Naar inhoud

Onderzoeken Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2008

Zoek binnen deze data in WooGLe

Een verkennende literatuurstudie over het effect van bodembeheer op ecosysteemdiensten | RIVM

Het beleid van het ministerie van VROM is gericht op duurzaam gebruik van de bodem. Bodembeheer kan het functioneren (de ecosysteemdiensten) van de bodem beinvloeden, en op deze manier een rol spelen om de gewenste kwaliteit van de bodem te verkrijgen. In dit rapport wordt het effect van verschillende bodembeheersmaatregelen in de melkveehouderij en in de akkerbouw op ecosysteemdiensten beschreven aan de hand van studies die in de literatuur beschreven zijn.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Arseen in Nederlands grondwater. Oorzaak verhoogde arseenconcentraties | RIVM

Het doel van deze notitie is tweeledig. Enerzijds zal op basis van de bestaande grondwatergegevens een onderverdeling worden gemaakt in verschillende grondwatertypen en deze grondwatertypes zullen worden gekarakteriseerd. Ten tweede zal onderzocht worden in welke grondwatertypen relatief hoge arseenconcentraties voor komen en welke natuurlijke mechanismen hieraan ten grondslag liggen.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Strategisch Onderzoek RIVM. Jaarrapportage 2007 | RIVM

Dit rapport brengt verslag uit van het Strategisch Onderzoek RIVM in 2007, het eigen onderzoeksbudget van het RIVM. In dat jaar is een nieuwe vierjaarlijkse cyclus begonnen met 60 nieuwe projecten. In het eerste verslagjaar is veel geinvesteerd in de start van de projecten en de werving van het benodigde personeel. Daarnaast is al een aantal producten opgeleverd: 48 publicaties zijn in peer-reviewed tijdschriften verschenen en 21 publicaties zijn ingediend. Ook zijn 15 (brief)rapporten verschenen, 76 lezingen op internationale congressen gehouden, en is een aantal websites, databases en instrumentaria opgezet, zoals modellen. In 2007 is in totaal een bedrag van ongeveer 12,8 miljoen euro aan SOR besteed. Dit onderzoeksgeld is bedoeld om te voorzien in de expertise en kwaliteit om nu en in de toekomst de taken voor de opdrachtgevers adequaat uit te kunnen voeren. Deze rapportage maakt een eerste balans op van de wetenschappelijke impact van de zes inhoudelijke thema's (speerpunten). Voor die speerpunten waarover publicaties zijn verschenen is meer dan gemiddeld goed gescoord ten opzichte van de referentietijdschriften. Tevens wordt een beeld gegeven van de maatschappelijke impact door een aantal indicatoren daarvoor te presenteren. Deze indicatoren zullen in de komende jaren worden gevolgd. Vooralsnog zijn nog geen uitspraken te doen over de betekenis van de resultaten. Tien projecten uit de vorige cyclus (2003-2006) liepen door in 2007 en zijn, op een na, dat jaar afgerond. Deze projecten hebben in 2007 27 wetenschappelijke publicaties opgeleverd, en 34 publicaties zijn ingediend. Daarnaast is een groot aantal andere producten opgeleverd.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Dutch Health Care Performance Report 2008 | RIVM

De Zorgbalans beschrijft met behulp van ruim honderd indicatoren de prestaties van de Nederlandse gezondheidszorg in 2006 (en deels 2007). De Zorgbalans schetst een breed beeld van de toegankelijkheid, het kostenniveau en de kwaliteit van de Nederlandse zorg. Waar mogelijk wordt dat gedaan met behulp van tijdreeksen en internationale vergelijkingen. In deze tweede Zorgbalans besteden we speciale aandacht aan drie thema's: de doelmatigheid van de zorg, het oordeel van de burgers over de zorg en de effecten van de ingezette stelselwijziging. In opdracht van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport brengt het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu tot op heden de Zorgbalans iedere twee jaar uit. Op hoofdlijnen concludeert de tweede Zorgbalans: Toegankelijk, kostenstijging gemiddeld, kwaliteit kan beter. Nederland heeft een toegankelijk zorgsysteem. De zorguitgaven stegen sinds 2004 jaarlijks met 5%. Dit groeitempo is vergelijkbaar met de ons omringende landen. De kwaliteit van zorg is hoog op veel onderdelen, maar internationaal excelleert Nederland niet. De burgers en de zorggebruikers zijn positief over de geboden zorg, maar er zijn verschillen tussen de onderdelen. Een punt van zorg is de beschikbaarheid van verplegend en verzorgend personeel. De coordinatie en afstemming in de zorg en de patientveiligheid scoren relatief laag. De doelmatigheid van de zorg in Nederland is nog niet optimaal. Kwaliteit is (nog) geen sturende factor in de zorgmarkt.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Gezondheidsaspecten bij IPPC-vergunningen. De ontwikkeling en test van een methode voor de integrale beoordeling van gezondheidsaspecten bij IPPC-vergunningen | RIVM

In opdracht van de VROM-Inspectie is een instrument ontwikkeld om gezondheidsaspecten bij vergunningen die worden verleend in het kader van de richtlijn Integrated Pollution Prevention and Control (IPPC), integraal te kunnen beoordelen. De ontwikkelde methode is getest en geschikt gebleken. De IPPC-richtlijn verplicht lidstaten van de EU om grote milieuvervuilende bedrijven te reguleren. De methode is gericht op luchtverontreiniging, geur- en geluidoverlast en externe veiligheid. Aanleiding is de zekere zorg dat bij het verstrekken van deze vergunningen onvoldoende rekening wordt gehouden met alle gezondheidsaspecten. De VROM-Inspectie wil daarom beschikken over een beoordelingsinstrument, waarmee zijzelf of GGD'en kunnen vaststellen of een IPPC-vergunning de gezondheid voldoende beschermt. Adviesbureau Fast Advies heeft het instrument in samenwerking met het RIVM ontwikkeld en getest. De methode maakt gebruik van het stappenplan van de Gezondheids Effect Screening, (GES-methode). Daaraan is een tussenstap toegevoegd voor een eerste snelle beoordeling van gezondheidsaspecten. Deze schat of berekent de immissieconcentraties op basis van een snelle berekening. Vervolgens worden deze gegevens vergeleken met de achtergrondconcentraties en gezondheidkundige advieswaarden. De resultaten worden daarna grafisch weergegeven volgens de GES-methode. Op basis van dit rapport is separaat een handreiking opgesteld. Deze handleiding beschrijft de verschillende stappen van de ontwikkelde methode en licht elke stap toe.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Geilenkirchen Air Base Perception Survey. Perceptions of residents in the Netherlands | RIVM

Ongeveer 20% (naar schatting 41.000) van de inwoners in de Nederlandse regio rond de NAVO- vliegbasis Geilenkirchen ervaart ernstig geluidshinder van militair vliegverkeer (AWACS). Bovendien zijn veel mensen bezorgd over mogelijke gezondheids- en veiligheidsrisico's van het militaire vliegverkeer. De verschillen in de regio zijn groot, met het grootste aandeel gehinderden en bezorgden in de gemeenten Onderbanken, Brunssum en Schinnen. Echter, ook in de gemeenten die verder van de vliegbasis afliggen blijken mensen ernstige geluidshinder te ervaren. De ervaren hinder wordt (niet uitsluitend) door de geluidsniveaus verklaard maar ook niet-akoestische factoren spelen een rol zoals een negatieve verwachting van de geluidssituatie in de toekomst en bezorgdheid. De inwoners geven ook aan last te hebben van slaapverstoring. Ook hier springen de gemeente Onderbanken, Brunssum en Schinnen in het oog. De woontevredenheid onder de inwoners is vergelijkbaar met die van de Nederlandse bevolking. Het aandeel inwoners met een goede ervaren gezondheid (67%) is lager dan in de totale Nederlandse bevolking (80%). Er is grote behoefte aan informatie, vooral over vliegtijden en standpunten van de Nederlandse overheid met betrekking tot de vliegbasis. Bij 60% van de bevolking bestaat draagvlak voor compensatie van de nadelen van de basis. Dit zijn de belangrijkste resultaten uit een belevingsonderzoek gehouden onder 2500 inwoners in de Nederlandse regio rond de vliegbasis Geilenkirchen. In augustus en september 2007 verstuurde het RIVM 5000 vragenlijsten waarin inwoners van de gemeenten Onderbanken, Brunssum, Schinnen, Heerlen, Kerkrade, Landgraaf, Nuth, Simpelveld en Voerendaal werd gevraagd naar onder andere hun ervaren hinder door geluid, geur en trillingen van de AWACS-vliegtuigen, hun ervaren gezondheid, de woontevredenheid, hun bezorgdheid over gezondheids- en veiligheidsrisico's door AWACS en hun behoefte aan informatie over de vliegbasis. De belangrijkste aanbevelingen zijn beperking van de blootstelling aan geluid en het verbeteren van de relatie tussen overheid en inwoners. Aangrijpingspunten hiervoor zijn het intensiveren van ingezet beleid ten behoeve van vervanging van de huidige AWACS-motoren en het isoleren van woningen. Voor het verbeteren van de relatie met de inwoners zijn verbeteren van de informatievoorziening, de inwoners serieus nemen en het nakomen van afspraken door de overheid belangrijke aangrijpingspunten.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

The thirteenth CRL-Salmonella workshop, 26 and 27 May 2008, Bilthoven, the Netherlands | RIVM

Op 26 en 27 mei 2008 vond voor de dertiende keer de jaarlijkse workshop plaats voor de Nationale Referentie Laboratoria (NRL's) voor Salmonella. Het doel van de workshop is informatie uitwisselen over activiteiten van zowel de NRL's als van het Communautair Referentie Laboratorium (CRL) Salmonella. Een belangrijk onderdeel daarvan is de presentatie van de resultaten van de jaarlijks terugkerende ringonderzoeken van het CRL, waarmee de kwaliteit van de NRL-laboratoria wordt gemeten. Ook presenteren de NRL's van enkele geselecteerde landen hoe zij hun taken en verplichtingen uitvoeren. Dit rapport bevat verslagen van de gehouden presentaties. Veel aandacht ging uit naar de instrumenten om Salmonella aan te tonen. Onder andere kwamen de jaarlijkse 'baseline' studies voor Salmonella aan de orde, waarin per deelnemend land wordt vastgesteld hoeveel Salmonella een bepaald product bevat. Vorig jaar betrof dit kalkoenen en slachtvarkens, dit jaar gaat het om fokvarkens en karkassen van kuikens. Verder zijn meerdere methoden besproken die Salmonella aantonen en typeren. Bijvoorbeeld hoe vastgesteld kan worden of de Salmonella waarvan mensen ziek zijn geworden dezelfde is als die in een product is aangetroffen. Ook zijn verschillende serologische methoden om Salmonella op te sporen, die antistoffen in bloed meten, getoetst op hun werkzaamheid. Hoewel landen hiervoor verschillende methoden gebruiken, hebben de meeste goede resultaten behaald bij het ringonderzoek. De organisatie van deze workshop is in handen van het CRL voor Salmonella, die op het RIVM is gevestigd. De hoofdtaak van het CRL-Salmonella is toezien op de kwaliteit van de nationale referentielaboratoria voor deze bacterie in Europa. De workshop vond plaats in Bilthoven, Nederland.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Kosteneffectiviteit beweeg- en dieetadvisering bij mensen met (hoog risico op) diabetes mellitus type 2. Literatuuronderzoek en modelsimulaties rondom de Beweegkuur | RIVM

Leefstijlbegeleiding op maat levert een aanzienlijke gezondheidswinst op bij mensen met diabetes of bij mensen die door verstoorde glucosetolerantie (IGT) en/of overgewicht een hoog risico lopen de ziekte te krijgen. De leefstijlbegeleiding bestaat uit persoonlijke adviezen over bewegen en voeding. Begeleiding tot 400 euro per persoon levert meer gezondheidswinst op dan het huidig basispakket en is kosteneffectief. Dit blijkt uit literatuuronderzoek en modelberekeningen van het RIVM. De resultaten zijn relevant voor de samenstelling van het basispakket van de zorgverzekering. Op dit moment bevat dit maximaal vier consulturen per jaar met een dietist op medische indicatie. In Nederland komen ruim een miljoen mensen tussen de 30 en 70 jaar in aanmerking voor leefstijlbegeleiding. Het gaat om mensen met overgewicht en een hoge bloeddruk, met een verstoorde glucosetolerantie (IGT) of met diabetes type 2. Mensen met overgewicht (en zeker obesitas) en/of met IGT lopen een groter risico om diabetes te ontwikkelen. Naar verwachting is ongeveer een derde van de groep bereid om een 'leefstijlkuur' te gaan volgen. Het RIVM berekende van vier leefstijlpakketten de kosteneffectiviteit in kosten per QALY. Een QALY staat gelijk aan een gewonnen levensjaar in goede gezondheid. De kosten van de pakketten varieerden van 150 tot 1150 euro per patient in het eerste behandeljaar. Voor mensen met overgewicht kost een QALY 900 tot 8.600 euro; voor patienten met diabetes type 2 is dat 3.900 tot 26.100 euro. Deze ramingen hangen af van de kosten van het pakket en de leeftijd van de patient en nemen de medische kosten in gewonnen levensjaren mee. Zonder deze kosten kan de leefstijlbegeleiding kostenbesparend zijn bij mensen met overgewicht of IGT. Als leefstijlbegeleiding daadwerkelijk in de praktijk geimplementeerd gaat worden dan moet de kwaliteit daarvan goed gegarandeerd worden. Er is goede inbedding noodzakelijk in de gebruikelijke zorg.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Dare to Compare! : Benchmarking Dutch health with the European Community Health Indicators (ECHI) | RIVM

Na een periode van stagnatie in de jaren negentig stijgt sinds 2000 de levensverwachting van Nederlandse vrouwen weer. De gemiddelde leeftijd van 82 jaar gaat nu gelijk op met het gemiddelde van de 27 lidstaten van de Europese Unie (EU). Net als in andere EU-landen leven Nederlandse vrouwen langer dan mannen. Maar in vergelijking met andere landen zijn ;ederlandse vrouwen wat minder gezond dan de Nederlandse mannen. Zo behoort Nederland tot de landen waar verhoudingsgewijs veel vrouwen sterven aan kanker of aan ziekten van de ademhalingswegen, zoals COPD. Steeds meer Nederlandse vrouwen sterven aan longkanker, onder andere door het hoge percentage rokende vrouwen in Nederland. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM, dat de gezondheid in Nederland met die van de andere EU-landen vergelijkt. Het onderzoek is mede ingegeven door de ambitie van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport uit 2006 om de Nederlandse volksgezondheid terug te brengen in de top vijf van Europa. De vergelijking laat verder zien dat Nederland tot de beste Europese landen behoort voor sterfte door hart- en vaatziekten en ongevallen. De levensverwachting van Nederlandse mannen is vergelijkbaar met de levensverwachting van de 15 meer welvarende 'oude' EU-landen. Die is hoger dan de gemiddelde levensverwachting van de nieuwe lidstaten van de huidige 27 EU-leden. Nederlandse mannen worden gemiddeld 78 jaar. Het is de eerste keer dat de Nederlandse volksgezondheid internationaal is vergeleken op basis van de ECHI-shortlist. Dat is een set van meer dan tachtig Europese gezondheidsindicatoren over onder andere ziekte, leefstijl en preventie. Het rapport geeft ook specifiek aandacht aan de gezondheid van jongeren en ouderen. Daarnaast bevat het een analyse van de beschikbaarheid, vergelijkbaarheid en kwaliteit van gegevens die nodig zijn voor internationale vergelijkingen.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Het webportaal: www.risicotoolboxBodem.nl. Modelbeschrijving | RIVM

Met de inwerkingtreding van het Besluit bodemkwaliteit in 2008 zijn nieuwe regels vastgesteld voor de kwaliteit van grond en bagger, bedoeld voor hergebruik. Op het webportaal www.risicotoolboxbodem.nl is informatie te vinden over deze nieuwe regels en worden instrumenten aangeboden om de (water)bodems op basis van deze regels te beoordelen. Dit rapport bevat informatie over de onderliggende formules. Op dit moment zijn de modules 'Gevolgen Lokale Maximale Waarden' en 'Gevolgen Actuele Bodemkwaliteit' operationeel. Met de eerste module kunnen de risico's worden berekend voor een voorgestelde set van lokale normen, de zogenoemde Lokale Maximale Waarden. Binnen deze berekeningsvariant werkt de risicotoolbox strikt volgens de bepalingen uit het Besluit. Met de tweede module kunnen de mogelijke risico's van een bestaande lokale bodemkwaliteit naar aard en omvang worden gespecificeerd. Dit rapport vormt de modeldocumentatie van de module 'Gevolgen Lokale Maximale Waarden'. De modellen zijn voor alle stoffen gecontroleerd door deze in een andere applicatie na te bouwen en de uitkomsten te vergelijken. De modules omvatten ook onderliggende bestanden met modelparameters, stofeigenschappen en toxiciteitgegevens. Deze gegevens zijn ontleend aan de literatuur en zijn niet nader geverifieerd.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Acute vergiftigingen bij mens en dier : Jaaroverzicht 2007 Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum | RIVM

In 2007 werd het Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum (NVIC) 37.623 maal telefonisch benaderd voor informatie over acute vergiftigingen, waarbij sprake was van ruim 50.000 blootstellingen van mensen of dieren aan giftige stoffen. De meeste informatieverzoeken waren afkomstig van huisartsen(posten). In 502 gevallen ging het om incidenten waarbij twee of meer personen of dieren waren blootgesteld. Hierbij kwamen ook ongevallen voor waarbij grote groepen personen betrokken waren. Sinds april 2007 wordt voor medische hulpverleners, naast de telefonische informatieverstrekking, ook toxicologische informatie beschikbaar gesteld via de website Vergiftigingen.info. Met deze beveiligde webapplicatie kunnen hulpverleners zelf een risicoanalyse maken bij een acute vergiftiging. In 2007 werden bijna 7.900 vergiftigingsgevallen geanalyseerd met Vergiftigingen.info. Het zijn met name Spoedeisende Hulp artsen en andere ziekenhuisartsen die gebruik maken van de internetdienst van het NVIC. Bij zowel kinderen als volwassenen is het aantal overdoseringen met pijnstillers, zoals paracetamol en ibuprofen, nog altijd zorgwekkend. Overdosering van vitaminen bij kinderen komt ook nog vaak voor, alhoewel het aantal meldingen over vitamine AD in 2007 is afgenomen. XTC, cocaine en GHB zijn de drugs waarover het NVIC het meest werd geconsulteerd. Ingestie van sigarettenpeuken door jonge kinderen werd ook vaak gemeld. Inname van nicotinecartridges uit electronische sigaretten, en langdurig doorroken van een electronische sigaret, kan leiden tot ernstige effecten. Het aantal alcoholvergiftigingen bij jongeren blijft stijgen. Het NVIC werd in 2007 geconsulteerd over meer dan 3.100 geintoxiceerde dieren, vooral honden en katten, met in totaal 3.666 blootstellingen aan giftige stoffen. Bestrijdingsmiddelen en geneesmiddelen waren betrokken bij meer dan de helft van de intoxicaties. In 2007 heeft het NVIC, samen met het Nederlands Vaccin Instituut, voorbereidingen getroffen voor het opzetten van het Nationaal Serum Depot, waar antisera komen te liggen voor de behandeling van beten en steken door giftige dieren.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Geneesmiddelen in bronnen voor drinkwater. Monitoring, toekomstig gebruik en beleidsmaatregelen | RIVM

Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) gebruikt cijfers over geneesmiddelengebruik om te voorspellen hoeveel van welke middelen in oppervlaktewater terecht kunnen komen. Drinkwaterbedrijven en waterbeheerders kunnen met deze informatie anticiperen op toekomstige aandachtsstoffen door hier hun meetprogramma's op aan te passen. Ook kan de informatie worden gebruikt om kosteneffectieve maatregelen te kiezen die emissies verminderen, of om beleidsmaatregelen te evalueren. De cijfers over geneesmiddelengebruik zijn afkomstig van de Stichting Farmaceutische Kengetallen (SFK), die de gegevens via openbare apotheken in Nederland verzamelt. De cijfers van deze op recept voorgeschreven geneesmiddelen worden gepresenteerd als hoeveelheid actieve stof. Hiermee kunnen de potentiele emissies naar het oppervlaktewater worden berekend. Door de groei en vergrijzing van de bevolking stijgt het gebruik van geneesmiddelen in Nederland. Dit geldt bijvoorbeeld voor hart- en vaatmiddelen en antidiabetica. Van sommige geneesmiddelen zal de toekomstige consumptie naar verwachting overigens dalen als gevolg van demografische ontwikkelingen. Dit geldt bijvoorbeeld voor de werkzame stof in de anticonceptiepil (ethinylestradiol). Zonder maatregelen komen de resten van geneesmiddelen via het riool in het oppervlaktewater terecht. Daarom lopen er momenteel proefprojecten bij ziekenhuizen om afvalwaterstromen gescheiden te zuiveren. Ook bij kantoorgebouwen zijn proefprojecten met urinescheiding gaande. Deze maatregelen zullen waarschijnlijk vooral lokaal de hoeveelheid geneesmiddelen in oppervlaktewater verminderen. Behalve met deze maatregelen aan de bron kan met geavanceerde zuiveringstechnieken bij rioolwaterzuiveringsinstallaties grote winst worden geboekt, zowel in Nederland als in het buitenland. Voor de drinkwatersector zijn internationale maatregelen belangrijk: een aanzienlijke hoeveelheid geneesmiddelen komt ons land binnen via de Rijn en de Maas.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Effecten van groen op de luchtkwaliteit. Status 2008 | RIVM

Het effect van groen (bomen en planten) op de luchtkwaliteit in en om steden blijkt beperkt. Bovendien kan de invloed die het groen wel heeft zowel positief als negatief zijn. Dat blijkt uit onderzoek van het RIVM in opdracht van het ministerie van VROM en de GGD's in Nederland. Het RIVM heeft een overzicht gemaakt van de momenteel beschikbare concrete gegevens ten aanzien van groen, bomen en planten, en luchtkwaliteit. Op basis van de beschikbare informatie concludeert het RIVM dat de effecten van groen op de fijn stof (PM10) concentraties in en om een stad beperkt zijn. Bomen en planten kunnen de fijnstofconcentraties in de lucht zowel verhogen als verlagen. Zo beinvloedt, verlaagt, de aanwezigheid van groen langs een weg of in een straat de gemiddelde windsnelheid. Daardoor kan de concentratie fijnstofdeeltjes toenemen. Een positief effect van het groen is echter dat het de (grotere) deeltjes kan afvangen. Het netto-effect van groen op de fijnstofconcentraties blijkt over het algemeen beperkt. De weinige metingen die beschikbaar zijn op het gebied van stikstofdioxide (NO2) laten geen effecten van groen op de NO2-concentraties zien. Een vermindering van de concentratie fijn stof hoeft niet noodzakelijkerwijs een even grote vermindering van gezondheidsschade op te leveren. Juist de kleine deeltjes, die niet of minder door het groen worden afgevangen, kunnen naar verwachting veel gezondheidsschade veroorzaken. In Nederland lopen nog verschillende onderzoeken naar de effecten van groen op de luchtkwaliteit langs snelwegen en naar de combinaties van geluidsschermen met groen. Door de grootschalige opzet van deze onderzoeken is het mogelijk dat de inzichten in de effecten van groenstroken langs rijkswegen in de loop van 2009 nog iets zullen veranderen.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Veldanalyse van Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen in luchtstof. Ontwikkeling van in-situmeetmethoden | RIVM

Het RIVM heeft een methode ontwikkeld om bij milieurampen snel te kunnen meten hoeveel polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) er in de lucht aanwezig zijn. PAK kunnen in bepaalde concentraties schadelijk zijn voor de gezondheid. Ze kunnen bij een brand gevormd worden en vrijkomen. De methode maakt het mogelijk om de concentratie PAK in de lucht op locatie te meten en te rapporteren. Daardoor is binnen drie kwartier bekend of er gevaar is voor mens en milieu. Op deze manier kunnen lokale overheden die bij calamiteiten bij de hulpverlening zijn betrokken snel van informatie worden voorzien. Voorheen nam een dergelijke analyse enkele dagen in beslag.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Veldanalyse van aldehyden in lucht. Ontwikkeling van in-situmeetmethoden | RIVM

Het RIVM heeft een methode ontwikkeld om bij milieurampen snel te kunnen meten hoeveel aldehyden er in de lucht aanwezig zijn. Aldehyden zijn stoffen die in bepaalde concentraties schadelijk kunnen zijn voor de gezondheid. Ze kunnen bij een brand gevormd worden en vrijkomen. De vorming en verspreiding van aldehyden kan ook ontstaan bij ongelukken met bepaalde chemicalien. Te denken valt aan ongelukken bij het transport van gevaarlijke stoffen, bij opslagplaatsen met chemische stoffen of bij werkzaamheden in chemische laboratoria. Een bekende en voor mensen schadelijke aldehyde is formaldehyde. De methode maakt het mogelijk om op locatie de concentratie aldehyden in de lucht te meten en te rapporteren. Daardoor is binnen drie kwartier bekend of er gevaar is voor mens en milieu. Op deze manier kunnen lokale overheden die bij calamiteiten bij de hulpverlening zijn betrokken snel van informatie worden voorzien. Voorheen nam een dergelijke analyse enkele dagen in beslag.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Achtergronden bij vervanging van de zoneringafstanden hoge druk aardgastransportleidingen van de N.V. Nederlandse Gasunie | RIVM

In Nederland ligt ongeveer 12.000 kilometer aan aardgasleidingen waardoor de Nederlandse Gasunie onder hoge druk aardgas transporteert. Naar aanleiding van nieuwe inzichten is een nieuwe methodiek voor deze transportleidingen ontwikkeld om de risico's ervan te analyseren. Hierbij is zowel de kans dat een leiding beschadigd raakt en breekt, als het effectmodel herzien. Het RIVM heeft het onderzoek in samenwerking met de Gasunie uitgevoerd. Onderwerpen van onderzoek waren de mate waarin bebouwde omgeving bijdraagt aan de ontstekingskans en de gevolgen van de zogeheten grondroerdersregeling. Deze wetgeving, die 1 juli 2008 in werking is getreden, stelt gravers verplicht de graafwerkzaamheden te melden en zorgvuldig te graven. Daarnaast stelt zij eisen aan de wijze waarop de leidingbeheerder de melding afhandelt. De wet moet de kans dat een leiding wordt geraakt, terugbrengen. Een van de consequenties van de nieuwe rekenmethode is dat de zoneringafstanden rondom de buisleidingen veranderen. Hierdoor zullen op circa honderd locaties woningen te dicht op een leiding staan. Er bestaan evenwel maatregelen die in zulke situaties toch kleinere zoneringafstanden toestaan. Voorbeelden zijn afspraken met grondeigenaren over het grondgebruik en het plaatsen van fysieke barrieres boven de leiding, zoals een hekwerk of paaltjes die de leiding beschermen. In het rapport wordt de effectiviteit van deze maatregelen geschat. Ook is gekeken hoe de invloed van corrosie op de kans op een ramp met meer dan tien slachtoffers kan worden beperkt.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Afleiding van milieurisicogrenzen voor chloride in oppervlaktewater, grondwater, bodem en waterbodem | RIVM

Het RIVM heeft milieurisicogrenzen afgeleid voor chloride in zoet oppervlaktewater en sediment, en voor grondwater en bodem dat niet door brak of zout water is beinvloed. Chloride wordt onder andere gebruikt als strooizout om gladheid op wegen te bestrijden. De afleiding van milieurisicogrenzen voor deze stof is gewenst vanwege het Besluit bodemkwaliteit, drempelwaarden voor grondwater (voor de Europese Grondwaterrichtlijn) bodembescherming in het algemeen, en omdat hij in de categorie 'overige relevante stoffen' valt voor de Kaderrichtlijn Water. Voor de afleiding van de milieurisicogrenzen zijn de actuele toxicologische gegevens gebruikt, gecombineerd met de meest recente methodiek (Van Vlaardingen en Verbruggen, 2007). Voor water en sediment, de waterbodem, is deze methodiek voorgeschreven door de Europese Kaderrichtlijn Water. Voor sediment zijn geen milieurisicogrenzen afgeleid, omdat chloride zich in verwaarloosbare mate aan sediment bindt. Het rapport bevat het MTR (Maximaal Toelaatbaar Risiconiveau) en ER (Ernstig Risiconiveau) voor water, bodem en sediment. Dit zijn wetenschappelijk afgeleide waarden die dienen als advieswaarden die de uiteindelijke milieukwaliteitsnormen vaststelt. Milieurisicogrenzen hebben dus voorlopig geen officiele status. De toepassing binnen genoemde kaders is vervolgens de verantwoordelijkheid van beleidsmakers.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

EU Interlaboratory comparison study Food-II (2007) Bacteriological detection of Salmonella in minced beef | RIVM

Van de 30 Europese Nationale Referentie Laboratoria (NRLs) waren er 29 in staat hoge en lage concentraties Salmonella in rundergehakt aan te tonen. Vijf laboratoria hadden hiervoor een herkansing nodig. Een laboratorium kon ook tijdens deze herkansing niet voldoende presteren. Momenteel wordt onderzocht wat de oorzaak hiervan is. Dit blijkt uit het tweede ringonderzoek georganiseerd door het Communautair Referentie Laboratorium (CRL) voor levensmiddelen. Het onderzoek is in november 2007 gehouden, de herkansing in februari 2008. Europese lidstaten zijn verplicht om aan dit onderzoek deel te nemen. Het CRL-Salmonella is gevestigd op het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). Tijdens dit ringonderzoek is ook onderzocht welke van de drie gebruikte analysemethoden de beste was om de Salmonellabacterie in rundergehakt aan te tonen. Een van de internationaal gestandardiseerde methoden voor Salmonella in levensmiddelen blijkt niet de optimale methode te zijn. Hiermee werd slechts in 69% van de monsters Salmonella aangetroffen. De internationaal voorgeschreven methode om Salmonella in dierlijke mest aan te tonen behaalde het beste resultaat (86%). Om de uitvoering van de laboratoria beter te kunnen testen zijn lagere besmettingsniveaus gebruikt dan in eerdere studies. Voor dit ringonderzoek kreeg ieder laboratorium een pakket toegestuurd met rundergehakt en 35 gelatine capsules met melkpoeder van verschillende besmettingsniveaus Salmonella. De laboratoria moesten volgens voorschrift gehakt en capsules samenvoegen en onderzoeken op de aanwezigheid van Salmonella.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Melden van infectieziekten conform de Wet publieke gezondheid (2008) | RIVM

Per 1 december 2008 wordt de meldingsplicht van infectieziekten gewijzigd. Behalve de behandelende artsen en de hoofden van instellingen waar kwetsbare personen verblijven, moeten laboratoriumhoofden voortaan infectieziekten melden aan de GGD. Ook het aantal meldingsplichtige ziekten is verhoogd van 36 naar 42. De overheid heeft de meldingen nodig om bestrijdingsmaatregelen te kunnen nemen. Naar aanleiding van de nieuwe wet heeft het RIVM de achtergronden ervan en de meldingsplicht beschreven. Daarnaast geeft het een overzicht van de kenmerken van elke meldingsplichtige ziekte en wordt het nut van de meldingsplicht aan de hand van praktijkvoorbeelden geillustreerd. De wijzigingen zijn een gevolg van de wetswijziging van de Infectieziektenwet uit 1998, die op 1 december 2008 opgaat in de Wet publieke gezondheid. De meldingen worden gedaan aan de GGD, die de geanonimiseerde gegevens doorgeeft aan het Centrum Infectieziektebestrijding bij het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). De GGD gebruikt de informatie om bestrijdingsmaatregelen te kunnen nemen, om de bron op te sporen (bijvoorbeeld van een voedselinfectie), evenals de mensen die in contact zijn geweest met een ziek of geinfecteerde persoon. Bovendien kunnen geneesmiddelen preventief worden toegediend en hygieneadviezen worden gegeven. Ook kan aanvullende diagnostiek worden aangevraagd en kunnen uitbraken worden gesignaleerd. Het RIVM zet de informatie in voor toezicht (surveillance) en voor het beoordelen van de effectiviteit van vaccinaties. In bijzondere gevallen waarbij de kans bestaat dat de ziekte internationaal wordt verspreid, waarschuwt het RIVM de WHO.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Jaarrapportage respiratoire infectieziekten 2007/2008 | RIVM

Luchtweginfecties hebben in de periode mei 2007 tot en met april 2008 opnieuw tot aanzienlijke ziektelast geleid. Net als voorgaande jaren werd longontsteking bij circa 10% van alle sterfte als doodsoorzaak geregistreerd. Dit wijst wederom op een groot effect van luchtweginfecties op de volksgezondheid. Het meest opvallende in 2007 was de uitbraak van Q koorts, een ziekte die door dieren (met name geiten en schapen) wordt overgebracht. Ook in 2008 heeft Q-koorts tot een groot aantal ziektegevallen geleid. Een eenduidige bron is nog niet aangetoond. Een andere opvallende ontwikkeling was een grote uitbraak van papegaaienziekte gerelateerd aan een vogelshow in Weurt (nabij Nijmegen). Daarnaast was opmerkelijk dat in 2007/2008 bij ruim een kwart van de griepvirussen van het subtype A(H1N1) resistentie tegen het antivirale middel oseltamivir werd gevonden. Het aantal meldingen van legionella was in 2007/2008 in lijn met de licht stijgende trend sinds 2003. Het aantal tuberculose-patiknten daalde in 2007 naar 960, het laagste aantal dat ooit in Nederland werd geregistreerd. De rol die specifieke virussen en bacterien bij luchtweginfecties spelen is slechts voor een deel bekend. Ook is nog weinig bekend over de andere factoren die mogelijk een rol spelen bij het ontstaan van luchtweginfecties. Daarom blijft het noodzakelijk verder onderzoek te doen naar oorzaken van ziekte en sterfte door luchtweginfecties en naar preventiemaatregelen en behandelingen.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Validation of ultraviolet radiation budgets using satellite observations from the OMI instrument | RIVM

UV-B gegevens afkomstig van het Ozone Monitoring Instrument (OMI) zijn op dit moment nog onvoldoende nauwkeurig voor milieu-evaluaties. Verbetering is mogelijk door lokale concentraties van stofdeeltjes in de lucht in de berekeningen te betrekken. Dit concludeert het RIVM nadat UV-B-data van het OMI-instrument en acht grondstations in Europa zijn vergeleken. Het OMI-instrument zit aan boord van een NASA-satelliet en is erop gericht de ozonlaag te observeren, evenals luchtvervuiling en gassen die bijdragen aan de klimaatveranderingen. Nauwkeurige gegevens over UV-straling zijn nodig om het effect van de aantasting van de ozonlaag te kennen. De ozonlaag absorbeert UV-straling van de zon. Elk jaar krijgen meer dan 20 duizend Nederlanders huidkanker, van wie er ongeveer vijfhonderd overlijden. De belangrijkste oorzaak daarvan is blootstelling aan UV-B. De OMI-metingen van de hoeveelheid UV-B straling zijn 7 tot 22 procent hoger dan waarnemingen vanaf de grond. Dat komt vooral doordat er in de lucht meer stofdeeltjes zitten dan waarmee OMI rekent. Stofdeeltjes hinderen de passage van UV-straling door de atmosfeer. Ook onderschat OMI het effect van zware bewolking. Na verbetering van beide aspecten zijn UV-B gegevens van OMI beter bruikbaar voor milieu-evaluaties. De mogelijkheden hiertoe zijn aangetoond met behulp van het AMOUR-model van het RIVM. Dit model gebruikt naast satellietgegevens over ozon en bewolking, lokaal beschikbare gegevens om de hoeveelheid UV-straling op de grond te berekenen. Satellieten geven een regionaal en mondiaal beeld. Zonder satellietgegevens zouden veel extra grondstations nodig zijn om heel Europa te dekken. Echter, satellietinstrumenten degenereren, terwijl op grondstations veel nauwkeuriger en aantoonbaar stabiel gemeten wordt. Juist door de combinatie van satellietobservaties en grondwaarnemingen kan de hoeveelheid UV-B-straling het meest efficient bepaald worden. Validatie van de satellietgegevens met grondwaarnemingen over langere perioden zijn daarbij cruciaal.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Indicatieve milieukwaliteitsnormen voor prioritaire stoffen 2004 | RIVM

Dit rapport bevat een overzicht van zogeheten indicatieve milieukwaliteitsnormen die in 2004 zijn afgeleid voor 163 stoffen. Het gaat hierbij om prioritaire stoffen, waarvan de emissie moet worden gereduceerd. Daarnaast gaat het om stoffen die volgens de Nederlandse Emissierichtlijn Lucht (NeR) niet meer mogen worden uitgestoten (minimalisatieverplichting). Het RIVM werkt sinds 2004 met indicatieve milieukwaliteitsnormen om te bepalen of stoffen met risico's voor mens en milieu schadelijk zijn. De normen geven een indicatie van de maximale concentratie waarin de stoffen mogen voorkomen in water, lucht of bodem. Deze werkwijze is sneller dan de gangbare procedure. Zodoende kunnen vergunningverleners en beleidsmakers, zoals gemeenten, provincies en waterschappen, snel beoordelen of sprake is van een milieuprobleem. Dit onderzoek is op verzoek van VROM verzoek verricht. De tijdwinst komt voornamelijk doordat literatuuronderzoek en controle van gegevens minder uitvoerig zijn. Om te voorkomen dat autoriteiten een eventueel risico voor de mens of het milieu onderschatten, worden voor indicatieve milieukwaliteitsnormen grotere veiligheidsfactoren gebruikt. Overschrijding van de kwaliteitsnormen kan aanleiding zijn voor aanvullend onderzoek, bijvoorbeeld om een 'gedegen' norm af te leiden.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Kijk op de Risicotoolbox Bodem : Beoordelen van de actuele bodemkwaliteit en kiezen van Lokale Maximale Waarden | RIVM

Het RIVM heeft een toolbox ontwikkeld waarmee gemeenten zelf normen mogen onderbouwen voor de kwaliteit van bodem en bagger die bedoeld is voor hergebruik. Voortkomend uit het Besluit bodemkwaliteit mag het lokaal bevoegde gezag sinds 1 juli 2008 hierin afwijken van het nationale beleid. De toolbox, www.risicotoolboxbodem.nl , is sinds juli 2008 operationeel. Met dit bijbehorende rapport kunnen de invoerparameters worden bepaald en de resultaten van de Risicotoolbox Bodem (RTB) geonterpreteerd. Het eerste deel is een handleiding met praktisch bruikbare informatie over het gebruik van de RTB aan de hand van de te doorlopen. Vervolgens bevat het rapport achtergrondinformatie en enkele praktijkvoorbeelden om een indruk te krijgen van de toepassing van de toolbox. Het rapport is opgesteld in nauwe samenwerking met Bodem+ en Alterra. Voor meer informatie over de inhoud en werking van het Besluit bodemkwaliteit verwijzen wij u naar de Handreiking Besluit bodemkwaliteit en andere documenten op het Informatiepunt Leefomgeving .
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Environmental risk limits for dimethoate | RIVM

