Naar inhoud

Onderzoeken Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2006

Zoek binnen deze data in WooGLe

Data-uitwisselingsplatform gezondheid en milieu - Haalbaarheidsstudie en plan van aanpak | RIVM

Een web-based data-uitwisselingsplatform gezondheid en milieu draagt bij aan de ontsluiting en harmonisatie van lokale en nationale gegevens en zal daarmee de formulering en evaluatie van milieubeleid vergemakkelijken. In dit rapport zijn op basis van de ervaringen met vergelijkbare initiatieven en de wensen van de doelgroepen (alle overheden, GGD'en, milieudiensten en de burger) een programma van eisen en een voorstel voor de ontwikkeling van een dergelijk platform beschreven. Het data-uitwisselingsplatform moet de mogelijkheid bieden om landelijke, regionale en lokale milieu- en gezondheidsgegevens uit te wisselen, te vergelijken en te analyseren. Het voorstel is om te beginnen met een pilot waarbij met reeds beschikbare applicaties een selectie van gegevens ontsloten wordt, zodat betrokken overheden deze snel kunnen gebruiken voor hun eigen toepassingen. Naar aanleiding van de ervaringen in de pilot wordt een ontwerprapport voor het vervolg opgesteld. Op basis hiervan kan besloten worden tot de daadwerkelijke bouw van een maatwerkapplicatie.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Staat van Infectieziekten in Nederland, 2000-2005 | RIVM

De Staat van Infectieziekten beoogt inzicht te geven in de infectieziektenproblematiek in Nederland. De inhoud is primair gericht op beleidsmakers bij het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en bij het Centrum Infectieziektebestrijding (CIb) van het RIVM. Deze Staat van Infectieziekten geeft een overzicht van belangrijke ontwikkelingen en gebeurtenissen in de periode 2000-2005. Daarnaast werd speciale aandacht besteed aan de ziektelast en kosten van infectieziekten.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Onderzoek naar een mogelijke relatie tussen gewasschade in de regio Aalsmeer en de samenstelling van de neerslag | RIVM

De neerslagsamenstelling in het gebied rondom Aalsmeer wijkt niet duidelijk af van de rest van Nederland. Dit blijkt uit een quickscan naar de mogelijke invloed van de samenstelling van de neerslag op geconstateerde gewasschade bij tuinders in de (wijde) omgeving van Aalsmeer. De belangrijkste afwijkingen betreffen: een verhoogde concentratie van aan zeezout gerelateerde componenten. (Cl, Ca, K, Mg en Na). Dit is een direct gevolg van de relatief korte afstand van Aalsmeer tot de Noordzee; een verhoogde concentratie sterk zuur. Deze is mogelijk een gevolg van industriele activiteiten in de havengebieden van Rotterdam en Antwerpen. Ook op andere westelijk gelegen stations van het LMRe (Rotterdam en Huijbergen (West-Brabant)) worden verhoogde zuurconcentraties gemeten; een licht verhoogde concentratie lood en vanadium op de locatie De Zilk/Leiduin. Voor zowel hoofdcomponenten als voor zware metalen is vanaf 1992 een dalende (dan wel geen) trend waarneembaar. Van een toename in concentraties is zeker geen sprake. Voor het onderzoek is gebruik gemaakt van de gegevens van het Landelijk Meetnet Regenwatersamenstelling (LMRe) uit de jaren 1992-2004. Van deze periode zijn voor alle meetstations van het LMRe de jaargemiddelde concentraties en jaardeposities van zowel hoofdcomponenten als zware metalen berekend. Vervolgens zijn de resultaten van de meetstations rondom het gebied van Aalsmeer vergeleken met de landelijk gemiddelde waarden. Ook zijn de resultaten van het meetstation in de meest directe omgeving van Aalsmeer vergeleken met de landelijk gemiddelde waarden.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Marketingresultaten kiesBeter.nl eerste helft 2006 | RIVM

In opdracht van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport werkt het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu aan de zorgportal kiesBeter.nl. Deze publieke portal verschaft burgers inzicht in de keuzes die ze kunnen maken in de zorg en biedt ze hiertoe relevante informatie. Vandaar de slogan "kiesBeter.nl wijst u de weg in de zorg". Dit rapport bespreekt de resultaten die zijn behaald in de eerste helft van 2006. In de eerste helft van 2006 bezochten ruim een miljoen mensen de site. De naamsbekendheid van kiesBeter.nl is in juni negen procent. De bezoekers zijn erg tevreden over de kwaliteit van de site en de informatie. Er zijn meer teugkerende bezoekers en meer bezoekers die kiesBeter.nl in hun favorieten hebben gezet. De bezoekerspopulatie vormt een doorsnede van de Nederlandse bevolking.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Geboortejaar kiesBeter.nl in feiten en cijfers | RIVM

In opdracht van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport werkt het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu aan de zorgportal kiesBeter.nl. in de zorg en biedt ze hiertoe relevante informatie. Vandaar de slogan "KiesBeter.nl wijst u de weg in de zorg". Dit rapport bespreekt de resultaten die zijn behaald gedurende 2005, het "geboortejaar". In 2005 bezochten 1,7 miljoen mensen de site. Daarvan hebben er zich 27 duizend geabonneerd op de nieuwsbrief, die ten minste eens per kwartaal verschijnt. Begin 2006 had kiesBeter.nl een naamsbekendheid van 23 procent. Ten opzichte van andere sites op het gebied van zorg en gezondheid wordt kiesBeter.nl iets meer dan gemiddeld als onafhankelijk gezien. De bezoekerspopulatie vormt een doorsnede van de Nederlandse bevolking.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

The use of advanced risk assessment methods in answering various types of risk management questions - Why, when, and at what costs? | RIVM

Er wordt nog onvoldoende gebruikgemaakt van nieuwe en geavanceerde methoden om blootstellingsrisico's van stoffen te bepalen. Dit terwijl het gebruik van geavanceerde methoden leidt tot meer realistische risicoschattingen. Hierdoor kan de verantwoordelijke riskmanager zijn aandacht (en budget) beter richten op die gevallen waar werkelijk sprake is van potentiele gezondheidseffecten. In een onderzoek van het RIVM zijn vijf risk management vragen zowel met klassieke methoden als met geavanceerde methoden behandeld. De geavanceerde methoden zijn de Benchmark dosisbenadering en de Probabilistische risicoschatting. De geavanceerde methoden houden op een meer realistische en consistente wijze rekening met onzekerheden. Aanbevolen wordt om deze methoden in ieder geval toe te passen als de blootstelling aan een stof in de buurt ligt of hoger is dan de norm. Maar ook bij lagere blootstelling wordt toepassing van deze methoden aangeraden. De hieraan verbonden kosten zijn beperkt, indien geschikte software en de juiste expertise beschikbaar zijn.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Historische versus recente blootstelling aan stoffen onder arbeidsomstandigheden als oorzaak van gezondheidseffecten en ziektelast | RIVM

