Naar inhoud

Onderzoeken Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2009

Zoek binnen deze data in WooGLe

Normafleiding voor genotoxisch carcinogene stoffen. Humaan-toxicologische risicogrenzen en het MTR | RIVM

Humaan- en ecotoxicologische risicogrenzen zijn de basis voor het afleiden van normen voor chemische stoffen voor bodem, water en lucht. De overheid hanteert deze kwaliteitsnormen bij de uitvoering van het (inter)nationale stoffenbeleid. Voor humane risico's van genotoxische carcinogenen accepteert de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) een kans op kanker van ten hoogste een op een miljoen per leven. Dit is 100 maal strenger dan het maximaal toelaatbaar risiconiveau (MTR) voor de mens van een op 10.000 per leven in de officiele Nederlandse beleidsdocumenten. Als gevolg hiervan werken verschillende beleidskaders met een uiteenlopende interpretatie van het begrip MTR. Dit rapport licht de achtergronden van het probleem toe. Het RIVM doet aanbevelingen om de onduidelijkheid op te heffen rond de definitie van het MTR voor deze groep van stoffen.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Effecten van beleidsmaatregelen buiten het volksgezondheidsdomein op de gezondheid. Een verkennende studie | RIVM

Er zijn diverse op aanbod en spreiding van voorzieningen gerichte en juridische maatregelen, en enkele economische en communicatieve maatregelen buiten het volksgezondheidsdomein die de (determinanten van) gezondheid van de bevolking kunnen beinvloeden. Een deel van deze maatregelen is nog niet, of slechts op kleine schaal, in Nederland ingevoerd en kan bij invoering potentieel gezondheidswinst opleveren. Dit blijkt uit een verkennende literatuurstudie van het RIVM waarin onderzocht is wat het effect is van maatregelen buiten het volksgezondheidsdomein op de gezondheid van de bevolking. Van de meeste onderzochte maatregelen is de effectiviteit onvoldoende bekend. Dit komt omdat het niet onderzocht is of omdat de bewijslast voor effectiviteit inconsistent is. Veel kennis over effectiviteit komt uit het buitenland en het is nog onvoldoende bekend in hoeverre deze maatregelen ook in Nederland werkzaam zijn. Dit vergt dus nader onderzoek. Gezondheid wordt beinvloed door veel verschillende factoren, zoals omgevingskenmerken of economische en technologische ontwikkelingen, die buiten de scope van het volksgezondheidsbeleid vallen. Beleidsmaatregelen van andere sectoren kunnen daarom indirect een potentieel positief of negatief effect hebben op de gezondheid. Deze studie geeft geen inzicht in de relatieve bijdrage van de beleidsmaatregelen op gezondheid, omdat dit afhangt van de grootte van de effecten en de relatie tussen de determinant en gezondheid, maar het biedt wel inzicht in kansrijke samenwerkingsverbanden tussen de sector volksgezondheid en andere beleidssectoren die van invloed zijn op de gezondheid.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Conceptuele modellen voor de Kaderrichtlijn Water en de Grondwaterrichtlijn | RIVM

De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW), Grondwaterrichtlijn (GWR) en bijbehorende richtsnoeren bevatten geen eenduidige definitie van conceptuele modellen, die nodig zijn om de richtlijnen uit te voeren. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM, waarin het gebruik van conceptuele modellen is geinventariseerd. Daarnaast blijkt uit het onderzoek dat de gebruikte conceptuele modellen niet goed zijn ontsloten. Daarom wordt aanbevolen om de afzonderlijke conceptuele modellen te verzamelen en samen te voegen tot een kennisbron. Onderzoekers uit verschillende disciplines kunnen daaruit putten en er hun conceptuele modellen op baseren. Een enkele kennisbron helpt ook bij het onderling afstemmen en archiveren van de verschillende conceptuele modellen. De kennisbron moet ook beschikbaar zijn voor beleidsmakers. In het onderzoek wordt de volgende onderverdeling van conceptuele modellen voorgesteld: fundamenteel wetenschappelijke modellen, geohydrologische conceptuele modellen en conceptuele modellen gericht op communicatie tussen de verschillende disciplines in wetenschap en beleid. Uit de inventarisatie van conceptuele modellen die in Nederland worden gebruikt voor grondwatervraagstukken bleek, dat ze voornamelijk zijn gericht op de genoemde interdisciplinaire communicatie. De in de richtsnoeren genoemde modellen laten een evenredige verdeling zien tussen geohydrologische en interdisciplinaire conceptuele modellen. Een conceptueel model is een versimpelde weergave van de werkelijkheid, in dit geval van het (grond)watersysteem. Het bestaat meestal uit een kaartje, een schematische doorsnede van de ondergrond, een indicatie van de relevante processen en een toelichtend verhaal van het (grond)watersysteem. In Nederland is voor de uitvoering van de KRW een draaiboek monitoring opgesteld waarin een monitoringcyclus wordt beschreven. Binnen deze cyclus is op diverse momenten een conceptueel model nodig. Momenteel kunnen op de diverse momenten in de monitoringcyclus verschillende conceptuele modellen worden gebruikt. De kennisbron moet bijdragen aan de consistentie van de conceptuele modellen in deze monitoringcyclus.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Verkenning van extreem-laagfrequente (ELF) magnetische velden bij verschillende bronnen. Literatuur en metingen | RIVM

In de buurt van transformatorhuisjes, ondergrondse kabels en huishoudelijke apparaten heeft het RIVM verkennende metingen van het magnetische veld uitgevoerd. De metingen zijn op verzoek van de GGD'en verricht en dienen als achtergrondinformatie om vragen van burgers te beantwoorden. Bovendien zijn protocollen ontwikkeld om de GGD'en te ondersteunen bij de uitvoering van metingen. De sterkte van het magnetische veld in de buurt van transformatorhuisjes en kabels neemt af met de afstand. Daarnaast hangt het veld af van de sterkte van de stroom op het tijdstip van de meting. Ook is de manier waarop de kabels in de grond liggen van invloed op de veldsterkte. De metingen zijn daarom niet representatief voor ogenschijnlijk vergelijkbare situaties. Dat geldt ook voor de veldsterkte van huishoudelijke apparaten, omdat het type en de leeftijd van het apparaat van invloed zijn op de veldsterkte. Wel geven de metingen een beeld van de ordegrootte van de veldsterkte op verschillende afstanden van deze bronnen. Voorafgaand aan de metingen is geinventariseerd welke gegevens over de sterkte van het magnetische veld in veelvoorkomende situaties beschikbaar waren. Voor bovengrondse hoogspanningslijnen bleek voldoende in kaart gebracht welke veldsterkten op diverse afstanden van de lijnen optreden. Voor ondergrondse hoogspanningskabels, transformatorhuisjes, huishoudelijke apparatuur en de veldsterkten in woningen, bleken gegevens schaars of verouderd.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Representativiteit KRW Monitoringprogramma Grondwaterkwaliteit | RIVM

Nederland heeft een monitoringprogramma opgesteld om te voldoen aan het voorschrift uit de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) om het grondwater regelmatig te meten. Dit KRW Monitoringprogramma Grondwaterkwaliteit (KMG) kan op een aantal punten worden verbeterd om het meer in lijn te brengen met de formele randvoorwaarden. Zo moet het conceptuele model nog worden beschreven, dat de interactie weergeeft tussen oppervlakkige afspoeling, grondwater en ecosystemen. Daarnaast wordt aanbevolen om op locaties waar het bovenste grondwater de kwaliteit van het oppervlaktewater en ecosystemen beinvloedt, de surveillance- en de operationele monitoring uit te breiden met meetpunten in de bovenste paar meter van het grondwater. Voor een representatieve verdeling van de metingen is het raadzaam de ruimtelijke indeling van de meetpunten over Nederland te baseren op grondsoort, landgebruik en hydrologische situatie. Tot slot kan de beoordeling van de waterkwaliteit betrouwbaarder worden door meer bestaande meetpunten in te zetten. Het bovenstaande blijkt uit onderzoek van het RIVM en Deltares, in opdracht van het ministerie van VROM. De Europese Kaderrichtlijn Water stelt doelen zodat er in 2015 onder andere voldoende water in Europa is met een goede chemische toestand. Dit houdt in dat de concentraties van verontreinigende stoffen de normen niet overschrijden. Daarnaast mogen deze concentraties geen significante vermindering van de ecologische of chemische kwaliteit van de grondwaterlichamen veroorzaken. Evenmin mogen ze significante schade toebrengen aan ecosystemen die afhankelijk zijn van het grondwater. Momenteel wordt de chemische toestand van grondwater bepaald op basis van metingen op 10 en 25 meter diepte. De aanbeveling om daarbij ook grondwaterkwaliteitgegevens uit de bovenste paar meter te betrekken, geldt zowel voor surveillance- als voor de operationele monitoring. Surveillancemonitoring vindt plaats in gebieden waar het risico op vervuild grondwater in 2015 klein is. Operationele monitoring vindt plaats in gebieden waar het risico op vervuiling dan groter is. Voor operationele monitoring heeft dat als voordeel dat effecten van milieumaatregelen dan eerder kunnen worden waargenomen.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Wat rookt de Nederlandse jeugd en waarom? | RIVM

Volgens rokende jongeren kiezen zij hun sigarettenmerk in twee derde van de gevallen vanwege de smaak. Daarnaast bepalen merktrouw, de verkrijgbaarheid van het merk en de prijs de keuze. De meerderheid van de rokende jongeren zegt te willen stoppen, vooral vanwege de kosten en het negatieve effect op hun gezondheid. Dit blijkt uit een online enquete door het RIVM naar het rookgedrag en de productkeuze van jongeren tot en met 18 jaar. De vragenlijst is uitgezet op scholen en op de websites van STIVORO en Scholieren.com, wat resulteerde in bijna vijfduizend ingevulde vragenlijsten. Uit de enquete blijkt ook dat de belangrijkste redenen om te beginnen met roken nieuwsgierigheid, rokers in de sociale omgeving en een positieve verwachting van de smaak zijn. Rokers steken meestal een sigaret op omdat ze er zin in hebben en omdat ze het ontspannend vinden. Ook zeggen ze zich lekker en voldaan te voelen door te roken. Omdat roken aanzienlijke gezondheidschade veroorzaakt bij zowel de roker als zijn omgeving, is het van groot belang met beleidsmaatregelen te voorkomen dat jongeren roken. Op grond van de resultaten van de enquete en literatuuronderzoek doet het RIVM enkele aanbevelingen. Aangezien smaak mede wordt bepaald door additieven in tabak, wordt aanbevolen om het gebruik van additieven die de smaak van rook verbeteren te beperken. Daarnaast is het van belang tegemoet te komen aan de informatiebehoefte van jongeren over de samenstelling en de effecten van tabaksproducten. Tot slot is het belangrijk om naast primaire preventie sterk in te zetten op stoppen-met-rokenprogramma's bij jongeren, vooral bij beginnende rokers. Hierbij lijkt een doelgroepgerichte aanpak, bijvoorbeeld gericht op jongeren met een lager opleidingsniveau, effectief.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Naar een monitor voor beleving van de leefomgeving. Handreiking en vragenlijst voor GGD'en | RIVM

Het RIVM heeft een monitor opgesteld in de vorm van een vragenlijst waarmee kan worden gemeten hoe mensen hun leefomgeving beleven. Medisch-milieukundig medewerkers van GGD'en kunnen met deze handreiking op een uniforme manier gegevens over beleving verzamelen en deze gebruiken voor hun adviezen aan gemeenten. Inzicht in beleving biedt aanknopingspunten voor een 'gezonder' beleid dat erop gericht is de leefomgeving van bewoners te verbeteren. Door ontwikkelingen in de tijd te volgen (te monitoren) kunnen beleidsmakers bijtijds bijsturen en effecten van maatregelen of beleid evalueren. Belevingsonderzoek geeft belangrijke signalen over knelpunten die bewoners in hun leefomgeving ervaren. Deze hoeven niet altijd overeen te komen met de feitelijke (gemeten of berekende) milieubelasting. Andere factoren kunnen de beleving beinvloeden, zoals aandacht van de media, vertrouwen in de bereidheid van de gemeente om problemen aan te pakken en de gezinssamenstelling. Naast de monitor is een handreiking ontwikkeld waarin staat beschreven hoe GGD'en de monitor in de praktijk kunnen gebruiken.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Stralingsniveaumetingen rond het terrein van de EPZ kerncentrale te Borssele in 2007 | RIVM

Het stralingsniveau aan de terreingrens van kerncentrale Borssele lag in 2007 onder het toegestane maximum. Dit blijkt uit controlemetingen van het RIVM. Volgens de Kernenergiewetvergunning moet de centrale ervoor zorgen dat personen buiten de terreingrens een effectieve stralingsdosis ontvangen van ten hoogste 40 microsievert per jaar. Om dit te controleren wordt op acht punten op de terreingrens het stralingsniveau gemeten. Dit gebeurt met het door het RIVM beheerde MONET-meetnet. Van de meting wordt vervolgens de natuurlijke achtergrondwaarde afgetrokken. Om het resultaat te vertalen naar effectieve stralingsdosis voor een persoon, wordt de zogeheten Actuele Blootstellings Correctiefactor (ABC-factor) toegepast. ABC-factoren hangen samen met de bestemming van het gebied waar de effectieve stralingsdosis kan worden opgelopen. Rond Borssele geldt een ABC-factor van 0,2. In opdracht van de Kernfysische Dienst van het ministerie van VROM rapporteert het RIVM jaarlijks of de kerncentrale aan deze vergunningseis voldoet. In dit rapport zijn voor 2007 de daggemiddelden van de acht MONET-monitoren rond de kerncentrale weergegeven. Ook wordt uitgelegd hoe op elk meetpunt de achtergrondwaarde is bepaald. In 2007 bedroeg de hoogste waarde, na aftrek van de natuurlijke achtergrond, 2,8 microsievert. Na toepassing van de ABC-factor resulteerde dit in een maximale effectieve dosis van 0,6 microsievert.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Risicocommunicatie RIVM. Informatievoorziening volgens belanghebbenden | RIVM

De risicocommunicatie van het RIVM heeft een andere leest nodig. Zij kan namelijk participatiever opgezet worden. Bij de presentatie van onderzoeksresultaten is het van belang meer rekening te houden met maatschappelijke percepties en emoties. Het instituut moet daarbij gaan nadenken over wijzen waarop zij de risicocommunicatie met betrokken partijen open, actief en meer in overleg kan opzetten. Dit blijkt uit Strategisch Onderzoek van het RIVM (SOR). Hierin is nagegaan hoe wetenschappers, beleidsmakers, ngo's, GGD-medewerkers, beleidsmakers, vertegenwoordigers van de media en burgers de risicocommunicatie van het RIVM beoordelen. Uit het exploratieve onderzoek blijkt dat beleidsmakers, wetenschappers, GGD-medewerkers en ngo's eerder en actiever bij onderzoeken van het RIVM willen worden betrokken. Dit biedt de mogelijkheid om het onderzoek met hun ideeen te verrijken en kan bijdragen bij aan de praktische bruikbaarheid van onderzoeksresultaten. Ook zal hierdoor het draagvlak voor onderzoeksresultaten en daaruit voortvloeiende maatregelen toenemen. Het onderzoek werd uitgevoerd aan de hand van vier soorten risico's: luchtverontreiniging, overstroming van rivieren, voedselveiligheid en overgewicht. De bezorgdheid over het risico van overstromingen van rivieren is relatief gering. Dit geldt zowel voor professionals die bij dit risico betrokken zijn als voor burgers die in de buurt van rivieren met een overstromingsrisico wonen. Over het risico 'voedselveiligheid' zijn alleen de burgers en de betrokken ngo's ongerust. Over de effecten van luchtverontreiniging maken zowel de burgers als de betrokken professionals zich zorgen. Bij het risico van overgewicht is er een tweedeling tussen burgers en professionals waarneembaar. Professionals zijn ongerust, burgers zijn dit een stuk minder en denken dat het risico vooral anderen in de maatschappij zal treffen.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Disease burden and costs of selected foodborne pathogens in the Netherlands, 2006 | RIVM

Het RIVM heeft voor het eerst de ziektelast en de kosten onderzocht die zes ziekteverwekkende micro-organismen in 2006 veroorzaakten. Het gaat om de toxinevormende bacterien Clostridium perfringens, Staphylococcus aureus en Bacillus cereus, Listeria monocytogenes en het hepatitis A- en E-virus. De bacterien veroorzaken bij mensen darminfecties met diarree en buikgriep als gevolg. Hepatitis leidt tot leverinfecties. Behalve deze infecties is de ziektelast van het prikkelbare darmsyndroom na een voedselinfectie in de berekening opgenomen. Deze ziekte kan onder andere worden opgelopen door een besmetting met de Salmonella bacterie en het norovirus en leidt tot aanhoudende buikklachten. Door deze toevoeging stijgt de totale ziektelast als gevolg van micro-organismen die het prikkelbare darmsyndroom kunnen veroorzaken met veertig procent (een toename met 1400 DALYs per jaar tot bijna 5000). De ziektelast van de toxinevormende bacterien Clostridium perfringens en Staphylococcus aureus zijn tussen de 500 en 700 DALY's per jaar (Disability-Adjusted Life-Years, oftewel het aantal gezonde levensjaren dat een bevolking verliest door ziekte of vroegtijdig overlijden). Deze ziektelast is daarmee vergelijkbaar met infecties als gevolg van de parasiet Giardia en het rotavirus. De ziektelast van Bacillus cereus en het hepatitis A- en E-virus zijn met minder dan 140 DALYs per jaar laag vergeleken met andere voedseloverdraagbare micro-organismen. In het onderzoek zijn zowel de ziekteverwekkers onderzocht als de wijze waarop ze de mens bereiken. Van deze blootstellingroutes is voedsel de belangrijkste bron. Binnen deze categorie blijken kip en rundvlees de belangrijkste bronnen die de micro-organismen overdragen. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het ministerie van VWS en helpt om prioriteiten te kunnen aanbrengen in maatregelen die voedselinfecties voorkomen. Het onderzoek is onderdeel van een reeks naar de gezondheidseffecten van ziekteverwekkende micro-organismen waarvan het merendeel via voedsel wordt overgedragen.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Ringonderzoek waakvlaminstituten kernongevallenbestrijding 2007 | RIVM

De kwaliteit van de zogeheten Waakvlaminstituten (WVI's) voldoet in 2007 ruimschoots aan de doelstellingen. Wel zijn enkele verbeteringen wenselijk, vooral op het gebied van kalibratie van de meetopstellingen. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM waarin de kwaliteit is getest van de analyse van water- en luchtmonsters. In Nederland bestaan er verspreid over het land acht WVI's die bij een kernongeval de overheid informeren over radioactiviteit in lucht en water. De WVI's zijn een onderdeel van het Nationaal Plan Kernongevallenbestrijding (NPK), dat is opgesteld enkele jaren na de kernramp in Tsjernobyl. Het RIVM coordineert de activiteiten van de WVI's. De Waakvlaminstituten worden tweejaarlijks getest in de vorm van ringonderzoeken. Hierin wordt beoordeeld of de analyseresultaten op tijd zijn aangeleverd en of ze binnen de afgesproken grenzen overeenkomen. Het lukte de meeste WVI's om de resultaten voor de luchtmonsters binnen twee uur aan te leveren en de resultaten voor de watermonsters binnen 24 uur. De metingen aan de luchtmonsters vielen voor een instituut buiten de gestelde marge. Voor het onderzoek zijn vier monsters aangemaakt: een aerosolfilter, een koolfilter, een koolpatroon en een watermonster. Ze waren alle vier voorzien van radionucliden die voor kernongevallen karakteristiek zijn.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

EU Interlaboratory comparison study veterinary XII (2009). Bacteriological detection of Salmonella in chicken faeces | RIVM

In 2009 heeft een vergelijkende studie onder 34 Nationale Referentie Laboratoria (NRL's) uitgewezen dat alle NRL's in staat waren hoge en lage concentraties Salmonella in kippenmest aan te tonen. Van deze laboratoria lieten er 33 direct zien dat zij het onderzoek met succes en volgens de voorgeschreven methode konden uitvoeren. Een laboratorium behaalde het gewenste niveau tijdens een herkansing op een later tijdstip. Dit zijn de resultaten van het twaalfde veterinair ringonderzoek dat het Communautair Referentie Laboratorium (CRL) voor Salmonella heeft georganiseerd. Het onderzoek is in maart 2009 gehouden, de herkansing in juli van dat jaar. Europese lidstaten zijn verplicht om aan dit onderzoek deel te nemen. Het CRL-Salmonella is gevestigd bij het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). Voor dit ringonderzoek kreeg ieder laboratorium een pakket toegestuurd met kippenmest (vrij van Salmonella) en 35 gelatine capsules met melkpoeder met verschillende besmettingsniveaus van Salmonella. De laboratoria moesten de kippenmest en capsules volgens voorschrift samenvoegen en onderzoeken of de mest Salmonella bevatte. De laboratoria gebruikten hiervoor de internationaal voorgeschreven methode om Salmonella aan te tonen in dierlijk mest.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Metingen sulfurylfluoride bij een proefgassing van cacaobonen. Concentraties sulfurylfluoride (Profume) gemeten buiten een afstand van 10 meter | RIVM

Tijdens een proefgassing van zakken met cacaobonen in een loods toonden metingen concentraties sulfurylfluoride tot ver boven de 3 ppm concentratie (parts per million luchtdeeltjes). De metingen werden gedaan op 10 meter afstand van de loods, waarin de zakken cacaobonen lagen, en daarbuiten. De gassing diende ter bestrijding van ongedierte. Tijdens de ontluchting van de zakken met bonen was de hoogst gemeten concentratie 98 ppm op een afstand van 10 meter. Ook op een afstand van 15 meter werden hoge concentraties gemeten, tot 33 ppm. De meetresultaten van het RIVM tonen dat het noodzakelijk is dat er op 10 meter afstand (benedenwinds) frequent metingen worden gedaan, zodat bij concentraties groter dan 3 ppm direct maatregelen genomen kunnen worden. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM, in opdracht van de VROM-Inspectie. Hiervoor zijn de concentraties sulfurylfluoride in de directe omgeving van de loods gemeten, zowel tijdens de gassing als tijdens de ventilatie van de zakken met cacaobonen die daarop volgt. Het was de tweede keer in Nederland dat een gassing met sulfurylfluoride gedaan werd. Sulfurylfluoride is een giftig gas. Daarom zijn in het Wettelijk Gebruiksvoorschrift van sulfurylfluoride maatregelen voorgeschreven ter bescherming van werkers, omwonenden en voorbijgangers. De concentratie moet op een afstand van 10 meter van het gegaste object frequent gemeten worden. Zodra de concentratie boven de 3 ppm komt, dient direct een duidelijk herkenbare alarmering plaats te vinden. Alle personen zonder geschikte onafhankelijke adembescherming moeten dan onmiddellijk de directe omgeving van de gassingslocatie verlaten. Het betreft de verantwoordelijkheid van de gassingsleider om hierop toe te zien.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Stralingsniveaumetingen rond het terrein van de EPZ kerncentrale te Borssele in 2006 | RIVM

Het stralingsniveau aan de terreingrens van kerncentrale Borssele lag in 2006 onder het toegestane maximum. Dit blijkt uit controlemetingen van het RIVM. Volgens de Kernenergiewetvergunning moet de centrale ervoor zorgen dat personen buiten de terreingrens een effectieve stralingsdosis ontvangen van ten hoogste 40 microsievert per jaar. Om dit te controleren wordt op acht punten op de terreingrens het stralingsniveau gemeten. Dit gebeurt met het door het RIVM beheerde MONET-meetnet. Van de meting wordt vervolgens de natuurlijke achtergrondwaarde afgetrokken. Om het resultaat te vertalen naar effectieve stralingsdosis voor een persoon, wordt de zogeheten Actuele Blootstellings Correctiefactor (ABC-factor) toegepast. ABC-factoren hangen samen met de bestemming van het gebied waar de effectieve stralingsdosis kan worden opgelopen. Rond Borssele geldt een ABC-factor van 0,2. In opdracht van de Kernfysische Dienst van het ministerie van VROM rapporteert het RIVM jaarlijks of de kerncentrale aan deze vergunningseis voldoet. In dit rapport zijn voor 2006 de daggemiddelden van de acht MONET-monitoren rond de kerncentrale weergegeven. Ook wordt uitgelegd hoe op elk meetpunt de achtergrondwaarde is bepaald. In 2006 bedroeg de hoogste waarde, na aftrek van de natuurlijke achtergrond, 85,1 microsievert. Na toepassing van de ABC-factor resulteerde dit in een maximale effectieve dosis van 17 microsievert.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Nanomaterials under REACH. Nanosilver as a case study | RIVM

Om de risico's van nanomaterialen te kunnen inschatten en beheersen, zijn enkele aanpassingen nodig in de Europese chemicalienwetgeving REACH. De gegevens over stoffen waar REACH standaard om vraagt, zijn namelijk onvoldoende om de specifieke eigenschappen van nanomaterialen te bepalen. Hetzelfde geldt voor het bepalen van de invloed van deze eigenschappen op het gedrag en de effecten van nanomaterialen in mens en milieu. Dit blijkt uit onderzoek van RIVM naar de geschiktheid van REACH voor nanomaterialen. Het instituut stelt daarom een aangepaste set minimum informatievereisten voor, voor alle te registreren nanomaterialen onder REACH, ongeacht de omvang van productie en import. Deze vereisten maken het mogelijk de risico's van nanomaterialen te beoordelen. Het gebruik van nanomaterialen neemt de laatste jaren sterk toe. Nanomaterialen worden vooralsnog gedefinieerd als stoffen waarvan de deeltjes minstens een dimensie kleiner dan honderd nanometer hebben. Vanwege hun afmeting hebben ze specifieke eigenschappen. Wetgeving moet erop gericht zijn de potentiele gevaren en risico's van deze nanomaterialen te beheersen. Aan de hand van een hypothetische registratie van nanozilver is onderzocht of REACH geschikt is om een veilig gebruik van nanomaterialen vast te stellen. Hieruit bleek onder andere dat een definitie van nanomateriaal ontbreekt, en dat de juiste maateenheid om de schadelijkheid en blootstelling in uit te drukken nog niet bekend is. Ook is de verplichte standaardinformatie ontoereikend om de blootstelling en gevaren in te kunnen schatten, en om het nanomateriaal goed te kunnen karakteriseren. Mede door de laatste beperking is niet vast te stellen in hoeverre de nanovorm van een stof overeenkomt met de niet-nanovorm van dezelfde stof. Bovendien is het onduidelijk of de huidige extrapolatiemethoden in de risicobeoordeling en de maatregelen om risico's te beheersen geschikt zijn voor nanomaterialen. Deze methoden en maatregelen zijn immers vastgesteld voor niet-nanomaterialen.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Standpunt Beweegstimulering door de jeugdgezondheidszorg | RIVM

Het RIVM heeft in kaart gebracht welke mogelijkheden de jeugdgezondheidszorg (JGZ) heeft om jongeren meer te laten bewegen. In het standpunt 'Beweegstimulering door de jeugdgezondheidszorg' is uiteengezet hoe de JGZ het beweeggedrag kan volgen, hoe zij een gebrek aan beweging kan signaleren en hoe zij kinderen (en hun ouders) kan motiveren om meer te gaan bewegen. Ook kan de JGZ kinderen zo nodig gericht doorverwijzen naar passende beweegactiviteiten. Het standpunt is in opdracht van het ministerie van VWS geformuleerd. Een groot deel van de Nederlandse jeugd beweegt te weinig, wat de lichamelijke en psychosociale gezondheid negatief kan beinvloeden. De jeugdgezondheidszorg (JGZ) ziet (bijna) alle kinderen vanaf hun geboorte regelmatig en kan daardoor een belangrijke bijdrage leveren om ze meer te laten bewegen. Onderzoek wijst uit dat mensen die op jonge leeftijd actief zijn, dat vaker ook op latere leeftijd zijn. Behalve activiteiten op individueel niveau kan de JGZ aanhaken aan bestaande collectieve activiteiten. Daar bestaan veel kansen en mogelijkheden voor aangezien het stimuleren van sport en bewegen een belangrijk speerpunt is van de overheid. Veel gemeenten hebben bijvoorbeeld beweegstimuleringsprojecten ontwikkeld in het kader van het Nationaal Actieplan Sport en Bewegen, of van het Beleidskader Sport, Bewegen en Onderwijs. JGZ-organisaties kunnen hierbij aansluiten en de gemeenten adviseren over activiteiten die aansluiten bij lokale aandachtspunten, zoals het voorkomen van obesitas of bewegingsarmoede bij jongeren. Ook kunnen zij meer samenwerken met het onderwijs, sportverenigingen en gezondheidsbevorderende instanties om de jeugd in beweging te krijgen.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Een werkwijze voor slachtofferberekeningen voor incidenten met toxische stoffen. Verkenning voor gebruik in de preventieve fase | RIVM

Bestuurders en lokale hulpverleners hebben er behoefte aan om van tevoren het aantal gewonden in te schatten als gevolg van mogelijke incidenten met chemische stoffen, evenals de aard van de verwondingen. Deze informatie is, naast gegevens over het mogelijke aantal dodelijke slachtoffers, nodig om ruimtelijke ordeningsplannen en aanvragen voor vergunningsplichtige activiteiten te kunnen beoordelen. Het RIVM doet een voorstel voor een werkwijze hiervoor. Er bestaan al methoden om het aantal dodelijke slachtoffers te berekenen, maar nog niet om het aantal gewonden in te schatten. Het RIVM geeft met dit voorstel een schets van een systeem dat verder in protocollen, gegevens en criteria uitgewerkt en beschikbaar moet komen. De voorgestelde werkwijze omvat drie fasen. In de eerste fase kunnen bestuurders en hulpverleners zelf de activiteit definieren, evenals het mogelijke incident en de blootstelling aan stoffen als gevolg daarvan. In de tweede fase kunnen hulpverleningsdiensten - ook zelf - het aantal mensen berekenen dat niet in staat is zichzelf te redden en het aantal van hen dat hulpverlening nodig heeft. De inschatting van het aantal gewonden is in deze fase gebaseerd op de zogeheten rampeninterventiewaarden. Daaruit kan blijken dat het aantal gewonden te hoog is ten opzichte van de geschatte benodigde capaciteit van de hulpverlening. De keus is dan de activiteit aan te passen (dat wil zeggen, niet of onder voorwaarden toestaan) of een nadere analyse te laten uitvoeren. Voor die analyse wordt deskundige expertise ingezet (derde fase). Aan de hand van de blootstelling aan een stof wordt dan een nauwkeurigere inschatting van het aantal slachtoffers berekend.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

JGZ-richtlijn Preventie Wiegendood. Gebaseerd op de gelijknamige richtlijn, opgesteld door de Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde en Artsen Jeugdgezondheidszorg Nederland in 2007 | RIVM

De richtlijn Preventie Wiegendood, die in 2007 voor kinder- en jeugdartsen is opgesteld, is vertaald naar de praktijk van de jeugdgezondheidszorg (JGZ). De vertaalslag houdt in dat aan de richtlijn een praktijkgerichte samenvatting is toegevoegd van de aanbevelingen om wiegendood te voorkomen. Daarnaast is een handzame overzichtskaart met aandachtspunten gemaakt. De documenten zijn bedoeld om professionals uit de JGZ, artsen en verpleegkundigen te ondersteunen bij de voorlichting aan ouders over dit onderwerp. De vertaalslag is onder begeleiding van het Centrum Jeugdgezondheid van het RIVM uitgevoerd. De richtlijn is indertijd opgesteld door de Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde (NVK) en de Artsen Jeugdgezondheid Nederland (AJN). Het document geeft op basis van literatuuronderzoek een overzicht van risicofactoren, aanbevelingen en andere aan wiegendood gerelateerde onderwerpen. De richtlijn is goedgekeurd door de RIVM-Richtlijnadviescommissie voor de jeugdzondheidszorg (RAC). In de RAC zijn onder meer de koepelorganisaties, zoals GGD Nederland en de organisatie voor zorgondernemers ActiZ, en de beroepsverenigingen in de jeugdgezondheidszorg vertegenwoordigd.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Standpunt Signaleren van taalachterstanden door de jeugdgezondheidszorg | RIVM

Momenteel bestaat er in de Jeugdgezondheidszorg (JGZ) geen uniforme werkwijze om taalachterstanden bij kinderen tussen 0 en 6 jaar op te sporen. Het Centrum Jeugdgezondheid van het RIVM heeft daarom een 'standpunt' geformuleerd over de manier waarop taalachterstanden optimaal kunnen worden opgespoord, totdat er een uniforme werkwijze beschikbaar is. Aangezien de JGZ (bijna) alle kinderen vanaf hun geboorte regelmatig ziet, is het bij uitstek de plaats om relatieve achterstanden in taal- en spraakontwikkeling vroegtijdig te signaleren. Het is van groot belang taalontwikkelingsstoornissen tijdig te signaleren. Taal heeft een regulerende functie doordat woorden onder andere gedachten en waarnemingen kunnen ordenen. Ook is het een instrument waarmee emoties begrijpelijk kunnen worden gemaakt, waar het kind en de omgeving bij zijn gebaat. Daarnaast kan een achterstand in de taalontwikkeling een voorloper zijn van latere taal- en leerstoornissen. Het heeft bovendien gevolgen voor het gedrag en de kwaliteit van leven van kinderen.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Advies Extra contactmoment in de leeftijdsperiode 12-19 jaar | RIVM

Om jongeren goed te kunnen volgen, is meer nodig dan de huidige reguliere contactmomenten met de jeugdgezondheidszorg (JGZ). Het is daarom raadzaam om kinderen van 15-16 jaar de JGZ een keer extra te laten bezoeken. De verwachting is dat voorlichting, een tijdige signalering van en een tijdige inzet van effectieve interventies er aan bijdragen dat gezondheidsproblemen worden voorkomen, of dat de nadelige gevolgen ervan minder groot zijn. Hierdoor treedt op korte en lange termijn (gezondheids)winst op. Dit blijkt uit het advies van het Centrum Jeugdgezondheid van het RIVM. Momenteel vindt op 13-jarige leeftijd het laatste contactmoment plaats. Jeugdgezondheidszorg is er voor kinderen van 0 tot 19 jaar en kan, indien gewenst, buiten de reguliere contactmomenten worden geraadpleegd. Tussen 12 en 19 jaar maken jongeren grote lichamelijke en psychosociale veranderingen door. Ze zijn op zoek naar hun identiteit en rol in de samenleving. Dit roept uiteenlopende vragen bij ze op, bijvoorbeeld over seksualiteit en gezondheid. Daarnaast komt er bij die leeftijdsgroep veel risicovol gedrag voor, zoals overmatig alcoholgebruik, roken of blowen. Jongeren zijn zich vaak niet bewust van de risico's hiervan. In het advies worden verschillende opties beschreven waarop het extra contactmoment kan worden ingevuld. Te denken valt aan een preventief gezondheidsonderzoek door middel van een consult, een beperkt consult waarin wordt bepaald wie meer onderzoek nodig heeft (triage-contactmoment), en een vragenlijst op basis waarvan wordt bepaald wie een vervolgonderzoek nodig heeft. De laatste optie kan ook worden aangevuld met een klassikale voorlichtingsles door de JGZ. Het is niet bekend welke optie het meest efficiknt is en welke het meeste effect heeft.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Genetisch gemodificeerde siervissen in Nederland. 'Een gloeiend probleem?' | RIVM

