Naar inhoud

Onderzoeken Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2005

Zoek binnen deze data in WooGLe

Kind en milieu; inventarisatie van beleid in Nederland | RIVM

Nederland voldoet in grote lijnen aan internationale afspraken en doet veel op het gebied van kind, milieu en gezondheid. Toch is er een aantal onderwerpen waarvoor nog onvoldoende beleid is ontwikkeld om aan de internationale afspraken te voldoen. Dit zijn: 1. kindvriendelijke stadsontwikkeling; 2. (groen)voorzieningen voor sport en spel; 3. richtlijnen bouwmaterialen en meubels; 4. beperking uitstoot verkeer en industrie; en 5. monitoring blootstelling kinderen aan stoffen. Voor een aantal onderwerpen (onder andere verbetering binnenlucht en blootstelling kinderen aan chemische stoffen) lopen op dit moment onderzoeken en kan nog niet beoordeeld worden of Nederland voldoet aan de afspraken. Dit blijkt uit een inventarisatie die gedaan is naar aanleiding van de WHO Ministersconferentie Milieu en Gezondheid in 2004 in Boedapest. Daar hebben 52 Europese milieuministers afspraken gemaakt over onderwerpen op het gebied van Milieu en Gezondheid, met speciale aandacht voor kinderen. De WHO heeft in dit kader het Children's Environment and Health Action Plan for Europe (CEHAPE) opgesteld. Nederland heeft de Ministersverklaring en het CEHAPE ondertekend. Om na te gaan in hoeverre Nederland voldoet aan de gemaakte afspraken, is een overzicht gemaakt van de activiteiten van de rijksoverheid die op dit moment in Nederland plaatsvinden met betrekking tot de onderwerpen uit het CEHAPE en de Ministersverklaring. Voor elk onderwerp is een afweging gemaakt of extra beleidsinzet nodig is om aan de afspraken te voldoen. Onderwerpen die meer aandacht verdienen in het beleid zouden uitgewerkt kunnen worden in een vervolg op het Actieprogramma Gezondheid en Milieu. Het is belangrijk dat huidige en eventuele aanvullende acties geevalueerd worden.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

De fysieke omgeving in relatie tot bewegen en voeding - Onderzoek in het kader van preventie van overgewicht | RIVM

Ondanks de hoge verwachtingen van de invloeden van fysieke omgeving op ons voedings- en beweegpatroon, zijn er relatief weinig studies die een dergelijke samenhang hebben onderzocht. Hierbij blijft het aantal Nederlandse studies duidelijk achter bij studies uit de Verenigde Staten en Australie. Om een gedegen uitspraak te kunnen doen over of aspecten uit de fysieke omgeving samenhangen met voeding en bewegen, welke specifieke aspecten dit zijn en of deze aspecten verschillen voor verschillende onderdelen van voeding en bewegen is meer (Nederlands) onderzoek nodig. De weinige studies die er zijn impliceren een rol voor aanwezigheid en toegankelijkheid van voorzieningen en recreatieve ruimte en verkeersveiligheid in relatie tot beweeggedrag. Daarnaast speelt het aanbod van groente en fruit een rol in de consumptie ervan. Deze bevindingen zijn afkomstig uit een uitgebreid literatuuronderzoek naar de samenhang tussen fysieke omgeving, voeding en bewegen. Aanvullend zijn de aanwijzingen uit de literatuur getoetst op basis van twee grote studies van het RIVM, gecombineerd met aanwezige objectieve informatie over de fysieke omgeving. Deze analyses bevestigden de bevindingen uit de literatuur. Volwassenen bewogen bijvoorbeeld meer wanneer er in de omgeving van de woning voldoende recreatieve ruimte beschikbaar was. Kinderen in een niet-stedelijke omgeving speelden meer buiten dan kinderen in een stedelijke omgeving.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Geluidmonitor 2004 | RIVM

Uit geluidmonitoring langs de A2 in 2004 blijkt dat de meetresultaten nagenoeg onveranderd zijn ten opzichte van 2003. Langs de A10 werd daarentegen een lichte toename van de gemiddelde voertuigemissie geconstateerd. Mogelijk is dat een gevolg van een afname in de effectiviteit van het DZOAB ter plaatse. Langs provinciale weg N256 in Zeeland werd voor alle voertuigcategorieen een hogere emissie gemeten dan de geluidemissie die door het 'Reken- en Meetvoorschrift Wegverkeer', RMW 2002, wordt toegekend aan standaard dicht asfalt beton. Nader onderzoek is nodig om deze discrepantie te verklaren. Geluidreducties door het slijpen van het spoor Utrecht-Amsterdam in de periode 2000-2004 worden door de metingen tijdens niet aangetoond. Langs de spoorlijn Delft-Schiedam werd uit metingen van februari tot en met juni 2004 geconstateerd dat de over alle treincategorieen gemiddelde geluidemissie goed overeenkomt met de berekende geluidemissie. Binnen sommige categorieen komen echter afwijkingen voor hetgeen aanleiding geeft voor een nadere analyse van de akoestische indeling van deze categorieen. Bij het vliegveld Volkel werd een toename gevonden van zowel het aantal gemeten vliegtuigpassages als de gemeten geluidbelasting. Deze toename werd ook in de door het Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium berekende geluidbelasting vastgesteld. De berekende waarde voor 2004 blijft echter achter bij de gemeten geluidbelasting. Dit zijn de belangrijkste resultaten uit een geluidmonitorprogramma dat het RIVM in 1999 heeft opgestart. Dit programma is gericht op trendontwikkelingen in omgevingsgeluid in zowel het stedelijk als het landelijk gebied. Het monitorprogramma is sindsdien voortgezet met permanente meetlocaties op punten waar een primaire bron goed kan worden gemeten. In 2004 zijn continue metingen verricht langs drie wegen: de A2 bij Breukelen, de A10 bij Amsterdam en de N256 in Zeeland, op twee spoorweg locaties: Utrecht-Amsterdam en Delft-Schiedam, en bij het militaire vliegveld Volkel.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Economische evaluatie van preventie - Kansen voor het Nederlandse volksgezondheidsbeleid | RIVM

Kosteneffectiviteit (doelmatigheid) is een van de pijlers van het Nederlandse volksgezondheidsbeleid. In dit literatuuroverzicht worden een tiental preventieve interventies gesignaleerd met een gunstige verhouding tussen de kosten en de te behalen gezondheidswinst. Het betreft interventies die in Nederland nog niet systematisch en op continue wijze zijn ingevoerd. Verwacht wordt dat deze interventies binnen vijf jaar kosten-effectief (gedefinieerd als kosten per gewonnen levensjaar lager dan 20.000,- euro) of zelfs kostenbesparend kunnen zijn. De geselecteerde interventies zijn: (1) screenen van jongvolwassen vrouwen en hun partners op chlamydia infecties, (2) screenen op retinopathie bij diabetespatienten ter preventie van blindheid, (3) preventie van hoofdletsel door het dragen van fietshelmen door kinderen, (4) preventie van een nieuw hartinfarct door revalidatie bij hartpatienten, (5) screening van oudere mannen op aneurysma van de buikaorta, (6) preventie van terugval na een depressie door behandeling, (7) preventie van plotselinge hartdood door gebruik van automatische externe defibrillatoren, (8) preventie van baarmoederhalskanker door screening op humaan papillomavirus in combinatie met het uitstrijkje, (9) preventie van chronische ziekten door behandeling van obesitas, en (10) preventie van een heupfractuur door het dragen van heupbeschermers. Van de eerste vier interventies wordt zowel de kosteneffectiviteit als de haalbaarheid van (verdere) invoering in Nederland bijzonder gunstig ingeschat. Voor de overige interventies geldt dat ze veelbelovend zijn, maar dat nader onderzoek ten aanzien van de vertaling van veelal buitenlandse onderzoeksresultaten naar de Nederlandse situatie nog gedaan moet worden.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Performance Luchtverkeersleiding Schiphol - Beoordeling van het Raamwerk voor de afweging van Veiligheid, Efficiency en Milieu | RIVM

De methodiek die LVNL gebruikt voor de afweging van veiligheid, efficiency en milieu bij veranderingen in het luchtverkeersleidingssysteem, is goed en het behoort internationaal gezien tot de 'state of the art'. De ontwikkeling en toepassing van dit zogenaamde VEM Raamwerk is een grote en belangrijke stap voorwaarts in de besluitvorming rond die veranderingen. Voorheen vond deze besluitvorming vooral plaats op basis van kwalitatieve redeneringen. Nu is kwantitatieve onderbouwing en afweging mogelijk. Er zijn in het Raamwerk nog wel enkele verbeterpunten aangegeven, maar dit zijn normale punten in de ontwikkeling van een dergelijke methodiek. Het aanbrengen van deze verbeterpunten leidt waarschijnlijk niet tot grotere veiligheid, maar wel tot een scherpere afweging met mogelijke winst op efficiency en milieu. Voor de verdere ontwikkeling van de luchthaven Schiphol is verbetering van het Raamwerk daarom urgent.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Monitoring van Risicofactoren en Gezondheid in Nederland (MORGEN-project) 1993-1997. Leefstijl- en risicofactoren: prevalenties en trends | RIVM

Een op de 5 mannen en een op de 8 vrouwen in de leeftijd van 20-59 jaar heeft een verhoogde bloeddruk, terwijl ongeveer een op de 10 mannen/vrouwen een te hoog cholesterolgehalte heeft. Bijna de helft van de mannen en ongeveer een derde van de vrouwen heeft overgewicht. Risicofactoren voor chronische ziekten komen over het algemeen vaker voor bij mannen dan bij vrouwen, vaker bij ouderen dan bij jongeren en vaker bij lager opgeleiden dan bij hoger opgeleiden. Overgewicht komt bijvoorbeeld bij laag opgeleiden 3 keer (mannen) tot 5 keer (vrouwen) vaker voor dan bij hoog opgeleiden.Dit blijkt uit het MORGEN-project, een grootschalig onderzoek dat in de periode 1993-1997 is uitgevoerd onder 23.000 mannen en vrouwen uit Amsterdam, Doetinchem en Maastricht. In het project is informatie verzameld over (veranderingen in) risicofactoren voor chronische ziekten, zoals hart- en vaatziekten, diabetes, astma, COPD en gewrichtsaandoeningen. Deelnemers vulden vragenlijsten in over leefgewoonten (roken, voeding, bewegen) en gezondheid, en ondergingen een lichamelijk onderzoek waarbij lengte, gewicht, bloeddruk en longfunctie werden gemeten en waarbij bloed werd afgenomen waarin het totaal- en HDL-cholesterolgehalte en glucosegehalte werden bepaald. Bij een deel van de oudere deelnemers (45 jaar en ouder) werd ook een aantal cognitieve testen afgenomen. Het onderzoek geeft een goed beeld van de situatie in Nederland ten aanzien van risicofactoren voor chronische ziekten. De gegevens zijn een belangrijke bron gebleken voor onderbouwing van het Nationaal Kompas Volksgezondheid en het Chronische Ziekten Model van het RIVM. In dit rapport worden voor de genoemde risicofactoren en chronische ziekten de prevalentie en trend beschreven, naar leeftijd, geslacht en opleiding.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Environmental Risk Limits for alcohols, glycols, and other relatively soluble and/or volatile compounds. 2. Integration of human and ecotoxicological risk limits | RIVM

Milieurisicogrenzen zijn concentraties van een stof in water, bodem, sediment en lucht waarbij geen nadelige effecten van die stof worden verwacht. In dit rapport worden milieurisicogrenzen bepaald die zowel de mens als ecosystemen beschermen tegen nadelige effecten van chemische stoffen. Hiertoe werden eerder afgeleide ecotoxicologische risicogrenzen vergeleken met die voor de mens, voor de volgende 11 stoffen: 1-butanol, n-butylacetaat, cyclohexylamine, diethyleenglycol, ethyleenglycol, ethylacetaat, methanol, methyl ethyl keton (MEK), methyl tert-butyl ether (MTBE), tribroommethaan en triethanolamine. De laagste waarde (mens of ecosystemen) bepaalt de uiteindelijke risicogrens voor een stof. De milieurisicogrenzen op basis van de ecotoxicologie zijn berekend in deel 1 van dit rapport (RIVM rapport 601501016). De milieurisicogrenzen voor de mens die in dit rapport zijn gerapporteerd zijn berekend met behulp van het model Humanex. Humanex is beschreven in RIVM rapport 601501022.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

The trigger values in the environmental risk assessment for (veterinary) medicines in the European Union: a critical appraisal | RIVM

Een kritische beschouwing van de wetenschappelijke onderbouwing van bestaande drempelwaarden voor blootstelling aan humane geneesmiddelen in water en diergeneesmiddelen in bodem leidt tot de aanbeveling deze waarden te herzien. Het gebruik van drempelwaarden is opgenomen in de (concept) richtsnoeren voor de milieurisicobeoordeling als onderdeel van de Europees geharmoniseerde registratie van (dier)geneesmiddelen. Op basis van het overschrijden van deze drempelwaarden wordt besloten of een risicobeoordeling voor het milieu noodzakelijk is. In de opinie van het Europese Wetenschappelijk Comite voor Toxicologie, Ecotoxicologie en het Milieu is de bestaande waarde voor water (10 ng/l) wetenschappelijk ondeugdelijk. Volgens de Europese Wetenschappelijke Stuurgroep is de bestaande waarde voor bodem (100 ug/kg) evenmin wetenschappelijk onderbouwd. De kritische beschouwing van de gebruikte gegevens en de toegepaste beoordeling, met inachtneming van gegevens uit de openbare literatuur, leidt tot beduidend lagere drempelwaarden van 0,4 ng/L voor water en 1 ug/kg voor bodem.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Factsheets for the (eco)toxicological risk assessment strategy of the National Institute for Public Health and the Environment, Part V | RIVM

Dit rapport bundelt vijf factsheets waarin methodieken worden beschreven die worden gebruikt voor de risicobeoordeling van stoffen bij het Centrum voor Stoffen en Integrale Risicobeoordeling (SIR) en het Stoffen Expertise Centrum (SEC) van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). Het voornaamste doel is om de inzichtelijkheid en eenduidigheid van de bij RIVM-SIR en -SEC gevolgde methodieken te vergroten. De vijf factsheets vormen de weerslag van de huidige stand van wetenschap. Ze zijn bedoeld om de discussie met andere (inter)nationale partijen op het gebied van risicobeoordeling te bevorderen. De factsheet over levertumoren in de muis beschrijft onder welke voorwaarden levertumoren in de muis als relevant voor risicobeoordeling in de mens worden beschouwd. In de factsheet over historische controle gegevens van tumorincidentie wordt aangegeven hoe het RIVM bij de evaluatie van carcinogeniteit omgaat met historische controles gegevens. In de factsheet over Mononucleaire Cel Leukemie in de F344 rat wordt de relevantie voor de mens van een toename in de incidentie van mononucleaire cel leukemie (MNCL) in F344 ratten besproken en wordt een strategie voor de gevaar- en risicobeoordeling geleverd. In de factsheet 'Energie- en vochtgehalte en assimilatie-efficientie van voedsel voor vogel- en zoogdieren' zijn twee grote datasets met gegevens over het energie- en watergehalte van verschillende voedselbronnen voor vogels en zoogdieren samengevoegd en geanalyseerd. De laatste factsheet over sorptie van dissocierende stoffen geeft een uiteenzetting van de belangrijkste principes en beperkingen van de QSAR- modellen en HPLC-methoden voor het bepalen van het adsorptiegedrag van een stof.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Praktijkmogelijkheden Geluidmetingen Luchtvaart in het buitengebied van Schiphol | RIVM

Correcte herkenning van het type geluid blijkt een noodzakelijke en tevens voldoende voorwaarde te zijn om trends in de geluidbelasting in het buitengebied via doorlopende, onbemande metingen te kunnen monitoren. Een ondergrens voor de te monitoren geluidbelasting ligt tussen de 40 en 45 dB(A) Lden. Dit zijn de conclusies uit een onderzoek waarin metingen zijn verricht aan luchtvaartgeluid op drie lokaties in het buitengebied van luchthaven Schiphol. Het betrof een praktijkstudie naar de mogelijkheden om in het buitengebied bij relatief lage geluidbelasting op grote afstand van de luchthaven de bijdrage van vliegtuigen te monitoren. Op elke meetlocatie zijn gedurende een maand lang doorlopend geluidmetingen verricht met verschillende meetsystemen. Bij elke vliegtuigpassage zijn gelijktijdig het geluidniveau en de passagetijd geregistreerd. Na elke meetperiode zijn de passagetijden vergeleken met berekende passagetijden gebaseerd op de vluchtgegevens.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Comment on "Studies of radon-exposed miner cohorts using a biologically based model: comparison of current Czech and French data with historic data from China and Colorado" by WF. Heidenreich, L. Tomasek, A. Rogel, D. Laurier and M. Tirmarche (2004) Radia | RIVM

Comment on "Studies of radon-exposed miner cohorts using a biologically based model: comparison of current Czech and French data with historic data from China and Colorado" by WF. Heidenreich, L. Tomasek, A. Rogel, D. Laurier and M. Tirmarche (2004) Radia | RIVM
Jaar: 2005 Onderzoek

HIV and Sexually Transmitted Infections in the Netherlands in 2004 An update: November 2005 | RIVM

De toename van seksueel overdraagbare aandoeningen (SOA) is in 2004 weer verder doorgezet, ondanks een stabilisatie in 2003. Dit betreft zowel het aantal consulten als het aantal SOA bij heteroseksuelen en mannen die seks hebben met mannen (MSM). In 2004, is in de landelijke registratie van nieuwe HIV diagnoses alleen het aantal bij MSM toegenomen. In deze groep zijn de afgelopen jaren verschillende SOA tegelijkertijd toegenomen. Dit duidt op toenemend onveilig seksueel gedrag bij MSM. Alertheid is nodig om verdere toename van SOA en HIV te voorkomen maar ook zijn innovatieve methoden in preventie en interventie nodig. Per juni 2005 zijn 10619 personen met HIV geregistreerd; 938 in 2004. MSM vormen hierin nog steeds de grootste groep. Het aandeel van heteroseksuelen steeg de laatste jaren, maar is gedaald in 2004. In het SOA peilstation nam het aantal gevallen van Chlamydia toe met 19%, gonorroe met 12%. Ook nam het aantal syfilis en HIV verder toe, vooral bij MSM. In 2000-2004 is het aantal syfilisgevallen bij MSM meer dan verdrievoudigd. 14% van alle gonorroe, Chlamydia en syfilis in MSM wordt gezien bij HIV positieven. Ook is in 2004 de resistentie tegen ciprofloxacine bij gonorroe verder toegenomen tot 15%. De epidemie van LGV bij MSM heeft tot intensivering van surveillance geleid en sinds januari 2004 zijn 160 gevallen gerapporteerd. LGV gevallen zijn nu ook in andere Europese landen, de VS en Canada gevonden. In Nederland lijkt LGV nog maar langzaam toe te nemen.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Met de besten vergelijkbaar? Internationale verschillen in sterfte rond de geboorte | RIVM

De perinatale sterfte in Nederland is hoger - ongeveer een derde - dan in Finland en Zweden, die tot de beste landen ter wereld behoren. Nederland behoort tot de Europese middenmoot. De Nederlandse sterfte is recent stabiel geweest of licht gedaald. Deze sterfte is dus niet gestegen ondanks een toename van risicofactoren, zoals een hogere leeftijd van moeders bij geboorte, meer meerlinggeboortes en meer geboortes bij vrouwen met een allochtone herkomst. Dit wijst op een verbetering van de perinatale zorg en preventie of op gezondere levensgewoonten en leefomstandigheden van Nederlandse zwangeren. De sterfteverschillen tussen Nederland en Finland of Zweden kunnen voor een flink deel (twee derde) verklaard worden.Verschillen in meerlinggeboortes - die een verhoogd risico kennen - spelen een rol naast een ongunstiger risicoprofiel voor roken tijdens de zwangerschap. De toename in geboortes bij niet-westers allochtone vrouwen - Nederland scoort daar hoog - lijkt een relatief zwaarwegende factor. Ook verschillen in prenatale screening op ernstige congenitale afwijkingen gevolgd door afbreken van de zwangerschap spelen een rol. Onderzoek naar de kwaliteit van de perinatale zorg liet zien dat Zweden en Finland beter presteerden dan Nederland en theoretisch kunnen die verschillen ook een deel van het perinatale sterfteverschil verklaren. De gevonden internationale verschillen in perinatale sterfte lijken voor een aanzienlijk deel (twee derde) geassocieerd met factoren, die door effectievere preventie of prenatale zorg (screening) verbeterd kunnen worden. Om de Nederlandse perinatale gezondheid beter te kunnen beoordelen en ingezet beleid beter te kunnen evalueren is een betere informatievoorziening nodig
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

A human exposure model to calculate harmonized risk limits - model description and analysis | RIVM

Het humane blootstellingsmodel zoals opgenomen in het Europese risicoschattingmodel EUSES mist een aantal blootstellingroutes via de bodem die wel zijn opgenomen in het Nederlandse blootstellingsmodel CSOIL. Dit rapport beschrijft hoe de twee modellen gecombineerd zijn tot een nieuw model.Dit blootstellingsmodel is 'Humanex' genoemd. Het heeft tot doel om concentraties in het milieu te berekenen die de mens beschermen tegen nadelige effecten van chemische stoffen die zich kunnen verspreiden in het milieu. Deze zogenaamde milieurisicogrenzen zijn gebaseerd op gelijktijdige blootstelling van de mens via water, bodem, lucht en het dieet. Het model werd geanalyseerd aan de hand van proefberekeningen met 17 stoffen. De stofeigenschappen bepalen welke van deze routes het meest bijdragen aan de totale blootstelling. De modelanalyse liet tevens zien welke modelonderdelen nog verder kunnen worden verbeterd.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

The possible involvement of Mycobacterium avium ssp. paratuberculosis in the aetiology of Crohn's disease: a case control study in the Netherlands | RIVM

De bacterie Mycobacterium avium ssp. paratuberculosis (Map) wordt beschouwd als een mogelijke oorzaak van de ziekte van Crohn (morbus Crohn, MC). In samenwerking met Gelre ziekenhuizen heeft het RIVM een onderzoek uitgevoerd naar het voorkomen van Map in darmbiopten van patienten met MC, patienten met Ulcerative Colitis (UC) en controlepersonen zonder darmontsteking. De aanwezigheid van Map in de darmbiopten werd onderzocht met behulp van kweekmethoden, een DNA amplificatiemethode (PCR) en een immunologische detectiemethode (immunoperoxidase kleuring, IP-kleuring). Met de PCR-methode werd Map aangetoond in 7% van de MC-patienten, 8% van de UC-patienten en 5% van de controlepersonen. Met de gecombineerde kweek- en PCR-methoden waren gemiddeld 25% van de MC-patienten, 7% van de UC patienten en 27% van de controlepersonen positief. Met behulp van de IP-kleuring werd Map aangetoond in 20% van de MC-patienten, 13% van de UC-patienten en 29% van de controlepersonen. De resultaten van de kweek- en PCR-methoden tonen geen significant verschil tussen de aanwezigheid van Map in MC-patienten vergeleken met controlepersonen. De resultaten van de IP-kleuring tonen zelfs een hoger percentage Map-positieve controlepersonen vergeleken bij MC-patienten. Onze resultaten tonen duidelijk aan dat Map zowel bij MC-patienten als bij UC-patienten en controlepersonen voorkomt. Naast de aanwezigheid van Map is ook gekeken naar de aanwezigheid van Chlamydia in de biopten. Op grond van IP en in situ hybridisatie kleuringen bleken Chlamydiae in grote aantallen aanwezig te zijn in de biopten van MC- en UC-patienten en nauwelijks aanwezig in de biopten van controle patienten.In conclusie: onze resultaten ondersteunen niet de hypothese dat Map direct betrokken is bij de ziekte van Crohn, maar sluiten ook niet uit dat Map een rol speelt bij het ontstaan van de ziekte van Crohn in een gevoelig deel van de populatie.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Acute vergiftigingen bij mens en dier - Jaaroverzicht 2004 - Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum | RIVM

Het Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum (NVIC) ontving in 2004 wederom meer informatieverzoeken over acute vergiftigingen dan in 2003 (circa 6% meer). De ruim 35.000 meldingen die in 2004 werden ontvangen betroffen circa 47.000 verschillende blootstellingen. Het NVIC is gespecialiseerd in het snel en adequaat verstrekken van informatie over mogelijke gevolgen en behandeling van patienten die zijn blootgesteld aan lichaamsvreemde stoffen. Het NVIC is hiervoor 24 uur per dag telefonisch bereikbaar voor medici en andere hulpverleners, zoals politie en brandweer. De 24-uurs bereikbaarheid is tevens belangrijk in geval van eventuele rampen en terroristische aanslagen. Het NVIC werd in 2004 over bijna 26.000 overdoseringen met geneesmiddelen geconsulteerd. Hiervan betrof een aanzienlijk deel slaapmiddelen en pijnstillers. Vooral het aantal overdoseringen met middelen die zonder recept verkrijgbaar zijn, zoals de pijnstillers ibuprofen en diclofenac, is fors toegenomen. Daarnaast is bij volwassenen het aantal meldingen over quetiapine, een antipsychoticum, procentueel het sterkst gestegen, met een toename van 73% ten opzichte van 2003. Ondanks de aandacht die het NVIC in 2004 heeft geschonken aan overdoseringen met multi-vitaminepreparaten bij kinderen, steeg het aantal consulten hierover in 2004 met 19% ten opzichte van 2003. Ruim 3.300 consulten gingen over de blootstelling van jonge kinderen aan huishoudmiddelen, waarbij vooral de toename met 76% en 32% van het aantal blootstellingen aan respectievelijk luchtverfrissers en lampolie de aandacht trok. Deze producten kunnen gekleurd zijn en daardoor op limonade lijken, waardoor kinderen zich makkelijk vergissen en er enkele slokken van innemen. Er zijn recent veel reinigingsmiddelen op de markt verschenen die natriumpercarbonaat bevatten. Vanwege de mogelijke gezondheidsrisico's van natriumpercarbonaat heeft het NVIC het beloop van intoxicaties door inname van dergelijke reinigingsmiddelen nader onderzocht. Uit dit onderzoek blijkt dat bij natriumpercarbonaatpercentages van minder dan 10% de gezondheidsrisico's bij inname van deze middelen beperkt zijn en patienten dientengevolge niet in een ziekenhuis opgenomen hoeven te worden. Deze inventarisatie en het onderzoek verricht door het NVIC zijn belangrijk zowel voor de patient, zodat geen onnodige behandeling plaatsvindt, als met het oog op onkostenreductie in de patientenzorg. Ondanks de overheidscampagne om alcoholgebruik bij jongeren terug te dringen, is in 2004 zowel het aantal meldingen over alcoholische drank als het aantal intoxicaties door drugs bij jongeren van 13 t/m 17 jaar sterk toegenomen.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Particulate Matter: a closer look | RIVM

Het Milieu- en Natuurplanbureau en de sector Milieu en Veiligheid van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu presenteren met het boekje 'Fijn stof nader bekeken' de feiten over fijn stof in samenhang. Deze uitgave laat zien wat de stand van zaken is in het fijnstofdossier: wat weten we wel, wat weten we niet, waar zitten de onzekerheden? Aanleiding voor deze uitgave is het huidige maatschappelijke en politieke debat over de gevolgen van de implementatie van het Nederlandse Besluit Luchtkwaliteit, dat gestoeld is op richtlijnen van de Europese Unie. Overschrijdingen van de grenswaarden voor fijn stof komen op grote schaal voor in Nederland. De maatschappelijke gevolgen hiervan zijn ingrijpend, doordat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, zoals woningbouw en infrastructuurprojecten, in het gedrang komen. Aan de andere kant zijn er belangrijke gezondheidseffecten door fijn stof. Het dossier fijn stof is complex en omvat bestuurlijke dilemma's, juridisch bindende grenswaarden, zorgen van burgers, wetenschappelijke onzekerheden en ruimtelijk-economische gevolgen. De vele vragen en de huidige discussies zijn redenen geweest om een wetenschappelijk overzichtsrapport op te stellen over het fijnstofdossier. Deze uitgave bevat geen nieuwe informatie, maar is een samenvatting van bestaande rapporten op het gebied van fijn stof.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Genetic variation in the growth hormone synthesis pathway in relation to circulating insulin-like growth factor-I, insulin-like growth factor binding protein-3, and breast cancer risk: results from the European prospective investigation into cancer and nu | RIVM

