Tobacco smoke-related health effects induced by 1,3-butadiene and strategies for risk reduction | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Resultaten Voedselconsumptiepeiling 2007-2010. Wat, waar en wanneer eten we? | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Welding and lung cancer in a pooled analysis of case-control studies | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Travel and non-travel associated rabies post exposure treatment in New South Wales residents, Australia, 2007-2011: a cross-sectional analysis | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Lung cancer risk among hairdressers: A pooled analysis of case-control studies conducted between 1985 and 2010 | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Circulating soluble CD27 and CD30 in workers exposed to 2,3,7,8-tetrachlorodibenzo-p-dioxin (TCDD) | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Driving factors of influenza transmission in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
High risk of tick bites in Dutch gardens | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Lung cancer risk and past exposure to emissions from a large steel plant | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Determining the safety of microorganisms-introduction and overview | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Clarithromycin increases linezolid exposure in multidrug-resistant tuberculosis patients | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Water management for disease vector control | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Legionnaires' disease associated with a car wash installation | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Tularaemia in a brown hare (Lepus Europaeus) in 2013: First case in the Netherlands in 60 years | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Response to "On gestational weeks and maths" | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Antibiotic resistance in relation to starter cultures and probiotics | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
National study of Newborn Hearing Screening: Programme sensitivity and characteristics of undetected children | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Identification of interleukin-1 beta, but no other inflammatory proteins, as an early onset pre-eclampsia biomarker in first trimester serum by bead-based multiplexed immunoassays | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Methode om een veilige limiet voor allergie door haarverf vast te stellen Het gebruik van haarverf is in principe veilig. Wel bevat dit product stoffen die bij sommige mensen allergische reacties kunnen veroorzaken, zoals jeuk, roodheid en zwellingen van de huid. Zo reageert een klein percentage (0,2 tot 1 procent) van de consumenten op de stof p-phenylenediamine (PPD) in permanente haarverf. Haarverf-allergie kan in sommige gevallen ernstig zijn. Het RIVM heeft daarom geprobeerd te bepalen bij welke concentratie het gebruik van PPD niet meer zal leiden tot allergische reacties bij consumenten. Uit het onderzoek bleek dat het niet mogelijk was om deze veilige limiet te berekenen aangezien gegevens over de mate waarin de consument per verfbeurt aan PPD wordt blootgesteld ontbreken. De veiligheid van haarverf wordt gereguleerd in de Europese Cosmetica verordening. PPD is een belangrijk bestanddeel van haarverf om grijs haar goed te kunnen kleuren, maar is ook een erkend allergeen. PPD mag tot een maximum concentratie van 2 procent worden toegevoegd aan haarverf. Deze wettelijke limiet voorkomt echter niet dat sommige mensen een allergische reactie krijgen na gebruik van haarverf. Om een veilige limiet te kunnen bepalen is het nodig om de concentratie waarbij de stof de allergie veroorzaakt, de effectconcentratie, te weten. Er zijn voldoende gegevens over PPD beschikbaar om deze concentratie te bepalen. Daarnaast is het belangrijk om te bepalen in welke mate een consument wordt blootgesteld aan PPD bij het gebruik van haarverf. Als de hoeveelheid waaraan de consument blootstaat hoger is dan de effectconcentratie, kan een allergie ontstaan. Er zijn echter onvoldoende gegevens beschikbaar om de consumentenblootstelling met voldoende zekerheid vast te stellen. Eén van de redenen is dat de verf na een tijdje wordt uitgewassen en het onbekend is hoeveel PPD er in deze periode wordt opgenomen
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Op verzoek van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) heeft het RIVM een overzicht gemaakt van de branches die impregneermiddelen produceren, importeren, distribueren en op industriële schaal in materialen verwerken. Daarnaast is informatie over impregneermiddelen verzameld, zoals welk soort stoffen hiervoor worden gebruikt, en welke stoffen niet meer zijn toegestaan als impregneermiddel. Ten slotte is informatie verzameld over de naleving en eventuele problemen met de naleving van de Europese stoffenregelgeving. Met impregneermiddelen worden vooral stoffen en middelen aangeduid om materialen, zoals leer, textiel, papier, hout en steen, beter water-, vet- en vuilafstotend of -bestendig te maken. Stoffen die veel gebruikt worden als impregneermiddel zijn fluorkoolstofverbindingen, siliconen en siloxanen, en acrylaat- en andere kunstharsen. Impregneermiddelen worden op industriële schaal gebruikt in de textiel-, tapijt-, leer-, papier-, betonproducten- en houtverwerkende industrie en in industriële wasserijen. De fabrikanten van fluorkoolstofverbindingen en siliconen bevinden zich hoofdzakelijk buiten Nederland. Uit de inventarisatie blijkt dat producenten en importeurs de registratieverplichting van stoffen goed naleven. Brancheverenigingen van industriële gebruikers van impregneermiddelen geven aan dat leveranciers hun stoffen en het gebruik ervan zo goed als altijd hebben geregistreerd. Als dit niet het geval is, wenden zij zich tot een leverancier die de stof en het gebruik wel heeft geregistreerd. Daarnaast ervaren industriële gebruikers geen problemen als stoffen niet meer zijn toegelaten, omdat ze hiervoor tijdig alternatieven krijgen aangeboden. De algemene Veiligheidsinformatiebladen die verplicht worden bijgeleverd bij gevaarlijke stoffen en mengsels, worden zowel door producenten en industriële gebruikers vaak te ingewikkeld en te weinig sectorspecifiek gevonden. De branches geven aan vooral gebruik te maken van sectorspecifieke arbocatalogi over veilig werken met gevaarlijke stoffen. Deze informatie is verzameld op basis van literatuuronderzoek, interviews met brancheverenigingen en een bijeenkomst met inspecteurs.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Natural sources of atmospheric aerosols influencing air quality across Europe | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Global mortality estimates for the 2009 influenza pandemic from the GLaMOR project: a modeling study | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Validation of a food quantification picture book targeting children of 0-10 years of age for pan-European and national dietary surveys | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Is retirement good for your health? A systematic review of longitudinal studies | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Spatiotemporal dynamics of emerging pathogens in questing Ixodes ricinus | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Outbreak of respiratory syncytial virus infections in a nursing home and possible sources of introduction: the Netherlands, winter 2012/2013 [Letter to the editor] | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
A decision support tool to compare waterborne and foodborne infection and/or illness risks associated with climate change | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Tabaksfabrikanten voegen additieven aan tabaksproducten toe om het product te verbeteren. Additieven worden meestal toegevoegd als smaakstof, ze kunnen de eigenschappen van een product optimaliseren (zoals de houdbaarheid) en het product een eigen karakter geven. Daarmee maken ze het tabaksproduct aantrekkelijker om te consumeren. Additieven kunnen echter als bijeffect hebben dat ze de gezondheid van de consument schaden. Ze maken het tabaksproduct, dat giftig en verslavend is, namelijk aantrekkelijker om te gebruiken. Bovendien kunnen verbrandingsproducten van additieven zelf giftig zijn of zelfs verslavend. Bij de productie van tabaksproducten voor de Nederlandse markt worden 1077 verschillende additieven gebruikt. Van alle tabaksproducten bevatten sigaretten de meeste additieven; gemiddeld 30% van een sigaret bestaat uit additieven. Daarvan wordt 5 procent aan tabak toegevoegd, 25 procent aan het filter en papier. Aan tabak worden vooral de smaakstoffen suiker, cacao en vanilline toegevoegd. Ook de tabaksbevochtigers glycerol en propyleenglycol worden hiervoor veel gebruikt. Andere toevoegingen aan tabak zijn bindmiddelen en vulstoffen, die zowel in grote hoeveelheden toegevoegd als in veel verschillende merken worden gebruikt. Aan het filter en papier worden vooral filtermaterialen, vulstoffen, lijmen, kleurstoffen en weekmakers toegevoegd. Tabaksfabrikanten (en -importeurs) zijn wettelijk verplicht ieder jaar voor elk tabaksproduct alle additieven op te geven, inclusief de hoeveelheden, functies en gezondheidseffecten. Dit rapport is het resultaat van de analyse van deze gegevens over het jaar 2011, uitgevoerd door het RIVM. Dit is de tweede keer dat het RIVM de additieven in tabaksproducten verkennend geïnventariseerd heeft; eerder gebeurde dat in 2010. Als ook de gegevens over 2012 en 2013 geanalyseerd zijn, zal het RIVM een meerjarenanalyse doen om trends in het gebruik van additieven in diverse producten en productsoorten, zoals sigaretten, sigaren en cigarillos, zichtbaar te maken.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
In de fysieke omgeving is nog veel gezondheidswinst te behalen. Deze winst kan geboekt worden als het ministerie van Volksgezondheid Welzijn en Sport (VWS) geregeld optreedt als katalysator bij beleidsterreinen zoals milieu en ruimtelijk ontwerp. De meeste gezondheidswinst is te behalen met een integrale aanpak die aandacht heeft voor de samenhang tussen de diverse milieu- en omgevingsfactoren. Op verzoek van het ministerie van VWS heeft het RIVM een oriëntatie gemaakt van de beleidsmatige inzet die VWS op het terrein van de medische milieukunde (MMK) kan ontwikkelen. Het is uitdrukkelijk een verkenning, zowel voor wat betreft de inhoudelijke impact van de fysieke omgeving op gezondheid als voor wat betreft de beleidsmatige keuzes die hieruit voort komen. Om tot een afweging van beleidskeuzes te komen is een inventarisatie gemaakt van de gezondheidseffecten van MMK-thema's, zowel in de reguliere fase als in de 'warme fase' (ten tijde van een milieugerelateerde crisis). Als secundaire criteria zijn ook (maatschappelijke) actualiteit en de mate waarin VWS een rol kan spelen op deze terreinen meegewogen. Beleidsmatig is MMK namelijk sterk verbonden met taken van andere departementen, zoals het ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM), het ministerie van Binnenlandse zaken en Koninkrijkrelaties (BZK), het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW), het ministerie van Economische Zaken (EZ) en het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW). De conclusie dat veel MMK-thema's in de praktijk met elkaar verbonden zijn, leidt ertoe dat VWS zich - samen met partijen uit het veld (departementen, gemeenten en GGD'en) - zou moeten toeleggen op het onderling verbinden van belangen. In de praktijk betekent dit het, vanuit een gezondheidsperspectief, actief bijdragen aan het verwezenlijken van de ambities van anderen. Gegeven de complexiteit en ambiguïteit van de het MMK-veld is het tevens van belang om te zorgen voor een breder maatschappelijk draagvlak, resulterend in risk governance.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Een grensmassastroom is een maat die aangeeft welke hoeveelheid van een stof een bedrijf maximaal per uur mag uitstoten. Ze worden gebruikt bij de vergunningverlening voor emissies van stoffen. Het RIVM heeft onderzocht of de grensmassastromen bij de toelating van stoffen in de lucht voldoende beschermen tegen de risico's van zeer zorgwekkende stoffen. Het blijkt dat voor meer dan 99 procent van deze stoffen de bestaande grensmassastromen voldoende beschermen tegen schadelijke effecten. Bij de overige stoffen blijft de maximale overschrijding beperkt (minder dan een factor 10). Zeer zorgwekkende stoffen zijn onder andere kankerverwekkende stoffen en stoffen die slecht afbreken, ophopen in organismen en giftig zijn (persistent, bioaccumulerend en toxisch, oftewel PBT-stoffen). Voorbeelden van zeer zorgwekkende stoffen zijn het oplosmiddel benzeen of gebromeerde brandvertragers. Grensmassastromen worden gebruikt bij een eerste, eenvoudige beoordelingsstap voor de vergunningverlening van luchtemissies door bedrijven. Als de emissie van een bedrijf de grensmassastroom niet overschrijdt, is voor de vergunningverlening geen uitgebreide risicobeoordeling van deze emissie nodig. De bestaande grensmassastromen zijn tot nu toe vooral gebaseerd op de mate waarin zuiveringstechnieken in staat zijn een stof te verwijderen. Om te toetsen of de huidige grensmassastromen inzetbaar blijven onder de nieuwe Omgevingswet, is vanuit toxicologisch oogpunt onderzocht in hoeverre ze veilig kunnen worden gebruikt. Hiervoor is de toxiciteit van zeer zorgwekkende stoffen vergeleken met de maximaal denkbare luchtconcentratie in de leefomgeving op basis van de bestaande grenswaarden. Omdat de gebruikte schattingen vanuit worst-case-situaties zijn berekend, worden negatieve effecten niet waarschijnlijk geacht.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is sinds 2009 van kracht. Het heeft tot doel de luchtkwaliteit te verbeteren ten behoeve van de volksgezondheid en tegelijkertijd ook ruimte te bieden voor bouwprojecten en infrastructuur. In het NSL werken de Rijksoverheid en decentrale overheden samen om te zorgen dat Nederland tijdig aan de grenswaarden voor fijn stof en stikstofdioxide voldoet. Om de voortgang te volgen en tijdig eventuele extra maatregelen te kunnen nemen, is aan het NSL een monitoringsprogramma verbonden. De monitoring is neergelegd bij Bureau Monitoring, en wordt uitgevoerd door het RIVM en Kenniscentrum InfoMil. Concentraties gedaald, overschrijdingen hardnekkig Uit het monitoringsprogramma blijkt dat de gemiddelde concentraties fijn stof en stikstofdioxide waar de bevolking aan wordt blootgesteld de afgelopen jaren zijn gedaald. In het grootste deel van Nederland liggen de concentraties onder de grenswaarden. Wel blijft in sommige gebieden, voor beide stoffen, sprake van een beperkt aantal hardnekkige overschrijdingen. Zo worden de grenswaarden voor fijn stof bij veehouderijen en langs wegen in gebieden met intensieve veehouderij of industrie lokaal overschreden. Hierdoor is Nederland er niet in geslaagd om in 2012 overal aan de Europese norm voor fijn stof te voldoen; 2012 is het eerste volledige jaar waarvoor deze norm geldt. Wat stikstofdioxide betreft moet Nederland in 2015 aan de grenswaarden voldoen. Daarvoor worden eveneens nog overschrijdingen berekend, vooral op binnenstedelijke wegen in de Randstad met veel verkeer. Onzekerheden en risico's Verder liggen de berekende concentraties fijn stof en stikstofdioxide op veel locaties maar net onder de grenswaarde. Dit maakt het aantal overschrijdingen gevoelig voor onzekerheden in de berekeningen en voor een geringe stijging van de concentraties. Als die gevoeligheden in de berekeningen worden ingecalculeerd, kan het aantal toetspunten met overschrijdingen van stikstofdioxide in 2015 tot tien keer hoger uitvallen dan onder de huidige aannames is berekend. Kwaliteit lokale invoergegevens Uit een steekproef blijkt dat de meeste gegevens voor de monitoring conform de wettelijke voorschriften zijn ingevoerd. Er zijn wel aandachtspunten: vooral daar waar wegbeheerders geen overschrijdingen verwachten, worden gegevens minder vaak aan verbeterde inzichten aangepast en soms minder zorgvuldig ingevoerd. Daardoor bieden de monitoringsresultaten in deze gebieden mogelijk geen representatief beeld van de luchtkwaliteit.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Aantal overschrijdingen NO2-grenswaarde deels gevolg van tegenvallende verkeersemissies Sinds de jaren negentig van de vorige eeuw gelden zogeheten Euro-normen voor personenauto's en vrachtwagens om de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen te verminderen. Uit nationaal en internationaal onderzoek is gebleken dat de feitelijke emissie van stikstofoxiden (NOx) door verkeer minder daalt dan volgens de Euro-normen voor auto's werd verwacht. De grenswaarde voor stikstofdioxide (NO2) in de buitenlucht wordt in 2015 in Nederland volgens de huidige berekeningen op circa 150 locaties overschreden. Er zouden in 2015 vrijwel geen overschrijdingen zijn als de feitelijke uitlaatemissies van personenauto's en vrachtwagens zo sterk zouden zijn gedaald als volgens de Euro-normen de bedoeling was. De onzekerheid in de schatting van het aantal locaties is overigens groot omdat honderden locaties net onder of net boven de grenswaarde liggen. Dit onderzoek is uitgevoerd door het RIVM, het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) en TNO. De Euro-normen zijn belangrijke instrumenten in Europa om de concentraties stikstofdioxide onder de grenswaarde te brengen. Ze zijn door de jaren heen steeds strenger geworden. Om te controleren of de uitlaatgassen van auto's voldoen aan Euro emissie-eisen, worden ze onder laboratoriumomstandigheden getest. De afgelopen jaren is gebleken dat personenauto's en vrachtwagens rijdend op diesel in de praktijk meestal veel meer stikstofoxiden uitstoten dan op basis van de laboratoriumtests werd verwacht. Dit effect heeft ook invloed op de totale uitstoot van stikstofoxiden in Nederland. Volgens de verwachte emissies zou de totale stikstofoxidenuitstoot van het wegverkeer in 2015 in Nederland ongeveer 50 miljoen kilogram zijn. Op basis van de feitelijke emissies wordt dat getal 50 procent hoger geschat, ongeveer 74 miljoen kilogram.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
De klimaatverandering zal naar verwachting de komende decennia in Nederlandse steden meer perioden van hitte en droogte veroorzaken. Ook zullen intensievere regenbuien optreden die wateroverlast met zich meebrengen. Uit onderzoek van het RIVM blijkt dat sommige Europese steden effectief beleid hebben ontwikkeld voor de aanleg van parken, groenstroken en stadslandbouw in de stad om deze effecten te verminderen. Dit beleid wordt echter vaak 'ad-hoc' en geïsoleerd geïmplementeerd. Landen en steden zouden meer van elkaars ervaringen kunnen leren. Het onderzoek geeft een overzicht van wat steden zelf rapporteren als lokale en gemeenschappelijke succesfactoren voor groene ruimte en stadslandbouw. Op basis daarvan schetst het RIVM hoe de Nederlandse overheid, lokale overheden, burgers en marktpartijen effectief kunnen werken aan (meer) groen in de stad. In Duitsland bijvoorbeeld heeft nationale regelgeving voor het behoud van natuur het voor lokale overheden gemakkelijker gemaakt om groenmaatregelen te implementeren. Een goede samenwerking tussen lokale overheid, burgers, en soms ook private partijen, die wordt bekrachtigd door bindende afspraken, blijkt een andere succesfactor bij de aanleg van groen in steden. De aanleg van groen is in Freiburg, Berlijn, Faenz, Malmö, Linz en London gestimuleerd door groenaanleg op te nemen in bestemmingsplannen, de bouw van duurzame wijken of contracten tussen de gemeente en woningbouwcorporaties. In Manchester, Lyon en Parijs is actief ingezet op stadslandbouw, als onderdeel van groenbeleid of om gezond, duurzaam geproduceerd voedsel voor iedereen beschikbaar te stellen. Vaak waren er triggers om deze veranderingen door te voeren, zoals de hereniging in Berlijn, de Olympische Spelen in Londen en de voorspelde toekomstige wateroverlast in Malmö. Overheden kunnen groenbeleid stimuleren door te faciliteren dat partijen die betrokken (kunnen) zijn bij de implementatie ervan kennis, informatie en ervaringen uitwisselen.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM) meet sinds 1992 de nitraatconcentraties in het bovenste grondwater om de effecten van overheidsbeleid op de concentraties in beeld te brengen. De hoogte van de gemeten nitraatconcentraties is afhankelijk van het weer, vooral van de hoeveelheid neerslag in de voorafgaande jaren. Na een aantal regenrijke jaren is de nitraatconcentratie door verdunning bijvoorbeeld meestal lager dan normaal. Het RIVM verwerkt deze weerseffecten in de meetresultaten, zodat de effecten van het beleid nauwkeuriger zichtbaar zijn. Dit wordt gedaan met een rekenmodel. SWAP-model geschikter voor indexcontratie Tot op heden gebruikt het RIVM voor de berekening van de indexconcentraties het zelf ontwikkelde model ONZAT, een model dat berekent in welke mate stoffen door de bodem naar en in het bovenste grondwater worden getransporteerd. ONZAT wordt echter niet meer verder ontwikkeld of onderhouden. Hierdoor ontstond de behoefte bij het RIVM om over te stappen op een algemener gebruikt model. Na vergelijking van enkele modellen komt het zogeheten SWAP-model (Soil, Water, Atmosphere and Plant) als het meest geschikt naar voren als vervanging voor ONZAT. De migratie van het ONZAT-model naar SWAP blijkt geen significant effect te hebben op de weerscorrectie van de nitraatmetingen, ondanks de verschillen tussen de modellen.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Tussen mei 2011 en oktober 2012 heeft het Landelijk Centrum Hygiëne en Veiligheid (LCHV) bij 29 justitiële inrichtingen adviezen gegeven om het risico op de verspreiding van infectieziekten te verminderen. Dit is gedaan op basis van de hygiënerichtlijnen van het LCHV. Uit onderzoek van het RIVM blijkt dat deze adviezen de hygiëne aanzienlijk hebben verbeterd op het gebied van gezond binnenmilieu, de schoonmaak en desinfectie en de hygiëne rond de medische zorg in de justitiële inrichtingen. Voorbeelden van genomen maatregelen zijn: reiniging van de ventilatieroosters, de algehele schoonmaak van gebouwen, verbetering van de handhygiëne en onderhoud aan sterilisatieapparatuur. Op het gebied van infectiepreventie in de openbare gezondheidszorg hebben GGD's een belangrijke taak in de uitvoering van technische hygiënezorg. Het is dan ook van belang dat de infectiepreventiemaatregelen die de adviseurs technische hygiënezorg (THZ-adviseurs) adviseren zo goed mogelijk geïmplementeerd worden in het dagelijks handelen binnen de justitiële inrichtingen. Om te onderzoek welke werkwijze het meest effectief is, heeft het LCHV twee methoden gebruikt om de adviezen over te brengen: een advies op papier in de vorm van een rapport, en een advies op papier dat gepaard gaat met persoonlijke begeleiding. De veronderstelling is dat de persoonlijke begeleiding van THZ-adviseurs meerwaarde heeft om het gedrag van de medewerkers te veranderen. Dit onderzoek heeft nog niet kunnen aantonen of dat het geval is. Aanbevolen wordt de discussie over de wijze waarop de adviezen zo goed mogelijk geïmplementeerd kunnen worden, voort te zetten.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Performance indicators for major accidents - Lessons from incident analysis | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
De concentraties fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) op drie permanente meetlocaties in de omgeving van Hilversum voldoen in 2012 aan de normen; deze meetpunten liggen in Hilversum, Bussum en Laren en zijn representatief voor de omgeving van Hilversum. De resultaten van 2012 komen overeen met die van 2009 tot en met 2011. Dit blijkt uit de resultaten van luchtkwaliteitsmetingen van het RIVM. Dit onderzoek is uitgevoerd in opdracht van de gemeente Hilversum om gegevens te leveren over de luchtkwaliteit voor het Integraal BereikbaarheidsPlan (IBP) Hilversum. Het IBP is ingesteld om de doorstroom van verkeer in en rond Hilversum te verbeteren. In 2008 werd gestart met metingen van fijnstof. Vanaf voorjaar/zomer 2009 zijn daar metingen van stikstofoxiden aan toegevoegd. De concentraties op drukke wegen in Hilversum en Bussum worden vergeleken met die van een locatie in Laren met weinig verkeer. Op deze manier wordt een indruk verkregen van de mate waarin verkeer bijdraagt aan luchtverontreiniging in de periode waarin maatregelen voor het IBP Hilversum worden uitgevoerd. In 2012 verschilden de daggemiddelde fijnstofconcentraties op de drie stations onderling niet betekenisvol. De concentratieniveaus zijn vergelijkbaar met die van andere stedelijke meetstations van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit (LML). De concentratie van stikstofoxiden varieerde over de dag; de hoogste waarden werden tijdens de ochtendspits gemeten, en dan vooral op stations met veel verkeer. De jaargemiddelde stikstof(di)oxidegehaltes op de stations van het IBP Meetnet zijn iets lager dan die van gelijksoortige type stations van het LML. Aangezien de resultaten sterk overeenkomen met voorgaande jaren wordt het meetnet vanaf 2013 beperkt tot twee meetlocaties, in Hilversum en Laren. Gedurende vijf jaar worden hier nog metingen verricht om ontwikkelingen in de luchtkwaliteit te kunnen volgen.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Predicting asthma in preschool children with asthma-like symptoms: Validating and updating the PIAMA risk score | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
General practitioners' contribution to the management of community-acquired pneumonia in the Netherlands: a retrospective analysis of primary care, hospital, and national mortality databases with individual data linkage | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Lage hepatitis B-titer bij gezondheidsmedewerker: extra vaccinatie of niet? | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Blootstelling aan Borrelia miyamotoi door tekenbeten | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Hen's egg, not cow's milk, sensitization in infancy is associated with asthma: 10-year follow-up of the PIAMA birth cohort [Letter to the editor] | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Hepatitis C virus infection: spread and impact in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
The expanding list of zoonotic influenza viruses | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Vegetatie en bodemomstandigheden zijn belangrijk in de transmissie van Q-koorts | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Een patiënt met een bijt- of prikaccident | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
RSV vaccine in development: assessing the potential cost-effectiveness in the Dutch elderly population | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Air Pollution Exposure and Lung Function in Children: The ESCAPE Project | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Strategisch onderzoek RIVM jaaroverzicht 2012 Het RIVM brengt jaarlijks verslag uit van het onderzoeksprogramma van het instituut, het Strategisch Onderzoek RIVM (SOR). Dit onderzoeksprogramma is bedoeld om te voorzien in de expertise en kwaliteit om nu en in de toekomst de taken voor de opdrachtgevers adequaat uit te kunnen voeren. SORprojecten worden in een cyclus van vier jaar uitgevoerd. De jaarrapportage 2012 omvat het tweede jaar van de vierjarige cyclus van SOR 2011-2014. Per project is aangegeven wat de doelstelling is, de voortgang en de maatschappelijke relevantie van de behaalde resultaten. Daarnaast waren er nog doorlopende projecten uit de voorgaande SOR-ronde 2007 - 2010. De genoemde aantallen en bedragen hebben betrekking op alle lopende SORprojecten. Er zijn 85 publicaties verschenen in peer-reviewed tijdschriften en er zijn daarnaast nog 100 publicaties ingediend. Van de verschenen publicaties zijn er 70 waarvan een RIVM-medewerker eerste, tweede of laatste auteur is. Daarnaast is een groot aantal andere producten gerealiseerd: 19 (brief)rapporten, 93 lezingen op internationale congressen, 30 instrumenten (bijvoorbeeld modellen), 12 databases, 8 websites en 1 patent. De wetenschappelijke impact van de publicaties wordt gemeten aan de hand van een vooraf vastgestelde lijst met referentietijdschriften. De uitkomst van deze vergelijking is in 2012 een bovengemiddelde score. In 2012 is ongeveer 13,6 miljoen euro aan SOR besteed.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
De klimaatverandering zal naar verwachting de komende decennia in Nederlandse steden meer perioden van hitte en droogte veroorzaken. Ook zullen intensievere regenbuien optreden die wateroverlast met zich meebrengen. Uit onderzoek van het RIVM blijkt dat sommige Europese steden effectief beleid hebben ontwikkeld voor de aanleg van parken, groenstroken en stadslandbouw in de stad om deze effecten te verminderen. Dit beleid wordt echter vaak 'ad-hoc' en geïsoleerd geïmplementeerd. Landen en steden zouden meer van elkaars ervaringen kunnen leren. Het onderzoek geeft een overzicht van wat steden zelf rapporteren als lokale en gemeenschappelijke succesfactoren voor groene ruimte en stadslandbouw. Op basis daarvan schetst het RIVM hoe de Nederlandse overheid, lokale overheden, burgers en marktpartijen effectief kunnen werken aan (meer) groen in de stad. In Duitsland bijvoorbeeld heeft nationale regelgeving voor het behoud van natuur het voor lokale overheden gemakkelijker gemaakt om groenmaatregelen te implementeren. Een goede samenwerking tussen lokale overheid, burgers, en soms ook private partijen, die wordt bekrachtigd door bindende afspraken, blijkt een andere succesfactor bij de aanleg van groen in steden. De aanleg van groen is in Freiburg, Berlijn, Faenz, Malmö, Linz en London gestimuleerd door groenaanleg op te nemen in bestemmingsplannen, de bouw van duurzame wijken of contracten tussen de gemeente en woningbouwcorporaties. In Manchester, Lyon en Parijs is actief ingezet op stadslandbouw, als onderdeel van groenbeleid of om gezond, duurzaam geproduceerd voedsel voor iedereen beschikbaar te stellen. Vaak waren er triggers om deze veranderingen door te voeren, zoals de hereniging in Berlijn, de Olympische Spelen in Londen en de voorspelde toekomstige wateroverlast in Malmö. Overheden kunnen groenbeleid stimuleren door te faciliteren dat partijen die betrokken kunnen zijn bij de implementatie ervan kennis, informatie en ervaringen uitwisselen.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM heeft in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Milieu onderzocht hoe de gegevensvoorziening voor de nieuwe Omgevingswet verbeterd kan worden. De wet wordt ingevoerd om besluitvorming over ruimtelijke ontwikkelingen eenvoudiger en beter te maken. Om de doelen van de wet te kunnen realiseren is het van belang dat de gegevensvoorziening op orde komt. Uit het onderzoek blijkt dat de beschikbaarheid, bruikbaarheid en actualiteit van de gegevens die nodig zijn om het effect van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen op de omgeving te kunnen beoordelen niet altijd voldoende is. Ook worden gegevens uit vergunningen en onderzoek dat is gedaan om ruimtelijke plannen en initiatieven te onderbouwen beperkt ontsloten. Het RIVM pleit er daarom voor de gegevensvoorziening in een samenhangend stelsel onder te brengen, waarbij de gegevens via één digitale ingang (website), 'de laan van de leefomgeving', worden ontsloten. Aanbevolen wordt om de relevante gegevens voor de huidige domeinen, zoals lucht, water, geluid en bodem, onder te brengen in 'informatiehuizen' die via de laan aan elkaar worden gekoppeld. Om snel en eenvoudig de mogelijke effecten op de omgeving te kunnen beoordelen is het bovendien raadzaam om een 'voorwasstraat' te ontwikkelen die deze op hoofdlijnen kan aangeven. Hiervoor is het nodig instrumenten als signaalkaarten en screeningtools te ontwikkelen. In aanvulling daarop is het van belang om integrale afwegingskaders te ontwikkelen waarmee de effecten op duurzaamheid, gezondheid en natuurlijk kapitaal getoetst kunnen worden.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Preventing campylobacter at the source: why is it so difficult? | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Secretory phospholipase A2-IIA and cardiovascular disease: a Mendelian Randomization Study | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Connecting the green and brown worlds: allometric and stoichiometric predictability of above- and below-ground networks | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Networking agroecology: integrating the diversity of agroecosystem interactions | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Similar seasonal peak in clustered and unique extra-pulmonary tuberculosis notifications: winter crowding hypothesis ruled out? | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
GGD-arts en bedrijfsarts: de een kan niet zonder de ander | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Dose-to-dose variations with single packages of counterfeit medicines and adulterated dietary supplements as a potential source of false negatives and inaccurate health risk assessments | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Development of a risk assessment tool for contact tracing people after contact with infectious patients while travelling by bus or other public ground transport: a Delphi consensus approach | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Benefit-risk analysis for foods (BRAFO)-executive project summary | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Adapted dietary inflammatory index and its association with a summary score for low-grade inflammation and markers of glucose metabolism: The Cohort study on Diabetes and Atherosclerosis Maastricht (CODAM) and the Hoorn study | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Measurement of the oxidative potential of PM2.5 and its constituents: the effect of extraction solvent and filter type | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Particulate matter beyond mass: recent health evidence on the role of fractions, chemical constituents and sources of emission | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Slow accumulation of mutations in Xpc-/- mice upon induction of oxidative stress | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Exposure to aircraft and road traffic noise and associations with heart disease and stroke in six European countries: a cross-sectional study | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Outbreaks of emerging infectious diseases | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
De 'Staat van zoönosen 2012' geeft een overzicht van de mate waarin diverse zoönosen in het verslagjaar voorkomen, gecombineerd met de langetermijntrends. Daarnaast bevat het verslag enkele opmerkelijke voorvallen uit 2012. Het jaarlijkse thema is deze keer de zoönosen die in Nederland voorkomen bij dieren die in het wild leven (wildlife zoönosen). Opmerkelijke voorvallen zoönosen uitgelicht Net als in voorgaande jaren vertonen de trends geen uitgesproken ontwikkelingen. Wel waren er in 2012 een aantal opmerkelijke voorvallen, zoals de uitbraak van Salmonella Thompson via besmette gerookte zalm, een uitbraak van papegaaienziekte (psittacose) in een vogelopvang in Rotterdam, en de import van een jonge hond uit Marokko met hondsdolheid (rabiës). Opvallend is ook Clostridium difficile, een bacterie die zowel mensen als dieren ziek kan maken, wat zich voornamelijk uit in diarree. Een bepaald type Clostridium difficile (ribotype 078) komt met toenemende mate voor bij varkens en vormt hiermee mogelijk een zoönotisch risico voor mensen. Ook wordt de stand van zaken weergegeven van het onderzoek naar Chlamydia abortus, een bacterie die bij kleine herkauwers en incidenteel bij zwangere vrouwen abortus veroorzaakt. Hoewel Chlamydia abortus in Nederland veel voorkomt onder melkschapen en melkgeiten, is op dit moment het risico voor de algemene volksgezondheid verwaarloosbaar. Mensen die in direct contact met besmette dieren komen, zoals specifieke beroepsgroepen (mensen die bijvoorbeeld op een boerderij of in een slachthuis werken), lopen echter wel een risico. Thema: wildlife zoönosen Voor dit thema is gekozen omdat wild wereldwijd een belangrijke bron blijkt voor (opkomende) zoönosen. Meer dan 70 procent van de (opkomende) zoönosen in de wereld is afkomstig van wilde dieren en zij kunnen een significante en toenemende bedreiging van de volksgezondheid vormen. Monitoring en surveillance van zoönotische ziekteverwekkers bij wild is daarom een belangrijk instrument om (opkomende) zoönosen snel te kunnen identificeren en maatregelen te treffen. Het themahoofdstuk geeft een overzicht van de diverse onderzoeken die momenteel naar wildlife zoönosen worden uitgevoerd. Er wordt ingegaan op een aantal specifieke zoönotische risico's die wilde dieren in Nederland met zich mee kunnen brengen, zoals de vossenlintworm bij vossen en Trichinella bij wilde zwijnen.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Vitamin C transporter gene (SLC23A1 and SLC23A2) polymorphisms, plasma vitamin C levels, and gastric cancer risk in the EPIC cohort | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Applicability of portable XRF systems for screening waste loads on hazardous substances as incoming inspection at waste handling plants | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Industrieën en veehouderijen gebruiken luchtwassers om ongewenste chemische of organische stoffen, gassen of geuren te verwijderen uit lucht of gas. Onder bepaalde condities (temperatuur en zuurgraad), kan legionella in bepaalde typen natte luchtwassers uitgroeien. Als waternevel het systeem kan verlaten, is niet uit te sluiten dat legionella zich naar de omgeving kan verspreiden. Of legionella daadwerkelijk bij deze luchtwassers groeit en zich verspreidt, moet nader worden onderzocht. Dit blijkt uit literatuuronderzoek en interviews, uitgevoerd door het RIVM. Aanleiding zijn vragen van GGD-en en milieudiensten over mogelijke gezondheidsrisico's voor omwonenden door verspreiding van legionella via natte luchtwassers. Met deze installaties worden ongewenste componenten in de lucht verwijderd door de lucht in contact te brengen met verneveld water. Ook worden hiervoor in sommige typen wassers chemicaliën (zure en basische wassers) of bacteriën (biowassers) aan het waswater toegevoegd. Het waswater wordt vaak opgevangen en hergebruikt. Legionella kan groeien in water als dat een neutrale zuurgraad heeft en een temperatuur van tussen de 20 en 50 graden Celsius. Stofwassers, biowassers en biofilters hebben een neutrale zuurgraad. De temperatuur kan onbedoeld stijgen als de luchtwassers bijvoorbeeld worden opgewarmd door apparaten in de directe omgeving of door een hoge buitentemperatuur. Bij zure luchtwassers met een zuurgraad onder de 4 en basische luchtwassers met een zuurgraad boven de 9 is legionellagroei niet waarschijnlijk. Van de ongeveer 1.500 luchtwassers in de veehouderij bestaat circa 90 procent uit zure wassers met een zuurgraad van 4 of lager, waarin legionellagroei niet waarschijnlijk is. De overige 10 procent bestaat voornamelijk uit biowassers. In deze wassers is groei van legionella niet uit te sluiten als de watertemperatuur in de wassers hoger dan 20 graden Celsius wordt. In de industrie wordt ook gebruikgemaakt van biowassers en stofwassers, waarbij legionella-groei en - verspreiding niet uit te sluiten is. Uit het uitgevoerde onderzoek, kon niet worden vastgesteld bij hoeveel industriële luchtwassers dit het geval is. Dit rapport biedt handvatten voor GGD-en en milieudiensten bij de beantwoording van vragen over legionellarisico's van luchtwassers.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Proper knowledge on toxicokinetics improves human hazard testing and subsequent health risk characterisation. A case study approach | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
N-acetyltransferase 2 phenotype, occupation, and bladder cancer risk: results from the EPIC cohort | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Clinical data on injectable tissue fillers: a review | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Embryoinc stem cell test (EEST): molecular endpoints toward high-throughput analysis of chemical embryotoxic potential | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Levels and functionality of antibodies after pneumococcal conjugate vaccine in schedules with different timing of the booster dose | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
A European perspective on alternatives to animal testing for environmental hazard identification and risk assessment | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Distinction of Staphylococcal cassette chromosome mec type V elements from Staphylococcus aureus ST398 | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Effects of regulated competition on key outcomes of care: Cataract surgeries in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Species richness-phosphorus relationships for lakes and streams worldwide | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Plasma antibodies to oral bacteria and risk of pancreatic cancer in a large European prospective cohort study | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Using risk group profiles as a lightweight qualitative approach for intervention development: an example of prevention of tick bites and lyme disease | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Relating phylogenetic trees to transmission trees of infectious disease outbreaks | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Estimation of dietary intake | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Ulcer, gastric surgery and pancreatic cancer risk: an analysis from the international pancreatic cancer case-control consortium (PanC4) | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Ambient air pollution and low birthweight: a European cohort study (ESCAPE) | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
The contribution of diet and lifestyle to socioeconomic inequalities in cardiovascular morbidity and mortality | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Er waren in 2012 geen grote uitbraken van de meldingsplichtige luchtweginfecties legionellose, psittacose, Q-koorts en tuberculose. Wel duurde de influenza (griep)epidemie van het seizoen 2012/2013 uitzonderlijk lang: met 18 weken was het de langstdurende epidemie in de afgelopen 25 jaar. Mogelijk heeft dit geleid tot meer longontsteking en meer sterfgevallen. Griep en longontsteking leiden jaarlijks tot veel ziekteverzuim en huisartsenbezoeken. Ook zijn ze een belangrijke oorzaak van ziekenhuisopname en sterfte. De meldingsplichtige luchtweginfecties komen veel minder voor dan griep of longontsteking in het algemeen. Ze zijn meldingsplichtig, omdat tijdige maatregelen, zoals de besmettingsbron opsporen, belangrijk kunnen zijn om uitbraken of verdere verspreiding van de ziekte te voorkomen. Het RIVM voert met partners continue surveillance uit om ontwikkelingen in luchtweginfecties tijdig te signaleren. Meldingsplichtige longontstekingen De meldingsplichtige longontstekingen vormen een klein deel van het totaal aantal longontstekingen. In 2012 was het aantal longontstekingen veroorzaakt door de legionellabacterie (veteranenziekte) met 304 meldingen vergelijkbaar met vorig jaar. Bijna de helft van de patiënten had tijdens de incubatietijd een reis gemaakt; vooral bij een reis naar Italië was het risico op een legionella-infectie hoger. Er waren 46 meldingen van psittacose, een vorm van longontsteking waarbij vooral vogels de bron van infectie zijn. Dit is het laagste aantal sinds 2004. Er was echter wel een uitbraak van psittacose bij medewerkers van een vogelopvang. Met slechts 66 meldingen was er weinig acute Q-koorts, wat bevestigt dat de grote Q-koortsepidemie van 2007-2010 voorbij is. In Friesland werden echter meer Q-koortspatiënten gezien dan voorgaande jaren, zonder dat hier een bron van infectie gevonden werd. Tuberculose Het aantal tuberculosepatiënten in Nederland is sinds 2002 met een derde gedaald. Na een tijdelijke toename in 2009 tot 1158 meldingen, zette de daling in de jaren erna door tot 958 meldingen in 2012. Evenals voorgaande jaren is in 2012 bijna driekwart van het aantal tbc patiënten geboren in het buitenland. Vooral onder Somaliërs komt relatief vaak tuberculose voor. Griep In het griepseizoen van 2012-2013 circuleerden er vier verschillende griepvirussen: twee verschillende influenzavirussen type A, en twee soorten influenzavirus type B. De effectiviteit van het influenzavaccin was voor één virustype zeer laag en voor de andere drie soorten virussen redelijk tot goed. Tijdens de influenza-epidemie werd langdurig een verhoogd aantal sterfgevallen waargenomen, dat mogelijk deels aan de griep kan worden toegeschreven.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Determinants affecting pregnant women's utilization of prenatal screening for Down syndrome: A review of the literature | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Comparison of 14 molecular assays for detection of mycobacterium tuberculosis complex in bronchoalveolar lavage fluid | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
The OSIRIS Weight of Evidence approach: ITS for the endpoints repeated-dose toxicity (RepDose ITS) | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Aging on a different scale - chronological versus pathology-related aging | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Maatschappelijke kosten van asthma, COPD en respiratoire allergie | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
The OSIRIS Weight of Evidence approach: ITS for skin sensitisation | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Transfer of noroviruses between fingers and fomites and food products | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Lifestyle, dietary factors, and antibody levels to oral bacteria in cancer-free participants of a European cohort study | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
OSIRIS, a quest for proof of principle for integrated testing strategies of chemicals for four human health endpoints | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Drug treatment of pulmonary nontuberculous mycobacterial disease in HIV-negative patients: The evidence | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Using intervention mapping for the development of a targeted secure web-based outreach strategy named SafeFriend, for Chlamydia trachomatis testing in young people at risk | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Dietary patterns within a population are more reproducible than those of individuals | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Whole genome analysis of epidemiologically closely related staphylococcus aureus isolates | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Toxicogenomics-based identification of mechanisms for direct immunotoxicity | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Effect of HIV and Chlamydia infection on rectal inflammation and cytokine concentrations in men who have sex with men | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Safety and immunogenicity of inactivated poliovirus vaccine based on Sabin strains with and without aluminum hydroxide: a phase I trial in healthy adults | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Expression of human CEACAM1 in transgenic mice limits the Opa-specific immune response against meningococcal outer membrane vesicles | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Measuring protocol wind tunnels : Air Quality. Version july 2013 | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
De luchtkwaliteit in Europa is de afgelopen dertig jaar substantieel verbeterd. Toch blijft luchtverontreiniging, en dan vooral fijn stof, een belangrijke bedreiging voor de volksgezondheid. De laatste jaren is er meer aandacht voor de schadelijke effecten van kleinere deeltjes van fijn stof, bijvoorbeeld PM2.5 (deeltjes met een diameter tot 2,5 micrometer). Aangenomen wordt dat deze kleine deeltjes, zeker op de lange termijn, zeer schadelijk zijn voor de gezondheid. In de Europese Richtlijn uit 2008 over de luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa zijn daarom specifiek grenzen gesteld aan de concentratieniveaus van PM2.5. Zo moeten lidstaten onder andere de gemiddelde blootstelling aan PM2.5 over een periode van drie jaar bepalen, de zogeheten Average Exposure Index (AEI). Afhankelijk van de uitkomst zijn lidstaten vervolgens verplicht in 2018-2020 de gemiddelde blootstelling aan PM2.5 te verlagen. Het RIVM heeft de AEI van 2009 tot en met 2011 berekend op basis van PM2.5-metingen op twaalf stedelijke achtergrondlocaties. De gemiddelde blootstellingsindex (AEI) in de periode 2009-2011 is voor Nederland vastgesteld op 17,0 microgram per kubieke meter. Hieraan is een reductiedoelstelling gekoppeld van 15 procent. Om deze doelstelling te halen moet de gemiddelde blootstellingindex (AEI) in de stedelijke achtergrond in Nederland tussen 2018 en 2020 met circa 2,6 microgram per kubieke meter dalen. Op basis van modelberekeningen met verschillende economische groeiscenario's wordt een reductie berekend van 15 tot 17 procent voor 2018-2020. Daarmee zou Nederland voldoen aan de reductiedoelstelling. Door de marge in deze uitkomst en andere veel grotere onzekerheden in de modelberekening kan de te verwachten reductie zowel hoger als lager uitvallen. Het is belangrijk om de komende jaren te blijven volgen in welke mate de emissie en concentratie van PM2,5 afnemen. Indien nodig kunnen er dan extra maatregelingen worden overwogen.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Unraveling toxicological mechanisms and predicting toxicity classes with gene dysregulation networks | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Consequences of switching from a fixed 2:1 ratio of amoxicillin/clavulanate (CLSI) to a fixed concentration of clavulanate (EUCAST) for susceptibility testing of escherichia coli | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
A tiered approach for the human health risk assessment for consumption of vegetables from with cadmium-contaminated land in urban areas | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Resistance phenotypes and genotypes of methicillin-resistant: Staphylococcus aureus isolates from broiler chickens at slaughter and abattoir workers | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Identification of biomarkers to detect residual pertussis toxin using microarray analysis of dendritic cells | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Lung cancer risk among bakers, pastry cooks and confectionary makers: the SYNERGY study | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Cost-effectiveness of targeted vaccination to protect new-borns against pertussis: comparing neonatal, maternal, and cocooning vaccination strategies | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Incorporating availability/bioavailability in risk assessment and decision making of polluted sites, using Germany as an example | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Possibilities of implementation of bioavailability methods for organic contaminants in the Dutch Soil Quality Assessment Framework | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Snor- en bromfietsen met een verbrandingsmotor zijn in Nederland al jaren het soort voertuig dat mensen als het meest hinderlijk ervaren. Uit verkennend onderzoek van het RIVM blijkt dat dit voor een deel kan worden verklaard doordat dat het geluid als luid (loudness) en ruw (roughness) wordt ervaren. Het feitelijke aantal decibellen (volume) van het geluid is van minder groot belang. Door de aard van het geluid is het waargenomen volume namelijk harder dan het feitelijke aantal decibellen. Daarnaast draagt het negatieve imago van brommers met een verbrandingsmotor bij aan de ervaren hinder. Mensen storen zich aan roekeloos en luidruchtig verkeersgedrag dat bestuurders kunnen vertonen, en de stank van snor- en bromfietsen. Bij hinder is onder andere sprake van irritatie, boosheid en onbehagen. De verkenning is uitgevoerd omdat inzicht in de oorzaken van de hinder door snoren bromfietsen ontbrak. Dit inzicht is relevant voor beleidsmakers die de hinder door deze voertuigen willen terugbrengen. Lokaal probleem Geluidhinder door snor- en bromfietsen blijkt ook een locatie specifiek probleem te zijn. Het komt vooral voor in wijken en buurten waar een hoge milieubelasting wordt ervaren, zoals luchtvervuiling, geluidoverlast en rommel op straat. Specifieker gaat het om de omgeving van uitgaanscentra en in steden nabij een drukke weg. Om deze situatie te verbeteren is het van belang om beleid voor snor- en bromfietsen onderdeel te maken van een lokale wijkaanpak. Daarmee kan het bijdragen aan een verbetering van de leefsituatie in desbetreffende buurten en wijken. Uit de verkenning blijkt echter ook dat deze vorm van hinder hardnekkig is. Een mogelijkheid om de lokale aanpak te ondersteunen lijkt om het aantal snor- en bromfietsen met een verbrandingsmotor terug te brengen. Met welke maatregelen dit het beste kan worden gerealiseerd is een onderwerp voor toekomstig onderzoek.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM heeft een handreiking geschreven waarmee belanghebbenden stap voor stap kunnen bepalen of een chemische stof als "zeer zorgwekkend" wordt aangeduid. Zeer zorgwekkende stoffen zijn onder andere kankerverwekkende stoffen en stoffen die slecht afbreken, ophopen in organismen en giftig zijn (persistent, bioaccumulerend en toxisch, oftewel PBT-stoffen). Voorbeelden zijn het oplosmiddel benzeen of gebromeerde brandvertragers. De handreiking is bedoeld als praktisch hulpmiddel bij het gebruik van een systematiek die het RIVM in 2011 heeft opgesteld. Deze systematiek bevat criteria om te bepalen wanneer een chemische stof als zeer zorgwekkend wordt bestempeld. Hierbij is aangegeven welke internationale regelgeving geraadpleegd moet worden om te achterhalen of een stof aan deze criteria voldoet. Als duidelijk is dat een zeer zorgwekkende stof in Nederland in het milieu aanwezig is of daarin terecht kan komen, wordt een dergelijke stof bestempeld als Nederlandse prioritaire stof. Prioritaire stoffen worden door de overheid met voorrang aangepakt omdat zij zeer gevaarlijk zijn voor mens en milieu. Het streven is om prioritaire stoffen uit de leefomgeving te weren, of tenminste beneden het verwaarloosbaar risiconiveau te brengen (of te houden).
