Naar inhoud
Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu

Serologisch onderzoek naar het effect van de kinkhoestvaccinwisselingen in het RVP van 2004 tot 2008. Overgang van whole cell naar acellulair vaccin bij 1-jarige kinderen | RIVM

Jaar: 2009 Documenten: 1
Kinderen die sinds 2005 met het nieuwe kinkhoestvaccin zijn gevaccineerd, maken meer antistoffen tegen de ziekte aan dan bij gebruik van het oude vaccin. Aangezien het effect van het vaccin pas op lange termijn merkbaar is in de bevolking, is nu nog niet duidelijk of hierdoor het aantal gevallen van kinkhoest zal dalen. Dit blijkt uit een onderzoek van het RIVM naar het effect van de wisselingen van het kinkhoestvaccin tussen 2004 en 2008 in het Rijksvaccinatieprogramma (RVP) bij ruim 400 kinderen van 1 jaar oud. Sinds 2005 wordt aan 1-jarigen een nieuw kinkhoestvaccin toegediend. Bovendien is in 2001 op een leeftijd van 4 jaar een herhaalenting toegevoegd aan het prikschema. Aanleiding voor de aanpassingen is een forse toename van het aantal kinkhoestgevallen sinds de jaren negentig. Het RIVM beveelt aan om niet alleen de samenstelling van het RVP in het eerste levensjaar te onderzoeken, maar ook het tijdschema waarop de vaccins worden toegediend. Momenteel geldt voor het eerste jaar het zogeheten 3+1-schema, waarbij kinderen op 2, 3, 4 maanden een prik krijgen, gevolgd door een 'booster' op de leeftijd van 11 maanden. De in 1999 ingevoerde vervroeging van 3, 4, 5 naar 2, 3, 4 maanden lijkt minder effectief te zijn. Uit het onderzoek blijkt ook dat een gelijktijdige toediening van combinatievaccins zijn beperkingen kent. Een te groot aantal kan de effectiviteit van de vaccins onverwacht negatief beinvloeden. Elke aanpassing in het RVP verdient daarom een degelijke evaluatie. Tegelijkertijd is het door de vele wisselingen van kinkhoestvaccins in de afgelopen tien jaar moeilijker geworden om de bescherming op lange termijn van een type vaccin te meten.