Genetic variation in the growth hormone synthesis pathway in relation to circulating insulin-like growth factor-I, insulin-like growth factor binding protein-3, and breast cancer risk: results from the European prospective investigation into cancer and nu | RIVM
Jaar: 2005 Onderzoek

Arbeidsomstandigheden en ziektelast - Een haalbaarheidsstudie | RIVM

Werknemers hebben een betere gezondheid dan mensen die niet werken, maar werken kan ook gezondheidsverlies veroorzaken. Ziektelastberekeningen geven een indruk van het gezondheidsverlies door arbeidsomstandigheden. Dit is een nieuwe aanpak in de arbeidshygiene en sluit aan bij het model van de Volksgezondheid Toekomst Verkenningen (VTV). Dit model gaat uit van arbeidsgerelateerde aandoeningen en niet, zoals gebruikelijk in de arbeidshygiene, van de mogelijk gezondheidsbedreigende factoren in de arbeidssituatie. Met ziektelastberekeningen kunnen vragen worden beantwoord als: hoe erg is deze arbeidsomstandigheid in vergelijking met andere gezondheidsrisico's? hoeveel van deze ziektelast kan worden voorkomen? en welke maatregelen leveren de meeste gezondheidswinst op? Dit rapport beschrijft een raamwerk voor het berekenen van de ziektelast van arbeidsomstandigheden. Aan de hand van rugklachten, gehoorstoornissen, stressgerelateerde klachten en klachten van arm, nek en schouder illustreren we de (on)mogelijkheden van berekeningen van de ziektelast van arbeidsgebonden aandoeningen. Van deze vier aandoeningen veroorzaakt slechthorendheid bijvoorbeeld het meeste gezondheidsverlies. Bij slechthorendheid is dus in theorie de meeste gezondheidswinst te behalen. Deze haalbaarheidsstudie, die op verzoek van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is uitgevoerd, laat zien dat berekeningen van de ziektelast van arbeidsomstandigheden via het VTV-model niet alleen bruikbaar maar ook mogelijk zijn, mits extra investeringen worden gedaan.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Milieu-indicatoren op basis van Landelijk Meetnet Flora Milieu- en Natuurkwaliteit | RIVM

Het Landelijk Meetnet Flora Milieu- en Natuurkwaliteit (LMF M&N, kortweg LMF, onderdeel van het Netwerk Ecologische Monitoring) volgt op, naar planning, 10.000 permanente kwadraten de vegetatie in Nederland. Doel van het LMF is ten eerste de effecten van milieudruk op de Nederlandse vegetatie te volgen en, ten tweede, om de veranderingen in de ecologische kwaliteit van de vegetaties te volgen, veelal gerelateerd aan de soortsamenstelling. De vraagstelling in dit rapport is hoe effecten van milieudruk op de vegetatie in indicatoren uitgedrukt kunnen worden. Daartoe is langs een drietal lijnen de indicatiewaarde van de vegetatie onderzocht: Hoe verschillen de huidige indicatiewaarden met een historische vergelijking uit de periode 1900-1950?; doel is om de huidige vegetaties en hun indicatiewaarden in context te zetten; Hoe veranderen de indicatiewaarden van de vegetatie over de huidige stikstofdepositie-gradient? Hoe verandert de biomassa van de vegetatielagen over de huidige depositiegradient? Uit de ontwikkelde indicatoren blijkt dat in de recente situatie de omvang van de vegetatielagen een gevoelige parameter in de hier onderzochte systemen is (het zijn alle relatief arme systemen op zandgronden). De toename van een vegetatielaag hangt direct samen met een toename van de biomassa van die laag, een effect dat gelieerd is aan de voedselverrijking door stikstofdepositie. De geringe veranderingen in Ellenberg-indicatie over de depositiegradient laat zien dat veranderingen in soortsamenstelling (sturende factor achter de verandering van Ellenberg-indicatie) minder gevoelig zijn. De analyse van veranderingen ten opzichte van een historische situatie laat wel degelijk veranderingen in soortsamenstelling zien. Op de arme zandgronden van de open duinen en op de heide zijn twee trends te zien, ten eerste een toename van soorten van voedselrijkere standplaatsen en ten tweede een toename van soorten met een bredere tolerantie voor zuur. Daarbij zijn de soorten met een brede zuurtolerantie ook soorten die bevoordeeld worden door voedselverrijking, namelijk grassen als pijpestrootje en duinriet.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Kosteneffectiviteit en gezondheidswinst van behalen beleidsdoelen bewegen en overgewicht - Onderbouwing Nationaal Actieplan Sport en Bewegen | RIVM

De ongunstige ontwikkeling in beweeggedrag en overgewicht van de afgelopen jaren kan gedeeltelijk worden gekeerd door intensief interventiebeleid. De kosten hiervan zijn hoog, maar de gezondheidswinst weegt daar tegenop. De kosten per gewonnen levensjaar zijn omstreeks 6000 euro, rekening houdend met kosten in gewonnen levensjaren, en liggen daarmee onder de maatschappelijk aanvaarde grens. Het doel van dit onderzoek was de inrichting en ambities van het Nationaal Actieplan Sport en Bewegen te onderbouwen. Dit actieplan wil het Ministerie van Volksgezondheid Welzijn en Sport vanaf 2006 gaan uitvoeren om lichamelijke activiteit in Nederland te bevorderen. Het onderzoek is uitgevoerd op basis van literatuuronderzoek, meer dan tachtig interviews met (inter)nationale experts en een vergelijking met actieplannen in andere landen. Allereerst werden belangrijke randvoorwaarden voor succesvol beweegbeleid geidentificeerd. Het moet een geintegreerde aanpak zijn die door meer partijen wordt uitgevoerd en bestaat uit een mix van interventiemaatregelen voor verschillende doelgroepen. Voldoende budget en goede coordinatie zijn hierbij vereist, ook ten aanzien van verder wetenschappelijk onderzoek. Vervolgens werd een realistisch beleidsdoel voor beweeggedrag vastgesteld op grond van twee interventiemaatregelen met bewezen effecten, namelijk een wijkgerichte benadering en een intensief leefstijlprogramma. Het is realistisch om een daling in het percentage inactieven na te streven van een tot twee procentpunten over vijf jaar. Daarnaast kan het percentage overgewicht dan dalen met een tot drie procentpunten. Het behalen van deze beleidsdoelen voorkomt duizenden ziektegevallen in de komende twintig jaar. Voorwaarde is dan wel het grootschalig inzetten van effectieve interventiemaatregelen. De kosten per gewonnen levensjaar bedragen omstreeks 6000 tot 6500 euro en per 'voor kwaliteit van leven gecorrigeerd' levensjaar (QALY) omstreeks 5600 tot 6100 euro.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Cost Effectiveness Analysis with the RIVM Chronic Disease Model | RIVM

De medische kosten van alle ziekten die kunnen optreden in gewonnen levensjaren dienen te worden meegenomen in kosten effectiviteit analyses als ook de effecten van de medische zorg voor alle ziekten in gewonnen levensjaren worden meegenomen. In kosten effectiviteit analyses van primaire preventie worden vaak alleen de medische kosten van direct gerelateerde ziekten meegenomen. Bij kosten effectiviteit analyses van stoppen met roken interventies worden bijvoorbeeld wel de besparingen dankzij de vermeden kosten van longkanker meegenomen maar niet de medische kosten van een heupfractuur die iemand kan oplopen in zijn extra levensjaren. Dit is niet consistent als de winst in levensjaren dankzij de behandeling van de heupfractuur wel wordt meegenomen in de kosten effectiviteit analyse. Een van de toepassingen van het RIVM Chronische Ziekten Model (CZM) is het schatten van de kosten effectiviteit van interventies gericht op het verbeteren van de volksgezondheid in Nederland. De centrale vraagstelling van dit rapport is hoe we in kosten effectiviteit analyses met het CZM omgaan met de medische kosten en gezondheidseffecten van ziekten die zijn opgelopen in extra levensjaren. Met het CZM is het mogelijk om de medische kosten in gewonnen levensjaren in kosten effectiviteit analyses mee te nemen. Op basis van inzichten uit de recente economische literatuur concluderen wij dat de medische kosten van alle ziekten die kunnen optreden in extra levensjaren dienen te worden meegenomen als de effecten van de medische zorg in gewonnen levensjaren niet zijn te scheiden van de effecten van de interventie.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Nanotechnology in medical applications: state-of-the-art in materials and devices | RIVM

Nanotechnologie is een uitermate krachtige, opkomende technologie die op dit moment al toegepast wordt en in de toekomst een aanzienlijke invloed zal hebben op de medische technologie. Innovatieve nanomedische toepassingen kunnen de gezondheidszorg op fundamentele wijze veranderen, omdat er nieuwe mogelijkheden beschikbaar komen voor diagnose, behandeling en preventie van ziekte. Verder kunnen behandelmethodes in toenemende mate precies op maat worden gemaakt gebruikmakend van het profiel van de patient. Dit rapport geeft een overzicht van de "state-of-the-art" op het gebied van veelbelovende nanotechnologische ontwikkelingen in de medische technologie. Met name worden relevante toepassingen besproken in chirurgie, diagnose en behandeling van kanker, bepaling van ziekte-specifieke stoffen in het lichaam, beeldvormende technieken, implantaten, tissue engineering en toediening van geneesmiddelen, eiwitten, genen en radionucliden. Veel toepassingen van nanotechnologie in de medische technologie staan nog in de kinderschoenen. Een toenemend aantal producten wordt echter momenteel onderzocht in klinische studies en sommige zijn al commercieel verkrijgbaar, waaronder chirurgische mesjes en hechtnaalden, contrastmiddelen voor beeldvorming met magnetische resonantie, botvervangende materialen, wondbehandelingsproducten, antimicrobieel textiel, chips voor in vitro moleculaire diagnostiek, "microcantilevers" en micronaalden.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Nanotechnology in medical applications: possible risks for human health | RIVM

Er is te weinig kennis over de toxicologische risico's van nanotechnologische producten, terwijl deze al wel op de markt verschijnen. Het verkleinen van structuren tot nano-niveau resulteert in het ontstaan van andere eigenschappen dan men alleen op grond van de chemische samenstelling zou verwachten. Ook de afmeting blijkt namelijk een belangrijke parameter voor de toxiciteit van deeltjes te zijn. Op grond van deze conclusies wordt sterk aanbevolen om, bij voorkeur op Europees niveau, specifieke richtsnoeren te ontwikkelen voor de veiligheidsevaluatie van nanotechnologie toepassingen in het veld van de medische technologie. Daarnaast wordt de noodzaak voor verder onderzoek op het gebied van de nanotoxicologie duidelijk vastgesteld.Voor toepassingen waarbij de nanostructuren vastzitten op het oppervlak of in het materiaal, zijn de risico's naar verwachting minimaal, zolang ze niet uit het materiaal kunnen vrijkomen. Voor toepassingen van vrije nanodeeltjes of nanostructuren, zoals bijvoorbeeld in bepaalde "drug delivery" systemen, moeten de specifieke toxicologische eigenschappen expliciet onderzocht worden. Het is onvoldoende om te vertrouwen op de basiskennis over toxiciteit van materialen en stoffen wanneer de risico's van nanodeeltjes en/of nanostructuren moeten worden beoordeeld.Volgens de regelgeving voor medisch technologische producten is een fabrikant verplicht een risicomanagementstrategie te hanteren. Ook voor producten waarbij nanotechnologie wordt toegepast is dit voldoende, mits fabrikanten, aangewezen instanties en overheden zich bewust zijn van de noodzaak om een specifieke (nano)toxicologische risicobeoordeling uit te voeren.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Dietary supplement use in the Netherlands: Current data and recommendations for future assessment | RIVM

Er zijn in Nederland weinig gegevens over de inneming van voedingsstoffen of mogelijk schadelijke stoffen uit voedingssupplementen. Reden tot zorg over een grootschalige excessieve inneming van vitamines en mineralen lijkt echter niet nodig. Voor de toekomst wordt aanbevolen om gegevens over het gebruik van voedingssupplementen te verzamelen binnen het voedingspeilingsysteem en een databestand bij te houden van de samenstelling van beschikbare supplementen. Met deze gegevens kan nagegaan worden in hoeverre gebruik van voedingssupplementen mogelijke tekorten in de voeding aanvult, dan wel leidt tot excessieve inneming van voedingsstoffen of mogelijk schadelijke stoffen. In dit rapport zijn gegevens over voedingssupplementgebruik samengebracht uit de Nederlandse voedselconsumptiepeilingen en uit de diverse monitoring en cohortonderzoeken van na 1998. Verschil in onderzoekmethoden en ontbrekende informatie van de dosering maken vergelijkbaarheid van de gegevens lastig. Het percentage supplementgebruikers lijkt toe te nemen, vrouwen gebruiken vaker supplementen dan mannen en het gebruik van supplementen is hoger bij toenemend opleidingsniveau. Ongeveer de helft van de supplementgebruikers beperkt zich tot een supplement per dag. Er lijkt geen reden tot bezorgdheid te zijn voor overschrijding van aanvaardbare maxima aan voedingsstofinneming, hoewel dit voor een klein deel van de supplementgebruikers ook niet kan worden uitgesloten. Voor monitoringdoeleinden wordt aanbevolen om supplementgebruik in detail na te gaan voor enkele specifieke dagen waarover ook de voedselconsumptie wordt nagevraagd, aangevuld met informatie uit een frequentievragenlijst om ooit- en nooit-gebruikers te kunnen onderscheiden. Bovendien is een up-to-date databestand nodig van de samenstelling van beschikbare supplementen.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Gezond actief: de relatie tussen ziekten, beperkingen en maatschappelijke participatie onder Nederlandse ouderen | RIVM

Op verzoek van de Gezondheidsraad heeft het RIVM onderzoek gedaan naar de samenhang tussen ziekten, beperkingen en maatschappelijke participatie. De uitkomsten van dit onderzoek laten er weinig twijfel over bestaan dat ziekte de deelname aan het maatschappelijke leven flink vermindert. Dit hangt vooral samen met functionele beperkingen die gepaard gaan met ziekten. Zo neemt het verrichten van vrijwilligerswerk sterk af bij die aandoeningen die de mobiliteit aantasten, zoals een beroerte of aandoening van het bewegingsapparaat. Vaak gaat echter de persoonlijke betrokkenheid bij de samenleving wel door. Mensen met een psychische aandoening participeren het minst. Dit geldt bovendien voor alle vormen van participatie, ook voor bijvoorbeeld het onderhouden van contacten. Epidemiologische verkenningen laten een toename zien van chronische ziekten, waarmee in principe ook mogelijkheden voor participatie verminderen. Deze toename van aandoeningen lijkt echter niet iin op iin gepaard te gaan met een toename van beperkingen. Kennelijk slaagt men er steeds beter in beperkingen terug te dringen. Als deze trend doorzet, verbeteren tegelijkertijd de participatiemogelijkheden van ouderen en chronisch zieken. Voor dit onderzoek is gebruik gemaakt van drie onderzoeken bij ouderen van 55 jaar en ouder: het 'Aanvullend Voorzieningengebruik Onderzoek' van het Sociaal en Cultureel Planbureau, de 'European Study of Adult Well-being' van de UvA, en de 'Longitudinal Ageing Study Amsterdam' van de VU. Deze onderzoeken bevatten zowel informatie over ziekten en beperkingen als over maatschappelijke participatie. Bij maatschappelijke participatie gaat het om persoonlijke betrokkenheid bij de samenleving (zoals recreatieve en culturele activiteiten), en om participatie met een direct maatschappelijk nut (zoals betaalde arbeid en vrijwiligerswerk).
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Medicatieveiligheid in de openbare apotheek; Naar een risicomodel op basis van indicatoren voor het afleveren van interacterende medicatie | RIVM

De Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) zoekt naar nieuwe en efficientere manieren van toezicht op zorginstellingen, waaronder ook openbare apotheken. In dat kader wordt een beslissingsondersteunend risicomodel ontwikkeld, waarmee de IGZ die apotheken kan detecteren waar de kans op risico's voor de gezondheid van de patient het grootst is, en waar zij dus haar toezicht op moet richten. In dit onderzoek is bekeken of er kenmerken met betrekking tot de werkwijze en organisatie van openbare apotheken te vinden zijn die samenhangen met de mate waarin zij een tiental risicovolle combinaties van geneesmiddelen afleveren. Aflevering van risicovolle combinaties van geneesmiddelen zegt namelijk iets (maar overigens niet alles) over de medicatieveiligheid in openbare apotheken. In een steekproef van 246 apotheken is over een bepaalde periode het aantal afleveringen van deze 10 combinaties bepaald. Dit is afgezet tegen een groot aantal proces- en structuurkenmerken dat door middel van een internet-enquete onder de betreffende apotheken is verzameld. Slechts voor een van de 10 combinaties werden significante verbanden gevonden tussen ongewenste aflevering en proces- en structuurkenmerken. Men name kenmerken omtrent de organisatie van medicatiebewaking en de afhandeling van bewakingssignalen hebben een voorspellende waarde. Daarmee vormen deze kenmerken voor de inspectie bruikbare risico-indicatoren bij het bepalen van haar toezichtstrategie ten aanzien van openbare apotheken.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Counterfeits and imitations of Viagra and Cialis tablets: trends and risks to public health - A survey of the analyses carried out at the Dutch National Institute for Public Health and the Environment in the time period 2000 - 2004 | RIVM

De Nederlandse markt is de afgelopen jaren overspoeld met vervalsingen van Viagra. en Cialis. Beide producten worden gebruikt voor de behandeling van erectiestoornissen. Dit rapport gaat over een trendanalyse van deze vervalsingen over de jaren 2000 - 2004. Ook de risico's van deze producten voor de volksgezondheid zijn geinventariseerd en beschreven. De volgende conclusies zijn getrokken: Er is een trend naar producten, die andere actieve verbindingen bevatten dan sildenafil en tadalafil (de verbindingen, die in Viagra en Cialis zitten). Er is een trend naar het toevoegen van (onbekende) actieve verbindingen aan kruidenproducten. Vervalsingen zijn een risico voor de volksgezondheid: ze worden geproduceerd zonder adequate kwaliteitscontrole; ze misleiden de gebruiker wat betreft de fabrikant en de samenstelling. Het risico voor de volksgezondheid is veel groter als er onbekende, chemische verbindingen aan kruidenproducten worden toegevoegd. Van deze verbindingen zijn de werking en bijwerking niet bekend. Bovendien worden kruidenproducten vaak gezien als natuurlijk en dus ongevaarlijk. Om in de toekomst trends en nieuwe risico's te kunnen vaststellen moeten de legale en illegale markt voortdurend gevolgd worden door monsters te analyseren. De trendanalyse en de risico-inventarisatie zijn gebaseerd op de analyseresultaten van circa 400 monsters. Deze monsters zijn door de overheidsinspecties ingezonden voor chemische analyse. De monsters geven inzicht in de ontwikkelingen van de illegale markt, maar zijn daar mogelijk geen representatieve afspiegeling van.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Methodologie Lokale en Nationale Monitor Volksgezondheid; gevolgen voor vergelijkbaarheid van gegevens | RIVM

Verschillen in methoden van gegevens verzamelen blijken te leiden tot verschillen in uitkomstmaten. Deze bevinding, beschreven in dit rapport, vormt de basis voor een advies voor uniforme gegevensverzameling door GGD'en. In het project "Lokale en Nationale Monitor Volksgezondheid" worden lokaal verzamelde gegevens samengevoegd om landelijke referentiecijfers over gezondheid en leefstijlfactoren te verkrijgen. GGD'en gebruiken echter verschillende methoden van gegevensverzameling en de vraag is in hoeverre de verzamelde gegevens vergelijkbaar zijn en samengevoegd mogen worden. Met behulp van literatuuronderzoek, data-analyses en overleg met deskundigen is onderzocht wat het effect is van verschillen in de steekproeftrekking, non-respons, seizoen waarin gemeten is en de manier van enqueteren op de uitkomsten. Tevens is bestudeerd hoe met deze verschillen omgegaan kan worden. Verschillen in de grootte van de steekproef hebben geen invloed op de vergelijkbaarheid van uitkomsten. Non-respons beinvloedt de uitkomsten alleen als bepaalde groepen van de bevolking vaker meedoen dan andere. In dit geval kan de representativiteit van de respondenten voor de populatie vergroot worden door te wegen naar factoren die samenhangen met zowel respons als de uitkomstmaten, zoals leeftijd, geslacht, burgerlijke staat en urbanisatiegraad. Voor zowel seizoen als manier van enqueteren geldt dat gegevens niet vergelijkbaar zijn wanneer de methode verschilt. In de zomer werd namelijk een betere gezondheid en een gezondere leefstijl gerapporteerd dan in de winter. Verder rapporteerden mensen die een enquete via internet invulden een ongezondere leefstijl dan mensen die dat schriftelijk deden.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Options for emission control in European legislation in response to the requirements of the Water Framework Directive | RIVM

De praktische uitvoerbaarheid van de Kaderrichtlijn Water kan verbeterd worden. Er zouden bijvoorbeeld meer expliciete verbanden gelegd kunnen worden tussen de Kaderrichtlijn en overige Europese wetgeving. Er is op dit moment namelijk geen overzicht van de mogelijkheden die Europese wetgeving biedt voor het nemen van emissiereducerende maatregelen. Daarom is er een selectie gemaakt van Europese wetgeving die daarvoor van belang kan zijn. Er wordt aanbevolen een Europese handreiking te ontwikkelen met verwijzingen naar wetgeving die ingezet kan worden voor het nemen van maatregelen. Lidstaten kunnen zo beter aan hun Europese verplichtingen voor de Kaderrichtlijn Water voldoen. Het ontwikkelen van nieuwe of aanpassen van bestaande wetgeving kan leiden tot specifieke maatregelen. Voor een actieve rol daarin is inzicht in de achtergrond van de verschillende betrokken partijen essentieel.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Afstandentabel ammoniak koelinstallaties | RIVM

Bedrijven met aanzienlijke hoeveelheden gevaarlijke stoffen, zoals ammoniak, moeten een risicoanalyse maken voor de externe veiligheid. In deze analyse wordt berekend wat de risico's voor de omwonenden zijn ten gevolge van een mogelijk ongeval bij het bedrijf. De resultaten van de risicoanalyse worden vergeleken met de risiconormering en hieruit wordt een acceptabele afstand tussen het bedrijf en de omwonenden bepaald.In Nederland is een groot aantal ammoniakkoelinstallaties in gebruik. Om te voorkomen dat voor elke installatie afzonderlijk een risicoanalyse moet worden gemaakt, zijn voor een aantal representatieve installaties berekeningen uitgevoerd en is een afstandentabel samengesteld. Voor de meest voorkomende ammoniakkoelinstallaties worden nu geen aparte risicoberekeningen meer uitgevoerd, maar wordt de acceptabele afstand tot woningen uit de tabel afgelezen. De afstandentabel is opgesteld voor een ammoniakkoelinstallatie met maximaal 10.000 kg systeeminhoud, die voldoet aan de CPR richtlijnen en met een beperkt pompdebiet (minder dan 2 kg/s). Het externe veiligheidsrisico wordt voornamelijk bepaald door de onderdelen van de installatie die buiten liggen. Daarom is er onderscheid gemaakt in verschillende typen installaties, afhankelijk van de onderdelen van de installatie die buiten zijn opgesteld. De resultaten van de berekeningen laten zien dat de acceptabele afstand tussen een ammoniak koelinstallatie en woningen varieert van nul meter voor een kleine installatie die volledig in een machinekamer is opgesteld tot 95 meter voor een grote installatie die volledig buiten is opgesteld.De resultaten van de berekeningen zijn opgenomen in de Regeling Externe Veiligheid Inrichtingen (Staatscourant 23 september 2004, nr 183).
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Inventarisatie van de bruikbaarheid van gegevensbronnen | RIVM

Investering in de continuiteit van databronnen is essentieel om bruikbare informatie te verkrijgen en te behouden over indicatoren op het gebied van preventie. Dit blijkt uit een studie over 138 indicatoren die gebruikt zullen worden in producten van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, zoals beleidsnota's. In opdracht van het ministerie heeft het centrum voor Volksgezondheid Toekomst Verkenningen van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) getoetst of databronnen bruikbare informatie leveren over deze indicatoren. Hiertoe is informatie uit databronnen beoordeeld op drie criteria: representativiteit, validiteit en continuiteit. Op grond van deze criteria is geconcludeerd of de databron al dan niet bruikbare informatie geeft over de indicator. Voor ongeveer tweederde van de 138 indicatoren bestaat een databron die bruikbare informatie geeft over een indicator. De bruikbaarheid van de informatie komt het vaakst in het geding door problemen met de continuiteit: de informatie komt uit een eenmalige bron, de voortgang van de bron is niet gewaarborgd of de informatie is niet consistent gemeten over de tijd. Investering in de continuiteit door het ministerie lijkt nodig te zijn om bruikbare informatie over de indicatoren te garanderen.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

First ISNS Reference Preparation for Neonatal Screening for thyrotropin, phenylalanine and 17a-hydroxyprogesterone in blood spots | RIVM

Bij screening van pasgeborenen voor aangeboren stofwisselingsziekten wordt in een bloedmonster, verkregen via de hielprik en opgevangen op filtreerpapier, een aantal bloedcomponenten gemeten. Veelal wordt gebruik gemaakt van commercieel verkrijgbare reagentia sets. De fabrikanten kalibreren hun reagentia sets vaak met hun eigen kalibratoren. Bovendien zijn er in de wereld meerdere filtreerpapiersoorten in gebruik, met verschillen in specificaties. Door deze beide oorzaken zijn de uitslagen van verschillende screeningslaboratoria vaak niet goed vergelijkbaar. Dit bemoeilijkt de evaluatie van zulke screeningsprogramma's. De International Society for Neonatal Screening (ISNS) heeft eerder goede ervaringen opgedaan met het laten bereiden van referentiematerialen in filtreerpapierbloed en het overreden van fabrikanten om deze materialen te gebruiken als maatstaf. In 2004 heeft de ISNS aan het RIVM verzocht om een gecombineerd referentiemateriaal te maken voor filtreerpapierbloed met bekende concentraties aan thyrotropine, 17alpha-hydroxyprogesteron, en phenylalanine, merkstoffen die van belang zijn voor de screening op stoornissen in de schildklier, bijnier, respectievelijk eiwitmetabolisme. In dit rapport is de bereiding en evaluatie van dit referentiemateriaal beschreven.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Een voedingsmiddelentabel voor het uitvoeren van trendanalyses in de Zutphen Studie | RIVM

De gegevens in oude voedingsmiddelentabellen zijn minder betrouwbaar doordat laboratoriumbepalingen voor sommige voedingsstoffen in het verleden niet mogelijk waren of onnauwkeuriger waren dan tegenwoordig. Voor trendanalyses op basis van voedselconsumptieonderzoek in de Zutphen Studie wordt geadviseerd de in deze studie verbeterde voedingsmiddelentabel voor de periode 1960-1970 te gebruiken. Dit rapport beschrijft de samenstelling van een verbeterde voedingsmiddelentabel voor het uitvoeren van trendanalyses. De meest geconsumeerde producten in de Zutphen Studie zijn beoordeeld op hun samenstelling wat betreft totaal eiwit, totaal vet, verzadigd vet, enkelvoudig en meervoudig onverzadigd vet, eicosapentaeenzuur, docosahexaeenzuur, totaal koolhydraten, voedingsvezel en alcohol. De methode die Stichting Nederlands Voedingsstoffenbestand heeft gebruikt voor het samenstellen van tijdspecifieke voedingsmiddelentabellen is hierbij als referentie gebruikt. Over het algemeen is de inname van energie en voedingsstoffen hoger geworden vergeleken met de oorspronkelijke voedingsstofinname, behalve voor de inname van enkelvoudig onverzadigd vet, eicosapentaeenzuur, voedingsvezel en alcohol. Voor trendanalyses in de Zutphen Studie is het dan ook van belang om de verbeterde voedingsmiddelentabel te gebruiken. De rangordening van de deelnemers aan de Zutphen Studie van lage naar hoge inneming van voedingsstoffen verandert echter nauwelijks, waardoor het gebruik van de verbeterde voedingsmiddelentabel weinig invloed heeft op het bestuderen van de relatie tussen voeding en ziekten in de Zutphen Studie.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Emissies en doses door procesindustrie. Jaarrapport 2004 'Beleidsmonitoring straling' | RIVM

