Naar inhoud

Onderzoeken Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2025

Zoek binnen deze data in WooGLe

Gezondheid en leefomgeving rond Chemelot. Een verkennende analyse van beschikbare gegevens | RIVM

Op het bedrijventerrein Chemelot in Limburg staan zestig chemiefabrieken. Deze fabrieken kunnen gevaarlijke stoffen uitstoten. Mensen die in de gemeenten eromheen wonen, hebben zorgen over hun gezondheid in relatie tot de industrie. De provincie Limburg en het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) willen daarom weten of de chemiefabrieken effect hebben op de gezondheid van omwonenden. Ze vroegen het RIVM uit te zoeken welke informatie er is om deze vraag te beantwoorden en of er kennis ontbreekt. Het RIVM onderzocht de beschikbare informatie over bronnen, uitstoot en blootstelling in relatie tot lucht, water en bodem. Ook is gekeken naar de gevolgen voor de gezondheid van mensen in de gemeenten rond het bedrijventerrein en ervaren hinder. Er blijken te weinig gegevens te zijn om te kunnen concluderen of ziekten in de wijken rond Chemelot vaker voorkomen dan in de rest van Nederland. En als dat zo is, of dat door de chemiefabrieken komt. Hiervoor zijn meer analyses nodig . Wel is duidelijk dat omwonenden van het bedrijventerrein meer hinder en slaapproblemen door geluid ervaren dan mensen die verder weg wonen. In de buurt van het terrein zijn de geluidsniveaus hoger dan de advieswaarde van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO). Geluidhinder komt door verschillende geluidbronnen, waaronder de bedrijven van Chemelot. Het RIVM adviseert om het geluid te verminderen. Daarvoor moet worden uitgezocht welke bronnen op het bedrijventerrein daar het meest aan bijdragen. Wat de luchtkwaliteit betreft zijn de concentraties fijnstof en stikstofdioxiden een stuk lager dan de Europese normen, maar hoger dan de strengere WHO World Health Organization (World Health Organization ) -advieswaarden. De bedrijven op Chemelot stoten fijnstof en stikstofdioxiden uit. De rest komt van andere bronnen, zoals landbouw en verkeer uit binnen- en buitenland. De uitstoot van alle bronnen samen zorgt ervoor dat de concentraties net boven de advieswaarden uitkomen. Het RIVM vraagt ook aandacht voor de blootstelling aan verschillende luchtvervuilende stoffen tegelijk omdat daar nog weinig over bekend is (cumulatie). Het is mogelijk dat dit effect heeft op de gezondheid, ook als de concentraties per stof volgens de wet mogen. Om hier meer inzicht in te krijgen, zijn meer metingen nodig. Daarnaast is aandacht nodig voor de combinatie van blootstellingen, bijvoorbeeld aan schadelijke stoffen via de lucht én geluid tegelijk.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Verkenning van de mogelijkheden om gecumuleerde gezondheidsrisico's door milieubelasting rond Schiphol in beeld te brengen | RIVM

Vliegtuigen stoten ultrafijnstof uit in de lucht; dat zijn zeer kleine deeltjes (kleiner dan 0,1 micrometer). Het RIVM onderzocht eerder al wat de effecten van ultrafijnstof van vliegverkeer zijn op de gezondheid van omwonenden van Schiphol. Naast ultrafijnstof staan deze omwonenden bloot aan andere luchtvervuilende stoffen en geluid uit verschillende bronnen. Zij maken zich zorgen wat deze blootstellingen bij elkaar (gecumuleerd) rond Schiphol betekenen voor hun gezondheid. Daarom heeft het RIVM verkend wat nodig is om inzicht in te krijgen in de mate waarin hierdoor gezondheidseffecten kunnen optreden. Het RIVM onderzocht hiervoor welke informatie bekend is over de opgetelde blootstelling rond Schiphol. Een hogere blootstelling aan ultrafijnstof door vliegverkeer komt voor op locaties waar de kans op gezondheidseffecten al groter is door luchtvervuiling en geluid uit andere bronnen. Het is nog niet mogelijk om aan te geven hoe groot het effect van alle opgetelde blootstellingen op de gezondheid is. Dat komt omdat nog niet duidelijk is wat precies het effect van ultrafijnstof van vliegverkeer op gezondheid is. Daarnaast verkende het RIVM of het zinvol is om te onderzoeken of bepaalde ziekten bij omwonenden van vliegvelden vaker voorkomen door de combinatie van blootstellingen. Dit soort onderzoek geeft op korte termijn geen antwoord, zo blijkt. Dat komt doordat het ingewikkeld onderzoek is en de resultaten daarna bij andere vliegvelden moeten worden gecheckt. Wel adviseert het RIVM specifiek onderzoek naar de effecten van ultrafijnstof van vliegverkeer te doen. Om meer inzicht te krijgen welke luchtwegklachten en hartaandoeningen ultrafijnstof van vliegverkeer veroorzaakt, stelt het RIVM voor de reden van ziekenhuisopnames bij omwonenden te onderzoeken. Het RIVM verkende de gecombineerde effecten van blootstellingen met berekeningen. Het RIVM adviseert de gebruikte rekenmethode te actualiseren met de nieuwste inzichten over gezondheidseffecten.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Vervolgonderzoek verbreding afwegingen maatregelenpakketten bij stralingsongevallen | RIVM

De kans dat er een ongeval gebeurt bij de kerncentrale Borssele is uiterst klein. Maar als het gebeurt, kan er radioactiviteit vrijkomen. Met maatregelen worden mensen in de omgeving beschermd tegen de schadelijke gevolgen van straling. Afhankelijk van de situatie zijn dat bijvoorbeeld: evacueren, schuilen of jodiumtabletten slikken. Verschillende partijen zijn betrokken bij de voorbereiding, keuzes en uitvoering van maatregelen. Voor de gezondheid en veiligheid van mensen in de omgeving van de kerncentrale is het belangrijk dat de maatregelen uit te voeren zijn. Zowel door mensen zelf als door hulpverleners. Het RIVM zocht eerder al uit waarom mensen maatregelen wel of niet kunnen of willen uitvoeren. Daarnaast maakte het RIVM een overzicht van zaken waarop de maatregelen effect kunnen hebben, zoals de mentale gezondheid en de economie. Als vervolg heeft het RIVM nu in kaart gebracht wat nodig is om beter voorbereid te zijn op een stralingsongeval. Daarvoor hebben partijen die betrokken zijn bij een stralingsongeval met elkaar en met het RIVM gesproken. Dit is belangrijk omdat situaties vaak ingewikkelder zijn dan van tevoren kan worden bedacht en soms om moeilijke keuzes vragen. De resultaten van dit onderzoek helpen om de uitvoerbaarheid van maatregelen verder te verbeteren. Betrokken partijen maken zich bijvoorbeeld zorgen of er in Zeeland genoeg hulpverleners zijn om mensen te evacueren. En of de lokale wegen groot genoeg zijn om veel mensen tegelijk te verplaatsen. Daarom bevelen partijen aan om dat nu alvast uit te zoeken. Verder raden partijen aan er rekening mee te houden dat sommige mensen maatregelen niet willen of kunnen uitvoeren. Het is bijvoorbeeld bekend dat ouders niet graag zonder hun kinderen schuilen en ze eerst van school zullen halen. Tot slot vinden de partijen het belangrijk om met bewoners van de regio Borsele in gesprek te gaan over risico's van een kernongeval en de mogelijke maatregelen. Dat helpt hen zich hierop voor te bereiden. Het RIVM deed dit onderzoek in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS).
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Een gezonde inrichting van de openbare ruimte: vuistregels voor Bewegen, Groen en Ontmoeten | RIVM

De buurt waarin mensen wonen, werken of leven heeft invloed op hun gezondheid. Op verschillende manieren kan de omgeving een positieve invloed hebben. Zo nodigt een gezonde leefomgeving, met bijvoorbeeld een park of fietspaden, mensen uit om meer te bewegen en elkaar te ontmoeten. Ook ervaren mensen meer rust in een omgeving met bomen, planten en water. Alleen bestaan voor deze ‘zachte’ waarden nog geen duidelijke normen, terwijl vuistregels juist richting geven en het gesprek erover steviger onderbouwen. Het RIVM ontwikkelde concrete, ruimtelijke ‘vuistregels’ om bij plannen voor de leefomgeving meer rekening te kunnen houden met gezondheid. En zo de gezondheid van inwoners te verbeteren. Het RIVM deed dat met partners, zoals GGD Gemeentelijke Gezondheidsdienst (Gemeentelijke Gezondheidsdienst) -en, gemeenten, kennisinstellingen, adviesbureaus en provincies, zodat de vuistregels goed aansluiten bij de praktijk. Met de vuistregels kunnen gemeenten en provincies het gesprek over gezondheid aangaan. De vuistregels zijn meetbaar en gemaakt op basis van wetenschappelijk kennis. Vuistregels zijn niet verplicht, maar geven een onderbouwd kader om keuzes af te wegen en het belang ervan te laten zien. Een voorbeeld is om minimaal 25 procent van de openbare ruimte in een buurt in te richten voor bewegen: voor lopen, fietsen, spelen en sporten. Of ervoor te zorgen dat elke woning uitkijkt op groen. Dat kunnen 3 bomen zijn, maar ook een tuin of groene gevel (uit de zogeheten 3-30-300-regel). Een ander voorbeeld is stoepen breder te maken zodat mensen een praatje kunnen maken zonder anderen te hinderen. Het ministerie van VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) , gemeenten, GGD-en provincies hebben om de vuistregels gevraagd omdat ze meer aandacht willen voor gezondheid bij ruimtelijke plannen. Dit zijn de eerste vuistregels. De wens is deze uit te breiden naar andere onderwerpen.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Monitoring luchtkwaliteit 2025. Stand van zaken luchtkwaliteit Nederland | RIVM

Het RIVM berekent elk jaar de hoeveelheid stikstofdioxide en fijnstof in de lucht langs wegen in Nederland. Dit is ook gedaan voor fijnstof bij veehouderijen. De resultaten worden vergeleken met de concentraties die wettelijk maximaal zijn toegestaan. Als er te veel vervuiling is moeten overheden bestaande plannen voor hun gebied aanpassen. Of ze moeten nieuwe maken om de luchtkwaliteit te verbeteren. Schonere lucht is goed voor de gezondheid. Het RIVM kijkt hiervoor terug op het afgelopen jaar, in dit geval 2024. Voor wegverkeer is de norm voor stikstofdioxide één keer overschreden, bij Velp in de gemeente Rheden. De norm voor fijnstof is nergens overschreden langs Nederlandse wegen. Nabij veehouderijen waren de berekende concentraties fijnstof in 2024 op acht locaties in vijf gemeenten hoger dan de grenswaarde. Deze gemeenten liggen in de Gelderse Vallei, Noord-Brabant en Limburg. Deze overschrijdingen zijn al een paar jaar te zien. Het RIVM kijkt ook vooruit naar 2030. Vanaf dat jaar gelden nieuwe, strengere Europese regels, waardoor de lucht minder vervuild mag zijn. Deze nieuwe normen zijn er om de luchtkwaliteit nog verder te verbeteren. Hierdoor kunnen sommige plekken in Nederland nu wel aan de regels voldoen, maar vanaf 2030 misschien niet meer. Voor 2030 verwacht het RIVM langs wegen 956 overschrijdingen van de concentratie stikstofdioxide. Dat zijn er veel minder dan in eerdere rapportages. De verwachte uitstoot van stikstofdioxiden door auto's daalt namelijk veel sneller dan eerder werd ingeschat. Dit komt onder andere doordat er in 2030 veel meer elektrische auto's worden verwacht. Ook blijken wettelijk minder locaties nodig te zijn om de concentratie op te toetsen. Ook voor fijnstof worden langs wegen in 2030 overschrijdingen verwacht, maar minder dan voor stikstofdioxide. De oorzaak van de overschrijdingen lijkt minder bij verkeer te liggen, waardoor maatregelen om deze uitstoot te verlagen waarschijnlijk te weinig effect hebben. Om goede maatregelen te kunnen nemen, raadt het RIVM aan uit te zoeken welke andere bronnen de fijnstofoverschrijdingen veroorzaken.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Staat van infectieziekten in Nederland, 2024 | RIVM

Elk jaar geeft het RIVM een overzicht van de belangrijkste ontwikkelingen op het gebied van infectieziekten in Nederland, en wanneer nodig, in het buitenland. Met de Staat van Infectieziekten in Nederland informeert het RIVM onder andere beleidsmakers. In 2024 waren er twee keer zoveel infecties door de bacterie Salmonella Enteritidis als voor de coronapandemie. Deze infectie veroorzaakt bij mensen diarree en worden meestal overgedragen via besmette eieren. Het is vooral een gezondheidsrisico voor mensen met een zwakke gezondheid. De stijging heeft te maken met veel kleine uitbraken, en niet één grote, zoals in 2023. De pluimveesector heeft extra maatregelen genomen om te voorkomen dat leghennen besmet raken. Het percentage gevaccineerde zuigelingen en kleuters lijkt in dit rapportagejaar lager te zijn dan in het vorige. In Nederland lukt het al langere tijd niet om minstens 95 procent van de kinderen tegen bof, mazelen en rodehond (BMR) te vaccineren. Er waren opnieuw meer meldingen van mensen met bof, mazelen en kinkhoest dan voor de coronapandemie. Een uitbraak in de Biblebelt zorgde voor veel meldingen van de bof. Het aantal meldingen van mazelen was het hoogste sinds 2013, en voor kinkhoest ging het om het hoogste aantal sinds de start van de meldingsplicht in 1976. Dat laatste komt waarschijnlijk vooral doordat baby's tijdens de coronajaren minder afweer hebben opgebouwd tegen de kinkhoestbacterie omdat ze er minder mee in contact kwamen. Bij bof en mazelen ging het vooral om ongevaccineerde kinderen. Daarnaast valt op dat de jarenlange daling van het aantal mensen met een nieuwe hiv humaan immunodeficientievirus (humaan immunodeficientievirus) -diagnose in de behandelcentra voor hiv is gestopt. Waarschijnlijk heeft hogere aantal mensen dat in 2024 in de centra seksuele gezondheid de diagnose hiv kreeg hieraan bijgedragen. Dit waren vooral mannen die seks hebben met mannen. Het is niet duidelijk waarom mensen zich minder goed lijken te beschermen tegen hiv. Het woord ziektelast geeft het aantal jaren aan dat mensen door een ziekte niet in goede gezondheid kunnen leven. De ziektelast van COVID19 was in 2024 opnieuw de helft kleiner dan in 2023, toen het al de helft was van in 2022. In 2024 had COVID-19 in Nederland nog steeds de hoogste ziektelast, maar deze was voor het eerst ongeveer hetzelfde als die van griep. Na COVID-19 en de griep volgde ernstige ziekte door de pneumokok-bacterie. Het RIVM werkt nog aan de ziektelastberekening van post-covid.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Monitoring van NORM-afval op de Nederlandse deponieën; een pilot | RIVM

Veel afval dat natuurlijke radioactieve stoffen bevat (NORM-afval) wordt gestort op deponieën. In Nederland wordt informatie over dit afval nog niet op nationaal niveau verzameld, waardoor monitoring ervan lastig is. Het RIVM heeft daarom een pilot uitgevoerd als eerste stap richting een mogelijk landelijk meldpunt NORM-afval op deponieën. Voor het peiljaar 2024 is hierbij een afvalinventarisatie uitgevoerd met behulp van een gestandaardiseerde spreadsheet. Daaruit werd duidelijk dat in 2024 in Nederland 70 kiloton NORM-afval is gestort, verspreid over drie deponieën. Het NORM-afval bevatte voornamelijk de relatief kortlevende radionucliden Pb-210 en Po-210 polonium (polonium) . Wel bleek dat de spreadsheet nog kan worden verbeterd.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Invloed van meetmethoden en processen in de bodem op bodemvochtanalyses waterkwaliteit. Onderzoeken in de Lössregio 2014-2025. | RIVM

De kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater in Nederland voldoet nog niet overal aan de Europese normen. Om dit te verbeteren, is er mestbeleid van kracht. Om de effecten van dit beleid te volgen, monitort het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM) de waterkwaliteit op landbouwbedrijven en de landbouwpraktijk. De invloed van mest op het grondwater is het beste te onderzoeken in ondiep grondwater. Maar in de Lössregio in het heuvelachtige Zuid-Limburg zit het grondwater vaak heel diep, tientallen meters onder het oppervlak. Daarom wordt daar meestal in het bodemvocht gemeten. Het bodemvocht is het water dat zich in de poriën tussen bodemdeeltjes bevindt: tussen het oppervlak en het dieper liggende grondwater in. Naast het LMM Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid) meten andere partijen in de Lössregio hoeveel nitraat er in het bodemvocht zit. Zij gebruiken daarvoor andere methoden dan het LMM en komen soms tot andere resultaten. Het RIVM onderzocht welke processen er spelen bij verschillende meetmethoden en hoe die de gemeten waterkwaliteit beïnvloeden. Ook onderzocht het RIVM hoe betrouwbaar en vergelijkbaar de metingen van het LMM zijn. Hieruit blijkt dat de metingen van het LMM een betrouwbaar beeld geven van de waterkwaliteit in de Lössregio. Het meetprotocol van het LMM hoeft niet te worden aangepast. De LMM-meetmethoden laten goed zien hoe de waterkwaliteit in de loop van de tijd verandert (trend) en hoe het er nu precies voor staat (toestand). Dit onderzoek is nuttig voor onderzoekers en beheerders die meten welke stoffen, vooral nitraat, er in het bodemvocht zitten. Het brengt de resultaten samen van de onderzoeken naar de meetmethoden van het LMM die tussen 2014 en 2025 zijn gedaan. De onderzoeken keken naar de invloed van de manier waarop de grond wordt verzameld en behandeld, en waarop het water uit de grond wordt gehaald, op de gemeten waterkwaliteit.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Whole Genome Sequencing van hepatitis E virus: Optimalisatie van virus RNA extractie en WGS methodiek | RIVM

Door middel van genotypering kan meer inzicht worden verkregen in de rol van hepatitis E virus (HEV) bij vleesvarkens voor HEV hepatitis E-virus (hepatitis E-virus) infecties bij mensen. In deze rapportage worden de verschillende stappen in de optimalisatie van een methode voor het verkrijgen van de sequentie voor het hele HEV genoom beschreven.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

The 30th EURL-Salmonella workshop 20 May 2025, Online | RIVM

Elke lidstaat van de Europese Unie heeft een speciaal laboratorium dat ziekmakende bacteriën in voedsel of dieren onderzoekt. Dit zijn de Europese Nationale Referentie Laboratoria (NRL's). In mei 2025 organiseerde het Europese Referentie Laboratorium (EURL) voor Salmonella voor de 30e keer een workshop voor de NRL's-Salmonella. Het doel is om informatie uit te wisselen tussen het EURL en de NRL's. De workshop is online gehouden. Net als bij eerdere workshops gaf het EURL presentaties over de ringonderzoeken die elk jaar worden georganiseerd. Met deze ringonderzoeken controleert het EURL de kwaliteit van de NRLlaboratoria. De NRL's scoorden goed in de drie ringonderzoeken die in 2024 en 2025 zijn georganiseerd. In twee studies moesten de laboratoria Salmonella terugvinden in veegdoekjes en in lijnzaad. In het derde ringonderzoek moesten zij Salmonellabacteriën typeren. In dit rapport staan de ringonderzoeken kort beschreven. Meer informatie over de resultaten wordt apart per ringonderzoek gepubliceerd. De Europese Commissie (EC) beoordeelt elke vijf jaar de kwaliteit van het EURL-Salmonella. Hun positieve oordeel in 2025 is ook in een presentatie toegelicht. Een andere presentatie gaf informatie over Salmonella-besmettingen bij mensen na het eten van groente. Ook was er een presentatie over de oprichting van het nieuwe EURL publieke gezondheid voor voedsel en water gerelateerde bacteriën. Het EURL voor Salmonella is onderdeel van het RIVM en organiseert deze workshop elk jaar. Een belangrijke taak van het EURL-Salmonella is de kwaliteit controleren van de nationale referentielaboratoria voor deze bacterie in Europa.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Screeningsapp voor de herkenning van huidkanker: maatschappelijke kosten en baten en andere beleidsoverwegingen | RIVM

Het RIVM ontwikkelt een afwegingskader voor preventie in opdracht van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). De ontwikkeling gebeurt door het toepassen van het afwegingskader op een aantal casussen. Casussen zijn voorbeelden van preventiemaatregelen die nog niet in (heel) Nederland zijn ingevoerd. Het doel is tweeledig. Enerzijds worden beleidsmakers geïnformeerd over uiteenlopende preventieve maatregelen. Anderzijds helpen deze casussen bij de ontwikkeling van het afwegingskader. De resultaten geven inzicht in de toepassingsmogelijkheden van het afwegingskader. Deze kennisnotitie beschrijft de bevindingen voor de preventiemaatregel 'screeningsapp voor de herkenning van huidkanker'. Huidkanker komt steeds meer voor en zal naar verwachting de komende decennia sterk toenemen. Vooral melanomen veroorzaken veel ziektelast en hebben omvangrijke maatschappelijke kosten. De maatregel betreft het beschikbaar stellen van een screeningsapp voor herkenning van huidkanker onder volwassenen in Nederland. Deze smartphoneapplicatie gebruikt kunstmatige intelligentie en maakt een risicoschatting aan de hand van een foto van een verdachte huidplek.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Helmplicht op de elektrische fiets: maatschappelijke kosten en baten en andere beleidsoverwegingen | RIVM

Het RIVM ontwikkelt een afwegingskader voor preventie in opdracht van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). De ontwikkeling gebeurt door het toepassen van het afwegingskader op een aantal casussen. Casussen zijn voorbeelden van preventiemaatregelen die nog niet in (heel) Nederland zijn ingevoerd. Het doel is tweeledig. Enerzijds worden beleidsmakers geïnformeerd over uiteenlopende preventieve maatregelen. Anderzijds helpen deze casussen bij de ontwikkeling van het afwegingskader. De resultaten geven inzicht in de toepassingsmogelijkheden van het afwegingskader. Deze kennisnotitie beschrijft de bevindingen voor de preventiemaatregel 'helmplicht op de elektrische fiets'. Het aantal kilometers dat met de elektrische fiets is afgelegd, is toegenomen van 4,1 miljard in 2019 naar 6,8 miljard in 2023. In 2023 kwamen ruim 14.000 mensen bij de spoedeisende hulp na een ongeval met de elektrische fiets. Daarvan had 24 procent traumatisch hersenletsel. De maatregel betreft een fietshelmplicht voor alle bestuurders en passagiers van een elektrische fiets. Dit heeft tot doel om het aantal gebruikers van een elektrische fiets dat een helm draagt te vergroten en zo het risico op hoofd- en hersenletsel te verminderen.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Verbeteren van sociaalemotionele vaardigheden van middelbare scholieren: maatschappelijke kosten en baten en andere beleidsoverwegingen | RIVM

Het RIVM ontwikkelt een afwegingskader voor preventie in opdracht van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). De ontwikkeling gebeurt door het toepassen van het afwegingskader op een aantal casussen. Casussen zijn voorbeelden van preventiemaatregelen die nog niet in (heel) Nederland zijn ingevoerd. Het doel is tweeledig. Enerzijds worden beleidsmakers geïnformeerd over uiteenlopende preventieve maatregelen. Anderzijds helpen deze casussen bij de ontwikkeling van het afwegingskader. De resultaten geven inzicht in de toepassingsmogelijkheden van het afwegingskader. Deze kennisnotitie beschrijft de bevindingen voor de preventiemaatregel 'schoolprogramma voor sociaal-emotioneel leren ter preventie van problemen met de mentale gezondheid'. De mentale gezondheid van jongeren in Nederland staat onder druk. In 2024 gaf 31,6 procent van de jongeren tussen de 12 en 16 jaar aan, angst- of depressieve gevoelens te ervaren. Interventies voor sociaal-emotioneel leren (SEL) richten zich op het ontwikkelen van competenties die mensen helpen om te gaan met hun emoties, goede relaties te ontwikkelen en verantwoorde keuzes maken. De onderzochte maatregel betreft een generieke, universele SEL-interventie bestaande uit vijftien lessen voor de eerste drie leerjaren in het regulier voortgezet onderwijs. Middelbare scholieren kunnen hiermee hun sociaalemotionele vaardigheden verbeteren.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Acute effects of particulate matter, nitrogen dioxide and ozone in the Netherlands. Evaluation of risks and impacts of air pollution and identification of vulnerable groups | RIVM

Het RIVM onderzocht of tussen 1995 en 2019 de kans is veranderd om te overlijden na dagen met veel luchtvervuiling. Hiervoor is vergeleken hoeveel mensen sterven na dagen met hoge concentraties fijnstof, stikstofdioxide of ozon in de lucht, en na dagen met lagere concentraties. Sommige mensen zijn gevoeliger voor de schadelijke effecten van luchtvervuiling en hebben na dagen met hogere concentraties een grotere kans om te overlijden. Het doel van het onderzoek is te beoordelen of het beleid om de luchtkwaliteit te verbeteren, tot minder sterfgevallen leidt na dagen met hoge luchtvervuiling. Het beleid is erop gericht de uitstoot aan luchtvervuilende stoffen van onder andere verkeer, landbouw en industrie te verminderen. Dit beleid blijkt te hebben gewerkt. Tussen 1995 en 2019 zijn er minder mensen overleden na dagen met veel luchtvervuiling. Dat komt doordat de concentraties fijnstof en stikstofdioxiden in deze periode zijn gedaald. Het RIVM onderzocht ook wat per stof de kans is om te sterven na dagen waarop de concentratie ervan hoger is. En of die kans door de jaren heen is veranderd. Er zijn geen aanwijzingen dat de kans om te overlijden na eenzelfde hoeveelheid fijnstof of ozon is veranderd. Deze kans lijkt voor stikstofdioxide kleiner te zijn geworden. Het is niet duidelijk waardoor dit komt. Voor de gezondheid blijft het belangrijk de hoeveelheid luchtvervuilende stoffen te verminderen. Een aandachtspunt is de concentratie ozon, omdat deze in de onderzochte jaren hetzelfde is gebleven of iets is gestegen. Daardoor is ozon in verhouding tot de andere twee stoffen belangrijker geworden voor het aantal mensen dat sterft na dagen met hogere concentraties. Dat vraagt om meer kennis over de acute gezondheidseffecten, zoals sterfte, van een hoge blootstelling aan ozon. En hoe de blootstelling aan ozon kan worden verminderd. Verder is het belangrijk te onderzoeken welke mensen gevoeliger zijn voor de schadelijke effecten van luchtvervuiling. Zij kunnen dan beter worden gewaarschuwd bij een slechtere luchtkwaliteit. In het algemeen zijn dat ouderen, jonge kinderen en mensen met een chronische aandoening, maar het kunnen ook anderen zijn. Uit een verkenning blijkt dat deze groepen vrij eenvoudig in beeld te brengen zijn, maar daar wel een betere rekenmethode voor nodig is. Het RIVM gaat daaraan werken.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Advisering over onderzoeken naar blootstelling respons relatie geurblootstelling van veehouderijen en hinder/slaapverstoring | RIVM

De kennisnotitie beschrijft de waardering van en advisering over een drietal onderzoeken op het gebied van de relatie tussen geurblootstelling en geurhinder van veehouderij in Nederland. De verschillende onderzoeken hebben elk hun sterke en zwakke kanten. Belangrijk is dat het meest recente onderzoek is gebaseerd op gegevens uit 2012/2013. Indien een nieuw blootstellingsrespons relatie onderzoek gewenst is, worden aanbevelingen voor de opzet hiervan gedaan. Aanleiding voor de vraag is de herziening van de wetgeving geurhinder veehouderij.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Resistente schimmelinfecties door het gebruik van dezelfde antischimmelstoffen bij mensen en landbouwgewassen | RIVM

Mensen kunnen ziek worden van schimmels, zoals Aspergillus fumigatus en Candida. De stoffen in medicijnen tegen deze schimmels werken steeds vaker minder goed (resistentie), waardoor mensen met deze schimmelinfecties moeilijker zijn te behandelen. Een schimmelinfectie is vaak onschuldig maar kan ook levensbedreigend zijn. Vooral bij mensen met een zwak immuunsysteem, zoals bij kanker, aids of mensen met een donororgaan. Bepaalde stoffen tegen schimmels (vooral azolen) worden niet alleen als medicijn voor mensen gebruikt, maar ook door landbouwbedrijven om schimmelziekten bij hun gewassen te voorkomen. Bekend is dat schimmels op gewassen resistent kunnen worden door dit gebruik. Schimmels die resistent zijn geworden in deze omgeving, zijn daarna ook ongevoelig voor vergelijkbare medicijnen bij mensen (kruisresistentie). Kruisresistentie voor azolen is al aangetoond bij de schimmel Aspergillus fumigatus. Een infectie met deze schimmel is hierdoor bij mensen moeilijker te behandelen. En dat terwijl azolen hiervoor veel worden gebruikt. Dat gebeurt omdat ze vaak beter werken dan andere medicijnen. Ook kunnen ze in de vorm van een pil worden toegediend en is geen infuus nodig. Volgens het RIVM zijn er aanwijzingen dat kruisresistentie ook kan optreden bij verschillende soorten Candida. Zo zijn er resistente Candida's in het milieu gevonden. Verder blijkt er een kans te zijn dat ook nieuwe soorten antischimmelstoffen zowel in de landbouw als voor mensen kunnen worden gebruikt, wat ook weer tot kruisresistentie bij schimmels kan leiden. Denk aan zogeheten orotomiden en oxazolen. Het is dus belangrijk te voorkomen dat schimmels resistent worden tegen stoffen in antischimmelmiddelen, zowel voor de volksgezondheid als voor de productie van voedsel. Het RIVM raadt aan om bij de goedkeuring van antischimmelstoffen voor de landbouw, aandacht te hebben voor kruisresistentie. Tot nu wordt de kans hierop niet meegewogen. Ook wordt aanbevolen het gebruik van antischimmelmiddelen, waar mogelijk, in de landbouw te beperken en bepaalde stoffen alleen voor mensen te gebruiken. Verder is meer onderzoek nodig. Onder andere naar hoe resistente schimmels vanuit de omgeving patiënten in het ziekenhuis weten te infecteren. Het RIVM deed dit onderzoek in opdracht van het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN).
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Humane biomonitoring in Nederland - een inventarisatie van humane monitoringstudies in Nederland | RIVM

Deze kennisnotitie beschrijft een inventarisatie van Nederlandse wetenschappelijke studies waarin humaan lichaamsmateriaal is verzameld. In lichaamsmateriaal kan namelijk de aanwezigheid van chemische stoffen worden geanalyseerd (humane biomonitoring). Het in kaart brengen van deze verzamelde monsters en de mogelijkheden voor additionele analyses kan van nut zijn voor het opzetten van een nationaal humaan biomonitoringsprogramma en humane biomonitoring-relevante beleidsvraagstukken.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

De reis naar kennisuitwisseling en netwerken rondom arbeidsgerichte zorg | RIVM

Deze kennisnotitie beschrijft de uitvoering en evaluatie van een podcastserie en een reizend symposium, die beide gericht zijn op het versterken van de netwerkfunctie en kennisuitwisseling tussen curatieve en arboprofessionals. In de podcastserie wordt in drie afleveringen een praktijkcasus besproken door patiënten en professionals over arbeidsgerichte zorg en arbocuratieve samenwerking. Het reizend symposium was een serie van zes symposia in verschillende regio's over deze thema's. Zowel de podcastserie als de bijeenkomsten van het Reizend Symposium zijn positief geëvalueerd door de luisteraars en bezoekers. Deze kennisnotie biedt praktische tips, zodat dit soort activiteiten in de toekomst makkelijker georganiseerd kunnen worden.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Towards safe and sustainable battery innovation. A conceptual framework | RIVM

Energie moet de komende jaren op een andere manier worden opgewekt, gebruikt en opgeslagen. Dat is nodig om klimaatverandering tegen te gaan en de Europese klimaatdoelen te halen. Batterijen, zoals voor elektrische auto's, zijn voor deze energietransitie onmisbaar. Ze zorgen er onder andere voor dat minder koolstofdioxide wordt uitgestoten dan bij de verbranding van fossiele brandstoffen. Het is wel belangrijk dat de batterijen veilig en duurzaam zijn. Dat voorkomt dat de nieuwe oplossingen voor het klimaatprobleem alsnog schadelijk zijn voor mens en milieu. Dit betekent dat er andere materialen en nieuwe productieprocessen nodig zijn. Het RIVM presenteert daarom nu het eerste concept van een set aan principes, speciaal voor de productgroep batterijen. Dit 'kader' stimuleert niet alleen innovatie, maar heeft ook aandacht voor veiligheid, duurzaamheid en cyberveiligheid. Het conceptkader is niet verplicht en kan helpen om aan de wet- en regelgeving voor batterijen te voldoen. Het conceptkader beschrijft welke principes in het ontwerp van batterijen belangrijk zijn voor (cyber)veiligheid en duurzaamheid. Denk aan het gevaar voor explosies en blootstelling aan schadelijke stoffen voor mensen die batterijen maken. Een belangrijk aandachtspunt is dat ontwerpers en producten efficiënt met schaarse materialen omgaan. En dat batterijen goed zijn te recyclen. Ook is het belangrijk batterijen die software bevatten (slimme batterijen) te beschermen tegen digitale aanvallen. Het conceptkader voor batterijen is vooral bedoeld om producenten, onderzoekers en beleidsmakers bewuster te maken van veiligheid, duurzaamheid en cyberveiligheid. Het conceptkader stimuleert ook dat partijen uit het hele productieproces met elkaar samenwerken, zodat onderdelen van het productieproces en materialen op elkaar aansluiten. Het RIVM gaat met de feedback van deze partijen het conceptkader verder ontwikkelen zodat het goed aansluit op de praktijk. Met deze principes sluit het conceptkader aan bij de aanpak van het Nederlandse kabinet voor batterijen, dat Safe and Sustainable by Design (SSbD) stimuleert.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Jaarverslag 2024. Netwerk Referentielaboratoria | RIVM

Om de gezondheid van de Nederlandse bevolking te beschermen sporen verschillende laboratoria binnen en buiten het RIVM ziekteverwekkers op. Ook brengen deze medisch-microbiologische referentielaboratoria in kaart welke ziekteverwekkers het precies zijn. Elk referentielaboratorium is gespecialiseerd in een bepaalde (groep) ziekteverwekker(s). De laboratoria zijn essentieel om ziekteverwekkers vroeg te signaleren. Met deze signalen kunnen zo snel mogelijk maatregelen worden genomen als dat nodig is. Op deze manier wordt zo goed mogelijk voorkomen dat veel mensen besmet raken. De referentielaboratoria vormen sinds 2023 samen een netwerk, dat de laboratoria stimuleert om samen te werken en kennis te delen. Het jaarverslag Netwerk Referentielaboratoria beschrijft de taken en resultaten van de medisch-microbiologische referentielaboratoria in Nederland. Elke vier jaar evalueren experts van binnen en buiten het RIVM de taken van de referentielaboratoria. De eerste evaluatie is in 2026. Daarbij wordt gekeken of de referentielaboratoria goed kunnen inspelen op nieuwe ontwikkelingen rondom ziekteverwekkers en waar nog extra aandacht nodig is.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Kritisch bekijken Arbeidsomstandighedenregeling Bijlage XIII | RIVM

In Bijlage XIII van de Arbeidsomstandighedenregeling staan de wettelijke grenswaarden. Deze grenswaarden beschermen werknemers tegen de risico's van blootstelling aan gevaarlijke stoffen op het werk. In opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) heeft het RIVM gecontroleerd of de informatie op Bijlage XIII klopt, en actueel en volledig is. Er zijn meerdere afwijkingen gevonden, zoals verkeerde CAS-nummers, missende H-zinnen, stoffen die een grenswaarde missen ten opzichte van Europese indicatieve grenswaarden, en stoffen die in de verkeerde lijst staan. Het advies is om te onderzoeken of de afwijkingen aangepast moeten of kunnen worden.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Monitor mentale gezondheid. Landelijke rapportage 2025 | RIVM

Het RIVM en het Trimbos-instituut volgen hoe het gaat met de mentale gezondheid in Nederland. Deze monitor kijkt hierbij naar verschillende groepen, zoals kinderen, adolescenten (12-18 jaar), studenten, jongvolwassenen (16-25 jaar), volwassenen, ouderen (65-plussers) en werkenden. Voor de monitor zijn cijfers uit bestaande onderzoeken gebruikt en geduid met experts uit beleid, onderzoek, praktijk en met de doelgroepen zelf. De resultaten helpen het ministerie van VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) beleid te maken om de mentale gezondheid te verbeteren. Uit de resultaten blijkt dat een groot deel van de mensen tevreden is met hun leven. Tegelijk hebben veel mensen mentale problemen, zoals angst- of depressiegevoelens. De mentale gezondheid gaat bij een aantal groepen al een langere tijd achteruit, al sinds vóór de coronapandemie. Die achteruitgang is vooral te zien bij adolescenten, jongvolwassenen en vrouwen. Daarnaast hangt mentale gezondheid af van veel factoren, zowel van de persoon zelf als van de omgeving. Belangrijke factoren die volgens de monitor samenhangen met mentale gezondheid zijn onder andere hoe gezond mensen zich voelen en of ze steun hebben van bijvoorbeeld familie of vrienden of school. Een iets minder sterke samenhang is te zien met betaald werk hebben of in de belangrijkste levensbehoeften kunnen voorzien (bestaanszekerheid). Ook leefstijl, zoals roken of cannabisgebruik, hangt samen met mentale gezondheid. Mentale problemen hebben grote gevolgen voor mensen zelf en de samenleving. Psychische aandoeningen zorgen voor het grootste gezondheidsverlies in Nederland (kwaliteit van leven en eerder overlijden). Ook moeten mensen vaak lang wachten op hulp, waardoor klachten erger kunnen worden. De kosten voor zorg, ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid zijn door mentale problemen hoog. Om mentale gezondheid te verbeteren, is het belangrijk om in alle leeftijdsgroepen aandacht te geven aan factoren die mentale gezondheid beïnvloeden. Door zo vroeg mogelijk in te grijpen, kunnen zwaardere problemen en zorg later zo veel mogelijk worden voorkomen. Het is hierbij nodig om de mentale gezondheid van mensen te versterken, problemen vroeg te herkennen en goede hulp en zorg te bieden. Mentale gezondheid is een taak van de hele samenleving. Dat vraagt om samenwerking tussen veel organisaties en beleidsterreinen die ermee te maken hebben.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Gebruik van keukenzout bij de bereiding van de warme maaltijd - een pilotstudie | RIVM

Het RIVM gebruikt een rekenmodel op basis van voedselconsumptieonderzoek om de zout- (natrium) inname te berekenen, wanneer urineonderzoek (voedingsstatusonderzoek) niet mogelijk is, of meer inzicht in voedingsbronnen nodig is. Hiervoor zijn aannames nodig over het gebruik van keukenzout. In een pilotstudie onderzocht het RIVM de hoeveelheid keukenzout die consumenten toevoegen tijdens het koken. Deze hoeveelheid was lager dan de aannames die met het rekenmodel worden gedaan. Dit verklaart niet de 30 procent lagere inschatting van de totale zoutinname uit het rekenmodel ten opzichte van het voedingsstatusonderzoek. Daarom adviseert het RIVM het huidige rekenmodel niet langer te gebruiken voor de schatting van totale zoutinname en te investeren in verbetering of vervanging van het model.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Diagnostische referentieniveaus en populatiedosis: Literatuurstudie en praktijkvoorbeelden | RIVM

In deze kennisnotitie vat het RIVM samen hoe internationale organisaties adviseren om diagnostische referentieniveaus (DRN's) en een populatiedosis vast te stellen voor radiodiagnostiek en interventie radiologie. Ook hebben we voorbeelden uit andere landen verzameld, om te laten zien hoe die adviezen in de praktijk uitwerken. Deze notitie geeft een (kennis)basis voor het project Medical Ionising Radiation Exposure in the Netherlands (MIREN). Daarin werken we samen met wetenschappelijke medische verenigingen aan het ontwikkelen van een database en een online platform waarmee DRN Diagnostische Referentieniveaus (Diagnostische Referentieniveaus) 's en populatiedosis kunnen worden bepaald. Dit draagt bij aan het in beeld brengen en het optimaliseren van de stralingsblootstelling door medisch handelen in Nederland.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Grip op DNA-data: secundair gebruik en zeggenschap. Verslag van een expertworkshop | RIVM

De nieuwe Europese verordening European Health Data Space (EHDS) beoogd het (her)gebruik van elektronische gezondheidsgegevens binnen Europa verbeteren. Het RIVM heeft in opdracht van het ministerie van VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) in een workshop met experts verkend wat aspecten en overwegingen zijn voor beleid van het (her)gebruik van DNA deoxyribonucleic acid (deoxyribonucleic acid) -data in Nederland. De focus lag hierbij op hergebruik voor onderzoek. Uit de workshop kwam onder meer naar voren dat hergebruik van DNA-data vraagt om het waarborgen van verantwoord datagebruik en minimalisatie van risico’s en het nastreven van betekenisvol zeggenschap.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Hoe ziet langer doorwerken eruit? De gezondheid en het werkvermogen van werkende 55-plussers | RIVM

Veel mensen werken nu langer door dan tien jaar geleden. Dit komt vooral door veranderingen in het pensioenbeleid, zoals de hogere AOW Algemene ouderdomswet (Algemene ouderdomswet) -leeftijd. De meeste werkenden zijn over het algemeen gezond en in staat om te werken (in jargon heet dat een 'goed werkvermogen' hebben). Maar sommigen werken door met gezondheidsklachten of doen dat terwijl hun werkvermogen niet meer zo goed is. De Nederlandse overheid vindt het belangrijk dat mensen gezond en met een goed werkvermogen hun pensioen halen. Het RIVM onderzocht daarom hoeveel jaren mensen langer werken en in welke conditie. Voor het onderzoek zijn werkenden vergeleken die 55 jaar of ouder waren in 2010, 2015 en 2019. Mensen die 55 jaar waren in 2010 hebben gemiddeld nog 8,5 jaar doorgewerkt. Mensen die in 2019 deze leeftijd hadden, werken naar verwachting nog 11 jaar door. Dat is dus 2,5 jaar langer dan de 55-jarigen van 2010. Deze extra werkjaren brengen de meesten gemiddeld genomen door in goede gezondheid en met een goed werkvermogen. In de hele periode vanaf 55 jaar werken mensen gemiddeld anderhalf jaar in slechte gezondheid en 2,5 jaar met minder werkvermogen. Voor sommige groepen werkenden is het lastiger om in goede conditie tot de AOW-leeftijd door te werken. Vooral voor mensen met weinig opleiding en mensen in zware beroepen, zoals in de bouw, landbouw, industrie en het onderwijs. Mensen met fysiek zwaar werk, werken ongeveer een jaar langer terwijl ze zich daartoe minder goed in staat voelen, dan mensen die lichter werk doen. Dit geldt ook voor werkenden met emotioneel zwaar werk, met weinig zelfstandigheid of weinig steun van collega's. Het is positief dat veel mensen steeds langer gezond kunnen blijven werken, maar de AOW-leeftijd gaat nog verder omhoog. Of werkenden ook dan in goede conditie kunnen blijven werken is niet bekend. Nu al is extra aandacht nodig voor groepen die moeite hebben om gezond inzetbaar te blijven. Werkgevers en de overheid kunnen hierbij helpen door mensen in zware beroepen te ondersteunen, ander werk aan te bieden of de mogelijkheid geven om eerder te stoppen met werken.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Inventarisatie en prioritering van PFAS-bronnen anders dan voedsel en drinkwater | RIVM

Per- en polyfluoralkylstoffen (PFAS) zijn een groep van duizenden chemische stoffen. PFAS Per- en polyfluoralkylstoffen (Per- en polyfluoralkylstoffen ) breken bijna niet af. Daardoor hopen ze zich op in het milieu en kunnen ze schadelijk zijn voor de gezondheid. Het RIVM onderzoekt op welke manieren mensen met PFAS in contact kunnen komen. Dat is nodig om te weten hoe de blootstelling in Nederland kan worden verlaagd. De blootstelling via voedsel en drinkwater is al onderzocht. Over andere vormen van blootstelling is nog weinig bekend. Het RIVM heeft nu de blootstelling via producten, zoals kleding, persoonlijke verzorgingsproducten en stoffering van meubels in kaart gebracht. Ook is gekeken naar de blootstelling via de omgeving waarin mensen leven, zoals binnenlucht en huisstof. Blootstelling via het werk en de uitstoot door de industrie naar het milieu vallen buiten het onderzoek. De volgende producten lijken voor de meeste blootstelling te zorgen. Het is nog niet precies bekend hoeveel PFAS mensen hierdoor binnenkrijgen. Het RIVM onderzoekt dit verder, ook om de blootstelling te kunnen vergelijken met die via voedsel en drinkwater. De producten zijn:
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

De inwerking van gestaag ontwikkelende bedreigingen op de duurzame veiligstelling van de Nederlandse drinkwatervoorziening | RIVM

Drinkwaterbedrijven in Nederland moeten elke vier jaar een leveringsplan opstellen en indienen bij de Inspectie Leefomgeving & Transport (ILT), waarin zij aantonen hoe zij zorgen voor een betrouwbare en continue levering van drinkwater. Nieuw is dat deze plannen nu ook een hoofdstuk bevatten over 'Strategische doelen en trends', waarin bedrijven aangeven hoe zij inspelen op maatschappelijke ontwikkelingen en langzaam groeiende bedreigingen, en welke maatregelen zij nemen om deze risico's te beheersen. De kennisnotitie beschrijft de resultaten hiervan en beoordeelt in hoeverre deze maatregelen bijdragen aan het behalen van de doelen uit de Beleidsnota Drinkwater 2021-2026.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Valpreventie in Beweging. Monitor Valpreventie: Stand van zaken ketenaanpak in 2024 en eerste kwartaal 2025 | RIVM

Veel ouderen lopen ernstig letsel op door een val. In 2024 kwamen 119.000 ouderen na een val op de Spoedeisende Hulp, iets meer dan in 2023. Naast het persoonlijke leed brengt dit veel medische zorg en hoge kosten met zich mee. Door de vergrijzing zullen naar verwachting in de toekomst nog meer ouderen vallen. De ketenaanpak Valpreventie is opgezet om te voorkomen dat ouderen vanaf 65 jaar vallen, om hen zelfredzamer te maken en om de zorg minder te belasten. Het RIVM brengt elk jaar het proces, de voortgang en de resultaten van de ketenaanpak Valpreventie in kaart. De aanpak bestaat uit vier stappen: signaleren welke ouderen een grote kans hebben om te vallen, onderzoeken welke factoren de kans om te vallen vergroten, deelnemen aan een valcursus en blijven sporten en bewegen. Uit de derde monitor blijkt dat in 2024 in bijna alle gemeenten (98 procent) een begin is gemaakt met de ketenaanpak, maar dat de doelen niet zijn gehaald. Zo doen steeds meer ouderen een test waarmee de kans om te vallen wordt ingeschat (valrisicotest). Zowel gemeenten als zorgverleners bieden deze test aan. Dit gebeurt in 76 procent van de gemeenten. Het is niet bekend hoe vaak zorgverleners dat doen. Het doel was 14 procent van alle thuiswonende ouderen te testen. Het blijft vooral lastig om ouderen met een hoog valrisico hiervoor te bereiken. Verder blijkt dat er nog weinig wordt gekeken naar welke factoren de kans op vallen vergroten. Ook blijkt dat in 2024 bijna 15.000 ouderen meededen aan een valcursus via gemeenten. Bijna 100 ouderen deden dat na een verwijzing door een arts of een praktijkondersteuner. Maar ook het doel om 3 procent van alle thuiswonende ouderen in Nederland aan een valcursus deel te laten nemen is hiermee niet gehaald. Het is niet bekend hoeveel ouderen na een valcursus blijven sporten en bewegen, maar daar is wel steeds meer aandacht voor. Samenwerking tussen zorgverzekeraars, zorgverleners, gemeenten en welzijnsorganisaties is verbeterd, onder andere door steeds meer afspraken te maken. Maar deze afspraken blijken in de praktijk moeilijk om uit te voeren. Bijvoorbeeld omdat er op verschillende manieren wordt gewerkt of men elkaars taal niet spreekt.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

PrEP Evaluatierapport 2025 | RIVM

Sinds augustus 2024 is HIV humaan immunodeficientievirus (humaan immunodeficientievirus) PrEP pre-expositie profylaxisis (pre-expositie profylaxisis) -zorg in Nederland ondergebracht in het reguliere programma voor Aanvullende Seksuele Gezondheidszorg (ASG) bij de Centra Seksuele Gezondheid (CSG's). PrEP (pre-expositie profylaxe) is een medicijn dat wordt gebruikt om hiv-infectie te voorkomen bij personen met een verhoogd risico. Met de overgang naar het reguliere ASG additional regulation for sexual health (additional regulation for sexual health) -programma is de limiet op het aantal deelnemers vervallen en is de toegang tot PrEP verruimd. Uit het evaluatierapport blijkt dat het aantal nieuwe PrEP-gebruikers na de overgang is toegenomen. Daarnaast is de frequentie van consulten verschoven van driemaandelijks naar zesmaandelijks, waardoor deelnemers minder vaak naar het CSG Centrum Seksuele Gezondheid (Centrum Seksuele Gezondheid) hoeven te komen. Het aandeel gebruikers dat PrEP intermitterend gebruikt, is licht toegenomen ten opzichte van dagelijks gebruik. Ook is het profiel van nieuwe deelnemers breder geworden, met een lichte toename van het aandeel genderdiverse personen, vrouwen en mensen met een migratieachtergrond. Het aantal hiv-infecties onder PrEP-gebruikers blijft laag. De belangrijkste reden om te stoppen met PrEP is een zelf-gerapporteerd lager risico op hiv. Een groeiend deel van de stoppers in het programma zet het gebruik voort via een andere zorgverlener. Het rapport benadrukt het belang van goede samenwerking tussen CSG's en andere zorgaanbieders, zodat PrEP-zorg toegankelijk blijft voor mensen met een verhoogd risico op hiv.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Toxoplasma infections through meat in the Netherlands. Risk assessment update | RIVM

Via voedsel kunnen mensen besmet worden met de parasiet Toxoplasma. De meeste mensen worden daar niet ziek van, maar tijdens een zwangerschap kan een infectie gevaarlijk zijn voor het ongeboren kind. Ook voor mensen met een ernstig verzwakte afweer kan een besmetting gevaarlijk zijn, zoals mensen met aids of mensen die net een orgaantransplantatie hebben ondergaan. Het is daarom belangrijk om te weten wat de belangrijkste bronnen van een besmetting zijn. Deze informatie is nodig om goede voorlichting te kunnen geven, bijvoorbeeld door artsen en verloskundigen. Ook kunnen daarmee maatregelen worden genomen die de kans op een besmetting via deze bronnen kan verminderen. De kans op een besmetting wordt met de zogenoemde QMRAmodellering berekend. Het RIVM heeft dit rekenmodel voor de tweede keer geüpdatet. Dat is voor infecties via vlees gedaan, omdat hierover meer en recentere data beschikbaar waren. Het oorspronkelijke model dateert uit 2011 en is in 2020 voor het eerst geüpdatet. Katten zijn de belangrijkste verspreiders van deze parasiet. Via kattenpoep komen oöcysten, een soort eitjes van de parasiet, in de omgeving terecht, en zo bijvoorbeeld ook op groente en fruit. Als mensen deze besmette producten eten terwijl ze niet goed zijn gewassen, geschild of verhit, dan kunnen ze een infectie krijgen. Als dieren de infectie krijgen, komen er parasieten in de spieren terecht, en vervolgens in het vlees. Als vlees van bijvoorbeeld koeien en varkens niet wordt ingevroren en onvoldoende verhit wordt gegeten, kan het een infectie veroorzaken. Voor vers vlees, bijvoorbeeld biefstuk of varkenshaas, is de kans op een besmetting per bereide portie meestal klein. Maar omdat deze producten veel worden gegeten, is vers vlees een belangrijke bron van Toxoplasma-infecties als de kans voor de hele bevolking wordt berekend. Deze informatie is voor beleidsmakers relevant. Op individueel niveau is de kans op een infectie het grootst als mensen rauwe vleesproducten eten, zoals steak tartaar, rosbief en filet americain. Bij rauwe vleesproducten hangt de kans op infectie er vooral van af hoeveel het vlees tijdens de productie gezouten is. Zout verkleint de kans dat een parasiet overleeft. Hoe groot het effect van het zouten is, is in het model nog onzeker. De nieuwe inzichten hierover worden in een volgende update verwerkt.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Vaccinatieprogramma hepatitis B-risicogroepen: Programmabericht EXTRA 2022-2024 | RIVM

Het doel van het hepatitis B-vaccinatieprogramma (HBV-programma) is te voorkomen dat hepatitis B wordt overgedragen. Deze gratis vaccinatie is bedoeld voor mannen die seks hebben met mannen (MSM) en sekswerkers, omdat zij een grotere kans hebben om hepatitis B te krijgen. Vaccinatie voorkomt nieuwe infecties. Ook wordt met het programma uitgezocht welke mensen hepatitis B hebben, zodat zij medische zorg kunnen krijgen en het virus niet meer kunnen verspreiden. Het RIVM geeft een overzicht van wat er in de jaren 2022, 2023 en 2024 voor het HBV hepatitis B virus (hepatitis B virus) -programma is gebeurd. In 2022 waren veel GGD Gemeentelijke Gezondheidsdienst (Gemeentelijke Gezondheidsdienst) 'en nog druk met de nasleep van de coronapandemie, waardoor er minder tijd was om de doelgroepen voor de hepatitis B-vaccinatie te bereiken. In 2024 is dat hersteld en gaf de GGD evenveel vaccinaties als voor corona. Sekswerkers worden steeds moeilijker te bereiken, omdat zij minder zichtbaar zijn. Dat komt bijvoorbeeld doordat sekswerkers vaker van werkplek veranderen of vanuit huis werken. Ook maken iets minder mensen, vooral sekswerkers, hun serie van drie prikken af. Dan werkt de vaccinatie iets minder goed. Verder is het registratiesysteem aangepast om andere genders dan man en vrouw te kunnen registreren. Soa Aids Nederland begon in 2023 een online campagne 'Hep je B?' om de doelgroepen ook op deze manier te informeren over de hepatitis Bvaccinatie. Een analyse laat zien dat het goed werkt om risicogroepen via online communicatie te informeren. Wel blijft het belangrijk dat GGD'en kijken naar wat er in hun regio werkt. GGD Zuid-Limburg zette zich in om meer MSM mannen die seks hebben met mannen (mannen die seks hebben met mannen) met een migratieachtergrond te bereiken. In 2024 is het draaiboek van het HBV-programma geüpdatet. Ook zijn online inspiratiesessies gehouden waarin GGD'en ervaringen konden delen. Soa Aids Nederland startte de nieuwe campagne 'Zeg nee tegen hepatitis B', om jonge MSM te bereiken. In 2011 is de hepatitis B-vaccinatie toegevoegd in het Rijksvaccinatieprogramma (RVP). Daardoor is de kans op hepatitis B voor jongere generaties veel kleiner. Voor de toekomst blijft het belangrijk om mensen te bereiken die nog niet zijn gevaccineerd.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

The National Immunisation Programme in the Netherlands. Surveillance and developments in 2024-2025 | RIVM