Gezondheidseffecten en ziektelast ten gevolge van blootstelling aan stoffen op de werkplek zijn voor een belangrijk deel terug te voeren op blootstellingen in het verleden. Aan de hand van gegevens over veranderingen in arbeidsgerelateerde blootstelling zijn daarom voorzichtige voorspellingen mogelijk over de toekomstige ziektelast voor bepaalde aandoeningen. In een eerder RIVM-rapport werd voor negen aandoeningen de ziektelast als gevolg van blootstelling aan stoffen op de werkplek geschat. In dit vervolgonderzoek is bekeken in hoeverre deze ziektelast wordt veroorzaakt door blootstellingen in het verleden of door meer recente blootstellingen. Wanneer de ziektelast voor een bepaalde aandoening in belangrijke mate wordt veroorzaakt door blootstellingen in het verleden, is bovendien onderzocht of de blootstelling aan enkele relevante stoffen op de werkplek in de loop van de tijd is veranderd. Op basis van de bevindingen luidt de voorzichtige voorspelling dat de ziektelast door blootstelling aan stoffen op de werkplek in de nabije toekomst zal afnemen voor hart- en vaatziekten, chronische toxische encefalopathie en huid- en longkanker. Voor andere aandoeningen blijft de ziektelast waarschijnlijk stabiel (COPD, rhinitis en rhinosinitis), of neemt die toe (mesothelioom, asbestlongkanker, asbestose). Voor astma en contact-eczeem is geen voorspelling mogelijk.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Identificatie van belangrijke beroepsgroepen en stoffen bij het ontstaan van gezondheidseffecten en ziektelast door blootstelling aan stoffen onder arbeidsomstandigheden | RIVM

De ziektelast als gevolg van astma, chronische bronchitis en longemfyseem (COPD), contact-eczeem en longkanker zal naar verwachting afnemen, wanneer arbeidsgerelateerde blootstelling aan een aantal stoffen (chemicalien) binnen bepaalde beroepsgroepen wordt teruggedrongen. In een eerder RIVM-rapport werd voor negen aandoeningen de ziektelast als gevolg van blootstelling aan stoffen op de werkplek geschat. In dit vervolgonderzoek is voor de vier genoemde aandoeningen onderzocht bij welke combinaties van beroepsgroep en stof een relevante gezondheidswinst zou kunnen worden bereikt bij vermindering van de blootstelling. Relevante gezondheidswinst lijkt met name te behalen in de volgende combinaties van beroepsgroep en stof: - meelstof bij bakkers, isocyanaten in de bouwnijverheid, latex in de gezondheidszorg, en dierlijke allergenen in de landbouw voor astma; - anorganisch stof in de bouwnijverheid, meelstof bij bakkers en werkers in de voedselproductie, en organisch stof in de landbouw voor COPD; - nat werk, ontvetters, zepen, en detergentia bij diverse beroepen in de gezondheidszorg, schoonmakers, kappers en schoonheidsspecialisten voor contact-eczeem; en - kwartsstof in de bouw en passief roken in de horeca voor longkanker (uitgezonderd asbest als oorzaak van longkanker). De bovengenoemde opsomming geeft een indicatie van de belangrijkste combinaties van beroepsgroepen en stoffen in het Nederlandse bedrijfsleven. Echter, ook in andere beroepsgroepen en branches kunnen werknemers genoemde aandoeningen ontwikkelen door blootstelling aan bepaalde stoffen op de werkplek.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Environmental effect indicators for priority pollutants | RIVM

Dit rapport beschrijft een methode die de effecten schat van Nederlandse emissies van prioritaire stoffen op de volksgezondheid en ecosystemen. Prioritaire stoffen vormen een dusdanig gevaar voor het milieu, dat met voorrang emissiereducerende maatregelen zijn getroffen om dat gevaar te verminderen. De methode berekent zogenaamde MilieuEffectIndicatoren (MEI) en is ontwikkeld om te toetsen of de doelstellingen van het Nederlandse milieubeleid gehaald zijn. De eerste milieueffectindicator, de MEI/eco, schat het verlies van soorten organismen in het Nederlandse oppervlaktewater als gevolg van emissies van prioritaire stoffen. Uit een toetsing blijkt dat het effect van prioritaire stoffen op de soortensamenstelling in de periode 1990-2003 ongeveer is gehalveerd. Op basis van de Nederlandse emissies wordt het verlies van soorten in 1990 geschat op 3,2% en in 2003 op 1,8%. De MEI/eco wordt berekend op basis van geschatte blootstelling, de gevoeligheid van soorten voor bepaalde stoffen en de giftigheid van bepaalde stofmengsels. De tweede milieueffectindicator, de MEI/vgz, schat het effect van emissies van prioritaire stoffen op de volksgezondheid. Uit een analyse van de situatie in Nederland blijkt dat de impact van de prioritaire stoffen op de volksgezondheid met ongeveer eenderde is afgenomen. Het effect wordt uitgedrukt in het verlies aan DALY's (Disability Adjusted Life Years), ofwel het aantal gezonde levensjaren dat een populatie verliest door ziekten of voortijdig overlijden. Het effect van de Nederlandse emissies wordt geschat op een verlies van 59.000 DALY in 1990 en 42.000 DALY in 2003. De MEI/vgz wordt berekend op basis van geschatte blootstelling, de ziekteverwekkende eigenschappen van bepaalde stoffen en epidemiologische gegevens.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Prioritaire stoffen in het milieu. Analyse van de milieudruk en -kwaliteit in Nederland over de periode 1990 - 2005 | RIVM

De afgelopen vijftien jaar is de problematiek over de aanwezigheid van prioritaire stoffen in het Nederlandse milieu afgenomen. De milieudruk (emissies van schadelijke stoffen naar lucht, water en bodem) is afgenomen en de milieukwaliteit (concentraties van schadelijke stoffen in het milieu) is verbeterd. Voor een aantal stoffen is het verbetertempo echter te laag om de beleidsdoelstellingen in 2010 te kunnen halen. Prioritaire stoffen zijn milieuschadelijke stoffen, die in het milieubeleid met voorrang worden behandeld en waarvoor beleidsdoelstellingen voor het jaar 2010 zijn opgesteld. Er zijn nog steeds stoffen waarvan de emissies hoger zijn dan het voor 2010 gestelde maximum. Ook zijn concentraties nog vaak hoger dan de gestelde streefwaarden, die vanaf 2010 niet meer mogen worden overschreden. Dit blijkt uit het verloop van berekende milieudruk- en milieukwaliteitsindicatoren. Met dergelijke indicatoren wordt getalsmatig uitgedrukt hoever de huidige milieudruk en milieukwaliteit afwijken van de beleidsdoelstellingen ('distance to target'). Wat betreft emissie blijkt dat vooral voor cadmium het emissieplafond naar lucht, water en bodem wordt overschreden. Voor de zware metalen koper en zink is vaak de uitstoot naar water en bodem te hoog. Concentraties van zwaveldioxide, stikstofdioxiden, koolmonoxide, lood en ozon in lucht liggen vaak boven de streefwaarden. Dit geldt ook voor concentraties van koper in oppervlaktewater. In het grondwater liggen de concentraties van chroom, cadmium en nikkel regelmatig boven de streefwaarden.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Gezond verstand. Evidence-based preventie van psychische stoornissen | RIVM

Depressie, angststoornissen en alcoholmisbruik en -afhankelijkheid komen veel voor: een op de vijf mensen in Nederland lijdt aan een van deze stoornissen. Daarmee staan deze psychische stoornissen in de top 10 van ziekten met de grootste ziektelast. De geestelijke gezondheidszorg beschikt over effectieve behandelingen, en toch lukt het maar gedeeltelijk om deze enorme ziektelast te verminderen. Naast behandeling zou daarom ook preventie aangeboden moeten worden, om zo de ziektelast nog verder terug te dringen. Bij de preventie van psychische stoornissen hebben goede bedoelingen lang de boventoon gevoerd. Dit terrein is de laatste jaren echter sterk aan het professionaliseren en verwetenschappelijken. In dit rapport wordt een groot aantal onderzoeken naar het effect van de preventie van depressie, schadelijk alcoholgebruik en angststoornissen op een rij gezet. Daaruit komt naar voren dat er inmiddels voldoende bewijs is om bepaalde preventieve interventies op grotere schaal toe te passen. Verhoging van het bereik van effectief gebleken preventieve interventies voor depressie is noodzakelijk. Dit vraagt om beleid op drie fronten: versterking van het landelijke beleid, ondersteuning van gemeentelijke beleid, en opname van preventie van psychische stoornissen als vast onderdeel in de gezondheidszorg. Het rapport biedt daarvoor concrete aanbevelingen.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Drempelwaarden in grondwater: voor welke stoffen? | RIVM