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Evaluation of food and nutrient intake assessment using concentration biomarkers in European adolescents from the Healthy Lifestyle in Europe by Nutrition in Adolescence study | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Contribution of seasonality in transmission of Mycobacterium tuberculosis to seasonality in tuberculosis disease: a simulation study | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Gene expression changes induced by skin sensitizers in the KeratinoSens™ cell line: discriminating Nrf2-dependent and Nrf2-independent events | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Data assimilation and air quality forecasting | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
High malnutrition rate in Venezuelan Yanomami compared to Warao Amerindians and creoles: significant associations WITH intestinal parasites and anemia | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Modeling the European nitrogen budget: Effects of including the bi-directional surface-atmosphere exchange of ammonia | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Validation of biomarkers for distinguishing mycobacterium tuberculosis from non-tuberculous mycobacteria using gas chromatography-mass spectrometry and chemometrics | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Different roles and viewpoints of scientific experts in advising on environmental health risks | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
The association between body mass index status and sick leave and the role of emotional exhaustion: a mediation analysis among a representative sample of Dutch employees | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Trimethoprim-sulfamethoxazole susceptibility of Mycobacterium tuberculosis [Letter to the editor] | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Intake of coffee, decaffeinated coffee, or tea does not affect risk for pancreatic cancer: results from the European prospective investigation into nutrition and cancer study | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Hinder door verkeersgeluid neemt af als mensen beschikken over een stille zijde bij hun woning, oftewel een kant van een woning waar geen lawaaibronnen zijn. Dit vermindert ook het risico op ernstige slaapverstoring. Hinder bestaat uit gevoelens van onder andere afkeer, boosheid en onbehagen die kunnen optreden wanneer geluid iemands gedachten, gevoelens of activiteiten beïnvloedt. Door geluid kunnen ook gezondheidseffecten optreden, zoals slaapverstoring, hoge bloeddruk en hart- en vaatziekten. Beleid dat de aanwezigheid van een stille zijde bij woningen stimuleert kan het risico op hinder en slaapverstoring enigszins verminderen. Dit zijn de belangrijkste resultaten en aanbevelingen van onderzoek van het RIVM naar de invloed van een stille zijde bij woningen op gezondheid en welzijn. Het aantal studies naar dit onderwerp is beperkt, maar de beschikbare resultaten wijzen eenduidig naar een positieve invloed van een stille zijde op hinder en slaapverstoring. De mate van invloed van stille zijden op hinder komt ruwweg overeen met een verlaging van het geluid aan de meest belaste zijde van woningen - doorgaans de voorkant - met 2 tot 8 decibel. In Nederland bestaat er vanwege ruimtegebrek en economische motieven een druk om woningen te bouwen op locaties waar veel verkeersgeluid voorkomt. De geluidregelgeving bevat enkele mogelijkheden om van voorkeursnormen af te wijken, waarvoor het gemeentebestuur doorgaans de belangenafweging maakt. Een geluidbelasting aan de straat of spoorzijde van woningen rond de voorkeursnormen of lager voorkomt gezondheidsklachten door geluid in grote mate. Omdat de voorkeursnormen niet altijd haalbaar worden geacht is het daarnaast aan te bevelen om, stille zijden bij woningen te bevorderen. Hiervoor zou niet alleen aan regelgeving moeten worden gedacht, want wettelijke verplichtingen kunnen niet meer dan een minimale kwaliteit vereisen. Door meer informatie te geven aan gemeenten en projectontwikkelaars over de positieve invloed van stille zijden en de akoestische kwaliteit die daarbij hoort, zullen ook projecten met hoge ambities voor de kwaliteit van de leefomgeving beter worden ondersteund. RIVM beveelt daarom aan om in geluidbeleid geharmoniseerde termen te gebruiken voor verschillen in kwaliteit van een 'stille zijde'. Momenteel gebruiken gemeenten eigen termen met een eigen kwaliteitseis.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
In 2012 waren 30 van de 34 Nationale Referentie Laboratoria (NRL's) in de Europese Unie in staat om hoge en lage concentraties van de Salmonellabacterie in kippenvoer aan te tonen. Van de vier die daar niet in slaagden heeft één NRL de toegestuurde monsters niet ingezet vanwege organisatorische problemen. Drie labs detecteerden onterecht dat er Salmonella in een blanco monster zat (vals positief). Een van deze drie behaalde een matig resultaat als gevolg van een foutieve verwerking van ruwe data. De twee overige laboratoria scoorden ook tijdens de herkansing een vals positief resultaat, mogelijk veroorzaakt door een kruisbesmetting tijdens het onderzoek. Vanwege herhaaldelijk slechte prestaties is een van deze NRL bezocht door het overkoepelend orgaan EURL-Salmonella en zijn enkele verbeterpunten aangereikt. In totaal hebben de laboratoria, afhankelijk van de gebruikte methoden, tussen de 94 en 97 procent van de besmette monsters Salmonella aangetoond. Ringonderzoek verplicht voor Europese lidstaten Dit blijkt uit het tweede dierenvoederringonderzoek dat het Referentie- Laboratorium van de Europese Unie (EURL) voor Salmonella heeft georganiseerd. Het onderzoek is in september 2012 gehouden, de herkansing was in januari 2013. Deelname aan het onderzoek is verplicht voor alle NRL's van de Europese lidstaten die ervoor verantwoordelijk zijn Salmonella op te sporen in diervoeders. Het EURL-Salmonella is gevestigd bij het Nederlandse Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). De laboratoria tonen de Salmonellabacterie aan met behulp van drie internationaal erkende analysemethodes (RVS, MKTTn en MSRV). Vervolgens moeten zij de studie volgens voorschrift uitvoeren. Elk laboratorium krijgt daarvoor een pakket toegestuurd met kippenvoer (vrij van Salmonella) en referentiematerialen, die geen of verschillende besmettingsniveaus van Salmonella Enteritidis bevatten. Het kippenvoer en het referentiemateriaal worden vervolgens samengevoegd en onderzocht. Zogeheten Lenticule discs zijn als referentiemateriaal gebruikt en gaven in voedsel en veterinaire studies goede resultaten. MKTTn significant betere analysemethode De resultaten van dit ringonderzoek onderschrijven het nut om met meerdere analysemethoden te werken. De MKTTn bleek namelijk significant betere resultaten te tonen ten opzichte van RVS en MSRV om Salmonella aan te tonen in het kippenvoer. Dit in tegenstelling tot eerdere ringonderzoeken waarbij andere 'producten' werden onderzocht, zoals gehakt of een andere soort kippenvoer.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Het Nationaal Meetnet Radioactiviteit (NMR) is een waarschuwingsmeetnet voor stralingsongevallen en bestaat uit 167 meetlocaties. Op de meetlocaties staan gammadetectoren die het stralingsniveau van een passerende wolk met radionucliden kunnen bepalen. Het NMR geeft inzicht in de omvang en het verloop van een radioactieve besmetting tijdens een stralingsongeval. In de praktijk staan de gammadetectoren niet op een ideaal groot en leeg grasveld maar staan er objecten zoals bomen en gebouwen in de buurt. Deze objecten beïnvloeden de mate van de radioactieve besmetting of schermen de straling af die afkomstig is van de achterliggende gebieden. Het RIVM heeft een methode ontwikkeld om het totale effect van deze objecten in verhouding tot de ideale situatie te kunnen bepalen, de zogeheten lokale detectie-efficiëntie. Vóór deze studie was niet duidelijk welke objecten relevant zijn en tot welke afstand dat aan de orde is. Op een ideaal grasveld wordt de besmetting tot een afstand van ongeveer 500 meter in een keer gemeten. Uit deze studie blijkt dat het voldoende is de omgeving van elke meetlocatie binnen een straal van slechts 8 meter nauwkeurig in kaart te brengen. Voor dit doel worden foto's van de omgeving gemaakt tijdens het reguliere onderhoud van de meetlocaties. Voor afstanden groter dan 8 meter volstaat een algemene methode die gebruikmaakt van het Geografisch Informatie Systeem (GIS) van het RIVM. Met de algemene methode is al voor elke meetlocatie de lokale detectie-efficiëntie bepaald; in een later stadium moet de informatie over de eerste 8 meter nog daarin worden verwerkt.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Aan sommige voedingsmiddelen wordt rookaroma toegevoegd, zoals rookworst en bepaalde smaken chips. De blootstelling aan rookaroma kan nauwkeuriger worden geschat als de industrie de daadwerkelijke gehalten per product aanlevert. Deze gehalten worden vervolgens gekoppeld aan de hoeveelheid die mensen per dag aan producten consumeren die rookaroma's bevatten. Dit blijkt uit een pilotstudie van het RIVM. Het is van belang om de blootstelling aan rookaroma's te berekenen om na te gaan of die binnen de veilige marge valt. In de huidige methode worden de gegevens over de concentraties verkregen op basis van informatie die de producenten van rookaroma aanleveren over het gebruik ervan in bredere productgroepen (zoals 'vlees en vleesproducten' en 'snacks'). Deze gegevens worden vervolgens geëxtrapoleerd naar de dagelijkse consumptie van de producten uit die volledige productgroepen. Hierdoor wordt vaak een hogere blootstelling aan rookaroma's geschat dan feitelijk het geval is. Meerdere partijen zijn gebaat bij een nauwkeurigere schatting. De risicomanager (het ministerie van VWS) hoeft geen kostbaar monitoringsprogramma op te zetten dat op metingen is gebaseerd. Daarnaast krijgen de blootstellingsdeskundigen de beschikking over nauwkeurigere gegevens. Ten slotte kan de industrie er voordeel bij hebben, als de nauwkeurige berekeningen resulteren in lagere blootstellingsberekening. Het onderzoek is uitgevoerd op initiatief van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en de Federatie Nederlandse Levensmiddelen Industrie (FNLI). De resultaten gelden voor Nederland. De blootstellingschatting kan niet gebruikt worden voor de risicobeoordeling van één type rookaroma. Om dat te kunnen specificeren, is het nodig om te weten hoeveel producten dat rookaroma bevatten. Een voorbeeld is het percentage van een type chips dat een bepaald rookaroma bevat op het geheel aan chipsproducten.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
In 2012 zijn meer mensen ziek geworden van een voedselinfectie of -vergiftiging dan in voorgaande jaren. In totaal zijn 276 uitbraken geregistreerd bij de NVWA en het RIVM, waardoor 2607 mensen ziek zijn geworden. Daarnaast zijn 273 individuele gevallen gemeld. De toename kwam vooral doordat er in 2012 meerdere grote uitbraken van voedselinfecties of -vergiftigingen waren. De grootste en meest opvallende uitbraak was de landelijke uitbraak van Salmonella Thompson (1149 gerapporteerde zieken), die was veroorzaakt door het eten van besmette gerookte zalm. Dit blijkt uit een analyse door het RIVM van de registratiecijfers van voedselinfecties en -vergiftigingen bij de NVWA en het Centrum Infectieziektenbestrijding (CIb) van het RIVM over 2012. Beide instanties registreren voedselinfecties en -vergiftigingen om inzicht te krijgen in de besmette bronnen en de aard van de ziekteverwekkers; de cijfers overlappen gedeeltelijk. De genoemde getallen zijn echter een onderschatting van het werkelijke aantal voedselinfecties en -vergiftigingen, omdat niet iedere zieke naar de huisarts gaat of de NVWA informeert. Naar schatting zijn jaarlijks 680.000 mensen in Nederland ziek door het eten van besmet voedsel. Net als in voorgaande jaren zijn de bacteriën Campylobacter en Salmonella en het norovirus de belangrijkste verwekkers van uitbraken van voedselinfecties. De impact van Salmonella- en norovirus-uitbraken is groter dan die van Campylobacter, aangezien er meestal meer mensen ziek worden van één besmettingsbron met Salmonella of het norovirus. Daarnaast zijn de gevolgen van een Salmonella-besmetting vaak heviger: vrijwel alle gemelde ziekenhuisopnamen die verband hielden met een voedselinfectie waren het gevolg van een Salmonella-infectie (in 2012 79 van de 82), evenals de vier gemelde overledenen. Goede hygiëne en de juiste voorschriften volgen tijdens de productie en bereiding van voedsel zijn maatregelen die in hoge mate beschermen tegen voedselinfecties. Voorbeelden zijn risicovolle producten voldoende verhitten en kruisbesmetting voorkomen, zoals rauwe kip niet in aanraking laten komen met rauw te eten producten. Aandacht voor kennis over en uitvoering van dergelijk gedrag blijft belangrijk. Dit geldt zowel voor de overheid, voedselproducenten, voedselleveranciers, horeca als de consumenten. De NVWA kreeg in 2012 527 meldingen over voedselinfecties binnen, tegenover 363 meldingen in 2011. Nadat het aantal enkele jaren was afgenomen, steeg het hiermee tot het niveau van 2008-2009. Het aantal gerelateerde zieken dat bij de NVWA werd gemeld, was 2776 (in 2011 waren dat er 889). Het aantal meldingen van voedselinfecties bij de GGD, die aan het Centrum voor Infectieziektenbestrijding van het RIVM worden gerapporteerd, bleef gelijk: 43 meldingen, met 1652 zieken.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Statin use and markers of immunity in the doetinchem cohort study | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Lymphogranuloma venereum among men who have sex with men in the Netherlands: regional differences in testing rates lead to underestimation of the incidence, 2006-2012 | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Exploring the zebrafish embryo as an alternative model for the evaluation of liver toxicity by histopathology and expression profiling | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Preventie is vooral succesvol als de maatregel gestructureerd wordt aangeboden, zoals dat nu gebeurt bij de bevolkingsonderzoeken (naar borstkanker bijvoorbeeld) en het Rijksvaccinatieprogramma. Bij een dergelijk programmatisch aanbod zijn de behandelingen voor zover bekend effectief, de kosten en baten in balans, en wordt een groot deel van de doelgroep bereikt. Een groot deel van preventie in de zorg wordt echter niet programmatisch aangeboden. Dat aanbod is sterk versnipperd: een klein en selectief deel van de doelgroep wordt bereikt en de effectiviteit is vaak nog niet aangetoond. Aangenomen wordt dat de effecten van preventie in de zorg sterk verbeteren bij een programmatisch aanbod. Wel moet dan eerst goed worden onderzocht of de interventie op deze manier echt werkt. Het is daarbij raadzaam om niet alleen het gezondheidseffect van de maatregel te onderzoeken, maar ook de maatschappelijke effecten zoals vermindering van school- of werkverzuim. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM naar preventie in de zorg. Dit themarapport is een onderdeel van de Volksgezondheid Toekomst Verkenning (VTV), waarin het RIVM elke vier jaar over ontwikkelingen van de volksgezondheid rapporteert. Het rapport bestaat uit zes verdiepende studies, waaronder rookpreventie in de zorg rond de zwangerschap, vroege opsporing van psychosociale problematiek in de jeugdgezondheidszorg, en het bevolkingsonderzoek naar baarmoederhalskanker. Op basis hiervan is een integrale analyse uitgevoerd naar effecten, kosten en succesfactoren van preventie in de zorg. Factoren die een programmatische uitvoering van preventie in de zorg succesvol maken zijn onder andere: een structurele vergoeding voor degene die de maatregel aanbiedt (bijvoorbeeld de huisarts) en een kosteloze deelname, zoals bij de griepprik. Ook is een goede infrastructuur van belang, die aansluit bij de dagelijkse routine in de praktijk. Verder is het raadzaam de maatregel vanuit de eerste lijn aan te bieden, met de huisarts als spil. Daarnaast is specifieke aandacht nodig voor moeilijk bereikbare risicogroepen. Deze factoren bevorderen dat meer mensen uit de doelgroep aan de maatregel deelnemen.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Risk factors for persistence of livestock-associated MRSA and environmental exposure in veal calf farmers and their family members: an observational longitudinal study | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Population trends and inequalities in incidence and short-term outcome of acute myocardial infarction between 1998 and 2007 | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Vaccination based control of infections in SIRS models with reinfection: Special reference to pertussis | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
A dynamic case definition is warranted for adequate notification in an extended epidemic setting: the Dutch Q fever outbreak 2007-2009 as exemplar | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
The aetiology of community-acquired pneumonia and implications for patient management | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Een langdurige infectie met hoog-risicotypen van het Humaan Papillomavirus (hrHPV) kan voorstadia van baarmoederhalskanker veroorzaken. Vroege opsporing van voorstadia van baarmoederhalskanker door hrHPV-screening als primaire test is, goed te organiseren en uit te voeren. Dit blijkt uit een zogeheten uitvoeringstoets naar dit bevolkingsonderzoek, uitgevoerd door het Centrum voor Bevolkingsonderzoek. De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport gebruikt de toets bij de besluitvorming of het voorgestelde bevolkingsonderzoek wordt ingevoerd. Het voorgestelde bevolkingsonderzoek is bedoeld voor vrouwen van 30 tot en met 60 jaar. Zij worden iedere vijf jaar door de screeningsorganisaties uitgenodigd om bij de huisartsenvoorziening een uitstrijkje te laten maken. Vrouwen die niet reageren, ontvangen een zelfafnameset om zelf lichaamsmateriaal af te nemen. Het afgenomen materiaal wordt getest op de aanwezigheid van hrHPV. Vrouwen van 40 en 50 jaar die hrHPV-negatief getest zijn, krijgen pas na tien jaar een nieuwe uitnodiging. Als hrHPV aanwezig is, wordt gekeken of er ook sprake is van afwijkende cellen (cytologische beoordeling). Afhankelijk hiervan vindt verwijzing naar de gynaecoloog of vervolgonderzoek bij de huisartsenvoorziening plaats. Vrouwen die in aanmerking komen voor vervolgonderzoek, ontvangen een uitnodiging van de screeningsorganisaties. De hrHPV-test en de cytologische beoordeling vinden plaats in een beperkt aantal screeningslaboratoria. Het voorgestelde bevolkingsonderzoek levert extra gezondheidswinst op en de uitvoeringskosten zijn lager dan het huidige bevolkingsonderzoek. De uitvoeringstoets is in samenwerking met de betrokken beroepsgroepen, patiëntenorganisaties, screeningsorganisaties en andere stakeholders tot stand gekomen. Onder hen is voldoende draagvlak om hrHPV-screening en de zelfafnameset in te voeren. Voor de uitvoeringstoets is in kaart gebracht hoe het primaire proces, de organisatie, het kwaliteitsbeleid, de communicatie, de monitoring en evaluatie ingericht moeten worden. Om het voorgestelde bevolkingsonderzoek in te kunnen voeren, is twee jaar voorbereiding nodig. Het opstellen van de kwaliteitseisen, de aanbestedingen en de ICT-ontwikkelingen zijn belangrijke aandachtspunten in de voorbereiding. Het voorgestelde bevolkingsonderzoek wordt direct volledig ingevoerd. Alle vrouwen die in aanmerking komen voor een uitnodiging, krijgen een hrHPV-test aangeboden. Intensieve monitoring van mogelijke nadelige effecten, zoals overbehandeling, is belangrijk.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Characteristics of HPV-specific antibody responses induced by infection and vaccination: cross-reactivity, neutralizing activity, avidity and IgG subclasses | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Meta-analysis of the effectiveness of chronic care management for diabetes: investigating heterogeneity in outcomes | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Health care performance comparison using a disease-based approach: The EuroHOPE project | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
A plea for risk assessment of endocrine disrupting chemicals | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Adult weight change and risk of colorectal cancer in the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Serum concentrations of polybrominated diphenyl ethers (PBDEs) and a polybrominated biphenyl (PBB) in men from Greenland, Poland and Ukraine | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Tetanusprofylaxe na verwonding: Check de indicatie voor vaccinatie én immunoglobuline | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Chronic care management for patients with COPD: a critical review of available evidence | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
De gezondheidsepidemie. Waarom wij gezonder en zieker worden | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Relative validity of a short qualitative food frequency questionnaire for use in food consumption surveys | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Clinical progression of high-grade cervical intraepithelial neoplasia: estimating the time to preclinical cervical cancer from doubly censored national registry data | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Het is mogelijk de neonatale hielprikscreening te implementeren in Caribisch Nederland. Wel zijn hiervoor een goede voorbereiding en een gefaseerde invoering vereist om de kwaliteitseisen van het bevolkingsonderzoek te garanderen. Hetzelfde geldt voor bevestigingsdiagnostiek en follow-up na een afwijkende uitslag. Dit blijkt uit de uitvoeringstoets naar de invoering van deze landelijke screening bij pasgeborenen op Bonaire, Saba en Sint Eustatius, uitgevoerd door het RIVM. De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zal de toets gebruiken bij de besluitvorming of dit bevolkingsonderzoek ook in Caribisch Nederland wordt ingevoerd. De neonatale hielprikscreening is bewezen kosteneffectief en wordt wereldwijd uitgevoerd. Gezien de status van bijzondere Nederlandse Gemeente binnen het Koninkrijk der Nederlanden kunnen de drie eilanden sinds oktober 2010 aanspraak maken op het aanbod van preventie en zorg zoals dat geldt binnen het Koninkrijk. Vanuit de eilanden is in 2011 het verzoek gekomen de neonatale hielprikscreening in te mogen voeren. Na de besluitvorming is minimaal 1 jaar aan voorbereiding nodig om het bevolkingsonderzoek gefaseerd te kunnen invoeren, startend met Bonaire. De neonatale hielprikscreening heeft als doel pasgeborenen op te sporen met een zeldzame - meestal erfelijke - aandoening. De pasgeborene krijgt kort na de geboorte de hielprik aangeboden. Het bloed wordt gescreend op achttien aandoeningen. Het tijdig inzetten van behandeling voorkomt of beperkt ernstige schade aan de lichamelijke en geestelijke ontwikkeling van het kind. De uitvoeringstoets is in nauwe samenwerking met contactpersonen uit Caribisch Nederland en betrokken beroepsgroepen en uitvoeringsorganisaties in Europees Nederland tot stand gekomen. Onder de professionals bestaat een breed draagvlak om de screening in te voeren.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
The relationship between health, education, and health literacy: results from the Dutch adult literacy and life skills survey | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Seroepidemiology of high-risk HPV in HIV-negative and HIV-Infected MSM: The H2M Study | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Het aantal chronisch zieken in Nederland neemt al jaren toe. Het RIVM heeft onderzocht wat de impact hiervan is op maatschappelijke participatie. Het gaat hierbij om de vraag in welke mate chronisch zieken aan het werk zijn, een opleiding volgen, vrijwilligers werk doen of mantelzorg verlenen. Uit het onderzoek blijkt dat de mate waarin mensen maatschappelijk kunnen (blijven) participeren niet zozeer door hun ziekte wordt bepaald, maar vooral door de manier waarop zij hun gezondheid ervaren, de mate waarin ze beperkingen hebben en hun psychische welbevinden. Maatschappelijke participatie bevordert de gezondheid, tenzij de belasting te groot wordt, zoals bij ongunstige arbeidsomstandigheden en het verlenen van mantelzorg. Dan heeft participatie juist een negatieve invloed. Voor kinderen en jongeren belemmert een minder goede gezondheid hun onderwijsparticipatie, al is het verschil met gezonde kinderen klein. Belangrijker is dat jongeren met gezondheidsproblemen minder vaak werken. Voor ouderen is een goede gezondheid van belang om aan het werk te blijven. Gezondheid heeft echter minder invloed op de mate waarin zij aan het werk komen na ontslag of na uitval door hun gezondheid. Slechts weinig ouderen komen dan weer aan het werk, ook al zijn ze gezond. Het RIVM heeft ook onderzocht hoe de participatie van chronisch zieken verbeterd kan worden. Voorbeelden zijn aanpassingen om de werkbelasting te verlagen en therapieën om te leren omgaan met de gevolgen van chronische ziekten. Er is echter weinig bekend over de effectiviteit van de meeste maatregelen. De informatie over gezondheid en maatschappelijke participatie die in dit themarapport verzameld is, is input voor de Volksgezondheid Toekomst Verkenning 2014 (VTV-2014). Sinds 1993 brengt het RIVM elke vier jaar een VTV uit waarin de volksgezondheid in Nederland staat beschreven. Het ministerie gebruikt deze informatie om de landelijke nota Volksgezondheidsbeleid op te stellen.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Unusual increase in reported cases of Paratyphoid A fever among travellers returning from Cambodia, January to September 2013 | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
High Coxiella burnetii DNA load in serum during acute Q fever is associated with progression to a serologic profile indicative of chronic Q fever | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Dietary intake of acrylamide and pancreatic cancer risk in the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition (EPIC) cohort | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Quantifying nitrogen leaching from diffuse agricultural and forest sources in a large heterogeneous catchment | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Meat and heme iron intake and esophageal adenocarcinoma in the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition study | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
In de Landelijke Werkgroep Grondwater (LWG) werken provincies, ministeries, waterschappen, gemeenten en onderzoeksinstituten sinds 2003 aan de implementatie van het grondwatergedeelte van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) en de daaronder vallende Grondwater Richtlijn. In 2011 en 2012 heeft de werkgroep zich erop gericht beleidsvelden te koppelen. Op die manier is kennis gebundeld waarmee het volgende stroomgebiedsbeheersplan, gepland voor 2015, op kan worden gesteld. Deze plannen moeten de kwaliteit van het gronden oppervlaktewater zeker stellen door telkens voor zes jaar een programma van maatregelen op te stellen. In de verslagperiode is onder andere met de betrokken partijen overlegd om de factsheets met gegevens over de grondwaterlichamen in Nederland op uniforme wijze in te vullen. Deze documenten vormen de basis voor de gebiedsbeheersplannen en bevatten informatie over de kwaliteit van de grondwaterlichamen, voorstellen voor de toekomst om die kwaliteit te verbeteren en de manier waarop dat kan worden bereikt. Ook heeft het ministerie in samenwerking met de LWG een protocol ontwikkeld om de huidige kwaliteit van de grondwaterlichamen te duiden (toestand), en de ontwikkelingen daarin op termijn te beoordelen. Het RIVM voert het secretariaat van de LWG en maakt jaarlijks een overzicht van de werkzaamheden. Deze overzichten dienen als naslagwerk voor diegenen die betrokken zijn bij de Werkgroep Grondwater. Daarnaast dient het als informatiebron voor diegenen die aan de slag gaan met activiteiten die voortkomen uit de werkgroep.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Zelfstandig-wonende 70-plussers eten meer ongezonde verzadigde vetzuren en zout en minder volkoren producten, fruit en vis dan aanbevolen. Daarmee gelden voor hen dezelfde aandachtspunten om het voedingspatroon te verbeteren als voor de rest van de bevolking. Eén op de vijf ouderen heeft ernstig overgewicht. Een gezonde voeding en voldoende lichaamsbeweging zijn voor jong en oud van belang om chronische ziekten en beperkingen tegen te gaan. Eén op de vier 70-plussers volgt het advies op om extra vitamine D te slikken. Voldoende vitamine D vermindert het risico op vallen en botbreuken. Dit zijn de resultaten uit onderzoek van het RIVM naar de voeding onder ruim 700 zelfstandig-wonende 70-plussers. De meeste deelnemers waren relatief vitaal. Voeding van 70-plussers Zelfstandig-wonende ouderen eten en drinken vooral thuis. In vergelijking met vijftigers en zestigers eten ze minder vlees, sauzen en graanproducten en drinken ze minder alcoholische dranken. Fruit, suiker en zoetwaren, en smeer- en bereidingsvetten eten zij juist meer. Aan dit onderzoek deden weinig ouderen met functionele beperkingen mee. Zij hebben een lagere inname van energie, eiwit, groente, alcohol, calcium en magnesium en een verhoogd risico op ondervoeding. Gericht onderzoek naar de kwaliteit van de voeding van kwetsbare ouderen is nodig. Gebruik voedselconsumptiegegevens Deze voedselconsumptiepeiling bevat gedetailleerde gegevens over wat, waar en wanneer zelfstandig-wonende ouderen eten en drinken en is onderdeel van het nationale voedingspeilingsysteem. De gegevens dragen bij aan de ontwikkeling van beleid voor gezonde voeding en veilig voedsel, productinnovatie, voorlichting en voedingsonderzoek.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Early life factors and adult mammographic density | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Experimental acute pancreatitis induces mitochondrial dysfunction in rat pancreas, kidney and lungs but not in liver | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Large ongoing measles outbreak in a religious community in the Netherlands since may 2013 | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Molecular epidemiology of human pathogens: how to translate breakthroughs into public health practice, Stockholm, November 2011 | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Coxiella burnetii in sewage water at sewage water treatment plants in a Q fever epidemic area | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Assessment of soil pollution based on total petroleum hydrocarbons and individual oil substances | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Development of methodology for disability-adjusted life years (DALYs) calculation based on real-life data | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Human functioning in lymphoedema | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Propidium monoazide does not fully inhibit the detection of dead campylobacter on broiler chicken carcasses by qPCR | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Syncope and orthostatic intolerance increase risk of brain lesions in migraineurs and controls | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Cancer incidence in Dutch Balkan veterans | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Two cases of Plasmodium falciparum malaria in the Netherlands without recent travel to a malaria-endemic country | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Exploring the zebrafish embryo as an alternative model for the evaluation of liver toxicity by histopathology and expression profiling | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Middle East respiratory syndrome coronavirus neutralising serum antibodies in dromedary camels: A comparative serological study | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Proposal for a unified norovirus nomenclature and genotyping | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Ecologische effecten van elektromagnetische velden | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Differentiating innovation priorities among stakeholder in hospital care | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Response to: Livestock density as risk factor for livestock-associated methicillin-resistant staphylococcus aureus, the Netherlands [Letter to the editor] | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Prospects of elimination of HIV with test-and-treat strategy | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Do obesity and parental history of myocardial infarction improve cardiovascular risk prediction? | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Participants, usage, and use patterns of a web-based intervention for the prevention of depression within a randomized controlled trial | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Exposure modifiers of the relationships between road traffic noise and aircraft noise with high blood pressure (HYENA study) | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Cognitive effects of exposure to traffic-related air pollution and transportation noise in primary schoolchildren | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Community response to aircraft noise: Recent examples from the Netherlands | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
An overview of Dutch airport legislation | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Noise reduction by electric vehicles in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Exploring the development of a decision support system (DSS) to prioritize engineered nanoparticles for risk assessment | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Voor de eerstvolgende Volksgezondheid Toekomst Verkenning (VTV) in 2014 en het Nationaal Kompas Volksgezondheid is een nieuwe selectie gemaakt van de ziekten op basis waarvan de volksgezondheid in Nederland kan worden beschreven. Hiervoor zijn er 59 geselecteerd. Voor deze nieuwe selectie zijn niet alleen veranderende ziektepatronen in Nederland van belang, maar ook veranderingen in maatschappelijke discussies over de gezondheidszorg. Zo gaat het nu bijvoorbeeld ook om maatschappelijke participatie van mensen met een chronische aandoening. De eerste systematische selectie van ziekten is in 1991 gemaakt voor de eerste VTV-editie. De nieuwe selectie is de eerste systematische herselectie sindsdien. Net als de vorige is de nieuwe selectie gebaseerd op sterftecijfers, hoe vaak een ziekte voorkomt, preventie, kosten en beleid. Daarnaast zijn de volgende criteria toegevoegd: de gevolgen voor individu en samenleving, het aantal ziekenhuisopnamen, en belemmeringen voor maatschappelijke participatie van mensen met een chronische aandoening. Ten opzichte van de vorige selectie zijn zestien ziekten verdwenen (zoals maagkanker omdat deze ziekte nu minder vaak voorkomt dan twintig jaar geleden, en verkoudheid omdat de gevolgen ervan voor een individu niet groot zijn). Elf ziekten zijn nieuw in de lijst, zoals burn-out en persoonlijkheidsstoornissen vanwege belemmeringen voor participatie. Sinds 1993 brengt het RIVM elke vier jaar de VTV uit waarin de volksgezondheid in Nederland staat beschreven. Het ministerie gebruikt deze informatie om de landelijke nota Volksgezondheidsbeleid op te stellen. Belangrijke maatstaven voor de volksgezondheid zijn de omvang van ziekten en aandoeningen en de gevolgen hiervan voor patiënt en samenleving.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
High preservation of CpG cytosine methylation patterns at imprinted gene loci in liver and brain of aged mice | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Environmentally-driven dissimilarity of trait-based indices of nematodes under different agricultural management and soil types | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Ability to cause erythema migrans differs between Borrelia burgdorferi sensu lato isolates | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Immunogenicity of 13-valent pneumococcal conjugate vaccine administered according to 4 different primary immunization schedules in infants: a randomized clinical trial | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
ISO standards on test methods for water radioactivity monitoring | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Regulatory scientific advice on non-inferiority drug trials | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Low incidence of livestock-associated methicillin-resistant Staphylococcus aureus bacteraemia in The Netherlands in 2009 | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Allergies and risk of pancreatic cancer: a pooled analysis from the pancreatic cancer case-control consortium | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Diabetes mellitus, insulin treatment, diabetes duration, and risk of biliary tract cancer and hepatocellular carcinoma in a European Cohort | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Personal and environmental characteristics associated with choice of active transport modes versus car use for different trip purposes of trips up to 7.5 kilometers in The Netherlands | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Rodent species as natural reservoirs of Borrelia burgdorferi sensu lato in different habitats of Ixodes ricinus in The Netherlands | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Role of dietary factors in survival and mortality in colorectal cancer: a systematic review | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Immunogenicity of the bivalent human papillomavirus vaccine in adolescents with juvenile systemic lupus erythematosus or juvenile dermatomyositis | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Inactivation or clearance of Coxiella burnetii in rat serum samples to enable safe serological testing | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Mesocosm experiments as a tool for ecological climate-change research | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Pertussis in the Netherlands, is the current vaccination strategy sufficient to reduce disease burden in young infants? | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
The impact of long-term body mass index patterns on health-related quality of life: the Doetinchem Cohort Study | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Effectiveness of meningococcal serogroup C vaccine programmes | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Plasma 25-hydroxyvitamin D concentration and lymphoma risk: results of the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Development of a QRA method to calculate the risks generated by Liquefied Natural Gas (LNG) filling stations for road trucks | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Improving a risk assessment method for CCS | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
De Europese Nitraatrichtlijn verplicht lidstaten om het gebruik van dierlijke mest te beperken tot 170 kg stikstof per hectare. Landbouwbedrijven in Nederland met ten minste 70% grasland mogen onder bepaalde voorwaarden van deze norm afwijken en 250 kg per hectare gebruiken (derogatie). Nederland is verplicht om op 300 bedrijven die derogatie gebruiken, de bedrijfsvoering en waterkwaliteit te meten en deze resultaten jaarlijks aan de EU te rapporteren. Uit de rapportage over 2011 die het RIVM met het LEI in opdracht van het ministerie van Economische Zaken heeft opgesteld, volgt dat de nitraatconcentratie in het grondwater op deze bedrijven tussen 2007 en 2012 gemiddeld is gedaald. Bedrijfsvoering Uit de rapportage blijkt ook dat het stikstofgebruik uit dierlijke mest op de derogatiebedrijven in 2011 gemiddeld enkele kilogrammen lager was dan 250 kg stikstof per hectare. De hoeveelheid stikstof die mogelijk als nitraat kan uitspoelen naar het grondwater, wordt mede bepaald door het stikstofbodemoverschot. Dit is het verschil tussen de aanvoer van stikstof (zoals meststoffen) en de afvoer ervan (waaronder via melk). Het stikstofbodemoverschot is gemiddeld over heel Nederland significant gedaald tussen 2006 en 2011. Grondwaterkwaliteit In 2011 ligt de nitraatconcentratie in het grondwater in de Zandregio met gemiddeld 41 milligram per liter (mg/l) onder de nitraatnorm van 50 mg/l. Bedrijven in de Kleiregio en de Veenregio hebben gemiddeld een lagere nitraatconcentratie (14 en 7 mg/l). Alleen de derogatiebedrijven in de Lössregio zitten gemiddeld met 55 mg/l boven de norm. Het verschil tussen de regio's wordt vooral veroorzaakt door een hoger percentage uitspoelingsgevoelige gronden in de Zand- en Lössregio; dit zijn gronden waar nitraat minder in de bodem wordt afgebroken en daardoor kan uitspoelen naar het grondwater.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
De Europese Nitraatrichtlijn verplicht lidstaten om het gebruik van dierlijke mest te beperken tot 170 kg stikstof per hectare. Landbouwbedrijven in Nederland met ten minste 70% grasland mogen onder bepaalde voorwaarden van deze norm afwijken en 250 kg per hectare gebruiken (derogatie). Nederland is verplicht om op 300 bedrijven die derogatie gebruiken, de bedrijfsvoering en waterkwaliteit te meten en deze resultaten jaarlijks aan de EU te rapporteren. Uit de rapportage over 2011 die het RIVM met het LEI in opdracht van het ministerie van Economische Zaken heeft opgesteld, volgt dat de nitraatconcentratie in het grondwater op deze bedrijven tussen 2007 en 2012 gemiddeld is gedaald. Bedrijfsvoering Uit de rapportage blijkt ook dat het stikstofgebruik uit dierlijke mest op de derogatiebedrijven in 2011 gemiddeld enkele kilogrammen lager was dan 250 kg stikstof per hectare. De hoeveelheid stikstof die mogelijk als nitraat kan uitspoelen naar het grondwater, wordt mede bepaald door het stikstofbodemoverschot. Dit is het verschil tussen de aanvoer van stikstof (zoals meststoffen) en de afvoer ervan (waaronder via melk). Het stikstofbodemoverschot is gemiddeld over heel Nederland significant gedaald tussen 2006 en 2011. Grondwaterkwaliteit In 2011 ligt de nitraatconcentratie in het grondwater in de Zandregio met gemiddeld 41 milligram per liter (mg/l) onder de nitraatnorm van 50 mg/l. Bedrijven in de Kleiregio en de Veenregio hebben gemiddeld een lagere nitraatconcentratie (14 en 7 mg/l). Alleen de derogatiebedrijven in de Lössregio zitten gemiddeld met 55 mg/l boven de norm. Het verschil tussen de regio's wordt vooral veroorzaakt door een hoger percentage uitspoelingsgevoelige gronden in de Zand- en Lössregio; dit zijn gronden waar nitraat minder in de bodem wordt afgebroken en daardoor kan uitspoelen naar het grondwater.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
In 2011 voldeed Nederland aan de Europese verplichting om jaarlijks de hoeveelheid radioactiviteit in het milieu en in voeding te meten. Volgens het Euratom-verdrag uit 1957 zijn alle lidstaten van de Europese Unie verplicht deze metingen jaarlijks te verrichten. Nederland voert daarbij de aanbevelingen uit die in 2000 zijn opgesteld om de metingen volgens een bepaald stramien uit te voeren. De metingen leveren achtergrondwaarden op, oftewel radioactiviteitsniveaus die onder normale omstandigheden aanwezig zijn. Deze waarden kunnen bijvoorbeeld bij calamiteiten of rampen als referentie dienen. Het RIVM rapporteert namens Nederland over radioactiviteit in het milieu aan de Europese Unie. Radioactiviteit gedurende twee radiologische incidenten In 2011 vonden twee radiologische incidenten plaats waarna in Nederland radionucliden te meten waren. Van 18 maart tot en met 10 juni zijn radionucliden aangetroffen die afkomstig waren van het incident met de nucleaire installatie bij Fukushima (Japan), en van 3 tot 11 november afkomstig van een incident bij een instituut voor medische isotopen in Budapest (Hongarije). De niveaus van radionucliden die in Nederland als gevolg van deze incidenten zijn aangetoond, waren zeer laag en vormen geen risico voor de volksgezondheid. Radioactiviteit in lucht, voedsel en melk De metingen in lucht en omgeving lieten een normaal beeld zien, dat niet verschilde van voorgaande jaren. De depositie van polonium-210 is het hoogst sinds 1993, de aangetroffen radioactiviteitsniveaus zijn echter niet schadelijk voor de volksgezondheid. De radioactiviteitsniveaus in voedsel en melk liggen net als in voorgaande jaren duidelijk onder de Europese limieten die zijn opgesteld voor consumptie en export, op één monster na. Van de 231 monsters wild en gevogelte bevatte één monster wild zwijn (van januari 2011) 1,4 keer meer cesium-137 dan de gestelde limiet. Radioactiviteit in oppervlaktewater In het oppervlaktewater liggen de radioactiviteitsniveaus op een aantal locaties boven de streefwaarden die in de Vierde Nota waterhuishouding (1998) zijn bepaald. De overschrijdingen zijn echter zodanig dat ze niet schadelijk zijn voor de volksgezondheid. Voor oppervlaktewater bestaan er geen limieten voor radioactieve stoffen, waarop wordt toegezien en gehandhaafd. Wel zijn er streefwaarden, die bij voorkeur niet overschreden mogen worden.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Low induction of proinflammatory cytokines parallels evolutionary success of modern strains within the Mycobacterium tuberculosis Beijing genotype | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Toxicokinetic model assessment on the dechlorination of dietary toxaphene CHB-62 into CHB-44 in Atlantic salmon (Salmo salar L.) | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Virus transfer proportions between gloved fingertips, soft berries, and lettuce, and associated health risks | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Ziekenhuispersoneel gebruikt point-of-care (POC-)testen om buiten het laboratorium sneller een diagnose te kunnen stellen en vervolgens een behandeling te starten of aan te passen. Naar aanleiding van enkele incidenten heeft de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) in 2008 alle Nederlandse ziekenhuizen aanbevelingen gestuurd om het veilig gebruik van bloedglucosemeters te bevorderen. Uit onderzoek van het RIVM blijkt dat het merendeel van de Nederlandse ziekenhuizen deze aanbevelingen heeft opgevolgd. Een aanzienlijk deel daarvan had zelfs al eerder maatregelen getroffen. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van de IGZ. De aanbevelingen uit de IGZ-circulaire betreffen onder andere de wijze waarop ziekenhuispersoneel bloedmonsters afneemt, de hygiëne tijdens de monsterafname, het werken via een protocol, de aansluiting van POC-meters op het netwerk van het ziekenhuis en (bij)scholing van ziekenhuispersoneel. Uit het onderzoek blijkt dat de meeste ziekenhuizen beschikken over POCbloedglucosemeters om de bloedsuikerspiegel te meten. Andere POC-testen die op grote schaal worden gebruikt op diverse afdelingen van veel ziekenhuizen zijn bijvoorbeeld testen om de mate van bloedstolling te meten of het hemoglobinegehalte (het eiwit dat zuurstof door het lichaam vervoert). De aanbevelingen uit de IGZ-circulaire zijn ook voor andere POC-testen opgevolgd. Wel varieert per POC-test hoeveel ziekenhuizen actie hebben ondernomen. Om erop toe te kunnen zien of POC-testen naar behoren worden uitgevoerd, vallen ze in de meeste ziekenhuizen onder het kwaliteitssysteem van het eigen klinisch chemische laboratorium. Deze laboratoria voeren routinematig veel analyses uit op patiëntmonsters, en kunnen door deze ervaring het gebruik van de POC-testen goed beoordelen.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM heeft tussen 1999 en 2010 op zestien Nederlandse melkveebedrijven die deelnemen aan het project Koeien & Kansen de waterkwaliteit gemonitord. Een van de belangrijkste doelen van het project Koeien & Kansen is om op zestien pioniersbedrijven het verwachte toekomstige, strengere mestbeleid te implementeren en de gevolgen daarvan op de waterkwaliteit onderzoeken. Het mestbeleid is erop gericht het gebruik van meststoffen te beperken om daarmee de kwaliteit van grond- en oppervlaktewater te verbeteren. Het voorliggende rapport geldt als een naslagwerk met analysegegevens van de kwaliteit van grondwater, drainwater en slootwater op de bedrijven. Om het effect van het toekomstige mestbeleid te bepalen is het nodig om naast de waterkwaliteit ook de bedrijfsvoering (waaronder het mestgebruik) te beschouwen. Deze analyse wordt door LEI Wageningen UR in samenwerking met Plant Research International en het RIVM uitgevoerd. De bemonstering van de bedrijven valt onder het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM). De groep Koeien & Kansen-bedrijven is hierbinnen uniek vanwege de hoge dichtheid van meetpunten en de langdurige, continue meetreeks. Van alle deelnemers zijn trendgrafieken gemaakt van de nitraat- of stikstoftotaalconcentratie in alle bemonsterde watertypen; afhankelijk van de grondsoort is dit grondwater, drainwater, slootwater en bodemvocht. Bij uitschieters in de trend is een oorzaak gezocht. Daarnaast zijn van de bedrijven de grondwaterstand, de grondsoort en de grondwatertrap gerapporteerd. De grondwatertrap is een maat voor de droogte van een perceel, wat net als de grondwaterstand en de grondsoort van invloed is op de nitraatconcentratie.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
International collaboration to assess the risk of Guillain Barré Syndrome following Influenza A (H1N1) 2009 monovalent vaccines | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Valproic acid-induced gene expression responses in rat whole embryo culture and comparison across in vitro developmental and non-developmental models | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
The changing epidemiology of bacteraemias in Europe: trends from the European Antimicrobial Resistance Surveillance System | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
A case of meningoencephalitis by the relapsing fever spirochaete Borrelia miyamotoi in Europe | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Benzeen is een vluchtige vloeistof die kankerverwekkend is. Om te voorkomen dat het risico's voor de gezondheid vormt, is het gebruik van benzeen wettelijk beperkt. Voor de huidige Europese stoffenwetgeving REACH wordt de maximaal toegestane aanwezigheid van benzeen in aardgas aangegeven als een gewichtspercentage (0,1 procent overeenkomend met 1 g benzeen per 1000 g aardgas). Er bestaan plannen om deze duiding gelijk te trekken met de duiding voor gassen in andere wettelijke kaders. Daarin wordt de maximale hoeveelheid als een volumepercentage aangegeven (0,1 procent overeenkomend met 1 liter benzeen per 1000 liter aardgas). Volgens het RIVM is het onwaarschijnlijk dat deze omzetting gezondheidsrisico's kan veroorzaken bij reguliere situaties waarin mensen via aardgas blootstaan aan benzeen. Dit geldt bijvoorbeeld voor consumenten thuis bij het gebruik van aardgas in de keuken, of voor werknemers die werkzaamheden uitvoeren bij gasleidingen, meetstations en dergelijke. In deze situaties blijft de blootstelling aan benzeen onder de grenswaarde. Voor enkele situaties is het niet bekend of er gezondheidsrisico's ontstaan. Volgens de huidige gegevens zou er een risico voor de gezondheid kunnen ontstaan bij kleine lekkages van aardgas in huis die niet worden opgemerkt, of bij industrieel gebruik, zoals onderhoudswerkzaamheden. Dit geldt echter zowel voor de huidige limiet als voor de 'nieuwe' limiet op basis van volume. Er zit echter veel onzekerheid in de geschatte blootstellingsniveaus en de kans dat zulke blootstellingssituaties zich voordoen is klein. Meer informatie is nodig over de daadwerkelijke blootstelling bij dergelijke situaties om een realistischere schatting te kunnen maken.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Goede bescherming tegen pneumokokkenziekte kan met één prik minder Sinds 2006 worden kinderen via het Rijksvaccinatieprogramma gevaccineerd tegen pneumokokken. Deze bacteriën kunnen ernstige ziekten veroorzaken, zoals hersenvliesontsteking en bloedvergiftiging. De kans hierop is door de vaccinatie flink verlaagd. De vaccinatie bestaat momenteel uit vier prikken die worden gegeven op de leeftijd van 2, 3 en 4 maanden (primaire serie) en 11 maanden (boostervaccinatie). Uit onderzoek blijkt nu dat de vaccinatie even effectief, of zelfs effectiever, is als de primaire serie van drie naar twee prikken wordt teruggebracht en deze in de derde en vijfde maand worden gegeven. Geadviseerd wordt om het huidige pneumokokken prikschema te wijzigen. Minder belastend en kostenbesparend Door minder en iets later te prikken zijn de vaccinaties voor de heel kleine kinderen minder belastend. Daarnaast levert dit schema een aanzienlijke kostenbesparing in de gezondheidszorg op (8 miljoen euro). Deze bevindingen zijn het resultaat van de zogeheten PIM-studie ('Pneumokokken Iets Minder'), die is uitgevoerd door het RIVM, in samenwerking met het Spaarne ziekenhuis en het Wilhelmina kinderziekenhuis. Opdrachtgever is het ministerie van VWS. Vergelijking van vaccinatieschema's In de PIM-studie kregen 400 gezonde kinderen een vaccinatie tegen 13 typen van de pneumokokkenbacterie. Zij zijn vervolgens ingedeeld in vier willekeurige groepen, die elk de vaccinaties op een ander tijdstip kreeg toegediend: met 2, 3, 4 en 11 maanden, met 2, 4, 6 en 11 maanden, met 3, 5 en 11 maanden, en met 2, 4 en 11 maanden. Hogere antistofwaarden bij 3-5 maanden schema Bij alle kinderen is vervolgens bepaald hoeveel antistoffen zij een maand na afloop van de primaire serie hadden gevormd, en een maand na de booster. Dit is ook gedaan op de leeftijd van 8 maanden, omdat vóór de invoering de pneumokokkenvaccinatie rond die leeftijd de meeste gevallen van pneumokokkenziekte voorkwamen. Na de primaire serie bleek de vaccinatie op 3 en 5 maanden hogere antistofwaarden te geven dan de vaccinatie op 2, 3 en 4 maanden. Op 12 maanden bleken alle vier de schema's voldoende antistoffen gegeven te hebben om te beschermen tegen pneumokokkenziekte.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
De eikenprocessierups kan gezondheidsklachten veroorzaken als mensen in contact komen met de brandharen van de rups. Deze gezondheidsklachten variëren van jeukende huiduitslag en bultjes tot allergische reacties. Tot tien jaar geleden kwam de rups in Nederland hoofdzakelijk voor in de provincies Gelderland, Noord-Brabant en Limburg. De afgelopen jaren is de rups in alle provincies van gesignaleerd. De (toekomstige) verspreiding van de rups is niet goed te voorspellen met de huidige verspreidingsmodellen. Dit blijkt uit een update van de wetenschappelijke literatuur over gezondheidsaspecten van de eikenprocessierups. Dit onderzoek is uitgevoerd in opdracht van de Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit (nVWA). Onderzoek naar gemelde klachten Er bestaan geen recente gegevens over de mate van overlast van de eikenprocessierups in Nederland. Om daar meer zicht op te krijgen is in 2012 door de GGD'en IJsseland en Twente een studie gestart naar de registratie van gezondheidsklachten bij huisartspraktijken die (mogelijk) gerelateerd zijn aan de eikenprocessierups. Dit onderzoek kan bijdragen aan het beeld hoe groot de overlast van eikenprocessierupsen is in Nederland. Op dit moment zijn de resultaten van het GGD onderzoek nog niet beschikbaar. Effectiviteit publiekscommunicatie onderzoeken Publieksinformatie is belangrijk zodat mensen extra voorzorgsmaatregelen kunnen nemen, zoals het mijden van (direct) contact met de rups. Er is voor dit doel voorlichtingsmateriaal beschikbaar (websites, folders en dergelijke) om mensen te informeren. Aanbevolen wordt om te onderzoeken wat het effect en de reikwijdte van deze publiekscommunicatie is.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Evaluation of co-trimoxazole in the treatment of multidrug-resistant tuberculosis | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Replacement of meat and dairy by plant-derived foods: estimated effects on land use, iron and SFA intakes in young Dutch adult females | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Evaluation of a reverse line blot assay for genotyping common human rotaviruses | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Differential T- and B-cell responses to pertussis in acellular vaccine-primed versus whole-cell vaccine-primed children 2 years after preschool acellular booster vaccination | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Acceptability of different oral formulations in infants and preschool children | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Campylobacter seroconversion rates in selected countries in the European Union | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Community incidence of pathogen-specific gastroenteritis: Reconstructing the surveillance pyramid for seven pathogens in seven European Union member states | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Dairy intake and coronary heart disease or stroke - A population-based cohort study | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
4-Methyl-amphetamine: a health threat for recreational amphetamine users | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Transcriptomic analysis in the developing zebrafish embryo after compound exposure: Individual gene expression and pathway regulation | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Lymphogranuloma venereum among men who have sex with men in the Netherlands: regional differences in testing rates lead to underestimation of the incidence, 2006-2012 | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Het is momenteel nog niet precies duidelijk in welke consumentenproducten nanomaterialen zitten: soms wordt onterecht geclaimd dat ze erin zitten, maar andersom kan ook het geval zijn. Het is echter van belang om te weten of producten nanomaterialen bevatten, omdat de veiligheid ervan nog moeilijk te beoordelen is. Om meer duidelijkheid over de aanwezigheid van nanomaterialen te krijgen, gaan in Europa stemmen op om consumentenproducten te registreren waar nanomaterialen in zitten. Momenteel is de Europese Commissie nog te sterk verdeeld om tot een registratiesysteem te komen. In Nederland heeft de Tweede Kamer in 2009 een motie aangenomen waarin de regering wordt verzocht om een registratiesysteem te helpen ontwikkelen dat vanuit Europa wordt geïnitieerd. Met het oog daarop heeft het RIVM geïnventariseerd hoe beleidsmedewerkers van enkele ministeries, brancheverenigingen van de industrie en enkele non-gouvernementele organisaties over een dergelijk registratiesysteem denken. De meningen hierover blijken verdeeld te zijn. Stakeholders hebben vooral vragen over de mate waarin de bestaande regelgeving toereikend is en over wat het beoogde doel is van een registratiesysteem. Als belangrijkste doelen van een registratiesysteem wensen zij: transparantie voor de consument, in de vorm van informatie op basis waarvan de consument bewust voor een product kan kiezen, en traceerbaarheid van het nanomateriaal in de productieketen. Punten van discussie zijn de wijze waarop dit bereikt moet worden en de vraag of een database daarvoor de beste vorm is. Een alternatief voor de transparantie is het etiketteren van producten. De industrie kan de traceerbaarheid ook zelf organiseren door op aanvraag snel informatie te leveren. Het is van belang dat er consensus is over het doel van het registratiesysteem voordat het wordt opgezet. Ook moet duidelijk zijn wie het registratiesysteem gaat gebruiken (doelgroep) en welke informatie zij in het systeem wensen te vinden. Daarna kan pas gesproken worden over de verdere vormgeving ervan en wie de verantwoordelijkheid ervoor moet dragen.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
