Naar inhoud

Onderzoeken Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 1988

Zoek binnen deze data in WooGLe

Incorporation of the major outer membrane protein of Neisseria gonorrhoeae in saponin-lipid complexes (iscoms): chemical analysis, some structural features, and comparison of their immunogenicity with three other antigen delivery systems | RIVM

Incorporation of the major outer membrane protein of Neisseria gonorrhoeae in saponin-lipid complexes (iscoms): chemical analysis, some structural features, and comparison of their immunogenicity with three other antigen delivery systems | RIVM
Jaar: 1988 Onderzoek

Emission of SO2, NOx, VOC and NH3 in the Netherlands and Europe in the period 1950-2030 | RIVM

In het rapport wordt de emissie-module van het Nederlandse Verzuringsmodel (DAS) beschreven. Het DAS-model is ontwikkeld door het RIVM, in samenwerking met een aantal andere onderzoeksinstellingen. In het rapport wordt een beschrijving gegeven van de structuur van de emissie-module en de gebruikte data. Het gaat hierbij om data van de emissie van NOx, SO2, VOS en NH3. De emissie-data hebben betrekking op de periode 1950-1985 voor Nederland (20 gebieden) en een gedeelte van Europa (13 gebieden). Ook worden scenario's gepresenteerd voor de emissie van genoemde stoffen in de toekomst (tot 2030).
Jaar: 1988 Onderzoek Documenten: 1

Gevolgen van een veranderde bemesting voor uitspoeling en grondwaterbelasting onder een landbouwperceel | RIVM

In het kader van het stikstofproject heeft het RIVM onderzoek uitgevoerd naar de gevolgen van een (vrijwillige) stopzetting van het uitrijden van drijfmest in de winterperiode voor de waterkwaliteit onder een maisperceel in de 10-jaars beschermingszone van pompstation Putten. Het bodemvocht op 1.30 m-m.v. is bemonsterd met poreuze cups terwijl ook kwaliteitsmetingen zijn verricht van grondmonsters die continu tot de grondwaterspiegel op ca. 9 m -m.v. zijn gestoken. De uitspoeling blijkt sterk te varieren in tijd en ruimte. De veranderde bemesting (alleen kunstmest) heeft tot een substantiele verlaging van de nitraatbelasting van het percolatiewater en het bovenste grondwater geleid met gehaltes van 20 -25 mg N/l. Dit betekent t.a.v. de dumpsituatie een reductie van de nitraatbelasting met 50-70%. De bijdrage van de mineralisatie aan de nitraatbelasting van het grondwater is waarschijnlijk gering.
Jaar: 1988 Onderzoek Documenten: 1

Enkele polycyclische en N-heterocyclische aromatische koolwaterstoffen in gebakken of gegrild vlees en vleesprodukten | RIVM

Beschreven worden de resultaten van het onderzoek van 12 monsters gegrilleerd resp. gebakken vlees en vleesprodukten op 15 polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK's) en 7 N-heterocyclische aromatische koolwaterstoffen (N-PAK's). De totale PAK-besmetting der monsters, som der 15 PAK's, verschilt meer dan een factor 100 ; laagste besmetting 5,1 mug/kg, hoogste 620 mug/kg. Hiervan is gemiddeld 39% afkomstig van carcinogene PAK's ; spreiding 35-43%. Driekwart van de monsters overschrijdt de West-Duitse norm voor benzo(a)pyreen van 1 mug/kg voor vlees en vleeswaren ; hoogste benzo(a)pyreengehalte ; 53 mug/kg. De N-PAK besmetting en de PAK-besmetting lopen niet parallel ; gewoonlijk is de N-PAK besmetting < 0,1 mug/kg. Kenmerkend voor de PAK-besmetting door bakken en grilleren is dat de benzo(e)pyreen/benzo(a)pyreenverhouding << 1 is. Bij andere levensmiddelen is deze verhouding gewoonlijk > 1.
Jaar: 1988 Onderzoek Documenten: 1

Basisdocument Fluoriden | RIVM

Dit rapport bevat een systematisch overzicht en een kritische evaluatie van de belangrijkste gegevens over de prioritaire stofgroep fluoriden ten behoeve van het effectgericht milieubeleid.
Jaar: 1988 Onderzoek Documenten: 1

Het gehalte aan cadmium, lood, koper, mangaan en zink in rode bieten, uien, knolselderij en koolrapen | RIVM