Voor de Nederlandse bevolking is de stralingsdosis door lozingen van radioactieve stoffen door de procesindustrie fors afgenomen tussen 1994 en 2000. Vooral de gerapporteerde lozingen in water vertonen een sterke daling, mede door sluitingen van twee kunstmestfabrieken in 1999 en 2000. Echter, vanaf 2000 zien we een lichte stijging van de collectieve dosis. Ook is de beroepsmatige blootstelling binnen de procesindustrie onderzocht met behulp van de gegevens uit het Nationaal Dosisregistratie en Informatiesysteem (NDRIS). De dosis door inhalatie kan voor de onderzochte personen binnen de bedrijfstak dikwijls boven de 1 mSv per jaar liggen. Een overschrijding van de limiet van 6 mSv per jaar is echter niet gevonden.Het overheidsbeleid om lozingen in water te beperken heeft ertoe geleid dat bedrijven in nieuwe waterzuiveringssystemen hebben geinvesteerd. Ook is de invloed van het stralingsbeleid zichtbaar bij de inkoop van grondstoffen. Zo houdt een bedrijf bij inkoop rekening met de compositie van de in de grondstoffen van nature aanwezige radionucliden. Deze keuze wordt uiteraard mede bepaald door beschikbaarheid en de kosten van dergelijke grondstoffen.De in dit rapport bepaalde doses zijn berekend met een ketenmodel (van bron tot effect). Dit model is hiervoor verder ontwikkeld. Duidelijk is geworden dat de huidige dosisschattingen gebruikmakend van het ketenmodel goed overeenkomen met de dosisschattingen gebaseerd op de metingen. Ook is aangetoond dat de jaardosis op een bepaalde locatie nabij de bron tot 25% wordt beinvloed door de jaarlijkse variatie in het weer.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

PIE-EXCEL Platform voor Integrale Energie- en emissieverkenningen. Technische beschrijving | RIVM

Dit rapport beschrijft het informatiesysteem genaamd Platform voor Integrale Energie- en emissieverkenningen (PIE). Omdat het RIVM en ECN een grote overlap hebben op het terrein van energie en emissies werken zij gezamenlijk aan de ontwikkeling en het gebruik van het Platform voor Integrale Energie- en emissieverkenningen. PIE dient bij te dragen aan enerzijds het vastleggen van gezamenlijke informatie en anderzijds aan flexibeler, sneller en inzichtelijker beantwoorden van beleidsvragen. Dit rapport geeft allereerst een beschrijving van de historie en het doel van PIE. Vervolgens wordt het conceptuele model uitgelegd. De toepassing van het conceptuele model in Excel en de daarmee samenhangende rekenregels worden toegelicht en als laatste wordt afgesloten met een beschrijving van de te nemen vervolgstappen.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Proposal for the development of Emission Scenario Documents on the Chemical Industry | RIVM

Emissiescenariodocumenten zijn documenten waarin industriele processen worden beschreven die het mogelijk maken om de uitstoot naar het milieu te schatten. Dergelijke documenten ontbreken nog voor de chemische industrie. Voor deze complexe tak van de industrie worden de sectoren geidentificeerd en geprioriteerd waarvoor emissiescenariodocumenten het dringendst gewenst zijn. Diverse handvatten en concepten die bij de ontwikkeling van dergelijke documenten van groot nut kunnen zijn, zoals de verschillende stadia van de levenscyclus, factoren die de uitstoot bepalen en methoden voor het kwantificeren van emissies, worden gepresenteerd. Als zodanig, zullen deze het startpunt vormen voor de ontwikkeling van ESD'en voor de chemische industrie, gecoordineerd door onder andere de taakgroep 'Environmental Exposure' van de OESO.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Arbeidsveiligheid bij het toepassen van groot vuurwerk | RIVM

Het opbouwen en afsteken van vuurwerk voor shows kan veiliger, blijkt uit dit onderzoek. Een zorgvuldige selectie van materialen speelt hierin een rol. Ook het aanpassen van werkwijzen kan de risico's verkleinen, zowel voor degenen die het vuurwerk afsteken als voor de toeschouwers. Deze maatregelen worden echter niet in Nederlandse regelgeving voorgeschreven, terwijl dit in andere landen vaak wel het geval is. Verder zouden ongewone voorvallen en incidenten beter kunnen worden gemeld en vastgelegd. Daardoor kunnen degenen die vuurwerk afsteken hiervan leren en beter worden opgeleid. Voor het verhogen van de veiligheid is het van belang dat de overheid het met de branche eens wordt over de belangrijkste risico's. Daarna kan de branche zelf of samen met de overheid overgaan tot het vaststellen van maatregelen
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Assessment of technical documentation of Annex II medical devices | RIVM

Onderzoek werd verricht naar de beschikbaarheid en kwaliteit van de technische documentatie (dossier) van medische hulpmiddelen. Fabrikanten van medische hulpmiddelen zijn verplicht om documentatie beschikbaar te hebben die voldoet aan de bepalingen in de Europese Richtlijn Medische Hulpmiddelen (MDD). Voor toegang tot de Europese markt zijn fabrikanten wettelijk verplicht hun medische hulpmiddelen te voorzien van een CE markering. In de MDD staan verschillende procedures voor het verkrijgen van deze markering. Het onderzoek richtte zich op de procedure zoals beschreven in Annex II van de MDD, waarbinnen een volledig kwaliteitssysteem van productontwerp tot post marketing surveillance een sleutelpositie inneemt. Voor dit doel werden fabrikanten (nationaal en internationaal) geselecteerd die (bijna) incidenten hebben gemeld aan de Inspectie voor de Gezondheidszorg. Het onderzoek toonde aan dat in de steekproef de Annex II procedure momenteel niet adequaat functioneert. Het merendeel van de dossiers was in eerste instantie incompleet en een aanzienlijk aantal ernstige en matige tekortkomingen is geconstateerd in de beoordeelde documentatie. De meeste tekortkomingen hadden betrekking op dossieronderdelen zoals risicoanalyse, klinische evaluatie, etikettering, gebruiksaanwijzing, en procedures voor post marketing surveillance en vigilantie (procedures voor het verzamelen van ervaringen met medische hulpmiddelen en het monitoren van de werking). Deze onderdelen zijn van wezenlijk belang voor een continue kwaliteit en veiligheid van medische hulpmiddelen. Verbetering van de beschikbaarheid en kwaliteit van de technische documentatie is daarom noodzakelijk. De resultaten van dit onderzoek verschaffen aanvullende onderbouwing voor aanpassingen in Annex II van de MDD, zoals die reeds zijn voorgesteld tijdens het momenteel uitgevoerde herzieningsproces door de Europese Commissie.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Ontwerprapport 2005 kiesBeter.nl | RIVM

Sinds september 2004 werkt het centrum voor Volksgezondheid Toekomst Verkenningen van het RIVM aan kiesBeter.nl. Dit is de naam van de te ontwikkelen portal waar consumenten toegang wordt geboden tot samenhangende en vraaggerichte informatie over gezondheid, zorg en zorgverzekeringen. Burgers hebben veel vragen over de zorg, over ziektes, behandelingen of verzekeringen. De op stapel staande veranderingen in het zorgstelsel leggen de keuzes voor zorgverzekeringen en behandelingen steeds dichter bij de consument / patient. Om deze keuzes verantwoord te kunnen maken is het noodzakelijk dat men over de juiste informatie beschikt. KiesBeter.nl zal op een eenvoudige manier betrouwbare informatie over zorg en gezondheid presenteren. In dit ontwerprapport presenteren we de uitgewerkte plannen voor kiesBeter.nl in 2005. Op de agenda staan een keuzegids voor zorgverzekeringen, medicijnkosten, ziekenhuizen, verpleging, verzorging en thuiszorg, gehandicaptenzorg, geestelijke gezondheidszorg en huisartsen. Ook informatie met betrekking tot klachten, ziekten, preventie en patienten- en consumentenorganisaties wordt in de loop van 2005 via kiesBeter.nl gepresenteerd. Tijdens de bouw en de verdere ontwikkeling van kiesBeter.nl zal steeds nagegaan worden aan welke informatie de gebruikers behoefte hebben. Het doel is kiesBeter.nl zo te ontwikkelen, dat consumenten met vragen over gezondheid en zorg zich als eerste richten tot kiesBeter.nl. Het toegankelijk maken van beschikbare informatie voor burgers vereist goede kennis en vaardigheden op het gebied van marktonderzoek, marketing en communicatie. Hier zal dan ook speciaal aandacht aan worden besteed.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Dietary intake of brominated diphenyl ether congeners by the Dutch population | RIVM

De inname van de som van tien gebromeerde bifenylethers (PBDEs, brandvertragende stoffen) via de voeding door de Nederlandse bevolking op de lange termijn is geschat op 1.7 ng per kg lichaamsgewicht per dag (mediane waarde). De consumptie van olie en vetten, melk, vis en vlees draagt het meeste bij aan de berekende inname. De inname is vergelijkbaar met de waarden die zijn berekend voor Canada, Zweden en Finland en is lager dan die voor Spanje en het Verenigd Koninkrijk. De innameberekeningen werden uitgevoerd met behulp van recente metingen in voedselproducten die in Nederland waren verkregen in 2003/2004 en de consumptiegegevens van de derde Nederlandse Voedselconsumptiepeiling uit 1997/1998. Hierbij is aan de monsters waarin geen PBDEs konden worden aangetoond (zgn. non-detects) de helft van de waarde van de detectielimiet toegekend. Als in plaats hiervan de waarde nul wordt toegekend bedraagt de innameschatting 1.0 ng/kg lg/dag. De waarden van de P97.5 (de waarde waar de inname van 97.5 % van de bevolking onder blijft) zijn 3.3 en 2.2 ng/kg lg/dag (non-detects vervangen door respectievelijk de helft van detectielimiet en door nul). De hoogste concentraties van de som van de PBDEs werden gemeten in vis (met name in haring). De meest voorkomende PBDE is BDE 47.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Immunomodulation by probiotics: efficacy and safety evaluation | RIVM

In dit rapport wordt een voorstel gedaan voor een schema om veiligheid en werkzaamheid van probiotica te beoordelen. Probiotica zijn niet-pathogene bacterien die onder andere worden toegevoegd aan zuivelproducten. De verwachting wordt daarbij gewekt dat consumptie van deze producten gezondheidsbevorderend is bijvoorbeeld door beinvloeding van het immuunsysteem. Informatie over werkzaamheid is voornamelijk verkregen door middel van dierexperimenteel onderzoek, terwijl informatie verkregen uit klinisch onderzoek nog beperkt is. Verder is er nog weinig bekend over de eventuele schadelijke gevolgen van probiotica, hoewel toch zeker aanleiding bestaat tot zorg hierover. Stimulatie van immuunresponsen lijkt voordelig in termen van weerstand, maar de keerzijde is wellicht inductie van autoimmuniteit. Tegenwoordig is babyvoeding verkrijgbaar waaraan probiotica zijn toegevoegd. Fabrikanten claimen een positief effect op darmflora en weerstand en mogelijk preventie van allergieen. Echter, ook voor babyvoeding geldt dat werkzaamheid en veiligheid van dit soort producten wetenschappelijk niet onderbouwd is. Aangezien baby's gevoeliger zijn voor immuunmodulatie, kan consumptie van probiotica wellicht schadelijke (lange-termijn) effecten veroorzaken. In de Europese Unie worden probiotica gereguleerd door de 'Novel Foods Regulation' (258/97/EC). Deze regelgeving is alleen van toepassing op bacteriestammen die voor 1997 niet werden gebruikt in de voeding. Hiervoor werden al probiotische stammen toegepast in de voeding, waarvoor geen regelgeving bestaat, maar die wel gezondheidseffecten kunnen hebben. Het in dit rapport voorgestelde schema om probiotica te beoordelen op zowel veiligheid als werkzaamheid, kan wellicht bijdragen aan het formuleren van regelgeving ten aanzien van bestaande en nieuw op de markt te brengen probiotica.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Comparison of the guidance documents in support of EU risk assessments with those for the derivation of EU water quality standards | RIVM

Risico's van nieuwe en bestaande stoffen en van biociden worden in Europa beoordeeld aan de hand van het Technical Guidance Document (TGD) van de Europese Commissie. De Kaderrichtlijn Water verwijst naar de TGD voor het afleiden van waternormen. Daarnaast is in opdracht van de Europese Commissie het Fraunhofer rapport (FHI rapport) afgeleid van de TGD voor de normafleiding voor water. In onderhavig rapport worden de twee richtsnoeren vergeleken om verschillen in normafleiding te bestuderen. Verschillen in kaders, doelstellingen en methodologie worden beschreven, evenals verschillen van meer technische aard. De risicobeoordeling volgens de TGD omvat beoordeling van effecten, beoordeling van blootstelling en risicokarakterisering. De beoordeling van milieu-effecten bleek grotendeels overeen te komen met de normstelling volgens het FHI rapport. De verschillen waren voornamelijk van technische aard. De keuze voor de waternorm volgens het FHI rapport zou voor sommige stoffen echter kunnen leiden tot een lagere waarde dan de veilige waterconcentratie volgens de TGD. Volgens de Fraunhofer methode worden namelijk veilige waterconcentraties afgeleid van veilige doses of concentraties voor predatoren en mensen, terwijl volgens de TGD alleen een veilige waterconcentratie voor waterorganismen wordt berekend. Daarnaast bepaalt de risicobeoordeling volgens de TGD blootstelling via alle relevante routes, terwijl het FHI rapport alleen de waterroute in acht neemt. Het is daardoor theoretisch mogelijk dat de waternorm mens en dier niet voldoende beschermt tegen stoffen die voornamelijk via lucht of voedsel worden ingenomen.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Naar een richtlijn voor locatiespecifieke ecologische risicobeoordeling met de TRIADE | RIVM

Bij ernstige gevallen van (water)bodemverontreiniging kan momenteel met de 'SaneringsUrgentie Systematiek' (SUS) de saneringsurgentie worden bepaald. Locatiespecifieke ecologische risico's zijn een onderdeel van de methodiek. Deze worden berekend op basis van de aanwezigheid van verontreinigende stoffen, de gevoeligheid van het ecosysteem in relatie tot het bodemgebruik, en de omvang van het verontreinigde oppervlak. Afgelopen jaren is gewerkt aan de ontwikkeling en validatie van de zogenaamde TRIADE voor ecologische risicobeoordeling van bodemverontreiniging. Met de TRIADE worden de risico's geschat op basis van drie verschillende invalshoeken, namelijk 1. de aanwezigheid van verontreiniging (het chemische spoor), 2. de resultaten van bioassays met monsters van de locatie (het toxische spoor), en 3. ecologische veldwaarnemingen (het ecologische spoor). Integratie van de resultaten van deze drie onafhankelijke TRIADE-sporen levert een meervoudige bewijsvoering op voor de risicoschatting ('multiple weight of evidence'). Hierdoor worden de onzekerheden in de risicoschatting sterk gereduceerd. De TRIADE is niet alleen gebaseerd op chemische bodemkwaliteit, en ondervangt hiermee iin van de bezwaren van SUS. In dit rapport wordt de TRIADE uitgelegd, en is een voorlopige richtlijn uitgewerkt voor toepassing van een eenvoudige TRIADE voor veel voorkomende gevallen van bodemverontreiniging, die qua complexiteit en kosten vergelijkbaar is met SUS.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Cumulative exposure to cholinesterase inhibiting compounds: a review of the current issues and implications for policy | RIVM

Blootstelling aan meerdere bestrijdingsmiddelen tegelijk in de dagelijkse voeding is een potentieel probleem. Dit probleem kan zich met name voordoen bij bestrijdingsmiddelen met een zelfde werkingsmechanisme (zoals de z.g. organofosfaten). Maatschappelijke organisaties dringen aan op het meewegen van dergelijke gecumuleerde blootstelling in de risicobeoordeling. Het RIVM zet in dit rapport op een rij wat er bekend is over dit onderwerp en op welke manier zo'n cumulatieve blootstelling kan worden bepaald. Er zijn op dit moment methoden beschikbaar maar een wetenschappelijke onderbouwing voor de optelling van effecten ontbreekt nog deels. Het is niet duidelijk of de effecten van de organofosfaten wel additief zijn en volgens het principe van Relatieve Potentie Factoren (RPF) kunnen worden opgeteld. De informatie over residuen van bestrijdingsmiddelen en de methoden voor innameberekeningen zullen ook verbeterd moeten worden. Het meewegen van cumulatieve blootstelling heeft ook consequenties voor het risicomanagement en de besluitvorming bij handhaving en toelating; hiervoor zullen door het beleid keuzes moeten worden gemaakt.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Validering van standaardvraagstelling voeding voor Lokale en Nationale Monitor Volksgezondheid | RIVM

De standaardvraagstelling voeding die voor de Monitor Volksgezondheid gebruikt wordt blijkt een goede methode om de fruit- en vruchtensapconsumptie te bepalen. Rapportage van de groenteconsumptie is minder nauwkeurig. In het project "Lokale en Nationale Monitor Volksgezondheid" worden lokale gegevensverzamelingen door GGD'en op elkaar afgestemd. Hiervoor zijn standaardvraagstellingen ontwikkeld. Om te bepalen of gegevens verzameld met de standaardvraagstelling voeding de werkelijke consumptie weerspiegelen, is gebruik gemaakt van gegevens verzameld door GGD'en en de voedselconsumptiepeiling 2003 (VCP-2003). De VCP-2003 kon gebruikt worden voor de vragen naar fruit-, vruchtensap-, en gekookte groenten consumptie, omdat de resultaten vergelijkbaar waren voor de GGD'en en de VCP-2003. Voor rauwkostconsumptie verschilden de resultaten tussen de GGD'en en de VCP-2003, hetgeen verklaard wordt door verschillen in de vraagstelling. Na het koppelen van de vragenlijstgegevens van de VCP-2003 aan twee 24-uursnavragen, bleek dat de relaties tussen de uitkomsten van beide meetmethoden voor fruit- en vruchtensapconsumptie redelijk sterk waren. Voor de consumptie van gekookte groenten was de relatie zwakker, hetgeen mogelijk veroorzaakt wordt door de moeite die mensen hebben met het schatten van de hoeveelheid. In het algemeen rapporteerden mensen hogere consumpties via de vragenlijst dan volgens de 24-uurs navraag. De resultaten waren vergelijkbaar met die in de literatuur. Andere onderdelen van de standaardvraagstelling voeding zijn ontbijtfrequentie, broodconsumptie en vetgebruik. Deze zijn in de VCP-2003 niet nagevraagd. Omdat er ook weinig literatuur beschikbaar is over soortgelijke vraagstellingen, kan er geen uitspraak gedaan worden over de validiteit van deze vragen.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Modelling the interactions between transient saturated and unsaturated groundwater flow. Off-line coupling of LGM and SWAP | RIVM

Het Landelijk Grondwatermodel (LGM) en een een-dimensionaal model van de hydrologie van de onverzadigde zone (SWAP) zijn gekoppeld. Met dit gecombineerde model kunnen de waterstromen in het bodem- en grondwatersysteem, alsmede de stromingen vanuit het grondwater naar het oppervlaktewater, berekend worden. Het model kan zodoende de hydrologische invoer leveren voor studies naar de belasting van grond- en oppervlaktewater met nutrienten en gewasbeschermingsmiddelen. Een andere mogelijke toepassing van het model is de voorspelling van de variatie van de grondwaterstand in de tijd. Om de seizoensdynamiek correct te kunnen berekenen, worden zowel LGM als SWAP dynamisch toegepast. Het model kan op verschillende schalen worden toegepast. De prestaties van het model zijn getoetst in een studie in het Beerze Reusel gebied. In het algemeen bleek dat de overeenkomst tussen de gemiddelde diepte van het grondwaterpeil, zoals berekend met SWAP, goed overeenkwam met de gemiddelde diepte van het grondwaterpeil, zoals berekend met LGM. Het bleek echter ook dat de seizoensdynamiek onderschat werd door LGM. Nadere studie leerde dat dit veroorzaakt werd doordat de zogenaamde freatische bergingscoefficient onjuist van SWAP naar LGM werd overgedragen. Nadat dit hersteld was, was er een nagenoeg perfecte overeenkomst tussen de grondwaterstand berekend door SWAP en de grondwaterstand berekend door LGM. Een aanvullende studie moet aantonen in hoeverre de berekende grondwaterpeilen overeenkomen met de gemeten grondwaterpeilen. Deze studie moet aangeven of het gecombineerde model de hydrologische basis kan leveren voor verdrogingstudies en waterkwaliteitsberekeningen, zoals door het Milieu- en Natuurplanbureau worden uitgevoerd.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Postlaunch Monitoring of Functional Foods - Methodology development (II) | RIVM

Consumptiegegevens over functionele voedingsmiddelen zijn beperkt beschikbaar, ondanks de vele monitoring- en cohortstudies die in Nederland zijn en worden uitgevoerd. Voor het adequaat uitvoeren van postlaunch monitoring (PLM) van functionele voedingsmiddelen en het signaleren van mogelijke problemen echter zijn op persoonsniveau te koppelen voedselconsumptiegegevens essentieel. Innemingdata zoals verzameld in de voedselconsumptiepeiling (VCP) lijken het meest waardevol. Aandacht is gewenst voor specifieke doel- en risicogroepen voor functionele voedingsmiddelen en supplementen, voor informatie over de voedings- en gezondheidstoestand van de populatie, alsook voor databestanden nodig voor de berekening van de nutrientenvoorziening. Twee studies (een bij jongvolwassenen en een bij kinderen van 9, 12 en 18 maanden) zijn nader bekeken op consumptie van functionele voedingsmiddelen. Onder gebruikers bleek de nutrientenvoorziening (in sommige gevallen ruimschoots) te worden gehaald. Alleen de foliumzuurvoorziening bij jongvolwassenen schoot veelal tekort en de aanbevolen hoeveelheid van met phytosterolen/-stanolen verrijkte margarines werd niet gehaald. In beide studies werden de veilig geachte bovengrenzen niet overschreden, met uitzondering van enkele overschrijdingen door gebruikers die zich in de bovenste 10 procent van de verdeling bevinden. De resultaten zijn slechts indicatief omdat deze bevindingen zijn gebaseerd op de waargenomen inneming en niet op de gebruikelijke inneming.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Trends in the environmental burden of disease in the Netherlands, 1980 - 2020 | RIVM

Blootstelling aan sommige milieufactoren, zoals luchtvervuiling en geluid, kan onze gezondheid beinvloeden. Om enig inzicht te krijgen in de omvang van dit milieugerelateerd gezondheidsverlies in Nederland, zijn Disability Adjusted Life Years (DALYs) berekend voor de gezondheidseffecten van luchtverontreiniging, geluid, radon, UV en vocht in huizen voor de periode 1980 tot 2020. DALYs geven een grove indicatie van het aantal verloren gezonde levensjaren in een populatie ten gevolge van ziekte of vroegtijdige sterfte (de ziektelast). Ruwweg 2 tot 5 procent van de totale ziektelast in Nederland werd in het jaar 2000 veroorzaakt door acute blootstelling aan fijn stof (PM10) en ozon, en blootstelling aan geluid, radon, (totaal) UV en vocht in huizen. Als daarbij de meer onzekere effecten van chronische blootstelling aan PM10 worden opgeteld - en geen drempelwaarde wordt aangenomen - kan dit percentage oplopen tot zo'n 13%. De relatief onzekere effecten van chronische blootstelling aan PM10 hebben binnen de onderzochte milieufactoren de grootste invloed op het totaal milieugerelateerd gezondheidsverlies in Nederland. PM10 kan hierbij gezien worden als een indicator voor een complex mengsel van luchtverontreiniging. De concentraties PM10 nemen af en daarmee waarschijnlijk ook de gezondheidseffecten. Geluidsoverlast en het daaraan gelieerde gezondheidsverlies zal waarschijnlijk in de toekomst toenemen tot een niveau waarbij de ziektelast vergelijkbaar is met de ziektelast die wordt veroorzaakt door verkeersongevallen. Deze ruwe schattingen geven geen compleet en vaststaand beeld van de milieugerelateerde ziektelast, omdat sommige data onzeker zijn, niet alle relaties tussen milieufactoren en gezondheid bekend zijn, en niet alle milieufactoren noch alle gezondheidseffecten zijn meegenomen. De effecten van de gemaakte aannames zijn geanalyseerd geschat met behulp van een onzekerheidsanalyse
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Fijn stof nader bekeken | RIVM

Het Milieu- en Natuurplanbureau en de sector Milieu en Veiligheid van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu presenteren met het boekje 'Fijn stof nader bekeken' de feiten over fijn stof in samenhang. Deze uitgave laat zien wat de stand van zaken is in het fijnstofdossier: wat weten we wel, wat weten we niet, waar zitten de onzekerheden? Aanleiding voor deze uitgave is het huidige maatschappelijke en politieke debat over de gevolgen van de implementatie van het Nederlandse Besluit Luchtkwaliteit, dat gestoeld is op richtlijnen van de Europese Unie. Overschrijdingen van de grenswaarden voor fijn stof komen op grote schaal voor in Nederland. De maatschappelijke gevolgen hiervan zijn ingrijpend, doordat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, zoals woningbouw en infrastructuurprojecten, in het gedrang komen. Aan de andere kant zijn er belangrijke gezondheidseffecten door fijn stof. Het dossier fijn stof is complex en omvat bestuurlijke dilemma's, juridisch bindende grenswaarden, zorgen van burgers, wetenschappelijke onzekerheden en ruimtelijk-economische gevolgen. De vele vragen en de huidige discussies zijn redenen geweest om een wetenschappelijk overzichtsrapport op te stellen over het fijnstofdossier. Deze uitgave bevat geen nieuwe informatie, maar is een samenvatting van bestaande rapporten op het gebied van fijn stof.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Air pollution and daily mortality in the Netherlands over the period 1992 - 2002 | RIVM

Dit technisch achtergrondrapport vergelijkt de risico's om te overlijden aan luchtverontreiniging in drie tijdperioden (1992-1994, 1995-1998 en 1999-2002) in Nederland. Hierbij is bekeken of het risico om te overlijden aan luchtverontreiniging in de laatste periode is veranderd ten opzichte van eerdere jaren. Er blijkt geen duidelijk patroon te zien in de tijd, hoewel de periodes onderling wel verschillen. Tijdens de zomermaanden blijkt het risico groter dan in de wintermaanden. Wonen in een van de vier grote steden was niet gerelateerd aan een hoger risico om te overlijden aan luchtverontreiniging dan het risico in de rest van Nederland. Op basis van deze risico's is geschat dat er in 2003 in Nederland 3.400 - 5.700 mensen vroegtijdig zijn overleden aan luchtverontreiniging. Deze gegevens zijn eerder dit jaar in de Milieubalans 2005 van het Milieu- en Natuurplanbureau gepubliceerd. Om de risico's te berekenen zijn meetgegevens van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit gekoppeld aan gegevens van de dagelijkse sterfte van het Centraal Bureau voor de Statistiek in de periode 1992 tot en met 2002. De totale dagelijkse sterfte is onderzocht. Dit zijn alle sterfgevallen, behalve die door niet-natuurlijke oorzaken. Naast de totale sterfte is de sterfte als gevolg van hart- en vaatziekten en longziekten apart beschreven.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Chemical characterization and source apportionment estimates of particulate matter collected within the framework of EU project HEPMEAP | RIVM

Een groot deel van de massa van het fijnstof bestaat uit anorganisch aerosol (34% nitraat, sulfaat en ammonium). Daarnaast bestaat circa 2% uit organisch materiaal afkomstig van verbrandingsprocessen. Ruwe schattingen van de verkeersbijdrage voor deze twee fracties varieren tussen 30% en 60%. In het kader van het project 'Health effects of particles from motor engine exhaust and ambient pollution - HEPMEAP', een unieke Europese samenwerking tussen toxicologen en epidemiologen, is buitenlucht fijnstof verzameld op diverse locaties in Europa gedurende de periode november 2001 - maart 2003. In het HEPMEAP project zijn relaties tussen de samenstelling van fijnstof en toxische en andere gezondheidseffecten bestudeerd. De chemische samenstelling van twee fracties (0.1 - 2.5 um en 2.5 - 10 um) is bepaald met aandacht voor specifieke verkeersindicatoren. Behalve grote overeenkomsten in samenstelling van fijnstof op de verschillende locaties, zijn ook locatie-specifieke verschillen gevonden. Zo bleek op de locatie in Noord-Zweden relatief hoge concentraties organisch aerosol in fijnstof voor te komen, wat in een belangrijke mate afkomstig is van houtverbranding. De gegevens in dit rapport worden gebruikt om de resultaten van experimenteel toxicologisch onderzoek wat ook is uitgevoerd in het kader van dit project, nader te verklaren.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Consumer Product in vitro digestion model: bioaccessibility of contaminants from toys and application in risk assessment | RIVM