In 2006 en in 2008 zijn in Nederland genetisch gemodificeerde vissen, zogenoemde gloeivissen, voor aquariumhouders verhandeld. Deze vis mag door instanties met een vergunning gebruikt worden voor wetenschappelijke doeleinden. De handel voor particulieren is in de Europese Unie echter verboden. Importeurs en handelaren die niet bij een branchevereniging zijn aangesloten en particuliere aquariumbezitters, zijn doorgaans niet goed op de hoogte van deze wettelijke regels. De handel in gloeivissen voor de particulier lijkt niet omvangrijk, maar zal naar verwachting toenemen. Ook maken nieuwe technologische technieken het makkelijker om genetisch gemodificeerde vissoorten te vervaardigen. Niet alle genetische veranderingen zijn echter eenvoudig waarneembaar, zoals aanpassingen van de vis waardoor de temperatuurtolerantie wordt vergroot. Als deze van oorsprong tropische vissen in natuurlijke wateren in Nederland terechtkomen, kunnen zij het ecologische evenwicht verstoren. Dit blijkt uit een verkennend onderzoek van het RIVM in opdracht van de VROM-Inspectie. De aanleiding was een tip dat deze gloeivissen via internet aan particulieren werden aangeboden. Deze gloeivis bleek een zebravis te zijn die zodanig genetisch gemodificeerd was dat hij onder ultraviolet licht fluoresceerde. Voor zover nu bekend is, vormen deze gloeivissen geen gevaar voor de gezondheid en het milieu. Controle op de aanwezigheid van gloeivissen bij de import is lastig vanwege de grote hoeveelheid siervissen die op Schiphol binnenkomen. Bij import moeten de gloeivissen correct geetiketteerd zijn zodat het duidelijk is dat het een, voor gebruik door particulieren verboden, genetisch gemodificeerde vis betreft.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Experimenteren met de keten-dbc diabetes : Experimenting with a bundled payment system for diabetes care in the Netherlands : The first tangible effects | RIVM

Diabetes vormt een maatschappelijk probleem, dat steeds groter wordt. Het aantal mensen met diabetes type 2 neemt sterk toe. Deze sterke toename heeft grote gevolgen voor de zorglast en de kosten. In het (preventie)beleid van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) is diabetes daarom al jaren een van de prioritaire chronische ziekten. De laatste jaren zijn er veel ontwikkelingen binnen de diabeteszorg in gang gezet met als doel om de effectiviteit en de kwaliteit van de diabeteszorg te verbeteren. Deze ontwikkelingen richten zich onder andere op multidisciplinaire samenwerking. Belangrijke struikelblokken bij het tot stand komen van samenwerkingsverbanden zijn de versnipperde bekostiging van de verschillende onderdelen van de diabeteszorg en de bekostiging van activiteiten die niet tot de directe zorgverlening behoren, zoals afstemmingsoverleg en ICT. Het ministerie van VWS heeft daarom het plan opgevat voor integrale bekostiging van diabeteszorg door middel van een keten-dbc diabetes. Op experimentele basis is in een tiental zorggroepen gewerkt met een keten-dbc diabetes binnen het ZonMw programma Diabetes Ketenzorg. Dit experiment is door het RIVM geëvalueerd. Het doel van de evaluatie is inzicht te verkrijgen in de organisatie van de diabeteszorg via zorggroepen, het werken met de keten-dbc, de tevredenheid van alle betrokken partijen en de kwaliteit van de zorg. De resultaten van de evaluatie worden in dit rapport beschreven.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Staat van zoonosen, 2007-2008 | RIVM

De Staat van zoonosen, 2007-2008 geeft een overzicht van de trends in het voorkomen bij mens en dier van verschillende zoonosen. De cijfers zijn gebaseerd op de data die jaarlijks gemeld worden aan de Europese Commissie, in het kader van Directive 2003/99/EC, over de monitoring van zoonosen en zoonotische agentia. Dit betreft de meldingsplichtige zoonosen. Bovendien wordt er in dit rapport aandacht besteed aan een aantal opmerkelijke voorvallen betreffende zoonosen bij mens of dier. Het themahoofdstuk gaat over Q-koorts, een ziekte die de afgelopen jaren voor veel problemen gezorgd heeft.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

De rol van de deskundige bij het bepalen van de noodzaak van biociden. Toelichting op de procedure en de verklaring van belangen | RIVM

Het RIVM heeft deze brochure opgesteld voor deskundigen die worden betrokken bij het bepalen van de noodzaak om biociden te gebruiken. Deze 'noodzaakbepaling' is onderdeel van een van de toelatingsprocedures van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden. De brochure bevat informatie over de verklaring van belangen die de deskundigen moeten afleggen, uitleg waarom een geheimhoudsingsverklaring nodig is en informatie over de procedure zelf. Een aanvraag voor een dringend vereist biocide wordt in de eerste plaats behandeld door het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb). Als onderdeel van de afhandeling vraagt het Ctgb aan het RIVM om een advies over de noodzaak van het middel. De noodzaak hangt af van de ernst van de schade die het te bestrijden organisme veroorzaakt. Daarnaast hangt het af van (de werkzaamheid van) het aangedragen middel in relatie tot alternatieve middelen en methoden. De aanvrager levert bij de aanvraag een dossier met gegevens dat onder meer de noodzaak voor het gebruik van het biocide onderbouwt. Het RIVM baseert zijn oordeel echter op zijn eigen overwegingen en op de expertise van een of meerdere deskundigen.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Integrale beoordeling verdovingstechnieken pluimveeslachterijen. Indicatieve beoordeling van milieu- en andere aspecten op basis van literatuurstudie | RIVM

In veel slachterijen in Nederland wordt pluimvee verdoofd met behulp van een elektrisch waterbad. Een alternatieve methode is een verdoving in twee concentratiestappen met het gas kooldioxide. De grootste voordelen van deze techniek liggen op het gebied van dierenwelzijn en arbeidsomstandigheden. Voor andere aspecten, zoals milieu en economie, kent gasverdoving zowel voor- als nadelen. Dit blijkt uit onderzoek van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), het Landbouw Economisch Instituut (LEI) en de Animal Sciences Group van Wageningen Universiteit en Researchcentrum (WUR). Op het gebied van dierenwelzijn is het voordeel van gasverdoving dat de dieren niet bij bewustzijn worden aangehaakt en er geen kans is op onvolledige verdoving. Het aanhaken van verdoofde in plaats van onverdoofde vogels is ook gunstig voor de arbeidsomstandigheden, zowel wat de fysieke arbeid betreft als de hoeveelheid stof. Voor het milieu is gasverdoving gunstiger, omdat ze minder watergebruik en stof- en geuroverlast veroorzaakt. Wel is het energiegebruik ervan hoger. De gasverdovingstechniek brengt ook hogere investeringskosten en operationele kosten (energiekosten) met zich mee dan elektrisch waterbadverdoven. Daar staat tegenover dat gasverdoving minder botbreuken en bloedingen veroorzaakt waardoor een betere kwaliteit van het eindproduct ontstaat. Hierdoor kunnen voor bepaalde marktsegmenten hogere opbrengsten worden gerealiseerd. Grotere slachterijen kunnen de investeringskosten in de gasverdovingstechniek sneller terugdienen dan kleinere slachterijen. Economisch gezien zal het vervangen van het elektrisch waterbad door gasverdoving geen hogere consumentenprijzen veroorzaken. De aanleiding voor het onderzoek is dat gasverdoving in een Europese milieurichtlijn (IPPC) is opgenomen als Best Beschikbare Techniek (BBT) om kippen te verdoven, zonder in detail te treden over de gevolgen voor het milieu van deze verdovingstechnieken. Daarom zijn, op verzoek van de VROM-Inspectie, de milieu- en andere vraagstukken van verschillende gastechnieken in de literatuur geinventariseerd en vergeleken met die van elektrisch verdoven.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Wonen in de IJmond, ongezond? Onderzoek naar de uitstoot van Corus | RIVM

In mei 2008 besteedde het actualiteitenprogramma Zembla aandacht aan de zorgen van omwonenden over de emissies van Corus. In antwoord op Kamervragen heeft de minister van VROM in juni 2008 het RIVM gevraagd te onderzoeken of de uitstoot van Corus van invloed zou kunnen zijn op de gezondheid van de bewoners van IJmond. Letterlijk: "Een breder onderzoek naar de samenhang tussen emissies, lokale milieukwaliteit en de gezondheid van de omwonenden van Corus in IJmond". Dit onderzoek mondde uit in een drietal RIVM-rapporten en een rapport dat in opdracht van het RIVM door het NIVEL is geschreven. Deelrapport 1 beschrijft de invloed van Corus op de luchtkwaliteit in het IJmondgebied en vergelijkt de concentraties met beschikbare luchtkwaliteitsnormen. Dit rapport focust op de huidige en deels op de toekomstige situatie. De titel luidt: "De invloed van Corus op de luchtkwaliteit in de leefomgeving (RIVM-rapport 609021079; Schols (ed.), 2009). Deelrapport 2 schetst een beeld van de luchtconcentraties in het verleden die het gevolg zijn van de historische emissies van Corus. Ook is met behulp van historische gegevens de invloed op de bodemkwaliteit berekend. De titel luidt: "Historische immissies en depositie (RIVM-rapport 601797001; Lijzen (ed.), 2009). Deelrapport 3 brengt voor de periode 1995-2006 alle nieuwe gevallen van kanker in beeld in een honderdtal postcodegebieden op verschillende afstanden van Corus. De mogelijke invloed van roken op longkanker wordt onderzocht met behulp van de sociaaleconomische status en die van emissies van Corus in het verleden met behulp van historische blootstellingsgegevens. De titel luidt: "Geografisch patroon van kanker in de IJmond en omstreken" (RIVM-rapport 630006001; Van Wiechen (ed.), 2009). Deelrapport 4 beschrijft de gezondheidsklachten die een twintigtal huisartsen in praktijken op verschillende afstanden van Corus hebben geregistreerd in de jaren 2005-2007. Dit onderzoek is uitgevoerd door het NIVEL. De titel luidt: "Gezondheidsproblemen in de regio IJmond zoals geregistreerd door de huisarts" (Nivel, 2009). Deze vier rapporten vormen samen het belangrijkste element van het antwoord van het RIVM op de onderzoeksvraag van de minister. Het RIVM heeft kort na de uitzending in een briefrapport een reactie gegeven op het haaronderzoek dat in de Zembla-uitzending werd genoemd. Dit onderzoek heeft in de periode daarna geen rol meer gespeeld, dus het wordt hier alleen volledigheidshalve genoemd. Tevens is een samenvattend rapport van PlaatsTaal Tekstbureau verschenen, dat de inhoud van bovengenoemde rapporten samenvat. Het is getiteld: Wonen in de IJmond, ongezond? Onderzoek naar de uitstoot van Corus (RIVM-rapport 601797002; Van Bruggen (ed.), 2009). Dit rapport ligt voor u.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Report on implementation of PARCOM Recommendation 91/4 on radioactive discharges by the Netherlands. OSPAR: nuclear installations | RIVM

Dit rapport beschrijft de lozing van radioactieve stoffen naar de zee door nucleaire installaties in Nederland tussen 1998 en 2007. Ook staan de technieken beschreven die worden toegepast om die lozingen te beperken. Het rapport geeft daarmee invulling aan de aanbevelingen uit het OSPAR-verdrag om regelmatig verslag uit te brengen over die lozingen en technieken. Nederland heeft het OSPAR-verdrag, dat sinds 1998 van kracht is, ondertekend. De doelstelling van het verdrag is om maatregelen te nemen die het zeegebied (het noordoostelijke deel van de Atlantische Oceaan inclusief Noordzee) beschermen tegen de nadelige gevolgen van menselijke activiteiten. Daartoe is afgesproken verontreiniging zoveel mogelijk te voorkomen en lozingen waar mogelijk te beeindigen. Voor elk van de nucleaire installaties is een schatting gemaakt van de maximale dosis als gevolg van de waterlozingen. Deze dosis is minder dan een duizendste van de gemiddelde stralingsdosis die mensen in Nederland oplopen.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Identification and handling of uncertainties in dietary exposure assessment | RIVM

Het RIVM en het RIKILT-Instituut voor Voedselveiligheid schatten hoeveel chemische stoffen mensen via voeding binnenkrijgen. De huidige methode zou meer inzicht moeten kunnen geven in de mate waarin deze blootstellingsschattingen onzekerheden bevatten. Het kwantificeren van onzekerheden sluit aan bij de internationale wetenschappelijke activiteiten die momenteel op het gebied van onzekerheidsanalyse van blootstellingsschattingen gaande zijn. Naast het kwantificeren van meer onzekerheden moet de invloed van de (overgebleven) niet-gekwantificeerde onzekerheden op de blootstellingsschatting worden beschouwd. Deze conclusies blijken uit onderzoek van het RIVM en Wageningen Universiteit en Researchcentrum (WUR), dat in opdracht van de Voedsel en Waren Autoriteit (VWA) is uitgevoerd. In dit rapport wordt een voorstel gedaan om de huidige software (Monte Carlo Risk Assessment) aan te passen. Tevens wordt aan de hand van twee recente praktijkvoorbeelden geschetst hoe de richtlijn van de Europese Voedselveiligheidsautoriteit (EFSA) toegepast kan worden voor het beschrijven van niet-gekwantificeerde onzekerheden. Een onzekerheidsanalyse is nodig om de resultaten van blootstellingsschattingen van stoffen beter op hun waarde te kunnen schatten. Bovendien kan een onzekerheidsanalyse aanwijzen welke bronnen van onzekerheid een belangrijke bijdrage leveren aan de totale onzekerheid van de blootstellingsschatting. Door vervolgens gericht de belangrijkste onzekerheden te verminderen (door bijvoorbeeld additionele gegevens te verzamelen) kunnen (toekomstige) schattingen worden verbeterd. Momenteel kan de software van het RIVM en het RIKILT een beperkte kwantitatieve onzekerheidsanalyse van een blootstellingsschatting uitvoeren. De methode zou relatief eenvoudig kunnen worden uitgebreid met het kwantificeren van een aantal andere bronnen van onzekerheid.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Preparticipatiescreening om plotse hartdood te voorkomen: 'Italian design' voor Nederlandse sporters? | RIVM

Onderzoek naar de kosteneffectiviteit van een verplichte keuring naar hartafwijkingen bij sporters is niet realiseerbaar. Vanwege de kleine schaal waarop de aandoeningen voorkomen, moet een grote groep mensen worden onderzocht. Dit is praktisch moeilijk te verwezenlijken en kost veel geld. Een plotse hartdood bij jonge mensen (jonger dan 35 jaar) tijdens het sporten is meestal het gevolg van een aangeboren of erfelijke hartafwijking. Daarom gaan in Nederland stemmen op om, zoals in Italie, sporters die bij sportverenigingen zijn aangesloten verplicht te keuren op hartafwijkingen. Dergelijk onderzoek omvat een elektrocardiogram (ecg), een korte vragenlijst en een lichamelijk onderzoek. Dit blijkt uit een uitgebreide literatuurstudie van het RIVM in opdracht van de Vereniging voor Sportgeneeskunde. Een plotse hartdood bij jongeren is vrij zeldzaam. In Nederland komt het naar verwachting niet meer dan honderd keer per jaar tegenover een groot aantal sporters. De emotionele impact is evenwel groot. Een vrijwillige keuring met een ecg van sporters kan er zeker aan bijdragen dat erfelijke en aangeboren hartafwijkingen worden opgespoord die op jonge leeftijd tot een plotse hartdood leiden. Een ecg spoort echter niet alle hartafwijkingen op die aan een plotse hartdood ten grondslag liggen, zo blijkt uit de literatuurstudie. Ook zullen er veel 'foutpositieven' worden gevonden, waardoor veel mensen onnodig ongerust raken. Om meer zicht op de oorzaken van plotse hartdoden te krijgen, wordt aangeraden de bestaande maatregelen voort te zetten en uit te bouwen. Een voorbeeld is de registratie van plotse hartdoden bij sporters. Daarnaast is het raadzaam ecg-afwijkingen die bij de meeste intensieve sportbeoefenaars zijn te zien, nader te onderzoeken.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Landelijk Meetnet Grondwaterkwaliteit. Vergelijking analyseresultaten van RIVM en TNO in 2004 | RIVM

In 2004 hebben zowel het RIVM als TNO 70 grondwatermonsters geanalyseerd op 22 stoffen. Een vergelijking van de analyseresultaten van de laboratoria laat een gevarieerd beeld zien. Voor zes geanalyseerde stoffen zijn de verschillen tussen beide laboratoria binnen de marges van de meetonzekerheid. Voor nog vijf andere stoffen zijn de verschillen iets groter dan deze marge. Voor de overige elf stoffen kan onvoldoende overeenkomst worden aangetoond. In het onderzoek zijn de afwijkingen bij varierende concentraties vervolgens statistisch getoetst. De gebleken statistische verschillen zijn, afgezet tegen de meetonzekerheden, voor een aantal stoffen verwaarloosbaar klein. In 2003 heeft het RIVM de bemonstering en analyse van de monsters van het Landelijk Meetnet Grondwaterkwaliteit (LMG) overgedragen aan TNO. In dat jaar heeft TNO hiervoor zijn analysemethoden aangepast om de uitkomsten zo veel mogelijk overeen te laten komen met die van het RIVM. De consequenties van de gevonden verschillen voor een trendanalyse moeten nader worden onderzocht. Het onderzoek geeft ook aan dat het noodzakelijk is een protocol op te stellen als zich wijzigingen voordoen in een meetnet, zoals in het onderhavige geval.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Informatiesysteem Medische Stralingstoepassingen. Gegevens 2007 | RIVM

De gemiddelde stralingsdosis per inwoner als gevolg van medische diagnostiek neemt sinds 2002 toe met circa zes procent per jaar. In 2007 was de gemiddelde dosis per inwoner 0,70 millisievert (mSv), wat in vergelijking met andere Europese landen nog steeds laag is. Dit blijkt uit jaarlijkse inventarisaties van het aantal diagnostische verrichtingen waarbij gebruik wordt gemaakt van straling. Deze informatie is gecombineerd met gegevens over de dosis per verrichting. De belangrijkste oorzaak voor de stijging van de gemiddelde effectieve dosis per inwoner is het sterk stijgend aantal CT-onderzoeken. Deze en andere nieuwe informatie gebaseerd op gegevens tot en met 2007 is te vinden in het Informatiesysteem Medische Stralingstoepassingen (IMS) van het RIVM ( www.rivm.nl/ims ). Het RIVM brengt deze gegevens bijeen en analyseert deze in opdracht van het ministerie van VWS. Het gebruik van straling bij diagnostisch onderzoek brengt een licht verhoogde kans op kanker voor de patient met zich mee. Deze kans wordt groter, naarmate de dosis hoger is. De informatie die via het IMS wordt verstrekt, moet ertoe bijdragen dat er bij medische diagnostiek bewuste keuzes gemaakt worden, waarbij voor- en nadelen goed zijn afgewogen. Diagnostische toepassingen van straling worden onderverdeeld in vier categorieen. Samen waren deze in 2007 verantwoordelijk voor een gemiddelde stralingsdosis per inwoner van 0,70 mSv. CT-onderzoek leverde gemiddeld 0,32 mSv, overige rontgenonderzoeken in ziekenhuizen 0,29 mSv, nucleaire geneeskunde 0,08 mSv en rontgenonderzoeken buiten het ziekenhuis (bijvoorbeeld bij tandartsen) 0,01 mSv. Medische stralingstoepassingen leveren van alle niet-natuurlijke bronnen van straling de grootste bijdrage aan de gemiddelde stralingsdosis.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Selectie van stoffen voor het KRW Meetnet Grondwater | RIVM

De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) en Grondwaterrichtlijn (GWR) moeten ervoor zorgen dat de kwaliteit van het grondwater in Nederland op orde komt. Hiervoor zijn monitoringgegevens nodig van stoffen in het grondwater die mogelijk schadelijk zijn. Om het drinkwater en de ecosystemen in het oppervlaktewater en de natuurgebieden die afhankelijk zijn van grondwater te kunnen beschermen beveelt het RIVM aan om de huidige lijst met te monitoren stoffen uit te breiden. Het RIVM adviseert om in totaal 79 bestrijdingsmiddelen, 29 hoofd- en sporenelementen, waaronder een groot aantal metalen, en 16 overige parameters, zoals de zuurgraad, te monitoren. Deze lijst is in opdracht van het ministerie van VROM opgesteld in verband met de herziening van het zogeheten Draaiboek Monitoring Grondwater in 2009, waarin het monitoringprogramma staat beschreven. In Nederland wordt het grondwater gemonitord in het KRW Monitoringprogramma Grondwaterkwaliteit (KMG). In dit programma worden de stoffen uit de lijst gemonitord om de toestand van het grondwater te kunnen bepalen, evenals het effect van eventuele maatregelen hierop. De stoffen uit de lijst zijn geselecteerd met behulp van een verkorte selectieprocedure. Hierin is op basis van meetgegevens gekeken in hoeverre de concentratie van toxische stoffen in het grondwater mogelijk een probleem vormt voor het drinkwater en de ecosystemen in het oppervlaktewater en de grondwaterafhankelijke natuurgebieden. Volgens het RIVM zouden de meetmethoden zodanig moeten worden gekozen dat er tegelijkertijd zo veel mogelijk andere stoffen worden gemeten. Daarnaast wordt aanbevolen om de volledige procedure conform de Guidance on Pressures and Impacts uit te voeren om de stoffen te selecteren die in het grondwater zouden moeten worden gemeten. Daarbij zou specifiek gelet moeten worden op 'nieuw opkomende stoffen', zoals de diergeneesmiddelen en brandvertragers.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

De controle van collectieve leidingwaterinstallaties in 2007 en 2008. Voortgang controletaak | RIVM

Net als in voorgaande jaren vertoonden in 2007 en 2008 steeds meer collectieve leidingwaterinstallaties in nieuwbouw bij de eerste controle gebreken. Hierdoor kan een verhoogd risico op verontreiniging ontstaan. Ook het aandeel van deze installaties dat bij hercontrole werd afgekeurd, is de afgelopen twee jaren gestegen. Dit aandeel was in het verleden stabiel. Dit blijkt uit de controles die de waterleidingbedrijven uitvoeren naar de kwaliteit van installaties in nieuwbouw en bestaande bouw. In de onderzochte periode zijn meer installaties in nieuwbouw gecontroleerd dan in voorgaande jaren. Voorbeelden van collectieve leidingwaterinstallaties zijn kantoren, ziekenhuizen en zorginstellingen. In de bestaande bouw is het percentage installaties dat bij de basiscontrole wordt goedgekeurd over de afgelopen jaren stabiel. Het aantal installaties met ernstige gebreken dat na een hercontrole wordt overgedragen aan de VROM-Inspectie is in 2008 gestegen van 207 naar 484. In 2007 zijn bijna 45.000 leidingwaterinstallaties door de drinkwaterbedrijven gecontroleerd. Hiermee is voldaan aan de target die de VROM-Inspectie aan de drinkwaterbedrijven heeft gesteld. In 2008 is het aantal gecontroleerde leidingwaterinstallaties gedaald naar 41.205 en is de target niet gehaald. Dit komt vermoedelijk door de extra tijd die nodig is voor de intensievere controle op maatregelen voor legionellapreventie. Deze intensievere controle is verplicht voor installaties in zogeheten prioritaire instellingen, zoals ziekenhuizen. Van de prioritaire instellingen zijn 4.526 installaties gecontroleerd in 2007. In 2008 waren dit er 6.443. Hiervan neemt het percentage goedgekeurde installaties bij de basiscontrole jaarlijks toe. Daarentegen was het percentage overgedragen installaties aan de VROM-Inspectie na hercontrole in 2008 groter dan in 2007.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Effectiviteit beheersplannen legionellapreventie | RIVM

Eigenaren van leidingwaterinstallaties ervaren de beheersplannen voor legionellapreventie als ingewikkeld, ontoegankelijk en te uitgebreid. Zij geven aan onvoldoende te zijn voorgelicht over risico's, verplichtingen en verantwoordelijkheden. Zij verdiepen zich zelf niet in de regelgeving maar huren daarvoor adviseurs in. De kwaliteit van deze adviseurs loopt sterk uiteen. Dit blijkt uit onderzoek dat het Kiwa en het RIVM hebben uitgevoerd bij de medewerkers van waterbedrijven, die de regelgeving legionellapreventie controleren. Voor het onderzoek zijn 22 ervaren controleurs geinterviewd die indirect de ervaringen van de eigenaren van leidingwaterinstallaties weergeven. In 2004 heeft de VROM-Inspectie afspraken gemaakt met de waterbedrijven over de wijze waarop deze controles worden uitgevoerd. Dit is vastgelegd in de Inspectierichtlijn 2005. De waterbedrijven controleren driejaarlijks de leidingwaterinstallaties die bij hun bedrijf zijn aangesloten en waarvoor de regelgeving legionellapreventie geldt. De belangrijkste aanbevelingen om deze situatie te verbeteren zijn een intensievere voorlichting en maatwerk in de uitwerking van de regelgeving. Daarnaast is het verstandig eisen te stellen aan de kwalificatie van de adviseurs en het gebruiksgemak van de beheersplannen te vergroten. De aanbevelingen uit dit rapport worden meegenomen bij de herziening van het Waterleidingbesluit in 2009, onderdeel legionellapreventie. De VROM-Inspectie zal met de 'Interventiestrategie Legionellapreventie', die vanaf 2009 is ingevoerd, de voorlichting aan de eigenaren intensiveren.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Historische immissies en depositie in de omgeving van Corus. Deelrapport 2 in de reeks rapporten over de invloed van uitstoot van Corus op de omgeving | RIVM

In mei 2008 besteedde het actualiteitenprogramma Zembla aandacht aan de zorgen van omwonenden over de emissies van Corus. In antwoord op kamervragen heeft de minister van VROM in juni 2008 het RIVM gevraagd te onderzoeken of de uitstoot van Corus van invloed zou kunnen zijn op de gezondheid van de bewoners van IJmond. Letterlijk: 'een breder onderzoek naar de samenhang tussen emissies, lokale milieukwaliteit en de gezondheid van de omwonenden van Corus in IJmond'. Dit onderzoek mondde uit in een drietal RIVM-rapporten en een rapport dat in opdracht van het RIVM door het NIVEL is geschreven. Deelrapport 1 beschrijft de invloed van Corus op de luchtkwaliteit in het IJmondgebied en vergelijkt de concentraties met beschikbare luchtkwaliteitsnormen. Dit rapport focust op de huidige en - deels - op de toekomstige situatie. De titel luidt: 'De invloed van Corus op de luchtkwaliteit in de leefomgeving' (RIVM-rapport 609021079; Schols (ed.), 2009). Deelrapport 2 schetst een beeld van de luchtconcentraties in het verleden die het gevolg zijn van de historische emissies van Corus. Ook is met behulp van historische gegevens de invloed op de bodemkwaliteit berekend. De titel luidt: 'Historische immissies en depositie in de omgeving van Corus' (RIVM-rapport 601797001; Lijzen (ed.), 2009). Deelrapport 3 brengt voor de periode 1995-2006 alle nieuwe gevallen van kanker in beeld in een honderdtal postcodegebieden op verschillende afstanden van Corus. De mogelijke invloed van roken op longkanker wordt onderzocht met behulp van de sociaaleconomische status en die van emissies van Corus in het verleden met behulp van historische blootstellingsgegevens. De titel luidt: 'Geografisch patroon van kanker in de IJmond en omstreken' (RIVM-rapport 630006001; Van Wiechen (ed.), 2009). Deelrapport 4 beschrijft de gezondheidsklachten die een twintigtal huisartsen in praktijken op verschillende afstanden van Corus hebben geregistreerd in de jaren 2005-2007. Dit onderzoek is uitgevoerd door het NIVEL. De titel luidt: 'Gezondheidsproblemen in de regio IJmond zoals geregistreerd door de huisarts' (Nivel, 2009). Deze vier rapporten vormen samen het belangrijkste element van het antwoord van het RIVM op de onderzoeksvraag van de minister. Het RIVM heeft kort na de uitzending in een briefrapport een reactie gegeven op het haaronderzoek dat in de Zembla-uitzending werd genoemd. Dit onderzoek heeft in de periode daarna geen rol meer gespeeld, dus het wordt hier alleen volledigheidshalve genoemd. Tevens is er een samenvattend rapport van Tekstbureau PlaatsTaal verschenen, dat de inhoud van bovengenoemde rapporten samenvat. Het is getiteld: 'Wonen in de IJmond ongezond? Onderzoek naar de uitstoot van Corus' (RIVM-rapport 601797002; Van Bruggen (ed.), 2009).
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Geografisch patroon van kanker in de IJmond en omstreken. Deelrapport 3 in de reeks rapporten over de invloed van uitstoot van Corus op de omgeving | RIVM

In mei 2008 besteedde het actualiteitenprogramma Zembla aandacht aan de zorgen van omwonenden over de emissies van Corus. In antwoord op kamervragen heeft de minister van VROM in juni 2008 het RIVM gevraagd te onderzoeken of de uitstoot van Corus van invloed zou kunnen zijn op de gezondheid van de bewoners van IJmond. Letterlijk: 'een breder onderzoek naar de samenhang tussen emissies, lokale milieukwaliteit en de gezondheid van de omwonenden van Corus in IJmond'. Dit onderzoek mondde uit in een drietal RIVM-rapporten en een rapport dat in opdracht van het RIVM door het NIVEL is geschreven. Deelrapport 1 beschrijft de invloed van Corus op de luchtkwaliteit in het IJmondgebied en vergelijkt de concentraties met beschikbare luchtkwaliteitsnormen. Dit rapport focust op de huidige en - deels - op de toekomstige situatie. De titel luidt: 'De invloed van Corus op de luchtkwaliteit in de leefomgeving' (RIVM-rapport 609021079; Schols (ed.), 2009). Deelrapport 2 schetst een beeld van de luchtconcentraties in het verleden die het gevolg zijn van de historische emissies van Corus. Ook is met behulp van historische gegevens de invloed op de bodemkwaliteit berekend. De titel luidt: 'Historische immissies en depositie in de omgeving van Corus' (RIVM-rapport 601797001; Lijzen (ed.), 2009). Deelrapport 3 brengt voor de periode 1995-2006 alle nieuwe gevallen van kanker in beeld in een honderdtal postcodegebieden op verschillende afstanden van Corus. De mogelijke invloed van roken op longkanker wordt onderzocht met behulp van de sociaaleconomische status en die van emissies van Corus in het verleden met behulp van historische blootstellingsgegevens. De titel luidt: 'Geografisch patroon van kanker in de IJmond en omstreken' (RIVM-rapport 630006001; Van Wiechen (ed.), 2009). Deelrapport 4 beschrijft de gezondheidsklachten die een twintigtal huisartsen in praktijken op verschillende afstanden van Corus hebben geregistreerd in de jaren 2005-2007. Dit onderzoek is uitgevoerd door het NIVEL. De titel luidt: 'Gezondheidsproblemen in de regio IJmond zoals geregistreerd door de huisarts' (Nivel, 2009). Deze vier rapporten vormen samen het belangrijkste element van het antwoord van het RIVM op de onderzoeksvraag van de minister. Het RIVM heeft kort na de uitzending in een briefrapport een reactie gegeven op het haaronderzoek dat in de Zembla-uitzending werd genoemd. Dit onderzoek heeft in de periode daarna geen rol meer gespeeld, dus het wordt hier alleen volledigheidshalve genoemd. Tevens is er een samenvattend rapport van Tekstbureau PlaatsTaal verschenen, dat de inhoud van bovengenoemde rapporten samenvat. Het is getiteld: 'Wonen in de IJmond ongezond? Onderzoek naar de uitstoot van Corus' (RIVM-rapport 601797002; Van Bruggen (ed.), 2009).
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

De invloed van Corus op de luchtkwaliteit in de leefomgeving. Deelrapport 1 in de reeks rapporten over de invloed van uitstoot van Corus op de omgeving | RIVM

In mei 2008 besteedde het actualiteitenprogramma Zembla aandacht aan de zorgen van omwonenden over de emissies van Corus. In antwoord op kamervragen heeft de minister van VROM in juni 2008 het RIVM gevraagd te onderzoeken of de uitstoot van Corus van invloed zou kunnen zijn op de gezondheid van de bewoners van IJmond. Letterlijk: 'een breder onderzoek naar de samenhang tussen emissies, lokale milieukwaliteit en de gezondheid van de omwonenden van Corus in IJmond'. Dit onderzoek mondde uit in een drietal RIVM-rapporten en een rapport dat in opdracht van het RIVM door het NIVEL is geschreven. Deelrapport 1 beschrijft de invloed van Corus op de luchtkwaliteit in het IJmondgebied en vergelijkt de concentraties met beschikbare luchtkwaliteitsnormen. Dit rapport focust op de huidige en - deels - op de toekomstige situatie. De titel luidt: 'De invloed van Corus op de luchtkwaliteit in de leefomgeving' (RIVM-rapport 609021079; Schols (ed.), 2009). Deelrapport 2 schetst een beeld van de luchtconcentraties in het verleden die het gevolg zijn van de historische emissies van Corus. Ook is met behulp van historische gegevens de invloed op de bodemkwaliteit berekend. De titel luidt: 'Historische immissies en depositie in de omgeving van Corus' (RIVM-rapport 601797001; Lijzen (ed.), 2009). Deelrapport 3 brengt voor de periode 1995-2006 alle nieuwe gevallen van kanker in beeld in een honderdtal postcodegebieden op verschillende afstanden van Corus. De mogelijke invloed van roken op longkanker wordt onderzocht met behulp van de sociaaleconomische status en die van emissies van Corus in het verleden met behulp van historische blootstellingsgegevens. De titel luidt: 'Geografisch patroon van kanker in de IJmond en omstreken' (RIVM-rapport 630006001; Van Wiechen (ed.), 2009). Deelrapport 4 beschrijft de gezondheidsklachten die een twintigtal huisartsen in praktijken op verschillende afstanden van Corus hebben geregistreerd in de jaren 2005-2007. Dit onderzoek is uitgevoerd door het NIVEL. De titel luidt: 'Gezondheidsproblemen in de regio IJmond zoals geregistreerd door de huisarts' (Nivel, 2009). Deze vier rapporten vormen samen het belangrijkste element van het antwoord van het RIVM op de onderzoeksvraag van de minister. Het RIVM heeft kort na de uitzending in een briefrapport een reactie gegeven op het haaronderzoek dat in de Zembla-uitzending werd genoemd. Dit onderzoek heeft in de periode daarna geen rol meer gespeeld, dus het wordt hier alleen volledigheidshalve genoemd. Tevens is er een samenvattend rapport van Tekstbureau PlaatsTaal verschenen, dat de inhoud van bovengenoemde rapporten samenvat. Het is getiteld: 'Wonen in de IJmond ongezond? Onderzoek naar de uitstoot van Corus' (RIVM-rapport 601797002; Van Bruggen (ed.), 2009).
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Risk assessment of the dietary exposure to contaminants and pesticide residues in young children in the Netherlands | RIVM

