The significance of European high mountain lakes in critical load distributions at the EMEP grid scale | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Modelling base cations in Europe | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Voedselconsumptiepeiling 2003: onderzoek bij jongvolwassen Nederlanders. Focus op macrovoedingsstoffen | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Recovery of acidified: European surface waters | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Emissies en doses door bronnen van ioniserende straling: nucleair, medisch en NDOs. Bijlage bij Jaarrapport 2004 'Beleidsmonitoring straling' | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Reduceert influenzavaccinatie de kans op sterfte onder ouderen? | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Solidariteit als risico | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Extra hepatits-B-vaccinatie voor baby's van draagsters | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Een harde lijn | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Als 't maar werkt | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
H9e stond het met de Shiga toxineproducerende Escherichia coli O157 in Nederland in 2004? | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Een cluster van kinderen met chronische lympadenitis en M. haemophilum | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Meldingen van voedselgerelateerde infecties en explosies | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
A guidance for assessing and communicating uncertainties | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Gezondheidsklachten in relatie tot recreatie in oppervlaktewater in de zomer van 2004 | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Lijnen naar een lijn | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Plasma carotenoids as biomarkers of intake of fruits and vegetables: ecological-level correlations in the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition (EPIC) | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Beurteilung der Leistung von Krankenhaus-Dampfsterilisatoren mit dem europaeischen Helixtest | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Plasma carotenoids as biomarkers of intake of fruits and vegetables: individual-level correlations in the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition (EPIC) | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Overzicht van kiemsurveillance die voor de openbare gezondheidszorg van belang is | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Verschillen tussen etnische groepen in psychiatrische morbiditeit. Resultaten van Nemesis | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Het is niet bewezen dat de huisarts-patient-relatie een additief effect heeft bij psycho-sociale interventies | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Nederland voldoet in grote lijnen aan internationale afspraken en doet veel op het gebied van kind, milieu en gezondheid. Toch is er een aantal onderwerpen waarvoor nog onvoldoende beleid is ontwikkeld om aan de internationale afspraken te voldoen. Dit zijn: 1. kindvriendelijke stadsontwikkeling; 2. (groen)voorzieningen voor sport en spel; 3. richtlijnen bouwmaterialen en meubels; 4. beperking uitstoot verkeer en industrie; en 5. monitoring blootstelling kinderen aan stoffen. Voor een aantal onderwerpen (onder andere verbetering binnenlucht en blootstelling kinderen aan chemische stoffen) lopen op dit moment onderzoeken en kan nog niet beoordeeld worden of Nederland voldoet aan de afspraken. Dit blijkt uit een inventarisatie die gedaan is naar aanleiding van de WHO Ministersconferentie Milieu en Gezondheid in 2004 in Boedapest. Daar hebben 52 Europese milieuministers afspraken gemaakt over onderwerpen op het gebied van Milieu en Gezondheid, met speciale aandacht voor kinderen. De WHO heeft in dit kader het Children's Environment and Health Action Plan for Europe (CEHAPE) opgesteld. Nederland heeft de Ministersverklaring en het CEHAPE ondertekend. Om na te gaan in hoeverre Nederland voldoet aan de gemaakte afspraken, is een overzicht gemaakt van de activiteiten van de rijksoverheid die op dit moment in Nederland plaatsvinden met betrekking tot de onderwerpen uit het CEHAPE en de Ministersverklaring. Voor elk onderwerp is een afweging gemaakt of extra beleidsinzet nodig is om aan de afspraken te voldoen. Onderwerpen die meer aandacht verdienen in het beleid zouden uitgewerkt kunnen worden in een vervolg op het Actieprogramma Gezondheid en Milieu. Het is belangrijk dat huidige en eventuele aanvullende acties geevalueerd worden.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Ondanks de hoge verwachtingen van de invloeden van fysieke omgeving op ons voedings- en beweegpatroon, zijn er relatief weinig studies die een dergelijke samenhang hebben onderzocht. Hierbij blijft het aantal Nederlandse studies duidelijk achter bij studies uit de Verenigde Staten en Australie. Om een gedegen uitspraak te kunnen doen over of aspecten uit de fysieke omgeving samenhangen met voeding en bewegen, welke specifieke aspecten dit zijn en of deze aspecten verschillen voor verschillende onderdelen van voeding en bewegen is meer (Nederlands) onderzoek nodig. De weinige studies die er zijn impliceren een rol voor aanwezigheid en toegankelijkheid van voorzieningen en recreatieve ruimte en verkeersveiligheid in relatie tot beweeggedrag. Daarnaast speelt het aanbod van groente en fruit een rol in de consumptie ervan. Deze bevindingen zijn afkomstig uit een uitgebreid literatuuronderzoek naar de samenhang tussen fysieke omgeving, voeding en bewegen. Aanvullend zijn de aanwijzingen uit de literatuur getoetst op basis van twee grote studies van het RIVM, gecombineerd met aanwezige objectieve informatie over de fysieke omgeving. Deze analyses bevestigden de bevindingen uit de literatuur. Volwassenen bewogen bijvoorbeeld meer wanneer er in de omgeving van de woning voldoende recreatieve ruimte beschikbaar was. Kinderen in een niet-stedelijke omgeving speelden meer buiten dan kinderen in een stedelijke omgeving.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
QSAR applicability domain estimation by projection of the training set descriptor space: a review | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Sources and delivery of carbon, nitrogen, and phosphorus to the coastal zone: an overview of Global Nutrient Export from Watersheds (NEWS) models and their application | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
The actual role of general practice in the Dutch health-care system. Results of the Second Dutch National Survey of General Practice | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Exhaled nitric oxide predicts airway hyper-responsiveness to hypertonic saline in children that wheeze | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Limits to the use of manuare and mineral fertilizer in grass and silage maize production in The Netherlands, wit special reference to the EU Nitrates Directive | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Author's reply to: Aircraft and road traffic noise and children's cognietion [Letter to the editor] | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Het gelijk van de patient | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Uit geluidmonitoring langs de A2 in 2004 blijkt dat de meetresultaten nagenoeg onveranderd zijn ten opzichte van 2003. Langs de A10 werd daarentegen een lichte toename van de gemiddelde voertuigemissie geconstateerd. Mogelijk is dat een gevolg van een afname in de effectiviteit van het DZOAB ter plaatse. Langs provinciale weg N256 in Zeeland werd voor alle voertuigcategorieen een hogere emissie gemeten dan de geluidemissie die door het 'Reken- en Meetvoorschrift Wegverkeer', RMW 2002, wordt toegekend aan standaard dicht asfalt beton. Nader onderzoek is nodig om deze discrepantie te verklaren. Geluidreducties door het slijpen van het spoor Utrecht-Amsterdam in de periode 2000-2004 worden door de metingen tijdens niet aangetoond. Langs de spoorlijn Delft-Schiedam werd uit metingen van februari tot en met juni 2004 geconstateerd dat de over alle treincategorieen gemiddelde geluidemissie goed overeenkomt met de berekende geluidemissie. Binnen sommige categorieen komen echter afwijkingen voor hetgeen aanleiding geeft voor een nadere analyse van de akoestische indeling van deze categorieen. Bij het vliegveld Volkel werd een toename gevonden van zowel het aantal gemeten vliegtuigpassages als de gemeten geluidbelasting. Deze toename werd ook in de door het Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium berekende geluidbelasting vastgesteld. De berekende waarde voor 2004 blijft echter achter bij de gemeten geluidbelasting. Dit zijn de belangrijkste resultaten uit een geluidmonitorprogramma dat het RIVM in 1999 heeft opgestart. Dit programma is gericht op trendontwikkelingen in omgevingsgeluid in zowel het stedelijk als het landelijk gebied. Het monitorprogramma is sindsdien voortgezet met permanente meetlocaties op punten waar een primaire bron goed kan worden gemeten. In 2004 zijn continue metingen verricht langs drie wegen: de A2 bij Breukelen, de A10 bij Amsterdam en de N256 in Zeeland, op twee spoorweg locaties: Utrecht-Amsterdam en Delft-Schiedam, en bij het militaire vliegveld Volkel.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Synthesis of an alpha-Gal epitope alpha-D-Galp-(1-3)-beta-D-Galp-(1-4)-beta-D-Glcp NAc-lipid conjugate | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Detection of infectious Cryptosporidium Oocysts by cell culture immunofluorescence assay: applicability to environmental samples | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Cereulide-producing strains of Bacillus cereus show diversity | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Selective DNA damage responses in murine Xpa, Xpc and Csb keratinocyte cultures | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Relationship between UV-induced mutant p53 patches and skin tumours, analysed by mutation spectra and by induction kinetics in various DNA-repair-deficient mice | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Fruit and vegetable consumption and risk of epithelial ovarian cancer: the European prospective investigation into cancer and nutrition | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Kosteneffectiviteit (doelmatigheid) is een van de pijlers van het Nederlandse volksgezondheidsbeleid. In dit literatuuroverzicht worden een tiental preventieve interventies gesignaleerd met een gunstige verhouding tussen de kosten en de te behalen gezondheidswinst. Het betreft interventies die in Nederland nog niet systematisch en op continue wijze zijn ingevoerd. Verwacht wordt dat deze interventies binnen vijf jaar kosten-effectief (gedefinieerd als kosten per gewonnen levensjaar lager dan 20.000,- euro) of zelfs kostenbesparend kunnen zijn. De geselecteerde interventies zijn: (1) screenen van jongvolwassen vrouwen en hun partners op chlamydia infecties, (2) screenen op retinopathie bij diabetespatienten ter preventie van blindheid, (3) preventie van hoofdletsel door het dragen van fietshelmen door kinderen, (4) preventie van een nieuw hartinfarct door revalidatie bij hartpatienten, (5) screening van oudere mannen op aneurysma van de buikaorta, (6) preventie van terugval na een depressie door behandeling, (7) preventie van plotselinge hartdood door gebruik van automatische externe defibrillatoren, (8) preventie van baarmoederhalskanker door screening op humaan papillomavirus in combinatie met het uitstrijkje, (9) preventie van chronische ziekten door behandeling van obesitas, en (10) preventie van een heupfractuur door het dragen van heupbeschermers. Van de eerste vier interventies wordt zowel de kosteneffectiviteit als de haalbaarheid van (verdere) invoering in Nederland bijzonder gunstig ingeschat. Voor de overige interventies geldt dat ze veelbelovend zijn, maar dat nader onderzoek ten aanzien van de vertaling van veelal buitenlandse onderzoeksresultaten naar de Nederlandse situatie nog gedaan moet worden.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
De methodiek die LVNL gebruikt voor de afweging van veiligheid, efficiency en milieu bij veranderingen in het luchtverkeersleidingssysteem, is goed en het behoort internationaal gezien tot de 'state of the art'. De ontwikkeling en toepassing van dit zogenaamde VEM Raamwerk is een grote en belangrijke stap voorwaarts in de besluitvorming rond die veranderingen. Voorheen vond deze besluitvorming vooral plaats op basis van kwalitatieve redeneringen. Nu is kwantitatieve onderbouwing en afweging mogelijk. Er zijn in het Raamwerk nog wel enkele verbeterpunten aangegeven, maar dit zijn normale punten in de ontwikkeling van een dergelijke methodiek. Het aanbrengen van deze verbeterpunten leidt waarschijnlijk niet tot grotere veiligheid, maar wel tot een scherpere afweging met mogelijke winst op efficiency en milieu. Voor de verdere ontwikkeling van de luchthaven Schiphol is verbetering van het Raamwerk daarom urgent.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Efficient differentiation of Mycobacterium tuberculosis strains of the W-Beijing family from Russia using highly polymorphic VNTR loci | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Determinants of response in a longitudinal health study following the firework-disaster in Enschede, the Netherlands | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Fast ligation-mediated PCR, a fast and reliable method for IS6110-based typing of Mycobacterium tuberculosis complex | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Macrophages are involved in hexachlorobenzene-induced adverse immune effects | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Discriminatory power and reproducibility of novel DNA typing methods for Mycobacterium tuberculosis complex strains | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Associations between ambient, personal, and indoor exposure to fine particulate matter constituents in Dutch and Finnish panels of cardiovascular patients | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Toename van het aantal invasieve infecties door Haemophilus influenzae type b | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Symptoms and related functioning in a traumatized community | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Dynamic speciation analysis and bioavailability of metals in aquatic systems | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Mental health in the Dutch population and in general practice: 1987-2001 | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Modified mediterranean diet and survival: EPIC-elderly prospective cohort study | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Portable device for characterizing the angular response of UV spectroradiometers | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Environmental tobacco smoke and risk of respiratory cancer and chronic obstructive pulmonary disease in former smokers and never smokers in the EPC prospective study | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Een op de 5 mannen en een op de 8 vrouwen in de leeftijd van 20-59 jaar heeft een verhoogde bloeddruk, terwijl ongeveer een op de 10 mannen/vrouwen een te hoog cholesterolgehalte heeft. Bijna de helft van de mannen en ongeveer een derde van de vrouwen heeft overgewicht. Risicofactoren voor chronische ziekten komen over het algemeen vaker voor bij mannen dan bij vrouwen, vaker bij ouderen dan bij jongeren en vaker bij lager opgeleiden dan bij hoger opgeleiden. Overgewicht komt bijvoorbeeld bij laag opgeleiden 3 keer (mannen) tot 5 keer (vrouwen) vaker voor dan bij hoog opgeleiden.Dit blijkt uit het MORGEN-project, een grootschalig onderzoek dat in de periode 1993-1997 is uitgevoerd onder 23.000 mannen en vrouwen uit Amsterdam, Doetinchem en Maastricht. In het project is informatie verzameld over (veranderingen in) risicofactoren voor chronische ziekten, zoals hart- en vaatziekten, diabetes, astma, COPD en gewrichtsaandoeningen. Deelnemers vulden vragenlijsten in over leefgewoonten (roken, voeding, bewegen) en gezondheid, en ondergingen een lichamelijk onderzoek waarbij lengte, gewicht, bloeddruk en longfunctie werden gemeten en waarbij bloed werd afgenomen waarin het totaal- en HDL-cholesterolgehalte en glucosegehalte werden bepaald. Bij een deel van de oudere deelnemers (45 jaar en ouder) werd ook een aantal cognitieve testen afgenomen. Het onderzoek geeft een goed beeld van de situatie in Nederland ten aanzien van risicofactoren voor chronische ziekten. De gegevens zijn een belangrijke bron gebleken voor onderbouwing van het Nationaal Kompas Volksgezondheid en het Chronische Ziekten Model van het RIVM. In dit rapport worden voor de genoemde risicofactoren en chronische ziekten de prevalentie en trend beschreven, naar leeftijd, geslacht en opleiding.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Milieurisicogrenzen zijn concentraties van een stof in water, bodem, sediment en lucht waarbij geen nadelige effecten van die stof worden verwacht. In dit rapport worden milieurisicogrenzen bepaald die zowel de mens als ecosystemen beschermen tegen nadelige effecten van chemische stoffen. Hiertoe werden eerder afgeleide ecotoxicologische risicogrenzen vergeleken met die voor de mens, voor de volgende 11 stoffen: 1-butanol, n-butylacetaat, cyclohexylamine, diethyleenglycol, ethyleenglycol, ethylacetaat, methanol, methyl ethyl keton (MEK), methyl tert-butyl ether (MTBE), tribroommethaan en triethanolamine. De laagste waarde (mens of ecosystemen) bepaalt de uiteindelijke risicogrens voor een stof. De milieurisicogrenzen op basis van de ecotoxicologie zijn berekend in deel 1 van dit rapport (RIVM rapport 601501016). De milieurisicogrenzen voor de mens die in dit rapport zijn gerapporteerd zijn berekend met behulp van het model Humanex. Humanex is beschreven in RIVM rapport 601501022.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Van tabakszaad naar tabaksrook | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Large outbreak of Salmonella Typhimurium DT104, the Netherlands, september-november 2005 | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Een kritische beschouwing van de wetenschappelijke onderbouwing van bestaande drempelwaarden voor blootstelling aan humane geneesmiddelen in water en diergeneesmiddelen in bodem leidt tot de aanbeveling deze waarden te herzien. Het gebruik van drempelwaarden is opgenomen in de (concept) richtsnoeren voor de milieurisicobeoordeling als onderdeel van de Europees geharmoniseerde registratie van (dier)geneesmiddelen. Op basis van het overschrijden van deze drempelwaarden wordt besloten of een risicobeoordeling voor het milieu noodzakelijk is. In de opinie van het Europese Wetenschappelijk Comite voor Toxicologie, Ecotoxicologie en het Milieu is de bestaande waarde voor water (10 ng/l) wetenschappelijk ondeugdelijk. Volgens de Europese Wetenschappelijke Stuurgroep is de bestaande waarde voor bodem (100 ug/kg) evenmin wetenschappelijk onderbouwd. De kritische beschouwing van de gebruikte gegevens en de toegepaste beoordeling, met inachtneming van gegevens uit de openbare literatuur, leidt tot beduidend lagere drempelwaarden van 0,4 ng/L voor water en 1 ug/kg voor bodem.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Pesticide transport in groundwater at the national scale: coupling an unsaturated zone model with a groundwater flow model | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Dit rapport bundelt vijf factsheets waarin methodieken worden beschreven die worden gebruikt voor de risicobeoordeling van stoffen bij het Centrum voor Stoffen en Integrale Risicobeoordeling (SIR) en het Stoffen Expertise Centrum (SEC) van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). Het voornaamste doel is om de inzichtelijkheid en eenduidigheid van de bij RIVM-SIR en -SEC gevolgde methodieken te vergroten. De vijf factsheets vormen de weerslag van de huidige stand van wetenschap. Ze zijn bedoeld om de discussie met andere (inter)nationale partijen op het gebied van risicobeoordeling te bevorderen. De factsheet over levertumoren in de muis beschrijft onder welke voorwaarden levertumoren in de muis als relevant voor risicobeoordeling in de mens worden beschouwd. In de factsheet over historische controle gegevens van tumorincidentie wordt aangegeven hoe het RIVM bij de evaluatie van carcinogeniteit omgaat met historische controles gegevens. In de factsheet over Mononucleaire Cel Leukemie in de F344 rat wordt de relevantie voor de mens van een toename in de incidentie van mononucleaire cel leukemie (MNCL) in F344 ratten besproken en wordt een strategie voor de gevaar- en risicobeoordeling geleverd. In de factsheet 'Energie- en vochtgehalte en assimilatie-efficientie van voedsel voor vogel- en zoogdieren' zijn twee grote datasets met gegevens over het energie- en watergehalte van verschillende voedselbronnen voor vogels en zoogdieren samengevoegd en geanalyseerd. De laatste factsheet over sorptie van dissocierende stoffen geeft een uiteenzetting van de belangrijkste principes en beperkingen van de QSAR- modellen en HPLC-methoden voor het bepalen van het adsorptiegedrag van een stof.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Geneesmiddelen tijdens de zwangerschap: vragen en antwoorden | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Environmental load from Dutch private consumption - How much damage takes place abroad? | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
MODELKEY. Models for assessing and forecasting the impact of environmental key pollutants on freshwater and marine ecosystems and biodiversity | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Effect van vaccinatie tegen kinkhoest op de incidentie van kinkhoest in Nederland, 1996-2003 | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Toepassing weekmakers geinventariseerd | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Gezondheid en ziekte in Nederland; het Nationaal Kompas Volksgezondheid als informatiebron | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Correcte herkenning van het type geluid blijkt een noodzakelijke en tevens voldoende voorwaarde te zijn om trends in de geluidbelasting in het buitengebied via doorlopende, onbemande metingen te kunnen monitoren. Een ondergrens voor de te monitoren geluidbelasting ligt tussen de 40 en 45 dB(A) Lden. Dit zijn de conclusies uit een onderzoek waarin metingen zijn verricht aan luchtvaartgeluid op drie lokaties in het buitengebied van luchthaven Schiphol. Het betrof een praktijkstudie naar de mogelijkheden om in het buitengebied bij relatief lage geluidbelasting op grote afstand van de luchthaven de bijdrage van vliegtuigen te monitoren. Op elke meetlocatie zijn gedurende een maand lang doorlopend geluidmetingen verricht met verschillende meetsystemen. Bij elke vliegtuigpassage zijn gelijktijdig het geluidniveau en de passagetijd geregistreerd. Na elke meetperiode zijn de passagetijden vergeleken met berekende passagetijden gebaseerd op de vluchtgegevens.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Rubella-epidemie in Nederland in 2004-2005: alertheid op congenitaal rubellasyndroom vereist | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Resistentie van gonokokken in Nederland; resultaten van een enquete bij medisch-microbiologische laboratoria | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Een gas als geneesmiddel (2) | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Comment on "Studies of radon-exposed miner cohorts using a biologically based model: comparison of current Czech and French data with historic data from China and Colorado" by WF. Heidenreich, L. Tomasek, A. Rogel, D. Laurier and M. Tirmarche (2004) Radia | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Vogelgriep H5N1 in Europa: vooralsnog gering gezondheidsrisico voor Nederland | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Cross-species transfer of viruses: implications for the use of viral vectors in biomedical research, gene therapy and as live-virus vaccines | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Een gas als geneesmiddel (1) | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
The use of sandwich-cultured rat hepatocytes to determine the intrinsic clearance of compounds with different extraction ratios: 7-ethoxycoumarin and warfarin | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Syndroomsurveillance om uitbraken van ongebruikelijke infectieziekten vroegtijdig te signaleren | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Signalering van bedreigingen door infectieziekten in Nederland in 2002 en 2003 door het wekelijkse signaleringsoverleg | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Scenarios of freshwater fish extinctions from climate change and water withdrawal | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Traffic noise in Europe: a comparison of calculation methods, noise indices and noise standards for road and railroad traffic in Europe | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Performance reexamined: concepts, content and practice of measuring health systems performance | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Targeted identification of disease-related MHC-presented epitopes | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Respiratory syncytial virus infection of monocyte-derived dendritic cells decreases their capacity to activate CD4 T cells | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Ecological effects of pesticide use in the Netherlands: modeled and observed effects in the Field Ditch | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Determination of veterinary drugs and growth-promoting agents in food-producing animals | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Functional disability in elderly men | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Vergiftigingen | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Accelerated aging pathology in ad libitum fed Xpd-TTD mice is accompanied by features suggestive of caloric restriction | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
The use of in vitro systems for evaluating immunotoxicity: the report and recommendations of an ECVAM workshop | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Current status and burning issues in immunotoxicity testing of drugs | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Denitrification in agricultural soils: summarizing published data and estimating global annual rates | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
In vitro assessment of sensitizing activity of low molecular weight compounds | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Model-based geostatistical interpolation of the annual number of ozone exceedance days in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Competition of pathogen strains leading to infection with variable infectivity and the effect of treatment | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Staphylococcus aureus bacteremia, Europe [Letter to the editor] | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Estimation of global river transport of sediments and associated particulate C, N, and P | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Schijnbewegingen en vooruitgang in het mestdebat | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Postprandial interleukin-6 release from skeletal muscle in men with impaired glucose tolerance can be reduced by weight loss | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Ascomycete communities in the rhizosphere of field-grown wheat are not affected by introductions of genetically modified Pseudomonas putida WCS358r | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Slow epidemic of lymphogranuloma venereum L2b strain | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Mice expressing a mammary gland-specific R270H mutation in the p53 tumor suppressor gene mimic human breast cancer development | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Sealing: hoeveel bodem verdwijnt er onder de stad? Toekomstverkenning van de uitbreiding van bebouwd oppervlak in Europa | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
The impact of the hyperacid Ijen Crater Lake. Part II: a total diet study | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
The contribution of self-rated health and depressive symptoms to disability severity as a predictor 0f 10-year mortality in European elderly men | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Variations in lycopene blood levels and tomato consumption across European Countries based on the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition (EPIC) Study | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Forty-year mortality from cardiovascular diseases and their risk factors in men of the Italian rural areas of the Seven Countries Study | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Een veilig alternatief | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
The impact of the hyperacid Ijen Crater Lake. Part I: concentrations of elements in crops and soil | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
De toename van seksueel overdraagbare aandoeningen (SOA) is in 2004 weer verder doorgezet, ondanks een stabilisatie in 2003. Dit betreft zowel het aantal consulten als het aantal SOA bij heteroseksuelen en mannen die seks hebben met mannen (MSM). In 2004, is in de landelijke registratie van nieuwe HIV diagnoses alleen het aantal bij MSM toegenomen. In deze groep zijn de afgelopen jaren verschillende SOA tegelijkertijd toegenomen. Dit duidt op toenemend onveilig seksueel gedrag bij MSM. Alertheid is nodig om verdere toename van SOA en HIV te voorkomen maar ook zijn innovatieve methoden in preventie en interventie nodig. Per juni 2005 zijn 10619 personen met HIV geregistreerd; 938 in 2004. MSM vormen hierin nog steeds de grootste groep. Het aandeel van heteroseksuelen steeg de laatste jaren, maar is gedaald in 2004. In het SOA peilstation nam het aantal gevallen van Chlamydia toe met 19%, gonorroe met 12%. Ook nam het aantal syfilis en HIV verder toe, vooral bij MSM. In 2000-2004 is het aantal syfilisgevallen bij MSM meer dan verdrievoudigd. 14% van alle gonorroe, Chlamydia en syfilis in MSM wordt gezien bij HIV positieven. Ook is in 2004 de resistentie tegen ciprofloxacine bij gonorroe verder toegenomen tot 15%. De epidemie van LGV bij MSM heeft tot intensivering van surveillance geleid en sinds januari 2004 zijn 160 gevallen gerapporteerd. LGV gevallen zijn nu ook in andere Europese landen, de VS en Canada gevonden. In Nederland lijkt LGV nog maar langzaam toe te nemen.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
De perinatale sterfte in Nederland is hoger - ongeveer een derde - dan in Finland en Zweden, die tot de beste landen ter wereld behoren. Nederland behoort tot de Europese middenmoot. De Nederlandse sterfte is recent stabiel geweest of licht gedaald. Deze sterfte is dus niet gestegen ondanks een toename van risicofactoren, zoals een hogere leeftijd van moeders bij geboorte, meer meerlinggeboortes en meer geboortes bij vrouwen met een allochtone herkomst. Dit wijst op een verbetering van de perinatale zorg en preventie of op gezondere levensgewoonten en leefomstandigheden van Nederlandse zwangeren. De sterfteverschillen tussen Nederland en Finland of Zweden kunnen voor een flink deel (twee derde) verklaard worden.Verschillen in meerlinggeboortes - die een verhoogd risico kennen - spelen een rol naast een ongunstiger risicoprofiel voor roken tijdens de zwangerschap. De toename in geboortes bij niet-westers allochtone vrouwen - Nederland scoort daar hoog - lijkt een relatief zwaarwegende factor. Ook verschillen in prenatale screening op ernstige congenitale afwijkingen gevolgd door afbreken van de zwangerschap spelen een rol. Onderzoek naar de kwaliteit van de perinatale zorg liet zien dat Zweden en Finland beter presteerden dan Nederland en theoretisch kunnen die verschillen ook een deel van het perinatale sterfteverschil verklaren. De gevonden internationale verschillen in perinatale sterfte lijken voor een aanzienlijk deel (twee derde) geassocieerd met factoren, die door effectievere preventie of prenatale zorg (screening) verbeterd kunnen worden. Om de Nederlandse perinatale gezondheid beter te kunnen beoordelen en ingezet beleid beter te kunnen evalueren is een betere informatievoorziening nodig
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Het humane blootstellingsmodel zoals opgenomen in het Europese risicoschattingmodel EUSES mist een aantal blootstellingroutes via de bodem die wel zijn opgenomen in het Nederlandse blootstellingsmodel CSOIL. Dit rapport beschrijft hoe de twee modellen gecombineerd zijn tot een nieuw model.Dit blootstellingsmodel is 'Humanex' genoemd. Het heeft tot doel om concentraties in het milieu te berekenen die de mens beschermen tegen nadelige effecten van chemische stoffen die zich kunnen verspreiden in het milieu. Deze zogenaamde milieurisicogrenzen zijn gebaseerd op gelijktijdige blootstelling van de mens via water, bodem, lucht en het dieet. Het model werd geanalyseerd aan de hand van proefberekeningen met 17 stoffen. De stofeigenschappen bepalen welke van deze routes het meest bijdragen aan de totale blootstelling. De modelanalyse liet tevens zien welke modelonderdelen nog verder kunnen worden verbeterd.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
De bacterie Mycobacterium avium ssp. paratuberculosis (Map) wordt beschouwd als een mogelijke oorzaak van de ziekte van Crohn (morbus Crohn, MC). In samenwerking met Gelre ziekenhuizen heeft het RIVM een onderzoek uitgevoerd naar het voorkomen van Map in darmbiopten van patienten met MC, patienten met Ulcerative Colitis (UC) en controlepersonen zonder darmontsteking. De aanwezigheid van Map in de darmbiopten werd onderzocht met behulp van kweekmethoden, een DNA amplificatiemethode (PCR) en een immunologische detectiemethode (immunoperoxidase kleuring, IP-kleuring). Met de PCR-methode werd Map aangetoond in 7% van de MC-patienten, 8% van de UC-patienten en 5% van de controlepersonen. Met de gecombineerde kweek- en PCR-methoden waren gemiddeld 25% van de MC-patienten, 7% van de UC patienten en 27% van de controlepersonen positief. Met behulp van de IP-kleuring werd Map aangetoond in 20% van de MC-patienten, 13% van de UC-patienten en 29% van de controlepersonen. De resultaten van de kweek- en PCR-methoden tonen geen significant verschil tussen de aanwezigheid van Map in MC-patienten vergeleken met controlepersonen. De resultaten van de IP-kleuring tonen zelfs een hoger percentage Map-positieve controlepersonen vergeleken bij MC-patienten. Onze resultaten tonen duidelijk aan dat Map zowel bij MC-patienten als bij UC-patienten en controlepersonen voorkomt. Naast de aanwezigheid van Map is ook gekeken naar de aanwezigheid van Chlamydia in de biopten. Op grond van IP en in situ hybridisatie kleuringen bleken Chlamydiae in grote aantallen aanwezig te zijn in de biopten van MC- en UC-patienten en nauwelijks aanwezig in de biopten van controle patienten.In conclusie: onze resultaten ondersteunen niet de hypothese dat Map direct betrokken is bij de ziekte van Crohn, maar sluiten ook niet uit dat Map een rol speelt bij het ontstaan van de ziekte van Crohn in een gevoelig deel van de populatie.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Het Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum (NVIC) ontving in 2004 wederom meer informatieverzoeken over acute vergiftigingen dan in 2003 (circa 6% meer). De ruim 35.000 meldingen die in 2004 werden ontvangen betroffen circa 47.000 verschillende blootstellingen. Het NVIC is gespecialiseerd in het snel en adequaat verstrekken van informatie over mogelijke gevolgen en behandeling van patienten die zijn blootgesteld aan lichaamsvreemde stoffen. Het NVIC is hiervoor 24 uur per dag telefonisch bereikbaar voor medici en andere hulpverleners, zoals politie en brandweer. De 24-uurs bereikbaarheid is tevens belangrijk in geval van eventuele rampen en terroristische aanslagen. Het NVIC werd in 2004 over bijna 26.000 overdoseringen met geneesmiddelen geconsulteerd. Hiervan betrof een aanzienlijk deel slaapmiddelen en pijnstillers. Vooral het aantal overdoseringen met middelen die zonder recept verkrijgbaar zijn, zoals de pijnstillers ibuprofen en diclofenac, is fors toegenomen. Daarnaast is bij volwassenen het aantal meldingen over quetiapine, een antipsychoticum, procentueel het sterkst gestegen, met een toename van 73% ten opzichte van 2003. Ondanks de aandacht die het NVIC in 2004 heeft geschonken aan overdoseringen met multi-vitaminepreparaten bij kinderen, steeg het aantal consulten hierover in 2004 met 19% ten opzichte van 2003. Ruim 3.300 consulten gingen over de blootstelling van jonge kinderen aan huishoudmiddelen, waarbij vooral de toename met 76% en 32% van het aantal blootstellingen aan respectievelijk luchtverfrissers en lampolie de aandacht trok. Deze producten kunnen gekleurd zijn en daardoor op limonade lijken, waardoor kinderen zich makkelijk vergissen en er enkele slokken van innemen. Er zijn recent veel reinigingsmiddelen op de markt verschenen die natriumpercarbonaat bevatten. Vanwege de mogelijke gezondheidsrisico's van natriumpercarbonaat heeft het NVIC het beloop van intoxicaties door inname van dergelijke reinigingsmiddelen nader onderzocht. Uit dit onderzoek blijkt dat bij natriumpercarbonaatpercentages van minder dan 10% de gezondheidsrisico's bij inname van deze middelen beperkt zijn en patienten dientengevolge niet in een ziekenhuis opgenomen hoeven te worden. Deze inventarisatie en het onderzoek verricht door het NVIC zijn belangrijk zowel voor de patient, zodat geen onnodige behandeling plaatsvindt, als met het oog op onkostenreductie in de patientenzorg. Ondanks de overheidscampagne om alcoholgebruik bij jongeren terug te dringen, is in 2004 zowel het aantal meldingen over alcoholische drank als het aantal intoxicaties door drugs bij jongeren van 13 t/m 17 jaar sterk toegenomen.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Het Milieu- en Natuurplanbureau en de sector Milieu en Veiligheid van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu presenteren met het boekje 'Fijn stof nader bekeken' de feiten over fijn stof in samenhang. Deze uitgave laat zien wat de stand van zaken is in het fijnstofdossier: wat weten we wel, wat weten we niet, waar zitten de onzekerheden? Aanleiding voor deze uitgave is het huidige maatschappelijke en politieke debat over de gevolgen van de implementatie van het Nederlandse Besluit Luchtkwaliteit, dat gestoeld is op richtlijnen van de Europese Unie. Overschrijdingen van de grenswaarden voor fijn stof komen op grote schaal voor in Nederland. De maatschappelijke gevolgen hiervan zijn ingrijpend, doordat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, zoals woningbouw en infrastructuurprojecten, in het gedrang komen. Aan de andere kant zijn er belangrijke gezondheidseffecten door fijn stof. Het dossier fijn stof is complex en omvat bestuurlijke dilemma's, juridisch bindende grenswaarden, zorgen van burgers, wetenschappelijke onzekerheden en ruimtelijk-economische gevolgen. De vele vragen en de huidige discussies zijn redenen geweest om een wetenschappelijk overzichtsrapport op te stellen over het fijnstofdossier. Deze uitgave bevat geen nieuwe informatie, maar is een samenvatting van bestaande rapporten op het gebied van fijn stof.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
The prevalence of asthma in children: a reversing trend | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Carbon dioxide emissions from non-energy use of fossil fuels: summary of key issues and conclusion from the country analyses | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Retinoid status and responsiveness to 2,3,7,8-tetrachlorodibenzo-p-dioxin (TCDD) in mice lacking retinoid binding protein or retinoid receptor forms | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Genetic variation in the growth hormone synthesis pathway in relation to circulating insulin-like growth factor-I, insulin-like growth factor binding protein-3, and breast cancer risk: results from the European prospective investigation into cancer and nu | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Implementation of the community network of reference laboratories for human influenza in Europe | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