De gemeten jaargemiddelde concentraties voor de meeste luchtverontreinigende componenten zoals fijn stof en stikstofdioxide vertonen een langjarige gestage daling. Ten opzichte van deze daling waren de resultaten in 2012 nog lager doordat de weersomstandigheden gunstig waren voor de luchtkwaliteit. Als de langjarige daling in de stikstofdioxideconcentraties in hetzelfde tempo aanhoudt, is het echter niet zeker dat in 2015 op alle meetlocaties aan de grenswaarde voor stikstofdioxide wordt voldaan. Daarvoor is een sterkere afname nodig. Metingen 2012 Nederland heeft van de Europese Unie tot 1 januari 2015 uitstel gekregen om te voldoen aan de Europese stikstofdioxidenorm voor de jaargemiddelde concentratie (40 microgram per kubieke meter). Tot deze datum geldt tijdelijk een hogere norm. Deze tijdelijk verhoogde Europese norm werd op meetlocaties in Nederland niet overschreden. De definitieve Europese norm voor jaargemiddelde stikstofdioxideconcentraties werd op ongeveer de helft van de verkeersbelaste meetlocaties in 2012 wel overschreden, vooral in Amsterdam en Rotterdam. Verkeer levert een belangrijke bijdrage aan de stikstofdioxideconcentratie. Op regionale en stadsachtergrondstations zijn geen overschrijdingen van deze norm geconstateerd. Voor fijn stof zijn in Nederland in 2012 de Europese normen, op relevante locaties, niet overschreden. In 2012 waren er in Nederland geen dagen met ernstige smog door ozon (ozonconcentratie hoger dan 240 microgram per kubieke meter). Wel is op vijf dagen matige smog geconstateerd (ozonconcentratie hoger dan 180 microgram per kubieke meter). Vernieuwing De resultaten van partnermeetnetten zoals de GGD Amsterdam en de DCMR Milieudienst Rijnmond zijn in dit jaaroverzicht verder geïntegreerd. Dit is onder andere te zien in de ontwikkelingsfiguren voor de componenten fijn stof en stikstofdioxide, waarin met terugwerkende kracht gebruik is gemaakt van meetgegevens van deze partnermeetnetten. Verder worden er in dit jaaroverzicht naast de reguliere luchtkwaliteitsmetingen ook resultaten weergegeven die zijn verkregen met andere meetmethoden. Een voorbeeld hiervan zijn de niveaus en trends van de concentratie ammoniak van het Meetnet Ammoniak in Natuurgebieden (MAN). De concentratieniveaus van benzeen zijn in de afgelopen jaren sterk gedaald. Hierdoor is de meetverplichting verminderd en is de meetstrategie voor benzeen in de loop van 2012 in het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit aangepast. Incidenteel komen op locaties met veel industrie nog wel tijdelijk hogere benzeenconcentraties voor.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
An appeal for the presentation of detailed human derived data for dose-response calculations in nutritional science | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Design of an ecological momentary assessment study of exposure to radiofrequency electromagnetic fields and non-specific physical symptoms | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Dit rapport bevat een addendum, achter in het document In de nacht van 19 januari 2012 vond in Coevorden een lekkage plaats in een biovergister waardoor zich biogas in de omgeving verspreidde. Hierbij kwam zwavelwaterstof vrij, dat richting een nabijgelegen woonwijk dreef. Uit voorzorg zijn de bewoners van deze wijk direct geevacueerd. Zij blijven echter bezorgd over de concentratie zwavelwaterstof. Naar aanleiding daarvan heeft de GGD Drenthe aan het RIVM gevraagd te onderzoeken in welke mate stoffen in de omgeving hebben verspreid. Hinder Volgens de verspreidingsberekening is de vrijgekomen hoeveelheid zwavelwaterstof relatief laag en van korte duur geweest. Blootstelling aan deze hoeveelheid is in principe niet schadelijk voor de gezondheid. Wel kunnen mensen klachten als hoofdpijn, misselijkheid en een wat moeizamerere ademhaling hebben gehad. Zwavelwaterstof heeft namelijk al bij zeer lage concentraties een indringende en hinderlijke geur van rotte eieren. Bewoners hebben dergelijke klachten ook gemeld. Deze klachten verdwijnen na verloop van tijd. Methode De opdracht van het RIVM is enkele maanden na het incident verstrekt. Het was niet mogelijk om nog metingen uit te voeren en de exacte omstandigheden na te bootsen. Daarom is uitgegaan van een scenario onder ongunstige condities waarbij binnen 10 minuten al het biogas is verspreid via een groot lek naar de omgeving.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
De Nederlandse interdepartementale werkgroep voor risico's van nanotechnologie (IWR) heeft in 2013 zes bouwstenen geformuleerd om wettelijke kaders geschikt(er) te maken voor de beoordeling van risico's van nanomaterialen. Daarnaast zijn de bouwstenen erop gericht de aanwezigheid van nanomaterialen in producten bekend te maken. Het RIVM heeft onderzocht of deze bouwstenen effectief zijn en heeft de invulling ervan vorm gegeven. De zes bouwstenen zijn: (1) eenduidige definitie van nanomaterialen, (2) specifieke informatievereisten voor REACH over een stof in nanovorm, (3) verlaging van het productievolume vanaf wanneer een stof in nanovorm in REACH moet worden geregistreerd of bepaalde informatie moet worden aangeleverd, (4) aparte blootstelling- en risicobeoordeling voor werknemers die werken met nanomaterialen, en (5) registratie en/of (6) etikettering van producten die nanomaterialen bevatten. De eerste drie relateren sterk aan de Europese verordening voor chemische stoffen REACH; de overige drie relateren aan andere wettelijke kaders. Een eenduidige definitie moet zich uitsluitend richten op identificatie van nanomaterialen: aangeven wanneer sprake is van een nanovorm en niet (meer) van een 'gebruikelijke' niet-nanovorm van de stof. De recent voorgestelde definitie van de Europese Commissie lijkt hiervoor zeer geschikt. De risicobeoordeling van nanomaterialen en (extra) informatie die daarvoor nodig is, volgt pas daarna in het desbetreffende beoordelingskader. De risicobeoordeling voor nanomaterialen vereist gedetailleerdere informatievereisten om de materialen te karakteriseren. Daarnaast is extra informatie nodig over de mate waarin een stof giftig is, de manier waarop hij zich in mens en milieu gedraagt, en waar hij uiteindelijk terecht komt. Hetzelfde geldt voor het vaststellen van de blootstelling en welke beheersmaatregelen nodig zijn om risico's te beperken. Onder REACH zijn informatievereisten gerelateerd aan de hoeveelheid van een chemische stof die wordt geproduceerd of geïmporteerd. Dit is ontstaan vanuit de gedachte dat grotere volumes een grotere kans op blootstelling en risico's met zich meebrengen. Nanomaterialen worden doorgaans in lagere volumes gebruikt, zodat al bij lagere hoeveelheden informatie over de stofeigenschappen is gewenst. Als stoffen zijn uitgezonderd voor registratie in REACH, omdat ze onder specifieke wetgeving worden beoordeeld, zoals in medicijnen, moeten de bijbehorende kaders daarvoor worden aangepast. Voor werknemers is dat in dit onderzoek uitgewerkt in de vorm van een specifieke risicoanalyse en aparte blootstellingsgrenzen. Om inzicht te krijgen in welke producten nanomaterialen zijn verwerkt, zou een Europese registratie en/of etikettering van nanomaterialen nuttig kunnen zijn. Wat hiervoor de beste aanpak is, is echter nog niet duidelijk en moet worden uitgezocht.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Draft genome sequence of Francisella tularensis subsp. holarctica BD11-00177 | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
A novel framework for linking functional diversity of plants with other trophic levels for the quantification of ecosystem services | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Pooling European all-cause mortality: methodology and findings for the seasons 2008/2009 to 2010/2011 | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Performance characteristics of qPCR assays targeting human- and ruminant-associated bacteroidetes for microbial source tracking across sixteen countries on six continents | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Monitoring immune modulation by nutrition in the general population: Identifying and substantiating effects on human health | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Respiratory effects of a reduction in outdoor air pollution concentrations | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Systemic and immunotoxicity of silver nanoparticles in an intravenous 28 days repeated dose toxicity study in rats | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Analysis of the occupational, consumer and environmental exposure to engineered nanomaterials used in 10 technology sectors | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Mapping low intake of micronutrients across Europe | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Neutral and acidic oligosaccharides supplementation does not increase the vaccine antibody response in preterm infants in a randomized clinical trial | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Fruit and vegetable consumption and mortality: European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Dietary flavonoid intake and esophageal cancer risk in the european prospective investigation into cancer and nutrition cohort | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
In een gebiedsdossier inventariseren de betrokken partijen (gemeente, provincie, drinkwaterbedrijf en waterbeheerder) welke huidige en toekomstige risico's er zijn voor de waterkwaliteit bij een winning voor drinkwater. Met die kennis kunnen tijdig effectieve maatregelen worden genomen. De gebiedsdossiers maken ook duidelijk welke partij (lokaal, regionaal, nationaal) het meest aangewezen is om een maatregel te nemen. In dat verband heeft het RIVM op verzoek van het ministerie van Infrastructuur en Milieu geëvalueerd welke risico's en mogelijke maatregelen het beste op landelijke schaal kunnen worden opgepakt. Ze kunnen dan in de nog op te stellen Nota Drinkwater worden opgenomen of landelijk worden ingebracht in de plannen voor de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW). Voorbeelden van 'landelijke' risico's en maatregelen Een van de risico's is dat verschillende normenkaders, zoals de Drinkwaterwet en de Wet bodembescherming, niet altijd goed op elkaar aansluiten. Hierdoor kunnen verschillende percepties ontstaan over de noodzaak om maatregelen te treffen, wat de bescherming van bronnen kan belemmeren. Verder is het milieubeschermingsbeleid nu vaak onvoldoende verankerd in lokaal ruimtelijk beleid. Hierdoor kan er onvoldoende aandacht zijn voor de bescherming van drinkwaterbronnen als nieuwe ruimtelijke activiteiten worden ontwikkeld. Voortgang invoering gebiedsdossiers Voor dit onderzoek zijn de beschikbare gebiedsdossiers voor oppervlaktewaterwinningen en kwetsbare grondwaterwinningen beoordeeld. Ondanks een voortvarende aanpak is ongeveer een derde van de dossiers nog niet afgerond, doordat voor sommige onderdelen meer tijd nodig is. Ook blijkt dat de maatregelen uit de gebiedsdossiers zich (volgens plan) in verschillende ontwikkelingsstadia bevinden: sommige worden al geïmplementeerd, andere nog niet. Daardoor kan voor veel winningen het effect van maatregelen nog niet worden geëvalueerd. Het totale beeld van de kwaliteit van de waterwinningen blijft dat bij 25 procent van de winningen normen voor stoffen worden overschreden. Verder is ongeveer de helft van de winningen beïnvloed door menselijk handelen, zoals landbouw, riolering, industrie en oude bodemverontreinigingen.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Cyclosporine A treated in vitro models induce cholestasis response through comparison of phenotype-directed gene expression analysis of in vivo Cyclosporine A-induced cholestasis | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Adherence to the WHO's healthy diet indicator and overall cancer risk in the EPIC-NL Cohort | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Er heerst weer mazelen | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Professionals gezondheidsbevordering hebben behoefte aan specifieke ondersteuning bij het werken aan gezondheidsbevordering op de werkplek (GBW). Dat is de conclusie van deze verkenning. Het gaat dan niet zozeer om het vormgeven van leefstijlinterventies; over het algemeen vinden de professionals zichzelf daarvoor voldoende uitgerust. De specifieke GBW-behoefte betreft meer bedrijfsgerelateerde kennis en handreikingen voor het proces- en beleidsmatig begeleiden van bedrijven. Leefstijl maakt hierbij deel uit van een integraal gezondheidsbeleid dat ook raakt aan vitaliteit en duurzame inzetbaarheid van personeel. De vorm van de gewenste ondersteuning is divers en betreft zowel kennis en materialen als workshops, netwerkbijeenkomsten en advies op maat. Concrete vormen voor deze ondersteuning van professionals gezondheidsbevordering zijn instrumenten zoals een Handreiking Gezond Werk, GBW-business cases (wat levert gezondheidsbevordering een werkgever op?) en een overzicht van financieringsmogelijkheden. Ook het kunnen volgen van workshops gericht op het vergroten van competenties als advisering, commercieel denken, marketing en meer vraaggericht werken komt als behoefte van professionals naar voren. Tot slot is er behoefte om onderling meer kennis en ervaringen uit te kunnen wisselen. Dit rapport biedt RIVM Centrum Gezond Leven aangrijpingspunten om de ondersteuning aan professionals gezondheidsbevordering die zich (willen) richten op de setting werk, samen met partners verder vorm te geven. Praktijkvoorbeelden van GBW vanuit de publieke sector die in deze verkenning zijn gevonden, worden gedeeld ter inspiratie. Loketgezondleven.nl zal worden uitgebreid en bijeenkomsten worden georganiseerd.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Epigenetische programmering is een fysiek mechanisme dat ervoor zorgt dat lichaamsfuncties goed zijn aangepast aan invloeden uit de omgeving. Het kan worden voorgesteld als schakelaars die de activiteit van celfuncties bepalen. Als het schakelbord van de cel van een kind tijdens de zwangerschap niet goed wordt ingesteld, kan dit later in het leven negatieve gevolgen hebben. De cel functioneert dan niet goed, oftewel gaat minder adequaat op de omgeving reageren. Zulke celverstoringen kunnen op verschillende manieren ontstaan, bijvoorbeeld door ongebalanceerde voeding, chemische verontreinigingen in voedsel, en tabaksrook. Epigenetische programmering kan zo het risico vergroten dat iemand een chronische ziekte ontwikkelt, zoals overgewicht, diabetes, hart- en vaatziekten, sommige allergieën en kanker. Uit literatuuronderzoek van het RIVM blijkt dat de verstoring van de epigenetische programmering een reëel fenomeen is. Hoe groot de bijdrage uit de omgeving op verstoringen is, is nog niet duidelijk. Wel kan dit gegeven de toename van de genoemde aandoeningen in de laatste jaren helpen verklaren. Er zijn technieken beschikbaar die gebruikt kunnen worden om de bijdrage van omgevingsfactoren aan verstoring van het epigenetisch programma te meten en in de literatuur worden hiervoor meerdere testmethoden beschreven. Het RIVM stelt voor om deze testmethoden nader uit te werken. Met goede testmethoden kunnen in de toekomst risico's van blootstellingen tijdens zwangerschappen beter worden ingeschat en gerichte beleidsadviezen worden opgesteld. Het belang van epigenetische programmering bleek voor het eerst bij kinderen van zwangere vrouwen die in de hongerwinter van de Tweede Wereldoorlog ondervoed waren. Deze kinderen bleken later in hun leven vaker te lijden aan chronische ziekten als diabetes dan leeftijdsgenoten die de ondervoeding niet hoefden te doorstaan. Een ander voorbeeld is een tijdens de zwangerschap doorgemaakte blootstelling aan een vocht- en vuilafstotend middel, waarna vaccinaties minder effectief bleken te zijn op het moment dat de kinderen de schoolleeftijd hebben bereikt.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Ruimtelijke factoren (determinanten) die samenhangen met sporten en bewegen bij volwassenen en ouderen zijn o.a. de aanwezigheid van parken en/of recreatieve voorzieningen in de buurt, goede voetgangersinfrastructuur en een aantrekkelijke buurt. Bij kinderen en adolescenten lijken, naast de aanwezigheid van formele en informele speelvoorzieningen, ook de aanwezigheid van groen of water, de verkeersveiligheid en verscheidenheid in routes van belang. Er is nog niet veel bekend over financiële determinanten van sporten en bewegen. Bij volwassenen en ouderen hangt een lage sociaaleconomische status samen met minder lichamelijke activiteit, sporten en recreatief wandelen. Voor sedentair gedrag (alle laag intensieve activiteiten die zittend of liggend worden uitgevoerd, zoals computeren en tv kijken) zijn deze determinanten nog weinig onderzocht. Dit blijkt uit een verkenning van de internationale literatuur door het RIVM. Deze kennis kan worden gebruikt voor het vormgeven van beleid om bewegen te stimuleren. Financiële factoren vaker een belemmering dan ruimtelijke factoren In samenwerking met het W.J.H. Mulier Instituut en het Nederlands Instituut voor Sport en Bewegen (NISB) is in twee Nederlandse studies (SportersMonitor 2011 en NL de maat 2009/2010) bekeken hoe vaak een aantal omgevingskenmerken en kosten als belemmering om te sporten en bewegen worden ervaren. Kosten vormen vaker een belemmering dan omgevingskenmerken. Dit is het geval in alle leeftijdsgroepen. Kosten zijn een belemmering voor 11% van de kinderen, 17% van de adolescenten, 13-17% van de volwassenen en 7-8% van de ouderen. Ruimtelijke factoren zijn minder vaak een belemmering (maximaal 8%). Hierbij dient echter in ogenschouw te worden gehouden dat slechts een beperkt aantal potentiële belemmeringen is geïnventariseerd. Er waren geen grote verschillen in belemmeringen tussen sporters en niet-sporters en mensen met en zonder chronische aandoening(en).
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Population structure of mixed Mycobacterium tuberculosis infection is strain genotype and culture medium dependent | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Aichi virus in sewage and surface water, the Netherlands | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Vaccination against RSV: is maternal vaccination a good alternative to other approaches? | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Validation of a real-time PCR based method for detection of clostridium botulinum types C, D and their mosaic variants C-D and D-C in a multicenter collaborative trial | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Finding evidence for local transmission of contagious disease in molecular epidemiological datasets | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Selective hepatitis B virus vaccination has reduced hepatitis B virus transmission in The Netherlands | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Air pollution and lung cancer incidence in 17 European cohorts: Prospective analyses from the European Study of Cohorts for Air Pollution Effects (ESCAPE) | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Challenges in estimating the validity of dietary acrylamide measurements | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Options for assessment and regulation of low frequency noise | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Het gebruik van gefabriceerde nanodeeltjes is wijdverbreid en neemt nog steeds toe. Om deze reden is er behoefte om te weten welk effect ze hebben op de gezondheid van de mens. In dat verband heeft het RIVM onderzocht wat risico's van blootstelling aan synthetische nanodeeltjes zijn, bijvoorbeeld bij het gebruik van haarspray of zonnebrand in sprayvorm. Hieruit blijkt dat een bepaalde kristalvorm van titaniumdioxide-nanodeeltjes effect hebben op het immuunsysteem. Zij beïnvloeden namelijk het rijpingsproces van de zogeheten dendritische cellen. Deze dendritische cellen vormen een belangrijk onderdeel van het immuunsysteem. De hoeveelheid cellen die rijpen is een maat voor reacties van het immuunsysteem: hoe meer cellen rijpen, hoe actiever het immuunsysteem reageert op ziekteverwekkers en dergelijke. Titaniumdioxide nanodeeltjes bestaan in twee kristalvormen: anatase en rutiel. Het blijkt dat de anatase-vorm een groter percentage dendritische cellen laat rijpen dan de rutiele vorm. In zonnebrandcrèmes worden titaniumdioxide deeltjes in beide kristalvormen gebruikt. Het lijkt erop dat de deeltjes met de rutiele vorm om deze reden de voorkeur hebben. Meer onderzoek is nodig om hier een definitieve uitspraak over te doen. Van dieselroetdeeltjes, fijn stof en titaniumdioxide is bekend dat zij een allergische reactie veroorzaken. Bovendien krijgen steeds meer mensen zo'n reactie en neemt de ernst daarvan toe. De hier gevonden resultaten ondersteunen de invloed van nanodeeltjes op het immuunsysteem en de noodzaak hier aandacht aan te schenken. De resultaten kunnen worden gebruikt voor onderzoek naar de effecten van nanodeeltjes als ze worden geïnhaleerd.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Bodems kunnen verontreinigd zijn met oplosmiddelen die gebruikt worden in chemische wasserijen: 'per' (tetrachlooretheen) en 'tri' (trichlooretheen). Hierbij kan vinylchloride (monochlooretheen) als afbraakproduct vrijkomen, een stof die al bij lage concentraties schadelijk is voor de gezondheid. Van vinylchloride is bekend dat het leverschade kan veroorzaken en kankerverwekkend is. De stof is verder zeer vluchtig, waardoor deze kan uitdampen naar de binnenlucht van gebouwen op de verontreinigde locatie. Het is daarom belangrijk om over betrouwbare meetmethoden voor bodem- en binnenlucht te beschikken, waarmee ook relatief lage concentraties van vinylchloride kunnen worden aangetoond. Vinylchloride blijkt zelden in binnenlucht te worden aangetoond, ook niet als dat volgens modelberekeningen te verwachten is. Het RIVM heeft in een verkennende studie onderzocht of dit ligt aan de meetmethoden of aan de modelberekeningen. Er zijn sterke aanwijzingen dat vinylchloride wordt afgebroken en om die reden niet in de binnenlucht is terug te vinden. Daarom wordt aanbevolen deze stofeigenschap in de modellering te verwerken voor een betrouwbaardere voorspelling van concentraties vinylchloride in de binnenlucht. Daarnaast wordt een andere meetmethode voorgesteld als de kansrijkste, op basis van zogeheten canisters. Dat komt onder andere doordat hiermee lagere concentraties gedetecteerd kan worden en langer kan worden gemeten op een locatie. Canisters zijn bollen die vacuüm worden gezogen en op een locatie weer worden volgezogen met de te onderzoeken lucht. Aanbevolen wordt om na te gaan of een protocol voor bodemluchtbemonstering met canisters kan worden opgesteld. Momenteel wordt vinylchloride in bodem- en binnenlucht meestal gemeten met behulp van koolbuizen.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Dit rapport bevat een erratum op de laatste pagina d.d. 24-07-2013 Onderbouwing van de normstelling voor Campylobacter op kippenvlees Campylobacter-bacteriën zijn een van de belangrijkste veroorzakers van voedselinfecties in Nederland. Ongeveer 30 procent van alle ziektegevallen door Campylobacter wordt toegeschreven aan besmet kippenvlees. Het gaat dan vooral om kruisbesmetting in de keuken van rauw kippenvlees met producten die onverhit worden gegeten, zoals salades, en, in mindere mate, om onvoldoende verhitting van het vlees. Uit onderzoek van het RIVM is gebleken dat een groot deel van deze ziektegevallen kan worden vermeden als het aantal bacteriën op kippenvlees tijdens de productiefase kan worden teruggebracht. De laatste jaren is er meer aandacht voor de hygiëne in de volledige productieketen, waaronder in de slachthuizen. In dat verband wil de overheid een maximum te stellen aan het aantal Campylobacter bacteriën per hoeveelheid geslacht vlees, een 'proceshygiëne criterium'. Als in een slachthuis regelmatig hogere concentraties worden aangetroffen, is het verplicht om hygiënische maatregelen in het productieproces te nemen. In dat verband heeft het RIVM onderzocht welke resultaten verschillende criteria (strengere en soepelere) opleveren, zowel met het oog op de volksgezondheid als op de kosten voor de pluimvee-industrie. Met een grenswaarde van 1000 Campylobacter bacteriën per gram zou het aantal ziektegevallen met twee-derde worden gereduceerd. De kosten die de pluimvee-industrie zal moeten maken voor de te nemen maatregelen (naar schatting 2 miljoen euro per jaar) zijn veel lager dan de kosten van ziekte (circa 9 miljoen euro per jaar).
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Nederlandse meetstations voor de luchtkwaliteit van diverse Meetnetten Luchtkwaliteit worden onderverdeeld in bepaalde categorieën: regionale, stadsachtergrond- en straatstation. Dit onderscheid is nodig om de meetresultaten te kunnen interpreteren en wordt gemaakt op basis van de omgeving van de stations. Deze 'classificatie' klopt bij de overgrote meerderheid van de meetstations, zo blijkt uit onderzoek van het RIVM. In sommige gevallen gaat de classificatie door lokale omstandigheden niet op voor alle gemeten stoffen. Als er bijvoorbeeld een boerderij in de buurt van een achtergrondstation is komen te staan, kunnen de meeste stoffen overeenkomen met de achtergrondwaarden maar kan de ammoniakconcentratie hoog zijn. Deze informatie is nodig bij het vergelijken van luchtkwaliteitsmodellen met de meetresultaten. In het onderzoek is ook vastgesteld welke stations van andere meetnetten dan het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit (LML) voor landelijke doeleinden zijn te gebruiken, zoals voor de grootschalige concentratiekaart Nederland (GCN). Vooral bij stikstofdioxide (NO2) was het verschil tussen de stationstypen duidelijk terug te zien in de gemeten waarden. Tegelijkertijd gaven gelijksoortige stations door heel Nederland vergelijkbare concentraties stikstof aan. Bij PM10 (fijn stof) was het onderscheid tussen de achtergrond- en verkeerstations minder duidelijk. De invloed van verkeer op de hoeveelheid fijn stof is minder groot. Bij sommige stations was wel de invloed van industriebronnen duidelijk terug te zien in de gemeten PM10-waarden. Voor dit onderzoek zijn data gebruikt van alle LML-stations, die in beheer zijn van het RIVM. Daarnaast zijn gegevens gebruikt die de meetnetten van de GGD Amsterdam, de Milieudienst Rijnmond (DCMR), de provincie Noord-Brabant en de provincie Limburg beschikbaar hebben gesteld. De omgeving van de stations is beoordeeld op basis van foto's en landkaarten van deze locaties
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
In Europa neemt het gebruik van vervalste medische producten (Medicrimeproducten) toe. De dubieuze kwaliteit van deze producten veroorzaakt naar verwachting gezondheidsschade. De aard en omvang ervan is echter moeilijk te bepalen, omdat de te verwachten klachten onvoldoende specifiek zijn om op te vallen in de alledaagse praktijk. Ook is het voor medici niet duidelijk waar en hoe zij hun vermoedens over gebruik kunnen rapporteren. Dit blijkt uit verkennend onderzoek van het RIVM. Medicrime-producten worden zelden aangetroffen bij (huis)artsen en officiële apotheken. Consumenten krijgen ze juist door zelf medische producten te kopen bij onbetrouwbare leveranciers, voornamelijk via internet. Via deze 'bron' stellen zij zichzelf steeds vaker bloot aan Medicrime-producten. Voor het onderzoek is op Europese schaal bekeken welke Medicrime-producten in beslag zijn genomen en welke klachten daarvan te verwachten zijn. De volgende zes categorieën Medicrime-producten worden het meest in beslag genomen: erectiemiddelen, psychoactieve drugs (zoals pepmiddelen en designer drugs), doping (vooral anabolen), afslankmiddelen, sterke pijnstillers, en geneesmiddelen voor hart- en vaatziekten. Deze categorieën vormen ongeveer 40 procent van de Medicrime-producten. De overige 60 procent wordt gevormd door een grote variatie aan geneesmiddelen, waaronder middelen tegen kanker, antibiotica, en hiv-remmers. Ook al worden deze middelen in geringere mate aangetroffen, vanwege de aard ervan moet de bedreiging voor de gezondheid niet worden onderschat. Met het oog op epidemieën en resistentievorming is het ongewenst dat onbetrouwbare anti-infectieuze middelen worden gebruikt. Aanbevolen wordt om de bewustwording bij artsen van het verschijnsel Medicrime-producten te vergroten, bijvoorbeeld via publicaties in medische tijdschriften. Verder wordt aanbevolen om een informatiesysteem op te zetten over verdachte producten en klachten. Ten slotte is het van belang een eenvoudige registratiewijze van verdachte medisch producten in te richten, bijvoorbeeld door deze mogelijkheid toe te voegen aan het internationale rapportageformulier van de WHO voor bijwerkingen. De aanbevelingen zijn verwerkt in pilot studie, die momenteel in diverse Europese landen wordt uitgevoerd.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Differences in the antibiotic susceptibility of human Escherichia coli with poultry-associated and non-poultry-associated extended-spectrum beta-lactamases | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
59 belangrijke gezondheidsproblemen; een selectie van ziekten voor het monitoren van de volksgezondheid | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Systematic review of foodborne burden of disease studies: quality assessment of data and methodology | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Development and validation of a risk score predicting substantial weight gain over 5 years in Middle-Aged European men and women | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Accounting for the economic risk caused by variation in disease severity in fungicide dose decisions, exemplified for Mycosphaerella graminicola on winter wheat | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Identification of multiple novel viruses, including a parvovirus and a hepevirus, in feces of red foxes | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
The use of outpatient mental health care services of migrants vis-à-vis Dutch natives: equal access? | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
How to characterize chemical exposure to predict ecologic effects on aquatic communities? | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Community incidence of pathogen-specific gastroenteritis: reconstructing the surveillance pyramid for seven pathogens in seven European Union member states | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Urogenital chlamydia trachomatis infections among ethnic groups in Paramaribo, Suriname; determinants and ethnic sexual mixing patterns | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Relative drifts and stability of satellite and ground-based stratospheric ozone profiles at NDACC lidar stations | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Plasma 25-hydroxyvitamin D and the risk of breast cancer in the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition: a nested case-control study | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Pre-expositieprofylaxe van seksuele hiv-transmissie: nieuwe preventiestrategie met tenofovir/emtricitabine | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
The practicalities and pitfalls of establishing a policy-relevant and cost-effective soil biological monitoring scheme | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Legionella prevention in the Netherlands: an evaluation using genotype distribution | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
In Nederland is enkele jaren geleden een grondwatermeetnet voor de Europese Kaderrichtlijn Water, het KRW Monitoringprogramma Grondwaterkwaliteit (KMG), ingevoerd naast het bestaande Landelijk Meetnet Grondwaterkwaliteit (LMG). Hierin is ongeveer de helft van de LMG-putten opgenomen. Uit onderzoek van het RIVM blijkt dat het zinvol is om het landelijke meetnet te behouden, ondanks de overlappende meetputten en doelstellingen. Het LMG wordt namelijk gebruikt om aan meerdere wettelijke verplichtingen te voldoen, zowel nationaal als Europees. Het KMG daarentegen is specifiek op de Kaderrichtlijn Water (KRW) gericht. Daarnaast biedt het LMG informatie/data voor lange termijnanalyses, omdat het meetnet lange tijd op dezelfde manier werkte. Ten slotte biedt de grote hoeveelheid data antwoorden op onvoorziene beleids- en onderzoeksvragen die zich regelmatig aandienen. Vijf toekomstscenario's uitgewerkt Om het meetnet optimaal in te zetten, zijn vijf toekomstscenario's uitgewerkt en voorgelegd aan vertegenwoordigers van provincies die verantwoordelijk zijn voor de KRW-monitoring en kennisinstellingen. De volgende drie scenario's werden als meest relevant gezien. Bij scenario 1 wordt alleen het KMG-meetnet in stand gehouden, en wordt het LMG opgeheven. De LMG-putten die deel uitmaken van het KMG worden overgedragen aan de provincies, die verantwoordelijk zijn voor de monitoring. De overige LMG-putten vervallen. Als nadeel van dit scenario wordt gezien dat wettelijke verplichtingen niet zijn afgedekt. In scenario 3 blijft het LMG zoals het nu is. Hierbij wordt voldaan aan alle verplichtingen en blijft het LMG behouden als leverancier van consistente en langjarige data. Er worden alleen geen kosten bespaard. In scenario 4 wordt het LMG geoptimaliseerd, zodat kosten worden bespaard zonder dat informatie verloren gaat. Het meetnet wordt dan zodanig ingericht dat aan de wettelijke verplichtingen wordt voldaan en voorziet in langjarige data voor beleid en onderzoek. Voor doeleinden waarvoor minder data nodig zijn, zoals in putten met heel oud grondwater, kunnen de metingen minder vaak worden uitgevoerd.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Evaluation of human papillomavirus antibodies and risk of subsequent head and neck cancer | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Schattingen van de gemiddelde jaarlijkse concentratie van stikstofdioxide (NO2) worden regelmatig berekend voor de Nederlandse gemeentes met behulp van de zogenoemde standaard Nederlandse luchtkwaliteit modellen. Periodiek wordt de nauwkeurigheid van deze schattingen beoordeeld door ze te vergelijken met stikstofdioxidenconcentraties die op een aantal locaties in Nederland worden gemeten. Volgens het RIVM voldoen de modelschattingen op basis van recente gegevens en meerdere statistische analyses (Wesseling et al., 2013) aan de vereisten die hiervoor vanuit de Europese Commissie worden gesteld. In aanvulling daarop heeft het RIVM statistische analyses gemaakt van de percentuele afwijking tussen de berekeningen en metingen van de stikstofdioxidenconcentraties. Boven de 35 microgrammen per kubieke meter blijkt de percentuele afwijking van een modelschatting gemiddeld rond -3.56 procent te zitten, ongeacht de bijbehorende stikstofdioxidemeting. Bij circa 95 procent van de modelschattingen is de percentuele afwijking tussen -25 en 18 procent, ongeacht de hoogte van de corresponderende stikstofdioxidemeting. Deze conclusies complementeren de analyse van Wesseling et al. ten aanzien van de kwaliteit van de modelberekeningen voor NO2.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Consumption of fish and meats and risk of hepatocellular carcinoma: the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition (EPIC) | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Human rhinovirus and wheezing: short and long-term associations in children | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
A novel method for evaluating natural and vaccine induced serological responses to Bordetella pertussis antigens | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Is living in a border region a risk for a high prevalence of resistance? | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Population-level antibody estimates to novel influenza A/H7N9 | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Infectious disease burden related to child day care in The Netherlands | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Comparison of different assays to assess human papillomavirus (HPV) yype 16- and 18-specific antibodies after HPV infection and vaccination | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Intradermal fractional booster dose of inactivated poliomyelitis vaccine with a jet injector in healthy adults | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Epidemiology of isoniazid resistance mutations and their effect on tuberculosis treatment outcomes | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Resistance mechanisms and drug susceptibility testing of nontuberculous mycobacteria | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
In het kader van de implementatie van haar referentiefunctie voor luchtkwaliteitsmetingen in Nederland heeft RIVM een vergelijkingsonderzoek georganiseerd voor het meten van fijnstof (PM10) m.b.v. de zogenaamde referentiemethode. Bij deze metingen wordt gedurende 24 uur een bekend volume lucht door een filter gezogen, waarvan de massa voor en na monsterneming wordt bepaald. Dergelijke metingen vormende basis voor alle metingen van PM10 met automatische meetapparatuur, waarvan de resultaten worden gebruikt voor informatie van burgers en de berekening van kengetallen voor rapportage, bijvoorbeeld aan het Ministerie van Infrastructuur en Milieu Zes Nederlandse luchtmeetnetten en het Belgische VMM hebben met goede resultaten deelgenomen aan dit onderzoek. Alle meetnetten meten hierbij conform de Europese norm EN 12341. Van alle resultaten blijkt 96 procent een zogenaamde z-score te hebben die als "goed" kan worden geclassificeerd. Slechts 0,6 procent krijgt als kwalificatie "onacceptabel" De berekende uitgebreide meetonzekerheid (95 procent) bedraagt 2,5 µg/m3 bij een 24-uursgemiddelde concentratie van 16 µg/m3, d.w.z., 16 procent, waar bij het niveau van de grenswaarde voor 24-uursgemiddelde metingen van 50 µg/m3 een eis geldt van maximaal 25 procent. Dit impliceert dat de deelnemende meetnetten een niveau van kwaliteitscontrole hanteren dat voldoende is om aan de in EN 12341 gestelde eisen te voldoen. De verschillen in de implementatie van de referentie-methoden (type filter, vorm van filter-conditionering, gebruik van al dan niet gekoelde filteropslag) blijken hierop niet of nauwelijks van invloed Tenslotte mag uit de goede vergelijkbaarheid tussen de meetnetten worden afgeleid dat een basis bestaat voor de uitwisselbaarheid van meetgegevens tussen deze meetnetten.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
In het kader van de samenwerking tussen de luchtkwaliteits-meetnetten van het RIVM, de GGD Amsterdam en de DCMR Milieudienst Rijnmond vinden sinds enkele jaren tussen RIVM en de beide organisaties vergelijkende metingen plaats op meetlocaties in Amsterdam (RIVM-GGD) en Rotterdam (RIVM-DCMR): - Rotterdam: stikstofdioxide en PM10 op locatie Bentinckplein/Statenweg. - Amsterdam: stikstofdioxide en PM10 op locatie Overtoom Deze hebben tot doel de vergelijkbaarheid van de resultaten van de verschillende meetinstanties vast te stellen; bij voldoende vergelijkbaarheid kunnen de instanties wederzijds gebruik maken van elkaars resultaten Evaluatie van de resultaten van de vergelijkingen verricht in 2012 toont aan dat de resulterende meetonzekerheden in alle gevallen voldoen aan de criteria gesteld in EU Richtlijn 2008/50/EC. Aangezien alle instanties een ISO 17025 accreditatie voeren voor de betreffende metingen mag ervan worden uitgegaan dat het kwaliteitsniveau en de vergelijkbaarheid zoals bepaald in deze vergelijkingen representatief zijn voor de andere meetlocaties van de netwerken. Dit impliceert dat de instanties in principe gebruik kunnen maken van elkaars meetgegevens voor de componenten waarvoor resultaten zijn vergeleken (stikstofdioxide en PM10)
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Health literacy of Dutch adults: a cross sectional survey | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Changes in school environment, awareness and actions regarding overweight prevention among Dutch secondary schools between 2006-2007 and 2010-2011 | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Unhealthy lifestyles do not mediate the relationship between socioeconomic status and incident depressive symptoms: The Health ABC study | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Dit rapport bevat een erratum na pagina 56; en een 2e erratum na pagina 57 Het RIVM heeft op basis van recente gegevens nieuwe berekeningen gemaakt voor het benodigd aantal ambulances per regio. Hieruit blijkt dat er in Nederland 90 ambulances meer nodig zijn dan de 498 volgens het vorig referentiekader. Er zijn twee oorzaken voor deze toename. Het grootste effect is het gevolg van andere aannames in de capaciteitsberekeningen en van de afloop van een traject van 'hulpambulances' in de regio Haaglanden bij de inwerkingtreding van de 'Tijdelijke wet ambulancezorg'. Daarnaast is de vraag naar ambulancezorg tussen 2006 en 2012 gestegen met gemiddeld 2,9 procent per jaar. Hier liggen demografische ontwikkelingen aan ten grondslag, zoals de bevolkingsgroei en de vergrijzing. Bovendien doen mensen eerder en gemakkelijker een beroep op de ambulancezorg. De benodigde capaciteit van de ambulancezorg in Nederland wordt berekend met behulp van een zogeheten referentiekader. Dit referentiekader definieert het aantal ambulances waarmee de ambulancezorg in Nederland kan worden uitgevoerd, gegeven een aantal randvoorwaarden. Dit betreft bijvoorbeeld de responstijden, de tijd na een melding waarbinnen een ambulance ter plaatse moet zijn. In opdracht van het ministerie van VWS heeft het RIVM het referentiekader van 2008 geactualiseerd met recente cijfers over de vraag naar en het aanbod van ambulances in Nederland. Hiermee zijn vervolgens enkele varianten van het capaciteitsmodel doorgerekend. Het ministerie van VWS maakt hier een keuze uit, in overleg met Ambulancezorg Nederland en Zorgverzekeraars Nederland, waarna de minister het referentiekader vaststelt.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Position statement from the Aneuploidy Screening Committee on behalf of the Board of the International Society for Prenatal Diagnosis | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
The role of HFCs in mitigating 21st century climate change | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Adulterated sexual enhancement supplements: more than mojo | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
N-6 and n-3 fatty acid cholesteryl esters in relation to incident stroke in a Dutch adult population: a nested case-control study | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Impact of thearubigins on the estimation of total dietary flavonoids in the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition (EPIC) study | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Surveillance strategy for early detection of unusual infectious disease events | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Modeling the transmission risk of emerging infectious diseases through blood transfusion | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Momenteel bestaat er geen wettelijk erkende methode om scheepvaartemissies rond vaarwegen te berekenen. Diverse partijen gebruiken daarom hiervoor de standaard rekenmethode voor industrie (SRM3). Uit onderzoek van het RIVM blijkt dat scheepvaartemissies eenvoudiger met de standaard rekenmethode voor wegverkeer (SRM2) zijn te modelleren. Deze methode is minder omslachtig. Wel zijn enkele aanpassingen nodig en moeten de resultaten van SRM3-berekeningen nog op basis van metingen worden gevalideerd. Het is wenselijk om rekenmethoden voor scheepvaartmodellering op elkaar af te stemmen, zodat deze wettelijk kunnen worden verankerd in de Regeling beoordeling luchtkwaliteit (Rbl). De studie is op verzoek van het ministerie van Infrastructuur en Milieu is uitgevoerd. In een volgende fase zullen meer testen worden gedaan om de vorming van NO2 te berekenen.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM heeft kaarten gemaakt van de stikstofdioxide- en fijnstofconcentraties in Nederland in 2010. De basis wordt gevormd door gedetailleerde rekenresultaten van het Nationaal Samenwerkingsplatform Luchtkwaliteit (NSL). De kaarten zijn beschikbaar gemaakt voor de digitale Atlas van de Leefomgeving en worden op de website getoond ( www.atlasleefomgeving.nl ). De Atlas Leefomgeving biedt via internet informatie over de kwaliteit van de fysieke leefomgeving, onder andere over geluid, luchtkwaliteit, externe veiligheid, natuur, bodem. Voor het NSL heeft het RIVM per huis de luchtkwaliteit berekend. Omdat deze informatie te gedetailleerd is voor de Atlas Leefomgeving zijn de concentraties per straat gemiddeld.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Het LMM volgt sinds 1992 de landbouwpraktijk en waterkwaliteit op geselecteerde landbouwbedrijven in Nederland. Dit meetnet vervult twee functies: toetsing of het mestbeleid effectief is en invulling van zowel Europese als nationale monitorings-verplichtingen. In de afgelopen twintig jaar is de hoeveelheid stikstof en fosfaat (nutriënten) die via mest op het land is gebracht, grosso modo afgenomen. Als gevolg van het in 2006 aangescherpte mestbeleid versnelde deze daling. De afname is ook zichtbaar in de hoeveelheid nutriënten die uitspoelt naar de ondergrond of afspoelt naar het oppervlaktewater (bodemoverschot). Dit komt tot uiting in een daling van de nitraatconcentratie in het uitspoelingswater. Dit resultatenrapport beschrijft de bevindingen van het LMM, in 2008 en 2009 voor de landbouwpraktijk en in 2009 en 2010 voor de waterkwaliteit. De resultaten in deze jaren passen in het beeld van de genoemde langetermijnontwikkeling, al is de daling in nitraatconcentraties de afgelopen vijf jaar afgevlakt. Bemesting en overschotten per bedrijfstype De trends in bemesting en overschotten verschillen per bedrijfstype en grondsoort. In 2009 was de hoeveelheid stikstof- en fosfaatbemesting op melkveebedrijven gemiddeld genomen hoger dan het jaar ervoor, evenals de fosfaatoverschotten. Op akkerbouwbedrijven daarentegen daalden in alle regio's de fosfaatbemesting en -overschotten. De stikstofbemesting op akkerbouwbedrijven daalt alleen in de kleiregio, terwijl het stikstofbodemoverschot zowel in de kleiregio als in de zandregio daalt. Waterkwaliteit Behalve door nutriëntoverschotten wordt de waterkwaliteit van uitspoelingswater in sterke mate bepaald door de grondsoort. De nitraatconcentraties zijn het hoogst in het uitspoelingswater in de zand- en lössregio. Wel zijn de concentraties in de zandregio in twintig jaar met circa tweederde gedaald (van circa 150 naar 60 milligram per liter). Ook in de kleiregio zijn nitraatconcentraties in deze periode teruggelopen (van circa 75 naar ongeveer 30 milligram per liter). In de veenregio zijn de nitraatconcentraties het laagst (veelal minder dan 10 milligram per liter). In de jaren 2009 en 2010 voldoet de kwaliteit van het uitspoelingswater op circa 80 procent van de bedrijven in de kleiregio aan de Europese nitraatnorm (van 50 milligram per liter). In de veenregio is dit tussen 95 en 100 procent. Het percentage bedrijven dat aan de norm voldoet is lager in de zandregio (50 procent) en lössregio (30 à 40 procent). Het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM) wordt beheerd door het RIVM en LEI Wageningen UR.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Verbeteren van medicatieveiligheid voor ouderen kent knelpunten Veel 65-plussers gebruiken dagelijks 5 of meer verschillende geneesmiddelen (polyfarmacie). Vooral bij kwetsbare ouderen kan dit risico's met zich meebrengen, zoals onnodige ziekenhuisopnamen. Er bestaan diverse richtlijnen en handreikingen die een veilig gebruik van medicatie kunnen verbeteren. Enkele knelpunten bemoeilijken echter dat de aanwijzingen in deze documenten worden uitgevoerd. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM naar risico's van polyfarmacie bij kwetsbare ouderen en naar maatregelen die deze risico's kunnen beperken. Het onderzoek is op verzoek van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) uitgevoerd. Gemelde problemen bij polyfarmacie Ongeveer 30-45 procent van de 65-plussers (zo'n 750.000 tot 1 miljoen mensen) gebruikt 5 of meer verschillende geneesmiddelen. Voor bijna 20 procent van de 75-plussers loopt dit aantal op tot meer dan 9. Dat komt neer op ongeveer 200.000 mensen. De meest frequente problemen bij ouderen met polyfarmacie zijn dat ze te veel medicijnen innemen: men gebruikt één of meer geneesmiddelen die niet, of niet meer, nodig zijn (overbehandeling). Ook kan er sprake zijn van onderbehandeling: dan is een geneesmiddel wél nodig, maar wordt het niet voorgeschreven. Voor sommige groepen ouderen, zoals bewoners van verzorgingshuizen, blijkt dat ongeveer 40 procent van hen wordt over-of onderbehandeld. Ook wordt een ongunstige wisselwerking tussen verschillende geneesmiddelen, evenals vermijdbare bijwerkingen als probleem bij mensen met polyfarmacie gemeld. Deze problemen ontstaan onder andere doordat soms meerdere artsen geneesmiddelen aan één patiënt voorschrijven en onvoldoende informatie wordt uitgewisseld welke medicijnen in de loop van de tijd zijn voorgeschreven, gewijzigd of gestopt. Het gaat hier zowel om de informatie-uitwisseling tussen zorgverleners onderling als tussen zorgverleners en patiënt of mantelzorger. Andere oorzaken zijn het gebruik van risicovolle geneesmiddelen, zoals bloedverdunners en bepaalde pijnstillers, en beperkingen in de gezondheid van de patiënt, zoals een verminderde nierfunctie. Knelpunten Bij de knelpunten die de uitvoering van de richtlijnen belemmeren gaat het bijvoorbeeld om gebrekkige informatietechnologie, waardoor informatie niet eenvoudig elektronisch kan worden uitgewisseld tussen de verschillende zorgverleners. Dit is bijvoorbeeld het geval als er met een medicijn moet worden gestopt. Daarnaast is de samenwerking en communicatie tussen de diverse zorgverleners niet altijd optimaal. Zo kunnen afspraken tussen artsen en apothekers ontbreken over de uitvoering van medicatiechecks. Verder is er gebrek aan tijd en financiering om bepaalde richtlijnen, zoals voor een jaarlijkse medicatiecheck, uit te voeren. Ook is niet duidelijk welke combinatie van factoren nu het allerhoogste risico vormen voor ouderen met polyfarmacie.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Scoping the impact of changes in population age-structure on the future burden of foodborne disease in the Netherlands, 2020-2060 | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Effect of a multifaceted performance feedback strategy on length of stay compared with benchmark reports alone: a cluster randomized trial in intensive care* | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
High-resolution typing reveals distinct chlamydia trachomatis strains in an at-risk population in Nanjing, China | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Long-term physical functioning and its association with somatic comorbidity and comorbid depression in patients with established rheumatoid arthritis: a longitudinal study | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Contrasting influence of soil nutrients and microbial community on differently sized basal consumers | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Het RIVM heeft in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM) verkend of er een nieuwe waterkwaliteitsnorm moet worden afgeleid voor titanium. Titanium wordt als titaniumdioxide toegepast als witmaker in allerlei producten, zoals verf, papier, inkt en tandpasta. Vanwege de UVwerende werking wordt het ook veel gebruikt in cosmetica en zonnebrandcrème. Titaniumdioxide wordt hiervoor vaak in de vorm van nanodeeltjes gebruikt en zou via deze toepassingen in het oppervlaktewater terecht kunnen komen. De huidige norm (MTR) is niet afgeleid volgens de meest recente methodiek en berust op zeer weinig gegevens. Huidige norm voor kortdurende blootstelling voldoet Uit een eerste literatuurverkenning blijkt dat de huidige norm (20 microgram per liter) waterorganismen voldoende beschermt tegen kortdurende blootstelling aan titaniumdioxide, inclusief de nano-vorm daarvan. Effecten treden namelijk pas op bij veel hogere concentraties. Het is echter niet bekend of dat ook geldt voor de lange termijn, omdat er nauwelijks studies zijn naar de effecten van titaniumdioxide als waterorganismen daar langdurig aan blootstaan. Langetermijnblootstelling: eerst aanwezigheid nanomateriaal in water aantonen De schaarse gegevens uit laboratoriumstudies die er zijn, laten zien dat de nanovorm op termijn mogelijk meer effect op waterorganismen heeft dan de gewone variant. Het is echter niet duidelijk of de laboratoriumsituatie opgaat voor de Nederlandse praktijk. Dat komt doordat het niet duidelijk is in welke hoedanigheid titanium in het Nederlandse oppervlaktewater aanwezig is. Het is pas zinvol om een norm voor deze specifieke variant af te leiden als zeker is dat er titanium in nanovorm in het Nederlandse oppervlaktewater voorkomt. Er bestaat alleen nog geen standaard werkwijze om nanomaterialen in water op te sporen. Het RIVM adviseert daarom om eerst methoden te laten ontwikkelen om dat mogelijk te maken.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Er is nog weinig onderzoek gedaan naar de effecten van trillingen door treinen op de gezondheid. Om meer inzicht te verwerven in de aard en omvang van klachten en wanneer deze zich voordoen, heeft het RIVM een onderzoeksprogramma opgezet. De eerste resultaten hiervan komen eind 2013 beschikbaar. Deze bevindingen zullen gebruikt worden als bouwstenen voor regelgeving. Het ministerie voor Infrastructuur en Milieu (IenM) bereid namelijk een besluit voor om eventueel de bestaande richtlijnen voor trillingen door treinverkeer uit te breiden en een handhavingsinstrumentarium in te stellen. Hiervoor is een norm voor trillingen nodig. Om de hoogte van deze norm te kunnen vaststellen, is een gedegen schatting van gezondheidseffecten noodzakelijk. Schatting aantallen ernstig gehinderden Op basis van de beschikbare gegevens wordt het aantal mensen dat ernstige hinder ondervindt van trillingen door treinen voorlopig geschat op 9.400 tot 27.000. In Nederland wonen circa 660.000 mensen op 150 meter afstand van het spoor. Bij hinder is onder andere sprake van irritatie, boosheid en onbehagen. Andere effecten die met trillingen door treinen in verband worden gebracht zijn slaapverstoring, vermoeidheid, verminderde prestaties en lichamelijke klachten als hoofdpijn, duizeligheid en een hoge bloeddruk. Een direct verband tussen deze effecten en trillingen door treinen is echter niet wetenschappelijk onderbouwd. Kennishiaten De beschikbare gegevens zijn onvoldoende om een gedegen schatting te maken van de mate waarin deze gezondheidseffecten zich voordoen. Daarom kan er nog geen norm worden afgeleid. Om hier meer inzicht in te krijgen is het vervolgonderzoek van het RIVM erop gericht een rekenmodel te ontwikkelen, en een vragenlijst af te nemen onder mensen die langs het spoor wonen. Daarnaast wordt een zogeheten dosis-respons relatie opgesteld, onder andere op basis van gegevens over de afstand tot het spoor, aantallen treinen, het maximale trillingsniveau, de verhouding tussen reizigers- en goederentreinen en het type bebouwing rond het spoor.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Hemochromatosis (HFE) gene mutations and risk of gastric cancer in the european prospective investigation into cancer and nutrition (EPIC) study | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Dynamics and determinants of staphylococcus aureus carriage in livestock veterinarians: a prospective cohort study | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Dietary patterns and the risk of type 2 diabetes in overweight and obese individuals | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Erratum: Bias in protein and potassium intake collected with 24-h recalls (EPIC-Soft) is rather comparable across European populations | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Tolerance of native and non-native fish species to chemical stress: a case study for the river Rhine | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Quantitative risk estimation for a Legionella pneumophila infection due to whirlpool use | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Modelling obesity outcomes: reducing obesity risk in adulthood may have greater impact than reducing obesity prevalence in childhood | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Risk analysis in bioequivalence and biowaiver decisions | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Maternal cholestasis during pregnancy programs metabolic disease in offspring | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Generic legislation of new psychoactive drugs | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Evidence for novel hepaciviruses in rodents | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Short-term effects of PM2.5, PM10 and PM2.5-10 on daily mortality in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Brachyspira species and gastroenteritis in humans | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Measures of quality, costs and equity in primary health care instruments developed to analyse and compare primary care in 35 countries | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
In 2011 is de Drinkwaterwet in werking getreden. De reikwijdte van deze wet strekt van bron tot kraan en heeft primair als doel de drinkwatervoorziening in Nederland duurzaam veilig te stellen. Volgens de wet is het de verantwoordelijkheid van alle partijen die bij de drinkwatervoorziening zijn betrokken, om de drinkwaterbronnen te beschermen. In juridische termen is het drinkwaterbelang geformuleerd als een 'dwingende reden van zwaarwegend openbaar belang'. Het doel hiervan is het belang om drinkwaterbronnen te beschermen, explicieter te waarborgen. Naar aanleiding van de Drinkwaterwet is door het RIVM en de Universiteit Utrecht geanalyseerd in hoeverre de brede zorgplicht en de kwalificatie van de drinkwatervoorziening als 'dwingende reden van zwaarwegend openbaar belang' in de wetgeving meerwaarde hebben als sprake is van tegenstrijdige belangen die de bescherming van drinkwaterbronnen kunnen beïnvloeden. In de praktijk blijkt het namelijk niet altijd duidelijk te zijn wat de zorgplicht precies inhoudt en wat er van partijen wordt verwacht. De zorgplicht zoals die bij de watertoets wordt toegepast, garandeert bijvoorbeeld niet dat in de belangenafweging daadwerkelijk extra gewicht wordt toegekend aan de drinkwaterfunctie. Jurisprudentie zal moeten uitwijzen hoe de rechter de belangenafweging in een concreet geval aan de norm gaat toetsen. Om het beoogde effect te kunnen realiseren, moet aan een aantal voorwaarden worden voldaan. Zo is het van belang dat bij een eventuele rechtszaak niet alleen wordt getoetst of de procedure is doorlopen, maar dat het drinkwaterbelang daadwerkelijk zwaarder weegt dan andere belangen. Hiertoe is het belangrijk dat drinkwaterbedrijven de risico's voor de kwaliteit van hun bronnen concreet maken. Dan kan deze informatie eerst door bestuursorganen en vervolgens bij een eventuele rechtszaak door de rechter in de afweging kan worden meegenomen. Daarnaast is er vanuit de praktijk de behoefte om de taken en verantwoordelijkheden van bestuursorganen en drinkwaterbedrijven voor de bescherming van drinkwaterbronnen duidelijk uit te werken. De analyse is uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM).