Drempelwaarden voor grondwater zijn verplicht door de (Europese) Kaderrichtlijn Water. Er komen geen Europese voorschriften voor de stoffen waarvoor drempelwaarden moeten worden vastgesteld, noch voor de hoogte van drempelwaarden. Dit rapport bevat adviezen welke criteria zouden moeten worden toegepast om stoffen te selecteren voor het afleiden van een drempelwaarde. Het RIVM adviseert om drempelwaarden vast te stellen voor stoffen waar grondwaterafhankelijke ecosystemen schade door ondervinden. Daarnaast beveelt het RIVM aan drempelwaarden vast te stellen voor stoffen die in grondwater boven de drinkwaternorm dreigen uit te komen. Ook worden voorlopige adviezen gegeven voor de stofkeuze. Voor grondwaterafhankelijke ecosystemen zijn dat stikstof, fosfaat en chloride. Voor de drinkwaterfunctie zijn dat nikkel en arseen; dit advies is echter gebaseerd op gegevens die nog moeten worden geactualiseerd. De hoogte van de drempelwaarden komt in een vervolgrapport aan bod.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Ontwikkeling en registratie van geneesmiddelen; geregeld in de knel? | RIVM

Regelgeving op het gebied van geneesmiddelenregistratie vormt geen belangrijke barriere, die de registratie van geneesmiddelen ernstig verhindert of vertraagt. Wel kan de Nederlandse overheid een aantal verbeteringen doorvoeren. Een nieuw geneesmiddel doorloopt een bepaald ontwikkelings- en registratietraject, voordat het een handelsvergunning verkrijgt. Dit traject is aan strikte regels gebonden. Hoewel de regelgeving geen echte barriere vormt, worden in dit rapport wel aanbevelingen gedaan voor verbeteringen. Deze aanbevelingen richten zich op het vergroten van de betrouwbaarheid, voorspelbaarheid en transparantie van de overheid. Zo zou de totstandkoming van regelgeving verbeterd kunnen worden. Daarnaast is nader onderzoek naar de doelmatigheid van bepaalde onderdelen van de geneesmiddelenregelgeving wenselijk en kan de informatievoorziening over de regelgeving worden verbeterd. Dergelijke maatregelen kunnen voorkomen dat het bedrijfsleven in de toekomst kiest voor andere EU-landen dan Nederland om onderdelen van de ontwikkeling uit te voeren en een registratieprocedure op te starten. Het rapport bevat een schematische beschrijving van het ontwikkelings- en registratietraject. Er is een overzicht opgenomen van betrokken nationale en Europese overheidsinstanties en van de belangrijkste regelgeving. Voor de situatie in Nederland zijn de knelpunten in kaart gebracht door het voeren van gesprekken met vertegenwoordigers van nationale overheidsinstanties en koepelorganisaties uit het farmaceutische bedrijfsleven. Daarbij is naar de praktijkervaring en mening gevraagd van personen, die direct betrokken zijn bij de uitvoering van de regelgeving. Het traject na registratie, zoals opname in het geneesmiddelenvergoedingssysteem, is buiten beschouwing gelaten.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

HIV and Sexually Transmitted Infections in the Netherlands in 2005 | RIVM

De stijgende trend van enkele seksueel overdraagbare aandoeningen (soa) lijkt in 2005 te zijn gestabiliseerd in het soa-peilstation. Bij mannen die seks hebben met mannen (MSM) is het aantal soa in 2005 echter onverminderd hoog en neemt het percentage positieve hiv-testen toe. Ook in de landelijke hiv-registratie (Stichting HIV Monitoring) is in 2005 het aantal hiv-diagnoses opnieuw het hoogst bij MSM. Daarnaast is het aantal hiv-diagnoses bij autochtone heteroseksuelen de laatste jaren licht gestegen. Continue alertheid en innovatieve methoden in preventie en interventie zijn nodig om verdere verspreiding van soa en hiv te voorkomen. Per juni 2006 zijn 11866 personen met hiv bij de SHM geregistreerd, waarvan 970 in 2005. MSM vormen hierin nog steeds de grootste groep (52%, n=501). Het aantal hiv-diagnoses bij allochtone heteroseksuelen daalde van 341 diagnoses in 2002 naar 258 in 2005. Het aantal hiv-diagnoses bij autochtone heteroseksuelen steeg van 86 in 2002 naar 116 in 2005. In het soa-peilstation nam het absolute aantal gevallen van chlamydia en hiv toe in 2005 met 15% en 25%, maar ook het aantal testen steeg. Gonorroe en syfilis daalden licht met 2% en 7%. Vijftien procent van alle chlamydia, gonorroe en syfilis in MSM werd gezien bij hiv-positieve personen. In 2005 is de resistentie tegen ciprofloxacine bij gonorroe verder toegenomen tot 26%. In Nederland is het aantal nieuwe LGV-gevallen in 2005 sterk afgenomen en daarmee lijkt de epidemie over zijn hoogtepunt heen te zijn.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Handreiking voor de afleiding van indicatieve milieukwaliteitsnormen | RIVM

Dankzij een nieuwe methodiek is het mogelijk om op een snelle manier een indruk te verkrijgen van eventuele risico's van het vrijkomen van chemische stoffen in het milieu. Door de groeiende aandacht voor het verantwoord omgaan met chemische stoffen neemt de vraag naar milieukwaliteitsnormen voor deze stoffen toe. Het afleiden van normen is echter een tijdrovende exercitie, terwijl een eerste indicatie van een eventueel risico voor mens of milieu voor een vergunningverlener of bedrijf vaak voldoende is. De methodiek sluit aan bij (inter)nationaal gangbare methodieken. Via een aantal stappen wordt een indicatieve milieukwaliteitsnorm afgeleid, op basis van stofgegevens uit enkele geselecteerde databronnen. Er wordt rekening gehouden met gevaarseigenschappen voor zowel mens als milieu. Omdat geen uitgebreid literatuuronderzoek plaatsvindt, en gegevens niet uitgebreid worden beoordeeld op validiteit, is de methodiek conservatief van aard. Hiermee wordt voorkomen dat een eventueel risico wordt onderschat. Desgewenst kan na afleiding van de indicatieve norm worden overgegaan tot een reguliere normafleiding. Indicatieve milieukwaliteitsnormen kunnen als richtinggevend instrument worden toegepast in verschillende kaders, zoals het lucht- en waterkwaliteitsbeleid.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Dutch cities: a possible trend towards economic deconcentration and impacts on the quality of life | RIVM