Het RIVM heeft in dit rapport milieurisicogrenzen afgeleid voor dimethoaat in water. Dimethoaat is een organofosforverbinding die als insecticide wordt gebruikt in de land- en tuinbouw. De Internationale Commissie voor Bescherming van de Rijn (ICBR) heeft deze stof geselecteerd als Rijnrelevante stof onder de Kaderrichtlijn Water. Voor de afleiding van de milieurisicogrenzen heeft het RIVM de meest actuele milieuchemische en toxicologische gegevens gebruikt. Dit heeft ertoe geleid dat het berekende maximaal toelaatbare risiconiveau (MTR) in zoet oppervlaktewater daalt van 23 naar 0,07 mug/L. Voor het sedimentcompartiment heeft het RIVM geen milieurisicogrenzen afgeleid, omdat binding van de stof aan het sediment verwaarloosbaar wordt geacht. De afleiding is uitgevoerd volgens de methodiek voor afleiding van milieurisicogrenzen zoals voorgeschreven door de Europese Kaderrichtlijn Water. Milieurisicogrenzen vormen de wetenschappelijke basis waarop de interdepartementale Stuurgroep Stoffen de milieukwaliteitsnormen vaststelt. De overheid hanteert deze normen bij de uitvoering van het nationale stoffenbeleid en de Europese Kaderrichtlijn Water. Er bestaan vier verschillende niveaus voor milieurisicogrenzen: een verwaarloosbaar risiconiveau (VR), een niveau waarbij geen schadelijke effecten zijn te verwachten (MTR), het maximaal aanvaardbare niveau voor ecosystemen, specifiek voor kortdurende blootstelling (MACeco) en een niveau waarbij mogelijk ernstige effecten voor ecosystemen zijn te verwachten (EReco).
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Environmental risk limits for organophosphorous pesticides | RIVM

Dit rapport bevat een erratum op pagina 148-150 d.d. 24-03-2009 Het RIVM heeft milieurisicogrenzen afgeleid voor zeven organofosfaten in zoet en zout water. Organofosfaten zijn bestrijdingsmiddelen die in de land- en tuinbouw worden gebruikt. De groep stoffen omvat azinphos-ethyl, azinphos-methyl, coumaphos, heptenophos, mevinphos, tolclofos-methyl en triazophos. De stoffen vallen onder de categorie overige relevante stoffen voor de Kaderrichtlijn Water. Voor de afleiding van de milieurisicogrenzen heeft het RIVM de actuele toxicologische gegevens gebruikt, gecombineerd met de meest recente methodiek. Deze methodiek is voorgeschreven door de Europese Kaderrichtlijn Water. Voor het sediment, de waterbodem, zijn geen milieurisicogrenzen afgeleid. Dat komt omdat de mate waarin deze organofosfaten zich aan sediment binden, verwaarloosbaar wordt geacht. Milieurisicogrenzen, zoals afgeleid in dit rapport, zijn wetenschappelijk afgeleide waardes, gebaseerd op (eco)toxicologische, milieuchemische en physisch-chemische data. Milieurisicogrenzen dienen als advieswaardes voor de Nederlandse interdepartementale Stuurgroep Stoffen, die de uiteindelijke milieukwaliteitsnormen vaststelt. Milieurisicogrenzen zijn dus voorlopige waardes zonder enige officiele status. Er bestaan vier verschillende niveaus voor milieurisicogrenzen: een verwaarloosbaar risiconiveau (VR), een niveau waarbij geen schadelijke effecten zijn te verwachten (MTR), het maximaal aanvaardbare niveau voor ecosystemen, specifiek voor kortdurende blootstelling (MACeco) en een niveau waarbij mogelijk ernstige effecten voor ecosystemen zijn te verwachten (EReco).
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Hoogspanningslijnenbeleid in de praktijk : Een pilotonderzoek | RIVM

Uit een quick scan van het RIVM onder twaalf gemeenten met hoogspanningslijnen in de provincie Utrecht blijkt dat de helft van deze gemeenten niet op de hoogte is van het VROM-advies voor hoogspanningslijnen. Gemeenten waar de hoogspanningslijnenproblematiek speelt, zijn over het algemeen wil van het beleid op de hoogte. Onder druk van verontruste burgers nemen zij vaak strengere maatregelen dan wordt geadviseerd, bijvoorbeeld door maatregelen voor bestaande situaties te treffen of door een vastgesteld woningbouwplan uit te stellen. Geen van de geonterviewde gemeenten heeft een duidelijk aanspreekpunt om hun inwoners over hoogspanningslijnen te informeren. Internationaal epidemiologisch onderzoek wijst op een mogelijk verhoogd risico op leukemie bij kinderen die in de buurt van bovengrondse hoogspanningslijnen wonen. Eind 2005 heeft VROM een beleidsadvies hierover naar gemeenten, provincies en netbeheerders gestuurd. Het ministerie wil voorkomen dat kinderen in nieuwe situaties langdurig aan magnetische velden van bovengrondse hoogspanningslijnen worden blootgesteld. VROM adviseert daarom in nieuwe situaties een zone bij de hoogspanningslijnen vrij te houden van woningen, scholen en kinderdagverblijven. Het advies richt zich op het opstellen of wijzigen van bestemmingsplannen. Omdat een dergelijke procedure jaren duurt, kan nu, ruim twee jaar nadat het advies is ingevoerd, nog niet worden beoordeeld of het succesvol is. De quick scan vond plaats in opdracht van de VROM-Inspectie Regio Noord-West, die wil achterhalen welke rol het VROM-advies binnen gemeenten speelt en welke invloed burgers op het hoogspanningslijnenbeleid uitoefenen.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Fysisch-chemische parameters en biobeschikbaarheid in oppervlaktewater : Punten van aandacht voor de AMvB | RIVM

Volgens het RIVM zijn normen voor de fysisch-chemische parameters voor oppervlaktewater verschillend gepresenteerd in rapporten van kennisinstituten. Het instituut heeft deze verschillen in kaart gebracht voor de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) voor de Kaderrichtlijn Water (KRW) over oppervlaktewater. In deze AMvB wordt verwezen naar het document Referenties en maatlatten. De normen hierin moeten voor fysisch-chemische parameters overeenkomen met gepubliceerde rapporten over normen en de interpretatie ervan. De AMvB staat gepland voor najaar 2008. In het verlengde hiervan is de onderbouwing van de temperatuurnorm uit de Viswaterrichtlijn uitgezocht. Ook is bekeken welke aanvullende eisen er vanuit de Natura 2000-gebieden worden gesteld aan de temperatuur voor beschermde vissoorten in deze gebieden. De maximumtemperaturen waarbij deze vissoorten nog kunnen voorkomen, blijken binnen de KRW-normen te vallen. Ten slotte blijkt de toxiciteit van metalen nog niet volledig te kunnen worden ingeschat, omdat het vaak niet mogelijk is rekening te houden met de zogeheten biobeschikbaarheid. Dit is de fractie van vervuilende metalen die schadelijk is voor dieren en planten. Het is namelijk nog niet van alle metalen bekend hoe deze biobeschikbaarheid kan worden berekend.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Het ammoniakgat: onderzoek en duiding | RIVM

De berekende concentratie van ammoniak in de buitenlucht was de afgelopen jaren ongeveer 25% lager dan de gemeten concentraties uit het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit van het RIVM. Dit verschil werd het ammoniakgat genoemd. Op basis van recent onderzoek door het RIVM in samenwerking met het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL), Wageningen Universiteit (WUR) en het Energieonderzoek Centrum Nederland (ECN) is het rekenmodel aangepast en kon worden vastgesteld dat er geen significant verschil meer is tussen de gemeten en de berekende concentraties van ammoniak. Dit betekent dat een grote onzekerheid die er was rond de hoogte van de ammoniakemissies en het bereiken van de ammoniakemissiedoelstelling in de National Emission Ceiling Directive (NECD) van de EU in 2010 voor Nederland is afgenomen. In dit onderzoek zijn de drie gebieden waar de mogelijke oorzaken van het ammoniakgat zaten verder uitgewerkt: a) in de metingen van ammoniak in het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit, b) in de berekeningswijze van het verspreidingsmodel OPS van PBL/RIVM en c) in de ammoniakemissies. De metingen van ammoniak in de buitenlucht blijken een onzekerheid van circa 7% te hebben. Op basis van recente literatuur en nieuwe metingen door RIVM/WUR kon de conclusie getrokken worden dat de snelheid waarmee ammoniak uit de atmosfeer verwijderd wordt, tengevolge van opname door vegetatie en bodem, aanzienlijk lager is dan werd aangenomen in het OPS-model. Hierdoor werd de ammoniakconcentratie in de buitenlucht ongeveer 15% te laag berekend. Hiermee werd het ammoniakgat verkleind naar 10%. Daarnaast blijken er nog emissies van ammoniak te zijn vanaf gewassen, met name tijdens afrijping, die niet in de nationale emissies meegenomen worden. Dit zou circa 4% van de nationale emissies kunnen bedragen. Als deze emissies meegenomen worden, verkleint het ammoniakgat verder naar circa 5%. Aangezien zowel de metingen als de berekeningen van de ammoniakconcentratie nog onzekerheden bevatten, kan gesteld worden dat het huidige verschil tussen de gemeten en de berekende ammoniakconcentratie niet significant meer is.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Voorstel normen bronnen drinkwater | RIVM

Voor de invoering van de Europese Kaderrichtlijn Water werkt het ministerie VROM aan een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Doelstellingen. In deze AMvB worden de kwaliteitsdoelstellingen voor grond- en oppervlaktewater vastgelegd. VROM heeft RIVM gevraagd een voorstel te maken voor de normen voor water dat bestemd is voor de productie van drinkwater. In het voorstel worden geen nieuwe stoffen voorgesteld en ook geen nieuwe, lagere of hogere, grenswaarden. Belangrijke verschillen ten opzichte van de bestaande relevante normensets zijn: - De normen in het Waterleidingbesluit en de AMvB zijn op elkaar afgestemd; - Voor grondwater dat voor drinkwaterbereiding wordt gebruikt zijn normen afgeleid; deze zijn er nu nog niet; - De beoordeling van de waterkwaliteit voor drinkwaterbereiding vindt plaats op het onttrekkingspunt. Dit is een belangrijke versoepeling ten opzichte van de huidige normtoetsing voor oppervlaktewater, waarbij een heel gebied wordt meegewogen.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Effect of administration route on biodistribution and shedding of replication-deficient viral vectors used in gene therapy. A literature study | RIVM

Bij gentherapie worden genen (erfelijk materiaal) bij patienten ingebracht om ziektes te behandelen waarvan de oorzaak een ontbrekend of veranderd gen is. Met aangepaste virussen is het mogelijk om het te introduceren gen naar de gewenste plek in het lichaam te brengen. Dit veranderde virus wordt een virale vector genoemd. Het te introduceren gen kan zich via de virale vectoren ook buiten de patient verspreiden. Dat kan zowel in mensen, als in dieren en andere organismen, waar het eventueel ongewenste effecten kan veroorzaken. Om de risico's van verspreiding te beoordelen is kennis nodig over de manier waarop het virus zich binnen het lichaam gedraagt en over hoe het vervolgens het lichaam verlaat, via bijvoorbeeld ontlasting, urine of speeksel. In dit rapport wordt van twee virale vectoren (HAdV-5 en AAV2) per toedieningsroute, via bijvoorbeeld het bloed of de spieren, kritisch geevalueerd hoe zij zich in het lichaam verspreiden en hoe zij zich uitscheiden. Het blijkt dat behalve het type virale vector, de toedieningsroute invloed heeft op de verdeling en uitscheiding van de vector. Via sommige toedieningsroutes blijft de virale vector lokaal en wordt hij via een of enkele routes uitgescheiden. Andere toedieningsroutes resulteren in verspreiding over het hele lichaam en uitscheiding via meerdere routes. Deze processen zijn beschreven in kwalitatieve modellen. De informatie uit deze modellen is relevant voor onderzoekers, risicobeoordelaars en het beleid bij de ontwikkeling van virale vectoren voor gentherapie.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Manual for summarising and evaluating environmental aspects of plant protection products | RIVM

Het RIVM heeft een handleiding opgesteld om studies voor het beoordelen van milieurisico's van gewasbeschermingsmiddelen samen te vatten. De handleiding geeft vervolgens aanwijzingen om de betrouwbaarheid te kunnen beoordelen van verschillende soorten (standaard)toetsen over de afbraak, verspreiding en effecten van deze stoffen in het milieu. Ook geeft het rapport aan hoe het onderzoeksresultaat voor de uiteindelijke risicobeoordeling kan worden gebruikt. Deze handleiding vergroot de eenduidigheid tussen beoordelingen van verschillende organisaties. De eerste versie van deze handleiding heeft het RIVM in 1995 uitgebracht. Nadien is de inhoud in interne tussenrapportages verschillende malen aangepast. Met het huidige rapport is wederom een openbare versie beschikbaar.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Grootschalige grondwaterverontreinigingen en de KRW | RIVM

Past het huidige Nederlandse beleid voor grootschalige grondwaterverontreiniging binnen de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW)? In dit rapport wordt geconcludeerd dat de criteria op basis waarvan de urgentie van te saneren locaties wordt bepaald is in overeenstemming met de principes van de KRW. Daarnaast blijkt dat grootschalige grondwaterverontreinigingen die nietgevalsgericht kunnen worden opgeruimd onder de monitoringverplichting in artikel 5.5. van de EU Grondwaterrichtlijn vallen.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Richtlijn: bepalen van de orale biobeschikbaarheid van lood uit de bodem | RIVM

Dit rapport met nummer 711701081 is een herziene versie van het eerder uitgebrachte RIVM-rapport 711701060. In de vorige versie is er verwezen naar een SOP (Standaard Operating Procedure) voor de destructie van bodem die op dit moment niet meer wordt gebruikt. Tevens was deze SOP in de appendix van het rapport opgenomen, zonder een houdbaarheidstermijn erbij te voegen. De vernieuwde versie verwijst naar de geldende NEN-norm voor destructie van bodem. De NEN-normen en het RIVM in vitrodigestie model worden regelmatig geevalueerd en verbeterd. De lezer wordt daarom verzocht om de op het moment geldende NEN-normen en SOP's aan te vragen. Het RIVM heeft een richtlijn ontwikkeld om nauwkeurig te bepalen hoeveel lood in de grond op een specifieke locatie schadelijk is voor de mens. Hierdoor is beter in te schatten of maatregelen nodig zijn om de loodverontreiniging aan te pakken. De bodem in Nederland is op een groot aantal locaties verontreinigd met lood. Vooral kinderen lopen gevaar doordat ze naar schatting gemiddeld 100 mg grond via hun vuilgemaakte handen inslikken. Echter, niet al het lood in de bodem komt na inname beschikbaar in het lichaam. Een deel van het lood hecht bijvoorbeeld aan de bodemdeeltjes en wordt uitgescheiden via de ontlasting. Het overige lood dat in de bloedbaan terechtkomt vormt een (potentieel) risico voor de gezondheid van mensen. Dit rapport beschrijft een richtlijn voor het bepalen van het biobeschikbare lood uit de bodem, dat wil zeggen de hoeveelheid lood die in het bloed kan komen en schade kan aanrichten. De richtlijn bevat een protocol voor het nemen en meten van bodemmonsters. Deze worden getest in een kunstmatig maag-darmsysteem (digestiemodel) om realistisch de relatieve orale biobeschikbaarheidsfactor te berekenen. Dit is een maat voor het biobeschikbare gedeelte lood in de bodem. Deze maat kan worden ingevoerd in een blootstellingsmodel om het humane risico te berekenen. De richtlijn is bestemd voor laboratoria die de biobeschikbaarheid van lood uit bodems willen bepalen. Door de bepaling uit deze richtlijn wordt de risicobeoordeling realistischer en in de meeste gevallen minder conservatief. Ook vraagt het RIVM de laboratoria om hun resultaten door te geven voor gegevensonderzoek. Door relaties te leggen tussen bodemkarakteristieken en de biobeschikbaarheid van lood wordt het wellicht in de toekomst mogelijk de biobeschikbaarheid van lood in de bodem te schatten op basis van eenvoudige bodemeigenschappen.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Gezondheid in veertig krachtwijken | RIVM

De gezondheid van bewoners van de veertig zogeheten krachtwijken is over het algemeen minder goed dan de gezondheid van inwoners van de rest van Nederland. Dit komt onder andere door de lagere sociaaleconomische status van de inwoners van de wijken. Niet alle krachtwijken zijn slechter af dan de rest van Nederland. Er zijn ook enkele krachtwijken waar de gezondheid relatief goed is. Dit blijkt uit een studie van het RIVM, uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Behalve achterstanden op de gebieden wonen, werken, leren en opgroeien, integratie en veiligheid, hebben de krachtwijken dus ook gezondheidsachterstanden. Het verdient daarom aanbeveling om de wijkenaanpak mede te beoordelen op het effect op de gezondheid. Minister Vogelaar van Wonen, Wijken en Integratie heeft veertig achterstandswijken in achttien Nederlandse gemeenten aangewezen waar geinvesteerd wordt in het opknappen van de wijk. Het doel is om deze wijken te ontwikkelen naar krachtwijken, waar mensen kansen hebben en graag willen wonen. Voor het onderzoek is gebruikgemaakt van enquetegegevens over 139.048 personen van het Woning Behoefte Onderzoek (WBO) uit 2002 en het Woon Onderzoek Nederland (WoON) uit 2006. Het RIVM bestudeerde vier gezondheidsmaten: ervaren gezondheid, langdurige aandoeningen, beperkingen in algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL) en huishoudelijke dagelijkse levensverrichtingen (HDL) en sportdeelname.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Landelijke perinatale audit: werk in uitvoering. Eindrapportage en bedrijfsplan van de opstartcommissie voor de landelijke invoering van perinatale audit | RIVM

De voorbereidingen voor de landelijke invoering van een audit van de sterfte rond de geboorte zijn van start gegaan. Het RIVM heeft hiervoor, met een commissie van vertegenwoordigers van de betrokken beroepgroepen, de randvoorwaarden uitgewerkt, de eerste activiteiten ontplooid en een bedrijfsplan opgesteld. Tijdens de audit analyseren zorgverleners de kwaliteit van de perinatale zorg, wat een belangrijke stap is op weg naar een betere zorgverlening. Aanleiding is de minder snel dalende sterftecijfers rond de geboorte in Nederland ten opzichte van omringende landen. De auditbijeenkomsten vinden plaats op drie niveaus: lokaal, regionaal en landelijk. Uitgangspunt is een auditsysteem waarbij zorgverleners binnen een lokaal samenwerkingsverband voortaan alle gevallen van perinatale sterfte analyseren. Specifieke casus of thema's worden voorgelegd tijdens regionale en landelijke audits. Een nog op te richten Landelijk bureau Perinatale Audit zal de audits coordineren. Voorgesteld wordt om een netwerk van regioteams en implementatiemedewerkers in te zetten die de audits regionaal ondersteunen. De audit wordt systematisch aangepakt, met duidelijke randvoorwaarden die aansluiten bij de dagelijkse praktijk. Juridische gezien blijken er geen belemmeringen te zijn voor voorgestelde aanpak. Ook is onderzocht aan welke vereisten de registratiesystemen met gegevens over de zorgverlening moeten voldoen om de audit mogelijk te maken en zorgvuldige omgang met herleidbare persoonsgegevens te garanderen. Alle instrumenten en achtergrondinformatie zullen te zijner tijd via een website beschikbaar komen.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Environmental risk assessment of replication competent viral vectors in gene therapy trials. Supplementary document: Overview of replication competent viral vectors | RIVM

Het RIVM heeft een methode uitgewerkt waarmee de risico's voor mens en milieu van replicatiecompetente virussen als kankertherapie kunnen worden beoordeeld. Zo'n methode bestond nog niet. De verwachting is dat de risicobeoordeling, en daarmee de vergunningverlening, van klinische studies die gebruikmaken van genetisch gemodificeerde replicerende virussen hierdoor kan worden bespoedigd. Nederlandse onderzoekers zijn van plan om klinische studies te starten waarbij gebruik zal worden gemaakt van virussen die in staat zijn zich te vermenigvuldigen (replicatiecompetent). Dit zijn genetisch gemodificeerde virussen die zich in kankercellen kunnen vermenigvuldigen en ze op die manier kunnen vernietigen. Mogelijke schadelijke effecten van gentherapieen met een virus zijn gekoppeld aan de mate waarin mens en milieu aan het virus worden blootgesteld. In Nederland zijn tot nu toe uitsluitend virussen die zich niet meer kunnen vermenigvuldigen als therapie toegepast. Deze 'kreupele' virussen infecteren een beperkt aantal cellen en kunnen bijvoorbeeld een genetisch defect in een patient met een stofwisselingsziekte opheffen. Uit de risicobeoordeling blijkt dat in de meeste gevallen de risico's hiervan voor mens en milieu verwaarloosbaar klein zijn. Een belangrijk uitgangspunt in de risicobeoordeling van replicatiecompetente virussen is dat er een zekere kans is dat de toegepaste virussen zich vanuit de patient in het milieu verspreiden. Replicatiecompetente virussen hebben immers eigenschappen waardoor ze zich binnen een patient kunnen vermenigvuldigen. In de aanbevelingen voor de milieurisicoanalyse wordt rekening gehouden met deze eigenschappen, de eventuele effecten van de genetische modificaties op het virus, de huidige klinische toepassingen en toekomstige ontwikkelingen. Het rapport biedt handvatten voor zowel risicobeoordelaars en beleidsmakers als voor aanvragers van een introductie in het milieu vergunning om gentherapiestudies uit te mogen voeren.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Environmental risk assessment of replication competent viral vectors in gene therapy trials | RIVM

Het RIVM heeft een methode uitgewerkt waarmee de risico's voor mens en milieu van replicatiecompetente virussen als kankertherapie kunnen worden beoordeeld. Zo'n methode bestond nog niet. De verwachting is dat de risicobeoordeling, en daarmee de vergunningverlening, van klinische studies die gebruikmaken van genetisch gemodificeerde replicerende virussen hierdoor kan worden bespoedigd. Nederlandse onderzoekers zijn van plan om klinische studies te starten waarbij gebruik zal worden gemaakt van virussen die in staat zijn zich te vermenigvuldigen (replicatiecompetent). Dit zijn genetisch gemodificeerde virussen die zich in kankercellen kunnen vermenigvuldigen en ze op die manier kunnen vernietigen. Mogelijke schadelijke effecten van gentherapieen met een virus zijn gekoppeld aan de mate waarin mens en milieu aan het virus worden blootgesteld. In Nederland zijn tot nu toe uitsluitend virussen die zich niet meer kunnen vermenigvuldigen als therapie toegepast. Deze 'kreupele' virussen infecteren een beperkt aantal cellen en kunnen bijvoorbeeld een genetisch defect in een patient met een stofwisselingsziekte opheffen. Uit de risicobeoordeling blijkt dat in de meeste gevallen de risico's hiervan voor mens en milieu verwaarloosbaar klein zijn. Een belangrijk uitgangspunt in de risicobeoordeling van replicatiecompetente virussen is dat er een zekere kans is dat de toegepaste virussen zich vanuit de patient in het milieu verspreiden. Replicatiecompetente virussen hebben immers eigenschappen waardoor ze zich binnen een patient kunnen vermenigvuldigen. In de aanbevelingen voor de milieurisicoanalyse wordt rekening gehouden met deze eigenschappen, de eventuele effecten van de genetische modificaties op het virus, de huidige klinische toepassingen en toekomstige ontwikkelingen. Het rapport biedt handvatten voor zowel risicobeoordelaars en beleidsmakers als voor aanvragers van een introductie in het milieu vergunning om gentherapiestudies uit te mogen voeren.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

EU-wide control measures to reduce pollution from WFD relevant substances : Cadmium in the Netherlands | RIVM

De eis voor cadmium vanuit de Kaderrichtlijn Water, namelijk algehele stopzetting van emissies, is niet op korte termijn realiseerbaar. Dat komt omdat cadmiumbronnen niet direct aanwijsbaar zijn. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM. Daarin zijn de eisen van de Kaderrichtlijn Water over cadmium in oppervlaktewateren onderzocht, evenals de Europese wetgeving die cadmium in het milieu reguleert. Deze wetgeving is wel in de Nederlandse wetgeving geimplementeerd, maar door het karakter van cadmiumbronnen is het niet haalbaar emissie volledig stop te zetten. Het is uitermate ingewikkeld om cadmiumbronnen aan te pakken. De precieze bronnen van de cadmiumuitstoot zijn namelijk lastig te traceren en te kwantificeren. In Nederland raken oppervlaktewateren vooral met cadmium vervuild door de landbouw, de industrie en via waterzuiveringsinstallaties, en indirect door neerslag van cadmium uit de lucht. Het grootste gedeelte van het cadmium in Nederland komt vanuit het buitenland via de internationale rivieren. Cadmium vanuit de landbouw vindt zijn oorsprong in veevoeder en kunstmest. De bronnen van de cadmiumaanvoer naar waterzuiveringsinstallaties komen via de riolering waarschijnlijk uit de huishoudens, de kleine industrieen en vanaf verharde wegen.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Verwijdering van micro-organismen door langzame zandfiltratie | RIVM

Het RIVM heeft samen met Kiwa Research en de waterleidingbedrijven Duinwaterbedrijf Zuid-Holland en Waternet gemeten hoe goed ziekteverwekkende wateroverdraagbare micro-organismen worden verwijderd door langzame zandfiltratie, een veel toegepaste techniek in de drinkwaterbereiding. Ongeveer een op de honderd virussen, een op de tienduizend bacterien en minder dan een op de honderdduizend parasitaire protozoa komt nog door de zandfilters. Dit zijn belangrijke gegevens voor de wettelijk verplichte schattingen van risicos op infectie door ziekteverwekkende micro-organismen na drinkwaterconsumptie. Langzame zandfiltratie, een van de laatste stappen in de drinkwaterzuivering, zeeft micro-organismen uit het water. De micro-organismen blijven achter omdat ze niet door porien tussen de zandkorrels passen (zeving) of doordat ze aan zandkorrels hechten. De verwijdering van virussen en bacterien is onderzocht in proefinstallatiefilters, die van protozoa in het laboratorium met kleine zandkolommen. Uit het onderzoek blijkt dat voor bacterien en protozoa zeving effectiever is dan voor de veel kleinere virussen. De concentratie van de micro-organismen in het toegevoerde water is niet van invloed. Ook de effecten van temperatuur en Schmutzdecke zijn onderzocht. De Schmutzdecke is een slijmlaag, die zich langzaam vormt op het zandfilter. Als de Schmutzdecke het zandfilter teveel verstopt, wordt deze afgeschraapt. Bij 9 - 12 graden C heeft de Schmutzdecke geen effect op verwijdering van virussen, maar bacterien worden met Schmutzdecke honderd keer meer verwijderd dan zonder. Bij 14 - 15 graden C worden alle micro-organismen ongeveer tien keer meer verwijderd dan bij 9 - 12 graden C. Na afschrapen is de werking van de Schmutzdecke binnen 53 dagen hersteld. Tenslotte wijst het onderzoek uit dat het zand van de twee onderzochte waterleidingbedrijven nagenoeg even werkzaam is.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Allergens in consumer products | RIVM

Veel consumentenproducten bevatten stoffen die een allergische reactie van de huid kunnen veroorzaken (contact dermatitis of contacteczeem). Ook kan een reactie ontstaan bij blootstelling via de luchtwegen, maar hierover is weinig bekend. Grootste veroorzakers van contact dermatitis zijn nikkel in sieraden en geurstoffen in cosmetica. Daarnaast kunnen conserveermiddelen en harssoorten in producten een allergische reactie veroorzaken. Zowel de sterkte van de stof als de mate waarin de gebruiker eraan blootstaat zijn van belang voor de aard van de reactie. In opdracht van de Voedsel en Waren Autoriteit (VWA) heeft het RIVM geinventariseerd in welke mate mensen last hebben van (huid)allergie door stoffen in consumentenproducten. Contact dermatitis komt in Nederland relatief veel voor vergeleken met astma, hooikoorts en voedselallergie. Allergische aandoeningen behoren tot de meest voorkomende chronische ziekten in Europa. In de wet zijn limietwaarden voor een aantal allergene stoffen in producten vastgesteld. Deze limietwaarden zijn vooralsnog niet gebaseerd op een kwantitatieve risicobeoordeling. Bij een kwantitatieve aanpak wordt vastgesteld bij welke dosis een reactie optreedt. Dit is essentieel om veilige limietwaarden van allergenen in een product af te leiden. Er zijn twee kwantitatieve methoden in ontwikkeling, die in de praktijk nog niet bruikbaar zijn. Het is vooral belangrijk dat blootstelling via meerdere producten (geaggregeerde blootstelling) op een adequate manier wordt meegenomen in deze methodiek.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Quantitative in vitro - in vivo extrapolation. Analysis of 19 compounds of varying embryotoxic potency | RIVM

Dierproeven zijn niet altijd eenvoudig te vervangen door in vitro testen (uitgevoerd in reageerbuizen of petrischaaltjes). Dat illustreert onderzoek van het RIVM. Bestaande onderzoeksgegevens uit een in vitro test gericht op ontwikkelingsstoornissen zijn getoetst op hun bruikbaarheid. Het gaat hierbij om stoornissen in de ontwikkeling van rattenembryo's als gevolg van blootstelling aan chemische stoffen. Dit soort alternatieven wordt ontwikkeld onder invloed van maatschappelijke bezwaren tegen dierproeven (in vivo) ten behoeve van kwantitatieve risicobeoordeling. In de onderzochte 'Whole Embryo Culture'-test worden rattenembryo's in vitro blootgesteld aan verschillende concentraties van een bepaalde stof. Vervolgens wordt bekeken bij welke concentratie (in vitro) de effecten overeenkomen met effecten in het intacte dier (in vivo). Dit werd voor 19 verschillende stoffen onderzocht. Er blijkt een duidelijke relatie te zijn tussen de gemeten potentie in in vitro- en in vivo testen, maar de ruis (onzekerheid) in deze relatie is erg groot (circa factor honderd). Dit wordt voor een deel veroorzaakt doordat de beschikbare in vivo studies op verschillende manieren zijn uitgevoerd (bijvoorbeeld doordat zwangere ratten op verschillende dagen van de dracht aan stoffen zijn blootgesteld). Ook zouden verschillen waarmee een lichaam stoffen opneemt of uitscheidt een rol kunnen spelen. Deze studie beschrijft een eerste aanzet om deze verschillen te verdisconteren. Zelfs als deze aspecten worden meegewogen blijft de onzekerheid in de uitkomst groot. Gegeven deze onzekerheid is het volledig vervangen van de in vivo dierstudie door de 'Whole Embryo Culture' test voor kwantitatieve risicobeoordeling vooralsnog niet haalbaar.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Risico's van toxische stoffen in de Nederlandse oppervlaktewateren | RIVM

De kwaliteit van het Nederlandse oppervlaktewater voldoet nog niet aan de voorschriften van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW). De totale toxiciteit van het water is op veel locaties te hoog. In het kader van de Ex-ante-evaluatie Kaderrichtlijn Water heeft het RIVM de risico's van toxische stoffen in beeld gebracht. Hiervoor is een overzicht gemaakt van normstelling, normoverschrijding en effecten op ecosystemen in water. Daarnaast geeft het rapport een overzicht van de maatregelen die de waterschappen en Rijkswaterstaat hebben voorgesteld om de chemische waterkwaliteitsdoelstellingen te halen. De kosten van deze maatregelen worden indicatief geschat op 600 miljoen euro. Hoewel de waterkwaliteit de afgelopen decennia sterk is verbeterd, worden de waterkwaliteitsdoelen voor een groot aantal metalen, PAK's en bestrijdingsmiddelen in de Nederlandse wateren nog niet gehaald. De totale toxiciteit is op bijna 40% van de meetlocaties zo hoog dat de algemene doelstelling van het beleid niet wordt gehaald. Op deze locaties wordt namelijk minder dan 95% van de potentieel aanwezige soorten in een ecosysteem beschermd. Op een aantal locaties (182) is de totale toxiciteit zodanig dat plant- en diersoorten mogelijk verloren kunnen gaan. Aanvullend ecologisch onderzoek naar het functioneren van het aquatisch ecosysteem op deze locaties is gewenst. Naast koper en zink draagt een groot aantal andere stoffen bij aan de totale toxiciteit van het oppervlaktewater. Aangezien meestal een beperkt aantal stoffen is gemeten, zal de werkelijke toxiciteit van het oppervlaktewater veelal hoger zijn.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Exposure informed testing under REACH | RIVM

De mate waarin mensen blootstaan aan chemicalien kan het aantal testen met proefdieren beinvloeden dat nodig is om de veiligheid van een stof te beoordelen. Dit betekent dat bepaalde onderzoeken niet nodig zijn als mensen of organismen in het milieu niet of nauwelijks aan een stof staan blootgesteld (Exposure Based Waiving, EBW). Hierdoor zijn minder proefdieren nodig. Bij relatief hoge blootstellingen kunnen juist extra testen met proefdieren nodig zijn (Exposure Based Triggering, EBT). Goede kennis van deze blootstelling via modellering of meting is hiervoor onontbeerlijk, zowel voor EBW als EBT. Dit geldt voor alle relevante stadia in de levenscyclus van een stof, van productie tot de afvalfase. Alleen dan kan gezegd worden of een blootstelling niet of juist wel relevant is. Het gaat om blootstelling van de mens, direct via consumentenproducten of op de werkplek of indirect via het milieu, en om blootstelling van organismen in het milieu. Het RIVM en TNO hebben onderzocht hoe dit onderdeel van teststrategieen kan worden aangewend om proefdiergebruik te verminderen. Het rapport is een deelproduct van het Europese Zesde Kaderproject OSIRIS (Optimized Strategies for Risk Assessment of Industrial Chemicals through Integration of Non-Test and Test Information). Doel van dit project is om teststrategieen te ontwikkelen voor toepassing onder REACH die het proefdiergebruik kunnen verminderen. De nieuwe Europese Verordening voor registratie, beoordeling, autorisatie en beperkingen voor chemische stoffen (REACH) verplicht de industrie om een registratiedossier voor haar stoffen in te dienen. De verplichte testen zijn in REACH vastgelegd en afhankelijk van de hoeveelheid stof die op de markt komt. Onder bepaalde voorwaarden, zoals de mate van blootstelling, kan hiervan worden afgeweken.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Nanotechnologie in perspectief. Risico's voor mens en milieu | RIVM

Het Kennis- en Informatiepunt Risico's van Nanotechnologie (KIR-nano) van het RIVM heeft de potentiele risico's van blootstelling van gefabriceerde, vrije, onafbreekbare en onoplosbare nanodeeltjes in kaart gebracht. In dit rapport worden de risico's voor de mens als werknemer, patient en consument behandeld, evenals risico's voor het milieu. Drie toepassingsgebieden zijn daarbij relevant: geneesmiddelen en medische technologie, voedselproductie en consumentenproducten. De huidige stand van zaken van de wetenschap laat zien dat risico's niet uit te sluiten zijn. Er ontbreekt echter nog veel kennis om de risico's even goed in te kunnen schatten als voor 'chemische stoffen niet in nanovorm'. Toch zijn er al vele honderden producten waarin nanomaterialen zijn verwerkt op de markt. Dit vereist op korte termijn veel onderzoek naar de blootstelling en toxiciteit van deze materialen. Helaas is het aantal onderzoeksvragen dusdanig groot en fundamenteel van aard dat het nog jaren zal duren voordat alle informatie is vergaard. KIR-nano adviseert daarom het onderzoek vooral te richten op die vragen die cruciale informatie voor de risicobeoordeling voor mens en milieu bieden. Afhankelijk van het perspectief van werknemer, consument, patient of milieu zijn oplossingsrichtingen gedefinieerd voor het beheersen van de risico's. Informatie die in de streng gereguleerde wereld van medische toepassingen wordt gegenereerd kan met name vanuit methodologisch oogpunt zeer waardevol zijn voor andere toepassingsgebieden, waar de dossiervereisten en dus veelal ook de informatievergaring (veel) beperkter voor zijn. Kernbegrippen voor de komende jaren zijn samen te vatten onder KOKOS: Kennis vergroten en uitwisselen om dubbeling van onderzoek te voorkomen, Oplossingsrichtingen en risicomanagement, Keuzes maken in bijdragen vanuit Nederland aan dit onderzoeksveld, Onderzoek & Ontwikkeling, en Samenwerking bevorderen tussen wet- en regelgevende kaders, wetenschap en bedrijfsleven.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Nanotechnologie in perspectief: samenvatting. Risico's voor mens en milieu | RIVM

Het Kennis- en Informatiepunt Risico's van Nanotechnologie (KIR-nano) van het RIVM heeft de potentiele risico's van blootstelling van gefabriceerde, vrije, onafbreekbare en onoplosbare nanodeeltjes in kaart gebracht. In dit rapport worden de risico's voor de mens als werknemer, patient en consument behandeld, evenals risico's voor het milieu. Drie toepassingsgebieden zijn daarbij relevant: geneesmiddelen en medische technologie, voedselproductie en consumentenproducten. De huidige stand van zaken van de wetenschap laat zien dat risico's niet uit te sluiten zijn. Er ontbreekt echter nog veel kennis om de risico's even goed in te kunnen schatten als voor 'chemische stoffen niet in nanovorm'. Toch zijn er al vele honderden producten waarin nanomaterialen zijn verwerkt op de markt. Dit vereist op korte termijn veel onderzoek naar de blootstelling en toxiciteit van deze materialen. Helaas is het aantal onderzoeksvragen dusdanig groot en fundamenteel van aard dat het nog jaren zal duren voordat alle informatie is vergaard. KIR-nano adviseert daarom het onderzoek vooral te richten op die vragen die cruciale informatie voor de risicobeoordeling voor mens en milieu bieden. Afhankelijk van het perspectief van werknemer, consument, patient of milieu zijn oplossingsrichtingen gedefinieerd voor het beheersen van de risico's. Informatie die in de streng gereguleerde wereld van medische toepassingen wordt gegenereerd kan met name vanuit methodologisch oogpunt zeer waardevol zijn voor andere toepassingsgebieden, waar de dossiervereisten en dus veelal ook de informatievergaring (veel) beperkter voor zijn. Kernbegrippen voor de komende jaren zijn samen te vatten onder KOKOS: Kennis vergroten en uitwisselen om dubbeling van onderzoek te voorkomen, Oplossingsrichtingen en risicomanagement, Keuzes maken in bijdragen vanuit Nederland aan dit onderzoeksveld, Onderzoek & Ontwikkeling, en Samenwerking bevorderen tussen wet- en regelgevende kaders, wetenschap en bedrijfsleven.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Artificial organs - State-of-the-art technology for device-based and cell/tissue-based approaches | RIVM

Onderzoek naar oplossingen voor zieke of falende organen van de mens is de laatste jaren sterk in opkomst. Het gaat hierbij zowel om medische hulpmiddelen van niet-levende materialen als om toepassingen met levende cellen of weefsels. Dergelijke producten kunnen de wachttijd tot een transplantatie overbruggen, of de werking van een orgaan gedurende lange tijd ondersteunen. Kunstorganen die falende organen volledig kunnen vervangen zijn nog niet op de markt. Dit RIVM-rapport geeft een overzicht van de ontwikkeling van zowel medische hulpmiddelen als cel/weefselproducten die (gedeeltelijk) falende orgaansystemen ondersteunen, repareren of vervangen. Het gaat daarbij om het hart, de longen, de lever, de nieren, de pancreas, de blaas en de darmen. Voor het hart, de nieren, de pancreas en de blaas bestaan medische hulpmiddelen als overbrugging naar een transplantatie of als langetermijnondersteuning van het orgaan. Er vinden klinische studies plaats met een totaal kunsthart, en met ondersteunende hulpmiddelen voor hart, lever en nieren. Cel/weefselproducten zijn nog niet op de markt. Klinische studies vinden plaats voor het hart en de nieren. Onderzoek naar zogenoemde bioartificiele levers en pancreassen op basis van varkenscellen leek veelbelovend, ook in kleinschalig klinisch onderzoek. Vanwege ethische en veiligheidsredenen is dit momenteel in Nederland en vele andere landen verboden. Andere concrete toepassingen voor totale kunstorganen worden de komende vijf tot tien jaar niet in klinische studies verwacht. Aangezien Nederlands onderzoek op dit gebied mondiaal vooraan meeloopt, zullen eventuele internationale doorbraken wel snel hun weg vinden in ons land.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Milieuaandachtsgebieden in Nederland. Een landsdekkende inventarisatie van milieubelasting op woongebieden | RIVM