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
December 2023: De uitspraken van het RIVM in dit rapport hebben betrekking op de ontwikkelingen op gebied van wetgeving en drugsbeleid die op dat moment speelden. Inmiddels is deze context veranderd. Het RIVM heeft geen onderzoek gedaan over de nieuwe wetgeving en kan hier derhalve geen uitspraken over doen. Op verzoek van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) heeft het RIVM op basis van literatuuronderzoek een overzicht gemaakt van de mate waarin designer drugs (Nieuwe Psychoactieve Stoffen, New Psychoactive Substances, NPS) in Europa verkrijgbaar zijn en worden gebruikt. Dit zijn grotendeels synthetische stoffen die afgeleid zijn van de werkzame stoffen van klassieke drugs, zoals cannabis, ecstasy en khat. De werking komt ook vaak overeen. Voorbeelden van NPS die in Nederland beschikbaar zijn, zijn mephedrone, methylone en 2-CB. In Nederland blijkt het gebruik van NPS, in vergelijking met sommige andere Europese landen, gering. Mogelijk is er een samenhang tussen de hoogte van het gebruik van NPS enerzijds en de beperkte beschikbaarheid van klassieke drugs in een land anderzijds. Per jaar verschijnen ongeveer vijftig nieuwe NPS op de Europese markt. De meeste verdwijnen weer binnen enkele maanden. Uit de literatuurgegevens en interviews blijkt dat een designer drug populair wordt als hij als veilig wordt gezien, niet te duur en als gemakkelijk beschikbaar wordt ervaren. Hetzelfde geldt voor een stabiele kwaliteit en weinig vervelende bijwerkingen. Mephedrone voldoet aan deze criteria, wat zijn populariteit in Europa verklaart. Potentieel hoger gezondheidsrisico Voor zover bekend zijn de meeste NPS niet schadelijker dan klassieke drugs als cannabis, ecstasy of amfetamine. Gebruik van NPS geeft echter potentieel een hoger gezondheidsrisico, omdat hun schadelijke effecten op de lange termijn doorgaans onbekend zijn. Daarnaast beschikt de gebruiker vaak niet over voldoende betrouwbare informatie over deze drugs. Onzorgvuldig gebruik geeft daardoor een grotere kans op overdosering en bijwerkingen. Temeer daar de identiteit van de NPS vaak afwijkt van de beschrijving en de producten van maand tot maand verschillen. In aanvulling op het literatuuronderzoek is door het Bonger Instituut een kwalitatief onderzoek verricht naar het gebruik en de mening over NPS. Inzicht in het gebruik en de beschikbaarheid van NPS is vooral gebaseerd op de resultaten van van experimentele gebruikers van NPS. Hieruit blijkt dat ervaringen met NPS en de producten zelf vooral tussen vrienden worden uitgewisseld. Daarnaast worden NPS via internet verkregen. De Nederlandse experimentele gebruikers zijn vooral op zoek naar NPS met een stimulerende of psychedelische werking. Een kleiner deel is meer geïnteresseerd in middelen die met sufheid gepaard gaan (sederende drugs).
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Influence of calendar period on the association between BMI and coronary heart disease: a meta-analysis of 31 cohorts | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Factors controlling the export of nitrogen from agricultural land in a large Central European catchment during 1900-2010 | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Topography of distinct Staphylococcus aureus types in chronic wounds of patients with epidermolysis bullosa | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Risk assessment of coccidostatics during feed cross-contamination: animal and human health aspects | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Modeling toxicity of mixtures of perfluorooctanoic acid and triazoles (triadimefon and paclobutrazol) to the benthic cladoceran chydorus sphaericus | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Dietary supplement use and colorectal adenoma risk in individuals with lynch syndrome: the GEOLynch cohort study | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Environmental risks of large scale cultivation of microalgae: mitigation of spills | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Selective induction of IL-6 by aluminum-induced oxidative stress can be prevented by selenium | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Clustering of tuberculosis cases based on variable-number tandem-repeat typing in relation to the population structure of mycobacterium tuberculosis in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Synergistic activity of rifampicin and ethambutol against slow-growing nontuberculous mycobacteria is currently of questionable clinical significance | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Predictive value of molecular drug resistance testing of Mycobacterium tuberculosis isolates in Valle del Cauca, Colombia | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Waist circumference, BMI, and lung function in 8-year-old children: The PIAMA birth cohort study | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Modeling the impact of the indigenous microbial population on the maximum population density of Salmonella on alfalfa | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Short Communication: Prevalence of antibodies against Coxiella burnetii (Q fever) in children in The Gambia, West Africa | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Recent advances in the risk assessment of melamine and cyanuric acid in animal feed | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
North-south gradients in plasma concentrations of B-vitamins and other components of one-carbon metabolism in Western Europe: results from the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition (EPIC) Study | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Om het effect van beleidsmaatregelen te kunnen inschatten is kennis van het gedrag van fijn stof essentieel. Dit rapport beschrijft een wetenschappelijk deelonderzoek van metingen en berekeningen van fijn stof. RIVM, ECN en TNO hebben op zes locaties uitgebreide metingen uitgevoerd van de concentraties fijn stof (PM) in de lucht. De metingen zijn uitgevoerd voor het eerste Beleidsgericht Onderzoeksprogramma PM (BOP), dat erop gericht is om kennis te verwerven over samenstelling en verspreiding van fijn stof. Bij de metingen is onderscheid gemaakt tussen de totale hoeveelheid fijn stof (PM10) en de fijnere fractie ervan (PM2,5). De dataset bevat informatie over de chemische componenten waaruit fijn stof is opgebouwd. Deze samenstelling geeft belangrijke informatie over de bronnen van fijn stof, zoals industrie en verkeer. Enkele vragen over de herkomst van fijn stof bleven na het eerste onderzoek onbeantwoord. Omdat dit invloed heeft op het inzicht in de effectiviteit van maatregelen, heeft het RIVM twee van deze vragen in het kader van het tweede BOP-programma nader onderzocht via een beperkte heranalyse van de data. Verklaring voor inconsistente samenstelling PM10 en PM2,5 per bron Via een geavanceerde bronanalyse techniek (Positive Matrix Factorisation) zijn de PM10 en PM2.5 datasets in BOP apart geanalyseerd. De resultaten waren voor de belangrijkste componenten goed vergelijkbaar. Voor één component, elementair koolstof (roet), was het resultaat inconsistent. Die inconsistentie zou kunnen komen doordat de analyse op de beide datasets afzonderlijk is uitgevoerd. Om dit te controleren is de analyse herhaald op de gecombineerde dataset. De inconsistentie was daarmee niet verdwenen. Dit betekent dat de herkomst van roet nog steeds niet geheel bekend is. Verdere analyses van de bestaande data set zullen vermoedelijk deze vraag niet beantwoorden. Het feit dat het resultaat niet veranderd door de PMF analyse anders uit te voeren betekent dat een dergelijke bronanalyse, die ook door de EU wordt gepropageerd, robuuster is dan verwacht. Verschillen tussen Nederland en Vlaanderen in bijdrage bodemstof De tweede vraag betrof het aandeel dat opwaaiend bodemstof levert aan de concentratie van PM10 in de lucht. Volgens eerdere berekeningen zou bodemstof in Nederland de helft minder bijdragen aan de fijnstofconcentratie dan in Vlaanderen. Dit verschil blijkt grotendeels verklaard te kunnen worden door de gebruikte definitie van bodemstof. In Vlaanderen bevat de definitie van bodemstof meer componenten. Met dezelfde definitie blijken de resultaten goed vergelijkbaar. De resultaten zijn daarom voldoende betrouwbaar voor schattingen van bronbijdrage en het mogelijke effect van maatregelen.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Met de Omgevingswet wil het kabinet op effectieve wijze ruimte voor ontwikkeling creëren en tegelijkertijd de kwaliteit van de leefomgeving waarborgen. Procesmatig wordt ermee beoogd de regelgeving te vereenvoudigen, te bundelen en meer in samenhang te brengen en tevens de besluitvorming over projecten in de leefomgeving te versnellen en verbeteren. In aanloop naar de wet heeft het RIVM geïnventariseerd welke knelpunten er in de huidige wetgeving bestaan bij het gebruik van normen. Vervolgens is geanalyseerd hoe die knelpunten zijn te verhelpen om de Omgevingswet daadwerkelijk effectief en doelmatig te laten zijn. Hiertoe heeft het RIVM een denkraam ontwikkeld voor de wetgever en de bestuursorganen die bij de uitvoering van de Omgevingswet zijn betrokken. Het denkraam helpt om de benodigde keuzes te maken over de wijze waarop de normen het beste kunnen worden gecombineerd met de kerninstrumenten die in de wet zijn opgenomen (omgevingsvisie, programmatische aanpak, algemene rijksregels, decentrale regelgeving, projectbesluit en omgevingsvergunning). Om de samenvoeging van de huidige wetten effectief te maken, is het nodig om het gebruik van de normen te harmoniseren en te differentiëren. Om de veelheid aan normen te kunnen harmoniseren, is een onderscheid gemaakt in zeven typen normen. Dit maakt het mogelijk om voor de diverse sectoren te verduidelijken waar de normen voor zijn bedoeld. Op die manier is de keuze voor een bepaalde norm te vereenvoudigen. Daarnaast is het van belang om de normen, afhankelijk van de situatie, gedifferentieerd in te zetten. Bij kleinere en relatief routinematige beslissingen kan bijvoorbeeld gewerkt worden met uniforme prestatie-eisen, gestandaardiseerde vergunningaanvragen en eenvoudige procedures. Bij complexere gevallen zijn maatwerk en bestuurlijke afwegingen van kansen en risico's en van kosten en baten nodig. Verder is het passend om normen in te zetten voor innovatie, bijvoorbeeld door te stimuleren om steeds de schoonste en veiligste technieken te gebruiken. Op die manier is de kwaliteit van de leefomgeving te verbeteren of wordt het mogelijk dat in de toekomst meer activiteiten binnen een beperkte ruimte plaatsvinden. Ook is het van belang de oplossingen die verschillende sectoren gaandeweg in de praktijk hebben gevonden voor knelpunten in de bestaande wetgeving, breder in te zetten. Ten slotte is de doelmatigheid van normen in de omgevingswet onlosmakelijk verbonden met de bevoegdheidsverdeling tussen overheden. Het is daarbij wenselijk de bestuurlijke verantwoordelijkheden te koppelen aan het niveau (van lokaal tot Europees) waarop de effecten zich manifesteren en waarbij het overheidshandelen het meest effectief is.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Preventie of beperken van gezondheidseffecten bij de mens vormt de basis voor het opstellen van beleid ten behoeve van crisisbeheersing en rampenbestrijding bij chemische incidenten. Een adequate inschatting van het risico op gezondheidseffecten is essentieel voor een effectief crisismanagement. Aan de hand van een internetenquête zijn kennishiaten, behoeftes en zorgpunten van verschillende betrokken stakeholders geïdentificeerd. Het vrijkomen van acuut toxische of irriterende stoffen wordt gezien als een van de belangrijkste risicoscenario's binnen Europa. Daarnaast verwacht bijna 40% van de respondenten een toename van het aantal chemische incidenten in de nabije toekomst ten gevolge van een doelbewuste (terroristische) actie. Mogelijk kunnen ook ontwikkelingen binnen de nanotechnologie voor extra risico's bij incidenten zorgen, maar hiervoor is meer kennis nodig over de gezondheidsrisico's van nanodeeltjes. Een groot deel van de respondenten is tevens bezorgd over de gevolgen van globalisering, industrialisering en toenemende werkdruk (als gevolg van hogere efficiëntie-eisen) op het voorkomen van chemische incidenten en daarmee gepaard gaande gezondheidsrisico's. Interventiewaarden (Acute Exposure Reference Values; AERVs) worden gezien als een belangrijke instrument bij de crisisbeheersing en rampenbestrijding, hoewel een duidelijke behoefte werd aangegeven aan handvatten hoe deze waarden adequaat toe te passen. Naar aanleiding van dit onderzoek is geadviseerd om een gezaghebbende en Europees afgestemde methodologie te ontwikkelen voor de afleiding van interventiewaarden voor de rampenbestrijding en richtlijnen en trainingen te verschaffen voor toepassing in de praktijk. Hierbij is het belangrijk aandacht te besteden aan veelgebruikte acuut toxische en irriterende/corrosieve stoffen, specifieke gezondheidseffecten als carcinogeniteit en effecten op de reproductie en op nieuwe chemische stoffen. In het kader van prioriteitsstelling is verder onderzoek nodig naar nieuwe risicoscenario's van chemische incidenten.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Het vrijkomen van chemische stoffen, ten gevolge van een incident of een doelbewuste (terroristische) actie, vormt één van de belangrijkste risicoscenario's binnen Europa. Een nauwkeurige inschatting van de gezondheidseffecten in relatie tot de concentratie en de duur van de blootstelling is hierbij van belang. Europese richtlijnen en geharmoniseerde Acute Exposure Reference Values (AERVs) zijn hiertoe een vereiste. Op dit moment bestaan er binnen Europa geen geharmoniseerde richtlijnen voor de risicobeoordeling, -beheersing en -communicatie gericht op eenmalige blootstelling bij chemische incidenten noch wordt deze op korte termijn verwacht. Een toenemend aantal Europese lidstaten ontwikkelt op dit moment eigen methodologieën voor het vaststellen van AERVs. Tevens dienen deze AERVs vaak verschillende doelen en zijn daardoor niet uitwisselbaar. In de praktijk worden ze wel als zodanig gebruikt, wat leidt tot inconsistenties en onjuistheden bij het beoordelen van risico's bij chemische incidenten. Uit een internetenquête blijkt dat binnen Europa grote behoefte bestaat aan overeenstemming en harmonisatie van AERVs. Het ontbreken hiervan staat een consistente en uniforme respons bij (grensoverschrijdende) chemische incidenten in de weg, het belemmert een transparante en eenduidige risicobeoordeling, -beheersing en -communicatie en het bemoeilijkt multinationals bij het opzetten van een consistente risicobeoordelingsmethodiek. Nieuwe scenario's voor de risicobeoordeling bij chemische incidenten zijn geïdentificeerd. Aanbevolen wordt om actief regelmatig en vroegtijdig nieuwe trends in ontwikkeling van chemische stoffen en risicoscenario's voor chemische incidenten te signaleren. Blootstelling aan mengsels van stoffen alsmede het ontwikkelen van richtlijnen ter bescherming van hulpverleners, verdient hierbij specifieke aandacht.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
De Europese Unie beschikt over een meldingssysteem, waarmee lidstaten informatie kunnen uitwisselen over de veiligheid van consumentenproducten. Het doel van dit zogeheten RAPEX-systeem (Rapid Alert System for Non-Food Products) is om producten die een ernstig risico vormen voor de volksgezondheid snel van de Europese markt te kunnen halen. Een risico kan een gevolg zijn van een mechanisch defect of van een chemische stof in het product. Er zijn drie categorieën risico's: laag, matig en ernstig (serious risk). In de praktijk blijken lidstaten de definitie van serious risk voor risico's veroorzaakt door chemische stoffen verschillend te interpreteren. Hierdoor wordt het risico van het gebruik van deze producten vaak ten onrechte als ernstig bestempeld en gemeld. Voor Nederland verzorgt de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA) de RAPEX-meldingen. De NVWA heeft het RIVM gevraagd om dit probleem in kaart te brengen en mogelijke oplossingen aan te reiken. Het blijkt dat stoffen en producten bij RAPEX om twee redenen worden gemeld. Ten eerste als een wettelijke concentratielimiet van een stof wordt overschreden, en ten tweede als een product klachten veroorzaakt. Als een concentratielimiet wordt overschreden, hoeft er echter niet altijd sprake te zijn van een ernstig risico. Dat komt omdat normen niet altijd gebaseerd zijn op een specifiek effect van een schadelijke stof, maar bijvoorbeeld ook vanuit een basale wens om het gebruik van een stof te beperken. Het RIVM reikt enkele oplossingen aan om de verschillen in interpretatie weg te nemen. Een mogelijkheid is de definitie van serious risk aan te passen door deze specifiek op te stellen voor chemische risico's. Ook kan worden verduidelijkt hoe een risicobeoordeling voor chemische stoffen het beste binnen RAPEX kan worden uitgevoerd, bijvoorbeeld door daar een leidraad voor op te stellen. Als laatste zou bij een RAPEX-melding toegevoegd kunnen worden waar de risicobeoordeling op is gebaseerd (normoverschrijding of klacht), zodat de reden voor de melding duidelijk wordt.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Ontwikkelingen in respiratoire infectieziekten in 2011 en het griepseizoen 2011/2012 | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Risicofactoren voor secundaire transmissie van Shigella-infecties in huishoudens: implicaties voor het huidige preventiebeleid | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Mensen van 70 jaar of ouder die hun rijbewijs willen verlengen, moeten daarvoor elke vijf jaar medisch gekeurd worden; binnenkort wordt deze leeftijd verhoogd naar 75 jaar. De minister van Infrastructuur en Milieu overweegt om deze 'seniorenkeuring' af te schaffen vanwege de administratieve lasten die deze met zich meebrengt. Volgens onderzoek van het RIVM is het echter aannemelijk dat de keuring de verkeersveiligheid bevordert. Er zijn alleen onvoldoende gegevens beschikbaar om concreet aan te geven hoeveel verkeersongevallen door de keuring worden voorkomen. Als de keuring wordt afgeschaft, is het in ieder geval raadzaam om de negatieve gevolgen voor de verkeersveiligheid te compenseren met alternatieve maatregelen. In 2012 werd 0,8% (N=2435) van de gekeurde senioren afgekeurd. Daarnaast werd 36% (N=109.278) van de gekeurden goedgekeurd met een beperking, wat bijvoorbeeld inhoudt dat de geldigheid van het rijbewijs wordt verkort. Ook kunnen ze worden verplicht een bril te dragen, mogen ze alleen overdag rijden, of mogen ze alleen in een auto met aanpassingen rijden, zoals een automaat. Hooguit 1% van de mensen gaat niet naar de medische keuring en ziet er daarmee vanaf het rijbewijs te verlengen. Ongeveer 15% van de ouderen neemt preventieve maatregelen om goedgekeurd te worden. Zij nemen bijvoorbeeld een bril om het gezichtsvermogen te verbeteren, of ondergaan een staaroperatie voorafgaand aan de keuring. Veel landen kennen geen leeftijdsgebonden keuring voor het rijbewijs. Vaak bestaan er dan wel andere regelingen waardoor mensen met een medische aandoening of beperking worden onderzocht, zoals een meldplicht. De verschillende regelingen zijn echter divers en de effecten ervan op de verkeersveiligheid niet duidelijk. Er kan geen aanbeveling worden gedaan voor een alternatief voor de seniorenkeuring in Nederland op basis van regelingen in het buitenland.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
MRSA net buiten het ziekenhuis: wie doet wat? | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Q-koortscluster in Friesland | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Pup met rabiës via Marokko en Spanje naar Nederland geïmporteerd | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Verheffing Echovirus type 9 op een kinderdagverblijf - het belang van diagnostiek | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Resultaten lezersonderzoek Wekelijks overzicht van infectieziektesignalen | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
High resolution typing by whole genome mapping enables discrimination of LA-MRSA (CC398) strains and identification of transmission events | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Acceptatie van vaccinatie in de reformatorische gezindte | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Waterpokken, een risico voor een zwangere vrouw? | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Infectivity of GI and GII noroviruses established from oyster related outbreaks | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Appropriateness of empirical treatment and outcome in bacteremia caused by extended-spectrum-beta-lactamase-producing bacteria | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Genome-wide gene expression analysis of Bordetella pertussis isolates associated with a resurgence in pertussis: elucidation of factors involved in the increased fitness of epidemic strains | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Routine screening for coxiella burnetii infection during pregnancy: A clustered randomised controlled trial during an outbreak, the Netherlands, 2010 | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Ontwikkelingen in de nationale tuberculosebestrijding | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Toevallig gevonden Giardia, behandelen of niet? | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Activated complement factor 3 is associated with liver fat and liver enzymes: The CODAM study | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Reisgerelateerde legionellose 2011 | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Effectiveness of alcohol prevention interventions based on the principles of social marketing: a systematic review | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Kan een mondhygiënist, tandartsassistent of ambulanceverpleegkundige een risicovormer voor hepatitis B zijn? | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Surveillance van STEC in Nederland, 2011 | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
A nation-wide fetal RHD screening programme for targeted antenatal and postnatal anti-D | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Kosten tuberculose en tuberculosebestrijding in Nederland | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Rabiësvaccinatie na eekhoornbeet? | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Agrarische kinderopvang? Gezond en veilig! | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Ara met papegaaienziekte in gezin, maatregelen nodig? | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Proactive systems for early warning of potential impacts of natural disasters on food safety: Climate-change-induced extreme events as case in point | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Incidentie van meldingen van acute hepatitis B in 2011 lager dan ooit | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
MRSA-patient vervoerd in ambulance, wat nu? | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Weinig meldingen van gezondheidsklachten door waterrecreatie in 2011, de natste zomer sinds 100 jaar | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Effects of the live attenuated measles-mumps-rubella booster vaccination on disease activity in patients with juvenile idiopathic arthritis: a randomized trial | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Assuring safety without animal testing: the case for the human testis in vitro | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Redenen om zich te laten vaccineren tegen HPV: implicaties voor toekomstige informatievoorziening | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Variability and uncertainty analysis of the cross-contamination ratios of salmonella during pork cutting | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Meldingen van voedselinfecties en -vergiftigingen in 2011 | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Legionella op cruiseschepen | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Review: Current knowledge on the role of HPV antibodies after natural infection and vaccination: Implications for monitoring an HPV vaccination programme | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Revaccinatie tegen hepatitis B bij non-responders. Resultaten van een retrospectieve studie en opzet van een prospectief onderzoek (RESPONS) | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
The effects of noise disturbed sleep on children's health and cognitive development | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Surveillance van Listeria monocytogenes in Nederland, 2011 | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
In de keten van validatie, acceptatie en implementatie van 3V-testen zijn in de Programmeringsstudie en het RIVM-rapport 'Knelpunten bij de ontwikkeling, validatie en implementatie van Alternatieven voor Dierproeven' de context van diverse toepassingsdomeinen en de knelpunten daarin beschreven. Uit deze studies blijkt dat voor het wegnemen van deze knelpunten een ketengerichte aanpak nodig is. Deze aanpak houdt in dat in elke fase van de keten van onderzoek tot implementatie van 3V-testen, alle ketenpartners worden betrokken. Voor de kennisvraag wordt jaarlijks een keuze gemaakt voor één toepassingsdomein om daarin het functioneren van de keten te optimaliseren. In dit domein worden drempels geïdentificeerd en acties benoemd om deze drempels te verlagen; hiertoe wordt een plan van aanpak gemaakt. Voor 2013 is gekozen voor het toepassingsdomein ontwikkelings- en reproductietoxicologie; de argumenten voor deze keuze worden gegeven. De vooruitgang in de innovatie van risicobeoordeling en alternatieve methoden, worden besproken voor dit domein, evenals de verbinding tussen deze ontwikkelingen en de Programmeringsstudie en het "Actieplan Dierproeven en Alternatieven 2011-2021". Het plan van aanpak is als volgt: - in de EU lidstaten bevorderen van acceptatie van de "extended one generation reproductive toxicity test" door te (blijven) lobbyen in Brussel - voor chemische stoffen nagaan of in studies naar ontwikkelingstoxiciteit een tweede species moet worden getest, en zo ja, onder welke omstandigheden dit geldt - voor geneesmiddelen nagaan of in studies naar ontwikkelingstoxiciteit altijd in twee species moet worden getest en zo nee, onder welke omstandigheden dit geldt en voor welke species dan wordt gekozen - bestaande gegevens uit de muizen Embryonale Stamcel Test vergelijken met bestaande gegevens uit studies naar ontwikkelingstoxiciteit met rat en konijn
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM is op verzoek van het ministerie van Economische Zaken een samenwerkingsverband aangegaan met China om kennis over te dragen over de risicobeoordeling van chemische stoffen en de bijbehorende wetgeving. Het doel is dat bedrijven beter kunnen voldoen aan de wettelijke eisen in Europa en in China voor de productie en het gebruik van chemische stoffen. Op termijn kan dat eraan bijdragen om de handelsbarrière tussen China en Europa te verminderen. Ook stimuleert het beide handelsblokken om veilig met chemisch stoffen om te gaan. Voor de overdracht van kennis en ervaring hebben het RIVM en diens Chinese zusterorganisatie, Chinese Research Academy Enviromental Science (CREAS), op twee activiteiten georganiseerd. In november 2012 is een delegatie van het RIVM naar Beijing afgereisd voor een workshop om de risicobeoordeling van chemische stoffen in China op te zetten. De overeenkomsten en verschillen besproken tussen de stoffenverordening REACH, die sinds 2007 in Europa van kracht is, en recente Chinese wetgeving voor nieuwe en bestaande stoffen kwamen hierbij ook aan bod. In maart 2013 zijn enkele medewerkers van CREAS naar Nederland gekomen voor een training van een week om praktische ervaring met risicobeoordelingen op te doen. Aanbevolen wordt de contacten en kennisoverdracht voor te zetten. Het is vooral van belang de Europese beoordelingsinstrumenten in China te implementeren en meer Chinese casestudies uit te voeren. Daarnaast is aanbevolen samen te werken bij de keuze van zeer schadelijke stoffen die als eerste aan banden moet worden gelegd en hoe deze het beste geleidelijk kunnen worden vervangen door veiligere alternatieven (prioritering en aanpak).
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Cell toxicity and oxidative potential of engine exhaust particles: impact of using particulate filter or biodiesel fuel blend | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Quality aspects of Dutch general practice-based data: a conceptual approach | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Should non-inferiority drug trials be banned altogether? | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Effects of copper on invertebrate-sediment interactions | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Prevalence of SCN1A-Related dravet syndrome among children reported with seizures following vaccination: A population-based ten-year cohort study | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Anthropometric characteristics and risk of lymphoid and myeloid leukemia in the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition (EPIC) | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Traffic-related air pollution is related to interrupter resistance in 4-year-old children | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Polymorphisms in genes related to one-carbon metabolism are not related to pancreatic cancer in PanScan and PanC4 | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Development of land use regression models for particle composition in twenty study areas in Europe | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Long-term stability of parameters of antioxidant status in human serum | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Identification of heart rate-associated loci and their effects on cardiac conduction and rhythm disorders | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Sinds 1976 wordt in Nederland periodiek gemeten in welke mate mensen via voeding schadelijke stoffen binnenkrijgen, zoals metalen en gewasbeschermingsmiddelen. Hiervoor verzamelt een representatieve groep deelnemers in een gekoelde box dezelfde porties van alles wat zij gedurende 24 uur hebben gegeten en gedronken (duplicaatvoeding). Vervolgens wordt het voedsel gevriesdroogd en in laboratoria geanalyseerd. Het RIVM coördineert dit zogeheten duplicaatvoedingsonderzoek in opdracht van de Nederlandse Voedselen Warenautoriteit (NVWA). Het materiaal van dit onderzoek wordt bewaard om in de toekomst analyses naar schadelijke stoffen te kunnen uitvoeren. In dit rapport is gedocumenteerd hoe het onderzoek in 2011 is opgezet en uitgevoerd. Vergelijking duplicaatvoedingen - voedingsdagboekjes In het voor- en najaar van 2011 hebben 122 volwassenen in de leeftijd van 25-65 jaar uit de regio Wageningen een duplicaatvoeding verzameld; gemiddeld was dat 2,7 kilogram per deelnemer. Daarnaast hebben zij in een voedingsdagboekje genoteerd wat zij gedurende het etmaal hebben geconsumeerd. Dit is gedaan om te checken of alle consumpties in de box zijn verzameld, zodat eventueel ontbrekende onderdelen konden worden aangevuld. De gegevens uit het voedingsdagboekje zijn vervolgens vergeleken met de hoeveelheid voedingsstoffen (koolhydraten, eiwitten en vetten) in de gekoelde box. Gemiddeld werd er in de inhoud van de gekoelde box 13 tot 21 procent minder eiwitten en vetten gemeten dan dat de deelnemers volgens de dagboekjes hadden opgegeven. Hier zijn meerdere verklaringen voor mogelijk. Eén verklaring is bijvoorbeeld dat de deelnemers de omvang van de genuttigde porties in de dagboekjes anders inschatten. Representativiteit De deelnemers aan het duplicaatvoedingsonderzoek waren representatief voor de Nederlandse bevolking wat betreft leeftijd en geslacht. Personen met een lage opleiding waren enigszins ondervertegenwoordigd. Voor de representativiteit is ook gekeken of deelnemers aan het duplicaatonderzoek evenveel voedingstoffen binnenkrijgen als een vergelijkbare groep mensen in de Voedselconsumptiepeiling (VCP). Volgens de voedingsdagboekjes kregen deelnemers aan het duplicaatonderzoek gemiddeld genomen 10 tot 20 procent minder energie en voedingsstoffen binnen dan de deelnemers aan de VCP. De lange termijn gemiddelde ('gebruikelijke') inname van deelnemers in het duplicaatvoedingsonderzoek is waarschijnlijk onderschat, bijvoorbeeld doordat de deelnemers minder zijn gaan eten op de dag dat ze hun duplicaatvoeding verzamelen. Als de blootstelling aan schadelijke stoffen in de duplicaatvoedingen wordt gemeten, moet deze onderschatting worden ingecalculeerd.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Reported behavior, knowledge and awareness toward the potential for norovirus transmission by food handlers in Dutch catering companies and institutional settings in relation to the prevalence of norovirus | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Allergy and parasites | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
In het Landbouw Ontwikkelingsgebied (LOG) De Rips in Noord-Brabant wordt de veeteelt uitgebreid. Uitgangspunt hierbij is dat de luchtkwaliteit niet mag verslechteren. Om de uitstoot van ammoniak en fijn stof (PM10) te verminderen zijn technische maatregelen ingevoerd voor bestaande en nieuwe bedrijven. Het gaat hierbij onder andere om zogenoemde gecombineerde luchtwassers, die de ventilatielucht met ammoniak en fijn stof uit stallen schoonmaken. Aanzienlijke verlaging ammoniakuitstoot met luchtwassers In gebieden met veel veeteeltbedrijven, zoals het LOG De Rips, draagt de ammoniakemissie uit stallen in belangrijke mate bij aan de lokale ammoniakconcentratie. In De Rips komen voornamelijk varkensbedrijven voor. De luchtwassers blijken de uitstoot van ammoniak zo ver te verminderen dat, ondanks intensievere veeteeltactiviteiten, de luchtkwaliteit niet afneemt. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM naar de concentraties ammoniak en fijn stof in de nabijheid van het LOG, en naar de bijdrage van het LOG aan deze concentraties. Hiervoor zijn in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM) en de provincie Noord-Brabant van 2008 tot en met 2011 concentraties van ammoniak en fijn stof rondom het LOG gemeten. Effect luchtwassers op concentratie fijn stof geringer Uit het onderzoek blijkt ook dat de bijdrage van de emissie vanuit het LOG aan de concentratie van fijn stof rondom het LOG geringer is dan die van ammoniak. In tegenstelling tot ammoniak hebben meer bronnen dan alleen de stallen invloed op de concentratie fijn stof. Bovendien is er een substantiële achtergrondconcentratie fijn stof. Mede door het gebruik van luchtwassers zijn de huidige grenswaarden voor zowel het jaargemiddelde als het aantal dagen met concentraties hoger dan 50 microgram per kubieke meter voor fijn stof in De Rips niet overschreden. Verwachte ontwikkelingen in het LOG tot 2015 De plannen voor 2015 voor dit gebied geven aan dat de veestapel in het LOG verder wordt uitgebreid. Wat ammoniak betreft zal de luchtkwaliteit hierdoor nauwelijks veranderen, mits de luchtwassers net zo blijven functioneren als tijdens de metingen. Kritischer is de situatie voor fijn stof. De uitbreiding kan ertoe leiden dat zelfs met goed functionerende luchtwassers de grenswaarde voor de daggemiddelde concentratie kan worden overschreden. Dit is uiteraard mede afhankelijk van hoe de fijnstofemissies buiten het LOG, en daarmee de achtergrondconcentratie, zich ontwikkelen.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
N-6 and N-3 fatty acid cholesteryl esters in relation to fatal CHD in a Dutch Adult Population: A nested case-control study and meta-analysis | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Gonokok wijzigt sneller dan voorschrijfgedrag; resistentie tegen veel voorgeschreven antibiotica | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Transfer of perfluorooctane sulfonic acid (PFOS) from contaminated feed to dairy milk | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Specific interferon gamma detection for the diagnosis of previous Q fever | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Developmental immunotoxicity in male rats after juvenile exposure to ethanol | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Implementation of a Q fever vaccination program for high-risk patients in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Ecological factors that determine Ixodes ricinus tick burdens in the great tit (Parus major), an avian reservoir of Borrelia burgdorferi s.l | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Avian influenza A H7N9 in Zhejiang, China | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Validation of a questionnaire measuring preschool children's reactions to and coping with noise in a repeated measurement design | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Dynamic of livestock-associated methicillin-resistant Staphylococcus aureus CC398 in pig farm households: a pilot study | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Dietary acrylamide intake of adults in the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition differs greatly according to geographical region | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Reduced serologic response to mumps, measles, and rubella vaccination in patients treated with intravenous immunoglobulin for Kawasaki disease [Letter to the editor] | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Why mobile health app overload drives us crazy, and how to restore the sanity | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Oxidative DNA damage and nucleotide excision repair | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Estimation of vaccine efficacy and critical vaccination coverage in partially observed outbreaks | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
In 2012 hebben meer mensen zich bij een soa-poli laten testen op een seksueel overdraagbare aandoening (soa) dan in voorgaande jaren. Ook is bij meer mensen een soa geconstateerd. Vooral het percentage mensen met een chlamydia- en gonorroe-infectie nam toe. Deze tendensen zijn zichtbaar bij zowel de soa-poli's als de huisartsen. Een goed functionerende soa-monitoring blijft daarom essentieel om zicht te houden op relevante trends en opkomende soa binnen groepen die een grotere kans hebben deze infectie op te lopen. De soa-poli's bieden hoogrisicogroepen een laagdrempelige mogelijkheid om zich te laten testen en verstrekken medicatie als een soa wordt vastgesteld. De bezoekers van de soa-poli's waren in 2012 voornamelijk jongeren tot 25 jaar, migranten uit landen waar soa's en hiv veel voorkomen en mannen die seks hebben met mannen (MSM). Het aantal consulten is met 7 procent toegenomen ten opzichte van 2011. Chlamydia Bij de soa-poli's was chlamydia opnieuw de meest gediagnosticeerde soa in 2012, met een lichte stijging ten opzichte van 2011 (12,2 versus 11,5 procent). Chlamydia werd het meest vastgesteld bij heteroseksuelen, zowel mannen als vrouwen, onder de 25 jaar. Opmerkelijk was de sterke stijging van lymphogranuloma venereum (LGV), een agressieve variant van chlamydia. LGV is tot nu toe voornamelijk vastgesteld bij MSM die een hiv-infectie hebben. LGV veroorzaakt een ontsteking van de lymfeklieren, waardoor de behandeling langer duurt. Gonorroe Ook het percentage mensen met een gonorroe-infectie bij de soa-poli's is in 2012 toegenomen ten opzichte van 2011 (3,6 versus 3,2 procent). Deze soa werd het meest gediagnosticeerd bij MSM. Het blijft belangrijk om te volgen of de gonorroebacterie resistent raakt tegen het antibioticum dat nu in Nederland als eerste keus aanbevolen wordt, een derde generatie cefalosporine. In diverse Europese landen is deze resistentie waargenomen. Hiv Het aantal personen met een hiv-infectie, gediagnosticeerd bij een van de soa-poli's, is in 2012 licht afgenomen (358 versus 415 in 2011). Het aantal mensen dat jaarlijks bij een hiv-behandelcentrum onder behandeling komt, blijft min of meer stabiel. Er werden wel meer mensen van 50 jaar of ouder nieuw gediagnosticeerd met hiv in de afgelopen jaren.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Op verzoek van het ministerie van VWS onderzoekt het RIVM jaarlijks hoeveel mensen ziek worden van 14 darmpathogenen. Deze infecties kunnen worden overgedragen via voedsel, het milieu, dieren en de mens. Het aantal mensen dat ziek wordt van een infectie of eraan overlijdt, wordt uitgedrukt in DALY's (Disability Adjusted Life Year); een maat voor gezondheidsverlies onder de bevolking. De ziektelast die door de 14 darminfecties in totaal werd veroorzaakt daalde van 14.900 DALY in 2010 naar 13.900 DALY in 2011. Het deel van deze ziektelast dat alleen via voedsel werd overgedragen, daalde van 6.440 tot 6.230 DALY. De daling in de ziektelast via voedsel komt doordat er ten opzichte van 2010 minder mensen ziek zijn geworden van een infectie met de Salmonella spp., het rotavirus, het norovirus en het hepatitis A-virus. Daarnaast zijn er minder mensen overleden als gevolg van een infectie met Listeria monocytogenes. Het aantal baby's met een Listeria infectie is wel gestegen in 2011, waardoor de bijbehorende ziektelast met 50% steeg tot 156 DALY. Het aantal infecties met de Campylobacter-bacterie bleef ook in 2011 stijgen. Daarnaast is over de periode 2001-2011 een toenemende trend gezien in het aantal mensen dat ziek wordt van het norovirus, ondanks de daling in 2011 ten opzichte van 2010. Een verklaring voor de trends is niet voorhanden. De resultaten van dit onderzoek bieden handvaten om meer zicht te krijgen op het daadwerkelijke aantal voedselinfecties dat mensen jaarlijks oplopen en de ziektelast die daardoor wordt veroorzaakt. De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) en GGD'en registeren en onderzoeken in Nederland uitbraken van voedselinfecties en -vergiftigingen. Het merendeel van de infecties wordt echter niet gemeld.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Op verzoek van het ministerie van VWS onderzoekt het RIVM de maatschappelijke kosten van 14 ziekteverwekkers; vanaf 2011 wordt dit jaarlijks in kaart gebracht. De infecties die de ziekteverwekkers veroorzaken, kunnen worden overgedragen via voedsel, de mens, het milieu of dieren (zoönosen). De geschatte kosten van de 14 ziekteverwekkers bedroegen in 2011 416 miljoen euro. De meeste mensen worden ziek van een besmetting met het norovirus, de Campylobacter-bacterie en het rotavirus waardoor deze de hoogste kosten met zich meebrengen. Als naar de kosten per patiënt wordt gekeken, zijn deze het hoogst bij een besmetting door de bacterie Listeria monocytogenes, de parasiet Toxoplasma gondii, en het hepatitis E-virus omdat deze relatief ernstige ziekteverschijnselen veroorzaken. Onderverdeling kosten van voedselinfecties Meer dan 40 procent van de totale kosten die de onderzochte ziekteverwekkers met zich meebrengen wordt via voedsel veroorzaakt (168 miljoen euro in 2011). De overige kosten worden toegeschreven aan de overdracht van mens op mens (28 procent), blootstelling via het milieu (15 procent) of via contacten tussen dieren en mensen (7 procent). De resterende 9 procent van de kosten is gerelateerd aan reizen naar het buitenland. De kosten van voedselinfecties zijn nader gespecificeerd. Ruim de helft (51 procent oftewel 86 miljoen euro) van de kosten van voedselinfecties worden veroorzaakt door producten van dierlijke oorsprong, zoals vlees, eieren en zuivelproducten. Vis, fruit en groenten, dranken, graanproducten en andere niet-gespecificeerde voedselgroepen veroorzaken respectievelijk 8, 6, 2, 5 en 14 procent van de ziektekosten toegeschreven aan voedsel. Onderverdeling soorten kosten De onderzoekers hebben de maatschappelijke kosten van de 14 ziekteverwekkers onderverdeeld in drie categorieën. Ten eerste zijn er de kosten voor consulten aan artsen, ziekenhuisopnamen en medicijnen, de 'directe medische kosten'. Deze bedragen minder dan 25 procent van alle kosten. Daarnaast bestaan ze uit kosten die door de patiënt zelf worden betaald, zoals reiskosten van en naar de arts (directe niet-medische kosten). Deze zijn laag. Als derde post zijn er de kosten die voortvloeien uit productiviteitsverliezen vanwege werkverzuim van de patiënten en speciaal onderwijs na neurologische aandoeningen (indirecte niet-medische kosten). Deze post is het meest substantieel en bedraagt bijna 75 procent van de totale kosten.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Body mass index trajectory classes and incident asthma in childhood: Results from 8 European Birth Cohorts - A Global Allergy and Asthma European Network initiative | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Effects of different discount levels on healthy products coupled with a healthy choice label, special offer label or both: Results from a web-based supermarket experiment | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Vaccinatiegraad Het RIVM stelt jaarlijks een terugblik op van ontwikkelingen binnen het Rijksvaccinatieprogramma (RVP). De in 2012 gerapporteerde vaccinatiegraad was onveranderd hoog en week nauwelijks af van het voorgaand verslagjaar. Afhankelijk van de vaccinatie en de doelgroepen varieert de vaccinatiegraad van 92,6 tot 99,3 procent, met uitzondering van HPV-vaccinatie. In 2012 is er ook extra op gelet of de vaccinaties tijdig (dat wil zeggen volgens het aanbevolen RVP- schema) worden toegediend. Tussen 2006 en 2010 nam het percentage tijdig gevaccineerde kinderen toe van 77 tot 85 procent. Tegelijkertijd bleek dat te vroeggeboren kinderen en kinderen met een laag geboortegewicht minder vaak op tijd worden gevaccineerd. Zij lopen daardoor een groter risico op infectieziekten die door middel van tijdige vaccinatie kunnen worden voorkomen. Kinkhoest heeft hierbij de meeste aandacht. De vaccinatiegraad voor de HPV-vaccinatie is voor meisjes die geboren zijn in 1997 56 procent. Vergeleken met de meisjes die tussen 1993 en 1996 zijn geboren en in de zogeheten inhaalcampagne zijn gevaccineerd (52,3 procent) is er sprake van een lichte stijging. Opvallende gebeurtenissen in 2012 Een van de opvallende gebeurtenissen in dit jaar was een hevige kinkhoestepidemie, met ruim anderhalf keer meer gevallen dan in het voorgaande piekjaar 2008. Daarnaast was er een aanhoudende ernstige bofepidemie. Deze epidemieën zijn door het RVP continu en nauwlettend gevolgd. Sinds 2012 is overleg gaande tussen het RVP en collega's van Bonaire, St. Eustatius en Saba. De Gezondheidsraad heeft in dat jaar namelijk geadviseerd het RVP uit te breiden naar Caribisch Nederland. Bekeken wordt of op deze eilanden eenzelfde RVP kan worden aangeboden als in Nederland, of dat er specifieke aanpassingen noodzakelijk zijn. Het gaat hierbij ook om de organisatie van de vaccinvoorziening. Surveillance en onderzoek In het verslagjaar is onder andere onderzoek gedaan naar verschillende vaccinatieschema's voor een pneumokokkenvaccinatie, waardoor kinderen mogelijk minder vaak hoeven te worden geprikt om voldoende beschermd te zijn. Resultaten worden in 2013 verwacht. Daarnaast is onderzoek gaande naar redenen waarom mensen zich wel of niet willen laten vaccineren.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Net als in voorgaande jaren is in verslagjaar 2013 de gemiddelde deelname aan alle vaccinaties uit het Rijksvaccinatieprogramma (RVP) met 92 tot 99 procent hoog. Uitzondering hierop vormt de deelname aan de HPV-vaccinatie tegen baarmoederhalskanker, die met 58 procent twee procent gestegen is ten opzichte van vorig jaar. De deelname aan de pneumokokkenvaccinatie (95 procent) en de tweede BMRvaccinatie voor 9-jarigen (93 procent) is ook licht toegenomen ten opzichte van vorig jaar (beide met 0,3 procent). Deze laatste bevinding is belangrijk vanwege het streven van de World Health Organization (WHO) mazelen wereldwijd uit te roeien. Verder zijn er minder gemeenten waarin een of meerdere vaccinatiepercentages (HPV en hepatitis B uitgezonderd) onder de ondergrens van 90 procent liggen (80 gemeenten in verslagjaar 2013 versus 90 gemeenten in verslagjaar 2012 en 107 gemeenten in verslagjaar 2011). Daarnaast verdient vaccinatie van te vroeg geboren kinderen bijzondere aandacht. Het blijkt dat zij minder vaak op tijd worden gevaccineerd, waardoor zij een groter risico lopen op ziekten waartegen het RVP bescherming biedt. In 2013 zullen deskundigen van Caribisch Nederland en het RIVM samenwerken om het vaccinatieprogramma op deze eilanden zo veel mogelijk te harmoniseren met het RVP van Nederland. In Nederland wordt met de systematiek van vrijwillige vaccinatie een hoge vaccinatiegraad bereikt. Dat is nodig om zo veel mogelijk mensen individueel te beschermen. Voor de meeste ziekten in het RVP is het ook van belang om de bevolking als geheel te beschermen tegen uitbraken. Deze bescherming ontstaat door groepsimmuniteit.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Exemplification of the implementation of alternatives to experimental testing in chemical risk assessment - Case studies from the cadaster project | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Met behulp van technologische middelen (domotica) wordt 'zorg op afstand' geboden aan mensen die langdurige zorg nodig hebben. Dit betreft vooral ouderen en mensen met een verstandelijke of lichamelijke beperking die thuis of in zorginstellingen wonen. Domotica variëren van een eenvoudige alarmknop die een cliënt bij zich draagt, tot intelligente systemen die waarnemen of de cliënt afwijkt van zijn normale leefroutines. Aangezien domotica steeds meer worden ingezet, heeft het RIVM geïnventariseerd welke typen momenteel in de langdurige zorg worden gebruikt en welke risico's daarbij kunnen optreden. Zo kan de technologie defect raken, of kan deze onvoldoende aansluiten bij de mogelijkheden en behoeften van de cliënt. Daarnaast moet de zorgorganisatie ingespeeld zijn op het veranderde zorgproces dat door de inzet van de technologie is ontstaan. Aanbevelingen Het onderzoek maakt duidelijk dat de aard van de zorg verandert door de inzet van domotica. Voor een verantwoord gebruik beveelt het RIVM zorginstellingen daarom aan een duidelijke visie te formuleren hoe zij de zorg met ondersteuning van domotica levert en hoe daarmee de levenskwaliteit van de cliënten wordt verbeterd. Het is belangrijk dat zorginstellingen een risicoanalyse van de technologie maken en beheersmaatregelen implementeren. Hiervoor wordt in dit rapport een handreiking geboden. Een standaardoplossing kan echter niet gegeven worden omdat risicoanalyse en -beheersing op de specifieke vereisten van de zorgorganisatie moeten zijn toegesneden. Aanbevolen wordt om deze taken binnen de zorginstelling te coördineren en de praktijkervaring van zorgmedewerkers als input te benutten. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ). Hiervoor zijn wetenschappelijke literatuur en de incidentendatabank van de IGZ geraadpleegd, en zijn veldpartijen geïnterviewd.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM heeft een nieuw concept uitgewerkt om normen af te leiden voor twaalf veelvuldig voorkomende verontreinigende stoffen in grondwater (meestal organische oplosmiddelen). Dit is bedoeld om het beheer van grondwaterkwaliteit en de functies van het grondwater concreet vorm te geven. De basis van het concept voor deze zogeheten functiespecifieke risicogrenswaarden is dat voor de grondwaterkwaliteit rekening wordt gehouden met het gebruik of de functie van het grondwater. Het voordeel is dat de vervuiling specifieker kan worden aangepakt. Deze benadering is vergelijkbaar met de werkwijze voor het bodembeheer. In de toekomst kan daardoor het beheer van bodem- en grondwater worden gekoppeld. Het concept is verkennend van aard en wil, passend bij de nieuwe Omgevingswet (2018), bijdragen aan nieuw beleid voor grondwater. De huidige normen hebben geen directe relatie met het feitelijke gebruik van grondwater. Op basis van de streef- en interventiewaarden voor grondwater wordt bepaald in welke mate beheer en sanering nodig zijn en naar welke waterkwaliteit wordt gestreefd. Voor de afleiding van functiespecifieke risicogrenswaarden is een onderscheid gemaakt tussen drie gebiedstypen: de combinatie Landbouw/Natuur, Wonen en Industrie. Elk gebiedstype stelt eisen aan de grondwaterkwaliteit, zoals voor irrigatie, ecologie, drinkwateronttrekking, veilig wonen en industriële productieprocessen. De risicogrenswaarden kunnen onder meer worden gebruikt voor het zogeheten gebiedsgericht beheer van grondwater. Hierbij wordt een vervuild gebied in zijn geheel aangepakt, wat vooral efficiënt is als de 'veroorzaker' niet bekend is (zoals bij oudere, industriële verontreinigingen). De grenswaarden geven onacceptabele risico's aan, gekoppeld aan een specifieke functie van grondwater. Om de kwaliteit van nabijgelegen schoon grondwater te garanderen, worden daarvoor strengere risicogrenswaarden aangegeven.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Voor diagnoses waarbij een afbeelding van het inwendige lichaam wordt gemaakt (medische beeldvorming) kan röntgenapparatuur worden gebruikt waarbij ioniserende straling vrijkomt. De gemiddelde stralingsdosis per Nederlander als gevolg van deze diagnostiek is tussen 2002 en 2010 met ruim 70 procent gestegen (ongeveer 0,045 millisievert jaarlijks). De belangrijkste oorzaak daarvan is dat het aantal onderzoeken met computertomografie (CT) in ziekenhuizen in tien jaar is verdubbeld. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM, toegespitst op het gebruik van CT-scanners in ziekenhuizen. Een eensluidende verklaring voor de gestegen inzet van CT ontbreekt echter. Voor de hand liggende verklaringen zoals de bevolkingsgroei en de vergrijzing blijken slechts een marginale bijdrage te leveren. Het is onduidelijk wat de toegenomen inzet van CT veroorzaakt. Vermoedelijk voeren ziekenhuizen steeds meer CT-verrichtingen uit, omdat ze over meer scanners beschikken die bovendien sneller scans kunnen maken. Daarnaast kunnen de richtlijnen voor diagnostiek en de behandelplannen in individuele ziekenhuizen de afgelopen jaren zodanig zijn veranderd dat vaker CT wordt aangewend om een diagnose te stellen. Ook kan het zijn dat nieuw, jonger personeel, dat met CT wordt opgeleid, hieraan bijdraagt. Een andere factor kan de toegenomen mondigheid van patiënten zijn, die zelf om een CT-scan vragen. Artsen kunnen er op hun beurt eerder toe neigen een CT-scan te laten maken uit angst voor juridische consequenties bij medische missers. Meer inzicht in de verklaringen kan bijvoorbeeld worden verkregen door mensen uit het veld daarover te laten discussiëren en er een rangorde in te laten aanbrengen. Daarnaast kan onderzoek naar alternatieven voor CT worden gestimuleerd, of naar een vermindering van de dosis per verrichting. Tevens kan een betere bewustwording bij artsen van de kosten en risico's van CT-onderzoek het aantal CT-verrichtingen helpen verminderen. Daarbij is het van belang de baten van dit type onderzoek, namelijk eerdere en betere diagnoses, niet uit het oog te verliezen.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM stelt voor om de Handreiking waarmee de magneetveldzone bij bovengrondse hoogspanningslijnen wordt berekend, te actualiseren. De huidige Handreiking is in 2009 opgesteld om ervoor te zorgen dat de magneetveldzone steeds op dezelfde manier berekend wordt. De Handreiking beschrijft de berekening voor een afzonderlijke bovengrondse hoogspanningslijn. In andere situaties, bijvoorbeeld bij hoogspanningsverbindingen die zo dicht bij elkaar liggen dat ze elkaars magneetveld beïnvloeden, konden adviesbureaus het RIVM per geval om verduidelijking vragen. Het voorstel is om de Handreiking uit te breiden met rekenvoorschriften voor die situaties waarin twee of meer bovengrondse hoogspanningsverbindingen zich in elkaars nabijheid bevinden. De voorgestelde wijzigingen zijn het resultaat van verkennende berekeningen voor situaties waarin deze beïnvloeding aan de orde is. De uitbreiding is van belang omdat het aantal locaties waar hoogspanningsverbindingen zich dicht bij elkaar bevinden toeneemt. Dat komt omdat nieuwe hoogspanningslijnen met het oog op een goede ruimtelijke ordening zo veel mogelijk met bestaande lijnen worden gebundeld, waardoor twee rijen masten naast elkaar ontstaan. Ook kan het zijn dat de draden van een nieuwe verbinding met de draden van een bestaande lijn op één rij masten worden gecombineerd. Als gevolg van de voorgestelde aanpassingen zullen de adviesbureaus die in staat zijn om een magneetveldzone volgens de huidige Handreiking te berekenen, opnieuw moeten worden beoordeeld. Er zal dan worden getest of zij ook in staat zijn om berekeningen uit te voeren voor de situaties waar sprake is van beïnvloeding. De Handreiking is voortgekomen uit het voorzorgsbeleid voor bovengrondse hoogspanningslijnen uit 2005. Hierin is een magneetveldzone gedefinieerd waarbinnen in nieuwe situaties zo weinig mogelijk woningen, scholen, crèches en kinderopvangplaatsen terecht mogen komen. Aanleiding hiervoor was wetenschappelijk onderzoek dat aangeeft dat kinderen die in de buurt van bovengrondse hoogspanningslijnen wonen een grotere kans hebben om leukemie te krijgen.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Tijdens grootschalige chemische incidenten in Nederland verrichten regionale organisaties en landelijke diensten metingen. Het doel van deze metingen is om te onderzoeken of er schadelijke stoffen zijn vrij gekomen en inzicht te krijgen in de eventuele risico's voor mens en milieu. De samenwerking tussen deze organisaties kan effectiever, blijkt na de brand in Moerdijk in januari 2011. Het RIVM heeft, in opdracht van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT), de belangrijkste knelpunten in de zogeheten meetketen in kaart gebracht. Op basis daarvan zijn enkele maatregelen voorgesteld om de diensten effectiever te laten samenwerken. Op die manier wordt een consistent beeld van de aard en de verspreiding van de schadelijke stoffen en eventuele risico's verkregen en kan daar eenduidig over worden gecommuniceerd. De aanbevelingen betreffen het volledige meetproces: van de fase waarin alarm wordt geslagen, gevolgd door de metingen en analyses (de 'acute fase'), tot de overdracht naar de nafase. In het algemeen blijkt er weinig aan te merken op de metingen en de bruikbaarheid van resultaten, maar ontstaan de problemen vooral door een gebrek aan coördinatie, miscommunicatie, verkeerde verwachtingen en verschillende werkwijzen van de diensten. Om die reden wordt een 'coördinator meetketen' voorgesteld, die de diverse meetplannen kan afstemmen en het overzicht behoudt op de lopende activiteiten. Deze functionaliteit coördineert bovendien de stroom gegevens en verstrekt op basis daarvan geïntegreerde informatie aan de 'afnemers'. Op die manier kan vanuit de context de juiste waarde aan de gegevens worden gegeven. Om de voorgestelde maatregelen succesvol uit te kunnen voeren, moeten ze worden verankerd in de meetketen. Een aantal randvoorwaarden is hiervoor noodzakelijk, zoals meer uniformiteit in de werkwijze van de Veiligheidsregio's om de samenwerking tussen de meetdiensten in de regio en die vanuit het Rijk te verbeteren. De bevindingen zijn gebaseerd op documentatie van en gesprekken met een brede vertegenwoordiging van meetdiensten en afnemers van de meetresultaten, en vijf scenariosessies.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Evaluation of a new molecular test for the identification of drug resistance in mycobacterium tuberculosis clinical isolates | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Acute inhalation toxicity in quantitative risk assessment-methods and procedures | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Long-term stability of biomarkers of the iron status in human serum and plasma | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
