OPEO1+2), octylfenol 3-8 ethoxylaat (OPEO3-8), octylfenol >8 ethoxylaat (OPEO>8), nonylfenol 1+2 ethoxylaat (NPEO1+2), nonylfenol 3-8 ethoxylaat (NPEO3-8), nonylfenol >8 ethoxylaat (NPEO>8), gecarboxyleerd octylfenol 1+2 ethoxylaat (OPE1+2C) en gecarboxyleerd nonylfenol 1+2 ethoxylaat (OPE1+2C). De afgeleide milieurisicogrenzen blijken beschermend te zijn voor endocriene effecten van deze verbindingen, gebaseerd op de beschikbare in vivo gegevens. De milieurisicogrenzen voor bodem en sediment werden bijna alle berekend uit de waarden voor het aquatisch compartiment met behulp van evenwichtpartitie omdat nauwelijks toxiciteitsgegevens voor bodem en sediment gevonden werden. Recente metingen (1999, 2001) van nonylfenol en nonylfenolethoxylaten in Nederland in rivieren, estuarien en sedimenten lieten in enkele gevallen een lichte overschrijding van het MTR zien.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Exposure assessment of Dutch nursing infants to brominated flame retardants via breast milk | RIVM

De blootstelling van Nederlandse zuigelingen aan polybroomhoudende bifenylethers (PBDEs) via moedermelk is berekend. Dit is gedaan met behulp van gemeten concentraties PBDEs in moedermelk die in 1998 bij Nederlandse vrouwen verzameld is en met gegevens over de melkinname van zuigelingen, hun lichaamsgewicht en de duur van de borstvoedingsperiode. Hierbij werd een probabilistische benadering toegepast. Dat wil zeggen dat de distributie van de inname werd bepaald rekening houdend met de variabiliteit van de PBDE concentratie in moedermelk, de variabiliteit van de melkinname en die van het lichaamsgewicht van de zuigeling. De cumulatieve blootstelling (gemiddelde, standaard afwijking, minimum, maximum, 5 en 95 percentiel waarden) werd berekend voor 10 PBDEs en voor borstvoedingsperioden varierend van 8 dagen tot 1-9 maanden. De gemiddelde cumulatieve blootstelling van de som van de PBDEs (#17, #28, #47, #66, #85, #99, #100, #153, #154 en #183) bedroeg 2,9 mu g/kg lg (95e percentiel: 6,6 mu g/kg lg) voor een borstvoedingsperiode van 6 maanden en 3,8 mu g/kg lg (95e percentiel 8,6 mu g/kg lg) voor een periode van 9 maanden. De grootste bijdrage aan de blootstelling werd geleverd door BDE #47 ( bijdragen (elk congeneer van #17, #28, #66, #85 en # 154 waren slechts gering. Een eerdere studie naar de blootstelling van volwassenen aan gebromeerde vlamvertragers via de voeding heeft laten zien dat naast blootstelling aan PBDEs (3,2-3,5 ng/kg lg/dag voor de som van PBDEs), ook blootstelling aan hexabroomcyclododecaan (HBCD, 2,9 ng/kg lg/dag) optreedt. Gegeven deze inname en de chemische eigenschappen van HBCD mag verwacht worden dat HBCD in Nederlandse moedermelk aanwezig is. Hierdoor zal, naast blootstelling aan PBDEs, ook blootstelling van zuigelingen aan HBCD optreden. Het verdient daarom aanbeveling om de analytisch-chemische methoden voor broomhoudende vlamvertragers in moedermelk uit te breiden met een HBCD-bepaling. De gebromeerde vlamvertrager tetrabroombisphenol-A bevindt zich ook in voeding, maar zal naar verwachting niet accumuleren in de mens. Tenslotte moet worden opgemerkt dat de geschatte blootstelling van zuigelingen aan PBDEs uit moedermelk hoger is dan die van Nederlandse volwassenen uit voeding. Voor de in Nederland aanbevolen borstvoedingsperiode van 6 maanden is de gemiddelde dagelijkse blootstelling van zuigelingen aan de som van PBDEs ongeveer 6 keer hoger dan de geschatte blootstelling van volwassenen aan deze verbindingen via voedsel.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1

Cosmic radiation during air travel: trends in exposure of aircrews and airline passengers | RIVM

Naast ongevallen is een negatief gevolg van vliegverkeer de blootstelling van mensen aan een verhoogde dosis kosmische straling. Het dosistempo kan op een vlieg-hoogte van tien kilometer een factor 100 hoger zijn dan op zeeniveau. Op basis van een gedetailleerd overzicht van passagiers die via Schiphol vliegen, is voor de periode 1988-1997 de individuele dosis voor specifieke reisbestemmingen en de collectieve dosis voor alle passagiers berekend. Door het feit dat de meeste passagiers die Schiphol aandoen binnen Europa blijven, wordt de dosisverdeling deels bepaald door een 'laag' dosisbereik voor continentale vluchten van, afhankelijk van de afstand, 1-15 mu Sv per vlucht (enkele reis) en deels door een 'hoog' dosisbereik van circa 30-60 mu Sv per vlucht voor intercontinentale vluchten naar Noord-Amerika en het Verre Oosten. Onder invloed van de elfjarige zonnecyclus kan deze dosis per vlucht, afhankelijk van de bestemming, nog tot plusminus 15 % varieren. De gemiddelde individuele dosis per enkele reis is bepaald op circa 18 mu Sv. Circa 80.000 (zaken)mensen, uit Nederland afkomstig, maken jaarlijks meer dan tien retourvluchten en circa 4000 van hen ontvangen daarbij jaarlijks een dosis boven de 1 mSv. Binnen de speciale groep van koeriers zijn daarbij individuele jaardoses tot 10 mSv mogelijk. Voor bemanningsleden is een dosisinterval berekend, dat bij een vliegtijd van 1000 blokuren per jaar, 1,5 - 5,7 mSv bedraagt. De collectieve dosis voor passagiers via Schiphol is in de periode van 1988-2002 van circa 230 tot 600 mensSv toegenomen. Naar verwachting zal dit verder toenemen tot 1100 mensSv in 2015.
Jaar: 2004 Onderzoek Documenten: 1