Naar inhoud

Onderzoeken Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2010

Zoek binnen deze data in WooGLe

Comparing the BAMA indoor air and ConsExpo inhalation models | RIVM

Voor chemische stoffen die onder REACh gereguleerd worden en die bedoeld zijn om in consumentenproducten gebruikt te worden, vereist REACh een z.g. 'Chemical Safety Assessment (CSA)'. In een dergelijke CSA moet gedemonstreerd worden dat het gebruik van de stof in een consumentenproduct veilig is. Bij gebrek aan blootstellingsgegevens kan bij het maken van een CSA gebruik gemaakt worden van blootstellingmodellering. Er bestaan verschillende modellen voor de schatting van de blootstelling van consumenten aan chemische stoffen. Voor stoffen uit consumentenproducten in spuitbussen m.n. zijn er twee modellen die waarschijnlijk veelvudig gebruikt zullen worden bij de ontwikkeling van CSAs. Dit zijn het 'Indoor Air' model van de 'British Aerosol Manufacturers Association (BAMA)' en het spuitbus model uit het ConsExpo programma dat is ontwikkeld door het RIVM. Voor een beoordeling van de kwaliteit van een CSA, zoals die door de industrie worden gemaakt, is het belangrijk goed inzicht te krijgen in de verschillen en overeenkomsten tussen verschillende methodes en modellen die in de praktijk gebruikt kunnen worden. In dit rapport worden de BAMA en het ConsExpo programma met elkaar vergeleken, In het rapport worden de aannames en modelstructuur van beide modellen beschreven. De verschillen tussen beide modellen worden aan de hand van simulaties geïllustreerd. Het BAMA model is op meer versimpelende aannames gebaseerd dan het ConsExpo spuitmodel. Deze vereenvoudigingen zijn met name van belang als het model gebruikt wordt voor het schatten van de blootstelling aan niet-vluchtige stoffen in spuitbussen die vrijkomen als aerosoldeeltjes. Voor dit type stoffen geeft het BAMA model hogere schattingen dan het ConsExpo spuitmodel. Het is de verwachting dat de BAMA schattingen in de meeste van deze gevallen onrealistisch hoog zijn. Het model is slechts geschikt voor een ruwe schatting van de mogelijke blootstelling aan deze stoffen. Een andere beperking van het BAMA model is de aanname dat het gespoten materiaal onmiddellijk vrijkomt. Deze aanname beperkt de toepasbaarheid van het BAMA model bij het schatten van kortdurige (acute) blootstellingen. Het is aan te nemen dat het BAMA model alleen geschikt is voor het schatten van langer durende blootstellingen.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Gehalten van gebromeerde vlamvertragers (PBDE's) in mengmonsters van Nederlandse voedingsmiddelen | RIVM

In Nederland wordt de blootstelling aan PolyBroom DifenylEthers (PBDE's) uit voeding berekend door metingen te combineren met voedselconsumptiegegevens (de Mul et al., 2005; Winter-Sorkina et al., 2006; Bakker et al., 2008). Daartoe zijn in 2006 voedingsmiddelen als vis, zuivel, groenten, etc. verzameld en op PBDE's onderzocht. Vraag hierbij was of de toegepaste analytisch-chemische methode, die eigenlijk voor 24-uurs duplicaat voeding ontwikkeld is (Zeilmaker et al., 2008), ook op deze specifieke voedingsmiddelen toegepast kan worden. Deze rapportage beschrijft de toepassing van de meetmethode voor PBDE's in 24-uurs duplicaatvoeding op (meng)monsters van specifieke voedingsmiddelen anno 2006. Voor de volledigheid zijn de gehalten zoals die in 2003/2004 in vergelijkbare mengmonsters gemeten zijn (de Mul et al., 2005) als aparte bijlage in deze rapportage opgenomen.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Steekproef vergelijking van de massa's van wijnflessen en cornflakesdozen | RIVM

Om een beeld te krijgen van het gebruik van hoeveelheden verpakkingsmateriaal heeft het RIVM in een steekproef de gewichten van verschillende wijnflessen en cornflakesdozen vergeleken. De VROM-Inspectie wil hiermee zicht krijgen op de prestaties van producenten en importeurs met betrekking tot het preventief verminderen van de hoeveelheid verpakkingsmaterialen. De wijnflessen en cornflakesdozen zijn in enkele supermarkten aangekocht. Het RIVM karakteriseert deze vergelijking als een steekproef omdat de monstername niet representatief is gebeurd.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Analyse kader projectsubsidies 'Verbetering (voorlichting) seksuele gezondheid Nieuwe Nederlanders 2009' | RIVM

In de eerste helft van 2010 is onderzocht of de bij de projectsubsidie verstrekte kaders voor de projectsubsidie 'Verbetering (voorlichting) seksuele gezondheid Nieuwe Nederlanders 2009-2011' voldoen in de ogen van betrokken partijen en hoe die bij een volgend projectsubsidietraject verbeterd zouden kunnen worden. Hiervoor werd het draagvlak van vooraf beschikbaar gestelde kaders in semigestructureerde interviews gepeild onder stakeholders: subsidieaanvragers en betrokken (adviserende) gezondheidsbevorderende instituten. Daarbij is ook gekeken naar de bruikbaarheid van de kaders voor een (tussentijdse) evaluatie van de projecten. Stakeholders vonden dat bij het verbeteren van subsidiekaders onderscheid gemaakt moet worden tussen harde criteria en punten waarop een project beoordeeld zal worden. Naar aanleiding van de aanbevelingen zijn de kaders opnieuw geformuleerd. Daarnaast is het de wens van stakeholders om projectvoorstellen in de toekomst door middel van een checklist te op te kunnen zetten en te laten beoordelen.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

De nationale Werkgroep Grondwater 2009. En een vooruitblik naar 2010 | RIVM

De nationale Werkgroep Grondwater gaat in 2010 meer verbanden leggen tussen beleidsvelden waarin kennis- of beleidsvragen over grondwater spelen. De werkgroep richt zich sinds 2003 op een goede implementatie van het grondwatergedeelte van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW). In 2010 wil zij zich meer dan voorheen gaan richten op relaties tussen de KRW-implementatie en ontwikkelingen in beleidsvelden zoals Natura2000, het Deltaplan en het Convenant Bodem. Hierbij spelen niet alleen kennisvragen maar juist ook beleidsvragen en vragen van meer strategische aard. Dit briefrapport geeft een overzicht van de werkzaamheden van de nationale Werkgroep Grondwater in 2009 en biedt een vooruitblik van haar werkzaamheden in 2010 en verder. In deze werkgroep werken de ministeries, provincies, waterschappen, gemeente en onderzoeksinstituten samen aan de implementatie van het grondwatergedeelte van de Kaderrichtlijn Water en de Grondwater Dochterrichtlijn. Dit overzicht kan dienen als naslagwerk voor diegenen die in 2009 betrokken zijn geweest bij de Werkgroep Grondwater en als introductie voor diegenen die in 2010 aan de slag gaan met activiteiten die aan de onderwerpen van de werkgroep raken.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Strategic Research RIVM : Annual report 2009 | RIVM

Dit rapport brengt verslag uit van het Strategisch Onderzoek RIVM (SOR) in 2009, het eigen onderzoeksbudget van het RIVM. Dit is het derde jaar van de vierjaarlijkse cyclus van SOR-onderzoek, die in 2007 is gestart. Het SOR-budget is bedoeld voor onderzoek om het RIVM te voorzien van de expertise en kwaliteit, zodat het nu en in de toekomst de taken voor de opdrachtgevers adequaat kan uitvoeren. In 2009 is ongeveer 12,9 miljoen euro aan SOR besteed. Het rapport geeft een indicatie van de wetenschappelijke en maatschappelijke impact van het SOR-onderzoek in het verslagjaar. De uitvoering van de meeste projecten is vanaf 2008 goed op stoom gekomen, wat in 2009 tot een toegenomen wetenschappelijke output heeft geleid, waaronder een groot aantal publicaties. Ten opzichte van wetenschappelijke referentietijdschriften is bij 3 van de 6 speerpunten (ERF, CIL en EQH) meer dan gemiddeld goed gescoord. Er zijn in 2009 115 publicaties verschenen in peer-reviewed tijdschriften. Daarnaast zijn er nog 70 artikelen voor publicatie ingediend. Bij twee derde van de verschenen publicaties is een medewerker van het RIVM eerste, tweede of laatste auteur. Er is ook een groot aantal andere producten opgeleverd, te weten 31 (brief)rapporten, 126 lezingen op internationale congressen, 10 websites, 25 databases en 26 instrumentaria zoals modellen. De maatschappelijke impact van de SOR-ondezoeken wordt gebaseerd op de mate waarin de onderzoeken scoren op een aantal indicatoren die de komende jaren worden gevolgd. De index voor 2009 is hoger dan in 2008, onder meer als gevolg van een groeiend aantal ervolgopdrachten en het gebruik van de resultaten in beleid of richtlijnen. Ook wordt er meer samengewerkt met externe onderzoeksinstituten.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Fijn stof van antropogene bronnen : Een literatuurstudie naar samenstelling en verspreiding | RIVM

Het merendeel van de concentratie fijn stof in de lucht is afkomstig van menselijk handelen, zoals wegverkeer, zeeschepen en veehouderij. Uit verkennend literatuuronderzoek van het RIVM blijkt dat de bijdrage van deze zogeheten antropogene bronnen aan de fijnstofconcentratie in de omgeving grofweg tot maximaal enkele kilometers is te identificeren. Het onderzoek is uitgevoerd op verzoek van de GGD'en, omdat de gegevens over de bijdrage van antropogene bronnen aan de lokale fijnstofconcentratie schaars zijn. De GGD'en kunnen de kennis als achtergrondinformatie gebruiken voor hun adviestaak aan burgers en beleidsmakers. Daarnaast blijkt dat de samenstelling en deeltjesgrootte per bron verschillen, waardoor ook de mate waarin een eventuele blootstelling schadelijk is voor de gezondheid varieert. Hierdoor is het niet mogelijk de gezondheidseffecten van fijn stof die in stedelijke omgevingen zijn aangetoond (met verkeer als belangrijke bron) te vertalen naar effecten van het fijn stof van de onderzochte bronnen. Wel kan worden gesteld dat kleinere deeltjes, deeltjes afkomstig van verbrandingsprocessen en deeltjes met metalen die in water oplosbaar zijn het meest schadelijk zijn. Het RIVM heeft de volgende bronnen onderzocht: scheepvaart, voedingsmiddelenindustrie (diervoeder en meel), op- en overslagbedrijven, intensieve veehouderij, metaalindustrie, raffinaderijen en bouwplaatsen. Deze bronnen zijn geselecteerd vanwege hun relatief grote bijdrage aan de totale fijnstofemissie in Nederland en vanwege de vele vragen die hierover worden gesteld aan GGD'en.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Second Opinion Geluid JSF | RIVM

Binnen de huidige geluidszone van de luchtmachtbasis Leeuwarden is het stationeren van de JSF redelijkerwijs mogelijk, op grond van de huidige inzichten. Er blijft nog wel onzekerheid over de precieze geluidbelasting. Een goed geluidmeetprogramma zal in de praktijk meer duidelijkheid kunnen bieden en kan het vliegen binnen de geluidszone waarborgen. Dat is de belangrijkste conclusie van de second opinion over onderzoek van het Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium (NLR). De second opinion is uitgevoerd door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) in opdracht van de provincie Fryslân en het ministerie van Defensie. Het RIVM heeft verhelderd dat de geluidsmetingen aan de JSF bij de luchthaven Edwards (VS, 2008) tot nu toe de best beschikbare geluidsmetingen zijn. Andere betrouwbare metingen zijn er wereldwijd niet. De berekeningen over hoe goed de JSF binnen de geluidszone past, zijn door het NLR goed uitgevoerd. Bij analyse van de geluidmetingen bij Edwards zijn er echter nog enkele onzekerheden. Het weer bij die metingen was namelijk heel anders dan gemiddeld in Nederland. Dit bemoeilijkt de precieze vertaling van die metingen naar de Nederlandse situatie. Meer zekerheid kan worden bereikt met aanvullende metingen. Dat is - zeker op korte termijn - echter moeilijk te realiseren. Het is beter om in de praktijk bij de vliegbasis Leeuwarden de geluidbelasting te bewaken met een goed geluidmeetprogramma.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

EU Interlaboratory comparison study veterinary XIII (2010) : Detection of Salmonella in chicken faeces | RIVM

In 2010 waren 31 van de 33 Nationale Referentie Laboratoria (NRL's) in de Europese Unie in staat om hoge en lage concentraties Salmonella in kippenmest aan te tonen. Ze behaalden hiermee een goed resultaat. Twee laboratoria werden beoordeeld met een matig resultaat. Een van deze NRL's had moeite de lage concentraties Salmonella in kippenmest aan te tonen (een gevoeligheidsprobleem). Het andere NRL had problemen het voorgeschreven protocol te volgen, wat deze keer met behulp van een extra controle werd getoetst. Dit blijkt uit het dertiende veterinair ringonderzoek dat het Communautair Referentie Laboratorium (CRL) voor Salmonella in maart 2010 heeft georganiseerd. Deelname aan dit onderzoek is verplicht voor alle NRL's van de Europese lidstaten die verantwoordelijk zijn voor de detectie van Salmonella. Het CRL-Salmonella is gevestigd bij het Nederlandse Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). Tijdens de studie wordt de internationaal voorgeschreven methode gebruikt om Salmonella aan te tonen in dierlijk mest. Deze methode toonde in meer dan 97 procent van de monsters Salmonella aan. De laboratoria moesten de studie volgens voorschrift uitvoeren. Elk laboratorium kreeg een pakket toegestuurd met kippenmest (vrij van Salmonella) en 35 gelatine capsules met melkpoeder dat verschillende besmettingsniveaus van Salmonella bevatte. De laboratoria dienden de kippenmest en capsules samen te voegen en vervolgens te onderzoeken of er Salmonella aanwezig was. De extra controle was ingelast om te toetsen of de deelnemende laboratoria daadwerkelijk de kippenmest hadden toegevoegd aan de capsules, wat het protocol voorschrijft. Hiervoor werd een partij kippenmest gemengd met een antibioticum waarvoor de Salmonella die in dit ringonderzoek werden gebruikt, gevoelig zijn. Met als resultaat dat in deze monsters de Salmonella juist niet moest worden aangetroffen.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Het uitruilbeginsel bij hoogspanningslijnen : Een verkenning | RIVM

Een geografisch informatiesysteem (GIS) helpt bij het opstellen van een lijst met delen van bovengrondse hoogspanningslijnen die volgens het rijksbeleid het eerst in aanmerking komen om ondergronds te brengen. Dit blijkt uit verkennend onderzoek van het RIVM in opdracht van het ministerie van VROM. De minister van EZ heeft namelijk bepaald dat het aantal kilometers bovengrondse hoogspanningslijn niet mag toenemen. Voor elk deel van een nieuwe, bovengrondse hoogspanningslijn met spanning van 220 kV of hoger moeten daarom delen van bestaande hoogspanningslijnen van 150 kV of 110 kV, met dezelfde lengte, ondergronds worden gebracht. Dit zogeheten uitruilbeginsel wordt alleen toegepast als de nieuwe bovengrondse hoogspanningslijn niet met een bestaande hoogspanningslijn kan worden samengevoegd. Met het binnen RIVM ontwikkelde GIS voor hoogspanningslijnen is inzichtelijk gemaakt hoe en waar een hoogspanningslijn op het ruimtelijke beleid van de overheid ingrijpt. Dat is gebeurd door te bepalen hoeveel woningen of scholen er dicht bij een hoogspanningslijn liggen en door te berekenen over welke lengte een hoogspanningslijn een Unesco Werelderfgoedgebied, een beschermd natuurgebied, een Nationaal Landschap of een Rijksbufferzone doorsnijdt. De resultaten van die GIS analyse kunnen de basis vormen voor nog te maken beleidsafwegingen. De onderlinge weging van de verschillende beleidscategorieën (wonen, natuur, open ruimte, verstedelijking) die daarvoor nodig is,blijft een verantwoordelijkheid van de betrokken ministers. De GIS-analyse kan op enkele punten worden geoptimaliseerd. Het gaat dan vooral om een betere functionele eenheid voor het hoogspanningsnet, een betere definitie van de zones die om het hoogspanningsnet worden gelegd en een betere kwaliteit en actualiteit van de ruimtelijke bronbestanden.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Emerging pathogenen in oppervlaktewater | RIVM

In grote Nederlandse rivieren zijn twee virussen en een bacteriesoort aangetroffen die schadelijk kunnen zijn voor de gezondheid van de mens. Het betreft het hepatitis E virus (HEV), het humaan parechovirus (HPeV) en de methicilline-resistente Staphylococcus aureus (MRSA) bacterie. Dit blijkt uit verkennend onderzoek van het RIVM. Deze ziekteverwekkende micro-organismen worden 'emerging' pathogenen genoemd. Het gaat daarbij om nieuwe ziekteverwekkers (MRSA) en ziekteverwekkers waarvan het bestaan pas relatief kort bekend is (HEV en HPeV). De aanwezigheid van emerging pathogenen in oppervlaktewater kan schadelijk zijn als mensen aan dit water worden blootgesteld, bijvoorbeeld door recreatie. Om in te kunnen schatten in welke mate dit schadelijk is, is onderzoek nodig naar deze pathogenen op dergelijke recreatielocaties. Het RIVM heeft het onderzoek in samenwerking met Rijkswaterstaat Waterdienst uitgevoerd voor het VROM-Inspectie-project 'Emerging substances and pathogens'. Hiervoor zijn van mei 2008 tot en met mei 2009 drie meetlocaties onderzocht, te weten de Rijn bij Lobith, de Maas bij Eijsden en de Nieuwe Maas bij Brienenoord. In deze wateren is elke vier weken gekeken of HPeV, HEV en MRSA aanwezig waren. HEV en HPeV zijn in de Maas, de Rijn, en de Nieuwe Maas aangetroffen. Beide virussen zijn vooral in de Maas en het minst vaak in de Nieuwe Maas gevonden. HPeV werd vaker gevonden dan HEV. MRSA is in de Maas en de Rijn maar niet in de Nieuwe Maas gevonden.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Antibioticaresistente bacterien in Nederlands oppervlaktewater in veeteeltrijk gebied | RIVM

In oppervlaktewater en slib in veeteeltrijk gebied komen hoge percentages bacterien voor die resistent zijn tegen een of meerdere antibiotica. Dit blijkt uit verkennend onderzoek van het RIVM. De herkomst van deze bacterien in het onderzochte gebied is in deze studie niet onderzocht. Wel zijn er aanwijzingen dat ten minste een deel van de bacterien afkomstig is uit mest van nabijgelegen veeteeltbedrijven. Onderzoek naar de mate waarin antibioticumresistente bacterien in oppervlaktewater voorkomen is van belang om te kunnen inschatten in hoeverre mensen via het milieu worden blootgesteld aan deze bacterien. Er zijn meerdere oorzaken waardoor antibioticaresistente bacterien in oppervlaktewater terechtkomen. Bijvoorbeeld doordat mest van dieren die met antibiotica zijn behandeld, afspoelt naar het oppervlaktewater. Een andere oorzaak kan zijn dat gedeeltelijk gezuiverd of ongezuiverd afvalwater in oppervlaktewater wordt geloosd, bijvoorbeeld door ziekenhuizen waar mensen zijn behandeld met antibiotica. Als mensen met verontreinigd oppervlaktewater in aanraking komen, zoals tijdens recreatie, kunnen zij worden blootgesteld aan bacterien die resistent zijn tegen een of meerdere antibiotica. Dit brengt mogelijk volksgezondheidrisico's met zich mee omdat deze antibiotica belangrijk kunnen zijn om infecties te behandelen. De risico's kunnen zich op twee manieren manifesteren. Mensen die aan antibioticaresistente bacterien worden blootgesteld, kunnen zelf het risico lopen ziek te worden van deze - moeilijker te bestrijden - bacterien. Daarnaast is het mogelijk dat mensen zelf niet ziek worden van de resistente bacterien maar ze overdragen aan mensen met verminderde weerstand, zoals ziekenhuispatienten. Deze categorie mensen kan hier vervolgens wel ziek van worden.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Toxic pressure in the Dutch delta measured with bioassays : Trends over the years 2000 - 2009 | RIVM

Van 2000 tot en met 2009 zijn met behulp van een additionele methode, zogeheten bioassays, de effecten van giftige stoffen op het ecosysteem in Nederlands oppervlaktewater gemeten (toxische druk). Deze methode geeft meer informatie over de effecten van onbekende chemische stoffen in water dan de traditionele chemische technieken. Deze meten namelijk slechts een klein deel van het grote aantal chemicaliën dat in oppervlaktewater zit. Bovendien geven ze geen inzicht in het eventuele versterkende effect dat meerdere stoffen bij elkaar kunnen hebben. De bioassays bevestigen het vermoeden dat het ecosysteem in water het afgelopen decennium steeds minder door chemische stoffen is aangetast, waardoor de waterkwaliteit is verbeterd. De toxische druk in het water van de Rijn was in 2000 al gering en neemt verder af. In het water van de Maas en de Schelde was de toxische druk tien jaar geleden aanmerkelijk hoger, maar die is sindsdien flink afgenomen. Ook blijkt het oppervlaktewater in Nederland stroomafwaarts minder giftige stoffen te bevatten. Bioassays peilen de reactie van vijf levende waterorganismen op chemische stoffen in het water. Door alle gegevens van tien jaar metingen met bioassays te combineren, worden trends duidelijker zichtbaar. Bovendien zijn de resultaten nauwkeuriger, want de veelheid aan data verkleint de spreiding in de uitkomsten. De reacties van de bioassays geven inzicht in de soort chemische stof. Zo wordt duidelijk dat de Rijn voornamelijk 'niet-polaire' stoffen bevat, oftewel stoffen zonder specifieke werking en waardoor alle organismen erop reageren. In de andere rivieren zijn bestrijdingsmiddelen waarschijnlijk verantwoordelijk voor de waargenomen effecten. In 2002 bleek dat de Maas tijdens de zomer sterk verontreinigd moet zijn geweest met bekende (hoewel al meer dan tien jaar verboden) én onbekende onkruidbestrijdingsmiddelen. Dat laatste werd duidelijk door chemische metingen met bioassays te vergelijken.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Soorten en hoeveelheden zoetmakers in zoete zwakalcoholhoudende dranken | RIVM

Zoete zwak-alcoholische drankjes die in supermarkten worden verkocht bevatten veel suikers, zoals glucose, fructose en sucrose. Dit blijkt uit een onderzoek naar 65 willekeurig gekochte producten met een alcohol percentage tussen de 2,5 en 19,5 %, werd maximaal 442 g/l suiker aangetoond. In drankjes die populair zijn bij jongeren (met alcoholpercentages vaak onder de 7 %) bleek de range van de hoeveelheden suiker per liter vergelijkbaar te zijn met die van normale fruitsappen en frisdranken. Het ontwikkelen van beleidsmaatregelen voor alcoholhoudende dranken die gebaseerd zijn op alcoholpercentage in combinatie met zoetkracht (of suikergehalte) zal dus in principe invloed kunnen hebben op de verkoop en consumptie van de onderzochte producten. Alleen voor de bieren zullen additionele maatregelen op basis van zoetkracht (of suikergehalte) weinig toevoegen ten opzichte van regulering op basis van alcohol alléén. Het gebruiken van zoetkracht van dranken zal in de praktijk echter lastig kunnen zijn omdat fabrikanten ook andere toevoegingen kunnen gebruiken die de alcoholaversie verlagen. Bovendien is 'zoete smaak' soms moeilijk kwantificeerbaar in producten met meerdere smaken.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Suikers en zoetstoffen kunnen de smaakaversie tegen alcohol bij jongeren onderdrukken en consumptie bevorderen : | RIVM

De zoete smaak van sommige zwak-alcoholhoudende dranken zorgt voor smaakherkenning en waarderingsreacties in de hersenen waardoor de aversie tegen alcohol onderdrukt kan worden.. De smaaksamenstelling van deze dranken verlaagt hierdoor de drempel om sneller en meer alcohol te gaan gebruiken op jonge leeftijd. Dit komt omdat de zoete smaak door jongeren gewaardeerd wordt. Jongeren moeten meestal aan bittere smaken wennen en dat geldt zeker voor de alcoholsmaak. Bovendien wordt in populaire zoete zwak-alcoholhoudende dranken meestal gebruik gemaakt van achtergrondsmaken van frisdranken en vruchtensappen die bij jongeren bekend zijn. De waardering van de zoete smaak en de bekendheid van de achtergrondsmaak maakt het gemakkelijk om over te stappen van alcoholvrije naar alcoholhoudende dranken.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Antenne Drinkwater 2010 : Informatie en ontwikkeling | RIVM

Het RIVM heeft ontwikkelingen geinventariseerd die in de toekomst van belang kunnen zijn voor Nederlandse beleidsmakers op het gebied van drinkwater en het toezicht daarop. Opdrachtgever voor de inventarisatie is het ministerie van VROM. De doorvertaling van deze aandachtspunten naar eventueel nieuw beleid of beleidswijzigingen, is een vervolgstap die door de rijksoverheid samen met de drinkwaterbedrijven en overige betrokken stakeholders dient te worden vormgegeven. De ontwikkelingen zijn onder vier thema's gerubriceerd: microbiologie, microverontreinigingen, drinkwaterbronnen en ten slotte chemische waterkwaliteit en sensoren. Een voorbeeld van een microbiologisch aandachtspunt is de aanwezigheid van antibioticaresistente bacterien in Nederlands oppervlaktewater. Tijdens verkennend onderzoek zijn antibioticaresistente bacterien aangetoond in Rijn en Maas, alsmede enkele kleine riviertjes in veeteeltrijk gebied in Brabant. Het risico van humane blootstelling hieraan, bijvoorbeeld bij recreatie in oppervlaktewater, alsmede de bijdrage van humane gezondheidszorg en veeteelt aan de emissies hiervan, zijn niet goed bekend. Bij het thema microverontreinigingen is een aandachtspunt de aanwezigheid van nieuwe chemische stoffen (emerging contaminants) in het oppervlaktewater. Er is nog weinig inzicht in de mogelijke effecten voor de gezondheid van mens of dier, wanneer combinaties van dergelijke stoffen aanwezig zijn in het water. Een voorbeeld van een ontwikkeling bij het thema drinkwaterbronnen, is het gebruik van brak grondwater als alternatieve drinkwaterbron. Enkele proefprojecten zullen de komende jaren informatie genereren over de technische en financiele haalbaarheid van het gebruik van brak water als grondstof voor drinkwater, alsmede de beleidsontwikkeling hieromtrent. Bij het thema chemische waterkwaliteit en sensoren is het de verwachting dat over enkele jaren sensoren beschikbaar komen die kunnen worden ingezet om de drinkwaterkwaliteit continu te monitoren en afwijkingen hierin te signaleren. Het rapport bevat tevens een overzicht van de RIVM-rapporten die in 2009 en de eerste helft van 2010 zijn verschenen en relevant zijn voor de drinkwatervoorziening.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Staat van Infectieziekten in Nederland, 2009 | RIVM

In 2009 waren de meest in het oog springende infectieziekten in Nederland de uitbraken van Q-koorts en de nieuwe influenza A/H1N1. Dit blijkt uit de Staat van Infectieziekten 2009, die inzicht geeft in ontwikkelingen van infectieziekten bij de Nederlandse bevolking. Het rapport beschrijft ook de ontwikkelingen in het buitenland die voor Nederland relevant zijn. Met deze jaarlijkse uitgave informeert het RIVM beleidsmakers van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). Elk jaar komt een thema aan bod, dit jaar is dat antimicrobiele resistentie. Een van de belangrijkste conclusies is dat resistente bacteriele ziekteverwekkers in toenemende mate in Nederland worden waargenomen, vooral in ziekenhuizen. Toenemende resistentie vormt een potentieel gevaar voor de volksgezondheid, omdat het steeds moeilijker wordt om infecties te bestrijden. In Nederland is het gebruik van antimicrobiële middelen laag in de gezondheidzorg voor mensen, maar hoog in de veterinaire sector. Dit hoge antibioticagebruik brengt mogelijk risico's met zich mee voor de mens, als resistente bacterien van dier naar mens worden overgedragen. Daarnaast vormt de opkomst van bacterien die ESBL produceren en Enterobacterien die resistent zijn tegen meerdere groepen antibiotica een belangrijke bedreiging voor de patientenzorg. Tegelijkertijd zal het gebruik van antibiotica toenemen als gevolg van de vergrijzing en daarmee resistentievorming in de hand werken. Het is daarom van belang om het gebruik van antimicrobiele middelen ook in de toekomst zo laag mogelijk te houden. Surveillance is een essentieel instrument om resistentie te signaleren en daar adequaat op te kunnen reageren.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Warmte-koude opslag en duurzaam gebruik van de ondergrond | RIVM

Warmte koude opslag (WKO) is een energie en kostenbesparende methode voor het verwarmen en koelen van gebouwen. Open WKO systemen pompen het grondwater heen en weer om het gebouw te koelen of te verwarmen. Gesloten WKO systemen gebruiken alleen de warmte van het grondwater om huizen te verwarmen of te koelen. In Nederland is er de laatste jaren een sterke en door de overheid gestimuleerde groei van het aantal WKO systemen. Gesloten WKO systemen zouden een risico kunnen vormen voor de kwaliteit van het grondwater door het groot aantal perforaties van de ondergrond en door het mogelijke lekken van koelvloeistof. Bij open WKO systemen moet voorkomen worden dat verschillende grondwaterlagen gemengd worden waardoor ongewenste geochemische en microbiologische processen optreden. In principe kan een open WKO systeem wel op een vervuilde locatie worden toegepast, maar er is specifiek maatwerk nodig om de verspreiding van de vervuiling te beperken. De bescheiden temperatuursveranderingen die door WKO systemen worden opgewekt in het grondwater vormen slechts een gering risico voor geochemische processen. Deze temperatuursveranderingen zouden in principe wel aanleiding kunnen geven tot een toename van het aantal ziektekiemen in het grondwater. Daarom is het belangrijk dat er voldoende afstand is tussen een drinkwaterwinning en de omringende WKO installaties. Verder onderzoek is nodig om vast te stellen welke invloed WKO installaties hebben op de bacteriën in het grondwater. Het opslaan van heet (90 °C) grondwater heeft een groot aantal milieubezwaren. De Europese kaderrichtlijn water ziet ook de inbreng van warmte in het grondwater als een mogelijke verontreiniging wanneer daar nadelige gevolgen voor mensen of ecosystemen aan verbonden zijn. Het toezicht van de provincies op het groeiende aantal WKO systemen in de praktijk verdient nadere aandacht.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Environmental risk limits for PFOS : A proposal for water quality standards in accordance with the Water Framework Directive | RIVM

Het RIVM heeft wetenschappelijke milieurisicogrenzen afgeleid voor perfluoroctaansulfonaat (PFOS) in zoet en zout oppervlaktewater. Gemeten concentraties in Nederland en andere Europese landen overschrijden de in dit rapport berekende waarden voor alledrie de beschermingsdoelen: de mens (rekening houdend met visconsumptie), waterorganismen en visetende vogels en zoogdieren. De overschrijding wijst op een potentieel risico voor het waterecosysteem. Het risico voor de gemiddelde consument van vis is vanwege de veiligheidsmarges gering. Bij de in dit rapport afgeleide waarden is uitgegaan van de methodiek behorend bij de Kaderrichtlijn Water. Bij verdere besluitvorming over PFOS op nationaal en Europees niveau worden deze waarden als uitgangspunt gebruikt, maar zijn ook andere aspecten en overwegingen van belang. In Nederland stelt de Stuurgroep Stoffen de uiteindelijke milieukwaliteitsnormen voor stoffen vast op basis van dit advies en andere overwegingen. De overheid gebruikt de milieukwaliteitsnormen voor de uitvoering van het nationaal stoffenbeleid. Als standaard worden het 'maximaal toelaatbaar risiconiveau' (MTR) en het daar rekenkundig mee samenhangend 'verwaarloosbaar risiconiveau' (VR) bepaald. Het MTR is het niveau waarbij geen schadelijke effecten te verwachten zijn, gebaseerd op jaargemiddelde concentraties. Het MTR wordt bepaald op basis van de drie bovengenoemde beschermingsdoelen; de laagste waarde, in dit geval de consumptie van vis door de mens, bepaalt het uiteindelijke MTR voor zoetwater (0,65 nanogram per liter). Deze waarde is gebaseerd op een consumptie van 115 gram zoetwatervis per persoon per dag. Dit is ruim hoger dan de gemiddelde visconsumptie van mensen in Nederland. PFOS wordt gebruikt in producten zoals blusschuim, schoonmaakmiddelen, lijmen en papier. De stof breekt slecht af in het milieu. PFOS hoopt zich op in organismen en is zelfs in afgelegen gebieden in zoogdieren aangetroffen. De productie en het gebruik van PFOS is recent door een aantal internationale regelingen sterk aan banden gelegd. PFOS mag alleen nog onder bepaalde voorwaarden worden toegepast in een beperkt aantal producten waarin het onmisbaar wordt geacht. Uiteindelijk wordt naar een algeheel verbod gestreefd.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Standpunt Preventie van Vrouwelijke Genitale Verminking (VGV) door de Jeugdgezondheidszorg | RIVM

Nederland beschouwt de besnijdenis van meisjes als een ernstige en onherstelbare vorm van mishandeling, een fundamentele schending van de mensenrechten en van de lichamelijke integriteit. De overheid wijst het daarom af: het is bij wet verboden en dient te worden voorkomen en bestreden. De Jeugdgezondheidszorg (JGZ) heeft een belangrijke taak om besnijdenis te voorkomen door het gesprek aan te gaan met de etnische groeperingen die deze praktijk bezigen. Dat staat in het Standpunt Preventie van Vrouwelijke Genitale Verminking (VGV) door de Jeugdgezondheidszorg. Het standpunt is ontwikkeld door het Centrum Jeugdgezondheid van het RIVM, in samenwerking met Pharos. Het standpunt is ontwikkeld op basis van experimenten in de grote steden van Nederland. GGD-en hebben samen met de etnische groepen en samenwerkingspartners een aanpak ontwikkeld om besnijdenis bespreekbaar te maken, het risico erop in te schatten, de juiste hulp aan te bieden bij een voorgenomen besnijdenis of bij problemen als het heeft plaatsgevonden. De experimenten hebben het onderwerp uit de taboesfeer gehaald en ouders aan het denken gezet over de gevolgen ervan voor hun dochter(s). JGZ vervult een belangrijke rol, omdat zij in principe in contact komt met alle meisjes vanaf hun geboorte. JGZ werkt hierbij nauw samen met samenwerkingspartners zoals zelforganisaties, verloskundigen, kraamzorg, huisartsen, gynaecologen, kinderartsen en het Advies- en Meldpunten Kindermishandeling. Het besnijden van meisjes is een eeuwenoud cultureel gebruik in Afrikaanse landen en bij bepaalde bevolkingsgroepen in het Nabije Oosten, Azië en Zuid-Amerika. Praktiserende gemeenschappen die naar het Westen zijn gemigreerd, hebben het gebruik meegenomen, zo ook naar Nederland. Meer informatie staat op meisjesbesnijdenis.nl. In Nederland wordt de term vrouwelijke genitale verminking (VGV) gebruikt om aan te geven dat het niet wordt getolereerd. Om het gesprek aan te gaan met de doelgroep gebruiken preventiewerkers in de praktijk de minder confronterende term 'meisjesbesnijdenis'.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Monitoringsrapportage NSL : Stand van zaken 2010 Nationaal Samenwerkingsprogamma Luchtkwaliteit | RIVM

Om de luchtkwaliteit in Nederland te verbeteren is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) opgezet. In dit programma werken de Rijksoverheid en decentrale overheden samen om te zorgen dat Nederland overal tijdig aan de grenswaarden voor fijnstof (2011) en stikstofdioxide (2015) zal voldoen. Om de voortgang te volgen is bij het NSL een monitoringsprogramma opgezet. Centraal onderdeel daarvan is een rekeninstrument waarvoor de overheden de brongegevens aanleveren. De daaruitvolgende rekenresultaten zijn vervolgens door het Bureau Monitoring (samenwerkingsverband RIVM en InfoMil) samengevoegd in voorliggende voortgangsrapportage. De prognoses voor 2011 en 2015 laten zien dat voor een groot deel van Nederland de resultaten onder de Europese grenswaarden voor PM10 (fijnstof) en NO2 liggen. Op een aantal plekken zijn er wel nieuwe of grotere overschrijdingen van de PM10- en NO2-grenswaarden zichtbaar. Bij de fijnstof (PM10) overschrijdingen gaat het hoofdzakelijk om locaties bij veehouderijen en een aantal industriele gebieden. Vooral nabij veehouderijen is op een aantal plekken nog sprake van grote overschrijdingen die lastig voor medio 2011 op te lossen zijn. De huidige prognose voor de concentraties stikstofdioxide in 2015 laat een minder gunstige ontwikkeling zien ten opzichte van wat is berekend in de vaststelling van het NSL. Dit komt voor een belangrijk deel door tegenvallende verkeersemissies wat heeft geleid tot een aantal nieuwe overschrijdingen. De nu in de prognoses berekende concentraties liggen op veel locaties net onder de grenswaarde. Met veel concentraties net onder de grenswaarde neemt het aantal overschrijdingen snel toe bij een tegenvaller in een van de gemaakte aannamen. In combinatie met een grote en deels onbekende onzekerheid in de rekenresultaten vormt dit een risico voor het behalen van de doelstelling van het NSL.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Leidraad risicoanalyse stralingstoepassingen | RIVM

Het RIVM heeft een leidraad ontwikkeld waarmee een risicoanalyse kan worden uitgevoerd voor het werken met ioniserende straling. Aanleiding is een signaal van de Arbeidsinspectie dat deze risicoanalyses die bij wet verplicht zijn, te weinig worden opgesteld. Dat komt doordat stralingsdeskundigen vaak niet weten hoe ze zoiets aan moeten pakken. Dit is zorgelijk, omdat de risicoanalyse ten grondslag ligt aan een goed begrip van de risico's van het werken met straling. Gebruik van de leidraad draagt bij aan een betere veiligheid van werknemers. De Nederlandse wet verplicht ondernemers om voorafgaand aan een handeling met ioniserende straling een risicoanalyse uit te laten voeren. Enkele voorbeelden van dat soort handelingen zijn de controle van lasnaden in gasleidingen met gammabronnen en het maken van een rontgenfoto door een dierenarts. De leidraad, ontwikkeld in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, is een eerste handvat waarin de belangrijkste stappen voor een risicoanalyse staan beschreven. Van de relevante branches en beroepsgroepen wordt verwacht dat deze stappen worden uitgewerkt en toegespitst op de omstandigheden van hun werkzaamheden.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Emissies en verspreiding van zware metalen | RIVM

De emissies aan cadmium, chroom, kwik, lood en zink van de Nederlandse industrie naar lucht en oppervlaktewater zijn in de afgelopen 20 jaar flink verminderd. Dit blijkt uit een onderzoek naar de industriële emissies en verspreiding van cadmium, chroom, kwik, lood en zink die het RIVM in opdracht van het ministerie van VROM heeft gemaakt. Begin jaren negentig heeft de overheid afspraken gemaakt met de industrie om de emissies van diverse stoffen te reduceren. Hoewel niet voor alle metalen de toen vastgestelde percentages van 70 tot 90% emissiereductie zijn gehaald, zijn de emissies wel aanzienlijk verminderd. Hierdoor zijn de ook de concentraties cadmium, chroom, kwik, lood en zink in lucht en regenwater in Nederland fors gedaald. De concentraties van deze metalen in de lucht liggen nu onder de milieukwaliteitsnormen. De huidige emissies en concentraties in de lucht hebben geen gevolgen voor de gezondheid van mensen. Ook de gehalten aan cadmium, chroom, kwik, lood en zink in de Nederlandse oppervlaktewateren zijn flink gedaald, maar behalve voor kwik worden de streefwaarde en milieukwaliteitsnormen op verschillende plaatsen nog overschreden. Dat wordt overigens vooral veroorzaakt door andere bronnen dan de industrie. Vanwege de Europese Kaderrichtlijn Water moeten de emissies aan zware metalen in de komende jaren verder worden teruggedrongen. Ook zijn er internationale afspraken gemaakt om de emissies van cadmium, lood en kwik naar de lucht te verminderen. Door de bouw van drie nieuwe kolengestookte energiecentrales en de mogelijke bouw van een kolenvergassingsinstallatie, zal de emissie van kwik waarschijnlijk echter toenemen.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Informatiesysteem Medische Stralingstoepassingen : Gegevens verslagjaar 2008 | RIVM

