Naar inhoud
Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu

Effect of administration route on biodistribution and shedding of replication-deficient viral vectors used in gene therapy. A literature study | RIVM

Jaar: 2008 Documenten: 1
Bij gentherapie worden genen (erfelijk materiaal) bij patienten ingebracht om ziektes te behandelen waarvan de oorzaak een ontbrekend of veranderd gen is. Met aangepaste virussen is het mogelijk om het te introduceren gen naar de gewenste plek in het lichaam te brengen. Dit veranderde virus wordt een virale vector genoemd. Het te introduceren gen kan zich via de virale vectoren ook buiten de patient verspreiden. Dat kan zowel in mensen, als in dieren en andere organismen, waar het eventueel ongewenste effecten kan veroorzaken. Om de risico's van verspreiding te beoordelen is kennis nodig over de manier waarop het virus zich binnen het lichaam gedraagt en over hoe het vervolgens het lichaam verlaat, via bijvoorbeeld ontlasting, urine of speeksel. In dit rapport wordt van twee virale vectoren (HAdV-5 en AAV2) per toedieningsroute, via bijvoorbeeld het bloed of de spieren, kritisch geevalueerd hoe zij zich in het lichaam verspreiden en hoe zij zich uitscheiden. Het blijkt dat behalve het type virale vector, de toedieningsroute invloed heeft op de verdeling en uitscheiding van de vector. Via sommige toedieningsroutes blijft de virale vector lokaal en wordt hij via een of enkele routes uitgescheiden. Andere toedieningsroutes resulteren in verspreiding over het hele lichaam en uitscheiding via meerdere routes. Deze processen zijn beschreven in kwalitatieve modellen. De informatie uit deze modellen is relevant voor onderzoekers, risicobeoordelaars en het beleid bij de ontwikkeling van virale vectoren voor gentherapie.