Ongunstige arbeidsomstandigheden veroorzaken 3,9% (onzekerheidsmarge 1,5%-7,2%) van de totale ziektelast in Nederland. De ziektelast is een maat om het verlies aan gezondheid uit te drukken. Het combineert vroegtijdige sterfte, de mate van vóórkomen van gezondheidsproblemen en de ernst van de gezondheidsproblemen. De ongunstige arbeidsomstandigheden die leiden tot de meeste ongezondheid zijn werkdruk, beeldschermwerk en blootstelling aan stoffen. Deze omstandigheden kunnen leiden tot burn-out, depressie, KANS (klachten van arm, nek en schouder), COPD (chronisch obstructieve longziekten) en longkanker. In het rapport is de positieve invloed van arbeid op de gezondheid niet meegenomen. Ook in 2020 veroorzaken burn-out, depressie en KANS veel ziektelast in de werkzame beroepsbevolking, bij ongewijzigde economische omstandigheden, een pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar en bij ongewijzigd (arbo)beleid. In 2007 heeft het RIVM voor het eerst laten zien welke arbeidsgerelateerde aandoeningen veel ziektelast in Nederland veroorzaken met gegevens uit 2003. Het huidige rapport biedt een hernieuwde versie met data uit 2007, evenals een toekomstverkenning en een verkenning van de ziektelast per sector. Deze schattingen geven beleidsmakers inzicht in de invloed van arbeidsrisico's op de gezondheid van werknemers. Deze benadering geeft ook aanknopingspunten voor maatregelen om de ziektelast door deze aandoeningen te verminderen.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Gemeentes, provincies en ministeries hebben behoefte aan een vraagbaak voor specifieke informatie over risico's van chemische stoffen. Uit deze evaluatie blijkt dat de Helpdesk RIVM SEC deze rol adequaat vervult. Dit briefrapport is een vervolg op het "Verslag Helpdesk RIVM Stoffen Expertise Centrum 2010". Helpdesk RIVM SEC De helpdesk is ingebed in de website Risico's van Stoffen. Dit vergroot het aantal informatiebronnen en (zelf)zoekmogelijkheden. De helpdesk beantwoordt verschillende typen van vragen: doorverwijzingen, feitelijkheden en interpretaties/beoordelingen. De Helpdesk RIVM SEC opereert naast andere helpdesks binnen het thema risicobeheersing van stoffen. De niches van de afzonderlijke helpdesks zijn helder afgebakend. In dit briefrapport worden de resultaten van de Helpdesk RIVM SEC in 2011 geëvalueerd. Voor wie bedoeld Overheidsinstellingen vormen de primaire doelgroep van de helpdesk. Vragen van andere sectoren worden over het algemeen beantwoord met doorverwijzingen naar andere bronnen. De Helpdesk RIVM SEC speelt een belangrijke rol bij (praktijk)vragen van professionals over risico's van stoffen.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Een vitale toekomst. Onze gezondheidszorg in 2040 | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Op 5 januari 2011 heeft bij het bedrijf Chemie-Pack in Moerdijk een grote brand gewoed. Het is aannemelijk dat als gevolg hiervan grote hoeveelheden chemicaliën uit het bedrijf in de bodem en in het oppervlaktewater zijn terechtgekomen. Dat komt mede doordat stoffen tijdens de bluswerkzaamheden via het verontreinigd geraakte bluswater in de omgeving van het bedrijf zijn verspreid. De aangetroffen stoffen komen van nature niet voor in het milieu en worden veelal voor specifieke doelen gebruikt. Het gaat bijvoorbeeld om brandstofadditieven en (industriële) oplosmiddelen. Dit blijkt uit verkennend onderzoek van het RIVM, dat in opdracht van de provincie Noord-Brabant is uitgevoerd. Voor het onderzoek is gebruikgemaakt van de metingen van stoffen die de provincie Brabant inmiddels in de grond en in het grondwater heeft uitgevoerd. De aangetroffen stoffen zijn daarna gekoppeld aan de stoffen die volgens de inventarislijst bij Chemie-Pack aanwezig waren. Deze koppeling is bemoeilijkt doordat deze lijst vooral handelsnamen bevat van producten waarvan de samenstelling niet of lastig is te achterhalen. Het behoorde niet tot de opdracht van het onderzoek om dit nader uit te zoeken. Enkele van de aangetroffen stoffen in het diepe grondwater, zoals bestrijdingsmiddelen, zijn zeer waarschijnlijk niet afkomstig van het incident.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Gezondheidszorg | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Volksgezondheid | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Preventie | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Population dynamics of HIV-2 in rural Guinea-Bissau: Comparison with HIV-1 and ongoing transmission at the heart of the epidemic | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
A new prevention paradox: the trade-off between reducing incentives for risk selection and increasing the incentives for prevention for health insurers | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Making fate and exposure models for freshwater ecotoxicity in life cycle assessment suitable for organic acids and bases | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
The Cough Cylinder: a tool to study measures against airborne spread of (myco-) bacteria | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
The use of biomarkers of toxicity for integrating in vitro hazard estimates into risk assessment for humans | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Increased cardiovascular risk factors in different rheumatic diseases compared with the general population | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
The role of rpoS in Escherichia coli O157 manure-amended soil survival and distribution of allelic variations among bovine, food and clinical isolates | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Applying spaceborne reflectivity measurements for calculation of the solar ultraviolet radiation at ground level | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Should health organizations use Web 2.0 media in times of an infectious disease crisis? An in-depth qualitative study of citizens' information behavior during an EHEC outbreak | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Time-course of antibody responses against Coxiella burnetii following acute Q fever | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Exposure modifiers of the relationships of transportation noise with high blood pressure and noise annoyance | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Bof, terug van weggeweest | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Comparison of the performance of IFA, CFA, and ELISA assays for the serodiagnosis of acute Q fever by quality assessment | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
BMI and waist circumference; cross-sectional and prospective associations with blood pressure and cholesterol in 12-year-olds | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
The transcriptional heat shock response of Salmonella Typhimurium shows hysteresis and heated cells show increased resistance to heat and acid stress | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Choosing pandemic parameters for pandemic preparedness planning: A comparison of pandemic scenarios prior to and following the influenza A(H1N1) 2009 pandemic | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Applicability of a keratinocyte gene signature to predict skin sensitizing potential | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Smooth incidence maps give valuable insight into Q fever outbreaks in The Netherlands | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
In de Nederlandse toelatingsbeoordeling voor gewasbeschermingsmiddelen wordt de blootstelling van waterorganismen te eenzijdig berekend. In de huidige beoordeling wordt namelijk alleen rekening gehouden met de mate waarin deze stoffen het oppervlaktewater bereiken via de verwaaide nevel van de gewasbeschermingsmiddelen (drift). Deze nevel ontstaat nadat de middelen over het land zijn gespoten. Hoewel dit de belangrijkste 'route' is, blijken twee andere routes ook van belang: via de atmosfeer en via de drainagesystemen in de bodem van de landbouwpercelen. Het RIVM heeft daarom in samenwerking met het Planbureau voor de Leefomgeving, Wageningen UR en het College voor toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) deze twee routes aan de blootstellingsscenario's toegevoegd. Specifiek gaat het hierbij om neerwaartse bespuiting in veldgewassen (akkerbouw, bloembollen en vollegrondsgroenteteelt). Grote hoeveelheid oppervlaktewater in Nederland Deze aanpassing is onderdeel van een herziening van de Nederlandse methode om risico's van gewasbeschermingsmiddelen te berekenen. Dat is nodig om de methode beter overeen te laten komen met Europese toelatingsprocedures voor dergelijke stoffen, waarin drainage al langer wordt meegenomen. De specifiek Nederlandse omstandigheden zoals de ruime hoeveelheden oppervlaktewater en de eigen driftcijfers blijven gehandhaafd. Kenmerkend voor het nieuwe scenario is dat er sprake is van een lage stroomsnelheid in het Nederlandse slootwater, waardoor stoffen relatief lang in het water blijven. Uitgangspunten Een van de uitgangspunten van het voorstel is de beleidskeuze dat de berekende maximale concentratie van een stof in negentig procent van de sloten onder de norm ligt. In de berekeningsprocedure wordt ook uitgegaan van belasting van het oppervlaktewater door gebruik op alle naastliggende percelen. Driftreducerende maatregelen blijven belangrijk Momenteel zijn telers van veldgewassen verplicht maatregelen door te voeren om de drift langs sloten met minimaal 50 procent te verminderen. Voorbeeldberekeningen met vier stoffen laten zien dat dergelijke driftreducerende technieken belangrijk blijven. In sommige gevallen kunnen aanvullende maatregelen de hoeveelheid drift namelijk nog verder omlaag brengen.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
In de Nederlandse toelatingsbeoordeling voor gewasbeschermingsmiddelen wordt de blootstelling van waterorganismen te eenzijdig berekend. In de huidige beoordeling wordt namelijk geen rekening gehouden met belasting van het oppervlaktewater via drainagesystemen in de bodem van landbouwpercelen. Het RIVM heeft daarom in samenwerking met Wageningen UR een scenario ontwikkeld waarin wel rekening wordt gehouden met deze drainage. Dat is nodig om de toelatingsbeoordeling beter overeen te laten komen met Europese toelatingsprocedures voor dergelijke stoffen, waarin drainage al langer wordt meegenomen. Drainage via scheuren in kleigronden Drainage vindt vooral plaats via scheuren in kleigronden. Dergelijke scheuren ontstaan als de bodem uitdroogt en vervolgens krimpt. Het Nederlandse model PEARL, dat in de Nederlandse toelating van gewasbeschermingsmiddelen wordt gebruikt, hield nog geen rekening met drainage via scheuren. Het model is daarom uitgebreid met een module om stroming via kleischeuren te berekenen. Het nieuwe model is getoetst aan metingen. Hierbij bleek het model de stroming via kleischeuren goed te berekenen. Stofeigenschappen blijven belangrijk Net als in de oude versie van het model is de drainage van gewasbeschermingsmiddelen afhankelijk van de eigenschappen van het middel. Stoffen die langzaam afbreken en stoffen die slecht binden aan de bodem spoelen het meest uit. Omdat bij stroming via kleischeuren de bodem gepasseerd wordt, is de afhankelijkheid van stofeigenschappen in het nieuwe model echter minder groot.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Lood komt als verontreiniging voor in bodem, water en lucht. De blootstelling aan lood is in Nederland de afgelopen decennia afgenomen door maatregelen die de uitstoot hebben doen afnemen. Mensen worden momenteel voornamelijk via voeding aan lood blootgesteld. Omdat kinderen gevoeliger zijn voor lood dan volwassen is het belangrijk dat zij niet aan te veel lood blootstaan. Een te hoge blootstelling kan de normale ontwikkeling van de intelligentie namelijk belemmeren. Drinkwater valt onder de categorie voeding en maakt bij kinderen gemiddeld 7 procent uit van de loodblootstelling via voeding. In specifieke situaties kunnen zij ook via de bodem en via huisstof worden blootgesteld aan lood. Maatregelen voorkomen loodblootstelling via waterleidingen In de meeste woningen zijn de loden waterleidingen vervangen en wordt de drinkwaternorm gehaald. In specifieke situaties kan de blootstelling via drinkwater echter hoger zijn dan gemiddeld. Het gaat dan om oude woningen met loden drinkwaterleidingen. In nieuwbouwwoningen kan de blootstelling via drinkwater tijdelijk verhoogd zijn. Preventieve maatregelen kunnen deze blootstellingen voorkomen. De belangrijkste zijn de loden leidingen te vervangen en in nieuwbouwwoningen de kraan na de oplevering gedurende drie maanden dagelijks twee minuten te laten doorspoelen. Dit en meer staat in dit informatieblad lood in drinkwater, dat het RIVM voor de GGD heeft opgesteld. De GGD'en willen graag op uniforme wijze informatie over lood in drinkwater geven. De kennis die in dit informatieblad is samengebracht, kan daaraan bijdragen. Inhoud informatieblad lood Verder komt de nieuwe Europese evaluatie van de gezondheidseffecten als gevolg van loodblootstelling aan de orde. Hieruit blijkt dat er geen drempel kan worden aangegeven voor de schadelijke effecten van lood. Ook wordt toegelicht welke wettelijke regelingen er bestaan voor metalen in drinkwater, en wat deze inhouden.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Om de luchtkwaliteit te verbeteren is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) opgezet. Hierin werken de Rijksoverheid en decentrale overheden samen om te zorgen dat Nederland overal tijdig aan de grenswaarden voor fijn stof en stikstofdioxide zal voldoen. Om de voortgang van dit verbeterprogramma te volgen en tijdig eventuele extra maatregelen te kunnen nemen, is aan het NSL een monitoringsprogramma verbonden. De uitvoering van de monitoring is neergelegd bij Bureau Monitoring, een samenwerkingsverband tussen het RIVM en Kenniscentrum InfoMil. Concentraties dalen, nog wel overschrijdingen berekend Volgens de resultaten van het monitoringsprogramma daalt de gemiddelde concentratie stikstofdioxide en fijn stof tussen 2011 en 2015. Wel worden er volgens de berekeningen nog steeds grenswaarden overschreden. Het aantal fijnstofoverschrijdingen is in 2011 hoger dan vorig jaar was verwacht. De fijnstofoverschrijdingen in 2011 komen lokaal voor bij veehouderijen, en in gebieden waar zich lokale fijnstofbronnen bevinden in combinatie met een hoge achtergrondconcentratie. Het hogere aantal fijnstofoverschrijdingen kan grotendeels worden verklaard doordat de natuurlijke bijdrage van zeezout aan de concentratie fijn stof kleiner blijkt dan voorheen werd gedacht. Daarom kan er minder zeezout worden afgetrokken van de totale concentratie fijn stof. Daarnaast blijken de in 2011 gemeten achtergrondconcentraties van fijn stof hoger dan eerder werd verwacht. De berekende overschrijdingen voor stikstofdioxide in 2015 komen vooral voor op locaties in de Randstad met veel verkeer. De verwachte stikstofdioxideconcentraties voor 2015 verschillen niet wezenlijk met wat uit de vorige monitoringsrapportage bleek: het aantal overschrijdingen is beperkt afgenomen. Onzekerheden in het NSL Uit een steekproef blijkt dat de meeste gegevens voor de monitoring conform de wettelijke voorschriften zijn ingevoerd. Er zijn echter wel punten van zorg: vooral daar waar wegbeheerders geen overschrijdingen verwachten, worden gegevens minder vaak geactualiseerd en soms minder zorgvuldig ingevoerd. De monitoringsresultaten bieden in deze gebieden mogelijk geen representatief beeld van de luchtkwaliteit. De berekende concentraties voor 2011 en 2015 liggen op veel locaties net onder de grenswaarde. Vanwege de onzekerheden in de berekeningen kan het aantal stikstofdioxideoverschrijdingen in 2015 twee- tot zesmaal hoger uitvallen dan onder de huidige aannames is berekend. Beter inzicht in de onzekerheden en een vollediger beeld van alle potentiële overschrijdingen kan de bruikbaarheid van de monitoringsresultaten voor de sturing van het NSL verbeteren.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Voedseloverdraagbare virussen kunnen vooral worden overgedragen via voedsel dat niet of nauwelijks is verhit. Voorbeelden zijn schelpdieren, verse groente en fruit en kant-en-klare producten, zoals belegde broodjes en salades. Om de bron van een voedselinfectie te kunnen achterhalen wordt onderzocht of op het voedsel en in de patiënt hetzelfde virus aanwezig is. Tot nu toe werd hiervoor bij de patiënt een ander stukje van het genetisch materiaal van het virus aangetoond dan bij het virus dat aanwezig is op voedsel of in water. Door deze werkwijze was het niet mogelijk om de aangetroffen virussen te vergelijken, waardoor de besmettingsbron niet kon worden vastgesteld. Uit onderzoek van het RIVM blijkt nu dat zowel voor hepatitis A-virus als voor rotavirus één stukje genetisch materiaal kan worden aangetoond in de drie soorten monsters. Dit maakt het eenvoudiger om de bronnen van voedselgerelateerde virusinfecties te achterhalen. Voor het onderzoek zijn de verschillende methoden vergeleken die momenteel worden gebruikt om de bronnen van voedseloverdraagbare virusinfecties op te sporen. Virusonderzoek wordt vaak gedaan met de moleculaire techniek PCR (polymerase chain reaction), waarmee een deel van het genetisch materiaal van een virus wordt aangetoond. Er zijn verschillende PCR's beschikbaar waarmee verschillende delen van het genetisch materiaal worden gedetecteerd. Vaak wordt eerst aangetoond óf en welk virus aanwezig is (detectie). Vervolgens wordt bepaald om welk type virus het gaat (typering). Voor het onderliggende onderzoek zijn van twee virussen, hepatitis A-virus en rotavirus, meerdere detectie- en typerings-PCR's vergeleken. Voor beide virussen is bepaald welk stukje genetisch materiaal het best met PCR kan worden aangetoond om het in de mens, op voedsel en in water te kunnen detecteren. Daarnaast is bekeken welk stukje genetisch materiaal het meest geschikt is om het type virus vast te stellen (typerings-PCR). Voor beide virussen bleek dat de detectie-PCR kleinere hoeveelheden virus kan aantonen dan de typerings-PCR. Hierdoor is het mogelijk dat bij een 'lage' besmetting van het voedsel wel kan worden aangetoond dat een bepaald virus aanwezig is, maar niet kan worden bepaald om welk type virus het gaat. Dit betekent dat mogelijk niet zeker kan worden gesteld of het virus in de patiënt identiek is aan het virus op het voedsel. Dan blijft het onduidelijk of het verdachte voedsel ook daadwerkelijk de bron is. Aanbevolen wordt de methoden om virussen in voedsel aan te tonen en te typeren, te verbeteren.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Het stralingsniveau aan de terreingrens van kerncentrale Borssele lag in 2011 onder het toegestane maximum. Dit blijkt uit controlemetingen van het RIVM. Volgens de kernenergiewetvergunning moet de centrale ervoor zorgen dat personen buiten de terreingrens een effectieve stralingsdosis ontvangen van ten hoogste 40 microsievert per jaar. Om dit te controleren wordt op acht punten op de terreingrens het stralingsniveau gemeten. Dit gebeurt met het door het RIVM beheerde MONET-meetnet. Van de meting wordt vervolgens de natuurlijke achtergrondwaarde afgetrokken. Om het resultaat te vertalen naar effectieve stralingsdosis voor een persoon, wordt de zogeheten Actuele Blootstellings Correctiefactor (ABC-factor) toegepast. ABC-factoren hangen samen met de bestemming van het gebied waar de effectieve stralingsdosis kan worden opgelopen. Rond Borssele geldt een ABC-factor van 0,2. In opdracht van de Kernfysische Dienst van het ministerie van Infrastructuur en Milieu rapporteert het RIVM jaarlijks of de kerncentrale aan deze vergunningseis voldoet. In dit rapport zijn voor 2011 de daggemiddelden van de acht MONET-monitoren rond de kerncentrale weergegeven. Ook wordt uitgelegd hoe op elk meetpunt de achtergrondwaarde is bepaald. In 2011 bedroeg de hoogste waarde, na aftrek van de natuurlijke achtergrond, 5,3 microsievert. Na toepassing van de ABC-factor resulteerde dit in een maximale effectieve dosis van 1,1 microsievert.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Utility of the first few100 approach during the 2009 influenza A(H1N1) pandemic in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Persistence of human norovirus GII.4 and GI.4, murine norovirus, and human adenovirus on soft berries as compared with PBS at commonly applied storage conditions | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Dendritic cell-based in vitro assays for vaccine immunogenicity | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Bij de productie van sigaretten voor de Nederlandse markt worden 590 verschillende additieven gebruikt, waarvan 360 smaakstoffen zijn. Sigaretten bestaan voor gemiddeld 27 procent uit additieven, inclusief filtermaterialen. Sigaretten bevatten 68 verschillende additieven, waarvan 24 in de tabak zitten. Dat blijkt uit een analyse van gegevens die de tabaksindustrie heeft aangeleverd bij het RIVM. Tabaksadditieven kunnen mogelijk een effect hebben op de gezondheid van de roker doordat zij het tabaksproduct aantrekkelijker maken voor consumptie, verslavender of giftiger. Het RIVM verzamelt gegevens over deze additieven om ze in kaart te brengen, het risico ervan te schatten en om de consument voor te lichten. Tabaksfabrikanten (en -importeurs) zijn wettelijk verplicht ieder jaar voor elk tabaksproduct alle additieven op te geven, samen met hun hoeveelheden, functies en gezondheidseffecten. Het huidige rapport beschrijft een analyse van deze gegevens voor tabaksproducten die via de elektronische database EMTOC (Electronic Model Tobacco Control) zijn aangeleverd in 2010. In totaal zijn via EMTOC gegevens aangeleverd over 1891 producten, waarvan 1265 sigaren en 378 sigaretten. Aan waterpijp worden zeer grote hoeveelheden additieven toegevoegd en aan sigaren en shag relatief weinig. Sigaretten bevatten de meeste additieven. Smaakstoffen zijn bij alle productsoorten het meest gebruikte additief. Toevoegingen aan sigaretten die zowel in grote hoeveelheden worden toegevoegd als in veel verschillende merken gebruikt worden zijn bevochtigers van tabak, smaakstoffen, bindmiddelen en vulstoffen. Daarnaast gaat het om niet-tabaksmaterialen zoals filtermaterialen, vulstoffen, lijmen, kleurstoffen en weekmakers. De ingrediënten die het vaakst aan sigarettentabak worden toegevoegd zijn de smaakstoffen benzaldehyde (amandelsmaak), piperonal (vanille, amandel) en vanilline (vanille) en de bevochtigers glycerol en propyleenglycol.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Wereldwijd zijn er grote verschillen in regelgeving op het gebied van tabaksproducten. Sommige landen hebben een zeer uitgebreid en verstrekkend pakket van maatregelen, terwijl andere geen enkele wetgeving op dit gebied hebben. Er zijn ook grote verschillen in het soort informatie dat moet worden gerapporteerd aan regelgevende instanties, de manier waarop deze informatie moet worden aangeleverd en eisen die aan het gebruik van additieven worden gesteld. Daarnaast zijn er verschillen in het controleren van deze gegevens door beoordelaars en testlaboratoria, in informatieverstrekking aan het algemeen publiek en in vergoedingen die tabaksfabrikanten moeten betalen om producten op de markt te mogen zetten. Het huidige rapport vergelijkt de situatie met betrekking tot ingrediëntenrapportage en regelgeving in Nederland met die in een aantal andere landen. In sommige EU-landen worden er bepaalde eisen gesteld aan het gebruik van additieven in tabaksproducten, terwijl in andere landen additieven alleen worden geregistreerd. Noorwegen en Nederland hebben momenteel geen wetgeving die het gebruik van bepaalde tabaksadditieven toestaat dan wel verbiedt. Het Verenigd Koninkrijk gebruikt een niet-bindende lijst van toegestane additieven. België en Duitsland gebruiken lijsten van zowel toegestane als verboden tabaksingrediënten, voornamelijk gebaseerd op voedingswetgeving. Vergeleken met veel andere landen verricht Nederland een redelijk uitgebreide handhavingstoetsing van de informatie die door de tabaksindustrie is aangeleverd. Daarnaast wordt sinds 2011 data-analyse uitgevoerd van de aangeleverde gegevens. Duitsland en België informeren via een website de consument over de ingrediënten en hun hoeveelheden per merk en type, zoals voorgeschreven door de EU Tabaksproductrichtlijn. In Nederland zal dit vanaf eind 2012 plaatsvinden.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Long term stability of paraoxonase-1 and high-density lipoprotein in human serum | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Comprehensive care programs for patients with multiple chronic conditions: a systematic literature review | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Plasma carotenoids and vitamin C concentrations and risk of urothelial cell carcinoma in the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Self-reported sick leave and long-term health symptoms of Q-fever patients | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
The added effect of thioridazine in the treatment of drug-resistant tuberculosis | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
The effectiveness of chronic care management for heart failure: meta-regression analyses to explain the heterogeneity in outcomes | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Hepatitis C virus seroprevalence in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Changes in the composition of the pneumococcal population and in IPD incidence in The Netherlands after the implementation of the 7-valent pneumococcal conjugate vaccine | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Harmonised investigation of the occurrence of human enteric viruses in the leafy green vegetable supply chain in three European countries | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Combined impact of lifestyle factors on prospective change in body weight and waist circumference in participants of the EPIC-PANACEA study | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Diet and cardiovascular disease | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Prevalence and clinical course in invasive infections with meningococcal endotoxin variants | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Biological effects of add-on eicosapentaenoic acid supplementation in diabetes mellitus and co-morbid depression: a randomized controlled trial | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Fruit and vegetable consumption and risk of aggressive and non-aggressive urothelial cell carcinomas in the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Oseltamivir-resistant influenza A(H1N1)pdm09 virus in Dutch travellers returning from Spain, August 2012 | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Sources of dietary protein and risk of hypertension in a general Dutch population | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Dietary flavonoid and lignan intake and gastric adenocarcinoma risk in the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition (EPIC) study | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Fatty acid patterns and risk of prostate cancer in a case-control study nested within the European prospective investigation into cancer and nutrition | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Q fever: single-point source outbreak with high attack rates and massive numbers of undetected infections across an entire region | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Variety in fruit and vegetable consumption and 10-year incidence of CHD and stroke | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Gezondheidseconomie van de vergrijzing. Universiteit van Tilburg, juni 2012 | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Multivariate approach for studying interactions between environmental variables and microbial communities | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Atmospheric science. From acid rain to climate change | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Functional assay for shiga-like toxin via detection by antibody capture and multivalent galabiose binding | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
In het kader van de vernieuwing van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit (LML) zijn per 1 april 2011 oude, uit 1992 daterende, meetopstellingen voor ozon vervangen door nieuwe. Onderdeel van deze vervanging vormt een vergelijking tussen de meetresultaten verkregen met de beide meetopstellingen. Deze is in 2009 en 2010 op 10 locaties uitgevoerd. Uit deze vergelijking blijkt dat met de nieuwe opstelling ca. 13% hogere meetwaarden worden verkregen. Het gevonden verschil zou grotendeels kunnen worden verklaard door keuze van de bij de kalibratie van de oude meetopstelling gebruikte methode (gas-fase titratie). In 1991 is vastgesteld dat bij kalibratie m.b.v. gas-fase titratie een correctie van de meetwaarden diende te worden uitgevoerd door vermenigvuldiging met 0,91. Echter, bovenstaande bevindingen zijn mogelijk slechts representatief voor de periode waarin, de locaties waar en de opstellingen waarmee de vergelijkingen hebben plaatsgevonden. Op basis van nader onderzoek is vastgesteld dat een eventueel verloop in de oude meetopstellingen geen verklaring vormt voor de gevonden verschillen. Wel is op basis van literatuuronderzoek bevestigd dat inderdaad een verschil bestaat in resultaten verkregen bij kalibratie m.b.v. gas-fase titratie en UV-fotometrie. Onderzoek van het BIPM uit 2006 toont aan dat de verhouding tussen de resultaten 0,97 bedraagt. Recent inzicht heeft derhalve geleerd dat de destijds gehanteerde factor voor correctie van resultaten van kalibraties verricht m.b.v. gas-fase titratie en UVfotometrie heeft geleid tot een onderschatting van de gemeten ozonconcentraties. Op basis hiervan is besloten de meetgegevens voor ozon van het LML uit de periode 1992 t/m 2010 te corrigeren door vermenigvuldiging met een factor 0,97 / 0,91.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Dit is het bijlagenrapport. Het hoofdrapport heeft nummer 680271001 Alleen digitaal beschikbaar Dit rapport is het bijlagenrapport behorende bij het afsluitende projectrapport met de titel 'Monitoring van bodemkwaliteit en vegetatie in de Oekraïne met gebruik van aardobservatiegegevens. Afsluitend projectrapport.' Met RIVM rapport nummer 680271001. Het bijlagenrapport bevat een afdruk van de sheets van de in totaal 32 presentaties van Nederlandse en Oekraïense experts die zijn gepresenteerd tijdens de drie projectmissies die hebben plaatsgevonden in 2011. Dit is het bijlagenrapport. Het hoofdrapport heeft nummer 680271001
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
In Nederland wordt de bodem gebruikt voor een breed scala aan activiteiten. Voor de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) is beoordeeld, welke effecten deze activiteiten hebben op de kwaliteit van de bodem of het grondwater. De beoordeling voorziet de ILT in informatie over locaties waar zich de grootste risico's voor de bodemkwaliteit kunnen voordoen. Met deze kennis kan de inspectie prioriteiten stellen bij het plannen van toezicht en handhaving. Uit het onderzoek blijkt dat vooral het bedrijven van landbouw, en bouw- & infrastructuuractiviteiten de grootste effecten hebben op de kwaliteit van de bodem. Daarna volgen potentiële calamiteiten rondom de winning van diepe delfstoffen. Bodemactiviteiten en effecten Bodemactiviteiten variëren van het winnen van grondwater, het aanleggen van kabels en leidingen, tot het bedrijven van landbouw. Deze activiteiten beïnvloeden bijvoorbeeld het bodemleven of de grondwaterspiegel. Het RIVM heeft in samenwerking met een tiental deskundigen twaalf soorten effecten beoordeeld van vijftien categorieën bodemactiviteiten. Effect activiteit en herstelvermogen bodem Bij de beoordeling is aangegeven in welke mate effecten optreden. Vervolgens is dat gecombineerd met het vermogen van de bodem om te herstellen van een effect. De resultaten van de beoordelingen zijn gebundeld, en per bodemactiviteit uitgewerkt in de vorm van een factsheet.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
In het kader van de samenwerking tussen de luchtkwaliteits-meetnetten van het RIVM, de GGD Amsterdam en de DCMR Milieudienst Rijnmond vinden sinds enkele jaren tussen RIVM en de beide organisaties vergelijkende metingen plaats op meetlocaties in Amsterdam (RIVM-GGD) en Rotterdam (RIVM-DCMR): - Rotterdam: stikstofdioxide en PM10 op locatie Bentinckplein/Statenweg. - Amsterdam: stikstofdioxide en PM10 op locatie Overtoom. Deze hebben tot doel de vergelijkbaarheid van de resultaten van de verschillende meetinstanties vast te stellen; bij voldoende vergelijkbaarheid kunnen de instanties wederzijds gebruik maken van elkaars resultaten. Evaluatie van de resultaten van de vergelijkingen verricht in 2011 toont aan dat de resulterende meetonzekerheden in alle gevallen te voldoen aan de criteria gesteld in EU Richtlijn 2008/50/EC. Aangezien alle instanties een ISO 17025 accreditatie voeren voor de betreffende metingen mag ervan worden uitgegaan dat het kwaliteitsniveau en de vergelijkbaarheid zoals bepaald in deze vergelijkingen representatief zijn voor de andere meetlocaties van de netwerken. Dit impliceert dat de instanties in principe gebruik kunnen maken van elkaars meetgegevens voor de componenten waarvoor resultaten zijn vergeleken (stikstofdioxide en PM10).
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Dit is het hoofdrapport. Het bijlagenrapport heeft nummer 680271001-A Alleen digitaal beschikbaar Oekraïne heeft te kampen met wind- en watererosie, die de vruchtbare maar ook kwetsbare lössgronden bedreigen. Aardobservatie en geografische informatiesystemen (GIS) bieden de mogelijkheid om tegen relatief lage kosten grote bodemoppervlakten te monitoren. Met deze middelen kan worden vastgesteld welke gebieden door erosie worden bedreigd. Daarnaast zijn ze geschikt om de effecten van maatregelen tegen erosie te monitoren. Op deze manier is de noodzakelijke bodemmonitoring minder afhankelijk van kostbare grondstations. Dit blijkt uit onderzoek dat het RIVM in samenwerking met diverse Nederlandse en Oekraïense deskundigen heeft uitgevoerd in opdracht van AgentschapNL. Toenemende behoeften en afnemende budgetten Het onderzoek is ingesteld vanwege de afnemende budgetten van het Oekraïense Staatsinstituut voor Bodemvruchtbaarheid en Productkwaliteit Centerderzhrodyuchist. Dit instituut is verantwoordelijk voor zowel de monitoring van bodemkwaliteit als voor bodemvruchtbaarheidanalysen en bemestingsadvies. Om voldoende voedselproductie voor de toekomst zeker te stellen, neemt de behoefte aan gedetailleerde monitoring en informatieverzameling juist toe. Bestaande informatie veiligstellen Behalve voorstellen voor alternatieve monitoringssystemen, is uitgezocht hoe data over bodemgegevens van de Oekraïne het beste kunnen worden gedigitaliseerd. De vele kaarten, laboratoriumanalyses, veldwaarnemingen enzovoort, waar het land over beschikt zijn voornamelijk op papier vastgelegd. Voor trendanalyses is het van belang deze gegevens veilig te stellen en digitaal beschikbaar te hebben. De infrastructuur van het 'Global Soil Data Mapping'- project blijkt hiervoor een geschikt en kosteffectief instrument. Uitbreiding van het landbouwareaal Ten slotte is een start gemaakt met onderzoek waarbij wordt gekeken of met een betaalbare techniek de mate van verontreiniging kan worden beoordeeld van de landbouwgrond die 25 jaar geleden verloren is gegaan door het ongeluk met de kerncentrale in Tsjernobyl. Naar verwachting is de verontreiniging dermate sterk verminderd dat in bepaalde gebieden de bodem weer kan worden ingezet om agrarische gewassen te verbouwen. Dit onderzoek wordt door de Oekraïense experts voortgezet buiten het kader van dit project. Dit is het hoofdrapport. Het bijlagenrapport heeft nummer 680271001-A
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Op verzoek van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) heeft het RIVM een globale analyse gemaakt van de oplosmiddelenketen in Nederland. De inventarisatie is gericht op fabrikanten, importeurs en distributeurs, en degenen die verwante producten samenstellen (formuleerders) in branches die met oplosmiddelen werken. De nadruk ligt hierbij op de grotere ondernemingen. Er blijken in Nederland ongeveer 165 fabrikanten, 3400 importeurs en distributeurs en 420 formuleerders te zijn in dergelijke branches. Daarnaast zijn gegevens over 114 frequent gebruikte oplosmiddelen verzameld: fysisch-chemische eigenschappen zijn vermeld evenals een duiding van het gevaar dat ze kunnen vormen voor het milieu. Ten slotte is bekeken voor welke stoffen specifieke regels gelden vanuit internationale kaders. Dit blijkt voor 28 van de 114 geïventariseerde oplosmiddelen het geval te zijn. Negen stoffen hiervan staan op een lijst van gevaarlijke stoffen waarvoor beperkingen gelden in de Europese Unie (bijlage XVII van de REACH-verordening). De inventarisatie van de bedrijven is gedaan op basis van CBS-data. Aangezien hierin geen categorie 'oplosmiddelen' bestaat, zijn de aantallen fabrikanten, distributeurs en formuleerders geschat op basis van relevante categoriën, zoals chemische industrie, aardolieraffinaderij, verf en kunststoffen. De lijst is daardoor verkennend van aard en biedt handvatten voor nadere specificaties.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Sinds 2006 heeft het Centrum Infectieziektebestrijding (CIb) van het RIVM structureel aandacht voor de gezondheid van werknemers. Dit komt voort uit het project 'Infectieziektebestrijding en Werknemersgezondheid', dat het CIb in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) uitvoert. Het doel van dit project is de gezondheid van werknemers die blootstaan aan ziekteverwekkers te bevorderen. Dat gebeurt door hier aandacht aan te besteden binnen het CIb en kennis te verspreiden naar arboprofessionals en werkgevers. Daarnaast krijgt SZW meer zicht op de mate waarin werknemers op hun werk met infectieziekten te maken krijgen. Werknemersgezondheid onderdeel binnen CIb De gezondheid van werknemers wordt onder andere bevorderd door bij uitbraken van infectieziekten expliciet rekening te houden met de gezondheid van werknemers. Dit komt sinds 2011 tot uiting doordat een arboprofessional een vast onderdeel is van het Outbreak Management Team (OMT) en Deskundigenberaad. Daarnaast is onder andere een surveillancerapport ontwikkeld, waarin staat weergegeven welk type infectieziekten bij bepaalde werknemers optreden en welke trend daarin valt waar te nemen. Kennis vergroten en verspreiden Om de doelen te bereiken is het van belang de kennis over arbeidsgerelateerde infectieziekten bij arboprofessionals en werkgevers te vergroten.Werkgevers dienen namelijk op de hoogte te zijn van (infectie)risico's die samenhangen met het werk en mogelijke beheersmaatregelen waarmee werknemers hun werk veilig en gezond kunnen uitvoeren. Kennis hierover wordt op diverse manieren verspreid, bijvoorbeeld door de digitale berichtenservice voor arboprofessionals (Arbo-inf@ct) en artikelen in vaktijdschriften. Bovendien is er structureel aandacht voor werknemers in voorlichtingsmateriaal van het RIVM (toolkits) en in de LCI-richtlijnenbundel. Maatregelen en produkten uit 2012 Net als in voorgaande jaren zijn in 2012 maatregelen getroffen. Werknemersgezondheid staat bijvoorbeeld sindsdien standaard op de agenda bij een OMT en Deskundigenberaad. Daarnaast is de groep meelezers en medeauteurs van arboparagrafen in de LCI-richtlijnen uitgebreid met arbeidshygiënisten en bedrijfsartsen. De bijdrage van arbeidshygiënisten geldt formeel als bijscholingsactiviteit. Verder is het jaarthema van het Landelijk Overleg Infectieziektebestrijding (LOI) gewijd aan de samenwerking tussen GGD en bedrijfsarts bij de bestrijding van infectieziekten.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Hoe eHealth een katalysator kan zijn voor innovaties in de gezondheidszorg | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Childhood overweight and asthma symptoms, the role of pro-inflammatory proteins | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
ePublic health: nieuwe wegen in gezondheidscommunie | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Correcting spaceborne reflectivity measurements for application in solar ultraviolet radiation levels calculations at ground level | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Fruit and vegetable consumption and prospective weight change in participants of the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition-Physical Activity, Nutrition, Alcohol, Cessation of Smoking, Eating Out of Home, and Obesity study | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Het RIVM heeft, in opdracht van het ministerie van VWS, met de GGD'en de richtlijn 'Smog en gezondheid' ontwikkeld. Hiermee is de 'GGD-richtlijn smog' uit 2004 herzien. De richtlijn geeft GGD'en informatie over smog, smogregelgeving, effecten op de gezondheid en maatregelen om gezondheidseffecten te voorkomen. Bij smog is gedurende een korte periode van enkele uren of dagen sprake van hoge concentraties luchtverontreiniging door ozon, fijn stof of stikstofdioxide. In ons land komt smog steeds minder voor, maar bij stabiel helder weer met lage windsnelheden kan het zich zowel 's zomers als 's winters voordoen. Gezondheidsklachten van smog Door smog kunnen acute gezondheidsklachten ontstaan, vooral bij mensen met chronische long- en/of hart- en vaatziekten, ouderen en kinderen. Het gaat hierbij om klachten aan de luchtwegen, zoals hoesten, piepen en kortademigheid. Ook kunnen bestaande chronische long- of hart- en vaatziekten erdoor verergeren. Bij smog door ozon kan bovendien irritatie van ogen, neus of keel ontstaan. Al deze klachten zijn meestal tijdelijk. Bij mensen met al bestaande long-, hart- of vaatziekten kan smog leiden tot een ziekenhuisopname en zelfs tot sterfte. Ook mensen die veel inspanning leveren en daardoor meer (verontreinigde) lucht inademen, zoals sporters en kinderen die buiten spelen, lopen een groter risico op gezondheidsklachten. Ernstige smog kan bij iedereen klachten veroorzaken. Gedragsadviezen Klachten kunnen het beste worden voorkomen door de blootstelling aan smog te verminderen. Dit kan door zware inspanning te vermijden. Bij smog door ozon, wat zich alleen in de zomermaanden voordoet, kan de blootstelling ook worden verminderd door 's middags en in de vroege avond binnen te blijven.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Gaussian Quadrature is an efficient method for the back-transformation in estimating the usual intake distribution when assessing dietary exposure | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Ontwikkelingen omtrent de HPV-vaccinatie | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Diet and cardiovascular disease | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Cost-effectiveness of counseling and pedometer use to increase physical activity in the Netherlands: a modeling study | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Effect of dissolved calcium on the removal of bacteriophage PRD1 during soil passage: the role of double-layer interactions | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Between-country comparison of whole-body SAR from personal exposure data in urban areas | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Seroprevalence of seven high-risk HPV types in The Netherlands | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Kinkhoest, terug van weggeweest | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
The DYNAMO-HIA model: An efficient implementation of a risk factor/chronic disease Markov model for use in health impact assessment (HIA) | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
A community standard for recording skyglow data | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Assessing the relative importance of spatial variability in emissions versus landscape properties in fate models for environmental exposure assessment of chemicals | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Comparison of SpectraCell RA typing and multilocus sequence typing for extended-spectrum-?-lactamase-producing Escherichia coli | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Monitoring van vaccinatiegraad en bijwerkingen van het HPV-vaccinatieprogramma | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Unbiased selective isolation of protein N-terminal peptides from complex proteome samples using phospho tagging (PTAG) and TiO2-based depletion | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
15 jaar Eurosurveillance | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Gebruik van nieuwe media tijdens een infectieziekte-uitbraak | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
WHO-Toolkit handhygiene My 5 moments vertaald en aangepast voor verpleeghuizen | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Dissecting modes of action of non-genotoxic carcinogens in primary mouse hepatocytes | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Surveillance van MRSA in Nederland in 2011 | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Bijwerkingen van de kinkhoest-boostervaccinatie op 4-jarige leeftijd | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Exanthemen: diagnostiek of niet? | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Overdracht van bofvirus van gevaccineerde patienten naar directe contacten | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Seroprevalentie van 7 kankerverwekkende HPV-typen in Nederland | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
De pijlers van het RVP borgen veiligheid en effectiviteit | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Bofvaccinfalen bij studenten: wat zijn mogelijke oorzaken? | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
In 2010 heeft het ministerie van VWS een nieuwe manier ingevoerd om de zorg te bekostigen voor mensen met een chronische ziekte zoals diabetes. Het doel van deze zogeheten integrale bekostiging is om de kwaliteit van de zorg te verbeteren en om samenwerking tussen zorgverleners te stimuleren. Met de invoering van integrale bekostiging ontstonden er zorggroepen. Een zorggroep bestaat doorgaans uit huisartsen en onderhandelt met zorgverzekeraars over het zorgprogramma. Daarnaast maakt de zorggroep afspraken met diverse zorgverleners, zoals diëtisten en internisten over de te leveren zorg. Betrokkenheid patiënten bij zorggroepen nog beperkt Patiënten zijn tot nu toe nog niet of nauwelijks betrokken bij de inhoud en organisatie van de zorg binnen zorggroepen. Dit is wel wenselijk omdat op die manier de zorg beter op de patiënt kan worden toegesneden. In dit onderzoek is gekeken naar manieren om patiëntenparticipatie in zorggroepen te verbeteren, waarbij wensen van zowel zorggroepen als patiëntvertegenwoordigers zijn geïnventariseerd. Uit deze inventarisatie blijkt nu dat zowel zorggroepen als de patiënten behoefte hebben aan een verdere uitwerking van de rol van de patiënt bij de organisatorische besluitvorming. Wensen zorggroepen en patiënten komen overeen De wensen van patiënten en zorggroepen voor een verdere uitwerking van patiëntenparticipatie komen grotendeels overeen. Beide partijen willen samenwerken in concrete projecten, bijvoorbeeld over hoe zij patiënten kunnen ondersteunen om beter om te gaan met hun ziekte (zelfmanagement). Daarnaast is er behoefte aan structureel overleg tussen zorggroepen en patiëntenvertegenwoordigers. Als derde willen ze sociale media inzetten, bijvoorbeeld om patiënten beter te bereiken. Ten slotte willen beide partijen samenwerken met patiëntenorganisaties voor verschillende chronische ziekten. Door deze samenwerking kunnen ervaringen tussen patiëntengroepen uitgewisseld worden en kunnen zij samen het belang van de patiënten behartigen. Aantal zaken is nog onduidelijk Bij het verder vormgeven van de rol van patiënten in zorggroepen moet nog een aantal vragen beantwoord worden. Zo is bijvoorbeeld nog niet duidelijk wat het effect is van patiëntenparticipatie op de kwaliteit van zorg. Daarnaast zijn de verantwoordelijkheden van een zorggroep bij patiëntenparticipatie bij organisatorische besluitvorming nog onvoldoende uitgewerkt.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Bruine rat gezien: is er een risico voor de volksgezondheid? | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Is er een link tussen veehouderij en het voorkomen van zoonosen bij mensen in Nederland? | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Bias in protein and potassium intake collected with 24-h recalls (EPIC-Soft) is rather comparable across European populations | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Leptospirose: wie is verantwoordelijk voor de rattenbestrijding? | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Uitbreiding aantal prikken per vaccinatieconsult: mening van ouders en professionals | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Een zwangere vrouw zonder aantoonbare antistoffen tegen rode hond, wat nu? | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Samenvattingen Transmissiedag 2012. Antibioticaresistentie in vogelvlucht | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Hepatitis A-infectie: een risico voor Nederland? | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Legionella-preventie bij een hoogrisicopatient: wiens verantwoordelijkheid? | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Kinkhoestvaccin ook geindiceerd voor volwassenen? | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Baby eet honing, is er een risico op infantiel botulisme? | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
ESBL-producerende bacterien in onze groenten | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Acceptatie van vaccinatie tijdens de zwangerschap | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Via risicoprofielen naar preventie op maat: teken en de ziekte van Lyme | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Q-koorts bij kinderen gedurende de drie epidemische jaren weinig gemeld | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Resistentie en hoofdluisbestrijding via sociale media | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Combineren van vaccins: de sky is the limit? | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Toename van het aantal soaconsulten en percentage positieve testen in 2011 | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
De dynamica van antivirale resistentie bij influenzavirusssen | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
De impact van veroudering op de immuunrespons tegen vaccins en infectieziekten | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Communicatie over infectieziekten en de rol van nieuwe media | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Gebrek aan uniformiteit bij meldingen van Shigatoxineproducerende Escherichia coli en Shigella aan en door GGD'en | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Q-koortsvaccinatie van hoogrisicopatienten | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
20ste Zwemwaterenquete: weinig nieuws onder de zon | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
In opdracht van het ministerie van SZW heeft het RIVM in 2006 en 2011 uitgezocht welke kans werknemers in Nederland tijdens hun werk lopen op een ongeval. Hiervoor is in kaart gebracht hoe lang mensen blootstaan aan risicovolle situaties, zoals werken op hoogte, werken met elektriciteit of machines, vallende voorwerpen en agressieve mensen. Het doel is te identificeren welke werknemers een groter risico lopen op een ongeval. Op die manier kan het ministerie, maar ook de werkgever, beter prioriteiten stellen in zijn beleid en indien nodig de juiste beschermende maatregelen treffen. Ten opzichte van 2006 is het aantal uren per jaar dat een werknemer werd blootgesteld aan risicovolle situaties met 3,7 procent gedaald. Uit het onderzoek blijkt dat een werknemer in een jaar gemiddeld aan 4,6 risicovolle situaties tegelijk blootstaat. Deze aantallen verschillen sterk per beroepsgroep. Bovenaan, met een blootstelling aan gemiddeld 10,5 risicovolle situaties, staan de machinebankwerkers, monteurs, instrumentmakers en reparateurs. Onderaan staan de beroepsgroepen van verzekeringsagenten, boekhouders, makelaars en dergelijke, met 2,5 risicovolle situaties. Effectief arbeidsveiligheid verbeteren Er lijkt een extra risico te schuilen in de combinatie van risicovolle situaties. Werknemers die aan een groot aantal van deze situaties blootstaan, blijken er het meest bij gebaat te zijn als dat aantal afneemt. Dit heeft meer effect dan het totaal aantal uren waarin zij aan risicovolle situaties blootstaan te verminderen. Veel variatie in blootstelling op het werk Per risicovolle situatie varieert bovendien de mate waarin werknemers eraan blootstaan. Zo is voor 90 procent van hen struikelen en uitglijden een van die risicovolle situaties; in totaal stond de Nederlandse beroepsbevolking daaraan in 2011 4,3 miljard uur blootgesteld. Vallen van een vaste trap of helling staat op de tweede plaats, met een aandeel van 62 procent van de werknemers en een totale blootstelling van 353 miljoen uur. Dat is per traploper gemiddeld 80 uur per jaar. Slechts 2 procent van de werkzame beroepsbevolking staat bloot aan het risico op stofexplosies, maar dat betreft per persoon wel een groot aantal uren (gemiddeld 910 uur per jaar). Grote verschillen tussen werknemers Voor het onderzoek is aan 25.000 mensen, representatief voor de werkzame beroepsbevolking, gevraagd of zij in de week voorafgaand aan het onderzoek met risicovolle situaties te maken hebben gehad. Door de informatie over blootstelling en letsel en verzuim als gevolg van ongevallen te combineren, was het bovendien mogelijk te duiden binnen welke groep werknemers bijna alle ongevallen met verzuim plaatsvinden. Deze groep beslaat circa 20 procent van de werkzame beroepsbevolking. Dit betreft vooral personen onder de 25, vrouwen, deeltijders en lager opgeleiden. Als sector is de horeca hierin oververtegenwoordigd, als beroepsgroep zijn dat verpleegkundigen.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Werken aan zoönosen | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Effectiviteit van ketenzorg bij diabetes mellitus; een meta-analyse | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Thuisisolatie tijdens de nieuwe influenza A (H1N1)-pandemie: bij twijfel toch doen? | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Surveillance van Listeria monocytogenes in Nederland, 2010 | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Is concurrency driving HIV transmission in sub-saharan african sexual networks? the significance of sexual partnership typology | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Standardization of misleading immunoassay based 25-Hydroxyvitamin D levels with liquid chromatography tandem-mass spectrometry in a large cohort study | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Betekent werken met varkensvlees ook een verhoogd risico op MRSA? | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
De Staat van zoönosen 2011 geeft een overzicht van de mate waarin diverse zoönosen in het verslagjaar voorkomen, gecombineerd met de trends op de lange termijn. Het verslag bevat daarnaast enkele opmerkelijke voorvallen uit 2011 en behandelt jaarlijks een thema. Opmerkelijke voorvallen zoönosen uitgelicht Doorgaans vertonen de trends geen uitgesproken ontwikkelingen. Wel waren er een aantal opmerkelijke voorvallen zoals de uitbraken van E. coli O104 via kiemgroenten en Salmonella Newport. Een ander voorbeeld is het Schmallenbergvirus, een nieuw virus bij runderen en schapen dat tot misvormingen leidt bij kalveren en lammeren. Het RIVMCIb acht het zeer onwaarschijnlijk dat het virus een infectie bij de mens kan veroorzaken. Ook wordt de stand van zaken weergegeven van veegerelateerde MRSA en van de ziekte van Lyme. In het onderzoek naar de ziekte van Lyme is er steeds meer aandacht voor mensen die klachten hebben zonder dat daar duidelijke tekenen van infectie aan vooraf zijn gegaan, zoals de rode ring rondom de tekenbeet. Thema: 'Dieren onderweg' Het rapport wordt elk jaar afgesloten met een themahoofdstuk, dit keer getiteld 'Dieren onderweg'. Hierin wordt inzicht gegeven in de wet- en regelgeving voor de import van dieren en het reizen met dieren. Aangezien de verplaatsing van dieren tussen landen zoönotische risico's met zich mee kunnen brengen, is het van belang dat professionals, zoals GGD en dierenartsen, hiervan op de hoogte zijn. Bij dit thema wordt een onderscheid gemaakt tussen huisdieren, paardachtigen, landbouwhuisdieren en exotische dieren. Het is opmerkelijk hoeveel Nederlanders hun hond of kat meenemen op vakantie naar het buitenland. Echter, de kennis over de zoönotische risico's en naleving van veterinaire voorschriften is waarschijnlijk beperkt. Het reizen met dieren kan hierdoor een bedreiging vormen voor de dier- en volksgezondheid. Het laatste Nederlandse geval van insleep van rabiës in 2012 was dan ook het gevolg van de illegale invoer van een puppy vanuit Marokko.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Complete Genome Sequence of Mycobacterium vaccae Type Strain ATCC 25954 | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Polymorphisms in thioredoxin reductase and selenoprotein K genes and selenium status modulate risk of prostate cancer | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
T-cell responses before and after the fifth consecutive acellular pertussis vaccination in 4-year-old Dutch children | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Meldingen van voedselinfecties en -vergiftingen in 2009 en 2010 | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Large-scale gene-centric meta-analysis across 32 studies identifies multiple lipid loci | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Commentaar op: Zeeuwse baby met mazelen, Infectieziekten Bulletin 22(10) | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Spatially explicit prioritization of human antibiotics and antineoplastics in Europe | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Risico op de rivier: een norovirus-uitbraak op een riviercruiseschip | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Platform technology for viral vaccine production: comparison between attached and suspension vero cells | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Wie consulteerde in 2010 de LCI en waarover? | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Refined hazard characterization of 3-MCPD using benchmark dose modeling | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Changes in lymphocyte subsets in workers exposed to 2,3,7,8- tetrachlorodibenzo-p-dioxin (TCDD) | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Lower educational level is a predictor of incident type 2 diabetes in European countries: The EPIC-interact study | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Simulated effects of gypsum amendment on phosphorus losses from agricultural soils | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Clinical breakpoint changes and their impact on surveillance of antimicrobial resistance in Escherichia coli causing bacteraemia | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Detection of phase i IgG antibodies to Coxiella burnetii with EIA as a screening test for blood donations | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Invasive pneumococcal disease and 7-valent pneumococcal conjugate vaccine, the Netherlands | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Prevalence and determinants associated with healthcare-associated infections in long-term care facilities (HALT) in the Netherlands, May to June 2010 | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Biowaiver monographs for immediate-release solid oral dosage forms: amodiaquine hydrochloride | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Prevalence of genital HPV infections and HPV serology in adolescent girls, prior to vaccination | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Resurgence of pertussis calls for re-evaluation of pertussis animal models | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Structural perturbation of diphtheria toxoid upon adsorption to aluminium hydroxide adjuvant | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Risk assessment of patulin intake from apple containing products by young children | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Het RIVM heeft met de Universiteit Wageningen (WUR) een nieuwe techniek ontwikkeld waarmee de kwaliteit van de bodem nauwkeuriger kan worden vastgesteld, de zogeheten nematode DNA-barcode tool. Deze moleculaire methode levert sneller gedetailleerdere informatie over verstoringen van een goede bodemkwaliteit en wat daarvan de oorzaak kan zijn. Dit is mogelijk doordat deze nieuwe informatie vervolgens wordt gecombineerd met gegevens over het totale proces waarmee gewassen worden verbouwd. Voorbeelden zijn het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en effecten op de bodem van landbouwtechnieken als ploegen en bemesten. Op deze wijze ontstaat een beter beeld van de invloeden op de bodemkwaliteit van landbouwpraktijken, zoals genetisch gemodificeerde (GM) gewassen. Met de nieuwe methode wordt het DNA van aaltjes met een speciale techniek vastgesteld (kwantitatieve PCR), waarmee zowel de soorten als de aantallen in de bodem worden bepaald. De aaltjespopulatie weerspiegelt namelijk belangrijke processen in de bodem waaraan de kwaliteit kan worden ontleend. Voorbeelden daarvan zijn de vruchtbaarheid en de mate waarin organisch materiaal wordt afgebroken. De DNA-barcode tool is een aanvulling op de tijdrovende klassieke techniek, waarmee de aaltjespopulatie met behulp van microscopisch onderzoek in kaart wordt gebracht. De methode is ontwikkeld in opdracht van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) en het ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM). Door de bevolkingsgroei is wereldwijd een hogere voedselproductie nodig waarvoor meer landbouwoppervlakten nodig zijn die meer gewassen opbrengen. Niet iedere techniek om een dergelijke toename te realiseren, zoals GM-gewassen, lijkt veilig voor het milieu. Zo kan de vruchtbaarheid van de bodem worden aangetast. Het is daarom van belang om mogelijke negatieve effecten van nieuwe landbouwvormen te evalueren. Ook in een breder, Europees kader is er meer aandacht voor het belang van bodembeheer en vitale ecosystemen in de bodem, oftewel de kwaliteit van de bodem. Een voorbeeld daarvan is de 'Common Agricultural Policy' die de Europese Unie uitdraagt.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Outbreak of salmonella Thompson in The Netherlands since July 2012 | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
SSU ribosomal DNA-Based monitoring of nematode assemblages reveals distinct seasonal fluctuations within evolutionary heterogeneous feeding guilds | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Lack of evidence for zoonotic transmission of Schmallenberg virus | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Changes in antibody seroprevalence of seven high-risk HPV types between nationwide surveillance studies from 1995-96 and 2006-07 in The Netherlands | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Salivary immune responses to the 7-valent pneumococcal conjugate vaccine in the first 2 years of life | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Dynamic transmission modeling: a report of the ISPOR-SMDM modeling good research practices task force-5 | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Five-year changes in biologic risk factors and risk of type 2 diabetes: are attained but not initial risk factor levels of importance? | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Pancreatitis and pancreatic cancer risk: a pooled analysis in the International Pancreatic Cancer Case-Control Consortium (PanC4) | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Prostate stem-cell antigen gene is associated with diffuse and intestinal gastric cancer in Caucasians: Results from the EPIC-EURGAST study | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Vaccine allocation in a declining epidemic | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Application of the BRAFO-tiered approach for benefit-risk assessment to case studies on natural foods | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Application of the BRAFO tiered approach for benefit-risk assessment to case studies on dietary interventions | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Towards tailored vaccine delivery: needs, challenges and perspectives | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Long-term dietary exposure to lead in young European children: comparing a pan-European approach with a national exposure assessment | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Early diagnosis and treatment of patients with symptomatic acute Q fever do not prohibit IgG antibody responses to Coxiella burnetii | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Prenatal exposure to polychlorinated biphenyls and dioxins from the maternal diet may be associated with immunosuppressive effects that persist into early childhood | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
On the road to unravelling the aetiology of non-tuberculous mycobacterial disease [Editorial] | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Identifying dietary patterns using a normal mixture model: application to the EPIC study | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Helminths and skewed cytokine profiles increase tuberculin skin test positivity in Warao Amerindians | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Sequence-based identification and characterization of nosocomial influenza A(H1N1)pdm09 virus infections | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Adopting an active lifestyle during adulthood and health-related quality of life: The Doetinchem Cohort study | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Response to Tang et al. [Letter to the editor] | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Fruit and vegetable intake and the risk of gastric adenocarcinoma: A reanalysis of the european prospective investigation into cancer and nutrition (EPIC-EURGAST) study after a longer follow-up | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Appearance of Bordetella pertussis strains not expressing the vaccine antigen pertactin in Finland | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Farm and slaughterhouse characteristics affecting the occurrence of Salmonella and Campylobacter in the broiler supply chain | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Estimation of household transmission rates of pertussis and the effect of cocooning vaccination strategies on infant pertussis | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Livestock density as risk factor for livestock-associated methicillin-resistant Staphylococcus aureus, the Netherlands | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Worksite mental health interventions: a systematic review of economic evaluations | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Leptin and soluble leptin receptor in risk of colorectal cancer in the European prospective investigation into cancer and nutrition cohort | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Grading of a positive sputum smear and the risk of Mycobacterium tuberculosis transmission | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Process evaluation of a lifestyle intervention in primary care: implementation issues and the participants' satisfaction of the GOAL study | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Deriving major accident failure frequencies with a storybuilder analysis of reportable accidents | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Personal radiofrequency electromagnetic field measurements in the Netherlands: exposure level and variability for everyday activities, times of day and types of area | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Mediterranean style diet and 12-year incidence of cardiovascular diseases: the EPIC-NL cohort study | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Small mutations in Bordetella pertussis are associated with selective sweeps | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Rectal lymphogranuloma venereum | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
The value of testing multiple anatomic sites for gonorrhoea and chlamydia in sexually transmitted infection centres in the Netherlands, 2006-2010 | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Alcohol consumption and risk of type 2 diabetes in European men and women: influence of beverage type and body size The EPIC-InterAct study | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Distributional (in)congruence of biodiversity-ecosystem functioning | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Tea consumption and incidence of type 2 diabetes in Europe: the EPIC-InterAct case-cohort study | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
A review of toxicogenomic approaches in developmental toxicology | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
The association between waist circumference and risk of mortality considering body mass index in 65- to 74-year-olds: a meta-analysis of 29 cohorts involving more than 58 000 elderly persons | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Longitudinal study on transmission of MRSA CC398 within pig herds | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Newborn screening programmes in Europe; arguments and efforts regarding harmonization. Part 2: from screening laboratory results to treatment, follow-up and quality assurance | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Placental malaria is associated with attenuated CD4 T-cell responses to tuberculin PPD 12 months after BCG vaccination | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Juvenile toxicity testing protocols for chemicals | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Newborn screening programmes in Europe; arguments and efforts regarding harmonization. Part 1: from blood spot to screening result | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Simplification of biotic ligand models of Cu, Ni, and Zn by 1-, 2-, and 3-parameter transfer functions | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Health impacts of increasing alcohol prices in the European Union: a dynamic projection | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Parental history of type 2 diabetes and cardiometabolic biomarkers in offspring | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Placental malaria is associated with attenuated CD4 T-cell responses to tuberculin PPD 12 months after BCG vaccination | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Risk stratification by residual enzyme activity after newborn screening for medium-chain acyl-CoA dehyrogenase deficiency: data from a cohort study | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Detection of Coxiella burnetii DNA in inhalable airborne dust samples from goat farms after mandatory culling | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Pulmonary vaccine delivery: a realistic approach? | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Frequent major errors in antimicrobial susceptibility testing of bacterial strains distributed under the Deutsches Krebsforschungszentrum Quality Assurance Program | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
In 2011 en de eerste helft van 2012 waren de meest in het oog springende ontwikkelingen op het gebied van infectieziekten in Nederland de uitbraken van bof en kinkhoest. Dit blijkt uit de Staat van Infectieziekten in Nederland, 2011, die inzicht geeft in ontwikkelingen van infectieziekten bij de Nederlandse bevolking. Het rapport beschrijft ook de ontwikkelingen in het buitenland die voor Nederland relevant zijn. Met deze jaarlijkse uitgave informeert het RIVM beleidsmakers van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). Elk jaar komt een thema aan bod; dit keer is dat bioinformatica en de relevantie van deze wetenschap voor infectieziekteonderzoek en infectieziektebestrijding. In de bioinformatica komen biologie, wiskunde en computerwetenschappen samen met als doel de informatie in biologische moleculen te ontsleutelen. Door het gebruik van geavanceerde diagnostische technieken in het laboratorium en de beschikking over steeds krachtiger computers is de bioinformatica een zich sterk ontwikkelend wetenschapsveld. Gegevens over de structuur van DNA, RNA en eiwitten in ziekteverwekkers komen steeds vaker in grote hoeveelheden beschikbaar. Door software en analysemethoden te ontwikkelen maakt de bioinformatica het mogelijk om deze complexe gegevens te sorteren, inzichtelijk te maken en te duiden. Zo vergroten bioinformatische methoden ons inzicht in de (moleculaire) epidemiologie, in de mogelijkheden van ziekteverwekkers om te muteren, in hun interacties met gastheren en in hun evolutionaire strategieën. Deze kennis biedt de infectieziektebestrijding een nieuw perspectief. De bioinformatica is echter veelzijdig van karakter. Daarom is het van belang om keuzes te maken voor de bestrijding van infectieziekten bij de ontwikkeling van expertise, diagnostiek en onderzoek.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Mortality attributable to 9 common infections: significant effect of influenza A, respiratory syncytial virus, influenza B, norovirus, and parainfluenza in elderly persons | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Multimetal accumulation in crustaceans in surface water related to body size and water chemistry | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Experimental inoculation of male rats with Coxiella burnetii: successful infection but no transmission to cage mates | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Aquatic toxicity of nanosilver colloids to different trophic organisms: Contributions of particles and free silver ion | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Linoleic acid intake, plasma cholesterol and 10-year incidence of CHD in 20,000 middle-aged men and women in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Engelse vertaling van rapport 260224003 Sinds 2007 is het mogelijk om standaard diabeteszorg door middel van een keten-dbc diabetes via zorggroepen te bekostigen. In dit rapport worden de effecten van dit nieuwe bekostigingsmodel (integrale bekostiging (IB)) op het zorgproces en de kwaliteit van de diabeteszorg beschreven. Er zijn diverse veranderingen in het zorgproces zichtbaar. Zo zijn veel taken van de huisarts gedelegeerd naar de praktijkondersteuner en worden oogcontroles vaker uitgevoerd door een optometrist in plaats van de oogarts. De patiënt wordt nog te weinig betrokken bij het zorgproces. Zelfmanagementondersteuning is nog niet goed ontwikkeld. Ook wordt de patiënt niet altijd geïnformeerd over het feit dat hij voor de diabeteszorg is aangesloten bij een zorggroep. Het effect van IB op de kwaliteit van zorg is niet eenduidig te interpreteren. Er zijn (kleine) verbeteringen in proces- en uitkomstindicatoren te zien. Deels door kwaliteitsverbetering en deels door verbetering in het registratieproces. Zo is het percentage patiënten met een systolische bloeddruk of cholesterolgehalte onder de streefwaarde toegenomen met respectievelijk 6 en 10 procentpunten. De klinische relevantie van de verbeteringen zijn onduidelijk. Langetermijneffecten, zoals het voorkomen of uitstellen van complicaties, zijn nog niet aan te tonen. De transparantie van de kwaliteit van de zorg is toegenomen maar nog steeds onvoldoende. ICTsystemen voldoen nog niet aan de toenemende informatiebehoefte van alle betrokkenen en er is ook te weinig eenheid in het registeren van zorggegevens. Inzicht in effecten van IB op de lange termijn is belangrijk om IB op zijn waarde te kunnen schatten.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Het stikstofoverschot in de Nederlandse landbouw is tussen 1992 en 2010 met bijna 50% afgenomen. Dit is een gevolg van maatregelen die vanwege de Europese Nitraatrichtlijn in de Nederlandse landbouw zijn genomen, zoals minder mest gebruiken gedurende een kortere tijd van het jaar. Dit blijkt uit een inventarisatie van de ontwikkelingen in de grond- en oppervlaktewaterkwaliteit en de landbouwpraktijk. De rapportage hiervan is een vierjaarlijkse Europese verplichting. Het RIVM heeft de inventarisatie uitgevoerd met het Centraal Bureau voor de Statistiek, de Waterdienst, LEI (onderdeel van Wageningen UR) en Dienst Regelingen van het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie. Nitraatconcentratie daalt Dankzij de uitvoering van de Europese Nitraatrichtlijn is ook de nitraatconcentratie in het water dat uitspoelt uit de 'wortelzone' van landbouwpercelen naar het grond- en oppervlaktewater sterk gedaald tussen 1992 en 2010. Vooral in de zandgebieden is dat het geval: in deze gebieden daalde de gemiddelde concentratie van 140 naar 60 milligram per liter. In de gebieden met kleigrond zijn de gemiddelde nitraatconcentraties in het uitspoelende water eveneens gedaald, naar 29 milligram per liter. In veengrond is altijd weinig nitraat in het uitspoelende water aanwezig (minder dan 10 milligram per liter). Dat komt doordat nitraat in veengronden snel afbreekt. Zoet oppervlaktewater In zoet oppervlaktewater schommelt de gemiddelde nitraatconcentratie sinds 2002 rond hetzelfde niveau (15 milligram per liter in 2008-2010). Desondanks is tussen 2004 en 2010 de chlorofyl-a-concentratie in de zomerperiode (een indicator voor eutrofiëring) in regionale zoete oppervlaktewateren die door de landbouw worden beïnvloed licht toegenomen. Waterkwaliteit blijft zich verbeteren Het is te verwachten dat de waterkwaliteit in Nederland in de komende jaren verder verbetert. Het duurt namelijk enkele jaren voordat de maatregelen uit het huidige actieprogramma (2010-2013), zoals aangescherpte gebruiksnormen voor mest, uitgedrukt in de hoeveelheid stikstof, zich vertalen naar een betere waterkwaliteit.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
In dit rapport wordt de invoering van zorgprogramma's diabetes en vasculair risicomanagement (VRM) in kaart gebracht en de effecten van integrale bekostiging (IB) op de curatieve zorgkosten van diabetes beschreven. Bij de invoering van IB was de verwachting dat de kwaliteit van de zorg zou toenemen en dat er tegelijkertijd taakherschikking en taakdelegatie zou optreden. Hierdoor zouden de zorgkosten kunnen dalen en de chronische (diabetes)zorg doelmatiger worden. De resultaten van dit onderzoek zijn gebaseerd op de zorgdeclaraties van alle Nederlandse zorgverzekeraars voor mensen met diabetes, verzameld en beheerd door Vektis. Deze declaratiegegevens bevatten de declaraties van de zorg die valt binnen het basispakket in het kader van de Zorgverzekeringswet inclusief de kosten van het eigen risico van de patient. In 2010 werden vrijwel overal in Nederland zorgprogramma's diabetes via IB aangeboden; bijna 100 zorgroepen boden dit aan. Daarentegen werden zorgprogramma's VRM beperkt gecontracteerd in 2010; slechts zeven zorggroepen in het zuiden van het land boden dit aan. Curatieve zorgkosten van een diabetespatient bedroegen ongeveer €4800 in 2009. De kosten van ziekenhuiszorg (ongeveer €2500 per patient) en in mindere mate de medicatiekosten (ongeveer €1100 per patient) maakten hiervan het grootste onderdeel uit. Het aandeel van de kosten van huisartsenzorg was beperkt; ongeveer €400 per patient. De curatieve zorgkosten van mensen die participeerden in een zorgprogramma VRM hebben betrekking op declaratiegegevens uit het vierde kwartaal van 2010 en bedroegen ongeveer €1350 per patient voor het laatste kwartaal in 2010. De kosten van de curatieve zorg van patienten in een zorgprogramma bekostigd via IB waren in 2009 €288 meer gestegen dan de kosten van de curatieve zorg van patienten die reguliere zorg ontvingen. De kostenstijging van patienten in een zorgprogramma bekostigd via koptarief verschilde niet significant van de patienten die reguliere zorg kregen. Het onderzoek liet verder zien dat deelnemers aan een zorgprogramma diabetes, bekostigd via IB, in 2009 bijna 25% minder vaak gebruikmaakten van het ziekenhuis in vergelijking met diabetespatienten die reguliere zorg ontvingen. Als alleen gekeken wordt naar diabetesspecifieke dbc's dan is de invloed van deelname aan een zorgprogramma nog duidelijker te zien; bijna 40% minder diabetespatienten in een zorgprogramma gingen naar het ziekenhuis ten opzichte van patienten met reguliere diabeteszorg. De kosten per patient die ziekenhuizen maakten voor diabetesgerelateerde zorg namen licht af. Opmerkelijk genoeg namen de totale ziekenhuiskosten van deze patienten juist toe en verklaarden bijna de helft van de toename van de totale curatieve zorgkosten. Bij koptarief werd deze stijging in totale ziekenhuiskosten niet gevonden.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
BRAFO tiered approach for benefit-risk assessment of foods | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Comparison of tobacco control scenarios: quantifying estimates of long-term health impact using the dynamo-hia modeling tool | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
In de intensieve veehouderij worden in toenemende mate luchtwassers ingezet om ammoniakemissies uit stallen te verminderen. Uit onderzoeken van twee inspectiediensten in 2009 en 2011 bleek dat een deel van de luchtwassers ontbreekt, uit staat of niet goed functioneert. Het RIVM heeft vervolgens berekend wat de effecten van deze bevindingen zijn op de totale ammoniakemissie uit de Nederlandse landbouw. In 2010 werd mogelijk 2,5 kiloton meer ammoniak uitgestoten dan de tot nu toe vastgestelde 107 kiloton. De berekeningen zijn uitgevoerd in opdracht van de Inspectie Leefomgeving en Transport. Met goed functionerende luchtwassers kan de ammoniakemissie uit stallen met 70 tot 95 procent verminderd worden. De wasser wordt voorgeschreven in de vergunning; in 2010 was ongeveer 20 procent van de varkensstallen ermee uitgerust. Handhavingsamenwerking Noord-Brabant constateerde in 2009 dat 40 procent van de voorgeschreven wassers niet aanwezig was of uit stond. Bij nog eens 45 procent werden andere tekortkomingen geconstateerd. De Inspectie Leefomgeving en Transport constateerde in 2011 bij 72 procent van de luchtwassers tekortkomingen, zonder deze nader te specificeren. Daarnaast werd bij een deel van de wassers geen (32 procent), of maar beperkt (39 procent) toezicht gehouden door de gemeenten. Gebaseerd op gegevens zoals die in de Emissieregistratie worden gebruikt, is tot op heden verondersteld dat in 2010 met luchtwassers 23 procent van de emissie uit varkensstallen zou worden voorkomen. Op de totale ammoniakemissie uit de landbouw vertaalt zich dit in een reductie met 4,5 procent. Uit de berekeningen blijkt echter dat in de praktijk naar schatting ongeveer de helft hiervan daadwerkelijk is gerealiseerd.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
De overheid stimuleert dat mensen gezonde voeding en veilig voedsel eten. Een onmisbaar instrument om dit beleid te onderbouwen en te evalueren is de voedselconsumptiepeiling (VCP), die dit jaar 25 jaar bestaat. Hierin wordt gedetailleerd in kaart gebracht wat de Nederlandse bevolking eet en drinkt. Het RIVM heeft nu een afgeslankt en herijkt voedingspeilingsysteem ontwikkeld, omdat de uitvoering van het systeem vanwege de taakstelling en beschikbare financiële middelen onder druk staat. Minder inzicht in voedingspatroon subgroepen Het aangepaste systeem levert nog altijd essentiële basisinformatie op om beleid te ontwikkelen en te evalueren voor de beleidsthema's voedselveiligheid, gezonde leefstijl en informatieverstrekking naar de consumenten. Op verzoek van het ministerie van VWS wordt eraan gewerkt de gegevens ook voor andere doeleinden in te zetten. Het systeem geeft echter minder inzicht in de voeding die bepaalde subgroepen van de bevolking consumeren, zoals baby's, hoogbejaarden en zwangeren. Hetzelfde geldt voor voedingsmiddelen die door weinig mensen worden gegeten. Invulling drie modules Het afgeslankte voedingspeilingsysteem behoudt de drie oorspronkelijke modules. Module 1 is de belangrijkste module. Om de zes jaar vindt uitgebreid voedselconsumptieonderzoek plaats onder personen van 1 tot en met 79 jaar. In deze periode wordt vier jaar lang data verzameld. De deelnemers wordt dan gevraagd wat zij eten en drinken op twee specifieke dagen; voor kinderen en ouderen wordt dat ondersteund met een dagboekje. Daarnaast vullen deelnemers een vragenlijst in. Module 2 richt zich op voedingsstatusonderzoek van de algemene bevolking, dat met andere monitorings- en cohortstudies wordt uitgevoerd. Voedingsstatusonderzoek geeft inzicht in de gehalten van specifieke vitaminen en mineralen in bloed of urine. Module 3 omvat aanvullend onderzoek, afhankelijk van beleidsbehoeften. Belangrijke wijzigingen Belangrijke wijzigingen zijn: het aantal jaren waarin gedurende de onderzoekscycli (module 1) gegevens worden verzameld, is toegenomen van drie naar vier jaar. Daarnaast wordt hetzelfde aantal deelnemers over een bredere leeftijdgroep (van 1 tot en met 79 jaar, in plaats van 6 tot en met 69) verspreid. Bij module 2 en 3 vervalt het onderzoek naar de voedselconsumptie en de voedingsstatus onder subgroepen. Door de wijzigingen zijn de kosten per jaar lager.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Op verzoek van de provincie Noord-Brabant heeft het RIVM gegevens over de bodembiodiversiteit op kaarten weergegeven. De kaarten zullen aan de Bodemwijzer van de provincie worden toegevoegd. In dit instrument wordt kennis over de bodem verzameld en toegankelijk gemaakt om duurzaam bodemgebruik na te kunnen streven. Hiermee kan namelijk worden geïnventariseerd welke gevolgen nieuwe activiteiten kunnen hebben op de eigenschappen van de bodem, zoals het effect van de grondwaterstand op de aardkundige waarden. Biodiversiteit laag bij intensief agrarisch bodembeheer Uit de kaarten blijkt dat de bodemdiversiteit laag is bij intensief agrarisch bodembeheer zoals tuinbouw, akkerbouw en maisteelt. Dit komt doordat deze bodems geregeld worden geploegd en bemest. Agrarisch grasland heeft een relatief hoge bodembiodiversiteit, doordat deze activiteiten hier in mindere mate plaatsvinden. Bij bos en hei tonen de kaarten een grotere onzekerheid in de bodembiodiversiteit dan bij de agrarische bodems. Door de grote variatie in bostypen zijn daarover namelijk minder gegevens beschikbaar. Meetgegevens Bodembiologische indicator gebruikt Om de biodiversiteit in kaart te kunnen brengen, zijn modellen gebruikt die de invloed van bodemeigenschappen koppelen aan de aanwezigheid van bodemorganismen (zoals bacteriën en regenwormen) en bodemprocessen (zoals CO2-productie). De modellen zijn door het RIVM en diverse partners ontwikkeld met behulp van de meetgegevens die landelijk met de Bodembiologische indicator worden verzameld. Dit meetsysteem onderzoekt het bodemleven, en wel de mate waarin micro-organismen, aaltjes, potwormen, regenwormen, mijten en springstaarten aanwezig zijn, en enkele bodemprocessen, zoals de CO2-productie. Deze verschillende gegevens vormen gezamenlijk een maatstaf voor de bodemdiversiteit. De berekende biodiversiteit was gemiddeld 10 procent hoger dan de op diverse plaatsen in Noord- Brabant in het veld gemeten bodembiodiversiteit.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM heeft voor de tweede keer de prestaties van de Nederlandse downsyndroom-screeninglaboratoria geanalyseerd, en wel over het jaar 2010. Hieruit blijkt dat de tests naar behoren zijn uitgevoerd. De screening bestaat formeel sinds 1 januari 2007 en omvat een test op twee parameters uit bloed en een nekplooimeting. Met de evaluatie wordt voldaan aan de opdracht aan het referentielaboratorium om de kwaliteit van de screening te bewaken. Voor de analyse hebben de zeven screeningslaboratoria, verspreid over Nederland, die de bloedtests uitvoeren, hun data over 2010 beschikbaar gesteld. Eén daarvan is het referentielaboratorium, dat is ondergebracht bij het RIVM. Algemene bevindingen In 2010 zijn in totaal 50.494 screeningstests afgenomen; dit betekent dat 26,8 procent van de zwangeren een dergelijke test laat uitvoeren (iets meer dan in 2009). De leeftijd waarop de test het vaakst wordt afgenomen ligt tussen 32 en 33,5 jaar (mediane leeftijd). Het percentage zwangeren dat volgens de screeningtest een hoog risico loopt op een kind met het Downsyndroom ligt rond de 6%. De prestaties van de laboratoria voldeden in het algemeen aan de kwaliteitseisen, en vielen bovendien allemaal binnen de internationale kwaliteitsnormen (UK NEQAS). Analyse bloedtests en nekplooimeting Verder zijn de gemiddelde concentraties (van de eiwitten PAPP-A en hCG-beta) van de bloedtests geëvalueerd, evenals de uitslagen van de nekplooimeting. Uit die analyse blijkt dat ze voldoen aan de kwaliteitscriteria die voor de screentests zijn opgesteld. Aanbevolen wordt onder andere om de instellingen van de kansberekeningssoftware van de laboratoria te evalueren, en daarbij nadrukkelijk aan te geven hoeveel van de kinderen die met downsyndroom zijn geboren, met de test zijn gedetecteerd. Een andere aanbeveling is om de screening naar andere chromosomale afwijkingen, te weten trisomie 13 en 18 in de evaluatie mee te nemen.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Om de risico's te bepalen van activiteiten met gevaarlijke stoffen zijn in Nederland wettelijk bepaalde rekenmethodieken voorgeschreven. Als zich nieuwe inhoudelijke inzichten voordoen die de resultaten beïnvloeden, is het van belang deze in de rekenmethodieken te verwerken. Om de aanpassingen op een duidelijke en structurele wijze in de methodiek te kunnen verwerken heeft het RIVM met enkele andere partijen een protocol ontwikkeld. Op deze manier is voor de betrokken partijen (beoordelaars, beheerders, enzovoort) vastgelegd wie welke stappen moet doorlopen voor aanpassing van de rekenmethodiek. Een rekenmethodiek voor de externe veiligheid is uit vier kernpunten opgebouwd: Scenario's en modellering, Faalfrequenties, Maatregelen, en ten slotte Vervolgkansen. Het protocol bevat voor elk kernpunt de procedures om de aanpassingen aan te brengen. Voorbeelden van nieuwe inzichten zijn de situaties waarin een ongeval zich voordoet (ongevalscenario's), hoe groot de kans op een dergelijk ongeval is (faalkans), en welke effecten kunnen optreden. In het protocol zijn tevens de eisen en randvoorwaarden beschreven die gesteld worden aan de rapportage en onderbouwing van een voorstel om een rekenmethodiek aan te passen. Formele vaststelling van eventuele aanpassingen van de rekenmethodiek gebeurt door het Ministerie van Infrastructuur en Milieu.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
De groei van legionellabacteriën in een drinkwaterinstallatie kan met uiteenlopende technieken worden beperkt. Zo kunnen drinkwaterleidingen die weinig worden gebruikt regelmatig worden doorgespoeld (thermisch beheer). Een ander voorbeeld is het gebruik van filters in douchekoppen (fysisch beheer). Daarnaast bestaat de zogeheten koper/zilver-ionisatie, waarbij koper- en zilverionen door de leidingen worden geleid (elektrochemisch beheer). Ook kan chloor aan het leidingwater worden toegevoegd (chemisch beheer). Sommige technieken kunnen problemen geven bij de uitvoering ervan. Vooral bij thermisch beheer moeten handelingen vaak worden herhaald en gecontroleerd. Dit gebeurt in de praktijk niet altijd, wat de effectiviteit kan beïnvloeden. Ook bij andere beheerstechnieken is de effectiviteit afhankelijk van een continue uitvoering, controle en onderhoud op de locatie. Dit blijkt uit een onderzoek van het RIVM. Hierin zijn alle bestaande technieken geïnventariseerd en zijn wetenschappelijke bevindingen over de effectiviteit van beheerstechnieken op een rij gezet. Daarnaast zijn enkele partijen in Nederland ondervraagd die te maken hebben met het toetsen of uitvoeren van legionellabeheer. De studie is uitgevoerd in opdracht van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT, voorheen VROM-Inspectie).