De voeding van peuters en kleuters in Nederland is veilig voor wat betreft de blootstelling aan fumonisine B1, deoxynivalenol, patuline (gifstoffen veroorzaakt door schimmelgroei), nitraat en organofosfor-bestrijdingsmiddelen. Voor dioxines (vooral aanwezig in dierlijke vetten) bestaat er een beperkte kans dat er een negatief gezondheidseffect optreedt. Ook voor acrylamide (aanwezig in gebakken en gefrituurde producten) is er een kans dat een negatief gezondheidseffect optreedt in peuters en kleuters. Echter de grootte van deze kans kan niet worden geschat. Voor aflatoxine B1 en ochratoxine A (beide ook gifstoffen veroorzaakt door schimmelgroei) kon niet worden beoordeeld of de voeding veilig is voor peuters en kleuters. Dit blijkt uit onderzoek van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en het RIKILT-Instituut voor Voedselveiligheid. Voor acrylamide, aflatoxine B1, dioxines en ochratoxine A is aanvullend onderzoek nodig om de risicobeoordeling te verfijnen. De meest belangrijke elementen hiervoor zijn het genereren van 1) representatieve concentratiedata van aflatoxine B1 and ochratoxine A in de voeding, en 2) kennis over het schadelijke effect van acrylamide. Het doel van dit rapport was om de inname van een groep stoffen, en het mogelijk daarmee samenhangende gezondheidsrisico, te berekenen in peuters en kleuters in Nederland. Hiervoor zijn consumptiegegevens van de Voedselconsumptiepeiling onder peuters en kleuters gecombineerd met monitoringgegevens van concentraties van de onderzochte stoffen in producten. Met behulp van de aanwezige literatuur op toxicologiegebied is vervolgens het gezondheidsrisico voor de kinderen geschat.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Werkplan 2009. Centrum Infectieziektebestrijding | RIVM

Het Werkplan 2009 bevat de plannen van het Centrum voor Infectieziektebestrijding (CIb) in het jaar 2009. Hierin komt de bestrijding van infectieziekten in Nederland in al zijn facetten aan bod. De missie van het CIb van het RIVM is infectieziekten signaleren, bestrijden en voorkomen voor de volksgezondheid in Nederland. Het Werkplan 2009 beschrijft de werkzaamheden die het CIb uitvoert om de bijbehorende kerntaken te kunnen vervullen. Om het inzicht in de infectieziektebestrijding te vergroten signaleert het centrum relevante ontwikkelingen en bevordert het interventies. Dit proces wordt in het werkplan geollustreerd met een toelichting op de volgende thema's: het Rijksvaccinatieprogramma, opkomende infectieziekteproblemen, tuberculose, antibioticaresistentie, seksueel overdraagbare aandoeningen en wiskundige modellering. Binnen de thema's worden bovendien verschillende onderzoeksgebieden uitgelicht. De kerntaken van het CIb zijn: - inzicht krijgen in de infectieziekten door middel van diagnostiek, surveillance en wetenschappelijk onderzoek; - overheid landelijk informeren over preventie en het versterken van waakzaamheid. Bij uitbraken is snel reageren mogelijk door de infectieziektebestrijding te coordineren, internationaal samen te werken en door regie uit te voeren op het Rijksvaccinatieprogramma; - een effectieve infectieziektebestrijding- en preventie bevorderen door professionals en ministeries te adviseren, door onderzoekssubsidies te verlenen en door het publiek voor te lichten.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Staat van Infectieziekten in Nederland, 2008 | RIVM

De Staat van Infectieziekten geeft inzicht in epidemiologische ontwikkelingen van infectieziekten in Nederland. Het beschrijft ook de ontwikkelingen in het buitenland die voor Nederland relevant zijn. Deze jaarlijkse uitgave informeert beleidsmakers bij het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en bij het Centrum Infectieziektebestrijding (CIb) van het RIVM. In 2008 en de eerste helft van 2009 waren de meest in het oog springende gebeurtenissen in Nederland: de uitbraak van Q-koorts, de toename van bof, enkele clusters van mazelen en de verspreiding van nieuwe influenza A/H1N1. Elk jaar komt een thema aan bod. Dit keer is dat vergrijzing en de mogelijke infectieziektenrisico's voor de volksgezondheid. In 2050 zal naar verwachting een kwart van de Nederlandse bevolking uit 65-plussers bestaan; in 2008 was dit nog 15%. Bij het bekijken van de verwachte invloed van deze demografische verandering op het voorkomen van infectieziekten komen een aantal conclusies naar voren: 1. Bepaalde infectieziekten (gordelroos, luchtweginfecties en urineweginfecties) zullen overwegend bij ouderen gaan voorkomen. Ouderen hebben vaak minder duidelijke symptomen waardoor de ziekte minder goed door behandelaars wordt herkend. Bovendien hebben infectieziekten bij deze groep vaker een ernstig beloop. 2. Het jaarlijkse aantal nieuwe gevallen van sommige infectieziekten (gordelroos, luchtweginfecties en urineweginfecties) zal sterk toenemen. Hierdoor neemt het effect van deze ziekten op de volksgezondheid toe ten opzichte van ziekten die meer bij jongeren voorkomen of die een meer gelijkmatige leeftijdsverdeling kennen. 3. De vergrijzing zorgt er voor dat de ongevoeligheid voor antibiotica, bovenop andere ontwikkelingen rond antibioticaresistentie, toe zal nemen. 4. Een aantal aandoeningen zal in de toekomst vaker voorkomen omdat leeftijdscohorten, die nu besmet zijn met verwekkers die langetermijncomplicaties veroorzaken, verouderen. Gezondheidszorg voor bijvoorbeeld groepen zoals migranten en hiv-positieven zal in de toekomst bijzondere aandacht vragen.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Leds of conventionele openbare verlichting? Energie-efficientie en milieueffecten vergeleken | RIVM

Straatverlichting met energie-efficiente leds (licht emitterende dioden) kan helpen om het energieverbruik in Nederland te verminderen. De beperkingen van deze relatief nieuwe technologie moeten nog wel nader worden onderzocht. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM, waarin het gebruik van leds binnen de bebouwde kom is vergeleken met conventionele compacte fluorescentielichtbronnen en hogedruk natriumlampen. Om aan de Kyoto-doelstellingen te kunnen voldoen, werkt de Nederlandse overheid onder andere aan energiezuiniger verlichting. Straatverlichting is belangrijk voor de verkeersveiligheid, sociale veiligheid en leefbaarheid. Om deze functies te kunnen vervullen, moet openbare verlichting aan eisen voldoen, bijvoorbeeld op het gebied van lichtsterkte. Ten opzichte van compacte fluorescentielampen, die vanwege hun warmwitte licht in woonwijken worden gebruikt, verbruiken leds 15 tot 27 procent minder energie. Vergeleken met hogedruk natriumlampen verbruiken leds juist meer. Aangezien leds sterk in ontwikkeling zijn, is de verwachting dat dit spoedig verbetert. De efficiency van leds zou aanzienlijk verbeteren als er meer rekening wordt gehouden met de kleurgevoeligheid van het oog. Momenteel vindt discussie plaats over de richtlijnen voor openbare verlichting waarin dit tot nu toe niet is meegenomen. Bij daglicht is het oog namelijk optimaal gevoelig voor groen en geel licht, maar in het donker meer voor blauw en groen licht. Aangezien van groen en blauw licht minder nodig is voor voldoende zicht in het donker, is het energiezuiniger. De keerzijde is dat mensen deze lichtkleur niet altijd als prettig ervaren. Daarnaast vergt wisseling tussen groengele en blauwgroene lichtbronnen een aanpassing van de ogen die enkele minuten tijd kost. Gedurende deze tijd is het gezichtsvermogen beperkt.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

The practicability of the integrated probabilistic risk assessment (IPRA) approach for substances in food | RIVM

Het RIVM heeft de IPRA-methode succesvol toegepast om de gezondheidsrisico's voor de mens van vijf stoffen in voeding te beschrijven. Deze methode is ontwikkeld om de risico's gedetailleerd te kunnen beschrijven als uit klassieke risicobeoordelingen blijkt dat er risico's zijn, of als risico's voor de gezondheid niet uitgesloten kunnen worden. Met de IPRA-methode is het mogelijk om aan te geven welk deel van de bevolking risico loopt nadat zij aan stoffen is blootgesteld en hoe ernstig de effecten op de gezondheid zijn. Op basis van deze informatie kan de overheid vervolgens doelgerichte acties ondernemen om de schadelijke gezondheidseffecten te voorkomen. Verwacht wordt dat de methode ook voor andere stoffen bruikbaar is. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM in samenwerking met Biometris en RIKILT, beide onderdeel van Wageningen Universiteit en Researchcentrum. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van de Voedsel en Waren Autoriteit (VWA). Voor het onderzoek zijn de risico's beschreven van twee schimmeltoxinen (DON en T-2/HT-2), een zwaar metaal (cadmium), een bestrijdingsmiddelengroep (OPs) en een stof die in verhitte zetmeelproducten voorkomt (acrylamide). Met behulp van de IPRA-methode wordt de hoeveelheid van een stof die een populatie via voedsel binnenkrijgt vergeleken met de maximale dosis die veilig wordt geacht. Verschillen tussen personen en onzekerheden in de berekeningen zijn hierin meegenomen. De blootstellingen van deze vijf stoffen blijven volgens de methode onder de gestelde grenzen, en dus zijn de gezondheidrisico's verwaarloosbaar. Verder kan met de methode inzichtelijk worden gemaakt welke aanvullende gegevens verzameld kunnen worden om de risicobeoordeling te verbeteren. Hierdoor is doelgericht vervolgonderzoek mogelijk.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Meetnet Ammoniak in Natuurgebieden. Meetresultaten 2005 - 2007 | RIVM

De gemiddelde ammoniakconcentratie in natuurgebieden varieert sterk. In grote natuurgebieden zijn de concentraties lager dan in kleine gebiedjes. De concentratie is namelijk afhankelijk van de afstand van (lokale) agrarische activiteiten tot het gebied, aangezien deze de voornaamste ammoniakbron vormen. De invloed van snelwegen op de aangrenzende natuur blijkt beperkt met een verhoging van 1 tot 2 mug/m3. Dit blijkt uit de eerste drie jaar aan meetresultaten van het Meetnet Ammoniak in Natuurgebieden, die zijn gecontroleerd en met behulp van referentiemetingen gekalibreerd. Met het meetnet wordt de invloed van ammoniakbronnen buiten de natuurgebieden in beeld gebracht. Het is in 2005 opgezet om ammoniakconcentraties in de natuur te volgen en de modelberekeningen van de concentratie te toetsen die standaard worden gebruikt. De metingen vinden plaats in Natura 2000-gebieden die door hun ligging op arme zandgronden kwetsbaar zijn voor bemesting door de atmosferische aanvoer van ammoniak. Met zogeheten passieve samplers (buisjes), een eenvoudige en goedkope methode, worden maandgemiddelde ammoniakconcentraties in de lucht gemeten in 29 natuurgebieden verspreid over heel Nederland. Om inzicht te krijgen hoe de ammoniakconcentratie varieert binnen een natuurgebied wordt op meerdere locaties in een gebied gemeten. De ammoniakconcentraties zijn ook berekend met een nieuwe, experimentele versie van het model OPS van het RIVM en het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL). De berekeningen komen goed overeen met de metingen. Dit bevestigt dat het voormalige verschil tussen berekende en gemeten ammoniakconcentraties, het zogeheten ammoniakgat, door de gemaakte aanpassingen in het model zo goed als verdwenen is. Alleen de gemeten concentraties in de duingebieden zijn, hoewel heel laag, enkele malen hoger dan de berekeningen.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Evaluatie nieuwe normstelling windturbinegeluid. Invloed van verschillende grenswaarden op blootstelling, hinder en mogelijkheden ontwikkelingslocaties | RIVM

Ongeveer 1500 omwonenden rondom de huidige windturbines in Nederland hebben kans op ernstige geluidhinder. Een richtwaarde van 40 decibel (dB) in de nieuwe regelgeving voor windturbines kan een verdere toename tot een minimum beperken als nieuwe windturbines worden gerealiseerd. Boven de 45 dB zijn in toenemende mate hinderklachten en gezondheidsproblemen te verwachten. In vergelijking met andere typen geluidbronnen ontstaan bij windturbines eerder hindereffecten voor omwonenden bij een lagere geluidbelasting. De keuze van grenswaarden heeft gevolgen voor de hoeveelheid ruimte op land die beschikbaar is voor nieuwe windturbines. Geschat wordt dat een grenswaarde van 40 dB ruimte biedt voor 7000 megawatt aan duurzame energie via nieuwe windturbines. Een grenswaarde van 45 dB biedt meer ruimte, ongeveer voor 25.000 megawatt. Momenteel is een nieuw wetsvoorstel in voorbereiding dat eisen stelt aan de geluidimmissie van nieuwe windturbines in Nederland. Het wetsvoorstel beoogt de geluidhinder van nieuwe turbines te beperken bij realisatie van de doelstellingen van het kabinet voor duurzame energie. Net als in de wetgeving voor weg- en railverkeersgeluid wordt in het wetsvoorstel een richtwaarde en een maximale grenswaarde voor de geluidbelasting (in Lden) van woningen gesteld. Onder de richtwaarde zijn er geen belemmeringen om nieuwe windturbines te plaatsen; boven de maximale grenswaarde kan het bevoegde gezag geen vergunning verlenen. Tussen deze waarden zullen belangen via een inspraakprocedure worden afgewogen. Het RIVM heeft de mogelijke consequenties bij verschillende grenswaarden onderzocht. Gekeken is naar de kans op geluidhinder, plaatsingsruimte voor nieuwe turbines in relatie tot energiedoelstellingen en risico's op extra hinder door laagfrequent geluid.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Acute vergiftigingen bij mens en dier : Jaaroverzicht 2008 Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum | RIVM

In 2008 ontving het Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum (NVIC) in totaal 39.381 informatieverzoeken over 52.695 blootstellingen aan giftige stoffen. Het merendeel van de verzoeken werd telefonisch gedaan (35.632 over 46.927 blootstellingen). Via de website Vergiftigingen.info, die sinds april 2007 beschikbaar is, kwamen in 2008 3749 informatieverzoeken over 5768 blootstellingen binnen. Een informatieverzoek kan over meerdere patienten gaan of over meerdere stoffen. Bij ongeveer 430 vergiftigingsgevallen waren meerdere personen of dieren tegelijkertijd blootgesteld, in sommige gevallen grote groepen individuen. Het NVIC droeg in 2008 bij aan de rampenbestrijding bij meer dan 30 kleinere en grotere calamiteiten in Nederland waarbij giftige stoffen vrijkwamen. Daarnaast nam het NVIC deel aan 15 rampenoefeningen. Het aantal meldingen over vergiftigingen met de pijnstiller paracetamol is de laatste jaren verder toegenomen, ondanks de media-aandacht voor dit onderwerp in 2007. Ook het aantal vergiftigingen met escitalopram, een antidepressivum, is de laatste twee jaar sterk gestegen. Bij vergiftigingen met methylfenidaat, een geneesmiddel tegen ADHD, was in 11 procent van de gevallen sprake van misbruik als stimulerend middel. Vanaf de leeftijd van 13 jaar worden twee keer zoveel vergiftigingen met geneesmiddelen gemeld bij vrouwen als bij mannen. Het aantal bij het NVIC gemelde vergiftigingen door paddo's is in 2008 heel licht gedaald. In 2008 werd het NVIC geraadpleegd over vergiftigingen bij bijna 3000 dieren, vooral honden en katten, met meer dan 3200 blootstellingen aan giftige stoffen. Het NVIC kreeg in vergelijking met eerdere jaren relatief veel meldingen binnen over dieren met een zoutintoxicatie, veroorzaakt door het gebruik van zout als braakmiddel nadat zij een giftig product hadden binnengekregen. Het Nationaal Serum Depot in Bilthoven heeft in 2008 eenmaal antiserum uitgeleverd aan een arts en eenmaal aan een dierenarts om een adderbeet bij een mens en een hond te behandelen. Het depot is een samenwerkingsverband tussen het NVIC en het Nederlands Vaccin Instituut.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Verspreiding van stoffen bij branden: een verkennende studie | RIVM

Er bestaat geen model of methodiek waarmee professionals bij brand snel een integraal advies kunnen geven over maatregelen die het milieu en de volksgezondheid optimaal beschermen. Er is wel veel kennis over de schadelijke gevolgen van een brand voor mens en milieu (grond, lucht en oppervlaktewater). Deze kennis is onder andere verwerkt in afzonderlijke rekenmodellen en protocollen. Dit bijkt uit een verkennend onderzoek van het RIVM en de Waterdienst, in opdracht van de stafafdeling Crisismanagement van het ministerie van VROM. Hiervoor zijn bestaande gegevens, modellen en methodieken geinventariseerd die de verspreiding van schadelijke stoffen bij brand voorspellen. Het gaat om antwoorden op vragen als: 'Moeten de koeien op stal?', 'Is het oppervlaktewater ernstig verontreinigd?' of 'Kunnen gewassen in de omgeving nog worden geconsumeerd?' Het onderzoek bevat enkele aanbevelingen waarmee de bestaande praktijk kan worden verbeterd. Zo kan het bestaande protocol van de Waterdienst voor advies over het lozen van bluswater worden aangevuld met modelberekeningen die de verspreiding en effecten van de lozing op het oppervlaktewater schatten. Om de verspreiding van gevaarlijke stoffen in de lucht te kunnen bepalen, worden al modelberekeningen toegepast. Het is te overwegen om dit rekenprotocol uit te breiden met standaardscenario's voor verschillende typen branden. Op basis daarvan kunnen bij een echte brand sneller de juiste maatregelen worden getroffen. Ook is op basis van een groot aantal metingen het uitgangspunt geformuleerd dat er vanaf 1 kilometer van de brand doorgaans geen sprake is van risico's voor mens en milieu. Uitzonderingen daarop zijn hele grote branden of branden waarbij mens en milieu aan zeer gevaarlijke stoffen staan blootgesteld, zoals een brand in een grote opslag met pvc-materialen.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Voorlopig protocol voor de beoordeling van de chemische toestand van grondwaterlichamen in Nederland | RIVM

Het RIVM heeft een protocol opgesteld waarmee de grondwaterbeheerders in Nederland de chemische toestand van grondwaterlichamen op eenduidige wijze kunnen beoordelen. Nederland is verplicht om elke zes jaar de Europese Commissie te rapporteren over de chemische en kwantitatieve toestand van grondwater. De grondwaterbeheerders bij provincies voeren de beoordeling uit in samenwerking met waterschappen en gemeenten. Alle relevante actoren zijn bij de totstandkoming van het protocol betrokken. Nederland is onderverdeeld in 23 grondwaterlichamen die volgens de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW, richtlijn 2000/60/EC) uiterlijk in 2015 de goede grondwatertoestand moeten bereiken. Dit betekent dat zowel de kwantitatieve als de chemische toestand op zijn minst goed moet zijn. Het protocol is opgesteld op basis van Europese richtlijnen (wetten), richtsnoeren (guidance documents) over dit onderwerp en relevante literatuur. Daarnaast is de eerste toestandbeoordeling van grondwaterlichamen in 2008 geevalueerd. Op basis van knelpunten die uit de evaluatie naar voren kwamen hebben de betrokken actoren samen afspraken gemaakt over de eerstvolgende toestandbeoordeling. Deze afspraken zijn opgenomen in dit protocol.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Nanotechnology in perspective: summary. Risks to man and the environment | RIVM

Het Kennis- en Informatiepunt Risico's van Nanotechnologie (KIR-nano) van het RIVM heeft de potentiele risico's van blootstelling van gefabriceerde, vrije, onafbreekbare en onoplosbare nanodeeltjes in kaart gebracht. In dit rapport worden de risico's voor de mens als werknemer, patient en consument behandeld, evenals risico's voor het milieu. Drie toepassingsgebieden zijn daarbij relevant: geneesmiddelen en medische technologie, voedselproductie en consumentenproducten. De huidige stand van zaken van de wetenschap laat zien dat risico's niet uit te sluiten zijn. Er ontbreekt echter nog veel kennis om de risico's even goed in te kunnen schatten als voor 'chemische stoffen niet in nanovorm'. Toch zijn er al vele honderden producten waarin nanomaterialen zijn verwerkt op de markt. Dit vereist op korte termijn veel onderzoek naar de blootstelling en toxiciteit van deze materialen. Helaas is het aantal onderzoeksvragen dusdanig groot en fundamenteel van aard dat het nog jaren zal duren voordat alle informatie is vergaard. KIR-nano adviseert daarom het onderzoek vooral te richten op die vragen die cruciale informatie voor de risicobeoordeling voor mens en milieu bieden. Afhankelijk van het perspectief van werknemer, consument, patient of milieu zijn oplossingsrichtingen gedefinieerd voor het beheersen van de risico's. Informatie die in de streng gereguleerde wereld van medische toepassingen wordt gegenereerd kan met name vanuit methodologisch oogpunt zeer waardevol zijn voor andere toepassingsgebieden, waar de dossiervereisten en dus veelal ook de informatievergaring (veel) beperkter voor zijn. Kernbegrippen voor de komende jaren zijn samen te vatten onder KOKOS: Kennis vergroten en uitwisselen om dubbeling van onderzoek te voorkomen, Oplossingsrichtingen en risicomanagement, Keuzes maken in bijdragen vanuit Nederland aan dit onderzoeksveld, Onderzoek & Ontwikkeling, en Samenwerking bevorderen tussen wet- en regelgevende kaders, wetenschap en bedrijfsleven.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Nanotechnology in perspective. Risks to man and the environment | RIVM

Het Kennis- en Informatiepunt Risico's van Nanotechnologie (KIR-nano) van het RIVM heeft de potentiele risico's van blootstelling van gefabriceerde, vrije, onafbreekbare en onoplosbare nanodeeltjes in kaart gebracht. In dit rapport worden de risico's voor de mens als werknemer, patient en consument behandeld, evenals risico's voor het milieu. Drie toepassingsgebieden zijn daarbij relevant: geneesmiddelen en medische technologie, voedselproductie en consumentenproducten. De huidige stand van zaken van de wetenschap laat zien dat risico's niet uit te sluiten zijn. Er ontbreekt echter nog veel kennis om de risico's even goed in te kunnen schatten als voor 'chemische stoffen niet in nanovorm'. Toch zijn er al vele honderden producten waarin nanomaterialen zijn verwerkt op de markt. Dit vereist op korte termijn veel onderzoek naar de blootstelling en toxiciteit van deze materialen. Helaas is het aantal onderzoeksvragen dusdanig groot en fundamenteel van aard dat het nog jaren zal duren voordat alle informatie is vergaard. KIR-nano adviseert daarom het onderzoek vooral te richten op die vragen die cruciale informatie voor de risicobeoordeling voor mens en milieu bieden. Afhankelijk van het perspectief van werknemer, consument, patient of milieu zijn oplossingsrichtingen gedefinieerd voor het beheersen van de risico's. Informatie die in de streng gereguleerde wereld van medische toepassingen wordt gegenereerd kan met name vanuit methodologisch oogpunt zeer waardevol zijn voor andere toepassingsgebieden, waar de dossiervereisten en dus veelal ook de informatievergaring (veel) beperkter voor zijn. Kernbegrippen voor de komende jaren zijn samen te vatten onder KOKOS: Kennis vergroten en uitwisselen om dubbeling van onderzoek te voorkomen, Oplossingsrichtingen en risicomanagement, Keuzes maken in bijdragen vanuit Nederland aan dit onderzoeksveld, Onderzoek & Ontwikkeling, en Samenwerking bevorderen tussen wet- en regelgevende kaders, wetenschap en bedrijfsleven.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Kwantitatieve risicoanalyse voor arbeidsveiligheid. De ontwikkeling van een risicomodel en software | RIVM

Er is een model ontwikkeld om arbeidsrisico's tijdens het werk in Nederland te berekenen. Per activiteit, baan, bedrijf of industrietak kan het risico op ongevallen of overlijden worden berekend. Werkgevers kunnen vervolgens maatregelen kiezen die het risico hierop beperken. Ook kunnen de kosten van deze maatregelen en de behaalde risicobeperking met het model worden berekend. Hiermee is een optimale afweging mogelijk van de kosten en de baten van maatregelen die risico's verminderen. Het model is ontwikkeld in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW). Het RIVM gaf leiding aan het internationale onderzoeksconsortium. Voor het onderzoek is een groot aantal arbeidsongevallen geanalyseerd, op basis van de ongevalrapporten van de Arbeidsinspectie. Deze gegevens zijn in een database gezet, waarbij de arbeidsongevallen werden verdeeld naar 36 typen ongevalscenario's. De ongevalscenario's werden gebruikt om zogenoemde 'vlinderdasmodellen', bow ties, te construeren. Aan de ene kant van dit model staan de onderliggende oorzaken van een ongeval vermeld en aan de anders kant de gevolgen ervan (gewond raken of dodelijk letsel). In een bow tie worden de maatregelen genoemd die een ongeval helpen voorkomen, dan wel helpen om de gevolgen te beperken. De bow ties geven eveneens getalsmatig aan hoe vaak dergelijke maatregelen kunnen falen. Vervolgens is een analyse gemaakt van de activiteiten en arbeidsomstandigheden van de gemiddelde werknemer. Daarmee is bepaald in welke mate werkende personen aan risicovolle activiteiten blootstaan en hoe goed de risicobeperkende maatregelen op de werkplek zijn.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Jaaroverzicht Luchtkwaliteit 2008 | RIVM

In Nederland zijn in 2008 enkele overschrijdingen van de Europese normen voor de luchtkwaliteit gemeten. Net als in 2007 jaar waren mede door gunstigere weersomstandigheden de overschrijdingen in 2008 minder hoog en frequent dan in voorgaande jaren. Incidenteel deden zich wel hoge concentraties voor. Vooral tijdens de jaarwisseling van 2008/2009 was de concentratie fijn stof in een groot deel van Nederland (wederom) zeer hoog door de combinatie van mist, weinig wind en vuurwerk. Dit blijkt uit meetresultaten van het Landelijk Meentnet Luchtkwaliteit (LML) van het RIVM. Het jaaroverzicht geeft een overzicht van de gemeten en deels berekende luchtkwaliteit. In 2008 waren er geen dagen met ernstige smog door ozon (concentraties boven de Europese alarmdrempel). De jaargemiddelde concentraties van stikstofdioxide (NO2) zijn in 2008 iets hoger dan in 2007 en vergelijkbaar met 2006. Op het merendeel van de meetlocaties in straten, waar het verkeer in hoge mate bijdraagt aan de stikstofdioxideconcentratie, ligt de jaargemiddelde concentratie boven de EU-norm. De fijnstofconcentraties (PM10) zijn daarentegen ten opzichte van 2007 met gemiddeld 2 microgram per kubieke meter afgenomen. Op de LML-meetlocaties zijn de EU-normen voor fijnstofconcentraties niet overschreden.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Gebruik en waardering van kiesBeter.nl in 2008 | RIVM

In 2008 is het bezoekersaantal van de zorgportal kiesBeter.nl aanzienlijk toegenomen: van bijna twee miljoen in 2007 naar drie miljoen. De naamsbekendheid van de website is in het laatste kwartaal 2008, de periode waarin de site het meest werd geraadpleegd, ongeveer gelijk gebleven ten opzichte van het voorgaande jaar (19 procent). Dit blijkt uit een evaluatie van het RIVM van kiesBeter.nl in 2008. KiesBeter.nl verschaft burgers inzicht in de keuzes die ze kunnen maken in de zorg en biedt daarvoor relevante informatie. Het RIVM ontwikkelt de website in samenwerking met andere organisaties in de zorg die zowel de aanbieders (bijvoorbeeld ziekenhuizen en verzekeraars) als de vragers (patienten en consumenten) vertegenwoordigen. Opdrachtgever is het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). De marketingdoelstellingen voor 2008 op het gebied van naamsbekendheid, bereik en waardering zijn gehaald. Wat de naamsbekendheid betreft neemt KiesBeter.nl de derde positie in van websites op het gebied van gezondheid en zorg. Wat het bezoekersaantal betreft staat de website op de eerste positie ten opzichte van vergelijkbare websites. De beoordeling van bezoekers zou nog wat beter kunnen, vooral over het gebruikersgemak. Volgens een enquete van TNS-NIPO oordeelden bezoekers vrij positief over de kwaliteit van de geboden informatie (circa 7.1). De bezoekersenquete gaf een minder gunstig beeld (circa 5.1). De marketingactiviteiten in 2008 waren voornamelijk gericht op professionals. In 2009 wordt deze strategie voorgezet. Eind 2009 of begin 2010 start een campagne om de naamsbekendheid onder burgers te vergroten, Aanleiding daarvoor is onder andere de lancering van een nieuwe versie van de website in 2009.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Prestatie-indicatoren voor de spoedeisende keten | RIVM

Het RIVM heeft een samenhangende set prestatie-indicatoren ontwikkeld voor de keten van spoedeisende zorg. De indicatoren kunnen inzichtelijk maken waar in deze sector risico's bestaan op slechte kwaliteit en onveiligheid. De indicatoren zijn in opdracht van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) ontwikkeld en kunnen de IGZ ondersteunen bij haar toezichttaken. Aanleiding voor dit onderzoek waren geconstateerde tekortkomingen in de spoedeisende keten. Dit rapport beschrijft hoe de set van prestatie-indicatoren tot stand is gekomen. De set bestaat uit 26 indicatoren, waarvan de indicatoren voor traumazorg in samenwerking met het VU Medisch Centrum zijn ontwikkeld. Bij de ontwikkeling van de indicatoren zijn deskundigen uit het hele veld van de spoedeisende keten betrokken. De indicatoren zijn gericht op de toegankelijkheid, tijdigheid, veiligheid, effectiviteit en patientgerichtheid van de spoedeisende zorg voor patienten met een acuut hartinfarct, hartstilstand, acute beroerte en ernstig trauma. Daarnaast zijn indicatoren ontwikkeld voor algemene spoedeisende gezondheidsproblemen. Om de prestatie-indicatoren goed te kunnen meten ontbreekt evenwel belangrijke informatie. Dat komt omdat registratiesystemen ontbreken die belangrijke gegevens over de patient en de uitgevoerde verpleegkundige en medische handelingen vastleggen. Een sterke verbetering van de registratiesystemen is dan ook gewenst. Hier ligt een taak voor de wetenschappelijke verenigingen en brancheorganisaties. Pas als de informatievoorziening verbeterd is, kunnen de indicatorgegevens daadwerkelijk worden verzameld en kan de kwaliteit daarvan verder worden onderzocht.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Smoking cessation strategies targeting people with low socio-economic status. A first exploration of the effectiveness of available interventions | RIVM

Om rokers met een lage sociaaleconomische status te helpen met stoppen blijken een telefonische hulplijn of gratis verstrekte ondersteuning en farmaceutische middelen het meest effectief. Dit laatste kan bijvoorbeeld via de zorgverzekering. Mogelijk effectief zijn advies en ondersteuning op de werkplek, massamediale campagnes, schoolprogramma's voor de jeugd en maatregelen voor zwangere vrouwen. Dit blijkt uit een internationale literatuurstudie van het RIVM naar het effect van elf typen maatregelen om juist deze categorie rokers te helpen met roken te stoppen. Het is van belang dat beleidsmakers kennis hebben van maatregelen die goed werken bij groepen met een laag inkomen of een lage opleiding. Deze bevolkingsgroepen roken namelijk relatief veel en daarom valt bij hen veel gezondheidswinst te behalen. De effectiviteit van reclamebeperkingen en promotie, accijnsverhogingen, geldelijke beloningen (quit contests) en rookverboden op de werkplek voor deze rokersgroep is nog onduidelijk. Hiervoor is onvoldoende bewijslast aangetroffen. Voor effecten van zogeheten community interventies, die gericht zijn op een bepaalde gemeenschap in de samenleving zoals een buurt of dorp, ontbreekt in de huidige literatuur bewijs. In het onderzoek is gekeken naar maatregelen die specifiek gericht zijn op groepen met een lage sociaaleconomische status. Daarnaast zijn maatregelen onderzocht voor rokers in de gehele bevolking als daarvan bekend was wat het specifieke effect of bereik was in de groep met een lage sociaaleconomische status. Op basis van de onderzoeksresultaten gaat het RIVM scenario's voor beleidsmaatregelen ontwikkelen en doorrekenen.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Ventilatie en de samenhang met radon in nieuwbouwwoningen in Nederland. Resultaten en analyses van tracermetingen in het project VERA | RIVM

Het radioactieve edelgas radon is in Nederlandse nieuwbouwwoningen overwegend afkomstig uit bouwmaterialen. In mindere mate is het afkomstig uit de bodem - via de kruipruimte of de buitenlucht. Dit blijkt uit onderzoek dat het RIVM heeft uitgevoerd in opdracht van het ministerie van VROM. In het onderzoek zijn de resultaten gecombineerd van ventilatie- en radonmetingen in meer dan driehonderd nieuwbouwwoningen in Nederland. Het gaat om woningen die tussen 1994 en 2003 zijn gebouwd. In eerdere studies is aangetoond dat blootstelling aan straling in de woning voor ruwweg de helft bijdraagt aan de stralingsbelasting die Nederlandse burgers gemiddeld door het jaar heen oplopen. Een groot deel van de stralingsbelasting binnenshuis is het gevolg van het inademen van radioactieve vervalproducten van radon. Luchtstromen transporteren radon door de woning. Een nauwkeurige inschatting van de luchtstromen tussen verschillende ruimten in afzonderlijke woningen blijkt moeilijk te verwezenlijken. Voor een gemiddelde woning is dit wel gerealiseerd. Zo is afgeleid dat de uitwisseling van lucht tussen de hal en andere ruimten sterker is dan de luchtstromen tussen de andere ruimten onderling. Bovendien is gebleken dat ventilatie de hoeveelheid radon vermindert die zich verzamelt in leefruimten, zoals de slaap- en de woonkamer.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Kwaliteitsindicatoren voor de eerstelijnsverloskunde | RIVM

Om de kwaliteit van thuisbevallingen in Nederland in kaart te brengen en te verbeteren, is een set van 23 indicatoren gedefinieerd. Voorbeelden zijn het percentage bevallingen waarbij de verloskundige niet aanwezig is, het percentage doorverwijzingen naar een specialist en het percentage bevallingen waarbij de kraamhulp niet op tijd aanwezig is. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ), die in overleg met de beroepsgroepen indicatoren zal overnemen om beter toezicht te kunnen houden. De indicatoren zijn bepaald door een werkgroep bestaande uit vertegenwoordigers van de beroepsgroepen, de IGZ en het RIVM. De Koninklijke Nederlandse Organisatie van Verloskundigen (KNOV) heeft enkele jaren geleden instrumenten ingevoerd (het kwaliteitsregister, het praktijkanalyse-instrument en praktijkcertificering) om de kwaliteit van de verloskundigepraktijk te verbeteren. Een volgende stap is de kwaliteit van de zorg zichtbaar maken aan de hand van indicatoren. Indicatoren kunnen een meer gedetailleerd inzicht geven in onderdelen van de zorg dan de bestaande kwaliteitstoets. Het zijn meetbare elementen van zorgverlening die een aanwijzing geven over de kwaliteit van die zorg. Om tot de indicatoren te komen, zijn eerst de risicogebieden binnen de eerstelijnsverloskunde bepaald. Vervolgens zijn op basis van literatuurgegevens en richtlijnen conceptindicatoren samengesteld. Daarna is de groslijst voorgelegd aan experts uit het veld. Zij beoordeelden de conceptindicatoren op kwaliteit en haalbaarheid in de dagelijkse praktijk.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Re-evaluation of some human-toxicological Maximum Permissible Risk levels earlier evaluated in the period 1991-2001 | RIVM