In totaal 19 monsters rode bieten, 22 uien, 22 koolrapen en 22 knolselderij zijn geanalyseerd op gehalten aan cadmium, lood, koper, mangaan en zink d.m.v. AAS. De gemiddelde gehalten, in mg/kg vers produkt waren als volgt: Cadmium in rode bieten 0,009, in uien 0,009, in knolselderij 0,095 en in koolrapen 0,009. Lood in zowel rode bieten, uien, knolselderij als in koolrapen lager dan 0,02. Koper in rode bieten 0,68, in uien 0,41, in knolselderij 1,22 en in koolrapen lager dan 0,20. Mangaan in rode bieten 1,14 in uien 0,77, in knolselderij 1,45 en in koolrapen 0,68. Zink in rode bieten 2,88, in uien 1,57, in knolselderij 2,73 en in koolrapen 0,95. Het cadmiumgehalte van knolselderij is 10 keer zo hoog als van de drie overige produkten. De wettelijke normen voor Cd en Pb in bieten en uien werden door geen van de monsters overschreden. Indien voor knolselderij dezelfde normen van toepassing waren, dan zouden 6 monsters de norm voor Cd overschrijden. Een gemiddelde portie van elk der vier onderzochte groenten bevat < 1% van de maximaal toelaatbare dosis lood, voor Cd is dat <3% , behalve voor knolselderij waar dit 5-6% is. De bijdrage aan de voorziening met de essentiele elementen koper, mangaan en zink is gering ; globaal minder dan 5% van de aanbevelingen.
Jaar: 1988 Onderzoek Documenten: 1

Bepaling van cadmium in levers en nieren van humane herkomst met behulp van atomaire-absorptiespectrofotometrie met vlamatomisatie | RIVM

In dit rapport wordt een methode beschreven voor de bepaling van cadmium in levers en nieren van humane herkomst met behulp van atomaire absorptiespectrofotometrie en vlamatomisatie. De weefselmonsters worden ontleed met een enzymatische methode onder fysiologische condities, gevolgd door destructie met achtereenvolgens waterstofperoxide en salpeterzuur bij verhoogde temperatuur. De bovengrens van het lineaire werkgebied komt voor lever overeen met 13 mg Cd/kg en voor nier met 46 mg Cd/kg, uitgaande van 0,5 g lever of nier. De detectielimiet (overeenkomend met 3 x de ruis) is voor lever 0,3 mg Cd/kg en voor nier 1,2 mg Cd/kg. Het lineaire werkgebied is dus voor lever 0,3 - 13 mg Cd/kg en voor nier 1,2 - 46 mg Cd/kg. De gemiddelde relatieve standaardfouten (+/- standaarddeviatie) berekend uit 10 calibratielijnen bedragen voor levers bij een concentratie van 0,8 mg Cd/kg (2,1 +/- 1,5)% en voor nieren bij een concentratie van 2,5 mg Cd/kg (0,96 +/- 0,50)%. De gemiddelden van de variatiecoefficienten van tweevoudige analyses bedragen voor levers (7,6 +/- 7,0)%, voor nierschors (9,2 +/- 8,7)% en voor niermerg (34 +/- 28)%.
Jaar: 1988 Onderzoek Documenten: 1

Het gehalte aan cadmium, lood, koper, mangaan en zink in sla, spinazie en andijvie uit de kas en van de volle grond | RIVM

In totaal 41 monster sla, 38 spinazie en 41 andijvie, 50% van de volle grond en 50% uit de kas, zijn geanalyseerd op gehalten aan cadmium, lood, koper, mangaan en zink. De gemiddelde gehalten, in mg/kg vers produkt waren: cadmium in sla 0,012, in spinazie 0,027 en in andijvie 0,024 ; lood in sla 0,013, in spinazie 0,039 en in andijvie 0,017 ; koper in sla 0,70, in spinazie 0,81 en in andijvie 0,61 ; mangaan in sla 1,06, in spinazie 2,29 en in andijvie 1,18; zink in sla 2,65, in spinazie 6,11 en in andijvie 2,85. Uitgedrukt op de droge stof is bij cadmium in spinazie en andijvie, koper in sla, koper in andijvie en mangaan in sla het gemiddelde of mediane gehalte in de kasprodukten ca. 1,5 tot 3 keer zo hoog als in volle grond produkten. De wettelijke normen voor Cd en Pb werden door geen van de 120 monsters overschreden. Een portie spinazie bevat ca. 20% van de maximaal toelaatbare dagelijkse dosis cadmium ; voor andijvie is dit 8-10% en voor sla ca. 2%. De bijdrage aan de toelaatbare dagelijkse belasting met lood is voor alle drie groenten minder dan 5%. De bijdrage aan de dagelijkse aanbevolen opneming van koper, mangaan en zink is voor sla het laagste (<5%) maar kan bij andijvie en spinazie 10-50% bedragen.
Jaar: 1988 Onderzoek Documenten: 1

Milieubeheersgebieden - Deel A: Indeling van Nederland in ecoregio's en ecodistricten - Deel B: Gevoeligheid van de ecodistricten voor verzuring, vermesting, verontreiniging en verdroging | RIVM