Het RIVM houdt elk jaar bij hoeveel mensen een ziekte krijgen waartegen het Rijksvaccinatieprogramma (RVP) vaccineert. Het aantal mensen dat in 2024 een RVP-ziekte ziekte opgenomen in het Rijksvaccinatieprogramma (ziekte opgenomen in het Rijksvaccinatieprogramma) kreeg was vaak weer terug op het niveau van voor de coronapandemie. Bij sommige ziekten was dat niet zo. Het aantal kinderen met kinkhoest bijvoorbeeld was in 2024 opvallend hoog. De stijging begon in 2023, nam toe tot april 2024 en daalde daarna weer. In totaal waren er 18.208 meldingen in 2024. Verder nam in 2024 het aantal mensen met mazelen sterk toe (205), wat doorzette in de eerste vier maanden van 2025. De stijging van bof die sinds 2023 te zien is zette ook door in 2024. Invasieve pneumokokkenziekte (2.321), Haemophilus influenzae type b (Hib) (55), meningokokkenziekte (138) en chronische hepatitis B (854) kwamen in 2024 ongeveer even vaak voor als in 2023. Net als in 2023 waren er in 2024 geen mensen met rodehond en polio. Het aantal meldingen met difterie (3) en tetanus (3) was laag. In 2024 zijn ongeveer 950.000 kinderen tot 18 jaar gevaccineerd via het RVP Rijksvaccinatie programma (Rijksvaccinatie programma) . Zij kregen in totaal ruim 2,4 miljoen vaccinaties. Ook hebben meer dan 110.000 zwangeren zich tegen de griep en/of kinkhoest laten vaccineren; deze vaccinaties beschermen de baby de eerste maanden na de geboorte tegen de griep en kinkhoest. In totaal zijn ruim 145.000 vaccinaties aan zwangeren gegeven, de meeste tegen kinkhoest. Ten slotte zijn in 2025 twee zaken veranderd in het RVP. Ten eerste is de prik tegen het RS-virus Respiratoir Syncytieel-virus (Respiratoir Syncytieel-virus ) erbij gekomen voor baby's die vanaf 2025 zijn geboren. Verder is het vaccinatieschema aangepast, de momenten waarop kinderen de vaccinaties krijgen. Dit is gedaan om kinderen nog beter te beschermen. Enkele voorbeelden: baby's die op of na 1 januari 2024 zijn geboren, krijgen de vaccinaties tegen onder andere kinkhoest en pneumokokken een maand later: met 12 in plaats van 11 maanden. Ook krijgen kinderen hun tweede vaccinatie tegen bof, mazelen en rodehond met 3 jaar zijn in plaats van met 9 jaar. Verder wordt de vaccinatie tegen difterie, kinkhoest en tetanus gegeven als kinderen 5 jaar zijn in plaats van 4.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Monitor Mondgezondheid 2025. Een update van de resultaten en nieuwe indicatoren | RIVM

Het RIVM verzamelt en analyseert sinds 2023 elk jaar informatie over de gezondheid van de mond en het gebit van inwoners van Nederland. Met deze informatie kan het ministerie van VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) beleidskeuzes maken. Het ministerie heeft het RIVM gevraagd om de mondgezondheid te monitoren, omdat er geen structurele informatie over beschikbaar was. Deze tweede rapportage geeft informatie over 2024. Er blijkt een samenhang te zijn tussen hoe vaak mensen tandenpoetsen en tussen hun tanden schoonmaken, en of ze naar een tandarts/mondhygiënist gaan. Zo gingen mensen die aangaven dat ze twee keer per dag of vaker hun tanden poetsen, veel vaker naar de mondzorgverlener dan mensen die dat niet elke dag doen. Ook gingen mensen die elke dag tussen hun tanden en kiezen schoonmaken, vaker naar een mondzorgverlener dan mensen die dat niet doen. In het algemeen zorgt preventief mondzorggedrag, zoals twee keer per dag tandenpoetsen en naar een mondzorgverlener gaan, voor betere resultaten. Zo hadden mensen die dat deden vaker twintig of meer echte tanden en kiezen en ervoeren zij vaker een (zeer) goede mondgezondheid. Tegelijkertijd rapporteerden mensen die niet elke dag tandenpoetsen twee keer zo vaak pijn als mensen die wel twee keer per dag of vaker poetsen. Verder gingen mensen met een hbo hoger beroepsonderwijs (hoger beroepsonderwijs) - of wo-opleiding vaker naar de mondzorgverlener dan mensen met basisonderwijs, een vmbo- of mbo middelbaar beroepsonderwijs (middelbaar beroepsonderwijs) -opleiding. Ook poetsen zij vaker minimaal twee keer per dag hun tanden. Daarnaast ervoeren zij vaker een (zeer) goede mondgezondheid, hadden zij vaker twintig of meer echte tanden en kiezen, en minder vaak een kunstgebit. Deze verschillen waren ook te zien tussen hogere en lagere inkomensgroepen. Ten slotte gaven mensen uit de lagere inkomensgroep vaker aan dat zij niet naar de mondzorgverlener zijn geweest omdat ze het te duur vonden. Dit jaar zijn vier indicatoren toegevoegd aan de zes uit de vorige monitor. Volgend jaar komen er nog zeven indicatoren bij, onder andere over het aantal vullingen en over tandvleesproblemen.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Second opinion monitoring maatwerkafspraken | RIVM

In deze kennisnotitie heeft het RIVM de aanpak en voorstellen beoordeeld van een methode om de maatwerkafspraken met Tata Steel Nederland (TSN) te monitoren. Dit heeft het RIVM gedaan op verzoek van het ministerie van I&W Ministerie van Infrastructuur & Waterstaat (Ministerie van Infrastructuur & Waterstaat) . De methode richt zich erop om op basis van metingen vast te kunnen stellen hoeveel de bijdrage van TSN aan fijnstof (PM10) omlaag is gegaan, zodra de afgesproken verduurzaming is doorgevoerd. Het RIVM heeft verschillende aspecten van de aanpak beoordeeld. Een belangrijk aandachtspunt zijn de systematische onzekerheden in de data en metingen die niet of niet volledig worden meegenomen. Daarmee is de onzekerheidsanalyse in de methode volgens het RIVM te optimistisch. De beoordeling van de voorgestelde methode laat zien dat het niet zo eenvoudig is om een robuuste uitspraak te doen over het monitoren van de effecten van maatwerkafspraken. Op meerdere punten is het nodig de methode uit te breiden of nader te onderzoeken.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Inter-laboratory comparison of particulate matter filter weighing 2025 | RIVM

Verschillende luchtmeetnetten in Nederland en Europa meten de hoeveelheid fijnstof (PM10 en PM2,5 fijnstof (fijnstof) ) in de buitenlucht. Dit wordt gedaan met filters in een apparaat dat continu buitenlucht aanzuigt. Elk filter wordt na 24 uur vervangen. De laboratoria van de meetnetten bepalen de concentratie fijnstof door het filter voor en na de plaatsing te wegen. Met onder andere het verschil in gewicht wordt de concentratie berekend. Elke twee tot vier jaar vergelijkt het RIVM het weegproces bij een aantal laboratoria. Zo wordt gecontroleerd of de fijnstofconcentraties in de verschillende laboratoria overeenkomen. De resultaten van de wegingen waren in 2025 ongeveer hetzelfde. Dit betekent dat vrijwel alle fijnstofmetingen goed met elkaar overeenkomen en tussen de deelnemende meetnetten kunnen worden uitgewisseld. Dit keer deden negen laboratoria uit Europa mee aan de vergelijking. In totaal zijn 208 filters gemeten. Er waren kleine verschillen te zien die ruim binnen de grenzen vallen die voor fijnstofmetingen zijn bepaald. De laboratoria moeten de metingen volgens een verplichte procedure doen (EN 12341) en zijn zelf verantwoordelijk voor de omstandigheden waarin ze meten. De weegkamers moeten bijvoorbeeld een bepaalde temperatuur en luchtvochtigheid hebben. Alle deelnemende laboratoria voldeden aan de eisen voor de temperatuur. Op twee laboratoria na voldeden ze ook aan de luchtvochtigheidseisen. De afwijkende luchtvochtigheid had geen zichtbare invloed op de resultaten. Het RIVM meet fijnstof samen met andere meetnetten in de Europese Unie en controleert op nationaal niveau de kwaliteit ervan. Als referentielaboratorium voor luchtkwaliteitsmetingen in de buitenlucht van Nederland heeft het RIVM deze taak.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Monitor Mentale gezondheid en Middelengebruik Studenten hbo en wo 2025 | RIVM

Voor de derde keer is in kaart gebracht hoe het gaat met de mentale gezondheid van studenten in Nederland. En hoe vaak zij roken en andere middelen gebruiken, zoals alcohol en drugs. Ook is onderzocht welke factoren samenhangen met een betere of slechtere mentale gezondheid of met minder of meer middelengebruik. Ruim 27.000 studenten van hogescholen en universiteiten vulden in het voorjaar van 2025 hierover een online vragenlijst in. De mentale gezondheid van de deelnemende studenten is in 2025 iets verbeterd ten opzichte van 2021. Dat gebeurde vooral tussen 2021 en 2023, na het einde van de coronacrisis. Toch heeft een aanzienlijk deel van de studenten gevoelens van angst en depressie, eenzaamheid, emotionele uitputtingsklachten, stress of prestatiedruk. Het middelengebruik is tussen 2021 en 2025 nauwelijks veranderd. Zo drinken studenten nog steeds regelmatig te veel. Naast persoonlijke kenmerken hangen de sociale omgeving, de opleiding in brede zin en maatschappelijke omstandigheden samen met mentale gezondheid en middelengebruik. Een voorbeeld daarvan is dat studenten die in een studentenhuis wonen, meer alcohol en andere middelen gebruiken dan studenten die thuis wonen. Een ander voorbeeld is dat je thuis voelen of jezelf kunnen zijn bij de opleiding samenhangt met een betere mentale gezondheid. Of dat studenten die veel stress ervaren door maatschappelijke problemen, zoals geldzorgen en spanningen in de wereld, zich juist minder goed voelen en meer middelen gebruiken. Het RIVM en het Trimbos-instituut voerden de monitor uit. Hun aanbevelingen gaan zowel over de studenten zelf als hun omgeving. Zo is het belangrijk studenten te helpen om met moeilijke situaties om te gaan. Tegelijkertijd is het belangrijk dat hun studeer- en leefomgeving verbetert. Bijvoorbeeld door studie-eisen realistischer te maken en de cultuur in studentenhuizen en -verenigingen om veel te drinken te doorbreken. Of door de financiële druk op studenten te verlagen en te zorgen voor genoeg betaalbare woonruimten.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Geluidmonitor 2024 Wet milieubeheer. Meting en validatie van geluidproductie door rijkswegen en spoorwegen | RIVM

De weg- en spoorbeheerders, Rijkswaterstaat en ProRail, berekenen sinds 2013 elk jaar hoeveel geluid het verkeer op de weg en het spoor maakt. Het RIVM toetst deze berekeningen met metingen. Dit was tot en met 2023 verplicht volgens de Wet milieubeheer. Sinds 1 januari 2024 is deze wet voor geluid vervangen door de Omgevingswet. De verplichtingen uit de oude wet gelden nog wel voor de berekende waarden over 2023. Het RIVM vergeleek in dit rapport het gemeten geluid met de berekende geluidniveaus op rijks- en spoorwegen voor het jaar 2023. De titel noemt 2024, maar het gaat om de cijfers uit 2023. Voor hoofdspoorwegen is er in 2023 gemiddeld 0,6 dB decibel (decibel) meer berekend dan gemeten. Dit verschil was in 2023 iets groter dan in 2021 en 2022, maar valt binnen de marge die daarvoor geldt. Voor rijkswegen is er juist 1,9 decibel meer gemeten dan is berekend. Dit grote verschil is al jaren te zien. Daarom zijn de rekenregels voor rijkswegen onder de Omgevingswet aangepast. De belangrijkste aanpassing is dat de lang gebruikte aftrek voor stille banden is vervallen. Dat komt doordat stille banden het geluid minder hebben laten dalen dan verwacht. In het volgende rapport wordt duidelijk wat het resultaat is van deze aanpassingen. Op bepaalde locaties kan zowel op wegen als het spoor het verschil tussen meten en rekenen groter zijn. Bij rijkswegen komt dat vooral door de leeftijd en de conditie van het asfalt. Ouder asfalt maakt meer geluid en nieuwer asfalt maakt minder geluid dan waar in de berekening van wordt uitgegaan. Bij hoofdspoorwegen komt het vooral doordat sommige treinen meer of minder geluid maken dan gemiddeld. Ook speelt mee hoe ruw het spoor is.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

SocioVax literature review: interventions that could promote vaccination uptake in children | RIVM

Vaccination participation is not equally high across all groups in society. What actions, strategies, and measures can support vaccination uptake? Based on a literature review, the RIVM SocioVax program advises implementing vaccination interventions locally and nationally that have been proven effective. Think of interventions to provide people with good information, support them in making an informed decision, and make vaccinations as accessible as possible. Implementing a coordinated set of multiple interventions seems to work best. For example, accessible information combined with a nearby and trusted vaccination location. Sharing the evaluations of implemented interventions, even when they were not effective, helps to develop knowledge about what does and does not work.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

SocioVax literature review: Determinants of vaccination uptake in children | RIVM

People with a lower socioeconomic status and people with a migration background have lower vaccination rates than average. What socio-psychological factors are associated with vaccination uptake? The RIVM SocioVax program has conducted literature research on this topic. It appears that vaccination uptake is influenced by what people think and feel, social processes, and the perceived accessibility of vaccinations. To support an informed choice, efforts are needed in all of these areas. Relatively little is still known about the role of emotions and social processes in groups with lower vaccination rates. There may be opportunities for interventions there that could reduce inequalities in vaccination uptake.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

NethMap One Health 2025 | RIVM

In NethMap Consumption of antimicrobial agents and antimicrobial resistance among medically important bacteria in the Netherlands (Consumption of antimicrobial agents and antimicrobial resistance among medically important bacteria in the Netherlands) One Health 2025 presenteren verschillende organisaties informatie over het gebruik van antibiotica en antibioticaresistentie tegen ziekmakende bacteriën bij mensen en dieren in Nederland. Antibioticaresistentie is een bedreiging is voor de gezondheid van mensen omdat een infectie met een resistente bacterie vaak minder goed is te behandelen. Resistente bacteriën komen bij mensen en dieren voor, in voeding en in het milieu. Daarom is het noodzakelijk dat alle betrokken experts samenwerken om antibioticaresistentie tegen te gaan. Deze one health-benadering is vanaf dit jaar meer benadrukt in de rapportage. Elk jaar wordt in Nederland per bacteriesoort berekend welk percentage van de bacteriën resistent is tegen antibiotica. In Nederland komt antibioticaresistentie nog steeds vrij weinig voor, maar in 2024 is van sommige bacteriën een groter deel resistent geworden. Dat is vooral zo bij bacteriën die bijvoorbeeld ernstige urineweginfecties kunnen veroorzaken. Dit heeft verschillende oorzaken en is in heel Europa te zien. Verder is vaker resistentie gezien bij bacteriën die onder andere huidinfecties veroorzaken (Staphylococcus-bacterie). In huisartsenpraktijken, ziekenhuizen en verpleeghuizen is in 2024 ongeveer even vaak antibiotica voorgeschreven als in het jaar ervoor. Wel verschilde het gebruik bij hetzelfde type zorginstellingen, bijvoorbeeld tussen verpleeghuizen. Verder zijn de laatste jaren in ziekenhuizen meer laatste-redmiddel-antibiotica gebruikt. Deze soorten worden pas gebruikt als de standaard antibiotica niet meer helpen bij een ernstige infectie. In de Nederlandse veehouderij zijn in 2024 ongeveer evenveel antibiotica gebruikt als in afgelopen paar jaren, na een flinke daling sinds 2009. Ook is de antibioticaresistentie bij dieren hetzelfde gebleven. Landbouwhuisdieren krijgen alleen bij hele hoge uitzondering antibiotica die voor mensen onmisbaar zijn. Hierdoor komt resistentie tegen deze antibiotica bij dieren weinig voor. Onjuist en onnodig gebruik van antibiotica moet zo veel mogelijk worden voorkomen, omdat bacteriën hierdoor resistent kunnen worden tegen antibiotica. Daarom blijft het belangrijk om antibiotica bij mensen en dieren op de goede manier te gebruiken. Ook blijven maatregelen noodzakelijk die voorkomen dat resistente bacteriën zich verspreiden, zoals handen wassen en andere hygiënemaatregelen.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Wat kan een werkgever doen om werkstress nu en in de toekomst aan te pakken? | RIVM

Voor vier belangrijke ontwikkelingen hebben het RIVM en TNO uitgezocht wat een werkgever kan doen om werkstress nu en in de toekomst aan te pakken. Het gaat om personeelstekorten, kunstmatige intelligentie (AI), vergrijzing en het combineren van werk en mantelzorg. Deze brochure laat zien welke acties organisaties kunnen ondernemen om werkstress onder medewerkers te voorkomen of te verminderen.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

EURL-Salmonella combined Proficiency Test food-feed 2025. Detection of Salmonella in flaxseed | RIVM

In 2025 hebben 49 Nationale Referentie Laboratoria voor Salmonella (NRL's-Salmonella) een goede score gehaald in dit ringonderzoek voor de Salmonella-bacterie. Alle lidstaten van de Europese Unie hebben een NRL-Salmonella. Deze NRL's zijn verplicht om elk jaar hun kwaliteit te laten toetsen met behulp van verschillende zogeheten ringonderzoeken. Een van de ringonderzoeken controleert of de NRL's de Salmonella-bacterie in voedsel en diervoeder kunnen aantonen. Dit jaar is gekozen voor lijnzaad. Elk lidstaat van de EU Europese Unie (Europese Unie) wijst hiervoor het NRL aan dat verantwoordelijk is voor deze testen in hun laboratorium. De 49 deelnemers aan dit ringonderzoek kwamen uit 27 lidstaten van de Europese Unie en uit 6 andere Europese landen. De laboratoria gebruikten een verplichte, internationaal erkende analysemethode om Salmonella in monsters lijnzaad aan te tonen. Elk laboratorium kreeg een pakket toegestuurd met monsters die kunstmatig besmet waren met twee verschillende concentraties Salmonella Typhimurium of zonder deze bacterie. Het EURL-Salmonella organiseerde het ringonderzoek. Het EURL-Salmonella ziet toe op de kwaliteit van de NRL's-Salmonella in de Europese Unie en is gevestigd bij het RIVM.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Wegwijzer wildzwemmen | RIVM

Mensen in Nederland zwemmen graag en steeds vaker op plekken die niet als zwemlocatie zijn aangewezen. Deze wegwijzer richt zich op die plekken waar grote aantallen mensen structureel zwemmen, maar die niet zijn aangewezen. Wie is er dan verantwoordelijk? Wat kan wel en niet? En hoe maak je van een plek een officiële zwemlocatie? Deze wegwijzer geeft gemeenten en initiatiefnemers, zoals recreatieschappen, terreinbeheerders of buurtbewoners, antwoord op hun vragen over wildzwemmen.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Temperatuur-gerelateerde sterfte in Amsterdam. Onderzoek naar ouderen, kwetsbare locaties en de impact van klimaatscenario's rond 2050 en 2100 | RIVM

Klimaatverandering zorgt voor meer tropische dagen, warme nachten in de zomer en minder vorstdagen in de winter. In Nederland neemt het risico om te overlijden toe als het heet is. De gemeente Amsterdam wil weten wat dit voor hun inwoners betekent. Uit het onderzoek blijkt dat er een verhoogd sterfterisico is bij hoge temperaturen in Amsterdam, met name ouderen bij ouderen, en bij bewoners van buurten met een lage sociaaleconomische status en buurten met weinig groen. Voortuitkijkend, verwacht het RIVM dat het aantal hitte-gerelateerde sterfgevallen in Amsterdam zal stijgen.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Voortgangsrapportage Vierde Convenant Preventie Gehoorschade Versterkte Muziek 2025 | RIVM

In december 2023 hebben 12 partijen afspraken gemaakt om samen schade aan het gehoor te voorkomen bij bezoekers en werknemers van muziekactiviteiten. Dit heet het Vierde Convenant Preventie Gehoorschade Versterkte Muziek, dat geldt van 2024 tot en met 2027. Het RIVM rapporteert in deze jaren hoe het gaat met de afspraken en de doelen. In deze eerste rapportage, over 2024, heeft het RIVM op een rij gezet wat de partijen met de afspraken hebben gedaan en hoe ze daarbij hebben samengewerkt. De afspraken gaan over maximale geluidniveaus, geluidsmetingen, gehoorbescherming, voorlichting, deskundigheid van werknemers en onderzoek. Aan het convenant nemen partijen deel die betrokken zijn bij activiteiten met versterkte muziek. Niet alleen popconcerten en muziekevenementen, maar ook bioscopen, cafés, discotheken, studentenverenigingen, schoolfeesten en fitnessclubs. Een van de afspraken is dat de partijen zich houden aan maximale geluidniveaus. Voor volwassenen mag in een kwartier het geluid gemiddeld niet harder zijn dan 103 decibel. Onder de 18 jaar is dat lager. Dit betekent dat geluidsmetingen nodig zijn. Een andere afspraak is dat de partijen bezoekers van muziekactiviteiten stimuleren om oordoppen te dragen. Ook moeten bezoekers ze op de locaties kunnen kopen. Medewerkers hebben een voorbeeldfunctie door zelf ook oordoppen te dragen. De rapportage laat zien dat er veel is gebeurd, maar niet duidelijk is of dat genoeg is. Zo wordt het geluid van versterkte muziek al vaak gemeten, maar niet altijd. Ook worden metingen niet altijd doorgegeven aan de organisatie die ze verzamelt (SKEN). De beschikbare geluidsmetingen laten zien dat het geluid meestal onder de maximale niveaus blijft. Verder zijn er verschillende vormen van voorlichting over gehoorbescherming. Daar is bijvoorbeeld aandacht voor bij de kaartverkoop van popconcerten en evenementen, en op posters op de locaties. De afspraken zijn nu nog weinig concreet en onder andere daardoor niet goed te meten. Het RIVM stelt voor om samen met de 12 partijen na te denken hoe dit kan worden verbeterd. Bijvoorbeeld met kwalitatief onderzoek of een lerende evaluatie.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Verkenning RIVM naar de relatie beroepsmatige blootstelling vliegtuigmotorenemissie en het ontwikkelen van kanker | RIVM

De staatssecretaris van Participatie en Integratie heeft RIVM gevraagd om een verkenning te doen naar de relatie tussen (beroepsmatige) blootstelling aan vliegtuigmotorenemissie en het ontwikkelen van kanker bij platformmedewerkers op Schiphol. Het doel van de verkenning was de verschillende onderzoeken die er op dit terrein zijn en momenteel worden uitgevoerd in kaart te brengen. Vervolgens kan worden nagegaan in hoeverre deze onderzoeken antwoord (gaan) geven op de vragen die leven bij de werknemers op de Schiphol-platforms en op vragen die eventueel bij andere partijen leven. Ook is verzocht om te verkennen of aanvullend onderzoek gewenst en haalbaar is. De verkenning heeft plaatsgevonden in de zomer van 2025. In deze notitie rapporteren we de uitkomsten van de verkenning op hoofdlijnen. Op basis van de verkenning stelt het RIVM voor een dwarsdoorsnedeonderzoek uit te voeren waarbij werknemers op één moment in de tijd worden bestudeerd. Dit dwarsdoorsnedeonderzoek kan inzicht geven in de potentie van vliegtuigmotorenemissie om DNA- Desoxyribonucleïnezuur (Desoxyribonucleïnezuur) schade te veroorzaken. RIVM verzoekt om een opdracht voor de verdere uitwerking van een onderzoeksvoorstel.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Monitoring van drugs in Nederlands rioolwater. Een pilotstudy | RIVM

De ministeries van VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) en JenV (Justitie en Veiligheid) willen weten hoeveel drugs in Nederland wordt gebruikt. Het Trimbos brengt dat onder andere in kaart met vragenlijsten onder de bevolking. Deze informatie geeft aan hoeveel mensen in heel Nederland drugs gebruiken, maar niet om hoeveel drugs dat in totaal gaat. Ook is vaak niet bekend of het drugsgebruik regionaal verschilt. De ministeries willen een completer beeld van het drugsgebruik. Daarom heeft het RIVM in 20 gemeenten onderzocht wat het totale gebruik is van een aantal geselecteerde drugs op meerdere momenten in het jaar. Mensen die drugs gebruiken plassen namelijk restanten uit, waarna deze in het rioolwater terechtkomen. De onderzochte gemeenten liggen verspreid over het land. Door op meerdere momenten te meten worden ontwikkelingen in het gebruik van drugs ook zichtbaar. De drugs bleken goed te meten, waardoor de metingen de verschillen in Nederland goed aangeven. Ook waren op alle meetmomenten verschillen te zien tussen de gemeenten in het totale gebruik. De meetmethode is daarom een goede en objectieve aanvulling op vragenlijstonderzoek. Er zijn zes drugs gemeten: cocaïne, crystal meth, XTC Ecstacy (3,4-Methylenedioxy Methamphetamine) (Ecstacy (3,4-Methylenedioxy Methamphetamine)) , speed en 2 'designerdrugs' (3-CMC en 4-CMC). Het gebruik van deze drugs is door het jaar heen constant, met alleen een opvallende piek na oud en nieuw. Een aantal drugs wordt in het weekend meer gebruikt, vooral de partydrug XTC. Verder is er een verschil te zien tussen de grootte van gemeenten: in grote gemeenten (meer dan 100.000 inwoners) en steden wordt bijna altijd meer drugs gebruikt, ook als je rekening houdt met het aantal inwoners. De onderzochte designerdrugs worden heel weinig gebruikt, waardoor het moeilijk is verschillen te zien tussen gemeenten. Het RIVM heeft dit onderzoek met het Trimbos-instituut gedaan. Tussen november 2023 en november 2024 is vijf keer een week lang het rioolwater gemeten. Uit het onderzoek blijkt dat het drugsgebruik redelijk constant is. Daarom is het in de toekomst voldoende om maar één keer per jaar te meten in dezelfde gemeenten. Door de meting elk jaar op hetzelfde moment te herhalen, kunnen veranderingen door de jaren heen in kaart worden gebracht.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Gevoeligheidsanalyse maatregelscenario's | RIVM

Het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur ( LVVN Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur ) ) vroeg het RIVM om te onderzoeken welke combinaties van maatregelen ervoor kunnen zorgen dat Nederland in 2030 het doel uit de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) haalt. Dat doel houdt in dat 50 procent van de stikstofgevoelige natuur in Natura 2000-gebieden onder de Kritische Depositiewaarde (KDW) valt. Daarnaast keek het RIVM ook naar het doel dat voor (zeer) urgente natuur 37 procent onder de KDW moet komen in 2030. Dit laatste doel is gebaseerd op een uitspraak van de rechtbank in de Greenpeace rechtszaak. De emissiereductie bij de maatregelscenario's zijn door het ministerie aangeleverd. Uit de analyse blijkt dat de stikstofemissies- en depositie in alle onderzochte scenario's afnemen, maar dat deze daling niet genoeg is om beide doelen voor 2030 te bereiken. De resultaten van dit onderzoek worden gebruikt voor de Ministeriële Commissie Economie en Natuurherstel (MCEN).
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Theoretische scenario's ten behoeve van hoger beroep Greenpeace | RIVM

In januari 2025 deed de rechtbank uitspraak in de zaak van Greenpeace tegen de Staat waarin Greenpeace eiste dat de natuur in Nederland beter beschermd wordt tegen stikstof. De rechtbank stelde Greenpeace gedeeltelijk in het gelijk. De Staat kondigde aan in hoger beroep te gaan tegen deze uitspraak. In voorbereiding daarop stelde het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur ( LVVN Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur ) ) een aantal vragen aan het RIVM. In de kennisnotitie Theoretische scenario’s ten behoeve van hoger beroep Greenpeace zocht het RIVM uit wat het effect is van een aantal uiteenlopende strategieën voor de reductie van de uitstoot van stikstof. Het ministerie van LVVN leverde de verschillende strategieën aan. Voor het onderzoek keek het RIVM naar twee doelen: het stikstofdoel uit de omgevingswet: 50 procent van het oppervlak met stikstofgevoelige natuur onder de KDW en het aanvullende doel van 37 procent van de (zeer) urgente natuur onder de KDW. Dit laatste doel is gebaseerd op een uitspraak van de rechtbank in de Greenpeace-rechtszaak. De uitkomsten van dit onderzoek vormden ook input voor het rapport Sociaal-economische en ecologische effecten van theoretische scenario’s voor reductie van de stikstofdepositie op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden dat de WUR Wageningen University &Research (Wageningen University &Research) vandaag publiceerde. In dat rapport is door de WUR gekeken naar haalbare uitwerking van de strategieën en de sociaal-economische effecten ervan. De gepubliceerde onderzoeksresultaten worden ook gebruikt door de Ministeriële Commissie Economie en Natuurherstel (MCEN) en zijn onderdeel van een pakket kennisnotities die het RIVM in het kader van vragen uit de MCEN heeft opgesteld.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Advisory note on preventing aircraft maintenance staff from being exposed to harmful substances during their maintenance work | RIVM

De Nationale Adviesgroep Cabinelucht ( NAC N-acetylcysteïne (N-acetylcysteïne ) ) geeft in deze adviesnotitie een concreet advies omtrent het gebruik van meetinstrumenten bij onderhoud van vliegtuigen. Deze notitie is aangeboden aan de EASA het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart (het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart) Maintenance Review Board.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Voedselveiligheid bij hergebruik van reststromen in een circulair voedselsysteem | RIVM

Met een circulair voedselsysteem kan verspilling worden tegengegaan door resten, van de productie en consumptie van voedsel, opnieuw te gebruiken. Zo kunnen resten van gewassen uit de landbouw, zoals bladeren of stengels, worden gebruikt om nieuwe voedselproducten te maken. Dat geldt ook voor resten die vrijkomen bij de productie van vlees, vis en zuivel, zoals botten, vissenkoppen of wei. Het RIVM en de Wageningen Food Safety Research ( WFSR Wageningen Food Safety Research (Wageningen Food Safety Research ) ) onderzochten welke soorten resten vrijkomen bij de productie en consumptie van voedsel en in welke hoeveelheden. Daar is nog weinig over bekend. Het grootste deel van de resten blijkt te ontstaan in de landbouw en de voedselverwerkende industrie. Vooral bij de teelt en verwerking van suikerbieten. De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit ( NVWA Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit) ) wil weten of het veilig is om de resten opnieuw te gebruiken. En of ziekteverwekkers zoals bacteriën of virussen via deze resten in voedsel kunnen terechtkomen. Het onderzoek laat zien dat voedselresten veilig opnieuw kunnen worden gebruikt wanneer producenten de regels voor voedselveiligheid volgen. Zij zijn wettelijk verplicht om veilige producten te maken. In het begin van de voedselketen - bij de teelt van gewassen - zijn er minder regels voor voedselveiligheid. In deze fase kunnen ziekteverwekkers via bodem, mest of water in de resten komen. Zo kunnen ze uiteindelijk in voedsel terechtkomen. Het RIVM beveelt daarom de NVWA en andere toezichthouders aan om in het begin van de voedselketen meer controle uit te voeren. Vooral als resten worden gebruikt voor voedsel of diervoeder. Ook zijn duidelijke regels nodig voor boeren en producenten. Sommige bedrijven maken nieuwe producten van voedselresten, maar kennen de regels daarvoor niet altijd goed. Zonder goede voorlichting over voedselveiligheid en toezicht kunnen risico's ontstaan. Verder is het belangrijk om voedselresten te registreren en monitoren, want anders blijven risico's onzichtbaar.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Cosmetics Fact Sheet. Default parameters for estimating consumer exposure - updated version 2025 | RIVM

Om consumentenproducten veilig te kunnen gebruiken, wordt beoordeeld of chemische stoffen in producten schadelijk kunnen zijn voor de gezondheid. Voor deze risicobeoordeling is een goede schatting nodig van de mate waarin mensen aan stoffen blootstaan terwijl zij het product gebruiken. Voor deze schatting heeft het RIVM het computerprogramma ConsExpo ontwikkeld, waarvoor in 2016 een webapplicatie is gemaakt (ConsExpo Web). Hiermee kan bijvoorbeeld de blootstelling aan een bepaalde chemische stof in huis tijdens het gebruik van onder andere verf, schoonmaakmiddelen of cosmetica worden berekend. Voor de gebruikers van ConsExpo Web zijn factsheets geschreven waarin standaardmodellen en standaardwaarden (defaults) staan beschreven. Door deze modellen en waarden te gebruiken, kan de blootstelling op een transparante en gestandaardiseerde manier worden geschat. Er zijn verschillende factsheets, waarvan nu de factsheet over cosmetica is herzien. Hierin staan standaardwaarden die kunnen worden gebruikt om de blootstelling aan een stof in een cosmeticaproduct te schatten. Voorbeelden van die waarden zijn hoe vaak een product wordt gebruikt en in welke hoeveelheden. De herziene versie beschrijft de nieuwste beschikbare databronnen. Waar nodig zijn de standaardwaarden aangepast. Tegelijk met de publicatie van de herziene Factsheet Cosmetica worden de gepubliceerde standaardwaarden in de ConsExpo-database van onder meer shampoo, bodylotion en make-up vernieuwd.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

WaterSNIP Ammoniummeetproef. Een praktijkvergelijking tussen vijf sensoren en vier analyzers die hoogfrequent ammonium meten in oppervlaktewater | RIVM

In het Nederlandse oppervlaktewater zit op veel plaatsen nog te veel ammonium. Het RIVM heeft als proef met negen verschillende apparaten de hoeveelheid ammonium gemeten in een brede sloot in Flevoland. Deze apparaten kunnen meerdere keren per uur de hoeveelheid ammonium meten. Het doel was om de verschillen tussen de methodes en apparaten te bepalen. Er zijn twee soorten apparaten getest: ammonium analyzers en ammonium sensoren. De kleine en eenvoudige sensoren bleken op veel vlakken net zo goed te zijn als de veel grotere analyzers. Ook bleek dat de apparaten vooraf goed ingesteld moeten worden om ammonium betrouwbaar te kunnen meten. Apparaten die niet goed ingesteld waren, gaven een te hoge of te lage hoeveelheid ammonium aan. Ammonium is een vorm van stikstof die (net als nitraat) goed in water oplosbaar is. Te veel ammonium is schadelijk voor dieren die in het water leven; bij hele hoge concentraties gaan vissen dood. De waterschappen meten ammonium elke maand in oppervlaktewater door een watermonster in het laboratorium te analyseren. Het RIVM meet zeven keer per jaar in de sloten van boerenbedrijven. Het is bekend dat de hoeveelheid ammonium in het oppervlaktewater binnen een paar uur veel hoger of lager kan zijn. Als er bijvoorbeeld veel neerslag valt, verandert de hoeveelheid. Deze verschillen zijn vaak niet terug te zien in de maandelijkse metingen. Door ammonium meerdere keren per uur te meten, zijn de verschillen wel te zien. Daardoor wordt duidelijk wanneer en waarom de hoeveelheid ammonium te hoog is. Hierdoor kunnen beleidsmakers maatregelen nemen om de waterkwaliteit te verbeteren. WaterSNIP is een samenwerking van het RIVM met andere onderzoeksinstituten, waterschappen en leveranciers van sensoren. De Het RIVM en Deltares organiseerden de Ammoniumproef, zes bedrijven leverden de meetapparatuur.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Verkenning vervoer gevaarlijke stoffen | RIVM

Chemische stoffen zijn nodig om alledaagse producten te maken, zoals medicijnen en cosmetica. Ze kunnen ook een bron van energie zijn, zoals methanol en ammoniak. Sommige chemische stoffen zijn gevaarlijk. In Nederland worden deze stoffen vervoerd over de weg, via het spoor, over het water en door buisleidingen. Bij een ongeval met gevaarlijke stoffen kan er brand, een explosie of een gifwolk ontstaan. Er gelden daarom veel regels om deze stoffen veilig te vervoeren. Voor de toekomst is het belangrijk dat deze regels rekening houden met ontwikkelingen die invloed hebben op het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het RIVM onderzocht vanuit veel verschillende invalshoeken welke ontwikkelingen dat zijn. Hierdoor komen niet alleen de voor de hand liggende thema's aan bod, zoals klimaatverandering, energietransitie en de woningmarkt, maar ook de invloed van economische, technologische en internationale politieke ontwikkelingen. Als gevolg van klimaatverandering is er bijvoorbeeld steeds vaker extreem weer. Dat kan de infrastructuur beschadigen of het gebruik ervan hinderen. De komende jaren zijn dan ook veel investeringen nodig om wegen, spoorwegen en vaarwegen aan te passen aan het veranderende weer. Tegelijkertijd worden door de grote vraag naar woningen steeds meer huizen gebouwd dicht bij plekken waar gevaarlijk stoffen worden vervoerd. Vooral langs spoorlijnen. Een ongeval zou daardoor op meer mensen effect kunnen hebben. Verder zullen door de energietransitie andere stoffen worden gebruikt, zoals waterstof, die bij een ongeval andere effecten hebben dan fossiele brandstoffen. Tegelijkertijd is het onzeker hoeveel van welke stof in Nederland en daarbuiten zal worden gebruikt. Ook is niet duidelijk hoe deze stoffen worden vervoerd en langs welke routes. Grote investeringen zijn nodig om grote hoeveelheden van deze stoffen veilig te kunnen vervoeren. Geopolitiek is het onder andere belangrijk om aandacht te hebben voor mogelijke bewuste (digitale) verstoringen van vervoer. Dat geldt ook voor ongewenste afhankelijkheden van bepaalde landen, bijvoorbeeld voor de levering van stoffen. In het algemeen merkt het RIVM op dat veel ontwikkelingen nog onzeker zijn. Daardoor wachten veel betrokken partijen op elkaar voordat ze keuzes maken en stellen ze investeringen uit. Om Nederland te kunnen voorbereiden op de toekomst, is het belangrijk om onzekerheden te signaleren en zo veel mogelijk weg te nemen.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Evaluatie van ringonderzoek waakvlaminstituten in 2024 | RIVM

Voor het uitvoeren van metingen tijdens een radiologisch incident kan het RIVM een beroep doen op de zogenoemde waakvlaminstituten ( WVI waakvlam instituut (waakvlam instituut ) 's). Dit zijn onafhankelijke instituten in Nederland die allen gespecialiseerd zijn in radiologische metingen. In het voorjaar van 2024 heeft het RIVM een ringonderzoek georganiseerd ter onderbouwing van de kwaliteit van de metingen. Drie verschillende monsters zijn aangemaakt met een bekende hoeveelheid radioactiviteit: een aerosolfilter, een koolpatroon en een watermonster. De gammaspectrometrische resultaten voor het aerosolfilter zijn wisselend. Van vier WVI's zijn de resultaten matig en van vijf WVI's zijn de resultaten goed. Het RIVM adviseert aan vier WVI's het gammaspectrum opnieuw te analyseren. De resultaten voor 131I in het koolpatroon zijn op basis van een statistische evaluatie voor vier WVI's matig, één WVI redelijk en vier WVI's goed. De WVI's hebben het gemiddelde gerapporteerd van de metingen van het koolpatroon met de aanzuigzijde naar de detector en andersom. Dit blijkt uit berekeningen een acceptabele en praktische werkwijze te zijn. Alleen WVI (3) heeft een kalibratie voor een koolpatroon met een aangezogen 131I activiteit; de gerapporteerde 131I activiteit is goed. De resultaten in het watermonster als afgeleide voor de monstername van een depositiebak zijn over het algemeen redelijk tot goed.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Prioritering van stoffen voor een CMR-classificatie in Nederland | RIVM

Het RIVM heeft in opdracht van het Ministerie van SZW Sociale zaken en werkgelegenheid (Sociale zaken en werkgelegenheid) stoffen geprioriteerd die in aanmerking komen voor een mogelijke classificatie voor kankerverwekkende, mutagene of reproductie toxische ( CMR Carcinogene, mutagene en reprotoxische stoffen (Carcinogene, mutagene en reprotoxische stoffen) ) eigenschappen. SZW gebruikt de lijst in haar opdrachtverlening aan de Gezondheidsraad. De kennisnotitie beschrijft de methode en resultaten van de prioritering van chemische stoffen die in aanmerking komen voor een mogelijke CMR-classificatie.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Contra-expertise op bepalingen van radioactiviteit in afvalwater en ventilatielucht van de kernenergiecentrale Borssele. Periode 2024 | RIVM

De kerncentrale Borssele (KCB) meet hoeveel radioactiviteit de centrale loost via het nucleair afvalwatersysteem en het nucleair ventilatiesysteem. Het RIVM ontvangt acht keer per jaar van de KCB monsters van afvalwater en ventilatielucht en meet daarin de radioactiviteit. Het RIVM vergelijkt deze metingen met de resultaten van de KCB. De Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) gebruikt deze 'contra-expertise' om in te schatten hoe betrouwbaar de metingen van de KCB zijn. De KCB neemt de te analyseren monsters verspreid over het jaar. De gamma-analyses van afvalwater uit de contra-expertise in 2024 kwamen redelijk tot goed overeen met de resultaten van de kerncentrale. Alleen in monster 2 en 7 was de overeenkomst matig, waarschijnlijk door een inhomogene verdeling van activiteit in het monster. Het kan zijn dat de activiteit in het hele monster niet hetzelfde is. Omdat in delen van het monster wordt gemeten, kunnen de uitkomsten daarvan verschillen. De overeenkomst in de 3H-data in afvalwater was voor 7 van de 8 monsters goed, en voor 1 monster matig. De KCB en het RIVM hebben geen strontium-isotopen en alfa-activiteit in het afvalwater aangetoond. In vier van de acht ventilatieluchtmonsters vonden het RIVM en de KCB allebei een gamma-activiteit van minder dan 0,01 Becquerel per kubieke meter (Bq.m-3) voor het nuclide 131I. De resultaten van de metingen kwamen goed overeen. De KCB bemonstert elk kwartaal anorganisch en organisch 3H en 14C in een deelstroom van de geloosde ventilatielucht. Twee systemen nemen daarvoor tegelijk de monsters. In opdracht van KCB analyseert het Duitse bedrijf Framatome alle zeolietmonsters uit systeem-1. Het RIVM doet dat in twee van de vier kwartalen van systeem-2. De activiteitsconcentraties van 3H en 14C in ventilatielucht, bemonsterd met zeolietpatronen uit systeem-1 en systeem-2, kwamen in het eerste kwartaal redelijk overeen. De overeenstemming in het derde kwartaal voor de 3H en 14C resultaten was matig. Dat heeft waarschijnlijk te maken met een technische storing in de ventilatieluchtbemonstering van systeem-2. Het RIVM voert de contra-expertises uit in opdracht van de ANVS.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Contra-expertise op bepalingen van radioactiviteit in afvalwater en ventilatielucht van COVRA NV. Periode 2024 | RIVM

De Centrale Organisatie voor Radioactief Afval ( COVRA Centrale Organisatie Voor Radioactief Afval (Centrale Organisatie Voor Radioactief Afval) ) meet hoeveel radioactiviteit zij in afvalwater en ventilatielucht loost. Het RIVM krijgt van COVRA monsters van afvalwater en ventilatielucht en meet hoeveel radioactiviteit daarin zit. Elk jaar vergelijkt het RIVM deze metingen met de resultaten van COVRA. De Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) gebruikt deze 'contra-expertise' om in te schatten hoe betrouwbaar de metingen van de nucleaire installatie zijn. Net als in de jaren ervoor kwamen de analyses van afvalwater door het RIVM in 2024 goed overeen met de resultaten van COVRA. Het gammaspectrometrische resultaat, de resultaten van de totaal-bèta bepaling, en de tritiumbepaling kwamen goed overeen. Het resultaat in de 14Cbepaling in afvalwater kwam redelijk overeen. Het resultaat van de totaal-alfa activiteitsconcentratie was bij COVRA en het RIVM net boven de detectiegrens, met een matige overeenstemming. Verder kwamen de resultaten van het RIVM en COVRA van de ventilatieluchtmonsters van het Afvalverwerkingsgebouw ( AVG algemene verordening gegevensbescherming (algemene verordening gegevensbescherming) ) en het Hoogradioactief Afval Behandelings- en Opslag Gebouw (HABOG) goed overeen voor tritium en 14C. Er is in geen enkel monster een gammaactiviteit, of een totaal-alfa of totaal-bèta activiteit in ventilatielucht gevonden. Het RIVM voert de contra-expertises uit in opdracht van de ANVS.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Calculating the environmental impact of the Dutch healthcare sector. Method report | RIVM

De zorgsector in Nederland stoot broeikasgassen uit, onder meer door energieverbruik om ziekenhuizen te verwarmen, door het gebruik van narcosegas en door de productie van medicijnen. Van alle sectoren in Nederland draagt de zorgsector voor zo'n 7 procent bij aan de totale uitstoot van broeikasgassen. Om de uitstoot te kunnen verlagen, is het belangrijk om te weten welke onderdelen het milieu het meest belasten. Het RIVM heeft een betere methode gemaakt om preciezer te berekenen hoe de zorg het milieu belast. Het RIVM kijkt hierbij niet alleen naar het effect van de zorg op het klimaat maar ook naar andere milieueffecten, zoals het gebruik van water, grondstoffen en land. Deze milieueffecten hebben invloed op bijvoorbeeld de biodiversiteit. De oude methode (2022) gaf nuttige inzichten, maar te weinig details per sector in de zorg en per productgroep. Ook kon de methode de berekening van de impact op het milieu niet herhalen. De vernieuwde methode kan dit wel, en geeft beleidsmakers en zorgprofessionals zo meer inzicht in de milieubelasting van de zorg. Nationaal en internationaal, zoals vanuit de WHO World Health Organization (World Health Organization ) , is er belangstelling in deze aanpak. De nieuwe methode is in twee modellen opgedeeld: het basismodel en het gespecificeerde model. Het basismodel kan meteen worden gebruikt en geeft in een overzicht van hoeveel de sectoren in de zorg het milieu belasten. Meer informatie is nodig voor een gedetailleerder beeld van de milieueffecten door productgroepen en diensten. Dit kan met het gespecificeerde model. De informatie die daarover nodig is, is bij veel verschillende instanties beschikbaar en daardoor sterk versnipperd. Het is daarom belangrijk dat zorginstellingen gaan samenwerken om de gewenste details te krijgen en centraal te verzamelen. Ook is het belangrijk dat gegevens op dezelfde manier worden vastgelegd, zodat ze beter met elkaar kunnen worden vergeleken. Het RIVM gaat in gesprek met zorgaanbieders en inkoop organisaties hoe dit zo efficiënt mogelijk kan worden gedaan en dat in pilots uitproberen. Het RIVM heeft de methode in opdracht van het ministerie van VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) verbeterd.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Environmental risk limits for benzotriazoles. Proposal for quality standards for surface water | RIVM

Benzotriazolen zijn chemische stoffen. Ze worden veel gebruikt in industriële koelwatersystemen om aantasting van metaal tegen te gaan. Ze zitten ook in antivries en in vaatwastabletten. Via lozingen uit de industrie en afvalwater uit huishoudens komen deze stoffen in het oppervlaktewater terecht. De nationale werkgroep Aanpak Opkomende Stoffen wil weten of deze lozingen schadelijk zijn voor het milieu. Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ( IenW Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ) ) heeft het RIVM daarom gevraagd om risicogrenzen te bepalen voor deze groep stoffen. Er bestaan honderden verschillende benzotriazolen. Het RIVM heeft er acht geselecteerd waarvan uit onderzoek blijkt dat ze veel worden gebruikt. Bij een aantal van deze acht stoffen lijken de chemische structuur, hoe ze zich in het milieu 'gedragen' en de effecten erg op elkaar. In deze gevallen geldt de risicogrens voor de opgetelde hoeveelheden van de desbetreffende benzotriazolen. Dit rapport bevat daarom risicogrenzen voor vier (groepen) benzotriazolen: 1H-benzotriazool en natrium 1H-benzotriazolide, methylbenzotriazolen, hydroxybenzotriazool en natrium 5-N-butyltriazool. De risicogrenzen in dit rapport zijn wetenschappelijke advieswaarden. Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat kan op basis van dit onderzoek besluiten om waterkwaliteitsnormen voor benzotriazolen vast te stellen. Voor 1H-benzotriazool bestaat al een indicatieve norm. Het RIVM heeft nu meer informatie gevonden waarmee een betrouwbaarder waarde kon worden bepaald. Deze kan de huidige indicatieve norm vervangen.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Actualisatie AERIUS Calculator 2025 | RIVM

AERIUS Calculator ondersteunt beleidsmakers en toestemmingsverleners. Berekeningen met AERIUS Calculator zijn onder andere ondersteunend bij het verlenen van vergunningen aan projecten of activiteiten die stikstofdepositie veroorzaken. Deze berekeningen moeten accuraat en actueel zijn. Het RIVM actualiseert daarom AERIUS Calculator elk jaar. In dit rapport staan de meest recente gegevens en inzichten die in AERIUS Calculator 2025 zijn verwerkt. Dat zijn gegevens over de uitstoot en verspreiding van stikstof en over de ligging van de gebieden met stikstofgevoelige natuur. In deze gebieden berekent AERIUS Calculator de toe- of afname van stikstofdepositie ten gevolge van nieuwe activiteiten. Om de uitstoot te berekenen werkt AERIUS Calculator voor een aantal activiteiten met zogenoemde emissiefactoren. Emissiefactoren geven bijvoorbeeld aan hoeveel stikstof een voertuig per kilometer uitstoot, of hoeveel een landbouwdier uitstoot per type stal. In AERIUS Calculator 2025 zijn nieuwe emissiefactoren voor wegverkeer, zeescheepvaart en stalsystemen verwerkt. In AERIUS Calculator 2025 zijn een aantal bronkenmerken aangepast. Dit zijn specifieke kenmerken van verschillende bronnen die stikstof uitstoten. De bronkenmerken van mobiele werktuigen zijn bijvoorbeeld niet meer ingedeeld op sector, maar op basis van het type werktuig. Dit sluit beter aan bij de werkelijke situatie. De rekenmodellen in AERIUS maken gebruik van gegevens zoals weersomstandigheden, het landgebruik en achtergrondconcentraties. Deze gegevens zijn geactualiseerd. De provincies en de rijksoverheid maken habitatkaarten die voor de Natura 2000-gebieden aangeven welk type natuur waar voorkomt. Deze kaarten zijn geactualiseerd. Hiermee kan het bevoegd gezag voor de gebieden waar dit nodig is beoordelen of een activiteit een vergunning kan krijgen. Ook de achtergronddepositie kan voor deze berekeningen van belang zijn. Dit is de depositie die er al is, zonder de bijdrage van de nieuwe activiteit. De achtergronddepositie is geactualiseerd op basis van de meest recente emissiecijfers voor het binnen- en buitenland. Ook is kalibratie uitgevoerd volgens de meest recente inzichten, waaronder die over ammoniak van zee. Kalibratie zorgt ervoor dat de berekening van de achtergronddepositie beter aansluit bij metingen.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Emissiekarakteristieken luchtvaart in AERIUS-Calculator | RIVM

De kennisnotitie Emissiekarakteristieken luchtvaart in AERIUS Calculator licht de huidige standaard emissiekarakteristieken voor luchtverkeer in AERIUS Calculator toe. Ook staan er een aantal adviezen voor mogelijke verbeteringen in de kennisnotitie. De emissiekarakteristieken voor luchtvaart worden bepaald door TNO. Deze worden toegepast in AERIUS Calculator en ook in de berekeningen voor de monitoring van stikstof en de GCN Grootschalige Concentratiekaarten Nederland (Grootschalige Concentratiekaarten Nederland) -berekeningen. In AERIUS Calculator is de indeling van de verschillende activiteiten net anders dan in de monitoring en GCN. Zo wordt onderscheid gemaakt tussen de activiteiten: stijgen, landen, taxiën en 'emissiebronnen op het luchthaventerrein'. Voor de activiteit take-off kent AERIUS geen standaard emissiekarakteristiek. Het RIVM stelt dat het logischer zou zijn om deze karakteristiek wel mee te nemen. Ook raadt het RIVM aan om de warmte inhoud van de hulpmotor (de APU) wellicht verder uit te splitsen, afhankelijk van de grootte van het vliegtuig. Daarnaast constateert het RIVM dat de emissiehoogte van de emissiebronnen op het luchthaventerrein die momenteel gehanteerd wordt, in de meeste gevallen te hoog is. In vervolgonderzoek van TNO kan een nadere invulling en onderbouwing van bovengenoemde voorstellen voor verbetering gegeven worden.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Evaluatie mogelijk nadelige gezondheidseffecten bakkerszout 2.0 Hogere inname van kalium, magnesium en chloride | RIVM

De meeste Nederlanders krijgen te veel zout (natrium) binnen. Dat kan voor een hoge bloeddruk zorgen, waardoor mensen een grotere kans hebben op hart- en vaatziekten. Daarom stimuleert het ministerie van VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) fabrikanten om minder zout aan voedingsmiddelen toe te voegen. Het gebruik van zoutvervangers kan daar misschien bij helpen. Een belangrijke bron van zout is brood. In Nederland eten mensen veel brood waardoor zij via dit product relatief veel zout binnenkrijgen. De bakkerijsector wil met een zoutvervanger de hoeveelheid zout in brood, broodvervangers en andere bakkerijproducten verlagen (bakkerszout 2.0). Hierin zit minder natrium, maar meer van de mineralen kalium, magnesium en chloride. VWS gaat beslissen onder welke voorwaarden dat mag. Het RIVM onderzocht daarom of het gebruik van bakkerszout 2.0 negatieve effecten voor de gezondheid heeft. Er blijkt weinig informatie te zijn over mogelijk negatieve gezondheidseffecten van bakkerszout 2.0. Het lijkt erop dat deze effecten bij gezonde volwassenen niet optreden. Voor bepaalde mensen is de kans op negatieve gezondheidseffecten groter als ze meer kalium binnenkrijgen. Bijvoorbeeld voor mensen van wie de nieren niet goed werken of mensen die bepaalde medicijnen gebruiken, zoals bij hartfalen. Voor anderen, zoals jonge kinderen en zwangere vrouwen, is er te weinig informatie om een conclusie te trekken. Het RIVM adviseert enkele voorwaarden te stellen als bakkerszout 2.0 en andere zoutvervangers gaan worden gebruikt. Zo is het belangrijk om duidelijk op de verpakking van een voedingsmiddel te vermelden welke mineralen in de zoutvervanger zitten en de hoeveelheid kalium te vermelden. Ook moeten zorgprofessionals en risicogroepen informatie krijgen over de veranderingen. Verder moeten er voedingsmiddelen met weinig kalium beschikbaar blijven voor mensen met een kaliumbeperkt dieet. Daarnaast adviseert het RIVM te volgen hoeveel van de drie mineralen mensen binnenkrijgen en welk deel als toevoeging aan voedingsmiddelen. Bovendien is het belangrijk in kaart te brengen in welke voedingsmiddelen zoutvervangers zitten. Ook is meer onderzoek naar mogelijke schadelijke effecten van de drie mineralen noodzakelijk. Tot slot moet worden uitgezocht aan welke wet- en regelgeving het gebruik van zoutvervangers moet voldoen.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Monitor stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden 2025 | RIVM

Het gaat slecht met veel natuur in Nederland. Dit komt onder andere door de neerslag van stikstof (stikstofdepositie). Te veel stikstof is schadelijk voor bepaalde typen natuur. Nederland heeft afgesproken om de natuur in Natura 2000-gebieden te beschermen. Daarvoor moet de stikstofneerslag omlaag. De Nederlandse overheid heeft in de wet vastgelegd voor welk oppervlak natuur de stikstofneerslag in de komende jaren onder de kritische depositiewaarde (KDW) moet liggen. De doelen zijn: 40 procent in 2025, 50 procent in 2030 en 74 procent in 2035. De KDW geeft aan hoeveel stikstof de natuur aankan voordat er schade kan ontstaan en zeldzame planten kunnen verdwijnen. Het RIVM onderzoekt elk jaar hoe de neerslag van stikstof zich ontwikkelt en of de wettelijke doelen worden gehaald. Hieruit blijkt dat de doelen dichterbij zijn gekomen. Maar het is heel erg onwaarschijnlijk dat de wettelijke doelen met het huidige beleid gehaald worden. De stikstofneerslag is tussen 2005 en 2023 gedaald. Deze daling komt vooral doordat de landen om ons heen minder stikstof uitstoten. Ook daalt de uitstoot door landbouw en verkeer in Nederland. De hoeveelheid stikstof boven de KDW is met meer dan de helft afgenomen. Toch is nog steeds een groot deel van het natuuroppervlak overbelast. In 2023 was op 30 procent van het natuuroppervlak de neerslag lager dan de KDW. Voor dit rapport zijn nieuwe berekeningen uitgevoerd van de stikstofneerslag die in de toekomst verwacht wordt. De verwachting is dat de stikstofneerslag sterker zal gaan dalen. Dit komt vooral door extra maatregelen voor de sectoren landbouw en verkeer. Voor landbouw geldt dat Nederlandse bedrijven minder mest mogen gebruiken op het land. Ook zijn er nieuwe uitkoopregelingen. Voor verkeer is bijvoorbeeld de verwachte groei van het aantal elektrische voertuigen groter. Doordat de stikstofneerslag daalt, komt er steeds meer oppervlak natuur onder de KDW. Voor 2025 is de verwachting dat dit 30 procent is, in 2030 tussen 32 en 34 procent en in 2035 tussen 33 en 39 procent. In veel natuurgebieden blijft de stikstofneerslag dus hoger dan de KDW.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Prognoseberekeningen van luchtkwaliteit en stikstofdepositie voor 2030-2040 onder invloed van klimaatverandering | RIVM