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
A bead-based multiplexed immunoassay to evaluate breast cancer biomarkers for early detection in pre-diagnostic serum | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
De 28 Nationale Referentie Laboratoria (NRL's) van de 27 Europese lidstaten scoorden in 2011 goed bij de kwaliteitscontrole om Salmonella te typeren. Twee laboratoria hadden hiervoor een herkansing nodig. Alle NRL's samen konden gemiddeld genomen aan 97 procent van de geteste stammen de juiste naam geven. Overige deelnemers ringonderzoek Salmonella Sinds 1992 zijn de NRL's van de Europese lidstaten verplicht om deel te nemen aan jaarlijkse kwaliteitstoetsen, de zogeheten ringonderzoeken voor Salmonella. Soms doen ook landen buiten de Europese Unie vrijwillig mee, zoals kandidaatlidstaten. Dit jaar deden er acht niet-lidstaten mee. Twee EU-kandidaat-lidstaten onder hen scoorden in de eerste ronde onvoldoende. Eén van hen behaalde ook in de herkansing niet het gewenste resultaat. De ander heeft de herkansing niet kunnen uitvoeren; voor niet-lidstaten is de herkansing niet verplicht. Voor de ringonderzoeken wijst elke lidstaat een laboratorium aan, het Nationale Referentie Laboratorium (NRL), dat binnen dat land verantwoordelijk is om Salmonella uit monsters van levensmiddelen of dieren aan te tonen en te typeren. Om te controleren of de laboratoria hun werk goed uitvoeren moeten zij onder andere 20 Salmonella-stammen op juiste wijze identificeren. Faagtyperingen Van de NRL's zijn er negen laboratoria die, behalve de standaardtoets (serotypering) op Salmonella, preciezere typeringen uitvoeren, de zogeheten faagtypering. Voor deze kwaliteitstoets moeten zij 20 extra stammen met deze methode typeren. De laboratoria ontvingen hiervoor tien Salmonella Enteritidisstammen en tien Salmonella Typhimurium-stammen. Deze NRL's typeerden 98 procent van de S. Typhimurium-stammen en 88 procent van de S. Enteritidis-stammen op de juiste wijze. De organisatie van het typeringsringonderzoek is in handen van het Europese Unie Referentie Laboratorium (EURL) voor Salmonella (EURL-Salmonella). Het EURL-Salmonella is ondergebracht bij het Nationaal Instituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) in Bilthoven, Nederland. De organisatie van dit ringonderzoek is uitgevoerd in samenwerking met de Health Protection Agency (HPA) in Londen, Engeland.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Op veel MBO-locaties zijn de afgelopen jaren maatregelen getroffen om een gezond voedingspatroon onder studenten te stimuleren, maar er kan nog veel aan het voedingsaanbod worden verbeterd. Dit blijkt uit een inventarisatie onder 27 MBO-locaties. Hiervoor zijn enquêtes afgenomen onder de facilitair managers van de deelnemende scholen. De resultaten bieden aanknopingspunten om de komende jaren het voedingsaanbod op scholen te verbeteren en voor verder onderzoek naar de effecten van maatregelen. Het RIVM heeft de inventarisatie samen met het onderzoeksbureau de DSP-groep uitgevoerd, op initiatief van de MBO-raad. Beter assortiment De scholen hebben vooral het assortiment in kantines en automaten aangepast. Ook wordt op ruim de helft van de locaties gebruik gemaakt van een (kleur)coderingssysteem dat aangeeft welke producten gezond of minder gezond zijn. Daarnaast is er aandacht voor voeding in de lesstof. De scholen wordt aanbevolen om komende jaren gezonde voedingskeuzes nog gemakkelijker en aantrekkelijker te maken. Dit kan bijvoorbeeld door goede lespakketten te ontwikkelen en door gezonde voeding te promoten. Evenwichtig aanbod gezonde en minder gezonde producten De meeste MBO locaties beschikken over een kantine en frisdrank- en snoepautomaten. Volgens de facilitair managers houdt het aanbod van gezonde en minder gezonde producten in de kantines elkaar in evenwicht. Op de meeste locaties worden daar diverse 'gezonde' producten aangeboden, zoals belegde broodjes en soep, maar ook calorierijke producten als chips, candybars, zakjes snoep en (gevulde) koeken. Het aanbod aan dranken in de kantines en frisdrankautomaten omvat meestal zowel calorierijke varianten (zoals frisdrank, melk- en yoghurtdranken, vruchtensappen en sportdrank met toegevoegd suiker), als calorie-arme (zoals light-frisdrank, melk- en yoghurtdranken en vruchtensappen zonder toegevoegd suiker en bronwater). Gedeelde verantwoordelijkheid Alle deelnemende facilitair managers vinden dat MBO scholen een verantwoordelijkheid hebben om een gezond voedingspatroon onder studenten te bevorderen. Hierbij wordt wel vaak opgemerkt dat het om een gedeelde verantwoordelijkheid gaat, met onder meer de ouders en de studenten zelf. Daarnaast hebben scholen volgens hen slechts tot op zekere hoogte invloed op het voedingspatroon van studenten.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Tussen september 2009 en september 2010 zijn in een pilot de concentraties van 53 zogeheten Persistent Organic Pollutants (POP) in lucht en regenwater in Nederland gemeten. Deze stoffen zijn moeilijk afbreekbaar in het milieu en kunnen schadelijk zijn voor mens of milieu. De pilot is uitgevoerd in opdracht van het ministerie van I&M voor het UN-ECE/EMEP meetprogramma (European co-operative programme for Monitoring and Evaluation of the long-range transmission of air Pollutants). Doel was om zicht te krijgen op de achtergrondconcentraties van POP in Nederland. Op basis van de resultaten en de kosten van de metingen is besloten in Nederland geen permanent EMEPmeetpunt voor de onderzochte POP in te richten. Onderzochte stofgroepen POP Voor de pilot zijn bemonstering- en analysemethoden ontwikkeld en uitgevoerd. De POP zijn gemeten op het meetpunt De Zilk van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit (LML). Dit bestaande meetpunt is geschikt om dit soort stoffen op achtergrondniveau te meten. Het ging hierbij om verschillende stofgroepen van POP: Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen (PAK), die vrij kunnen komen bij verbrandingsprocessen; Poly geBromeerde Difenyl Ethers (PBDE), die als vlamvertragers in huishoudelijke producten worden toegepast; PolyChloor Bifenylen (PCB), in het verleden onder andere gebruikt in transformatoren; en andere gechloreerde koolwaterstoffen, die vooral als bestrijdingsmiddel gebruikt zijn. Achtergrondconcentraties POP in Nederland laag De huidige achtergrondconcentraties van de POP-stoffen zijn in de Nederlandse lucht en het regenwater laag, soms zodanig dat ze niet kunnen worden aangetoond in de metingen. Bovendien zijn de aantoonbare concentraties gedaald ten opzichte van de periode 1999-2001. Voor de meeste POP bestaan geen wettelijke normen voor de concentratie in lucht en regenwater; alleen voor benzo(a)pyreen in lucht. Deze normwaarde van 1 nanogram per kubieke meter is tijdens de gehele onderzoeksperiode niet overschreden.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Vinylchloride (monochlooretheen) is een vluchtige verbinding die wordt aangetroffen in grondwater op verontreinigde locaties. Verontreinigingen van vinylchloride in bodem en gondwater zijn in het algemeen het gevolg van afbraak van verontreinigingen met de oplosmiddelen tetrachlooretheen (per) of trichlooretheen (tri). Deze oplosmiddelen worden - onder andere - gebruikt voor de chemische reiniging van textiel en ontvetting. Vinylchloride kan, net als andere vluchtige verontreinigingen in grondwater, via de bodem uitdampen. De stof kan langs deze route terecht komen in het binnenmilieu. Daar vormt het een risico voor de mensen die in deze ruimten verblijven. In de praktijk blijkt de aanwezigheid van vinylchloride lastig aan te tonen door middel van metingen én lastig te voorspellen met modellen. Waarschijnlijk wordt dit verklaard doordat de stof kan worden afgebroken in de bodem en door de hoge vluchtigheid van de stof. In dit rapport wordt op basis van resultaten van metingen van vinylchloride in verschillende compartimenten onderzocht welke oorzaken ten grondslag kunnen liggen aan de afwijkende modelberekeningen. De resultaten moeten bijdragen aan een verbetering van meetprotocollen en de modellen waarmee de uitdamping van vinylchloride wordt voorspeld.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Om meer zicht te krijgen in de relatie tussen nachtwerk en borstkanker, hart- en vaatziekten (HVZ) en overgewicht, beveelt het RIVM het volgende aan: 1) Vanaf 2012 starten met epidemiologische analyses in de cohorten EPIC-NL, Nightingale en AMIGO en LRGP van nachtwerk in relatie tot determinanten van borstkanker, HVZ en obesitas. 2) Start in 2012 met analyses in het NEA cohort voor de bepaling of nachtwerk leidt tot een verandering in lichaamsgewicht. 3) Vorm een samenwerkingsverband 'Nachtwerken & Gezondheidseffecten' tussen 3 langlopende cohorten (EPIC-NL, MCS en LRGP) en twee recent gestarte cohorten (Nightingale en AMIGO), en inventariseer binnen de cohorten de haalbaarheid voor het verzamelen van meer gedetailleerde informatie van nachtwerk (zoals verzameld in Nightingale); 4) Inventariseer de mogelijkheden en meerwaarde om een extra vragenlijst over nachtwerken binnen het recent gestarte cohort Lifelines te zetten om ook daar de noodzakelijke informatie te achterhalen. Tevens wordt nader onderzocht of Lifelines of andere cohorten met longitudinaal biologisch materiaal in te zetten zijn als onafhankelijk verificatiecohort of voor verdiepende analyses; 5) Inventariseer de mogelijkheid om op een valide manier informatie over nachtwerk af te leiden uit gegevens over huidige baan en beroepshistorie; 6) Inventariseer de mogelijkheid tot mechanistisch onderzoek gebruik makend van verzameld of nieuw te verzamelen biologisch materiaal uit geschikte cohorten Nightingale, AMIGO, LRGP, MCS, EPIC-NL en Lifelines. Deze aanbevelingen zijn tot stand gekomen na een inventarisatie van Nederlandse cohorten met informatie over nachtwerk en gezondheid. Gezien de hoeveelheid van voorgestelde aanbevelingen, zullen in overleg met de partners keuzes gemaakt worden. Dit briefrapport bouwt voort op de literatuurstudie naar de gezondheidseffecten van nachtwerk (Rodenburg et al., 2011). In het onderhavige rapport wordt onderscheid gemaakt tussen langlopende en recent gestarte cohorten, waarbij de langlopende cohorten voor 2005 gestart zijn. Echter kan de dataverzameling van nachtwerk blootstelling wel later (bijvoorbeeld in 2011) gestart zijn. Er zijn zes langlopende cohorten en drie recent gestarte cohorten geïdentificeerd, die gegevens (kunnen) bevatten over nachtwerk en gezondheid. Daarbij is een selectie gemaakt van een drietal gezondheidsproblemen: borstkanker, hart- en vaatziekten (HVZ) en overgewicht. Op de korte termijn lenen een aantal cohorten zich voor epidemiologische analyses naar de samenhang tussen nachtwerk en mogelijke risicofactoren voor borstkanker, HVZ en overgewicht. De EMV-cohorten, waaronder EPIC-NL, Nightingale en AMIGO bieden hiervoor mogelijkheden. Deze bestanden beschikken tevens vanaf circa medio 2012 over informatie voor het bepalen van de relatie tussen nachtwerk en borstkanker, HVZ en overgewicht, maar door het retrospectieve karakter bestaat er kans op survival bias. Ook het omvangrijke NEA bestand beschikt reeds over voldoende informatie voor de bepaling van het verband van nachtwerk met HVZ en overgewicht, maar is cross-sectioneel van aard en heeft daarmee geen zeggingskracht over causaliteit. Wel zou het longitudinale NEA cohort ingezet kunnen worden om de relatie tussen nachtwerk en verandering in lichaamsgewicht te bepalen. De aanbeveling om een samenwerkingsverband 'Nachtwerken & Gezondheidseffecten' te vormen tussen een vijftal cohorten heeft als uniek doel om in de toekomst relevante analyses naar nachtwerk en gezondheidsproblemen uit te voeren onder een omvangrijke en heterogene groep personen. Tevens kan dan geïnventariseerd worden in hoeverre het haalbaar is om binnen de cohorten meer gedetailleerde informatie over nachtwerk te verzamelen. Op de middellange termijn (5-10 jaar) zal een aanzienlijke hoeveelheid extra relevante informatie beschikbaar komen vanuit EPIC-NL, LRGP, MCS en de recent gestarte cohorten Nightingale, AMIGO, en mogelijk Lifelines. Deze cohorten bieden dan uitstekende mogelijkheden de gezondheidseffecten van nachtwerk te analyseren, waarbij Nightingale nog aanvullende gegevens over nachtwerk heeft verzameld. Vanwege de hoeveelheid verzameld biologisch materiaal, en momenteel informatie over nachtwerk bij Lifelines ontbreekt, behoort het tot de aanbeveling informatie over nachtwerk alsnog te verzamelen.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM heeft, in opdracht van het ministerie van VWS, met de GGD'en en het CBS-KNAW Fungal Biodiversity Centre (voorheen Centraal Bureau voor Schimmelcultures), de richtlijn 'Schimmel- en vochtproblemen in woningen' ontwikkeld. Deze richtlijn moet ervoor zorgen dat GGD-medewerkers snel kunnen beoordelen of een schimmel- of vochtprobleem in een woning tot gezondheidsklachten leidt. Vocht en schimmels in woningen verhogen het risico op gezondheidsproblemen, zoals astma, luchtwegklachten en luchtweginfecties. Vocht- en schimmelproblemen komen vooral voor in oudere woningen die gebouwd zijn vóór 1992. Omdat ongeveer 40 procent van de sociale huurwoningen bestaat uit woningen die vóór 1967 zijn gebouwd, komen vocht- en schimmelproblemen in deze sector veel voor. In totaal gaat het om 9 procent van de woningvoorraad, ruim een half miljoen woningen. Ongeveer 10 procent van alle klachten die GGD'en bereiken, hebben betrekking op schimmel- en vochtproblemen in woningen. Met deze richtlijn kan de GGD antwoord geven op de vraag of vochtproblemen en de eventueel aanwezige schimmels een risico vormen voor de gezondheid. Verder kan de GGD met deze richtlijn antwoord geven op de vraag of vochtproblemen worden veroorzaakt door bewonersgedrag of door een bouwtechnische oorzaak. Bij bewonersgedrag kan gedacht worden aan vochtproductie bij koken en douchen, ventilatie- en stookgedrag. De richtlijn geeft dus de benodigde informatie voor een zorgvuldige risicobeoordeling en geeft adviezen over te nemen maatregelen. Een beoordelingsplan kan tot stand komen via telefonische consultatie, inspectie van de woning en eventueel aanvullende metingen. Hiervoor zijn vragenlijsten ontworpen en wordt aangegeven hoe deze te beoordelen. Afhankelijk van de bevindingen kan het nodig zijn te adviseren eerst nader onderzoek naar de gezondheidsklachten of naar de (bouwtechnische) oorzaak van het vocht- en schimmelprobleem uit te (laten) voeren. Indien er zowel vochtgerelateerde gezondheidsklachten zijn als vocht- en schimmelproblemen die de klachten kunnen verklaren, kan de GGD informatie geven over de mogelijke oorzaak en adviseren hoe de oorzaak aan te pakken. Dit kan zowel een bouwtechnische oplossing zijn als aanpassing van bewonersgedrag.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
De Volksgezondheid Toekomst Verkenning (VTV) en de Zorgbalans hebben data nodig om de kwaliteit, doelmatigheid en toegankelijkheid van de zorg te meten en de volksgezondheid in kaart te brengen. Daarmee vormen deze producten de basis voor het volksgezondheidsbeleid van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). Uit onderzoek van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) blijkt dat de VTV en Zorgbalans nog niet altijd over voldoende betrouwbare en kwalitatief hoogstaande data kunnen beschikken. Om wel over de benodigde gegevens te kunnen beschikken, moet VWS een goed beeld hebben van wie welke data verzamelt, waarom en onder welke voorwaarden (financiering). Dit is nu niet altijd duidelijk. Waar mogelijk moet VWS vervolgens regie voeren op de gegevensverzamelingen om de beschikbaarheid, toegankelijkheid en kwaliteit van de bronnen te vergroten. Gegevens over volksgezondheid en zorg vereisen blijvende regie Voor de VTV en de Zorgbalans worden data uit circa honderd bronnen (registraties, enquêtes, cohortstudies, monitors en onderzoeken) verzameld over vragen als: Hoeveel mensen roken? Hoe ontwikkelt zich de levensverwachting in Nederland? Ontvangen mensen de juiste zorg, op het juiste moment en is er voldoende aanbod om uit te kiezen? In opdracht van VWS heeft het RIVM geïnventariseerd of de bronnen die nodig zijn om deze vragen te beantwoorden beschikbaar zijn en welke knelpunten daarbij bestaan. Aanbevolen wordt om er onder andere (beter) op toe te zien dat data tijdig beschikbaar zijn en dat correcte en nauwkeurige metingen worden uitgevoerd, volgens duidelijke en transparante kwaliteitscriteria. Verder is het belangrijk om te bevorderen dat data kunnen worden gekoppeld en met elkaar kunnen worden vergeleken. Ook is volledige transparantie nodig over welke gegevens er zijn en wie er bij mag. Ontwikkelingen die samenhangend beleid vereisen De overheid moet toezien op de kwaliteit van de zorg en moet hierover informatie verschaffen aan burgers. In combinatie met enkele ontwikkelingen is een samenhangend informatiebeleid van groot belang. Zo hechten burgers steeds meer aan goede zorg. Technologisch is er steeds meer mogelijk, bijvoorbeeld om gegevens te koppelen. Ten slotte maakt marktwerking in de zorg dat data die partijen leveren, gemanipuleerd (kunnen) worden om de eigen positie te verbeteren.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Na de grieppandemie ('Mexicaanse griep') in 2009 en de omvangrijke Q-koortsepidemie van 2007 tot en met 2010, was 2011 een jaar zonder onverwachte uitbraken op het gebied van luchtweginfecties. Luchtweginfecties zoals griep (influenza) en longontsteking zijn echter elk jaar verantwoordelijk voor een aanzienlijk ziekteverzuim en huisartsenbezoek onder de bevolking. Ook zijn ze een belangrijke oorzaak van ziekenhuisopname en sterfte. Het RIVM voert met partners continue surveillance uit om ontwikkelingen in luchtweginfecties tijdig te signaleren. Griep In het influenzaseizoen 2011/2012 kwamen er minder mensen met griep bij de huisarts dan voorgaande seizoenen. Wel stierven er in Nederland en elders in Europa relatief veel ouderen in die periode, wat mogelijk gedeeltelijk aan de griep kan worden toegeschreven. Nederland heeft goede surveillancesystemen voor griep in de huisartsenzorg. Er bestaat echter nog geen systeem dat inzicht geeft in het aantal mensen dat eraan overlijdt of voor wie een ziekenhuisopname nodig is vanwege een ernstig verloop van de griep. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) onder andere beveelt een dergelijk systeem aan. Q-koorts De epidemie van acute Q-koorts is voorbij. Wel wordt als gevolg van de epidemie, de omvangrijkste ooit ter wereld, een toename verwacht van het aantal patiënten met chronische Q-koorts. Chronische Q-koorts is een ernstig ziektebeeld waaraan nog steeds patiënten overlijden. Longontstekingen In Nederland en in andere Europese landen was er in 2011 een epidemie van infecties met Mycoplasma pneumoniae. Deze bacterie veroorzaakt luchtweginfecties en is de belangrijkste veroorzaker van longontsteking bij kinderen. Een epidemie komt elke vier tot zeven jaar voor. Het aantal meldingen van Psittacose, een soort longontsteking, was stabiel (78), maar net als vorig jaar was het aantal ziekenhuisopnames als gevolg van deze aandoening relatief hoog. Na een aanzienlijke toename in 2010 was het aantal meldingen van longontsteking veroorzaakt door de legionella-bacterie (veteranenziekte) in 2011 weer terug op het gebruikelijke niveau (312). Tuberculose Het aantal meldingen van tuberculose nam iets af, van 1.065 naar 1.007, maar het percentage multiresistente tuberculose steeg licht (van 1,4 naar 2 procent). Bijna driekwart van de tbc-patiënten die in 2011 in Nederland zijn gediagnosticeerd, is in het buitenland geboren; vooral onder Somaliërs komt relatief veel tbc voor. Waarschijnlijk heeft het merendeel de besmetting in het buitenland opgelopen. Bij circa 15 procent van alle tbc-patiënten is het aannemelijk dat de infectie recentelijk binnen Nederland is opgelopen.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Overmatig gebruik van alcohol, tabak en drugs veroorzaakt op termijn lichamelijke gezondheidsschade. Roken verhoogt het risico op longkanker en overmatig alcoholgebruik is geassocieerd met levercirrose en tumoren in de mondholte, slokdarm en de lever. De medische behandeling daarvan brengt kosten met zich mee. Ten opzichte van drugsgebruik zijn de gezondheidsschade en de behandelingskosten van overmatig alcohol- en tabakgebruik hoger. Dat komt vooral doordat relatief veel mensen roken (27 procent van de Nederlandse bevolking) of overmatig alcohol gebruiken (84 procent drinkt, waarvan 10 procent overmatig). Drugs worden daarentegen door relatief weinig mensen (recent gebruik is 0,1 tot 4,2 procent) en meestal gedurende enkele jaren gebruikt. Op individueel niveau is de lichamelijke gezondheidsschade van overmatig alcohol- en tabakgebruik vergelijkbaar met die van recreatief gebruik van de harddrugs heroïne en crack. In het algemeen leidt alleen intensief gebruik van drugs en genotmiddelen tot grote lichamelijke gezondheidsschade. Lichamelijke gevolgen van drugs zijn beperkt Deze conclusie blijkt uit een literatuuronderzoek van het RIVM. Hierin wordt een overzicht gegeven van de lichamelijke gezondheidsschade van zeventien recreatieve drugs, alcohol en tabak. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van ZonMw, dat ook onderzoek heeft laten doen naar de psychische, verslavende en sociale effecten van drugs. Deze gevolgen zijn waarschijnlijk vaak groter dan de lichamelijke gezondheidsschade. Lichamelijke gevolgen van de vier meest gebruikte drugs Van de vier meest gebruikte drugs, cocaïne, cannabis, amfetamine en ecstasy, lijkt het gebruik van ecstasy niet te leiden tot ernstige lichamelijke gezondheidsschade. Het roken van cannabis is positief geassocieerd met longkanker en COPD. Het gebruik van heroïne, cocaïne en crack kan leiden tot infectieziekten, AIDS en tuberculose; het gebruik van vuile naalden veroorzaakt hierbij de meeste problemen. Cocaïne-, crack- en (herhaald) amfetaminegebruik is gerelateerd aan hart- en vaatziekten. Van alle drugs is kans op een (fatale) hartaanval het grootst bij het snuiven van cocaïne. Ook het gebruik van khat en anabole steroïden wordt in verband gebracht met hart- en vaatziekten, maar het bewijs hiervoor is vrij zwak. Urologische complicaties door regelmatig gebruik van het narcosemiddel ketamine worden in de literatuur gemeld, maar ze komen weinig voor. Orale kankervormen kunnen ontstaan door intensief khatgebruik. Tot slot hebben vrijwel alle problematische gebruikers van harddrug tandheelkundige aandoeningen. Voor de meeste drugs is het moeilijk om aan te geven wat het verband is tussen het gebruik en de ziekten die daaruit voortvloeien. De drugs worden namelijk vaak in combinatie met andere drugs, en met tabak en alcohol gebruikt (polydrugsgebruik). Vooral de mate waarin en wijze waarop de middelen in het verleden zijn gebruikt, is nauwelijks bekend. Deze kennis is nodig om een verband te kunnen leggen tussen ziekten en het gebruik van de verschillende genotsmiddelen.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Tabaksrook is een complex mengsel van ongeveer 4000 stoffen. Het bevat verbrandingsproducten van de tabak, maar ook van additieven zoals smaakstoffen, die worden toegevoegd om de geur en smaak van het product aantrekkelijker te maken. Het RIVM heeft een methode ontwikkeld om te beoordelen bij welke concentratie in de longen deze stoffen risico's voor de gezondheid veroorzaken. Een dergelijke methode bestond nog niet. Inzicht hierin is belangrijk omdat beleidsmakers hiermee in de toekomst kunnen kiezen op welke schadelijke stoffen zij eventueel kunnen sturen. De methode is voortgekomen uit een internationaal project naar de gezondheidseffecten van tabaksadditieven in brede zin. De methode Voor de methode is een inhalatieblootstellingscenario ontwikkeld. Dit werkt als volgt: eerst wordt berekend welke hoeveelheid van de stof tijdens het roken daadwerkelijk de long binnenkomt (A). Daarna wordt berekend in welke hoeveelheid een stof uit de rook (rookcomponent) gezondheidsschade veroorzaakt (irritatie aan de neus, keel en/of long) als hij in de long terechtkomt. Voor de beoordeling is de hoogste dosering die geen neus, keel en longirritatie veroorzaakt van belang (B). Deze uitkomst wordt vervolgens vergeleken met hoeveel van de stof tijdens het roken daadwerkelijk de long binnenkomt. De verhouding tussen deze waarden (B/A) bepaalt de risicobeoordeling: hoe lager de verhouding, hoe groter de kans op een gezondheidsrisico. Voorbeelden Als voorbeelden voor de methode is het risico op neus-, keel- en longirritatie onderzocht van enkele stoffen die veel in sigaretten voorkomen; andere gezondheidseffecten, zoals kanker of vruchtbaarheidsproblemen, zijn hier niet in meegenomen. Als tabaksadditieven zijn dat de ammoniumverbindingen, glycerol en propyleenglycol. Voor de stoffen in de rook zijn acetaldehyde, acroleïne, formaldehyde en 2-furfural geselecteerd, omdat ze onder andere kunnen vrijkomen als tabaksadditieven verbranden. Hieruit blijkt dat neus, keel en/of longirritatie ontstaat als de sigaretten de additieven glycerol en propyleenglycol bevatten. Hetzelfde geldt voor de rookcomponenten aceetaldehyde, acroleïne en formaldehyde. Deze uitkomsten zijn niet representatief voor alle stoffen in rook. Meer onderzoek naar gezondheidseffecten van meer stoffen is nodig.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
State of the art of contaminated site management in The Netherlands: policy framework and risk assessment tools | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Molecular typing of Coxiella burnetii from animal and environmental matrices during Q fever epidemics in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Establishment and first experiences of the National Serum Depot in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Improving test properties for neonatal cystic fibrosis screening in the Netherlands before the nationwide start by May 1st 2011 | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Residual viral and bacterial contamination of surfaces after cleaning and disinfection | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Effectiveness of a web-based intervention aimed at healthy dietary and physical activity behavior: a randomized controlled trial about users and usage | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Global gene expression analysis in cord blood reveals gender-specific differences in response to carcinogenic exposure in utero | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
In 2011 waren 29 van de 34 Nationale Referentie Laboratoria (NRL's) in de Europese Unie in staat om hoge en lage concentraties van de Salmonellabacterie in gehakt (varken en rund) aan te tonen. Van de vijf overige behaalde één laboratorium een matig resultaat als gevolg van een overschrijffout van ruwe data naar de computer. Vier scoorden er om uiteenlopende redenen onvoldoende, zoals doordat een te beperkt aantal tests om Salmonella aan te tonen werd ingezet, of mogelijk door een kruisbesmetting tijdens het onderzoek. Van deze vier behaalden drie laboratoria het gewenste resultaat alsnog tijdens de herkansing. In totaal hebben de laboratoria, afhankelijk van de gebruikte methoden, tussen de 95 en 98 procent van de (besmette) Salmonella aangetoond. Ringonderzoek verplicht voor Europese lidstaten Dit blijkt uit het vijfde voedselringonderzoek dat het Referentie-Laboratorium van de Europese Unie (EURL) voor Salmonella heeft georganiseerd. Het onderzoek is in september 2011 gehouden, de herkansing was in januari 2012. Deelname aan het onderzoek is verplicht voor alle NRL's van de Europese lidstaten die ervoor verantwoordelijk zijn Salmonella op te sporen in voedsel. Het EURL-Salmonella is gevestigd bij het Nederlandse Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). De laboratoria tonen de Salmonellabacterie aan met behulp van drie internationaal erkende analysemethodes (RVS, MKTTn en MSRV). Vervolgens moeten zij de studie volgens voorschrift uitvoeren. Elk laboratorium krijgt daarvoor een pakket toegestuurd met gehakt (vrij van Salmonella) en referentiematerialen, die geen of verschillende besmettingsniveaus van Salmonella bevatten. Het gehakt en het referentiemateriaal worden vervolgens samengevoegd en onderzocht. Nieuw referentiemateriaal succesvol Tijdens dit ringonderzoek zijn voor het eerst de zogenoemde lenticule discs als referentiemateriaal gebruikt voor een voedselstudie. Deze vereisen een minder ingewikkelde voorbereiding dan de capsules die voorheen werden gebruikt. Een ander voordeel is dat de monsters die met dit materiaal worden gemaakt beter lijken op de 'gewone' monsters die in de dagelijkse praktijk bij de laboratoria binnenkomen om te worden onderzocht. De nieuwe werkwijze was dermate succesvol dat dit wordt voortgezet.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Dit report geeft een overzicht van de bemestingspraktijk in 2010 en de waterkwaliteit in 2010 en 2011 op graslandbedrijven in Nederland die meer dierlijke mest mogen gebruiken dan in de EU-Nitraatrichtlijn is aangegeven (derogatie). De gegevens uit dit onderzoek kunnen worden gebruikt om de gevolgen van derogatie voor de waterkwaliteit te bepalen. De waterkwaliteit gemeten in 2010 geeft de gevolgen weer van de landbouwpraktijk in 2009, het vierde jaar dat de derogatie in de praktijk werd toegepast. De waterkwaliteit gemeten in 2011 geeft de gevolgen weer van de landbouwpraktijk in 2010. Achtergrond derogatiemeetnet De Europese Nitraatrichtlijn verplicht lidstaten om het gebruik van dierlijke mest te beperken tot een bepaald maximum (de gebruiksnorm dierlijke mest van 170 kg stikstof per hectare). Een lidstaat kan de Europese Commissie vragen om onder voorwaarden van deze beperking af te wijken. Nederland heeft in december 2005 derogatie gekregen om van 2006 t/m 2009 af te mogen wijken van de gestelde norm voor dierlijke mest. Deze derogatie is op 5 februari 2010 verlengd t/m december 2013. Een van de voorwaarden hiervoor is dat de Nederlandse overheid een monitoringsnetwerk gericht op derogatie inricht en aan de Commissie jaarlijks rapporteert over de resultaten daarvan. Monitoring van bedrijfsvoering en waterkwaliteit in 2010 Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en LEI Wageningen UR, hebben dit monitoringsnetwerk in 2006 voor Nederland opgezet. Dit zogenoemde derogatiemeetnet meet de gevolgen van de landbouwpraktijk en de waterkwaliteit als landbouwbedrijven afwijken van de Europese gebruiksnorm voor dierlijke mest. Het derogatiemeetnet is een onderdeel van het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM). Voor het derogatiemeetnet is in 2010 van 294 graslandbedrijven de bedrijfsvoering gemonitord en van 290 bedrijven de waterkwaliteit. Het meetnet omvat 300 graslandbedrijven. Dat er minder dan 300 bedrijven zijn gerapporteerd komt doordat sommige bedrijven toch geen derogatie toepasten of toegekend kregen of niet langer deelnamen vanwege bedrijfsbeëindiging.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Influence of dietary protein intake and glycemic index on the association between TCF7L2 HapA and weight gain | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Pluimveevlees kan besmet zijn met de ziekteverwekkende bacterie Campylobacter. Dit kan een risico vormen voor de volksgezondheid als de consument onvoldoende keukenhygiëne in acht neemt, bijvoorbeeld door rauw vlees in aanraking te laten komen met andere producten of vlees onvoldoende te verhitten. Een besmetting veroorzaakt meestal diarree, maar kan ook tot ernstigere klachten leiden, zoals het prikkelbare darmsyndroom. Het RIVM heeft een objectieve risicomaat gebruikt om metingen van aantallen Campylobacter-bacteriën op kippenvlees om te zetten naar een indicator voor het aantal te verwachten zieken. Het risico blijkt per slachthuis te kunnen verschillen. Met deze informatie kunnen daardoor specifieke maatregelen worden ingezet. In 2008 is een convenant getekend tussen de pluimveesector (vertegenwoordigd door NEPLUVI) en het ministerie van VWS. Dit convenant bepaalde dat karkassen van vleeskuikens in zestien slachthuizen in 2009 en 2010 wekelijks zouden worden getest. Gemeten zijn de aantallen Campylobacter op het vel en de aantallen Campylobacter op de filet van de vleeskuikens, nadat ze in de slachthuizen waren gekoeld. De aantallen Campylobacter waren tijdens de zomermaanden tot een factor tien hoger dan in de wintermaanden. Deze informatie is nu benut om met wiskundige modellen te berekenen wat de blootstelling van de consument was bij de bereiding van kipfilet in de keuken. Deze schatting van de blootstelling is vervolgens gecombineerd met een zogenoemde dosis-responsrelatie, die de kans op ziekte aangeeft als mensen bepaalde hoeveelheden bacteriën binnenkrijgen. Het gemiddelde risico van een portie kipfilet bleek in de zomermaanden hoger te zijn dan in de winter. Er zijn duidelijke verschillen aangetroffen tussen de risico's van producten die van verschillende slachterijen afkomstig waren. Twee van de zestien slachthuizen lieten een duidelijk verhoogd risico zien. De periodes van hoger risico vielen niet altijd samen met de zomerperiode. Dit wijst erop dat er ook andere oorzaken aan de orde waren, zoals de proceshygiëne in de slachterijen of een hoge besmettingsgraad bij pluimveehouders. Elf slachterijen produceerden vlees waarvan het risico lager dan het gemiddelde was. De sector is inmiddels begonnen maatregelen te treffen, zoals een betere slachthygiëne of een betere afstelling van de apparatuur. In samenwerking met onder andere het RIVM zet NEPLUVI dit onderzoek voort om nauwkeurigere analyses te kunnen maken, onder andere van de effecten van de getroffen maatregelen.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Finding the right indicators for assessing quality midwifery care | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Cigarette smoking and risk of histological subtypes of epithelial ovarian cancer in the EPIC cohort study | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Individual and environmental predictors of health risk behaviours among Dutch adolescents: the HBSC study | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Improving ozone forecasts over Europe by synergistic use of the LOTOS-EUROS chemical transport model and in-situ measurements | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Detectable clonal mosaicism and its relationship to aging and cancer | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
The prospective association between total and type of fish intake and type 2 diabetes in 8 European countries: EPIC-InterAct study | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Comparison of standardised dietary folate intake across ten countries participating in the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Het beleidskader is een instrument van het RIVM om voorwaarden nader te omschrijven die gesteld zijn in de subsidieverlening aan de organisaties die de bevolkingsonderzoeken naar kanker uitvoeren. Het betreft een aanvulling op wat elders al is geregeld. Dit met het oog op de kwaliteit van de bevolkingsonderzoeken, de gegevensvastlegging voor evaluatie van de bevolkingsonderzoeken en de verbetering van de bevolkingsonderzoeken naar borstkanker en baarmoederhalskanker en de invoering van het bevolkingsonderzoek naar darmkanker. De voorwaarden worden als verplichtingen verbonden aan de subsidie die het RIVM toekent aan de organisaties die de bevolkingsonderzoeken uitvoeren. Als voorwaarden worden met name vastgelegd: - Registratie en certificering om op ieder moment te kunnen zien dat aan gestelde eisen voldaan wordt; - Enkele eisen ten behoeve van landelijk uniforme invoering en uitvoering van de bevolkingsonderzoeken; - Transparantie zoals die in het kader van Healthcare Governance ook van reguliere zorginstellingen wordt geëist.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
The Amsterdam-Granada Light Scattering Database | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Virus hazards from food, water and other contaminated environments | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Transcriptomic fingerprints in human peripheral blood mononuclear cells indicative of genotoxic and non-genotoxic carcinogenic exposure | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
A new OECD test guideline for the predatory soil mite Hypoaspis aculeifer: results of an international ring test | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Comparison of four probabilistic models (CARES®, Calendex™, ConsExpo, and SHEDS) to estimate aggregate residential exposures to pesticides | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Biowaiver monographs for immediate-release solid oral dosage forms: ketoprofen | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Towards quality criteria for regional public health reporting: concept mapping with Dutch experts | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Persistent organochlorine contaminants in hair samples of Northern Poland population, 1968-2009 | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Public health implications of standardized 25-hydroxyvitamin D levels: a decrease in the prevalence of vitamin D deficiency among older women in Germany | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Predicted mixture toxic pressure relates to observed fraction of benthic macrofauna species impacted by contaminant mixtures | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Het stikstofoverschot in de Nederlandse landbouw is tussen 1992 en 2010 met bijna 50 procent afgenomen. Dit is een gevolg van maatregelen die vanwege de Europese Nitraatrichtlijn in de Nederlandse landbouw zijn genomen, zoals minder mest gebruiken gedurende een kortere tijd van het jaar. Dit blijkt uit een inventarisatie van de ontwikkelingen in de grond- en oppervlaktewaterkwaliteit en de landbouwpraktijk. De rapportage hiervan is een vierjaarlijkse Europese verplichting. Het RIVM heeft de inventarisatie uitgevoerd met het Centraal Bureau voor de Statistiek, de Waterdienst, LEI (onderdeel van Wageningen UR) en Dienst Regelingen van het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie. Nitraatconcentratie daalt Dankzij de uitvoering van de Europese Nitraatrichtlijn is ook de nitraatconcentratie in het water dat uitspoelt uit de 'wortelzone' van landbouwpercelen naar het grond- en oppervlaktewater sterk gedaald tussen 1992 en 2010. Vooral in de zandgebieden is dat het geval: in deze gebieden daalde de gemiddelde concentratie van 140 naar 60 milligram per liter. In de gebieden met kleigrond zijn de gemiddelde nitraatconcentraties in het uitspoelende water eveneens gedaald, naar 29 milligram per liter. In veengrond is altijd weinig nitraat in het uitspoelende water aanwezig (minder dan 10 milligram per liter). Dat komt doordat nitraat in veengronden snel afbreekt. Zoet oppervlaktewater In zoet oppervlaktewater schommelt de gemiddelde nitraatconcentratie sinds 2002 rond hetzelfde niveau (15 milligram per liter in 2008-2010). Desondanks is tussen 2004 en 2010 de chlorofyl-a-concentratie in de zomerperiode (een indicator voor eutrofiëring) in regionale zoete oppervlaktewateren die door de landbouw worden beïnvloed licht toegenomen. Waterkwaliteit blijft zich verbeteren Het is te verwachten dat de waterkwaliteit in Nederland in de komende jaren verder verbetert. Het duurt namelijk enkele jaren voordat de maatregelen uit het huidige actieprogramma (2010-2013), zoals aangescherpte gebruiksnormen voor mest, uitgedrukt in de hoeveelheid stikstof, zich vertalen naar een betere waterkwaliteit.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Oseltamivir-resistant influenza A(H1N1)pdm09 virus in Dutch travellers returning from Spain, August 2012 | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Increased transmission of Mycobacterium tuberculosis Beijing genotype strains associated with resistance to streptomycin: a population-based study | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Blood pressure in 12-year-old children is associated with fatty acid composition of human milk: The prevention and incidence of asthma and mite allergy birth cohort | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Effectiveness and timing of vaccination during school measles outbreak | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
West-Nijl-viruspoliomyelitis na vakantie in Egypte | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
An outbreak of scabies in multiple linked healthcare settings in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Voordat een chemische stof op de markt kan worden gebracht, is de producent verplicht om aan te tonen dat de stof geen verhoogd risico geeft op kanker. De klassieke test hiervoor is een tweejarige proefdiertest, die een zeer groot aantal proefdieren vereist en bovendien relatief veel vals positieve resultaten geeft. In bepaalde gevallen is een kortdurende toxiciteitstudie, die negentig dagen duurt, een mogelijk alternatief. Hierdoor zouden aanzienlijk minder proefdierstudies nodig zijn, zonder de volksgezondheid in gevaar te brengen. Dit blijkt uit een literatuurstudie van het RIVM. In de literatuurstudie van het RIVM is onderzocht of resultaten uit kortdurende toxiciteitsstudies kunnen voorspellen of een stof kankerverwekkend is. Als je in een kortdurende test toxische effecten vindt, bijvoorbeeld een toename in de celdeling of sterk vergrootte cellen, dan zegt dit nog steeds weinig of de stof wel of niet kankerverwekkend is. Toxische effecten bleken namelijk met wisselend succes te voorspellen of een stof kankerverwekkend is. Bij dergelijke resultaten is dan toch de langdurige dierstudie nodig om hierover duidelijkheid te krijgen. Daar staat tegenover dat als je geen effect vindt de stof ook hoogstwaarschijnlijk geen kanker veroorzaakt. In dit geval is een tweejarige test niet nodig. Deze studie laat zien dat de huidige criteria om tot een tweejarige dierproefstudie over te gaan, kunnen worden verfijnd.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Robust reconstruction and analysis of outbreak data: influenza A(H1N1)v transmission in a school-based population | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Combined species identification, genotyping, and drug resistance detection of Mycobacterium tuberculosis cultures by MLPA on a bead-based array | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Toxicogenomic profiles in relation to maternal immunotoxic exposure and immune functionality in newborns | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Risk based microbiological criteria for Campylobacter in broiler meat in the European Union | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Rapid detection of the recently emerged Bordetella pertussis strains with the ptxP3 pertussis toxin promoter allele by real-time PCR | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Biomarker dynamics: estimating infection rates from serological data | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Towards a decade of detecting new analogues of sildenafil, tadalafil and vardenafil in food supplements: a history, analytical aspects and health risks | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Transcriptome analysis of the human T lymphocyte cell line Jurkat and human peripheral blood mononuclear cells exposed to deoxynivalenol (DON): new mechanistic insights | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
High concentrations of amniotic fluid proinflammatory cytokines in healthy neonates are associated with low risk of respiratory syncytial virus bronchiolitis | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Come fly with me: review of clinically important arboviruses for global travelers | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Dose-response analysis of phthalate effects on gene expression in rat whole embryo culture | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Two-component cluster analysis of a large serodiagnostic database for specificity of increases of IgG antibodies against pertussis toxin in paired serum samples and of absolute values in single serum samples | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Technology transfer in human vaccinology: A retrospective review on public sector contributions in a privatizing science field | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Physical fitness, rather than self-reported physical activities, is more strongly associated with low back pain: evidence from a working population | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
De Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) heeft de afgelopen jaren veel aandacht gehad voor de kwaliteit en veiligheid bij radiologieafdelingen van ziekenhuizen. Andere afdelingen waar met röntgenapparatuur wordt gewerkt, kwamen minder goed in beeld. Dit geldt ook voor medische praktijken buiten ziekenhuizen, waar het gebruik van röntgenapparatuur toeneemt. De IGZ houdt toezicht op het gebruik van medische röntgenapparatuur, vooral vanwege het risico dat de patiënt loopt door de röntgenstraling. Daarom heeft het RIVM in kaart gebracht bij welke instellingen en medische verrichtingen buiten ziekenhuizen deze apparatuur wordt gebruikt. Daarnaast is onderzocht waar hoge dosisverrichtingen binnen ziekenhuizen op andere afdelingen dan radiologie plaatsvinden. Gebruik buiten ziekenhuizen Medische röntgenapparaten waarvoor een vergunning nodig is, blijken buiten ziekenhuizen vooral te worden gebruikt door GGD'en, tandartsen, GGZinstellingen en revalidatiecentra. Het meest in het oog springt het toenemende gebruik van zogeheten Cone Beam CT in de mondzorg, waarmee driedimensionale afbeeldingen worden gemaakt. De patiënt wordt hierbij aan meer straling blootgesteld dan bij de tweedimensionale panoramafoto, hoewel de driedimensionale foto in veel gevallen geen bewezen meerwaarde heeft. Om het aanvragen van een vergunning te voorkomen, zouden deze apparaten soms op een lagere buisspanning worden ingesteld, wat de dosis voor de patiënt iets hoger maakt. Gebruik in ziekenhuizen, buiten afdelingen radiologie Voor deze categorie heeft het RIVM in kaart gebracht bij welke specialisten patiënten worden blootgesteld aan relatief hoge doses röntgenstraling bij diagnostische handelingen en interventies. Dat zijn cardiologen, vaatchirurgen, internisten, maag-darm-lever-artsen en urologen. Veel voorkomende handelingen met een relatief hoge dosis voor de patiënt zijn vaatdiagnostiek, het plaatsen van stents en de diagnostiek van galwegen. Hierbij valt op dat cardiologen röntgenapparatuur vaak laten bedienen door eigen assistenten die wellicht geen stralingshygiënische opleiding hebben, terwijl dat op de afdeling radiologie gebeurt door radiodiagnostisch laboranten.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Als gevolg van de klimaatverandering kan de kwaliteit van oppervlaktewater rond 2050 zodanig zijn verslechterd dat het zonder extra maatregelen ongeschikt is om er drinkwater van te bereiden. Deze situatie doet zich voor in droge jaren, als normen voor stoffen gedurende perioden (van dagen tot maanden) worden overschreden. Deze normoverschrijdingen doen zich nu al voor in zeer droge jaren en kunnen in de toekomst toenemen. De mate waarin dit gebeurt hangt af van de klimatologische ontwikkelingen. Oppervlaktewater als bron voor drinkwater onder druk Dit blijkt uit verkennende berekeningen van Deltares die het RIVM heeft geanalyseerd in opdracht van het Deltaprogramma Zoetwater. De uitkomsten gelden voor bijna alle locaties in Nederland waar oppervlaktewater wordt onttrokken voor de productie van drinkwater (innamepunten). Dit oppervlaktewater wordt gebruikt om ongeveer 40% van de Nederlandse bevolking van drinkwater te voorzien. De kwaliteit van water verslechtert tijdens perioden waarin de hoeveelheid water die door rivieren stroomt afneemt. De invloed van lozingen door afvalwaterzuiveringen en industrie op de waterkwaliteit is dan veel groter. Dat komt doordat het water minder verdund raakt. Specifieke maatregelen per innamepunt aanbevolen Bijna de helft van de innamepunten liggen in delen van kanalen en rivieren waar in droge perioden bijna geen of heel weinig nieuw water als verversing wordt aangevoerd. Hier wordt de waterstand kunstmatig hoog gehouden (stagnante zones). In deze zones kan een kleine variatie in doorstroming van het water al veel effect hebben op de berekende concentraties van stoffen. Aanbevolen wordt daarom om met de betrokken partijen (waterbeheerder, rijk, provincie en drinkwaterbedrijf) specifiek naar de situatie per innamepunt te kijken. De gesignaleerde risico's kunnen dan nader worden gewogen en effectieve maatregelen worden ontwikkeld. Voorbeelden van maatregelen zijn: het toelatingsbeleid van stoffen aanscherpen, de lozingen verminderen, stagnante zones doorspoelen zodat het oppervlaktewater wordt ververst, en het drinkwaterzuiveringsproces uitbreiden met een extra stap.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Hypophosphatemia, fever and prolonged length of hospital stay in seronegative PCR positive patients as compared to seropositive patients with early acute Q fever pneumonia | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Deze rapportage omvat een inventarisatie van de problematiek rond de classificatie van biologische agentia, die ziekte bij de mens kunnen veroorzaken. De constatering is dat de Europese lijst met classificaties verouderd is en geactualiseerd en uitgebreid zou moeten worden. De lijst bevat conceptuele en redactionele omissies. Het ontbreken van informatie over ondermeer dierpathogenen, opportunistische pathogenen, genetisch gemodificeerde microorganismen, verzwakte stammen, toxines en biologische agentia met een verhoogd risico in bepaalde situaties (bijv. zwangerschap), wordt gezien als een belangrijke tekortkoming van de Europese lijst. In Nederland zijn vanwege de inbedding in de Arbowetgeving de werkgevers verantwoordelijk voor de classificaties van biologische agentia die niet op de lijst staan, indien er gericht gewerkt wordt met deze agentia. Echter, de gebruikte definities, instructies en voorschriften voor het opstellen van classificaties zijn niet altijd even éénduidig. Een aanbeveling is om de bijlagen met classificaties, los te koppelen van de Richtlijn, zodat het mogelijk wordt om deze op een meer frequente basis te onderhouden. Er zijn voldoende online en interactieve mogelijkheden om een centrale database op te zetten met informatie over biologische agentia, inclusief de actuele classificaties. Het beheren van een dergelijke informatiebron zou bijvoorbeeld neergelegd kunnen worden bij een organisatie als het European Centre for Disease Prevention and Control (ECDC) en/of het Europese Agentschap voor Veiligheid en Gezondheid op het Werk (EU-OSHA), in Bilbao (Spanje).
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Aetiology of acute gastroenteritis in adults requiring hospitalization in The Netherlands | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Differences in persistence of measles, mumps, rubella, diphtheria and tetanus antibodies between children with rheumatic disease and healthy controls: a retrospective cross-sectional study | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Seroprevalence of hepatitis E antibodies and risk profile of HEV seropositivity in the Netherlands, 2006-2007 | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Deze rapportage omvat een inventarisatie van de problematiek rond de classificatie van biologische agentia, die ziekte bij de mens kunnen veroorzaken. De constatering is dat de Europese lijst met classificaties verouderd is en geactualiseerd en uitgebreid zou moeten worden. De lijst bevat conceptuele en redactionele omissies. Het ontbreken van informatie over ondermeer dierpathogenen, opportunistische pathogenen, genetisch gemodificeerde microorganismen, verzwakte stammen, toxines en biologische agentia met een verhoogd risico in bepaalde situaties (bijv. zwangerschap), wordt gezien als een belangrijke tekortkoming van de Europese lijst. In Nederland zijn vanwege de inbedding in de Arbowetgeving de werkgevers verantwoordelijk voor de classificaties van biologische agentia die niet op de lijst staan, indien er gericht gewerkt wordt met deze agentia. Echter, de gebruikte definities, instructies en voorschriften voor het opstellen van classificaties zijn niet altijd even éénduidig. Een aanbeveling is om de bijlagen met classificaties, los te koppelen van de Richtlijn, zodat het mogelijk wordt om deze op een meer frequente basis te onderhouden. Er zijn voldoende online en interactieve mogelijkheden om een centrale database op te zetten met informatie over biologische agentia, inclusief de actuele classificaties. Het beheren van een dergelijke informatiebron zou bijvoorbeeld neergelegd kunnen worden bij een organisatie als het European Centre for Disease Prevention and Control (ECDC) en/of het Europese Agentschap voor Veiligheid en Gezondheid op het Werk (EU-OSHA), in Bilbao (Spanje).