CO2 from non-energy use of fuels: a global, regional and national perspective based on the IPCC Tier 1 approach | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Processing and purity assessment of standards for the analysis of type-B trichothecene mycotoxins | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Werknemers hebben een betere gezondheid dan mensen die niet werken, maar werken kan ook gezondheidsverlies veroorzaken. Ziektelastberekeningen geven een indruk van het gezondheidsverlies door arbeidsomstandigheden. Dit is een nieuwe aanpak in de arbeidshygiene en sluit aan bij het model van de Volksgezondheid Toekomst Verkenningen (VTV). Dit model gaat uit van arbeidsgerelateerde aandoeningen en niet, zoals gebruikelijk in de arbeidshygiene, van de mogelijk gezondheidsbedreigende factoren in de arbeidssituatie. Met ziektelastberekeningen kunnen vragen worden beantwoord als: hoe erg is deze arbeidsomstandigheid in vergelijking met andere gezondheidsrisico's? hoeveel van deze ziektelast kan worden voorkomen? en welke maatregelen leveren de meeste gezondheidswinst op? Dit rapport beschrijft een raamwerk voor het berekenen van de ziektelast van arbeidsomstandigheden. Aan de hand van rugklachten, gehoorstoornissen, stressgerelateerde klachten en klachten van arm, nek en schouder illustreren we de (on)mogelijkheden van berekeningen van de ziektelast van arbeidsgebonden aandoeningen. Van deze vier aandoeningen veroorzaakt slechthorendheid bijvoorbeeld het meeste gezondheidsverlies. Bij slechthorendheid is dus in theorie de meeste gezondheidswinst te behalen. Deze haalbaarheidsstudie, die op verzoek van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is uitgevoerd, laat zien dat berekeningen van de ziektelast van arbeidsomstandigheden via het VTV-model niet alleen bruikbaar maar ook mogelijk zijn, mits extra investeringen worden gedaan.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Dechloromonas hortensis sp. nov. and strain ASK-1, two novel (per)chlorate-reducing bacteria, and taxonomic description of strain GR-1 | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Probiotic bacteria stimulate virus-specific neutralizing antibodies following a booster polio vaccination | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Aflatoxin M1 in milk powders: processing, homogeneity and stability testing of certified reference materials | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Complex mixture toxicity for single and multiple species: proposed methodologies | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Het Landelijk Meetnet Flora Milieu- en Natuurkwaliteit (LMF M&N, kortweg LMF, onderdeel van het Netwerk Ecologische Monitoring) volgt op, naar planning, 10.000 permanente kwadraten de vegetatie in Nederland. Doel van het LMF is ten eerste de effecten van milieudruk op de Nederlandse vegetatie te volgen en, ten tweede, om de veranderingen in de ecologische kwaliteit van de vegetaties te volgen, veelal gerelateerd aan de soortsamenstelling. De vraagstelling in dit rapport is hoe effecten van milieudruk op de vegetatie in indicatoren uitgedrukt kunnen worden. Daartoe is langs een drietal lijnen de indicatiewaarde van de vegetatie onderzocht: Hoe verschillen de huidige indicatiewaarden met een historische vergelijking uit de periode 1900-1950?; doel is om de huidige vegetaties en hun indicatiewaarden in context te zetten; Hoe veranderen de indicatiewaarden van de vegetatie over de huidige stikstofdepositie-gradient? Hoe verandert de biomassa van de vegetatielagen over de huidige depositiegradient? Uit de ontwikkelde indicatoren blijkt dat in de recente situatie de omvang van de vegetatielagen een gevoelige parameter in de hier onderzochte systemen is (het zijn alle relatief arme systemen op zandgronden). De toename van een vegetatielaag hangt direct samen met een toename van de biomassa van die laag, een effect dat gelieerd is aan de voedselverrijking door stikstofdepositie. De geringe veranderingen in Ellenberg-indicatie over de depositiegradient laat zien dat veranderingen in soortsamenstelling (sturende factor achter de verandering van Ellenberg-indicatie) minder gevoelig zijn. De analyse van veranderingen ten opzichte van een historische situatie laat wel degelijk veranderingen in soortsamenstelling zien. Op de arme zandgronden van de open duinen en op de heide zijn twee trends te zien, ten eerste een toename van soorten van voedselrijkere standplaatsen en ten tweede een toename van soorten met een bredere tolerantie voor zuur. Daarbij zijn de soorten met een brede zuurtolerantie ook soorten die bevoordeeld worden door voedselverrijking, namelijk grassen als pijpestrootje en duinriet.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Endogenous occurrence of some anabolic steroids in swine matrices | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Polio in 2004: de dynamiek van een verdoemd virus | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Poxviridae en de volksgezondheid | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
SOA nemen opnieuw toe: voorlopige cijfers 2004 | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Interventiedilemma's bij grieppaniek | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Risicobeheersing van Campylocbacter-infecties via kuikenvlees in Nederland | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
MRSA in de openbare gezondheidszorg | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Toepassing van antivirale middelen bij influenza-uitbraken in verpleeghuizen in het influenzaseizoen 2004-2005 | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Nationale MRSA-surveillance nieuwe stijl: de resultaten na een half jaar | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Twee explosies van zwemmersjeuk in de zomer van 2004 | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Trends in gastro-enteritis van 1996 tot en met 2004 | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Stijging in meldingen acute hepatitis C door LGV-uitbraak? | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Rijksvaccinatieprogramma nog altijd zeer effectief | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Zo rauw hadden ze het niet gegeten, maar wel gedronken. Escherichia coli O157 en/of Campylobacter | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Uitspraak Raad van State van belang voor vrijwillige surveillancesystemen | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
De naoorlogse geschiedenis van salmonellose an ders dan (para)tyfus in Nederland | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Chronische hepatitis B infecties in Nederland: een overzicht van 2001-2003 | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Veel uitbraken van gastro-enteritis door norovirus veroorzaakt door een neiuwe GGII.4-variant | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Rubella-epidemie in Nederland | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Aangifte acute hepatitis B in 2003. Aandeel van heteroseksuelen neemt toe | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
BMR-vaccinatie en autisme | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Gebruik van antibiotica in Nederland het laagste van Europa | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Legionella-besmetting op een vakantiepark | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Aangifte acute hepatitis B in 2004. Aandeel mannen neemt toe | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Inactivatie van calicivirussesn: maatregelen in geval van een norovirusbesmetting | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Norovirusuitbraak op een internationale jamboree | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Ervaringen van GGD-artsen met influenza in verpleeg- en verzorgingshuizen in het influenzaseizoen 2004-2005 | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Surveillance van respiratoire infectieziekten in 2004/2005 | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Mogelijkheden voor internationale samenwerking bij de bestrijding van LGV in Europa | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
De naoorlogse geschiedenis van Yersinia enterocolitica in Nederland | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Residential environment and health: a review of methodological and conceptual issues | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
CO2 from non-energy use of fuels: a global, regional and national perspective based on the IPCC Tier 1 approach | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Guidance on setting of acute reference dose (ARfD) for pesticides | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Validity and validation of expert (Q)SAR systems | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Plasma carotene and alpha-tocopherol in relation to 10-y all-cause and cause-specific mortality in European elderly: the Survey in Europe on Nutrition and the Elderly, a Concerted Action (SENECA) | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Rat strains differ in antibody response to natural Haemophilus species infection | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Averechtse effecten van schijnbaar duurzame oplossingen | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Mixed plaques: Statistical evidence how plaque assays may underestimate virus concentrations | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Biowaiver monographs for immediate release solid oral dosage forms: ibuprofen | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Impact of toxicants on species composition of aquatic communites: concordance of prediction and field observations | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
A structured expert judgment study for a model of Campylobacter transmission during broiler-chicken processing | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Pertussis sources of infection and routes of transmission in the vaccination era | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Human-to-human transmission of avian influenza a/H7N7, The Netherlands, 2003 | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Quantitative risk assessment of FMD virus transmission via water | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
A poultry-processing model for quantitative microbiological risk assessment | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Can we fix it? Yes we can! but what? A new test of procedural invariance in TTO-measurement | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Economic valuation of informal care: the contingent valuation method applied to informal caregiving | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
A cross-national perspective on cost of illness: a comparison of studies from The Netherlands, Australia, Canada, Germany, United Kingdom, and Sweden | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Electronic reporting improves timeliness and completeness of infectious disease notification, The Netherlands, 2003 | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
De ongunstige ontwikkeling in beweeggedrag en overgewicht van de afgelopen jaren kan gedeeltelijk worden gekeerd door intensief interventiebeleid. De kosten hiervan zijn hoog, maar de gezondheidswinst weegt daar tegenop. De kosten per gewonnen levensjaar zijn omstreeks 6000 euro, rekening houdend met kosten in gewonnen levensjaren, en liggen daarmee onder de maatschappelijk aanvaarde grens. Het doel van dit onderzoek was de inrichting en ambities van het Nationaal Actieplan Sport en Bewegen te onderbouwen. Dit actieplan wil het Ministerie van Volksgezondheid Welzijn en Sport vanaf 2006 gaan uitvoeren om lichamelijke activiteit in Nederland te bevorderen. Het onderzoek is uitgevoerd op basis van literatuuronderzoek, meer dan tachtig interviews met (inter)nationale experts en een vergelijking met actieplannen in andere landen. Allereerst werden belangrijke randvoorwaarden voor succesvol beweegbeleid geidentificeerd. Het moet een geintegreerde aanpak zijn die door meer partijen wordt uitgevoerd en bestaat uit een mix van interventiemaatregelen voor verschillende doelgroepen. Voldoende budget en goede coordinatie zijn hierbij vereist, ook ten aanzien van verder wetenschappelijk onderzoek. Vervolgens werd een realistisch beleidsdoel voor beweeggedrag vastgesteld op grond van twee interventiemaatregelen met bewezen effecten, namelijk een wijkgerichte benadering en een intensief leefstijlprogramma. Het is realistisch om een daling in het percentage inactieven na te streven van een tot twee procentpunten over vijf jaar. Daarnaast kan het percentage overgewicht dan dalen met een tot drie procentpunten. Het behalen van deze beleidsdoelen voorkomt duizenden ziektegevallen in de komende twintig jaar. Voorwaarde is dan wel het grootschalig inzetten van effectieve interventiemaatregelen. De kosten per gewonnen levensjaar bedragen omstreeks 6000 tot 6500 euro en per 'voor kwaliteit van leven gecorrigeerd' levensjaar (QALY) omstreeks 5600 tot 6100 euro.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
De medische kosten van alle ziekten die kunnen optreden in gewonnen levensjaren dienen te worden meegenomen in kosten effectiviteit analyses als ook de effecten van de medische zorg voor alle ziekten in gewonnen levensjaren worden meegenomen. In kosten effectiviteit analyses van primaire preventie worden vaak alleen de medische kosten van direct gerelateerde ziekten meegenomen. Bij kosten effectiviteit analyses van stoppen met roken interventies worden bijvoorbeeld wel de besparingen dankzij de vermeden kosten van longkanker meegenomen maar niet de medische kosten van een heupfractuur die iemand kan oplopen in zijn extra levensjaren. Dit is niet consistent als de winst in levensjaren dankzij de behandeling van de heupfractuur wel wordt meegenomen in de kosten effectiviteit analyse. Een van de toepassingen van het RIVM Chronische Ziekten Model (CZM) is het schatten van de kosten effectiviteit van interventies gericht op het verbeteren van de volksgezondheid in Nederland. De centrale vraagstelling van dit rapport is hoe we in kosten effectiviteit analyses met het CZM omgaan met de medische kosten en gezondheidseffecten van ziekten die zijn opgelopen in extra levensjaren. Met het CZM is het mogelijk om de medische kosten in gewonnen levensjaren in kosten effectiviteit analyses mee te nemen. Op basis van inzichten uit de recente economische literatuur concluderen wij dat de medische kosten van alle ziekten die kunnen optreden in extra levensjaren dienen te worden meegenomen als de effecten van de medische zorg in gewonnen levensjaren niet zijn te scheiden van de effecten van de interventie.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Nanotechnologie is een uitermate krachtige, opkomende technologie die op dit moment al toegepast wordt en in de toekomst een aanzienlijke invloed zal hebben op de medische technologie. Innovatieve nanomedische toepassingen kunnen de gezondheidszorg op fundamentele wijze veranderen, omdat er nieuwe mogelijkheden beschikbaar komen voor diagnose, behandeling en preventie van ziekte. Verder kunnen behandelmethodes in toenemende mate precies op maat worden gemaakt gebruikmakend van het profiel van de patient. Dit rapport geeft een overzicht van de "state-of-the-art" op het gebied van veelbelovende nanotechnologische ontwikkelingen in de medische technologie. Met name worden relevante toepassingen besproken in chirurgie, diagnose en behandeling van kanker, bepaling van ziekte-specifieke stoffen in het lichaam, beeldvormende technieken, implantaten, tissue engineering en toediening van geneesmiddelen, eiwitten, genen en radionucliden. Veel toepassingen van nanotechnologie in de medische technologie staan nog in de kinderschoenen. Een toenemend aantal producten wordt echter momenteel onderzocht in klinische studies en sommige zijn al commercieel verkrijgbaar, waaronder chirurgische mesjes en hechtnaalden, contrastmiddelen voor beeldvorming met magnetische resonantie, botvervangende materialen, wondbehandelingsproducten, antimicrobieel textiel, chips voor in vitro moleculaire diagnostiek, "microcantilevers" en micronaalden.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Er is te weinig kennis over de toxicologische risico's van nanotechnologische producten, terwijl deze al wel op de markt verschijnen. Het verkleinen van structuren tot nano-niveau resulteert in het ontstaan van andere eigenschappen dan men alleen op grond van de chemische samenstelling zou verwachten. Ook de afmeting blijkt namelijk een belangrijke parameter voor de toxiciteit van deeltjes te zijn. Op grond van deze conclusies wordt sterk aanbevolen om, bij voorkeur op Europees niveau, specifieke richtsnoeren te ontwikkelen voor de veiligheidsevaluatie van nanotechnologie toepassingen in het veld van de medische technologie. Daarnaast wordt de noodzaak voor verder onderzoek op het gebied van de nanotoxicologie duidelijk vastgesteld.Voor toepassingen waarbij de nanostructuren vastzitten op het oppervlak of in het materiaal, zijn de risico's naar verwachting minimaal, zolang ze niet uit het materiaal kunnen vrijkomen. Voor toepassingen van vrije nanodeeltjes of nanostructuren, zoals bijvoorbeeld in bepaalde "drug delivery" systemen, moeten de specifieke toxicologische eigenschappen expliciet onderzocht worden. Het is onvoldoende om te vertrouwen op de basiskennis over toxiciteit van materialen en stoffen wanneer de risico's van nanodeeltjes en/of nanostructuren moeten worden beoordeeld.Volgens de regelgeving voor medisch technologische producten is een fabrikant verplicht een risicomanagementstrategie te hanteren. Ook voor producten waarbij nanotechnologie wordt toegepast is dit voldoende, mits fabrikanten, aangewezen instanties en overheden zich bewust zijn van de noodzaak om een specifieke (nano)toxicologische risicobeoordeling uit te voeren.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Genomic polymorphisms for Mycobacterium avium subsp. paratuberculosis diagnostics | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Monitoring metal speciation in the rivers Meuse and Rhine using DGT | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Age-specific long-term course of IgG antibodies to pertussis toxin after symptomatic infection with Bordetella pertussis | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Transcription-coupled repair: impact on UV-induced mutagenesis in cultured rodent cells and mouse skin tumors | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
4-Aminobiphenyl-hemoglobin adducts and risk of smoking-related disease in never smokers and former smokers in the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition prospective study | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Differentiating future commitments on the basis of countries' relative historical responsibility for climate change: uncertainties in the 'Brazilian proposal' in the context of a policy implementation | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Acid resistance variability among isolates of Salmonella enterica serovar Typhimurium DT104 | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Phylogenetic analysis of encapsulated and non-encapsulated Trichinella species by studying the 5S rDNA tandemly repeated intergenic region | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Do HIV disease progression and HAART response vary among injecting drug users in Europe? | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
A reconsideration of the Campylobacter dose-response relation | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Abatement costs of post-Kyoto climate regimes | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Critical steps in the production of polyclonal and monoclonal antibodies: evaluation and recommendations | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Pijn bij kinderen door vaccinatie: kunnen en moeten we er wat aan doen? Een overzicht van de literatuur en aanbevelingen voor de praktijk | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Introduction: laboratory animals and immunization procedures: challenges and opportunities | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Well-defined and potent liposomal meningococcal B vaccines adjuvated with LPS derivatives | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Characterization of genetic and phenotypic diversity of invasive nontypeable Haemophilus influenzae | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Multi-antigen immunization using IgG binding domain ZZ as carrier | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Working mechanism of immunoglobulin A1 (IgA1) protease: cleavage of IgA1 antibody to Neisseria meningitidis PorA requires de novo synthesis of IgA1 Protease | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Refinement of polyclonal antibody production by combining oral immunization of chickens with harvest of antibodies from the egg yolk | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Vergiftigingen | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Effects of particulate matter on the pulmonary and vascular system: time course in spontaneously hypertensive rats | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Real-time polymerase chain reaction to diagnose lymphogranuloma venereum [Letter to the editor] | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Syndromic approach to West Nile virus: the Netherlands 2002-2003 | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
The plasminogen activator inhibitor-1 (PAI-1) promoter haplotype is related to PAI-1 plasma concentrations in lean individuals | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Inactivation of RAD52 aggravates RAD54 defects in mice but not in Schizosaccharomyces pombe | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Dietary patterns among older Europeans: the EPIC-elderly study | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Traveling reference spectroradiometer for routine quality assurance of spectral solar ultraviolet irradiance measurements | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Reduction strategies in animal research: a review of scientific approaches at the intra-experimental, supra-experimental and extra-experimental levels | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Numerical abundance and biodiversity of below-ground taxocenes along a pH gradient across the Netherlands | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Adipose gene expression patterns of weight gain suggest counteracting steroid hormone synthesis | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Aircraft and road traffic noise and children's cognition and health: a cross-national study | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Probiotic effects of Lactobacillus casei on DSS-induced ulcerative colitis in mice | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
The fall of the water. Emerging threats to the water resources and biodiversity at the roof of the world to Asia's lowland from land-use changes associated with large-scale settlement and piecemeal development | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Transmission dynamics of Echinococcus multilocularis; its reproduction number, persistence in an area of low rodent prevalence, and effectiveness of control | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Year-round screening of noncommercial and commercial oysters for the presence of human pathogenic viruses | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Effect size estimates of lifestyle and dietary changes on all-cause mortality in coronary artery disease patients: a systematic review | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Numerical abundance and biodiversity of below-ground taxocenes along a pH gradient across the Netherlands | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Global spread of vancomycin-resistant Enterococcus faecium from distinct nosocomial genetic complex | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Beta2-adrenergic receptor polymorphisms and salbutamol-stimulated energy expenditure | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Biowaiver monographs for immediate release solid oral dosage forms: Ranitidine hydrochloride | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Pulsed-field gel electrophoresis analysis of Bordetella pertussis populations in various European countries with different vaccine policies | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Infarcts in the posterior circulation territory in migraine. The population-based MRI CAMERA study | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Probabilistic risk characterization: an example with di(2-ethylhexyl) phthalate | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
The FAIR model: a tool to analyse environmental and costs implications of regimes of future commitments | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
The impact of the hyperacid Ijen Crater Lake: risks of excess fluoride to human health | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Tuberculosis control in the era of HIV | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Age at menarche in relation to adult height: the EPIC study | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Characterization of model error in a simulation of fine particulate matter exposure distributions of the working age population in Helsinki, Finland | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Mechanisms of hexachlorobenzene-induced adverse immune effects in brown norway rats | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Er zijn in Nederland weinig gegevens over de inneming van voedingsstoffen of mogelijk schadelijke stoffen uit voedingssupplementen. Reden tot zorg over een grootschalige excessieve inneming van vitamines en mineralen lijkt echter niet nodig. Voor de toekomst wordt aanbevolen om gegevens over het gebruik van voedingssupplementen te verzamelen binnen het voedingspeilingsysteem en een databestand bij te houden van de samenstelling van beschikbare supplementen. Met deze gegevens kan nagegaan worden in hoeverre gebruik van voedingssupplementen mogelijke tekorten in de voeding aanvult, dan wel leidt tot excessieve inneming van voedingsstoffen of mogelijk schadelijke stoffen. In dit rapport zijn gegevens over voedingssupplementgebruik samengebracht uit de Nederlandse voedselconsumptiepeilingen en uit de diverse monitoring en cohortonderzoeken van na 1998. Verschil in onderzoekmethoden en ontbrekende informatie van de dosering maken vergelijkbaarheid van de gegevens lastig. Het percentage supplementgebruikers lijkt toe te nemen, vrouwen gebruiken vaker supplementen dan mannen en het gebruik van supplementen is hoger bij toenemend opleidingsniveau. Ongeveer de helft van de supplementgebruikers beperkt zich tot een supplement per dag. Er lijkt geen reden tot bezorgdheid te zijn voor overschrijding van aanvaardbare maxima aan voedingsstofinneming, hoewel dit voor een klein deel van de supplementgebruikers ook niet kan worden uitgesloten. Voor monitoringdoeleinden wordt aanbevolen om supplementgebruik in detail na te gaan voor enkele specifieke dagen waarover ook de voedselconsumptie wordt nagevraagd, aangevuld met informatie uit een frequentievragenlijst om ooit- en nooit-gebruikers te kunnen onderscheiden. Bovendien is een up-to-date databestand nodig van de samenstelling van beschikbare supplementen.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
A comparison of global spatial distributions of nitrogen inputs for nonpoint sources and effects on river nitrogen export | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Op verzoek van de Gezondheidsraad heeft het RIVM onderzoek gedaan naar de samenhang tussen ziekten, beperkingen en maatschappelijke participatie. De uitkomsten van dit onderzoek laten er weinig twijfel over bestaan dat ziekte de deelname aan het maatschappelijke leven flink vermindert. Dit hangt vooral samen met functionele beperkingen die gepaard gaan met ziekten. Zo neemt het verrichten van vrijwilligerswerk sterk af bij die aandoeningen die de mobiliteit aantasten, zoals een beroerte of aandoening van het bewegingsapparaat. Vaak gaat echter de persoonlijke betrokkenheid bij de samenleving wel door. Mensen met een psychische aandoening participeren het minst. Dit geldt bovendien voor alle vormen van participatie, ook voor bijvoorbeeld het onderhouden van contacten. Epidemiologische verkenningen laten een toename zien van chronische ziekten, waarmee in principe ook mogelijkheden voor participatie verminderen. Deze toename van aandoeningen lijkt echter niet iin op iin gepaard te gaan met een toename van beperkingen. Kennelijk slaagt men er steeds beter in beperkingen terug te dringen. Als deze trend doorzet, verbeteren tegelijkertijd de participatiemogelijkheden van ouderen en chronisch zieken. Voor dit onderzoek is gebruik gemaakt van drie onderzoeken bij ouderen van 55 jaar en ouder: het 'Aanvullend Voorzieningengebruik Onderzoek' van het Sociaal en Cultureel Planbureau, de 'European Study of Adult Well-being' van de UvA, en de 'Longitudinal Ageing Study Amsterdam' van de VU. Deze onderzoeken bevatten zowel informatie over ziekten en beperkingen als over maatschappelijke participatie. Bij maatschappelijke participatie gaat het om persoonlijke betrokkenheid bij de samenleving (zoals recreatieve en culturele activiteiten), en om participatie met een direct maatschappelijk nut (zoals betaalde arbeid en vrijwiligerswerk).
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
De Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) zoekt naar nieuwe en efficientere manieren van toezicht op zorginstellingen, waaronder ook openbare apotheken. In dat kader wordt een beslissingsondersteunend risicomodel ontwikkeld, waarmee de IGZ die apotheken kan detecteren waar de kans op risico's voor de gezondheid van de patient het grootst is, en waar zij dus haar toezicht op moet richten. In dit onderzoek is bekeken of er kenmerken met betrekking tot de werkwijze en organisatie van openbare apotheken te vinden zijn die samenhangen met de mate waarin zij een tiental risicovolle combinaties van geneesmiddelen afleveren. Aflevering van risicovolle combinaties van geneesmiddelen zegt namelijk iets (maar overigens niet alles) over de medicatieveiligheid in openbare apotheken. In een steekproef van 246 apotheken is over een bepaalde periode het aantal afleveringen van deze 10 combinaties bepaald. Dit is afgezet tegen een groot aantal proces- en structuurkenmerken dat door middel van een internet-enquete onder de betreffende apotheken is verzameld. Slechts voor een van de 10 combinaties werden significante verbanden gevonden tussen ongewenste aflevering en proces- en structuurkenmerken. Men name kenmerken omtrent de organisatie van medicatiebewaking en de afhandeling van bewakingssignalen hebben een voorspellende waarde. Daarmee vormen deze kenmerken voor de inspectie bruikbare risico-indicatoren bij het bepalen van haar toezichtstrategie ten aanzien van openbare apotheken.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
De Nederlandse markt is de afgelopen jaren overspoeld met vervalsingen van Viagra. en Cialis. Beide producten worden gebruikt voor de behandeling van erectiestoornissen. Dit rapport gaat over een trendanalyse van deze vervalsingen over de jaren 2000 - 2004. Ook de risico's van deze producten voor de volksgezondheid zijn geinventariseerd en beschreven. De volgende conclusies zijn getrokken: Er is een trend naar producten, die andere actieve verbindingen bevatten dan sildenafil en tadalafil (de verbindingen, die in Viagra en Cialis zitten). Er is een trend naar het toevoegen van (onbekende) actieve verbindingen aan kruidenproducten. Vervalsingen zijn een risico voor de volksgezondheid: ze worden geproduceerd zonder adequate kwaliteitscontrole; ze misleiden de gebruiker wat betreft de fabrikant en de samenstelling. Het risico voor de volksgezondheid is veel groter als er onbekende, chemische verbindingen aan kruidenproducten worden toegevoegd. Van deze verbindingen zijn de werking en bijwerking niet bekend. Bovendien worden kruidenproducten vaak gezien als natuurlijk en dus ongevaarlijk. Om in de toekomst trends en nieuwe risico's te kunnen vaststellen moeten de legale en illegale markt voortdurend gevolgd worden door monsters te analyseren. De trendanalyse en de risico-inventarisatie zijn gebaseerd op de analyseresultaten van circa 400 monsters. Deze monsters zijn door de overheidsinspecties ingezonden voor chemische analyse. De monsters geven inzicht in de ontwikkelingen van de illegale markt, maar zijn daar mogelijk geen representatieve afspiegeling van.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Het nut van biodiversiteit in de diepere ondergrond | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Crystal structure of an Anti-meningococcal subtype P1.4 PorA antibody provides basis for peptide-vaccine design | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Effects of antibiotics on soil microorganisms: time and nutrients influence pollution-induced community tolerance | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Increased vaccine efficacy against tuberculosis of recombinant Mycobacterium bovis bacille Calmette-Guerin mutants that secrete listeriolysin | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Community-acquired pathogens associated with prolonged coughing in children: a prospective cohort study | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Erythromycin resistance in the commensal throat flora of patients visiting the general practitioner: a reservoir for resistance genes for potential pathogenic bacteria | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Pathogen adaptation under imperfect vaccination: implications for pertussis | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Process utility from providing informal care: the benefit of caring | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Prevalence of drug-resistant HIV-1 variants in untreated individuals in Europe: implications for clinical management | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
An approach to estimate between- and within-group correlation coefficients in multicenter studies: plasma carotenoids as biomarkers of intake of fruits and vegetables | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Serum sex steroids in premenopausal women and breast cancer risk within the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition (EPIC | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Multi-element analyses of earthworms for radioecology and ecotoxicology | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
The use of nematodes in ecological soil classification and assessment concepts | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Legislation and ecological quality assessment of soil: implementation of ecological indication systems in Europe | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
The ecological classification and assessment of soils | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Ecological classification and assessment concepts in soil protection | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Are existing global scenarios consistent with ecological feedbacks? | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
DNA adducts and lung cancer risk: a prospective study | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
The use of microorganisms in ecological soil classification and assessment concepts | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Status and outlook of ecological soil classification and assessment concepts | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Verschillen in methoden van gegevens verzamelen blijken te leiden tot verschillen in uitkomstmaten. Deze bevinding, beschreven in dit rapport, vormt de basis voor een advies voor uniforme gegevensverzameling door GGD'en. In het project "Lokale en Nationale Monitor Volksgezondheid" worden lokaal verzamelde gegevens samengevoegd om landelijke referentiecijfers over gezondheid en leefstijlfactoren te verkrijgen. GGD'en gebruiken echter verschillende methoden van gegevensverzameling en de vraag is in hoeverre de verzamelde gegevens vergelijkbaar zijn en samengevoegd mogen worden. Met behulp van literatuuronderzoek, data-analyses en overleg met deskundigen is onderzocht wat het effect is van verschillen in de steekproeftrekking, non-respons, seizoen waarin gemeten is en de manier van enqueteren op de uitkomsten. Tevens is bestudeerd hoe met deze verschillen omgegaan kan worden. Verschillen in de grootte van de steekproef hebben geen invloed op de vergelijkbaarheid van uitkomsten. Non-respons beinvloedt de uitkomsten alleen als bepaalde groepen van de bevolking vaker meedoen dan andere. In dit geval kan de representativiteit van de respondenten voor de populatie vergroot worden door te wegen naar factoren die samenhangen met zowel respons als de uitkomstmaten, zoals leeftijd, geslacht, burgerlijke staat en urbanisatiegraad. Voor zowel seizoen als manier van enqueteren geldt dat gegevens niet vergelijkbaar zijn wanneer de methode verschilt. In de zomer werd namelijk een betere gezondheid en een gezondere leefstijl gerapporteerd dan in de winter. Verder rapporteerden mensen die een enquete via internet invulden een ongezondere leefstijl dan mensen die dat schriftelijk deden.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Considerations for the use of soil ecological classification and assessment concepts in soil protection | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Effect of climate changes on waterborne disease in The Netherlands | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
De praktische uitvoerbaarheid van de Kaderrichtlijn Water kan verbeterd worden. Er zouden bijvoorbeeld meer expliciete verbanden gelegd kunnen worden tussen de Kaderrichtlijn en overige Europese wetgeving. Er is op dit moment namelijk geen overzicht van de mogelijkheden die Europese wetgeving biedt voor het nemen van emissiereducerende maatregelen. Daarom is er een selectie gemaakt van Europese wetgeving die daarvoor van belang kan zijn. Er wordt aanbevolen een Europese handreiking te ontwikkelen met verwijzingen naar wetgeving die ingezet kan worden voor het nemen van maatregelen. Lidstaten kunnen zo beter aan hun Europese verplichtingen voor de Kaderrichtlijn Water voldoen. Het ontwikkelen van nieuwe of aanpassen van bestaande wetgeving kan leiden tot specifieke maatregelen. Voor een actieve rol daarin is inzicht in de achtergrond van de verschillende betrokken partijen essentieel.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Analysis of the energy requirement for household consumption | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Bedrijven met aanzienlijke hoeveelheden gevaarlijke stoffen, zoals ammoniak, moeten een risicoanalyse maken voor de externe veiligheid. In deze analyse wordt berekend wat de risico's voor de omwonenden zijn ten gevolge van een mogelijk ongeval bij het bedrijf. De resultaten van de risicoanalyse worden vergeleken met de risiconormering en hieruit wordt een acceptabele afstand tussen het bedrijf en de omwonenden bepaald.In Nederland is een groot aantal ammoniakkoelinstallaties in gebruik. Om te voorkomen dat voor elke installatie afzonderlijk een risicoanalyse moet worden gemaakt, zijn voor een aantal representatieve installaties berekeningen uitgevoerd en is een afstandentabel samengesteld. Voor de meest voorkomende ammoniakkoelinstallaties worden nu geen aparte risicoberekeningen meer uitgevoerd, maar wordt de acceptabele afstand tot woningen uit de tabel afgelezen. De afstandentabel is opgesteld voor een ammoniakkoelinstallatie met maximaal 10.000 kg systeeminhoud, die voldoet aan de CPR richtlijnen en met een beperkt pompdebiet (minder dan 2 kg/s). Het externe veiligheidsrisico wordt voornamelijk bepaald door de onderdelen van de installatie die buiten liggen. Daarom is er onderscheid gemaakt in verschillende typen installaties, afhankelijk van de onderdelen van de installatie die buiten zijn opgesteld. De resultaten van de berekeningen laten zien dat de acceptabele afstand tussen een ammoniak koelinstallatie en woningen varieert van nul meter voor een kleine installatie die volledig in een machinekamer is opgesteld tot 95 meter voor een grote installatie die volledig buiten is opgesteld.De resultaten van de berekeningen zijn opgenomen in de Regeling Externe Veiligheid Inrichtingen (Staatscourant 23 september 2004, nr 183).