Het RIVM maakt om de twee jaar prognosekaarten voor luchtkwaliteit en stikstofdepositie met berekeningen met het Operationele Prioritaire Stoffen ( OPS Operationele Prioritaire Stoffen (Operationele Prioritaire Stoffen) ) model. Tot nu toe werd hierbij geen rekening gehouden met klimaatverandering. Vanwege de KNMI Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut) klimaatscenario's uit 2023 besloot het RIVM om dat vanaf nu wel te doen. Deze kennisnotitie beschrijft onderzoek naar mogelijkheden om bij het maken van de prognosekaarten rekening te houden met de verandering van het klimaat. Uitgangspunt is, dat het gebruikte 'weer van de toekomst' zo goed mogelijk past bij de meest recente klimaatscenario's van het KNMI. Omdat het weer op diverse plaatsen in de berekeningen een rol kan spelen, onderzocht het RIVM drie deelonderwerpen: 1. De directe invloed van het weer op de verspreidingsberekeningen van het OPS-model. Op basis daarvan wordt de meteorologie vanaf nu gebaseerd op de set van de tien laatste beschikbare jaren. 2. De impact van het weer op chemische reacties in de atmosfeer. In OPS wordt een representatief steekproefjaar voor weersafhankelijke chemische informatie uit het EMEP Europese model voor de verspreiding van lucht (Europese model voor de verspreiding van lucht ) -model gebruikt. Dit steekproefjaar was 2009 en is nu aangepast naar 2020. 3. De impact van het weer op de kalibratie van het model. Net zoals voor deelonderwerp 1 zal hiervoor vanaf nu gebruik worden gemaakt van de meest recente jaren. De resultaten zijn toegepast in de Grootschalige Concentratiekaarten Nederland 2025 en de Monitor stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden 2025.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Methodewijziging voor kalibratie van NH3 droge depositieberekeningen aan concentratiemetingen | RIVM

Het RIVM publiceert elk jaar kaarten van de concentratie en depositie van verontreinigende stoffen in Nederland. Ook monitort het RIVM de stikstofdepositie op stikstofgevoelige natuur. De berekeningen hiervoor worden gedaan met het Operationele Prioritaire Stoffenmodel ( OPS Operationele Prioritaire Stoffen (Operationele Prioritaire Stoffen) ). Deze berekeningen kunnen afwijken van metingen. Om de kaarten zo goed mogelijk te laten aansluiten bij de metingen kalibreert het RIVM de berekeningen met metingen. In de kennisnotitie Methodewijziging voor kalibratie van NH3 ammoniak (ammoniak) droge depositieberekeningen aan concentratiemetingen introduceert het RIVM een nieuwe methode voor de kalibratie van ammoniakconcentraties en de droge depositie van ammoniak (regression kriging). Het voordeel van deze methode is dat de kalibratie op een locatie niet alleen afhankelijk is van de verschillen tussen meting en model op meetlocaties in de buurt, maar dat de grootschalige (landelijke) relatie tussen meting en model ook wordt meegenomen. Dit zorgt voor een stabiele kalibratie van berekeningen langs de kust en verder landinwaarts. Daarnaast laat deze methode zien wat de (ruimtelijke verdeling van) onzekerheden in de gekalibreerde berekeningen is. Het RIVM gebruikt deze onzekerheden bij het opstellen van meetstrategieën en bij het opsporen van afwijkende metingen. De resultaten zijn toegepast in de Grootschalige Concentratiekaarten Nederland 2025 en de Monitor stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden 2025.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Geschiktheid van MAN-meetlocaties voor de kalibratie van concentratie- en depositiekaarten | RIVM

Het RIVM publiceert elk jaar kaarten van de concentratie en depositie van verontreinigende stoffen in Nederland. Ook monitort het RIVM de stikstofdepositie op stikstofgevoelige natuur. De berekeningen hiervoor worden gedaan met het Operationele Prioritaire Stoffenmodel ( OPS Operationele Prioritaire Stoffen (Operationele Prioritaire Stoffen) ). Deze berekeningen kunnen afwijken van metingen. Om de kaarten zo goed mogelijk te laten aansluiten bij de metingen kalibreert het RIVM de berekeningen met metingen. Voor de kalibratie van de concentratie en droge depositie van ammoniak maakt het RIVM gebruik van gemeten concentraties in het Meetnet Ammoniak in Natuurgebieden ( MAN Meetnet Ammoniak Natuurgebieden (Meetnet Ammoniak Natuurgebieden ) ). De daarvoor gebruikte kalibratiemethode is recent herzien en staat beschreven in Siteur et al. (2025). Het doel van de kalibratie is om verschillen tussen modelberekeningen en metingen te verkleinen. Bij het inrichten van MAN-meetlocaties wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met de bruikbaarheid van een meetlocatie voor de kalibratie. Daarom zijn veruit de meeste MAN-meetlocaties geschikt voor de kalibratie. Sommige meetlocaties liggen dichtbij emissiebronnen, wat leidt tot zeer lokale concentratiepieken. Deze meetlocaties zijn daardoor ongeschikt voor de kalibratie en hebben een ander doel In deze kennisnotitie staat een lijst met criteria waarop de geschiktheid van de MAN-meetlocaties voor kalibratie bepaald wordt. De resultaten zijn toegepast in de Grootschalige Concentratiekaarten Nederland 2025 en de Monitor stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden 2025.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Uitvoeringstoets: tijdelijke uitbreiding van het bevolkingsonderzoek borstkanker met MRI voor vrouwen met zeer dicht borstweefsel | RIVM

In het bevolkingsonderzoek borstkanker wordt bij vrouwen van 50 tot 75 jaar onderzocht of er afwijkingen in hun borstweefsel zijn. Dit wordt gedaan met een röntgenfoto (mammografie). Bij 5 tot 8 procent van deze vrouwen is het borstweefsel zeer dicht (densiteit D). Daardoor zijn afwijkingen moeilijker te zien op een mammografie. Uit onderzoek blijkt dat aanvullend MRI magnetic resonance imaging (magnetic resonance imaging) -onderzoek kan helpen om borstkanker bij deze vrouwen eerder op te sporen. Er loopt nog een studie naar andere mogelijkheden om zeer dicht borstweefsel te onderzoeken. In opdracht van het ministerie van VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) onderzocht het RIVM of het mogelijk is om in de tussentijd al MRI aan te bieden. Hiervoor werkte het RIVM verschillende scenario's uit: welke leeftijdsgroepen mee kunnen doen, hoe vaak een MRI wordt aangeboden en hoe het kan worden georganiseerd. Het RIVM heeft hierbij veel partijen betrokken, zoals patiëntenorganisaties, artsen, wetenschappers en ziekenhuizen. Volgens het RIVM is het mogelijk om MRI-onderzoek voorlopig toe te voegen aan het bevolkingsonderzoek borstkanker. Voor de meeste scenario’s is er genoeg personeel en apparatuur om MRI-onderzoek aan te bieden aan vrouwen met zeer dicht borstweefsel. Wel moet erop worden gelet dat er dan ook genoeg personeel en apparatuur is voor andere medische onderzoeken waarvoor MRI nodig is. Het RIVM adviseert om de MRI-onderzoeken te organiseren en betalen vanuit het bevolkingsonderzoek. Aanbevolen wordt om de MRI-onderzoeken uit te voeren in ziekenhuizen en zelfstandige behandelcentra, onder coördinatie van- en met controle op de kwaliteit door het bevolkingsonderzoek. Zo kan het bevolkingsonderzoek in heel Nederland op dezelfde manier en met goede kwaliteit worden gedaan. VWS gaat beslissen of de MRI wordt ingevoerd, aan wie dit onderzoek wordt aangeboden, hoe vaak en hoe het wordt georganiseerd. Daarna is nog tijd nodig om de MRI in te voeren in het bevolkingsonderzoek. Mocht het rapport vragen oproepen, kijk dan voor meer informatie op de pagina: Screening bij zeer dicht borstweefsel
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Evaluatie tuberculosescreening immigranten en asielzoekers 2019-2023 | RIVM

De ziekte tuberculose wordt veroorzaakt door een bacterie en kan besmettelijk zijn. Mensen met een tuberculose-infectie zijn niet ziek of besmettelijk, maar kunnen dat zonder behandeling wel worden. Dat kan een tijd, soms zelfs jaren, duren. Om te voorkomen dat de ziekte zich verspreidt, worden mensen met tuberculose of een tuberculose-infectie opgespoord en behandeld. Immigranten en asielzoekers die uit landen komen waar tuberculose veel voorkomt, worden bij binnenkomst in Nederland verplicht gescreend op tuberculose. Dit heet de binnenkomstscreening. De GGD Gemeentelijke Gezondheidsdienst (Gemeentelijke Gezondheidsdienst) onderzoekt zo of ze de ziekte tuberculose hebben of een tuberculose-infectie. Immigranten en asielzoekers uit landen waar tuberculose het meest voorkomt en bij wie ziekte en infectie bij binnenkomst niet zijn uitgesloten, wordt een vervolgscreening aangeboden. De resultaten van de screenings worden elke vijf jaar geëvalueerd. Dat deed het KNCV Koninklijke Nederlandse Centrale Vereniging (voor tuberculosebestrijding) - Tuberculosis Foundation (Koninklijke Nederlandse Centrale Vereniging (voor tuberculosebestrijding) - Tuberculosis Foundation) Tuberculosefonds tot 2020 en wordt nu door het RIVM gedaan. Net als eerdere evaluaties laat de evaluatie over de jaren 2019 tot en met 2023 zien dat de binnenkomstscreening van asielzoekers en immigranten goed werkt. Van 2019 tot en met 2023 zijn in totaal 149.524 personen onderzocht op de ziekte tuberculose: 87.743 immigranten en 61.781 asielzoekers. In totaal is met de binnenkomstscreening bij 69 immigranten en 170 asielzoekers de ziekte tuberculose gevonden. Tijdens de vervolgscreening bleken 32 immigranten en 41 asielzoekers de ziekte te hebben. Mensen met de ziekte tuberculose worden behandeld met antibiotica. Voor het eerst zijn ook de resultaten van de screening op tuberculose-infectie geanalyseerd. Hiervoor zijn 10.765 immigranten onderzocht, die allemaal 18 jaar of ouder waren. Van hen had 13 procent een tuberculose-infectie. Zij krijgen een behandeling aangeboden. Mensen die niet willen worden behandeld, blijven nog twee jaar onder controle.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Meetresultaten bij branden met elektrische voertuigen en gebruik van ultrahogedruk snijen blussystemen. Onderzoek van rook, depositie en bluswater | RIVM

Bij elektrische voertuigen is de batterij afgeschermd door een waterdichte kuip. De brandweer zet een brandend elektrisch voertuig nu vaak in een grote container onder water of laat het gecontroleerd uitbranden. Om dit blusproces te verbeteren is een nieuwe methode ontwikkeld met het ultrahogedruk (UHD) snij- en blussysteem. Hiermee kan door de auto heen worden gesneden, zodat het bluswater de brandende batterij kan bereiken. Het Nederlands Instituut Publieke Veiligheid (NIPV) heeft deze blusmethode getest met twee brandproeven met elektrische voertuigen. Het RIVM heeft hierbij gemeten welke stoffen in bluswater, rook en deeltjes zitten die in de omgeving zijn neergedaald. Het gaat om deeltjes die kleiner zijn dan ongeveer 2 millimeter. De metingen laten zien dat er veel kleine schadelijke deeltjes in de rook zitten, die in de omgeving kunnen neerdalen. Hierdoor is het belangrijk er rekening mee te houden dat oppervlakken dicht bij de brand vervuild kunnen raken. Dit geldt vooral voor branden van grote batterijen. Net als bij de meeste branden is de stof koolmonoxide het gevaarlijkste rookgas. Verder blijkt dat bij de UHD-methode veel schadelijke stoffen uit de batterij kunnen vrijkomen, zoals de zware metalen kobalt en nikkel. Deze deeltjes kunnen met het bluswater op de bodem rond het voertuig terechtkomen en verder in de omgeving. Hierdoor kan de bodem zo vervuild raken dat hij volgens de wet moet worden gesaneerd. Zware metalen zijn ook schadelijk voor oppervlaktewater wanneer ze via het riool in een plas of sloot terechtkomen. In zeldzame gevallen kunnen mensen huidletsel krijgen als ze met de vervuiling in contact komen. Dat kan gebeuren als de bodem na het gebruik van het UHD-systeem niet wordt schoongemaakt en schadelijke stoffen op de bodem achterblijven. Het RIVM raadt daarom aan om er vóór het gebruik de UHD-methode rekening mee te houden dat sterk vervuild bluswater vrijkomt. Het RIVM beveelt aan de methode verder te ontwikkelen. Als het vervuilde UHDbluswater kan worden opgevangen, kunnen zowel gevaarlijke situaties voor mensen in de omgeving als milieuvervuiling worden voorkomen.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Tussenrapportage overschrijdingen EU-grenswaarden in 2030 | RIVM

Deze kennisnotitie gaat over hoeveel keer de nieuwe Europese normen voor NO2 Stikstofdioxide (Stikstofdioxide) (stikstofdioxide), PM10 fijnstof (fijnstof) (fijnstofdeeltjes kleiner dan 10 micrometer) en PM2.5 (fijnstofdeeltjes kleiner dan 2.5 micrometer) in 2030 bij wegen naar verwachting worden overschreden. De notitie bespreekt ook de verwachte overschrijdingen van de nieuwe grenswaarde voor PM10 bij veehouderijen. Het is een vervolg op dit RIVM-rapport uit 2023 en deze monitoringsrapportage uit 2024 over de gevolgen van de voorgestelde Europese luchtkwaliteitsrichtlijn voor Nederland. Voor 2030 wordt in deze kennisnotitie geschat dat de nieuwe normen voor de concentratie van stoffen in de lucht per kubieke meter op ongeveer 1200 locaties zullen worden overschreven voor NO2, op meer dan 400 voor PM 2.5 en op enkele tientallen locaties voor PM10. De schattingen zijn nog onzeker omdat we niet precies weten hoe de situatie in 2030 zal gaan zijn. Het aantal overschrijdingen voor NO2 is in de huidige schatting circa 80% lager dan in eerdere schattingen. Dit komt, onder andere, doordat nieuwe gunstigere toekomstscenario's schoner wegverkeer laten zien. Ook zijn er in deze recente doorrekening meetpunten weggelaten waarop de normen wel getoetst worden, maar waar geen mensen komen of verblijven. De nieuwste verkeersgegevens van bronhouders kwamen pas eind juli 2025 beschikbaar en konden niet worden meegenomen in deze doorrekening. Daarom zijn voor deze kennisnotitie de cijfers uit de monitoringsrapportage van 2024 voor het rekenjaar 2030 gebruikt. Voor de schatting van het aantal knelpunten voor luchtkwaliteit in 2030 is wel de nieuwste kennis van achtergrondconcentraties, emissiefactoren, het weer en het gebruik van het land in 2030 gebruikt.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Achtergrondrapport bij de kennisnotitie 'Verkenning Chemours en de Westerschelde; Advies voor onderzoek naar PFAS in deze regio's' | RIVM

Omwonenden van de chemiefabriek Chemours en de Westerschelde maken zich zorgen over PFAS Per- en polyfluoralkylstoffen (Per- en polyfluoralkylstoffen ) (Per- en polyfluoralkylstoffen) in hun omgeving en hun lichaam. Deze zorgen zijn niet nieuw. Naar aanleiding van enkele moties in de Tweede Kamer onderzocht het RIVM in 2024 welke vragen, zorgen en behoeften aan onderzoek omwonenden precies hebben. Daaruit blijkt dat omwonenden meer duidelijkheid willen over hoeveel PFAS er in hun leefomgeving en lichaam zit, en wat dat betekent voor hun gezondheid en het milieu. Ook wijzen veel deelnemers de overheid en bedrijven op hun verantwoordelijkheid om de uitstoot en de lozingen van PFAS te stoppen. Verder hebben ze behoefte aan begrijpelijke en betrouwbare informatie over PFAS die makkelijk te vinden is. Voor deze verkenning heeft het RIVM reacties van ruim 4.300 omwonenden verwerkt. Deelnemers hebben een korte vragenlijst ingevuld, waarna een deel van hen in kleine groepen (van maximaal 10 mensen) is geïnterviewd. Naast de inhoudelijke reacties gaven deelnemers aan zich door deze werkwijze gehoord te voelen, ondanks hun zorgen over de situatie. Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ( IenW Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ) ) heeft inmiddels besloten een groot deel van de vragen die omwonenden hebben te laten onderzoeken. Het RIVM deed deze verkenning in opdracht van IenW om te weten welke onderzoeken gewenst en nodig zijn. De resultaten zijn al eerder gepubliceerd. Dit achtergrondrapport beschrijft uitgebreider hoe de verkenning is uitgevoerd en wat de resultaten en inzichten ervan zijn. Zo is er meer informatie te vinden over de vragenlijsten en de gesprekken die met omwonenden zijn gehouden.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Signaleringslijst stoffen met mogelijke ZZS-eigenschappen. Verkenning mogelijkheden aanscherping methodiek voor pZZS-lijst door Europese kaders beter te gebruiken | RIVM

ZZS Zeer Zorgwekkende Stoffen (Zeer Zorgwekkende Stoffen ) , oftewel, zeer zorgwekkende stoffen, zijn gevaarlijk voor mens en milieu. Dat komt bijvoorbeeld omdat ze slecht zijn voor de voortplanting, kankerverwekkend zijn of in de voedselketen opstapelen. Op basis van Europese criteria wordt bepaald of een chemische stof zeer zorgwekkend is. Nederland heeft beleid om te voorkomen dat deze stoffen in de omgeving terechtkomen. Het streven is dat de industrie geen of zo min mogelijk ZZS naar water en lucht uitstoot. Het RIVM houdt hiervoor als hulpmiddel een lijst bij van stoffen die ZZS zijn: de zogenoemde ZZS-lijst. Sinds 2018 houdt het RIVM ook een lijst bij van stoffen waarvan in Europa nog moet worden beoordeeld of ze eigenschappen hebben van ZZS. Het RIVM heeft een methode ontwikkeld om deze stoffen in beeld te krijgen. Deze zogeheten signaleringslijst maakt het voor bedrijven en bevoegde gezagen duidelijke welke stoffen mogelijk ZZS zijn. Ook kan deze informatie worden gebruikt bij de risicobeoordeling die nodig is voor een vergunningverlening. De lijst heeft de functie van een signalering en heeft geen juridische status. Het RIVM doet nu een voorstel om de methode aan te scherpen. De uitgangspunten van de methode zijn hetzelfde gebleven, een paar zaken zijn veranderd. Zo worden strengere eisen voorgesteld voordat een stof op de signaleringslijst komt te staan. Dat maakt de kans groter dat een stof op de lijst na vervolgonderzoek ook echt ZZS blijken te zijn. Tegelijkertijd kijkt het RIVM naar meer Europese onderzoeken over stoffen dan nu gebeurt. Hierdoor komen ook andere stoffen in beeld. Verder wordt binnen de signaleringslijst een onderscheid voorgesteld tussen 'vroegsignalering' en 'serieuze signalering'. Over stoffen met een vroegsignalering is nog weinig informatie bekend. Over stoffen met een serieuze signalering is veel meer informatie beschikbaar en is het vermoeden groter dat het ZZS zijn. Deze stoffen bleken tot nu toe vaker ZZS-eigenschappen te hebben en uiteindelijk op de ZZS-lijst te komen. De methode is in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ( IenW Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ) ) onder de loep genomen. IenW beslist of het voorstel wordt overgenomen.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Contra expertise op metingen van radioactiviteit in enkele luchtlozingen van de BV Gemeenschappelijke Kernenergiecentrale Nederland in de periode 2024 | RIVM

In opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) zijn er radioactiviteitsmetingen uitgevoerd aan de luchtlozingen van de Gemeenschappelijke Kernenergiecentrale Nederland (GKN) in de periode 2024. Het doel van deze metingen is het uitvoeren van een contra expertise op de meetresultaten van GKN.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Contra expertise op metingen van radioactiviteit in enkele waterlozingen van Reactorinstituut Delft in 2024 | RIVM

In opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) zijn er aan twee in 2024 genomen afvalwatermonsters van het Reactor Instituut Delft ( RID Règlement concernant le transport international ferroviaire des marchandises dangereuses (Règlement concernant le transport international ferroviaire des marchandises dangereuses) ) metingen verricht door het RIVM. Het doel van deze metingen is een verificatie van de meetresultaten van RID.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Ongevallen bij wandelaars en fietsers | RIVM

In Nederland wandelen en fietsen veel mensen, wat goed is voor hun gezondheid. Bijna driekwart van de mensen in Nederland wandelt elke week in de vrije tijd, als sport of naar school of werk. Bijna twee derde fietst elke week. Elk jaar loopt bijna twee procent van de mensen in Nederland letsel op door op straat te vallen. Nog eens twee procent loopt letsel op door een ongeval met de fiets. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM. Het geeft nieuwe inzichten omdat het ook wandelaars en fietsers in beeld brengt die na een ongeval niet naar de spoedeisende hulp ( SEH Spoedeisende hulp (Spoedeisende hulp) ) gaan. Zij komen meestal niet voor in ander onderzoek, terwijl zij een groot deel (85%) van de wandelaars en fietsers zijn die letsel oplopen. Huisartsen of een andere hulpverlener verzorgen een kwart van de verwondingen. Zestig procent van de letsels wordt niet behandeld. Dit is vaak een open wond, schaafwond of kneuzing. Op de SEH worden vaak botbreuken behandeld. Hoewel de verwondingen van mensen die niet behandeld worden meestal niet ernstig zijn, hebben ze hier wel hinder van. Een kwart van hen kan namelijk minimaal één dag de dagelijkse bezigheden in en om het huis niet doen of niet naar school, werk, of sport. Jongeren lopen het vaakst letsel op door een val op straat of een fietsongeval. Ook mensen op een elektrische fiets hebben een grotere kans een ongeluk te krijgen, vooral ouderen. Onoplettendheid, afleiding en de toestand van de weg spelen vaak een rol bij vallen op straat en fietsongevallen. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM. Het heeft hiervoor gegevens van de Leefstijlmonitor geanalyseerd. Deze informatie kan de overheid helpen om beleid te maken om het aantal fiets- en wandelongevallen in Nederland terug te dringen.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Onderzoek Beleving Woonomgeving (OBW). Hinder en slaapverstoring in de woonomgeving 2024 | RIVM

Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ( I&W Ministerie van Infrastructuur & Waterstaat (Ministerie van Infrastructuur & Waterstaat) ) wil weten hoe bewoners in Nederland hun woonomgeving beleven. Samen met het Centraal Bureau voor de Statistiek ( CBS Centraal Bureau voor de Statistiek (Centraal Bureau voor de Statistiek) ) onderzoekt het RIVM dit sinds 2019 elk jaar. Het RIVM heeft hierbij onder andere gekeken hoe bewoners geluid, trillingen, geur, licht en veiligheid in de woonomgeving ervaren. Dit keer gaat het onderzoek over de resultaten over 2024. Deze zijn ook vergeleken met die van 2023 en de gemiddelde resultaten van de vier jaar daarvoor (2019-2022). In 2024 zijn iets meer mensen ontevreden over hun leefomgeving. Geluid van wegverkeer is de grootste bron van ernstige hinder en de op één na grootste bron van ernstige slaapverstoring. Binnen wegverkeer veroorzaken brommers en motoren de meeste ernstige geluidhinder en ernstige slaapverstoring. Vergeleken met 2023 is de ernstige hinder voor bijna alle geluidsbronnen binnen het wegverkeer afgenomen. Alleen voor het geluid voor militaire voertuigen is deze hetzelfde gebleven. Wegverkeer geeft ook overlast, omdat het trillingen veroorzaakt. Buren zijn de tweede belangrijkste bron van geluidshinder. Ook veroorzaken 'activiteiten van buren' geuroverlast. Dit is de belangrijkste bron van ernstige geurhinder. Dit gaat vooral om geuren van open haarden, vuurkorven en barbecues. 'Activiteiten van buren' zorgen ook voor ernstige hinder door trillingen. Verder komt uit het onderzoek naar voren dat de ernstige hinder van relatief nieuwe bronnen, zoals laagfrequent geluid (bromtonen), drones, windmolens of -turbines en warmtepompen, licht is gedaald of gelijk zijn gebleven. Dat neemt niet weg dat deze onderwerpen regionaal of lokaal maatschappelijke onrust kunnen veroorzaken. Daarnaast blijkt dat mensen die in de buurt wonen van 'een activiteit met een risico', zoals zware industrie en langs 'een route gevaarlijke stoffen', vaker (ernstig) bezorgd zijn over hun eigen veiligheid. In 2024 namen ruim 3.285 inwoners van Nederland van 16 jaar en ouder deel aan dit onderzoek. Het RIVM rapporteert de bevindingen die op basis van een vragenlijstonderzoek zijn verzameld.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Voedselgerelateerde en overige enterale infecties in Nederland. Jaarrapportage 2024 | RIVM

Mensen kunnen ziek worden als ze voedsel eten dat besmet is met verschillende bacteriën, virussen of parasieten. Ook via andere routes kunnen ze er ziek van worden, zoals door contact van mens-op-mens of via dieren. Meestal krijgen mensen daarvan maag-darmklachten, zoals overgeven, buikpijn en/of (bloederige) diarree. In sommige gevallen kunnen de klachten ernstig zijn, zoals hepatitis, bloedvergiftiging of hersenvliesontsteking. Net als in 2023 werden mensen in 2024 vaker ziek door Salmonella Enteritidis dan in de jaren 2015-2019. Deze bacterie kwam ook vaker voor bij leghennen in Nederland. Daarnaast zijn meer mensen ziek geworden van Shiga toxine-producerende E. coli Escherichia coli (Escherichia coli) ( STEC Shigatoxineproducerende E. coli-stammen (Shigatoxineproducerende E. coli-stammen) ) -bacterie, hepatitis A-virus en norovirus. De toename in het aantal norovirusinfecties komt mogelijk doordat mensen vooral ziek werden van een genotype dat tot voor kort minder vaak voorkwam. Waarschijnlijk hebben mensen er daardoor minder afweer tegen opgebouwd. In totaal liepen in Nederland in 2024 naar schatting bijna 2 miljoen mensen een infectie op met een voedsel-gerelateerde ziekteverwekker. De ziektelast wordt met een internationale maat aangegeven: DALY Disability Adjusted Life Year (Disability Adjusted Life Year) 's (Disability Adjusted Life Years). De totale ziektelast van 14 voedselgerelateerde ziekteverwekkers in 2024 werd geschat op 12.000 DALY. Dit is iets hoger dan in 2023 (11.000 DALYs; 9 procent meer). Het deel van de ziektelast dat via voeding is veroorzaakt, is in 2024 geschat op 4.700 DALY. Dat is vergelijkbaar met 2023. De totale ziektekosten van deze 14 voedselgerelateerde ziekteverwekkers zijn geschat op 566 miljoen euro in 2024. Dit is hoger dan in 2023 (553 miljoen euro; 2 procent meer). De geschatte kosten veroorzaakt door besmet voedsel bedroegen in 2024 192 miljoen euro. Dat is iets lager dan in 2023 (193 miljoen euro; 0,5 procent minder). Het RIVM houdt bij hoe vaak voedselgerelateerde en enterale infecties in Nederland voorkomen en brengt uitbraken en de ziektelast (inclusief kosten) in kaart. Bij dit soort infecties werkt het RIVM samen met partners als de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit ( NVWA Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit) ) en Wageningen Food Safety Research ( WFSR Wageningen Food Safety Research (Wageningen Food Safety Research ) ).
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Inventarisatie van meldingen, meetmethoden en effecten van laagfrequent geluid (LFG) in Nederland | RIVM

Laagfrequent geluid (LFG), zoals lage tonen of bromtonen, kan hinder veroorzaken. Dat betekent dat mensen zich bijvoorbeeld eraan ergeren of slecht erdoor slapen. Mensen kunnen klachten over LFG melden bij verschillende instanties, zoals GGD Gemeentelijke Gezondheidsdienst (Gemeentelijke Gezondheidsdienst) 'en, provincies en de Stichting Laagfrequent Geluid. Het RIVM onderzocht het aantal meldingen en over welke vorm van hinder ze gaan. Het deed dat in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ( IenW Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ) ). Sinds de eerste meldingen is het aantal registraties gestegen. In 2020 waren er de meeste, ongeveer 179 bij de GGD en 1.139 bij de Stichting Laagfrequent Geluid. Daarna daalde het aantal, maar waren er nog steeds meer meldingen dan bij de eerste registraties. De meest genoemde klacht bij meldingen bij GGD'en is hinder: 77 procent van de meldingen van LFG bij deze organisatie gaat daarover. Andere klachten zijn psychische klachten, bezorgdheid en slaapverstoring. Na een melding besluit een Omgevingsdienst om wel of niet geluid te meten. Als er wordt gemeten wordt bij minder dan 25 procent van de meldingen daadwerkelijk LFG gemeten. Daarvan was bij 25 procent een bron te vinden. Er is geen standaard meetmethode. De meeste Omgevingsdiensten gebruiken de richtlijnen van de Nederlandse Stichting Geluidhinder of de zogeheten Vercammen-curve, of allebei. Deze geven een indicatie of de gemelde LFG hoorbaar, aanvaardbaar of hinderlijk is. Er is ook nog geen werkwijze om de metingen te analyseren en erover te communiceren. Het RIVM adviseert dat de Omgevingsdiensten één meetmethode ontwikkelen waarin al deze 'ingrediënten' zitten. Het is belangrijk dat alle Omgevingsdiensten daarbij betrokken zijn, zodat ze allemaal dezelfde aanpak steunen en gebruiken. Het is wenselijk om ook de GGD'en en andere organisaties die zich met geluid bezighouden erbij te betrekken. Verder heeft het RIVM een review van de wetenschappelijke literatuur gedaan over LFG en gezondheidseffecten. Uit het kleine aantal gevonden studies is niet duidelijk of LFG een negatief of geen effect heeft op de gezondheid. De onderzoeksresultaten geven daarover geen uitsluitsel.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Meldingen van Laagfrequent Geluid: samenwerking in de regio | RIVM

Deze notitie geeft inzicht in regionale samenwerkingen op het gebied van meldingen van Laagfrequent Geluid (LFG). Deze meldingen komen bijvoorbeeld binnen bij de GGD Gemeentelijke Gezondheidsdienst (Gemeentelijke Gezondheidsdienst) , een gemeente of de Omgevingsdienst. Op basis van interviews in 4 verschillende (GGD-)regio's is verkend hoe de samenwerking eruit ziet en wat andere regio's daarvan kunnen leren.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Inventarisatie van de mogelijke gezondheidsrisico's en beheersmaatregelen bij het gebruik van hemelwater en/of grijs water in de gebouwde omgeving | RIVM

In deze kennisnotitie worden de resultaten gepresenteerd van een inventarisatie van de gezondheidsrisico's en mogelijke beheersmaatregelen bij het toepassen van systemen voor gebruik van hemelwater en/of grijs water als huishoudwater in gebouwen. Er wordt alleen ingegaan op de microbiologische risico's van huishoudwater, omdat het risico van blootstelling aan chemische stoffen door huishoudwater laag is. Voor deze inventarisatie werd onderzocht wat de microbiologische kwaliteit van hemelwater en licht- en donkergrijs water is, en welke zuiveringsstappen hierop worden toegepast. Ook werd nagegaan wat de microbiologische risico's zijn bij aanleg, onderhoud en beheer van het hemel- en grijs watersysteem voor de volksgezondheid. In deze kennisnotitie wordt een overzicht gegeven van mogelijke beheersmaatregelen om deze microbiologische risico's te beperken. Tenslotte worden aanbevelingen gegeven over het gebruik van hemelwater en/of grijs water als huishoudwater in gebouwen.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Effect op mogelijkheden voor extern salderen bij invoering van rekenkundige ondergrens | RIVM

Het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur ( LVVN Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur ) ) vroeg het RIVM welk effect een rekenkundige ondergrens bij stikstofberekeningen voor vergunningverlening heeft op de mogelijkheid om extern te salderen. In deze kennisnotitie laat het RIVM in verschillende kaarten en tabellen zien wat het effect is van een ondergrens van 0,5 en 1 mol stikstof per hectare per jaar. Een rekenkundige ondergrens betekent dat een stikstofbijdrage van een activiteit onder deze waarde bij vergunningverlening niet wordt toegekend aan een individuele stikstofbron. Bij extern salderen verkleint of verdwijnt een stikstofbron. Hierdoor vermindert de stikstofdepositie. Met de depositieruimte die ontstaat, kan een vergunning worden verleend voor een nieuwe bron of uitbreiding van een bestaande activiteit. Door de invoering van een ondergrens van 0,5 of 1 mol stikstof per hectare per jaar, neemt het aantal bedrijven waarvan de stikstofbijdrage op een Natura 2000-gebied lager is dan de ondergrens toe. Dit beperkt de mogelijkheden voor extern salderen.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Nieuw onderzoek naar onzekerheden in stikstofberekeningen: betekenis voor beleid | RIVM

Nederland staat voor de grote opgave om de stikstofdepositie op kwetsbare natuur te verminderen. Het stikstofmodel OPS Operationele Prioritaire Stoffen (Operationele Prioritaire Stoffen) van het RIVM wordt gebruikt voor de berekening van stikstofdepositie op natuurgebieden en om de stikstofdepositie van individuele activiteiten te berekenen voor vergunningverlening (in AERIUS). Elke modelberekening kent onzekerheden. Inzicht daarin is noodzakelijk om de resultaten verantwoord in beleid toe te passen. Verantwoord gebruik komt voort uit beleidsmatige afwegingen die plaatsvinden binnen een wetenschappelijk kader, en die gebaseerd zijn op wetenschappelijke inzichten. Deze kennisnotitie bespreekt de betekenis van drie onderzoeken naar onzekerheden in stikstofberekeningen voor de beleidspraktijk. De notitie is bedoeld als toelichting; voor de precieze duiding van gebruikte begrippen en concepten wordt verwezen naar de oorspronkelijke publicaties. Dit document sluit af met aanbevelingen voor vervolg.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Bredere toepassing depositieonderzoek | RIVM

Het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur ( LVVN Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur ) ) stelde het RIVM een aantal vragen naar aanleiding van een motie die was ingediend door Tweede Kamerlid Flach. De motie gaat over het corrigeren van de stikstofcijfers voor de duingebieden op basis van depositiemetingen. In de kennisnotitie Bredere toepassing depositieonderzoek beantwoordt het RIVM de gestelde vragen. Daarnaast wordt aangegeven hoe onderzoek naar de droge depositie een grotere rol kan krijgen in de monitoring van stikstofdepositie
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Doelgroep vrijwillige beëindigingsregeling | RIVM

Het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur ( LVVN Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur ) ) bereidt op dit moment de Vrijwillige beëindigingsregeling (Vbr) voor. Dit is een uitwerking van de landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties, waarbij veehouderijlocaties in nader te bepalen gebieden voorrang krijgen bij deelname aan een beëindigingsregeling. Om de regeling verder vorm te geven vroeg het ministerie het RIVM naar inzicht in: De resultaten van dit onderzoek staan in de kennisnotitie Doelgroep vrijwillige beëindigingsregeling. De antwoorden op de onderzoeksvragen worden gepresenteerd in verschillende figuren en tabellen, zonder inhoudelijke toelichting. Het ministerie gebruikt de data als basis voor de verdere uitwerking van de nieuwe regeling.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Modellering kortdurende projecten | RIVM

Het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur ( LVVN Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur ) ) heeft het RIVM drie vragen gesteld over de berekening van stikstofdepositie door kortdurende projecten met AERIUS. Kortdurende projecten zijn bijvoorbeeld festivals, vreugdevuren of kleine bouwprojecten. LVVN stelt deze vragen onder andere naar aanleiding van een recent artikel van Erbrink en Duyzer in het tijdschrift Lucht. In het artikel stellen zij dat AERIUS ongeschikt zou zijn voor het berekenen van de depositie door projecten die korter dan vier maanden duren. In deze kennisnotitie gaat het RIVM eerst kort in op de analyse van Erbrink en Duyzer, waarna de drie vragen worden beantwoord. Hieruit blijkt dat de onzekerheid toeneemt naarmate de duur van de projecten korter wordt. Omdat deze toename continu verloopt, is er geen wetenschappelijk onderbouwde grens waar de toepasbaarheid van AERIUS ophoudt.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Uncertainty in calculated nitrogen deposition from individual sources | RIVM

Voor beleidskeuzes is het belangrijk om te weten hoeveel de uitstoot van een bedrijf of activiteit bijdraagt aan de hoeveelheid stikstof die op de bodem neerslaat (depositie). De bijdrage wordt met rekenmodellen berekend. Deze modellen gebruiken parameters om zo goed mogelijk te berekenen hoe stikstof zich via de lucht verspreidt en hoe groot de depositie is. Maar deze parameters hebben onzekerheden, die ook invloed hebben op de onzekerheden van de uitkomsten van het model. Het RIVM onderzocht met een gevoeligheidsanalyse wat het effect van onzekerheden in de twaalf belangrijkste parameters is op de onzekerheid in de berekende depositie. Het RIVM deed dat voor een stal van een landbouwbedrijf, een schoorsteen van een industriebedrijf en een snelweg. Belangrijk hierbij is dat de onderzochte gevoeligheden in het model niet gelijk zijn aan de onzekerheid. Deze methode zorgt er wel voor dat de gevoeligheidsbepalingen een goede indicatie geven van de omvang en aard van die onzekerheid. Er is alleen gekeken naar de onzekerheid in de modelberekening, niet naar de onzekerheid in de grootte van de uitstoot. Vóór het onderzoek was de verwachting: hoe verder weg van de bron, hoe groter de onzekerheid in de berekende depositie. Dit onderzoek laat zien dat deze onzekerheid kleiner wordt in de eerste 50 tot 150 kilometer vanaf de bron (afhankelijk van het type bron), en pas daarna toeneemt. Verder bevestigt dit onderzoek de verwachting dat de onzekerheid in de berekende depositie het meest wordt bepaald door de snelheid van de depositie. De depositiesnelheid geeft aan hoe snel een uitgestoten stof via de lucht op de bodem komt. Vooral dicht bij de bron is het effect van onzekerheden in de depositiesnelheid op de berekende depositie groot. Verder weg van de bron is het effect kleiner. Het RIVM heeft ook gekeken naar de resultaten van andere rekenmodellen uit Nederland en het buitenland. Elk model berekent de depositie op zijn eigen manier. Met deze uitkomsten is de onzekerheid in de berekende stikstofdepositie ook geschat. Deze schatting is vergelijkbaar met de onzekerheid die met de gevoeligheidsanalyse is bepaald. Dat betekent dat het RIVM waarschijnlijk geen belangrijke oorzaken van onzekerheden in het rekenmodel over het hoofd ziet.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Differences in calculations of concentration and deposition of ammonia and nitrogen oxides at local scale. A comparison of eight atmospheric transport models | RIVM

Het RIVM brengt jaarlijks in beeld hoeveel stikstof er in Nederland in de lucht zit (concentratie) en op de bodem terechtkomt (depositie). Hiervoor gebruikt het RIVM rekenmodellen en metingen. Dezelfde rekenmodellen worden ook gebruikt voor het maken en uitvoeren van beleid. Een rekenmodel geeft de werkelijke situatie zo goed mogelijk weer, maar de berekening blijft een benadering. De uitkomsten kunnen daardoor afwijken van de werkelijke situatie. In dit onderzoek vergelijkt het RIVM de onderlinge resultaten van acht rekenmodellen. Kennisinstituten en overheden in verschillende landen gebruiken deze modellen om te berekenen hoeveel stikstof er in de lucht zit en op de grond terechtkomt. De vergelijking is uitgevoerd voor vier verschillende bronnen van stikstof en drie soorten ondergrond. De bronnen zijn: een stal, de toediening van mest op grasland, een hoge fabrieksschoorsteen en verkeer op een autosnelweg. De soorten ondergrond zijn: loofbos, grasland en gevarieerd landschap met begroeiing, bebouwing en open ruimte. De modellen berekenen de luchtconcentraties en stikstofdepositie op verschillende afstanden tussen 50 meter en 5 kilometer van de bron. Dit onderzoek laat zien dat de verschillen tussen de modellen meestal groter zijn voor deposities dan voor concentraties. Daarnaast geldt voor de concentraties dat de verschillen voor ammoniak meestal groter zijn dan voor stikstofoxiden. Voor de depositie van deze stoffen is dat niet het geval. Dit onderzoek laat verder zien dat de weersomstandigheden veel invloed hebben op de rekenresultaten. Bij zeer stabiele weersomstandigheden zijn de verschillen in modeluitkomsten het grootst. Verder onderzoek naar deze omstandigheden kan de nauwkeurigheid van de rekenmodellen groter maken. Dit onderzoek is onderdeel van het Nationaal Kennisprogramma Stikstof, dat onder andere tot doel heeft de rekenmodellen te verbeteren. Aanvullend op dit onderzoek vergelijken we de uitkomsten van dezelfde acht rekenmodellen ook met de (beperkt) beschikbare meetgegevens op korte afstanden van de bronnen.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

SocioVax literatuuronderzoek: determinanten van vaccinatiedeelname bij kinderen | RIVM

Mensen met een lagere sociaaleconomische positie en mensen met een migratieachtergrond hebben een lagere vaccinatiedeelname dan gemiddeld. Welke sociaalpsychologische factoren hangen daarmee samen? Het programma SocioVax van het RIVM heeft hier literatuuronderzoek naar gedaan. Daaruit blijkt dat vaccinatiebereidheid wordt beïnvloed door wat mensen denken en voelen, sociale processen en de ervaren toegankelijkheid van vaccinaties. Om een geïnformeerde keuze te ondersteunen is inzet nodig op al deze factoren. Over de rol van emoties en sociale processen in doelgroepen met een lagere vaccinatiegraad is nog relatief weinig bekend. Mogelijk liggen daar aanknopingspunten voor interventies die de ongelijkheid in vaccinatiedeelname kunnen verminderen.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

SocioVax literatuuronderzoek; interventies die vaccinatiedeelname onder kinderen kunnen bevorderen | RIVM

Vaccinatiedeelname is niet in alle groepen van de samenleving even hoog. Welke acties, strategieën en maatregelen kunnen vaccinatiedeelname bevorderen? Op basis van literatuuronderzoek adviseert het RIVM-programma SocioVax om lokaal en nationaal vaccinatie-interventies in te zetten die bewezen effectief zijn. Denk aan interventies om mensen goed te informeren, hen te ondersteunen in het maken van hun keuze en hen vaccinaties zo toegankelijk mogelijk aan te bieden. Meerdere interventies tegelijk lijken het beste te werken. Bijvoorbeeld toegankelijke informatie in combinatie met een nabije en vertrouwde vaccinatielocatie. Het delen van de evaluaties van ingezette interventies, ook wanneer deze niet effectief bleken, helpt de kennisontwikkeling over wat wel en niet werkt.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Gezonde en duurzame voedingsinterventies in de zorg | RIVM

De zorg kan verduurzamen en gezondheidswinst behalen door in te zetten op gezonde en duurzame voeding. Het RIVM deed literatuuronderzoek naar welke voedingsinterventies bijdragen aan gezondheid en duurzaamheid voor zowel patiënten en bewoners als medewerkers en bezoekers in zorginstellingen. De interventies zijn ingedeeld in categorieën van effectiviteit: wat werkt, wat is veelbelovend en wat is onzeker of onbekend. De nadruk ligt op het beperken van voedselverspilling en overconsumptie en het bevorderen van plantaardige voeding boven dierlijke voeding. Daarnaast haalde het RIVM praktijkervaringen op bij verschillende zorginstellingen die effectieve voedingsinterventies inzetten, waaronder het Radboudumc Radboud University Medical Centre (Radboud University Medical Centre) , Amsterdam UMC Universitair Medisch Centrum (Universitair Medisch Centrum) en ziekenhuis Gelderse Vallei. Voedselverspilling tegengaan Uit het onderzoek blijkt dat de zorg voedselverspilling kan tegengaan en tegelijkertijd de energie- en eiwitinname bij patiënten kan verhogen door ze vrijheid te geven in de menukeuze. Ook werkt het om elektronisch bestellen aan het bed in te zetten. Patiënten eten dan meer van de maaltijd. Het aanbieden van meerdere kleinere porties aan patiënten en bewoners blijkt eveneens effectief in het verminderen van voedselverspilling. Daarnaast is voedingsassistentie effectief: patiënten actief en persoonlijk helpen bij de voedingskeuze. Het is van belang om medewerkers hierin op te leiden onder andere voor het creëren van draagvlak. Subtiele duwtjes in de juiste richting Het geven van subtiele duwtjes in de juiste richting (nudges) door aanpassingen in de omgeving, lijken veelbelovend voor medewerkers en bezoekers. Het vooraan plaatsen van een gezonde en duurzame maaltijd in een ziekenhuisrestaurant (plaatsingsnudge) of een aantrekkelijke omschrijving bij een maaltijd (eigenschapsnudge), lijken medewerkers en bezoekers te bewegen om vaker te kiezen voor de gezonde en duurzame optie. Ervaringen uit de praktijk Het RIVM haalde praktijkervaringen op met voedingsinterventies bij verschillende zorginstellingen, zowel bij ziekenhuizen en ggz geestelijke gezondheidszorg (geestelijke gezondheidszorg) -instellingen als in de gehandicaptenzorg en verpleeg- en verzorgingshuizen. Radboudumc werkt binnen hun Food for Care-concept bijvoorbeeld met een voedingsassistent en ook ziekenhuis Gelderse Vallei zet hiervoor een specifieke medewerker in. Zorginstellingen geven ook aan dat het creëren van draagvlak belangrijk is. Zo heeft Amsterdam UMC meerdere partners actief betrokken, wat bijdraagt aan het succes van het voedingsprogramma ‘Zorg op het bord’. Deze praktijkvoorbeelden illustreren en ondersteunen de bevindingen uit het literatuuronderzoek, maar bieden bovenal inspiratie en handvatten voor zorginstellingen om aan de slag te gaan met gezonde en duurzame voeding. Programma Duurzaamheid en Gezondheid Dit onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het ministerie van VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) en is onderdeel van het programma Duurzaamheid en Gezondheid dat loopt van 2022 tot 2026.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Gendergevoeligheid voor het ontwikkelen van mesothelioom door asbestblootstelling | RIVM

Werk waarbij asbest kan vrijkomen mag niet schadelijk zijn voor de gezondheid. Daarom staat in de Europese asbestrichtlijn dat in de lucht op een werkplek een maximale hoeveelheid asbestvezels mag zitten (beroepsmatige grenswaarde). In Nederland is deze richtlijn in de Arbeidsomstandighedenwetgeving verwerkt. De Europese asbestrichtlijn is eind 2023 veranderd. De aanpassingen moeten in Nederland worden ingevoerd. Een overweging daarbij is rekening te houden met de verschillende situaties waarin mannen en vrouwen aan asbest zijn blootgesteld. Stakeholders uit de asbestbranche hebben het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ( SZW Sociale zaken en werkgelegenheid (Sociale zaken en werkgelegenheid) ) gevraagd of voor vrouwen een aparte beroepsmatige grenswaarde nodig is. Het RIVM concludeert dat daar volgens de wetenschappelijke literatuur geen aanleiding voor is. Er is op dit moment onvoldoende wetenschappelijk bewijs dat de gevoeligheid om asbestkanker (mesothelioom) te ontwikkelen per geslacht verschilt.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Contra expertise op bepalingen van radioactiviteit in afvalwater en ventilatielucht van Urenco Nederland B.V. Periode 2023 en 2024 | RIVM

De uranium verrijkingsfaciliteit van Urenco URanium ENrichment COmpany (URanium ENrichment COmpany) Nederland (UNL) meet hoeveel radioactiviteit het naar de omgeving loost via het eigen afvalwater en de ventilatielucht. UNL neemt hiervoor zelf de te analyseren monsters verspreid over het jaar, in dit rapport betreft het 2023 en 2024. Het RIVM verifieert deze afvalwatermetingen acht keer per jaar en de ventilatieluchtmetingen vijf keer per jaar. De totaal-alfa, totaal-bèta resultaten en de gamma-analyses van afvalwater uit de contra expertise komen goed overeen. Uit de metingen blijkt dat de activiteitsconcentraties in afvalwater in zowel 2023 als 2024 meestal zeer laag zijn. De radioactiviteit in ventilatielucht ligt zeer dicht bij het niveau van de hoeveelheid radon die van nature in de buitenlucht zit. De resultaten van de meetwaarden van UNL in ventilatielucht kwamen redelijk overeen met de RIVM-analyses. In buitenlucht wordt de natuurlijke totaal-alfa en bèta-activiteit veroorzaakt door radon-dochters, waarbij de verhouding tussen alfa en bèta ongeveer 1/5 is. De verhouding die in de ventilatielucht is gevonden komt hiermee overeen. De verhouding zou heel anders zijn wanneer uranium vrijkomt; dan ligt de verhouding tussen alfa en bèta veel dichter bij 1/1. De gemeten verhouding kwam overeen met de natuurlijke verhouding totaal-alfa- en totaal-bèta activiteit. Daarom is het aannemelijk dat er in de bemonsteringsperiodes in 2023 en 2024 geen uranium via ventilatielucht is vrijgekomen. RIVM voert de contra expertises jaarlijks uit in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS).
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Succesvolle lokale en regionale netwerksamenwerking - Impuls vroegsignalering alcoholproblematiek bij volwassenen 2024-2025 | RIVM

Vanuit het Gezond en Actief Leven Akkoord (GALA) hebben gemeenten de opgave om netwerksamenwerking op het thema 'vroegsignalering alcohol' te organiseren. Om gemeenten te helpen met kennis over wat werkt rond een netwerksamenwerking opzetten of versterken, gericht op preventie en vroegsignalering van alcoholproblematiek bij volwassenen, ondersteunde het RIVM, in opdracht van VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) , samenwerkingsverbanden van gemeente(n), GGD Gemeentelijke Gezondheidsdienst (Gemeentelijke Gezondheidsdienst) en instellingen voor verslavingszorg (IVZ). De lessen uit deze ervaringen bundelen we en delen we met GGD'en en gemeenten.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Verzuimpreventie in beeld. Overzicht van kennis om verzuim door ziekte te voorkomen | RIVM

Vanwege de persoonlijke, financiële en maatschappelijke gevolgen moet ziekteverzuim zo veel mogelijk worden voorkomen. De informatie over maatregelen waarmee dat kan, is nu versnipperd. Het RIVM heeft daarom een overzicht gemaakt van maatregelen die wetenschappelijk zijn onderzocht of die in de praktijk worden gebruikt. Het overzicht geeft betrokkenen handvatten en inspiratie, maar ook inzicht in kennis die nog ontbreekt. Er blijken heel veel en veel verschillende maatregelen te zijn. Deze maatregelen zijn vaak gericht op een bepaald soort verzuim (zoals door rugklachten of mentale problemen), een doelgroep, of een type maatregel. Met een deel van de maatregelen is in de praktijk goede ervaringen opgedaan. Om deze maatregelen breder te kunnen inzetten, is meer onderzoek naar hun effectiviteit nodig. Van het andere deel van de maatregelen is wetenschappelijk onderzocht of ze werken. Van veel maatregelen blijkt de effectiviteit niet wetenschappelijk aan te tonen. Dat kan aan de onderzoeksmethode liggen. Bijvoorbeeld doordat mensen kort worden gevolgd, terwijl effecten pas na langere tijd zijn te zien. Ziekteverzuim is moeilijk te voorkomen. Er zijn veel verschillende soorten werk en persoonlijke omstandigheden, waardoor er niet één passende oplossing voor iedereen bestaat. Maatregelen die het beste werken, richten zich zowel op de persoon als op de omgeving. Verder hebben maatregelen meer (meetbaar) effect als ze zijn gericht op specifieke groepen werkenden die grotere kans hebben om door ziekte niet te kunnen werken, bijvoorbeeld omdat ze al klachten hebben. Om te zorgen dat een maatregel in de praktijk ook echt wordt gebruikt, moet de maatregel passen bij de behoeften van de organisatie en de werkende. Dit kan bijvoorbeeld door rekening te houden met het type werk en de organisatiecultuur. Werkgevers en werknemers geven aan samen verantwoordelijk te zijn om verzuim te voorkomen. Zo kunnen werkgevers zorgen voor een veilige sfeer waarin werknemers problemen op tijd aangeven en daarmee worden geholpen. Ook is het belangrijk dat werkgevers weten bij welke professionals ze welke vorm van hulp kunnen krijgen om ziekteverzuim te voorkomen. Denk aan advies van een veiligheidskundige om veiligheidsrisico’s in kaart te brengen. Werknemers kunnen bijvoorbeeld maatregelen gebruiken die de werkgever hiervoor aanbiedt. Het RIVM heeft dit overzicht gemaakt met financiering van Instituut Gak.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Voedselveiligheidsrisico's bij het tegengaan van voedselverspilling door consumenten | RIVM

Volgens het Voedingscentrum verspilt de Nederlandse consument elk jaar ruim 33 kilogram eten. Dat is bijna 9 procent van de totaal gekochte hoeveelheid. Minder eten weggooien betekent minder eten verspillen. Het RIVM zette op een rij wat mogelijk is om voedselverspilling tegen te gaan, onderzocht hoe consumenten dat doen en of hun eten dan nog steeds veilig is. Mensen kunnen bijvoorbeeld niet te veel producten kopen door hun voorraden te checken voordat ze boodschappen doen. Een andere manier is niet te veel te koken door ingrediënten af te wegen. Verder is het mogelijk om resten van een maaltijd in de koelkast te bewaren om later op te eten. De meeste tips om voedselverspilling tegen te gaan zijn veilig, maar sommige niet. Het is bijvoorbeeld belangrijk om etensresten op de goede manier te laten afkoelen en niet te lang in de koelkast te bewaren. Anders kunnen er ongewenste bacteriën in groeien en een voedselinfectie veroorzaken. Als mensen groenten en vlees pekelen om ze langer te kunnen bewaren, is het belangrijk dat ze dat zorgvuldig doen en lang genoeg. Een andere tip is producten te kopen waarvan de houdbaarheidstermijn bijna is verlopen. Dat kan in de supermarkt en bijvoorbeeld bij organisaties als Too Good to Go en Foodello. Het is dan wel belangrijk dat consumenten weten wat een THT-label (tenminste houdbaar tot) en TGT-label (te gebruiken tot) op producten betekenen. Bij een THT-label wordt consumenten aangeraden te kijken, ruiken en proeven of een product nog goed is als de datum is overschreden. Producten met een TGT-vermelding zijn na de houdbaarheidsdatum niet meer veilig om te eten. Volgens het Voedingscentrum weten veel consumenten niet wat het verschil is tussen de labels. Het is daarom belangrijk dat mensen daar goed over worden geïnformeerd. Het RIVM deed dit onderzoek in opdracht van de Nederlandse Voedselen Warenautoriteit (NVWA).
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Stralingsblootstelling door registratieplichtig afval | RIVM

Registratieplichtig afval is radioactief afval waarvoor geen vergunning nodig is van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS). Het zendt zo weinig straling uit, dat het mag worden gestort op speciale stortplaatsen voor gevaarlijk afval. Bedrijven waar dit afval ontstaat, moeten dat wel melden bij de ANVS. Het valt daarmee onder het zogeheten controlestelsel van de Kernenergiewet. Radioactief afval is registratieplichtig als het een heel lage hoeveelheid radioactieve stoffen bevat, die ook in de natuur voorkomen (tot een bepaald maximum, dat per stof verschilt). Deze hoeveelheid bepaalt voor een deel hoeveel straling mensen kunnen 'ontvangen' door dit registratieplichtige afval. Verder hebben het type straling en de manier waarop mensen met deze stoffen in contact komen invloed op hun blootstelling aan straling. Boven het bepaalde maximum mag radioactief materiaal soms toch op de speciale stortplaatsen worden gestort (specifiek vrijgegeven afval). Bedrijven moeten dan wel aantonen dat de hoeveelheid straling die mensen van dat radioactieve materiaal kunnen ontvangen, niet gevaarlijk is voor de gezondheid. Dit materiaal valt dan buiten het controlestelsel, terwijl er wel meer radioactieve stoffen in zitten dan in registratieplichtig materiaal. Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ( IenW Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ) ) wil de regelgeving voor deze soorten zeer laag radioactief afval eenvoudiger en logischer maken, mits dit veilig kan. Daarom heeft het ministerie het RIVM gevraagd te berekenen hoeveel straling werknemers en omwonenden van stortplaatsen kunnen ontvangen door registratieplichtig afval. Uit de berekeningen voor het jaar 2020 bleek dat de hoeveelheid straling door registratieplichtig afval in Nederland zo laag is, dat het buiten het controlestelsel zou kunnen vallen. Maar in theorie kan de hoeveelheid straling wel te hoog zijn voor wat volgens de wet is toegestaan. Daarom kan IenW nu niet zomaar besluiten om al het registratieplichtige radioactieve afval uit het controlestelstel te halen. Hoe dat wel zou kunnen, kan verder worden onderzocht.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Overzicht van jodiumbeleid en mate van succes hiervan in Europa en Westerse landen buiten Europa. Onderdeel van het RIVM-project: 'Naar een toekomstbestendig jodiumbeleid' | RIVM