QRA method for land-use planning around onshore natural gas production and processing plants | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Hazard classification of biogas and risks of large scale biogas production | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Evaluation of the use of the prescribed quantitative risk assessment method for land use planning in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Mediterranean diet and colorectal cancer risk: results from a European cohort | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Maternal characteristics, mean arterial pressure and serum markers in early prediction of preeclampsia | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Reduction of bacteriophage MS2 by filtration and irradiation determined by culture and quantitative real-time RT-PCR | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Improved production process for native outer membrane vesicle vaccine against Neisseria meningitidis | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Waning of maternal antibodies against measles, mumps, rubella, and varicella in communities with contrasting vaccination coverage | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Reduction of bacteriophage MS2 by filtration and irradiation determined by culture and quantitative real-time RT-PCR | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Geodemographic analysis of Borrelia burgdorferi sensu lato using the 5S-23S rDNA spacer region | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Predictive models for estimating the vapor pressure of poly- and perfluorinated compounds at different temperatures | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
A prospective study among patients presenting at the general practitioner with a tick bite or erythema migrans in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
The effect of including an opt-out option in discrete choice experiments | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
The association between dietary energy density and type 2 diabetes in Europe: results from the EPIC-InterAct Study | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Verification of a REACH environmental prioritization system against regulatory risk indices | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Optimization of the rifampin dosage to improve the therapeutic efficacy in tuberculosis treatment using a murine model | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Insulin-like growth factor pathway genes and blood concentrations, dietary protein and risk of prostate cancer in the NCI Breast and Prostate Cancer Cohort Consortium (BPC3) | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Case and partnership reproduction numbers for a curable sexually transmitted infection | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Noise and health in vulnerable groups: a review | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Assessing interim objectives for acidification, eutrophication and ground-level ozone of the EU National Emission Ceilings Directive with 2001 and 2012 knowledge | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
The influence of choice task layout on the outcomes of a discrete choice experiment | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Verhoogde fijnstofconcentraties (PM10) in de lucht zijn schadelijk voor de volksgezondheid. Om effectieve maatregelen te kunnen treffen, is het van belang om inzicht te hebben in de herkomst en de samenstelling van fijn stof. De laatste inzichten zijn nu in een overzicht samengevat. Verhoogde fijnstofconcentraties worden vooral veroorzaakt door menselijk handelen. Uit het overzicht blijkt dat fijn stof in Nederland naast koolstof, vooral bestaat uit stikstof en zwavel: hun aandeel blijkt de helft groter te zijn dan eerder werd verondersteld. Fijn stof in de lucht afkomstig van menselijk handelen blijkt voor twee derde afkomstig uit het buitenland, en voor een derde uit Nederland. Om die reden zijn niet alleen nationale maar ook internationale maatregelen nodig om de fijnstofconcentratie te laten afnemen. Bijdrage verkeer aan fijnstofconcentratie is beperkt Van de bijdrage aan fijn stof uit Nederland zijn landbouw en verkeer de voornaamste bronnen voor de fijnstofemmissies. Als de bron 'verkeer' nader onder de loep wordt genomen, blijkt dat de bijdrage van lokaal verkeer aan fijn stof (PM10) relatief klein is in verhouding tot andere bronnen: de concentraties zijn rondom drukke straten en wegen ongeveer 15 procent hoger ten opzichte van de omgeving. Hierdoor zijn de mogelijkheden om de fijn stofconcentraties met lokale maatregelen te beïnvloeden beperkt. Bijdrage verkeer aan uitstoot roet en zware metalen relevanter Fijn stof bevat ook roet en zware metalen. Als op deze onderdelen wordt ingezoomd, blijkt verkeer wel een belangrijke bron te zijn: de concentraties roet en zware metalen zijn lokaal langs drukke straten en wegen in Nederland twee tot drie keer hoger. Roet komt uit de uitlaat van auto's en zware metalen komen vrij door slijtage van remschijven en banden. Dit inzicht biedt de mogelijkheid om de concentraties van deze componenten wel via gemeentelijk beleid te beïnvloeden. Dit is extra van belang omdat zowel het roet als de metalen waarschijnlijk gevaarlijker zijn voor de gezondheid dan andere componenten van fijn stof. Het overzicht in deze rapportage , vloeit voort uit onderzoek van het RIVM, TNO en ECN over fijn stof dat op initiatief van de overheid is uitgevoerd (BOP II, 2010-2012). BOP II is het vervolgprogramma van het eerste Beleidsgericht Onderzoeksprogramma Particulate Matter (BOP), uitgevoerd van 2007 tot2009. De BOP-programma's hebben de wetenschappelijke onzekerheden in het meten en rekenen van fijn stof verkleind. Met deze inzichten kunnen de effecten van fijnstofbeleid beter worden ingeschat.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Nieuwe concentratie- en depositiekaarten voor NSL en PAS Het RIVM presenteert de nieuwste kaarten waarop de concentraties in de lucht van onder andere stikstofdioxide en fijn stof in Nederland staan weergegeven in 2012. Ook worden kaarten gepresenteerd van de mate waarin stikstof op de bodem neerslaat in dat jaar. Daarnaast zijn toekomstberekeningen gemaakt voor de periode 2015-2030. De kaarten worden gebruikt voor het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) en de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) waarmee ruimtelijke ordeningsplannen wettelijk worden getoetst. Hogere bijdragen aan concentraties vanuit het buitenland In de kaarten, gebaseerd op berekeningen en metingen, zijn de effecten meegenomen van de nieuwe verplichtingen voor landen om emissies te reduceren. Deze verplichtingen komen voort uit het herziene Gotenburg-protocol van de Verenigde Naties van mei 2012, waarin de maximaal toegestane emissies voor 2020 zijn vastgesteld. Deze waarden zijn hoger dan vorig jaar was verondersteld, waardoor de bijdrage aan de concentraties stikstofdioxide en fijn stof uit de landen die Nederland omringen hoger uitvallen dan eerder was geraamd. Als gevolg hiervan zijn de verwachte concentraties voor de luchtkwaliteit in Nederland in 2015 en 2020 hoger. Lagere concentraties in 2012, maar hogere inschatting voor 2015 De gemeten concentraties van stikstofdioxide (NO2) waren in 2012 lager dan in 2011. De daling in steden die voor 2015 is berekend, zal echter iets minder sterk zijn dan vorig jaar was geraamd. Een belangrijke oorzaak hiervoor zijn de hierboven genoemde nieuwe emissieverplichtingen. Verder zijn voor het eerst stikstofoxide-emissies uit mestopslag meegenomen in de totale uitstoot van stikstofoxide. Deze extra bron is meegenomen omdat er sinds 2012 een rapportageverplichting voor is aan de EU. Ook zijn de geraamde emissies van dieselpersonenauto's hoger. Uit nieuwe metingen blijkt namelijk dat de emissies van deze categorie auto's ongunstiger zijn dan verwacht. De concentratie fijn stof (PM10) laat dezelfde tendens zien: de gemeten concentraties in 2012 zijn lager dan in 2011, maar ook deze concentratie daalt naar verwachting de komende jaren minder sterk. Ook hier komt dat door de hogere toegestane emissies voor het buitenland. Op basis van de huidige inzichten is de kans groot dat het aantal locaties in Nederland waar mogelijk de grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof worden overschreden, hoger is dan de inschattingen van vorig jaar in het NSL aangaven. Stikstofdepositie daalt naar verwachting meer De neerslag van stikstof op de bodem in Nederland tot 2030 laat het tegenovergestelde beeld zien: deze daalt sterker dan in 2012 was geschat. Dit komt omdat een nauwkeurigere berekeningsmethodiek van de ammoniakuitstoot lagere waarden berekent. Daarnaast is het effect ingecalculeerd van voorgenomen PAS-maatregelen om de ammoniakuitstoot vanuit stallen en bij het uitrijden van mest op het land te beperken.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Ammoniak in de buitenlucht is in Nederland voor het merendeel (90 procent) afkomstig van agrarische activiteiten, zoals de veehouderij. Deze emissies worden in beeld gebracht en gerapporteerd door de EmissieRegistratie van het RIVM. Ze worden gebruikt voor internationale rapportages en voor modelberekeningen over ammoniak in het milieu. Uit eerder onderzoek blijkt dat er emissieposten ontbreken. Een van die posten is de emissie uit landbouwgewassen. Het is onduidelijk hoe groot deze emissies zijn. Nader onderzoek is daarom geboden. Bevindingen boven maïsveld Om enig zich te krijgen op de emissie uit landbouwgewassen heeft het RIVM metingen verricht boven een veld met maïsplanten in Lelystad. Hierbij is voor maïs gekozen aangezien een derde van de landbouwgewassen in Nederland uit dit gewas bestaat. Het blijkt dat het maïs zowel ammoniak uitstoot als opneemt. Netto wordt ammoniak uitgestoten, gemiddeld 2,6 kilogram per hectare (tussen de onzekerheidsmarges van 0,15 en 5,1 kilogram per hectare). De brutouitstoot door het gewas wordt geschat op tussen 3,5 en 6,4 kilogram ammoniak per hectare. Door problemen met de ijking van de meetapparatuur is de onzekerheid in de resultaten groot. Werkwijze De metingen van ammoniak boven het maïsveld vonden plaats tijdens het groeiseizoen in 2010 (juni tot en met oktober). Met een optische meetmethode (DOAS: Differentiële Optische Absorptie Spectroscopie) zijn op twee hoogten ammoniakconcentraties gemeten. Vervolgens wordt het verschil tussen deze concentraties gecombineerd met metingen van de turbulentie van de lucht. Hieruit wordt de uitstoot of opname van ammoniak vastgesteld. Doordat het gemeten concentratieverschil klein is, is de uitstoot of opname extreem gevoelig voor de ijking van de meetinstrumenten.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Uit recente chemische onderzoeken naar de samenstelling van kabelafval is gebleken dat nauwkeurige gehaltebepalingen van gevaarlijke stoffen in de kabelomhullingen niet goed mogelijk zijn. Deze onderzoeken zijn nodig om een juiste classificatie van het kabelafval vast te kunnen stellen als er twijfel bestaat hierover. Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu heeft een stappenplan ontwikkeld voor de classificatie van het grensoverschrijdend kabelafval. Dit afval bestaat bijvoorbeeld uit afgedankte kabels voor telecommunicatie en elektriciteitsgeleiding. Ze zijn samengesteld uit een of meerdere metalen kernen voor de geleiding en uit een omhulling om die metalen kernen te beschermen. De omhulling kan bestaan uit verschillende soorten materialen, zoals papier, jute, kunststoffen en metalen. Het stappenplan is gemaakt in opdracht van de Inspectie Leefomgeving en Transport op basis van best practices. Het is een beslisboom waarmee de inspecteur kwalitatief en betrouwbaar volgens Europese voorschriften te werk kan gaan. De lidstaten van de Europese Unie zijn verplicht om volgens de Europese Verordening Overbrenging Afvalstoffen (EVOA) toe te zien dat het kabelafval correct is geclassificeerd. Op die manier wordt het afval op de juiste wijze verwerkt. Voor kabels met een kunststofomhulling is de EVOA-classificatie afhankelijk van de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen. Als de kunststofomhulling een bepaalde mate aan gevaarlijke stoffen bevat, zoals minerale olie, PCB, PAK, zware metalen en hun verbindingen, organohalogeenverbindingen of gebromeerde brandvertragers, wordt het geclassificeerd als een gevaarlijke afvalstof. Dergelijk kabelafval mag niet als een Groene lijst-afvalstof worden geduid.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
De concentraties fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) in de omgeving van Hilversum in 2011 voldoen op drie meetlocaties aan de normen. Dit blijkt uit de resultaten van luchtkwaliteitsmetingen van het RIVM in de gemeenten Hilversum, Bussum en Laren. De meetpunten zijn representatief voor de omgeving van Hilversum. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van de gemeente Hilversum om gegevens te leveren over de luchtkwaliteit voor het Integraal BereikbaarheidsPlan (IBP) Hilversum. De meetresultaten van 2011 komen overeen met die van de eerste jaren, 2009 en 2010. Het zogeheten Luchtmeetnet IBP Hilversum is in 2008 gestart met metingen van fijnstof. Voor stikstofoxiden zijn metingen begonnen vanaf voorjaar/zomer 2009. Afgesproken is dat het meetnet in ieder geval gedurende 10 jaar in Hilversum gaat meten, en vooralsnog 5 jaar in Bussum en Laren. De concentraties op drukke wegen in Hilversum en Bussum worden hierbij vergeleken met die van een locatie in Laren met weinig verkeer. Op deze manier wordt een indruk verkregen van de mate waarin verkeer bijdraagt aan luchtverontreiniging in de periode waarin maatregelen voor het IBP Hilversum worden uitgevoerd. Het IPB is ingesteld om de doorstroom van verkeer in en rond Hilversum te verbeteren. In 2011 verschilden de daggemiddelde fijnstofconcentraties op de drie stations onderling niet betekenisvol. De concentratieniveaus zijn vergelijkbaar met die van andere stedelijke meetstations van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit (LML). De concentratie aan stikstofoxiden varieerde over de dag; de hoogste waarden werden tijdens de ochtendspits gemeten. De jaargemiddelde stikstof(di)oxidegehaltes op de stations van het IBP Meetnet zijn iets lager dan die van gelijksoortige type stations van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
In 2011 is de totale emissie in Nederland van broeikasgassen, zoals CO2, methaan en lachgas, met ongeveer 7 procent gedaald ten opzichte van 2010. De daling komt vooral door een lager brandstofgebruik in de energiesector en de petrochemische industrie. Dit lijkt een gevolg van de economische recessie en van een geringere elektriciteitsproductie in Nederland. Daarnaast is in 2011 ten opzichte van 2010 minder energie verbruikt om huizen en kantoren te verwarmen. Dat kwam vooral doordat in 2010 zowel de eerste als de laatste maanden relatief koud waren. Totale uitstoot 9 procent lager dan basisjaar Kyoto De totale uitstoot van broeikasgassen wordt uitgedrukt in CO2-equivalenten en bedroeg in 2011 voor Nederland 194,4 miljard kilogram (megaton of teragram). Ten opzichte van de uitstoot in het Kyoto-basisjaar (213,2 miljard kilogram CO2-equivalenten) is dit een afname van ongeveer 9 procent. Het basisjaar, dat afhankelijk van het broeikasgas 1990 of 1995 is, dient voor het Kyoto-protocol als referentie voor de uitstoot van broeikasgassen. Deze getallen zijn exclusief de zogeheten LULUCF-emissies (Land Use, Land Use Change and Forestry). Landen zijn voor het Kyoto-protocol verplicht om de totale uitstoot van broeikasgassen op twee manieren te rapporteren: met en zonder het soort landgebruik en de verandering daarin. Dit is namelijk van invloed op de uitstoot van broeikasgassen. Voorbeelden zijn natuurontwikkeling (dat CO2 bindt) of ontbossing (waardoor CO2 wordt uitgestoten). Overige onderdelen inventarisatie Het RIVM stelt jaarlijks op verzoek van het ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM) de inventarisatie van broeikasgasemissies op. De inventarisatie bevat trendanalyses om ontwikkelingen in de uitstoot van broeikasgassen tussen 1990 en 2011 te verklaren, en een analyse van de onzekerheid in deze getallen. Ook is aangegeven welke bronnen het meest aan deze onzekerheid bijdragen. Daarnaast biedt de inventarisatie documentatie van de gebruikte berekeningsmethoden, databronnen en toegepaste emissiefactoren. Met deze inventarisatie voldoet Nederland aan de nationale rapportageverplichtingen voor 2012 van het Klimaatverdrag van de Verenigde Naties (UNFCCC), van het Kyoto-Protocol en van het hiermee vergelijkbare Bewakingsmechanisme Broeikasgassen van de Europese Unie.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
De spreiding en capaciteit van de ambulancezorg in Nederland wordt berekend met behulp van een zogeheten referentiekader. Dit referentiekader is gebaseerd op modellen die berekenen hoeveel ambulances op welke locatie moeten beschikbaar moeten zijn. Uit een analyse van het RIVM blijkt dat deze modellen niet helemaal aansluiten op de praktijk van de ambulancezorg. Zo blijken onder andere overdag op werkdagen meer ambulances te worden ingezet dan door het referentiekader is berekend. Tijdens weekend- en nachtdiensten is het juist andersom. De oorzaak van deze verschillen is voor een deel technisch van aard en betreft enkele aannames in de modellen. Aanbevolen wordt de modellen op deze onderdelen te verbeteren zodat ze beter aansluiten bij de praktijk. Daarnaast is het van belang de modellen te laten aansluiten bij maatschappelijke ontwikkelingen die van invloed zijn op de vraag naar en het aanbod van ambulances. De laatste jaren is bijvoorbeeld de vraag naar ambulances voor eerste hulp ter plaatse die niet levensbedreigend is, sterk gegroeid. Dit komt door de toegenomen bekendheid van het alarmnummer 112. Ook is het door de opkomst van mobiele telefoons eenvoudiger geworden om op locatie het alarmnummer te bellen. Voor de analyse zijn meerdere varianten uit de wetenschappelijke literatuur van het spreiding- en capaciteitsmodellen uitgewerkt voor de Nederlandse situatie. Voor het rijtijdenmodel, het derde model voor het referentiekader, zijn nieuwe gegevens over rijtijden verzameld om ambulancesnelheden te schatten. De nieuwe snelheden blijken hoger dan in het huidige model, waardoor de dekking van de ambulancezorg in Nederland volgens de berekeningen hoger is dan eerder is geschat. Op basis van de resultaten van dit onderzoek kiest het ministerie van VWS welke modellen in de huidige actualisatie van het referentiekader zullen worden gebruikt.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Toxicokinetics as a key to the integrated toxicity risk assessment based primarily on non-animal approaches | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Strategies for early detection of chronic Q-fever: A systematic review | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Twenty-two years of HIV-related consultations in Dutch general practice: a dynamic cohort study | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Noise annoyance: a modifier of the association between noise level and cardiovascular health? | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
How safe is the meat inspection based on artificial digestion of pooled samples for Trichinella in pork? A scenario from wildlife to a human patient in a non-endemic region of Europe | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Genetic variation in FADS genes and plasma cholesterol levels in 2-year-old infants: KOALA Birth Cohort Study | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Predicting copper toxicity to different earthworm species using a multicomponent Freundlich model | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Decline in incidence of HIV and hepatitis C virus infection among injecting drug users in Amsterdam; evidence for harm reduction? | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Dietary flavonoid and lignan intake and breast cancer risk according to menopause and hormone receptor status in the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition (EPIC) Study | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Sinds 19 december 2012 publiceert het RIVM op de website tabakinfo.nl de databank toevoegingen tabaksproducten. Deze databank biedt burgers uitgebreide informatie over additieven in tabaksproducten per merk en type. Het RIVM gaat in 2013 onderzoeken welk effect dit heeft op het rookgedrag van burgers. Als inleiding daarop is alvast een overzicht gemaakt van wat tot nu toe bekend is over het effect op burgers als informatie over additieven in tabaksproducten actief op hen wordt overgebracht (publieksdisseminatie). Ook is in kaart gebracht hoe vaak in Nederland beschikbare data over additieven door burgers zijn geraadpleegd. Australisch onderzoek: the right to know Tot nu toe heeft alleen Australië onderzocht welke effecten de bekendmaking van deze informatie op burgers heeft. Volgens dit onderzoek vinden burgers dat ze recht hebben op de informatie; ze beroepen zich op the right to know. Op basis van de informatie denken burgers echter niet dat roken slechter is dan ze al dachten. Sommige rokers die deelnamen aan het onderzoek dachten zelfs dat tabaksproducten waaraan relatief weinig of natuurlijke ingrediënten zijn toegevoegd, minder schadelijk zijn dan andere. Uit het onderzoek blijkt ook dat burgers vooral behoefte hebben aan informatie over gezondheidseffecten van de additieven. In tegenstelling tot Australië levert Nederland deze informatie wel, namelijk informatie over de invloed van het additief op de aantrekkelijkheid, verslavendheid en giftigheid van roken. Nederland doet dit voor de veertien meest toegevoegde ingrediënten. Publicatie additieven in Europa Behalve Australië vrezen sommige Europese landen dat burgers de website onterecht gebruiken om minder schadelijke tabaksproducten te selecteren. Deze landen voldoen aan de wettelijke verplichting om de informatie over additieven per merk en type te publiceren, maar geven daar om die reden weinig ruchtbaarheid aan. Gedragsonderzoek onder de Nederlandse bevolking maakt duidelijk hoe burgers de informatie op de website daadwerkelijk interpreteren.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Evaluation of the performance of the reduced local lymph node assay for skin sensitization testing | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Adherence to the World Cancer Research Fund/American Institute for Cancer Research guidelines and risk of death in Europe: results from the European Prospective Investigation into Nutrition and Cancer cohort study1-5 | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
A mathematical model for removal of human pathogenic viruses and bacteria by slow sand filtration under variable operational conditions | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Low prevalence of methicillin-resistant Staphylococcus aureus among men who have sex with men attending an STI clinic in Amsterdam: a cross-sectional study | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Reproductive and lifestyle determinants of anti-mullerian hormone in a large population-based study | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
A mode-of-action approach for the identification of genotoxic carcinogens | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Prevalence of nontuberculous mycobacteria in COPD patients with exacerbations [Letter to the editor] | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Inferring patient to patient transmission of Mycobacterium tuberculosis from whole genome sequencing data | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Change in neighborhood traffic safety: does it matter in terms of physical activity? | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
School food policy at Dutch primary schools: room for improvement? Cross-sectional findings from the INPACT study | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Health implications of PAH release from coated cast iron drinking water distribution systems in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Height, age at menarche and risk of hormone receptor-positive and -negative breast cancer: a cohort study | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
DNA damage in normally and prematurely aged mice | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Perspectives for integrating human and environmental risk assessment and synergies with socio-economic analysis | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
September through October 2010 multi-centre study in the Netherlands examining laboratory ability to detect enterovirus 68, an emerging respiratory pathogen | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Herbivore trampling as an alternative pathway for explaining differences in nitrogen mineralization in moist grasslands | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Factors determining uptake of invasive testing following first-trimester combined testing | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Detection and identification of Toxocara canis DNA in bronchoalveolar lavage of infected mice using a novel real-time PCR | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
To know or not to know, disclosure of a newborn carrier screening test result for cystic fibrosis | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Body mass index and the risk for crohn's disease and ulcerative colitis: data from a european prospective cohort study (The IBD in EPIC Study) | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Usage patterns of personal care products: important factors for exposure assessment | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Estimating the mediating effect of different biomarkers on the relation of alcohol consumption with the risk of type 2 diabetes | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Development of NO2 and NOx land use regression models for estimating air pollution exposure in 36 study areas in Europe - The ESCAPE project | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Metabolic syndrome components are associated with DNA hypomethylation | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Acute nasal pro-inflammatory response to air pollution depends on characteristics other than particle mass concentration or oxidative potential: the RAPTES project | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Respiratory syncytial virus and recurrent wheeze in healthy preterm infants | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Standard symptom-and sexual history-based testing misses anorectal chlamydia trachomatis and neisseria gonorrhoeae infections in swingers and men who have sex with men | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Differences in dietary intakes, food sources and determinants of total flavonoids between Mediterranean and non-Mediterranean countries participating in the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition (EPIC) study | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Mycobacterium riyadhense overlooked: we can only find what we are looking for | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Hepatitis C virus prevalence in the Netherlands: migrants account for most infections | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
High prevalence of ESBL-producing Enterobacteriaceae carriage in Dutch community patients with gastrointestinal complaints | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Components of ambient air pollution affect thrombin generation in healthy humans: The RAPTES project | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Qalibra: a general model for food risk-benefit assessment that quantifies variability and uncertainty | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Response to children's 1/4s home blood pressure and growth environment | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Guidance for clinical and public health laboratories testing for influenza virus antiviral drug susceptibility in Europe | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Clustering of Beijing genotype Mycobacterium tuberculosis isolates from the Mekong delta in Vietnam on the basis of variable number of tandem repeat versus restriction fragment length polymorphism typing | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Helminths: immunoregulation and inflammatory diseases - Which side are trichinella spp. and toxocara spp. on? | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Prevalence of extended-spectrum beta-lactamase-producing Enterobacteriaceae in humans living in municipalities with high and low broiler density | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Benefit-risk assessment of plant sterols in margarine: a QALIBRA case study | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Vitamins and minerals: issues associated with too low and too high population intakes | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Spending more money, saving more lives? The relationship between avoidable mortality and healthcare spending in 14 countries | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Anwendung neuer Vergütungsformen im Rahmen niederländischer DMP: Auswirkungen auf Prozessqualität und Kosten | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Smoking and the risk of prostate cancer in the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Meten van lichamelijke activiteit van kinderen: vragenlijsten versus versnellingsmeter | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Exploring the reach and program use of Hello World, an email-based health promotion program for pregnant women in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
An improved respiratory syncytial virus neutralization assay based on the detection of green fluorescent protein expression and automated plaque counting | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Biedt de NDF zorgstandaard zorggroepen voldoende houvast? Een onderzoek naar de bruikbaarheid van de diabetes zorgstandaard bij zorggroepen | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
European Guidelines on cardiovascular disease prevention in clinical practice (version 2012). The Fifth Joint Task Force of the European Society of Cardiology and Other Societies on Cardiovascular Disease Prevention in Clinical Practice (constituted by re | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Maternal smoking in pregnancy and asthma in preschool children: a pooled analysis of eight birth cohorts | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Social and physical environmental interventions in low socio-economic neighbourhoods to promote healthy behaviours: determinants of implementation and use | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Homocysteine and coronary heart disease: meta-analysis of MTHFR case-control studies, avoiding publication bias | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Multimorbidity and comorbidity in the Dutch population - data from general practices | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Preventie diabetes mellitus type 2 in de huisartsenpraktijk. De Aphrodite-studie | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Implementing self-management support in a new delivery system: experiences within Dutch care groups | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
A framework for quantifying net benefits of alternative prognostic models | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
The interleukin-6 receptor as a target for prevention of coronary heart disease: a mendelian randomisation analysis | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Predicting asthma in preschool children with asthma symptoms: study rationale and design | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Do positive or negative experiences of social support relate to current and future health? Results from the Doetinchem Cohort Study | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Interleukin-6 receptor pathways in coronary heart disease: a collaborative meta-analysis of 82 studies | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
European Guidelines on cardiovascular disease prevention in clinical practice (version 2012): The Fifth Joint Task Force of the European Society of Cardiology and Other Societies on Cardiovascular Disease Prevention in Clinical Practice (constituted by re | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
European Guidelines on cardiovascular disease prevention in clinical practice (version 2012): the Fifth Joint Task Force of the European Society of Cardiology and Other Societies on Cardiovascular Disease Prevention in Clinical Practice (constituted by re | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Defining and improving quality management in Dutch diabetes care groups and outpatient clinics: design of the study | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Substance-related environmental monitoring strategies regarding soil, groundwater and surface water - an overview | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Estimation of measles vaccine efficacy and critical vaccination coverage in a highly vaccinated population | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Graphical models and Bayesian domains in risk modelling: application in microbiological risk assessment | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Infection with hepatitis B and C virus in Europe: a systematic review of prevalence and cost-effectiveness of screening | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Technology for transparency: the case of the web-based Dutch national health portal | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Zebrafish can hear sound pressure and particle motion in a synthesized sound field | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Cardiovascular risk management of hypertension and hypercholesterolaemia in the Netherlands: from unifactorial to multifactorial approach | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
The effects of noise disturbed sleep on children's health and cognitive development | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Tuberculosis relapse in vietnam is significantly associated with mycobacterium tuberculosis beijing genotype infections | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Mechanism-based testing strategy using in vitro approaches for identification of thyroid hormone disrupting chemicals | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Dietary patterns derived from principal component- and k-means cluster analysis: long-term association with coronary heart disease and stroke | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Nonclinical vaccine safety evaluation: Advantages of continuous temperature monitoring using abdominally implanted data loggers | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
An overview of the European Health Examination Survey Pilot Joint Action | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Genetic variation in the vitamin d pathway in relation to risk of prostate cancer-results from The Breast and Prostate Cancer Cohort Consortium | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Patterns of human papillomavirus DNA and antibody positivity in young males and females, suggesting a site-specific natural course of infection | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
VWS-beleid gaat er vanuit dat mensen eerder doorgeleid kunnen worden naar (lichte) zorg als gezondheidsrisico's vroegtijdig worden opgespoord. Ziekte en daarvoor benodigde intensievere zorg kunnen dan worden uitgesteld of voorkomen. In dit verband heeft het RIVM in opdracht van het ministerie van VWS verkend welke elementen bijdragen aan het succes van lokale initiatieven om gezondheidsrisico's vroegtijdig op te sporen. Hiervoor zijn mensen uit het veld (onderzoek, beleid, praktijk) geïnterviewd en is op kleine schaal literatuuronderzoek gedaan. Gezien het verkennende karakter dienen de resultaten met enige voorzichtigheid geïnterpreteerd te worden. Een vaak genoemd element dat bij kan dragen aan het succes van initiatieven is integrale samenwerking. Daaronder wordt verstaan dat partijen, zowel binnen de zorg (zoals wijkverpleegkundigen en huisartsen) als daarbuiten (bijvoorbeeld buurtcoaches en medewerkers in het onderwijs), samenwerken bij het vroegtijdig opsporen van de doelgroep en de geboden zorg. Daarvoor is het onder andere van belang dat er voldoende draagvlak is bij alle betrokken partijen, net als één partij die de regie op zich neemt. Een ander bepalend element is dat het initiatief goed aansluit bij de doelgroep. Ook structurele financiering is genoemd als randvoorwaarde voor succes. In de verkenning stonden de volgende initiatieven centraal: het opsporen van gezondheidsrisico's in de wijk, van gezondheidsproblemen bij kwetsbare ouderen, van problematisch alcoholgebruik onder jongeren, van seksueel overdraagbare aandoeningen en ten slotte van (hoog risico op) hart- en vaatziekten en diabetes. Het onderzoek maakt ook duidelijk dat er onderzoek nodig is om te bewijzen dat lokale initiatieven om gezondheidsrisico's vroegtijdig op te sporen daadwerkelijk de gezondheid van mensen verbeteren. Het is daarom van belang om ingezette interventies te monitoren en te evalueren. Daarnaast is meer inzicht nodig in de behoeften die zorgverleners hebben om de initiatieven te kunnen uitvoeren, bijvoorbeeld ICT om gemakkelijk en snel informatie uit te wisselen.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
REACH is de Europese regelgeving om risico's van schadelijke stoffen te beperken. Producenten en distributeurs leveren hiervoor zelf de gegevens aan over grenzen waaronder het gebruik van een stof veilig is. Het RIVM heeft in een steekproef van ruim 200 stoffen onderzocht in hoeverre REACH-gegevens ook voor andere beleidskaders kunnen worden gebruikt, zoals het prioritaire stoffenbeleid. Het blijkt dat REACH-risicogrenzen vaak niet één op één kunnen worden overgenomen. Prioritaire stoffenbeleid Het doel van het prioritaire stoffenbeleid is de concentratie van alle zeer schadelijke stoffen, zoals kankerverwekkende, in Nederland in 2030 dusdanig laag te krijgen dat het risico verwaarloosbaar is. Uit oogpunt van efficiëntie wil de overheid voor het Nederlandse prioritaire stoffenbeleid zo veel mogelijk gebruikmaken van de REACH-informatie. Industrie gebruikt vaak ruimere grenzen Het bedrijfsleven baseert risicogrenzen in de REACH-dossiers vaak op andere getallen dan de overheid. Doorgaans gebruikt de industrie ruimere grenzen, soms met een aanmerkelijk verschil, van een factor honderd of meer. In die gevallen baseert het bedrijfsleven de conclusies over veilig gebruik van een stof dus op waarden die afwijken van de normen die de overheid gebruikt. Risicogrenzen anders bepaald of afwezig in REACH De verschillen tussen REACH en de overheid kunnen ontstaan doordat zij risicogrenzen op een andere manier bepalen. Ook kan het zijn dat de overheid bepaalde nieuwe inzichten nog niet heeft doorgevoerd. In dat geval pakken de overheidsnormen (die worden gebaseerd op risicogrenzen) strenger uit dan bij REACH. Bovendien interpreteert het bedrijfsleven bepaalde sleutelgegevens over stofeigenschappen soms anders dan de overheid. Het RIVM constateert ook dat voor een groot aantal stoffen de risicogrenzen ontbreken in de REACH-dossiers. Het is vooral voor vergunningverleners van belang dat zij zich bewust zijn van de verschillen en hiaten, en deze nader onder de loep nemen. Het RIVM geeft enkele aanbevelingen hoe belanghebbenden in dergelijke gevallen het beste met REACH-gegevens kunnen omgaan om mens en milieu beter te beschermen. Hiervoor wordt onder andere een praktische handreiking opgesteld.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
First case of Echinococcus vogeli infection imported to the Netherlands, January 2013 | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Evaluation of an alternative in vitro test battery for detecting reproductive toxicants | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Mycobacterium genavense in the Netherlands: an opportunistic pathogen in HIV and non-HIV immunocompromised patients. An observational study in 14 cases | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Current trends of Mycobacterium tuberculosis molecular epidemiology in Saudi Arabia and associated demographical factors | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Physical harm due to chronic substance use | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Comparing the impact of fine particulate matter emissions from industrial facilities and transport on the real age of a local community | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Case study illustrating the WHO IPCS guidance on characterization and application of physiologically based pharmacokinetic models in risk assessment | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
A sign of superspreading in tuberculosis: Highly skewed distribution of genotypic cluster sizes | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Influence of a statutory one-call system on the risk of natural gas pipelines | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Detection of Coxiella burnetii DNA in the environment during and after a large Q fever epidemic in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Physicochemical characterization of airborne particulate matter at a mainline underground railway station | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Activity of the efflux pump inhibitor SILA 421 against drug-resistant tuberculosis [Letter to the editor] | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Complementary detection of embryotoxic properties of substances in the neural and cardiac embryonic stem cell tests | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Guiding outbreak management by the use of influenza a(H7NX) virus sequence analysis | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Optimization of a human IgG B-cell ELISpot assay for the analysis of vaccine-induced B-cell responses | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Dataopslag, monitoring en evaluatie van dierproeven, proefdieren en 3V-alternatieven voor proefdiergebruik in Nederland | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Prevalence of livestock-associated MRSA on Dutch broiler farms and in people living and/or working on these farms | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Het RIVM controleert achtmaal per jaar de metingen van de kerncentrale Borssele. Het gaat hierbij om lozingen van radioactiviteit in water en lucht. De contra-expertise onderbouwt de betrouwbaarheid van de analyses die de kerncentrale uitvoert. Doorgaans komen de analyses overeen, zo ook in 2010. Enkele verschillen in dat jaar betreffen radionucliden in afvalwater met een grote neiging tot adsorptie aan vaste deeltjes. Deze verschillen komen voort uit de inhomogene verdeling van activiteit in een watermonster en zijn daardoor nauwelijks kleiner te maken. De vergelijking in de 3H data in afvalwater was acceptabel, maar minder goed dan vorig jaar. In ventilatielucht is de overeenstemming in 2010 doorgaans redelijk tot goed, met uitzondering van 14C. Het RIVM heeft in 2010 acht afvalwatermonsters en acht monsters van ventilatielucht geanalyseerd, die verspreid over het jaar gedurende een week door KCB zijn genomen. Opdrachtgever is de Kernfysische Dienst van het ministerie van VROM.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM controleert achtmaal per jaar de metingen van NRG. Het gaat hierbij om lozingen van radioactiviteit in water en lucht. De contra-expertise onderbouwt de betrouwbaarheid van de analyses die NRG uitvoert. Ook in 2011 komen de analyses in afvalwater goed overeen, met name voor de gammaspectrometrie en totaal-alfa resultaten. Enkele structurele verschillen in dat jaar betreffen de totaal-beta metingen in afvalwater; RIVM meet altijd veel lager dan NRG. Dit wordt deels verklaard door het feit dat er veel kortlevende beta-stralers in het afvalwater aanwezig zijn, en deels door verschillen in de meetmethoden die NRG en RIVM toepassen. De overeenstemming in de tritium resultaten in afvalwater kan nog verbeterd worden. De resultaten behaald door NRG en RIVM in ventilatieluchtmonsters zijn in goede overeenstemming. De totaal-alfa en totaal-bèta resultaten zijn alle op of dicht bij de detectiegrens en verschillen niet significant van de waarden die in buitenlucht in Bilthoven worden aangetroffen. In het enige geval waar er een vergelijking gemaakt kan worden is er een goede overeenstemming in het gammaspectrometrie resultaat voor 131I ; dit betreft het eerste monster. Het RIVM heeft in 2011 acht afvalwatermonsters en acht monsters van ventilatielucht geanalyseerd, die verspreid over het jaar gedurende een week door NRG zijn genomen. Opdrachtgever is de Kernfysische Dienst van de Inspectie Leefomgeving en Transport van het ministerie van Infrastructuur en Milieu.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM controleert achtmaal per jaar de metingen van COVRA . Het gaat hierbij om lozingen van radioactiviteit in water en lucht. De contra-expertise onderbouwt de betrouwbaarheid van de analyses die COVRA uitvoert. Doorgaans komen de afvalwateranalyses overeen, zo ook de gammaspectrometrieresultaten, de totaal alfa, 3H en 14C resultaten in 2011. Gezien het feit dat RIVM en COVRA verschillende meetprincipes toepassen komen de totaal bèta meetwaarden van RIVM en de rest-bèta meetwaarden van COVRA in 2011 goed overeen. De totaal alfa en totaal bèta meetresultaten in ventilatieluchtmonsters van het afvalverwerkingsgebouw komen doorgaans goed overeen. De gammastraler 125I is door RIVM geheel niet, en door COVRA aangetroffen in slechts één ventilatieluchtmonster. 3H en 14C zijn beide aangetroffen met een redelijk tot goede overeenstemming. RIVM heeft een zeer geringe hoeveelheid 131I aangetroffen in ventilatielucht van HABOG. Dit is hoogstwaarschijnlijk afkomstig van het Fukushima reactor ongeval. Zowel RIVM als COVRA hebben verder geen gammastralers, geen totaal alfa of totaal bèta activiteit aangetroffen in ventilatielucht van HABOG. Slechts enkele sporen van 3H en 14C zijn gevonden, met een overwegend goede overeenstemming. Het RIVM heeft in 2011 acht afvalwatermonsters en acht monsters van ventilatielucht van zowel het afvalverwerkingsgebouw als het HABOG geanalyseerd, die verspreid over het jaar door COVRA zijn genomen. Opdrachtgever is de Kernfysische Dienst van de Inspectie Leefomgeving en Transport, Ministerie van Infrastructuur en Milieu.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Adherence to the mediterranean diet and risk of breast cancer in the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition Cohort Study | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Estimating the long-term effects of HPV vaccination in Germany | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Dietary fibre: Challenges in production and use of food composition data | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Species Sensitivity Distribution estimation from uncertain (QSAR-based) effects data | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Self-rated health and type 2 diabetes risk in the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition- InterAct study: A case-cohort study | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Evaluation of methodologies for assessing the overall diet: dietary quality scores and dietary pattern analysis | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Read-across estimates of aquatic toxicity for selected fragrances | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Het RIVM controleert achtmaal per jaar de metingen van de kerncentrale Borssele. Het gaat hierbij om lozingen van radioactiviteit in water en lucht. De contra-expertise onderbouwt de betrouwbaarheid van de analyses die de kerncentrale uitvoert. Doorgaans komen de analyses overeen, zo ook in 2011. Enkele verschillen in dat jaar betreffen radionucliden in afvalwater met een grote neiging tot adsorptie aan vaste deeltjes. Deze verschillen komen voort uit de inhomogene verdeling van activiteit in een watermonster en zijn daardoor nauwelijks kleiner te maken. De vergelijking in de 3H data in afvalwater was accepTabel, maar kan nog verbeterd worden. In ventilatielucht is de overeenstemming in 2011 doorgaans goed, met uitzondering van 14C. Het RIVM heeft in 2011 acht afvalwatermonsters en acht monsters van ventilatielucht geanalyseerd, die verspreid over het jaar gedurende een week door KCB zijn genomen. Opdrachtgever is de Kernfysische Dienst van de Inspectie Leefomgeving en Transport, Ministerie van Infrastructuur en Milieu.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Point-of-care (POC-)testen zijn apparaten of teststrips die aan het bed van patiënten of in de huisartspraktijk kunnen worden gebruikt om snel een diagnose te stellen. Voorbeelden zijn bloedglucosemeters voor diabetes of nitrietteststrips voor urineweginfecties. POC-testen worden steeds meer gebruikt in huisartspraktijken. Er is echter weinig bekend over de manier waarop de gebruikers van de testen de bijbehorende patiëntveiligheidsaspecten beheren. Voor een goede en veilige uitvoering hiervan is het van belang dat de testen op een juiste manier worden gebruikt. Uit het exploratieve onderzoek van het RIVM naar het gebruik van POC-testen in de huisartspraktijk blijkt dat er voor sommige kwaliteitseisen onvoldoende aandacht is. Bevindingen Er is niet altijd voldoende aandacht voor kwaliteitsbeheersing van de testen, bijvoorbeeld bij opslag, kalibratie en onderhoud. Verder voert slechts de helft van de respondenten universele hygiënische maatregelen uit, zoals handen wassen voordat een bloedmonster wordt genomen. Ook worden opfriscursussen voor het gebruik van POC-testen nauwelijks georganiseerd. En als de testen niet goed functioneren, melden slechts enkele huisartsen dat bij de fabrikant. Hierdoor kan de fabrikant geen maatregelen treffen om zijn product of de instructie voor gebruik te verbeteren. Huisartsen zorgen er wel goed voor dat de monsters aan de juiste patiënten worden gekoppeld (patiëntidentificatie). Ook wordt de benodigde actie ondernomen als de testresultaten onduidelijk zijn. Aanbevelingen Om een goede kwaliteit van zorg te handhaven en risico's op fouten met POCtesten in huisartspraktijken te voorkomen, is het aan te bevelen bestaande richtlijnen voor huisartsen uit te breiden met betrekking tot het gebruik van POC-testen.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Net als bacteriën kunnen virussen in voedsel risico's vormen voor de volksgezondheid. Over virussen is echter minder bekend. Het RIVM heeft daarom in kaart gebracht welke kennis beschikbaar is of juist ontbreekt om de volksgezondheidsrisico's te kunnen schatten (risicoprofiel). Hiervoor zijn drie virussen uitgelicht die via voedsel naar mensen kunnen worden overgedragen: hepatitis A-virussen in schelpdieren, norovirussen op verse groenten en fruit, en hepatitis E-virussen in varkensvlees. De inventarisatie is in opdracht van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit gemaakt. Algemene bevindingen In het algemeen blijkt dat het tot nu toe lastig is om het aantal virussen op producten op een betrouwbare manier te kunnen schatten. Dit komt gedeeltelijk omdat de methoden om de virussen aan te tonen sterk verschillen. Om de gezondheidsrisico's te kunnen inschatten is kennis over het aantal virussen juist nodig. De kans dat iemand ziek wordt is namelijk groter naarmate het aantal producten dat besmet is groter is, of wanneer het aantal virussen per product hoger is. De tekortkomingen van de methoden worden in dit rapport aangegeven en enkele aanbevelingen worden gedaan om de berekeningen van het aantal virussen realistischer te maken. Verder is geïnventariseerd welke factoren de kans vergroten dat voedsel besmet raakt tijdens de productie of de verwerking ervan. Bij rauwe of kwetsbare producten, zoals oesters, of verse groenten en fruit, is het immers niet mogelijk om de virussen eenvoudig onschadelijk te maken door voedsel te koken. Bevindingen onderzochte virussen Specifieker is het bij het norovirus belangrijk te achterhalen hoeveel virussen op groente en fruit terechtkomen via het irrigatiewater. Een andere mogelijke bron is via de handen of gereedschap tijdens de oogst en verwerking. Voor het hepatitis E-virus is het van belang te weten hoeveel varkens tijdens de slachtfase de infectie doormaken en zo besmette producten leveren. Als zij de hepatitis E-infectie eerder doormaken, is de besmetting voorbij en vormt dit geen risico meer voor de consument. Ook is inzicht nodig in de aantallen hepatitis E-virussen per product. Wat de schelpdieren betreft, is het relevant om te weten hoeveel virussen in het oppervlaktewater zitten waarin ze worden gekweekt, en in welke mate deze virussen in de schelpdieren achterblijven.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Selective decontamination of the digestive tract and selective oropharyngeal decontamination in intensive care unit patients: A cost-effectiveness analysis | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Het RIVM controleert achtmaal per jaar de metingen van de uit bedrijf genomen kernenergiecentrale Dodewaard. Het gaat hierbij om lozingen van radioactiviteit in ventilatielucht. De contra-expertise onderbouwt de betrouwbaarheid van de analyses die de kernenergiecentrale uitvoert. Doorgaans komen de analyses overeen, zo ook in de periode 2011. RIVM en de kernenergiecentrale vonden geen gamma-stralers in ventilatielucht. De kernenergiecentrale is sinds 1997 buiten bedrijf en is in juli 2005 in de fase Veilige Insluiting overgegaan. Het voornemen is om de kernenergiecentrale over veertig jaar, als de radioactiviteit sterk is afgenomen, te ontmantelen. RIVM heeft in de periode 2011 acht monsters van ventilatielucht geanalyseerd op gamma activiteit, die verspreid over het jaar zijn genomen. Tevens is er in monsters van ventilatielucht de activiteit van 3H bepaald. Er is door RIVM geen gamma-activiteit, en slechts een zeer geringe 3H activiteit aangetroffen. Hoogstwaarschijnlijk zijn deze minieme 3H sporen afkomstig uit de poriën van het gebouw zelf. Er is geen afvalwater geloosd in de periode 2011. Opdrachtgever is de Kernfysische Dienst van de Inspectie Leefomgeving en Transport van het ministerie van Infrastructuur en Milieu.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Longitudinal relation between weight change and quality of life in a community-based population: A prospective cohort study | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Markers of endogenous desaturase activity and risk of coronary heart disease in the CAREMA cohort study | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Concentraties van stikstofdioxiden in de lucht die langs wegen zijn berekend, liggen in 2010 en 2011 gemiddeld dicht bij concentraties die daar zijn gemeten. Gemiddeld verschillen de berekende concentraties minder dan één microgram per kubieke meter van de gemeten waarden. Daarmee voldoen de rekenmethoden voor de luchtkwaliteit ruimschoots aan de eisen die de Europese commissie stelt. Overigens kennen zowel metingen als berekeningen onzekerheden van enkele microgrammen. Hoewel het mogelijk is om met berekeningen en metingen de luchtkwaliteit goed in beeld te krijgen en te beoordelen, is het van belang de onzekerheden te onderkennen. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM, dat op verzoek van het ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM) is uitgevoerd. Hieruit blijkt ook dat de invloed van bomen op de concentraties in straten nauwkeuriger kan worden gemodelleerd, zodat de resultaten beter overeenkomen met de gemeten waarden. Het RIVM stelt voor hoe de rekenmethode voor stedelijk gebied hiervoor kan worden aangepast. Voor het onderzoek zijn op ruim 400 locaties metingen van stikstofdioxideconcentraties in 2010 en 2011 vergeleken met de resultaten van de Nederlandse standaardrekenmethoden voor luchtkwaliteit op diezelfde locaties. Voor fijn stof zijn minder metingen beschikbaar. Voor zover gegevens beschikbaar zijn, voldoen de berekende concentraties ook hiervoor aan de kwaliteitseisen. Het RIVM beoordeelt elk jaar of de resultaten van de standaardrekenmethoden, zoals omschreven in de Regeling beoordeling luchtkwaliteit, overeenkomen met metingen van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit (LML). De belangstelling voor de kwaliteit van de rekenmethoden is toegenomen sinds de overheid in 2009 het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) als verbeterprogramma voor de luchtkwaliteit heeft ingesteld. Een goed rekenmodel is een voorwaarde om de voortgang van het NSL te monitoren. Voor de input bij de berekeningen is NSL afhankelijk van partners in het programma. Op verzoek van het ministerie van Infrastructuur en Milieu is het onderzoek gereviewd door de Universiteit Wageningen en het Belgische VITO. Volgens deze reviews voldoen de analyses aan een hoge wetenschappelijke standaard. De conclusies in het rapport vinden de reviewers logisch en correct.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Werknemers in de bouw die in aanraking komen met verontreinigde grond kunnen daardoor worden blootgesteld aan gevaarlijke stoffen. Dit kan een risico voor hun gezondheid vormen. Deze situatie kan zich ook voordoen als grond hergebruikte bouwstoffen bevat. Dergelijke bouwstoffen ontstaan als bijproduct bij productieprocessen of bij de bewerking van afvalstoffen en kunnen verontreinigende stoffen bevatten. Uit een quick scan van het RIVM blijkt dat er weinig bekend is over de aard en omvang van gezondheidsschade als werknemers werken met grond waarin dergelijke hergebruikte bouwstoffen aanwezig zijn. Vooralsnog lijkt het risico op gezondheidseffecten vooral hoog bij werkzaamheden waarbij er veel deeltjes, zoals stof, in de lucht worden verspreid, of waarbij de grond direct in contact komt met de huid. Nader onderzoek nodig naar maatregelen Of en in welke mate gezondheidseffecten daadwerkelijk optreden, is afhankelijk van de mate waarin de bouwstof verontreinigd is, de hoogte van de blootstelling en de maatregelen die worden ingezet om de blootstelling te beperken. Een voorbeeld van zo'n maatregel is de grond vochtig houden zodat de deeltjes niet verstuiven. Het is daarom belangrijk dat werkgevers weten in welke situaties en met welke maatregelen de blootstelling van werknemers kan worden beperkt. Nader onderzoek hiernaar is gewenst. Zes belangrijkste hergebruikte bouwstoffen De quick scan geeft een overzicht van de zes belangrijkste hergebruikte bouwstoffen en de daarin aanwezige verontreinigingen. Het betreft asfaltkorrels, AVIbodemas en -slakken (restproducten van afvalverbrandingsinstallaties), baggerspecie, mengkorrels (van beton en puin), breker- en zeefzand (restproducten als puin wordt vergruisd), licht verontreinigde grond en E-vliegas (restproduct van poederkool gestookte elektriciteitscentrales). Werkzaamheden met hoog risico Daarnaast is geïnventariseerd bij welke werkzaamheden het risico op gezondheidsschade het hoogst is. Dit lijkt het geval te zijn als er onvoldoende beheersmaatregelen worden getroffen als E-vliegas, breker- of zeefzand worden opgepakt, geladen en gestort. Een vergelijkbare situatie kan zich voordoen als land met baggerspecie wordt opgespoten. Ten slotte lijkt het risico hoog wanneer onvoldoende beheersmaatregelen worden getroffen bij handmatige graafwerkzaamheden met AVI-bodemas, baggerspecie, E-vliegas of verontreinigde grond.