De gemiddelde stralingsdosis per inwoner als gevolg van medische diagnostiek neemt sinds 2002 toe met ongeveer 7% per jaar. In 2008 was de gemiddelde dosis per inwoner 0,81 millisievert (mSv), wat in vergelijking met andere Europese landen nog steeds laag is. Dit blijkt uit jaarlijkse inventarisaties van het aantal diagnostische verrichtingen waarbij gebruik wordt gemaakt van straling. Deze informatie is gecombineerd met gegevens over de dosis per verrichting. Voor de nucleair geneeskundige verrichtingen zijn in 2008 naast de frequenties ook vragen gesteld over de doseringen en het nuclidegebruik. Deze gegevens hebben geleid tot nieuwe dosisgegevens voor nucleaire verrichtingen Deze en andere nieuwe informatie gebaseerd op gegevens tot en met 2008 zijn te vinden in het Informatiesysteem Medische Stralingstoepassingen (IMS) van het RIVM ( www.rivm.nl/ims ). Het RIVM brengt deze gegevens bijeen en analyseert deze in opdracht van het ministerie van VWS. Het gebruik van straling bij diagnostisch onderzoek brengt een licht verhoogde kans op kanker voor de patient met zich mee. Deze kans is groter, naarmate de dosis hoger is. De informatie die via het IMS wordt verstrekt, moet ertoe bijdragen dat er bij medische diagnostiek bewuste keuzes gemaakt worden, waarbij voor- en nadelen goed zijn afgewogen. Diagnostische toepassingen van straling worden onderverdeeld in vier categorieen. Samen waren deze in 2008 verantwoordelijk voor een gemiddelde stralingsdosis per inwoner van 0,81 mSv. CT-onderzoek leverde gemiddeld 0,37 mSv, overige rontgenonderzoeken in ziekenhuizen 0,34 mSv, nucleaire geneeskunde 0,095 mSv en röntgenonderzoeken buiten het ziekenhuis (bijvoorbeeld bij tandartsen) minder dan 0,01 mSv. Medische stralingstoepassingen leveren van alle niet-natuurlijke bronnen van straling de grootste bijdrage aan de gemiddelde stralingsdosis.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Observations on the methodology for quantitative risk assessment of dermal allergens | RIVM

Mensen kunnen allergische reacties krijgen als zij door een stof worden 'gesensibiliseerd', wat betekent dat ze na een volgend contact huidklachten krijgen. De drempelwaarde voor dit effect kan tegenwoordig met behulp van een kwantitatieve methode worden bepaald. Volgens het RIVM is het nu zaak deze methode te implementeren om risico's op allergische reacties bij het gebruik van (geur)stoffen te bepalen. Om deze risico's vast te kunnen stellen is wel een heldere handleiding nodig. Dit blijkt uit literatuuronderzoek van het RIVM, dat in opdracht van VWS is uitgevoerd. Het onderzoek is geillustreerd met een risicobeoordeling van de geurstof citral, die in producten als cosmetica, schoonmaakmiddelen en luchtverfrissers zit. Gebleken is dat de kwantitatieve methode die door de International Fragrance Organization/ Research Institute for Fragrance Materials (IFRA/RIFM) is ontwikkeld, in de basis voldoet. Wel zijn enkele aanpassingen nodig. De belangrijkste daarvan is dat bij het vaststellen van risico's meegenomen moet worden dat mensen vaak niet aan één maar aan meerdere bronnen van allergenen worden blootgesteld (geaggregeerde blootstelling). Een voorbeeld is het gebruik van meerdere cosmeticaproducten of schoonmaakmiddelen. Wanneer het risico per product wordt bepaald, zou het totale risico kunnen worden onderschat. De casestudy naar citral onderstreepte de bevindingen hierover uit de literatuur. Om de blootstelling van een stof uit meerdere bronnen te kunnen schatten, zijn nog wel criteria nodig die relevant zijn voor huidallergie. Denk hierbij aan de plek op het lichaam die aan een stof staat blootgesteld, evenals de duur en herhaling van de blootstelling.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Standpunt Bereik van de jeugdgezondheidszorg | RIVM

Alle kinderen moeten de kans krijgen in een veilige omgeving op te groeien en zich te ontwikkelen tot gezonde volwassenen. De preventieve zorg van de jeugdgezondheidszorg (JGZ) kan daar een belangrijke bijdrage aan leveren. Dit doet de JGZ door gezondheidsproblemen tijdig te signaleren waardoor kinderen in een vroeg stadium hulp kunnen krijgen. JGZ-organisaties streven naar 100 % bereik van hun doelgroep, alle jeugdigen en hun ouders. Zij doen daar veel voor, met wisselend succes. Een deel van de JGZ-organisaties heeft een bereik van minder dan 95 %. Gebaseerd op de probleemanalyse kan geconcludeerd worden dat de JGZ niet alle jeugdigen in Nederland even goed bereikt. Dat geldt in het bijzonder voor jeugdigen die opgroeien in een probleemgezin. Het literatuuronderzoek naar outreachende zorg heeft onderbouwd dat de outreachende interventies 'Bemoeizorg in de JGZ' en 'Vangnet Jeugd' effectief zijn om deze kinderen te bereiken. Het Centrum Jeugdgezondheid heeft het Standpunt 'Bereik van de jeugdgezondheidszorg' ontwikkeld. Dit standpunt ondersteunt JGZ-organisaties bij hun inspanningen om eind 2011 alle jeugdigen in hun werkgebied in beeld te hebben en minimaal 95 % van de jeugdigen te bereiken. Daarnaast zijn met het standpunt de definities van begrippen zoals 'in beeld', 'bereik', 'in zorg', 'elders zorg' en 'uit zorg' vastgesteld. Dit standpunt omvat: - eenduidige definieringen van begrippen gerelateerd aan het bereiken van jeugdigen door JGZorganisaties; - een beschrijving van de meest optimale werkwijzen waarmee JGZ-organisaties hun bereik kunnen optimaliseren; - duidelijkheid over welke organisatie verantwoordelijk is voor het bereiken van welke jeugdige en welke afspraken met collega JGZ-organisaties gemaakt moeten worden om geen jeugdigen te missen; - aanwijzingen voor het eenduidig registreren van gegevens over het bereik van de doelgroep; - aanbevelingen met betrekking tot samenwerkingsafspraken met ketenpartners in het kader van het bereiken van jeugdigen.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Adverse events following immunization under the National Vaccination Programme of the Netherlands : Number XVI-Reports in 2009 | RIVM

In 2009 heeft de bijwerkingenbewaking van het Rijksvaccinatieprogramma (RVP) 1647 meldingen ontvangen, een toename van 28 procent ten opzicht van 2008. De oorzaak van de toename is een groter aantal meldingen van lokale reacties en koorts na de herhalingsvaccinatie die kinderen op vier jarige leeftijd krijgen. Van alle meldingen werd 81 procent beoordeeld als bijwerking van een vaccinatie. Hiervan ging het in 38 procent om heftige verschijnselen, vooral zeer hoge koorts, langdurig huilen, 'collapsreacties', verkleurde benen, koortsstuipen en atypische aanvallen met rillerigheid, schrikschokken en gespannenheid of juist een heel slappe houding. Bij het overige deel van de meldingen (19 procent) waren de verschijnselen geen gevolg van een vaccinatie maar van een toevallige samenloop van gebeurtenissen. Dit blijkt uit de jaarlijkse rapportage van de bijwerkingenbewaking van het RVP in 2009. De ernstige infecties die zijn gerapporteerd hadden geen relatie met de vaccinaties, net als de meldingen van epilepsie en hersenontsteking. Bij de negen meldingen van overleden kinderen zijn de vaccinaties daar niet de oorzaak van geweest. Elk jaar worden voor het RVP bijna 7 miljoen vaccincomponenten toegediend in de vorm van 1,4 miljoen prikken. Hoewel de bijwerkingen omstanders erg kunnen laten schrikken, zijn ze medisch gezien niet gevaarlijk. Ze zijn van voorbijgaande aard en leiden niet tot blijvende gevolgen. De grote gezondheidswinst die het RVP oplevert, weegt op tegen de bijwerkingen. Het RVP bestaat sinds 1957 en wordt sinds 1962 intensief bewaakt. Dat gebeurt in de vorm van een zogeheten spontaan meldsysteem, aangevuld met andere vormen van onderzoek naar bijwerkingen. Dit meldsysteem is een goed instrument om signalen over mogelijke bijwerkingen op te pikken. Het systeem is bovendien zodanig ingericht dat gegevens te achterhalen zijn, wat vervolgonderzoek mogelijk maakt. In Nederland is de meldgraad van vermoede bijwerkingen hoog, onder andere doordat consultatiebureaus in hoge mate bereid zijn om bijwerkingen door te geven. Heftige en zeldzame reacties worden in bijna alle gevallen gemeld.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

De verspreiding van dioxinen rond Thermphos : Depositie, concentratie in de lucht en blootstelling | RIVM

Het RIVM heeft voor enkele emissiescenario's berekend in welke mate mensen de komende vijf jaar aan dioxine kunnen worden blootgesteld mede door toedoen van de Zeeuwse fosforproducent Thermphos. In het realistische emissiescenario is uitgegaan van de gemeten gemiddelde emissieconcentratie in 2010 (2 nanogram per kubieke meter lucht). De blootstelling van omwonenden aan dioxinen wordt dan met een derde verhoogd ten opzichte van wat ze zonder de emissies van Thermphos binnen krijgen. De totale dagelijkse inname van dioxinen blijft onder de norm. In een worstcasescenario verdubbelt de blootstelling. De blootstelling komt dan uit rond de norm voor de dagelijkse inname. In dit worstcasescenario is uitgegaan van een emissie gedurende vijf jaar die gelijk is aan de hoogste emissie die tot juli 2010 is gemeten (5 nanogram per kubieke meter lucht). Dit blijkt uit een blootstellingsstudie van het RIVM op grond van beschikbare gegevens en de opgestelde scenario's. Mensen in de omgeving worden via de lucht aan dioxinen blootgesteld of via de consumptie van gewassen waarop de dioxines zijn terecht gekomen. De aannames voor de mate waarin mensen dioxinen via gewassen opnemen, zijn zodanig dat de blootstellingen van mensen aan dioxinen eerder worden overschat dan onderschat. Om de blootstelling te kunnen schatten is met verspreidingsmodellen de concentratie in de lucht berekend, de neerslag ervan op de grond en in gewassen, evenals een bodemconcentratie na vijf jaar. Deze gegevens zijn vervolgens omgerekend naar de hoeveelheid dioxine die via de ademhaling, contact met bodemdeeltjes (hand-mondgedrag) door kinderen, en via het eten van gewassen wordt opgenomen. Het gaat hierbij om gewassen die dioxinen bevatten, doordat ze daar direct op zijn neergeslagen of doordat ze via de bodem in de gewassen zijn terechtgekomen. Vooral de consumptie van gewassen uit de omgeving die met dioxinen zijn vervuild, blijkt de extra blootstelling aan dioxinen te bepalen.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Review of recent literature concerning mixture toxicity of pesticides to aquatic organisms | RIVM

De eenvoudigste manier om effecten van mengsels van bestrijdingsmiddelen te beoordelen is om de effecten van de individuele stoffen bij elkaar op te tellen (concentratieadditie). In het algemeen laten experimenten zien dat de stoffen elkaars werking niet versterken (geen synergisme). Als er toch sprake is van versterking, is dat effect doorgaans gering. Het concept concentratieadditie is daarom geschikt om de schadelijke effecten van mengsels van bestrijdingsmiddelen te schatten. Dit blijkt uit een overzicht van recente literatuur over de toxiciteit van mengsels van bestrijdingsmiddelen dat het RIVM met het kennisinstituut Alterra heeft gemaakt. De inventarisatie is een update van een analyse uit 2000 en bevestigt het beeld van toen. Het ministerie van VROM wilde als opdrachtgever in kaart brengen welke ontwikkelingen spelen op het gebied van het beoordelen van mengsels van bestrijdingsmiddelen. De studie beschrijft daarom ook methodologische vernieuwingen die de risicoschatting van mengsels kunnen verfijnen. Zo is het mogelijk de effecten te bepalen van stoffen als ze achter elkaar worden gebruikt in plaats van tegelijkertijd. Dit concept is voor bestrijdingsmiddelen relevant aangezien deze middelen veelal achter elkaar worden gebruikt. Daarnaast zijn de zogeheten soortgevoeligheidsverdelingen nu ook geschikt gemaakt voor mengsels van stoffen. Deze verdelingen beschrijven de variatie waarin een groep van verschillende organismen gevoelig is voor effecten van stoffen. Op basis hiervan wordt bepaald welke concentraties veilig zijn voor het milieu. Voor deze methode zijn echter veel data nodig over de schadelijke effecten van stoffen op organismen, die in veel gevallen niet beschikbaar zijn. Ook blijkt uit zogeheten mesocosmstudies, waarin ecosystemen in laboratoria worden nagebootst, dat er geen synergisme is te verwachten bij het gebruik van meerdere soorten bestrijdingsmiddelen voor dezelfde biologische groepen, zoals planten of insecten. Bij het gebruik van meerdere bestrijdingsmiddelen worden voor verschillende biologische groepen wel vaak indirecte effecten waargenomen, die elkaar versterken, namelijk in het volgende niveau van de voedselketen. Als het praktijkgebruik van bestrijdingsmiddelen voor een bepaald gewas in het veld wordt nagebootst, zijn de effecten meestal niet groter dan die van de meest giftige stof. Ook worden in die situatie geen versterkende effecten waargenomen.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Dutch Health Care Performance Report 2010 | RIVM

Vanuit het perspectief van de overheid is het van belang te weten hoe goed de verschillende onderdelen van de gezondheidszorg functioneren en of iedereen in Nederland in gelijke mate van de ingezette middelen profiteert. Gezien de toenemende uitgaven aan de gezondheidszorg is de vraag naar de relatie tussen de ingezette middelen en de opbrengsten die er mee worden bereikt relevant: hoe doelmatig is de Nederlandse gezondheidszorg? Om de ontwikkelingen in de kwaliteit, de toegankelijkheid en de kosten van de gezondheidszorg te monitoren, heeft het ministerie van VWS het RIVM gevraagd de Zorgbalans tweejaarlijks uit te brengen. Deze derde Zorgbalans beschrijft op basis van een beperkte set van indicatoren de prestaties van de Nederlandse gezondheidszorg in 2008 en 2009 en vergelijkt deze met eerdere jaren en internationaal. at valt op in de bevindingen van de Zorgbalans 2010? Allereerst een aantal gunstige ontwikkelingen. De toegankelijkheid van de Nederlandse zorg blijkt veelal uitstekend. Ook de kwaliteit van de zorg is op veel onderdelen goed en er zijn aantoonbare verbeteringen. De meeste zorggebruikers zijn onveranderd positief over de zorg. De kostengroei in de zorg wordt vooral veroorzaakt doordat meer zorg wordt verleend. De Volksgezondheid Toekomst Verkenning 2010 meldt dat Nederlanders steeds langer leven en dat twee extra levensjaren die er recent zijn bijgekomen in goede gezondheid worden doorgebracht (Van der Lucht en Polder, 2010). Preventie en zorg dragen in belangrijke mate bij aan deze gezondheidswinst. Tegenover deze gunstige bevindingen staat dat de gezondheidszorg niet op alle punten aan alle hoge ambities en verwachtingen voldoet. Het kan beter. Op onderdelen is de toegankelijkheid onvoldoende te noemen, zoals op het punt van wachttijden in sommige onderdelen van de zorg en de matige telefonische bereikbaarheid van huisartsenpraktijken. Er bestaan grote verschillen in prijs en kwaliteit tussen zorgverleners. De afstemming en coördinatie van de zorg tussen zorgverleners is niet optimaal. Hoewel er voorbeelden zijn dat kwaliteitsverbetering gepaard kán gaan met kostenverlaging, is dat voor het totale pakket van geleverde zorg niet duidelijk aantoonbaar. De totale kosten voor de zorg stijgen snel; de kwaliteit verbetert langzaam. Een belangrijke voorwaarde voor het goed functioneren van het zorgstelsel is de beschikbaarheid en vervolgens het gebruik van goede kwaliteitsinformatie. Ondanks de toename van informatie is het nog onvoldoende mogelijk zorgaanbieders te vergelijken op kwaliteit en de uitkomsten van zorg.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Bio-energiecentrales : Inventariserend onderzoek naar milieuaspecten bij diverse energieopwekkingtechnieken met behulp van biomassa | RIVM

Het RIVM heeft een overzicht gemaakt van technieken die in Nederland worden gebruikt om biobrandstoffen te produceren of energie op te wekken met behulp van biobrandstoffen. De aandacht gaat uit naar de schaal waarop dit plaatsvindt en de emissies van deze bedrijven die bij de desbetreffende technieken kunnen vrijkomen. Daarnaast is de relevante wet- en regelgeving in kaart gebracht. Het overzicht is gemaakt op verzoek van de VROM-Inspectie, die hiermee zicht wil krijgen op de huidige ontwikkelingen waarbij biomassa wordt gebruikt om energie op te wekken. In overleg met de VROM-Inspectie is het onderzoek verder afgebakend. De meeste aandacht gaat uit naar verbrandingsinstallaties op kleine of middelgrote schaal, vergassinginstallaties, pyrolyse-installaties en (co)-vergistinginstallaties. Pyrolyse, vergassing en verbranding zijn technieken waarbij verschillende temperaturen en hoeveelheden zuurstof tot verschillende producten leiden. Deze producten zijn bijvoorbeeld olie, kolen en gas. Bij vergisting wordt in dit onderzoek vooral de productie van biogas uit mest bedoeld. Er is sprake van co-vergisting als er aan de mest nog andere organische producten worden toegevoegd om de productie te verhogen.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Climate change and recreational water-related infectious diseases | RIVM

Het RIVM heeft in kaart gebracht welke micro-organismen mensen via recreatiewater ziek kunnen maken en in welke mate klimaatverandering daar invloed op heeft. De fysiologie van deze ziekteverwekkers wordt namelijk beinvloed door klimaatfactoren, zoals temperatuur UV-straling en neerslag. Zodoende kunnen ziekteverwekkers door klimaatverandering sterven, overleven of juist in aantal toenemen. Deze veranderingen beïnvloeden de mate waarin zij via recreatiewater ziekte kunnen veroorzaken. In het overzicht is ook aangegeven welk watertype de micro-organismen prefereren (zoet-, zout-, of zwembadwater) en welke ziekteverschijnselen ze kunnen veroorzaken. Naar verwachting leidt een hogere watertemperatuur ertoe dat ziekteverwekkers die zich in recreatiewater kunnen vermeerderen, in hogere aantallen in recreatiewater aanwezig zijn. Daardoor treden mogelijk meer ziektegevallen op. Bacteriën die van nature in recreatiewater voorkomen en zich daar kunnen vermeerderen zijn Vibrio (veroorzaakt oorontsteking en wondinfecties) en Pseudomonas aeruginosa (oorontsteking). Toenemende UV-straling kan ertoe leiden dat ziekteverwekkers vanwege de warmte in aantal toenemen of juist sterven, doordat genetisch materiaal beschadigd raakt. Door hevige regenval kunnen tijdelijk en plaatselijk zeer hoge aantallen micro-organismen uit feces in recreatiewater terechtkomen doordat het riool de hoeveelheid water niet meer aankan en overloopt of doordat mest van het land afspoelt in het water. In binnenzwembaden wordt het binnenmilieu constant gehouden, waardoor ziekteverwekkers die hierin voorkomen waarschijnlijk niet door klimaatfactoren worden beinvloed. Om de invloed van klimaatverandering vast te stellen op nieuwe (emerging) en bekende infectieziekten die via recreatiewater worden overgedragen, is nader onderzoek nodig. Het gaat daarbij om de invloed van klimaatfactoren op zowel de verwekkers van deze infectieziekten als op de manier waarop mensen omgaan met zwemmen in recreatiewater.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Noise Monitor 2009 : Measurements and validation of environmental noise | RIVM

De geluidsbelasting door wegverkeer die in 2009 is gemeten komt grotendeels overeen met de resultaten uit 2008, behalve voor de A10-West bij Amsterdam. Op deze locatie is de gemiddelde geluidsbelasting gedaald met 1 decibel, een trendbreuk met geluidstoename die in de voorgaande jaren was gemeten. Daarnaast zijn steekproefmetingen verricht aan stedelijk wegverkeer in Utrecht. De uitkomsten komen overeen met de voorgeschreven geluidsemissies volgens het Nederlandse Reken- en Meetvoorschrift. Dit voorschrift wordt door het ministerie van VROM uitgegeven om de geluidsbelasting door weg- en railverkeer te berekenen en te toetsen. Voor railverkeer is gebruikgemaakt van resultaten die ProRail in 2009 op twee verschillende locaties heeft gemeten. Hieruit bleek dat bij normale rijsnelheden de geluidsemissies overeenstemmen met de geluidemissies volgens het Nederlandse Reken- en Meetvoorschrift. Ook het verband tussen snelheid en geluidsemissie bij de metingen komt overeen met wat dit voorschrift voorschrijft. Ten slotte zijn in de Geluidsmonitor resultaten opgenomen van een pilotstudy naar luchtvaartgeluid die in de eerste helft van 2010 in een stiltegebied bij Zegveld (provincie Utrecht) is uitgevoerd. Hiervoor zijn van januari tot en met maart van dat jaar geluidsniveaus gemeten van verschillende typen vliegtuigen die van en naar Schiphol vlogen. Deze resultaten zijn vergeleken met het Integrated Noise Model, een Amerikaans standaardrekenmodel dat door veel luchtvaartbedrijven wordt gebruikt. Hieruit bleek dat de gemiddelde geluidemissies als gemeten van een aantal verschillende vliegtuigtypes redelijk overeenkomen met dit model. Ook bleek dat de nieuwere typen vliegtuigen minder geluid produceren dan oudere. Dit zijn de belangrijkste resultaten uit de Geluidsmonitor 2009. De metingen worden gebruikt om trendanalyses van geluidsemissies te maken en standaard rekenmethoden voor weg-, rail- en luchtvaartverkeer te valideren. Voor het wegverkeersgeluid zijn metingen verricht langs de A2 bij Breukelen, de A10-West bij Amsterdam, de A12 bij Voorburg en de N256 in Noord-Beveland.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

De maatschappelijke betekenis van geluid | RIVM

Mensen willen graag controle over geluid in hun omgeving. Als dat niet het geval is, heeft dat invloed op hun gedrag. Ze kunnen bijvoorbeeld agressief worden of hun behulpzaamheid en geduld verliezen. Het is daarom van belang dat beleidsmakers zich hiervan bewust zijn en maatregelen daarop afstemmen. Zo is het raadzaam bewoners vooraf te informeren over geluidoverlast, zoals van popconcerten, bouwactiviteiten en dergelijke. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM naar geluid en sociaal gedrag in opdracht van het ministerie van VROM. Hiervoor is literatuuronderzoek gedaan en zijn experts geraadpleegd. Tot nu toe is er relatief weinig aandacht voor de betekenis van geluid, voor de geluidproducent en ontvanger, en de context waarin het optreedt. Vooralsnog staat onderzoek en beleid op het gebied van omgevingsgeluid in het teken van geluid als een fysische maat in decibellen, geluid als stressor en tot slot geluid als verstoring. Hierbij ligt de nadruk op (overschrijdingen) van drempelwaarden en bijbehorende negatieve effecten op welbevinden en gezondheid. De laatste jaren komt er steeds meer aandacht voor de maatschappelijke betekenis van geluid. Zo verkennen stedenbouwkundigen en planologen zowel de nadelige kanten van geluid en lawaai als de positieve, potentieel herstellende functie ervan. Bijvoorbeeld door bronnen van geluiden die mensen als prettig ervaren in stedelijke gebieden te integreren. Er bestaat echter nog geen theorie die ruimte biedt voor zowel de positieve als negatieve aspecten van geluid en waarin sociale en maatschappelijke aspecten worden geïntegreerd met korte en lange termijn gezondheidseffecten. Het RIVM heeft daarom een model ontwikkeld dat uitgaat van de motieven en behoeften van mensen om lawaai te maken en de sociale effecten daarvan op de omgeving. Het instituut beveelt aan om bij het denken over geluid, het geluidonderzoek en geluidregulatie rekening te houden met deze motieven, betekenissen en gedrag.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Thirteenth CRL-Salmonella interlaboratory comparison study (2008) on typing of Salmonella spp. : Dertiende CRL-Salmonella ringonderzoek (2008) voor de typering van Salmonella spp | RIVM

De Nationale Referentie Laboratoria (NRL's) van de 27 Europese lidstaten scoorden goed bij de kwaliteitscontrole op Salmonella-typering in 2008. Vier laboratoria hadden hiervoor een herkansing nodig. Daarnaast is een analyse van alle NRL's als groep uitgevoerd, waaruit bleek dat zij 97 % van de stammen de juiste naam konden geven. Aangezien een NRL de studie op een later tijdstip uitvoerde, konden deze data daar niet bij worden meegenomen. Sinds 1992 zijn deze laboratoria verplicht om deel te nemen aan deze kwaliteitstoets, het zogeheten ringonderzoek voor de typering van Salmonella. Elke lidstaat wijst een laboratorium aan, het Nationale Referentie Laboratorium (NRL), dat Salmonella afkomstig uit monsters van levensmiddelen of dieren aantoont en typeert. Jaarlijks wordt gecontroleerd of de laboratoria hun werk goed uitvoeren. Soms doen ook landen buiten de Europese Unie mee, zoals dit jaar twee landen die zijn aangesloten bij de European Free Trade Association (EFTA). De laboratoria krijgen 20 stammen Salmonella opgestuurd waarvan zij de juiste naam moeten achterhalen. Enkele NRL's zijn bovendien op hun expertise getoetst om een subtypering van soorten Salmonella te maken. Ze kregen 10 stammen voorgelegd van 2 soorten, te weten Salmonella Enteritidis en Salmonella Typhimurium. De NRL's hebben 97 % van de S. Typhimurium-stammen goed getypeerd. Het was iets lastiger de S. Enteritidis-stammen te typeren. De NRL's konden 94 % van deze stammen goed typeren. De organisatie van het ringonderzoek is in handen van het Communautair Referentie Laboratorium (CRL) voor Salmonella (CRL-Salmonella). Het CRL-Salmonella is ondergebracht bij het Nationaal Instituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), Bilthoven, Nederland. De organisatie van dit ringonderzoek wordt uitgevoerd in samenwerking met de Health Protection Agency (HPA) in Londen, Engeland.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Experimenting with a bundled payment system for diabetes care in the Netherlands : The first tangible effects | RIVM

Diabetes vormt een maatschappelijk probleem, dat steeds groter wordt. Het aantal mensen met diabetes type 2 neemt sterk toe. Deze sterke toename heeft grote gevolgen voor de zorglast en de kosten. In het (preventie)beleid van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) is diabetes daarom al jaren een van de prioritaire chronische ziekten. De laatste jaren zijn er veel ontwikkelingen binnen de diabeteszorg in gang gezet met als doel om de effectiviteit en de kwaliteit van de diabeteszorg te verbeteren. Deze ontwikkelingen richten zich onder andere op multidisciplinaire samenwerking. Belangrijke struikelblokken bij het tot stand komen van samenwerkingsverbanden zijn de versnipperde bekostiging van de verschillende onderdelen van de diabeteszorg en de bekostiging van activiteiten die niet tot de directe zorgverlening behoren, zoals afstemmingsoverleg en ICT. Het ministerie van VWS heeft daarom het plan opgevat voor integrale bekostiging van diabeteszorg door middel van een keten-dbc diabetes. Op experimentele basis is in een tiental zorggroepen gewerkt met een keten-dbc diabetes binnen het ZonMw programma Diabetes Ketenzorg. Dit experiment is door het RIVM geëvalueerd. Het doel van de evaluatie is inzicht te verkrijgen in de organisatie van de diabeteszorg via zorggroepen, het werken met de keten-dbc, de tevredenheid van alle betrokken partijen en de kwaliteit van de zorg. De resultaten van de evaluatie worden in dit rapport beschreven.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Intersectoraal samenwerken in de aanpak van gezondheidsachterstanden : Een onderzoek onder zestien gemeenten in Nederland | RIVM

Het aantal gemeenten dat aandacht besteedt aan integraal gezondheidsbeleid om de gezondheid van burgers te verbeteren of gezondheidsachterstanden terug te dringen is in de afgelopen jaren gestegen. De manier waarop sectoren binnen en buiten de volksgezondheidssector samenwerken om gezondheidsachterstanden aan te pakken verschilt echter per gemeente. In gemeenten zijn er wel mogelijkheden om de samenwerking te verbreden en intensiveren. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM naar de manier waarop zestien Nederlandse gemeenten gezondheidsachterstanden intersectoraal aanpakken. De bevindingen uit dit onderzoek kunnen gemeenten hierin ondersteunen. Betere intersectorale samenwerking is een belangrijke voorwaarde om integraal gezondheidsbeleid uit te voeren. Dit is van belang om gezondheidsachterstanden terug te dringen, omdat deze nauw samenhangen met achterstanden op tal van andere terreinen. Denk daarbij aan een laag inkomen, werkloosheid, laag opleidingsniveau, ongunstige woon- en werkomstandigheden en ongezonde leefstijl. Om deze achterstanden te verbeteren is niet alleen de inzet van de volksgezondheidssector nodig, maar ook van daarbuiten, zoals onderwijs, ruimtelijke ordening en sport. De aanpak van gezondheidsachterstanden is nu nog vooral gericht op het tegengaan van een ongezonde leefstijl (waaronder overgewicht) en sociale uitsluiting, en het vergroten van de kwaliteit van zorg. De volksgezondheidssector werkt vooral samen met de sociale sectoren (jeugd, onderwijs, sport, sociale zaken) en minder met de fysieke sectoren (ruimte, wonen, milieu). In het onderzoek zijn verbeterpunten geformuleerd om intersectoraal samenwerken te bevorderen. Voorbeelden zijn: gezondheid laten aansluiten bij gemeentelijke prioriteiten (zoals participatie), de samenwerking met de fysieke sectoren uitbreiden, politiek en bestuurlijk draagvlak creëren, en stapsgewijs te werk gaan.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Acute vergiftigingen bij mens en dier : Jaaroverzicht 2009 Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum | RIVM

In 2009 ontving het Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum (NVIC) 37.503 telefonische verzoeken om informatie over 48.338 blootstellingen van mensen en dieren aan giftige stoffen. Daarnaast kwamen via de website Vergiftigingen.info, waarop artsen zelf de toxicologische informatie van het NVIC kunnen raadplegen, nog eens 3904 informatieverzoeken binnen over 6257 blootstellingen. Het aantal informatieverzoeken ligt lager dan het aantal blootstellingen, omdat een informatieverzoek over meerdere patiënten en meerdere giftige stoffen kan gaan. Bij sommige gevallen was sprake van een calamiteit. Het NVIC droeg in 2009 bij aan de rampenbestrijding bij meer dan 40 kleinere en grotere calamiteiten met giftige stoffen. Het aantal gemelde vergiftigingen door slaap- en kalmeringsmiddelen is in 2009 gedaald. Dit komt mogelijk doordat deze middelen minder worden voorgeschreven sinds de vergoeding van benzodiazepines vanuit de basisverzekering is beperkt. Het totale aantal vergiftigingen door de partydrugs GHB en GBL is gestegen. Daarbij lijkt de populariteit van GBL, dat als alternatief voor GHB wordt gebruikt en dezelfde effecten veroorzaakt, toe te nemen. Na het verbod op de verkoop van paddo's, dat in december 2008 in werking trad, is het aantal gemelde vergiftigingen door paddo's in 2009 aanzienlijk gedaald. Het aantal chloorgasvergiftigingen is sterk gestegen. De meeste blootstellingen aan chloorgas ontstaan als verschillende schoonmaakmiddelen worden gemengd. Over dieren is het NVIC in 2009 3218 keer telefonisch geconsulteerd over 3928 blootstellingen aan toxische stoffen. De meeste vergiftigingen ontstonden nadat zij geneesmiddelen voor mensen, bestrijdingsmiddelen of planten hadden ingenomen. Het NVIC bestond in 2009 50 jaar. In de loop der jaren is het aantal informatieverzoeken aan het NVIC over acute vergiftigingen fors toegenomen.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Environmental risk assessment of proteins expressed by genetically modified plants : Applicability of standard tests used for chemical pesticides | RIVM

Een groep (consumptie)gewassen is zodanig genetisch gemodificeerd dat ze eiwitten produceren die insecten of schimmels bestrijden. Ze kunnen echter ook ongewenste effecten veroorzaken bij organismen, zoals vogels, vissen, algen en bijen. Uit onderzoek blijkt dat standaardtesten om ongewenste effecten van chemische gewasbeschermingsmiddelen te beoordelen, bruikbaar kunnen zijn om de risico's van dergelijke eiwitten te beoordelen. Het RIVM heeft dit onderzoek in opdracht van het ministerie van VROM uitgevoerd. Het instituut heeft bovendien templates ontwikkeld waarmee kan worden onderzocht of de standaardtesten geschikt zijn voor het testen van eiwitproducerende genetisch gemodificeerde planten. Voor het onderzoek zijn drie casussen gebruikt. Het betreft het enzym chitinase, dat wordt geproduceerd door genetisch gemodificeerde suikerbiet. Chitinase breekt chitine af, de bouwsteen van insecten en schimmels. Het GNA-lectine, dat een schadelijke werking heeft op insecten en schimmels, en wordt geproduceerd door genetisch gemodificeerde aardappel; en het enzym EPSP synthase, dat genetisch gemodificeerde koolzaad ongevoelig maakt voor het onkruidbestrijdingsmiddel glyfosaat terwijl het onkruid hiermee wordt bestreden. De templates zijn zodanig opgesteld dat ze ook kunnen worden gebruikt voor andere eiwitten die door genetische gemodificeerde planten kunnen worden geproduceerd. Bij de testen moet er rekening mee worden gehouden dat de eiwitten mogelijk continu worden uitgescheiden door de genetisch gemodificeerde plant, in tegenstelling tot chemische bestrijdingsmiddelen waarmee gewassen slechts een of meerdere keren worden bespoten. Continue uitscheiding kan mogelijk op lange termijn effect hebben op diverse organismen in de bodem of op de plant.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Resultaten enquete kwaliteitsaspecten afdelingen radiologie | RIVM

Veel ziekenhuizen nemen maatregelen om de stralingsbelasting van radiologisch onderzoek te beperken.Vooral op het gebied van kwaliteitssystemen is sinds 2002 veel verbeterd. Op andere gebieden is nog verbetering mogelijk. Dit blijkt uit een enquête onder afdelingen radiologie die het RIVM over het jaar 2007 in opdracht van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) heeft gehouden. De enquete bevat vragen over onder andere de protocollen, kwaliteitsborging, personeel en apparatuur, patientveiligheid en de rechtvaardiging van onderzoek. Een vergelijkbare enquete is in 2002 door de IGZ gehouden. Op een aantal terreinen zijn er positieve ontwikkelingen, met ruimte voor verbeteringen. De meeste ziekenhuizen voorkomen onnodige herhaling van röntgenonderzoek door gegevens van eerder onderzoek op te vragen. Ze doen dit echter vrijwel uitsluitend binnen het eigen ziekenhuis. Ook hebben de meeste ziekenhuizen, maar niet alle, speciale protocollen voor kinderen. Voor CT-onderzoeken is op circa 80 procent van de afdelingen een protocol voor kinderen aanwezig. Op het vlak van stralingsbescherming van patiënten valt op een aantal punten nog winst te behalen. MRI en echografie kunnen vaker dan nu worden ingezet als alternatief voor rontgenonderzoek. Als dat mogelijk is, hebben ze de voorkeur omdat ze geen stralingsbelasting veroorzaken. MRI is echter te weinig beschikbaar. Echografie is voldoende beschikbaar, maar wordt nog niet in alle gevallen dat het mogelijk is gebruikt. Verder vinden de afdelingen dat er te weinig tijd is voor kwaliteitscontrole van de apparatuur. Ten slotte zijn klinische fysici onvoldoende beschikbaar voor de kwaliteitsborging van de apparatuur.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Estimation of net decreases in nitrate concentrations : Sample size required to demonstrate future decreases | RIVM

Op landbouwbedrijven worden regelmatig de concentraties nitraat gemeten om te kijken of die door beleidsmaatregelen afnemen. Het RIVM heeft een methode ontwikkeld om de 'steekproefomvang' te bepalen, die aangeeft aan op hoeveel landbouwbedrijven moet worden gemeten en hoeveel metingen per bedrijf moet worden verricht om zo'n afname te kunnen aantonen. De methode is gebaseerd op een statistisch model dat de nitraatconcentraties en bijbehorende variabelen van twee jaren vergelijkt. Met behulp van deze methode zijn schattingen van de steekproefomvang gepresenteerd gebaseerd op data uit de periode 1992 tot 2008. Het statistische model achter de methode moet zowel realistisch als simpel zijn om aan te kunnen geven wat de kans is om het effect van bepaalde beleidsdoelen waar te nemen, bijvoorbeeld een afname van de nitraatconcentratie met twintig procent. Behalve het percentage afname en de steekproefomvang moeten voor dergelijke scenarioanalyses nog andere berekende parameters in het statistische model worden gespecificeerd. Een voorbeeld daarvan is de mate waarin de meetresultaten op een bedrijf varieren. In 2009 heeft het RIVM al een statistisch model in concept ontwikkeld (Boumans en Fraters). Hierin is aannemelijk gemaakt dat de nitraatconcentraties op landbouwbedrijven tussen 1992 en 2006 zijn gedaald als gevolg van beleidsmaatregelen. Het model is echter te complex om de benodigde steekproefomvang te bepalen om een toekomstige daling aan te tonen. Daarom is een eenvoudiger model ontworpen en gevalideerd, waarmee vervolgens de benodigde steekproefomvang is vastgesteld. Dit model bevestigt overigens de eerdere bevinding van het RIVM dat de nitraatconcentraties gedurende de periode 1992-2006 zijn gedaald door beleidsmaatregels en/of door verandering in de bedrijfsvoering.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Triage en eerste opvang van slachtoffers na radiologische incidenten | RIVM

Het RIVM heeft in kaart gebracht welke maatregelen nodig zijn om slachtoffers op te vangen van incidenten met radiologisch materiaal, vanaf het rampterrein tot aan het ziekenhuis. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen verschillende groepen slachtoffers, waarvoor specifieke maatregelen nodig zijn om gezondheidsrisico's te beperken. Vervolgens zijn de beoordeling, selectie en eerste opvang van deze slachtoffers met bijbehorende maatregelen in stroomschema's uiteengezet. De stroomschema's geven aan welke personen direct naar het ziekenhuis moeten worden vervoerd en welke na controle en zo nodig verwijdering van radioactief materiaal, bijvoorbeeld besmette kleding, (decontaminatie) naar huis kunnen. Daarnaast is er aandacht voor de mensen die niet blootgesteld zijn, maar zich wel zorgen maken. De stroomschema's kunnen tijdens een incident worden verfijnd, naargelang de aard en omvang van het incident. Het rapport is geschreven op verzoek van de Geneeskundige Hulpverlening bij Ongevallen en Rampen (GHOR), in opdracht van het ministerie van VWS. In het rapport worden de gevolgen van incidenten met een 'vuile bom' en met een verborgen radioactieve bron beschreven. Een vuile bom is een conventioneel explosief dat bij ontploffing radioactief materiaal verspreidt. Mensen in de directe omgeving kunnen door de explosie levensbedreigend gewond raken. Ook kunnen ze worden besmet door rondvliegende scherven en radioactief materiaal. Bij een incident met een verborgen (intacte) bron wordt het radioactieve materiaal niet verspreid, omdat het op een vaste plaats aanwezig is. In zulke gevallen moeten mensen die in de omgeving van de bron zijn geweest, worden opgespoord. Ook hiervoor geeft het rapport een stroomschema. Het rapport verschaft informatie om de schema's te onderbouwen. In de bijlagen is achtergrondinformatie opgenomen over radioactiviteit en ioniserende straling en de gevolgen daarvan voor de gezondheid. Daarnaast wordt verwezen naar relevante nationale en internationale richtlijnen en handboeken.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Eindrapport van de evaluatie van het LMM : Scenario's voor het programma vanaf 2011 | RIVM

Het RIVM en het LEI hebben de manier waarop het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM) is opgezet, geevalueerd. Op basis hiervan zijn vervolgens drie scenario's opgesteld om het LMM vanaf 2011 vorm te geven. Alle drie de scenario's bieden mogelijkheden om te bezuinigen. De mate waarin dat gebeurt, en de mate waarin wordt voldaan aan de eisen die de ministeries van VROM, LNV en VenW stellen aan het LMM, verschillen per scenario. Het LMM levert informatie over de landbouwpraktijk en de waterkwaliteit die nodig is om te voldoen aan zowel Europese verplichtingen als de nationale beleidsbehoefte voor het Nederlandse mestbeleid. Aanleiding voor de evaluatie is de start van het zogeheten Vierde Nitraatrichtlijn Actieprogramma, waarin afspraken tussen Nederland en de Europese Commissie staan over de invulling van de Europese Nitraatrichtlijn. Daarnaast is voor Nederland een nieuwe derogatieperiode ingegaan, waarmee onder voorwaarden mag worden afgeweken van het maximum dat de Europese Nitraatrichtlijn aan het gebruik van dierlijke mest stelt. Het eerste scenario vult de monitoring van de landelijke trends die nodig zijn voor rapportageverplichtingen aan de Europese Commissie beperkt in. Bij dit scenario wordt juist uitgebreid voldaan aan de eisen vanuit nationaal beleid. Zo worden naast landelijke trends innovatieve bedrijven gevolgd en zijn er programma's om specifieke bedrijfsgroepen te monitoren. Het tweede scenario is omgekeerd: landelijke trends voor Brussel worden uitgebreider ingevuld, maar de nationale beleidsbehoefte komt beperkt aan bod. In het derde scenario zijn zowel de rapportageverplichting aan Brussel als de invulling van de nationale beleidsbehoefte beperkt ingevuld.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