Voldoende jodium is belangrijk voor de werking van de schildklier en de hersenontwikkeling bij kinderen. Het RIVM onderzoekt hoe een toekomstbestendig jodiumbeleid er in Nederland uit zou kunnen zien. De hoeveelheid jodium die van nature in het Nederlandse voedingspatroon zit is laag, daarom wordt jodium toegevoegd aan (bakkers)zout. Omdat de zoutinname in Nederland te hoog is wordt er gewerkt aan verlaging van de zoutinname, dit kan gevolgen hebben voor de jodiuminname. Daarnaast is er een beweging naar een meer plantaardig voedingspatroon. Over het algemeen hebben dierlijke producten een hoger jodiumgehalte, vermindering hiervan kan ook gevolgen hebben voor de jodiuminname. Als start van het project 'naar een toekomstbestendig jodiumbeleid' is een overzicht gemaakt van het jodiumbeleid in andere Westerse landen. Bij de meeste landen is het jodiumbeleid vormgegeven door het gebruik van gejodeerd zout. In een aantal landen is er (aanvullend) het advies aan specifieke groepen om jodiumsupplementen te slikken. Dit komt overeen met het huidige beleid in Nederland. Een verschil is wel dat in Nederland het gebruik van gejodeerd zout in de praktijk vooral bij een enkele voedingsmiddelengroep (brood) ligt, terwijl in andere landen dit meer is verdeeld over meerdere voedingsmiddelengroepen. De succesvolheid van het jodiumbeleid in Westerse landen is, over het algemeen, niet te beoordelen door beperkingen in de meetmethode van het onderliggende onderzoek. De uitkomsten van dit RIVM-onderzoek worden in het vervolg van het project gebruikt als inspiratie voor mogelijke veranderingen in het Nederlandse beleid.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Signaleringsoverleg Voedselveiligheid: Jaarrapportage 2024 | RIVM

Mensen kunnen ziek worden van bacteriën, parasieten of virussen in voedsel. Dat kan ook gebeuren door chemische stoffen in voedsel. Om nieuwe risico's voor de voedselveiligheid zo vroeg mogelijk in beeld te brengen, hebben in 2020 de ministeries van VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) en LNV Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) het Signaleringsoverleg Voedselveiligheid opgericht. Als nieuwe risico's sneller in beeld zijn, kunnen sneller maatregelen worden genomen om de gezondheid van mensen te beschermen. Het Signaleringsoverleg bestaat uit twee onderdelen: een overleg over microbiologische risico's (het SO-VM) en een overleg over chemische risico's (het SO-VC). In beide onderdelen zitten experts op het gebied van voedselveiligheid van verschillende instituten en het bedrijfsleven. Deze experts verzamelen signalen die zij met elkaar bespreken en betekenis geven. In 2024 is het onderdeel microbiologie drie keer en het onderdeel chemie vier keer bij elkaar gekomen. In totaal hebben de experts 47 signalen besproken en uitgewerkt. Als een signaal volgens het Signaleringsoverleg reden is voor meer onderzoek of maatregelen, geeft het dat door aan het Coördinerend Overleg (CO). In dit overleg zijn de ministeries van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) en de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) vertegenwoordigd. Het CO besluit of en welke acties worden ondernomen. In 2024 heeft het SO-VM twee signalen gemeld aan het CO en het SO-[inore] VC Voedingscentrum (Voedingscentrum) [/ignore] heeft twaalf signalen gemeld.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg 2025 | RIVM

Het RIVM berekent elk jaar hoeveel ambulances er het volgende jaar nodig zijn. In 2026 zijn dat er op werkdagen overdag 700. Op zaterdagen en zondagen zijn overdag respectievelijk 548 en 520 ambulances nodig. In 2026 zijn meer ambulances nodig dan het RIVM in het vorige onderzoek in 2023 berekende. Dit komt vooral doordat het aantal ambulanceritten stijgt. Een andere reden is dat in 2025 een aantal punten in de rekenmethode is veranderd om de berekeningen beter te laten aansluiten bij de werkelijkheid. Het RIVM berekent de aantallen ambulances in Nederland met het 'referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg'. In de berekeningen is een aantal uitgangspunten voor de Nederlandse ambulancezorg verwerkt, zoals de tijd waarbinnen een ambulance na een melding op de plek van een incident moet zijn (15 minuten). Een belangrijke verandering in het referentiekader is dat de berekeningen nu uitgaan van een voorspelling van het aantal ritten in 2026. Het RIVM analyseerde hiervoor de gegevens van de afgelopen vijf jaar (2019 tot en met 2024). Tot 2025 werden de aantallen berekend met alleen de gegevens van het jaar ervoor. Door op een langere periode terug te kijken, ontstaat een reëler beeld van de vraag naar ambulances door de jaren heen. Jaren met pieken of dalen hebben daar dan minder invloed op. Het RIVM heeft het benodigde aantal ambulances berekend in opdracht van het ministerie van VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) .
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Evaluatie Lekker naar buiten! Stimuleringsregeling Jong Leren Eten, ronde 6 Schooljaar 2023-2024 | RIVM

Het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur ( LVVN Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur ) wil kinderen en jongeren via het onderwijs vaker in aanraking brengen met gezonde en duurzame voeding. Dit om hen op een zo praktische manier te leren om gezonde en duurzame keuzes te maken. LVVN heeft daarvoor de stimuleringsregeling Jong Leren Eten 'Lekker naar buiten!' opgezet. Sinds 2018 kunnen scholen uit het primair, speciaal, voortgezet en middelbaar beroepsonderwijs elk schooljaar aan deze regeling deelnemen. Het RIVM heeft deze regeling tot nu toe elke ronde geëvalueerd. Uit deze zesde ronde blijkt weer dat scholen veel belangstelling hebben voor de stimuleringsregeling en er positief over zijn. De belangrijkste reden om mee te doen, is dat scholen zo aandacht kunnen schenken aan voeding/natuur. Bijvoorbeeld door materialen te kopen, hierover onderwijs te geven en gastlessen te organiseren. Scholen konden activiteiten kiezen binnen drie categorieën: 'moestuinieren', 'koken' en 'excursies en gastlessen'. In ronde 6 was voor elke categorie ongeveer evenveel belangstelling. Voor ronde 6 hebben 1.189 scholen de bijdrage uit de stimuleringsregeling aangevraagd. Daarvan hebben 339 scholen een bijdrage ontvangen, omdat er een maximumbedrag voor de stimuleringsregeling beschikbaar was. Hiermee zijn 43.758 leerlingen en studenten bereikt. De meeste scholen voerden de activiteiten samen met andere lokale organisaties uit, zoals (stads)boerderijen, plaatselijke boeren, diëtisten/voedingscoaches, moestuincoaches, restaurants of detailhandel in de regio. Van de deelnemende scholen wil 75 procent na afloop van de regeling aandacht blijven geven aan het onderwerp voeding. Scholen konden maximaal 2.000 euro per schoollocatie krijgen om de activiteiten uit te voeren. Gemiddeld is 1.749 euro per schoollocatie uitgekeerd. Volgens de meeste scholen dekte deze bijdrage de kosten voor de activiteiten. In ronde 6 heeft de stimuleringsregeling in totaal 682.546 euro gekost. Het geld is vooral besteed aan de activiteiten. Een klein deel was nodig om de stimuleringsregeling te ontwikkelen en uit te voeren.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Voortgangsrapportage SPARK project 2025-2 | RIVM

In 2024 kreeg het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) van het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur ( LVVN Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur ) ) een additionele opdracht om wetenschappelijk onderzoek te doen naar de mogelijke relatie tussen gewasbeschermingsmiddelen en het ontstaan van de ziekte van Parkinson. Het project, met als acroniem SPARK (Strategies for regulatory assessment of PARKinson's disease), heeft als doel een teststrategie te ontwikkelen waarmee de mogelijke relatie tussen gewasbeschermingsmiddelen en de ziekte van Parkinson onderzocht kan worden.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

De chemische samenstelling en schadelijkheid van cannabisrook | RIVM

Tot nu toe is er weinig onderzoek gedaan naar de schadelijkheid van cannabisrook. Het ministerie van VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) vroeg het RIVM daarom om de chemische samenstelling en de gezondheidseffecten van cannabisrook in kaart te brengen. In deze kennisnotitie worden verschillende chemische componenten beschreven die in cannabisrook zijn aangetroffen. Ook wordt de samenstelling en schadelijkheid vergeleken met die van tabaksrook. Het RIVM concludeert dat cannabisrook vergelijkbare chemische stoffen bevat als tabaksrook. De schadelijkheid van cannabisrook is hiermee mogelijk vergelijkbaar met die van tabaksrook.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Deelname en uitval bij de gecombineerde leefstijlinterventie (GLI). Wie en waarom? | RIVM

Sinds januari 2019 vergoeden zorgverzekeraars de gecombineerde leef-stijlinterventie (GLI). De GLI is een leefstijlprogramma van 2 jaar over gezonde voeding en bewegen. Ook is er aandacht voor thema’s die niet goed zijn voor een gezonde leefstijl, zoals stress en slecht slapen. Uit onderzoek van het RIVM blijkt dat ongeveer 90 procent van de aan-melders na het intakegesprek met de GLI begint. Van de groep die start, rondt ongeveer 60 procent het programma af. In het eerst jaar vallen iets meer mensen uit (27 procent) dan in het tweede jaar (20 procent). Het valt op dat vooral mensen met een lager inkomen, een migratieach-tergrond of praktische opleiding na een intake niet starten of eerder stoppen. Het RIVM heeft voor dit onderzoek gesproken met leefstijlcoaches, huis-artsen en deelnemers. De coaches en huisartsen horen verschillende re-denen waarom mensen na een intakegesprek niet starten. Mensen den-ken bijvoorbeeld dat meedoen moeilijk in te passen is in hun dagelijks leven. Ook zijn mentale of fysieke problemen een reden om niet aan de GLI te beginnen. De geïnterviewden vinden het belangrijk om bij de in-take beter uit te leggen wat de GLI inhoudt. Verder is het belangrijk dat huisartsen kijken of mensen eerst andere hulp nodig hebben voordat ze met de GLI beginnen. Voor deelnemers is een programma dat niet goed aansluit bij hun be-hoeften een belangrijke reden om eerder te stoppen. Ze krijgen dan te weinig nieuwe kennis of praktische handvatten aangeboden. Een andere reden om te stoppen is dat ze geen goede klik met de coach of de groep hebben. Ook stoppen deelnemers eerder vanwege mentale en fysieke problemen. De geïnterviewden vinden het belangrijk om tijdens de GLI meer maat-werk te geven, zoals mentale hulp en praktische adviezen die afgestemd zijn op de persoonlijke situatie. Verder willen de leefstijlcoaches beter worden getraind, zowel om groepen te begeleiden als om individuele ge-sprekken te voeren. Het RIVM adviseert om verder te onderzoeken of maatwerk haalbaar is. Ook kan het helpen als leefstijlcoaches succesvolle ervaringen en werk-wijzen meer met elkaar delen.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

MCRT-001 Ordegrootte effect grof maatregelpakket | RIVM

Op 22 januari 2025 deed de Rechtbank uitspraak in de zaak van Greenpeace tegen de Staat. De uitspraak in deze rechtszaak heeft aanvullend op het doel uit de Wsn Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn), onderdeel van de Omgevingswet nog een tweede doel opgeleverd. In de Wsn staat dat 50 procent van de stikstofgevoelige natuur voor 2030 onder de kritische depositiewaarde (KDW) moet komen. Het aanvullende doel stelt dat 37 procent van de zeer urgente en urgente habitats de lijst van Bobbink Herstelbaarheid van door stikstofdepositie aangetaste Natura 2000-Habitats – Update urgentietabel 2023 van Bobbink en Tomassen onder de KDW moet komen. Het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur ( LVVN Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur ) ) vroeg aan het RIVM om te onderzoeken of deze beide doelen haalbaar zijn wanneer uitgegaan wordt van generieke emissiereducties van 45 procent voor de sectoren Landbouw, Industrie en Mobiliteit (exclusief scheepvaart). Met een aanvulling van een reductie van 85 procent vanuit de landbouw binnen een zone van 500 meter rond Natura 2000-gebieden (zie bijlage 1 voor de uitgebreide vraagstelling). De uitkomsten van dit onderzoek worden gebruikt als input voor de Ministeriële Commissie Economie en Natuurherstel (MCEN). Het RIVM gaat bij de berekeningen uit van de recente emissieramingen van maart 2025 van het PBL Planbureau voor de Leefomgeving (Planbureau voor de Leefomgeving) (ERL2025). Uit de berekeningen blijkt dat het huidige pakket maatregelen niet voldoende is om de doelen te halen. Het invoeren van het maatregelenpakket zorgt in 2030 voor een verdere verlaging van de depositie van ongeveer 220 mol N/ha/jaar bovenop het ERL2025 basispad. Uit de berekening blijkt dat ruim 45 procent van de stikstofgevoelige natuur onder de KDW komt in 2030. Voor de urgente natuur komt bijna 30 procent onder de KDW. Dat is nog niet voldoende om de beide doelen (50 procent reductie in 2030 en 37 procent van de (zeer) urgente natuur onder KDW) te halen. Wel wordt de mate waarmee de KDW wordt overschreden meer dan gehalveerd ten opzichte van het basispad. Dit betekent dat de overbelasting van stikstofgevoelige natuur door stikstofdepositie sterk verminderd. De genoemde resultaten zijn indicatief, ze zijn in enkele weken berekend en gerapporteerd op basis van bij het RIVM aanwezige en gepubliceerde informatie.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Gevolgen uitspraak Greenpeace voor het doelbereik | RIVM

Op 22 januari 2025 deed de Rechtbank uitspraak in de zaak van Greenpeace tegen de Staat. De uitspraak in deze rechtszaak heeft aanvullend op het doel uit de Wsn Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn), onderdeel van de Omgevingswet nog een tweede doel opgeleverd. In de Wsn staat dat 50 procent van de stikstofgevoelige natuur voor 2030 onder de kritische depositiewaarde (KDW) moet komen. Het aanvullende doel stelt dat 37 procent van de zeer urgente en urgente habitats lijst van Bobbink Herstelbaarheid van door stikstofdepositie aangetaste Natura 2000-Habitats – Update urgentietabel 2023 van Bobbink en Tomassen onder de KDW moet komen. Het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur ( LVVN Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur ) ) vroeg aan het RIVM om te onderzoeken welke generieke emissiereductie vanuit Nederland nodig is om beide doelen in 2030 te behalen. De uitkomsten van dit onderzoek worden gebruikt voor de Ministeriële Commissie Economie en Natuurherstel (MCEN). Uit het onderzoek blijkt dat de uitstoot van zowel stikstofoxiden als ammoniak vanuit alle bronnen in Nederland moet dalen met ongeveer 38 procent bovenop de emissiedaling die is verwacht in de Emissieramingen luchtverontreinigende stoffen (ERL) 2025. Het doel uit de Wsn wordt daarbij iets eerder behaald dan het aanvullende doel uit de Greenpeace rechtszaak. Er is 2 procent verschil in de benodigde emissiereductie. Respectievelijk 36% en 38% voor het Wsn doel en het Greenpeace doel.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Microplastics in the air | RIVM

This knowledge note is a translation of the Dutch knowledge note: Microplastics in de lucht The air we breathe contains billions of miniscule invisible plastic particles, microplastics and nanoplastics (MNPs). Too small to see, yet all around us. These tiny fragments of plastic originate from various sources and are part of particulate matter. Studies have demonstrated that we ingest these microplastics through our food. In addition, more research reveals that we are also exposed to them through the air we breathe. However, the negative impact of these plastic particles on our health, animals, and the environment is not yet fully understood. In this knowledge brief, we summarise what is currently known concerning exposure to microplastics through the air. There is still much that we do not know. Most experimental studies assess the effects of short-term exposure to large quantities of microplastics. Yet we are constantly inhaling small quantities over the long term. Moreover, microplastic emissions in the Netherlands have only been examined on a small scale. To really understand the impact of microplastics on human health, we need to conduct more research. This includes research into the effects of exposure to microplastics in combination with other hazardous substances in the air. The benefits of using polymers mean that we cannot live without plastics. We therefore need to make wise choices. Which plastics do we allow to be used? Which plastics are fully biodegradable or reusable? We need more knowledge to develop effective policy, address concerns and assess the risks.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Duurzaamheidsrapportage in de Zorg: De Impact van de CSRD op de Nederlandse Zorgsector | RIVM

Een belangrijke Europese richtlijn gericht op duurzaamheidsrapportering door ondernemingen is de Corporate Sustainability Reporting Directive (CSRD) van de Europese Unie, een onderdeel van de Europese Green Deal. Vanuit de CSRD worden ondernemingen verplicht om op gestructureerde wijze te rapporteren over hun duurzaamheidsinspanningen en de impact van de omgeving op de eigen onderneming. De gegevens die zo beschikbaar komen, kunnen worden gebruikt om de sector verder te verduurzamen. In de RIVM-kennisnotitie wordt de CSRD met behulp van praktijkvoorbeelden toegelicht en beschreven wat de implicaties voor de zorgsector zijn. Daarnaast wordt toegelicht hoe milieudata in de zorg, zoals de milieuvoetafdruk van het RIVM, kan worden benut voor CSRD rapportage. This knowledge brief is also published in English: Sustainability Reporting in Healthcare: The Impact of the CSRD on the Dutch Healthcare Sector
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Resultaten analyse harmonisatie ISL3a met STACKS | RIVM

Kennisnotitie over de harmonisatie van de rekenmodule ISL3a met STACKS. Beide zijn verspreidingsmodellen voor luchtverontreinigende stoffen. ISL3a is een iets vereenvoudigde versie van STACKS, in lijn met de wettelijk voorgeschreven Standaard RekenMethode 3. De rekenkernen verschillen op kleine, niet inzichtelijke punten. Onderzocht is wat de effecten op rekenresultaten zijn als ISL3a in lijn wordt gebracht met STACKS.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Feitencheck beroepschrift PFAS zwemwater Zeeland | RIVM

In april 2025 heeft de Stichting Gezond Water (SGW) bij de Rechtbank Zeeland‑West‑Brabant beroep aangetekend tegen het besluit van de provincie Zeeland over de definitieve lijst zwemwaterlocaties voor 2025. De organisatie vindt dat de provincie bij de beoordeling van de zwemwaterkwaliteit onvoldoende rekening houdt met verontreiniging door per‑ en polyfluoralkylstoffen (PFAS). In opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) heeft het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) de feiten in het beroepschrift gecontroleerd. Daarnaast zijn inhoudelijke vragen van IenW over PFAS in zwemwater beantwoord. De details zijn te lezen in deze kennisnotitie.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Towards ecological risk assessment of microplastics for regulatory purposes | RIVM

Microplastics zijn over de hele wereld te vinden in het milieu. Met een zogeheten ecologische risicobeoordeling is te onderzoeken hoe groot de kans is dat microplastics schadelijk zijn voor planten, dieren en ecosystemen. Hiervoor wordt eerst op basis van bestaande data bepaald bij welke hoeveelheden schadelijke effecten optreden. Deze hoeveelheden worden daarna vergeleken met de concentraties microplastics in het milieu. Er zijn een aantal grote hindernissen voordat deze vergelijking kan worden gemaakt. Zo zijn er heel veel verschillende soorten microplastics, die verschillen in bijvoorbeeld vorm, grootte en type. Door deze verschillen in kenmerken kunnen verschillende soorten microplastics andere effecten hebben. Verder is het heel moeilijk om alle microplastics te meten. Ook lijken de microplastics die veel gebruikt worden in experimenten om de giftigheid te bepalen niet op de microplastics die in het milieu zitten. Een goede risicobeoordeling is daarom nu niet mogelijk want vergelijkt in feite appels en peren. Ten slotte is de kwaliteit van de data nog vaak niet goed. De Koelmans-aanpak van de Wageningen Universiteit heeft hier een oplossing voor. De aanpak gebruikt manieren om het risico van de deeltjeseffecten van microplastics beter te kunnen beoordelen. Experts uit binnen- en buitenland steunen de Koelmans-aanpak, zo blijkt uit onderzoek van het RIVM. Het RIVM vindt de methode ook geschikt om beleid te maken. Met de aanpak kan namelijk worden ingeschat wat de schadelijke effecten zijn van de vervuiling van microplastics die er nu is. Op basis daarvan kan de overheid beleidsmaatregelen nemen om vervuiling door microplastics tegen te gaan. Het RIVM adviseert daarom om eerst de omvang van microplasticsverontreiniging in Nederland verder te onderzoeken. Wel zijn richtlijnen nodig over hoe microplastics in het milieu moeten worden gemeten en hoe de giftigheid en risico's van microplastics moeten worden bepaald. Deze richtlijnen zijn nodig om betrouwbare risicogrenswaarden te bepalen. Het RIVM deed dit onderzoek in opdracht van het ministerie van IenW Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ) .
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Bevolkingsblootstelling aan luchtvervuiling 2022 en 2023 | RIVM

De volksgezondheid verbetert als de lucht minder is vervuild. Het RIVM onderzoekt elk jaar de hoeveelheid luchtvervuilende stoffen waaraan de bevolking in Nederland gemiddeld blootstaat. Het RIVM berekent de blootstelling voor heel Nederland, per provincie en per gemeente. In gebieden waar veel mensen wonen, telt de hoeveelheid vervuilende stoffen zwaarder mee. Dit heet de bevolkingsgewogen concentratie. Deze concentratie wordt gebruikt om ontwikkelingen door de jaren heen te kunnen volgen. Zo zijn de bevolkingsgewogen concentraties voor stikstofdioxide en fijnstof tussen 2010 en 2023 bijna gehalveerd. Daarnaast berekent het RIVM het aantal mensen in Nederland dat boven een specifieke hoeveelheden (per microgram per kubieke meter) luchtvervuilende stoffen blootstaat. Dat zijn de hoeveelheden die volgens de richtlijnen en adviezen voor luchtvervuilende stoffen maximaal zijn toegestaan. Vergeleken met 2022 staat nog maar een klein deel van de bevolking bloot aan concentraties boven de nieuwe Europese richtlijnen, die in 2030 gaan gelden. Maar meer dan de helft van de bevolking staat bloot aan concentraties boven de strengere advieswaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie ( WHO World Health Organization (World Health Organization ) ). De advieswaarden zijn een kwart tot een half keer zo laag als de nieuwe Europese richtlijnen. Het RIVM berekent voor dit onderzoek de concentraties stikstofdioxide en fijnstof in het afgelopen jaar en vergelijkt die met de concentraties in het jaar ervoor. Dit keer is dat gedaan voor 2023, in vergelijking met 2022. De blootstelling aan luchtvervuilende stoffen daalde in 2023 en is nog nooit zo laag geweest. De daling komt vooral door het weer in 2023: het waaide gemiddeld harder en er viel veel regen. Hierdoor 'verdunnen' de concentraties in de lucht, omdat stoffen door de wind verder verspreiden en regen de lucht schoonmaakt. Het weer beïnvloedt het verschil van jaar op jaar. Het RIVM verwacht dat de concentraties de komende jaren minder snel dalen of zelfs hoger kunnen zijn dan in het jaar ervoor. Het RIVM doet dit voor het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat in het programma Luchtkwaliteit.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Verkenning proxies voor nitraat | RIVM

Het direct kunnen sturen op de nitraatconcentratie in grondwater op lokaal niveau (zoals bedrijfs- of perceelsniveau) is van groot belang, maar complex en het meten ervan kostbaar. Machine Learning (ML) modellering met gebruik van proxies biedt mogelijkheden om inzicht te geven in de verschillende factoren die bijdragen aan nitraatuitspoeling. Daarnaast zou ML-modellering relevante indicatoren (zoals het stikstofresidu, N-residu) voor nitraatuitspoeling kunnen identificeren. In deze kennisnotitie is onder meer verkend welke mogelijkheden ML-modellering biedt om inzicht te krijgen in de factoren die op perceels- of bedrijfsniveau bijdragen aan nitraatuitspoeling, op basis van bestaande data. Ook is onderzocht in hoeverre ML-modellen nitraatuitspoeling op perceels- of bedrijfsniveau kunnen voorspellen en zijn er aanbevelingen geformuleerd voor vervolgstappen.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Uitvoeringstoets naar de toevoeging van ernstige organische cation transporter 2 (OCTN2)-deficiëntie aan de neonatale hielprikscreening | RIVM

OCTN2-deficiëntie is een zeldzame stofwisselingsziekte, die bij ongeveer 1 op de 100.000 baby's voorkomt. De ernst ervan verschilt sterk. De milde vorm veroorzaakt meestal geen klachten en hoeft niet te worden behandeld. De ernstige vorm van OCTN2-deficiëntie veroorzaakt ernstige gezondheidsklachten. Baby's kunnen hieraan overlijden. Als de ernstige vorm vroeg wordt ontdekt, kunnen klachten helemaal worden voorkomen met carnitinesupplementen. Het is daarom belangrijk om de ziekte kort na de geboorte te vinden. De ziekte kan worden ontdekt door te kijken naar de hoeveelheid vrij carnitine (C0) in het bloed van baby's. Dat gebeurt sinds 2007 indirect via de hielprik, doordat C0 wordt gemeten om de kwaliteit te controleren. Deze test blijkt voor de kwaliteitscontrole niet nuttig te zijn en wordt daarvoor niet langer gebruikt. Om baby's met de ernstige vorm van de ziekte toch snel te vinden en te behandelen, adviseerde de Gezondheidsraad in 2024 om hem als een aparte ziekte toe te voegen aan de hielprikscreening. Het RIVM heeft uitgezocht of en hoe de toevoeging mogelijk is en wat dat zou kosten. Dat heet een uitvoeringstoets. Het RIVM concludeert dat het technisch en organisatorisch mogelijk is om de ernstige vorm van OCTN2-deficiëntie toe te voegen aan de neonatale hielprikscreening. De test om te C0 te meten kan daarvoor blijven bestaan. In de screening zijn wel aanpassingen nodig, bijvoorbeeld in de ict-systemen, laboratoriumprotocollen en communicatiemiddelen. Het RIVM heeft dit uitgezocht in opdracht van het ministerie van VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) . Dit ministerie beslist over de toevoeging en wilde weten of dat praktisch haalbaar is.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

De uitvoeringspraktijk van de Wmo. Verschillen in inrichting en uitgaven van gemeenten | RIVM

Sinds 2015 zijn gemeenten verantwoordelijk voor de zorg en ondersteuning van mensen met een beperking of psychische problemen. Dit is geregeld in de Wmo Wet maatschappelijke ondersteuning (Wet maatschappelijke ondersteuning) 2015 (Wet maatschappelijke ondersteuning). Deze wet zorgt ervoor dat mensen zo lang mogelijk thuis kunnen blijven wonen en kunnen meedoen in de samenleving. Onder deze wet vallen bijvoorbeeld huishoudelijke hulp, aanpassingen in de woning en dagbesteding. De vraag naar deze hulp wordt steeds groter, waardoor de kosten voor de overheid stijgen. Gemeenten zoeken daarom naar een manier waarmee ze hun inwoners het beste kunnen blijven ondersteunen tegen acceptabele kosten. Het RIVM en Cebeon onderzochten hoe gemeenten deze wet uitvoeren en wat de kosten ervan zijn. Dat blijkt per gemeente sterk te verschillen. Het verschilt bijvoorbeeld welke opdrachten gemeenten aan zorgaanbieders geven en welke financiële afspraken zij daarbij maken. Het RIVM en Cebeon concluderen dat de manier van uitvoering moet passen bij de lokale situatie. Dan zijn ook de kosten beter onder controle te houden. In gemeenten waar veel inwoners complexe problemen hebben, kunnen inwoners hun hulpvragen direct bij zorgaanbieders indienen. Gemeenten met minder complexe problemen beantwoorden de hulpvragen vaker zelf. Gemeenten met een gemiddelde complexiteit van problemen lijken nog zoekende hoe ze dit efficiënt kunnen organiseren. Een maatschappelijk vraagstuk is welke ondersteuning inwoners mogen verwachten van gemeenten. Bijvoorbeeld waar de grens ligt tussen samenredzaamheid en eigen bijdragen in de kosten, versus ondersteuning vanuit de overheid. Het RIVM en Cebeon vinden het belangrijk dat de rijksoverheid daarop een visie ontwikkelt. Dit helpt gemeenten om inwoners duidelijk aan te geven welke ondersteuning zij kunnen verwachten. Dit onderzoek is gedaan in opdracht van het ministerie van VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) . Het is onderdeel van een groter onderzoek van het ministerie van VWS en de Vereniging Nederlandse Gemeenten ( VNG Vereniging van Nederlandse Gemeenten (Vereniging van Nederlandse Gemeenten) ) over de vraag hoe de Wmo betaalbaar en uitvoerbaar kan worden gehouden.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Protocol for Systematic Evidence Collection and Evaluation supporting health-based guidance value derivation for PFAS | RIVM

PFAS Per- en polyfluoralkylstoffen (Per- en polyfluoralkylstoffen ) is een grote groep van chemische stoffen die door de mens zijn gemaakt. Deze stoffen zitten in veel verschillende producten, zoals antiaanbaklagen, verpakkingsmaterialen voor voedsel en in kleding. Mensen kunnen er op verschillende manieren aan blootstaan, bijvoorbeeld via voedsel en door stoffen in te ademen. De Wereldgezondheidsorganisatie ( WHO World Health Organization (World Health Organization ) ) wil de schadelijke effecten van PFAS voor mensen door blootstelling via voedsel en drinkwater beoordelen. Ze moet daarvoor vooral bewijs verzamelen voor mogelijke effecten op de gezondheid. Om een goede en transparante risicobeoordeling te kunnen maken is het belangrijk de gegevens die ervoor nodig zijn systematisch te verzamelen. Dit is voor PFAS extra relevant omdat er heel veel en heel verschillende informatie beschikbaar is. Ook is het belangrijk de kwaliteit en bruikbaarheid van de data te evalueren. Het RIVM heeft hiervoor een protocol gemaakt. Dit document beschrijft zowel het proces om systematisch bewijs te verzamelen en evalueren, als welke informatie hierover moet worden gerapporteerd. De formele term hiervoor in het Engels is systematic evidence collection and evaluation (SECE). Dit protocol ondersteunt het proces om gezondheidskundige grenswaarden voor PFAS te bepalen.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Mixture risk assessment approaches to evaluate oral exposure to PFAS | RIVM

Per- en polyfluoralkylstoffen ( PFAS Per- en polyfluoralkylstoffen (Per- en polyfluoralkylstoffen ) ) is een grote groep chemische stoffen waarvan er vaak meerdere tegelijk in drinkwater en voedsel zitten. De Wereldgezondheidsorganisatie ( WHO World Health Organization (World Health Organization ) ) werkt aan een risicobeoordeling voor mengsels van PFAS in voedsel en drinkwater. Het RIVM heeft hiervoor een overzicht gemaakt van verschillende manieren om de kans op schadelijke gezondheidseffecten van deze mengsels te beoordelen. Het RIVM heeft hiervoor de wetenschappelijke informatie op een rij gezet en besproken. Het rapport geeft bijvoorbeeld een overzicht van manieren om PFAS in groepen in te delen en te ordenen op basis van dezelfde gezondheidseffecten. Ook bespreekt het hoe stoffen in mengsels op elkaar kunnen reageren (synergisme en antagonisme) of juist niet (respons-additie en dosis-additie). Het RIVM is gevraagd een advies te geven welke methode voor PFAS het beste is, maar kan dat nu nog niet geven. Het hangt af van verschillende factoren waarover de WHO nog een keuze moet maken. Bijvoorbeeld welke gezondheidseffecten het belangrijkste zijn om in de risicobeoordeling op te nemen. En van welke PFAS de schadelijke effecten zullen worden beoordeeld. Dit zal in de volgende fase van het WHO-onderzoek duidelijk worden. Wel geeft het RIVM enkele voorkeuren aan. Zo blijkt uit de wetenschappelijke literatuur dat de hoeveelheden van verschillende stoffen waar mensen aan blootstaan, voor de risicobeoordeling bij elkaar kunnen worden opgeteld. Dat heet in jargon dosis-additie. Dat komt doordat veel PFAS zich op dezelfde manier in een lichaam gedragen en dezelfde effecten op de gezondheid hebben. Verder heeft het RIVM een voorkeur voor een zogeheten componentgebaseerde aanpak. Deze beoordeelt de risico's van elke aparte stof in het mengsel en niet van het mengsel als geheel. PFAS komen in mengsels in zoveel verschillende combinaties voor dat het moeilijk is om elk mengsel als geheel te beoordelen. Deze voorkeuren geven de WHO richting om een goede methode op te stellen om mengsels van PFAS in voedsel en drinkwater te beoordelen.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Methodology for health-based guidance value (HBGV) derivation for PFAS (individually and in mixtures) | RIVM

Per- en polyfluoralkylstoffen ( PFAS Per- en polyfluoralkylstoffen (Per- en polyfluoralkylstoffen ) ) is een grote groep chemische stoffen waarvan er vaak meerdere tegelijk in drinkwater en voedsel zitten. De Wereldgezondheidsorganisatie ( WHO World Health Organization (World Health Organization ) ) werkt aan een risicobeoordeling voor mengsels van PFAS in voedsel en drinkwater. Om te kunnen bepalen bij welke hoeveelheden deze stoffen schadelijk zijn voor de gezondheid zijn zogeheten gezondheidskundige grenswaarden nodig. Het RIVM heeft een overzicht gemaakt van methoden om gezondheidskundige grenswaarden voor PFAS-mengsels te bepalen. In grote lijnen wordt een gezondheidskundige grenswaarde van een stof op dezelfde manier bepaald als voor een mengsel. De belangrijkste stappen om deze grenswaarden te bepalen zijn: de schadelijke effecten kennen (de gevaarsidentificatie), de hoeveelheden bepalen waarbij deze optreden (gevaarskarakterisering) en beoordelingsfactoren toepassen. Voor de beoordeling van mengsels moeten daaraan zaken worden toegevoegd die specifiek voor mengsels gelden. Bijvoorbeeld PFAS in groepen indelen op basis van dezelfde gezondheidseffecten. De WHO heeft het RIVM gevraagd advies te geven welke methode het beste is, maar dat kan het RIVM nu nog niet. Dat hangt af van verschillende factoren waarover de WHO nog een keuze moet maken. Bijvoorbeeld welke gezondheidseffecten het belangrijkste zijn om in de risicobeoordeling op te nemen. En van welke PFAS de schadelijke effecten zullen worden beoordeeld. Dit zal in de volgende fase van het WHO-onderzoek duidelijk worden. Wel heeft het RIVM enkele voorkeuren die de WHO richting geven om een goede methode op te stellen, namelijk een risicobeoordeling op basis van dosis-additie en een component-gebaseerde aanpak (zie RIVM-rapport 2025-0078 ). Een andere voorkeur van het RIVM is om PFAS te bundelen op basis van dezelfde gezondheidseffecten. Alleen als er niet genoeg data zijn, kunnen losse stoffen apart worden beoordeeld op basis van verschillende gezondheidseffecten.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Verkenning vervolg risicobeoordeling toepassing teruggewonnen cellulose - opties voor verfijnen triggerwaarden | RIVM

In de circulaire economie die Nederland in 2050 wil hebben willen we grondstoffen die nu als afval worden gezien zo veel mogelijk opnieuw gebruiken. Een van de mogelijkheden is om cellulose uit wc-papier uit rioolwater te halen. Dit kan gerecycled worden om bijvoorbeeld te gebruiken in verpakkingsmateriaal, als bodemverbeteraar en in asfalt. In de kennisnotitie verkennen we hoe de risicobeoordeling van teruggewonnen cellulose kan worden vervolgd door het verfijnen van de triggerwaarden. In een eerder rapport hebben we triggerwaarden afgeleid als drempelwaarden waaraan concentraties aan chemische stoffen in teruggewonnen cellulose getoetst kunnen worden. De verwachting is dat sommige stoffen in teruggewonnen cellulose de triggerwaarden zullen overschrijden. Vooruitlopend op de meetresultaten hiervan hebben we daarom een aantal mogelijkheden beschreven voor een volgende stap in de risicobeoordeling van teruggewonnen cellulose.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Bereikbaarheidsanalyse SEH’s en acute verloskunde 2025 | RIVM

Uit de meest recente analyse van 2025 blijkt dat er in totaal 79 ziekenhuislocaties met een SEH zijn. Hiervan zijn 76 locaties 24/7 uur geopend, 3 SEH’s zijn alleen overdag en ’s avonds geopend. In totaal zijn er 29 ziekenhuislocaties ‘gevoelig’. Er zijn 71 ziekenhuislocaties met 24/7-uurs acute verloskunde, daarvan zijn 31 locaties ‘gevoelig’. Lees meer in de publicatie Bereikbaarheidsanalyse SEH’s en acute verloskunde 2025. De uitkomsten van de jaarlijkse vragenlijst, uitgezet in het kader van dit onderzoek, is te vinden op 'RIVM Vragenlijst aanbod SEH’s en Acute Verloskunde 2025'.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

GALA-monitor 2025. Van ambitie naar actie | RIVM

Op 3 februari 2023 is het Gezond en Actief Leven Akkoord (GALA) ondertekend. Het ministerie van VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) , gemeenten, GGD Gemeentelijke Gezondheidsdienst (Gemeentelijke Gezondheidsdienst) -en en zorgverzekeraars willen hiermee mensen gezonder en actiever laten leven en zo gezondheidsproblemen voorkomen. Deze partijen hebben afspraken gemaakt om lokaal en regionaal samen te werken aan zeven thema's. Voorbeelden zijn een gezonde leefomgeving, een gezonde leefstijl en vitaal ouder worden. Het RIVM volgt wat de betrokken partijen voor de gezondheidsthema's doen en hoe de samenwerking zich ontwikkelt. De nadruk ligt op de acties die worden uitgevoerd. Deze tweede rapportage laat zien hoe in 2024 aan de uitvoering van de gemaakte plannen is gewerkt. De samenwerking tussen partijen in de regio is verbeterd, onder andere omdat het steeds duidelijker is wie wat moet doen. In gemeenten worden gezondheidsthema's ook aan elkaar gekoppeld, zoals gezondheidsachterstanden, leefstijl en eenzaamheid. Verschillende domeinen binnen de gemeenten werken met elkaar samen aan deze gezondheidsthema's. Een voorbeeld van de samenwerking tussen verschillende partijen zijn de vijf 'ketenaanpakken', zoals Kansrijke Start en Valpreventie. De monitor laat zien dat deze 'aanpakken' in steeds meer gemeenten worden aangeboden en wat de partijen hebben gedaan om dat te organiseren en uit te voeren. De betrokken partijen ervaren dezelfde knelpunten als uit de vorige rapportage bleek. Vooral het gebrek aan blijvende financiering en de onduidelijkheid daarover voor de toekomst zet de samenwerking tussen partijen onder druk. Ook kan het ervoor zorgen dat nieuwe activiteiten niet worden uitgevoerd. Het is belangrijk dat de positieve ontwikkelingen doorgaan en dat partijen blijven samenwerken aan het GALA. Het kost namelijk tijd om de gezondheid te verbeteren.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Monitor Kansrijke Start 2024 | RIVM

De meeste kinderen in Nederland worden gezond geboren en groeien gezond op in een veilige en beschermde omgeving, maar niet allemaal. Sinds 2018 bestaat het actieprogramma Kansrijke Start, waarmee gemeenten initiatieven kunnen opzetten om ouders vóór, tijdens, en na de zwangerschap te ondersteunen. Het RIVM volgt sinds 2019 in hoeverre zulke initiatieven zijn opgezet en hoe de gezondheid van jonge kinderen zich ontwikkelt. Uit deze zesde monitor blijkt dat weer meer gemeenten (in totaal 90 procent) afspraken hebben gemaakt om samen te werken aan een goede start voor kinderen. Professionals uit het sociaal en medische domein (zoals geboortezorg, jeugdgezondheidszorg en gemeenten) werken steeds beter samen, ook regionaal. Samenwerken is belangrijk om problemen vroeg te signaleren, snel naar elkaar door te kunnen verwijzen en (aanstaande) ouders te ondersteunen. Ook bieden gemeenten inwoners steeds meer initiatieven aan, zoals Nu Niet Zwanger. Er zijn nog wel verbeteringen mogelijk. Zo zijn veel gemeenten bezig om meer ervaringsdeskundigen en (aanstaande) ouders te betrekken bij de ontwikkeling van de initiatieven. Het is belangrijk om hen mee te laten denken, omdat het programma dan goed aansluit bij wat zij nodig hebben. Verder laat de monitor, net als de vorige keer, zien dat nog veel kinderen in Nederland worden geboren in moeilijke omstandigheden, zoals armoede. Gezinnen maken dan bijvoorbeeld minder vaak gebruik van kraamzorg. Ook blijkt dat 16,5 procent van de aanstaande ouders last heeft van psychische problemen, en 33 procent van de moeders na de bevalling last heeft van depressie, angst of stress. Ook hebben steeds meer heel jonge kinderen overgewicht (10,3 procent in 2024 versus 8,4 procent in 2018). Daarnaast loopt de spraak- en taalontwikkeling van kinderen van 2 jaar steeds vaker achter (6,5 procent in 2024 ten opzichte van 5,4 in 2018). Het is nog te vroeg om te kunnen zeggen dat Kansrijke Start een vast onderdeel van gemeentelijk beleid is geworden en blijft bestaan. Ook kost het tijd voordat resultaten zijn te zien. Gemeenten en andere betrokken partijen maken zich zorgen of en hoe de landelijke ondersteuning vanuit VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) en de financiering van Kansrijke Start in de toekomst blijft bestaan. Aandacht voor de gezondheid vóór, tijdens en na de zwangerschap, blijft noodzakelijk, zowel landelijk, als regionaal en lokaal.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Verkenning van de mogelijkheden om de modellering van collectieve bronnen te verbeteren | RIVM

Het RIVM maakt jaarlijks kaarten met grootschalige concentraties luchtverontreinigende stoffen in Nederland op 1x1 km kilometer (kilometer) -vlakken. De focus ligt hierbij op stikstofdioxide ( NO2 Stikstofdioxide (Stikstofdioxide) ) en fijnstof ( PM10 fijnstof (fijnstof) en PM2,5 fijnstof (fijnstof) ). Daarnaast worden detailberekeningen voor wegverkeer en veehouderijen uitgevoerd in het kader van de Monitoring Luchtkwaliteit. Er is ook een analyse uitgevoerd van de locaties in Nederland waar in 2030 mogelijk sprake is van overschrijdingen van de nieuw vastgestelde Europese normen (Directive 2024/2881) voor fijnstof en stikstofdioxide. Op meerdere locaties met mogelijke normoverschrijdingen, vooral van fijnstof, blijkt sprake te zijn van de aanwezigheid van zogenoemde collectieve industriële bronnen. Dit zijn bedrijven die niet verplicht zijn om jaarlijks hun milieudata te rapporteren via hun milieujaarrapportage. Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat heeft het RIVM gevraagd om te verkennen of er een verbetering in de modellering van de collectieve bedrijven gemaakt kan worden.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Pilot Methodologie Ontwikkeling Trendextrapolatie. Deelstudie bij de Toekomstverkenning Gezond en Veilig Werken | RIVM

Een wetenschappelijke manier om naar de toekomst te kijken, is om de verwachte ontwikkelingen in te schatten op basis van cijfers uit het verleden. Dit worden 'projecties' genoemd. Projecties worden veel gebruikt om cijfers over ziekten en gezondheid bij de Nederlandse bevolking in de toekomst te geven. TNO en RIVM wilden weten of deze methode ook kan worden gebruikt om cijfers over de toekomst te geven over 'gezond en veilig werken'. Dat blijkt moeilijk te zijn. Om dit te onderzoeken zijn van twintig onderwerpen van 'psychosociale arbeidsbelasting' (PSA) en burn-outklachten projecties richting 2040 gemaakt. PSA is een verzamelnaam voor omstandigheden op het werk die stress veroorzaken. Voorbeelden van de uitgewerkte onderwerpen zijn autonomie (zelfstandig werken), baanonzekerheid en burnoutklachten. De uitkomsten van de projecties waren anders dan wat deskundigen realistisch vonden. Dit komt waarschijnlijk doordat projecties van PSA onderwerpen minder makkelijk zijn te maken dan van ziekten en aandoeningen. Er zijn namelijk verschillende en onzekere ontwikkelingen die kunnen beïnvloeden hoe PSA op de lange termijn verloopt, zoals economische groei en technologische ontwikkelingen. Deze ontwikkelingen kunnen niet zo makkelijk in de projecties worden verwerkt. Deze ontwikkelingen kunnen wel in 'toekomstscenario's' worden verwerkt, omdat deze mogelijkheden geven om verschillende scenario's uit te werken. Denk aan een scenario waarbij het heel goed gaat met de economie en waarbij technologie veel taken op het werk overneemt, en een scenario waarbij dat juist niet zo is. TNO en RIVM vinden het daarom logischer om de toekomst van de onderwerpen binnen 'gezond en veilig werken' daarmee te verkennen.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Microplastics in de lucht | RIVM

Stel je eens voor: miljarden minuscule plastic deeltjes, microplastics en nanoplastics (MNP), zweven onzichtbaar in de lucht die we inademen. Te klein om te zien, maar overal om ons heen. Deze piepkleine stukjes plastic komen van allerlei plekken en vermengen zich met fijnstof. We weten al langer dat we plastic binnenkrijgen via ons eten en drinken, maar steeds meer onderzoek wijst uit dat we het ook inademen. Dit roept natuurlijk vragen op: wat voor effect hebben deze plastic deeltjes op onze gezondheid, dieren en het milieu? Er is nog veel wat we niet weten. De meeste studies kijken naar wat er gebeurt bij korte blootstelling aan grote hoeveelheden microplastics. Maar we ademen voortdurend kleine hoeveelheden in. Om echt te begrijpen wat de gevolgen zijn, hebben we meer onderzoek nodig, inclusief onderzoek naar de gevolgen in combinatie met andere schadelijke stoffen in de lucht.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

PFAS in bloed van de Nederlandse bevolking | RIVM

PFAS Per- en polyfluoralkylstoffen (Per- en polyfluoralkylstoffen ) is een grote groep van chemische stoffen die door de mens zijn gemaakt. Deze stoffen zitten in veel verschillende producten, zoals antiaanbaklagen, verpakkingsmaterialen voor voedsel en in kleding. Bij het proces om PFAS te maken en het gebruik van producten waar ze in zitten, kan PFAS in de lucht, het water en de bodem terechtkomen. De Nederlandse bevolking krijgt ze op verschillende manieren binnen, via voedsel en drinkwater maar ook op andere manieren zoals via inademing en via de huid. Uit onderzoek van het RIVM blijkt dat mensen in Nederland meerdere PFAS in hun bloed hebben. Er is gekeken naar 28 PFAS in bloed dat in 2016 en 2017 is verzameld. In bijna alle bloedmonsters zijn minimaal zeven verschillende PFAS gevonden ( PFOA perfluoroctaanzuur (perfluoroctaanzuur ) , PFNA, PFDA, PFUnDA, PFHxS, PFHpS en PFOS perfluoroctaansulfonaten (perfluoroctaansulfonaten) ). In het algemeen zijn de hoeveelheden PFOS het hoogst, gevolgd door PFOA. Bij bijna de hele bevolking zit er meer PFAS in bloed dan de gezondheidskundige grenswaarde die daarvoor bestaat. Dit bevestigt de resultaten van eerder onderzoek van het RIVM en de Europese Voedselveiligheidsautoriteit ( EFSA Europese Voedselveiligheidsautoriteit (Europese Voedselveiligheidsautoriteit) ) dat mensen te veel PFAS binnenkrijgen. Boven de grenswaarde zijn effecten op het immuunsysteem niet uit te sluiten. Bij kinderen en vrouwen in de vruchtbare leeftijd zijn iets lagere hoeveelheden PFAS gevonden dan bij de rest van de bevolking. Bij inwoners van de regio’s Dordrecht en Westerschelde zijn de hoeveelheden van enkele PFAS iets hoger dan in de rest van Nederland. Het RIVM keek met extra aandacht naar deze twee regio’s, omdat ze in de buurt liggen van fabrieken waaruit PFAS in de omgeving is terechtgekomen. Wat de gevonden hoeveelheden in de bloedmonsters precies betekenen voor de gezondheid van de Nederlandse bevolking kan het RIVM nu niet zeggen. Bij een hogere blootstelling aan PFAS zijn ook andere gezondheidseffecten niet uit te sluiten. Bijvoorbeeld effecten op de ontwikkeling van het ongeboren kind, de lever en op cholesterol in bloed. Alleen is niet precies bekend bij welke hoeveelheden en in welke mate deze effecten optreden. Daar is ander onderzoek voor nodig. Dit is het eerste onderzoek dat een beeld geeft van de hoeveelheid PFAS in bloed van de Nederlandse bevolking. Dit onderzoek is onderdeel van een breder onderzoeksprogramma in opdracht van de ministeries van VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) , IenW Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ) en LVVN Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur ) . Het RIVM onderzoekt voor dit programma wat de mogelijkheden zijn om de blootstelling van mensen aan PFAS te verminderen.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Human papillomavirus (HPV) vaccination. Background information for the Dutch Health Council | RIVM

Veel mannen en vrouwen krijgen ten minste één keer in hun leven via seksueel contact een infectie met het humaan papillomavirus ( HPV humaan papillomavirus (humaan papillomavirus) ). Er bestaan verschillende typen HPV, waarvan er enkele kanker kunnen veroorzaken. Meestal ruimt het lichaam het virus zelf op maar als de infectie blijft kan er (een voorstadium van) kanker ontstaan. Baarmoederhalskanker is de bekendste, maar het kan ook kanker aan de penis, anus, vagina en vulva zijn en in de mondholte of keelholte. Ook kun je van HPV genitale wratten krijgen. Vaccinatie beschermt tegen deze verschillende vormen van kanker en de voorstadia daarvan. Daarom worden meisjes in Nederland sinds 2010 gevaccineerd tegen HPV. Tot 2014 kregen zij drie doses van het vaccin in het jaar dat ze 13 werden. Sinds 2014 krijgen ze er twee omdat dat aantal genoeg beschermt tegen HPV-infecties. Sinds 2022 worden ook jongens tegen HPV gevaccineerd. Ook is de leeftijd toen verlaagd naar het jaar dat kinderen 10 worden. Daarnaast konden jongeren die de vaccinatie niet hadden gehad, hem in twee 'inhaalcampagnes' tussen 2022 en 2024 alsnog halen. In Europa zijn drie vaccins tegen HPV goedgekeurd die zowel voor vrouwen als mannen geschikt zijn. In Nederland wordt het vaccin gegeven dat beschermt tegen de twee typen HPV die het vaakst tot kanker leiden (HPV-typen 16 en 18). De andere twee vaccins beschermen tegen respectievelijk vier en negen HPV-typen. De minister van VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) heeft de Gezondheidsraad om een nieuw advies over de HPV-vaccinatie gevraagd. Het advies gaat in op het type vaccin en het aantal doses. Als ondersteuning voor dit advies heeft het RIVM wetenschappelijke informatie uit binnen- en buitenland verzameld. Bijvoorbeeld over hoeveel mensen HPV-gerelateerde ziekten hebben en hoe goed de verschillende vaccins daartegen werken. Verder zijn studies beschreven die onderzochten hoe effectief de vaccins zijn bij mensen die een, twee of drie doses van een HPV-vaccin hebben gehad. Daarnaast is informatie over de veiligheid van de vaccins samengevat. Ook worden schattingen van de kosten en de effecten van de verschillende typen vaccins beschreven.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Impactanalyse multitraumanorm voor de ambulancezorg | RIVM

Multitraumapatiënten zijn mensen met ernstig lichamelijk letsel na een trauma, bijvoorbeeld door een ongeval. In Nederland geldt de norm dat 90 procent van deze patiënten in een zogeheten level 1-ziekenhuis (traumacentrum) moet worden behandeld. Deze centra zijn gespecialiseerd in de behandeling van dit type patiënten, zodat ze de grootste kans hebben om te overleven. In sommige regio's in Nederland ligt een traumacentrum ver van de plaats van het ongeval. Bijvoorbeeld in Zeeland, Noord-Holland Noord, Noordoost-Gelderland en Friesland. Dan worden multitraumapatiënten soms naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis gebracht. Hierdoor wordt de norm van 90 procent niet gehaald. Het RIVM onderzocht of er meer capaciteit in ambulancezorg nodig is om de 90 procent te halen. Daaruit blijkt dat er meer uren ambulancezorg nodig zijn naarmate er meer patiënten naar een traumacentrum worden gebracht. Er zijn geen extra ambulances nodig om alle multitraumapatiënten te kunnen verplaatsen. Die zijn wel nodig als ook de 'lichtere' traumapatiënten naar een traumacentrum worden gereden. Genoeg ambulances betekent niet dat de norm ook wordt gehaald. Net zo belangrijk is dat ambulancezorgprofessionals bij een ongeluk de ernst van het letsel goed en snel kunnen beoordelen. Op dit moment zijn in de praktijk niet alle middelen daarvoor beschikbaar. De ernst van het letsel is hierdoor pas te bepalen nadat alle diagnoses in het ziekenhuis zijn gesteld. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van Ambulancezorg Nederland.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Actualisatie van de rekenmethode risico's van rangeerhandelingen gevaarlijke stoffen op spoorwegemplacementen | RIVM

Het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor kan risico's hebben voor de omgeving. Bij een ongeval kan er bijvoorbeeld een brand of ontploffing ontstaan. Er bestaan twee aparte rekenmethoden om deze risico's in kaart te brengen: één voor doorgaand vervoer van treinen en één voor rangeerhandelingen op een emplacement. Bij rangeerhandelingen wordt een trein bijvoorbeeld gesplitst of moet hij langere tijd wachten op het emplacement (een locatie waar handelingen mogelijk zijn). De rekenmethode voor rangeerhandelingen op emplacementen gebruikt nog gegevens van onderzoek uit 1995. Sindsdien zijn verschillende maatregelen genomen om de veiligheid te verbeteren of bestaande maatregelen zijn verbeterd. Het RIVM doet nu een voorstel om de rekenmethode op basis van nieuwere inzichten en cijfers te actualiseren. Het RIVM beveelt gebruikers, zoals veiligheidsregio's en gemeenten, aan om risico's met de aangepaste methoden te berekenen. De rekenmethode voor rangeerhandelingen sloot bijvoorbeeld niet meer aan bij de rekenmethode voor doorgaand vervoer. Deze was in 2019 al geactualiseerd. Daardoor waren bepaalde handelingen die eerst onder rangeerhandelingen vielen, zoals aankomst en vertrek, bij doorgaand vervoer gaan horen. Zonder de aanpassing worden deze handelingen ook nog bij de rangeerhandelingen berekend. Verder blijkt het mogelijk de rekenmethode voor rangeerhandelingen eenvoudiger te maken. Het RIVM heeft hiervoor gekeken naar nieuwere data over ongevallen en naar wetenschappelijke literatuur over mogelijke scenario's voor ongevallen.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Mogelijkheden voor evaluatie van luchtbeleid voor gezondheidsverbetering: accountability | RIVM

Bronnen zoals verkeer, industrie en veehouderijen emitteren schadelijke stoffen in de lucht. Mensen worden daardoor blootgesteld aan luchtverontreiniging en kunnen verschillende gezondheidseffecten veroorzaken zoals astma, chronische obstructieve longziekte en kan leiden tot vroegtijdige sterfte. Maatregelen om de luchtverontreiniging terug te dringen kunnen een aanzienlijke impact hebben op de maatschappij, zowel sociaal-maatschappelijk als financieel. Door middel van accountability kan de baten van de gezondheidsverbetering in beeld worden gebracht. Onder accountability met betrekking tot luchtkwaliteit wordt verstaan het evalueren in welke mate een regelgeving/interventie inzake luchtkwaliteit de volksgezondheid verbetert om zodoende de gezondheidswinst van een (toekomstige) regelgevingsbeleid/interventie te beoordelen. Deze kennisnotitie beschrijft de sterke en zwakke punten van de verschillende typen accountability studies.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Effectafstanden buisleidingbreuk ammoniak | RIVM