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Implementation of a lifestyle intervention for type 2 diabetes prevention in Dutch primary care: opportunities for intervention delivery | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Het RIVM heeft een verkenning uitgevoerd van omgevingsmaatregelen die op lokaal niveau worden ingezet om te bevorderen dat volwassenen met een chronische ziekte of lichamelijke beperking kunnen (blijven) deelnemen aan de samenleving. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om deelname aan het verkeer en vervoer of aan activiteiten buitenshuis. De inventarisatie is uitgevoerd in opdracht van het ministerie van VWS om inzichtelijk te maken welke maatregelen de maatschappelijke participatie daadwerkelijk bevorderen. 'Meedoen' is zowel voor de samenleving in zijn geheel als voor het individu van belang. Gekeken is welke maatregelen lokaal worden genomen, omdat steeds meer taken op dit vlak van de rijksoverheid naar gemeenten worden overgeheveld. Voor de inventarisatie zijn 24 maatregelen vanuit de fysieke en sociale omgeving beschreven. Voorbeelden vanuit het fysieke domein zijn maatregelen die erop gericht zijn om vervoersproblemen te verminderen, toegankelijkheid van ontoegankelijke woningen/gebouwen te verbeteren en belemmeringen in de woonomgeving te verminderen. Vanuit het sociale domein gaat het om maatregelen die financiële drempels wegnemen, een sociaal netwerk stimuleren, begrip en acceptatie vergroten, en kennis over het aanbod aan sport- en vrije tijdsactiviteiten verbeteren. Over de effecten van deze maatregelen blijkt echter nog weinig bekend te zijn in de literatuur. Uit navraag bij experts blijkt dat de meningen over effecten en haalbaarheid divers zijn. Wel zijn enkele factoren te benoemen die de haalbaarheid van de geselecteerde maatregelen bevorderen of belemmeren. Bevorderende factoren zijn onder andere: een structurele financiering, de wensen van de doelgroep betrekken bij de ontwikkeling van beleid, en de mate waarin de maatregel aansluit bij bestaand beleid. Belemmerende factoren zijn onder andere: (angst voor) hoge kosten, onjuiste afbakening van de doelgroep van de maatregel, en een risico dat mensen afhankelijk worden gemaakt maken van hulp door de maatregel aan te bieden.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM controleert achtmaal per jaar de metingen van de voormalige kernenergiecentrale Dodewaard. Het gaat hierbij om lozingen van radioactiviteit in ventilatielucht. De contra-expertise onderbouwt de betrouwbaarheid van de analyses die de kernenergiecentrale uitvoert. Doorgaans komen de analyses overeen, zo ook in de periode 2007 - 2010. RIVM en de kernenergiecentrale vonden geen gamma-stralers in ventilatielucht. De kernenergiecentrale is sinds 1997 buiten bedrijf en is in juli 2005 in de fase Veilige Insluiting overgegaan. Het voornemen is om de kernenergiecentrale over veertig jaar, als de radioactiviteit sterk is afgenomen, te ontmantelen. RIVM heeft in de periode 2007 - 2010 jaarlijks acht monsters van ventilatielucht geanalyseerd op gamma activiteit, die verspreid over het jaar zijn genomen. Tevens is er in monsters van ventilatielucht de activiteit van 3H en 14C bepaald. Er is door RIVM geen gamma-activiteit, geen 14C activiteit en slechts een zeer geringe 3H activiteit aangetroffen. Hoogstwaarschijnlijk zijn deze 3H sporen afkomstig uit de poriën van het gebouw zelf. Er is geen afvalwater geloosd in de periode 2007 - 2010. Opdrachtgever is de Kernfysische Dienst van het ministerie van VROM.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Het beleidskader is een instrument van het RIVM om voorwaarden te stellen aan de organisaties die de bevolkingsonderzoeken naar kanker uitvoeren. Het betreft een aanvulling op wat elders al is geregeld. Dit met het oog op de kwaliteit van de bevolkingsonderzoeken, de gegevensvastlegging voor evaluatie van de bevolkingsonderzoeken en de verbetering van de bevolkingsonderzoeken. De voorwaarden worden als verplichtingen verbonden aan de subsidie die het RIVM toekent aan de organisaties die de bevolkingsonderzoeken uitvoeren. Als voorwaarden worden met name vastgelegd: - Registratie en certificering om op ieder moment te kunnen zien dat aan gestelde eisen voldaan wordt; - Enkele eisen ten behoeve van landelijk uniforme uitvoering van de bevolkingsonderzoeken; - Transparantie zoals die in het kader van Healthcare Governance ook van reguliere zorginstellingen wordt geëist.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM controleert achtmaal per jaar de metingen van de verrijkingsfabriek Urenco te Almelo. Het gaat hierbij om lozingen van radioactiviteit in water en lucht. De contra-expertise onderbouwt de betrouwbaarheid van de analyses die Urenco uitvoert. Uit de metingen blijkt dat er in het afvalwater doorgaans een (zeer) lage totaal alfa en totaal bèta activiteit aanwezig is. De totaal alfa analyses in afvalwater komen goed overeen, zo ook in 2010. Indien de totaal bèta resultaten gecorrigeerd worden voor verval van 234Th dan verbetert de overeenkomst naar redelijk. De radioactiviteit in ventilatielucht ligt zeer dicht bij het niveau van de hoeveelheid radon die van nature in buitenlucht aanwezig is. In drie gevallen, twee bij CSB en één bij SP4, is er een kleine vrijzetting voorgekomen van uraan in ventilatielucht. Voor totaal alfa is een activiteitsconcentratie van 0,6 - 3,4 mBq.m-3 gevonden en voor totaal bèta 0,5 - 3,5 mBq.m-3. De overeenstemming met de meetwaarden van Urenco was goed. Het RIVM heeft in acht afvalwatermonsters en 33 monsters van ventilatielucht, die verspreid over het jaar 2010 door Urenco zijn afgenomen, de totaal alfa en totaal bèta activiteit bepaald. Deze bepaling is een snelle manier om een eventuele lozing van uraan naar het milieu aan te tonen. Opdrachtgever is de Kernfysische Dienst van het ministerie van VROM.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM controleert achtmaal per jaar de metingen van NRG. Het gaat hierbij om lozingen van radioactiviteit in water en lucht. De contra-expertise onderbouwt de betrouwbaarheid van de analyses die NRG uitvoert. Ook in 2010 komen de analyses goed overeen, met name voor de gammaspectrometrie en totaal-alfa resultaten. Enkele structurele verschillen in dat jaar betreffen de totaal-beta metingen in afvalwater; RIVM meet altijd veel lager dan NRG. Dit wordt deels verklaard door het feit dat er veel kortlevende beta-stralers in het afvalwater aanwezig zijn, en deels door verschillen in de meetmethoden die NRG en RIVM toepassen. De overeenstemming in de tritium resultaten kan nog enigszins verbeterd worden. De resultaten behaald door NRG en RIVM in ventilatieluchtmonsters zijn in goede overeenstemming. De totaal-alfa en totaal-beta resultaten zijn alle op of dicht bij de detectiegrens. In het enige geval waar er een vergelijking gemaakt kan worden is er een goede overeenstemming in de gammaspectrometrie resultaten voor 131I en 191Os; dit betreft het eerste monster. Het RIVM heeft in 2010 acht afvalwatermonsters en acht monsters van ventilatielucht geanalyseerd, die verspreid over het jaar gedurende een week door NRG zijn genomen. Opdrachtgever is de Kernfysische Dienst van het ministerie van VROM.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM controleert achtmaal per jaar de metingen van COVRA . Het gaat hierbij om lozingen van radioactiviteit in water en lucht. De contra-expertise onderbouwt de betrouwbaarheid van de analyses die COVRA uitvoert. Doorgaans komen de afvalwateranalyses overeen, zo ook de gammaspectrometrieresultaten, de totaal alfa en 3H resultaten in 2010. Enkele verschillen in 2010 betreffen de totaal bèta meetwaarden van RIVM en de restbèta meetwaarden van COVRA. Desondanks is de gehele vergelijking acceptabel, mede gezien het feit dat RIVM en COVRA verschillende meetprincipes toepassen. De overeenstemming in de 14C resultaten in afvalwater is wat minder goed dan voorgaande jaren. De totaal alfa en totaal bèta meetresultaten in ventilatieluchtmonsters van het afvalverwerkingsgebouw komen doorgaans goed overeen. De gammastraler 125I is door RIVM en COVRA aangetroffen in slechts één ventilatieluchtmonster. De overeenstemming is goed. 3H en 14C zijn beide aangetroffen met een goede overeenstemming. Zowel RIVM and COVRA hebben geen gammastralers, geen totaal alfa of totaal bèta activiteit aangetroffen in ventilatielucht van HABOG. Slechts enkele sporen van 3H en 14C zijn gevonden, met een overwegend goede overeenstemming. Het RIVM heeft in 2010 acht afvalwatermonsters en acht monsters van ventilatielucht van zowel het afvalverwerkingsgebouw als het HABOG geanalyseerd, die verspreid over het jaar door COVRA zijn genomen. Opdrachtgever is de Kernfysische Dienst van het ministerie van VROM.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Op verzoek van het ministerie van VWS onderzoekt het RIVM jaarlijks hoeveel mensen ziek worden van 14 darminfecties. Deze infecties kunnen worden overgedragen via voedsel, het milieu, dieren en de mens. Het aantal mensen dat ziek wordt van een infectie of eraan overlijdt, wordt uitgedrukt in DALY's (Disability Adjusted Life Year); een maat voor gezondheidsverlies onder de bevolking. De ziektelast die door de 14 darminfecties in totaal werd veroorzaakt steeg van 13.500 DALY in 2009 naar 14.400 DALY in 2010. Het deel van deze ziektelast dat alleen via voedsel werd overgedragen, steeg van 6.020 tot 6.440 DALY. De stijging in de ziektelast via voedsel komt doordat er ten opzichte van 2009 meer mensen ziek zijn geworden van een infectie met de Campylobacter spp., Salmonella spp., het norovirus, het rotavirus en het hepatitis A-virus. Daarnaast zijn er meer mensen overleden als gevolg van een infectie met Listeria monocytogenes. De meeste van deze stijgingen vallen binnen de marges voor de mate waarin deze infecties voorkomen ten opzichte van het voorgaande decennium. Dit geldt niet voor het aantal infecties met de Campylobacterbacterie. Deze veroorzaakte in 2010 ongeveer 25 procent vaker een infectie dan in voorgaande jaren. Een verklaring hiervoor is niet voorhanden. De resultaten van dit onderzoek bieden handvaten om meer zicht te krijgen op het daadwerkelijke aantal voedselinfecties dat mensen jaarlijks oplopen en de ziektelast die daardoor wordt veroorzaakt. De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) en GGD'en registeren en onderzoeken in Nederland uitbraken van voedselinfecties en -vergiftigingen. Het merendeel van de infecties wordt echter niet gemeld.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Modeling Down syndrome screening performance using first-trimester serum markers | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Prevalence and determinants associated with healthcare-associated infections in long-term care facilities (HALT) in the Netherlands, May to June 2010 | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Emergence of MRSA of unknown origin in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Keeping participants on board: increasing uptake by automated respondent reminders in an Internet-based chlamydia screening in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Costs of gastroenteritis in the Netherlands, with special attention for severe cases | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Het belang van een goed herstel na arbeid Mensen, die in ploegendiensten werken, lopen het risico zich slechter te kunnen concentreren als zij onvoldoende rust kunnen nemen na hun werk. Hierdoor kunnen zij op het werk fouten maken, waardoor onveilige situaties ontstaan. Daarnaast bestaat de kans dat medewerkers die tussen hun diensten door te weinig rusten, fysiek chronisch ontregeld raken, wat de kans op 'chronische' aandoeningen als 'burn-out', kanker, cardiovasculaire en psychiatrische aandoeningen vergroot. Dit blijkt uit beperkt literatuuronderzoek van het RIVM naar de benodigde rustperiodes bij ploegendienstmedewerkers. In Nederland werken 1,1 miljoen mensen 's nachts en circa 3 miljoen mensen 's avonds, zoals verpleegkundigen en vrachtwagenchauffeurs. Factoren voor onvoldoende herstel na arbeid In de Arbeidstijdenwet (ATW) staat onder meer per type werkrooster voorgeschreven hoeveel uren rust werknemers minimaal moeten krijgen. Ploegendienstmedewerkers verdienen daarbij extra aandacht, omdat zij regelmatig in avond- en nachtdiensten werken. Hierdoor raakt hun slaapritme verstoord of ontstaat een slaaptekort omdat ze bijvoorbeeld zorgtaken moeten uitvoeren of overdag slechter slapen als gevolg van geluid, licht en hun kinderen. Slaaptekort is een belangrijke risicofactor voor fysiologische ontregeling en werkgerelateerde ziektelast. Ook kunnen werkdagen van meer dan twaalf uur bij ploegendienstmedewerkers meer ziektelast veroorzaken. Behalve specifiek voor ploegendienstwerk heeft het RIVM andere risicofactoren voor onvoldoende herstel in kaart gebracht. Dat betreft een hogere leeftijd, overwerken, een zwaar beroep (zoals politieagent, arts of verpleegkundige), mantelzorg, 'op afroep'-diensten en een ongunstige thuis-werkbalans. Nieuwe werkvormen Nieuwe werkvormen De meeste werknemers ervaren nieuwe werkvormen, zoals zelfroostering, telewerken en Het Nieuwe Werken (HNW) als positief, onder andere vanwege de flexibele werktijden en de mogelijkheid om thuis te werken. Door deze werkvormen vervaagt echter de grens tussen 'werktijd' en 'privétijd', bijvoorbeeld als werknemers in privétijd achter de computer gaan zitten. De gezondheidseffecten hiervan op lange termijn zijn niet bekend. Ten slotte kan de herstelbehoefte bij werknemers toenemen als hun werkplek thuis niet optimaal is ingericht.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM heeft, in opdacht van het ministerie van Infrastructuur en Milieu (I&M), milieurisicogrenzen voor trifenyltin in water bepaald. Dit was nodig omdat de huidige norm voor trifenyltin voor waterkwaliteit niet is afgeleid volgens de meest recente methodiek. Trifenyltin wordt voornamelijk gebruikt als middel om hout te conserveren en om te voorkomen dat onder water op de romp van schepen organismen groeien (aangroeiwerend middel). Het gebruik als aangroeiwerend middel is in Europa sinds 2003 niet meer toegestaan. De Stuurgroep Stoffen stelt de nieuwe normen vast op basis van de wetenschappelijke advieswaarden in dit rapport. Er zijn milieurisicogrenzen bepaald voor kortdurende concentratiepieken en voor langdurige blootstelling waarbij geen schadelijke effecten te verwachten zijn. De milieurisicogrenzen voor langdurige blootstelling zijn bepaald voor jaargemiddelde concentraties. Meetgegevens geven aan dat deze waarschijnlijk in Nederlands zeewater en in zoutwatersediment worden overschreden. Voor zoetwater is dit onbekend, omdat de nieuwe milieurisicogrens lager is dan de laagste concentratie die met de huidige technieken in het milieu kan worden aangetoond. Voor de milieurisicogrenzen voor langdurige blootstelling in oppervlaktewater zijn drie routes onderzocht: directe effecten op waterorganismen, indirecte effecten op vogels en zoogdieren via het eten van prooidieren, en indirecte effecten op mensen via het eten van vis. De eerste van de drie levert de laagste waarde voor trifenyltin en bepaalt daarmee de milieurisicogrens voor langdurige blootstelling voor zoet- en zoutwater (0,23 nanogram per liter). De milieurisicogrens die het ecosysteem beschermt tegen kortdurende concentratiepieken, is 0.47 microgram per liter voor zoet- en zoutwater.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
De drug GHB (gammahydroxyboterzuur) is zeer verslavend. Het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) heeft het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) daarom gevraagd te onderzoeken of deze drug schadelijk is voor de hersenen. GHB-gebruikers hebben moeite met het innemen van de juiste dosering vanwege de variatie in GHB-concentratie van de aangeboden vloeibare drug. Het gevolg is dat GHB-gebruikers regelmatig te veel GHB innemen, zodat ze tijdelijk in coma raken ('out gaan'). Dergelijke overdoseringen kunnen gepaard gaan met tijdelijk geheugenverlies en afname van cognitieve vaardigheden. Geheugenverlies treedt bij sommige GHBgebruikers inderdaad op, maar goede studies naar de cognitieve en geheugeneffecten bij de mens ontbreken in de bestudeerde literatuur. Resultaten uit proefdieronderzoek tonen echter aan dat GHB cognitieve schade geeft en schadelijk is voor de hippocampus, het hersengebied waar het geheugen en andere vormen van cognitief functioneren worden gereguleerd. Bij de mens is dit effect nog niet bewezen. Nader onderzoek is hiervoor nodig. GHB is oorspronkelijk ontwikkeld als narcosemiddel. De bijwerkingen van GHB op de hersenfunctie zijn vergelijkbaar met die van andere narcosemiddelen en zwaar alcoholgebruik, zoals hevig drinken ('binge drinking'). GHB en alcohol worden vaak tegelijk gebruikt, zodat beide 'drugs' elkaars schadelijke werking op het geheugen en cognitie kunnen versterken. Als wordt vastgesteld dat hoge doseringen GHB inderdaad de geheugenfunctie en andere cognitieve vaardigheden aantasten, kan VWS dit gegeven inzetten bij het beleid voor drugspreventie.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Beschermde natuurgebieden kunnen bedreigd worden door ongevallen bij grote bedrijven die gevaarlijke chemische stoffen opslaan of verwerken. Het RIVM heeft een begin gemaakt met een methodiek die aangeeft in welke mate een natuurgebied blootstaat aan een vrijgekomen stof. Specifiek wordt hierbij ingegaan hoe een stof zich verspreidt in de bodem, het water of in de lucht. Dit is afhankelijk van de hoeveelheid stof die vrijkomt, de weersomstandigheden en de afstand van het bedrijf tot het natuurgebied. De methodiek is bedoeld voor bevoegd gezag om de aanvraag van milieuvergunningen door dergelijke bedrijven te kunnen beoordelen. Met behulp van een hypothetische situatie wordt bovendien geïllustreerd hoe de methodiek werkt. Aanleiding voor de methodiek zijn aanpassingen in de Europese richtlijn SEVESO II in 2003. De verplichtingen uit deze richtlijn zijn voor Nederland opgenomen in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Hierin staat dat kwetsbare natuur moet worden beschermd. Minimale afstand tussen bedrijf en natuurgebied Met de methodiek kan ook worden aangegeven welke afstand tussen een bedrijf en een natuurgebied minimaal wordt aanbevolen om het tijdens een calamiteit te beschermen tegen blootstellingen aan gevaarlijke stoffen. Deze 'kritische afstanden' zijn afgeleid van bestaande risicogrenzen om situaties te beoordelen. Als een natuurgebied binnen de kritische afstand ligt, is het mogelijk dat het beleidsmatig gestelde doel om een natuurgebied te beschermen, niet wordt behaald. Deze situatie kan zich bijvoorbeeld voordoen als bestaande bedrijven uitbreiden. In dergelijke gevallen kunnen zij dan extra beschermende maatregelen treffen. De rapportage geeft ook aan welke keuzes en aannames in de risicobeoordeling kunnen worden gebruikt voor verschillende beschermingsdoelen. Op basis hiervan kan het beleid keuzes maken voor de diverse niveaus om natuurgebieden te beschermen.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Bedrijven die met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen werken vallen onder het Besluit Risico's Zware Ongevallen (BRZO). Zij moeten daardoor aan specifieke regels voldoen om zware ongevallen met grote gevolgen voor mens en milieu te voorkomen. Deze bedrijven staan onder toezicht van onder andere de Inspectie SZW (voorheen de Arbeidsinspectie). De Inspectie SZW beoordeelt of er een zogeheten veiligheidsbeheerssysteem (VBS) aanwezig is, of dit is toegesneden op de aanwezige risico's, en of het goed werkt. Uit een inventarisatie van het RIVM blijkt dat het mogelijk is om bij de beoordeling van een veiligheidsbeheerssysteem gebruik te maken van veiligheidsprestatieindicatoren. Vervolgens is een eerste aanzet gemaakt voor een set van dergelijke indicatoren voor het VBS. Het is nog onduidelijk of deze set bruikbaar is voor de Inspectie SZW. Indicatoren kunnen aangeven hoe goed een bedrijf de gevaren beheerst Het doel van veiligheidsprestatie-indicatoren is om informatie te geven over de veiligheidsprestaties van een bedrijf. Ze kunnen een belangrijke rol spelen in de communicatie en aangeven hoe goed het bedrijf de grote gevaren beheerst. Eerste aanzet voor een set van veiligheidsprestatie-indicatoren De set van veiligheidsprestatie-indicatoren is opgesteld op basis van een verkenning van wetenschappelijke literatuur en informatie van bedrijven, waaronder twaalf BRZO-bedrijven. In een volgende fase wordt onderzocht of de set veiligheidsprestatie-indicatoren voldoet aan de criteria die ervoor zijn gesteld en of ze aansluiten bij de indicatoren die sommige bedrijven zelf al hebben ontwikkeld. Ten slotte wordt de bruikbaarheid voor de Inspectie SZW nader onderzocht.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Werkgevers moeten ervoor zorgen dat hun werknemers veilig en gezond hun werk kunnen uitoefenen en dus geen nadelige gezondheidseffecten ondervinden door (mogelijke) blootstelling aan ziekteverwekkers. In bepaalde beroepen kunnen werknemers door de aard van hun werkzaamheden een verhoogde kans hebben om met ziekteverwekkende organismen in contact te komen. Om een beeld te krijgen van de infectieziekten die werknemers tijdens het werk kunnen oplopen (type en aantal), analyseert het RIVM jaarlijks het aantal gemelde arbeidsgerelateerde infectieziekten. Dit gebeurt in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW). Risicovolle werkomgeving In 2011 zijn 337 meldingen geregistreerd in de twee belangrijkste registratiesystemen van arbeidsgerelateerde infectieziekten: het registratiesysteem van het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten (NCvB) en het CIb-registratiesysteem Osiris waarin volgens de Wet publieke gezondheid (Wpg) meldingsplichtige infectieziekten worden geregistreerd. De kans om tijdens het werk infectieziekten op te lopen blijkt het hoogst in de gezondheidszorg, het onderwijs en de agrarische sector. Naar verwachting worden in de registratiesystemen lang niet alle infectieziekten gemeld die zijn opgelopen in de werkomgeving. Desondanks hebben de meldingen een signaalfunctie. De gemelde infectieziekten komen in grote lijnen overeen met de registraties van de afgelopen jaren. In 2011 hebben laboratoria en GGD'en 193 werknemers met arbeidsgerelateerde infectieziekten geregistreerd in Osiris. Het gaat daarbij vooral om kinkhoest, legionella, bof en malaria. Bedrijfsartsen hebben 141 werknemers met infectieziekten gerelateerd aan het werk gemeld bij het NCvB. Het betreft voornamelijk darminfecties, huidinfecties en tuberculose (inclusief besmettingen met tuberculosebacteriën zonder ziekteverschijnselen). Meer inzicht nodig op arbeidsgerelateerde infectieziekten Om meer zicht te krijgen op de mate waarin uiteenlopende typen infectieziekten voorkomen, is nader onderzoek in de risicovolle sectoren nodig. Werknemers en werkgevers kunnen met deze informatie zicht krijgen op mogelijke blootstellingsmomenten en transmissieroutes, waardoor zij preventieve maatregelen kunnen nemen.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Dit rapport geeft een overzicht van de bemestingspraktijk in 2010 en de waterkwaliteit in 2010 en 2011 op graslandbedrijven in Nederland die meer dierlijke mest mogen gebruiken dan in de EU-Nitraatrichtlijn is aangegeven (derogatie). De gegevens uit dit onderzoek kunnen worden gebruikt om de gevolgen van derogatie voor de waterkwaliteit te bepalen. De waterkwaliteit gemeten in 2010 geeft de gevolgen weer van de landbouwpraktijk in 2009, het vierde jaar dat de derogatie in de praktijk werd toegepast. De waterkwaliteit gemeten in 2011 geeft de gevolgen weer van de landbouwpraktijk in 2010. Achtergrond derogatiemeetnet De Europese Nitraatrichtlijn verplicht lidstaten om het gebruik van dierlijke mest te beperken tot een bepaald maximum (de gebruiksnorm dierlijke mest van 170 kg stikstof per hectare). Een lidstaat kan de Europese Commissie vragen om onder voorwaarden van deze beperking af te wijken. Nederland heeft in december 2005 derogatie gekregen om van 2006 t/m 2009 af te mogen wijken van de gestelde norm voor dierlijke mest. Deze derogatie is op 5 februari 2010 verlengd t/m december 2013. Een van de voorwaarden hiervoor is dat de Nederlandse overheid een monitoringnetwerk gericht op derogatie inricht en aan de Commissie jaarlijks rapporteert over de resultaten daarvan. Monitoring van bedrijfsvoering en waterkwaliteit in 2010 Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en LEI Wageningen UR, hebben dit monitoringsnetwerk in 2006 voor Nederland opgezet. Dit zogenoemde derogatiemeetnet meet de gevolgen van de landbouwpraktijk en de waterkwaliteit als landbouwbedrijven afwijken van de Europese gebruiksnorm voor dierlijke mest. Het derogatiemeetnet is een onderdeel van het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM). Voor het derogatiemeetnet is in 2010 van 294 graslandbedrijven de bedrijfsvoering gemonitord en van 290 bedrijven de waterkwaliteit. Het meetnet omvat 300 graslandbedrijven. Dat er minder dan 300 bedrijven zijn gerapporteerd komt doordat sommige bedrijven toch geen derogatie toepasten of toegekend kregen of niet langer deelnamen vanwege bedrijfsbeëindiging.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
In sommige Nederlandse woningen is waarschijnlijk meer radioactief thorongas (Rn-220) aanwezig dan tot nu toe werd aangenomen. Onlangs bleek dat zich in nieuwbouwwoningen minder radioactief radongas (Rn-222) bevindt dan eerder werd aangenomen. Nieuw onderzoek van het RIVM laat zien dat deze resultaten verband met elkaar houden: de in het verleden gebruikte radondetectoren blijken een combinatie van de hoeveelheid radon en thoron te laten zien. Om te kunnen bepalen wat de concentraties van beide gassen afzonderlijk in woningen zijn, zijn nieuwe metingen nodig. Dat is sinds kort mogelijk, doordat een detector beschikbaar is gekomen die de schadelijke vervalproducten van thoron registreert. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM dat is uitgevoerd ter voorbereiding van een survey naar radon en thoron in woningen. De survey gaat halverwege 2012 van start en zal bovenstaande bevindingen nader onderzoeken. De resultaten worden in 2014 verwacht. Vanaf 2006 hebben al een survey en kleinschalig onderzoek plaatsgevonden naar de stralingsbelasting in Nederlandse woningen die tussen 1994 en 2003 zijn gebouwd. Deze brachten aan het licht dat radondetectoren ook gevoelig zijn voor thoron, waardoor de oudere registraties minder nauwkeurig blijken. Ook vervalproducten thoron schadelijk voor gezondheid Thoron en radon zijn radioactieve isotopen van het element radon. Thoron heeft echter een veel kortere halveringstijd, waardoor het snel vervalt naar radioactieve zware metalen, zoals lood en polonium die aan stofdeeltjes blijven 'plakken'. Als deze stofdeeltjes worden ingeademd, kunnen ze het longweefsel beschadigen en, eventueel nog sterker in combinatie met roken, op termijn longkanker veroorzaken. De dosis door radon veroorzaakt zo naar schatting enkele honderden doden per jaar en voor thoron zou dit van een zelfde orde van grootte kunnen zijn. Voor de volksgezondheid is het daarom van belang ook deze thoronvervalproducten te meten. Bouwmaterialen belangrijkste bron thoron en radon Nederlandse burgers staan in hun huis bloot aan straling. Dit is ruwweg de helft van de totale stralingbelasting die zij gemiddeld gedurende een jaar oplopen. Een groot deel van de straling binnenshuis is een gevolg van het inademen van de radioactieve vervalproducten van radon en thoron. Deze edelgassen zijn afkomstig uit bouwmaterialen die gemaakt zijn van gesteente waarin radon en thoron van nature voorkomen. Voor thoron gaat het daarbij vooral om de lagen waarmee beton en bakstenen worden afgewerkt.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM heeft in opdracht van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM) onderzocht hoe de gegevens over de fysieke leefomgeving beter beschikbaar en bruikbaar kunnen worden gemaakt voor het nemen van besluiten over de leefomgeving. Het RIVM concludeert dat er al veel gegevens over de fysieke leefomgeving aanwezig zijn maar dat deze voor gebruikers vaak niet overzichtelijk, eenvoudig bereikbaar en bruikbaar zijn. Via diverse online registers, afstemmingsplatformen en andere initiatieven is al getracht hier verbetering in aan te brengen. In termen van beschikbaarheid, bruikbaarheid en bestendigheid van gegevens zijn er desondanks nog grote verschillen per domein (zoals lucht, erfgoed, natuur, water, bodem, externe veiligheid, afval/gevaarlijke stoffen en geluid). Voor diverse domeinen leidt dit momenteel nog steeds tot hiaten in kennis en vertragingen in besluit- en beleidsvorming. Voor de lange termijn wordt geadviseerd om toe te werken naar één ingang voor het bereiken van de gegevens die voor de Omgevingswet worden gebruikt. Dus voor zowel visies, verordeningen en programma's als vergunningen, projectbesluiten, toezicht en handhaving. Zo'n ingang zou toegang moeten geven naar gegevens uit bestaande dataregisters en databanken zoals de Nationale Databank Flora en Fauna. Verbeterde beschikbaarheid, bruikbaarheid en betrouwbaarheid van gegevens moet bijdragen aan snellere besluitvorming en meer samenhangende en eenvoudigere regelgeving; twee belangrijke doelen van de nieuwe Omgevingswet. Vanuit die gedachte adviseert het RIVM om in navolging van en naar het model van de Gegevensautoriteit Natuur de mogelijkheden van een college of platform van Gegevensautoriteiten Leefomgeving nader te verkennen. Via zo'n college zouden bestaande (of nog door de minister(s) en andere bevoegde autoriteiten aan te wijzen) onafhankelijke gegevensbeheerders gezamenlijk afspraken kunnen maken over de kwaliteitsborging en aanbevelingen kunnen doen over beschikbaarheid en bruikbaarheid van gegevens over de fysieke leefomgeving. De samenwerking binnen een dergelijk platform kan de bruikbaarheid en juridische bestendigheid van gegevens versterken. Gelijktijdig kunnen inhoudelijke strijdigheden en overlappingen worden beperkt. Door voort te bouwen op bestaande initiatieven wordt bestaande ervaring en kennis met het borgen van de kwaliteit en het bruikbaar maken van de gegevens effectief benut en continuïteit verkregen. Een college van gegevensautoriteiten kan stapsgewijs ontstaan door samenwerking tussen verschillende instanties die voor de verschillende domeinen van de leefomgeving thans een rol spelen bij de kwaliteitsborging van gegevens. Op korte termijn kan een verkenning gestart worden door een initiatiefgroep van partijen die hebben aangegeven geïnteresseerd te zijn in het nader uitwerken van i) de positionering, ii) de doelstelling, iii) de bevoegdheden, iv) de verantwoordelijkheden en v) de benodigde procedures voor het borgen van de kwaliteit en transparantie van - en inspraak op - omgevingsgegevens, van een mogelijk op termijn op te richten college van gegevensautoriteiten leefomgeving. Andere partijen kunnen in een latere fase op verzoek van de minister aansluiten bij dit groeimodel. In het kader van de Omgevingswet zal hierbij de onafhankelijkheid van de verschillende betrokken gegevensautoriteiten per domein van de leefomgeving geborgd moeten worden.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
De concentraties van stoffen die door het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit (LML) in Nederland gemeten worden, zijn in 2011 weinig veranderd ten opzichte van voorgaande jaren. Dit komt mede doordat de gemiddelde weersomstandigheden, die van invloed zijn op de luchtkwaliteit, niet substantieel afweken. Wel zijn in de eerste maanden op meer dagen dan in voorgaande jaren hoge concentraties fijn stof gemeten, vooral tijdens droge perioden in het voorjaar. Metingen 2011 Nederland had tot 11 juni 2011 uitstel gekregen om te voldoen aan de twee Europese fijnstofnormen: de jaargemiddelde concentratie (40 microgram per kubieke meter), en het maximum aantal dagen (35) waarop de fijnstofconcentratie hoger is dan 50 microgram per kubieke meter. Daardoor golden tot die datum tijdelijk verhoogde normen, waarna de definitieve normen weer van kracht werden. Met het oog op de doelstellingen voor de toekomst zijn de gemeten concentraties in dit jaaroverzicht zowel aan de tijdelijke als aan de definitieve normen getoetst. De jaargemiddelde concentratie fijn stof voldoet aan beide normen. Voor het maximaal toegestaan aantal dagen waarop de fijnstofconcentratie hoger is dan toegestaan, ligt dat anders. Deze norm is volgens de tijdelijk verhoogde norm niet overschreden. Als echter de definitieve Europese norm hiervoor het hele jaar zou hebben gegolden, was deze wel op een aantal LML-locaties overschreden. Dit is voor het laatste in 2007 voorgekomen. Ook voor stikstofdioxide geldt tot 1 januari 2015 tijdelijk een verhoogde norm. Deze norm is op LML-meetlocaties niet overschreden. De definitieve Europese norm voor jaargemiddelde stikstofdioxideconcentraties werd op een deel van de verkeersbelaste meetlocaties in 2011 wel overschreden. Verkeer levert een belangrijke bijdrage aan de stikstofdioxideconcentratie. Op regionale en stadsachtergrondstations zijn geen overschrijdingen van deze norm geconstateerd. Trendanalyses tot 2015 Ondanks de kleine verhoging van de jaargemiddelde fijnstofconcentraties ten opzichte van 2010 is de lange termijn trend nog steeds dalend. Voor stikstofdioxide waren de jaargemiddelde concentraties in 2011 iets lager dan in 2010, in lijn met de langjarige dalende trend. Als deze daling met dezelfde snelheid aanhoudt, is het niet zeker dat in 2015 op alle meetlocaties aan de stikstofdioxide grenswaarde wordt voldaan. Daarvoor is een sterkere afname nodig. Vernieuwing De concentratieniveaus van koolmonoxide en zwaveldioxide zijn in de afgelopen twintig jaar sterk gedaald. Hierdoor is de meetverplichting voor deze stoffen verminderd, en is de meetstrategie voor deze stoffen in de loop van 2011 in het LML aangepast. Daarnaast zijn in 2011 alle ozonmonitoren vervangen. De oude ozonmonitoren bleken de ozonconcentraties met circa 7 procent te laag te hebben gemeten; de historische ozonmeetreeks is daarom in 2011 gecorrigeerd.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
In dit rapport is het raamwerk beschreven voor een landelijke structuur van Referentie Laboratoria Microbiologie. De maatstaven waaraan een Nederlands Referentie Laboratorium Microbiologie moet voldoen, zijn beschreven. Er wordt onderscheid gemaakt tussen de status van Referentie Laboratorium, die aan (bijna) alle maatstaven voldoet, en die van Expertise Centrum, dat een deel van het takenpakket uitvoert. Bij een over het land verdeelde expertise wordt het consensus model gehanteerd. De in dit rapport beschreven referentiestructuur sluit aan bij die van het ECDC. De lijst van pathogenen waarvoor een referentiefunctie zal worden vastgesteld is gebaseerd op de melding-plichtige ziekten zoals die in de nieuwe Wet Publieke Gezondheid (WPG) zijn benoemd en op de pathogenen waarvoor het ECDC een referentiefunctie vraagt.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Integrale inzichten : Een verkenning van vijf lokale integrale gezondheidsprogramma's | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Per grondsoort is berekend in welke mate een stikstofoverschot bij akkerland en grasland tussen 1991 en 2009 uitspoelde naar het grond- en oppervlaktewater. Het stikstofoverschot is het verschil tussen de hoeveelheid stikstof die op het land wordt aangevoerd door het gebruik van mest en kunstmest, en de hoeveelheid die met de oogst wordt afgevoerd. Deze hoeveelheid die in de bodem achterblijft kan uitspoelen naar grond- en oppervlaktewater. De mate waarin dat gebeurt blijkt te verschillen tussen grondsoorten en vormen van bodemgebruik. De resultaten van dit onderzoek verschillen nauwelijks van eerder onderzoek naar de mate van uitspoeling tussen 1991 en 2004. De resultaten worden gebruikt om met behulp van een model de gebruiksnormen voor het totale stikstofgebruik te bepalen die verantwoord zijn voor het milieu. Mate van uitspoeling stikstofoverschot verschilt tussen grondsoorten Van de drie grondsoorten die in deze studie zijn onderzocht, is de mate van uitspoeling in zandgronden het grootst, gevolgd door klei en ten slotte veen. Bij bouwland op droge zandgrond spoelt 90% van het stikstofoverschot uit. Bij natte zandgronden is dat percentage lager. Dat komt doordat de omstandigheden in de bodem gunstiger zijn om nitraatstikstof af te breken, zodat het niet in het grond- en oppervlaktewater terechtkomt. Bij grasland op veengrond is spoelt slechts 5% van het stikstofoverschot uit. Hier wordt nagenoeg alle nitraatstikstof afgebroken. Nieuwe stikstofnormen in 2014 Deze gegevens zijn belangrijk om te voorkomen dat door bemesting te veel stikstof uitspoelt naar grond- en oppervlaktewater. Volgens de Nitraatrichtlijn zijn alle lidstaten van de Europese Unie verplicht dit te voorkomen. Nederland heeft een stelsel van normen ontwikkeld om zowel de totale stikstofbemesting als de stikstofbemesting met dierlijke mest te reguleren. Deze gebruiksnormen worden elke vier jaar geëvalueerd; voor de periode 2014-2017 worden ze opnieuw vastgesteld. Voor de het onderzoek zijn meetgegevens gebruikt van het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM) van het RIVM en LEI, onderdeel van Wageningen Universiteit en Research Centrum.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
In de Klei- en Veenregio, gelegen in West- en Noord-Nederland, is de nitraatconcentratie in het bovenste grondwater van landbouwbedrijven gemiddeld lager dan de nitraatnorm. In de Zand- en Lössregio van Nederland ligt deze concentratie in het bovenste grondwater gemiddeld gezien boven deze norm. De verschillen tussen de regio's worden mede bepaald door verschillen in het vermogen van de bodem om nitraat af te breken. In de Zandregio (Noord-, Oost- en Zuid-Nederland) is, als gevolg van het mestbeleid, de nitraatconcentratie tussen 1992 en 2002 aanzienlijk gedaald, waarna deze lijkt te zijn gestabiliseerd. Dit blijkt uit de RIVM-bijdrage aan de vierjaarlijkse evaluatie van de Meststoffenwet. De Meststoffenwet is de nationale uitwerking van de Europese Nitraatrichtlijn uit 1991 en heeft als doel de waterkwaliteit op landbouwbedrijven te verbeteren. De grootste daling in het bovenste grondwater van de Zandregio heeft plaatsgevonden bij de melkveebedrijven. Op deze bedrijven is de nitraatconcentratie nu het laagst van alle bedrijfstypen in de Zandregio en voldoet 55% van de bedrijven aan de nitraatnorm. Van de akkerbouwbedrijven in de Zandregio voldoet 21% aan de norm, voor hokdierbedrijven is dit 23% terwijl van de overige bedrijven 41% de norm haalt. Voor slootwater geldt dat in de winter de toetswaarde voor stikstof in alle regio's gemiddeld gezien wordt overschreden. In de zomer is de stikstofconcentratie lager en is deze alleen nog in de Zandregio gemiddeld hoger dan de toetswaarde. De fosfaatconcentratie is het hoogst in de zomer, de toetswaarde van fosfaat wordt dan gemiddeld gezien overschreden in de Veen- en Kleiregio maar niet in de Zandregio.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
N.B.: Dit is het hoofdrapport. Het bijlagenrapport heeft nummer 680717024-B Van 1996 tot en met 2008 zijn in de kleiregio in Nederland als gevolg van het mestbeleid gemiddeld genomen minder meststoffen op landbouwbedrijven gebruikt. Hierdoor is de bodem van deze bedrijven minder belast met meststoffen, en zijn de zogenoemde bodemoverschotten afgenomen. Een bodemoverschot is het deel van mest dat gewassen niet gebruiken om te groeien en naar het grondwater en oppervlaktewater kan uitspoelen. Ook is de kwaliteit van dit uitspoelingswater verbeterd. Dit blijkt uit het overzicht dat het RIVM en het LEI, onderdeel van Wageningen Universiteit en Research Centrum, hebben gemaakt op basis van gegevens van het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM) in de kleiregio. Deze regio omvat meerdere gebieden, verspreid over Nederland. Concentraties fluctueren door de jaren heen De waterkwaliteit is getoetst door de nitraatconcentratie in het uitspoelingswater op de bemonsterde landbouwbedrijven te meten. Deze concentraties zijn gedaald, maar de gemiddelde concentraties per jaar vertonen in de onderzochte periode een grillig patroon. Dit heeft onder andere te maken met de weersinvloeden, zoals de hoeveelheid regen. Deze effecten maken het moeilijk om een directe relatie te leggen tussen de gedaalde bodemoverschotten en de verbeterde waterkwaliteit in de kleiregio. Evaluatievragen Met behulp van deze resultaten wordt het kleiprogramma, dat sinds 1996 bestaat, de komende maanden geëvalueerd. Hierbij wordt onder andere bekeken of de huidige strategie en manier van bemonsteren de beste manier is om veranderingen in de uitspoeling van meststoffen te bepalen. En daarmee of de strategie van het LMM voor de kleiregio nog voldoet om de beleidsvragen waarvoor het LMM indertijd is opgericht, te beantwoorden. Daarnaast wordt de relatie tussen mestgebruik en kwaliteit van het uitspoelingswater nader onderzocht.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
N.B.: Dit is het bijlagenrapport. Het hoofdrapport heeft nummer 680717024-A Uit onderzoek van het LEI en het RIVM blijkt dat van 1996 tot en met 2008 gemiddeld genomen minder meststoffen minder meststoffen op landbouwbedrijven in de kleiregio zijn gebruikt (RIVM rapport 680717024A/2012). De data waarop dit onderzoek is gebaseerd zijn apart opgenomen in dit bijlagenrapport. Dit rapport bevat daarnaast enkele achtergronddocumenten over de berekeningsmethoden van de landbouwpraktijk.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Consumenten staan dagelijks bloot aan chemische stoffen die zijn verwerkt in verschillende non-food-producten. Om de gevolgen voor de volksgezondheid te kunnen beoordelen, moet de blootstelling aan deze stoffen bekend zijn. Een risico wordt namelijk berekend door de blootstelling van een stof te vergelijken met het effect ervan. Om zicht te krijgen op de totale blootstelling aan één stof vanuit verschillende consumentenproducten wordt een zogeheten geaggregeerde blootstelling uitgevoerd. Hierin zijn ook de verschillende 'routes' verwerkt waardoor mensen een stof binnen kunnen krijgen: via de huid, via inademing, of via de mond. Realistischere blootstellingschatting met gebruiksgegevens Het RIVM heeft in een casestudie een model voor geaggregeerde blootstelling gekoppeld aan gebruiksgegevens van producten: hoe vaak worden ze gebruikt en in welke hoeveelheid. Gekozen is voor vier parabenen die in verzorgingsproducten voor jonge kinderen zitten, zoals shampoo, billendoekjes en haarlotion. Bij gewone blootstellingschattingen wordt doorgaans uitgegaan van de maximale frequentie en hoeveelheid. Met de gebruiksgegevens kan een realistischere inschatting van de blootstelling, en daarmee van het risico worden gemaakt. De gebruiksgegevens zijn met behulp van een kleinschalige enquête vergaard. Effectiviteit blootstellingschatting getoetst Blootstellingschattingen worden trapsgewijs uitgevoerd, in zogenoemde tiers. Dat betekent dat eerst een blootstelling uitgerekend wordt met (maximale) waarden. De berekeningen worden steeds gedetailleerder uitgewerkt naarmate risico's als gevolg van blootstelling niet kunnen worden uitgesloten. In de casestudie is de gebruiksinformatie gebruikt om de methode van de laatste testfase (de hoogste tier) te testen. Deze tier levert informatie op over onzekerheden in de blootstellingschatting en over welke bronnen de hoogste bijdrage leveren aan de blootstellingschatting. Daarnaast wordt inzicht verkregen welk deel van de bevolking aan hoge, respectievelijk lagere, concentraties blootstaan. Al deze informatie is relevant voor risicobeoordelaars en risicomanagers.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM heeft geïnventariseerd in welke mate Polychloorbifenylen (PCB's) voorkomen in bouwmaterialen in Nederland in panden die nog in gebruik zijn of in aanmerking komen om te worden afgebroken. PCB's zijn schadelijk voor mens en milieu en worden niet of nauwelijks afgebroken. PCB's kunnen uit bouwmaterialen vrijkomen en verhoogde binnenluchtconcentraties veroorzaken. In Europa zijn PCB's van het begin van de jaren vijftig tot in de jaren zeventig toegepast in bouwmaterialen, voornamelijk in kitten, verf, pleister en plafonddelen. De concentraties in deze bouwmaterialen verschilden sterk. Voor Nederland zijn er weinig gegevens gevonden over deze toepassingen en concentraties. De beschikbare gegevens wijzen op gebruik in de utiliteitsbouw (scholen, kantoren, universiteitsbouw) in de jaren vijftig tot en met zeventig. Deze gegevens suggereren ook dat het om een beperkt aantal locaties gaat waar PCB's kunnen vrijkomen, waardoor mogelijk sprake is van verhoogde binnenluchtconcentraties. Uit de literatuur en de saneringspraktijk blijkt dat zowel Duitsland als Zwitserland een saneringsbeleid hebben. Aangeraden wordt om nog verder onderzoek te verrichten naar de beleidsmatige achtergronden van de saneringen en de gezondheidskundige onderbouwing ervan. Op basis van deze bevindingen kunnen de aanwezigheid van PCB's in bouwmaterialen in Nederland en de risico's daarvan beter worden gekarakteriseerd. Indien relevant kan daarmee beleidsontwikkeling worden ondersteund. De inventarisatie is uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM) in verband met het Verdrag van Stockholm over zogeheten persistente organische verbindingen (POPs), waartoe PCB's behoren. Conform het Verdrag is Nederland verplicht om artikelen met een PCB percentage van 0,005 procent (50 milligram per kilo) en hoger te identificeren en zo mogelijk te elimineren.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Het is niet duidelijk welke preventieve interventies kunnen bijdragen aan het verminderen van de gezondheidsachterstand van mensen met een lage sociaaleconomische status (ses) en derhalve brede implementatie verdienen. Onderzoek van het RIVM laat zien dat het inzicht in effecten van preventieve interventies bij mensen met een lage ses beperkt is. De gezondheid van mensen met een lage ses is over het algemeen slechter dan de gezondheid van mensen met een hoge ses. Dit kan deels worden verklaard door het vaker voorkomen van risicofactoren bij mensen met een lage ses, zoals ongunstige woon- en werkomstandigheden, ongezonde leefstijl en werkloosheid. Andersom kan een slechtere gezondheid ook leiden tot een slechtere maatschappelijke positie. Voor het onderzoek dat in opdracht van het ministerie van VWS is uitgevoerd, heeft het RIVM de effecten van preventieve interventies op de gezondheid van lage ses groepen in kaart gebracht. Van 100 van de 314 bestudeerde interventies was informatie beschikbaar over effectiviteit. Bij slechts vijftien interventies waren de effecten onderscheiden naar ses. Hieruit komt geen eenduidig beeld naar voren: bij zes interventies was er geen verschil in effecten voor mensen met een lage en mensen met een hoge ses. Vier interventies toonden een kleiner of geen effect bij mensen met een lage ses, terwijl bij vijf interventies juist sprake was van grotere effecten bij mensen met een lage ses ten opzichte van mensen met een hoge ses. Om meer zicht te krijgen op welke preventieve interventies ook en vooral effectief zijn bij mensen met een lage ses, bevelen we aan in effectstudies ook ses-specifieke analyses uit te voeren. Daarnaast achten wij het gezien de bestaande gezondheidsachterstand bij lage ses groepen, wenselijk dat er meer specifiek voor deze doelgroep ontwikkelde preventieve interventies worden aangeboden.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Distribution, elimination, and toxicity of silver nanoparticles and silver ions in rats after 28-day oral exposure | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Dietary fibre intake and ischaemic heart disease mortality: the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition-Heart study | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Risk factors for campylobacteriosis of chicken, ruminant, and environmental origin: a combined case-control and source attribution analysis | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Long-term risk of incident type 2 diabetes and measures of overall and regional obesity: the epic-interact case-cohort study | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
The association of education with long-term weight change in the EPIC-PANACEA cohort | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Social inequalities and mortality in europe - results from a large multi-national cohort | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Plasma HDL cholesterol and risk of myocardial infarction: a mendelian randomisation study | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Respiratory health effects of airborne particulate matter: the role of particle size, composition, and oxidative potential-the RAPTES project | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Dietary intakes and food sources of phytoestrogens in the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition (EPIC) 24-hour dietary recall cohort | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
De gemiddelde stralingsdosis per inwoner als gevolg van medische diagnostiek neemt sinds 2002 in Nederland toe met circa zeven procent per jaar. Dit blijkt uit een voorlopige analyse van de diagnostische verrichtingen waarbij straling wordt gebruikt. De belangrijkste oorzaak hiervan is het toenemende aantal CTonderzoeken. Medische stralingstoepassingen dragen gemiddeld circa 36 procent bij aan de totale jaarlijkse stralingsdosis. Van alle kunstmatige stralingsbronnen samen is de medische bloostelling veruit dominant. Dosisgegevens van belang voor medische afwegingen: Het RIVM analyseert gegevens over de frequenties en doses van medische verrichtingen en publiceert deze in opdracht van het ministerie van VWS. Als lidstaat van de Europese Unie is Nederland hiertoe verplicht. Het gebruik van straling bij diagnostisch onderzoek brengt een licht verhoogde kans op kanker voor de patiënt met zich mee. Deze kans wordt groter naarmate de dosis hoger is. De informatie die het RIVM hierover publiceert, moet ertoe bijdragen dat voor- en nadelen bij medische diagnostiek goed zijn afgewogen. Dosisgegevens worden geactualiseerd: De gemiddelde stralingsdosis wordt berekend door de frequentie van verrichtingen te combineren met de dosis van de verschillende verrichtingen. Frequentiegegevens zijn bekend voor de jaren 2002-2010. De meeste dosisgegevens dateren echter van 2002; alleen voor nucleaire geneeskunde zijn recentere gegevens beschikbaar, namelijk uit 2008. Actuele gegevens over CTen overige röntgenonderzoek zijn in 2010 en 2011 bij alle ziekenhuizen opgevraagd. Hiervan zijn de voorlopige resultaten van de CT-doses in de eerste twintig ziekenhuizen in dit rapport opgenomen. Analyse van de overige gegevens volgt naar verwachting dit jaar. CT-onderzoeken leveren grootste dosisbijdrage: In 2010 was de gemiddelde dosis per inwoner van Nederland 0,89 millisievert (mSv). De belangrijkste bijdragen zijn CT-onderzoek, (0,41 mSv), overige röntgenonderzoeken in ziekenhuizen (0,37 mSv) en nucleaire geneeskunde (0,095 mSv). Een veelvoorkomend voorbeeld met een relatief hoge dosis bij gebruik van CT is het onderzoek van gezwollen lymfeklieren in de buik, een symptoom van veel aandoeningen. Bij de overige röntgenverrichtingen zijn onderzoeken naar hart en bloedvaten zo'n voorbeeld. En bij nucleaire geneeskunde zijn dit de onderzoeken van de hartfunctie.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Landen van de Europese Unie zetten verschillende middelen in om te voldoen aan de verplichtingen van de Kaderrichtlijn Water (KRW). Volgens de KRW moeten lidstaten onder andere voldoen aan de normen voor chemische stoffen in oppervlaktewater en van zeer gevaarlijke stoffen moeten de emissies tot nul worden teruggebracht. Wie de maatregelen gaat nemen om te voldoen aan de verplichtingen - de lidstaten of de Europese Commissie - is een punt van voortdurende discussie. Wie dat gaat doen, hangt af van de schaal van de problemen en de (juridische) mogelijkheden om die aan te pakken. In het kader van die discussie is door het RIVM een inventarisatie gemaakt van de maatregelen die de landen in de EU en de Europese Commissie nemen om te voldoen aan de KRW. Het onderzoek is in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Milieu uitgevoerd ten behoeve van een Europese ad hoc werkgroep. De inventarisatie gebeurde aan de hand van vier stoffen: cadmium, kwik, polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK's) en de organische tinverbinding tributyltin (TBT). De werkgroep heeft in een aantal sessies de randvoorwaarden van de inventarisatie bepaald. Op basis daarvan is een overzicht gemaakt van de maatregelen die de Commissie en de lidstaten al hebben genomen of nog kunnen nemen. Voorbeelden van maatregelen die al zijn ingevoerd zijn belasting heffen op cadmiumhoudende batterijen, PAK's in autobanden beperken, en het gebruik van kwik in thermometers verbieden.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Cross border comparison of MRSA bacteraemia between the Netherlands and North Rhine-Westphalia (Germany): a cross-sectional study | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Ziekenhuizen en leveranciers werken tegenwoordig vaak samen aan het onderhoud van röntgenapparatuur. Hierdoor zijn ziekenhuizen directer betrokken bij de kwaliteitsborging van de apparatuur. Via samenwerkingscontracten tussen fabrikanten of leveranciers en de ziekenhuizen krijgen medisch technici van ziekenhuizen onder meer een opleiding om storingen zelfstandig te kunnen verhelpen. Daarnaast zijn ze aanwezig bij de onderhoudsbeurten die de fabrikant of leverancier uitvoert, zodat ze goed op de hoogte zijn van de staat van de apparatuur. Voorheen werd het onderhoud meestal uitbesteed aan de leverancier of fabrikant. Meer informatie sneller beschikbaar Door de samenwerkingscontracten zijn ziekenhuizen beter geïnformeerd over de kwaliteit van hun apparatuur en is duidelijker wanneer deze moet worden vervangen. Dat is van belang voor zowel de veiligheid van de patiënt als voor de bedrijfsvoering van het ziekenhuis. Door deze informatie is bijvoorbeeld beter bekend hoe lang apparaten buiten werking zijn vanwege onderhouds- of vervangingsactiviteiten. Daarnaast kan het ziekenhuis financieel beter anticiperen op de aanschaf van nieuwe apparatuur. Voorheen was deze informatie pas beschikbaar in het jaarverslag van de fabrikant of leverancier. Dit blijkt uit verkennend onderzoek van het RIVM. In opdracht van de IGZ is bij drie ziekenhuizen onderzocht wat zij doen om de kwaliteit van röntgenapparatuur te waarborgen. Zowel de ziekenhuizen als de fabrikanten vinden de samenwerkingscontracten een goede ontwikkeling. Good practices Om de kwaliteit van röntgenapparatuur te kunnen waarborgen, is het van belang met een vaste regelmaat een volledig controleprogramma uit te voeren. De verslagen dienen minimaal de gemeten waarden te bevatten, evenals de criteria waaraan ze zijn getoetst. Een goede ontwikkeling is dat de Nederlandse Vereniging voor Klinische Fysica een werkgroep heeft ingesteld om de meetprotocollen voor kwaliteitscontrole van röntgenapparatuur van verschillende fabrikanten te harmoniseren.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Het totaal aantal voedselinfecties dat bij de Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit (NVWA) is gemeld, daalt sinds 2008 gestaag. Dit geldt ook voor het aantal mensen dat daarvan ziek is geworden. Het totaal aantal meldingen en zieken dat de GGD heeft geregistreerd, is in de afgelopen acht jaar redelijk stabiel. Net als in voorgaande jaren zijn de bacteriën Salmonella en Campylobacter en het norovirus de belangrijkste verwekkers van uitbraken van voedselinfecties. De impact van Salmonella-uitbraken is groter dan die van Campylobacter, aangezien er meestal meer mensen ziek worden van één besmettingsbron met Salmonella. Ook zijn de gevolgen van zo'n besmetting vaak heviger: de helft van de gemelde ziekenhuisopnamen waren het gevolg van een Salmonella-infectie. Dit zijn de belangrijkste conclusies uit een analyse door het RIVM van de registratiecijfers van voedselinfecties en -vergiftigingen bij de NVWA en het Centrum Infectieziektenbestrijding (CIb) over 2011. Verstandig omgaan met rauw voedsel Om uitbraken van voedselinfecties (twee of meer zieken door dezelfde bron) te voorkomen, blijft aandacht voor de voedselveiligheid nodig. Dit geldt zowel voor de overheid, voedselproducenten, voedselleveranciers, horeca als de consumenten. Het belangrijkste aandachtspunt is rauw en gaar voedsel te scheiden om een 'kruisbesmetting' te voorkomen. De kennis over hygiëne in de keuken en gedrag tijdens koken moeten daarom worden vergroot. Daarnaast lijkt de consumptie van rauw voedsel toe te nemen, zoals rauwe vleesproducten. De consument lijkt zich niet altijd bewust te zijn van de risico's bij het eten van dergelijke producten. Aantallen meldingen en zieken De NVWA kreeg in 2011 363 meldingen over voedselinfecties binnen, tegenover 432 meldingen in 2010. Het aantal betrokken zieken dat de NVWA gemeld kreeg, was 889 zieken (tegenover 1178 zieken in 2010). Bij het CIb kwamen 42 meldingen van voedselinfecties binnen, met 368 zieken. Dit aantal meldingen komt sterk overeen met de cijfers tussen 2004 en 2010. Ook was het aantal ziekenhuisopnamen in 2011 (8 procent) vergelijkbaar met voorgaande jaren, na de piek in 2010 (21 procent). In totaal hebben beide instanties in het verslagjaar 214 uitbraken met 977 zieken van voedselinfecties en -vergiftigingen geregistreerd. Daarnaast zijn 180 individuele gevallen gemeld. Deze getallen zijn echter een onderschatting, omdat niet iedere zieke naar de huisarts gaat of de NVWA informeert. Naar schatting zijn jaarlijks ongeveer 680.000 mensen in Nederland ziek door het eten van besmet voedsel.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM heeft in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Milieu (I&M), milieurisicogrenzen in water bepaald voor octamethylcyclotetrasiloxaan (meestal aangeduid als D4). Deze stof wordt gebruikt in de chemische industrie, in cosmetica, huid- en haarverzorgingsproducten en in schoonmaakmiddelen. De stof is opgenomen in de Regeling Monitoring Kaderrichtlijn water, waarin staat aan welke eisen oppervlaktewater in Nederland moet voldoen. De huidige norm voor D4 is niet afgeleid volgens de meest recente methodiek, daarom moeten nieuwe waterkwaliteitsnormen worden vastgesteld. De Stuurgroep Stoffen stelt deze nieuwe normen vast op basis van de wetenschappelijke advieswaarden in dit rapport. Stapeling in de voedselketen onderzocht D4 heeft bij langdurige blootstelling effecten op de groei en voortplanting van waterorganismen. Vanuit het water komt de stof ook terecht in vissen en dieren die 'hoger' in de voedselketen zitten. Daarom houdt de voorgestelde norm voor langdurige blootstelling (0,19 microgram per liter) rekening met de mate waarin mensen en/of vogels en zoogdieren aan de stof worden blootgesteld via het eten van vis. Analyseprobleem Het is lastig om D4 nauwkeurig te meten in water. De stof bindt sterk aan organische stof in het water en verdampt tegelijkertijd snel uit water. Omdat D4 in zoveel producten voor persoonlijke verzorging zit, is er bovendien een risico dat de degenen die met de monsters werken per ongeluk het monster in aanraking brengen met de stof. Daarnaast kunnen de resultaten worden beïnvloed, omdat onderdelen van de meetapparatuur soms soortgelijke stoffen bevatten. Om de voorgestelde norm te kunnen aantonen, zou de analysetechniek daarom moeten worden verbeterd.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Total and high-molecular weight adiponectin and risk of colorectal cancer: The European prospective investigation into cancer and nutrition study | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
The amount and type of dairy product intake and incident type 2 diabetes: Results from the EPIC-InterAct Study | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Impact of low emission zones and local traffic policies on ambient air pollution concentrations | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Mycobacterium bovis infection in a young Dutch adult: transmission from an elderly human source? | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Angiotensin-converting enzyme inhibitors or angiotensin II receptor blockers and the risk of developing rheumatoid arthritis in antihypertensive drug users | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Association between FTO variant and change in body weight and its interaction with dietary factors: The DiOGenes Study | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Dietary glycemic index and glycemic load and breast cancer risk in the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition (EPIC) | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Maintenance of lifestyle changes: 3-year results of the Groningen Overweight and Lifestyle study | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Proliferating primary hepatocytes from the pUR288 lacZ plasmid mouse are valuable tools for genotoxicity assessment in vitro | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
The prevalence of chronic psychological complaints and emotional exhaustion among overweight and obese workers | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Past, present, and future exceedance of critical loads of acidity for surface waters in Finland | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Cigarette smoking and pancreatic cancer: an analysis from the International Pancreatic Cancer Case-Control Consortium (PANC4) | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Methyl mercury in nail clippings in relation to fish consumption analysis with gas chromatography coupled to inductively coupled plasma mass spectrometry: a first orientation | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Seroprevalence and risk factors for Coxiella burnetii (Q fever) in dairy goat farmers' households in the Netherlands, 2009-2010 | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Genetically modified crops and aquatic ecosystems: considerations for environmental risk assessment and non-target organism testing | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Body size and risk of differentiated thyroid carcinomas: findings from the EPIC study | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Borrelia and rickettsia in skin bioptates of erythema migrans patients | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
An optimized gene set for transcriptomics based neurodevelopmental toxicity prediction in the neural embryonic stem cell test | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Cytotoxic effects in 3T3-L1 mouse and WI-38 human fibroblasts following 72hour and 7day exposures to commercial silica nanoparticles | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Variety in vegetable and fruit consumption and the risk of gastric and esophageal cancer in the European prospective investigation into cancer and nutrition | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Statin-associated polymyalgia rheumatica. An analysis using WHO global individual case safety database: a case/non-case approach | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Pertussis circulation has increased T-cell immunity during childhood more than a second acellular booster vaccination in Dutch children 9 years of age | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Rapamycin impairs UV induction of mutant-p53 overexpressing cell clusters without affecting tumor onset | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Feasibility of quantitative environmental surveillance in poliovirus eradication strategies | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Isolation of Legionella pneumophila from pluvial floods by amoebal coculture | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Dietary factors impact on the association between CTSS variants and obesity related traits | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Profiling of humoral immune responses to influenza viruses by using protein microarray | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Assessing potential introduction of universal or targeted hepatitis A vaccination in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Triazole-induced gene expression changes in the zebrafish embryo | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Een voeding die minder vlees en zuivel bevat en meer duurzame plantaardige voedingsmiddelen kan voldoende eiwitten, mineralen en vitaminen leveren. Daarvoor is het wel nodig gevarieerd te kiezen uit plantaardige producten. De belangrijkste bronnen van plantaardige eiwitbronnen zijn noten, peulvruchten en volkoren graanproducten. Peulvruchten en noten worden nu echter nauwelijks gegeten als vervanger van dierlijke producten. Voor bepaalde vitaminen en mineralen (ijzer, calcium, vitaminen B2 en B12) kunnen ook verrijkte vlees- en zuivelvervangers een goede bron zijn. Dit geldt vooral voor B12, aangezien deze vitamine niet in plantaardige voedingsmiddelen zit. Dit blijkt uit verkennend onderzoek van het RIVM. Hierin is onderzocht wat een verschuiving in een menu van de traditionele, dierlijke eiwitbronnen naar meer duurzamere plantaardige betekent voor de inname van eiwitten, en een selectie van vitaminen en mineralen. Vlees en zuivel leveren in Nederland ongeveer de helft van de eiwitconsumptie. Mensen die geen vlees consumeren, eten meestal wel zuivelproducten. Voor hen zijn zuivel- en graanproducten momenteel de belangrijkste bronnen van eiwit. Daarnaast dragen vlees en zuivel in belangrijke mate bij aan de inname van de vitamines A, B1, B2, en B12 en de mineralen calcium, ijzer, fosfor, selenium en zink. Aanvullend onderzoek is nodig om de inname van voedingsstoffen bij verschillende consumptiepatronen met minder vlees en zuivel, verder te kwantificeren.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Evaluatie Preventie Perinatale HBV-overdracht Zwangeren die geïnfecteerd zijn met het hepatitis B-virus (HBV), lopen een grote kans dit virus op hun kind over te dragen. Daarom worden deze kinderen meerdere keren gevaccineerd en krijgen ze direct na de geboorte antistoffen tegen dit virus toegediend. Uit onderzoek van het RIVM blijkt dat deze vaccinaties de overdracht van het virus in veruit de meeste gevallen voorkomen (99,4%). Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het ministerie van VWS, dat de effectiviteit van deze HBV-vaccinaties wilde evalueren en de vaccinatieschema's, die in de loop der jaren zijn veranderd, met elkaar wilde vergelijken. De vaccinatie voor deze risicogroep bestaat sinds 1989. HBV wordt overgedragen tijdens de geboorte en/of zwangerschap van moeder op kind, door bloed-bloedcontact en via seksueel contact. HBV kan levercirrose en leverkanker veroorzaken. Resultaten Voor het onderzoek zijn de resultaten van de laatste drie jaar geëvalueerd; van eerdere jaren waren al resultaten bekend. Hiervoor zijn 1187 kinderen van HBVgeïnfecteerde moeders die zijn geboren tussen 1 juli 2007 en mei 2011 onderzocht. Hun bloed werd onderzocht op de aanwezigheid van het virus en voldoende antistoffen, en de ouders werd gevraagd een vragenlijst in te vullen. Van de 1017 kinderen van wie een bloeduitslag bekend was, waren er vier HBVgeïnfecteerd (0,4%). Bij deze kinderen hebben beschermende maatregelen dus niet gewerkt. Van de resterende kinderen is geen bloed ontvangen. Daarnaast zijn de resultaten over een langere periode geëvalueerd, tussen 1 januari 2003 en mei 2011. Van de 3311 kinderen die waren uitgenodigd, was van 2864 kinderen een bloeduitslag bekend. Van deze 2864 kinderen waren er zestien HBV-geïnfecteerd (0,6%). Controle op gevaccineerde kinderen handhaven Vanwege de effectiviteit van het vaccin (99,4% van de gevaccineerde kinderen werd niet geïnfecteerd) heeft VWS vanuit volksgezondheidsperspectief besloten deze niet meer te laten evalueren. Aanbevolen is om de controle op de gevaccineerde kinderen te handhaven. Het is immers van belang de gezondheid te volgen van de kinderen die onverhoopt drager zijn geworden en eventueel te behandelen. Deze controle is per 1 januari 2011 overgedragen aan de huisarts.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Transport of chlorpromazine in the caco-2 cell permeability assay: a kinetic study | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Forecasting lifetime and aggregate long-term care spending: accounting for changing disability patterns | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Triazole induced concentration-related gene signatures in rat whole embryo culture | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Elke vier jaar rapporteert het RIVM in de Volksgezondheid Toekomst Verkenning (VTV) over de huidige toestand en de toekomstige ontwikkeling van de volksgezondheid in Nederland. De VTV draagt hiermee bij aan het volksgezondheidsbeleid van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). Aan de VTV gaat een ontwerprapport vooraf, waarin staat beschreven welke onderwerpen in de nieuwe editie aan bod komen en hoe ze worden uitgevoerd. Het is een nadere concretisering van het zogeheten definitierapport, dat in 2011 verscheen. De zesde editie van de VTV verschijnt in 2014. Maatschappelijke participatie In de VTV komen standaard de volgende onderdelen aan bod: gezondheid, ziekte, determinanten, preventie, zorg, gezondheidsverschillen en regionale en internationale vergelijkingen. In de VTV-2014 wordt bovendien extra aandacht besteed aan 'maatschappelijke participatie'. Het gaat daarbij om deelname aan de arbeidsmarkt en vrijwilligerswerk, aan scholing en aan informele zorg. Maatschappelijke participatie is niet alleen van belang voor het welbevinden en de zelfredzaamheid van gezonde mensen, maar ook voor mensen met een ziekte. Als zij langer kunnen blijven werken, is dat ook in economische zin van belang. Al deze gegevens worden vervolgens benut voor de toekomstverkenningen. Hierin wordt de toekomst verkend door cijfermatige trends en verhalende scenario's te combineren. Communicatie Behalve in de vorm van boeken zullen de resultaten van de VTV-2014 via uiteenlopende middelen worden verspreid, zoals artikelen en websites. Vooruitlopend op het samenvattend rapport verschijnen in 2013 vier verdiepende themarapporten. De thema's daarvan zijn: gezondheid en maatschappelijke participatie, preventie in de zorg, maatschappelijke kosten en baten van gezondheid, en de rol van de burger. Dat laatste thema betreft de verantwoordelijkheid van de burger voor de eigen gezondheid, de participatie bij lokaal beleid en de positie van de patiënt in de zorg.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
HI responses induced by seasonal influenza vaccination are associated with clinical protection and with seroprotection against non-homologous strains | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Combining risk assessment and epidemiological risk factors to elucidate the sources of human E. coli O157 infection | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Relative parameter sensitivity in prenatal toxicity studies with substances classified as developmental toxicants | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