Slechts een beperkt aantal normen zijn beschikbaar voor de aanwezigheid van contaminanten in speelgoed. De normen die er zijn, hebben veelal betrekking op metalen. In de onderbouwing van deze normen worden aannames gedaan, onder andere over de hoeveelheid speelgoed die door een kind kan worden ingeslikt. Daarnaast wordt er veelal van uitgegaan dat 100% van de contaminant anders dan voor een aantal metalen, dat in het speelgoed aanwezig is, in het bloed wordt opgenomen en zo eventueel schade in weefsels en organen kan veroorzaken. Deze aannames zijn echter zeker niet voor ieder type speelgoed en voor iedere contaminant realistisch.Om tot een realistische risicoschatting te komen zijn methodieken nodig om een goede inschatting te kunnen maken van de hoeveelheid contaminant die vrijkomt uit speelgoed indien hierop gesabbeld wordt (bijvoorbeeld bijtring) of delen worden ingeslikt (zoals vingerverf). In het huidige project is daarom het in vitro digestiemodel ontwikkeld. Hiermee kan worden onderzocht in welke mate de contaminant in het maagdarmkanaal wordt vrijgemaakt uit de speelgoedmatrix (de bioaccessible fractie) indien op speelgoed wordt gesabbeld en stukjes speelgoed eventueel worden doorgeslikt. Uit deze bioaccessible fractie kan eenvoudig een realistische schatting worden gemaakt van de hoeveelheid contaminant die de weefsels en organen kan bereiken.Het in vitro digestiemodel is zo opgezet dat het enerzijds de humane fysiologie van het maagdarmkanaal zo goed mogelijk weerspiegelt en anderzijds eenvoudig, snel en goedkoop uitvoerbaar is.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Costs and benefits of controlling Campylobacter in the Netherlands - integrating risk analysis, epidemiology and economics | RIVM

Een combinatie van decontaminatie met een middel als melkzuur en technische maatregelen om de verspreiding van mest tijdens het slachten tegen te gaan, lijkt volgens modelberekeningen de meest economische methode om de microbiologische veiligheid van kippenvlees te verbeteren. Campylobacter-bacterien zijn de belangrijkste bacteriele veroorzakers van voedselinfecties in Nederland, met ongeveer 80.000 gevallen van gastro-enteritis per jaar. Onder de vele verschillende routes waarlangs de mens aan Campylobacter kan worden blootgesteld nemen consumptie van kippenvlees, direct contact met dieren en rauw geconsumeerde producten een belangrijke plaats in. Genoemde resultaten zijn verkregen in een multidisciplinair onderzoek naar de kosten en baten van maatregelen om de besmetting van kippenvlees terug te dringen. Aanvullende hygienemaatregelen op de boerderij zouden volgens modelberekeningen in theorie de besmetting bij het pluimvee sterk terug kunnen brengen, maar het is nog niet duidelijk welke maatregelen precies genomen moeten worden. Op korte termijn is meer effect te verwachten van aanvullende maatregelen op het slachthuis om de besmettingsgraad van het vlees te verminderen. Volgens modelberekeningen kunnen alleen al daardoor in Nederland ongeveer 12.000 gevallen per jaar van gastro-enteritis worden voorkomen. Om deze maatregelen succesvol te kunnen invoeren is nog wel aanvullend praktijkonderzoek nodig. Door onbekendheid met de maatregelen en de additionele kosten is het draagvlak bij de consument en ketenpartijen gering zodat actieve communicatie van groot belang is.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Modeling chronic diseases: the diabetes module. Justification of (new) input data | RIVM

Om effecten van verschillende preventieve maatregelen voor diabetes te kunnen berekenen, is het RIVM Chronische Ziekten Model geactualiseerd en aangepast. Het Chronische Ziekten Model is een instrument om effecten van veranderingen in het voorkomen van risicofactoren, bijvoorbeeld overgewicht en roken, voor chronische ziekten (o.a. hart- en vaatziekten) te schatten op ziektelast en sterfte. Dit rapport geeft de verantwoording van de nieuwe diabetesmodule in dit model. Met deze diabetesmodule kunnen zowel primaire preventiestrategieen als maatregelen in de zorg (=betere behandeling van diabetes en cardiovasculaire risicofactoren) worden doorgerekend en het effect op de volksgezondheid worden geschat. Dit geeft beleidsmakers en zorgverleners inzicht in hoeveel gezondheidswinst er te behalen zou zijn door preventie en het kan ondersteunen bij het prioriteren van verschillende preventiestrategieen. Alle diabetes-gerelateerde informatie in het Chronische Ziekten Model is geactualiseerd. Roken is toegevoegd als risicofactor voor diabetes. HbA1c (een maat voor het bloedglucose niveau) is toegevoegd als risicofactor voor cardiovasculaire complicaties. Nieuwe modelgegevens bij patienten met diabetes zijn het voorkomen van cardiovasculaire complicaties, het voorkomen van cardiovasculaire risicofactoren (HbA1c, hoge bloeddruk, roken, cholesterol en overgewicht) en de relaties tussen deze risicofactoren en het ontstaan van cardiovasculaire complicaties.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Can chemical structure predict reproductive toxicity? | RIVM

Structuur-activiteitsrelaties (SARs), inclusief kwantitatieve SARs worden gebruikt in de risicobeoordeling van stoffen. Deze noodzaak is des te meer urgent gezien het voorgestelde EU beleid voor stoffen, REACH, die de vermindering van dierproeven benadrukt. DERKfW en TSCA Chemische Categorieen Lijst zijn gekozen om reproductie toxiciteit voor REACH doeleinden te voorspellen. DEREKfW is een software programma dat toxicologische eigenschappen voorspelt gebruik makend van op literatuur en 'expert judgement' gebaseerde 'structural alerts', terwijl de TSCA Nieuwe Stoffen Programma Lijst van de US-EPA is gebaseerd op expert judgement en chemische categorieen. We hebben de twee modellen gescreened op het herkennen van stoffen die geclassificeerd zijn voor reprotoxiciteit in de EU (gebaseerd op experimentele dierstudies). De mate van vals positieven kon hierdoor niet bepaald worden. DEREKfW en de TSCA Chemische Categorieen Lijst herkenden 90 en 77% van de stoffen niet met een 'verminderde fertiliteit classificatie en 81 and 82% van de stoffen niet met een 'schade aan het ongeboren kind' classificatie, respectievelijk. Afgezien van iin gezamenlijke 'alert' hebben DEREKfW (een helder model) and de TSCA chemische Categorieen Lijst nog 7 'alerts' en 10 categorieen, respectievelijk. Doordat de alerts in DEREKfW and TSCA Categorieen Lijst in dit onderzoek naar voren komen, kunnen deze gebruikt worden als additionele 'expert judgement'. We concluderen echter dat deze modellen niet de enige methode kunnen zijn voor het screenen van stoffen voor reproductie toxiciteit in het kader van REACH. Andere modellen en teststrategieen zijn nodig om reproductie toxiciteit van stoffen te beoordelen.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Registratie voedselinfecties en -vergiftigingen bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg en Voedsel en Waren Autoriteit, 2004 | RIVM

Deze rapportage beschrijft geregistreerde voedselinfecties en voedselvergiftigingen in Nederland in 2004. In 2004 was het aantal meldingen van voedselinfecties bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg duidelijk lager dan in voorgaande jaren: 48 explosies en 45 patienten met een verzorgend of verplegend beroep of werkzaam in de levensmiddelensector. Echter, deze daling werd niet teruggezien in de gemelde incidenten van voedselinfecties (totaal 601, inclusief 337 explosies ten opzichte van 582 meldingen, waaronder 324 explosies in 2003) bij de Voedsel en Waren Autoriteit. Een deel van de daling geobserveerd bij de Inspectie lijkt ook te berusten op een registratie-artefact. Bij de Voedsel en Waren Autoriteit werd een mogelijke oorzaak gevonden voor 16% van de meldingen, waarbij Bacillus cereus (2,8%) het meest frequent werd gezien, gevolgd door Salmonella (1,0%). Indirect werd geschat dat 5,6% van de daar gemelde explosies viraal van oorsprong was, terwijl slechts 1 norovirus explosie werd geregistreerd. Bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg werd voor 73% van de explosies een verwekker aangegeven, met name Salmonella (40%), Campylobacter (17%) en norovirus (15%). In 2004 werd Campylobacter vaker gezien als oorzaak (in 2003 bij 12%). Tegelijkertijd werd norovirus in 2004 minder vaak gerapporteerd (in 2003 bij 23%).
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Genetic susceptibility for Salmonella infections | RIVM

Contaminatie van eieren en vlees met Salmonella met Campylobacter bacterien is de belangrijkste oorzaak van voedselvergiftiging en de kans op zo'n voedselvergiftiging wordt mede bepaald door de genetische achtergrond van de gastheer. Dit rapport geeft een overzicht van humane- en dierstudies naar deze genetische gevoeligheid van de gastheer voor Salmonella-bacterien. De immunologische afweer tegen Salmonella bestaat uit een niet-specifiek en een specifieke deel. Voor het afdoende couperen van een Salmonella-infectie is een adequate T-helper type 1 (Th1) respons (behorend tot de specifieke immuunrespons) noodzakelijk en cruciale eiwitten in deze Th1-route zijn IFN- , IL-12, en IL-18. Net als mutaties in genen die bij de niet-specifieke immuunrespons betrokken zijn, zoals Nramp1, 'Toll-like' receptoren en CD14, verhogen mutaties in de genen van deze Th1-eiwitten de gevoeligheid voor Salmonella-infecties. Mutaties zijn echter zeldzaam. DNA variaties (polymorfismen) komen daarentegen vaker voor, namelijk bij meer dan 1 procent van de bevolking. Dergelijke variaties leiden tot een kleine verandering in de structuur of expressie van het eiwit, waardoor de effectiviteit van de afweer tegen Salmonella-bacterien wordt veranderd. De effecten van deze polymorfismen op de immuunrespons na een voedselvergiftiging zijn weliswaar subtiel, maar op populatieniveau kan hun 'impact' aanzienlijk zijn.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Accumulation of phytosterols in food. Evaluation of the adverse effects following the intake of high dose of phytosterols | RIVM

Op de markt verschijnen steeds meer producten, die verrijkt zijn met plantensterolen (fytosterolen). De gecombineerde consumptie van dergelijke producten kan leiden tot overdosering, zodat er mogelijk aanvullende maatregelen nodig zijn om overdosering te voorkomen.Fytosterol-verrijkte voeding verlaagt het plasma LDL-cholesterol. Een dagelijkse inname van 1-3 g plantensterolen verlaagt de LDL-cholesterolconcentratie met 5-15%; een hogere inname geeft geen extra effect. Door hun slechte absorptie geven fytosterolen geen systemische toxiciteit. Fytosterolen verlagen echter wel de absorptie van beta-carotenoiden, die van belang zijn voor de aanmaak van vitamine A. De consumptie van (margarine verrijkt met) 3 g fytosterol per dag gedurende een jaar leidt tot een 33% afname van de beta-caroteenspiegel, die echter (alleen) zorgelijk is bij risicogroepen met een hoge vitamine A behoefte, zoals zwangeren, moeders die borstvoeding geven en jonge kinderen. Er is overigens geen indicatie voor fytosterolgebruik door deze groepen, maar het gebruik kan niet worden uitgesloten.De beschikbare data over schadelijke effecten bieden geen basis voor het stellen van een maximaal toelaatbare dagelijkse dosis voor fytosterolen. Evenals de Gezondheidsraad en SCF, wordt thans aanbevolen om niet meer (meer dan 3 g per dag) van deze plantensterolen in te nemen, omdat a. hogere doseringen niet effectiever zijn, en b. langetermijnstudies ontbreken. Op termijn zijn beleidsmaatregelen nodig ter voorkoming van overdosering in gebruikers- en risicogroepen
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Development of Environmental Health Indicators for EU Countries | RIVM

In kader van het Actieprogramma Gezondheid en Milieu wordt in Nederland gewerkt aan een nationaal milieu en gezondheid informatiesysteem. Doel van het systeem is o.a. het evalueren van (milieu-gezondheids)beleid en het vergemakkelijken van geografische vergelijkingen op het gebied van milieu en gezondheid. Op Europees niveau is de WHO ook bezig met de ontwikkeling van een milieu en gezondheid informatiesysteem. Deze pilotstudie is onderdeel van dat ontwikkelingsproces. Milieu en gezondheid indicatoren op het gebied van luchtkwaliteit, geluid, woonomgeving, verkeersongevallen, water en hygiene, chemische rampen en straling, zijn in 11 Europese landen (waaronder Nederland) getest op beschikbaarheid, kwaliteit, vergelijkbaarheid en beleidsrelevantie. De resultaten laten zien dat in Nederland betrouwbare en complete informatie beschikbaar is voor bijna alle voorgestelde indicatoren. Op basis van de internationale resultaten van de pilotstudie is een aantal indicatoren geselecteerd, waarvoor in een vervolgproject de data verzameld zullen worden. Deze indicatoren zullen onderdeel worden van het Nederlandse informatiesysteem.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Environmental Risk Limits for Nine Trace Elements | RIVM

In dit rapport wordt een herziening van milieurisicogrenzen gepresenteerd voor de sporenelementen beryllium, vanadium, kobalt, selenium, molybdeen, tin, antimoon, barium en thallium. Er werd literatuuronderzoek uitgevoerd om de gegevenssets die in 1992 voor de normafleiding zijn gebruikt, aan te vullen. Er zijn milieurisicogrenzen afgeleid voor zoet water, grondwater, bodem en sediment. De herziene milieurisicogrenzen voor water en grondwater zijn in de meeste gevallen lager dan de bestaande waarden. Dit wordt veroorzaakt door het vinden van nieuwe informatie op het gebied van toxiciteit en door veranderingen in de methodologie die bij de afleiding van normen gebruikt wordt. De nieuw afgeleide risicogrenzen voor bodem zijn nu gebaseerd op toxiciteitsgegevens voor bodemorganismen, terwijl de bestaande waarden alle zijn berekend uit de risicogrenzen voor water, middels evenwichtspartitie. De risicogrenzen voor sediment zijn wel berekend met behulp van evenwichtspartitie bij gebrek aan toxiciteitsgegevens. In het algemeen zijn de nieuw afgeleide milieurisicogrenzen voor sediment weinig veranderd ten opzichte van de bestaande. Het gemiddelde van gemeten concentraties van beryllium, vanadium, kobalt en barium in zoet oppervlaktewater overschrijdt het maximaal toelaatbaar risiconiveau (MTR). Voor selenium en antimoon was dit niet het geval. Voor grondwater laat een kwalitatieve vergelijking zien dat het MTR wordt overschreden voor beryllium, vanadium, kobalt, selenium en barium, maar niet voor molybdeen, tin, antimoon en thallium. Voor de compartimenten bodem, sediment en zeewater werden geen meetgegevens gevonden.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

The national immunisation programme in the Netherlands: current status and potential future developments | RIVM

Het Rijksvaccinatieprogramma in Nederland is zeer effectief en veilig. Om het succes en de effectiviteit van het vaccinatieprogramma te vergroten, is vaccinatie van andere (leeftijds)groepen aan te bevelen. Uitbreiding van het programma met nieuwe doelziekten kan voor een aantal ziekten aanzienlijke gezondheidswinst opleveren. De ziekten waartegen wordt gevaccineerd zijn grotendeels onder controle, maar bewaking van de effectiviteit van het programma is van groot belang. Handhaven van de hoge vaccinatiegraad is essentieel om terugkeer van de ziekten te voorkomen. Vaccinatie van (jong) volwassenen nu (kinkhoest) of in de toekomst (bof, mazelen, rodehond, hepatitis B) zal verder verbetering kunnen geven. Ook andere vaccinatiestrategieen verdienen aandacht, zoals vaccinatie van pasgeborenen of aanstaande ouders. De vervanging van het huidige difterie, tetanus, poliomyelitis, hele-cel kinkhoest en Haemophilus influenzae vaccin (DKTP/Hib) door een combinatievaccin met een a-cellulaire kinkhoestcomponent (DKATP/Hib) ingevoerd begin 2005 moet nauwkeurig worden gemonitored, zowel voor kinkhoest als de overige vaccincomponenten. Het Rijksvaccinatieprogramma kan met vaccins tegen andere ziekten uitgebreid worden. Pneumokokken-vaccinatie van kinderen levert belangrijke gezondheidswinst op. De wenselijkheid om waterpokken-vaccinatie te introduceren - mogelijk in een combinatievaccin met bof, mazelen en rodehond - moet bestudeerd worden. Als tegen meningokokken B, respiratoir syncytieel virus en humaan papillomavirus effectieve en veilige vaccins op de markt komen, is uitbreiding van het vaccinatieprogramma naar verwachting raadzaam. Dit geldt (nog) niet (of in mindere mate) voor de al beschikbare vaccins tegen influenza, hepatitis A en tuberculose. Voor deze ziekten is continuering van het huidige beleid nodig met mogelijke verlaging van de leeftijd voor influenzavaccinatie van 65 jaar naar 50 jaar. De wenselijkheid van vaccinatie van kinderen tegen influenza is een punt voor nader onderzoek, evenals pneumokokken-vaccinatie van ouderen. Vaccinatie tegen herpes simplex virus-2 en rotavirus is nog niet mogelijk. Vaccinatie levert naar verwachting relatief beperkte gezondheidswinst op voor herpes simplex virus-2. Als een rotavirus vaccin beschikbaar komt is een kosten-effectiviteitsanalyse aangewezen.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Monitoring effectiveness of the EU Nitrates Directive Action Programmes. Results of the international MonNO3 workshop in the Netherlands, 11-12 June 2003 | RIVM

Dit rapport bevat de bijdragen van de deelnemers aan de MonNO3 workshop, georganiseerd door het RIVM, GEUS en DMU. De workshop is gehouden op 11 en 12 juni 2003 en vond plaats in Den Haag (Scheveningen). Het rapport geeft ook een synthese van deze bijdragen en de workshopdiscussies over de methoden om de effectiviteit van de EU Nitraatrichtlijn Actieprogramma's te monitoren. De wettelijke grondslag voor dit type monitor staan in de Nitraatrichtlijn, artikel 5(6).Er zijn twee verschillende benaderingswijzen om de effecten van de Actieprogramma's op nationale schaal te beschrijven, te weten opschalen en interpolatie. Deze benaderingswijzen zijn niet in detail bediscussieerd omdat dit buiten het terrein van de MonNO3 workshop lag. Uit alle bijdragen blijkt dat waterkwaliteit niet alleen wordt beinvloed door de landbouwpraktijk maar ook door andere factoren. Bodemtype, hydrogeologische karakteristieken van de bodem en de ondergrond, karakteristieken van het oppervlaktewatersysteem en karakteristieken van het klimaat en het weer zijn voorbeelden van "omgevingsfactoren" die de oorzaak kunnen zijn van in tijd en ruimte gemeten verschillen in waterkwaliteit.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Natuurbalans 2004 | RIVM

Dier- en plantensoorten profiteren van de verbeterde milieukwaliteit en van de bescherming door Europese regelgeving. Toch nemen de Nederlandse natuur- en landschapskwaliteit nog altijd af. Het kabinet legt meer verantwoordelijkheden neer bij provincies en gemeenten. Vooral van de provincies wordt daarmee een krachtige regie gevraagd.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Natuurbalans 2004 | RIVM

Dier- en plantensoorten profiteren van de verbeterde milieukwaliteit en van de bescherming door Europese regelgeving. Toch nemen de Nederlandse natuur- en landschapskwaliteit nog altijd af. Het kabinet legt meer verantwoordelijkheden neer bij provincies en gemeenten. Vooral van de provincies wordt daarmee een krachtige regie gevraagd.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Hormonen in importvlees. Een evaluatie van recente gegevens over gehalten aan van nature voorkomende hormonen | RIVM

Consumptie van vlees, geimporteerd uit Zuid-Amerika, met name Argentinie en Brazilie, leidt niet tot inname van lichaamsvreemde hormonen. Bovendien zijn er geen aanwijzingen voor inname van verhoogde hoeveelheden lichaamseigen hormonen. Onderzoek naar het illegaal gebruik van groeibevorderende stoffen vindt binnen de Europese Unie plaats in het kader van Nationale residu controleprogramma's, uitgevoerd in het kader van Europese regelgeving. Zulk onderzoek vindt plaats zowel gedurende de boerderijfase als ten tijde van de slacht. Veelal richt dit onderzoek zich op excreta zoals urine of mest, of op orgaanvlees. Bij import van buiten de Europese Unie is als regel uitsluitend het voor consumptie bedoelde spiervlees beschikbaar. Het systematisch onderzoek van dit materiaal heeft tot op heden slechts zeer beperkt plaatsgevonden waardoor gegevens over de blootstelling van de consument nauwelijks beschikbaar zijn. Dit rapport beschrijft de resultaten van onderzoek van ca. 300 monsters rund- en varkensvlees op lichaamseigen en lichaamsvreemde hormonen. Geen van de lichaamsvreemde hormonen waarop onderzoek is verricht werd aangetroffen. In zes monsters varkensvlees werden nortestosteron en boldenon aangetroffen. De aanwezigheid van deze hormonen betekent dat ook vlees van beren (niet gecastreerde mannelijke varkens) wordt geexporteerd. In een monster rundvlees overschreed het gehalte aan 17beta-oestradiol de voorlopige grenswaarde van 0,1 microg/kg.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Selection and evaluation of exposure-effect-relationships for health impact assessment in the field of noise and health | RIVM

In dit achtergrondrapport wordt de laatste stand van zaken weergegeven met betrekking tot blootstelling-effect relaties op het gebied van geluid en gezondheid en hun toepasbaarheid voor de inschatting van de effecten van geluid in Nederland. Voor een aantal relevante gezondheidseffecten worden de beschikbare blootstelling-effect relaties besproken. Aan de hand van een aantal case-studies wordt de bruikbaarheid van de verschillende relaties voor gezondheidseffectschatting (GES) geanalyseerd. Alleen relaties die de invloed van geluid op effecten beschrijven waarvoor bewijs was en die zijn afgeleid door middel van een meta-analyse of gepoolde analyse worden uiteindelijk bruikbaar bevonden. Het resultaat is een set van relaties en aanbevelingen die ingezet kunnen worden voor de inschatting van de effecten van geluid in Nederland. Niet alleen in termen van risico's, maar ook in termen van aantallen getroffenen.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Gezondheidseffectschatting. Integraal gezondheidsbeleid: theorie en toepassing | RIVM

Beleid op ander gebied dan de volksgezondheid heeft vaak veel invloed op de gezondheid van burgers. Zo heeft de verplichtstelling van de autogordel geleid tot een afname van het aantal ongevallen met ernstig letsel. De inrichting van woonomgevingen heeft invloed op lichaamsbeweging door de mogelijkheden om te lopen of fietsen. Gezondheidseffectschatting is een methode om dergelijke gezondheidseffecten van ander beleid te onderzoeken. Het doel is om gunstige effecten te versterken en ongunstige effecten te voorkomen. Het betreft een instrument voor integraal gezondheidsbeleid; dat is beleid waarbij de gezondheidssector met andere sectoren samenwerkt om de gezondheid van burgers te bevorderen. Deze publicatie beschrijft de werkwijze van een gezondheidseffectschatting. De theoretische beschrijving wordt geillustreerd met concrete voorbeelden uit de praktijk. In de bijlagen vindt de lezer checklists om een gezondheidseffectschatting uit te voeren.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Kosten en baten van Campylobacterbestrijding in Nederland - Integratie van risico-analyse, epidemiologie en economie | RIVM

Een combinatie van decontaminatie met een middel als melkzuur en technische maatregelen om de verspreiding van mest tijdens het slachten tegen te gaan, lijkt volgens modelberekeningen de meest economische methode om de microbiologische veiligheid van kippenvlees te verbeteren. Campylobacter-bacterien zijn de belangrijkste bacteriele veroorzakers van voedselinfecties in Nederland, met ongeveer 80.000 gevallen van gastro-enteritis per jaar. Onder de vele verschillende routes waarlangs de mens aan Campylobacter kan worden blootgesteld nemen consumptie van kippenvlees, direct contact met dieren en rauw geconsumeerde producten een belangrijke plaats in. Genoemde resultaten zijn verkregen in een multidisciplinair onderzoek naar de kosten en baten van maatregelen om de besmetting van kippenvlees terug te dringen. Aanvullende hygienemaatregelen op de boerderij zouden volgens modelberekeningen in theorie de besmetting bij het pluimvee sterk terug kunnen brengen, maar het is nog niet duidelijk welke maatregelen precies genomen moeten worden. Op korte termijn is meer effect te verwachten van aanvullende maatregelen op het slachthuis om de besmettingsgraad van het vlees te verminderen. Volgens modelberekeningen kunnen alleen al daardoor in Nederland ongeveer 12.000 gevallen per jaar van gastro-enteritis worden voorkomen. Om deze maatregelen succesvol te kunnen invoeren is nog wel aanvullend praktijkonderzoek nodig. Door onbekendheid met de maatregelen en de additionele kosten is het draagvlak bij de consument en ketenpartijen gering zodat actieve communicatie van groot belang is.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Risk assessment of Campylobacter in the Netherlands via broiler meat and other routes | RIVM

Elk jaar worden mensen ziek door de Campylobacter bacterie. Omdat de overheid wil weten wat zij hier het best tegen kan doen, is dit in het CARMA project onderzocht. Dit rapport beschrijft om te beginnen wat de oorzaken van campylobacterbesmetting zouden kunnen zijn. Direct contact met (huis-)dieren en de consumptie van onverhit voedsel komen naast kippenvlees als belangrijke bronnen naar voren. Kippenvlees zou een aanzienlijk deel van de ziektegevallen kunnen veroorzaken. Er is een wiskundig model gebouwd om meer inzicht te krijgen in het voorkomen en de verspreiding van campylobacter in de productieketen van kippenvlees, van de boerderij tot en met de bereiding van het vlees in de keuken thuis. Met het model is ingeschat waar en hoe het best ingegrepen kan worden om campylobacter te bestrijden met als doel het aantal zieken dat erdoor veroorzaakt wordt effectief te verminderen. Een goede optie lijkt te zijn om zowel het aantal besmette kippen, als de hoeveelheid campylobacters in de kippenmest en op het kippenvlees aan te pakken. Dat kan door extra aandacht te geven aan de hygiene op de boerderij, door tijdens de slacht het lekken van besmette mest uit de karkassen te verminderen en door het kippenvlees met bijvoorbeeld melkzuur te wassen. Er valt dan een aanzienlijke gezondheidswinst te behalen. Gegarandeerd vers campylobactervrij vlees is alleen mogelijk als al het vlees doorstraald zou worden. De meest doelmatige maatregelen zijn echter alleen vast te stellen als ook economische en maatschappelijke aspecten worden meegenomen. Hiervoor wordt verwezen naar andere rapporten die in het kader van dit CARMA project zijn verschenen.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Controlling Campylobacter in the chicken meat chain - Cost-effectiveness and cost-utility analysis | RIVM

Het doel van dit onderzoek was de kosten-effectiviteit en de kosten-utiliteit van verschillende interventies ter reductie van Campylobacter besmetting van kuikenvlees te schatten. Het relatieve risico, de interventiekosten, de ziektelast (uitgedrukt in Disability-Adjusted Live Years (DALY's)) en de ziektekosten zijn allemaal in eerdere studies binnen het CARMA (CAmpylobacter Risk Management and Assessment) project geschat, en vormen de basis van deze berekeningen. De kosten-effectiviteit is uitgedrukt in netto kosten per vermeden geval van campylobacteriosis en de kosten-utiliteit is in netto kosten per vermeden DALY geschat. Een aantal potentiele interventies is interessant, gezien hun (theoretische) efficientie en effectiviteit. De meest kosten-effectieve interventiemaatregelen zijn: reductie van fecale lekkage in de slachtlijn, chemische decontaminatie van het karkas door onderdompelen, en de combinatie van deze twee maatregelen. Faag therapie is eventueel een andere kosten-effectieve maatregel, afhankelijk van de kosten per behandeld kuiken. Maar geen van deze interventies zal tot eliminering van alle aan kuikenvlees gerelateerde gevallen van campylobacteriosis leiden. Doorstraling is van alle onderzochte maatregelen de meest effectieve, maar een van de minst kosten-effectieve maatregelen.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Scenario's Bodemsaneringoperatie | RIVM