TrendMeetnet Verzuring : Monsternemingen in 2007/2008 | RIVM

Vanaf december 2007 tot in maart 2008 is op 75 locaties van het TrendMeetnet Verzuring (TMV) de kwaliteit van het bovenste grondwater onderzocht. Met deze gegevens worden in Nederlandse natuurgebieden op zandgrond (bos/heide) de effecten van verzuring op het grondwater in kaart gebracht. Op 5 procent van de onderzochte locaties is de EU norm voor nitraat (50 milligram per liter) overschreden. De concentratie van cadmium, chroom, nikkel en zink lag op respectievelijk 63, 45, 23 en 87 procent van de onderzochte locaties boven de streefwaarde. Op een enkele locatie is ook de interventiewaarde voor cadmium, nikkel en zink overschreden. Het TrendMeetnet Verzuring is in 1989 opgericht en onderzoekt periodiek, in cycli van twee jaar, 150 locaties in Nederland. Dit houdt in dat tijdens een meetjaar op 75 locaties de concentraties van stoffen worden gemeten. De meetresultaten van de 'eerste' 75 locaties van de cyclus 2006/2008 zijn in 2009 gepubliceerd. Dit rapport betreft de 'tweede helft' van de 150 locaties. Een analyse van de meetgegevens zal later worden uitgevoerd. In de meetcyclus van 2006/2008 is bovendien informatie verzameld over de bodemtextuur en omgevingsparameters zoals begroeiing, boomhoogte en dikte van de strooisellaag. Deze informatie geeft een beeld van de variatie in natuurlijke omstandigheden op de onderzochte locaties (loof, naald, heide). Deze variatie wordt gebruikt om verschillen in de grondwaterkwaliteit op de meetlocaties te verklaren.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Praktische consequenties van het advies van de Gezondheidsraad inzake asbest 2010 : Een gezamenlijk rapport van TNO en RIVM | RIVM

In opdracht van de ministeries van VROM en SZW hebben TNO en het RIVM een onderzoek uitgevoerd naar de praktische consequenties van het advies van de Gezondheidsraad inzake asbest 2010. In juni 2010 bracht de Gezondheidsraad een advies uit waarin de gezondheidsrisico's van asbest opnieuw worden geëvalueerd en een aanzienlijke verlaging van de normen voor blootstelling aan asbest wordt voorgesteld. In dit gezamenlijke TNO/RIVM-rapport wordt ingegaan op de praktische consequenties van dat advies voor het asbestbeleid in Nederland.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Conceptual models for the Water Framework Directive and the Groundwater Directive | RIVM

De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW), de Grondwaterrichtlijn (GWR) en bijbehorende richtsnoeren bevatten geen eenduidige definitie van conceptuele modellen, die nodig zijn om de richtlijnen uit te voeren. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM, waarin het gebruik van conceptuele modellen is geïnventariseerd. Daarnaast blijkt uit het onderzoek dat de gebruikte conceptuele modellen niet goed zijn ontsloten. Daarom wordt aanbevolen om de afzonderlijke conceptuele modellen te verzamelen en samen te voegen tot één kennisbron. Onderzoekers uit verschillende disciplines kunnen daaruit putten en er hun conceptuele modellen op baseren. Een enkele kennisbron helpt ook bij het onderling afstemmen en archiveren van de verschillende conceptuele modellen. De kennisbron moet ook beschikbaar zijn voor beleidsmakers. In het onderzoek wordt de volgende onderverdeling van conceptuele modellen voorgesteld: fundamenteel wetenschappelijke modellen, geohydrologische conceptuele modellen en conceptuele modellen gericht op communicatie tussen de verschillende disciplines in wetenschap en beleid. Uit de inventarisatie van conceptuele modellen die in Nederland worden gebruikt voor grondwatervraagstukken bleek dat ze voornamelijk zijn gericht op de genoemde interdisciplinaire communicatie. De in de richtsnoeren genoemde modellen laten een evenredige verdeling zien tussen geohydrologische en interdisciplinaire conceptuele modellen. Een conceptueel model is een versimpelde weergave van de werkelijkheid, in dit geval van het (grond)watersysteem. Het bestaat meestal uit een kaartje, een schematische doorsnede van de ondergrond, een indicatie van de relevante processen en een toelichtend verhaal van het (grond)watersysteem. In Nederland is voor de uitvoering van de KRW een draaiboek monitoring opgesteld waarin een monitoringcyclus wordt beschreven. Binnen deze cyclus is op diverse momenten een conceptueel model nodig. Momenteel kunnen op de diverse momenten in de monitoringcyclus verschillende conceptuele modellen worden gebruikt. De kennisbron moet bijdragen aan de consistentie van de conceptuele modellen in deze monitoringcyclus.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Evaluatie van het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid : Bijlagenrapport | RIVM

Dit rapport bevat enkele achtergrond- en tussenrapportages die horen bij de evaluatie van het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM). Het RIVM en het LEI, die het LMM beheren, hebben de evaluatie in opdracht van de ministeries van VROM en LNV uitgevoerd. Het rapport bevat eveneens de adviezen van de Technische Commissie Bodembescherming (TCB), die de evaluatie op verzoek van VROM en LNV als onafhankelijke partij heeft beoordeeld. De resultaten van de evaluatie zijn opgenomen in een apart RIVM-rapport (rapportnummer 680717012).
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Registratie voedselinfecties en -vergiftigingen bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg en de Voedsel en Waren Autoriteit, 2009 | RIVM

In 2009 was zowel het aantal meldingen van voedselinfecties als het aantal mensen dat daar ziek van was geworden lager dan in 2008. De daling kwam vooral doordat in 2007 en 2008 enkele uitbraken van voedselinfecties hadden plaatsgevonden waar relatief veel mensen ziek van waren geworden. In de voorafgaande jaren, tussen 2001 en 2006, daalde het aantal gemelde voedselinfecties. Belangrijkste verwekkers van voedselinfecties waren in 2009 de bacterien Campylobacter en Salmonella en het norovirus. De meeste patienten werden getroffen door het norovirus, maar de meeste ziekenhuisopnames werden veroorzaakt door Salmonella. Dit zijn de belangrijkste conclusies uit een analyse door het RIVM van de registratiecijfers over 2009 van de Voedsel en Waren Autoriteit (VWA) en de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ). Mensen kunnen een voedselinfectie oplopen door rauw of onvoldoende gaar voedsel te eten, en door slechte hygiene en kruisbesmetting tijdens het bereiden en bewaren van voedsel. Om uitbraken als in 2007 en 2008 te voorkomen blijft aandacht nodig voor voedselveiligheid van de overheid, producenten, voedselleveranciers, voedselbereiders, en consumenten. De VWA kreeg in 2009 458 meldingen van consumenten over voedselinfecties, tegenover 585 in 2008. Het aantal betrokken zieken daalde eveneens (1713 in 2008 en 1143 in 2009). Ook bij de IGZ, die de wettelijk verplichte meldingen van artsen verzamelt, bleef het aantal zieken en het aantal ziekenhuisopnames beperkt: de IGZ verzamelde 35 meldingen met 342 betrokken zieken (695 in 2008) en 29 ziekenhuisopnames (79 in 2008). Het RIVM schat de werkelijke omvang van voedselinfecties en -vergiftigingen op 300.000 tot 750.000 gevallen per jaar. Het aantal meldingen is lager, omdat niet iedere zieke naar de huisarts gaat of de VWA informeert.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Description of the DEPAC module : Dry deposition modelling with DEPAC_GCN2010 | RIVM

Droge depositie is het proces waarbij een stof uit de lucht op de bodem en vegetatie terecht komt. Metingen van het depositieproces zijn omslachtig en duur, daarom wordt de droge depositie met behulp van modellen berekend. Als gevolg van nieuwe inzichten in het droge depositieproces van ammoniak heeft het RIVM de modellering ervan verbeterd. Het rapport beschrijft gedetailleerd de aangepaste softwaremodule (DEPAC) waarmee het droge depositieproces van ammoniak wordt berekend. Droge depositie beïnvloedt de concentratie van de stof in de lucht en is een belangrijke bron van stoffen voor het ontvangende oppervlak. Zo is het van groot belang inzicht te krijgen in de hoeveelheid droge depositie van stikstof op natuurgebieden. Als teveel stikstof deponeert op natuurgebieden, neemt de soortenrijkdom af. Dat komt doordat stikstofminnende planten, zoals grassen en bramen, kwetsbare soorten verdringen. Droge depositie van ammoniak vormt de grootste bijdrage aan de totale stikstofdepositie. Ammoniak komt voornamelijk in de atmosfeer terecht als mest in stallen verdampt of over het land wordt uitgereden. De vorige modelversie verwaarloosde de ammoniakconcentratie in de vegetatie en de bodem. De huidige versie veronderstelt dat er ammoniak in de vegetatie, wateroppervlakken en de bodem aanwezig is. De vegetatie neemt daarom niet alleen ammoniak op, maar geeft - onder bepaalde atmosferische omstandigheden - ook ammoniak af aan de lucht. Verder is in de software de beschrijving van zonlichtinval in bossen verbeterd, evenals het jaarlijkse verloop van het bladoppervlak van de vegetatie.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

JGZ-richtlijn Opsporing visuele stoornissen 0-19 jaar : Eerste herziening | RIVM

Op initiatief van TNO Kwaliteit van Leven en het Expertisecentrum Kind en Ontwikkeling is eind 2007 begonnen met de herziening van de standaard 'Opsporing visuele stoornissen 0-19 jaar', welke in 2002 werd uitgegeven. Dit initiatief werd ondersteund door de Richtlijnadviescommissie (RAC) van het RIVM/Centrum Jeugdgezondheid. De herziene richtlijn, die is gebaseerd op recente wetenschappelijke inzichten en de deskundigheid van JGZ-professionals, is goedgekeurd door de RAC.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

JGZ-richtlijn Opsporing visuele stoornissen 0-19 jaar : Eerste herziening - Samenvatting | RIVM

Op initiatief van TNO Kwaliteit van Leven en het Expertisecentrum Kind en Ontwikkeling is eind 2007 begonnen met de herziening van de standaard 'Opsporing visuele stoornissen 0-19 jaar', welke in 2002 werd uitgegeven. Dit initiatief werd ondersteund door de Richtlijnadviescommissie (RAC) van het RIVM/Centrum Jeugdgezondheid. De herziene richtlijn, die is gebaseerd op recente wetenschappelijke inzichten en de deskundigheid van JGZ-professionals, is goedgekeurd door de RAC.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

BEMS: emissie-eisen voor middelgrote stookinstallaties : Informatie voor de VROM-Inspectie | RIVM

Het RIVM heeft een overzicht gemaakt van de belangrijkste wijzigingen in het nieuwe Besluit emissieeisen middelgrote stookinstallaties (BEMS) en de consequenties daarvan. Dit is gedaan op verzoek van de VROM-Inspectie, die deze informatie gebruikt om het toezicht op de naleving van het BEMS concreet vorm te geven (interventiestrategie). In de meeste gevallen zijn gemeenten ervoor verantwoordelijk dat het BEMS door bedrijven en instellingen goed wordt nageleefd. De minister van VROM heeft hiervoor de eindverantwoordelijkheid. Het BEMS stelt emissiegrenswaarden en voorschriften voor metingen, keuring en onderhoud aan middelgrote stookinstallaties. Middelgrote stookinstallaties zijn ketels, gas- en vloeistofmotoren en gasturbines met een bepaald vermogen, gestookt op (bio)gas, biomassa, vloeibare brandstof of kolen. Installaties waarvoor nieuwe emissiegrenswaarden gelden, zijn vooral te vinden bij de glastuinbouw en in mindere mate bij de industrie en de sector Handel, Diensten en Overheid. In dit rapport zijn de oude en nieuwe emissiegrenswaarden met elkaar vergeleken. Daarnaast is geïnventariseerd om hoeveel bestaande en nieuwe installaties het gaat, en in welke sectoren ze worden gebruikt. Verder geeft het een indicatie welke soorten middelgrote stookinstallaties in welke mate bijdragen aan de nationale en lokale luchtverontreiniging.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Protocols belonging to the report 'Toxicity measurements in concentrated water samples' | RIVM

Dit rapport bevat protocollen voor bioassays, oftewel de technische beschrijvingen hoe zij moeten worden uitgevoerd. Met deze informatie kunnen onderzoekers de methoden op exact dezelfde manier uitvoeren als het RIVM en de Waterdienst. Bioassays zijn methoden die in tegenstelling tot chemische methoden, met behulp van levende organismen inzicht geven in de waterkwaliteit. In een eerder rapport (RIVM-rapport 607013010 en Waterdienst-rapport 2009.003) is de bestaande informatie over bioassays samengevat, maar de protocollen ontbraken nog. Dit rapport voorziet in deze lacune.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

EU Interlaboratory comparison study food III (2009) : Bacteriological detection of Salmonella in minced chicken meat | RIVM

In 2009 waren 31 van de 32 Nationale Referentie Laboratoria (NRLs) in de Europese Unie in staat om hoge en lage concentraties van de Salmonella bacterie in kippengehakt aan te tonen. Zij behaalden direct het gewenste niveau. Een laboratorium werd tijdens de herkansing bezocht door medewerkers van het CRL Salmonella. Met behulp van tips werd uiteindelijk het gewenste resultaat behaald. De oorzaak van hun afwijkend resultaat was waarschijnlijk kruisbesmetting. Dit blijkt uit het derde voedselringonderzoek dat het Communautair Referentie Laboratorium (CRL) voor Salmonella heeft georganiseerd. Het onderzoek is in oktober 2009 gehouden, de herkansing was in januari 2010. Alle NRL's van de Europese lidstaten die ervoor verantwoordelijk zijn Salmonella te detecteren, zijn verplicht om aan dit onderzoek deel te nemen. Het CRL-Salmonella is gevestigd bij het Nederlandse Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). Tijdens de studie zijn drie analysemethodes gebruikt om de Salmonellabacterie in kippengehakt aan te tonen. Twee daarvan zijn internationaal gestandaardiseerde methoden voor Salmonella detectie in voedsel. Deze twee methodes toonde in 96 procent van de monsters Salmonella aan. De derde, de internationaal voorgeschreven methode om Salmonella in dierlijke mest aan te tonen, is niet verplicht maar is op verzoek van het CRL uitgevoerd. Deze methode behaalde het beste resultaat: in 98 procent van de monsters werd Salmonella gedetecteerd. De laboratoria moeten de studie volgens voorschrift uitvoeren. Elk laboratorium kreeg daarvoor een pakket toegestuurd met kippengehakt en 35 gelatinecapsules met melkpoeder dat verschillende besmettingsniveaus Salmonella bevatte. De laboratoria moesten vervolgens het kippengehakt en de capsules samenvoegen en onderzoeken of er Salmonella in aanwezig was.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Gebruik en waardering van kiesBeter.nl in 2009 | RIVM

In 2009 is het bezoekersaantal van de zorgportal kiesBeter.nl aanzienlijk toegenomen: van 3 miljoen in 2008 naar ruim 4,3 miljoen in 2009. De naamsbekendheid van de website is in het laatste kwartaal 2009, de periode waarin de site het meest werd geraadpleegd, gestegen naar bijna 25 procent ten opzichte van bijna 19 procent in dezelfde periode in 2008. Ook de spontane naamsbekendheid steeg en behaalde de hoogst score ooit gemeten: 2,3 procent. Dit blijkt uit een evaluatie van het RIVM van kiesBeter.nl in 2009. Hiermee zijn de marketingdoelstellingen voor 2009 op het gebied van naamsbekendheid, bereik en waardering gehaald. KiesBeter.nl biedt burgers onafhankelijke informatie over zorg en gezondheid en verschaft ze daarmee inzicht in de keuzes die ze kunnen maken in de zorg. Op de website kunnen ziektekostenverzekeringen, maar ook ziekenhuishuizen en andere zorgorganisaties/zorgverleners worden vergeleken. Het RIVM ontwikkelt de website in samenwerking met andere organisaties in de zorg die zowel de aanbieders (bijvoorbeeld ziekenhuizen en verzekeraars) als de vragers (patiënten en consumenten) vertegenwoordigen. Opdrachtgever is het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). Wat de naamsbekendheid betreft neemt kiesBeter.nl de tweede positie in van websites op het gebied van gezondheid en zorg. Wat het bezoekersaantal betreft staat de website ook op de tweede positie ten opzichte van vergelijkbare websites. De beoordeling van bezoekers zou nog wat beter kunnen, vooral over het gebruikersgemak. Volgens een enquête van TNS-NIPO oordeelden bezoekers vrij positief over de kwaliteit van de geboden informatie (circa 7.2). De bezoekersenquête gaf een minder gunstig beeld (circa 5.7). De marketingactiviteiten in 2009 waren voornamelijk gericht op professionals. In 2010 is er ook een publiekscampagne gestart om de naamsbekendheid onder burgers te vergroten. Aanleiding daarvoor is onder andere de lancering van de nieuwe vormgeving en structuur van de website in november 2009.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Conceptueel model van het grondwaterlichaam Zand-Maas : Resultaten van de pilotstudy | RIVM

Om een conceptueel model voor een grondwaterlichaam te kunnen opstellen, is van tevoren een duidelijke probleemstelling nodig. Stakeholders (provincies, drinkwaterbedrijven, waterschappen en gemeentes) moeten vooraf onderling vaststellen voor welk probleem het conceptueel model wordt opgesteld. Dat blijkt uit een pilotstudy, waarin een conceptueel model is ontwikkeld om kennis over de kwantitatieve toestand van een grondwaterlichaam te verzamelen en inzichtelijk te maken. Dit model is een driedimensionale dwarsdoorsnede van kwantitatieve grondwaterprocessen, zoals grondwaterstromen, water dat in de bodem infiltreert en grondwater dat aan de bodem wordt onttrokken via putten en dergelijke. Het model is ontwikkeld voor het grondwaterlichaam Zand-Maas, dat in Brabant en Limburg ligt. Conceptuele modellen worden ontwikkeld om de Kader Richtlijn Water (KRW) te kunnen uitvoeren. Wetenschappers maken veel gebruik van conceptuele modellen, maar voor diverse disciplines binnen de KRW is dat nieuw terrein. Het RIVM heeft de pilotstudy, in opdracht van het ministerie van VROM, met de provincies Noord-Brabant en Limburg en het kennisinstituut Deltares uitgevoerd. Doel van de pilot was om, behalve het model te ontwikkelen, een bijdragen te leveren aan de discussie over conceptuele modellen. Onderdeel van de pilotstudy was een workshop met onderzoekers, beleidsmakers en uitvoerenden uit het gebied van het grondwaterlichaam. Volgens stakeholders bevordert het ontwikkelde model de communicatie tussen bestuurders, onderzoekers, uitvoerende organisaties en 'Brussel' Enkele deelnemers drongen erop aan de kennis waarop conceptuele modellen zijn gebaseerd gestructureerd beschikbaar te maken.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Vulkaanas van de Eyjafjallajokull : Risicoschattingen voor Nederland | RIVM

De uitbarsting van de IJslandse vulkaan Eyjafjallajokull op 14 april 2010 heeft in Nederland geen risico's opgeleverd voor de volksgezondheid. Hoewel er door de heersende windrichting as van de vulkaan over Nederland is getrokken, is er nauwelijks as op leefniveau terecht gekomen. Dat heeft het RIVM geconcludeerd in diverse adviezen die tussen 15 en 29 april 2010 zijn uitgebracht. Dit rapport bundelt de adviezen en geeft enkele aanknopingspunten voor de beoordeling van een eventueel toekomstige situatie, in het geval een vulkaanuitbarsting zou leiden tot de verspreiding van vulkaanas naar Nederland. Het betreft de analyse van regenwater, de inschatting van risico's bij inademing van vulkaanas en de inname van elementen uit de as bij consumptie van gewassen.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Kinderkanker in de omgeving van kerncentrales : Resultaten van een Duitse studie in perspectief | RIVM

Of kinderkanker nabij kerncentrales vaker voorkomt blijft onzeker. Het resultaat van een Duits onderzoek uit 2007, dat hiervoor een significant verhoogd risico liet zien, wordt in Brits en Frans onderzoek niet bevestigd. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM. In het Duitse onderzoek, de zogenoemde KiKK-studie, is in de nabijheid van zestien Duitse kerncentrales gekeken naar het aantal gevallen van kanker bij kinderen in de afgelopen decennia. Hieruit bleek dat kinderen onder de vijf, die binnen vijf kilometer van een kerncentrale wonen, een verhoogd risico lopen op kanker. De onderzoekers kunnen dit risico niet verklaren. De extra straling door kerncentrales is daarvoor veel te beperkt. Het onderzoek leidde tot Tweede Kamervragen aan de minister van VROM. De minister heeft vervolgens het RIVM gevraagd de resultaten van de Duitse studie met ander onderzoek te vergelijken en daarbij extra aandacht te geven aan de situatie rond Borssele. In Borssele wonen circa driehonderd kinderen onder de vijf jaar op minder dan vijf kilometer afstand van de kerncentrale. Indien het in Duitsland waargenomen risico ook voor de kerncentrale Borssele zou gelden, dan zou dat één extra geval van kanker bij kinderen in dertig jaar tijd betekenen. Zo'n lage frequentie is met epidemiologisch onderzoek niet aantoonbaar. Iemand die in de omgeving van de kerncentrale Borssele woont, ontvangt van de centrale in een jaar tijd minder straling dan wat Nederlandse burgers gemiddeld per dag al van nature ontvangen. Een dergelijke lage dosis kan een verhoogd risico zoals dat in Duitsland is waargenomen niet verklaren. '
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Vulkaanas van de Eyjafjallajokull : Risicoschattingen voor Nederland | RIVM

De uitbarsting van de IJslandse vulkaan Eyjafjallajokull op 14 april 2010 heeft in Nederland geen risico's opgeleverd voor de volksgezondheid. Hoewel er door de heersende windrichting as van de vulkaan over Nederland is getrokken, is er nauwelijks as op leefniveau terecht gekomen. Dat heeft het RIVM geconcludeerd in diverse adviezen die tussen 15 en 29 april 2010 zijn uitgebracht. Dit rapport bundelt de adviezen en geeft enkele aanknopingspunten voor de beoordeling van een eventueel toekomstige situatie, in het geval een vulkaanuitbarsting zou leiden tot de verspreiding van vulkaanas naar Nederland. Het betreft de analyse van regenwater, de inschatting van risico's bij inademing van vulkaanas en de inname van elementen uit de as bij consumptie van gewassen.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Afsluitbaar Open Rijnmond - een eerste integrale verkenning : Effecten op natuur en milieu | RIVM

Als de waterstanden in Nederland door klimaatverandering stijgen, loopt een groot deel van het buitendijkse gebied in de regio Rijnmond kans om te overstromen. Uit verkennend onderzoek van het RIVM blijkt dat hierdoor risico's voor het milieu kunnen ontstaan. Daarnaast blijkt dat deze risico's slechts in geringe mate afnemen als het plan Afsluitbaar Open Rijnmond wordt uitgevoerd. Dit plan wil voorkomen dat de waterstanden in de regio Rijnmond te veel stijgen. In het onderzoek heeft het RIVM de effecten van het plan Afsluitbaar Open Rijnmond op natuur en milieu in kaart gebracht. De risico's voor het milieu komen voort uit de aanwezigheid van woongebieden, industrie- en bedrijfsterreinen in de buitendijkse gebieden van Rotterdam en Dordrecht, evenals een aantal bedrijven die vallen onder het Besluit Risico's Zware Ongevallen (BRZO). Daarnaast ligt er een groot aantal potentieel ernstige en urgente bodemsaneringslocaties die nog moeten worden gesaneerd. Het RIVM adviseert de mogelijke milieurisico's in de buitendijkse gebieden als gevolg van de stijgende waterstanden nader te inventariseren. Het plan Afsluitbaar Open Rijnmond is in 2008 in het rapport van de Deltacommissie gepresenteerd als mogelijk alternatief om de buitendijkse gebieden in Rotterdam en Dordrecht te beschermen. Om te voorkomen dat de regio Rijnmond overstroomt stelt het plan voor om alle rivieren en kanalen rond deze regio in geval van nood tijdelijk af te sluiten met behulp van beweegbare keringen. Het water van de Lek, dat normaal gesproken door Rotterdam naar zee stroomt, wordt in dit plan via een nieuwe waterverbinding omgeleid richting Hollands Diep en Haringvliet. Het RIVM heeft voor het onderzoek de toekomstige waterstanden geanalyseerd, zoals die door de TU-Delft en het adviesbureau HKV zijn berekend.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Exchanging car trips by cycling in the Netherlands : A first estimation of the health benefits | RIVM

In opdracht van het ministerie van VROM is onderzocht hoe de mogelijke gezondheidsbaten van het vervangen van korte autoritten door fietsritten geschat kunnen worden. Hiervoor zijn bestaande methoden voor Health Impact Assessment gebruikt en is bekeken of de benodigde data, modellen en instrumenten aanwezig en van voldoende kwaliteit zijn. In de studie worden niet alleen de klassieke milieufactoren als geluid en luchtverontreiniging meegenomen, maar ook verkeersveiligheid en bewegen. Toepassing laat zien dat de ziektelast door lichamelijke inactiviteit na 1 jaar met maximaal 1,3% wordt gereduceerd als volwassenen meer fietsen. Zoals verwacht, zijn de gezondheidsbaten ten gevolge van een afname van de niveaus door geluid van wegverkeer en verkeersgerelateerde luchtverontreiniging relatief klein; verder bleek het vervangen van korte autoritten door fietsritten alleen voordelig te zijn voor jonge mannen. Gezien het grote aantal aannames en onzekerheden, moeten de resultaten worden gezien als een eerste inschatting van wat mogelijk kan worden verwacht van interventies die ervoor zorgen dat mensen de fiets nemen in plaats van de auto. Deze voorbeeldstudie is een vervolg op eerdere studies waarin de effecten van snelheidsreductie en de aanleg van een nieuwe snelweg werden geevalueerd. Uit de studie blijkt dat de betrouwbaarheid van de berekeningen kan worden verbeterd wanneer er betere informatie is over de verdeling van verkeersgerelateerde luchtvervuiling en geluid over de populatie. Ook is het belangrijk om de gemodelleerde vermindering van verkeersgeluid en luchtvervuiling en de gedragsveranderingen te valideren door middel van metingen.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

De organisatie van zorggroepen anno 2010 : Huidige stand van zaken en de ontwikkelingen in de afgelopen jaren | RIVM

Als gevolg van de experimentele invoering van integrale bekostiging gedurende de jaren 2007 tot en met 2009 zijn er in Nederland diverse zorggroepen opgericht. Dit rapport geeft inzicht in de huidige stand van zaken van de organisatie van zorggroepen en in de ontwikkelingen in de afgelopen jaren. Daarnaast geeft het rapport inzicht in de uitrol van de zorgprogramma's voor diabetes, vasculair risicomanagement (VRM) en chronic obstructive pulmonary disease (COPD). Dit onderzoek is een vervolg op de 0-meting zorggroepen die in 2008 is uitgevoerd. Een zorggroep is een organisatie met rechtspersoonlijkheid waarin zorgaanbieders zijn verenigd. De zorggroep is verantwoordelijk voor de coOrdinatie en levering van de gecontracteerde zorg in een bepaalde regio. Met de term 'zorggroep' wordt de hoofdcontractant van het ketendiagnosebehandelcombinatie (keten-dbc) contract bedoeld; niet het team van zorgverleners dat de feitelijke zorg verleent. In Nederland zijn tot maart 2010 in totaal 97 zorggroepen opgericht met minimaal een operationeel zorgprogramma. Momenteel participeert ruim driekwart van alle huisartsen in een zorggroep. Binnen een zorggroep nemen gemiddeld 76 huisartsen deel. In vergelijking met 2008 zijn er vrijwel geen veranderingen in het aantal deelnemende huisartsen en aantal patienten per zorggroep. Ook zijn de huisartsen nog steeds de belangrijk(st)e spelers in zorggroepen. De zorggroepen ervaren knelpunten op het terrein van de ICT wat het geïntegreerd leveren van zorg belemmert. Dit is niet veranderd sinds de 0-meting in 2008. Een derde van de zorggroepen heeft een keteninformatiesysteem (KIS) geimplementeerd. Vooralsnog lijkt het er op dat ook een KIS nog niet voldoet aan de informatiebehoefte van zorggroepen. De rol van de patiënt in de zorggroep is nog onderontwikkeld. Veel zorggroepen hebben nog geen of onvoldoende aandacht voor zelfmanagement. Bij acht van de deelnemende zorggroepen heeft de patient zonder tussenkomst van zorgverleners via internet toegang tot zijn eigen zorgdossier, waardoor de patiënt beter bij het zorgproces betrokken wordt. Alle zorggroepen hebben een keten-dbc contract voor het diabetes zorgprogramma en daarmee is een landelijke uitrol nagenoeg gerealiseerd. Slechts een aantal zorggroepen hebben een keten-dbc contract voor de VRM en COPD zorgprogramma's. Oorzaak hiervan is ondermeer een moeizame onderhandeling met de zorgverzekeraars. De zorggroepen met meerdere zorgprogramma's hebben vaak een complexere juridische structuur en kunnen meerdere rechtsvormen hebben. Daardoor zijn multimorbide patienten voor hun chronische zorg bij meerdere zorggroepen 'in zorg'. Wat dit betekent voor de (kwaliteit van de) feitelijke zorgverlening van mensen met multimorbiditeit is vooralsnog onduidelijk.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Revision of Dutch dietary risk assessment models for pesticide authorisation purposes | RIVM

Het RIVM heeft de modellen gereviseerd waarmee eventuele risico's voor consumenten worden berekend van restanten van gewasbeschermingsmiddelen die maximaal op voeding worden toegestaan; de reële hoeveelheden zijn doorgaans lager. Aanleiding voor de revisie waren recentere gegevens over het voedingspatroon van jonge kinderen. Om een risico te schatten wordt de geconsumeerde hoeveelheid van een product gecombineerd met de concentratie van het gewasbeschermingsmiddel in of op het product. Hierna wordt deze inname vergeleken met een toxicologische grenswaarde. Deze risicoschatting is een standaard onderdeel van de procedure waarmee gewasbeschermingsmiddelen worden toegelaten, het gewasbeschermingsmiddelautorisatieproces. Met de gereviseerde rekenmodellen bleken de schattingen van de hoeveelheid gewasbeschermingsmiddelen die Nederlanders via voeding in theorie binnen zouden kunnen krijgen over het algemeen hoger te zijn dan voorheen. Hierdoor kan het mogelijk zijn dat Europese normen voor maximaal toelaatbare hoeveelheden gewasbeschermingmiddelen (MRLs) naar beneden moeten worden bijgesteld. Dit moet nader worden uitgezocht, door de Nederlandse gegevens op te nemen in het Europese EFSA-rekenmodel waarmee Europese risicoschattingen worden gemaakt (PRIMO). Hiervoor zijn inmiddels de eerste stappen gezet. De gereviseerde rekenmodellen bevatten nu consumptiegegevens van drie doelgroepen: baby's/peuters, jonge kinderen en de bevolking in zijn geheel. Voorheen waren er geen gegevens voor de eerste doelgroep. Daarnaast bevatten de rekenmodellen voor het eerst consumptiegegevens van zowel rauwe producten als van de producten die daarvan worden gemaakt (zoals appelsap van appels en brood van graan). Tot nu toe werd alleen gerekend met de gegevens van het rauwe product.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Opties voor een nitraatdieptemeetnet voor het meten van nitraat in de bovenste vijf meter van het grondwater : Technische uitwerking motie Koopmans van 22 april 2009 | RIVM

Het is mogelijk een eventuele afname van de nitraatconcentratie in de bovenste vijf meter van het grondwater onder landbouw op zand- en dalgronden vast te stellen in een meetnet met 450 tot 1200 grondwaterputten (een nitraatdieptemeetnet). Het precieze aantal putten is afhankelijk van de nauwkeurigheid die het beleid vraagt en van de mogelijkheid om bij voldoende landbouwbedrijven te kunnen meten. Om te kunnen verklaren of de nitraatconcentratie al dan niet met de diepte afneemt, zijn behalve deze basismetingen uitgebreidere metingen nodig bij circa 75 tot 100 van deze putten. Dit blijkt uit onderzoek naar aanleiding van de motie-Koopmans van 22 april 2009. Deze motie verzoekt om, aanvullend op de huidige RIVM-metingen in de bovenste meter van het grondwater, de nitraatconcentraties in de tweede tot en met de vijfde meter te modelleren en te meten. Het onderzoek is uitgevoerd door het RIVM, het kennisinstituut Deltares en instituten van de Wageningen UR. Hiervoor zijn een aantal meetnetvarianten om een afname in de bovenste vijf meter van het grondwater vast te stellen onderling vergeleken. De meetnetvariant die het beste voldoet aan de gestelde eisen sluit aan bij de bestaande voorzieningen van het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM) en is in detail uitgewerkt. Het vergt een grote inspanning om een afname van de nitraatconcentratie met de diepte nauwkeurig met metingen aan te tonen, wat daardoor zeer kostbaar is. Het gebruik van een rekenmodel, op basis van beschikbare kennis en in combinatie met een gedetailleerde meetinspanning bij de 75 tot 100 putten, is aanmerkelijk goedkoper dan de uitgebreide meetnetvariant met 450 tot 1200 putten. Een dergelijk model is echter afhankelijk van aannamen en het beperkte aantal metingen is te laag om alleen op basis van de metingen conclusies te baseren. Het is de bedoeling de metingen in te zetten bij de uitwerking van het eerstkomende, vijfde Nitraatrichtlijn Actieprogramma, waarvoor de onderhandelingen met de Europese Unie medio 2012 aanvangen. De voorbereiding en inrichting van een nitraatdieptemeetnet, de eerste metingen, analyses en rapportage nemen echter circa tweeënhalf jaar in beslag. Hierdoor zijn de meetresultaten niet op tijd beschikbaar om het vijfde Actieprogramma te verbeteren of te onderbouwen. Dit betekent dat voor dat actieprogramma het rekenmodel moet worden ingezet.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Legionella in water : Ontwikkeling van een amoebe-kweek-PCR methode voor detectie van legionella | RIVM

Specifieke soorten legionellabacterien kunnen schadelijk zijn voor de volksgezondheid. Het RIVM heeft een nieuwe methode ontwikkeld waarmee legionellabacterien die in water zitten, kunnen worden aangetoond. Eerst worden legionellabacterien gekweekt op amoeben, eencelligen waarin de bacterien kunnen groeien. De vermeerderde bacterien worden vervolgens aangetoond met polymerase chain reaction (PCR) of met kweek op mediumplaten. Jaarlijks worden veel gevallen van longontsteking als gevolg van een legionellabacterie gemeld bij het RIVM. Het lukt echter zelden om in de omgeving van deze patienten de bron van de besmetting te vinden. Dit komt waarschijnlijk doordat bestaande methoden niet in staat zijn om alle legionellabacterien in watermonsters op te sporen. De amoebe-kweek PCR-methode kan dit naar verwachting wel, maar dit moet nog worden gevalideerd.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit : Resultaten tweede meetronde, 1999-2003 | RIVM

De hoeveelheid organische stof en zware metalen in de bodem van landbouwgrond en bos is tussen 1993 en 2003 niet aantoonbaar veranderd. Waargenomen verschillen vallen binnen de variatie van de meetresultaten. Dit blijkt uit een vergelijking van twee cycli van metingen van het Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit (LMB), dat door het RIVM wordt beheerd. Zware metalen en organische stof zitten van nature in de bodem. Daarnaast komen zware metalen in landbouwgronden terecht via kunst- en dierlijke mest, en in bosgronden via de lucht. In de onderzochte periode zijn per saldo te weinig zware metalen aan de bodem toegevoegd om dat in deze meetperiode terug te zien in de bodemanalyses. Het LMB is een meerjarig meetprogramma met circa tweehonderd locaties, voornamelijk op landbouwgrond. De metingen worden elke zes jaar uitgevoerd op tien combinaties van grondgebruik en grondsoort. De eerste cyclus vond plaats tussen 1993 en 1997, de tweede tussen 1999 en 2003. In de eerste meetronde zijn de bodemlagen van 0 tot 10 en 30 tot 50 cm en het bovenste grondwater bemonsterd. Analyses zijn uitgevoerd op organische stof, zware metalen en organische microverbindingen. In de tweede meetronde is alleen de bodemlaag van 0 tot 10 cm bemonsterd en geanalyseerd op organische stof en zware metalen. In deze ronde namen voor de eerste keer landbouwbedrijven op lössgrond deel. Van hen is ook de bodemlaag 30 tot 50 cm bemonsterd en zijn analyses op organische microverbindingen uitgevoerd. Landbouwbedrijven op zand en zeeklei bleken over het algemeen lagere gehalten aan zware metalen te hebben. Bedrijven op veen, rivierklei en löss hebben daarentegen hogere gehalten aan zware metalen, maar de interventiewaarden hiervoor worden op geen enkel bedrijf overschreden. Ook in de 'strooisellaag' in de bossen, de bovenste bodemlaag, zijn hogere gehalten gemeten. De zandbodemlaag in de bossen heeft veel lagere gehalten aan zware metalen dan de strooisellaag, omdat de metalen daar niet doorheen komen.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Vaccinatiegraad Rijksvaccinatieprogramma Nederland : Verslagjaar 2010 | RIVM

Net als in voorgaande jaren lag in 2010 de gemiddelde deelname aan alle vaccinaties uit het Rijksvaccinatieprogramma landelijk gezien ruim boven de ondergrens van 90 procent. Voor de BMR-vaccinatie houdt de WHO een iets hogere ondergrens aan, van 95 procent, om mazelen wereldwijd uit te kunnen roeien. Deze ondergrens is wel voor de eerste vaccinatieronde (zuigelingen) behaald, maar niet voor de tweede vaccinatie (9-jarigen). Hierdoor is in Nederland een uitbraak van mazelen niet uitgesloten. Dit blijkt uit een rapport van het RIVM over de vaccinatiegraad in Nederland in 2010. Het betreft gegevens over zuigelingen die zijn geboren in 2007, kleuters geboren in 2004 en schoolkinderen geboren in 1999. Voor zuigelingen lag de deelname aan de BMR-, Hib- en meningokokken C-vaccinatie op 96 procent, aan de DKTP-vaccinatie op 95 procent, en aan de pneumokokkenvaccinatie op 94 procent. De deelname aan de hepatitis B-vaccinatie onder kinderen van wie een of beide ouders is geboren in een land waar hepatitis B veel voorkomt, is verder toegenomen. Extra aandacht blijft nodig voor de hepatitis B-vaccinatie voor kinderen van moeders die drager zijn van hepatitis B. Kinderen die op jonge leeftijd worden besmet met dit virus hebben namelijk een groter risico drager van dit virus te worden en op de lange termijn op leveraandoeningen. Vrijwillige vaccinatie in Nederland leidt tot een hoge vaccinatiegraad. Dat is niet alleen nodig om zo veel mogelijk mensen individueel te beschermen maar ook om de bevolking als geheel te beschermen tegen uitbraken van infectieziekten (groepsimmuniteit). Continue aandacht en gezamenlijke inspanning van alle partijen die bij het Rijksvaccinatieprogramma zijn betrokken, blijft nodig om de Nederlandse kinderen tijdig en volledig te vaccineren.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Nulmeting van het NSL-monitoringsprogramma : Analyse van de uitgangssituatie van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit | RIVM

Om de luchtkwaliteit in Nederland te verbeteren is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) opgezet. In dit programma werken de Rijksoverheid en decentrale overheden samen om te zorgen dat Nederland overal tijdig aan de grenswaarden voor fijnstof en stikstofdioxide zal voldoen. Bij het NSL is ook een monitoringsprogramma opgezet om het bereiken van dit doel te waarborgen. Belangrijk onderdeel hiervan is een informatie- en rekensysteem (Monitoringtool) dat met een jaarlijks actualisatieproces het halen van de grenswaarden inzichtelijk moet maken. Voorafgaand aan de start van de monitoring heeft het RIVM een analyse (nulmeting) van dit systeem uitgevoerd. Vooral vanwege de consistente aanpak heeft de Monitoringtool veel potentie. Desondanks liggen er nog belangrijke verbeterpunten om het daadwerkelijk een robuust systeem te maken. Ondanks de consistente aanpak hebben de berekeningen voor toekomstige jaren een relatief grote onzekerheid, vooral doordat de kwaliteit van de invoergegevens niet bekend is. De kwaliteit van deze locatiespecifieke invoergegevens is primair de verantwoordelijkheid van lokale overheden die deze aanleveren. Thans zijn niet alle relevante onderbouwingen van deze gegevens in het monitoringstraject beschikbaar. Hierdoor is het moeilijk om de kwaliteit van deze gegevens en de daarop gebaseerde rekenresultaten te beoordelen. Met de nu voorliggende combinatie van de Monitoringstool en de bijbehorende invoergegevens kan het RIVM de kwaliteit van de monitoringsresultaten niet objectief vaststellen. Als gevolg hiervan kunnen in de monitoring van het NSL geen conclusies aan deze resultaten worden verbonden. In dit rapport worden aanbevelingen gedaan om de kwaliteit van de invoergegevens te vergroten en daarmee de onzekerheid van het eindresultaat te verkleinen. Bij het opstellen van de eerste Monitoringrapportage wordt in meer detail naar de kwaliteit van de resultaten van de Monitoring worden gekeken. De Monitoringtool vormt een belangrijke invulling van het Aarhus protocol waarin toegang van burgers tot milieugegevens wordt geregeld. Het rekeninstrument dat de kern vormt van het monitoringsprogramma is onder grote tijdsdruk tot stand gekomen en is deels nog in ontwikkeling. Het RIVM kan daardoor op dit moment alleen concluderen dat de gebruikte rekenmethoden voldoen aan de technisch-inhoudelijk en wettelijke regels om de luchtkwaliteit te berekenen. Het goed werken van het gehele rekeninstrument (inclusief volledige database en website) kon slechts beperkt worden getest. Een algemene uitspraak hierover, en dus ook over de kwaliteit van de monitoringsresultaten, is in deze nulmeting dan ook niet mogelijk.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Guidance for summarising and evaluating field studies with non-target arthropods : A guidance document of the Dutch Platform for the Assessment of Higher Tier Studies | RIVM