De in 2004 door de Rijksoverheid geintroduceerde Nota Ruimte zou kunnen leiden tot meer detailhandelsvestigingen op perifere locaties. De Rijksoverheid besloot om in het kader van meer decentralisering het detailhandelsvestigingsbeleid aan lagere overheden over te laten. Daardoor zouden in Nederland zogenoemde weidewinkels realiteit kunnen worden en de decenniaoude fijnmazige detailhandelsstructuur zou in gevaar kunnen komen. Onder de betrokken partijen (detailhandel, consumenten en beleidsmakers) leidde de invoering van het nieuwe beleid tot veel discussie over de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling van detailhandelsvestigingen. Dit blijkt uit dit onderzoek. Er blijken zowel aannemelijke argumenten voor het ontstaan van meer vestigingen op perifere locaties te bestaan als ook argumenten die dit juist tegenspreken. Mogelijke effecten daarvan op de kwaliteit van leven in steden zijn net zo ambivalent. Voor dit onderzoek werden vertegenwoordigers van beleidsmakers, consumenten en detailhandel geinterviewd om meer zicht te krijgen op de volgende vragen: a. Hoe wordt tegen het nieuwe beleid aangekeken? b. Kan er een trend ontstaan tot meer detailhandel op perifere locaties? c. Wat kunnen de effecten zijn op de kwaliteit van leven in steden.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Beslissen over bagger op bodem. Deel 1. Systeembenadering, model en praktijkvoorbeelden | RIVM

Voor het nieuwe bodembeleid is een model ontwikkeld dat ingezet kan worden voor lokale besluitvorming over de verspreiding van licht verontreinigde bagger op de kant. Regelmatig baggeren is een noodzaak in Nederland. Verontreinigingen in de bagger zorgen daarbij voor een probleem. Waar moet de verontreinigde bagger heen? Momenteel wordt een verspreidingsbeleid gehanteerd dat gebaseerd is op verontreinigingsklassen. Dit systeem voldoet niet meer. In het kader van nieuw bodembeleid moet er anders naar dit probleem worden gekeken. Duurzaam gebruik van de bodem moet centraal staan, en gebiedsspecifiek beleid moet mogelijk worden. De bestaande klassenindeling geeft onvoldoende inzicht in lokale landbodemrisico's, en sluit niet aan bij het nieuwe beleid. In een onderzoek van RIVM, RIZA en Alterra is gekeken naar de risico's die op een lokatie door verspreiding op land kunnen ontstaan. Hiervoor is een systeembenadering opgesteld: waar komen de stoffen vandaan, waar gaan ze heen, welke organismen worden daadwerkelijk blootgesteld, en wat zijn de lokatiespecifieke risico's na verspreiding nu eigenlijk? Hiernaar wordt in drie samenhangende rapporten gekeken. In het voorliggende overzichtsrapport van de serie wordt het op basis van de systeembenadering ontwikkelde beslismodel gepresenteerd, en worden de gevolgen van toepassing van het beslismodel verkend. In de twee andere rapporten is de technisch-wetenschappelijke aanpak in detail uiteengezet, respectievelijk voor de modellen gebruikt zijn voor de voorspellingen van de concentratieveranderingen in de landbodem, en voor de daardoor veranderende risiconiveaus voor mens, landbouwproducten en ecosystemen.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Beslissen over bagger op bodem. Deel 2. Onderbouwing stofgedragmodellering en voorspelde landbodemconcentraties na verspreiding bagger op land | RIVM

Dit rapport beschrijft een model voor het gedrag van toxische stoffen die in bodem gebracht worden door verspreiding van baggerspecie. Regelmatig baggeren is een noodzaak in Nederland. Verontreinigingen in de bagger zorgen daarbij voor een probleem. Waar moet de verontreinigde bagger heen? Momenteel wordt een verspreidingsbeleid gehanteerd dat gebaseerd is op verontreinigingsklassen. Dit systeem voldoet niet meer. In het kader van nieuw bodembeleid moet er anders naar dit probleem worden gekeken. Duurzaam gebruik van de bodem moet centraal staan, en gebiedsspecifiek beleid moet mogelijk worden. De bestaande klassenindeling geeft onvoldoende inzicht in lokale landbodemrisico's, en sluit niet aan bij het nieuwe beleid. In een onderzoek van RIVM, RIZA en Alterra is gekeken naar de risico's die op een lokatie door verspreiding op land kunnen ontstaan. Hiervoor is een systeembenadering opgesteld: waar komen de stoffen vandaan, waar gaan ze heen, welke organismen worden daadwerkelijk blootgesteld, en wat zijn de lokale risico's na verspreiding nu eigenlijk? Hiernaar wordt in drie samenhangende rapporten gekeken. In het voorliggende rapport wordt de systeembenadering technisch-wetenschappelijk beschreven. Hiermee kan beoordeeld worden of stoffen zich ophopen in de landbodem. In het opvolgende rapport wordt beschreven hoe de risico's van de stoffenmengsels voor mens, landbouwproducten en ecosystemen kunnen veranderen door het verspreiden van baggerspecie. In het overzichtsrapport van de serie wordt het op basis van de systeembenadering ontwikkelde beslismodel gepresenteerd, en worden de gevolgen van toepassing van het beslismodel verkend.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Drainwaterkwaliteit in de kleigebieden in de periode 1996-2001 | RIVM

De bedrijfsvoering (stikstofoverschot) van landbouwbedrijven in de kleigebieden kan de nitraatconcentratie in drainwater het duidelijkst beinvloeden. De nitraatconcentratie is hoger naarmate het drainwater jonger is, terwijl de concentraties van de andere stoffen juist lager zijn in jonger drainwater. Ongeveer 40% van de bedrijfsgemiddelde nitraatconcentraties is hoger dan de Europese grenswaarde van 50 mg/l. Behalve de bedrijfsvoering beinvloedt ook het neerslagoverschot de nitraatconcentratie. Dit is vastgesteld met behulp van een landelijk meetnet. Hierbij werden tussen 1996 en 2001 bij 66 bedrijven monsters van het drainwater genomen. Het is mogelijk om met de huidige meetnetopzet met 80% zekerheid een daling van de nitraatconcentratie te detecteren, die door een veranderde bedrijfsvoering is veroorzaakt. Een voorwaarde voor detectie is dat andere invloeden, zoals het neerslagoverschot, niet aanwezig zijn of dat hiermee rekening kan worden gehouden.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

De validatie van de Nederlandse voornormen NVN 5622, NVN 5627, NVN 5636 en NEN 6421 | RIVM

Vier Nederlandse normen, die van belang zijn voor het vaststellen van concentraties aan radioactieve stoffen die zogenaamde alfa- of beta straling uitzenden, zijn gevalideerd. Totaal-alfa en totaal-beta bepalingen zijn onder andere van groot nut bij een snelle en simpele screening van milieumonsters ten tijde van een nucleair ongeval. Het gaat om de normen NVN 5622, NVN 5627, NVN 5636 en NEN 6421. In opdracht van het Nederlandse Normalisatie Instituut heeft het RIVM deze validatie uitgevoerd samen met het Kernfysisch Versneller Instituut (KVI) en de Nuclear Research en Consultancy Group (NRG). De normteksten zijn bijgewerkt en gemoderniseerd. Daarnaast zijn de prestatiekenmerken van de normen vastgesteld. Het gaat daarbij om haalbaarheid, juistheid, reproduceerbaarheid, nauwkeurigheid en aantoonbaarheid. Deze prestatiekenmerken zijn vastgesteld door middel van onderzoek in zes tot tien laboratoria.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Beslissen over bagger op bodem. Deel 3. Modellering van risico's na verspreiding bagger | RIVM