Het RIVM heeft in 2007 en 2008 voor tien stoffen en stofgroepen in de bodem opnieuw de maximale waarden bepaald waarbij zij geen schade aan de gezondheid van de mens veroorzaken (humaan-toxicologische gezondheidskundige grenswaarden). Het betreft drie metalen en vijf organische verbindingen, alsmede chloride en sulfaat. Sommige waarden zijn gedaald, anderen gestegen of gelijk gebleven. De waarden worden geherevalueerd als nieuwe wetenschappelijke gegevens daar aanleiding voor geven, wat hier het geval was. De humaan-toxicologische grenswaarden vormen, samen met de ecotoxicologische grenswaarden, de basis voor bodeminterventiewaarden. Als een bodeminterventiewaarde op een verontreinigde locatie wordt overschreden, dient te worden onderzocht of het noodzakelijk is om die locatie te saneren. Voor elke beoordeelde stof(groep) werden Maximum Toelaatbare Risico's (MTR's) afgeleid voor de blootstelling via de mond, en indien relevant, ook voor de blootstelling via de ademhaling. De tien stoffen en stofgroepen zijn eerder geevalueerd tussen 1991 en 2001.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Kosteneffectiviteit van preventie. Van gezondheidszorgperspectief naar maatschappelijk perspectief | RIVM

Kosteneffectiviteitsanalyses (KEA's) uitgevoerd vanuit het maatschappelijk perspectief hebben een toegevoegde waarde voor beleidsmakers in de gezondheidszorg. Een belangrijke vraag is welke preventieve interventies de moeite waard zijn om op grote schaal te worden ingevoerd. Een belangrijke graadmeter daarvoor is de kosteneffectiviteit: hoeveel gezondheidswinst levert de investering in een bepaalde interventie op? In kosteneffectiviteitsanalyses wordt dit uitgerekend. Daarbij rijst echter de vraag vanuit welk perspectief de kosten en effecten moeten worden beschouwd. Is dat het perspectief van de gezondheidszorg of is een maatschappelijk perspectief gewenst? Dit rapport gaat over het perspectief van de KEA. We beschrijven de belangrijkste overeenkomsten en verschillen tussen het gezondheidszorgperspectief en het maatschappelijk perspectief. Omdat veel preventieve interventies effecten hebben buiten de zorgsector en de verdeling van het zorgbudget onderdeel is van een groter verdelingsvraagstuk pleiten wij ervoor om in de toekomst KEA-resultaten te presenteren vanuit het gezondheidszorgperspectief in het maatschappelijk perspectief. Het hanteren van het maatschappelijk perspectief heeft echter behoorlijke consequenties, zowel voor de kosten en effecten die dienen te worden meegenomen alsmede de economische waardering van deze kosten en effecten. Dit heeft belangrijke consequenties voor het kosteneffectiviteitsonderzoek op het RIVM. Er zal moeten worden geinvesteerd in methoden om de langetermijneffecten van preventieve interventies op productiviteit en informele zorg te kwantificeren.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

The risks of environmentally hazardous substances in import containers. State of affairs 2007 | RIVM

In Nederlandse havens komen per jaar circa 2,5 miljoen containers binnen met goederen uit alle werelddelen. Uit metingen is gebleken dat in deze containers hoge concentraties van vluchtige organische stoffen kunnen voorkomen, als gevolg van het gassen van de containers, of omdat deze vluchtige organische stoffen tijdens het productieproces van de goederen als bestanddeel of oplosmiddel zijn gebruikt. Het ministerie van VROM heeft het RIVM verzocht om inzicht te geven in de risicos die deze gassen in containers kunnen inhouden voor mens en milieu. De opdracht was om deze risicoanalyse te baseren op reeds beschikbare informatie over begassing en stofconcentraties. Het analyseren van de risicos voor de arbeidssituatie was geen onderdeel van deze opdracht. Uit de beoordeling van de gegevens blijkt dat de concentraties van vluchtige organische stoffen in containers zo hoog kunnen zijn dat omstanders bij het openen van containers en bij blootstelling aan deze concentraties, gezondheidseffecten kunnen ondervinden. Ook consumenten kunnen worden blootgesteld als zij de goederen uit gegaste containers gebruiken. Dit kan gebeuren wanneer de producten binnenshuis uitdampen, maar ook bij het consumeren van gegaste voedingsmiddelen en geneesmiddelen. De beschikbare informatie over de concentratie in, en uitdamping uit goederen bleek zeer beperkt en vooral afkomstig uit eerdere onderzoeken van het RIVM aan door VROM aangeboden onderzoeksobjecten. Zo was informatie beschikbaar over de uitdamping van een twintigtal verschillende goederen en de nalevering uit twee matrassen en een paar schoenen. In deze specifieke gevallen verwachtte het RIVM geen risicos boven de grenzen die normaal in het beleid gehanteerd worden. Het is echter niet mogelijk om op grond hiervan risicos in andere gevallen te kwantificeren of uit te sluiten. Daarvoor zijn het aantal mogelijke situaties en de onzekerheden te groot. Vanuit het oogpunt van de effecten op het milieu is vooral methylbromide van belang, omdat deze stof de ozonlaag kan aantasten en er bij het gassen van containers relatief veel van deze stof wordt gebruikt.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid. LMM-jaarrapport 2004 | RIVM

Het RIVM en het LEI hebben gegevens gebundeld over de bedrijfsvoering en de grondwaterkwaliteit van bedrijven die in 2004 voor het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM) zijn bemonsterd. Uit de gegevens over de bedrijfsvoering blijkt dat de bemesting en nutrientenoverschotten op melkveebedrijven sinds eind jaren negentig van de vorige eeuw eerst fors zijn gedaald en sinds 2000 zijn gestabiliseerd. Op akkerbouwbedrijven is een minder duidelijke trend zichtbaar. Op 57% van de onderzochte bedrijven is de nitraatconcentratie in het bovenste grondwater (recente neerslagoverschot) hoger dan de Europese norm van 50 mg/l. De meeste van deze overschrijdingen zijn aangetroffen bij bedrijven in de zand/lossregio (67%). Bij bedrijven in de kleiregio en in de veenregio zijn aanzienlijk minder overschrijdingen aangetoond (respectievelijk 44% en 12%). Deze waarden zijn over de hele lijn hoger dan in 2003. De trend is echter wel dat de nitraatconcentratie sinds de jaren negentig daalt. Een lagere nitraatconcentratie in het grondwater op landbouwbedrijven belast het milieu minder. Het LMM is opgezet om de kwaliteit van grondwater op landbouwbedrijven te beschrijven en te verklaren in relatie tot milieuvervuiling, beleidsmaatregelen en bedrijfsvoering. De grondwaterkwaliteit wordt bepaald door de hoeveelheid nutrienten (waaronder nitraat) in het bovenste grondwater te meten (net onder de 'wortelzone'). Metingen op dit niveau geven weer welk deel van het nutrientenoverschot naar het grondwater is uitgespoeld. De metingen zijn verricht op de typen landbouwbedrijven die in Nederland het meest voorkomen (akkerbouw en melkvee) in drie hoofdgrondsoortregio's (zand/loss, klei en veen).
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Die Risiken umweltgefaehrdender Stoffe in Importcontainern. Die Sachlage 2007 | RIVM

In den niederlaendischen Haefen werden jaehrlich etwa 2,5 Mio. Container mit Waren aus aller Welt eingefuehrt. Messungen haben ergeben, dass in diesen Containern hohe Konzentrationen fluechtiger organischer Stoffe gefunden werden koennen, und zwar als Folge der Begasung der Containern oder weil diese fluechtigen organischen Stoffe im Herstellungsverfahren der Waren als Loesemittel benutzt worden sind. Das niederlaendische Ministerium fuer Wohnungsbau, Raumordnung und Umwelt (VROM) hat das Staatlich-niederlaendisches Institut fuer Gesundheit und Umwelt (RIVM) beauftragt, ihm die Risiken dieser Gase in Containern fuer Mensch und Umwelt einsichtig zu machen. Auftrag war, diese Risikoanalyse auf bereits vorhandenen Informationen ueber Begasung und Konzentrationen fluechtiger organischer Stoffe zu basieren. Die Analyse der Risiken fuer die Arbeitnehmer war nicht Teil dieses Auftrags. Aus der Beurteilung der Daten geht hervor, dass die Konzentrationen flchtiger organischer Stoffe in Containern so hoch sein koennen, dass Umstehende beim Oeffnen der Container sowie generell bei einer Exposition an diese Konzentrationen Gesundheitsschaeden erleiden koennen. Auch Verbraucher koennen diesen Substanzen ausgesetzt werden, wenn sie die Waren aus den begasten Containern benutzen. Dies kann dadurch geschehen, dass die Waren innerhalb des Hauses ausduensten, aber auch durch Einnahme begaster Nahrungsmittel und Arzneimittel. Es stellte sich heraus, dass die vorhandenen Informationen ueber Konzentrationen in und das Ausduensten aus Waren sehr beschraenkt ist; die Informationen stammten berwiegend aus frueheren von VROM an das RIVM in Auftrag gegebenen Studien an Forschungsobjekten. So lagen Daten ueber das Ausduensten aus etwa zwanzig Produkttypen und das Nachgasen aus zwei Matratzen und einem Paar Schuhe vor. In diesen spezifischen Fdllen erwartete das RIVM keine Risiken oberhalb der Grenzen, von denen normalerweise bei staatlichen Regelungen ausgegangen wird. Auf dieser Grundlage lassen sich jedoch Risiken in anderen Faellen weder quantifizieren noch ausschliessen. Dafuer ist die Zahl der moeglichen Situationen und sind die Unsicherheiten einfach zu gross. Aus der Sicht der Umweltvertrdglichkeit ist besonders Methylbromid von Bedeutung, weil es die Ozonschicht schaedigen kann und bei Containerbegasungen relativ haeufig eingesetzt wird.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Analyse microbiologische veiligheid drinkwater. Ervaringen dossierbehandeling 2006-7 | RIVM

De meeste Nederlandse drinkwaterbedrijven blijken over voldoende meetgegevens te beschikken om het risico op een infectie door consumptie van ongekookt water te kunnen schatten. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM en de drinkwaterbedrijven in opdracht van de VROM-Inspectie. Sinds 2006 moeten drinkwaterbedrijven aantonen dat de drinkwaterkwaliteit voldoet aan een nieuwe veiligheidsnorm. Deze norm houdt in dat virussen, bacterien en parasieten in zulke lage concentraties aanwezig zijn dat minder dan een op de tienduizend personen per jaar een infectie oploopt door consumptie van ongekookt drinkwater. Om dit te kunnen aantonen worden de aantallen zogenoemde indexpathogenen in het drinkwater geschat, die representatief zijn voor ziekteverwekkende virussen (enterovirussen), bacterien (Campylobacter) en parasieten (Cryptosporidium en Giardia). Vervolgens kan met behulp van een zogeheten kwantitatieve microbiologische risicoanalyse (QMRA) geschat worden of aan het infectierisico wordt voldaan. De Nederlandse drinkwaterbedrijven verzamelden hiertoe historische meetgegevens in dossiers voor de regionale VROM-inspecteurs. Het RIVM beoordeelde deze dossiers en voerde een voorlopige QMRA uit. Van de veertien locaties met oppervlaktewater als bron voldeden er acht aan de risico-eis voor enterovirus. Van vijf locaties was onbekend of ze voldeden omdat metingen ontbraken; voor een locatie werd onvoldoende aangetoond of aan de risico-eis werd voldaan. Voor Campylobacter voldeden negen locaties aan de risico-eis, voor twee locaties werd onvoldoende aangetoond of aan de risico-eis werd voldaan en drie locaties voldeden niet. Voor Cryptosporidium en Giardia voldeden negen locaties aan de risico-eis, voor drie locaties werd dit onvoldoende aangetoond en twee locaties voldeden niet. Van de grondwaterwinningen werden 39 van de 197 (20 procent) als (mogelijk) kwetsbaar gerapporteerd. Naar aanleiding van risico-inventarisatie zijn maatregelen genomen om de winputten beter te beschermen tegen mogelijke vervuilingen.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

FEAT - Flash Environmental Assessment Tool to identify acute environmental risks following disasters. The tool, the explanation and a case study | RIVM

Voor veldteams van de Verenigde Naties die bij (natuur)rampen worden ingezet is de methode Flash Environmental Assessment Tool (FEAT) ontwikkeld. Hiermee kan worden ingeschat in welk gebied effecten van vrijgekomen chemische stoffen voor mens en milieu te verwachten zijn. De methode geeft aan welke van de getroffen bedrijven het meeste gevaar voor mens en milieu vormen, zodat daar met prioriteit naar kan worden gehandeld. FEAT is bedoeld voor de eerste uren en dagen na de ramp, en is op locatie te gebruiken. Uitgangspunt is de maximale omvang van het gebied waarin risico's te verwachten zijn. Het instrument is ontwikkeld door het RIVM, het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu (VROM), en DHV-Raadgevend Ingenieurs. De methode vertaalt een grote hoeveelheid wetenschappelijke informatie over stoffen, hun milieugedrag, en hun toxiciteit naar drie soorten effecten. Dit zijn directe effecten op de mens, directe effecten op natuur en zogeheten life support functies (zoals drinkwater, landbouwgewassen en de visstand) en langetermijneffecten op mens en milieu. De mogelijke effecten worden weergegeven in een zone rond het bedrijf waarbinnen risico's kunnen worden verwacht. FEAT verwerkt de beschikbare informatie trapsgewijs. Hierdoor kan steeds gedetailleerdere informatie worden ingevoerd. Hoe minder details beschikbaar zijn, hoe 'ruimer' de indicatie van gevaren wordt (worstcase-inschatting). Op deze wijze geeft FEAT snel en betrouwbaar inzicht in welk gebied de te verwachten risico's hun weerslag hebben. Dit rapport bestaat ut drie secties. Sectie I beschrijft de onderbouwing van FEAT. Sectie II geeft een voorbeeldstudie van het gebruik van FEAT. Sectie III omvat de complete gebruikersversie (FEAT 1.0), zoals die door UNDAC-veldteams gebruikt wordt.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Relative oral bioavailability of lead from Dutch made grounds | RIVM

Er bestaan meerdere laboratoriummodellen die schatten hoeveel lood uit de bodem vrijkomt en bij kinderen in het maagdarmkanaal vrijkomt. Het model van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) schat het risico echter hoger in dan het model van de Nederlandse Organisatie voor Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek (TNO). Beide modellen, het Tiny-TIM-model van TNO en het in-vitrodigestie(IVD)model van het RIVM, bootsen in laboratoria de condities van het menselijke maagdarmkanaal na. Vooral kinderen zijn gevoelig voor de toxische effecten van lood. Een te hoge concentratie kan het IQ verminderen. De bodem van Nederlandse oude binnensteden is vaak verontreinigd met lood. Dat komt doordat veel Nederlandse dorpen en steden eeuwenlang zijn bewoond en de bewoners al heel lang lood in allerlei producten gebruiken. Deze bodem wordt de stedelijke ophooglaag genoemd. Er is geen relatie gevonden tussen bodemeigenschappen van de stedelijke ophooglagen en de mate waarin lood vrijkomt. Dat komt waarschijnlijk doordat de stedelijke ophooglaag vrij uniforme bodemeigenschappen heeft, ondanks de verschillen in de oorspronkelijke ondergrond (zand, klei, loss). Met het IVD-model is wel een verband gevonden tussen de chemische vorm van lood en de geschatte mate waarin het in het lichaam wordt opgenomen. Eerdere vergelijkingen tussen de modellen met gegevens van mensen of dieren kwamen wel overeen. Om uitsluitsel te krijgen over de bruikbaarheid van de modellen adviseert het RIVM om enkele testen in mens of dier uit te voeren, en deze resultaten te vergelijken met de resultaten van de modellen. Het rapport doet enkele handreikingen voor de manier waarop beleidsmakers kunnen omgaan met biobeschikbaarheid van lood in de bodem voor een humane risicobeoordeling.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Radioactief jodium in huishoudelijk afval. Een verkenning | RIVM

Werknemers in de thuis- en verpleegzorg en vuilnisophalers komen soms zonder dat te weten in aanraking met de radioactieve stof jodium-131. Toch is het niet aannemelijk dat zij aan een te hoge stralingsdosis blootstaan. Voorwaarde is, dat ze de normale hygienische voorschriften naleven. Dit blijkt uit verkennend onderzoek van het RIVM. Aanleiding is een tiental stralingsmeldingen bij een afvalverbrandingsinstallatie voor huishoudelijk afval in Dordrecht tussen april 2008 en april 2009. De straling was afkomstig van jodium-131 in incontinentiemateriaal en ander afval van patienten die met deze radioactieve stof zijn behandeld wegens een schildklierafwijking. Voor het onderzoek zijn vijf ziekenhuizen bezocht en zijn gegevens van de VROM-Inspectie gebruikt. Op basis hiervan heeft het RIVM scenario's opgesteld waarmee dosisschattingen voor werknemers zijn gemaakt. Deze schattingen zijn gebaseerd op de veronderstelling dat de hoeveelheid jodium-131 in incontinentiemateriaal niet groter is dan tot nu toe in het huishoudelijk afval is waargenomen. Er zijn twee mogelijke verklaringen voor de aanwezigheid van jodium-131 in het incontinentiemateriaal. Incontinente patienten mogen in Nederland niet poliklinisch met jodium-131 worden behandeld, maar in de praktijk gebeurt dat toch. De eerste 24 uur na de behandeling bevat de urine van deze patienten relatief veel van deze radioactieve stof. Een tweede verklaring zou kunnen zijn dat patienten die met een hoge dosering zijn behandeld, in sommige ziekenhuizen vaker vervroegd worden ontslagen. In Duitsland is poliklinische behandeling met jodium-131 niet toegestaan. Gezien de beperkte risico's lijkt een dergelijk totaalverbod in Nederland niet te rechtvaardigen. Om de risico's voor derden laag te houden, zou men bij incontinente patienten terughoudend moeten zijn met poliklinische behandeling en vervroegd ontslag.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Appendix 7 and 8 of RIVM Report 711701086. Relative oral bioavailability of lead from Dutch made grounds. The SEM/EDS analyses and photos | RIVM

Er bestaan meerdere laboratoriummodellen die schatten hoeveel lood uit de bodem vrijkomt en bij kinderen in het maagdarmkanaal vrijkomt. Het model van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) schat het risico echter hoger in dan het model van de Nederlandse Organisatie voor Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek (TNO). Beide modellen, het Tiny-TIM-model van TNO en het in-vitrodigestie(IVD)model van het RIVM, bootsen in laboratoria de condities van het menselijke maagdarmkanaal na. Vooral kinderen zijn gevoelig voor de toxische effecten van lood. Een te hoge concentratie kan het IQ verminderen. De bodem van Nederlandse oude binnensteden is vaak verontreinigd met lood. Dat komt doordat veel Nederlandse dorpen en steden eeuwenlang zijn bewoond en de bewoners al heel lang lood in allerlei producten gebruiken. Deze bodem wordt de stedelijke ophooglaag genoemd. Er is geen relatie gevonden tussen bodemeigenschappen van de stedelijke ophooglagen en de mate waarin lood vrijkomt. Dat komt waarschijnlijk doordat de stedelijke ophooglaag vrij uniforme bodemeigenschappen heeft, ondanks de verschillen in de oorspronkelijke ondergrond (zand, klei, loss). Met het IVD-model is wel een verband gevonden tussen de chemische vorm van lood en de geschatte mate waarin het in het lichaam wordt opgenomen. Eerdere vergelijkingen tussen de modellen met gegevens van mensen of dieren kwamen wel overeen. Om uitsluitsel te krijgen over de bruikbaarheid van de modellen adviseert het RIVM om enkele testen in mens of dier uit te voeren, en deze resultaten te vergelijken met de resultaten van de modellen. Het rapport doet enkele handreikingen voor de manier waarop beleidsmakers kunnen omgaan met biobeschikbaarheid van lood in de bodem voor een humane risicobeoordeling.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Environmental risk limits for chlorotoluenes (o-chlorotoluene, m-chlorotoluene, p-chlorotoluene) | RIVM

Het RIVM heeft milieurisicogrenzen afgeleid voor chloortoluenen in water, grondwater, bodem en lucht. De groep stoffen omvat o-chloortolueen, m-chloortolueen en p-chloorotolueen. Deze stoffen worden gebruikt bij chemische productieprocessen en als oplosmiddel. Voor deze afleiding zijn actuele ecotoxicologische gegevens gebruikt die zijn gecombineerd met de methodiek die is voorgeschreven door de Europese Kaderrichtlijn Water. De nieuwe ecotoxicologische gegevens laten zien dat de gevoeligheid van het ecosysteem voor chloortoluenen groter is dan voorheen bekend was. Hierdoor zijn de nieuwe milieurisicogrenzen lager dan de eerder afgeleide normen. Gezien de monitoringsgegevens en de fysisch-chemische eigenschappen van de stoffen worden de nieuwe milieurisicogrenzen naar verwachting niet overschreden. Voor de waterbodem zijn geen milieurisicogrenzen afgeleid want de binding van chloortoluenen aan sediment blijft beneden de grenswaarde. Hierdoor is de blootstelling van waterorganismen aan chloortoluenen via sediment minimaal. Milieurisicogrenzen zijn maximale concentraties van een stof in het milieu om mens en ecosysteem op verschillende niveaus te beschermen tegen nadelige effecten. Nederland onderscheidt hierbij: een niveau waarbij het risico verwaarloosbaar wordt geacht (VR), een niveau waarbij geen schadelijke effecten zijn te verwachten (MTR), het maximaal aanvaardbare niveau voor ecosystemen, specifiek voor kortdurende blootstelling (MACeco) en tot slot het niveau waarbij mogelijk ernstige effecten voor ecosystemen zijn te verwachten (EReco). De milieurisicogrenzen dienen als advieswaarden voor de Nederlandse Interdepartementale Stuurgroep Stoffen. De stuurgroep stelt de uiteindelijke milieukwaliteitsnormen vast. De overheid hanteert milieukwaliteitsnormen om het nationale stoffenbeleid en de Europese Kaderrichtlijn Water uit te voeren.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Assessment of files of in vitro diagnostic devices for self-testing | RIVM

Steeds vaker voeren mensen medisch-diagnostische testen uit zonder begeleiding van een arts. De testen en de gebruiksaanwijzing zijn echter niet altijd goed afgestemd op de gebruiker, wat kan leiden tot onjuiste testuitslagen. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM naar medisch-diagnostische zelftesten, gebaseerd op door de desbetreffende fabrikanten aangeleverde documentatie. Het gaat om ovulatietes-ten, bloedglucosemeters voor diabetici en een test voor de geslachtsziekte Chlamydia. Fabrikanten van dergelijke testen zijn verplicht de risico's van hun producten systematisch te signaleren en analyseren. Zonodig moeten zij hun product verbeteren of informatie verstrekken over risico's die samenhangen met het gebruik van het product. Tekortkomingen zijn gevonden in de manier waarop fabrikanten de risicoanalyse uitvoeren. Zo worden ervaringen met een product en incidenten onvoldoende in de risicoanalyse verwerkt. Daarnaast staan in de gebruiksaanwijzing risico's die niet in de risicoanalyse zijn vermeld maar daarin wel horen te staan. Omgekeerd staan niet alle risico's die volgens de risicoanalyse in de gebruiksaanwijzing moeten staan, er daadwerkelijk in. Verder bleek de opzet van studies onder leken niet altijd geschikt om de bruik-baarheid van het product voor de Nederlandse markt te testen. Het RIVM heeft de kwaliteit van dossiers van acht medisch-diagnostische zelftesten onderzocht. Van de opgevraagde dossiers voor zogeheten hoogrisicotesten (HIV, prostaatkanker en Chlamydia) is slechts een dossier voor Chlamydiatesten ontvangen en beoordeeld. De totale respons was 57 procent van de in het onderzoek opgenomen fabrikanten. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van de In-spectie voor de Gezondheidszorg.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Ranking van drugs. Een vergelijking van de schadelijkheid van drugs | RIVM

Alcohol en tabak scoren hoog op de schaal van schadelijkheid voor de volksgezondheid en zijn daarmee relatief schadelijker dan veel andere soorten drugs. Dit blijkt uit een nieuwe risico-evaluatie van het RIVM, waarin 19 genotmiddelen zijn gerangschikt naar hun schadelijke karakter. Heroine en crack blijken samen met alcohol en tabak relatief het meest schadelijk te zijn. Paddo's, LSD en khat scoren relatief laag op deze lijst. Het gebruik van cannabis en ecstasy valt in deze rangschikking op individueel niveau in de middencategorie, maar scoren vanwege de omvang van het gebruik hoger als je naar de schadelijkheid voor de gehele bevolking kijkt. De rangschikking is bepaald op basis van de driedeling: hoe giftig is het middel (op korte en lange termijn), hoe verslavend is het, en wat is de maatschappelijke schade. Voorbeelden van de laatste factor zijn agressie, verkeersonveiligheid, arbeidsverzuim en zijn zowel op individueel niveau gemeten als op het niveau van de samenleving in zijn geheel. Bezien vanuit de gehele samenleving stijgt de schadelijkheid van deze middelen als ze veel worden gebruikt. De maatschappelijke schade gaat dan zwaarder wegen. De evaluatie is uitgevoerd door een panel van 19 experts, die de schadelijkheid beoordeelden op basis van hun eigen wetenschappelijke expertise en de beschikbare literatuur over de middelen. Deze onderzoekswijze is in Nederland voor het eerst op drugs en genotsmiddelen toegepast; internationaal gezien was het de tweede keer. De bevindingen van deze onderzoeken komen overeen. Dit RIVM-onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het ministerie van VWS. Mede aan de hand van deze beoordeling kan het huidige Nederlandse drugsbeleid op een rationele wijze worden geevalueerd.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Kosteneffectiviteit van preventie en zorg. Vergelijking preventieve en curatieve interventies | RIVM

Een literatuurverkenning naar de vergelijkbaarheid tussen kosteneffectiviteitanalyses van preventieve en curatieve interventies. De kosteneffectiviteitsanalyses van preventieve en curatieve interventies, zoals die in de gezondheidseconomische literatuur worden gerapporteerd, zijn niet zonder meer met elkaar te vergelijken. Het blijkt niet mogelijk om een algemene uitspraak te doen over wat nu doelmatiger is: preventie of zorg. Zowel voor preventieve als curatieve interventies worden gunstige en minder gunstige kosteneffectiviteitsratio's gerapporteerd. Dit blijkt uit een literatuurverkenning, waarbij voor de ziektebeelden beroerte en dikkedarmkanker de kosteneffectiviteit van interventies op verschillende momenten in de keten van preventie naar zorg in kaart is gebracht. Deze verkenning is voortgekomen uit een vraag van het ministerie van VWS naar de vergelijkbaarheid van kosteneffectiviteitsanalyses van preventieve en curatieve interventies. Zowel voor beroerte als dikkedarmkanker worden in de literatuur op enkele aspecten van kosteneffectiviteitsanalyses (uitkomstmaat, referentiescenario, tijdshorizon, discontovoet, onderzoeksmodel en presentatie van onzekerheid) grote onderlinge verschillen tussen de preventieve en curatieve interventies gevonden. Het is daarom niet direct mogelijk om op basis van de resultaten uit meerdere kosteneffectiviteitsanalyses een afgewogen uitspraak te doen over de optimale verdeling van het gezondheidszorgbudget over preventieve of curatieve interventies. Om de onderlinge vergelijkbaarheid groter te maken is een extra stap nodig, zoals het aanbrengen van restricties bij het opzetten van nieuwe kosteneffectiviteitsanalyses, het op een gedegen manier interpreteren, samenvatten en wegen van de bestaande literatuur en het toepassen van correcties op onvergelijkbare aspecten.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

EU Interlaboratory comparison study animal feed I (2008). Bacteriological detection of Salmonella in chicken feed | RIVM

In 2008 waren van de 30 Nationale Referentie Laboratoria (NRL's) in de Europese Unie er 29 in staat hoge en lage concentraties van de Salmonellabacterie in kippenvoer aan te tonen. Zij behaalden direct het gewenste niveau. Een laboratorium kon ook tijdens de herkansing niet voldoende presteren. De oorzaken van hun fouten worden nog nader uitgezocht. Dit blijkt uit het eerste ringonderzoek dat het Communautair Referentie Laboratorium (CRL) voor dierenvoeders heeft georganiseerd. Het onderzoek is in oktober 2008 gehouden, de herkansing was in maart 2009. Alle NRL's verantwoordelijk voor Salmonelladetectie van de Europese lidstaten zijn verplicht om aan dit onderzoek deel te nemen. Het CRL-Salmonella is gevestigd bij het Nederlandse Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). Tijdens de studie zijn drie analysemethodes gebruikt om de Salmonellabacterie in kippenvoer aan te tonen. Twee daarvan zijn internationaal gestandardiseerde methoden voor Salmonelladetectie in dierenvoeders. Hiervan bleek er een niet de meest effectieve methode te zijn omdat slechts in 92 procent van de monsters Salmonella werd aangetroffen. De derde, de internationaal voorgeschreven methode om Salmonella in dierlijke mest aan te tonen, is niet verplicht maar is op verzoek van het CRL uitgevoerd. Deze methode behaalde het beste resultaat met 99 procent positieven. De laboratoria moeten de test volgens voorschrift uitvoeren. Elk laboratorium kreeg een pakket toegestuurd met kippenvoer en 35 gelatinecapsules met melkpoeder dat verschillende besmettingsniveaus Salmonella bevatte. De laboratoria moesten vervolgens het kippenvoer en de capsules samenvoegen en onderzoeken of er Salmonella in aanwezig was.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Onderzoek naar de 10-meterzone bij een proefgassing van een gebouw met sulfurylfluoride (SO2F2) | RIVM

Bij een proefgassing van een bedrijfsgebouw met sulfurylfluoride ter bestrijding van ongedierte constateerde het RIVM dat een afstand van 10 meter niet voldoende was. Metingen toonden aan dat de grenswaarde van 3 ppm sulfurylfluoride op 10 meter afstand van het gebouw en daarbuiten meerdere malen overschreden werden. Deze overschrijdingen duurden enkele minuten en de maximaal gemeten concentratie was 4,8 ppm. Het was voor het eerst dat een gebouwgassing met sulfurylfluoride om insecten te bestrijden in Nederland plaatsvond. De veiligheidseisen hiervoor zijn in een gebruiksvoorschrift beschreven. Een van deze eisen is dat de grenswaarde van 3 ppm sulfurylfluoride op en buiten een zone van 10 meter rond het gebouw niet overschreden mag worden. De VROM-Inspectie wilde weten of de voorgeschreven zone van 10 meter toereikend is voor gebouwgassingen met sulfurylfluoride. Het RIVM stelt voor om nader onderzoek te doen. Het gaat daarbij om (proef)gassingen met sulfurylfluoride waarbij de ontgassing op lagere hoogte moet plaatsvinden, en bij gassingen onder andere weersomstandigheden, zoals harde wind. Verder vindt het RIVM het nuttig dat de overheid toezicht houdt bij gebouwgassingen met sulfurylfluoride.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Kosteneffectiviteit van preventie. Overzicht van nieuwe preventieve interventies 2006-2007 met een eerste aanwijzing voor effectiviteit en kosteneffectiviteit ('early warning') | RIVM

Het RIVM heeft preventieve interventies beschreven voor 27 gezondheidsproblemen waarvoor eerste aanwijzingen bestaan dat ze kosteneffectief kunnen zijn. Het betreft interventies die in Nederland niet systematisch worden aangeboden. Enkele voorbeelden zijn vaccinatie tegen gordelroos bij ouderen, screening op kortdurende behandeling van problematisch alcoholgebruik en huisbezoeken bij ouderen om te voorkomen dat ze vallen. Het onderzoek is een internationale literatuurstudie in opdracht van het ministerie van VWS. Meer onderzoek is nodig om vast te stellen of deze interventies voor Nederland wenselijk zijn. Ook is onderzoek nodig naar hoe de kosteneffectiviteit van de interventies naar de Nederlandse situatie kan worden vertaald.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Voedingsstatus bij jonge kinderen in de leeftijd van vier en acht jaar : Statusonderzoek binnen het voedingspeilingssysteem | RIVM

Voedingsstatusonderzoek is een belangrijk onderdeel van het nieuwe Nederlandse voedingspeilingssysteem en heeft als doel de voorziening van een bepaalde micronutriënt te beoordelen voor de Nederlandse populatie of relevante subgroepen daarbinnen. Uit de resultaten van de voedselconsumptiepeiling 2005/2006 bleek dat de inneming van vitamine D en foliumzuur onvoldoende was bij jonge kinderen in de leeftijd van twee tot zes jaar. Voor ijzer was de inneming laag ten opzichte van de Nederlandse norm en voor selenium, zink, vitamine E en retinol activiteit equivalenten (RAE) bleek de inneming laag ten opzichte van de Amerikaanse normen. Om na te gaan of er daadwerkelijk sprake is van tekorten werd voor deze micronutriënten voedingsstatusonderzoek aanbevolen. In het huidige onderzoek is bij vier- en achtjarige kinderen uit verschillende delen van Nederland de status bepaald van magnesium, zink, ijzer, vitamine D en selenium. De resultaten bevestigen het beeld dat de voorziening van magnesium adequaat is bij vier- en achtjarige kinderen. De signalen voor een mogelijk inadequate inneming van selenium en vitamine D worden door dit voedingsstatusonderzoek niet bevestigd. De resultaten met betrekking tot zink en ijzer kunnen niet eenduidig geïnterpreteerd worden. In het ongunstigste geval is er bij een kwart van de achtjarige en de helft van de vierjarige kinderen sprake van milde zinkdeficiëntie en is volgens de in dit onderzoek gehanteerde definitie bij 4-5% van de vierjarigen en 1-3% van de achtjarigen sprake van een verhoogde kans op ijzerdeficiëntie. Om tot een betere vaststelling van de adequaatheid van de micronutriëntenvoorziening van kinderen te komen, wordt meer onderzoek aanbevolen naar de te hanteren parameters en grenswaarden van voedingsstatus en wordt tevens geadviseerd om geregeld voedingsstatusonderzoek bij kinderen uit te voeren, ook bij iets jongere en oudere kinderen.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Indicatoren voor de openbare gezondheidszorg. Ontwikkeling van indicatoren uit de IGZ-basisset 2007 | RIVM

Het RIVM heeft een methodiek gemaakt waarmee indicatoren voor de openbare gezondheidszorg (OGZ) kunnen worden ontwikkeld of verbeterd. Indicatoren worden steeds vaker gebruikt om inzicht te krijgen in de kwaliteit van de gezondheidszorg. Vervolgens is de methodiek toegepast op een aantal bestaande indicatoren uit de basisset 2007 van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ). Het betreft psychosociale problemen (0-19 jaar), kindermishandeling, 'lui oog' (amblyopie) en ventilatie van woningen en scholen. Het onderzoek is in opdracht van de IGZ uitgevoerd. Indicatoren worden volgens de nieuwe methodiek in vier fasen ontwikkeld. Eerst worden het doel, de gebruikers, de focus en de onderwerpen van de indicatorset vastgesteld. Daarna worden de onderwerpen gespecificeerd en de bijbehorende kernactiviteiten beschreven. In de derde fase worden indicatoren geformuleerd en door deskundigen in het veld beoordeeld. Tot slot worden de indicatoren in de praktijk getest en geimplementeerd. Enkele voorbeelden van indicatoren voor de jeugdgezondheidszorg die volgens de nieuwe methodiek zijn ontwikkeld: de frequentie van genoemde gezondheidsproblemen vaststellen, deze gezondheidsproblemen vroegtijdig signaleren en kinderen die verwezen zijn naar een andere zorgverlener actief volgen. De ontwikkelde indicatoren over binnenmilieu beschrijven de frequentie waarin gezondheidsrisico's voorkomen en de afhandeling van meldingen van burgers of instanties over binnenmilieu. De voorgestelde methodiek bleek goed te voldoen om de indicatoren te ontwikkelen en te verbeteren. De ontwikkelde set indicatoren kan worden gebruikt om de gezondheidssituatie in de regio's te meten en om toezicht te houden op de kwaliteit van de door OGZ-organisaties geleverde zorg. Als algemene aanbeveling volgt uit dit onderzoek dat het verhelderend kan zijn een onderscheid te maken tussen volksgezondheidsindicatoren en kwaliteitsindicatoren.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Registratie voedselinfecties en -vergiftigingen bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg en de Voedsel en Waren Autoriteit, 2008 | RIVM

