Naar inhoud
Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu

Contra-expertise op bepalingen van radioactiviteit in afvalwater en ventilatielucht van de kernenergiecentrale Borssele. Periode 2024 | RIVM

Jaar: 2025 Documenten: 1
De kerncentrale Borssele (KCB) meet hoeveel radioactiviteit de centrale loost via het nucleair afvalwatersysteem en het nucleair ventilatiesysteem. Het RIVM ontvangt acht keer per jaar van de KCB monsters van afvalwater en ventilatielucht en meet daarin de radioactiviteit. Het RIVM vergelijkt deze metingen met de resultaten van de KCB. De Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) gebruikt deze 'contra-expertise' om in te schatten hoe betrouwbaar de metingen van de KCB zijn. De KCB neemt de te analyseren monsters verspreid over het jaar. De gamma-analyses van afvalwater uit de contra-expertise in 2024 kwamen redelijk tot goed overeen met de resultaten van de kerncentrale. Alleen in monster 2 en 7 was de overeenkomst matig, waarschijnlijk door een inhomogene verdeling van activiteit in het monster. Het kan zijn dat de activiteit in het hele monster niet hetzelfde is. Omdat in delen van het monster wordt gemeten, kunnen de uitkomsten daarvan verschillen. De overeenkomst in de 3H-data in afvalwater was voor 7 van de 8 monsters goed, en voor 1 monster matig. De KCB en het RIVM hebben geen strontium-isotopen en alfa-activiteit in het afvalwater aangetoond. In vier van de acht ventilatieluchtmonsters vonden het RIVM en de KCB allebei een gamma-activiteit van minder dan 0,01 Becquerel per kubieke meter (Bq.m-3) voor het nuclide 131I. De resultaten van de metingen kwamen goed overeen. De KCB bemonstert elk kwartaal anorganisch en organisch 3H en 14C in een deelstroom van de geloosde ventilatielucht. Twee systemen nemen daarvoor tegelijk de monsters. In opdracht van KCB analyseert het Duitse bedrijf Framatome alle zeolietmonsters uit systeem-1. Het RIVM doet dat in twee van de vier kwartalen van systeem-2. De activiteitsconcentraties van 3H en 14C in ventilatielucht, bemonsterd met zeolietpatronen uit systeem-1 en systeem-2, kwamen in het eerste kwartaal redelijk overeen. De overeenstemming in het derde kwartaal voor de 3H en 14C resultaten was matig. Dat heeft waarschijnlijk te maken met een technische storing in de ventilatieluchtbemonstering van systeem-2. Het RIVM voert de contra-expertises uit in opdracht van de ANVS.