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Development of an in vitro assay to assess pertussis toxin in acellular pertussis vaccines | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Investering in de continuiteit van databronnen is essentieel om bruikbare informatie te verkrijgen en te behouden over indicatoren op het gebied van preventie. Dit blijkt uit een studie over 138 indicatoren die gebruikt zullen worden in producten van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, zoals beleidsnota's. In opdracht van het ministerie heeft het centrum voor Volksgezondheid Toekomst Verkenningen van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) getoetst of databronnen bruikbare informatie leveren over deze indicatoren. Hiertoe is informatie uit databronnen beoordeeld op drie criteria: representativiteit, validiteit en continuiteit. Op grond van deze criteria is geconcludeerd of de databron al dan niet bruikbare informatie geeft over de indicator. Voor ongeveer tweederde van de 138 indicatoren bestaat een databron die bruikbare informatie geeft over een indicator. De bruikbaarheid van de informatie komt het vaakst in het geding door problemen met de continuiteit: de informatie komt uit een eenmalige bron, de voortgang van de bron is niet gewaarborgd of de informatie is niet consistent gemeten over de tijd. Investering in de continuiteit door het ministerie lijkt nodig te zijn om bruikbare informatie over de indicatoren te garanderen.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Bij screening van pasgeborenen voor aangeboren stofwisselingsziekten wordt in een bloedmonster, verkregen via de hielprik en opgevangen op filtreerpapier, een aantal bloedcomponenten gemeten. Veelal wordt gebruik gemaakt van commercieel verkrijgbare reagentia sets. De fabrikanten kalibreren hun reagentia sets vaak met hun eigen kalibratoren. Bovendien zijn er in de wereld meerdere filtreerpapiersoorten in gebruik, met verschillen in specificaties. Door deze beide oorzaken zijn de uitslagen van verschillende screeningslaboratoria vaak niet goed vergelijkbaar. Dit bemoeilijkt de evaluatie van zulke screeningsprogramma's. De International Society for Neonatal Screening (ISNS) heeft eerder goede ervaringen opgedaan met het laten bereiden van referentiematerialen in filtreerpapierbloed en het overreden van fabrikanten om deze materialen te gebruiken als maatstaf. In 2004 heeft de ISNS aan het RIVM verzocht om een gecombineerd referentiemateriaal te maken voor filtreerpapierbloed met bekende concentraties aan thyrotropine, 17alpha-hydroxyprogesteron, en phenylalanine, merkstoffen die van belang zijn voor de screening op stoornissen in de schildklier, bijnier, respectievelijk eiwitmetabolisme. In dit rapport is de bereiding en evaluatie van dit referentiemateriaal beschreven.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
De gegevens in oude voedingsmiddelentabellen zijn minder betrouwbaar doordat laboratoriumbepalingen voor sommige voedingsstoffen in het verleden niet mogelijk waren of onnauwkeuriger waren dan tegenwoordig. Voor trendanalyses op basis van voedselconsumptieonderzoek in de Zutphen Studie wordt geadviseerd de in deze studie verbeterde voedingsmiddelentabel voor de periode 1960-1970 te gebruiken. Dit rapport beschrijft de samenstelling van een verbeterde voedingsmiddelentabel voor het uitvoeren van trendanalyses. De meest geconsumeerde producten in de Zutphen Studie zijn beoordeeld op hun samenstelling wat betreft totaal eiwit, totaal vet, verzadigd vet, enkelvoudig en meervoudig onverzadigd vet, eicosapentaeenzuur, docosahexaeenzuur, totaal koolhydraten, voedingsvezel en alcohol. De methode die Stichting Nederlands Voedingsstoffenbestand heeft gebruikt voor het samenstellen van tijdspecifieke voedingsmiddelentabellen is hierbij als referentie gebruikt. Over het algemeen is de inname van energie en voedingsstoffen hoger geworden vergeleken met de oorspronkelijke voedingsstofinname, behalve voor de inname van enkelvoudig onverzadigd vet, eicosapentaeenzuur, voedingsvezel en alcohol. Voor trendanalyses in de Zutphen Studie is het dan ook van belang om de verbeterde voedingsmiddelentabel te gebruiken. De rangordening van de deelnemers aan de Zutphen Studie van lage naar hoge inneming van voedingsstoffen verandert echter nauwelijks, waardoor het gebruik van de verbeterde voedingsmiddelentabel weinig invloed heeft op het bestuderen van de relatie tussen voeding en ziekten in de Zutphen Studie.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Voor de Nederlandse bevolking is de stralingsdosis door lozingen van radioactieve stoffen door de procesindustrie fors afgenomen tussen 1994 en 2000. Vooral de gerapporteerde lozingen in water vertonen een sterke daling, mede door sluitingen van twee kunstmestfabrieken in 1999 en 2000. Echter, vanaf 2000 zien we een lichte stijging van de collectieve dosis. Ook is de beroepsmatige blootstelling binnen de procesindustrie onderzocht met behulp van de gegevens uit het Nationaal Dosisregistratie en Informatiesysteem (NDRIS). De dosis door inhalatie kan voor de onderzochte personen binnen de bedrijfstak dikwijls boven de 1 mSv per jaar liggen. Een overschrijding van de limiet van 6 mSv per jaar is echter niet gevonden.Het overheidsbeleid om lozingen in water te beperken heeft ertoe geleid dat bedrijven in nieuwe waterzuiveringssystemen hebben geinvesteerd. Ook is de invloed van het stralingsbeleid zichtbaar bij de inkoop van grondstoffen. Zo houdt een bedrijf bij inkoop rekening met de compositie van de in de grondstoffen van nature aanwezige radionucliden. Deze keuze wordt uiteraard mede bepaald door beschikbaarheid en de kosten van dergelijke grondstoffen.De in dit rapport bepaalde doses zijn berekend met een ketenmodel (van bron tot effect). Dit model is hiervoor verder ontwikkeld. Duidelijk is geworden dat de huidige dosisschattingen gebruikmakend van het ketenmodel goed overeenkomen met de dosisschattingen gebaseerd op de metingen. Ook is aangetoond dat de jaardosis op een bepaalde locatie nabij de bron tot 25% wordt beinvloed door de jaarlijkse variatie in het weer.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Dit rapport beschrijft het informatiesysteem genaamd Platform voor Integrale Energie- en emissieverkenningen (PIE). Omdat het RIVM en ECN een grote overlap hebben op het terrein van energie en emissies werken zij gezamenlijk aan de ontwikkeling en het gebruik van het Platform voor Integrale Energie- en emissieverkenningen. PIE dient bij te dragen aan enerzijds het vastleggen van gezamenlijke informatie en anderzijds aan flexibeler, sneller en inzichtelijker beantwoorden van beleidsvragen. Dit rapport geeft allereerst een beschrijving van de historie en het doel van PIE. Vervolgens wordt het conceptuele model uitgelegd. De toepassing van het conceptuele model in Excel en de daarmee samenhangende rekenregels worden toegelicht en als laatste wordt afgesloten met een beschrijving van de te nemen vervolgstappen.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Emissiescenariodocumenten zijn documenten waarin industriele processen worden beschreven die het mogelijk maken om de uitstoot naar het milieu te schatten. Dergelijke documenten ontbreken nog voor de chemische industrie. Voor deze complexe tak van de industrie worden de sectoren geidentificeerd en geprioriteerd waarvoor emissiescenariodocumenten het dringendst gewenst zijn. Diverse handvatten en concepten die bij de ontwikkeling van dergelijke documenten van groot nut kunnen zijn, zoals de verschillende stadia van de levenscyclus, factoren die de uitstoot bepalen en methoden voor het kwantificeren van emissies, worden gepresenteerd. Als zodanig, zullen deze het startpunt vormen voor de ontwikkeling van ESD'en voor de chemische industrie, gecoordineerd door onder andere de taakgroep 'Environmental Exposure' van de OESO.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Het opbouwen en afsteken van vuurwerk voor shows kan veiliger, blijkt uit dit onderzoek. Een zorgvuldige selectie van materialen speelt hierin een rol. Ook het aanpassen van werkwijzen kan de risico's verkleinen, zowel voor degenen die het vuurwerk afsteken als voor de toeschouwers. Deze maatregelen worden echter niet in Nederlandse regelgeving voorgeschreven, terwijl dit in andere landen vaak wel het geval is. Verder zouden ongewone voorvallen en incidenten beter kunnen worden gemeld en vastgelegd. Daardoor kunnen degenen die vuurwerk afsteken hiervan leren en beter worden opgeleid. Voor het verhogen van de veiligheid is het van belang dat de overheid het met de branche eens wordt over de belangrijkste risico's. Daarna kan de branche zelf of samen met de overheid overgaan tot het vaststellen van maatregelen
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Onderzoek werd verricht naar de beschikbaarheid en kwaliteit van de technische documentatie (dossier) van medische hulpmiddelen. Fabrikanten van medische hulpmiddelen zijn verplicht om documentatie beschikbaar te hebben die voldoet aan de bepalingen in de Europese Richtlijn Medische Hulpmiddelen (MDD). Voor toegang tot de Europese markt zijn fabrikanten wettelijk verplicht hun medische hulpmiddelen te voorzien van een CE markering. In de MDD staan verschillende procedures voor het verkrijgen van deze markering. Het onderzoek richtte zich op de procedure zoals beschreven in Annex II van de MDD, waarbinnen een volledig kwaliteitssysteem van productontwerp tot post marketing surveillance een sleutelpositie inneemt. Voor dit doel werden fabrikanten (nationaal en internationaal) geselecteerd die (bijna) incidenten hebben gemeld aan de Inspectie voor de Gezondheidszorg. Het onderzoek toonde aan dat in de steekproef de Annex II procedure momenteel niet adequaat functioneert. Het merendeel van de dossiers was in eerste instantie incompleet en een aanzienlijk aantal ernstige en matige tekortkomingen is geconstateerd in de beoordeelde documentatie. De meeste tekortkomingen hadden betrekking op dossieronderdelen zoals risicoanalyse, klinische evaluatie, etikettering, gebruiksaanwijzing, en procedures voor post marketing surveillance en vigilantie (procedures voor het verzamelen van ervaringen met medische hulpmiddelen en het monitoren van de werking). Deze onderdelen zijn van wezenlijk belang voor een continue kwaliteit en veiligheid van medische hulpmiddelen. Verbetering van de beschikbaarheid en kwaliteit van de technische documentatie is daarom noodzakelijk. De resultaten van dit onderzoek verschaffen aanvullende onderbouwing voor aanpassingen in Annex II van de MDD, zoals die reeds zijn voorgesteld tijdens het momenteel uitgevoerde herzieningsproces door de Europese Commissie.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Sinds september 2004 werkt het centrum voor Volksgezondheid Toekomst Verkenningen van het RIVM aan kiesBeter.nl. Dit is de naam van de te ontwikkelen portal waar consumenten toegang wordt geboden tot samenhangende en vraaggerichte informatie over gezondheid, zorg en zorgverzekeringen. Burgers hebben veel vragen over de zorg, over ziektes, behandelingen of verzekeringen. De op stapel staande veranderingen in het zorgstelsel leggen de keuzes voor zorgverzekeringen en behandelingen steeds dichter bij de consument / patient. Om deze keuzes verantwoord te kunnen maken is het noodzakelijk dat men over de juiste informatie beschikt. KiesBeter.nl zal op een eenvoudige manier betrouwbare informatie over zorg en gezondheid presenteren. In dit ontwerprapport presenteren we de uitgewerkte plannen voor kiesBeter.nl in 2005. Op de agenda staan een keuzegids voor zorgverzekeringen, medicijnkosten, ziekenhuizen, verpleging, verzorging en thuiszorg, gehandicaptenzorg, geestelijke gezondheidszorg en huisartsen. Ook informatie met betrekking tot klachten, ziekten, preventie en patienten- en consumentenorganisaties wordt in de loop van 2005 via kiesBeter.nl gepresenteerd. Tijdens de bouw en de verdere ontwikkeling van kiesBeter.nl zal steeds nagegaan worden aan welke informatie de gebruikers behoefte hebben. Het doel is kiesBeter.nl zo te ontwikkelen, dat consumenten met vragen over gezondheid en zorg zich als eerste richten tot kiesBeter.nl. Het toegankelijk maken van beschikbare informatie voor burgers vereist goede kennis en vaardigheden op het gebied van marktonderzoek, marketing en communicatie. Hier zal dan ook speciaal aandacht aan worden besteed.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Research needs identified at the second PCB workshop in Brno, Czech Republic, May 7-11,2002 | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
AirBase: potentials and developments | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
European exchange of air quality monitoring meta information in 2003 | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Air pollution by ozone in Europe in summer 2004. Overview of exceedances of EC ozone treshold values during April-September 2004 | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
QA/QC checks on air quality data in AirBase and on the Eol2004 data: procedure and results | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
De inname van de som van tien gebromeerde bifenylethers (PBDEs, brandvertragende stoffen) via de voeding door de Nederlandse bevolking op de lange termijn is geschat op 1.7 ng per kg lichaamsgewicht per dag (mediane waarde). De consumptie van olie en vetten, melk, vis en vlees draagt het meeste bij aan de berekende inname. De inname is vergelijkbaar met de waarden die zijn berekend voor Canada, Zweden en Finland en is lager dan die voor Spanje en het Verenigd Koninkrijk. De innameberekeningen werden uitgevoerd met behulp van recente metingen in voedselproducten die in Nederland waren verkregen in 2003/2004 en de consumptiegegevens van de derde Nederlandse Voedselconsumptiepeiling uit 1997/1998. Hierbij is aan de monsters waarin geen PBDEs konden worden aangetoond (zgn. non-detects) de helft van de waarde van de detectielimiet toegekend. Als in plaats hiervan de waarde nul wordt toegekend bedraagt de innameschatting 1.0 ng/kg lg/dag. De waarden van de P97.5 (de waarde waar de inname van 97.5 % van de bevolking onder blijft) zijn 3.3 en 2.2 ng/kg lg/dag (non-detects vervangen door respectievelijk de helft van detectielimiet en door nul). De hoogste concentraties van de som van de PBDEs werden gemeten in vis (met name in haring). De meest voorkomende PBDE is BDE 47.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Stadslucht geeft stof tot nadenken | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
In dit rapport wordt een voorstel gedaan voor een schema om veiligheid en werkzaamheid van probiotica te beoordelen. Probiotica zijn niet-pathogene bacterien die onder andere worden toegevoegd aan zuivelproducten. De verwachting wordt daarbij gewekt dat consumptie van deze producten gezondheidsbevorderend is bijvoorbeeld door beinvloeding van het immuunsysteem. Informatie over werkzaamheid is voornamelijk verkregen door middel van dierexperimenteel onderzoek, terwijl informatie verkregen uit klinisch onderzoek nog beperkt is. Verder is er nog weinig bekend over de eventuele schadelijke gevolgen van probiotica, hoewel toch zeker aanleiding bestaat tot zorg hierover. Stimulatie van immuunresponsen lijkt voordelig in termen van weerstand, maar de keerzijde is wellicht inductie van autoimmuniteit. Tegenwoordig is babyvoeding verkrijgbaar waaraan probiotica zijn toegevoegd. Fabrikanten claimen een positief effect op darmflora en weerstand en mogelijk preventie van allergieen. Echter, ook voor babyvoeding geldt dat werkzaamheid en veiligheid van dit soort producten wetenschappelijk niet onderbouwd is. Aangezien baby's gevoeliger zijn voor immuunmodulatie, kan consumptie van probiotica wellicht schadelijke (lange-termijn) effecten veroorzaken. In de Europese Unie worden probiotica gereguleerd door de 'Novel Foods Regulation' (258/97/EC). Deze regelgeving is alleen van toepassing op bacteriestammen die voor 1997 niet werden gebruikt in de voeding. Hiervoor werden al probiotische stammen toegepast in de voeding, waarvoor geen regelgeving bestaat, maar die wel gezondheidseffecten kunnen hebben. Het in dit rapport voorgestelde schema om probiotica te beoordelen op zowel veiligheid als werkzaamheid, kan wellicht bijdragen aan het formuleren van regelgeving ten aanzien van bestaande en nieuw op de markt te brengen probiotica.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Risico's van nieuwe en bestaande stoffen en van biociden worden in Europa beoordeeld aan de hand van het Technical Guidance Document (TGD) van de Europese Commissie. De Kaderrichtlijn Water verwijst naar de TGD voor het afleiden van waternormen. Daarnaast is in opdracht van de Europese Commissie het Fraunhofer rapport (FHI rapport) afgeleid van de TGD voor de normafleiding voor water. In onderhavig rapport worden de twee richtsnoeren vergeleken om verschillen in normafleiding te bestuderen. Verschillen in kaders, doelstellingen en methodologie worden beschreven, evenals verschillen van meer technische aard. De risicobeoordeling volgens de TGD omvat beoordeling van effecten, beoordeling van blootstelling en risicokarakterisering. De beoordeling van milieu-effecten bleek grotendeels overeen te komen met de normstelling volgens het FHI rapport. De verschillen waren voornamelijk van technische aard. De keuze voor de waternorm volgens het FHI rapport zou voor sommige stoffen echter kunnen leiden tot een lagere waarde dan de veilige waterconcentratie volgens de TGD. Volgens de Fraunhofer methode worden namelijk veilige waterconcentraties afgeleid van veilige doses of concentraties voor predatoren en mensen, terwijl volgens de TGD alleen een veilige waterconcentratie voor waterorganismen wordt berekend. Daarnaast bepaalt de risicobeoordeling volgens de TGD blootstelling via alle relevante routes, terwijl het FHI rapport alleen de waterroute in acht neemt. Het is daardoor theoretisch mogelijk dat de waternorm mens en dier niet voldoende beschermt tegen stoffen die voornamelijk via lucht of voedsel worden ingenomen.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Bij ernstige gevallen van (water)bodemverontreiniging kan momenteel met de 'SaneringsUrgentie Systematiek' (SUS) de saneringsurgentie worden bepaald. Locatiespecifieke ecologische risico's zijn een onderdeel van de methodiek. Deze worden berekend op basis van de aanwezigheid van verontreinigende stoffen, de gevoeligheid van het ecosysteem in relatie tot het bodemgebruik, en de omvang van het verontreinigde oppervlak. Afgelopen jaren is gewerkt aan de ontwikkeling en validatie van de zogenaamde TRIADE voor ecologische risicobeoordeling van bodemverontreiniging. Met de TRIADE worden de risico's geschat op basis van drie verschillende invalshoeken, namelijk 1. de aanwezigheid van verontreiniging (het chemische spoor), 2. de resultaten van bioassays met monsters van de locatie (het toxische spoor), en 3. ecologische veldwaarnemingen (het ecologische spoor). Integratie van de resultaten van deze drie onafhankelijke TRIADE-sporen levert een meervoudige bewijsvoering op voor de risicoschatting ('multiple weight of evidence'). Hierdoor worden de onzekerheden in de risicoschatting sterk gereduceerd. De TRIADE is niet alleen gebaseerd op chemische bodemkwaliteit, en ondervangt hiermee iin van de bezwaren van SUS. In dit rapport wordt de TRIADE uitgelegd, en is een voorlopige richtlijn uitgewerkt voor toepassing van een eenvoudige TRIADE voor veel voorkomende gevallen van bodemverontreiniging, die qua complexiteit en kosten vergelijkbaar is met SUS.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
A dynamic population model of disease progression in COPD | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Incidence of transmission of pathogens in intensive care units Results of the SIR 3 study | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
A case-control study of acute respiratory tract infection in general practice patients in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Outbreaks of viral gastroenteritis: what's new in 2004? | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Discounting health effects in pharmacoeconomic evaluations focusing on viral hepatitis | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Biowaiver monographs for immediate release solid oral dosage forms based on biopharmaceutics classificaion system (BCS) literature data: chloroquine phosphate, chloroquine sulfate, and chloroquine hydrochloride | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Emergence of virulent methicillin-resistant staphylococcus aureus strains carrying panton-valentine leucocidin genes in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Costs and effects of chlamydial screening: dynamic versus static modeling | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Modeling the future burden of stroke in the Netherlands. Impact of aging, smoking, and hypertension | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Spoligotyping and mycobacterium tuberculosis | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Genomic deletions classify the Beijing/W strains as a distinct genetic lineage of mycobacterium tuberculosis | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
High-performance anion-exchange chromatography combined with intrinsic fluorescence detection to determine erythropoietin in pharmaceutical products | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Increase in genetic diversity of Haemophilus influenzae serotype b (Hib) strains after introduction of Hib vaccination in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Medically unexplained physical symptoms in the aftermath of disasters | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Estimating the burden of acute gastroenteritis, foodborne disease, and pathogens commonly transmitted by food: an international review | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Toxicogenomics in genetic toxicology and hazard determination: introduction and overview | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
The health status of the Dutch population as assessed by the EQ-6D | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Exposure to traffic related air pollutants: self reported traffic intensity versus GIS modelled exposure | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Morphological, ontogenetic and molecular characterization of Scutellospora reticulata (Glomeromycota) | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
HPLC and tandem detection to monitor conformational properties of biopharmaceuticals | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Health effects of coarse particles in ambient air: messages for research and decision-making | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Analysis of Bordetella pertussis populations in European countries with different vaccination policies | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Assessing immunotoxicity: guidelines | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Country-dependent characterisation factors for acidification in Europe - a critical evaluation | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Repeated doses of UVR cause minor alteration in cytokine serum levels in humans | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Exploring the possibilities for setting up sustainable energy systems for the long term: two visions for the Dutch energy system in 2050 | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Has the burden of depression been overestimated? | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Is the association with fiber from foods in colorectal cancer confounded by folate intake? | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Effects of socio-economic status on mortality:separating the nearby from the farther away | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Hepatitis E is a cause of unexplained hepatitis in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Suppression of contact hypersensitivity after repeated exposures of humans to low doses of solar simulated radiation | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Suboptimal choices and dosing of statins at start of therapy | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Cumulative genetic defects in carcinogen metabolism may incease breast cancer risk (The Netherlands) | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Escherichia coli O157 prevalence in Dutch poultry, pig finishing and veal herds and risk factors in Dutch veal herds | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Dietary intake of folate and riboflavin, MTHFR C677T genotype, and colorectal adenoma risk: a Dutch case-control study | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Development of a biotic ligand model and a regression model predicting acute copper toxicity to the earthworm Apporectodea caliginosa | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Introduction to the special issue on genes and environment-bridging the gap | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
La mano de DIOS ... was the PIAMA intervention study intervened upon? | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Blootstelling aan meerdere bestrijdingsmiddelen tegelijk in de dagelijkse voeding is een potentieel probleem. Dit probleem kan zich met name voordoen bij bestrijdingsmiddelen met een zelfde werkingsmechanisme (zoals de z.g. organofosfaten). Maatschappelijke organisaties dringen aan op het meewegen van dergelijke gecumuleerde blootstelling in de risicobeoordeling. Het RIVM zet in dit rapport op een rij wat er bekend is over dit onderwerp en op welke manier zo'n cumulatieve blootstelling kan worden bepaald. Er zijn op dit moment methoden beschikbaar maar een wetenschappelijke onderbouwing voor de optelling van effecten ontbreekt nog deels. Het is niet duidelijk of de effecten van de organofosfaten wel additief zijn en volgens het principe van Relatieve Potentie Factoren (RPF) kunnen worden opgeteld. De informatie over residuen van bestrijdingsmiddelen en de methoden voor innameberekeningen zullen ook verbeterd moeten worden. Het meewegen van cumulatieve blootstelling heeft ook consequenties voor het risicomanagement en de besluitvorming bij handhaving en toelating; hiervoor zullen door het beleid keuzes moeten worden gemaakt.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
De standaardvraagstelling voeding die voor de Monitor Volksgezondheid gebruikt wordt blijkt een goede methode om de fruit- en vruchtensapconsumptie te bepalen. Rapportage van de groenteconsumptie is minder nauwkeurig. In het project "Lokale en Nationale Monitor Volksgezondheid" worden lokale gegevensverzamelingen door GGD'en op elkaar afgestemd. Hiervoor zijn standaardvraagstellingen ontwikkeld. Om te bepalen of gegevens verzameld met de standaardvraagstelling voeding de werkelijke consumptie weerspiegelen, is gebruik gemaakt van gegevens verzameld door GGD'en en de voedselconsumptiepeiling 2003 (VCP-2003). De VCP-2003 kon gebruikt worden voor de vragen naar fruit-, vruchtensap-, en gekookte groenten consumptie, omdat de resultaten vergelijkbaar waren voor de GGD'en en de VCP-2003. Voor rauwkostconsumptie verschilden de resultaten tussen de GGD'en en de VCP-2003, hetgeen verklaard wordt door verschillen in de vraagstelling. Na het koppelen van de vragenlijstgegevens van de VCP-2003 aan twee 24-uursnavragen, bleek dat de relaties tussen de uitkomsten van beide meetmethoden voor fruit- en vruchtensapconsumptie redelijk sterk waren. Voor de consumptie van gekookte groenten was de relatie zwakker, hetgeen mogelijk veroorzaakt wordt door de moeite die mensen hebben met het schatten van de hoeveelheid. In het algemeen rapporteerden mensen hogere consumpties via de vragenlijst dan volgens de 24-uurs navraag. De resultaten waren vergelijkbaar met die in de literatuur. Andere onderdelen van de standaardvraagstelling voeding zijn ontbijtfrequentie, broodconsumptie en vetgebruik. Deze zijn in de VCP-2003 niet nagevraagd. Omdat er ook weinig literatuur beschikbaar is over soortgelijke vraagstellingen, kan er geen uitspraak gedaan worden over de validiteit van deze vragen.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Het Landelijk Grondwatermodel (LGM) en een een-dimensionaal model van de hydrologie van de onverzadigde zone (SWAP) zijn gekoppeld. Met dit gecombineerde model kunnen de waterstromen in het bodem- en grondwatersysteem, alsmede de stromingen vanuit het grondwater naar het oppervlaktewater, berekend worden. Het model kan zodoende de hydrologische invoer leveren voor studies naar de belasting van grond- en oppervlaktewater met nutrienten en gewasbeschermingsmiddelen. Een andere mogelijke toepassing van het model is de voorspelling van de variatie van de grondwaterstand in de tijd. Om de seizoensdynamiek correct te kunnen berekenen, worden zowel LGM als SWAP dynamisch toegepast. Het model kan op verschillende schalen worden toegepast. De prestaties van het model zijn getoetst in een studie in het Beerze Reusel gebied. In het algemeen bleek dat de overeenkomst tussen de gemiddelde diepte van het grondwaterpeil, zoals berekend met SWAP, goed overeenkwam met de gemiddelde diepte van het grondwaterpeil, zoals berekend met LGM. Het bleek echter ook dat de seizoensdynamiek onderschat werd door LGM. Nadere studie leerde dat dit veroorzaakt werd doordat de zogenaamde freatische bergingscoefficient onjuist van SWAP naar LGM werd overgedragen. Nadat dit hersteld was, was er een nagenoeg perfecte overeenkomst tussen de grondwaterstand berekend door SWAP en de grondwaterstand berekend door LGM. Een aanvullende studie moet aantonen in hoeverre de berekende grondwaterpeilen overeenkomen met de gemeten grondwaterpeilen. Deze studie moet aangeven of het gecombineerde model de hydrologische basis kan leveren voor verdrogingstudies en waterkwaliteitsberekeningen, zoals door het Milieu- en Natuurplanbureau worden uitgevoerd.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Consumptiegegevens over functionele voedingsmiddelen zijn beperkt beschikbaar, ondanks de vele monitoring- en cohortstudies die in Nederland zijn en worden uitgevoerd. Voor het adequaat uitvoeren van postlaunch monitoring (PLM) van functionele voedingsmiddelen en het signaleren van mogelijke problemen echter zijn op persoonsniveau te koppelen voedselconsumptiegegevens essentieel. Innemingdata zoals verzameld in de voedselconsumptiepeiling (VCP) lijken het meest waardevol. Aandacht is gewenst voor specifieke doel- en risicogroepen voor functionele voedingsmiddelen en supplementen, voor informatie over de voedings- en gezondheidstoestand van de populatie, alsook voor databestanden nodig voor de berekening van de nutrientenvoorziening. Twee studies (een bij jongvolwassenen en een bij kinderen van 9, 12 en 18 maanden) zijn nader bekeken op consumptie van functionele voedingsmiddelen. Onder gebruikers bleek de nutrientenvoorziening (in sommige gevallen ruimschoots) te worden gehaald. Alleen de foliumzuurvoorziening bij jongvolwassenen schoot veelal tekort en de aanbevolen hoeveelheid van met phytosterolen/-stanolen verrijkte margarines werd niet gehaald. In beide studies werden de veilig geachte bovengrenzen niet overschreden, met uitzondering van enkele overschrijdingen door gebruikers die zich in de bovenste 10 procent van de verdeling bevinden. De resultaten zijn slechts indicatief omdat deze bevindingen zijn gebaseerd op de waargenomen inneming en niet op de gebruikelijke inneming.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Blootstelling aan sommige milieufactoren, zoals luchtvervuiling en geluid, kan onze gezondheid beinvloeden. Om enig inzicht te krijgen in de omvang van dit milieugerelateerd gezondheidsverlies in Nederland, zijn Disability Adjusted Life Years (DALYs) berekend voor de gezondheidseffecten van luchtverontreiniging, geluid, radon, UV en vocht in huizen voor de periode 1980 tot 2020. DALYs geven een grove indicatie van het aantal verloren gezonde levensjaren in een populatie ten gevolge van ziekte of vroegtijdige sterfte (de ziektelast). Ruwweg 2 tot 5 procent van de totale ziektelast in Nederland werd in het jaar 2000 veroorzaakt door acute blootstelling aan fijn stof (PM10) en ozon, en blootstelling aan geluid, radon, (totaal) UV en vocht in huizen. Als daarbij de meer onzekere effecten van chronische blootstelling aan PM10 worden opgeteld - en geen drempelwaarde wordt aangenomen - kan dit percentage oplopen tot zo'n 13%. De relatief onzekere effecten van chronische blootstelling aan PM10 hebben binnen de onderzochte milieufactoren de grootste invloed op het totaal milieugerelateerd gezondheidsverlies in Nederland. PM10 kan hierbij gezien worden als een indicator voor een complex mengsel van luchtverontreiniging. De concentraties PM10 nemen af en daarmee waarschijnlijk ook de gezondheidseffecten. Geluidsoverlast en het daaraan gelieerde gezondheidsverlies zal waarschijnlijk in de toekomst toenemen tot een niveau waarbij de ziektelast vergelijkbaar is met de ziektelast die wordt veroorzaakt door verkeersongevallen. Deze ruwe schattingen geven geen compleet en vaststaand beeld van de milieugerelateerde ziektelast, omdat sommige data onzeker zijn, niet alle relaties tussen milieufactoren en gezondheid bekend zijn, en niet alle milieufactoren noch alle gezondheidseffecten zijn meegenomen. De effecten van de gemaakte aannames zijn geanalyseerd geschat met behulp van een onzekerheidsanalyse
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
An European inter-laboratory validation of alternative endpoints of the murine local lymph node assay: 2nd round | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Clinical effectiveness and cost-effectiveness of the use of the thyroxine/thyroxine-binding globulin ratio to detect congenital hypothyroidism of thyroidal and central origin in a neonatal screening program | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
An European inter-laboratory validation of alternative endpoints of the murine local lymph node assay: First round | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
A widening gap in general practice? Socio-economic differences in morbidity between 1975 and 2000 in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Decreased sensitivity to diphteria toxin of Vero cells cultured in serum-free medium | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Assessment of differences in ascomycete communities in the rhizospere of field-grown wheat and potato | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Porin A-specific antibody avidity in patients who are convalescing from meningococcal B disease | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
C-peptide, IGF-I, sex-steroid hormones and adiposity: a cross-sectionalstudy in healthy women within the European Investigation into Cancer and Nutrition (EPIC) | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Soil type-specific environmental quality standards for zinc in Dutch soil | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
New lymphogranuloma venereum chlamydia trachomatis variant, Amsterdam | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Homeostatis and functional of goblet cells during rotavirus infection in mice | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Het Milieu- en Natuurplanbureau en de sector Milieu en Veiligheid van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu presenteren met het boekje 'Fijn stof nader bekeken' de feiten over fijn stof in samenhang. Deze uitgave laat zien wat de stand van zaken is in het fijnstofdossier: wat weten we wel, wat weten we niet, waar zitten de onzekerheden? Aanleiding voor deze uitgave is het huidige maatschappelijke en politieke debat over de gevolgen van de implementatie van het Nederlandse Besluit Luchtkwaliteit, dat gestoeld is op richtlijnen van de Europese Unie. Overschrijdingen van de grenswaarden voor fijn stof komen op grote schaal voor in Nederland. De maatschappelijke gevolgen hiervan zijn ingrijpend, doordat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, zoals woningbouw en infrastructuurprojecten, in het gedrang komen. Aan de andere kant zijn er belangrijke gezondheidseffecten door fijn stof. Het dossier fijn stof is complex en omvat bestuurlijke dilemma's, juridisch bindende grenswaarden, zorgen van burgers, wetenschappelijke onzekerheden en ruimtelijk-economische gevolgen. De vele vragen en de huidige discussies zijn redenen geweest om een wetenschappelijk overzichtsrapport op te stellen over het fijnstofdossier. Deze uitgave bevat geen nieuwe informatie, maar is een samenvatting van bestaande rapporten op het gebied van fijn stof.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Isolation and detection of enterovirus RNA from large-volume water samples by using the nucliSens miniMAG system and real-time nucleic acid sequence-based amplification | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Epidemiological considerations following long-term surveillance of invasive group A streptococcal disease in the Netherlands, 1992-2003 | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Persistent airway hyper-responsiveness and inflammation in Toxocara canis-infected BALB/c mice | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Short and long term association of a single serum cholesterol measurement in middle-aged men in prediction of fatal coronary and other cardiovascular events: a cross-cultural comparison through Europe | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Embedding soil quality in the planning and management of land use | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Cutoff levels of 17-alpha-hydroxyprogesterone in neonatal screening for congenital adrenal hyperplasia should be based on gestational age rather than on birth weight | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Determinants of smoking status: cross-sectional data on smoking initiation and cessation | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
External validation of epiwin biodegradation models | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Potency estimation of measles, mumps and rubella trivalent vaccines with quantitative PCR infectivity assay | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Improving food safety in the domestic environment: the need for a transdisciplinary approach | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Evidence of the etiological predominance of norovirus in gastroenteritis outbreaks-emerging new-variant and recombinant noroviruses in Hungary | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Dit technisch achtergrondrapport vergelijkt de risico's om te overlijden aan luchtverontreiniging in drie tijdperioden (1992-1994, 1995-1998 en 1999-2002) in Nederland. Hierbij is bekeken of het risico om te overlijden aan luchtverontreiniging in de laatste periode is veranderd ten opzichte van eerdere jaren. Er blijkt geen duidelijk patroon te zien in de tijd, hoewel de periodes onderling wel verschillen. Tijdens de zomermaanden blijkt het risico groter dan in de wintermaanden. Wonen in een van de vier grote steden was niet gerelateerd aan een hoger risico om te overlijden aan luchtverontreiniging dan het risico in de rest van Nederland. Op basis van deze risico's is geschat dat er in 2003 in Nederland 3.400 - 5.700 mensen vroegtijdig zijn overleden aan luchtverontreiniging. Deze gegevens zijn eerder dit jaar in de Milieubalans 2005 van het Milieu- en Natuurplanbureau gepubliceerd. Om de risico's te berekenen zijn meetgegevens van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit gekoppeld aan gegevens van de dagelijkse sterfte van het Centraal Bureau voor de Statistiek in de periode 1992 tot en met 2002. De totale dagelijkse sterfte is onderzocht. Dit zijn alle sterfgevallen, behalve die door niet-natuurlijke oorzaken. Naast de totale sterfte is de sterfte als gevolg van hart- en vaatziekten en longziekten apart beschreven.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Een groot deel van de massa van het fijnstof bestaat uit anorganisch aerosol (34% nitraat, sulfaat en ammonium). Daarnaast bestaat circa 2% uit organisch materiaal afkomstig van verbrandingsprocessen. Ruwe schattingen van de verkeersbijdrage voor deze twee fracties varieren tussen 30% en 60%. In het kader van het project 'Health effects of particles from motor engine exhaust and ambient pollution - HEPMEAP', een unieke Europese samenwerking tussen toxicologen en epidemiologen, is buitenlucht fijnstof verzameld op diverse locaties in Europa gedurende de periode november 2001 - maart 2003. In het HEPMEAP project zijn relaties tussen de samenstelling van fijnstof en toxische en andere gezondheidseffecten bestudeerd. De chemische samenstelling van twee fracties (0.1 - 2.5 um en 2.5 - 10 um) is bepaald met aandacht voor specifieke verkeersindicatoren. Behalve grote overeenkomsten in samenstelling van fijnstof op de verschillende locaties, zijn ook locatie-specifieke verschillen gevonden. Zo bleek op de locatie in Noord-Zweden relatief hoge concentraties organisch aerosol in fijnstof voor te komen, wat in een belangrijke mate afkomstig is van houtverbranding. De gegevens in dit rapport worden gebruikt om de resultaten van experimenteel toxicologisch onderzoek wat ook is uitgevoerd in het kader van dit project, nader te verklaren.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Meat, fish, and colorectal cancer risk: The European prospective investigation into cancer and nutrition | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Results of 10 years of monitoring nitrogen in the sandy regions in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