In opdracht van het ministerie Infrastructuur en Waterstaat heeft het RIVM breder onderzoek gedaan naar de modellering van ammoniak buisleidingen. In deze notitie worden de resultaten van de Safeti-NL berekeningen beschreven, om hiermee een concreter beeld te geven van de gevolgen van een incident met een ammoniakbuisleiding. De resultaten kunnen in andere onderzoeken gebruikt worden om bijvoorbeeld het handelingsperspectief of de beheersbaarheid te onderzoeken.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Landbouwpraktijk en waterkwaliteit op landbouwbedrijven aangemeld voor derogatie in 2023 | RIVM

Sinds 2006 mogen bepaalde landbouwbedrijven in Nederland meer dierlijke mest op hun land gebruiken dan de Europese Nitraatrichtlijn voorschrijft. Zij moeten hiervoor een vergunning hebben en aan bepaalde voorwaarden voldoen, zoals minimaal 80 procent grasland hebben. Deze verruiming heet derogatie. Het RIVM en Wageningen Social & Economic Research monitoren elk jaar de bedrijfsvoering en de waterkwaliteit bij 300 bedrijven die van derogatie gebruikmaken. De afgelopen jaren mochten bedrijven elk jaar minder mest gebruiken omdat de derogatie tot 2026 wordt afgebouwd. Naast deze beleidsmatige verandering gebruiken boeren mest al jaren efficiënter om gewassen zo goed mogelijk te laten groeien (de zogeheten landbouwpraktijk). Het 'stikstofbodemoverschot' is daardoor gemiddeld gedaald, vooral tussen 2006 en 2017. Dit betekent dat er minder stikstof in de bodem overblijft dat als nitraat met regenwater kan wegzakken naar diepere lagen in de bodem, en zo in het grondwater terechtkomt. 2023 was een uitzonderlijk jaar met het laagste stikstofbodemoverschot sinds de eerste metingen voor deze monitor in 2006. Naast de ontwikkelingen in de landbouwpraktijk had het weer, met de vele neerslag in 2023 en 2024, invloed op de nitraatconcentraties in het grondwater. Wanneer er langere tijd meer neerslag valt dan gemiddeld, wordt er meer nitraat in de bodem afgebroken en met meer water vermengd. Daardoor is de concentratie nitraat in het grondwater lager. Hierdoor lag in 2024 de gemiddelde concentratie nitraat in de bovenste meter van het grondwater op derogatiebedrijven in alle regio's ruim onder de norm van 50 milligram per liter grondwater. Deze daling ontstond nadat de nitraatconcentratie in het bovenste grondwater in de jaren ervoor juist hoger was geworden. Dat kwam door de droge jaren 2018, 2019 en 2020. Door droogte breekt er minder nitraat af in de bodem, waardoor er meer achterblijft en vervolgens in het grondwater terechtkomt. Daardoor stijgt de nitraatconcentratie in het grondwater. Het RIVM en Wageningen Social & Economic Research voeren de monitoring uit in opdracht van het ministerie van Landbouw, Voedselzekerheid, Visserij en Natuur ( LVVN Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur ) ).
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Gezondheidsberekeningen voor de Integrale Mobiliteitsanalyse (IMA) 2026 | RIVM

Binnen Programma 50 Duurzame Mobiliteit is voor de IenW Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ) directie Integratie en Strategie voor Mobiliteit (ISM) geanalyseerd of er een set van samenhangende scenariobeelden voor 2040 of 2050 beschikbaar is (of zonder al te grote inspanning te construeren) waarmee berekeningen gedaan kunnen worden van gezondheidseffecten voor de Integrale Mobiliteitsanalyse (IMA). In deze notitie wordt op hoofdlijnen beschreven wat nodig is om dergelijke berekeningen te kunnen doen. Op basis daarvan komt het RIVM tot de conclusie dat er op dit moment geen congruente scenariobeelden beschikbaar zijn om zo'n exercitie uit te voeren.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

IZA-deelmonitor. Naar meer hybride zorg; 1-meting | RIVM

Eind 2022 hebben veertien partijen het Integraal Zorgakkoord (IZA) ondertekend om de zorg goed, toegankelijk en betaalbaar te houden. Ze hebben onder andere afgesproken om, waar dat kan, meer zorg en ondersteuning digitaal aan te bieden. Mensen kunnen bijvoorbeeld zelf hun gezondheid volgen met een sensor of een app, zoals de bloeddruk of glucosewaarden, en de informatie delen met hun zorgverlener. De combinatie van digitale en fysieke zorg heet hybride zorg. Het RIVM volgt tot 2027 hoe hybride zorg zich ontwikkelt. Uit de eerste meting blijkt dat de meeste afspraken nog fysiek zijn, maar zorgverleners en patiënten wel steeds vaker gebruikmaken van digitale zorg. Denk aan de mogelijkheid om digitaal schriftelijk te communiceren met een zorgverlener, bijvoorbeeld door via het zorgportaal een vraag te stellen. Dat maakt het contact makkelijker en laagdrempeliger. Volgens zorgverleners en gebruikers zijn ondersteunende processen, zoals afspraken inplannen, patiënten doorverwijzen en informatie geven het meest geschikt voor digitalisering. Wel zijn er nog mogelijkheden om meer zorg te digitaliseren. Volgens artsen is 80 procent van de doorverwijzingen digitaal uitvoerbaar. Volgens een groot deel van de zorgverleners helpt digitale zorg om de werkdruk te verlagen en draagt deze bij aan werkplezier. Het is belangrijk digitale zorg voor meer mensen toegankelijker te maken. Het valt op dat ouderen, mensen met basisonderwijs of vmbo en mensen met een lager inkomen, minder vaak digitale zorg gebruiken. Zij kunnen ook minder goed met digitale middelen omgaan. Om ervoor te zorgen dat deze gebruikers dat beter kunnen, is het belangrijk om hen te betrekken als nieuwe vormen van zorg worden ontwikkeld. Dat is vooral belangrijk omdat er de komende jaren meer ouderen zijn en de zorg voor hen toegankelijk moet zijn.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

IZA-deelmonitor. Naar meer regionale samenwerking; 1-meting | RIVM

Eind 2022 is het Integraal Zorgakkoord (IZA) getekend om de zorg goed, toegankelijk en betaalbaar te houden. Daarom is onder andere afgesproken dat betrokken organisaties meer gaan samenwerken in de regio. Dit geldt voor verschillende onderdelen van de zorg, zoals de huisarts, het ziekenhuis en de thuiszorg. Maar ook voor samenwerking tussen de medische zorg en de zorg en ondersteuning vanuit de gemeente (het sociaal domein). Het doel daarvan is bijvoorbeeld kortere wachttijden, onnodige zorg voorkomen en lagere kosten. Het RIVM volgt voor het IZA elk jaar hoe de samenwerking zich tussen 2023 en 2027 ontwikkelt. Dit is gedaan door factoren te meten die belangrijk zijn om samenwerking te laten slagen, zoals financiering, vertrouwen en ervaren effecten. Uit de IZA-meting over 2024 blijkt dat het doel om meer samen te werken in gang is gezet. In regio's zijn daarover bijvoorbeeld afspraken gemaakt tussen de zorg en het sociale domein. Kijkend naar de samenwerkingsverbanden zelf, bleek dat er in 2024 vooral strategische en beleidsmatige veranderingen te zien zijn. Bijvoorbeeld met welk doel de organisaties samenwerken en hoe de samenwerking organisatorisch is geregeld. De programmamanagers van de samenwerkingsverbanden hadden net als in 2023 positieve ervaring met het vertrouwen in elkaar en het leiderschap in het samenwerkingsverband. Sommige factoren scoren lager ten opzichte van de IZA-meting over 2023. Zo zijn er minder afspraken gemaakt over gezamenlijke financiering en zijn inwoners en patiënten minder betrokken bij bestuurlijke beslissingen in de samenwerkingsverbanden. Ook merkten programmamanagers, net als in 2023, weinig verandering op binnen deelnemende organisaties, bijvoorbeeld in het aanbod van zorg en ondersteuning. Verder valt het op dat domeinoverstijgende samenwerkingsverbanden waarbij meer verschillende organisaties zijn betrokken, een andere werkwijze hebben. Zij hebben vaak een efficiënte constructie bedacht om namens alle organisaties beslissingen te kunnen nemen. In algemene zin wil het RIVM benadrukken dat grote veranderingsprocessen in de zorg veel tijd kosten. Het is daarom belangrijk om deze ontwikkeling te blijven doorzetten. Dat betekent regio's de tijd geven om de samenwerking op te bouwen, vertrouwen te creëren en samen naar de doelen toe te werken.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

IJzersilicaat: slakken van nonferro-pyrometallurgie | RIVM

Betreft een advies over de gevaren van het gebruik van ijzersilicaat als bouwstof in GWW-werken. Het ijzersilicaat zijn slakken en ontstaat als reststroom in thermische processen bij de productie van nonferro-metalen. Op een locatie in Limburg is door onzorgvuldigheid tijdens de bouwwerkzaamheden ijzersilicaat vermengd geraakt met de bodem. Vanwege hoge gehalten van enkele zware metalen zoals lood en kobalt in het ijzersilicaat is hierdoor een geval van ernstige bodemverontreiniging ontstaan. Lood en kobalt en hun verbindingen zijn ZZS Zeer Zorgwekkende Stoffen (Zeer Zorgwekkende Stoffen ) . De ILT Inspectie Leefomgeving en Transport (Inspectie Leefomgeving en Transport) heeft het RIVM zijn vijf vragen gesteld over de gevaren van ijzersilicaat met voornoemde ZZS. Deze zijn in de kennisnotitie beantwoord.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Verkennend onderzoek (inhoudelijke) vereisten autorisatie lichaamsmaterialen | RIVM

Sinds juli 2024 is de nieuwe EU Europese Unie (Europese Unie) -verordening over lichaamsmaterialen van kracht gegaan. Deze verordening stelt eisen aan instellingen die met lichaamsmaterialen werken. Of instellingen aan die eisen voldoen moet beoordeeld worden door een competente autoriteit. Deze kennisnotitie doet een inventarisatie naar welke taken er liggen voor de autoriteit, wat de omvang van een autorisatiesysteem kan zijn, welke competenties en expertise verschillende Nederlandse partijen in huis hebben om deze taken uit te voeren en een beschrijving van het Franse autorisatiesysteem.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Sexually transmitted infections in the Netherlands in 2024 | RIVM

In 2024 hebben 7 procent minder mensen zich bij een Centrum voor Seksuele Gezondheid ( CSG Centrum Seksuele Gezondheid (Centrum Seksuele Gezondheid) ) laten testen op seksueel overdraagbare aandoeningen ( soa seksueel overdraagbare aandoening (seksueel overdraagbare aandoening ) ) dan in 2023. Het aantal consulten daalde vooral bij vrouwen en heteroseksuele mannen. Het percentage dat een soa had (20 procent) was vergelijkbaar met 2023. Dit blijkt uit het jaaroverzicht 2024. Het RIVM beschrijft elk jaar de ontwikkelingen van soa in Nederland, waaronder het aantal testen en diagnoses per soa bij de CSG's. Bij CSG's kunnen mensen met een grotere kans op soa, zich gratis laten testen. In 2024 waren er in totaal 159.252 consulten. Sinds augustus 2019 bieden de CSG's als pilot zorg aan mannen die seks hebben met mannen ( MSM mannen die seks hebben met mannen (mannen die seks hebben met mannen) ) die een geneesmiddel krijgen dat hiv humaan immunodeficientievirus (humaan immunodeficientievirus) voorkomt (Pre-Expositie Profylaxe, PrEP pre-expositie profylaxisis (pre-expositie profylaxisis) ). MSM die voor PrEP zorg bij de CSG's komen worden weergegeven als MSM-PrEP. Deze zorg is in augustus 2024 een vast onderdeel van de CSG-zorg geworden. In 2024 waren er 9 procent minder consulten onder mensen die PrEP-zorg kregen dan in 2023: in totaal ging het om 29.870 consulten. Chlamydia In 2024 waren er minder chlamydia-diagnoses dan in 2023: 20.174 ten opzichte van 24.084. Het percentage vrouwen met chlamydia daalde van 16,8 procent in 2023 naar 15,3 procent. Het percentage heteroseksuele mannen met chlamydia was vergelijkbaar (19,6 procent in 2023 en 19,2 procent in 2024). De percentages MSM en MSM-PrEP met chlamydia daalden van 10,2 naar 9,3 en van 9,1 naar 8,3 procent. Gonorroe Het aantal diagnoses gonorroe (13.952) was vrijwel hetzelfde als in 2023 (13.853). Het percentage vrouwen met gonorroe bleef hoog op 4,2 procent (4,1 procent in 2023), het hoogste sinds het begin van de metingen in 2003. Het percentage heteroseksuele mannen met gonorroe bleef ook hoog op 3,7 procent (3,5 procent in 2023). Het percentage onder MSM steeg van 14,1 in 2023 naar 15,0 procent. Onder MSM-PrEP bleef het percentage stabiel op 11,9 procent (11,7 procent in 2023). Er is geen antibioticaresistentie tegen het huidige 'eerste keus' antibioticum voor gonorroe (ceftriaxon) gemeld. Syfilis Ook waren er meer infectieuze syfilis-diagnoses dan in 2023 (1.798 versus 1.693). Het percentage MSM met syfilis was met 2,4 procent vergelijkbaar met 2023 (2,3 procent). Onder MSM-PrEP bleef dit percentage hetzelfde (1,8 procent in 2023 en 2024). Het aantal diagnoses onder vrouwen en heteroseksuele mannen steeg naar respectievelijk 39 en 59. Hiv In 2024 werden 1013 mensen met hiv nieuw geregistreerd in zorg, een lichte stijging ten opzichte van 985 in 2023. Van hen hadden 413 een nieuwe hiv-diagnose. Hoewel het aantal nieuwe diagnoses jarenlang daalde, stabiliseerde de trend in 2022. Sindsdien is het aantal nieuwe diagnoses met 20% gestegen.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Beoordelingskader voor gebruik gezuiverd stedelijk afvalwater in de landbouw. Fase 2: drinkwater, het grondwater-ecosysteem, personen die met irrigatiewater werken, omwonenden en passanten | RIVM

In droge zomers kan er te weinig water zijn om gewassen in de land- en tuinbouw te besproeien. Sinds 2023 mag hiervoor in Nederland gezuiverd stedelijk afvalwater gebruikt worden. Er kunnen in dit water nog chemische stoffen en ziekteverwekkers zitten. Het is daarom belangrijk dat dit water schoon en veilig genoeg is. Daarom heeft het RIVM in samenwerking met Wageningen Environmental Research ( WUR Wageningen University &Research (Wageningen University &Research) ) en de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit ( NVWA Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit) ) een beoordelingskader ontwikkeld om te toetsen of toepassing van gezuiverd stedelijk afvalwater veilig is voor het mensen en het grondwater-ecosysteem. Het is belangrijk dat gewassen die zijn besproeid met gezuiverd afvalwater nog veilig zijn om te eten. In 2024 werd daarom bepaald hoeveel chemische stoffen en ziekteverwekkers er maximaal in het water mogen zitten. In dit vervolgonderzoek heeft het RIVM gekeken naar de blootstelling van het grondwater-ecosysteem en blootstelling van mensen via de lucht en via drinkwater. Grondwater-ecosysteem Er zijn twee opties gegeven voor risicogrenswaarden met een verschillend beschermingsniveau voor het grondwater-ecosysteem. De bevoegde instanties wordt aanbevolen om afhankelijk van het gewenste beschermingsniveau hieruit een keuze te maken. Lucht en drinkwater De kans is klein dat mensen ziek worden als ze via een waternevel in de lucht in contact komen met dit gezuiverde afvalwater. Het gaat dan om mensen die werken met het irrigatiewater, omwonenden en voorbijgangers. In beschermde gebieden waar drinkwater wordt gemaakt van grondwater, mag geen gezuiverd afvalwater worden gebruikt. De kans bestaat namelijk dat chemische stoffen of ziekteverwekkers via het grondwater in het drinkwater komen. Aanleiding en aanbeveling Europese wetgeving stimuleert sinds 2020 om bij droogte gezuiverd afvalwater te gebruiken voor de besproeiing van gewassen. Nederland heeft deze wetgeving in 2023 ingevoerd. Het RIVM adviseert het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ( IenW Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ) ) op basis van de resultaten uit dit onderzoek en het onderzoek uit 2024 een procedure te ontwikkelen waarmee in de praktijk voor specifieke situaties vastgesteld kan worden of het gebruik van gezuiverd afvalwater is toegestaan en nuttig is.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Ervaringen van kinderen en gezinnen met de aanpak Kind naar Gezonder Gewicht | RIVM

Deze rapportage beschrijft de resultaten van een onderzoek naar de aanpak Kind naar Gezonder Gewicht. Het doel van dit onderzoek is om inzicht te geven in de ervaringen van kinderen en gezinnen die deelnemen aan deze aanpak. Dit onderzoek wordt uitgevoerd door het RIVM in opdracht van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport ( VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) ).
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Safeti-NL versie 9.2 - nieuwe versie rekensoftware voor omgevingsveiligheid | RIVM

Het gebruik, de productie, de opslag en het transport van gevaarlijke stoffen kan risico's hebben voor de omgeving. Bijvoorbeeld als er door een incident een gifwolk vrijkomt of brand ontstaat. Daarom wordt berekend tot welke afstand deze activiteiten bij een incident voor dodelijke slachtoffers kunnen zorgen. In delen van dit gebied zal de kans op een incident en het effect daarvan (het risico) te groot zijn. In deze delen mogen geen nieuwe scholen, woningen of ziekenhuizen worden gebouwd. Voor bedrijven en transportleidingen met gevaarlijke stoffen worden de risico's berekend met een softwarepakket: Safeti-NL. De uitkomsten van Safeti-NL worden gebruikt voor de vergunningverlening en ruimtelijke ordening. Het RIVM heeft een nieuwe versie uitgebracht, die sinds januari 2025 in gebruik is. Het RIVM beheert Safeti-NL en heeft de verschillen tussen de vorige en de nieuwe versie beschreven. De uitkomsten verschillen heel weinig. \ De nieuwe versie is makkelijker in het gebruik en kan de risico's sneller berekenen. Nieuwe technische functies maken het mogelijk om gegevens over buisleidingen met aardgas automatisch in te voeren. De software is daarmee een voorbereiding voor wet- en regelgeving die voor juli 2026 is gepland. Safeti-NL wordt dan het programma om risico's van buisleidingen met aardgas te berekenen.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Vormgeving en inrichting van domeinoverstijgende samenwerkingsverbanden voor de transformatie van zorg naar gezondheid. Tussenrapportage Lerende evaluatie Regionale Samenwerking | RIVM

De toegankelijkheid van de zorg in Nederland staat onder druk. De Nederlandse bevolking heeft de komende jaren meer zorg nodig die ook complexer is, omdat steeds meer mensen chronisch ziek zijn. Verder stijgen de kosten en wordt het tekort aan zorgpersoneel steeds groter. Een manier om de zorg goed, toegankelijk en betaalbaar te houden, is dat het medisch en sociaal domein regionaal samenwerken. Dat is in 2022 in het Integrale Zorgakkoord (IZA) afgesproken. Samen werken deze partijen aan passende zorg en ondersteuning, samen met de patiënten en met de nadruk op gezondheid. Een gedeelde visie en goede afspraken zijn daarvoor belangrijk. Het RIVM brengt daarom tot 2027 de ontwikkeling en de lessen van regionale domeinoverstijgende samenwerkingsverbanden in kaart. Dit deelonderzoek richt zich op de manier waarop de samenwerkingsverbanden worden georganiseerd. Sinds 2022 zijn veel domeinoverstijgende samenwerkingsverbanden een onderdeel geworden van een grotere regio waarin partijen samen werken aan het IZA. Of ze overlappen helemaal met de IZA-regio's. Het RIVM ziet wel grote verschillen tussen de samenwerkingsverbanden. Sommige richten zich op één doelgroep, bijvoorbeeld op mensen met dementie of op kinderen. Andere richten zich op de gezondheid van inwoners van een hele gemeente of een IZA-regio. Daar zijn vaak meer organisaties bij betrokken, wat vraagt om meer afstemming. In de samenwerkingsverbanden zijn vooral veranderingen gezien op het gebied van visie en strategie. Andere factoren die belangrijk zijn om de zorg samen anders vorm te geven, zijn nog weinig veranderd. Zoals afspraken over de verdeling van geld voor zorg en ondersteuning onder samenwerkende organisaties, en het betrekken van bewoners bij bestuurlijke beslissingen. Ook blijkt dat meer dan de helft van de samenwerkingsverbanden met een leerplan werkt, maar geleerde lessen niet altijd in de praktijk brengen. Volgens managers van de samenwerkingsverbanden is het ingewikkeld om deze factoren te veranderen, omdat dat op verschillende 'lagen' moet worden geregeld: zowel in de organisaties zelf (uitvoering, management en bestuur) als op lokaal, regionaal en landelijk niveau. Het is dan ook belangrijk om de veranderingen op al deze lagen in samenhang aan te pakken en waar nodig voorbij het eigen belang te kijken.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Aanvulling Relatieve Potentie Factoren en Relatieve Bioaccumulatie Factoren voor PFAS | RIVM

Het RIVM gebruikt Relatieve Potentie Factoren ( RPF Relatieve Potentie Factor (Relatieve Potentie Factor ) ) en Relatieve Bioaccumulatie Factoren ( RBF Relatieve Bioaccumulatie Factor (Relatieve Bioaccumulatie Factor ) ) bij het beoordelen van de gezondheidskundige risico’s van PFAS Per- en polyfluoralkylstoffen (Per- en polyfluoralkylstoffen ) -mengsels. Deze kennisnotitie omvat een aanvulling op de al bekende RPF’s en RBF’s. Het gaat zowel om nieuwe RPF/RBF-waarden voor een aantal PFAS waarvoor deze nog niet beschikbaar waren, als om een gedeeltelijke wijziging van eerder gepubliceerde waarden voor fluortelomeer alcoholen. Voor diverse PFAS ontbreekt bruikbare informatie om gedegen onderbouwde RPF/RBF-waarden voor te stellen. Voor die PFAS maakte het RIVM nu op basis van reeds beschikbare kennis een inschatting van RPF/RBF-waarden die voldoende beschermend worden geacht. De informatie uit deze kennisnotitie is verwerkt in de PEQ PFOA-equivalenten (PFOA-equivalenten ) -rekentool RIVM PEQ Tool | RIVM
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Aanvulling Relatieve Potentie Factoren en Relatieve Bioaccumulatie Factoren voor PFAS | RIVM

Het RIVM gebruikt Relatieve Potentie Factoren ( RPF Relatieve Potentie Factor (Relatieve Potentie Factor ) ) en Relatieve Bioaccumulatie Factoren ( RBF Relatieve Bioaccumulatie Factor (Relatieve Bioaccumulatie Factor ) ) bij het beoordelen van de gezondheidskundige risico’s van PFAS Per- en polyfluoralkylstoffen (Per- en polyfluoralkylstoffen ) -mengsels. Deze kennisnotitie omvat een aanvulling op de al bekende RPF’s en RBF’s. Het gaat zowel om nieuwe RPF/RBF-waarden voor een aantal PFAS waarvoor deze nog niet beschikbaar waren, als om een gedeeltelijke wijziging van eerder gepubliceerde waarden voor fluortelomeer alcoholen. Voor diverse PFAS ontbreekt bruikbare informatie om gedegen onderbouwde RPF/RBF-waarden voor te stellen. Voor die PFAS maakte het RIVM nu op basis van reeds beschikbare kennis een inschatting van RPF/RBF-waarden die voldoende beschermend worden geacht. De informatie uit deze kennisnotitie is verwerkt in de PEQ-rekentool RIVM PEQ Tool | RIVM
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Bepaling van de jaargemiddeldezeezoutaftrek bij herindeling gemeenten | RIVM

Volgens de Europese regels voor luchtkwaliteit hoeft de bijdrage van natuurlijke stoffen, zoals zeezout, niet te worden meegeteld bij de toetsing aan de norm van fijnstof ( PM10 fijnstof (fijnstof) ). Gemeenten mogen de concentratie zeezout aftrekken van het jaargemiddelde fijnstof (PM10). Dat is in de wet vastgelegd op basis van onderzoek van het RIVM (rapportnummer 680704014). De huidige wetgeving is de Omgevingsregeling. Bij herindelingen van gemeenten moet de zeezoutaftrek voor de nieuwe gemeente opnieuw worden vastgesteld als de zoutaftrek van samen te voegen gemeenten verschilt. Het RIVM berekent hiervoor de nieuwe concentratie. In deze kennisnotitie wordt de methode uitgelegd die het RIVM hiervoor gebruikt. Ook bevat het een overzicht van de nieuwe zeezoutaftrekken op het jaargemiddelde die zijn gebruikt voor samengevoegde gemeenten waarvan de zeezoutaftrek verschilt. Het gaat om gemeenten die vanaf 2018 zijn samengevoegd.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Vaccinatiegraad Rijksvaccinatieprogramma Nederland. Verslagjaar 2025 | RIVM

In Nederland krijgen kinderen vaccinaties tegen dertien infectieziekten die ernstig kunnen verlopen. Het RIVM beschrijft elk jaar het percentage kinderen dat is gevaccineerd (vaccinatiegraad). Ook beschrijft het RIVM de ontwikkelingen binnen het Rijksvaccinatieprogramma ( RVP Rijksvaccinatie programma (Rijksvaccinatie programma) ). Vaccinatiegraad Het RIVM kan sinds enkele jaren niet meer de precieze vaccinatiegraad geven. Dat komt doordat het sinds 2022 een deel van de vaccinaties anoniem ontvangt. Deze kunnen niet worden meegeteld voor de vaccinatiegraad, omdat informatie die daarvoor nodig is, zoals het geboortejaar, niet bekend is. De geregistreerde vaccinatiegraad is daarom iets lager dan de werkelijke. Het RIVM neemt de anonieme vaccinaties zo goed als mogelijk mee om de werkelijke vaccinatiegraad te bepalen. Soms spreekt dat beeld de cijfers van de geregistreerde vaccinatiegraad tegen. Zo was het aandeel geregistreerde vaccinaties de laatste jaren groter dan in 2022, maar dat betekent niet automatisch dat de vaccinatiegraad hoger is. Het lijkt erop dat de werkelijke vaccinatiegraad bij zuigelingen en kleuters iets is afgenomen ten opzichte van het jaar ervoor. De HPVvaccinatiegraad is duidelijk gestegen, voor jongens nog meer dan voor meisjes. Ook lijken iets meer zwangeren zich te laten vaccineren tegen kinkhoest en griep. Voor de overige vaccinaties lijkt de vaccinatiegraad ongeveer hetzelfde te zijn gebleven. Ontwikkelingen 2024 In 2024 viel het grote aantal meldingen op van mensen met kinkhoest, mazelen en bof, ook buiten Nederland. Mensen die in het buitenland ziek zijn geworden, kunnen na terugkeer in Nederland anderen (meestal ongevaccineerden) besmetten. Dit 'reiseffect' was in 2024 vooral te zien bij mazelen, door het grote aantal mensen met mazelen in het buitenland. Een hoge vaccinatiegraad is belangrijk om de Nederlandse bevolking te beschermen tegen ernstige infectieziekten. Het RIVM onderzocht daarom met gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek ( CBS Centraal Bureau voor de Statistiek (Centraal Bureau voor de Statistiek) ) welke kinderen wel of niet zijn gevaccineerd tegen BMR bof, mazelen,rodehond (bof, mazelen,rodehond) (bof, mazelen en rodehond) en DKTP Difterie, kinkhoest, tetanus, polio (Difterie, kinkhoest, tetanus, polio) (waaronder kinkhoest). Dat onderzoek toont aan dat de vaccinatiegraad in de afgelopen jaren het meest daalde bij Nederlandse kinderen van Marokkaanse of Turkse herkomst, kinderen die niet naar de kinderopvang gaan en kinderen uit grote gezinnen. Kijkend naar het type basisschool daalde de vaccinatiegraad sterk op islamitische scholen en is deze al langere tijd relatief laag op orthodox-protestantse en antroposofische scholen. Op deze scholen is de kans groter dat groepjes kinderen (clusters) mazelen krijgen. De Jeugdgezondheidszorg ( JGZ Jeugdgezondheidszorg (Jeugdgezondheidszorg) ), het ministerie van VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) en het RIVM werken samen om de vaccinatiegraad te verhogen in wijken en bij groepen waarin relatief weinig mensen zich laten vaccineren. Een andere ontwikkeling is dat de vaccinatie tegen het rotavirus in 2024 is toegevoegd aan het RVP.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Blootstelling aan reguleerbare bronnen van ioniserende straling en fall-out in Nederland | RIVM

Iedereen staat in het dagelijks leven bloot aan ioniserende straling. Dat komt onder meer doordat radionucliden van nature in de bodem en in bouwmaterialen zitten, maar ook in voedsel en water. Verder komt er straling uit de kosmos. Ook staan mensen wereldwijd bloot aan straling door radionucliden die zijn overgebleven na bovengrondse kernwapenproeven in de vorige eeuw. Dat geldt ook voor de ongevallen bij kerncentrales (Tsjernobyl in 1986 en Fukushima in 2011). Dit heet fall-out. En dan is er nog het gebruik van ioniserende stralingsbronnen in ziekenhuizen, nucleaire installaties en industriële bedrijven. Door bijvoorbeeld lozingen van radionucliden naar het milieu via de lucht en water kunnen mensen eraan blootstaan. Om de totale blootstelling voor de bevolking klein te houden, zijn hier regels voor. Daarom heten ze reguleerbare bronnen. De blootstelling aan straling in Nederland aan reguleerbare bronnen en fall-out is heel laag. Deze is gemiddeld per inwoner minder dan één procent van de straling waaraan zij elk jaar door natuurlijke bronnen blootstaan. Fall-out draagt het meeste bij, maar daalt al jaren doordat radionucliden vervallen. Dit blijkt uit een overzicht van de blootstelling aan verschillende reguleerbare stralingsbronnen, consumentenproducten en fall-out in Nederland. Dit is een vervolg op een eerdere inventarisatie die het RIVM in 2003 maakte. Het RIVM heeft dit overzicht gemaakt in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS). Het is onderdeel van een studie naar de dosis waar mensen door verschillende bronnen van straling aan blootstaan.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Gedragseffecten van de accijnsverhoging op tabak in 2024. Voorgenomen versus daadwerkelijke gedragsverandering | RIVM

De Nederlandse overheid heeft de afgelopen jaren drie keer de belasting op tabak verhoogd: telkens op 1 april in de jaren 2020, 2023 en 2024. Het doel was om mensen te laten stoppen of minderen met roken. Het RIVM heeft het effect van de drie accijnsverhogingen geanalyseerd en gekeken of mensen hun gedrag erna veranderden. Dit onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het ministerie van VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) . Uit dit onderzoek blijkt dat er na elke accijnsverhoging mensen zijn gestopt met roken of minder zijn gaan roken. Sinds de accijnsverhoging in 2024 is 7 procent van de rokers gestopt en 16 procent heeft dat geprobeerd. Verder gaf 22 procent van de rokers aan minder te zijn gaan roken. Het valt hierbij op dat het effect van de laatste accijnsverhoging op rookgedrag minder groot is dan van de eerste twee. Ook blijkt dat na deze verhoging veel meer mensen hun tabaksproducten in het buitenland zijn gaan kopen, zoals in Duitsland en Luxemburg. Van alle tabaksproducten die Nederlanders roken, kwam in 2024 naar schatting ruim 60 procent uit het buitenland. In 2023 was dat ongeveer 38 procent en in 2020 30 procent. De sterke stijging van de aankopen in het buitenland kwam doordat de accijnsverhoging in 2024 veel hoger was (24 procent voor sigaretten en 45 procent voor shag) dan in de jaren ervoor (11 procent voor sigaretten, 28 procent voor shag). Het gezondheidseffect van deze accijnsverhoging is door de beschikbaarheid van goedkopere tabak in het buitenland minder groot. Het RIVM beveelt daarom landen in de Europese Unie aan dezelfde prijzen te gebruiken, om te voorkomen dat mensen hun tabak buiten Nederland kopen. Een andere aanbeveling is de maximale hoeveelheid die mensen uit het buitenland mogen meenemen te verlagen en dat actief te controleren.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Grootschalige concentratiekaarten Nederland. Rapportage 2025 | RIVM

Het RIVM maakt elk jaar kaarten van de luchtverontreiniging in Nederland. Dit gebeurt voor verschillende stoffen in de lucht, waaronder stikstofdioxide en fijnstof. Het RIVM gebruikt zowel modelberekeningen als metingen om deze GCN Grootschalige Concentratiekaarten Nederland (Grootschalige Concentratiekaarten Nederland) -kaarten te maken. Zo komen de concentraties het best overeen met de werkelijke situatie in het afgelopen jaar. Daarnaast zijn kaarten gemaakt van de concentraties die in de jaren 2025, 2030 en 2035 worden verwacht. De kaarten voor de toekomst worden gebruikt om de effecten van het beleid op de luchtkwaliteit in beeld te brengen. De luchtkwaliteit was in 2024 beter dan in 2023, vooral omdat er minder stikstofoxiden en fijnstof is uitgestoten. Dit is goed nieuws. Deze verbetering past bij de gemiddelde daling die de afgelopen jaren te zien was. Naar verwachting dalen de concentraties stikstofdioxide en fijnstof tussen 2025 en 2035 verder door beleidsmaatregelen. In de berekeningen zijn de maatregelen verwerkt die op 1 mei 2024 bekend waren en de komende jaren worden uitgevoerd. De gemiddelde concentraties stikstofdioxide in de lucht waren in 2024 ongeveer 2 procent lager dan in 2023. De gemiddelde concentraties fijnstof met deeltjesgrootte PM10 fijnstof (fijnstof) waren ongeveer 4 procent lager. De gemiddelde concentraties met deeltjesgrootte PM2,5 fijnstof (fijnstof) zijn ongeveer hetzelfde gebleven. De verwachtingen voor de concentraties stikstofdioxide en fijnstof voor de toekomst zijn bijgesteld ten opzichte van de berekeningen die het RIVM twee jaar geleden maakte. Zo zullen de concentraties stikstofdioxide in 2030 11 procent lager zijn dan eerder werd verwacht. Het nu doorgerekende beleid streeft meer elektrisch vervoer na, waardoor verkeer minder luchtvervuilende stoffen zal uitstoten. Voor fijnstof worden juist hogere concentraties verwacht dan de eerdere berekeningen aangaven. Dat komt onder andere doordat nieuwe inzichten over het weer worden gebruikt, waardoor het model beter aansluit bij de weersvoorspellingen voor de komende jaren (naar verwachting minder wind en meer regen). Met de huidige luchtkwaliteit kunnen mensen nog steeds gezondheidsklachten hebben. Verschillende overheden (landelijk, provincies, gemeenten) gebruiken de GCN-kaarten om de ontwikkeling van de luchtkwaliteit in Nederland te volgen en om beleid te maken voor een betere luchtkwaliteit. Berekeningen van concentraties zijn van veel factoren afhankelijk, waardoor er altijd onzekerheden in de resultaten zijn. De resultaten kunnen daarom afwijken van de werkelijke concentraties.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Monitor Duurzaamheid en Gezondheid. Nulmeting | RIVM

De zorgsector in Nederland zorgt voor 7 procent van de totale uitstoot van broeikasgassen. De rijksoverheid en betrokken partijen willen de zorg in Nederland duurzamer maken (Green Deal Duurzame Zorg 3.0) en zo het milieu minder belasten. Het RIVM heeft een monitor gemaakt, waarmee het ministerie van VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) kan volgen wat de zorgsector hieraan doet en hoeveel voortgang er is. De ‘nulmeting’ beschrijft hoe de monitor is opgezet en met welke indicatoren de verduurzaming in beeld is te brengen. De monitor gebruikt hiervoor de vijf thema’s van de Green Deal Duurzame Zorg 3.0: de gezondheid van patiënten en medewerkers verbeteren, meer kennis en bewustwording, minder CO2 carbon dioxide (carbon dioxide) -uitstoten, grondstoffen hergebruiken (circulair), en minder medicijnen gebruiken. De monitor gebruikt bestaande gegevens. Deze nulmeting laat zien dat niet voor alle indicatoren gegevens beschikbaar zijn. De gegevens die er wel zijn, geven een eerste indruk en laten zien dat acties in gang zijn gezet om de zorgsector in Nederland te verduurzamen. Bij alle thema’s zijn vooral plannen en strategieën te zien om organisaties duurzamer te maken. Zo steeg het geregistreerde aantal green teams, waarin zorgprofessionals de zorg in hun organisatie vergroenen, van 140 in 2023 naar 180 in 2024. Concrete resultaten van duurzamere zorg zijn bij de meeste thema’s nog niet of weinig zichtbaar, of er waren geen gegevens over. Een uitzondering daarop is de verminderde uitstoot van CO2 door gebouwen in de zorg, zoals ziekenhuizen. Het kost veel tijd om dit soort grote veranderingsprocessen op te zetten en de effecten ervan te zien. Het RIVM vindt het daarom belangrijk de inspanningen om de zorg te verduurzamen de komende jaren te blijven monitoren. Het RIVM adviseert te onderzoeken of de monitor kan worden aangescherpt, door bijvoorbeeld indicatoren toe te voegen of concreter te formuleren. Ook adviseert het RIVM te onderzoeken hoe meer gegevens zijn te verzamelen.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Fires caused by heat radiation - a method of determining fire focus areas | RIVM

Door de hitte van een brand kunnen ook gebouwen in de omgeving in brand komen te staan. Rond activiteiten met grote hoeveelheden ontvlambare stoffen wordt daarom een zogeheten brandaandachtsgebied bepaald. Binnen dit gebied kunnen mensen in een gebouw of woning mogelijk niet genoeg beschermd zijn als er geen extra maatregelen worden genomen. De grootte van een brandaandachtsgebied wordt berekend. Hiermee kan de overheid afwegen of de risico’s acceptabel zijn of dat maatregelen nodig zijn. Deze informatie is bijvoorbeeld belangrijk voor de aanvraag van vergunningen om een fabriek of een woonwijk uit te breiden. Uit onderzoek van het RIVM blijkt dat een andere methode het aandachtsgebied realistischer kan berekenen. Deze nieuwe methode houdt rekening met zowel de intensiteit van de hitte van een brand als de duur ervan. Hiermee krijgt de overheid een beter beeld van de mogelijke gevaren van branden met ontvlambare stoffen. De grens van een brandaandachtsgebied wordt bepaald door de afstand waarop gebouwen door een brand vlam kunnen vatten. Dat wordt berekend met de ‘warmtestraling’. De warmtestraling is het hoogst bij de brand zelf en neemt af naarmate je er verder weg van staat. Het duurt wel even voordat een brand ontstaat. Hoe hoger de warmtestraling, hoe sneller de brand verderop zal ontstaan. Als een brand kort duurt, ontstaan er verderop geen branden. Daarom is het belangrijk ook de duur van de brand mee te nemen in de berekening. De nieuwe methode maakt een groot verschil bij situaties waar de warmtestraling van een brand eerst heel hoog is, maar al snel daalt. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een breuk van een hogedruk aardgasleiding. De brandaandachtsgebieden die daar tot nu toe voor zijn berekend waren te groot, waardoor onnodig veel maatregelen nodig waren. Bij branden waar de verschillen in de warmtestraling minder groot zijn, blijven de brandaandachtsgebieden ongeveer hetzelfde.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

PFAS-metingen in rioolwaterzuiveringen. Een vergelijking tussen huishoudelijk en industrieel afvalwater | RIVM

In Nederland komen mens en milieu op verschillende manieren in contact met PFAS Per- en polyfluoralkylstoffen (Per- en polyfluoralkylstoffen ) . Langdurige blootstelling aan deze chemische stoffen kan schadelijk zijn voor de gezondheid van de mens en het milieu. Om deze blootstelling te kunnen verminderen is het belangrijk te weten welke bronnen deze stoffen uitstoten. Bekend is dat PFAS via huishoudens in het rioolwater komen, bijvoorbeeld via schoonmaakmiddelen, cosmetische producten, het wassen van kleding, en het gebruik van drinkwater. Verder is bekend dat PFAS uit grote industriële bronnen kunnen komen, en zo via lozingen in rioolwater. Van kleinere bedrijven is dat niet goed bekend. Het RIVM onderzocht of metingen in rioolwater onbekende (industriële) bronnen zichtbaar kunnen maken. Dat blijkt zo te zijn. De metingen brengen industriële lozingen van PFAS naar het rioolwater in beeld. Deze informatie kan helpen bij het opsporen van bronnen. Ongezuiverd afvalwater (influent) dat op een rioolwaterzuiveringsinstallatie (rwzi) binnenkomt is altijd een mengsel van huishoudelijk en industrieel afvalwater. Wel verschilt de verhouding van deze twee typen afvalwater per rwzi. Het RIVM onderzocht het influent van twee groepen rioolwaterzuiveringsinstallaties (rwzi’s) in Nederland. De eerste groep bestond uit 11 rwzi’s die vooral afvalwater van huishoudens ontvangen en zuiveren. De tweede groep waren 6 rwzi’s die relatief veel afvalwater van industrieën bevatten, met mogelijk onbekende bronnen van PFAS. Bij de eerste groep rwzi’s zaten in het influent dezelfde hoeveelheden van dezelfde PFAS-verbindingen. Dit ‘patroon’ is ook in drinkwater te zien. Dat betekent dat deze PFAS voor een deel via het gebruik van kraanwater in het rioolwater komen. Bij de analyses moet wel rekening worden gehouden met de bron van het drinkwater (oppervlaktewater, grondwater). In drinkwater dat van oppervlaktewater is gemaakt, zit namelijk meer PFAS dan in drinkwater van grondwater. Het gevonden patroon aan PFAS-verbindingen was ook te zien bij de rwzi’s die afvalwater van industrieën verwerken. Wel zat er bij sommige rwzi’s meer PFAS in het influent dan was verwacht op basis van het aantal inwoners. Dit betekent dat er nog onbekende industriële bronnen van PFAS moeten zijn. Verder onderzoek is nodig om deze te achterhalen.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Psychosociale arbeidsbelasting en arbeidsveiligheid. Verkenning van de internationale en Nederlandse wetenschappelijke literatuur | RIVM

Psychosociale arbeidsbelasting ( PSA Prostaat Specifiek Antigeen (Prostaat Specifiek Antigeen) ) kan slecht zijn voor de gezondheid van werkenden. PSA is een verzamelnaam voor omstandigheden op het werk die stress veroorzaken. Denk aan tijdsdruk, de hoeveelheid werk, emotioneel belastend werk, gebrek aan sociale steun of pesten. PSA kan bijvoorbeeld tot burn-outklachten leiden. Het RIVM stelt dat er ook een verband is tussen PSA en de fysieke veiligheid van werkenden. Zo blijken PSA-factoren samen te hangen met gevaarlijk gedrag en ongelukken op het werk. Dat komt vooral door de factoren tijdsdruk en ongewenst gedrag van collega’s en leidinggevenden. Dit blijkt uit een verkenning van het RIVM. Voor organisaties is het belangrijk om hier rekening mee te houden en zo nodig maatregelen te nemen. Voor deze verkenning heeft het RIVM Nederlandse en internationale wetenschappelijke literatuur doorzocht. Uit Nederlandse gegevens kwam ongewenst gedrag binnen een organisatie sterk naar voren als oorzaak voor ongelukken op het werk. Dat gaat over pesten, geweld of seksuele intimidatie door collega’s of de leidinggevende. Verder zijn er aanwijzingen dat een gebrek aan sociale steun en zelfstandigheid bijdragen aan onveiligheid, net als hoge tijdsdruk en emotioneel zwaar werk. Volgens internationale literatuur kan tijdsdruk er op verschillende manieren voor zorgen dat werken minder veilig wordt. Werkenden kunnen bijvoorbeeld bewust veiligheidsmaatregelen minder serieus nemen. Zo kunnen zij stappen uit veiligheidsprotocollen overslaan omdat ze te veel werk te doen hebben. Onbewust kan vermoeidheid, ontstaan door werken onder tijdsdruk, ervoor zorgen dat ze minder alert zijn om veiligheidsmaatregelen te nemen. Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ( SZW Sociale zaken en werkgelegenheid (Sociale zaken en werkgelegenheid) ) heeft om deze verkenning gevraagd. Deze is bedoeld voor mensen die verantwoordelijk zijn voor een veilige werkomgeving, zoals werkgevers, veiligheidsprofessionals en leidinggevenden. In een volgend onderzoek gaat het RIVM hen vragen of ze zich bewust zijn van de gevolgen van PSA voor de arbeidsveiligheid. Ook wordt gevraagd wat ze daar al aan doen en misschien nog nodig hebben om werken veiliger te maken.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Verschillen en overeenkomsten tussen de keuze voor de coronaprik en de griepprik bij 60+ers | RIVM

Mensen van 60 jaar en ouder komen in aanmerking voor zowel een griepprik als een coronaprik. De geregistreerde vaccinatiedeelname in 2023 toont dat meer 60+ers voor een griepprik kiezen dan voor een coronaprik. Bovendien lijkt de vaccinatiedeelname voor de coronaprik te dalen ten opzichte van eerdere jaren. Dit onderzoek belicht of, en zo ja hoe, 60+ers anders tegen de coronaprik aankijken in vergelijking met de griepprik. Daaruit kunnen implicaties voor beleid en communicatie worden afgeleid.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Assessment Factors for Genotoxic Carcinogens | RIVM

Het RIVM werkt aan methoden om zo goed mogelijk te kunnen beoordelen of stoffen schadelijke effecten hebben op de gezondheid van mensen. Dat kan bijvoorbeeld met een risicobeoordeling die berekent wat de blootstelling aan dit soort stoffen maximaal mag zijn. In een risicobeoordeling wordt rekening gehouden met onzekerheden om te voorkomen dat de kans op gezondheidseffecten te laag wordt ingeschat. Zo kunnen er onzekerheden zijn over effecten van stoffen bij mensen, omdat er alleen informatie is over de effecten bij dieren. Een andere onzekerheid is dat niet alle mensen op dezelfde manier op een stof reageren. Er zijn verschillende manieren om rekening te houden met onzekerheden in een risicobeoordeling. Eén daarvan is het gebruik van assessment factoren. Voor een nieuwe methode onderzocht het RIVM of het effect van stoffen die het DNA deoxyribonucleic acid (deoxyribonucleic acid) beschadigen, kan verschillen tussen verschillende soorten dieren, tussen dieren en mensen en tussen mensen onderling. Als dat zo is, wordt aanbevolen om voor deze verschillen assessment factoren te gebruiken. De genoemde verschillen blijken er inderdaad te zijn, zo blijkt uit de wetenschappelijke literatuur. Het RIVM adviseert daarom om deze assessment factoren te gebruiken in de nieuwe methode voor risicobeoordeling voor DNA- Desoxy nucleinezuur (Desoxy nucleinezuur) beschadigende stoffen. Het is nog wel ingewikkeld om te bepalen hoe groot de assessment factoren zouden moeten zijn. Meer discussie met internationale onderzoekers is daarvoor nodig.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Advisory values for maximum emission of nicotine and 6-methylnicotine from nicotine products without tobacco for inhalation | RIVM

Er zijn producten te koop waar geen tabak in zit, maar wel nicotine. Sommige van deze nicotineproducten zonder tabak zijn bedoeld voor inhalatie. Mensen krijgen nicotine binnen via de stoffen die uit deze producten vrijkomen, de zogenoemde emissie. De producten vallen niet onder de Europese Tabakswet omdat er geen tabak in zit. Er zijn daarom nu nog geen regels voor deze producten. Nicotine is schadelijk voor de gezondheid. Daarom wil de Nederlandse overheid dat er eisen aan deze producten worden gesteld, zoals een maximum voor de hoeveelheid nicotine. Het RIVM heeft nu advieswaarden bepaald voor de hoeveelheid nicotine in de emissie. Onder deze waarden zijn geen gezondheidseffecten van nicotine te verwachten als iemand een product volledig gebruikt. Deze advieswaarden zijn ook bepaald voor de stof 6-methylnicotine. Deze stof lijkt op nicotine en is in Nederland al eerder gebruikt als vervanger van nicotine. Verder is op een rij gezet welke andere stoffen op nicotine lijken. De advieswaarden zijn bepaald voor de eerste gezondheidseffecten die mensen van nicotine merken: een hogere hartslag en irritatie van de luchtwegen, de hoestprikkel. Om de gezondheid van de gebruiker te beschermen moet de hoeveelheid nicotine en 6-methylnicotine die vrijkomt uit nicotineproducten zonder tabak voor inhalatie onder de advieswaarden blijven. Nicotineproducten zijn vaak aantrekkelijk en verslavend, vooral voor jongeren. Daarom adviseert het RIVM om uit te gaan van de laagste advieswaarden die ook jongeren beschermen. Dit betekent een advieswaarde van 0,028 milligram nicotine uit een product en 0,0030 milligram 6-methylnicotine. De maximale concentratie in de emissie zonder verwacht schadelijk effect is 0,07 milligram per liter emissie voor nicotine. Voor 6-methylnicotine is dat 0,025 milligram per liter emissie.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Nicotinesticks zonder tabak: overschrijding van maximale nicotine-emissie advieswaarden | RIVM

Het RIVM heeft de opdracht gekregen een risicobeoordeling uit te voeren van nicotineproducten zonder tabak die geïnhaleerd worden. Deze kennisnotitie beschrijft welke nicotinesticks zonder tabak zijn meegenomen in het onderzoek, hoe het laboratoriumonderzoek is uitgevoerd en de resultaten van het onderzoek naar nicotinesticks zonder tabak. Het RIVM concludeert dat de gemeten nicotinesticks niet voldoen aan de door het RIVM gerapporteerde advieswaarden.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Rapportage 2024 Nationale Adviesgroep Cabinelucht | RIVM

Piloten en cabinepersoneel in vliegtuigen kunnen gezondheidsklachten hebben, zoals duizeligheid, misselijkheid, desoriëntatie en trillende ledematen. Ondanks veel onderzoek is de oorzaak van de klachten nog steeds niet duidelijk. Naar aanleiding van de internationale discussie hierover heeft het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ( IenW Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ) ) in 2015 de Nationale Adviesgroep Cabinelucht ( NAC N-acetylcysteïne (N-acetylcysteïne ) ) opgericht. De adviesgroep adviseert de minister van IenW over dit onderwerp. Ook informeert de NAC alle betrokken partijen over internationale onderzoeken naar de kwaliteit van cabinelucht in vliegtuigen. De NAC rapporteert elk jaar de voortgang en resultaten van bijeenkomsten en onderzoeken. Zo heeft de NAC in 2024 verder gewerkt aan een adviesnotitie om de aanwezigheid van bepaalde chemische stoffen bij het onderhoud aan vliegtuigen te meten in plaats van te ruiken. In 2025 zal hier verder aan gewerkt worden. Eerder sprak de NAC al over de chemische stof tributyl fosfaat ( TBP tick-borne diseases (tick-borne diseases) ), een bestanddeel van hydraulische olie. Wanneer een vliegtuig aan de gate staat of aan het taxiën is, kan TBP via de buitenlucht in de cabine van het vliegtuig komen. De NAC heeft in mei 2024 aan IenW een voorstel voor een meetplan van TBP in cabinelucht voorgelegd. Er wordt nog gekeken naar subsidiemogelijkheden voor dit onderzoek. Verder onderzoekt de NAC de mogelijkheden om een medisch protocol op te zetten voor vliegend personeel dat klachten blijft houden. Hier wordt in 2025 verder aan gewerkt. Ook wordt uitgezocht of er andere mogelijkheden zijn die piloten en cabinepersoneel met langdurige gezondheidsklachten kunnen helpen. In de NAC zitten vertegenwoordigers van werkgevers: KLM Koninklijke Luchtvaart Maatschappij (Koninklijke Luchtvaart Maatschappij) en Corendon, van werknemers: VNV, NVLT, VNC en FNV Dutch Organisation of Trade Unions (Dutch Organisation of Trade Unions) Cabine en onderzoeksinstituten: RIVM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu), NLR Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium (Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium) (Nederlands Lucht- en Ruimtevaartcentrum) en TNO (Nederlandse Organisatie voor Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek). Vertegenwoordigers vanuit de ministeries van IenW en Sociale Zaken en Werkgelegenheid ( SZW Sociale zaken en werkgelegenheid (Sociale zaken en werkgelegenheid) ) zijn waarnemend lid. Het RIVM voert sinds 2020 het secretariaat.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Evaluatie Nationaal Hitteplan. De relatie tussen temperatuur en sterfte | RIVM

Het Nationaal Hitteplan is een waarschuwingssysteem om vooral kwetsbare groepen, zoals jonge kinderen, zieken en ouderen, te beschermen tegen hitte. Zij kunnen door hitte sneller gezondheidsproblemen krijgen. Het hitteplan wordt geactiveerd als in Nederland meerdere dagen achter elkaar hoge temperaturen worden verwacht. Organisaties, (zorg)professionals en mantelzorgers kunnen daar dan rekening mee houden. In 2010 is het Nationaal Hitteplan voor het eerst geactiveerd. Het RIVM onderzocht de relatie tussen hoge temperaturen en het aantal sterfgevallen in Nederland vóór (2000-2009) en na de eerste activatie (2010-2019). Daaruit blijkt dat de kans om door hitte te sterven na 2010 kleiner is geworden. Dit kan door het hitteplan komen, maar ook andere factoren kunnen invloed hebben gehad. Zo was er veel (media) aandacht voor de hittegolven in 2003 en 2006, die een van de langste en meest intense in Nederland waren. Het kan zijn dat mensen en organisaties zich sindsdien bewuster zijn van de gevaren van hitte. Dit maakt het lastig om de invloed van het Nationaal Hitteplan te bepalen. De kans om te sterven door hitte nam vooral af onder ouderen, vrouwen en bewoners van buurten waar veel mensen met een lager inkomen wonen. Onder mensen boven de 90 jaar daalde de kans om te sterven door hitte, maar bleef het geschatte aantal doden onder hen in beide perioden hetzelfde. Dat komt omdat er door de vergrijzing meer mensen van deze leeftijd zijn. Maatregelen om gezondheidsproblemen door hitte te verminderen blijven noodzakelijk, zeker omdat er door de vergrijzing steeds meer hele oude mensen zullen zijn. Ook verwacht het KNMI Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut) dat er in de toekomst meer hete dagen zullen zijn.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Evaluatie Nationaal Hitteplan: Scenarioanalyse code rood | RIVM

Door klimaatverandering zal de frequentie en intensiteit van hoge temperaturen toenemen. Door middel van een scenarioanalyse en workshop is nagegaan in hoeverre Nederland is voorbereid op extreme hitte. Er blijken verschillende aandachtspunten te zijn. Er zijn bijvoorbeeld geen richtlijnen voor code rood voor hitte, omdat lastig te bepalen is wanneer hitte maatschappij-ontwrichtend zal zijn. Ook is er nog geen overeenstemming over welke doelen nagestreefd moeten worden om zowel Europees Nederland als het Caribisch deel van het Koninkrijk voorbereid te krijgen op extreme hitte. Daarnaast blijken standaard oplossingen voor crises bij extreme hitte mogelijk ontoereikend en zijn er uiteenlopende verwachtingen over rollen, taken en verantwoordelijkheden van verschillende partijen. In de kennisnotitie worden aanbevelingen gedaan om Nederland voorbereid te maken op extreme hitte.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Evaluatie communicatieboodschap Nationaal Hitteplan | RIVM

Nederland heeft sinds 2007 een Nationaal Hitteplan (NHP). Dit is een waarschuwingssysteem voor branche- en belangenorganisaties in de zorgsector. Het RIVM brengt deze organisaties op de hoogte als er een periode van aanhoudende hitte of extreem hoge temperaturen wordt verwacht. De werking van het NHP is nog niet eerder geëvalueerd. Eind 2023 heeft VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) aan het RIVM gevraagd het NHP op verschillende onderdelen te evalueren. Het doel van dit deelproject was het evalueren van de effectiviteit van de communicatieboodschap van het NHP.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Contra expertise op bepalingen van radioactiviteit in afvalwater en ventilatielucht van NRG. Periode 2023-2024 | RIVM