ESX-1-mediated translocation to the cytosol controls virulence of mycobacteria | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Osteoblast differentiation of murine embryonic stem cells as a model to study the embryotoxic effect of compounds | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Prevalence of hepatitis B virus infection in the Netherlands in 1996 and 2007 | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Compound-specific effects of diverse neurodevelopmental toxicants on global gene expression in the neural embryonic stem cell test (ESTn) | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
A lifestyle intervention to reduce Type 2 diabetes risk in Dutch primary care: 2.5-year results of a randomized controlled trial | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Evaluation of high hydrostatic pressure effect on human adenovirus using molecular methods and cell culture | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Het ministerie van Infrastructuur en Milieu heeft het voornemen na 2015 het Besluit bodemkwaliteit te herzien. Voor het beleidsproces dat daarvoor start in 2015 is informatie nodig over de normstelling voor ecologische risico's. Het RIVM zet in deze discussienotitie de lijnen uit en stelt prioriteiten voor het onderzoek dat die informatie moet leveren. Hiervoor zijn gesprekken gevoerd met wetenschappers van diverse universiteiten, en met beleidsambtenaren binnen diverse directies binnen het ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM). Diverse onderdelen waarmee de ecologische normstelling voor bodem en grondwater wordt onderbouwd, kunnen worden aangepast aan nieuwe wetenschappelijke inzichten. Daarnaast is het gewenst oplossingen te vinden voor knelpunten die zich in de praktijk voordoen. Het onderzoeksprogramma stelt voor te focussen op vier thema's. Als eerste is het van belang de gegevens die binnen de bodemnormstellling worden gebruikt voor de zogeheten bodemtypecorrectie aan te passen aan de nieuwste wetenschappelijke inzichten. Bij de bodemtypecorrectie wordt de algemene bodemnorm voor een stof in Nederland omgerekend naar de lokale bodemchemische situatie. Het onderzoek is erop gericht de nieuwe gegevens uit te werken en te implementeren in een wetenschappelijk onderbouwde methode voor de bodemtypecorrectie. Als tweede is de implementatie nodig van een methode om de zogeheten biologische beschikbaarheid van een stof te meten en te beoordelen. Tot nu toe wordt voor de normstelling van een stof uitgegaan van de totale concentratie van een stof die zich in de bodem bevindt. Organismen in de bodem worden niet aan deze totale concentratie blootgesteld, maar aan het 'biobeschikbare deel'. Als derde is het belangrijk om een consistent gebruik te creëren van de 'soortgevoeligheidsverdelingen' (SSD's) in de normstelling en risicobeoordeling. Dit is een statistische methode om gegevens over de giftige effecten van stoffen voor organismen weer te geven. Zowel binnen Nederland als binnen Europa worden ze op uiteenlopende wijze gebruikt. Ten slotte is meer inzicht nodig in de gegevens die worden gebruikt om normen voor ecologische risico's te bepalen. Deze normen kunnen op verouderde of een beperkte hoeveelheid gegevens zijn gebaseerd.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Vitamin D status partly explains ethnic differences in blood pressure: the 'Surinamese in the Netherlands: study on ethnicity and health' | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Het RIVM heeft in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Milieu (I&M), milieurisicogrenzen voor drie organotinverbindingen in (grond)water, sediment en bodem vastgesteld. De drie meest voorkomende verbindingen in het milieu zijn: dibutyltin, tributyltin en trifenyltin. Dibutyltin wordt in verscheidene toepassingen gebruikt, bijvoorbeeld in de kunststof pvc en in printertoners. Tributyltin en trifenyltin zijn voornamelijk gebruikt als middel om hout te conserveren en om te voorkomen dat er onder water op de romp van schepen organismen groeien (aangroeiwerend middel). Trifenyltin werd ook gebruikt als gewasbeschermingsmiddel in de aardappelteelt. Het gebruik als aangroeiwerend middel is in Europa sinds 2003 niet meer toegestaan en trifenyltin heeft ook geen authorisatie meer als gewasbeschermingsmiddel. Interventiewaarden bodem De milieurisicogrenzen zijn afgeleid omdat ze nodig zijn om de zogeheten interventiewaarden te bepalen. Als een interventiewaarde wordt overschreden, komt de (vervuilde) bodem in aanmerking voor sanering. Voor dit doel zijn alleen milieurisicogrenzen voor grondwater en bodem nodig. De milieurisicogrenzen voor de individuele organotins in bodem waren nog niet beschikbaar en zijn voor dit onderzoek afgeleid. Milieurisicogrenzen voor water waren al eerder afgeleid binnen andere kaders en zijn overgenomen. De milieurisicogrenzen voor oppervlaktewater en sediment zijn ook in het rapport vermeld, omdat deze aan bodem en grondwater zijn gerelateerd. Dit geeft een volledig overzicht. De milieurisicogrenzen voor bodem en grondwater Een van de afgeleide milieurisicogrenzen is het Ernstig Risiconiveau (ER). Dit is de concentratie waarbij schadelijke effecten van de stof voor de bodem te verwachten zijn. De bepaalde ER's voor bodem zijn 28; 0.052 en 0.24 milligram per kilogram drooggewicht bodem, voor achtereenvolgens dibutyltin, tributyltin en trifenyltin. Voor grondwater zijn de ER's respectievelijk 50; 0,046 en 0,40 microgram per liter. Directe en indirecte effecten Het ER is gebaseerd op de jaargemiddelde concentraties in bodem, water en sediment. Hiervoor zijn in dit rapport twee routes onderzocht: de directe effecten op waterorganismen en de indirecte effecten op vogels en zoogdieren via het nuttigen van de waterorganismen (voedselketen). Effecten voor mensen bij interventiewaarden worden in een separaat rapport geëvalueerd.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Bedrijven die met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen werken, vallen onder het Besluit risico's zware ongevallen (BRZO). Deze bedrijven moeten aan specifieke regels voldoen om zware ongevallen met grote gevolgen voor mens en milieu te voorkomen. Daarnaast staan deze bedrijven onder toezicht van o.a.de Inspectie SZW (voorheen de Arbeidsinspectie). De Inspectie richt zich op de risico's voor werknemers en beoordeelt onder andere of er binnen de desbetreffende bedrijven een zogeheten veiligheidsbeheerssysteem is. Daarbij is het van belang of dit systeem is toegesneden op de aanwezige risico's en of het goed werkt. Indicatoren: hoe goed beheert een bedrijf gevaren Het RIVM heeft daarom bekeken of het mogelijk is om de veiligheid van een bedrijf te beoordelen op basis van veiligheidsprestatie-indicatoren. Veiligheidsprestatie-indicatoren zijn bedoeld om informatie te leveren over de veiligheidsprestaties van een bedrijf. Ze kunnen managers en werknemers van het bedrijf helpen om te focussen op de belangrijkste risico's. Daarnaast kunnen indicatoren de inspectie helpen vast te stellen hoe goed het bedrijf met risico's omgaat en of dit zonodig verbetert. Indicatoren moeten op maat worden gemaakt als ze worden gebruikt door een bedrijf. Voor de inspectie zijn juist indicatoren nodig die algemeen toepasbaar, communiceerbaar en ondubbelzinnig zijn, zodat bedrijven met elkaar kunnen worden vergeleken. Indicatoren kunnen zich door de tijd heen ontwikkelen op basis van de ervaringen met indicatoren die het meest effectief en efficiënt informatie geven over de mogelijkheid op een zwaar ongeval bij een bedrijf. Criteria voor de ontwikkeling van veiligheidsprestatie-indicatoren Aanbevolen wordt om indicatoren te ontwikkelen op basis van een lijst van 30 criteria. Zo moet een indicator een oorzakelijk verband hebben met het onderdeel dat daadwerkelijk een risico kan vormen. Daarnaast moet er een concrete actie aan de indicator kunnen worden verbonden, zoals een verbeteractie. Om trends te kunnen waarnemen is een set van indicatoren nodig die voldoende frequent worden gemeten. Voor het onderzoek is de wetenschappelijke literatuur onderzocht, evenals richtlijnen van industrie en inspecties.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Comparatively low attendance during human Papillomavirus catch-up vaccination program among teenage girls in the Netherlands: insights from a behavioral survey among parents | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Evaluation of commonly used serological tests for detection of Coxiella burnetii antibodies in well-defined acute and follow-up sera | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Differentiation between Shigella, enteroinvasive Escherichia coli (EIEC) and noninvasive Escherichia coli | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Biomarker discovery using a comparative omics approach in a mouse model developing heterogeneous mammary cancer subtypes | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Immunogenicity of a hexavalent vaccine co-administered with 7-valent pneumococcal conjugate vaccine: findings from the national immunization program in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Incidence of multiple sclerosis in the general population in the Netherlands, 1996-2008 | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Weg met oddsratio's: risicoratio's in cohortonderzoek en gerandomiseerd gecontroleerd onderzoek | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Fiber intake and total and cause-specific mortality in the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition cohort | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Erratum: Differences in quality of life of hemodialysis patients between dialysis centers (Qual Life Res (2012) 21 (309)) | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Is concordance with World Cancer Research Fund-American Institute for Cancer Research guidelines for cancer prevention related to subsequent risk of cancer? Results from the EPIC study | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Hepatitis B surface antigen nanoparticles coated with chitosan and trimethyl chitosan: Impact of formulation on physicochemical and immunological characteristics | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Effects of perfluorooctane sulfonate (PFOS) exposure on vitellogenin mRNA level in zebrafish (Brachydanio rerio) | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
On the quantification of intertest variability in ecotoxicity data with application to species sensitivity distributions | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Effects of n-3 fatty acids on major cardiovascular events in statin users and non-users with a history of myocardial infarction | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Dit rapport is een bijlage bij rapport 601714022 Factsheets nieuwe stoffen De 'factsheets' in deze bijlage zijn opgesteld in het Engels om de uitwisseling van informatie in internationaal verband te vergemakkelijken.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Late onderkenning komt voor bij de ziekte van Alzheimer, COPD, artrose, depressie en hart- en vaatziekten (hartfalen). Het bevorderen van vroege onderkenning is pas aan de orde als er afdoende bewijs is dat behandeling na vroege onderkenning de prognose van deze ziekten gunstig beïnvloedt. Dit is nu alleen het geval bij rokers met niet onderkende COPD en bij mensen met depressieve klachten. Dit blijkt uit het verkennende literatuuronderzoek naar 'diagnostic delay' dat het RIVM heeft uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). 'Delay' is vermijdbare late behandeling van ziekte en kan worden veroorzaakt door een vertraging voorafgaand aan de diagnose ('diagnostic delay') en/of een vertraging tussen de diagnose en de start van behandeling ('treatment delay'). 'Delay' kan worden veroorzaakt door de patiënt, de zorgverlener en het zorgsysteem. Het terugdringen van 'diagnostic delay' is alleen zinvol bij aandoeningen wanneer 1) de ziekte vaak laat wordt gediagnosticeerd (late onderkenning), 2) vroege onderkenning leidt tot een betere prognose van de ziekte, en 3) de ziekte al in een vroeg stadium ziektespecifieke kenmerken heeft. In dit verkennende literatuuronderzoek is gekeken in hoeverre 'diagnostic delay' aanwezig is bij chronische ziekten die in hoge mate bijdragen aan de ziektelast in Nederland. Alle ziekten die zijn bekeken veroorzaakten geen ziektespecifieke symptomen. Tevens geldt voor de meeste ziekten dat het nog onduidelijk is of de prognose na eerdere onderkenning gunstig wordt beïnvloed. Dit is wel het geval bij rokers met niet onderkende COPD en bij mensen met depressieve klachten.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Ultrafiltratie (UF) is een techniek waarmee micro-organismen met behulp van zeer fijnmazige filters uit water kunnen worden verwijderd. Door ultrafiltratie op te nemen als onderdeel van een afvalwaterzuivering worden de aantallen virussen en bacteriën in afvalwater tenminste een miljoen keer verlaagd. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM dat in opdracht van het waterschap Regge en Dinkel en producent Pentair X-flow is uitgevoerd. Schoner afvalwater na ultrafiltratie: In dit onderzoek zijn de aantallen virussen en bacteriën in ongezuiverd afvalwater vergeleken met het afvalwater van de rioolwaterzuiveringsinstallaties te Glanerbrug en Hengelo dat met een UF-filter is behandeld. In het behandelde afvalwater (UF-permeaat) zijn lage aantallen bacterien aangetroffen en konden ziekteverwekkende virussen niet meer worden aangetoond. Lozing UF-permeaat geen nadelige gezondheidseffecten: Vervolgens is onderzocht of een eventuele lozing van het UF-permeaat op het water van de nabijgelegen Voskampvijver (Enschede) gezondheidseffecten veroorzaakt voor kinderen die daarin zwemmen. Deze effecten zijn geschat op basis van de concentraties virussen en bacteriën in het UF-permeaat en in de Voskampvijver. De risico's blijken afhankelijk te zijn van het type microorganisme. Het risico op een infectie door een blootstelling aan entero- en rotavirussen in de vijver, al dan niet aangevuld met UF-permeaat, is zeer klein. Het risico op een infectie door de Campylobacter-bacterie is echter hoog vanwege de hoge aantallen Campylobacter in de Voskampvijver. Deze bacteriën zijn waarschijnlijk afkomstig van uitwerpselen van vogels en staan dus los van de kwaliteit van het UF-permeaat. Op basis van het risico op infectie met Campylobacter wordt zwemmen afgeraden.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM doet in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Milieu een voorstel om de stoffenlijst bij de Regeling monitoring kaderrichtlijn water te actualiseren. In deze Regeling staat aangegeven aan welke kwaliteitseisen oppervlaktewater moet voldoen voor de stoffen die voor Nederland relevant zijn, de zogenoemde specifieke verontreinigende stoffen. In de huidige lijst staan ruim 160 stoffen en stofgroepen. Ruim 70 daarvan zijn in de afgelopen jaren niet of slechts een enkele keer aangetroffen; of de gemeten gehalten zijn dusdanig laag dat ze geen risico voor de mens en het ecosysteem opleveren en dus voldoen aan de doelstellingen van het Nederlandse stoffenbeleid. Het voorstel is om deze stoffen uit de Regeling te halen. Hierdoor ontstaat ruimte om de aandacht te richten op andere stoffen die in de toekomst mogelijk een risico vormen voor de kwaliteit van het oppervlaktewater. Nieuwe stoffen Behalve de evaluatie van de huidige stoffenlijst wordt daarom een voorstel gedaan voor een lijst van dergelijke andere stoffen. Daarbij is gelet op de mogelijke risico's voor de drinkwaterbereiding en op effecten op waterorganismen. Het doel van deze 'Nederlandse watchlist' is verder onderzoek naar deze stoffen te stimuleren. Concreet wordt voor vijf stoffen van deze lijst (amidotrizoïnezuur, carbamazepine, metformine, metoprolol en diisopropylether) geadviseerd om ze in de komende periode uitgebreider te gaan meten in regionale wateren en voorlopige risicogrenzen af te leiden. Deze stoffen zijn aangetroffen in het water in concentraties die mogelijk een risico vormen. Betere analysetechnieken nodig Voor een aantal stoffen, voornamelijk gewasbeschermingsmiddelen, blijkt dat de laagste gehalten die in water kunnen worden aangetoond, hoger zijn dan de norm. Dit betekent dat niet met zekerheid kan worden vastgesteld of aan de normen wordt voldaan. Aanbevolen wordt de analysetechnieken te verbeteren om dit wel mogelijk te maken.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Dit rapport is geschreven op verzoek van het Ministerie van VWS. Zowel in nationale als Europese gremia wordt de laatste tijd nagedacht over de mogelijkheden van generieke strafbaarstelling van nieuwe psychoactieve stoffen, naast de bestaande wetgeving gebaseerd op lijsten van de verboden middelen. Het huidige rapport beschrijft deze mogelijkheden en de voor- en nadelen hiervan. De generieke benadering bij nieuwe psychoactieve drugs op basis van een chemische structuur is niet haalbaar, omdat hierdoor honderden verbindingen (analoga) verboden worden en er desondanks nieuwe psychoactieve stoffen ontwikkeld zullen worden die niet 'afgedekt' worden door de generieke strafbaarstelling.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
BMI development of normal weight and overweight children in the PIAMA study | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Cost effectiveness of vaccination against pandemic influenza in European countries: mathematical modelling analysis | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
In Frankrijk en in Nederland is regelgeving van kracht om te bepalen wat het risico is van bedrijven met giftige, ontvlambare of explosieve stoffen voor de omgeving. De uitkomsten van risicoberekeningen worden gebruikt voor vergunningverlening en voor ruimtelijke ordening. De wijze waarop deze landen risico's berekenen, verschilt aanzienlijk. De beleidsmatige context verschilt en technische aannames lopen uiteen. Desalniettemin komen de uitkomsten voor een fictieve opslag van ontvlambare vloeistoffen op hoofdlijnen grotendeels overeen. Dit blijkt uit onderzoek van RIVM en het Franse INERIS. Beleidsmakers kunnen de bevindingen van het onderzoek gebruiken om de uitgangspunten voor het maken van risicoberekeningen nader te evalueren. Voor het onderzoek is het risico van een fictief opslagdepot met ontvlambare vloeistoffen berekend volgens de Franse en de Nederlandse regelgeving. Hierbij zijn meerdere significante verschillen geconstateerd. Beleidsmatig verschillen de normstelling en de manier waarop uitkomsten worden gebruikt in de vergunningverlening en de ruimtelijke ordening. Verder is de te gebruiken rekenmethodiek in Nederland in regelgeving vastgelegd, terwijl in Frankrijk de vergunningaanvrager de rekenmethodiek kiest en verantwoordt. In technisch opzicht verschillen de ongevalsscenario's die worden gehanteerd, de veronderstelde kansen voor verschillende typen ongevallen en de omvang van het gebied waar schade optreedt. In de uitkomsten voor de twee landen is het gebied waar bestaande kwetsbare objecten ongewenst zijn en waar toekomstige kwetsbare objecten vermeden moeten worden grotendeels gelijk. Ook het totale gebied waarin rekening gehouden moet worden met ernstige gevolgen van een eventueel incident is vergelijkbaar.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Personal hair dye use and the risk of bladder cancer: a case-control study from the Netherlands | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
The outcomes of pregnancy in women exposed to the new macrolides in the first trimester: a prospective, multicentre, observational study | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Prediagnostic concentrations of plasma genistein and prostate cancer risk in 1,605 men with prostate cancer and 1,697 matched control participants in EPIC | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Retrospective evaluation of control measures for contacts of patient with Marburg hemorrhagic fever | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Biowaiver monograph for immediate release solid oral dosage forms: acetylsalicylic acid | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Antibiotic use and resistance in long term care facilities | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Psychosocial determinants of parents' intention to vaccinate their newborn child against hepatitis B | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Præventis, the immunisation register of the Netherlands: a tool to evaluate the National Immunisation Programme | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Development and technology transfer of Haemophilus influenzae type b conjugate vaccines for developing countries | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Prenatal detection of Down syndrome using massively parallel sequencing (MPS): a rapid response statement from a committee on behalf of the Board of the International Society for Prenatal Diagnosis, 24 October 2011 | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Momenteel kunnen er geen wetenschappelijk onderbouwde uitspraken worden gedaan over het infectierisico van omwonenden van veehouderijen, met uitzondering van Q-koorts. Het is aangetoond dat omwonenden van melkgeitenbedrijven met Q-koorts, een verhoogd risico hebben om deze infectieziekte te krijgen. Voor de overige zoönosen (infectieziekten die van dier op mens worden overgedragen) zijn onvoldoende gegevens beschikbaar over het risico in relatie tot de afstand tot veehouderijen, het bedrijfstype en de bedrijfsgrootte. Wel is bekend dat veehouders, medewerkers op veehouderijen en dierenartsen een verhoogd risico hebben om bepaalde zoönosen op te lopen. Direct contact met dieren is daarbij vaak een risicofactor. Zes zoönotische infectieziekten onderzocht Dat concludeert het RIVM op basis van een literatuuronderzoek dat is uitgevoerd op verzoek van de GGD'en. Zij hebben het RIVM gevraagd wat de achtergrond was van een afstandsadvies van 1 à 2 km uit 2008. Dit advies blijkt betrekking te hebben op de afstand tussen bedrijven onderling en is erop gericht dierziekten te beheersen, in het bijzonder 'vogelgriep' (aviaire influenza). Of ook een verhoogd risico voor omwonenden kan worden vastgesteld, heeft het RIVM in het onderliggende rapport bekeken aan de hand van zes voorbeelden van zoönosen (vogelgriep, Q-koorts, psittacose, campylobacteriose, veegerelateerde MRSA en ESBL-producerende bacteriën). Om inzicht te verkrijgen in de infectierisico's voor omwonenden van veehouderijen is het belangrijk om nader onderzoek te verrichten. Van belang daarbij zijn mogelijke relaties tussen de aanwezigheid van micro-organismen in de omgeving van veehouderijen en de mate waarin zoönotische infecties bij omwonenden voorkomen.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
SeekTB, a two-stage multiplex real-time-PCR-based method for differentiation of the Mycobacterium tuberculosis complex | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
The unmet need in the elderly: how immunosenescence, CMV infection, co-morbidities and frailty are a challenge for the development of more effective influenza vaccines | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Plasma cotinine levels and pancreatic cancer in the EPIC cohort study | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Dietary total antioxidant capacity and gastric cancer risk in the European prospective investigation into cancer and nutrition study | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Effectiveness of yearly, register based screening for chlamydia in the Netherlands: controlled trial with randomised stepped wedge implementation | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Het RIVM heeft in opdracht van de Inspectie Leefomgeving en Transport een methode ontwikkeld om levensvatbare legionellabacteriën in water beter te kunnen aantonen, de zogeheten amoebekweekmethode. Het is een aanvulling op de bestaande kweekmethode op agarplaten, die vermoedelijk niet alle ziekmakende legionellabacteriën in watermonsters opspoort. De nieuwe kweekmethode is vooral veel geschikter voor monsters die veel andersoortige bacteriën bevatten, zoals monsters van rioolwaterzuiveringsinstallaties. Bij de bestaande kweek wordt het watermonster op platen met agar gebracht, dat voedingsmiddelen bevat waarop legionellabacteriën zich optimaal in koloniën kunnen ontwikkelen. Deze methode heeft als nadeel dat andere, niet-legionellabacteriën er ook op groeien. Deze andere bacteriën kunnen de groei van de legionellabacteriën op de agarplaten belemmeren, zodat deze moeilijker op te sporen zijn. Bovendien zijn hiermee legionellabacteriën in een bepaald stadium ('levend, maar niet kweekbaar') niet aan te tonen. Bij de amoebekweekmethode worden watermonsters eerst aangebracht op amoeben. Deze eencelligen zijn de natuurlijke gastheer van legionellabacteriën, waarin legionella zich kan vermenigvuldigen. Dit heeft als voordeel dat vooral de groei van de legionellabacterie wordt gestimuleerd en niet die van andere bacteriën. Door deze verrijkingsstap zijn de legionellabacteriën vervolgens wel aan te tonen op agarplaten. In Nederland wordt bij drinkwaterinstallaties en koeltorens regelmatig gecontroleerd of er legionella aanwezig is. Dit wordt gedaan om voorkomen dat mensen worden blootgesteld aan deze bacterie. Legionellabesmetting kan leiden tot een ernstige vorm van longontsteking. Daarnaast wordt bij een besmetting de bron gezocht in de omgeving van degenen die er ziek van zijn geworden, om verdere blootstelling te voorkomen. Legionella wordt dan aangetoond met de kweekmethode op agarplaten. De amoebekweek kan hierop een aanvulling zijn. Dit geldt vooral voor monsters die met de kweekmethode op agarplaten moeilijk zijn te onderzoeken, omdat ze veel andersoortige bacteriën bevatten.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Toxoplasma gondii is een eencellige parasiet, die kan worden opgelopen door consumptie van besmet onvoldoende verhit vlees of door opname van parasieten die door katten zijn uitgescheiden in de omgeving. Vooral de ernstige gevolgen die een infectie tijdens de zwangerschap kan hebben voor het ongeboren kind zijn bekend. Ook de oogafwijkingen die zich bij iedereen kunnen ontwikkelen zijn van belang. De laatste jaren is duidelijk geworden dat toxoplasmose tot de belangrijkste voedselgerelateerde infecties in Nederland behoort. Om de ziektelast door Toxoplasma in Nederland te verlagen moeten maatregelen worden genomen. Op dit moment is preventie van toxoplasmose gebaseerd op het geven van voorlichting aan zwangere vrouwen. De effectiviteit hiervan is twijfelachtig, bovendien biedt het geen bescherming voor de algemene bevolking. In dit rapport worden humane en veterinaire aspecten met betrekking tot de bestrijding van Toxoplasma infecties besproken. Het inzetten van screening, waarbij Toxoplasma infecties bij baby's worden opgespoord en behandeld, is niet zinnig bij gebrek aan een bewezen effectief geneesmiddel. Het invriezen van vlees bestemd voor rauwe of onvoldoende verhitte consumptie is wel toepasbaar. Op de lange termijn valt van vaccinatie van katten een grotere gezondheidswinst te verwachten, daarom dient vaccinontwikkeling gestimuleerd te worden. De voorlichting van zwangeren kan worden verbeterd door gebruik van moderne communicatiemiddelen en door rekening te houden met speciale doelgroepen. Ook is het van belang het kennisniveau van professionals te verbeteren.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Sinds 2007 functioneert in Nederland een Erkenningscommissie die interventies gericht op gezondheidsbevordering, jeugdgezondheid en jeugdwelzijn beoordeelt. Kosten en kosteneffectiviteit van interventies spelen tot op heden niet of nauwelijks een rol in dit erkenningstraject. In dit rapport wordt geconcludeerd dat uitbreiding van het erkenningsstelsel met een formele beoordeling van kosteneffectiviteit momenteel (2012) niet aan de orde is, maar dat er wel mogelijkheden zijn om meer informatie over kosten en kosteneffectiviteit van interventies aan te bieden aan gebruikers van interventiedatabases. Interventies krijgen op dit moment een erkenning op drie niveaus. In dit rapport wordt ingegaan op de vraag wat de voor- en nadelen zijn van het toevoegen van een vierde niveau van erkenning, namelijk 'bewezen kosteneffectief', aan het erkenningstraject voor interventies. Kosteneffectiviteit zou daarmee een formele plaats krijgen in het erkenningstraject. Ter beantwoording van de vraag onderzoeken we eerst of er elders (ook in het buitenland) ervaring bestaat met het erkennen of vaststellen van kosteneffectiviteit. We beschrijven op welke manier informatie over kosten en kosteneffectiviteit wordt ontsloten in interventie- en literatuurdatabases. Ook wordt een aantal opties besproken om informatie over kosten en kosteneffectiviteit van interventies beter toegankelijk te maken voor gebruikers van interventiedatabases.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Het Centrum Infectieziektebestrijding (CIb) van het RIVM voerde een project uit om aandacht voor de gezondheid van werknemers (arbo-denken) te integreren in de landelijke infectieziektebestrijding. Maatregelen en producten van de publieke gezondheidszorg voor de infectieziektebestrijding, zijn gericht op de bevolking in het algemeen. Daardoor zijn ze niet zomaar te gebruiken in de arbeidscontext, waarbij de veiligheid en de bescherming van de gezondheid ook individueel geregeld moet zijn. Voor veilig en gezond werk is de werkgever primair verantwoordelijk. Door in de publieke volksgezondheidzorg aandacht te hebben voor arboregelgeving, wordt de landelijke infectiebestrijding versterkt. Dit is van belang in een tijd waarin de bevolking met infectieziekten wordt geconfronteerd, zoals de Q-koortsepidemie, Influenza A(H1N1) 2009 (Mexicaanse griep) en EHEC. Vooral werknemers in de gezondheidszorg en veehouderij lopen vanuit hun werk een grote kans op nadelige gezondheidseffecten door infectieziekten. Het project, dat in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is uitgevoerd, is een aanvulling op eerdere activiteiten bij het CIb op dit gebied. Verschillen publieke gezondheidszorg en arbozorg: De publieke gezondheidszorg en de individuele arbozorg zijn anders georganiseerd en gefinancierd, onder andere omdat de regelgeving en de bijbehorende verantwoordelijkheden verschillen. Zo wordt de publieke gezondheid onder meer bediend via een landelijk dekkend netwerk van GGD'en en is de zorg voor werknemers georganiseerd via werkgevers die een beroep kunnen doen op arbodienstverleners. Acties die integratie bevorderen: Relevante partijen uit de publieke gezondheidszorg en arbozorg, zoals beleidsmakers en arbodienstverleners, zijn bijeengebracht om hen bewuster te maken van de verschillen in beleid en maatregelen en om ze te kunnen overbruggen. Vervolgens is verduidelijkt welke partij waarvoor verantwoordelijk is bij de bestrijding van infectieziekten. Daarnaast zijn enkele concrete maatregelen genomen om ervoor te zorgen dat het CIb ook specifiek aandacht heeft voor werkgerelateerde factoren bij de infectieziektebestrijding. Onder andere is 'arbo' gewaarborgd in landelijke overlegstructuren hiervoor, bijvoorbeeld door een arbo-deskundige structureel toe te voegen aan het outbreakmanagement (OMT). Dit team adviseert de minister bij de (dreiging van) een grootschalige infectieziekte. Ook is arbo een vast aandachtspunt geworden in de ontwikkeling van landelijke richtlijnen voor de infectieziektebestrijding. Daarnaast zijn sleutelfiguren in het arboveld met elkaar en met sleutelfiguren van de landelijke infectieziektebestrijding in contact gebracht. Daardoor zijn contactlijnen verkort en dat versnelt de mogelijke implementatie van maatregelen. De volgende stap is te komen tot een samenhangende infrastructuur.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
In Nederland wordt bij prioritaire instellingen met collectieve leidingwaterinstallaties, zoals ziekenhuizen en verzorgingstehuizen, twee keer per jaar gecontroleerd of legionella in de waterleidingen aanwezig is. De concentratie legionellabacteriën in het water moet wettelijk lager zijn dan 100 kolonievormende eenheden per liter. De eigenaren van dergelijke collectieve installaties zijn verplicht om maatregelen te nemen om legionella-infecties te voorkomen. Oudere mensen of mensen die verzwakt zijn, zijn namelijk gevoeliger om ziek te worden van een infectie met legionella. Uit onderzoek van het RIVM blijkt dat de concentratie van legionellabacteriën in korte tijd sterk kan variëren, tot een factor 50. Beheerders van prioritaire collectieve drinkwaterinstallaties wordt daarom aanbevolen om eventuele maatregelen niet alleen op basis van de resultaten van een controle te nemen. Het is minstens zo belangrijk om ervoor te zorgen dat de drinkwaterinstallaties goed worden geïnstalleerd en onderhouden. Zo moeten temperaturen waarbij legionella goed kan groeien, worden voorkomen en mag het water in de leidingen niet te lang stilstaan. De studie is uitgevoerd in opdracht van de Inspectie voor Leefomgeving en Transport (ILT). In het onderzoek zijn de koudwaterleidingen van drie drinkwaterinstallaties gedurende tien maanden onderzocht op legionella. Bij deze drinkwaterinstallaties is in het verleden meerdere malen legionella aangetroffen. Dit keer werden in de watermonsters twee soorten legionellabacteriën aangetroffen, de Legionella anisa of Legionella gormanii. De Legionella pneumophila, de legionellasoort die verantwoordelijk is voor het merendeel van de ziektegevallen in Nederland, is niet aangetroffen.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
In januari 2011 werd aan de Interventiedatabase (I-database) van het RIVM Centrum Gezond Leven een faciliteit toegevoegd om het bereik van leefstijlinterventies te registreren. Professionals uit 37 organisaties hebben van 77 interventies bereikcijfers ingevoerd in de I-database. De meeste van deze interventies worden uitgevoerd door GGD'en. Veel organisaties zien het belang van registratie van bereikcijfers in. Een aantal organisaties registreert bereikcijfers in eigen systemen. Voor sommige organisaties is het vastleggen van bereikcijfers nieuw. Voor andere organisaties is niet het vastleggen van bereikcijfers nieuw, maar is het een verandering om dit in de I-database te doen. Het merendeel is van mening dat ze alle belangrijke informatie kunnen vastleggen in de I-database en dat de vragen duidelijk zijn. De I-database wordt daarbij niet altijd als voldoende gebruiksvriendelijk beschouwd. Voor organisaties die niet alle of die geen bereikcijfers hebben ingevoerd in de I-database is een van belangrijkste redenen gebrek aan tijd en geld. Daarbij melden ze dat het doel en het nut van de invoer van bereikcijfers hun niet voldoende duidelijk is. Ondanks genoemde knelpunten is een ruime meerderheid voorstander van het inzichtelijk maken van bereikcijfers. Het CGL gaat in 2012 verder met het promoten om bereikcijfers vast te leggen in de I-database. Elke verandering, zoals ook het vastleggen van het bereik in de I-database, kost tijd en heeft langere tijd aandacht nodig. De implementatie zal ook op bestuurlijk niveau een ingang krijgen. Ondertussen wordt de vragenlijst aangepast aan wensen van gebruikers en wordt de gebruiksvriendelijkheid aangepakt door samen met het NISB aan een nieuwe verbeterde database te werken.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM heeft de Chlamydia Screening Implementatie (CSI) geëvalueerd, die tussen februari 2008 en mei 2010 jaarlijks aan ruim 300.000 jongeren in Amsterdam, Rotterdam en Zuid-Limburg is aangeboden. Het is voor het eerst in Nederland dat zo'n grote groep jongeren massaal is opgeroepen voor een jaarlijkse soa-test. Door veel mensen te testen en te behandelen wordt Chlamydia minder vaak overgedragen/verspreid. Deze proefscreening is opgezet om te onderzoeken of de screening goed uitvoerbaar is, inderdaad het aantal infecties doet afnemen en kosteneffectief is. Op basis van deze evaluatie beslist de minister van Volksgezondheid of de screening landelijk wordt ingezet. In afwachting hiervan wordt het programma nog een jaar voortgezet, ook om meer gegevens te verzamelen. Het percentage jongeren dat meedeed was bij aanvang lager dan verwacht (één op de acht genodigden) en liep jaarlijks terug. In de eerste ronde had 4,2% van de deelnemers een Chlamydia-infectie en dit daalde in het derde jaar naar 3,5%. Op basis van modellen wordt geschat dat de screening op de langere termijn, in 10 jaar tijd, slechts tot een lichte daling van Chlamydia-infecties zal leiden. Als de deelname jaarlijks blijft teruglopen, zullen er nauwelijks minder infecties zijn dan bij de bestaande soa-zorg. De screening is daarmee niet kostenbesparend. De genodigden werd schriftelijk gevraagd om via internet een testkit aan te vragen en een monster naar het lab te sturen. Het programma was technisch goed uitvoerbaar en deelnemers waren er enthousiast over. 'Hoog-risico-groepen', zoals jongeren onder de 20 jaar, van allochtone afkomst of uit hoog-risico-wijken, deden minder vaak mee, maar hadden vaker een Chlamydia-infectie. Uit vragenlijsten bleek dat degenen die niet meededen daar meestal een gegronde reden voor hadden (ze waren niet seksueel actief, hadden geen risico gelopen, of waren recent getest). Deelnemers vertoonden doorgaans in seksueel opzicht risicovoller gedrag.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Afwegen van kosten en baten voor reductie van arbeidsongevallen in de kartonfabricage | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
In oktober 2011 heeft de Europese Commissie Aanbeveling Inzake de Definitie van Nanomateriaal vastgesteld. Het RIVM beschouwt deze definitie als een goede basis voor verdere discussie. De discussie zou zich vooral moeten richten op twee uitgangspunten van de definitie: de grenzen voor de afmeting van nanodeeltjes (van 1 tot 100 nanometer), en de eis voor nanomaterialen dat minimaal 50 procent van de deeltjes binnen de gestelde afmeting voor nanodeeltjes vallen. Volgens het RIVM kan wetenschappelijk onderzoek helpen om implicaties van de keuzes van deze uitgangspunten in te schatten. Verder is het van belang om betrouwbare en gestandaardiseerde methoden te hebben om de aantallen nanodeeltjes en de grootte ervan te kunnen meten. De Europese Commissie zal de definitie herzien in 2014 in het licht van de ervaringen en de wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen. Inzicht in potentiële risico's van belang: De laatste jaren is een toenemend aantal toepassingen en producten beschikbaar gekomen waarin of waarvoor nanomaterialen worden gebruikt. Vanwege de geringe afmeting van de deeltjes hebben ze andere eigenschappen dan materialen met grotere deeltjes. Een eenduidige definitie is een belangrijke stap om de term 'nanomateriaal' voor Europese wet- en regelgeving vast te stellen. Het uiteindelijk doel van de definitie is om de potentiële risico's van nanomaterialen voor mens en milieu te beheersen. Nu de definitie van een nanomateriaal nader is bepaald, is de volgende stap om deze in te passen in de diverse kaders van wet- en regelgeving. Dan kan ook worden vastgesteld voor welke typen nanomaterialen specifieke maatregelen nodig zijn om te kunnen waarborgen dat ze op een veilige manier worden geproduceerd en toegepast. Deeltjes buiten definitie: niet automatisch veilig: Het RIVM onderschrijft het uitgangspunt van de Commissie dat een nanomateriaal niet automatisch als gevaarlijk moet worden beschouwd. Tegelijkertijd benadrukt het instituut dat materialen met deeltjes die buiten de definitie vallen, niet automatisch als veilig moeten worden beschouwd. Zo kunnen materialen met deeltjes die net buiten de limieten vallen toch een risico vormen afhankelijk van de blootstelling van mens en milieu.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Proteins involved in extracellular matrix dynamics are associated with respiratory syncytial virus disease severity | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Complete genome sequence of Mycobacterium xenopi type strain RIVM700367 | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Immunocytological and biochemical analysis of the mode of action of bis (tri-n-butyltin) tri-oxide (TBTO) in Jurkat cells | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Working on wellness (WOW): a worksite health promotion intervention programme | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Delayed neuromotor recovery and increased memory acquisition dysfunction following experimental brain trauma in mice lacking the DNA repair gene XPA: Laboratory investigation | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Complete genome sequence of Mycobacterium phlei type strain RIVM601174 | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Maternal use of folic acid supplements during pregnancy, and childhood respiratory health and atopy | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Communicating uncertainty in economic evaluations: verifying optimal strategies | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Occurrence of human enteric viruses in commercial mussels at retail level in three European countries | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Using the particle filter for nuclear decision support | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Mumps outbreak among vaccinated university students associated with a large party, the Netherlands, 2010 | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Macrolide resistance determination and molecular typing of Mycoplasma pneumoniae in respiratory specimens collected between 1997 and 2008 in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Trends in socioeconomic inequalities in smoking prevalence, consumption, initiation, and cessation between 2001 and 2008 in the Netherlands. Findings from a national population survey | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Cost-effectiveness of potential infant vaccination against respiratory syncytial virus infection in The Netherlands | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Equivalence considerations for orally inhaled products for local action-ISAM/IPAC-RS European workshop report | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Multiple miscarriages are associated with the risk of ovarian cancer: Results from the european prospective investigation into cancer and nutrition | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Age of onset in health impact assessment of chemical substances | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Evaluation of a new molecular test for the identification of drug resistance in mycobacterium tuberculosis clinical isolates | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
HbA(1c) measured in stored erythrocytes is positively linearly associated with mortality in individuals with diabetes mellitus | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Recreational drug use during sex and sexually transmitted infections among clients of a city sexually transmitted infections clinic in Amsterdam, The Netherlands | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
A quantitative approach to assess the potency of skin sensitizers in the elicitation phase | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Epidemic q fever in humans in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
De invoering van integrale bekostiging heeft mede geleid tot het ontstaan van zorggroepen. Deze zorggroepen zijn verantwoordelijk voor de organisatie, coördinatie en levering van de door hen gecontracteerde zorgprogramma's. Om de ontwikkeling van deze relatief nieuwe organisaties en de uitrol van de zorgprogramma's te volgen is in 2008 (0-meting) en in 2010 (1-meting) een vragenlijstonderzoek uitgevoerd onder zorggroepen. Het huidige onderzoek is een vervolg hierop en geeft inzicht in de ontwikkelingen in de organisatie van zorggroepen en de uitrol van de zorgprogramma's voor diabetes, COPD en vasculair risicomanagement (VRM) in de periode 2008 tot en met 2011. Sinds de 1-meting zijn weinig nieuwe zorggroepen opgericht. Zorggroepen hebben zich verder ontwikkeld op organisatorisch vlak. Echter er bestaan nog wel grote verschillen tussen zorggroepen. Alle responderende zorggroepen (n=65) hebben een zorgprogramma voor diabetes gecontracteerd. Daarnaast heeft de helft van de zorggroepen in 2011 een zorgprogramma voor COPD gecontracteerd en een kwart voor VRM. Ook hebben zorggroepen meer ondersteunend personeel in dienst en wordt door meer zorggroepen ingezet op het inzichtelijk maken en verbeteren van de kwaliteit van zorg. Net als in de voorgaande metingen zijn vooral huisartsen eigenaar van zorggroepen. Daarnaast zijn een aantal knelpunten nog steeds actueel. Zo bestaan er nog knelpunten op het gebied van de onderhandelingen rondom het contracteren van zorgprogramma's. Ook vormt ICT nog steeds een knelpunt waardoor het lastig is voor zorggroepen om gegevens onderling uit te wisselen en spiegelinformatie te genereren. Een aandachtspunt blijft de rol van de patiënt in de zorggroep zowel op spreekkamer als organisatorisch niveau. Patiënten worden wel meer betrokken bij zorggroepen, maar hun rol blijft toch vaak beperkt. Een ander punt van aandacht is hoe zorggroepen het geïntegreerd leveren van zorg waarborgen als er meer ziektespecifieke zorgprogramma's gecontracteerd worden. Een derde van de zorggroepen beschouwt dit niet als hun verantwoordelijkheid.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
De Evaluatiecommissie Integrale Bekostiging (EIB) heeft van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) de opdracht gekregen om de ontwikkelingen rondom integrale bekostiging (IB) in de periode 2010-2012 te monitoren. In juni 2012 rapporteert de commissie in hoeverre aan de randvoorwaarden van integrale bekostiging wordt voldaan en of de beoogde effecten worden gerealiseerd. De EIB wordt bij haar werkzaamheden ondersteund door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). Eén van de taken van het RIVM betreft het inventariseren van afgeronde en lopende onderzoeken op het gebied van IB. Doel van deze inventarisatie is om de EIB op een gestructureerde manier van alle relevante informatie te voorzien. De EIB wordt zodoende in staat gesteld om onderzoeken op het gebied van IB te kunnen wegen, interpreteren en integreren in hun rapportage aan de minister. Uit de inventarisatie blijkt dat afgeronde onderzoeken vooral informatie geven over in hoeverre de (dreigende) concurrentie en de onderhandelingen met de zorgverzekeraars van invloed zijn op de prijs en kwaliteit van de contracten en in hoeverre de beoogde transparantie van de kwaliteit van zorg tot stand komt. In de komende maanden zullen een aantal lopende onderzoeken worden afgerond, waardoor meer onderzoeksresultaten over geprognosticeerde kostenreductie van IB beschikbaar komen.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
In dit rapport wordt de invoering van zorgprogramma's diabetes en vasculair risicomanagement (VRM) in kaart gebracht en de effecten van integrale bekostiging (IB) op de curatieve zorgkosten van diabetes beschreven. Bij de invoering van IB was de verwachting dat de kwaliteit van de zorg zou toenemen en dat er tegelijkertijd taakherschikking en taakdelegatie zou optreden. Hierdoor zouden de zorgkosten kunnen dalen en de chronische (diabetes)zorg doelmatiger worden. De resultaten van dit onderzoek zijn gebaseerd op de zorgdeclaraties van alle Nederlandse zorgverzekeraars voor mensen met diabetes, verzameld en beheerd door Vektis. Deze declaratiegegevens bevatten de declaraties van de zorg die valt binnen het basispakket in het kader van de Zorgverzekeringswet inclusief de kosten van het eigen risico van de patiënt. In 2010 werden vrijwel overal in Nederland zorgprogramma's diabetes via IB aangeboden; bijna 100 zorgroepen boden dit aan. Daarentegen werden zorgprogramma's VRM beperkt gecontracteerd in 2010; slechts zeven zorggroepen in het zuiden van het land boden dit aan. Curatieve zorgkosten van een diabetespatiënt bedroegen ongeveer €4800 in 2009. De kosten van ziekenhuiszorg (ongeveer €2500 per patiënt) en in mindere mate de medicatiekosten (ongeveer €1100 per patiënt) maakten hiervan het grootste onderdeel uit. Het aandeel van de kosten van huisartsenzorg was beperkt; ongeveer €400 per patiënt. De curatieve zorgkosten van mensen die participeerden in een zorgprogramma VRM hebben betrekking op declaratiegegevens uit het vierde kwartaal van 2010 en bedroegen ongeveer €1350 per patiënt voor het laatste kwartaal in 2010. De kosten van de curatieve zorg van patiënten in een zorgprogramma bekostigd via IB waren in 2009 €288 meer gestegen dan de kosten van de curatieve zorg van patiënten die reguliere zorg ontvingen. De kostenstijging van patiënten in een zorgprogramma bekostigd via koptarief verschilde niet significant van de patiënten die reguliere zorg kregen. Het onderzoek liet verder zien dat deelnemers aan een zorgprogramma diabetes, bekostigd via IB, in 2009 bijna 25% minder vaak gebruikmaakten van het ziekenhuis in vergelijking met diabetespatiënten die reguliere zorg ontvingen. Als alleen gekeken wordt naar diabetesspecifieke dbc's dan is de invloed van deelname aan een zorgprogramma nog duidelijker te zien; bijna 40% minder diabetespatiënten in een zorgprogramma gingen naar het ziekenhuis ten opzichte van patiënten met reguliere diabeteszorg. De kosten per patiënt die ziekenhuizen maakten voor diabetesgerelateerde zorg namen licht af. Opmerkelijk genoeg namen de totale ziekenhuiskosten van deze patiënten juist toe en verklaarden bijna de helft van de toename van de totale curatieve zorgkosten. Bij koptarief werd deze stijging in totale ziekenhuiskosten niet gevonden.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM controleert achtmaal per jaar de metingen van de verrijkingsfabriek Urenco te Almelo. Het gaat hierbij om lozingen van radioactiviteit in water en lucht. De contra-expertise onderbouwt de betrouwbaarheid van de analyses die Urenco uitvoert. Uit de metingen blijkt dat er in het afvalwater doorgaans een (zeer) lage totaal alfa en totaal bèta activiteit aanwezig is. De totaal alfa analyses in afvalwater komen goed overeen, zo ook in 2009. Indien de totaal bèta resultaten gecorrigeerd worden voor verval van 234Th dan verbetert de overeenkomst van matig naar redelijk. De radioactiviteit in ventilatielucht ligt zeer dicht bij het niveau van de hoeveelheid radon die van nature in buitenlucht aanwezig is. In 2009 is er in SP4 een vrijzetting geweest van een geringe hoeveelheid UF6 . Dit is zowel in de totaal alfa als de totaal bèta activiteit in de betreffende week (6-11 september) goed waarneembaar. De overeenkomst in de meetresultaten is goed. Het RIVM heeft in acht afvalwatermonsters en 32 monsters van ventilatielucht, die verspreid over het jaar 2009 door Urenco zijn afgenomen, de totaal alfa en totaal bèta activiteit bepaald. Deze bepaling is een snelle manier om een eventuele lozing van uraan naar het milieu aan te tonen. Opdrachtgever is de Kernfysische Dienst van het ministerie van VROM.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM controleert achtmaal per jaar de metingen van NRG. Het gaat hierbij om lozingen van radioactiviteit in water en lucht. De contra-expertise onderbouwt de betrouwbaarheid van de analyses die NRG uitvoert. Ook in 2009 komen de analyses goed overeen, met name voor de gammaspectrometrie en totaal-alfa resultaten. Enkele structurele verschillen in dat jaar betreffen de totaal-beta metingen in afvalwater; RIVM meet altijd veel lager dan NRG. Dit wordt deels verklaard door het feit dat er veel kortlevende beta-stralers in het afvalwater aanwezig zijn, en deels door verschillen in de meetmethoden die NRG en RIVM toepassen. De overeenstemming in de 3H resultaten in afvalwater dient verbeterd te worden. De resultaten in monsters van ventilatielucht behaald door NRG en RIVM stemmen goed overeen. De totaal-alfa, totaal-beta en gammaspectrometrie resultaten zijn allen dicht bij de detectiegrens. Het RIVM heeft in 2009 acht afvalwatermonsters en acht monsters van ventilatielucht geanalyseerd, die verspreid over het jaar gedurende een week door NRG zijn genomen. Opdrachtgever is de Kernfysische Dienst van het ministerie van VROM.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM controleert achtmaal per jaar de metingen van NRG. Het gaat hierbij om lozingen van radioactiviteit in water en lucht. De contra-expertise onderbouwt de betrouwbaarheid van de analyses die NRG uitvoert. Doorgaans komen de analyses overeen, zo ook in 2006. Enkele structurele verschillen in dat jaar betreffen de totaal-beta metingen in afvalwater; RIVM meet altijd veel lager dan NRG. Dit wordt verklaard door het feit dat er veel kortlevende betastralers in het afvalwater aanwezig zijn. In ventilatielucht toont RIVM een aantal maal een activiteitsconcentratie aan onder de detectiegrens van NRG. NRG meet de filterpakketten voor snelle screeningsdoeleinden en past daarom een veel kortere meettijd toe dan RIVM. Het RIVM heeft in 2006 acht afvalwatermonsters en acht monsters van ventilatielucht geanalyseerd, die verspreid over het jaar gedurende een week door NRG zijn genomen. Opdrachtgever is de Kernfysische Dienst van het ministerie van VROM.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM controleert achtmaal per jaar de metingen van de verrijkingsfabriek Urenco te Almelo. Het gaat hierbij om lozingen van radioactiviteit in water en lucht. De contra-expertise onderbouwt de betrouwbaarheid van de analyses die Urenco uitvoert. Uit de metingen blijkt dat er in het afvalwater doorgaans een (zeer) lage totaal alfa en totaal bèta activiteit aanwezig is. De totaal alfa analyses in afvalwater komen goed overeen, zo ook in 2007. Indien de totaal bèta resultaten gecorrigeerd worden voor verval van 234Th dan verbetert de overeenkomst van matig naar redelijk. De radioactiviteit in ventilatielucht ligt zeer dicht bij het niveau van de hoeveelheid radon die van nature in buitenlucht aanwezig is. Het RIVM heeft in acht afvalwatermonsters en 32 monsters van ventilatielucht, die verspreid over het jaar 2007 door Urenco zijn afgenomen, de totaal alfa en totaal- beta activiteit bepaald. Deze bepaling is een snelle manier om een eventuele lozing van uraan naar het milieu aan te tonen. Opdrachtgever is de Kernfysische Dienst van het ministerie van VROM.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM controleert achtmaal per jaar de metingen van COVRA . Het gaat hierbij om lozingen van radioactiviteit in water en lucht. De contra-expertise onderbouwt de betrouwbaarheid van de analyses die COVRA uitvoert. Doorgaans komen de afvalwateranalyses overeen, zo ook de gammaspectrometrieresultaten, de totaal-alfa, 3H en 14C resultaten in 2009. Enkele verschillen in 2009 betreffen de totaal-bèta meetwaarden van RIVM en de restbèta meetwaarden van COVRA. Desondanks is de gehele vergelijking acceptabel, mede gezien het feit dat RIVM en COVRA verschillende meetprincipes toepassen. De meetresultaten in ventilatieluchtmonsters van het afvalverwerkingsgebouw komen doorgaans goed overeen. De gammastraler 125I is door RIVM en COVRA aangetroffen in slechts één ventilatieluchtmonster. De overeenstemming is redelijk. 3H is aangetroffen met een redelijke overeenstemming, en 14C met een goede overeenstemming. Zowel RIVM and COVRA hebben geen gamma-stralers, geen totaal-alfa of totaalbeta activiteit aangetroffen in ventilatielucht van HABOG. Slechts enkele sporen van 3H en 14C zijn gevonden, met een goede overeenstemming. Het RIVM heeft in 2009 acht afvalwatermonsters en acht monsters van ventilatielucht geanalyseerd, die verspreid over het jaar door COVRA zijn genomen. Opdrachtgever is de Kernfysische Dienst van het ministerie van VROM.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM controleert achtmaal per jaar de metingen van COVRA . Het gaat hierbij om lozingen van radioactiviteit in water en lucht. De contra-expertise onderbouwt de betrouwbaarheid van de analyses die COVRA uitvoert. Doorgaans komen de afvalwateranalyses goed overeen, zo ook de gammaspectrometrieresultaten, de totaal-alfa, 3H en 14C resultaten in 2006. Een enkel verschil in 2006 betreft een lage activiteitsconcentratie voor 22Na in afvalwater. De verschillen in enkele totaal-bèta meetwaarden van RIVM en de rest-bèta meetwaarden van COVRA zijn acceptabel, mede gezien het feit dat RIVM en COVRA verschillende meetprincipes toepassen. De meetresultaten in ventilatieluchtmonsters komen goed overeen. Het RIVM heeft in 2006 zes afvalwatermonsters en acht monsters van ventilatielucht geanalyseerd, die verspreid over het jaar door COVRA zijn genomen. Opdrachtgever is de Kernfysische Dienst van het ministerie van VROM.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Consulten en bezoekers soa-centra: In 2011 hebben in totaal 113.180 mensen zich bij een van de centra in Nederland laten testen op een seksueel overdraagbare aandoening (soa), 8 procent meer dan in 2010. De soa-centra bieden hoogrisicogroepen een laagdrempelige aanvullende curatieve zorg. Er waren in 2011 vooral meer consulten van mannen die seks hebben met mannen (MSM), een stijging van 11 procent ten opzichte van 2010. In 14 procent van de consulten werd één of meerdere soa gevonden (bij 20 procent van de MSM en 13 procent van de heteroseksuele bezoekers), dit is vergelijkbaar met voorgaande jaren. Er zijn 3005 mannen en 11282 vrouwen voor een Sense-consultatie gekomen. Chlamydia: Het aantal infecties is opnieuw toegenomen in 2011, evenals het percentage positieve chlamydiatesten (n=12.913 respectievelijk 11,5 procent). Meer dan de helft van de infecties werd gevonden bij jongeren tot 25 jaar. 12 procent van de heteroseksuele bezoekers van soa-centra had een chlamydia-infectie, onder heteroseksuelen jonger dan 25 jaar was dit 15 procent. Gonorroe: Zowel het aantal infecties (n=3.575) als het percentage positieve gonorroetesten (3,2 procent) is toegenomen in 2011. In Nederland is nog geen gonorroestam gevonden die (klinisch) resistent is tegen derde generatie cefalosporines. Wel zijn meer stammen gevonden die hiervoor minder gevoelig zijn. Monitoring van resistentie blijft daarom van belang om - indien nodig - tijdig behandeladviezen bij te kunnen stellen. Syfilis: In 2011 nam het aantal nieuwe syfilisdiagnoses en het percentage positieve testen (n=476 respectievelijk 0,4 procent) verder af. Syfilis werd vooral gediagnosticeerd bij MSM (90 procent van alle syfilisdiagnoses). Hiv: Het aantal nieuwe hiv-diagnoses bij de Nederlandse hiv-behandelcentra schommelt de laatste jaren rond de 1100 (in 2010: 1090). In 2011 werden 812 nieuwe hiv-diagnoses gesteld (onvolledig door rapportagevertraging). In 2010 werden in dezelfde periode 825 nieuwe hiv-diagnoses gesteld. Het aantal hivinfecties gediagnosticeerd in de soa-centra is in 2011 gestegen tot 415, een stijging van 11 procent ten opzichte van 2010, hoewel het percentage positieve hiv-testen bij de soa-centra gelijk bleef (0,4 procent). Sinds 2010 worden alle bezoekers van soa-centra op hiv getest, tenzij dit expliciet geweigerd wordt (opting-out); dit jaar weigerde 2 procent van alle bezoekers die niet wisten of ze hiv hadden. In 2011 werd bij 30 procent van de bekend hiv-positieve MSM een of meerdere andere soa's gevonden.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM controleert achtmaal per jaar de metingen van de verrijkingsfabriek Urenco te Almelo. Het gaat hierbij om lozingen van radioactiviteit in water en lucht. De contra-expertise onderbouwt de betrouwbaarheid van de analyses die Urenco uitvoert. Uit de metingen blijkt dat er in het afvalwater doorgaans een (zeer) lage totaal alfa en totaal bèta activiteit aanwezig is. De totaal alfa analyses in afvalwater komen goed overeen, zo ook in 2008. Indien de totaal bèta resultaten gecorrigeerd worden voor verval van 234Th dan verbetert de overeenkomst van matig naar redelijk. De radioactiviteit in ventilatielucht ligt zeer dicht bij het niveau van de hoeveelheid radon die van nature in buitenlucht aanwezig is. Het RIVM heeft in acht afvalwatermonsters en 32 monsters van ventilatielucht, die verspreid over het jaar 2008 door Urenco zijn afgenomen, de totaal alfa en totaal-beta activiteit bepaald. Deze bepaling is een snelle manier om een eventuele lozing van uraan naar het milieu aan te tonen. Opdrachtgever is de Kernfysische Dienst van het ministerie van VROM.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM controleert achtmaal per jaar de metingen van de kerncentrale Borssele. Het gaat hierbij om lozingen van radioactiviteit in water en lucht. De contra-expertise onderbouwt de betrouwbaarheid van de analyses die de kerncentrale uitvoert. Doorgaans komen de analyses overeen, zo ook in 2009. Enkele verschillen in dat jaar betreffen radionucliden in ventilatielucht met een korte halfwaardetijd (enkele uren of dagen). Deze verschillen komen voort uit de manier waarop de monstername en de meting wordt uitgevoerd en zijn daardoor nauwelijks kleiner te maken. De overeenstemming in de activiteitsconcentratie van gamma-stralers in afvalwater was redelijk. Voor 3H was de overeenstemming goed. RIVM trof een zeer lage activiteit aan van 90Sr waar KCB dat niet vond. Enkele grote verschillen die aangetroffen zijn in 2009 betreffen de aanwezigheid van 3H in de ventilatieluchtmonsters. Het RIVM heeft in 2009 acht afvalwatermonsters en acht monsters van ventilatielucht geanalyseerd, die verspreid over het jaar en voor wat betreft ventilatielucht gedurende een week door KCB zijn genomen. Opdrachtgever is de Kernfysische Dienst van het ministerie van VROM.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM controleert achtmaal per jaar de metingen van de kerncentrale Borssele. Het gaat hierbij om lozingen van radioactiviteit in water en lucht. De contra-expertise onderbouwt de betrouwbaarheid van de analyses die de kerncentrale uitvoert. Doorgaans komen de analyses overeen, zo ook in 2008. Enkele verschillen in dat jaar betreffen radionucliden in ventilatielucht met een korte halfwaardetijd (enkele uren of dagen). Deze verschillen komen voort uit de manier waarop de monstername en de meting wordt uitgevoerd en zijn daardoor nauwelijks kleiner te maken. Het RIVM heeft in 2008 acht afvalwatermonsters en acht monsters van ventilatielucht geanalyseerd, die verspreid over het jaar en voor wat betreft ventilatielucht gedurende een week door KCB zijn genomen. Opdrachtgever is de Kernfysische Dienst van het ministerie van VROM.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM controleert achtmaal per jaar de metingen van COVRA . Het gaat hierbij om lozingen van radioactiviteit in water en lucht. De contra-expertise onderbouwt de betrouwbaarheid van de analyses die COVRA uitvoert. Doorgaans komen de afvalwateranalyses redelijk tot goed overeen, zo ook de meeste gammaspectrometrieresultaten, en de totaal-alfa, 3H en 14C resultaten in 2008. Enkele verschillen in 2008 betreffen lage activiteitsconcentraties voor 22Na, 60Co, 125Sb en 134Cs in afvalwater. De verschillen in de totaal-bèta meetwaarden van RIVM en de rest-bèta meetwaarden van COVRA zijn acceptabel, mede gezien het feit dat RIVM en COVRA verschillende meetprincipes toepassen. De meetresultaten in ventilatieluchtmonsters komen goed overeen. Het RIVM heeft in 2008 vier afvalwatermonsters en acht monsters van ventilatielucht geanalyseerd, die verspreid over het jaar door COVRA zijn genomen. Opdrachtgever is de Kernfysische Dienst van het ministerie van VROM.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM controleert achtmaal per jaar de metingen van NRG. Het gaat hierbij om lozingen van radioactiviteit in water en lucht. De contra-expertise onderbouwt de betrouwbaarheid van de analyses die NRG uitvoert. Doorgaans komen de analyses overeen, zo ook in 2007. Enkele structurele verschillen in dat jaar betreffen de totaal-beta metingen in afvalwater; RIVM meet altijd veel lager dan NRG. Dit wordt verklaard door het feit dat er veel kortlevende betastralers in het afvalwater aanwezig zijn, en deels door verschillen in de meetmethoden die NRG en RIVM toepassen. NRG meet de filterpakketten voor de bemonstering van ventilatielucht voor snelle screeningsdoeleinden en past daarom een veel kortere meettijd toe dan RIVM. Dit verklaart waarom RIVM een aantal maal een activiteitsconcentratie aantoont onder de detectiegrens van NRG. Het RIVM heeft in 2007 acht afvalwatermonsters en acht monsters van ventilatielucht geanalyseerd, die verspreid over het jaar gedurende een week door NRG zijn genomen. Opdrachtgever is de Kernfysische Dienst van het ministerie van VROM.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM controleert achtmaal per jaar de metingen van de kerncentrale Borssele. Het gaat hierbij om lozingen van radioactiviteit in water en lucht. De contra-expertise onderbouwt de betrouwbaarheid van de analyses die de kerncentrale uitvoert. Doorgaans komen de analyses overeen, zo ook in 2007. Enkele verschillen in dat jaar betreffen radionucliden in ventilatielucht met een korte halfwaardetijd (enkele uren of dagen). Deze verschillen komen voort uit de manier waarop de monstername en de meting wordt uitgevoerd en zijn daardoor nauwelijks kleiner te maken. Het RIVM heeft in 2007 acht afvalwatermonsters en acht monsters van ventilatielucht geanalyseerd, die verspreid over het jaar en voor wat betreft ventilatielucht gedurende een week door KCB zijn genomen. Opdrachtgever is de Kernfysische Dienst van het ministerie van VROM.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM controleert achtmaal per jaar de metingen van COVRA . Het gaat hierbij om lozingen van radioactiviteit in water en lucht. De contra-expertise onderbouwt de betrouwbaarheid van de analyses die COVRA uitvoert. Doorgaans komen de afvalwateranalyses goed overeen, zo ook de gammaspectrometrieresultaten, de totaal-alfa, 3H en 14C resultaten in 2007. Enkele verschillen in 2007 betreffen de nucliden 106Ru en 125Sb, en enkele lage activiteitsconcentraties voor 22Na en 60Co in afvalwater. De verschillen in de totaal-bèta meetwaarden van RIVM en de rest-bèta meetwaarden van COVRA zijn acceptabel, mede gezien het feit dat RIVM en COVRA verschillende meetprincipes toepassen. De meetresultaten in ventilatieluchtmonsters komen goed overeen. Het RIVM heeft in 2007 zeven afvalwatermonsters en acht monsters van ventilatielucht geanalyseerd, die verspreid over het jaar door COVRA zijn genomen. Opdrachtgever is de Kernfysische Dienst van het ministerie van VROM.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM controleert achtmaal per jaar de metingen van NRG. Het gaat hierbij om lozingen van radioactiviteit in water en lucht. De contra-expertise onderbouwt de betrouwbaarheid van de analyses die NRG uitvoert. Doorgaans komen de analyses overeen, zo ook in 2008. Enkele structurele verschillen in dat jaar betreffen de totaal-beta metingen in afvalwater; RIVM meet altijd veel lager dan NRG. Dit wordt deels verklaard door het feit dat er veel kortlevende beta-stralers in het afvalwater aanwezig zijn, en deels door verschillen in de meetmethoden die NRG en RIVM toepassen. NRG meet de filterpakketten voor de bemonstering van ventilatielucht voor snelle screeningsdoeleinden en past daarom een veel kortere meettijd toe dan RIVM. Dit verklaart waarom RIVM een aantal maal een activiteitsconcentratie aantoont onder de detectiegrens van NRG. Het RIVM heeft in 2008 acht afvalwatermonsters en acht monsters van ventilatielucht geanalyseerd, die verspreid over het jaar gedurende een week door NRG zijn genomen. Opdrachtgever is de Kernfysische Dienst van het ministerie van VROM.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Het fosforverwerkende bedrijf Thermphos heeft invloed op de luchtkwaliteit in het Sloegebied door de uitstoot van fijn stof, strontium-, cadmium-, fosfor-, stikstof- en zwavel-verbindingen. Het is aannemelijk dat sommige van deze stoffen onder ongunstige omstandigheden aanleiding kunnen geven tot stank en overlast tot op een afstand van enkele kilometers. Gezondheidskundige normen worden echter niet overschreden. Thermphos is een minder belangrijke bron van organische stoffen, zoals benzeen, tolueen, xyleen en ethylbenzeen. Dit zijn de belangrijkste bevindingen van een RIVM-onderzoek dat op verzoek van de provincie Zeeland plaatsvond van juni tot en met oktober 2011. De aanleiding voor dit onderzoek waren terugkerende klachten van omwonenden en werknemers, zich uitend in stank en prikkeling van de slijmvliezen. Het rapport is onderdeel van een uitgebreide studie naar mogelijke gezondheidseffecten van Thermphos, met belangrijke bijdragen van de GGD Zeeland.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
In de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) en Grondwaterrichtlijn (GRW) is bepaald dat concentraties van verontreinigende stoffen in grondwater niet mogen stijgen. In de praktijk bleek het lastig om een dergelijke stijging vast te kunnen stellen. In twee eerder verschenen rapporten heeft het RIVM, in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM), praktische adviezen gegeven om de technische richtlijnen uit de EU nader uit te werken. Uitgangspunt hierbij is dat bestaande informatie wordt gebruikt om trend te bepalen. Hierbij bleven vraagstukken over, waarvoor de Provincies met het RIVM in het onderliggend rapport oplossingen aanreiken. Uiteindelijk zal een protocol worden opgesteld om trends in de concentratie van stoffen, en daarmee de grondwaterkwaliteit, te kunnen bepalen. Voorbeelden van overgebleven vraagstukken zijn: wat te doen bij een tekort aan informatie of bij onvolledige tijdsreeksen, waarbij op een waarnemingspunt de concentratie van een stof door de tijd heen wordt gemeten. In zulke gevallen kan de trend worden vastgesteld op basis van een 'deskundigenoordeel'. Bij een deskundigenoordeel wordt niet met data gerekend maar beoordelen deskundigen de grondwaterkwaliteit kwalitief aan de hand van de beschikbare data. De Provincies en het RIVM hebben hiervoor een protocol opgesteld. De ouderdom van grondwater hoeft formeel niet te worden bepaald maar kan worden gebruikt om trends in het grondwatersysteem beter te begrijpen.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Nieuwe concentratie- en depositiekaarten voor NSL en PAS: Het RIVM presenteert de nieuwe kaarten waarin de concentraties van acht luchtverontreinigende stoffen (onder andere stikstofdioxide en fijn stof) in Nederland tot 2030 staan weergegeven. Hetzelfde geldt voor de mate waarin stikstof op de bodem neerslaat. Deze kaarten worden jaarlijks gemaakt en geven een beeld van de luchtkwaliteit en de neerslag van stikstof op de bodem in Nederland. Ze worden gebruikt in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) en de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) van de ministeries van Infrastructuur en Milieu (I&M) en Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (EL&I). De kaarten hebben een wettelijke status en gelden als toetssteen voor ruimtelijke ordeningsplannen. Ze zijn gemaakt op basis van metingen en modelberekeningen. Overeenkomsten en verschillen met vorige rapportage: De concentratiekaarten van stikstofdioxide (NO2) verschillen slechts weinig met die uit de rapportage van 2011. De concentraties van fijn stof (PM10) zijn voor 2011 iets hoger dan voor 2010. Wel dalen de verwachte concentraties voor 2015 iets meer ten opzichte van de vorige rapportage als gevolg van verbeterde modelberekeningen. Het aantal locaties in Nederland waar mogelijk de grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof worden overschreden, verschilt naar verwachting slechts beperkt van de inschattingen van vorig jaar. Elementair koolstof: Nieuw in deze rapportage zijn concentratiekaarten van elementair koolstof (EC; roet). Koolstof komt vrij bij allerlei verbrandingsprocessen. Het vermoeden bestaat dat de concentraties koolstof een duidelijkere graadmeter zijn voor de gezondheidsrisico's van de lokale bijdrage van vooral verkeersemissies aan luchtluchtverontreiniging dan die van stikstofdioxide en fijn stof (PM10 en PM2,5). Aangezien er nog weinig ervaring is met het modelleren en meten van elementair koolstof, zijn de kaarten indicatief. De concentraties kunnen daarom het best worden gebruikt om de relatieve effecten van maatregelen op de gezondheid te vergelijken. Aandachtspunten volgende rapportage: In de kaarten zijn nog niet de gevolgen verwerkt van de nieuwste verplichtingen uit mei 2012 om emissies te reduceren vanuit het herziene Gothenburg Protocol van de Verenigde Naties. Voor de meeste stoffen zijn de nieuwe emissieplafonds voor 2020 voor de Nederland omringende landen hoger dan de waarden die voor dit onderzoek zijn gebruikt. De gevolgen daarvan zullen bij de samenstelling van de kaarten van volgend jaar (rapportage 2013) worden meegenomen. De gebruikte scenario's bevatten evenmin de effecten van de geplande snelheidsverhogingen op snelwegen van het kabinet.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