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Dit rapport beschrijft, voor een geselecteerde groep ziekteverwekkers waarbij voedsel in meer of mindere mate een rol speelt in de epidemiologie, een aantal aspecten van de huidige kiemsurveillance, oftewel ziektesurveillance door middel van typering van pathogenen, in Nederland. Bij de selectie van de virale, bacteriële en parasitaire ziekteverwekkers is rekening gehouden met ziektelast en kosten. De verschillende aspecten van de kiemsurveillance zijn per pathogeen beschreven in afzonderlijke hoofdstukken waarbij elk hoofdstuk is afgesloten met de lacunes in de huidige kiemsurveillance, het nut van typering voor besluitvorming in relatie tot de voedselveiligheid en een aantal conclusies. Dit rapport is mede gebaseerd op het eerder verschenen rapport Surveillance van pathogenen in Nederland: Detailkarakterisering van pathogenen die relevant zijn voor de openbare gezondheidszorg (1). Een aantal van de pathogenen is beschreven in beide rapporten. Voorafgaand aan de inhoudelijke hoofdstukken wordt in een afzonderlijk hoofdstuk achtergrondinformatie gegeven met betrekking tot de toepassingsgebieden van kiemsurveillance voor de voedselveiligheid en een korte beschrijving van de meest gebruikte moleculaire typeringstechnieken en aanwezige (inter-)nationale databanken. Het rapport wordt vervolgens afgesloten met een samenvatting van de conclusies zoals getrokken in de verschillende afzonderlijke inhoudelijke hoofdstukken met aansluitend een algemene conclusie en aanbevelingen.De belangrijkste bevindingen uit het rapport met betrekking tot virussen is dat de bestaande surveillance van norovirus en hepatitis A-virus aanzienlijk bijgedragen aan de gedetailleerde beschrijving van de verspreiding van deze virussen, ook via voedsel. Voor een verbeterde bronopsporing is het wenselijk de kiemsurveillance te richten, vooral internationaal, op een groter genoom fragment dan momenteel wordt gehanteerd. Verder dat moleculaire typering op bredere schaal zou kunnen bijdragen aan de opheldering van de omvang van de rol van voedsel in de transmissie van enterovirussen, rotavirussen en hepatitis E-virus. Voor de verspreiding van sommige geselecteerd bacteriële ziekteverwekkers is de rol van voedsel niet altijd duidelijk, zoals voor Methicilline-resistente Staphylococcus aureus (MRSA), Clostridium difficile en Coxiella. Met betrekking tot Coxiella is het verder de vraag of (moleculaire) typering een belangrijke rol zal gaan spelen bij besluitvorming met betrekking tot voedselveiligheid. Een brede surveillance (voor onder andere Salmonella en Campylobacter), waarbij ook veterinaire, voedsel en omgevingsbronnen worden betrokken blijft noodzakelijk voor het epidemiologisch, transmissieonderzoek en attributieanalysis. De waarde van de huidige surveillance heeft zich al bewezen voor STEC. Voor Listeria zou moleculaire typering, zoals MLST (Multilocus Sequence Typing), de kiemsurveillance in velerlei opzicht kunnen verbeteren. Om sneller te kunnen ingrijpen in de voedselproductieketens is het wenselijk te kunnen beschikken over niet-kweekafhankelijke moleculaire detectiemethoden. Er vindt geen kiemsurveillance plaats voor de parasieten Giardia intestinalis en Cryptosporidium parvum. Voor alle parasieten is het gewenst humane en veterinaire typerinsgegevens te kunnen integreren omdat deze parasieten allemaal zoönotisch van aard zijn. Binnen het RIVM wordt gewerkt aan een typeringsmethode voor Giardia, Cryptosporidium, Echinococcus en Toxoplasma gondii ter ondersteuning van het attributieonderzoek.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM heeft een methode ontwikkeld waarmee sneller en met minder proefdieren een schatting kan worden gemaakt van de mate waarin een chemische stof kankerverwekkend is. Normaal gesproken wordt de mate waarin een stof kankerverwekkend is gebaseerd op het aantal tumoren dat in langdurige dierstudies wordt aangetroffen. Dergelijke langdurige studies zijn nodig omdat tumorvorming een langzaam proces is. Deze studies duren twee jaar en vergen veel proefdieren (rond de 400). Voordat tot een langetermijnstudie wordt overgegaan, wordt eerst met behulp van een kortetermijnstudie bekeken of een stof wel of geen DNA-schade veroorzaakt. Hiervoor zijn circa 50 proefdieren nodig. Als DNAschade optreedt, is dit een indicatie dat de stof kankerverwekkend kan zijn. De langetermijnstudie wordt vervolgens ingezet om na te gaan of de stof inderdaad kankerverwekkend is, maar ook om een indicatie te krijgen van de mate waarin. Uit het RIVM-onderzoek blijkt nu dat op basis van de kortetermijnstudie niet alleen duidelijk wordt of een stof DNA-schade veroorzaakt, maar ook een indicatie kan worden verkregen van de mate waarin de stof kankerverwekkend is. De langetermijnstudie met veel proefdieren kan dan in veel gevallen vermeden worden. Dit is van belang aangezien er internationaal naar wordt gestreefd het proefdiergebruik terug te dringen en het aantal langdurige studies te minimaliseren. Voor de nieuwe methode is in kortetermijnstudies onderzocht bij welke concentratie (bijvoorbeeld in het voer van de dieren) een bepaalde mate van DNA-schade optreedt. Tevens is onderzocht bij welke concentratie een bepaald percentage van de proefdieren tumoren krijgt in de langetermijnstudies. Beide concentraties bleken aan elkaar gerelateerd.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM heeft in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Milieu (I&M) de milieurisicogrenzen voor metazachloor in water aangepast. Metazachloor is een onkruidbestrijdingsmiddel. De stof is opgenomen in de Regeling Monitoring Kaderrichtlijn Water (KRW), waarin staat aan welke eisen oppervlaktewater in Nederland moet voldoen. Nieuwe waterkwaliteitsnormen zijn nodig omdat de huidige norm voor metazachloor niet is afgeleid volgens de meest recente methodiek. Het ministerie stelt deze nieuwe normen vast op basis van de wetenschappelijke advieswaarden van het RIVM. Twee waterkwaliteitsnormen De Kaderrichtlijn Water hanteert twee typen waterkwaliteitsnormen: de Jaargemiddelde Milieukwaliteitsnorm (JG-MKN) en de Maximaal Aanvaardbare Concentratie (MAC-MKN). De JG-MKN is de concentratie in water waarbij geen schadelijke effecten te verwachten zijn nadat waterorganismen en mensen er langdurig aan zijn blootgesteld. De MAC-MKN is de norm die het ecosysteem beschermt tegen kortdurende concentratiepieken. Het gemiddelde van de gemeten concentraties over een jaar moet lager zijn dan de JG-MKN. Individuele meetwaarden kunnen hoger zijn dan het jaargemiddelde, maar de hoogst gemeten concentratie mag niet boven de MAC-MKN uitkomen. Voor de JG-MKN zijn twee 'routes' onderzocht: directe effecten op waterorganismen en indirecte effecten op mensen via het eten van vis. Dit levert twee veilige concentraties op; de laagste bepaalt de voorgestelde JG-MKN (0,08 microgram per liter). Het voorstel voor de MAC-MKN is 0,48 microgram per liter. Op basis van meetgegevens over de afgelopen jaren wordt verwacht dat de voorgestelde normen op een aantal locaties worden overschreden. Als dit inderdaad zo blijkt te zijn, zal dit worden meegewogen bij de toekomstige beoordeling van deze stof als gewasbeschermingsmiddel.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM inventariseert jaarlijks ontwikkelingen die belangrijk zijn voor het toekomstig drinkwaterbeleid en het toezicht daarop. De ontwikkelingen worden in vier thema's onderverdeeld: microbiologie, microverontreinigingen, drinkwaterbronnen en drinkwaterinfrastructuur. Hierbinnen zijn aandachtspunten benoemd die voor het ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM) relevant zijn voor de ontwikkeling van het drinkwaterbeleid en het toezicht. Dit rapport geeft tevens een overzicht van de RIVM-rapporten die in 2011 en 2012 zijn uitgebracht en relevant zijn voor het drinkwaterbeleid. Aandachtspunten voor drinkwaterbeleid Bij het thema microbiologie is een van de aandachtspunten meer inzicht te krijgen in mogelijke bronnen van legionellabesmettingen. Voorbeelden zijn drinkwaterinstallaties en koeltorens, maar ook regenwaterplassen, waterzuiveringsinstallaties en ruitenwisservloeistof. Meer bekendheid over het aandeel van de diverse bronnen kan helpen om het preventiebeleid voor legionella verder vorm te geven. Gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, biociden en diergeneesmiddelen in de landbouw en stedelijke omgeving kan de drinkwaterbronnen belasten en mogelijk extra zuiveringskosten met zich meebrengen. Een aandachtspunt bij het thema microverontreinigingen is daarom internationale afstemming over inperking van het gebruik van dergelijke middelen. Dat geldt ook voor de implementatie van nieuwe beoordelingstechnieken voor deze stoffen. Een van de aandachtspunten bij het thema drinkwaterbronnen is de voorbereiding van zoetwaterstrategieën voor de toekomst. Door klimaatverandering kan de kwaliteit van het oppervlaktewater rond 2050 namelijk zonder extra maatregelen zodanig zijn verslechterd dat het ongeschikt is om er drinkwater van te bereiden. Zo kunnen in tijden van droogte de concentraties van vervuilende stoffen in het oppervlaktewater dermate stijgen dat normen overschreden raken. Bij het thema drinkwaterinfrastructuur ten slotte lopen de investeringen in het landelijk drinkwaternet achter ten opzichte van het gewenste niveau. De overheid kan de aandacht hiervoor vergroten door vervangingsinvesteringen als criterium mee te nemen bij de onderlinge vergelijking van de prestaties van de drinkwaterbedrijven (benchmark). Dit kan inzicht geven in hoeverre de drinkwaterbedrijven zijn voorbereid op de opgaven van de toekomst.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Specific serology for emerging human coronaviruses by protein microarray | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Measuring chronic care management experience of patients with diabetes: PACIC and PACIC+ validation | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Voor de risico's van eHealth-technologie is meer aandacht nodig. In de media, vakbladen, en wetenschappelijke tijdschriften is een overvloed aan informatie beschikbaar over de mogelijkheden van (mobiele) informatie- en communicatietechnologieën in de zorg. Voorbeelden zijn het 'op afstand' monitoren van diabetes in de thuiszorg, internethulp bij depressie, of digitale ondersteuning (PDA) bij stoppen met roken. Er is echter weinig bekend over de risico's van dergelijke technologieën. Als aanvulling op bestaande, veelal positieve, eHealth-evaluaties zouden de risico's daarom structureel en stelselmatig in kaart moeten worden gebracht. Dat is een voorwaarde om eHealth-technologie succesvol en veilig te kunnen gebruiken. Dit zijn de belangrijkste bevindingen van een verkennend literatuuronderzoek van het RIVM, uitgevoerd in opdracht van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ). Voorbeelden van risico's In de wetenschappelijke literatuur zijn geen systematische studies (randomized controlled trials) gevonden die risico's van eHealth-technologie als hoofdonderwerp hebben. Wèl worden talloze, onbedoelde gevolgen van het gebruik van eHealth gemeld die raken aan de patiëntveiligheid of aan de kwaliteit van zorg. Risico's doen zich voor bij de gebruiker (patiënt), de technologie zelf en de organisatie die eHealth inzet. Voor de patiënt gaat het om gebruiksonvriendelijke technologie, onnadenkend gebruik ervan of beperkte toegang ertoe. Patiënten kunnen hierdoor vastlopen, gedemotiveerd raken of de therapie staken. Hierdoor kan de behandeling niet het beoogde effect hebben of de klacht zelfs verergeren. Bij de technologie komen de risico's vooral voort uit slecht functionerende apparaten. Op organisatieniveau ontstaan risico's wanneer eHealth onvoldoende is ingebed in het zorgproces. De aangetroffen bewijzen voor de risico's zijn hoofdzakelijk anecdotisch van aard. Over de omvang ervan is weinig bekend. Zowel onderzoek van online 'grijze' bronnen, zoals databases en websites, als gezaghebbende publicaties laten deze uitkomsten zien. Risicomanagement en meldsysteem Omdat in Nederland steeds meer eHealth-technologie wordt gebruikt, is het belangrijk dat in de gezondheidszorg bestaande procedures voor risicomanagement ook voor eHealth worden ingezet. Een betrouwbaar systeem waar incidenten structureel kunnen worden gemeld, geïdentificeerd, gedocumenteerd en gemonitord zou daarbij helpen.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
De Gezondheidsraad heeft in 2008 gesignaleerd dat de wetenschappelijke kennis over stralingsbescherming in Nederland afneemt. Dit wordt bevestigd door een enquête en een workshop onder deskundigen die RIVM uitvoerde in samenwerking met de Nederlandse Vereniging voor Stralingshygiëne (NVS). De aanwezige expertise lijkt onvoldoende om in de toekomst hoogwaardige opleidingen op het gebied van stralingsbescherming te waarborgen. Hetzelfde geldt voor de beantwoording van maatschappelijke stralingsvragen. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om vragen die samenhangen met veranderingen in nucleaire activiteiten, de gevolgen en bestrijding van mogelijke grootschalige kernongevallen, de verwerking en opslag van radioactief afval, en onzekerheden in de stralingsrisico's bij lage blootstellingen. Een mogelijke oplossing is de oprichting van een (virtueel) kenniscentrum of een onderzoeksschool met één of enkele leerstoelen of lectoraten, waar kennis wordt ontwikkeld, onderhouden en geïntegreerd. Zo'n centrum moet breed gedragen zijn door deskundigen en participerende instituten en financieel door de overheid worden ondersteund. Stralingsbescherming In het dagelijks leven wordt iedereen blootgesteld aan kleine hoeveelheden straling. Dit kan straling zijn die van nature in onze leefomgeving aanwezig is, door radioactieve stoffen in binnenmilieu, bodem, en voeding en door straling vanuit de ruimte. Maar ook via medische diagnostiek en behandelingen staan mensen aan straling bloot. Verder kunnen industriële toepassingen blootstelling veroorzaken. De stralingsbescherming is erop gericht onbedoelde blootstelling aan ioniserende straling zoveel mogelijk te beperken. Kennis van dit vakgebied omvat vraagstukken als: wat doet straling, hoe meet je het, hoe kun je je ertegen beschermen, en welke maatregelen zijn nodig om de blootstelling aan straling en risico's te beperken. Onderzoek en onderwijs Uit de [onderzoeks]resultaten volgt dat de wetenschappelijke kennisbasis op stralingsbeschermingsgebied verspreid is over meerdere, relatief kleine onderzoeksgroepen. Verder wordt de continuïteit van de kennis bij diverse groepen bedreigd als gevolg van de vergrijzing. Het medisch stralingsonderzoek naar methodeontwikkeling voor radiotherapie is de afgelopen jaren wel toegenomen, maar de omvang van traditioneel stralingsbeschermingsonderzoek krimpt. Daardoor neemt de kennis in Nederland van nieuwe ontwikkelingen in het vakgebied per saldo af. Ook dreigt een tekort aan wetenschappelijk gekwalificeerde opleiders voor de inhoudelijk diepgaander opleidingen op stralingsbeschermingsgebied. Bovendien is geconstateerd dat sociaalwetenschappelijke aspecten bij stralingsvraagstukken, zoals de expertise over de communicatie over en perceptie van stralingsrisico's, onvoldoende geborgd zijn. De inrichting van een kenniscentrum biedt een oplossingsrichting.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Age at menopause, reproductive life span, and type 2 diabetes risk: Results from the EPIC-InterAct study | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Colistin resistance in gram-negative bacteria during prophylactic topical colistin use in intensive care units | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Sex differences in the association between serum ferritin and fasting glucose in type 2 diabetes among South Asian Surinamese, African Surinamese, and ethnic Dutch: The population-based SUNSET study | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
The relevance of chemical interactions with CYP17 enzyme activity: assessment using a novel in vitro assay | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Genome-wide association study of body mass index in 23 000 individuals with and without asthma | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Impacts of nitrogen and sulphur deposition on forest ecosystem services in Canada | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Critical appraisal of the assessment of benefits and risks for foods, 'BRAFO Consensus Working Group' | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Het RIVM geeft jaarlijks een overzicht hoe vaak ziekten uit het Rijksvaccinatieprogramma (RVP) voorkomen en welke veranderingen daarin plaatsvinden. Het overzicht geeft ook aan welke vaccins zijn gebruikt en welke bijwerkingen na vaccinaties optraden. Hetzelfde geldt voor ontwikkelingen over nieuwe vaccins die eventueel in de toekomst in het RVP worden opgenomen. De vaccinatiegraad is al vele jaren hoog, waardoor weinig mensen ziekten krijgen waartegen zij via het RVP worden gevaccineerd. Het vaccinatieprogramma is bovendien veilig omdat er relatief weinig bijwerkingen voorkomen, die doorgaans niet ernstig van aard zijn. Voor een optimaal programma blijft continue monitoring nodig. Opvallende ontwikkelingen in 2011 en 2012 In 2011 is het vaccin tegen pneumokokkenziekte uitgebreid met drie typen van deze bacterie. Het is nog te vroeg om daar effect van te zien. Het aantal meldingen van acute hepatits B-infecties is nog nooit zo laag geweest sinds de ontdekking van het virus eind jaren zestig van de vorige eeuw. Met de invoering van het hepatitis B-vaccin in 2011 voor alle zuigelingen (voorheen was dat een beperktere doelgroep) hoopt het RVP nog meer hepatitis B te voorkomen. In 2012 deed zich in Nederland een kinkhoestepidemie voor, hoewel het vaccin in 2005 is verbeterd en een extra booster op 4-jarige leeftijd aan het vaccinatieschema is toegevoegd. De ziekte kwam het meest voor bij baby's tussen 0 en 2 maanden oud, kinderen van 8 jaar en ouder, en volwassenen. De toename vanaf 8-jarige leeftijd is onder andere te verklaren doordat het vaccin vanaf die leeftijd minder effectief wordt. De bofuitbraak die begon in 2009 onder doorgaans gevaccineerde studenten, hield aan tot in 2012. Wel was het aantal meldingen lager dan in 2011 en 2010. In totaal zijn er 50 gevallen van mazelen gemeld in 2011. Het aantal niet-geïmporteerde gevallen (34 gevallen) was hoger dan de doelstelling die de WHO daarvoor heeft opgesteld (één per miljoen inwoners). In 2011 waren de inentingen tegen baarmoederhalskanker (HPV) voor de eerste groep 12-jarigen afgerond. Van hen had 56 procent zich volledig laten inenten (3 doses). Mogelijke toevoegingen aan RVP Van de ziekten die in de toekomst mogelijk onder het RVP gaan vallen, kwam meningokokken B in 2011 steeds minder vaak voor, maar meningokokken Y juist vaker. Maagdarminfecties veroorzaakt door het rotavirus namen niet verder toe. Het aantal hepatitis A-gevallen was in 2011 het laagst sinds de ziekte in 1999 meldingsplichtig is geworden. Voor waterpokken en gordelroos zijn geen grote veranderingen waargenomen.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
In 2012 waren 31 van de 33 Nationale Referentie Laboratoria (NRL's) in de Europese Unie in staat om hoge en lage concentraties Salmonella in varkensmest aan te tonen. Ze behaalden direct het gewenste niveau. Twee NRL's behaalden aanvankelijk onvoldoende resultaat, omdat ze problemen hadden om Salmonella in varkensmest aan te tonen. Beide laboratoria behaalden het gewenste resultaat tijdens de herkansing. In totaal hebben de laboratoria in 93 procent van de besmette monsters Salmonella opgespoord. Ringonderzoek verplicht voor Europese lidstaten Dit blijkt uit het vijftiende veterinair ringonderzoek dat het referentielaboratorium van de Europese Unie voor Salmonella (EURLSalmonella) heeft georganiseerd. Het onderzoek is in maart 2012 gehouden, de herkansing was in juni 2012. Alle NRL's van de Europese lidstaten die verantwoordelijk zijn voor de opsporing van Salmonella in dierlijke mest, zijn verplicht om aan het onderzoek deel te nemen. Het EURL-Salmonella is gevestigd bij het Nederlandse Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). De laboratoria toonden de Salmonella-bacterie in dierlijke mest aan met behulp van de internationaal voorgeschreven analysemethode (MSRV). Elk laboratorium kreeg een pakket toegestuurd met varkensmest, dat vrij was van Salmonella, en het zogeheten referentiemateriaal (lenticule discs), dat geen of verschillende niveaus Salmonella bevatte. De laboratoria dienden de varkensmest en het referentiemateriaal zelf volgens een protocol samen te voegen en te onderzoeken op de aanwezigheid van Salmonella. Twee specifieke typen Salmonella aantonen in varkensmest Tijdens de studie zijn twee typen Salmonella (serovars) die regelmatig bij varkens worden aangetroffen, onderzocht. Het blijkt dat sommige laboratoria de lage concentratie Salmonella Typhimurium minder goed kunnen aantonen dan vergelijkbare concentratie van Salmonella Derby. S. Derby was nog niet eerder in een studie gebruikt. Het laboratorium van het EURL-Salmonella heeft daarom voorafgaand aan de studie enkele extra onderzoeken uitgevoerd. Onder andere is gekeken of de temperatuur van invloed is op de aanwezigheid van S. Derby in het referentiemateriaal in combinatie met het te testen materiaal (varkensmest).
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Vitamin D status and oxidative stress markers in the elderly with impaired fasting glucose and type 2 diabetes mellitus | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Nucleoride excision repair in aging and cancer | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Human plasma complement C3 is independently associated with coronary heart disease, but only in heavy smokers (the CODAM study) | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Exhaled nitric oxide monitoring by quantum cascade laser: comparison with chemiluminescent and electrochemical sensors | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Host response to respiratory syncytial virus. Genetic association and effect on disease severity | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Developmental immunotoxicity testing for hazard identification | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Composition and content of fatty acids in beebread of various floral origin, collected in Lithuania and prepared for storage in different ways | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Efficacy of contingency management for cocaine dependence treatment: a review of the evidence | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
In vitro screening methods for developmental toxicology | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Interactions with the human body | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Validation of alternative methods for toxicological hazard assessment: issues and challenges | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Enhancing the applicability and predictability of the embryonic stem cell test for developmental toxicity | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Innovative approaches in the embryonic stem cell test (EST) | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Nanotoxicology: an in vitro approach | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Candidate Down syndrome screening biomarkers from a mouse model | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Development of an electrostatic model predicting copper toxicity to plants | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Chemistry and the environment | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Ecosystem services: a useful concept for soil policy making! | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Making ecosystem reality checks the status quo | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Ecology and eScience | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Cadmium uptake by lettuce (Lactuca sativa L.) as basis for derivation of risk limits in soils | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Science without meritocarcy. Discrimination among European specialists in infectious diseases and clinical microbiology: a questionnaire survey | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Long-term (in)stability of folate and vitamin B12 in human serum | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Single nucleotide polymorphisms (SNPs) involved in insulin resistance, weight regulation, lipid metabolism and inflammation in relation to metabolic syndrome: an epidemiological study | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
An improved whole cell pertussis vaccine with reduced content of endotoxin | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
"Meer risico = meer beheer": 't kan! Verder komen met beheersing meervoudige milieubelasting | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
P2 domain profiles and shedding dynamics in prospectively monitored norovirus outbreaks | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
De geochemische bodematlas van Nederland. Puur natuur, bodemgebruik of verontreiniging? | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Prediagnostic body fat and risk of death from amyotrophic lateral sclerosis: The EPIC cohort | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Bodemkwaliteit vraagt om een ruime blik. Is het bodembeleid klaar voor de verbreding? | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Impuls Lokaal Bodembeheer voor het bodembeleid in de regio. ILB congres 14 februari 2012 in Utrecht | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Invertebrate footprints on detritus processing, bacterial community structure, and spatiotemporal redox profiles | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
The high harm score of alcohol. Time for drug policy to be revisited? | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Eurosoil 2012, 2-6 Bari, Italie | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Induction of skin sensitization is augmented in Nrf2-deficient mice | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
DECOTAB: a multipurpose standard substrate to assess effects of litter quality on microbial decomposition and invertebrate consumption | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Effects of population based screening for Chlamydia infections in The Netherlands limited by declining participation rates | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
DOG. Een gids voor duurzaam omgaan met de gebiedsgerichte aanpak van verontreinigd grondwater | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Viral abundance and its public health implications | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Next-generation text-mining mediated generation of chemical response-specific gene sets for interpretation of gene expression data | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
De Triple-O aanpak. Ecosysteemdiensten in de praktijk van duurzaam bodembeheer en gebiedsontwikkeling | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
In zeven fasen ontleed. Beoordeling van bodemkwaliteit in retrospectief | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Fish, contaminants and human health: Quantifying and weighing benefits and risks | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Real-time PCR to distinguish livestock-associated (ST398) from non-livestock-associated (methicillin-resistant) Staphylococcus aureus | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Estimating the true incidence of campylobacteriosis and salmonellosis in the European Union, 2009 | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Transfer of a two-tiered keratinocyte assay: IL-18 production by NCTC2544 to determine the skin sensitizing capacity and epidermal equivalent assay to determine sensitizer potency | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Prediction of measured weight from self-reported weight was not improved after stratification by body mass index | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Fish consumption during child bearing age: A quantitative risk-benefit analysis on neurodevelopment | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Determinants of non-response to a second assessment of lifestyle factors and body weight in the EPIC-PANACEA study | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Comparative study of IS6110 restriction fragment length polymorphism and variable-number tandem-repeat typing of Mycobacterium tuberculosis isolates in the Netherlands, based on a 5-year nationwide survey | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Rapid and accurate identification of poliovirus strains used for vaccine production | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Het drinkwater in Nederland is van goede kwaliteit. Wel is er reden tot zorg over de kwaliteit van de bronnen voor drinkwater. In Nederland wordt 60% van het drinkwater uit grondwater geproduceerd en 40% uit oppervlaktewater. Volgens de huidige uitgangspunten van nationaal en internationaal beleid, zoals de Europese Kaderrichtlijn Water, moet de kwaliteit van de bronnen zodanig zijn dat het mogelijk is om met eenvoudige technieken drinkwater te produceren. Dit is nu het geval voor ongeveer de helft van de grondwaterwinningen in Nederland. De andere helft van de grondwaterwinningen voldoet niet. Ook de kwaliteit van het oppervlaktewater voldoet niet. Dit concludeert het RIVM in een analyse van bestaande rapporten en meetgegevens over de kwaliteit van drinkwaterbronnen. Kwaliteit grondwaterwinningen Ongeveer de helft van de grondwaterwinningen is beïnvloed door menselijk handelen, zoals landbouw, riolering, industrie en oude bodemverontreinigingen. Volgens data uit het onderzoek is het aantal chemische stoffen dat in het grondwater aanwezig is, veel groter dan de reguliere monitoringsprogramma's aangeven. Deze stoffen worden aangetroffen in concentraties die geen risico vormen voor de volksgezondheid, maar het is wel belangrijk om te monitoren of deze concentraties toenemen. Kwaliteit oppervlaktewinningen De kwaliteit van oppervlaktewater wordt nog directer dan grondwater beïnvloed door menselijk handelen. In de afgelopen decennia is de kwaliteit ervan aanzienlijk verbeterd door emissies vanuit industrie en landbouw te verminderen. Momenteel bestaat de meeste zorg over stoffen die consumenten gebruiken, zoals geneesmiddelen, insecticiden, biociden, cosmetica, brandvertragers en nanodeeltjes. Rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI's) kunnen deze stoffen nog niet goed verwijderen. Daardoor komen ze in het milieu terecht en dus ook in bronnen voor drinkwater. Drinkwaterbedrijven gebruiken steeds geavanceerdere zuiveringstechnieken om deze stoffen te verwijderen. De nog resterende, zeer lage concentraties vormen geen risico voor de volksgezondheid. Het gebruik van deze stoffen zal echter in de toekomst verder toenemen als gevolg van de vergrijzing (meer medicijngebruik) en veranderingen in de bevolkingssamenstelling. Ook in dat licht is het van belang de kwaliteit van drinkwaterbronnen te verbeteren. Het RIVM reikt daarom aanbevelingen aan voor het landelijk beleid om de waterkwaliteit effectiever te beschermen. Een voorbeeld is het drinkwaterbeleid beter te verankeren in andere beleidskaders, zoals ruimtelijke ordening en waterbeleid. Door haperingen daarin kunnen momenteel tegenstrijdige functies rondom drinkwaterbronnen ontstaan, die een risico kunnen vormen voor de waterkwaliteit.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Benzo[a]pyrene-induced transcriptomic responses in primary hepatocytes and in vivo liver: Toxicokinetics is essential for in vivo-in vitro comparisons | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Weglekkende koelvloeistoffen kunnen bedreiging voor grondwater vormen Bij gesloten warmte-koude-opslagsystemen (WKO) zitten de warmtewisselaars in de ondergrond. Bij lekkages in de warmtewisselaar zal koelvloeistof lekken naar het grondwater en de ondergrond. Sommige koelvloeistoffen bevatten chemicaliën die langzaam afbreken en het grondwater tientallen jaren kunnen verontreinigen. Het RIVM heeft daarom op een rij gezet in welke mate verschillende soorten koelvloeistoffen een risico kunnen vormen voor de grondwaterkwaliteit. Meeste koelvloeistoffen bevatten onbekende chemicaliën Slechts enkele producenten van koelvloeistoffen waren bereid om het RIVM te informeren over de samenstelling van hun producten. De mate waarin koelvloeistoffen gevaarlijk zijn voor het milieu kan worden berekend door de concentratie van een stof in het koelmiddel, te delen door de maximaal toelaatbare concentratie van die stof in het grondwater. Afhankelijk van de samenstelling van het koelmiddel kan een liter koelvloeistof meer of minder kubieke meters grondwater verontreinigen. Relatief milieuvriendelijke koelvloeistoffen kunnen slechts een beperkt aantal kubieke meters grondwater verontreinigen per liter gelekt koelmiddel en worden op termijn afgebroken. Indien van meer koelvloeistoffen de samenstellingsgegevens ter beschikking komen, dan kunnen we het relatieve milieueffect daarvan berekenen. Slechts enkele milieuvriendelijke koelvloeistoffen geïdentificeerd Kraanwater, een kaliumcarbonaatoplossing of, in mindere mate, monopropyleenglycol zijn bruikbaar als koelvloeistoffen en komen als de beste drie koelvloeistoffen naar voren in de rangschikking naar milieueffect. Het bodemtype bepaalt in welke mate ze worden afgebroken. In veengebieden bijvoorbeeld wordt de biologische afbraak van organische verbindingen als monopropyleenglycol sterk geremd door de zure en zuurstofloze omstandigheden. Voor deze gebieden is kaliumcarbonaat daarom een betere keuze. Meer milieuvriendelijke koelvloeistoffen zullen vermoedelijk worden geïdentificeerd wanneer voldoende informatie van de producenten beschikbaar komt.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
In Nederland wordt op het genoom gebaseerde kennis en technologie nog weinig toegepast in de publieke gezondheidszorg. De ontwikkelingen op dit vakgebied, dat public health genomics wordt genoemd, gaan ook in Nederland langzamer dan verwacht. Deskundigen hebben hier verschillende verklaringen voor, waaronder de biologische complexiteit van het genoom en de interacties met de omgeving, en de vaak lage voorspellende waarde van genetische variaties voor chronische ziekten. Daarnaast ervaren deskundigen de trage besluitvorming en maatschappelijke discussies over nieuwe mogelijkheden op het gebied van public health genomics als vertragend. Toch zijn er veelbelovende ontwikkelingen voor toekomstige toepassingen van public health genomics. Dit geldt met name voor ziektepreventie, bijvoorbeeld het gebruiken van genetische risicoprofielen bij kankerscreening, het toepassen van prenatale testen die meer zekerheid en minder risico's bieden dan de huidige testen, en het screenen van paren met een kinderwens op dragerschap van erfelijke aandoeningen. Van genomics-toepassingen bij gezondheidsbevordering zijn minder hoge verwachtingen. Zo lijkt het communiceren van genetische risicoinformatie over ziekten als diabetes of hart- en vaatziekten maar beperkte toegevoegde waarde te hebben bij leefstijlinterventies. In opdracht van ZonMw heeft het RIVM de stand van zaken van public health genomics in Nederland en de kansen voor preventie in kaart gebracht. Het onderzoek bestond uit literatuurinventarisatie, deskundigenconsultatie en een viertal casestudies. Voor de deskundigenconsultatie werden deskundigen in Nederland op het gebied van public health genomics, of een gerelateerd vakgebied, uitgenodigd om aan een online discussieplatform deel te nemen. Hierbij konden zij reageren op stellingen over huidige toepassingen en toekomstverwachtingen van public health genomics.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Dit rapport bevat een erratum na pagina 29 Naar aanleiding van de nieuwe Europese luchtkwaliteitrichtlijn uit 2008 heeft het RIVM drie voorstellen gedaan om de Nederlandse meetstrategie voor benzeen in de lucht te herzien. Op basis van deze drie scenarios's stelt het RIVM voor in de komende jaren het aantal meetstations voor benzeen in Nederland te verlagen naar vijf locaties. Hiermee wordt voldaan aan de minimum meetverplichting uit de richtlijn. Bovendien kunnen hiermee trends op een drukke verkeerslocatie worden gevolgd. Concentratie benzeen gedaald, minder meetstations nodig Sinds de eerste jaren van de eenentwintigste eeuw zijn de concentraties benzeen in Europa gedaald als gevolg van emissiebeperkende maatregelen. De nieuwe richtlijn schrijft voor dat bij lagere concentraties minder stations volstaan. Vanwege de gedaalde concentraties is het minimum aantal voor Nederland drie stations. Om voldoende zicht te houden op trends is gekozen voor vijf locaties. Het gaat hierbij om twee straat-, twee stadsstations en een regionaal station. Op een van de stadsstations zullen ook andere stoffen, de zogenoemde ozonprecursors, worden gemeten waaruit ozon wordt gevormd.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Dit rapport bevat een erratum op de laatste pagina d.d. 12.08-2013 In 2010 voldeed Nederland aan de Europese verplichting om jaarlijks de hoeveelheid radioactiviteit in het milieu en in voeding te meten. Volgens het Euratom-verdrag uit 1957 zijn alle lidstaten van de Europese Unie verplicht deze metingen jaarlijks te verrichten. Nederland voert daarbij de aanbevelingen uit die in 2000 zijn opgesteld om de metingen volgens een bepaald stramien uit te voeren. De metingen leveren achtergrondwaarden op, oftewel radioactiviteitsniveaus die onder normale omstandigheden aanwezig zijn. Deze waarden kunnen bijvoorbeeld bij calamiteiten of rampen als referentie dienen. Het RIVM rapporteert namens Nederland over radioactiviteit in het milieu aan de Europese Unie. Radioactiviteit in lucht, voedsel en melk De metingen in lucht en omgeving lieten een normaal beeld zien, dat niet verschilde van voorgaande jaren. De depositie van polonium-210 is het hoogst sinds 1993 maar ongeveer even hoog als in 2009. De aangetroffen radioactiviteitsniveaus zijn echter niet schadelijk voor de volksgezondheid. De radioactiviteitsniveaus in voedsel en melk liggen net als in voorgaande jaren duidelijk onder de Europese limieten die zijn opgesteld voor consumptie en export. Radioactiviteit in oppervlaktewater In het oppervlaktewater liggen de radioactiviteitsniveaus op een aantal locaties boven de streefwaarden die in de Vierde Nota waterhuishouding (1998) zijn bepaald. De overschrijdingen zijn echter zodanig dat ze niet schadelijk zijn voor de volksgezondheid. Voor oppervlaktewater bestaan er geen limieten voor radioactieve stoffen, waarop wordt toegezien en gehandhaafd. Wel zijn er streefwaarden, die bij voorkeur niet overschreden mogen worden.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Comparative analysis of serum (anti)oxidative status parameters in healthy persons | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Study on public perceptions and protective behaviors regarding Lyme disease among the general public in the Netherlands: implications for prevention programs | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
De uitvoering van grote investeringsprojecten voor de aanschaf van medische apparatuur zoals scanners, chirurgische robots, infuuspompen en patiëntenmonitors, kan verbeterd worden. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM in achttien ziekenhuizen naar de gevolgde procedures bij de aankoop van de genoemde medische apparaten. Er is vooral meer regie nodig om alle stappen uit de aanschafprocedure uit te voeren, zodat deze medische technologie op verantwoorde wijze wordt aangeschaft en in gebruik wordt genomen. Zeker naarmate het inkoopproject vordert, worden procedurele stappen overgeslagen of minder nauwgezet genomen. Er wordt wel altijd een programma van eisen opgesteld. Aandachtspunten Uit het onderzoek blijkt dat in minder dan de helft van de onderzochte ziekenhuizen een risicoanalyse is uitgevoerd als onderdeel van de aanschafprocedure. Ziekenhuizen die de risico's wel hebben afgewogen, hebben deze analyse niet altijd benut om het programma van eisen op te stellen, voor de training van de medewerkers en voor het beheer van de apparaten. Een risicoanalyse levert inzicht in de mogelijke risico's die zijn verbonden aan het gebruik van een bepaalde technologie. Daarnaast geeft het inzicht in maatregelen die genomen kunnen worden om deze risico's te beperken.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Composition of PM affects acute vascular inflammatory and coagulative markers - The RAPTES project | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Biotracing microbial contaminants - Salmonella on pork | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Acceptance of vaccination among orthodox protestants in The Netherlands | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Detection of influenza A virus homo- and heterosubtype-specific memory B-cells using a novel protein microarray-based analysis tool | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Burden of disease associated with antimicrobial resistance. Studies on bloodstream infections and clinical outcomes in European hospitals | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Epidemiology of hepatitis B virus infection in The Netherlands and beyond | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Campylobacter jejuni: exposure assessment and hazard characterization. Growth, survival and infectivity of Campylobacter jejuni | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Prevalence and genetic diversity of human enteroviruses in the context of poliovirus eradication | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Detection of systemic and mucosal HPV-specific IgG and IgA antibodies in adolescent girls one and two years after HPV vaccination | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Lipoarabinomannan mannose caps do not affect mycobacterial virulence or the induction of protective immunity in experimental animal models of infection and have minimal impact on in vitro inflammatory responses | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Q fever in humans and farm animals in four European countries, 1982 to 2010 | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Macronutrient composition of the diet and prospective weight change in participants of the EPIC-PANACEA study | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Use of surgical-site infection rates to rank hospital performance across several types of surgery | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Variability of bioaccessibility results using seventeen different methods on a standard reference material, NIST 2710 | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Gas cooking, respiratory and allergic outcomes in the PIAMA birth cohort study | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Seroprevalence of mumps in The Netherlands: dynamics over a decade with high vaccination coverage and recent outbreaks | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
HIV-infected men who have sex with men who identify themselves as belonging to subcultures are at increased risk for hepatitis C infection | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
In vitro effects of aldehydes present in tobacco smoke on gene expression in human lung alveolar epithelial cells | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Dietary intake of vitamin D and calcium and breast cancer risk in the European prospective investigation into cancer and nutrition | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Modelling metal-metal interactions and metal toxicity to lettuce Lactuca sativa following mixture exposure (Cu2+-Zn2+ and Cu 2+-Ag+) | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Process evaluation of a tailored multifaceted feedback program to improve the quality of intensive care by using quality indicators | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Volgens schattingen van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) stijgt het aantal mensen in Nederland met astma en COPD de komende 25 jaar sterk, met respectievelijk 28% en 70%. Dit komt vooral door de bevolkingsgroei en de vergrijzing. Het aantal patiënten met respiratoire allergie (zoals hooikoorts) blijft in deze periode ongeveer gelijk. Deze aandoening komt namelijk bij ouderen minder voor. De verwachting is dat de totale medische kosten voor alle drie de aandoeningen over 25 jaar (fors) zijn gestegen. Voor respiratoire allergie zal dat met 73% zijn; voor astma stijgen de kosten met 150%, voor COPD met 220%. Deze percentages zijn inclusief de jaarlijkse stijging van zorguitgaven door onder andere technologische veranderingen (zoals nieuwe medicijnen) en prijsstijgingen, volgens de trendanalyse van het Centraal Planbureau. Het RIVM heeft deze schattingen gemaakt op verzoek van het Longfonds. De cijfers zijn gebaseerd op nieuwe analyses van de kosten in 2007. Voor astma bedroegen de medische kosten in totaal 287 miljoen euro, gemiddeld 530 euro per patiënt. Dit bedrag bestaat voor bijna driekwart uit kosten voor medicijnen. Bij werknemers komt daar nog gemiddeld 1200 euro per persoon per jaar bovenop vanwege extra ziekteverzuim door astma. Van hen verzuimen werknemers die ouder zijn dan 55 jaar het meest. De medische kosten voor COPD in Nederland in 2007 waren 415 miljoen euro, gemiddeld 1400 euro per patiënt. Hierbij waren geneesmiddelen, ziekenhuisopnames en langdurige zorg (zoals thuiszorg en in verzorgingshuizen) de belangrijke kostenposten. Kosten van arbeidsongeschiktheid waren voor werkenden met COPD gemiddeld 1200 euro per persoon. Voor ziekteverzuim waren deze gemiddeld 1900 euro per werkende met COPD. Deze kosten overtreffen veruit de kosten van het zorggebruik voor COPD. De medische kosten voor respiratoire allergie waren 102 miljoen euro, gemiddeld 170 euro per patiënt. Medicatiekosten vormden hierin het grootste deel, 90%. Er waren te weinig data om de ziekteverzuimkosten betrouwbaar te schatten. De gepresenteerde cijfers over de verwachte stijging van het aantal mensen met deze drie aandoeningen en de kosten die hiermee gemoeid zijn, leveren belangrijke informatie op voor het beleid. Preventie en behandeling zijn daarbij onverminderd belangrijk, zoals stoppen met roken en doelmatiger gebruik van geneesmiddelen. Aangezien er steeds meer oudere patiënten met astma en COPD komen, is specifieke ondersteuning ook voor hen van belang.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
In Nederland worden gegevens over de leefstijl van de bevolking verzameld door meerdere thema-instituten die elk op hun eigen terrein werken, zoals roken, drugsgebruik, bewegen en voeding. Het ministerie van VWS heeft behoefte aan meer efficiëntie en afstemming bij deze gegevensverzameling, en heeft het RIVM gevraagd hiervoor voorstellen te doen. Daartoe is een inventarisatie gemaakt van de huidige gegevensverzamelingen op leefstijlgebied, en van de behoefte aan gegevens bij de verschillende organisaties (overheid en andere) die op dit terrein beleid ontwikkelen en uitvoeren. Op basis van deze inventarisaties is een blauwdruk opgesteld voor een vernieuwd en samenhangend monitoringsysteem voor leefstijlfactoren, de zogenoemde 'Leefstijl-meter' (LSM). De basis hiervan is dat er expliciet onderscheid wordt gemaakt tussen een beperkte set van 'kerngegevens' die jaarlijks wordt verzameld, en 'verdiepende enquêtes' die minder frequent kunnen worden uitgevoerd. De verdiepende informatie is bedoeld om achterliggende verbanden en verklarende elementen te verhelderen. De jaarlijkse kerngegevens kunnen waarschijnlijk worden opgenomen in de bestaande CBS-gezondheidsenquête. Voor de praktische uitwerking van de andere onderdelen van de Leefstijl-meter worden diverse varianten gepresenteerd. De deels afzonderlijke benadering die al bestaat voor de jeugdmonitors blijft hierbij gehandhaafd. In alle gevallen gaat het om een samenhangend systeem, dat ontworpen en vervolgens ook beheerd wordt door een consortium van de betrokken instituten. De beoogde efficiencywinst wordt vooral bereikt door de gegevensverzamelingen meer te bundelen, dubbelingen te verwijderen, en de frequentie van sommige onderzoeken te verlagen. De kwaliteitwinst zit in de betere afstemming van de gegevensverzameling en de samenwerking tussen de betrokken organisaties. Dit gaat gepaard met inhoudelijke vernieuwingen.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Modelling HIV in the injecting drug user population and the male homosexual population in a developed country context | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Global co-existence of two evolutionary lineages of parvovirus B19 1a, different in genome-wide synonymous positions | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Verse producten zoals groente en fruit worden tijdens het productieproces behandeld om de aantallen schadelijke micro-organismen te verlagen. Hiermee wordt zowel de houdbaarheid van het product verlengd, als het aantal ziekmakende micro-organismen verlaagd. Deze behandelingen zijn vooral effectief om bacteriën onschadelijk te maken, wat de kans verkleind dat consumenten er ziek van worden. Voor virussen is dit effect echter gering als de behandeling wordt uitgevoerd met de doseringen die de voedselindustrie momenteel gebruikt. Hogere doseringen zijn effectiever, maar tasten de voedselkwaliteit en de kleur en structuur van het product te veel aan. Dit blijkt uit een literatuurstudie van het RIVM naar de effectiviteit van desinfectieprocessen in de voedselindustrie op virussen. De studie is in opdracht van de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA) uitgevoerd. Een van de mogelijke behandelingen is producten wassen in water waaraan desinfecterende stoffen zijn toegevoegd, zoals chloorverbindingen, waterstofperoxide of ozon. Verder wordt op kleine schaal gewerkt met behandelingen waarmee ook de micro-organismen worden bereikt die dieper in het product verscholen zitten, zoals het product behandelen met UV- of gammastralen of onder hoge druk plaatsen. Ze zijn echter het meest effectief bij doseringen die de voedselkwaliteit en het karakter ervan aantasten. Een veelbelovende oplossing lijkt de combinatie van verschillende behandelingsmethoden (de 'hurdle-technologie'). Op deze manier kan elke methode onder mildere condities of met een lagere intensiteit worden uitgevoerd, waardoor de structuur en kleur van het product wel behouden blijven. Zorgvuldig onderzoek is echter nodig naar welke combinaties het effectiefst zijn om virussen onschadelijk te maken en die tegelijkertijd de kwaliteit van de verse producten behouden.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Miljoen beten per jaar, maar hoe gaat dat precies? | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Effects of hospital delivery during off-hours on perinatal outcome in several subgroups: a retrospective cohort study | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Response to 'Statins accelerate the onset of collagen type II-induced arthritis in mice' - authors' reply | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Application of the BRAFO tiered approach for benefit-risk assessment to case studies on dietary interventions | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Emissies Nederland in 2010 onder plafonds De Nederlandse uitstoot van stikstofoxiden (NOx) is in 2011 zodanig afgenomen dat het voor het eerst kwam onder het maximum dat de Europese Unie daaraan voor 2010 heeft gesteld. Hiermee voldoet Nederland aan alle vier de zogeheten nationale emissieplafonds (NEC). Voor ammoniak, zwaveldioxide en niet-methaan vluchtige organische stoffen (NMVOS) voldeed Nederland al in 2010 aan deze plafonds. Dit blijkt uit de toelichting van het RIVM op de Nederlandse emissiecijfers van grootschalige luchtverontreinigende stoffen, het Informative Inventory Report (IIR) 2013. Deze cijfers betreffen de uitstoot van zwaveldioxide, stikstofoxiden, NMVOS, koolmonoxide, ammoniak, fijn stof (PM10), zware metalen en persistente organische stoffen (POP's). De uitstoot van al deze stoffen is tussen 1990 en 2011 gedaald. Dit komt vooral door schonere auto's en brandstoffen en door emissiebeperkende maatregelen van industriële sectoren. Lagere uitstoot van schadelijke stoffen door oude personenauto's Door de jaren heen resulteren nieuwe methoden om de emissies te berekenen in nauwkeurigere uitkomsten. Zo blijkt onder andere uit dit verslagjaar dat de emissieberekening voor personenauto's in Nederland is verbeterd. Daaruit volgt dat de uitstoot van schadelijke stoffen door benzineauto's zonder katalysator lager is dan werd verondersteld. Dat komt vooral doordat deze auto's gemiddeld op jaarbasis minder kilometers rijden dan eerder werd gedacht. Het CBS heeft afgelopen jaar de gereden kilometers van personenauto's nauwkeuriger in beeld gebracht door ze specifieker dan voorheen uit te splitsen naar leeftijd en brandstoftype. Tussen 2005 en 2010 valt hierdoor de totale uitstoot van stikstofoxiden door personenauto's, zowel diesel als benzine, circa 15 procent lager uit dan vorig jaar was berekend. De uitstoot van NMVOS is dit jaar zelfs 25 procent lager berekend. Jonge dieselauto's vervuilender dan gedachtDe uitstoot van stikstofoxiden door zogeheten Euro-5 dieselauto's blijkt hoger dan eerder werd aangenomen; in 2010 circa 6 procent. De Euro-5 aanduiding verwijst naar de Europese wetgeving voor de uitstoot van schadelijke stoffen door personenauto's en bestelauto's. Volgens deze wetgeving zou de stikstofoxidenuitstoot door dieselauto's met 28 procent moeten dalen ten opzichte van de Euro-4-norm. Euro-5 personenauto's zijn in 2008 op de Nederlandse markt gekomen, waarna TNO in 2012 van enkele Euro-5 auto's de emissies heeft gemeten. Hieruit blijkt dat de uitstoot van stikstofoxiden flink hoger ligt dan de Europese emissienormen voor deze auto's; de mate waarin hangt af van het rijgedrag (optrekken en remmen in steden of doorrijden op de snelweg). Auto's blijken in de praktijk minder zuinig te rijden dan tijdens condities waaronder fabrikanten testen. De stikstofoxidenuitstoot van Euro-5 dieselauto's is daarmee gemiddeld zelfs hoger dan de norm voor Euro-4 auto's.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Medical technology at home: safety-related items in technical documentation | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Biochemical markers of aging for longitudinal studies in humans | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Chemische stoffen in het afvalwater dat bedrijven en huishoudens in het riool lozen, kunnen in het milieu terechtkomen. Sinds 1986 was er wetgeving die de uitstoot van nieuwe stoffen reguleert. Hierbij was een beoordelingssysteem nodig om eventuele schadelijke effecten voor mens en milieu te kunnen aangeven. Voor dit beoordelingssysteem heeft het RIVM indertijd het zogeheten SimpleTreat-model ontwikkeld. Hiermee kan worden geschat welk deel van het milieu aan dergelijke stoffen blootstaat (bodem, water of lucht) en in welke mate dat gebeurt. De EU heeft deze beoordelingssystematiek sinds 2003 overgenomen. Op initiatief van het Duitse ministerie van milieu (UBA) heeft het RIVM in 2012 verkend of het SimpleTreat-model nog steeds voldoet. Aanleiding is dat de aard van de chemicaliën in afvalwater de laatste decennia is veranderd. Uit de verkenning blijkt dat het model voldoet voor middelen die oplosbaar zijn in water of in vet en voor stoffen die biologisch afbreekbaar zijn. Dit betreft vooral industriële stoffen, waarvan de uitstoot de afgelopen decennia sterk is gereguleerd als gevolg van aangescherpte regelgeving en verbeterde technologie van de afvalwaterzuivering. Het model blijkt minder geschikt te zijn voor biologisch actieve stoffen, zoals geneesmiddelen en ontsmettingsmiddelen (biociden), of stoffen die oppervlakteactief zijn (zeep). Deze stoffen zijn ontwikkeld om dat wat leeft te beïnvloeden, en hebben andere eigenschappen. De hoeveelheid van biologisch actieve stoffen die via afvalwater in ons leefmilieu terechtkomt, is de laatste jaren juist toegenomen. Om het model ook te laten voldoen voor de nieuwe typen 'moeilijke' stoffen zijn enkele aanpassingen nodig, waarvoor de evaluatie handvatten biedt. Het RIVM zal in 2013 meewerken aan deze revisie.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Persistent mental health disturbances during the 10 years after a disaster: Four-wave longitudinal comparative study | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Driving forces for changes in geographical distribution of Ixodes ricinus ticks in Europe | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Op 8 en 9 september 2010 woedde een grote brand op het terrein van de olieraffinaderij BOPEC op Bonaire. Destijds bleek uit onderzoek van het RIVM dat normen voor perfluoroctaansulfonaat-verbindingen (PFOS) zijn overschreden in het Gotomeer en in Salina Tam, twee zoutmeren vlakbij BOPEC. Deze verbindingen maakten deel uit van het gebruikte blusschuim op het BOPEC-terrein. Het bleek niet mogelijk om aan te geven wat de ecologische effecten van deze normoverschrijding zouden kunnen zijn. Wel werd aangegeven dat de concentraties van deze stoffen in beide meren geleidelijk zouden kunnen gaan afnemen. Hoe snel dat zou gaan, was onbekend. Uit vervolgonderzoek in 2012 van het RIVM blijkt dat de milieukwaliteitsnormen nog steeds worden overschreden in het Gotomeer en Salina Tam. De concentraties PFOS in het water en sediment van deze meren vlakbij de brand zijn iets lager dan in 2010, maar nog duidelijk verhoogd. Risico's voor het ecosysteem van deze inmiddels twee jaar durende blootstelling zijn hierdoor niet uit te sluiten. Hierbij valt te denken aan directe effecten op waterorganismen zoals bijvoorbeeld sterfte, of indirecte effecten wanneer hogere organismen verdwijnen doordat er niet meer voldoende voedsel voor ze is. Het is echter niet aan te geven of, en zo ja, in welke mate de verhoogde concentraties ervoor verantwoordelijk zijn dat de flamingopopulatie is verdwenen. Hiervoor is nader onderzoek naar de ecologische dynamiek van dit ecosysteem nodig. Onderzoeksinstituut IMARES gaat dit binnenkort doen. Deze studie is uitgevoerd in opdracht van het Nederlandse ministerie van Infrastructuur en Milieu (I&M) en het bestuur van de 'bijzondere gemeente' Bonaire, het Openbaar Lichaam Bonaire (OLB).