Het nucleair bedrijf Nuclear Research and Consultancy Group ( NRG Nuclear Research and consultancy Group (Nuclear Research and consultancy Group) ) in Petten meet hoeveel radioactiviteit het in het eigen afvalwater en de ventilatielucht naar de omgeving loost. De monsters hiervoor worden verspreid over het jaar genomen. Het RIVM controleert deze metingen acht keer per jaar. De Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) gebruikt deze ‘contra expertise’ om in te schatten hoe betrouwbaar de metingen van de NRG zijn. Net als in eerdere jaren komen de gamma-analyses van afvalwater uit de contra expertise in 2023 en 2024 goed overeen. De totaal-alfa resultaten in afvalwater stemmen redelijk tot goed overeen. De overeenstemming in de totaal-bèta resultaten is matig en kan worden verbeterd. Dit resultaat wordt verklaard door de verschillen in de meetmethoden van NRG en het RIVM. De overeenstemming in de 3H-resultaten in afvalwater is goed. De meetresultaten in ventilatielucht komen goed overeen. Het RIVM heeft in een aantal monsters een lage activiteitsconcentratie van 131I, 133Xe, 191Os en 203Hg gevonden. Deze meeste van deze waarden vallen onder de detectiegrens van NRG, waardoor NRG ze niet heeft gerapporteerd. Het RIVM heeft een paar keer een zeer lage totaal-alfa activiteit in ventilatielucht aangetroffen, waar NRG niets vond. De meetwaarden voor zowel totaal-alfa als totaal-bèta in ventilatielucht komen overeen met wat er in buitenlucht zit en hebben waarschijnlijk een natuurlijke oorsprong. Het RIVM voert de contra expertises elk jaar uit in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS).
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Preventief gedrag bij door dieren overdraagbare infectieziekten. Literatuuronderzoek naar gedragsdeterminanten en interventies in de recreatiecontext | RIVM

Infectieziekten die van dieren op mensen worden overgedragen zijn een risico voor de volksgezondheid. Denk aan de ziekte van Lyme, die via teken wordt overgedragen of aan hondsdolheid, dat wordt overgedragen als een besmet dier iemand bijt of krabt. Mensen kunnen dit soort infecties krijgen als ze aan het recreëren zijn, bijvoorbeeld in het bos, als ze thuis zijn of op reis. Mensen kunnen verschillende dingen doen om een infectie te voorkomen. Voorbeelden zijn beschermende kleding dragen, een insectwerend middel gebruiken of zich tegen hondsdolheid laten vaccineren bij reizen naar bepaalde gebieden. Dat heet preventief gedrag. Om te weten wat mensen helpt om dit gedrag uit te voeren, is het belangrijk inzicht te hebben wat hen daartoe wel of niet motiveert. Het RIVM heeft onderzocht wat hierover bekend is in de wetenschappelijke literatuur. Het blijkt dat mensen die preventieve acties nemen over het algemeen meer kennis hebben over infectieziekten dan mensen die dat minder vaak doen. Ze weten beter wat ze kunnen doen om een infectie te voorkomen. Ze verwachten vaker dat de acties goed werken om een infectie te voorkomen. Ook ervaren ze meer risico: ze denken dat de kans groter is om de ziekte te krijgen of dat ze er heel ziek van kunnen worden. Bovendien hebben ze vaker meer vertrouwen dat ze deze acties kunnen uitvoeren (haalbaarheid). Tot slot valt op dat vrouwen vaker preventief gedrag vertonen dan mannen. Mensen kunnen op verschillende manieren worden geholpen om preventief gedrag uit te voeren. Zorgen voor meer kennis, bijvoorbeeld via onderwijs of informatiefolders, lijkt te werken en wordt al veel gedaan. Andere zaken blijken ook belangrijk te zijn, zoals de haalbaarheid van gedrag. Deze kan worden vergroot door acties makkelijker te maken. Door bijvoorbeeld water en zeep te plaatsen op plekken waar mensen hun handen moeten wassen, gaan mensen dat vaker doen. Verder is het belangrijk te evalueren of interventies in de praktijk werken. De literatuurstudie laat zien dat er vooral onderzoek is gedaan naar preventief gedrag bij ziektes die door teken en muggen overdraagbaar zijn. Minder aandacht is er voor gedrag bij ziektes die worden overgedragen via oppervlaktewater, vogels of zoogdieren.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

An overview of the available data on the mutagenicity and carcinogenicity of toluene | RIVM

De stof tolueen wordt veel gebruikt als oplosmiddel, bijvoorbeeld bij de productie van verf, harsen en rubber. De vraag is of tolueen kankerverwekkend is (carcinogeen) en schade aan het DNA deoxyribonucleic acid (deoxyribonucleic acid) kan veroorzaken (mutageen). De Gezondheidsraad heeft het RIVM gevraagd om wetenschappelijke literatuur over deze twee eigenschappen samen te vatten. In totaal zijn 52 studies in proefdieren of mensen samengevat over mogelijke carcinogene en mutagene eigenschappen van de stof. De Gezondheidsraad gebruikt het overzicht om te beoordelen of tolueen de twee eigenschappen heeft. De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ( SZW Sociale zaken en werkgelegenheid (Sociale zaken en werkgelegenheid) ) heeft de Gezondheidsraad om dit advies gevraagd.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Overview of the available data on the mutagenicity and carcinogenicity of hexachloroethane | RIVM

De chemische stof hexachloorethaan wordt gebruikt om producten te maken waarbij rook vrijkomt, zoals rookpotten en -bommen. Deze producten worden onder andere in het leger gebruikt. Daarnaast zit hexachloorethaan in veel verschillende producten. De stof wordt gebruikt als polymeeradditief, anti-mottenmiddel, weekmaker voor kunststoffen en oplosmiddel voor middelen tegen insecten. Het wordt ook bij de bewerking van metalen gebruikt om aluminiummengsels te raffineren. De vraag is of hexachloorethaan kankerverwekkend is (carcinogeen) en schade aan het DNA deoxyribonucleic acid (deoxyribonucleic acid) kan veroorzaken (mutageen). De Gezondheidsraad heeft het RIVM gevraagd om wetenschappelijke literatuur over deze twee eigenschappen samen te vatten. In totaal heeft het RIVM 22 studies in proefdieren of mensen samengevat over mogelijke carcinogene en mutagene eigenschappen van de stof. De Gezondheidsraad gebruikt het overzicht om te beoordelen of hexachloorethaan de twee eigenschappen heeft. De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ( SZW Sociale zaken en werkgelegenheid (Sociale zaken en werkgelegenheid) ) heeft de Gezondheidsraad om dit advies gevraagd.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Meningococcal disease serogroup B. Updated information for the Dutch Health Council | RIVM

Meningokokkenziekte is een levensbedreigende ziekte die door verschillende typen meningokokkenbacteriën (serogroepen) wordt veroorzaakt. Deze serogroepen zijn met letters aangegeven. In Nederland worden kinderen gevaccineerd tegen meningokokken A, C, W en Y. Er is ook een type B waartegen vaccins bestaan. In 2022 heeft de Gezondheidsraad geadviseerd om de vaccinatie tegen meningokokken B niet in te voeren in het Rijksvaccinatieprogramma. Sinds 2022 zijn in Nederland elk jaar iets meer mensen ziek geworden van een besmetting met meningokokken B. In 2024 waren er 118 meningokokken B patiënten, van wie 34 kinderen onder de vijf jaar en 30 jongvolwassenen (15-24 jaar). De Gezondheidsraad gaat het ministerie van VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) opnieuw adviseren over vaccinatie tegen meningokokken B. Als ondersteuning van dit advies heeft het RIVM informatie samengevoegd over deze vaccinatie en hoe vaak ziekte door meningokokken B in Nederland voorkomt. Dit document gaat ook in op kosten en effecten van vaccinatie. Er zijn verschillende stammen van meningokokken B. Het verschilt per land en per jaar welke stammen het meeste ziekte veroorzaken. De vaccins beschermen niet tegen alle stammen, maar lijken goed te werken in Europese landen die ze gebruiken. Om een vaccinatie tegen meningokokken B toe te voegen aan het prikschema van het Rijksvaccinatieprogramma, zouden extra vaccinatiemomenten nodig zijn. Er bestaan vaccins waarin de serogroep B is gecombineerd met het bestaande ACWY-vaccin. Deze vaccins zijn nu niet verkrijgbaar in Europa.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Vitamine B6: maximale hoeveelheden voor toevoeging aan voedingsmiddelen en voedingssupplementen. Rekenkundige onderbouwing met behulp van scenario's | RIVM

Als mensen lange tijd veel vitamine B6 binnenkrijgen, kunnen ze gezondheidsklachten krijgen, zoals tintelingen of gevoelloosheid in handen en voeten. Daarom heeft de Europese Voedselveiligheid Autoriteit ( EFSA Europese Voedselveiligheidsautoriteit (Europese Voedselveiligheidsautoriteit) ) bepaald hoeveel vitamine B6 mensen per dag veilig mogen binnenkrijgen. Dit heet de aanvaardbare bovengrens. Fabrikanten mogen vitamine B6 toevoegen aan voedingsmiddelen (verrijking) en voedingssupplementen. Dat gebeurt bijvoorbeeld bij bepaalde ontbijtgranen en dranken. In de Nederlandse wet staat aangegeven hoeveel vitamine B6 maximaal mag worden toegevoegd. Deze hoeveelheden zijn bepaald op basis van de aanvaardbare bovengrens. De Europese Commissie en de lidstaten van de Europese Unie denken erover na om maximale waarden voor de toevoeging van vitamines en mineralen aan voedingsmiddelen en voedingssupplementen te bepalen die in de hele Europese Unie gelden. Totdat dit Europees geregeld is, heeft elke lidstaat hiervoor eigen wetgeving. Het ministerie van VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) denkt nu opnieuw na over de maximale hoeveelheid vitamine B6 die in Nederland aan voedingsmiddelen en voedingssupplementen mag worden toegevoegd. Dat komt omdat de EFSA in 2023 de aanvaardbare bovengrens voor vitamine B6 heeft verlaagd naar aanleiding van de nieuwste wetenschappelijke inzichten. Dat betekent dat mensen per dag minder vitamine B6 mogen binnenkrijgen. Als input voor de besluitvorming hierover heeft het RIVM scenario's doorgerekend. VWS zal beslissen hoe hoog de maximale hoeveelheden mogen zijn. Voor de scenario's is eerst berekend hoeveel vitamine B6 mensen via de gewone voeding binnenkrijgen, en hoeveel er dan nog overblijft tot de aanvaardbare bovengrens is bereikt. De hoeveelheid die overblijft heet de vrije ruimte. In de scenario's is onder andere de hoeveelheid voor de vrije ruimte op verschillende manieren verdeeld over supplementen en voedingsmiddelen. Daarna is voor voedingsmiddelen en voedingssupplementen berekend hoeveel vitamine B6 er maximaal aan mag worden toegevoegd. Volgens nieuwe inzichten zijn er aanwijzingen dat bepaalde mensen gevoeliger zijn voor gezondheidsklachten. Ook als zij minder vitamine B6 binnenkrijgen dan de aanvaardbare bovengrens. Het RIVM adviseert om hier meer inzicht in te krijgen. Het RIVM geeft het ministerie als overweging mee om waarschuwende teksten te verplichten op voedingssupplementen en voedingsmiddelen waaraan vitamine B6 is toegevoegd. Voor dit onderzoek zijn gegevens van de Nederlandse voedselconsumptiepeiling ( VCP Voedselconsumptiepeiling (Voedselconsumptiepeiling) ) gebruikt. De VCP geeft aan wat mensen per dag eten en drinken.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Verkenning biociden in de bestrijdingsmiddelenatlas | RIVM

In de online Bestrijdingsmiddelenatlas (BMA) staan metingen van bestrijdingsmiddelen in oppervlaktewater. De BMA is nu vooral gericht op gewasbeschermingsmiddelen. Er zijn veel minder of geen meetpunten waar specifiek biociden worden gemeten. In onder andere het kader van de Biocidenverordening is wel behoefte aan dit soort gegevens. In deze oriënterende studie is op basis van stofeigenschappen en type gebruik geschat welke (soorten) biociden via welke route hun weg naar het oppervlaktewater kunnen vinden en om welke werkzame stoffen dat gaat. Voor veel biociden zijn rioolwaterzuiveringsinstallaties de primaire route naar oppervlaktewater. Daarnaast kunnen biociden in oppervlaktewater terechtkomen via regenwater (riolen). Maar ook na uitloging vanuit behandeld hout en bouwmaterialen en mogelijk ook door gebruik in stallen en/of mestkelders. Met de resultaten van deze studie als startpunt, zoals een lijst met relevante werkzame stoffen, kan verder worden onderzocht hoe de monitoring van biociden in oppervlaktewater kan worden uitgebreid. Hiermee kunnen de bronnen en routes beter in kaart worden gebracht.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Verkenning Werkzame stoffen van biociden in mest | RIVM

Op veehouderijen worden biociden onder andere gebruikt om stallen te desinfecteren of insecten in stallen te bestrijden. Bij verspreiding van drijfmest in het voorjaar of via grazende dieren kunnen de residuen van deze middelen in het veld terechtkomen. De wormen en insecten die in de bodem leven en de weidevogels en kleine zoogdieren die deze wormen en insecten eten, worden hieraan blootgesteld. Of en in welke mate dit gebeurt is nu nog onbekend. In deze oriënterende studie is via zoeken in databanken en het bestuderen van relevante publicaties onderzocht welke typen biociden er op veehouderijen mogen worden gebruikt. In deze kennisnotitie staat een lijst met relevante werkzame stoffen die in deze biociden zitten en die in mest van veehouderijen terecht kunnen komen. Daarnaast zijn de potentiële routes van de verschillende (typen) in de veehouderij gebruikte biociden naar het milieu in beeld gebracht. Met de informatie uit deze verkenning kan een opzet worden gemaakt voor een groter empirisch meetonderzoek naar de potentiële verspreiding van biociden uit mest op en rondom veehouderijbedrijven.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Monitor Digitale Zorg 2024 | RIVM

Deze kennisnotitie beschrijft de methodologie van de Monitor Digitale Zorg, waaronder een toelichting op de digitale toepassingen en maatschappelijke uitdagingen die in 2024 zijn onderzocht.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Modelling NO2 concentrations in urban areas with uEMEP: evaluation with measurements and NSL monitoring results around the city of Utrecht for the year 2019 | RIVM

Since 2009, the Dutch public authorities have been working together to improve air quality through the National Air Quality Cooperation Programme ( NSL Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) ). The NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) was a Dutch national program in the framework of the environmental law (“Wet milieubeheer”), with the aim to assess and improve the air quality in the Netherlands. In 2024, the “Wet milieubeheer” was replaced by a new legislative framework, the “Omgevingswet”. In the context of the NSL, and later the “Omgevingswet”, local authorities collect information on traffic situations on the main highways and roads. This information is used in an air quality management and monitoring tool to, among other things, check whether the Netherlands complies with European limit values for air quality. The calculation of nitrogen dioxide ( NO2 Stikstofdioxide (Stikstofdioxide) ) concentrations is an important part of the NSL monitor. In this study, we compare the modelled NO2 concentrations of the NSL monitor with the urban EMEP Europese model voor de verspreiding van lucht (Europese model voor de verspreiding van lucht ) (uEMEP). The uEMEP model is an air quality downscaling model based on Gaussian modelling principles, which, in this study, is embedded in the EMEP4NL model. Here, we focus on the city of Utrecht and its surroundings, in the Netherlands, where an extensive network of monthly and hourly NO2 concentration measurements is available. First, the modelled NO2 concentrations from uEMEP and EMEP4NL for the year 2019 are compared to measurements from 2019. After a calibration of the background, the modelled NO2 concentrations from uEMEP are compared to those of the NSL monitor at all measurement locations.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Modelling NO2 concentrations in urban areas with uEMEP: evaluation with measurements and NSL monitoring results around the city of Utrecht for the year 2019 | RIVM

Since 2009, the Dutch public authorities have been working together to improve air quality through the National Air Quality Cooperation Programme ( NSL Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) ). The NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) was a Dutch national program in the framework of the environmental law (“Wet milieubeheer”), with the aim to assess and improve the air quality in the Netherlands. In 2024, the “Wet milieubeheer” was replaced by a new legislative framework, the “Omgevingswet”. In the context of the NSL, and later the “Omgevingswet”, local authorities collect information on traffic situations on the main highways and roads. This information is used in an air quality management and monitoring tool to, among other things, check whether the Netherlands complies with European limit values for air quality. The calculation of nitrogen dioxide ( NO2 Stikstofdioxide (Stikstofdioxide) ) concentrations is an important part of the NSL monitor. In this study, we compare the modelled NO2 concentrations of the NSL monitor with the urban EMEP Europese model voor de verspreiding van lucht (Europese model voor de verspreiding van lucht ) (uEMEP). The uEMEP model is an air quality downscaling model based on Gaussian modelling principles, which, in this study, is embedded in the EMEP4NL model. Here, we focus on the city of Utrecht and its surroundings, in the Netherlands, where an extensive network of monthly and hourly NO2 concentration measurements is available. First, the modelled NO2 concentrations from uEMEP and EMEP4NL for the year 2019 are compared to measurements from 2019. After a calibration of the background, the modelled NO2 concentrations from uEMEP are compared to those of the NSL monitor at all measurement locations.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Publieke beelden bij een veilige en gezonde energietransitie. Deelrapport waterstof en ammoniak | RIVM

De toename van koolstofdioxide ( CO2 carbon dioxide (carbon dioxide) )-uitstoot in de lucht is een van de belangrijkste oorzaken van klimaatverandering. CO2 komt vrij in de lucht als fossiele brandstoffen verbranden, zoals aardolie en aardgas. Om de CO2-uitstoot te verminderen, wil de overheid overstappen op energiebronnen waarbij weinig of geen CO2 vrijkomt. Met energie uit zon en wind kan waterstof worden gemaakt. De chemische industrie bijvoorbeeld kan dit als grondstof of brandstof gebruiken. Veel mensen zullen de overstap naar waterstof gaan merken omdat het in hun leefomgeving wordt gemaakt, vervoerd, opgeslagen of gebruikt. Het RIVM heeft daarom gevraagd hoe mensen denken over de veiligheid en gezondheid van waterstof en of zij er zorgen en vragen over hebben. De meeste deelnemers blijken positief te staan tegenover waterstof maar nog weinig weten over hoe het wordt gemaakt, vervoerd en opgeslagen (de waterstofketen). Over het algemeen maken mensen zich niet veel zorgen over veiligheid en gezondheid bij waterstof. Wanneer ze zich verdiepen in de waterstofketen, hebben ze vooral zorgen over het vervoer en de opslag van waterstof. Vooral wanneer waterstof wordt opgeslagen en vervoerd in de vorm van ammoniak, wat nodig is om meer energie te kunnen vervoeren. Ze zijn bang dat ammoniak bij een incident vrijkomt en een giftige gaswolk in de omgeving veroorzaakt. Het RIVM raadt de overheid en betrokken partijen aan duidelijk te communiceren over de plannen voor waterstof. En dus te communiceren over alle stappen die nodig zijn om het te maken, te vervoeren en te gebruiken (oftewel: de hele keten). Mensen hebben daar nu nog geen volledig beeld van. Communicatie is cruciaal om vertrouwen te hebben in de keuzes die de overheid maakt over waterstof. Het is mogelijk dat mensen eerst minder positief reageren op mogelijke risico's. Met eerlijke communicatie over de risico's in de hele keten kunnen mensen zelf een beeld krijgen. Door vroeg te communiceren voelen mensen zich niet overvallen. Ook wordt dan duidelijk welke vragen en zorgen er bij lokale ontwikkelingen kunnen zijn. De resultaten helpen het ministerie Klimaat en Groene Groei (KGG) keuzes te maken voor het beleid en bij de communicatie over waterstof.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Publieke beelden bij een veilige en gezonde energietransitie. Deelrapport aardwarmte | RIVM

Om de CO2 carbon dioxide (carbon dioxide) -uitstoot te verminderen, wil de overheid overstappen op energiebronnen waarbij weinig of geen CO2 vrijkomt. Aardwarmte is zo'n energiebron. Bij de winning van aardwarmte wordt diep in de grond geboord en het warme water dat daar van nature zit, omhoog gepompt. De warmte uit het water wordt gebruikt om gebouwen te verwarmen. Het RIVM heeft mensen gevraagd hoe ze denken over de veiligheid en gezondheid van aardwarmte en of zij er zorgen en vragen over hebben. De meeste deelnemers blijken positief te staan tegenover aardwarmte als duurzame energiebron. Over het algemeen maken mensen zich niet veel zorgen over veiligheid en gezondheid bij aardwarmte. Als ze zorgen hebben, gaan die vooral over de boringen in de grond en de trillingen die dat kunnen veroorzaken. Dat geldt ook voor het oppompen van het warme water, wat het grondwater kan vervuilen. Bij trillingen gaan de zorgen vooral over mogelijke schade aan gebouwen en minder over de mogelijkheid dat er slachtoffers vallen. De deelnemers schatten de kans op trillingen of een aardbeving in als redelijk klein, en de kans op vervuiling van het grondwater iets groter. Het RIVM raadt de overheid aan om duidelijk te communiceren over alle stappen die nodig zijn om aardwarmte-installaties te bouwen en te gebruiken (oftewel: de hele keten). Mensen hebben daar nu nog geen volledig beeld van. Communicatie is cruciaal om vertrouwen te hebben in de keuzes die de overheid hierover maakt. Het is mogelijk dat mensen op basis van de informatie eerst minder positief reageren op mogelijke risico's. Met eerlijke communicatie over de risico's in de hele keten kunnen mensen zelf een beeld krijgen. Door vroeg te communiceren voelen mensen zich niet overvallen. Ook wordt dan duidelijk welke vragen en zorgen er over lokale ontwikkelingen kunnen zijn. De resultaten uit dit onderzoeken helpen het ministerie van Klimaat en Groene Groei (KGG) bij beleid en communicatie over aardwarmte.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Vergelijking ISL3a en OPS voor scheepvaartemissies | RIVM

In deze notitie worden de bijdragen van scheepvaart aan de concentraties in de lucht op twee verschillende manieren berekend met behulp van een implementatie van de wettelijk voorgeschreven Standaard RekenMethode 3, namelijk ISL3a. Een van de hier beschreven methoden, “A” gebruikt het model ISL3a voor scheepvaartbijdragen met exact dezelfde invoergegevens als het OPS Operationele Prioritaire Stoffen (Operationele Prioritaire Stoffen) -model van het RIVM. Methode “B” gebruikt dezelfde invoergegevens, maar haalt de scheepscoördinaten uit een andere bron. Een belangrijke conclusie van dit onderzoek is dat de modellen ISL3a en OPS rondom de vaarwegen vergelijkbare concentratiebijdragen van scheepvaart berekenen.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Verkenning afwegingen maatregelen bij stralingsongevallen | RIVM

Bij een ongeval bij de kerncentrale Borssele (of andere nucleaire installaties) kan radioactiviteit vrijkomen. Er worden dan maatregelen genomen om mensen in de omgeving te beschermen tegen de schadelijke gevolgen van straling. Dat zijn: evacueren, schuilen, jodiumtabletten slikken en maatregelen om te voorkomen dat voedsel besmet raakt, zoals geen gewassen oogsten of geen vee laten grazen. Maatregelen kunnen ook ongewenste effecten hebben, zoals de kernramp bij Fukushima (2011) en de coronacrisis duidelijk hebben gemaakt. Evacuatie kan bijvoorbeeld veel stress veroorzaken, zeker als mensen voor langere tijd hun woongebied moeten verlaten. Een oogstverbod kan financiële gevolgen hebben voor boeren in het gebied waar de maatregel geldt. Het is daarom belangrijk dat partijen die besluiten welke maatregelen bij een stralingsongeval nodig zijn, naast radiologische ook andere effecten meewegen. Het RIVM heeft een overzicht gemaakt van deze niet-radiologische effecten. Partijen kunnen de inzichten uit dit overzicht gebruiken om de ongewenste effecten van maatregelen zo klein mogelijk te houden. Verder heeft het RIVM een aantal niet-radiologische zaken uitgewerkt die belangrijk zijn om de maatregelen zo goed mogelijk te laten werken. Gedrag is daarvan een voorbeeld. Want de maatregelen kunnen mensen alleen beschermen tegen de schadelijke effecten van straling, als mensen ze uitvoeren. Het RIVM beschrijft daarom waarom mensen de maatregelen wel of niet uitvoeren. Het blijkt dat mensen een maatregel beter uitvoeren als ze denken dat hij makkelijk uit te voeren is en hen beschermd tegen de schadelijke effecten van straling. Ook is het belangrijk dat mensen in hun omgeving de maatregelen naleven. Verder moeten de beslissende partijen rekening houden met mensen die de maatregelen niet kúnnen uitvoeren. Evacueren is bijvoorbeeld lastig voor mensen die zorg nodig hebben of hun dieren niet kunnen achterlaten. Ook is bekend dat ouders van schoolgaande kinderen bij een oproep om te schuilen, eerst hun kinderen van school halen. Met deze kennis kan daar een oplossing voor worden bedacht. Het RIVM deed deze verkenning in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS).
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Emissies en deposities uit zones rondom Natura 2000-gebieden | RIVM

Het RIVM maakte op verzoek van het ministerie van LVVN Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur ) berekeningen van de effecten van zonering rond Natura 2000-gebieden. De berekeningen zijn geen beleidsvoorstellen, maar de uitkomsten zijn bedoeld om de Ministeriële Commissie Economie en Natuurherstel (MCEN) te informeren over stikstofdeposities in bepaalde gebieden.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Van ongeval naar observatie. Veiliger werken op hoogte | RIVM

In Nederland valt nog steeds regelmatig een werknemer van hoogte, bijvoorbeeld van een ladder, steiger of hoogwerker. Dit kan ernstige gevolgen hebben. Werknemers kunnen bijvoorbeeld lange tijd niet meer werken of zelfs overlijden. Het is daarom belangrijk dat bedrijven aandacht geven aan het voorkomen van ongevallen en blijvend werken aan een veilige werkomgeving. Bedrijven kunnen de veiligheid meten of inschatten met veiligheidsindicatoren. Het RIVM heeft op basis van data over ernstige ongevallen 20 'observatiekaarten' gemaakt, speciaal voor vallen van hoogte. De kaarten beschrijven wat bedrijven en werknemers moeten doen om de kans op een val van hoogte te verkleinen. Het is bijvoorbeeld heel belangrijk om een ladder goed neer te zetten. Ook laten de kaarten zien wat er bij andere bedrijven misging waardoor iemand van een hoogte viel. Bijvoorbeeld doordat een ladder op een natte of gladde ondergrond stond. De observatiekaarten maken zo voor medewerkers zichtbaar waar op de werkplek gevaren zijn voor vallen van hoogte. Bedrijven kunnen de observatiekaarten nu al gebruiken. Maar sommige onderwerpen die voor de veiligheid belangrijk zijn, komen er nog niet in terug. Bijvoorbeeld het effect van slecht weer, vermoeidheid, of stress. Daarom gaat het RIVM de observatiekaarten volgend jaar uitbreiden. Ook wordt in de praktijk getest hoe de kaarten het beste kunnen worden ingezet door bedrijven. Het RIVM heeft de kaarten in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ( SZW Sociale zaken en werkgelegenheid (Sociale zaken en werkgelegenheid) ) gemaakt. Het ministerie wil dat bedrijven hun best doen om het aantal ongevallen, zoals vallen van hoogte, omlaag te krijgen.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Rekenmethode omgevingsveiligheid lithiumhoudende energiedragers | RIVM

Wanneer veel energie op één plek wordt opgeslagen, kan dat risico's hebben voor de omgeving. Dit geldt ook voor energie die is opgeslagen in batterijen. Stoffen die in batterijen zitten, zoals lithium, kunnen namelijk brandbaar, explosief of giftig zijn. Lithium kan energie goed in een batterij opslaan. Door de energietransitie zitten er steeds vaker batterijen in producten. Daardoor komen er meer opslagen van batterijen, waarin veel batterijen of producten met batterijen bij elkaar liggen. Ook komen er steeds meer energieopslagsystemen. Dit zijn containers waarin duurzaam opgewekte energie, zoals windenergie en zonne-energie, wordt opgeslagen in batterijen. Nederland maakt beleid om de risico's van energieopslagsystemen en grote opslagen van batterijen te beperken. Het RIVM heeft een rekenmethode ontwikkeld om de risico's hiervan voor de omgeving te berekenen. Dit heeft het gedaan op verzoek van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ( IenW Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ) ). Met deze methode kan worden berekend op welke afstand van woningen, scholen en ziekenhuizen het veilig is om nieuwe opslagsystemen te plaatsen. Het RIVM adviseert IenW deze rekenmethode te gebruiken in het genoemde beleid. De nieuwe rekenmethode is relevant voor mensen die werken aan plannen voor de ruimtelijke ordening.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Methodology for the calculation of emissions from agriculture | RIVM

Nederland rapporteert elk jaar nationaal en internationaal hoeveel stoffen de landbouw uitstoot naar de lucht. Het gaat om alle stoffen die in de Emissieregistratie voorkomen en voor deze sector moeten worden gerapporteerd. Denk aan broeikasgassen en stoffen die luchtverontreiniging veroorzaken, zoals ammoniak en fijnstof. De emissieberekeningen worden uitgevoerd op basis van internationale richtlijnen. De uitstoot wordt berekend met het National Emission Model for Agriculture (NEMA), dat in Nederland is ontwikkeld. Het NEMA berekent de uitstoot van stoffen voor bijvoorbeeld stallen, de opslag van mest, en het gebruik van mest. Het NEMA wordt ook gebruikt om emissies zoals methaan uit verschillende diercategoriën en uit mest te berekenen. Het model wordt elk jaar aangepast aan de nieuwste wetenschappelijke inzichten. Dit rapport beschrijft de methoden die voor verschillende stoffen worden gebruikt, plus de wijzigingen die in het model zijn doorgevoerd. De emissiegegevens zijn te vinden op www.emissieregistratie.nl . De gegevens worden gebruikt voor de rapportages die vanwege internationale overeenkomsten en EU Europese Unie (Europese Unie) -wetgeving verplicht zijn. Zoals de rapportageverplichtingen in het kader van het Raamverdrag van de Verenigde Naties over klimaatverandering (UNFCCC), het Akkoord van Parijs (PA), het Verdrag over grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand ( CLRTAP Convention on Long-Range Transboundary air Pollution (Convention on Long-Range Transboundary air Pollution) ), waaronder het Gothenburg-protocol, de EU-richtlijn over nationale emissiereductieverplichtingen ( NEC national emission ceiling (national emission ceiling) -richtlijn) en de Governanceverordening van de Energie-unie (EU 2018/1999) met de bijbehorende uitvoeringsverordeningen. De rapportage is ook de basis voor de (internationale) reviewers die de Nederlandse rapporten moeten goedkeuren.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Methodology for the calculation of emissions from product usage by consumers, construction and services | RIVM

Nederland rapporteert elk jaar nationaal en internationaal welke verontreinigende stoffen in de lucht terechtkomen door het gebruik van producten, door de bouw en diensten. Dit zijn bijvoorbeeld oplosmiddelen uit cosmetica, luchtverfrissers, spuitbussen, verf en stoffen die vrijkomen bij het stoken van hout en het afsteken van vuurwerk. Het gaat om alle stoffen die in de Emissieregistratie voorkomen en voor deze sector moeten worden gerapporteerd. De Emissieregistratie berekent op basis van internationale richtlijnen voor de relevante stoffen hoeveel ervan in de lucht vrijkomen. Het RIVM heeft de methoden die de Nederlandse Emissieregistratie gebruikt, geactualiseerd en beschreven. De methoden worden elk jaar bijgesteld volgens de meest actuele wetenschappelijke inzichten. De emissiegegevens zijn te vinden op www.emissieregistratie.nl(externe link) . De gegevens worden gebruikt voor de rapportages die vanwege internationale overeenkomsten en EU Europese Unie (Europese Unie) -wetgeving verplicht zijn. Zoals de rapportageverplichtingen in het kader van het Raamverdrag van de Verenigde Naties over klimaatverandering (UNFCCC), het Akkoord van Parijs (PA), het Verdrag over grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand ( CLRTAP Convention on Long-Range Transboundary air Pollution (Convention on Long-Range Transboundary air Pollution) ), waaronder het Gothenburg-protocol, de EU-richtlijn over nationale emissiereductieverplichtingen ( NEC national emission ceiling (national emission ceiling) -richtlijn) en de Governanceverordening van de Energie-unie (EU 2018/1999). De rapportage is ook de basis voor de (internationale) reviewers die de Nederlandse rapporten moeten goedkeuren.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Methodology for the calculation of emissions to air from the sectors Energy, Industry and Waste | RIVM

Nederland rapporteert elk jaar nationaal en internationaal hoeveel stoffen de sectoren Industrie, Energieopwekking en Afvalverwerking (ENINA) uitstoten naar de lucht. Het gaat om alle stoffen die in de Emissieregistratie voorkomen en voor deze sectoren moeten worden gerapporteerd. Denk aan broeikasgassen en stoffen die grootschalige luchtverontreiniging veroorzaken. Het RIVM actualiseert en beschrijft elk jaar de methoden waarmee de uitstoot wordt berekend. De methoden worden elk jaar bijgesteld volgens de meest actuele wetenschappelijke inzichten. De emissieberekeningen worden uitgevoerd op basis van internationale richtlijnen. De emissiegegevens zijn te vinden op www.emissieregistratie.nl(externe link) . De gegevens worden gebruikt voor de rapportages die vanwege internationale overeenkomsten en EU Europese Unie (Europese Unie) -wetgeving verplicht zijn. Zoals de rapportageverplichtingen in het kader van het Raamverdrag van de Verenigde Naties over klimaatverandering (UNFCCC), het Akkoord van Parijs (PA), het Verdrag over grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand ( CLRTAP Convention on Long-Range Transboundary air Pollution (Convention on Long-Range Transboundary air Pollution) ), waaronder het Gothenburg-protocol, de EU-richtlijn over nationale emissiereductieverplichtingen ( NEC national emission ceiling (national emission ceiling) -richtlijn) en de Governanceverordening van de Energie-unie (EU 2018/1999). De rapportage is ook de basis voor de (internationale) reviewers die de Nederlandse rapporten moeten goedkeuren.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Informative Inventory Report 2025. Emissions of transboundary air pollutants in the Netherlands 1990-2023 | RIVM

Deze Informative Inventory Report rapportage (IIR) beschrijft de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen in 2023 ten opzichte van 2022. Verder geeft het aan in hoeverre Nederland de Europese verplichtingen heeft gehaald om de uitstoot te laten dalen ten opzichte van 2005, het zogeheten basisjaar. Uit deze inventarisatie blijkt dat in 2023, net als in 2020, 2021 en 2022, alle doelen ( EU Europese Unie (Europese Unie) NEC national emission ceiling (national emission ceiling) -Directive) zijn gehaald. In 2023 is 116,4 kiloton ammoniak uitgestoten, 4,0 kiloton minder dan in 2022. Daarmee is de uitstoot 25 procent minder dan in het basisjaar (het NEC-doel is 13 procent minder ammoniak). De afname in 2023 komt vooral doordat er in de landbouw minder dieren (rund- en pluimvee en varkens) zijn gehouden en er meer pluimveemest is verwerkt en geëxporteerd. De uitstoot van fijnstof PM2.5 is verder gedaald tot 13,8 kiloton in 2023, een daling van 51 procent ten opzichte van het basisjaar (het NEC-doel is 37 procent minder). De uitstoot van stikstofoxiden is in 2023 met 7,7 kiloton afgenomen en is 62 procent minder dan in het basisjaar (het NEC-doel is 45 procent minder). De uitstoot daalde in 2023 omdat de industrie en consumenten minder gas gebruikten vanwege de hoge aardgasprijzen, en zo minder stikstofoxiden uitstootten. Ook stoten moderne auto's minder uit en is er minder elektriciteit opgewekt met steenkool. De uitstoot van zwaveloxiden is in 2023 2,1 kiloton lager dan in 2022. Dat komt vooral door een lager zwavelgehalte in raffinaderijgas en doordat minder steenkool is gebruikt om elektriciteit op te wekken. Ten opzichte van het basisjaar is de uitstoot van zwaveldioxiden met 74 procent gedaald (het NEC-doel is 28 procent minder). De uitstoot van vluchtige organische stoffen is in 2023 0,3 kiloton lager dan in 2022. Ten opzichte van het basisjaar is de totale uitstoot met 24 procent gedaald (het NEC-doel is 8 procent minder). De Nederlandse overheid gebruikt de analyses in haar nationale beleid en om internationaal over de ontwikkeling van de uitstoot te rapporteren. Het RIVM stelt dit rapport elk jaar op voor het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ( IenW Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ) ). Hiermee voldoet Nederland aan de nationale rapportageverplichtingen voor 2025 van de Convention on long-range transboundary air pollution ( CLRTAP Convention on Long-Range Transboundary air Pollution (Convention on Long-Range Transboundary air Pollution) ) en de nationale emissieplafondrichtlijnen (National Emission Ceilings Directive, NECD).
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Methodology for the calculation of emissions from the transport sector | RIVM

Nederland rapporteert elk jaar nationaal en internationaal hoeveel stoffen de sector transport uitstoot naar de lucht. Het gaat om alle stoffen die in de Emissieregistratie voorkomen en voor deze sectoren moeten worden gerapporteerd. Denk aan broeikasgassen en stoffen die grootschalige luchtverontreiniging veroorzaken. Het RIVM actualiseert en beschrijft elk jaar de methoden waarmee de uitstoot wordt berekend. De methoden worden elk jaar bijgesteld volgens de meest actuele wetenschappelijke inzichten. De emissieberekeningen worden uitgevoerd op basis van internationale richtlijnen. De emissiegegevens zijn te vinden op www.emissieregistratie.nl . De gegevens worden gebruikt voor de rapportages die vanwege internationale verdragen verplicht zijn. Zoals het verdrag van Parijs, de EU-Emissieplafonds (NEC-Directive) en de Convention on Long-range Transboundary Air Pollution (CLRTAP). De rapportage is ook de basis voor de (internationale) reviewers die de Nederlandse rapportages aan de Europese Unie en Verenigde Naties goedkeuren.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Greenhouse gas emissions in the Netherlands 1990-2023. National Inventory Document 2025 | RIVM

In 2023 zijn in Nederland in totaal 6,8 procent minder broeikasgassen naar de lucht uitgestoten dan in 2022. Deze daling komt vooral doordat de elektriciteitssector minder steenkool en aardgas gebruikte. In 2023 zijn ook meer hernieuwbare energiebronnen gebruikt, zoals zonne- en windenergie. In totaal is dit 17 procent van het energieverbruik in Nederland. In 2022 was dit 15 procent. De totale hoeveelheid uitgestoten broeikasgassen wordt uitgedrukt in CO2 carbon dioxide (carbon dioxide) -equivalenten en vergeleken met het basisjaar 1990. De uitstoot wordt omgerekend naar CO2-equivalenten om de invloed van de verschillende broeikasgassen te kunnen optellen. De totale uitstoot van broeikasgassen in CO2-equivalenten was in 2023 146,4 megaton. De uitstoot daalde met 35,6 procent ten opzichte van het basisjaar, waarin de uitstoot van 227,5 megaton CO2-equivalenten was. Met deze daling is het zogeheten Urgenda-doel ruim gehaald. Volgens dit doel moet de uitstoot van broeikasgassen minimaal 25 procent lager zijn dan in 1990. De uitstoot van het broeikasgas CO2 is 28,1 procent lager dan die in het basisjaar. De uitstoot van de andere broeikasgassen (methaan, distikstofoxide en gefluoreerde gassen) is sinds 1990 met 56,8 procent gedaald. Deze gegevens komen uit de definitieve inventarisatie van broeikasgasemissies in 2023 die het RIVM elk jaar op verzoek van het ministerie van Klimaat en Groene Groei (KGG) maakt. Hiermee voldoet Nederland aan de nationale rapportageverplichtingen voor 2025 van het Klimaatverdrag van de Verenigde Naties (UNFCCC), van het Akkoord van Parijs en van de Europese verordening (2018/1999) over de governance van de energie-unie en de klimaatactie. In het najaar van 2024 zijn de voorlopige emissiecijfers over 2023 gepubliceerd. De inventarisatie geeft ook inzicht in ontwikkelingen in de uitstoot van broeikasgassen tussen 1990 en 2023. Verder is er een analyse van de belangrijkste bronnen die broeikasgassen uitstoten. Ook is de onzekerheid in de berekening van deze uitstoot beschreven. Daarnaast zijn de gebruikte berekeningsmethoden en databronnen beschreven. Ten slotte geeft de inventarisatie een overzicht van het kwaliteitssysteem en de manier waarop de Nederlandse Emissieregistratie de berekeningen controleert.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Second opinion risicobeoordeling PFAS defensie terrein complex Groot Heidekamp te Schaarsbergen | RIVM

De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) heeft eerder een melding ontvangen over twaalf locaties van Defensie waar verhoogde PFAS Per- en polyfluoralkylstoffen (Per- en polyfluoralkylstoffen ) -waardes in de bodem zijn aangetroffen. Op basis van een risico-inventarisatie zal de ILT Inspectie Leefomgeving en Transport (Inspectie Leefomgeving en Transport) als bevoegd gezag beslissen of en wanneer de grond moet worden gesaneerd. Het Rijksvastgoedbedrijf (RVB) heeft daarom namens Defensie aan Adviesbureau TTE gevraagd om een risicobeoordeling uit te voeren voor één van deze locaties: ‘complex Groot Heidekamp’ te Schaarsbergen. De ILT heeft vervolgens het RIVM als onafhankelijke partij gevraagd om een second opinion te geven op het rapport van TTE. Omdat deze rapportage een aanvulling is op het bodemonderzoek van Sweco, wordt dit bodemonderzoek ook beoordeeld. In deze kennisnotitie beoordeelt het RIVM de rapportage van Adviesbureau TTE op juistheid en volledigheid. Het RIVM oordeelt dat de onderzoeksorganisatie de meeste onderdelen van het onderzoek goed heeft uitgevoerd. Wel heeft het RIVM een aanvullend advies over hoe om te gaan met deze verontreiniging op defensieterrein ‘complex Groot Heidekamp’. Het RIVM vindt het wenselijk dat er voor de verontreiniging een goed doordacht monitoringsplan komt. Dit om zowel de huidige situatie beter in kaart te brengen als om duidelijk te maken welke kennis nog ontbreekt. Daarbij moet de focus liggen op het beschermen van gevoelige receptoren (La Cabine). Als ILT besluit om extra peilbuizen te plaatsen voor het monitoren van de verontreiniging, dan is het belangrijk om te voorkomen dat de PFAS zich door de daarvoor benodigde boorwerkzaamheden verder verspreidt. Ook adviseert het RIVM om een handelingskader op te stellen voor de ontwikkelingen van de verontreiniging.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Resultaten van de Sociovax monitor 2024: sociaal-wetenschappelijk inzicht in vaccinatiebereidheid voor het RVP | RIVM

Sociaal-wetenschappelijk inzicht in vaccinatiebereidheid onder ouders Waarom laten ouders hun kind wel of niet vaccineren? Dit heeft het programma SocioVax van het RIVM onderzocht met vragenlijsten. Daaruit blijkt onder andere dat een grote meerderheid van de ouders het als de sociale norm ervaart om kinderen te laten vaccineren, ook binnen groepen waarin vaccinatiedeelname lager is. Bij het maken van een keuze over vaccinatie zijn zorgverleners een belangrijke bron van informatie. Door dit onderzoek weten we beter wat verschillende groepen belangrijk vinden bij het maken van een vaccinatiekeuze en wat hen daarbij kan helpen.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

De berekening van het effect van de Nederlandse zorg op het milieu. Methoderapport | RIVM

De zorgsector in Nederland stoot broeikasgassen uit, onder meer door energieverbruik om ziekenhuizen te verwarmen, door het gebruik van narcosegas en door de productie van medicijnen. Van alle sectoren in Nederland draagt de zorgsector voor zo’n 7 procent bij aan de totale uitstoot van broeikasgassen. Om de uitstoot te kunnen verlagen, is het belangrijk om te weten welke onderdelen het milieu het meest belasten. Het RIVM heeft een betere methode gemaakt om preciezer te berekenen hoe de zorg het milieu belast. Het RIVM kijkt hierbij niet alleen naar het effect van de zorg op het klimaat maar ook naar andere milieueffecten, zoals het gebruik van water, grondstoffen en land. Deze milieueffecten hebben invloed op bijvoorbeeld de biodiversiteit. De oude methode (2022) gaf nuttige inzichten, maar te weinig details per sector in de zorg en per productgroep. Ook kon de methode de berekening van de impact op het milieu niet herhalen. De vernieuwde methode kan dit wel, en geeft beleidsmakers en zorgprofessionals zo meer inzicht in de milieubelasting van de zorg. Nationaal en internationaal, zoals vanuit de WHO World Health Organization (World Health Organization ) , is er belangstelling in deze aanpak. De nieuwe methode is in twee modellen opgedeeld: het basismodel en het gespecificeerde model. Het basismodel kan meteen worden gebruikt en geeft in een overzicht van hoeveel de sectoren in de zorg het milieu belasten. Meer informatie is nodig voor een gedetailleerder beeld van de milieueffecten door productgroepen en diensten. Dit kan met het gespecificeerde model. De informatie die daarover nodig is, is bij veel verschillende instanties beschikbaar en daardoor sterk versnipperd. Het is daarom belangrijk dat zorginstellingen gaan samenwerken om de gewenste details te krijgen en centraal te verzamelen. Ook is het belangrijk dat gegevens op dezelfde manier worden vastgelegd, zodat ze beter met elkaar kunnen worden vergeleken. Het RIVM gaat in gesprek met zorgaanbieders en inkoop organisaties hoe dit zo efficiënt mogelijk kan worden gedaan en dat in pilots uitproberen. Het RIVM heeft de methode in opdracht van het ministerie van VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) verbeterd.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Verzamelen van dosisgegevens van radiodiagnostiek en radiologische interventies: pilotstudie 2021-2023 | RIVM

Voor bepaalde medische onderzoeken of behandelingen, zoals een röntgenfoto of CT-scan, wordt straling gebruikt. Straling kan helpen om ziekten te ontdekken, maar zorgt ook voor een iets grotere kans om kanker te krijgen. Dat maakt het belangrijk om de balans tussen de voor- en nadelen goed te bewaren. Het RIVM schat daarom elk jaar de gemiddelde stralingsdosis waaraan de bevolking blootstaat. Hiervoor moet het weten hoe hoog de dosis straling per onderzoek is. Deze dosisgegevens zijn voor het laatst handmatig en op kleine schaal verzameld in 2002 en 2010. Het RIVM heeft nu in een pilotstudie met 15 ziekenhuizen gekeken hoe nieuwe dosisgegevens gestructureerder kunnen worden verzameld. Zij verzamelden de gegevens van 48 radiologische onderzoeken en interventies. Ziekenhuizen gebruiken daarvoor vaak een geautomatiseerd dosismanagementsysteem, dat over elk onderzoek een grote hoeveelheid gegevens verzamelt. De pilotstudie gaf veel inzichten in de manier waarop dosisgegevens goed kunnen worden verzameld, die in een vervolgonderzoek zullen worden gebruikt. Van de meeste onderzoeken zijn de verzamelde dosiswaarden lager dan de oude. Dit betekent dat de ziekenhuizen de afgelopen jaren hun onderzoeken hebben geoptimaliseerd. Met deze gegevens kan nog niet worden geschat aan welke gemiddelde stralingsdosis de bevolking blootstaat. De 15 ziekenhuizen zijn namelijk niet representatief voor alle ziekenhuizen in Nederland. Verder is het lastig om onderzoeken te vergelijken, bijvoorbeeld omdat een ziekenhuis bij een bepaald onderzoek meer foto's maakt dan een andere. Ook slaan ziekenhuizen de protocollen onder verschillende namen op. Een landelijk digitaal systeem om de dosisgegevens in op te slaan, met afspraken over de naam van onderzoeken, zou het makkelijker maken om dosiswaarden te verzamelen en analyseren. Een mooie bijvangst van de pilotstudie was dat ziekenhuizen hun resultaten met elkaar konden vergelijken. Dit kan hen stimuleren om bepaalde protocollen te bekijken en zo nodig de stralingsdosis te verbeteren. Het RIVM deed deze pilotstudie in opdracht van het ministerie van VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) . De minister van VWS draagt zorg voor de individuele dosisschattingen door medische blootstelling voor radiodiagnostiek en interventieradiologie. Dat staat in het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Pandemische Paraatheid & Gedrag - Resultaten vragenlijstmonitor 2024 | RIVM

Als onderdeel van de kennisbasis over gedrag en infectieziekten heeft het RIVM een vragenlijstmonitor ontwikkeld voor Pandemische Paraatheid en Gedrag. In de vragenlijst staan vragen over gedragingen die belangrijk zijn bij het voorkomen en verspreiden van infectieziekten. De kennisnotitie beschrijft de resultaten uit 2024, samen met aandachtspunten voor beleid. Goede gewoontes zijn gunstig omdat het gedrag dan niet aangeleerd hoeft te worden tijdens een pandemie. Verschillende gedragsadviezen rondom hygiëne en isolatie (handen wassen, thuisblijven als je ziek bent) zijn op dit moment voor minder dan de helft van de onderzoeksdeelnemers een gewoonte. Een ander aandachtspunt is dat twee op de tien deelnemers weinig sociale steun ervaart. Dit maakt het moeilijker om een beroep te doen op informele zorg. Zowel tijdens een pandemie als in een koude fase is informele zorg van invloed op gezondheidsuitkomsten. Verder blijkt dat ruim één op de drie deelnemers geen noodvoorraad eten/drinken/medicatie heeft om drie dagen vooruit te kunnen in een acute noodsituatie.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Depositie-onderzoek IJmond najaar 2024. Monstername en analyse van PAK en metalen in neergedaald stof in de IJmond-regio | RIVM

Het RIVM meet sinds 2020 in de IJmond hoeveel polycyclische aromatische koolwaterstoffen ( PAK Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen (Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen ) ) en metalen er zit in grof stof dat is neergedaald op de bodem. Een belangrijke bron van dit stof is Tata Steel. Het stof veroorzaakt hinder in verschillende dorpen rond de staalfabriek. PAK en lood in het stof zijn ongewenst voor de gezondheid van jonge kinderen. In het najaar van 2024 heeft het RIVM voor de vierde keer metingen gedaan en de resultaten met elkaar vergeleken. Ook dit keer blijkt dat er in de IJmond meer PAK en metalen zijn neergedaald dan in gebieden zonder industrie in de buurt. Dat geldt vooral in Wijk aan Zee. Wel was de hoeveelheid PAK en aluminium, lood en zink in het stof in de meeste dorpen iets lager dan in 2020. De hoeveelheid ijzer is sinds 2020 flink gedaald. Het is niet duidelijk of de dalingen structureel zijn en wat de oorzaak ervan is. Dat komt doordat verschillende factoren invloed hebben op de hoeveelheid stof die in de omgeving neerdaalt. Een daarvan is de hoeveelheid stof die door Tata Steel wordt uitgestoten. Maar ook de windsterkte en windrichting hebben invloed op de hoeveelheid stof die neerdaalt. Omdat het weer (wind en neerslag) sterk verschilde in de onderzochte jaren, is niet duidelijk wat de invloed van deze factoren precies is geweest. Ook kan het RIVM op basis van de metingen van 2024 niet zeggen of de maatregelen die Tata Steel heeft genomen, effect hebben. Zoals het windscherm dat vlak voor de start van deze meetronde is geplaatst rondom een deel van het industrieterrein. De bedoeling is dat grof stof van het opslagterrein en uit de fabriek zich hierdoor veel minder naar de omgeving verspreidt. Het onderzoek maakt duidelijk dat het nuttig is om de situatie in de IJmond de komende jaren met metingen in de gaten te blijven houden. Het RIVM wil daarbij meer zicht krijgen op de factoren die invloed hebben op de hoeveelheid neergedaald grof stof.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Impact van droogte op de waterkwaliteit in landbouwgebieden. Effect van droge perioden op de waterkwaliteit van het uitspoelingswater in landbouwgebieden nader onderzocht | RIVM

Het RIVM onderzocht de invloed van droogte op de grondwaterkwaliteit rond landbouwbedrijven. De kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater is belangrijk voor de mens en het milieu. Het onderzoek laat zien dat er door droogte meer stikstof in de vorm van nitraat in de bodem achterblijft. Dat heeft onder andere met de grondwaterstanden te maken, die dalen als het lang droog is. Wanneer er weinig water in de bodem zit, kunnen bacteriën nitraat minder goed afbreken. Ook nemen planten tijdens droogte minder stikstof op uit de bodem. Hierdoor blijft er meer nitraat in de bodem achter. De invloed van droogte was niet overal in Nederland even groot. Dat komt omdat de hoeveelheid neerslag, de mate waarin deze verdampt en de grondsoort per gebied, verschillen. Deze factoren bepalen daarom samen de nitraatconcentratie in het 'uitspoelingswater'. Het uitspoelingswater is het water dat onder landbouwbedrijven naar het grondwater stroomt en/of in oppervlaktewater terechtkomt. Na een droge periode in de zomer spoelt het opgehoopte nitraat door regen alsnog naar het grond- of oppervlaktewater (uitspoelen) weg. Maar als ook de herfst en winter droog zijn, is daar te weinig neerslag voor. Het duurt dan langer voordat het opgehoopte nitraat uitspoelt naar het grond- of oppervlaktewater. Door de ophoping neemt de nitraatconcentratie in het uitspoelingswater toe. Hoe snel de kwaliteit van het uitspoelingswater na een droge periode herstelt, verschilt per grondsoort. De mate waarin de grondwaterstand daalde en de aanwezigheid van drainage onder een bedrijf bepalen hoe snel de nitraatconcentraties stijgen na een droge periode. Hoe lager de grondwaterstand, hoe langer het uitspoelingswater erover doet om het grondwater te bereiken. Drainage voert overtollig water in de bodem van het land af. Hierdoor spoelt opgehoopt nitraat in kleigebieden en veengebieden sneller uit dan in zandgebieden zonder drainage. Aanleiding voor dit onderzoek was de droogte van 2018, die uitzonderlijk lang duurde (tot wel negen maanden). In de jaren daarna stegen de nitraatconcentraties in het uitspoelingswater na een jarenlange periode daarvoor met stabiele concentraties. Door de lange droge periode in 2018 daalde de grondwaterstand onder landbouwbedrijven meer dan een meter, wat nog niet eerder is gezien. Door klimaatverandering kunnen droge perioden vaker voorkomen.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Risk assessment of PFAS through consumption of home-produced eggs in the Netherlands | RIVM

In het hele land kan er veel PFAS Per- en polyfluoralkylstoffen (Per- en polyfluoralkylstoffen ) in particuliere eieren zitten, zo blijkt uit nieuw onderzoek. Hierdoor kunnen mensen veel PFAS binnenkrijgen als zij deze eieren eten. Omdat aan een ei niet te zien is hoeveel PFAS erin zit, adviseert het RIVM om in heel Nederland geen particuliere eieren te eten. Het is nog niet duidelijk hoe PFAS in deze eieren komt en of er iets aan kan worden gedaan. Dat onderzoekt het RIVM nu. Commerciële eieren uit een winkel of van de markt kunnen wel worden gegeten, want daar zit veel minder PFAS in. Particuliere eieren komen van kippen die als hobby worden gehouden, bijvoorbeeld in achtertuinen, moestuinen, dierenweitjes en zorg- en kinderboerderijen. Het RIVM deed de risicobeoordeling omdat in 2024 hoge hoeveelheden PFAS in particuliere eieren rond het bedrijf Chemours in Zuid-Holland waren gevonden. De typen PFAS in deze eieren waren anders dan het bedrijf gebruikte. Zo ontstond de vraag hoe het in de rest van het land zit. Het RIVM berekende hoeveel PFAS mensen kunnen binnenkrijgen via particuliere eieren van 60 locaties, verspreid over heel Nederland. Deze hoeveelheden zijn vergeleken met de gezondheidskundige grenswaarde. Als mensen een langere tijd meer PFAS binnenkrijgen dan deze grenswaarde, kan dat schadelijk zijn voor hun gezondheid. Via de eieren van 31 locaties krijgen mensen al meer PFAS binnen dan de gezondheidskundige grenswaarde als zij 1 ei of minder per week eten. Op 10 locaties kunnen ze maximaal 1 ei per week eten zonder over deze grenswaarde heen te gaan. Op 5 locaties is dit bij maximaal 2 eieren het geval, op 3 locaties bij maximaal 3 en op 2 locaties bij maximaal 4 eieren. Op 9 locaties kunnen mensen elke week meer dan 4 eieren eten zonder de grenswaarde te overschrijden. Mensen krijgen al veel PFAS binnen via voedingsmiddelen en drinkwater. De hoeveelheid die mensen via particuliere eieren binnenkrijgen, komt daar bovenop. Het is daarom af te raden om producten te eten waar veel PFAS in zit, zoals particuliere eieren.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Risicobeoordeling mengsels van stoffen bij de industriële uitstoot naar lucht: casus Chemelot | RIVM

