Naar inhoud
Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu

Environmental risk limits for organotin compounds | RIVM

Jaar: 2012 Documenten: 1
Het RIVM heeft in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Milieu (I&M), milieurisicogrenzen voor drie organotinverbindingen in (grond)water, sediment en bodem vastgesteld. De drie meest voorkomende verbindingen in het milieu zijn: dibutyltin, tributyltin en trifenyltin. Dibutyltin wordt in verscheidene toepassingen gebruikt, bijvoorbeeld in de kunststof pvc en in printertoners. Tributyltin en trifenyltin zijn voornamelijk gebruikt als middel om hout te conserveren en om te voorkomen dat er onder water op de romp van schepen organismen groeien (aangroeiwerend middel). Trifenyltin werd ook gebruikt als gewasbeschermingsmiddel in de aardappelteelt. Het gebruik als aangroeiwerend middel is in Europa sinds 2003 niet meer toegestaan en trifenyltin heeft ook geen authorisatie meer als gewasbeschermingsmiddel. Interventiewaarden bodem De milieurisicogrenzen zijn afgeleid omdat ze nodig zijn om de zogeheten interventiewaarden te bepalen. Als een interventiewaarde wordt overschreden, komt de (vervuilde) bodem in aanmerking voor sanering. Voor dit doel zijn alleen milieurisicogrenzen voor grondwater en bodem nodig. De milieurisicogrenzen voor de individuele organotins in bodem waren nog niet beschikbaar en zijn voor dit onderzoek afgeleid. Milieurisicogrenzen voor water waren al eerder afgeleid binnen andere kaders en zijn overgenomen. De milieurisicogrenzen voor oppervlaktewater en sediment zijn ook in het rapport vermeld, omdat deze aan bodem en grondwater zijn gerelateerd. Dit geeft een volledig overzicht. De milieurisicogrenzen voor bodem en grondwater Een van de afgeleide milieurisicogrenzen is het Ernstig Risiconiveau (ER). Dit is de concentratie waarbij schadelijke effecten van de stof voor de bodem te verwachten zijn. De bepaalde ER's voor bodem zijn 28; 0.052 en 0.24 milligram per kilogram drooggewicht bodem, voor achtereenvolgens dibutyltin, tributyltin en trifenyltin. Voor grondwater zijn de ER's respectievelijk 50; 0,046 en 0,40 microgram per liter. Directe en indirecte effecten Het ER is gebaseerd op de jaargemiddelde concentraties in bodem, water en sediment. Hiervoor zijn in dit rapport twee routes onderzocht: de directe effecten op waterorganismen en de indirecte effecten op vogels en zoogdieren via het nuttigen van de waterorganismen (voedselketen). Effecten voor mensen bij interventiewaarden worden in een separaat rapport geëvalueerd.