De beoogde looptijd en het beschikbare overheidsbudget bepalen het welslagen van de bodemsaneringsoperatie. Met de huidige middelen is afronding van de operatie slechts mogelijk met aanzienlijke marktparticipatie. Dit concludeert de hier gepresenteerde studie. Zij geeft antwoord op de vraag van het Ministerie, om haar tools te verschaffen waarmee een planmatige aanpak van de bodemsanering kan worden gerealiseerd. Aan de hand van een nieuw ontwikkeld model en de toepassing van diverse scenario's daarop, schetst deze rapportage een beeld van de gevoeligheid van de voortgang van de saneringsoperatie voor een aantal sturingsvariabelen. Er blijkt een spanning te bestaan tussen het beschikbare budget en de beoogde looptijd van de operatie. Deze laatste is tweeledig: in 2015 moeten die locaties gesaneerd danwel beheerd zijn, waar de bodemkwaliteit onverantwoorde risico's met zich mee brengt bij het huidige gebruik, terwijl in 2030 ook de locaties moeten zijn aangepakt waar bij toekomstig gebruik onverantwoorde risico's zullen optreden. Realisatie van de beleidsdoelstellingen bij het beschikbare budget is slechts mogelijk wanneer participatie van de markt in de operatie tot stand komt. Bij het voorgestane beleid zal de saneringsoperatie in 2030 kunnen worden afgerond wanneer derden (de markt) vijf keer zo veel budget beschikbaar stellen als wat van overheidswege wordt gefourneerd.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

ROB maatregelen in de landbouw en vermindering van emissies van broeikasgassen. Zichtbaarheid van effecten in de nationale berekening en suggesties ter verbetering van de berekeningssystematiek | RIVM

In dit rapport wordt aangegeven welke vermindering van emissie van overige broeikasgassen Nederland kan bereiken door het uitvoeren van maatregelen om aan de EU nitraatrichtlijn te voldoen en van additionele maatregelen uit ROB onderzoek. Berekeningen laten zien hoeveel van deze verandering van emissie wel en hoeveel niet zichtbaar wordt via toepassing van de huidige monitoringssystematiek voor broeikasgassen. De omvang van deze niet gerapporteerde verandering bedraagt voor het jaar 2003 tussen 1,5 en 2 Mton CO2 equivalenten. In het rapport worden suggesties gedaan voor aanpassing van de nationale berekeningssystematiek van emissies van broeikasgassen zodat alle effecten van maatregelen wel zichtbaar worden in de berekening.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

The release of pesticides from container goods | RIVM

Containers met goederen die in Nederland worden ingevoerd, zijn vaak behandeld met een bestrijdingsmiddel. Veel toegepaste bestrijdingsmiddelen zijn methylbromide en chloorpicrine, en fosfine. De mogelijkheid bestaat dat deze middelen in de goederen terecht komen en uitdampen bij gebruik door consumenten.In dit onderzoek is gebleken dat goederen zoals matrassen, schoeisel, tassen en beeldjes, nog lange tijd na begassing bestrijdingsmiddelen kunnen uitdampen. Blootstelling van consumenten kan hierdoor onbedoeld optreden. Ook is gebleken dat bij voedingsmiddelen of medicijnen de begassing kan leiden tot orale opname van bestrijdingsmiddelen en wellicht ook tot verandering van de chemische samenstelling van het voedsel of medicijn. Dit onderzoek is verricht in opdracht van de VROM-Inspectie
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Biodiversity Trends and Threats in Europe; development and test of a species trend indicator | RIVM

Dit rapport presenteert een test van een samengestelde soorttrendindicator ten behoeve van de evaluatie van de 2010 biodiversiteitsdoelstelling, gebruik makend van bestaande data. De indicator integreert trends van verschillende soortgroepen, en kan worden geaggregeerd over habitats en landen. Op deze wijze kan de indicator zowel boodschappen leveren op hoofdlijnen, als gedetailleerde informatie voor diepgaande analyses, gebruik makend van data uit uiteenlopende bronnen, verzameld met uiteenlopende methodes.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Functionele voedingsmiddelen en voedingssupplementen: inventarisatie van wetgeving en richtlijnen ten aanzien van claims en veiligheid | RIVM

De laatste jaren komen steeds meer producten op de markt die claimen een gunstig effect op de gezondheid te hebben, de zogenaamde functionele voedingsmiddelen en voedingssupplementen. Dit rapport geeft een uitgebreid overzicht van de momenteel in Europa en Nederland geldende en in ontwikkeling zijnde wetgeving voor deze producten ten aanzien van claims en veiligheid. Het rapport bevat tevens een overzicht van de criteria die momenteel in enkele toonaangevende landen worden gehanteerd bij de onderbouwing en beoordeling van claims.Om het daadwerkelijke nut van functionele voedingsmiddelen en voedingssupplementen voor de volksgezondheid te kunnen beoordelen, dient een afweging plaats te vinden van de positieve effecten (gezondheidswinst) versus de negatieve effecten (gezondheidsrisico's). Een dergelijke effectiviteits- versus veiligheidsbeoordeling is nodig om te voorkomen dat consumenten, mede gezien het groeiende aanbod, misleid worden door onterechte of vage claims of zelfs een gezondheidsrisico lopen. Uit de inventarisatie blijkt dat de huidige wetgeving ontoereikend is ten aanzien van zowel de veiligheid als de onderbouwing van de claim. Beide aspecten worden namelijk, op enkele uitzonderingen na, niet verplicht getoetst voor toelating van het product op de markt. Gezien de in ontwikkeling zijnde wetgeving gaat dat veranderen, want daarin wordt onder meer voorzien in een verplichte pre-markt toetsing van de onderbouwing van gezondheidsclaims. Opvallend is echter dat in de wetsvoorstellen niet expliciet wordt ingegaan op de zo noodzakelijk geachte afweging van effectiviteit versus veiligheid.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

HIV-surveys bij hoog-risicogroepen in Rotterdam 2002-2003 | RIVM

Er bestaat een potentieel risico op verspreiding van HIV en SOA vanuit hoog-risicogroepen naar de rest van de bevolking in Nederland. Dit blijkt uit de eerste HIV-survey die is uitgevoerd in Rotterdam. Hierbij is gevonden dat de HIV-prevalentie onder prostituees 7% is, onder injecterende druggebruikers 10%, onder Kaapverdianen 1%, en onder Surinamers en Antillianen 0%. Het seksueel risicogedrag bij deze groepen is hoog. Doel van de survey was inzicht te verkrijgen in het voorkomen van HIV, seksueel risicogedrag en de potentie tot verspreiding hiervan bij prostituees, druggebruikers en migranten afkomstig uit HIV-endemische gebieden. De surveys zijn een onderdeel van de HIV-surveillance in Nederland.De HIV-prevalentie onder prostituees op de tippelzone (12%) is hoger dan bij prostituees in clubs (2%). Prostituees gebruiken vaak condooms met klanten (88%), echter deze condooms gaan regelmatig stuk (49%). Het aantal jaren werk in de prostitutie, transgenders en het spuiten van drugs waren geassocieerd met een HIV-infectie.Het seksueel risicogedrag onder migranten is hoog en hoger bij mannen dan bij vrouwen: dat wil zeggen veel partners, meer gelijktijdige partners en weinig condoomgebruik met vaste en losse partners. Door de vele seksuele contacten onderling en tussen de verschillende etnische groepen bestaat de kans op snelle verspreiding van HIV binnen deze groep migranten en naar de rest van de bevolking. De HIV-prevalentie onder injecterende druggebruikers is ongeveer hetzelfde gebleven ten opzichte van eerder onderzoek in 1997. Het spuitgedrag is minder risicovol geworden, echter het seksuele risicogedrag is hoog gebleven.De resultaten van de HIV-surveys worden gebruikt voor het preventiebeleid in Rotterdam
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Vaccinatietoestand Nederland per 1 januari 2004 | RIVM

In dit rapport treft u de cijfers aan van de vaccinatietoestand in Nederland per 1 januari 2004 voor zuigelingen, kleuters (4-jarigen) en schoolkinderen (9-jarigen) van de cohorten 2001, 1998 en 1993.De vaccinatiegraad in Nederland is al jaren zeer goed te noemen. Het afgelopen verslagjaar is de vaccinatiegraad voor alle vaccinaties - behalve voor DTP schoolkinderen - toegenomen. De lichte daling van de vaccinatiegraad bij zuigelingen sinds 1996 heeft zich hersteld. Met name de meest kwetsbare groep zuigelingen (< 6 maanden) is dit jaar nog beter beschermd met entpercentages voor D(K)TP en Hib >97%. De landelijke entpercentages zijn voor het eerst alle boven de 95% en voldoen hiermee ruim aan de WHO-normen. Ook op provinciaal en gemeentelijk niveau is het beeld over het algemeen gunstig. Alle provincies voldoen aan de norm van minimaal 90%, bovendien komen op gemeentelijk niveau vaccinatiepercentages <60% niet meer voor. De gebieden met onvoldoende vaccinatiepercentages concentreren zich weer voornamelijk in de 'Bible belt'.Toch blijft waakzaamheid geboden omdat inmiddels duidelijk is dat het met de vaccinatiegraad van de geboortecohorten vanaf eind 2003 minder goed gesteld is door de enorme media-aandacht die er geweest is met name rond het nieuw in te voeren acellulair kinkhoestvaccin. Continue aandacht en niet aflatende inzet van alle betrokkenen bij het RVP zullen nodig zijn om de jeugd ook in de toekomst afdoende te kunnen beschermen. Van zeer groot belang hierbij is het voorlichten van ouders en andere betrokkenen over nut en noodzaak van (een correcte uitvoering van) het RVP.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Het effect van geluid van vlieg -en wegverkeer op cognitie, hinderbeleving en de bloeddruk van basisschoolkinderen | RIVM

De leesprestatie van basisschoolkinderen rondom drie Europese vliegvelden blijkt gemiddeld lager te zijn bij hogere geluidniveaus van vliegverkeer. Het percentage ernstige hinder hangt samen met het geluidniveau van vliegverkeer. De relatie tussen geluid van vliegverkeer en bloeddruk is niet geheel eenduidig.Dit blijkt uit het tot dusver grootste onderzoek naar de effecten van geluid van vlieg- en wegverkeer op cognitieve functies, de bloeddruk en de hinderbeleving bij kinderen. Het onderzoek is uitgevoerd onder 2.844 kinderen in de omgeving van drie Europese luchthavens. De onderzoeksresultaten tonen dat de bevindingen in recente buitenlandse studies over effecten van geluid van vliegtuiggeluid op cognitie ook van toepassing zijn op de situatie rondom Schiphol. Voorheen was dit onzeker.De resultaten wijzen verder op een ongunstig effect van blootstelling aan geluid van vliegverkeer op het lange termijn geheugen. Ook blijken kinderen bij hogere geluidniveaus van vliegverkeer meer fouten te maken op de wisselende aandachtstest. Naar schatting zijn er in de omgeving van Schiphol 50 tot 3.000 (0,1 - 2,5%) bovenbouwleerlingen extra met een relatief lage score op een leestest. Normaliter heeft 9% een relatief lage score.Circa 3.400 (2,9%) bovenbouwleerlingen zijn ernstig gehinderd door het geluid van vliegverkeer op school.In Nederland is de bloeddruk hoger bij hogere geluidniveaus van vliegverkeer; in Engeland is dat niet zo. Ook de wetenschappelijke literatuur geeft geen duidelijkheid. Daarom kunnen aan deze resultaten geen eenduidige conclusies worden verbonden.In het rapport wordt tevens op de effecten van geluid afkomstig van wegverkeer ingegaan.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Op een lijn - Toekomstverkenning eerstelijnszorg 2020 | RIVM

Dit themarapport gaat over de toekomst van de eerstelijnsgezondheidszorg in Nederland. Met het jaar 2020 als tijdshorizon worden verkenningen gepresenteerd over de zorgvraag, het zorgaanbod en de organisatie van de eerste lijn. Daarmee wordt zichtbaar welke zorgvragen in 2020 op de eerste lijn afkomen, hoeveel hulpverleners daarvoor nodig zijn en hoe de organisatie eruit kan zien. Mogelijke organisatieveranderingen worden steeds bezien vanuit de wetenschappelijke evidentie die er voor de effecten bestaat. Het rapport biedt een schat aan informatie over de huidige en toekomstige eerstelijnszorg. Door de vele feiten en cijfers is het rapport - behalve een toekomstverkenning - een nuttig naslagwerk voor allen die bij de eerstelijnszorg betrokken zijn. De veldpartijen en het Ministerie van VWS hebben zich in het najaar van 2004 uitgesproken voor 'versterking van de eerstelijnsgezondheidszorg' als een gezamenlijke ambitie. Deze studie beoogt daaraan een bijdrage te leveren. Dit rapport is het resultaat van een samenwerkingsproject van het NIVEL en het RIVM, en maakt deel uit van de reeks Volksgezondheid Toekomst Verkenningen 2006.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Indexes of overall diet quality - A review of the literature | RIVM

Een 'holistische' benadering, waarbij eetpatronen als uitgangspunt worden genomen, is een aantrekkelijke manier om de voeding van de Nederlandse bevolking te beoordelen. We hebben de huidige literatuur onderzocht en vonden dat de gebruikte methoden verscheidene tekortkomingen en beperkingen hebben. We stellen dan ook voor om middels een nieuwe aanpak een geintegreerde voedingsindex te ontwikkelen, specifiek voor de Nederlandse situatie. Veranderingen in het voedingspatroon hebben zowel positieve als negatieve gevolgen voor de voedingsstoffenvoorziening en de gezondheid van de Nederlandse bevolking. De precieze impact van deze veranderingen op de gezondheid kan niet worden bepaald door te kijken naar individuele voedingsstoffen en voedingsmiddelen, de meest gangbare benadering. Om de kwaliteit van de voeding van de Nederlandse bevolking te bepalen, dient deze in zijn geheel te worden beschouwd. Dit gebeurt op twee verschillende manieren: vooraf kan een voedingsindex worden opgesteld op basis van bestaande kennis omtrent gezonde voeding, of eetpatronen kunnen middels statistische methoden achteraf worden afgeleid uit beschikbare voedselconsumptiegegevens. Dit rapport bevat een kritische beschouwing van de huidige literatuur op dit gebied.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Het 'VELD'-project: een gedetailleerde inventarisatie van de ammoniakemissies en -concentraties in een agrarisch gebied | RIVM

In een gebied van ca 9 km2 rondom Vragender (Gld.) is gedurende de periode juni 2002 tot september 2003 het pilot project VELD uitgevoerd. Enerzijds werden van alle agrarische activiteiten in het gebied de ammoniakemissie bepalende factoren in kaart gebracht en daaruit de ammoniakemissie berekend. Anderzijds is op 50 locaties in het gebied de ammoniakconcentratie in de lucht gemeten. Vergelijking tussen berekende ammoniakconcentraties op basis van de emissies en gemeten ammoniakconcentraties leverde in het algemeen een goede overeenkomst op. Echter tijdens de mestaanwending in het voorjaar 2003 werd een grote discrepantie gevonden..Belangrijkste redenen hiervoor zijn een onderschatting van de emissies door mestaanwending tijdens het droog en zonnig voorjaarsweer en een vermindering van de droge depositie van ammoniak ten tijde van de aanwending.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Referentieramingen energie en emissies 2005 - 2020 | RIVM

De ontwikkelingen van energiegebruik en emissies naar lucht tot 2020 zijn geschat voor twee economische scenario's,(Global Economy (GE) met hoge economische groei en "Strong Europe" (SE) met middelmatige groei). Door temperatuurstijging neemt het energiegebruik minder snel toe dan in een situatie zonder temperatuurstijging. In beide scenario's blijft Nederland energie-intensief in vergelijking met andere landen. Het tempo van energiebesparing ligt in beide scenario's op ongeveer 1% en is in de periode tot 2020 ongeveer gelijk aan dat van de afgelopen tien jaar. Door toenemende kosten voor winning en levering van aardgas en elektriciteitsproductie stijgen de energieprijzen voor eindverbruikers licht. Nederland zal meer elektriciteit in eigen land gaan produceren, aangezien het kostenvoordeel van de productie in het buitenland kleiner wordt. Het aandeel duurzame energie, vooral wind en biomassa, groeit sterk onder invloed van beleid, maar de rol blijft bescheiden met een aandeel van 6-9% in het totale binnenlands energiegebruik in 2020. Door de groei nemen de jaarlijkse MEP-subsidies toe tot 0,6 (SE) a 1,5 miljard euro in 2020 (GE). Het Kyoto-doel wordt bereikt in beide scenario's mits de voorziene subsidies van duurzame energie worden gerealiseerd, en het huidige CO2-emissieplafond voor de industrie voor de periode na 2007 wordt vastgesteld op het huidige niveau. Daarnaast is verondersteld dat de overheid de voorgenomen aankoop van buitenlandse emissiereducties via de Kyoto-mechanismen realiseert. Met het vastgestelde beleid dalen de emissies van verzurende emissies (NOx en SO2) onvoldoende om in 2010 te voldoen aan internationale emissieverplichtingen (NEC-doelen). Wanneer de huidige initiatieven van de overheid om de emissies verder te reduceren succesvol zijn, is de kans fifty fifty dat de doelen wel worden gerealiseerd. Voor NH3 en NMVOS is het nog onzeker of aan de NEC-verplichting kan worden voldaan. Dit hangt onder meer af van nieuwe inzichten in de NH3-emissie bij mestaanwending en de NMVOS-emissie bij de koude start van benzineauto's.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Effectevaluatie van transmurale diabeteszorg in Nederland | RIVM

Het Ministerie van VWS wil de kwaliteit van de diabeteszorg verhogen door middel van het verbeteren van de samenwerking tussen zorgverleners. Deze samenwerking tussen zorgverleners (zoals huisartsen, diabetesverpleegkundigen, internisten, dietisten, etc.) vindt plaats in transmurale diabeteszorgprojecten. In de afgelopen jaren is er al een aantal van zulke initiatieven op dit gebied ondernomen door zorgverleners zelf. Het Ministerie heeft het RIVM gevraagd om te onderzoeken in hoeverre de reeds bestaande samenwerkingsverbanden leiden tot een betere zorg voor mensen met diabetes. Transmurale diabeteszorg leidt er toe dat mensen met diabetes vaker worden gecontroleerd. Daarnaast is onderzocht wat het effect is van transmurale diabeteszorg voor de patienten . Er wordt daarbij gekeken naar de hoogte van de bloedsuikerspiegel (HBA1c), bloeddruk, cholesterol en lichaamsgewicht. Door de transmurale zorg is de bloedsuikerspiegel verlaagd en lijkt ook het cholesterol gehalte te dalen. Het effect van transmurale zorg op het ontwikkelen van complicaties van diabetes mellitus zoals diabetische voet, oogaandoeningen of hart- en vaatziekten is nog onduidelijk vanwege de korte follow-up duur in de beschikbare gegevens. Het is aannemelijk dat de verlaagde bloedsuikerspiegel en cholesterol op termijn leiden tot een afname in diabetescomplicaties. De onderzochte factoren zijn immers risicofactoren voor complicaties van diabetes. Ondanks de al gevonden verbeteringen in de onderzochte transmurale diabeteszorgprojecten is er nog ruimte voor verdere verbetering, met name op het gebied van de preventie van risicofactoren voor hart- en vaatziekten (bloeddruk en lichaamsgewicht).
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Berekening beschermingszones van Nederlandse grondwaterwinningen voor bescherming tegen virusbesmetting - Onzekerheids- en gevoeligheidsanalyse | RIVM

Om ondiepe grondwaterwinningen zonder afdekkende lagen voldoende te beschermen tegen virusbesmetting zijn beschermingsgebieden met verblijftijden van het grondwater van 1 tot 2 jaar (206 - 418 m) nodig. In dat geval wordt met 95%-zekerheid de infectiekans van 10-4 per persoon per jaar door consumptie van dit water niet overschreden. Dit impliceert dat de huidige richtlijn van 60 dagen voor de bescherming van Nederlandse grondwaterwinningen onvoldoende bescherming biedt. Dit werd in deze studie geconcludeerd waarbij besmetting van het grondwater met virussen uit een lekkende rioolpijp werd gesimuleerd voor een selectie van ondiepe grondwaterwinningen zonder afdekkende lagen. De grootte van het beschermingsgebied wordt vooral bepaald door virusinactivatie en hechting van virussen aan grond. Vooralsnog is onduidelijk in hoeverre de aanwezigheid van een onverzadigde zone en de aanwezigheid van hechtingsplaatsen voor virussen aan grond bijdragen aan de bescherming van grondwaterwinningen. Een kleiner beschermingsgebied dan hier berekend is acceptabel als aangetoond of aannemelijk kan worden gemaakt dat de winning eigenschappen heeft die leiden tot een verkleinde kans op virusbesmetting.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Groepsrisico en gebiedsgerichte benadering | RIVM

De Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat heeft in november 2003 aan de vaste kamercommissie voor Verkeer en Waterstaat een verkenning toegezegd naar een 'gebiedsgerichte benadering' van het groepsrisico (de kans op een ongeval met een groot aantal slachtoffers) in relatie tot Schiphol. De aanleiding hiervoor is de voorgenomen aanpassing van de Luchtvaartwet. Dit rapport onderzoekt de mogelijkheid van een alternatief voor het huidige groepsrisicobeleid voor de omgeving van Schiphol. In de huidige praktijk wordt het groepsrisico namelijk berekend voor een gebied van 56 bij 56 kilometer. Afwegingen over ruimtelijke ordening en veiligheid op lokaal (gemeentelijk) niveau zijn op die schaal niet mogelijk. Onderzocht is een benadering vanuit gemeentelijk perspectief: hoe verhouden verschillende lokale risico's zich tot elkaar en hoe verandert het groepsrisico als nieuwe ruimtelijke plannen worden gerealiseerd in beeld te brengen? De conclusie is dat de in dit rapport voorgestelde benadering goede aangrijpingspunten biedt voor een gebiedsgerichte benadering van het groepsrisico. Een verdere uitwerking moet uitwijzen hoe dit tot een praktisch en bruikbaar instrument uitgebouwd kan worden.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Nachgasen von Schaedlingsbekaempfungsmitteln aus Containerguetern | RIVM

Containers met goederen die in Nederland worden ingevoerd, zijn vaak behandeld met een bestrijdingsmiddel. Veel toegepaste bestrijdingsmiddelen zijn methylbromide en chloorpicrine, en fosfine. De mogelijkheid bestaat dat deze middelen in de goederen terecht komen en uitdampen bij gebruik door consumenten. In dit onderzoek is gebleken dat goederen zoals matrassen, schoeisel, tassen en beeldjes, nog lange tijd na begassing bestrijdingsmiddelen kunnen uitdampen. Blootstelling van consumenten kan hierdoor onbedoeld optreden. Ook is gebleken dat bij voedingsmiddelen of medicijnen de begassing kan leiden tot orale opname van bestrijdingsmiddelen en wellicht ook tot verandering van de chemische samenstelling van het voedsel of medicijn.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

A conceptual framework for budget allocation in the RIVM Chronic Disease Model - A case study of Diabetes Mellitus | RIVM

Dit rapport beschrijft de elementen van een zogeheten 'budget allocatie model'. Dit model is bedoeld ter ondersteuning van beleidsmakers bij keuzes over de inzet van budget voor primaire preventie en/of preventie in de zorg bij chronische aandoeningen. Als concrete toepassing is gekozen voor Diabetes mellitus. Een uitbreiding van het RIVM Chronische Ziekten Model beschrijft het verband tussen diabetes, risicofactoren en hart- en vaatziektecomplicaties. Een gezondheidseconomische module berekent vervolgens gezondheidseffecten in termen van gewonnen levensjaren en voor kwaliteit van leven gecorrigeerde gewonnen levensjaren (QALYs), interventiekosten, en kosten van zorg. Ten slotte bespreken we hoe de voorkeuren van beleidsmakers kunnen worden geformaliseerd in doelstellingsfuncties en (budget-)beperkingen. Deze drie elementen zijn de basis voor een toepassing van budgetallocatie bij diabetes. De ontwikkelde methode is ook toepasbaar bij andere chronische ziekten, omdat we het bredere RIVM Chronische Ziekten model als uitgangspunt hebben gebruikt. Het nieuwe model voor diabetes is niet alleen een basis voor budgetallocatie, maar ook op zichzelf al bruikbaar om primaire preventie en verschillende vormen van preventie van complicaties bij diabetes te evalueren. Het model kan voor deze interventies de consequenties voor Nederland berekenen, zowel voor de kosten van zorg als voor de gezondheid.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Is there evidence for a link between Crohn's disease and exposure to Mycobacterium avium ssp. paratuberculosis? A review of current literature | RIVM

Mycobacterium avium ssp. paratuberculosis (Map) wordt door veel onderzoekers beschouwd als mogelijke verwekker van de ziekte van Crohn (morbus Crohn, MC) bij de mens. Dit is vooral gebaseerd op klinische en pathologische overeenkomsten tussen MC en de ziekte Paratuberculose bij runderen (herkauwers), die zonder twijfel veroorzaakt wordt door Map, en de aangetoonde aanwezigheid van Map bij een deel van de patienten met MC. Echter, evenzoveel onderzoekers zijn van mening dat Map niet de verwekker is van MC omdat Paratuberculose en MC ook verschillen in een aantal kenmerken. Map kan bijvoorbeeld niet worden aangetoond bij alle MC patienten. Verder kan Map vaak wel worden aangetoond bij een aanzienlijk deel van de onderzochte gezonde personen. Omdat Map niettemin een ziekteverwekker is die via melk, vlees, water en andere levensmiddelen de consument kan bereiken, bestaat er ernstige bezorgdheid over het mogelijke risico van dit Map-besmet voedsel voor het ontstaan van MC bij de consument. In dit rapport wordt een antwoord gegeven op de vraag 'is het verband tussen de verwekker van Paratuberculose, Mycobacterium avium ssp. paratuberculosis, en de ziekte van Crohn overtuigend bewezen?' De huidige wetenschappelijke kennis over MC wordt beschreven, waarbij het accent wordt gelegd op de informatie die direct of indirect betrekking heeft op, of een indicatie kan zijn voor een mogelijke relatie tussen MC en Map.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Probabilistic modeling of dietary intake of substances - The risk management question governs the method | RIVM

Probabilistische modellering voor het berekenen van de inname van bestrijdingsmiddelen via de voeding heeft het voordeel dat onnodig conservatieve schattingen worden voorkomen. De toepassing van probabilistische modellering vereist echter dat verschillende beleidsbeslissingen expliciet moeten worden genomen. Deze betreffen de fractie van de bevolking die beschermd moet worden in de acceptabele fractie van dagen met overschrijding. Dit rapport analyseert de verschillende beleidsvragen die leiden tot een innameberekening uit voedsel. De eerste betreft de veiligheid van elk voedingsmiddel, de tweede het risico van een partij met te hoog residugehalte en de derde beleidsvraag gaat in op het gezondheidsrisico bij werkelijke blootstelling. Innameberekeningen worden bemoeilijkt doordat de informatie die in de Nederlandse Voedselconsumptie Peiling (VCP) beperkt is en bewerkt moet worden voordat deze te gebruiken is. Getoond wordt dat de beleidsvraag bepalend is voor de manier waarop een innameberekening dient te worden uitgevoerd. Het berekenen van de lange-termijn inname van voedingsmiddelen die veel worden gegeten was al langer mogelijk. Met behulp van een recent op het RIVM ontwikkeld model zijn probabilistische innameberekeningen nu ook mogelijk voor voedingsmiddelen die incidenteel worden gegeten. Ook kan de korte-termijn inname (1 dag) worden berekend. Het berekenen van de inname van bestrijdingsmiddelen via meerdere voedingsmiddelen is alleen nog maar mogelijk voor de lange-termijn inname van frequent gegeten voedingsmiddelen.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Greenhouse Gas Emissions in the Netherlands 1990-2003 - National Inventory Report 2005 | RIVM

