Naar inhoud
Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu

Bioaccumulation of polycyclic aromatic hydrocarbons in aquatic organisms | RIVM

Jaar: 2010 Documenten: 1
Het RIVM heeft beschikbare gegevens over ophopingen van polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK's) in waterorganismen geevalueerd. Naar aanleiding hiervan is de indeling van deze stoffen voor regelgeving aangepast. Fenantreen en fluoranteen worden nu niet meer als 'zeer bioaccumulerend' beschouwd in vis, maar als 'bioaccumulerend'. De mate waarin stoffen in organismen ophopen (bioaccumulatie) is een belangrijk criterium voor regelgeving. Het is een indicatie dat hoger in de voedselketen hogere concentraties van de stof worden aangetroffen die schadelijk kunnen zijn. Gegevens van individuele PAK's, waaronder bioaccumulatiegegevens, worden gebruikt voor de risicobeoordeling van stoffen(mengsels) waarin PAK's een belangrijk bestanddeel zijn, zoals bijvoorbeeld olie en olieachtige stoffen. Als maat voor de ophoping wordt de bioconcentratiefactor (BCF) van een stof gebruikt. Dat is de ratio tussen de snelheid waarmee het organisme de stof vanuit water opneemt en de snelheid waarmee het naar water wordt uitgescheiden. Op grond hiervan worden stoffen in de Europese REACH-regelgeving ingedeeld in drie categorieen: niet bioaccumulerend (de BCF is kleiner dan 2000), bioaccumulerend (de BCF ligt tussen 2000 en 5000) en zeer bioaccumulerend (de BCF is hoger dan 5000). Vissen zijn in staat om PAK's om te zetten in stoffen die beter in water oplosbaar zijn waardoor ze makkelijker kunnen worden uitgescheiden. Hierdoor worden in vissen vaak lagere BCF-waarden gemeten. Mosselen en andere ongewervelden kunnen PAK's veel minder goed omzetten waardoor PAK's in deze organismen meer ophopen.