Net als in 2007 bleef het aantal gemelde zieken door voedselinfecties in 2008 hoog. Dat kwam doordat zich opnieuw een aantal omvangrijke uitbraken voordeden. Belangrijkste verwekkers van voedselinfecties waren de bacterien Salmonella en Campylobacter en het norovirus. De meeste patienten werden getroffen door Salmonella, die ook de meeste ziekenhuisopnames veroorzaakte. Dit zijn de belangrijkste conclusies uit een analyse door het RIVM van de registratiecijfers over 2008 van de Voedsel en Waren Autoriteit (VWA) en de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ). Mensen kunnen een voedselinfectie oplopen door rauw of onvoldoende gaar voedsel te eten, en door slechte hygiene en kruisbesmetting tijdens het bereiden en bewaren van voedsel. Blijvende aandacht voor voedselveiligheid is daarom vereist bij de overheid, producenten, voedselleveranciers en -bereiders, en bij consumenten. Het RIVM heeft voorlichtingsmateriaal ontwikkeld om voedselvergiftigingen te voorkomen. In dit materiaal ligt de nadruk op hygiene tijdens het bereiden en bewaren van voedsel. De VWA kreeg in 2008 585 meldingen van consumenten over voedselinfecties. Dit aantal is lager dan in 2007 (621 meldingen), maar het aantal betrokken zieken bleef gelijk (1723 in 2007 en 1713 in 2008). Ook bij de IGZ, dat de wettelijk verplichte meldingen van artsen verzamelt, bleef het aantal zieken en het aantal ziekenhuisopnames op een hoog niveau. Het RIVM schat de werkelijke omvang van voedselinfecties en -vergiftigingen op 300.000 tot 750.000 gevallen per jaar. Het aantal meldingen is lager, omdat niet iedere zieke naar de huisarts gaat of de VWA informeert.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Sexually transmitted infections, including HIV, in the Netherlands in 2008 | RIVM

Chlamydia, gonorroe, syfilis. Na een stabilisatie van het percentage positieve chlamydiatesten in 2007, is dit in 2008 weer toegenomen. Vooral onder jonge heteroseksuelen en bij mannen die seks hebben met mannen (MSM) komt chlamydia veel voor. Het percentage positieve gonorroe- en syfilistesten nam in 2008 verder af. Deze infecties werden het meest gediagnosticeerd bij MSM. Hiv. In 2008 werden 393 nieuwe hivdiagnoses gesteld in de soacentra, bijna de helft van de 851 hivpositieven die dat jaar landelijk werden gediagnosticeerd en geregistreerd in de hivcentra. Het percentage bezoekers van de soacentra dat zich in 2008 op hiv liet testen nam toe tot 90%. Eind 2008 waren in totaal 15.538 personen in Nederland met hiv geregistreerd. Het aandeel MSM onder de nieuwe hivinfecties nam in 2008 verder toe. MSM. Bij 22% van MSM werd een of meerdere soa gevonden; bij MSM die weten dat ze hivpositief zijn was dit 36%. Daarnaast wordt in deze groep sinds 2004 regelmatig lymphogranuloma venereum (LGV), een agressieve variant van chlamydia, en sinds 2007 acute hepatitis C geconstateerd. Jongeren. Sinds 2008 houden GGD'en speciaal voor jongeren onder de 25 jaar de zogeheten Sense-spreekuren. Daar kunnen zij met hun vragen over seks terecht en direct een afspraak maken voor een soa-onderzoek. In 2009 wordt het essentieel om de samenhang te intensiveren. tussen maatregelen die erop gericht zijn soa's te voorkomen en te genezen. De soacentra. De soacentra bieden zorg aan hoogrisicogroepen, waaronder jongeren, MSM en personen afkomstig uit gebieden waar soa's relatief veel voorkomen. In 2008 hebben ruim 88.000 personen zich laten testen, een toename van 13% ten opzichte van 2007.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Beoordeling van de gezondheidsrisico's van 'verboden kruiden' | RIVM

Het verbod op vrijwel alle kruiden die momenteel in Nederland niet in kruidenpreparaten zijn toegestaan, moet van kracht blijven. Dit adviseert het RIVM op basis van literatuuronderzoek naar de gezondheidsrisico's van de 46 'verboden kruiden' in onderdeel II van de bijlage van het Warenwetbesluit Kruidenpreparaten. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Mensen gebruiken kruidenpreparaten vanwege de al dan niet vermeende gunstige gezondheidseffecten van natuurlijke producten. De verboden kruiden kunnen echter nadelig zijn voor de gezondheid, bijvoorbeeld door effecten op het hart of het zenuwstelsel. Het RIVM beoordeelde de gezondheidsrisico's van de verboden kruiden, zoals vingerhoedskruid en monnikskap, op basis van informatie over mogelijke schadelijke effecten van stoffen in deze kruiden. Ook is gekeken naar bijwerkingen en vergiftigingen door het gebruik van de kruiden als zodanig of bijvoorbeeld in de vorm van thee of een kruidenextract. Voor slechts een kruid (Convolvulus scammonia) zijn er geen aanwijzingen gevonden voor schadelijke effecten die pleiten voor een verbod. Het RIVM geeft in overweging om naast de huidige lijst met verboden kruiden een apart verbod of maximumgehalte in kruidenpreparaten vast te stellen voor een aantal zeer schadelijke stoffen in de verboden kruiden. Het gaat om hartglycosiden, een aantal tropane en niet-tropane alkaloiden, thujon en kankerverwekkende stoffen. Deze stoffen kunnen namelijk ook aanwezig zijn in kruiden die nu niet op de lijst staan. Voor het onderbouwen van dergelijke maximumgehaltes of algemene verboden is echter meer onderzoek nodig.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Vaccinatiegraad Rijksvaccinatieprogramma Nederland. Verslagjaar 2009 | RIVM

Landelijk gezien lagen de gemiddelde vaccinatiepercentages voor alle vaccinaties uit het Rijksvaccinatieprogramma in 2009 ruim boven de ondergrens van 90 procent. De gemiddelde percentages lagen over het algemeen iets hoger dan in 2008, ondanks de extra vaccinatie tegen pneumokokkenziekte. Voor zuigelingen was het percentage voor BMR, Hib en meningokokken C 96 procent, voor DKTP 95 procent, en voor pneumokokken 94 procent. Extra aandacht blijft nodig voor de vaccinatiegraad voor hepatitis B, omdat die relatief laag is. Kinderen die op jonge leeftijd worden besmet met dit virus hebben een groter risico drager van dit virus te worden en op de lange termijn op leveraandoeningen. Deze vaccinatie wordt alleen aangeboden aan kinderen uit risicogroepen. Dit blijkt uit een rapport van het RIVM over de vaccinatiegraad in Nederland in 2009. Het betreft gegevens over zuigelingen die zijn geboren in 2006, kleuters geboren in 2003 en schoolgaande kinderen geboren in 1998. Vrijwillige vaccinatie in Nederland leidt tot een hoge vaccinatiegraad. Dat is nodig om de bevolking tegen uitbraken van infectieziekten te beschermen (groepsimmuniteit). Continue aandacht en gezamenlijke inspanning van alle bij het Rijksvaccinatieprogramma (RVP) betrokken partijen blijft echter nodig om de Nederlandse kinderen tijdig en volledig te vaccineren. Daarnaast is het belangrijk inzicht te hebben in de houding van de Nederlandse bevolking ten aanzien van vaccinatie. De lage opkomst bij de vaccinatiecampagne tegen baarmoederhalskanker (HPV), die overigens voor een andere leeftijdsgroep geldt, laat zien dat de opkomst voor nieuwe vaccinaties niet vanzelfsprekend hoog is.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Geluidoptimalisatie van luchtvaartroutes | RIVM

Het RIVM stelt een systematiek voor om geluidoverlast langs vliegroutes te beperken. Daarmee is gekeken naar mogelijkheden om enkele startroutes rondom de luchthaven Schiphol te optimaliseren. De huidige startroutes blijken voor woningen in het gebied vlak bij de luchthaven overwegend gunstig te liggen. Echter, voor een aantal gemeenten in verder gelegen gebieden, het zogeheten buitengebied, kunnen routes verbeterd worden. Hoewel de geluidbelasting hier lager is, kunnen in dit gebied meer woningen profiteren van een verbetering. Als onderdeel van de systematiek wordt aan elke vlucht een geluiddosis toegekend die bij optimaal gekozen routes zo klein mogelijk blijft. Een dergelijke dosismaat geeft meer inzicht welk vliegtuig of welke maatschappij geluidoverlast veroorzaakt. Daardoor is effectiever beleid mogelijk om de geluidoverlast te beperken. De methode is toegepast op een aantal standaarduitvliegroutes, de Standard Instrumental Departures (SIDS), rond de luchthaven Schiphol. Daarbij zijn ruimtelijke kaartbeelden gebruikt die de geluidgevoeligheid van de bebouwde omgeving aangeven. Bij elke gevlogen route is een geluiddosis bepaald als maat voor de totale hoeveelheid geluid die het vliegtuig boven woningen veroorzaakt. Deze dosis kan specifiek voor een te onderzoeken gebied worden bepaald. Met de voorgestelde systematiek worden routes zodanig gebundeld dat de totale geluiddosis op alle woningen in een vliegtraject zo klein mogelijk is. Door veranderde routes kunnen woningen in enkele relatief dunbevolkte gebieden evenwel te kampen krijgen met meer geluidoverlast. Ook kan tegenover de afname in een bepaalde gemeente een toename in een andere gemeente ontstaan. Daarom is het belangrijk bij betrokken partijen draagvlak voor aangepaste routes te creeren en aanpassingen met hen af te stemmen, voordat zij worden gerealiseerd.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Assessment of odour annoyance in chemical emergency management | RIVM

Bij chemische incidenten zal de blootgestelde bevolking de aanwezigheid van een ongebruikelijke geur vaak interpreteren als een mogelijk gezondheidsrisico. Dit rapport beschrijft een methode om de luchtconcentratie te schatten waarbij de blootgestelde bevolking zich bewust wordt van de aanwezigheid van een chemische stof door geur(hinder). Deze waarneming kan communicatie en andere maatregelen nodig maken, zelfs bij afwezigheid van relevante toxische risico's. De voorgestelde methode zal het begrip bij crisisbeheersers over onrust bij de getroffenen door geurwaarneming vergroten, en hen beter in staat stellen te beslissen wanneer welke crisisbeheersingsmaatregelen wenselijk zijn. De methode sluit aan bij consensus binnen het Acute Exposure Guideline Levels (AEGL) programma waarin is bepaald dat een concentratie waarbij 50% van een afgeleide incidenteel blootgestelde bevolking een 'duidelijke' geur waarneemt, dit beschouwd wordt als 'duidelijke geurwaarneming'. De luchtconcentratie waarbij dat optreedt heet 'Level of Distinct Odour Awareness (LOA)'. De LOA wordt in drie stappen bepaald: 1. Selecteer een goede geurdrempel, bijvoorbeeld via een van de aangegeven bronnen. 2. Bepaal een niveau van 'duidelijke' geurwaarneming. 3. Verdisconteer veldomstandigheden zoals leeftijd, verkoudheid en blootstellingspatroon. De LOA moet voor iedere stof apart worden afgeleid. De beschikbaarheid van goede informatie voor de stappen 1 en 2 blijkt in de praktijk beperkend te zijn; deze beperkingen zijn deels omzeild door gebruik van standaardwaarden.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Environmental risk limits for monochlorophenols, 4-chloro-3-methylphenol and aminochlorophenol | RIVM

Het RIVM heeft milieurisicogrenzen voor zoet en zout oppervlaktewater afgeleid voor monochloorfenolen, 4-chloor-3-methylfenol en aminochloorfenol. Deze dienen als advieswaarden voor de Nederlandse Interdepartementale Stuurgroep Stoffen. De stuurgroep stelt de uiteindelijke milieukwaliteitsnormen vast. Milieurisicogrenzen zijn maximale concentraties van een stof in het milieu om mens en ecosysteem op verschillende niveaus te beschermen tegen nadelige effecten. Nederland onderscheidt hierbij vier milieurisicogrenzen: een niveau waarbij het risico verwaarloosbaar wordt geacht (VR), een niveau waarbij geen schadelijke effecten zijn te verwachten (maximaal toelaatbaar risiconiveau, MTR), de maximaal aanvaardbare concentratie voor ecosystemen, specifiek voor kortdurende blootstelling (MACeco) en een niveau waarbij mogelijk ernstige effecten voor ecosystemen zijn te verwachten (EReco). De nu afgeleide milieurisicogrenzen lijken op basis van een eerste vergelijking met monitoringsgegevens niet te worden overschreden. Het RIVM heeft de afleiding en selectie van de milieurisicogrenzen uitgevoerd volgens de methodiek die is voorgeschreven door de Europese Kaderrichtlijn Water. Hierbij is zowel rekening gehouden met mogelijke risico's voor de mens als met eventuele effecten op het ecosysteem. Omdat de uiteindelijke milieukwaliteitsnormen worden vastgesteld door de Nederlandse Interdepartementale Stuurgroep Stoffen, zijn de milieurisicogrenzen zoals afgeleid in dit rapport voorlopige waarden zonder officiele status. Dit rapport is onderdeel van een serie. De milieurisicogrenzen voor 2,4-dichloorfenol en trichloorfenolen zijn in afzonderlijke rapporten opgenomen.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

TrendMeetnet Verzuring. Monsternemingen in 2006/2007 | RIVM

Van het najaar van 2006 tot begin 2007 is op de helft van de locaties van het TrendMeetnet Verzuring (TMV) de kwaliteit van het bovenste grondwater onderzocht. Het TMV brengt op 150 locaties in Nederlandse natuurgebieden (bos/heide) op zandgrond de effecten van verzuring op het grondwater in kaart. Op 70 van de 75 locaties kon het grondwater bemonsterd worden. Op de overige locaties zat het grondwater te diep of was de locatie niet meer geschikt. Op 16 % van de onderzochte locaties is de norm voor nitraat (50 mg/l) overschreden. De concentratie van cadmium, chroom en zink lag op respectievelijk 51, 47 en 70 % van de onderzochte locaties boven de streefwaarde. Op een enkele locatie is ook de interventiewaarde voor cadmium en/of zink overschreden. Sinds de oprichting van het meetnet in 1989 wordt de kwaliteit van het bovenste grondwater onderzocht. Daarnaast wordt ook informatie over de bodemtextuur en omgevingsparameters zoals begroeiing, boomhoogte en dikte van de strooisellaag verzameld. In 2007/2008 is de grondwaterkwaliteit op de overige 75 locaties van het meetnet in kaart gebracht, maar de data daarvan zijn nog niet beschikbaar. Een trendanalyse van de meetgegevens is later voorzien.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Effects of maternal diet during pregnancy on birth weight of the infant | RIVM

In het westen heeft de voeding van de moeder tijdens de zwangerschap weinig effect op het geboortegewicht van het kind. In dit deel van de wereld bestaan namelijk over het algemeen geen echte tekorten aan voedingsstoffen. Er is daarom vooralsnog geen reden de voedingsrichtlijnen voor zwangere vrouwen aan te passen. Dit blijkt uit een literatuuronderzoek van het RIVM in opdracht van het ministerie van VWS. Hierin zijn de resultaten van onderzoek naar de relatie tussen voeding en geboortegewicht bij mensen en dieren op een rij gezet. Geringe effecten zijn te zien bij de inname van eiwit, foliumzuur, overmatig alcohol en cafeine tijdens de zwangerschap. Zowel te veel als te weinig eiwit verlaagt het geboortegewicht. Overmatig gebruik van alcohol (meer dan twee tot drie glazen per dag) en cafeine (meer dan drie kopjes koffie per dag) verlagen ook het geboortegewicht. Voor foliumzuur geldt: hoe hoger de inname, hoe hoger het geboortegewicht. De verschillen in geboortegewicht varieren tussen 50 en 200 gram. Geboortegewicht is een belangrijke voorspeller van het gewicht op latere leeftijd. Zowel een laag (onder 2500 gram) als een hoog geboortegewicht (boven 4000 gram) verhoogt het risico op overgewicht. Al tijdens de zwangerschap kan de moeder er dus aan bijdragen dat overgewicht bij haar kinderen wordt voorkomen. De voeding tijdens de zwangerschap heeft mogelijk effecten op de gezondheid van het kind die pas later in het leven zichtbaar worden. Hierover is nog weinig bekend. Daarom is meer onderzoek nodig naar de relatie tussen voeding van de moeder tijdens de zwangerschap en overgewicht en chronische ziekten in het latere leven van het kind.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Environmental risk limits for trichlorophenols | RIVM

Het RIVM heeft milieurisicogrenzen voor zoet en zout oppervlaktewater afgeleid voor trichloorfenolen. Deze dienen als advieswaarden voor de Nederlandse Interdepartementale Stuurgroep Stoffen. De stuurgroep stelt de uiteindelijke milieukwaliteitsnormen vast. Milieurisicogrenzen zijn maximale concentraties van een stof in het milieu om mens en ecosysteem op verschillende niveaus te beschermen tegen nadelige effecten. Nederland onderscheidt hierbij vier milieurisicogrenzen: een niveau waarbij het risico verwaarloosbaar wordt geacht (VR), een niveau waarbij geen schadelijke effecten zijn te verwachten (maximaal toelaatbaar risiconiveau, MTR), de maximaal aanvaardbare concentratie voor ecosystemen, specifiek voor kortdurende blootstelling (MACeco) en een niveau waarbij mogelijk ernstige effecten voor ecosystemen zijn te verwachten (EReco). De nu afgeleide milieurisicogrenzen lijken op basis van een eerste vergelijking met monitoringsgegevens niet te worden overschreden. Het RIVM heeft de afleiding en selectie van de milieurisicogrenzen uitgevoerd volgens de methodiek die is voorgeschreven door de Europese Kaderrichtlijn Water. Hierbij is zowel rekening gehouden met mogelijke risico's voor de mens als met eventuele effecten op het ecosysteem. Omdat de uiteindelijke milieukwaliteitsnormen worden vastgesteld door de Nederlandse Interdepartementale Stuurgroep Stoffen, zijn de milieurisicogrenzen zoals afgeleid in dit rapport voorlopige waarden zonder officiele status. Dit rapport is onderdeel van een serie. De milieurisicogrenzen voor 2,4-dichloorfenol en monochloorfenolen, 4-chloor-3-methylfenol en aminochloorfenol zijn in afzonderlijke rapporten opgenomen.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Environmental risk limits for 2,4-dichlorophenol | RIVM

Het RIVM heeft milieurisicogrenzen voor zoet en zout oppervlaktewater afgeleid voor monochloorfenolen, 4-chloor-3-methylfenol en aminochloorfenol. Deze dienen als advieswaarden voor de Nederlandse Interdepartementale Stuurgroep Stoffen. De stuurgroep stelt de uiteindelijke milieukwaliteitsnormen vast. Milieurisicogrenzen zijn maximale concentraties van een stof in het milieu om mens en ecosysteem op verschillende niveaus te beschermen tegen nadelige effecten. Nederland onderscheidt hierbij vier milieurisicogrenzen: een niveau waarbij het risico verwaarloosbaar wordt geacht (VR), een niveau waarbij geen schadelijke effecten zijn te verwachten (maximaal toelaatbaar risiconiveau, MTR), de maximaal aanvaardbare concentratie voor ecosystemen, specifiek voor kortdurende blootstelling (MACeco) en een niveau waarbij mogelijk ernstige effecten voor ecosystemen zijn te verwachten (EReco). De nu afgeleide milieurisicogrenzen lijken op basis van een eerste vergelijking met monitoringsgegevens niet te worden overschreden. Het RIVM heeft de afleiding en selectie van de milieurisicogrenzen uitgevoerd volgens de methodiek die is voorgeschreven door de Europese Kaderrichtlijn Water. Hierbij is zowel rekening gehouden met mogelijke risico's voor de mens als met eventuele effecten op het ecosysteem. Omdat de uiteindelijke milieukwaliteitsnormen worden vastgesteld door de Nederlandse Interdepartementale Stuurgroep Stoffen, zijn de milieurisicogrenzen zoals afgeleid in dit rapport voorlopige waarden zonder officiele status. Dit rapport is onderdeel van een serie. De milieurisicogrenzen voor 2-, 3- en 4-chloorfenol, 4-chloor-3-methylfenol en aminochloorfenol en voor trichloorfenolen zijn in afzonderlijke rapporten opgenomen.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Continuous cycle of improvement of medical devices. A questionnaire on experiences and procedures | RIVM

Fabrikanten van medische hulpmiddelen dienen voortdurend ervaringen van gebruikers te inventariseren om risico's van hun producten te verminderen. Op essentiele onderdelen gebeurt dit echter onvoldoende, waardoor de veiligheid van patienten en gebruikers in het gedrang kan komen. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM in opdracht van de Inspectie voor de Gezondheidszorg. Voor het onderzoek hebben fabrikanten enquetes over deze continue cyclus van productverbetering ingevuld en procedures over onderdelen hiervan verstrekt. Het betrof fabrikanten van infuuspompen en van desinfecterende wasmachines voor flexibele endoscopen voor inwendig onderzoek. Daarnaast zijn ook fabrikanten aangeschreven, waarvan nieuwe hulpmiddelen werden geevalueerd in een klinische studie, waaronder stents (kleine, gaasachtige buisjes die bloedvaten openhouden). Voordat fabrikanten een hulpmiddel op de markt brengen moeten zij de risico's van het hulpmiddel in kaart brengen en maatregelen nemen om risico's uit te sluiten of te beperken. Na de introductie op de markt dienen zij systematisch en herhaaldelijk na te gaan of de risico-inschatting en maatregelen nog acceptabel zijn, dan wel moeten worden bijgesteld. Deze procedure voor het verzamelen van ervaringen met hulpmiddelen bleek te varieren van een onvoldoende 'passieve' klachtenprocedure tot een adequate werkwijze waarin patienten 'actief' worden gevolgd. De ervaringen kunnen inzicht geven in onvolkomenheden van het hulpmiddel of van de gebruiksaanwijzing, die vervolgens kunnen worden opgeheven. Een veelvuldig geconstateerde tekortkoming in dit proces is dat na een aanpassing van het medische hulpmiddel geen nieuwe risico-inschatting wordt gemaakt. Deze koppeling is cruciaal omdat productaanpassingen nieuwe risico's met zich mee kunnen brengen.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Naar een integrale aanpak van gezondheidsachterstanden. Een beschrijving van beleidsmaatregelen binnen en buiten de volksgezondheidssector | RIVM

Er bestaan veel beleidsmaatregelen om gezondheidsachterstanden te verkleinen, maar er is nog onvoldoende bekend over de effecten ervan. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM waarin, in opdracht van het ministerie van VWS, het effect van beleidsmaatregelen op gezondheidsachterstanden is onderzocht. In dit onderzoek is geanalyseerd welke beleidsvoornemens in de rijksbegroting 2008 er aan kunnen bijdragen gezondheidsachterstanden terug te dringen. Daarnaast is gekeken naar de effecten bij 14 bestaande beleidsmaatregelen. Uit eerder onderzoek blijkt dat de gezondheid van mensen met een lage sociaaleconomische status over het algemeen slechter is dan de gezondheid van mensen met een hoge sociaaleconomische status. Ook allochtonen zijn over het algemeen ongezonder dan autochtonen. Om de veelheid aan oorzaken van gezondheidsachterstanden aan te pakken, is het van belang om naast de volksgezondheidssector andere beleidssectoren te betrekken. Voorbeelden zijn de sectoren onderwijs, sociale zaken en ruimtelijke ordening. Het beleid dient integraal te zijn en de volgende vier punten te verbeteren: 1. de sociaaleconomische positie van mensen; 2. de arbeidsdeelname van mensen met gezondheidsproblemen; 3.de woon- en werkomstandigheden en de leefstijl van mensen met een lage sociaaleconomische positie; 4. de toegankelijkheid en effectiviteit van de gezondheidszorg voor deze groepen. Uit dit onderzoek blijkt dat van de 153 voorgenomen beleidmaatregelen in de rijksbegroting er 38 op minimaal een van de vier bovengenoemde punten gericht zijn. Daardoor is het aannemelijk dat ze gezondheidsachterstanden terugdringen. Het verband tussen de effecten van de 14 bestaande maatregelen en de bijdrage aan het terugdringen van gezondheidsachterstanden is echter moeilijk te leggen.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Agricultural practice and water quality on farms registered for derogation. Results for 2007 in the derogation monitoring network | RIVM

Dit rapport geeft een overzicht van de bemestingspraktijk en de waterkwaliteit in 2007 op graslandbedrijven in Nederland die meer dierlijke mest mogen gebruiken dan in Europese regelgeving is aangegeven (derogatie). De gegevens uit dit onderzoek kunnen worden gebruikt om de gevolgen voor de waterkwaliteit te bepalen. De waterkwaliteit gemeten in 2007 geeft de gevolgen weer van de landbouwpraktijk in 2006, het eerste jaar dat de derogatie in de praktijk werd toegepast. De Europese Nitraatrichtlijn verplicht lidstaten het gebruik van dierlijke mest te beperken tot een bepaald maximum. Een lidstaat kan de Europese Commissie vragen om onder voorwaarden van deze beperking af te wijken. Nederland heeft toestemming gekregen om van 2006 tot en met 2009 af te mogen wijken van de gestelde norm. Een van de voorwaarden is dat de Nederlandse overheid een monitoringnetwerk inricht en aan de Commissie jaarlijks rapporteert over de resultaten daarvan. Het RIVM en het LEI hebben in 2006 Nederland een monitoringnetwerk opgezet. Dit zogenoemde derogatiemeetnet meet de gevolgen voor de landbouwpraktijk en de waterkwaliteit als landbouwbedrijven afwijken van de Europese gebruiksnorm voor dierlijke mest. Het meetnet omvat driehonderd graslandbedrijven. Het derogatiemeetnet is een onderdeel van het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM). Van iets minder dan driehonderd bedrijven is gerapporteerd doordat sommige achteraf geen derogatie toepasten of kregen.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Environmental radioactivity in the Netherlands. Results in 2007 | RIVM

Volgens het EURATOM-verdrag uit 1957 moeten alle lidstaten van de Europese Unie jaarlijks de hoeveelheid radioactiviteit in het milieu meten. Ook in 2007 heeft Nederland aan deze verplichting voldaan. Sinds 2000 kent EURATOM aanbevelingen om de metingen volgens een bepaald stramien uit te voeren, lidstaten zijn echter niet verplicht deze na te leven. Nederland voldeed in 2007 aan alle Europese aanbevelingen, met uitzondering van de bepaling van strontium-90 in voedsel. De metingen in lucht en omgeving lieten een normaal beeld zien. In voedsel en melk zijn geen radioactiviteitniveaus aangetroffen boven de Europese limieten voor export en consumptie. In het oppervlaktewater is op een aantal locaties voor sommige radioactieve stoffen de streefwaarde overschreden. Deze overschrijdingen zijn echter zodanig dat ze niet schadelijk zijn voor de volksgezondheid. Streefwaarden zijn waarden die bij voorkeur niet overschreden mogen worden, maar het zijn geen limieten. Met ingang van 2007 zijn gegevens betreffende milieumonsters rondom kerncentrale Borssele toegevoegd aan dit rapport.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

De risico's van milieugevaarlijke stoffen in importcontainers : De stand van zaken 2007 | RIVM

In Nederlandse havens komen per jaar circa 2,5 miljoen containers binnen met goederen uit alle werelddelen. Uit metingen is gebleken dat in deze containers hoge concentraties van vluchtige organische stoffen kunnen voorkomen, als gevolg van het gassen van de containers, of omdat deze vluchtige organische stoffen tijdens het productieproces van de goederen als bestanddeel of oplosmiddel zijn gebruikt. VROM heeft het RIVM verzocht om inzicht te geven in de risico's die deze gassen in containers kunnen inhouden voor mens en milieu. De opdracht was om deze risico-analyse te baseren op reeds beschikbare informatie over begassing en stofconcentraties. Risico's voor de arbeidssituatie waren geen onderdeel van deze opdracht. Uit de beoordeling van de gegevens blijkt dat de concentraties van vluchtige organische stoffen in containers zo hoog kunnen zijn dat omstanders bij het openen van containers en bij blootstelling aan deze concentraties, gezondheidseffecten kunnen ondervinden. Ook consumenten kunnen worden blootgesteld als zij de goederen uit gegaste containers gebruiken. Dit kan gebeuren wanneer de producten binnenshuis uitdampen, maar ook bij het consumeren van gegaste voedingsmiddelen en geneesmiddelen. De beschikbare informatie over de concentratie in, en uitdamping uit goederen bleek zeer beperkt en vooral afkomstig uit eerdere onderzoeken van het RIVM aan door VROM aangeboden producten. Zo was informatie beschikbaar over de uitdamping van een twintigtal verschillende goederen en de nalevering uit twee matrassen en een paar schoenen. In deze specifieke gevallen verwachtte het RIVM geen risico's boven de grenzen die normaal in het beleid gehanteerd worden. Het is echter niet mogelijk om op grond hiervan risico's in andere gevallen te kwantificeren of uit te sluiten. Daarvoor zijn het aantal mogelijke situaties en de onzekerheden te groot. Vanuit het oogpunt van de effecten op het milieu is vooral methylbromide van belang, omdat deze stof de ozonlaag kan aantasten en er bij het gassen van containers relatief veel van deze stof wordt gebruikt.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Process evaluation of the Chlamydia Screening Implementation in the Netherlands: phase 1. Challenges and opportunities during preparation and first operational phase | RIVM

De Chlamydia Screening in Amsterdam, Rotterdam en Zuid-Limburg onder jongeren van 16 tot en met 29 jaar is in april 2008 succesvol van start gegaan. De technische uitvoering is goed verlopen, maar de participatiegraad valt wat tegen. Dit blijkt uit een eerste evaluatie van de voorbereiding en de eerste twee maanden van de uitvoering. De toekomstige besluitvorming over een landelijke screening op chlamydia in Nederland is afhankelijk van dit evaluatieonderzoek. Soa Aids Nederland coordineert de screening, die wordt uitgevoerd door de GGD'en van de drie regio's. Het Centrum voor Infectieziektenbestrijding (CIb) van het RIVM evalueert het programma in samenwerking met bovengenoemde partijen. De screening is bedoeld om seksueel actieve jongeren in twee rondes te screenen op Chlamydia. Onder hen komt deze geslachtsziekte het meest voor. De jongeren kunnen na een schriftelijke oproep via een website een testpakket aanvragen. De combinatie van IT, logistiek en laboratoriumwerk maakte de screening een complexe aangelegenheid. Factoren die de uitvoering bevorderden waren de expertise van de projectgroep zelf, de grote inzet van alle betrokkenen en de geslaagde uitbesteding van IT en logistieke zaken. Belemmerende factoren waren de veelheid aan betrokken partijen, de onderschatting van de werkbelasting en tijdsinvestering en daarmee het uitstel van het programma. Eerste resultaten screening. De participatiegraad in de eerste twee maanden was 15%, lager dan vooraf geschat was (30%). Herinneringsbrieven en e-mails droegen in belangrijke mate bij aan de deelname. Vrouwen deden vaker mee dan mannen. Personen tussen de 20 en 29 jaar deden vaker mee dan 16 tot 19 jarigen, bij wie vaker chlamydia is geconstateerd. Uit de eerste cijfers blijkt dat 4,3% van de deelnemers de geslachtsziekte had. De screening leidde niet tot een ernstig verhoogde werkdruk bij soa-centra of huisartspraktijken. De meeste verpleegkundigen en huisartsen benoemden het belang om partners te waarschuwen; de wijze waarop zij zijn benaderd verschilde.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Meerjarenplan raming bevolkingsdosis medische stralingstoepassingen. Opzet enquete jaren 2008-2013 | RIVM

De totale effectieve dosis van de Nederlandse bevolking door medische stralingstoepassingen werd de laatste jaren geschat op basis van deels verouderde gegevens. Daarom heeft het RIVM de enquete voor zorginstellingen waarmee gegevens over deze toepassingen worden verzameld, aangepast. De wijzigingen zijn al aangebracht in de enquete over 2008, die begin 2009 wordt verzonden. De aanpassingen vloeien voort uit een werkwijze die door een Europese werkgroep, waaraan het RIVM deelnam, is aanbevolen. Op basis hiervan heeft het RIVM voor Nederland een meerjarenplan opgesteld om de gegevens te verzamelen. Het grootste deel van de kunstmatig veroorzaakte stralingsdosis voor de Nederlandse bevolking is afkomstig van medische blootstellingen, zoals CT-scans, rontgenonderzoek en nucleair geneeskundige onderzoeken. EU-lidstaten zijn verplicht om de stralingsdosis hiervan in kaart te brengen. In Nederland is daarvoor het Informatiesysteem Medische Stralingstoepassingen (IMS, www.rivm.nl/ims ) opgezet. Behalve de verbeterde schatting maakt de nieuwe werkwijze het mogelijk om de Nederlandse dosisgegevens beter te vergelijken met die van andere EU-lidstaten.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Leefstijl en arbeid in balans. Een literatuurstudie naar de invloed van leefstijlfactoren en (sub)cultuur op gezondheid, ziekteverzuim, arbeidsongeschiktheid en productiviteit | RIVM

Informatie over de gevolgen van een ongezonde leefstijl van werknemers op ziekteverzuim, arbeidsongeschiktheid en verlies aan productiviteit is in Nederland beperkt voor handen. Met name wanneer gekeken wordt naar subgroepen van werknemers, aan de hand van bijvoorbeeld opleidingsniveau of etniciteit, kan van kennisleemten gesproken worden. Onderzoek naar leefstijlfactoren in relatie tot ziekten beperkt zich meestal tot de algemene bevolking; er wordt weinig onderzoek uitgevoerd binnen de (Nederlandse) beroepsbevolking. Dit blijkt uit een literatuuronderzoek van het RIVM, dat is uitgevoerd in opdracht van de ministeries van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW), Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en Binnenlandse Zaken. Deze ministeries kunnen de gesignaleerde kennisleemten gebruiken om vervolgonderzoek uit te zetten. Het uiteindelijke doel is werknemers zo lang mogelijk in goede gezondheid aan het werk te houden. Dit is van belang omdat de arbeidsmarkt de komende jaren door de vergrijzing krapper zal worden. Preventieve leefstijlinterventies op de werkplek zijn een manier om de gezondheid van werknemers te verbeteren en het ziekteverzuim terug te dringen. Er zijn echter nog weinig studies waarin het effect van deze interventies op ziekteverzuim in Nederland is onderzocht. Ongunstig gedrag, zoals roken, overmatig alcoholgebruik en weinig bewegen, heeft invloed op de gezondheid van werknemers en bepaalt direct en indirect de prestaties van werknemers. Uit buitenlandse studies blijkt dat werknemers met een ongezonde leefstijl over het algemeen vaker verzuimen dan werknemers met een gezonde leefstijl. Ook lijkt het erop dat een ongezonde leefstijl leidt tot meer arbeidsongeschiktheid en een lagere arbeidsproductiviteit.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