The health impacts of globalisation: a conceptual framework | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Slechts een beperkt aantal normen zijn beschikbaar voor de aanwezigheid van contaminanten in speelgoed. De normen die er zijn, hebben veelal betrekking op metalen. In de onderbouwing van deze normen worden aannames gedaan, onder andere over de hoeveelheid speelgoed die door een kind kan worden ingeslikt. Daarnaast wordt er veelal van uitgegaan dat 100% van de contaminant anders dan voor een aantal metalen, dat in het speelgoed aanwezig is, in het bloed wordt opgenomen en zo eventueel schade in weefsels en organen kan veroorzaken. Deze aannames zijn echter zeker niet voor ieder type speelgoed en voor iedere contaminant realistisch.Om tot een realistische risicoschatting te komen zijn methodieken nodig om een goede inschatting te kunnen maken van de hoeveelheid contaminant die vrijkomt uit speelgoed indien hierop gesabbeld wordt (bijvoorbeeld bijtring) of delen worden ingeslikt (zoals vingerverf). In het huidige project is daarom het in vitro digestiemodel ontwikkeld. Hiermee kan worden onderzocht in welke mate de contaminant in het maagdarmkanaal wordt vrijgemaakt uit de speelgoedmatrix (de bioaccessible fractie) indien op speelgoed wordt gesabbeld en stukjes speelgoed eventueel worden doorgeslikt. Uit deze bioaccessible fractie kan eenvoudig een realistische schatting worden gemaakt van de hoeveelheid contaminant die de weefsels en organen kan bereiken.Het in vitro digestiemodel is zo opgezet dat het enerzijds de humane fysiologie van het maagdarmkanaal zo goed mogelijk weerspiegelt en anderzijds eenvoudig, snel en goedkoop uitvoerbaar is.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Cost-effectiveness of face-to-face smoking cessation interventions: a dynamic modeling study | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Cardiovascular drug use and differences in the incidence of cardiovascular mortality in elderly Serbian men | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Comparing estimates of persistence and long-range transport potential among multimedia models | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Calculating life-cycle assessmebnt effect factors from potential affected fraction-based ecotoxicological response functions | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
The prevalence of antibodies against equine influenza virus, equine herpesvirus 1 and 4 equinr arteritis virus and equine rhinovirus 1 and 2 in Dutch standardbred horses | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Pathogenesis of infections in COPD patients | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Three centuries of global population growth: a spatial referenced population (density) database for 1700-2000 | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Lipooligosaccharide-independent alteration of cellular homeostasis in Neisseria meningitidis-infected epithelial cells | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Mass tag-assisted identification of naturally processed HLA class II-presented meningococcal peptides recognized CD4+ T lymphocytes | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Microbiological risk assessment models for partitioning and mixing during food handling | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
A longitudinal study of Escherichia coli O157 in cattle of a Dutch dairy farm and in the farm environment | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Targeted hybridization of IS6110 fingerprints identifies the W-Beijing mycobacterium tuberculosis strains among clinical isolates | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Real-time PCR-based methods for detection of Mycobacterium avium subsp. paratuberculosis in water and milk | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Risk assessment of chemicals and pharmaceuticals in the pediatric population: a workshop report | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Hospital-related determinants for surgical-site infection following hip arthroplasty | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Determinants of hip pain in adult patients with severe cerebral palsy | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Differential pattern of cytokine expression by macrophages infected in vitro with different Mycobacterium tuberculosis genotypes | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Simulating the future of agricultural land use in The Netherlands | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Results of an international round robin for the quantification of serum non-transferrin-bound iron: need for defining standardization and a clinically relevant isoform | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Duration and intensity of physical activity and disability among European elderly men | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Current status of methods for defining the applicability domain of (quantitative) structure-activity relationships - the report and recommendations of ECVAM Workshop 52 | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
How many infections are caused by patient-to-patient transmission in intensive care units? | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Solid phase dosing and sampling technique to determine partition coefficients of hydrophobic chemicals in complex matrixes | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Climate change and a European low-carbon energy system | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
The EURURALIS study: technical document | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Een combinatie van decontaminatie met een middel als melkzuur en technische maatregelen om de verspreiding van mest tijdens het slachten tegen te gaan, lijkt volgens modelberekeningen de meest economische methode om de microbiologische veiligheid van kippenvlees te verbeteren. Campylobacter-bacterien zijn de belangrijkste bacteriele veroorzakers van voedselinfecties in Nederland, met ongeveer 80.000 gevallen van gastro-enteritis per jaar. Onder de vele verschillende routes waarlangs de mens aan Campylobacter kan worden blootgesteld nemen consumptie van kippenvlees, direct contact met dieren en rauw geconsumeerde producten een belangrijke plaats in. Genoemde resultaten zijn verkregen in een multidisciplinair onderzoek naar de kosten en baten van maatregelen om de besmetting van kippenvlees terug te dringen. Aanvullende hygienemaatregelen op de boerderij zouden volgens modelberekeningen in theorie de besmetting bij het pluimvee sterk terug kunnen brengen, maar het is nog niet duidelijk welke maatregelen precies genomen moeten worden. Op korte termijn is meer effect te verwachten van aanvullende maatregelen op het slachthuis om de besmettingsgraad van het vlees te verminderen. Volgens modelberekeningen kunnen alleen al daardoor in Nederland ongeveer 12.000 gevallen per jaar van gastro-enteritis worden voorkomen. Om deze maatregelen succesvol te kunnen invoeren is nog wel aanvullend praktijkonderzoek nodig. Door onbekendheid met de maatregelen en de additionele kosten is het draagvlak bij de consument en ketenpartijen gering zodat actieve communicatie van groot belang is.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Dissolved inorganic phosphorus export to the coastal zone: results from a spatially explicit, global model | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Om effecten van verschillende preventieve maatregelen voor diabetes te kunnen berekenen, is het RIVM Chronische Ziekten Model geactualiseerd en aangepast. Het Chronische Ziekten Model is een instrument om effecten van veranderingen in het voorkomen van risicofactoren, bijvoorbeeld overgewicht en roken, voor chronische ziekten (o.a. hart- en vaatziekten) te schatten op ziektelast en sterfte. Dit rapport geeft de verantwoording van de nieuwe diabetesmodule in dit model. Met deze diabetesmodule kunnen zowel primaire preventiestrategieen als maatregelen in de zorg (=betere behandeling van diabetes en cardiovasculaire risicofactoren) worden doorgerekend en het effect op de volksgezondheid worden geschat. Dit geeft beleidsmakers en zorgverleners inzicht in hoeveel gezondheidswinst er te behalen zou zijn door preventie en het kan ondersteunen bij het prioriteren van verschillende preventiestrategieen. Alle diabetes-gerelateerde informatie in het Chronische Ziekten Model is geactualiseerd. Roken is toegevoegd als risicofactor voor diabetes. HbA1c (een maat voor het bloedglucose niveau) is toegevoegd als risicofactor voor cardiovasculaire complicaties. Nieuwe modelgegevens bij patienten met diabetes zijn het voorkomen van cardiovasculaire complicaties, het voorkomen van cardiovasculaire risicofactoren (HbA1c, hoge bloeddruk, roken, cholesterol en overgewicht) en de relaties tussen deze risicofactoren en het ontstaan van cardiovasculaire complicaties.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Structuur-activiteitsrelaties (SARs), inclusief kwantitatieve SARs worden gebruikt in de risicobeoordeling van stoffen. Deze noodzaak is des te meer urgent gezien het voorgestelde EU beleid voor stoffen, REACH, die de vermindering van dierproeven benadrukt. DERKfW en TSCA Chemische Categorieen Lijst zijn gekozen om reproductie toxiciteit voor REACH doeleinden te voorspellen. DEREKfW is een software programma dat toxicologische eigenschappen voorspelt gebruik makend van op literatuur en 'expert judgement' gebaseerde 'structural alerts', terwijl de TSCA Nieuwe Stoffen Programma Lijst van de US-EPA is gebaseerd op expert judgement en chemische categorieen. We hebben de twee modellen gescreened op het herkennen van stoffen die geclassificeerd zijn voor reprotoxiciteit in de EU (gebaseerd op experimentele dierstudies). De mate van vals positieven kon hierdoor niet bepaald worden. DEREKfW en de TSCA Chemische Categorieen Lijst herkenden 90 en 77% van de stoffen niet met een 'verminderde fertiliteit classificatie en 81 and 82% van de stoffen niet met een 'schade aan het ongeboren kind' classificatie, respectievelijk. Afgezien van iin gezamenlijke 'alert' hebben DEREKfW (een helder model) and de TSCA chemische Categorieen Lijst nog 7 'alerts' en 10 categorieen, respectievelijk. Doordat de alerts in DEREKfW and TSCA Categorieen Lijst in dit onderzoek naar voren komen, kunnen deze gebruikt worden als additionele 'expert judgement'. We concluderen echter dat deze modellen niet de enige methode kunnen zijn voor het screenen van stoffen voor reproductie toxiciteit in het kader van REACH. Andere modellen en teststrategieen zijn nodig om reproductie toxiciteit van stoffen te beoordelen.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Deze rapportage beschrijft geregistreerde voedselinfecties en voedselvergiftigingen in Nederland in 2004. In 2004 was het aantal meldingen van voedselinfecties bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg duidelijk lager dan in voorgaande jaren: 48 explosies en 45 patienten met een verzorgend of verplegend beroep of werkzaam in de levensmiddelensector. Echter, deze daling werd niet teruggezien in de gemelde incidenten van voedselinfecties (totaal 601, inclusief 337 explosies ten opzichte van 582 meldingen, waaronder 324 explosies in 2003) bij de Voedsel en Waren Autoriteit. Een deel van de daling geobserveerd bij de Inspectie lijkt ook te berusten op een registratie-artefact. Bij de Voedsel en Waren Autoriteit werd een mogelijke oorzaak gevonden voor 16% van de meldingen, waarbij Bacillus cereus (2,8%) het meest frequent werd gezien, gevolgd door Salmonella (1,0%). Indirect werd geschat dat 5,6% van de daar gemelde explosies viraal van oorsprong was, terwijl slechts 1 norovirus explosie werd geregistreerd. Bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg werd voor 73% van de explosies een verwekker aangegeven, met name Salmonella (40%), Campylobacter (17%) en norovirus (15%). In 2004 werd Campylobacter vaker gezien als oorzaak (in 2003 bij 12%). Tegelijkertijd werd norovirus in 2004 minder vaak gerapporteerd (in 2003 bij 23%).
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Towards a long-term European strategy on climate change policy | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Contaminatie van eieren en vlees met Salmonella met Campylobacter bacterien is de belangrijkste oorzaak van voedselvergiftiging en de kans op zo'n voedselvergiftiging wordt mede bepaald door de genetische achtergrond van de gastheer. Dit rapport geeft een overzicht van humane- en dierstudies naar deze genetische gevoeligheid van de gastheer voor Salmonella-bacterien. De immunologische afweer tegen Salmonella bestaat uit een niet-specifiek en een specifieke deel. Voor het afdoende couperen van een Salmonella-infectie is een adequate T-helper type 1 (Th1) respons (behorend tot de specifieke immuunrespons) noodzakelijk en cruciale eiwitten in deze Th1-route zijn IFN- , IL-12, en IL-18. Net als mutaties in genen die bij de niet-specifieke immuunrespons betrokken zijn, zoals Nramp1, 'Toll-like' receptoren en CD14, verhogen mutaties in de genen van deze Th1-eiwitten de gevoeligheid voor Salmonella-infecties. Mutaties zijn echter zeldzaam. DNA variaties (polymorfismen) komen daarentegen vaker voor, namelijk bij meer dan 1 procent van de bevolking. Dergelijke variaties leiden tot een kleine verandering in de structuur of expressie van het eiwit, waardoor de effectiviteit van de afweer tegen Salmonella-bacterien wordt veranderd. De effecten van deze polymorfismen op de immuunrespons na een voedselvergiftiging zijn weliswaar subtiel, maar op populatieniveau kan hun 'impact' aanzienlijk zijn.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Op de markt verschijnen steeds meer producten, die verrijkt zijn met plantensterolen (fytosterolen). De gecombineerde consumptie van dergelijke producten kan leiden tot overdosering, zodat er mogelijk aanvullende maatregelen nodig zijn om overdosering te voorkomen.Fytosterol-verrijkte voeding verlaagt het plasma LDL-cholesterol. Een dagelijkse inname van 1-3 g plantensterolen verlaagt de LDL-cholesterolconcentratie met 5-15%; een hogere inname geeft geen extra effect. Door hun slechte absorptie geven fytosterolen geen systemische toxiciteit. Fytosterolen verlagen echter wel de absorptie van beta-carotenoiden, die van belang zijn voor de aanmaak van vitamine A. De consumptie van (margarine verrijkt met) 3 g fytosterol per dag gedurende een jaar leidt tot een 33% afname van de beta-caroteenspiegel, die echter (alleen) zorgelijk is bij risicogroepen met een hoge vitamine A behoefte, zoals zwangeren, moeders die borstvoeding geven en jonge kinderen. Er is overigens geen indicatie voor fytosterolgebruik door deze groepen, maar het gebruik kan niet worden uitgesloten.De beschikbare data over schadelijke effecten bieden geen basis voor het stellen van een maximaal toelaatbare dagelijkse dosis voor fytosterolen. Evenals de Gezondheidsraad en SCF, wordt thans aanbevolen om niet meer (meer dan 3 g per dag) van deze plantensterolen in te nemen, omdat a. hogere doseringen niet effectiever zijn, en b. langetermijnstudies ontbreken. Op termijn zijn beleidsmaatregelen nodig ter voorkoming van overdosering in gebruikers- en risicogroepen
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
In kader van het Actieprogramma Gezondheid en Milieu wordt in Nederland gewerkt aan een nationaal milieu en gezondheid informatiesysteem. Doel van het systeem is o.a. het evalueren van (milieu-gezondheids)beleid en het vergemakkelijken van geografische vergelijkingen op het gebied van milieu en gezondheid. Op Europees niveau is de WHO ook bezig met de ontwikkeling van een milieu en gezondheid informatiesysteem. Deze pilotstudie is onderdeel van dat ontwikkelingsproces. Milieu en gezondheid indicatoren op het gebied van luchtkwaliteit, geluid, woonomgeving, verkeersongevallen, water en hygiene, chemische rampen en straling, zijn in 11 Europese landen (waaronder Nederland) getest op beschikbaarheid, kwaliteit, vergelijkbaarheid en beleidsrelevantie. De resultaten laten zien dat in Nederland betrouwbare en complete informatie beschikbaar is voor bijna alle voorgestelde indicatoren. Op basis van de internationale resultaten van de pilotstudie is een aantal indicatoren geselecteerd, waarvoor in een vervolgproject de data verzameld zullen worden. Deze indicatoren zullen onderdeel worden van het Nederlandse informatiesysteem.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
In dit rapport wordt een herziening van milieurisicogrenzen gepresenteerd voor de sporenelementen beryllium, vanadium, kobalt, selenium, molybdeen, tin, antimoon, barium en thallium. Er werd literatuuronderzoek uitgevoerd om de gegevenssets die in 1992 voor de normafleiding zijn gebruikt, aan te vullen. Er zijn milieurisicogrenzen afgeleid voor zoet water, grondwater, bodem en sediment. De herziene milieurisicogrenzen voor water en grondwater zijn in de meeste gevallen lager dan de bestaande waarden. Dit wordt veroorzaakt door het vinden van nieuwe informatie op het gebied van toxiciteit en door veranderingen in de methodologie die bij de afleiding van normen gebruikt wordt. De nieuw afgeleide risicogrenzen voor bodem zijn nu gebaseerd op toxiciteitsgegevens voor bodemorganismen, terwijl de bestaande waarden alle zijn berekend uit de risicogrenzen voor water, middels evenwichtspartitie. De risicogrenzen voor sediment zijn wel berekend met behulp van evenwichtspartitie bij gebrek aan toxiciteitsgegevens. In het algemeen zijn de nieuw afgeleide milieurisicogrenzen voor sediment weinig veranderd ten opzichte van de bestaande. Het gemiddelde van gemeten concentraties van beryllium, vanadium, kobalt en barium in zoet oppervlaktewater overschrijdt het maximaal toelaatbaar risiconiveau (MTR). Voor selenium en antimoon was dit niet het geval. Voor grondwater laat een kwalitatieve vergelijking zien dat het MTR wordt overschreden voor beryllium, vanadium, kobalt, selenium en barium, maar niet voor molybdeen, tin, antimoon en thallium. Voor de compartimenten bodem, sediment en zeewater werden geen meetgegevens gevonden.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Het Rijksvaccinatieprogramma in Nederland is zeer effectief en veilig. Om het succes en de effectiviteit van het vaccinatieprogramma te vergroten, is vaccinatie van andere (leeftijds)groepen aan te bevelen. Uitbreiding van het programma met nieuwe doelziekten kan voor een aantal ziekten aanzienlijke gezondheidswinst opleveren. De ziekten waartegen wordt gevaccineerd zijn grotendeels onder controle, maar bewaking van de effectiviteit van het programma is van groot belang. Handhaven van de hoge vaccinatiegraad is essentieel om terugkeer van de ziekten te voorkomen. Vaccinatie van (jong) volwassenen nu (kinkhoest) of in de toekomst (bof, mazelen, rodehond, hepatitis B) zal verder verbetering kunnen geven. Ook andere vaccinatiestrategieen verdienen aandacht, zoals vaccinatie van pasgeborenen of aanstaande ouders. De vervanging van het huidige difterie, tetanus, poliomyelitis, hele-cel kinkhoest en Haemophilus influenzae vaccin (DKTP/Hib) door een combinatievaccin met een a-cellulaire kinkhoestcomponent (DKATP/Hib) ingevoerd begin 2005 moet nauwkeurig worden gemonitored, zowel voor kinkhoest als de overige vaccincomponenten. Het Rijksvaccinatieprogramma kan met vaccins tegen andere ziekten uitgebreid worden. Pneumokokken-vaccinatie van kinderen levert belangrijke gezondheidswinst op. De wenselijkheid om waterpokken-vaccinatie te introduceren - mogelijk in een combinatievaccin met bof, mazelen en rodehond - moet bestudeerd worden. Als tegen meningokokken B, respiratoir syncytieel virus en humaan papillomavirus effectieve en veilige vaccins op de markt komen, is uitbreiding van het vaccinatieprogramma naar verwachting raadzaam. Dit geldt (nog) niet (of in mindere mate) voor de al beschikbare vaccins tegen influenza, hepatitis A en tuberculose. Voor deze ziekten is continuering van het huidige beleid nodig met mogelijke verlaging van de leeftijd voor influenzavaccinatie van 65 jaar naar 50 jaar. De wenselijkheid van vaccinatie van kinderen tegen influenza is een punt voor nader onderzoek, evenals pneumokokken-vaccinatie van ouderen. Vaccinatie tegen herpes simplex virus-2 en rotavirus is nog niet mogelijk. Vaccinatie levert naar verwachting relatief beperkte gezondheidswinst op voor herpes simplex virus-2. Als een rotavirus vaccin beschikbaar komt is een kosten-effectiviteitsanalyse aangewezen.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Dit rapport bevat de bijdragen van de deelnemers aan de MonNO3 workshop, georganiseerd door het RIVM, GEUS en DMU. De workshop is gehouden op 11 en 12 juni 2003 en vond plaats in Den Haag (Scheveningen). Het rapport geeft ook een synthese van deze bijdragen en de workshopdiscussies over de methoden om de effectiviteit van de EU Nitraatrichtlijn Actieprogramma's te monitoren. De wettelijke grondslag voor dit type monitor staan in de Nitraatrichtlijn, artikel 5(6).Er zijn twee verschillende benaderingswijzen om de effecten van de Actieprogramma's op nationale schaal te beschrijven, te weten opschalen en interpolatie. Deze benaderingswijzen zijn niet in detail bediscussieerd omdat dit buiten het terrein van de MonNO3 workshop lag. Uit alle bijdragen blijkt dat waterkwaliteit niet alleen wordt beinvloed door de landbouwpraktijk maar ook door andere factoren. Bodemtype, hydrogeologische karakteristieken van de bodem en de ondergrond, karakteristieken van het oppervlaktewatersysteem en karakteristieken van het klimaat en het weer zijn voorbeelden van "omgevingsfactoren" die de oorzaak kunnen zijn van in tijd en ruimte gemeten verschillen in waterkwaliteit.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Op zoek naar de 'ware' neerslag en verdamping | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Iedereen is voor energiebesparing, maar .. | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Aanscherping Europees luchtbeleid in aantocht | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
De verwatering van het Groene Hart | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Energiebesparing speelt hoofdrol in klimaatscenario's voor Europa | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
ETC/ACC Street Emission Ceiling (SEC) exercise: phase 2 report | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Dier- en plantensoorten profiteren van de verbeterde milieukwaliteit en van de bescherming door Europese regelgeving. Toch nemen de Nederlandse natuur- en landschapskwaliteit nog altijd af. Het kabinet legt meer verantwoordelijkheden neer bij provincies en gemeenten. Vooral van de provincies wordt daarmee een krachtige regie gevraagd.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Dier- en plantensoorten profiteren van de verbeterde milieukwaliteit en van de bescherming door Europese regelgeving. Toch nemen de Nederlandse natuur- en landschapskwaliteit nog altijd af. Het kabinet legt meer verantwoordelijkheden neer bij provincies en gemeenten. Vooral van de provincies wordt daarmee een krachtige regie gevraagd.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Consumptie van vlees, geimporteerd uit Zuid-Amerika, met name Argentinie en Brazilie, leidt niet tot inname van lichaamsvreemde hormonen. Bovendien zijn er geen aanwijzingen voor inname van verhoogde hoeveelheden lichaamseigen hormonen. Onderzoek naar het illegaal gebruik van groeibevorderende stoffen vindt binnen de Europese Unie plaats in het kader van Nationale residu controleprogramma's, uitgevoerd in het kader van Europese regelgeving. Zulk onderzoek vindt plaats zowel gedurende de boerderijfase als ten tijde van de slacht. Veelal richt dit onderzoek zich op excreta zoals urine of mest, of op orgaanvlees. Bij import van buiten de Europese Unie is als regel uitsluitend het voor consumptie bedoelde spiervlees beschikbaar. Het systematisch onderzoek van dit materiaal heeft tot op heden slechts zeer beperkt plaatsgevonden waardoor gegevens over de blootstelling van de consument nauwelijks beschikbaar zijn. Dit rapport beschrijft de resultaten van onderzoek van ca. 300 monsters rund- en varkensvlees op lichaamseigen en lichaamsvreemde hormonen. Geen van de lichaamsvreemde hormonen waarop onderzoek is verricht werd aangetroffen. In zes monsters varkensvlees werden nortestosteron en boldenon aangetroffen. De aanwezigheid van deze hormonen betekent dat ook vlees van beren (niet gecastreerde mannelijke varkens) wordt geexporteerd. In een monster rundvlees overschreed het gehalte aan 17beta-oestradiol de voorlopige grenswaarde van 0,1 microg/kg.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Common variants in the ATP-sensitive K+ channel genes KCNJ11 (Kir6.2) and ABCC8 (SUR1) in relation to glucose intolerance: population-based studies and meta-analyses | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Critical body residues linked to octanol - water partitioning, organism composition, and LC50 QSARs: meta-analysis and model | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
No evidence of Legionella infection in general practice patients presenting with acute respiratory infections in The Netherlands | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Immission targets for nutrients (N and P) in catchments and coastal zones: a North Sea assessment | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
In dit achtergrondrapport wordt de laatste stand van zaken weergegeven met betrekking tot blootstelling-effect relaties op het gebied van geluid en gezondheid en hun toepasbaarheid voor de inschatting van de effecten van geluid in Nederland. Voor een aantal relevante gezondheidseffecten worden de beschikbare blootstelling-effect relaties besproken. Aan de hand van een aantal case-studies wordt de bruikbaarheid van de verschillende relaties voor gezondheidseffectschatting (GES) geanalyseerd. Alleen relaties die de invloed van geluid op effecten beschrijven waarvoor bewijs was en die zijn afgeleid door middel van een meta-analyse of gepoolde analyse worden uiteindelijk bruikbaar bevonden. Het resultaat is een set van relaties en aanbevelingen die ingezet kunnen worden voor de inschatting van de effecten van geluid in Nederland. Niet alleen in termen van risico's, maar ook in termen van aantallen getroffenen.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Beleid op ander gebied dan de volksgezondheid heeft vaak veel invloed op de gezondheid van burgers. Zo heeft de verplichtstelling van de autogordel geleid tot een afname van het aantal ongevallen met ernstig letsel. De inrichting van woonomgevingen heeft invloed op lichaamsbeweging door de mogelijkheden om te lopen of fietsen. Gezondheidseffectschatting is een methode om dergelijke gezondheidseffecten van ander beleid te onderzoeken. Het doel is om gunstige effecten te versterken en ongunstige effecten te voorkomen. Het betreft een instrument voor integraal gezondheidsbeleid; dat is beleid waarbij de gezondheidssector met andere sectoren samenwerkt om de gezondheid van burgers te bevorderen. Deze publicatie beschrijft de werkwijze van een gezondheidseffectschatting. De theoretische beschrijving wordt geillustreerd met concrete voorbeelden uit de praktijk. In de bijlagen vindt de lezer checklists om een gezondheidseffectschatting uit te voeren.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Een combinatie van decontaminatie met een middel als melkzuur en technische maatregelen om de verspreiding van mest tijdens het slachten tegen te gaan, lijkt volgens modelberekeningen de meest economische methode om de microbiologische veiligheid van kippenvlees te verbeteren. Campylobacter-bacterien zijn de belangrijkste bacteriele veroorzakers van voedselinfecties in Nederland, met ongeveer 80.000 gevallen van gastro-enteritis per jaar. Onder de vele verschillende routes waarlangs de mens aan Campylobacter kan worden blootgesteld nemen consumptie van kippenvlees, direct contact met dieren en rauw geconsumeerde producten een belangrijke plaats in. Genoemde resultaten zijn verkregen in een multidisciplinair onderzoek naar de kosten en baten van maatregelen om de besmetting van kippenvlees terug te dringen. Aanvullende hygienemaatregelen op de boerderij zouden volgens modelberekeningen in theorie de besmetting bij het pluimvee sterk terug kunnen brengen, maar het is nog niet duidelijk welke maatregelen precies genomen moeten worden. Op korte termijn is meer effect te verwachten van aanvullende maatregelen op het slachthuis om de besmettingsgraad van het vlees te verminderen. Volgens modelberekeningen kunnen alleen al daardoor in Nederland ongeveer 12.000 gevallen per jaar van gastro-enteritis worden voorkomen. Om deze maatregelen succesvol te kunnen invoeren is nog wel aanvullend praktijkonderzoek nodig. Door onbekendheid met de maatregelen en de additionele kosten is het draagvlak bij de consument en ketenpartijen gering zodat actieve communicatie van groot belang is.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Elk jaar worden mensen ziek door de Campylobacter bacterie. Omdat de overheid wil weten wat zij hier het best tegen kan doen, is dit in het CARMA project onderzocht. Dit rapport beschrijft om te beginnen wat de oorzaken van campylobacterbesmetting zouden kunnen zijn. Direct contact met (huis-)dieren en de consumptie van onverhit voedsel komen naast kippenvlees als belangrijke bronnen naar voren. Kippenvlees zou een aanzienlijk deel van de ziektegevallen kunnen veroorzaken. Er is een wiskundig model gebouwd om meer inzicht te krijgen in het voorkomen en de verspreiding van campylobacter in de productieketen van kippenvlees, van de boerderij tot en met de bereiding van het vlees in de keuken thuis. Met het model is ingeschat waar en hoe het best ingegrepen kan worden om campylobacter te bestrijden met als doel het aantal zieken dat erdoor veroorzaakt wordt effectief te verminderen. Een goede optie lijkt te zijn om zowel het aantal besmette kippen, als de hoeveelheid campylobacters in de kippenmest en op het kippenvlees aan te pakken. Dat kan door extra aandacht te geven aan de hygiene op de boerderij, door tijdens de slacht het lekken van besmette mest uit de karkassen te verminderen en door het kippenvlees met bijvoorbeeld melkzuur te wassen. Er valt dan een aanzienlijke gezondheidswinst te behalen. Gegarandeerd vers campylobactervrij vlees is alleen mogelijk als al het vlees doorstraald zou worden. De meest doelmatige maatregelen zijn echter alleen vast te stellen als ook economische en maatschappelijke aspecten worden meegenomen. Hiervoor wordt verwezen naar andere rapporten die in het kader van dit CARMA project zijn verschenen.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Het doel van dit onderzoek was de kosten-effectiviteit en de kosten-utiliteit van verschillende interventies ter reductie van Campylobacter besmetting van kuikenvlees te schatten. Het relatieve risico, de interventiekosten, de ziektelast (uitgedrukt in Disability-Adjusted Live Years (DALY's)) en de ziektekosten zijn allemaal in eerdere studies binnen het CARMA (CAmpylobacter Risk Management and Assessment) project geschat, en vormen de basis van deze berekeningen. De kosten-effectiviteit is uitgedrukt in netto kosten per vermeden geval van campylobacteriosis en de kosten-utiliteit is in netto kosten per vermeden DALY geschat. Een aantal potentiele interventies is interessant, gezien hun (theoretische) efficientie en effectiviteit. De meest kosten-effectieve interventiemaatregelen zijn: reductie van fecale lekkage in de slachtlijn, chemische decontaminatie van het karkas door onderdompelen, en de combinatie van deze twee maatregelen. Faag therapie is eventueel een andere kosten-effectieve maatregel, afhankelijk van de kosten per behandeld kuiken. Maar geen van deze interventies zal tot eliminering van alle aan kuikenvlees gerelateerde gevallen van campylobacteriosis leiden. Doorstraling is van alle onderzochte maatregelen de meest effectieve, maar een van de minst kosten-effectieve maatregelen.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
De beoogde looptijd en het beschikbare overheidsbudget bepalen het welslagen van de bodemsaneringsoperatie. Met de huidige middelen is afronding van de operatie slechts mogelijk met aanzienlijke marktparticipatie. Dit concludeert de hier gepresenteerde studie. Zij geeft antwoord op de vraag van het Ministerie, om haar tools te verschaffen waarmee een planmatige aanpak van de bodemsanering kan worden gerealiseerd. Aan de hand van een nieuw ontwikkeld model en de toepassing van diverse scenario's daarop, schetst deze rapportage een beeld van de gevoeligheid van de voortgang van de saneringsoperatie voor een aantal sturingsvariabelen. Er blijkt een spanning te bestaan tussen het beschikbare budget en de beoogde looptijd van de operatie. Deze laatste is tweeledig: in 2015 moeten die locaties gesaneerd danwel beheerd zijn, waar de bodemkwaliteit onverantwoorde risico's met zich mee brengt bij het huidige gebruik, terwijl in 2030 ook de locaties moeten zijn aangepakt waar bij toekomstig gebruik onverantwoorde risico's zullen optreden. Realisatie van de beleidsdoelstellingen bij het beschikbare budget is slechts mogelijk wanneer participatie van de markt in de operatie tot stand komt. Bij het voorgestane beleid zal de saneringsoperatie in 2030 kunnen worden afgerond wanneer derden (de markt) vijf keer zo veel budget beschikbaar stellen als wat van overheidswege wordt gefourneerd.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Who cares? Health systems cannot cope | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Vertical-horizontal synergy of the health workforce | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Genetic markers for Mycobacterium tuberculosis: characterization and spread of the Beijing genotype | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Lignan contents of Dutch plant foods: a database including lariciresinol, pinoresinol, secoisolariciresinol and matairesinol | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Use of the local lymph node assay in assessment of immune function | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Long-term predictors of survival for the Seven Countries Study cohort from Crete: from 1960 to 2000 | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
The EU-project ERAPharm: incentives for the furter development of guidance documents? | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Prospectives of poisons information supply in emergency response planning and service | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Lack of p53 Ser389 phosphorylation predisposes mice to develop 2-acetylaminofluorene-induced bladder tumors but not ionizing | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
A comparison of ratio distributions based on the NOAEL and the benchmark approach for subchronic-to-chronic extrapolation | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Bone tissue engineering on amorphous carbonated apatite and crystalline octacalcium phosphate-coated titanium discs | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Comparative study of Dutch and German emergency-management models for near border nuclear accidents | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
ROB maatregelen in de landbouw en vermindering van emissies van broeikasgassen. Zichtbaarheid van effecten in de nationale berekening en suggesties ter verbetering van de berekeningssystematiek | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
An integrated assessment of estrogenic contamination and biological effects in the aquatic environment of The Netherlands | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Potential determinants of drug-drug interaction associated dispensing in community pharmacies | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Managing hospital length of stay reduction: a multihospital approach | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Genetic diversity of noroviruses in raw and treated sewage water | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Atrioventricular conduction in mammalian species: hemodynamic and electrical scaling | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Modified vaccinia virus Ankara protects macaques against respiratory challenge with monkeypox virus | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Indications that paraoxonase-1 contributes to plasma high density lipoprotein levels in familial hypercholesterolem | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Analysing countries' contributions to climate change: scientific and policy-related choices | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
In dit rapport wordt aangegeven welke vermindering van emissie van overige broeikasgassen Nederland kan bereiken door het uitvoeren van maatregelen om aan de EU nitraatrichtlijn te voldoen en van additionele maatregelen uit ROB onderzoek. Berekeningen laten zien hoeveel van deze verandering van emissie wel en hoeveel niet zichtbaar wordt via toepassing van de huidige monitoringssystematiek voor broeikasgassen. De omvang van deze niet gerapporteerde verandering bedraagt voor het jaar 2003 tussen 1,5 en 2 Mton CO2 equivalenten. In het rapport worden suggesties gedaan voor aanpassing van de nationale berekeningssystematiek van emissies van broeikasgassen zodat alle effecten van maatregelen wel zichtbaar worden in de berekening.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Model studies on the eutrophication of shallow lakes and ditches | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Containers met goederen die in Nederland worden ingevoerd, zijn vaak behandeld met een bestrijdingsmiddel. Veel toegepaste bestrijdingsmiddelen zijn methylbromide en chloorpicrine, en fosfine. De mogelijkheid bestaat dat deze middelen in de goederen terecht komen en uitdampen bij gebruik door consumenten.In dit onderzoek is gebleken dat goederen zoals matrassen, schoeisel, tassen en beeldjes, nog lange tijd na begassing bestrijdingsmiddelen kunnen uitdampen. Blootstelling van consumenten kan hierdoor onbedoeld optreden. Ook is gebleken dat bij voedingsmiddelen of medicijnen de begassing kan leiden tot orale opname van bestrijdingsmiddelen en wellicht ook tot verandering van de chemische samenstelling van het voedsel of medicijn. Dit onderzoek is verricht in opdracht van de VROM-Inspectie
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Systematic molecular characterization of multidrug-resistant Mycobacterium tuberculosis complex isolates from Spain | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Influenza-associated encephalopathy: no evidence for neuroinvasion by influenza virus nor for reactivation of human herpesvirus 6 or 7 | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Tweede nationale studie naar ziekten en verrichtingen in de huisartspraktijk. Huisartsenzorg: wat doet de poortwachter? | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Risico's van cadmium en lood in moestuinen in de Kempen | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Tweede nationale studie naar ziekten en verrichtingen in de huisartspraktijk. Een kwestie van verschil: verschillen in zelfgerapporteerde leefstijl, gezondheid en zorggebruik | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Dit rapport presenteert een test van een samengestelde soorttrendindicator ten behoeve van de evaluatie van de 2010 biodiversiteitsdoelstelling, gebruik makend van bestaande data. De indicator integreert trends van verschillende soortgroepen, en kan worden geaggregeerd over habitats en landen. Op deze wijze kan de indicator zowel boodschappen leveren op hoofdlijnen, als gedetailleerde informatie voor diepgaande analyses, gebruik makend van data uit uiteenlopende bronnen, verzameld met uiteenlopende methodes.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Netherlands research programme weight gain prevention (NHF-NRG): rationale, objectives and strategies | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Prevalences of hyperhomocysteinemia, unfavorable cholesterol profile and hypertension in European populations | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Physical functioning in elderly Europeans: 10 year changes in the north and south: the HALE project | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Loss of the mecA gene during storage of methicillin-resistant Staphylococcus aureus strains | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Interactions of dietary fat intake and the hepatic lipase -480C-->T polymorphism in determining hepatic lipase activity: the Hoorn Study | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Tweede nationale studie naar ziekten en verrichtingen in de huisartspraktijk. Klachten en aandoeningen in de bevolking en in de huisartspraktijk | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Tuberculosis elimination in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