Dit rapport beschrijft een model voor het gedrag van toxische stoffen die in bodem gebracht worden door verspreiding van baggerspecie. Regelmatig baggeren is een noodzaak in Nederland. Verontreinigingen in de bagger zorgen daarbij voor een probleem. Waar moet de verontreinigde bagger heen? Momenteel wordt een verspreidingsbeleid gehanteerd dat gebaseerd is op verontreinigingsklassen. Dit systeem voldoet niet meer. In het kader van nieuw bodembeleid moet er anders naar dit probleem worden gekeken. Duurzaam gebruik van de bodem moet centraal staan, en gebiedsspecifiek beleid moet mogelijk worden. De bestaande klassenindeling geeft hier geen mogelijkheden voor. In een onderzoek van RIVM, RIZA en Alterra is gekeken naar de risico's die op een lokatie door verspreiding op land kunnen ontstaan. Hiervoor is een systeembenadering opgesteld: waar komen de stoffen vandaan, waar gaan ze heen, welke organismen worden daadwerkelijk blootgesteld, en wat zijn de lokale risico's na verspreiding nu eigenlijk? Hiernaar wordt in drie samenhangende rapporten gekeken. In dit derde rapport van de serie wordt de risicobenadering technisch-wetenschappelijk beschreven. Er wordt voortgebouwd op gegevens uit het tweede rapport, waarin is beschreven of- en hoe stoffen zich ophopen in de landbodem door het verspreiden van baggerspecie. In dit rapport wordt beschreven hoe dientengevolge de risico's van de stoffenmengsels voor mens, landbouwproducten en ecosystemen kunnen veranderen. In het overzichtsrapport van de serie, het eerste rapport, wordt het ontwikkelde beslismodel als prototype gepresenteerd, en worden de gevolgen van beleidsmatige toepassing van het beslismodel verkend.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Optimalisatie van de dosis bij radiologisch onderzoek van kinderen - Inventarisatie van de praktijk in algemene ziekenhuizen | RIVM

De stralingsdosis bij rontgenonderzoek van kinderen kan in de meeste algemene ziekenhuizen lager. Dat blijkt uit een inventarisatie van het RIVM in opdracht van de Inspectie voor de Gezondheidszorg. Aandacht voor de stralingsdosis bij kinderen is belangrijk. Kinderen zijn namelijk gevoeliger voor de schadelijke effecten van straling op lange termijn dan volwassenen. Voor een goede rontgenafbeelding van een kind volstaat een lagere dosis straling. Wanneer een kind wordt onderzocht met rontgenapparatuur die is afgesteld op een volwassene, krijgt het een hogere dosis straling dan een volwassene. Door speciale protocollen op te stellen voor rontgenonderzoek van kinderen kan de stralingsdosis beter worden beperkt. Uit de inventarisatie van het RIVM bleek dat aanbevolen voorzieningen en speciale protocollen voor CT en doorlichting van kinderen en baby's vaak ontbreken. Voor doorlichting wordt soms verouderde apparatuur gebruikt. De CT-scanners zijn over het algemeen wel modern. Daarnaast kiezen radiologen waar mogelijk voor onderzoek zonder ioniserende straling, zoals een echo of MRI-scan. Ook vindt vervolgonderzoek vrijwel altijd plaats in gespecialiseerde kinderziekenhuizen, met beter aangepaste apparatuur. De inventarisatie is gedaan door middel van een mondelinge enquete. Er zijn twee academische kinderziekenhuizen bezocht en er is een representatieve steekproef gedaan van achttien algemene ziekenhuizen. De aanbevelingen naar aanleiding van het onderzoek zijn geformuleerd in samenwerking met de sectie kinderradiologie van de Nederlandse Vereniging voor Radiologie.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Functional food monitoring as part of the new Dutch dietary monitoring system | RIVM

Goede consumptiegegevens van functionele voedingsmiddelen ontbreken, maar zijn nodig voor een adequaat Nederlands voedingsbeleid. Monitoring van deze voedingsmiddelen kan in de toekomst deel uitmaken van het nieuwe Nederlandse voedingspeilingsysteem. Dit kan door onder andere gerichte vragen via Internet te stellen aan grote groepen mensen. Functionele voedingsmiddelen zijn voedingsmiddelen waaraan een positief gezondheidseffect wordt toegeschreven. Vaak is dit positieve effect echter niet bewezen en kan het gebruik ook risico's opleveren. Het gebruik van deze voedingsmiddelen kan worden gemonitord door ze op te nemen in het Nederlandse voedingspeilingsysteem, een systeem waarmee op reguliere basis wordt nagegaan wat Nederlanders eten. In het rapport wordt aangegeven hoe deze implementatie kan worden gerealiseerd. Aanbevolen wordt om functionele voedingsmiddelen op te nemen in drie modules van het voedingspeilingsysteem: de basisgegevensverzameling, de aanvullende gegevensverzameling voor specifieke groepen en die voor specifieke producten. Daarnaast is een bestand nodig met de samenstelling van functionele voedingsmiddelen. Het Nederlands voedingspeilingsysteem resulteert hiermee in consumptiegegevens van functionele voedingsmiddelen (op product- en ingredientniveau) voor de algemene Nederlandse bevolking en relevante subgroepen.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Basis Selectie Document (BSD) voor de taakgebieden Volksgezondheid en Milieu. Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en het Nederlands Vaccin Instituut (NVI) over de periode 1940-2005 (concept) | RIVM

Het Basis Selectie Document (BSD) is het bij de Archiefwet 1995 voorgeschreven selectieinstrument voor overheidsarchieven. Met behulp van een BSD worden bewaartermijnen toegekend aan documenten waarbij onderscheid wordt gemaakt in bewaren (B) en vernietigen na een vastgestelde periode (V). De te bewaren documenten worden overgebracht naar het Nationaal Archief (NA). Dit rapport bestrijkt de periode 1940-2005 en is een actualisatie van rapport 840701002/1998 waarin de handelingen met bewaartermijnen van het Rijksinstituut voor de Volksgezondheid (RIV) en de rechtsopvolger hiervan, het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiene (RIVM) staan beschreven over de periode 1940-1995. In het afgelopen decennium is de taak "vaccinontwikkeling en productie" ondergebracht bij het Nederlands Vaccin Instituut (NVI) dat per 1 januari 2003 als zelfstandige agentschap onder het ministerie van VWS is gepositioneerd. Het NVI komt als aparte actor voor in dit BSD.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Dutch Health Care Performance Report 2004 | RIVM

Dit is de eerste Zorgbalans. Hierin worden de kwaliteit, de toegankelijkheid en de kosten van de Nederlandse gezondheidszorg in 2004 gepresenteerd. De Zorgbalans schetst een breed beeld op basis van ongeveer 125 indicatoren. Waar mogelijk wordt dat gedaan met behulp van tijdreeksen en internationale vergelijkingen. In opdracht van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport brengt het RIVM de Zorgbalans iedere twee jaar uit. Nederland heeft anno 2004 een toegankelijk zorgsysteem. Wel zijn de kosten van zorg tussen 2000 en 2004 sterk gestegen. In vergelijking met andere landen in de Europese Unie, heeft Nederland wat betreft kostenontwikkeling niet een sterk afwijkende positie: iets boven het EU-15 gemiddelde. Internationaal gezien is de kwaliteit van zorg op meerdere onderdelen bovengemiddeld. Wat betreft de effectiviteit van preventie en zorg, patientveiligheid en ketenzorg is nog veel winst te boeken.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Elektromagnetische velden in arbeidssituaties | RIVM