Gewasbeschermingsmiddelen kunnen schadelijke effecten hebben op organismen waarvoor ze niet zijn bedoeld. Er is een richtsnoer ontwikkeld om testresultaten voor de toelatingsprocedure voor gewasbeschermingsmiddelen eenvormig en transparant aan te reiken. Het richtsnoer geldt specifiek voor veldstudies met niet-doelwit arthropoden (geleedpotigen) die boven de grond en op planten leven, bijvoorbeeld in akkers of boomgaarden. Het richtsnoer is ontwikkeld door het Nederlandse Platform voor de Beoordeling van Higher Tier Studies, waarvan het RIVM het secretariaat voert. Veldstudies kunnen een onderdeel zijn van het dossier met gegevens voor gewasbeschermingsmiddelen. Ze worden uitgevoerd als een laboratoriumstudie een risico voor het gebruik van een gewasbeschermingsmiddel aangeeft. Bij de toelatingsprocedure voor gewasbeschermingsmiddelen leveren aanvragers (meestal de bestrijdingsmiddelenfabrikanten) informatie aan het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb). Aan de hand hiervan beoordeelt het Ctgb of een specifiek gebruik van een middel toelaatbaar is in Nederland. De geleverde informatie betreft onder andere complexe en vaak omvangrijke informatie over niet-doelwit arthropoden. Het Ctgb laat deze studies vervolgens door verschillende externe partijen samenvatten en evalueren. Door verschillen in werkwijze kunnen de vorm van deze samenvattingen en evaluaties, en soms zelfs de conclusies, verschillen. Vandaar de wens van het Ctgb om de evaluaties en samenvattingen van veldstudies met niet-doelwit arthropoden te standaardiseren. Behalve de handleiding bevat dit rapport twee uitgewerkte voorbeelden en aanbevelingen voor het gebruik van de resultaten bij de risicobeoordeling. De risicobeoordeling houdt rekening met omstandigheden, zoals het klimaat en het gewas, die van invloed kunnen zijn op het resultaat.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Impact of climate change on water quality in the Netherlands | RIVM

Door klimaatverandering worden bestaande problemen voor de kwaliteit van oppervlaktewater in Nederland groter. Naar verwachting leidt klimaatverandering niet tot nieuwe waterkwaliteitsproblemen. Dit blijkt uit literatuuronderzoek van het RIVM naar de verwachte invloed van klimaatverandering op waterkwaliteit, inclusief de gevolgen voor ecologie, gezondheid en enkele maatschappelijke sectoren. Het instituut raadt overheden daarom in het algemeen aan om geen nieuw beleid te ontwikkelen, maar de gevolgen van de klimaatverandering bij bestaand beleid te integreren. De doelen die de Europese Kaderrichtlijn Water stelt kunnen onhaalbaar worden door de extra 'stress' van klimaatverandering voor het milieu. Ook is het raadzaam om de onderlinge samenhang tussen beleidsterreinen te benadrukken en meer samen te werken.. Voor het onderzoek is eerst de verwachte klimaatverandering in kaart gebracht. Zo zal de temperatuur gemiddeld stijgen, waardoor de variatie binnen de seizoenen zal toenemen. Vervolgens is onderzocht wat de effecten van klimaatverandering zijn voor de kwaliteit van oppervlaktewater in Nederland. Chemisch gezien zal de waterkwaliteit achteruit gaan en de concentratie zuurstof in het water afnemen. Ook worden de gevolgen van eutrofiëring groter, zoals meer algenbloei. In ecologisch opzicht zal de klimaatverandering de bestaande stressfactoren voor het water, zoals verzilting, verzuring, eutrofiëring en versnipperde natuurgebieden, versterken. Daardoor kunnen nieuwe plant- en diersoorten uit het Zuiden naar Nederland komen en andere uit Nederland verdwijnen. Voor de mens kunnen micro-organismen in een warmer klimaat gezondheidsrisico's veroorzaken. Het is echter nog niet uitgesloten dat dergelijke risico's juist kunnen afnemen. Ook kunnen hogere temperaturen gevolgen hebben voor het drinkwater, omdat oppervlaktewater boven een bepaalde temperatuur niet voor de drinkwaterwinning mag worden gebruikt.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Zeeschepen: metingen van chemische stoffen in brandstoffen en rookgassen : | RIVM

In opdracht van de VROM-Inspectie heeft het RIVM in 2008 de chemische samenstelling vastgesteld van brandstoffen en rookgassen van zeeschepen op de Westerschelde en het Noordzeekanaal. Hieruit blijkt dat stookolie meer zwavel en zware polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) bevat dan gasolie. Het gemiddelde zwavelgehalte in brandstoffen was voor schepen varende op stookolie hoger dan voor schepen varende op gasolie (1,6% versus 0,13%). Voor schepen die aan de wal lagen en hun hulpmotoren of generatoren op gasolie hadden draaien, was het gemiddelde zwavelgehalte in de brandstof 0,21%. In vergelijking met twee jaar geleden is het zwavelgehalte in stookolie gedaald van 2,2 naar 1,6 , in lijn met het beleid. Aan de stofdeeltjes in de rookgassen van schepen kleven allerlei verontreinigingen. De resultaten van de metingen van stofgebonden PAK in de rookgassen van zeeschepen die op stookolie varen waren groter dan in de rookgassen van schepen die op gasolie varen. De meeste stofgebonden elementen in de rookgassen van schepen waren groter bij schepen die op stookolie varen dan die op gasolie varen. Maar dit geldt niet voor alle verontreinigingen. De fijnstoffracties in rookgassen bleek voor 70 massaprocent uit de ultrafijne fracties (PM0,1) te bestaan, voor 28% uit de fijne fracties (PM00,1-2,5) en voor 2% uit de zogeheten coarse fracties (PM2,5-10). De ultrafijne fracties zijn schadelijker voor de gezondheid omdat ze kleiner zijn en dus dieper in de luchtwegen terecht kunnen komen. De rookgassen zijn verder nog onderzocht op de zwaveldioxideuitstoot. De gemiddelde emissie zwaveldioxide in rookgassen was 15 gram per seconde. Het onderzoek is de laatste van een reeks van drie, die in zowel 2006, 2007 en 2008 in een gelijke setting uitgevoerd zijn. Vanaf 2007 werd onderzoek naar fijn stof in rookgassen daaraan toegevoegd.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Meting van 220Rn en consequenties voor eerdere 222Rn-surveys : VERA-onderzoek | RIVM

Er komt minder radioactief radongas (Rn-222) in nieuwbouwwoningen voor dan op basis van eerdere radonsurveys werd aangenomen. De oude radondetectoren blijken na onderzoek ook gevoelig voor radioactief thoron (Rn-220), waarvan meer aanwezig is dan werd gedacht. Dit volgt uit een nader onderzoek aan deze detectoren, dat plaatsvond naar aanleiding van een landelijke survey naar de stralingsbelasting in Nederlandse woningen die tussen 1994 en 2003 zijn gebouwd. Detectoren die voor internationale vergelijkingsstudies naar radon worden gebruikt, zijn tot nu alleen op dit edelgas ingesteld. Dat sommige typen detector behalve radon ook thoron meten, valt dan niet op. Net als in Nederland is er internationaal een toegenomen aandacht voor thoron vanwege survey-resultaten die sterk door thoron bleken te zijn beinvloed. Het thoron lijkt afkomstig van een (veel voorkomend) bouwmateriaal met verhoogde thoronuitstoot, mogelijk een afwerkmateriaal. Inmiddels is gebleken dat er gedurende een aantal jaar in Nederland stucmateriaal is toegepast dat door het ingredient fosfogips meer thoron bevatte. Mogelijk geven echter ook andere afwerkmaterialen aanleiding tot een verhoging. Een groot deel van de dosis straling die mensen binnenshuis ontvangen, is het gevolg van het inademen van de radioactieve vervalproducten van radon en thoron. Radon en thoron worden van nature gevormd in bodem- en bouwmaterialen. Een deel daarvan komt in de woning terecht, omdat ze gasvormig zijn. Blootstelling aan straling in de woning is verantwoordelijk voor ruwweg de helft van de stralingsbelasting die Nederlandse burgers gemiddeld door het jaar heen oplopen.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Environmental radioactivity in the Netherlands : Results in 2008 | RIVM

Volgens het Euratom-verdrag uit 1957 moeten alle lidstaten van de Europese Unie jaarlijks de hoeveelheid radioactiviteit in het milieu meten. Ook in 2008 heeft Nederland aan deze verplichting voldaan. Sinds 2000 kent Euratom aanbevelingen om de metingen volgens een bepaald stramien uit te voeren, lidstaten zijn echter niet verplicht deze na te leven. Nederland voldeed in 2008 aan alle Europese aanbevelingen, met uitzondering van de bepaling van strontium-90 in voedsel. De metingen in lucht en omgeving lieten een normaal beeld zien. Polonium-210 in depositie gaf het hoogste niveau sinds 1993 (twee keer zo hoog als normaal). Dit kan deels verklaard worden door Sahara zand dat eind mei in Nederland is gedeponeerd. In voedsel en melk zijn geen radioactiviteitniveaus aangetroffen boven de Europese limieten voor export en consumptie. Met ingang van 2008 zijn extra gegevens betreffende voedsel toegevoegd aan dit rapport. De additionele gegevens zijn afkomstig van RIKILT - Instituut voor Voedselveiligheid. In het oppervlaktewater is op een aantal locaties voor sommige radioactieve stoffen de streefwaarde overschreden. Deze overschrijdingen zijn echter zodanig dat ze niet schadelijk zijn voor de volksgezondheid. Streefwaarden zijn waarden die bij voorkeur niet overschreden mogen worden, maar het zijn geen limieten.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Prioritering in processen van de Europese stoffenwetgeving REACH en CLP | RIVM

De Nederlandse overheid toetst of de industrie de risico's van chemische stoffen goed vaststelt. Dit is een onderdeel van de wettelijke taken binnen de Europese verordeningen REACH (Registratie, Evaluatie, Autorisatie en beperking van Chemische stoffen) en CLP (Classification, Labelling & Packaging). Vanwege het grote aantal stoffen heeft het RIVM met TNO een systematiek opgezet om hierin keuzes te maken. Hetzelfde geldt voor de acties die de overheid zelf in dit verband kan nemen, bijvoorbeeld voorstellen om het gebruik van een stof te beperken of verbieden. REACH en CLP gaan over veiligheid- en gezondheidsaspecten van chemische stoffen in consumentenproducten, op de werkvloer of in het milieu. Met de komst van REACH ligt de verantwoordelijkheid hiervoor meer bij de industrie dan bij de overheid. De systematiek is opgezet op basis van de beleidswensen van alle ministeries die bij het stoffenbeleid zijn betrokken, in het bijzonder VROM, SZW en VWS als opdrachtgever om deze systematiek op te stellen. Zo geeft VWS de hoogste prioriteit aan gevaarlijke stoffen in consumentenproducten voor kinderen. Om werknemer en consument te beschermen geven de ministeries voorrang aan stoffen als ze kankerverwekkend zijn, giftig zijn voor de voortplanting of allergische reacties veroorzaken (CMRS-stoffen). Voor het milieu zijn de criteria voor prioriteit of stoffen dat ze niet afbreekbaar zijn, zich ophopen in organismen, bodem en water (bioaccumulerend) en schadelijk zijn (PBT- of vPvB-stoffen). De systematiek rangschikt een groep stoffen op basis van het risico, dat wordt gedefinieerd als een combinatie van het gevaar van de stof en de blootstelling eraan. De prioritering wordt vervolgens voor de verschillende beschermingsgroepen in punten uitgedrukt: consument, werknemer, mens indirect blootgesteld via het milieu en milieu. Het type 'dossier': registratie, evaluatie, enzovoort, bepaalt welke groep stoffen nader wordt bekeken.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Teeltvrije zones : invloed op belasting van het oppervlaktewater | RIVM

Om te voorkomen dat op percelen gebruikte gewasbeschermingsmiddelen en mest in nabijgelegen oppervlaktewater terechtkomen, zijn zogeheten teeltvrije zones ingesteld. Het is echter moeilijk aan te geven wat de optimale breedte van deze zones is. Dat komt doordat informatie ontbreekt over de wijze waarop gewasbeschermingsmiddelen en mest (nutriënten) indirect in het oppervlaktewater terechtkomen. Dit blijkt uit een verkennende literatuurstudie van het RIVM. Opdrachtgever is het ministerie van VROM dat de breedte van de teeltvrije zone wil optimaliseren. Dit onderzoek geeft eveneens bij benadering aan welk oppervlak uit productie moet worden genomen bij verschillende breedten van de teeltvrije zones. Gewasbeschermingsmiddelen en mest kunnen direct in het oppervlaktewater naast percelen terechtkomen. In deze situaties is het mogelijk om aan te geven hoeveel minder er bij bepaalde breedte van de teeltvrije zone in de sloten terechtkomt. Bij indirecte emissies, zoals af- en uitspoeling, is het moeilijk te zeggen wat de invloed van de breedte van de teeltvrije zone is. Plaats- en tijdafhankelijke omstandigheden, zoals de vochttoestand van de bodem, kunnen de belasting sterk beïnvloeden. Internationaal onderzoek naar het belang van de breedte van de teeltvrije zone is niet of nauwelijks bruikbaar voor de Nederlandse situatie. Dat komt doordat de landen verschillende breedtes voor die zone hanteren en doordat internationaal onderzoek voornamelijk in niet-vlakke gebieden is uitgevoerd. De internationale term voor de teeltvrije zone, bufferstrook, is overigens een betere benaming omdat het niet om onbewerkte grond gaat. Juist door deze strook te bewerken en te beplanten worden de emissies beperkt.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Impact of (inter)national substance frameworks on the policy on Dutch priority substances | RIVM

Nederlands beleid is erop gericht om risico's van 247 'prioritaire stoffen' waaraan mogelijke gevaren kleven terug te dringen. (Inter)nationale wet- en regelgeving draagt eraan bij dat de Nederlandse beleidsdoelen voor ongeveer 35% van deze stoffen kunnen worden bereikt. Voor het overige percentage dekken de (inter)nationale kaders het Nederlandse prioritaire stoffenbeleid slechts gedeeltelijk af, of helemaal niet. Zo valt ruim 40% van de prioritaire stoffen onder (inter)nationale kaders die minder strenge beleidsdoelen nastreven dan de Nederlandse, bijvoorbeeld omdat ze andere normen gebruiken. Ongeveer 20% van de prioritaire stoffen valt buiten (inter)nationale kaders. Toch zijn voor sommige stoffen uit deze twee categorieën de Nederlandse beleidsdoelen gehaald. Voor de stoffen waarbij dat niet het geval is, is mogelijk aanvullend nationaal beleid nodig. Eerst moet echter worden bekeken of deze stoffen nog relevant zijn voor Nederland. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM, in opdracht van het ministerie van VROM. De 247 stoffen op de Nederlandse prioritaire stoffenlijst zijn daarvoor geselecteerd omdat deze een meer dan verwaarloosbaar risico voor mens en milieu met zich kunnen meebrengen. Dat komt door hun gevaarlijke eigenschappen, de emissies of de mate waarin ze in het milieu voorkomen. Voorbeelden van (inter)nationale kaders die het Nederlandse prioritaire stoffenbeleid afdekken zijn de Kaderrichtlijn Water, het OSPAR-verdrag voor het zeemilieu en de Nederlandse emissierichtlijn voor Lucht (NeR). De invoering van de Europese chemicaliënregelgeving REACH draagt bij aan het realiseren van de Nederlandse doelen, maar de omvang van die invloed is op dit moment nog onduidelijk. Volgens het Nederlandse beleid mag de concentratie van elke prioritaire stof in het milieu op langere termijn, zo mogelijk voor 2010, niet hoger zijn dan het zogeheten verwaarloosbare risiconiveau. Het verwaarloosbare risiconiveau geldt als doel om mens en milieu te beschermen tegen een gelijktijdige blootstelling aan meerdere stoffen.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Surveillance Arbeidsgerelateerde Infectieziekten : Analyse arbeidsgerelateerde infectieziekten 2009 | RIVM

Het aantal registraties van infectieziekten die Nederlanders tijdens hun werk oplopen is in 2009 laag, een tot twee procent van het totale aantal geregistreerde infectieziekten. Dit aantal is echter niet volledig. Dat komt gedeeltelijk omdat de arbeidsrelatie vaak niet wordt geregistreerd, en deels omdat de locatie van de infectiebron vaak als 'onbekend' wordt geregistreerd (in Osiris). Ten opzichte van voorgaande jaren is een lichte stijging waarneembaar. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM, in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW). SZW wil de kennis over arbeidsgerelateerde infectieziekten vergroten en doorgeven aan werkgevers, werknemers en arbodienstverleners, zodat zij maatregelen kunnen nemen. Voor het onderzoek zijn de twee belangrijkste Nederlandse registratiesystemen van infectieziekten/ziekten geanalyseerd: Osiris en de beroepsziektenregistratie van het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten (NCvB). In 2009 zijn in Osiris en bij het NCvB een vergelijkbaar aantal arbeidsgerelateerde infectieziekten gemeld, namelijk 154 en 155. Voor beide systemen is dit een lichte toename ten opzichte van voorgaande jaren. Bij registratie in Osiris worden vragen gesteld aan de patiënt over de opgelopen infectieziekte. Sinds augustus 2009 is de Osiris-vragenlijst aangevuld met extra vragen over blootstelling van werknemers aan infectieziekten tijdens het werk. Dit levert informatie op over de relatie tussen branches/beroepen, werkzaamheden en soorten infectieziekten. In Osiris, dat wordt beheerd door het RIVM, melden GGD'en de meldingsplichtige infectieziekten. De meeste meldingen zijn van arbeidsgerelateerde infectieziekten opgelopen door mensen die voor hun werk in het buitenland verblijven. Q-koorts is echter de voornaamste veroorzaker van de toename van het aantal arbeidsgerelateerde meldingen in Osiris. Daarnaast hebben ook malaria en hepatitis B een belangrijk aandeel. Bij het NCvB melden bedrijfs- en verzekeringsartsen infectieziekten. Zij melden hoofdzakelijk werknemers die een infectieziekte hebben opgelopen tijdens het werk in de gezondheidszorg of na contact met dieren. Infectieziekten die het meest worden gemeld bij het NCvB zijn darminfecties, huidinfecties en Q-koorts.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Environmental risk limits for various chlorobenzenes | RIVM

Het RIVM heeft milieurisicogrenzen afgeleid voor een serie chloorbenzenen in water, grondwater, bodem en lucht. De groep stoffen omvat monochloorbenzeen, dichloorbenzenen en tetrachloorbenzenen. Ze worden gebruikt als tussenproduct om andere stoffen te maken. Te hoge concentraties van deze stoffen zijn schadelijk voor het milieu. Voor dit onderzoek zijn actuele ecotoxicologische gegevens gebruikt, gecombineerd met de methodiek die is voorgeschreven door de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW). De nieuwe milieurisicogrenzen zijn lager dan de nu geldende afgeleide normen. Dit komt omdat nu niet alleen de directe schadelijke effecten zijn onderzocht, maar ook de indirecte effecten op mensen en op vogels en zoogdieren door het eten van vis. Tussen 2001 en 2006 zijn de stoffen een enkele keer aangetroffen in de Rijn, maar het is niet waarschijnlijk dat de nieuw afgeleide risicogrenzen langdurig zijn overschreden. Voor de waterbodem zijn geen milieurisicogrenzen afgeleid, omdat de stoffen naar verwachting nauwelijks aan de waterbodem binden. Normaal gesproken worden de milieurisicogrenzen afgeleid op basis van de eigenschappen van individuele stoffen. Van de di- en tetrachloorbenzenen bestaan echter verschillende vormen die gelijktijdig voorkomen en een vergelijkbare toxiciteit hebben. Daarom is voor deze stoffen een zogeheten somnorm afgeleid, die voorkomt dat de effecten van individuele stoffen worden gestapeld. Deze somnorm is gebaseerd op de gezamenlijke gegevens en effecten van vergelijkbare stoffen. Milieurisicogrenzen zijn niet bindend, maar zijn de wetenschappelijke basis waarop de Nederlandse Interdepartementale Stuurgroep Stoffen de milieukwaliteitsnormen vaststelt. De overheid hanteert deze normen bij de uitvoering van het nationale stoffenbeleid en de KRW.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Gemeten en berekende NO2-concentraties in Amsterdam in 2008 | RIVM

Berekeningen met de Nederlandse standaardrekenmethode voor luchtkwaliteit in binnenstedelijke straten geven in 38 Amsterdamse straten gemiddeld lagere concentraties stikstofdioxide (NO2) aan dan metingen op deze locaties. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM en de GGD Amsterdam, waarin deze standaardrekenmethode is vergeleken met metingen van de GGD Amsterdam. Het verschil bedraagt gemiddeld 11 %. Op meetlocaties van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit, verspreid over Nederland, laat de rekenmethode geen significante onderschatting zien. Het onderzoek is in opdracht van het ministerie van VROM uitgevoerd. In de onderzochte straten worden de concentraties voor een belangrijk deel bepaald door de emissies van het wegverkeer in de straat. De metingen zijn gedurende dertien meetperioden van elk vier weken, uitgevoerd met zogenoemde Palmes diffusiebuisjes. Deze metingen zijn geijkt aan de Europese referentiemethode op de vaste meetstations van het Luchtmeetnet Amsterdam. De berekeningen zijn uitgevoerd met de wegkenmerken en verkeersgegevens op de plaats van de meetpunten. Een deel van de gevonden verschillen in Amsterdam kan verklaard worden,doordat locaties buiten het toepassingsgebied van de standaardrekenmethode vallen. Behalve het lokale wegverkeer dragen andere bronnen, zoals scheepvaart, bij aan de concentraties in drukke straten in Amsterdam. De andere bronnen vormen samen de achtergrondconcentratie. Het is denkbaar dat sommige bronnen, die niet in detail in de berekening van de achtergrondconcentratie zijn opgenomen, de concentraties op specifieke locaties sterker beïnvloeden dan nu wordt aangenomen. In 2010 zal dit verder onderzocht worden.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Environmental risk limits for benzyl chloride and benzylidene chloride | RIVM

Het RIVM heeft milieurisicogrenzen afgeleid voor benzylchloride en benzylideenchloride. Deze stoffen worden gebruikt voor industriële processen, onder ander bij de productie van kleurstoffen. De onderzochte stoffen staan op de lijst van stoffen waarvoor Nederland vanwege de Kaderrichtlijn Water nieuwe normen moet afleiden. Dat komt onder andere omdat ze mogelijk kankerverwekkend zijn. De overheid gebruikt milieukwaliteitsnormen om het nationaal stoffenbeleid te kunnen uitvoeren. Deze normen worden vastgesteld door de Stuurgroep Stoffen, op basis van wetenschappelijk afgeleide milieurisicogrenzen. Voor de milieurisicogrenzen voor benzylchloride en benzylideenchloride zijn drie routes onderzocht: de directe effecten van deze stoffen op water- en bodemorganismen, de indirecte effecten op vogels en zoogdieren via het eten van prooidieren en de indirecte effecten op mensen via het eten van voedsel. Deze laatste route levert de laagste waarde voor benzylchloride en bepaalt daarmee de risicogrens voor deze stof. Voor benzylideenchloride waren niet genoeg betrouwbare gegevens beschikbaar om deze routes door te rekenen. Omdat de huidige waterkwaliteitsnorm voor deze stof mogelijk niet beschermend is voor mensen, is het gewenst deze aan te passen. Daarvoor zijn gegevens over benzylchloride gebruikt, omdat dat een gelijksoortige stof is. Omdat benzylideenchloride mogelijk giftiger is dan benzylchloride, kan deze waarde nog lager worden als er nieuwe informatie beschikbaar komt. Het is niet bekend of de nieuw afgeleid risicogrenzen in Nederlands oppervlaktewater worden overschreden. Het nieuwe MTR voor benzylchloride voor water is met 0,02 microgram per liter lager dan de concentratie die in water kan worden gemeten (0,5 microgram per liter, oftewel de detectielimiet), en kan dus niet met metingen worden aangetoond. Voor benzylideenchloride is het nieuwe MTR voor water met 0,0034 microgram per liter nog lager. Er zijn zijn geen meetgegevens beschikbaar om deze waarde te toetsen. Waarschijnlijk zijn ook hier de concentraties te laag om ze te kunnen aantonen.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

De kwaliteit van ondiep en middeldiep grondwater in Nederland : In het jaar 2008 en de verandering daarvan in 1984-2008 | RIVM

In 2008 overschrijden ammonium, totaal-fosfor, nitraat, kalium, nikkel, cadmium, zink, chroom, arseen, sulfaat, chloride, de zuurgraad en aluminium de toetsingswaarde in het ondiepe en middeldiepe grondwater van Nederland. Tussen 1984 en 2008 is de grondwaterkwaliteit over het algemeen weinig veranderd. In zandgebieden is de kwaliteit zowel gedaald als gestegen. Aangetoonde dalingen kunnen het gevolg zijn van minder mestgebruik, minder atmosferische neerslag van metalen en een lagere aanvoer van dierlijke mest. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM, in opdracht van het ministerie van VROM. In de zandgebieden zijn veel van de toetsingswaarden overschreden. Vooral in het ondiepe grondwater van het zuidwestelijke zandgebied en de Peelhorst en oude rivierterrassen langs de Maas komen veel verhoogde concentraties voor. Waarschijnlijk veroorzaakt de afbraak van organisch materiaal de hoge concentratie totaal-fosfor en ammonium in het rivierengebied. Daarnaast is arseen in dit gebied van nature in hoge mate aanwezig. Als gevolg van invloeden van zee zijn de concentraties van chloride en kalium in de zeeklei- en laagveengebieden hoog. Overeenkomsten tussen het ondiepe en middeldiepe grondwater in polders en droogmakerijen en het zeekleigebied suggereren dat door de afbraak van organische stof ammonium vrijkomt. Brak water in de ondergrond van duinen en strandwallen beïnvloedt de hoge concentraties chloride, sulfaat en kalium in het middeldiepe grondwater aldaar. De afbraak van organisch materaal is de meest voor de handliggende verklaring voor de hoge concentraties ammonium en totaal-fosfor in zowel ondiep als middeldiep grondwater.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Kosteneffectiviteit van lokaal gezondheidsbeleid : Overzicht van preventieve interventies uit de leeflijnen Tabakspreventie, Integraal alcoholbeleid, Overgewicht en Depressiepreventie | RIVM

Van een minderheid van de interventies voor lokaal gezondheidsbeleid is bewezen dat ze bijdragen aan het terugdringen van roken, schadelijk alcoholgebruik, overgewicht en depressie. Van de meeste interventies is dit niet bekend. Dit blijkt uit een literatuuronderzoek van het RIVM dat in opdracht van het ministerie van VWS is uitgevoerd. Sinds 2007 bestaan handleidingen voor lokaal gezondheidsbeleid. Onderdeel hiervan zijn overzichten van de beschikbare maatregelen die de leefstijl preventief verbeteren. Gemeenten kunnen kiezen welke interventies zij hieruit aanbieden. In het onderzoek zijn gegevens over effectiviteit en kosteneffectiviteit van preventieve leefstijlinterventies uit Nederlands en buitenlands onderzoek verzameld. De meeste interventies die in Nederlandse gemeenten worden aangeboden, zijn niet onderzocht of in onderzoek met voldoende bewijskracht. Of deze interventies er daadwerkelijk aan bijdragen dat roken, schadelijk alcoholgebruik, overgewicht en depressie op lange termijn afnemen is niet bekend. Bovendien was er zeer weinig informatie beschikbaar over de kosteneffectiviteit van de interventies. De (kosten)effectiviteit van preventieve interventies zou meer voorop kunnen staan bij lokaal beleid en in de praktijk. In de nieuwe interventieoverzichten die eind 2010 als onderdeel van de Handleiding Gezonde Gemeente verschijnen is hier al meer aandacht voor. Voor effectieve gezondheidsbevordering op lokaal niveau moet echter ook voldaan worden aan praktische randvoorwaarden, zoals voldoende begeleiders en deelnemers onder de doelgroep tegen acceptabele kosten. Meer onderzoek naar langetermijneffecten van leefstijlinterventies op risicofactoren of ziekte is nodig.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Infectieziektebestrijding en werknemersgezondheid : Eindrapportage 2009-2010 | RIVM

Sinds 2006 zijn werknemers een expliciete doelgroep van de activiteiten van het Centrum Infectieziektebestrijding (CIb) van het RIVM. Dit komt voort uit het project 'Infectieziektebestrijding en Werknemersgezondheid', dat het CIb sinds 2006 in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) uitvoert. Het doel daarvan is de gezondheid van de werknemer, en daarmee van de bevolking in zijn geheel, te verbeteren. Uit het project zijn veel maatregelen voortgevloeid. Zo is een arboprofessional toegevoegd aan het team van deskundigen dat bijeenkomt bij een uitbraak van een infectieziekte, het Outbreak Management Team (OMT). Bij de uitbraak van de Nieuwe Influenza A (H1N1) en de toename van het aantal Q-koorts patiënten heeft deze arboprofessional ervoor gezorgd dat arbeidsomstandigheden onderdeel werden van het advies aan de regering. Daarnaast is het Arbo Management Team (AMT) opgericht. Dit team bekijkt wie geschikt is om aan het OMT deel te nemen en adviseert deze arboprofessional. Verder is een communicatiesysteem, een soort nieuwsbrief, opgezet voor arboprofessionals met actuele informatie over Nieuwe Influenza A (H1N1) en Q-koorts: Arbo-Inf@ct. Ook zijn specifieke arboparagrafen opgenomen in de Richtlijn Infectieziektebestrijding van het CIb en is er aandacht voor werknemers in het zogeheten signaleringsoverleg van het CIb. Dit overleg signaleert of landelijke dreigingen van infectieziekten zich voordoen en informeert de overheid hierover. Daarnaast is er aandacht voor werknemers in het voorlichtingsmateriaal (toolkits) van het RIVM voor de GGD'en, bedrijfsartsen en anderen die zich met gezondheidsvoorlichting bezighouden. Tot slot is de vragenlijst van het registratiesysteem van meldingsplichtige infectieziekten Osiris uitgebreid met drie arbeidsrelevante vragen.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Binnenmilieuadviezen voor nieuw te bouwen scholen : Informatieblad | RIVM

Bij het bouwen van een nieuwe school kunnen GGD-medewerkers adviseren over een gezond binnenmilieu. Dit informatieblad geeft aanbevelingen hiervoor. De laatste tijd is er toenemende aandacht voor het binnenmilieu van scholen, vooral omdat uit onderzoek blijkt dat het binnenmilieu van veel bestaande basisscholen niet gunstig is. Hierdoor krijgen GGD'en vaak van schoolbesturen en -directies de vraag om informatie te leveren ten behoeve van een gezonde nieuwbouwschool. Met dit informatieblad kunnen GGD-medewerkers een bijdrage leveren in een vroege fase van het bouwproces. Voor verschillende aspecten van het binnenmilieu zijn er aanbevelingen geformuleerd, zoals voor de binnenluchtkwaliteit, thermisch comfort, schoonmaak en onderhoud. Gekozen is voor een hoog ambitieniveau om condities na te streven die zo gunstig mogelijk zijn. Dat betekent een schoolgebouw waarin het behaaglijk en efficiënt leren is met zo weinig mogelijk gezondheidsrisico's. Dit informatieblad heeft het RIVM samen met de GGD Groningen opgesteld.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Evaluation of the Dutch QRA directives for storage and transportation of flammable liquids | RIVM

Voor opslag en transport van brandbare aardolieproducten moet volgens de Nederlandse wetgeving worden bepaald of er ongevallen kunnen optreden waarbij dodelijke slachtoffers kunnen vallen. Als onderdeel hiervan moet ook de grootte en de ligging worden vastgesteld van het gebied waarbinnen mensen kunnen overlijden in geval van een ernstig ongeval. Voor deze risicobeoordeling is een methodiek vastgesteld. In deze methodiek blijkt de mogelijkheid van een explosie bij activiteiten met brandbare aardolieproducten voldoende te zijn verdisconteerd. Wel zijn enkele verbeteringen in de methodiek gewenst. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM in opdracht van het ministerie van VROM. Aanleiding voor het onderzoek was een onverwacht grote explosie bij een opslagfaciliteit van aardolieproducten in Hemel Hempstead, Engeland, in 2005. Een goede rekenmethodiek is gewenst omdat op basis van de berekende risico's veiligheidsafstanden worden vastgesteld voor bebouwing in de omgeving van dergelijke bedrijven. Met dergelijke veiligheidsafstanden wordt voorkomen dat kwetsbare bestemmingen, zoals woningen en scholen, op locaties staan waar de kans op overlijden door dergelijke ongelukken groot is. Aanbevolen wordt om in de rekenmethodiek beter te specificeren hoe de effecten van vrijkomende mengsels moeten worden berekend. Ook zijn verbeteringsvoorstellen gedaan voor enkele specifieke modelonderdelen. In de evaluatie zijn naast het genoemde ongeval in Hemel Hempstead, ook andere ongevallen bij opslag en transport van brandbare aardolieproducten meegenomen.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Downsyndroom-kansbepaling met de eerstetrimestercombinatietest 2006-2008 | RIVM

Tussen 2006 en 2008 is 70 % van de zwangerschappen van een kind met downsyndroom correct voorspeld met de eerstetrimester-combinatietest. De test presteert daarmee iets minder dan in de vorige onderzochte periode, tussen 2004 en 2006. Het aantal aanvragen voor de test is in de onderzochte periode licht gestegen, de leeftijd van zwangeren die de test laten doen daalde licht. Van 63 % van de aangevraagde eerstetrimester-combinatietesten is de uitkomst van de zwangerschap aan het RIVM gerapporteerd. Dit blijkt uit de derde evaluatie van de eerstetrimester-combinatietest. De evaluatie is uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). De combinatietest is een kansbepaling, gebaseerd op een nekplooimeting (NT-meting) bij de foetus en een serumonderzoek bij de moeder. Bij de NT-meting wordt het laagje vocht van de foetus in de nek gemeten. Bij het serumonderzoek wordt de concentratie van twee specifieke zwangerschapseiwitten (fBeta-hCG en PAPP-A) gemeten. Met deze gegevens, gecombineerd met de leeftijd van de moeder, wordt de kans op het krijgen van een kind met downsyndroom berekend. Het rapport combineert de uitslag van de test met de zwangerschapsduur en de uitslag van de zwangerschap (wel/geen Down). Voor deze rapportage zijn 19.172 serumonderzoeken, waarvan al deze gegevens bekend zijn, geanalyseerd. Ook worden de kengetallen van de andere regionale downsyndroom screeningslaboratoria in Nederland gepresenteerd. Zij komen tot nagenoeg dezelfde resultaten. Tot slot worden aanbevelingen gedaan om de test te verbeteren. De kansbepaling op het downsyndroom verbetert bijvoorbeeld door de zwangerschapsduur op een andere manier te berekenen. Dat kan namelijk nauwkeuriger met behulp van de lengte tussen kruin en stuit van de foetus, zoals die bij de NT-meting wordt gemeten.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Agricultural practice and water quality on farms registered for derogation : Results for 2008 in the derogation monitoring network | RIVM

Dit rapport geeft een overzicht van de bemestingspraktijk in 2008 en de waterkwaliteit in 2008 en 2009 op graslandbedrijven in Nederland die meer dierlijke mest mogen gebruiken dan in Europese regelgeving is aangegeven (derogatie). De gegevens uit dit onderzoek kunnen worden gebruikt om de gevolgen voor de waterkwaliteit te bepalen. De waterkwaliteit gemeten in 2008 geeft de gevolgen weer van de landbouwpraktijk in 2007, het tweede jaar dat de derogatie in de praktijk werd toegepast. De waterkwaliteit gemeten in 2009 geeft de gevolgen weer van de landbouwpraktijk in 2008. De Europese Nitraatrichtlijn verplicht lidstaten het gebruik van dierlijke mest te beperken tot een bepaald maximum. Een lidstaat kan de Europese Commissie vragen om onder voorwaarden van deze beperking af te wijken. Nederland heeft in december 2005 toestemming gekregen om van 2006 tot en met 2013 af te mogen wijken van de gestelde norm. Een van de voorwaarden is dat de Nederlandse overheid een monitoringnetwerk inricht en aan de Commissie jaarlijks rapporteert over de resultaten daarvan. Het Rijks Instituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en het Landbouw Economisch Instituut (LEI) hebben in 2006 voor Nederland een monitoringnetwerk opgezet. Dit zogenoemde derogatiemeetnet meet de gevolgen voor de landbouwpraktijk en de waterkwaliteit als landbouwbedrijven afwijken van de Europese gebruiksnorm voor dierlijke mest. Het meetnet omvat driehonderd graslandbedrijven. Het derogatiemeetnet is een onderdeel van het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM). Van 284 graslandbedrijven is zowel de bedrijfsvoering als de waterkwaliteit gemonitord. Van iets minder dan driehonderd bedrijven is gerapporteerd doordat sommige achteraf geen derogatie toepasten of kregen en door bedrijfswisselingen in het meetnet.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Landbouwpraktijk en waterkwaliteit op landbouwbedrijven aangemeld voor derogatie : Resultaten meetjaar 2008 in het derogatiemeetnet | RIVM

Dit rapport geeft een overzicht van de bemestingspraktijk in 2008 en de waterkwaliteit in 2008 en 2009 op graslandbedrijven in Nederland die meer dierlijke mest mogen gebruiken dan in Europese regelgeving is aangegeven (derogatie). De gegevens uit dit onderzoek kunnen worden gebruikt om de gevolgen voor de waterkwaliteit te bepalen. De waterkwaliteit gemeten in 2008 geeft de gevolgen weer van de landbouwpraktijk in 2007, het tweede jaar dat de derogatie in de praktijk werd toegepast. De waterkwaliteit gemeten in 2009 geeft de gevolgen weer van de landbouwpraktijk in 2008. De Europese Nitraatrichtlijn verplicht lidstaten het gebruik van dierlijke mest te beperken tot een bepaald maximum. Een lidstaat kan de Europese Commissie vragen om onder voorwaarden van deze beperking af te wijken. Nederland heeft in december 2005 toestemming gekregen om van 2006 tot en met 2013 af te mogen wijken van de gestelde norm. Een van de voorwaarden is dat de Nederlandse overheid een monitoringnetwerk inricht en aan de Commissie jaarlijks rapporteert over de resultaten daarvan. Het Rijks Instituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en het Landbouw Economisch Instituut (LEI) hebben in 2006 voor Nederland een monitoringnetwerk opgezet. Dit zogenoemde derogatiemeetnet meet de gevolgen voor de landbouwpraktijk en de waterkwaliteit als landbouwbedrijven afwijken van de Europese gebruiksnorm voor dierlijke mest. Het meetnet omvat driehonderd graslandbedrijven. Het derogatiemeetnet is een onderdeel van het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM). Van 284 graslandbedrijven is zowel de bedrijfsvoering als de waterkwaliteit gemonitord. Van iets minder dan driehonderd bedrijven is gerapporteerd doordat sommige achteraf geen derogatie toepasten of kregen en door bedrijfswisselingen in het meetnet.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Tijdelijke nano-referentiewaarden : Bruikbaarheid van het concept en van de gepubliceerde methoden | RIVM

Momenteel is nog onvoldoende wetenschappelijke kennis beschikbaar om gezondheidskundige grenswaarden vast te stellen voor de maximale blootstelling voor mensen die werken met nanomaterialen. Als alternatief kunnen 'tijdelijke nano-referentiewaarden' als pragmatische richtwaarden worden gebruikt om de blootstelling van werknemers te beperken. Dit blijkt uit onderzoek dat in opdracht van het ministerie van SZW is uitgevoerd door het Kennis-en Informatiepunt Risico's van nanotechnologie (KIR-nano) van het RIVM, met medewerking van het door hen ingestelde deskundigenplatform Arbo. Er is nog weinig bekend over de mogelijke gezondheidsrisico's van de zeer kleine nanodeeltjes. Vooralsnog kan niet worden uitgesloten dat de schadelijke effecten van stoffen in nanovorm groter zijn dan die van chemische stoffen in conventionele (niet-nano)vorm. Voor dit onderzoek zijn de bruikbaarheid van tijdelijke nano-referentiewaarden en de twee methoden die in de literatuur zijn beschreven om dit soort waarden te bepalen, geëvalueerd. Een daarvan is positief beoordeeld. Deze methode is vervolgens toegepast om tijdelijke nano-referentiewaarden af te leiden voor de 23 meest gebruikte nanomaterialen, waaronder koolstofbuisjes (gebruikt om materialen te versterken) en nanozilver (gebruikt vanwege diens antibacteriële eigenschappen). Deze waarden zijn uitsluitend bedoeld als pragmatische richtwaarden, en garanderen niet dat een blootstelling lager dan de nano-referentiewaarde veilig is. Het blijft daarom belangrijk om de blootstelling van werknemers aan nanomaterialen, zo laag mogelijk te houden. Bovendien heeft het de hoogste prioriteit om zo snel mogelijk voldoende kennis te ontwikkelen om specifieke gezondheidskundige grenswaarden vast te stellen die de gezondheid van werknemers daadwerkelijk beschermen.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