Het rapport is het eindrapport van het project Gebiedsstandaardisatie, een onderzoek met als hoofddoel een gestandaardiseerde indeling van Nederland op ecologische grondslag (milieubeheersgebieden) te ontwerpen. Het ontwerp is gebaseerd op een hierarchische reeks van milieubeheereenheden op verschillende schaalniveaus, te weten ecozone, ecoprovincie, ecoregio, ecodistrict, ecosectie, ecoserie, ecotoop en eco-element. Uitgangspunt was een bestaand ecosysteemmodel waarin de componenten atmosfeer/klimaat, gesteente, relief/landvorm, grondwater, oppervlaktewater, bodem, vegetatie en fauna zijn opgenomen. Op basis van de ecodistrictenkaart zijn gevoeligheidskaarten gemaakt voor de thema's verzuring, vermesting, verontreiniging en verdroging. Daartoe zijn de kenmerken van de ecodistricten beoordeeld in relatie tot de relevante processen per thema. De gevoeligheid is aangegeven in vier klassen die een indicatie geven van de omvang van te verwachten effecten bij een gegeven belasting of ingreep, zonder rekening te houden met waarden of functies van het gebied of met belasting of ingrepen in verleden en heden.
Jaar: 1988 Onderzoek Documenten: 1

Gedrag en effecten van chloorfenolen in de bodem | RIVM

Uit de resultaten blijkt dat geen uitspoeling van chloorfenolen heeft plaatsgevonden voor de 6 grondkolommen. De massabalansen van de kolommen lieten zien dat 85-100% van de individuele chloorfenolen niet werden teruggevonden ten gevolge van biodegradatie of vorming van niet-extraheerbaar gebonden residuen ; 0-15% was extraheerbaar geadsorbeerd. Vooral in de kalkhoudende gronden was biodegradatie het overheersende proces. Tussen de modelresultaten en de resultaten van kolomexperimenten bestond een redelijk goede overeenkomst. De verschillen konden worden verklaard en enkele parameters konden worden bijgesteld. Het aldus aangepaste model voorspelt dat het risico voor uitspoeling van chloorfenolen of fenolaat in de veldsituatie klein is in geval van diffuse verontreinigingen. Met betrekking tot het risico van accumulatie van chloorfenolen, voorspelt het model dat, afhankelijk van het immissieniveau, de Nederlandse grenswaarden, voor een multifunctionele bodem kunnen worden overschreden in de bovenste paar centimeter van het bodemprofiel.
Jaar: 1988 Onderzoek Documenten: 1

De afvalverbranding in 1986 | RIVM

Een kwantitatief overzicht van de verwerkte hoeveelheden afval, de samenstelling van dit afval, de vrijgekomen en hergebruikte verbrandingsresten en de energieproduktie en -benutting in de elf verbrandingsinstallaties van Nederland. In 1986 is ruim 2,6 miljoen ton afval verbrand, waarbij ca. 65.000 ton ijzer, 663.000 ton slak en 73.000 ton vliegas zijn vrijgekomen. Het ijzer is voor 100% voor hergebruik bestemd, slak voor 72%, vliegas voor 42%. Geproduceerde energie in de vorm van elektriciteit of warmte bedroeg in dit jaar resp. 627.000 MWh en 773.000 GJ.
Jaar: 1988 Onderzoek Documenten: 1

Dagelijkse opneming van nitraat, nitriet en vluchtige N-nitrosaminen, bepaald via analyse van duplicaat 24-uurs voedingen, bemonsterd in 1984/1985 | RIVM

Duplicaten van 24-uurs voedingen van 110 personen, bemonsterd in oktober 1984/maart 1985 werden geanalyseerd op gehalte aan nitraat, nitriet en vluchtige N-nitrosaminen. De gemeten gemiddelde nitraatopneming bedroeg 52 mg NO-3/etmaal, bereik 2-500 mg/etmaal. Nitriet was aantoonbaar, d.w.z. >0,1 mg NO2/duplicaatvoeding, in 16 van de 110 monsters ; de hoeveelheid in deze 16 liep uiteen van 0,1-0,7 mg NO2. Bij drie van de 110 deelnemers lag de nitraat opneming boven de ADI van 220 mg NO3/etmaal. Voor nitriet was de hoogste waarde minder dan 10% van de ADI van 8 mg NO2/etmaal. Slechts twee van de 110 monsters bevatten een aantoonbare hoeveelheid vluchtige N-nitrosaminen, nl. 2,9 mug NPIP en 1,5 mug NDMA resp. De dagelijkse opneming van nitraat, nitriet en vluchtige N-nitrosaminen is aanzienlijk lager dan gemeten in een soortgelijk onderzoek in 1976/1978.
Jaar: 1988 Onderzoek Documenten: 1