European union system for the evaluation of substances: the second version | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Protection of macaques against Mycobacterium tuberculosis infection by a subunit vaccine based on a fusion protein of antigen 85B and ESAT-6 | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Assessment of potency of allergenic activity of low molecular weight compounds based on IL-1alpha and IL-18 production by a murine and human keratinocyte cell line | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
De laatste jaren komen steeds meer producten op de markt die claimen een gunstig effect op de gezondheid te hebben, de zogenaamde functionele voedingsmiddelen en voedingssupplementen. Dit rapport geeft een uitgebreid overzicht van de momenteel in Europa en Nederland geldende en in ontwikkeling zijnde wetgeving voor deze producten ten aanzien van claims en veiligheid. Het rapport bevat tevens een overzicht van de criteria die momenteel in enkele toonaangevende landen worden gehanteerd bij de onderbouwing en beoordeling van claims.Om het daadwerkelijke nut van functionele voedingsmiddelen en voedingssupplementen voor de volksgezondheid te kunnen beoordelen, dient een afweging plaats te vinden van de positieve effecten (gezondheidswinst) versus de negatieve effecten (gezondheidsrisico's). Een dergelijke effectiviteits- versus veiligheidsbeoordeling is nodig om te voorkomen dat consumenten, mede gezien het groeiende aanbod, misleid worden door onterechte of vage claims of zelfs een gezondheidsrisico lopen. Uit de inventarisatie blijkt dat de huidige wetgeving ontoereikend is ten aanzien van zowel de veiligheid als de onderbouwing van de claim. Beide aspecten worden namelijk, op enkele uitzonderingen na, niet verplicht getoetst voor toelating van het product op de markt. Gezien de in ontwikkeling zijnde wetgeving gaat dat veranderen, want daarin wordt onder meer voorzien in een verplichte pre-markt toetsing van de onderbouwing van gezondheidsclaims. Opvallend is echter dat in de wetsvoorstellen niet expliciet wordt ingegaan op de zo noodzakelijk geachte afweging van effectiviteit versus veiligheid.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Re-emergence of early pandemic Staphylococcus aureus as a community-acquired meticillin-resistant clone | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Absorbing Aerosol Index: sensitivity analysis, application to GOME and comparison with TOMS | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
The association of acetaminophen, aspirin, and ibuprofen with respiratory disease and lung function | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
UV radiation in the Netherlands: assessing long-term variability and trends in relation to ozone and clouds | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Overproduction of heterologous mannitol 1-phosphatase: a key factor for engineering mannitol production by Lactococcus lactis | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Nitrate leaching in agriculture to upper groundwater in the sandy regions of the Netherlands during the 1992-1995 period | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Exploring changes in river nitrogen export to the world's coeans | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Applications of dosimetry modeling to assessment of neurotoxic risk | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Allergen exposure in infancy and the development of sensitization, wheeze, and asthma at 4 years | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Molecular epidemiology of pneumococcal colonization in response to pneumococcal conjugate vaccination in children with recurrent acute otitis media | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Evaluating the impact of pollution on plant-Lepidoptera relationships | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Impacts of future land cover changes on atmospheric CO2 en climate | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Utility of mycobacterial interspersed repetitive unit typing for differentiating multidrug-resistant Mycobacterium tuberculosis isolates of the Beijing family | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
UV exposure, genetic targets in melanocytic tumors and transgenic mouse models | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Intake of the plant lignans secoisolariciresinol, matairesinol, lariciresinol, and pinoresinol in Dutch men and women | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Determination of N-nitrosodiethanolamine in cosmetic products by LC-MS-MS | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
International validation of novel pyrogen tests based on human monocytoid cells | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
The Skin Irritation Corrosion Rules Estimation Tool (SICRET) | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Negative attitude of highly educated parents and health care workers towards future vaccinations in the Dutch childhood vaccination program | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Use of structural alerts to develop rules for indentifying chemicals substances with skin irritation or skin corrosion potential | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Er bestaat een potentieel risico op verspreiding van HIV en SOA vanuit hoog-risicogroepen naar de rest van de bevolking in Nederland. Dit blijkt uit de eerste HIV-survey die is uitgevoerd in Rotterdam. Hierbij is gevonden dat de HIV-prevalentie onder prostituees 7% is, onder injecterende druggebruikers 10%, onder Kaapverdianen 1%, en onder Surinamers en Antillianen 0%. Het seksueel risicogedrag bij deze groepen is hoog. Doel van de survey was inzicht te verkrijgen in het voorkomen van HIV, seksueel risicogedrag en de potentie tot verspreiding hiervan bij prostituees, druggebruikers en migranten afkomstig uit HIV-endemische gebieden. De surveys zijn een onderdeel van de HIV-surveillance in Nederland.De HIV-prevalentie onder prostituees op de tippelzone (12%) is hoger dan bij prostituees in clubs (2%). Prostituees gebruiken vaak condooms met klanten (88%), echter deze condooms gaan regelmatig stuk (49%). Het aantal jaren werk in de prostitutie, transgenders en het spuiten van drugs waren geassocieerd met een HIV-infectie.Het seksueel risicogedrag onder migranten is hoog en hoger bij mannen dan bij vrouwen: dat wil zeggen veel partners, meer gelijktijdige partners en weinig condoomgebruik met vaste en losse partners. Door de vele seksuele contacten onderling en tussen de verschillende etnische groepen bestaat de kans op snelle verspreiding van HIV binnen deze groep migranten en naar de rest van de bevolking. De HIV-prevalentie onder injecterende druggebruikers is ongeveer hetzelfde gebleven ten opzichte van eerder onderzoek in 1997. Het spuitgedrag is minder risicovol geworden, echter het seksuele risicogedrag is hoog gebleven.De resultaten van de HIV-surveys worden gebruikt voor het preventiebeleid in Rotterdam
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
In dit rapport treft u de cijfers aan van de vaccinatietoestand in Nederland per 1 januari 2004 voor zuigelingen, kleuters (4-jarigen) en schoolkinderen (9-jarigen) van de cohorten 2001, 1998 en 1993.De vaccinatiegraad in Nederland is al jaren zeer goed te noemen. Het afgelopen verslagjaar is de vaccinatiegraad voor alle vaccinaties - behalve voor DTP schoolkinderen - toegenomen. De lichte daling van de vaccinatiegraad bij zuigelingen sinds 1996 heeft zich hersteld. Met name de meest kwetsbare groep zuigelingen (< 6 maanden) is dit jaar nog beter beschermd met entpercentages voor D(K)TP en Hib >97%. De landelijke entpercentages zijn voor het eerst alle boven de 95% en voldoen hiermee ruim aan de WHO-normen. Ook op provinciaal en gemeentelijk niveau is het beeld over het algemeen gunstig. Alle provincies voldoen aan de norm van minimaal 90%, bovendien komen op gemeentelijk niveau vaccinatiepercentages <60% niet meer voor. De gebieden met onvoldoende vaccinatiepercentages concentreren zich weer voornamelijk in de 'Bible belt'.Toch blijft waakzaamheid geboden omdat inmiddels duidelijk is dat het met de vaccinatiegraad van de geboortecohorten vanaf eind 2003 minder goed gesteld is door de enorme media-aandacht die er geweest is met name rond het nieuw in te voeren acellulair kinkhoestvaccin. Continue aandacht en niet aflatende inzet van alle betrokkenen bij het RVP zullen nodig zijn om de jeugd ook in de toekomst afdoende te kunnen beschermen. Van zeer groot belang hierbij is het voorlichten van ouders en andere betrokkenen over nut en noodzaak van (een correcte uitvoering van) het RVP.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
De leesprestatie van basisschoolkinderen rondom drie Europese vliegvelden blijkt gemiddeld lager te zijn bij hogere geluidniveaus van vliegverkeer. Het percentage ernstige hinder hangt samen met het geluidniveau van vliegverkeer. De relatie tussen geluid van vliegverkeer en bloeddruk is niet geheel eenduidig.Dit blijkt uit het tot dusver grootste onderzoek naar de effecten van geluid van vlieg- en wegverkeer op cognitieve functies, de bloeddruk en de hinderbeleving bij kinderen. Het onderzoek is uitgevoerd onder 2.844 kinderen in de omgeving van drie Europese luchthavens. De onderzoeksresultaten tonen dat de bevindingen in recente buitenlandse studies over effecten van geluid van vliegtuiggeluid op cognitie ook van toepassing zijn op de situatie rondom Schiphol. Voorheen was dit onzeker.De resultaten wijzen verder op een ongunstig effect van blootstelling aan geluid van vliegverkeer op het lange termijn geheugen. Ook blijken kinderen bij hogere geluidniveaus van vliegverkeer meer fouten te maken op de wisselende aandachtstest. Naar schatting zijn er in de omgeving van Schiphol 50 tot 3.000 (0,1 - 2,5%) bovenbouwleerlingen extra met een relatief lage score op een leestest. Normaliter heeft 9% een relatief lage score.Circa 3.400 (2,9%) bovenbouwleerlingen zijn ernstig gehinderd door het geluid van vliegverkeer op school.In Nederland is de bloeddruk hoger bij hogere geluidniveaus van vliegverkeer; in Engeland is dat niet zo. Ook de wetenschappelijke literatuur geeft geen duidelijkheid. Daarom kunnen aan deze resultaten geen eenduidige conclusies worden verbonden.In het rapport wordt tevens op de effecten van geluid afkomstig van wegverkeer ingegaan.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Dit themarapport gaat over de toekomst van de eerstelijnsgezondheidszorg in Nederland. Met het jaar 2020 als tijdshorizon worden verkenningen gepresenteerd over de zorgvraag, het zorgaanbod en de organisatie van de eerste lijn. Daarmee wordt zichtbaar welke zorgvragen in 2020 op de eerste lijn afkomen, hoeveel hulpverleners daarvoor nodig zijn en hoe de organisatie eruit kan zien. Mogelijke organisatieveranderingen worden steeds bezien vanuit de wetenschappelijke evidentie die er voor de effecten bestaat. Het rapport biedt een schat aan informatie over de huidige en toekomstige eerstelijnszorg. Door de vele feiten en cijfers is het rapport - behalve een toekomstverkenning - een nuttig naslagwerk voor allen die bij de eerstelijnszorg betrokken zijn. De veldpartijen en het Ministerie van VWS hebben zich in het najaar van 2004 uitgesproken voor 'versterking van de eerstelijnsgezondheidszorg' als een gezamenlijke ambitie. Deze studie beoogt daaraan een bijdrage te leveren. Dit rapport is het resultaat van een samenwerkingsproject van het NIVEL en het RIVM, en maakt deel uit van de reeks Volksgezondheid Toekomst Verkenningen 2006.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Using the W&H integrated uncertainty analysis framework with non-initiated experts | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Wij leveren feiten | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Managen ruimtegebruik pijler van duurzame ontwikkeling | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Recent trends in global greenhouse gas emissions: regional trends 1970-2000 and spatial distribution of key sources in 2000 | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Ontsnipperen van infrastructuur in natuurgebieden: effecten op natuur en de mens | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Transformation of the first daughter directive on air quality in several EU member states and its application in practice | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Evaluatie beleidsbrief bodem. Onvoldoende waarborgen voor duurzaam bodemgebruik | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
U vraagt en wij draaien: ruimtelijk optimaal verdelen van kwaliteitswensen | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Aanvullende Nederlandse maatregelen bieden beperkte oplossing | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Een 'holistische' benadering, waarbij eetpatronen als uitgangspunt worden genomen, is een aantrekkelijke manier om de voeding van de Nederlandse bevolking te beoordelen. We hebben de huidige literatuur onderzocht en vonden dat de gebruikte methoden verscheidene tekortkomingen en beperkingen hebben. We stellen dan ook voor om middels een nieuwe aanpak een geintegreerde voedingsindex te ontwikkelen, specifiek voor de Nederlandse situatie. Veranderingen in het voedingspatroon hebben zowel positieve als negatieve gevolgen voor de voedingsstoffenvoorziening en de gezondheid van de Nederlandse bevolking. De precieze impact van deze veranderingen op de gezondheid kan niet worden bepaald door te kijken naar individuele voedingsstoffen en voedingsmiddelen, de meest gangbare benadering. Om de kwaliteit van de voeding van de Nederlandse bevolking te bepalen, dient deze in zijn geheel te worden beschouwd. Dit gebeurt op twee verschillende manieren: vooraf kan een voedingsindex worden opgesteld op basis van bestaande kennis omtrent gezonde voeding, of eetpatronen kunnen middels statistische methoden achteraf worden afgeleid uit beschikbare voedselconsumptiegegevens. Dit rapport bevat een kritische beschouwing van de huidige literatuur op dit gebied.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Adjuvants enhancing an integral immune response to antigens | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Use of variable-number tandem-repeat typing to differentiate Mycobacterium tuberculosis Beijing family isolates from Hong Kong and comparison with IS6110 restriction fragment length polymorphism typing and spoligotyping | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Molecular characterizations of human and animal group a rotaviruses in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Analysis of duplicate 24-hour diet samples for aflatoxin B1, aflatoxin M1 and ochratoxin A | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Noroviruses in archival samples | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
A one-year intensified study of outbreaks of gastroenteritis in The Netherlands | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Probing neutralizing-antibody responses against emerging measles viruses (MVs): immune selection of MV by H protein-specific antibodies? | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Detection of serum antibodies to bovine norovirus in veterinarians and the general population in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Exhaled nitric oxide in 4-year-old children: relationship with asthma and atopy | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Presence of noroviruses and other enteric viruses in sewage and surface waters in The Netherlands | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
The role of tumour necrosis factor in the kinetics of lipopolysaccharide-mediated neutrophil priming in whole blood | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Pregnancy outcome after exposure to ranitidine and other H2-blockers. A collaborative study of the European Network of Teratology Information Services | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Long-term surveillance of invasive group A streptococcal disease in The Netherlands, 1994-2003 | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Effects of copper and temperature on aquatic bacterial communities | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
The importance of imported infections in maintaining hepatitis B in The Netherlands | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Dose-dependent effects of UVB-induced skin carcinogenesis in hairless p53 knockout mice | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Report of working group 1: public health challenges | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
In een gebied van ca 9 km2 rondom Vragender (Gld.) is gedurende de periode juni 2002 tot september 2003 het pilot project VELD uitgevoerd. Enerzijds werden van alle agrarische activiteiten in het gebied de ammoniakemissie bepalende factoren in kaart gebracht en daaruit de ammoniakemissie berekend. Anderzijds is op 50 locaties in het gebied de ammoniakconcentratie in de lucht gemeten. Vergelijking tussen berekende ammoniakconcentraties op basis van de emissies en gemeten ammoniakconcentraties leverde in het algemeen een goede overeenkomst op. Echter tijdens de mestaanwending in het voorjaar 2003 werd een grote discrepantie gevonden..Belangrijkste redenen hiervoor zijn een onderschatting van de emissies door mestaanwending tijdens het droog en zonnig voorjaarsweer en een vermindering van de droge depositie van ammoniak ten tijde van de aanwending.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
De ontwikkelingen van energiegebruik en emissies naar lucht tot 2020 zijn geschat voor twee economische scenario's,(Global Economy (GE) met hoge economische groei en "Strong Europe" (SE) met middelmatige groei). Door temperatuurstijging neemt het energiegebruik minder snel toe dan in een situatie zonder temperatuurstijging. In beide scenario's blijft Nederland energie-intensief in vergelijking met andere landen. Het tempo van energiebesparing ligt in beide scenario's op ongeveer 1% en is in de periode tot 2020 ongeveer gelijk aan dat van de afgelopen tien jaar. Door toenemende kosten voor winning en levering van aardgas en elektriciteitsproductie stijgen de energieprijzen voor eindverbruikers licht. Nederland zal meer elektriciteit in eigen land gaan produceren, aangezien het kostenvoordeel van de productie in het buitenland kleiner wordt. Het aandeel duurzame energie, vooral wind en biomassa, groeit sterk onder invloed van beleid, maar de rol blijft bescheiden met een aandeel van 6-9% in het totale binnenlands energiegebruik in 2020. Door de groei nemen de jaarlijkse MEP-subsidies toe tot 0,6 (SE) a 1,5 miljard euro in 2020 (GE). Het Kyoto-doel wordt bereikt in beide scenario's mits de voorziene subsidies van duurzame energie worden gerealiseerd, en het huidige CO2-emissieplafond voor de industrie voor de periode na 2007 wordt vastgesteld op het huidige niveau. Daarnaast is verondersteld dat de overheid de voorgenomen aankoop van buitenlandse emissiereducties via de Kyoto-mechanismen realiseert. Met het vastgestelde beleid dalen de emissies van verzurende emissies (NOx en SO2) onvoldoende om in 2010 te voldoen aan internationale emissieverplichtingen (NEC-doelen). Wanneer de huidige initiatieven van de overheid om de emissies verder te reduceren succesvol zijn, is de kans fifty fifty dat de doelen wel worden gerealiseerd. Voor NH3 en NMVOS is het nog onzeker of aan de NEC-verplichting kan worden voldaan. Dit hangt onder meer af van nieuwe inzichten in de NH3-emissie bij mestaanwending en de NMVOS-emissie bij de koude start van benzineauto's.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Het Ministerie van VWS wil de kwaliteit van de diabeteszorg verhogen door middel van het verbeteren van de samenwerking tussen zorgverleners. Deze samenwerking tussen zorgverleners (zoals huisartsen, diabetesverpleegkundigen, internisten, dietisten, etc.) vindt plaats in transmurale diabeteszorgprojecten. In de afgelopen jaren is er al een aantal van zulke initiatieven op dit gebied ondernomen door zorgverleners zelf. Het Ministerie heeft het RIVM gevraagd om te onderzoeken in hoeverre de reeds bestaande samenwerkingsverbanden leiden tot een betere zorg voor mensen met diabetes. Transmurale diabeteszorg leidt er toe dat mensen met diabetes vaker worden gecontroleerd. Daarnaast is onderzocht wat het effect is van transmurale diabeteszorg voor de patienten . Er wordt daarbij gekeken naar de hoogte van de bloedsuikerspiegel (HBA1c), bloeddruk, cholesterol en lichaamsgewicht. Door de transmurale zorg is de bloedsuikerspiegel verlaagd en lijkt ook het cholesterol gehalte te dalen. Het effect van transmurale zorg op het ontwikkelen van complicaties van diabetes mellitus zoals diabetische voet, oogaandoeningen of hart- en vaatziekten is nog onduidelijk vanwege de korte follow-up duur in de beschikbare gegevens. Het is aannemelijk dat de verlaagde bloedsuikerspiegel en cholesterol op termijn leiden tot een afname in diabetescomplicaties. De onderzochte factoren zijn immers risicofactoren voor complicaties van diabetes. Ondanks de al gevonden verbeteringen in de onderzochte transmurale diabeteszorgprojecten is er nog ruimte voor verdere verbetering, met name op het gebied van de preventie van risicofactoren voor hart- en vaatziekten (bloeddruk en lichaamsgewicht).
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Om ondiepe grondwaterwinningen zonder afdekkende lagen voldoende te beschermen tegen virusbesmetting zijn beschermingsgebieden met verblijftijden van het grondwater van 1 tot 2 jaar (206 - 418 m) nodig. In dat geval wordt met 95%-zekerheid de infectiekans van 10-4 per persoon per jaar door consumptie van dit water niet overschreden. Dit impliceert dat de huidige richtlijn van 60 dagen voor de bescherming van Nederlandse grondwaterwinningen onvoldoende bescherming biedt. Dit werd in deze studie geconcludeerd waarbij besmetting van het grondwater met virussen uit een lekkende rioolpijp werd gesimuleerd voor een selectie van ondiepe grondwaterwinningen zonder afdekkende lagen. De grootte van het beschermingsgebied wordt vooral bepaald door virusinactivatie en hechting van virussen aan grond. Vooralsnog is onduidelijk in hoeverre de aanwezigheid van een onverzadigde zone en de aanwezigheid van hechtingsplaatsen voor virussen aan grond bijdragen aan de bescherming van grondwaterwinningen. Een kleiner beschermingsgebied dan hier berekend is acceptabel als aangetoond of aannemelijk kan worden gemaakt dat de winning eigenschappen heeft die leiden tot een verkleinde kans op virusbesmetting.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Abstract niet beschikbaar
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
De Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat heeft in november 2003 aan de vaste kamercommissie voor Verkeer en Waterstaat een verkenning toegezegd naar een 'gebiedsgerichte benadering' van het groepsrisico (de kans op een ongeval met een groot aantal slachtoffers) in relatie tot Schiphol. De aanleiding hiervoor is de voorgenomen aanpassing van de Luchtvaartwet. Dit rapport onderzoekt de mogelijkheid van een alternatief voor het huidige groepsrisicobeleid voor de omgeving van Schiphol. In de huidige praktijk wordt het groepsrisico namelijk berekend voor een gebied van 56 bij 56 kilometer. Afwegingen over ruimtelijke ordening en veiligheid op lokaal (gemeentelijk) niveau zijn op die schaal niet mogelijk. Onderzocht is een benadering vanuit gemeentelijk perspectief: hoe verhouden verschillende lokale risico's zich tot elkaar en hoe verandert het groepsrisico als nieuwe ruimtelijke plannen worden gerealiseerd in beeld te brengen? De conclusie is dat de in dit rapport voorgestelde benadering goede aangrijpingspunten biedt voor een gebiedsgerichte benadering van het groepsrisico. Een verdere uitwerking moet uitwijzen hoe dit tot een praktisch en bruikbaar instrument uitgebouwd kan worden.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Containers met goederen die in Nederland worden ingevoerd, zijn vaak behandeld met een bestrijdingsmiddel. Veel toegepaste bestrijdingsmiddelen zijn methylbromide en chloorpicrine, en fosfine. De mogelijkheid bestaat dat deze middelen in de goederen terecht komen en uitdampen bij gebruik door consumenten. In dit onderzoek is gebleken dat goederen zoals matrassen, schoeisel, tassen en beeldjes, nog lange tijd na begassing bestrijdingsmiddelen kunnen uitdampen. Blootstelling van consumenten kan hierdoor onbedoeld optreden. Ook is gebleken dat bij voedingsmiddelen of medicijnen de begassing kan leiden tot orale opname van bestrijdingsmiddelen en wellicht ook tot verandering van de chemische samenstelling van het voedsel of medicijn.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Dit rapport beschrijft de elementen van een zogeheten 'budget allocatie model'. Dit model is bedoeld ter ondersteuning van beleidsmakers bij keuzes over de inzet van budget voor primaire preventie en/of preventie in de zorg bij chronische aandoeningen. Als concrete toepassing is gekozen voor Diabetes mellitus. Een uitbreiding van het RIVM Chronische Ziekten Model beschrijft het verband tussen diabetes, risicofactoren en hart- en vaatziektecomplicaties. Een gezondheidseconomische module berekent vervolgens gezondheidseffecten in termen van gewonnen levensjaren en voor kwaliteit van leven gecorrigeerde gewonnen levensjaren (QALYs), interventiekosten, en kosten van zorg. Ten slotte bespreken we hoe de voorkeuren van beleidsmakers kunnen worden geformaliseerd in doelstellingsfuncties en (budget-)beperkingen. Deze drie elementen zijn de basis voor een toepassing van budgetallocatie bij diabetes. De ontwikkelde methode is ook toepasbaar bij andere chronische ziekten, omdat we het bredere RIVM Chronische Ziekten model als uitgangspunt hebben gebruikt. Het nieuwe model voor diabetes is niet alleen een basis voor budgetallocatie, maar ook op zichzelf al bruikbaar om primaire preventie en verschillende vormen van preventie van complicaties bij diabetes te evalueren. Het model kan voor deze interventies de consequenties voor Nederland berekenen, zowel voor de kosten van zorg als voor de gezondheid.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Mycobacterium avium ssp. paratuberculosis (Map) wordt door veel onderzoekers beschouwd als mogelijke verwekker van de ziekte van Crohn (morbus Crohn, MC) bij de mens. Dit is vooral gebaseerd op klinische en pathologische overeenkomsten tussen MC en de ziekte Paratuberculose bij runderen (herkauwers), die zonder twijfel veroorzaakt wordt door Map, en de aangetoonde aanwezigheid van Map bij een deel van de patienten met MC. Echter, evenzoveel onderzoekers zijn van mening dat Map niet de verwekker is van MC omdat Paratuberculose en MC ook verschillen in een aantal kenmerken. Map kan bijvoorbeeld niet worden aangetoond bij alle MC patienten. Verder kan Map vaak wel worden aangetoond bij een aanzienlijk deel van de onderzochte gezonde personen. Omdat Map niettemin een ziekteverwekker is die via melk, vlees, water en andere levensmiddelen de consument kan bereiken, bestaat er ernstige bezorgdheid over het mogelijke risico van dit Map-besmet voedsel voor het ontstaan van MC bij de consument. In dit rapport wordt een antwoord gegeven op de vraag 'is het verband tussen de verwekker van Paratuberculose, Mycobacterium avium ssp. paratuberculosis, en de ziekte van Crohn overtuigend bewezen?' De huidige wetenschappelijke kennis over MC wordt beschreven, waarbij het accent wordt gelegd op de informatie die direct of indirect betrekking heeft op, of een indicatie kan zijn voor een mogelijke relatie tussen MC en Map.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Probabilistische modellering voor het berekenen van de inname van bestrijdingsmiddelen via de voeding heeft het voordeel dat onnodig conservatieve schattingen worden voorkomen. De toepassing van probabilistische modellering vereist echter dat verschillende beleidsbeslissingen expliciet moeten worden genomen. Deze betreffen de fractie van de bevolking die beschermd moet worden in de acceptabele fractie van dagen met overschrijding. Dit rapport analyseert de verschillende beleidsvragen die leiden tot een innameberekening uit voedsel. De eerste betreft de veiligheid van elk voedingsmiddel, de tweede het risico van een partij met te hoog residugehalte en de derde beleidsvraag gaat in op het gezondheidsrisico bij werkelijke blootstelling. Innameberekeningen worden bemoeilijkt doordat de informatie die in de Nederlandse Voedselconsumptie Peiling (VCP) beperkt is en bewerkt moet worden voordat deze te gebruiken is. Getoond wordt dat de beleidsvraag bepalend is voor de manier waarop een innameberekening dient te worden uitgevoerd. Het berekenen van de lange-termijn inname van voedingsmiddelen die veel worden gegeten was al langer mogelijk. Met behulp van een recent op het RIVM ontwikkeld model zijn probabilistische innameberekeningen nu ook mogelijk voor voedingsmiddelen die incidenteel worden gegeten. Ook kan de korte-termijn inname (1 dag) worden berekend. Het berekenen van de inname van bestrijdingsmiddelen via meerdere voedingsmiddelen is alleen nog maar mogelijk voor de lange-termijn inname van frequent gegeten voedingsmiddelen.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Dit jaarlijkse rapport over de Nederlandse inventarisatie van broeikasgasemissies is geschreven om te voldoen aan de rapportageverplichtingen van het Klimaatverdrag van de Verenigde Naties (UNFCCC) en van het Bewakingsmechanisme Broeikasgassen van de Europese Unie. In 2003 waren de totale broeikasgasemissies (exclusief landgebruik) circa 1% hoger dan in het basisjaar (1990, maar 1995 voor de gefluorideerde gassen) en zonder temperatuurcorrectie. In periode 1990-2003 zijn de emissies van CO2 exclusief landgebruik met 12% toegenomen, terwijl de CH4 en N2O-emissies met respectievelijk 32% en 19% afnamen. Van de zogenaamde F-gassen, waarvoor 1995 het referentiejaar is, nam de totale emissie met circa 60% af. De HFK- en PFK-emissies namen met respectievelijk 75% en 25% af in 2003 ten opzichte van 1995, terwijl de emissies van SF6 met 11% toenamen. De grootste wijzigingen in totale broeikasgasemissies in 2003 ten opzichte van 2002 worden veroorzaakt door toename van 3,1 Mton (1,7%) van de CO2-emissies, vooral van de streefwaardesectoren gebouwde omgeving (5%), industrie/energiesector (0,9%) en transportsector (2,0%), terwijl de emissies in de landbouw daalden (-2,2%). De methaanuitstoot is met 0,7 Mton CO2-eq. (4,2%) afgenomen (met name bij afval en landbouw). Ook de N2O-uitstoot is in 2003 met 0,7 Mton-CO2-eq. afgenomen (3,6%) (met name in landbouw en industriele procesemissies). Dit rapport bevat onder andere trendanalyses voor de emissies van broeikasgassen in de periode 1990-2003 en documentatie van gebruikte berekeningsmethoden, databronnen en toegepaste emissiefactoren. Ook worden de nationale broeikasgasemissies per streefwaardesector samengevat, zoals gebruikt in het Nederlandse nationale klimaatbeleid. Veel aandacht wordt dit jaar besteed aan de documentatie van de vele uitgevoerde herberekeningen.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Het kabinet zal binnenkort een standpunt innemen over een eventuele wijziging van het beleid gericht op het terugdringen van slaapverstoring door nachtelijk vliegverkeer van Schiphol. Ter ondersteuning van dit kabinetsbesluit is voor het onderwerp nachtelijk geluid van vliegverkeer rond Schiphol en slaapverstoring het Beoordelingskader Gezondheid en Milieu ingevuld. Dit beoordelingskader bevat een checklist voor factoren, die mogelijk van invloed zijn op de besluitvorming rond een milieuprobleem met veronderstelde of bewezen gezondheidseffecten, zoals de omvang en ernst van gezondheidseffecten, de beleving van effecten of risico's van burgers, de mogelijke maatregelen en de kosten en baten van deze maatregelen. De beschrijving van de gezondheidseffecten van nachtelijke geluidbelasting is vooral gebaseerd op een recent verschenen advies van de Gezondheidsraad. Voor de kwantificering van de gezondheidseffecten is met name geput uit verschillende studies die in de omgeving van Schiphol zijn uitgevoerd in het kader van het onderzoeksprogramma Gezondheidskundige Evaluatie Schiphol. De mogelijke maatregelen zijn voornamelijk afkomstig uit een inventarisatie uitgevoerd door het Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium. Schattingen van de kosten en de effectiviteit van maatregelen zijn alleen beschikbaar voor een scenario waarin het nachtregime van 23:00 - 6:00 uur wordt verlengd tot 7:00 uur. Het resultaat is een beschrijving van aspecten die een rol kunnen spelen bij de besluitvorming over slaapverstoring en het nachtelijk geluid van vliegverkeer rond Schiphol.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Steeds meer afdelingen radiologie gaan over op digitale beeldvormingstechnieken. Voor beeldkwaliteit en patientendosis kan deze digitalisering zowel voordelig als nadelig uitpakken. Voor de Inspectie voor de Gezondheidszorg zijn in dit rapport de gevolgen van de toenemende digitalisering in de radiodiagnostiek voor de patientveiligheid in kaart gebracht. Daarbij is ook aandacht besteed aan de kwaliteitsborging van digitale systemen en het toekomstperspectief van nieuwe digitale technieken. De belangrijkste conclusie van dit onderzoek is dat een omschakeling naar digitale systemen momenteel in de praktijk lang niet altijd in een dosisreductie resulteert, maar dat dat in de meeste gevallen na optimalisatie wel mogelijk is. Voor de nabije toekomst is de verwachting dat digitale systemen beter en goedkoper zullen worden. Ook zullen enkele nieuwe digitale technieken hun opwachting maken. Belangrijke voordelen van digitale technieken zijn dat vrijwel elke exposie een beeld levert, de beeldbewerkingsmogelijkheden en de transporteerbaarheid van de beelden. Daar staan tegenover de hoge kosten van de omschakeling, het lagere oplossend vermogen en mogelijk onzorgvuldig gebruik. Een omschakeling naar digitale technieken betekent ook dat het werkproces verandert. Speciaal op digitale systemen toegesneden protocollen voor kwaliteitsborging zijn daarbij nodig. Om problemen met beeldkwaliteit en patientendosis te voorkomen dienen deze protocollen bij acceptatie van digitale apparatuur, dus voor de klinische ingebruikname, opgesteld te worden.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Voor wie kiest Brussel? | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
CO2-emissiereductie van de elektriciteitsopwekking in de EU-25 | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Ambities en middelen niet in evenwicht. Hoofdpunten uit de Natuurbalans 2005 | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Biodiversity trends in Europe: development and testing of a species trend indicator for evaluating progress towards the 2010 target | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Effect of sequence variation in meningococcal PorA outer membrane protein on the effectiveness of a hexavalent PorA outer membrane vesicle vaccine in toddlers and school children | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
The Bordetella pertussis virulence factor P.69 pertactin retains its immunological properties after overproduction in Escherichia coli | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Father's occupational group and daily smoking during adolescence: patterns and predictors | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Monitoring health inequalities through general practice: the Second Dutch National Survey of General Practice | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Safety of haloperidol and penfluridol in pregnancy: a multicenter, prospective, controlled study | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Validation of the EU environmental risk assessment for veterinary medicines | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Attempt to detect evidence for tick-borne encephalitis virus in ticks and mammalian wildlife in The Netherlands | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Dit rapport beschrijft de resultaten van een aantal in de literatuur geopperde alternatieve, bottom-up benaderingen om verplichtingen vorm te geven,i.e. technologie en performance standaards, technologie onderzoek en ontwikkelingsafspraken, sectorale verplichtingen, S-CDM (Sectoraal CDM) en SD-PAMs (Sustainable Development Policies & Measures), en analyseert de sterke en zwakke punten van de benaderingen. Daarnaast analyseert dit rapport in meer detail een bottom-up benadering voor de definitie van nationale emissie doelstellingen, de zogenaamde mondiale Triptych approach, en vergelijkt deze benadering met meer top-down benaderingen (Multi-stage (MS) en Contraction and Convergence(C&C)) op basis van een kwantitatieve en kwalitatieve analyse. Dit leidt tot de conclusie dat bottom-up benaderingen waardevolle componenten kunnen zijn van een toekomstig klimaatregime, maar dat ze geen volledig of volwaardig alternatief kunnen vormen voor kwantitatieve verplichtingen (emissieplafonds), daar ze minder zekerheid geven over de milieueffectiviteit van klimaatbeleid. In vergelijking met Multi-stage en de C&C top-down benaderingen biedt de mondiale Triptych benadering de mogelijkheid van vroege deelname van de ontwikkelingslanden zonder het risico van "hot air", zoals onder C&C, en vermijdt de noodzaak om de niet-Annex I op te splitsen zoals bij Multi-Stage. Echter, door de complexiteit en data-intensiviteit van de Triptych benadering zijn er substantikle implementatieproblemen te verwachten in de minst ontwikkelde ontwikkelingslanden als het gevolg van hun gebrekkige institutionele en technische capaciteiten. Het lijkt beter om deze landen in eerste instantie uit te sluiten, en hun te enthousiasmeren voor het op zich nemen van niet-bindende kwantitatieve verplichtingen.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