De EU heeft richtlijn 2004/40/EG uitgevaardigd om de werknemer te beschermen tegen gezondheidsrisico's door blootstelling aan elektromagnetische velden op het werk. Deze richtlijn moet uiterlijk 30 april 2008 zijn omgezet in nationale wetgeving. Ter voorbereiding hiervan heeft het RIVM in opdracht van het Ministerie van SZW de blootstelling in Nederlandse arbeidssituaties geinventariseerd en geanalyseerd. Het doel van dit rapport is de werkgevers een handreiking te geven om vast te stellen of aan de eisen uit de richtlijn wordt voldaan en om de risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E) voor elektromagnetische velden op te stellen. Totdat er geharmoniseerde Europese normen van het Europees Comiti voor elektrotechnische normalisatie (CENELEC) beschikbaar zijn voor alle situaties die moeten worden beoordeeld, gemeten en berekend, mag dit rapport als richtsnoer gebruikt worden. Gebruik van dit rapport is dus geen verplichting. Voor de meeste werkgevers is het voldoende om de eerste twee hoofdstukken door te nemen. De volgende drie hoofdstukken bevatten voor een aantal arbeidssituaties informatie over de blootstelling, de rekenregels waarmee de situatie kan worden ingeschat en de mogelijke beheersmaatregelen. Het laatste hoofdstuk geeft een overzicht van de kosten die met invoering van de richtlijn samenhangen. Om te kunnen toetsen of de blootstelling onder de limieten van de richtlijn blijft, moeten CENELEC-normen worden gebruikt, voor zover ze bestaan. Deze normen zijn zonder specialistische kennis niet eenvoudig toe te passen. Ook hoeft niet alle apparatuur even uitgebreid beoordeeld te worden of zijn even zware maatregelen nodig. Om de beoordeling te vergemakkelijken geeft dit rapport een beoordelingsschema en tabellen met een indeling van alle relevante werkomgevingen in drie categorieen. Voor iedere categorie geldt een ander beoordelingstraject.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

HIV-surveys bij hoog-risicogroepen in Den Haag 2005 | RIVM

Verspreiding van HIV en SOA kan mogelijk optreden doordat hoog-risicogroepen een brug vormen naar de rest van de bevolking in Nederland. Dit blijkt uit de HIV-survey die is uitgevoerd in Den Haag onder prostituees werkzaam in de raamprostitutie, clubs en op de tippelzone en onder migranten afkomstig uit HIV-endemische gebieden. HIV komt voor bij 3,5% van de prostituees. De HIV-prevalentie is 0,6% onder Antillianen, 0,7% onder Surinamers en 1,8% onder Ghanezen. Het doel van de survey was inzicht te verkrijgen in het voorkomen van HIV, seksueel risicogedrag en de potentie tot verspreiding hiervan bij prostituees en bij migranten afkomstig uit gebieden waar de HIV-prevalentie onder de algemene bevolking hoger dan 1% wordt geschat. De surveys maken onderdeel uit van de HIV-surveillance in Nederland. Prostituees: Bij de prostituees zijn HIV-infecties gevonden bij verslaafde vrouwen (22,2%) en bij transgenders (20%); bij de niet-verslaafde vrouwelijke prostituees zijn geen HIV-infecties aangetoond. Prostituees gebruiken vaak condooms met klanten (79%), maar ruim een derde rapporteert dat condooms regelmatig stuk gaan. Seksueel risicogedrag is hoger bij verslaafde prostituees en transgenders dan bij niet-verslaafde vrouwen. Gezien de hoge HIV-prevalentie onder transgenders en verslaafde vrouwen en het risicogedrag is de kans aanwezig voor de verspreiding van HIV vanuit deze groepen naar de rest van de bevolking. Migranten afkomstig uit HIV-endemische gebieden: Seksueel risicogedrag wordt vaak gerapporteerd en is hoger bij mannen dan bij vrouwen; ze rapporteren ongeveer twee keer zoveel partners, vaak meerdere partners tegelijkertijd, vaker seksuele contacten met losse partners in het land van herkomst en ze mixen vaker met partners van een andere etniciteit. Vrouwen gebruiken daarentegen minder vaak condooms, zowel bij vaste als bij losse partners. Van de migranten heeft 4-20% onbeschermde sekscontacten gehad met tenminste twee partners in de voorgaande zes maanden. Het risico van verdere verspreiding van HIV naar de rest van de bevolking in Nederland lijkt gering, echter door vele seksuele contacten onderling en tussen de verschillende etnische groepen is er een potentieel risico op verdere verspreiding van HIV/SOA.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Electromagnetic fields in the working environment | RIVM

De EU heeft richtlijn 2004/40/EG uitgevaardigd om de werknemer te beschermen tegen gezondheidsrisico's door blootstelling aan elektromagnetische velden op het werk. Deze richtlijn moet uiterlijk 30 april 2008 zijn omgezet in nationale wetgeving. Ter voorbereiding hiervan heeft het RIVM in opdracht van het Ministerie van SZW de blootstelling in Nederlandse arbeidssituaties geinventariseerd en geanalyseerd. Het doel van dit rapport is de werkgevers een handreiking te geven om vast te stellen of aan de eisen uit de richtlijn wordt voldaan en om de risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E) voor elektromagnetische velden op te stellen. Totdat er geharmoniseerde Europese normen van het Europees Comiti voor elektrotechnische normalisatie (CENELEC) beschikbaar zijn voor alle situaties die moeten worden beoordeeld, gemeten en berekend, mag dit rapport als richtsnoer gebruikt worden. Gebruik van dit rapport is dus geen verplichting. Voor de meeste werkgevers is het voldoende om de eerste twee hoofdstukken door te nemen. De volgende drie hoofdstukken bevatten voor een aantal arbeidssituaties informatie over de blootstelling, de rekenregels waarmee de situatie kan worden ingeschat en de mogelijke beheersmaatregelen. Het laatste hoofdstuk geeft een overzicht van de kosten die met invoering van de richtlijn samenhangen. Om te kunnen toetsen of de blootstelling onder de limieten van de richtlijn blijft, moeten CENELEC-normen worden gebruikt, voor zover ze bestaan. Deze normen zijn zonder specialistische kennis niet eenvoudig toe te passen. Ook hoeft niet alle apparatuur even uitgebreid beoordeeld te worden of zijn even zware maatregelen nodig. Om de beoordeling te vergemakkelijken geeft dit rapport een beoordelingsschema en tabellen met een indeling van alle relevante werkomgevingen in drie categorieen. Voor iedere categorie geldt een ander beoordelingstraject.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Locale Invloed Scheepvaart Emissies - LISE, Een verkenning | RIVM

Emissies van hoog intensieve binnenvaart op de Waal bij Nijmegen leiden tot duidelijke bijdragen aan de luchtverontreiniging met stikstofdioxide (NO2) in de directe omgeving van de vaarroute terwijl voor PM10 geen duidelijke bijdrage kan worden aangetoond. Op veel andere binnenvaart routes in Nederland is de scheepvaart minder intensief en daar wordt een substantieel geringe bijdrage voor NO2 verwacht. De resultaten van dit orienterende onderzoek hebben het inzicht in de bijdrage van binnenvaart op de directe omgeving van de vaarroute verder verbeterd. Hiermee kan een betere inschatting worden gemaakt van de bijdrage van scheepvaart op de NO2 concentraties in relatie tot andere bronnen van NO2 zoals wegverkeer. Om een vergelijking van de binnenvaart met het wegverkeer inzichtelijk te maken is de intensiteit berekend van een snelweg die een gelijke invloed op de lokale omgeving heeft als de scheepvaart op de Waal (4-5 microgram/m3 NO2 op 200-300 meter van het midden van der rivier). Deze komt overeen met een intensiteit van circa 100.000 voertuigen per etmaal. Het verloop van de concentraties op de oevers van de Waal laat duidelijk de passages van schepen zien en de piekconcentraties bereiken of overschrijden op sommige momenten de geurgrens van NO2. De bevindingen van dit onderzoek zijn in overeenstemming met eerder uitgevoerd modelonderzoek. Verder komt de verhouding van de verschillende stoffen (zoals zwaveldioxide en Zwarte Rook) in de emissie van binnenvaart schepen overeen met de gevonden bijdragen op de oevers van de Waal.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Guidance for summarising earthworm field studies | RIVM