De genetica van overgewicht: stap naar beleid en maatschappij. Resultaten van een expertmeeting | RIVM

Op dit moment is er te weinig concrete kennis over de erfelijke factoren van overgewicht beschikbaar om daar overheidsbeleid op te kunnen baseren. Dit blijkt uit een bijeenkomst georganiseerd door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) met experts afkomstig uit verschillende disciplines. Om hier meer inzicht in te krijgen zijn omvangrijke studies nodig met duizenden deelnemers van wie het voedings- en beweeggedrag nauwkeurig wordt gemeten. Hierin moeten ook de hoeveelheid lichaamsvet en de verdeling daarvan over het lichaam worden gemeten. Volgens de experts is het met deze verkregen inzichten in de toekomst mogelijk om nieuwe medicijnen te ontwikkelen die overgewicht voorkomen en behandelen. Verder zal het mogelijk zijn om te dikke mensen met een hoog risico op complicaties, zoals hart- en vaatziekten en diabetes mellitus, op basis van genetische informatie vroegtijdig te identificeren. Deze groep mensen kan vervolgens preventief worden behandeld met medicijnen en voedings- en beweegadviezen, afgestemd op hun genetisch profiel. Of deze toekomstverwachtingen werkelijkheid worden en zo ja wanneer is onbekend. De overheid kan nu wel alvast op deze toekomstige ontwikkelingen inspelen door algemene kennis over genetica onder burgers en medische professionals te vermeerderen. Voor burgers is deze kennis nodig om te kunnen omgaan met keuzes die deze ontwikkelingen met zich meebrengen. Medische professionals kunnen er vragen van hun patienten mee beantwoorden. De overheid kan ook al intern een discussie opzetten over de mogelijke gevolgen voor het beleid en over haar verantwoordelijkheden in deze.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Estimation of emissions and exposures to PFOS used in industry. An inventory of PFOS used in metal plating and fire fighting | RIVM

In opdracht van het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu (VROM) heeft het RIVM het gebruik in Nederland van de stof perfluoroctaansulfonzuur (PFOS) geinventariseerd voor twee specifieke toepassingen. Het gaat om PFOS als nevelonderdrukker en bevochtigingsmiddel voor verchromingsdoeleinden, en om het gebruik ervan in blusschuim. Bij de laatste functie gaat het vooral om een schatting van de nog bestaande voorraden in Nederland. In Nederland wordt per jaar naar schatting 390 kilo PFOS gebruikt voor deze toepassingen in de metaalbewerkingsindustrie. De grootste voorraden van blusschuim met PFOS zijn aanwezig op vliegvelden en op chemische industriele locaties, zoals verffabrieken en de petrochemische industrie. Het onderzoek is gebaseerd op gebruiksgegevens die leveranciers hebben aangeleverd. De Europese Commissie heeft alle lidstaten van de Europese Unie gevraagd het gebruik van PFOS voor genoemde toepassingen te inventariseren. Vanwege de risicovolle eigenschappen van PFOS is het gebruik ervan aan banden gelegd. De dataverzamelings- en analysemethodieken in dit rapport kunnen voor andere doeleinden worden gebruikt, zoals voor REACH. REACH staat voor Registratie, Evaluatie, Authorisatie en Restrictie van Chemische Stoffen.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Diabetes tot 2025. Preventie en zorg in samenhang | RIVM

Diabetes vormt een belangrijk maatschappelijk probleem, dat steeds groter wordt. Vooral het aantal mensen met diabetes type 2 neemt sterk toe, en niet alleen in Nederland. Deze toename is zorgelijk en reden voor aandacht vanuit het beleid. In de preventienota 'Kiezen voor gezond leven' uit 2006 formuleerde het ministerie van VWS een langetermijnvisie op de preventie van diabetes, voor de periode 2005 tot 2025. Daarbij werden forse ambities geformuleerd ten aanzien van de beperking van de groei van het aantal mensen met diabetes tussen 2005 en 2025, en het percentage diabetespatienten zonder complicaties in 2025. Om de omstandigheden en randvoorwaarden te creeren die vereist zijn voor het realiseren van de ambities en het vormgeven van de programmatische aanpak van diabetes is begin 2007 in het kabinet besloten om een Actieprogramma Diabetes te laten ontwikkelen. De Nederlandse Diabetes Federatie is gevraagd om dit Nationaal Actieprogramma Diabetes (NAD) vorm te geven en te coordineren. Het ontwerp van dit programma is in februari 2009 aan de minister aangeboden. Aan het RIVM is gevraagd om een rol te spelen in de voorbereiding, voortgang en toetsing van het NAD. Daartoe heeft het RIVM de bestaande kennis op het terrein van preventie en zorg in brede zin geanalyseerd en geintegreerd, en werden toekomstige ontwikkelingen verkend. Een deel van de resultaten zijn eerder in enkele deelrapporten van het RIVM gepubliceerd. In dit rapport is de informatie uit deze eerdere deelrapporten geactualiseerd, geintegreerd en voorzien van (beleids)aanbevelingen. Daarnaast biedt het rapport ook aanknopingspunten voor de programmatische aanpak van andere chronische ziekten.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Towards implementation of bioavailability measurements in the Dutch regulatory framework | RIVM

Een onderzoeksgroep bestaande uit onderzoekers van het RIVM, Alterra, Deltares, Iras en RWS heeft enkele methoden geselecteerd waarmee risicobeoordelingen van verontreinigde bodems nauwkeuriger kunnen worden uitgevoerd. Met deze methoden kan worden bepaald welk gedeelte van stoffen die in de bodem zitten daadwerkelijk vrijkomt en risico's vormt voor planten en dieren in de bodem. Het is wetenschappelijk aangetoond dat alleen deze zogeheten biobeschikbare fractie van de verontreiniging het bodemecosysteem negatief kan beinvloeden. Niet alle delen van verontreinigende stoffen komen in planten of dieren terecht. De voorgestelde methoden kunnen de huidige risicobeoordeling aanvullen. De huidige risicobeoordeling van de bodemkwaliteit gebruikt totaalgehalten van verontreinigingen in de bodemecosystemen. Deze manier van risico beoordelen blijkt de risico's van bodemverontreiniging onjuist te kunnen weergeven. De indruk bestaat namelijk dat het meten van totaalgehalten er regelmatig toe leidt dat beleidsnormen worden overschreden, hoewel het ecosysteem niet lijkt aangetast. Vanwege deze overschrijdingen kunnen ingrijpende en vaak kostbare (sanerings-) maatregelen worden opgelegd die echter niet nodig zijn om het ecosysteem te verbeteren. De selectie van de methoden is gemaakt op basis van beschikbare wetenschappelijke informatie en een workshop met deskundigen op het gebied van biobeschikbaarheid. De biologische beschikbaarheid van stoffen staat al jaren in de wetenschappelijke belangstelling. Daarbij is meer inzicht verkregen in de interactie tussen bodemorganismen en de manier waarop verontreinigingen chemisch over het bodemecosysteem verspreid raken. Gelijktijdig zijn er methoden ontwikkeld en getest die de biobeschikbaarheid van verontreinigingen kunnen meten.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Toxicity measurements in concentrated water samples. Evaluation and validation | RIVM

Het RIVM heeft met de Waterdienst van Rijkswaterstaat (voorheen RIZA: Rijksintituut voor Zoetwaterbeheer en Afvalwaterzuivering) een alternatieve methode ontwikkeld om de effecten van giftige stoffen in oppervlaktewater te meten. Met deze methode is eenvoudig te achterhalen of toxische stoffen de oorzaak zijn als ecologische doelen, die voortvloeien uit de Kaderrichtlijn Water, niet worden gehaald. Ook is de methode geschikt om bronnen van toxische stoffen te identificeren. Van oudsher worden hiervoor vooral chemische technieken ingezet. Die hebben als nadeel dat ze slechts een klein deel van het grote aantal chemicalien in oppervlaktewater kunnen meten. De methode werkt met zogeheten bioassays. Hiervoor wordt de reactie van vijf soorten organismen gepeild op het te onderzoeken water. Bij een reactie kan desgewenst uitgezocht worden welke stof hiervan de oorzaak is. Met de methode is ook het versterkende effect van meerdere stoffen bij elkaar te achterhalen. Een ander voordeel wordt behaald met een voorbehandeling met hars, waarmee de verontreiniging wordt geconcentreerd. Hierdoor is een korte test even effectief als een langlopende, en dus duurdere test, ook als het water niet acuut toxisch is. Natuurlijke factoren die de toxiciteit van water beinvloeden zijn bovendien met deze methode uitgeschakeld. Wel blijft de toxiciteit van metalen en een beperkt deel van de organische stoffen buiten beeld.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

InViZie, Inspectie-instrument Veiligheidsmanagementsysteem in Ziekenhuizen. Fase 1 van instrumentontwikkeling | RIVM

Het RIVM heeft in opdracht van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) een instrument ontwikkeld voor inspecteurs van de IGZ. Met behulp van dit instrument kunnen zij erop toezien in hoeverre veiligheidsmanagementsystemen (VMS) in Nederlandse ziekenhuizen zijn geimplementeerd en goed worden uitgevoerd. Het VMS verschaft ziekenhuizen inzicht in risico's die patienten kunnen lopen tijdens hun verblijf in een ziekenhuis. Om deze risico's zo veel mogelijk te beperken heeft de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport enkele jaren geleden het veiligheidsprogramma 'Voorkom schade, werk veilig' geinitieerd. Daaruit vloeit voort dat alle Nederlandse ziekenhuizen een VMS dienen te hebben. In dit rapport wordt de structuur van het inspectie-instrument InViZie beschreven. Dit instrument bestaat uit een aantal vragenlijsten die inspecteurs op vier verschillende organisatieniveaus in ziekenhuizen kunnen afnemen. Op basis van de antwoorden kan de inspecteur zich een algemeen oordeel vormen. Het instrument is nog niet getoetst op validiteit of relevantie. In dit rapport worden aanbevelingen gedaan voor de uitvoering van deze toetsing. De eerste aanbeveling is dat de validiteit van het instrument wordt onderzocht. De tweede aanbeveling is te analyseren of een beter VMS samenhangt met betere patientveiligheid.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Uitgavenmanagement in de zorg. Het effect van disease management en preventie op de zorguitgaven | RIVM

Onderzoek toont aan dat zowel preventie als disease management (DiM) een positief effect kunnen hebben op het voorkomen van en de behandeling van chronisch zieken. Preventie richt zich op het voorkomen van bepaalde risicofactoren en ziekten en in DiM-programma's wordt de zorg door verschillende behandelaars en instellingen beter op elkaar afgestemd. Zeker wanneer de verhouding tussen gezondheidswinst en kosten van preventie of een DiM-programma gunstig is, is het de moeite waard om te investeren in DiM en preventie. Dit hoeft echter nog niet te betekenen dat daardoor de totale zorguitgaven lager uitvallen. Over de relatie tussen zorguitgaven en DiM komt uit de wetenschappelijke literatuur voor vrijwel alle ziekten een wisselend en zeer divers beeld naar voren. Daar komt nog bij dat de studies vaak onvolledig zijn en methodologische verschillen een grote rol spelen. Het is op grond van de literatuur daarom niet duidelijk of DiM de kosten zal verhogen of verlagen. Van preventie kan met meer zekerheid worden gezegd dat op lange termijn geen grote kostenbesparingen verwacht mogen worden. Een aantal vaccinaties, accijnzen en gerichte preventieve interventies (op hoogrisicogroepen) vormen hierop een gunstige uitzondering. De zorg rond chronisch zieken is gefragmenteerd waardoor het risico bestaat dat chronisch zieken geen optimale zorg krijgen. Om de zorg voor chronisch zieken te optimaliseren en de groeiende zorglast door de vergrijzing het hoofd te kunnen bieden, zijn maatregelen nodig om de kwaliteit van de zorg voor chronisch zieken te verbeteren en preventie te stimuleren. Preventie en DiM moeten dan ook in de eerste plaats worden geevalueerd op basis van hun doelmatigheid en niet op het effect op zorguitgaven. In dit rapport worden de volgende ziekten besproken: beroerte, borstkanker, diabetes mellitus, hartfalen, COPD en depressie. Daarnaast worden vaccinaties en de preventie van obesitas behandeld.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Landbouwpraktijk en waterkwaliteit op landbouwbedrijven aangemeld voor derogatie. Resultaten meetjaar 2007 in het derogatiemeetnet | RIVM

Dit rapport geeft een overzicht van de bemestingspraktijk en de waterkwaliteit in 2007 op graslandbedrijven in Nederland die meer dierlijke mest mogen gebruiken dan in Europese regelgeving is aangegeven (derogatie). De gegevens uit dit onderzoek kunnen worden gebruikt om de gevolgen voor de waterkwaliteit te bepalen. De waterkwaliteit gemeten in 2007 geeft de gevolgen weer van de landbouwpraktijk in 2006, het eerste jaar dat de derogatie in de praktijk werd toegepast. De Europese Nitraatrichtlijn verplicht lidstaten het gebruik van dierlijke mest te beperken tot een bepaald maximum. Een lidstaat kan de Europese Commissie vragen om onder voorwaarden van deze beperking af te wijken. Nederland heeft toestemming gekregen om van 2006 tot en met 2009 af te mogen wijken van de gestelde norm. Een van de voorwaarden is dat de Nederlandse overheid een monitoringnetwerk inricht en aan de Commissie jaarlijks rapporteert over de resultaten daarvan. Het RIVM en het LEI hebben in 2006 Nederland een monitoringnetwerk opgezet. Dit zogenoemde derogatiemeetnet meet de gevolgen voor de landbouwpraktijk en de waterkwaliteit als landbouwbedrijven afwijken van de Europese gebruiksnorm voor dierlijke mest. Het meetnet omvat driehonderd graslandbedrijven. Het derogatiemeetnet is een onderdeel van het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM). Van iets minder dan driehonderd bedrijven is gerapporteerd doordat sommige achteraf geen derogatie toepasten of kregen.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

De kwaliteit van het drinkwater in Nederland in 2007 | RIVM

De kwaliteit van het drinkwater in Nederland in 2007. Het drinkwater in Nederland was in 2007 van goede kwaliteit. Bij een kwart van de productielocaties is een norm overschreden. In geen geval vormde dat een bedreiging voor de volksgezondheid. Dit blijkt uit het jaarrapport 'De drinkwaterkwaliteit in Nederland, in 2007' dat RIVM in opdracht van de VROM-Inspectie heeft opgesteld. In dit rapport worden de resultaten van de meetprogramma's van de waterbedrijven op hoofdlijnen weergegeven. Zij leefden de wettelijke voorschriften voor de controle op de drinkwaterkwaliteit goed na. De VROM-Inspectie is verantwoordelijk voor de handhaving van de Waterleidingwet, waarin normen zijn opgesteld voor de aanwezigheid van micro-organismen en chemische stoffen in het drinkwater. De Inspectie is verplicht de resultaten te rapporteren aan de minister en het parlement. Het RIVM beheert de gegevens en stelt het rapport op. Het aantal drinkwaterpompstations (54 = 25 procent) waar in 2007 een norm is overschreden, is gelijk aan dat in 2006. Een groot deel van de normoverschrijdingen was eenmalig en betrof stoffen, gerelateerd aan de bedrijfsvoering, die geen betekenis hebben voor de volksgezondheid. Het gaat dan om overschrijdingen van bijvoorbeeld temperatuur, ijzer en smaak. De norm voor bestrijdingsmiddelen is voor drie middelen incidenteel overschreden. Bij drie drinkwaterpompstations zijn indicatoren voor besmetting met pathogene micro-organismen eenmalig aangetoond. In het distributienet zijn deze indicatoren veel vaker aangetoond. Meestal zijn de bacterien in de herhalingsmonsters niet meer aangetroffen. In een gebied met 300.000 inwoners is uit voorzorg een kookadvies gegeven. De aanwezigheid van legionellabacterien wordt getoetst als het drinkwater het pompstation verlaat en in de distributiegebieden. In de eerste categorie zijn geen aantallen boven de norm aangetroffen. Wel zijn in de monsters in het distributienet op 21 locaties legionellabacterien aangetoond. Het is mogelijk dat tijdens werkzaamheden aan het distributienet het drinkwater met bacterien besmet kan raken. In 59 gevallen is de bewoners van de nabijgelegen woningen geadviseerd het drinkwater voor gebruik te koken.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Simultaneous detection of Haemophilus influenzae type b polysaccharide-specific antibodies and Neisseria meningitidis serogroup A, C, Y and W-135 polysaccharide-specific antibodies in a fluorescent-bead-based multiplex immunoassay | RIVM

Simultaneous detection of Haemophilus influenzae type b polysaccharide-specific antibodies and Neisseria meningitidis serogroup A, C, Y and W-135 polysaccharide-specific antibodies in a fluorescent-bead-based multiplex immunoassay | RIVM
Jaar: 2009 Onderzoek

EU-wide control measures to reduce pollution from WFD relevant substances. Copper and zinc in the Netherlands | RIVM

Op nationaal en Europees niveau zijn extra maatregelen nodig om een aantal koper- en zinkbronnen die het Nederlandse oppervlaktewater belasten onder controle te krijgen. Dit blijkt uit een onderzoek van het RIVM naar de nationale belasting van het oppervlaktewater door deze zware metalen. Een groot deel van de koper- en zinkemissies in de Nederlandse oppervlaktewateren komt via de grote rivieren uit het buitenland. In Nederland zelf zijn diverse bronnen verantwoordelijk voor de koper- en zinkvervuiling. Voorbeelden zijn verkeer, huishoudens, bouwmaterialen, industrie en landbouw. Voor de meeste bronnen zijn al maatregelen getroffen, nationaal of door de Europese Unie. Voor een aantal bronnen is meer onderzoek nodig, zoals voor bouwmaterialen of koperbaden om hoeven van vee te desinfecteren. Verder onderzoek is nodig om hiervoor praktische en kostendekkende alternatieven of maatregelen te vinden. Omdat de omvang en de bronnen van vervuiling lokaal verschillen, adviseert het RIVM de vervuiling lokaal te inventariseren. De hoeveelheid koper en zink die uit landbouwgronden komt, is het moeilijkst te verminderen. Dit komt doordat jarenlang gebruik van mest heeft geleid tot een aanzienlijk hoeveelheid koper en zink in de landbouwgronden.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Leefstijlinterventies in Nederland. Een verkenning van ervaringen en wensen | RIVM

Het Centrum Gezond Leven heeft in 2008 verschillende lokale professionals (GGD, thuiszorg, GGZ en gemeente) gevraagd naar het gebruik, de ervaringen en wensen betreffende gezondheidsbevorderende interventies en methoden. De gezondheidsthema's die als belangrijk worden ervaren door de lokale professionals worden in de praktijk niet altijd aangepakt. Mogelijk omdat het landelijke aanbod op het gebied van bijvoorbeeld sociaaleconomische verschillen of 'kwetsbare groepen' (lager opgeleiden, ouderen, allochtonen) niet voldoende is, of omdat het wettelijk gezien geen speerpunten zijn. De meeste interventies die worden aangeboden vallen onder de thema's van de landelijke speerpunten en het thema seksualiteit en relaties. Lokale organisaties geven de voorkeur aan het gebruik van bestaande interventies en bijbehorende producten. Echter, lokale organisaties hebben moeite met de toepasbaarheid van deze producten, aangegeven wordt dat het aanbod niet volledig past op de specifieke lokale situatie. Er is behoefte aan informatie op een centrale plek: een plek waar informatie over beschikbare interventies en de certificering van deze interventies beschikbaar is. Daarnaast is het ook wenselijk dat de handleidingen 'lokaal gezondheidsbeleid' centraal aangeboden worden. Een effectieve en efficiente aanpak van gezondheidsbevordering vraagt om een goede afstemming tussen de verschillende landelijke en lokale partijen. Een goede communicatie en planning door de landelijke GBI's (Gezondheidsbevorderende Instituten) op het gebied van het ontwikkelen en aanbieden van producten (interventies, handleidingen) is een voorwaarde om efficientie te bevorderen. Daarnaast ervaren de GGD'en het als een groot struikelblok dat de landelijke GBI's lokale intermediairen, zoals scholen en gemeenten, rechtstreeks benaderen om hun producten te gebruiken. In de nabije toekomst zal het Centrum Gezond Leven lokale professionals verder betrekken bij de verheldering van de zaken die spelen in het lokale veld van gezondheidsbevordering. Op basis hiervan zullen stappen worden ondernomen om de aansluiting tussen vraag en aanbod te verbeteren.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Environmental risk limits for xylene (m-xylene, o-xylene and p-xylene) | RIVM

Dit rapport is vervangen door rapport 2014-0043 Het RIVM heeft milieurisicogrenzen afgeleid voor xylenen in water, grondwater en bodem. Deze stoffen worden gebruikt als oplosmiddel bij drukkerijen en in de rubberindustrie. De groep stoffen omvat m-xyleen, o-xyleen en p-xyleen. Voor dit onderzoek zijn actuele (eco)toxicologische gegevens gebruikt, gecombineerd met de meest recente methodiek. Deze methodiek is voorgeschreven door de Europese Kaderrichtlijn Water. De nieuwe milieurisicogrenzen zijn lager dan de eerder afgeleide milieurisicogrenzen. Gemeten concentraties in de Rijn tussen 2001 en 2006 laten geen overschrijding van de nieuwe milieurisicogrenzen zien. Voor de waterbodem zijn geen milieurisicogrenzen afgeleid, omdat de xylenen de grenswaarde voor binding aan sediment niet overschrijden. Hierdoor is blootstelling van waterorganismen aan xylenen via sediment minimaal. Milieurisicogrenzen zijn niet bindend, maar zijn de wetenschappelijke basis waarop de Nederlandse interdepartementale Stuurgroep Stoffen de wettelijke milieukwaliteitsnormen vaststelt. De overheid hanteert deze normen bij de uitvoering van het nationale stoffenbeleid en de Europese Kaderrichtlijn Water. Er bestaan vier verschillende niveaus voor milieurisicogrenzen: een Verwaarloosbaar Risiconiveau (VR), een niveau waarbij geen schadelijke effecten zijn te verwachten, het Maximaal Toelaatbaar Risiconiveau (MTR), de Maximaal Aanvaardbare Concentratie voor ecosystemen, specifiek voor kortdurende blootstelling (MACeco) en het Ernstig Risiconiveau, een niveau waarbij mogelijk ernstige effecten voor ecosystemen zijn te verwachten (EReco).
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Effect filtratiesnelheid, temperatuur en korrelgrootte op de verwijdering van micro-organismen door langzame zandfiltratie | RIVM

Een rekenmodel werd ontwikkeld om de verwijdering van micro-organismen door langzame zandfiltratie, een belangrijke zuiveringstap in de drinkwaterbereiding, te voorspellen onder verschillende bedrijfscondities. Deze bedrijfscondities zijn filtratiesnelheid, temperatuur, korrelgrootte en de Schmutzdecke, een slijmlaag op de zandfilters. De condities kunnen varieren afhankelijk van benodigde productiecapaciteit, weersomstandigheden en het drinkwaterbedrijf. Inzicht in de effecten van deze bedrijfscondities is van belang bij de vertaling tussen bedrijven of van literatuurgegevens naar bedrijf en daardoor ook van belang voor de wettelijk verplichte kwantitatieve microbiologische risicoschattingen. Het model werd ontwikkeld op grond van meetgegevens van voorgaand onderzoek op proefinstallatieschaal. De processen die de verwijdering van micro-organismen door langzame zandfiltratie bepalen, zijn hechting en zeefwerking. Ook het effect van de Schmutzdecke werd geevalueerd. De mate van hechting van een micro-organisme aan het zand is locatiespecifiek. Het model werd vervolgens gebruikt om de verwijdering van bacteriofaag MS2, E. coli en Cryptosporidium bij de vier drinkwaterbedrijven voor de voor deze bedrijven relevante bedrijfscondities te voorspellen en op basis daarvan onderzoeksvoorstellen op proefinstallatieschaal te formuleren om het model te valideren.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Environmental risk limits for monochloroanilines | RIVM

Het RIVM heeft milieurisicogrenzen afgeleid voor drie monochlooranilines in zoet en zout water, en grondwater. Monochlooranilines zijn stoffen die vrijkomen bij de productie van bijvoorbeeld (azo)verf, pigmenten, bestrijdingsmiddelen en farmaceutische en cosmetische producten. De stoffen zijn in verband met de Kaderrichtlijn Water door de Internationale Commissie voor Bescherming van de Rijn (ICBR) geselecteerd als Rijnrelevante stof (4-chlooraniline) of door Nederland als 'overig relevante stof' (2- en 3-chlooraniline) op grond van de concentraties waarin ze worden aangetroffen in het oppervlaktewater. Voor de afleiding van de milieurisicogrenzen heeft het RIVM de meest actuele toxicologische gegevens gebruikt, gecombineerd met de meest recente methodiek. Deze methodiek is voorgeschreven door de Europese Kaderrichtlijn Water. Voor het sediment, de waterbodem, zijn geen milieurisicogrenzen afgeleid. Dat komt doordat de mate waarin de stoffen aan sediment binden, verwaarloosbaar wordt geacht. Milieurisicogrenzen, zoals afgeleid in dit rapport, zijn wetenschappelijk afgeleide waarden, gebaseerd op (eco)toxicologische, milieuchemische en fysisch-chemische gegevens. Milieurisicogrenzen dienen als advieswaarden voor de Nederlandse interdepartementale Stuurgroep Stoffen, die de uiteindelijke milieukwaliteitsnormen vaststelt. Milieurisicogrenzen zijn dus voorlopige waarden zonder enige officiele status. Er bestaan vier verschillende niveaus voor milieurisicogrenzen: een verwaarloosbaar risiconiveau (VR), een niveau waarbij geen schadelijke effecten zijn te verwachten (MTR), het maximaal aanvaardbare niveau voor ecosystemen, specifiek voor kortdurende blootstelling (MACeco) en een niveau waarbij mogelijk ernstige effecten voor ecosystemen zijn te verwachten (EReco). Monitoring data uit 1990 en 2000 laten zien dat op alle vijf meetlocaties het VRwater werd overschreden wanneer de detectielimiet werd gehaald. Wanneer echter wordt gekeken naar jaargemiddelde concentraties, dan werd het MTRwater niet overschreden en de MTRdw voor drinkwater op een locatie. Maximumconcentraties waren altijd beneden de MACeco, water.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Survey analysis of microbial contamination of fresh produce and ready-to-eat salads, and the associated risk to consumers in the Netherlands | RIVM

De kans dat voorverpakte gemengde salades uit Nederlandse supermarkten de bacterie Campylobacter, Salmonella, E. coli O157 of Listeria monocytogenes bevatten is gering (minder dan 0,26 procent). Geschat is dat per jaar circa 22 mensen ziek worden door Campylobacter na het eten van deze producten. Dit is een fractie van het geschatte aantal mensen die ziek worden van Campylobacter nadat zij kip hebben gegeten (circa 12000 per jaar). Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM en de Voedsel en Waren Autoriteit (VWA). Hierin is de kans onderzocht dat deze salades in de gehele productieketen van deze groenten tot het moment dat ze worden geconsumeerd met deze bacterien besmet raken. De ingredienten van deze salades zijn hoofdzakelijk in Nederland geteeld en verwerkt. Het onderzoek omvat 4180 monsters. Op bepaalde plaatsen in de productieketen is gekeken naar de mate waarin ziekteverwekkende micro-organismen in de producten en grondstoffen voorkomen. Daarnaast is gekeken naar de kans om ziek te worden door deze producten te eten. De belangrijkste bron van onzekerheid hierbij blijft de vraag bij hoeveel bacterien een mens ziek wordt.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Trends in prevalence of sensitization to milk and egg in Dutch children | RIVM

Het RIVM heeft geen aanwijzingen gevonden dat voedselallergie voor koemelk en ei bij Nederlandse kinderen van 1 jaar tussen 1992 en 2003 is toegenomen. In het onderzoek is de mate waarin voedselallergie bij kinderen van deze leeftijd voorkomt gebaseerd op de aanwezigheid van IgE-antistoffen tegen melk of ei in hun bloed. Dit is een maat voor allergische sensibilisatie, hoewel niet alle personen met deze antistoffen daadwerkelijk klachten hebben. Van de onderzochte kinderen van 1 jaar was 4-6 % gesensibiliseerd voor melk en 2-5 % voor ei. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van de Voedsel en Warenautoriteit (VWA), die wilde weten of het aantal mensen met voedselallergie in Nederland de afgelopen jaren is toegenomen. Gegevens hierover zijn vooralsnog schaars en varieren nogal. Het RIVM heeft beschikbare data over IgE-antistoffen uit drie epidemiologische studies gebruikt. In totaal waren gegevens voorhanden van 1874 kinderen die zijn geboren tussen 1992-1994, tussen 1996-1997 en tussen 2002-2003. Voedselallergie kan zich in veel vormen uiten: van galbulten en eczeem tot buikpijn en astma. Veel kinderen groeien over melk- en ei-allergie heen naarmate ze ouder worden. In dit onderzoek had een klein deel van de kinderen op de leeftijd van 8 jaar nog IgE voor melk in zijn bloed en had vrijwel geen van de kinderen op die leeftijd nog IgE voor ei.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Vergelijking luchtkwaliteitsmetingen en emissiecijfers van Nederland en omringende landen | RIVM

Nederland vormt ten opzichte van de ons omringende landen geen uitzondering wat betreft de gemeten concentraties van fijn stof. Ook neemt Nederland geen uitzonderingspositie in wat betreft de gebruikte de gebruikte meetmethoden en aantal meetstations om de concentratie in de lucht te bepalen van fijn stof (PM10), zeer fijn stof (PM2,5) en vluchtige organische stoffen (VOS). Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM naar luchtkwaliteitsmetingen in Nederland, Belgie, Duitsland, Denemarken, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk. In dit onderzoek zijn tevens de emissiecijfers uit 2000 van PM2.5, VOS en ammoniak van deze landen met elkaar vergeleken. Deze cijfers worden als referentiejaar gebruikt om de nieuwe Europese emissieplafonds voor 2020 te bepalen. Er zijn geen aanwijzingen gevonden dat de emissiecijfers van bepaalde landen structureel zijn over- of onderschat. De nieuwe emissieplafonds zullen in de loop van 2009 door de Europese Commissie worden voorgesteld. De Commissie heeft in dit verband laten berekenen wat per land de meest kosteneffectieve emissiereducties zijn om de Europese milieudoelstellingen te halen. Voor Nederland vallen deze reducties voor PM2,5, VOS en stikstofoxiden (NOx) wat lager uit dan voor de omringende landen.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Zorg voor hartfalen zonder falen. Indicatoren voor toezicht op de hartfalenketen | RIVM

De Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) wil meer inzicht in de kwaliteit die instellingen en zorgverleners leveren voor mensen met hartfalen. In dit rapport worden zogeheten indicatoren voorgesteld om op die kwaliteit te kunnen toezien. Als een patient onder behandeling is, heeft hij te maken met diverse artsen en andere zorgverleners, binnen en buiten het ziekenhuis. De inzet van de behandelaars in deze 'ketenzorg' moet goed worden afgestemd. Ketenzorg stelt daarom eisen aan de communicatie en informatieoverdracht tussen zorgverleners. Ook een duidelijke afbakening van verantwoordelijkheden is daarbij noodzakelijk. De mate waarin deze aspecten aanwezig zijn, vormt een graadmeter [indicator] van de kwaliteit. Ook ervaringen van de patient zelf zijn een belangrijke informatiebron voor het toetsen van de kwaliteit van de zorg. Het onderzoek heeft het RIVM met de IGZ uitgevoerd en dient als basis om een concrete set van indicatoren te ontwikkelen. Om de indicatoren te kunnen bepalen is eerst de zorgketen voor hartfalen in kaart gebracht in de vorm van een model. In dit ketenmodel (een clinical logic) zijn de elementen van het ziekteverloop en de zorgketen daaromheen in beeld gebracht. Daarnaast zijn de elementen in het model en de interacties en factoren die bepalend lijken voor de kwaliteit analytisch beschreven. Met behulp van het ontwikkelde model zijn vervolgens vijftien mogelijke indicatoren voorgesteld. Hierbij is geprobeerd indicatoren te vinden die een indruk geven van het functioneren van de keten in zijn geheel.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Polybrominated diphenyl ethers: occurrence in Dutch duplicate diets and comparison with exposure from European house dust | RIVM

Vlamvertragers als polygebromeerde difenylethers (PBDE's) hebben zich vanuit consumenten producten in het milieu verspreid. Van daaruit zijn zij in de voedselketen terechtgekomen. Op dit moment ligt de blootstelling aan PBDE-99 rond de maximaal toelaatbare inname voor deze verbinding. Er kan dus een gezondheidsrisico ontstaan wanneer het gehalte van PBDE-99 in voeding toe zou nemen. Monitoring onderzoek heeft aangegeven dat het gehalte van PBDE-99 in de laatste 30 jaar enigszins is toegenomen. Onderzoek naar PBDE's in voeding blijft daarom nodig. In dit onderzoek is al het voedsel dat iemand in 24 uur consumeert ('24-uurs duplicaat dieet') onderzocht op de aanwezigheid van PBDE's. In Nederland zijn gegevens over deze voedingsmonsters verzameld in 1978, 1984, 1994 en 2004. In de monsters zijn drie PBDE's aangetoond: PBDE-47, PBDE-99 en PBDE-209. In de onderzochte jaren is de hoeveelheid PBDE-47 in de dikten onveranderd gebleven. PBDE-99 laat een consistente toename zien van 1978 tot 1994, waarna het gehalte zich lijkt te stabiliseren. Rekening houdend met blootstelling van PBDEs uit huisstof en bioaccumulerend vermogen is door het RIVM een maximaal dagelijkse toelaatbare humane inname voor PBDE-99 berekend. De blootstelling aan PBDE-99 via voeding blijkt rond deze maximaal toelaatbare inname te liggen. Wat het risico is voor andere PBDE's moet nog onderzocht worden. Aanbevolen wordt daarom om het blootstellingonderzoek te vervolgen en ook maximaal toelaatbare innamen voor andere PBDE's te berekenen.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Chemicals in toys. A general methodology for assessment of chemical safety of toys with a focus on elements | RIVM

Dit rapport bevat een erratum d.d. 26-01-2015 na pagina 234 Om de veiligheid van het gebruik van speelgoed te kunnen waarborgen, is in dit rapport een methode beschreven voor de afleiding van veilige limieten voor chemische stoffen in speelgoed. Deze methode combineert het gebruik van speelgoed door kinderen, en een veilige grenswaarde voor een stof. Het gebruik van deze methodologie wordt geillustreerd voor een aantal stoffen en een aantal typen speelgoed, zoals vingerverf en pluche speelgoed.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Europese Farmacopee. Gouden standaard bij de bereiding van geneesmiddelen | RIVM