Veel woongebieden in Nederland ondervinden milieuproblemen. Vooral de grote steden hebben last van geluidsoverlast en vervuilde lucht, door hoge concentraties fijn stof, stikstofdioxide en omgevingslawaai. Deze problemen spelen vooral in Rotterdam, Amsterdam, Den Haag, Utrecht en Noord-Brabant. Dit blijkt uit een globale kwaliteitinventarisatie door het RIVM van de milieuproblemen in 2008. Hierbij werd gekeken naar de kwaliteit van lucht, geluid en bodem en naar lokale risico's op het gebied van externe veiligheid. Per postcodegebied staat op de kaarten aangegeven welke milieuproblemen zich daar voordoen en hoe ernstig ze zijn. Deze kaarten en onderliggende gegevens zijn te raadplegen op: http://geodata.rivm.nl/gmr/gmr.html De kaarten zijn bedoeld voor beleidsmakers, planologen en de lokale bevolking. Zij bieden een overzicht van de gebieden waarin aandacht voor het milieu nodig is. Daarnaast hebben ze een signalerende functie voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, zoals grootschalige nieuwbouw op milieubelaste onbebouwde locaties. Deze milieukwaliteitinventarisatie omvat voor het eerst alle postcodegebieden in Nederland en niet alleen de stedelijke gebieden. Bovendien is een aantal geluidaspecten toegevoegd: luchtvaartgeluid, windturbinegeluid en de kans op geluidhinder door grote industrieterreinen. De inventarisatie is niet uitputtend, nog niet alle milieuaspecten zijn tot dusver in kaart gebracht. Dit geldt onder andere voor straling, mogelijke risico's door hoogspanningsleidingen of lokale geluidproblematiek door bedrijven. Ook groepsrisico's (externe veiligheid) en asbestverontreiniging konden nog niet worden meegenomen.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Meervoudig ongezond gedrag in Nederland: Een exploratie van risicogroepen en samenhang met omgeving, gezondheid en zorggebruik | RIVM

In dit onderzoek werd bekeken hoe vaak combinaties van roken, excessief alcoholgebruik, te weinig bewegen en ongezond eten voorkomen in de Nederlandse bevolking. Vooral rokers blijken er een tweede ongezonde leefgewoonte op na te houden. Combinaties met roken komen vaker voor dan de percentages van de twee afzonderlijke gedragingen doen vermoeden. De combinatie van twee ongezonde gedragingen komt echter niet vaker voor in bepaalde bevolkingsgroepen of bij mensen met een betere of slechtere gezondheidstoestand. Ook blijkt het voorkomen van combinaties van ongezonde gedragingen onafhankelijk te zijn van factoren uit de sociale en fysieke leefomgeving van de persoon, zoals gezinssamenstelling en mate van verstedelijking. De combinatie van twee ongezonde gedragingen geeft wel een grotere kans op vroegtijdig overlijden dan de risicoberekening hierover voor het afzonderlijke gedrag, maar deze is niet excessief groter. Mensen die twee ongezonde gedragingen combineren maken niet meer gebruik van de gezondheidszorg dan mensen met enkelvoudig ongezond gedrag.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

The quantification of occupational risk. The development of a risk assessment model and software | RIVM

Op verzoek van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) is een model ontwikkeld om arbeidsrisicos in Nederland te berekenen. Werknemers kunnen tijdens hun werk gewond raken of overlijden als gevolg van ongevallen. Met het model kunnen werkgevers combinaties van maatregelen kiezen die het risico reduceren. Ook kunnen de kosten van deze maatregelen en de behaalde risicoreductie worden berekend. Hiermee is een optimale afweging mogelijk van de kosten en de baten van risicoreducerende maatregelen. Voor het onderzoek is een groot aantal arbeidsongevallen geanalyseerd, op basis van de ongevalrapporten van de Arbeidsinspectie. Deze gegevens zijn in een database gezet, waarbij de arbeidsongevallen werden verdeeld naar 36 typen ongevalscenarios, zoals 'vallen van hoogte'. De ongevalscenarios werden gebruikt om zogenoemde vlinderdasmodellen te construeren. Hierin staan de oorzaken van een ongeval vermeld (welke gebeurtenissen leiden tot het optreden van het ongeval?) en de gevolgen ervan (gewond raken of dodelijk letsel?). In een vlinderdasmodel worden tevens de maatregelen genoemd die een ongeval helpen voorkomen, dan wel helpen om de gevolgen te beperken. De vlinderdasmodellen geven eveneens getalsmatig aan hoe vaak dergelijke maatregelen kunnen falen. Vervolgens is een analyse gemaakt van de activiteiten en werkplaatsomstandigheden van de gemiddelde werknemer. Daarmee is bepaald in welke mate werknemers aan risicovolle activiteiten blootstaan en van welke kwaliteit de risicobeperkende maatregelen op de werkplaats zijn. Met deze gegevens kan per activiteit, baan, bedrijf of industrietak het risico op ongevallen worden berekend.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Pilotstudie arbeidsinzet in de zorg. Arbeidsinzet gedifferentieerd naar diagnose, een verkenning | RIVM

Voor ziekenhuizen is het mogelijk te berekenen hoeveel medisch personeel per aandoening nodig is. Tot voor kort werden dergelijke inschattingen alleen in euro's gemaakt. Met de nieuwe informatie kan op basis van het verwachte aantal aandoeningen worden berekend hoeveel medisch personeel in de toekomst beschikbaar moet zijn. Het is het nog niet mogelijk verschillende categorieen verplegend personeel per aandoening te differentieren. Voor de ouderenzorg is het mogelijk om de hoeveelheid verplegend en verzorgend personeel per leeftijdgroep uit te splitsen. Op die manier kunnen op basis van demografische gegevens trendberekeningen voor de toekomst worden gemaakt van het benodigde personeel. Ook kan binnen deze sector het verplegend en verzorgend personeel naar type beroep worden gespecificeerd. Het is nog niet mogelijk de hoeveelheid medisch personeel per aandoening te categoriseren omdat daarvoor de benodigde gegevens ontbreken. Aanleiding voor dit onderzoek zijn de te verwachten tekorten op de arbeidsmarkt in de zorg. Beleidsmakers hebben behoefte aan informatie om maatregelen te kunnen nemen, bijvoorbeeld door deelname aan opleidingen te stimuleren. In deze pilotstudie is geonventariseerd wat de mogelijkheden en onmogelijkheden voor de gezondheidszorg zijn van dit soort berekeningen. De uitkomsten van de pilot zijn nog niet getoetst. Of een dergelijke toetsing in de toekomst mogelijk is, is onzeker, mede omdat veel van de in deze pilot gebruikte registraties een onzekere toekomst kennen.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Deelname aan preventief gezondheidsonderzoek rondom de leefstijl. Bereik onder Nederlanders en redenen voor non-respons | RIVM

Ongeveer 45% van de 40- tot 75-jarigen neemt deel aan preventief gezondheidsonderzoek als zij hiervoor persoonlijk in een brief worden uitgenodigd. De opkomst is het hoogst bij de 60- tot 70-jarigen. Als voornaamste redenen om zich niet preventief te laten onderzoeken, noemen niet-deelnemers dat ze al regelmatig medisch gecontroleerd worden (dit wordt vaker genoemd in de oudere leeftijdsgroep) of geen interesse of tijd hebben (dit wordt vaker genoemd in de jongere leeftijdsgroep). Dit blijkt uit een onderzoek naar deelname aan twee recente grootschalige Nederlandse projecten, namelijk het Preventief Gezondheidsonderzoek voor Ouderen (PGO-O), uitgevoerd in Zeeland en Amersfoort/Soest, en de Groningen Overweight And Lifestyle studie (GOAL), uitgevoerd in Groningen, Friesland en Drenthe. In deze projecten werden respectievelijk 1779 60 tot 75-jarigen en en 5738 40 tot 70-jarigen uitgenodigd. De bevindingen worden in grote lijnen bevestigd door soortgelijk recent Nederlands onderzoek en een literatuurstudie naar vijftien vergelijkbare internationale onderzoeken. Mensen met het laagste opleidingsniveau lijken minder geneigd om deel te nemen aan preventief gezondheidsonderzoek. Er waren geen duidelijke aanwijzingen voor een selectieve opkomst naar risicofactoren of leefstijl. Veel deelnemers zouden baat kunnen hebben bij een vervolgaanbod van leefstijlbegeleiding. Er werd bijvoorbeeld een grote groep bereikt met hoge bloeddruk en/of obesitas, wat een weerspiegeling lijkt van het vaak voorkomen van deze risicofactoren in de bevolking. Informatie over het mogelijke bereik van preventief gezondheidsonderzoek biedt het beleid en de lokale organisaties concrete handvatten, bijvoorbeeld bij het plannen van de inzet van personeel, de kosten, en de potentiele effecten van preventief gezondheidsonderzoek op populatieniveau.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

The bioaccessibility and relative bioavailability of lead from soils for fasted and fed conditions. Derivation of the "average physiological state" correction factor | RIVM

Het RIVM heeft meer en nauwkeurigere gegevens gegenereerd om te berekenen hoeveel lood mensen, kinderen in het bijzonder, binnenkrijgen via de bodem. De bodem in Nederland is op een groot aantal locaties, vooral in binnensteden, verontreinigd met lood. Een hoge loodconcentratie in de bodem vormt een (potentieel) risico voor de gezondheid. Vooral kinderen lopen gevaar omdat ze grotere hoeveelheden grond via hun handen inslikken en de effecten van lood groter zijn voor kinderen. De fysiologische status van de mens, nuchter, gevoed of gemiddeld, is van invloed op de mate waarin het menselijk lichaam lood uit de bodem opneemt, en daarmee op de risicobeoordeling. Zo wordt lood minder opgenomen na een maaltijd (gevoede condities) dan als iemand niet heeft gegeten (nuchtere condities). Voorheen waren de nuchtere condities het uitgangspunt. Aangezien de gemiddelde conditie een realistischer uitgangspunt is, zijn de gegevens voor de risicobeoordeling daarvoor gecorrigeerd. Tot op heden was de correctiefactor voor de gemiddelde voedingscondities afgeleid met 11 bodems. In dit onderzoek is de correctiefactor afgeleid van een veel grotere hoeveelheid bodems (45). Met de correctiefactor op basis van dit onderzoek kunnen de gegevens voor nuchtere condities worden gecorrigeerd. Deze nieuwe kennis kan worden gebruikt voor normstelling voor lood in de bodem en voor locatiespecifieke risicobeoordeling van bodemverontreiniging.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Let op letsels. Preventie van ongevallen, geweld en suicide | RIVM

Letsels komen veel voor in de samenleving en vormen zowel wat betreft de oorzaken als de gevolgen een heterogeen volksgezondheidsprobleem. Het gaat daarbij niet zo zeer om kleine letsels, maar om letsels waarvoor mensen medische behandeling krijgen of, erger nog, als gevolg waarvan mensen overlijden. Ook vanuit kosten geredeneerd, leveren letsels een belangrijke bijdrage aan de lasten binnen het domein van de volksgezondheid. Letsels veroorzaken veel leed, leed dat voor een groot deel te vermijden is. Daarom is het zeer de moeite waard om preventie van letsels onder de loep te nemen. Dit rapport geeft een overzicht van de omvang van letsels en de oorzaken en gevolgen ervan in Nederland. Daarnaast zet het de activiteiten op een rij die preventie van letsels als doel hebben, waarbij ook het effect en het bereik van deze activiteiten staan beschreven. Het rapport geeft aanbevelingen voor beleid dat preventie van letsels optimaliseert, met de nadruk op preventie van vallen bij ouderen, suocide en ongevallen met fietsen en bromfietsen.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Polymorphisms of genes coding for ghrelin and its receptor in relation to anthropometry, circulating levels of IGF-1 and IGFBP-3, and breast cancer risk: a case-control study nested within the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition ( | RIVM

Polymorphisms of genes coding for ghrelin and its receptor in relation to anthropometry, circulating levels of IGF-1 and IGFBP-3, and breast cancer risk: a case-control study nested within the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition ( | RIVM
Jaar: 2008 Onderzoek

Gezondheids- en belevingseffecten Vliegbasis Geilenkirchen. Een verkenning | RIVM

Het verwachte aandeel kinderen met een zwakke leesprestatie in de Nederlandse regio rond de vliegbasis Geilenkirchen als gevolg van blootstelling aan geluid van het militaire vliegverkeer bedraagt ongeveer 7% oftewel 1 a 2 kinderen extra (groep 8) binnen de 50 dB(A) geluidcontour. Het verwachte aandeel gevallen van verhoogde bloedruk bij volwassenen in de regio bedraagt ongeveer 3% oftewel ruim 100 personen extra binnen de 50 dB(A) geluidcontour. Het verwachte aandeel gevallen van acute hartinfarct in de regio bedraagt ongeveer 4% oftewel ongeveer 1 hartinfarct per 40 jaar extra bij personen binnen de 60 dB(A) geluidcontour. De beleving van de leefomgeving door de inwoners is negatiever dan voor de Nederlandse populatie. Vooral in Onderbanken, Brunssum en Schinnen wordt veel hinder en bezorgdheid ervaren. Dit zijn de belangrijkste resultaten van een verkennende studie naar een aantal effecten van het militair vliegverkeer rond de vliegbasis Geilenkirchen die het RIVM in opdracht van het Ministerie van VROM heeft uitgevoerd in mei en juni 2008. Op basis van de berekende blootstelling aan geluid van het militair vliegverkeer is geschat hoeveel inwoners blootstaan aan een bepaald geluidniveau. Vervolgens is met behulp van recente (literatuur)gegevens en blootstelling-respons relaties het effect van blootstelling aan geluid van militair vliegverkeer op het vssrkomen van (een zwakke) leesprestatie, verhoogde bloeddruk en acute hartinfarct geschat.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

PM2,5-performancetest. Vergelijk automatische PM2,5-meetapparatuur | RIVM

In de publieke opinie is een groeiende belangstelling voor de luchtkwaliteit, waarbij veel aandacht is voor de heersende fijnstofconcentraties (PM2,5). In antwoord op de groeiende belangstelling en het voldoen aan het gestelde in de wet- en regelgeving is het toerusten van monitoringsnetwerken met continue automatische PM2,5-meetsystemen nodig. Binnen de Nederlandse context gelden strikte eisen voor de prestaties van automatische continue meetsystemen. De eisen volgen uit de nieuwe Europese richtlijn voor luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa. Het belang dat aan deze eisen wordt gehecht blijkt uit een aantal (recente) uitspraken van de Raad van State. Om de eenduidigheid van toetsen van de heersende fijnstofconcentraties aan geldende wet- en regelgeving te garanderen staat de referentiegelijkwaardigheid bij de selectie van automatische continue meetsystemen centraal. Uit een gehouden vergelijkende test volgt dat er twee continue automatische meetsystemen aan de gestelde criteria voor referentiegelijkwaardigheid voldoen. Slechts een systeem levert daarnaast uurwaarden die wenselijk zijn om het concentratieverloop gedurende een dag te kunnen volgen, zodat het publiek hierover kan worden geinformeerd.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Advies voor drempelwaarden | RIVM

Dit rapport bevat een advies aan het ministerie van VROM over de selectie van stoffen in grondwater waarvoor drempelwaarden moeten worden afgeleid. Daarnaast bevat het adviezen over een procedure voor die afleiding en over de hoogte van drempelwaarden. Drempelwaarden zijn kwaliteitsnormen die beogen de mens en ecosystemen te beschermen. De Europese Grondwaterrichtlijn schrijft voor dat lidstaten drempelwaarden voor grondwater vaststellen, uiterlijk in december 2008. Het RIVM adviseert drempelwaarden vast te stellen voor chloride, nikkel, arseen, cadmium en lood en voor de nutriknten (voedingsstoffen) stikstof en fosfaat. Deze laatste kunnen voor overbemesting van het oppervlaktewater zorgen. Voor nutrienten hangt de hoogte van de drempelwaarde af van de normen voor ecosystemen in water en op land die mede gevoed worden door grondwater. De mate van deze afhankelijkheid is belangrijke informatie voor de procedure, maar is niet voor heel Nederland bekend. Daardoor kan de uitgedachte procedure niet volledig worden uitgevoerd en is voor een behoudende benadering gekozen. Daarnaast bevat dit rapport berekeningen van wat er doorgaans in het grondwater aanwezig is (achtergrondniveaus). Drempelwaarden zijn in de gekozen procedure nooit strenger dan achtergrondniveaus. Om de informatie zo veel mogelijk per regio te kunnen specificeren, zijn de berekeningen van achtergrondniveaus en de afleiding van drempelwaarden per stof en per grondwaterlichaam uitgevoerd.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Minerals Policy Monitoring Programme. Results for 2006 on water quality and fertilisation practices within the framework of the derogation monitoring network | RIVM

Dit rapport geeft een overzicht van de bemestingspraktijk en de waterkwaliteit in 2006 op graslandbedrijven die meer dierlijke mest mogen gebruiken dan in Europese regelgeving is aangegeven. De waterkwaliteit gemeten in 2006 is het gevolg van de bemestingspraktijk in eerdere jaren en geeft dus nog niet de gevolgen weer van de praktijk in 2006. De Europese Nitraatrichtlijn verplicht lidstaten het gebruik van dierlijke mest te beperken tot een bepaald maximum. Een lidstaat kan de Europese Commissie vragen om onder voorwaarden van deze beperking af te wijken. Nederland heeft toestemming gekregen om van 2006 tot en met 2009 af te mogen wijken van de gestelde norm. Een van de voorwaarden is dat de Nederlandse overheid een monitoringnetwerk inricht en aan de Commissie jaarlijks rapporteert over de resultaten daarvan. Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en het Landbouw Economisch Instituut (LEI) hebben in 2006 in Nederland een monitoringnetwerk opgezet. Dit zogenaamde derogatiemeetnet meet de gevolgen voor de landbouwpraktijk en de waterkwaliteit als landbouwbedrijven afwijken (derogatie) van de Europese gebruiksnorm voor dierlijke mest. Het meetnet omvat driehonderd graslandbedrijven. Het derogatiemeetnet is een onderdeel van het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM). In dit rapport worden de resultaten voor 2006, het eerste meetjaar, gepresenteerd. Voor 293 bedrijven waren gegevens over bemesting beschikbaar. De waterkwaliteitsmetingen zijn uitgevoerd op 202 bedrijven.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Inventarisatie en classificatie van maatregelzones bij kernongevallen | RIVM

Strengere richtlijnen voor maatregelen na kernongevallen hoeven vanwege veiligere kerncentrales niet te leiden tot veel grotere zones waarbinnen maatregelen moeten worden voorbereid. Dit blijkt uit onderzoek dat het RIVM heeft uitgevoerd in opdracht van het ministerie van VROM. Wanneer bij een kernongeval specifieke dosiswaarden (de interventieniveaus) worden overschreden, roept de overheid maatregelen af zoals schuilen, evacuatie en jodiumprofylaxe. Dit gebeurt om de blootstelling van de bevolking aan radioactiviteit te beperken. Op basis van deze interventieniveaus en een maatramp kunnen de zones worden bepaald waar maatregelen nodig zijn. Door de aanwezigheid van kerncentrales nabij de landsgrenzen zijn de gevolgen van kernongevallen meestal grensoverschrijdend. Mede daarom wil het ministerie van VROM de interventieniveaus aanpassen om betere overeenstemming te krijgen met de in Duitsland en Belgie gehanteerde niveaus. Daarnaast zijn er, gelet op inzichten uit recente veiligheidsstudies, redenen om de maatramp, die stamt uit de jaren zeventig, te herzien. Beide wijzigingen zijn meegenomen in de systematiek voor de bepaling van maatregelzones. Uit een analyse volgt dat de aanpassingen elkaar grotendeels compenseren waardoor de grootte van de gebieden niet veel hoeft te veranderen. De nieuw berekende maatregelzones zijn vervolgens in een classificatietabel verwerkt. Deze heeft twee functies: ten eerste kunnen overheden deze indeling gebruiken in rampenbestrijdingsplannen. Ten tweede kunnen hulpverlenende instanties bij kernongevallen op deze tabel teruggrijpen om snel de consequenties van het ongeval te kunnen communiceren.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Incidentie en moleculaire epidemiologie hepatitis B virus, Nederland, 2004 - 2007 | RIVM

Het ministerie van VWS heeft het RIVM de opdracht gegeven het Hepatitis B risicogroepen vaccinatiebeleid te evalueren. Het doel hierbij is om de effectiviteit te bepalen door te onderzoeken of de transmissie van hepatitis B in Nederland is verminderd en de incidentie van acute hepatitis B is gedaald. In dit rapport worden de resultaten na vier jaar (2004-2007) gegevensverzameling beschreven en wordt ingegaan op de HBV genotypenverdeling en de verdeling van de risicogroepen over Nederland
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Shinda Shinda. Option for sustainable bioenergy: a jatropha case study | RIVM

De Jatropha Curcasplant biedt mogelijkheden om een productieketen voor biobrandstoffen op te zetten die voldoet aan de duurzaamheidscriteria van de Commissie Cramer uit 2006. De plant levert olie op, en de winning van deze biobrandstof gaat niet ten koste van de voedselproductie. Jatropha gedijt namelijk op plekken waar geen voedsel kan worden geteeld. Een samenwerkingsverband van SenterNovem, het RIVM en het ministerie van VROM heeft twee productieketens van jatropha in Tanzania onderzocht die commerciele perspectieven bieden. Het gaat om een kleinschalige aanplant als heg langs kleine maisakkers en om een plantage waarop uitsluitend jatropha wordt verbouwd. Met de gewonnen olie kan in Nederland elektriciteit worden geproduceerd. De restproducten zijn in het land van herkomst beschikbaar als brandstof of als mest waarmee de structuur van de grond kan worden verbeterd. Het gebruik als heg heeft als voordeel dat de plant de mais beschermt tegen ongedierte. Nagegaan is of jatropha kan bijdragen aan een lagere uitstoot van broeikasgassen, zonder negatieve consequenties voor de producerende landen. Het project is bedoeld als reactie op activiteiten waarbij economisch gewin ten koste gaat van sociaal-ethische en ecologische waarden. Door bijvoorbeeld regenwouden te kappen om biobrandstoffen te produceren, worden ecosystemen en biodiversiteit vernietigd.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Development of a model to assess the occurrence of mycotoxins in wheat, maize and nuts. A holistic approach | RIVM

De belangrijkste factoren om de aanwezigheid van mycotoxinen in voedingsmiddelen te kunnen voorspellen zijn: weersomstandigheden (zoals temperatuur en luchtvochtigheid), landbouwkundige factoren (zoals gewasrotatie en grondbewerking) en factoren in de voedselketen (zoals het drogen van de gewassen en opslagcondities). Mycotoxinen zijn giftige chemische stoffen die door schimmels worden geproduceerd en in verschillende voedingsmiddelen terecht kunnen komen. Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en Wageningen Universiteit en Researchcentrum (Wageningen UR) hebben een conceptmodel ontwikkeld waarmee de aanwezigheid van mycotoxinen op tarwe, mais en noten kan worden geschat. Om consumenten tegen mycotoxinen te kunnen beschermen is het noodzakelijk om een mogelijke besmetting met schimmels zo vroeg mogelijk te ontdekken. Overheidsorganisaties en het bedrijfsleven kunnen het model als hulpmiddel hierbij gebruiken. Bij de ontwikkeling van dit conceptmodel is onderzocht welke factoren binnen en buiten de voedselketen gebruikt kunnen worden als indicatoren voor de aanwezigheid van mycotoxinen op tarwe, mais en noten. Hiervoor zijn interviews en een workshop met deskundigen uit verschillende invalshoeken gehouden. Met deze inzichten is een concept 'stoplicht'-model ontwikkeld dat de mate van het risico op de aanwezigheid van mycotoxinen aangeeft door middel van een rood (hoog risico), geel (gemiddeld risico) of groen (laag risico) signaal. In een vervolgstudie zal het voorspellende vermogen van het conceptmodel verder worden onderzocht.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Afleiding maximumtemperatuurnorm goede ecologische toestand (GET) voor Nederlandse grote rivieren | RIVM

Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) adviseert een maximumtemperatuurnorm voor de goede ecologische toestand in grote rivieren van 25 graden C. Voor het voorjaar is een lagere adviesmaximumtemperatuur vastgesteld, namelijk 20 graden C, om de voortplanting en groei van planten en dieren niet in gevaar te brengen. De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) eist dat lidstaten hun natuurlijke oppervlaktewateren in een goede ecologische toestand (GET) brengen of houden. Dat is de vereiste situatie voor de aanwezigheid van planten- en diersoorten. De biologische normen voor GET zijn al eerder vastgelegd. Daarnaast moeten normen voor ondersteunende fysisch-chemische parameters worden vastgesteld, waaronder voor temperatuur. Deze norm was voor grote rivieren nog niet bepaald. De maximumtemperatuur in dit advies is lager dan de 28 graden C die vooralsnog in Nederland wordt aangehouden. Als basis van het advies zijn literatuurgegevens en meetgegevens gebruikt van macrofauna en vissen. Daarmee is uitgerekend bij welke temperatuur de grens ligt tussen een goede en een matige ecologische toestand. De KRW onderscheidt ook zogeheten beschermde gebieden die specifieke eisen stellen. Oppervlaktewater dat ingenomen wordt voor drinkwaterproductie mag niet warmer zijn dan 25 graden C. Het RIVM adviseert de maximale verhoging uit de Viswaterrichtlijn van 3 graden C voor karperachtigen en 1,5 graden C voor zalmachtigen intact te laten (waarbij de 25 graden C niet overschreden mag worden), maar adviseert nader onderzoek te doen naar de maximale verhoging. Ook andere kennishiaten zijn in kaart gebracht. De hier geadviseerde maximumtemperatuurnorm geldt voor de GET behorende bij natuurlijke wateren. Daarmee zijn niet alle soorten beschermd, maar kunnen wel de KRW-doelen worden gehaald. De normafleiding voor niet-natuurlijke wateren wordt in dit rapport niet inhoudelijk behandeld, alleen procedureel.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Sexually transmitted infections, including HIV, in the Netherlands in 2007 | RIVM

Net als in 2006 was chlamydia in 2007 de meest gediagnosticeerde bacterikle geslachtsziekte in de soacentra, vooral bij jongeren. Het percentage positieve chlamydiatesten nder heteroseksuele mannen en vrouwen daalde enigszins, voor het eerst sinds vier jaar (van 10,6% naar 10,1%). In 2006 stabiliseerde dit percentage bij mannen die seks hebben met mannen (MSM), en die trend zette door in 2007. Het percentage positieve gonorroe-, syfilis- en hivtesten nam net als voorgaande jaren af in 2007 (respectievelijk 2,4%, 0,9% en ,5%). Deze infecties werden het meest gediagnosticeerd bij MSM. In 2007 zijn er 306 nieuwe hivdiagnoses gesteld in de soacentra, ongeveer een derde van de 864 hivpositieven die dat jaar landelijk in de hivcentra zijn gemeld. Eind 2007 waren in totaal 14.019 personen in Nederland met hiv geregistreerd. Het aandeel van MSM onder de nieuw hivinfecties nam in 2007 verder toe. Net als eerdere jaren werd in de soacentra bij MSM die bekend zijn met hun positieve hivstatus vaak nog een andere geslachtsziekte gevonden (45%). In deze groep is sinds 2004 regelmatig LGV, een agressieve variant van chlamydia, en sinds 2007 hepatitis C gediagnosticeerd. Versterkte surveillance en innovatieve interventies zijn nodig om verdere verspreiding onder MSM en naar andere groepen te voorkomen. Onder bepaalde migrantengroepen in Nederland (onder andere afkomstig uit Suriname, de Nederlandse Antillen en Aruba) komen hiv, chlamydia, gonorroe en syfilis relatief vaker voor dan onder autochtone Nederlanders. Ook deze constatering vraagt om vernieuwende maatregelen die op de bevolkingsgroepen zijn toegespitst. De soacentra bieden soazorg aan hoogrisicogroepen. In 2007 hebben ruim 78.000 personen zich daar laten testen, een toename van 13% ten opzichte van 2006. Net als in 2006 was chlamydia in 2007 de meest gediagnosticeerde bacterikle geslachtsziekte in de soacentra, vooral bij jongeren. Het percentage positieve chlamydiatesten onder heteroseksuele mannen en vrouwen daalde enigszins, voor het eerst sinds vier jaar (van 10,6% naar 10,1%). In 2006 stabiliseerde dit percentage bij mannen die seks hebben met mannen (MSM), en die trend zette door in 2007. Het percentage positieve gonorroe-, syfilis- en hivtesten nam net als voorgaande jaren af in 2007 (respectievelijk 2,4%, 0,9% en 0,5%). Deze infecties werden het meest gediagnosticeerd bij MSM.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Aanpak van gescheiden rijbanen in SRM-1 | RIVM

Op verzoek van VROM DGM-LMV heeft het RIVM in de maanden februari tot en met maart een korte analyse gemaakt van de wijze waarop binnen Standaard Reken Methode 1 (SRM-1), ook wel bekend als'CAR-II', met meerdere rijbanen kan worden omgegaan. De technische aspecten van het rekenen met gescheiden rijbanen zijn vastgelegd in een notitie van het RIVM. De notitie, met daarin een globale probleemschets en een voorstel voor een rekenwijze is voor commentaar en bespreking rondgestuurd aan vertegenwoordigers van MNP, TNO, Goudappel-Coffeng en de gemeente Utrecht. Op 7 april 2008 heeft hierover bij het RIVM overleg plaatsgevonden. In verschillende bilaterale contacten is verder gesproken over de praktische uitvoerbaarheid van een mogelijke werkwijze. Het eindresultaat is uiteindelijk een laatste keer voor commentaar aan alle betrokkenen voorgelegd en vervolgens aan VROM doorgegeven. Dit briefrapport bevat de teksten van zowel het eindadvies aan VROM als de onderliggende notitie. Een lijst van betrokkenen is weergegeven in Bijlage A. In Bijlage B wordt een technische analyse van het rekenen met gescheiden rijbanen gegeven.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Een vuistregel voor de effecten van schermen in SRM2 | RIVM

Bij gebruik van de saneringstool is het op korte termijn nodig om een simpele maar robuuste schatting te maken van het effect van een geluidsscherm op de NO2 en PM10 bijdragen van verkeer op een snelweg. Aangezien dit tijdens de post-processing moet gebeuren is het niet mogelijk om een volledige SRM-2 berekening uit te voeren. Teneinde een vuistregel te ontwikkelen welke snel kan worden ingezet totdat de saneringstool met een hiertoe geschikte rekenroutine, heeft het RIVM voor verschillende schermhoogten berekeningen uitgevoerd met SRM-2, de resultaten hiervan gefit en geparametriseerd.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Risico's voor het ecosysteem in stap twee van het Saneringscriterium | RIVM

Het RIVM heeft een voorstel uitgewerkt waarmee de afwegingen om verontreinigde bodems te saneren nauwkeuriger kunnen worden onderbouwd. De risico's voor het ecosysteem worden hierin gebaseerd op het geheel aan stoffen die in de bodem zijn aangetroffen, wat tot een reeler beeld van de ecologische risico's leidt. De huidige methodiek analyseert de bodem per stof. Het voorstel past in het Saneringscriterium, waarmee het bevoegde gezag afweegt of maatregelen in het kader van de Wet bodembescherming nodig zijn om de negatieve gevolgen van een verontreinigde bodem in te perken. Het voorstel werkt met dezelfde invoergegevens als de huidige methodiek, maar rekent op een nauwkeurigere manier. Daardoor kan het in een andere afweging uitmonden als de concentraties van verontreinigende stoffen schommelen rond het zogeheten besliscriterium voor sanering. Het besliscriterium vormt de grens tussen wel en niet saneren. Het ministerie van VROM bepaalt dit criterium en kan dat zo doen dat per saldo evenveel locaties gesaneerd moeten worden (voor dezelfde kosten), maar met een nettowinst voor het milieu. De toxische druk (TD) van het stoffenmengsel wordt bepaald met de standaardtotaalconcentraties van stoffen uit het protocol voor bodemverontreiniging, het 'Nader Bodemonderzoek'. De TD wordt uitgedrukt in een msPAF (meer stoffen Potentieel Aangetaste Fractie). De TD schat het ecologische effect van het mengsel in een monster van de verontreinigde locatie en kan gebruikt worden voor de risicobeoordeling.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Korte-termijn trend in NO2 en PM10 concentraties op straatstations van het LML | RIVM

Het RIVM heeft een analyse gemaakt van de trendmatige ontwikkeling van de gemeten stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) concentraties op straatstations van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit (LML). Voor zowel stikstofdioxide als fijn stof is er over de periode van 2000 tot en met 2007 op straatlocaties geen statistisch significante trend waarneembaar in de ontwikkeling van de gemiddelde concentratieniveaus. Gedurende de afgelopen 15 jaren zijn de jaargemiddelde stikstofdioxide en fijn stof concentraties op landelijke, stadsachtergrond en straatlocaties substantieel afgenomen. De afname is echter niet voor alle stoffen en soorten locaties een continu proces. De gemiddelde stikstofdioxide en fijn stof concentratie op straatlocaties en de gemiddelde fijn stof concentratie op stadsachtergrond locaties liggen in 2007 nog grofweg op hetzelfde niveau als rond het jaar 2000 het geval was. In omringende landen worden gelijksoortige waarnemingen gerapporteerd. Voor stikstofdioxide kan de stagnatie van de afname in straten grotendeels worden verklaard uit de toename van de direct door wegverkeer uitgestoten hoeveelheid stikstofdioxide. Voor fijn stof is nog geen eenvoudige verklaring beschikbaar. Op basis van meetgegevens van het LML en modelaannames is geschat dat de gemiddelde stikstofdioxide concentratie in de straten in de periode 2008 t/m 2010 naar verwachting langzaam, met gemiddeld 0.3 tot 0.9 mug/m3 per jaar afneemt, afhankelijk van de aangenomen meteorologie. Wegens de beperkte opzet van de voorliggende studie en de complexiteit van de trends in de concentratieniveaus wordt met klem benadrukt dat de voorliggende resultaten slechts ter indicatie zijn en zich niet lenen voor harde prognostische uitspraken. De uitwerking van zeer recent of geheel nieuw beleid kan niet in de huidige analyse worden waargenomen.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Activiteiten Basistakenpakket Jeugdgezondheidszorg 0-19 jaar per Contactmoment | RIVM

Het rapport Activiteiten Basistakenpakket Jeugdgezondheidszorg 0-19 jaar per Contactmoment (ABC) geeft een overzicht van wat jeugdgezondheidszorg aanbiedt vanuit het uniform deel van het Basistakenpakket JGZ 0-19 jaar. De activiteiten die plaatsvinden in de reguliere contactmomenten zijn hiermee in kaart gebracht. Het Centrum Jeugdgezondheid bij het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) heeft dit rapport samengesteld in samenwerking met JGZ professionals en relevante koepelorganisaties. De Wet Collectieve Preventie Volksgezondheid (WCPV) verplicht gemeenten jeugdgezondheidszorg aan te bieden. Hierover maken zij afspraken met de JGZ-organisaties: de consultatiebureaus en de GGD'en. Deze taak is uitgewerkt in het besluit jeugdgezondheidszorg. Het aanbod van de jeugdgezondheidszorg is omschreven in het Basistakenpakket Jeugdgezondheidszorg 0 -19 jaar (BTP). Het BTP bestaat uit een uniform en een maatwerk deel. Het uniforme deel wordt aan alle kinderen en jongeren aangeboden. Het maatwerk deel is per gemeente verschillend, omdat iedere gemeente het zorgaanbod afstemt op de zorgbehoefte en de gezondheidssituatie van de jeugd in de eigen gemeente. De jeugdgezondheidszorg (JGZ) biedt preventieve zorg aan alle kinderen in Nederland van 0 tot 19 jaar. De JGZ volgt de lichamelijke, psychische, sociale en cognitieve ontwikkeling van kinderen en geeft informatie aan ouders en kinderen over een gezonde ontwikkeling van het kind op al deze gebieden. Daarnaast signaleert de JGZ vroegtijdig mogelijke gezondheidsproblemen zoals groeistoornissen, overgewicht, motoriek- en taal/spraakstoornissen, problemen met het gehoor en het gezichtsvermogen en ook psychosociale problemen zoals angst, depressie, agressie en contactstoornissen. Waar nodig biedt de jeugdgezondheidszorg adequate ondersteuning of doorverwijzing. Het rapport ABC geeft een overzicht van de preventieve zorg die de JGZ biedtvanuit het uniforme deel van het Basistakenpakket Jeugdgezondheidszorg 0-19 jaar. De aanbevelingen uit dit rapport samengevat: 1/ Voorlichting, advies, instructie en begeleiding opnemen in het uniforme deel van het basistakenpakket jeugdgezondheidszorg; 2/ onderzoeken van de leeftijd waarop een aanbod van preventie van gezondheids- of ontwikkelingsproblemen het meest effectief is; 3/ onderzoeken van de mogelijkheden van flexibilisering binnen het huidige aanbod. Het Rapport ABC kan als basis dienen voor discussie over de toekomst van de Jeugdgezondheidszorg.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Beoordelingskader hulpmiddelenzorg | RIVM

Het RIVM heeft in samenwerking met het College voor Zorgverzekeringen (CVZ) een 'Beoordelingskader hulpmiddelenzorg' opgesteld. Hiermee kan het CVZ systematisch beoordelen of een hulpmiddel wel of niet moet in het basispakket van de ziektenkostenverzekering thuishoort. Op basis van dit oordeel adviseert het CVZ de minister van Volksgezondheid Welzijn en Sport (VWS). Daarnaast maakt het beoordelingskader inzichtelijk aan welke eisen aanvragen voor vergoeding moeten voldoen. Het gaat hierbij om hulpmiddelen voor gehandicapten en ouderen, bijvoorbeeld een rollator. Bij de vergoeding van ziektekosten spelen bij de betrokken partijen van gebruiker tot fabrikant uiteenlopende belangen. Die kunnen van wetenschappelijke, economische, maatschappelijke of ethische aard zijn. Om recht te doen aan deze diversiteit toetst het CVZ zorgvormen aan vier pakketprincipes: noodzakelijkheid, effectiviteit, kosteneffectiviteit en uitvoerbaarheid. Voor hulpmiddelen zijn deze pakketprincipes verder uitgewerkt in de vorm van een vragenlijst. Het CVZ kan hiermee systematisch beoordelen of hulpmiddelen voor standaard vergoeding in aanmerking komen. Daarnaast is voor fabrikanten van hulpmiddelen een handleiding opgesteld die duidelijk maakt welke informatie het CVZ van hen verwacht als zij een aanvraag indienen voor opname in het standaardvergoedingenpakket. De in dit rapport voorgestelde vorm van beoordelen is ondersteund met gegevens uit de literatuur, expertmeetings met betrokken partijen en ervaringen in andere landen.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Effectiviteit van disease management. Een overzicht van de (internationale) literatuur | RIVM