In veel gemeenten in Nederland ontstaan nieuwe wijken of worden oude wijken opnieuw ingericht. De inrichting van de wijk (ofwel woonomgeving) heeft in belangrijke mate invloed op de gezondheid en het gezondheidsgedrag van de inwoners, bijvoorbeeld op het gebied van de mogelijkheden voor bewegen of de sociale en fysieke veiligheid. Deze twee hangen nauw samen: in een verkeers- en sociaal veilige woonomgeving zullen mensen meer geneigd zijn te gaan bewegen. Een veilige woonomgeving nodigt uit tot fietsen en lopen; en actief bezig zijn is het gemakkelijkst vol te houden als het past binnen een dagelijkse routine. Dat maakt dat de inrichting van de wijk belangrijke aangrijpingspunten biedt voor gezondheidsbevordering. Door het RIVM is in de gemeente Voorhout een handleiding ontwikkeld en getoetst waarmee gemeenten een bewegingsbevorderende en veilige inrichting van wijken kunnen realiseren. De handleiding 'bewegingsbevorderende en veilige wijken' geeft stapsgewijs aan hoe een bewegingsbevorderende en veilige woonwijk kan ontstaan en geeft 50 aanbevelingen voor het inrichten van wijken. Deze handleiding is bestemd voor alle gemeenten in Nederland die in nieuwbouw- en herstructureringsplannen aandacht willen besteden aan het stimuleren van lichamelijke activiteit en veiligheid van de inwoners.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Modelling and mapping of air pollution effects and risks | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Air pollution effects drive abatement strategies | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Het negende ringonderzoek voor de typering van Salmonella werd in de lente van 2004 georganiseerd door het Communautair Referentie Laboratorium voor Salmonella (CRL-Salmonella, Bilthoven, Nederland) in samenwerking met Health Protection Agency (HPA, Londen, Verenigd Koninkrijk) en het Centraal Instituut voor Dierziekte Controle (CIDC, Lelystad, Nederland). Vijfentwintig Nationale Referentie Laboratoria voor Salmonella (NRLs-Salmonella) inclusief Noorwegen en Kandidaat lidstaat Roemenie en 18 Enter-Net Laboratoria (ENLs) namen deel aan de studie. Twintig stammen van species Salmonella enterica subspecies enterica werden geselecteerd voor de serotypering. Tien stammen van Salmonella Enteritidis (SE) en 10 stammen van Salmonella Typhimurium (STM) werden geselecteerd voor faagtypering. Tien stammen van Salmonella spp. werden geselecteerd voor antimicrobiele gevoeligheidsbepalingen. In het algemeen werden geen problemen gevonden met de typering van de O-antigenen. Enkele laboratoria hadden problemen met het typeren van de H-antigenen. Veel problemen traden op met de onderscheiding tussen S.Banana en S. California. Achtennegentig procent van alle deelnemende laboratoria typeerden de O-antigenen correct. De H-antigenen werden correct getypeerd door 90 % van de NRLs en door 96 % van de ENLs. Negentig procent van de NRLs en 95 % van de ENLs gaven de 20 serotyperingsstammen de goede serovar naam. De faagtypering van enkele van de Salmonella Enteritidis stammen zorgden voor problemen voor zowel de NRLs als de ENLs. De meeste laboratoria testten de antimicrobiele gevoeligheids bepalingen tegen een panel van veertien antibiotica. Sommige problemen deden zich voor met de interpretatie van de resultaten verkregen met de antibiotica amoxicillin-clavanulaat en trimethoprim/sulphamethoxazole. Deze studie toonde aan dat minder afwijkende resultaten werden verkregen met de Minimal Inhibition Concentration methode dan met de disk diffusie test.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Air pollution effects drive abatement strategies | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Country-dependent characterisation factors for acidification in Europe: a critical evaluation | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Het Ministerie van VWS overweegt om bepaalde voedselbestanddelen te verrijken met foliumzuur. Foliumzuurverrijking houdt echter een gezondheidsrisico in, omdat het vitamine B12 deficientie maskeert, waardoor het de incidentie van megaloblastische anemie en perifere neuropathie kan verhogen. Dit rapport geeft een overzicht van de literatuur met betrekking tot het potentieel maskerende effect door foliumzuur van pernicieuze anemie -het vroege symptoom- van vitamine B12-deficientie. Het vermoeden, dat foliumzuur neurologische complicaties kan geven en verergeren, komt mogelijk door publicaties uit de veertiger jaren, toen foliumzuur voor het eerst - en onjuist - gebruikt werd om patienten met pernicieuze anemie te behandelen. Foliumzuursuppletie (zonder co-suppletie met vitamine B12) induceert of stimuleert niet de met vitamine B12-deficientie geassocieerde neuropathie. Een belangrijke aanwijzing hiervoor werd recent verkregen in de V.S., waar na de verrijking van granen met foliumzuur, het percentage anemie onder personen met een laag serum vitamine B12 niet significant steeg ten opzichte van de periode daarvoor. Huisartsen dienen alert te zijn op een juiste diagnose van pernicieuze anemie en de hoge prevalentie van vitamine B12 deficientie in bepaalde risicogroepen (ouderen en vegetariers). Maskering van pernicieuze anemie is dan geen argument om de verrijking van voeding met foliumzuur af te wijzen.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Potential of biomass energy out to 2100, for four IPCC SRES land-use scenarios | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
In de afgelopen vier decennia is het aantal huishoudens toegenomen van 3,2 in 1960 tot 7 miljoen in 2003. Het kleiner worden van de gemiddelde huishoudensgrootte, ook wel bekend als huishoudensverdunning, kan voor een belangrijk deel worden verklaard uit de maatschappelijke trend van individualisering. Daarnaast leidde dit tot een andere huishoudenssamenstelling van huishoudens. Huishoudensontwikkelingen worden bepaald door demografische factoren zoals geboorte,sterfte en migratie, maar ook door factoren die verband houden met de levensloop van mensen. Aan de hand van een viertal scenario's, Global Economy, Strong Europe, Transatlantic Market en Regional Communities, is in dit rapport beschreven hoe de omvang en samenstelling van de huishoudens in de toekomst mogelijk zullen veranderen. In het Global Economy scenario groeit het aantal huishoudens naar ruim 10 miljoen in 2040. In het Regional Communities scenario ligt de top van het aantal huishoudens op bijna 7,5 miljoen rond 2030, waarna het aantal huishoudens terugloopt naar 7 miljoen. In alle scenario's zal het proces van huishoudensverdunning in de toekomst doorgaan. De sterkste daling van de gemiddelde huishoudensgrootte vindt plaats in het Global Economy scenario naar 1,93 personen per huishouden, en de minst sterke daling in het Regional Communities scenario naar 2,19 personen. In het Global Economy scenario is het aantal eenpersoonshuishoudens het hoogst van alle scenario's met 5,5 miljoen in 2040 tegen 2,5 miljoen in het Regional Communities scenario. De grootste stijging in eenpersoonshuishoudens is te verwachten bij de hogere leeftijden; onder ouderen kan het aantal eenpersoonshuishoudens verdubbelen of zelfs verdrievoudigen.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
De effectiviteit van Nederlandse mestbeleid wordt gemonitord met een speciaal hiervoor ontwikkeld meetprogramma, namelijk het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM). Per 2004 is de meetinspanning sterk toegenomen om aanvullende beleidsvragen te kunnen beantwoorden alsook om te kunnen voldoen aan Europese meetverplichtingen. Dit rapport beschrijft het meetprogramma voor 2004 en daarna en onderbouwt de bij de inrichting gemaakte keuzen.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Elicitation of allergic asthma by immunoglobulin free light chains | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Health status and the challenges for prevention in The Netherlands | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Working status among Dutch patients with rheumatoid arthritis: work disability and working conditions | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Synthesis and biological evaluation of gramicidin S dimers | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Human resources for control of tuberculosis and HIV-associated tuberculosis | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Prevention of UV radiation-induced immunosuppression by IL-12 is dependent on DNA repair | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Normalization of gene expression measurements in tumor tissues: comparison of 13 endogenous control genes | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Diversity of an ectomycorrhizal fungal community studied by a root tip and total soil DNA approach | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Testing goodness-of-fit of the logistic regression model in case-control studies using sample reweighting | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
The safety of proton pump inhibitors in pregnancy: a multicentre prospective controlled study | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Bioaccumulation of organic chemicals in contaminated soils: evaluation of bioassays with earthworms | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Ecology: the convention on biological diversity's 2010 target | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Consumption of vegetables and fruits and risk of breast cancer | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Trends in socioeconomic disparities in stroke mortality in six european countries between 1981-1985 and 1991-1995 | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Bordetella pertussis isolates, Finland [Letter to the editor] | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
The Dutch N-cascade in the European perspective | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Surface N balances and reactive N loss to the environment from global intensive agricultural production systems for the periode 1970-2030 | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
New pertussis vaccination strategies beyond infancy: recommendations by the Global Pertussis Initiative | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
RIVM: meer inzetten op gezond en veilig voedsel | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Het voorzorgprincipe: (on)zekerheid over klimaatverandering | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
In 2003 werd door het Communautair Referentie Laboratorium voor Salmonella (CRL-Salmonella, Bilthoven, the Netherlands) het zevende bacteriologische ringonderzoek georganiseerd. Nationale Referentie Laboratoria voor Salmonella (NRL's-Salmonella) van de EU lidstaten (16), van NRL Noorwegen en van drie EU kandidaat lidstaten namen deel aan deze studie. Referentiematerialen in combinatie met of zonder de aanwezigheid van kippenfeces, zowel als natuurlijk besmette feces (bevattende Salmonella Muenchen) werden getest. De referentiematerialen bestonden uit gelatine capsules met verschillende besmettingsniveaus van Salmonella Typhimurium (STM), Salmonella Enteritidis (SE) of Salmonella Panama (SPan). Bovendien werd naast de uitvoering van de testen door de laboratoria een vergelijking gemaakt tussen de media zoals beschreven in ISO 6579: 2002 en de alternatieve media Modified Semi-solid Rappaport Vassiliadis (MSRV) en Briljant Groen Agar (BGA), resulterend in zes medium combinaties. Significant meer positieve isolaties werden gevonden met capsules welke een hoog gehalte aan SE bevatten en in afnemende volgorde, met een laag gehalte aan SE en een hoog gehalte aan STM en vervolgens met een laag gehalte aan STM. De totale resultaten van zowel alle capsules als van de natuurlijk besmette monsters lieten betere (alhoewel niet statistisch significant) resultaten zien voor MSRV (met BGA en XLD als uitplaat-medium) in vergelijking met de ISO 6579: 2002 methode. Zeven laboratoria scoorden systematisch onder de gemiddelde resultaten behaald door alle laboratoria met de kunstmatig besmette monsters voor alle zes medium combinaties en negen laboratoria met de natuurlijk besmette monsters.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM heeft onderzoek gedaan naar de uit- en afspoeling van meststoffen naar bodem en oppervlaktewater in het veenweidegebied Vlietpolder. De hoeveelheid nutrienten die bodem en water mag belasten, wordt beperkt door nationale en internationale regelgeving. De concentraties van N en P in het polderwater zijn hoger dan de richtinggevende waarden voor oppervlaktewater. Afvoer van water en stoffen uit de bodem vindt vooral plaats in een toplaag met een dikte van circa 2m. Het aandeel van de bemesting in de belasting van het slootwater bedraagt ruwweg 10 tot 20% aan N en P en 30% aan SO4; de rest komt uit de bodem. Belasting door afbraak van de bodem resulteert in circa 16 kg/ha/jaar aan N, 3 kg/ha/jaar aan P en 240 kg/ha/jaar aan SO4, afhankelijk van de seizoenen. Stoffen in slootwater zijn verder afkomstig van opwaartse diffusie en dispersie uit diepere lagen (150 kg/ha/jaar Cl, 7.5 kg/ha/jaar N en 1.5 kg/ha/jaar P). SO4 verdwijnt uit de ondiepe bodem door neerwaartse diffusie (50 kg/ha/jaar). Uit slootwater verdwijnt circa 30 tot 40% van de met het grondwater meegevoerde N en P door plantopname en neerslag in de sloot.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Berekend werd dat beroepsduikers een hoge kans lopen op infectie door ziekteverwekkende micro-organismen in oppervlaktewater dat sterk fecaal verontreinigd is door vogels en afvalwaterlozingen. Aanbevolen wordt derhalve om in dergelijk water een duikershelm te dragen. Het onderhavige onderzoek had als doel om de blootstelling aan ziekteverwekkende micro-organismen in oppervlaktewater bij beroepsduikers te schatten. Daartoe werd een enquete naar 25 bedrijven met 233 beroepsduikers verzonden, waarop 35 duikers reageerden. Geschat werd dat, afhankelijk van het type water, beroepsduikers gemiddeld 4,8 tot 12 ml water per duik en 24 tot 240 ml water per jaar inslikken. Ze slikken meer in tijdens duiken in zout dan in zoet water. Geschat werd dat daardoor tenminste een per honderdduizend duikers per jaar het risico loopt op een infectie door wateroverdraagbare ziekteverwekkende micro-organismen. Dit is weliswaar laag, maar dit infectierisico kan in sterk fecaal verontreinigd water tientallen tot honderdtallen hoger zijn. Er werd een sterke aanwijzing gevonden dat veel minder water wordt ingeslikt bij het gebruik van een duikershelm dan van een bandmasker of scuba-uitrusting.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
De Nederlandse overheid wil graag bereiken dat het aantal mensen met overgewicht afneemt. Daarvoor is het belangrijk dat meer mensen voldoende bewegen en/of minder eten. Het doel van dit onderzoek is om uit te zoeken met welke maatregelen, interventies genoemd, dit bereikt kan worden en welke effecten deze interventies op de langere termijn hebben op het gewicht, beweeggedrag en energie-inname. Dit rapport beschrijft zowel Nederlandse als buitenlandse interventies in de wijk, op school, op het werk en in de zorg. In totaal vonden we in de literatuur ruim 70 overzichtsstudies met de resultaten van ruim honderd interventies. Er kon geen duidelijke conclusie getrokken worden over de effecten van interventies op school en op het werk, maar wel over de effecten van interventies in de wijk en in de zorg. Het wijkgerichte Hartslag-Limburg-project bereikte een positief effect op het gemiddelde gewicht (-0,2 kg), de lichamelijke activiteit (+1,6 uren/week) en de energie-inname (-51 kcal/dag) na 5 jaar. Ook het SLIM-project in de zorg bereikte een positief effect na 2 jaar op het gemiddelde gewicht (-2,4 kg) en verbeterde de conditie in de interventiegroep ten opzichte van de controlegroep. De langetermijneffecten van ruim 30 andere Nederlandse projecten ter preventie van overgewicht zijn nog niet bekend, maar vergelijkbare buitenlandse projecten bevestigen bovenstaande resultaten. Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat alleen een intensieve aanpak het gewicht en gedrag van mensen langdurig kan veranderen. In theorie zou zowel het aantal mensen met overgewicht als het aantal mensen dat inactief is met 1 tot 3 procentpunten kunnen afnemen, wanneer interventies overeenkomstig met Hartslag-Limburg en SLIM worden aangeboden aan 30 tot 90% van de Nederlandse bevolking.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Dit onderzoek verkent wegen om de beleidscoherentie tussen het klimaatbeleid en een aantal klimaat relevante beleidsterreinen te versterken. Dit kan worden gerealiseerd door een niet-klimaat beleidsspoor toe te voegen aan nationale en internationale klimaatbeleidstrategieen. Onderzocht zijn het armoedebestrijdingsbeleid, landgebruik en landbouw, de voorzieningszekerheid van energie, handel en financiering, en luchtkwaliteit en gezondheid. Het rapport analyseert het potentieel en de mogelijkheden voor synergie en uitruil van het verbinden van klimaatbeleid met deze beleidsterreinen. Op deze manier is een overzicht gemaakt van de meest veelbelovende opties om klimaat te integreren. Vervolgens is nagegaan hoe een niet-klimaat beleidsspoor onderdeel gemaakt kan worden van het huidige adaptatie en mitigatiebeleid binnen de UNFCCC en nationaal klimaatbeleid. Tot slot is de vraag beantwoord hoe nationaal en internationaal beleid kan bijdragen aan de implementatie van het niet-klimaat beleidsspoor. Het rapport concludeert dat het niet-klimaat beleidsspoor een aanzienlijk potentieel heeft om de implementatie van klimaatveilige en klimaatvriendelijke ontwikkelingspaden te versterken, met als uiteindelijk doel de kwetsbaarheid van samenlevingen voor klimaatveranderingen te verminderen en minder broeikasgasemissies uit te stoten.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Dissemination of lipid A deacylases (pagL) among gram-negative bacteria: identification of active-site histidine and serine residues | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Determination of trichothecenes in duplicate diets of young children by capillary gas chromatography with mass spectrometric detection | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Dose dependency of adjuvant activity of particulate matter from five European sites in three seasons in an ovalbumin-mouse model | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Poliovirus-specific memory immunity in seronegative elderly people does not protect against virus excretion | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Determining straining of Escherichia coli from breakthrough curves | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Pain catastrophizing and consequences of musculoskeletal pain: a prospective study in the Dutch community | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Climate variability and campylobacter infection: an international study | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Exploring changes in world ruminant production systems | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Epidemiologie van hart- en vaatziekten in Nederland | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
An examination of radiation hormesis mechanisms using a multistage carcinogenesis model | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Editorial special issue: land-use and transport interaction models | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
World Anti-Doping Agency independent observers report, Olympic Summer Games 2004, Athens | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Current situation on regulations for mycotoxins | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Prediction of the risk of cardiovascular mortality using a score that includes glucose as a risk factor. The DECODE Study | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Editorial special issue: Environmentally sustainable transport | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Current regulations governing mycotoxin limits in food | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
A biological indicator for soil quality | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Duurzaamheid gaat over de vraag of de huidige ontwikkeling van de wereld kan worden voortgezet. Het antwoord is afhankelijk van maatschappelijke opvattingen over de kwaliteit van leven en de verdeling ervan over de wereld en van wetenschappelijke inzichten in het functioneren van het maatschappelijk en het natuurlijk systeem.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Brancherapport Preventie 2000-2003 verschenen | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Nematode diversity in Dutch soils, from Rio to a Biological Indicator for Soil Quality | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Kalibratie van de LeefOmgevingsVerkenner | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Belowground biodiversity as an indicator for sustainability of soil use | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Metabolic diversity of soil bacterial community under revegetation of industrial barren, resulting from the long-term heavy metals pollution | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Nota Ruimte, ruimte voor natuur? | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Richting aan inspiratie. De thema's van 'WaterINNovatiebron | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Een Brusselse handreiking voor strategische geluidskartering | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Vuurwerk is niet gevaarlijk: totdat je vergeet dat het gevaarlijk is | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Models of geophysical hypotheses | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Planbureau MNP kan nieuwe Geo Data Infrastructuur beheren | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Changes in risk calculations for ecosytem damage from 1990 to 2020 | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Footprints from the past, blueprints for the future? | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Ecologische Hoofdstructuur en het milieu. Achtergronddocument bij Natuurbalans 2004 | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Milieubalans 2004 | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
The effect of prenatal exposure on total IgE at birth and sensitization at twelve months and four years of age: The PIAMA study | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Bundelen verstedelijking goed voor natuur en bereikbaarheid | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Pesticide leaching to the groundwater in drinking water abstraction areas. Analysis with the GeoPEARL model | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Verkenning regionale luchthavens | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
How much does a 30% emission reduction cost? Macroeconomic effects of post-Kyoto climate policy in 2020 | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Beleidsindicatoren voor gezondheid en natuur | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Milieu- en Natuurplanbureau rolt nieuwe technologie-omgeving uit | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Exploring past and future changes in the ecological footprint for world regions | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
The analysis of beta-agonists in bovine muscle using molecular imprinted polymers with ion trap LCMS screening | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Lifetime prevalence estimates of major depression: an indirect estimation method and a quantification of recall bias | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Metabolism of methyltestosterone, norethandrolone and methylboldenone in a heifer | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Denitificatie in de zone tussen bouwvoor en het bovenste grondwater in zandgronden | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Nota Ruimte leidt tot verdichting stedelijke netwerken | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Association of histo-blood group antigens and susceptibility to norovirus infections | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Integrated global-change modelling with IMAGE-2 | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Streptococcal toxic shock syndrome by an iMLS resistant M type 77 Streptococcus pyogenes in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Uptake of Onchocerca volvulus (Nematoda: onchocercidae) by simulium (Diptera: simuliidae) is not strongly dependent on the density of skin microfilariae in the human host | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Milieu- en natuurverbetering reconstructie valt tegen | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Beleidsevaluatie natuur en landschap. Achtergronddocument bij Natuurbalans 2004 | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Scenario's in kaart. Model- en ontwerpbenaderingen voor toekomstig ruimtegebruik | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Op weg met schonere brandstof; duurzame energiedragers reduceren het broeikaseffect | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Cardiovascular risk factors and migraine: the GEM population-based study | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Gerealiseerde energiebesparing 1995-2002. Conform Protocol Monitoring Energiebesparing | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
A statistical evaluation of toxicity study designs for the estimation of the benchmark dose in continuous endpoints | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Gebruiksnormen bij verschillende landbouwkundige en milieukundige uitgangspunten | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Energiebesparing: de onbegrensde mogelijkheden | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Realised energy savings 1995-2002. According to the Protocol Monitoring Energy Savings | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
POP Model intercomparison study. Stage I. Comparison of descriptions of main processes determining POP behaviour in various environmental compartments | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Rijksbeleid brengt risico's met zich mee voor natuur en landschap | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
A method to analyse neighbourhood characteristics of land use patterns | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Kalman filter analysis of boundary layer ozone in Europe with a chemistry transport model | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Air pollution and climate change policies in Europe: exploring linkages and the added value of an integrated approach | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Evaluation of the skin sensitizing potency of chemicals by using the existing methods and considerations of relevance for elicitation | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Bouwen eigen groei platteland uiteenlopend in te vullen | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Tussen 1999 en 2002 zijn in opdracht van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) ongeveer 14000 zogenaamde triple testen uitgevoerd. De triple test is een bloedtest die de kans geeft op een zwangerschap van een kind met Down syndroom of met een open rug of open schedel (NBD). Als de uitkomst van zo'n test ongunstig is ('hoog risico') kan de zwangere vrouw beslissen of zij haar zwangerschap nader laat onderzoeken. Bij de triple test wordt in het bloed van de zwangere de concentratie bepaald van drie hormoonachtige stoffen. De gemeten concentraties en de leeftijd van de moeder zijn de basis voor de kansbepaling, die wordt berekend met een computerprogramma. De zwangere vrouwen voor wie een triple test was aangevraagd is gevraagd de uitkomst van de zwangerschap te melden. Met die gegevens kan de effectiviteit van de triple test onderzocht worden (epidemiologische evaluatie). Dit rapport presenteert die epidemiologische evaluatie, maar ook de herkomst van de aanvragen, de uitkomsten van de experimentele bepalingen en (voor het eerst) een overzicht van de individuele Down syndroom- en NBD-zwangerschappen. In de verslagperiode steeg het aantal aanvragen van ca. 3100 (1997-1999) tot ca. 3700 per jaar. Er waren geen veranderingen in de regionale herkomst, aanvragercategorie, en leeftijdsverdeling van de populatie zwangere vrouwen. In 1999 werd van 79% en in 2000-2001 van 84% van alle aanvragen een rapportage van de uitkomst van de zwangerschap ontvangen. In 1999 werd 90% van alle Down syndroom zwangerschappen gevonden en in de periode 2000-2001 80%, bij een percentage onterechte 'hoog risico' uitslagen van in beide periodes 15,6%. Van de NBD zwangerschappen werd in 1999 en 2000-2001 respectievelijk 50 en 0 % ontdekt bij een percentage onterechte 'hoog risico' uitslagen van respectievelijk 0,8 en 1,2%. Deze percentages geven aan dat aan bepaalde minimumeisen voor de triple test is voldaan (met uitzondering van het detectiepercentage voor NBD). Ook het gemiddelde van de concentraties van de drie stoffen die bij de triple test worden gemeten bevond zich binnen de gestelde grenzen. Verder laat dit rapport zien dat de meeste triple testen worden uitgevoerd bij een zwangerschapsduur tussen de 15 en 16 weken en dat de meeste monsters minder dan drie dagen in transport zijn tussen bloedafname en ons laboratorium. Bij triple testen uitgevoerd bij zwangeren met suikerziekte en bij tweelingzwangerschappen blijken de veranderingen in de concentraties van de triple test stoffen overeen te komen met literatuurgegevens.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Volgens de IPCC-GPG methode wordt de methaanemissie berekend als percentage van de door het dier opgenomen bruto energie met het voer. Het rapport beschrijft in detail de benodigde energie voor onderhoud, activiteit, groei, lactatie en dracht. Met behulp van de rantsoenen van het Nederlandse rundvee wordt vervolgens de bruto energie opname berekend. Het rapport presenteert voor de volledige periode 1990-2002 voor alle rundveecategorieen de methaanemissie als gevolg van pensfermentatie.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Volgens de IPCC-GPG methode wordt de methaanemissie berekend als percentage van de door het dier opgenomen bruto energie met het voer. Het rapport beschrijft in detail de benodigde energie voor onderhoud, activiteit, groei, lactatie en dracht. Met behulp van de rantsoenen van het Nederlandse rundvee wordt vervolgens de bruto energie opname berekend. Het rapport presenteert voor de volledige periode 1990-2002 voor alle rundveecategorieen de methaanemissie als gevolg van pensfermentatie.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Voor u ligt het jaarlijkse rapport in de reeks "De drinkwaterkwaliteit in Nederland". Het rapport is gebaseerd op de resultaten van de meetprogramma's over 2003, die de waterleidingbedrijven uitvoeren ter controle van de drinkwaterkwaliteit en de gebruikte grondstof. De meetgegevens worden jaarlijks op grond van de Waterleidingwet aan de VROM-Inspectie (VI) gerapporteerd. Het RIVM heeft de gegevens in samenwerking met de VI verwerkt tot een rapport ten behoeve van de Minister, Tweede Kamer, producenten en consumenten van drinkwater. Uit de gegevens blijkt dat ook in 2003 de wettelijke voorschriften met betrekking tot de controle van het drinkwater goed zijn nageleefd. De kwaliteitsgegevens zijn getoetst aan de normen van het Waterleidingbesluit (WLB) dat in 2001 van kracht is geworden. De meetprogramma's zijn in 2003 volgens de eisen van dit besluit uitgevoerd. Het aantal pompstations (56 = 25%) waar in 2001 een normoverschrijding is vastgesteld, is ten opzichte van het voorgaande jaar (30%) afgenomen. Een groot deel van de normoverschrijdingen is incidenteel. De norm voor bestrijdingsmiddelen is voor vier middelen (allen eenmaal) overschreden. In het afgeleverde water van een pompstation is de concentratie nikkel structureel hoger dan de norm. De kwaliteit van het grondwater is hiervan de oorzaak. Het betreffende bedrijf heeft een ontheffing hiervoor gekregen tot eind 2004. De indicatorparameter voor besmetting met pathogenen (E.coli) is in het reguliere meetprogramma niet aangetoond. Er zijn wel enkele kortdurende besmettingen met de bedrijfstechnische parameter bacterikn van de coligroep geweest. In 26 monsters genomen na een reparatie in het distributienet is een bacteriele besmetting aangetoond. In negen gevallen betrof het een E.coli en/of enterococcen waarvoor achtmaal een kookadvies is gegeven. De normoverschrijding van de parameter trihalomethanen op twee locaties zal vanaf 2006 tot het verleden behoren wanneer de UV-desinfectie in bedrijf is genomen. Legionella is in het afgeleverde water van 210 pompstations gemeten en eenmaal (niet pathogene species) aangetoond. Geen van de normoverschrijdingen gaf aanleiding tot een bedreiging van de volksgezondheid. De kwaliteit van het drinkwater is in het algemeen goed.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
In opdracht van de VROM Inspectie meet RIVM/LSO het externe stralingsniveau rond het terrein van Centrale Organisatie voor Radioactief Afval (COVRA). In november 2002 was het MONET-meetnet, dat het thermoluminiscentiedosimetrie-meetnet vervangt, rond de COVRA gereed. In dit rapport worden de resultaten beschreven van de metingen van het MONET-meetnet tijdens de proefperiode, die de periode 30 augustus - 31 december 2002 besloeg. Door de aanwezigheid van externe verhogingen van het stralingsniveau, die niet aan COVRA moeten worden toegerekend, is het nodig de data te filteren. Een methode om dit uit te voeren wordt in dit rapport besproken. De afname van de brutodosis door het filteren van de data was gedurende de proefperiode maximaal 0,12%. Door toepassing van het filter kan de nettodosis veranderen: zowel een toename (van maximaal 13%) als een afname (van maximaal 44%) is waargenomen tijdens de proefperiode. Dit geeft aan dat het verwijderen van de externe pieken van grote invloed kan zijn bij het bepalen van de door COVRA veroorzaakte toegevoegde dosis.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Handreiking voor kinderspecifieke blootstellingschatting voor consumentenproducten. De risicoschatting voor kinderen kan aanzienlijk worden verbeterd door blootstellingscenario's specifiek voor kinderen op te stellen. Kinderen vertonen een ander gedragspatroon, zijn fysiologisch gezien verschillend van volwassen en worden tijdens gebruik van consumentenproducten op een andere wijze blootgesteld. Het huidige rapport biedt een handreiking voor het opstellen van kinderspecifieke scenario's voor de blootstelling aan consumentenproducten (voeding uitgezonderd). Het geeft een overzicht van een aantal kinderspecifieke activiteiten voor kinderen in verschillende leeftijdscategoriekn (0-18 jaar). Daarnaast wordt ingegaan op de blootstelling aan een diverse groep van chemische stoffen, de biociden. Ook wordt aangegeven welke modellen van het RIVM softwareprogramma ConsExpo 4.0 gebruikt kunnen worden voor de berekening van de blootstelling.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Naar aanleiding van onrust bij omwonenden en ondernemers op een industrieterrein in Meppel, in verband met de mogelijke vestiging van een asfaltcentrale op het terrein, heeft het RIVM een onderzoek naar de mogelijke gezondheidsrisico's en geurhinder in de omgeving van die centrale. Het onderzoek is gedaan in opdracht van de provincie Drenthe. Op basis van meetgegevens van de emissies aan diverse schadelijke stoffen, waaronder fijn stof en kankerverwekkende PAK's, uit asfaltinstallaties zijn met een verspreidingsmodel de concentraties en depositie van die stoffen in de leefomgeving berekend. Er zijn berekeningen gedaan voor de gemiddeld te verwachten situatie en bij de meest ongunstige omstandigheden. Ook de te verwachten geurbelasting in de omgeving is berekend. Conclusie is dat de uitstoot aan stoffen uit de geplande asfaltcentrale nauwelijks leidt tot een verhoging van de 'normaal' voorkomende concentraties in de lucht en de 'normaal' voorkomende depositie. De blootstelling van omwonenden en werknemers van omliggende bedrijven aan schadelijke stoffen uit de asfaltcentrale ligt ruim onder de gezondheidskundige normen en grenswaarden. Ook de berekende geurbelasting in de omgeving voldoet aan de vigerende normen. Er wordt dus geen onacceptabele geurhinder verwacht.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Abstract niet beschikbaar
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Lekkerkerk toen met de risicobeoordeling van nu. De risico's bezien door een nieuwe bril | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Cadmium | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Mercury | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
A comparison between the multimedia fate and exposure models CalTOX and uniform system for evaluation of substances adapted for life-cycle assessment based on the population intake fraction of toxic pollutants | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Powerful skin cancer protection by a CPD-photolyase transgene | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Effect of clarithromycin treatment on chlamydia pneumoniae in vascular tissue of patients with coronary artery disease: a randomized, double-blind, placebo-controlled trial | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Onderzoek voor duurzame ontwikkeling. Research & development voor transities | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Mercury speciation in thawed out and refrozen fish samples by gas chromatography coupled to inductively coupled plasma mass spectrometry and atomic fluorescence spectroscopy | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Cathartics | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Gastric lavage | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Proceedings in uncovering the mechanism behind peroxisome proliferator-induced hepatocarcinogenesis | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Waterbeleid kruipt het land op. Oplossing waterproblemen alleen mogelijk in samenhang met andere beleidsterreinen | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Whole bowel irrigation | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Klimaatveranderingen, oorzaken en mogelijke consequensties in 1977 | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Aligning national innovation strategies for sustainability: a sectoral approach in a European perspective | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Decision makers' views on health care objectives and budget constraints: results from a pilot study | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Import van eieren leidt tot meer gastro-enteritis door Salmonella enteritidis | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Incorporating ecological perspectives in European groundwater management policy | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Land-use/transport interaction models as tools for sustainability impact assessment of transport investments: review and research perspectives | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Backcasting as a tool for sustainable transport policy making: the environmentally sustainable transport study in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Economic valuation of informal care. An overview of methods and applications | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Determinants of maximally attained level of pulmonary function | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Evaluation of early processes in system innovation. A pilot study on the transformation of Dutch agriculture and food chain to sustainability | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
DIMITRI: a model for the study of policy issues in relation to the economy, technology and the environment | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Het Rijksvaccinatieprogramma (RVP) wordt sinds 1962 intensief bewaakt. De meldgraad van vermoede bijwerkingen is hoog met een goede meldbereidheid van de consultatiebureaus. Er is een relatief beperkte onderrapportage. Van de meldingen werd 78% als bijwerking van de vaccinaties beschouwd. Het ging hierbij om 1060 ziektebeelden, waarvan 56% heftiger verschijnselen betrof en 44% mildere klachten. Dit aantal bijwerkingen moet in relatie worden gezien tot de 1,5 miljoen vaccinaties en de bijna 7 miljoen vaccincomponenten die daarbij worden toegediend. Er zijn 1374 meldingen ontvangen in 2003. Het merendeel van de gemelde bijwerkingen betrof de bekende meer gewone klachten, zoals koorts, huilen, bleekheid en lokale verschijnselen. Hangerigheid kan zich op jonge leeftijd op vele manieren uiten. Een klein deel had heftiger verschijnselen zoals zeer hoge koorts, langdurig heftig huilen of forse lokale klachten. Zes kinderen hadden een abces (etterbuil) op de prikplek gekregen. Collaps (wegraking) kwam bij 210 meldingen voor en de zogenoemde verkleurde benen bij 134 kinderen, vooral na de eerste prik. Stuipen, vooral bij de eenjarigen en meestal gepaard met koorts, kwamen bij 70 kinderen voor en werden voor tweederde als bijwerking beschouwd; bij de overige kinderen had de stuip een andere oorzaak. Niet goed te duiden incidenten worden onder "atypische aanvallen" gerubriceerd. In bijna driekwart van deze gevallen was er een mogelijke relatie met de vaccinatie; het gaat dan om episodes met rillerigheid, schrikschokken en gespannenheid of juist een hele slappe houding. Hoewel al deze bijwerkingen omstanders erg kunnen laten schrikken zijn ze medisch gezien niet gevaarlijk en laten ze geen restverschijnselen na. Er zijn geen gevallen van hersenontsteking gemeld in 2003 en evenmin bedreigende allergische reacties. De ernstige infecties die werden gemeld hadden geen relatie met de vaccinaties en datzelfde gold voor de gemelde kinderen met epilepsie of suikerziekte. Het ging hierbij om een toevallige samenloop van gebeurtenissen. Bij de drie gemelde overleden kinderen is het overlijden niet door de vaccinaties veroorzaakt Een bijzondere en zeldzame mogelijke bijwerking die in 2003 wat vaker dan in andere jaren werd gemeld, was een tijdelijk tekort aan bloedplaatjes (ITP), met name na de vaccinatie tegen bof, mazelen en rodehond (BMR). De reden hiervoor is een studie die het RIVM samen met de kinderartsen hiernaar uitvoert. Hoewel heftige bijwerkingen na de RVP vaccinaties optreden, zijn ze voorbijgaand en leiden ze niet tot blijvende gevolgen. De grote gezondheidswinst die het RVP oplevert, weegt op tegen de bijwerkingen .