Dit jaarlijkse rapport over de Nederlandse inventarisatie van broeikasgasemissies is geschreven om te voldoen aan de rapportageverplichtingen van het Klimaatverdrag van de Verenigde Naties (UNFCCC) en van het Bewakingsmechanisme Broeikasgassen van de Europese Unie. In 2003 waren de totale broeikasgasemissies (exclusief landgebruik) circa 1% hoger dan in het basisjaar (1990, maar 1995 voor de gefluorideerde gassen) en zonder temperatuurcorrectie. In periode 1990-2003 zijn de emissies van CO2 exclusief landgebruik met 12% toegenomen, terwijl de CH4 en N2O-emissies met respectievelijk 32% en 19% afnamen. Van de zogenaamde F-gassen, waarvoor 1995 het referentiejaar is, nam de totale emissie met circa 60% af. De HFK- en PFK-emissies namen met respectievelijk 75% en 25% af in 2003 ten opzichte van 1995, terwijl de emissies van SF6 met 11% toenamen. De grootste wijzigingen in totale broeikasgasemissies in 2003 ten opzichte van 2002 worden veroorzaakt door toename van 3,1 Mton (1,7%) van de CO2-emissies, vooral van de streefwaardesectoren gebouwde omgeving (5%), industrie/energiesector (0,9%) en transportsector (2,0%), terwijl de emissies in de landbouw daalden (-2,2%). De methaanuitstoot is met 0,7 Mton CO2-eq. (4,2%) afgenomen (met name bij afval en landbouw). Ook de N2O-uitstoot is in 2003 met 0,7 Mton-CO2-eq. afgenomen (3,6%) (met name in landbouw en industriele procesemissies). Dit rapport bevat onder andere trendanalyses voor de emissies van broeikasgassen in de periode 1990-2003 en documentatie van gebruikte berekeningsmethoden, databronnen en toegepaste emissiefactoren. Ook worden de nationale broeikasgasemissies per streefwaardesector samengevat, zoals gebruikt in het Nederlandse nationale klimaatbeleid. Veel aandacht wordt dit jaar besteed aan de documentatie van de vele uitgevoerde herberekeningen.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Beoordelingskader Gezondheid en Milieu: nachtelijk geluid rond Schiphol en slaapverstoring | RIVM

Het kabinet zal binnenkort een standpunt innemen over een eventuele wijziging van het beleid gericht op het terugdringen van slaapverstoring door nachtelijk vliegverkeer van Schiphol. Ter ondersteuning van dit kabinetsbesluit is voor het onderwerp nachtelijk geluid van vliegverkeer rond Schiphol en slaapverstoring het Beoordelingskader Gezondheid en Milieu ingevuld. Dit beoordelingskader bevat een checklist voor factoren, die mogelijk van invloed zijn op de besluitvorming rond een milieuprobleem met veronderstelde of bewezen gezondheidseffecten, zoals de omvang en ernst van gezondheidseffecten, de beleving van effecten of risico's van burgers, de mogelijke maatregelen en de kosten en baten van deze maatregelen. De beschrijving van de gezondheidseffecten van nachtelijke geluidbelasting is vooral gebaseerd op een recent verschenen advies van de Gezondheidsraad. Voor de kwantificering van de gezondheidseffecten is met name geput uit verschillende studies die in de omgeving van Schiphol zijn uitgevoerd in het kader van het onderzoeksprogramma Gezondheidskundige Evaluatie Schiphol. De mogelijke maatregelen zijn voornamelijk afkomstig uit een inventarisatie uitgevoerd door het Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium. Schattingen van de kosten en de effectiviteit van maatregelen zijn alleen beschikbaar voor een scenario waarin het nachtregime van 23:00 - 6:00 uur wordt verlengd tot 7:00 uur. Het resultaat is een beschrijving van aspecten die een rol kunnen spelen bij de besluitvorming over slaapverstoring en het nachtelijk geluid van vliegverkeer rond Schiphol.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Digitalisering in de radiodiagnostiek: Gevolgen voor de patientveiligheid | RIVM

Steeds meer afdelingen radiologie gaan over op digitale beeldvormingstechnieken. Voor beeldkwaliteit en patientendosis kan deze digitalisering zowel voordelig als nadelig uitpakken. Voor de Inspectie voor de Gezondheidszorg zijn in dit rapport de gevolgen van de toenemende digitalisering in de radiodiagnostiek voor de patientveiligheid in kaart gebracht. Daarbij is ook aandacht besteed aan de kwaliteitsborging van digitale systemen en het toekomstperspectief van nieuwe digitale technieken. De belangrijkste conclusie van dit onderzoek is dat een omschakeling naar digitale systemen momenteel in de praktijk lang niet altijd in een dosisreductie resulteert, maar dat dat in de meeste gevallen na optimalisatie wel mogelijk is. Voor de nabije toekomst is de verwachting dat digitale systemen beter en goedkoper zullen worden. Ook zullen enkele nieuwe digitale technieken hun opwachting maken. Belangrijke voordelen van digitale technieken zijn dat vrijwel elke exposie een beeld levert, de beeldbewerkingsmogelijkheden en de transporteerbaarheid van de beelden. Daar staan tegenover de hoge kosten van de omschakeling, het lagere oplossend vermogen en mogelijk onzorgvuldig gebruik. Een omschakeling naar digitale technieken betekent ook dat het werkproces verandert. Speciaal op digitale systemen toegesneden protocollen voor kwaliteitsborging zijn daarbij nodig. Om problemen met beeldkwaliteit en patientendosis te voorkomen dienen deze protocollen bij acceptatie van digitale apparatuur, dus voor de klinische ingebruikname, opgesteld te worden.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Bottom up approaches to defining future climate mitigation commitments | RIVM

Dit rapport beschrijft de resultaten van een aantal in de literatuur geopperde alternatieve, bottom-up benaderingen om verplichtingen vorm te geven,i.e. technologie en performance standaards, technologie onderzoek en ontwikkelingsafspraken, sectorale verplichtingen, S-CDM (Sectoraal CDM) en SD-PAMs (Sustainable Development Policies & Measures), en analyseert de sterke en zwakke punten van de benaderingen. Daarnaast analyseert dit rapport in meer detail een bottom-up benadering voor de definitie van nationale emissie doelstellingen, de zogenaamde mondiale Triptych approach, en vergelijkt deze benadering met meer top-down benaderingen (Multi-stage (MS) en Contraction and Convergence(C&C)) op basis van een kwantitatieve en kwalitatieve analyse. Dit leidt tot de conclusie dat bottom-up benaderingen waardevolle componenten kunnen zijn van een toekomstig klimaatregime, maar dat ze geen volledig of volwaardig alternatief kunnen vormen voor kwantitatieve verplichtingen (emissieplafonds), daar ze minder zekerheid geven over de milieueffectiviteit van klimaatbeleid. In vergelijking met Multi-stage en de C&C top-down benaderingen biedt de mondiale Triptych benadering de mogelijkheid van vroege deelname van de ontwikkelingslanden zonder het risico van "hot air", zoals onder C&C, en vermijdt de noodzaak om de niet-Annex I op te splitsen zoals bij Multi-Stage. Echter, door de complexiteit en data-intensiviteit van de Triptych benadering zijn er substantikle implementatieproblemen te verwachten in de minst ontwikkelde ontwikkelingslanden als het gevolg van hun gebrekkige institutionele en technische capaciteiten. Het lijkt beter om deze landen in eerste instantie uit te sluiten, en hun te enthousiasmeren voor het op zich nemen van niet-bindende kwantitatieve verplichtingen.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Beweging en veiligheid in de wijk - Handleiding 'bewegingsbevorderende en veilige wijken' | RIVM

In veel gemeenten in Nederland ontstaan nieuwe wijken of worden oude wijken opnieuw ingericht. De inrichting van de wijk (ofwel woonomgeving) heeft in belangrijke mate invloed op de gezondheid en het gezondheidsgedrag van de inwoners, bijvoorbeeld op het gebied van de mogelijkheden voor bewegen of de sociale en fysieke veiligheid. Deze twee hangen nauw samen: in een verkeers- en sociaal veilige woonomgeving zullen mensen meer geneigd zijn te gaan bewegen. Een veilige woonomgeving nodigt uit tot fietsen en lopen; en actief bezig zijn is het gemakkelijkst vol te houden als het past binnen een dagelijkse routine. Dat maakt dat de inrichting van de wijk belangrijke aangrijpingspunten biedt voor gezondheidsbevordering. Door het RIVM is in de gemeente Voorhout een handleiding ontwikkeld en getoetst waarmee gemeenten een bewegingsbevorderende en veilige inrichting van wijken kunnen realiseren. De handleiding 'bewegingsbevorderende en veilige wijken' geeft stapsgewijs aan hoe een bewegingsbevorderende en veilige woonwijk kan ontstaan en geeft 50 aanbevelingen voor het inrichten van wijken. Deze handleiding is bestemd voor alle gemeenten in Nederland die in nieuwbouw- en herstructureringsplannen aandacht willen besteden aan het stimuleren van lichamelijke activiteit en veiligheid van de inwoners.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Ninth CRL-Salmonella interlaboratory comparison study (2004) on typing of Salmonella spp | RIVM

Het negende ringonderzoek voor de typering van Salmonella werd in de lente van 2004 georganiseerd door het Communautair Referentie Laboratorium voor Salmonella (CRL-Salmonella, Bilthoven, Nederland) in samenwerking met Health Protection Agency (HPA, Londen, Verenigd Koninkrijk) en het Centraal Instituut voor Dierziekte Controle (CIDC, Lelystad, Nederland). Vijfentwintig Nationale Referentie Laboratoria voor Salmonella (NRLs-Salmonella) inclusief Noorwegen en Kandidaat lidstaat Roemenie en 18 Enter-Net Laboratoria (ENLs) namen deel aan de studie. Twintig stammen van species Salmonella enterica subspecies enterica werden geselecteerd voor de serotypering. Tien stammen van Salmonella Enteritidis (SE) en 10 stammen van Salmonella Typhimurium (STM) werden geselecteerd voor faagtypering. Tien stammen van Salmonella spp. werden geselecteerd voor antimicrobiele gevoeligheidsbepalingen. In het algemeen werden geen problemen gevonden met de typering van de O-antigenen. Enkele laboratoria hadden problemen met het typeren van de H-antigenen. Veel problemen traden op met de onderscheiding tussen S.Banana en S. California. Achtennegentig procent van alle deelnemende laboratoria typeerden de O-antigenen correct. De H-antigenen werden correct getypeerd door 90 % van de NRLs en door 96 % van de ENLs. Negentig procent van de NRLs en 95 % van de ENLs gaven de 20 serotyperingsstammen de goede serovar naam. De faagtypering van enkele van de Salmonella Enteritidis stammen zorgden voor problemen voor zowel de NRLs als de ENLs. De meeste laboratoria testten de antimicrobiele gevoeligheids bepalingen tegen een panel van veertien antibiotica. Sommige problemen deden zich voor met de interpretatie van de resultaten verkregen met de antibiotica amoxicillin-clavanulaat en trimethoprim/sulphamethoxazole. Deze studie toonde aan dat minder afwijkende resultaten werden verkregen met de Minimal Inhibition Concentration methode dan met de disk diffusie test.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Masking of vitamin B12 deficiency associated neuropathy by folic acid | RIVM

Het Ministerie van VWS overweegt om bepaalde voedselbestanddelen te verrijken met foliumzuur. Foliumzuurverrijking houdt echter een gezondheidsrisico in, omdat het vitamine B12 deficientie maskeert, waardoor het de incidentie van megaloblastische anemie en perifere neuropathie kan verhogen. Dit rapport geeft een overzicht van de literatuur met betrekking tot het potentieel maskerende effect door foliumzuur van pernicieuze anemie -het vroege symptoom- van vitamine B12-deficientie. Het vermoeden, dat foliumzuur neurologische complicaties kan geven en verergeren, komt mogelijk door publicaties uit de veertiger jaren, toen foliumzuur voor het eerst - en onjuist - gebruikt werd om patienten met pernicieuze anemie te behandelen. Foliumzuursuppletie (zonder co-suppletie met vitamine B12) induceert of stimuleert niet de met vitamine B12-deficientie geassocieerde neuropathie. Een belangrijke aanwijzing hiervoor werd recent verkregen in de V.S., waar na de verrijking van granen met foliumzuur, het percentage anemie onder personen met een laag serum vitamine B12 niet significant steeg ten opzichte van de periode daarvoor. Huisartsen dienen alert te zijn op een juiste diagnose van pernicieuze anemie en de hoge prevalentie van vitamine B12 deficientie in bepaalde risicogroepen (ouderen en vegetariers). Maskering van pernicieuze anemie is dan geen argument om de verrijking van voeding met foliumzuur af te wijzen.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Scenario's voor huishoudensontwikkelingen in Nederland | RIVM

In de afgelopen vier decennia is het aantal huishoudens toegenomen van 3,2 in 1960 tot 7 miljoen in 2003. Het kleiner worden van de gemiddelde huishoudensgrootte, ook wel bekend als huishoudensverdunning, kan voor een belangrijk deel worden verklaard uit de maatschappelijke trend van individualisering. Daarnaast leidde dit tot een andere huishoudenssamenstelling van huishoudens. Huishoudensontwikkelingen worden bepaald door demografische factoren zoals geboorte,sterfte en migratie, maar ook door factoren die verband houden met de levensloop van mensen. Aan de hand van een viertal scenario's, Global Economy, Strong Europe, Transatlantic Market en Regional Communities, is in dit rapport beschreven hoe de omvang en samenstelling van de huishoudens in de toekomst mogelijk zullen veranderen. In het Global Economy scenario groeit het aantal huishoudens naar ruim 10 miljoen in 2040. In het Regional Communities scenario ligt de top van het aantal huishoudens op bijna 7,5 miljoen rond 2030, waarna het aantal huishoudens terugloopt naar 7 miljoen. In alle scenario's zal het proces van huishoudensverdunning in de toekomst doorgaan. De sterkste daling van de gemiddelde huishoudensgrootte vindt plaats in het Global Economy scenario naar 1,93 personen per huishouden, en de minst sterke daling in het Regional Communities scenario naar 2,19 personen. In het Global Economy scenario is het aantal eenpersoonshuishoudens het hoogst van alle scenario's met 5,5 miljoen in 2040 tegen 2,5 miljoen in het Regional Communities scenario. De grootste stijging in eenpersoonshuishoudens is te verwachten bij de hogere leeftijden; onder ouderen kan het aantal eenpersoonshuishoudens verdubbelen of zelfs verdrievoudigen.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

De opzet van het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid voor 2004 en daarna - Uitbreiding van LMM voor onderbouwing van Nederlands beleid en door Europese monitorverplichtingen | RIVM

De effectiviteit van Nederlandse mestbeleid wordt gemonitord met een speciaal hiervoor ontwikkeld meetprogramma, namelijk het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM). Per 2004 is de meetinspanning sterk toegenomen om aanvullende beleidsvragen te kunnen beantwoorden alsook om te kunnen voldoen aan Europese meetverplichtingen. Dit rapport beschrijft het meetprogramma voor 2004 en daarna en onderbouwt de bij de inrichting gemaakte keuzen.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

EU Interlaboratory comparison study VII (2003) on bacteriological detection of Salmonella spp | RIVM

In 2003 werd door het Communautair Referentie Laboratorium voor Salmonella (CRL-Salmonella, Bilthoven, the Netherlands) het zevende bacteriologische ringonderzoek georganiseerd. Nationale Referentie Laboratoria voor Salmonella (NRL's-Salmonella) van de EU lidstaten (16), van NRL Noorwegen en van drie EU kandidaat lidstaten namen deel aan deze studie. Referentiematerialen in combinatie met of zonder de aanwezigheid van kippenfeces, zowel als natuurlijk besmette feces (bevattende Salmonella Muenchen) werden getest. De referentiematerialen bestonden uit gelatine capsules met verschillende besmettingsniveaus van Salmonella Typhimurium (STM), Salmonella Enteritidis (SE) of Salmonella Panama (SPan). Bovendien werd naast de uitvoering van de testen door de laboratoria een vergelijking gemaakt tussen de media zoals beschreven in ISO 6579: 2002 en de alternatieve media Modified Semi-solid Rappaport Vassiliadis (MSRV) en Briljant Groen Agar (BGA), resulterend in zes medium combinaties. Significant meer positieve isolaties werden gevonden met capsules welke een hoog gehalte aan SE bevatten en in afnemende volgorde, met een laag gehalte aan SE en een hoog gehalte aan STM en vervolgens met een laag gehalte aan STM. De totale resultaten van zowel alle capsules als van de natuurlijk besmette monsters lieten betere (alhoewel niet statistisch significant) resultaten zien voor MSRV (met BGA en XLD als uitplaat-medium) in vergelijking met de ISO 6579: 2002 methode. Zeven laboratoria scoorden systematisch onder de gemiddelde resultaten behaald door alle laboratoria met de kunstmatig besmette monsters voor alle zes medium combinaties en negen laboratoria met de natuurlijk besmette monsters.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Stromen van water en stoffen door de bodem en naar de sloten in de Vlietpolder | RIVM

Het RIVM heeft onderzoek gedaan naar de uit- en afspoeling van meststoffen naar bodem en oppervlaktewater in het veenweidegebied Vlietpolder. De hoeveelheid nutrienten die bodem en water mag belasten, wordt beperkt door nationale en internationale regelgeving. De concentraties van N en P in het polderwater zijn hoger dan de richtinggevende waarden voor oppervlaktewater. Afvoer van water en stoffen uit de bodem vindt vooral plaats in een toplaag met een dikte van circa 2m. Het aandeel van de bemesting in de belasting van het slootwater bedraagt ruwweg 10 tot 20% aan N en P en 30% aan SO4; de rest komt uit de bodem. Belasting door afbraak van de bodem resulteert in circa 16 kg/ha/jaar aan N, 3 kg/ha/jaar aan P en 240 kg/ha/jaar aan SO4, afhankelijk van de seizoenen. Stoffen in slootwater zijn verder afkomstig van opwaartse diffusie en dispersie uit diepere lagen (150 kg/ha/jaar Cl, 7.5 kg/ha/jaar N en 1.5 kg/ha/jaar P). SO4 verdwijnt uit de ondiepe bodem door neerwaartse diffusie (50 kg/ha/jaar). Uit slootwater verdwijnt circa 30 tot 40% van de met het grondwater meegevoerde N en P door plantopname en neerslag in de sloot.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Schatting van de blootstelling van beroepsduikers aan micro-organismen in water | RIVM

Berekend werd dat beroepsduikers een hoge kans lopen op infectie door ziekteverwekkende micro-organismen in oppervlaktewater dat sterk fecaal verontreinigd is door vogels en afvalwaterlozingen. Aanbevolen wordt derhalve om in dergelijk water een duikershelm te dragen. Het onderhavige onderzoek had als doel om de blootstelling aan ziekteverwekkende micro-organismen in oppervlaktewater bij beroepsduikers te schatten. Daartoe werd een enquete naar 25 bedrijven met 233 beroepsduikers verzonden, waarop 35 duikers reageerden. Geschat werd dat, afhankelijk van het type water, beroepsduikers gemiddeld 4,8 tot 12 ml water per duik en 24 tot 240 ml water per jaar inslikken. Ze slikken meer in tijdens duiken in zout dan in zoet water. Geschat werd dat daardoor tenminste een per honderdduizend duikers per jaar het risico loopt op een infectie door wateroverdraagbare ziekteverwekkende micro-organismen. Dit is weliswaar laag, maar dit infectierisico kan in sterk fecaal verontreinigd water tientallen tot honderdtallen hoger zijn. Er werd een sterke aanwijzing gevonden dat veel minder water wordt ingeslikt bij het gebruik van een duikershelm dan van een bandmasker of scuba-uitrusting.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Interventies ter preventie van overgewicht in de wijk, op school, op het werk en in de zorg - Een verkennende studie naar de effecten | RIVM

De Nederlandse overheid wil graag bereiken dat het aantal mensen met overgewicht afneemt. Daarvoor is het belangrijk dat meer mensen voldoende bewegen en/of minder eten. Het doel van dit onderzoek is om uit te zoeken met welke maatregelen, interventies genoemd, dit bereikt kan worden en welke effecten deze interventies op de langere termijn hebben op het gewicht, beweeggedrag en energie-inname. Dit rapport beschrijft zowel Nederlandse als buitenlandse interventies in de wijk, op school, op het werk en in de zorg. In totaal vonden we in de literatuur ruim 70 overzichtsstudies met de resultaten van ruim honderd interventies. Er kon geen duidelijke conclusie getrokken worden over de effecten van interventies op school en op het werk, maar wel over de effecten van interventies in de wijk en in de zorg. Het wijkgerichte Hartslag-Limburg-project bereikte een positief effect op het gemiddelde gewicht (-0,2 kg), de lichamelijke activiteit (+1,6 uren/week) en de energie-inname (-51 kcal/dag) na 5 jaar. Ook het SLIM-project in de zorg bereikte een positief effect na 2 jaar op het gemiddelde gewicht (-2,4 kg) en verbeterde de conditie in de interventiegroep ten opzichte van de controlegroep. De langetermijneffecten van ruim 30 andere Nederlandse projecten ter preventie van overgewicht zijn nog niet bekend, maar vergelijkbare buitenlandse projecten bevestigen bovenstaande resultaten. Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat alleen een intensieve aanpak het gewicht en gedrag van mensen langdurig kan veranderen. In theorie zou zowel het aantal mensen met overgewicht als het aantal mensen dat inactief is met 1 tot 3 procentpunten kunnen afnemen, wanneer interventies overeenkomstig met Hartslag-Limburg en SLIM worden aangeboden aan 30 tot 90% van de Nederlandse bevolking.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Climate - Options for broadening climate policy | RIVM

Dit onderzoek verkent wegen om de beleidscoherentie tussen het klimaatbeleid en een aantal klimaat relevante beleidsterreinen te versterken. Dit kan worden gerealiseerd door een niet-klimaat beleidsspoor toe te voegen aan nationale en internationale klimaatbeleidstrategieen. Onderzocht zijn het armoedebestrijdingsbeleid, landgebruik en landbouw, de voorzieningszekerheid van energie, handel en financiering, en luchtkwaliteit en gezondheid. Het rapport analyseert het potentieel en de mogelijkheden voor synergie en uitruil van het verbinden van klimaatbeleid met deze beleidsterreinen. Op deze manier is een overzicht gemaakt van de meest veelbelovende opties om klimaat te integreren. Vervolgens is nagegaan hoe een niet-klimaat beleidsspoor onderdeel gemaakt kan worden van het huidige adaptatie en mitigatiebeleid binnen de UNFCCC en nationaal klimaatbeleid. Tot slot is de vraag beantwoord hoe nationaal en internationaal beleid kan bijdragen aan de implementatie van het niet-klimaat beleidsspoor. Het rapport concludeert dat het niet-klimaat beleidsspoor een aanzienlijk potentieel heeft om de implementatie van klimaatveilige en klimaatvriendelijke ontwikkelingspaden te versterken, met als uiteindelijk doel de kwetsbaarheid van samenlevingen voor klimaatveranderingen te verminderen en minder broeikasgasemissies uit te stoten.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Quality and the future. Sustainability outlook. Summary | RIVM

Duurzaamheid gaat over de vraag of de huidige ontwikkeling van de wereld kan worden voortgezet. Het antwoord is afhankelijk van maatschappelijke opvattingen over de kwaliteit van leven en de verdeling ervan over de wereld en van wetenschappelijke inzichten in het functioneren van het maatschappelijk en het natuurlijk systeem.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Risicoschatting voor Down syndroom en neuraalbuisdefecten door analyse van triple test parameters in maternaal serum 1999-2002 | RIVM

Tussen 1999 en 2002 zijn in opdracht van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) ongeveer 14000 zogenaamde triple testen uitgevoerd. De triple test is een bloedtest die de kans geeft op een zwangerschap van een kind met Down syndroom of met een open rug of open schedel (NBD). Als de uitkomst van zo'n test ongunstig is ('hoog risico') kan de zwangere vrouw beslissen of zij haar zwangerschap nader laat onderzoeken. Bij de triple test wordt in het bloed van de zwangere de concentratie bepaald van drie hormoonachtige stoffen. De gemeten concentraties en de leeftijd van de moeder zijn de basis voor de kansbepaling, die wordt berekend met een computerprogramma. De zwangere vrouwen voor wie een triple test was aangevraagd is gevraagd de uitkomst van de zwangerschap te melden. Met die gegevens kan de effectiviteit van de triple test onderzocht worden (epidemiologische evaluatie). Dit rapport presenteert die epidemiologische evaluatie, maar ook de herkomst van de aanvragen, de uitkomsten van de experimentele bepalingen en (voor het eerst) een overzicht van de individuele Down syndroom- en NBD-zwangerschappen. In de verslagperiode steeg het aantal aanvragen van ca. 3100 (1997-1999) tot ca. 3700 per jaar. Er waren geen veranderingen in de regionale herkomst, aanvragercategorie, en leeftijdsverdeling van de populatie zwangere vrouwen. In 1999 werd van 79% en in 2000-2001 van 84% van alle aanvragen een rapportage van de uitkomst van de zwangerschap ontvangen. In 1999 werd 90% van alle Down syndroom zwangerschappen gevonden en in de periode 2000-2001 80%, bij een percentage onterechte 'hoog risico' uitslagen van in beide periodes 15,6%. Van de NBD zwangerschappen werd in 1999 en 2000-2001 respectievelijk 50 en 0 % ontdekt bij een percentage onterechte 'hoog risico' uitslagen van respectievelijk 0,8 en 1,2%. Deze percentages geven aan dat aan bepaalde minimumeisen voor de triple test is voldaan (met uitzondering van het detectiepercentage voor NBD). Ook het gemiddelde van de concentraties van de drie stoffen die bij de triple test worden gemeten bevond zich binnen de gestelde grenzen. Verder laat dit rapport zien dat de meeste triple testen worden uitgevoerd bij een zwangerschapsduur tussen de 15 en 16 weken en dat de meeste monsters minder dan drie dagen in transport zijn tussen bloedafname en ons laboratorium. Bij triple testen uitgevoerd bij zwangeren met suikerziekte en bij tweelingzwangerschappen blijken de veranderingen in de concentraties van de triple test stoffen overeen te komen met literatuurgegevens.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Methaanproductie als gevolg van pensfermentatie bij rundvee berekend middels de IPCC-GPG Tier 2 methode | RIVM

Volgens de IPCC-GPG methode wordt de methaanemissie berekend als percentage van de door het dier opgenomen bruto energie met het voer. Het rapport beschrijft in detail de benodigde energie voor onderhoud, activiteit, groei, lactatie en dracht. Met behulp van de rantsoenen van het Nederlandse rundvee wordt vervolgens de bruto energie opname berekend. Het rapport presenteert voor de volledige periode 1990-2002 voor alle rundveecategorieen de methaanemissie als gevolg van pensfermentatie.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Methane production as a result from rumen fermentation in cattle calculated by using the IPCC-GPG tier 2 method | RIVM

Volgens de IPCC-GPG methode wordt de methaanemissie berekend als percentage van de door het dier opgenomen bruto energie met het voer. Het rapport beschrijft in detail de benodigde energie voor onderhoud, activiteit, groei, lactatie en dracht. Met behulp van de rantsoenen van het Nederlandse rundvee wordt vervolgens de bruto energie opname berekend. Het rapport presenteert voor de volledige periode 1990-2002 voor alle rundveecategorieen de methaanemissie als gevolg van pensfermentatie.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

De kwaliteit van het drinkwater in Nederland in 2003 | RIVM

Voor u ligt het jaarlijkse rapport in de reeks "De drinkwaterkwaliteit in Nederland". Het rapport is gebaseerd op de resultaten van de meetprogramma's over 2003, die de waterleidingbedrijven uitvoeren ter controle van de drinkwaterkwaliteit en de gebruikte grondstof. De meetgegevens worden jaarlijks op grond van de Waterleidingwet aan de VROM-Inspectie (VI) gerapporteerd. Het RIVM heeft de gegevens in samenwerking met de VI verwerkt tot een rapport ten behoeve van de Minister, Tweede Kamer, producenten en consumenten van drinkwater. Uit de gegevens blijkt dat ook in 2003 de wettelijke voorschriften met betrekking tot de controle van het drinkwater goed zijn nageleefd. De kwaliteitsgegevens zijn getoetst aan de normen van het Waterleidingbesluit (WLB) dat in 2001 van kracht is geworden. De meetprogramma's zijn in 2003 volgens de eisen van dit besluit uitgevoerd. Het aantal pompstations (56 = 25%) waar in 2001 een normoverschrijding is vastgesteld, is ten opzichte van het voorgaande jaar (30%) afgenomen. Een groot deel van de normoverschrijdingen is incidenteel. De norm voor bestrijdingsmiddelen is voor vier middelen (allen eenmaal) overschreden. In het afgeleverde water van een pompstation is de concentratie nikkel structureel hoger dan de norm. De kwaliteit van het grondwater is hiervan de oorzaak. Het betreffende bedrijf heeft een ontheffing hiervoor gekregen tot eind 2004. De indicatorparameter voor besmetting met pathogenen (E.coli) is in het reguliere meetprogramma niet aangetoond. Er zijn wel enkele kortdurende besmettingen met de bedrijfstechnische parameter bacterikn van de coligroep geweest. In 26 monsters genomen na een reparatie in het distributienet is een bacteriele besmetting aangetoond. In negen gevallen betrof het een E.coli en/of enterococcen waarvoor achtmaal een kookadvies is gegeven. De normoverschrijding van de parameter trihalomethanen op twee locaties zal vanaf 2006 tot het verleden behoren wanneer de UV-desinfectie in bedrijf is genomen. Legionella is in het afgeleverde water van 210 pompstations gemeten en eenmaal (niet pathogene species) aangetoond. Geen van de normoverschrijdingen gaf aanleiding tot een bedreiging van de volksgezondheid. De kwaliteit van het drinkwater is in het algemeen goed.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Stralingsniveaumetingen rond het terrein van COVRA N.V. gedurende de proefperiode - Een uitbreiding van de MONET methode | RIVM