Geneesmiddelen die in Europa gemaakt en gebruikt worden, moeten voldoen aan de wettelijke eisen van de Europese Farmacopee. Als een dergelijk wetboek zou ontbreken, zou de regelgeving over de toelating en productie van geneesmiddelen onduidelijk worden, met mogelijke risico's voor de volksgezondheid als gevolg. Het wettelijke karakter zorgt er namelijk voor dat de kwaliteit van geneesmiddelen in al deze landen gelijkwaardig en uitwisselbaar is. De Europese Farmacopee maakt het hierdoor makkelijker dat goede geneesmiddelen voor mens en dier beschikbaar zijn. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM, dat in opdracht van Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) het belang van de wettelijke standaard heeft beschreven. Voor het onderzoek zijn Nederlandse experts ondervraagd die een bijdrage leveren aan de Europese Farmacopee. Zij zijn afkomstig van onder meer de (semi-)overheid en de farmaceutische industrie. Zij vinden het belangrijk dat Nederland actief bijdraagt aan het ontwikkelen en in stand houden van de Europese Farmacopee. Op deze manier laat Nederland zijn stem horen en kan het ervaringen met andere geneesmiddelenproducerende landen uitwisselen. Ook vinden de experts het van grote waarde dat de Europese Farmacopee als openbare regelgeving om geneesmiddelen te bereiden, blijft bestaan.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Geinterpoleerde meteorologie voor SRM-1: toepassing in 2007 | RIVM

Met ingang van 2008 wordt kennis van meteorologie op een nieuwe manier gebruikt om de luchtkwaliteit in stedelijk gebied te berekenen. Hierdoor zal de berekende luchtkwaliteit in straten beter aansluiten bij de realiteit. In 2007 heeft het RIVM een nieuwe methodiek voorgesteld om de Standaard Reken Methode 1 (SRM-1) te verbeteren. Recentelijk heeft het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM) deze methodiek geaccepteerd. In dit rapport wordt de methodiek concreet uitgewerkt. Lokale overheden gebruiken de wettelijk voorgeschreven SRM-1, ook bekend als het CAR II-model, om de luchtkwaliteit in stedelijk gebied te berekenen. De nieuwe methodiek is nauwkeuriger omdat hij gegevens over windsnelheden van meerdere meetpunten gebruikt. Bovendien maakt het gebruik van zogeheten geinterpoleerde windvelden, die de lokale situatie beter weergeven. Tot 2008 maakte SRM-1 gebruik van jaargemiddelde gegevens voor de windsnelheid die alleen per regio beschikbaar waren. Hierdoor ontstonden onder meer aan de regiogrenzen 'sprongen' in de berekende bijdragen van verkeer aan concentraties van vervuilende stoffen.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Peer review AWARE | RIVM

Voor producten met vluchtige organische oplosmiddelen, zoals sommige industriele schoonmaakmiddelen, is een nieuwe code ontwikkeld die het risico aangeeft voor gebruikers die hieraan staan blootgesteld. De methode die hieraan ten grondslag ligt, de AWARE-methode, levert ten opzichte van het nieuwe Europese stoffenbeleid (REACH) echter weinig meerwaarde op. Dat blijkt uit een evaluatie van het RIVM van de methode. De AWARE-methode is ontwikkeld door de Universiteit van Amsterdam, in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW), om het aantal gevallen van de schildersziekte terug te dringen. AWARE wil het gebruik van minder schadelijke producten stimuleren door het risico van schadelijke producten inzichtelijk te maken. De AWARE-code is bedoeld om gebruikers te laten kiezen voor het veiligste product. Producenten kunnen het relatieve risico en gevaar bepalen tijdens de productontwikkeling. De AWARE-methode geeft een indicatie van het risico op basis van een onduidelijke beschrijving en beperkte onderbouwing. Bovendien komt het verschil tussen de AWARE-code op producten niet altijd overeen met het verschil tussen de risico's van producten. De methode zou verbeterd kunnen worden door gebruik te maken van de limietwaarden voor risicobeoordelingen die voor REACH worden afgeleid in de komende jaren. De REACH-wetgeving heeft - net als AWARE - als doel een veilig gebruik van chemische stoffen te bereiken. Bovendien is REACH wettelijk verplicht en geeft meer inzicht in veilig gebruik van stoffen. AWARE communiceert alleen het relatieve risico van een product. De toegevoegde waarde ervan is hierdoor beperkt zodra REACH is geimplementeerd.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Implications of not detecting non-genotoxic carcinogens in the absence of carcinogenicity tests under REACH guidelines | RIVM

De Europese wetgeving REACH voldoet niet voor een bepaalde groep chemische stoffen die kankerverwekkend zijn. Het gaat hierbij om zogeheten niet-genotoxische kankerverwekkende stoffen die kanker veroorzaken via een ander mechanisme dan door effecten op het DNA te introduceren. Het gaat echter om een kleine hoeveelheid stoffen. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM. Het instituut reikt een aantal voorstellen voor alternatieve testmethoden aan, waaronder het gebruik van innovatieve genomicstechnieken. REACH staat voor Registratie, Evaluatie, Autorisatie en Beperking van Chemische stoffen en is in juli 2008 van kracht geworden. De wetgeving verplicht bedrijven om informatie over eigenschappen en risico's van chemische stoffen te verzamelen, te beoordelen en te verspreiden onder gebruikers om veilig met de stoffen te kunnen omgaan. Onder REACH bestaan de teststrategieen om kankerverwekkende chemische stoffen te herkennen uit genotoxiciteitstesten. Testen naar kankerverwekkende eigenschappen worden alleen gedaan voor chemicalien met een productievolume van meer dan duizend ton per jaar en/of als ze mutaties in genen veroorzaken. Omdat niet-genotoxische kankerverwekkende stoffen negatief scoren in deze testen, worden ze onder de REACH-wetgeving niet herkend. Tien tot twintig procent van de stoffen waarvan vaststaat dat ze voor de mens kankerverwekkend zijn of zouden kunnen zijn, blijken niet-genotoxisch. Bij ongeveer een derde van deze stoffen is de blootstelling potentieel dusdanig dat een verhoogd risico op kanker niet kan worden uitgesloten. Daar staat tegenover dat onder de nieuw te registreren stoffen het percentage niet-genotoxische kankerverwekkende stoffen naar verwachting erg klein is. Bovendien eist REACH voor stoffen met een hoog productievolume en dus mogelijke hogere blootstelling, altijd gegevens over de carcinogeniteit.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Op weg naar een protocol voor het waarderen van maatregelen in een kwantitatieve risicoanalyse | RIVM

De risico's van de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen voor de externe veiligheid worden in Nederland bepaald aan de hand van kwantitatieve risicoanalyses. De huidige rekenmethodiek voor deze risicoanalyse voorziet niet in een protocol om verschillende veiligheidsmaatregelen te kunnen waarderen. In dit rapport is een protocol ontwikkeld waarmee veiligheidsmaatregelen op een eenduidige, transparante en robuuste wijze kunnen worden gewaardeerd en vervolgens vertaald kunnen worden naar de kwantitatieve risicoanalyse. Het protocol is verder uitgewerkt aan de hand van een voorbeeldsysteem, namelijk de opslag van lpg onder druk in bollen. Daarbij is nagegaan in hoeverre de vereiste informatie momenteel beschikbaar en bruikbaar is voor toepassing van het protocol. De volgende relevante elementen zijn beschouwd: stand der techniek van technische voorzieningen, waardering van organisatorische voorzieningen (veiligheidsbeheerssysteem) en mogelijke faaloorzaken. Uit het onderzoek komt, voor zover betrokken op het voorbeeldsysteem, het volgende naar voren. Er is een duidelijk inzicht in de stand der techniek en die is de afgelopen decennia niet wezenlijk veranderd. De onderzochte opslagen in Nederland zijn conform de richtlijn Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 18 voorzien van technische veiligheidsvoorzieningen. De invloed van organisatorische voorzieningen kunnen vooralsnog niet op een eenduidige en transparante wijze worden beoordeeld. Hiervoor is aanvullend onderzoek nodig. Er kan vooralsnog geen betrouwbare inschatting worden gemaakt van de relatieve bijdragen van de verschillende faaloorzaken. Daarom is het momenteel niet mogelijk de invloed van een maatregel op een betrouwbare wijze te vertalen naar een reductie in de faalkans. Het Centrum Externe Veiligheid heeft dit onderzoek uitgevoerd in samenwerking met DCMR Milieudienst Rijnmond en de Nederlandse Organisatie voor toegepast natuurwetenschappelijk onderzoek TNO. Er zijn verschillende aanbevelingen gedaan voor vervolgonderzoek met als doel de toepasbaarheid van het protocol te verhogen.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

A new compliance checking level for nitrate in groundwater? Feasibility study on monitoring the upper five metres of groundwater | RIVM

Het verlagen van de toetsdiepte voor nitraat in het grondwater in zandgebieden van de bovenste meter van het grondwater naar de bovenste vijf meter, blijkt niet opportuun. Het verlagen van de toetsdiepte wordt gezien als mogelijkheid om aan de doelstellingen van de Nitraatrichtlijn en de Kaderrichtlijn Water te kunnen voldoen, zonder de landbouw onnodig scherpe gebruiksnormen op te leggen. Een verlaging is niet opportuun, omdat bij de nitraatuitspoelingsgevoelige ("droge") gronden, op basis van de beschikbare gegevens, geen afname van de nitraatconcentratie in de bovenste vijf meter van het grondwater kan worden aangetoond. Bij de overige gronden neemt de nitraatconcentratie wel af tussen een en vijf meter onder de grondwaterspiegel, maar is er meestal sprake van uit- en afspoeling van nitraat en andere stikstofverbindingen naar het oppervlaktewater. De kwaliteitsdoelstellingen voor het oppervlaktewater moeten daarom ook in beschouwing worden genomen. Voor de neutrale gronden (matige natte en matige droge gronden) bedraagt de afname van de nitraatconcentratie in de bovenste vijf meter van het grondwater 15 tot 40% en voor de natte gronden 30 tot 100%.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Gebruik en waardering van kiesBeter.nl in 2007 | RIVM

In opdracht van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport werkt het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu aan de zorgportal kiesBeter.nl. Deze publieke portal verschaft burgers inzicht in de keuzes die ze kunnen maken in de zorg en biedt ze hiertoe relevante informatie. Vandaar de slogan "KiesBeter.nl wijst u de weg in de zorg". Dit rapport bespreekt de resultaten die zijn behaald in 2007. In de 2007 bezochten bijna 2.000.000 mensen de site. De naamsbekendheid van kiesBeter.nl is in het laatste kwartaal 2007 bijna 16%. De meeste marketingdoelstellingen voor 2007 op het gebied van bereik, naamsbekendheid, waardering en nut zijn behaald. De marketingactiviteiten in 2007 waren voornamelijk gericht op professionals (intermediairen). In 2008 wordt deze strategie voorgezet.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Site-specific human risk assessment of soil contamination with volatile compounds | RIVM

Het RIVM heeft het zogeheten VOLASOIL-model verbeterd. Het model schat voor woningen en andere gebouwen de binnenluchtconcentraties die ontstaan als gevolg van bodemverontreiniging met vluchtige verbindingen. Deze verontreiniging van bodem en grondwater kan zich voordoen in de omgeving van bijvoorbeeld benzinestations en chemische wasserijen. Om de risico's hiervan voor de mens te kunnen bepalen, berekent het model op basis van de vervuilingsgraad van het grondwater de concentraties vluchtige stoffen in de binnenlucht. Het aangepaste model maakt een betere risicobeoordeling mogelijk, zodat de mate van spoed om te saneren beter is te bepalen. De nieuwe versie is voor meer typen woningen bruikbaar, namelijk voor woningen zonder kruipruimte of woningen met een kelder. Eerder was het alleen bruikbaar voor woningen met een kruipruimte. Als vergelijking zijn voor de toegevoegde woningtypen twee alternatieve berekeningsmethoden opgenomen die internationaal worden toegepast. Het rapport onderbouwt bovendien de waarden voor de belangrijkste parameters van de modelconcepten. Onder andere zijn karakteristieke eigenschappen van zes standaard bodemtypen vereenvoudigd en verduidelijkt, waardoor lokale beoordelingen beter zijn uit te voeren. Daarnaast is aangeven wat de belangrijkste locatiespecifieke gegevens zijn van het model. Het is de bedoeling de modelconcepten van de nieuwe VOLASOIL-versie te gebruiken bij het beleidsinstrument voor bodemsanering (SANSCRIT), de uitwerking van het in 2008 herziene Saneringscriterium bodemsanering. Op basis van de resultaten van de modelberekeningen kan besloten worden aanvullende (binnen)luchtmetingen te doen. De combinatie van modelleren en meten geeft de beste basis om de risico's van vluchtige verbindingen voor de mens te beoordelen.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Bijdragen veeteeltbedrijven aan fijnstofconcentraties. Tussentijdse evaluatie LOG De Rips | RIVM

De bijdrage van emissies uit intensieve varkenshouderijen aan fijnstof- en ammoniakconcentraties kan worden vastgesteld met metingen in de directe omgeving. Hiermee kunnen in de toekomst de effecten van het reconstructie beleid in Landbouw Ontwikkelingsgebieden worden gevolgd. Het onderzoek is gericht op het effect van beleidsmaatregelen in het kader van de reconstructie van de veeteeltsector waarbij verdichting van veeteeltbedrijven en toepassing van technische installaties zullen leiden tot veranderingen van de emissies. Metingen in de directe omgeving van het Landbouw Ontwikkelingsgebied De Rips, waar vooral varkenshouderijen zijn gevestigd, toonden een duidelijke bijdrage van stalemissies aan ammoniak. De bijdrage van fijn stof is geringer maar wel waarneembaar. Met dit resultaat wordt de beslissing voor voortzetting van het project onderbouwd en de uitbreiding naar het Landbouw Ontwikkelingsgebied in de Gelderse Vallei (vooral pluimveebedrijven) gerechtvaardigd.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Trends in drug substances detected in illegal weight-loss medicines and dietary supplements. A 2002-2007 survey and health risk analysis | RIVM

In Nederland aangetroffen illegale afslankmiddelen zijn tussen 2002 en 2007 gevaarlijker geworden. Steeds vaker betreft het vervalsingen van echte medicijnen en voedingssupplementen waaraan illegaal geneesmiddelen zijn toegevoegd. Ook blijken de na 2004 verboden afslankkruiden (efedrines) te worden vervangen door geneesmiddelen (bv. sibutramine). Onkundig gebruik kan leiden tot psychoses, hart- en vaatproblemen en zelfs tot de dood. Dit blijkt uit een trendanalyse op 256 verdachte monsters bijeengebracht door vier nationale laboratoria in Nederland, waaronder het RIVM. Internationaal heeft het gebruik van illegale afslankmiddelen veel gevallen van ernstige gezondheidsschade veroorzaakt en soms zelfs tot de dood geleid. Omdat de in Nederland aangetroffen werkzame bestanddelen overwegend dezelfde zijn als in andere landen, kunnen soortgelijke effecten ook hier optreden. Een goede registratie van deze gezondheidsklachten wordt aanbevolen om oog te krijgen voor de ernst en de omvang van het probleem. Gezondheidsrisico's zijn het hoogst bij vervalste voedingssupplementen. Doordat de aanwezige geneesmiddelen doelbewust niet op de etiketten staan vermeld, is de consument zich niet bewust van de risico's. Consumenten denken voor een natuurlijk product te kiezen, maar worden onbewust blootgesteld aan gevaarlijke geneesmiddelen. Als bijwerkingen niet snel worden toegeschreven aan een vervalst voedingssupplement, kan dat adequate medische behandeling vertragen. Gezondheidsrisico's zijn ook hoog voor namaak medicijnen omdat de samenstelling en kwaliteit onbetrouwbaar zijn en ze zonder een recept van een arts worden gebruikt.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Remote sensing of sulphur dioxide emissions of sea-going vessels on the Westerscheldt | RIVM

Het RIVM heeft een instrument ontwikkeld om de zwaveldioxide-uitstoot van zeeschepen te meten. In een proefstudie van vijf meetdagen werd voor 24 schepen op de Westerschelde de uitstoot bepaald. Een groot aantal daarvan bleek forse hoeveelheden zwaveldioxide uit te stoten. Zwaveldioxide is een bron van verzuring en is schadelijk voor het milieu. Diverse beleidsmaatregelen hebben de uitstoot van andere bronnen van zwaveldioxide, zoals verkeer, industrie en elektriciteitsopwekking, flink teruggedrongen. Het aandeel van de scheepvaart in de totale uitstoot wordt daardoor steeds groter. Zeeschepen mogen binnen de territoriale wateren niet op zwavelrijke brandstof varen. Deze relatief goedkope brandstof mag echter wel aan boord zijn voor gebruik op zee. Het is onbekend in hoeverre reders zich aan dit verbod houden. Met traditionele meetmethoden is een overtreding moeilijk vast te stellen aangezien deze metingen aan boord plaatsvinden. De bemanning is daardoor op de hoogte van de meting en kan het stookgedrag aanpassen. De nieuwe techniek heet LIDAR (light detection and ranging) en meet vanaf de wal. Het lidarinstrument scant met een laserbundel de rookpluim van een passerend schip en stelt zo onopgemerkt de uitstoot vast. Een voordeel van deze methode is dat nagenoeg elk voorbijvarend schip kan worden gemeten, in plaats van slechts enkele schepen per dag. Op het vasteland worden zwaveldioxide-emissies van industriele installaties beperkt door vergunningen. Deze worden verleend aan de hand van de Nederlandse emissierichtlijn lucht (NeR, april 2003), die nadere eisen stelt aan bronnen boven de twee kg zwaveldioxide per uur (0,56 gram per seconde). De uitstoot van de gemeten zeeschepen bleek daar in alle gevallen boven te liggen. De hoogst gemeten uitstoot bedroeg 36 gram per seconde. Aandacht voor de zeescheepvaart als bron van luchtverontreiniging is dus van belang, zowel bij regelgeving als bij handhaving.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

OSPM: Comparison between modelled results obtained for the Erzeijstraat in the Netherlands and measurements | RIVM

Het RIVM heeft een Deens model om luchtkwaliteit in straten te berekenen, OSPM (Operational Street Pollution Model), vergeleken met metingen van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit (LML) en berekeningen met het Nederlandse CAR II-model. De berekende jaargemiddelde concentraties komen redelijk goed overeen met zowel de LML-metingen als de CAR II-berekeningen. De verschillen tussen de voor individuele uren berekende en gemeten concentraties zijn echter groot. In dit onderzoek gaat het om de concentraties stikstofdioxide en stikstofoxiden in de Erzeijstraat in Utrecht in de jaren 2002, 2003 en 2006. Lokale overheden gebruiken CAR II (Calculation of Air pollution from Roadtraffic) om de luchtkwaliteit in situaties met veel verkeer te berekenen. Uit onderzoek van het RIVM in 2007 is gebleken dat de berekende jaargemiddelden van CAR-II redelijk goed overeenkomen met metingen. Het is echter niet mogelijk om met behulp van CAR-II concentraties per uur te berekenen. Dat kan wel met OSPM, dat complexer en gedetailleerder is. Dit model is met succes uitgebreid getest in Denemarken. De met OSPM berekende jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide liggen een tot twee microgram per kubieke meter lager dan metingen. In dit opzicht is OSPM vergelijkbaar met CAR-II. De correlatie tussen voor individuele uren berekende concentraties en metingen is voor de totale concentraties (omgeving plus bijdrage van de weg) goed, maar voor de verkeersbijdragen hooguit redelijk te noemen. Een gebrek aan lokale meteorologische gegevens is waarschijnlijk de belangrijkste factor voor het verschil. Daarnaast kon de invloed van verkeer op nabij gelegen (snel)wegen niet in het model worden meegenomen.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Omvang van de effecten op gezondheid en welbevinden in de Nederlandse bevolking door geluid van weg- en railverkeer | RIVM

Naar schatting krijgen in Nederland 21 tot 150 mensen per jaar een acuut hartinfarct doordat zij langdurig aan geluid van wegverkeer zijn blootgesteld. De meest waarschijnlijke omvang is 84 gevallen per jaar. Dit aantal is circa 0,3 procent van het aantal acute hartinfarcten dat jaarlijks in Nederland optreedt. Het percentage is aanmerkelijk lager dan voor Europa is geschat (3 procent), mede doordat in Nederland minder mensen aan hoge geluidniveaus zijn blootgesteld. Uitgangspunt van dit onderzoek is dat een blootstelling aan geluid van gemiddeld meer dan 60 decibel gedurende de dag en avond het risico op een acuut hartinfarct verhoogt. Het aantal ernstig gehinderden door wegverkeer bedraagt 480.000 tot 830.000 personen, met als meest waarschijnlijke omvang 640.000. Het aantal ernstig slaapverstoorden is 180.000 tot 450.000, met 290.000 als meest waarschijnlijke aantal. Dit blijkt uit een studie naar de invloed van geluid van weg- en railverkeer op de omvang van de gezondheideffecten en op welbevinden van de Nederlandse bevolking. Het onderzoek is uitgevoerd op verzoek van het Milieu- en Natuurplanbureau (MNP). Voor deze studie is een nieuwe meta-analyse uitgevoerd om het aantal acute hartinfarcten te kunnen berekenen. De belangrijkste onzekerheid hierin is vanaf welk geluidsniveau het risico hierop verhoogd is. Voor hinder en slaapverstoring is gebruik-gemaakt van in de literatuur beschreven relaties.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Contra-expertise op bepalingen van radioactiviteit van afvalwater en ventilatielucht van de kernenergiecentrale Borssele - Periode 2006 | RIVM

Het RIVM controleert achtmaal per jaar de metingen van de kerncentrale Borssele. Het gaat hierbij om lozingen van radioactiviteit in water en lucht. De contra-expertise onderbouwt de betrouwbaarheid van de analyses die de kerncentrale uitvoert. Doorgaans komen de analyses overeen, zo ook in 2006. Enkele verschillen in dat jaar betreffen radionucliden in Ventilatielucht met een korte halfwaardetijd (enkele uren of dagen). Deze verschillen komen voort uit de manier waarop de monstername wordt uitgevoerd en zijn daardoor nauwelijks kleiner te maken. Het RIVM heeft in 2006 acht afvalwatermonsters en acht monsters van ventilatielucht geanalyseerd, die verspreid over het jaar gedurende een week zijn genomen. Opdrachtgever is de Kernfysische Dienst van het ministerie van VROM.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Contra-expertise op bepalingen van radioactiviteit van afvalwater en ventilatielucht van Urenco Nederland B.V. - Periode 2006 | RIVM

Het RIVM controleert achtmaal per jaar de metingen van de verrijkingsfabriek Urenco te Almelo. Het gaat hierbij om lozingen van radioactiviteit in water en lucht. De contra-expertise onderbouwt de betrouwbaarheid van de analyses die Urenco uitvoert. Doorgaans komen de analyses overeen, zo ook in 2006. Uit de metingen blijkt dat er in het afvalwater doorgaans een zeer lage totaal-alfa en totaal-beta activiteit aanwezig is. De radioactiviteit in ventilatielucht ligt zeer dicht bij het niveau van de hoeveelheid radon die van nature in buitenlucht aanwezig is. Het RIVM heeft in acht afvalwatermonsters en acht monsters van ventilatielucht, die verspreid over het jaar 2006 zijn afgenomen, de totaal-alfa en totaal-beta activiteit bepaald. Deze bepaling is een snelle manier om de mate waarin uraan naar het milieu geloosd wordt, aan te tonen. Opdrachtgever is de Kernfysische Dienst van het ministerie van VROM.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Medical devices in intramural settings and patient safety. Availability of incident data and possible solutions to prevent use problems | RIVM

Gegevens over incidenten met medische hulpmiddelen in Europese zorginstellingen zijn niet optimaal beschikbaar. Dat komt omdat landen deze gegevens op uiteenlopende manieren verzamelen en presenteren, waardoor ze moeilijk zijn te vergelijken. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM. De mate waarin incidenten in de gezondheidszorg voorkomen is een belangrijke graadmeter voor de patientveiligheid. De incidentgegevens bieden ook handvatten om de medische hulpmiddelen en het gebruik ervan te verbeteren. In 2006 zijn in Nederland bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) 650 meldingen van incidenten met medische hulpmiddelen binnengekomen. Voorbeelden zijn katheters die afbreken, falende bevestigingsmechanismen van tilliften en brand in anesthesie-apparatuur. Momenteel is een Europees meldingssysteem in wording. Dat vereist dat de landensystemen op elkaar aansluiten. Het is daarom belangrijk dat de Nederlandse overheid met andere landen uitwisselt op welke manier zij gegevens over incidenten met medische hulpmiddelen willen verzamelen. Alleen als elk land op eenzelfde wijze registreert, kunnen gegevens met elkaar worden vergeleken. Ook kunnen dan eventuele trends zichtbaar worden. Behalve een algemene inventarisatie van incidentgegevens gaat dit rapport specifiek in op gebruiksproblemen met infuuspompen. Een verkeerde instelling van de pomp bijvoorbeeld kan tot een over- of onderdosering van medicatie leiden. Zorginstellingen en fabrikanten kunnen gebruiksproblemen verminderen door bijvoorbeeld gebruiksvriendelijkere ontwerpen toe te passen en preventieplannen te ontwikkelen. De aanbevelingen in dit rapport zijn grotendeels ook geschikt voor andere medische hulpmiddelen.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Contra-expertise op bepalingen van radioactiviteit van afvalwater en ventilatielucht van de voormalige kernenergiecentrale Dodewaard - Periode 2006 | RIVM

Het RIVM controleert achtmaal per jaar de metingen van de (voormalige) kerncentrale Dodewaard. Het gaat hierbij om lozingen van radioactiviteit in water en lucht. De contra-expertise onderbouwt de betrouwbaarheid van de analyses die de kerncentrale uitvoert. Doorgaans komen de analyses overeen, zo ook in 2006. Het RIVM en de centrale vonden geen kunstmatige gammastralers in ventilatielucht. De centrale is sinds 1997 buiten bedrijf en is in juli 2005 in de fase 'veilige insluiting' overgegaan. Het voornemen is om de centrale over veertig jaar, als de radioactiviteit sterk is afgenomen, te ontmantelen. Het RIVM heeft in 2006 acht monsters van ventilatielucht geanalyseerd, die verspreid over het jaar zijn genomen. Er is geen afvalwater geloosd in 2006. Opdrachtgever is de Kernfysische Dienst van het ministerie van VROM.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Behaviour of Clostridium perfringens in simulated gastrointestinal conditions. An interim report | RIVM

Het RIVM onderzoekt hoe mensen ziek worden als zij voedsel eten dat besmet is met de bacterie Clostridium perfringens. Dit wordt gedaan met experimenten die de omstandigheden in maag en darmen nabootsen. Doel van het onderzoek is om een schatting te maken van het aantal ziektegevallen in Nederland per jaar. Momenteel is dat moeilijk omdat de klachten (voornamelijk waterige diarree) kortdurend en mild zijn. Daardoor gaan patienten niet snel naar een arts en worden gevallen van de ziekte niet snel geregistreerd. Voor een gedegen schatting van het aantal ziektegevallen is kennis nodig over de manier waarop de ziekte ontstaat en hoe vaak en in welke mate de bacterie in voedsel voorkomt. Voor veel bacterien vormt de maag een moeilijk te nemen obstakel, maar C. perfringens lijkt de maag gemakkelijk te passeren. Dit rapport is een tussenrapportage. Het onderzoek wordt bemoeilijkt doordat de productie van de gifstof, die de klachten veroorzaakt, een proces is dat moeilijk is na te bootsen en door veel factoren wordt beinvloed. Ook bestaan er veel stammen van deze bacterie die op verschillende manieren reageren. Daarnaast moet nog worden onderzocht hoe vaak en in welke mate de bacterie in voedsel voorkomt. Nader onderzoek is daarom nodig.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Kwaliteitsindicatoren voor de obstetrie: ontwikkeling en gebruik in Nederland | RIVM

In deze studie is een set van 35 kwaliteitsindicatoren ontwikkeld voor de verloskundige zorg in het ziekenhuis. Deze indicatoren zijn gedurende zes maanden getest op bruikbaarheid in dertien ziekenhuizen. Uit de evaluatie blijkt dat de registratie haalbaar is en dat verdere implementatie van de indicatoren ondersteund wordt door de betrokken zorgverleners in het ziekenhuis. In de komende jaren wordt door de Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG) gewerkt aan de implementatie van de set indicatoren om de kwaliteit van de obstetrische zorg in het ziekenhuis te stimuleren. Het doel van deze indicatoren is om gynaecologen een hulpmiddel te geven om de kwaliteit van de door hen verleende obstetrische zorg te monitoren en te bewaken. Bij het ontwikkelen van de kwaliteitsindicatoren zijn de richtlijnen van de NVOG als uitgangspunt genomen. Er is rekening gehouden met de mate waarin de indicatoren eenvoudig meetbaar en snel beschikbaar zijn en in hoeverre zij een bijdrage kunnen leveren aan verbeteringen in de zorg. De Landelijke Verloskunde Registratie (LVR) is de belangrijkste informatiebron voor de indicatoren. Na drie beoordelingsrondes door experts is een set van 35 kwaliteitsindicatoren tot stand gekomen, waarvan negentien structuur-, dertien proces- en drie uitkomstindicatoren. Structuurindicatoren hebben betrekking op de organisatie van de zorg, zoals een structurele complicatiebespreking. Voorbeelden van geselecteerde procesindicatoren zijn het percentage inleidingen en het percentage kunstverlossingen. Als uitkomstindicator is onder meer geselecteerd het percentage levendgeboren kinderen met een Apgarscore lager dan vijf, na vijf minuten.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Geluidsmonitor 2007 : Trend- en validatiemetingen omgevingsgeluid | RIVM

De geluidbelasting bij de A12 bij Voorburg is in 2007 afgenomen. Dat komt door twee maatregelen: een verlaagde snelheid en een dubbellaags zeer open asfaltbeton (DZOAB)-deklaag. Vooral de laatste maatregel is effectief gebleken. Deze locatie is voor het eerst in de Geluidmonitor meegenomen op basis van metingen sinds juli 2005. De snelheid is in november 2005 verlaagd; de DZOAB-laag is in september 2007 aangelegd. Op de A10-West bij Amsterdam daarentegen is in 2007 1 decibel meer geluidbelasting gemeten dan het jaar ervoor. In 2006 was al gebleken dat de geluidreducerende werking van het DZOAB op deze locatie vrijwel is verdwenen. Oorzaak is waarschijnlijk de vervuiling en slijtage van dit poreuze wegdek. Het DZOAB ligt op deze locatie sinds 2001. Dit zijn de belangrijkste resultaten uit de RIVM-Geluidmonitor van 2007 en deels 2008. Het geluidmonitoringprogramma bestaat sinds 1999 en registreert ontwikkelingen in omgevingsgeluid door wegverkeer, railverkeer en luchtvaart. Voor wegverkeersgeluid zijn in 2007 metingen verricht langs de A2 bij Breukelen, de A10-West bij Amsterdam, de A12 bij Voorburg en de N256 in Zeeland. Voor railverkeer is gebruikgemaakt van meetresultaten uit 2007 bij Esch, Bussum, Willemsdorp en Hakkelaarsbrug. Het Kenniscentrum Spoorweggeluid van ProRail heeft deze resultaten beschikbaar gesteld. Tot slot zijn de resultaten toegevoegd van steekproefmetingen die in 2008 zijn uitgevoerd op de Amsterdamsestraatweg te Utrecht.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Cosmetische toepassingen van lasers buiten de reguliere gezondheidszorg. Aanbevelingen voor veilig en verantwoord gebruik | RIVM

Het RIVM signaleert een toenemend gebruik van klasse 3- en 4-lasers voor cosmetische toepassingen. De lasers worden onder andere gebruikt om tatoeages en wijnvlekken te verwijderen, rimpels te bestrijden en te ontharen. Ondeskundig gebruik hiervan kan gevaarlijk zijn voor zowel de behandelaar als de patient. Het kan leiden tot oogletsel en brandwonden, bijvoorbeeld doordat de laserstralen via sieraden en glimmende apparatuur kunnen reflecteren. Ook kunnen ziektekiemen worden overgedragen. Leveranciers van laserapparatuur moeten daarom de behandelaars goed voorlichten over veilig gebruik. Dit gebeurt nu niet afdoende. Het zou goed zijn om lasers als medische hulpmiddelen aan te merken. De Wet op de medische hulpmiddelen verplicht fabrikanten/leveranciers namelijk om documentatie over veilig gebruik volledig en in het Nederlands aan te leveren en biedt mogelijkheden om een vergunningplicht in te stellen. Een dergelijk regime bestaat momenteel niet voor cosmetische toepassingen van lasers zoals die thuis en in schoonheidssalons worden verricht. Het RIVM beveelt ook aan om de risico's van zogeheten intense pulsed light-apparaten te onderzoeken. Dit zijn flitslampen die vooral voor ontharing worden gebruikt. Het RIVM deed in opdracht van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) literatuuronderzoek naar de voorwaarden voor een veilig en verantwoord gebruik van lasers bij cosmetische toepassingen. Daarnaast werd een enquete gehouden onder leveranciers van deze apparatuur in Nederland. Overigens was de respons hierop opvallend laag (29%).
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Landbouwpraktijk en waterkwaliteit in Nederland, periode 1992-2006 | RIVM

Als gevolg van de Europese Nitraatrichtlijn is het stikstofoverschot in de Nederlandse landbouw tussen 1992 en 2007 afgenomen met bijna 40 procent. Dit is een van de conclusies. Dit rapport geeft een overzicht van de ontwikkelingen in de waterkwaliteit ten opzichte van Nederlandse maatregelen in de landbouw om de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater te verbeteren. Het nitraatgehalte in het grondwater onder landbouwpercelen is in de periode van 1992 tot 2007 sterk gedaald, vooral in de zandregio's. Daar daalde de gemiddelde concentratie van 140 mg/l naar 75 mg/l. Ook in de kleiregio's zijn de gehaltes gedaald en lagen ze in deze periode ruim onder de norm van 50 mg/l. In de veenregio's is altijd weinig nitraat in het grondwater aanwezig geweest. Sinds 1992 is de chlorofyl-a concentratie (een indicator voor mate waarin het water eutrofieert) in regionale oppervlaktewateren die door de landbouw worden beinvloed constant gedaald. De gemiddelde nitraatconcentratie in de winterperiode in het zoete oppervlaktewater vertoont een afname sinds 1998. Zowel nitraatgehaltes in, als de eutrofiering van het water neemt af. Het duurt echter enkele jaren voordat effecten van beleidsmaatregelen door boeren in de waterkwaliteit waarneembaar zijn. Verwacht wordt dat de effecten van de recente beleidsmaatregelen uit het huidige actieprogramma (2004-2009) pas over een aantal jaren te zien zullen zijn in de waterkwaliteit. Het is daarom te verwachten dat de waterkwaliteit pas in de periode 2010-2015 verder verbeterd.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

The National Immunisation Programme in the Netherlands. Developments in 2008 | RIVM