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
De Nationale MilieuIndicator (NMI) voor gewasbeschermingsmiddelen is een softwarepakket dat wordt gebruikt voor de berekening van emissies en milieubelasting van deze middelen. Het pakket kan worden ingezet voor berekeningen op regionale en nationale schaal, voor onder andere de MilieuBalans en de EmissieRegistratie. Een uitgebreide toepassing van het pakket is voorzien in de evaluatie van het gewasbeschermingsbeleid voor de periode 2001 - 2010. Dit rapport geeft een beschrijving van benodigde invoergegevens van het softwarepakket en de concepten van de gebruikte berekeningswijzen.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Deze rapportage evalueert de vrijwillige initiatieven van het Amerikaanse bedrijfsleven om invulling te geven aan het Climate Change Initiative van President Bush. Het merendeel van deze vrijwillige initiatieven voldoet niet aan de minimum voorwaarden om als serieuze inspanningen te kunnen worden beschouwd. Er is een groot gebrek aan transparantie, ambitie en structuur. Doelstellingen zijn onduidelijk en in de meeste gevallen is er geen of onvoldoende informatie om het effect op de broeikasgasemissies te kunnen berekenen. Dit gebrek aan transparantie en goed bestuur op zowel overheid- als bedrijfsniveau duidt op een ernstige tekort in het beleidskader in de VS. De ervaring met vrijwillige inspanningen in Nederland leert dat er een aantal lessen en succesfactoren zijn die de effectiviteit van de initiatieven in de VS kunnen verbeteren. Een tussentijdse evaluatie van de vrijwillige initiatieven in 2007 met de mogelijkheid om bij te sturen vergroot ook de geloofwaardigheid van de aanpak. De meeste van deze genoemde factoren kunnen worden gedelegeerd naar een deskundig, betrouwbaar en onafhankelijke organisatie naar bijvoorbeeld Nederlands model. Tot slot, kunnen terugvalopties voor beleid, zoals bijvoorbeeld energiebelastingen, als stok achter de deur naleving door het bedrijfsleven bevorderen.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
De depositie van ammoniak bedreigt de biodiversiteit van de Nederlandse natuur. Daarom zijn maatregelen die de uitstoot van ammoniak bestrijden het voornaamste instrument in het nationale natuur- en milieubeleid om de overbelasting van stikstofdepositie tegen te gaan om zodoende de natuur beter te beschermen. De maatregelen zijn ook noodzakelijk om aan de emissiedoelen die in internationaal verband zijn aangegaan te voldoen. Omdat landbouwactiviteiten dichtbij natuurgebieden kunnen plaatsvinden, is overwogen om bufferzones in te stellen, waar economische groei wordt beperkt, om zo de gevolgen van ammoniakemissies te reduceren. In deze studie geven we een overzicht van de effecten en kosten van a) de huidige en aangekondigde (pijplijn) maatregelen en b) het instellen van buffer zones. De generieke maatregelen zijn, over het algemeen, kosteneffectiever om stikstofdepositie op natuurgebieden te reduceren. Generieke maatregelen hebben ook het grootste potentieel om deze deposities te reduceren. Hoewel verplaatsing van stallen uit de buffer zones zeer duur is, kan deze maatregel in individuele gevallen, als die stallen de depositie op een specifiek nabijgelegen natuurgebied domineren, net zo duur zijn als generieke maatregelen.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
De problematiek van wateroverlast en de noodzaak tot extra maatregelen wordt door zowel overheidsorganisaties als maatschappelijke organisaties erkend. Ondanks deze erkenning levert de regionale uitwerking van het overheidsbeleid om wateroverlast te beheersen discussie op. De problematiek van watertekort wordt niet door alle partijen erkend. Ook hier levert de regionale uitwerking van maatregelen tot veel discussie. Om inzicht te krijgen in deze discussie zijn visies van overheden en maatschappelijke organisaties op wateroverlast en mogelijke maatregelen in kaart gebracht. Naast wateroverlast is hierbij ook gekeken naar watertekort. Bij de analyse is ook aandacht besteed aan het besluitvormingsproces zelf: welke sturing hanteert de overheid en hoe komen beslissingen tot stand? Om het besluitvormingsproces soepeler te laten verlopen wordt aanbevolen om ook in vergelijkbare projecten de verschillen in risicopercepties en voorkeuren voor oplossingsrichtingen in kaart te brengen. Aan de hand van de in kaart gebrachte verschillen kan met behulp van de in het rapport gebruikte risicoladder en het model van het referentiekader de sturing door de overheid worden aangepast aan de gesignaleerde inhoudelijke verschillen. Op deze manier kan gesignaleerd worden wanneer er veel maatschappelijke discussie (te verwachten) is en kunnen maatschappelijke partijen op het juiste moment bij het proces betrokken worden.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Dit rapport beschrijft de ontwikkeling en een pilot-toepassing van een modelleringsmethode ten behoeve van de bepaling van betrouwbaarheid van verblijftijden van grondwater dat naar grondwateronttrekkingen stroomt. De methode, die van de eindige-elemententechniek gebruik maakt, is opgenomen in het rekenmodule LGMLUC, een aanvullende module van het Landelijk Grondwatermodel LGM, van het RIVM. De betrouwbaarheid wordt voorgesteld als een band (zone) rondom de verwachtingswaarde van een verblijftijd-isochrone, bijvoorbeeld 25 jaar. De breedte van deze band voor een zekere waarschijnlijkheid van voorkomen (bijvoorbeeld tussen de 97,5 en 2,5 percentielwaarden) neemt toe met een toenemende onzekerheid van modelinvoer parameters. Gebruik is gemaakt van de First-Order Second-Moment (FOSM) methode voor de analyse van de voortplanting van fouten. De resultaten van de FOSM methode zijn vergeleken met die van de Monte Carlo aanpak voor een LGM-model en als een onafhankelijke test een TRIWACO-model. Uit deze vergelijking is geconcludeerd dat de FOSM-methode adekwaat en rekentechnisch effectief is voor het analyseren van de betrouwbaarheid van verblijftijden. Aangenomen is dat de kansdichtheidsverdeling van verblijftijden lognormaal verdeeld is. De methode houdt rekening met de onzekerheid in een aantal modelinvoer parameters, zijnde de factoren die de onzekerheid in verblijftijden tot gevolg hebben. De onzekerheid van de parameters is bepaald door middel van calibratie (invers model) en expert-judgement. De toepasbaarheid van de ontwikkelde methode is aan de hand van een pilot-studie getoond, gebruikmakend van het binnen het LGM bestaande deelmodel Utrecht. De methode kan bij verschillende dichtheid van eindige-elementengrid worden gebruikt, zowel voor problemen op lokale schaal (hoge griddichtheid) als op regionale schaal. De informatie over de betrouwbaarheid van verblijftijden kan worden benut voor beleidsmatige beslissingen, zoals bij onderzoek naar risico's binnen de bestaande grondwaterbeschermingsgebieden.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Dit rapport bundelt twee factsheets waarin methodieken worden beschreven die worden gebruikt voor de risicobeoordeling van stoffen bij het Centrum voor Stoffen en Integrale Risicobeoordeling (SIR) van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). Het voornaamste doel is om de inzichtelijkheid en eenduidigheid van de bij RIVM-SIR gevolgde methodieken te vergroten. De factsheets over voormaagtumoren en Leydigcel tumoren beschrijven de mechanistische aspecten van de tumorvorming en gaan in op de verschillen in anatomie, fysiologie en blootstelling tussen knaagdieren en mensen. Er wordt een raamwerk geboden voor het evalueren van de relevantie van deze tumoren voor de humane risicobeoordeling. De factsheets vormen de weerslag van de huidige stand van wetenschap. Ze zijn bedoeld om de discussie met andere (inter)nationale partijen op het gebied van risicobeoordeling te bevorderen.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
In het kader van de verplichte EU rapportage over haalbaarheid van PM10 emissie doelstellingen is een onderzoek uitgevoerd naar reductie mogelijkheden in veehouderijstallen. Deze bron omvat ongeveer 20% van de totale Nederlandse emissie van PM10. Bekeken zijn de volgende mogelijkheden: toevoegen van vet of olie aan het veevoer, biowassers, chemische wassers, filters, olie of water sproeien in de stal. De goedkoopste optie is het sproeien van olie of water. Er dient evenwel nog praktijkervaring opgedaan te worden.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
West Nile virus | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Hoofdpunten uit de Milieubalans 2005. EU-eisen maken aanvullend Nederlands beleid noodzakelijk | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Actieve opsporing van chlamydia noodzakelijk | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Brancherapport preventie 2000-2003 | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Commissie van de Nederlandse Werkgroep voor Klinische Virologie: Rubella en zwangerschap: is rubella-screening nog wel zinvol? [Ingezonden brief] | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
De mistige relatie tussen verkeer en gezondheid | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Open kaart spelen met MVO | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Cluster van lymphogranuloma venereum onder homoseksuele mannen in Rotterdam | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Economische evaluaties van gvo-programma's | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Soepballetjes brengen de zaak aan het rollen | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Mantelzorg: een goed om te waarderen | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Meningokokken C campagne: 'da's goed gedaan?'. Evaluatie van een grootschalige vaccinatiecampagne in 2002 | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Zoek de verschillen met de MapComparisonKit | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Tetanus in an injecting drug user in the Netherlands: single case so far | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Norovirus outbreak at an international scout jamboree in the Netherlands, July-August 2004: international alert | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
High number of norovirus outbreaks associated with a GGII.4 variant in the Netherlands and elsewhere: does this herald a worldwide increase? | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Increase in STIs in the Netherlands slowed in 2003 | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Trends in registered HIV/AIDS cases in the Netherlands: rising number of immigrants with HIV | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Scenario analysis - estimating the effect of different interventions during an influenza pandemic | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Pertussis incidence in the Netherlands after introduction of an acellular booster vaccination at 4 years of age | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Containers met goederen die in Nederland worden ingevoerd, zijn vaak behandeld met een bestrijdingsmiddel. Veel toegepaste bestrijdingsmiddelen zijn methylbromide en chloorpicrine, en fosfine. De mogelijkheid bestaat dat deze middelen in de goederen terecht komen en uitdampen bij gebruik door consumenten.In dit onderzoek is gebleken dat goederen zoals matrassen, schoeisel, tassen en beeldjes, nog lange tijd na begassing bestrijdingsmiddelen kunnen uitdampen. Blootstelling van consumenten kan hierdoor onbedoeld optreden. Ook is gebleken dat bij voedingsmiddelen of medicijnen de begassing kan leiden tot orale opname van bestrijdingsmiddelen en wellicht ook tot verandering van de chemische samenstelling van het voedsel of medicijn. Dit onderzoek is verricht in opdracht van de VROM-Inspectie
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
In 1999 is in Nederland begonnen met de revisie van het Nationaal Plan Kernongevallenbestrijding. Hierbij hoort ook de herziening van de aanbevelingen betreffende jodiumprofylaxe bij het vrijkomen van radioactief jodium. Dit rapport bevat een strategie voor de Nederlandse situatie, waarvoor een dreigingsanalyse is uitgevoerd. Op basis van scenario's en brontermen zijn afstanden berekend waar de schildklierdosis voor kinderen ten gevolge van radioactief jodium zo hoog zou worden dat profylaxe aanbevolen wordt (interventieniveau).Dit is berekend voor de kerncentrales van Borssele, Doel (Belgie) en Emsland (Duitsland). Er zijn per kerncentrale twee zones gedefinieerd: een waar wordt aanbevolen de kaliumjodaattabletten voor te verdelen en een tweede daaromheen waar de tabletten decentraal kunnen worden opgeslagen bij huisartsenposten, apotheken, drogisten en GGD's of GHOR.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Simulating processes of soil phosphorus in geologically young acidic soils of Finland | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Bij de aankoop van relatief goedkope CO2-emissierechten in het buitenland worden binnenlandse synergetische neveneffecten op de emissies van luchtverontreinigende stoffen gemist en zullen extra kosten moeten worden gemaakt voor het realiseren van de nationale emissieplafonds van NOx, SO2, en NMVOS. Hiermee is tot op heden geen rekening gehouden in het nationale klimaatbeleid. In dit rapport worden de implicaties van bovenstaande conclusie nader onderzocht, en wel voor de middellange termijn tot 2010 en voor zover het gaat om de emissie van NOx. De analyse in dit rapport toont aan dat de kostenbesparing van aanvullende binnenlandse klimaatmaatregelen voor het NOx-emissiebeleid beperkt is en slechts in geringe mate opweegt tegen de snel stijgende kosten voor het klimaatbeleid. Additionele binnenlandse klimaatmaatregelen blijven dus relatief duur ook als er rekening wordt gehouden met de synergetische neveneffecten op de nationale NOx-uitstoot. Behoudens een additionele binnenlandse reductie van circa 2 Megaton CO2 is het kosteneffectief om de reductie van broeikasgasemissies in het buitenland te realiseren en de nationale NOx-emissie omlaag te brengen met specifieke op NOx gerichte technische maatregelen. Het synergieeffect is in deze studie onderschat doordat niet gekeken is naar de potentiele synergieeffecten voor andere luchtverontreinigende stoffen dan NOx zoals SO2, NMVOS, fijn stof en roet, en doordat voor de broeikasgasemissies alleen is gekeken naar CO2.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Bij complexe beleidsproblemen, zoals milieu-, natuur- en duurzaamheidsvraagstukken, zijn politici, beleidsmakers, stakeholders, burgers en wetenschappers het er vaak niet over eens wat nu eigenlijk het probleem is. Ook als er wel een gedeelde probleemdefinitie is, kan er discussie blijven over de oplosssingen. Afhankelijk van hoe naar de verhouding tussen wetenschap en beleid wordt gekeken, kan gekozen worden voor het op een bepaalde wijze betrekken van stakeholders in de totstandkoming van wetenschappelijke beleidsadviezen. Uitgangspunt is dat het voor de besluitvorming wenselijk kan zijn dat grensorganisaties tussen wetenschap en beleid, zoals het Milieu- en Natuurplanbureau (MNP) van het RIVM, in hun advisering rekening houden met de pluraliteit in waarde-orientaties en wetenschappelijke inzichten. De in het MNP-RIVM ingevoerde Leidraad voor Omgaan met Onzekerheden biedt daar een eerste aanzet toe, mits deze vooral wordt gebruikt als instrument dat reflectie stimuleert. Een uitwerking van deze Leidraad op het onderwerp 'participatie van stakeholders' vereist een nadere bestudering van participatiestrategieen en -praktijken
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Dit rapport is geschreven als handleiding bij het software programma ETX 2.0. De rekentechnieken die met dit programma worden aangeboden worden onder andere gebruikt binnen het RIVM project '(Inter)nationale normstelling stoffen' (INS) maar ook bij de Europese risico-beoordeling van bestaande stoffen. In deze projecten worden milieurisicogrenzen afgeleid voor chemische stoffen. Zowel het INS- als het EU-raamwerk staat het gebruik van statistische extrapolatie toe wanneer voldoende toxiciteitsgegevens beschikbaar zijn. De resultaten van deze extrapolatie dienen als basis voor een milieurisicogrens (INS) of een geen-effect niveau (EU bestaande stoffen) van een chemische stof. In de wetenschappelijke literatuur is recent een methode beschreven om deze statistische berekening uit te voeren. Het programma ETX 2.0 maakt deze methode toegankelijk voor hen die werkzaam zijn in de vakgebieden van de risicobeoordeling en/of normstelling. Het programma wordt samen met dit rapport verspreid op CD-ROM.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
CARMA-onderzoekers: decontamineer karkassen | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Pluimvee-industrie moet zich voorbereiden op kanalisatie | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Public health aspects of physical activity | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Compilation of regional to global inventories of anthropogenic emissions | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Marine biotoxins | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Worldwide regulations for mycotoxins in food and feed in 2003 | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Are stress related factors associated with alcohol intake? | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Statistische analyse van het Nederlandse weer laat veranderingen zien die reeds statistisch significant zijn, gezien over de afgelopen honderd jaar. Jaargemiddelde temperaturen zijn toegenomen met 1.5 plus minus 0.5 graden Celcius sinds 1901. Het aantal zomerse dagen is ruwweg verdubbeld, van 14 plus minus 5 naar 27 plus minus 9 dagen. De jaartotale neerslag is toegenomen met 120 plus minus 100 mm, en het aantal extreem natte dagen is met circa 40% toegenomen, van 19 plus minus 3 naar 26 plus minus 3 dagen. Andere onderzochte variabelen blijken niet significant te zijn veranderd, zoals de koudste dag per jaar en de maximum dagsom voor neerslag per jaar. Verder blijken de jaarlijkse temperatuur- en neerslagveranderingen homogeen over de maanden van het jaar verdeeld te zijn. Getalsmatig zijn er wel verschillen per maand of per seizoen, maar die blijken niet significant. De veranderingen in het Nederlandse klimaat hebben reeds geleid tot significante veranderingen in weergerelateerde impact-variabelen. Zo is de lengte van het groeiseizoen toegenomen met bijna een maand, en het aantal warmte-graaddagen per jaar, een maat gerelateerd aan ruimteverwarming, is afgenomen met 14 plus minus 5 %. Projecties van temperatuurveranderingen voor het jaar 2020 die gebaseerd zijn op statistische extrapolatie vanuit het verleden, zijn consistent met voorspellingen op basis van klimaatmodellen. De jaargemiddelde temperatuur in Nederland zal toenemen van 10.4 plus minus 0.4 graden Celcius in 2003 naar 10.7 plus minus 0.6 graden Celcius in 2010 en 11.1 plus minus 1.0 graden Celcius in 2020. Hierdoor zal in de toekomst minder energie nodig zijn voor ruimteverwarming maar meer voor koeling. Dit klimaateffect zal per saldo de projecties van CO2-emissies tot aan het jaar 2012 waarschijnlijk iets doen dalen (circa 3.5 Mton CO2-equivalenten), een resultaat dat relevant is voor de Nederlandse Kyoto-verplichtingen. Tenslotte is onderzocht hoe de kans op een Elfstedentocht beinvloed is door klimaatverandering. Het is gebleken dat de kans op een tocht aan het begin van de twintigste eeuw lag op 0.2, ofwel gemiddeld eens per vijf jaar. Deze kans is, na een toename tot aan 1950, afgenomen naar een kans van 0.10 in 2004, ofwel gemiddeld eens per 10 jaar. De veranderingen liggen op de grens van statistische significantie. Binnen een klein aantal jaren zal blijken of de gevonden veranderingen inderdaad systematisch zijn.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
De kleine vraagbaak van het Kyoto Protocol. Vragen en antwoorden over ontstaan, inwerkingtreding en uitvoering van het Kyoto Protocol | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Global and regional surface nitrogen balances in intensive agricultural production systems for the period 1970-2030 | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
In dit rapport wordt de gerealiseerde energiebesparing in Nederland in de periode 1995-2002 gepresenteerd voor de sectoren huishoudens, industrie, land- en tuinbouw, diensten, transport, raffinaderijen en elektriciteitsvoorziening, en voor het nationale niveau. Eerst wordt een korte beschrijving gegeven van het 'Protocol Monitoring Energiebesparing', een gemeenschappelijke methode en database die eerder opgezet is door de vier instituten CPB, ECN, Novem en RIVM. Er worden resultaten gepresenteerd voor besparing op finaal energieverbruik, voor conversie in eindverbruik sectoren (wamte/kracht) en voor conversie in de energiesector. Een nationale besparing van 1,0% per jaar gevonden, met een dalende tendens in recente jaren, zowel in de meeste verbruiksectoren als bij de elektriciteitsproductie met warmtekracht installaties en centrales. Veel aandacht is gegeven aan de onzekerheid die resulteert uit de marges in de input data en de 'kwaliteit' van de variabele die is gebruikt om het referentie energieverbruik (zonder besparing) te bepalen. Het blijkt niet mogelijk om een betrouwbaar cijfer voor besparing op finaal verbruik in de diensten sector te geven. Maar besparing door betere conversie kan heel goed bepaald worden. Overall wordt een marge van +/- 0,3% gevonden voor het nationale jaarlijkse besparingscijfer. Het rapport bevat ook een analyse van volume- en structurele effecten betreffende energie verbruik, energie-intensiteitsontwikkelingen en andere relevante factoren in verschillende sectoren. Tenslotte zijn de besparingen in perspectief geplaatst: een vergelijking met cijfers voor de EU-landen, de bijdrage van besparing tot de reductie van CO2-emissies en een vergelijking met andere evaluatie studies. In de periode 1995-2002 was de gemiddelde nationale besparing 1,0% per jaar, wat overeenkomt met een CO2-reductie van circa 15 Megaton (ongeveer 8% van de totale Nederlandse CO2-emissies). Besparing heeft daarmee vijf maal zoveel bijgedragen aan de reductie van CO2-emissies dan duurzame energie.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Dit rapport analyseert de kosten van het Kyoto Protocol en de belangrijkste emissiereductiebronnen op basis van een multi-gas benadering (alle Kyoto-gassen worden hierin meegenomen: CO2, CH4, N2O, HFCs, PFCs, en SF6). De resultaten zijn vergeleken met eerdere analyses, waarin alleen naar CO2-reductiemogelijkheden is gekeken. Het sparen van de surplus emissierechten van de Oekraine en de Russische Federatie is een absoluut vereiste om een vatbare emissiehandelsmarkt te bewerkstelligen, wat resulteert in een marktprijs tussen de 15 en de 40 euro/tCeq. Ongeveer de helft van de reductiedoelstelling van de permit-kopende landen kan verkregen worden door de emissiehandel. Ongeveer 30% van de emissiereducties kan verkregen worden door de handel in surplus emissierechten en door het inzetten van sinks-projecten. Het aandeel van CO2 in de totale emissieverminderingen is vrij klein ten opzichte van het aandeel van CO2 in het basispadscenario (circa 30%). Voor de niet-CO2 broeikasgassen komt het grootste reductieaandeel van CH4, waarvoor de meeste reducties in de gassector plaatsvinden; hoofdzakelijk in de Oekraine en de Russische Federatie. Andere belangrijke niet-CO2-emissiereductiebronnen zijn CH4 emissies uit kolenproductie en van stortplaatsen, en N2O-emissies uit de industrie; voornamelijk uit de EU-25, Canada en Japan. Ten opzichte van het basispadscenario, zijn de emissiereducties procentueel groter voor CH4 and the F-gassen dan voor CO2, terwijl in absolute termen CO2-emissies uit energiegebruik nog steeds de belangrijkste reductiebron vormen.De vergelijking met CO2-only benaderingen laat zien dat het meenemen van alle Kyoto-gassen enerzijds resulteert in een daling van zowel de internationale prijs voor verhandelbare emissierechten als de totale kosten voor de landen die kwantitatieve verplichtingen op zich hebben genomen en anderzijds in een toename in vermeden emissies (van 250 naar 400 MtC-eq). De winst die gemaakt wordt door het meenemen van alle Kyoto gassen in de analyses wordt echter sterk verminderd door deze banking strategie.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
In dit rapport wordt de gerealiseerde energiebesparing in Nederland in de periode 1995-2002 gepresenteerd voor de sectoren huishoudens, industrie, land- en tuinbouw, diensten, transport, raffinaderijen en elektriciteitsvoorziening, en voor het nationale niveau. Eerst wordt een korte beschrijving gegeven van het 'Protocol Monitoring Energiebesparing', een gemeenschappelijke methode en database die eerder opgezet is door de vier instituten CPB, ECN, Novem en RIVM. Er worden resultaten gepresenteerd voor besparing op finaal energieverbruik, voor conversie in eindverbruik sectoren (wamte/kracht) en voor conversie in de energiesector. Een nationale besparing van 1,0% per jaar gevonden, met een dalende tendens in recente jaren, zowel in de meeste verbruiksectoren als bij de elektriciteitsproductie met warmtekracht installaties en centrales. Veel aandacht is gegeven aan de onzekerheid die resulteert uit de marges in de input data en de 'kwaliteit' van de variabele die is gebruikt om het referentie energieverbruik (zonder besparing) te bepalen. Het blijkt niet mogelijk om een betrouwbaar cijfer voor besparing op finaal verbruik in de diensten sector te geven. Maar besparing door betere conversie kan heel goed bepaald worden. Overall wordt een marge van +/- 0,3% gevonden voor het nationale jaarlijkse besparingscijfer. Het rapport bevat ook een analyse van volume- en structurele effecten betreffende energie verbruik, energie-intensiteitsontwikkelingen en andere relevante factoren in verschillende sectoren. Tenslotte zijn de besparingen in perspectief geplaatst: een vergelijking met cijfers voor de EU-landen, de bijdrage van besparing tot de reductie van CO2-emissies en een vergelijking met andere evaluatie studies. In de periode 1995-2002 was de gemiddelde nationale besparing 1,0% per jaar, wat overeenkomt met een CO2-reductie van circa 15 Megaton (ongeveer 8% van de totale Nederlandse CO2-emissies). Besparing heeft daarmee vijf maal zoveel bijgedragen aan de reductie van CO2-emissies dan duurzame energie.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
De evolutionaire economie toont inzicht in de mechanismen achter innovaties, transities en veranderingen in institutionele structuur. Deze theorie kan daarom bijzonder waardevol zijn in de vormgeving van het huidige milieubeleid, dat transities naar een duurzame ontwikkeling als doelstelling hanteert. Dit rapport geeft eerst een overzicht van de belangrijkste literatuur op het vakgebied van de evolutionaire economie, waaruit een aantal centrale concepten van de evolutionaire economie wordt gedestilleerd: diversiteit, innovatie, selectieomgeving, beperkte rationaliteit, padafhankelijkheid, insluiting en co-evolutie. Deze concepten worden gebruikt ten behoeve van een beter begrip van en inzicht in processen van verandering in economische structuur, technologische ontwikkeling en institutionele verandering. Aan de hand hiervan tonen we een aantal inzichten, dat van belang kan zijn voor beleidsmakers, zoals het bewustzijn van historische technologische paden en het creeren van een gelijk speelveld. Vervolgens evalueren we het Nederlandse beleid ten aanzien van energie-innovaties aan de hand van de evolutionair-economische concepten. Hiervoor is gebruik gemaakt van de beschikbare documenten op het gebied van innovatiebeleid, energiebeleid en transitiebeleid. Tenslotte is het evolutionair-economische raamwerk gebruikt om de ontwikkeling van een aantal specifieke technologieen te onderzoeken. . Dit betreft brandstofcellen, kernfusie en fotovoltaische energie (PV). Uit de evolutionair-economische analyse komen een aantal zeer concrete aanbevelingen voor beleid, die deels strijdig zijn met huidige beleidsadviezen en trends in beleid. De case studie toont tevens aan dat evolutionair-economische mechanismen een belangrijke rol hebben gespeeld in de totstandkoming van energie-innovaties in het verleden.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Overgewicht en obesitas (ernstig overgewicht) komen wereldwijd en ook in Nederland steeds vaker voor. Overgewicht en obesitas zijn het gevolg van een langdurige positieve energiebalans. Kennis van de fysiologische mechanismen die de energiebalans reguleren en van factoren die deze regulatiemechanismen beinvloeden, zoals voedingsfactoren en roken, is noodzakelijk en levert mogelijk aanknopingspunten op die gebruikt kunnen worden ter voorkoming van overgewicht. Uit dit overzicht van beschikbare literatuur blijkt dat het centrale zenuwstelsel een belangrijke rol speelt bij de fysiologische regulatie van de energiebalans. Het beinvloedt zowel voedingsgedrag als energieverbruik. De fysiologische repons bij gewichtsverlies lijkt veel sterker te zijn dan de respons op gewichtstoename. Dit verklaart mogelijk waarom het zo moeilijk is gewicht te verliezen. Er is geen bewijs voor een veranderde fysiologische regulatie van de energiebalans bij een lage lichamelijke activiteit. Echter, bij een laag niveau van lichamelijk activiteit is het makkelijker te "overeten". Daarom is het belangrijk de lichamelijke activiteit op een hoog niveau te houden of te brengen. Gebaseerd op fysiologische regulatiemechanismen lijkt een voeding laag in energiedichtheid, laag in vet, rijk aan vezel en met een lage consumptie van energierijke dranken tussen de maaltijden door een effectieve strategie om een positieve energiebalans te voorkomen of om gewichtsverlies te handhaven. Het onderzoeksgebied dat de regulatie van de energiebalans bestudeerd is een zeer dynamisch veld. Dagelijks komt er nieuwe informatie bij. Daarom is het aan te bevelen om dit rapport over enkele jaren bij te werken.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Een rookgordijn: over de economische gevolgen van roken | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Een collectieve stroppenpot? Over de kosten van de AWBZ | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Zwangerschap en het werken aan een beeldscherm | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Gezondheidseconomen: laat van u horen | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Terug naar af. Veranderingen AWBZ in relatie tot sociaal-culturele aspecten | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Gezonde voeding heeft hoge prioriteit, maar consensus en daadkracht missen nog? | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Veel gezondheidswinst te behalen met een gezondere voeding | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Residential environments and health: a review of methodological and conceptual issues | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Spectrum: Volksgezondheid Toekomst Verkenning | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Life expectancy without chronic morbidity: trends in gender and socioeconomic disparities | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Effect van 5 jaar Hartslag Limburg op risicofactoren voor hart- en vaatziekten | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Air pollution and the risks to human health. AIRNET work group 5. Science/Policy Interface | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Accounting for change of support in spatial accuracy assessment of modelled soil mineral phosphorous concentration | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Describing scientific uncertainties in climate change to support analysis of risk and of options. Workshop report, May 2004 | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Respond to "Real-time tracking of infection control measures" | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Genetic control of Bordetella pertussis infection: identification of susceptibility loci using recombinant congenic strains of mice | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Toxiciteit van dioxinen door de mens | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Immune function testing of human pharmaceuticals: regulatory overshoot? | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Potato glycoalkaloids and adverse effects in humans: an ascending dose study | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Implementing the Kyoto Protocol in the European Community | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Colorectal adenoma risk is modified by the interplay between polymorphisms in arachidonic acid pathway genes and fish consumption | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Dit rapport beschrijft de resultaten van onderzoek naar het opzetten van een kennissysteem voor soorten- en gebiedenbeleid voor het Milieu- en Natuurplanbureau (MNP). Het kennissysteem richt zich met name op de doelstellingen uit de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Uitgangspunt van een prototype van het kennissysteem is het huidige ecologische kennissysteem van het MNP, waarin graadmeter, meetnetten en modellen een belangrijke rol spelen. Onderzocht is of het huidige kennissysteem voldoet voor het doen van uitspraken over de VHR, welke knelpunten er zijn en hoe deze opgelost kunnen worden. De verbeteringen vormen in samenhang met het al bestaande instrumentarium het eerste prototype van het kennissysteem voor de VHR. Naast uitleg van de diverse onderdelen van het kennissysteem worden ook voorbeelden van toepassingen van dit kennissysteem beschreven. Het prototype kennissysteem bevat informatie over (1) waar welke doelen gelden, (2) waar welke soorten en habitats nu voorkomen (gemeten en/of statistisch voorspeld), (3) wat de historische trends in mate van voorkomen van deze soorten zijn (ofwel landelijk gemiddeld of wel gebiedsspecifiek) en (4) hoe het voorkomen van soorten afhangt van ruimte- en/of milieudruk (in beeld gebracht door directe en/of indirecte relaties met modeluitkomsten ofwel via berekening van toelaatbare milieu- en/of ruimtedruk -c.q. "ecologische vereisten"- in termen van minimaal habitatoppervlakte of maximaal toelaatbare kritische depositie). Daarnaast is een methode ontwikkeld om de invloeden van depositie op VHR-gebieden goed in beeld te brengen.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
In dit rapport wordt een model beschreven om de inname van stoffen te schatten die voorkomen in voedselproducten die incidenteel worden gegeten (bijvoorbeeld pesticiden op bepaalde soorten fruit). Tot op heden kon alleen de inname worden geschat van stoffen die in ons basale voedingspakket aanwezig zijn (bijvoorbeeld dioxines in dierlijk vet). Dit gebeurt door gegevens van een voedselconsumptiepeiling te combineren met concentraties van de stoffen in de voedselproducten. De uitkomsten van deze berekening worden geanalyseerd met een statistisch model waarmee een verdeling van de lange-termijn innames in de bevolking wordt verkregen. Dit model kan echter niet worden gebruikt als veel individuen een inname van 'nul' hebben, omdat deze mensen de relevante voedselproducten niet hebben gegeten tijdens de peiling. Het nieuwe model houdt er rekening mee dat de consumptiefrequentie van individuele voedselproducten alsmede de geconsumeerde hoeveelheid per dag kan varieren tussen individuen. Door de geschatte verdeling van de consumptiefrequentie te combineren met de verdeling van de consumptiehoeveelheid in een statistisch model kan de inname in de bevolking vergeleken worden met bepaalde (chronische of acute) limietwaarden.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Ziekenhuisinfecties beter bestrijden: professionals en management moeten samen preventiebeleid opstellen | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Trends in antimicrobial resistance in Europe: report from EARSS | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Ziekenhuisinfecties beter bestrijden | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Terugkijken op toekomstonderzoek | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Gezondheid van ouderen: preventie loont | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Epidemie van zeldzame soa onder homoseksuele mannen: gevolgen voor de volksgezondheid | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Aandachtspunten bij het starten en onderhouden van Surveillance | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Surveillance van postoperatieve wondinfecties na ontslag | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Interne validatie binnen het PREZIES netwerk | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Increase in hepatitis A in MSM in the Netherlans | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Epidemiologie van hiv/aids en soa in 2003 | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Ontsnipperen in natuurgebieden wenselijk? Verminderen van de barrierewerking van wegen voor dieren | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Vrachtwagens stoten meer uit dan gedacht. De gevolgen van cycle-bypassing op beleidsdoelstellingen | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Een beter klimaat voor het luchtbeleid? Problemen bij kansen en integratie van luchtverontreiniging en klimaatverandering | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Lucht- en klimaatbeleid: beleidsopties, kosten, baten en synergie | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Nog geen meldpunt rolstoelincidenten | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Internationale norm voor desinfecterende wasmachines gereed | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Reumatoide artritis, welke behandelingsmogelijkheden zijn er tijdens de zwangerschap? | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Aluminiumbevattende antacida niet veilig tijdens zwangerschap [Commentaar op artikel van Frankhuisen e.a.] | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Infectie van inteeltratten met Streptobacillus moniliformis | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Lutetium speciation and toxicity in a microbial bioassay: testing the free-ion model for lanthanides | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
VN-Conventie Grensoverschrijdende Luchtverontreiniging: terugkijken op succes | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Mestprobleem nog niet opgelost. Evaluatie van de werking van de Meststoffenwet | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Ontkoppeling ecologische voetdruk en sociaal-economische handdruk | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Spanning tussen beleid EU-Rijk-Regio. Hoofdpunten uit de Milieubalans 2004 | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Prognostic factors related to recurrent low-back pain and sickness absence | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Kosten-batenanalyse op de goede weg? Recente ervaringen en gewenste verbeteringen voor transportprojecten | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Long-term exposure to environmental concentrations of the pharmaceutical ethynylestradiol causes reproductive failure in fish | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Europees milieu langs de meetlat: wirwar aan ruimteclaims struikelblok? | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Europese norm voor kleine stoomsterilisatoren na 16 jaar af | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Eschericia coli O157:H7 in drinkwater uit zelfstandige eigen winningen | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Aldehyderesiduen op flexibele endoscopen nader onderzocht | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