Onderzoek toont aan dat disease-managementprogramma's een positief effect hebben op de behandeling van chronisch zieken. In deze programma's wordt de zorg door verschillende behandelaars en instellingen beter op elkaar afgestemd. De zorg rond chronisch zieken is gefragmenteerd waardoor het risico bestaat dat chronisch zieken geen optimale zorg krijgen. Om de zorg voor chronisch zieken te optimaliseren en de groeiende zorglast door de vergrijzing het hoofd te kunnen bieden, zijn maatregelen nodig om de kwaliteit van de zorg voor chronisch zieken te verbeteren. Disease-managementprogramma's kunnen hieraan bijdragen. Op basis van een inventarisatie van de internationale literatuur is onderzocht wat het effect is van disease-managementinitiatieven voor chronisch zieken in het algemeen en voor de specifieke ziekten COPD (Chronic Obstructive Pulmonary Disease), chronisch hartfalen, depressie en diabetes. Hierbij is onderzocht wat het effect is van deze programma's op de ernst van de ziekte, sterfte, kwaliteit van leven, de zorgverlening en de tevredenheid van patienten. Tussen de verschillende studies is veel variatie in de activiteiten die in het kader van disease- managementprogramma's worden uitgevoerd. Disease-managementinitiatieven met meerdere activiteiten lijken effectiever dan initiatieven met slechts een activiteit. Daarnaast blijken multidisciplinaire teams, preventie, en medicatievoorschriften door casemanagers regelmatig deel uit te maken van effectieve initiatieven. Hoewel de variatie in de onderzochte studies groot was, concluderen we dat disease-managementprogramma's in het algemeen een positief effect kunnen hebben voor chronisch zieken.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Diabetesinterventies in kaart. Inventarisatie van diabetesinterventies op het terrein van preventie en zorg in Nederland | RIVM

Het Nederlandse diabetesveld is zeer gemotiveerd om de diabetesproblematiek aan te pakken. Vooral in de diabeteszorg worden aanzienlijke inspanningen geleverd. Er bestaat een zeer ruim aanbod aan interventies, gericht op patienten en zorgverleners, maar ook op kwaliteit van zorg en de organisatiestructuur. Daarnaast lopen er veel preventieve interventies gericht op leefstijlfactoren, maar slechts een handvol heeft het voorkomen van diabetes expliciet tot doel. Het aanbod van vroegtijdige opsporing van diabetes of pre-diabetes is beperkt. Dit kan worden geconcludeerd uit een onderzoek van het RIVM waarin een zo compleet mogelijk overzicht van de inhoud, het (potentiele) bereik en de (kosten)effectiviteit van kansrijke interventies op het gebied van diabetespreventie en -zorg in Nederland wordt gegeven. In dit onderzoek zijn alle gevonden interventies beoordeeld op basis van de volledigheid van de projectbeschrijving en de degelijkheid van de methodiek. De effectiviteit van een deel van de interventies is wetenschappelijk bewezen. Het gaat hierbij om interventies gericht op zelfmanagement, bewegen en voedingsadviezen door middel van motivational interviewing. De onderlinge samenhang ontbreekt echter. Een systeem van certificering van diabetesinterventies is niet voorhanden en er is nauwelijks informatie beschikbaar over de implementeerbaarheid van diabetesinterventies. Veel diabetesinterventies hebben een klein bereik, waardoor een landelijke dekking ontbreekt. Er is structurele financiering nodig voor de gehele keten van diabetespreventie en -zorg. Een landelijke en algemeen toegankelijke database, waarin (kosten)effectiviteit en implementatiepotentieel van alle diabetesinterventies op een gestructureerde manier wordt beschreven, kan een stimulans bieden voor landelijke implementatie. Meer aandacht voor deskundigheidsbevordering kan een impuls geven aan het naleven van de zorgstandaard en richtlijnen. De samenwerking binnen de zorg moet verder worden bevorderd, zodat diabetespreventie en -zorg op maat geleverd kunnen worden.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Levensloop en zorgkosten - achtergrondrapport. Zorg voor euro's-7 | RIVM

De gezondheidszorg komt dagelijks in het nieuws. Vaak gaat het dan over de zorguitgaven. Want er wordt wel gezegd dat die onhoudbaar zijn als de bevolking vergrijst, en dat daardoor ook de solidariteit onder druk komt te staan. Dit rapport nuanceert het gangbare beeld. Allereerst zijn de kosten niet zo scheef verdeeld als eerder werd gedacht. In een jaar wordt ongeveer 10% van de bevolking opgenomen in een ziekenhuis, terwijl over een periode van tien jaar dit ongeveer de helft was. Voor een belangrijk deel gaat het daarbij om mensen die aan het einde van hun leven zijn gekomen. Uitgaven in de ziekenhuiszorg blijken in traditionele projecties overschat te worden, omdat er geen rekening wordt gehouden met het feit dat de kosten in de laatste levensjaren zeer hoog zijn, en bij een toename van de levensverwachting worden uitgesteld. De kosten blijken daarnaast samen te hangen met de doodsoorzaak, en het ziektebeeld. De relatie tussen comorbiditeit en kosten wordt in dit rapport voor het eerst gekwantificeerd. Voor de ouderenzorg blijkt dat leeftijd een veel grotere rol speelt bij de uitgaven dan in de ziekenhuiszorg. Het effect van de vergrijzing op de kosten valt wel lager uit wanneer er rekening wordt gehouden met de leefsituatie. Vrouwen gebruiken meer zorg dan mannen, niet alleen omdat zij een langere levensverwachting hebben, maar ook omdat zij op latere leeftijd daardoor vaker alleenstaand zijn. Omdat de levensverwachting van mannen sterker zal toenemen dan die van vrouwen zal dit patroon in een voor de uitgaven gunstige zin veranderen. Voor het eerst zijn voor Nederland de zorgkosten op persoonsniveau diepgaand geanalyseerd. Dit is een vruchtbare exercitie gebleken. Er zijn nieuwe inzichten naar voren gebracht die betekenis hebben voor de grote beleidsthema's in de gezondheidszorg. In een vergrijzende samenleving zijn solidariteit en de ontwikkeling van de zorgkosten erg belangrijk. Dit rapport toont aan dat zowel de solidariteit als de zorgkosten houdbaarder zijn dan doorgaans wordt gedacht.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Levensloop en zorgkosten. Zorg voor euro's-7 | RIVM

De gezondheidszorg komt dagelijks in het nieuws. Vaak gaat het dan over de zorguitgaven. Want er wordt wel gezegd dat die onhoudbaar zijn als de bevolking vergrijst, en dat daardoor ook de solidariteit onder druk komt te staan. Dit rapport nuanceert het gangbare beeld. Aan de hand van nieuwe gegevens over het zorggebruik van individuele personen wordt een beeld geschetst van de zorguitgaven over de levensloop. Deze uitgaven betreffen de intramurale ziekenhuiszorg en de ouderenzorg, bestaande uit thuiszorg (inclusief huishoudelijke verzorging), verpleeghuizen en verzorgingshuizen. Uitgaande van 2003 als peiljaar gaat het om 37,4% van de totale zorguitgaven. Ziekenhuiszorg: Nederlander is solidair met zichzelf in de toekomst. Ieder jaar wordt ongeveer 10% van de bevolking in het ziekenhuis opgenomen, en een klein deel van deze patienten veroorzaakt hoge tot zeer hoge kosten. Daardoor zijn de ziekenhuiskosten erg scheef over de bevolking verdeeld. Over de levensloop gemeten is die ongelijkheid echter veel geringer. Dat heeft twee oorzaken. Ten eerste wisselt de groep kleingebruikers van jaar tot jaar van samenstelling. In een periode van tien jaar heeft al ongeveer de helft van de bevolking in het ziekenhuis gelegen, en over de gehele levensloop maakt nagenoeg iedereen gebruik van ziekenhuiszorg. Ten tweede bestaat de groep mensen met zeer hoge ziekenhuiskosten voornamelijk uit mensen die aan het einde van hun leven zijn gekomen. Comorbiditeit, het hebben van meer dan een ziekte tegelijk, speelt daarbij een grote rol. Omdat voor iedereen een keer het laatste levensjaar aanbreekt, zijn de ziekenhuiskosten ook hierdoor veel minder scheef over de bevolking verdeeld dan men op basis van een enkel kalenderjaar zou concluderen. Nederlanders zijn dus niet alleen solidair met hun zorgbehoevende medemensen, maar ook met zichzelf in de toekomst. Ouderenzorg: mannen zijn solidair met vrouwen. Ook in de ouderenzorg valt het grootste deel van de uitgaven in de laatste levensjaren. Maar, anders dan in de ziekenhuiszorg, zijn er ook heel veel mensen die nooit in een verpleeghuis of verzorgingshuis worden opgenomen en ook nauwelijks tot geen gebruik maken van thuiszorg. Dit geldt met name voor mannen. Vrouwen gebruiken uiteindelijk wel allemaal thuiszorg en meer dan de helft komt ook in een verpleeghuis of verzorgingshuis terecht. Het verschil tussen mannen en vrouwen blijkt vooral het gevolg te zijn van hun verschillende levensverwachting. Gemiddeld leven vrouwen langer dan mannen, waardoor ze verhoudingsgewijs vaker alleenstaand zijn en eerder zijn aangewezen op formele zorg. Vrouwen zijn dus solidair in het geven van mantelzorg die ze zelf niet ontvangen, en mannen in het financieren van de formele zorg die ze zelf niet nodig hebben. Ziekenhuiszorg: het dure laatste levensjaar wordt uitgesteld. Door de vergrijzing nemen de zorgkosten toe. Er komen immers steeds meer oudere mensen, en juist oudere mensen gebruiken veel zorg. Op basis van eenvoudige demografische vooruitzichten wordt daarom wel gewaarschuwd voor exploderende zorgkosten. Het verhaal is echter genuanceerder. Dat komt omdat er meer demografische veranderingen zullen optreden. Er is immers sprake van een dubbele vergrijzing. De verwachting is dat de levensverwachting verder zal toenemen. Omdat de meeste kosten in het laatste levensjaar vallen, leidt dit tot uitstel van zorguitgaven. Daardoor vallen de vergrijzingslasten lager uit dan gewoonlijk wordt berekend. Dit geldt met name in de ziekenhuiszorg. Een verdere afvlakking van de kostenontwikkeling zou kunnen volgen als compressie van morbiditeit ook leidt tot een reductie van zorgkosten. Speciale aandacht daarbij verdient de vermindering van comorbiditeit. Het hebben van meer dan een ziekte leidt namelijk tot substantieel hogere zorgkosten, zowel in het laatste levensjaar als aan de jaren die daaraan voorafgaan. Ouderenzorg: levensverwachting van mannen vermindert vergrijzingslasten. Door de vergrijzing zullen de uitgaven voor ouderenzorg op zijn minst dubbel zo hard stijgen als de uitgaven voor ziekenhuiszorg. Pas na 2040 zwakt de uitgavenontwikkeling af. Tenminste, zolang wordt uitgegaan van eenvoudige toekomstbeelden die alleen rekening houden met leeftijd en geslacht. Ook in de ouderenzorg zijn echter nog meer demografische factoren van belang. Het gaat dan niet om hoge kosten in het laatste levensjaar. Die zijn er wel, maar bij de oudste bevolkingsgroepen die het meest gebruik maken van ouderenzorg, wijken de kosten van overledenen veel minder af dan in de ziekenhuiszorg. Juist bij de hoogste leeftijdsgroepen wordt een sterke toename van de kosten waargenomen. Waar het wel om gaat is dat mensen met een partner verhoudingsgewijs veel minder zorg gebruiken dan alleenstaanden. Dat geldt niet alleen voor de thuiszorg, ze worden ook minder opgenomen in een verpleeghuis of verzorgingshuis. Omdat in de komende decennia de levensverwachting van mannen meer toeneemt dan die van vrouwen, zullen er naar verhouding veel minder alleenstaande vrouwen zijn dan nu het geval is. Meer vrouwen zullen nog een partner hebben waardoor ze minder afhankelijk zijn van formele zorg. Het CBS verwacht dan ook dat er in de periode tot 2020 aanzienlijk minder vrouwen in een verpleeghuis of verzorgingshuis zullen verblijven en dat ook het beroep op thuiszorg zal afnemen. De uitgaven voor ouderenzorg zullen daardoor veel minder hard stijgen dan vaak wordt voorgerekend. In de periode tot 2020 halveert de jaarlijkse groeivoet, en het effect blijft in de volgende decennia goed merkbaar in substantieel lagere kosten in vergelijking met de traditionele berekeningen. Conclusie Voor het eerst zijn voor Nederland de zorgkosten op persoonsniveau diepgaand geanalyseerd. Dit is een vruchtbare exercitie gebleken. Er zijn belangwekkende nieuwe inzichten naar voren gebracht die betekenis hebben voor de grote beleidsthema's in de gezondheidszorg. In een vergrijzende samenleving zijn solidariteit en de ontwikkeling van de zorgkosten erg belangrijk. Dit rapport toont aan dat zowel de solidariteit als de zorgkosten houdbaarder zijn dan doorgaans wordt gedacht.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Invloed humane en animale verontreinigingen op grondwaterwinningen. Van veldonderzoek naar beschermingsbeleid | RIVM

Sommige ondiepe, zandige grondwaterwinningen die worden gebruikt voor de productie van drinkwater kunnen sporen bevatten van verontreinigende stoffen en micro-organismen, afkomstig van mens of dier. Dit blijkt uit een veldonderzoek dat het RIVM heeft uitgevoerd bij vier van deze mogelijk kwetsbare winningen. De aangetroffen gehalten virussen en bacterien zijn echter veel lager dan op grond van internationale studies werd verwacht. Deze meetresultaten kunnen niet direct worden getoetst aan de kwaliteitseisen voor virussen en bacterien. Het toegestane niveau van ziekteverwekkende virussen en bacterien in drinkwater is namelijk te laag om te kunnen meten. De microbiologische veiligheid van drinkwater wordt daarom sinds enkele jaren vastgesteld met een wettelijk voorgeschreven risicoanalyse (VROM-Inspectierichtlijn 5318). Om meer duidelijkheid over de microbiologische drinkwaterkwaliteit te krijgen beveelt het RIVM aan deze risicoanalyse voor mogelijk kwetsbare grondwaterwinningen te verfijnen. Het rapport doet hiervoor een handreiking. Het gebruik van grondwater voor de bereiding van drinkwater is aantrekkelijker dan dat van oppervlaktewater. Grondwater is in de bodem in zekere mate beschermd tegen verontreinigingen vanaf het maaiveld. De concentraties van stoffen en micro-organismen die het grondwater toch bereiken worden namelijk in een bepaalde mate afgevlakt en verwijderd. Daarnaast zijn rondom winningen preventief beschermingszones ingesteld om het risico op verontreiniging vanaf het maaiveld te beperken. Zo geldt binnen het waterwingebied een algemeen verbod op activiteiten die niet direct met de productie van drinkwater te maken hebben. De resultaten van deze studie geven geen aanleiding om bij voorbaat de omvang van het waterwingebied in het landelijke beleid aan te passen.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Kosten van ziekten in Nederland 2005: zorg voor euro's-8 | RIVM

De zorgkosten zijn tussen 2003 en 2005 jaarlijks met 3,9 procent gestegen. De stijging is minder groot dan tussen 1999 en 2003, toen de kosten met 9,7 procent per jaar toenamen. In 2005 werd in Nederland in totaal 68,5 miljard euro aan zorg en welzijn besteed, ofwel 13,5 procent van het bruto binnenlands product. Per inwoner is dit 4.200 euro. Van de kostenstijging is een kwart toe te schrijven aan prijsstijgingen en ongeveer een vijfde aan demografische groei, vooral door de gestegen levensverwachting. Ruim de helft is veroorzaakt door overige volumegroei, bijvoorbeeld doordat mensen een groter beroep op zorg doen, door intensievere zorg en door technologische vooruitgang. Opvallend is dat kosten tussen 2003 en 2005 voor mannen harder stijgen dan voor vrouwen, en uitgaven voor jongeren sterker groeien dan die voor ouderen. Boven de 75 jaar zijn de kosten per inwoner nauwelijks toegenomen, en voor een enkele leeftijdsgroep zelfs licht gedaald. De kostengroei in de ziekenhuiszorg is grotendeels toe te schrijven aan de groei van het aantal patienten. Dit komt mede doordat in ziekenhuizen de budgetplafonds zijn losgelaten, en niet zozeer door de invoering van de marktwerking. Van alle zorgkosten in 2005 is 14,2 miljard euro (21 procent) besteed aan psychische stoornissen en 5,5 miljard euro aan hart- en vaatziekten. Verstandelijke handicap (5,4 miljard euro) en dementie (3,2 miljard euro) zijn de duurste aandoeningen. De duurste sectoren zijn de ziekenhuiszorg (17,7 miljard euro) en de ouderenzorg (12,7 miljard euro).
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

The National Immunisation Programme in the Netherlands. Developments in 2007 | RIVM

Het Rijksvaccinatieprogramma (RVP) in Nederland is effectief en veilig. Surveillance en onderzoek zijn van belang om te beoordelen of aanpassing nodig is. Dit rapport geeft een overzicht van alle relevante ontwikkelingen in 2007 van beschikbaarheid van vaccins, vaccineffectiviteit, bijwerkingen, ziektelast, gezondheidseconomische aspecten en internationale perspectieven die relevant zijn voor het RVP. In 2007 bleef het RVP ongewijzigd, uitgezonderd de DKTP (difterie, kinkhoest, tetanus, polio) boostervaccinatie voor vierjarigen waarvoor twee vaccins van verschillende fabrikanten zijn gebruikt. De meeste van de huidige ziekten die met het RVP worden bestreden zijn onder controle door de nationale vaccinatiegraad die over het algemeen boven 95% ligt. Na de introductie van pneumokokkenvaccinatie in 2006 is deze ziekte bij kinderen onder de twee jaar al iets minder vaak gevonden. Het rapport beschrijft diverse plannen om het RVP te verbeteren. Zo wordt onderzocht wat de effectiefste manier is om jonge kinderen te beschermen die nog niet zijn ingeent tegen kinkhoest. Ook wordt overwogen om de leeftijd van de tweede BMR-prik (bof, mazelen, rubella) te verlagen. Een ander onderzoek kijkt naar de frequentie van de pneumokokkenvaccinatie (twee tegenover drie keer bij zuigelingen, gevolgd door een booster op de leeftijd van 11 maanden). De Gezondheidsraad beraadt zich in 2008 over de wenselijkheid universeel tegen hepatitis B te vaccineren. Ook beraadt zij zich over de introductie in het RVP van vaccinatie tegen humaan papillomavirus (HPV) voor meisjes tegen baarmoederhalskanker, rotavirus en varicella (waterpokken) en herpes zoster (gordelroos). In dit rapport staan enkele aanbevelingen voor surveillance en onderzoek naar deze ziekten. Daarnaast geeft het aanbevelingen voor hepatitis A (kosteneffectiviteitanalyse voor routinevaccinatie), tuberculose en influenza (behoud van vaccinatie voor een selecte groep), meningokokken B (onderzoek naar dalende trend) en respiratoir syncytiaal virus (vaccinontwikkeling).
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Toxic by inhalation or not? Information search and classification of 41 substances | RIVM

De VN Model regulation Transport Gevaarlijke Goederen (VN-TDG) specificeert de criteria voor de classificatie van gevaarlijke stoffen. Deze classificatiecriteria maken gebruik van de fysisch chemische en toxicologische eigenschappen van stoffen. De correcte classificatie van stoffen is van essentieel belang voor veilig transport van gevaarlijke goederen. In opdracht van het ministerie van Verkeer en Waterstaat, Programma Veiligheid heeft het RIVM voor 41 stoffen de noodzaak tot classificatie in de VN-TDG vervoerscategorie 6.1 beoordeeld. Deze categorie is van toepassing als stoffen toxisch zijn. De resultaten hiervan zullen door het ministerie van Verkeer en Waterstaat worden ingebracht in het Subcomitee Transport Gevaarlijke Goederen van de United Nations Economic and Social Council. Over 41 stoffen is informatie verzameld om te kunnen bepalen of indeling in vervoerscategorie 6.1 noodzakelijk is en zo ja, welke verpakkingseisen gelden. De informatie over inhalatie toxiciteit en dampdruk van deze stoffen is afkomstig van openbare data bases. De gevonden informatie was voldoende om het merendeel van de stoffen te classificeren. De meeste classificeerbare stoffen voldoen aan de criteria voor classificatie in vervoerscategorie 6.1 op grond van hun toxiciteit bij inhalatie. Negen stoffen zijn zogenoemde isocyanaten. Voor twee isocyanaten is volledig informatie voor classificatie in de openbare databases gevonden terwijl voor de overige deze informatie ontbrak. Op basis van "read-across" kan echter worden geconcludeerd dat de zeven isocyanaten een vergelijkbare classificatie kunnen krijgen als de twee geclassificeerde isocyanaten.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Samenvatting belevingsonderzoek vliegbasis Geilenkirchen | RIVM

Ongeveer 20% (naar schatting 41.000) van de inwoners in de Nederlandse regio rond de NAVO vliegbasis Geilenkirchen ervaart ernstig geluidshinder van militair vliegverkeer (AWACS). Bovendien zijn veel mensen bezorgd over mogelijke gezondheids- en veiligheidsrisico's van het militaire vliegverkeer. De verschillen in de regio zijn groot, met het grootste aandeel gehinderden en bezorgden in de gemeenten Onderbanken, Brunssum en Schinnen. Echter, ook in de gemeenten die verder van de vliegbasis afliggen blijken mensen ernstige geluidshinder te ervaren. De ervaren hinder wordt (niet uitsluitend) door de geluidsniveaus verklaard maar ook niet-akoestische factoren spelen een rol zoals een negatieve verwachting van de geluidssituatie in de toekomst en bezorgdheid. De inwoners geven ook aan last te hebben van slaapverstoring. Ook hier springen de gemeente Onderbanken, Brunssum en Schinnen in het oog. De woontevredenheid onder de inwoners is vergelijkbaar met die van de Nederlandse bevolking. Het aandeel inwoners met een goede ervaren gezondheid (67%) is lager dan in de totale Nederlandse bevolking (80%). Er is grote behoefte aan informatie, vooral over vliegtijden en standpunten van de Nederlandse overheid met betrekking tot de vliegbasis. Bij 60% van de bevolking bestaat draagvlak voor compensatie van de nadelen van de basis.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Belevingsonderzoek vliegbasis Geilenkirchen. Percepties van inwoners in Nederland | RIVM

Ongeveer 20% (naar schatting 41.000) van de inwoners in de Nederlandse regio rond de NAVO- vliegbasis Geilenkirchen ervaart ernstig geluidshinder van militair vliegverkeer (AWACS). Bovendien zijn veel mensen bezorgd over mogelijke gezondheids- en veiligheidsrisico's van het militaire vliegverkeer. De verschillen in de regio zijn groot, met het grootste aandeel gehinderden en bezorgden in de gemeenten Onderbanken, Brunssum en Schinnen. Echter, ook in de gemeenten die verder van de vliegbasis afliggen blijken mensen ernstige geluidshinder te ervaren. De ervaren hinder wordt (niet uitsluitend) door de geluidsniveaus verklaard maar ook niet-akoestische factoren spelen een rol zoals een negatieve verwachting van de geluidssituatie in de toekomst en bezorgdheid. De inwoners geven ook aan last te hebben van slaapverstoring. Ook hier springen de gemeente Onderbanken, Brunssum en Schinnen in het oog. De woontevredenheid onder de inwoners is vergelijkbaar met die van de Nederlandse bevolking. Het aandeel inwoners met een goede ervaren gezondheid (67%) is lager dan in de totale Nederlandse bevolking (80%). Er is grote behoefte aan informatie, vooral over vliegtijden en standpunten van de Nederlandse overheid met betrekking tot de vliegbasis. Bij 60% van de bevolking bestaat draagvlak voor compensatie van de nadelen van de basis. Dit zijn de belangrijkste resultaten uit een belevingsonderzoek gehouden onder 2500 inwoners in de Nederlandse regio rond de vliegbasis Geilenkirchen. In augustus en september 2007 verstuurde het RIVM 5000 vragenlijsten waarin inwoners van de gemeenten Onderbanken, Brunssum, Schinnen, Heerlen, Kerkrade, Landgraaf, Nuth, Simpelveld en Voerendaal werd gevraagd naar onder andere hun ervaren hinder door geluid, geur en trillingen van de AWACS-vliegtuigen, hun ervaren gezondheid, de woontevredenheid, hun bezorgdheid over gezondheids- en veiligheidsrisico's door AWACS en hun behoefte aan informatie over de vliegbasis. De belangrijkste aanbevelingen zijn beperking van de blootstelling aan geluid en het verbeteren van de relatie tussen overheid en inwoners. Aangrijpingspunten hiervoor zijn het intensiveren van ingezet beleid ten behoeve van vervanging van de huidige AWACS-motoren en het isoleren van woningen. Voor het verbeteren van de relatie met de inwoners zijn verbeteren van de informatievoorziening, de inwoners serieus nemen en het nakomen van afspraken door de overheid belangrijke aangrijpingspunten.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Soil ecosystem profiling in the Netherlands with ten references for biological soil quality | RIVM

Het RIVM heeft samen met diverse kennisinstituten tien veel voorkomende bodems gekarakteriseerd waar de bodemkwaliteit op orde is, zogeheten referenties voor biologische bodemkwaliteit (RBB). Hier bestonden nog geen criteria voor. Deze referenties kunnen als streefbeeld gebruikt worden om bodemgebruik duurzamer te maken. De referenties zijn bepaald voor tien combinaties van bodemgebruik (onder andere melkveehouderij, akkerbouw en heide) en bodemtype (zand, veen, klei en loss). Dit is representatief voor driekwart van het bodemoppervlak van Nederland. Diverse onderzoekers, onder andere op het gebied van bodemecologie, microbiologie en agrarisch bodembeheer, hebben locaties geselecteerd die volgens hun maatstaven een relatief goede bodemkwaliteit hebben. Hiervoor maakten zij gebruik van de gegevens van het Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit (LMB) over de toestand van de bodem. Op basis van deze informatie zijn de tien referenties bepaald. Het rapport bevat ook gemiddelde waarden van de biologische, chemische en fysische eigenschappen van de bodem, evenals een maat voor de spreiding van de gegevens. De mate waarin bodemorganismen voorkomen en hun diversiteit zijn ook beschreven.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Kosteneffectiviteit van preventie. literatuursignalering en modellering | RIVM

Dit boekje bevat een samenvatting van de resultaten van het RIVM-project 'Kosteneffectiviteit van preventie'. Deze resultaten zijn eerder gepubliceerd in een aantal RIVM-rapporten. In dit boekje zijn de bevindingen uit de twee meest recente Engelstalige rapporten op een overzichtelijke manier samengevoegd. De resultaten geven meer inzicht in welke preventieve maatregelen die in Nederland niet ingevoerd zijn op basis van de internationale wetenschappelijke literatuur kosteneffectief lijken. Ook is voor een aantal preventieve interventies doorgerekend wat de kosten en effecten zouden zijn van implementatie in Nederland. Dit boekje geeft dus inzicht in waar kansen voor het Nederlandse volksgezondheidsbeleid liggen.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Geluidonderzoek op vier trajectcontrole locaties | RIVM

De effecten van de snelheidsmaatregel van november 2005 op rijkswegen rond de vier grote steden op de gemiddelde geluidniveaus zijn beperkt tot minder dan 1,5 dBA. Langs de A12 bij Voorburg en de A20 bij Rotterdam werd een afname gemeten van 1 tot 1,3 dBA. Langs het traject bij de A10 West in Amsterdam werd een afname gemeten van 0,5 dBA. Langs de A12 bij Utrecht werd geen afname van het gemiddelde niveau gemeten. Op de locaties bij Rotterdam en Voorburg was de relatieve snelheidsverlaging op de rijstroken met de sterkste geluidemissie groter dan in Amsterdam en Utrecht. Dit verklaart de sterkere afname van geluidniveaus op eerstgenoemde locaties. In Utrecht is de geluidemissie van met name de hoofdrijbanen nauwelijks afgenomen. Dit zou naar verwachting wel het geval zijn indien ook op de hoofdrijbanen de snelheid op 80 kilometer per uur zou worden gehandhaafd. In vergelijking met de gemiddelde geluidniveaus is er bij de maximale geluidniveaus die binnen elk uur zijn gemeten (pieken) een grotere afname gemeten. Bij Rotterdam en Voorburg zijn de maximale geluidniveaus met respectievelijk 2 en 2,5 dBA afgenomen. In Amsterdam en Utrecht was de afname respectievelijk 1 en 1,3 dBA. Direct omwonenden, binnen enkele honderden meters van de trajecten, kunnen de geluidsituatie na de maatregel daardoor als een verbetering ervaren. De sterkere afname van de piekniveaus houdt nauw verband met een gelijkmatiger verkeersstroom die door de trajectcontrole wordt afgedwongen. Het is daarom mogelijk dat een dergelijk effect ook al bij hogere trajectsnelheden zou optreden, mits het gelijkmatige uniforme gedrag van het verkeer behouden blijft.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Probleemstoffen bij de drinkwaterbereiding: stof- en productregistraties in relatie tot de waterkwaliteitsregelgeving | RIVM

Het RIVM heeft onderzocht of de Europese en nationale toelatingskaders van stoffen en producten aansluiten op de kwaliteitseisen voor drinkwater in Nederland. Dit blijkt vaak niet het geval. Het gevolg is dat stoffen kunnen worden toegelaten die problemen veroorzaken voor de drinkwaterbereiding. Bovendien kunnen waterbeheerders en drinkwaterproducenten niet altijd over vertrouwelijke informatie beschikken die nodig is om probleemstoffen in een vroeg stadium te signaleren. Mogelijkheden om registratieprocedures aan te passen zijn soms beperkt, omdat Nederland gebonden is aan Europese regelgeving. Het RIVM adviseert om bij de toelatingsprocedure voor chemische stoffen een prioriteringssysteem op basis van de stofeigenschappen te introduceren. Daarmee kan snel worden gescreend worden welke stoffen relevant zijn voor de drinkwaterkwaliteit. Vervolgens kunnen de concentraties in drinkwater worden berekend of gemeten, om ze vervolgens te vergelijken met drinkwatercriteria. Voor zover de wetgeving het toelaat zou door betere communicatie tussen de registratieautoriteiten, waterbeheerders en drinkwaterproducenten potentikle probleemstoffen eerder kunnen worden gesignaleerd. Wanneer gegevens vertrouwelijk moeten blijven, kan de overheid de taak op zich nemen effecten op de drinkwaterkwaliteit te beoordelen. Indien zij een probleem signaleert, kan de waterbeheerder de desbetreffende stoffen in het water meten en eventueel vervolgstappen ondernemen.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Economic evaluation of prevention. Modelling the cost-effectiveness of increasing alcohol taxes and of prevention of major depression | RIVM

Accijnsverhogingen op alcohol en een vroegtijdige opsporing van depressies leveren veel gezondheidswinst op tegen relatief lage kosten. De opsporing van dit stadium van een depressie door de huisarts, gevolgd door minimale contact psychotherapie (MCP) levert naar verwachting 13.000 gezonde levensjaren op en kost op termijn gemiddeld euro 6.800,- per gewonnen gezond levensjaar. De geplande accijnsverhoging voor 2009 levert naar verwachting 13.000 gezonde levensjaren op en kost op termijn gemiddeld euro 5.100,- per gewonnen gezond levensjaar. Beide maatregelen zijn daarmee kosteneffectieve interventies. Uit eerder onderzoek bleek dat beide interventies effectief zijn in het voorkomen van ziekte, alleen was nog weinig bekend over de kosteneffectiviteit. Daarom is in dit rapport met behulp van modelberekeningen de mogelijke kosteneffectiviteit in de Nederlandse context onderzocht. Hierbij is uitgegaan van grootschalige implementatie van de maatregelen. De gezondheidseffecten zijn uitgedrukt in voor kwaliteit gecorrigeerde gewonnen levensjaren (QALYs, oftewel gewonnen gezonde levensjaren) en alleen kosten binnen het gezondheidszorgperspectief zijn meegenomen. Andere kosten- en effectencategorieen zoals ziekteverzuim hebben ook een grote invloed op de kosteneffectiviteit van de interventies. Onderzoek naar de bredere kosten en effecten van preventieve interventies is daarom gewenst.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Gezondheidseffecten van een lage relatieve luchtvochtigheid in woningen. Een literatuurstudie | RIVM

In het stookseizoen kunnen bewoners van ongeveer vijf procent van de Nederlandse woningen last hebben van een lage relatieve luchtvochtigheid (vanaf 30 procent RV en lager). Vooral contactlensdragers en mensen met allergieen en huidklachten, kunnen last krijgen van bijvoorbeeld droge ogen en een droge huid. Dat is de conclusie van een literatuurstudie naar de effecten van een lage relatieve luchtvochtigheid op de gezondheid. Bij een nog lagere relatieve luchtvochtigheid (vanaf 10 procent en lager) worden ook de slijmvliezen van de neus droger, wat de kans op een infectie aan de luchtwegen verhoogt. Een dergelijke lage relatieve luchtvochtigheid wordt echter nauwelijks aangetroffen in Nederlandse woningen. Als mensen de lucht als droog ervaren, is dat afhankelijk van meer factoren dan de relatieve luchtvochtigheid, zoals te weinig ventilatie, hoge temperatuur en verontreinigde lucht. Daarom is luchtbevochtiging geen eenduidige oplossing voor situaties waarin de lucht als te droog wordt ervaren. Bovendien blijkt dat in het algemeen juist in vochtige ruimtes de luchtkwaliteit als onprettig wordt ervaren: de lucht wordt als bedompter en minder acceptabel ervaren naarmate de relatieve luchtvochtigheid stijgt (vanaf circa 50 procent). Dit effect wordt versterkt door een toename van temperatuur (vanaf circa 23 graden C) en/of luchtverontreiniging. Het rapport beschrijft de studies in de wetenschappelijke literatuur vanaf 1990. Er zijn alleen gegevens beschikbaar van buitenlands onderzoek in werk- en testomgevingen. Daardoor moet de vertaalslag naar Nederlandse woningen als een indicatie worden gezien van de te verwachten effecten.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

De invloed van grondwaterverontreiniging op terrestrische ecosystemen | RIVM

De kwaliteit van het Nederlandse zoete grondwater is sterk beinvloed door menselijke activiteiten. Deze kwaliteit is belangrijk voor de bodemkwaliteit en de plantengroei in kwelgebieden (waar het grondwater omhoog welt). Zelfs onder natuurlijke omstandigheden veroorzaken kwaliteitsverschillen in het grondwater, lokale verschillen in de vegetatie. Doordat er veel grondwater wordt weggepompt zakt het grondwaterpeil. Dit kan aanleiding geven tot allerlei problemen zoals verzuring, inklinken van veengrond en uitdroging van gevoelige plantensoorten. De plantengroei is sterk afhankelijk van mineralen uit het grondwater. De bestrijdingsmiddelen en andere chemische stoffen die in lage concentraties in het grondwater kunnen voorkomen lijken over het algemeen geen grote invloed te hebben op de plantengroei. De Dochterrichtlijn Grondwater van de Europese Kaderrichtlijn Water vraagt aan de lidstaten om criteria vast te stellen voor de grondwaterkwaliteit. Deze criteria moeten onder andere voorkomen dat er ongunstige effecten optreden in van het grondwater afhankelijke bodemecosystemen. Op dit moment worden de criteria voor de grondwaterkwaliteit afgeleid uit waterkwaliteitscriteria omdat het nog niet goed mogelijk is om rekening te houden met de gevoeligheid van grondwaterafhankelijke bodemecosystemen.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Economic evaluation of prevention. Fourth report on the cost-effectiveness of preventive interventions | RIVM

In dit rapport zijn zeven preventieve maatregelen gesignaleerd die volgens literatuuronderzoek kosteneffectief zijn en in Nederland nog niet landelijk worden aangeboden. Kosteneffectief houdt in dat de kosten relatief laag zijn in verhouding tot de verwachte gezondheidswinst. Meer onderzoek is nodig om te kijken of deze interventies voor Nederland wenselijk zijn. Voor de meeste ontbreekt namelijk overtuigende bewijslast of ze medisch gezien effectief zijn. Bovendien zijn ze niet allemaal eenvoudig te implementeren, bijvoorbeeld omdat mensen terughoudend zijn om zich te laten screenen of vaccineren. Het gaat om de volgende preventieve maatregelen: - screening op en behandeling van infectie met Helicobacter pylori om maagaandoeningen te voorkomen; - vaccinatie van gezonde kinderen tegen griep; - screening op osteoporose van vrouwen van 70 jaar of ouder door het meten van de botdichtheid; - preventieve behandeling van mensen met een verhoogd risico op hart- en vaatziekten met aspirine; - een oefenprogramma voor zelfstandig wonende ouderen om te voorkomen dat ze vallen en valgerelateerde verwondingen oplopen; - preventieve behandeling van mensen die een hartinfarct hebben doorgemaakt met omega-3 visvetzuren; - leefstijlinterventie voor mensen met verstoorde glucosetolerantie ter preventie van diabetes mellitus. In het rapport zijn het gezondheidsprobleem waar de interventie zich op richt, de interventie zelf, de effectiviteit, en de kosteneffectiviteit beschreven. Vervolgens zijn aspecten van vertaalbaarheid van de economische evaluaties naar de Nederlandse situatie en van implementatie van de interventie in Nederland besproken. Dit rapport is het vierde uit een serie van over economische aspecten van preventie en is in samenwerking met ZonMw geschreven.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Gezondheidsonderzoek na rampen. Vragenlijsten voor algemene en psychosociale gezondheid | RIVM

Welke van de meer dan vijftig beschikbare vragenlijsten is geschikt voor gezondheids- onderzoek na rampen? Die vraag moet snel na een ramp beantwoord worden door GGD'en en onderzoeksinstituten. Gezondheidsonderzoek is namelijk een van de pijlers van het nazorgbeleid na rampen van het ministerie van Volksgezondheid Welzijn en Sport (VWS) en kan van tevoren in grote lijnen worden voorbereid. Ruim twintig vragenlijsten bleken bruikbaar voor het meten van de algemene en psychosociale gezondheidstoestand van volwassenen. Per gezondheidsaspect (post- traumatische-stressstoornis, depressie, angst, etc.) wordt een overzicht gegeven van geschikte vragenlijstinstrumenten, ingedeeld naar het doel van gezondheidsonderzoek (individuele zorg, volksgezondheid, wetenschap) en populatie (algemene bevolking, patienten). Bij de selectie van de vragenlijsten is gelet op de validiteit en betrouwbaarheid van de vragenlijstinstrumenten en de beschikbaarheid van Nederlandse referentiegegevens. Verder geeft het rapport aan op welk(e) moment(en) na een ramp metingen van de gezondheidstoestand het best zouden kunnen worden uitgevoerd. Voor kinderen en adolescenten is een eerste inventarisatie gemaakt van 13 vragenlijsten die eerder in gezondheidsonderzoek na rampen in Nederland zijn gebruikt. Door de diversiteit in rampgerelateerde gezondheidsaspecten en de aard van rampen kan niet zonder meer aangegeven worden welke vragenlijsten op welk moment de voorkeur genieten. Dit zal per doel en populatie specifiek moeten worden vastgesteld. Deze handreiking biedt hiervoor de basis. Het Centrum voor Gezondheidsonderzoek bij Rampen (CGOR) heeft in samenwerking met Impact (landelijk kennis- en adviescentrum psychosociale zorg na rampen), Nivel (Nederlands Instituut voor onderzoek van de Gezondheidszorg), IVP (Instituut voor Psychotrauma) en Pallas, (Health research and consultancy), deze handreiking samengesteld.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Staat van Infectieziekten in Nederland, 2007 | RIVM