Om de eenvormigheid van evaluaties te vergroten, en daarmee ook de inzichtelijkheid in eventuele verschillen, is door het Nederlandse Platform voor de Beoordeling van Higher Tier Studies een handleiding ontwikkeld voor het samenvatten van veldstudies met regenwormen. Bij de registratieprocedure van bestrijdingsmiddelen worden onder meer veldstudies (Higher Tier Studies) aangeleverd met regenwormen. Deze studies worden voor het College voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen (CTB) geevalueerd door verschillende zogenaamde Evaluerende Instanties. De ingewikkeldheid van deze studies kan er toe leiden dat er grote verschillen bestaan in de vorm van de evaluaties van de verschillende instanties. In dit rapport wordt de handleiding voor het samenvatten van deze veldstudies weergegeven. Hierbij maakt de handleiding onderscheid tussen het samenvatten en evalueren van de studie zelf, en het gebruik van de uitkomst in de risicobeoordeling. Voor het samenvatten en evalueren wordt een concrete handleiding gegeven, inclusief uitgewerkte voorbeelden. Voor het gebruik van de resultaten bij de risicobeoordeling worden slechts suggesties gegeven en discussiepunten aangereikt.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Groeien in gezondheid. Gezondheid en zorg in Midden-Holland, nu en in de toekomst | RIVM

Het rapport Groeien in gezondheid brengt een grote hoeveelheid actuele informatie samen over gezondheid en ziekte, oorzaken van ongezondheid, preventie en zorggebruik in de regio Midden-Holland. Goed nieuws is dat de inwoners van Midden-Holland relatief gezond zijn. De levensverwachting en de gezonde levensverwachting zijn hoger dan gemiddeld in Nederland. De inwoners rapporteren minder vaak chronische luchtwegklachten, bewegingsbeperkingen en lichamelijke beperkingen. Ongezond gedrag en overgewicht echter zijn een bron van zorg voor de toekomst. Ruim een kwart van de mensen in Midden-Holland rookt en iets meer dan de helft van de volwassenen voldoet niet aan de norm voor gezond bewegen. Het alcoholgebruik onder jongeren is de laatste jaren gestegen. De regio kent een ruim aanbod aan preventie en zorg waar velen gebruik van maken. Naast gegevens over het preventie-aanbod, bevat het rapport informatie over het aanbod en het gebruik van een breed spectrum aan zorgsectoren. De bevolking van Midden-Holland zal snel groeien, sneller dan gemiddeld in Nederland. Belangrijke factor daarbij is de verwachte woningbouw in de regio. Ook het aantal ouderen zal toenemen. Als gevolg van deze ontwikkelingen zullen ziekten als staar, coronaire hartziekten, artrose en diabetes mellitus naar verwachting sterk toenemen. Het zorggebruik zal vooral stijgen in de sectoren verpleging, verzorging en thuiszorg, maar ook de huisartsen en apothekers moeten een toenemende vraag tegemoet zien. De informatie kan gebruikt worden door diverse partijen in de zorg, waaronder de verzekeraar, het ziekenhuis, de huisartsen, de verplegings- en verzorgingssector en de GGD. Bij het vaststellen en uitvoeren van beleidsinterventies is intensieve samenwerking met andere partijen, zoals woningcorporaties, arbeidsorganisaties, scholen en gemeenten noodzakelijk.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

The eleventh CRL-Salmonella workshop, 9 May 2006, Saint Malo, France | RIVM

De elfde workshop georganiseerd door het Communautair Referentie Laboratorium voor Salmonella (CRL-Salmonella) werd gehouden op 9 mei 2006 in Saint Malo, Frankrijk. Deelnemers waren vertegenwoordigers van de nationale Referentie Laboratoria voor Salmonella (NRLs-Salmonella) van de lidstaten van de Europese Unie alsmede van de Europese Commissie. Presentaties werden gegeven door vertegenwoordigers van de Europese Commissie en van CRL-Salmonella. Onderwerpen die bediscussieerd werden waren: Europese wetgeving op het gebied van Salmonella criteria voor levensmiddelen, resultaten van de basisstudies in de EU voor het vaststellen van de prevalentie van Salmonella bij leghennen, toekomstige basisstudies voor het vaststellen van de prevalentie van Salmonella bij kalkoenen en mestvarkens, standaardisatie van methoden in ISO en CEN, onderzoeksactiviteiten van CRL-Salmonella, ringonderzoeken georganiseerd door CRL-Salmonella (2005 en 2006) en het werkprogramma van CRL-Salmonella voor 2006 en 2007. De presentaties van de basisstudies (verleden en toekomst) maakten duidelijk dat de EU-lidstaten grote krachtinspanningen moeten leveren voor het vaststellen van de prevalentie van Salmonella en in het reduceren van de bacterie in pluimvee en varkens. Door het CRL-Salmonella werd uitgelegd dat er twee ringonderzoeken in de tweede helft van 2006 georganiseerd zullen worden, welke betrekking hebben op de detectie van Salmonella. Een studie zal met levensmiddelen als matrix uitgevoerd worden, de andere studie zal betrekking hebben op dierlijke feces. De presentatie resulteerde in een discussie over de keuze van de matrices en over de te gebruiken methoden.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Eleventh CRL-Salmonella interlaboratory comparison study (2006) on typing of Salmonella spp | RIVM

Het elfde ringonderzoek voor de typering van Salmonella werd in maart 2006 georganiseerd door het Communautair Referentie Laboratorium voor Salmonella (CRL-Salmonella, Bilthoven, Nederland) in samenwerking met de Health Protection Agency (HPA, Londen, Verenigd Koninkrijk). 26 Nationale Referentie Laboratoria voor Salmonella (NRLs-Salmonella) inclusief Noorwegen en 31 Enter-Net Laboratoria (ENLs), waarvan 3 ook NRL, namen deel aan de studie. 20 Stammen van species Salmonella enterica subspecies enterica werden geselecteerd voor de serotypering. Tien stammen van Salmonella Enteritidis (SE) en 10 stammen van Salmonella Typhimurium (STM) werden geselecteerd voor faagtypering. In het algemeen werden geen problemen gevonden met de typering van de O-antigenen. 98 % procent van de NRLs en 98 % van de ENLs typeerden de O-antigenen correct. Slechts enkele laboratoria hadden problemen met het typeren van de H-antigenen. De H-antigenen werden correct getypeerd door 94 % van de NRLs en door 94 % van de ENLs. 93 % procent van de NRLs en 93 % van de ENLs gaven de 20 serotyperingsstammen de goede serovar naam. De meeste NRLs vonden goede resultaten met de faagtypering. De zeven NRLs faagtypeerden 94 % van de Salmonella Enteritidis stammen correct en 99 % van de Salmonella Typhimurium stammen. De achttien ENLs hebben 84 % van de Salmonella Enteritidis en 89 % van de Salmonella Typhimurium stammen goed gefaagtypeerd.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Risicoanalyse voor buisleidingen met brandbare vloeistoffen | RIVM