CO2-probleem van het verkeer en vervoer. Wat is de beste oplossing? | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Beleid en burger niet op een lijn. Milieu, natuur en landschap onder druk | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
RIVM vernieuwt en intensiveert MRSA surveillance | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Ruimte voor Schiphol. Milieu- en natuureffecten Nota Ruimte geevalueerd | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Dit rapport gaat in op een onderdeel van potentieel risicovolle zorg, namelijk geneesmiddelgebruik in ziekenhuizen. Door middel van literatuuronderzoek en contact met de softwareleverancier, die het grootste deel van de ziekenhuizen in Nederland verzorgt, is onderzocht welke informatiebronnen binnen ziekenhuizen beschikbaar zijn om medicatieveiligheid in het ziekenhuis te onderzoeken en te verbeteren. De gehanteerde doelstellingen waren het inventariseren van dergelijke bronnen, het beoordelen van de geschiktheid van dergelijke bronnen om als indicator voor medicatieveiligheid gebruikt te worden, en het onderzoeken van de beschikbaarheid van dergelijke bronnen in Nederland. Geconcludeerd is dat in ziekenhuizen een schat aan informatie aanwezig is om onderzoek te doen naar medicatieveiligheid en om te gebruiken om gezondheidsschade te voorkomen of zo snel mogelijk op te merken. Met toename van de automatisering in ziekenhuizen kunnen deze gegevens steeds beter inzetbaar en analyseerbaar beschikbaar komen. De beschikbaarheid van ziekenhuisinformatiesystemen die dit in meer of mindere mate kunnen bewerkstelligen neemt toe maar ziekenhuizen hebben dergelijke systemen nog maar beperkt geimplementeerd. De informatie is dus aanwezig maar wordt door ziekenhuizen zelf nog maar beperkt gebruikt om de veiligheid bij de toepassing van geneesmiddelen te onderzoeken en daar waar mogelijk te verbeteren. Hier ligt een grote kans voor ziekenhuizen om hun verantwoordelijkheid in te vullen, zeker gezien de zorgen omtrent medicatieveiligheid en de genoemde schattingen omtrent schade. Externe indicatoren om de medicatieveiligheid in de ziekenhuizen te vergelijken blijken slechts zeer beperkt beschikbaar. Een aantal structuurindicatoren wordt voorgesteld die in de toekomst mogelijk gehanteerd kunnen worden door de Inspectie voor de Gezondheidszorg als indicator voor medicatieveiligheid in ziekenhuizen aanvullend op de indicator 'de integrale beschikbaarheid van het volledige medicatieoverzicht voor de behandelend arts tijdens het patienten contact' die thans onderdeel is van de basisset prestatie-indicatoren ziekenhuizen.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Externe kosten van verkeer. Een vergelijking van milieu-, veiligheids- en congestiekosten | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Klasse I dossiers nader bekeken | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Minder materialen, beter milieu | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
The role of noise sensitivity in the noise-response relation: a comparison of three international airport studies | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
MEI-energie: RIVM's energiebesparingsbeleid | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Prestatiemaatschappij niet populair. Duurzaamheid: een kwestie van kiezen | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Creeren van meer ruimte voor water komt wellicht onvoldoende van de grond | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
De (zelfgerapporteerde) ernstige hinder en slaapverstoring door vliegtuiggeluid rond de luchthaven Schiphol is tussen 1996 en 2002 afgenomen. Er is geen verband tussen blootstelling aan vliegtuiggeluid en lichamelijke of geestelijke gezondheidsklachten. Het RIVM heeft in 2002 de zelfgerapporteerde gezondheidstoestand in de regio Schiphol onderzocht, om de situatie in kaart te brengen voor de ingebruikname van de Polderbaan in 2003. Als vervolg op het onderzoek in 2002 worden jaarlijks 600 deelnemers gevraagd naar hun gezondheidstoestand en welbevinden, om de invloed van veranderingen rond Schiphol vast te stellen. Tussen 1996 en 2002 is de zelfgerapporteerde ernstige hinder en slaapverstoring door vliegtuiggeluid afgenomen. Ondanks de afname wordt vliegtuiggeluid nog altijd als belangrijkste bron van ernstige hinder en slaapverstoring aangemerkt. Het deel van de bevolking dat ernstige hinder ondervindt door geur van vliegtuigen is tussen 1996 en 2002 niet veranderd. Het merendeel van de bevolking in de regio is (zeer) tevreden met de woning en de woonomgeving. Met het geluid in de woonomgeving is slechts de helft (zeer) tevreden. Ook zijn de mening en toekomstverwachting over de buurt waarin men woont negatiever dan de landelijke referentiecijfers. In 2002 zijn relatief minder mensen bezorgd over hun veiligheid door het wonen in de buurt van Schiphol dan in 1996. Daar tegenover staat dat de bezorgdheid over gezondheidsklachten door geluid van vliegtuigen in dezelfde periode is toegenomen. Bezorgdheid onder de bevolking over veiligheid en gezondheidsklachten neemt toe naarmate men aan hogere geluidsniveaus is blootgesteld.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
De surveillance van beademing-gerelateerde pneumonieen volgens het protocol van het samenwerkingsverband PREventie van ZIEkenhuisinfecties door Preventie (PREZIES) is met name geschikt voor 'grotere' ziekenhuizen. Dit is de conclusie van de drie maanden durende pilotstudie voor de surveillance van 'Beademing-gerelateerde lage luchtweginfecties', waaraan drie ziekenhuizen meededen. Het doel van deze pilotstudie was te achterhalen in hoeverre de gehanteerde criteria en definities helder en bruikbaar waren en of de dataverzameling wat betreft tijdsinvestering haalbaar was. Het protocol is geevalueerd door respectievelijk telefonische interviews met de betrokken ziekenhuishygienisten, een validatiebezoek, data-analyse, een bijeenkomst met deelnemers waar de resultaten werden besproken en de beoordeling van het gewijzigde protocol door experts. De surveillance volgens het protocol verliep goed volgens de ziekenhuishygienisten. De criteria voor bronchitis werden echter niet specifiek gevonden en tevens vond men bronchitis klinisch minder van belang. Bronchitis is daarom niet als uitkomst in het definitieve protocol opgenomen. Non-invasieve beademing en sterfte kunnen volgens dit protocol optioneel geregistreerd worden. Verder werd het protocol op kleine punten aangepast. De instroom, 35 patienten in totaal, was lager dan verwacht. De incidentie bedroeg 5 /1000 beademingsdagen voor zowel pneumonie als bronchitis. Dit is lager dan de pneumonie-incidentie van 24 /1000 beademingsdagen die in een eerdere PREZIES-surveillance, uitgevoerd in 21 ziekenhuizen, gemeten werd. Om met enige betrouwbaarheid inzicht te kunnen krijgen in de incidentie van beademing-gerelateerde pneumonie is het advies dat er per ziekenhuis minstens 100 patienten in de surveillance worden opgenomen. Hiermee is de module 'Beademing-gerelateerde pneumonieen' met name geschikt voor 'grotere' ziekenhuizen.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Dit rapport geeft een uitgebreid overzicht van het gebruik en de kosten van zorg bij astma en COPD ("Chronic Obstructive Pulmonary Disease", Chronische bronchitis en Longemfyseem). Astma kost ongeveer 313 euro per patient, waarvan de helft aan medicatie wordt besteed. COPD kost ongeveer 915 euro per patient en de belangrijkste kostenposten zijn ziekenhuisopnames, medicatie en thuiszorg. De gepresenteerde cijfers over de kosten nu en in de toekomst leveren belangrijke informatie op voor beleid ten aanzien van deze twee aandoeningen.De kosten voor astma in Nederland bedroegen ongeveer 141 miljoen euro, 67 miljoen voor mannen en 74 miljoen voor vrouwen. De kosten voor COPD in Nederland bedroegen ongeveer 280 miljoen euro, 161 miljoen voor mannen en 119 miljoen voor vrouwen. Beide schattingen zijn voor het jaar 2000. Projecties van deze kosten over de tijd geven een indicatie voor toekomstige ontwikkelingen voorzover deze nu waar te nemen zijn in de data. Bij gelijkblijvende zorg en prijzen zullen de kosten voor astma in 2025 gestegen zijn naar ongeveer 170 tot 180 miljoen euro en voor COPD naar ongeveer 440 tot 495 miljoen euro. Wanneer de projecties rekening houden met trends in de kosten van zorg, dan stijgen de kosten voor astma naar 460 tot 500 miljoen euro en voor COPD naar 1000 tot 1100 miljoen euro. Per patiknt zijn de kosten voor COPD ruwweg drie keer die voor astma, terwijl de totale kosten in Nederland voor COPD tweemaal zo hoog zijn als die voor astma. De verwachte stijging in de kosten voor COPD is groter dan de stijging in de kosten voor astma.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Het leven is een geschenk, maar we krijgen het niet cadeau: over leeftijd en levensloop en de kosten van de gezondheidszorg | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Het bittere einde: over de zorgkosten in het laatste levensjaar | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Worldwide regulations on aflatoxins | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Op een lijn: toekomstverkenning eerstelijnszorg 2020 | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Vooruitzien in de volksgezondheid | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Characterization of ozone profile retrieved from satellite measurements | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Bordetella avium cross-reacts with B. bronchiseptica by ELISA but natural B. avium infection in rats is unlikely | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Detection of immunotoxicity using T-cell based cytokine reporter cell lines ("Cell Chip") | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
The use of API 20 NE bacteria classification procedure to identify Pasteurellaceae strains in rodents and rabbits | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Bacterial traits, organism mass, and numerical abundance in the detrital soil food web of Dutch agricultural grasslands | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
The changing face of primary care: the second Dutch national survey | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Meeting the mycotoxin menace | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Molecular misreading: the frequency of dinucleotide deletions in neuronal mRNAs for beta-amyloid precursor protein and ubiquitin B | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Trends of penicillin and erythromycin resistance among invasive Streptococcus pneumoniae in Europe | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Short-term ecological risks of depositing contaminated sediment on arable soil | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Development of the "Cell Chip": a new in vitro alternative technique for immunotoxicity testing | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Release kinetics and cell trafficking in relation to bacterial growth explain the time course of blood neutrophils and monocytes during primary Salmonella infection | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
De ruimtelijke uitwerking van vier wereldbeelden uit de Duurzaamheidsverkenning laat zien dat zowel het stedelijke als het landelijk gezicht van Nederland de komende decennia sterk zal veranderen. De ruimtevraag van wonen, werken en recreeren zorgt voor een verdere verstedelijking, vooral in Midden-Nederland. Afhankelijk van de mate van overheidsbescherming geeft dit een grote druk op en waarschijnlijk aantasting van de natuur- en landschapswaarden. Verdere schaalvergroting en toename van kapitaalsintensieve vormen van landbouw zorgen ook voor een verdere aantasting van landschapswaarden. Als problemen op het gebied van waterberging en wateroverlast opgelost worden door ruimtelijke maatregelen zal dit grote beperkingen opleggen aan zowel de nieuwe verstedelijkingslocaties als aan de landbouw.De ruimtelijke kaartbeelden als illustraties geven een brede reeks van waarschijnlijke toekomstbeelden. Deze variatie in toekomstbeelden kunnen de input vormen voor een maatschappelijke en politieke discussie over de prioritering van beleidsdoelen, zowel nationaal als Europees, ten aanzien van verstedelijking, natuurbehoud en -realisatie, waterbeheer en landschappelijk waarden.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Doel van dit project is om door middel van het koppelen van bestaande registraties inzicht te krijgen in het transmuraal zorggebruik van chronisch zieken in verschillende zorgsectoren (huisartsen- en ziekenhuiszorg). Op deze manier wordt getracht meer inzicht te verschaffen in de afstemming en samenhang van de verschillende schakels in de (keten)zorg van chronisch zieken. Dit rapport beschrijft een geanonimiseerde koppeling van huisartsgegevens aan landelijke ziekenhuisregistraties. De koppeling is uitgevoerd voor een aantal chronische ziekten: diabetes mellitus, artrose, lage rugklachten, nek- en schouderklachten, heup- en knieklachten, coronaire hartziekten, beroerte (inclusief TIA), hypertensie, astma en long emfyseem. De koppeling is uitgevoerd op basis van de volgende koppelsleutel: geboortedatum, 4-cijferige postcode en geslacht van de patient. In de koppeling kan 87% van de patienten, die door de huisarts is doorverwezen naar de tweede lijn, gekoppeld worden aan de ziekenhuisregistraties. Dit rapport beschrijft het gebruik van huisartsen- en ziekenhuiszorg van chronisch zieken. Men zou verwachten dat de diagnose waarmee de patient door de huisarts is doorverwezen naar het ziekenhuis gelijk is aan de diagnose die wordt geregistreerd in het ziekenhuis bij ontslag. Bij het grootste deel van de patienten is dit het geval, maar de overeenstemming is niet 100%. Bijvoorbeeld voor artrose en voor heup- en knieklachten is het overeenstemmingspercentage ruim 60%. Na ontslag uit het ziekenhuis heeft ongeveer de helft (47%) binnen een week contact met de huisarts.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Boerderijen in bedrijf | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
De kans dat er een groot aantal (een groep) slachtoffers valt onder omwonenden, door een vliegtuigongeluk in de regio's rond Schiphol, zal in 2005 ongeveer verdubbeld zijn ten opzichte van 1990. Naar verwachting zal dit risiconiveau de komende jaren, tot 2010, niet veel toenemen. Want er wordt geen substantiele groei van de luchtvaart verwacht en een grote toename van de bebouwing, op risicovolle locaties, kan met de huidige beleidsinstrumenten worden voorkomen. Een onderzoek naar het risico op een groot aantal slachtoffers, het zogeheten "groepsrisico", is onderzocht voor de jaren 1990, 2005 en 2010. De toename van het groepsrisico wordt ongeveer in gelijke mate veroorzaakt door de toename van de risico's van het vliegverkeer als door de toename van gebouwen, met name van bedrijven. Ook blijkt het groepsrisico sterk geografisch geconcentreerd (90 % van het risico is gelocaliseerd in 3 % van het bebouwde gebied). In voorgaande studies over Schiphol is de veiligheidssituatie steeds beoordeeld voor het hele studiegebied (56 bij 56 km). In die overigens gebruikelijke benadering wordt de kans op slachtoffers in de regio's rond de luchthaven bij elkaar geteld. Dit geeft een goed inzicht in de kans op een groep slachtoffers, maar geen inzicht waar die kansen groter of juist minder groot zijn. In deze studie is daarom tevens een benadering ontwikkeld voor de bepaling van het "lokale groepsrisico". Die resultaten geven goed inzicht in de risicosituatie van specifieke locaties. De toename van het groepsrisico is geen grote verrassing: in november 2003 heeft de Staatssecretaris van VROM in de Kamer al verklaard dat het streven naar een stand-still voor risicos ten opzichte van 1990 niet reeel zou zijn, gezien de groei van de luchtvaart en de ruimtelijke ontwikkeling. De Staatssecretaris heeft daarbij toegezegd dit nader te laten onderzoeken. Deze studie vult deze toezegging in. Hierbij is veel aandacht besteed aan het bevolkingsbestand en vooral ook de aanwezigen bij bedrijven, scholen, hotels en zorginstellingen. In combinatie met de 'lokale groepsrisico' benadering geeft dit rapport een veel beter en betrouwbaarder beeld van de risico situatie in relatie tot ruimtelijke ordening dan voorgaande studies.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Reply to: Twisk and Proper: evaluation of the results of a randomized controlled trial: how to define changes between baseline and follow-up | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Collaborative meta-analysis of prospective studies of plasma fibrogen and cardiovascular disease | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Author's reply to: Successful search-and-destroy policy for methicillin-resistant Staphylococcus aureus in The Netherlands [Letter to the editor] | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Olsetamivir reduced transmission, morbidity, and mortality of highly pathogenic avian influenza in chickens | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Cell-ELISA for antiviral susceptibility testing of influenza virus: performance depends on the compatibility of virus strain and type of MDCK cells | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Multilocus variable-number tandem-repeat polymorphism among Brazilian Eneterococcus faecalis strains | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Author's reply to: Exhaled nitric oxide in 4-year-old children: relationship with asthma and atopy [Letter to the editor] | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Author's reply to: Hexachlorbenzene-induced immunopathology in Brown Norway rats is partly mediated by T cells [Letter to the editor] | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Highly pathogenic avian influenza virus A (H7N7) infection of humans and human-to-human transmission during avian influenza outbreak in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Experimental norovirus infections in non-human primates | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Climate change scenarios for dryland West Africa, 1990-2050 | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Bloeddruk en hart- en vaatziekten: cijfers en feiten | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
A large increase of Salmonella infections in 2003 in the Netherlands: hot summer of side effect of the avian influenza outbreak? | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Applicability of an in vitro digestion model in assessing the bioaccessibility of mycotoxins from food | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
2-AAF-induced tumor development in nucleotide excision repair-deficient mice is associated with a defect in global genome repair but not with transcription coupled repair | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Lifestyle-related risks: are trends in Europe converging? | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Panton-Valentine leukocidin positive MRSA in 2003: the Dutch situation | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Use physicochemical property limits to develop rules for identifying chemical substances with no skin irritation of corrosion potential | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Organisatie van een landelijk screeningsprogramma voor Downsyndroom en neuraalbuisdefecten | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
A large increase of Salmonella infections in 2003 in the Netherlands: hot summer or side effect of the avian influenza outbreak? | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Praktische consequenties van de IVD-richtlijn voor laboratoria, kansen en beperkingen | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Immunoglobulinen, antistoffen en vaccinatie | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Klachten over huisartsenposten: patienten moeten een rol spelen bij de organisatie | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Pertussis incidence in the Netherlands after introduction of an acellular booster vaccination at 4 years of age | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Uniforme screening, testen op Downsyndroom niet gebaat bij vrij ondernemerschap | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Jongeren en hart- en vaatziekten: cijfers en feiten | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Mismatch repair protein Msh2 contributes to UVB-induced cell cycle arrest in epidermal and cultured mouse keratinocytes | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Gene expression pattern in spontaneously hypertensive rats exposed to urban particulate matter (EHC-93) | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Een probleem van formaat: ongevalletsels hebben grote impact op de volksgezondheid | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Comparison of the method of diffusive gels in thin films with conventional extraction techniques for evaluating zinc accumulation in plants and isopods | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Tissue response to partially in vitro predegraded poly-L-lactide implants | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
(Q)SARs for predicting skin irritation and corrosion: mechanisms, transparency and applicability of predictions | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Gezondheidskapitaal, een gezond kompas? Een rondwandeling langs 'public health' en 'health economics' | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
A trade view of climate change policies. A multi-region multi-sector approach | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Natural history, treatment and prevention of hepatitis C in injecting drug users: an overview | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Effects of soy-derived isoflavones and a high-fat diet on spontaneous mammary tumor development in Tg.NK (MMTV/c-neu) mice | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Lymphogranuloma venereum among men who have sex with men: Netherlands 2003-2004 | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Pertussis toxin relaxes small arteries with no vascular lesions or vascular smooth muscle cell injury | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Maternal dietary B vitamin intake, other than folate, and the association with orofacial cleft in the offspring | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
SWAB. NethMap 2004. Consumption of antimicrobial agents and antimicrobial resistance among medically important bacteria in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Modelling the transmission of hepatitis C in injecting drug users | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Human resources for health: overcoming the crisis | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Hepatitis C and injecting drug use: impact, costs and policy options | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Assessment of the indirect costs of injecting drug use: which methods should be employed? | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Updated healthcare cost estimates for drug-related hepatitis C infections in the European Union | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Cost-effectiveness of needle and syringe programmes: a review of the literature | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Wat de patient doet - en wat apotheek en overheid kunnen doen | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Respiratoir cyncytieel virus bronchiolitis: rol van genetische polymorfismen | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Temporal trends in circulating Bordetella pertussis strains in Australia | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Increase in viral gastroenteritis outbreaks in Europe and epidemic spread of new norovirus variant | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Physical activity in relation to cognitive decline in elderly men: the FINE Study | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Human-to-dog transmission of methicillin-resistant Staphylococcus aureus | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Atherosclerosis: epidemiological studies on the health effects of a Mediterranean diet | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Dit rapport beschrijft de operationalisatie van de term 'duurzame ontwikkeling' door gebruik te maken van het kwetsbaarheidconcept. Kwetsbaarheid beschrijft de mate van schade dat een systeem kan ondervinden door blootstelling aan een bepaalde druk en beschrijft daarmee niet duurzame processen. Voor de operationalisatie wordt een raamwerk geintroduceerd dat bestaat uit de drie elementen van kwetsbaarheid, namelijk blootstelling, gevoeligheid en aanpassingscapaciteit. Het raamwerk maakt gebruik van modelresultaten, indicatoren, die worden geaggregeerd tot een algemene maat van duurzaamheid voor een bepaalde sector of systeem. De kwetsbaarheid wordt beschreven door de potentiele impact (blootstelling plus gevoeligheid) en de aanpassingscapaciteit, dat wil zeggen de gevolgen die kunnen ontstaan door mondiale veranderingen in het menselijke en milieusysteem en de graad waarin mogelijke aanpassingen de schade kunnen matigen of compenseren. De voordelen van de benadering zijn de transparantie van het indicatorenraamwerk en de koppeling met simulatiemodellen (bestaande kennis). Om vervolgens deze methodiek te toetsen is het toegepast op het probleem van voedselveiligheid, wat resulteert in een maat voor de kwetsbaarheid van landen voor voedseltekorten. De resultaten van deze analyse zijn op regionale schaal in lijn met de mate van voedseltekorten zoals gerapporteerd door de FAO. Deze gelijkenis geeft aan dat het gekozen indicatoren raamwerk een redelijke proxy geeft voor voedselveiligheid en dat het conceptuele raamwerk goede vooruitzichten biedt voor het toepassen op andere niet duurzame processen.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Dit rapport presenteert de resultaten van radioactiviteitsmetingen in het Nederlandse milieu in 2003. Radioactiviteit werd gemeten in belangrijke onderdelen van het leefmilieu van de mens zoals luchtstof, depositie, oppervlaktewater, zeewater, drinkwater, melk en voedsel. In het kader van het Euratom Verdrag uit 1957 is de Nederlandse overheid verplicht om radioactiviteitsgehaltes te meten in de compartimenten lucht, water en bodem. De resultaten van de radioactiviteitsmetingen liggen in het bereik van voorgaande jaren. Vergeleken met de aanbevelingen van de Europese Unie blijkt dat het Nederlandse meetprogramma op een aantal punten tekortschiet, met name voor wat betreft controle van drinkwater, melk en overige voedingsmiddelen.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Dit onderzoek toont aan dat, ook met inachtneming van de marges, met grote zekerheid gesteld kan worden dat het besparingsdoel van 1,3% per jaar, zoals geformuleerd in het Nationaal Milieubeleidsplan 4, nog niet is bereikt. Met behulp van de Leidraad voor onzekerheden van het RIVM en een statistische analyse zijn de marges bepaald van de verschillende besparingscijfers die zijn berekend in het rapport 'Gerealiseerde energiebesparing 1995-2002'. De marge van de 1,0 % nationale besparing voor de periode 1995-2002 is berekend op 0,3%-punt. Dat betekent dat met de gekozen methodiek en invoerparameters de kans dat het Nationale besparings-effect tussen de -0,7 en -1,3% ligt, 95% is. Ook voor de verschillende sectoren zijn marges bepaald. De grootste marge komt voor rekening van de sector Landbouw (1,5%-punt), de kleinste voor rekening van de sector Industrie (0,4%-punt).
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1
Stability of mono- and trivalent meningococcal outer membrane vesicle vaccines | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Critical loads of acidity for surface waters in south-central Ontario, Canada: regional application of the first-order acidity balance (FAB) model | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Tetanusprofylaxe in de huisartsenpraktijk | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
The common focal point and common reflection surface methodologies: subsets or complements? | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
WHO working group on the standardisation and control of pertussis vaccines - report of a meeting held on 6-7 May 2003, Ferney Voltaire, France | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Location-specific ecotoxicological risk assessment of metal-polluted soils | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Generalized convulsive seizure as an adverse event following immunization: case definition and guidelines for data collection, analysis, and presentation | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Acute intussusception in infants and children as an adverse event following immunization: case definition and guidelines for data collection, analysis, and presentation | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Metabolic diversity of the bacterial community in an Al-Fe-humus podzol | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Trends in HIV-prevalentie en risicogedrag onder injecterende druggebruikers in Rotterdam, 1994-2002 | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Verdubbeling van het aantal consulten voor tekenbeten en Lyme-borreliose in de huisartsenpraktijk in Nederland | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Prevalence and determinants of undertreatment of hypertension in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
The problem of the future: sustainability science and scenario analysis | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Immune system parameters in children of Central and Eastern Europe: the CESAR study | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Promoting quality through surveillance of surgical site infections: five prevention success stories | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Maternal nutritional status and the risk for orofacial cleft offspring in humans | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
On the risk of Enterobacter sakazakii in infant milk formula | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Determinants of direct costs in Dutch rheumatoid arthritis patients | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Surveillance van hepatitis A in Nederland, 1993-2002 | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Sunlight exposure and (sero)prevalence of epidermodysplasia verruciformis-associated human papillomavirus | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Characterization of ancestral Mycobacterium tuberculosis by multiple genetic markers and proposal of genotyping strategy | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Pollution-induced community tolerance of soil microbial communities caused by the antibiotic sulfachloropyridazine | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Een fatale infectie door aviair influenza-A(H7N7)-virus en aanpassing van het preventiebeleid | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Drug susceptibility of Mycobacterium tuberculosis in HIV-infected and -uninfected Ethiopians and its impact on outcome after 24 months of follow-up | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Search for morbillivirus proteins in multiple sclerosis brain tissue | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Multiple-locus variable-number tandem repeat analysis, a novel typing scheme to study the genetic relatedness and epidemiology of Enterococcus faecium isolates | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Psychological distress in couples dealing with colorectal cancer: gender and role differences and intracouple correspondence | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Het influenzaseizoen 2003/'04 in Nederalnd met een beperkte epidemie door de virusvariant A/Fujian, en de vaccinsamenstelling voor het seizoen 2004/'05 | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Worldwide regulations on aflatoxins - The situation in 2002 | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Cluster van lymphogranuloma venereum onder homoseksuele mannen in Rotterdam, met grensoverschrijdende gevolgen | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Persistent crying in infants and children as an adverse event following immunization: case definition and guidelines for data collection, analysis, and presentation | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
TB diagnosis in non-human primates: comparison of two interferon-gamma assays and the skin test for identification of Mycobacterium tuberculosis infection | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Nodule at injection site as and adverse event following immunization: case definition and guidelines for data collection, analysis, and presentation | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Do costs of varicella justify routine infant vaccination? Pharmacoeconomic and clinical considerations | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Het voorkomen van lijnsepsis in het ziekenhuis | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Reactie op het bericht 'Gezondheidsraad adviseert over kinkhoestvaccinatie' [Letter to the editor] | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Invoering acellulair kinkhoestvaccin | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Gebruik van SOAP in de SOA-surveillance | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Nieuw voorlichtingsmateriaal over het RVP | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Soa en HIV in Nederland. Stand van zaken, juni 2004 | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Human CD8(+) T cell responses against five newly identified respiratory syncytial virus-derived epitopes | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Campylobacter-infecties in Nederland | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
The utility of genetically modified mouse assays for identifying human carcinogens: a basic understanding and path forward | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Within- and between-cohort variation in measured macronutrient intakes, taking account of measurement errors, in the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition study | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Fever as an adverse event following immunization: case definition and guidelines of data collection, analysis and presentation | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Stijging hepatitis A onder homoseksuele mannen in Nederland | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Pain catastrophizing is associated with health indices in musculoskeletal pain: a cross-sectional study in Dutch Community | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Prevalence of zeranol, taleranol and Fusarium spp. toxins in urine: implications for the control of zeranol abuse in the European Union | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Differentiatie van mazelen, rode hond en vijfde ziekte bij de melding van exantheem | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Early and late coronary deaths in the US Railroad study predicted by major coronary risk factors | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Availability of pesticide-treated seed on arable fields | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Zoonosen in Europa: risico's voor de volksgezondheid | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Massale voedselinfectie in Noord-Limburg | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Effect of aerosols on the downward shortwave irradiances at the surface: measurements versus calculations with MODTRAN4.1 | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
MRSA in Nederlandse ziekenhuizen: Surveillanceresultaten 2003 en recente ontwikkelingen | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Intensieve surveillance van Shiga toxine-producerende Escherichia coli O157 in Nederland: overzicht 2003 | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Herkomst van methicilline-resistente Staphylococcus aureus isolaten in Nederland: resultaten van een aselecte steekproef | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Gezondheidsklachten in verband met recreatie in oppervlaktewater in de zomers van 2000, 2001 en 2002 | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Implementation of depth-dependent soil concentrations in multimedia mass balance models | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Rijksvaccinatieprogramma ook in 2003 zeer effectief | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Legal constraints in EU product labelling to mitigate the environmental risk of veterinary medicines at use | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
De naoorlogse geschiedenis van paratyfus in Nederland | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Melding van voedselinfecties en shigellose: jaaroverzicht 2003 | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Trends in gastro-enteritis van 1996-2003. Laagste aantal campylobacterioses, meeste ziekenhuisopnames voor gastro-enteritis sinds 1996 | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Infiltration of ambient PM2.5 and levels of indoor generated non-ETS PM2.5 in residences of four European cities | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Fataal verlopen infectie met in Nederland verworven hepatitis E virus bij een patiente met een vermoedelijk hepatocellulair carcinoom | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Serum nutrient markers and skin prick testing using data from the Third National Health and Nutrition Examination Survey | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Gezondheidsklachten in relatie tot recreatie in oppervlaktewater in de zomer van 2003 | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Safety evaluation of chemical mixtures and combinations of chemical and non-chemical stressors | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Gas-particle interactions above a Dutch heathland: II. Concentrations and surface exchange fluxes of atmospheric particles | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Accessibility evaluation of land-use and transport strategies: review and research directions | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Air pollution related deaths during the 2003 heat wave in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Speciation and origin of PM10 and PM2.5 in selected European cities | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
A good climate for clean air: linkages between climate change and air pollution | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Fast sample preparation involving MASE and coupled column normal phase liquid chromatography for the rapid trace analysis of dioxins in air-dust samples from fire catastrophe emissions | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
The Dutch nitrogen cascade in the European perspective | RIVM
Jaar: 2005
Onderzoek
Het MNP heeft een 'second opinion' gegeven op een TNO-onderzoek naar de luchtkwaliteit rond de A27 tussen Utrecht en Hilversum en de effecten van een plusstrook daarop. Het MNP schat de luchtkwaliteit in het studiegebied, los van de eventuele aanleg van de plusstrook, ongunstiger in dan TNO. De implicaties voor het areaal en aantal adressen waar de EU-grenswaarden wordt overschreden, zijn niet op voorhand verwaarloosbaar. Om de implicaties te kunnen beoordelen is herberekening nodig met het ruimtelijk gedetailleerde TNO-model. De aanleg van de plusstrook heeft geen noemenswaardig effect op de luchtkwaliteit.
Jaar: 2005
Onderzoek
Documenten: 1