De Staat van Infectieziekten geeft inzicht in epidemiologische ontwikkelingen van infectieziekten in Nederland. Het beschrijft ook de ontwikkelingen in het buitenland die voor Nederland relevant zijn. Deze jaarlijkse uitgave informeert beleidsmakers bij het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en bij het Centrum Infectieziektebestrijding (CIb) van het RIVM. In 2007 waren de meest in het oog springende gebeurtenissen in Nederland de uitbraken van Q-koorts en van psittacose (papegaaienziekte) en de toename van bof. Elk jaar komt een thema aan bod. Dit keer zijn dat ontwikkelingen binnen de commerciele veehouderij met mogelijk infectieziekterisico's voor de volksgezondheid: 1. De toename van antibioticagebruik: Dit bevordert dat micro-organismen bij vee resistentie ontwikkelen, zoals MRSA en ESBL-producerende E. coli. De mens kan via voedsel of via direct contact met vee besmet raken met resistente micro-organismen. Hierna is verdere verspreiding van mens-op-mens mogelijk. Het voorkomen en de toename van resistente micro-organismen is een van de hoofdproblemen in de huidige infectieziektebestrijding. 2. De schaalvergroting bij bedrijven: Bij gelijkblijvende bedrijfsvoering is er een grotere kans op introductie en verspreiding van micro-organismen onder dieren op het bedrijf, met risico op verspreiding naar de mens. Bijvoorbeeld Q-koorts, psittacose en bepaalde vogelgriepvormen. 3. De verbreding van bedrijven met nevenactiviteiten: Hierdoor ontstaat een grotere kans op contact tussen mens en dier en daaraan gerelateerde infectieziekten, zoals infecties veroorzaakt door E. coli O157 (STEC) en Campylobacter. 4. De toename van biologische landbouw: Hierdoor is er een grotere kans op contact tussen dier en natuurlijke omgeving, zoals vroeger gebruikelijk was, en daaraan gerelateerde infectieziekten, zoals toxoplasmose en trichinellose (veroorzaakt door de larven van een rondworm). Als de Wet publieke gezondheid binnenkort van kracht wordt, verandert de lijst van meldingsplichtige ziekten. Toegevoegd worden: de varianten van vogelgriep die gevaarlijk zijn voor de mens (bijvoorbeeld H5N1 en H7N7), bof, hantavirusinfectie, invasieve groep A streptokokkeninfectie, invasieve Haemophilus influenzae-infectie, invasieve pneumokokkenziekte (bij kinderen tot en met 5 jaar), listeriose, MRSA-infecties buiten ziekenhuizen, tetanus en West-Nilevirusinfectie. De meldingsplicht komt te vervallen voor febris recurrens (terugkerende koorts) en vlektyfus.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Spelen met gezondheid. Leefstijl en psychische gezondheid van de Nederlandse jeugd | RIVM

Vergeleken met circa tien jaar geleden is het aantal rokers en cannabisgebruikers onder jongeren licht gedaald en is het condoomgebruik toegenomen. Negatieve trends zijn de toename van overgewicht en alcoholgebruik. Psychische problemen komen relatief veel bij jongeren voor, maar zijn in de afgelopen twintig jaar nauwelijks toegenomen. Dit blijkt uit een RIVM-rapport over leefstijl (roken, alcoholgebruik, overgewicht, cannabisgebruik en riskant seksueel gedrag) en psychische problemen (emotionele problemen en gedragsproblemen) onder de Nederlandse jeugd. De gezondheid van de jeugd van 0 tot en met 18 jaar is over het algemeen goed. De ongezonde leefstijl van jongeren kan echter leiden tot ongezondheid; op de korte termijn, maar vooral op latere leeftijd. Daarom is preventie belangrijk. Preventieve interventies moeten een combinatie zijn van gedragsbeinvloeding van de jongere zelf en maatregelen gericht op een gezonde leefomgeving. Bovendien moet de aanpak meerdere ongezonde leefstijlfactoren omvatten, zoals roken, drinken en riskant seksueel gedrag, omdat deze vaak bij dezelfde jongeren voorkomen. Ongezonde leefstijlfactoren en psychische problemen komen vaker voor onder laagopgeleide jongeren. Jongeren op het VMBO vormen een omvangrijke en belangrijke doelgroep om de geschetste problemen te voorkomen. De relatie tussen etniciteit enerzijds en een ongezonde leefstijl en psychische problemen anderzijds is niet eenduidig.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Learning from our neighbours. Cross-national inspiration for Dutch public health policies: smoking, alcohol, overweight, depression, health inequalities, youth, screening | RIVM

Nederland kan veel leren van het gezondheidsbeleid in andere landen. De overheid doet er goed aan gezondheidsproblemen vaker aan te pakken met een nationale strategie of actieplan. Ervaring uit het buitenland leert dat een dergelijk nationaal actieplan bijdraagt aan een systematischer beleid en minder versnippering van maatregelen. Dit concludeert het RIVM op basis van het internationaal vergelijkend rapport Leren van de buren. Het rapport is 9 juli 2007 aangeboden aan minister Klink van VWS. Het RIVM concludeerde vorig jaar dat Nederland op gebied van gezondheid niet langer bij beste Europese landen hoort.* Zo blijft Nederland achter met de daling van het aantal rokers en drinken Nederlandse jongeren vaker alcohol dan hun Europese leeftijdsgenoten. Het ontmoedigingsbeleid voor tabak en alcohol blijkt niet streng vergeleken met veel andere landen. Ook met de bestrijding van bijvoorbeeld depressies en gezondheidsachterstanden bij bevolkingsgroepen ontbreekt in Nederland een integrale aanpak. Het RIVM heeft het Nederlandse gezondheidsbeleid op roken, alcohol, overgewicht, gezondheidsachterstanden, depressie, jeugd en screening, vergeleken met dat van andere Europese landen. Hieruit blijkt dat veel maatregelen effectiever en meer in samenhang kunnen gebeuren. Zo heffen Duitsland, Zwitserland, Frankrijk en Denemarken extra belasting op breezers om jongeren te ontmoedigen alcohol te drinken. In sommige landen is een pakje sigaretten twee keer zo duur als in Nederland. Schotland, Finland en Australie bevorderen de psychische gezondheid met programma's op school en werk. Marktkrachten en andere -internationale- invloeden bemoeilijken soms de weg naar goed beleid, maar kunnen ook kansen bieden. Het RIVM adviseert de Nederlandse overheid om op basis van de buitenlandse ervaring haalbare doelen en effectieve maatregelen te vinden voor een meer integraal gezondheidsbeleid in Nederland. * Volksgezondheid Toekomst Verkenningen, RIVM juni 2006.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Climate and ozone change effects on ultraviolet radiation and risks (COEUR). Using and validating earth observation | RIVM

Naar schatting zullen er rond 2050 in Nederland ieder jaar ongeveer 1500 tot 2000 extra gevallen van huidkanker bijkomen doordat de ozonlaag is aangetast. Deze toename bedraagt 10 tot 12 procent van het aantal nieuwe gevallen voordat de ozonlaag aangetast werd. Als in deze schattingen het effect van de vergrijzing wordt meegenomen, zal het aantal gevallen van huidkanker nog verder stijgen. Zonder het succesvolle internationale beleid om de ozonlaag te beschermen zou de toename nog veel hoger uitkomen. Het aantal huidkankergevallen rond 2050 kan alsnog sterk worden teruggebracht als mensen, kinderen in het bijzonder, vandaag de dag verantwoord zonnen. Dit blijkt uit nieuwe berekeningen van het RIVM, dat in samenwerking met andere instituten het zogeheten AMOUR-model heeft ontwikkeld. Hiermee kunnen de gevolgen van ozonaantasting voor het UV-klimaat en voor daarmee samenhangende risico's op huidkanker worden ingeschat. Aantasting van de ozonlaag en klimaatverandering beinvloeden de intensiteit van de UV-straling op de grond en kunnen daarmee de kans op huidkanker vergroten. In dit rapport is een verbeterde versie van het AMOUR-model beschreven en (deels) gevalideerd. Het model koppelt satellietgegevens over ozon en bewolking aan berekeningen over UV-straling op de grond. Daarmee worden lokaal veranderingen in het UV-klimaat in kaart gebracht. Daarnaast gebruikt het model historische gegevens over gebruik en concentraties van ozonafbrekende stoffen. Bovendien gebruikt het scenario's voor de productie en emissie van ozonafbrekende stoffen zoals die zijn voortgekomen uit het succesvolle internationale verdrag om de ozonlaag te herstellen, het (aangescherpte) Montreal Protocol. Resultaten van Europese en mondiale scenarioberekeningen en trendanalyses zijn beschikbaar via internet in het webdossier UV, ozonlaag en klimaat. Ga naar http://www.rivm.nl/uv en kies dan het dossier UV ozonlaag en klimaat, of ga rechtstreeks naar http://www.rivm.nl/milieuportaal/dossier/uv-ozon-en-klimaat/ .
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Learning from our neighbours (summary). Cross-national inspiration for Dutch public health policies: smoking, alcohol, overweight, depression, health inequalities, youth, screening | RIVM

Nederland kan veel leren van het gezondheidsbeleid in andere landen. De overheid doet er goed aan gezondheidsproblemen vaker aan te pakken met een nationale strategie of actieplan. Ervaring uit het buitenland leert dat een dergelijk nationaal actieplan bijdraagt aan een systematischer beleid en minder versnippering van maatregelen. Dit concludeert het RIVM op basis van het internationaal vergelijkend rapport Leren van de buren. Het rapport is 9 juli 2007 aangeboden aan minister Klink van VWS. Het RIVM concludeerde vorig jaar dat Nederland op gebied van gezondheid niet langer bij beste Europese landen hoort.* Zo blijft Nederland achter met de daling van het aantal rokers en drinken Nederlandse jongeren vaker alcohol dan hun Europese leeftijdsgenoten. Het ontmoedigingsbeleid voor tabak en alcohol blijkt niet streng vergeleken met veel andere landen. Ook met de bestrijding van bijvoorbeeld depressies en gezondheidsachterstanden bij bevolkingsgroepen ontbreekt in Nederland een integrale aanpak. Het RIVM heeft het Nederlandse gezondheidsbeleid op roken, alcohol, overgewicht, gezondheidsachterstanden, depressie, jeugd en screening, vergeleken met dat van andere Europese landen. Hieruit blijkt dat veel maatregelen effectiever en meer in samenhang kunnen gebeuren. Zo heffen Duitsland, Zwitserland, Frankrijk en Denemarken extra belasting op breezers om jongeren te ontmoedigen alcohol te drinken. In sommige landen is een pakje sigaretten twee keer zo duur als in Nederland. Schotland, Finland en Australie bevorderen de psychische gezondheid met programma's op school en werk. Marktkrachten en andere -internationale- invloeden bemoeilijken soms de weg naar goed beleid, maar kunnen ook kansen bieden. Het RIVM adviseert de Nederlandse overheid om op basis van de buitenlandse ervaring haalbare doelen en effectieve maatregelen te vinden voor een meer integraal gezondheidsbeleid in Nederland. * Volksgezondheid Toekomst Verkenningen, RIVM juni 2006.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Environmental tobacco smoke in the Netherlands. First estimates of exposure, review of main health effects and overview of available interventions | RIVM

In Nederland rookt naar schatting tussen de 18 en 40% van de niet-rokende volwassenen (15 jaar en ouder) dagelijks mee. Minstens 14% van de zwangere vrouwen rookt mee en minstens 7% van de foetussen heeft een rokende moeder. Tussen de 20 en 36% van de kinderen rookt in meerdere of mindere mate mee. Dit blijkt uit een verkennende studie van het RIVM, die is uitgevoerd ter ondersteuning van het Nederlandse tabaksontmoedigingsbeleid (Nationaal Programma Tabaksontmoediging 2006-2010). Een van de speerpunten daarvan is passief roken terugdringen. De gezondheid van niet-rokers kan verbeteren door ze minder aan tabaksrook bloot te stellen. Een groot deel van de Nederlandse bevolking staat bloot aan de tabaksrook van anderen, wat ziekte en sterfte veroorzaakt. Een algeheel rookverbod in publieke ruimtes in combinatie met voorlichting om meeroken te ontmoedigen, kan de schadelijke effecten beperken. Meeroken kan verschillende gezondheidsproblemen veroorzaken. Uit literatuuronderzoek blijkt dat meeroken de kans op longkanker en coronaire hartziekte met 20 tot 30% verhoogt. Verder leidt meeroken door zwangere vrouwen tot een iets lager gemiddeld geboortegewicht. Daarnaast is de kans op een extreem laag geboortegewicht (< 2500 gram) met 20 tot 40% verhoogd. Prenataal en postnataal meeroken door de baby verhoogt de kans op wiegendood. Als kinderen meeroken is de kans op negatieve effecten op longfunctie en middenoorontsteking groter. Ook is bij hen de kans op luchtwegaandoeningen 20 tot 50% groter (luchtweginfecties en symptomen).
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Surface N Balances in Agricultural Crop Production Systems in China for the Period 1980-20151 1 Project supported by the Chinese Academy of Sciences (No. KZCX2-YW-N-038) and the National Basic Research Program of China (No. 2005CB121108) | RIVM

Surface N Balances in Agricultural Crop Production Systems in China for the Period 1980-20151 1 Project supported by the Chinese Academy of Sciences (No. KZCX2-YW-N-038) and the National Basic Research Program of China (No. 2005CB121108) | RIVM
Jaar: 2008 Onderzoek

Agricultural practice and water quality in the Netherlands in the 1992-2006 period | RIVM

Als gevolg van de Europese Nitraatrichtlijn is het stikstofoverschot in de Nederlandse landbouw tussen 1992 en 2007 afgenomen met bijna 40 procent. Dit is een van de conclusies. Dit rapport geeft een overzicht van de ontwikkelingen in de waterkwaliteit ten opzichte van Nederlandse maatregelen in de landbouw om de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater te verbeteren. Het nitraatgehalte in het grondwater onder landbouwpercelen is in de periode van 1992 tot 2007 sterk gedaald, vooral in de zandregio's. Daar daalde de gemiddelde concentratie van 140 mg/l naar 75 mg/l. Ook in de kleiregio's zijn de gehaltes gedaald en lagen ze in deze periode ruim onder de norm van 50 mg/l. In de veenregio's is altijd weinig nitraat in het grondwater aanwezig geweest. Sinds 1992 is de chlorofyl-a concentratie (een indicator voor mate waarin het water eutrofieert) in regionale oppervlaktewateren die door de landbouw worden beinvloed constant gedaald. De gemiddelde nitraatconcentratie in de winterperiode in het zoete oppervlaktewater vertoont een afname sinds 1998. Zowel nitraatgehaltes in, als de eutrofiering van het water neemt af. Het duurt echter enkele jaren voordat effecten van beleidsmaatregelen door boeren in de waterkwaliteit waarneembaar zijn. Verwacht wordt dat de effecten van de recente beleidsmaatregelen uit het huidige actieprogramma (2004-2009) pas over een aantal jaren te zien zullen zijn in de waterkwaliteit. Het is daarom te verwachten dat de waterkwaliteit pas in de periode 2010-2015 verder verbeterd.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Registratie voedselinfecties en -vergiftigingen bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg en de Voedsel en Waren Autoriteit, 2007 | RIVM

Het aantal gemelde zieken door voedselinfecties is in 2007 gestegen. Belangrijkste verwekkers van voedselinfecties waren in 2007 de bacterien Salmonella en Campylobacter en het norovirus. De meeste patienten werden getroffen door Salmonella, die ook de meeste ziekenhuisopnames veroorzaakte. De toename van het aantal voedselinfecties is voornamelijk te verklaren door een aantal omvangrijke uitbraken. Mensen kunnen een voedselinfectie oplopen door rauw of onvoldoende gaar voedsel te eten, een slechte hygiene en kruisbesmetting tijdens het bereiden en bewaren van voedsel. Blijvende aandacht voor voedselveiligheid is daarom vereist bij overheid, bij producenten, voedselleveranciers en -bereiders, en bij consumenten. Dit zijn de belangrijkste conclusies uit een analyse door het RIVM van de registratiecijfers van de Voedsel en Waren Autoriteit (VWA) en de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ). De VWA kreeg in 2007 621 meldingen van consumenten over voedselinfecties. Dit aantal is hoger dan in 2006 (530 meldingen) en er zijn steeds meer zieken bij betrokken (van 1329 in 2006 naar 1723). Ook bij de IGZ, dat de wettelijk verplichte melding van artsen verzamelt, is deze trend zichtbaar. Het aantal meldingen van voedselinfecties bij de IGZ bleef nagenoeg gelijk, maar het aantal zieken en het aantal ziekenhuisopnames steeg. Het RIVM schat de werkelijke omvang van voedselinfecties en -vergiftigingen op 300.000 tot 750.000 gevallen per jaar. Het aantal meldingen is lager, omdat niet iedere zieke naar de huisarts gaat of de VWA informeert. Het RIVM heeft voorlichtingsmateriaal ontwikkeld om voedselvergiftigingen te voorkomen. Vanaf medio juni 2008 stellen onder andere de GGD'en en Postbus 51 deze informatie beschikbaar voor een breed publiek. In dit materiaal ligt de nadruk op hygiene tijdens het bereiden en bewaren van voedsel.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Uncertainty analysis and parameter optimisation in early phase nuclear emergency management. A case study using the NPK-PUFF dispersion model | RIVM

De opgedane stralingsdosis na een kernongeval is beter te bepalen door modelberekeningen te combineren met een analyse van radiologische metingen in de directe omgeving van de lozing. Dosisschattingen die alleen op basis van modelberekeningen zijn gemaakt, zoals nu gebeurt, bevatten meerdere grote onzekerheden. Dit blijkt uit een casestudie van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). Onzekerheid in modelberekeningen na een kernongeval maakt het de beleidsmakers lastig te beslissen welke maatregelen nodig zijn om de bevolking te beschermen. Daarom gaat het RIVM metingen van het nationale radiologische meetnet in Nederland gebruiken om de modelberekeningen te verbeteren. De belangrijkste onzekere variabelen zijn beperkt tot de lozingshoeveelheid en een aantal meteorologische parameters. Het onderzoek toont aan dat al in een vroeg stadium van het ongeval met slechts een klein aantal radiologische metingen een significante verbetering van de dosisberekening mogelijk is. Het verdient daarom aanbeveling deze methodiek te implementeren in het Back Office voor Radiologische Informatie (BORI) van het RIVM. Het BORI heeft de taak in te schatten wat de radiologische gevolgen van een kernongeval zijn voor mens en omgeving. Dit onderzoekt maakt deel uit van het strategisch onderzoeksprogramma van het RIVM (SOR) op het gebied van kwantitatieve risicoanalyse.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Evaluatie van RIVM-modellen voor de ozon- en fijnstofverwachting. PROZON en PROPART | RIVM

Het model dat het RIVM gebruikt voor de ozonverwachting (PROZON) blijkt goed bruikbaar. Het model voor de verwachting van de concentratie fijn stof in de buitenlucht (PROPART) is minder nauwkeurig. Dat blijkt uit een vergelijking van de modelverwachtingen over 2005 en 2006 met metingen. Het RIVM stelt dagelijks een verwachting op voor de maximale concentratie ozon en de daggemiddelde concentratie fijn stof in de buitenlucht. Fijn stof en ozon zijn schadelijk voor de gezondheid. PROZON en PROPART maken gebruik van statistieken van in het verleden gemeten concentraties en weersomstandigheden, gecombineerd met actuele metingen en weersverwachtingen. Ze geven dagwaarden op meetlocaties. Het verband tussen temperatuur en ozonconcentratie is sterk. Daarom is voor de ozonverwachting de weersverwachting een belangrijke bron van onzekerheid. PROZON overschat de hoogste ozonconcentraties. Als er een trend is in het verband tussen temperatuur en ozonconcentratie kan het model verbeterd worden door opnieuw statistieken te bepalen op basis van alleen meetgegevens van de meest recente vijf jaar. Voor de fijnstofverwachting is de modelonzekerheid zo groot dat de onzekerheid in de weersverwachting geen noemenswaardige rol speelt in de algemene modelprestaties. Fijn stof wordt soms van ver aangevoerd en de afhankelijkheid van de weersomstandigheden is minder duidelijk dan voor ozon. Wel presteert het model ongeveer even goed als alternatieve modellen gebaseerd op neurale netwerken. Het is daarom niet eenvoudig te verbeteren. Op dit moment zijn de dagwaarden van PROZON en PROPART vaak beter dan van complexere modellen die bronnen en transport expliciet beschrijven in plaats en tijd. Als actuele grond- en satellietwaarnemingen kunnen worden geintegreerd in deze complexere modellen worden zij mogelijk beter in de nabije toekomst.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Immune effects of probiotics in humans. Evaluation of efficacy and safety | RIVM

Er is momenteel onvoldoende wetenschappelijk bewijs dat probiotica een positief effect hebben op het immuunsysteem. Evenmin is wetenschappelijk bewezen dat gebruik van dit type product veilig is. Er komen steeds meer producten op de markt die probiotica bevatten, zoals voedingssupplementen, zuiveldrankjes en zuigelingenvoeding. Van probiotica wordt beweerd dat ze een positief effect kunnen hebben op de darmflora, op de weerstand en dat ze allergieen kunnen voorkomen. De meeste van deze geclaimde effecten zijn echter niet wetenschappelijk onderbouwd. Om de werkzaamheid en veiligheid van probiotica in kaart te brengen heeft het RIVM een literatuurstudie uitgevoerd. Momenteel vindt veel onderzoek plaats naar de effecten van probiotica, bijvoorbeeld bij obstipatie of diarree. In deze studie ligt de nadruk op effecten op het immuunsysteem, ontleend aan klinische studies bij mensen. Uit het onderzoek is gebleken dat er geen of onvoldoende bewijs is dat probiotica helpen bij hooikoorts, reuma of de ziekte van Crohn. Er zijn gegevens bekend over positieve effecten van sommige probiotica op de weerstand, atopisch eczeem en de chronische darmontsteking ulceratieve colitis. Meer onderzoek is nodig om deze effecten met wetenschappelijke bewijzen te staven. Het beste onderbouwd is momenteel de positieve uitwerking van probiotica bij twee darmaandoeningen, te weten diarree veroorzaakt door antibiotica en 'pouchitis' (een complicatie die optreedt nadat patienten met colitis zijn geopereerd). Er is nog weinig bekend over mogelijke negatieve effecten als mensen dit soort producten consumeren. Een recente publicatie heeft aangetoond dat gebruik van probiotica bij zuigelingen tot een ongewenste stimulatie van het immuunsysteem kan leiden. Het is aan te bevelen om zowel de veiligheid of werkzaamheid van dit soort producten nader te onderzoeken.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Monitoring environmental quality of stony construction materials 2003-2006 | RIVM

Regenwater neemt als het langs bouwwerken stroomt, stoffen daaruit, zoals metalen en zoutresten, mee naar bodem en oppervlaktewater. Onder bouwwerken worden daarbij niet alleen huizen, maar ook bjvoorbeeld wegen en dijken verstaan. De normen voor deze zogenaamde 'uitloging' stonden, voor steenachtige bouwstoffen, in het 'Bouwstoffenbesluit'. In overgang naar een nieuw stelsel van zulke normen, dat in 2007 in het 'Besluit Bodemkwaliteit' is opgenomen, werd eind 2004 een aantal normen uit het 'Bouwstoffenbesluit' tijdelijk verruimd. Om vast te kunnen stellen te onderzoeken of die verruiming misschien zou leiden tot een vemindering van de milieuhygiknische kwaliteit van de betrokken bouwstoffen, is op verzoek van het Ministerie van VROM, de gemeten uitloging uit een groot aantal bouwstoffen voor en na het inwerking treden van verruimingen gevolgd. Uit een statistische analyse van de resultaten van het onderzoek blijkt dat niet van een vermindering van de milieuhygiknische kwaliteit van de betrokken bouwstoffen kan worden gesproken, noch in 2005, noch in 2006.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Spoed bij nacht en ontij. Vraag en aanbod van Mobiele Medische Teams in het donker | RIVM

In november 2006 is Traumacentrum Oost (TCO) van het Radboud Ziekenhuis in Nijmegen voor een proefperiode gestart met nachtvluchten van de traumahelikopter vanaf vliegbasis Volkel. In deze periode is onderzocht of ook in het donker op een veilige manier een Mobiel Medisch Team (MMT) met een helikopter naar de plaats van een ongeval kan worden gebracht. Als dat het geval is, zou bij de realisatie van 24-uurs traumazorg ook 's nachts gebruikgemaakt kunnen worden van helikopters. Als onderdeel van dit proefproject heeft het RIVM in opdracht van TCO onderzocht wat de vraag naar MMT's is in de nachtelijke uren. Hierbij is specifiek gekeken naar de geografische spreiding van de vraag en de benodigde tijd voor het MMT om op de plaats van het incident aan te komen. Een MMT kan per helikopter of per auto worden vervoerd. Beide vervoersmogelijkheden zijn in dit onderzoek onderzocht. Voor de analyses zijn diverse modellen ontwikkeld. Met deze modellen kunnen spreidingsscenario's van MMT's worden doorgerekend waarbij kan worden berekend hoeveel mensen, gegeven een bepaalde spreiding van MMT-voertuigen en helikopters, binnen een bepaalde normtijd kunnen worden bereikt. Eerst is bekeken hoe groot de vraag naar MMT's was de afgelopen jaren en hoe de geografische verdeling van deze vraag was. Vervolgens is een analyse gemaakt van de mogelijke nachtelijke vraag naar MMT's als er ook 's nachts een landsdekkende MMT-voorziening is. Tenslotte is bekeken hoe deze vraag wordt bediend, gegeven een bepaalde spreiding en beschikbaarheid van MMT's. In de afgelopen jaren is het aantal MMT-oproepen sterk gestegen; vergeleken met 2004 waren er in 2005 25% meer oproepen. In 2006 steeg het aantal inzetten met 30% ten opzichte van 2005 naar een totaal van bijna 4.700 oproepen. Deze groei hangt deels samen met een toename van het aantal diensturen. Het aantal oproepen is echter sneller gestegen dan het aantal diensturen. Het aantal oproepen per meldkamerregio verschilt strek. Deze variatie heeft een drietal mogelijke verklaringen. Ten eerste wordt er minder een beroep op een MMT gedaan naarmate de afstand tot de MMT-stationeringsplaats groter is. Ten tweede lijkt er sprake van aanbodgestuurde vraag; als een MMT paraat of beschikbaar is, wordt er ook gebruik van gemaakt. Ten derde kan een aantal typisch regionale verschillen in meldingen de oorzaak zijn van de regionale variatie. Hierbij kan gedacht worden aan verschillen in het toepassen van het inzetprotocol. Een eenduidig protocol voor het oproepen van MMT's ontbreekt op de meldkamers. Verder kan gedacht worden aan verschillen in kenmerken van de regio, verschillen in meldkamercultuur en cultuur in de ambulancewereld en verschillen in bejegening, vaardigheden en ervaring van personeel van zowel ambulancediensten als het MMT. Vanwege deze regionale verschillen, lopen de schattingen van de nachtelijke vraag uiteen van 90 tot ruim 2.600 oproepen per jaar in Nederland. Het bereik van de helikopter is 's nachts minder groot dan overdag. In de nacht ligt de gemiddelde snelheid ongeveer 25 km/u lager dan overdag. Het aantal bereikte inwoners binnen 30 minuten (de dekkingsgraad) is daardoor, afhankelijk van de stationeringsplaats van de helikopter, 30% tot 45% lager ten opzichte van de dagsituatie. 's Nachts moet de helikopter 6 minuten langer vliegen om dezelfde afstand te halen als overdag binnen 30 minuten. Momenteel hebben vier traumacentra een paraat MMT. Deze centra hebben tevens de beschikking hebben over een helikopter. Daarnaast worden vanuit zes andere traumacentra beschikbaarheidsdiensten van MMT's met een voertuig georganiseerd. Bovendien is er nog ondersteuning door een Belgische en twee Duitse helikopters. Overdag wordt door dit netwerk 98,2% van de Nederlandse bevolking bereikt. Zonder buitenlandse helikopters neemt dit percentage af tot 94,2%. In de nachtsituatie loopt de dekking terug naar 78,3%.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Protocol voor de beoordeling van de chemische toestand van grondwaterlichamen. Een theoretisch concept | RIVM

Dit protocol is een voorschrift voor de grondwaterbeheerders in Nederland, waarmee op eenduidige wijze de beoordeling van de chemische toestand van grondwaterlichamen kan worden uitgevoerd. Dit is niet het definitieve protocol. In 2008 zal dit theoretische concept worden getoetst aan de praktijk en de knelpunten die in dit protocol staan aangegeven zullen nader worden onderzocht en uitgewerkt.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Ziektelast van effecten op de voortplanting ten gevolge van blootstelling aan stoffen op de werkplek. Best professional judgement | RIVM

Contact met chemicalien op de werkvloer kan gevolgen hebben voor de vruchtbaarheid van mannen en vrouwen of voor de ontwikkeling van het nageslacht. Er zijn echter te weinig gegevens beschikbaar om alle gevolgen van dergelijke arbeidsgerelateerde blootstellingen te kwantificeren. Om daar toch een indicatie van te krijgen, heeft het RIVM de ziektelast van vijf gevolgen (waaronder miskramen en aangeboren afwijkingen) en vier stofgroepen (zoals bestrijdings- en oplosmiddelen) geschat. Bij elkaar opgeteld bedraagt dit ongeveer 400 Disability Adjusted Life Years (DALY's). Dat is 1 procent van het totaal aantal DALY's voor effecten op de voortplanting onder de werkende bevolking (ongeacht de oorzaak). De onzekerheidsmarge van deze schatting is groot doordat beschikbare gegevens beperkt zijn en aannames in de berekeningen onzeker zijn. Het begrip ziektelast is een maatstaf om de gevolgen van ziekten en aandoeningen te kwantificeren, en wordt uitgedrukt in DALY's. Het combineert gezondheidsverlies door verminderde kwaliteit van leven en door vroegtijdig overlijden. Bij het onderzoek waren veel deskundigen betrokken. Zij zijn geraadpleegd over de afbakening, uitgangspunten, aannames en berekeningsmethode. Hun meningen liepen sterk uiteen. Bijvoorbeeld of de ziektelast van een miskraam alleen geldt voor de vrouw, of ook voor het ongeboren kind of de man. Slechts een klein aantal deskundigen deed een uitspraak over de verwachte totale jaarlijkse ziektelast voor effecten op de voortplanting door beroepsmatige blootstelling aan stoffen. Hun schattingen liepen uiteen van 100 tot 10.000 DALY's. Deze ziektelast neemt daarmee een middenpositie in ten opzichte van de totale ziektelasten van negen andere aandoeningen door beroepsmatige blootstelling aan stoffen, waarover het RIVM eerder heeft gerapporteerd.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Zorgbalans 2008. De prestaties van de Nederlandse gezondheidszorg | RIVM

De Zorgbalans beschrijft met behulp van ruim honderd indicatoren de prestaties van de Nederlandse gezondheidszorg in 2006 (en deels 2007). De Zorgbalans schetst een breed beeld van de toegankelijkheid, het kostenniveau en de kwaliteit van de Nederlandse zorg. Waar mogelijk wordt dat gedaan met behulp van tijdreeksen en internationale vergelijkingen. In deze tweede Zorgbalans besteden we speciale aandacht aan drie thema's: de doelmatigheid van de zorg, het oordeel van de burgers over de zorg en de effecten van de ingezette stelselwijziging. In opdracht van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport brengt het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu tot op heden de Zorgbalans iedere twee jaar uit. Op hoofdlijnen concludeert de tweede Zorgbalans: Toegankelijk, kostenstijging gemiddeld, kwaliteit kan beter. Nederland heeft een toegankelijk zorgsysteem. De zorguitgaven stegen sinds 2004 jaarlijks met 5%. Dit groeitempo is vergelijkbaar met de ons omringende landen. De kwaliteit van zorg is hoog op veel onderdelen, maar internationaal excelleert Nederland niet. De burgers en de zorggebruikers zijn positief over de geboden zorg, maar er zijn verschillen tussen de onderdelen. Een punt van zorg is de beschikbaarheid van verplegend en verzorgend personeel. De coordinatie en afstemming in de zorg en de patientveiligheid scoren relatief laag. De doelmatigheid van de zorg in Nederland is nog niet optimaal. Kwaliteit is (nog) geen sturende factor in de zorgmarkt.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Vaccinatiegraad Rijksvaccinatieprogramma Nederland; verslagjaar 2006-2008 | RIVM

De vaccinatiegraad in Nederland is hoog. Dat is nodig om de bevolking tegen uitbraken van infectieziekten te beschermen (groepsimmuniteit). Continue aandacht en gezamenlijke inspanning van alle bij het Rijksvaccinatieprogramma (RVP) betrokken partijen blijft echter essentieel om de Nederlandse bevolking nu en in de toekomst voldoende te beschermen. Zo is het belangrijk te benadrukken dat kinderen, volgens de richtlijnen van het RVP, tijdig en volledig worden gevaccineerd. Extra aandacht is nodig voor de vaccinatiegraad voor kleuters en schoolkinderen in het algemeen. In het bijzonder geldt dat voor de tweede BMR-vaccinatie en voor de vaccinatie van kinderen waarvan een of beide ouders is geboren in een land waar hepatitis B meer dan gemiddeld voorkomt. De vaccinatiegraad voor deze inentingen, die voor het eerst zijn gerapporteerd, is relatief laag. Tussen 2006 en 2008 is een iets lagere vaccinatiegraad gemeten, vooral voor kleuters en schoolgaande kinderen. Dit verschil is vooral toe te schrijven aan een nieuwe methode om de vaccinatiegraad vast te stellen, die vanaf 2006 wordt gebruikt. Deze cijfers geven nauwkeuriger aan of de vaccinaties voldoen aan de richtlijnen van het RVP, zoals het tijdstip waarop de vaccinaties zijn gegeven. In dit rapport is de vaccinatiegraad in Nederland van 2006 tot 2008 weergegeven. Dit betreft gegevens over zuigelingen die zijn geboren tussen 2003 en 2005, kleuters geboren tussen 2000 en 2002 en schoolgaande kinderen geboren tussen 1995 en 1997. Landelijk gezien lagen in verslagjaar 2008 (zuigelingen geboren in 2005, kleuters geboren in 2002 en schoolgaande kinderen geboren in 1997) de gemiddelde vaccinatiepercentages voor alle vaccinaties boven de ondergrens van 90 procent. In het rapport worden de vaccinatiepercentages per provincie en gemeente toegelicht. De vaccinatiegraad is vooral laag in gemeenten waar relatief veel mensen wonen die vaccinatie afwijzen vanwege hun geloof.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Inventarisatie CO-emissies uit de industrie: emissiereductiedoelstelling loslaten? | RIVM

De koolmonoxide-emissies van de industrie zijn de afgelopen jaren flink afgenomen, maar de doelstelling om de emissies tot 2010 met 90% te verminderen zal de industrie niet halen. Bij de huidige emissies en concentraties koolmonoxide in de lucht verwacht het RIVM geen negatieve gezondheidseffecten voor mensen. Ook de effecten op het milieu zijn naar verwachting gering. In het begin van de jaren '90 heeft de overheid afspraken gemaakt met de industrie om de emissies van koolmonoxide terug te dringen. Een van die afspraken was dat de emissies in 2010 met 90% zouden zijn verminderd ten opzichte van 1985. De Directie Klimaatverandering en Industrie (KvI) van het ministerie van VROM wil deze doelstelling mogelijk herzien. Ze heeft het RIVM gevraagd een inventarisatie te maken van de verschillende aspecten met betrekking tot industriele koolmonoxide emissies. De koolmonoxide-emissies van de industrie zijn door de invoering van betere technieken de afgelopen jaren flink afgenomen. De verwachting is echter dat de emissies niet verder zullen afnemen, tenzij tegen zeer hoge kosten. Bovendien wordt vanuit het milieubeleid meer aandacht gegeven aan het terugdringen van emissies van andere stoffen, zoals stikstofoxiden en het broeikasgas. Omdat grote bedrijven nationaal en internationaal verplicht zijn hun koolmonoxide-emissies te monitoren, blijft er zicht op de ontwikkeling van de totale emissie aan koolmonoxide door de Nederlandse industrie. Wel is door verschillende partijen (Facilitaire Organisatie Industrie, Milieu- en Natuurplanbureau en VROM-Inspectie) de nodige zorg geuit over de kwaliteit van het monitoren. De concentraties koolmonoxide in de buitenlucht zijn de afgelopen jaren flink afgenomen en liggen overal in Nederland ruim beneden de Europese grenswaarde. Hoewel enkele grote bedrijven een relevante bijdrage leveren aan de concentraties koolmonoxide in hun omgeving, liggen ook hier de concentraties onder de Europese grenswaarde.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Die Risiken umweltgefaehrdender Stoffe in Importcontainern. Die Sachlage 2007 | RIVM

Personen in der unmittelbaren Umgebung eines gerade geoeffneten (begasten) Seecontainers koennen hohen Konzentrationen fluechtiger organischer Stoffe ausgesetzt sein. Die Beruehrung mit solchen Stoffen kann akute Gesundheitsrisiken mit sich bringen. Verbraucher koennen diesen Stoffen ausgesetzt sein, wenn diese Stoffe aus mit diesen Containern verfrachteten Produkten ausduensten. Das RIVM hat drei solcher Produkte untersucht: zwei Matratzen und ein Paar Schuhe. Es wurden diese Produkte ausgewaehlt, weil der Verbraucher bei der Benutzung den Stoffen ueber lange Zeit ausgesetzt ist. Trotz der langen Dauer dieser Exposition ergaben sich keine inakzeptablen Gesundheitsrisiken. Das RIVM kann Gesundheitsrisiken nicht in allen Situationen ausschliessen. Diese Risiken lassen sich jedoch nicht quantifizieren. Es fehlen Daten und es gibt viele Expositionspfade. Die gefaehrlichen Stoffe gelangen auf zweierlei Weise in Container und Produkte. Stoffe wie Methylbromid und 1,2-Dichlorethan werden fuer die Desinfektion von Guetern und Holzverpackungsmaterial eingesetzt. Sie werden vor dem Transport in die Container eingefurhrt. Bei einem laengeren Transport koennen sie in die befoerderte Ware eindringen. Andere Stoffe, wie Benzol und Toluol, werden im Fertigungsprozess als Bestandteil oder als Loesemittel eingesetzt. Wenn die Stoffe sich in den Produkten befinden, koennen sie daraus innerhalb des Hauses ausduensten. Das RIVM sieht mehrere Moeglichkeiten, um die Exposition von Buergern zu verringern. Die Beschraenkung des Einsatzes dieser Mittel ist eine Moeglichkeit. Hersteller und Importeure koennen dies erreichen, indem sie striktere Anforderungen an den Einsatz solcher Stoffe waehrend der Fertigung oder fuer den Transport stellen.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Visuele weergave van de voedingssituatie in Nederland: een instrument | RIVM