Bij de uitstoot van Zeer Zorgwekkende Stoffen ( ZZS Zeer Zorgwekkende Stoffen (Zeer Zorgwekkende Stoffen ) ) door de industrie toetst een vergunningverlener of de concentratie van een ZZS in de lucht lager is dan de norm die er voor die stof is. Dit heet een immissietoets. Als de stof in de leefomgeving boven de norm uitkomt dan zijn extra maatregelen van het bedrijf nodig om de uitstoot te verminderen. De immissietoets wordt nu per chemische stof uitgevoerd en houdt er geen rekening mee dat meerdere stoffen tegelijk kunnen voorkomen. In deze kennisnotitie toetst het RIVM of de Hazard-Index methode (HI-methode) een geschikte manier is om in de immissietoets rekening te houden met het schadelijke effect van een mengsel van chemische stoffen. We noemen dit ook wel het mengselrisico of cumulatie. De schadelijke effecten van een mengsel kunnen groter zijn dan de effecten van één stof. Hoe groot die kans is, hangt af van de samenstelling, de concentraties en de schadelijkheid van de stoffen in het mengsel. Het RIVM toetst de HI-methode in een aantal lokale casussen, waaronder Chemelot. Voor deze casus zijn de jaargemiddelde meetgegevens gebruikt van drie Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS) die kankerverwekkend zijn: 1,3 butadieen, monovinylchloride en benzeen. De ZZS zijn gemeten in de lucht in de nabijheid van Chemelot. De Omgevingsdienst Zuid-Limburg leverde deze meetgegevens aan. De drie afzonderlijke ZZS blijven in de immissietoets onder hun luchtnorm, het Maximaal Toelaatbaar Risico ( MTR maximaal toelaatbaar risico (maximaal toelaatbaar risico) ). Uit het onderzoek blijkt dat de HI-methode toegepast kan worden in de immissietoets om het mengselrisico van blootstelling aan meerdere chemische stoffen in de lucht te beoordelen. Daarnaast wijst de HI-methode op een verhoogd mengselrisico op het meetstation naast Chemelot in de jaren tussen 2018 en 2024, met uitzondering van 2022 en 2024. De HI-methode is momenteel geen onderdeel van het vergunningenbeleid. Het RIVM adviseert met deze uitkomsten wel te onderzoeken of de uitstoot van de betreffende stoffen kan worden verlaagd. Om de actuele gezondheidseffecten voor omwonenden te kunnen inschatten is meer informatie nodig over de blootstelling. De concentraties ZZS in de lucht zullen in het algemeen waarschijnlijk lager zijn op grotere afstand van het Chemelot-terrein. In 2025 doet het RIVM samen met stakeholders onderzoek naar de voor- en nadelen van een eventuele beleidsmatige toepassing van de HI-methode.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Monitor Onbedoelde Zwangerschappen: Cijferoverzicht 2024 | RIVM

Een onbedoelde zwangerschap is op het moment van de bevruchting niet gepland en mogelijk niet gewenst. Een onbedoelde zwangerschap kan in de loop van de zwangerschap wel gewenst worden. Onbedoelde zwangerschappen kunnen lastige situaties en keuzes met zich meebrengen, zoals de beslissing om het kind te houden of niet. Het ministerie van VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) wil daarom helpen onbedoelde zwangerschappen te voorkomen en ondersteuning bieden bij een onbedoelde zwangerschap. Dit is onderdeel van de 'Aanpak onbedoelde en ongewenste zwangerschap 2023-2025'. Het RIVM brengt sinds 2020 met beschikbare data de stand van zaken in kaart en laat ontwikkelingen door de tijd heen zien. Nieuw is dat vrouwen en mannen sinds juli 2023 na een abortus gratis met een speciale hulpverlener kunnen praten om de abortus te verwerken. Ook geeft het overzicht voor het eerst inzicht hoeveel vrouwen hormonale anticonceptiemiddelen gebruiken, zoals het spiraaltje of de pil. Het aantal vrouwen dat risico loopt op een onbedoelde zwangerschap blijft de laatste jaren stijgen. Dit risico betreft vrouwen tussen de 16 en 49 jaar die het afgelopen jaar seksueel actief waren, geen kinderwens hebben, niet zwanger zijn en geen anticonceptiemiddel gebruiken. Het percentage vrouwen dat risico loopt op een onbedoelde zwangerschap is het hoogst bij vrouwen met basisonderwijs/vmbo/mbo1-onderwijs. Het aantal tienermoeders van 15-20 jaar daalt al enkele jaren en blijft dalen. Het aantal abortussen is, net als in 2022, iets gestegen (van 9,9 per 1000 vrouwen in 2022 naar 10.8 per 1.000 vrouwen in 2023). De cijfers maken niet duidelijk waar deze stijging door komt. Ook blijkt dat steeds minder vrouwen in Nederland hormonale anticonceptiemiddelen gebruiken; dit geldt vooral voor vrouwen onder de 35 jaar en voor de pil. Tot slot valt op dat steeds meer mensen zelfstandig de keuzehulp bij een onbedoelde zwangerschap vinden, een stijging van 33 procent van alle gestarte keuzehulptrajecten in 2022 naar 39 procent in 2023. Ook bezoeken steeds meer mensen de website infopuntonbedoeldzwanger.nl. Dit benadrukt het belang dat vrouwen toegang hebben tot goede informatie en ondersteuning rondom onbedoelde zwangerschappen, nu en in de toekomst.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Toegang tot (gratis) anticonceptie voor personen in een kwetsbare situatie | RIVM

Onbedoelde zwangerschappen kunnen lastige situaties en keuzes veroorzaken, zoals de beslissing om met de zwangerschap door te gaan of deze af te breken. Het ministerie van VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) wil daarom helpen onbedoelde zwangerschappen te voorkomen en ondersteuning bieden bij een onbedoelde zwangerschap. Belangrijk hierbij is dat mensen in een kwetsbare situatie makkelijker, en wanneer nodig gratis, toegang hebben tot (informatie over) anticonceptiemiddelen. Dat zijn bijvoorbeeld mensen die onder moeilijke omstandigheden leven, zoals armoede. Twee maatregelen helpen om mensen in een kwetsbare situatie betere toegang tot anticonceptiemiddelen te geven. Dat blijkt uit een evaluatie van het RIVM. De eerste is dat abortusklinieken extra tijd hebben gekregen voor gesprekken over anticonceptie. De tweede maatregel is meer geld om het programma Nu Niet Zwanger (NNZ) uit te breiden. Gemeenten bieden dit programma aan om vrouwen en mannen te ondersteunen een bewuste keuze te maken over hun kinderwens. Uit de evaluatie blijkt ook dat het belangrijk is om anticonceptiegebruik met vrouwen uit kwetsbare groepen te bespreken. Bij bijna de helft van deze vrouwen is de onbedoelde zwangerschap ontstaan, doordat ze 'helemaal geen' of 'deze keer geen' anticonceptie gebruikten. De meeste anticonceptiegesprekken in abortusklinieken waren op de dag van de behandeling (84 procent). Na het gesprek koos bijna de helft van de mensen voor anticonceptie die langer werkt, zoals het spiraaltje. Bijna één op de vijf koos voor anticonceptie met een kortere werking (bijvoorbeeld de pil). Het gesprek kan vrouwen ook bewuster maken over het gebruik van anticonceptie. Zorgverleners gebruiken het gesprek verder om juiste informatie te geven. Wat NNZ betreft heeft 89 procent van de gemeenten zich inmiddels aangesloten bij dit programma. Daarom ligt de focus nu minder op het zo veel mogelijk laten aansluiten van nieuwe gemeenten en is er juist meer focus op het ondersteunen van de aangesloten gemeenten en partners. Bijvoorbeeld door nieuwe inhoudelijk coördinatoren bij de GGD Gemeentelijke Gezondheidsdienst (Gemeentelijke Gezondheidsdienst) aan te nemen. Dit helpt om NNZ beter in gemeenten te verankeren, ook op de langere termijn.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Methodisch kader Gezondheidseffectrapportage Tata Steel Nederland | RIVM

Het RIVM heeft een methodisch kader opgesteld waarmee een Gezondheidseffectrapportage voor Tata Steel Nederland (GER-TSN) uitgevoerd kan gaan worden. Deze GER-TSN brengt in kaart welke gevolgen de plannen van TataSteel om de staalproductie te verduurzamen kunnen hebben op de gezondheid van de omwonenden. Deze kennisnotitie beschrijft dit methodisch kader en geeft inzicht in de keuzes die daarbij gemaakt moeten worden. Bijvoorbeeld welke situaties worden beschouwd, welke uitkomstmaten hiervoor gebruikt kunnen worden en welke stoffen en stressoren moeten worden meegenomen. De GER-TSN is nog niet uitgevoerd. Het methodisch kader is nu alleen toepasbaar op Tata Steel Nederland, maar kan in de toekomst op hoofdlijnen ook gebruikt worden voor andere industriegebieden. Het RIVM ontwikkelde dit methodische kader in opdracht van het ministerie van IenW Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ) .
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Inventarisatie ZZS luchtmetingen in Nederland | RIVM

Het RIVM heeft onderzocht welke Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS) er op dit moment in Nederland worden gemeten in lucht. Een gedegen overzicht hiervan ontbrak tot op heden. De inventarisatie is gedaan door een enquête uit te sturen naar de verschillende omgevingsdiensten in Nederland. Daarnaast is de informatie verzameld uit het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit (LML). Verder is aan omgevingsdiensten gevraagd welke ZZS zij in de toekomst graag aanvullend in lucht zouden willen meten, en waarom. De resultaten bevestigen het beeld dat het aantal ZZS dat momenteel in lucht wordt gemeten beperkt is. Vanuit omgevingsdiensten komen met name PFAS naar voren als nieuw te meten stoffen in lucht. Er komt steeds meer informatie dat PFAS zich ook via luchtuitstoot kunnen verspreiden en in die zin is het verklaarbaar dat deze stofgroep het vaakst wordt genoemd als wenselijk te gaan meten. Diverse belangenorganisaties, adviesraden, etc. wezen recent op het belang om meer ZZS te gaan meten in de Nederlandse leefomgeving. Metingen zouden dan meer duidelijkheid moeten geven over de mate van blootstelling van burgers aan ZZS. De huidige inventarisatie geeft inzicht in wie wat nu meet in Nederland ('nulmeting'). Het RIVM schetst bovendien beknopt langs welke denklijnen men aanvullende ZZS zou kunnen gaan meten in lucht. De notitie is opgesteld in het kader van het “Impulsprogramma Chemische stoffen” van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Inventarisatie ZZS luchtmetingen in Nederland | RIVM

Het RIVM heeft onderzocht welke Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS) er op dit moment in Nederland worden gemeten in lucht. Een gedegen overzicht hiervan ontbrak tot op heden. De inventarisatie is gedaan door een enquête uit te sturen naar de verschillende omgevingsdiensten in Nederland. Daarnaast is de informatie verzameld uit het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit (LML). Verder is aan omgevingsdiensten gevraagd welke ZZS zij in de toekomst graag aanvullend in lucht zouden willen meten, en waarom. De resultaten bevestigen het beeld dat het aantal ZZS dat momenteel in lucht wordt gemeten beperkt is. Vanuit omgevingsdiensten komen met name PFAS naar voren als nieuw te meten stoffen in lucht. Er komt steeds meer informatie dat PFAS zich ook via luchtuitstoot kunnen verspreiden en in die zin is het verklaarbaar dat deze stofgroep het vaakst wordt genoemd als wenselijk te gaan meten. Diverse belangenorganisaties, adviesraden, etc. wezen recent op het belang om meer ZZS te gaan meten in de Nederlandse leefomgeving. Metingen zouden dan meer duidelijkheid moeten geven over de mate van blootstelling van burgers aan ZZS. De huidige inventarisatie geeft inzicht in wie wat nu meet in Nederland ('nulmeting'). Het RIVM schetst bovendien beknopt langs welke denklijnen men aanvullende ZZS zou kunnen gaan meten in lucht. De notitie is opgesteld in het kader van het “Impulsprogramma Chemische stoffen” van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Contra-expertise op bepalingen van radioactiviteit in afvalwater en ventilatielucht van COVRA NV. Periode 2023 | RIVM

De Centrale Organisatie voor Radioactief Afval ( COVRA Centrale Organisatie Voor Radioactief Afval (Centrale Organisatie Voor Radioactief Afval) ) meet hoeveel radioactiviteit zij in afvalwater en ventilatielucht loost. Het RIVM ontvangt van COVRA afvalwater- en ventilatieluchtmonsters en bepaalt daarin de radioactiviteit. Elk jaar vergelijkt het RIVM deze metingen met de resultaten van COVRA. De Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) gebruikt deze 'contra-expertise' om in te schatten hoe betrouwbaar de metingen van de nucleaire installatie zijn. Net als in de jaren ervoor kwamen de analyses van afvalwater uit de contra-expertise in 2023 goed overeen met de resultaten van COVRA. Het gamma-spectrometrische resultaat, de resultaten van de totaal-alfa bepaling, en de tritiumbepaling kwamen redelijk tot goed overeen. Ook de totaal bèta-meetwaarde van het RIVM en de rest bèta-meetwaarde van COVRA kwam redelijk overeen ondanks de verschillende meetprincipes. Het resultaat in de 14C-bepaling in afvalwater kwam eveneens goed overeen. Verder kwamen de resultaten van het RIVM en COVRA van de ventilatieluchtmonsters van het Afvalverwerkingsgebouw ( AVG algemene verordening gegevensbescherming (algemene verordening gegevensbescherming) ) en het Hoogradioactief Afval Behandelings- en Opslag Gebouw (HABOG) goed overeen voor tritium en 14C. Er is in geen enkel monster een gammaactiviteit, of een totaal-alfa of totaal-bèta activiteit in ventilatielucht gevonden. Het RIVM voert de contra-expertises uit in opdracht van de ANVS.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Contra-expertise op bepalingen van radioactiviteit in afvalwater en ventilatielucht van de kernenergiecentrale Borssele. Periode 2023 | RIVM

De kerncentrale Borssele (KCB) meet hoeveel radioactiviteit de centrale loost via het nucleair afvalwatersysteem en het nucleair ventilatiesysteem. Het RIVM ontvangt van de KCB afvalwater- en ventilatieluchtmonsters en bepaalt daarin de radioactiviteit. Het RIVM vergelijkt deze metingen acht keer per jaar met de resultaten van de KCB. De Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) gebruikt deze 'contra-expertise' om in te schatten hoe betrouwbaar de metingen van de KCB zijn. De KCB neemt de te analyseren monsters verspreid over het jaar. De gamma-analyses van afvalwater uit de contra-expertise in 2023 kwamen op hoofdlijnen overeen met de resultaten van de kerncentrale. De overeenkomst in de 3H-data in afvalwater was voor 7 van de 8 monsters goed, en voor 1 monster redelijk. De KCB en het RIVM hebben geen strontium-isotopen en alfa-activiteit in het afvalwater aangetoond boven de detectiegrens. In alle acht ventilatieluchtmonsters vonden het RIVM en de KCB beiden geen gamma-activiteit. De KCB bemonstert anorganisch en organisch 3H en 14C in een deelstroom van de geloosde ventilatielucht door middel van zeolietpatronen in twee parallel functionerende bemonsteringssystemen. De KCB stuurt hun zeolietmonsters uit systeem-1 op voor analyse door Framatome (Erlangen, Duitsland). Het RIVM haalt de korrels uit een zeolietpatroon van systeem-2 op bij de KCB voor analyse. De activiteitsconcentraties van 3H en 14C in ventilatielucht, bemonsterd met zeolietpatronen uit systeem-1 en systeem-2, kwamen eerst matig overeen. De KCB heeft het restant van monstermateriaal uit systeem-1 beschikbaar gesteld voor een heranalyse door het RIVM. De resultaten van deze heranalyse kwamen (veel) beter overeen met de KCB data; beide uit hetzelfde bemonsteringsysteem. Het RIVM voert de contra-expertises uit in opdracht van de ANVS.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Safe & Sustainable by Design en Europees beleid voor een duurzame economie. Gespreksnotitie voor interdepartementaal overleg | RIVM

Voor heel veel producten worden chemische stoffen gebruikt. Daarom is de productie en het gebruik van chemische stoffen een belangrijk onderdeel van de economie. En dus ook van belangrijke uitdagingen voor een duurzame economie, zoals de gevolgen van klimaatverandering, verlies van biodiversiteit en vervuiling. In de afgelopen jaren is voor deze vraagstukken in Europa een groot pakket aan beleidsmaatregelen afgesproken, de European Green Deal. Het RIVM heeft verkend hoe het beleid voor chemische stoffen samenhangt met een aantal belangrijke beleidsmaatregelen voor een duurzame economie. Uit de verkenning blijkt dat er vanuit de nieuwe Europese regelgeving veel op bedrijven afkomt. Dat maakt het belangrijk om dubbele verplichtingen vanuit verschillend beleid te voorkomen. Ook doen bedrijven er goed aan samen te werken om onderdelen van de keten te kunnen verduurzamen. Om dit te laten slagen moeten milieubeleid, economisch beleid en onderzoeks- en innovatiebeleid op elkaar worden afgestemd. Uitgangspunt van de verkenning is hoe Safe & Sustainable by Design (SSbD) kan helpen om de verschillende maatregelen uit te voeren. Kort gezegd betekent SSbD voor chemische stoffen dat veiligheid en duurzaamheid van begin af aan voorop worden gesteld in ontwikkeling, productie en gebruik van materialen en producten. Om dat te realiseren is meer nodig dan alleen beleid voor chemische stoffen. Daarom heeft het RIVM ook de belangrijkste ontwikkelingen op een rij gezet voor het beleid voor de circulaire economie, internationaal grondstoffenbeleid om minder afhankelijk te zijn van andere landen en de verplichte duurzaamheidsrapportages voor bedrijven.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Kwetsbaarheid en kansen in de stapeling van omgevingsfactoren | RIVM

Deze brochure legt uit hoe gezondheid en inrichting van de leefomgeving met elkaar verbonden zijn. Ook biedt het handvatten voor beleid: beleid dat zorgt voor een gezondere leefomgeving voor iedereen. Nederland heeft te maken met een aantal grote uitdagingen die invloed hebben op onze leefomgeving en gezondheid. Goed ruimtelijk beleid kan verschillende van deze problemen tegelijk aanpakken en een gezondere omgeving voor iedereen creëren. Gezondheid wordt nu alleen niet optimaal meegenomen in ruimtelijk beleid, waardoor kansen blijven liggen. Er zijn gebieden in Nederland waar sprake is van stapeling van ongunstige leefomgevingsfactoren en waar veel mensen in een kwetsbare positie of met gezondheidsproblemen wonen. De brochure laat zien hoe belangrijk het is om rekening te houden met deze stapeling en kwetsbaarheid, en biedt een analysekader om dit in beeld te brengen. De keuzes van vandaag voor waar we bouwen, wonen, werken en recreëren, bepalen waar stapeling van omgevingsfactoren en kwetsbaarheid ontstaat. Zorgvuldige ruimtelijk afwegingen zijn daarom essentieel voor de gezondheid van de Nederlandse bevolking.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Toekomstbestendige zorg en ondersteuning voor mensen met een beperking. Plan van aanpak voor monitoring en evaluatie | RIVM

In Nederland leven ongeveer 2 miljoen mensen met een verstandelijke, lichamelijke en/of zintuigelijke beperking. De meesten wonen met meer of minder hulp thuis, anderen wonen in een instelling. Het ministerie van VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) heeft beleid gemaakt om te zorgen dat deze mensen ook in de toekomst kunnen rekenen op goede zorg en ondersteuning. Dit heet de Toekomstagenda. De Toekomstagenda heeft onder andere aandacht voor mensen die complexe zorg nodig hebben, mensen met een licht verstandelijke beperking, cliëntondersteuning, personeel, technologie en maatschappelijke ondersteuning. Dit beleid loopt van 2022 tot en met 2026. VWS wil inzicht krijgen hoe de zorg en ondersteuning voor mensen met een beperking zich de komende jaren ontwikkelt. Het RIVM is gevraagd deze ontwikkelingen met een monitor te volgen. Het RIVM doet daar in dit plan van aanpak een voorstel voor. Dit voorstel is zo gemaakt dat de ontwikkelingen langere tijd te volgen zijn, ook na 2026. Dat is belangrijk, omdat veranderingen tijd kosten, net als de invloed van beleid. Ook heeft het RIVM een voorstel gemaakt om in 2027 te evalueren wat de invloed van de Toekomstagenda is geweest op veranderingen in deze zorg en ondersteuning. Voor de monitor zijn 37 'indicatoren' bepaald, die laten zien hoe de zorg en ondersteuning zich de komende jaren ontwikkelen. De monitor brengt bestaande en nieuwe cijfers bij elkaar: voor 15 indicatoren verzamelen verschillende organisaties al cijfers. Voor de 22 andere moeten nog data worden verzameld. Ook worden mensen met een beperking zelf en hun naasten via interviews betrokken. Voor de evaluatie worden experts geïnterviewd.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Gezondheid en Ruimte: Kwetsbaarheid en kansen in de stapeling van omgevingsfactoren | RIVM

Deze brochure legt uit hoe gezondheid en inrichting van de leefomgeving met elkaar verbonden zijn. Ook biedt het handvatten voor beleid: beleid dat zorgt voor een gezondere leefomgeving voor iedereen. Nederland heeft te maken met een aantal grote uitdagingen die invloed hebben op onze leefomgeving en gezondheid. Goed ruimtelijk beleid kan verschillende van deze problemen tegelijk aanpakken en een gezondere omgeving voor iedereen creëren. Gezondheid wordt nu alleen niet optimaal meegenomen in ruimtelijk beleid, waardoor kansen blijven liggen. Er zijn gebieden in Nederland waar sprake is van stapeling van ongunstige leefomgevingsfactoren en waar veel mensen in een kwetsbare positie of met gezondheidsproblemen wonen. De brochure laat zien hoe belangrijk het is om rekening te houden met deze stapeling en kwetsbaarheid, en biedt een analysekader om dit in beeld te brengen. De keuzes van vandaag voor waar we bouwen, wonen, werken en recreëren, bepalen waar stapeling van omgevingsfactoren en kwetsbaarheid ontstaat. Zorgvuldige ruimtelijk afwegingen zijn daarom essentieel voor de gezondheid van de Nederlandse bevolking.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Werkenden in kwetsbare situaties en de toekomst: platformwerk uitgelicht | RIVM

Het RIVM en TNO hebben de risico's en kansen van vijf maatschappelijke ontwikkelingen uitgewerkt voor platformwerkers. Deze werkenden bieden via digitale platforms hun diensten tegen betaling aan. Denk aan maaltijden bezorgen, taxiritten en klussen in huis. De maatschappelijke ontwikkelingen zijn AI, nieuwe wet- en regelgeving, migratie, arbeidsmarktkrapte en globalisering. Deze ontwikkelingen kunnen zorgen voor ongezonde en onveilige arbeidsomstandigheden en komen vaak samen bij werkenden in een kwetsbare situatie, zoals platformwerkers. Een deel van de platformwerkers redt zich. Een ander deel is erg afhankelijk van het werk dat via het platform wordt aangeboden. Vaak zijn geen speciale kennis of vaardigheden nodig voor het werk, waardoor mensen makkelijk zijn te vervangen. Daarbij werken platformwerkers regelmatig voor een laag tarief. Ook de arbeidsomstandigheden zijn vaak ongunstig voor deze platformwerkers. Ze maken lange werkdagen en werken onder hoge tijdsdruk. Juist voor deze groep is het belangrijk de risico's van platformwerk te verkleinen en kansen te vergroten. Platformwerkers worden via algoritmen aan een klus gekoppeld en soms (ook) door AI aangestuurd. Hierdoor hebben ze zelf minder invloed op wanneer en hoe zij het werk uitvoeren. Verder kunnen (onbedoelde) aannames en vooroordelen in de algoritmes de kans vergroten dat iemand door discriminatie geen werk krijgt. Daar komt bij dat platformwerkers minder contact met collega's hebben en niet zijn vertegenwoordigd bij bonden of een ondernemingsraad van een organisatie. Voordelen van werken via een platform zijn bijvoorbeeld dat mensen vrij makkelijk, zonder ervaring of specifieke opleiding, aan werk kunnen komen. Ook levert het platform een groot netwerk aan opdrachtgevers op. Om platformwerkers te beschermen is het belangrijk hen beter te bereiken voor onderzoek en preventie. Ook is het belangrijk de effecten van nieuwe wet- en regelgeving op de kwaliteit van werk van platformwerkers te onderzoeken. Denk aan de Europese richtlijn platformwerk en de wet om AI verantwoord te gebruiken.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Voortgangsrapportage SPARK project 2025-1 | RIVM

Het project SPARK (Strategies for regulatory assessment of PARKinson’s disease), heeft als doel een teststrategie te ontwikkelen waarmee de mogelijke relatie tussen gewasbeschermingsmiddelen en de ziekte van Parkinson onderzocht kan worden. Deze opdracht is op 3 oktober 2024 gestart. Deze rapportage beschrijft de voortgang van het project tot 1 maart 2025.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Nieuwe schatting aantal kinderen met leukemie bij bovengrondse hoogspanningslijnen | RIVM

In de buurt van bovengrondse hoogspanningslijnen ontstaan magneetvelden. Er zijn aanwijzingen dat kinderen die bij zo'n hoogspanningslijn wonen mogelijk een grotere kans hebben om leukemie te krijgen, maar er is geen bewijs dat de magneetvelden hier de oorzaak van zijn. Door de ernst van de mogelijke gezondheidseffecten en de bezorgdheid van omwonenden heeft de overheid hier in 2005 voorzorgbeleid voor gemaakt. Met dit beleid wil de overheid voorkomen dat er nieuwe situaties ontstaan waarin kinderen lange tijd in de magneetveldzone van bovengrondse hoogspanningslijnen verblijven. Dit betekent dat gemeenten wordt geadviseerd binnen een zone rond de hoogspanningslijn geen nieuwe woningen, crèches, scholen of kinderdagverblijven te bouwen. Afhankelijk van de sterkte van het magneetveld ligt de breedte van deze zone tussen 30 en 185 meter. Het RIVM heeft opnieuw een schatting gemaakt van het aantal kinderen dat in Nederland elk jaar leukemie zou kunnen krijgen doordat zij in de buurt van hoogspanningslijnen wonen. De vorige schatting was uit 2003. De nieuwe schatting is dat elk jaar tussen 0 en maximaal 0,5 kinderen leukemie kunnen krijgen door de aanwezigheid van een bovengrondse hoogspanningslijn. De schatting voor het maximale aantal kinderen is hetzelfde gebleven als in 2003 (0,5). De schatting van het minimale aantal kinderen is kleiner geworden: deze gaat van 0,4 naar 0. Dat komt omdat de kans op leukemie bij kinderen die bij hoogspanningslijnen wonen volgens de nieuwste wetenschappelijke onderzoeken lager wordt ingeschat. Dit betekent dat het ook mogelijk is dat de magneetvelden dichtbij bovengrondse hoogspanningslijnen geen leukemie bij kinderen veroorzaken. Voor deze nieuwe schatting gebruikte het RIVM de nieuwste internationale wetenschappelijke kennis over de blootstelling van kinderen aan magneetvelden en de kans op schadelijke effecten daarvan voor hun gezondheid. Het RIVM heeft zelf preciezer berekend hoe breed de magneetveldzones rond de hoogspanningslijnen zijn en hoeveel kinderen er in die zones wonen.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

De drinkwatervoorziening van de toekomst. Ontwikkeling bronnen, zuiveringstechnologie en klimaatrisico’s 2030 tot 2050 | RIVM

In Nederland zijn zoetwaterbronnen, zoals grote rivieren en grondwater, de basis voor drinkwater. De komende jaren zal in Nederland meer drinkwater nodig zijn, onder meer door de bevolkingsgroei en klimaatverandering. Om aan die vraag te kunnen voldoen, zal de komende jaren meer water uit deze bronnen worden gewonnen. Daarnaast zullen andere soorten bronnen nodig zijn, zoals brak grondwater. Gelijktijdig moet worden ingezet op drinkwaterbesparing. Het water uit deze nieuwe bronnen vraagt een grotere zuiveringsinspanning om drinkwater van een goede kwaliteit te krijgen. Om onnodige zuivering te voorkomen, is het belangrijk om alle bronnen voor drinkwater zo schoon mogelijk te houden. Dit blijkt uit een door het RIVM gemaakte analyse van ontwikkelingen die invloed hebben op de drinkwatervoorziening van de toekomst. Van brak grondwater kan drinkwater worden gemaakt door het teveel aan zout eruit te halen. In de toekomst kunnen misschien ook zeewater en gezuiverd huishoudelijk afvalwater worden gebruikt om drinkwater van te maken. De extra zuivering kost geld. Ook moet de wet- en regelgeving worden aangepast om dergelijke bronnen voor de drinkwaterproductie te mogen gebruiken. De Europese Kaderrichtlijn Water ( KRW Kaderrichtlijn Water (Kaderrichtlijn Water) ) wil dat bronnen voor drinkwater schoner worden, zodat drinkwaterbedrijven zo min mogelijk hoeven te zuiveren. Nederland houdt dat doel aan. Toch verwachten veel drinkwaterbedrijven dat ze in de toekomst meer moeten zuiveren voor een goede drinkwaterkwaliteit. Bijvoorbeeld met membraanfilters, die zeer schoon drinkwater kunnen maken. Dat heeft nadelen. Het kost meer energie en er blijft vuil water achter waarmee weer iets moet gebeuren. Veranderingen in het klimaat, zoals droogte en hevige regenbuien, hebben gevolgen voor de drinkwatervoorziening. Tijdens droge zomers zijn sommige effecten al te zien, zoals te zoute bronnen, te warm rivierwater waar meer ongewenste bacteriën in groeien, een slechtere waterkwaliteit, en natuurschade door lage grondwaterstanden. Ook kan door droogte minder water beschikbaar zijn voor drinkwater, of zijn extra maatregelen nodig om het drinkwater van goede kwaliteit te houden. De verwachting is dat deze klimaateffecten in de toekomst vaker optreden.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Radon op specifieke werkplekken. Onderzoek bij mergelgrotten en drinkwaterbedrijven | RIVM

In Nederland is de concentratie radon in de meeste woningen en gebouwen laag door de samenstelling van de bodem. De overheid heeft daarom gekozen voor een laag referentieniveau. Dat is geen harde grenswaarde maar overschrijdingen moeten zo veel mogelijk worden voorkomen. Op bepaalde soorten werkplekken is de kans groter dat het referentieniveau wordt overschreden. De overheid kan deze aanwijzen als specifieke soorten werkplekken. Werkgevers zijn dan verplicht om de radonconcentratie te meten. Bij hogere concentratie dan het referentieniveau, moet de werkgever uitzoeken hoe de blootstelling van werknemers kan worden verlaagd. De blootstelling hangt af van de radonconcentratie en hoelang mensen op een locatie werken. Het RIVM heeft de radonconcentraties gemeten in 7 mergelgrotten in Zuid-Limburg en 65 productiestations voor drinkwaterzuivering. Bij grotten is weinig ventilatie. Bij productiestations worden grote hoeveelheden water in afgesloten ruimtes gezuiverd, waarbij radon kan vrijkomen. Het RIVM heeft ook berekend wat de blootstelling is voor de werknemers. Op basis van deze informatie kan het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ( SZW Sociale zaken en werkgelegenheid (Sociale zaken en werkgelegenheid) ) beslissen of deze typen werklocaties als specifieke werkplekken moeten worden aangewezen. In bijna alle onderzochte mergelgrotten waren de gemeten concentraties hoger dan het referentieniveau. Bij de drinkwaterbedrijven was dat bij ongeveer een derde van de metingen zo. Op beide locaties werken mensen meestal niet fulltime, bijvoorbeeld alleen voor een rondleiding in de grotten of voor onderhoud bij de productiestations. Daarom is de blootstelling van de meeste werknemers aan radon naar schatting laag. Bijna 30 procent van de werknemers heeft wel een hogere blootstelling. Deze is te vergelijken met werknemers die via andere beroepen blootstaan aan straling, zoals ziekenhuispersoneel of piloten. Het RIVM deed dit onderzoek in opdracht van SZW. Bij een eerdere meetcampagne (2016/2017) waren hoge radonconcentraties in enkele grotten en productiestations gemeten. Elke Europese lidstaat is verplicht om een actieprogramma voor radon op te stellen om gezondheidseffecten zo veel mogelijk te beperken. Radon is een radioactief gas dat van nature vrijkomt uit de bodem en bodemstoffen, zoals bouwmaterialen en grondwater. Als er binnen veel radon vrijkomt en te weinig wordt geventileerd, kan de radonconcentratie hoog worden. Mensen die jarenlang blootstaan aan hoge radonconcentraties, hebben een grotere kans om longkanker te krijgen. Deze kans is voor rokers veel groter dan voor niet-rokers.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Alternatieve toewijzing zorguitgaven wijkverpleging. Rapport bij de kosten-van-ziekten-studie | RIVM

Mensen kunnen wijkverpleging krijgen als ze thuis hulp nodig hebben bij een of meer beperkingen. Dat kost elk jaar ongeveer 3,5 miljard euro. Het is nu niet duidelijk welke onderliggende ziekte of aandoening (diagnose) de medische reden is van de beperkingen. De wijkverpleging registreert dat niet bij de aanvraag. Het RIVM heeft onderzocht hoe de kosten van wijkverpleging wel aan ziekten kunnen worden gekoppeld. Dit geeft inzicht voor welke ziekten wijkverpleging nodig is en welke ontwikkelingen daarin door de jaren heen zijn te zien. Het RIVM heeft drie methoden uitgewerkt. Daarvoor zijn gegevens van personen die wijkverpleging hebben, diagnoses in ziekenhuizen en diagnosen van huisartsen uit 2019 naast elkaar gelegd. De gegevens van ziekenhuizen en huisartsen geven informatie over onder andere de leeftijd, het geslacht en de ziekten van mensen die gebruikmaken van wijkverpleging. Ook heeft het RIVM gesproken met experts (onderzoekers en mensen die in de wijkverpleging hebben gewerkt). Een combinatie van twee methoden heeft de voorkeur (1 en 3), maar er zijn nog wel verbeteringen nodig. De experts bevelen bijvoorbeeld aan om gegevens uit eerdere jaren te gebruiken in plaats van uit één jaar. Chronische ziekten als dementie en COPD Chronic Obstructive Pulmonary Disease (chronische bronchitis of longemfyseem) (Chronic Obstructive Pulmonary Disease (chronische bronchitis of longemfyseem) ) ontstaan vaak jaren eerder dan het jaar waarin wijkverpleging begint. De gegevens van ziekenhuizen en huisartsen over één jaar geven daar geen inzicht in. Het RIVM is inmiddels begonnen met het vervolgonderzoek en heeft deze aanbeveling overgenomen. Methode 1 weegt de informatie over de diagnose van huisartsen en ziekenhuizen even zwaar. Hij deelt de kosten van de wijkverpleging door alle diagnoses die zijn gesteld bij iemand die wijkverpleging krijgt. Methode 2 geeft meer betekenis aan de informatie over diagnoses uit het ziekenhuis. Alleen de diagnose(n) van de huisarts die ook door het ziekenhuis zijn gesteld, worden gekoppeld aan de kosten voor de wijkverpleging. Bij methode 3 is een lijst gemaakt van aandoeningen waarvoor bijna nooit wijkverpleging wordt gegeven. De totale kosten die iemand maakt voor wijkverpleging worden dan alleen verdeeld over ziekten die de reden kunnen zijn voor deze zorg. Zo ontstaat een realistischer beeld van de kosten.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Agricultural practices and water quality in the Netherlands: status (2020–2023) and trends (1992–2023) | RIVM

Stikstof en fosfor in mest zorgen ervoor dat gewassen beter groeien. Wanneer landbouwbedrijven mest gebruiken, spoelt stikstof en fosfor weg naar het grond- en oppervlaktewater waardoor dat vervuilt. Nitraat is een van de vormen waarin stikstof voorkomt in de bodem en het water. Het RIVM rapporteert met vijf andere kennisorganisaties elke vier jaar over de kwaliteit van grond- en oppervlaktewater, en ontwikkelingen daarin door de jaren heen. Schoon grond- en oppervlaktewater is belangrijk om er drinkwater van te kunnen maken. Ook kunnen meer verschillende planten en dieren leven in schoon oppervlaktewater. Sinds de jaren negentig is de hoeveelheid stikstof en fosfor in het grondwater en oppervlaktewater sterk gedaald. Hierdoor is de waterkwaliteit verbeterd. Dit kwam vooral doordat boeren minder mest mochten gebruiken. Sinds 2012 is de daling gestopt. Tussen 2020-2023 zijn de nitraatconcentraties gestegen ten opzichte van de vorige meetperiode (2016-2019). Dit komt zeer waarschijnlijk voor een deel door de droge zomers van 2018 tot 2020. Bij droogte nemen gewassen onder andere minder stikstof op, waardoor er meer in de bodem achterblijft. Sinds 2021 dalen de nitraatconcentraties weer, maar ze zijn in de Zand- en Lössregio nog steeds hoger dan voor de droge zomers. Onder meer dan 50 procent van de landbouwbedrijven in de Zand- en Lössregio is de nitraatconcentratie in het grondwater vaak nog te hoog voor schoon grond- en oppervlaktewater. Naarmate dieper wordt gemeten, nemen de concentraties af. Door te veel stikstof en fosfor in oppervlaktewater voldoet in veel wateren in Nederland de biologische waterkwaliteit niet. Dan leven er bijvoorbeeld te weinig verschillende soorten planten en dieren in. In 44 procent van de wateren in Nederland is de biologie hierdoor niet op orde. In 11 procent van de wateren zijn de concentraties stikstof en fosfor hoog, maar leven er nog genoeg soorten planten en dieren. Er is wel een kans dat de soorten in deze wateren op termijn last krijgen van de hoge concentraties. De waterkwaliteit is in de jaren 2020-2023 in een deel van de oppervlaktewateren verbeterd. Maar er zijn ook wateren waar de kwaliteit achteruit is gegaan. Dit is een Engelse vertaling van rapport 2024-0113 , gepubliceerd op 28 november 2024
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Advies regionaal meten en berekenen van stikstof (emissie, concentratie, en depositie) in de lucht | RIVM

Volgens de wet moet er in Nederland minder stikstof op kwetsbare natuurgebieden neerkomen (Wet stikstofreductie en natuurverbetering). De provincies zijn verantwoordelijk om hiervoor regionaal beleid te maken en uit te voeren. Om voor deze ingewikkelde taak goede keuzes te kunnen maken, hebben provincies behoefte aan wetenschappelijke kennis, vooral op basis van regionale metingen. Het ministerie van LVVN Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur ) heeft een adviescommissie gevraagd om voor deze kennisbehoeften een onderzoeksprogramma te maken. De adviescommissie doet daar nu aanbevelingen voor. De provincies hebben drie belangrijke vragen. De eerste is hoe metingen kunnen helpen om stikstof regionaal te monitoren: hoeveel stikstof wordt uitgestoten door een bron, hoe stikstof in de lucht verspreidt en hoeveel op de bodem neerkomt. De tweede vraag is inzicht krijgen welke stoffen nog meer invloed hebben op de natuur, en ook in water en bodem. De derde is meer inzicht krijgen in het effect van maatregelen om de uitstoot van stikstof te verlagen. Dat maakt duidelijk welke maatregelen het beste werken. De commissie adviseert de vragen in twee stappen aan te pakken. Met deze aanpak kunnen de provincies hun taak zo snel mogelijk uitvoeren en is er toch genoeg tijd om nieuwe kennis te ontwikkelen. De eerste stap is de bestaande kennis van landelijke rekenmodellen en meetmethoden verder te ontwikkelen, zodat ze regionaal kunnen worden gebruikt. Ook is het belangrijk om door te gaan met de projecten die er al zijn om stikstof regionaal te meten en te berekenen. Bijvoorbeeld met sensoren. De tweede stap is de methoden en technieken in deze projecten te testen en aan te vullen met nieuwe technieken, zoals drones en satellieten. De adviescommissie bestaat uit het RIVM, TNO, Universiteit Utrecht ( IRAS Institute of Risk Assessment Sciences (Institute of Risk Assessment Sciences) ), WUR Wageningen University &Research (Wageningen University &Research) en het innovatiecentrum OnePlanet.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Eindrapport Ammoniak van Zee. Samenvatting van het onderzoek naar de onderschatting van de ammoniakconcentraties langs de kust | RIVM

Het RIVM geeft elk jaar op kaarten aan hoeveel stikstof in Nederland op de bodem neerslaat (depositie). Ongeveer driekwart van de stikstofdepositie komt van ammoniak. Het is bekend dat er langs de kust een verschil van ongeveer 50 procent is tussen de gemeten en berekende concentraties van ammoniak. De berekeningen worden daarom gecorrigeerd, zodat ze beter aansluiten bij de metingen. Van een deel van de stikstofdepositie langs de kust is bekend van welke bronnen het komt. Het deel dat ontbreekt, werd toegeschreven aan de uitstoot van ammoniak uit zee. Maar deze uitstoot werd te hoog ingeschat. Eerder toonde het RIVM al aan dat het verschil niet aan de metingen ligt en er geen grote bronnen ontbreken. Het RIVM onderzocht daarom of het rekenmodel de oorzaak kan zijn. Het heeft drie oorzaken gevonden, die een deel van het verschil verklaren. De oorzaken hebben te maken met de gegevens waarmee het rekenmodel werkt en niet zozeer met het model zelf. Het gaat hierbij om de hoogte van de achtergrondconcentraties van ammoniak. Deze zijn opnieuw bepaald met een betere correctie naar de metingen. Hierdoor geven de nieuwe achtergrondkaarten een realistischer beeld van de ammoniakconcentraties langs de kust. Verder gaat het om een inschatting van de uitstoot van ammoniak uit zee. Ook deze is nu realistischer. Ten slotte gaat het om het gebruik van KNMI Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut) -meetstation Vlissingen, dat niet representatief blijkt te zijn voor de hele regio. Hiervoor zal een ander meetstation worden gebruikt (Westdorpe). Deze gegevens zijn inmiddels in het rekenmodel OPS Operationele Prioritaire Stoffen (Operationele Prioritaire Stoffen) aangepast. Gemiddeld over de periode 2005-2021 wijken de modelberekeningen van de ammoniakconcentraties langs de kust nu ongeveer 40 procent af van de metingen. Landelijk is dit ongeveer 30 procent. Dit is vóór de correctie van de modelberekeningen naar de metingen. Het RIVM sluit hiermee het onderzoek naar ammoniak van zee af. In het Nationaal Kennisprogramma Stikstof onderzoekt het RIVM samen met andere onderzoeksorganisaties hoe de modelberekeningen verder kunnen worden verbeterd. Dit onderzoek is gedaan in opdracht van het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur ( LVVN Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur ) ).
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Testresultaten van goedkope sensoren voor het meten van ammoniak in de buitenlucht | RIVM

Het is niet eenvoudig om ammoniak te meten in de buitenlucht. Hiervoor is geavanceerde meetapparatuur nodig. In dit onderzoek heeft het RIVM met diverse eenvoudige (goedkope) ammoniaksensoren meetboxen gebouwd en getest in de buitenlucht. De testresultaten van de inzet van diverse eenvoudige sensoren voor het meten van ammoniak in de buitenlucht staan in deze kennisnotitie.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Verkenning varianten voor het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid na 2025. Mogelijke opzet meetnet na vervallen derogatie | RIVM

Nederland kreeg in 2006 van de Europese Commissie toestemming om, onder voorwaarden, meer dierlijke mest te gebruiken dan is toegestaan volgens de Nitraatrichtlijn (derogatie). Een van de voorwaarden was dat de waterkwaliteit en landbouwpraktijk bij 300 landbouwbedrijven die van deze uitzondering gebruikmaken, wordt gevolgd. Dat gebeurt met het Derogatiemeetnet, dat een onderdeel is van het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid ( LMM Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid) ). Omdat de waterkwaliteit in Nederland niet genoeg verbetert, wordt deze uitzondering afgebouwd. Vanaf 2026 geldt er geen derogatie meer voor Nederland. Het einde van de derogatie betekent ook dat het Derogatiemeetnet stopt. Het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur ( LVVN Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur ) ) wil weten wat het wegvallen van de derogatie betekent voor de monitoring van het Basismeetnet van het LMM. Het Basismeetnet volgt de waterkwaliteit en de landbouwpraktijk in heel Nederland. Het einde van het Derogatiemeetnet heeft gevolgen voor het Basismeetnet. Dat komt doordat metingen van de waterkwaliteit van bedrijven in het Derogatiemeetnet de metingen van het Basismeetnet aanvullen. Het blijkt dat de metingen van het Basismeetnet alleen geen voldoende goed beeld van de waterkwaliteit kunnen geven. Meer bedrijven zijn nodig om dit wel goed te kunnen doen. Gegevens over de landbouwpraktijk worden ook voor een andere Europese verplichting verzameld. Het einde van het Derogatiemeetnet heeft daarom minder gevolgen voor deze informatie. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM en Wageningen Economic Research. De onderzoekers hebben drie varianten van het Basismeetnet uitgewerkt om de effecten van het mestbeleid wel goed te kunnen blijven volgen. Variant 1 vult het Basismeetnet aan tot het minimale aantal bedrijven (355) dat nodig is om de ontwikkeling in de waterkwaliteit op dezelfde manier te kunnen blijven volgen. Dan blijven de resultaten net zo betrouwbaar. Variant 2 splitst de Zandregio op in drie gebieden, omdat de hoeveelheid nitraat die naar het grondwater wegspoelt binnen de regio verschilt. Ook verschilt het mestbeleid binnen deze regio. Met meer meetlocaties in een kleiner gebied kunnen de effecten van beleid beter worden gevolgd. Om dezelfde reden stelt Variant 3 daarnaast nog een uitsplitsing in kleinere gebieden in de Klei- en Veenregio voor. Het is aan LVVN om hierover een keuze te maken. Inmiddels heeft het kabinet besloten om een aanvraag voor een nieuwe derogatie voor te gaan bereiden. De keuze voor deze nieuwe aanvraag was nog niet bekend bij het uitvoeren van het onderzoek. De gevolgen van een eventuele nieuwe derogatie voor het LMM zijn daarom niet meegenomen in dit onderzoek.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Pyrolyse van kunststofafval. Zeer zorgwekkende stoffen in pyrolyse-olie voor de kunststofketen | RIVM

Pyrolyse is een manier om kunststoffen te recyclen en zal de komende jaren steeds meer worden gebruikt. Het houdt in dat afval van kunststof snel wordt verhit zonder zuurstof toe te voegen. Hieruit ontstaat een vloeibaar product, de pyrolyse-olie. Deze olie kan worden gebruikt om nieuwe kunststoffen te maken. Het is daarmee een aanvulling op mechanische recyclingstechnieken (versnipperen en omsmelten) van kunststoffen. Voordat bedrijven pyrolyse-olie uit afval kunnen gebruiken, moet wettelijk het etiket 'afval' van het materiaal wordt gehaald. Dan is het materiaal weer een grondstof. Om te kunnen bepalen of pyrolyse-olie geen afval meer is, moet onder andere worden gecontroleerd of het materiaal voldoet aan eisen over veiligheid. Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ( IenW Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ) ) heeft voor bedrijven en vergunningverleners een Handreiking gemaakt om deze 'check' te ondersteunen. Voor deze Handreiking onderzocht het RIVM welke stoffen in het afgedankte kunststofafval zitten en waar dit afval vandaan komt. Verder is onderzocht of er Zeer Zorgwekkende Stoffen ( ZZS Zeer Zorgwekkende Stoffen (Zeer Zorgwekkende Stoffen ) ) in de pyrolyse-olie zitten. Uit het onderzoek blijkt dat verwerkers vooral het afval van kunststof verpakkingen van huishoudens en bedrijven gebruiken om pyrolyse-olie van te maken. Deze verpakkingen zijn het meest geschikt voor pyrolyse vanwege het type plastic waarvan ze zijn gemaakt. Volgens de wetenschappelijke literatuur zijn er Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS) in de pyrolyse-olie te verwachten. Deze stoffen kunnen ook ontstaan tijdens het pyrolyseproces. Het RIVM heeft een overzicht gemaakt van de chemische stoffen die in dit afval zitten, inclusief de ZZS. Het overzicht van ZZS in pyrolyse-olie kan veranderen als er meer data beschikbaar komen. Om pyrolyse-olie geschikt te maken als vervanger van fossiele grondstoffen wordt het nabehandeld. Dat is nodig om stoffen die het productieproces kunnen verstoren te verwijderen, zoals verschillende stoffen waar chloor in zit. Het onderzoek laat zien dat de nabehandeling ook belangrijk is om de aanwezige ZZS te verwijderen. Welke concentraties van ZZS daarna nog in de pyrolyse-olie achterblijven, is niet bekend. Het RIVM adviseert dat bedrijven meer metingen gaan doen naar ZZS in de pyrolyse-olie en deze openbaar te maken. Als bepaalde concentraties chloor worden overschreden, is verder onderzoek nodig om te bepalen om welke chloorhoudende ZZS het gaat.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Should biocides that control Legionella (pneumophila) in engineered water systems be effective against biofilm? | RIVM

Het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) heeft het RIVM gevraagd of het bestrijden van de legionellabacterie in de waterfase los gezien kan worden van de bestrijding in/van de biofilm. Het Ctgb Board for the Authorisation of Plant Protection Products and Biocides (Board for the Authorisation of Plant Protection Products and Biocides) kan deze informatie gebruiken bij het beoordelen van aanvragen voor de toelating van biociden. In deze kennisnotitie licht het RIVM toe dat voor een goede bestrijding of beheersing van Legionella (pneumophila) in waterinstallaties het van belang is dat ook de biofilm en daarin aanwezige protozoa, zoals amoeben, worden bestreden.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

EURL-Salmonella Proficiency Test Typing 2023 | RIVM

Sinds 1992 zijn de Nationale Referentie Laboratoria (NRL's) van de lidstaten van de Europese Unie verplicht om elk jaar hun kwaliteit te laten toetsen met zogeheten ringonderzoeken. Voor een van de ringonderzoeken moeten zij onder andere twintig Salmonella-stammen de juiste naam kunnen geven (typering). In 2023 scoorden alle NRL's van de 27 EU Europese Unie (Europese Unie) -lidstaten goed bij deze kwaliteitscontrole op typering van Salmonella. Eén laboratorium van buiten de EU had een herkansing en aanvullende training nodig. Alle deelnemende laboratoria samen konden aan 98 procent van de geteste stammen de juiste naam geven. De laboratoria zijn verplicht om Salmonella met een standaardmethode te typeren (serotypering). Daarnaast deden in 2023 20 laboratoria vrijwillig mee aan een extra typering op DNA- Desoxy nucleinezuur (Desoxy nucleinezuur) niveau, met Whole Genome Sequencing ( WGS whole genome sequencing (whole genome sequencing) ). Deze preciezere typering kan soms nodig zijn om de bron van een besmetting op te sporen. Voor de kwaliteitstoetsen wijst elke lidstaat een laboratorium aan, het Nationale Referentie Laboratorium (NRL). Dit NRL is namens dat land verantwoordelijk om Salmonella in monsters van levensmiddelen of dieren aan te tonen en te typeren. Soms doen er ook NRL's van landen buiten de EU vrijwillig aan mee. In 2023 waren dat er vijf, zodat er in totaal 32 laboratoria deelnamen aan het ringonderzoek van dit jaar. Het Europese Unie Referentie Laboratorium voor Salmonella (EURLSalmonella) organiseert het jaarlijkse ringonderzoek Salmonellatypering. Dit laboratorium is gevestigd bij het RIVM in Nederland.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Onderzoek Beleving Woonomgeving (OBW). Vierjarige rapportage (2019-2022) | RIVM

Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ( IenW Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ) ) wil weten hoe inwoners van Nederland hun woonomgeving beleven. Het ministerie laat dit sinds 1977 onderzoeken, sinds 2003 gebeurt dat door het RIVM. Het onderzoek brengt sinds 2019 elk jaar onder andere in kaart hoe bewoners geluid, trillingen, geur en veiligheid in de woonomgeving ervaren. Dit keer is teruggekeken op de periode van 2019 tot en met 2022 en zijn een paar ontwikkelingen te zien. De woontevredenheid is in deze jaren langzaamaan gedaald in Nederland. Meer mensen geven aan ontevreden te zijn over hun woonomgeving. Verder blijkt dat 'Wegverkeer' en 'Buren' in de woonomgeving de grootste broncategorieën van hinder en slaapverstoring door geluid te zijn. Binnen de categorie 'Wegverkeer' zijn 'bromfietsen' en 'personenauto's' volgens de deelnemers de belangrijkste oorzaak van hinder. Binnen de categorie 'Buren' zijn 'buitenactiviteiten van mens en dier' en 'contactgeluiden van buren' de belangrijkste oorzaak van hinder. Ernstige geurhinder en slaapverstoring komen vooral door 'open haarden en allesbranders' en 'barbecue en vuurkorven'. 'Wegverkeer' en 'Buren' zijn de grootste bronnen van hinder en slaapverstoring door trillingen. Omwonenden hebben het meeste last van geluid, geur en trillingen en minder van veiligheid. Over geluid, trillingen en geur geeft dit onderzoek ook per provincie informatie over ernstige hinder en ernstige slaapverstoring. De belangrijkste bron van bezorgdheid blijft 'wonen bij een risicovol bedrijf of industrie'. Wat de effecten van omgevingsfactoren betreft, zijn mensen het meest bezorgd over effecten op hun gezondheid door de luchtkwaliteit rond hun woning. In de periode van 2019 tot en met 2022 namen in totaal 8.752 inwoners van Nederland van zestien jaar en ouder deel aan dit onderzoek door een vragenlijst in te vullen. Het RIVM deed het onderzoek samen met het Centraal Bureau voor de Statistiek ( CBS Centraal Bureau voor de Statistiek (Centraal Bureau voor de Statistiek) ).
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Onderzoek Beleving Woonomgeving (OBW) Hinder en slaapverstoring in 2023 | RIVM

Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (I&W) wil weten hoe bewoners in heel Nederland hun woonomgeving beleven. Het RIVM onderzoekt dat sinds 2016 samen met het Centraal Bureau voor de Statistiek ( CBS Centraal Bureau voor de Statistiek (Centraal Bureau voor de Statistiek) ). Sinds 2019 wordt dit onderzoek jaarlijks uitgevoerd. Het RIVM heeft hierbij onder andere gekeken hoe bewoners geluid, trillingen, geur, licht en veiligheid in de woonomgeving ervaren. Dit onderzoek gaat over de resultaten van 2023. Deze zijn vergeleken met de gemiddelde resultaten van het onderzoek over de vier jaar daarvoor (2019-2022). Hieruit blijkt dat iets meer mensen ontevreden zijn over hun leefomgeving vergeleken met de vier jaren ervoor. Geluid van wegverkeer blijft de belangrijkste bron van ernstige hinder en ernstige slaapverstoring. Daarvan veroorzaken brommers en motoren de meeste ernstige geluidhinder. Ook ervaren meer mensen ernstige hinder door geluid van bestelauto's, personenauto's en taxi's. Wegverkeer geeft ook overlast, omdat het trillingen veroorzaakt. Buren zijn de tweede belangrijkste bron van geluidsoverlast. Daarnaast zijn activiteiten van buren de belangrijkste bronnen van ernstige geurhinder. Dat gaat vooral om geuren van open haarden, vuurkorven en barbecues. Ook veroorzaken activiteiten van buren ernstige hinder door trillingen. Verder komt uit het onderzoek naar voren dat ernstige hinder van relatief nieuwe bronnen, zoals laagfrequent geluid (bromtonen), is toegenomen. Ook blijkt dat mensen die in de buurt wonen van 'een activiteit met een risico', zoals zware industrie en op verontreinigde grond, vaker (ernstig) bezorgd zijn over hun eigen veiligheid. In 2023 namen ruim 7.995 inwoners van Nederland van zestien jaar en ouder deel aan dit onderzoek. Het RIVM rapporteert de bevindingen die op basis van een vragenlijstonderzoek (Onderzoek Beleving Woonomgeving, OBW) zijn verzameld.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Evaluatie Actieplan Nederland Beweegt. Voortgangsrapportage 2024 | RIVM