De concentraties fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) in de lucht in Nederland zijn tussen 1993 en 2010 gemiddeld gestaag gedaald. Dit blijkt uit de eerste gezamenlijke trendanalyse van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit en de meetnetten van de GGD Amsterdam en de DCMR Milieudienst Rijnmond. Hiervoor zijn de gemeten concentraties van de drie meetnetten gecombineerd en geanalyseerd gedurende drie perioden: van 1993 tot en met 2010, van 1999 tot en met 2010 en van 2004 tot en met 2010. Fijn stof: Voor PM10 daalt de concentratie sinds 1993 met gemiddeld 0,7 microgram per kubieke meter per jaar. In 2010 is op geen van de meetlocaties de grenswaarde voor het jaar- en daggemiddelde overschreden. Volgens deze trend is de verwachting dat in de toekomst op de meetlocaties wordt voldaan aan de Europese grenswaarden. Uitzonderingen zijn jaren waarin zich ongunstige weersomstandigheden voordoen voor de fijnstofconcentraties in de lucht. Dat er geen gemeten overschrijdingen zijn, betekent echter niet automatisch dat lokaal overal in Nederland aan de grenswaarden zal worden voldaan. Met behulp van berekeningen, zoals die worden uitgevoerd in het kader van het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), wordt op veel meer locaties dan het beperkte aantal meetlocaties een toetsing aan de grenswaarde uitgevoerd. Stikstofdioxide: Ook voor de concentratie stikstofdioxide is in de gehele onderzochte periode een gestage daling zichtbaar. Stikstofdioxide is een deel van de concentratie stikstofoxiden (NOX), die bestaat uit de som van NO en NO2. Deze concentratie stikstofdioxide (NO2) is minder afgenomen dan de gemeten concentratie stikstofoxiden (NOX). Waarschijnlijk komt dit doordat de fractie NO2 in de uitstoot van het wegverkeer is toegenomen. Als de trend in de gemeten concentraties met dezelfde snelheid doorgaat, is niet zeker of in 2015 op alle plaatsen aan de grenswaarde voor stikstofdioxide wordt voldaan. Daarvoor is een sterkere afname nodig dan tot nog toe is opgetreden.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM heeft een overzicht gemaakt van de blootstellingsinformatie van consumenten aan chemische stoffen die publiekelijk beschikbaar is. Deze informatie is vervolgens via de vernieuwde RIVM-website verspreid, zowel in het Nederlands als in het Engels. Daarnaast is het overzicht in onderliggend rapport weergegeven. Op deze manier wordt de informatie gestructureerd ontsloten; tot voor kort ontbrak een dergelijk overzicht. Om het risico van een chemische stof in een consumentenproduct goed te kunnen beoordelen is informatie nodig over de mate waarin de consument eraan blootstaat als hij het product gebruikt. Relevant informatie is onder meer: welke chemische stoffen zitten er in een product, komen ze uit het product bij gebruik, maar ook hoe vaak gebruikt een consument een product, wanneer en hoeveel gebruikt hij ervan? Verschillende onderzoeksgroepen wereldwijd werken aan dit onderwerp en stellen hun informatie via de literatuur of via websites beschikbaar. Onder consumentenblootstelling is op de website aandacht voor de volgende onderwerpen: Belangrijkste opdrachtgevers, Internationale regelgevende kaders, Consumenten blootstellingsmodellen, Blootstellingsscenario's en blootstellingsfactoren, Productgerelateerde informatie, Stof-gerelateerde informatie, Geaggregeerde blootstelling, Blootstelling bij kinderen en Nano. Binnen de informatie over consumentenblootstelling is er aandacht voor het model ConsExpo dat het RIVM heeft ontwikkeld. Met dit veelgebruikte model kan worden berekend hoe groot de blootstelling aan een stof in een product is. De webpagina over ConsExpo is onderverdeeld in drie subthema's: Spray model, Emissie tool en Factsheets. Alle relevante referenties en weblinks van dit moment worden gegeven. http://rivm.nl/Onderwerpen/Onderwerpen/C/Consumentenblootstelling_chemi… he_stoffen http://rivm.nl/en/Topics/Topics/C/Consumer_exposure_to_chemical_substan… http://rivm.nl/Onderwerpen/Onderwerpen/C/ConsExpo http://rivm.nl/en/Topics/Topics/C/ConsExpo
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Volgens de huidige Nederlandse norm voor legionellabacteriën in water moet drinkwater minder dan 100 kolonievormende eenheden (KVE) per liter water bevatten. Deze norm is niet gebaseerd op een risico op infectie, dat bijvoorbeeld ontstaat doordat mensen tijdens een douche of baden in een bubbelbad blootgesteld worden aan de bacterie. Het is echter raadzaam om het infectierisico in de norm te betrekken, aangezien het infectierisico bij 100 KVE per liter mogelijk al aanzienlijk is. Meer gegevens zijn evenwel nodig om de schattingen van dit risico goed te kunnen onderbouwen. Dit blijkt uit drie schattingen van de infectierisico's door de aanwezigheid van Legionella pneumophila in water die het RIVM tussen 2008 en 2010 heeft uitgevoerd, in opdracht van VROM-Inspectie (tegenwoordig de Inspectie Leefomgeving en Transport). Een handleiding is opgesteld om de resultaten van deze risicoschattingen te interpreteren. Daarnaast worden de gemaakte aannames vanwege ontbrekende data en de nog bestaande kennishiaten toegelicht. Het infectierisico na elke douche van 15 minuten werd geschat op 2 procent als het water 100 kolonievormende eenheden Legionella pneumophila per liter water bevat. Voor bubbelbaden is dat risico groter, namelijk 50 procent. De noodzakelijk gemaakte aannames maken de absolute waarden van deze risicoschattingen echter onzeker, waardoor deze voorzichtig moeten worden geïnterpreteerd. Wel wijzen de resultaten erop dat de norm voor legionellabacteriën niet moet worden verruimd. Bij een hoger aantal legionellabacteriën per liter water neemt het geschatte risico op een legionellainfectie namelijk toe.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
De Nieuwe voedsel en Waren Autoriteit (nVWA) ziet erop toe dat bedrijven die chemische producten op de markt brengen op een veilige manier producten maken. Momenteel werkt de nVWA eraan om deze toezichthoudende taak efficiënter te organiseren. Minder controles door de nVWA en meer verantwoordelijkheid voor het bedrijf zijn hierbij de uitgangspunten. Het RIVM heeft een leidraad ontwikkeld om dit te kunnen realiseren. De leidraad is gericht op de verfbranche, maar kan breder worden ingezet. Toezichthoudende instanties in Nederland zoals de nVWA gaan namelijk steeds meer werken volgens systeemgericht toezicht. Bedrijf krijgt meer verantwoordelijkheden voor veiligheid: Bij de klassieke vorm van toezicht wordt getoetst of de output van een bedrijf, het product, voldoet aan veiligheidseisen. Bij systeemgericht toezicht wordt een bedrijf ook verantwoordelijk gesteld voor de onderliggende systemen, processen en methoden die zijn ingericht om aan de wettelijke veiligheidseisen te voldoen. Het managementsysteem van het bedrijf moet dan zodanig zijn ingericht dat problemen bijtijds worden gesignaleerd en zo snel mogelijk worden opgelost. De leidraad bevat een stappenplan om het managementsysteem aan de vereisten van systeemgericht toezicht aan te passen. Goed managementsysteem en vertrouwen: Om te kunnen komen tot systeemgericht toezicht moeten bedrijven aan twee voorwaarden voldoen. Als eerste moet een bedrijf over een goed werkend managementsysteem ('compliance management') beschikken. Ten tweede is het vertrouwen tussen nVWA en het bedrijf over de naleving van wettelijke voorschriften van belang. Hoe groter het vertrouwen, des te minder vaak de nVWA hoeft te controleren. Om aan te geven in welke mate een bedrijf momenteel aan de voorwaarden voor systeemgericht toezien voldoet, deelt de nVWA het in vier niveaus van compliance management in. Bij elk niveau hoort een bepaald niveau van toezicht: hoe beter het managementsysteem, des te minder toezicht nodig is. Door middel van een audit wordt eerst gecontroleerd of het bedrijf 'compliant' is met zijn eigen systeem. Vervolgens kan de nVWA aangeven hoe het bedrijf tot een hoger niveau van systeemtoezicht kan komen.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM heeft een alternatieve methode ontwikkeld voor de zogenoemde bodemtypecorrectie voor metalen. De verschillende bodemtypen in Nederland bevatten van nature namelijk uiteenlopende concentraties van metalen (achtergrondwaarden). Met de bodemtypecorrectie wordt de algemene bodemnorm voor Nederland omgerekend naar de lokale situatie. De laatste jaren zijn veel nieuwe bodemdata en inzichten gepubliceerd die het mogelijk maken om deze methode, die is gebaseerd op onderzoek van twintig jaar geleden, te verbeteren. Met de nieuwe data presteert de alternatieve methode op hetzelfde niveau of beter dan de huidige bodemtypecorrectie voor achtergrondwaarden. Fundamentele discussie nodig over bodemtypecorrectie: Voortvloeiend uit de herziene methode beveelt het RIVM aan om een fundamentele discussie te voeren waarvoor een bodemtypecorrectie voor bodemnormen wordt gebruikt. Deze werkt namelijk goed om de diversiteit in achtergrondwaarden te bepalen, maar niet voor verontreinigingen op het niveau van de interventiewaarde, de grens voor ernstige bodemverontreiniging. Hiervoor is een andere manier van corrigeren nodig om de verschillen tussen bodemtypes te kunnen beschrijven. De huidige formule in het Besluit Bodemkwaliteit beschrijft statistisch gezien deze verschillen niet correct. Als er gekozen wordt om de alternatieve bodemtypecorrectie over te nemen in het bodembeleid, zullen de bodemnormen veranderen. Om de norm te kunnen bepalen zijn de achtergrondwaarden en de risiconiveaus voor mens en milieu nodig. Het RIVM heeft met de alternatieve bodemtypecorrectie de Nederlandse achtergrondwaarden opnieuw berekend. De data waarmee de risico's voor het ecosysteem zijn berekend, moeten nog worden herzien. Onzekerheden inzichtelijk gemaakt: Voor de alternatieve bodemtypecorrectie zijn bestaande datasets gecombineerd. Hierdoor zijn extra onzekerheden geïntroduceerd. Deze onzekerheden zijn in het onderzoek inzichtelijk gemaakt door de uiteindelijke resultaten te vergelijken met onafhankelijke data.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Bats host major mammalian paramyxoviruses | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
An elevation-based regional model for interpolating sulphur and nitrogen deposition | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Cost-effective control of air quality and greenhouse gases in Europe: modeling and policy applications | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Het gebruik van drug-eluting stents (DES) voor een ander doel dan het indicatiegebied (off-label gebruik), kan leiden tot een belasting van deze hulpmiddelen buiten de grenzen van het ontwerp en mogelijk tot verhoogde risico's. Anderzijds kan een dergelijke behandelmethode klinisch relevant zijn, een medisch erkende standaard worden en kan off-label gebruik belangrijk zijn voor verdere innovatie. Het gebruik van DES in patiënten met off-label kenmerken komt veelvuldig voor in de klinische praktijk. Gepubliceerde aantallen variëren wereldwijd tussen de 47% en 81% van alle patiënten die DES ontvangen. In één groot Nederlands cardiovasculair centrum werd off-label gebruik van DES geschat op 68% in 2002. Er werden geen gegevens op nationaal niveau in Nederland gevonden. De veelbelovende resultaten van DES voor on-label indicaties hebben geleid tot DES toepassingen in meer complexe situaties zoals meervoudige vaatafwijkingen, vaatafwijkingen bij een vertakking en diabetes. In sommige gevallen is het gebruik van DES de enige beschikbare optie voor behandeling. Voor onbeperkt gebruik van DES (dat zowel off-label als on-label indicaties omvat) geven individuele observationele studies geen sluitend beeld met betrekking tot veiligheidsaspecten in vergelijking met het gebruik van kale stents voor vergelijkbare indicaties. Er is echter ook een meta-analyse van observationele studies en gerandomiseerde klinische trials uitgevoerd door vooraanstaande onderzoekers. Hieruit lijkt onbeperkt gebruik van DES in vergelijking met kale stents niet te zijn geassocieerd met negatieve veiligheidsuitkomsten en wel met een hogere effectiviteit. Sommige nieuwe generatie DES zijn veiliger en hebben een hogere effectiviteit in vergelijking met de eerste generatie DES.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Anthelmintic drug residues in beef: UPLC-MS/MS method validation, European retail beef survey, and associated exposure and risk assessments | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Current practices of partner notification among MSM with HIV, gonorrhoea and syphilis in the Netherlands: an urgent need for improvement | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Docking and QSAR study on the binding interactions between polycyclic aromatic hydrocarbons and estrogen receptor | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Influenza-related deaths - available methods for estimating numbers and detecting patterns for seasonal and pandemic influenza in Europe | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Het RIVM heeft de maximaal toelaatbare risiconiveaus (MTR) en ernstige risisconiveaus (ER) voor ecosystemen afgeleid voor de 16 bekendste polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK's). Dit is voor alle afzonderlijke PAK's gedaan voor water, sediment en bodem. Hiervoor zijn gegevens verzameld over de giftige effecten van elke PAK op water-, bodem- en sedimentorganismen. Voor het onderzoek is de methodologie van het kader '(Inter)nationale normen stoffen' (INS) gebruikt. Deze methode is nationaal erkend en waar mogelijk gebaseerd op Europese richtlijnen. Alternatieve onderzoekswijze voor milieurisicogrenzen PAK's: In dit onderzoek zijn de milieurisicogrenzen ook op een alternatieve manier afgeleid. Hiervoor is de kennis gebruikt van eerder uitgevoerd onderzoek naar de milieurisicogrenzen van minerale olie die ook geschikt bleek voor PAK's. De milieurisicogrenzen zijn afgeleid op basis van de berekende concentratie van stoffen in organismen nadat zij de stoffen via het water hebben opgenomen (voor sediment en bodem: water in sediment of bodemvocht). Deze methode is gebaseerd op de aanname dat bepaalde effecten van alle 16 PAK's optreden bij dezelfde concentraties in organismen die leven in water, bodem en sediment. Omdat de PAK's op dezelfde manier effecten veroorzaken, mogen de concentraties bij elkaar opgeteld worden. Hierdoor wordt inzicht verkregen in het effect van alle PAK's tegelijkertijd, zoals ze ook in het milieu voorkomen (toxic unit aproach). Verschil inwendige en externe concentraties: De inwendige effectconcentratie van PAK's blijkt bij organismen in bodem, water en sediment niet te verschillen. Daarentegen zijn grote verschillen tussen de effectconcentraties van de stoffen aangetroffen als deze buiten de organismen werden waargenomen. Vooral de effectconcentraties tussen bodem of sediment enerzijds en water anderszijds verschilden, evenals de effectconcentraties van de individuele PAK's in water. De schadelijke effecten van de stoffen worden dus in grote mate bepaald door de mate waarin een stof zich verdeeld tussen water, bodem en sediment en wordt opgenomen vanuit water (evenwichtspartitie). Zo bindt de bodem een stof sterk aan zich waardoor er minder in bodemvocht en uiteindelijk in bodemorganismen terechtkomt. Metingen van concentraties van stoffen in het milieu zouden daardoor beter gebaseerd kunnen worden op concentraties in water.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM is gevraagd te onderzoeken of consumenten die geurproducten als luchtverfrissers en kamerparfums gebruiken het risico lopen op luchtwegallergieën, zoals astma. Momenteel zijn er echter geen valide methoden beschikbaar om dit gezondheidsrisico in te schatten. Om toch iets over risico's te kunnen zeggen, is berekend in welke mate mensen blootstaan aan allergene geurstoffen bij het gebruik van geurproducten. Vervolgens zijn eventuele reacties op het immuunsysteem in kaart gebracht. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA). Geurproducten bevatten vaak allergene geurstoffen: Van 26 geurstoffen is bekend dat ze huidallergie kunnen veroorzaken, maar niet of ze luchtwegallergie veroorzaken. De NVWA heeft daarom 109 geurproducten gemeten of ze bekende allergene geurstoffen bevatten. Twintig van de 26 bekende allergene geurstoffen zijn in deze producten aangetroffen, vooral de stoffen limoneen en linalool. Vervolgens heeft het RIVM onder andere de blootstelling berekend voor deze twee stoffen bij het gebruik van geurproducten. Uit deze studie blijkt dat verstuivers en verdampers hogere blootstellingen aan deze geurstoffen veroorzaken dan spuitbussen en geurblokjes. Met behulp van inhalatiestudies in muizen is aangetoond dat een kortdurende inhalatie van limoneen en linalool het immuunsysteem niet activeert. De allergene geurstof isoeugenol doet dat in deze studies wel. Door lage blootstelling geringe kans op luchtwegallergie: De blootstelling aan isoeugenol is echter aanzienlijk lager dan die aan limoneen en linalool. Ook is deze blootstelling lager dan de blootstelling aan stoffen waarvan luchtwegallergische reacties bekend zijn, de diisocyanaten die beroepsastma kunnen veroorzaken. Op basis van deze vergelijking lijkt het onwaarschijnlijk dat limoneen, linalool en isoeugenol een verhoogd risico op luchtwegallergie geven. Vanwege het gebrek aan valide meetmethoden moet hierbij een slag om de arm worden gehouden. Ook is niet uitgesloten dat een langdurige blootstelling aan allergene geurstoffen in de beroepssfeer wellicht toch luchtwegallergie kan veroorzaken.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Immune and strain surveillance of the Streptococcus pneumoniae: tools to study the impact of pneumococcal conjugate vaccination | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Neurobehavioral effects of exposure to traffic-related air pollution and transportation noise in primary schoolchildren | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Approaches to the safety assessment of engineered nanomaterials (ENM) in food | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
High genetic diversity of Staphylococcus aureus strains colonizing patients with epidermolysis bullosa | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
European union standards for tuberculosis care | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Soluble helminth products suppress clinical signs in murine experimental autoimmune encephalomyelitis and differentially modulate human dendritic cell activation | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
On line usability and patients with long-term conditions: a mixed-methods approach | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
In dit rapport zijn de veld -en analysegegevens van het bovenste grondwater weergegeven van 149 locaties van het TrendMeetnet Verzuring (TMV) die tussen eind 2009 en begin 2011 zijn bemonsterd. Het TMV gebruikt deze gegevens om in Nederlandse natuurgebieden (bos/heide) op zandgrond de effecten van verzuring op het grondwater in kaart te brengen. Hiervoor worden vermestende stoffen zoals nitraten en fosfaten, alsmede metalen in het grondwater gemeten. De nitraatnorm is op sommige locaties overschreden. Ook zijn voor een aantal metalen de streefwaarde, en in sommige gevallen de interventiewaarde overschreden. In 2012 zal in een apart rapport een trendanalyse van alle meetgegevens worden uitgevoerd. Het TrendMeetnet Verzuring is in 1989 opgericht en wordt door het RIVM beheerd en uitgevoerd. Sindsdien zijn alle locaties vijf keer bezocht.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Introducing taxes, subsidies or both: the effects of various food pricing strategies in a web-based supermarket randomized trial | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Statins accelerate the onset of collagen type II-induced arthritis in mice | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
IL1RL1 gene variants and nasopharyngeal IL1RL-a levels are associated with severe RSV bronchiolitis: a multicenter cohort study | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
The biological effects of subacute inhalation of diesel exhaust following addition of cerium oxide nanoparticles in atherosclerosis-prone mice | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Inflammation marker and risk of pancreatic cancer: a nested case-control study within the EPIC cohort | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Definition and quantification of initial anthropogenic pollutant release in swimming pools | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
The impact of temperature on the inactivation of enteric viruses in food and water: a review | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Tissue distribution of inhaled micro- and nano-sized cerium oxide particles in rats: results from a 28-day exposure study | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Describing, explaining and predicting health care expenditures with statistical methods | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Coffee and tea consumption and the risk of ovarian cancer: a prospective cohort study and updated meta-analysis | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
The Cabauw Intercomparison campaign for Nitrogen Dioxide measuring Instruments (CINDI): Design, execution, and early results | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Het RIVM heeft, in opdacht van het ministerie van Infrastructuur en Milieu (I&M), milieurisicogrenzen voor zilver in water bepaald. Dit was nodig omdat de huidige norm voor zilver voor waterkwaliteit niet is afgeleid volgens de meest recente methodiek. Op basis van de nu voorgestelde milieurisicogrenzen stelt de Stuurgroep Stoffen nieuwe normen vast. De voorgestelde risicogrenzen gelden niet specifiek voor nanozilver, maar voor alle vormen van zilver die in water zijn opgelost (als ionen). Betere analysetechnieken voor zilver in water nodig: De risicogrens voor langdurige blootstelling is de Maximaal Toelaatbare Toevoeging (MTT). Dit is de concentratie in water waarbij, gebaseerd op jaargemiddelde concentraties, geen schadelijke effecten te verwachten zijn. Momenteel kan niet worden bepaald of de MTT voor zilver wordt overschreden. Dat komt doordat deze waarde lager blijkt te zijn dan de limiet waarop zilver in water kan worden gemeten. Aanbevolen wordt de analysetechniek voor zilver te verbeteren om dit wel mogelijk te maken. Drie routes onderzocht: Voor de MTT zijn drie routes onderzocht: directe effecten op waterorganismen, effecten op vogels en zoogdieren via het eten van prooidieren, en effecten op mensen via het eten van vis. De eerste van de drie levert de laagste waarde en bepaalt daarmee de MTT. Voor zoetwater resulteert dit in een MTT van 10 nanogram per liter. Voor zoutwater hangt de MTT af van het zoutgehalte van het zeewater; hoe hoger het zoutgehalte, hoe minder zilver door dieren wordt opgenomen. Voor Noordzeewater met een zoutgehalte van 34 promille is de MTT 83 nanogram per liter. Toepassingen van zilver: Zilver kent veel toepassingen, zoals in de tandheelkunde, fotografie en in sieraden. Met de komst van digitale fotografie is het gebruik van regulier zilver afgenomen. Daar staat tegenover dat het gebruik van zilver in de vorm van nanodeeltjes is toegenomen. Nanozilver heeft een antibacteriële werking en wordt als zodanig onder andere in kleding verwerkt. Vanaf 2012-11-09 bevat de pdf ook appendix 2: detailed ecotoxicity data.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Quantitative performance of antibody array technology in a prenatal screening setting | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
LNG-tankstations | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Expertschattingen worden gebruikt om opvattingen van experts te verzamelen over onderwerpen waarover nog weinig of geen kennis beschikbaar is. Ze kunnen ook worden ingezet om consensus over controversiële kennis te bereiken. Softwarepakketten kunnen hierbij belangrijke ondersteuning bieden, maar veel onderzoekers zijn daar niet goed van op de hoogte. Het RIVM heeft daarom een overzicht gemaakt van de verschillende mogelijkheden. Voor de inventarisatie is wetenschappelijke literatuur geraadpleegd, aangevuld met bronnen op internet. Dit is gefinancierd vanuit het strategische onderzoeksprogramma (SOR) van het instituut. Er blijken pakketten te bestaan die ondersteunen bij: 1) het samenwerken van experts en het bereiken van consensus over onderwerpen 2) de karakterisering van onzekerheden; 3) de selectie van experts; 4) het ontwerp en de uitvoering van het schattingsproces zelf en; 5) het bijeen brengen en rapporteren van de uitkomsten. Bij het ontwerpen en uitvoeren van het schattingsproces kan software helpen om de conceptuele modellen te ontwikkelen en te analyseren. Daarnaast kunnen ze assisteren bij de beoordeling van scenario's, en bij het schatten van modelparameters. Voor de karakterisering van onzekerheden is slechts één type software beschikbaar, namelijk de software die door het Planbureau voor de Leefomgeving. De ondersteunende software blijkt momenteel vaak nog niet uitgerust om expertschattingen via internet of e-mail te laten verlopen, in plaats van door een groep experts op locatie bijeen te brengen. Omdat het huidige en toekomstige gebruik van expertschattingen op het RIVM onbekend is, kan er niet geadviseerd worden over het gebruik van software in deze specifieke situaties.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
De klimaatverandering zal naar verwachting de komende decennia in Nederlandse steden meer perioden van hitte en droogte veroorzaken. Ook zullen intensievere regenbuien optreden die in het stedelijk gebied wateroverlast met zich meebrengen. De bijdrage van de bodem om steden klimaatbestendiger te maken, is in beleid echter vaak nog onderbelicht. De aanwezigheid van onbedekte bodem vergroot het waterbergend vermogen van het gebied en kan daarmee wateroverlast tegengaan. Daarnaast kan de aanleg van groen, openbaar of privé-eigendom, zorgen voor verkoeling tijdens hitteperioden. Ook buiten hitteperioden draagt groen eraan bij dat omwonenden positiever over hun gezondheid oordelen. Groen en onbedekte bodem per wijk op kaart: De baten van waterberging en groen zijn echter lastig in algemeen geldende kentallen uit te drukken, zo blijkt uit onderzoek van het RIVM. De baten zijn namelijk afhankelijk van veel factoren, zoals bodemeigenschappen, het type groen en de ruimtelijke inrichting. Om gemeenten toch een handvat te bieden, heeft het RIVM met behulp van kaarten inzichtelijk gemaakt hoe het percentage onbedekte bodem en de hoeveelheid groen per woning zich verhoudt tot bestaande richtlijnen die het klimaatbeleid ondersteunen. Op basis van deze kaarten kunnen beleidsafwegingen worden gemaakt, bijvoorbeeld op welke plek in een wijk de investering in parken en plantsoenen het meeste loont. Ook zijn kaarten gemaakt van de leeftijdsopbouw per wijk en de sociaal economische status (SES). Uit een kaart van een stad die voor dit onderzoek als voorbeeld dient, blijkt dat vooral in wijken met lage SES minder groen aanwezig is. Gemeenschappelijke belangen benutten: Om maatregelen voor meer openbaar groen en waterbergend vermogen eenvoudiger te kunnen realiseren, zouden gemeenten klimaatdoelen kunnen koppelen aan beleidsdoelen uit andere sectoren. Voorbeelden zijn infrastructuur, volksgezondheid, veiligheid en duurzaamheid. Samenwerking tussen verschillende sectoren wordt in de toekomst waarschijnlijk makkelijker als de nieuwe Omgevingswet van kracht is, waar het huidige kabinet momenteel aan werkt. Dit rapport geeft inzicht in de wijze waarop ambities op het gebied van klimaat, water, bodem en gezondheid aan elkaar gekoppeld kunnen worden.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM heeft de GGD-richtlijn Kankerclusters uit 2001 geactualiseerd. De richtlijn bevat een stappenplan dat wordt ingezet als de GGD een melding van bewoners ontvangt dat er in een bepaalde buurt relatief veel mensen kanker hebben. Vaak vermoedt de melder daarbij een oorzaak in het milieu. Het doel van de richtlijn is snel en efficiënt antwoord te geven op de vragen en zorgen die er leven. In de afgelopen jaren hebben de GGD'en in Nederland gezamenlijk ongeveer 30 tot 40 van dergelijke vragen per jaar ontvangen. Inhoud richtlijn: De nieuwe richtlijn bevat zowel de theoretische achtergrond over de behandeling van meldingen van kankerclusters, als handvatten voor de praktische uitvoering daarvan. De richtlijn beschrijft welke gegevens nodig zijn en geeft aandachtspunten voor de (risico)communicatie. Bij elke fase wordt een praktijkvoorbeeld gegeven. Aan de richtlijn is een methode toegevoegd waarmee het hoogste verwachte aantal mensen met kanker in een buurt kan worden aangegeven. Dit gebeurt op basis van landelijke kankercijfers en de bevolkingsopbouw van de buurt. Drie fasen: Het stappenplan bestaat uit drie fasen: oriëntatiefase, inventarisatiefase en de kwantitatieve analyse. In elke fase is er aandacht voor gezondheids- en milieuaspecten, en de mogelijke relatie daartussen. Het stappenplan start eenvoudig en als het nodig is, wordt het stapsgewijs uitgebreid. Bij elke stap (fase) wordt de inzet door de GGD groter. Een volgende fase start pas als de vorige fase dat nodig maakt.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM heeft in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Milieu (I&M), milieurisicogrenzen van vanadium voor zoet oppervlaktewater bepaald. Vanadium is een natuurlijke stof en wordt onder andere gebruikt voor de productie van staal. De stof is opgenomen in de Regeling monitoring kaderrichtlijn water, waarin staat aan welke eisen oppervlaktewater in Nederland moet voldoen. De nieuwe waterkwaliteitsnormen voor vanadium zijn nodig omdat de huidige norm niet is afgeleid volgens de meest recente methodiek. De Stuurgroep Stoffen stelt deze nieuwe normen vast op basis van de wetenschappelijke advieswaarden uit dit onderzoek. Nieuwe informatie beschikbaar via REACH: In de afgelopen jaren konden geen nieuwe milieurisicogrenzen voor vanadium worden afgeleid. Essentiële gegevens die daarvoor nodig zijn ontbraken, zoals informatie over de effecten op algen en de mogelijke stapeling in de voedselketen. In dit onderzoek zijn beide aspecten opnieuw onderzocht, onder meer door gebruik te maken van de gegevens die voor de Europese verordening voor chemische stoffen REACH beschikbaar zijn gekomen. Op basis van de nieuwe informatie worden waterkwaliteitsnormen voorgesteld voor langdurige blootstelling (1,2 microgram per liter) en voor kortdurende piekbelasting (3,0 microgram per liter). Beide waarden zijn uitgedrukt als 'opgelost vanadium', inclusief de natuurlijke achtergrondconcentratie voor Nederlands oppervlaktewater. Risicogrenzen gebaseerd op gevolgen voor waterorganismen: Deze risicogrenzen zijn gebaseerd op de mate waarin de stof direct giftig is voor waterorganismen. Doorgaans wordt in de berekeningen ook meegenomen in welke mate mensen en/of vogels en zoogdieren aan een stof staan blootgesteld via het eten van vis. Voor de stof vanadium was hierover echter onvoldoende betrouwbare informatie beschikbaar.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Beschikbaarheid van biociden: Biociden zijn middelen die de industrie en huishoudens gebruiken om schadelijke organismen te bestrijden. Biociden doorlopen een risicoanalyse voordat ze op de markt worden toegelaten. In 2009 is een handhavingsbeleid op niet-toegelaten middelen gestart. Middelen die destijds alsnog aangemeld zijn, worden gedoogd, in afwachting van een toelatingsprocedure (gedifferentieerd handhavingsbeleid). Deze toelatingsprocedure wordt tussen 2012 en 2014 afgerond. Als middelen dan niet worden toegestaan, is een legaal alternatief nodig. Knelpunten ontstaan als geen alternatieven aanwezig zijn, of als de kans op resistentie toeneemt omdat er te weinig alternatieve middelen zijn. Het RIVM heeft in kaart gebracht waar knelpunten kunnen worden verwacht. Aanleiding voor dit onderzoek is de wens van het ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM) om een adequaat aanbod van middelen op de markt te hebben, die alle zijn toegelaten. Het ministerie wil dat de markt zich bewuster wordt van de middelen die worden gebruikt en tijdig op zoek gaat naar alternatieven. Verwachte knelpunten biociden: Hiervoor is eerst een grofmazige analyse gemaakt van de 23 producttypen van biociden. In zeven producttypen lijkt het risico op knelpunten aanwezig: menselijke hygiëne (producttype 1), ontsmettingsmiddelen voor drinkwater (producttype 5), conserveringsmiddelen in conserven (producttype 6), conserveringsmiddelen in coatings (producttype 7), conserveringsmiddelen voor vezels, leer en rubber (producttype 9), conserveringsmiddelen in metselwerk (producttype 10) en ten slotte conserveringsmiddelen in metaalbewerkingsvloeistoffen (producttype 13). Vervolgens is binnen deze zeven producttypen specifieker gekeken waarvoor de biociden worden gebruikt (toepassingen). Het risico op knelpunten blijkt het grootst voor het gebruik van biociden in (diesel)brandstof, inkt, wasmiddelen en de leerindustrie. Scherper beeld nodig van behoeften markt aan biociden: Deze analyse van de 'aanbodzijde' geeft mogelijk onvoldoende inzicht in de werkelijke omvang van de knelpunten. Om daar een duidelijker beeld van te krijgen, adviseert het RIVM uit te zoeken welke concrete behoeften aan biociden de markt heeft. Daarnaast moeten de gebruikers actief worden geïnformeerd over de mogelijkheid dat biociden niet meer zijn toegelaten. Een meldpunt om kennis te delen over alternatieven voor producten die (dreigen te) verdwijnen en om knelpunten te signaleren verdient aanbeveling.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Occurrence and characteristics of extended-spectrum-beta-lactamase- and AmpC-producing clinical isolates derived from companion animals and horses | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Identification and optimization of critical process parameters for the production of NOMV vaccine against Neisseria meningitidis | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Dynamo-HIA-a dynamic modeling tool for generic health impact assessments | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Case registry systems for pandemic influenza A(H1N1)pdm09 in Europe: are there lessons for the future? | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Reusing salad from salad bars - simulating the effects on product loss, microbial safety and product quality | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Determinants of sexual network structure and their impact on cumulative network measures | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Disease burden of foodborne pathogens in the Netherlands, 2009 | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
The burden of infectious intestinal disease (IID) in the community: a survey of self-reported IID in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Interaction of a 17q12 variant with both fetal and infant smoke exposure in the development of childhood asthma-like symptoms | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Codon 72 polymorphism (rs1042522) of TP53 is associated with changes in diastolic blood pressure over time | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Evaluation of the Daphnia magna reproduction test for detecting endocrine disruptors | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Detection of carbapenemase-producing Enterobacteriaceae with a commercial DNA microarray | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Ranking ecological risks of multiple chemical stressors on amphibians | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Estimating the force of infection for HCV in injecting drug users using interval-censored data | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
The quantitative relationship between road traffic noise and hypertension: a meta-analysis | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
In 2009 heeft VWS, via het Centrum voor Infectieziektebestrijding (CIb) van het RIVM een subsidie beschikbaar gesteld, voor de periode 2009-2011, om te investeren in initiatieven op het gebied van voorlichting over seksuele gezondheid onder allochtonen. De projectsubsidie is uitgezet via GGD'en waarbij de financiële middelen gelijkmatig zijn verdeeld over de acht bestaande soa/Sense-regio's. Om inzicht te verkrijgen in de effectiviteit van de wijze waarop de projectsubsidie is ingericht en werd uitgevoerd heeft ResCon in opdracht van het CIb een procesevaluatie uitgevoerd. Voor het onderzoek zijn semigestructureerde interviews gehouden met het RIVM-CIb, enkele betrokken landelijke instellingen, alle acht subsidiecoördinatoren en vier lokale GGD-coördinatoren, en in elke soa/Sense-regio één lokale organisatie waarmee is samengewerkt. De manier van subsidieverstrekking heeft in potentie tot effectieve projecten geleid, waarmee een relatief grote groep allochtonen is bereikt. De insteek waarbij GGD'en samenwerking moesten zoeken met lokale organisaties lijkt vruchtbaar te zijn geweest voor het bereiken van de doelgroep en voor het vergroten van de kennis over de doelgroep bij de GGD'en. Uit het onderzoek blijkt bovendien dat er in alle soa/Sense-regio's een basis is gelegd voor de toekomstige aanpak van de seksuele gezondheid van allochtonen. Bepaalde projecten vinden doorgang na het beëindigen van de projectsubsidie, zij het in sterk afgeslankte vorm, binnen Sense hulpverlening aan jongeren. GGD-medewerkers zijn zich bewuster geworden van de problematiek die speelt bij de doelgroep(en) en er zijn contacten met lokale organisaties gerealiseerd. Wel is vervolgfinanciering nodig om de blijvende problematiek op het gebied van seksuele gezondheid bij allochtonen aan te pakken. Meer voorbereidingstijd voor aanvang van de subsidie had ervoor kunnen zorgen dat GGD'en beter onderbouwde aanvragen hadden kunnen indienen en dat het RIVM-CIb zijn coördinerende rol beter had kunnen invullen. Een grotere betrokkenheid van de landelijke thema-instituten hadden de effecten van de subsidie kunnen vergroten.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
In 2007 is de hoeveelheid gebruikte meststoffen op landbouwbedrijven gemiddeld genomen gedaald ten opzichte van 2006. Hierdoor wordt de bodem van deze bedrijven minder met stikstof en fosfaat belast (de zogeheten bodemoverschotten dalen). Deze daling is vooral op melkveebedrijven vastgesteld. Het bovenste grondwater op landbouwbedrijven bevatte in 2007 en 2008 gemiddeld minder nitraat dan in de jaren ervoor. De sterke daling in concentraties van deze stof die tussen 1992 en 2002 is gemeten, stagneerde echter. Ontwikkeling sinds midden jaren negentig: Al vanaf het midden van de jaren negentig van de vorige eeuw daalt de stikstof- en fosfaatbemesting op melkveebedrijven geleidelijk. Deze tendens is vanaf 2006 versterkt doordat het mestbeleid is veranderd. Waar voorheen te grote overschotten op de mineralenbalans werden beboet, is vanaf 2006 een maximum gesteld aan de hoeveelheid gebruikte mest op bedrijven, afhankelijk van gewassen en grondsoorten. Bovendien wordt per 2006 ook fosfaatkunstmest meegeteld. Voor 2006 was dit niet het geval. Vanaf 2006 zijn vooral de fosfaatbemesting en de -bodemoverschotten op melkveebedrijven in alle grondsoortregio's versneld gedaald. Dit geldt ook voor akkerbouwbedrijven in de kleiregio. Nitraat in grondwater: Op 40 procent van de bedrijven in de zand- en lössregio voldoet de kwaliteit van het bovenste grondwater aan de Europese norm van 50 milligram nitraat per liter. Hierbij doen melkveebedrijven het beter dan akkerbouw- en hokdierbedrijven. In de kleiregio voldoet de waterkwaliteit op circa 70 procent van de bedrijven aan de nitraatnorm; in de veenregio op ongeveer 90 procent. Dit blijkt uit gegevens van het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM), dat wordt beheerd door het RIVM en het LEI, onderdeel van Wageningen Universiteit en Research Centrum. Het LMM is opgezet om de kwaliteit van het water op landbouwbedrijven te beschrijven en te verklaren in relatie tot beleidsmaatregelen en de landbouwpraktijk.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Transmission of tuberculosis within family-households | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Reply to "evaluation of mycobacterial interspersed repetitive-unit-variable-number tandem-repeat genotyping as performed in laboratories in Canada, France, and the United States" | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Outbreak of methicillin-resistant staphylococcus aureus ST398 in a Dutch nursing home | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Dietary intake of heme iron and risk of gastric cancer in the European prospective investigation into cancer and nutrition study | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Costs and benefits of rapid screening of methicillin-resistant Staphylococcus aureus carriage in intensive care units: a prospective multicenter study | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Comparison of risk calculation approaches in a screening programme for Down syndrome | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
A combined approach of vesicle formulations and microneedle arrays for transcutaneous immunization against hepatitis B virus | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Drug susceptibility of Mycobacterium tuberculosis Beijing genotype and association with MDR TB | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
The association of circulating adiponectin levels with pancreatic cancer risk: a study within the prospective EPIC cohort | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Longitudinal associations between physical load and chronic low back pain in the general population: The Doetinchem cohort study | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Possible long-term effects of y-hydroxybutyric acid (GHB) due to neurotoxicity and overdose | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Extreme heat resistance of food borne pathogens campylobacter jejuni, escherichia coli, and salmonella typhimurium on chicken breast fillet during cooking | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
VIP in construction: systematic development and evaluation of a multifaceted health programme aiming to improve physical activity levels and dietary patterns among construction workers | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Influenza in the immediate post-pandemic era: a comparison with seasonal and pandemic influenza in hospitalized patients | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
PBT assessment using the revised annex XIII of REACH: a comparison with other regulatory frameworks | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
De Kaderrichtlijn Water (KRW) schrijft in de zogeheten stroomgebiedbeheerplannen maatregelen voor om een goede kwaliteit van grond- en oppervlaktewater te bereiken. De maatregelen worden in termen van doelen, beleid en wet- en regelgeving gepresenteerd, en niet als concrete, technische ingrepen. Het blijkt hierdoor lastig om het rendement van de maatregelen te bepalen. Dit is namelijk alleen mogelijk als maatregelen kunnen worden begroot en als het effect ervan kan worden aangetoond, maar daarvoor zijn ze te weinig concreet. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM, in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM), om zicht te krijgen op het rendement van deze maatregelen. Koppel lokale beleidplannen waterkwaliteit aan stroomgebiedbeheersplannen: Om toch het rendement van de voorgestelde KRW-maatregelen te kunnen duiden, beveelt het RIVM aan om ze te koppelen aan de bestaande, lokale beleidsplannen voor de waterkwaliteit. Dit Nederlandse beleid, dat al bestond voordat de KRW werd ingevoerd, is door waterschappen en gemeenten uitgewerkt in technische ingrepen. Hierdoor kan van deze maatregelen wel het rendement worden bepaald. Deze geconcretiseerde maatregelen kunnen bovendien worden gebruikt om richting de KRW te verantwoorden dat de stroomgebiedbeheersplannen worden uitgevoerd. Bovendien levert de koppeling meer inzicht in de wijze waarop de kosten van de maatregelen in de praktijk over de verschillende overheden die ze uitvoeren, worden verdeeld. Deze informatie is niet direct te ontlenen aan de stroomgebiedsbeheerplannen. Bemoeilijkende factoren: Het blijft evenwel lastig om het rendement te bepalen als lokale maatregelen minder concreet zijn, zoals de uitvoering van voorgenomen beleid en onderzoek. Bovendien is niet van alle maatregelen de kosten- en milieueffectiviteit uit te drukken, zoals van communicatie-activiteiten, ook al hebben deze maatregelen een positief effect. Tot slot sorteren maatregelen voor grondwater voor technische ingrepen vaak pas op lange termijn effecten, wat het moeilijk maakt het rendement ervan te bepalen.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
De Nationale Referentie Laboratoria (NRL's) van de 27 Europese lidstaten en de NRL's van Kroatië, Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Noorwegen, Turkije en Zwitserland scoorden in 2010 goed bij de kwaliteitscontrole op Salmonella-typering. Vier laboratoria hadden hiervoor een herkansing nodig. Uit de analyse van alle NRL's als groep bleek dat de laboratoria aan 95% van de geteste stammen de juiste naam konden geven. Sinds 1992 zijn de NRL's van de Europese lidstaten verplicht om deel te nemen aan jaarlijkse kwaliteitstoetsen, die bestaan uit zogeheten ringonderzoeken voor Salmonella. Elke lidstaat wijst een laboratorium aan, het Nationale Referentie Laboratorium (NRL), dat binnen dat land verantwoordelijk is om Salmonella uit monsters van levensmiddelen of dieren aan te tonen en te typeren. Om te controleren of de laboratoria hun werk goed uitvoeren moeten zij onder andere 20 Salmonella-stammen op juiste wijze identificeren. Soms doen ook landen buiten de Europese Unie vrijwillig mee. In 2010 waren dat Kroatië, Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Noorwegen, Turkije en Zwitserland. Van de NRL's zijn er zeven laboratoria die, naast de standaardtoets (serotypering) op Salmonella, preciezere typeringen uitvoeren, de zogeheten faagtyperingen. Voor deze kwaliteitstoets moeten zij twintig extra stammen met deze methode typeren. De laboratoria ontvingen hiervoor tien Salmonella Enteritidis-stammen en tien Salmonella Typhimurium-stammen. Deze NRL's typeerden 98% van de S. Typhimurium-stammen en 99% van de S. Enteritidisstammen op de juiste wijze. De organisatie van het typeringsringonderzoek is in handen van het Europese Unie Referentie Laboratorium (EURL) voor Salmonella (EURL-Salmonella). Het EURL-Salmonella is ondergebracht bij het Nationaal Instituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) in Bilthoven, Nederland. De organisatie van dit ringonderzoek is uitgevoerd in samenwerking met de Health Protection Agency (HPA) in Londen, Engeland.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Door gebruik te maken van door de voedingsindustrie aangeleverde gegevens kan de blootstelling aan kleurstoffen nauwkeuriger worden geschat. Het RIVM concludeert dit na een pilotstudy waarin de blootstelling van Nederlandse kinderen aan twee kleurstoffen geschat wordt met behulp van door fabrikanten opgegeven gebruikte hoeveelheden in voedingsproducten. De aanleiding voor deze studie was dat blootstelling aan additieven vaak wordt overschat. Voorheen werden voor de schatting van inname van additieven vaak de maximaal toegestane hoeveelheden voor een product gebruikt, die meestal hoger zijn dan de door de fabrikanten gebruikte hoeveelheden. Daarnaast was vaak een uitgangspunt dat deze hoeveelheden voor de gehele voedselcategorie (zoals alle soepen) gelden, in plaats van voor bepaalde typen producten (zoals tomatensoep). In het huidige onderzoek zijn de specifieke gegevens van de producttypen gebruikt. De nieuwe data van de hoeveelheden kleurstoffen zijn vervolgens gekoppeld aan de mate waarin mensen kleurstofbevattende producten consumeren. Deze laatste gegevens zijn ontleend aan de consumptiedata uit de Voedselconsumptiepeiling onder jonge kinderen (2005/2006). Met deze methode worden de blootstellingschattingen naar verwachting lager en realistischer. Dit onderzoek is in samenwerking met de industrie uitgevoerd op initiatief van de Federatie Nederlandse Levensmiddelen Industrie (FNLI) en het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). Hiervoor heeft de industrie data aangeleverd van het gebruik van de kleurstoffen E120 (karmijnrood) en E133 (briljantblauw) in voedselproducten. Deze data blijken geschikt te zijn om de blootstelling te monitoren, op voorwaarde dat ze de in Nederland veel geconsumeerde voedselproducten goed vertegenwoordigen. Daarnaast is een goede communicatie tussen het RIVM en de industrie belangrijk om eventuele onduidelijkheden in de verkregen data op te helderen. De methode lijkt bruikbaar om uiteenlopende additieven te kunnen monitoren en kan in principe door alle Europese lidstaten worden gebruikt. Dit onderzoek is uitgevoerd in een publiek-private samenwerking.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Realistischer beeld van ecologische risico's Het RIVM stelt een werkwijze voor waarmee de effecten van vervuilingen op organismen in bodem en sediment realistischer kunnen worden weergegeven. Uitgangspunt van deze werkwijze is de concentratie van de vervuilende stof waarmee organismen in de bodem daadwerkelijk in contact komen (de biobeschikbare concentratie). In de praktijk blijkt namelijk dat een deel van vervuilingen aan de bodemdeeltjes gebonden blijft waardoor ze geen effect hebben op organismen. De verwachting is dat door deze realistischere werkwijze het aantal bodems dat momenteel als risicovol wordt aangemerkt, kleiner wordt. Hierdoor kunnen er mogelijk minder gevallen voor sanering in aanmerking komen. Huidige bodembeleid gaat uit van totaalconcentraties In de bestaande ecologische risicobeoordeling van bodemverontreiniging wordt de bodemkwaliteit beoordeeld op basis van totale concentraties verontreinigde stoffen in de bodem. Deze totaalconcentraties worden vervolgens vergeleken met de interventiewaarden voor de desbetreffende stoffen. Als de gemeten concentraties hoger zijn dan deze norm, kan aanvullend onderzoek plaatsvinden om te bepalen of de bodem moet worden gesaneerd. Voorstellen voor implementatie in bodembeleidDit rapport beschrijft vijf methoden en de bijbehorende gebruiksprotocollen om biobeschikbare concentraties in de bodem te meten voor organische verontreinigingen. Daarnaast worden twee voorstellen gedaan om de uitkomsten van deze methoden te implementeren in het bestaande bodembeleid voor besluitvorming binnen het saneringsbeleid van verontreinigde gronden en voor duurzaam bodemgebruik.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
A regulatory approach to assess the potency of substances toxic to the reproduction | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Measuring concurrent partnerships: back on track | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Measuring concurrent partnerships: back on track | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Longitudinal changes in weight in relation to smoking cessation in participants of the EPIC-PANACEA study | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Real-life costs of hepatitis C treatment | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
The first locally acquired human infection of Echinococcus multilocularis in The Netherlands | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
What it means to be global | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Mixed tuberculosis infections in rural South Vietnam | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Transcriptomics analysis of primary mouse thymocytes exposed to bis(tri-n-butyltin)dioxide (TBTO) | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Concentration-response analysis of differential gene expression in the zebrafish embryotoxicity test following flusilazole exposure | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Hospital networks and the dispersal of hospital-acquired pathogens by patient transfer | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Acceptance of vaccination during pregnancy: experience with 2009 influenza A (H1N1) in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Diversity and zoonotic potential of rotaviruses in swine and cattle across Europe | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Chlamydia trachomatis test-of-cure cannot be based on a single highly sensitive laboratory test taken at least 3 weeks after treatment | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Net als in voorgaande jaren is in verslagjaar 2012 de gemiddelde deelname aan alle vaccinaties uit het Rijksvaccinatieprogramma (RVP) met 92 tot 99 procent hoog. Uitzondering hierop vormt de deelname aan de HPV-vaccinatie tegen baarmoederhalskanker (56 procent). De ondergrens van 95 procent voor de BMR-vaccinatie wordt voor schoolkinderen (de tweede BMR-vaccinatie voor 9- jarigen) nog niet gehaald (93 procent). Zuigelingen halen deze ondergrens wel. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) heeft deze ondergrens bepaald om mazelen wereldwijd te kunnen uitroeien. Dit blijkt uit gegevens van het RIVM over de vaccinatiegraad in Nederland in verslagjaar 2012. Het betreft gegevens over zuigelingen die zijn geboren in 2009, kleuters geboren in 2006, schoolkinderen geboren in 2001 en adolescente meisjes geboren in 1997. Deelname per vaccinatie: Voor zuigelingen lag de deelname aan de BMR-, Hib- en meningokokken Cvaccinatie op 96 procent, en aan de DKTP- en pneumokokkenvaccinatie op 95 procent. De deelname onder schoolkinderen voor DTP en BMR was weer iets hoger dan in verslagjaar 2011 (93 versus 92 procent). De vaccinatiegraad voor adolescente meisjes geboren in 1997, die voor het eerst de HPV-vaccinatie binnen het RVP kregen aangeboden, bedroeg 56 procent. Tijdige en volledige vaccinatie belangrijk: Met vrijwillige vaccinatie wordt in Nederland een hoge vaccinatiegraad bereikt. Dat is nodig om zo veel mogelijk mensen individueel te beschermen. Voor de meeste ziekten in het RVP is het ook van belang om de bevolking als geheel te beschermen tegen uitbraken (groepsimmuniteit). Om de Nederlandse kinderen tijdig en volledig te vaccineren blijven continue aandacht en gezamenlijke inspanning nodig van alle bij het Rijksvaccinatieprogramma betrokken partijen.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Drug susceptibility of mycobacterium tuberculosis Beijing genotype and association with MDR TB | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Potential reach of effective smoking prevention programmes in vocational schools: determinants of school directors' intention to adopt these programmes | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Characterization of Mycobacterium orygis as M. tuberculosis complex subspecies | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Risk factors of Coxiella burnetii (Q fever) seropositivity in veterinary medicine students | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Case-control studies of sporadic enteric infections: A review and discussion of studies conducted internationally from 1990 to 2009 | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Seroprevalence and risk factors for Toxoplasma gondii infection in domestic cats in The Netherlands | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Risk assessment of gamma-hydroxybutyric acid (GHB) in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Dietary reporting errors on 24 h recalls and dietary questionnaires are associated with BMI across six European countries as evaluated with recovery biomarkers for protein and potassium intake | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
An exploratory qualitative assessment of factors influencing childhood vaccine providers' intention to recommend immunization in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Dose-response assessment of naphthalene-induced genotoxicity and glutathione detoxication in human TK6 lymphoblasts | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Clinical performance targets and quality of life in hemodialysis patients | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Visits on 'lamb-viewing days' at a sheep farm open to the public was a risk factor for Q fever in 2009 | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Mapping the increasing risk of human alveolar echinococcosis in Limburg, the Netherlands | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Differences in quality of life of hemodialysis patients between dialysis centers | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Risk analysis of analytical validations by probabilistic modification of FMEA | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Comparing two definitions of ethnicity for identifying young persons at risk for chlamydia | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Mumps vaccine effectiveness in primary schools and households, the Netherlands, 2008 | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
The associations of advanced glycation end products and its soluble receptor with pancreatic cancer risk: A case-control study within the prospective EPIC cohort | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Lood uit bodemverontreinigingen wordt opgenomen door moestuingewassen die daarop worden geteeld. Deze gewassen kunnen een gezondheidsrisico vormen als zij worden geconsumeerd. Uit onderzoek van RIVM en Alterra blijkt nu dat bij hoge concentraties lood in de bodem de opname minder wordt. Hierdoor bevatten de gewassen op deze bodems minder van dit metaal dan aanvankelijk werd gedacht. Door dit inzicht kunnen gezondheidsrisico's van de consumptie van deze wassen beter worden voorspeld. Voor het onderzoek, dat in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Milieu (I&M) wordt uitgevoerd, is de bestaande methode om de opname van lood te modelleren, verbeterd. Op basis van een nieuwe dataset kan de opname van lood in gewassen en het effect van het loodgehalte in de bodem nauwkeuriger worden voorspeld. Door de verbeterde risicobeoordeling kan preciezer worden aangegeven in welke situaties gezondheidsrisico's aanvaardbaar zijn. Als dat het geval is, is minder vaak aanvullend gewasonderzoek nodig. Dat spaart onderzoekskosten uit, en kan bovendien minder vertraging veroorzaken voor de uitvoering van (her)inrichtingsprojecten. Ook wordt zo onterechte bezorgdheid bij bewoners voorkomen.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Prediagnostic 25-hydroxyvitamin D, VDR and CASR polymorphisms, and survival in patients with dolorectal cancer in Western European populations | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Het RIVM heeft in beeld gebracht welke stoffen normaal in scheepsbrandstoffen voorkomen en in welke range dit gebeurt. Dit overzicht helpt in het verkrijgen van aanwijzingen over ongewenste bijmengingen in deze brandstoffen. Ook beschrijft het RIVM in dit rapport een analysestrategie om efficiënt en effectief aanwijzingen voor bijmengingen te krijgen. Hierbij is aangegeven welke methoden nu al operationeel zijn en welke methoden nog ontwikkeld moeten worden. In de afgelopen jaren hebben inspectiediensten verschillende zaken gehad waarin het vermoeden ontstond dat bijvoorbeeld afvalstoffen in brandstoffen waren weggemengd. Als afvalstoffen worden gemengd met brandstoffen dan kan een slechte kwaliteit brandstof ontstaan. Dit kan leiden tot technische problemen in de schepen, of er kunnen risico's ontstaan voor de bemanning, het milieu of burgers die zich in de nabijheid van de schepen bevinden. De voormalige VROM-Inspectie (overgegaan in de huidige Inspectie Leefomgeving en Transport) heeft daarom het RIVM gevraagd meer zicht op de aanwezigheid van deze stoffen te geven. Het RIVM heeft een lijst van kritische stoffen opgesteld. Deze lijst omvat stoffen die gevaarlijk zijn en waarvan bijmenging verwacht kan worden. Voor deze stoffen is aan de hand van drempelwaarden aangegeven wat 'normale' gehalten in brandstoffen zijn. Indien analyses duiden op gehalten in brandstoffen boven deze drempelwaarden dan zijn dit aanwijzingen voor bijmengingen. Om de aanwezigheid van deze stoffen te kunnen bepalen, stelt het RIVM ook een analysestrategie voor. Het RIVM pleit ervoor om de analyses in twee fasen uit te voeren: screen eerst of de stof aanwezig is, ga daarna pas 'de diepte in' en zoek uit om welke hoeveelheid het gaat. In de analysestrategie is aangegeven welke methoden operationeel zijn en welke nog ontwikkeld en/of gevalideerd moeten worden. Mondiaal hebben veel landen in het MARPOL (MARine POLution)-verdrag het zwavelgehalte in stookolie begrensd en afgesproken dat scheepsbrandstoffen geen schadelijke stoffen mogen bevatten door bijmengingen. In Nederland is met het Besluit organisch-halogeengehalte van brandstoffen en het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging geregeld, dat de scheepsbrandstoffen een maximumgehalte aan organohalogeen verbindingen, PCB's en zwavel mogen bevatten.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Consuming a diet complying with front-of-pack label criteria may reduce cholesterol levels: a modeling study | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Strategies for the optimisation of in vivo experiments in accordance with the 3Rs philosophy | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Gender-specific associations of marine n-3 fatty acids and fish consumption with 10-year incidence of stroke | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Evaluation of the Dutch general exemption level for voluntary fortification with folic acid | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Use of statins is associated with an increased risk of rheumatoid arthritis | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Dit rapport geeft een overzicht van de mate waarin ziekteverwekkers uit het Rijksvaccinatieprogramma (RVP) in 2010 en 2011 voorkwamen. Daarnaast geeft het een overzicht van veranderingen in deze verwekkers, de gebruikte vaccins en bijwerkingen na vaccinatie. Hetzelfde geldt voor ontwikkelingen over nieuwe vaccins, die in de toekomst eventueel in het RVP worden opgenomen. De vaccinatiegraad is al vele jaren hoog, waardoor weinig mensen ziekten krijgen waartegen via het RVP wordt gevaccineerd (namelijk difterie, tetanus, polio, Haemophilus inflluenzae type b ziekte, rubella en meningokokken serogroep C). Ook in het onderzochte jaar blijkt het RVP effectief en veilig. Continue monitoring is nodig om het programma te optimaliseren. Kinkhoest, pneumokokken en meningokokken C In 2010 nam het aantal jonge kinderen met kinkhoest af, doordat het RVP in 2005 is overgegaan op een ander (acellulair) vaccin. Ook blijft het effect van de in 2001 toegevoegde booster op 4-jarige leeftijd zichtbaar tot en met 13 jaar. Wel neemt sinds 2004 het aantal adolescenten en volwassenen met kinkhoest toe. Het aantal mensen dat een pneumokokkenziekte kreeg, veroorzaakt door een type waartegen wordt gevaccineerd, is sterk afgenomen. Bij kinderen jonger dan 2 jaar is deze afname 87 procent. Bij de oudere leeftijdsgroepen was de daling minder door een toename van niet-vaccin typen. Per 1 maart 2011 is overgegaan op een pneumokokkenvaccin dat beschermt tegen tien typen in plaats van tegen zeven typen. In 2009 en 2010 zijn de eerste twee gevallen van meningokokken C gerapporteerd in gevaccineerde personen sinds deze vaccinatie in 2002 is geïntroduceerd. Beiden hadden een immuunziekte. Hepatitis B Het aantal gevallen met hepatitis B in 2010 is met 8 procent verminderd ten opzichte van 2009, voornamelijk doordat deze ziekte minder vaak is gemeld in mannen die seks hebben met mannen (MSM). Dit maakt aannemelijk dat het vaccinatieprogramma dat in 2002 voor deze groep is ingesteld, effectief is. Per 1 augustus 2011 krijgt iedereen die nadien is geboren de hepatitis B-vaccinatie. Mazelen, bof en HPV Mazelen kwam in 2010 en 2011 vaker voor in West-Europa, waardoor meer, doorgaans niet gevaccineerde, Nederlanders aldaar deze ziekte opliepen. De bofuitbraak in 2009 onder studenten, die daar doorgaans tegen zijn gevaccineerd, ging door in 2010 en 2011. De vaccinatiegraad (drie doses) voor de eerste groep 12-jarigen die tegen baarmoederhalskanker (HPV) zijn gevaccineerd was 52,5 procent in 2011; de vaccinatiegraad voor de inhaalcampagne onder 13- tot 16-jarigen steeg van 47 procent naar 52,3 procent. Toekomstige kandidaten Van de ziekten die in de toekomst mogelijk onder het RVP gaan vallen, komt meningokokken groep B sinds 2001 jaarlijks minder vaak voor. Maagdarminfecties veroorzaakt door Rotavirus neemt daarentegen verder toe in 2010 (naar 2180 ten opzichte van 1935 in 2009). In 2010 is het aantal hepatitis A-gevallen toegenomen tot het niveau van 2006 (1,6 gevallen per 100.000inwoners). Voor waterpokken en gordelroos zijn geen grote veranderingen waargenomen in 2010. Veiligheid Er waren geen ongebruikelijke meldingen in het afgelopen jaar ten aanzien van de veiligheid van de vaccins binnen het Rijksvaccinatieprogramma.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Biomarkers of oxidative stress and risk of developing colorectal cancer: A cohort-nested case-control study in the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Perceived soundscapes in relation to transport related annoyance, context and personal characteristics; psychometric analyses | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Thermal stability of structurally different viruses with proven or potential relevance to food safety | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Common genetic variants in prostate cancer risk prediction - Results from the NCI breast and prostate cancer cohort consortium (BPC3) | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Tuberculosis seasonality in the Netherlands differs between natives and non-natives: a role for vitamin D deficiency? | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Sleep-disturbance and quality of sleep in Hong Kong in relation to night time noise exposure | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Nitrosamines and heme iron and risk of prostate cancer in the European prospective investigation into cancer and nutrition | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Natural colloids are the dominant factor in the sedimentation of nanoparticles | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Course of pandemic influenza A(H1N1) 2009 virus infection in Dutch patients | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Why did patients with cardiovascular disease in the Netherlands accept Q fever vaccination? | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
DNA fingerprinting of Mycobacterium tuberculosis: from phage typing to whole-genome sequencing | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Effects of screening and partner notification on Chlamydia positivity in the United States: a modeling study | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Past, present, and future exceedance of critical loads of acidity for surface waters in Finland | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
European 2: clonal complex of mycobacterium bovis dominant in the Iberian Peninsula | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
De Europese Kaderrichtlijn Water bevat onder andere doelstellingen voor de waterkwaliteit bij winningen voor drinkwater. Het RIVM heeft onderzocht welke informatie nodig is om te kunnen rapporteren of deze doelstellingen zijn behaald. Hiervoor is geïnventariseerd welke informatie al wordt verzameld op grond van de Drinkwaterwet en welke informatie voor de KRW nog ontbreekt. De monitoring voor de Drinkwaterwet is vooral gericht op de kwaliteit van het drinkwater zelf, en geeft een globaal beeld van de gebruikte grondwaterkwaliteit. De informatiebehoefte van de KRW over de grondwaterkwaliteit bij winningen is echter veel specifieker. De bevindingen zijn besproken met vertegenwoordigers van het Rijk, provincies en drinkwaterbedrijven. Meer nadruk op karakteriseringsfase KRW-cyclus: De KRW beoordeelt de waterkwaliteit van winningen in cycli van zes jaar die telkens uit twee beoordelingsmomenten bestaat: de karakterisering en de toestandbeoordeling. Tijdens de karakterisering onderzoekt de regio waar de winning zich bevindt (provincies, waterbeheerders) of de doelstellingen op de gestelde termijn worden behaald. Als dit niet het geval is, worden maatregelen getroffen. De eerdere beoordeling van winningen was daarvoor echter te globaal. Om kwaliteitsproblemen goed in kaart te kunnen brengen moet alle beschikbare en relevante informatie worden gebruikt. Hiervoor kan bijvoorbeeld de risicoanalyse worden gebruikt die wordt uitgevoerd voor de zogeheten gebiedsdossiers bij winningen. In gebiedsdossiers worden de komende jaren de risico's voor de waterkwaliteit bij alle winningen voor drinkwater in Nederland in beeld gebracht om effectieve beschermingsmaatregelen te kunnen treffen. Gebiedsdossiers maken hiermee meer deel uit van het karakteriseringsproces. Focus bij toestandbeoordeling KRW op risicostoffen: Bij de toestandbeoordeling wordt getoetst of de doelstellingen zijn behaald. Hierbij ligt juist de focus op de stoffen die een risico vormen voor het grondwaterlichaam en de verschillende functies daarin (waaronder de drinkwaterfunctie). In deze fase kan worden volstaan met de kwaliteitsinformatie over het totaal uit de putten gewonnen water en het geproduceerde drinkwater (REWAB-database).