In opdracht van de VROM Inspectie meet RIVM/LSO het externe stralingsniveau rond het terrein van Centrale Organisatie voor Radioactief Afval (COVRA). In november 2002 was het MONET-meetnet, dat het thermoluminiscentiedosimetrie-meetnet vervangt, rond de COVRA gereed. In dit rapport worden de resultaten beschreven van de metingen van het MONET-meetnet tijdens de proefperiode, die de periode 30 augustus - 31 december 2002 besloeg. Door de aanwezigheid van externe verhogingen van het stralingsniveau, die niet aan COVRA moeten worden toegerekend, is het nodig de data te filteren. Een methode om dit uit te voeren wordt in dit rapport besproken. De afname van de brutodosis door het filteren van de data was gedurende de proefperiode maximaal 0,12%. Door toepassing van het filter kan de nettodosis veranderen: zowel een toename (van maximaal 13%) als een afname (van maximaal 44%) is waargenomen tijdens de proefperiode. Dit geeft aan dat het verwijderen van de externe pieken van grote invloed kan zijn bij het bepalen van de door COVRA veroorzaakte toegevoegde dosis.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Non-food products: How to assess children's exposure? | RIVM

Handreiking voor kinderspecifieke blootstellingschatting voor consumentenproducten. De risicoschatting voor kinderen kan aanzienlijk worden verbeterd door blootstellingscenario's specifiek voor kinderen op te stellen. Kinderen vertonen een ander gedragspatroon, zijn fysiologisch gezien verschillend van volwassen en worden tijdens gebruik van consumentenproducten op een andere wijze blootgesteld. Het huidige rapport biedt een handreiking voor het opstellen van kinderspecifieke scenario's voor de blootstelling aan consumentenproducten (voeding uitgezonderd). Het geeft een overzicht van een aantal kinderspecifieke activiteiten voor kinderen in verschillende leeftijdscategoriekn (0-18 jaar). Daarnaast wordt ingegaan op de blootstelling aan een diverse groep van chemische stoffen, de biociden. Ook wordt aangegeven welke modellen van het RIVM softwareprogramma ConsExpo 4.0 gebruikt kunnen worden voor de berekening van de blootstelling.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Beoordeling van de potentiele gezondheidsrisico's voor de omgeving door de emissies van een geplande asfaltcentrale in Meppel | RIVM

Naar aanleiding van onrust bij omwonenden en ondernemers op een industrieterrein in Meppel, in verband met de mogelijke vestiging van een asfaltcentrale op het terrein, heeft het RIVM een onderzoek naar de mogelijke gezondheidsrisico's en geurhinder in de omgeving van die centrale. Het onderzoek is gedaan in opdracht van de provincie Drenthe. Op basis van meetgegevens van de emissies aan diverse schadelijke stoffen, waaronder fijn stof en kankerverwekkende PAK's, uit asfaltinstallaties zijn met een verspreidingsmodel de concentraties en depositie van die stoffen in de leefomgeving berekend. Er zijn berekeningen gedaan voor de gemiddeld te verwachten situatie en bij de meest ongunstige omstandigheden. Ook de te verwachten geurbelasting in de omgeving is berekend. Conclusie is dat de uitstoot aan stoffen uit de geplande asfaltcentrale nauwelijks leidt tot een verhoging van de 'normaal' voorkomende concentraties in de lucht en de 'normaal' voorkomende depositie. De blootstelling van omwonenden en werknemers van omliggende bedrijven aan schadelijke stoffen uit de asfaltcentrale ligt ruim onder de gezondheidskundige normen en grenswaarden. Ook de berekende geurbelasting in de omgeving voldoet aan de vigerende normen. Er wordt dus geen onacceptabele geurhinder verwacht.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Adverse Events Following Immunisation under the National Vaccination Programme of the Netherlands Number X - Reports in 2003 | RIVM

Het Rijksvaccinatieprogramma (RVP) wordt sinds 1962 intensief bewaakt. De meldgraad van vermoede bijwerkingen is hoog met een goede meldbereidheid van de consultatiebureaus. Er is een relatief beperkte onderrapportage. Van de meldingen werd 78% als bijwerking van de vaccinaties beschouwd. Het ging hierbij om 1060 ziektebeelden, waarvan 56% heftiger verschijnselen betrof en 44% mildere klachten. Dit aantal bijwerkingen moet in relatie worden gezien tot de 1,5 miljoen vaccinaties en de bijna 7 miljoen vaccincomponenten die daarbij worden toegediend. Er zijn 1374 meldingen ontvangen in 2003. Het merendeel van de gemelde bijwerkingen betrof de bekende meer gewone klachten, zoals koorts, huilen, bleekheid en lokale verschijnselen. Hangerigheid kan zich op jonge leeftijd op vele manieren uiten. Een klein deel had heftiger verschijnselen zoals zeer hoge koorts, langdurig heftig huilen of forse lokale klachten. Zes kinderen hadden een abces (etterbuil) op de prikplek gekregen. Collaps (wegraking) kwam bij 210 meldingen voor en de zogenoemde verkleurde benen bij 134 kinderen, vooral na de eerste prik. Stuipen, vooral bij de eenjarigen en meestal gepaard met koorts, kwamen bij 70 kinderen voor en werden voor tweederde als bijwerking beschouwd; bij de overige kinderen had de stuip een andere oorzaak. Niet goed te duiden incidenten worden onder "atypische aanvallen" gerubriceerd. In bijna driekwart van deze gevallen was er een mogelijke relatie met de vaccinatie; het gaat dan om episodes met rillerigheid, schrikschokken en gespannenheid of juist een hele slappe houding. Hoewel al deze bijwerkingen omstanders erg kunnen laten schrikken zijn ze medisch gezien niet gevaarlijk en laten ze geen restverschijnselen na. Er zijn geen gevallen van hersenontsteking gemeld in 2003 en evenmin bedreigende allergische reacties. De ernstige infecties die werden gemeld hadden geen relatie met de vaccinaties en datzelfde gold voor de gemelde kinderen met epilepsie of suikerziekte. Het ging hierbij om een toevallige samenloop van gebeurtenissen. Bij de drie gemelde overleden kinderen is het overlijden niet door de vaccinaties veroorzaakt Een bijzondere en zeldzame mogelijke bijwerking die in 2003 wat vaker dan in andere jaren werd gemeld, was een tijdelijk tekort aan bloedplaatjes (ITP), met name na de vaccinatie tegen bof, mazelen en rodehond (BMR). De reden hiervoor is een studie die het RIVM samen met de kinderartsen hiernaar uitvoert. Hoewel heftige bijwerkingen na de RVP vaccinaties optreden, zijn ze voorbijgaand en leiden ze niet tot blijvende gevolgen. De grote gezondheidswinst die het RVP oplevert, weegt op tegen de bijwerkingen .
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Dutch Environmental Indicator for Plant Protection Products - Description of input data and calculation methods | RIVM

De Nationale MilieuIndicator (NMI) voor gewasbeschermingsmiddelen is een softwarepakket dat wordt gebruikt voor de berekening van emissies en milieubelasting van deze middelen. Het pakket kan worden ingezet voor berekeningen op regionale en nationale schaal, voor onder andere de MilieuBalans en de EmissieRegistratie. Een uitgebreide toepassing van het pakket is voorzien in de evaluatie van het gewasbeschermingsbeleid voor de periode 2001 - 2010. Dit rapport geeft een beschrijving van benodigde invoergegevens van het softwarepakket en de concepten van de gebruikte berekeningswijzen.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Evaluating Voluntary Climate Change Initiatives by US business and industry compared with the Dutch experience | RIVM

Deze rapportage evalueert de vrijwillige initiatieven van het Amerikaanse bedrijfsleven om invulling te geven aan het Climate Change Initiative van President Bush. Het merendeel van deze vrijwillige initiatieven voldoet niet aan de minimum voorwaarden om als serieuze inspanningen te kunnen worden beschouwd. Er is een groot gebrek aan transparantie, ambitie en structuur. Doelstellingen zijn onduidelijk en in de meeste gevallen is er geen of onvoldoende informatie om het effect op de broeikasgasemissies te kunnen berekenen. Dit gebrek aan transparantie en goed bestuur op zowel overheid- als bedrijfsniveau duidt op een ernstige tekort in het beleidskader in de VS. De ervaring met vrijwillige inspanningen in Nederland leert dat er een aantal lessen en succesfactoren zijn die de effectiviteit van de initiatieven in de VS kunnen verbeteren. Een tussentijdse evaluatie van de vrijwillige initiatieven in 2007 met de mogelijkheid om bij te sturen vergroot ook de geloofwaardigheid van de aanpak. De meeste van deze genoemde factoren kunnen worden gedelegeerd naar een deskundig, betrouwbaar en onafhankelijke organisatie naar bijvoorbeeld Nederlands model. Tot slot, kunnen terugvalopties voor beleid, zoals bijvoorbeeld energiebelastingen, als stok achter de deur naleving door het bedrijfsleven bevorderen.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

(Kosten-) Effectiviteit Generiek en Gebiedsgericht Ammoniakbeleid | RIVM

De depositie van ammoniak bedreigt de biodiversiteit van de Nederlandse natuur. Daarom zijn maatregelen die de uitstoot van ammoniak bestrijden het voornaamste instrument in het nationale natuur- en milieubeleid om de overbelasting van stikstofdepositie tegen te gaan om zodoende de natuur beter te beschermen. De maatregelen zijn ook noodzakelijk om aan de emissiedoelen die in internationaal verband zijn aangegaan te voldoen. Omdat landbouwactiviteiten dichtbij natuurgebieden kunnen plaatsvinden, is overwogen om bufferzones in te stellen, waar economische groei wordt beperkt, om zo de gevolgen van ammoniakemissies te reduceren. In deze studie geven we een overzicht van de effecten en kosten van a) de huidige en aangekondigde (pijplijn) maatregelen en b) het instellen van buffer zones. De generieke maatregelen zijn, over het algemeen, kosteneffectiever om stikstofdepositie op natuurgebieden te reduceren. Generieke maatregelen hebben ook het grootste potentieel om deze deposities te reduceren. Hoewel verplaatsing van stallen uit de buffer zones zeer duur is, kan deze maatregel in individuele gevallen, als die stallen de depositie op een specifiek nabijgelegen natuurgebied domineren, net zo duur zijn als generieke maatregelen.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Wateroverlast en Watertekort: percepties op risico's en consequenties voor de ruimtelijke ordening | RIVM

De problematiek van wateroverlast en de noodzaak tot extra maatregelen wordt door zowel overheidsorganisaties als maatschappelijke organisaties erkend. Ondanks deze erkenning levert de regionale uitwerking van het overheidsbeleid om wateroverlast te beheersen discussie op. De problematiek van watertekort wordt niet door alle partijen erkend. Ook hier levert de regionale uitwerking van maatregelen tot veel discussie. Om inzicht te krijgen in deze discussie zijn visies van overheden en maatschappelijke organisaties op wateroverlast en mogelijke maatregelen in kaart gebracht. Naast wateroverlast is hierbij ook gekeken naar watertekort. Bij de analyse is ook aandacht besteed aan het besluitvormingsproces zelf: welke sturing hanteert de overheid en hoe komen beslissingen tot stand? Om het besluitvormingsproces soepeler te laten verlopen wordt aanbevolen om ook in vergelijkbare projecten de verschillen in risicopercepties en voorkeuren voor oplossingsrichtingen in kaart te brengen. Aan de hand van de in kaart gebrachte verschillen kan met behulp van de in het rapport gebruikte risicoladder en het model van het referentiekader de sturing door de overheid worden aangepast aan de gesignaleerde inhoudelijke verschillen. Op deze manier kan gesignaleerd worden wanneer er veel maatschappelijke discussie (te verwachten) is en kunnen maatschappelijke partijen op het juiste moment bij het proces betrokken worden.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Reliability of travel times to groundwater abstraction wells: Application of the Netherlands Groundwater Model - LGM | RIVM

Dit rapport beschrijft de ontwikkeling en een pilot-toepassing van een modelleringsmethode ten behoeve van de bepaling van betrouwbaarheid van verblijftijden van grondwater dat naar grondwateronttrekkingen stroomt. De methode, die van de eindige-elemententechniek gebruik maakt, is opgenomen in het rekenmodule LGMLUC, een aanvullende module van het Landelijk Grondwatermodel LGM, van het RIVM. De betrouwbaarheid wordt voorgesteld als een band (zone) rondom de verwachtingswaarde van een verblijftijd-isochrone, bijvoorbeeld 25 jaar. De breedte van deze band voor een zekere waarschijnlijkheid van voorkomen (bijvoorbeeld tussen de 97,5 en 2,5 percentielwaarden) neemt toe met een toenemende onzekerheid van modelinvoer parameters. Gebruik is gemaakt van de First-Order Second-Moment (FOSM) methode voor de analyse van de voortplanting van fouten. De resultaten van de FOSM methode zijn vergeleken met die van de Monte Carlo aanpak voor een LGM-model en als een onafhankelijke test een TRIWACO-model. Uit deze vergelijking is geconcludeerd dat de FOSM-methode adekwaat en rekentechnisch effectief is voor het analyseren van de betrouwbaarheid van verblijftijden. Aangenomen is dat de kansdichtheidsverdeling van verblijftijden lognormaal verdeeld is. De methode houdt rekening met de onzekerheid in een aantal modelinvoer parameters, zijnde de factoren die de onzekerheid in verblijftijden tot gevolg hebben. De onzekerheid van de parameters is bepaald door middel van calibratie (invers model) en expert-judgement. De toepasbaarheid van de ontwikkelde methode is aan de hand van een pilot-studie getoond, gebruikmakend van het binnen het LGM bestaande deelmodel Utrecht. De methode kan bij verschillende dichtheid van eindige-elementengrid worden gebruikt, zowel voor problemen op lokale schaal (hoge griddichtheid) als op regionale schaal. De informatie over de betrouwbaarheid van verblijftijden kan worden benut voor beleidsmatige beslissingen, zoals bij onderzoek naar risico's binnen de bestaande grondwaterbeschermingsgebieden.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Factsheets for the (eco)toxicological risk assessment strategy of the National Institute for Public Health and the Environment - Part IV | RIVM

Dit rapport bundelt twee factsheets waarin methodieken worden beschreven die worden gebruikt voor de risicobeoordeling van stoffen bij het Centrum voor Stoffen en Integrale Risicobeoordeling (SIR) van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). Het voornaamste doel is om de inzichtelijkheid en eenduidigheid van de bij RIVM-SIR gevolgde methodieken te vergroten. De factsheets over voormaagtumoren en Leydigcel tumoren beschrijven de mechanistische aspecten van de tumorvorming en gaan in op de verschillen in anatomie, fysiologie en blootstelling tussen knaagdieren en mensen. Er wordt een raamwerk geboden voor het evalueren van de relevantie van deze tumoren voor de humane risicobeoordeling. De factsheets vormen de weerslag van de huidige stand van wetenschap. Ze zijn bedoeld om de discussie met andere (inter)nationale partijen op het gebied van risicobeoordeling te bevorderen.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Opties voor reductie van fijn stof emissie uit de veehouderij | RIVM

In het kader van de verplichte EU rapportage over haalbaarheid van PM10 emissie doelstellingen is een onderzoek uitgevoerd naar reductie mogelijkheden in veehouderijstallen. Deze bron omvat ongeveer 20% van de totale Nederlandse emissie van PM10. Bekeken zijn de volgende mogelijkheden: toevoegen van vet of olie aan het veevoer, biowassers, chemische wassers, filters, olie of water sproeien in de stal. De goedkoopste optie is het sproeien van olie of water. Er dient evenwel nog praktijkervaring opgedaan te worden.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Nalevering van bestrijdingsmiddelen uit containergoederen | RIVM

Containers met goederen die in Nederland worden ingevoerd, zijn vaak behandeld met een bestrijdingsmiddel. Veel toegepaste bestrijdingsmiddelen zijn methylbromide en chloorpicrine, en fosfine. De mogelijkheid bestaat dat deze middelen in de goederen terecht komen en uitdampen bij gebruik door consumenten.In dit onderzoek is gebleken dat goederen zoals matrassen, schoeisel, tassen en beeldjes, nog lange tijd na begassing bestrijdingsmiddelen kunnen uitdampen. Blootstelling van consumenten kan hierdoor onbedoeld optreden. Ook is gebleken dat bij voedingsmiddelen of medicijnen de begassing kan leiden tot orale opname van bestrijdingsmiddelen en wellicht ook tot verandering van de chemische samenstelling van het voedsel of medicijn. Dit onderzoek is verricht in opdracht van de VROM-Inspectie
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Jodiumprofylaxe bij kernongevallen | RIVM

In 1999 is in Nederland begonnen met de revisie van het Nationaal Plan Kernongevallenbestrijding. Hierbij hoort ook de herziening van de aanbevelingen betreffende jodiumprofylaxe bij het vrijkomen van radioactief jodium. Dit rapport bevat een strategie voor de Nederlandse situatie, waarvoor een dreigingsanalyse is uitgevoerd. Op basis van scenario's en brontermen zijn afstanden berekend waar de schildklierdosis voor kinderen ten gevolge van radioactief jodium zo hoog zou worden dat profylaxe aanbevolen wordt (interventieniveau).Dit is berekend voor de kerncentrales van Borssele, Doel (Belgie) en Emsland (Duitsland). Er zijn per kerncentrale twee zones gedefinieerd: een waar wordt aanbevolen de kaliumjodaattabletten voor te verdelen en een tweede daaromheen waar de tabletten decentraal kunnen worden opgeslagen bij huisartsenposten, apotheken, drogisten en GGD's of GHOR.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Synergie Klimaat- en NOx-beleid: Een kostenevaluatie tot 2010 | RIVM

Bij de aankoop van relatief goedkope CO2-emissierechten in het buitenland worden binnenlandse synergetische neveneffecten op de emissies van luchtverontreinigende stoffen gemist en zullen extra kosten moeten worden gemaakt voor het realiseren van de nationale emissieplafonds van NOx, SO2, en NMVOS. Hiermee is tot op heden geen rekening gehouden in het nationale klimaatbeleid. In dit rapport worden de implicaties van bovenstaande conclusie nader onderzocht, en wel voor de middellange termijn tot 2010 en voor zover het gaat om de emissie van NOx. De analyse in dit rapport toont aan dat de kostenbesparing van aanvullende binnenlandse klimaatmaatregelen voor het NOx-emissiebeleid beperkt is en slechts in geringe mate opweegt tegen de snel stijgende kosten voor het klimaatbeleid. Additionele binnenlandse klimaatmaatregelen blijven dus relatief duur ook als er rekening wordt gehouden met de synergetische neveneffecten op de nationale NOx-uitstoot. Behoudens een additionele binnenlandse reductie van circa 2 Megaton CO2 is het kosteneffectief om de reductie van broeikasgasemissies in het buitenland te realiseren en de nationale NOx-emissie omlaag te brengen met specifieke op NOx gerichte technische maatregelen. Het synergieeffect is in deze studie onderschat doordat niet gekeken is naar de potentiele synergieeffecten voor andere luchtverontreinigende stoffen dan NOx zoals SO2, NMVOS, fijn stof en roet, en doordat voor de broeikasgasemissies alleen is gekeken naar CO2.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Participeren in onzekerheid: Literatuuronderzoek naar het inzetten van participatie in wetenschappelijke beleidsadvisering | RIVM

Bij complexe beleidsproblemen, zoals milieu-, natuur- en duurzaamheidsvraagstukken, zijn politici, beleidsmakers, stakeholders, burgers en wetenschappers het er vaak niet over eens wat nu eigenlijk het probleem is. Ook als er wel een gedeelde probleemdefinitie is, kan er discussie blijven over de oplosssingen. Afhankelijk van hoe naar de verhouding tussen wetenschap en beleid wordt gekeken, kan gekozen worden voor het op een bepaalde wijze betrekken van stakeholders in de totstandkoming van wetenschappelijke beleidsadviezen. Uitgangspunt is dat het voor de besluitvorming wenselijk kan zijn dat grensorganisaties tussen wetenschap en beleid, zoals het Milieu- en Natuurplanbureau (MNP) van het RIVM, in hun advisering rekening houden met de pluraliteit in waarde-orientaties en wetenschappelijke inzichten. De in het MNP-RIVM ingevoerde Leidraad voor Omgaan met Onzekerheden biedt daar een eerste aanzet toe, mits deze vooral wordt gebruikt als instrument dat reflectie stimuleert. Een uitwerking van deze Leidraad op het onderwerp 'participatie van stakeholders' vereist een nadere bestudering van participatiestrategieen en -praktijken
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

ETX 2.0. A Program to Calculate Hazardous Concentrations and Fraction Affected, Based on Normally Distributed Toxicity Data | RIVM

Dit rapport is geschreven als handleiding bij het software programma ETX 2.0. De rekentechnieken die met dit programma worden aangeboden worden onder andere gebruikt binnen het RIVM project '(Inter)nationale normstelling stoffen' (INS) maar ook bij de Europese risico-beoordeling van bestaande stoffen. In deze projecten worden milieurisicogrenzen afgeleid voor chemische stoffen. Zowel het INS- als het EU-raamwerk staat het gebruik van statistische extrapolatie toe wanneer voldoende toxiciteitsgegevens beschikbaar zijn. De resultaten van deze extrapolatie dienen als basis voor een milieurisicogrens (INS) of een geen-effect niveau (EU bestaande stoffen) van een chemische stof. In de wetenschappelijke literatuur is recent een methode beschreven om deze statistische berekening uit te voeren. Het programma ETX 2.0 maakt deze methode toegankelijk voor hen die werkzaam zijn in de vakgebieden van de risicobeoordeling en/of normstelling. Het programma wordt samen met dit rapport verspreid op CD-ROM.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

De significantie van klimaatverandering in Nederland Een analyse van historische en toekomstige trends (1901-2020) in het weer, weersextremen en temperatuurgerelateerde impact-variabelen | RIVM

Statistische analyse van het Nederlandse weer laat veranderingen zien die reeds statistisch significant zijn, gezien over de afgelopen honderd jaar. Jaargemiddelde temperaturen zijn toegenomen met 1.5 plus minus 0.5 graden Celcius sinds 1901. Het aantal zomerse dagen is ruwweg verdubbeld, van 14 plus minus 5 naar 27 plus minus 9 dagen. De jaartotale neerslag is toegenomen met 120 plus minus 100 mm, en het aantal extreem natte dagen is met circa 40% toegenomen, van 19 plus minus 3 naar 26 plus minus 3 dagen. Andere onderzochte variabelen blijken niet significant te zijn veranderd, zoals de koudste dag per jaar en de maximum dagsom voor neerslag per jaar. Verder blijken de jaarlijkse temperatuur- en neerslagveranderingen homogeen over de maanden van het jaar verdeeld te zijn. Getalsmatig zijn er wel verschillen per maand of per seizoen, maar die blijken niet significant. De veranderingen in het Nederlandse klimaat hebben reeds geleid tot significante veranderingen in weergerelateerde impact-variabelen. Zo is de lengte van het groeiseizoen toegenomen met bijna een maand, en het aantal warmte-graaddagen per jaar, een maat gerelateerd aan ruimteverwarming, is afgenomen met 14 plus minus 5 %. Projecties van temperatuurveranderingen voor het jaar 2020 die gebaseerd zijn op statistische extrapolatie vanuit het verleden, zijn consistent met voorspellingen op basis van klimaatmodellen. De jaargemiddelde temperatuur in Nederland zal toenemen van 10.4 plus minus 0.4 graden Celcius in 2003 naar 10.7 plus minus 0.6 graden Celcius in 2010 en 11.1 plus minus 1.0 graden Celcius in 2020. Hierdoor zal in de toekomst minder energie nodig zijn voor ruimteverwarming maar meer voor koeling. Dit klimaateffect zal per saldo de projecties van CO2-emissies tot aan het jaar 2012 waarschijnlijk iets doen dalen (circa 3.5 Mton CO2-equivalenten), een resultaat dat relevant is voor de Nederlandse Kyoto-verplichtingen. Tenslotte is onderzocht hoe de kans op een Elfstedentocht beinvloed is door klimaatverandering. Het is gebleken dat de kans op een tocht aan het begin van de twintigste eeuw lag op 0.2, ofwel gemiddeld eens per vijf jaar. Deze kans is, na een toename tot aan 1950, afgenomen naar een kans van 0.10 in 2004, ofwel gemiddeld eens per 10 jaar. De veranderingen liggen op de grens van statistische significantie. Binnen een klein aantal jaren zal blijken of de gevonden veranderingen inderdaad systematisch zijn.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Realised energy savings 1995 -2002 | RIVM

In dit rapport wordt de gerealiseerde energiebesparing in Nederland in de periode 1995-2002 gepresenteerd voor de sectoren huishoudens, industrie, land- en tuinbouw, diensten, transport, raffinaderijen en elektriciteitsvoorziening, en voor het nationale niveau. Eerst wordt een korte beschrijving gegeven van het 'Protocol Monitoring Energiebesparing', een gemeenschappelijke methode en database die eerder opgezet is door de vier instituten CPB, ECN, Novem en RIVM. Er worden resultaten gepresenteerd voor besparing op finaal energieverbruik, voor conversie in eindverbruik sectoren (wamte/kracht) en voor conversie in de energiesector. Een nationale besparing van 1,0% per jaar gevonden, met een dalende tendens in recente jaren, zowel in de meeste verbruiksectoren als bij de elektriciteitsproductie met warmtekracht installaties en centrales. Veel aandacht is gegeven aan de onzekerheid die resulteert uit de marges in de input data en de 'kwaliteit' van de variabele die is gebruikt om het referentie energieverbruik (zonder besparing) te bepalen. Het blijkt niet mogelijk om een betrouwbaar cijfer voor besparing op finaal verbruik in de diensten sector te geven. Maar besparing door betere conversie kan heel goed bepaald worden. Overall wordt een marge van +/- 0,3% gevonden voor het nationale jaarlijkse besparingscijfer. Het rapport bevat ook een analyse van volume- en structurele effecten betreffende energie verbruik, energie-intensiteitsontwikkelingen en andere relevante factoren in verschillende sectoren. Tenslotte zijn de besparingen in perspectief geplaatst: een vergelijking met cijfers voor de EU-landen, de bijdrage van besparing tot de reductie van CO2-emissies en een vergelijking met andere evaluatie studies. In de periode 1995-2002 was de gemiddelde nationale besparing 1,0% per jaar, wat overeenkomt met een CO2-reductie van circa 15 Megaton (ongeveer 8% van de totale Nederlandse CO2-emissies). Besparing heeft daarmee vijf maal zoveel bijgedragen aan de reductie van CO2-emissies dan duurzame energie.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