Het rapport beschrijft een instrument waarmee de beoordeling van voeding en lichamelijke activiteit aan de hand van de Richtlijnen Goede Voeding (RGV) gevisualiseerd wordt in een figuur, zodat in een oogopslag inzicht kan worden verkregen in de voedingssituatie van de bevolking of de betreffende bevolkingsgroep. De figuur betreft een cirkel verdeeld in segmenten. Elk segment beschrijft de situatie van een bepaalde voedingsfactor of van de mate van activiteit. De kleur van het segment geeft aan of er reden tot bezorgdheid is, en de grootte geeft aan in welke mate gezondheidswinst te behalen is. Binnen elk segment wordt tevens gevisualiseerd in welke mate het percentage dat voldoet aan de richtlijn toegenomen of afgenomen is vergeleken met voorgaande peilingen. In het rapport is het instrument toegepast op recente Nederlandse voedselconsumptiepeilingen (VCP's) bij jongvolwassenen van 19-30 jaar en bij kinderen van 2-6 jaar. Tevens zijn enkele fictieve voorbeelden opgenomen om de toepassingsmogelijkheden van het instrument volledig tot hun recht te laten komen. Bij gebleken bruikbaarheid voor het voedingsbeleid (en/of andere toepassingsgebieden) zou het instrument opgenomen kunnen worden in rapportages van voedselconsumptiepeilingen.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Gebiedsdossier en beschermingszonedocument voor bronnen drinkwater. Innamepunt Heel als pilot voor integratie | RIVM

Als proef is een compleet overzicht samengesteld van relevante aspecten voor de waterkwaliteit, gericht op preventie en risicobeheersing. Hiervoor zijn het 'gebiedsdossier' en het 'beschermingszonedocument' voor het innamepunt voor drinkwaterbereiding 'Heel' geintegreerd tot een document. Het overzicht is ontwikkeld door het RIVM, in samenwerking met Rijkswaterstaat, de Waterdienst en NV Waterleiding Maatschappij Limburg. De documenten blijken elkaar goed aan te vullen en kunnen betrekkelijk eenvoudig worden samengevoegd. Vanwege eenduidigheid en herkenbaarheid voor de gebruikers van de documenten, bleek het wenselijk om gebiedsdossiers en beschermingszonedocumenten te integreren. Een gebiedsdossier blijkt een nuttig instrument om informatie te bundelen die relevant is voor de waterkwaliteit van bronnen voor drinkwater. Op basis van deze informatie kunnen effectieve beschermingsmaatregelen worden ontwikkeld. Het gebiedsdossier vult het bestaande beschermingsbeleid aan. Het RIVM heeft in een eerder project (Wuijts et al., 2007) een protocol opgesteld om een gebiedsdossier te ontwikkelen en dit uitgewerkt voor drie typen waterwinning (grondwater, oevergrondwater en oppervlaktewater). Parallel aan de studie naar het gebiedsdossier heeft advies- en ingenieursbureau DHV beschermingszonedocumenten uitgewerkt voor de innamepunten van oppervlaktewater voor drinkwaterbereiding. Dit gebeurde in opdracht van Rijkswaterstaat en de Waterdienst. In deze documenten worden de verontreinigingsrisico's van activiteiten in de zeer nabije omgeving van het innamepunt in kaart gebracht.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Supporting REACH - Development of building blocks of a module for intelligent testing of data-poor organic substances | RIVM

De nieuwe EU-regelgeving met betrekking tot de productie en het gebruik van chemische stoffen (REACH) streeft naar een verbetering van de kwaliteit van een gezonde leef- en werkomgeving. Stoffen komen direct en indirect in het arbeids- en leefmilieu terecht. Op dit moment is voor veel stoffen onbekend wat de gevaren zijn voor de volksgezondheid en de effecten op de leefomgeving. Binnen REACH wordt onder andere gestreefd naar een minimalisatie van het gebruik van proefdieren. Aan de andere kant moet in de komende jaren een inhaalslag gemaakt worden om essentiele kennislacunes weg te nemen. Hierbij dient zoveel mogelijk gebruik gemaakt te worden van bestaande stofgegevens, waarbij het essentieel is om de beschikbare informatie zo efficient mogelijk te gebruiken. In dit rapport worden enkele bouwstenen uitgewerkt van een module voor een geintegreerde teststrategie (ITS in REACH-termen) voor data-arme stoffen. Dit is gedaan voor twee stofgroepen: carbamaten en organofosfaat-esters. Dit zijn twee stofgroepen met diverse toepassingen terwijl het ontbreekt aan kennis over hun lot en effecten in het milieu. De aandacht ligt bij dit uitgewerkt voorbeeld op het voorspellen van de aquatische toxiciteit van zowel de uitgangsstoffen als van hun metabolieten.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Chronische blootstelling aan koolmonoxide. Is er sprake van een probleem in Nederland? | RIVM

Slecht onderhouden en open verbrandingstoestellen in woningen leiden tot risico's voor blootstelling aan koolmonoxide. Echter, met de huidige kennis en inzichten is geen landsdekkend en representatief beeld ontstaan over het optreden van chronische, herhaaldelijke, blootstelling aan koolmonoxide in Nederlandse verblijfruimten. Dit concludeert het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) in een verkennend onderzoek naar het optreden van chronische blootstelling aan koolmonoxide in Nederlandse verblijfruimten. De VROM-Inspectie is opdrachtgever van dit onderzoek. Blootstelling aan koolmonoxide kan verschillende gezondheidsklachten tot gevolg hebben, zoals hoofdpijn, duizelingen en concentratiestoornissen. Bij een ernstige vergiftiging kan het zelfs dodelijk zijn. Uit de ongevallenstatistiek blijkt dat er jaarlijks enkele tientallen tot honderden ongevallen plaatsvinden en er ongeveer 8-12 doden vallen als gevolg van blootstelling aan koolmonoxide. Kennis over koolmonoxide-intoxicaties blijft veelal beperkt tot acute blootstellingssituaties. Er is beperkte informatie over chronische blootstelling aan koolmonoxide. Open verbrandingsinstallaties in Nederlandse woningen leiden tot risicosituaties. Het betreft meestal afvoerloze geisers, open haarden, gaskachels en gasfornuizen. Maar ook oude en niet goed onderhouden cv-ketels kunnen leiden tot blootstelling aan koolmonoxide. Onderhoud aan verbrandingsinstallaties in Nederland is sinds begin jaren '90 niet meer verplicht en er is weinig of geen toezicht op de veiligheid van deze installaties. Het uitvoeren van onderzoek, inspecties en huisbezoeken zijn goede methoden om beter inzicht te krijgen in de landelijke situatie rondom blootstelling aan koolmonoxide in Nederlandse verblijfruimten. Het vervangen van open verbrandingsinstallaties, het uitvoeren van periodieke keuringen voor onderhoud en meer toezicht op de veiligheid van installaties zijn mogelijke opties om risicosituaties te vermijden.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid. Resultaten van de monitoring van waterkwaliteit en bemesting in meetjaar 2006 in het derogatiemeetnet | RIVM

Dit rapport geeft een overzicht van de bemestingspraktijk en de waterkwaliteit in 2006 op graslandbedrijven die meer dierlijke mest mogen gebruiken dan in Europese regelgeving is aangegeven. De waterkwaliteit gemeten in 2006 is het gevolg van de bemestingspraktijk in eerdere jaren en geeft dus nog niet de gevolgen weer van de praktijk in 2006. De Europese Nitraatrichtlijn verplicht lidstaten het gebruik van dierlijke mest te beperken tot een bepaald maximum. Een lidstaat kan de Europese Commissie vragen om onder voorwaarden van deze beperking af te wijken. Nederland heeft toestemming gekregen om van 2006 tot en met 2009 af te mogen wijken van de gestelde norm. Een van de voorwaarden is dat de Nederlandse overheid een monitoringnetwerk inricht en aan de Commissie jaarlijks rapporteert over de resultaten daarvan. Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en het Landbouw Economisch Instituut (LEI) hebben in 2006 in Nederland een monitoringnetwerk opgezet. Dit zogenaamde derogatiemeetnet meet de gevolgen voor de landbouwpraktijk en de waterkwaliteit als landbouwbedrijven afwijken (derogatie) van de Europese gebruiksnorm voor dierlijke mest. Het meetnet omvat driehonderd graslandbedrijven. Het derogatiemeetnet is een onderdeel van het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM). In dit rapport worden de resultaten voor 2006, het eerste meetjaar, gepresenteerd. Voor 293 bedrijven waren gegevens over bemesting beschikbaar. De waterkwaliteitsmetingen zijn uitgevoerd op 202 bedrijven.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

The risks of environmentally hazardous substances in import containers. State of affairs 2007 | RIVM

Mensen in de directe nabijheid van een net geopende (gegaste) zeecontainer staan mogelijk bloot aan hoge concentraties vluchtige organische stoffen. Blootstelling hieraan kan leiden tot een acuut gezondheidsrisico. Consumenten kunnen met deze stoffen in aanraking komen als deze uitdampen uit goederen die in die containers zijn vervoerd. Het RIVM onderzocht drie van zulke producten: twee matrassen en een paar schoenen. Deze producten zijn geselecteerd omdat de consument bij het gebruik ervan langdurig aan de stoffen wordt blootgesteld. Ondanks deze lange duur treden geen onacceptabele gezondheidsrisico's op. Het RIVM kan niet voor alle situaties gezondheidsrisico's uitsluiten. Het is echter niet mogelijk deze risico's te kwantificeren. Gegevens ontbreken en er bestaan veel blootstellingsroutes. De gevaarlijke stoffen komen op twee manieren in containers en producten terecht. Stoffen als methylbromide en 1,2-dichloorethaan worden gebruikt om goederen en verpakkingshout te ontsmetten. Ze worden voor het transport in de containers ingebracht. Tijdens langdurig transport kunnen ze in de vervoerde producten gaan zitten. Andere stoffen, zoals benzeen en tolueen, worden tijdens het productieproces als bestanddeel of oplosmiddel gebruikt. Als de stoffen in de producten zitten kunnen ze daaruit binnenshuis uitdampen. Voor het verminderen van de blootstelling van burgers ziet het RIVM verschillende opties. Het verminderen van het gebruik van deze middelen is er een. Dit kunnen producenten en importeurs bereiken door meer eisen te stellen aan het gebruik van dergelijke stoffen tijdens productie of voor transport.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Environmental risk limits for toluene | RIVM

Dit rapport geeft milieurisicogrenzen voor tolueen in (grond)water, lucht en bodem. Milieurisicogrenzen zijn de technisch-wetenschappelijke advieswaarden voor de uiteindelijke milieukwaliteitsnormen in Nederland. De milieurisicogrenzen voor tolueen zijn gebaseerd op de uitkomsten van de EU risicobeoordeling voor tolueen (Bestaande Stoffen Verordening 793/93). De afleiding van de milieurisicogrenzen sluit tevens aan bij de richtlijnen uit de Kaderrichtlijn Water.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Environmental risk limits for 2-(2-butoxyethoxy)ethanol (DEGBE) | RIVM

Dit rapport geeft milieurisicogrenzen voor 2-(2-butoxyethoxy)ethanol (DEGBE) in (grond)water en bodem. Milieurisicogrenzen zijn de technisch-wetenschappelijke advieswaarden voor de uiteindelijke milieukwaliteitsnormen in Nederland. De milieurisicogrenzen voor DEGBE zijn gebaseerd op de uitkomsten van de EU risicobeoordeling voor DEGBE (Bestaande Stoffen sluit tevens aan bij de richtlijnen uit de Kaderrichtlijn Water.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Environmental risk limits for acrolein | RIVM

Dit rapport geeft milieurisicogrenzen voor acroleine in (grond)water, bodem en lucht. Milieurisicogrenzen zijn de technisch-wetenschappelijke advieswaarden voor de uiteindelijke milieukwaliteitsnormen in Nederland. De milieurisicogrenzen voor acroleine zijn gebaseerd op de uitkomsten van de EU risicobeoordeling voor acroleine (Bestaande Stoffen Verordening 793/93). De afleiding van de milieurisicogrenzen sluit tevens aan bij de richtlijnen uit de Kaderrichtlijn water
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Environmental risk limits for 2-(2-methoxyethoxy)ethanol (DEGME) | RIVM

Dit rapport geeft milieurisicogrenzen voor 2-(2-methoxyethoxy)ethanol (DEGME) in (grond)water en bodem. Milieurisicogrenzen zijn de technisch-wetenschappelijke advieswaarden voor de uiteindelijke milieukwaliteitsnormen in Nederland. De milieurisicogrenzen voor DEGME zijn gebaseerd op de uitkomsten van de EU risicobeoordeling voor DEGME (Bestaande Stoffen Verordening 793/93). De afleiding van de milieurisicogrenzen sluit tevens aan bij de richtlijnen uit de Kaderrichtlijn Water.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Environmental risk limits for monochloroacetic acid (MCAA) | RIVM

Dit rapport geeft milieurisicogrenzen voor monochloorazijnzuur in (grond)water en bodem. Milieurisicogrenzen zijn de technisch-wetenschappelijke advieswaarden voor de uiteindelijke milieukwaliteitsnormen in Nederland. De milieurisicogrenzen voor monochloorazijnzuur zijn gebaseerd op de uitkomsten van de EU risicobeoordeling voor monochloorazijnzuur (Bestaande Stoffen Verordening 793/93). De afleiding van de milieurisicogrenzen sluit tevens aan bij de richtlijnen uit de Kaderrichtlijn Water.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Environmental risk limits for dibutylphthalate (DBP) | RIVM

Dit rapport geeft milieurisicogrenzen voor dibutylftalaat in (grond)water, lucht en bodem. Milieurisicogrenzen zijn de technisch-wetenschappelijke advieswaarden voor de uiteindelijke milieukwaliteitsnormen in Nederland. De milieurisicogrenzen voor dibutylftalaat zijn gebaseerd op de uitkomsten van de EU risicobeoordeling voor dibutylftalaat (Bestaande Stoffen Verordening 793/93). De afleiding van de milieurisicogrenzen sluit tevens aan bij de richtlijnen uit de Kaderrichtlijn Water.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Exposure to chemicals via house dust | RIVM

Mensen worden via huisstof aan chemische stoffen blootgesteld. De meeste stoffen vormen op deze manier geen risico voor de gezondheid. Voor enkele stoffen wordt wel de gezondheidskundige norm overschreden waardoor er mogelijk sprake kan zijn van een risico voor de gezondheid. Dit geldt met name voor lood en di(2-ethylhexyl)ftalaat en in minder mate voor arseen, cadmium, polycyclische aromatische koolwaterstoffen en PBDE's (vlamvertragers). Deze stoffen komen op allerlei manieren terecht in huisstof, bijvoorbeeld door slijtage van producten, inloop van verontreinigde bodem, door stoffen die bij het koken vrijkomen of via de open haard. In opdracht van VROM-Inspectie heeft het RIVM een screening uitgevoerd van de risico's van verschillende chemische stoffen in huisstof (metalen, organotinverbindingen, ftalaten, gebromeerde vlamvertragers, bestrijdingsmiddelen, en polycyclische aromatische koolwaterstoffen). Huisstof wordt vooral ingenomen door contact van de hand of een voorwerp met de mond, wat vooral bij jonge kinderen veel voor komt. Daarnaast wordt een beperkte hoeveelheid huisstof ingeademd. De inname van huisstof is geschat voor kinderen en volwassenen. De blootstelling aan chemische stoffen via huisstof is berekend op basis van de hoeveelheid huisstof die mensen binnenkrijgen en concentraties van chemische stoffen daarin. Waar mogelijk is dat op de situatie in Nederland toegespitst. De blootstelling via huisstof is vergeleken met de norm voor wat dagelijks is toegestaan, en met de achtergrondblootstelling via voeding en water. De huidige bevindingen geven een overzicht van de stoffen in huisstof die de gezondheidskundige norm kunnen overschrijden, en waarvan de bijdrage van huisstof aan de totale blootstelling aanzienlijk is. Aanbevolen wordt de hier geidentificeerde stoffen te meten bij onderzoek naar het binnenmilieu.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Drinkwaterkwaliteit in nieuwbouwwoningen | RIVM

Drinkwater in nieuw gebouwde woningen bevat vaak verhoogde gehalten lood, nikkel en koper. Daardoor voldoet het drinkwater in deze woningen niet aan de eisen van het Waterleidingbesluit. Mogelijk is de kwaliteit van het drinkwater ook bij oplevering van de woning onvoldoende. Vooralsnog is echter geen sprake van acute gezondheidsrisico's. De normstelling gaat uit van een langdurige blootstelling aan deze metalen, en dat is in deze situatie waarschijnlijk niet het geval. Dit probleem kan verholpen worden door voor de oplevering langdurig en tijdens de eerste maanden van bewoning dagelijks 's ochtends de kranen een aantal minuten te laten lopen. Bewoners dienen hierover beter geinformeerd te worden door de installateur of het waterleidingbedrijf. Dit concludeert het RIVM nadat het de drinkwaterkwaliteit in bijna honderd nieuwbouwwoningen heeft onderzocht. Het onderzoek is uitgevoerd in samenwerking met Kiwa Water Research en een aantal waterleidinglaboratoria. In vrijwel alle onderzochte nieuwbouwwoningen zijn de verhoogde gehalten metalen aangetroffen. Ze zijn afkomstig uit gebruikte materialen zoals, kranen, koppelingen, soldeer en leidingen. Nieuwe materialen geven gedurende de eerste maanden metalen af. Ook zijn hoge aantallen bacterien aangetroffen. Er zijn echter geen aanwijzingen dat er ziekteverwekkende organismen in het drinkwater zitten.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

De controle van (collectieve) leidingwaterinstallaties. Voortgang en bevindingen | RIVM

Jaarlijks wordt een deel van alle drinkwaterinstallaties gecontroleerd door de waterleidingbedrijven om het openbare drinkwaternet en gebruikers van de installaties tegen verontreinigingen te beschermen. Bij zowel de bestaande bebouwing als bij nieuwbouw voldoet 29 procent van de gecontroleerde installaties bij de eerste controle niet aan de eisen. Bij hercontrole waren veel gebreken verholpen, maar in de bestaande bouw voldeed 12 procent van de gecontroleerde installaties nog steeds niet. In de nieuwbouw ging het hierbij om 4 procent. Het RIVM rapporteert VROM-Inspectie jaarlijks over de controles. De percentages liggen hoger dan in 2005. Dat komt omdat er in 2006 van meer installaties meer gegevens zijn verstrekt op basis waarvan een representatief beeld van de controles is gemaakt. Bovendien zijn er meer installaties gecontroleerd dan in voorgaande jaren. Bij aanhoudende gebreken voeren waterleidingbedrijven een tweede hercontrole uit om te toetsen of de eigenaar deze gebreken heeft verholpen. Indien de installatie dan nog steeds niet aan de eisen voldoet, wordt het toezicht erop overgedragen aan de VROM-Inspectie. In 2006 is 1 procent van de bestaande bouw overgedragen. Van de nieuwbouw zijn op dit niveau geen gegevens bekend. Bij installaties met speciale voorschriften voor legionellapreventie (prioritaire instellingen) is het percentage dat bij de eerste controle niet aan de eisen voldoet gedaald, maar nog steeds groot (82 procent). Bij de eerste hercontrole was het overgrote deel van de problemen verholpen (bij 76 procent). De extra controle is hiermee effectief gebleken.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Geautomatiseerde distributiesystemen voor geneesmiddelen | RIVM

In toenemende mate worden geneesmiddelen met behulp van geautomatiseerde distributiesystemen (GDS) aan patienten verstrekt. De GDS-machine zorgt ervoor dat de geneesmiddelen per individu en per inname-tijdstip worden verpakt. GDS-machines zijn ontwikkeld om tijd te besparen en de kwaliteit van de geneesmiddelenverstrekking te verbeteren. Met als doel dat elke patient de juiste geneesmiddelen op het juiste tijdstip ontvangt. Volgens een onderzoek van IGZ uit 2002 waren er in die tijd nog onvoldoende kwaliteitswaarborgen van het verpakkingsproces aanwezig, waardoor het gebruik van deze GDS-machines mogelijk een risico vormt voor de patient. Omdat de geneesmiddelen uit de oorspronkelijke verpakking worden gehaald kunnen ze onderling worden verwisseld, kan er kruiscontaminatie ontstaan en kan de houdbaarheid negatief worden beinvloed. Uit het in dit rapport beschreven onderzoek blijkt dat hoofdzakelijk het onderhoud van de GDS-machine en het assortimentsbeheer te wensen overlaat. Er zijn echter geen aanwijzingen gevonden voor het optreden van kruiscontaminatie en ook zijn er bij de onderzochte producten geen houdbaarheidsproblemen geconstateerd. De GDS-rollen zelf zien er over het algemeen goed uit en in 2% van de onderzochte GDS-zakjes is een foutieve uitvulling van geneesmiddelen geconstateerd.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

GGD-richtlijn medische milieukunde: koolmonoxide in woon- en verblijfsruimten | RIVM

Oktober 2020 Let op: deze richtlijn is herzien, kijk voor de herziene versie op https://www.rivm.nl/ggd-richtlijn-mmk-koolmonoxide Het RIVM heeft een richtlijn ontwikkeld, die GGD'en handvatten biedt om de koolmonoxideproblematiek in woon- en verblijfsruimten binnen hun regio aan te pakken. Doel is om met de beschikbare middelen het risico op een koolmonoxidevergiftiging tot een minimum te beperken. De oorzaak van koolmonoxidevergiftiging is vrijwel altijd een verhoogde concentratie koolmonoxide in een woon- of verblijfsruimte. De richtlijn gaat in op zowel de beleidsmatige kant van het probleem, gericht op het voorkomen van koolmonoxideproblematiek, alsmede de behandeling van een melding waarbij koolmonoxide een rol speelt. Een belangrijk uitgangspunt van de richtlijn is dat maatregelen aan de bron (het tegengaan van koolmonoxide-emissie) de voorkeur hebben boven het enkel toepassen van effectgerichte risicobeheersende maatregelen, zoals het plaatsen van signaleringsapparatuur of het verbeteren van de ventilatiemogelijkheden van de woon- en verblijfsruimte. In Nederland overlijden acht tot twaalf mensen per jaar als gevolg van acute koolmonoxidevergiftiging. Daarnaast worden jaarlijks honderden mensen met een koolmonoxidevergiftiging in het ziekenhuis opgenomen of op de eerste hulp behandeld. Behalve een acute koolmonoxidevergiftiging kunnen mensen ook een chronische vergiftiging oplopen. Chronische koolmonoxidevergiftiging kan leiden tot gezondheidsklachten zoals hoofdpijn, duizeligheid en concentratieverlies. Zowel door betrokkenen als door hulpverleners wordt een acute of chronische koolmonoxidevergiftiging vaak niet herkend.
Jaar: 2008 Onderzoek

Dutch Environmental Indicator for plant protection products, version 2. Input, calculation and aggregation procedures | RIVM

De Nationale Milieu-Indicator voor gewasbeschermingsmiddelen is een softwarepakket dat wordt gebruikt voor de berekening van emissies en milieubelasting van deze middelen. Dit rapport geeft een beschrijving van benodigde invoergegevens van het softwarepakket en de concepten van de gebruikte aggregatie- en berekeningswijzen.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Achtergrondconcentraties en relatie met bodemtype in de Nederlandse bodem | RIVM

Door recente data is de kennis over de chemie van de Nederlandse bodem flink toegenomen. Deze kennis is van belang bij het beoordelen van risico's van onder andere aanwezige zware metalen. Deze zware metalen komen deels van nature voor in de bodem maar zij zijn ook het gevolg van menselijk handelen. Door het afleiden van rekenkundige relaties is het mogelijk om het natuurlijke aandeel van de metalen te schatten. Daarnaast kan ingeschat worden welke invloed de mens heeft gehad op de toename van de concentraties. Deze relaties kunnen ook gebruikt worden als basis voor een zogenaamde 'bodemtypecorrectie', een methode uit de Nederlandse bodempraktijk om bodemconcentraties en bodemnormen te standaardiseren op basis van het gehalte aan klei en organische stof in een bodemmonster. De afgeleide relaties beperken zich tot de zware metalen, arseen en antimoon. Zij zijn gebaseerd op de relatie met de kleimineralogie. Ondanks wat tot nu toe werd aangenomen, heeft het gehalte aan organische stof geen invloed op de variatie van de natuurlijke concentraties van metalen. Voor organische stoffen zoals polycyclische aromaten kunnen ook relaties afgeleid worden maar dit is niet uitgevoerd wegens het ontbreken van data. In deze studie worden het principe en de methodiek achter de rekenkundige relaties uitgelegd. Daarnaast wordt uitgelegd welke rol deze relaties kunnen spelen voor het berekenen van de risico's van stoffen in de bodem en hoe deze kunnen worden toegepast als bodemtypecorrectie.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Revised proposal for the risk assessment of persistence of plant protection products in soil | RIVM

Dit rapport geeft aangepaste richtlijnen voor de beoordeling van milieurisico's van gewasbeschermingsmiddelen die lang in de bodem aanwezig blijven. Deze richtlijnen geven een nadere invulling aan de Europese regelgeving. Het rapport onderscheidt drie beschermdoelen voor de bodem: 1) behoud van landbouwkundige bodemfuncties, 2) behoud van structuur van levensgemeenschappen van agro-ecosystemen en 3) bescherming van de structuur van bodemlevensgemeenschappen in natuurgebieden. De risicobeoordeling op Europees niveau beschouwt het eerste beschermdoel en blijft daarom buiten beschouwing. De twee overige beschermdoelen zijn vooral toegespitst op de Nederlandse situatie en kunnen later voor Europese regelgeving worden uitgewerkt. Om tot een nauwkeurigere beoordeling te komen stelt het rapport voor om zowel aan de blootstellingskant als aan de effectenkant met getrapte systemen te werken. Deze beslisbomen worden gehanteerd bij achtereenvolgens halfwaardetijden van de stoffen in de bodem boven 90 en 180 dagen. Stoffen met dergelijke halfwaardetijden werden vroeger in Nederland op een andere manier beoordeeld of niet toegestaan. De nieuwe richtlijnen betrekken alle wetenschappelijke informatie in de beoordeling, zoals de Europese gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn vereist.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Implementation of source apportionment using Positive Matrix Factorization - Application of the Palookaville exercise | RIVM

De negatieve gevolgen van fijn stof op de volksgezondheid, zoals een toename van luchtwegziekten en vroegtijdige sterfte, zijn onderkend. Om sneller passende beleidsmaatregelen tegen de uitstoot van fijn stof te kunnen bepalen en toe te passen, is het belangrijk te achterhalen welke bronnen aan die uitstoot bijdragen en wat de bijdrage van die bronnen is aan gezondheidseffecten. Uitstoot van verschillende bronnen, varierend per locatie en tijd, draagt bij aan de concentratie fijn stof. Deze werkwijze is effectiever dan uit te zoeken welke chemische onderdelen of fysische eigenschappen van fijn stof verantwoordelijk zijn voor deze negatieve effecten. Het RIVM heeft een methode uitgewerkt waarmee de relatieve bijdrage van bronnen in kaart kan worden gebracht. Het ministerie van VROM kan deze inzichten gebruiken in zijn strategie om de uitstoot van fijn stof te verminderen. Er bestaan complexe rekenkundig modellen die op basis van metingen de relatieve bijdrage van deze bronnen kunnen achterhalen. Een voorbeeld van zo'n model is 'Positive Matrix Factorization'. Om de benodigde expertise op te bouwen heeft het RIVM dit model toegepast op beschikbare referentiegegevens, bekend als de Palookaville-data, opgebouwd uit gesimuleerde metingen. Tijdens de analyse zijn de inconsistenties die opzettelijk in deze dataset zijn aangebracht, aan het licht gekomen. Hierdoor heeft het RIVM aangetoond voldoende inzicht te hebben in de brontoewijzingsmodelering om het gebruikte rekenmodel toe te passen.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Composition and sources of fine particulate matter (PM2.5) in the Netherlands | RIVM

Tussen 1998 en 1999 vormde de uitstoot van wegverkeer de voornaamste bijdrage aan fijn stof. Andere belangrijke bijdrages waren indirecte emissies van alle vormen van gemotoriseerd verkeer (fijn stof gevormd uit gassen), energieproductie en landbouw. Dit blijkt uit een onderzoek van het RIVM naar de bronbijdragen aan PM2,5 (fijn stof met een diameter kleiner dan 2,5 micrometer) over deze periode. De negatieve gevolgen van fijn stof op de volksgezondheid, zoals een verkorte levensduur en een toename in ernst en omvang van luchtwegaandoeningen, zijn onderkend. Om passende beleidsmaatregelen tegen de uitstoot van fijn stof te kunnen bepalen heeft het RIVM onderzocht welke bronnen in de periode 1998-1999 aan deze uitstoot bijdragen. Hiermee wordt het beleid van de overheid, dat de vervuiling bij bron aanpakt, ondersteund. Gemiddeld is in een bebouwd gebied in Nederland in de periode 1998-1999 de bijdrage van verkeer 38 procent (12 procent diesel, 26 procent benzine). De bijdrage van olieverbranding en daaraan gerelateerde bronnen bedraagt 7 procent. De bijdrage van natuurlijke bronnen (zeezout en bodemstof) bedraagt 10 procent. De resterende 45 procent zijn indirecte emissies van verkeer, energieproductie en landbouw. De zes onderzochte meetlocaties lagen in het midden van het land. Elke locatie werd voornamelijk door een van de volgende fijnstofbronnen belast: drukke verkeersweg, stedelijke omgeving, industrieel gebied, landelijk gebied nabij de zee of nabij intensieve veehouderij. De relatieve bronbijdragen verschilden aanzienlijk per locatie en per seizoen. De concentraties fijn stof zijn groter in de winter dan in de zomer, wat in bebouwde gebieden vooral door verkeersbijdragen kan worden verklaard. Voor een koppeling met gezondheidseffecten en een nauwkeurigere schatting van de bronbijdragen op een locatie zijn uitgebreidere metingen noodzakelijk.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Evaluation of the 2006 proposal for risk assessment of persistence of plant protection products in soil | RIVM

Dit rapport evalueert het voorstel uit 2006 voor de beoordeling van milieurisico's van gewasbeschermingsmiddelen die lang in de bodem aanwezig blijven. Dit voorstel beschreef drie beschermdoelen en stelde getrapte beoordelingssystemen (beslisbomen) voor. De uitkomsten van deze beoordelingssystemen bleken consistent. De optie uit het voorstel om de risico's niet alleen te beoordelen op basis van het totaalgehalte in de bodem maar ook op de concentraties in het bodemvocht moet worden verplicht. De evaluatie is uitgevoerd met alle beschikbare gegevens uit toelatingsdossiers en openbare literatuur van vijf stoffen. De gegevens bleken voor verschillende onderdelen van de beslisbomen niet toereikend, waardoor fabrikanten aanvullende gegevens zullen moeten leveren voor veel toelatingsdossiers. Ook moeten beschikbare studies meestal opnieuw worden geinterpreteerd om de benodigde gegevens voor de nieuwe beoordeling af te leiden. Een goede beoordeling vereist daarom specifieke expertise van zowel aanvragers als beoordelende instanties. Om gedrag en effecten van persistente stoffen beter te kunnen begrijpen, wordt eveneens aanbevolen het gedrag in het veld over langere duur te onderzoeken, de concentraties in testsystemen te meten, testen met bodemschimmels te ontwikkelen, en ervaring op te doen met (semi-)veldstudies naar de relatie tussen blootstelling en effecten.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Environmental risk limits for twelve substances, prioritised on the basis of indicative risk limits | RIVM

Het RIVM heeft in dit rapport voor twaalf chemische stoffen gedegen milieurisicogrenzen afgeleid. Deze zijn beter onderbouwd dan de tot nu toe gebruikte indicatieve (ad hoc) milieurisicogrenzen. Op basis van de milieurisicogrenzen stelt de interdepartementale Stuurgroep Stoffen de milieukwaliteitsnormen vast. De overheid hanteert deze normen bij de uitvoering van het nationale stoffenbeleid en de Europese Kaderrichtlijn Water. De twaalf chemische stoffen zijn pentabroomdifenylether, para-tert-octylfenol, benzo[b]-fluorantheen, isodrin, 2-methyl-4,6-dinitrofenol, aniline, epichloorhydrine, 1,2-dibroomethaan, ethinyloestradiol, broommethaan (methylbromide), 4-[dimethylbutylamino]-difenylamine (6PPD) en 3,3'-dichloorbenzidine. Voor deze stoffen zijn tot nu toe alleen indicatieve milieurisicogrenzen afgeleid door het RIZA en het RIVM. De indicatieve waarden van beide instituten verschilden echter vaak meer dan een factor 10. Hierom besloot het ministerie van VROM om voor deze stoffen gedegen milieurisicogrenzen af te laten leiden. Bij de afleiding van de milieurisicogrenzen gebruikte het RIVM in dit rapport de meest actuele milieuchemische en toxicologische gegevens. De afleiding gebeurde volgens de methode die is voorgeschreven binnen het project (Inter)nationale Normen Stoffen. Dit betekent dat voor water en sediment de methodiek van de Europese Kaderrichtlijn Water is gevolgd. Voor bodem, grondwater en lucht zijn nationale procedures gevolgd, die deels zijn gebaseerd op de technische richtlijn bij de Bestaande Stoffen Verordening. Er bestaan vier verschillende milieurisicogrenzen: een verwaarloosbaar risiconiveau (VR), een niveau waarbij geen schadelijke effecten zijn te verwachten (MTR), het maximaal acceptabele niveau voor water-ecosystemen, specifiek voor kortdurende blootstelling (MACeco) en een niveau waarbij mogelijk ernstige effecten voor ecosystemen te verwachten zijn (EReco).
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

The EU (Q)SAR Experience Project: reporting formats. Templates for documenting (Q)SAR results under REACH | RIVM

De zojuist in werking getreden Europese wetgeving voor chemische stoffen (REACH) propageert alternatieven om het aantal dierproeven te verminderen. (Q)SAR is zo'n alternatief en staat voor kwalitatieve en kwantitatieve structuur-activiteitsrelatie. (Q)SAR's leggen een verband tussen de chemische structuur van de stof en een toxische eigenschap ervan, bijvoorbeeld huidirritatie. Met behulp van deze theoretische modellen is het mogelijk om schadelijke effecten van chemische stoffen voor mens en dier te voorspellen zonder dierproeven te hoeven doen. Het RIVM draagt bij aan het verminderen van het aantal dierproeven door de resultaten van deze modellen, de zogeheten (Q)SAR's, toepasbaar te maken voor beleid. Het RIVM heeft formats ontwikkeld om de resultaten van (Q)SAR's op drie niveaus te beschrijven: het model, het voorspelde effect van een specifieke stof, en de vertaling van dat effect naar beleid. Deze aanvullende informatie is nodig om de geldigheid en betrouwbaarheid van een voorspelling goed te kunnen beoordelen. De formats blijven in ontwikkeling, maar zijn in concept al opgenomen in de REACH-richtlijnen. Ze kunnen bovendien met enige aanpassingen ingezet worden om resultaten van andere alternatieven voor dierproeven, zoals die genoemd worden in Bijlage XI van de REACH wettekst, transparant te documenteren. Genoemde alternatieven zijn onder andere de "read-across"-aanpak en groepering van stoffen ("category"-aanpak), waarbij de toxiciteit van een nieuwe stof gelijk wordt gesteld aan een of meerdere bekende stoffen. Bovenstaande activiteiten zijn het resultaat van het Europese (Q)SAR Experience Project, een initiatief uit 2004 dat het RIVM vooruitlopend op REACH heeft opgezet. Europese beleidsmakers en stoffenbeoordelaars doen hierin kennis en ervaring op met (Q)SAR's, en geven aanbevelingen voor het gebruik ervan in beleid.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Implementatie meetstrategie drinkwater bij kernongevallen. Resultaten DRIMKO-project | RIVM

De Nederlandse drinkwaterlaboratoria beschikken over net voldoende capaciteit om tijdens een nucleaire ramp radiologische analyses uit te voeren. Een radioactieve besmetting van het oppervlaktewater kan van invloed zijn op de drinkwaterkwaliteit. Om de stralingsdosis voor de bevolking in te kunnen schatten, moeten er in een korte tijd veel monsters worden geanalyseerd. In zo'n situatie analyseren drinkwaterbedrijven vaker monsters op radioactiviteit dan normaal. De monsters worden op meerdere plaatsen in het drinkwaterzuiveringsproces genomen. Om een goed beeld te krijgen van de bemonsterings- en meetstrategieen van ruw- en reinwater heeft het RIVM een aantal gegevens over de bedrijfsvoering van drinkwaterbedrijven verzameld. De gegevens hebben betrekking op het geschatte aantal monsters, de bestaande meet- en analysecapaciteit en de capaciteit die tijdens een kernongeval nodig is. Maatregelen om de drinkwaterzuivering aan te passen tijdens een nucleair ongeval zijn beperkt. De belangrijkste mogelijkheden op korte termijn zijn het besmette ruwe water door te laten stromen naar zee en de beluchting tijdens het zuiveringsproces te minimaliseren. Door recente fusieontwikkelingen in de drinkwaterwereld is de capaciteit van enkele laboratoria gecentraliseerd. De krappe capaciteit op het gebied van radioactiviteitsmetingen is een factor om in de toekomst rekening mee te houden.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Opportunities for preventing diabetes and its cardiovascular complications. A modelling approach | RIVM

Als interventies gericht op verminderen van overgewicht en bevorderen van lichamelijke activiteit op landelijk schaal worden ingevoerd, zouden de komende 20 jaar 1 a 2% van de nieuwe gevallen van diabetes kunnen worden voorkomen. Daarnaast zouden de komende 20 jaar 5 a 10% van de nieuwe macrovasculaire complicaties bij mensen met diabetes kunnen worden voorkomen door intensievere behandeling. Preventie is essentieel om de toekomstige ziektelast van diabetes zoveel mogelijk te beperken. Van verschillende maatregelen is berekend in welke mate zij bijdragen aan het voorkomen van diabetes of diabetescomplicaties op de lange termijn. Daarnaast zijn voor deze maatregelen de kosten en kosteneffectiviteit geschat. Hierbij is gebruikgemaakt van een computermodel dat in staat is de ontwikkelingen van de Nederlandse bevolking, voor wat betreft risicofactoren, chronische ziekten en sterfte, te volgen over de tijd. Terugdringen van overgewicht is het belangrijkste wapen in het voorkomen van diabetes. Omdat met de bestaande interventies slechts een fractie van de mogelijke gezondheidswinst wordt gerealiseerd, moeten we blijven investeren in het identificeren en ontwikkelen van effectieve maatregelen om (blijvend) af te vallen. Stoppen met roken draagt niet bij aan preventie van diabetes maar wel aan preventie van andere chronische aandoeningen. Bij mensen met diabetes levert behandeling gericht op cholesterol- en bloeddrukverlaging een grotere bijdrage aan de preventie van macrovasculaire complicaties dan verder intensiveren van bloedsuikerbehandeling. Preventie van diabetes en diabetescomplicaties leidt tot hogere totale zorgkosten doordat mensen langer leven en zorgkosten maken in gewonnen levensjaren. Echter, voor alle bestudeerde maatregelen geldt dat de gezondheidswinst de extra kosten rechtvaardigt.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Invloed van zeeschepen op luchtkwaliteit | RIVM

Uit deze literatuurstudie blijkt dat de zeescheepvaart substantieel bijdraagt aan de uitstoot van zwaveldioxide, stikstofoxiden, fijn stof en nikkelverbindingen naar de lucht op nationaal niveau. Niettemin is alleen een verhoogde concentratie stikstofdioxide waargenomen in de directe omgeving van grote vaarwegen en havens in Nederland. Niet uitgesloten wordt dat ook de uitstoot van fijn stof door zeeschepen nadelig kan zijn voor de gezondheid. Voor beide stoffen geldt dat zij klachten kunnen verergeren bij mensen met ademhalingsproblemen en luchtwegenklachten. Dit concludeert het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) in een verkennend onderzoek naar de effecten van de uitstoot van stoffen door zeeschepen op de luchtkwaliteit. De opdrachtgever is de VROM-Inspectie. Aanleiding voor het onderzoek is de afwezigheid van een duidelijk inzicht in de invloed van zeeschepen op de luchtkwaliteit en leefomgeving in Nederland. Zeeschepen zijn een van de minst gereguleerde type bronnen van luchtverontreiniging. Alleen voor het zwavelgehalte in brandstoffen zijn normen opgesteld (Besluit zwavelgehalte brandstoffen). Er zijn enkele Nederlandse onderzoeken hieromtrent uitgevoerd, maar een compleet beeld over de invloed van zeeschepen op luchtkwaliteit en leefomgeving ontbreekt. Om een beter inzicht te krijgen op de precieze invloed van zeeschepen op de leefomgeving wordt een gerichte meetcampagne of grondige analyse van bestaande meetdata aanbevolen.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Voortgangsrapportage project Saneringscriterium. januari - juli 2007 | RIVM