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Temporal trends in Bordetella pertussis populations, Denmark, 1949-2010 | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
New methodology for estimating the burden of infectious diseases in Europe | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Correcting a fundamental error in greenhouse gas accounting related to bioenergy | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Are phylogenetic position, virulence, drug susceptibility and in vivo response to treatment in mycobacteria interrelated? | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Uit dit rapport blijkt dat een nieuw ontwikkelde werkwijze toepasbaar is om een gezondheidskundige risico beoordeling uit te voeren. Deze werkwijze schat het risico in van systemische gezondheidseffecten voor werknemers als gevolg van huidblootstelling aan chemische stoffen. N-methylpyrrolidon (NMP), als ingrediënt in verf afbijtmiddelen, is gekozen om de ontwikkelde werkwijze te testen. Hiervoor is informatie nodig over de fysischchemische en toxicologische eigenschappen van NMP. De beschikbaarheid van informatiebronnen kan in drie verschillende niveaus worden ingedeeld (werknemer, branche organisatie en professionals). Voor elk informatieniveau is de werkwijze toegepast. Met NMP als voorbeeld, kan de werkwijze zonder problemen toegepast worden wanneer er voldoende informatiebronnen beschikbaar zijn. In het geval dat er alleen toegang is tot het veiligheidsinformatieblad (VSB), is de beschikbare informatie te beperkt om tot een bruikbare risicoschatting te komen met de voorgestelde werkwijze.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Next-generation outer membrane vesicle vaccines against Neisseria meningitidis based on nontoxic LPS mutants | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Size effects on the scattering matrices of clay particles: an experimental study | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Obesity-susceptibility loci have a limited influence on birth weight: a meta-analysis of up to 28,219 individuals | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
The effectiveness of case management for comorbid diabetes type 2 patients; the CasCo study. Design of a randomized controlled trial | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Lokale en Nationale Monitor Gezondheid: op weg naar één bron voor lokale, regionale en landelijke cijfers | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
The repeatability and validity of questionnaires assessing occupational physical activity: a systematic review | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Gezondheid en leefstijl in de krachtwijken: een verkenning | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Needs and barriers to improve the collaboration in oral anticoagulant therapy: a qualitative study | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
QUALICOPC, a multi-country study evaluating quality, costs and equity in primary care | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Als kinderen aan chemische stoffen worden blootgesteld, kan dat grotere risico's hebben voor hun gezondheid dan bij volwassenen. Testmethoden voor gevaren van chemische stoffen houden onvoldoende rekening met deze verschillen. Het RIVM heeft daarom enkele dierstudies uitgevoerd om een optimaal protocol op te stellen om schadelijke effecten van stoffen op jonge kinderen te kunnen vaststellen. De voorlopige conclusie is dat een blootstelling bij ratten vlak na de geboorte (tussen de 10 en 50 dagen) het meest geschikt is om de risico's in kaart te brengen. Daarnaast blijken de effecten het meest zichtbaar te zijn in de fysieke ontwikkeling en op het immuunsysteem van het kind. Het protocol is in opdracht van het ministerie van VWS opgesteld. Vermoed wordt dat neurologische aandoeningen of afwijkingen in het immuunsysteem - van ADHD tot allergieën en diabetes - veroorzaakt kunnen worden door blootstellingen aan chemische stoffen op jonge leeftijd. Fysieke en gedragsmatige verschillen: De uiteenlopende risico's zijn te verklaren vanuit fysieke en gedragsmatige verschillen tussen kinderen en volwassenen. Kinderen stoppen bijvoorbeeld veel in hun mond (speelgoed, zand), waardoor zij via deze 'route' blootgesteld kunnen worden aan giftige stoffen. Door de onvolgroeide organen bij kinderen worden stoffen bijvoorbeeld minder snel uit het lichaam verwijderd dan bij volwassenen. Ook wijkt de ontwikkeling van organen af; bij jonge kinderen zijn onder meer het immuunsysteem en de hersenen sterk in ontwikkeling, wat hen gevoeliger kan maken voor schadelijke effecten van stoffen. Vervolgstudies zijn nodig voor een beter oordeel. Het is belangrijk hierbij de gevoeligheid van het zich ontwikkelende zenuwstelsel te betrekken. Internationale inbedding: De bevindingen van dit onderzoek zijn internationaal onder meer uitgedragen in het testrichtlijnenprogramma van de OESO (Organisatie voor Economische Ontwikkeling en Samenwerking). In dit programma worden testrichtlijnen wereldwijd afgestemd. Daarnaast is hierover een wetenschappelijk symposium georganiseerd.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Wat gebeurde er in het RVP in 2011? In 2011 zijn in het Rijksvaccinatieprogramma (RVP) twee veranderingen doorgevoerd, waardoor de bevolking beter tegen infectieziekten wordt beschermd. In de eerste plaats worden sindsdien alle kinderen tegen hepatitis B gevaccineerd; voorheen waren dat alleen bepaalde risicogroepen. Daarnaast wordt een nieuw vaccin tegen pneumokokkenziekte gebruikt dat tegen tien typen van de pneumokokbacterie beschermt in plaats van zeven. Wederom hoge vaccinatiegraad: De vaccinatiegraad zoals die in 2011 is gerapporteerd, was net als voorgaande jaren hoog. Voor zuigelingen lag de deelname aan de DKTP-vaccinatie op 95,4 procent, aan de Hib-vaccinatie op 96,0 procent en aan de pneumokokkenvaccinatie op 94,8 procent. Van de peuters kreeg 95,9 procent de BMR-vaccinatie en eveneens 95,9 procent de meningokokken C-vaccinatie. Wel daalde de vaccinatiegraad bij schoolkinderen voor DTP en BMR iets ten opzichte van het vorige rapportagejaar (respectievelijk van 93,4 naar 92,2 procent, en van 93,1 naar 92,1 procent). Continue surveillance en onderzoek voor optimaal RVP: Voortdurende surveillance en onderzoek naar de veiligheid en effectiviteit van het vaccinatieprogramma is onlosmakelijk verbonden met het RVP. Doet het RVP wat we verwachten, werkt het optimaal? Met de continue surveillance worden onder andere de bofepidemie die sinds september 2009 heerst, en kinkhoest nauwlettend gevolgd. Voor kinkhoest zijn de laatste jaren veel maatregelen genomen om baby's die nog te jong zijn voor een vaccinatie indirect te beschermen. Ook is het effect van pneumokokkenvaccinatie vanaf de invoering in 2006 gemonitord. Het aantal kinderen jonger dan twee jaar dat een pneumokokkenziekte kreeg van een type bacterie waartegen wordt gevaccineerd, is sindsdien sterk afgenomen (87 procent). Aangezien het nieuwe vaccin tegen meer typen pneumokokken beschermt, zal deze ziekte nog verder worden teruggedrongen. Bij de veiligheidsbewaking registreerde Lareb in 2011 een vergelijkbaar aantal bijwerkingen als in 2010 het RIVM, dat daarvoor toen nog verantwoordelijk was. Er zijn geen signalen voor bijzondere, nieuwe of verontrustende bijwerkingen gevonden. Verder belicht het rapport enkele organisatorische ontwikkelingen en resultaten van RIVM-onderzoek op het terrein van het RVP.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM probeert alternatieve testmethoden voor de zogeheten reproductietoxicologie zodanig te verbeteren dat ze betrouwbaar genoeg zijn om in de regelgeving te kunnen worden ingevoerd. Op die manier kan het aantal dierproeven worden verminderd. Reproductietoxicologie houdt zich bezig met mogelijke schadelijke effecten van stoffen op de vruchtbaarheid, de voortplanting, en de ontwikkeling van het ongeboren kind. In dit rapport heeft het RIVM, in opdracht van het ministerie van VWS, de stand van zaken beschreven van alternatieve testmethoden voor deze wetenschap. Onderzoek naar alternatieve testmethoden: Het RIVM ontwikkelt zelf alternatieve tests en teststrategieën waarvan de wetenschap verwacht dat ze schade aan de ontwikkeling kunnen voorspellen. De afgelopen vijf jaar is voortgang geboekt op het gebied van de embryonale stamceltest, de ratten-embryokweek, en de zebravis-embryotest. Deze embryo's zijn niet levensvatbaar, waardoor deze organismen, evenals de stamcellen, volgens Europese wetgeving niet als proefdieren worden beschouwd. Bij deze tests wordt gekeken naar de effecten die een stof op het niveau van genen veroorzaakt (genexpressie). Effecten op dit niveau kunnen mogelijk subtieler voorspellen of en in welke mate stoffen schadelijk zijn. Bovendien is de verwachting dat effecten op genniveau in deze testen beter te vertalen zijn naar effecten voor de mens. De huidige wijze waarop effecten van stoffen worden vastgesteld, is gebaseerd op gezondheidsschade in proefdieren. Modernisering regelgeving: Daarnaast is het RIVM actief in internationale verbanden om de regelgeving rond het gebruik van dierproeven en alternatieven te moderniseren. Het eigen onderzoek is een belangrijke ondersteuning hierbij.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
In de meeste gebouwen, zoals kantoren, scholen of sporthallen, zorgen drinkwaterinstallaties ervoor dat schoon drinkwater van het openbaar drinkwaternet uit de kraan van de consument stroomt. Verontreinigingen in deze installaties kunnen een gevaar vormen voor zowel de consument als het openbare drinkwaternet. Om dit te voorkomen voeren de drinkwaterbedrijven controles uit op de technische staat en het beheer van deze installaties. Bij nieuwe installaties meer hercontroles nodig: Het percentage nieuw aangelegde drinkwaterinstallaties dat na de eerste controle door de drinkwaterbedrijven is goedgekeurd, is in 2010 4% lager dan in voorgaande jaren. Na de hercontrole zijn er wel meer installaties in orde. Uiteindelijk zijn over het geheel genomen 3% meer installaties goedgekeurd dan in voorgaande jaren. Het is zorgelijk dat dit pas bij de hercontrole lukt. Dit blijkt uit de controles over het jaar 2010. Sinds 2004 verzamelt en analyseert het RIVM de terugkoppeling over deze controles en adviseert het ministerie van Innovatie en Milieu over het functioneren van de controletaak. In 2010 zijn in totaal bijna 62.000 controles (controle & hercontrole) uitgevoerd bij circa 50.000 bestaande en nieuw aangelegde drinkwaterinstallaties. Dat is zo'n 10% van de circa 600.000 installaties, die periodiek worden gecontroleerd. Bij circa 9.500 installaties zijn (sterk) verhoogde risico's op verontreiniging (van bijvoorbeeld reinigingsmiddelen of biologische besmettingen) van het drinkwater verholpen. Controles bij bestaande drinkwaterinstallaties: Bij bestaande drinkwaterinstallaties is een soortgelijk patroon waarneembaar: ook hiervan zijn in 2010 minder installaties goedgekeurd bij de eerste controle. Het uiteindelijke aandeel installaties met een (sterk) verhoogd risico is vrijwel gelijk gebleven. Legionellapreventie: Prioritaire drinkwaterinstallaties, zoals in hotels, zorginstellingen, ziekenhuizen en sauna's, zijn verplicht de installaties goed te beheren om legionella te voorkomen. Dit is in het onderzochte jaar bij de meeste categorieën iets beter gedaan dan in voorgaande jaren, met uitzondering van de bed & breakfasts. Van deze categorie is het aantal installaties met (sterk) verhoogd risico op legionellabesmetting met 6% gestegen ten opzichte van 2009.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Niet beschikbaar
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
In 2010 is de Nederlandse uitstoot van broeikasgassen, waaronder CO2, methaan en lachgas met ongeveer 6 procent gestegen ten opzichte van de emissie in 2009. Deze stijging komt vooral door een hoger brandstofverbruik in de industrie en energiesector als gevolg van de destijds herstellende economie. Daarnaast is vanwege het winterweer gedurende de eerste en laatste maanden van 2010 meer brandstof gebruikt voor verwarming. De totale uitstoot van broeikasgas wordt uitgedrukt in CO2- equivalenten en bedroeg 210,1 Teragram (Megaton of miljard kilogram) in 2010. Dit is een afname van ongeveer 1,5 procent in vergelijking met de uitstoot van 213,3 Tg CO2-equivalenten in het Kyoto-basisjaar. Dit basisjaar, dat afhankelijk van het broeikas 1990 of 1995 is, dient als referentie voor de uitstoot van broeikasgassen volgens het Kyoto Protocol uit 1997. De geleverde cijfers zijn exclusief de emissies die afkomstig zijn uit het soort landgebruik en de verandering daarin, zoals natuurontwikkeling of ontbossing (land use, land use change and forestry, LULUCF). De getallen inclusief deze bijdrage vertonen dezelfde trend. Nationale rapportageverplichting: Dit blijkt uit de jaarlijkse inventarisatie van broeikasgasemissies die het RIVM op verzoek van het ministerie van Infrastructuur en Milieu (I&M) heeft opgesteld. Met deze inventarisatie voldoet Nederland aan de nationale rapportageverplichtingen voor 2012 van het Klimaatverdrag van de Verenigde Naties (UNFCCC), van het Kyoto Protocol en van het Bewakingsmechanisme Broeikasgassen van de Europese Unie. Overige onderdelen inventarisatie: De inventarisatie bevat verder trendanalyses om ontwikkelingen in de uitstoot van broeikasgassen tussen 1990 en 2010 te verklaren, en een analyse van de onzekerheid in de emissiesgetallen. Daarnaast staat aangegeven welke (sleutel)bronnen het meest aan deze onzekerheid bijdragen. Ook biedt de inventarisatie documentatie van de gebruikte berekeningsmethoden, databronnen en toegepaste emissiefactoren. Ten slotte bevat het een overzicht van de onderdelen van het kwaliteitssysteem en de wijze waarop de Nederlandse Emissieregistratie de emissiecijfers heeft gevalideerd.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Stoffen kunnen eigenschappen hebben die gevaarlijk zijn voor mens en milieu. Om deze gevaren uniform aan te duiden is een mondiaal systeem opgesteld voor de indeling van de stoffen en de bijbehorende etikettering. Dit systeem is onlangs op Europees niveau geïmplementeerd in de verordening Classification, Labelling and Packaging of chemicals (CLP). De Nederlandse ARIE-regeling hanteert echter een andere indeling van gevaarlijke stoffen dan de CLP. Het RIVM doet daarom een voorstel hoe de ARIE-regeling aangepast kan worden aan de CLP-verordening. Aanpassing aan CLP bevordert veilig gebruik gevaarlijke stoffen: ARIE staat voor Aanvullende Risico Inventarisatie en Evaluatie en geldt voor kleinere bedrijven die met veel gevaarlijke stoffen werken. ARIE is bedoeld om de werknemers te beschermen als deze stoffen vrijkomen. Het belangrijkste voordeel van de aanpassing is dat ARIE dezelfde terminologie en criteria zal gebruiken als andere Europese wet- en regelgeving. Er zijn dan geen onduidelijkheden meer of een stof al dan niet gevaarlijk is en of er speciale maatregelen genomen moeten worden om werknemers te beschermen. Dit bevordert het veilig gebruik van gevaarlijke stoffen in Nederland. Resultaat: ARIE onderscheidt brandbare, giftige en ontplofbare stoffen. Het voorstel voor de aanpassing omvat een tabel waarin afgelezen kan worden welke CLPgevarenklassen overeenkomen met de ARIE-categorieën brandbaar, giftig en ontplofbaar.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Dit rapport stelt een methodologie voor waarmee verwachte milieu-effecten van chemische stoffen onderling kunnen worden vergeleken. Dit levert inzicht op in de relatieve milieuwinst die kan worden behaald als schadelijke stoffen worden vervangen door minder schadelijke alternatieven. Centraal staat de milieuschade van zowel de bestaande stof als het alternatief. Ten opzichte van eerdere verkenningen geeft deze studie een methodologie waarmee milieuschade relatief eenvoudig kan worden bepaald en vergeleken. In 2007 is de Europese wetgeving REACH (Registration, Evaluation Authorisation and restriction of CHemicals) ingevoerd. Restrictie en Autorisatie zijn de twee instrumenten van REACH om een stof die op grond van de huidige kennis als gevaarlijk voor mens en/of milieu wordt beschouwd, uit te faseren en te vervangen door een alternatief. REACH schrijft voor dat de gevolgen van een verbod in bredere zin dan alleen een risicoanalyse, worden weergegeven, namelijk via een zogenoemde socio-economische analyse. Hierin kan de verminderde schade aan mens en milieu bijvoorbeeld worden afgewogen tegen de kosten die een overschakeling op een alternatief met zich meebrengt. De ontwikkelde methodologie richt zich alleen op milieu-effecten als onderdeel van een socio-economische analyse. De methodologie bestaat uit een getrapte analyse, waarmee kan worden gekozen voor de manier en het detailniveau waarop de methodologie wordt uitgevoerd. Dit gebeurt op basis van het type stof, de databeschikbaarheid en het uiteindelijke doel van de analyse. Tevens geeft de methodologie een raamwerk hoe bij dergelijke analyses om te gaan met onzekerheden. De bruikbaarheid van de ontwikkelde methodologie is getest met behulp van drie voorbeeldstudies van zeer verschillende stoffen. Het betreft (1) de vervanging van nonylfenolen (surfactanten) in wasmiddelen door alcohol ethoxylaten, (2) de vervanging van zinken dakgoten door PVC-dakgoten, en (3) de vervanging van de brandvertragende stof HBCDD in isolatiemateriaal door twee alternatieve brandvertragers.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
De Nederlandse overheid toetst of de industrie de risico's van chemische stoffen goed vaststelt. Dit is een onderdeel van de wettelijke taken binnen de Europese verordeningen REACH (Registratie, Evaluatie, Autorisatie en beperking van Chemische stoffen) en CLP (Classification, Labelling and Packaging). Vanwege het grote aantal stoffen heeft het RIVM met TNO een systematiek opgezet om hierin keuzes te maken. Hetzelfde geldt voor de acties die de overheid zelf in dit verband kan nemen, bijvoorbeeld voorstellen om het gebruik van een stof te beperken of verbieden. REACH en CLP gaan over veiligheid- en gezondheidsaspecten van chemische stoffen in consumentenproducten, op de werkvloer of in het milieu. Met de komst van REACH ligt de verantwoordelijkheid hiervoor meer bij de industrie dan bij de overheid. De systematiek is opgezet op basis van de beleidswensen van alle ministeries die bij het stoffenbeleid zijn betrokken, in het bijzonder de ministeries van Infrastructuur en Milieu (I&M), Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) en Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) als opdrachtgever om deze systematiek op te stellen. Zo geeft het ministerie van VWS de hoogste prioriteit aan gevaarlijke stoffen in consumentenproducten voor kinderen. Om werknemer en consument te beschermen geven de ministeries voorrang aan stoffen als ze kankerverwekkend zijn, giftig zijn voor de voortplanting of allergische reacties veroorzaken (CMRS-stoffen). Voor het milieu zijn de criteria voor prioriteit van stoffen dat ze niet afbreekbaar zijn, zich ophopen in organismen, bodem en water (bioaccumulerend) en schadelijk zijn (Persistent, Bioaccumulerend en Toxisch (PBT)- of zeer Persistent zeer Bioaccumulerend (zPzB)-stoffen). De systematiek rangschikt een groep stoffen op basis van het risico, dat wordt gedefinieerd als een combinatie van het gevaar van de stof en de blootstelling eraan. De prioritering wordt vervolgens voor de verschillende beschermingsgroepen in punten uitgedrukt: consument, werknemer, milieu en mens indirect blootgesteld via het milieu. Het type 'dossier' (registratie, evaluatie, enzovoort) bepaalt welke groep stoffen nader wordt bekeken.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Sinds 2007 is het mogelijk om standaard diabeteszorg door middel van een keten-dbc diabetes via zorggroepen te bekostigen. In dit rapport worden de effecten van dit nieuwe bekostigingsmodel (integrale bekostiging (IB)) op het zorgproces en de kwaliteit van de diabeteszorg beschreven. Er zijn diverse veranderingen in het zorgproces zichtbaar. Zo zijn veel taken van de huisarts gedelegeerd naar de praktijkondersteuner en worden oogcontroles vaker uitgevoerd door een optometrist in plaats van de oogarts. De patiënt wordt nog te weinig betrokken bij het zorgproces. Zelfmanagementondersteuning is nog niet goed ontwikkeld. Ook wordt de patiënt niet altijd geïnformeerd over het feit dat hij voor de diabeteszorg is aangesloten bij een zorggroep. Het effect van IB op de kwaliteit van zorg is niet eenduidig te interpreteren. Er zijn (kleine) verbeteringen in procesen uitkomstindicatoren te zien. Deels door kwaliteitsverbetering en deels door verbetering in het registratieproces. Zo is het percentage patiënten met een systolische bloeddruk of cholesterolgehalte onder de streefwaarde toegenomen met respectievelijk 6 en 10 procentpunten. De klinische relevantie van de verbeteringen zijn onduidelijk. Langetermijneffecten, zoals het voorkomen of uitstellen van complicaties, zijn nog niet aan te tonen. De transparantie van de kwaliteit van de zorg is toegenomen maar nog steeds onvoldoende. ICT-systemen voldoen nog niet aan de toenemende informatiebehoefte van alle betrokkenen en er is ook te weinig eenheid in het registeren van zorggegevens. Inzicht in effecten van IB op de lange termijn is belangrijk om IB op zijn waarde te kunnen schatten.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Het is mogelijk een landelijk bevolkingsonderzoek naar darmkanker in Nederland in te voeren en uit te voeren. Wel zijn een goede voorbereiding en een gefaseerde invoering vereist om de kwaliteitseisen van het bevolkingsonderzoek te garanderen. Het zelfde geldt voor voldoende capaciteit om eventueel vervolgonderzoek te kunnen uitvoeren. Dit blijkt uit een zogeheten uitvoeringstoets naar dit bevolkingsonderzoek, uitgevoerd door het RIVM. De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zal de toets gebruiken bij de besluitvorming of dit bevolkingsonderzoek wordt ingevoerd. Een bevolkingsonderzoek naar darmkanker is kosteneffectief en kan op termijn jaarlijks 2400 sterfgevallen voorkomen. Na de besluitvorming is minimaal 2 jaar aan voorbereidingen nodig om het bevolkingsonderzoek gefaseerd te kunnen invoeren. Het bevolkingsonderzoek is bedoeld voor mensen van 55 tot en met 75 jaar (4,4 miljoen mensen). Zij worden door screeningsorganisaties elke 2 jaar uitgenodigd deel te nemen aan het bevolkingsonderzoek. Zij ontvangen daarvoor thuis een test (iFOBT), die zij zelf opsturen voor analyse. Bij een afwijkende uitslag zullen zij worden doorverwezen voor verdere diagnostiek (coloscopie) en zo nodig behandeling. De uitvoeringstoets is in samenwerking met de betrokken beroepsroepen, patiëntenorganisaties, screeningsorganisaties en andere stakeholders tot stand gekomen. Onder hen is een breed draagvlak om de screening in te voeren. Voor de uitvoeringstoets is in kaart gebracht welke voorbereidende activiteiten zouden moeten worden uitgevoerd, en onder welke voorwaarden. Zo is beschreven welke richtlijnen en kwaliteitseisen nodig zijn en hoe de kwaliteit van het programma kan worden bewaakt. Er worden maatregelen voorgesteld om de berekende capaciteitstekorten op te vangen, zoals taakverschuiving en een efficiënte uitvoering van de coloscopie. Verder moet erop worden toegezien dat er geen lange wachttijden ontstaan voor coloscopie en verdere behandeling; zonodig wordt de gefaseerde invoering bijgestuurd. Tevens moet er voldoende aandacht zijn voor communicatie, zowel in algemene zin bij de introductie van het bevolkingsonderzoek als voor de deelnemers over het doel, nut en proces ervan. Daarnaast zijn de belangrijkste implementatiewerkzaamheden en een prognose van kosten weergegeven.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Grenswaarden voor beroepsmatige blootstelling aan stoffen helpen de blootstelling aan gevaarlijke stoffen op de werkplek te beheersen door de maximale concentratie van een stof (in de lucht) vast te stellen die nog veilig wordt geacht. Deze grenswaarden kunnen worden vastgelegd op Europees niveau, op nationaal niveau of door bedrijven. De regelgeving en interpretaties van gegevens voor het bepalen van een grenswaarde kunnen verschillen tussen instanties, waardoor er voor één stof meerdere grenswaarden kunnen bestaan binnen Europa. Naast het bepalen van grenswaarden kunnen stoffen worden ingedeeld in categorieën op basis van hun mogelijk kankerverwekkende eigenschappen (classificatie met betrekking tot carcinogeniteit). Ook voor deze classificatie bestaan er binnen Europa verschillende systemen en verschillende criteria om een stof in te delen. Dit briefrapport bevat een overzicht van de grenswaarden voor beroepsmatige blootstelling en de classificatie met betrekking tot de carcinogeniteit van 25 kankerverwekkende stoffen. De gegevens zijn overgenomen van de beoordelingen van de Europese Commissie, het Wetenschappelijk Comité inzake grenswaarden voor beroepsmatige blootstelling (SCOEL), het Internationaal Agentschap voor Kankeronderzoek (IARC), REACH2 registranten, Nederland, Duitsland en Frankrijk. Daarnaast is door het =Institute of Medicine' (IOM) een schatting gemaakt van de impact die de invoering van een grenswaarde heeft op de publieke gezondheid, de gezondheidskosten, de economie, de samenleving en het milieu in Europa. De conclusies van het IOM zijn meegenomen in het overzicht. De overzichten met grenswaarden en classificaties geven voor elke stof de huidige beschikbare gegevens weer en maken het mogelijk om een directe vergelijking te maken tussen grenswaarden of classificaties.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
De Nederlandse bevolking krijgt voldoende jodium binnen, wel is de inname sinds 2008 met ongeveer 20 tot 25 procent gedaald. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM in opdracht van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). Aanbevolen wordt om de jodiuminname bij de Nederlandse bevolking in de gaten te houden. Jodium is nodig voor een normale groei en ontwikkeling en voor een goede stofwisseling. Jodiumgebrek kan een slechtwerkende schildklier veroorzaken, en kan bij jonge kinderen bovendien leiden tot een verminderde hersenontwikkeling. Maar ook een te hoge jodiuminname kan de schildklierwerking verstoren. Jodium zit van nature in voedingsmiddelen als zuivelproducten en nietalcoholische dranken (zoals water, koffie en thee, vruchtensappen, frisdranken). Daarnaast is brood, door het gebruik van gejodeerd zout, een belangrijke bron voor jodium. Behalve aan brood mag gejodeerd zout sinds enkele jaren aan bepaalde voedingsmiddelengroepen (broodvervangers, vleeswaren, keukenzout) toegevoegd worden. Sinds 2008 mag jodium aan vrijwel alle voedingsmiddelen worden toegevoegd. Toen is ook het maximum gehalte van jodium in zout verlaagd om een te hoge jodiuminname te voorkomen. In de praktijk blijken producenten van voedingsmiddelen echter minder vaak gejodeerd zout te gebruiken dan was aangenomen. Dit verklaart de gedaalde jodiuminname ten opzichte van vóór 2008. Lagere zoutconsumptie en de jodiuminname: Het ministerie van VWS streeft ernaar de zoutconsumptie te verlagen. Daardoor kan ook de consumptie van gejodeerd zout dalen, een belangrijke bron voor jodium. Het is daarom van belang de jodiuminname bij de Nederlandse bevolking in de gaten te houden. Als de jodiuminname onvoldoende lijkt te worden, kan deze op peil worden gehouden door bijvoorbeeld te stimuleren dat voedingsmiddelenproducenten meer gejodeerd zout gebruiken. Ook kunnen de jodiumgehaltes in zout worden verhoogd.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Een pinda-allergie kan milde tot ernstige klachten veroorzaken, uiteenlopend van een dikke lip en benauwdheid tot een zogeheten anafylactische shock, die potentieel dodelijk is. Het RIVM heeft onderzocht welke factoren van invloed zijn op de zogeheten ziektelast die pinda-allergie veroorzaakt. De belangrijkste parameters daarvoor blijken het aantal personen met een pinda-allergie te zijn en de invloed van een pinda-allergie op de kwaliteit van leven. Ziektelast is een maatstaf om de gevolgen van ziekten te kwantificeren en is een combinatie van gezondheidsverlies door verminderde kwaliteit van leven en door vroegtijdig overlijden. Deze literatuurstudie is uitgevoerd in het kader van de 'Foodborne Epidemiology Reference Group' van de Wereldgezondheidsorganisatie die de wereldwijde ziektelast van verschillende voedingsgerelateerde aandoeningen in kaart wil brengen. Voorbeelden zijn ziekteverwekkers als parasieten en bacteriën of schadelijke stoffen die mensen via voeding binnenkrijgen. Vanwege de ernstige klachten valt pinda-allergie daar ook onder. Aantal mensen met pinda-allergie: Tussen de 0,5 en 1,5 procent van de inwoners van westerse landen hebben een pinda-allergie. Er zijn bijna geen gegevens gepubliceerd over de mate waarin dit in niet-westerse landen voorkomt. Er lijkt sprake te zijn van geografische verschillen, omdat pinda-allergie bijvoorbeeld weinig tot niet in Turkije en Israël voorkomt. Pinda-allergie beperkt kwaliteit van leven: Mensen met een pinda-allergie krijgen alleen allergische klachten als ze een product eten dat pinda's bevat. Hoewel ze ernstig kunnen zijn, zijn ze doorgaans van korte duur. Daardoor hebben ze weinig invloed op de ziektelast. Het aantal mensen dat aan pinda-allergie overlijdt, is laag en heeft daardoor ook weinig invloed op de ziektelast. Leven met een pinda-allergie daarentegen beperkt de kwaliteit van leven, onder andere door de angst om per ongeluk een product dat pinda's bevat te eten. Deze beperking van hun kwaliteit van leven beïnvloedt wel de ziektelast.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Na afronding van de geplande sanering van de zuurteerput in Vasse zijn geen risico's te verwachten voor de gezondheid van passanten en omwonenden. Wel worden er aanvullende luchtmetingen voor enkele stoffen aanbevolen op korte afstand van de teerput om risico's tijdens de sanering uit te sluiten. Verder wordt aanbevolen in het nazorgplan de kwaliteit/stabiliteit van de bovenafdichting te blijven monitoren. Dit om direct contact met de verontreiniging uit te sluiten. Dit blijkt uit een contra-expertise van het RIVM over de mogelijke risico's voor de gezondheid tijdens en na de sanering van de zuurteerput in opdracht van de provincie Overijssel. KWR heeft in een separate rapportage een contra-expertise uitgevoerd voor de risico's van de teerput voor het grondwater. Een inschatting van de mogelijke risico's is gemaakt met behulp van modelberekeningen en gegevens uit eerdere metingen. Om een beeld te krijgen van de toekomstige situatie is een literatuuronderzoek uitgevoerd naar de internationale ervaringen met (saneringen van) zuurteerputten.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Biociden zijn bestrijdingsmiddelen die al jarenlang worden gebruikt om schadelijke organismen, zoals bacteriën, virussen, schimmels, geleedpotigen of knaagdieren, te vernietigen of onschadelijk te maken. Biociden beschermen mens en maatschappij en gebruiksgoederen tegen schade, overlast en bederf die deze organismen kunnen veroorzaken. Voorbeelden van biociden zijn desinfecterende stoffen in huishoudens, ziekenhuizen en consumentenproducten. Daarnaast vallen conserveringsmiddelen voor bijvoorbeeld hout en rubber, en insecticiden tegen kakkerlakken onder deze noemer. Sommige organismen worden resistent tegen biociden, dit komt vooral door onjuist gebruik. Het effect van biociden wordt dan minder of gaat volledig verloren. Informatie over ontwikkeling van resistentie verzameld: Om deze problematiek in kaart te brengen heeft het RIVM een overzicht gemaakt van de informatie over resistentieontwikkeling door het gebruik van biociden tegen micro-organismen, geleedpotigen en knaagdieren. Aanbevolen wordt om meer onderzoek te verrichten naar alternatieve middelen. Daarnaast is een systeem nodig om resistentie te kunnen vaststellen; vooralsnog zijn de mogelijkheden hiervoor via laboratoriumtesten beperkt. In algemene zin is het vanwege de resistentieproblematiek zinvol alle toepassingen van biociden kritisch te bekijken. Onjuist gebruik biociden tegengaan: Onjuist gebruik van biociden kan te maken hebben met een te korte inwerktijd, of een te lage dosering. Hierdoor krijgen de organismen die minder gevoelig zijn voor het bestrijdingsmiddel de kans om zich te verspreiden. Het is daarom noodzakelijk gebruikers te onderrichten hoe biociden het beste kunnen worden gebruikt. Onwetendheid is namelijk de belangrijkste oorzaak van onjuist gebruik. Voor beroepsmatige gebruikers is aandacht hiervoor in vakopleidingen essentieel. Voor particulieren is dit lastiger, waardoor het gebruik in huishoudens zo veel mogelijk moet worden beperkt. Deze beperking is ook gewenst omdat er aanwijzingen zijn dat het gebruik van biociden bevordert dat bacteriën ook resistent worden tegen antibiotica (kruisresistentie). Overige oorzaken resistentie: Resistentie kan verder ontstaan doordat bij sommige toepassingen de biocideconcentratie in de tijd afneemt. Verder kunnen gebruikte biociden uiteindelijk in lage, niet-werkzame concentraties in het milieu terechtkomen en zo de resistentieontwikkeling bij micro-organismen in het milieu bevorderen.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM heeft geïnventariseerd welke genetisch gemodificeerde organismen nu en in de toekomst zouden kunnen worden geïmporteerd, zonder dat daarvoor de benodigde EU-toelating of vergunning is verleend. De afgelopen jaren zijn namelijk varianten van genetisch gemodificeerde siervissen illegaal in de handel gebracht. Het onderzoek heeft zich toegespitst op genetisch gemodificeerde dieren en micro-organismen die in de Europese Unie nog niet op de markt zijn toegelaten, aangezien een dergelijke inventarisatie voor genetische gemodificeerde gewassen al heeft plaatsgevonden. Het blijkt dat, behalve de genetisch gemodificeerde siervissen, onder andere vaccins voor dieren en gewasbeschermingsmiddelen die genetisch gemodificeerde micro-organismen bevatten, illegaal zouden kunnen worden geïmporteerd. Verder kunnen 'medisch toerisme' en 'doe-het-zelf biologie' er mogelijk toe leiden dat genetisch gemodificeerde organismen ongewenst in het milieu terechtkomen. Er zijn op dit moment nog geen genetisch gemodificeerde dieren voor de voedselproductie, gezelschapsdieren of insecten op de markt beschikbaar, maar dit kan in de nabije toekomst veranderen, afhankelijk van de toelating of afwijzing van marktaanvragen hiervoor. De inventarisatie is uitgevoerd op verzoek van de Inspectie Leefomgeving en Transport, voorheen de VROM-Inspectie. Hiermee krijgt deze Inspectie handvatten om te beslissen welke organismen nu en in de toekomst de meeste aandacht behoeven, hoe ze kunnen worden gedetecteerd en wie verantwoordelijk is voor de handhaving. Het RIVM heeft onderzocht welke genetisch gemodificeerde organismen reeds op de markt zijn toegelaten of binnenkort toegelaten zouden kunnen worden. Dit is gedaan door de databases te raadplegen van instanties die zich binnen en buiten Europa bezighouden met toelating van genetisch gemodificeerde organismen. Bovendien zijn bronnen in de literatuur en op internet bestudeerd. Tevens zijn beschikbare data van toezichthoudende instanties in Europa bijeengebracht. Voor de inventarisatie is van elk categorie organismen, variërend van genetisch gemodificeerde bacteriën en virussen, insecten, vissen, kleine huisdieren tot vee, ingeschat wat de kans op import is. Ook staat vermeld of er een milieurisicobeoordeling beschikbaar is waardoor de eventuele risico's voor mens en milieu beter kunnen worden ingeschat.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Publieke consultatie: De EU-Tabaksproductrichtlijn 2001/37/EG, die voorschriften bevat over de productie, presentatie en verkoop van tabaksproducten, wordt mogelijk herzien. Het gaat daarbij om de vraag welke producten eronder vallen, consumenteninformatie op verpakkingen, rapportage, registratie en wetgeving van additieven, en toegang van consumenten tot tabaksproducten. Het RIVM heeft onderzocht of de voorgestelde aanpassingen wetenschappelijk kunnen worden onderbouwd. Informatie op verpakkingen rookwaar: Uit dit onderzoek blijkt onder meer dat de gehalten van teer, nicotine en koolmonoxide (TNCO) op sigarettenpakjes doorgaans lager zijn dan de daadwerkelijke blootstelling van de roker, vooral bij light-sigaretten. Vermelding van deze gehalten is dus misleidend voor de consument. Ze kunnen bijvoorbeeld vervangen worden door informatie over de schadelijke, verslavingsversterkende en aantrekkelijkheidverhogende effecten van stoffen in rook en tabak. Verder kan de verpakking van rookwaar gestandaardiseerd worden. Een generieke vormgeving maakt het mogelijk minder aantrekkelijk om rookwaar te kopen en te consumeren, net als het gebruik van grote fotowaarschuwingen. Ook bij nieuwe nicotine- en tabaksproducten, zoals elektronische sigaretten, zijn waarschuwingen en productinformatieverstrekking van belang. Additieven: Bestaande regelgeving voor additieven in tabak, zoals geur- en smaaktoevoegingen, blijkt te zijn gebaseerd op criteria voor een veilig gebruik van voedingsadditieven. Hierdoor blijven bijvoorbeeld verbrandingsproducten buiten beschouwing. Voor een goede risicobeoordeling van tabaksproducten moeten ook de effecten hiervan mee worden gewogen. Daarnaast is het van belang of een additief het tabaksproduct aantrekkelijker maakt voor consumptie. De laatste jaren is in diverse landen regelgeving ingevoerd om het gebruik van toevoegingen die sigaretten aantrekkelijker maken, te beperken. Voor een goede risicobeoordeling is ook informatie over andere ingrediënten nodig, zoals de tabaksoort, over designkenmerken zoals het type filter en over andere stoffen in rook. In alle gevallen geldt dat wetgevers informatie gemakkelijker kunnen analyseren en openbaar maken als tabaksfabrikanten deze informatie elektronisch en uniform aanleveren.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
De inhoud van dit rapport is verouderd. Als u vragen heeft over biomonitoring bij kleinschalige (chemische) incidenten kunt u het best contact opnemen met cgm@rivm.nl of uw regionale GGD. Er is een richtlijn ontwikkeld om te beoordelen of het zinvol is te onderzoeken of mensen als gevolg van een incident inwendig aan chemische stoffen zijn blootgesteld (biomonitoring). Het RIVM heeft de richtlijn met de GGD'en opgesteld; de GGD wordt standaard bij incidenten met chemische stoffen ingeschakeld. Na een dergelijk incident ontstaat vaak de vraag hoeveel personen daadwerkelijk aan specifieke stoffen zijn blootgesteld en in welke mate. Een meting in bloed, urine of uitgeademde lucht kan dit bevestigen. Voordelen biomonitoring: Deze metingen leveren een aantal voordelen op ten opzichte van metingen van stoffen in de lucht. Zo wordt beter inzicht verkregen in welke stoffen, en in welke mate, door het lichaam zijn opgenomen. Een ander voordeel is dat hiermee, indien relevant, het totaal aan stoffen die tijdens een incident uit verschillende bronnen zijn vrijgekomen, in het lichaam kan worden gemeten. Ook zijn inwendige blootstellingen beter in verband te brengen met eventuele gezondheidsklachten. Benodigdheden voor biomonitoring: De richtlijn maakt duidelijk bij welk type stoffen biomonitoring kan worden uitgevoerd. Afhankelijk van de stofeigenschappen zijn namelijk niet alle stoffen terug te vinden in het lichaam. Daarnaast is aangegeven welke informatie nodig is om het onderzoek technisch en logistiek uit te kunnen voeren. De richtlijn kan de GGD ook ondersteunen bij de (crisis)communicatie. Dit omvat adviezen aan het bevoegd gezag over de gezondheidsrisico's en benodigde maatregelen en onderzoek, evenals advies over de informatievoorziening naar betrokkenen. De richtlijn is vooral gericht op kleinschalige chemische incidenten.
Jaar: 2012
Onderzoek
Duurzaam beheer van de bodem biedt mens en maatschappij vele voordelen, van de mogelijkheid er voedsel op te produceren en water te zuiveren, tot het hebben van een aangenaam leefklimaat en een mooi en gevarieerd landschap (ecosysteemdiensten). Het RIVM heeft onderzocht hoe het bodemleven in Nederland, ook wel de 'de groene motor van het milieu' genoemd, het beste kan worden beheerd en benut. Hiervoor zijn de kenmerken in kaart gebracht van tien veelvoorkomende bodems - combinaties van grondsoort en bodemgebruik - zogeheten referenties voor biologische bodemkwaliteit (RBB). Enkele voorbeelden zijn akkerbouw op klei en grasland op zand in stedelijk gebied (stadspark). Maatregelen voor duurzaam beheer: Voor deze tien combinaties zijn vervolgens optimale waarden bepaald van de biologische, fysische en chemische kenmerken van de bodem. Daarna zijn praktische maatregelen voorgesteld om deze toestand via duurzaam bodembeheer te bereiken. Zo is het voor akkerbouw op klei belangrijk om lichte machines te gebruiken. Dan houdt de bodem een open structuur met een goede waterhuishouding en kunnen de gewassen goed wortelen. In de stedelijke omgeving is voldoende ruimte voor onafgedekte bodem (groen, geen tegels) van belang voor een aangenaam klimaat en een inspirerende omgeving. Bodemgebruikers kunnen zelf eenvoudig de maatregelen die voor hun situatie van belang zijn bepalen, aan de hand van indicatoren voor ecosysteemdiensten. Het RIVM heeft dit onderzoek in samenwerking met het kennisinstituut Alterra, de Wageningen University & Research Centre (WUR), BLGG AgroXpertus en het Louis Bolk Instituut (LBI). Dit is gedaan in opdracht van de ministeries voor Infrastructuur en Milieu (IenM) en Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (EL&I)
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
De Zorgbalans brengt met behulp van 125 indicatoren op hoofdlijnen de prestaties van de Nederlandse gezondheidszorg in beeld. Enkele voorbeelden zijn: vóórkomen van ziekenhuisinfecties, bereikbaarheid huisartsen, ligduur in ziekenhuizen en ontwikkelingen in zorguitgaven. Dit rapport beschrijft de indicatoren en de keuzes die daaraan ten grondslag liggen. Kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid van zorg: De Zorgbalans is het resultaat van een afweging tussen wetenschappelijk onderzoek, beleidsdoelstellingen en praktische mogelijkheden om gebruik te maken van gegevens. Aan de 125 indicatoren ligt een grote hoeveelheid gegevens ten grondslag uit veel en diverse bronnen, zoals jaarverslagen en diverse registraties van zorgaanbieders, en enquêtes onder zorggebruikers. De drie hoofdthema's zijn: kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid van zorg. Het RIVM vergelijkt de gegevens over prestaties met eerdere meetmomenten, cijfers uit andere landen, beleidsnormen en tussen organisaties. Dit maakt het gemakkelijker om er beleidsrelevante conclusies uit te trekken: is er een positieve trend of een negatieve? Doet Nederland het beter of juist slechter dan andere landen? En wordt voldaan aan beleidsnormen? Relatie tot andere producten: Verder wordt beschreven hoe de Zorgbalans zich verhoudt tot andere publicaties over de gezondheidszorg en hoe deze is ingebed in de nationale en internationale onderzoekswereld. Vooral de afstemming met de Volksgezondheid Toekomst Verkenningen (VTV) van het RIVM en de wijze waarop deze twee producten elkaar aanvullen en versterken, komen uitvoerig aan bod. Het RIVM maakt de Zorgbalans in opdracht van het ministerie van VWS en is bestemd voor beleidsmakers en voor anderen die willen weten hoe het zorgsysteem presteert. De Zorgbalans verschijnt sinds 2006 elke twee jaar. Vanaf 2011 worden twee maal per jaar actuele gegevens via de website gepresenteerd, en verschijnt eens in de vier jaar een rapport. Het eerstvolgende rapport verschijnt in 2014.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM heeft voor het eerst de prestaties van de Nederlandse downsyndroomscreeninglaboratoria geanalyseerd, en wel over het jaar 2009. Hieruit blijkt dat de tests naar behoren zijn uitgevoerd. De screening bestaat formeel sinds 1 januari 2007 en omvat twee bloedtests en een nekplooimeting. Met de evaluatie wordt voldaan aan de opdracht aan het referentielaboratorium om de kwaliteit van de screening te bewaken. Voor de analyse hebben de zeven screeningslaboratoria, verspreid over Nederland, die de bloedtests uitvoeren hun data over 2009 beschikbaar gesteld; Een daarvan is het referentielaboratorium, dat is ondergebracht bij het RIVM. Bevindingen: In 2009 zijn in totaal 48.457 screeningstests afgenomen; daarmee laat 25,7 procent van de zwangeren een dergelijke test uitvoeren. De leeftijd waarop de test het vaakst wordt afgenomen blijkt 32-33,5 jaar (mediane leeftijd). Het aantal zwangeren dat volgens de screeningtest een hoog risico loopt op een kind met het Downsyndroom is in het laboratorium van het AMC 6,3 procent, in het referentielaboratorium van het RIVM 4,8 procent, 7,4 procent bij het VUMClaboratorium en 5,4 procent voor dat van het MUMC. De laboratoria blijken op uiteenlopende momenten de test af te nemen: in sommige regio's gebeurde dat vroeg in de zwangerschap, in week 10. In andere later, in week 12. Een vroeg afgenomen test geeft een betere indicatie. Analyse bloedtests en nekpooimeting: Verder zijn de gemiddelde concentraties van de bloedtests geëvalueerd (van de stoffen PAPP-A en hCG-beta), evenals de uitslagen van de nekplooimeting (NT). Hieruit blijkt dat ze voldoen aan de kwaliteitscriteria die voor de screentests zijn opgesteld. Aanbevolen wordt de gegevens over de bloedtest voor de evaluatie aan te vullen met de ontbrekende gegevens over de nekplooimeting. Een eerste aanzet is daartoe in 2012 gemaakt door de landelijke database met deze gegevens, Peridos, voor deze analyse in te zetten.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Dit rapport geeft milieurisicogrenzen voor antimoon in (grond)water, sediment, en bodem. Milieurisicogrenzen zijn de technisch-wetenschappelijke advieswaarden voor de uiteindelijke milieukwaliteitsnormen in Nederland. De milieurisicogrenzen voor antimoon zijn gebaseerd op de uitkomsten van de EU risicobeoordeling voor antimoon, welke is opgesteld onder de voormalige Bestaande Stoffen Verordening 793/93/EEG. De afleiding van de milieurisicogrenzen sluit tevens aan bij de richtlijnen uit de Kaderrichtlijn Water. Op basis van een vergelijking met Nederlandse meetgegevens, wordt verwacht dat de nieuwe milieurisicogrenzen naar verwachting zeer zelden overschreden worden.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Restanten van geneesmiddelen in het watermilieu kunnen schadelijk zijn voor het ecosysteem. Het RIVM heeft voor 22 geneesmiddelen onderzocht of enkele openbare databases van overheden informatie bevatten over het optreden van schadelijke effecten (milieu-eindpunten). Deze geneesmiddelen zijn geselecteerd omdat ze veel worden gebruikt in Nederland of zijn aangemerkt als een probleemstof voor de drinkwaterbereiding. Restanten kunnen via urine in het water terechtkomen. Met informatie over milieu-eindpunten kunnen zogeheten Predicted No Effect Concentrations (PNEC' s) worden afgeleid: beneden deze concentraties worden geen negatieve effecten verwacht. In combinatie met een te verwachten concentratie (Predicted Environmental Concentrations, PECs) kunnen PEC/PNEC-ratio's helpen om mogelijke risico's voor het watermilieu vroegtijdig te signaleren. Een van de drie databases levert informatie op: De gezochte informatie blijkt niet beschikbaar te zijn via de Nederlandse Geneesmiddeleninformatiebank, noch de Europese Public Assessment Reports (EPARs) die worden gepubliceerd op de website van het European Medicines Agency (EMA). Van 15 geneesmiddelen is wel informatie over milieu-eindpunten beschikbaar via het Zweedse Environmental Classification and Information System (SECIS). Van 13 van deze geneesmiddelen was voldoende informatie beschikbaar om voorlopige PNEC' s af te leiden. Mogelijk risico bij twee van de dertien onderzochte geneesmiddelen: In combinatie met de berekende PECs op basis van de jaarlijkse consumptie van het geneesmiddel in Nederland, resulteerde dit in voorlopige PEC/PNEC-ratio's. Voor 2 van de 13 geëvalueerde geneesmiddelen (het antibioticum amoxicilline en ethinylestradiol, de werkzame stof in de anticonceptiepil) waren deze ratio's hoger dan 1. Dit betekent dat risico's voor het zoetwaterecosysteem verwacht kunnen worden als gevolg van de consumptie van deze geneesmiddelen. Om te beoordelen of dergelijke effecten daadwerkelijk optreden is een uitgebreidere analyse nodig van de mate waarin de stoffen zich in het milieu verspreiden, alsmede van de effecten.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
The OPS ("Operational Priority Substances ") computer model simulates the dispersion of pollutants in the air. It also appears to be suitable for modelling the transmission of Q fever bacteria from farm animals to humans. This is the major finding of a study carried out by the RIVM within the context of RIVM's Strategic Research project (SOR). The study results demonstrate that the model was well able to describe the transmission of Q fever bacteria on two infected goat farms. Uncertainties remain, such as the amount of bacteria released during an outbreak. More data are needed before the model can be routinely used to simulate the transmission of zoonoses through the air (aerosol) on infected farms. Infected goat farms are considered to be the source of the Q fever epidemic in the Netherlands between 2007 and 2010. However, the factors which cause Q fever bacteria to be transmitted from farm animals to humans and how the contaminated particles disperse through the air still remain largely undetermined. A suitable model provides policy-makers with model results that can be used as the basis for policy advice on the placement and distribution of farms.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Werknemers kunnen op hun werk blootgesteld worden aan verschillende soorten risico's, zoals schadelijke stoffen, fysieke belasting en ongevallen. In 2010 is het 'Occupational Health Impact Assessment' (OHIA)-model ontwikkeld, dat de arbeidsveiligheid kan vergelijken met de arbeidsgezondheid. Dit is mogelijk door de te berekenen in welke mate de risico's bijdragen aan het verlies van gezondheid van werknemers (ziektelast). Model uitgebreid met ziektelast handeczeem: In 2011 is het model uitgebreid met een berekening van de ziektelast van handeczeem. Daarnaast zijn enkele onduidelijkheden ingevuld en zijn specificaties opgesteld om van het model een instrument te maken dat door meerdere partijen kan worden gebruikt. Aanbevolen wordt te onderzoeken in hoeverre er draagvlak is bij de sectoren om het OHIA-instrument te gebruiken. Risico's berekend met onzekerheden: Het model houdt bovendien rekening met onzekerheden in de data, waardoor nauwkeurigere vergelijkingen kunnen worden gemaakt. Om het belang hiervan te illustreren, zijn de risico's voor vier beroepsgroepen berekend met én zonder deze onzekerheden. Gekozen is voor beroepsgroepen waarvoor het grootste verlies van gezondheid te verwachten is: tegelzetter, straatmaker, betonboorder en timmerman. Hierbij is gekeken naar de risico's van ongevallen, het tillen van zware voorwerpen en de blootstelling aan silica, een stof die bijvoorbeeld vrijkomt bij het bewerken van beton. Voor tegelzetters en straatmakers draagt de blootstelling aan silica zonder onzekerheden veruit het meeste bij aan het verlies van gezondheid; als onzekerheden worden inbegrepen blijkt het gezondheidsverlies als gevolg van silica daarentegen vergelijkbaar te zijn met dat van het tillen van zware voorwerpen en arbeidsgerelateerde ongevallen. Voor betonboorders en timmermannen hebben de inbegrepen onzekerheden geen invloed op de resultaten. Het OHIA-model is ontwikkeld door het RIVM, in samenwerking met een consortium van deskundigen van de Universiteit Utrecht (IRAS), TNO, Erasmus Medisch Centrum Rotterdam, en twee consultants.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
The association between the metabolic syndrome and alanine amino transferase is mediated by insulin resistance via related metabolic intermediates (the Cohort on Diabetes and Atherosclerosis Maastricht [CODAM] study) | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Reducing personal exposure to particulate air pollution improves cardiovascular health in patients with coronary heart disease | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Reducing personal exposure to particulate air pollution improves cardiovascular health in patients with coronary heart disease | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Validity of a short questionnaire to assess physical activity in 10 European countries | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Relative sensitivity of developmental and immune parameters in juvenile versus adult male rats after exposure to di(2-ethylhexyl) phthalate | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Concentrations of IGF-I and IGFBP-3 and pancreatic cancer risk in the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Self-rated health and mortality in individuals with diabetes mellitus: prospective cohort study | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Antibody levels against B. pertussis in neonates measured in dried blood spots | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Rabid puppy-dog imported into the Netherlands from Morocco via Spain, February 2012 | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Wellness centres: an important but overlooked source of Legionnaires' disease. Eight years of source investigation in the Netherlands, 1 August 2002 to 1 August 2010 | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Tussen 1990 en 2010 is in Nederland de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen gedaald. Het betreft de uitstoot van zwaveldioxide, stikstofoxiden, niet-methaan vluchtige organische stoffen (NMVOS), koolmonoxide, ammoniak, fijn stof (PM10), zware metalen en persistente organische stoffen (POP's). Deze neerwaartse trend is vooral toe te schrijven aan de introductie van schonere auto's en brandstoffen, en aan emissiebeperkende maatregelen bij industriële sectoren. Dit blijkt uit de toelichting van het RIVM op de Nederlandse emissiecijfers van grootschalige luchtverontreinigende stoffen, het Informative Inventory Report (IIR) 2012. Deze cijfers worden jaarlijks onder regie van het RIVM geleverd aan de Verenigde Naties (UNECE) en de Europese Commissie. De emissiecijfers beslaan een reeks jaren, vanaf 1990 tot het meest recente jaar. Dit keer zijn ook de geografische verdelingen van de emissiecijfers gerapporteerd, waartoe Europese lidstaten elke vijf jaar zijn verplicht. Nieuwe inzichten in de emissies van motorfietsen en bromfietsen: Door de jaren heen resulteren nieuwe methoden om de emissies te berekenen in nauwkeurigere uitkomsten. De grootste verbetering heeft dit verslagjaar plaatsgevonden in de emissieberekening van bromfietsen en motorfietsen in Nederland. Deze emissies zijn berekend met een nieuw model dat beter rekening houdt met het motorvermogen en de leeftijd van de bromfietsen en motorfietsen. Het nieuwe model laat zien dat vooral oudere motorfietsen en bromfietsen meer fijn stof (PM10) uitstoten dan eerder werd verwacht. Ook de uitstoot van stikstofoxiden ligt iets hoger dan eerder werd berekend. Motoren en bromfietsen leveren echter maar een kleine bijdrage aan de totale uitstoot van stikstofoxiden en fijn stof van wegverkeer in Nederland. Oude bromfietsen blijken ook meer koolwaterstoffen uit te stoten dan eerder werd gedacht, maar nieuwe bromfietsen blijken juist wat schoner. Als gevolg hiervan dalen de emissies van koolwaterstoffen sneller dan eerder werd berekend: van 25 kiloton in 1990 tot 4 kiloton in 2010. Uitstoot van stikstofoxiden door vrachtverkeer hoger dan gedacht: Ook de uitstoot van stikstofoxiden door vrachtverkeer in Nederland is opnieuw berekend, en wel op basis van nieuwe inzichten in de uitstoot van zogenoemde Euro-IV vrachtauto's. Deze aanduiding verwijst naar de Europese wetgeving voor de uitstoot van schadelijke stoffen door vrachtauto's. Euro-IV vrachtauto's zijn tussen 2005 en 2008 verkocht in Nederland. Uit metingen blijkt dat de uitstoot van stikstofoxiden door deze vrachtauto's op snelwegen hoger is geweest dan eerder werd gedacht. Tegelijkertijd blijken er in Nederland iets minder Euro-IV vrachtauto's rond te rijden dan eerder werd verondersteld: door een subsidieregeling zijn er vanaf 2006 al schonere vrachtauto's verkocht die aan strengere normen voldeden (Euro-V). Toch is de uitstoot van stikstofoxiden door vrachtverkeer in 2010 nu circa 5 kiloton hoger dan eerder werd berekend. Daarnaast is nauwkeuriger inzicht verkregen in het aandeel van de diverse categorieën trucks in het totale Nederlandse vrachtwagenpark.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Utilization of epidemiological research for the development of local public health policy in the Netherlands: a case study approach | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Antiviral resistance during the 2009 influenza A H1N1 pandemic: public health, laboratory, and clinical perspectives | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Transcriptomic analysis of neurulation and early organogenesis in rat embryos: an in vivo and ex vivo comparison | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Immunological impact of an additional early measles vaccine in Gambian children: responses to a boost at 3 years | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Trichinella spiralis-secreted products modulate DC functionality and expand regulatory T cells in vitro | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Low prevalence of asymptomatic sexually transmitted infections in HIV-infected heterosexuals visiting an HIV clinic in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Phosphoproteomic analysis of mouse thymoma cells treated with tributyltin oxide: TBTO affects proliferation and energy sensing pathways | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Genotyping Giardia duodenalis isolates from dogs: lessons from a multilocus sequence typing study | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Bead array direct rRNA capture assay (rCapA) for amplification free speciation of mycobacterium cultures | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Clonally related Neisseria gonorrhoeae isolates with decreased susceptibility to the extended-spectrum cephalosporin cefotaxime in Amsterdam, the Netherlands | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Large-scale gene-centric meta-analysis across 39 studies identifies type 2 diabetes loci | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Common variants in the type 2 diabetes KCNQ1 gene are associated with impairments in insulin secretion during hyperglycaemic glucose clamp | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Comparison of ESBL contamination in organic and conventional retail chicken meat | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Facilitated transport of copper with hydroxyapatite nanoparticles in saturated sand | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Gamma-glutamyltransferase, cardiovascular disease and mortality in individuals with diabetes mellitus | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
An international comparison of four quantitative risk assessment approaches: a benchmark study based on a fictitious LPG plant | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
A comparison of gene expression responses in rat whole embryo culture and in vivo: time-dependent retinoic acid-induced teratogenic response | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Genome-wide association study of classical Hodgkin lymphoma and Epstein-Barr virus status-defined subgroups | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Volgens Europese regelgeving is het nodig om te monitoren of commerciële teelt van genetisch gemodificeerde gewassen onverwachte, schadelijke effecten heeft op het milieu (General Surveillance, GS). Het algemene idee in de EU is dat de nadruk ligt op het behoud van bijvoorbeeld biodiversiteit en van een gezonde bodem. Aangezien onverwachte effecten moeilijk op te sporen zijn, is het niet duidelijk hoe GS vorm moet krijgen. Daarom wordt in eerste instantie aangesloten bij bestaande monitoringnetwerken. Geschikte netwerken: In dat verband heeft het RIVM onderzocht welke van deze monitoringnetwerken geschikt zijn voor General Surveillance van genetisch gemodificeerde planten in Nederland. Dat blijken vooral het Netwerk Ecologische Monitoring, dat de ontwikkeling van de Nederlandse flora en fauna in kaart brengt, en het Bodembiologische Indicator systeem, dat de bodemkwaliteit volgt. Daarnaast kunnen satellietbeelden worden gebruikt om veranderingen in vegetatie aan te tonen. Mogelijk worden in Nederland in de nabije toekomst genetisch gemodificeerde planten op commerciële schaal geteeld. Werkwijze onderzoek: Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM) en biedt handvatten voor keuzes tussen de netwerken. Hiervoor zijn eerst bestaande monitoringnetwerken in Nederland geïnventariseerd. Daarna zijn deze getoetst aan criteria die er zorg voor dragen dat de netwerken over een lange periode betrouwbare data voor GS verzamelen, die betrekking hebben op de biodiversiteit en een gezonde bodem. Daarna is getoetst of met de GS daadwerkelijk schadelijke milieueffecten opgespoord zouden kunnen worden. Het rapport kan ook worden gebruikt om een GS-systeem in andere EU landen op te zetten, of voor een geïntegreerd EU-systeem.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Poultry culling and Campylobacteriosis reduction among humans, the Netherlands | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Toxocara infection and its association with allergic manifestations | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Catheter application, insertion vein and length of ICU stay prior to insertion affect the risk of catheter-related bloodstream infection | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Development of a bead-based multiplex immunoassay for simultaneous quantitative detection of IgG serum antibodies against measles, mumps, rubella, and varicella-zoster virus | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Sitting behaviors and mental health among workers and nonworkers: the role of weight status | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Nosocomial transmission of norovirus is mainly caused by symptomatic cases | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Reply to: Epidemiological study of anti-HPV-16/18 seropositivity and subsequent risk of HPV-16 and -18 infections [Letter to the editor] | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Determinants of persistent spread of HIV in HCV-infected populations of injecting drug users | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Health claims in europe: probiotics and prebiotics as case examples | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Het RIVM heeft een instrument ontwikkeld om vanaf de wal de zwaveldioxideuitstoot van voorbijvarende zeeschepen te meten. Dit instrument maakt gebruik van de zogeheten Lidar-techniek (Light Detection And Ranging). Het instrument scant met een laserbundel de rookpluim van een passerend schip en stelt zo onopgemerkt de uitstoot vast. Hiermee is tussen 2006 en 2008 bij een groot aantal schepen op de Westerschelde en op het Noordzeekanaal de uitstoot van zwaveldioxide gemeten. De hoogst gemeten uitstoot bedroeg 37 gram per seconde. De totale uitstoot van zwaveldioxide neemt in Nederland al jaren af. Sinds 2006 daalt ook de uitstoot door de zeescheepvaart, maar minder hard dan de uitstoot door andere bronnen. Daardoor is de zeescheepvaart een steeds belangrijker bron van deze emissie geworden. In 2010 was 55 procent van de Nederlandse uitstoot van zwaveldioxide afkomstig van de zeescheepvaart. In 1990 was dit nog 21 procent. Zeeschepen mogen binnen de territoriale wateren en op de Noordzee niet op zwavelrijke brandstof varen. Deze relatief goedkope brandstof mag echter wel aan boord zijn voor gebruik elders op zee. Het is onbekend in hoeverre reders zich aan het verbod houden. Bij de traditionele meetmethoden worden brandstofmonsters aan boord genomen. Dit vereist dat iemand aan boord gaat, waardoor een controleteam slechts enkele schepen per dag kan controleren. De Lidar is nog geen wettelijk erkend instrument, waardoor op dit moment op grond van alleen Lidar-metingen geen boetes gegeven kunnen worden. De Lidar kan wel gebruikt worden om vermoedelijke overtreders te identificeren, waarna een wetshandhaver per patrouilleboot aan boord kan gaan om de overtreding vast te stellen. Inzet op deze wijze blijkt op dit moment al wel kosteneffectief. Dit komt doordat hiermee vrijwel alle passerende schepen kunnen worden gemeten en dure scheepspatrouilles uitsluitend hoeven worden ingezet voor vermoedelijke overtreders. Bovendien wordt de pakkans zo sterk vergroot. Daardoor mag verwacht worden dat het aantal overtredingen zal afnemen als de Lidar wordt ingezet.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Genetic, physiological, and lifestyle predictors of mortality in the general population | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Different virucidal activities of hyperbranched quaternary ammonium coatings on poliovirus and influenza virus | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Less decrease in risk behaviour from pre-HIV to post-HIV seroconversion among MSM in the combination antiretroviral therapy era compared with the pre-combination antiretroviral therapy era | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Pay-for-performance in disease management: a systematic review of the literature | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Antibody response against Trichinella spiralis in experimentally infected rats is dose dependent | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Action for Prevention, symposiumverslag | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Gezonde School als methode voor GGD'en bij de invoering van schoolgezondheidsbeleid | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Gezonde School: structureel werken aan gezondheid | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Tumor necrosis factor (TNF)-?, soluble TNF receptors and endometrial cancer risk: the EPIC study | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Ecological-Level associations between highly processed food intakes and plasma phospholipid elaidic acid concentrations: Results from a cross-sectional study within the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition (EPIC) | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Efficacy of multifactorial lifestyle interventions in patients with established cardiovascular diseases and high risk groups | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Bij veel mensen wordt hun laatste levensfase overschaduwd door hartfalen. Hartfalen ontstaat doordat de pompfunctie van het hart tekort schiet en leidt hoofdzakelijk tot kortademigheid en vocht in de longen en in de benen. Tussen 20 en 30% van de mensen krijgt te maken met hartfalen, meestal als zij ouder zijn dan zeventig jaar. Momenteel heeft ongeveer 1% van de volwassen bevolking deze aandoening (circa 130.000). De verwachting is dat dit aantal door de vergrijzing sterk zal toenemen, tot minstens de helft meer hartfalenpatiënten in 2025 (schatting: 195.000). De ziekenhuisopnamen en behandeling van mensen met ernstige klachten brengen hoge kosten met zich mee. Dit blijkt uit literatuuronderzoek van Het RIVM, aangevuld met gesimuleerde toekomstverkenningen. Vooral hoge bloeddruk en overgewicht bestrijden: Mensen kunnen de kans op hartfalen verminderen door risicofactoren te vermijden, vooral een te hoge bloeddruk en een hartinfarct. De preventieve maatregelen voor hart- en vaatziektes in het algemeen zijn ook effectief om hartfalen te voorkomen (gezonde voeding, bewegen, niet roken, enzovoort). De meeste gezondheidswinst is te behalen door mensen met een hoge bloeddruk levenslang te behandelen. Hetzelfde geldt voor overgewicht en diabetes. Mensen met een verhoogd risico op hartfalen, zoals na een hartinfarct of met diabetes, zouden nog intensiever begeleid kunnen worden. Onder artsen neemt de belangstelling voor vroege opsporing en selectieve preventie van hartfalen toe. Als afwijkingen zouden kunnen worden herkend vóórdat er klachten zijn, zou een aangepaste leefstijl of medicatie hartfalen kunnen uitstellen of voorkomen. Vooralsnog ontbreekt een geschikte test hiervoor.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Ter ondersteuning van het Europese luchtbeleid in het belangrijke revisiejaar 2011 zijn een vijftal scenario's ontwikkeld, variërend tussen het huidige beleid tot een maximale inzet aan maatregelen. Uitgangspunt bij het rapport is de vraag of de maatregelen voldoende zijn om de vermesting- en verzuringproblematiek in Europa volledig op te lossen. Om die vraag te beantwoorden zijn de deposities van stikstof en zwavel voor elk van de scenario's vergeleken met de hoeveelheid die ecosystemen kunnen verdragen. Het blijkt in dit rapport dat er beduidend minder ecosystemen risico lopen als maatregelen worden ingezet, maar volledig opgelost zullen de problemen niet worden. De stikstofdepositie heeft ook invloed op de plantensamenstelling in natuurgebieden. Hoe groot die invloed is op Europese schaal kan nog niet worden vastgesteld. De vooruitgang om dit wel te kunnen door de koppeling van bodem- en vegetatiemodellen kunt u ook lezen in dit rapport. De beschreven resultaten zijn behaald door veelvuldige samenwerking met internationale instituties en een breed wetenschappelijk netwerk in Europa en Noord-Amerika, zowel binnen de kaders van de Verenigde Naties als die van de Europese Commissie.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM heeft in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Milieu (I&M), milieurisicogrenzen voor chryseen bepaald. Dit was nodig omdat de huidige norm voor chryseen voor waterkwaliteit niet is afgeleid volgens de meest recente methodiek. Chryseen is een stof die behoort tot de stofgroep PAK's. De stof is opgenomen in de Regeling Monitoring Kader Richtlijn Water, waarin staat aan welke eisen oppervlaktewater in Nederland moet voldoen. De Stuurgroep Stoffen stelt deze nieuwe normen vast op basis van de wetenschappelijke advieswaarden in dit rapport. Het Maximaal Toelaatbaar Risiconiveau (MTR) is de concentratie in water waarbij geen schadelijke effecten te verwachten zijn, gebaseerd op jaargemiddelde concentraties. Hiervoor zijn drie routes onderzocht: directe effecten op waterorganismen, indirecte effecten op vogels en zoogdieren via het eten van prooidieren, en indirecte effecten op mensen via het eten van vis. De laatste van de drie levert de laagste waarde en bepaalt daarmee het MTR voor zoet- en zoutwater (1,2 nanogram per liter). De Maximaal Aanvaardbare Concentratie (MACwater, eco), die het ecosysteem beschermt tegen kortdurende concentratiepieken, is 0,07 microgram per liter voor zoetwater en 0,007 microgram per liter voor zoutwater. De nieuw afgeleide milieurisicogrenzen voor water en in water zwevend stof zijn lager dan de nu geldende milieurisicogrenzen. Dit kan direct worden verklaard doordat consumptie van waterdieren door vogels and zoogdieren en menselijke visconsumptie in de nieuwe norm zijn meegewogen. Gebaseerd op monitoringsgegevens worden de nieuwe MTR en MACeco voor water, zwevend stof en sediment naar verwachting overschreden. Bij deze beoordeling is mengseltoxiciteit voor het totaal aantal PAK's nog niet in beschouwing genomen.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM heeft in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Milieu (I&M), milieurisicogrenzen voor fenantreen bepaald. Dit was nodig omdat de huidige norm voor fenantreen voor waterkwaliteit niet is afgeleid volgens de meest recente methodiek. Fenantreen is een stof die behoort tot de stofgroep PAK's. De stof is opgenomen in de Regeling Monitoring Kader Richtlijn Water, waarin staat aan welke eisen oppervlaktewater in Nederland moet voldoen. De Stuurgroep Stoffen stelt de nieuwe normen vast op basis van de wetenschappelijke advieswaarden in dit rapport. Het Maximaal Toelaatbaar Risiconiveau (MTR) is de concentratie in water waarbij geen schadelijke effecten te verwachten zijn, gebaseerd op jaargemiddelde concentraties. Hiervoor zijn drie routes onderzocht: directe effecten op waterorganismen, indirecte effecten op vogels en zoogdieren via het eten van prooidieren, en indirecte effecten op mensen via het eten van vis. De eerste van de drie levert de laagste waarde en bepaalt daarmee het MTR voor zoet- en zoutwater (1,1 microgram per liter). De Maximaal Aanvaardbare Concentratie (MACwater, eco), die het ecosysteem beschermt tegen kortdurende concentratiepieken, is 6,7 microgram per liter. De nieuw afgeleide milieurisicogrenzen voor water, in water zwevend stof en sediment zijn hoger dan de nu geldende milieurisicogrenzen. Dit komt doordat er meer gegevens beschikbaar zijn over de directe effecten van fenantreen op waterorganismen en door het gebruik van een nieuwere methodiek. Gebaseerd op monitoringsgegevens worden de nieuwe MTR en MACeco voor water, zwevend stof en sediment naar verwachting niet overschreden. Bij deze beoordeling is de giftige aard voor het totaal aantal PAK's nog niet in beschouwing genomen.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM heeft in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Milieu (I&M), milieurisicogrenzen voor benz[a]antraceen bepaald. Dit was nodig omdat de huidige norm voor benz[a]antraceen voor waterkwaliteit niet is afgeleid volgens de meest recente methodiek. Benz[a]antraceen is een stof die behoort tot de stofgroep PAK's. De stof is opgenomen in de Regeling Monitoring Kader Richtlijn Water, waarin staat aan welke eisen oppervlaktewater in Nederland moet voldoen. De Stuurgroep Stoffen stelt deze nieuwe normen vast op basis van de wetenschappelijke advieswaarden in dit rapport. Het Maximaal Toelaatbaar Risiconiveau (MTR) is de concentratie in water waarbij geen schadelijke effecten te verwachten zijn, gebaseerd op jaargemiddelde concentraties. Hiervoor zijn drie routes onderzocht: directe effecten op waterorganismen, indirecte effecten op vogels en zoogdieren via het eten van prooidieren en indirecte effecten op mensen via het eten van visserijproducten. De laatste van de drie levert de laagste waarde en bepaalt daarmee het MTR voor zoet- en zoutwater (0,23 nanogram per liter). De Maximaal Aanvaardbare Concentratie (MACwater, eco), die het ecosysteem beschermt tegen kortdurende concentratiepieken, is 0,1 microgram per liter voor zoetwater en 0,01 microgram per liter voor zoutwater. De nieuw afgeleide milieurisicogrenzen voor water en in water zwevend stof zijn lager dan de nu geldende milieurisicogrenzen. Dit kan direct worden verklaard doordat consumptie van waterdieren door vogels and zoogdieren en menselijke visconsumptie in de nieuwe norm zijn meegewogen. Gebaseerd op monitoringsgegevens worden de nieuwe MTR en MACeco voor water, zwevend stof en sediment naar verwachting overschreden. Bij deze beoordeling is mengseltoxiciteit voor het totaal aantal PAK's nog niet in beschouwing genomen.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Systematic selection of screening participants by risk score in a chlamydia screening programme is feasible and effective | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Type-specific human papillomavirus infections among young heterosexual male and female STI clinic attendees | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Methamphetamine, amphetamine, MDMA ('ecstasy'), MDA and mCPP modulate electrical and cholinergic input in PC12 cells | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