Het Rijksvaccinatieprogramma (RVP) in Nederland is effectief en veilig. Wel blijven constant toezicht en onderzoek van belang om te beoordelen of aanpassing nodig is. Dit rapport geeft een overzicht van alle ontwikkelingen in 2008 van beschikbaarheid van vaccins, vaccineffectiviteit, bijwerkingen, ziektelast, gezondheidseconomische aspecten en internationale perspectieven die relevant zijn voor het RVP. In 2008 werd hepatitis B-vaccinatie voor kinderen met downsyndroom aan het RVP toegevoegd, verder bleef het RVP ongewijzigd. De meeste van de huidige RVP-ziekten zijn onder controle omdat de nationale vaccinatiegraad hoog is. Een uitzondering is kinkhoest, waarvan het hoge aantal gevallen aanhoudt en de piek in 2008 eerder viel dan verwacht. Tevens zijn uitbraken van bof en mazelen gesignaleerd, voornamelijk bij mensen die niet zijn gevaccineerd. Het rapport doet aanbevelingen om het RVP te verbeteren. Vooral onderzoek naar optimale vaccinatieschema's is nodig, oftewel de leeftijd waarop kinderen worden ingeent. Dat geldt vooral voor kinkhoest, pneumokokken en BMR (bof, mazelen, rodehond). Binnenkort zijn gegevens uit het zogeheten PIENTER-2 onderzoek beschikbaar over de reactie van het immuunsysteem op de vaccinaties. Dit is belangrijke informatie om te zien of andere vaccinatieschema's nodig zijn. Verder zal de invoering van HPV-vaccinatie in 2009 nauwgezet worden gevolgd. De Gezondheidsraad beraadt zich over vaccinatie tegen hepatitis B, rotavirus, waterpokken en gordelroos. In dit rapport staan aanbevelingen voor toezicht en onderzoek naar deze ziekten en naar hepatitis A (aandacht voor reizen naar landen waar het voorkomt), tuberculose en griep (vaccinatie voor selecte groep behouden en voor personeel in de gezondheidszorg stimuleren), meningokokken B (verder onderzoek naar dalende trend) en RSV (vaccinontwikkeling).
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Coal-tar pitch high temperature (CTPHT), transitional arrangements and way forward under REACH. REACH-SEA report of scoping study | RIVM

Een beperking of autorisatie binnen de Europese wetgeving REACH is niet de meest geeigende manier om de risico's aan te pakken van PAK-emissies. Deze emissies, die vooral vrijkomen tijdens productie- of verbrandingsprocessen, worden namelijk niet goed ondervangen in deze wetgeving. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM naar de mogelijkheden van REACH voor PAK-emissies die vrijkomen bij het gebruik van steenkoolteerpek (CTPHT) in onder andere de aluminiumindustrie. Volgens het RIVM kunnen deze PAK-emissies beter gereguleerd worden binnen de nationale en de Europese IPPC-wetgeving (Integrated Pollution Prevention and Control). IPPC beschrijft de best beschikbare productietechnieken, waaronder die van aluminium, om problemen met emissies zo veel mogelijk te beperken. Het doel van REACH (Registratie, Evaluatie, Autorisatie en beperking van Chemische stoffen) is mens en milieu te beschermen tegen de risico's van chemische stoffen. Steenkoolteerpek komt vrij bij de bewerking van steenkool en wordt gebruikt in onder andere de aluminiumindustrie. RIVM en TNO hebben eerder het gebruik van steenkoolteerpek geanalyseerd en vastgesteld dat de PAK-emissies een mogelijk risico vormen voor mens en milieu. PAK's zijn Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen waarvan de veiligheid niet kan worden gegarandeerd. Ze worden slecht afgebroken in het milieu, hopen zich op in de voedselketen en zijn kankerverwekkend. Aanleiding voor het onderzoek is de overgang van de oude wetgeving naar REACH, die in 2008 in werking is getreden. De resultaten worden gebruikt bij het zogeheten transitiedossier voor steenkoolteerpek.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Jaaroverzicht Luchtkwaliteit 2007 | RIVM

In Nederland zijn in 2007 enkele overschrijdingen van de Europese normen voor de luchtkwaliteit gemeten. Mede door gunstigere weersomstandigheden waren de overschrijdingen in 2007 minder hoog en frequent dan in 2006. Tijdens de jaarwisseling van 2007/2008 was de concentratie fijn stof in een groot deel van Nederland zeer hoog door de combinatie van mist, weinig wind en vuurwerk. Dit blijkt uit meetresultaten van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit (LML) van het RIVM. Het jaaroverzicht geeft een overzicht van de gemeten en deels berekende luchtkwaliteit. In 2007 waren er geen dagen met ernstige smog door ozon (concentraties boven de Europese alarmdrempel). Op circa een kwart van de meetlocaties in straten, waar het verkeer in hoge mate bijdraagt, ligt de jaargemiddelde stikstofdioxideconcentratie boven het gestelde maximum. De concentraties stikstofdioxide op plattelandslocaties zijn het afgelopen jaar relatief weinig veranderd en liggen onder de norm. De fijnstofconcentraties hebben in 2007 op een beperkt aantal meetlocaties het maximum aantal dagen van de norm voor de kortdurende blootstelling overschreden. In 2007 liggen de gemeten jaargemiddelde concentraties fijn stof onder de norm voor langdurende blootstelling.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Adverse Events Following Immunisation under the National Vaccination Programme of the Netherlands. Number XIV - Reports in 2007 | RIVM

De bijwerkingenbewaking van het Rijksvaccinatieprogramma over 2007 liet een duidelijke afname zien van het aantal meldingen. In 2007 zijn in totaal 995 meldingen ontvangen. Hiervan werd 72% als bijwerking van de vaccinaties beschouwd. De rest (28%) was niet door de vaccinatie veroorzaakt. Het aantal bijwerkingen moet in relatie worden gezien tot de 1,4 miljoen vaccinatiemomenten en de bijna 7 miljoen vaccincomponenten die daarbij worden toegediend. Het Rijksvaccinatieprogramma (RVP) wordt sinds 1962 intensief bewaakt. De meldgraad van vermoede bijwerkingen is hoog met een goede meldbereidheid van de consultatiebureaus. Er is een relatief beperkte onderrapportage. Van de 995 meldingen betrof het in 710 (72%) gevallen een bijwerking. Hierbij ging het in 54% om heftiger verschijnselen, vooral zeer hoge koorts, langdurig huilen, collapsreacties, verkleurde benen, koortsstuipen en atypische aanvallen met rillerigheid, schrikschokken en gespannenheid of juist een heel slappe houding. Hoewel al deze bijwerkingen omstanders erg kunnen laten schrikken, zijn ze medisch gezien niet gevaarlijk en laten ze geen restverschijnselen na. Bedreigende allergische reacties zijn niet gemeld. De ernstige infecties die werden gerapporteerd hadden geen relatie met de vaccinaties en datzelfde gold voor de meldingen van epilepsie of suikerziekte. Het ging hierbij om een toevallige samenloop van gebeurtenissen. Bij de vier meldingen van overleden kinderen is het overlijden niet door de vaccinaties veroorzaakt. De gestimuleerde passieve veiligheidsbewaking is een goed en gevoelig instrument om signalen over mogelijke bijwerkingen op te pikken; het systeem laat tevens follow-up onderzoek toe. Hoewel heftige bijwerkingen na de RVP-vaccinaties optreden, zijn ze van voorbijgaande aard en leiden ze niet tot blijvende gevolgen. De grote gezondheidswinst die het RVP oplevert, weegt op tegen de bijwerkingen.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Afspoeling van bouwmetalen: Risicobeoordeling van emissies van koper, lood en zink | RIVM

Het RIVM heeft de milieurisico's van emissies van bouwmetalen berekend en normen opgesteld voor toelaatbare toepassingen. Zink, koper en lood lossen op in regenwater dat langs bouwmaterialen loopt waarin deze metalen zijn verwerkt (afspoelen). Voorbeelden zijn dakgoten, vangrails en waterleidingen. Hierdoor wordt het milieu voortdurend belast. De milieurisico's hangen sterk af van de omstandigheden: de hoeveelheid water die langs de bouwmaterialen stroomt en de manier waarop dat water wordt afgevoerd, hebben grote invloed op de hoeveelheid metalen die in het milieu terechtkomen. De grootste risico's zijn situaties met zogeheten afgekoppelde hemelwatersystemen, waarin regenwater met de metalen direct in de bodem infiltreert. Voor reguliere toepassingen, zoals zinken dakgoten, zinken vangrails, loodslabben en koperen waterleidingen, heeft het RIVM indicaties van maximaal toelaatbare emissies voorgesteld. Deze vorm van normstelling is via maatregelen te realiseren. Voor toepassingen die minder vaak voorkomen, zoals koper en zink in gevels en daken, is een algemene normstelling minder effectief. Hierbij is het belangrijk de afspoeling te beperken door de toepassing af te stemmen op de lokale omstandigheden, zoals de hoeveelheid bouwmetaal en de manier waarop de afwatering is georganiseerd.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

GGD-richtlijn medische milieukunde. Luchtkwaliteit en gezondheid | RIVM

Het RIVM en de GGD'en hebben de GGD-richtlijn 'Gezondheidsaspecten van het Besluit Luchtkwaliteit' uit 2005 geactualiseerd. De vernieuwde richtlijn biedt een overzicht van wetenschappelijke gezondheidsstudies, nieuwe wet- en regelgeving, meten en berekenen en de implicaties van dat alles voor de gezondheid. De nadruk ligt op verkeersgerelateerde luchtverontreiniging. De richtlijn is een hulpmiddel voor de GGD'en om gemeenten te adviseren en burgers te informeren. Het doel hierbij is de lokale luchtkwaliteit te verbeteren en zo veel mogelijk gezondheidswinst te behalen. GGD'en kunnen voorstellen doen om de luchtkwaliteit te verbeteren of over de ruimtelijke inrichting nabij drukke verkeerswegen. Gemeenten kunnen op basis hiervan aanvullend lokaal beleid formuleren om haar bevolking, en kwetsbare groepen in het bijzonder, te beschermen. De GGD kan de gemeente adviseren om aanvullende maatregelen te nemen om de luchtkwaliteit verder te verbeteren of gezondheidsschade te beperken. Dit kan worden bereikt door drukke binnenstedelijke wegen te betrekken bij aanvullend beleid, de locatie van 'gevoelige bestemmingen'zoals scholen in de ruimtelijke ordening te toetsen op basis van de afstand tussen de bebouwing en drukkere wegen of op basis van de verkeersintensiteit. Daarnaast kunnen woningen tot de gevoelige bestemmingen worden gerekend en kan een scoresysteem worden gehanteerd om de gevoeligheid van ruimtelijke objecten te bepalen. De GGD kan er bovendien op wijzen dat goede communicatie tussen gemeenten en de bevolking over dit onderwerp belangrijk is en hierover praktische adviezen geven.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

PM10: Equivalence study 2006 : Demonstration of equivalence for the automatic PM10 measurements in the Dutch National Air Quality Monitoring Network : A technical background report | RIVM

In een zogeheten equivalentiestudie door het RIVM is de onzekerheidsfactor bepaald tussen de fijnstofmetingen (PM10) in het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit (LML) en de Europese referentiemethode. De in de equivalentiestudie bepaalde meetonzekerheid van de huidige PM10-meetinstrumenten in het meetnet bedraagt circa 17 procent. De in de Europese richtlijn vermelde maximaal toegestane onzekerheid is 25 procent. De equivalentiestudie is uitgevoerd om de kwaliteit van deze fijnstofmetingen in Nederland te waarborgen. Tevens heeft de studie geleid tot verbeteringen in de kwaliteit van de PM10-metingen in het LML. In dit rapport wordt de technische achtergrond van de gevolgde stappen en de bijbehorende resultaten nader beschreven. Het LML meet PM10 op circa veertig locaties met behulp van automatische beta-adsorptiemonitoren. Hoewel deze methode afwijkt van de voorgeschreven referentiemethode, staat de Europese regelgeving deze toe mits gelijkwaardigheid met de referentiemethode wordt aangetoond. Dat is voor de verschillende PM10-meetopstellingen in het meetnet onderzocht en aangetoond. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen drie apparaattypen en tussen meetlocaties binnen en buiten het stedelijk gebied. Het equivalentieonderzoek is grotendeels gebaseerd op de guideline die de Europese werkgroep Clean Air For Europe (CAFE) aanbeveelt. Op een onderdeel is daarvan afgeweken. Voor dat onderdeel is een alternatieve wiskundige methode ontwikkeld, die ook in deze studie wordt gepresenteerd.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Measuring ammonia emissions from manured fields | RIVM

Het RIVM en het Energie Onderzoekcentrum Nederland (ECN) hebben twee nieuwe meetinstrumenten ontwikkeld om de ammoniakuitstoot van bemeste velden te meten. Het gaat om respectievelijk een LIDAR (Light Detection and Ranging) en een TDL (Tuneable Diode Laser). Een belangrijke reden om een goed beeld van ammoniakemissies te krijgen is de Europese verplichting om deze emissies voor 2010 terug te dringen. Door ammoniak verzuren natuurgebieden en bevatten ze te veel voedingsstoffen. Ook draagt ammoniak bij aan de vorming van fijn stof. De resultaten van de twee instrumenten komen goed met elkaar overeen. Op grasland meten ze relatief hoge emissies vergeleken bij metingen in het verleden, maar wel binnen de bandbreedte ervan. Op bouwland is geen verschil gemeten tussen de emissies met de nieuwe meetmethoden en gemiddelde emissies gebaseerd op eerdere metingen. Daarnaast bleek de maximale uitstoot van een bemest veld op een ander moment op te treden dan verwacht: niet direct na het opbrengen van de mest, maar een tot twee uur later. Om de nationale emissiecijfers te verbeteren verdient het daarom aanbeveling een rekenmodel te gebruiken dat expliciet de belangrijkste omgevingsfactoren meeneemt.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Serologisch onderzoek naar het effect van de kinkhoestvaccinwisselingen in het RVP van 2004 tot 2008. Overgang van whole cell naar acellulair vaccin bij 1-jarige kinderen | RIVM

Kinderen die sinds 2005 met het nieuwe kinkhoestvaccin zijn gevaccineerd, maken meer antistoffen tegen de ziekte aan dan bij gebruik van het oude vaccin. Aangezien het effect van het vaccin pas op lange termijn merkbaar is in de bevolking, is nu nog niet duidelijk of hierdoor het aantal gevallen van kinkhoest zal dalen. Dit blijkt uit een onderzoek van het RIVM naar het effect van de wisselingen van het kinkhoestvaccin tussen 2004 en 2008 in het Rijksvaccinatieprogramma (RVP) bij ruim 400 kinderen van 1 jaar oud. Sinds 2005 wordt aan 1-jarigen een nieuw kinkhoestvaccin toegediend. Bovendien is in 2001 op een leeftijd van 4 jaar een herhaalenting toegevoegd aan het prikschema. Aanleiding voor de aanpassingen is een forse toename van het aantal kinkhoestgevallen sinds de jaren negentig. Het RIVM beveelt aan om niet alleen de samenstelling van het RVP in het eerste levensjaar te onderzoeken, maar ook het tijdschema waarop de vaccins worden toegediend. Momenteel geldt voor het eerste jaar het zogeheten 3+1-schema, waarbij kinderen op 2, 3, 4 maanden een prik krijgen, gevolgd door een 'booster' op de leeftijd van 11 maanden. De in 1999 ingevoerde vervroeging van 3, 4, 5 naar 2, 3, 4 maanden lijkt minder effectief te zijn. Uit het onderzoek blijkt ook dat een gelijktijdige toediening van combinatievaccins zijn beperkingen kent. Een te groot aantal kan de effectiviteit van de vaccins onverwacht negatief beinvloeden. Elke aanpassing in het RVP verdient daarom een degelijke evaluatie. Tegelijkertijd is het door de vele wisselingen van kinkhoestvaccins in de afgelopen tien jaar moeilijker geworden om de bescherming op lange termijn van een type vaccin te meten.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid. LMM-jaarrapport 2003 | RIVM

Het RIVM en het LEI hebben gegevens gebundeld over de bedrijfsvoering en de grondwaterkwaliteit van bedrijven die in 2003 voor het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM) zijn bemonsterd. Uit de gegevens over de bedrijfsvoering blijkt dat de bemesting en nutrientenoverschotten op melkveebedrijven sinds eind jaren negentig van de vorige eeuw eerst fors zijn gedaald en sinds 2000 zijn gestabiliseerd. Op akkerbouwbedrijven is een minder duidelijke trend zichtbaar. Op 42% van de onderzochte bedrijven is de nitraatconcentratie in het bovenste grondwater (recente neerslagoverschot) te hoger dan de Europese norm van 50 mg/l. De meeste van deze overschrijdingen zijn aangetroffen bij bedrijven in de zand/lossregio (53%). Bij bedrijven in de kleiregio zijn aanzienlijk minder overschrijdingen aangetoond (12%). In beide gevallen daalt de nitraatconcentratie wel sinds de jaren negentig. In de veenregio lagen alle metingen beneden de EU-norm. Een lagere nitraatconcentratie in het bovenste grondwater op landbouwbedrijven belast het milieu minder. Het LMM is opgezet om de kwaliteit van grondwater op landbouwbedrijven te beschrijven en verklaren in relatie tot milieuvervuiling, beleidsmaatregelen en bedrijfsvoering. De grondwaterkwaliteit wordt bepaald door de hoeveelheid nutrienten (waaronder nitraat) in het bovenste grondwater te meten (net onder de 'wortelzone'). Metingen op dit punt geven weer welk deel van het nutrientenoverschot naar het grondwater is uitgespoeld. De metingen zijn verricht op de typen landbouwbedrijven die in Nederland het meest voorkomen (akkerbouw en melkvee) in drie hoofdgrondsoortregio's (zand/loss, klei en veen).
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Downsyndroom-kansbepaling met de eerstetrimester-combinatietest 2004-2006 (deels 2007) | RIVM

Tussen 2004 en 2006 is 76 procent van de zwangerschappen van een kind met downsyndroom correct voorspeld met de eerstetrimester-combinatietest. De test presteert daarmee iets beter dan tussen 2002 en 2004. Het aantal aanvragen voor de test is in de onderzochte periode gestegen, de leeftijd van zwangeren die de test laten doen daalde licht. Van 75 procent van de aanvragen van de eerstetrimester-combinatietest is de uitkomst van de zwangerschap aan het RIVM gerapporteerd. Dit blijkt uit de tweede evaluatie van de eerstetrimester-combinatietest. De evaluatie is uitgevoerd in opdracht van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ), en later het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). De combinatietest is een kansbepaling gebaseerd op een nekplooimeting (NT-meting) bij de foetus en een serumonderzoek bij de moeder. Bij de NT-meting wordt het laagje vocht van de foetus in de nek gemeten. Bij het serumonderzoek wordt de concentratie van twee specifieke zwangerschapseiwitten (fBeta-hCG en PAPP-A) gemeten. Met deze gegevens, gecombineerd met de leeftijd van de moeder, wordt de kans op het krijgen een kind met downsyndroom berekend. Het rapport combineert de uitslag van de test met de zwangerschapsduur en de uitslag van de zwangerschap (wel/geen Down). Bij de huidige rapportage zijn 20.293 serumonderzoeken waarvan al deze gegevens bekend zijn geanalyseerd. Voor het eerst zijn ook, zij het summier, de kengetallen van de andere regionale laboratoria die op het downsyndroom gepresenteerd. Zij komen tot nagenoeg dezelfde resultaten. Tot slot worden aanbevelingen gedaan om de test te verbeteren, zoals een betere instelling van de parameters in de kansberekening. Er zijn aanwijzingen dat de gesignaleerde verbetering komt door betere NT-metingen. Het RIVM wil de prestaties van de test verder verbeteren door onder andere de parameters voor de kansberekening beter in te stellen.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

EU Interlaboratory comparison study veterinary XI (2008): Bacteriological detection of Salmonella in chicken faeces | RIVM

Alle 32 Nationale Referentie Laboratoria (NRL's) waren in 2008 in staat hoge en lage concentraties Salmonella in kippenmest aan te tonen. Hiervan behaalden 28 laboratoria direct het gewenste niveau. Twee laboratoria hadden een herkansing nodig. Bij een NRL was het CRL-Salmonella aanwezig tijdens de herkansing. Dit NRL behaalde het gewenste niveau met een zeer goede uitvoering. Het andere NRL behaalde tevens het gewenste niveau tijdens een herkansing, bij hen was de oorzaak van de problemen mogelijk een gebrek aan ervaring met de voorgeschreven methode. De twee overige laboratoria gaven een aanvaardbare verklaring voor het afwijkende resultaat, bovendien was de rest van de uitvoering goed. Het eindoordeel van deze twee NRL's werd vastgesteld als matig en een herkansing was niet nodig. Dit zijn de resultaten van het elfde veterinair ringonderzoek dat het Communautair Referentie Laboratorium (CRL) voor Salmonella heeft georganiseerd. Het onderzoek is in maart 2008 gehouden, de herkansing in juli en september van dat jaar. Europese lidstaten zijn verplicht om aan dit onderzoek deel te nemen. Het CRL-Salmonella is gevestigd bij het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). Voor dit ringonderzoek kreeg ieder laboratorium een pakket toegestuurd met kippenmest (vrij van Salmonella) en 35 gelatine capsules met melkpoeder met verschillende besmettingsniveaus van Salmonella. De laboratoria moesten volgens voorschrift kippenmest en capsules samenvoegen en onderzoeken op de aanwezigheid van Salmonella. Zij gebruikten hiervoor de internationaal voorgeschreven methode om Salmonella aan te tonen in dierlijk mest.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Comparability of different ELISAs on the detection of Salmonella spp. antibodies in meat juice and serum | RIVM

De Europese Commissie heeft laten onderzoeken of snellere methoden om een Salmonella besmetting bij slachtvarkens op te sporen, geschikt zijn. Dit blijkt niet het geval. Normaal gesproken worden de Salmonella bacterieen met een voorgeschreven kweekmethode uit de lymfeklieren van varkens geisoleerd. De alternatieve methoden analyseren de aanwezigheid van antilichamen tegen Salmonella in het vocht van ontdooid vlees (vleesdrip) of het bloed (serum) van varkens. Het Communautair Referentie Laboratorium voor Salmonella (CRL-Salmonella), gevestigd op het RIVM, heeft in samenwerking met de Gezondheidsdienst voor Dieren (GD, Deventer) de kwaliteit van deze methoden getest. De studie vond plaats tussen oktober 2006 en oktober 2007 in opdracht van de Europese Unie. Het onderzoek bestond uit twee onderdelen. Bij het eerste onderdeel stuurden tien lidstaten zestig vleesdripmonsters naar het CRL. De lidstaten hadden deze monsters met hun eigen methode onderzocht. Voor het CRL onderzocht de GD al deze vleesdripmonsters met een methode. Negen van de tien lidstaten vonden andere resultaten dat de GD. De methoden van de lidstaten zijn daardoor niet vergelijkbaar om vleesdrip te testen. Bij het tweede onderdeel kregen de lidstaten serummonsters van varkens met en zonder Salmonella-infectie toegestuurd. Deze monsters werden getest op de aanwezigheid van antilichamen tegen Salmonella. Alle lidstaten hebben goede resultaten behaald. In theorie zou deze methode dus gebruikt kunnen worden, maar voor het afnemen van bloed bij varkens tijdens de slachtfase en het opwerken van het bloed is specifieke kennis nodig die niet in alle slachthuizen aanwezig is.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Een inventarisatie van laboratoriumdiagnostiek van volksgezondheidsrelevante micro-organismen. Update 2007 | RIVM

Het RIVM heeft voor de tweede keer de methoden in kaart gebracht die door de laboratoria in Nederland worden gebruikt om infectieziekten aan te tonen. Deze informatie is van belang om infectieziekten te kunnen bestrijden. Betrokken partijen weten dan wie wat waar doet. De eerste inventarisatie, onofficieel de 'pathogenennota' genoemd, werd uitgevoerd in 1998, destijds voor 104 geselecteerde ziekteverwekkende micro-organismen (pathogenen) die relevant zijn voor de openbare gezondheidszorg. Voor 2007 is het aantal opgenomen micro-organismen gestegen tot 143 (57 bacterien, het SARS-virus, het influenzavirus H5N1 en doordat maatschappelijke veranderingen hebben plaatsgevonden, zoals dreiging van bioterrorisme. Voor het onderzoek in 2007 zijn in eerste instantie 260 laboratoria aangeschreven, zowel medisch-microbiologische als andere laboratoria. Zij kregen eerst een enquete toegestuurd om globaal een beeld te geven van wat ze doen. Vervolgens is aan de laboratoria die bereid waren verder mee te werken, gevraagd welke diagnostiek ze uitvoeren voor welke micro-organismen. Door het hoge aantal deelnemers, vooral onder de medisch-microbiologische laboratoria (95 procent), kan de uitkomst als representatief worden beschouwd. Voor 25 virussen en 2 bacterien wordt in slechts vijf of minder laboratoria diagnostiek verricht. Voor twee virussen (Bornavirus en Machupo-virus, CDC Bioterrorism class A) wordt in Nederland geen diagnostiek uitgevoerd. Deze nieuwe 'pathogenennota' verschijnt in papieren versie en is op internet beschikbaar. De tabellen met informatie over de beschikbare diagnostiek zijn gesorteerd op micro-organisme en laboratorium. Vanwege de grote omvang van de tabellen zijn ze op CD-rom aan het rapport toegevoegd.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

JGZ-richtlijn Vroegsignalering van psychosociale problemen | RIVM

Een aanzienlijk deel van de Nederlandse jeugd heeft te kampen met psychosociale problemen. Onder 0-12 jarigen is dat bij 11% tot 28% in meer of mindere mate het geval. In dit kader heeft het programmaministerie voor Jeugd en Gezin het RIVM/Centrum Jeugdgezondheid de opdracht gegegeven een JGZ-richtlijn 'Vroegsignalering van psychosociale problemen' te ontwikkelen. De jeugdgezondheidszorg (JGZ) speelt een belangrijke rol in het vroegtijdig signaleren van psychosociale problemen, omdat zij in principe alle jeugdigen in de leeftijd van 0-19 jaar ziet. Doel van deze richtlijn is dan ook om de professionals in de JGZ handvatten te bieden bij het voorkomen en herkennen van psychosociale problemen, evenals het beperken van mogelijke schade. De richtlijn geeft geen vastomlijnd antwoord op de vraag hoe de JGZ om dient te gaan met de signalering van psychosociale problemen. De reden is dat nog maar een klein deel van de bestaande signaleringsinstrumenten die binnen de JGZ kunnen worden gebruikt is gevalideerd voor de Nederlandse situatie. Wel is aangetoond dat het gebruik van instrumenten de signalering van kinderen met psychosociale problemen aanzienlijk verbetert. Het advies aan de JGZ is daarom in ieder geval een instrument te gebruiken bij de signalering van psychosociale problemen. In de richtlijn worden per leeftijdsgroep iin of meerdere instrumenten aangegeven, die gebruikt kunnen worden totdat meer onderzoeksresultaten bekend zijn. De richtlijn zal dan worden aangepast. De richtlijn is goedgekeurd door het RIVM/Centrum Jeugdgezondheid op advies van de Richtlijn Advies Commissie (RAC). Deze commissie is de opvolger van de Jeugdgezondheidszorg Adviesraad Standaarden (JAS) en van het Samenwerkingsverband Implementatie (SI). De standaarden in de JGZ worden nu richtlijnen genoemd.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

JGZ-richtlijn Vroegsignalering van psychosociale problemen | RIVM

Een aanzienlijk deel van de Nederlandse jeugd heeft te kampen met psychosociale problemen. Onder 0-12 jarigen is dat bij 11% tot 28% in meer of mindere mate het geval. In dit kader heeft het programmaministerie voor Jeugd en Gezin het RIVM/Centrum Jeugdgezondheid de opdracht gegegeven een JGZ-richtlijn 'Vroegsignalering van psychosociale problemen' te ontwikkelen. De jeugdgezondheidszorg (JGZ) speelt een belangrijke rol in het vroegtijdig signaleren van psychosociale problemen, omdat zij in principe alle jeugdigen in de leeftijd van 0-19 jaar ziet. Doel van deze richtlijn is dan ook om de professionals in de JGZ handvatten te bieden bij het voorkomen en herkennen van psychosociale problemen, evenals het beperken van mogelijke schade. De richtlijn geeft geen vastomlijnd antwoord op de vraag hoe de JGZ om dient te gaan met de signalering van psychosociale problemen. De reden is dat nog maar een klein deel van de bestaande signaleringsinstrumenten die binnen de JGZ kunnen worden gebruikt is gevalideerd voor de Nederlandse situatie. Wel is aangetoond dat het gebruik van instrumenten de signalering van kinderen met psychosociale problemen aanzienlijk verbetert. Het advies aan de JGZ is daarom in ieder geval een instrument te gebruiken bij de signalering van psychosociale problemen. In de richtlijn worden per leeftijdsgroep iin of meerdere instrumenten aangegeven, die gebruikt kunnen worden totdat meer onderzoeksresultaten bekend zijn. De richtlijn zal dan worden aangepast. De richtlijn is goedgekeurd door het RIVM/Centrum Jeugdgezondheid op advies van de Richtlijn Advies Commissie (RAC). Deze commissie is de opvolger van de Jeugdgezondheidszorg Adviesraad Standaarden (JAS) en van het Samenwerkingsverband Implementatie (SI). De standaarden in de JGZ worden nu richtlijnen genoemd.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Toetsdiepte voor nitraat. Synthese onderzoek 2008 | RIVM

Nitraat wordt zowel bij natte, matig natte als droge zandgronden in de bovenste 5 meter van het grondwater afgebroken. De nitraatconcentratie neemt naar verwachting echter alleen af met de diepte als het bemestingsniveau door de jaren heen stabiel is. De tijdsperiode waarbinnen een stabiel niveau wordt gerealiseerd is afhankelijk van het gevoerde mestbeleid. Op dit moment is nog geen sprake van een stabiele situatie. In de bovenste 5 meter neemt nitraatconcentratie nu alleen bij natte en matig natte zandsoorten af met de diepte. Bij droge zandgronden neemt in de huidige situatie de concentratie nog toe met de diepte. Dit blijkt uit onderzoek van Alterra, Deltares en het RIVM. Bekend is dat nitraat in zandgrond wordt afgebroken. Bovendien verplaatst het zich via het ondiepe grondwater naar het oppervlaktewater. De lokale verschillen in deze mechanismen zijn echter groot. Hierdoor is het onmogelijk te kwantificeren door welk mechanisme nitraat met de diepte afneemt. Duidelijk is wel dat meer nitraat in het bovenste grondwater een hogere stikstofbelasting van het oppervlaktewater veroorzaakt. De Nitraatrichtlijn geeft niet aan op welke diepte de nitraatdoelstelling van 50 mg/l in het grondwater moet worden gehaald (toetsdiepte). Momenteel gebeurt dat in de bovenste meter van het grondwater. Er bestaat een Europese conceptdocument dat evenwel ruimte biedt een toetsdiepte binnen de bovenste 5 meter van het grondwater aan te houden. Een lagere toetsdiepte is een mogelijkheid voor Nederland om te voldoen aan de grondwaterdoelstelling van de Nitraatrichtlijn zonder de normen voor mestgebruik vergaand aan te scherpen. Voor een verantwoorde aanpassing van de toetsdiepte moet duidelijk zijn of de nitraatconcentratie in de bovenste 5 meter met de diepte afneemt. Daarnaast moet duidelijk zijn of deze aanpassing de problemen niet afwentelt op het oppervlaktewater. De Nitraatrichtlijn bevat ook doelstellingen voor de kwaliteit van het oppervlaktewater.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

Health impact assessment of policy measures for chemicals in non-food consumer products | RIVM

Beleidsmaatregelen op chemische stoffen in consumentenproducten leiden tot minder blootstelling aan deze stoffen bij mensen. Maar in hoeverre zijn deze maatregelen effectief om gezondheidseffecten te verminderen? Voor het eerst is van negen stoffen in consumentenproducten berekend hoe groot de gevolgen zijn voor de gezondheid. Inderdaad mag voor de meeste van deze stoffen worden verwacht dat minder Nederlanders negatieve gezondheidseffecten zullen ondervinden. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM en TNO Kwaliteit van Leven, in opdracht van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). De gezondheidswinst is uitgedrukt in 'Disability Adjusted Life Years' (DALY's). Het aantal DALY's is het aantal gezonde levensjaren dat een bevolking verliest als gevolg van ziekte of vroegtijdig overlijden. Het onderzoek heeft ook duidelijk gemaakt dat het niet zonder meer mogelijk is gezondheidseffecten voor de bevolking te berekenen, ondanks uitgebreide kennis en ervaring met de risicobeoordeling van stoffen. Bepaalde schadelijke effecten die in proefdieren zijn waargenomen, zijn zeer geschikt voor risicobeoordeling en normstelling, maar zijn niet direct te vertalen naar 'ziekte' bij mensen. Ook het tijdstip waarop een 'ziekte' zich manifesteert is moeilijk vast te stellen. Soortgelijke berekeningen zouden vooral gebruikt moeten worden om prioriteiten bij maatregelen te stellen: onderscheid wordt gemaakt tussen beleidsmaatregelen die erg weinig en die veel gezondheidswinst opleveren. Behalve DALY's zijn andere aspecten van belang voor het beleid, zoals de afname van de blootstelling aan de stof, het aantal betrokken consumenten, maatschappelijke consequenties en de perceptie van het risico bij de consument.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1

The EMF Directive and protection of MRI workers. Possible solutions | RIVM

Tijdens een MRI-scan wordt ziekenhuispersoneel soms aan sterkere elektromagnetische velden blootgesteld dan volgens de Europese richtlijn voor werknemers is toegestaan. Dit is vooral het geval als personeel tijdens een scan dicht bij een patient moet staan. Door het toepassen van de nieuwste wetenschappelijke inzichten en door extra veiligheidsmaatregelen zijn er mogelijkheden om de blootstellingslimieten in de richtlijn deels te verhogen. Deze versoepeling kan op twee manieren worden toegepast. De eerste is om de blootstellingslimieten deels te verhogen voor alle werknemers in de Europese Unie die aan elektromagnetische velden blootgesteld kunnen worden. De tweede is om deze limieten alleen te verhogen voor bepaalde groepen zoals ziekenhuispersoneel en onderzoekers, of voor bepaalde medische handelingen. De Europese richtlijn moet in 2012 in de nationale wetgeving zijn opgenomen. Zonder deze aanpassingen mogen bepaalde MRI-procedures niet meer worden uitgevoerd. Dit blijkt uit onderzoek dat het RIVM uitvoerde in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Apparatuur voor MRI (magnetic resonance imaging) produceert drie soorten elektromagnetische velden: een statisch magneetveld, een laagfrequent elektromagnetisch veld en een radiofrequent elektromagnetisch veld. Uit literatuuronderzoek blijkt dat de sterkte van het statische en laagfrequente veld groter kan zijn dan de blootstellingslimieten in de richtlijn voor werknemers. De alternatieve strategieen zijn mogelijk omdat de limieten een veiligheidsmarge hebben en extra veiligheidsmaatregelen aan de orde zijn. De voorgestelde versoepeling, in combinatie met extra veiligheidsmaatregelen, ligt binnen deze marge en voorkomt tintelingen en zenuwpijn. Door de extra veiligheidsmaatregelen kunnen werknemers hun taken blijven uitvoeren terwijl ze voldoende beschermd zijn. De specifieke groepen werknemers en limieten kunnen ofwel in de richtlijn worden beschreven, ofwel per bedrijfssector worden overeengekomen tussen de werkgevers- en werknemersorganisaties.
Jaar: 2009 Onderzoek Documenten: 1