De ziektelast van suïcide en suïcidepogingen | RIVM

In Nederland sterven jaarlijks bijna 1500 mensen door zelfdoding. Daarmee stond suïcide op de 21ste plaats in de rangordelijst van de belangrijkste aandoeningen in Nederland. Ook niet-dodelijke pogingen veroorzaken echter veel leed, zowel lichamelijk als psychisch. Als de ziektelast van suïcidepogingen ook wordt meegerekend, stijgt 'suïcide en suïcidepoging' naar de 11de plaats in deze rangordelijst. Dit blijkt uit onderzoek dat het RIVM in opdracht van het ministerie van VWS uitvoerde, in samenwerking met het Trimbos-instituut, het VU medisch centrum en Consument & Veiligheid. Het RIVM publiceerde in de Volksgezondheid Toekomst Verkenningen (VTV) 2010 een rangordelijst met ziekten die de meeste ziektelast in Nederland veroorzaken. Coronaire hartziekten, beroerte en angststoornissen vormen respectievelijk de eerste drie aandoeningen op deze lijst. Ziekten veroorzaken veel ziektelast als de sterfte aan deze ziekte hoog is, als er veel mensen aan de ziekte lijden en/of als de ziekte een grote impact heeft op de kwaliteit van leven. Letsels door suïcidepogingen leiden jaarlijks tot 1500 doden, 15.000 behandelingen op de spoedeisende hulp en 9000 ziekenhuisopnamen. Omdat niet alle suïcidepogingen resulteren in een behandeling in het ziekenhuis of op de spoedeisende hulp, komen niet alle pogingen in deze statistieken terecht. Uitgaande van bevolkingsonderzoek, zijn er in totaal elk jaar bijna 100.000 mensen die een suïcidepoging doen. Op basis van deze cijfers en van informatie over de ernst van de lichamelijke letsels en psychisch leed is de ziektelast van suïcide en suïcidepogingen naar schatting twee keer zo hoog als eerder werd berekend.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Zwerfrook en alternatieven voor rookruimten | RIVM

Door het roken en smeulen van tabaksproducten ontstaat omgevingstabaksrook. Door TNO en RIVM is aan de hand van een aantal indicatorstoffen onderzocht hoeveel omgevingstabaksrook uit rookruimten van horecagelegenheden kan weglekken. De aanwezigheid van rookruimten in horecagelegenheden zorgt ervoor dat concentraties omgevingstabaksrook in de rookvrije ruimten ongeveer een factor 10 tot 100 lager zijn dan in gelegenheden zonder rookverboden. Rookruimten in de negentien onderzochte Nederlandse horecagelegenheden kunnen de concentraties omgevingstabaksrook in de rookvrije ruimte niet op het niveau brengen van volledig rookvrije horeca. De bezetting bij grote drukte, het gebruik van klapdeuren en het wegstromen van vervuilde lucht uit de rookkamer richting rookvrije ruimte door het aangelegde ventilatiesysteem, kunnen bijdragen aan aanzienlijke lekkage van zwerfrook, en dus belasting van de rookvrije ruimte. De gevonden concentraties in de rookvrije ruimten zijn ongeveer een factor 10 hoger dan in volledig rookvrije horeca. Zwerfrook uit rookruimten zorgt voor achtergrondconcentraties omgevingstabaksrook in de rookvrije ruimten. Er zijn alternatieven voor rookruimten beschikbaar en te ontwikkelen die deze achtergrondconcentraties in principe ook kunnen beperken. Om bij toepassing van deze alternatieve systemen de kwaliteit van de binnenlucht in horecagelegenheden te waarborgen, zou certificering toegepast kunnen worden op ontwerp, aanleg, onderhoud, gebruik en toezicht van deze systemen.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Zwerfrook en alternatieven voor rookruimten | RIVM

Door het roken en smeulen van tabaksproducten ontstaat omgevingstabaksrook. Door TNO en RIVM is aan de hand van een aantal indicatorstoffen onderzocht hoeveel omgevingstabaksrook uit rookruimten van horecagelegenheden kan weglekken. De aanwezigheid van rookruimten in horecagelegenheden zorgt ervoor dat concentraties omgevingstabaksrook in de rookvrije ruimten ongeveer een factor 10 tot 100 lager zijn dan in gelegenheden zonder rookverboden. Rookruimten in de negentien onderzochte Nederlandse horecagelegenheden kunnen de concentraties omgevingstabaksrook in de rookvrije ruimte niet op het niveau brengen van volledig rookvrije horeca. De bezetting bij grote drukte, het gebruik van klapdeuren en het wegstromen van vervuilde lucht uit de rookkamer richting rookvrije ruimte door het aangelegde ventilatiesysteem, kunnen bijdragen aan aanzienlijke lekkage van zwerfrook, en dus belasting van de rookvrije ruimte. De gevonden concentraties in de rookvrije ruimten zijn ongeveer een factor 10 hoger dan in volledig rookvrije horeca. Zwerfrook uit rookruimten zorgt voor achtergrondconcentraties omgevingstabaksrook in de rookvrije ruimten. Er zijn alternatieven voor rookruimten beschikbaar en te ontwikkelen die deze achtergrondconcentraties in principe ook kunnen beperken. Om bij toepassing van deze alternatieve systemen de kwaliteit van de binnenlucht in horecagelegenheden te waarborgen, zou certificering toegepast kunnen worden op ontwerp, aanleg, onderhoud, gebruik en toezicht van deze systemen.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Zwerfrook en alternatieven voor rookruimten. Bijlagen 1 tot en met 5 bij 340004001/2010 | RIVM

Door het roken en smeulen van tabaksproducten ontstaat omgevingstabaksrook. Door TNO en RIVM is aan de hand van een aantal indicatorstoffen onderzocht hoeveel omgevingstabaksrook uit rookruimten van horecagelegenheden kan weglekken. De aanwezigheid van rookruimten in horecagelegenheden zorgt ervoor dat concentraties omgevingstabaksrook in de rookvrije ruimten ongeveer een factor 10 tot 100 lager zijn dan in gelegenheden zonder rookverboden. Rookruimten in de negentien onderzochte Nederlandse horecagelegenheden kunnen de concentraties omgevingstabaksrook in de rookvrije ruimte niet op het niveau brengen van volledig rookvrije horeca. De bezetting bij grote drukte, het gebruik van klapdeuren en het wegstromen van vervuilde lucht uit de rookkamer richting rookvrije ruimte door het aangelegde ventilatiesysteem, kunnen bijdragen aan aanzienlijke lekkage van zwerfrook, en dus belasting van de rookvrije ruimte. De gevonden concentraties in de rookvrije ruimten zijn ongeveer een factor 10 hoger dan in volledig rookvrije horeca. Zwerfrook uit rookruimten zorgt voor achtergrondconcentraties omgevingstabaksrook in de rookvrije ruimten. Er zijn alternatieven voor rookruimten beschikbaar en te ontwikkelen die deze achtergrondconcentraties in principe ook kunnen beperken. Om bij toepassing van deze alternatieve systemen de kwaliteit van de binnenlucht in horecagelegenheden te waarborgen, zou certificering toegepast kunnen worden op ontwerp, aanleg, onderhoud, gebruik en toezicht van deze systemen.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

STAMINA - Model description. Standard Model Instrumentation for Noise Assessments | RIVM

Deze rapportage beschrijft het STAMINA-model, dat staat voor Standard Model Instrumentation for Noise Assessments en door het RIVM is ontwikkeld. Het instituut gebruikt dit standaardmodel om omgevingsgeluid in Nederland in kaart te brengen. Het model is gebaseerd op de Standaard Karteringsmethode voor verkeerslawaai en industrielawaai, die in Nederland is voorgeschreven om de Europese richtlijn voor omgevingslawaai uit te voeren. Met het STAMINA-model ondersteunt het RIVM beleid over en monitoring van omgevingsgeluid voor het ministerie van VROM. Het STAMINA-model levert data waarmee geluidkaarten worden gemaakt. Deze kaarten geven een beeld van de geluidbelasting. De kaarten zijn online beschikbaar , zodat geïnteresseerden op postcodeniveau een beeld kunnen krijgen van de geluidbelasting in hun omgeving. De kaarten zijn niet geschikt om wettelijke normen voor geluid te toetsen. Door kaarten met uiteenlopende informatie over geluid samen te voegen, bijvoorbeeld van vliegverkeer, wegverkeer en spoorwegen, kan een totaalbeeld geschetst worden van de geluidbelasting in heel Nederland. De geluidbelasting wordt aangeduid met de eenheid Lden. Deze indicator geeft weer wat de geluidbelasting gemiddeld over een dag is. Hij maakt daarbij onderscheid tussen de waarden van de dag, avond en nacht en geeft deze waarden vervolgens gecombineerd en gewogen weer. Lden wordt in de Europese Unie als standaard gebruikt.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Emissies en verspreiding van fluoriden | RIVM

De emissies van fluoriden door de Nederlandse industrie naar lucht en oppervlaktewater, en daarmee de concentraties in lucht, regenwater en gras, zijn tussen 1985 en 2008 sterk afgenomen. De huidige emissies en concentraties in de lucht hebben geen gevolgen voor de gezondheid van mensen, maar mogelijk wel voor bepaalde gewassen en veesoorten. De omvang van de hierdoor ontstane schade aan gewassen en vee is niet bekend. Dit blijkt uit onderzoek naar de industriële emissies en verspreiding van fluoriden die het RIVM in opdracht van het ministerie van VROM heeft gemaakt. De fluoridenemissies van de Nederlandse industrie naar lucht en oppervlaktewater zijn in 2008 met respectievelijk 55 en 95% afgenomen ten opzichte van 1985. Begin jaren negentig heeft de overheid met de industrie afspraken gemaakt om de emissies van diverse stoffen te reduceren. De richtinggevende doelstelling om de fluoridenemissies in 2010 met 99% te verminderen ten opzichte van 1985, zal niet worden gehaald. De fluoridenemissies zullen waarschijnlijk niet verder afnemen, tenzij zeer kostbare maatregelen worden ingezet. Fluoriden worden hoofdzakelijk uitgestoten door de keramische industrie, de glasindustrie en de basismetaalindustrie en door kolengestookte elektriciteitscentrales. De fluoridenconcentraties in lucht, regenwater en gras zijn op de meeste plaatsen in Nederland flink afgenomen. De achtergrondconcentraties in lucht liggen rond de huidige milieukwaliteitsnormen; de concentraties in de omgeving van bedrijven die veel fluoriden uitstoten liggen erboven. In oppervlaktewater en bodem liggen in vrijwel heel Nederland de fluoridenconcentraties onder de milieukwaliteitsnormen. In Nederland worden verschillende meetmethoden gebruikt om fluoridenconcentraties in lucht te meten. Vergelijkingsonderzoek tussen deze methoden is nodig om de concentraties beter te kunnen bepalen.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Nederlandse interventieniveaus bij kernongevallen : Overzicht, achtergronden en aanbevelingen | RIVM

Het RIVM beveelt aan de Nederlandse interventieniveaus voor maatregelen na een kernongeval in lijn te brengen met die van de omringende landen. Interventieniveaus zijn de stralingsniveaus op basis waarvan na een kernongeval maatregelen kunnen worden afgekondigd. Voorbeelden van dit soort maatregelen zijn schuilen en evacueren. In 2008 heeft het ministerie van VROM een deel van de interventieniveaus aangepast. Dit rapport geeft een overzicht van de vigerende interventieniveaus en de onderbouwing achter deze waarden. Het RIVM doet daarnaast een aantal aanbevelingen om de interventieniveaus te harmoniseren, en stelt voor de naamgeving van enkele maatregelen zodanig aan te passen dat het onderscheid tussen deze maatregelen wordt verhelderd. Het is belangrijk interventieniveaus internationaal af te stemmen. Als landen bij een kernongeval in het grensgebied verschillende interventieniveaus hanteren kunnen ze ook verschillende maatregelen afkondigen. Het harmoniseren van interventieniveaus is een eerste stap. Het verdient aanbeveling ook andere uitgangspunten van de kernongevallenbestrijding te harmoniseren. Een voorbeeld is de wijze waarop de omvang wordt bepaald van zones waarvoor maatregelen worden afgekondigd. Als Nederland de interventieniveaus in lijn wil brengen met die van de omringende landen, betekent het dat enkele Nederlandse interventieniveaus moeten worden verlaagd.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Risico's en gebrekkige afstemming in de trombosezorg | RIVM

De onderlinge afstemming tussen trombosediensten en zorgverleners die betrokken zijn bij trombosezorg, zoals ziekenhuizen, verzorgingshuizen en apotheken, verloopt niet optimaal. Hierdoor beschikken trombosediensten niet altijd over voldoende informatie om te kunnen beslissen of de medicatie moet worden aangepast. Het gevolg kan zijn dat patienten verkeerde doses medicatie krijgen, wat het risico op bloedstollingen of bloedingen vergroot. In dit onderzoek kon de relatie tussen suboptimale afstemming en risico's echter niet worden aangetoond. Dat kan komen doordat de data nog onvoldoende geschikt zijn voor analyses. Wel geven trombosediensten aan dat ze veel tijd kwijt zijn om de zorg voor patienten goed te laten aansluiten op de zorg van andere zorgverleners. Bijna de helft van de trombosediensten heeft geen formele afspraken gemaakt met andere zorgverleners over de afstemming van de behandeling. Hierdoor verliezen de trombosediensten veel tijd met het vinden van ad-hoc oplossingen voor problemen met medicatie(wijzigingen) bij patienten. Ook blijken er verschillende medisch-inhoudelijk protocollen door betrokken disciplines te worden gebruikt, waardoor de continuiteit van zorg niet gewaarborgd is. Een good practice die naar voren komt uit dit onderzoek is het gebruik van ICT voor uitwisseling van informatie tussen zorgverleners. Zorgverleners gaven daarnaast aan dat een coordinator die de regie voert voor de zorgverlening van de patient in de hele zorgketen, de zorg zou kunnen verbeteren. Toepassing van een te ontwikkelen landelijk protocol of een zorgstandaard door zorgverleners zou de doelmatigheid van de trombosezorg kunnen verhogen. Uit eerder onderzoek is gebleken dat bij een kwart van de vermijdbare ziekenhuisopnames vanwege bijwerkingen van geneesmiddelen, antistollingsmedicatie is betrokken. Hieronder vallen de medicijnen waar trombosediensten mee werken (cumarines). Het doel van dit onderzoek is het achterhalen van knelpunten en risico's in de trombosezorg. Voor het onderzoek zijn trombosediensten geinterviewd en zijn vragenlijsten voorgelegd aan trombosediensten en verpleeg- en verzorgingstehuizen. Daarnaast zijn experts uit de hele zorgketen gehoord.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Standpunt jeugdgezondheidszorg in het Zorg- en Adviesteam | RIVM

Het RIVM (Centrum Jeugdgezondheid) heeft het standpunt 'Jeugdgezondheidzorg in het Zorg- en Adviesteam' opgesteld. Een ZAT is een multidisciplinair zorgteam dat, gerelateerd aan scholen, in Nederland zorg biedt aan kinderen met emotionele, gedrags-, ontwikkelings- of leerproblemen.In het standpunt wordt aangegeven hoe de jeugdgezondheidszorg (JGZ), één van de samenwerkende partijen, haar bijdrage aan de ZAT's kan verbeteren. Zo moeten JGZ-professionals actiever psychosociale problemen bij jongeren gaan signaleren en aanpakken. Daarnaast moet een speciaal ZAT voor 0- tot 4-jarigen worden opgericht, om ook voor deze leeftijdscategorie een passend zorgaanbod te kunnen garanderen. Het standpunt is in opdracht van het programmaministerie voor Jeugd en Gezin opgesteld. Aanleiding is de conclusie van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) in 2007, dat de ZAT's niet optimaal functioneren waardoor adequate zorg voor jongeren met psychosociale problemen niet is gegarandeerd. De inspectie concludeerde onder meer dat de JGZ eraan kan bijdragen om dat te verbeteren, maar dat medewerkers daarvoor onvoldoende zijn toegerust. Het ZAT werkt bovendien niet optimaal, omdat het beroepsgeheim de uitwisseling van gegevens tussen de samenwerkende partijen bemoeilijkt. Het RIVM onderschrijft in het standpunt het belang van de rol van de JGZ in de ZAT's. De JGZ beschikt over de juiste expertise, de rol past binnen de zorgtaak en de JGZ kan jongeren gedurende langere tijd volgen. Verder staan in het standpunt kwaliteitseisen voor de JGZ-organisaties geformuleerd en worden randvoorwaarden voor het onderwijs en de gemeente beschreven.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Standpunt Jeugdgezondheidszorg in het speciaal onderwijs | RIVM

Het Centrum Jeugdgezondheid van het RIVM heeft een standpunt ontwikkeld waarin staat beschreven welke taken de jeugdgezondheidszorg (JGZ) te bieden heeft voor leerlingen van het speciaal (basis- en voortgezet)onderwijs. Het doel van dit standpunt is om zo veel mogelijk eenheid te brengen in de inhoud en de uitvoering van de JGZ voor het speciaal onderwijs en de kwaliteit daarvan te borgen. Het is van groot belang dat elk kind dat speciaal onderwijs volgt, daar optimaal van kan profiteren en zo min mogelijk wordt gehinderd door beperkingen op fysiek, cognitief en/of psychosociaal gebied. Een standpunt geeft op basis van praktijkervaringen aanbevelingen, adviezen en handelingsinstructies die de besluitvorming van professionals in de zorg ondersteunen. Het RIVM voert de regie over de ontwikkeling, implementatie en borging van JGZ-standpunten. Het standpunt is in opdracht van het programmaministerie voor Jeugd en Gezin geschreven, omdat de taken voor het speciaal onderwijs ontbraken in het Basistakenpakket Jeugdgezondheidszorg 0-19 jaar. Dit basistakenpakket is in 2003 ingevoerd en omvat de JGZ-activiteiten die aan alle 0 tot 19-jarigen in Nederland moeten worden aangeboden. De consequenties van veranderingen in de wetgeving en structuur van het speciaal onderwijs voor JGZ-activiteiten zijn niet uitgewerkt in het basistakenpakket. Het gevolg is dat de inzet van de JGZ in het speciaal onderwijs per regio verschilt. Het standpunt doet een voorstel om de jeugdgezondheidszorg in het speciaal (basis- en voortgezet) onderwijs te positioneren. Dat kan bijvoorbeeld door deel te nemen aan de begeleidende en onderzoekscommissies voor het speciaal onderwijs. Daarnaast doet het voorstellen om de eenheid van de JGZ-bijdragen te vergroten, bijvoorbeeld door een infrastructuur voor kennis en een nascholingsmodule te ontwikkelen. Ook staan enkele aandachtspunten beschreven, zoals extra aandacht voor neuromotorisch en psychiatrisch onderzoek. De JGZ is al veel jaren een belangrijke en gewaardeerde samenwerkingspartner in het speciaal onderwijs. JGZ-professionals beschikken over kennis en expertise over gezondheid, ontwikkeling en groei van kinderen tussen de 0 en 19 jaar. De professionals beoordelen welke consequenties fysieke, cognitieve of psychosociale beperkingen hebben voor het volgen van onderwijs. Zij kunnen leerlingen, ouders en scholen hierin adviseren en bijstaan.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Jaaroverzicht Luchtkwaliteit 2009 | RIVM

De concentraties van de stoffen die het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit (LML) in Nederland in de lucht meet zijn in 2009 weinig veranderd ten opzichte van voorgaande jaren. Dit komt mede doordat de weersomstandigheden, die van invloed zijn op de luchtkwaliteit, niet substantieel afweken van eerdere jaren. Incidenteel deden zich wel hoge concentraties voor. Dit blijkt uit de meetresultaten over 2009 van het LML, dat het RIVM beheert. De afgelopen jaren is een fors deel van de het LML vernieuwd. Daarnaast is ook de samenwerking met andere meetinstanties geintensiveerd. De meetresultaten van het LML en andere meetinstanties staan weergegeven in het Jaaroverzicht Luchtkwaliteit, dat een overzicht geeft van de gemeten en deels berekende luchtkwaliteit. De stikstofdioxideconcentraties blijven de laatste jaren nagenoeg constant. Op het merendeel van de meetlocaties in straten waar het verkeer in hoge mate bijdraagt aan deze concentratie, ligt de jaargemiddelde concentratie boven de EU-norm. In voorgaande jaren was dat ook het geval. De EUnormen voor fijnstofconcentraties zijn op geen enkele LML-meetlokatie in 2009 overschreden. De fijnstofconcentraties (PM10) zijn vergelijkbaar met voorgaande jaren maar vertonen over een langere periode een dalende tendens. In 2009 waren er geen dagen met ernstige smog door ozon, oftewel er waren geen concentraties boven de Europese alarmdrempel.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Doseringen en nuclidengebruik bij nucleair diagnostisch onderzoek : Inventarisatie gegevens 2008 | RIVM

De doseringen van Nederlandse ziekenhuizen bij nucleair geneeskundig onderzoek zijn gemiddeld genomen in lijn met de aanbevelingen van de Nederlandse Vereniging voor Nucleaire Geneeskunde (NVNG). Bij onderzoek naar de hartfunctie ligt de dosering iets boven de aanbevolen waarden, maar voor PET is de dosering in de praktijk gemiddeld 40 procent lager dan aanbevolen. In Nederland wordt per verrichting gemiddeld minder radioactieve stof toegediend dan in Duitsland en de Verenigde Staten, en iets meer dan in het Verenigd Koninkrijk. Dit blijkt uit de Enquête Beeldvormende Diagnostiek over 2008. Deze enquête wordt jaarlijks afgenomen en bevatte voor dat jaar extra vragen over de doseringen en gebruikte nucliden in de nucleaire geneeskunde. Deze gegevens geven in combinatie met het aantal onderzoeken een nauwkeuriger inzicht in de stralingsdosis voor patiënten door nucleaire geneeskunde. Voor 2008 wordt nu een dosis berekend van 0,095 millisievert per inwoner, wat 12 procent hoger is dan berekend met de tot nu toe beschikbare gegevens. De stralingsdosis door nucleaire geneeskunde draagt voor bijna 12 procent bij aan de totale dosis door medische diagnostiek. Door leveringsproblemen met het nuclide technetium-99m meldt één ziekenhuis dat het in 2008 gedeeltelijk is overgestapt op thallium-201. Dit brengt een beduidend hogere stralingsdosis voor de patiënt met zich mee dan technetium-99m. De leveringsproblemen ontstonden door de tijdelijke sluiting van de reactor in Petten, een van de voornaamste leveranciers van technetium-99m in de wereld. In hoeverre dat in andere ziekenhuizen aan de orde is geweest, maakt de enquête niet duidelijk.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Werkplan 2010. Centrum Infectieziektenbestrijding | RIVM

Het werkplan 2010 bevat de plannen van het Centrum voor Infectieziektenbestrijding (CIb) in het jaar 2010. Hierin komt de bestrijding van infectieziekten in Nederland in al zijn facetten aan bod. De missie van het CIb) van het RIVM is infectieziekten signaleren, bestrijden en voorkomen voor de volksgezondheid in Nederland. Het Werkplan 2010 beschrijft de werkzaamheden die het CIb uitvoert om de bij deze missie bijbehorende kerntaken te kunnen vervullen. Om het inzicht in de infectieziektebestrijding te vergroten signaleert het centrum relevante ontwikkelingen en bevordert het interventies. Dit proces wordt in het werkplan geillustreerd met een toelichting op de volgende thema's: het Rijksvaccinatieprogramma, Zoonosen, Antibioticaresistentie en zorggerelateerde infecties, Respiratoire infecties en Internationale infectieziektebestrijding. Binnen de thema's worden bovendien verschillende onderzoeksgebieden uitgelicht. De kerntaken van het CIb zijn: - Inzicht krijgen in de infectieziekten door middel van diagnostiek, surveillance en wetenschappelijk onderzoek; - De overheid landelijk te informeren over preventie, versterken van waakzaamheid. Bij uitbraken is snel reageren mogelijk door de infectieziektebestrijding te coordineren, internationaal samen te werken en door regie uit te voeren op het Rijksvaccinatieprogramma; - Een effectieve infectieziektebestrijding- en preventie bevorderen door professionals en ministeries te adviseren, door onderzoekssubsidies te verlenen en door het publiek voor te lichten.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Nanomaterials in the aquatic environment: toxicity, exposure and risk assessment | RIVM

Het is nog onduidelijk hoe de milieurisicobeoordeling van nanomaterialen uitgevoerd moet worden en met welke nanospecieke stofeigenschappen daarbij rekening moet worden gehouden. Dit komt doordat nog weinig bekend is over de productie en het gebruik van deze materialen en de uiteindelijke effecten ervan op het ecosysteem. Nanomaterialen zijn materialen waarvan de afzonderlijke delen een of meerdere dimensies in de orde van 100 nm of minder hebben. Deze karakteristiek geeft nanomaterialen specifieke eigenschappen, dusdanig dat hun economisch en maatschappelijk belang op dit moment zeer snel toeneemt. Het zijn juist deze eigenschappen waardoor de risico's van nanomaterialen voor ecosystemen anders kunnen zijn dan die van reguliere (niet-nano) stoffen. Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en het Milieu (RIVM) stelt voor om bij het kwantificeren van effectieve blootstellingsconcentraties en effect niveau's van nanomaterialen rekening te houden met de specifieke eigenschappen van nanomaterialen en hun effecten, zoals vorm, grootte, en oppervlaktekarakteristieken , maar ook of nanodeeltjes samenklonteren tot grotere deeltjes afhankelijk van het type ontvangende water. Voor alle relevante vormen waarin het nanomateriaal voor kan komen in het milieu (het nanomateriaal zelf, samengeklonterde deeltjes, stoffen die vanuit het nanomateriaal in oplossing gaan, etcetera) moeten gegevens over blootstelling en effecten gegenereerd worden. Voor het identificeren en valideren van aanpassingen in modellen en testmethodieken is meer onderzoek nodig. Dit blijkt uit een literatuurstudie van het RIVM, aangevuld met algemene kennis over het gedrag en de effecten van nanomaterialen. Aanleiding voor het onderzoek zijn zorgen die in internationale studies zijn geuit over de mogelijke risico's van nanomaterialen. Daarnaast is het de vraag of de bestaande risicobeoordelingmethodieken die voor reguliere, goed oplosbare, chemische stoffen zijn ontwikkeld voldoende rekening houden met de specifieke eigenschappen van nanomaterialen.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Sexually transmitted infections, including HIV, in the Netherlands in 2009 | RIVM

Chlamydia. Met bijna 10.000 nieuwe infecties in 2009 blijft chlamydia de meest gediagnosticeerde seksueel overdraagbare aandoening (soa) van alle bezoekers van de soa-centra. Het aantal infecties is toegenomen, maar het percentage mensen met chlamydia is stabiel gebleven. Elf procent van de heteroseksuele bezoekers van de soa-centra had een chlamydia-infectie, onder heteroseksuelen jonger dan 25 jaar was dit 14 procent. Gonorroe. Het aantal en percentage positieve gonorroe-infecties is opvallend gestegen ten opzichte van 2008. Dit heeft grotendeels te maken met een stijging van het aantal gonorroediagnoses bij mannen die seks hebben met mannen (MSM) met 28 procent. Vooral het percentage positieve orale gonorroe testen bij MSM nam toe. Opvallend is dat steeds meer gonorroestammen minder gevoelig zijn voor antibiotica. Syfilis. In 2009 nam het aantal nieuwe syfilis-diagnoses af met 15 procent ten opzichte van 2008, het percentage positieve testen daalde ook. Deze daling is ook op de langere termijn zichtbaar. Syfilis werd vooral gediagnosticeerd bij MSM (89 procent van alle syfilis-diagnoses). Hiv. Zowel het aantal als het percentage positieve hiv-testen bij de soa-centra is in 2009 opnieuw licht gedaald. Sinds 1 januari 2010 wordt iedereen op hiv getest, tenzij mensen dat expliciet weigeren (opting-out testing). Overigens werd in 2009 al 92 procent van alle bezoekers die niet wisten of ze hiv hadden getest. In 2009 werd bij 34 procent van de bekend hiv-positieve MSM een of meerdere soa gevonden. Bezoekers soa-centra. In 2009 hebben in totaal 93.331 mensen zich bij een van de soa-centra in Nederland laten testen op soa. Dat is 6 procent meer dan in 2008. Er kwamen vooral meer MSM, een stijging van 19 procent ten opzichte van 2008. Bij 13 procent van de bezoekers werd een of meerdere soa gevonden (bij 20 procent van de MSM en 12 procent van de heteroseksuele bezoekers). Dit is vergelijkbaar met voorgaande jaren.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Emissions of plant protection products from glasshouses to surface water in The Netherlands | RIVM

Het oppervlak aan substraatteelten is de laatste jaren gegroeid tot ongeveer 75% van de beteelde oppervlakte onder glas. De toelatingsbeoordeling van gewasbeschermingsmiddelen, houdt nog geen rekening met deze veranderingen in productiewijze. Dit rapport geeft aan dat daardoor onvoldoende rekening wordt gehouden met spui van recirculatiewater. Het rapport geeft een aanzet tot een aangepaste toelatingsbeoordeling voor deze systemen en beschrijft enkele modellen die hierbij kunnen worden ingezet. De huidige toelatingsbeoordeling gaat uit van een diffuse emissie van gewasbeschermingsmiddelen uit kassen naar het oppervlaktewater, vergelijkbaar met de beoordeling van drift bij spuittoepassingen in open teelten. Uit de studie blijkt dat de emissies bij substraatteelten eerder moeten worden gezien als puntbronnen, waarbij gewasbeschermingsmiddelen onbedoeld worden geloosd bij spuien van het recirculatiewater en het spoelen van filters. Uit het onderzoek blijkt dat emissies van gewasbeschermingsmiddelen in hoge mate worden beinvloed door de kwaliteit van het water dat een teler tot zijn beschikking heeft en de zouttolerantie van het gewas. Bij een voldoende groot bassin voor opvang van regenwater of een andere bron met vergelijkbare waterkwaliteit is er minder noodzaak tot spuien en kunnen emissies tot een minimum worden beperkt.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Stralingsbelasting in Nederlandse nieuwbouwwoningen : Eindrapport ventilatie- en radononderzoek | RIVM

De rol van thoron in de totale stralingsbelasting binnenshuis is waarschijnlijk groter dan steeds gedacht. Radonconcentraties in Nederlandse woningen zijn lager dan in het verleden gerapporteerd, doordat gangbare meettechnieken van toen radonconcentraties opleverden die, naar nu blijkt, gedeeltelijk moeten worden toegeschreven aan thoron. Dit volgt uit onderzoek van het RIVM naar de stralingsbelasting in Nederlandse nieuwbouwwoningen en de invloed van ventilatie hierop. In Nederland leidt blootstelling aan radon en thoron binnenshuis jaarlijks tot enkele honderden gevallen van longkanker. Het onderzoek bevestigt de verwachting dat ventileren bijdraagt aan een lagere radonconcentratie in woningen. Thoron (220Rn) en radon (222Rn) zijn isotopen van het chemische element radon (Rn) die van nature voorkomen in de bodem en uit bodemmateriaal vervaardigde bouwmaterialen. Omdat dit element gasvormig is, komt een deel ervan in de binnenlucht terecht. Voor zowel radon als thoron geldt dat de vervalproducten, die zelf ook weer radioactief zijn en zich hechten aan stofdeeltjes, na inademing schadelijk zijn voor de gezondheid. Het is nog onduidelijk in welke mate bewoners vervalproducten van thoron inademen. Er is daarom nader onderzoek nodig naar de concentratie van thoron en de vervalproducten in Nederlandse woningen. Hiermee kan meer inzicht worden verkregen in de totale stralingsdosis die mensen binnenshuis oplopen. Dit is het eindrapport van de eerste survey in het project Ventilatie en Radon (VERA). Het belangrijkste doel van dit project is om de standstill van de stralingsbelasting in Nederlandse nieuwbouwwoningen te evalueren. Er zijn geen aanwijzingen dat de dosis door radon en externe straling uit bouwmaterialen in woningen gebouwd tussen 1994 en 2003 significant is veranderd.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Bijdragen veeteeltbedrijven aan fijnstofconcentraties. Tussentijdse evaluatie LOG Gelderse Vallei, november 2008 - juni 2009 | RIVM

In 2008 droeg de intensieve pluimveehouderij in de Gelderse Vallei voor circa 10 procent bij aan de concentraties fijn stof in de omgeving van deze bedrijven. De concentratie fijn stof in deze regio is vergelijkbaar met die in regionale locaties in Nederland zonder pluimveehouderijen waar het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit metingen verricht. De bijdrage van de intensieve pluimveehouderij aan ammoniakconcentraties was 50 procent. Deze concentraties behoren tot de hoogste van het land. Dit blijkt uit een tussentijdse evaluatie van de opzet van metingen in het landbouwontwikkelingsgebied De Gelderse Vallei. Het RIVM heeft het onderzoek uitgevoerd in opdracht van het ministerie van VROM als onderdeel van het Programma Gecombineerde Luchtwassers. De Gelderse Vallei is een van de circa tien LOG's in Nederland die zijn ingesteld om de fijnstofemissies uit de landbouw terug te dringen. In deze regio's worden landbouwbedrijven vergroot (geintensiveerd) om hun kracht in deze gebieden te versterken en landbouw daarbuiten af te remmen. Ook zijn technische maatregelen genomen, zoals de gecombineerde luchtwasser die ammoniak en fijn stof uit de lucht in stallen filtert. De meetresultaten vormen de nulmetingen voor het onderzoek naar fijnstofconcentraties in de Gelderse Vallei dat van 2008 tot 2011 loopt. Met de nulmetingen kunnen de effecten van technische maatregelen en de intensivering van veeteeltbedrijven in de nabije toekomst worden gevolgd. In de toekomst zullen de evaluaties worden aangevuld met specifieke gegevens over de landbouwactiviteiten in het LOG en de mate waarin de technische voorzieningen zijn gerealiseerd. Hiermee kunnen de effecten van het beleid worden beoordeeld en de bevindingen worden geextrapoleerd na andere LOG's.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Bijdragen veeteeltbedrijven aan fijnstofconcentraties. Tussentijdse rapportage 2008 LOG De Rips | RIVM

Het RIVM heeft in 2008 de luchtkwaliteit in het landbouwontwikkelingsgebied (LOG) De Rips in Noord-Brabant in beeld gebracht met behulp van metingen van fijn stof en ammoniak. Hiermee wordt de invloed van emissies van vooral varkenshouderijen in dit gebied op de concentratie fijn stof weergegeven. De jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) in De Rips is vergelijkbaar met die op regionale locaties in Nederland waar het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit metingen verricht. Het aantal dagen met concentraties hoger dan 50 microgram per kubieke meter is lager dan het maximum toegelaten aantal van 35. De bijdrage van de emissies in het LOG aan de concentraties op de meetlocaties wordt gemiddeld over een jaar geschat op enkele microgrammen per kubieke meter. Verder zijn relatief hoge concentraties ammoniak gemeten, voor ongeveer de helft veroorzaakt door emissies uit het LOG zelf. Het onderzoek is in opdracht van het ministerie van VROM en de provincie Noord-Brabant uitgevoerd. Het geeft een eerste schatting van de mate waarin de emissies fijn stof en ammoniak uit het gebied met intensieve veeteelt de directe omgeving belasten. De meetresultaten vormen de nulmetingen voor het onderzoek naar fijnstof- en ammoniakconcentraties in De Rips dat van 2007 tot 2011 loopt. Met dit onderzoek kunnen de effecten van vergrote landbouwbedrijven (intensivering) en de installatie van technische voorzieningen, waaronder gecombineerde luchtwassers, in het LOG De Rips worden gevolgd. Het LOG De Rips is een van tien LOG's in Nederland waarvoor de resultaten van dit onderzoek van belang zijn.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Assessment of technical documentation of Class III medical devices | RIVM

Europese regelgeving vereist dat fabrikanten van medische hulpmiddelen een dossier opstellen waaruit blijkt dat het hulpmiddel veilig en functioneel is. De kwaliteit van dossiers van de hoogste risicoklasse medische hulpmiddelen, klasse III, laat evenwel te wensen over. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM in opdracht van de Inspectie voor de Gezondheidszorg. Het onderzoek is uitgevoerd op basis van opgevraagde technische documentatie. De hulpmiddelen zelf zijn niet onderzocht. Voor het onderzoek zijn 25 dossiers van drie groepen medische hulpmiddelen uit klasse III beoordeeld. Het betreft coronaire stents (kleine, gaasachtige buisjes die bloedvaten openhouden), heupimplantaten en wondverbandmiddelen met antimicrobieel zilver. In meer dan 90 procent van de dossiers zijn in een of meer onderdelen van de documentatie aanzienlijke tekortkomingen gevonden, in het bijzonder de risicoanalyse en de klinische evaluatie van het product. Daarnaast bleek er in veel gevallen onvoldoende samenhang te zijn tussen de risico's die in de risicoanalyse zijn geidentificeerd en de waarschuwingen in de gebruiksaanwijzing. Een fabrikant dient een goede beschrijving van het product te geven, de risico's van het gebruik tot een minimum te beperken en de functionaliteit en veiligheid via onderzoeken te onderbouwen. Verder dient de fabrikant een duidelijke gebruiksaanwijzing op te stellen, waarin hij de gebruiker ook waarschuwt voor risico's die aan het gebruik van het hulpmiddel zijn verbonden.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Adverse Events Following Immunisation under the National Vaccination Programme of the Netherlands. Number XV - Reports in 2008 | RIVM

In 2008 heeft de bijwerkingenbewaking van het Rijksvaccinatieprogramma (RVP) 1290 meldingen ontvangen, een toename van 30 procent ten opzicht van 2007. De oorzaak van de toename is een groter aantal meldingen van lokale reacties na de herhalingsvaccinatie die kinderen op vier jarige leeftijd krijgen. Van alle meldingen werd 79 procent beoordeeld als bijwerking van een vaccinatie. Hiervan ging het in 49 procent om heftige verschijnselen, vooral zeer hoge koorts, langdurig huilen, collapsreacties, verkleurde benen, koortsstuipen en atypische aanvallen met rillerigheid, schrikschokken en gespannenheid of juist een heel slappe houding. Bij het overige deel van de meldingen (21 procent) waren de verschijnselen geen gevolg van een vaccinatie maar van een toevallige samenloop van gebeurtenissen. Dit blijkt uit de jaarlijkse rapportage van de bijwerkingenbewaking van het RVP in 2008. De ernstige infecties die zijn gerapporteerd hadden geen relatie met de vaccinaties, net als de meldingen van epilepsie en de gemelde levensbedreigende allergische reactie. Bij de drie meldingen van overleden kinderen zijn de vaccinaties daar niet de oorzaak van geweest. Elk jaar worden voor het RVP bijna 7 miljoen vaccincomponenten toegediend in de vorm van 1,4 miljoen prikken. Hoewel de bijwerkingen omstanders erg kunnen laten schrikken, zijn ze medisch gezien niet gevaarlijk. Ze zijn van voorbijgaande aard en leiden niet tot blijvende gevolgen. De grote gezondheidswinst die het RVP oplevert, weegt op tegen de bijwerkingen. Het RVP bestaat sinds 1957 en wordt sinds 1962 intensief bewaakt. Dat gebeurt in de vorm van een zogeheten spontaan meldsysteem, aangevuld met andere vormen van onderzoek naar bijwerkingen. Dit meldsysteem is een goed instrument om signalen over mogelijke bijwerkingen op te pikken. Het systeem is bovendien zodanig ingericht dat gegevens te achterhalen zijn, wat vervolgonderzoek mogelijk maakt. In Nederland is de meldgraad van vermoede bijwerkingen hoog, onder andere doordat consultatiebureaus in hoge mate bereid zijn om bijwerkingen door te geven. Heftige en zeldzame reacties worden in bijna alle gevallen gemeld.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Maatregelen na een radiologische besmetting van drinkwater en drinkwaterbronnen | RIVM