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Als een leiding met brandbare vloeistof of gas onder druk beschadigd raakt, ontstaat bij ontsteking een fakkelbrand. In Nederland zijn industrieën die met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen werken verplicht om aan te geven wat de minimale afstand is tussen deze bedrijven en de omliggende bebouwing. In wetgeving is vastgelegd hoe deze afstand berekend moet worden en met welk rekenmodel. Voor het gebruik van een alternatief model is toestemming van de Minister van Infrastructuur en Milieu nodig. Belangrijke afwegingen hierbij zijn de betrouwbaarheid, openbaarheid en beschikbaarheid van het alternatief.` Shell-model als alternatief Op verzoek van het ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM) heeft RIVM onderzocht of het fakkelbrandmodel van Shell voor een locatie in Noord- Holland betrouwbaarder is dan het voorgeschreven model. Dit blijkt inderdaad het geval. Daarmee is voldaan aan een belangrijke voorwaarde voor een eventueel gebruik van het model bij de vergunningaanvraag. Overige aspecten, zoals de openbaarheid en beschikbaarheid van het model, vallen buiten het bestek van dit onderzoek. Aanleiding voor de vergelijking was het vermoeden dat er door het gebruik van het wettelijke fakkelbrandmodel bij de genoemde locatie mogelijk onnodig zou moeten worden gesaneerd. De vergunninghouder stelde daarop de uitkomsten van het wettelijke model en de daaraan verbonden consequenties ter discussie. Met het Shell-model zouden de afstanden 10 tot 20 procent kleiner zijn. Ook bij andere locaties waar het risico bepaald wordt door fakkelbranden van vloeistoffen en tot vloeistof verdichte gassen, kan het gebruik van het Shell-model leiden tot kleinere afstanden. Werkwijze onderzoek Voor het onderzoek zijn de complexiteit van de rekenmodellen en de kwaliteit van de validatie vergeleken. Het model van Shell blijkt te zijn gestoeld op een grotere hoeveelheid data uit experimenten. Voor vijf geselecteerde cases kwamen de uitkomsten van het Shell-model beter overeen met de gemeten waarden dan de uitkomsten van het wettelijke model.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Dit rapport is de Engelse vertaling van 205555002 Werkgevers moeten ervoor zorgen dat hun werknemers veilig en gezond hun werk kunnen uitoefenen en dus geen nadelige gezondheidseffecten ondervinden door (mogelijke) blootstelling aan ziekteverwekkers. In bepaalde beroepen kunnen werknemers door de aard van hun werkzaamheden een verhoogde kans hebben om met ziekteverwekkende organismen in contact te komen. Om een beeld te krijgen van de infectieziekten die werknemers tijdens het werk kunnen oplopen (type en aantal), analyseert het RIVM jaarlijks het aantal gemelde arbeidsgerelateerde infectieziekten. Dit gebeurt in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW). Risicovolle werkomgeving In 2011 zijn 337 meldingen geregistreerd in de twee belangrijkste registratiesystemen van arbeidsgerelateerde infectieziekten: het registratiesysteem van het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten (NCvB) en het CIb-registratiesysteem Osiris waarin volgens de Wet publieke gezondheid (Wpg) meldingsplichtige infectieziekten worden geregistreerd. De kans om tijdens het werk infectieziekten op te lopen blijkt het hoogst in de gezondheidszorg, het onderwijs en de agrarische sector. Naar verwachting worden in de registratiesystemen lang niet alle infectieziekten gemeld die zijn opgelopen in de werkomgeving. Desondanks hebben de meldingen een signaalfunctie. De gemelde infectieziekten komen in grote lijnen overeen met de registraties van de afgelopen jaren. In 2011 hebben laboratoria en GGD'en 193 werknemers met arbeidsgerelateerde infectieziekten geregistreerd in Osiris. Het gaat daarbij vooral om kinkhoest, legionella, bof en malaria. Bedrijfsartsen hebben 141 werknemers met infectieziekten gerelateerd aan het werk gemeld bij het NCvB. Het betreft voornamelijk darminfecties, huidinfecties en tuberculose (inclusief besmettingen met tuberculosebacteriën zonder ziekteverschijnselen). Meer inzicht nodig op arbeidsgerelateerde infectieziekten Om meer zicht te krijgen op de mate waarin uiteenlopende typen infectieziekten voorkomen, is nader onderzoek in de risicovolle sectoren nodig. Werknemers en werkgevers kunnen met deze informatie zicht krijgen op mogelijke blootstellingsmomenten en transmissieroutes, waardoor zij preventieve maatregelen kunnen nemen.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Authors reply: Application of Bayesian methods to the inference of phylogeny for enterovirus surveillance | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
The 2009 influenza A (H1N1) pandemic. Management and vaccination strategies in The Netherlands | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Food-borne viruses from a global perspective | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Onderzoeksresultaten VNTR bijgesteld | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Multiplex qPCR for reliable detection and differentiation of Burkholderia mallei and Burkholderia pseudomallei | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Preventive exercises reduced injury-related costs among adult male amateur soccer players: a cluster-randomised trial | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
NethMap 2012. Consumption of antimicrobial agents and antimicrobial resistance among medically important bacteria in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
MARAN 2012. Monitoring of antimicrobial resistance and antibiotic usage in animals in the Netherlands in 2010/2011 | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
The 2007-2010 Q fever epidemic in the Netherlands: risk factors and risk groups | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Factors that influence vaccination decision-making by parents who visit an anthroposophical child welfare center: a focus group study | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Response to Bosch et al.: Nanosilica? clarifications are necessary! [Letter to the editor] | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Aantal tbc-patienten nog steeds stabiel | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Utility of the first few100 approach during the 2009 influenza A(H1N1) pandemic in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Het belang van respiratoire surveillance in Nederland | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Tuberculose in Nederland 2011 | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Screening for Coxiella burnetii seroprevalence in chronic Q fever high-risk groups reveals the magnitude of the Dutch Q fever outbreak | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Menstrual and reproductive factors in women, genetic variation in CYP17A1, and pancreatic cancer risk in the European prospective investigation into cancer and nutrition (EPIC) cohort | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Have foodborne parasites finally become a global concern? | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Associations between changes in anthropometric measures and mortality in old age: a role for mid-upper arm circumference? | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Screening for Coxiella burnetii seroprevalence in chronic Q fever high-risk groups reveals the magnitude of the Dutch Q fever outbreak | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
STI and HIV prevention in men who have sex with men in Europe | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Response to: Mycobacterium tuberculosis Beijing type mutation frequency [Letter to the editor] | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Targeted screening as a tool for the early detection of chronic Q fever patients after a large outbreak | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Characterization of Mycobacterium orygis | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Human betacoronavirus 2c EMC/2012-related viruses in bats, Ghana and Europe | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Het is op dit moment onvoldoende wetenschappelijk onderbouwd of er een verband is tussen voeding en ADHD. Daardoor kunnen er geen concrete voedingsadviezen worden gegeven om symptomen van ADHD te verminderen. Deze conclusie is gebaseerd op enkele onderzoeksactiviteiten die het RIVM in opdracht van het Ministerie van VWS in de afgelopen vier jaar heeft uitgevoerd op dit terrein. Het RIVM beveelt gedegen wetenschappelijk onderzoek aan dat antwoord kan geven op de vraag of met voeding daadwerkelijk ADHDsymptomen te beïnvloeden zijn. Hiervoor worden suggesties gedaan. Deze onderzoeksactiviteiten zijn uitgevoerd vanwege aanwijzingen uit het veld dat er een relatie zou zijn tussen ADHD en voeding, vooral bij diëten waarin bepaalde voedingsmiddelen worden vermeden. Mocht dit verband er daadwerkelijk zijn, dan kunnen voedingsadviezen eraan bijdragen dat kinderen minder ADHD-medicatie hoeven te gebruiken. Aanbevelingen vervolgonderzoek In vervolgonderzoek is het van belang dat kinderen en hun ouders niet mogen weten of ze een ADHD-dieet volgen of een placebo-dieet. Hiermee wordt voorkomen dat ouders van kinderen met een ADHD-dieet het gedrag van hun kinderen positiever beoordelen dan ouders van kinderen uit een controlegroep. Daarnaast moet uitgesloten worden dat een eventueel effect wordt veroorzaakt door andere veranderingen dan die in voeding die tijdens het onderzoek plaatsvinden. Zo kunnen kinderen gedurende het onderzoek meer structuur in hun eetgedrag of meer aandacht krijgen. Ook is het belangrijk om te weten in hoeverre de groep kinderen met ADHD die deelneemt aan het onderzoek een representatieve afspiegeling is van alle kinderen met ADHD.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
In opdracht van het ministerie van IenM heeft het RIVM een strategie op gezet om metingen naar de fijnere fracties van fijn stof, PM2,5, uit te voeren binnen het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit (LML). De Europee richtlijn voor luchtkwaliteit heeft dat in 2008 voorgeschreven. Deze richtlijn, 2008/50/EC, vereist dat in Nederland op minimaal 20 locaties wordt gemeten. Het RIVM geeft aan dat 28 locaties nodig zijn om voor PM2.5 gelijksoortige evaluaties te kunnen maken als voor fijn stof (PM10). De Europese normen voor PM2.5 zijn er voornamelijk op gericht om de volksgezondheid te beschermen. De inrichting van het LML voor PM2.5-metingen kende een aantal cruciale beslissingsmomenten, zoals voor de hoeveelheid aan te schaffen meetapparatuur en voor de inrichting van de infrastructuur. Dit proces heeft enkele jaren geduurd. Deze strategie is gebaseerd op de informatie die gebruikt is om bovenstaande keuzes te kunnen maken.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Genetic data provide evidence for wind-mediated transmission of highly pathogenic avian influenza | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Influenza vaccine effectiveness: Heterogeneity in estimates for the 2012/13 season [Letter to the editor] | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
High heterogeneity in methods used for the laboratory confirmation of pertussis diagnosis among European countries, 2010: integration of epidemiological and laboratory surveillance must include standardisation of methodologies and quality assurance | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Proton pump inhibitor therapy predisposes to community-acquired Streptococcus pneumoniae pneumonia | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Glycan-dependent immunogenicity of recombinant soluble trimeric hemagglutinin | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Mycobacterium bovis infection in livestock workers in Ibadan, Nigeria: Evidence of occupational exposure | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Characteristics of Bordetelia pertussis strains isolated from pertussis patients in Moscow by using multilocus sequencing | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Koorts, malaise en eosinofilie na eten van rauwe vis in Italië: infectie met leverbot (Opisthorchis felineus) | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Solitary IgM phase II response has a limited predictive value in the diagnosis of acute Q fever | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
The use of typing methods and infection prevention measures to control a bullous impetigo outbreak on a neonatal ward | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
An additional tool for arbovirus surveillance in the Netherlands: the use of honey-baited cards to detect circulating mosquito-borne viruses | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Integrating genome-based informatics to modernize global disease monitoring, information sharing, and response | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Enhanced interpretation of newborn screening results without analyte cutoff values | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Vergelijking van de inter-laboratorium variatie van de serologie voor de ziekte van Lyme in Nederland door middel van een rondzending | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Potential of host markers produced by infection phase-dependent antigen-stimulated cells for the diagnosis of tuberculosis in a highly endemic area | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Appropriate use of indwelling urethra catheters in hospitalized patients: results of a multicentre prevalence study | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Unrecognized norovirus infections in health care institutions and their clinical impact | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Toxocara infection and its association with allergic manifestations | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
The KIzSS network, a sentinel surveillance system for infectious diseases in day care centers: Study protocol | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
The neutrophil-lymphocyte count ratio in patients with community-acquired pneumonia | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Indications for antimicrobial prescribing in european nursing homes: Results from a point prevalence survey | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Impact of vaccine protection against multiple HPV types on the cost-effectiveness of cervical screening | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Hepatitis E virus infection among solid organ transplant recipients, the Netherlands | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Snelle toename van de levensverwachting in Nederland; effect van meer gezondheidszorg voor ouderen | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Characterization of a novel variant of Mycobacterium chimaera | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Voorkómen van ernstige infecties bij patiënten met hypo- of asplenie | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Neonatale screening op cytische fibrose in Nederland | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Azoolresistentie van Aspergillus fumigatus in Nederland: toename door het gebruik van fungiciden in het milieu? | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Are intestinal parasites fuelling the rise in dual burden households in Venezuela? | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Excess mortality among the elderly in 12 European countries, February and March 2012 | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Authors reply: Importance of standardisation of HAI definitions in interpretation of international and/or multinational prevalence studies | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Turning the tide together | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Impressies van het internationale soa-congress in Seattle | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Organic nitrogen in precipitation across Europe | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Correlation between C.burnetii transmission rates and satellite based vegetation indices | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Toward rubella elimination in Europe: an epidemiological assessment | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
"Spatial Processes in Hydrology" (SPHY). Bodemvocht bepaling ter ondersteuning van analyse Q-koorts transmissie risico | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Cosmetische producten veroorzaken soms huidklachten, zoals roodheid en jeuk. Het RIVM beheert een systeem waarin huidklachten en andere overgevoeligheidsreacties na het gebruik van cosmetica kunnen worden geregistreerd (CESES). Net als in voorgaande jaren worden dergelijke klachten vooral gemeld na het gebruik van haarproducten, huidverzorgingsproducten en make-up; vooral bij producten die speciaal zijn bedoeld voor gebruik op of rond de ogen, zoals oogcontourcrème, oogmake-up en oogmake-upremover. Daarnaast zijn er relatief veel klachten binnengekomen over zonnecosmetica. Ook worden regelmatig allergische reacties gemeld als gevolg van geurstoffen en zogeheten isothiazolinonen, een conserveringsmiddel in cosmetica. Trends in 2011 en 2012 Behalve deze aanhoudende trends vallen in 2011 en 2012 een aantal zaken op. Zo blijkt het UV-filter octocrylene, dat in zonnebrandcrèmes zit, allergische reacties te veroorzaken. De laatste jaren neemt het aantal meldingen van contacteczeem door deze stof toe. Verder hebben opvallend veel kappers contacteczeem gemeld nadat ze in aanraking waren gekomen met ammoniumpersulfaten in haarbleekmiddelen. Deze resultaten blijken uit de trendrapportage 2011 - 2012 van CESES (Consumer Exposure Skin Effects and Surveillance). Het RIVM vindt het belangrijk om ongewenste effecten van cosmetische producten en ingrediënten in cosmetica te monitoren. Deze monitoring kan gebruikt worden om na te gaan of Europese wetgeving en handhaving voldoende beschermt. Ook worden risico's voor werknemers, zoals blootstelling aan ammoniumpersulfaten bij kappers, hiermee geïdentificeerd. CESES Binnen het registratiesysteem CESES wordt op twee manieren informatie ingewonnen. Ten eerste kunnen consumenten zelf hun klacht melden op de website www.cosmeticaklachten.nl . Daarnaast registreren deelnemende dermatologen huidklachten van patiënten waarbij cosmetica de mogelijke oorzaak zijn. Bij deze patiënten wordt vervolgens een allergieonderzoek uitgevoerd om vast te stellen welk(e) productingrediënt(en) de klacht veroorzaakt.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Nog steeds stijging in het aantal soaconsulten | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Health effects from Sahara dust episodes in Europe: literature review and research gaps | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Use of multilocus variable-number tandem repeat analysis (MLVA) in eight european countries, 2012 | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Quantification of Toxoplasma gondii in tissue samples of experimentally infected goats by magnetic capture and real-time PCR | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
De Nederlandse overheid streeft ernaar om vóór 2030 de schadelijkste chemische stoffen uit te bannen en te vervangen door schonere en minder gevaarlijke alternatieven (het prioritaire stoffenbeleid). Een mogelijkheid is om stoffen uit biomassa van planten en dieren te halen en daarmee zogeheten biobased stoffen te maken. Naar verwachting kan hiermee zelfs een aantal kankerverwekkende stoffen worden vervangen. Biobased stoffen Deze biobased alternatieven worden de komende jaren verder ontwikkeld. Het RIVM heeft geïnventariseerd welke alternatieven er al zijn en heeft tientallen biobased stoffen in kaart gebracht. Deze lijst is niet uitputtend. Daarnaast is een overzicht gemaakt van methoden waarmee de gezondheids- en veiligheidsrisico's voor mens en milieu worden beoordeeld, én de mate waarin de productie en het gebruik van die stof duurzaam is. Niet elke biobased stof is namelijk gezonder of duurzamer dan een stof die van aardolie is gemaakt. Zo zijn sommige biobased stoffen ook giftig, of kan er veel land of water nodig zijn om de grondstoffen te verbouwen. Beoordelingsmethoden De bestaande beoordelingsmethoden blijken nogal divers en vaak ingewikkeld. Het streven is om op basis van de huidige methoden een handzame aanpak te ontwikkelen waarmee snel en gemakkelijk de beste stof kan worden gekozen. Daaraan kunnen ook beleidsvoorkeuren worden toegevoegd om het gebruik van bepaalde grondstoffen te stimuleren of te ontmoedigen. Regelgeving Hoewel een 'harde' definitie van biobased stoffen vooralsnog ontbreekt, is inmiddels duidelijk dat ze voor de regelgeving als gewone chemische stoffen moeten worden beschouwd. Ze moeten aan dezelfde wettelijke gezondheids- en veiligheidseisen voldoen. In de dagelijkse praktijk van registratie, etikettering en risicobeoordeling blijkt dit niet altijd duidelijk te zijn. Het RIVM licht daarom toe hoe enkele wettelijke regels moeten worden geïnterpreteerd. Het huidige stoffenbeleid draait vooral om de beoordeling van gezondheid en veiligheid, waarbij REACH ook nadrukkelijk innovatie wil vergroten. Met de opkomst van innovatieve biobased stoffen komen duurzaamheidsaspecten duidelijker in beeld. Een integrale beoordeling geeft een completer inzicht in de voor- en nadelen van stoffen. Het RIVM vindt dat een dergelijke afweging nodig is voor alle, dus niet alleen biobased, stoffen.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Laboratory-based surveillance in the molecular era: the TYPENED model, a joint data-sharing platform for clinical and public health laboratories. | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Glycemic index, glycemic load, dietary carbohydrate, and dietary fiber intake and risk of liver and biliary tract cancers in Western Europeans | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Genetic variation in the lactase gene, dairy product intake and risk for prostate cancer in the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Iron metabolism is associated with adipocyte insulin resistance and plasma adiponectin: The Cohort on Diabetes and Atherosclerosis Maastricht (CODAM) study | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Voor u gelezen: [Bleich EM et al. Hygienic monitoring of Mongolian gerbils: which mouse viruses should be included? Lab Anim 2012: 46:173-5] | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
High anti-staphylococcal antibody titers in patients with epidermolysis bullosa relate to long-term colonization with alternating types of staphylococcus aureus | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Risks to young people at work. More experience of less exposure? | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Metabolic syndrome model definitions predicting type 2 diabetes and cardiovascular disease | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
International collaborative project to compare and monitor the nutritional composition of processed foods | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Deriving major accident failure frequencies with a storybuilder analysis of reportable accidents | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Lifestyle factors and risk of cardiovascular diseases | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Professionals die informatie zoeken over bodembeheer, de ondergrond en gebiedsontwikkeling kunnen hiervoor vanaf nu een zoekinstrument gebruiken. Op de website www.bodemvizier.nl is digitale documentatie over de bodem samengebracht, zoals rapporten, kaarten, rekeninstrumenten, beschrijvingen en analyses van praktijkvoorbeelden. Op de website staat alleen informatie die voor de doelgroep (overheden, ingenieurs- en adviesbureaus) bruikbaar is. Hierdoor is deze eenvoudiger te vinden dan via algemene zoekmachines als Google. Bezoekers worden doorverwezen naar digitale bronnen waarop de gezochte informatie staat. Bovendien worden de bronnen kort toegelicht. Toegevoegde waarde Veel van dergelijke documentatie is momenteel wel op internet beschikbaar, maar moeilijk te vinden. Hierdoor kan het gebeuren dat een organisatie dubbel werk doet, door bijvoorbeeld een handleiding te schrijven die al bestaat. De website is in samenwerking met Rijkswaterstaat Leefomgeving (voorheen Agentschap NL) ontwikkeld. Het ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM) evalueert na een jaar hoe BodemVizier gebruikt wordt en of de toegevoegde waarde van de zoekmachine wordt benut. Duurzaam gebruik ondergrond De Nederlandse ondergrond wordt steeds meer benut voor kabels, leidingen, waterberging, bescherming van archeologische vindplaatsen, enzovoort. Voor een duurzaam gebruik van de ondergrond is het van belang het gebruik en de inrichting van de ondergrond goed af te wegen. Gemeenten en provincies bepalen welk ondergronds gebruik het beste op welke locaties past. De website is een praktische uitwerking van de beleidsvisie van het ministerie van IenM Duurzaam gebruik van de ondergrond uit 2010: de juiste informatie over de ondergrond toegankelijk maken. De samenhang tussen de beleidsvisie en BodemVizier wordt in onderliggend rapport toegelicht. Daarnaast staat in een handleiding beschreven hoe BodemVizier werkt.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Results of a cosmetovigilance survey in The Netherlands | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Veilig werken aan betere kwaliteit. Laboratoriumdiagnostiek van Tuberculose in de praktijk | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
High yield of reinfections by home-based automatic rescreening of chlamydia positives in a large-scale register-based screening programme and determinants of repeat infections | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
The development of adverse outcome pathways for mutagenic effects for the organization for economic co-operation and development | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Estimating the generation interval of influenza a (H1N1) in a range of social settings | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Police officers: a high-risk group for the development of mental health disturbances? A cohort study | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Transmission dynamics of Borrelia burgdorferi s.l. in a bird tick community | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Trends in primary NO 2 and exhaust PM emissions from road traffic for the period 2000-2020 and implications for air quality and health in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Risk assessment for drugs of abuse in the Dutch watercycle | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Development of a resource modelling tool to support decision makers in pandemic influenza preparedness: The AsiaFluCap Simulator | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Dietary fiber intake and risk of hormonal receptor-defined breast cancer in the European prospective investigation into cancer and nutrition study | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Practicalities of using non-local or non-recent multilocus sequence typing data for source attribution in space and time of human campylobacteriosis | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
The incidence of narcolepsy in Europe: before, during, and after the influenza A(H1N1)pdm09 pandemic and vaccination campaigns | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Biomarkers of selenium toxicity after sub-acute exposure in mice | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
PER.C6® cells as a serum-free suspension cell platform for the production of high titer poliovirus: a potential low cost of goods option for world supply of inactivated poliovirus vaccine | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Lasting effects on body weight and mammary gland gene expression in female mice upon early life exposure to n-3 but not n-6 high-fat diets | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Profiling of humoral response to influenza A(H1N1)pdm09 infection and vaccination measured by a protein microarray in persons with and without history of seasonal vaccination | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Yersinia pestis plasminogen activator gene homolog in rat tissues | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Practicalities of using non-local or non-recent multilocus sequence typing data for source attribution in space and time of human campylobacteriosis | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
SPF, waarom en hoe? | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Als gevolg van de vergrijzing daalt de arbeidsparticipatie na 2020 naar verwachting met vier procentpunten, van 48% naar 44% van de bevolking. Hierdoor zullen bedrijven in de toekomst met een tekort aan werknemers te maken krijgen. De vraag is of mensen langer willen en kunnen doorwerken. Literatuuronderzoek van het RIVM laat zien dat een groot deel van de werknemers na hun pensioen graag stopt met werken. Gemiddeld wil slechts 14 procent van de werknemers na hun 65ste juist nog doorwerken en 53 procent wil dit niet. Ze willen dat vanwege de inkomsten, maar ook omdat zij zingeving, eigenwaarde en voldoening ontlenen aan arbeid. Flexibele werktijden om ouderen aan het werk te houden De Nederlandse overheid heeft enkele maatregelen genomen om de arbeidsparticipatie van ouderen te verhogen, zoals de verhoging van de AOWleeftijd. Uit de literatuurstudie blijkt ook dat het zogenoemde seniorenbeleid (ontziebeleid) een manier is om ouderen die zouden willen of moeten stoppen, aan het werk te houden. Bij dit ontziebeleid worden de werktijden van oudere werknemers, doorgaans na hun 60ste, flexibel: zij hebben meer vrije dagen of een kortere werkweek. Ook kan de zwaarte van het werk worden verlicht of de werktaak inhoudelijk worden aangepast. Redenen om met 65 jaar te stoppen met werken Het seniorenbeleid is nodig omdat een aanzienlijk deel van de oudere werknemers (22% tot 36%) wel tot hun 65ste wil blijven werken, maar dat om uiteenlopende redenen niet kan. De belangrijkste reden is de fysieke en psychische belasting van het werk die voor hun leeftijd te zwaar is geworden (22%). Beroepen waar dit aan de orde is zijn stratenmakers, verpleegkundigen en onderwijzers. Daarna volgen niet-inhoudelijke kenmerken van hun werk, zoals slechte arbeidsvoorwaarden, lange reistijd, geen promotiekansen, enzovoort (5%). Voor 3% van de werknemers is hun gezondheid een reden om te stoppen met werken. Zij zijn chronisch ziek, hebben een beroepsziekte (versleten rug), zijn psychisch overbelast, zijn arbeidsongeschikt of kunnen geen emplooi meer vinden. Deze factoren kunnen er ook toe leiden dat werknemers al vóórdat de pensioengerechtigde leeftijd bereikt is, moeten stoppen met werken.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Dit rapport bevat een erratum op de laatste pagina (01-07-2013) De overheid heeft de voedingsmiddelensector opgeroepen om de gehalten aan natrium en verzadigd vet in voedingsmiddelen te verlagen. Uit de rapportage van het RIVM en het Voedingscentrum blijkt dat de natriumgehalten in brood en in groenteconserven in 2012 significant zijn afgenomen. Het gemiddelde natriumgehalte nam ook af voor kaas, koude sauzen, pindasauzen en chips, maar deze daling was niet significant. In vlees en soepen is geen verschil in het natriumgehalte waargenomen. Inspanningen om het verzadigd vetgehalte te verlagen waren afkomstig van de olie- en vetsector en de aardappelverwerkende industrie. Zij hebben het gebruik van vloeibare vetten gestimuleerd en de vetzuursamenstelling van hun producten verbeterd. Vanwege de negatieve gezondheidseffecten van een te hoge inname van natrium en verzadigd vet wil de minister van VWS dat het voor de consument makkelijker wordt om gezondere voedingsmiddelen te kiezen. In dat verband volgen het RIVM en het Voedingscentrum kritisch de gehalten van natrium en verzadigd vet van voedingsmiddelen. Dat gebeurt op basis van recente gegevens die fabrikanten en de desbetreffende sectoren vrijwillig aanleveren, plus onafhankelijke natriumanalyses door de NVWA. Deze gegevens zijn vervolgens vergeleken met de gegevens over de samenstelling van voedingsmiddelen in het Nederlandse Voedingsstoffenbestand (NEVO) 2011 ( http://nevo-online.rivm.nl/ ). Voor de komende jaren bereiden bedrijven (producenten en een supermarktketen) zich erop voor de natriumgehalten van vleeswaren en vleesbereidingen, kaas, hartige snacks, diverse sauzen, soep, kant- en klaarmaaltijden, pizza's en bewerkte visproducten stapsgewijs (verder) aan te passen. Dit blijkt uit de plannen die zij tot eind 2015 hiervoor hebben opgesteld.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Waterkwaliteitsnormen voor blootstelling van mensen Chemische stoffen kunnen de kwaliteit van oppervlaktewater aantasten, wat schadelijk kan zijn voor mens en dier. Daarom wordt vanuit de Kaderrichtlijn Water (KRW) bepaald hoeveel van een stof maximaal in oppervlaktewater mag zitten. Deze normen worden volgens Europese voorschriften afgeleid. Hierbij worden de effecten onderzocht van drie 'routes' waarlangs mensen en dieren in contact met de stof kunnen komen: de directe effecten van een stof op waterorganismen, de effecten op vogels en zoogdieren die waterdieren eten, en de effecten op mensen via het eten van vis uit oppervlaktewater. Dit levert drie veilige concentraties op; de laagste bepaalt de norm. Het ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM) heeft in dit verband het RIVM gevraagd om te onderzoeken of de Europese uitgangpunten om te berekenen in welke mate mensen aan stoffen blootgesteld worden via het eten van vis, relevant zijn voor Nederland. Visconsumptie te hoog ingeschat? Het Europese voorschrift gaat ervan uit dat mensen dagelijks 115 gram vis eten. Voor een aantal Europese landen lijkt dit een reële aanname. De gemiddelde Nederlander eet echter veel minder vis, zo blijkt uit recente consumptiegegevens voor ons land. Ook eet lang niet iedereen dagelijks vis. Dit zou kunnen betekenen dat van een te hoge inname van stoffen wordt uitgegaan bij de bepaling van de milieunormen, en dat deze normen te streng zijn. Er zijn echter ook fervente viseters die wél veel meer vis eten. Het is uiteindelijk een beleidskeuze van welke doelgroepen wordt uitgegaan om normen voor een veilige waterkwaliteit te bepalen. Het RIVM doet daarom geen nieuw voorstel voor de hoeveelheid vis die wordt geconsumeerd. Wel worden enkele opties geboden om te onderzoeken of er daadwerkelijk sprake is van een risico als de norm wordt overschreden. Onder andere kan bij de beoordeling van de waterkwaliteit worden meegewogen of het water daadwerkelijk als viswater wordt gebruikt. Blootstelling door zwemmen onderzocht Tevens is onderzocht of bij de afleiding van waternormen meegenomen moet worden dat mensen aan stoffen staan blootgesteld als zij in oppervlaktewater zwemmen. Dat blijkt niet nodig te zijn. Hiervoor zijn modelberekeningen uitgevoerd voor een aantal stoffen, waaronder gewasbeschermingsmiddelen en industriële chemicaliën. Het nu gebruikte model geeft aan dat er geen risico's zijn te verwachten als gevolg van zwemmen.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Koeien met een naam geven meer melk | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Samen werken aan arbeidsgerelateerde zoonosen | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Het RIVM heeft meegewerkt aan de ontwikkeling van een methode waarmee kan worden afgewogen welk bodembeheer en welke ruimtelijke inrichtingsplannen het meest bijdragen aan een 'duurzame' groene infrastructuur in een gebied. Deze zogeheten Triple-O aanpak biedt mogelijkheden om de voordelen die de mens heeft van een natuurlijk systeem (bodem, water en groen, oftewel ecosysteemdiensten) in te zetten bij bodembeheer en gebiedsontwikkeling. Triple-O staat voor Ontdekken, Overeenkomen en Ontwikkelen. Met deze methode worden economische en sociale gebiedsontwikkeling en het bodembeheer verbonden met het natuurlijke systeem, zodat een duurzame situatie gecreëerd kan worden. Voorheen waren dit gescheiden werelden. Natuurvriendelijke oevers De methode is ontwikkeld aan de hand van drie pilotgebieden in Nederland. Eén daarvan is het Leiden Bio Science Park (LBSP), een economische hotspot met een groot aantal kennisinstellingen en bedrijven, een academisch medisch centrum en twee musea. Voor deze locatie zijn vijftien maatregelen gescreend op de mate waarin ze bijdragen aan een duurzame 'groene' inrichting. De aanleg van natuurvriendelijke oevers blijkt de grootste bijdrage te leveren. Als vervolgens ook de kosteneffectiviteit wordt meegenomen, dan draagt de aanleg van educatieve wandelroutes relatief gezien het meest bij. De drie fasen van Triple-O Als eerste stap wordt geïnventariseerd en gewogen wat voor de betrokken partijen de bestaande en gewenste kwaliteiten van een gebied zijn ('Ontdekken'). Voor het LBSP zijn deze partijen de gemeente Leiden, de Universiteit Leiden (UL), het Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC), NCB/Naturalis, het Waterschap en de gezamenlijke biotechnologiebedrijven. Zij vonden de kwaliteit 'lerende omgeving' en de daaraan te koppelen ecosysteemdienst 'voorzien in esthetiek en inspiratie' het belangrijkst. Vervolgens brengen de partijen de mogelijkheden met elkaar in verband en ontwikkelen zij een gezamenlijke visie voor de gebiedsontwikkeling ('Overeenkomen'). Zo ontstond de wens dat het park voor de verschillende doelgroepen bijdragen levert aan de kwaliteit van de omgeving, als leeromgeving en recreatielocatie, en aan de wateropgaven (kwaliteit en kwantiteit). Ten slotte worden plannen gemaakt voor uitvoering en financiering door de rendementen van het natuurlijke systeem voor alle betrokkenen in beeld te brengen ('Ontwikkelen').