New statistical technique for analyzing MIC-based susceptibility data | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
First worldwide proficiency study on variable-number tandem-repeat typing of Mycobacterium tuberculosis complex strains | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Genetic features differentiating bovine, food, and human isolates of Shiga toxin-producing Escherichia coli O157 in The Netherlands | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Acute toxicity of poly- and perfluorinated compounds to two cladocerans, Daphnia magna and Chydorus sphaericus | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Potential of novel Mycobacterium tuberculosis infection phase-dependent antigens in the diagnosis of TB disease in a high burden setting | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Characterization of Bordetella holmesii isolates from patients with pertussis-like illness in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Overweight and school performance among primary school children: The PIAMA Birth Cohort Study | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Impact of treatment reduction for childhood acute lymphoblastic leukemia on serum immunoglobulins and antibodies against vaccine-preventable diseases | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Development of a fast ELISA for quantifying polio D-antigen in in-process samples | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Estimating net transition probabilities from cross-sectional data with application to risk factors in chronic disease modeling | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Etiology of acute gastroenteritis in children requiring hospitalization in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Selection of a phylogenetically informative region of the norovirus genome for outbreak linkage | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Practitioner opinions on health promotion interventions that work: opening the 'black box' of a linear evidence-based approach | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Pre-existing isoniazid resistance, but not the genotype of Mycobacterium tuberculosis drives rifampicin resistance codon preference in vitro | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Transfer of an adherent Vero cell culture method between two different rocking motion type bioreactors with respect to cell growth and metabolic rates | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
A structured approach to exposure based waiving of human health endpoints under REACH developed in the OSIRIS project | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Sources of dietary protein in relation to blood pressure in a general Dutch population | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Quantification of transmission of livestock-associated methicillin resistant Staphylococcus aureus in pigs | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Climate change. Preserving Montreal Protocol climate benefits by limiting HFCs | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Co-occurrence of metabolic factors and the risk of coronary heart disease: a prospective cohort study in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Occupational exposure to organic dust increases lung cancer risk in the general population | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Prevention of perinatal hepatitis B virus transmission in the Netherlands, 2003-2007: children of Chinese mothers are at increased risk of breakthrough infection | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Prevalentie van psychische aandoeningen en trends van 1996 tot 2009; Resultaten van NEMESIS-2 | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
The disabling effect of diseases: a study on trends in diseases, activity limitations, and their interrelationships | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Plasma dioxin levels and cause-specific mortality in an occupational cohort of workers exposed to chlorophenoxy herbicides, chlorophenols and contaminants | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Comparing pandemic to seasonal influenza mortality: moderate impact overall but high mortality in young children | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Specific serum antibody responses following a Toxoplasma gondii and Trichinella spiralis co-infection in swine | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
How to calculate the spatial distribution of ecosystem services: natural attenuation as example from The Netherlands | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Development and comparison of two assay formats for parallel detection of four biothreat pathogens by using suspension microarrays | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Coxiella burnetii infection among blood donors during the 2009 Q-fever outbreak in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Impaired production of TNF-alpha by dendritic cells of older adults leads to a lower CD8+ T cell response against influenza | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Transcriptomic concentration-response evaluation of valproic acid, cyproconazole, and hexaconazole in the neural Embryonic Stem Cell Test (ESTn) | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Carcinogenic activity of benzo[a]pyrene in a 2 year oral study in Wistar rats | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Nederland voldoet aan de Europese meetverplichtingen voor zwaveldioxide (SO2) als op twee locaties in Nederland concentraties van deze stof in de lucht wordt gemeten. In het huidige Landelijke Meetnet Luchtkwaliteit (LML) worden op twintig locaties de zwaveldioxideconcentraties gemeten. Het RIVM stelt voor om de concentratie van deze stof op acht bestaande stations te meten. Daarmee wordt voldaan aan de Europese meetverplichtingen maar ook aan andere criteria, zoals voor verzuring van de bodem. In de Rijnmondregio zou een industriestation van DCMR Milieudienst Rijnmond hiervoor in aanmerking komen, evenals een stedelijk achtergrondstation van het LML. Aanbevolen wordt de overige zes regionale achtergrondstations gelijkmatig over Nederland te verspreiden, met een iets dichtere verdeling in Midden- en Zuid-Nederland. Hiermee worden gebieden met veel veehouderij, die kwetsbaar zijn voor verzuring, gedekt.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Erythrocyte membrane phospholipid polyunsaturated fatty acids are related to plasma C-reactive protein and adiponectin in middle-aged German women and men | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Carcinogenic activity of benzo[a]pyrene in a 2 year oral study in Wistar rats | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Evolution and connectivity in the world-wide migration system of the mallard: inferences from mitochondrial DNA | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
In het huidige Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit (LML) worden er op 21 plaatsen in Nederland concentraties van koolstofmonoxide (CO) gemeten. Aangezien de huidige concentraties van koolstofmonoxide onder de voorgeschreven Europese norm liggen, is er geen meetverplichting meer vanuit de EU-richtlijnen. Om toch zicht te houden op de ontwikkelingen in deze concentraties in Nederland, stelt het RIVM voor om metingen van CO-concentraties op beperkte schaal voort te zetten. Dit is gedaan naar aanleiding van een verzoek van het ministerie van Infrastructuur en Milieu (I&M) om de meetstrategie van koolmonoxide te updaten. Aanbevolen wordt om van elk van de drie typen meetstation van het LML er een te handhaven. Het gaat dan om een regionaal achtergrondstation, een stedelijk achtergrond station en een straatstation. Idealiter zouden de twee laatste in dezelfde stad moeten liggen. Op die manier kan de bijdrage van verkeer aan koolstofmonoxide in een stad nauwkeurig in kaart worden gebracht.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Op de terreinen rond het voormalige Chemie-Pack in Moerdijk zijn na de brand in januari 2011 stoffen in grond gemeten waarvoor geen beleidsmatige of wettelijke normen zijn vastgesteld. Het RIVM is gevraagd te inventariseren welke gegevens voor deze stoffen beschikbaar zijn. Met deze gegevens kunnen zogenaamde 'doelstellingen voor herstel' worden afgeleid. Deze doelstellingen worden gebruikt om vast te stellen hoeveel grond er gesaneerd dient te worden en welke mate van restverontreiniging eventueel aanvaardbaar is. Dit is in opdracht van de Provincie Noord-Brabant en de gemeente Moerdijk gedaan. Eerst risicogrenzen bepaald: Normen voor bodem zijn over het algemeen gebaseerd op gegevens over ecologische en humane risico's (risicogrenzen). Voor enkele stoffen waren zowel ecologische als humane risicogrenzen beschikbaar. Voor de andere stoffen, op één na, zijn alleen gegevens gevonden over de risico's voor de mens. Voor vier van deze stoffen zijn daarna de ecologische risicogrenzen afgeleid, om ook voor deze stoffen (mogelijke) 'doelstellingen voor herstel' te kunnen bepalen. Scenario's voor doelstellingen voor herstel: Vervolgens heeft het RIVM de mogelijkheden voor de doelstellingen voor herstel verkend. Hiertoe zijn drie scenario's uitgewerkt, die variëren van een volledige verwijdering van de verontreiniging tot een sanering tot een niveau waarin de bodem nog geschikt is voor het huidige gebruik (bedrijven en industrie). Nieuwe verontreinigingen dienen ingevolge artikel 13 van de Wet Bodembescherming zo veel mogelijk ongedaan te worden gemaakt. Er zijn echter hoge kosten mee gemoeid om de omvangrijke verontreiniging bij Moerdijk ongedaan te maken. Het RIVM doet geen uitspraak over de (kosten) technische haalbaarheid van de mogelijke saneringdoelstellingen voor herstel. De keuze hiervoor wordt door de bevoegde overheid gemaakt op basis van de gewenste ambitie en de nog te bepalen haalbaarheid.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Op de terreinen rond het voormalige Chemie-Pack in Moerdijk zijn na de brand in januari 2011 stoffen in grondwater gemeten waarvoor geen beleidsmatige of wettelijke normen zijn vastgesteld. Naar aanleiding daarvan is het RIVM gevraagd te inventariseren welke gegevens voor deze stoffen beschikbaar zijn. Met deze gegevens kunnen zogenaamde 'doelstellingen voor herstel' worden afgeleid. Deze doelstellingen worden gebruikt om vast te stellen hoe veel grondwater er gesaneerd dient te worden en welke mate van restverontreiniging eventueel aanvaardbaar is. Dit is in opdracht van de Provincie Noord-Brabant en de gemeente Moerdijk gedaan. Risicogrenzen als basis voor normen: Normen voor grondwater zijn over het algemeen gebaseerd op gegevens over ecologische en humane risico's (risicogrenzen). Voor een deel van de aangetroffen stoffen bleken zowel ecologische als humane risicogrenzen beschikbaar. Voor de overige stoffen kunnen risicogrenzen worden afgeleid, indien de situatie daartoe aanleiding geeft. Scenario's voor doelstellingen voor herstel: In dit rapport worden de mogelijkheden voor het afleiden van 'doelstellingen voor herstel' verkend. Hiertoe zijn drie scenario's uitgewerkt, die variëren van een volledige verwijdering van de verontreiniging tot een sanering tot een niveau waarin het grondwater nog geschikt is voor het huidige gebruik (bedrijven en industrie). Nieuwe verontreinigingen dienen ingevolge artikel 13 van de Wet Bodembescherming zo veel mogelijk ongedaan te worden gemaakt. Er zijn echter hoge kosten mee gemoeid om de omvangrijke verontreiniging bij Moerdijk ongedaan te maken. Het RIVM doet geen uitspraak over de (kosten) technische haalbaarheid van de mogelijke saneringdoelstellingen voor herstel. De keuze hiervoor wordt door de bevoegde overheid gemaakt op basis van de gewenste ambitie en de nog te bepalen haalbaarheid.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Validation of pncA gene sequencing in combination with the mycobacterial growth indicator tube method to test susceptibility of Mycobacterium tuberculosis to pyrazinamide | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Economische evaluaties van interventies voor werknemers gericht op psychische problemen of overgewicht komen tot uiteenlopende schattingen van de verhouding tussen kosten en baten. De methodologische kwaliteit van de studies laat vaak te wensen over. Ook zijn er nog veel vraagtekens bij de effectiviteit van de verschillende interventies en programma's. Dit blijkt uit literatuuronderzoek waarin de beschikbare kennis op dit gebied is samengevat. Het onderzoek beperkte zich tot interventies gericht op psychische problemen en overgewicht. Interventies gericht op preventie en behandeling van psychische problemen op de werkplek lijken een positieve balans tussen kosten en baten te hebben, maar de kwaliteit van de economische evaluaties was niet optimaal. Programma's gericht op werkhervatting door werknemers die verzuimen wegens psychische problemen lieten geen gunstige verhouding tussen kosten en baten zien. Bedrijfsgezondheidsprogramma's gericht op beweging en voeding lijken over het algemeen een gunstige verhouding tussen kosten en baten te hebben, maar dat wordt niet bevestigd in studies met een gerandomiseerde opzet. Gezondheidsbevordering op de werkplek is een belangrijk instrument in het kader van duurzame inzetbaarheid van werknemers. Voor daadwerkelijke implementatie van deze interventies is het nodig dat werkgevers inzicht krijgen in de verhouding tussen kosten en baten. Dit literatuuronderzoek geeft aan dat dit inzicht op dit moment nog beperkt en onvolledig is.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Chronic Q fever: review of the literature and a proposal of new diagnostic criteria | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Prenatal fluoxetine exposure induces life-long serotonin 5-HT 3 receptor-dependent cortical abnormalities and anxiety-like behaviour | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Successful alternative treatment of extensively drug-resistant tuberculosis in Argentina with a combination of linezolid, moxifloxacin and thioridazine | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Biowaiver monographs for immediate-release solid oral dosage forms: Primaquine phosphate | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Dietary proteins extend the survival of salmonella dublin in a gastric acid environment | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Rapid test for identification of a highly transmissible Mycobacterium tuberculosis beijing strain of sub-Saharan origin | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
A genome-wide association study identifies a novel susceptibility locus for renal cell carcinoma on 12p11.23 | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
A biotracing model of salmonella in the pork production chain | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Smoking increases the risk for colorectal adenomas in patients with lynch syndrome | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Prevalence of mental disorders, and trends from 1996 to 2009. Results from NEMESIS-2 | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Environmental policy evaluation: experiences in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Multicenter collaborative trial evaluation of a method for detection of human adenoviruses in Berry fruit | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Allergic contact dermatitis: epidemiology, molecular mechanisms, in vitro methods and regulatory aspects | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Relation between Q fever notifications and Coxiella burnetii infections during the 2009 outbreak in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Shifting priorities in the aftermath of a Q fever epidemic in 2007 to 2009 in the Netherlands: from acute to chronic infection | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Om duurzame gewasbescherming te bereiken heeft de overheid in de nota Duurzame gewasbescherming meerdere doelen geformuleerd voor het oppervlaktewater. Geen van deze doelstellingen is volledig gehaald, zo blijkt uit een evaluatie van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), Alterra, Centrum voor Milieuwetenschappen Leiden (CML) en het PlanBureau voor de Leefomgeving (PBL). Gewasbeschermingsmiddelen Eén van de doelen was om het oppervlaktewater in 2010 ten opzichte van 1998 95% minder met gewasbeschermingsmiddelen te belasten. Daarnaast mocht het oppervlaktewater in 2010 geen concentraties van gewasbeschermingsmiddelen bevatten boven het niveau van het Maximaal Toelaatbaar Risico (MTR). Uit de evaluatie blijkt dat op ongeveer 50% van de bemeten locaties in oppervlaktewater concentraties boven het MTR zijn aangetroffen. De belasting van het oppervlaktewater vanuit de zogeheten vollegrondteelten ging met ongeveer 87% naar beneden. Dit is vooral het gevolg van het Lozingenbesluit Open Teelt en Veehouderij (LOTV) uit 2000, waarmee emissies van gewasbeschermingsmiddelen en meststoffen worden beperkt, en het verbod op een aantal milieubelastende stoffen. Bij de kasteelten was de afname 68%. In zowel de kasteelten als de vollegrondteelten wordt het milieu vooral door een beperkt aantal stoffen belast. In de open teelten is verwaaiing van spuitvloeistof (drift) nog steeds de belangrijkste route voor deze stoffen; in de kasteelten zijn dit lozing van gietwater en drainage. Aanbevolen wordt in de vollegrondteelten nog sterker in te zetten op driftreducerende maatregelen, of alternatieve stoffen te gebruiken voor de meest toxische stoffen. Bereiding van drinkwater Een ander doel was om het aantal problemen bij de bereiding van drinkwater uit oppervlaktewater, het aantal zogeheten knelpunten, met 95% terug te brengen. Het doel hiervan is dat de norm voor drinkwater op innamepunten vanaf 2015 niet wordt overschreden. Het gerapporteerde aantal knelpunten voor de drinkwaterwinning is beperkt afgenomen, iets meer dan 30%. Tegenwoordig worden echter veel meer stoffen gemeten dan vroeger. Na een correctie op deze verandering is het aantal drinkwaterknelpunten maximaal met 75% afgenomen (van circa 80 in 1998 naar 22 in 2010).
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
The effect of hepatitis C treatment and human immunodeficiency virus (HIV) co-infection on the disease burden of hepatitis C among injecting drug users in Amsterdam | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Replication of five prostate cancer loci identified in an Asian population: results from the NCI Breast and Prostate Cancer Cohort Consortium (BPC3) | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Another possible food-borne outbreak of hepatitis a in the Netherlands indicated by two closely related molecular sequences, July to October 2011 | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Contrasts in oxidative potential and other particulate matter characteristics collected near major streets and background locations | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Alcohol consumption and pancreatic cancer: a pooled analysis in the International Pancreatic Cancer Case-Control Consortium (PanC4) | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Infection and colonization with methicillin resistant Staphylococcus aureus ST398 versus other MRSA in an area with a high density of pig farms | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Quantifying transmission of norovirus during an outbreak | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Climate-driven simulation of global crop sowing dates | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Dietary factors and lung function in the general population: wine and resveratrol intake | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
The protective effects of temporary immunity under imposed infection pressure | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Genetic variation in alcohol dehydrogenase (ADH1A, ADH1B, ADH1C, ADH7) and aldehyde dehydrogenase (ALDH2), alcohol consumption and gastric cancer risk in the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition (EPIC) cohort | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Socio-demographic, environmental, lifestyle and psychosocial factors predict self rated health in Irish Travellers, a minority nomadic population | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Participation in and attitude towards the national immunization program in the Netherlands: data from population-based questionnaires | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Predicting effects of cations on copper toxicity to lettuce (Lactuca sativa) by the biotic ligand model | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
The burden of 2009 pandemic influenza A(H1N1) in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Early results from adoption of bundled payment for diabetes care in the Netherlands show improvement in care coordination | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Is a single dose of meningococcal serogroup C conjugate vaccine sufficient for protection? Experience from the Netherlands | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Delayed logistic and Rosenzweig-MacArthur models with allometric parameter setting estimate population cycles at lower trophic levels well | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Mumps vaccine effectiveness against orchitis [Letter to the editor] | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Panacee of paradox? Over de (on)zin van preventie | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
De dood of de gladiolen: zorgverzekeraars en de afschaffing van de postrisico-verevening | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
De AWBZ als katalysator voor de eerste lijn | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Gezondheidszorg is meer dan een uitgavenpost op de rijksbegroting | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Zorg voor een gezonde toekomst | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Knowledge gaps in risk assessment of nanosilica in food: evaluation of the dissolution and toxicity of different forms of silica | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Bezuinigingen 2012? Waarom ze nu al te voorspellen zijn! | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Presence of nano-sized silica during in vitro digestion of foods containing silica as a food additive | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Kosten is een keuze: tekorten op arbeidsmarkt gaan echt voor problemen zorgen | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Panacee of paradox? Over de (on)zin van preventie | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Health is wealth: zorg is veel meer dan zorg over de zorguitgaven | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Ondernemerschap als oplossing: Schippers in onmogelijke spagaat | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Gewasbescherming en de balans van milieu en economie : Berekeningen bij de 2e Nota Duurzame gewasbescherming | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
In de grote Nederlandse rivieren de Maas, de Rijn en de Nieuwe Maas komen bacteriën voor waarvan hoge percentages resistent zijn tegen een of meer soorten antibiotica. Dit blijkt uit verkennend onderzoek van het RIVM. Blootstelling via oppervlaktewater: Als mensen aan verontreinigd oppervlaktewater blootgesteld worden, kunnen zij antibioticaresistente bacteriën binnenkrijgen. Dit kan bijvoorbeeld via recreatiewater of via water dat gebruikt worden om gewassen te besproeien. Dergelijk contact kan risico's voor de volksgezondheid met zich meebrengen, omdat deze antibiotica nodig zijn om infecties te behandelen. Antibioticaresistente bacteriën kunnen op meerdere manieren in oppervlaktewater terechtkomen, bijvoorbeeld doordat mest van dieren die met antibiotica zijn behandeld, afspoelt naar het oppervlaktewater. Een andere oorzaak kan zijn dat gedeeltelijk gezuiverd of ongezuiverd afvalwater in oppervlaktewater wordt geloosd, bijvoorbeeld afkomstig van ziekenhuizen waar mensen zijn behandeld met antibiotica. In totaal waren gemiddeld eenderde tot de helft van alle Escherichia coli en van de intesintale enterococcen resistent tegen een of meer soorten antibiotica. In sommige van de monsters werden antibioticaresistente stammen van Staphylococcus aureus, Campylobacter en Salmonella aangetoond. De meeste van deze bacteriën zijn darmbacteriën; Staphylococcus aureus komt vooral voor op de huid, en in de neus en keel van mensen. Diverse risico's: De risico's kunnen zich op verschillende manieren manifesteren. Op de eerste plaats kunnen mensen die aan antibioticaresistente bacteriën worden blootgesteld, daarvan ziek worden en vervolgens problemen krijgen bij de behandeling ervan. Daarnaast is het mogelijk dat mensen die worden blootgesteld aan de resistente bacteriën zelf niet ziek worden, maar deze overdragen aan mensen met verminderde weerstand, zoals ziekenhuispatiënten en ouderen. Deze groep mensen kan vervolgens wel ziek worden door deze bacteriën. Ten slotte is er het risico dat onschadelijke antibioticaresistente bacteriën zich in de darmen nestelen en daar genen die resistentie veroorzaken doorgeven aan andere, ziekteverwekkende bacteriën. Nader onderzoek naar volksgezondheidsrisico's: Onderzoek naar de mate waarin antibioticaresistente bacteriën in oppervlaktwater voorkomen is van belang om te kunnen inschatten in hoeverre mensen via het milieu worden blootgesteld aan deze bacteriën. Nader RIVMonderzoek zal hierop gericht zijn, en wat dit betekent voor de volksgezondheid.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Productdossiers : Een beschrijvend onderzoek | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Hepatic effects of a highly purified 2,2',3,4,4',5,5'-heptachlorbiphenyl (PCB 180) in male and female rats | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Immunotoxicogenomics: a systems approach | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Preventie in het pakket, een slimme zet? | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
The IAA cosmic dust laboratory: experimental scattering matrices of clay particles | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Keratinocytes, innate immunity and allergic contact dermatitis. Opportunities for the development of in vitro assays to predict the sensitizing potential of chemicals | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Economische groei en vooruitgang | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Toxoplasma gondii in animal reservoirs and the environment | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Toekomstbestendige zorg in Midden-Brabant | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Typing of Mycobactgeriium tuberculosis by whole-genome sequence analysis | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
RNA isolation for transcriptomics of human and mouse small skin biopsies | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Pneumococcal conjugate vaccination: clinical impact, reduced-dose schedules and immunologic responses | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
HFCs: a critical link in protecting climate and the ozone layer. A UNEP synthesis report | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Broad segmental progeroid changes in short-lived Ercc-/delta7 mice | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Towards a pragmatic alternative testing strategy for the detection of reproductive toxicants | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Detection of developmental toxicity using differentiating embryonic stem cells | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
In vitro evaluation of cytotoxic and inflammatory properties of silica nanoparticles of different sizes in murine RAW 264.7 macrophages | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Developing integrated approaches to nitrogen management | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
The development of an empirical model for regional public health reporting. a descriptive study in two Dutch pilot regions | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Nieuwe regering, nieuw regeerakkoord, nieuwe kansen? | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Travel and migration: HIV and STIs among ethnic groups in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Evaluation of benzo(a)pyrene-induced gene mutations in male germ cells | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Nitrogen budgets as tool for sustainable rangelands | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Toxoplasma gondii in animal reservoirs and the environment | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Lifestyle counseling for type 2 diabetes risk reduction in Dutch primary care: results of the APHRODITE study after 0.5 and 1.5 years | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Local interleukin-10 production during respiratory syncytial virus bronchiolitis is associated with post-bronchiolitis wheeze | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Nitrogen flows in farming systems across Europe | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Public health knowledge utilization by policy actors: an evaluation study in Midden-Holland, The Netherlands | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Groen groeien met tegenwind | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Sharp upturn of life expectancy in the Netherlands: effect of more health care for the elderly? | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Verhogen van de pensioengerechtigde leeftijd: een kwestie van moeten, kunnen en willen | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
The influence of population characteristics on variation in general practice based morbidity estimations | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
The microbiological safety of bathing water: waterborne pathogens beyond bathing water legislation | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Autonomie - Volksgezondheid: 1 - 0? | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Benefits of nitrogen for food, fibre and industrial production | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Supplementation with eicosapentaenoic omega-3 fatty acid does not influence serum brain-derived neurotrophic factor in diabetes mellitus patients with major depression: a randomized controlled pilot study | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Convention on long-range transboundary air pollution | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Enhancing Surveillance for Control of respiratory Infections in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
25 jaar Nota 2000, en nu? | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Zorg voor later: demografie, gezondheidseconomie en de toekomst | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Deel 1: Modelleren van de mogelijke effecten van klimaatveranderingen en emissiereducties op de PCB-153 concentraties in 2050 Veranderingen in het klimaat zullen komende decennia naar verwachting een gering effect hebben op de verspreiding van PCB-153 in het milieu, in ieder geval op gemiddeld Europees niveau. De voorspelde afname van de emissies van deze stof tot 2050 leidt echter tot concentraties die naar verwachting 20% lager liggen dan nu in de bodem, en tot 90-95% in lucht en zeewater. De beleidsmaatregelen die genomen zijn en worden om emissies van stoffen als PCB-153 te reduceren, zullen de komende decennia dus waarschijnlijk niet teniet worden gedaan door tegengestelde effecten van klimaatverandering. Klimaatverandering kan effect hebben op de verspreiding en concentratie van chemische stoffen in het milieu. In dit briefrapport wordt een modelstudie gepresenteerd, waarin op Europees niveau de verwachte effecten van klimaatverandering op de milieuconcentraties van PCB-153 tot 2050 zijn geschat. In de studie is gebruik gemaakt van het LOTOS-EUROS model. Ter vergelijk zijn de verwachte effecten van klimaatverandering afgezet tegen de verwachte effecten van de reductie in emissies tot 2050. Van alle milieucompartimenten zijn concentratieveranderingen als gevolg van klimaatveranderingen het meest uitgesproken in de bodem: onder het toekomstige klimaatscenario neemt de gemiddelde PCB-153 concentratie in bodem met 7% af ten opzichte van de huidige klimaatomstandigheden. In de lucht en het zeewater veranderen de concentraties gemiddeld slechts 1-2%. De ruimtelijke verdeling van de PCB-concentraties zal noch door klimaatverandering, noch door veranderende emissies significant veranderen. Deel 2: Test- and validatieberekeningen met LOTOS-EUROS-POP: Deel 2 van dit rapport bevat test- en validatierapporten van de POP-module van LOTOS-EUROS-POP v.1.5.025. De door het LOTOS-EUROS model voorspelde concentraties van PCB-153 zijn 1) vergeleken met gemeten concentraties in lucht, water en bodem over de periode 1990-2008 (voornamelijk afkomstig van EMEP), en 2) vergeleken met voorspelde concentraties van PCB-153 voor het Verenigd Koninkrijk, verkregen met het MSCE-POP model en een model dat ontwikkeld is door Sweetman en Jones (1999).
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Reply to: Prevalence of asthma in young children [Letter to the editor] | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Technology sector evaluation: health, medicine and nanobio. V 1.1 March 2011 | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
QRA method for land-use planning around onshore oil natural gas production sites | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Non-specific physical symptoms (NSPS) and Electromagnetic field (EMF) exposure: the role of perceived environmental sensitivity | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Kosten van zorg en preventie | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Gezondheid, preventie en zorg | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Noise and cardiovascular disease: a review of the literature | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Air quality in Europe - 2011 report | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Number of aircraft noise events and motility during sleep | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
The quantitative relationship between road traffic noise and hypertension: a meta-analysis | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Zorg voor gezondheid is zorg voor welvaart | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Analysis of failure causes of pipeline transporting dangerous substances | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Kernboodschappen voor lokaal gezondheidsbeleid in Zuid-Holland Noord | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
The need for and access to quiet areas in relation to annoyance, health and sensitivity | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Towards a method to calculate risks of underground pipelines transporting hazardous substances | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Health and wellbeing in relation to the quality of ventilation systems in newly built dwellings in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Naar een samenhangende informatievoorziening over gezondheid en zorg op lokaal en regionaal niveau: afstemming VAAM en regionale VTV | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Volksgezondheid in Nederland | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Reliability and validity of instruments to measure pre-school children's reaction to and coping with noise | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Noise and health in vulnerable groups: a review | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Veel scholen in het voortgezet onderwijs ondernamen de afgelopen jaren actie om overgewicht bij leerlingen te voorkomen. Een gezonder voedingsaanbod en meer aandacht binnen de lesstof voor voeding, bewegen en overgewicht stonden daarbij centraal. Hierdoor zijn, in vergelijking met het schooljaar 2006-2007, dikmakende prikkels in de omgeving van de school wat afgenomen. Toch blijft er nog steeds veel ruimte voor verbetering. Dit blijkt uit een tweede landelijke studie naar de preventie van overgewicht onder alle scholen in het voortgezet onderwijs in 2010-2011. Voedingsaanbod iets gezonder, nog veel verbetering mogelijk: Het aanbod in de schoolkantine werd gezonder doordat meer scholen fruit, rauwkost en belegde broodjes aanbieden. Een negatieve ontwikkeling was een stijgend aanbod van pizzapunten. Het aanbod van dranken via kantine en automaten verbeterde door toegenomen aanbod van (bron)water. Daarentegen bleef het aanbod van light frisdranken gelijk en steeg ook het aanbod van suikerhoudende melkproducten. Het ministerie van VWS wil zich ervoor inzetten dat in 2015 in alle kantines in het voortgezet onderwijs gezond eten wordt aangeboden. Een verminderd aanbod van candybars, snoep en chips via de kantine betekent echter niet direct dat deze producten dan ook niet meer op de school verkrijgbaar zijn. In 2010-2011 stond namelijk op 80% van de locaties een snoepautomaat, net als in 2006-2007. Vooral meer aandacht binnen de reguliere lesstof: Een op de drie scholen zegt meer aandacht te hebben besteed aan overgewicht bij de vakken biologie en verzorging, en 40% rapporteert dit voor gezonde voeding. Ook voerden de meeste scholen projecten uit buiten de reguliere vakken. Het aantal locaties met richtlijnen rondom overgewichtsignalering, advisering en hulpverlening is met 14% vergelijkbaar met 2006-2007 (13%). Slechts 5% van de scholen heeft een gezondheidsbeleid rondom overgewicht schriftelijk vastgelegd. Scholen: preventie van overgewicht is gedeelde verantwoordelijkheid: Een gezondere schoolomgeving draagt eraan bij om overgewicht bij de jeugd te voorkomen. Scholen vinden dat zij hier niet als enige verantwoordelijk voor zijn: 37% rapporteert zich medeverantwoordelijk te voelen. De bereidheid van scholen om overgewicht meer aan de orde te stellen blijkt gedaald, van 59% in 2006-2007 naar 39% nu. Daar staat tegenover dat geen enkele school in de komende jaren minder aandacht wil gaan schenken aan het onderwerp.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Modeling of the HIV infection epidemic in the Netherlands: a multi-parameter evidence synthesis approach | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Q fever in the Netherlands, a review | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Adamantane- and oseltamivir-resistant seasonal A (H1N1) and pandemic A (H1N1) 2009 influenza viruses in Guangdong, China, during 2008 and 2009 | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Surveillance trends of the 2009 influenza A(H1N1) pandemic in Europe | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
De rekenmethoden in de Monitoringtool Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) van het ministerie van Infrastructuur en Milieu geven resultaten die in lijn zijn met de wettelijk voorgeschreven standaardrekenmethoden voor luchtkwaliteit. Dit blijkt uit tests van het RIVM van deze rekenmethoden, die op verzoek van het ministerie van Infrastructuur en Milieu zijn uitgevoerd. De vergeleken berekeningen van de Monitoring voor stikstof(di)oxide zijn, met enkele kleine uitzonderingen, bijvoorbeeld wegens fouten in de invoer, conform de standaardrekenmethoden uit de wettelijke Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 (status augustus 2011) uitgevoerd. Voor zover kon worden nagegaan, zijn de voorgeschreven algemene invoerdata (emissiefactoren, achtergrondconcentratie, meteorologie) gebruikt. Incidenteel komen verschillen tussen de resultaten van de rekenmethoden voor, zowel lagere als hogere concentraties komen voor. De rekentool uit de Monitoringstool is ook door het RIVM voor lokale berekeningen getest. De resultaten hiervan zijn praktisch gelijk aan die van de berekeningen voor geheel Nederland.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Metingen van stikstofdioxide (NO2) concentraties met zogeheten Palmesbuisjes en formele referentiemethoden laten betrekkelijk kleine verschillen, van 10-15%, zien met resultaten van berekeningen met wettelijk voorgeschreven standaardrekenmethoden. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Milieu. Deze metingen zijn uitgevoerd om een beeld te krijgen van de concentraties in gebieden waar geen continue metingen van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit (LML) worden verricht. Palmesbuisjes zijn kleine plastic buisjes met daarin een chemisch actieve stof die NO2 aan zich bindt, waarmee de NO2-concentratie worden bepaald. De aanvullende metingen hiermee vinden plaats op verschillende achtergrondlocaties in steden, langs enkele snelwegen, langs een drukke vaarweg en bij enkele tunnelmonden. Waar mogelijk zijn de metingen vergeleken met de resultaten van berekeningen met de in Nederland wettelijk voorgeschreven standaardrekenmethoden. De in straten en langs snelwegen gemeten NO2-concentraties komen goed overeen met de resultaten van de rekenmethoden. Metingen langs een kanaal met veel scheepvaart laat slechts een kleine verhoging van de NO2-concentratie op de dijk zien. Bij tunnelmonden zijn sterk verhoogde NO2-concentraties gemeten.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM heeft een methode ontwikkeld die gebruikt kan worden om delen van bovengrondse 150 kV- en 110 kV-hoogspanningsverbindingen te selecteren die voor verkabeling in aanmerking komen (de zogeheten longlist). Aanvullend is een methode ontwikkeld om - binnen deze longlist - aan te geven welke delen van deze verbindingen prioriteit hebben (shortlist). De methode is in samenwerking met netbeheerder TenneT, bureau 'Landschap in Verandering' en de ministeries van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (EL&I) en Infrastructuur en Milieu (IenM) tot stand gekomen. Van uitruilbeginsel naar meerjaren verkabelingsprogramma: De hiervoor genoemde methode komt voort uit het zogeheten uitruilbeginsel. Aan de basis hiervan ligt het besluit van de voormalige minister van Economische Zaken uit 2009 dat het aantal kilometers bovengrondse hoogspanningsverbinding niet mag toenemen. Dat betekent dat voor elke nieuwe, bovengrondse hoogspanningsverbinding met een spanning van 220 kV of hoger, een even lang deel van bestaande hoogspanningsverbindingen van 150 kV of 110 kV ondergronds moet worden gebracht (verkabelen). Inmiddels heeft de minister van EL&I voorgesteld om 150 kV- en 110 kV-verbindingen nabij woningen te verkabelen, het zogeheten meerjaren verkabelingsprogramma. Het uitruilbeginsel gaat op in dit programma. Beleidsmatige keuzen: De ontwikkelde methode weegt verschillende aspecten zoals wonen, natuur, landschap en verstedelijking tegen elkaar af. Het gewicht dat elk aspect daarbij krijgt, vergt beleidsmatige keuzen die in het meerjaren verkabelingsprogramma gemaakt moeten worden.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Joint modeling of HCV and HIV infections among injecting drug users in Italy using repeated cross-sectional prevalence data | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Urethral catheters: can we reduce use? | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Nontuberculous mycobacteria | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Cord blood vitamin D deficiency is associated with respiratory syncytial virus bronchiolitis | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Angst voor HIV/AIDS. Hulpvragen bij de huisarts in de periode van 1988 tot en met 2009 | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Guillain-Barre syndrome and adjuvanted pandemic influenza A (H1N1) 2009 vaccine: multinational case-control study in Europe | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Joint modeling of HCV and HIV co-infection among injecting drug users in Italy and Spain using individual cross-sectional data | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
No HIV infections despite high numbers of hepatitis B and C virus infections in Dutch prisoners | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
21.500 volwassenen met hiv in Nederland in 2008. 40% was zich niet bewust van de infectie | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Het influenzaseizoen 2010/2011 in Nederland: het nieuwe A(H1-N1)-virus van 2009 blijft actief | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Risk factors for Q fever in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Clusters of acute respiratory illness associated with human enterovirus 68 - Asia, Europe, and United States, 2008-2010 | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Meer dan 85% van de bevolking consumeert meer zout dan de aanbevolen maximumrichtlijn van 6 gram per dag. Volwassen mannen eten gemiddeld 9,9 gram per dag en vrouwen 7,5 gram per dag. Voor jongens ligt dat gemiddeld op 8,3 en voor meisjes op 6,8 gram per dag. 79% van het zout is al aanwezig in gekochte voedingsmiddelen. De belangrijkste bronnen van zout zijn brood, vleesproducten en kaas. Naar schatting een vijfde deel van het geconsumeerde zout wordt toegevoegd tijdens de bereiding van gerechten en aan tafel. Dit blijkt uit recent onderzoek van het RIVM in opdracht van het ministerie van VWS, waarin voor het eerst ook de bronnen van zout zijn geïnventariseerd. Een te hoge zoutconsumptie kan een verhoogde bloeddruk veroorzaken, wat de kans op hart- en vaatziekten vergroot. De zoutconsumptie kan worden verlaagd door de hoeveelheid zout in producten substantieel te verlagen. Daarnaast kunnen consumenten zelf bijdragen door het voedingspatroon aan te passen naar een gezondere en evenwichtige voeding. Voor dit onderzoek is gebruikgemaakt van gegevens van de Nederlandse Voedselconsumptiepeiling 2007-2010, waarin in kaart is gebracht wat 3.819 kinderen en volwassenen consumeren. Met deze gegevens en informatie over de samenstelling van voedingsmiddelen uit het Nederlands Voedingsstoffenbestand (NEVO), plus gegevens over de mate waarin thuis zout aan voeding wordt toegevoegd is de totale zoutconsumptie geschat. Bronnen van zout: Ondanks de uiteenlopende omvang van de zoutconsumptie bij mannen, vrouwen en kinderen, zijn de belangrijkste bronnen van zout vergelijkbaar. De warme maaltijd levert het meeste zout (36%), gevolgd door de lunch (31%). De belangrijkste zoutbronnen tijdens de warme maaltijd zijn vleesproducten en sauzen. Bij ontbijt en lunch is zout voornamelijk afkomstig van brood en kaas. Tussen de maaltijden door zijn koekjes en gebak belangrijke zoutbronnen. Het meeste zout wordt thuis gegeten (69%). Personen die veel zout consumeren, eten en drinken gemiddeld meer. Bovendien consumeren zij producten met hogere zoutgehalten in vergelijking met personen met de laagste zoutconsumptie.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
A regional Salmonella enterica serovar typhimurium outbreak associated with raw beef products, The Netherlands, 2010 | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Vanaf 2012 is de hepatitis B-vaccinatie voor druggebruikers geen publieke taak meer van de GGD. Tussen 2002 en 2011 is deze vaccinatie collectief uitgevoerd vanuit het vaccinatieprogramma dat was ingesteld voor groepen die een hoog risico hebben om dit virus op te lopen. Dankzij dit vaccinatieprogramma en andere ontwikkelingen op het gebied van het druggebruik, komt hepatitis B onder harddruggebruikers nauwelijks meer voor. Het RIVM heeft daarop besloten om dit vaccinatieprogramma te stoppen en nieuwe druggebruikers vanaf 2012 niet meer als groep te vaccineren. De vaccinatie van nieuwe druggebruikers die risico lopen het virus te krijgen wordt individuele zorg voor de verslavingszorginstellingen en wordt dan door hen zelf uitgevoerd. Om de verslavingszorg te ondersteunen bij deze nieuwe vaccinatiewijze, heeft het Trimbos-instituut geïnventariseerd welke factoren bijdragen aan een effectieve uitvoering en organisatie. Het Trimbos-instituut heeft het onderzoek uitgevoerd in opdracht van het RIVM, dat verantwoordelijk is voor de landelijke coördinatie van het vaccinatieprogramma hepatitis B-risicogroepen. Er blijken echter geen algemeen geldende succesfactoren aan te wijzen. Dat komt doordat de elf verslavingszorginstellingen het vaccinatieprogramma voor druggebruikers op uiteenlopende wijze hebben georganiseerd en uitgevoerd. Sommige instellingen voerden het vaccinatieprogramma zelf uit, bij andere bood de GGD de vaccinaties aan. Behalve verschillen tussen instellingen, blijken er ook grote verschillen binnen instellingen te bestaan. Wat werkt is afhankelijk van de specifieke regionale of lokale situatie en de manier waarop een instelling intern wordt aangestuurd. Vooral binnen geografisch grote instellingen die te maken hebben met meerdere GGD'en zijn er locaties die als 'eilandjes' opereren. Om de verslavingszorg toch handvatten te geven worden enkele aanbevelingen gegeven. Bijvoorbeeld met welk tijdpad de serie vaccinaties moeten worden toegediend en hoe wordt toegezien op een tijdige toediening van de vervolgvaccinaties. Voor het onderzoek zijn uitvoerders van het vaccinatieprogramma tussen april en juli 2011 geïnterviewd over hun ervaringen met het vaccinatieprogramma van de afgelopen jaren.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Sensibiliserende stoffen (stoffen die allergie kunnen veroorzaken) kunnen worden aangemerkt als zeer ernstige zorgstoffen (stoffen met hoog risico), volgens de REACH wetgeving (artikel 57f). Als gevolg hiervan kan een procedure, waarbij toestemming voor het gebruik van de stof moet worden aangevraagd, worden gestart. Op deze wijze kunnen de risico's van sensibiliserende stoffen worden beperkt. In dit rapport zijn voor drie stoffen de mogelijkheden die artikel 57(f) biedt en andere risicomaatregelen verkend. Op dit moment wordt in de huidige wetgeving onvoldoende rekening gehouden met risico's van allergene stoffen. De drie stoffen zijn geselecteerd op basis van een prioriteringsstrategie die in dit rapport is opgesteld. Prioriteit wordt gegeven aan stoffen die zowel via de luchtwegen als via de huid allergene reacties kunnen geven, die worden gebruikt in grote hoeveelheden, vele verschillende toepassingen kennen en niet al worden gereguleerd door andere wetgeving dan REACH.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Door te besparen op de uitgaven voor het basismeetnet van het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM) kan mogelijk niet aan de Europese rapportageverplichting worden voldaan. Door bezuinigingen kunnen namelijk de ontwikkelingen in de nitraatconcentratie in water op lange termijn onvoldoende in beeld worden gebracht. Hetzelfde geldt voor de relatie tussen de nitraatconcentratie en de bedrijfsvoering op landbouwbedrijven. Hierdoor wordt minder inzicht verkregen in de effecten van de landbouwpraktijk, en ontwikkelingen daarin, op de waterkwaliteit. Dit blijkt uit een studie die het RIVM met de Universiteit Utrecht en het LEI, onderdeel van Wageningen Universiteit en Research Centrum, heeft verricht in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Milieu en het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie. Bezuinigingen: versoepeling verplichtingen derogatie nodig: Desalniettemin heeft het ministerie van Infrastructuur en Milieu (I&M) gevraagd vier scenario's uit te werken die de gevolgen weergeven van een besparing van 25 tot 50 procent. Dergelijke bezuinigingen blijken alleen te realiseren als de verplichtingen die de Europese Commissie stelt aan het meetnet voor de derogatie, een onderdeel van het LMM, worden aangepast. Het is noodzakelijk om voor deze aanpassingen toestemming te krijgen van de Europese Commissie, wil Nederland gebruik blijven maken van een derogatie. Derogatie is een uitzonderingspositie waarbij tijdelijk meer dierlijke mest op het land mag worden gebruikt dan een Europese richtlijn (de Nitraatrichtlijn) maximaal toelaat. Gevolgen scenario's: In twee scenario's is gekozen voor een andere meetnetopzet dan het huidige LMM. Deze leveren de grootste besparingen op, maar leiden tot nieuwe meetreeksen waardoor de oude en nieuwe gegevens moeilijk met elkaar te vergelijken zijn. Hierdoor is het zicht op de langetermijnontwikkelingen onderbroken en kan daarover niet aan de Europese Commissie worden gerapporteerd. Aangezien landen elke vier jaar verplicht zijn een dergelijke rapportage aan te leveren, veroorzaken deze scenario's mogelijk juridische problemen. In de twee andere scenario's blijft de opzet van het LMM gehandhaafd, maar in uitgedunde vorm doordat op minder locaties of minder vaak wordt gemeten. De juridische problemen worden bij deze scenario's kleiner geacht omdat de meetreeksen niet worden onderbroken.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Surveillance van Meticillinresistente Staphylococcus aureus in Nederland in 2010 | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Antimicrobial prescribing in European nursing homes | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
A regional Salmonella enterica serovar typhimurium outbreak associated with raw beef products, The Netherlands, 2010 | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Om meer zicht te krijgen in de relatie tussen nachtwerk en borstkanker, hart- en vaatziekten (HVZ) en overgewicht, beveelt het RIVM het volgende aan: 1) Vanaf medio 2012 starten met epidemiologische analyses in EPIC-NL voor het bepalen van het verband tussen nachtwerk en de drie genoemde gezondheidsproblemen; 2) Vanaf begin 2012 starten met epidemiologische analyses in de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden (NEA) voor het bepalen van het verband tussen nachtwerk en HVZ en overgewicht; 3) Vorm een samenwerkingsverband 'Nachtwerken & Gezondheidseffecten' tussen 2 langlopende cohorten (EPIC-NL en MCS) en drie recent gestarte cohorten (Nightingale, AMIGO en LRGP); 4) Inventariseer de mogelijkheden om een extra vragenlijst over nachtwerken binnen het recent gestarte cohort Lifelines en het Doetinchem cohort uit te zetten om ook daar de noodzakelijke informatie te achterhalen. Deze aanbevelingen zijn tot stand gekomen na een inventarisatie van Nederlandse cohorten met informatie over nachtwerk en gezondheid. Dit briefrapport bouwt voort op de literatuurstudie naar de gezondheidseffecten van nachtwerk (Rodenburg et al., 2011). In het onderhavige briefrapport is een overzicht verstrekt van negen Nederlandse cohorten die gegevens (kunnen) bevatten over nachtwerk en gezondheid. Daarbij is een selectie gemaakt van een drietal gezondheidsproblemen: borstkanker, HVZ en overgewicht. Er zijn vijf langlopende cohorten en vier recent gestarte cohorten geïdentificeerd. Op de korte termijn leent EPIC-NL zich voor epidemiologische analyses naar de relatie tussen nachtwerk en de betreffende gezondheidsaandoeningen, rekening houdend met mogelijke verstorende factoren. Tevens kan de jaarlijkse survey onder Nederlandse werknemers (NEA) gebruikt worden voor epidemiologische analyses naar de relatie tussen nachtwerk en HVZ en overgewicht. Het analyseren van de gegevens in EPIC-NL en NEA heeft als toegevoegde waarde om de gevonden resultaten in elk databestand te kunnen verifiëren. De aanbeveling om een samenwerkingsverband 'Nachtwerken & Gezondheidseffecten' te vormen tussen een vijftal cohorten heeft als uniek doel om in de toekomst relevante analyses naar nachtwerk en gezondheidsproblemen uit te voeren onder een omvangrijke en heterogene groep personen. Op de middellange termijn (5-10 jaar) zal een aanzienlijke hoeveelheid extra informatie beschikbaar komen vanuit de recent gestarte cohorten, waaronder Nightingale, AMIGO, LRGP en mogelijk Lifelines. Omdat informatie over nachtwerk momenteel bij Lifelines en de Doetinchem cohort studie ontbreekt, behoort het tot de aanbeveling deze informatie alsnog te verzamelen.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Langs de A2 is medio 2010 een nieuwe meetreeks van de geluidbelasting gestart, nadat de reconstructie van de weg als gevolg van de verbreding is afgerond. Tussen 2000 en 2008 zijn de geluidniveaus op deze locatie nauwelijks veranderd; dit betrof de geluidbelasting van tweemaal drie rijstroken met standaard dicht asfalt beton. In 2009 is op dit punt niet gemeten vanwege de omvangrijke wegwerkzaamheden. In de nieuwe situatie is de A2 verbreed naar twee keer vijf rijstroken en voorzien van dubbellaags poreus asfalt. In deze situatie is de geluidbelasting fors gedaald doordat de gemiddelde afstand van het meetpunt tot de rijstroken is toegenomen (de reconstructie) en door de geluidreductie van het asfalt. Op de A12 bij Voorburg is in 2010 een lichte geluidtoename gemeten. Dit kan wijzen op een lichte veroudering van het poreuze wegdek dat in 2007 is aangelegd. Op de A10-West in Amsterdam is, evenals in 2009, in 2010 het gemeten geluidsniveau gelijk gebleven. Opzet en doel geluidmonitor: Dit zijn de belangrijkste resultaten van het Geluidmonitorprogramma van het RIVM in 2010 voor het wegverkeer. De monitor volgt de trends in het geluid van wegverkeer op vier vaste meetpunten: de A2 bij Breukelen, de A10-West bij Amsterdam, de A12 bij Voorburg en de N256 bij Colijnsplaat (Zeeland). De geluidmonitor volgt op enkele locaties ook de geluidbelasting van rail- en vliegtuigverkeer; voor railverkeer worden twee meetlocaties van ProRail gebruikt. De metingen worden gebruikt om trends in de geluidsemissies te volgen en te toetsen aan de Wettelijke standaard Nederlandse Reken- en Meetvoorschriften voor wegverkeer en railverkeer. Railverkeer: Voor railverkeer zijn de metingen in lijn met de berekeningen volgens het standaard Reken- en Meetvoorschrift. Voor wegverkeer zijn de gemeten waarden op de N256, evenals in voorgaande jaren, wat hoger dan de berekende waarden. Pilot metingen luchtvaartgeluid: Net als vorig jaar bevat deze rapportage een vergelijking van metingen van vliegtuiggeluid bij Zegveld (op 20 kilometer ten zuiden van Schiphol) met geluidgegevens van toestellen uit het Integrated Noise Model (INM). INM wordt in veel studies gebruikt om de geluidbelasting rondom luchthavens te bepalen. De metingen in Zegveld zijn redelijk in overeenstemming met de geluidgegevens uit INM.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Transmissie van carbapenemase producerende Klebsiella pneumoniae op Nederlandse intensive cares | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
European 1: a globally important clonal complex of Mycobacterium bovis | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Health service resource needs for pandemic influenza in developing countries: a linked transmission dynamics, interventions and resource demand model | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Geographical association between livestock density and human Shiga toxin-producing Escherichia coli O157 infections | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
A single vaccination of commercial broilers does not reduce transmission of H5N1 highly pathogenic avian influenza | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Q-koorts in de huisartspraktijk: de stand van zaken | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Het percentage groente- en fruitmonsters waarop in Nederland te veel resten van gewasbeschermingsmiddelen zijn aangetroffen, is tussen 2003 en 2010 met 70% gedaald. Daarnaast is de absolute hoeveelheid resten van gewasbeschermingsmiddelen op dit type voedsel verminderd. De meeste producten waarop resten zijn aangetroffen, zijn afkomstig uit het buitenland. Verder is de voedselveiligheid sinds 2003 verbeterd. Dit blijkt uit een evaluatie van het beleidsdoel voor voedselveiligheid, zoals geformuleerd in de nota Duurzame gewasbescherming van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (nu Economische Zaken, Landbouw en Innovatie). Het doel hiervan is het aantal overschrijdingen met 50% te verminderen. Redenen daling resten gewasbeschermingsmiddelen in voedsel: De verlaging is toe te schrijven aan zorgvuldiger gebruik van gewasbeschermingsmiddelen door telers. Dit komt onder andere door de strengere eisen van supermarkten voor de aanwezigheid van resten van gewasbeschermingsmiddelen op groente en fruit en door de verbeterde kennis over de bestrijding van ziekten en plagen bij telers. Voedselveiligheid verbeterd: Voor dit onderzoek zijn de aangetroffen resten van gewasbeschermingsmiddelen vergeleken met de maximale hoeveelheid die hiervoor is toegestaan (Maximale Residu Limiet). Aangezien een overschrijding van deze maximale hoeveelheid niet direct kan worden gerelateerd aan de voedselveiligheid is deze apart getoetst. Hiervoor zijn gegevens over de hoeveelheid groente en fruit die mensen consumeren (voedselconsumptiepeiling) gecombineerd met de gevonden hoeveelheden resten van gewasbeschermingsmiddelen voor de berekening van de inname van deze middelen. Vervolgens zijn deze innamen vergeleken met de gezondheidsnorm. Vooral het verbod op bepaalde stoffen waarvan frequent overschrijdingen van de gezondheidsnorm waren aangetroffen, zoals carbaryl, carbendazim, procymidone en stoffen behorende tot de groep organofosfaten, heeft de voedselveiligheid in de onderzochte periode verbeterd.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM heeft in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Milieu (I&M) milieurisicogrenzen voor ethylbenzeen en tributylfosfaat in water bepaald. De stoffen zijn opgenomen in de Regeling monitoring Kaderrichtlijn Water, waarin staat aan welke eisen oppervlaktewater in Nederland moet voldoen. Voor deze stoffen moeten nieuwe waterkwaliteitsnormen worden vastgesteld, omdat de huidige normen niet zijn afgeleid volgens de meest recente methodiek. Op basis van meetgegevens over 2010 is er geen aanwijzing dat de voorgestelde waterkwaliteitsnormen worden overschreden. Normvoorstellen: De normvoorstellen voor ethylbenzeen zijn gebaseerd op de Europese risicobeoordeling voor deze stof. De KRW kent voor zoet en zout oppervlaktewater twee typen normen, de Jaargemiddelde Milieukwaliteitsnorm (JG-MKN) en de Maximaal Aanvaardbare Concentratie (MAC-MKN). De JG-MKN is de concentratie in water waarbij geen schadelijke effecten te verwachten zijn, gebaseerd op jaargemiddelde concentraties. Hiervoor zijn drie routes onderzocht: directe effecten op waterorganismen, indirecte effecten op vogels en zoogdieren via het eten van prooidieren en indirecte effecten op mensen via het eten van voedsel. De laagste van deze drie bepaalt de voorgestelde JG-MKN; voor ethylbenzeen is dat 65 microgram per liter voor zoetwater en 10 microgram per liter voor zoutwater. De Maximaal Aanvaardbare Concentratie (MAC-MKN) is de concentratie die het ecosysteem beschermt tegen kortdurende effecten. De voorgestelde MAC-MKN is 220 en 22 microgram per liter voor respectievelijk zoet- en zoutwater. Voor tributylfosfaat zijn al eerder voorstellen gedaan om de JG-MKN te herzien (66 en 6,6 microgram per liter voor zoet- en zoutwater). In aanvulling daarop wordt nu een MAC-MKN voorgesteld van 170 microgram per liter voor zoetwater en 17 microgram per liter voor zoutwater.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Hout stoken in open haarden en houtkachels is in Nederland de meest genoemde bron van geuroverlast in de leefomgeving. Ook kan er angst bestaan voor de gevolgen van houtrook voor de gezondheid. Bij de verbranding van hout in kachels en haarden komen verschillende chemische stoffen vrij, zoals fijn stof, koolmonoxide, verschillende vluchtige organische stoffen en PAK's (polycyclische aromatische koolwaterstoffen). Op basis van beschikbaar onderzoek is echter niet goed in te schatten in hoeverre deze uitstoot gezondheidseffecten kan veroorzaken. Dit komt onder meer vanwege de grote variatie in samenstelling en dat is gekoppeld aan type kachel of haard, brandstof en stookgedrag. De uitkomsten van verschillende onderzoeken naar het effect van het stoken van hout op de gezondheid zijn divers. Blootstelling aan houtrook wordt in sommige studies geassocieerd met meer (ziekenhuisopnamen voor) hart- en vaataandoeningen, luchtwegklachten en een verslechterde longfunctie. Andere studies laten geen relatie met gezondheidseffecten zien. Voorzover bekend is fijn stof afkomstig van houtverbranding niet duidelijk meer of minder schadelijk dan fijn stof afkomstig van andere (verbrandings)bronnen, zoals verkeer. Dit zijn de belangrijkste bevindingen uit een literatuuronderzoek van het RIVM naar de mogelijke gezondheidseffecten van houtrook. De geraadpleegde studies zijn vooral uitgevoerd in gebieden waar haarden en houtkachels de enige verwarmingsbron zijn. Deze situatie komt in Nederland nagenoeg niet voor. Daardoor is het lastig de resultaten te vertalen naar de Nederlandse situatie. Een uitgebreide verkenning van de lokale blootstelling aan schadelijke stoffen als gevolg van houtverbranding in Nederland is nodig om meer inzicht te krijgen in de lokale bijdrage van houtverbranding aan luchtverontreiniging, zeker op locaties waar bronnen en bewoning dicht bij elkaar liggen. Algemene stookadviezen voor stokers kan de overlast vaak al verminderen, maar deze adviezen alleen zorgen doorgaans niet voor een bevredigende oplossing van de klacht. Dit komt mede omdat de mogelijkheden om ongewenste situaties aan te pakken gering zijn en zich vooral beperken tot vrijwillige maatregelen. Bij GGD'en wordt dan ook geregeld melding gemaakt van overlast als gevolg van houtverbranding.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Signalen van nieuwe risico's op het gebied van milieu en gezondheid zijn vooral bekende chemische, biologische of fysische risicofactoren, waarover nieuwe informatie beschikbaar komt. Daarnaast leiden diverse maatschappelijke, technologische, ruimtelijke en andere ontwikkelingen mogelijk tot nieuwe risico's. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM waarvoor signalen van nieuwe gezondheidsrisico's, veroorzaakt door milieufactoren, zijn geïnventariseerd. Betere uitwisseling signalen nodig: Uit dit onderzoek blijkt dat er al veel (inter)nationale activiteiten plaatsvinden om milieugezondheidsrisico's te signaleren. Om te voorkomen dat signalen over nieuwe risico's te laat of niet worden opgepikt, is het belangrijk dat de verschil-lende signaleringsactiviteiten hun kennis beter uitwisselen. Ook de uitwisseling tussen wetenschap, beleid en maatschappij kan worden verbeterd. Multidisciplinair beoordelingsteam aanbevolen: Aanbevolen wordt de gevonden signalen nader te (laten) beoordelen en prioriteren. Een multidisciplinair team van experts uit diverse maatschappelijke groeperingen en/of een 'overkoepelende' raadsgroep signalering kunnen daarbij een rol spelen. Brede maatschappelijke signalering milieugezondheidsrisico's: Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM). Dit ministerie wil nieuwe milieugezondheidsrisico's vroegtijdig en op gestructureerde wijze signaleren. Hiervoor heeft het verschillende maatschappelijke groepen (non-gouvernementele organisaties, bedrijfsleven en we-tenschap) gevraagd welke nieuwe milieugezondheidsrisico's zij op dit moment belangrijk vinden. Het RIVM heeft het wetenschappelijke perspectief voor haar rekening genomen.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Dit rapport brengt verslag uit van vier jaar Strategisch Onderzoek RIVM (SOR). Het SOR-budget is bedoeld om het RIVM te voorzien van de benodigde expertise en kwaliteit, zodat het nu en in de toekomst de taken voor de opdrachtgevers adequaat kan uitvoeren. De evaluatie beschrijft de resultaten van het programma 2007-2010. In deze periode is ongeveer 50 miljoen euro aan SOR besteed aan in totaal ruim 80 projecten, gegroepeerd onder 6 speerpunten. Resultaten SOR: De evaluatie beschrijft welke van de inhoudelijke doelen per speerpunt zijn gehaald, zoals nieuwe kennis vergaren over genomics en kwaliteit van zorg, en nieuwe modellen ontwikkelen om gezondheidsrisico's te beoordelen. Daarnaast geeft het rapport een indicatie van de wetenschappelijke en maatschappelijke impact van deze speerpunten. De wetenschappelijke impact wordt bepaald op basis van de publicaties in wetenschappelijke tijdschriften en de maatschappelijke impact op basis van het gebruik van de resultaten in de praktijk. De projecten die zijn uitgevoerd, hebben een groot aantal tastbare producten opgeleverd, waaronder meer dan 350 wetenschappelijke publicaties en een groot aantal rapporten, databases en lezingen op internationale congressen. De resultaten van het onderzoek hebben geleid tot meer dan 100 vervolgopdrachten van externe opdrachtgevers. Een deel van de projecten loopt nog door in 2011 of daarna, bijvoorbeeld omdat ze later zijn gestart; de resterende resultaten van deze projecten zijn niet in deze evaluatie meegenomen. Lessen voor de toekomst: Ook is verloop van het programma geëvalueerd, in het bijzonder knelpunten bij de uitvoering. Deze knelpunten hebben er onder andere toe geleid dat een aantal projecten langer hebben geduurd dan gepland. Naar aanleiding hiervan zijn verbeterpunten benoemd, bijvoorbeeld voor het projectmanagement.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