Drinkwater kan door een radiologisch incident verontreinigd raken met radioactief materiaal. Om de stralingsdosis na de consumptie van drinkwater te beperken, kunnen Nederlandse drinkwaterbedrijven nooddrinkwater verstrekken. Drinkwaterbedrijven zijn wettelijk verplicht deze voorziening te kunnen leveren. Ook kunnen ze een andere bron dan de vervuilde kiezen om drinkwater van te produceren. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM in opdracht van de VROM Inspectie. Hierin zijn voor het eerst de handelingsperspectieven van drinkwaterbedrijven in deze situatie geinventariseerd. Schoon drinkwater is altijd nodig en na een radiologische besmetting van drinkwater is snel handelen noodzakelijk. De handelingsperspectieven zijn ontleend aan een Europees handboek, dat op haalbaarheid is vertaald naar de Nederlandse situatie. In het onderzoek is verder uiteengezet bij welke besmettingsniveaus sprake is van een gevaar voor de gezondheid en wat er dan moet gebeuren. Daarnaast zijn beslisschema's opgesteld om gerichte acties te kunnen bepalen en bijlagen met drie uitgewerkte scenario's. De nadruk ligt op het beheer van de radioactieve besmetting van het drinkwater zoals dat 'uit de kraan' aan de bevolking wordt geleverd.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

JGZ-richtlijn 'Signalering van en verwijscriteria bij kleine lichaamslengte' | RIVM

In samenwerking met professionals uit de jeugdgezondheidszorg heeft TNO de JGZ-richtlijn 'Signalering van en verwijscriteria bij kleine lichaamslengte' ontwikkeld. De richtlijn draagt eraan bij dat kleine lichaamslengte bij kinderen tussen 0 en 10 jaar tijdig wordt opgespoord en behandeld. De richtlijn is in opdracht van het programmaministerie voor Jeugd en Gezin opgesteld. Het RIVM voert de regie over de ontwikkeling, implementatie en borging van JGZ-richtlijnen. Om een kleine lichaamslengte te signaleren en vast te stellen wordt de groei van kinderen gemonitord. Hierbij wordt onder andere de lengte van het kind afgezet tegen de gemiddelde lengte van leeftijdgenoten. Ook wordt gekeken naar de (medische) achtergrond van het kind. Wanneer een kleine lichaamslengte wordt vastgesteld, verwijst de JGZ het kind door. Afhankelijk van de vermoedelijke oorzaak wordt verwezen naar een kinderarts of psycholoog. De richtlijn beschrijft hiervoor de criteria. De oorzaken van kleine lichaamslengte zijn in de richtlijn onderverdeeld in drie categorieën. Ten eerste kan het zijn dat er geen medische oorzaak bekend is. Ten tweede kan een kleine lichaamslengte het gevolg zijn van een aandoening aan de bot- en steunweefsels, zoals bij het syndroom van Down. Ten slotte kan het een gevolg zijn van andersoortige aandoeningen, zoals chronische ziekten (bijvoorbeeld astma, taaislijmziekte en diabetes) en psychische aandoeningen als anorexia en emotionele verwaarlozing. Naast de oorzaken van kleine lichaamslengte geeft de richtlijn ook weer hoe de JGZ het kind en zijn ouders kan begeleiden, nadat een kleine lichaamslengte is vastgesteld. Dat kan bijvoorbeeld door hen te informeren over oorzaken en behandelingen en door vragen en zorgen te bespreken. Groeihormonen worden alleen ingezet als deze behandeling bewezen effectief is, bijvoorbeeld als een kind zelf te weinig groeihormoon aanmaakt.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Optimization and application of a multiplex bead-based assay to quantify serotype-specific IgG against Streptococcus pneumoniae polysaccharides: response to the booster vaccine after immunization with the pneumococcal 7-valent conjugate vaccine | RIVM

Optimization and application of a multiplex bead-based assay to quantify serotype-specific IgG against Streptococcus pneumoniae polysaccharides: response to the booster vaccine after immunization with the pneumococcal 7-valent conjugate vaccine | RIVM
Jaar: 2010 Onderzoek

The fourteenth CRL-Salmonella workshop, 25 and 26 May 2009, Bilthoven, the Netherlands | RIVM

Dit rapport bevat verslagen van de presentaties die op 25 en 26 mei 2009 zijn gehouden tijdens de veertiende jaarlijkse workshop voor de Nationale Referentie Laboratoria (NRL's) voor Salmonella. Het doel van de workshop is informatie uitwisselen over activiteiten van zowel de NRL's als van het overkoepelend orgaan, het Communautair Referentie Laboratorium (CRL) Salmonella. Een belangrijk onderdeel daarvan is de presentatie van de resultaten van de jaarlijks terugkerende ringonderzoeken van het CRL waarmee de kwaliteit van de NRL-laboratoria wordt gemeten. Ook presenteren de NRL's van enkele geselecteerde landen hoe zij hun taken en verplichtingen uitvoeren. In de verslagen gaat veel aandacht uit naar de instrumenten om Salmonella aan te tonen. Onder andere komen de jaarlijkse baseline studies voor Salmonella aan de orde, waarin per deelnemend land wordt vastgesteld hoeveel Salmonella voorkomt bij bepaalde diergroepen. In 2008 betrof dit fokvarkens en karkassen van vleeskuikens. Vervolgens zijn meerdere methoden besproken die Salmonella aantonen en typeren. Bijvoorbeeld hoe kan worden vastgesteld of de Salmonella waarvan mensen ziek zijn geworden dezelfde is als in een product is aangetroffen. De organisatie van deze workshop is in handen van het CRL voor Salmonella, die op het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu is gevestigd. De hoofdtaak van het CRL-Salmonella is toezien op de kwaliteit van de nationale referentielaboratoria voor deze bacterie in Europa. De workshop vond plaats in Bilthoven, Nederland.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Effecten van preventieve interventies voor lokaal gezondheidsbeleid. Een overzicht op basis van de leeflijnen uit de handleidingen voor roken, alcohol, overgewicht en depressie | RIVM

Een minderheid van de interventies uit de leeflijnen voor lokaal gezondheidsbeleid is effectief in het terugdringen van roken, schadelijk alcoholgebruik, overgewicht of depressie. Van de interventies die het meest aangeboden worden in de GGD-regio's is de effectiviteit vaak niet bekend. Voor enkele effectieve interventies zijn de theoretische effecten op bevolkingsniveau geschat. Op basis van wat bekend is over het huidige bereik van deze interventies, zijn de geschatte effecten klein. Als uitgegaan wordt van een maximaal haalbaar bereik zijn de effecten groter, maar de bijdrage aan het behalen van de beleidsdoelstellingen blijft gering. Dit blijkt uit een onderzoek van het RIVM dat in opdracht van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ ) is uitgevoerd. Voor dit onderzoek zijn gegevens over effectiviteit van leeflijninterventies verzameld in de literatuur en is gebruikgemaakt van aanbod- en bereikcijfers van alle GGD'-en in Nederland. In modelberekeningen is vervolgens voor een selectie van effectieve interventies geschat wat de effecten op bevolkingsniveau zouden kunnen zijn van het huidige en theoretisch maximale bereik. Deze schattingen, die door een aantal bronnen van onzekerheid als indicatief gezien moeten worden, zijn ten slotte vergeleken met de doelstellingen uit de preventienota 'Kiezen voor gezond leven'. Dat enkele afzonderlijke leefstijlinterventies naar schatting maar beperkt bijdragen aan het behalen van de beleidsdoelen is verklaarbaar. Het preventiebeleid is immers veel breder dan alleen lokale leefstijlinterventies. Een combinatie van maatregelen, waaronder ook wet- en regelgeving, accijnzen, en preventie in de zorg zal sterker bijdragen aan het behalen van de beleidsdoelen.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Evaluatie van het Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit | RIVM

Op verzoek van het ministerie van VROM heeft het RIVM de opzet, uitvoering, nut en noodzaak van het Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit (LMB) geevalueerd. Hieruit blijkt dat het meetnet inzicht oplevert in de kwaliteit van de bodem en het bovenste grondwater bij verschillende grondsoorten en typen landgebruik. Het fungeert, in lijn met de Beleidsbrief Bodem, als graadmeter voor de algemene toestand van de bodem. Het vormt daardoor een belangrijk instrument voor beleidsmakers. Het LMB is in 1993 opgezet door het RIVM. Sinds 2003 zijn de taken verdeeld over TNO en het RIVM. Het meetnet onderzoekt in cycli van vijf jaar de samenstelling van de bodem in Nederland. De derde meetronde is gereed in 2010. In de evaluatie wordt een aantal aanbevelingen gedaan om de monitoringstrategie en uitvoering te verbeteren. Zo wordt aanbevolen de statistische aspecten van de locatiekeuze door te lichten, evenals de procedure voor het mengen en homogeniseren van de bodemmonsters. Daarnaast wordt aangeraden op een beperkt aantal locaties uitgebreid procesonderzoek te doen. Bovendien wordt aanbevolen om arseen op te nemen in het chemische analysepakket. Ook is het nodig de toegankelijkheid van de gegevens via het DINO-loket te verbeteren en de zichtbaarheid van het LMB te vergroten. Dat laatste kan door jaarlijks de belangrijkste resultaten van de monitoring via factsheets voor iedereen beschikbaar te stellen. Een directe aansturing van het LMB door een opdrachtgever zou het mogelijk maken om sneller in te springen op beleidsvragen. Ook kan het onderzoek dan beter worden gecoordineerd en afgestemd met andere monitoringprogramma's, zoals als de Bodembiologische Indicator (BoBI) en Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM). Hiermee sluit het LMB aan bij beleidsmatige ontwikkelingen, zoals het concept van de Europese Kaderrichtlijn Bodem.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid. LMM-jaarrapport 2005 | RIVM

Het Landbouw Economisch Instituut (LEI) volgt de bedrijfsvoering op landbouwbedrijven; het RIVM monitort op deze bedrijven de waterkwaliteit die door de bedrijfsvoering wordt beinvloed. Uit de monitoringgegevens blijkt dat de bemesting en nutrientenoverschotten op melkveebedrijven sinds eind jaren negentig van de vorige eeuw eerst fors zijn gedaald en sinds 2000 zijn gestabiliseerd. Op akkerbouwbedrijven is een minder duidelijke trend zichtbaar. Ook daalt sinds de jaren negentig de nitraatconcentratie in het grondwater onder landbouwbedrijven. Dit is een positieve ontwikkeling, omdat een lagere nitraatconcentratie duidt op een lagere belasting van het milieu. Desalniettemin bleek in 2005 op 52 procent van de onderzochte bedrijven de nitraatconcentratie in het bovenste grondwater (recente neerslagoverschot) hoger te zijn dan de Europese norm van 50 milligram per liter. In 2004 varieerde de totale stikstofbemesting tussen combinaties van bedrijfstype en grondsoort van gemiddeld 188 tot 436 kilo per hectare en de fosforbemesting van 78 tot 115 kilo per hectare. Per saldo was de aanvoer van stikstof en fosfor in de bodem groter dan wat eruit verdwijnt. Het stikstofoverschot varieerde tussen combinaties van bedrijfstype en grondsoort van gemiddeld 115 tot 226 kilo per hectare. Voor fosfor lag dat tussen 24 en 40 kilo per hectare. De meeste overschrijdingen van de nitraatconcentratie in het grondwater zijn aangetroffen bij bedrijven in de zand/lossregio (68 procent). Bij bedrijven in de kleiregio en in de veenregio zijn aanzienlijk minder overschrijdingen aangetoond (respectievelijk 36 en 0 procent). Het totale aantal overschrijdingen in de zand/lossregio in 2005 is, in vergelijking met 2004, vrijwel gelijk gebleven. In de klei- en veenregio is in 2005 het aantal overschrijdingen gedaald ten opzichte van 2004. Het LMM is opgezet om de kwaliteit van het water op landbouwbedrijven te beschrijven en te verklaren in relatie tot beleidsmaatregelen en bedrijfsvoering. De waterkwaliteit wordt bepaald door de hoeveelheid nutrienten (waaronder nitraat) te meten in het water dat uitspoelt uit de 'wortelzone' (bovenste meter van het grondwater, bodemvocht of drainwater) en in het slootwater. Metingen op dit punt geven weer welk deel van het nutrientenoverschot naar het grond- en oppervlaktewater is uitgespoeld. De metingen zijn verricht op de typen landbouwbedrijven die in Nederland het meeste voorkomen (akkerbouw, melkvee en hokdieren) in drie hoofdgrondsoortregio's (zand/loss, klei en veen).
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Zorgbalans 2010 : De prestaties van de Nederlandse zorg | RIVM

Vanuit het perspectief van de overheid is het van belang te weten hoe goed de verschillende onderdelen van de gezondheidszorg functioneren en of iedereen in Nederland in gelijke mate van de ingezette middelen profiteert. Gezien de toenemende uitgaven aan de gezondheidszorg is de vraag naar de relatie tussen de ingezette middelen en de opbrengsten die er mee worden bereikt relevant: hoe doelmatig is de Nederlandse gezondheidszorg? Om de ontwikkelingen in de kwaliteit, de toegankelijkheid en de kosten van de gezondheidszorg te monitoren, heeft het ministerie van VWS het RIVM gevraagd de Zorgbalans tweejaarlijks uit te brengen. Deze derde Zorgbalans beschrijft op basis van een beperkte set van indicatoren de prestaties van de Nederlandse gezondheidszorg in 2008 en 2009 en vergelijkt deze met eerdere jaren en internationaal. Wat valt op in de bevindingen van de Zorgbalans 2010? Allereerst een aantal gunstige ontwikkelingen. De toegankelijkheid van de Nederlandse zorg blijkt veelal uitstekend. Ook de kwaliteit van de zorg is op veel onderdelen goed en er zijn aantoonbare verbeteringen. De meeste zorggebruikers zijn onveranderd positief over de zorg. De kostengroei in de zorg wordt vooral veroorzaakt doordat meer zorg wordt verleend. De Volksgezondheid Toekomst Verkenning 2010 meldt dat Nederlanders steeds langer leven en dat twee extra levensjaren die er recent zijn bijgekomen in goede gezondheid worden doorgebracht (Van der Lucht en Polder, 2010). Preventie en zorg dragen in belangrijke mate bij aan deze gezondheidswinst. Tegenover deze gunstige bevindingen staat dat de gezondheidszorg niet op alle punten aan alle hoge ambities en verwachtingen voldoet. Het kan beter. Op onderdelen is de toegankelijkheid onvoldoende te noemen, zoals op het punt van wachttijden in sommige onderdelen van de zorg en de matige telefonische bereikbaarheid van huisartsenpraktijken. Er bestaan grote verschillen in prijs en kwaliteit tussen zorgverleners. De afstemming en coördinatie van de zorg tussen zorgverleners is niet optimaal. Hoewel er voorbeelden zijn dat kwaliteitsverbetering gepaard kán gaan met kostenverlaging, is dat voor het totale pakket van geleverde zorg niet duidelijk aantoonbaar. De totale kosten voor de zorg stijgen snel; de kwaliteit verbetert langzaam. Een belangrijke voorwaarde voor het goed functioneren van het zorgstelsel is de beschikbaarheid en vervolgens het gebruik van goede kwaliteitsinformatie. Ondanks de toename van informatie is het nog onvoldoende mogelijk zorgaanbieders te vergelijken op kwaliteit en de uitkomsten van zorg.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Risicobeoordeling emissie ethyleenoxide in Zoetermeer | RIVM

Van 2006 tot 2008 is in de omgeving van het bedrijf Sterigenics in Zoetermeer ethyleenoxide in de buitenlucht vrijgekomen. De oorzaak was een defecte naverbrander. Ethyleenoxide is een kankerverwekkende stof die het bedrijf gebruikt om medische artikelen te steriliseren. Als gevolg daarvan zijn in de directe omgeving van het bedrijf zo'n 900 omwonenden en 1150 werknemers blootgesteld aan een hoeveelheid ethyleenoxide die boven de toelaatbaar geachte concentratie van 3 microgram per kubieke meter ligt. Voor de omwonenden was het jaargemiddelde maximaal circa 10 microgram per kubieke meter, voor de werknemers maximaal circa 20. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM. Risicoberekeningen laten zien dat 1 tot 2 personen per 100.000 betrokkenen de kans hebben om hierdoor kanker te krijgen. In het algemeen geldt in Nederland dat in een populatie van 2000 mensen zo'n 660 mensen vroeg of laat kanker krijgen. Voor de circa 2000 betrokkenen betekent de blootstelling dus een kleine extra kans dat bij een van hen kanker ontstaat.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

The National Immunisation Programme in the Netherlands. Developments in 2009 | RIVM

Dit rapport geeft een overzicht van het voorkomen van verwekkers van ziekten uit het Rijksvaccinatieprogramma (RVP), de epidemiologie en bijwerkingen na vaccinatie in 2009. Hetzelfde geldt voor ontwikkelingen over nieuwe vaccins die in de toekomst eventueel in het RVP worden opgenomen. Net als in voorgaande jaren is in 2008 en 2009 het aantal gevallen van de meeste ziekten uit het RVP laag. Dat komt door de hoge vaccinatiegraad in Nederland. In deze jaren nam het aantal gevallen van ernstige aandoeningen door pneumokokken die zijn waargenomen bij kinderen die voor vaccinatie in aanmerking kwamen in belangrijke mate af. In 2008 nam hepatitis B licht af, wel komt deze aandoening veelvuldig voor bij mannen die sex hebben met mannen. Kinkhoest komt regelmatig voor, met om ongeveer iedere drie jaar een epidemie. Kinkhoest neemt toe onder volwassenen, maar verloopt het ernstigst bij ongevaccineerde kinderen. De mazelenepidemie van 2008, voornamelijk onder ongevaccineerde antroposofen, eindigde begin 2009. Het opkomstpercentage tijdens de eerste ronde van de inhaalcampagne van de vaccinatie tegen baarmoederhalskanker (HPV, gestart in maart 2009 voor meisjes die in de jaren 1993 tot en met 1996 zijn geboren) was 50 procent. Het aantal gevallen rotavirus was in 2008 het hoogst sinds 2000. Voor waterpokken was het aantal gevallen in 2008 laag. Tot slot is vaccinatie van ouderen (70-plus) tegen gordelroos mogelijk kosteneffectief. Deze gegevens zullen meegenomen kunnen worden in het advies aan de minister om vaccinatie tegen deze drie ziekten eventueel op te nemen in het RVP.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

The self-purifying capacity, measured as the biodegradation of acetate, is an important ecosystem-service in the upper groundwater zone in the Netherlands | RIVM

De bovenste laag van het grondwater in Nederland is in staat om zelf verontreinigingen op te ruimen. Hierdoor kan het grondwater veilig voor drinkwaterwinning worden gebruikt en bedreigt het de ecosystemen van de bodem en het water niet. Het RIVM onderzoek waarbij op 128 locaties in Nederland het zelfreinigend vermogen is gemeten laat zien dat dit vermogen een betrouwbare ecosysteemdienst is. Het staat minder bloot aan verstoringen dan het zelfreinigend vermogen in de bodem, dat door droogte en lage temperaturen kan worden afgeremd. Wel zetten bepaalde verontreinigingen het zelfreinigend vermogen onder druk. Het gaat dan om verontreinigingen waarvoor de micro-organismen die verantwoordelijk zijn voor het zelfreinigend vermogen gevoelig zijn. Tijdens het RIVM onderzoek is een nieuwe experimentele methode ontwikkeld, waarmee het zelfreinigend vermogen in de ondergrond kan worden gemeten en in kaart gebracht. Deze methode die de omzettingssnelheden van azijnzuur meet, is eenvoudiger en sneller dan tot nu toe gebruikte technieken. Om het zelfreinigend vermogen van de onderzochte locaties te kunnen vergelijken zijn deze snelheden vervolgens afgezet tegen de diepte, de grondsoort, de geleidbaarheid en het nitraatgehalte. Vooral de bovenste grondwaterzone van de veengronden in het westen van Nederland vertonen een groot zelfreinigend vermogen. Vaak is dit nog groter dan dat van de bovengrond. Deze veengronden zijn bekalkte weilanden met een hoge grondwaterstand en een laag nitraatgehalte. In de zandgronden in het oosten van het land is het zelfreinigend vermogen vaak een factor 30 lager.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Luchtnormen geordend | RIVM

Een inventarisatie van het RIVM laat zien dat er in Nederland veel verschillende typen luchtnormen zijn. Voorbeelden zijn normen voor binnen- en buitenlucht en normen die specifiek de werknemer of de algemene bevolking beschermen. Het RIVM heeft dit overzicht gemaakt in opdracht van het ministerie van VROM. In het rapport zijn de beschermingsdoelen van de afzonderlijke normen beschreven, zoals de mens of het ecosysteem, evenals hun formele status. Het onderscheid tussen de verschillende normen is echter niet altijd helder. Uit het onderzoek blijkt bovendien dat voor eenzelfde type norm soms verschillende getalswaarden circuleren. Vooral voor milieukwaliteitsnormen is het voor een aantal stoffen onduidelijk wat de geldende norm is. Dit is vooral lastig voor vergunningverleners en vergunninghouders, omdat zij niet weten op welke waarde zij zich moeten richten. Daarnaast is het belangrijk dat beleidskaders die raakvlakken hebben zo veel mogelijk dezelfde getalswaarden als uitgangspunt voor een specifieke norm gebruiken. Het RIVM geeft in het rapport aanbevelingen om voor een aantal stoffen tot een eenduidige norm te komen. Dat kan bijvoorbeeld door technisch-wetenschappelijke normvoorstellen beleidsmatig vast te stellen en ze vervolgens bekend te maken op de website 'Risico's van Stoffen'.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Veiligheid grootschalige productie van biogas. Verkennend onderzoek risico's externe veiligheid | RIVM

Dit rapport bevat een erratum. Grootschalige productie van biogas uit mest kan veiligheidsrisico's met zich meebrengen voor personeel en omwonenden. Bekend is dat het biogas een mengsel van gassen is met brandbare eigenschappen door de aanwezigheid van methaan. Minder bekend zijn de giftige eigenschappen als het biogas een hoog zwavelwaterstofgehalte heeft. De productie van biogas (co-vergisting) uit mest wordt in Nederland steeds populairder. Co-vergisting vindt plaats in vergisters die doorgaans staan bij agrarische bedrijven. Om de productie te vergroten wordt de mest aangevuld met organische materialen. Vanwege het risico van een hoog zwavelwaterstofgehalte is het belangrijk dat deze materialen niet te veel zwavel bevatten. Als dat toch het geval is, moet het teveel aan zwavelwaterstof verantwoord worden verwijderd. De trend is dat biogasinstallaties steeds groter worden en de installaties ingewikkelder. Hierdoor worden ook de risico's groter. Het onderzoek geeft aanbevelingen om de risico's voor de externe veiligheid beter te kunnen beheersen. Zo is het aan te bevelen om een verantwoorde afstand van de vergisters tot de omwonende vast te stellen, zoals dat voor chemische bedrijven gebeurt via het Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen (Bevi). Daarnaast wordt aanbevolen een 'centraal document' op te stellen met informatie over de manier waarop grootschalige biogasinstallaties veilig kunnen worden gebouwd en beheerd. Deze informatie is nu verspreid over verschillende (internationale) documenten. Een centraal document kan een minimaal veiligheidsniveau garanderen en duidelijkheid bieden aan ondernemers en vergunningverleners. Dit onderzoek is uitgevoerd door het RIVM in opdracht van de VROM-Inspectie. Het ingenieursbureau DHV B.V. heeft aan het onderzoek meegewerkt in opdracht van het RIVM.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Middelengebruik en seksueel gedrag van jongeren met een laag opleidingsniveau. Aangrijpingspunten voor preventie | RIVM

Laagopgeleide jongeren vertonen vaker en op jongere leeftijd risicogedrag dan hoogopgeleide jongeren. De directe sociale omgeving (vrienden en ouders) en sociaal emotionele problemen (gedragsproblemen en hyperactiviteit) zijn mogelijke oorzaken hiervan. Dit blijkt uit een analyse van het Nederlandse deel van de internationale studie Health Behaviour in School-aged Children (HBSC) en uit literatuuronderzoek, uitgevoerd door het RIVM in samenwerking met het IVO (Instituut voor Onderzoek naar Leefwijzen & Verslaving), het Trimbos-instituut, de Universiteit Utrecht en het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP). Laagopgeleide jongeren roken vaker, gebruiken vaker cannabis, drinken vaker grote hoeveelheden alcohol en hebben vaker op jonge leeftijd seks in vergelijking met hoogopgeleide jongeren. Ook gebruiken laagopgeleide jongeren al op jongere leeftijd deze genotmiddelen en experimenteren ze eerder met seks (13-14 jaar) dan jongeren met een hoge opleiding (15-16 jaar). Deze gedragingen nemen bij beide opleidingsgroepen toe met de leeftijd, waardoor het verschil gedurende het hele leven blijft bestaan. Het huidige aanbod aan preventieve interventies voor jongeren met een lage opleiding is gering. Bovendien sluit het aanbod onvoldoende aan bij de factoren die volgens deze studie van invloed zijn op het vertonen van ongezond gedrag. Om meer effect te sorteren beveelt de onderzoeksgroep aan om de sociale omgeving van het kind, en dan vooral de ouders, meer bij de interventies te betrekken. Daarnaast is het belangrijk om de interventies te laten starten in de hoogste groep(en) van de basisschool en door te laten lopen in het voorgezet onderwijs. Verder moeten ze er op gericht zijn de weerbaarheid van jongeren te vergroten, zodat ze beter bestand zijn tegen groepsdruk. Ook moeten de interventies op meerdere plaatsen, zoals school, de wijk of thuis, worden aangeboden. Tot slot moeten ze worden ondersteund door betere handhaving van wet- en regelgeving, zoals toezien op de leeftijd bij de verkoop van alcohol.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Noise monitor 2008. Measurements and validation of environmental noise | RIVM

De gemiddelde geluidbelasting op de A12 bij Voorburg is in 2008 lager dan in 2007. De geluidreductie is bereikt door de aanleg van dubbellaags zeer open asfaltbeton (DZOAB) als deklaag in september 2007. De afname die in september 2007 werd gerealiseerd bleef in 2008 behouden. Op de A10-west bij Amsterdam is in 2008 wederom een kleine geluidtoename gemeten ten opzichte van het jaar ervoor. In 2006 bleek al dat geluidreducerende werking van het wegdek op deze locatie vrijwel geheel is verdwenen. Oorzaak is waarschijnlijk de vervuiling en slijtage tengevolge van het intensieve verkeer. Het poreuze asfalt op deze locatie stamt uit 2001. Dit zijn de belangrijkste resultaten uit de Geluidmonitor 2008. Het meetprogramma bestaat sinds 1999 en registreert ontwikkelingen in omgevingsgeluid door wegverkeer en railverkeer. Voor wegverkeersgeluid zijn in 2008 metingen verricht langs de A2 bij Breukelen, de A10-west bij Amsterdam, de A12 bij Voorburg en de N256 in Noord-Beveland. Voor railverkeer is gebruikgemaakt van meetresultaten van ProRail uit 2008 bij Esch en Willemsdorp. Ten slotte zijn resultaten toegevoegd van steekproefmetingen in stedelijk verkeer die het RIVM in 2009 heeft uitgevoerd in Utrecht. De gemeten geluidemissies op locaties met standaard wegdek (Dicht Asfalt Beton, DAB) bleken enkele decibellen hoger dan het Nederlandse Reken- en Meetvoorschrift voorspelt. De gemeten geluidemissies aan railverkeer zijn overwegend consistent met het Nederlandse rekenvoorschrift. Deze voorschriften worden door het ministerie van VROM uitgegeven om de geluidbelasting door weg- en railverkeer te berekenen.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Gezondheidsbevordering en preventie in het onderwijs. Stand van zaken, effectiviteit en ervaringen van GGD'en en scholen | RIVM

Gezondheidsbevordering en preventie op scholen loont. Er zijn gezondheidsbevorderende programma's voor scholen die ertoe leiden dat scholieren gezonder gedrag vertonen, op school beter presteren en minder vaak vroegtijdig school verlaten. Maatregelen hebben meer effect als scholen ze structureel uitvoeren en als de maatregelen integraal zijn opgezet. Ongeveer 60 procent van de GGD'en ondersteunt scholen om deze structurele en integrale gezondheidsbevordering en preventie planmatig aan te pakken. Dit blijkt uit een studie van TNO en het RIVM in opdracht van het ministerie van VWS. Hierin worden ook enkele aanbevelingen gedaan om gezondheidsbevordering in het onderwijs te versterken. De belangrijkste zijn: sluit goed aan bij de concrete vragen die een school heeft, versterk de vaardigheden van gezondheidsbevorderende professionals, ondersteun scholen en professionals praktisch bij de aanpak en uitvoering van de maatregelen, en vergroot het draagvlak voor de maatregelen in het gehele onderwijsveld. GGD'en en scholen zijn positief over planmatig werken omdat het helpt om gezondheidsbevordering gemakkelijker in het schoolbeleid en de dagelijkse activiteiten op te nemen. Wel hebben professionals behoefte aan praktische handvaten om de maatregelen stapsgewijs te kunnen uitvoeren. TNO heeft in internationale literatuur de effecten onderzocht van gezondheidsbevordering in het onderwijs op de leefstijl, schoolprestaties en -uitval van leerlingen. Het RIVM onderzocht de stand van zaken rond planmatige gezondheidsbevordering in het basis- en voorgezet onderwijs in Nederland.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Meten van verloren arbeidsjaren door ziekte: Disease-Adjusted Working Years (DAWY). Verkenning van een nieuwe maat | RIVM

Het RIVM heeft een eerste aanzet geleverd voor een model waarmee inzichtelijk wordt wat de impact is van ziekten op de arbeidsproductiviteit van werknemers. In dit model is de uitkomstmaat het verlies aan arbeidsjaren door ziekte. Dit wordt uitgedrukt in de meeteenheid 'Disease-Adjusted Working Years' (DAWY). Oorzaken van verloren arbeidsjaren zijn ziekteverzuim, arbeidsongeschiktheid en productiviteitsverlies op het werk door ziekte. De nieuwe maat maakt het mogelijk de gevolgen van verschillende ziekten op verlies aan arbeidsjaren in een getal weer te geven waardoor ze met elkaar te vergelijken zijn. Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) heeft het RIVM gevraagd de mogelijkheden voor een nieuw model te verkennen. Het blijkt mogelijk een dergelijk model te ontwikkelen. Het RIVM beschrijft een basismodel om DAWY's te berekenen. Aan de hand van de casus rugklachten illustreert het de (on)mogelijkheden van berekeningen van het verlies aan arbeidsjaren door ziekte en door ongunstige arbeidsomstandigheden. Er bestaat nog geen model dat de verschillende vormen waarin arbeidsjaren verloren kunnen gaan samenvat in een getal. Een dergelijke maat bestaat wel voor de volksgezondheid, namelijk de ziektelast uitgedrukt in Disability-Adjusted Life-Years (DALY). De DALY maakt in de vorm van een enkel getal inzichtelijk wat de gevolgen van ziekten zijn op de gezondheid en de levensverwachting. De DALY geeft echter geen inzicht in de effecten van ziekte en arbeidsgerelateerde risicofactoren op de arbeidsproductiviteit van werknemers. De nieuwe maat kan dit inzicht wel geven.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Interactions REACH and other chemical legislation. Setting of environmental quality standards | RIVM

Via de Europese wet- en regelgeving REACH wordt aangetoond of het gebruik van chemische stoffen veilig is. De informatie die REACH oplevert is gedeeltelijk bruikbaar voor andere beleidskaders waar normen een rol spelen, zoals de Kaderrichtlijn Water (KRW), het Nederlandse stoffenbeleid en vergunningverlening. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM, in opdracht van het ministerie van VROM. De REACH-gegevens die via de industrie beschikbaar komen, zijn aanvullend en daarmee waardevol om nieuwe normen af te leiden. Bovendien geeft REACH voorrang aan data voor de gevaarlijkste stoffen. De kwaliteit van gegevens wordt echter in REACH-kader niet voor alle stoffen door de overheid gecontroleerd. Ook zijn gegevens over de testen die de industrie uitvoert niet altijd openbaar. De onderbouwing van de risicogrenzen in REACH kent een andere grondslag dan de milieukwaliteitsnormen van de overheid. Daarnaast levert REACH bepaalde typen van risicogrenzen niet, die andere kaders juist wel gebruiken. Bovendien vallen biociden, bestrijdingsmiddelen en (dier)geneesmiddelen buiten het REACH-kader, terwijl het beleid regelmatig om normen voor deze stofgroepen vraagt. Het rapport geeft suggesties om de aansluiting tussen REACH en andere kaders te vergroten. Zo kan een handleiding voor lokale overheden behulpzaam zijn bij het juiste gebruik van REACH-gegevens.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Klimaatverandering en het stedelijk gebied. De bodemfactor | RIVM

De klimaatverandering kan in steden onder andere tot extreme neerslag leiden, met wateroverlast als gevolg. Een effectieve maatregel hiertegen is het zogeheten waterbergend vermogen van het stedelijk gebied te vergroten, waarvoor het ondergronds bergen van water een goede oplossing is. Ook moet een stedelijke omgeving beschikken over voldoende onafgedekte bodem, zoals parken, tuinen en wegbermen, zodat overtollig water gemakkelijker kan wegstromen. Een ander voordeel van openbaar groen is dat het schaduw biedt en daarmee verkoeling bij extreme hitte, een ander gevolg van klimaatverandering. Het thema afdekking komt echter niet terug in klimaatprogramma's waarmee provincies en gemeenten steden bestendiger kunnen maken tegen de gevolgen van de klimaatverandering. Steden zouden daarom hieraan explicieter aandacht moeten besteden. Dit blijkt uit een inventarisatie van het RIVM van de klimaatprogramma's van twee grote steden in Nederland. Voor de inventarisatie is gekeken welke bodemthema's, zoals warmte-koudeopslag, de vruchtbaarheid van de bodem en de diversiteit aan organismen erin, in de klimaatprogramma's terugkomen. Maatregelen vanuit bepaalde thema's (warmte-koudeopslag, ondergronds ruimtegebruik en wateropslag) blijken al veel te worden toegepast. Bij dergelijke maatregelen is direct te merken wat het oplevert, de zogenoemde harde thema's. De softere bodemthema's, zoals bodemvruchtbaarheid en biodiversiteit (ecosysteemdiensten), worden minder ingezet. Zo lijkt investeren in een goede bodemvruchtbaarheid geen financieel voordeel te hebben. Hierdoor gaan marktpartijen hier niet mee aan de slag en zal de overheid deze thema's moeten stimuleren.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

De ontwikkeling van de fractie door wegverkeer uitgestoten NO2 in Nederland | RIVM

Tussen 2000 en 2007 is in Nederland de gemiddelde fractie stikstofdioxide (NO2) die wegverkeer direct uitstoot verdubbeld. In 2007 bestond gemiddeld 14 procent van de stikstofoxiden (NOx) die voertuigen uitstoten uit stikstofdioxide. In 2000 bedroeg deze fractie grofweg 7 procent. De nu gemeten uitstoot van stikstofdioxide komt redelijk goed overeen met de waarde die het ministerie van VROM ter beschikking stelt voor luchtkwaliteitberekeningen. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM in opdracht van het ministerie van VROM. Hiervoor zijn meetgegevens van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit (LML) gebruikt. Twee belangrijke oorzaken van deze toename zijn het gestegen percentage dieselmotoren in het wegverkeer, die meer directe stikstofdioxide uitstoten dan benzinemotoren, en het toenemende gebruik van oxidatiekatalysatoren bij dieselmotoren. Locaties waar gemiddeld veel nieuwere voertuigen rijden, zoals op snelwegen, laten hierdoor een hogere uitstoot zien dan locaties waar veel oudere voertuigen rijden, zoals in stedelijke gebieden.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Time trends in prevalence of sensitization to milk, egg and peanut in the Netherlands | RIVM

Tussen 1995 en 2007 is in Nederland het aantal mensen dat allergisch is voor pinda's toegenomen. Voedselallergie voor koemelk en ei is niet toegenomen. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM uitgevoerd in opdracht van de Voedsel en Warenautoriteit (VWA) om trends vast te stellen in de mate waarin voedselallergie in Nederland voorkomt. In het onderzoek is de mate waarin voedselallergie voorkomt gebaseerd op de aanwezigheid van IgE-antistoffen tegen pinda, melk of ei in bloed, een maat voor allergische sensibilisatie. Ongeveer 30 tot 60% van de personen met deze antistoffen heeft daadwerkelijk allergische klachten. In westerse landen zijn in de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw allergische aandoeningen zoals astma en eczeem sterk toegenomen. Enkele studies tonen aan dat voedselallergie voor pinda ook aan het toenemen is. Het is echter nog niet bekend welke genetische en omgevingsfactoren deze toename kunnen verklaren. Pinda-allergie heeft een grote invloed op de kwaliteit van leven. Allergische mensen die per ongeluk pinda's eten kunnen daar levensbedreigende symptomen van ondervinden. Dit kan alleen voorkomen worden door geen pinda's te eten. Dat is niet altijd gemakkelijk omdat pinda's in veel voedingsproducten worden verwerkt. Voor deze studie is de aanwezigheid van IgE-antistoffen tegen de onderzochte voedingsstoffen in bloed bepaald. De bloedmonsters zijn in twee perioden afgenomen, waartussen ongeveer tien jaar tijd zit (1995/1996 en 2006/2007). De mate waarin sensibilisatie voorkomt is voor vier leeftijdscategorieen bepaald: 0 tot 4 jaar, 5 tot 18 jaar, 19 tot 40 jaar en 41 tot 79 jaar.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Drinking water in river basin management plans of EU Member States in the Rhine and Meuse river basins | RIVM

De stroomgebiedbeheerplannen (SGBP'en) van de Rijn- en Maasoeverstaten bevatten in de eerste planperiode (2009-2015) weinig specifieke maatregelen om de kwaliteit van bronnen voor drinkwater te verbeteren. Het is daardoor waarschijnlijk dat Nederlandse oppervlaktewaterbronnen voor drinkwater niet zullen voldoen aan het streefdoel van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) zoals dat is geformuleerd in artikel 7.3. Met dit artikel wordt ernaar gestreefd om de waterkwaliteit te verbeteren waardoor minder inspanning nodig is om het te zuiveren tot drinkwater. Dit concludeert het RIVM bij de beoordeling van deze plannen in opdracht van het ministerie van VROM. De KRW draagt lidstaten op om SGBP'en op te stellen. De plannen moeten een goede toestand van grond- en oppervlaktewater zeker stellen door middel van meet- en maatregelenprogramma's. Voor drinkwater gelden specifieke doelstellingen. Maatregelen van de Rijn- en Maasoeverstaten zijn noodzakelijk om in Nederland de kwaliteit van het oppervlaktewater te verbeteren en daarmee de zuiveringsinspanning te verminderen De kwaliteit van dit water wordt namelijk sterk bepaald door de aanvoer uit landen als Duitsland, Belgie en Frankrijk. Nederland gebruikt naast oppervlaktewater ook grondwater als bron voor drinkwaterproductie. Voor grondwaterbronnen voor drinkwater is het onduidelijk of met de uitvoering van de SGBP'en de bestaande kwaliteitsknelpunten worden opgeheven. Deze knelpunten, zoals niet-verwijderde bodemverontreinigingen, zijn vooral lokaal van aard en worden niet of nauwelijks beinvloed door de buurlanden. Ten slotte heeft VROM gevraagd hoe het ambitieniveau van Nederland zich verhoudt tot andere lidstaten. De aanpak van Nederland bij de bescherming van drinkwaterbronnen blijkt vergelijkbaar met die van andere Rijn- en Maasoeverstaten.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Evaluation of the representativeness of the Dutch national Air Quality Monitoring Network | RIVM

In het algemeen zijn de meetlocaties van het LML representatief voor Nederland. Ze voldoen hiermee op dit onderdeel aan de Europese Richtlijn 2008/50/EG. Wel sluit de eenvoudige Nederlandse standaardindeling in drie type stations, regionaal, stadsachtergrond en straatstations, niet bij elke situatie aan. Bij de interpretatie van resultaten van het LML moet hiermee rekening worden gehouden. Zo is er bij enkele regionale stations een piekwaarde voor een stof gemeten, zoals ammoniak in Vredepeel als gevolg van landbouwactiviteiten in de omgeving. Ook bestaan er straatstations buiten de stad waarbij meetlocaties langs de snelweg lopen, zoals bij Breukelen. Daarnaast vertonen regionale stations in een verstedelijkt gebied hogere concentraties dan andere regionale stations. Tegelijkertijd vertoont een voorstadstation bij Groningen juist lage meetresultaten ten opzichte van stedelijke stations in de Randstad. Voor een locatie wordt de 'vrije aanzuiging' van lucht, die nodig is voor de metingen, gehinderd door een nabij gelegen gebouw. Op een aantal locaties werd de aanzuiging gehinderd door bomen, die inmiddels zijn gesnoeid. Dit blijkt uit een evaluatie van de representativiteit van het LML die het RIVM in opdracht van het ministerie van VROM heeft uitgevoerd. Hiervoor zijn meetdata van het RIVM van stikstofoxide, stikstofdioxide, koolmonoxide, fijn stof, ozon, ammoniak en zwaveldioxide uit 2007 gebruikt. Om de consistentie van de resultaten te checken, zijn ze vergeleken met de metingen uit 1994, die overeen bleken te komen. Specifiek is gekeken naar het effect van het snoeien van uitbundige begroeiing op een tweetal locaties. In beide gevallen is geen effect op de concentraties waargenomen. Om vrije aanzuiging van lucht te waarborgen, wordt toch aanbevolen te snoeien.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Beoordeling kwaliteitsrisico's grondwaterwinningen met REWAB-data en data van individuele onttrekkingsputten. Data voor de karakterisering van grondwaterlichamen | RIVM