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Toxoplasmose: risico's voor de jager | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Shigella als soa | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Is resistance lousing things up in The Netherlands? | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
A cheap and effective anti-Mdr/Xdr/Tdr Tb drug is already available | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Nog eenmaal SPF: SPF een dwaling?! | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Bestrijding van vlooien en teken bij hond en kat | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Dieren op papier: iconographia zoologica on line | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Effecten van vergaand klimaatbeleid op luchtverontreiniging in Europa | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Het drinkwater in Nederland kan restanten van chemische stoffen zoals geneesmiddelen bevatten. De concentratie van deze stoffen is dermate laag dat ze afzonderlijk geen risico voor de volksgezondheid vormen. Maar ook als de berekende risico's van de stoffen bij elkaar worden opgeteld (mengseltoxiciteit) vormt het drinken van drinkwater geen risico. Dit blijkt uit een eerste verkenning van het RIVM. Het onderzoek is uitgevoerd omdat voorheen niet werd uitgesloten dat de afzonderlijke stoffen gezamenlijk wel schadelijk kunnen zijn. Opgetelde gezondheidsrisico's Drinkwaterbedrijven analyseren het oppervlaktewater dat wordt gebruikt voor drinkwater op meer dan honderd stoffen. Voor dit onderzoek zijn meetgegevens gebruikt van 1996 tot en met 2008. Toekomstige ontwikkelingen zoals een veranderend klimaat zijn niet in deze verkenning meegenomen. Gemiddeld werden in één jaar 2 tot 9 stoffen aangetroffen in het gezuiverde drinkwater. Bij de berekeningen is uitgegaan van het ongunstigste scenario dat alle aangetroffen stoffen gelijktijdig in het water zitten. Om meer zekerheid te krijgen over de bevindingen is het raadzaam om de berekeningen nogmaals uit te voeren met meer en actuelere data, en op basis van meer winningen. Twee individuele stoffen opgemerkt In het verlengde van dit onderzoek zijn de risico's van afzonderlijke stoffen nader beschouwd. De resultaten bevestigen de bestaande bevinding dat de stoffen afzonderlijk geen gezondheidsrisico vormen. Wel is van twee stoffen (broomdichloormethaan en 1,2,3-trichloorpopaan) enkele malen het Verwaarsloosbare Risiconiveau (VR) overschreden. Het Maximaal Toelaatbaar Risiconiveau (MTR) is niet overschreden, waardoor ze ook geen risico vormen voor de gezondheid. Deze bevindingen worden echter vermeld vanwege de kankerverwekkende eigenschappen van deze stoffen. Deze stoffen ontstaan ondermeer door het gebruik van chloorproducten bij de drinkwaterzuivering. Inmiddels worden deze chloorproducten niet meer gebruikt.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Toxoplasmose: risico's voor de jager | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
The effect of tobacco additives on smoking initiation and maintenance | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Als farmaceutische bedrijven onaangekondigd worden geïnspecteerd verschillen de bevindingen niet van inspecties die vooraf worden aangekondigd. Dit komt waarschijnlijk doordat het systeem voor kwaliteitscontrole voor deze bedrijven heel strikt is georganiseerd. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM, in opdracht van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ). De bevindingen zijn gebaseerd op een steekproef onder zestig farmaceutische bedrijven. Onaangekondigde inspecties hebben voor de inspectie als voordeel dat het minder tijd kost om ze te plannen en inspecteurs flexibeler met hun tijd kunnen omgaan. Daarom kunnen onaangekondigde inspecties van farmaceutische bedrijven als een aanvulling op de inspectiemethoden van de IGZ worden beschouwd. Een nadeel van onaangekondigde inspecties is dat een inspecteur voor niets kan komen als relevante medewerkers afwezig zijn of activiteiten bij het bedrijf zijn gestaakt. Ook is onderzocht hoe zowel de inspecteurs als de geïnspecteerde bedrijven de onaangekondigde inspecties beleven. De inspecteurs ervaren geen wezenlijke verschillen bij onaangekondigd inspecteren. Ze zijn positief over onaangekondigde inspecties als inspectie-instrument. Wel willen ze, afhankelijk van de verwachte risico's, zelf kunnen bepalen of de inspectie aangekondigd dan wel onaangekondigd zal plaatsvinden. De farmaceutische bedrijven staan neutraal tegenover onaangekondigde inspecties: ze vinden het geen probleem, maar het heeft ook niet duidelijk hun voorkeur. De IGZ controleert één keer in de drie jaar of een farmaceutisch bedrijf de wettelijke eisen naleeft die hun kwaliteitssysteem vereist (zogeheten GMP-inspecties). In Nederland gaat het in totaal om circa driehonderd van deze bedrijven. Het verzoek van de IGZ om het onderzoek uit te voeren past in de recente ontwikkeling om methoden van inspectietoezicht wetenschappelijk te onderbouwen.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Trichobilharzia | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Comparison between lidar and MAX-DOAS measurements of nitrogen dioxide profiles and tropospheric columns | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Geo-engineering met olivijn, remedie tegen broeikaseffect? | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Tien oneliners voor het luchtbeleid | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
A uniform risk methodology for transmission pipelines transporting chemicals | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Air quality in Europe. 2012 report | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Reporting and exchanging air quality information using e-Reporting | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Haal meer uit een KBA | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Evaluation of progress under the EU National Emission Ceilings Directive. Progress towards EU air quality objectives | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Koppel krediet-, energie- en klimaatcrisis | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
The miniDOAS: low cost, high performance ammonia measurements | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Critical loads of heavy metals for soils | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Kosten en baten van strengere emissieplafonds voor luchtverontreinigend stofen. Nationale evaluatie voor de herziening van het Gothenburg Protocol | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Assessment of the environmental impacts and health benefits of a nitrogen emission control area in the North Sea | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Particulate matter from natural sources and related reporting under the EU Air Quality Directive in 2008 en 2009 | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Hoofdluis: hoofd- en bijzaken | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
A risk model for lung cancer incidence | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
AirBase: a valuable tool in air quality assessments at a European and local level | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Pulsed-Field Gel Electrophoresis Analysis of Bordetella pertussis Isolates Circulating in Europe from 1998 to 2009 | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Fish consumption and subsequent change in body weight in European women and men | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Population dynamics and genetic diversity of C4 strains of human enterovirus 71 in Mainland China, 1998-2010 | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Reporting on ambient air quality assessment in the European region, 2010 | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Dietary patterns and colorectal adenomas in Lynch syndrome: the GEOLynch cohort study | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Infectious disease transmission as a forensic problem: who infected whom? | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Health effects from Sahara dust particles | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Estimating the contribution of commuting on exposure to particulate matter in European urban areas | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Evaluation of influenza virus antiviral susceptibility testing in Europe: results from the first external quality assessment exercise | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Assessment of the usefulness of the murine cytotoxic T cell line CTLL-2 for immunotoxicity screening by transcriptom | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Extended-spectrum ?-lactamase-producing escherichia coli from retail chicken meat and humans: Comparison of strains, plasmids, resistance genes, and virulence factors | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
The European exchange of information in 2011 | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Jaarlijkse systematische chlamydiascreening. Resultaten van de effectiviteit na 3 jaar proefimplementatie | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Insulin-like growth factor-I concentration and risk of prostate cancer: results from the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Vaccinatie van vrouwen op het eind van de zwangerschap is een haalbare en doelgerichte benadering om ziekte en sterfte door kinkhoest bij pasgeborenen te voorkomen. Onderzoekers van het RIVM beoordeelden verschillende mogelijke vaccinatiescenario's om kinkhoest terug te dringen, met name om de risico's voor pasgeborenen te beperken. Bij hen treedt de meest ernstige ziekte en soms ook sterfte door kinkhoest op. Zij zijn nog te jong om zelf gevaccineerd te zijn maar er zijn mogelijkheden om hen indirect te beschermen. Sinds midden jaren negentig van de vorige eeuw is er ondanks de vaccinatie tegen kinkhoest in het Rijksvaccinatieprogramma een toename van het aantal gevallen van kinkhoest. De toename wordt vooral gezien bij heel jonge kinderen (jonger dan 3-5 maanden, te jong om gevaccineerd te zijn) en kinderen van 6 tot 19 jaar. Ook bij volwassenen komt steeds vaker kinkhoest voor, zij het vaak in een minder typische vorm. Vaak zijn zij de bron van besmetting van zuigelingen. Juist bij deze heel jonge kinderen kan kinkhoest ernstig verlopen. Het leidt tot 50 à 100 ziekenhuisopnames per jaar en in een enkel geval zelfs tot overlijden. Niet alleen in Nederland, maar in veel landen doet deze ontwikkeling zich voor. Diverse mogelijke vaccinatiescenario's om de bescherming van jonge zuigelingen tegen kinkhoest te verbeteren zijn beoordeeld. Het gaat om bijvoorbeeld vroegere vaccinatie van de zuigeling, vlak na de geboorte, vaccinatie van de aanstaande moeder op het einde van de zwangerschap, vaccinatie van moeders of ook vaders na de geboorte van een baby en vaccinatie van mensen die professioneel in contact komen met de baby (in de zorg of kinderopvang), of vaccinatie van vrouwen met kinderwens voordat er zwangerschap optreedt, of een extra vaccinatie van kinderen en adolescenten. Per scenario is gekeken naar 1. veiligheid, 2. werkzaamheid en effectiviteit, 3. doelmatigheid, 4. haalbaarheid en operationele aspecten, en 5. 'bekende onbekende zaken'. De auteurs zagen vaccinatie van moeders op het einde van de zwangerschap als een haalbare en doelgerichte benadering met potentieel hoge impact op ziekte en sterfte bij pasgeborenen. Deze verkenning wordt ingebracht in de beraadslagingen van de Gezondheidsraad over kinkhoestvaccinatie.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
De respons van het back office radiologische informatie op de Kernramp in Fukushima | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Childhood wheezing phenotypes and FeNO in atopic children at age 8 | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Reliability of selected antioxidants and compounds involved in one-carbon metabolism in two Dutch cohorts | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Seroepidemiological survey for Coxiella burnetii antibodies and associated risk factors in Dutch livestock veterinarians | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Predicting urinary creatinine excretion and its usefulness to identify incomplete 24h urine collections | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Deriving major accident failure frequencies with a storybuilder analysis of reportable accidents | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
An improved model to predict physiologically based model parameters and their inter-individual variability from anthropometry | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Zoonosen van teken- en vlooien bij honden en katten | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Pre-existing virus-specific CD8 + T-cells provide protection against pneumovirus-induced disease in mice | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
A review of mammalian toxicity of ZnO nanoparticles | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Pandemic influenza A(H1N1)pdm09 improves vaccination routine in subsequent years: a cohort study from 2009 to 2011 | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
A spatially distributed model of pesticide movement in Dutch macroporous soils | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Auditory neuropathy in a low-risk population: a review of the literature | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Developmental immunotoxicity of ethanol in an extended one-generation reproductive toxicity study | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Air pollution and health: bridging the gap from sources to health outcomes: Conference summary | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Intake estimation of total and individual flavan-3-ols, proanthocyanidins and theaflavins, their food sources and determinants in the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition (EPIC) study | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Monitoring phytoplankton and marine biotoxins in production waters of the Netherlands: results after one decade | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Does pet ownership in infancy lead to asthma or allergy at school age? Pooled analysis of individual participant data from 11 European Birth Cohorts | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Contribution of bi-allelic germline MUTYH mutations to early-onset and familial colorectal cancer and to low number of adenomatous polyps: case-series and literature review | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Prediction models for risk of developing type 2 diabetes: systematic literature search and independent external validation study | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Consequences of noncompliance for therapy efficacy and emergence of resistance in murine tuberculosis caused by the Beijing genotype of Mycobacterium tuberculosis | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Biological variation in tPA-induced plasma clot lysis time | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Modeling the relationship between health and health care expenditures using a latent Markov model | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
PM10, and children's respiratory symptoms and lung function in the PATY study | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Erratum to "C60-DOM interactions and effects on C60 apparent solubility: a molecular mechanics and density functional theory study" [Environ. Int. 37 (2011): 1078-1082] | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Population level risk assessment: practical considerations for evaluation of population models from a risk assessor's perspective | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
The dynamics of digital dermatitis in populations of dairy cattle: model-based estimates of transition rates and implications for control | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
The bone marrow functions as the central site of proliferation for long-lived NK cells | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
'Inverted' analogs of the antibiotic gramicidin S with an improved biological profile | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Physical activity and risk of breast cancer overall and by hormone receptor status: the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Time to death and the forecasting of macro-level health care expenditures: some further considerations | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
The role of international travel in the worldwide spread of multiresistant Enterobacteriaceae | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
The prevalence of physical, sexual and mental abuse among adolescents and the association with BMI status | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Environmental noise and health | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Sociale aspecten van de leefomgeving in relatie tot milieu en gezondheid. Achtergrondstudie | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Framework for the adjustment of failure frequencies in quantitative risk assessment methodologies | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Failure causes for pipelines transporting hazardous substances | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Population-level changes to promote cardiovascular health | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Emerging food-borne viral diseases | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Sinds 2006 zijn de taken van het Landelijke Meetnet Effecten Mestbeleid (LMM) verbreed. Dit is van invloed is geweest op de organisatie, en op de methoden en procedures die in het meetnet zijn gebruikt. Het RIVM en LEI Wageningen UR hebben de veranderingen in de meetnetopzet evenals de methoden en procedures in dit rapport beschreven. De meetresultaten zelf verschijnen separaat. Doel LMM, voor en na 2006 Het doel van het LMM is om de kwaliteit van water op landbouwbedrijven te volgen en te verklaren in relatie tot de bedrijfsvoering op die landbouwbedrijven. Tot 2006 zijn de resultaten van het LMM hoofdzakelijk gebruikt om de effectiviteit van het Nederlandse mestbeleid te toetsen. Sindsdien is het LMM uitgebreid met een zogenoemd derogatiemeetnet. Dit meetnet volgt de effecten van de uitzonderingspositie die de EU aan Nederland heeft verleend (derogatie) voor de toegestane hoeveelheid stikstof uit dierlijke mest op graslandbedrijven. Veranderingen Als gevolg van de uitbreiding van taken zijn een aantal veranderingen in het LMM doorgevoerd. Als eerste is het aantal bedrijven dat het LMM monitort aanzienlijk vergroot. Ten tweede bestaat sinds 2006 het meetnet uit een vaste groep bedrijven. Voor die tijd werd uit het totale aantal geselecteerde bedrijven steeds een wisselende groep bedrijven gevolgd. Ten derde is de frequentie van waterbemonstering verhoogd. Ten slotte is de aandacht voor de kwaliteit van het oppervlaktewater gaandeweg toegenomen; oorspronkelijk richtte het LMM zich vooral op grondwater, drainwater en bodemvocht.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Alcohol drinking and endometrial cancer risk in the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition (EPIC) study | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Viruses transmitted through the food chain: a review of the latest developments | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Low-grade inflammation and insulin resistance independently explain substantial parts of the association between body fat and serum C3: The CODAM study | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Does traffic-related air pollution explain associations of aircraft and road traffic noise exposure on children's health and cognition? A secondary analysis of the United Kingdom sample from the RANCH project | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Fruit and vegetable intake and type 2 diabetes: EPIC-InterAct prospective study and meta-analysis | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Norovirus epidemiology | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Relationship between critical load exceedances and empirical impact indicators at Integrated Monitoring sites across Europe | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Idiopathic environmental intolerance attributed to electromagnetic fields (IEI-EMF): a systematic review of identifying criteria | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Preclinical safety and immunogenicity evaluation of a nonavalent PorA native outer membrane vesicle vaccine against serogroup B meningococcal disease | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Phthalates dietary exposure and food sources for Belgian preschool children and adults | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Soil biodiversity, biological indicators and soil ecosystem services-an overview of European approaches | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Short-term exposure to nanoparticle-rich diesel engine exhaust causes changes in brain activity but not in cognitive performance in human volunteers | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Alcohol dehydrogenase and aldehyde dehydrogenase gene polymorphisms, alcohol intake and the risk of colorectal cancer in the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition study | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Summary of the ISPD Preconference Day, June 3, 2012, Miami Beach | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
The policy relevance of wear emissions from road transport, now and in the future. Workshop report | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Contributing factors to influenza vaccine uptake in general hospitals: an explorative management questionnaire study from the Netherlands | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Dynamic concurrent partnership networks incorporating demography | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Ziekmakende zoonosen | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Dioxins (polychlorinated dibenzo-p-dioxins and polychlorinated dibenzo-furans) in traditional clay products used during pregnancy | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Veel ouderen (70-plussers) hebben meer dan één chronische aandoening en een aanzienlijk deel van hen gebruikt hiervoor vijf of meer verschillende medicijnen (vooral voor coronaire hartziekten, diabetes en astma/COPD). De medicijnen die ouderen veelvuldig gebruiken (bijvoorbeeld bloeddrukverlagers of maagzuurremmers) hebben vaak bijwerkingen zoals een droge mond of misselijkheid. Mede hierdoor kunnen ouderen problemen krijgen met eten en drinken en ondervoed raken. Dit betekent dat ze mogelijk te weinig calorieën binnenkrijgen en/of te weinig noodzakelijke voedingsstoffen, zoals vitaminen, mineralen en voedingsvezels. Er zijn aanwijzingen dat ouderen tekorten hebben aan vitamine B2, vitamine B12, vitamine D, calcium, ijzer en zink. Bovengenoemde problematiek speelt zowel bij ouderen die zelfstandig wonen - 93 procent van de 70-plussers - als bij ouderen die in instellingen verblijven. Meerjarig onderzoek naar voeding, medicijngebruik en gezondheid bij ouderen Dit blijkt uit een verkenning van wat er in de literatuur over dit onderwerp bekend is. Daarnaast zijn acht zorgverleners geïnterviewd en zijn databases geraadpleegd over aandoeningen en medicijngebruik bij 70-plussers. De verkenning is onderdeel van een meerjarig project, waarin wordt onderzocht of het mogelijk is om de kwaliteit van leven en gezondheid van ouderen te verbeteren door dagelijks gezond te eten. Hierdoor gebruiken zij mogelijk minder medicijnen. De Wageningen UR (University & Research Centre), TNO en het RIVM werken voor dit project samen. Nadere discussie in 2013 De bevindingen vormen de input voor een workshop in 2013. Hierin zullen zorgverleners nader bediscussiëren of en hoe gezonde dagelijkse voeding het medicijngebruik en de gezondheidstoestand van ouderen kan beïnvloeden.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
De diagnose en behandeling van een aantal levensbedreigende aandoeningen is sterk verbeterd door CT-scans en andere vormen van radiodiagnostiek. Hierdoor neemt de stralingsbelasting door medische diagnostiek jaarlijks met enkele procenten toe. De Inspectie voor de Gezondheidzorg heeft het RIVM daarom gevraagd in kaart te brengen welke patiëntengroepen hierdoor relatief meer risico lopen op nadelige gezondheidseffecten. Ook is gevraagd hoe daar in Nederland mee wordt omgegaan. Uit literatuuronderzoek blijkt dat patiënten met tumoren, hartvaatziekten en longziekten, die regelmatig op deze wijze worden onderzocht, in totaal relatief hoge doses ontvangen door de opeenstapeling van behandelingen. Daarnaast is de blootstelling van kinderen een aandachtspunt, omdat zij extra gevoelig zijn voor ioniserende straling. Experts die voor dit onderzoek zijn geraadpleegd geven aan dat Nederlandse radiologen doordrongen zijn van de noodzaak de stralingsdosis zo laag mogelijk te houden, zeker bij kinderen. Zij worden daarin ondersteund door protocollen, richtlijnen en duidelijke afspraken binnen de beroepsgroep. Het RIVM adviseert om de relevante wetenschappelijke verenigingen te betrekken bij de vraag of er nog verbetering mogelijk is. Het is raadzaam om daarbij de aanbevelingen te gebruiken uit het rapport 'Management van de patiëntdosis in Nederland en het Verenigd Koninkrijk. Mogelijkheden voor verbetering' van het RIVM uit 2012.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
De bodem en ondergrond in Nederland worden steeds meer gebruikt, bijvoorbeeld om delfstoffen te winnen of om er energie, aardgas en CO2 in op te slaan. Voor een efficiënt, verantwoord en duurzaam ruimtegebruik is het van belang de activiteiten onder en boven de grond op elkaar af te stemmen en daarbij de eigenschappen van de bodem zo veel mogelijk te benutten. De overheid ontwikkelt momenteel een Structuurvisie voor de Ondergrond (STRONG). Het RIVM heeft kenmerken van de bodem en ondergrond geïnventariseerd die daarbij van belang kunnen zijn. De kenmerken zijn in de vorm van kaartbeelden weergegeven. De kaartbeelden geven inzicht in kenmerken die relevant zijn voor afwegingen welke activiteiten het beste op welke locaties kunnen worden uitgevoerd. De invloed van de diverse ruimtelijke kenmerken zou daarvoor vertaald moeten worden naar extra maatschappelijke kosten en baten. Op die manier kan bovendien rekening worden gehouden met een opeenstapeling van kenmerken. Zo is het van belang om locaties waar aardwarmte voorkomt, te benutten voor activiteiten die veel warmte vergen zoals de glastuinbouw. Voor stedelijke uitbreidingen zou meer rekening gehouden moeten worden met de draagkracht van de bodem. In principe zouden goede landbouwgronden behouden moeten blijven voor de landbouw. Gronden die daar minder voor geschikt zijn, zouden gebruikt kunnen worden voor nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, hetzij stedelijk, hetzij natuur.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Het komt in Nederland voor dat medische technologie in ziekenhuizen bewust of onbewust voor andere doeleinden wordt gebruikt dan waarvoor deze op de markt is gebracht. In welke mate dat gebeurt is niet bekend. Dit zogeheten off label-gebruik is in principe af te raden omdat het risico's met zich meebrengt. Het kan echter uitkomst bieden in crisissituaties als er geen alternatieve middelen voorhanden zijn en een patiënt bijvoorbeeld in levensgevaar verkeert. Off label-gebruik kan bovendien tot innovatie leiden op het gebied van medische hulpmiddelen. Dit blijkt uit verkennend onderzoek van het RIVM. In Nederland is er nog geen officieel standpunt over ingenomen. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ). Hiervoor zijn 12 personen geïnterviewd die nauw zijn betrokken bij inkoop, gebruik en beheer van medische hulpmiddelen in ziekenhuizen. Zorgverleners, zoals medisch specialisten en verplegend personeel, zijn in deze verkenning nog niet aan het woord geweest. Nader onderzoek naar hun mening over off label-gebruik is aanbevolen. Om off-label gebruik te beperken is structurele aandacht nodig voor het juiste gebruik van medische hulpmiddelen in opleidingen voor en bijscholingen van zorgverleners. Hetzelfde geldt voor goede informatie over de beschikbare medische hulpmiddelen in ziekenhuizen. Dat kan bijvoorbeeld worden gerealiseerd via een toegankelijk assortimentsoverzicht met productgegevens en gegevens over ervaringen met medische hulpmiddelen. Daarnaast wordt aanbevolen om criteria op te stellen voor gerechtvaardigd off label-gebruik van medische technologie, in combinatie met handelingsprocedures. Met handelingsprocedures worden zaken bedoeld als risicobeoordeling met een multidisciplinair team voor off-label gebruik en publicatie van ervaringen daarna. Hiermee kunnen de risico's van off-label gebruik worden ingeperkt. Het is daarbij raadzaam om hierover met belanghebbende partijen - patiënten, zorgprofessionals, raden van bestuur van ziekenhuizen, fabrikanten en overheid - overeenstemming te bereiken.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
De verhouding tussen de kosten en de resultaten zijn gunstig bij chirurgische behandelingen (bariatrische chirurgie) tegen extreem overgewicht, mits ze worden gecombineerd met leefstijladviezen voor- en na de ingreep. Ze zijn dan doelmatiger dan alleen een leefstijlinterventie. Mensen die afvallen hebben namelijk op termijn minder zorg nodig, waardoor zorgkosten dalen. Bij patiënten met extreem overgewicht en diabetes type 2 kan diabetes na de combinatie van opereren en leefstijlaanpassingen verdwijnen. In dat geval kan bariatrische chirurgie zelfs kostenbesparend zijn. Dit blijkt uit een overzicht van het RIVM van internationale kosteneffectiviteitsstudies over bariatrische chirurgie. Hierbij moeten wel kanttekeningen worden gemaakt. In de onderzochte studies staat namelijk vaak niet goed beschreven wat de bijbehorende leefstijlinterventie inhoudt en waarmee ze precies zijn vergeleken. Verder is er nog weinig bekend over de gevolgen van de operatie op de lange termijn, zoals eventuele complicaties en of het gewichtsverlies blijvend is. Toekomstig gezondheidseconomisch onderzoek van bariatrische chirurgie zou deze langetermijneffecten beter moeten onderbouwen. Ook is het van belang om de kosten van ziekteverzuim door overgewicht in de studies mee te nemen. Tot slot is het essentieel dat de bariatrische chirurgie in de praktijk daadwerkelijk wordt gecombineerd met leefstijladviezen, zoals de Nederlandse richtlijn voorschrijft en de meeste onderzochte studies hebben verondersteld. Anders zal de effectiviteit van deze behandeling mogelijk minder gunstig zijn dan nu uit de literatuur blijkt. In Nederland stijgt het aantal mensen met extreem overgewicht (met een Body Mass Index van meer dan 40) en wordt steeds meer bariatrische chirurgie uitgevoerd. De meest gebruikte technieken zijn een maagband en een maagomleiding. Bij de eerste techniek wordt er een band om de maag geplaatst zodat deze minder voedsel kan verwerken. Bij de maagomleiding wordt een deel van de maag verwijderd en wordt het uiteinde van de maag op een andere plaats aan de dunne darm bevestigd. Hierdoor kan het lichaam minder voedingsstoffen opnemen.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Dit briefrapport geeft een overzicht van artikelen over binnenmilieu en gezondheid die van juni tot en met december 2011 in de internationale wetenschappelijke literatuur zijn verschenen. Het doel van dit briefrapport is beleidsmedewerkers op het gebied van binnenmilieu en gezondheid bij het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM) en andere professionals te informeren over voor hun mogelijk interessante publicaties uit de wetenschappelijke literatuur.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM heeft de zogeheten interventiewaarden voor bodem en grondwater geëvalueerd. Dit is noodzakelijk om nieuwe wetenschappelijke kennis en modelverbeteringen in de afleiding van deze getallen te verwerken, en daarmee de kwaliteit van de normen te handhaven. Interventiewaarden zijn landelijke bodemnormen die gebruikt worden om aan te geven dat bodems die in het verleden verontreinigd zijn geraakt, volgens de Wet Bodemkwaliteit moeten worden gesaneerd. De interventiewaarden zijn zowel voor de bodem als voor het grondwater bepaald. Voor beide is bekeken bij welke concentraties risico's voor het ecosysteem en voor de mens ontstaan. De strengste waarde bepaalt de hoogte van de interventiewaarde. Aanvullend is onderzocht wanneer ecosystemen aan te hoge concentraties blootstaan doordat een stof in de voedselketen ophoopt, de zogenoemde doorvergiftiging. In de jaren negentig zijn voor het eerst de interventiewaarden van vier groepen stoffen in delen (zogeheten tranches) afgeleid. Van 66 stoffen uit de 2e, 3e, en 4e tranche moeten de interventiewaarden worden geëvalueerd. Vanwege een beperkt tijdbestek zijn hieruit alleen de 16 meest urgente stoffen geselecteerd, bijvoorbeeld omdat ze in de praktijk vaak worden aangetroffen. De 16 stoffen zijn: antimoon, barium, boor, selenium, thallium, tin (anorganisch), vanadium, een drietal orgaotins, cis- en trans-dichlooretheen, vrije cyaniden, thiocyanaat, chloride en sulfaat. Voor drie van deze stoffen is de in deze rapportage voorgestelde interventiewaarde strenger geworden en voor vier stoffen is de voorgestelde interventiewaarde minder streng geworden. Voor enkele stoffen zijn de voorgestelde interventiewaarden niet veranderd. Voor de overige stoffen waarvoor nog geen interventiewaarde was afgeleid, is nu een eerste voorstel gedaan.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) is verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van de biocidenregelgeving. Op verzoek van de ILT heeft het RIVM een systeem ontwikkeld dat per bedrijfstype aangeeft over welke biociden het kan beschikken. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen middelen die wettelijk zijn toegelaten, middelen die niet zijn toegelaten, en middelen die wel zijn toegelaten maar verkeerd worden gebruikt. Deze laatste twee typen worden hierna samengevat onder de term Niet Toegestane middelen (NT-middelen). De gegevens zijn ondergebracht in een database. De biociden zijn aan bedrijfstypen gekoppeld op basis van de beoogde toepassing van de biociden. Bij de bedrijfstypen is aangegeven hoeveel NT-middelen zij mogelijk gebruiken ten opzichte van het totale pakket aan biociden. Op basis hiervan kan de ILT een idee krijgen bij welke bedrijfstypen de kans het grootst is dat ze NTmiddelen gebruiken. Dit is slechts een indicatie, omdat in deze fase van het onderzoek het feitelijke gebruik niet bekend was. Vervolgens kan de inspectie daar het toezicht op richten. De database bevat biociden die in Nederland, België en het Verenigd Koninkrijk zijn toegelaten. Biociden die in het buitenland zijn toegelaten maar in Nederland niet, zijn aangemerkt als NT-middelen. Tevens zijn biociden toegevoegd die in Nederland voorlopig zijn toegelaten, biociden waarvan de toelating is ingetrokken, en biociden die op internet zijn aangetroffen hoewel ze niet zijn toegelaten.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
IgE binding to peanut components by four different techniques: Ara h 2 is the most relevant in peanut allergic children and adults | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Life spanning murine gene expression profiles in relation to chronological and pathological aging in multiple organs | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Sensitivity of species to chemicals: dose-response characteristics for various test types (LC50, LR50 and LD50) and modes of action | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Hepatitis B vaccination of men who have sex with men in the Netherlands: should we vaccinate more men, younger men or high-risk men? | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Transient early wheeze and lung function in early childhood associated with chronic obstructive pulmonary disease genes | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Adiposity, mediating biomarkers and risk of colon cancer in the European prospective investigation into cancer and nutrition study | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Database voor leefstijlinterventies. Verzameld werk | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Detection of Salmonella in food, feed and veterinary samples by EU laboratories | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Improving the credibility of electronic health technologies | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Transition in soil policy and associated knowledge development | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Sterke interventies | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
eHealth wikiplatform to increase the uptake and impact of eHealth technologies | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Mechanical ventilation in recently built Dutch homes: Technical shortcomings, possibilities for improvement, perceived indoor environment and health effects | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Long-term effects of pneumococcal conjugate vaccine on nasopharyngeal carriage of S. pneumoniae, S. aureus, H. influenzae and M. catarrhalis | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
The influence of sex, gestational age, birth weight, blood transfusion, and timing of the heel prick on the pancreatitis-associated protein concentration in newborn screening for cystic fibrosis | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Een gezond mbo presteert beter | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Health technology trust: underserved or justified? | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Self-monitoring of blood glucose in patients with type 2 diabetes mellitus who are not using insulin | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
eTELEMED 2012. Proceedings of the 4th international conference on eHealth, telemedicine, and social medicine, Jan-Feb 2012, Valencia, Spain | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Sociale media indrukken in de professionele gezondheidsbevordering | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Self-monitoring of blood glucose in patients with type 2 diabetes mellitus who are not using insulin | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
The burden of disease related to indoor air in the Netherlands: do different methods lead to different results? | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
iHealth: supporting health by technology | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Persuasive system design does matter: a systematic review of adherence to web-based interventions | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
An evaluation of bioaccumulation data for hexachlorobenzene to derive water quality standards according to the EU-WFD methodology | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Response to Goodness et al. [Letter to the editor] | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Technology transparency: the case of the web-based Dutch National Health Portal | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Regulatory T cells that recognize a ubiquitous stress-inducible self-antigen are long-lived suppressors of autoimmune arthritis | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Evaluation of exposure metrics for effect assessment of soil invertebrates | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Modelling accidental releases of phosphorus in air | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Opioid receptors control viral replication in the airways | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Simultaneous increase of Cryptosporidium infections in the Netherlands, the United Kingdom and Germany in late summer season, 2012 | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Phylodynamic inference and model assessment with approximate Bayesian computation: influenza as a case study | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Skin cancer risks avoided by the Montreal Protocol - worldwide modeling integrating coupled climate-chemistry models with a risk model for UV | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
On the formation of bromhexine impurity E and its chromatographic behaviour | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Determination of the recovery efficiency of cryptosporidium oocysts and giardia cysts from seeded bivalve mollusks | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Teken in Nederland | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Airborne particulate matter and acute lung inflammation: Strak et al. Respond | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Meat and fish consumption and risk of pancreatic cancer: results from the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Self-sampling is appropriate for detection of Staphylococcus aureus: a validation study | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Abdominal obesity, weight gain during adulthood and risk of liver and biliary tract cancer in a European cohort | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
The impact of demographic change on the estimated future burden of infectious diseases: examples from hepatitis B and seasonal influenza in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Impact of cigarette smoking on cancer risk in the European prospective investigation into cancer and nutrition study | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Macronutrient intake and risk of urothelial cell carcinoma in the European prospective investigation into cancer and nutrition | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
De drinkwatervoorziening in Nederland in 2040 | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Characterization of extensively drug-resistant tuberculosis cases from Valle del Cauca, Colombia | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Het drinkwater in Nederland was in 2011 van goede kwaliteit. Bij 19 procent van de productielocaties is een norm overschreden. In geen geval vormde dat een bedreiging voor de volksgezondheid. Dit blijkt uit het jaarrapport 'De drinkwaterkwaliteit in Nederland in 2011' dat RIVM in opdracht van de Inspectie Leefomgeving en Transport heeft opgesteld. In dit rapport worden de resultaten van de meetprogramma's van de drinkwaterbedrijven op hoofdlijnen weergegeven. Zij leefden de wettelijke voorschriften voor de controle op de drinkwaterkwaliteit goed na. De Inspectie Leefomgeving en Transport is verantwoordelijk voor de handhaving van de Drinkwaterwet, waarin normen zijn opgesteld voor de aanwezigheid van micro-organismen en chemische stoffen in het drinkwater. De Inspectie is verplicht de resultaten te rapporteren aan de Minister en het parlement. Het RIVM beheert de gegevens en stelt het rapport op. Het aantal drinkwaterpompstations (39 = 19 procent) waar in 2011 een norm is overschreden, is drie procentpunt hoger ten opzichte van 2010. Een groot deel van de normoverschrijdingen was eenmalig en betrof stoffen, gerelateerd aan de bedrijfsvoering, die geen betekenis hebben voor de volksgezondheid. Het gaat dan om overschrijdingen van bijvoorbeeld troebeling, ijzer en mangaan. De norm voor bestrijdingsmiddelen is in het drinkwater 'af pompstation' voor twee stoffen elk op één pompstation overschreden. Bij twee drinkwaterpompstations zijn indicatoren voor besmetting met pathogene micro-organismen aangetoond. In het distributienet zijn deze indicatoren in veertien aangetoond. In alle gevallen was de aanwezigheid van deze bacteriën van korte duur en gaf geen aanleiding tot gezondheidsproblemen. De aanwezigheid van legionellabacteriën wordt getoetst als het drinkwater het pompstation verlaat en in de distributiegebieden. In monsters drinkwater dat het pompstation verlaat zijn de legionellabacteriën niet aangetoond maar wel op 24 locaties in het distributienet. Het is mogelijk dat tijdens werkzaamheden aan het distributienet het drinkwater met bacteriën besmet kan raken. In 90 gevallen is de bewoners van de nabijgelegen woningen geadviseerd het drinkwater voor gebruik te koken.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Detectie van Borrelia burgdorferi s.l.-specifieke immuuncomplexen in patienten met erythema migrans en neuroborreliose | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Het influenzaseizoen 2011/12 in Nederland. Een kleine epidemie gedomineerd door het A(H3N2)-virus | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Moleculaire typering van norovirus | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Recommendations of the NVMM guideline laboratory detection of highly resistant microorganisms | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Findings and control of two invasive exotic mosquito species, Aedes albopictus and Ae.atropalpus (Diptera: Culicidae) in the Netherlands, 2011 | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Nationale vergelijking van serologische assays voor het aantonen van Borrelia-antistoffen | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Population-based analyses of Giardia duodenalis is consistent with the clonal assemblage structure | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Schmallenbergvirus in herkauwers in Nederland: implicaties voor de volksgezondheid | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
De onbegrepen levensweg van Giardia: rol van dier-en-sex? | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Prevalence of Neoehrlichia mikurensis in ticks and rodents from North-west Europe | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Genotypic diversity of Coxiella burnetii in the 2007-2010 Q fever outbreak episodes in The Netherlands | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Relationships between human adenoviruses and faecal indicator organisms in European recreational waters | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Hepatitis E virus in pork production chain in Czech Republic, Italy, and Spain, 2010 | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Systematic review of general burden of disease studies using disability-adjusted life years | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Serological cross-sectional studies on salmonella incidence in eight European countries: No correlation with incidence of reported cases | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Interlaboratoriumvariatie van de serologie voor de ziekte van Lyme in Nederland | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Q-koorts-bacterie in afvalwater op rioolwaterzuiveringsinstallaties | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Circumstantial evidence for an increase in the total number and activity of borrelia-infected ixodes ricinus in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Lymediagnostiek, een gezamenlijke inspanning is vereist | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Microbiele typering, een kwestie van onderscheid maken | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Toxicogenomic approaches in developmental toxicology testing | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Quantitative approaches for assessing dose-response relationships in genetic toxicology studies | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Ziekte van Lyme. Nasleep van een tekenbeet | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Culture media for the isolation of salmonella | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Indications for worldwide increased norovirus activity associated with emergence of a new variant of genotype II.4, late 2012 | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
De doses straling die patiënten in Nederland en het Verenigd Koninkrijk per röntgenonderzoek oplopen behoren tot de laagste in Europa. In beide landen zijn de doses per onderzoek sinds de jaren negentig gedaald als gevolg van beperkende maatregelen. Wel liggen de doses van medische verrichtingen waarbij relatief meer straling vrijkomt in Nederland hoger dan in het Verenigd Koninkrijk. Voorbeelden daarvan zijn doorlichting van het maag-darmkanaal of een CT-scan van de buik. Door onzekerheden in de dosisdata van elk land is het overigens niet altijd duidelijk of deze verschillen tussen de landen significant zijn. Dit blijkt uit literatuuronderzoek van het RIVM, dat is aangevuld met interviews met experts uit Nederland en het Verenigd Koninkrijk. Ondanks de gunstige positie van Nederland valt er op dit gebied nog steeds winst te behalen. Dit is van belang omdat de totale medische stralingsbelasting per patiënt de laatste jaren toeneemt. Dat komt doordat Nederlanders jaarlijks gemiddeld steeds meer medische verrichtingen ondergaan waarbij straling vrijkomt. Verbetermogelijkheden Het is soms mogelijk om met een lagere dosis voldoende beeldkwaliteit te krijgen. Het is daarom raadzaam om de dosisinformatie die radiologische systemen bieden voor alle ziekenhuizen op een standaard wijze te verzamelen. Momenteel gebeurt dit op uiteenlopende manieren. Ook is het van belang om dosisinformatie tijdens het röntgenonderzoek zichtbaarder te maken voor de radioloog of laborant, zodat deze eventueel aanpassingen kan doen. Verder is het van belang om onderzoeksprotocollen en dosisbesparende vernieuwingen landelijk te coördineren en te standaardiseren, zodat alle ziekenhuizen daarvan gebruik kunnen maken. Daarnaast zou er in landelijke richtsnoeren, bij de scholing van beroepsgroepen en bij de inspecties aandacht moeten zijn om de dosis te optimaliseren. Ten slotte zou het gebruik van de zogeheten Diagnostische Referentieniveaus uitgebreid moeten worden van de grote academische en regionale ziekenhuizen naar de kleinere. Zowel de beroepsverenigingen als de Inspectie voor de Gezondheidszorg kunnen deze maatregelen faciliteren.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Tussen 2006 en 2010 is de bodemkwaliteit van Nederland gemeten in de derde meetronde van het Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit (LMB). Hierbij zijn 200 locaties bemonsterd: 10 combinaties van grondsoort en landgebruik (=categorie), en per categorie 20 locaties. Huidige bodemkwaliteit Conform de eerste doelstelling is de bodemkwaliteit van de tien categorieën geïnventariseerd en zijn die met elkaar vergeleken. De zandgronden onder bos hebben de laagste zuurgraad en hoogste aluminiumconcentratie van alle categorieën. De zandgronden onder landbouw hebben een hogere zuurgraad, waarschijnlijk door bekalking. Zoals verwacht bevatten kleigronden een groter aandeel van deeltjes die kleiner zijn dan twee micrometer, en hebben veengronden een hoger organisch stofgehalte dan zandgronden. Klei- en veengronden hebben significant hogere gehalten ijzer, mangaan en zware metalen dan zandgronden. Insecticiden als lindaan en dieldrin zijn vooral aangetroffen in gronden onder akkerbouw. Hoewel deze gewasbeschermingsmiddelen uit de handel zijn, kunnen er nog steeds resten van worden aangetroffen. Veranderingen in bodemkwaliteit tussen eerste en derde ronde Conform de tweede doelstelling zijn per categorie veranderingen tussen de eerste (1993-1997) en derde meetronde (2006-2010) in kaart gebracht. Daaruit blijkt onder andere dat vooral bij zandgronden onder bos de bodem -en grondwaterkwaliteit is veranderd. Deze gronden zijn significant minder zuur geworden. Ook zijn nitraat, sulfaat, chloride, aluminium, calcium, magnesium, natrium en strontium in grondwater afgenomen. Dit komt waarschijnlijk doordat de er minder verzurende en vermestende stoffen via de lucht worden afgezet, een positief gevolg van het emissiebeleid. Lange termijnanalyses tonen bij elke categorie meerdere significante stijgingen en dalingen van stoffen in de bodem. Veranderingen in bemonsteringslocaties en in de werkwijze kunnen deze trendanalyse echter hebben verstoord. Zo is tussen de meetronden 10 tot 20 procent van de locaties waarop de monsters worden genomen, gewijzigd. Daarnaast veranderden soms in de loop van de jaren de procedures in de laboratoria, vooral die voor zware metalen. Hierdoor was het niet mogelijk de oorspronkelijke strategie van het LMB, namelijk om op gezette tijden dezelfde locaties te monitoren volgens vaste monstername- en analyseprocedures, te realiseren. Het meetnet is minder gevoelig gebleken om veranderingen in bodemkwaliteit te signaleren dan bij de start was berekend. Aanbevelingen Het is raadzaam om de doelstellingen van het LMB te heroverwegen, ook omdat de zware metaalconcentraties dankzij beleidsmaatregelen inmiddels minder grote veranderingen vertonen dan bij de start van het LMB. Aanbevolen wordt om het meetnet hoofdzakelijk in te zetten om de huidige kwaliteit van de bodem te bepalen en daarbij het effect van landgebruik te onderzoeken aan de hand van bodembelastinggegevens van het Landbouw Economisch Instituut (LEI).
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Role of rpsA gene sequencing in diagnosis of pyrazinamide resistance | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Meer dan alleen de ziekte van Lyme | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Multilocus sequence typing for characterization of Staphylococcus pseudintermedius | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Persistence of human norovirus in reconstituted pesticides - Pesticide application as a possible source of viruses in fresh produce chains | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
The embryonic stem cell test | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Oorzaken van toename lymeziekte in Nederland | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Diabetes and risk of pancreatic cancer: a pooled analysis from the pancreatic cancer cohort consortium | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Van bladerlaag tot tekenbeet | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
The diagnostic value of specific IgE to Ara h 2 to predict peanut allergy in children is comparable to a validated and updated diagnostic prediction model | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Na een tekenbeet | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Dose response analysis of monophthalates in the murine embryonic stem cell test assessed by cardiomyocyte differentiation and gene expression | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Rodent-borne hemorrhagic fevers: under-recognized, widely spread and preventable - epidemiology, diagnostics and treatment | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Eerstelijnszorgverleners, inclusief huisartsen vinden leefstijlbeïnvloeding tot hun takenpakket behoren. Ze zien de eerste lijn als een goede vindplaats voor cliënten met een ongezonde leefstijl. Dit is één van de conclusies uit een verkenning naar ervaringen van zorgverleners bij het uitvoeren van leefstijlactiviteiten in de eerstelijn. De eerstelijnszorgverleners worden door de ROS ondersteund bij leefstijlbeïnvloeding; de mate waarin dit gebeurt verschilt per regio. Zorgverleners ervaren een aantal knelpunten bij het inzetten van leefstijlinterventies, zoals het grote onoverzichtelijke aanbod aan interventies, een slechte doorstroming naar het lokale reguliere sportaanbod en de zwakke motivatie van zowel zorgverleners als patiënten om aan leefstijl te werken. Andere genoemde belemmeringen zijn dat leefstijlbeïnvloeding in de eerste lijn 'van niemand' is en er nog te weinig vraaggericht wordt gewerkt. Een succesvolle integratie van leefstijlbeïnvloeding in de eerste lijn heeft alles te maken met goede multidisciplinaire samenwerking en een integrale aanpak van lokale gezondheidsproblemen. Zorgverleners hebben onder andere behoefte aan meer overzicht van en samenhang in het lokale leefstijl- en sportaanbod en aan ondersteuning bij het opzetten en vormgeven van multidisciplinaire samenwerking. Ook hebben ze behoefte aan één herkenbare coördinator voor leefstijlbeïnvloeding in de eerste lijn, een stevigere vorm van de poortwachtersrol van de huisarts bij leefstijlbeïnvloeding, een sterkere regierol van de gemeente en op landelijk niveau een stevige strategische en politieke lobby. De resultaten zijn gebaseerd op een globale literatuurverkenning en een serie focusgroepgesprekken met zorgverleners en regionale en landelijke eerstelijnspartijen. De aanbevelingen van het rapport gaan in op de genoemde knelpunten en ondersteuningsbehoeften. Een van de aanbevelingen is om goede voorbeelden te verzamelen en verspreiden, zoals van een succesvolle integrale gezondheidsaanpak, het gebruik van populatiegerichte informatie, manieren om cliënten te motiveren tot leefstijlverandering en het organiseren van multidisciplinaire financiering van leefstijlbeïnvloeding.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Dit is het hoofdrapport. Het bijlagenrapport heeft rapportnummer 680272001A Oekraïne kampt met een groot aantal puntbronnen van pesticiden en meststoffen die de landbouwgronden en het drinkwater bedreigen. Risicobeoordeling biedt de mogelijkheid om het grote aantal verontreinigde locaties te identificeren en prioriteren als een eerste stap naar sanering van de locaties Toenemende behoeften en afnemende budgetten Centerderzhrodyuchist, het Oekraïense Staatsinstituut voor Bodemvruchtbaarheid en Productkwaliteit, is verantwoordelijk voor zowel de monitoring van bodemkwaliteit als voor bodemvruchtbaarheidanalysen en bemestingsadvies. Het budget voor beide taken neemt af, terwijl de behoefte aan gedetailleerde monitoring en informatieverzameling toeneemt om een voldoende en een veilige voedselproductie voor de toekomst zeker te stellen. Het veiligstellen van landbouwgrond en voedselveiligheid De risico's van grondwaterverontreiniging zijn reëel door uitspoeling van pesticiden en meststoffen uit verlaten en onbeheerde opslagplaatsen voor deze producten in het landelijk gebied. De verontreiniging van het grondwater vormt een bedreiging voor zowel de landbouwproductie (gewasopbrengst en de voedselveiligheid) als voor de drinkwatervoorziening van kleine dorpen. Deze dorpen zijn voor hun drinkwater meestal afhankelijk van locale drinkwaterputten. Prioriteren en differentiëren van puntbronnen Teruglopende budgetten en de hoge kosten gerelateerd aan het saneren van al deze locaties vragen om een methodologie voor risicobeoordeling van puntbronnen. Hieronder wordt verstaan, ten eerste, het uitvoeren van een inventarisatie van relevante puntbronnen en/of processen die de mobiliteit van verontreinigingen beïnvloeden. Ten tweede betekent dit het bepalen in welke mate verontreinigingen in het freatische grondwater terechtkomen en op welke wijze deze worden getransporteerd via grondwaterstroming door de ondergrond. Ten derde houdt het in het uitvoeren van een risicobeoordeling met betrekking tot de land- en watergebruiksfuncties in de nabijheid van puntbronnen. Deze methodologie is uitgewerkt door de Nederlandse en Oekraïense deskundigen en vastgelegd in een leidraad. Financiering en team Bovenstaande bevindingen zijn het resultaat van een project, gefinancierd door Agenschap NL, om de opties te onderzoeken voor het gebruik van aardobservatie en GIS in de bodemkwaliteitsmonitoring in de Oekraïne. Een team van Nederlandse experts, afkomstig van het RIVM, het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) en het adviesbureau Acacia Water BV, heeft dit project in 2011 en 2012 uitgevoerd samen met experts van Centerderzhrodyuchist en experts van twee andere Oekraïense instituten en organisaties, zowel overheid als bedrijfsleven.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Langs de A2 bij Breukelen is het gemiddelde geluidsniveau met ongeveer 6 dB afgenomen na de reconstructie van de weg in 2010. Dit komt door het nieuwe poreuze wegdek en de huidige snelheidsbeperking (100 km/u). Op de meetpost langs de A10-West in Amsterdam is sinds 2008 het geluidsniveau afgenomen. De afname in 2011, is 2 dB ten opzichte van 2010. Op de A12 bij Voorburg, wordt een lichte stijging van het geluidsniveau waargenomen sinds 2009. Voor locaties langs de A16 bij Breda en de A20 bij Rotterdam zijn nog geen trendreeksen beschikbaar omdat deze meetposten in 2011 voor het eerst in bedrijf waren. De gemeten geluidsniveaus van verkeerslawaai zijn vergeleken met berekende waarden conform de nieuwe Nederlandse berekeningsmethode. Deze wordt toegepast nieuwe Nederlandse wetgeving (SWUNG) voor snelwegen. Op de meeste meetlocaties zijn berekende geluidniveaus in goede overeenstemming met metingen en blijven verschillen binnen 1 dB. Verder gaat dit rapport in op opties voor validatie van berekende geluidbelasting in het kader van SWUNG als onderdeel van de nieuwe wetgeving. Voor de beoogde validatie voldoet het huidige RIVM geluidmeetnet niet. Zowel voor rijkswegen als spoorwegen is een uitbreiding van het meetnet nodig in de komende jaren.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Dit is het bijlagenrapport. Het hoofdrapport heeft rapportnummer 680272001 Dit rapport is het bijlagenrapport behorende bij het afsluitende projectrapport met de titel 'Risicobeoordeling van grondwaterverontreiniging ten gevolge van verlaten opslagplaatsen op landbouwbedrijven in Oekraïne. Afsluitend projectrapport.' Met RIVM rapport nummer 680272001. Het bijlagenrapport bevat een afdruk van de sheets van de in totaal 25 presentaties van Nederlandse en Oekraïense experts die zijn gepresenteerd tijdens de drie projectmissies die hebben plaatsgevonden in 2011 en 2012
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
In dit rapport zijn de verslagen gebundeld van de presentaties die op 14 en 15 mei 2012 zijn gegeven tijdens de zeventiende jaarlijkse workshop voor de Europese Nationale Referentie Laboratoria (NRL's) voor de bacterie Salmonella. Het doel van de workshop is dat het overkoepelende orgaan, het Europese Referentie Laboratorium (EURL) Salmonella, en de NRL's informatie met elkaar kunnen uitwisselen. Daarnaast worden de resultaten gepresenteerd van de ringonderzoeken van het EURL waarmee de kwaliteit van de NRL-laboratoria wordt gemeten. Een uitgebreidere weergave van de resultaten worden per ringonderzoek in aparte RIVM-rapporten opgenomen. Campylobacter en Salmonella belangrijkste veroorzakers zoönosen Een terugkerend onderwerp is het rapport van de European Food Safety Authority (EFSA) over zoönosen, oftewel ziekten die van dieren op mensen kunnen overgaan. Dit verslag bevat een overzicht van de aantallen en types zoönotische micro-organismen die in 2010 gezondheidsproblemen veroorzaakten in Europa. Hieruit blijkt dat Salmonella al een aantal jaren minder gezondheidsproblemen veroorzaakt, maar nog steeds, ná de Campylobacterbacterie, de belangrijkste veroorzaker is van zoönotische ziekten in Europa. Een ander verslag geeft een overzicht van de verschillende methoden waarmee Salmonella kan worden getypeerd. Zowel de ('klassieke') gouden standaards als de nieuwe (moleculaire) methoden worden besproken. Hieruit blijkt dat er nog niet één nieuwe methode voor handen is die een 'gouden standaard' methode kan vervangen. Internationale standaardisering van methoden Verder beschrijven de laboratoria van vijf geselecteerde landen hoe ze hun taak als NRL invullen, bijvoorbeeld over de wijze waarop zij ringonderzoeken in eigen land organiseren. Daarnaast geeft het EURL-Salmonella informatie over het proces waarmee de methoden om Salmonella respectievelijk op te sporen, te tellen en te typeren, wordt gestandaardiseerd op internationaal niveau. Twee andere verslagen bevatten informatie over de validaties van zowel een nieuwe als een traditionele methode. De organisatie van de workshop is in handen van het EURL voor Salmonella, voorheen Community Reference Laboratory (CRL), dat onderdeel is van het RIVM. Bij de organisatie van de huidige workshop kreeg het EURL hulp van het NRL in Griekenland. De hoofdtaak van het EURL-Salmonella is toezien op de kwaliteit van de nationale referentielaboratoria voor deze bacterie in Europa.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Preclinical evaluation of MenB vaccines: prerequisites for clinical development | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Distinct Neisseria gonorrhoeae transmission networks among men who have sex with men in Amsterdam, The Netherlands | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Defining chronic Q fever: a matter of debate [Letter to the editor] | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
First tier modeling of consumer dermal exposure to substances in consumer articles under REACH: a quantitative evaluation of the ECETOC TRA for consumers tool | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Epidemiology of methicillin-resistant Staphylococcus aureus carrying the novel mecC gene in Denmark corroborates a zoonotic reservoir with transmission to humans | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Population distribution of Beta-lactamase conferring resistance to third-generation cephalosporins in human clinical enterobacteriaceae in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Sexually transmitted penile amoebiasis in Iran: a case series | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Considerations on the EU definition of a nanomaterial: science to support policy making | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Multi-centre evaluation of a phenotypic extended spectrum beta-lactamase detection guideline in the routine setting | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Corrigendum to " Come fly with me: Review of clinically important arboviruses for global travelers" [J. Clin. Virol. 55 (2012) 191-203] | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Association between human papillomavirus vaccine uptake and cervical cancer screening in the Netherlands: Implications for future impact on prevention | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
A review of the ecological effects of radiofrequency electromagnetic fields (RF-EMF) | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Prevalence, incidence and persistence of genital HPV infections in a large cohort of sexually active young women in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Cognitieveschade door intensief gebruik en overdoses van GHB | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Ethnic aspects of emotional distress in patients with diabetes - the Amsterdam Health Monitor Study | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Gene-centric meta-analyses of 108 912 individuals confirm known body mass index loci and reveal three novel signals | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Detection of genotoxic and non-genotoxic carcinogens in Xpc-/-p53+/- mice | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Underdiagnosis of chikungunya virus infections in symptomatic Dutch travelers returning from the Indian ocean area | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
The EMA quality guideline on the pharmaceutical development of medicines for paediatric use | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
The 2009 influenza A (H1N1) pandemic : management and vaccination strategies in The Netherlands | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Molecular epidemiology of salmonella enterica serovar saintpaul isolated from animals, food, and humans in 12 European countries | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Corrigendum to "Facilitated transport of Cu with hydroxyapatite nanoparticles in saturated sand: Effects of solution ionic strength and composition" [Water Research 45 (2011) 5905-5915] | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Protection against allergic airway inflammation during the chronic and acute phases of Trichinella spiralis infection | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Modeling toxicity of binary metal mixtures (Cu2+-Ag+, Cu2+-Zn2+) to lettuce, Lactuca sativa, with the biotic ligand model | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Het RIVM controleert achtmaal per jaar de metingen van de verrijkingsfabriek Urenco te Almelo. Het gaat hierbij om lozingen van radioactiviteit in water en lucht. De contra-expertise onderbouwt de betrouwbaarheid van de analyses die Urenco uitvoert. Uit de metingen blijkt dat er in het afvalwater doorgaans een (zeer) lage totaal alfa en totaal bèta activiteit aanwezig is. De totaal alfa en totaal bèta resultaten in afvalwater komen redelijk tot goed overeen, zo ook in 2011. De radioactiviteit in ventilatielucht ligt zeer dicht bij het niveau van de hoeveelheid radon die van nature in buitenlucht aanwezig is. Voor totaal alfa is een activiteitsconcentratie van 0,007 - 0,13 mBq.m-3 gevonden en voor totaal bèta 0,026 - 0,5 mBq.m-3. De overeenstemming met de meetwaarden van Urenco was doorgaans goed. Gebaseerd op de natuurlijke totaal-bèta activiteit die veroorzaakt wordt door radon-dochters en de verhouding tussen de totaal alfa en totaal bèta activiteit, is er in twee gevallen bij SP4 mogelijk een kleine vrijzetting voorgekomen van uraan in ventilatielucht. Het RIVM heeft in acht afvalwatermonsters en 40 monsters van ventilatielucht, die verspreid over het jaar 2011 door Urenco zijn afgenomen, de totaal alfa en totaal bèta activiteit bepaald. Deze bepaling is een snelle manier om een eventuele lozing van uraan naar het milieu aan te tonen. Opdrachtgever is de Kernfysische Dienst van de Inspectie Leefomgeving en Transport, Ministerie van Infrastructuur en Milieu.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
In 2012 is het Gothenborg Protocol (1999), dat de uitstoot van luchtvervuilende stoffen reguleert, aangescherpt. Desondanks blijft de hoge depositie van stikstof op de bodem in de toekomst een risico vormen voor de natuur in Europa. Bij het aangescherpte beleid is er in 2020 een teveel aan stikstof op 62 procent van het natuuroppervlak van de 27 lidstaten van de Europese Unie. Zelfs als alle beschikbare technische maatregelen worden ingevoerd, zou dat 38 procent zijn. Een hoge stikstofdepositie verstoort onder andere de chemische samenstelling van de bodem, waardoor de variatie in plantensoorten afneemt. De verzuring is de afgelopen decennia als gevolg van het Gothenborg Protocol sterk afgenomen, maar verdwijnt niet volledig (nog 4 procent in heel Europa). Dit blijkt uit het jaarlijkse statusrapport van het Coordination Centre for Effects (CCE) van het RIVM. Effecten van beleidsopties voor luchtvervuiling geëvalueerd Het protocol is onder andere tot stand gekomen door op Europese schaal in kaart te brengen wat de effecten en kosten zijn van diverse beleidsopties om de uitstoot van luchtvervuilende stoffen te verminderen(geïntegreerde analyse). Het gaat hierbij om de effecten van onder meer stikstof- en zwaveloxides en fijnstof op gezondheid, klimaat en milieu, en biodiversiteit. Het CCE draagt bij aan de geïntegreerde analyse met kennis over zogeheten kritische belastingsgrenzen voor de neerslag van stikstof en zwavel. Deze grenzen geven per ecosysteem aan welke maximale vervuiling ze kunnen verdragen. De waarden worden regelmatig geactualiseerd door de landen als meer kennis of gegevens beschikbaar komen. De kritische belastingsgrenzen worden op verschillende manieren bepaald. De laatste jaren wordt daarbij gewerkt aan modellering die de invloed van stikstofdepositie op de vegetatie weergeeft. Hierbij wordt duidelijk hoe de biodiversiteit door luchtverontreiniging en klimaatverandering verandert Europese richtlijnen verzuring niet gehaald Ook de Europese richtlijn uit 2001 voor nationale emissieplafonds (NEC) maakt gebruik van geïntegreerde analyse. Met de toenmalige kennis van onder andere kritische belastingsgrenzen zouden de gestelde doelen voor verzuring in 2010 zijn bereikt. Volgens de nieuwste inzichten is dat echter niet het geval.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM heeft drie raamwerken ontwikkeld voor de communicatie over bodemkwaliteit. Deze raamwerken zijn toegesneden op enkele ontwikkelingen in het beleid over bodemkwaliteit die een communicatieve begeleiding vereisen. Burgers krijgen hiermee handelingsperspectieven aangereikt. Ook biedt het handvatten om duidelijk te communiceren over wat er speelt, en daarmee onnodige ongerustheid te verminderen. Bovendien worden burgers op de hoogte gehouden van recent bodembeleid (publiekscommunicatie). De raamwerken zijn ontwikkeld in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM) en in samenspraak met lokale bodemprofessionals. Recente ontwikkelingen in bodembeleid De eerste van de drie ontwikkelingen is de recente inventarisatie van verontreinigde locaties die gezondheidsrisico's voor mensen met zich mee kunnen brengen (humane spoedlocaties). Deze moeten eind 2015 zijn gesaneerd. Ten tweede blijkt de sanering van zogeheten diffuse verontreinigingen te duur en te omvangrijk, waardoor ze niet binnen de gestelde termijn van vier jaar kunnen worden gerealiseerd. Bij diffuse verontreinigingen zijn meerdere locaties vervuild geraakt. Het gaat vaak om een relatief groot gebied. Voor deze verontreinigingen zijn alternatieve beheermogelijkheden mogelijk, waarbij het van belang is omwonenden goed te informeren. Ten slotte zijn de uitgangspunten in het beleid voor de bodemkwaliteit veranderd. Het is bijvoorbeeld tegenwoordig minder vanzelfsprekend om bodemverontreiniging te saneren, omdat dit hoge kosten met zich meebrengt en er alternatieven mogelijk zijn. De drie raamwerken worden in het rapport ingeleid met een toelichting op risicoperceptie en -communicatie, toegesneden op de bodemkwaliteit.
Jaar: 2013
Onderzoek
Documenten: 1
Juni 2023: Let op: deze richtlijn is herzien, kijk voor de herziene versie op Hitte en gezondheid . Het RIVM heeft met GGD'en, KNMI en TNO de richtlijn 'Gezondheidsrisico's van zomerse omstandigheden' ontwikkeld. GGD-medewerkers kunnen hiermee informatie geven over de gezondheidsrisico's van warm zomerweer en over maatregelen om deze te voorkomen. Het gaat hierbij niet alleen om maatregelen tijdens een aanhoudende periode van extreem warm weer zoals beschreven in het Nationaal Hitteplan. De richtlijn biedt ook maatregelen die voorafgaande aan de zomer genomen kunnen worden als voorbereiding op hitte. De richtlijn is in opdracht van het ministerie van VWS opgesteld. Factoren die gezondheid beïnvloeden bij warmte Gezondheidseffecten van warme weersomstandigheden lopen uiteen van klachten als vermoeidheid en hoofdpijn tot ernstige ademhalingsproblemen en hartfalen. Dit kan leiden tot ziekenhuisopname en sterfte. Vooral ouderen en mensen met een chronische aandoening lopen een verhoogd risico op gezondheidseffecten door warm weer. Daarnaast zijn er omstandigheden waarbij mensen in hogere mate aan warmte staan blootgesteld, zoals in steden, bij grote lichamelijke inspanning en tijdens evenementen. Maatregelen Voorafgaande aan de zomerperiode kunnen verkoelende maatregelen worden getroffen aan de woning en de inrichting van de stedelijke omgeving. Voor woningen betreft dit bijvoorbeeld zonwering, dakisolatie, warmte-koudeopslag en de aanschaf van ventilatoren of airconditioner. Voor de stedelijke omgeving kunnen gemeentes maatregelen nemen om zogeheten warmte-eilanden te voorkomen. Dit zijn stadsdelen die warmer zijn dan de omgevende gebieden. Mogelijkheden hiertoe zijn de aanleg van beplanting en waterpartijen, en een stratenplan waarbij de wind zich vrij door de stad kan verspreiden. Tijdens warme dagen is het van belang voldoende te drinken. Daarnaast is het van belang voor voldoende verkoeling te zorgen door goed te ventileren en beschikbare verkoelende voorzieningen adequaat te gebruiken. Thuiszorg en mantelzorg zijn vaak betrokken bij ouderen en mensen met een chronische aandoening. Zij kunnen tijdens een warme periode erop toezien dat deze maatregelen worden getroffen. Bij evenementen tijdens warm weer kan de gemeente in de vergunning voorwaarden stellen aan de beschikbaarheid van voldoende drinkwater en verkoeling.
Jaar: 2013
Onderzoek
Liver function tests and risk prediction of incident type 2 diabetes: evaluation in two independent cohorts | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Association of type 2 diabetes susceptibility variants with advanced prostate cancer risk in the breast and prostate cancer cohort consortium | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Prospective study on physical activity and risk of in situ breast cancer | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Meat and heme iron intake and risk of squamous cell carcinoma of the upper aero-digestive tract in the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition (EPIC) | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Construction of opa-positive and opa-negative strains of Neisseria meningitidis to evaluate a novel meningococcal vaccine | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Host response to mechanical ventilation for viral respiratory tract infection | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Modeling the distribution of ammonia across Europe including bi-directional surface-atmosphere exchange | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
The lifetime of UDP-galactose:ceramide galactosyltransferase is controlled by a distinct endoplasmic reticulum-associated degradation (ERAD) regulated by sigma-1 receptor chaperones | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
No human transmission of Mycobacterium malmoense in a perfect storm setting [Letter to the editor] | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Management, regulation and environmental impacts of nitrogen fertilization in northwestern Europe under the Nitrates Directive; A benchmark study | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek
Aanvullende regeling Seksuele Gezondheidszorg (ASG) | RIVM
Jaar: 2013
Onderzoek