In dit briefrapport wordt een overzicht gegeven van de werkzaamheden uitgevoerd in de periode januari-juli 2007 voor het project Saneringscriterium. In de eerste helft van 2007 heeft het RIVM gewerkt heeft aan de implementatie van de besluiten van het project Normstelling Bodemkwaliteit in Sanscrit. Sanscrit wordt in het milieuhygienisch saneringscriterium aangewezen als instrument voor de beoordeling van ernstig verontreinigde locaties. Deze werkzaamheden zijn in overleg met de Projectbegeleider van VROM uitgevoerd. In de tweede helft van 2007 worden de activiteiten voortgezet.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Evaluatie informatieblad 'Rioolrenovatie met kousmethoden' | RIVM

Het informatieblad over het voorkomen van overlast bij renovatie van het riool met styreenhoudende technieken is bij ongeveer de helft van de Nederlandse gemeenten bekend. De gemeenten beoordelen het informatieblad als nuttig en passen de aanbevolen maatregelen regelmatig toe. Desondanks komen er nog bij ca. 25% van de gemeenten klachten binnen over geuroverlast tijdens de werkzaamheden. Bij de GGD'en bleek in de periode juni 2006-juni 2007 eenmaal een klacht te zijn binnengekomen. Dit zijn de resultaten van de evaluatie van het informatieblad dat in 2006 door de VROM-Inspectie is uitgegeven. Een enquete onder de gemeenten en GGD'en was een van de onderdelen van deze evaluatie. Verder vonden interviews plaats met twee uitvoerders en werden reacties gebundeld die het RIVM heeft binnengekregen naar aanleiding van het informatieblad. Op grond van de resultaten heeft de VROM-Inspectie, in samenspraak met een breed samengestelde begeleidingscommissie, besloten het informatieblad te actualiseren en opnieuw onder de aandacht te brengen van de gemeenten. Dit rapport bevat de resultaten van de evaluatie en de geactualiseerde tekst van het informatieblad. De tekst van het geactualiseerde informatieblad zal digitaal aan de VROM-Inspectie ter beschikking worden gesteld voor bewerking tot een VROM-Inspectie-uitgave.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Genetic contribution to obesity: a literature review | RIVM

De kans op obesitas is voor een aanzienlijk deel erfelijk bepaald. Welke specifieke genetische factoren daarbij betrokken zijn, is nog niet bekend. Daarom is het op dit moment niet gerechtvaardigd om genetische informatie te gebruiken om obesitas te voorkomen of te behandelen. Dit is de conclusie van een literatuurstudie naar genetische factoren voor obesitas die in opdracht van het ministerie van VWS is uitgevoerd door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). Het onderzoek heeft aangetoond dat ongeveer 40% van de variatie in het lichaamsgewicht tussen personen (uitgedrukt in de body mass index, BMI: gewicht / lengte-2) verklaard kan worden door genetische verschillen. Ook reageren mensen door hun erfelijk materiaal verschillend op veranderingen in energie-inname, -verbruik. Van een op de tien gevallen die op zeer jonge leeftijd extreem obees zijn, is een zeldzame genmutatie bekend. Van de minder extreme vormen van obesitas is hooguit 2,5% hiermee te verklaren. Veel onderzoek is gedaan naar variaties in genen die bij veel mensen voorkomen. Van vijf genvarianten die bekend zijn, is overtuigend bewezen dat ze van invloed zijn op de BMI en het risico op obesitas. Zij verklaren mogelijk 10% van de gevallen met overgewicht en 20% van de gevallen met obesitas. De genetische verschillen tussen personen zijn echter complexer dan voorheen werd gedacht. Daarom is naar verwachting de genetische bijdrage aan het ontstaan van obesitas groter dan momenteel bekend is. Dit rechtvaardigt lopend en toekomstig onderzoek op dit terrein.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Handreiking TRIADE. Locatiespecifiek ecologisch onderzoek in stap drie van het Saneringscriterium | RIVM

Het RIVM heeft een handreiking ontwikkeld voor een methode waarmee lokaal kan worden onderzocht wat ecologische gevolgen zijn van een vervuilde bodem. De handreiking beschrijft hoe deze zogeheten TRIADE-methode uitgevoerd en beoordeeld kan worden. Ze is een aanvulling op het zogeheten Saneringscriterium, dat valt onder de Wet bodembescherming. Met behulp van de TRIADE kan besluitvorming om met spoed te saneren, beter worden onderbouwd. Het Saneringscriterium is de procedure voor bodemsanering (in de zogeheten Circulaire Bodemsanering, uit 2006, wordt dit criterium uitgewerkt). Eerst wordt met een standaardbeoordeling bekeken of er sprake is van onaanvaardbare ecologische risico's. Als dat het geval is, wordt met lokale gegevens getoetst of het daadwerkelijk het geval is. De TRIADE-methode combineert resultaten van chemische analyses, toxiciteitstoetsen voor planten en dieren en ecologisch veldonderzoek. Op basis van deze informatie wordt bepaald of er spoedig moet worden gesaneerd.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Achtergronden beleid bovengrondse hoogspanningslijnen | RIVM

Magnetische velden afkomstig van bovengrondse hoogspanningslijnen mogen in nieuwe woningen, scholen en kinderdagverblijven niet sterker zijn dan 0,4 microtesla. De overheid adviseert daarom gemeenten, provincies en netbeheerders om rond die hoogspanningslijnen preventief een zone in te stellen die vrij blijft van dergelijke bebouwing. Dit geldt voor situaties waarin nieuwe woningen in de buurt van een bovengrondse hoogspanningslijn worden gebouwd of nieuwe hoogspanningslijnen die bij bestaande woonwijken worden gerealiseerd. Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) heeft het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM) ondersteund bij het ontwikkelen van dit beleid. Het beleid is ontwikkeld omdat kinderen die in de buurt van bovengrondse hoogspanningslijnen wonen mogelijk een hogere kans op leukemie hebben. Het magnetische veld zou daarvoor verantwoordelijk kunnen zijn, al is een oorzakelijk verband niet bewezen. Met het voorzorgsbeleid wil de overheid voorkomen dat het potentiele risico toeneemt. De magneetveldzone rond de hoogspanningslijnen markeert een gebied waarin het magnetische veld, gemiddeld over een jaar genomen, sterker is dan 0,4 microtesla. De breedte van de zone wordt afgeleid uit de nominale stroom waarvoor de hoogspanningslijn is ontworpen. De keuze voor deze magneetveldzone sluit goed aan bij internationale epidemiologische onderzoeken. Het RIVM heeft de overheid bijgestaan door de beleidsmakers van actuele wetenschappelijke kennis te voorzien. Daarnaast heeft het instituut hulpmiddelen ontwikkeld om het beleid naar de praktijk te kunnen vertalen. De twee belangrijkste hulpmiddelen zijn: een methode om de magneetveldzone te berekenen en een digitale kaart van de Nederlandse bovengrondse hoogspanningslijnen met bijbehorende magneetveldzones. Deze hulpmiddelen zijn te vinden op een website die het RIVM voor gemeenten, provincies en netbeheerders heeft ontwikkeld, http://www.rivm.nl/hoogspanningslijnen .
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Uitzonderingsbepalingen in de Kaderrichtlijn Water en de Grondwaterrichtlijn. Drie grondwatercasussen die in Nederland spelen | RIVM

Nederland zal in sommige situaties niet kunnen voldoen aan de doelen die de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) stelt en die in 2015 moeten zijn gehaald. Dit is bijvoorbeeld het geval op locaties waar in het verleden grote grondwaterverontreinigingen zijn ontstaan die niet binnen de gestelde termijn kunnen worden opgeruimd. In zo'n geval is het nodig een uitzonderingsbepaling toe te passen. In opdracht van het ministerie van VROM heeft het RIVM voor drie problemen onderzocht of het nodig is een uitzonderingsbepaling toe te passen, en zo ja, hoe. De drie problemen zijn: de nutrientnormen voor oppervlaktewater worden overschreden, onder andere doordat nutrientrijk grondwater naar oppervlaktewater uitspoelt, 2) de bodem in veenweidegebied daalt door verlagen van het grondwaterpeil, en 3) grootschalige grondwaterverontreinigingen. De gestelde problemen spelen op meerdere locaties in Nederland. Het RIVM heeft voor elk probleem een gebied geselecteerd en bekeken of een uitzonderingsbepaling nodig is. Voor de eerste en de laatste casus bleek dit zo te zijn. Voor deze gevallen is een voorbeeld van een rapportage aan de EU opgesteld. Elke lidstaat rapporteert elke zes jaar aan de EU over de realisatie van de KRW-doelen. Het is mogelijk om onder voorwaarden uitzonderingsbepalingen toe te passen als een doel niet kan worden behaald. Daarover moet vervolgens worden gerapporteerd aan de Europese Unie. Twee belangrijke uitzonderingsbepalingen zijn: de termijn verlengen en het doel verlagen. In het eerste geval wordt de termijn waarop een doel moet worden bereikt uitgesteld tot een of twee termijnen, respectievelijk 2021 of 2027. Bij doelverlaging wordt een doel naar beneden bijgesteld, zoals een minder goede kwaliteit van het grondwater.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Current innovations in regulatory reproductive toxicity assessment | RIVM

Chemische stoffen moeten getest worden op schadelijke effecten op de voortplanting van de mens. Dankzij innovaties zal dit steeds efficienter kunnen, waardoor ook minder proefdieren gebruikt hoeven te worden. Dit staat in dit rapport van het RIVM. Het rapport geeft een overzicht van actuele ontwikkelingen in het meten van reproductietoxiciteit, de schadelijke effecten van chemische stoffen op de voortplanting. Chemische stoffen kunnen schadelijke effecten op de voortplanting teweegbrengen, zoals een verminderde vruchtbaarheid en een verstoorde ontwikkeling van de ongeborene. Onder meer in het kader van het Europese testprogramma REACH moeten producenten van chemische stoffen deze schadelijke effecten vaststellen. De huidige methoden om reproductietoxiciteit in kaart te brengen stammen uit de jaren tachtig. Deze methoden zijn voornamelijk gebaseerd op studies met knaagdieren. Het gebruik van proefdieren ligt daarbij hoog. Dit komt voornamelijk doordat meer dan een generatie moet worden bestudeerd. Een verminderd proefdiergebruik is echter in aantocht. Onderzoek aan hormoonverstoring, proefdierwelzijn en het Europese testprogramma REACH hebben innovaties op dit gebied gestimuleerd. Hierdoor worden gestandaardiseerde testen aangepast en nieuwe testmethoden voorgesteld. Dit beinvloedt tevens teststrategieen, die individuele testen combineren op een getrapte manier. De innovaties moeten leiden tot een verhoogde efficiency en een verminderd proefdiergebruik.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Emissies naar grondwater. Overzicht van beleidsuitgangspunten en procedures voor beoordeling | RIVM

Er bestaan grote verschillen tussen de manier waarop Nederlandse beleidskaders de kwaliteit van grondwater toetsen. Desondanks voldoen ze aan de Europese Dochterrichtlijn Grondwater. Dat komt omdat deze richtlijn alleen randvoorwaarden aangeeft en het gebruik van verschillende beoordelingsmethodieken toestaat. Verontreinigingsbronnen op of in de bodem, zoals afvalstoffen, bestrijdingsmiddelen of mest, kunnen de kwaliteit van het grondwater bedreigen. Voor elk bijbehorend beleidskader bestaan wetten om de verontreinigingsbronnen te reguleren. Doel van het onderzoek was om de verschillen tussen de beoordelingsmethoden voor grondwater op te helderen en vast te stellen of de methoden voldoen aan de eisen die de Europese Dochterrichtlijn Grondwater stelt. Met deze informatie kan de huidige discussie tussen beleidsmakers en wetenschappers, over nut en noodzaak van het harmoniseren van de beoordelingsmethodieken beter gevoerd worden. De volgende beleidskaders zijn in de rapportage besproken: afvalstoffen, baggerdepots, bestrijdingmiddelen, bodemkwaliteit/ bodemsanering, bouwstoffen, grond en bagger, grootschalige bodemtoepassingen, mestbeleid en stortplaatsen. Voor deze beleidstoepassingen worden doel, de uitgangspunten, het toetscriterium en de gehanteerde rekenmethoden beschreven.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Environmental radioactivity in the Netherlands. Results in 2006 | RIVM

Volgens het EURATOM-verdrag uit 1957 moeten alle Lidstaten van de Europese Unie jaarlijks de hoeveelheid radioactiviteit in het milieu meten. Ook in 2006 heeft Nederland aan deze verplichting voldaan. Sinds 2000 kent EURATOM aanbevelingen om de metingen volgens een bepaald stramien uit te voeren, lidstaten zijn echter niet verplicht deze na te leven. Om beter te voldoen aan de EU-aanbevelingen van 2000 werd het meetprogramma voor drinkwater in 2006 uitgebreid met een extra meetparameter, namelijk de totale hoeveelheid aan alfastralers Nederland voldeed in 2006 aan alle Europese aanbevelingen, met uitzondering van de bepaling van strontium-90 in melk en voedsel. De metingen in lucht en omgeving lieten een normaal beeld zien. In voedsel en melk zijn geen radioactiviteitniveaus aangetroffen boven de Europese limieten voor export en consumptie. In het oppervlaktewater is op een aantal locaties voor sommige radioactieve stoffen de streefwaarde overschreden. Deze overschrijdingen zijn echter zodanig dat ze niet schadelijk zijn voor de volksgezondheid. Streefwaarden zijn waarden die bij voorkeur niet overschreden mogen worden, maar het zijn geen limieten.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Guidance for summarizing and evaluating aquatic micro- and mesocosm studies. A guidance document of the Dutch Platform for the Assessment of Higher Tier Studies | RIVM

Er is een richtsnoer ontwikkeld om testresultaten voor de toelatingsprocedure voor gewasbeschermingsmiddelen eenvormig en transparant aan te reiken. Het richtsnoer geldt specifiek voor experimenten in nagebootste ecosystemen in oppervlaktewater (zogenoemde micro- en mesocosm studies). Het richtsnoer is ontwikkeld door het Nederlandse Platform voor de Beoordeling van Higher Tier Studies, waarvan het RIVM het secretariaat voert. Bij de toelatingsprocedure voor gewasbeschermingsmiddelen leveren aanvragers (bijvoorbeeld de bestrijdingsmiddelenfabrikanten) informatie aan het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb). Aan de hand hiervan beoordeelt het Ctgb of een bepaald gebruik van een middel toelaatbaar is in Nederland. De geleverde informatie betreft onder andere complexe en vaak omvangrijke informatie over micro- en mesocosm studies. Het Ctgb laat deze studies vervolgens door verschillende externe partijen samenvatten en evalueren. Door verschillen in werkwijze kunnen de vorm van deze samenvattingen en evaluaties, en soms zelfs de conclusies, verschillen. Vandaar de wens van het Ctgb om de evaluaties en samenvattingen van ecosystemen in oppervlaktewater te standaardiseren. Een aanverwant doel is hiermee het beoordelingsproces transparanter maken.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Kinderwens van consanguine ouders: risico's en erfelijkheidsvoorlichting | RIVM

Bloedverwantschap tussen ouders (consanguiniteit) is een van de risicofactoren die de kans op aangeboren aandoeningen verhogen. Andere risicofactoren zijn bijvoorbeeld moederschap op oudere leeftijd, diabetes bij de moeder of erfelijke aandoeningen in de familie. Kinderen van consanguine ouders hebben vooral een verhoogde kans op zeer zeldzame autosomaal recessieve aandoeningen. Deze groep zeldzame aandoeningen maakt een zeer klein deel uit van het totale aantal aangeboren aandoeningen. Een (beperkt) deel van deze aandoeningen leidt tot sterfte, het risico hierop is het grootst in het eerste levensjaar. In absolute aantallen is het aandeel van met consanguiniteit samenhangende aandoeningen in de perinatale en zuigelingensterfte zeer gering. Over de ziektelast door autosomaal recessieve aandoeningen, wanneer geen sprake is van sterfte, zijn geen goede cijfers beschikbaar. Er zijn geen goede representatieve cijfers over het voorkomen van consanguiniteit in Nederland. Uit incidentele en soms indirecte gegevens valt af te leiden dat huwelijken tussen verwanten in Nederland waarschijnlijk het meest frequent voorkomen in de Turkse en Marokkaanse bevolkingsgroepen en in kleine religieuze gemeenschappen. Hoewel de absolute aantallen klein zijn, hebben de betreffende aandoeningen een grote impact op de getroffen families. De aandacht voor tijdige opsporing en advisering over genetische risico's, waaronder consanguiniteit en het risico binnen specifieke bevolkingsgroepen op minder zeldzame autosomaal recessieve aandoeningen (zoals erfelijke bloedarmoede), neemt toe. Idealiter zou ieder aanstaand ouderpaar, bij voorkeur vssr een zwangerschap, zich moeten kunnen laten informeren over een eventueel verhoogde kans op een kind met een aangeboren aandoening en over mogelijkheden voor preventie.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Recente perinatale sterftetrends in Nederland: 2000-2005. Zicht op verbetering? | RIVM

In vergelijking met voorgaande jaren lieten de perinatale sterftecijfers van het CBS in 2004 een relatief sterke daling zien. Ondanks een lichte stijging in 2005 is over een iets langere periode (2000 2004/2005) een licht dalende trend in perinatale sterfte zichtbaar. De relatief sterke daling in perinatale sterfte 2004 kan zijn ontstaan door statistische schommelingen. Voor een mogelijke andere verklaring van de daling in 2004 is gekeken naar trends in onderliggende risicofactoren. In de periode 2000 2005 trad een lichte stijging op in het aandeel geboortes bij oudere moeders (35+) en bij niet westers allochtone moeders. Overgewicht bij zwangere vrouwen nam waarschijnlijk ook toe, maar daarover ontbreken cijfers. Dit zijn ongunstige invloeden op het perinatale sterfterisico. Enkele factoren uit zorg en preventie met een mogelijk gunstige invloed op de perinatale sterfte lijken daarentegen te zijn verbeterd. Eerdere capaciteitstekorten op de neonatale intensive care zijn verminderd, het beleid bij stuitligging is gewijzigd en bij IVF wordt vaker een embryo teruggeplaatst in plaats van meerdere. Er zijn aanwijzingen dat zwangere vrouwen minder roken. Mogelijk is er sprake van verbetering in foliumzuurinname bij aanstaande moeders. De gesignaleerde verbeteringen in zorg, preventie en leefstijl compenseren vooralsnog de eerder genoemde toename in risicofactoren, maar voor een verdere daling van de perinatale sterfte zijn verdere verbeteringen in kwaliteit van perinatale zorg en preventie nodig.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Etniciteit en zorg rondom zwangerschap en geboorte: een verkenning van Nederlands onderzoek | RIVM

De zwangerschapsuitkomsten bij allochtone vrouwen en hun kinderen zijn over het algemeen minder gunstig dan bij zwangere vrouwen en hun kinderen van autochtone afkomst. Allochtone kinderen hebben gemiddeld een lager geboortegewicht. Vroeggeboorte en aangeboren aandoeningen komen bij hen vaker voor. Ook de sterfte rond de geboorte is minder gunstig onder allochtone dan onder autochtone vrouwen en kinderen. Dit blijkt uit verschillende onderzoeken in Nederland naar gezondheidsverschillen tussen autochtone en allochtone zwangere vrouwen en hun kinderen en de onderliggende oorzaken. In deze studie wordt een overzicht gegeven van afgeronde en lopende onderzoeken naar verschillen in zwangerschapsuitkomsten, in risicofactoren, in zorggebruik en in het gebruik van preventieve maatregelen. De sterfteverschillen zijn deels te verklaren door verschillen in risicofactoren. Niet westers allochtone vrouwen zijn minder bekend met preventieve maatregelen zoals extra foliumzuurgebruik, melden zich later voor verloskundige zorg en maken minder gebruik van kraamzorg. Hierdoor missen zij kansen om tijdig geonformeerd te worden over preventieve maatregelen om de gezondheid van hun kind of zichzelf zo optimaal mogelijk te maken. De beschreven onderzoeken bieden aangrijpingspunten voor maatregelen ter verbetering van de zwangerschapsuitkomsten bij met name niet westers allochtone vrouwen en kinderen. Soms is nader onderzoek nodig om te verklaren waarom die verschillen bestaan en om aan te geven welke (cultuur)specifiekere begeleiding en preventieve maatregelen nodig zijn. Voor het terugdringen van perinatale gezondheidsverschillen tussen zwangeren in Nederland is integraal gezondheidsbeleid nodig. Een deel van de verschillen in sterfte rond de geboorte wordt namelijk veroorzaakt door achterliggende factoren die grotendeels buiten het bereik van de (volks)gezondheidszorg vallen, zoals het niet beheersen van de Nederlandse taal of sociaaleconomische verschillen.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Stralingsbelasting in nieuwbouwwoningen - voorlopige resultaten. VERA-survey 2006 | RIVM

Uit een landelijk onderzoek naar de stralingsbelasting in nieuwbouwwoningen, gebouwd tussen 1994 en 2003, blijkt dat de concentratie van het radioactieve edelgas radon en de hoeveelheid straling vanuit bodem en bouwmaterialen gedurende die periode niet zijn toegenomen. Dit is de belangrijkste conclusie uit een voorlopige rapportage van meetgegevens van de derde nationale radonsurvey. Met de uitkomst van dit onderzoek, dat uitgevoerd werd in opdracht van het ministerie van VROM, lijkt te worden voldaan aan de beleidslijn om het stralingsniveau in woningen niet verder toe te laten nemen. In eerdere surveys was namelijk gevonden dat de radonconcentratie in woningen gebouwd in de periode 1970 - 1990 met ongeveer de helft was toegenomen. Blootstelling aan straling in de woning is verantwoordelijk voor bijna de helft van de stralingsbelasting die Nederlandse burgers gemiddeld door het jaar heen oplopen. Een groot deel van de dosis straling die we binnenshuis ontvangen is het gevolg van het inademen van radioactieve vervalproducten van radon en thoron. Radon en thoron worden van nature gevormd in bodem- en bouwmaterialen. En omdat ze gasvormig zijn, komt een deel ervan in de woning terecht. Een ander deel van de stralingsdosis is het gevolg van gammastraling vanuit bouwmaterialen en bodem. De radonconcentraties blijken in de huidige survey lager dan de waarden die tien jaar geleden zijn gerapporteerd voor woningen uit de periode 1984 - 1993. Het vermoeden bestaat dat deze verschillen worden veroorzaakt door verschillen in meettechnieken. Mogelijk is in de vorige survey de aanwezigheid van thoron wel meegemeten en in de laatste survey niet. Als deze veronderstelling klopt, dan zou dat kunnen betekenen dat thoron een belangrijkere bijdrage levert aan de stralingsbelasting dan tot nu toe werd aangenomen. Nader onderzoek naar de meettechnieken en de bijdrage van thoron aan de metingen is inmiddels gestart. Door de onzekerheid over de mate waarin thoron bijdraagt aan de stralingsbelasting kunnen er op dit moment geen definitieve conclusies getrokken worden over trends in het gezondheidsrisico als gevolg van straling in de woning.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Opzet van het Ventilatie Radon-onderzoek. VERA-survey 2006 | RIVM

Het RIVM heeft in 2006 een onderzoek (survey) in nieuwbouwwoningen uitgevoerd. Hierbij zijn in het bijzonder de radonconcentratie, externe stralingsniveaus en de ventilatie gemeten. Dit rapport beschrijft de opzet van dit onderzoek. In een vervolgrapport zullen de resultaten worden toegelicht. Blootstelling aan straling in de woning is verantwoordelijk voor bijna de helft van de stralingsbelasting die Nederlandse burgers gemiddeld door het jaar heen oplopen. Een groot deel van de dosis straling die we binnenshuis ontvangen is het gevolg van het inademen van radioactieve vervalproducten van radon en thoron. Radon en thoron worden van nature gevormd in bodem en bouwmaterialen. En omdat ze gasvormig zijn, komt een deel ervan in de woning terecht. Een ander deel van de stralingsdosis is het gevolg van gammastraling vanuit bouwmaterialen en bodem. In eerder onderzoek is geconcludeerd dat de radonconcentratie in nieuwbouwwoningen uit de periode 1970-1990 is toegenomen. Het ministerie van VROM heeft in een convenant met de bouwwereld afgesproken dat de stralingsbelasting ten gevolge van de blootstelling aan radon en externe straling vanuit de bouwmaterialen niet verder mag toenemen. Het RIVM is gevraagd ter vaststelling van de situatie in de huidige nieuwbouw (nulpunt) een survey uit te voeren.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Reactie op commentaar van N.G.Hartwig en H.C.Rumke op "Twee pneumokokkenvaccins: voor kinderen tot 5 jaar het 7-valente conjugaatvaccin (Prevenar) en voor ouderen en specifieke risicogroepen het 23 valente polysacharidevaccin (Pneumo 23)" | RIVM

Reactie op commentaar van N.G.Hartwig en H.C.Rumke op "Twee pneumokokkenvaccins: voor kinderen tot 5 jaar het 7-valente conjugaatvaccin (Prevenar) en voor ouderen en specifieke risicogroepen het 23 valente polysacharidevaccin (Pneumo 23)" | RIVM
Jaar: 2008 Onderzoek

Bouwstenen voor gezondheid en milieubeleid | RIVM

De notitie start met een beschrijving van milieufactoren die de belangrijkste bijdrage leveren aan de huidige milieugerelateerde ziektelast: luchtverontreiniging, geluid, binnenmilieu, leefomgeving, elektromagnetische velden en bodemverontreiniging. Per milieufactor wordt de omvang van de huidige blootstelling, mogelijke gezondheidsschade, risicoperceptie en beleidsacties beschreven. Daarna volgt een korte schets van relevante demografische ontwikkelingen en risicogroepen gevolgd door een samenvatting van recente meldingen van milieugerelateerde gezondheidsklachten van burgers. Vervolgens worden enkele andere risicos geschetst die mogelijk aandacht vragen: nanotechnologie, hitte en nieuwe drinkwaterverontreinigingen. Tenslotte wordt nog separaat stilgestaan bij preventiemaatregelen rond de belangrijkste milieufactoren.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

KRW en GWR: Handreiking trend en trendomkering | RIVM

De implementatie van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) en Grondwaterrichtlijn (GWR) in de Nederlandse wetgeving geschiedt door regelingen voor monitoring en rapportage aan de Europese Unie in een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) vast te leggen. Op grond van artikel 5 en bijlage IV van de GWR moeten de lidstaten van de Europese unie rapporteren over trend en trendomkering van de grondwaterkwaliteit. De teksten van de GWR zijn ongeschikt als tekst voor een AMvB. Dit rapport geeft de benodigde procedures waarnaar in de AMvB kan worden verwezen. De procedures zijn ontleend aan het Technical report nr.1 'The EU Water Framework Directive: statistical aspects of the identification of groundwater pollution trends and aggregation of monitoring results'. In de EU zijn discussies over procedures voor trend en trendomkering nog steeds gaande; deze kunnen leiden tot een herziening van dit rapport.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

De bijdrage van een kassencomplex aan de stikstofdioxideconcentratie | RIVM

Op verzoek van het ministerie van VROM heeft het RIVM de gebiedsgemiddelde bijdrage van een of meerdere kassen aan de stikstofdioxideconcentratie in het jaar 2007 vastgesteld. Voor een enkele kas ter grootte van 2 ha is de lokale concentratiebijdrage volgens nieuwe wetgeving zodanig dat de kas net niet 'in betekende mate' bijdraagt aan de lokale luchtkwaliteit. Het ministerie heeft er voor gekozen om de concentratiebijdrage voor twee bedrijfsgroottes te laten bepalen: een kas van 2 ha groot en een kas van 3 ha groot. De kenmerken van de kassen zijn door het ministerie vastgesteld. In het kader van wettelijke toetsing is middeling van de concentraties over een gebied van 250x250 m2 relevant. Voor gebruik binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit zijn de bijdrage in een gebied van 1x1 km2 van belang. Op basis van berekeningen van TNO heeft het RIVM de gebiedsgemiddelde concentraties bepaald. De resultaten van de studie kunnen worden gebruikt in de invulling van het 'Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit' dat het ministerie van VROM aan het opzetten is.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Openbaarheid van milieu-informatie bij registratie van (dier) geneesmiddelen | RIVM

Informatie over de milieueigenschappen van (dier)geneesmiddelen die geleverd wordt voor de registratie ervan is niet volledig geheim. Het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen kan een samenvatting van milieustudies van (dier)geneesmiddelen openbaar maken. De Britse registratieautoriteit voor diergeneesmiddelen ondersteunt deze conclusie in een recent antwoord op een verzoek om milieu-informatie. Dit concluderen het RIVM en het Centrum voor Omgevingsrecht en beleid van de Universiteit Utrecht op basis van een analyse van de relevante wetgeving, waaronder het Verdrag van Aarhus, de Richtlijn 2003/4/EG, en de Wet openbaarheid van bestuur. De industrie heeft een commercieel belang om het volledige milieu-onderzoek geheim te houden. Anders kunnen concurrenten deze gegevens gebruiken om een geneesmiddel te registeren. Het commerciele belang bij geheimhouding van een samenvatting met de eindpunten (bijvoorbeeld de oplosbaarheid in water, de halfwaardetijd voor afbraak in bodem, of de No Observed Effect Concentration voor vissen) van dit onderzoek daarentegen is gering. Concurrenten kunnen de eindpunten immers niet gebruiken voor registratie van een middel, omdat deze zonder het onderliggende onderzoek niet voldoen aan de eisen die de regelgeving stelt aan het dossier. Het publieke belang bij openbaarheid van deze eindpunten is groot, in het bijzonder omdat waterbeheerders deze informatie kunnen gebruiken om maatregelen te treffen nadat een product op de markt is toegelaten; bijvoorbeeld door een norm voor de stof af te leiden.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Stroomlijnen van gegevens en informatie grondwater | RIVM

Op dit moment ontbreekt het aan een gewaarborgd instrumentarium om de Europese Unie adequaat te rapporten over de kwalitatieve en kwantitatieve toestand van het grondwater in Nederland. Het is dringend noodzakelijk het transport en de opslag van de beschikbare gegevens te stroomlijnen en op elkaar af te stemmen. De Kaderrichtlijn Water verplicht de Europese lidstaten regelmatig te rapporteren over de kwalitatieve en kwantitatieve toestand van hun grond- en oppervlaktewater. Het RIVM heeft uitgezocht hoe de beschikbare grondwatergegevens uit de diverse bestanden het beste kunnen worden samengevoegd om aan deze verplichting te kunnen voldoen. Dit gebeurde in opdracht van het ministerie van VROM. Nederland beschikt over goede meetnetten die bij diverse beheerders, zoals provincies en gemeenten, zijn ondergebracht. Het is belangrijk dat het gehele systeem van meten, gegevens opslaan en rapporteren doeltreffend werkt. Onderzocht is welke gegevens- en informatiestromen er in dit systeem bestaan en in hoeverre die gestroomlijnd moeten worden. Een groot deel van de grondwatergegevens is opgeslagen in de DINO-databank, die wordt beheerd door TNO. Deze databank wordt regelmatig aangevuld met recente gegevens, die de meeste provincies en gemeenten aanleveren. Met de overige provincies en gemeenten worden contacten gelegd om alle grondwatergegevens in DINO op te slaan. De archivering, de kwaliteitsborging en uitlevering van de gegevens in DINO zijn gewaarborgd conform ISO 9002. Daarnaast is het belangrijk een route en procedures op te stellen voor de vertaalslag van de gegevens uit de DINO-databank naar het KRW-portaal, dat de monitorresultaten in een kaart weergeeft.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Veelkleurig grijs - Economische aspecten van volksgezondheid en zorg | RIVM

Ingeklemd tussen demografie en economie is gezondheidseconomie bij uitstek een grijs gebied. Maar wel veelkleurig grijs. Dat blijkt als de economische aspecten van volksgezondheid en zorg vanuit het perspectief van de vergrijzing worden belicht. In de descriptieve gezondheidseconomie gaat het dan om de invloed van de demografie op de kosten van de gezondheidszorg. Anders dan vaak wordt gedacht is de invloed van leeftijd beperkt. Vooral de nabijheid van overlijden is bepalend voor de hoogte van de zorgkosten. Daarbij speelt comorbiditeit een belangrijke rol. In de normatieve gezondheidseconomie gaat het om de keuzen die de samenleving maakt om de volksgezondheid te bevorderen. Economische evaluaties kunnen daarbij een belangrijke rol vervullen, maar het instrumentarium is nog lang niet uitgekristalliseerd, zeker niet als het om preventie gaat. Dit geldt zowel de waardering van kosten als de waardering van gezondheid en ongezondheid. Deze economische waarderingen zijn van grote betekenis voor een brede maatschappelijke visie op preventie en zorg. Bij gezondheidseconomie als kunst gaat het over de toepassing van economische inzichten in de praktijk. De kloof tussen wetenschap en beleid is groot, maar het loont zeker de moeite om deze te overbruggen. Uiteindelijk wordt iedereen daar beter van. Health is wealth.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Dutch National Food Consumption Survey Young Children 2005/2006 | RIVM

Peuters en kleuters in Nederland eten te weinig groenten, fruit, vis en vezelrijke voedingsmiddelen. Bovendien bevat de voeding van kleuters te veel verzadigde vetzuren. De ongezonde voeding van deze generatie kinderen kan leiden tot overgewicht en op latere leeftijd tot chronische ziekten. Beleid is nodig om een gunstig lichaamsgewicht te bevorderen en om de consumptie van groenten, fruit, vis, vezelrijke producten en voedingsmiddelen met een goede vetzuursamenstelling te stimuleren. Een peiling onder kinderen van 2 tot en met 6 jaar laat zien dat het aandeel van vet, eiwitten en koolhydraten in hun voeding goed is. Wel is het type vet in de voeding van veel jonge kinderen ongunstig. Ze eten te weinig vis (rijk aan visvetzuren) en vooral de voeding van kleuters bevat te veel verzadigde vetzuren. Daarnaast zijn er weinig jonge kinderen die voldoende groenten eten. Voor fruit is het beeld iets gunstiger: een op de vier jonge kinderen eet de geadviseerde hoeveelheid. Verder is een op de zeven kinderen in mindere of meerdere mate te dik. Het lijkt erop dat zij dus meer energie binnenkrijgen dan verbruiken. Jonge kinderen krijgen van de meeste vitamines en mineralen voldoende binnen. Van vitamine D en foliumzuur is de inname echter laag. Slechts drie op de vijf peuters gebruikt een supplement met vitamine D. Vervolgonderzoek is nodig om vast te stellen of daadwerkelijk sprake is van tekorten. Bovendien is nader onderzoek nodig naar de gevolgen van een hoge inname van zink, koper, retinol (een type vitamine A) en synthetisch foliumzuur bij een deel van de kinderen.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Adverse Events Following Immunisation under the National Vaccination Programme of the Netherlands. Number XIII - Reports in 2006 | RIVM

De bijwerkingenbewaking van het Rijksvaccinatieprogramma over 2006 liet een duidelijke toename zien van het aantal meldingen. Dit betrof vooral stijging van meldingen na DKTP-Hibvaccinaties. De toename in het aantal meldingen is mogelijk veroorzaakt door de geleidelijke overgang naar een DKTP-Hibvaccin met vijf kinkhoestcomponenten. Deels is de stijging ook toe te schrijven aan vermindering van de onderrapportage na invoering van het acellulaire combinatievaccin in januari 2005. De toevoeging van pneumokokkenvaccin vanaf 1 april 2006 heeft weinig invloed gehad op de stijging. In 2006 zijn in totaal 1159 meldingen ontvangen. Hiervan werd 76% als bijwerking van de vaccinaties beschouwd. De rest (24%) was niet door de vaccinatie veroorzaakt. Het aantal bijwerkingen moet in relatie worden gezien tot de 1,4 miljoen vaccinatiemomenten en de bijna 7 miljoen vaccincomponenten die daarbij worden toegediend. Het Rijksvaccinatieprogramma (RVP) wordt sinds 1962 intensief bewaakt. De meldgraad van vermoede bijwerkingen is hoog met een goede meldbereidheid van de consultatiebureaus. Er is een relatief beperkte onderrapportage. Van de 1159 meldingen betrof het in 875 (76%) gevallen een bijwerking. Hierbij ging het in 51% om heftiger verschijnselen, vooral zeer hoge koorts, langdurig huilen, collapsreacties, verkleurde benen, koortsstuipen en atypische aanvallen met rillerigheid, schrikschokken en gespannenheid of juist een heel slappe houding. Hoewel al deze bijwerkingen omstanders erg kunnen laten schrikken, zijn ze medisch gezien niet gevaarlijk en laten ze geen restverschijnselen na. Er is een kind met hersenontsteking gemeld in 2006; dit berustte niet op de vaccinatie maar op een andere oorzaak. Bedreigende allergische reacties zijn niet gemeld. De ernstige infecties die werden gerapporteerd hadden geen relatie met de vaccinaties en datzelfde gold voor de meldingen van epilepsie of suikerziekte. Het ging hierbij om een toevallige samenloop van gebeurtenissen. Bij de zes meldingen van overleden kinderen is het overlijden niet door de vaccinaties veroorzaakt. De gestimuleerde passieve veiligheidsbewaking is een goed en gevoelig instrument om signalen over mogelijke bijwerkingen op te pikken; het systeem laat tevens follow-up onderzoek toe. Hoewel heftige bijwerkingen na de RVP-vaccinaties optreden, zijn ze voorbijgaand en leiden ze niet tot blijvende gevolgen. De grote gezondheidswinst die het RVP oplevert, weegt op tegen de bijwerkingen.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Gebiedsdossiers voor drinkwaterbronnen, uitwerking van risico's en ontwikkeling van maatregelen | RIVM

Om de waterwinning voor drinkwater te kunnen beschermen blijken zogeheten gebiedsdossiers een nuttig instrument om informatie te bundelen die van invloed is op de waterkwaliteit van de winning. Op basis van deze informatie kunnen effectieve beschermingsmaatregelen, gericht op preventie en risicobeheersing, worden ontwikkeld. Het gebiedsdossier vult het bestaande beschermingsbeleid aan. In opdracht van het ministerie van VROM heeft het RIVM een protocol opgesteld om een gebiedsdossier te ontwikkelen. Dit protocol is uitgewerkt voor drie typen waterwinning (grondwater, oevergrondwater en oppervlaktewater). Het instituut beveelt aan het instrument juridisch te verankeren in de Drinkwaterwet, zo nodig ook in de Wet Milieubeheer, en een centrale regierol bij een overheidsinstantie neer te leggen. Bij de uitvoering van maatregelen zijn verschillende overheden betrokken. Daarom is het belangrijk om bij de bestuurlijke besluitvorming over gebiedsdossiers de regierol bij een overheidsinstantie neer te leggen. Omdat provincies een verantwoordelijkheid hebben op het gebied van milieu, water en ruimtelijke ordening lijkt deze rol daar het beste te passen. Dit is de uitkomst van een workshop over gebiedsdossiers die in november 2007 plaatsvond bij het RIVM. Bij de workshop waren vertegenwoordigers van het Rijk, provincies, gemeenten, waterbeheerders en waterleidingbedrijven aanwezig. Tijdens de workshop werden de resultaten van het project gebiedsdossiers bediscussieerd. Gebiedsdossiers kunnen ook voor andere waterwinningen voor menselijke consumptie van toepassing zijn. Bijvoorbeeld om beschermingsbeleid te formuleren voor industriele grondwaterwinningen voor de productie van bier en frisdrank. Hiermee geeft Nederland invulling aan de verplichtingen van de Kaderrichtlijn Water voor industriele waterwinningen.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Inventarisatie van de gegevens-, monitor- en modelbehoefte voor de EU-Nitraatrichtlijnrapportage 2008 | RIVM