De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) schrijft lidstaten onder andere voor om mogelijke knelpunten in de kwaliteit van bij grondwaterwinningen voor drinkwater in beeld te brengen. Om deze goed te kunnen inventariseren zijn meetgegevens van individuele onttrekkingsputten noodzakelijk. De gegevens die nu in de zogeheten REWAB-database (Registratie opgaven van Drinkwaterbedrijven) worden verzameld zijn hiervoor ontoereikend. Deze database bevat jaargemiddelde informatie van het gemengde opgepompte grondwater, en niet van individuele onttrekkingsputten. De KRW stelt dus nieuwe eisen aan de verzameling van kwaliteitsgegevens van grondwater voor drinkwater. Dit blijkt uit een analyse van het RIVM van acht grondwaterwinningen. Hiervoor zijn kwaliteitsgegevens van alle individuele onttrekkingsputten die bij deze grondwaterwinningen horen vergeleken met kwaliteitsgegevens van de totale hoeveelheid grondwater die per winning wordt onttrokken. Mogelijk volstaat voor diepe grondwaterwinningen, die nauwelijks door menselijke activiteit worden beinvloed, wel een analyse van de kwaliteit van verzameld onttrokken grondwater. Om invulling te kunnen geven aan de rapportageverplichtingen van de KRW hadden het ministerie van VROM, de provincies en de drinkwaterbedrijven afgesproken dat de drinkwaterbedrijven hiervoor de gegevens uit de REWAB-database beschikbaar stellen. De drinkwaterbedrijven hebben deze database opgezet om op grond van de Waterleidingwet te kunnen rapporteren over de drinkwaterkwaliteit in Nederland. De dataverzameling focust vooral op de kwaliteit van het drinkwater; data over de kwaliteit van de bronnen voor drinkwater worden vooralsnog alleen gebruikt om een globaal beeld te geven. Het RIVM beveelt aan om de informatievraag van de KRW voor drinkwater zo concreet mogelijk te beschrijven en vervolgens te bepalen hoe deze behoefte pragmatisch kan worden ingevuld. Hiervoor zouden bij voorkeur landelijk nadere afspraken moeten worden gemaakt tussen genoemde partijen.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Specific food group combinations explaining the variation in intakes of nutrients and other important food components in the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition: an application of the reduced rank regression method | RIVM

Specific food group combinations explaining the variation in intakes of nutrients and other important food components in the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition: an application of the reduced rank regression method | RIVM
Jaar: 2010 Onderzoek

Uitwerking artikel 7.3 KRW voor grondwaterlichamen. Drinkwaterfunctie bij karakterisering en toestandbeoordeling van grondwaterlichamen | RIVM

Het RIVM heeft een stappenplan ontwikkeld dat grondwaterbeheerders kunnen gebruiken om de drinkwaterfunctie onderdeel te laten zijn van de risicoanalyse en de toestandbeoordeling van grondwaterlichamen. Op grond van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) moet Nederland elke zes jaar aan de Europese Commissie rapporteren over de kwaliteit van grondwater voor menselijk gebruik. Bij de eerste rapportages is deze informatie echter beperkt meegenomen. De oorzaak daarvan waren onduidelijkheden bij de grondwaterbeheerders over de manier waarop de drinkwaterfunctie bij de risicoanalyse en toestandbeoordeling van grondwater moet worden meegenomen. Het ontwikkelde stappenplan kan worden gebruikt om de stoffen te selecteren die een risico vormen voor de drinkwaterfunctie en die op de schaal van een grondwaterlichaam moet worden aangepakt. Om de bestaande onduidelijkheden weg te nemen heeft het RIVM beschreven hoe de risicoanalyse zich cyclisch verhoudt tot de toestandbeoordeling. De risicoanalyse kan aanleiding geven monitoring in te (her)inrichten om de aanwezigheid van potentiele problematische stoffen te achterhalen. Op basis hiervan worden vervolgens normen afgeleid. Aan die normen wordt getoetst om tot een toestandbeoordeling te kunnen komen. Indien nodig worden maatregelen genomen, waarna het effect daarvan bij de volgende risicoanalyse wordt bekeken. Het stappenplan is uitgewerkt aan de hand van twee casussen. Uit deze casussen blijkt dat bij het uitvoeren van het stappenplan stoffen worden geïdentificeerd waar momenteel geen nationale of Europese normen voor bestaan. Een dergelijk stappenplan kan ook worden ingezet voor de andere functies van grondwater, namelijk oppervlaktewater en terrestrische ecosystemen die van grondwater afhankelijk zijn.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Maatschappelijke baten. Deelrapport van de VTV 2010 Van gezond naar beter | RIVM

'Maatschappelijke baten' is het deelrapport van de Volksgezondheid Toekomst Verkenning 2010, dat een overzicht biedt van de opbrengsten van volksgezondheid, preventie en zorg in Nederland. De meeste burgers vinden hun gezondheid het allerbelangrijkst, en alleen daarom al goud waard. Voor de samenleving als geheel zijn gezonde burgers cruciaal menselijk kapitaal. Lichamelijke en psychische beperkingen leiden tot het buitensluiten van groepen burgers wier participatie aan onze samenleving en economie van levensbelang is. Gezondheid is van invloed op de schoolprestaties en de loopbaan van mensen en beïnvloedt de arbeidsparticipatie, het arbeidsverzuim en de arbeidsproductiviteit. Een betere volksgezondheid draagt bij aan de economische groei en speelt een onmisbare rol bij de vermindering van de kosten van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid. Gezondheid is ook een belangrijke factor voor andere vormen van maatschappelijke participatie, waaronder vrijwilligerswerk en mantelzorg. Een goede volksgezondheid en een hoogontwikkelde, welvarende samenleving zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Voor veel mensen zijn toegankelijke zorgvoorzieningen een bron van zekerheid en welbevinden. Daarnaast is de gezondheidszorg een bron van werkgelegenheid en innovatie en daarmee een economische sector van betekenis.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Heat sensitivity of Clostridium perfringens | RIVM

Voedsel verhitten is een belangrijke manier om voedselvergiftigingen door de bacterie Clostridium perfringens te voorkomen. De bacterie doet zich in voedsel in twee vormen voor: als spore, een overlevingsvorm die onder andere goed bestand is tegen hogere temperaturen en droogte, en als actief groeiende bacteriecellen (vegetatieve cel). Uit onderzoek van het RIVM blijkt dat sporen van de bacterie bij temperaturen van 95 graden Celsius en hoger snel afsterven. Vegetatieve cellen sterven bij temperaturen van 45 graden Celsius en hoger snel af. Clostridium perfringens is een bacterie die per jaar circa 100.000 tot 150.000 voedselinfecties veroorzaakt. De Voedsel en Waren Autoriteit (VWA) heeft dit onderzoek opgezet om meer zicht te krijgen op het aantal voedselvergiftigingen door dit type bacterie, de oorzaak en het verloop ervan. Met de uitkomsten kan de VWA maatregelen onderbouwen om het aantal voedselvergiftigingen te verminderen. Ook kan de VWA hiermee consumenten eraan herinneren voedsel goed en lang genoeg te verhitten. De hittegevoeligheid van de bacterie is onderzocht in zowel een kunstmatig medium ('buffer'), dat doorgaans voor laboratoriumwerk wordt gebruikt, als in een hoeveelheid verdund voedsel. Er zijn namelijk aanwijzingen dat het type voedsel invloed heeft op de hittegevoeligheid van de bacterie, vermoedelijk door de wijze waarop de bacterie zich aan voedsel hecht. In het onderzoek is meegenomen dat de temperatuur van het onderzochte voedsel in verhouding staat tot zowel de eetbaarheid ervan als de noodzaak voedselvergiftigingen te voorkomen.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Van gezond naar beter. Volksgezondheid Toekomst Verkenning 2010 | RIVM

Met de volksgezondheid in Nederland gaat het redelijk goed. Zo is de levensverwachting van Nederlanders de laatste jaren toegenomen. Toch bevat deze Volksgezondheid Toekomst Verkenning geen pleidooi om in het volksgezondheidbeleid gas terug te nemen. Integendeel. De verkenning leert dat investeren in gezondheid mogelijk en wenselijk blijft, en voor de Nederlandse economie zelfs onontbeerlijk. De VTV 2010 bevat en analyseert een schat aan gegevens over de gezondheid van Nederlanders en de inspanningen om die te bevorderen. Het zet op een rij wat is bereikt en wat er dankzij lopend beleid de komende jaren verwacht mag worden. Bovenal laat deze verkenning zien dat Nederland kan en moet blijven investeren in de gezondheid van burgers. Omdat gezondheid een groot goed is, maar ook omdat een vergrijzende economie gezonde burgers broodnodig heeft. Dit rapport beschrijft de belangrijkste ontwikkelingen op het terrein van de Nederlandse volksgezondheid en is gebaseerd op informatie uit de vier deelrapporten. De VTV wordt gemaakt door het RIVM en verschijnt eens in de vier jaar.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Effecten van preventie. Deelrapport van de VTV 2010 Van gezond naar beter | RIVM

'Effecten van preventie' is het deelrapport van de Volksgezondheid Toekomst Verkenning 2010 over de effectiviteit van preventieve maatregelen en interventies. Sinds de Preventienota 'Kiezen voor gezond leven' uit 2006 hanteert de overheid in het preventiebeleid een vijftal speerpunten. Het gaat om het terugdringen van roken, overgewicht en overmatig alcoholgebruik en de preventie van diabetes en depressie. Ook wordt de laatste jaren meer aandacht besteed aan het verminderen van gezondheidsachterstanden. Voor al deze onderwerpen worden in dit rapport de preventiemogelijkheden beschreven en kritisch tegen het licht gehouden. Zo wordt een systematisch en zorgvuldig overzicht gegeven van de effecten van preventie.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Priority areas in the Soil Framework Directive. The significance of soil biodiversity and ecosystem services | RIVM

Bij een afname van het organischestofgehalte of bij verdichting van de bodem daalt de bodembiodiversiteit. Een daling van de bodembiodiversiteit zal de bodem ook minder goed in staat stellen om zogenaamde ecosysteemdiensten te leveren, zoals agrarische productie, schoon grond- en oppervlaktewater en de regulering van het klimaat. Dit is de uitkomst van een verkenning naar relaties tussen organischestofgehalte, bodemverdichting en de bodembiodiversiteit. De conclusies van de verkenning zijn gebaseerd op een combinatie van informatiebronnen, namelijk literatuuronderzoek, gegevens uit het landelijke meetprogramma met de Bodembiologische Indicator en best professional judgment. In de concepttekst van de Kaderrichtlijn Bodem van de Europese Unie worden zeven bodembedreigingen onderscheiden. Afname van het organischestofgehalte en bodemverdichting zijn de twee bedreigingen die het meest relevant zijn voor Nederland. Ze hangen samen met intensief landbouwkundig bodembeheer. Het behoud van biodiversiteit is een criterium dat een rol speelt bij alle bedreigingen van de bodem. De afname van de bodembiodiversiteit kan een factor zijn bij het aanwijzen van zogenaamde prioritaire gebieden voor deze bedreigingen. In dit rapport is een eerste stap gezet tot opheldering van de relatie tussen de bodembiodiversiteit en een afname van het organischestofgehalte of bodemverdichting. Het onderzoek is bedoeld om Nederland voor te bereiden op de invoering van de Kaderrichtlijn Bodem.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Tijd en toekomst. Deelrapport van de VTV 2010 Van gezond naar beter | RIVM

N.B. 22-11-2011 nieuwe pdf met erratum op laatste pagina. 'Tijd en Toekomst' is het deelrapport van de Volksgezondheid Toekomst verkenning 2010, waarin de ontwikkelingen in de volksgezondheid in een tijdsperspectief worden geplaatst. Enerzijds wordt teruggekeken, maar er wordt vooral ook vooruitgeblikt. De levensverwachting neemt in Nederland naar verwachting toe tot 88,1 jaar voor vrouwen en 83,8 jaar voor mannen in 2050. Deze extra jaren gaan echter gepaard met een toename van chronische ouderdomsziekten en beperkingen. Mede hierdoor zal het zorgvolume tot 2030 met gemiddeld 3,4 procent per jaar stijgen. De overheid zal de knelpunten in de financiering en de beschikbaarheid van voldoende zorgpersoneel onder ogen moeten gezien.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Verkenning Atlas Leefomgeving. Ontwikkeling en evaluatie Atlas Demonstrator, Informatie en ICT | RIVM

Momenteel wordt de Atlas Leefomgeving ontwikkeld die burgers en professionals inzicht geeft in de kwaliteit van de lokale leefomgeving wat betreft milieu en gezondheid. Uit de eerste, verkennende fase van de ontwikkeling blijkt dat de Atlas voldoet aan de wensen van de gebruiker. Ook zijn de benodigde techniek en informatie/data aanwezig en functioneert het systeem als geheel. Bovendien kan de informatie over verschillende locaties met elkaar worden vergeleken. Wel is nog nadere afstemming met de bronhouders (gemeenten, provincies, milieudiensten, GGD'en en de rijksoverheid) nodig, die de data aanleveren en beheren. Dit concludeert het RIVM nadat de verkennende fase, waarin de Atlas Demonstrator is ontwikkeld, positief is afgesloten. Andere aandachtspunten zijn de gebruiksvriendelijkheid van het systeem, de standaardisatie van de (meta)data, de prestaties van het systeem en de interactiemogelijkheden tussen overheden en gebruikers (burgers, professionals) en tussen de gebruikers zelf. De Atlas Leefomgeving is een zogenoemde webbased applicatie en wordt in opdracht van het ministerie van VROM in vijf jaar ontwikkeld. Gemeenten en provincies zijn verplicht informatie over de leefomgeving openbaar te maken. De Atlas verbindt deze informatie met elkaar. Het RIVM coordineert in opdracht van VROM de technische en inhoudelijke invulling van de Atlas. In dit rapport staan ook nieuwe manieren beschreven waarop milieu- en gezondheidsinformatie kan worden gepresenteerd. Daarnaast zijn nieuwe technieken uit de Geo-ICT (open source, webservices) op hun haalbaarheid voor gebruik in de Atlas getoetst.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Gezondheid en determinanten. Deelrapport van de VTV 210 Van gezond naar beter | RIVM

'Gezondheid en determinanten' is het deelrapport van de Volksgezondheid Toekomst Verkenning 2010 over de ontwikkelingen in de gezondheidstoestand van de Nederlanders en de determinanten daarvan. Sinds 2003 is de levensverwachting van de Nederlanders sterk toegenomen, maar niet genoeg om Nederland terug te brengen in de top van Europa. Steeds meer mensen hebben een ziekte, inmiddels een kwart van alle Nederlanders. Desondanks nemen de ervaren ongezondheid en de lichamelijke beperkingen niet toe. Roken is nog steeds verantwoordelijk voor het meeste gezondheidsverlies, gevolgd door overgewicht. Voor veel determinanten zijn de trends niet ongunstig. De lagere sociaaleconomische groepen komen er op alle fronten ongunstiger van af. Fysieke en sociale omstandigheden spelen daarbij een grote rol.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Verkenning Atlas Leefomgeving. Ontwikkeling en evaluatie Atlas Demonstrator, Informatie en ICT | RIVM

Momenteel wordt de Atlas Leefomgeving ontwikkeld die burgers en professionals inzicht geeft in de kwaliteit van de lokale leefomgeving wat betreft milieu en gezondheid. Uit de eerste, verkennende fase van de ontwikkeling blijkt dat de Atlas voldoet aan de wensen van de gebruiker. Ook zijn de benodigde techniek en informatie/data aanwezig en functioneert het systeem als geheel. Bovendien kan de informatie over verschillende locaties met elkaar worden vergeleken. Wel is nog nadere afstemming met de bronhouders (gemeenten, provincies, milieudiensten, GGD'en en de rijksoverheid) nodig, die de data aanleveren en beheren. Dit concludeert het RIVM nadat de verkennende fase, waarin de Atlas Demonstrator is ontwikkeld, positief is afgesloten. Andere aandachtspunten zijn de gebruiksvriendelijkheid van het systeem, de standaardisatie van de (meta)data, de prestaties van het systeem en de interactiemogelijkheden tussen overheden en gebruikers (burgers, professionals) en tussen de gebruikers zelf. De Atlas Leefomgeving is een zogenoemde webbased applicatie en wordt in opdracht van het ministerie van VROM in vijf jaar ontwikkeld. Gemeenten en provincies zijn verplicht informatie over de leefomgeving openbaar te maken. De Atlas verbindt deze informatie met elkaar. Het RIVM coordineert in opdracht van VROM de technische en inhoudelijke invulling van de Atlas. In dit rapport staan ook nieuwe manieren beschreven waarop milieu- en gezondheidsinformatie kan worden gepresenteerd. Daarnaast zijn nieuwe technieken uit de Geo-ICT (open source, webservices) op hun haalbaarheid voor gebruik in de Atlas getoetst.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Veiligheid van medische technologie in de thuissituatie. Een analyse op basis van onderzoek van technische dossiers van fabrikanten | RIVM

Fabrikanten van medische apparatuur voor thuisgebruik zijn verplicht om een risicoanalyse te maken en duidelijke gebruikersinformatie te leveren. Bij drie medische thuiszorgtechnologieen, te weten infuus-, beademings- en dialyseapparatuur, vertonen de risicoanalyses en gebruiksaanwijzingen echter tekortkomingen. Hierdoor kan de patientveiligheid in het gedrang komen. Het is te verwachten dat de geconstateerde tekortkomingen ook voorkomen in risicoanalyses en gebruikersinformatie bij andere technologieen die thuis worden gebruikt. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM, in opdracht van de Inspectie voor de Gezondheidszorg. Onder andere blijkt dat in risicoanalyses vaak onvoldoende aandacht wordt besteed aan gebruiksfouten en aan risico's die zich specifiek kunnen voordoen bij gebruik thuis, waar bijvoorbeeld huisdieren bij de apparatuur kunnen komen. Daarnaast zijn risico's die de fabrikant niet volledig kan uitsluiten en die als zogeheten restrisico's in de risicoanalyse staan vermeld, vaak niet opgenomen in de gebruiksaanwijzing. Andersom komt het ook voor dat waarschuwingen in de gebruiksaanwijzing niet als risico zijn terug te vinden in de risicoanalyse. Daarnaast is geconstateerd dat de gebruiksaanwijzingen niet voldoende zijn afgestemd op gebruik van de apparatuur door patienten of mantelzorgers. Tekortkomingen hierin worden door begeleidende instellingen of ziekenhuizen doorgaans op een adequate manier opgevangen. Dit betekent echter niet dat fabrikanten zelf hiervoor minder aandacht hoeven te hebben. Verder blijkt uit procedures voor het verzamelen van praktijkervaringen dat fabrikanten dit te weinig op actieve wijze doen, bijvoorbeeld door gebruikersdagen te organiseren. In deze procedures is de rol van de distributeur (wederverkoper) vaak niet vastgelegd. Ook zijn er aanwijzingen dat niet alle incidenten in de thuissituatie bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg worden gerapporteerd. Deze bevindingen beteken dat de "continue cyclus om producten te verbeteren" niet goed functioneert.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Surface water intended for the abstraction of drinking water after use of plant protection products on hard surface. Evaluation of plant protection products | RIVM

In oppervlaktewater is de aanwezigheid van actieve stoffen van gewasbeschermingsmiddelen in concentraties boven acceptabele drinkwaterniveaus vastgesteld. Daarom zijn de Nederlandse registratie- autoriteiten door de rechter gedwongen deze situatie nadrukkelijk in de toelatingsbeslissing te betrekken. Om de drinkwatervoorziening te beschermen is een instrument ontwikkeld om de concentraties van gewasbeschermingsmiddelen in oppervlaktewater te schatten na de toepassing op verhardingen. Tot nu toe bestond een dergelijke methodiek nog niet in het Nederlandse beoordelingsinstrumentarium voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen op basis van de EU-Richtlijn 91/414/EC. Het voorstel beschreven in dit rapport behelst een beslisboom met een getrapte benadering. De basis vormt de veronderstelling dat er een relatie bestaat tussen de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen op verhardingen en de gevonden concentratie in ontvangende oppervlaktewateren. De methodiek kan worden gebruikt om te beoordelen of drinkwater bereid uit dit oppervlaktewater een te hoge concentratie residuen van deze middelen bevat. De ervaringen met een bestaande actieve stof, glyfosaat, zijn gebruikt om te anticiperen op evaluaties voor nieuwe stoffen. Om uiteindelijk te komen tot een goede schatting van de waterconcentratie van een actieve stof zijn verscheidene veronderstellingen gedaan voor onder andere: - de toepassingstechniek van het middel geschiedt volgens vastgesteld protocol; - de dosering op verhardingen is correct; - de totale oppervlakte in Nederland waarop de stof wordt toegepast wordt gebaseerd op gegevens in Nederland; - het ontvangende stroomgebied voor een bepaald drinkwateronttrekkingspunt voor de drinkwatervoorziening wordt gebaseerd op gemeentelijke gegevens in Nederland. Deze veronderstellingen zijn gecontroleerd aan de hand van de resultaten verkregen met de voorbeeldstof glyfosaat. In de komende tijd moet ervaring worden opgebouwd met de nieuwe methodologie door het system toe te passen op nieuwe stoffen die in Nederland gebruikt kunnen worden op verhardingen. Een van de aanbevolen potentiele verbeteringen is om het gebruik van specifieke eigenschappen van een bepaalde stof, zoals adsorptie en afbraakgegevens, in de beoordeling te betrekken. Ook wordt aanbevolen een EU-methodiek te ontwikkelen, vergelijkbaar met dit Nederlandse voorstel. Het RIVM heeft het rapport in 2010 gepubliceerd. Vanaf begin 2016 is in een Addendum ook de rekentool gepubliceerd. Het Ctgb past deze rekentool toe.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Environmental risk limits for twelve volatile aliphatic hydrocarbons. An update considering human-toxicological data | RIVM

Het RIVM heeft milieurisicogrenzen voor water, bodem en lucht afgeleid voor twaalf vluchtige koolwaterstoffen. Het gaat om de volgende stoffen: 1,1,2-trichloorethaan, hexachloorethaan, chloorethyleen (vinylchloride), 1,1-dichloorethyleen, 3-chloorpropeen, 2-chloorbutadieen, 1,1,1-trichloorethaan, 1,1,2,2-tetrachloorethaan, 1,2-dichloorpropaan, 1,2-dichloorethyleen, 1,3-dichloorpropeen en 2,3-dichloorpropeen. Milieukwaliteitsnormen zijn concentraties van een stof in het milieu die mens en ecosysteem op verschillende niveaus beschermen tegen nadelige effecten. Het RIVM heeft de afleiding van de milieurisicogrenzen uitgevoerd volgens de methodiek die is voorgeschreven door de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW). De milieurisicogrenzen worden gebruikt in het Nederlandse milieubeleid: ze dienen als advieswaarden voor de Nederlandse Interdepartementale Stuurgroep Stoffen, die de uiteindelijke milieukwaliteitsnormen beleidsmatig vaststelt. De milieurisicogrenzen zoals afgeleid in dit rapport zijn dus voorstellen zonder officiele status. Nederland onderscheidt vier milieurisicogrenzen: een niveau waarbij het risico verwaarloosbaar wordt geacht (VR), een niveau waarbij geen schadelijke effecten zijn te verwachten (MTR), het maximaal aanvaardbare niveau voor ecosystemen, specifiek voor kortdurende blootstelling in water (MACeco) en een niveau waarbij mogelijk ernstige effecten voor ecosystemen zijn te verwachten (EReco). De grenzen voor risico's specifiek voor de mens uit dit rapport zijn vergeleken met grenzen voor risico's specifiek voor het ecosysteem, die in 2007 gepubliceerd zijn. De laagste waarde van de twee is vervolgens gekozen als definitieve milieurisicogrens voor de desbetreffende stof in water, bodem en lucht. Voor de waterbodem zijn geen milieurisicogrenzen afgeleid, want de binding van de koolwaterstoffen aan sediment blijft beneden het hiervoor vastgestelde criterium (minimale blootstelling van organismen aan de stoffen via sediment). De nieuw afgeleide milieurisicogrenzen liggen voor de meeste stoffen lager dan de bestaande milieukwaliteitsnormen. Op basis van een beperkte evaluatie van monitoringsgegevens van oppervlaktewater zijn er aanwijzingen dat voor een aantal stoffen het Verwaarloosbaar Risiconiveau wordt overschreden, maar het Maximaal Toelaatbaar Risiconiveau niet.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Recall van medische hulpmiddelen. Deel 1: De leveranciers | RIVM

De meeste leveranciers van medische hulpmiddelen aan zorginstellingen hebben een recall procedure paraat. Deze wordt echter zelden geoefend en ook een evaluatie van de uitgevoerde recall lijkt geen gemeengoed te zijn. Er worden bij het uitvoeren van een recall veel verschillende functionarissen in de zorginstellingen benaderd; een eenduidig aanspreekpunt voor recalls lijkt er niet zijn. In de informatie die over de recall wordt verstrekt ontbreken vaak belangrijke aandachtspunten zoals urgentie en te nemen voorzorgmaatregelen. De opvolging van de recall wordt door de leveranciers bewaakt; de inspanningen van de firma's lopen echter sterk uiteen.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

General Surveillance system for the soil ecosystem. Report of the workshop | RIVM

Europese regelgeving voor het op de markt brengen van genetisch gemodificeerde gewassen vereist dat er in iedere lidstaat met behulp van 'General Surveillance' (GS) wordt nagegaan of commercieel geteelde genetisch gemodificeerde planten (GGP's) onverwachte effecten hebben op het milieu. Het RIVM heeft een panel van internationale experts om advies gevraagd welke stappen en procedures nodig zijn om een dergelijk GS systeem voor Nederland op te zetten. Op dit moment vindt in Nederland geen commerciele teelt van GGP's plaats maar in de nabije toekomst kan daar verandering in komen. Het panel richtte zich op effecten van GGP's op het ecosysteem van de bodem, omdat dit onderdeel van het milieu nog niet eerder is verkend. De discussies en de conclusies van het panel staan in dit rapport beschreven en zullen aan VROM worden aangeboden. Dit ministerie zal bepalen hoe de GS wordt vormgegeven. Volgens het panel is het hoofddoel van GS om de functies van de bodem te beschermen die belangrijk zijn voor landbouw en natuur. Vervolgens stelde het panel voor dat de bodemkwaliteit wordt bekeken in relatie tot de gebruikers van het land (boeren, natuurbeheerders en lokale autoriteiten). In dat verband is het belangrijk om de bodem te monitoren en de resultaten, die afhankelijk zijn van de locatie, voor te leggen aan de verschillende gebruikers. Om de resultaten te beoordelen is een model ontwikkeld, dat in het rapport staat beschreven. Een dergelijk GS-systeem kan worden aangevuld met gegevens van andere netwerken die de vegetatie in beeld brengen, zoals het netwerk ecologische monitoring en satelliet observatiesystemen. Daarnaast concludeerde het panel dat een GS systeem gebaseerd moet worden op bestaande meetnetwerken; in Nederland is dat het bodemmeetnet Bodem Biologische Indicators (BoBI). Om dit geschikt te laten zijn voor GS zijn drie scenario's ontwikkeld. Hierin is rekening gehouden met de verschillende schaalgroottes waarop GGP's worden verbouwd in relatie tot het benodigde aantal meetpunten (van geen, via incidentele tot grootschalige verbouwing). Verder is het panel er een voorstander van dat gegevens worden opgeslagen in een speciale, nog op te zetten database die centraal wordt beheerd.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Evaluatie TrendMeetnet Verzuring | RIVM

Het TrendMeetnet Verzuring (TMV) blijkt een geschikt instrument om de effecten aan te tonen van het Nederlandse overheidsbeleid op het gebied van verzuring en luchtverontreiniging op de kwaliteit van het grondwater. Het meetnet registreert de invloed van atmosferische depositie, oftewel de neerslag van verzurende en vermestende stoffen uit de lucht, op de kwaliteit van het grondwater. Verminderde neerslag van deze stoffen is terug te zien in een betere kwaliteit van het grondwater. Zo heeft het meetnet aangetoond dat de nitraatconcentratie in het grondwater significant is afgenomen. Dit blijkt uit een evaluatie van het TMV door het RIVM in opdracht van het ministerie van VROM. Het TMV is in 1989 gestart en is in beheer van het RIVM. Het meetnet volgt de kwaliteit van de bovenste meter van het grondwater onder natuurgebieden (bos en heide) op zandgronden. In deze gebieden zijn geen andere noemenswaardige bronnen van verzurende en vermestende stoffen die het grondwater verontreinigen. Bovendien is het vermogen van zandgronden om effecten van verzuring te neutraliseren beperkt. Daarom zijn effecten van atmosferische depositie op de grondwaterkwaliteit het duidelijkst meetbaar in natuurgebieden op zandgrond. In andere meetnetten is de invloed van atmosferische depositie niet te onderscheiden. In landbouwgebieden bijvoorbeeld overschaduwt het effect van bemesting veelal de invloed van andere verontreinigingsbronnen op de kwaliteit van het grondwater. Aanbevolen wordt om TMV-resultaten mee te nemen bij de rapportageverplichtigen van de Kader Richtlijn Water (KRW) over de grondwaterkwaliteit, en de monitoringfrequentie in lijn te brengen met deze rapportages (een cyclus van 6 jaar). De monitorfrequentie binnen het TMV zou dan omlaag kunnen. Om de efficientie van het TMV te vergroten is meer integratie met andere nationale en provinciale monitoringmeetnetten nodig. Bovendien kan meer coordinatie met activiteiten op het gebied van bos- en vegetatiemonitoring en meer uitwisseling van gegevens de meerwaarde van het meetnet vergroten.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Bioaccumulation of polycyclic aromatic hydrocarbons in aquatic organisms | RIVM

Het RIVM heeft beschikbare gegevens over ophopingen van polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK's) in waterorganismen geevalueerd. Naar aanleiding hiervan is de indeling van deze stoffen voor regelgeving aangepast. Fenantreen en fluoranteen worden nu niet meer als 'zeer bioaccumulerend' beschouwd in vis, maar als 'bioaccumulerend'. De mate waarin stoffen in organismen ophopen (bioaccumulatie) is een belangrijk criterium voor regelgeving. Het is een indicatie dat hoger in de voedselketen hogere concentraties van de stof worden aangetroffen die schadelijk kunnen zijn. Gegevens van individuele PAK's, waaronder bioaccumulatiegegevens, worden gebruikt voor de risicobeoordeling van stoffen(mengsels) waarin PAK's een belangrijk bestanddeel zijn, zoals bijvoorbeeld olie en olieachtige stoffen. Als maat voor de ophoping wordt de bioconcentratiefactor (BCF) van een stof gebruikt. Dat is de ratio tussen de snelheid waarmee het organisme de stof vanuit water opneemt en de snelheid waarmee het naar water wordt uitgescheiden. Op grond hiervan worden stoffen in de Europese REACH-regelgeving ingedeeld in drie categorieen: niet bioaccumulerend (de BCF is kleiner dan 2000), bioaccumulerend (de BCF ligt tussen 2000 en 5000) en zeer bioaccumulerend (de BCF is hoger dan 5000). Vissen zijn in staat om PAK's om te zetten in stoffen die beter in water oplosbaar zijn waardoor ze makkelijker kunnen worden uitgescheiden. Hierdoor worden in vissen vaak lagere BCF-waarden gemeten. Mosselen en andere ongewervelden kunnen PAK's veel minder goed omzetten waardoor PAK's in deze organismen meer ophopen.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Meldingen van milieugerelateerde gezondheidsklachten bij GGD'en. Inventarisatie 2007-2008 | RIVM

De meeste milieugerelateerde gezondheidsklachten die worden gemeld bij gemeentelijke gezondheidsdiensten (GGD'en) gaan over het binnenmilieu en komen vooral uit huurwoningen. Als grootste boosdoeners van de klachten over het binnenmilieu worden schimmels, ventilatie en vocht aangewezen. De meest genoemde klacht (41 procent) is bezorgdheid over zaken in het binnenmilieu of in de omgeving die op termijn gezondheidsklachten kunnen veroorzaken. Deze bezorgdheid betreft vooral de gevolgen van asbest, schimmels en uitlaatgassen. Klachten van het ademhalingsstelsel (20 procent) en hinder (12 procent), zoals geur- en geluidhinder, komen op de tweede en derde plaats van de gemelde gezondheidseffecten. Dit blijkt uit de registratie van milieugerelateerde gezondheidsklachten door de Nederlandse GGD'en in de periode 2007-2008. De genoemde klachten en percentages verschillen niet wezenlijk van de eerste inventarisatie (2004-2006). De gegevens zijn afkomstig van ongeveer 80% van de GGD'en. Alle GGD'en samen ontvangen naar schatting jaarlijks ongeveer 3500 milieugerelateerde gezondheidsklachten. Als bron voor de klachten in het buitenmilieu wijzen de melders voornamelijk de natuur (bijvoorbeeld ongedierte) en het verkeer (vooral wegverkeer) aan. Het aandeel van de genoemde bronnen verschilt tussen de GGD'en. Dat geeft aan dat de meldingen deels een weergave zijn van lokale problematiek en deels van regionale aandacht van de GGD en/of de media voor een onderwerp.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Energieverbruik en besparingspotentieel bedrijven en instellingen | RIVM

In opdracht van de VROM-Inspectie (VI) is onderzocht welke typen bedrijven en instellingen in aanmerking komen voor het VI-project Klimaat en Energie, dat energiebesparing bij bedrijven wil bevorderen. Het project zal zich richten op branches en sectoren die nog niet deelnemen aan een energiebesparingsconvenant met de overheid of het CO2-emissiehandelsysteem, maar toch een aanzienlijk energieverbruik en besparingspotentieel kennen. Een groot deel van de sector 'Handel, Diensten en Overheid' (HDO) komt in aanmerking voor het project van de VROM-Inspectie. De HDO-sector is verantwoordelijk voor 12% van het energieverbruik in Nederland, en kent een groot besparingspotentieel. Veel branches binnen deze sector kennen een aanzienlijk energieverbruik (5 petajoule of meer) en nemen niet deel aan een energiebesparingsconvenant. Het gaat om de branches recreatie, gezondheidszorg en welzijn, groothandel, detailhandel, autohandel en -reparatie, horeca, en zakelijke en financiele dienstverlening. De grootste besparingsmogelijkheden die zichzelf binnen vijf jaar terugverdienen zijn te realiseren op het gebied van elektriciteitsverbruik van apparaten en verlichting. Isolatie van bestaande gebouwen levert ook een aanzienlijke energiebesparing op, maar heeft vaak een langere terugverdientijd en kan daarom vaak niet verplicht gesteld worden. Een belangrijk deel van de sector industrie, die ongeveer 30 procent van het energieverbruik in Nederland voor haar rekening neemt, komt niet in aanmerking voor het VI-project. Circa 90% van het energieverbruik van deze sector komt namelijk voor rekening van bedrijven die al deelnemen aan energiebesparingsconvenanten (het Convenant Benchmarking en de Meerjaren Afspraken Energie-efficientie, MJA) of aan het CO2-emissiehandelssysteem. Bij deze bedrijven ligt het grootste besparingspotentieel. Industriele sectoren die grotendeels nog niet deelnemen aan een energiebesparingsconvenant of het emissiehandelsysteem, en toch een aanzienlijk energieverbruik kennen (5 petajoule of meer), zijn de producenten van machines en apparaten, de metaalelektro-industrie, de grafische industrie en de diervoederindustrie.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Risk assessment of leaching of substances from synthetic polymeric matrices | RIVM

De uitloging van stoffen uit kunststof in het milieu verloopt fundamenteel anders dan de uitloging van stoffen uit bijvoorbeeld steenachtig materiaal. De gangbare milieurisicobeoordeling van bouwstoffen is evenwel voor steenachtig materiaal ontwikkeld en houdt geen rekening met de uiteenlopende wijzen waarop materialen verweren en verouderen. Dergelijke processen vinden in kunststoffen sneller plaats en bepalen daardoor in grote mate de uitloging van stoffen uit het materiaal naar het milieu. Om meer zicht op deze processen te krijgen is het noodzakelijk een specifieke teststrategie te ontwikkelen voor kunststoffen. Dit blijkt uit literatuuronderzoek van het RIVM, in opdracht van het ministerie van VROM. Kunststoffen, oftewel synthetische polymere matrices, bevatten onbekende bijproducten en veel additieven. Het gaat bijvoorbeeld om kleurstoffen, weekmakers, brandwerende middelen en anti-oxidanten die zich in het milieu kunnen verspreiden als ze in contact komen met water (uitlogen). Vanwege de cocktail aan bekende en onbekende stoffen in kunststoffen wordt ook aangeraden om eventuele schade voor het milieu aanvullend te toetsen met behulp van bioassays. Bioassays, oftewel een test met levende waterorganismen die in contact worden gebracht met stoffen, leveren informatie op over effecten van onbekende stoffen of van combinaties van stoffen. Het gebruik van kunststoffen en gerecyclede kunststoffen in het buitenmilieu neemt toe. De kennis van de aard en hoeveelheid stoffen die uitlogen blijft evenwel achter. Het Europese Normalisatiecomite (CEN) streeft naar gelijke test- en beoordelingsmethoden voor verschillende bouwstoffen, zoals steen, metaal, hout, kunststof. Dit streven is gebaseerd op een veronderstelde overeenkomst in de mechanismen waarmee deze bouwstoffen uitlogen.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

PIENTER 2-project: second research project on the protection against infectious diseases offered by the national immunization programme in the Netherlands | RIVM

In 2006 en 2007 heeft het RIVM in opdracht van het ministerie van VWS het tweede PIENTER-project uitgevoerd. Dit staat voor Peiling Immunisatie Effect Nederland ter Evaluatie van het Rijksvaccinatieprogramma. Het doel is te onderzoeken of Nederland goed beschermd is tegen infectieziekten waartegen in het Rijksvaccinatieprogramma (RVP) wordt ingeent. De resultaten van het onderzoek kunnen bijdragen aan eventuele verbeteringen van het RVP en zullen groepen personen met minder goede bescherming tegen infectieziekten aan het licht brengen. Dit rapport beschrijft de opzet van dit onderzoek en geeft achtergrondinformatie over de deelnemers. De deelnemers waren tussen de 0 en 79 jaar en woonden verspreid door heel Nederland. Zij hebben een vragenlijst ingevuld over hun persoonlijke gegevens, gezondheid en doorgemaakte ziekten. Daarnaast is er bloed afgenomen om te kijken hoeveel antistoffen de deelnemers hebben tegen de ziekten uit het RVP. Tot slot is aan hen gevraagd welke inentingen ze hebben gehad. Er is een extra groep mensen uitgenodigd uit de groep niet-westerse migranten en uit de groep orthodox-gereformeerden die vaccinatie afwijzen. Dit onderzoek verschaft inzicht in de mate van afweer tegen ziekten die mensen verkrijgen nadat ze zijn gevaccineerd of de ziekte hebben doorgemaakt, en in het voorkomen van infectieziekten. In totaal zijn er 24.147 personen uitgenodigd en daarvan was 33 procent bereid om mee te doen aan het onderzoek. Van 7904 personen is bloed aanwezig dat in het laboratorium zal worden onderzocht op de aanwezigheid van antistoffen tegen alle infectieziekten van het RVP en andere infectieziekten. De resultaten van het bloedonderzoek en de vragenlijst gegevens zullen worden vergeleken met die van het eerste PIENTER-onderzoek, dat tien jaar eerder is uitgevoerd, en zullen apart worden gerapporteerd.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

GGD-richtlijn medische milieukunde. Beoordeling van ventilatie en ventilatievoorzieningen van woningen | RIVM

Het RIVM heeft in samenwerking met GGD'en een richtlijn ontwikkeld die beschrijft hoe ventilatie en ventilatievoorzieningen van bestaande woningen beoordeeld kunnen worden. Voorbeelden zijn: hoeveel kubieke meter verse lucht komt er per uur een woning binnen en hoeveel binnenlucht wordt er afgevoerd? Hoeveel kan er hoogstens afgevoerd worden? Is dat voldoende om de binnenlucht gezond te houden en hoe valt dat te meten? De luchtverversing in woningen schiet vaak tekort, wat gevolgen kan hebben voor de kwaliteit van het binnenmilieu en voor de gezondheid. Het kabinet heeft plannen om de kwaliteit van het binnenmilieu te verbeteren. De richtlijn biedt GGD-medewerkers basisinformatie over ventilatie en ventilatievoorzieningen van woningen. Ook is beschreven welke relaties tussen ventilatie en gezondheidsrisico's er bekend zijn. Te weinig ventilatie kan leiden tot bijvoorbeeld vochtproblemen, en hoge concentraties van verbrandingsproducten en het gas radon. Dit kan gepaard gaan met onder andere geurhinder, verergering van astma of een verhoogde kans op longkanker. Daarnaast is op basis van de wettelijke voorschriften en andere maatstaven een selectie gemaakt van methoden, technieken en criteria die GGD'en kunnen hanteren om de ventilatiecapaciteit en de ventilatie te beoordelen. Om het instrumentarium compleet te maken zijn de methoden, technieken en criteria op onderdelen aangevuld. Hiermee zijn ze meer gericht op het aantal personen dat aanwezig is of doorgaans aanwezig is in de betreffende ruimten. Verder is beschreven wat de taken van de GGD'en zijn en hoe zij het beoordelingsproces van ventilatie en ventilatievoorzieningen kunnen indelen. De beoordeling kan plaatsvinden in de betreffende woning of vanaf de werkplek.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