Het ministerie van VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) wil het voor mensen makkelijker maken om elke dag meer te bewegen. Hiervoor zijn onder andere veranderingen in de leefomgeving nodig, zoals genoeg veilige fietspaden en speeltuinen. VWS heeft hiervoor het Actieplan Nederland Beweegt gemaakt, dat loopt van 2023 tot 2025. Dit Actieplan is anders dan eerder beleid omdat het gaat over alles wat met bewegen te maken heeft en niet één onderdeel, zoals sporten (systeemverandering). Het beleid hoort bij het streven van de overheid dat 75 procent van de Nederlanders in 2040 genoeg beweegt. In 2023 haalde 45 procent van de bevolking dat. Voldoende bewegen is belangrijk voor de gezondheid. Het RIVM volgt de ontwikkeling van de drie onderdelen van het Actieplan die meer bewegen moeten stimuleren (de Actielijnen): 1) meer bewustwording van het belang van bewegen, in de hele samenleving maar ook onder beleidsmakers, 2) meer samenwerking tussen organisaties en professionals via de zogeheten Beweegalliantie, 3) meer samenwerking tussen de verschillende domeinen in gemeenten. Deze eerste rapportage laat zien wat er in de eerste 1,5 jaar is bereikt. Bij alle Actielijnen zijn positieve ontwikkelingen te zien, blijkt uit de rapportage. Een voorbeeld van een positieve ontwikkeling is dat beleidsmakers van VWS en (maatschappelijke) organisaties meer aandacht hebben gekregen voor bewegen. Ook hebben in één jaar tijd drie keer zoveel partijen zich aangesloten bij de Beweegalliantie, tot ruim 400. Vanuit de alliantie zijn 20 samenwerkingsverbanden begonnen en worden lokale initiatieven over bewegen op verschillende manieren ondersteund. Daarnaast werken steeds meer partijen uit verschillende domeinen samen om bewegen via de leefomgeving te stimuleren, zowel landelijk als lokaal. Deze samenwerking is belangrijk omdat dan het effect van beleid op het beweeggedrag van mensen groter is. Wel is het belangrijk dat alle betrokkenen zich blijven inspannen, vooral door plannen om te zetten in concrete acties. Dit is ook belangrijk omdat het tijd kost om beweeggedrag te verbeteren. Daarom adviseert het RIVM om dit beleid langer door te voeren, ook na afloop van het Actieplan. Daarnaast wordt aanbevolen om te zorgen voor blijvend beweegbeleid, dus niet gekoppeld aan een kabinetsperiode.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Varianten voor herziening meetstrategie Integrale Milieumonitoring in Natuur | RIVM

In 2024 gaf het RIVM in het onderzoek over het meetnet Integrale Milieumonitoring in Natuur (IMN) de aanbeveling om de huidige meetstrategie te herzien. Deze meetstrategie is namelijk ontoereikend om de kwaliteit van ecosystemen en de invloed van luchtverontreinigende stoffen daarop te beoordelen, terwijl dat wel het doel ervan is. In deze kennisnotitie worden drie varianten (en een 0-variant) voor een nieuwe meetstrategie omschreven en onderbouwd. Deze notitie dient ter overweging voor het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ( IenW Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ) ).
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Tekortenbesluiten en het effect op de beschikbaarheid van geneesmiddelen | RIVM

De laatste jaren zijn er steeds vaker tekorten aan geneesmiddelen (medicijnen). Deze tekorten ontstaan vooral door problemen met de productie, distributie en kwaliteit van geneesmiddelen. Het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen ( CBG College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (College ter Beoordeling van Geneesmiddelen) ) geeft aan wanneer er een 'kritisch tekort' is. Als dat er is, zijn er verschillende oplossingen. Een apotheek kan het geneesmiddel bijvoorbeeld zelf gaan maken. Als deze mogelijkheden het probleem niet oplossen, kan de Inspectie voor de Gezondheidszorg en Jeugd ( IGJ Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd) ) een zogeheten tekortenbesluit nemen. Dat betekent dat alle apotheken, groothandelaren en fabrikanten in Nederland een soortgelijk geneesmiddel uit het buitenland mogen invoeren. Dat geneesmiddel moet wel dezelfde werkzame stof hebben, en dezelfde toedieningsvorm (denk aan een vloeibaar middel of in de vorm van een pil) en sterkte. Het RIVM onderzocht wat het effect is van tekortenbesluiten op de hoeveelheid geneesmiddelen die in Nederland beschikbaar zijn. Tekortenbesluiten blijken te helpen om meer geneesmiddelen te hebben in tijden van tekorten, maar alle betrokken partijen vinden dat ze de oorzaak van de tekorten niet aanpakken. Verder blijkt dat niet alle partijen de maatregel gebruiken. Vooral groothandelaren en apotheken in ziekenhuizen doen dat wel, onder andere omdat ze in het buitenland meer connecties met bijvoorbeeld andere groothandelaren en fabrikanten hebben. Openbare apothekers en fabrikanten doen het nauwelijks. Ook is niet duidelijk hoeveel geneesmiddelen precies in Nederland na een tekortenbesluit worden ingevoerd, via welke partij en wie ze gebruikt. Het RIVM beveelt daarom aan een systeem op te zetten dat daar meer inzicht in geeft (een monitor). Daarnaast is het belangrijk om de ervaringen van patiënten mee te nemen, omdat de tekortenbesluiten veel impact op hen hebben. Overigens besloot de Raad van State in november 2024 dat het tekortenbesluit wettelijk gezien in strijd is met de Geneesmiddelenwet. De IGJ mag alleen op verzoek van een arts een tekortenbesluit nemen en dat niet uit zichzelf doen. Na zorgen van verschillende betrokken partijen wordt de import van geneesmiddelen uit het buitenland voorlopig gedoogd tot de minister de wet heeft aangepast.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

COVID-19-vaccination. Evidence update for the Health Council of the Netherlands | RIVM

In 2024 kregen bepaalde groepen mensen in Nederland het advies om in het najaar een coronaprik te halen. Dat waren mensen vanaf 60 jaar en ouder, en mensen van 18 tot en met 59 jaar die elk jaar een uitnodiging voor de griepprik krijgen. Het advies gold ook voor kinderen en volwassenen die erg ziek kunnen worden door corona (bijvoorbeeld door een ernstige afweerstoornis) en voor zorgmedewerkers die direct contact hebben met kwetsbare patiënten. Sinds april 2024 geldt het advies niet meer voor zwangeren. De coronaprik werd aangeboden van 16 september tot en met 6 december 2024 (de najaarsronde). In 2025 gaat de Gezondheidsraad het ministerie van VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) opnieuw adviseren over de coronavaccinatie. Als voorbereiding daarop heeft het RIVM nieuwe gegevens over corona in Nederland verzameld. In dit ‘basisdocument’ staat onder andere hoeveel mensen de coronaprik tijdens de najaarsronde hebben gehaald, de mate waarin het virus in Nederland aanwezig was, het aantal ziekenhuisopnames en hoe goed de vaccinatie werkte. Tijdens de najaarsronde van 2024 zijn ruim 2,5 miljoen coronaprikken gehaald. De ziektelast van de Nederlandse bevolking door corona is de afgelopen jaren gedaald, maar is nog steeds hoger dan de ziektelast door griep. De ziektelast geeft het aantal jaren in goede gezondheid aan dat verloren is gegaan doordat mensen ziek waren of vroegtijdig zijn overleden door corona. In 2023 hadden mensen die ouder zijn dan 60 en baby’s onder de zes maanden de grootste kans om met corona in het ziekenhuis terecht te komen. Het aantal ziekenhuisopnames was tijdens de perioden in 2024 dat veel mensen ziek waren, ongeveer de helft van het aantal tijdens de pieken in 2022 en 2023. In tegenstelling tot de jaarlijkse griepgolf, die meestal alleen in de winter voorkomt, leeft het aantal besmettingen met het coronavirus ook buiten de winterperiode op. De kans om na corona post-COVID te krijgen is nu kleiner dan in het begin van de pandemie (2020-2021). Vaccinatie en natuurlijk opgebouwde immuniteit tegen het virus lijken te hebben geholpen om de kans daarop te verkleinen. Ook veranderingen in varianten van het virus kunnen daaraan hebben bijgedragen.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Mogelijke langetermijneffecten van elektromagnetische velden op de gezondheid van werknemers - update 2024 | RIVM

In sommige situaties op de werkplek, zoals bij elektrisch lassen of radarinstallaties, kunnen sterke elektromagnetische velden ontstaan. De vraag is of dat op de lange termijn schadelijk is voor de gezondheid van werknemers. Op die vraag is nog geen eenduidig antwoord te geven op basis van wetenschappelijk onderzoek dat sinds 2019 is verschenen. Dit blijkt uit een update van een eerdere analyse van dit onderzoek door het RIVM. Ook met nieuw onderzoek erbij is geen verband bewezen tussen de langetermijnblootstelling van werknemers en het ontstaan van kanker, ziekten van het zenuwstelsel of andere ziekten. Wel zijn opnieuw aanwijzingen gevonden voor een verband tussen deze blootstelling en twee ziekten van het zenuwstelsel: ALS Amyotrofische Laterale Sclerose (Amyotrofische Laterale Sclerose ) (amyotrofe laterale sclerose) en de ziekte van Alzheimer. Alleen is het bij ALS nog steeds niet duidelijk of de elektromagnetische velden de oorzaak zijn of andere factoren op de werkplek. Dat kunnen bijvoorbeeld blootstelling aan chemische stoffen of elektrische schokken zijn. Ook is meer onderzoek nodig om voor ALS en de ziekte van Alzheimer beter te bepalen bij welke blootstelling aan elektromagnetische velden ze kunnen ontstaan. Verder is er opnieuw geen verband gevonden voor de ziekte van Parkinson. Voor multiple sclerose ( MS Multiple Sclerose (Multiple Sclerose ) ) is nog te weinig onderzoek gedaan naar het effect van elektromagnetische velden. Naar andere ziekten is nog te weinig onderzoek gedaan. Of de onderzoeken hiernaar zijn te inconsistent of te slecht uitgevoerd om er conclusies op te baseren. Het gaat om afwijkingen aan de voortplanting, de zintuigen, het afweersysteem, het bewegingsapparaat, hart- en vaatziekten, sterfte, slaapproblemen en ongevallen. De update is gedaan in opdracht van het ministerie van SZW Sociale zaken en werkgelegenheid (Sociale zaken en werkgelegenheid) . Het RIVM heeft vooral gekeken naar langetermijneffecten van situaties waarin de velden zwakker zijn dan de limieten in de Europese regelgeving. Deze langetermijneffecten zijn niet meegenomen in de wetgeving die werknemers in Nederland sinds 2016 beschermt, omdat er geen verband was aangetoond.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Selectie van onderwerpen en indicatoren voor een Dashboard Seksuele Gezondheid | RIVM

In 2024 adviseerde het RIVM het ministerie van VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) om de cijfers over seksuele gezondheid op één plek te bundelen. Bijvoorbeeld op een dashboard met cijfers over seksuele gezondheid op hoofdpunten. Zo’n dashboard biedt een overzichtelijk, samenhangend en breed inzicht in de seksuele gezondheid in Nederland en hoe deze zich ontwikkelt. De informatie over seksuele gezondheid is nu nog over verschillende plekken verspreid. Het RIVM heeft deskundigen gevraagd welke onderwerpen met welke metingen voor welke groepen mensen op een eventueel dashboard zouden moeten komen. Dat zijn bijvoorbeeld positieve aspecten van seksuele gezondheid, weerbaarheid, seksueel geweld (offline/online) en grensoverschrijdend gedrag. Deze selectie kan de komende jaren worden uitgebreid.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Beleidssamenvatting over de publieke consultatie van de EFSA concept opinie over de norm van Bisfenol A | RIVM

In maart 2022 hield EFSA Europese Voedselveiligheidsautoriteit (Europese Voedselveiligheidsautoriteit) een publieke consultatie op het voorstel voor het verlagen van de norm voor BPA Bisphenol A (Bisphenol A) . In deze kennisnotitie staat de reactie van RIVM en NVWA Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit) op deze consultatie. Aanvullend staat er een overzicht in van eerdere acties rondom BPA en alternatieven voor BPA die zijn uitgevoerd door het RIVM. Deze reactie is destijds openbaar gemaakt via de website van EFSA. Om de vindbaarheid van informatie en duiding rondom impactvolle onderwerpen als bisfenol-A te versterken hebben we besloten deze alsnog ook via onze eigen website te delen. Meer informatie over Bisfenol A
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Data, dialoog en infrastructuur: de opbrengst van acht jaar Samen Meten | RIVM

Burgers meten steeds vaker zelf de leefomgeving, bijvoorbeeld de luchtkwaliteit met sensoren. Het RIVM ondersteunt hen hierin en onderzoekt sinds 2016 deze metingen in het project Samen Meten. Het RIVM heeft de resultaten van deze werkwijze na acht jaar samengevat. Daaruit blijkt dat Samen Meten grote waarde heeft. Samen Meten is onder andere waardevol omdat hierdoor op meer plekken en vaker metingen van de luchtkwaliteit zijn (data). Ook heeft het project het contact tussen burgers, wetenschappers en overheid op gang gebracht en verbeterd (dialoog). Verder reikt Samen Meten burgers informatie aan om zelf metingen te doen en geeft het tools om de data op te slaan, te visualiseren en analyseren. Ten slotte koppelt Samen Meten verschillende initiatieven aan elkaar, waardoor het ook wel een infrastructuur heet. Wanneer burgers zelf gaan meten levert dat heel veel lokale data op. De kwaliteit van de sensoren die zij gebruiken is minder goed dan van de officiële meetapparatuur, maar sensoren meten wel de luchtkwaliteit op meer plekken en vaker. Ze doen dat bijvoorbeeld verschillende keren per uur; de officiële meetnetten doen dat elk uur. De vele data geven daardoor bijvoorbeeld een beeld van lokale pieken in concentraties van stoffen. Wanneer het RIVM deze data combineert met de landelijke data, verbetert dat de kwaliteit van onderzoek. Burgermetingen zijn daarom een goede aanvulling op de officiële metingen van het RIVM. Door samen te meten, werken burgers en onderzoekers op een gelijkwaardige manier aan een betere leefomgeving. Lokale kennis over de leefomgeving wordt gecombineerd met de kennis van RIVM-experts. Deze aanpak levert wetenschappelijke kennis op die aansluit bij de vragen en zorgen van de maatschappij. Dit kan ervoor zorgen dat burgers meer vertrouwen krijgen in deze (lokale) kennis. De website van Samen Meten geeft burgers onder andere adviezen hoe zij met sensoren kunnen meten, en een overzicht van alle meetinitiatieven in Nederland. Daarnaast ondersteunt het RIVM burgers die zelf meten door sensordata op te slaan, deze te visualiseren op het dataportaal, en tools aan te bieden voor data-analyses. Door de opgebouwde infrastructuur is de basis gelegd om steeds makkelijker nieuwe projecten van burgers op Samen Meten aan te laten sluiten. Ook kunnen er projecten over andere ‘onderdelen’ van de leefomgeving aan worden gekoppeld, zoals water en bodem. Zo werkt het RIVM samen met burgers aan de meetnetten van de toekomst.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Vrijgave van terreinen na werkzaamheden met radioactiviteit | RIVM

In 2023 heeft het RIVM een rapport gepubliceerd (RIVM-rapport 2022-0184) waarin meerdere opties voor een dosiscriterium voor de vrijgave van terreinen na werkzaamheden met radioactiviteit zijn onderzocht. In deze notitie geven we een overzicht van te maken keuzes indien gekozen wordt voor aansluiting bij de benadering die in België wordt ontwikkeld.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Risk assessment of the use of titanium dioxide as a marker in feed | RIVM

De witte kleurstof titaniumdioxide (E 171) is tot 2022 als additief in voedsel en diervoeder gebruikt. Daarna is het gebruik van dit additief in deze producten in de Europese Unie verboden. Volgens de Europese voedselveiligheidsautoriteit ( EFSA Europese Voedselveiligheidsautoriteit (Europese Voedselveiligheidsautoriteit) ) is het namelijk niet zeker dat het gebruik van E 171 in voedsel veilig is. Toch krijgt de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit ( NVWA Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit) ) regelmatig de vraag om een uitzondering te maken voor het gebruik van titaniumdioxide als markerstof in onderzoek naar diervoeder. In zogeheten verteringsstudies wordt gemeten of dieren de voedingsstoffen in het diervoeder goed kunnen verteren. Titaniumdioxide maakt dit onderzoek eenvoudiger. De NVWA heeft daarom het RIVM gevraagd een risicobeoordeling voor dit gebruik uit te voeren. Het RIVM heeft gekeken naar mogelijke gezondheidseffecten van titaniumdioxide in diervoeder voor drie soorten landbouwhuisdieren: melkkoe, kip (leghen en vleeskuiken) en varken (zeug, big en vleesvarken). Dit is ook gedaan voor de mensen die producten van deze dieren eten (consument). Ten slotte is gekeken naar gezondheidseffecten van het gebruik in diervoeder voor honden en katten (gezelschapsdieren). De basis voor de risicobeoordeling zijn de conclusies van de EFSA. En dan vooral de conclusies over de mogelijkheid dat titaniumdioxide DNA deoxyribonucleic acid (deoxyribonucleic acid) kan beschadigen. Volgens de EFSA is dat onzeker, maar kan het niet worden uitgesloten. Daarom is niet duidelijk of het gebruik van deze stof als markerstof in diervoeder veilig is voor gezelschapsdieren, melkkoe, leghen en zeug. Dat geldt ook voor de consument. Voor landbouwhuisdieren die kort leven (vleeskuiken, big en vleesvarken), ligt dit anders. Dat komt omdat eventuele beschadigingen aan het DNA pas na een langere tijd schadelijke effecten veroorzaken. Voor deze dieren is onderzocht of de markerstof schadelijk is voor hun gezondheid in het algemeen en voor hun organen. Ook voor hen kunnen schadelijke effecten niet worden uitgesloten, maar is de kans daarop naar verwachting klein. Het is wel onzeker of het veilig is om producten te eten van dieren die diervoeder met titaniumdioxide hebben gehad.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Validation of ISO 6579-4 for identification of monophasic Salmonella Typhimurium (1,4,[5],12:i:-) by polymerase chain reaction (PCR) | RIVM

Mensen kunnen ziek worden als de Salmonella-bacterie in voedsel zit. De overheid heeft daarom wetgeving gemaakt om voedsel hierop te controleren. Er bestaan meer dan 2600 verschillende typen Salmonella. Van enkele typen die relatief vaak voorkomen worden mensen het vaakst ziek. De wetgeving is daarom strenger voor deze typen Salmonella. Eén daarvan is monofasische Salmonella Typhimurium. Er zijn typen die veel op monofasische Salmonella Typhimurium lijken. De huidige methode om ze op te sporen, kan ze niet van elkaar onderscheiden. Daarvoor is een specifieke methode nodig: de PCR polymerase chain reaction (polymerase chain reaction) (polymerase chain reaction). De Internationale Standaardisatie Organisatie ( ISO International Organization of Standardization (International Organization of Standardization) ) heeft een standaard ontwikkeld om monofasische Salmonella Typhimurium met drie PCRmethoden te herkennen. Voor deze nieuwe standaard moet worden gecontroleerd of deze drie PCR-methoden goed werken. Het RIVM heeft dat gecontroleerd met een zogeheten validatiestudie. Daaruit bleek dat alle drie de PCR-methoden goed in staat zijn om monofasische Salmonella Typhimurium te typeren. De referentiemethode is beschikbaar onder nummer ISO 6579-4. Het Europese Unie Referentie Laboratorium voor Salmonella (EURLSalmonella) heeft deze validatiestudie gedaan. Het Nationale Referentie Laboratoria voor Salmonella (NRL-Salmonella) uit Duitsland heeft hier aan meegewerkt. Het EURL-Salmonella is gevestigd bij het RIVM.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Inzet en effect van Maatschappelijk Verantwoord Opdrachtgeven en Inkopen door de Nederlandse overheid in 2021-2022 | RIVM

De Nederlandse overheid, zoals de rijksoverheid, provincies, scholen en gemeenten, koopt elk jaar voor 85 miljard euro aan diensten, producten en werken in. Bij deze aanbestedingen wil de overheid het klimaat en het milieu zo min mogelijk belasten, werkomstandigheden verbeteren en meer mensen met afstand tot de arbeidsmarkt aan het werk krijgen. Dit heet Maatschappelijk Verantwoord Opdrachtgeven en Inkopen ( MVOI Maatschappelijk Verantwoord Opdrachtgeven en Inkopen (Maatschappelijk Verantwoord Opdrachtgeven en Inkopen ) ). Het RIVM volgt sinds 2015 elke twee jaar het effect van MVOI. Hiervoor zijn doelen bepaald, zoals minder broeikasgassen, stikstofoxiden en fijnstof uitstoten. In 2021 en 2022 zijn door MVOI minder broeikasgassen uitgestoten en zijn minder grondstoffen en water verbruikt. Maar de inzet en het effect vlakken af ten opzichte van eerdere jaren. Sommige aanbesteders laten zien dat het mogelijk is om met slim inkopen de doelen te halen en tegelijkertijd minder geld uit te geven. MVOI is daarom nog steeds een geschikt instrument om duurzame inkoop te stimuleren. Wel is meer inzet van aanbesteders nodig om de doelen te halen, zoals producten langer gebruiken en minder inkopen. Veel potentieel wordt nu nog niet benut. Naar schatting is door MVOI in 2021 en 2022 minstens 900 kiloton CO2 carbon dioxide (carbon dioxide) -equivalent minder broeikasgassen uitgestoten dan zonder MVOI. Ook is 540 ton minder stikstofoxiden uitgestoten. Voor fijnstof is dat 152 ton minder. Daarnaast is 317 kiloton aan grondstoffen bespaard. Er zijn bijvoorbeeld 3 kiloton minder mineralen gebruikt en 314 kiloton minder fossiele grondstoffen (brandstoffen). Verder is 975 kubieke meter water bespaard en is 175 fte aan werk gecreëerd voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt. Deze effecten zijn berekend met een steekproef uit verschillende productgroepen. Een betrouwbare vertaling van het effect op de hele inkoop was niet mogelijk omdat daar te weinig data voor waren. Daarom is dit een minimaal effect van MVOI en zal de werkelijke bijdrage groter zijn. Het RIVM heeft zes clusters van producten en diensten bekeken met in totaal zestien productgroepen. De clusters zijn: automatisering, energie, grond-, weg- en waterbouw, kantoorgebouwen, kantoorfaciliteiten en transport. Met deze clusters en productgroepen wordt het meeste effect van inkopen met MVOI verwacht.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Annoyance and sleep disturbance due to vibrations from trains. Results from the Follow-Up Study ‘Wonen langs het spoor’ (‘Living along the railway line’) | RIVM

In 2021 had ongeveer 11 procent van de Nederlanders van 16 jaar en ouder die binnen 300 meter afstand van het spoor wonen, ernstige hinder van trillingen door treinen. Het gaat naar schatting om 126.500 mensen. Zij hebben last van irritatie, boosheid en onbehagen. ’s Nachts kunnen deze trillingen hun slaap ernstig verstoren (13 procent). Vooral de trillingen van goederentreinen veroorzaken hinder en slaapverstoring. Gebieden in de buurt van tunnels, spoorbruggen en sporen die naast elkaar liggen, zijn in deze schatting niet meegenomen. Dit blijkt uit een vragenlijstonderzoek onder ruim 5600 mensen. In het onderzoeksgebied wonen ongeveer ruim 1,1 miljoen mensen, verdeeld over ongeveer 533.000 woningen. Verder rapporteren mensen die aan hogere trillingsniveaus blootstaan of dichter bij het spoor wonen, vaker ernstige hinder door trillingen van goederentreinen. Dit verband tussen trillingsniveaus, afstand en ervaren hinder is veel minder duidelijk voor reizigerstreinen. Naast de trillingen hebben sociale en persoonlijke factoren invloed op de mate waarin mensen hinder ervaren of in hun slaap worden gestoord. Mensen zijn vooral bezorgd dat de waarde van de woning daalt door de trillingen of dat deze schade aan de woning veroorzaken. Hun beleving wordt ook beïnvloed als zij ramen, deuren of serviesgoed horen, voelen of zien trillen (“rattle”). Daarnaast is de mate waarin zij accepteren dat treinen trillingen veroorzaken van invloed, en welke verwachtingen zij voor de toekomst over de trillingen hebben. Het RIVM beveelt daarom aan bij toekomstig beleid over trillingen door treinen met sociale en persoonlijke factoren rekening te houden. Voor geluid van treinverkeer bestaat wetgeving, voor trillingen door treinen niet of nauwelijks. De resultaten van dit onderzoek geven hier input voor. Deze rapportage is een vertaling van het rapport “Hinder en slaapverstoring door trillingen van treinen. Resultaten van de Vervolgmeting ‘Wonen langs het spoor’”. Het is een onderzoek dat is uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ( IenW Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ) ). Het is een vervolg op een onderzoek uit 2013 en bevestigt veel van de eerdere resultaten. Voor het nieuwe onderzoek is een model gebruikt dat beter de blootstelling aan trillingen kan inschatten.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

The National Immunisation Programme in the Netherlands. Surveillance and developments in 2023-2024 | RIVM

Het RIVM houdt elk jaar bij hoeveel mensen een ziekte krijgen waartegen het Rijksvaccinatieprogramma ( RVP Rijksvaccinatie programma (Rijksvaccinatie programma) ) vaccineert. In 2023 kregen in Nederland meer mensen zo’n ziekte dan tijdens de coronapandemie van 2020-2022. Dit komt doordat de coronamaatregelen in het voorjaar van 2022 zijn opgeheven, zoals afstand houden. Een aantal ziekten die in 2022 weinig voorkwamen, waren in 2023 vaker te zien. Dat zijn difterie (14), bof (91) en kinkhoest (2.894). Het aantal gevallen van mazelen (7) was vergelijkbaar met 2022 maar nam toe in 2024. Ook zette de stijging van het aantal kinderen met kinkhoest en bof die sinds 2023 te zien is, door in 2024. Het aantal mensen met invasieve meningokokkenziekte (126) was hoger dan in 2022, maar nog iets lager dan voor de coronapandemie. Het aantal meldingen van Haemophilus influenzae type B ( Hib haemophilus influenzae type b (haemophilus influenzae type b) ) was in 2023 iets lager dan in 2020-2022. Het aantal kinderen jonger dan 5 jaar dat ernstig ziek werd van Hib steeg sinds 2012 tot en met 2022, maar lijkt in 2023 gelijk te zijn gebleven. Net als in 2022 waren er in 2023 geen mensen met rodehond. Ook waren er geen mensen met polio en had een vergelijkbaar aantal tetanus (5), invasieve pneumokokkenziekte (2.244) en chronische hepatitis B (834). In 2023 zijn zo’n 1,3 miljoen kinderen tot 18 jaar gevaccineerd via het RVP. Zij kregen in totaal ruim 2,8 miljoen vaccinaties. Ook hebben meer dan 100.000 zwangeren zich tegen de griep en/of kinkhoest laten vaccineren; deze vaccinaties beschermen de baby de eerste maanden na de geboorte tegen de griep en kinkhoest. In totaal zijn ruim 125.000 vaccinaties aan zwangeren gegeven. Vanaf 1 januari 2024 krijgen baby’s een vaccin tegen het rotavirus wanneer zij 6 tot 9 weken oud zijn. Als ze 3 maanden oud zijn, krijgen ze er nog een. Ook krijgen baby’s die na 1 januari 2024 zijn geboren de vaccinaties tegen onder andere kinkhoest en pneumokokken een maand later: met 12 maanden in plaats van met 11 maanden. Dit is een aanpassing van het vaccinatieschema om kinderen nog beter te beschermen. Meer aanpassingen volgen in 2025. Vaccineren tegen de ziekte COVID-19 werkt goed om te voorkomen dat mensen er ernstig ziek van worden of aan overlijden. Wel neemt dit beschermende effect langzaam af. De booster- en herhaalvaccinaties zorgen ervoor dat de bescherming weer toeneemt.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Stand van zaken doorontwikkeling Spend-Impactanalyse | RIVM

In 2021 introduceerde het RIVM de methode spend-impactanalyse (SIA). Het RIVM heeft nu inzichten verkregen welke onderdelen van SIA verder kunnen worden ontwikkeld. Dat maakt de SIA vollediger en betrouwbaarder. De SIA toont de milieuvoetafdruk van uitgaven van verschillende overheidsorganisaties aan verschillende productgroepen. Denk aan academische ziekenhuizen, de rijksoverheid (ministeries en rijksdiensten), gemeenten en waterschappen. Om de betrouwbaarheid en relevantie van de methode te verbeteren, stelt het RIVM onder andere expertconsultaties, een gevoeligheidsanalyse en een hybride benadering voor. Een hybride benadering combineert SIA met levenscyclusanalyse ( LCA Life Cycle Analyses (Life Cycle Analyses) ). Bovendien helpt een betere registratie van uitgaven om de berekening van de milieuvoetafdruk nauwkeuriger te maken. De methode kan vollediger worden gemaakt door effectcategorieën aan de milieuvoetafdruk toe te voegen. Dat zijn bijvoorbeeld waterverbruik en sociale aspecten, zoals de mate van kwetsbaar werk. De resultaten van een SIA kunnen voor verschillende doelen worden gebruikt: meer bewustzijn krijgen over de milieuvoetafdruk, duurzaamheidsdoelen verfijnen, en prioriteiten vaststellen voor het monitoren van maatschappelijk verantwoord opdrachtgeven en inkopen ( MVOI Maatschappelijk Verantwoord Opdrachtgeven en Inkopen (Maatschappelijk Verantwoord Opdrachtgeven en Inkopen ) ).
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Technologieradar Gezond en Veilig Werken | RIVM

Technologische ontwikkelingen gaan snel en hebben veel invloed op de samenleving. Zo ook op gezond en veilig werken. Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ( SZW Sociale zaken en werkgelegenheid (Sociale zaken en werkgelegenheid) ) wil vroeg in beeld krijgen hoe bestaande en nieuwe technologieën zich in de toekomst ontwikkelen en wat ze voor werkenden betekenen. Het RIVM en TNO hebben dat op een rij gezet in deze technologieradar Gezond en Veilig Werken. Experts verwachten dat technologische ontwikkelingen veel impact gaan hebben op gezond en veilig werken. Ze verwachten positieve en negatieve effecten. Hoe dat uitpakt, is nog onzeker. De grootste voordelen van nieuwe technologieën zijn dat ze werk gezonder en veiliger kunnen maken. Bijvoorbeeld door zwaar of gevaarlijk werk door robots te laten doen. Ook kunnen ze helpen om ongelukken te voorkomen door bijvoorbeeld veiligheid in te bouwen in machines. Verder kan technologie ervoor zorgen dat de werknemers zelfstandiger kunnen werken. Maar er zijn ook zorgen. Die zijn er met name op gericht dat nieuwe technologieën werknemers mentaal meer belasten en voor stress zorgen. Stress kan ontstaan doordat de ontwikkelingen heel snel gaan en veel taken erdoor veranderen. Sommige werkenden zullen moeite hebben om deze snelle veranderingen bij te houden. Daarnaast kan er meer controle van technologie uitgaan, waardoor werkenden zich minder vrij kunnen voelen. Wat precies de gevolgen zijn, hangt voor een groot deel af van de manier waarop technologieën worden ingezet. Voor de radar zijn eerst de belangrijkste technologische ontwikkelingen in vijf clusters samengebracht: Digitalisering, Artificiële Intelligentie (AI), Robotica, Nieuwe Materialen, en Extended Reality en de Metaverse (technieken om situaties en objecten na te bootsten in de virtuele wereld). Daarna is beschreven welke impact de technologieën hebben op de mentale belasting (denk aan stress), fysieke belasting (denk aan zwaar werk), veiligheid en blootstelling aan stoffen. De technologieradar is onderdeel van de Toekomstverkenning Gezond & Veilig Werken, en is betaald door SZW. TNO en het RIVM stellen voor dit overzicht regelmatig aan te vullen met nieuwe inzichten om grip te houden op de snelle ontwikkelingen. Dan zijn kansen en bedreigingen goed in te schatten.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Advies notaties voor sensibilisatie in de Arbeidsomstandighedenregeling | RIVM

Werknemers kunnen aan schadelijke stoffen worden blootgesteld. Werkgevers zijn wettelijk verplicht om voor een gezonde en veilige werkplek te zorgen. Ondanks deze verplichting hebben werkgevers vaak weinig aandacht voor huidproblemen die ontstaan door contact met schadelijke stoffen. Hierdoor kunnen werkenden huidproblemen krijgen, zoals irritatie, eczeem of brandwonden. Dit komt bijvoorbeeld voor bij bakkers, kappers, verpleegkundigen, schoonmakers, metaalbewerkers en medewerkers in de tuinbouw en sierteelt. Er bestaat een wettelijke lijst van Nederlandse grenswaarden. Een grenswaarde is de maximale hoeveelheid van een stof in de lucht waaraan werkenden mogen blootstaan. Maar grenswaarden beschermen niet altijd tegen huidproblemen. Het RIVM zocht uit of het waardevol is om een aparte waarschuwing (een notatie) voor huideffecten toe te voegen aan de Nederlandse grenswaardenlijst. Dat blijkt zo te zijn voor alle stoffen die een allergische reactie kunnen veroorzaken. Door allergenen kan allergisch contacteczeem (via huidcontact) en allergisch astma (via inademing) ontstaan. Als iemand eenmaal allergisch is voor een bepaalde stof, dan blijft diegene dat, ook zonder blootstelling aan de stof. Daarnaast kunnen andere allergische reacties in het lichaam ontstaan als gevolg van een huidallergie. Het RIVM adviseert de notatie toe te voegen voor stoffen die een allergie op de huid kunnen veroorzaken, en voor stoffen die een allergie van de luchtwegen kunnen veroorzaken. Voor bijtende en irriterende stoffen blijken er al voldoende waarschuwingen te zijn, zoals gevaarsymbolen op producten. Voor deze stoffen is daarom geen extra notatie nodig op de grenswaardenlijst. Voorlichting over bijtende en irriterende stoffen aan bepaalde groepen werknemers zal waarschijnlijk meer helpen. Dit is een advies voor het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ( SZW Sociale zaken en werkgelegenheid (Sociale zaken en werkgelegenheid) ). De notaties zouden gelden voor 36 stoffen op de grenswaardenlijst. Een notatie is geen aanvulling op de wet maar een extra waarschuwing om de werker te beschermen tegen allergieën. Het maakt het voor mensen die zorgen voor een veilige werkomgeving (arbeidshygiënisten) makkelijker om te zien of hiervoor beschermende maatregelen nodig zijn.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Actualisatie beperkte immissietoets (BIT) | RIVM

De beperkte immissietoets (BIT) is een rekenmethode waarmee een eerste inschatting gemaakt kan worden van de immissie van Zeer Zorgwekkende Stoffen ( ZZS Zeer Zorgwekkende Stoffen (Zeer Zorgwekkende Stoffen ) ). Dit is de concentratie van de stof in de leefomgeving als gevolg van een uitstoot vanuit een emissiebron (schoorsteen). In deze notitie wordt een actualisatie van de BIT uitgewerkt die gebaseerd is op het huidige Nieuw Nationaal Model ( NNM Nieuw Nationaal Model (Nieuw Nationaal Model) ) met conservatievere aannames. Het RIVM ontsluit de geactualiseerde BIT op de website Risico’s van Stoffen. Het RIVM neemt daarmee per 11 december 2024 het beheer van deze tool over van Infomil/IPLO. De actualisatie was nodig omdat de oorspronkelijke versie van de BIT vaak lagere immissies berekende dan het geavanceerde verspreidingsmodel NNM. Met de BIT wordt de mate van verdunning van een geëmitteerde stof geschat aan de hand van een beperkt aantal brongegevens die de gebruiker kan invoeren, zoals schoorsteenhoogte en afstand tot de schoorsteen. Verder wordt aangenomen dat de mate van verspreiding onafhankelijk is van de eigenschappen van de stof. Met behulp van een onderliggende afleestabel wordt een immissie afgeleid en weergegeven. De gebruiker kan dus aan de hand van een paar invoerparameters eenvoudig een eerste schatting van de immissie maken. Omgevingsdiensten gebruiken deze toets in het vergunningverleningsproces om bijvoorbeeld aangeleverde immissieberekeningen van bedrijven snel te controleren en te prioriteren welke ZZS als eerste aan de immissienorm voor lucht moeten worden getoetst. Voor vergunningverlening en bij de toetsing aan de immissiegrenswaarde moet wettelijk de standaardrekenmethode 3 van het NNM worden gebruikt ( SRM3 Standaard Rekenmethode 3 (Standaard Rekenmethode 3 ) ; artikel 5.26 van het Besluit activiteiten leefomgeving, het Bal Besluit activiteiten leefomgeving (Besluit activiteiten leefomgeving ) ) 1 in plaats van de BIT. De BIT dient dus slechts als een voortoets.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Toepassing van een allocatiefactor in de vergunningverlening van industriële emissies naar lucht – Een verkenning | RIVM

Bedrijven stoten chemische stoffen uit naar lucht. Op die manier kan inhalatoire blootstelling van omwonenden plaatsvinden. Bij de vergunningverlening wordt gekeken of de concentraties van die uitstoot onder het Maximaal Toelaatbare Risiconiveau ( MTR maximaal toelaatbaar risico (maximaal toelaatbaar risico) lucht ) blijven. Bij de afleiding van het MTR lucht wordt geen rekening gehouden met de mogelijke blootstelling aan dezelfde stof via andere routes, zoals oraal en dermaal, vanuit andere bronnen. Dit kan leiden tot een onderschatting van de risico's. In deze studie verkent het RIVM de mogelijkheden voor de introductie van een zogenoemde 'allocatiefactor'. Deze factor houdt op generieke wijze rekening met de (achtergrond)blootstelling aan dezelfde stof vanuit andere routes en bronnen. We laten ook zien hoe het gebruik van zo'n factor past in het cumulatie-model waar de focus ligt op de gelijktijdige blootstelling aan meerdere stoffen (mengsels).
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Disease burden of food-related pathogens in the Netherlands, 2023 | RIVM

Het RIVM brengt elk jaar in kaart hoeveel jaren mensen een slechte gezondheid hebben of eerder overlijden (ziektelast) in Nederland door een infectie van de maag of darm. Het heeft hiervoor naar 14 ziekteverwekkers gekeken die deze infecties kunnen veroorzaken. Mensen kunnen hiermee besmet worden via voedsel, dieren, andere mensen of het milieu. In 2023 was de ziektelast van deze 14 ziekteverwekkers hoger dan in de drie jaren ervoor en hetzelfde als in 2019, het laatste jaar voor de coronapandemie. De ziektelast wordt met een internationale maat aangegeven: DALY Disability Adjusted Life Year (Disability Adjusted Life Year) ’s (Disability Adjusted Life Years). Het verschilt per ziekteverwekker in welke mate ze via de verschillende routes mensen besmetten. In 2023 was het totale aantal DALY’s voor de Nederlandse bevolking als gevolg van deze 14 ziekteverwekkers 11.000 DALY's. Dat was hoger dan in 2022 (10.000 DALY's), 2021 (9.100 DALY's) en 2020 (7.300 DALY's). Het deel van de ziektelast dat via voeding is veroorzaakt, is in 2023 geschat op 4.700 DALY’s. Dit was iets hoger dan in 2022 (4.300 DALY's), 2021 (4.200 DALY's) en 2020 (3.600 DALY's) en zelfs iets hoger dan in 2019 (4.600 DALY's). De totale kosten van de ziektelast van de ziekteverwekkers zijn geschat op 538 miljoen euro in 2023. Dat is veel hoger dan in 2022 (496 miljoen euro), 2021 (411 miljoen euro) en 2020 (328 miljoen euro), en zelfs hoger dan in 2019 (497 miljoen euro). De geschatte kosten gaan over de directe medische kosten, zoals in ziekenhuizen, en de kosten die de patiënten en families maken, zoals reiskosten. Hieronder vallen ook de kosten die in andere sectoren worden gemaakt, bijvoorbeeld door ziekteverzuim. De kosten als gevolg van maag-darminfecties door deze ziekteverwekkers via voeding waren in 2023 met 217 miljoen euro hoger dan in 2022 (209 miljoen euro ). Ook waren ze hoger dan in 2021 (197 miljoen euro) en 2020 (179 miljoen euro), en zelfs iets hoger dan in 2019 (214 miljoen euro). Het ministerie van VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) heeft de opdracht voor dit onderzoek gegeven. De resultaten geven beleidsmakers handvatten om meer zicht te krijgen op de ziektelast en de manieren waarop mensen met de ziekteverwekkers in contact komen. Ook geeft het een beeld hoe de ziektelast van voedselinfecties en de kosten ervan zich door de jaren heen ontwikkelen.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Verkenning monitoring foliumzuurgebruik rondom de zwangerschap | RIVM

Foliumzuur is belangrijk voor de ontwikkeling van het ongeboren kind. Het RIVM onderzocht in hoeverre vrouwen met een kinderwens en zwangeren het advies opvolgen om voor en tijdens de zwangerschap foliumzuur te slikken. Eerder bleek al dat er weinig bekend is over de dosis en hoe lang vrouwen foliumzuur slikken. Daarom is nu nagegaan of in bestaande registraties aanvullende gegevens worden verzameld en of extra analyses meer inzicht zouden geven. Het blijkt nog niet mogelijk te zijn om de vraag te beantwoorden in welke mate het foliumzuursuppletie-advies precies wordt opgevolgd. Wel zijn er genoeg aanwijzingen dat dit nog te wensen over laat. Dit beeld lijkt sinds het advies van de Gezondheidsraad uit 2008 over foliumzuur niet veel te zijn veranderd. Daarom adviseert het RIVM inzicht te krijgen in factoren die het gebruik van foliumzuursupplementen voor en tijdens de zwangerschap, belemmeren of stimuleren. Dat kan bijvoorbeeld met gedragsonderzoek. Daarnaast is het belangrijk om de opvolging van suppletie-adviezen en de effectiviteit van het beleid regelmatig te monitoren. Vooral gegevens over de dosering ontbreken.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Inrichting monitoringsfunctie eerste 1.000 dagen | RIVM

De eerste duizend dagen van een kind zijn heel belangrijk voor de rest van het leven. We bedoelen daarmee de periode van vlak voor de bevruchting, de zwangerschap en het kind tot en met de leeftijd van twee jaar. (Ongeboren) kinderen die in deze periode bijvoorbeeld blootstaan aan stress, slechte voeding, rook of mishandeling, beginnen hun leven met een achterstand. Hierdoor kunnen zij zich op fysiek, mentaal en sociaal gebied minder goed ontwikkelen. Het ministerie van VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) wil daarom meer inzicht krijgen in de gezondheid van en zorg voor (aanstaande) zwangeren, kinderen en het gezin in de eerste duizend dagen. VWS heeft het RIVM gevraagd om beschikbare en nieuwe gegevens hierover bij elkaar te brengen, overzichtelijk aan te bieden en er samen met experts betekenis aan te geven. Hiermee kan het RIVM ontwikkelingen in de eerste duizend dagen monitoren. Om te kunnen monitoren heeft het RIVM in 2024 samen met vertegenwoordigers van zorgverleners, zwangeren en onderzoekers afspraken gemaakt wie welke taken heeft en waarvoor verantwoordelijk is (werkwijze). Dit is belangrijk omdat er veel verschillende partijen bij betrokken zijn. Ook is afgesproken waaraan gaat worden gewerkt in 2025 en 2026 (werkagenda). Zo is het de bedoeling om in 2025 de eerste resultaten te presenteren. Deze resultaten gaan over (aanstaande) zwangeren, kinderen en het gezin in heel Nederland en per regio. Ze maken het bijvoorbeeld mogelijk om nieuwe ontwikkelingen over gezondheid en welzijn van kinderen en hun ouders sneller te signaleren. Ook kunnen beleidsmakers van de overheid en betrokken partijen sneller maatregelen nemen om ongunstige ontwikkelingen te verbeteren. Daarnaast kunnen zorgverleners van elkaar leren en waar nodig de kwaliteit van de zorg voor deze groepen verbeteren. De taak van het RIVM om de eerste duizend dagen te monitoren zal de komende jaren worden doorontwikkeld. De werkwijze en de resultaten zullen regelmatig met alle betrokken partijen worden geëvalueerd.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Zwangeren en COVID-19-vaccinatie in 2021 en 2022 | RIVM

Tijdens de COVID-19-vaccinatie in 2021 en 2022 zijn ook zwangeren gevaccineerd. Deze kennisnotitie geeft inzicht in het percentage zwangeren dat zich in de periode voor, tijdens en na de zwangerschap heeft laten vaccineren tegen COVID-19. Dit inzicht was nodig voor de (capaciteits)planning van de COVID-19 (re)vaccinatie voor zwangeren in de herfst van 2023. De informatie kan ook bruikbaar zijn voor andere vaccinatieprogramma's voor zwangeren. De opkomst voor de COVID-19-vaccinatie onder zwangeren blijkt lager te zijn dan onder alle vrouwen in de vruchtbare leeftijd. Ook in de maanden vóór de zwangerschap was de opkomst lager. Dit was zo vanaf de start van deze vaccinatie in januari 2021 en bleef zo nadat op 22 april 2021 alle zwangeren het advies kregen om zich te laten vaccineren. Dat advies werd gegeven omdat was gebleken dat het vaccin tijdens de zwangerschap veilig was. Ook was duidelijk geworden dat zwangeren een grotere kans hebben om heel ziek te worden van een besmetting met het coronavirus. Verder blijkt uit het onderzoek dat zwangeren de coronaprik vaak uitstelden tot na de bevalling. Het RIVM beveelt aan om, ook voor de pandemische paraatheid, verschillende scenario’s uit te werken voor vaccinatie tijdens de zwangerschap. Het is daarbij belangrijk na te denken hoe zwangeren het beste kunnen worden geïnformeerd over de veiligheid, risico’s en effectiviteit van deze vaccinatie tijdens de zwangerschap. Een andere aanbeveling is om met verloskundig zorgverleners te bespreken wat zij nodig hebben om als vertrouwde zorgverlener zwangeren te kunnen ondersteunen om een geïnformeerde keuze te maken. Dit is zowel relevant voor nieuwe vaccinaties tijdens de zwangerschap als voor de beschikbare (maternale) vaccinaties tegen kinkhoest en griep.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

NNM Gebouwmodule - Beschrijving en analyse van de NNM gebouwmodule ten behoeve van de implementatie in OPS-ST | RIVM

Bedrijven stoten chemische stoffen uit die zich daarna in de lucht verspreiden en op de grond neerslaan (depositie). Gebouwen in de buurt van een emissiepunt, zoals een schoorsteen van een bedrijf, hebben invloed op de luchtstroming. Daardoor hebben gebouwen invloed op de concentraties van stoffen in de buurt van de bron en de neerslag op de bodem en gewassen. In de jaren negentig heeft de toenmalige KEMA (Keuring van Elektrotechnische Materialen) een model ontwikkeld om te berekenen hoe groot deze invloed is, de zogeheten NNM Nieuw Nationaal Model (Nieuw Nationaal Model) -gebouwmodule. Deze gebouwmodule is daarna opgenomen in de Standaard Rekenmethode 3 ( SRM3 Standaard Rekenmethode 3 (Standaard Rekenmethode 3 ) ) voor luchtkwaliteit. Deze rekenmethode wordt bij vergunningaanvragen gebruikt om de luchtkwaliteit rond vaste bronnen te berekenen. Het RIVM gebruikt verschillende rekenprogramma’s om de luchtkwaliteit en stikstofdepositie in Nederland te berekenen. Het programma OPS Operationele Prioritaire Stoffen (Operationele Prioritaire Stoffen) -LT wordt gebruikt voor monitoring en natuurvergunningen. Voor specifiek wetenschappelijk onderzoek gebruikt het RIVM het programma OPS-ST. Beide programma’s bevatten tot 2022 geen volledige gebouwmodule. OPS-LT bevat sinds 2020 wel een tabel met correctiefactoren waarmee de invloed van gebouwen op de depositie voor de meeste bronnen kan worden verwerkt. Het RIVM heeft in 2022 de NNM-gebouwmodule ingebouwd in het rekenprogramma OPS-ST. Hiervoor is informatie over de gebouwmodule verzameld en in dit rapport samengevoegd. Op deze manier is de nog beschikbare kennis voor de toekomst vastgelegd. Het gaat bijvoorbeeld om hoe de module werkt, wanneer hij kan worden gebruikt en welke beperkingen en verbeteringsmogelijkheden er zijn. Verder wordt op basis van oude en nieuwe berekeningen beschreven hoe groot de invloed is van gebouwen op berekende luchtconcentraties in de omgeving. Tijdens het onderzoek zijn verschillende mogelijkheden ontdekt om luchtmodellen (OPS en SRM3) verder te verbeteren. RIVM adviseert om twee eenvoudige verbeteringen op korte termijn in te voeren. Voor beslissingen over twee ingewikkeldere verbeteringen is het verstandig om resultaten uit een lopende internationale modelvergelijking af te wachten. Verder kan de NNM gebouwmodule ook in OPS-LT geïmplementeerd worden. Het is een beleidsafweging of de voordelen daarvan opwegen tegen de kosten.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

The 29th EURL-Salmonella workshop, 28 and 29 May 2024, Leiden, the Netherlands | RIVM

In mei 2024 organiseerde het Europese Referentie Laboratorium (EURL) voor Salmonella voor de 29e keer de workshop voor de Europese Nationale Referentie Laboratoria (NRL’s). Het doel is om informatie uit te wisselen tussen het EURL en de NRL’s. De workshop was voor het eerst live en online te volgen. Een vast onderdeel zijn de ringonderzoeken die het EURL elk jaar organiseert om de kwaliteit van de NRL-laboratoria te controleren. De NRL’s scoorden goed in de drie ringonderzoeken die in 2023 en 2024 zijn georganiseerd. In twee studies moesten de laboratoria Salmonella terug vinden in kippenmest en in mossels. Het derde ringonderzoek moesten zij Salmonellabacteriën typeren. In dit rapport staan de ringonderzoeken kort beschreven. Meer informatie over de resultaten wordt apart per ringonderzoek gepubliceerd. Een aantal presentaties gaven informatie over de oorzaak van Salmonella-besmettingen bij mensen. Soms raken mensen besmet door vlees te eten dat is vervuild met een Salmonellabacterie. De dieren kunnen besmet raken door voer te eten waar Salmonella in zat. Elk jaar presenteren een aantal NRL’s-Salmonella hoe zij hun wettelijke taken invullen. Dit jaar waren dat de NRL’s van Griekenland, Kroatië en Polen. Tijdens deze workshop is voor het eerst in kleine groepen bediscussieerd welke wensen en suggesties de NRL’s hebben over de activiteiten van het EURL-Salmonella. Een van de voorstellen is om ringonderzoeken te organiseren om Salmonella in andere producten op te sporen, bijvoorbeeld insecten of chocola. In deze producten is de bacterie soms lastig aan te tonen en er zijn dan enkele aanpassingen in de testmethode nodig. Een ringonderzoek kan controleren of de NRL’s dit goed kunnen. Het EURL voor Salmonella is onderdeel van het RIVM en organiseert deze workshop elk jaar. Een belangrijke taak van het EURL-Salmonella is de kwaliteit controleren van de nationale referentielaboratoria voor deze bacterie in Europa.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Alternatieve methoden van desinfectie toegepast in diertransportmiddelen en in de vleesverwerkende industrie | RIVM

In de Nederlandse voedselproducerende sector worden veel dieren gehouden voor de productie van bijvoorbeeld melk, eieren en vlees. Bij het houden van dieren, maar ook bij transport, de slacht en verdere verwerking is hygiëne van groot belang verspreiding van ziektes te voorkómen. Hygiënisch werken in de voedselproducerende sector is dan ook aan strenge regels gebonden. De standaardprocedure voor hygiënisch werken bestaat uit twee onderdelen: (1) reinigen en (2) desinfecteren. Eerst, tijdens het reinigen, worden vuildeeltjes verwijderd met een zeepoplossing. Na spoelen met water worden vervolgens in onderdeel 2, het desinfecteren, ziekteverwekkers onschadelijk gemaakt met een middel zoals bijvoorbeeld chloor. Inspecteurs van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit ( NVWA Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit) ) zien steeds vaker dat andere, alternatieve methoden worden gebruikt, zowel bij het desinfecteren van vervoermiddelen voor vee als bij desinfectie in de vleesverwerkende industrie. Dit kunnen methoden zijn waarin niet met een standaard middel zoals chloor wordt gewerkt, of waarin een toegestaan middel op een manier wordt gebruikt anders dan reeds is toegestaan. Het is echter niet duidelijk welke alternatieve middelen en methoden dat precies kunnen zijn. In dit rapport wordt verslag gedaan van mogelijk alternatieve desinfectiemethoden in het veetransport en in de vleesverwerkende industrie. De inventarisatie is gebaseerd op bestaande literatuur en op informatie verkregen uit interviews met o.a. carrosseriebouwers van veetransportmiddelen, leveranciers van desinfectiemiddelen en met mensen werkzaam in de vleesverwerkende industrie. Relevante alternatieve methoden voor de desinfectie van diertransportwagens en de vleesverwerkende industrie zijn o.a. verneveling van chemische middelen of desinfectie met enzymen, UV ultraviolet (ultraviolet) -licht of ozon. Voor een aantal alternatieve methoden is dieper ingegaan op het werkingsmechanisme, naar de eventuele aanwezigheid van residuen en andere mogelijke chemische stoffen en naar de mate van afdoding van bacteriën en virussen. De geselecteerde alternatieve methoden hebben gemeen dat er geen schadelijke resten achterblijven. Wel zouden er door het gebruik van deze alternatieve methoden nieuwe schadelijke bijproducten kunnen ontstaan. Op basis van literatuurgegevens kan niet altijd worden opgemaakt of een alternatieve methode net zo effectief is in het afdoden van bacteriën en virussen als de huidige standaardmethode.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Staat van infectieziekten in Nederland, 2023 | RIVM

Elk jaar geeft het RIVM een overzicht van de belangrijkste ontwikkelingen op het gebied van infectieziekten in Nederland, en wanneer nodig, in het buitenland. Met de Staat van Infectieziekten in Nederland informeert het RIVM onder andere beleidsmakers. In februari 2023 bereikte Nederland de fase waarin het coronavirus ( SARS severe acute respiratory syndrome (severe acute respiratory syndrome) - CoV coronavirus (coronavirus) -2) rondging zonder dat veel mensen daar ernstig ziek van werden. De laatste coronamaatregelen en de meldingsplicht zijn daarom in maart en juni 2023 stopgezet. Tijdens de coronapandemie kwamen veel infectieziekten minder vaak voor, onder andere door de coronamaatregelen. Inmiddels zijn de patronen waarin ze voorkomen weer grotendeels zoals in de jaren vóór de pandemie. Zo begon het griepseizoen van 2023/2024 weer vroeg in de winter en was er weer een piek van het RS-virus Respiratoir Syncytieel-virus (Respiratoir Syncytieel-virus ) in de winter te zien. In de tweede helft van 2023 waren er veel meldingen dat vooral jonge mensen longontsteking hadden, net als in enkele andere Europese landen. Mycoplasma pneumoniae is het vaakst gevonden als verwekker bij de groep van jongvolwassenen. Een mogelijke verklaring is dat mensen tijdens de coronapandemie minder aan deze ziekteverwekker zijn blootgesteld. Een aantal andere infectieziekten kwamen ook opvallend vaak voor. Dit waren vooral ziekten die mensen oplopen via besmette bronnen in het milieu, zoals door in oppervlaktewater te zwemmen. Zo waren er veel meldingen van legionellapneumonie, cryptosporidiose, en leptospirose. De mate waarin deze ziekten voorkomen heeft mogelijk te maken met meer regen en hogere temperaturen. Verder waren er meer meldingen van bof, mazelen, en kinkhoest dan voor de coronapandemie. Dit zijn ziekten waartegen via het Rijksvaccinatieprogramma ( RVP Rijksvaccinatie programma (Rijksvaccinatie programma) ) wordt gevaccineerd. Het aantal kinkhoestmeldingen was zelfs het hoogste aantal ooit. Dat laatste komt waarschijnlijk vooral doordat mensen tijdens de coronajaren minder met de kinkhoestbacterie in contact zijn gekomen en er minder afweer tegen hebben opgebouwd. De ziektelast van COVID-19 was in 2023 de helft kleiner dan in 2022, toen hij de helft was van in 2021. Toch was COVID-19 de ziekte met de hoogste ziektelast in Nederland. De ziektelast geeft het aantal jaren aan dat mensen niet in goede gezondheid kunnen leven. Er is nog geen betrouwbare schatting van de ziektelast door post-covid mogelijk. Na COVID-19 volgden legionellapneumonie en de griep.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1

Duurzamer vaccineren in de GGD-sector | RIVM

Het project achter deze kennisnotitie is een ‘quickscan’ geweest: in een periode van zes maanden zijn uit de praktijk zoveel mogelijk kansen voor duurzamer vaccineren opgehaald, getoetst en waar mogelijk een indicatie van de milieuwinst gegeven.
Jaar: 2025 Onderzoek Documenten: 1