Het RIVM heeft een handleiding opgesteld voor de rapportage over de hoeveelheid nitraat in oppervlaktewater en de bovenste grondwaterlaag. Nederland moet daarover, net als alle andere EU-lidstaten, elke vier jaar verslag uitbrengen, conform de Europese Nitraatrichtlijn. De volgende rapportage vindt in 2008 plaats. In de handleiding staan de taken en acties beschreven die betrokken partijen moeten uitvoeren om de beschikbare informatie tijdig aan te leveren, af te stemmen en tot een geheel te smeden. Het doel is een snel en efficient rapportagetraject mogelijk te maken.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Jaarrapportage respiratoire infectieziekten 2006/2007 | RIVM

Respiratoire aandoeningen hebben het afgelopen respiratoire jaar (mei 2006 tot en met april 2007) tot aanzienlijke ziektelast geleid. Net als in eerdere jaren was ongeveer 10% van alle sterfte gerelateerd aan een pneumonie, duidend op een onveranderd grote ziektelast. Ook legionellose werd het afgelopen jaar veel vaker gediagnosticeerd. Naast een uitbraak gerelateerd aan een besmette koeltoren, kwamen er over het hele land verspreid meer patienten voor zonder duidelijke aanwijzing voor een gemeenschappelijke bron. Mogelijk spelen klimatologische factoren hierbij een rol. In 2006/2007 kwam het influenza seizoen laat, duurde kort, en leidde tot een relatief geringe ziektelast.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Jaarrapportage respiratoire infectieziekten 2005/2006 | RIVM

Respiratoire infectieziekten uiten zich vooral door een influenza-achtig ziektebeeld (IAZ) en pneumonie. Om de bestrijding van deze ziektelast meer te kunnen ondersteunen en voorbereid te zijn op nieuwe uitbraken, moet de surveillance van IAZ worden geintensiveerd en van pneumonie worden uitgebreid. Verder neemt het aantal meldingen van legionellose en psittacose toe. Dat vraagt om hernieuwde aandacht voor surveillance van besmettingsbronnen en identificatie van risicofactoren. Dat staat te lezen in de jaarlijkse rapportage van de projectgroep Respiratoire Infecties van het CIb, die de algemene surveillance van respiratoire infectieziekten in Nederland coordineert.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Indicatieve milieukwaliteitsnormen 2005-2006. Overzicht van in 2005 en 2006 door het RIVM afgeleide indicatieve milieukwaliteitsnormen voor stoffen | RIVM

Dit rapport bevat indicatieve milieukwaliteitsnormen die het RIVM voor een aantal stoffen heeft afgeleid. Hiermee kunnen vergunningverleners en beleidsmakers snel beoordelen of er sprake is van een mogelijk milieuprobleem. Het RIVM heeft in 2005 en 2006 voor 46 stoffen indicatieve milieukwaliteitsnormen afgeleid, op verzoek van beleidsmakers en vergunningverleners. De normen geven een indicatie van de maximale concentratie waarin de stoffen mogen voorkomen in water, lucht of bodem. Het afleiden van de indicatieve normen gebeurt volgens een eenvoudig stappenplan, dat sneller werkt dan de gangbare procedure voor het bepalen van milieukwaliteitsnormen. Die snelheid komt voornamelijk doordat literatuuronderzoek en controle van gegevens minder uitvoerig plaatsvinden. Om te voorkomen dat autoriteiten een eventueel risico voor de mens of het milieu onderschatten, worden uit voorzorg onzekerheidsfactoren toegepast. Met de indicatieve milieukwaliteitsnormen, die het RIVM sinds 2004 afleidt, kunnen beleidsmakers en vergunningverleners, zoals gemeenten, provincies en waterschappen, sneller achterhalen of er sprake is van een mogelijk milieuprobleem. Belangrijk voordeel voor zowel overheden als bedrijven is de beoogde tijdswinst. Een negatieve beoordeling op basis van de indicatieve normen kan aanleiding zijn voor aanvullend onderzoek.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Nieuwe normen Waterbodems. Normen voor verspreiden en toepassen op bodem onder oppervlaktewater | RIVM

Een nieuwe beoordelingsmethode geeft nauwkeuriger aan of bagger veilig is voor gebruik op land. De methode geeft specifieker aan in welke mate de chemische samenstelling van bagger schadelijk is voor het milieu. Op deze manier kan dezelfde hoeveelheid bagger worden afgezet, maar wordt het milieu minder belast. Het RIVM en het Rijksinstituut voor Integraal Zoetwaterbeheer en Afvalwaterbehandeling (RIZA) hebben deze methode ontwikkeld. Om rivieren in Nederland bevaarbaar te houden en de afvoer van water niet te belemmeren, wordt regelmatig het slib van de bodems verwijderd. Bagger bevat stoffen die schadelijk kunnen zijn voor de gezondheid en het milieu. De chemische kwaliteit van bagger moet daarom bekend zijn voordat het op land mag worden gebruikt. De nieuwe, zogeheten msPAF-toetsing (meer soorten Potentieel Aangetaste Fractie) berekent de schadelijke effecten van stoffen voor planten, dieren en bacterikn in het milieu op een nieuwe manier. De methode toetst de bagger niet langer per vervuilende stof, maar kijkt naar het effect van het gehele mengsel van verontreiniging op de omgeving. Hiermee is een nauwkeurige rangschikking gerealiseerd voor de indeling van bagger lopend van 'vuil' tot 'schoon'.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Samenvattende rapportage van het Monitoringprogramma Gezondheidskundige Evaluatie Schiphol 2006 | RIVM

Dit briefrapport geeft een samenvatting van de resultaten en conclusies van het monitoringprogramma GES zoals uitgevoerd in 2006. Het beschrijft de laatste stand van zaken voor wat betreft de relatie tussen vliegtuiggeluidbelasting en het effect op hinder, slaapverstoring, klagers van vliegtuiglawaai en hoge bloeddruk. De volledige rapportage verschijnt in het voorjaar van 2008.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Oral exposure of children to chemicals via hand-to-mouth contact | RIVM

Het RIVM stelt nieuwe waarden voor om in te schatten in welke mate kinderen blootstaan aan bepaalde chemische stoffen wanneer zij hun handen in hun mond steken (dus bij hand-mondcontact). Voorbeelden zijn blootstelling aan chemische stoffen die in bestrijdings- of schoonmaakmiddelen in en rond het huis worden gebruikt. Vooral jonge kinderen komen op deze manier in aanraking met chemische stoffen, omdat zij hun handen vaak in hun mond stoppen. De nieuwe waarden zijn wetenschappelijk onderbouwd; de oude waren veelal gebaseerd op beperkte gegevens en veronderstellingen. Het RIVM adviseert de nieuwe waarden als standaard op te nemen in reguliere beleidskaders om chemische stoffen te beoordelen op risico's. Momenteel ontbreekt een uniforme beoordeling, omdat verschillende beleidskaders eigen methoden gebruiken om de blootstelling door hand-mondcontact te berekenen.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Diergeneesmiddelen en natuurlijke hormonen in oppervlaktewater van gebieden met intensieve veehouderij | RIVM

Natuurlijke hormonen komen voor in kleine oppervlaktewateren in het landelijk gebied, maar effecten op de lokale brasempopulatie werden niet gevonden. Daarnaast zijn antibiotica aangetoond, en werd een grotere verscheidenheid aan resistentiegenen in bacterien tegen antibiotica aangetoond, dan in een natuurgebied. Milieukwaliteitsnormen voor bovengenoemde stoffen ontbreken. Het verdient aanbeveling de risico's van de concentraties van deze stoffen in te schatten. Ook is het gewenst de mogelijke effecten van resistentiegenen op het milieu nader uit te zoeken. Dat blijkt uit een studie van het RIVM en de Waterdienst in opdracht van de ministeries VROM, LNV en VenW. In gebieden met intensieve veehouderij is in 2004 en 2005 een verkennend onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van natuurlijke hormonen en diergeneesmiddelen in poldersloten en regionale oppervlaktewateren. Hiervoor zijn op verschillende locaties metingen uitgevoerd in water en waterbodem. De concentraties natuurlijke hormonen bedragen soms tientallen nanogrammen per liter oppervlaktewater. Voor de waterbodem is dat enkele honderden nanogrammen per kilogram waterbodem. Op enkele locaties werden hogere gehalten aangetroffen. De gevangen brasems vertoonden geen hormoonverstoring. Om mogelijke effecten van natuurlijke hormonen uit te sluiten adviseren het RIVM en de Waterdienst om ook de gevoeligheid bij andere diersoorten te meten, bijvoorbeeld bij amfibieen en ongewervelden. De gemeten concentraties diergeneesmiddelen zijn in dezelfde orde als die van natuurlijke hormonen. Vier antibiotica zijn in het water aangetoond, namelijk flumequine, sulfadiazine, trimethoprim en tylosine. In het landelijk gebied zijn meer soorten resistentiegenen tegen antibiotica gemeten dan in een natuurgebied. Vermoedelijk hangt dit samen met de aanwezigheid van veehouderijen. Onderzoek naar een oorzakelijk verband is eveneens gewenst.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Health-based guideline values for the indoor environment | RIVM

Chemische stoffen, biologische agentia en fysische factoren zoals geluid en straling kunnen de gezondheid schade toebrengen. Gezondheidkundige advieswaarden voor het binnenmilieu geven aan in hoeverre de bewoners deze agentia binnenshuis kunnen verdragen. Zij worden vooral gebruikt om de kwaliteit van het binnenmilieu te beoordelen. Deze gezondheidskundige advieswaarden kunnen niet alleen voor woningen worden gebruikt maar ook voor kantoren of scholen, plaatsen waar mensen langere tijd binnen verblijven. Zij hebben geen wettelijke status, maar kunnen wel helpen de kwaliteit van het binnenmilieu te verbeteren.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Volksgezondheidsaspecten van veehouderij-megabedrijven in Nederland; zoonosen en antibioticumresistentie | RIVM

De ontwikkeling naar mega-veehouderijen kan ertoe leiden dat infectieziekten die van dier op mens overdraagbaar zijn (zoonosen), meer gaan voorkomen. Deze bedreiging is te verminderen wanneer aan de schaalvergroting extra voorwaarden worden gesteld. Hierbij moet men denken aan voldoende afstand tussen bedrijven, geen combinatie van varkens en kippen op een locatie en een minimaal gebruik van antibiotica. Het stalontwerp en de bedrijfsvoering moeten gericht zijn op een zo klein mogelijk risico op introductie en verspreiding van (voor antibioticum ongevoelige) micro-organismen. Gesloten bedrijven, die zoveel mogelijk van start tot slacht op een locatie werken, kunnen verspreiding van infectieziekten voorkomen.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Monitoring Black Smoke? Its value for monitoring the impact of abatement measures | RIVM

Zwarte Rook is een luchtkwaliteitsparameter die wordt gemeten in het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit en die dienst kan doen als indicator voor de emissies van verkeer en daarmee de impact van de maatregelen die zowel lokaal als landelijk worden genomen. Een verkennende studie gebaseerd op bestaande gegevens en de meetresultaten van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit is uitgevoerd door het RIVM. Het doel van deze studie was de bruikbaarheid van de Zwarte Rook meetresultaten te onderzoeken voor het verkrijgen van inzicht in de effecten van de verschillende beleidsmaatregelen gericht op het reduceren van verkeersemissies (uitlaat emissies). De emissie gegevens van een reeks van bronnen geven aan dat elementair koolstof vooral door verbrandingsprocessen wordt uitgestoten waarvan het verkeer de belangrijkste is in de stedelijke en geindustrialiseerde omgeving. Evaluatie van de LML Zwarte Rook data laat zien dat de hoogste concentraties gemeten worden in een stedelijke en verkeerrijke omgeving . Op grond van meetgegevens ten tijde van een interventie in Utrecht bleek dat stagnatie van verkeer tot sterk verhoogde concentratie leidt die weer kunnen worden gereduceerd door specifieke maatregelen waaronder het verbeteren van de doorstroming. Een eenvoudige trend analyse toont aan dat een geringe neergaande trend vooral grootschalig van aard is. In de stedelijke omgeving vinden weliswaar sinds 1997 geen sterke verhogingen meer plaats tijdens de winterperiodes maar de seizoensgebonden verhogingen (winter hoog, zomer laag) is voor de onderzochte locaties nauwelijks veranderd. Deze inzichten onderstrepen dat Zwarte Rook een adequate indicator is voor verkeer en daarmee voor het effect van beleidsmaatregelen. Nu specifieke lokale maatregelen worden getroffen in de stedelijke wordt het aanbevolen om de opzet van het Zwarte Rook netwerk hieraan aan te passen.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Geluidmonitor 2006 | RIVM

De geluidreducerende werking van het 'fluisterasfalt' op de A10 West bij Amsterdam, dat in 2001 is aangelegd, is inmiddels vrijwel verdwenen. De oorzaak is waarschijnlijk vervuiling en slijtage van het poreuze wegdek. Tevens is gebleken dat tijdens en kort na neerslag het geluidniveau op dit asfalt met twee tot drie decibel toeneemt. De snelheidsverlaging bij de A10, die in november 2005 is ingevoerd, heeft de geluidniveaus nauwelijks verlaagd. Meetresultaten van Prorail uit het IPG-programma aan spoorwegmaterieel zijn overeenstemming met de Nederlandse voorschriften. Het is gebruikelijk om van luchtvaartgeluid te monitoren op basis van berekeningen. Pilotmetingen uit dit onderzoek in Krommenie en Oegstgeest aan luchtvaartgeluid laten zien dat er goede mogelijkheden zijn om trends in de geluidbelasting te monitoren met vaste onbemande meetposten. Randvoorwaarde daarbij is dat de meetsystemen vliegtuiggeluid op betrouwbare wijze kunnen identificeren en andersoortig lawaai voldoende kunnen elimineren. Dit zijn de belangrijkste resultaten uit een geluidmonitorprogramma dat het RIVM in 1999 heeft opgestart. Dit rapport beschrijft monitorresultaten uit 2006 en deels uit 2007. Het programma is gericht op ontwikkelingen in omgevingsgeluid door wegverkeer, railverkeer en luchtvaart. Hiervoor zijn voor wegverkeersgeluid in 2006 metingen verricht langs de A2 bij Breukelen, de A10-West bij Amsterdam en de N256 in Zeeland. Voor railverkeer is gebruik gemaakt van meetresultaten uit 2006 bij Esch, Bussum, Willemsdorp en Zeist, beschikbaar gesteld door het Kenniscentrum Spoorweggeluid van Prorail. Tot slot is in 2007 een pilot uitgevoerd om geluid van luchtverkeer automatisch (onbemand) te meten. Bij Krommenie zijn metingen verricht met een systeem van Geluidconsult (Luistervink) en bij Oegstgeest met een systeem van Geluidsnet.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

The effect of REACH implementation on genotoxicity and carcinogenicity testing | RIVM

Met het nieuwe Europese stoffenbeleid REACH blijft het mogelijk om stoffen efficient te testen op kankerverwekkende eigenschappen zonder dat dit ten koste gaat van de veiligheid. Dit blijkt uit onderzoek van RIVM beschreven in dit rapport. REACH staat voor Registratie, Evaluatie en Autorisatie van chemische stoffen. Het is een nieuwe regeling om de risico's in kaart te brengen van stoffen waaraan mensen bijna dagelijks worden blootgesteld. Het gaat niet alleen om circa 100.000 bestaande stoffen maar ook om nieuwe stoffen op de markt die moeten worden getest. Doel van REACH is om goedkoper en sneller de risico's te leren kennen en proefdieren te sparen. RIVM heeft onderzocht of een efficientieslag mogelijk is door de klassieke test voor carcinogeniteit te schrappen. Dit kan als andere testen de benodigde gegevens leveren. Voorbeelden van andere testen zijn (sub)chronische toxiciteitstesten of genotoxiciteitstesten die de DNA-schade meten die de stoffen veroorzaken. Een andere benadering is het Toxicological Threshold Concept (TTC), dat een vaste waarde aangeeft voor maximaal toelaatbare blootstelling waarbij het risico minder is dan een op de miljoen (aangeduid als verwaarloosbaar risico). Uitsluitend testen met gekweekte cellen (in vitro) geeft onvoldoende garantie of de stof in een levend organisme (in vivo) geen DNA-schade veroorzaakt. Om dit beter te kunnen beoordelelen moeten in vitro resultaten worden vergeleken met die uit in vivo experimenten. Dus blijven proefdieren nodig om DNA-schade te meten maar wel moet het gebruik van proefdieren tot een minimum worden beperkt door doordacht testen te kiezen.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Advies gebruik grondwater onder zinkassen in de Kempen: quick scan. Actualisatie advies mei 2005 | RIVM

In 2005 is er door het RIVM een advies opgesteld voor het gebruik van grondwater onder zinkassen in de Kempen. Dit advies had betrekking op de mogelijke risicos bij gebruik van grondwater met verhoogde concentraties aan de metalen arseen, zink, cadmium, koper en lood. Dit briefrapport moet gezien worden als een actualisatie van het advies uit 2005. De set metalen waarvoor de risicogrenzen in beeld waren gebracht is daarbij uitgebreid met nikkel, chroom en kwik. Cadmium en zink overschrijden in veel gevallen de kritische concentraties voor grondwater (grenswaarden). Voor cadmium komen overschrijdingen voor tot een factor 12 voor alle onderzochte toepassingen. Voor zink zijn de concentraties in grondwater te hoog bij gebruik van grondwater als sproeiwater (fytotoxiciteit) en vanwege de invloed van hoge zinkconcentraties op de smaak van drinkwater. Voor lood zijn op de helft van de locaties overschrijdingen van vooral de drinkwaternorm (volgens het WLB) te zien. Arseen en koper overschrijden de kritische gehalten niet. Voor de overige metalen zijn kritische Gezien de overschrijdingen voor cadmium, lood en zink wordt op deze locaties onttrekking van het grondwater ten behoeve van consumptie, besproeiing en het drenken van vee ontraden.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Nitrosamines released from rubber crumb | RIVM

Het RIVM heeft op verzoek van en in samenwerking met de Hulpverleningsdienst Gelderland Midden (HGM) luchtmetingen gedaan boven vier kunstgrasvoetbalvelden in Arnhem. Deze kunstgrasvelden zijn ingestrooid met rubbergranulaat. Het doel van de metingen was om na te gaan of uit de rubberkorrels kankerverwekkende nitrosaminen kunnen vrijkomen, die een gezondheidsrisico zouden kunnen zijn voor sporters. Het RIVM heeft op twee hoogten boven verschillende sportvelden luchtmetingen verricht. In geen van deze metingen konden nitrosaminen in de lucht boven het veld worden aangetoond. Uit aanvullend materiaalonderzoek onder laboratoriumomstandigheden bleek dat nitrosaminen slechts in geringe mate uit rubbergranulaat zijn vrij te maken. Op basis van deze bevindingen concludeert het RIVM dat nitrosaminen geen gezondheidsrisico's vormen voor de gebruikers van de sportvelden.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

The ecological risks of antibiotic resistance in aquatic environments: a literature review | RIVM

Bacterien die resistent zijn voor antibiotica verspreiden zich via het watermilieu, waaronder riool- en oppervlaktewater. De ecologische gevolgen zijn echter nog niet in te schatten, zo blijkt uit een literatuurstudie van het RIVM in opdracht van de Waterdienst. Het RIVM beveelt aan mogelijke effecten nader te onderzoeken. Het RIVM onderzocht de informatie in de wetenschappelijke literatuur over de milieurisico's die optreden als resistentiegenen in het watermilieu zich verspreiden. Dit zijn genen in bacterien waardoor deze ongevoelig worden voor antibioticirca In Nederland worden jaarlijks voor de behandeling van mens en dier respectievelijk 40 en 508 ton antibiotica gebruikt. Als darmbacterien resistent worden voor antibiotica, komen deze bacterien met hun resistentiegenen in rioolwater of in mest terecht. De genen worden op andere bacterien overgebracht via genetisch materiaal dat wordt uitgewisseld. Resistentiegenen van darmbacterien in rioolwater worden teruggevonden in oppervlaktewater stroomafwaarts van de lozingspunten, hoewel de darmbacterien daar niet overleven. Stoffen in het oppervlaktewater, zoals nutrienten, metalen en chemische stoffen, selecteren ook op resistentie bij bacterien. Recente Nederlandse meetgegevens wekken de indruk dat door het gebruik van antibiotica bij de varkensbedrijven meer bacteriele resistentiegenen in het lokale watermilieu zitten. De studies leggen echter geen duidelijk verband tussen de aanwezigheid van genen en het aantal resistente bacterien. Onderzoek naar effecten op het milieu ontbreekt vooralsnog. Omdat resistentiegenen van nature ook voorkomen, en gegevens over de aanwezigheid van resistentiegenen in 'schone' wateren schaars zijn, is het niet duidelijk of er sprake is van een ongewone situatie. Voor deze vergelijking is het ook belangrijk de absolute aantallen van resistente bacterien te meten.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Medical devices for small target groups. Availability guaranteed? | RIVM

De beschikbaarheid van medische hulpmiddelen voor kleine doelgroepen (zogenoemde wees medische hulpmiddelen) is niet gewaarborgd in Nederland. Een voorbeeld van een wees medisch hulpmiddel is een in grootte verstelbare titanium rib voor kinderen waarvan de borstkas onvoldoende functioneert. Dergelijke hulpmiddelen zijn niet zonder meer beschikbaar, omdat er diverse knelpunten zijn in onderzoek en ontwikkeling, planning en organisatie van de productie en de vergoeding. Dit is de uitkomst van een studie onder belanghebbende partijen (patienten, zorgaanbieders, fabrikanten en anderen). Doel van dit rapport is een eerste impressie geven van de problemen rond de beschikbaarheid van medische hulpmiddelen voor kleine doelgroepen. De resultaten kunnen als uitgangspunt dienen voor een verdere discussie over de wenselijkheid maatregelen te nemen. In het onderzoek is gekeken of er elders in de wereld maatregelen bestaan die de ontwikkeling en productie van medische hulpmiddelen voor kleine doelgroepen stimuleren. Op Europees niveau blijken tot nu toe geen speciale regelingen te bestaan. Vijf landen kennen wel regelingen die het ontwikkelen en op de markt brengen van medicijnen en biologische geneesmiddelen voor zeldzame aandoeningen ondersteunen. Alleen de Verenigde Staten en Japan kennen speciale regelingen voor wees medische hulpmiddelen. Dit rapport beschrijft welke maatregelen de beschikbaarheid van medische producten voor kleine doelgroepen ten goede kunnen komen. Dit zijn maatregelen uit bestaande regelgeving en maatregelen die de belanghebbende partijen hebben voorgesteld. Een voorbeeld is experimentele producten financieel ondersteunen. Om verder te kunnen bepalen wat geschikte maatregelen zijn voor wees medische hulpmiddelen, is het noodzakelijk een definitie van deze groep hulpmiddelen vast te stellen. Het is aan te bevelen hierover een bijeenkomst te organiseren voor belanghebbende partijen, op nationaal en Europees niveau.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Bodemsanering in beleidsaandachtsgebieden | RIVM

Dit rapport biedt een bijgewerkt overzicht van de inventarisatie van het Landsdekkend beeld bodemverontreiniging en een raming van de aantallen verontreinigde locaties en spoedlocaties in Nederland. Het RIVM schat het aantal locaties in Nederland waarvan de bodem met spoed moet worden gesaneerd op 6500 tot 7500. Er zijn nog enkele jaren nodig om op basis van bodemonderzoek de exacte aantallen en de precieze spoedlocaties vast te kunnen stellen. Het overzicht is aangevuld met geraamde saneringskosten en risiconiveaus. Nieuw is dat bij de bepaling van de spoedlocaties naast de verontreinigingsbron meer factoren zijn betrokken die de risico's voor de mens bepalen: de manier waarop de bodem wordt gebruikt (huisvesting, industrie, volkstuinen, enzovoort) en de kans op verspreiding van de verontreiniging naar het grondwater (afhankelijk van het bodemtype) Volgens het huidige coalitieakkoord en de prioriteiten van de minister van VROM gelden een aantal gebieden (zoals de veertig wijken in de grote steden, de milieuaandachtsgebieden en de ecologische hoofdstructuur) als aandachtsgebied. Ook voor deze aandachtsgebieden zijn in dit rapport de aantallen locaties bepaald. Er is onderzocht of op de uitvoeringskosten kan worden bespaard door grondwatersaneringen of beheermaatregelen op nabijgelegen locaties te combineren. Het RIVM beveelt aan deze insteek verder te ontwikkelen.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Waterkwaliteit op landbouwbedrijven. Evaluatie Meststoffenwet 2007 | RIVM

Onder landbouwbedrijven in de zandregio wordt in het bovenste grondwater de norm van de Europese Nitraatrichtlijn (50 mg/l) gemiddeld gezien overschreden. Als gevolg van het mestbeleid is de nitraatconcentratie tot het jaar 2002 gedaald, waarna de concentratie zich stabiliseert. Op bedrijven in de klei- en veenregio wordt de norm gemiddeld gehaald, al is hier geen duidelijke relatie tussen de nitraatconcentratie en het mestbeleid te zien. Een daling van de nitraatconcentratie in het grondwater en slootwater op landbouwbedrijven heeft als gevolg dat het milieu minder belast wordt. De nitraatconcentratie in het bovenste grondwater verschilt per bedrijfstype. Het bovenste grondwater op melkveebedrijven bevat gemiddeld het minste nitraat, 50 procent van de melkveebedrijven in de zandregio voldoet aan de norm. Akkerbouwbedrijven hebben gemiddeld een hogere nitraatconcentratie in het bovenste grondwater, in de zandregio voldoet hiervan 30 procent aan de norm. Van de hokdierbedrijven, zoals varkenshouders, voldoet 20 procent van de bedrijven in de zandregio aan de norm. Deze bedrijven hebben gemiddeld de hoogste nitraatconcentratie in het grondwater. Op de landbouwbedrijven in de klei- en veenregio is ook het slootwater bemonsterd. De stikstoftotaalconcentratie (onder andere nitraat) in het slootwater ligt gemiddeld boven de toetswaarde die ecologische risico's aanduidt (Maximaal Toelaatbaar Risico).
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Gezondheidkundige advieswaarden binnenmilieu, een update | RIVM

Chemische stoffen, biologische agentia en fysische factoren zoals geluid en straling kunnen de gezondheid schade toebrengen. Gezondheidkundige advieswaarden voor het binnenmilieu geven aan in hoeverre de bewoners deze agentia binnenshuis kunnen verdragen. Zij worden vooral gebruikt om de kwaliteit van het binnenmilieu te beoordelen. Voor u ligt een nieuwe lijst met met deze gezondheidskundige advieswaarden, een vervolg op de eerste versie, die van 2004 dateert. Een recente publicatie van de WHO vormde de aanleiding tot het het aanpassen van de advieswaardes voor ozon, zwaveldioxide en fijn stof. Tevens is de advieswaarde voor naftaleen toegevoegd. Daarnaast bevat dit rapport een overzicht van de resultaten van het Nederlandse binnenmilieuonderzoek sinds 1995. De hoop dat daarmee nu eindelijk ook achtergrondwaarden voor Nederlandse woningen konden worden vastgesteld, bleek helaas ongegrond. De advieswaarden kunnen niet alleen voor woningen worden gebruikt maar ook voor kantoren of scholen, plaatsen waar mensen langere tijd binnen verblijven. Zij hebben geen wettelijke status, maar kunnen wel helpen de kwaliteit van het binnenmilieu te verbeteren.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Ecologische risicobeoordeling depotterrein gemeente Epe | RIVM

Op arseenhoudende depotgrond bij de gemeente Epe (Gelderland) zijn ecologische effecten waargenomen. Het arseen lijkt een remmende werking te hebben op de activiteit van bacterien en algen. Veldonderzoek aan vegetatie, aaltjes en regenwormen laat ook verschillen zien tussen de depots en de omgeving Deze effecten zijn duidelijk aanwezig, maar klein. Dit concludeert het RIVM na onderzoek naar de ecologische risico's van deze arseenhoudende depotgrond. De concentratie arseen overschrijdt de maximum toelaatbare waarde, maar is bij de ijzerhoudende gronden in de nabije omgeving eveneens hoog. Wel gedraagt het arseen in de depotgrond zich op een andere wijze dan in de natuurlijke omgeving. De concentraties arseen in het bodemvocht zijn hoger.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Kosten en effecten van tabaksontmoediging | RIVM

Een integraal tabaksontmoedigingsbeleid levert veel gezondheidswinst op tegen relatief lage kosten voor de gezondheidszorg. Met maatregelen zoals individuele ondersteuning bij stoppen met roken, accijnsverhoging en een massamediale campagne is het mogelijk om het percentage rokers terug te dringen tot 21% a 26% in 2010. Het Nationaal Programma Tabaksontmoediging (NPT) 2006-2010 is op 9 maart 2006 aan de Tweede Kamer aangeboden. In dit programma is het doel opgenomen om het percentage rokers te laten dalen tot 20% in 2010. Doel van dit onderzoek was om de effecten van mogelijke maatregelen door te rekenen, om zo een beeld te krijgen welke bijdrage deze kunnen leveren aan het realiseren van het NPT doel. Er is gewerkt aan de hand van een literatuuronderzoek en met expert opinies. Voor enkele maatregelen zijn vervolgens de langetermijneffecten berekend met het RIVM Chronische Ziekten Model (CZM). Een combinatie van maatregelen bestaande uit individuele ondersteuning bij stoppen met roken, accijnsverhoging en een massamediale campagne, uitgevoerd vanaf 2007 tot en met 2010, levert op de lange termijn een gezondheidswinst op tussen de 200.000 en 1.200.000 gezonde levensjaren (QALY's). Deze gezondheidswinst kan worden gerealiseerd tegen relatief lage extra kosten voor de gezondheidszorg; de kosteneffectiviteit wordt geschat tussen de Euro 3.800 en Euro 4.900 per gewonnen QALY.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Databank voor zeldzame aandoeningen. Is een "weesbase" haalbaar? | RIVM

Er is in Nederland geen databank die een complete verzameling van Nederlandse prevalentiegegevens voor zeldzame aandoeningen levert. Door het RIVM is onderzocht of het ontwikkelen van een complete databank met betrouwbare prevalentiegegevens voor zeldzame aandoeningen in Nederland haalbaar is. Uit dit onderzoek blijkt dat het ontwikkelen en in stand houden van een databank zeldzame aandoeningen mogelijk is indien dit duidelijk gecoordineerd wordt en een financiele tegemoetkoming tot stand gebracht wordt voor de lange termijn.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

A tiered procedure to assess risk due to contaminant migration in groundwater | RIVM

RIVM stelt in dit rapport een nieuwe methode voor om risico's van verspreiding van verontreinigd grondwater beter te beoordelen. Op basis hiervan kunnen gemeenten en provincies beter beslissen over de noodzaak om de verontreiniging aan te pakken. Verontreinigd grondwater kan via verspreiding de kwaliteit aantasten van drinkwater, oppervlaktewater, natuur- en woongebieden. Hierdoor ontstaan risico's voor mens en milieu. Om te bepalen of en hoe snel een grondwaterverontreiniging moet worden opgeruimd (gesaneerd), is het belangrijk om de risico's van verspreiding in kaart te brengen. Door het herziene bodembeleid en andere wetenschappelijke inzichten is vernieuwing van de bestaande beoordelingsmethodieken nodig. In dit rapport stelt RIVM een nieuwe methode voor waarmee de risico's van verspreiding beter kunnen worden beoordeeld. De nieuwe methode is trapsgewijs opgebouwd volgens het principe 'eenvoudig als het kan, moeilijk als het moet'. Het onderscheidt vier niveaus, zogenaamde 'treden'. In elke trede wordt beoordeeld of het risico acceptabel is. Is het risico niet acceptabel dan moeten maatregelen worden genomen om de verontreiniging te beheren of te saneren. Ook kan worden gekozen om met specifieker onderzoek (de volgende trede) de risico's beter in kaart te brengen. Door de gestructureerde opbouw biedt de methode gemeenten en provincies betere ondersteuning bij beslissingen over maatregelen voor sanering of vervolgonderzoek. Naast de verbeterde methode zijn ook de beoordelingsinstrumenten die per trede nodig zijn om de risico's te bepalen grotendeels uitgewerkt in dit rapport.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Hoe gezond zijn de zorguitgaven?. Zorg voor euro's - 6. De kosten en opbrengsten van gezondheidszorg bij infectieziekten, kankers en hart- en vaatziekten | RIVM

Ieder jaar wordt in Nederland veel geld uitgegeven aan de gezondheidszorg. In 2003 ging het om een bedrag van 57,5 miljard euro. De serie Zorg voor euro's beschrijft waaraan dit geld werd uitgegeven, hoeveel gezondheid we ervoor hebben teruggekregen en ook hoe de zorguitgaven zich in de toekomst zullen ontwikkelen. In dit rapport worden de volksgezondheid en de gezondheidszorg in 2003 vergeleken met een situatie waarin er geen gezondheidszorg zou zijn geweest. Op die wijze is gekeken naar de effecten van medische zorg bij infectieziekten, kankers en hart- en vaatziekten. Aangetoond wordt dat de levensverwachting door verbeteringen in de gezondheidszorg aanzienlijk is toegenomen. Gelet op de kosten van de medische en preventieve zorg die daarvoor nodig was, zijn er sterke aanwijzingen dat de zorguitgaven gezond zijn.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Off-label gebruik van geneesmiddelen. Transparantie gewenst | RIVM

Off-label geneesmiddelen voorschrijven blijkt een vanzelfsprekend onderdeel te zijn van de medische zorg. Als een off-label voorschrift binnen de beroepsgroep de voorkeursbehandeling is, kan het zelfs gewenst zijn. Het gaat hierbij om het voorschrijven van geneesmiddelen voor aandoeningen waarvoor deze middelen niet zijn goedgekeurd of beoordeeld door het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen. Volgens artsen wordt off-label voorschrijven meestal ingegeven door medische richtlijnen, farmacotherapeutische handboeken en wetenschappelijke literatuur. Deze motieven zijn in lijn met de standpunten over off-label voorschrijven van het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen, de Inspectie voor de Gezondheidszorg en het Nederlandse Huisartsen Genootschap. Het is ook in lijn met de nieuwe Geneesmiddelenwet, die op 1 juli 2007 van kracht is geworden. Experimenteergedrag komt slechts 'zelden tot soms' voor. Motieven die neigen naar experimenteergedrag zoals 'volgens eigen ervaringen werkzaam' en 'ervaringen collega's' komen 'soms tot regelmatig' voor. Artsen zijn verplicht patienten te informeren over en toestemming te vragen voor off-label voorschrijven. Toch doen zij dat slechts 'soms tot regelmatig' (huisartsen en kinderartsen) of 'regelmatig tot vaak' (medische oncologen, dermatologen en neurologen). Ongeveer de helft van de artsen geeft aan zelden tot nooit de patient om toestemming te vragen. Dit blijkt uit een enquete onder 464 huisartsen en 406 specialisten, en een beschouwing van medische richtlijnen van artsen. Daaruit blijkt ook dat artsen behoefte hebben aan meer informatie over off-label voorschrijven. Afhankelijk van het specialisme, zegt 22 tot 45% van de artsen 'regelmatig' niet te weten of een voorschrift off-label is. De behoefte aan een meldpunt en evaluatie binnen de beroepsgroep is bij alle onderzochte beroepsgroepen groot. Vooral huisartsen geven aan off-label gebruik maar 'zelden tot soms' zelf of met vakgenoten te evalueren. Of het off-label gebruik extra risico's met zich meebrengt is nog onduidelijk. De bewijzen daarvoor in de literatuur zijn schaars en extra risico's worden vooralsnog vooral vanuit de theorie verondersteld.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Alternative methods in reproductive toxicity testing: state of the art | RIVM

Dit rapport geeft een overzicht van de in vitro testmethoden die de afgelopen decennia voor reproductie toxiciteit onderzoek zijn ontwikkeld. Het validatieproces van deze alternatieven voor dierproeven wordt hier eveneens beschreven. Daarnaast geeft het rapport aan wat de knelpunten zijn om deze methoden in internationale testrichtlijnen te kunnen invoeren. Inmiddels zijn voor embryotoxiciteit een aantal testen gevalideerd, die in de toekomst na verdere optimalisatie toegepast kunnen worden. Daarnaast kunnen individuele in vitro testen mogelijk ingezet worden bij het screenen van stoffen. Dit kan leiden tot een aanzienlijke vermindering van het proefdiergebruik voor reproductie toxiciteitstesten. Hoewel verscheidene alternatieven voor dierproeven voor reproductie toxiciteitstesten voorhanden zijn, blijken veel van deze methoden nog onvoldoende ontwikkeld en niet gevalideerd te zijn. De huidige testrichtlijnen voor reproductie toxiciteit vergen een groot aantal proefdieren. De vereiste aantallen varieren van 560 - 6,000 proefdieren per chemische stof, afhankelijk van de hoeveelheid waarin de stof wordt geproduceerd of geimporteerd. Bovendien dreigt het gebruik van proefdieren sterk toe te nemen vanwege de invoering van REACH, de nieuwe Europese wetgeving voor registratie, evaluatie en autorisatie van chemische stoffen. Binnen REACH zullen naar verwachting miljoenen dieren gebruikt worden om 30.000 bestaande stoffen alsnog te registreren. In vitro testmethoden op het gebied van reproductie toxiciteit zijn sterk in ontwikkeling. Ze bevinden zich momenteel veelal in het stadium van validatie, waardoor ze nog niet inzetbaar zijn. Reproductie is een complex samenspel van zeer verschillende processen. Om het effect van chemische stoffen hierop te kunnen toetsen is een reeks van in vitro modellen nodig, die vervolgens samengevoegd worden in een teststrategie.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1

Evaluatie RIVM hiv-surveys hoogrisicogroepen | RIVM

Van 1994 tot 2002 zijn zestien sero- en gedragssurveillance studies (zogenaamde hivsurveys) uitgevoerd onder injecterende druggebruikers. Tussen 2002 en 2006 zijn verschillende hiv-surveys uitgevoerd onder andere potentiele hoogrisicogroepen (prostituees, prostituanten en migranten uit hiv-endemische gebieden). Er zijn geen hivsurveys opgezet onder homoseksuele mannen (MSM) omdat deze er door middel van cohortonderzoeken in Amsterdam (en Rotterdam) reeds structurele gedragssurveillance plaatsvindt bij deze hoogrisicogroep. Daarnaast is de verwachting dat MSM geen brugpopulatie vormen voor de verspreiding van hiv naar de algemene bevolking. Om een uitspraak te kunnen doen over hoe toekomstige surveillance van hiv bij hoogrisicogroepen vorm te geven is het belangrijk de hiv-surveys te evalueren. De resultaten van deze evaluatie worden in dit briefrapport beschreven.
Jaar: 2008 Onderzoek Documenten: 1