Naar inhoud
Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu

Inter-laboratory comparison of the determination of PM10 in ambient air using filter sampling and weighing | RIVM

Jaar: 2013 Documenten: 1
In het kader van de implementatie van haar referentiefunctie voor luchtkwaliteitsmetingen in Nederland heeft RIVM een vergelijkingsonderzoek georganiseerd voor het meten van fijnstof (PM10) m.b.v. de zogenaamde referentiemethode. Bij deze metingen wordt gedurende 24 uur een bekend volume lucht door een filter gezogen, waarvan de massa voor en na monsterneming wordt bepaald. Dergelijke metingen vormende basis voor alle metingen van PM10 met automatische meetapparatuur, waarvan de resultaten worden gebruikt voor informatie van burgers en de berekening van kengetallen voor rapportage, bijvoorbeeld aan het Ministerie van Infrastructuur en Milieu Zes Nederlandse luchtmeetnetten en het Belgische VMM hebben met goede resultaten deelgenomen aan dit onderzoek. Alle meetnetten meten hierbij conform de Europese norm EN 12341. Van alle resultaten blijkt 96 procent een zogenaamde z-score te hebben die als "goed" kan worden geclassificeerd. Slechts 0,6 procent krijgt als kwalificatie "onacceptabel" De berekende uitgebreide meetonzekerheid (95 procent) bedraagt 2,5 µg/m3 bij een 24-uursgemiddelde concentratie van 16 µg/m3, d.w.z., 16 procent, waar bij het niveau van de grenswaarde voor 24-uursgemiddelde metingen van 50 µg/m3 een eis geldt van maximaal 25 procent. Dit impliceert dat de deelnemende meetnetten een niveau van kwaliteitscontrole hanteren dat voldoende is om aan de in EN 12341 gestelde eisen te voldoen. De verschillen in de implementatie van de referentie-methoden (type filter, vorm van filter-conditionering, gebruik van al dan niet gekoelde filteropslag) blijken hierop niet of nauwelijks van invloed Tenslotte mag uit de goede vergelijkbaarheid tussen de meetnetten worden afgeleid dat een basis bestaat voor de uitwisselbaarheid van meetgegevens tussen deze meetnetten.