In een gebiedsdossier worden de risico's voor de waterkwaliteit rondom een winning voor de openbare drinkwatervoorziening geïnventariseerd zodat tijdig effectieve beschermingsmaatregelen kunnen worden getroffen. De invoering van deze gebiedsdossiers verloopt volgens planning. In 2010 is landelijk afgesproken dat de dossiers voor risicovolle winningen uiterlijk in 2012 zijn opgesteld, voor de overige winningen is dat 2015. Voor de gebiedsdossiers die er al zijn, is het nog te vroeg om effecten van maatregelen te kunnen vaststellen. Dit blijkt uit een enquête over de voortgang van de invoering die het RIVM onder de regiehouders van de gebiedsdossiers (provincies en Rijkswaterstaat) heeft uitgevoerd. Daarnaast zijn ervaringen benut die betrokken partijen (gemeenten, provincies, waterbeheerders en drinkwaterbedrijven) tijdens een workshop hebben uitgewisseld. Aanbevelingen: Uit de ervaringen met de inmiddels beschikbare gebiedsdossiers, blijkt dat ze veelal gericht zijn op de huidige risico's voor de waterkwaliteit bij een winning. Voorbeelden hiervan zijn de aanwezigheid van oude bodemverontreinigingen, infiltratie en afstroming van nitraat en bestrijdingsmiddelen afkomstig van landbouwgebieden naar grond- of oppervlaktewater, en emissies van afvalwaterzuiveringen naar deze wateren. Aanbevolen wordt om het gebiedsdossier ook in te zetten om toekomstige risico's te beperken - bijvoorbeeld bij het maken van ruimtelijke plannen en bij het monitoren van risico's van stoffen die vrij kunnen komen bij activiteiten in de omgeving van een winning (early warning). Daarnaast kan het gebiedsdossier waterkwaliteitsrisico's signaleren die alleen kunnen worden verminderd middels landelijk of internationaal beleid, zoals het toelatingsbeleid van stoffen en de aanpak van emissies in bovenstrooms gelegen landen. Op deze wijze heeft het gebiedsdossier een agenderende functie.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Omwonenden van composteerbedrijven van GFT- en groenafval kunnen stankoverlast ervaren. Hierdoor kunnen omwonenden ongerust raken over de gezondheid. Gemeten concentraties chemische stoffen in de omgeving van deze bedrijven, zoals verschillende vluchtige organische stoffen, ammoniak en zwavelhoudende verbindingen, zijn zodanig laag dat het niet aannemelijk is dat gezondheidskundige grenswaarden worden overschreden. Over de gezondheidseffecten van bio-aerosolen (micro-organismen die worden verspreid door de lucht, zoals bacteriën en schimmels) die tijdens het composteerproces in de omgeving vrij kunnen komen, is weinig bekend. Vanwege de beperkt beschikbare studies is het vooralsnog niet mogelijk hierover conclusies te trekken. Dit blijkt uit een literatuuronderzoek van het RIVM naar de gezondheidsaspecten van wonen in de buurt van composteerbedrijven van GFT- en groenafval. Hierbij is het composteerproces beschouwd, de mogelijk schadelijke effecten van stoffen en bio-aerosolen, en welke gezondheidseffecten in de buurt van deze bedrijven voorkomen. Om meer duidelijkheid te krijgen over mogelijke risico's voor de gezondheid van bewoners in de buurt van composteerbedrijven zijn methoden nodig om de blootstelling aan bioaerosolen te meten. Daarnaast is het nuttig om een beoordelingskader vast te stellen op basis waarvan de mogelijke risico's van bioaerosolen kunnen worden getoetst. Hiervoor kan worden aangesloten bij een nog op te stellen beoordelingskader voor gezondheidsaspecten bij de intensieve veehouderij.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
In de Europese luchtkwaliteit richtlijn staat dat natuurlijke bijdragen aan de concentraties van fijn stof (PM10) mogen worden afgetrokken van de totale hoeveelheid fijn stof. In 2005 is in dat verband in de Nederlandse Regeling Beoordeling Luchtkwaliteit een methode voor de hoeveelheid zeezout vastgelegd. De 'zeezoutcorrectie' die daarmee werd bepaald, was echter te ruim en is nu bijgesteld. Dit blijkt uit een evaluatie van de methode door het RIVM, op basis van nieuwe meetgegevens over zeezout. Zeezout draagt bij aan de hoeveelheid fijnstofdeeltjes in de lucht. Lagere zeezoutconcentratie in Nederland: De nieuwe gegevens van de geschatte hoeveelheid zeezout in de lucht zijn gebaseerd op gemeten concentraties natrium. Dit is een betrouwbaardere bron dan de chlorideconcentraties waarop de huidige zeezoutregeling is gebaseerd. Recente metingen van natrium in fijn stof (PM10) geven aan dat de jaargemiddelde zeezoutconcentratie in Nederland bijna de helft lager is dan was geschat. Hierdoor kan de natuurlijke bijdrage eveneens lager worden ingeschat. De nieuwe schatting is gebaseerd op de referentiemethode voor de monsterneming van fijn stof (PM10) en voldoet aan de Europese eisen. Correcties voor zeezout aangepast: De wet stelt een maximum aan het aantal dagen waarop PM10 boven de norm van 50 microgram per kubieke meter mag komen (35 dagen). Vanwege de natuurlijke bijdragen valt een aantal dagen af. Voor zeezout mochten in heel Nederland zes dagen worden afgetrokken. Met de nieuwe methode is dit aantal overschrijdingsdagen voor zeezout lager. Bovendien kan dat aantal op basis van de nieuwe data worden gedifferentieerd naar verschillende regio's van Nederland. Zo verandert de correctie voor het aantal normoverschrijdingsdagen in gebieden langs de kust van zes naar vier dagen. In het binnenland gaat deze correctie van zes naar twee dagen. Naar verwachting zijn de beleidsmatige gevolgen van de voorgestelde methode gering. Zelfs zonder de zeezoutaftrek is op de Nederlandse meetpunten het aantal overschrijdingsdagen in 2010 namelijk niet overschreden. Voor 2011 worden, als gevolg van andere weersomstandigheden (droog voorjaar), wel overschrijdingen verwacht.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
A study of the circulation of West Nile virus, Sindbis virus, Batai virus and Usutu virus in mosquitoes in a potential high-risk area for arbovirus circulation in the Netherlands, "De Oostvaardersplassen" | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Betere bescherming drinkwaterbronnen door gebiedsdossieers en gebiedsaanpak | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Vaccination in paediatric patients with auto-immune rheumatic diseases: a systemic literature review for the European League against Rheumatism evidence-based recommendations | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Measuring free thyroxine levels in heel-prick samples | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Ecologische risico's van koper en zink in het oppervlaktewater | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Reliable identification at the species level of Brucella isolates with MALDI-TOF-MS | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Dengue, een toenemend probleem voor de volksgezondheid | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Sex-specific immunization for sexually transmitted infections such as human papillomavirus: insights from mathematical models | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Annual vaccination against influenza virus hampers development of virus-specific CD8 + T cell immunity in children | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Risk based culling for highly infectious diseases of livestock | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Feasibility of multi-sector policy measures that create activity-friendly environments for children: results of a Delphi study | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Evaluating the association between neonatal screening results using HPLC and the number of alpha-thalassemia gene mutations | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
A new strategy for CF-screening in The Netherlands | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Fouten bij de aanleg van een nieuwe leidingwaterinstallatie | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Onderzoek naar radioactiviteit in grondmonsters verkregen op adres Jagtlust 2 te Kapelle : Holmesnummer 25069 | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Grade zet bewijs om in concreet advies | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Kosteneffectiviteit: euro's per QALY is niet genoeg | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Absence of zoonotic Bartonella species in questing ticks: first detection of Bartonella clarridgeiae and Rickettsia felis in cat fleas in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Sinds 2006 heeft het Centrum Infectieziektebestrijding (CIb) van het RIVM structureel aandacht voor de gezondheid van werknemers. Dit komt voort uit het project 'Infectieziektebestrijding en Werknemersgezondheid', dat het CIb in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) uitvoert. Het doel van dit project is de gezondheid van werknemers te verbeteren, door bij werkomstandigheden expliciet rekening te houden met infectieziekte risico's. Kennis vergroten en verspreiden: Voor het project worden maatregelen ontwikkeld om de kennis over infectieziekten bij werknemers en werkgevers te vergroten. Deze kennis wordt gedeeld met arboprofessionals, die werkgevers ondersteunen in hun arbobeleid. Werkgevers dienen namelijk op de hoogte te zijn van infectierisico's die samenhangen met het werk en de beheersmaatregelen die getroffen kunnen worden. Met die kennis kunnen zij werknemers hun werk veilig en gezond laten uitvoeren. Voorbeelden van de kennisverspreiding zijn de digitale berichtenservice voor arboprofessionals (Arbo-inf@ct) en artikelen in vaktijdschriften. Bovendien is er structurele aandacht voor werknemers in voorlichtingsmateriaal van het RIVM (toolkits) en de LCI-richtlijnenbundel. Daarnaast heeft het CIb door dit project specifiek aandacht voor de gezondheid van werknemers die bij uitbraken zijn betrokken. Dit komt onder andere tot uiting in de deelname van een arboprofessional in het Outbreak Management Team (OMT) en deskundigheidsberaden. Tot slot draagt het project eraan bij dat SZW meer zicht krijgt op de mate waarin werknemers op hun werk met infectieziekten te maken krijgen. Hiervoor is onder andere een surveillancerapport gemaakt, waarin wordt verzameld welke infectieziekten bij welke werknemers optreden en welke trend daarin valt waar te nemen. Maatregelen 2010-2011: In 2010-2011 is onder andere de ondersteuning van de arboprofessional in het OMT procedureel vastgelegd en is het Arbo Management Team (AMT) uitbreid met een groep deskundige arboprofessionals. Zij dragen bij aan de bestrijding van uitbraken van infectieziekten, kennisverspreiding en -ontwikkeling. Ook is een zwangerschapsnotatie opgesteld, waarin een overzicht wordt gegeven van infectieziekten die schadelijke gevolgen kunnen hebben voor, tijdens en na de zwangerschap. Daarnaast zijn maatregelen getroffen om de kennis gestructureerder te verspreiden. Zo zijn publicaties uitgebracht, evenals presentaties op symposia.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Lancering vierde editie richtlijnen voor waterkwaliteit | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Inventory of experiences from national/regional dietary monitoring surveys using EPIC-Soft | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Parasites of vectors - Ixodiphagus hookeri and its Wolbachia symbionts in ticks in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Health Council of the Netherlands: No need to change from SAR to time-temperature relation in electromagnetic fields exposure limits | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Seroprevalence and risk factors of Q fever in goats on commercial dairy goat farms in the Netherlands, 2009-2010 | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Kosteneffectiviteit: euro's per QALY is niet genoeg | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
De EHEC crisis: wat was er aan de hand? | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Onderzoek naar vossenlintworm | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
MRSA bij paarden in Nederland: mogelijke transmissie naar de mens? | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
In 2011 waren 29 van de 32 Nationale Referentie Laboratoria (NRL's) in de Europese Unie in staat om hoge en lage concentraties Salmonella in kippenmest aan te tonen. Ze behaalden direct het gewenste niveau. Van de 3 overige behaalde 1 laboratorium een matig resultaat. In totaal hebben de laboratoria in 98 procent van de (besmette) monsters Salmonella gedetecteerd. Dit blijkt uit het veertiende veterinair ringonderzoek dat het referentielaboratorium van de Europese Unie (EURL, voorheen CRL) voor Salmonella heeft georganiseerd. Het onderzoek is in maart 2011 gehouden, de herkansing was in juni 2011. Deelname aan het onderzoek is verplicht voor alle NRL's van de Europese lidstaten die verantwoordelijk zijn voor de opsporing van Salmonella in dierlijke mest. Het EURL-Salmonella is gevestigd bij het Nederlandse Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). Het matige resultaat dat een laboratorium behaalde is waarschijnlijk veroorzaakt door een technische (elektriciteit) storing tijdens het ringonderzoek. Twee laboratoria scoorden aanvankelijk onvoldoende en behaalden het gewenste resultaat tijdens de herkansing. Een van deze NRL's had in de eerste ronde bij een blanco monster aangegeven dat het Salmonella bevatte (vals positief); waarschijnlijk door kruisbesmetting. Het andere laboratorium had moeite de lage concentraties Salmonella in kippenmest aan te tonen. Dit laboratorium behaalde minimale resultaten tijdens de herkansing, doordat het gebruikte kanten- klaarmedium waarmee Salmonella al dan niet wordt aangetoond, onvoldoende gevoelig leek te zijn. Dit gaat het laboratorium verder onderzoeken. Tijdens de onderzoeken hanteren de laboratoria de internationaal voorgeschreven methode om Salmonella aan te tonen in dierlijk mest. Elk laboratorium krijgt een pakket toegestuurd met kippenmest (vrij van Salmonella) en zogeheten referentiemateriaal, dat geen of verschillende besmettingsniveaus Salmonella bevat. De laboratoria dienen de kippenmest en het referentiemateriaal zelf samen te voegen en vervolgens te onderzoeken of er Salmonella aanwezig is. Dit om er zeker van te zijn dat de aangeleverde hoeveelheid Salmonella in tact blijft. Bij dit ringonderzoek is voor het referentiemateriaal voor het eerst gebruik gemaakt van zogeheten lenticule discs; voorheen waren dat capsules die een ingewikkeldere voorbereiding vereisten. Deze werkwijze was dermate succesvol dat dit wordt voortgezet. De monsters die met dit materiaal worden gemaakt, lijken namelijk meer op de 'gewone' monsters die in de dagelijkse praktijk bij de laboratoria binnenkomen om te worden onderzocht.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Potential and requirements for a standardized pan-European food consumption survey using the EPIC-Soft software | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Age-dependent patterns of infection and severity explaining the low impact of 2009 influenza A (H1N1): evidence from serial serologic surveys in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Primary prevention of cardiovascular diseases: a cost study in family practices | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Het RIVM en onderzoeks- en adviesbureau Ecofide hebben de methodiek geëvalueerd die nationaal wordt gebruikt om indicatieve risico's te bepalen van stoffen voor het milieu (indicatieve milieurisicogrenzen). Deze methode is door het RIVM ontwikkeld om sneller dan de gedegen methodiek een eerste indicatie te geven van eventuele milieuvervuilingen. De evaluatie is uitgevoerd om na te gaan in hoeverre indicatieve milieurisicogrenzen een realistisch beeld geven van de risico's van stoffen in het milieu en of ze deze over- of onderschatten. Verschillen: Voor deze evaluatie zijn de indicatieve milieurisicogrenzen van 25 stoffen vergeleken met de Maximaal Toelaatbare Risiconiveaus (MTR) die zijn afgeleid volgens de gedegen methodiek van het kader (Inter)nationale Normen Stoffen (INS). Voor 80% van de stoffen bleek de indicatieve waarde minder dan een factor 10 te verschillen van het MTR. Daarnaast is bekeken van hoeveel stoffen de indicatieve waarde minder streng was dan de gedegen waarde. Daaruit bleek dat voor 30 tot 40% van de onderzochte stoffen de indicatieve waarde te hoog was. In deze gevallen zou het milieu onvoldoende worden beschermd. Aanbevelingen: Het rapport bevat een uitgebreide lijst met aanbevelingen om de indicatieve methodiek te verfijnen. Een voorbeeld hiervan is om beter aan te geven hoe om te gaan met aanvullende informatie over een stof, zoals over het werkingsmechanisme ervan. Een andere aanbeveling is de toepassing van een extra veiligheidsfactor of om een gedegen milieurisicogrens af te leiden als een indicatieve milieurisicogrens dichtbij de concentratie ligt die in het milieu wordt gemeten. Vanwege de onzekerheidsmarges in de indicatief afgeleide milieurisicogrenzen wordt zo een nauwkeuriger beeld verkregen. Dit kan kostbare vervolgmaatregelen of mogelijke risico's voorkomen.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Evidence-based praatjes | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
The European Food Consumption Validation Project: conclusions and recommendations | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Age-related neuronal degeneration: complementary roles of nucleotide excision repair and transcription-coupled repair in preventing neuropathology | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Goedgeïnformeerd beslissen over screening | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
A framework for global surveillance of antibiotic resistance | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Q-koorts onderzoek in Nederland: resultaten tot nu toe | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
De brug met het veld, versteviging van een bestaande structuur | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Een niet opgehelderd cluster van acute hepatitis B | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Stoppen met de studie geneeskunde omwille van MRSA-dragerschap | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Hoeveel MARIG mag er in een vinger? | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Foreword | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Antibioticaresistentie bij verpleeghuisbewoners | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Bofuitbraken onder gevaccineerden: wat kunnen we in de toekomst verwachten? | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Extended-spectrum beta-lactamase genes of Escherichia coli in chicken meat and humans, the Netherlands | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Intensieve surveillance van STEG in Nederland in 2010 | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Aangifte acute hepatitis B in 2010 | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
MRSA in een verzorgingshuis | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Surveillance van methicillineresistente Staphylococcus aureus in Nederland in 2010 | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Vaccinatieprogramma hepatitis B-risicogroepen: harddruggebruikers vanaf 2012 geen risicogroep meer | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Investigation on Mycobacterium tuberculosis diversity in China and the origin of the Beijing Clade | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Wat vindt het RIVM van nieuwe, preventieve hoofdluismiddelen? | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Tuberculose in Nederland en de wereld: goede, snelle diagnostiek is onmisbaar om verspreiding te stoppen | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Oedeem, rabdomyolyse en eosinofilie bij een Nederlandse man | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Shigellose na terugkomst vakantie | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Geschiedenis van de microbiologie - Kraamvrouwenkoorts | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Een multidisciplinaire aanpak bij uitbraken van MRSA in een instelling met verstandelijk gehandicapte bewoners | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Ervaringen met syndroomsurveillance influenza-achtig ziektebeeld in huisartsenpraktijken in 2009 | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
De Mexicaanse grieppandemie van 2009: een overzicht met focus op Nederland | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Surveillance of adenoviruses and noroviruses in European recreational waters | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Long-term exposure to traffic-related air pollution | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Trait variation in soil nematodes | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Heparins and changing regulatory requirements in the EU | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Hoe een modelleur een mug vangt - het nut van wiskundige modellen voor het bestuderen en bestrijden van vector-overgedragen ziekten | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Griepgolf biedt bedrijfsartsen extra kansen | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Guest editorial. Environmental fate and effects of nanoparticles | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Bofuitbraak onder gevaccineerde studenten in universiteitssteden in Nederland | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Influenza A(H1N1) oseltamivir resistant viruses in the Netherlands during the winter 2007/2008 | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Timeliness of contact tracing among flight passengers for influenza A/H1N1 2009 | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Nematode traits and environmental constraints in 200 soil systems: scaling within the 60-6000 millim body size range | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
The health status of Q-fever patients after long-term follow-up | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Control of exotic mosquitoes in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Toxoplasma bij katten kan worden voorkomen | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Fouten bij de aanleg van een nieuwe leidingwaterinstallatie | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Exposure based waiving in environmental risk assessment: a tiered approach | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Henry's equilibrium partitioning between ground water and soil air: predictions versus observations | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Uitbraak van mazelen in Nederland in 2008 | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Cost-effectiveness of controlling infectious diseases from a public health perspective | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Valid. Satellite validation with lidar. Final report 2008-2010 | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Mapping annual mean PM2.5 concentrations in Europe: application of pseudo PM2.5 station data | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Het beleidskader is een instrument van het RIVM om voorwaarden te stellen aan de organisaties die de bevolkingsonderzoeken naar kanker uitvoeren. Het betreft een aanvulling op wat elders al is geregeld. Dit met het oog op de kwaliteit van de bevolkingsonderzoeken, de gegevensvastlegging voor evaluatie van de bevolkingsonderzoeken en de verbetering van de bevolkingsonderzoeken. De voorwaarden worden als verplichtingen verbonden aan de subsidie die het RIVM toekent aan de organisaties die de bevolkingsonderzoeken uitvoeren. Als voorwaarden worden met name vastgelegd: - Registratie en certificering om op ieder moment te kunnen zien dat aan gestelde eisen voldaan wordt; - Enkele eisen ten behoeve van landelijk uniforme uitvoering van de bevolkingsonderzoeken; - Transparantie zoals die in het kader van Healthcare Governance ook van reguliere zorginstellingen wordt geëist.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Verband nachtwerk en gezondheidsschade onduidelijk: Er bestaat nog veel onduidelijkheid over een mogelijk verband tussen nachtwerk en het ontstaan van aandoeningen als (borst)kanker, hart- en vaatziekten en obesitas. De huidige epidemiologische studies, waarvoor bij een groep mensen die 's nachts werken is onderzocht hoe vaak deze aandoeningen voorkomen, geven inconsistente bevindingen en kennen beperkingen. Sommige van deze studies beschrijven een verband tussen nachtwerk en gezondheidseffecten, in andere studies is dat niet aangetroffen. Daarnaast is het onduidelijk of een dag-ennachtritmeverstoring als gevolg van nachtwerk de oorzaak is van gezondheidsschade of dat daarvoor andere factoren gerelateerd aan nachtwerk, zoals veranderde leefstijl, verantwoordelijk zijn. Ook is meer inzicht nodig in de mechanismen die eventuele effecten veroorzaken. 16 procent beroepsbevolking heeft nachtdienst: Het onduidelijke verband tussen nachtwerk en gezondheidsschade blijkt uit een literatuurstudie van het RIVM, in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW). In deze literatuurstudie is een overzicht gemaakt van aandoeningen die vaak voorkomen in de Nederlandse (beroeps)bevolking en mogelijk een relatie hebben met werken in nachtdiensten. In Nederland werkt 16 procent van de beroepsbevolking soms of regelmatig in de nachtdienst. Meer inzicht in mogelijke effecten en de onderliggende mechanismen is nodig om te bepalen of het nodig is om maatregelen te ontwikkelen die gezondheidsrisico's van ploegendienstwerk kunnen beperken. Aanbevelingen voor onderzoek: Aanbevolen wordt om in studies naar de relatie tussen nachtwerk en gezondheid ook andere factoren te betrekken die gezondheidsproblemen kunnen veroorzaken. Voorbeelden zijn leefstijlfactoren zoals voeding, roken en alcoholgebruik. Ook is gedetailleerde informatie over roosterkenmerken nodig, omdat er aanwijzingen zijn dat bepaalde roosters schadelijker zijn voor de gezondheid dan andere. Een voorbeeld daarvan is hoeveel nachten achter elkaar er wordt gewerkt. Bovendien is onderzoek nodig naar de invloed van individuele gevoeligheid voor dag-en-nachtritmeverstoring.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Detection of Coxiella burnetii using (q)PCR: a comparison of available assays | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Het aantal meldingen van infectieziekten die Nederlanders tijdens hun werk oplopen is laag, een tot twee procent van het totale aantal geregistreerde infectieziekten. In 2010 werden 278 meldingen geregistreerd. Dat meldt het RIVM in een analyse van arbeidsgerelateerde infectieziekten 2010. De onderzoekers zijn van mening dat lang niet alle arbeidsgerelateerde infectieziekten worden gemeld. Dat wordt onder andere veroorzaakt doordat het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten (NCvB) te maken heeft met een onderrapportage van alle gemelde beroepsziekten. In Osiris wordt de relatie met het werk niet altijd geregistreerd omdat bij de meldingen vaak niet bekend is wat de bron van de besmetting is. Werknemers kunnen tijdens hun werk in contact komen met ziekteverwekkers en daardoor een infectieziekte oplopen. De gezondheidszorg, het onderwijs en de agrarische sector zijn bedrijfstakken waar de kans op blootstelling aan ziekteverwekkers het grootst is. De twee belangrijkste Nederlandse registratiesystemen voor arbeidsgerelateerde infectieziekten zijn Osiris en de beroepsziektenregistratie van het NCvB. In opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW), worden jaarlijks de gegevens van Osiris en het NCvB geanalyseerd. SZW wil de kennis over arbeidsgerelateerde infectieziekten vergroten en doorgeven aan werkgevers, werknemers en arbodienstverleners. Werkgevers moeten er voor zorgen dat werknemers kunnen werken in een veilige en gezonde werkomgeving. Blootstelling aan ziekteverwekkers moet zo veel mogelijk worden vermeden. Als blootstelling niet uit te sluiten is, moeten maatregelen worden getroffen. Om preventiemaatregelen te kunnen treffen is het belangrijk een goed inzicht te krijgen welke beroepsgroepen een infectieziekte kunnen oplopen door het werk dat zij doen. In Osiris werden in 2010 189 arbeidsgerelateerde infectieziekten gemeld. Kinkhoest, malaria, bof en hepatitis B hebben in Osiris het grootste aandeel. Bij het NCvB werden in 2010 89 infectieziekten gerelateerd aan het werk gemeld. Het betreft voornamelijk darminfecties, huidinfecties en zoönosen.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
De methoden die in het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, Wallonië (België) en Nederland worden gebruikt om externe veiligheidsrisico's te bepalen verschillen sterk van elkaar. Dat betreft zowel de manier waarop de berekeningen worden uitgevoerd als de aard van de effecten die worden berekend (zoals dodelijke slachtoffers of gezondheidsschade aan personen). Desondanks liggen de veiligheidsafstanden die met deze methoden zijn berekend dicht bij elkaar. Dit blijkt uit een risicoanalyse die door experts uit deze landen is uitgevoerd van een fictief opslagbedrijf met lpg. Gelijksoortige uitkomsten kunnen overigens per land tot uiteenlopend beleid leiden. Zo gelden de veiligheidsafstanden in Nederland en Frankrijk als limietwaarden, maar in België en het Verenigd Koninkrijk als advieswaarden.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Voedselallergie, hooikoorts, eczeem en astma zijn allemaal allergische aandoeningen. Deze aandoeningen ontstaan in verschillende stadia van het leven en zouden elkaar kunnen beïnvloeden. De betrokken allergenen zijn ook anders in de verschillende levensstadia. Of deze allergische aandoeningen een gemeenschappelijke etiologie hebben is tot op heden onopgehelderd. Als de etiologie hetzelfde is, of als risicofactoren voor deze aandoeningen overlappen, zou het wellicht mogelijk zijn om interventiestrategieën te ontwikkelen die het hele spectrum van allergische aandoeningen kunnen beïnvloeden. In een recente literatuurstudie zijn mogelijke risicofactoren voor voedselallergie onderzocht. In de huidige studie wordt geanalyseerd of borstvoeding, allergeenvermijding, introductie van vaste voeding, pre- en probioticagebruik, en meervoudig onverzadigde vetzuren (PUFA) inname een rol spelen bij de ontwikkeling van luchtwegallergieën. Deze factoren zijn geselecteerd op basis van hun mogelijke effect op ontwikkeling van voedselallergie. Daarnaast wordt de impact van geadviseerde interventiestrategieën bediscussieerd. De belangrijkste conclusies zijn: - Borstvoeding is een beschermende factor in de ontwikkeling van luchtwegallergie. Voor voedselallergie zijn de effecten minder consistent; - Er is enig bewijs dat inname van PUFA geassocieerd is met de ontwikkeling van luchtwegallergie en voedselallergie; - De andere bestudeerde risicofactoren hebben geen effect op ontwikkeling van luchtwegallergie; - Een strategie om ontwikkeling van allergie bij baby's te remmen is het uitstellen van de introductie van vaste voeding. De data in de literatuur geven aan dat dit de ontwikkeling van allergie niet kan voorkomen en mogelijk, zelfs een risicofactor is. Veelbelovende onderzoeksgebieden die wellicht zouden kunnen leiden tot de ontwikkeling van nieuwe interventiestrategieën zijn: vitamine D-, PUFA- en antioxidant- inname, beïnvloeding van de darmflora, en programmering van voedselallergie tijdens de ontwikkeling. Daarnaast moeten lopende studies over mogelijke nadelige effecten van het uitstellen van de introductie van vast voedsel, nauwkeurig gevolgd worden.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Evaluation of current limit and target values as set in the EU Air Quality Directive | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Developments in nanotechnologies. Regulation and standards 2011 | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Evaluation of current limit and target values as set in the EU Air Quality Directive | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
The state of the air quality in 2009 and the European exchange of monitoring information in 2010 | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Elementen verbinden | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Metals and metalloids in terrestrial systems: bioaccumulation, biomagnification and subsequent adverse effects | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
A study of norovirus molecular epidemiology: impact, prevalence, diversity and genetic adaptation | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
GMES services and emission inventories, workshop October 2011 | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
European perspectives on environmental burden of disease. Estimates for nine stressors in six European countries | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Ontstekingsremmers zijn met luchtwegverwijders de twee typen medicijnen die doorgaans bij astma worden voorgeschreven. Beide soorten medicijnen worden meestal geïnhaleerd. Bij ontstekingsremmers is dagelijks gebruik van belang, aangezien deze medicijnen alleen dan optimaal effect hebben. 40% van de ouders geeft hun kind echter alleen ontstekingsremmers tegen astma als het kind kortademig of benauwd is. Ouders die meer kennis hebben over de medicijnen van hun kind houden zich beter aan het voorgeschreven gebruik. Kennis en informatievoorziening aan ouders zijn belangrijk voor een goed medicijngebruik van hun kinderen. Dit blijkt uit een enquête onder de ouders van 229 kinderen die op 8-jarige leeftijd astmamedicijnen gebruikten. De ouders doen mee aan het zogeheten Preventie en Incidentie van Astma en Mijt Allergie (PIAMA)-onderzoek, waaraan het RIVM een bijdrage levert. Naarmate ouders meer weten over de medicijnen, zijn zij er sterker van overtuigd dat de medicijnen noodzakelijk zijn voor de gezondheid van hun kind. Van de ouders die bijvoorbeeld niet wisten 'dat je ontstekingsremmers altijd moet gebruiken, óók als het goed gaat', gaf slechts 25% hun kind de ontstekingsremmers dagelijks. Van de ouders die deze kennis wel hadden, gaf 84% hun kind de ontstekingsremmers elke dag. Ouders die naar eigen zeggen door hun zorgverleners beter waren geïnformeerd, maakten zich minder zorgen over mogelijke ongunstige effecten van het medicijngebruik. Bij jonge kinderen zijn astma-achtige klachten in de meeste gevallen van voorbijgaande aard. Om onnodig medicijngebruik te voorkomen, wordt aanbevolen om regelmatig de arts te laten controleren of de ontstekingsremmers nog nodig zijn. Regelmatige controle is bovendien gewenst om na te gaan of kinderen hun medicijnen op de juiste, meest effectieve manier gebruiken.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Underground thermal energy storage: environmental risks and policy developments in the Netherlands and European Union | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Reporting on ambient air quality assessment in the EU Member States, 2009 | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
A novel approach for early warning of drinking water contamination events | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Calculation of pseudo PM2.5 annual mean concentrations in Europe based on annual mean PM10 concentrations and other supplementary data | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Wood smoke particles from different combustion phases induce similar pro-inflammatory effects in a co-culture of monocyte and pneumocyte cell lines | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Meer dan helft Nederlanders te zwaar: In Nederland is 60 procent van de mannen tussen de 30 en 70 jaar te zwaar (een BMI van 25 of meer). Bij 13 procent is zelfs sprake van obesitas (ernstig overgewicht, oftewel een BMI van 30 of meer). Van de Nederlandse vrouwen in deze leeftijdsgroep is 44 procent te zwaar, en is bij 14 procent sprake van ernstig overgewicht. Abdominale obesitas komt voor bij 27 procent van de mannen (een buikomvang van 102 centimeter of meer) en 39 procent van de vrouwen (buikomvang van 88 centimeter of meer). Dit zijn de belangrijkste bevindingen uit metingen van het RIVM-project 'Nederland de Maat Genomen', waarbij een steekproef van 4500 personen uit de algemene bevolking is onderzocht in 2009 en 2010. Ruim een kwart heeft meerdere risicofactoren (metabool syndroom): Er is sprake van metabool syndroom bij aanwezigheid van ten minste drie van de volgende vijf risicofactoren: abdominale obesitas, hoge bloeddruk, laag HDLcholesterolgehalte, verhoogd glucose- en/of trigyceridengehalte (vet) in het bloed. In de onderzochte leeftijdsgroep komt dit bij 34 procent van de mannen voor en bij 24 procent van de vrouwen. Het metabool syndroom verhoogt het risico op diabetes type 2 en hart- en vaatziekten. Diabetes komt voor bij 6 procent van de mannen en 5 procent van de vrouwen in deze leeftijdsgroep. Een kwart van de mensen bij wie diabetes werd vastgesteld, wist nog niet dat ze dat hadden. Toename middelomtrek: De bevindingen zijn vergeleken met het laatste grootschalige onderzoek naar risicofactoren in een aselecte steekproef onder de Nederlandse bevolking, dat dateert van 1993-1997 (het MORGEN-project). Het opvallendste verschil met 15 jaar geleden is de toename van het aantal mensen met abdominale obesitas (grote buikomvang). In de onderzochte leeftijdsgroep was de toename in abdominale obesitas vooral groot bij vrouwen tussen 30 en 39 jaar (een stijging van 15 naar 26 procent).
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM inventariseert jaarlijks nieuwe ontwikkelingen die belangrijk kunnen zijn voor het toekomstig drinkwaterbeleid en het toezicht daarop. De ontwikkelingen zijn in vier thema's onderverdeeld: microbiologie, microverontreinigingen, drinkwaterbronnen en toekomstgerichte onderwerpen. Het rapport geeft bovendien een overzicht van de RIVM-rapporten die in de periode 2010-2011 zijn gepubliceerd en relevant zijn voor het drinkwaterbeleid. Aandachtspunten voor drinkwaterbeleid: Bij het thema microbiologie is de mogelijke invloed van klimaatverandering op het jaarlijkse aantal ziektegevallen door water- en voedseloverdraagbare infectieziekten een aandachtspunt. Het RIVM ontwikkelde een tool waarmee het effect van klimaatverandering op infectierisico's via verschillende vormen van blootstelling kan worden geschat, zoals via drinkwaterconsumptie of zwemmen in oppervlaktewater. Hiermee kunnen indien nodig maatregelen worden bepaald, zoals het verbeteren van de afvalwaterzuivering. Bij het thema microverontreinigingen zijn gewasbeschermingsmiddelen een aandachtspunt. Het aantal middelen dat wordt aangetroffen in bronnen voor drinkwater blijkt al enkele jaren constant. Hierdoor kan de inspanning van drinkwaterbedrijven om water te zuiveren niet afnemen, hoewel dat wel was beoogd. Verder wordt momenteel het toelatingsbeleid voor gewasbeschermingsmiddelen gewijzigd. De watersector vreest dat hierdoor de kwaliteit van de bronnen voor drinkwater negatief wordt beïnvloed. Bij het thema drinkwaterbronnen wordt gesignaleerd dat er steeds meer activiteiten in de bodem plaatsvinden, zoals boringen voor warmte- en koudeopslag en de mogelijke winning van schaliegas. Er is echter nog onvoldoende kennis over de effecten hiervan op het milieu en de risico's voor de drinkwatervoorziening. Bij het thema toekomstgerichte onderwerpen is de ontwikkeling van de drinkwatervraag versus de beschikbaarheid van de bronnen een van de aandachtspunten voor de Nederlandse drinkwatervoorziening in 2040. Sociale media: Dit jaar is voor het eerst verkend over welke drinkwatergerelateerde onderwerpen wordt gediscussieerd op sociale media. Een aantal van de bovengenoemde onderwerpen is hierop terug te vinden, zoals bij LinkedIn. Op YouTube zijn educatieve filmpjes over water populair. Twitter blijkt een beperkte signalerende functie te hebben.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
In 2010, 800,000 children received one or more vaccines on 1.3 million dates, with more than 7 million vaccine components. There is always some chance of adverse reactions but these are usually not severe, though sometimes frightening. This year, RIVM received 1380 reports of adverse events following immunisation (AEFI). This is 16% less than in 2009 when 2 vaccination campaigns raised considerable adverse publicity with subsequent increase in reports. Data show that the benefit of the vaccination programme outweighs the risk of adverse reactions by far. Safety surveillance: necessary part of the vaccination programme. Enhanced safety surveillance has been an integral part of the vaccination programme since 1962. Annual reports have been published since 1983, following independent reevaluation. The surveillance system of the Netherlands enjoys very high reporting rates and is highly sensitive for signals. It allows individual follow-up because of name-based reporting. In this last year of safety surveillance in this setting, we present an overview of results since 1994. This brings some new insights. Careful reporting and validation system. All reports were validated and complemented, preferably also with eyewitness accounts (92%). Final assessment followed according to case definitions and causality criteria. The embedding of the safety surveillance in the telephone consultation service has contributed to the quality of the reports. Reported adverse events. In 2010, 78% of reports (1082) had possible causal relation with the vaccination. These concerned major adverse reactions in 48% (523), including very high fever (>40.5 °C), persistent screaming, collapse, discoloured legs, febrile convulsions or atypical attacks with chills, myoclonics or hyper/hypo-tonicity. Altogether 22% (296) of reports were chance occurrences. Reported severe infections and epilepsy had no causal relation with the vaccinations. In addition, none of the 5 reports on death was related to vaccination. An independent expert committee has reassessed these severe adverse events.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Non-specific physical symptoms and electromagnetic field exposure in the general population: can we get more specific? A systematic review | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Development of a framework based on an ecosystem services approach for deriving specific protection goals for environmental risk assessment of pesticides | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Who participates in the Dutch chlamydia screening? A study on demographic and behavioral correlates of participation and positivity | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Capsule shells adulterated with tadalafil | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Virucidal efficacy of hydrogen peroxide vapour disinfection | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Medical innovation and age-specific trends in health care utilization: findings and implications | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
A method to assess ecosystem services developed from soil attributes with stakeholders and data of four arable farms | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Emergence and epidemic occurrence of enterovirus 68 respiratory infections in The Netherlands in 2010 | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Infectious disease risks associated with occupational exposure: a systematic review of the literature | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
The 8-year follow-up of the PIAMA intervention study assessing the effect of mite-impermeable mattress covers | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Prevalence of Coxiella Burnetii in ticks after a large outbreak of Q fever | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Species non-exchangeability in probabilistic ecotoxicological risk assessment | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
A quantitative approach towards a better understanding of the dynamics of Salmonella spp. in a pork slaughter-line | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Toxicity of polyfluorinated and perfluorinated compounds to lettuce (Lactuca sativa) and green algae (Pseudokirchneriella subcapitata) | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Het RIVM heeft op basis van een literatuurreview in kaart gebracht welke nieuwste medische toepassingen worden ontwikkeld die gebruikmaken van ioniserende of niet-ioniserende straling. Beide soorten straling worden voor zowel diagnostiek als behandeling ingezet. Door beperkte gegevens over stralingsrisico's voor de behandelaar en de patiënt bleek een analyse hiervan voor de meeste van deze toepassingen nog niet mogelijk. Ook de doelmatigheid van de technieken verdient nader onderzoek. Ioniserende straling. Medische toepassingen die gebruikmaken van ioniserende straling zijn bijvoorbeeld röntgenfoto's en CT (Computertomografie), waarmee beelden van de inwendige mens worden gemaakt. Een aantal van de nieuwe toepassingen op dit gebied zijn heel specifiek waardoor ze niet breed toepasbaar zijn, of ze moeten zich in de praktijk nog bewijzen. Bij de veelbelovende ontwikkelingen zijn drie trends waarneembaar: de eerste is verfijning van bestaande diagnosemethoden, waardoor met minder straling een beter beeld kan worden gemaakt. De tweede trend is de combinatie van diagnostische beeldtechnieken waardoor meer informatie wordt verkregen, zoals bij de combinatie van PET- en MRI-scans. Tenslotte zijn er voor Nederland nieuwe behandeltechnieken, zoals protontherapie waarmee tumoren gerichter kunnen worden behandeld. Niet-ioniserende straling. Medische toepassingen die gebruikmaken van niet-ioniserende straling kunnen worden verdeeld in bronnen van elektromagnetische velden, infrarood-, optische en uv-straling. Bij de ontwikkelingen op dit gebied zijn eveneens drie trends waarneembaar. De eerste betreft technieken met kleinere, snellere en goedkopere apparatuur die 'aan het bed' kan worden gebruikt, zoals lasers voor anatomische beeldvorming. Bij de tweede trend gaat het om technieken die worden gebruikt om lichaamsfuncties op afstand te volgen, dus zonder dat een ingreep in het lichaam nodig is (minder invasief). Een voorbeeld is radar om de hartslag en ademhaling te meten. De derde trend is de zogeheten miniaturisering, zoals meetpleisters die radiografisch informatie over lichaamsfuncties verzenden of nanodeeltjes om tumoren lokaal te verwarmen (hyperthermie).
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Er is onderzoek uitgevoerd naar de informatiebehoefte van de doelgroep van twee websites rond Gezond Werk: Loketgezondleven.nl/settings/werk en Nisb.nl/werk. Het RIVM Centrum Gezond Leven (CGL) en het Nederlands Instituut voor Sport en Bewegen (NISB) voerden gezamenlijk dit onderzoek uit. Hiermee kunnen zij hun themapagina's over gezondheid op het werk beter afstemmen op de beoogde bezoekers. Loketgezondleven.nl werd als uitgangspunt voor dit onderzoek gebruikt. Methode: Op basis van de bestaande opbouw van Loketgezondleven.nl/settings/werk en eerder afgenomen kwalitatieve interviews is een online vragenlijst opgesteld. Deze is per mail verspreid via het netwerk van NISB en RIVM, alsmede via enkele social media. De vragenlijst is ingevuld door 55 HRM- professionals. Resultaten: Van de onderdelen die al opgenomen waren op de website werden 'beschrijving van de samenhang tussen werk en gezondheid', 'systematische werkwijzen', 'interventies' en 'instrumenten' bijna unaniem als (heel) belangrijk bestempeld. Mogelijke nieuwe onderwerpen die als (heel) belangrijk werden gezien, waren vooral 'best practices' en 'praktische tips'. Meest wenselijke praktische tips waren 'betrekken van werknemers´en het 'creëren van draagvlak bij de directie'. Ongeveer twee derde (64,3%) van de respondenten gaf aan het liefst korte samenvattingen op Loketgezondleven.nl te zien, met doorverwijzing naar andere websites voor de details. Enkele onderwerpen, zoals 'best practices' en 'praktische tips', wil men wel volledig weergegeven zien. Conclusie: Uit het onderzoek komt een aantal gewenste onderwerpen naar voren, zoals 'samenhang tussen werk en gezondheid', 'praktische tips', 'best practices', 'werkwijzen', 'instrumenten' en 'interventies'. Sommige daarvan waren al opgenomen op Loketgezondleven.nl. Met name tips en voorbeelden zullen moeten worden toegevoegd.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
In Nederland verrichten de geneesmiddelenindustrie en (academische) ziekenhuizen veel geneesmiddelenonderzoek met mensen; ze dienen jaarlijks zo'n 600 onderzoeksdossiers voor beoordeling in bij erkende medischethische toetsingscommissies. Bij de organisatie en uitvoering van klinisch onderzoek worden vaak Contract Research Organisaties (CRO's) betrokken. Deze organisaties kunnen worden ingehuurd door de opdrachtgever van klinisch onderzoek om functies en verplichtingen voor het onderzoek van hen over te nemen. Er blijken minstens 114 CRO's betrokken te zijn bij klinisch geneesmiddelenonderzoek in Nederland. De kwaliteitsborging van CRO's draagt bij aan de veiligheid en de kwaliteit van het klinisch onderzoek. Veel van de veldpartijen en overheidsinstanties die betrokken zijn bij klinisch onderzoek blijken tevreden over het kwaliteitsniveau van de CRO's in Nederland. Dit blijkt uit een onderzoek van het RIVM dat in opdracht van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) is uitgevoerd. De IGZ is verantwoordelijk voor het toezicht op het klinisch geneesmiddelenonderzoek. Een register van CRO's kan eraan bijdragen om meer overzicht van de CRO's in Nederland te krijgen. Er bestaat in Nederland wel een koepelvereniging voor CRO's, maar niet alle CRO's zijn daarbij aangesloten. Daarnaast zouden CRO's zelf en de bedrijven die CRO's inhuren, normen voor de eigen beroepsgroep (veldnormen) kunnen ontwikkelen die de kwaliteit van CRO's waarborgen.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM heeft een instrument ontwikkeld om vanaf de wal de zwaveldioxide-uitstoot van voorbijvarende zeeschepen te meten. Dit instrument maakt gebruik van de zogeheten LIDAR-techniek (Light Detection And Ranging). Het instrument scant met een laserbundel de rookpluim van een passerend schip en stelt zo onopgemerkt de uitstoot vast. Hiermee is tussen 2006 en 2008 bij een groot aantal schepen op de Westerschelde en op het Noordzeekanaal de uitstoot van zwaveldioxide gemeten. De hoogst gemeten uitstoot bedroeg 37 gram per seconde. De totale uitstoot van zwaveldioxide neemt in Nederland al jaren af. Sinds 2006 daalt ook de uitstoot door de zeescheepvaart, maar minder hard dan de uitstoot door andere bronnen. Daardoor is de zeescheepvaart een steeds belangrijker bron van deze emissie geworden. In 2010 was 55 procent van de Nederlandse uitstoot van zwaveldioxide afkomstig van de zeescheepvaart. In 1990 was dit nog 21 procent. Zeeschepen mogen binnen de territoriale wateren en op de Noordzee niet op zwavelrijke brandstof varen. Deze relatief goedkope brandstof mag echter wel aan boord zijn voor gebruik elders op zee. Het is onbekend in hoeverre reders zich aan het verbod houden. Bij de traditionele meetmethoden worden brandstofmonsters aan boord genomen. Dit vereist dat iemand aan boord gaat, waardoor de bemanning op de hoogte is van de controle en het stookgedrag kan aanpassen. Hierdoor zijn overtredingen moeilijk vast te stellen. Bovendien kunnen slechts enkele schepen per dag worden gecontroleerd. De LIDAR is nog geen wettelijk erkend instrument, waardoor op dit moment op grond van alleen LIDAR-metingen geen boetes gegeven kunnen worden. De LIDAR kan wel gebruikt worden om vermoedelijke overtreders te identificeren, waarna een wetshandhaver per patrouilleboot aan boord kan gaan om de overtreding vast te stellen. Inzet op deze wijze blijkt op dit moment al wel kosteneffectief. Dit komt doordat hiermee vrijwel alle passerende schepen kunnen worden gemeten en dure scheepspatrouilles uitsluitend hoeven worden ingezet voor vermoedelijke overtreders. Bovendien wordt de pakkans zo sterk vergroot. Daardoor mag verwacht worden dat het aantal overtredingen zal afnemen als de LIDAR wordt ingezet.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Voor de productie van biogas door co-vergisting wordt mest vermengd met restanten van bijvoorbeeld oogsten of voedsel die kunnen vergisten. Biogas heeft brandbare en giftige eigenschappen, waardoor grootschalige productie een veiligheidsrisico met zich meebrengt. Biogas is een mengsel van gassen dat brandbare eigenschappen heeft door de aanwezigheid van methaan (CH4). Minder bekend zijn de giftige eigenschappen als het biogas een hoog zwavelwaterstofgehalte (H2S) heeft. In eerder onderzoek van het RIVM is aanbevolen om een minimaal veiligheidsniveau te hanteren bij de bouw en het beheer van biogasinstallaties. Uit vervolgonderzoek van het RIVM blijkt dat de Handreiking (co-)vergisting van mest (InfoMil, 2010) hiervoor een goede basis is. Aanbevolen wordt om dit document te gebruiken en aan te vullen met specifieke informatie voor vergunningverleners en inspectiediensten, als belangrijkste gebruikers van dit document. De samenstelling van biogas is bepalend of een installatie wel of niet onder een bepaalde wet valt. Dit is vervolgens bepalend voor de geldende veiligheidsvoorschriften en het inspectieregime. Een éénduidige, constante en voorspelbare samenstelling van biogas bestaat echter niet. Aanbevolen wordt om strikter toe te zien op de monitoring van de biogassamenstelling in de verschillende installatieonderdelen. Vooralsnog wordt geschat dat het veiligheidsrisico vooral voor personeel nabij de biogasproductie geldt, en niet zozeer voor omwonenden. Nader uitgezocht moet worden of dat daadwerkelijk het geval is.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Comparative transcriptomic and metabolomic analysis of fenofibrate and fish oil treatments in mice | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Demographic projections of future pharmaceutical consumption in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Cone beam Computed Tomography (CBCT) is een relatief nieuwe techniek die met röntgenstraling driedimensionale afbeeldingen van de mond maakt en wordt gebruikt om diagnoses te stellen. In Nederland is deze techniek binnen de mondzorg in opkomst. Uit onderzoek van het RIVM blijkt dat er geen goede reden is CBCT voor mondzorg routinematig in te zetten, omdat voor de meeste toepassingen het nut hiervoor niet voldoende wetenschappelijk is aangetoond. Daarbij komt dat de patiënt een stralingsdosis krijgt die tien tot honderd keer groter is dan bij de tweedimensionale foto's. Bij een beperkt aantal aandoeningen, die vooral door specialisten worden behandeld, kan CBCT meerwaarde hebben als conventionele diagnostiek onvoldoende oplevert. Bijvoorbeeld bij een gehemeltespleet (schizis) of bij het bepalen van de ligging van tanden of kiezen die niet op normale wijze doorkomen. Alleen als er aanwijzingen zijn voor afwijkingen in het kaakgewricht, is CBCT direct de aangewezen techniek om een diagnose te stellen. Het onderzoek van het RIVM was gericht op het effect van de CBCT op het behandelresultaat in de mondzorg. Hiervoor zijn deskundigen geraadpleegd en is literatuuronderzoek gedaan. Opdrachtgever was het ministerie van VWS, dat de resultaten gebruikt als voorbereiding op het te ontwikkelen beleid over dit onderwerp. Binnen de huidige regelgeving kunnen dit soort apparaten zonder vergunning worden aangeschaft. Er bestaat wel een meldingsplicht.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Op de A16 bij Breda heeft Rijkswaterstaat op 31 mei 2011 als proef een verhoging van de maximumsnelheid van 100 naar 130 km/u doorgevoerd. Om het effect daarvan op geluid te meten heeft het RIVM een meetlocatie ingericht langs de westzijde van de A16 bij km 50,7. Het geluidniveau is vervolgens van 10 mei tot en met 15 oktober doorlopend gemeten. Uit de geluidmetingen blijkt dat de snelheidsverhoging op dit wegvak een toename van de geluidemissie van 0,5 decibel tot gevolg heeft. Als wordt gecorrigeerd voor de licht toegenomen verkeersintensiteit tussen referentie- en proefperiode, is de geluidtoename iets lager: 0,4 decibel. Deze cijfers hebben betrekking op de laatste fase van de proef, na de zomervakantie, waarin de snelheid tijdens drukte dynamisch wordt teruggeregeld van 130 naar 100 km/uur. Deze geluidtoename op de A16 is kleiner dan de theoretische geluidtoename van 1 decibel voor personenwagens van 100 naar 130 km/uur. Dit komt grotendeels doordat in de referentieperiode harder werd gereden dan de maximumsnelheid van 100 km/u, terwijl tijdens de proefperiode juist trager werd gereden dan de dan geldende (dynamische) limietsnelheid van 130 km/uur.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Al langer is bekend dat emissies van brommers, net als van andere gemotoriseerde voertuigen, longontsteking kunnen veroorzaken en de luchtwegen overgevoelig kunnen maken voor bijvoorbeeld allergenen. Bovendien kunnen ze de voortplanting schaden en het erfelijke materiaal (DNA) beschadigen. De ernst en omvang van de aan brommeremissie gerelateerde gezondheidseffecten zijn voor verkeersdeelnemers als fietsers echter niet duidelijk. Daardoor is ook niet duidelijk hoe deze effecten zich verhouden tot de effecten die overig gemotoriseerd wegverkeer veroorzaken. Een belangrijke reden hiervoor is het ontbreken van kennis over de relatie tussen feitelijke blootstelling en een scala van mogelijke gezondheidseffecten. Dit blijkt uit een oriënterende studie van het RIVM naar de gezondheidseffecten van brommeremissies dat in opdracht van het ministerie van I&M is uitgevoerd. Aanleiding hiervoor is een onderzoek van de Fietsersbond uit 2008 naar de blootstelling van verkeersdeelnemers aan fijn stof (PM2,5) en ultrafijn stof (PM0.1) uitgestoten door gemotoriseerde voertuigen waaronder brommers. Of er werkelijk gezondheidsschade optreedt als deze emissies worden ingeademd bleef echter onduidelijk. Factoren die brommeremissies beïnvloeden: Verschillende factoren beïnvloeden de emissies van brommers. Voorbeelden zijn het type motor, de hoeveelheid gereden kilometers, de motorafstelling (bijvoorbeeld opvoeren), onderhoud, rijstijl, Euroklasse (waarmee eisen worden gesteld aan de uitstoot) en technologie. Door maatregelen die de verbranding van brommermotoren optimaliseren raakt de lucht minder vervuild. Dit geldt vooral voor de overgang van tweetakt- naar viertaktbrommers en de invoering van het brandstofinjectiesysteem, dat voor een lager brandstofverbruik zorgt. In hoeverre gezondheidseffecten afnemen door een lagere uitstoot van schadelijke stoffen door brommers is echter op basis van de huidige kennis niet aan te geven. Brommeremissies per groep stoffen: Brommeremissies bevatten relatief veel koolwaterstoffen: bijna een kwart (13- 24 procent) van de koolwaterstofemissies van het totale wegverkeer is afkomstig van brommers. De bijdrage aan de koolmonoxide-emissie is 4-10 procent en de bijdrage aan fijn stof (PM10) 1-4 procent. Brommers stoten per kilometer meer gram koolmonoxide, koolwaterstof en fijn stof uit dan personenauto's en minder kooldioxide. De stikstofoxidenemissie komt per kilometer overeen met die van personenauto's. Het aandeel van brommers aan de totale emissie van groepen stoffen die door verkeer worden uitgestoten is echter klein.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Een eenvoudige aanpak is voorgesteld om risico's op systemische effecten na huidblootstelling in arbeidssituaties aan chemische stoffen te kunnen beoordelen. De wetgeving vereist dat werkgevers hun werknemers veilig en gezond laten werken en dit ook aan kunnen tonen. Op dit moment worden systemische effecten na huidblootstelling vaak niet meegenomen in Risico Inventarisatie en Evaluatie (RI&E) door een werkgever. De eenvoudige aanpak is gebaseerd op beschikbare stof- en toxiciteitsgegevens en samengevat in een werkschema. Om risico's te beoordelen of uit te sluiten worden twee methoden beschreven. De eerste methode houdt in dat wordt aangetoond dat er geen huidblootstelling of huidopname van een stof is. In de tweede methode, wordt beschreven hoe huidblootstelling en normen van een stof kunnen worden verkregen. De verkregen huidblootstelling en norm kunnen dan met elkaar vergeleken worden om een risico te kunnen beoordelen. Als onvoldoende gegevens beschikbaar zijn, dan worden aanbevelingen gedaan voor een alternatieve aanpak, die meer toxicologische kennis vereist.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
The impact of body mass index in old age on cause-specific mortality | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Met de praktijkproef 'Dynamax' wil de Dienst Verkeer en Scheepsvaart van Rijkswaterstaat inzicht verkrijgen in de effecten van het dynamisch regelen van de maximum rijsnelheden op rijkswegen. Op twee proeflocaties langs de A12 in Voorburg en de A20 in Rotterdam voert het RIVM continu geluidmetingen uit waarmee de invloed van dynamisch snelheidsbeheer op de geluidemissie van het verkeer wordt gevolgd. Het Dynamax snelheidsbeheer houdt in dat de limiet van 80 naar 100 km/uur gaat wanneer de verkeerssituatie dat toelaat. De voorliggende rapportage gaat in op de resultaten bij Rotterdam. Vanaf de introductie van het Dynamax-systeem eind juni 2011 is een toename van de Lden van 0,6 decibel gemeten. Een maand later is het wegdek vernieuwd. Metingen na eind juli zijn daarom niet meegenomen bij de bepaling van het effect van de Dynamax-regeling. Het nieuwe wegdek laat een afname zien van circa 5 decibel ten opzichte van het oude wegdek. De gemeten toename in juli 2011 kan worden toegeschreven aan de Dynamax regeling, maar het meetresultaat kent een onzekerheidsmarge omdat er maar een relatief korte meetperiode beschikbaar was. Berekeningen van het Dynamax-effect op basis van gemeten intensiteiten en rijsnelheden komen uit op een toename van circa 0,3 decibel. Het effect van de proef ligt vermoedelijk in de orde van 0,2-0,7 decibel. Dit blijft beperkt omdat de Dynamax-regeling alleen op de noordbaan van de weg actief is en omdat de snelheidslimiet alleen wordt verhoogd op momenten dat er relatief weinig verkeer is.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Human beings are highly susceptible to low doses of Trichinella spp | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Childhood overweight and asthma symptoms, the role of pro-inflammatory proteins | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Using phylogenetic information to predict species tolerances to toxic chemicals | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Biowaiver monographs for immediate-release solid oral dosage forms: Quinine sulfate | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Low neonatal Toll-like receptor 4-mediated interleukin-10 production is associated with subsequent atopic dermatitis | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Comparison of the hepatitis B virus core, surface and polymerase gene substitution rates in chronically infected patients | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Evaluation of Neisseria gonorrhoeae multiple-locus variable-number tandem-repeat analysis, N. gonorrhoeae multiantigen sequence typing, and full-length porB gene sequence analysis for molecular epidemiological typing | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Opposite effects of allergy prevention depending on CD14 rs2569190 genotype in 3 intervention studies [Letter to the editor] | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Fruit and vegetable consumption and prospective weight change in participants of the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition: physical activity, nutrition, alcohol, cessation of smoking, eating out of home, and obesity study | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Berekening van arbeidsveiligheidsrisico's | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
The 2007-2010 Q fever epidemic in the Netherlands: characteristics of notified acute Q fever patients and the association with dairy goat farming | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Op grond van de wetenschappelijke literatuur kan geen uitspraak worden gedaan over de invloed op de gezondheid en kosten/baten van specifieke maatregelen ter verbetering van het binnenmilieu. Wel lijkt algemene verbetering van het binnenmilieu of de woonomstandigheden gerelateerd te zijn aan een afname van bestaande gezondheidsklachten. Dit blijkt uit een literatuuronderzoek dat het RIVM heeft uitgevoerd op verzoek van de GGD Rotterdam-Rijnmond, als onderdeel van een project van de GGD waarin is gekeken naar de koppeling van energiebesparende maatregelen en verbetering van het binnenmilieu.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Het drinkwater in Nederland was in 2010 van goede kwaliteit. Bij 16 procent van de productielocaties is een norm overschreden. In geen geval vormde dat een bedreiging voor de volksgezondheid. Dit blijkt uit het jaarrapport 'De drinkwaterkwaliteit in Nederland in 2010' dat RIVM in opdracht van de VROM-Inspectie heeft opgesteld. In dit rapport worden de resultaten van de meetprogramma's van de drinkwaterbedrijven op hoofdlijnen weergegeven. Zij leefden de wettelijke voorschriften voor de controle op de drinkwaterkwaliteit goed na. De VROM-Inspectie is verantwoordelijk voor de handhaving van de Waterleidingwet (nu Drinkwaterwet), waarin normen zijn opgesteld voor de aanwezigheid van micro-organismen en chemische stoffen in het drinkwater. De Inspectie is verplicht de resultaten te rapporteren aan de Minister en het parlement. Het RIVM beheert de gegevens en stelt het rapport op. Het aantal drinkwaterpompstations (33 = 16 procent) waar in 2010 een norm is overschreden, is hetzelfde als in 2009. Een groot deel van de normoverschrijdingen was eenmalig en betrof stoffen, gerelateerd aan de bedrijfsvoering, die geen betekenis hebben voor de volksgezondheid. Het gaat dan om overschrijdingen van bijvoorbeeld troebeling, ijzer en mangaan. De norm voor bestrijdingsmiddelen is voor een middel op één pompstation overschreden. Bij geen enkel drinkwaterpompstation zijn indicatoren voor besmetting met pathogene micro-organismen aangetoond. In het distributienet zijn deze indicatoren wel aangetoond. In alle gevallen was de aanwezigheid van deze bacteriën van korte duur en gaf geen aanleiding tot gezondheidsproblemen. De aanwezigheid van legionellabacteriën wordt getoetst als het drinkwater het pompstation verlaat en in de distributiegebieden. In monsters drinkwater dat het pompstation verlaat zijn de legionellabacteriën niet aangetoond maar wel op 28 locaties in het distributienet. Het is mogelijk dat tijdens werkzaamheden aan het distributienet het drinkwater met bacteriën besmet kan raken. In 91 gevallen is de bewoners van de nabijgelegen woningen geadviseerd het drinkwater voor gebruik te koken.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Type-specific human papillomavirus infections among young heterosexual male and female STI clinic attendees | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
High prevalence of sexually transmitted infections in HIV-infected men during routine outpatient visits in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
State of the art in benefit-risk analysis: introduction | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
State of the art in benefit-risk analysis: economics and marketing-finance | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Enhanced memory B-cell immune responses after a second acellular pertussis booster vaccination in children 9 years of age | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
A regional model of European aerosol transport: Evaluation with sun photometer, lidar and air quality data | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Absence of influenza A(H1N1) during seasonal and pandemic seasons in a sentinel nursing home surveillance network in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Mycobacterium tuberculosis Beijing genotype induces differential cytokine production by peripheral blood mononuclear cells of healthy BCG vaccinated individuals | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
An indicator based 'traffic light' model to pro-actively assess the occurrence of mycotoxins in tree nuts | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Effects of chemical control agents and microbial biocontrol agents on numbers of non-target microbial soil organisms: a meta-analysis | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Revision of the European Data Protection Directive: Opportunity or threat for public health monitoring? | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Looking beyond borders: integrating best practices in benefit-risk analysis into the field of Food and Nutrition | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Chlamydia infection, pelvic inflammatory disease, ectopic pregnancy and infertility: cross-national study | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Unravelling transmission trees of infectious diseases by combining genetic and epidemiological data | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
State of the art in benefit-risk analysis: food microbiology | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
State of the art in benefit-risk analysis: medicines | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Molecular diagnostics of Rickettsia africae infection in travelers returning from South Africa to the Netherlands | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Role of environmental poliovirus surveillance in global polio eradication and beyond | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Evaluating environmental risks of genetically modified crops: Ecological harm criteria for regulatory decision-making | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Paternal and maternal history of myocardial infarction and cardiovascular diseases incidence in a Dutch cohort of middle-aged persons | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
State of the art in benefit-risk analysis: environmental health | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Impact of fatty acid food reformulations on intake of Dutch young adults | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
The application of an enzyme-linked immunosorbent assay or an immunofluorescent assay test leads to different estimates of seroprevalence of Coxiella burnetii in the population | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Impacts of forest biomass removal on soil nutrient status under climate change: A catchment-based modelling study for Finland | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
State of the art in benefit-risk analysis: food and nutrition | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Obesity and cardiovascular disease risk among Turkish and Moroccan migrant groups in Europe: a systematic review | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Elimination of HIV by test and treat: a phantom of wishful thinking? | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Biowaiver monographs for immediate release solid oral dosage forms: Stavudine | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
State of the art in benefit-risk analysis: consumer perception | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Innovative approaches in the embryonic stem cell test (EST) | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek
Het erkenningstraject wordt breed gewaardeerd en heeft de afgelopen jaren goed gefunctioneerd: het maakt de kwaliteit van interventies voldoende inzichtelijk en het stimuleert de kwaliteitsverbetering bij de ontwikkeling van interventies. Over de betekenis in de praktijk ligt de mening over de bijdrage van het traject genuanceerder: dat het traject niet voldoende bij de praktijk aansluit is het meest geuite punt van kritiek. Concreet betekent dit dat complexe interventies niet goed in het systeem passen en dat de meerwaarde van erkenning nog onvoldoende duidelijk is. Ook geven professionals aan te weinig tijd te hebben om hun interventies voor erkenning in te dienen. Verbeterpunten zijn onder andere: stel de eisen voor onderzoek van effectiviteit bij en breng de meerwaarde van erkenning voor interventie-eigenaren sterker naar voren. Uit aanvullend onderzoek op het terrein van gezondheidsbevordering blijkt dat specifieke aandacht nodig is voor de vraag 'wat werkt voor wie onder welke omstandigheden?' Maak dus explicieter waar erkende interventies uit bestaan en wat ze veronderstellen van de lokale context. En bied een breder palet aan leeren verbeterprocessen, zoals ondersteuning van professionals, om het functioneren van de gezondheidsbevordering te verbeteren. Dit blijkt uit de evaluatie die in 2011 is uitgevoerd naar het proces en resultaat van het erkenningstraject voor interventies.
Jaar: 2012
Onderzoek
Documenten: 1
Estimated global mortality associated with the first 12 months of 2009 pandemic influenza A H1N1 virus circulation: a modelling study | RIVM
Jaar: 2012
Onderzoek