The usefulness of total concentrations and pore water concentrations of pesticides in soil as metrics for the assessment of ecotoxicological effects. Scientific opinion of the Panel on Plant Protection Products and their Residues (PPR) | RIVM

The usefulness of total concentrations and pore water concentrations of pesticides in soil as metrics for the assessment of ecotoxicological effects. Scientific opinion of the Panel on Plant Protection Products and their Residues (PPR) | RIVM
Jaar: 2010 Onderzoek

Voeding en ADHD | RIVM

Uit een literatuurstudie van het RIVM kunnen op dit moment geen concrete voedingsadviezen afgeleid worden om symptomen van ADHD te verminderen. Een relevant effect van voeding op ADHD kan onvoldoende wetenschappelijk onderbouwd worden. Er zijn daarvoor te weinig grote en kwalitatief goede studies uitgevoerd. Er zijn wel aanwijzingen voor een relatie tussen voeding en ADHD, maar aanvullend onderzoek is nodig. Dit is wenselijk, omdat voeding mogelijk het gebruik van medicatie voor ADHD-klachten kan verminderen of voorkomen. Dit rapport bevat een overzicht van studies naar de invloed van voedingscomponenten en specifieke dikten op het gedrag van kinderen met ADHD. Het gaat hierbij om de afzonderlijke voedingscomponenten omega-3- en omega-6-vetzuren, zink, magnesium, ijzer, gluten en additieven. Voor vetzuren worden gunstige effecten gevonden, maar deze zijn klein en klinisch niet relevant. Naar de effecten van zink, magnesium, ijzer en gluten zijn tot op heden te weinig studies uitgevoerd om een eenduidige conclusie te kunnen trekken. Van de additieven zijn voornamelijk kleurstoffen onderzocht. Als er al een effect op gedrag is, is dit waarschijnlijk klein en niet specifiek voor ADHD. Daarnaast zijn drie specifieke dieten bekeken, waarin bepaalde bestanddelen van de voeding vermeden worden: het 'Feingold'-dieet, het 'oligoantigeen'-dieet en het 'Pelsser-Voeding en Gedrag'-dieet. De studies geven aanwijzingen dat een deel van de kinderen profijt kan hebben van deze dieten. Of dit daadwerkelijk zo is, zo ja bij welke kinderen en welke werkingsmechanismen hierachter liggen, is (nog) niet wetenschappelijk aangetoond. Een complicerende factor hierbij is dat de meest effectieve dieetsamenstelling per individu wordt vastgesteld.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Detectie van infectieuze enterovirussen met celkweek-PCR voor de in Nederland wettelijk vereiste infectierisicoschatting voor drinkwater | RIVM

Het RIVM heeft een snelle methode ontwikkeld waarmee lage concentraties levende enterovirussen in een relatief grote hoeveelheid water kunnen worden aangetoond. De verwachting is bovendien dat met deze nieuwe celkweek-polymerase chain reaction-methode (cel culture PCR) veel verschillende typen enterovirus kunnen worden aangetoond. Hierdoor ontstaat een betrouwbaarder beeld van de in het water aanwezige enterovirussen. Dit rapport beschrijft hoe de nieuwe methode is ontwikkeld. Ze moet nog worden gevalideerd. Enterovirussen komen via ontlasting in oppervlaktewater en kunnen onder andere bloedvergiftiging en hersenvliesontsteking veroorzaken. Enterovirusbepalingen worden gedaan op oppervlaktewater voor drinkwaterproductie. De bepalingen zijn in Nederland wettelijk vereist om het risico te kunnen schatten dat mensen met het virus geinfecteerd raken nadat zij ongekookt drinkwater hebben geconsumeerd. De cc-PCR combineert specifieke vormen van celkweek met de PCR. Eerst wordt een watermonster aangebracht op een laag cellen. Hierna kunnen de eventueel aanwezige virussen de cellen infecteren en kan het virus zich in de cellen vermeerderen. Vervolgens worden deze vermeerderde virussen aangetoond met PCR. De methode is uitgevoerd met verschillende soorten cellen om te achterhalen welke het beste in staat zijn om een breed scala aan enterovirussen aan te tonen. De menselijke darmkankercel HT-29 bleek het meest geschikt.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Drinkwater in stroomgebiedbeheerplannen Rijn- en Maasoeverstaten | RIVM

De stroomgebiedbeheerplannen (SGBP'en) van de Rijn- en Maasoeverstaten bevatten in de eerste planperiode (2009-2015) weinig specifieke maatregelen om de kwaliteit van bronnen voor drinkwater te verbeteren. Het is daardoor waarschijnlijk dat Nederlandse oppervlaktewaterbronnen voor drinkwater niet zullen voldoen aan het streefdoel van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) zoals dat is geformuleerd in artikel 7.3. Met dit artikel wordt ernaar gestreefd om de waterkwaliteit te verbeteren waardoor minder inspanning nodig is om het te zuiveren tot drinkwater. Dit concludeert het RIVM bij de beoordeling van deze plannen in opdracht van het ministerie van VROM. De KRW draagt lidstaten op om SGBP'en op te stellen. De plannen moeten een goede toestand van grond- en oppervlaktewater zeker stellen door middel van meet- en maatregelenprogramma's. Voor drinkwater gelden specifieke doelstellingen. Maatregelen van de Rijn- en Maasoeverstaten zijn noodzakelijk om in Nederland de kwaliteit van het oppervlaktewater te verbeteren en daarmee de zuiveringsinspanning te verminderen De kwaliteit van dit water wordt namelijk sterk bepaald door de aanvoer uit landen als Duitsland, Belgie en Frankrijk. Nederland gebruikt naast oppervlaktewater ook grondwater als bron voor drinkwaterproductie. Voor grondwaterbronnen voor drinkwater is het onduidelijk of met de uitvoering van de SGBP'en de bestaande kwaliteitsknelpunten worden opgeheven. Deze knelpunten, zoals niet-verwijderde bodemverontreinigingen, zijn vooral lokaal van aard en worden niet of nauwelijks beinvloed door de buurlanden. Ten slotte heeft VROM gevraagd hoe het ambitieniveau van Nederland zich verhoudt tot andere lidstaten. De aanpak van Nederland bij de bescherming van drinkwaterbronnen blijkt vergelijkbaar met die van andere Rijn- en Maasoeverstaten.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Hepatitis E virus risk profile. Identifying potential animal, food and water sources for human infection | RIVM

In Nederland is het hepatitis E virus (HEV) aangetoond in dieren (varkens, wilde zwijnen, herten), voedsel (varkenslever, oesters, mosselen) en oppervlaktewater. Het is mogelijk dat de verspreiding van HEV uit deze bronnen naar mensen gerelateerd is aan contacten tussen mensen en dieren, aan de consumptie van voedsel of drinkwater, of door in oppervlaktewater te recreeren. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM naar de bronnen en verspreidingsroutes van het HEV-type dat in Nederland voorkomt. Deze gegevens zullen worden gebruikt voor blootstellingsschattingen, die kunnen helpen om gericht interventiemaatregelen te nemen om eventuele risico's voor de volksgezondheid te verlagen. HEV-infecties kunnen ontstekingen aan de lever veroorzaken, vooral bij mensen met een verminderd afweersysteem. Bij deze risicogroepen kan dit tot chronische leverinfecties leiden of zelfs tot de dood. Bij gezonde mensen lijken HEV-infecties evenwel onopgemerkt te blijven vanwege het milde verloop. In Nederland worden HEV-infecties doorgaans opgelopen zonder dat de precieze bron kan worden vastgesteld, onder andere vanwege de lange incubatieperiode. Door de bijdrage van de mogelijke bronnen en bijbehorende verspreidingsroutes aan HEV-infecties bij mensen te schatten, kunnen maatregelen worden opgesteld die verspreiding van het virus naar mensen tegengaan. Uit het onderzoek blijkt dat de HEV-variant die bij de mens hepatitis E veroorzaakt wereldwijd vaak bij varkens en wilde zwijnen voorkomt. Het RIVM heeft vervolgens eventuele bronnen van HEV in Nederland onderzocht. Het blijkt dat niet alleen wilde zwijnen en varkens, maar ook herten, oesters, mosselen en oppervlaktewater dat wordt gebruikt voor recreatie en drinkwaterproductie HEV kunnen bevatten.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Opzet monitoring Nederlandse prioritaire stoffen | RIVM

Het RIVM zoekt naar manieren om meer zicht te krijgen op emissies en milieuconcentraties van chemische stoffen waarover Nederland niet verplicht is te rapporteren. Het instituut heeft geinventariseerd wat bekend is over de uitstoot van schadelijke chemische stoffen in Nederland en over de concentraties ervan in het milieu. Europese wetgeving verplicht lidstaten om gegevens over emissies van een aantal van deze zogeheten Nederlandse prioritaire stoffen naar lucht, water en bodem beschikbaar te hebben. Van de meeste stoffen waarvan de emissies moeten worden gerapporteerd, is dat het geval. Van een aantal stoffen waarover het niet verplicht is te rapporteren, zijn de emissies en de concentraties in het milieu niet goed bekend (D-stoffen). Dit betreft vooral stoffen die geen eenduidige bron hebben (diffuse bronnen). Voorbeelden zijn enkele gewasbeschermingsmiddelen en gechloreerde paraffines, die onder andere als vervangers van pcb's in de metaalindustrie worden gebruikt en als weekmakers in plastic. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het ministerie van VROM. Aanleiding is de voortgangsrapportage van VROM over het milieubeleid voor Nederlandse prioritaire stoffen, die naar verwachting in 2011 verschijnt. In deze rapportage staat onder andere de status van prioritaire stoffen vermeld (A-stof: de milieuconcentratie is problematisch, B-stof: de milieuconcentratie is minder problematisch, C-stof: de milieuconcentratie is niet problematisch). Het is de bedoeling om in 2011 van alle Nederlandse prioritaire stoffen te weten of de milieuconcentratie problematisch is of niet. Het RIVM geeft in het onderzoek aan wat nodig is om deze kennis te verkrijgen. Zo is meer inzicht nodig in de emissies en milieuconcentraties van D-stoffen. Daarvoor houdt het bedrijfsleven in 2010 een enquete waarin de industrie wordt gevraagd welke D-stoffen substantieel worden uitgestoten. Als daaruit blijkt dat nog onbekende stoffen substantieel worden uitgestoten, kunnen ze eventueel aan het monitoringsprogramma worden toegevoegd.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Aggregate exposure to chemicals | RIVM

Het risico van een chemische stof is lastig te beoordelen als mensen via verschillende routes en producten aan deze stof staan blootgesteld (geaggregeerde blootstelling). Dat komt meestal doordat relevante blootstellingsgegevens ontbreken. Het kan bijvoorbeeld onbekend zijn in welke producten de stoffen voorkomen en in welke concentratie. Dit is de conclusie van het RIVM op basis van studies naar vier stoffen. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van de Voedsel en Waren Autoriteit (VWA) en het ministerie van VWS. Vanwege de toenemende vraag van de regelgevende instanties naar geaggregeerde risicoschatting is het noodzakelijk om de blootstellingsschatting verder te ontwikkelen. In de vier casestudies zijn de huidige mogelijkheden en beperkingen van een geaggregeerde risicoschatting uitgewerkt. Soms kan op basis van grove blootstellingsschattingen worden aangetoond dat er geen gezondheidsrisico is. Anderzijds kan blijken dat de huidige normen consumenten onvoldoende bescherming bieden. Aanbevolen wordt om een leidraad te ontwikkelen hoe met mogelijke gezondheidsrisico's om te gaan. Dat kan bijvoorbeeld door de toegestane hoeveelheid van een stof in een product te verlagen. Ook kunnen realistischere gegevens over gebruik en blootstelling worden gebruikt om de risicoschattingen te verfijnen. De laatste jaren worden hiervoor zogeheten probabilistische methoden ingezet. Soms zijn extra metingen nodig van stoffen in producten.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Klinische diagnostiek van legionellapneumonie in Nederland | RIVM

Het RIVM heeft een overzicht gemaakt van klinisch diagnostische testen die de aanwezigheid van legionella kunnen aantonen bij mensen met een longontsteking. Het overzicht is gemaakt in opdracht van het ministerie van VROM. De testen zijn onder te verdelen in serologische testen, urineantigeentesten, kweektesten en moleculaire testen. Elke test heeft mogelijkheden en beperkingen. De urineantigeentest heeft een aantal belangrijke voordelen ten opzichte van de kweek en serologie en wordt daarom in Nederland veel gebruikt om legionella aan te tonen. Zo is het is een snelle en gevoelige methode en het testmateriaal (urine) is makkelijk te verkrijgen. Een nadeel is dat de urineantigeentest niet in alle gevallen van longontsteking die door legionella worden veroorzaakt, de desbetreffende bacterie detecteert. Zo toont hij voornamelijk een serogroep aan, Legionella pneumophila serogroep 1. Bovendien hangt de gevoeligheid van de test af van de ernst van de ziekte. Door deze beperkingen wordt de bijdrage van andere legionellasoorten als ziekteverwekker van longontsteking mogelijk onderschat. De moleculaire test polymerase chain reaction (PCR) kan een veelbelovende aanvulling zijn op de urineantigeentest. Met de test kan snel het DNA van legionella in verschillende soorten patientenmateriaal (bloed, urine, sputum) worden aangetoond. Daarnaast kunnen hiermee in principe, afhankelijk van de toegepaste PCR-methode, alle legionellasoorten worden aangetoond. Deze methode moet echter nog verder worden geoptimaliseerd. Vooral voor monsters die niet van de longen worden afgenomen moet de gevoeligheid en specificiteit worden verbeterd.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Herziening indicatoren Nederlandse prioritaire stoffen. Fase 1: methodiekontwikkeling | RIVM

Het RIVM stelt een nieuwe manier voor om de zogeheten Milieudrukindicator (MDI) voor schadelijke chemische stoffen te berekenen. De MDI geeft aan hoeveel van deze zogeheten Nederlandse prioritaire stoffen wordt uitgestoten, afgezet tegen de gewenste hoeveelheid volgens een beleidsdoel. Europese wetgeving verplicht lidstaten om gegevens over emissies van veel van deze stoffen naar lucht, water en bodem beschikbaar te hebben. De oude rekenwijze voor de indicator voldoet niet meer sinds het aantal prioritaire stoffen in 2006 is uitgebreid. Voorheen werden de gegevens over emissies gekoppeld aan het beleidsdoel en in een figuur weergegeven. Van de toegevoegde stoffen is het beleidsdoel echter niet bekend. Door de aanpassing is de kwaliteit van de indicator verbeterd omdat de toxiciteit van de stoffen nu in de berekening is verwerkt. Met de nieuwe informatie is het mogelijk de uitstoot van de stoffen gewogen bij elkaar op te tellen. Op deze manier wegen de stoffen die slechter worden afgebroken en schadelijker zijn zwaarder mee. Ook is het mogelijk om per compartiment (water, lucht, bodem) iin indicator voor alle stoffen te geven. Daarnaast zijn deelindicatoren, per stof of groep van emissiebronnen, mogelijk. De huidige indicator die de concentratie in het milieu weergeeft (Milieukwaliteitsindicator) en de indicator voor het effect in het milieu (Milieueffectindicator) voldoen nog en zijn niet gewijzigd. Sinds ongeveer 1995 berekenen het RIVM en het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) indicatoren om de trends in emissies van Nederlandse schadelijke chemische stoffen naar het milieu en in de concentraties ervan in het milieu te volgen. Op basis van deze indicatoren kan de overheid het milieubeleid bijsturen.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Jaarrapportage surveillance respiratoire infectieziekten 2008 | RIVM

Deze rapportage beschrijft ontwikkelingen op het gebied van respiratoire infectieziekten in 2008 op basis van surveillance data. Opvallend waren vooral de ongekend grote Q-koorts uitbraak en het spontane ontstaan van influenzavirussen die resistent zijn tegen oseltamivir en die zich makkelijk verspreiden.Samen met de ontwikkelingen die zich inmiddels in 2009 hebben voorgedaan met een aanhoudend Q-koorts probleem en een influenza pandemie toont dit het belang aan van een goede surveillance van respiratoire infecties
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Handreiking voor de afleiding van indicatieve milieurisicogrenzen. (Interimversie 2009) | RIVM

Indicatieve milieurisicogrenzen zijn bedoeld om snel en tegen lage kosten een indruk te krijgen van eventuele risico's voor mens en milieu van stoffen die in het milieu terechtkomen. Het RIVM heeft de bestaande afleidingsmethodiek voor indicatieve milieurisicogrenzen afgestemd op de methodiek voor gedegen milieurisicogrenzen. In tegenstelling tot de gedegen methode was de indicatieve methode nog niet aangepast aan de laatste inzichten. Indicatieve milieurisicogrenzen worden gebruikt omdat de Europees geaccepteerde (gedegen) afleidingsmethode een tijdrovende exercitie is. Ze worden echter alleen afgeleid voor het niveau waarop geen schadelijke effecten zijn te verwachten (MTR) en in een beperkt aantal situaties geaccepteerd. De afleiding gebeurt op basis van gegevens uit enkele geselecteerde bronnen met data over schadelijke effecten van stoffen en stofeigenschappen. Er vindt geen uitgebreid literatuuronderzoek plaats en de gebruikte gegevens worden niet gecontroleerd. Hierdoor kennen indicatieve milieurisicogrenzen een grotere onzekerheid. Milieurisicogrenzen vormen de wetenschappelijke basis waarop de Nederlandse interdepartementale Stuurgroep Stoffen de milieukwaliteitsnormen vaststelt. Milieurisicogrenzen hebben hierdoor geen officiele (beleidsmatige) status. De overheid hanteert de milieukwaliteitsnormen bij de uitvoering van het nationale stoffenbeleid en de Europese Kaderrichtlijn Water. Er bestaan vier verschillende niveaus: een verwaarloosbaar risiconiveau (VR), een niveau waarbij geen schadelijke effecten zijn te verwachten (MTR), het maximaal aanvaardbare niveau voor ecosystemen, specifiek voor kortdurende blootstelling (MACeco) en een niveau waarbij mogelijk ernstige effecten voor ecosystemen zijn te verwachten (EReco). Er is een interimversie opgesteld omdat de methodiek om waterkwaliteitsnormen af te leiden wordt gewijzigd in Europees verband (Kaderrichtlijn Water), naar verwachting in 2010. De gepresenteerde methodiek wordt in de komende periode nog nader geevalueerd.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Lower organisms as alternatives for toxicity testing in rodents. With a focus on Caenorhabditis elegans and the zebrafish (Danio rerio) | RIVM

De rondworm C. elegans en het embryo van de zebravis zijn veelbelovende alternatieve testmodellen voor onderzoek naar schadelijke effecten van chemische stoffen in knaagdieren. Proeven met deze lagere organismen hebben naar verwachting een goede voorspellende waarde voor effecten in de mens en zijn daarmee een zinvolle aanvulling op testen met in-vitromodellen (celcultures). Dit blijkt uit een inventariserend literatuuronderzoek, uitgevoerd in opdracht van het ministerie van VWS. Het onderzoek is onderdeel van het beleid om dierproeven te verminderen, te vervangen of te verfijnen (het zogeheten 3V-beleid). Nader onderzoek naar de validatie van de testen moet nog plaatsvinden. In-vitromodellen gelden als een belangrijk alternatief voor dierproeven maar missen de complexiteit van het menselijk organisme. Hierdoor kunnen in-vitromodellen bepaalde effecten niet signaleren, zoals indirecte schadelijke effecten van stoffen of effecten ervan nadat ze in het organisme zijn omgezet en daardoor een andere structuur hebben gekregen. De lagere organismen C. elegans en het zebravisembryo kunnen deze tekortkomingen overbruggen. Bovendien ervaren ze geen ongerief, zoals pijn, vanwege de lage graad waarin hun zenuwstelsel is ontwikkeld. Testen met C. elegans en het zebravisembryo kunnen voor veel soorten toxicologisch onderzoek worden gebruikt. Voorbeelden zijn de vorming van tumoren en schadelijke effecten van stoffen op de voortplanting, het hormoonstelsel, het hart en het zenuwstelsel. Bovendien zijn experimenten gaande waarbij deze organismen worden gebruikt in het veiligheidsonderzoek van nieuwe geneesmiddelen.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Bacillus cereus associated food borne disease. quantitative aspects of exposure assessment and hazard characterization | RIVM

Consumptie van voedsel besmet met de bacterie Bacillus cereus kan leiden tot ziekte. Omdat de symptomen (overgeven of diarree) vrij mild zijn, wordt nauwelijks een beroep gedaan op medische begeleiding. Dit leidt tot onderschatting van het aantal ziektegevallen. Om een betere schatting te kunnen maken van dit aantal, en om inzicht te krijgen in de factoren die de kans op ziekte bepalen, zijn de volgende aspecten onderzocht: het voorkomen van B. cereus in voedsel in Nederland, de overleving van B. cereus in nagebootst maagsap en de groeimogelijkheden in nagebootst darmsap, de wisselwerking met cellen die vergelijkbaar zijn met dunne-darmcellen, en de productie van gifstoffen, die verantwoordelijk zijn voor de uiteindelijke ziektesymptomen. De resultaten van deze onderzoeken zijn, samen met literatuurgegevens, gebruikt om de kans op ziekte door B. cereus te bepalen. In combinatie met een schatting van het aantal genuttigde maaltijden met B. cereus is het jaarlijkse aantal ziektegevallen in Nederland volgens verschillende scenario's geschat.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Correlations of mutations in katG, oxyR-ahpC and inhA genes and in vitro susceptibility in Mycobacterium tuberculosis clinical strains segregated by spoligotype families from tuberculosis prevalent countries in South America | RIVM

Correlations of mutations in katG, oxyR-ahpC and inhA genes and in vitro susceptibility in Mycobacterium tuberculosis clinical strains segregated by spoligotype families from tuberculosis prevalent countries in South America | RIVM
Jaar: 2010 Onderzoek

Monitoring luchtvaartgeluid. Trends in de geluidbelasting door luchtvaart | RIVM

De geluidbelasting van civiele luchtvaart rond de luchthaven Schiphol is sinds de jaren zestig van de vorige eeuw afgenomen. Hoewel het aantal vluchten sterk is toegenomen, hebben nieuwe stillere staalmotoren tot een lagere geluidbelasting geleid. De toekomstige groei van het luchtverkeer wordt naar verwachting gecompenseerd door de autonome vervanging van oudere vliegtuigen, vooral als de luidruchtigste toestellen versneld worden uitgefaseerd. Daarnaast kunnen aanvlieg- en landingsroutes worden geoptimaliseerd om de geluidbelasting te verminderen. Dit is niet alleen gunstig voor de woningen die vlakbij vliegvelden liggen, maar ook voor veraf gelegen woongebieden. Deze gebieden bevatten doorgaans meer woningen dan regio's vlakbij de vliegvelden waardoor meer woningen profiteren van een lagere geluidemissie. Als maat voor de totale geluidsbelasting rondom luchthavens wordt de groepsgeluidbelasting Gden geintroduceerd. De groepsgeluidbelasting Gden is een maat voor de totale geaccumuleerde geluidbelasting op woningen rondom een luchthaven en kan worden gebruikt om luchthavens onderling met elkaar te vergelijken. De gezamenlijke groepsgeluidbelasting van alle regionale en militaire luchthavens, is slechts enkele decibellen lager dan die van Schiphol. Behalve van Schiphol komt de belangrijkste bijdrage van de zogeheten laagvliegroute 10 boven Oost-Nederland, Rotterdam Airport en de militaire vliegbases Geilenkirchen, Volkel (Drenthe) en Leeuwarden.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Strategic Research RIVM. Annual report 2008 | RIVM

Dit rapport brengt verslag uit van het Strategisch Onderzoek RIVM (SOR) in 2008, het eigen onderzoeksbudget van het RIVM. Dit onderzoeksgeld is bedoeld om te voorzien in de expertise en kwaliteit om nu en in de toekomst de taken voor de opdrachtgevers adequaat uit te kunnen voeren. In 2008 is ongeveer 12,9 miljoen euro aan SOR besteed. Het verslagjaar omvat het tweede jaar van de vierjaarlijkse cyclus van SOR-onderzoek die in 2007 is gestart. De uitvoering van de meeste projecten is in 2008 goed op stoom gekomen, wat tot een groot aantal publicaties heeft geleid. Er zijn 78 publicaties verschenen in peer-reviewed tijdschriften en er zijn 62 publicaties ingediend. Bij twee derde van de verschenen publicaties is een medewerker van het RIVM eerste, tweede of laatste auteur. Er zijn ook een groot aantal andere producten opgeleverd, te weten 36 (brief)rapporten, 105 lezingen op internationale congressen, 14 websites, 19 databases en 22 instrumentaria zoals modellen. Daarnaast is de voortgang terug te zien in aanvullende opdrachten en de participatie van het RIVM in internationale projecten. Ook ontwikkelt de samenwerking met externe onderzoeksinstituten zich goed. Het rapport geeft een indicatie van de wetenschappelijke en maatschappelijke impact van het SOR-onderzoek. Ten opzichte van wetenschappelijke referentietijdschriften is meer dan gemiddeld goed gescoord. De maatschappelijke impact wordt gebaseerd op scores op een aantal indicatoren, die de komende jaren worden gevolgd. De index voor 2008 is voor de meeste speerpunten hoger dan in 2007.Dit is onder meer het gevolg van een groeiend aantal vervolgopdrachten, het gebruik van de resultaten in beleid of richtlijnen en externe verzoeken om advies naar aanleiding van de SOR-projecten.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Koolmonoxide in huurwoningen in de Randstad. Metingen bij huishoudens met een bruto jaarinkomen lager dan 14.000 euro in Schiedam en Dordrecht | RIVM

In circa 1000 huishoudens in Schiedam en Dordrecht met jaarinkomens lager dan 14.000 euro is onderzocht of er verbrandingsinstallaties aanwezig zijn die koolmonoxide uitstoten en of dat de gezondheid van de bewoners kan bedreigen. Bij 1 op de 6 woningen is koolmonoxide aangetroffen. In verreweg de meeste gevallen waren de concentraties gering (minder dan 10 ppm) en daardoor niet bedreigend voor de gezondheid. In zulke gevallen kon worden volstaan met schoonmaak- en onderhoudsadviezen. In ongeveer 1 op de 100 van de onderzochte woningen was direct ingrijpen wel noodzakelijk. Ook bleek dat in deze categorie huishoudens slechts 35 procent van de gasinstallaties jaarlijks wordt gecontroleerd. Dit blijkt uit onderzoek dat het RIVM in samenwerking met de GGD'en Rotterdam-Rijnmond en Zuid-Holland Zuid heeft uitgevoerd. Het onderzoek is in opdracht van het ministerie van VWS uitgevoerd om meer zicht te krijgen op koolmonoxidevergiftigingen in Nederlandse woningen. In Nederland overlijden per jaar 8 tot 12 mensen aan een koolmonoxidevergiftiging, meestal als gevolg van niet goed onderhouden verbrandingsinstallaties. Voor het onderzoek zijn kortdurende metingen verricht in de woonkamer, in de ruimte waar een gastoestel (geiser, gaskachel of gasfornuis) staat en direct boven het toestel. De hoogste waarden zijn gemeten boven brandende geisers (70 procent) en gaskachels (30 procent). Boven een gaskachel die nog nooit was schoongemaakt, is een levensbedreigende hoeveelheid van 1200 ppm aangetroffen. Om een koolmonoxidevergiftiging te voorkomen is het belangrijk gasapparatuur jaarlijks te onderhouden en in huis voldoende te ventileren. Sinds de energiesector in de jaren negentig van de vorige eeuw is geliberaliseerd, ligt de controletaak op het onderhoud van deze apparatuur in huurwoningen niet meer bij de netbeheerder maar bij de huiseigenaar.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Dosisberekening voor de Omgeving bij Vergunningverlening Ioniserende Straling - DOVIS, A. Lozingen in lucht en water | RIVM

De Kernenergiewet schrijft voor dat voor het bereiden, voorhanden hebben (inclusief vervaardigen, bewerken, hanteren en opslaan), toepassen en zich ontdoen van radioactieve stoffen of het gebruik van (ioniserende straling producerende) toestellen in veel gevallen een vergunning nodig is. Voor handelingen met radioactieve stoffen geldt in voorkomende gevallen een vergunningplicht. Bij werkzaamheden bestaat in bepaalde gevallen geen vergunning- maar een meldingsplicht. De vergunningplichtige of meldings-plichtige grenzen voor radioactieve stoffen zijn in het Besluit stralings-bescherming gedefinieerd, zoals dat sinds 1 maart 2002 van kracht is. Bij de aanvraag van een vergunning, of melding, dient een berekening te worden gevoegd van de totale effectieve jaardosis voor de mens als gevolg van lozingen in lucht en water en blootstelling aan externe straling. Speciaal bij handelingen kan men daarbij veelal volstaan met een schatting die gebaseerd is op een set eenvoudige rekenregels, die in deel 1 van de bijlage bij de Ministeriele Regeling - Analyse Gevolgen Ioniserende Straling voor het milieu (mr-AGIS) - zijn vastgelegd. In sommige gevallen is een dergelijke schatting niet voldoende, bijvoorbeeld als er sprake is van specifieke belastingpaden, een brede bundel uit een r6ntgentoestel of bij lozingen ten gevolge van werkzaamheden, of als er daartoe vastgestelde toetsingsniveaus (mr-AGIS) worden overschreden. In dergelijke gevallen dient er een nadere analyse te worden uitgevoerd volgens deel 2 van de bijlage bij de mr-AGIS. Het onderhavige rapport beschrijft de methode die voor deze nadere analyse moet worden gehanteerd voor zover het lozingen in lucht en water betreft (Deel A). In Deel B, dat door de Nuclear Research and consultancy Group (NRG) is geschreven, wordt nader ingegaan op de blootstelling aan externe straling vanuit bronnen en toestellen.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

De kwaliteit van het drinkwater in Nederland in 2008 | RIVM

Het drinkwater in Nederland was in 2008 van goede kwaliteit. Bij een kwart van de productielocaties is een norm overschreden. In geen geval vormde dat een bedreiging voor de volksgezondheid. Dit blijkt uit het jaarrapport 'De drinkwaterkwaliteit in Nederland in 2008' dat RIVM in opdracht van de VROM-Inspectie heeft opgesteld. In dit rapport worden de resultaten van de meetprogramma's van de drinkwaterbedrijven op hoofdlijnen weergegeven. Zij leefden de wettelijke voorschriften voor de controle op de drinkwaterkwaliteit goed na. De VROM-Inspectie is verantwoordelijk voor de handhaving van de Waterleidingwet, waarin normen zijn opgesteld voor de aanwezigheid van micro-organismen en chemische stoffen in het drinkwater. De Inspectie is verplicht de resultaten te rapporteren aan de minister en het parlement. Het RIVM beheert de gegevens en stelt het rapport op. Het aantal drinkwaterpompstations (50 = 24 procent) waar in 2008 een norm is overschreden, is nagenoeg gelijk aan dat in 2007. Een groot deel van de normoverschrijdingen was eenmalig en betrof stoffen, gerelateerd aan de bedrijfsvoering, die geen betekenis hebben voor de volksgezondheid. Het gaat dan om overschrijdingen van bijvoorbeeld troebeling, ijzer en mangaan. De norm voor bestrijdingsmiddelen is voor een middel incidenteel overschreden. Bij twee drinkwaterpompstations zijn indicatoren voor besmetting met pathogene micro-organismen eenmalig aangetoond. In het distributienet zijn deze indicatoren veel vaker aangetoond. In alle gevallen zijn de bacterien in de herhalingsmonsters niet meer aangetroffen. De aanwezigheid van legionellabacterien wordt getoetst als het drinkwater het pompstation verlaat en in de distributiegebieden. In de monsters in het distributienet zijn op 25 locaties legionellabacterien aangetoond en slechts eenmaal in het drinkwater dat het pompstation verlaat. Het is mogelijk dat tijdens werkzaamheden aan het distributienet het drinkwater met bacterien besmet kan raken. In 54 gevallen is de bewoners van de nabijgelegen woningen geadviseerd het drinkwater voor gebruik te koken.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

The ConsExpo spray model - Modelling and experimental validation of the inhalation exposure of consumers to aerosols from spray cans and trigger sprays | RIVM

Het RIVM heeft onderzoek laten uitvoeren waarmee het ConsExpo-spuitmodel is verbeterd. Dit model berekent in welke mate de mens blootstaat aan deeltjes na gebruik van spuitbussen en pompverstuivers. ConsExpo is een internationaal gebruikt computerprogramma waarmee de blootstelling van mensen aan stoffen in consumentenproducten kan worden geschat. Het programma bevat meerdere modellen die de blootstelling en de opname van stoffen via de huid, de mond en via inhalatie beschrijven. Validatie van modellen met behulp van meetgegevens is noodzakelijk om de betrouwbaarheid van de blootstellingsschatting te verbeteren. Voor de validatie van het spuitmodel heeft het RIVM experimenten aan spuitbussen laten uitvoeren door TNO. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van de Voedsel en Waren Autoriteit (VWA). Meerdere eigenschappen van spuitproducten bepalen de mate van blootstelling. De belangrijkste zijn de hoeveelheid materiaal die per tijdseenheid wordt uitgestoten en de grootte van de deeltjes die hierbij vrijkomen. In het onderzoek zijn deze karakteristieken voor 23 spuitbussen en pompverstuivers bepaald. Vervolgens is de blootstelling aan 9 producten tijdens gebruik gesimuleerd. Hiervoor is in een afgesloten kamer met deze spuitbussen en pompverstuivers gespoten. Vervolgens zijn gedurende een bepaalde tijd op verschillende plaatsen in de ruimte de hoeveelheid en de grootte van de aanwezige deeltjes gemeten.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Artificial organs. State-of-the-art technology for device-based and cell/tissue-based approaches. CONDENSED VERSION | RIVM

Onderzoek naar oplossingen voor zieke of falende organen van de mens is de laatste jaren sterk in opkomst. Het gaat hierbij zowel om medische hulpmiddelen van niet-levende materialen als om toepassingen met levende cellen of weefsels. Dergelijke producten kunnen de wachttijd tot een transplantatie overbruggen, of de werking van een orgaan gedurende lange tijd ondersteunen. Kunstorganen die falende organen volledig kunnen vervangen zijn nog niet op de markt. Dit RIVM-rapport geeft een samenvatting van de stand der wetenschap met betrekking tot de ontwikkeling van zowel medische hulpmiddelen als cel/weefselproducten die (gedeeltelijk) falende orgaansystemen ondersteunen, repareren of vervangen. Het gaat daarbij om het hart, de longen, de lever, de nieren, de pancreas, de blaas en de darmen. Voor het hart, de nieren, de pancreas en de blaas bestaan medische hulpmiddelen als overbrugging naar een transplantatie of als langetermijnondersteuning van het orgaan. Er vinden klinische studies plaats met een totaal kunsthart, en met ondersteunende hulpmiddelen voor hart, lever en nieren. Cel/weefselproducten zijn nog niet op de markt. Klinische studies vinden plaats voor het hart en de nieren. Onderzoek naar zogenoemde bioartificiele levers en pancreassen op basis van varkenscellen leek veelbelovend, ook in kleinschalig klinisch onderzoek. Vanwege ethische en veiligheidsredenen is dit momenteel in Nederland en vele andere landen verboden. Andere concrete toepassingen voor totale kunstorganen worden de komende vijf tot tien jaar niet in klinische studies verwacht. Aangezien Nederlands onderzoek op dit gebied mondiaal vooraan meeloopt, zullen eventuele internationale doorbraken wel snel hun weg vinden in ons land.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Prioritaire gebieden in de Kaderrichtlijn Bodem. Belang van bodembiodiversiteit en ecosysteemdiensten | RIVM

Bij een afname van het organischestofgehalte of bij verdichting van de bodem daalt de bodembiodiversiteit. Een daling van de bodembiodiversiteit zal de bodem ook minder goed in staat stellen om zogenaamde ecosysteemdiensten te leveren, zoals agrarische productie, schoon grond- en oppervlaktewater en de regulering van het klimaat. Dit is de uitkomst van een verkenning naar relaties tussen organischestofgehalte, bodemverdichting en de bodembiodiversiteit. De conclusies van de verkenning zijn gebaseerd op een combinatie van informatiebronnen, namelijk literatuuronderzoek, gegevens uit het landelijke meetprogramma met de Bodembiologische Indicator en best professional judgment. In de concepttekst van de Kaderrichtlijn Bodem van de Europese Unie worden zeven bodembedreigingen onderscheiden. Afname van het organischestofgehalte en bodemverdichting zijn de twee bedreigingen die het meest relevant zijn voor Nederland. Ze hangen samen met intensief landbouwkundig bodembeheer. Het behoud van biodiversiteit is een criterium dat een rol speelt bij alle bedreigingen van de bodem. De afname van de bodembiodiversiteit kan een factor zijn bij het aanwijzen van zogenaamde prioritaire gebieden voor deze bedreigingen. In dit rapport is een eerste stap gezet tot opheldering van de relatie tussen de bodembiodiversiteit en een afname van het organischestofgehalte of bodemverdichting. Het onderzoek is bedoeld om Nederland voor te bereiden op de invoering van de Kaderrichtlijn Bodem.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Advies stroomlijnen van informatie over preconceptiezorg | RIVM

Mensen met een kinderwens kunnen de gezondheid van hun kind al voor de zwangerschap beinvloeden, maar de meesten zijn zich daar onvoldoende van bewust. Momenteel geven al veel verschillende organisaties voorlichting over onderdelen van de zogeheten preconceptiezorg, zoals foliumzuur slikken. Om de bewustwording te vergroten is het nodig deze voorlichting beter op elkaar af te stemmen. Ook moeten deze instellingen (aanstaande) ouders wijzen op het geheel aan mogelijkheden om de gezondheid al voor de conceptie te beinvloeden. Dit kan ondersteund worden met een landelijke folder of een website. Dit blijkt uit een advies van het RIVM in opdracht van het ministerie van VWS waarvoor twintig organisaties zijn geinterviewd. Preconceptiezorg is het geheel aan maatregelen om de gezondheid van het aanstaande kind te bevorderen. Voor het beste effect moeten de (aanstaande) ouders deze maatregelen vssr de bevruchting naleven. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om het gebruik van foliumzuur, gezonde voeding, en stoppen met roken, alcohol en drugs. Daarnaast is aandacht nodig voor het gebruik van geneesmiddelen, arbeidsomstandigheden en erfelijke factoren. Uit het advies blijkt dat middelen nodig zijn waarmee ouders met een kinderwens eventuele risico's voor moeder en kind in kaart kunnen brengen. Het is raadzaam deze middelen in verschillende vormen aan te bieden om zo veel mogelijk bij de behoefte van (aanstaande) ouders aan te sluiten. Degenen die risico('s) lopen of onvoldoende kennis hebben over preconceptiezorg kunnen bijvoorbeeld voorlichting krijgen via een (digitale) vragenlijst of tijdens een preconceptiespreekuur. Daarna kan verdere verwijzing naar een zorgverlener plaatsvinden. Als gedragsverandering wenselijk is om risico's aan te pakken, zoals stoppen met roken, is het van belang dat hiervoor effectieve interventies beschikbaar zijn. Aanvullend op het landelijke aanbod is een lokale en persoonlijke aanpak nodig om bepaalde risicogroepen te bereiken, zoals mensen met een lage sociaaleconomische status (SES) of allochtonen. Deze aanpak moet aansluiten op de waarden en normen en de maatschappelijke omgeving. Het RIVM kan namens VWS een coordinerende en faciliterende rol spelen om de bestaande informatie over preventieve en zorgmaatregelen van de preconceptiezorg te optimaliseren.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1

Verbindingen in lucht en huisstof van woningen | RIVM

In de lucht van zestig woningen in Groningen zijn de concentraties vluchtige organische stoffen (VOS), stikstofdioxide, koolmonoxide en kooldioxide gemeten. In de meeste woonkamers werden de (gezondheidkundige) advieswaarden voor deze stoffen niet overschreden. De advieswaarde voor de concentratie van totale VOS werd in de winter in vijf woningen overschreden, voornamelijk veroorzaakt door de hogere concentraties limoneen. Deze stof zit onder andere in veel luchtverfrissers en schoonmaakmiddelen. De advieswaarde voor de concentratie stikstofdioxide is alleen in specifieke situaties overschreden, zoals in keukens van woningen met een afvoerloze geiser. In de meeste woonkamers is geen of zeer weinig koolmonoxide gemeten. In de winter is in ongeveer de helft van deze Groningse woonkamers op enig moment de toetswaarde voor de kooldioxideconcentratie overschreden. Dit betekent dat er kortere of langere tijd onvoldoende luchtverversing was. In het onderzoek zijn ook de concentraties gemeten van een aantal verbindingen in huisstof. Voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK's) en een aantal metalen waren de concentraties beneden de advieswaarden. Lood in huisstof zou in een paar van de onderzochte woningen wel kunnen leiden tot een gezondheidsrisico voor kinderen. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM en TNO, in opdracht van het ministerie van VROM/directie Risicobeleid en de VROM-Inspectie. Dit onderzoek is in Groningse woningen uitgevoerd en is niet representatief voor Nederlandse woningen. Over het algemeen zijn de resultaten toch in overeenstemming met ander recent onderzoek in Nederlandse woningen.
Jaar: 2010 Onderzoek Documenten: 1