A multi-gas abatement analysis of the Kyoto Protocol | RIVM

Dit rapport analyseert de kosten van het Kyoto Protocol en de belangrijkste emissiereductiebronnen op basis van een multi-gas benadering (alle Kyoto-gassen worden hierin meegenomen: CO2, CH4, N2O, HFCs, PFCs, en SF6). De resultaten zijn vergeleken met eerdere analyses, waarin alleen naar CO2-reductiemogelijkheden is gekeken. Het sparen van de surplus emissierechten van de Oekraine en de Russische Federatie is een absoluut vereiste om een vatbare emissiehandelsmarkt te bewerkstelligen, wat resulteert in een marktprijs tussen de 15 en de 40 euro/tCeq. Ongeveer de helft van de reductiedoelstelling van de permit-kopende landen kan verkregen worden door de emissiehandel. Ongeveer 30% van de emissiereducties kan verkregen worden door de handel in surplus emissierechten en door het inzetten van sinks-projecten. Het aandeel van CO2 in de totale emissieverminderingen is vrij klein ten opzichte van het aandeel van CO2 in het basispadscenario (circa 30%). Voor de niet-CO2 broeikasgassen komt het grootste reductieaandeel van CH4, waarvoor de meeste reducties in de gassector plaatsvinden; hoofdzakelijk in de Oekraine en de Russische Federatie. Andere belangrijke niet-CO2-emissiereductiebronnen zijn CH4 emissies uit kolenproductie en van stortplaatsen, en N2O-emissies uit de industrie; voornamelijk uit de EU-25, Canada en Japan. Ten opzichte van het basispadscenario, zijn de emissiereducties procentueel groter voor CH4 and the F-gassen dan voor CO2, terwijl in absolute termen CO2-emissies uit energiegebruik nog steeds de belangrijkste reductiebron vormen.De vergelijking met CO2-only benaderingen laat zien dat het meenemen van alle Kyoto-gassen enerzijds resulteert in een daling van zowel de internationale prijs voor verhandelbare emissierechten als de totale kosten voor de landen die kwantitatieve verplichtingen op zich hebben genomen en anderzijds in een toename in vermeden emissies (van 250 naar 400 MtC-eq). De winst die gemaakt wordt door het meenemen van alle Kyoto gassen in de analyses wordt echter sterk verminderd door deze banking strategie.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Gerealiseerde energiebesparing 1995 -2002 | RIVM

In dit rapport wordt de gerealiseerde energiebesparing in Nederland in de periode 1995-2002 gepresenteerd voor de sectoren huishoudens, industrie, land- en tuinbouw, diensten, transport, raffinaderijen en elektriciteitsvoorziening, en voor het nationale niveau. Eerst wordt een korte beschrijving gegeven van het 'Protocol Monitoring Energiebesparing', een gemeenschappelijke methode en database die eerder opgezet is door de vier instituten CPB, ECN, Novem en RIVM. Er worden resultaten gepresenteerd voor besparing op finaal energieverbruik, voor conversie in eindverbruik sectoren (wamte/kracht) en voor conversie in de energiesector. Een nationale besparing van 1,0% per jaar gevonden, met een dalende tendens in recente jaren, zowel in de meeste verbruiksectoren als bij de elektriciteitsproductie met warmtekracht installaties en centrales. Veel aandacht is gegeven aan de onzekerheid die resulteert uit de marges in de input data en de 'kwaliteit' van de variabele die is gebruikt om het referentie energieverbruik (zonder besparing) te bepalen. Het blijkt niet mogelijk om een betrouwbaar cijfer voor besparing op finaal verbruik in de diensten sector te geven. Maar besparing door betere conversie kan heel goed bepaald worden. Overall wordt een marge van +/- 0,3% gevonden voor het nationale jaarlijkse besparingscijfer. Het rapport bevat ook een analyse van volume- en structurele effecten betreffende energie verbruik, energie-intensiteitsontwikkelingen en andere relevante factoren in verschillende sectoren. Tenslotte zijn de besparingen in perspectief geplaatst: een vergelijking met cijfers voor de EU-landen, de bijdrage van besparing tot de reductie van CO2-emissies en een vergelijking met andere evaluatie studies. In de periode 1995-2002 was de gemiddelde nationale besparing 1,0% per jaar, wat overeenkomt met een CO2-reductie van circa 15 Megaton (ongeveer 8% van de totale Nederlandse CO2-emissies). Besparing heeft daarmee vijf maal zoveel bijgedragen aan de reductie van CO2-emissies dan duurzame energie.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Survival of the Greenest - Evolutionaire Economie als inspiratie voor energie- en transitiebeleid | RIVM

De evolutionaire economie toont inzicht in de mechanismen achter innovaties, transities en veranderingen in institutionele structuur. Deze theorie kan daarom bijzonder waardevol zijn in de vormgeving van het huidige milieubeleid, dat transities naar een duurzame ontwikkeling als doelstelling hanteert. Dit rapport geeft eerst een overzicht van de belangrijkste literatuur op het vakgebied van de evolutionaire economie, waaruit een aantal centrale concepten van de evolutionaire economie wordt gedestilleerd: diversiteit, innovatie, selectieomgeving, beperkte rationaliteit, padafhankelijkheid, insluiting en co-evolutie. Deze concepten worden gebruikt ten behoeve van een beter begrip van en inzicht in processen van verandering in economische structuur, technologische ontwikkeling en institutionele verandering. Aan de hand hiervan tonen we een aantal inzichten, dat van belang kan zijn voor beleidsmakers, zoals het bewustzijn van historische technologische paden en het creeren van een gelijk speelveld. Vervolgens evalueren we het Nederlandse beleid ten aanzien van energie-innovaties aan de hand van de evolutionair-economische concepten. Hiervoor is gebruik gemaakt van de beschikbare documenten op het gebied van innovatiebeleid, energiebeleid en transitiebeleid. Tenslotte is het evolutionair-economische raamwerk gebruikt om de ontwikkeling van een aantal specifieke technologieen te onderzoeken. . Dit betreft brandstofcellen, kernfusie en fotovoltaische energie (PV). Uit de evolutionair-economische analyse komen een aantal zeer concrete aanbevelingen voor beleid, die deels strijdig zijn met huidige beleidsadviezen en trends in beleid. De case studie toont tevens aan dat evolutionair-economische mechanismen een belangrijke rol hebben gespeeld in de totstandkoming van energie-innovaties in het verleden.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Physiological regulation of energy balance - A review of the literature | RIVM

Overgewicht en obesitas (ernstig overgewicht) komen wereldwijd en ook in Nederland steeds vaker voor. Overgewicht en obesitas zijn het gevolg van een langdurige positieve energiebalans. Kennis van de fysiologische mechanismen die de energiebalans reguleren en van factoren die deze regulatiemechanismen beinvloeden, zoals voedingsfactoren en roken, is noodzakelijk en levert mogelijk aanknopingspunten op die gebruikt kunnen worden ter voorkoming van overgewicht. Uit dit overzicht van beschikbare literatuur blijkt dat het centrale zenuwstelsel een belangrijke rol speelt bij de fysiologische regulatie van de energiebalans. Het beinvloedt zowel voedingsgedrag als energieverbruik. De fysiologische repons bij gewichtsverlies lijkt veel sterker te zijn dan de respons op gewichtstoename. Dit verklaart mogelijk waarom het zo moeilijk is gewicht te verliezen. Er is geen bewijs voor een veranderde fysiologische regulatie van de energiebalans bij een lage lichamelijke activiteit. Echter, bij een laag niveau van lichamelijk activiteit is het makkelijker te "overeten". Daarom is het belangrijk de lichamelijke activiteit op een hoog niveau te houden of te brengen. Gebaseerd op fysiologische regulatiemechanismen lijkt een voeding laag in energiedichtheid, laag in vet, rijk aan vezel en met een lage consumptie van energierijke dranken tussen de maaltijden door een effectieve strategie om een positieve energiebalans te voorkomen of om gewichtsverlies te handhaven. Het onderzoeksgebied dat de regulatie van de energiebalans bestudeerd is een zeer dynamisch veld. Dagelijks komt er nieuwe informatie bij. Daarom is het aan te bevelen om dit rapport over enkele jaren bij te werken.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Aansluiting MNP-instrumentarium bij de Vogel- en Habitatrichtlijn | RIVM

Dit rapport beschrijft de resultaten van onderzoek naar het opzetten van een kennissysteem voor soorten- en gebiedenbeleid voor het Milieu- en Natuurplanbureau (MNP). Het kennissysteem richt zich met name op de doelstellingen uit de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Uitgangspunt van een prototype van het kennissysteem is het huidige ecologische kennissysteem van het MNP, waarin graadmeter, meetnetten en modellen een belangrijke rol spelen. Onderzocht is of het huidige kennissysteem voldoet voor het doen van uitspraken over de VHR, welke knelpunten er zijn en hoe deze opgelost kunnen worden. De verbeteringen vormen in samenhang met het al bestaande instrumentarium het eerste prototype van het kennissysteem voor de VHR. Naast uitleg van de diverse onderdelen van het kennissysteem worden ook voorbeelden van toepassingen van dit kennissysteem beschreven. Het prototype kennissysteem bevat informatie over (1) waar welke doelen gelden, (2) waar welke soorten en habitats nu voorkomen (gemeten en/of statistisch voorspeld), (3) wat de historische trends in mate van voorkomen van deze soorten zijn (ofwel landelijk gemiddeld of wel gebiedsspecifiek) en (4) hoe het voorkomen van soorten afhangt van ruimte- en/of milieudruk (in beeld gebracht door directe en/of indirecte relaties met modeluitkomsten ofwel via berekening van toelaatbare milieu- en/of ruimtedruk -c.q. "ecologische vereisten"- in termen van minimaal habitatoppervlakte of maximaal toelaatbare kritische depositie). Daarnaast is een methode ontwikkeld om de invloeden van depositie op VHR-gebieden goed in beeld te brengen.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Probabilistische berekening van inname van stoffen via incidenteel geconsumeerde voedingsproducten. Aanvulling op het draaiboek voor modellering van inname van stoffen via voeding | RIVM

In dit rapport wordt een model beschreven om de inname van stoffen te schatten die voorkomen in voedselproducten die incidenteel worden gegeten (bijvoorbeeld pesticiden op bepaalde soorten fruit). Tot op heden kon alleen de inname worden geschat van stoffen die in ons basale voedingspakket aanwezig zijn (bijvoorbeeld dioxines in dierlijk vet). Dit gebeurt door gegevens van een voedselconsumptiepeiling te combineren met concentraties van de stoffen in de voedselproducten. De uitkomsten van deze berekening worden geanalyseerd met een statistisch model waarmee een verdeling van de lange-termijn innames in de bevolking wordt verkregen. Dit model kan echter niet worden gebruikt als veel individuen een inname van 'nul' hebben, omdat deze mensen de relevante voedselproducten niet hebben gegeten tijdens de peiling. Het nieuwe model houdt er rekening mee dat de consumptiefrequentie van individuele voedselproducten alsmede de geconsumeerde hoeveelheid per dag kan varieren tussen individuen. Door de geschatte verdeling van de consumptiefrequentie te combineren met de verdeling van de consumptiehoeveelheid in een statistisch model kan de inname in de bevolking vergeleken worden met bepaalde (chronische of acute) limietwaarden.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Medicatieveiligheid : bronnen van aandacht | RIVM

Dit rapport gaat in op een onderdeel van potentieel risicovolle zorg, namelijk geneesmiddelgebruik in ziekenhuizen. Door middel van literatuuronderzoek en contact met de softwareleverancier, die het grootste deel van de ziekenhuizen in Nederland verzorgt, is onderzocht welke informatiebronnen binnen ziekenhuizen beschikbaar zijn om medicatieveiligheid in het ziekenhuis te onderzoeken en te verbeteren. De gehanteerde doelstellingen waren het inventariseren van dergelijke bronnen, het beoordelen van de geschiktheid van dergelijke bronnen om als indicator voor medicatieveiligheid gebruikt te worden, en het onderzoeken van de beschikbaarheid van dergelijke bronnen in Nederland. Geconcludeerd is dat in ziekenhuizen een schat aan informatie aanwezig is om onderzoek te doen naar medicatieveiligheid en om te gebruiken om gezondheidsschade te voorkomen of zo snel mogelijk op te merken. Met toename van de automatisering in ziekenhuizen kunnen deze gegevens steeds beter inzetbaar en analyseerbaar beschikbaar komen. De beschikbaarheid van ziekenhuisinformatiesystemen die dit in meer of mindere mate kunnen bewerkstelligen neemt toe maar ziekenhuizen hebben dergelijke systemen nog maar beperkt geimplementeerd. De informatie is dus aanwezig maar wordt door ziekenhuizen zelf nog maar beperkt gebruikt om de veiligheid bij de toepassing van geneesmiddelen te onderzoeken en daar waar mogelijk te verbeteren. Hier ligt een grote kans voor ziekenhuizen om hun verantwoordelijkheid in te vullen, zeker gezien de zorgen omtrent medicatieveiligheid en de genoemde schattingen omtrent schade. Externe indicatoren om de medicatieveiligheid in de ziekenhuizen te vergelijken blijken slechts zeer beperkt beschikbaar. Een aantal structuurindicatoren wordt voorgesteld die in de toekomst mogelijk gehanteerd kunnen worden door de Inspectie voor de Gezondheidszorg als indicator voor medicatieveiligheid in ziekenhuizen aanvullend op de indicator 'de integrale beschikbaarheid van het volledige medicatieoverzicht voor de behandelend arts tijdens het patienten contact' die thans onderdeel is van de basisset prestatie-indicatoren ziekenhuizen.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Gezondheid en beleving van de omgevingskwaliteit in de regio Schiphol: 2002 - Tussenrapportage Monitoring Gezondheidskundige Evaluatie Schiphol | RIVM

De (zelfgerapporteerde) ernstige hinder en slaapverstoring door vliegtuiggeluid rond de luchthaven Schiphol is tussen 1996 en 2002 afgenomen. Er is geen verband tussen blootstelling aan vliegtuiggeluid en lichamelijke of geestelijke gezondheidsklachten. Het RIVM heeft in 2002 de zelfgerapporteerde gezondheidstoestand in de regio Schiphol onderzocht, om de situatie in kaart te brengen voor de ingebruikname van de Polderbaan in 2003. Als vervolg op het onderzoek in 2002 worden jaarlijks 600 deelnemers gevraagd naar hun gezondheidstoestand en welbevinden, om de invloed van veranderingen rond Schiphol vast te stellen. Tussen 1996 en 2002 is de zelfgerapporteerde ernstige hinder en slaapverstoring door vliegtuiggeluid afgenomen. Ondanks de afname wordt vliegtuiggeluid nog altijd als belangrijkste bron van ernstige hinder en slaapverstoring aangemerkt. Het deel van de bevolking dat ernstige hinder ondervindt door geur van vliegtuigen is tussen 1996 en 2002 niet veranderd. Het merendeel van de bevolking in de regio is (zeer) tevreden met de woning en de woonomgeving. Met het geluid in de woonomgeving is slechts de helft (zeer) tevreden. Ook zijn de mening en toekomstverwachting over de buurt waarin men woont negatiever dan de landelijke referentiecijfers. In 2002 zijn relatief minder mensen bezorgd over hun veiligheid door het wonen in de buurt van Schiphol dan in 1996. Daar tegenover staat dat de bezorgdheid over gezondheidsklachten door geluid van vliegtuigen in dezelfde periode is toegenomen. Bezorgdheid onder de bevolking over veiligheid en gezondheidsklachten neemt toe naarmate men aan hogere geluidsniveaus is blootgesteld.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

PREZIES: PREventie van ZIEkenhuisinfecties door Surveillance. Component Lage luchtweginfecties bij beademing, pilot 2003 | RIVM

De surveillance van beademing-gerelateerde pneumonieen volgens het protocol van het samenwerkingsverband PREventie van ZIEkenhuisinfecties door Preventie (PREZIES) is met name geschikt voor 'grotere' ziekenhuizen. Dit is de conclusie van de drie maanden durende pilotstudie voor de surveillance van 'Beademing-gerelateerde lage luchtweginfecties', waaraan drie ziekenhuizen meededen. Het doel van deze pilotstudie was te achterhalen in hoeverre de gehanteerde criteria en definities helder en bruikbaar waren en of de dataverzameling wat betreft tijdsinvestering haalbaar was. Het protocol is geevalueerd door respectievelijk telefonische interviews met de betrokken ziekenhuishygienisten, een validatiebezoek, data-analyse, een bijeenkomst met deelnemers waar de resultaten werden besproken en de beoordeling van het gewijzigde protocol door experts. De surveillance volgens het protocol verliep goed volgens de ziekenhuishygienisten. De criteria voor bronchitis werden echter niet specifiek gevonden en tevens vond men bronchitis klinisch minder van belang. Bronchitis is daarom niet als uitkomst in het definitieve protocol opgenomen. Non-invasieve beademing en sterfte kunnen volgens dit protocol optioneel geregistreerd worden. Verder werd het protocol op kleine punten aangepast. De instroom, 35 patienten in totaal, was lager dan verwacht. De incidentie bedroeg 5 /1000 beademingsdagen voor zowel pneumonie als bronchitis. Dit is lager dan de pneumonie-incidentie van 24 /1000 beademingsdagen die in een eerdere PREZIES-surveillance, uitgevoerd in 21 ziekenhuizen, gemeten werd. Om met enige betrouwbaarheid inzicht te kunnen krijgen in de incidentie van beademing-gerelateerde pneumonie is het advies dat er per ziekenhuis minstens 100 patienten in de surveillance worden opgenomen. Hiermee is de module 'Beademing-gerelateerde pneumonieen' met name geschikt voor 'grotere' ziekenhuizen.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Inventarisatie van het gebruik en de kosten van zorg voor astma en COPD in Nederland | RIVM

Dit rapport geeft een uitgebreid overzicht van het gebruik en de kosten van zorg bij astma en COPD ("Chronic Obstructive Pulmonary Disease", Chronische bronchitis en Longemfyseem). Astma kost ongeveer 313 euro per patient, waarvan de helft aan medicatie wordt besteed. COPD kost ongeveer 915 euro per patient en de belangrijkste kostenposten zijn ziekenhuisopnames, medicatie en thuiszorg. De gepresenteerde cijfers over de kosten nu en in de toekomst leveren belangrijke informatie op voor beleid ten aanzien van deze twee aandoeningen.De kosten voor astma in Nederland bedroegen ongeveer 141 miljoen euro, 67 miljoen voor mannen en 74 miljoen voor vrouwen. De kosten voor COPD in Nederland bedroegen ongeveer 280 miljoen euro, 161 miljoen voor mannen en 119 miljoen voor vrouwen. Beide schattingen zijn voor het jaar 2000. Projecties van deze kosten over de tijd geven een indicatie voor toekomstige ontwikkelingen voorzover deze nu waar te nemen zijn in de data. Bij gelijkblijvende zorg en prijzen zullen de kosten voor astma in 2025 gestegen zijn naar ongeveer 170 tot 180 miljoen euro en voor COPD naar ongeveer 440 tot 495 miljoen euro. Wanneer de projecties rekening houden met trends in de kosten van zorg, dan stijgen de kosten voor astma naar 460 tot 500 miljoen euro en voor COPD naar 1000 tot 1100 miljoen euro. Per patiknt zijn de kosten voor COPD ruwweg drie keer die voor astma, terwijl de totale kosten in Nederland voor COPD tweemaal zo hoog zijn als die voor astma. De verwachte stijging in de kosten voor COPD is groter dan de stijging in de kosten voor astma.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Ruimtelijke Beelden. Visualisatie van een veranderd Nederland in 2030 | RIVM

De ruimtelijke uitwerking van vier wereldbeelden uit de Duurzaamheidsverkenning laat zien dat zowel het stedelijke als het landelijk gezicht van Nederland de komende decennia sterk zal veranderen. De ruimtevraag van wonen, werken en recreeren zorgt voor een verdere verstedelijking, vooral in Midden-Nederland. Afhankelijk van de mate van overheidsbescherming geeft dit een grote druk op en waarschijnlijk aantasting van de natuur- en landschapswaarden. Verdere schaalvergroting en toename van kapitaalsintensieve vormen van landbouw zorgen ook voor een verdere aantasting van landschapswaarden. Als problemen op het gebied van waterberging en wateroverlast opgelost worden door ruimtelijke maatregelen zal dit grote beperkingen opleggen aan zowel de nieuwe verstedelijkingslocaties als aan de landbouw.De ruimtelijke kaartbeelden als illustraties geven een brede reeks van waarschijnlijke toekomstbeelden. Deze variatie in toekomstbeelden kunnen de input vormen voor een maatschappelijke en politieke discussie over de prioritering van beleidsdoelen, zowel nationaal als Europees, ten aanzien van verstedelijking, natuurbehoud en -realisatie, waterbeheer en landschappelijk waarden.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Koppeling van anonieme huisartsgegevens aan ziekenhuisregistraties | RIVM

Doel van dit project is om door middel van het koppelen van bestaande registraties inzicht te krijgen in het transmuraal zorggebruik van chronisch zieken in verschillende zorgsectoren (huisartsen- en ziekenhuiszorg). Op deze manier wordt getracht meer inzicht te verschaffen in de afstemming en samenhang van de verschillende schakels in de (keten)zorg van chronisch zieken. Dit rapport beschrijft een geanonimiseerde koppeling van huisartsgegevens aan landelijke ziekenhuisregistraties. De koppeling is uitgevoerd voor een aantal chronische ziekten: diabetes mellitus, artrose, lage rugklachten, nek- en schouderklachten, heup- en knieklachten, coronaire hartziekten, beroerte (inclusief TIA), hypertensie, astma en long emfyseem. De koppeling is uitgevoerd op basis van de volgende koppelsleutel: geboortedatum, 4-cijferige postcode en geslacht van de patient. In de koppeling kan 87% van de patienten, die door de huisarts is doorverwezen naar de tweede lijn, gekoppeld worden aan de ziekenhuisregistraties. Dit rapport beschrijft het gebruik van huisartsen- en ziekenhuiszorg van chronisch zieken. Men zou verwachten dat de diagnose waarmee de patient door de huisarts is doorverwezen naar het ziekenhuis gelijk is aan de diagnose die wordt geregistreerd in het ziekenhuis bij ontslag. Bij het grootste deel van de patienten is dit het geval, maar de overeenstemming is niet 100%. Bijvoorbeeld voor artrose en voor heup- en knieklachten is het overeenstemmingspercentage ruim 60%. Na ontslag uit het ziekenhuis heeft ongeveer de helft (47%) binnen een week contact met de huisarts.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Ontwikkeling van het groepsrisico rond Schiphol, 1990-2010 | RIVM

De kans dat er een groot aantal (een groep) slachtoffers valt onder omwonenden, door een vliegtuigongeluk in de regio's rond Schiphol, zal in 2005 ongeveer verdubbeld zijn ten opzichte van 1990. Naar verwachting zal dit risiconiveau de komende jaren, tot 2010, niet veel toenemen. Want er wordt geen substantiele groei van de luchtvaart verwacht en een grote toename van de bebouwing, op risicovolle locaties, kan met de huidige beleidsinstrumenten worden voorkomen. Een onderzoek naar het risico op een groot aantal slachtoffers, het zogeheten "groepsrisico", is onderzocht voor de jaren 1990, 2005 en 2010. De toename van het groepsrisico wordt ongeveer in gelijke mate veroorzaakt door de toename van de risico's van het vliegverkeer als door de toename van gebouwen, met name van bedrijven. Ook blijkt het groepsrisico sterk geografisch geconcentreerd (90 % van het risico is gelocaliseerd in 3 % van het bebouwde gebied). In voorgaande studies over Schiphol is de veiligheidssituatie steeds beoordeeld voor het hele studiegebied (56 bij 56 km). In die overigens gebruikelijke benadering wordt de kans op slachtoffers in de regio's rond de luchthaven bij elkaar geteld. Dit geeft een goed inzicht in de kans op een groep slachtoffers, maar geen inzicht waar die kansen groter of juist minder groot zijn. In deze studie is daarom tevens een benadering ontwikkeld voor de bepaling van het "lokale groepsrisico". Die resultaten geven goed inzicht in de risicosituatie van specifieke locaties. De toename van het groepsrisico is geen grote verrassing: in november 2003 heeft de Staatssecretaris van VROM in de Kamer al verklaard dat het streven naar een stand-still voor risicos ten opzichte van 1990 niet reeel zou zijn, gezien de groei van de luchtvaart en de ruimtelijke ontwikkeling. De Staatssecretaris heeft daarbij toegezegd dit nader te laten onderzoeken. Deze studie vult deze toezegging in. Hierbij is veel aandacht besteed aan het bevolkingsbestand en vooral ook de aanwezigen bij bedrijven, scholen, hotels en zorginstellingen. In combinatie met de 'lokale groepsrisico' benadering geeft dit rapport een veel beter en betrouwbaarder beeld van de risico situatie in relatie tot ruimtelijke ordening dan voorgaande studies.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Vulnerability Concept and its Application to Food Security | RIVM

Dit rapport beschrijft de operationalisatie van de term 'duurzame ontwikkeling' door gebruik te maken van het kwetsbaarheidconcept. Kwetsbaarheid beschrijft de mate van schade dat een systeem kan ondervinden door blootstelling aan een bepaalde druk en beschrijft daarmee niet duurzame processen. Voor de operationalisatie wordt een raamwerk geintroduceerd dat bestaat uit de drie elementen van kwetsbaarheid, namelijk blootstelling, gevoeligheid en aanpassingscapaciteit. Het raamwerk maakt gebruik van modelresultaten, indicatoren, die worden geaggregeerd tot een algemene maat van duurzaamheid voor een bepaalde sector of systeem. De kwetsbaarheid wordt beschreven door de potentiele impact (blootstelling plus gevoeligheid) en de aanpassingscapaciteit, dat wil zeggen de gevolgen die kunnen ontstaan door mondiale veranderingen in het menselijke en milieusysteem en de graad waarin mogelijke aanpassingen de schade kunnen matigen of compenseren. De voordelen van de benadering zijn de transparantie van het indicatorenraamwerk en de koppeling met simulatiemodellen (bestaande kennis). Om vervolgens deze methodiek te toetsen is het toegepast op het probleem van voedselveiligheid, wat resulteert in een maat voor de kwetsbaarheid van landen voor voedseltekorten. De resultaten van deze analyse zijn op regionale schaal in lijn met de mate van voedseltekorten zoals gerapporteerd door de FAO. Deze gelijkenis geeft aan dat het gekozen indicatoren raamwerk een redelijke proxy geeft voor voedselveiligheid en dat het conceptuele raamwerk goede vooruitzichten biedt voor het toepassen op andere niet duurzame processen.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Monitoring of radiation in the environment in the Netherlands - Results in 2003 | RIVM

Dit rapport presenteert de resultaten van radioactiviteitsmetingen in het Nederlandse milieu in 2003. Radioactiviteit werd gemeten in belangrijke onderdelen van het leefmilieu van de mens zoals luchtstof, depositie, oppervlaktewater, zeewater, drinkwater, melk en voedsel. In het kader van het Euratom Verdrag uit 1957 is de Nederlandse overheid verplicht om radioactiviteitsgehaltes te meten in de compartimenten lucht, water en bodem. De resultaten van de radioactiviteitsmetingen liggen in het bereik van voorgaande jaren. Vergeleken met de aanbevelingen van de Europese Unie blijkt dat het Nederlandse meetprogramma op een aantal punten tekortschiet, met name voor wat betreft controle van drinkwater, melk en overige voedingsmiddelen.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

Onzekerheid in Energiebesparingscijfers | RIVM

Dit onderzoek toont aan dat, ook met inachtneming van de marges, met grote zekerheid gesteld kan worden dat het besparingsdoel van 1,3% per jaar, zoals geformuleerd in het Nationaal Milieubeleidsplan 4, nog niet is bereikt. Met behulp van de Leidraad voor onzekerheden van het RIVM en een statistische analyse zijn de marges bepaald van de verschillende besparingscijfers die zijn berekend in het rapport 'Gerealiseerde energiebesparing 1995-2002'. De marge van de 1,0 % nationale besparing voor de periode 1995-2002 is berekend op 0,3%-punt. Dat betekent dat met de gekozen methodiek en invoerparameters de kans dat het Nationale besparings-effect tussen de -0,7 en -1,3% ligt, 95% is. Ook voor de verschillende sectoren zijn marges bepaald. De grootste marge komt voor rekening van de sector Landbouw (1,5%-punt), de kleinste voor rekening van de sector Industrie (0,4%-punt).
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1

'Second opinion' TNO-onderzoek effecten wegverbreding op luchtkwaliteit | RIVM

Het MNP heeft een 'second opinion' gegeven op een TNO-onderzoek naar de luchtkwaliteit rond de A27 tussen Utrecht en Hilversum en de effecten van een plusstrook daarop. Het MNP schat de luchtkwaliteit in het studiegebied, los van de eventuele aanleg van de plusstrook, ongunstiger in dan TNO. De implicaties voor het areaal en aantal adressen waar de EU-grenswaarden wordt overschreden, zijn niet op voorhand verwaarloosbaar. Om de implicaties te kunnen beoordelen is herberekening nodig met het ruimtelijk gedetailleerde TNO-model. De aanleg van de plusstrook heeft geen noemenswaardig effect op de luchtkwaliteit.
Jaar: 2005 Onderzoek Documenten: 1