De minimale veiligheidsafstanden tussen buisleidingen met brandbare vloeistoffen en bebouwingen kunnen gelijk blijven of iets verkleind worden. Dit is de conclusie na een herberekening van de afstanden uit een circulaire uit 1991. In Nederland ligt zo'n 1850 kilometer aan ondergrondse buisleiding waardoor aardolie en aardolieproducten worden getransporteerd. Om bij incidenten het aantal slachtoffers te beperken dient voor bebouwing een minimale veiligheidsafstand tot deze leidingen te worden aangehouden. In dit rapport zijn nieuwe inzichten beschreven die wijziging van deze afstanden rechtvaardigen. De hoogte van het risico, uitgedrukt in plaatsgebonden risico en groepsrisico, is bepalend voor de aan te houden afstand en personendichtheid. Voor dit onderzoek zijn ook de afstanden berekend voor buisleidingen waarvoor in de circulaire van 1991 geen afstand was aangegeven. Hieruit blijkt dat er 35 mogelijke knelpunten zijn, veroorzaakt door 3 kilometer aan buisleidingen. In het totaal gaat het om circa 140 woningen die te dicht bij de leidingen staan.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Kwaliteitsborging bij aanschaf van medische hulpmiddelen in Nederlandse ziekenhuizen? Inventarisatie van processen en eisen | RIVM

Er is op verzoek van IGZ een inventariserend onderzoek uitgevoerd naar de manier waarop ziekenhuizen de kwaliteit borgen tijdens de beslissing om een nieuw medisch hulpmiddel aan te schaffen. In de Nederlandse ziekenhuizen worden nieuwe medische hulpmiddelen zowel via een multidisciplinair overleg tussen belanghebbenden als zonder overleg aangeschaft via de afdeling inkoop. De eerste manier van inkoop vergt meer tijd, maar de verschillende aspecten van een hulpmiddel worden bij de beslissing tot aanschaf meegewogen. Wanneer een gebruiker zonder verder overleg een hulpmiddel aanschaft, zal de aanschaf vrij snel kunnen plaatsvinden, maar er bestaat een risico dat er een aantal aspecten minder gedegen zijn meegewogen. Tijdens het onderzoek in negen ziekenhuizen is de indruk ontstaan dat de ziekenhuizen vaak bewust voor een bepaald traject kiezen, waarbij de kosten van het inkooptraject worden afgewogen tegen de aard van het hulpmiddel en het gebruik van het hulpmiddel binnen een ziekenhuis. Er zijn voor beide trajecten punten geodentificeerd waarop verbeteringen mogelijk zijn. In elke instelling bleek het mogelijk om hulpmiddelen aan te schaffen buiten de geldende inkoopprocedures om. Dit is een ongewenste situatie, mede doordat de aangeschafte producten niet traceerbaar zijn.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Review van de Nalevingsstrategie van de VROM-Inspectie | RIVM

Het RIVM heeft de Nalevingsstrategie van de VROM-Inspectie geschikt bevonden en doet verschillende aanbevelingen om de methode handzamer, transparanter en beter communiceerbaar te maken. De VROM-Inspectie past de Nalevingsstrategie toe om per wettelijke taak de risico's voor de leefomgeving te bepalen. Op basis hiervan bepaalt zij de prioriteiten binnen haar werkpakket. Het RIVM vindt de methode geschikt voor de classificatie van de risico's in de toegepaste en het beperkte aantal risicoklassen. Het RIVM adviseert om de verwerking van de risicoscores per wettelijke taak transparanter te maken door gebruik te maken van zogenaamde risicomatrices. In deze matrices moeten expliciete afspraken worden vastgelegd die duidelijk maken welke optelsom van risico's ten aanzien van veiligheid, gezondheid en duurzaamheid, leidt tot het risico voor de leefomgeving. Ook is inhoudelijk naar de scores gekeken. Over het algemeen schat het RIVM de risico's (risico = kans x effect) lager in dan VROM. Als RIVM-deskundigen dezelfde methodiek toepassen dan ervaren zij daarbij geen grote berekeningsverschillen bij 'effect'; zij scoren echter wel lager op 'kans'. De methode is ook aan gemeenten en andere wethandhavende organisaties voorgelegd. Zij adviseren om de bestuurlijke keuzes meer zichtbaar te maken en definities en taakomschrijvingen van de VROM-Inspectie te verduidelijken. Het RIVM adviseert ook om de wet- en regelgeving die nu in het kwadrant 'laag risico' staat, te screenen op voorschriften die bij niet-naleving tot hoge Europese boetes of tot economische derving kunnen leiden. Wellicht verdient deze wet- en regelgeving meer prioriteit binnen het werkpakket van de VROM-Inspectie.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Het Rijksvaccinatieprogramma nu en in de toekomst: ontwikkelingen in 2005 | RIVM

Het Rijksvaccinatieprogramma in Nederland is effectief en veilig. De ziekten waartegen momenteel wordt gevaccineerd zijn grotendeels onder controle. In 2004/2005 heerste er echter een rubella epidemie voornamelijk onder personen waarbij vaccinatie was geweigerd op grond van bevindelijk gereformeerde overtuiging. Daarnaast zijn er in 2004 en 2005 incidenten van bof (onder gevaccineerden) en van mazelen (onder niet gevaccineerden) geweest. Per 1 januari 2005 is het difterie, tetanus, poliomyelitis, hele-cel kinkhoest en Haemophilus influenzae vaccin vervangen door een combinatievaccin met een a-cellulaire kinkhoestcomponent en is een daling zichtbaar in het aantal meldingen van postvaccinale verschijnselen. Vanaf 1 januari 2006 zullen kinderen die geboren worden uit moeders die chronisch geinfecteerd zijn met hepatitis B vlak na de geboorte een extra vaccinatie krijgen. Het Rijksvaccinatieprogramma kan met vaccins tegen andere ziekten uitgebreid worden. Vanaf 1 april 2006 zal pneumokokkenvaccinatie voor kinderen ingevoerd worden en om de effecten hiervan te evalueren is uitbreiding van surveillance van invasieve pneumokokken infecties gewenst. De wenselijkheid van opname van vaccinatie tegen waterpokken, gordelroos, humaan papillomavirus en rotavirus moet op korte termijn overwogen worden, gezien de beschikbaarheid van deze vaccins. Om inzicht te krijgen in de gezondheids- en economische effecten van deze vaccinaties is kosten-effectiviteitsonderzoek geindiceerd. Opname in het Rijksvaccinatieprogramma van vaccins tegen influenza, hepatitis A, meningokokken B, respiratoir synctieel virus en tuberculose is om verschillende redenen op korte termijn nog niet aan de orde. Voortdurende bewaking van de effectiviteit van het Rijksvaccinatieprogramma is van groot belang. Handhaven van de hoge vaccinatiegraad is essentieel om terugkeer van ziekten te voorkomen.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Registratie voedselinfecties en -vergiftigingen bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg en Voedsel en Waren Autoriteit, 2005 | RIVM

In 2005 was het aantal meldingen van voedselinfecties bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg vergelijkbaar met 2004: 44 explosies en 44 patienten met een verzorgend of verplegend beroep of werkzaam in de levensmiddelensector. In 2005 werd een daling gezien in de gemelde incidenten van voedselinfecties bij de Voedsel en Waren Autoriteit (totaal 535, inclusief 301 explosies ten opzichte van 601 meldingen, waaronder 336 explosies in 2004). Bij de Voedsel en Waren Autoriteit werd relatief vaak een mogelijke oorzaak gevonden (in 28% van de meldingen, ten opzichte van 16% in 2004), waarbij Bacillus cereus (3,5%) het meest frequent werd gezien, gevolgd door Staphylococcus aureus (1,5%). Indirect werd geschat dat 4,7% van de daar gemelde explosies viraal van oorsprong was, terwijl slechts 3 norovirus explosies werden geregistreerd. Bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg werd voor 64% van de explosies een verwekker aangegeven, met name Salmonella (34%), Campylobacter (23%) en norovirus (7%). In 2005 werd Campylobacter vaker gezien als oorzaak (in 2004 bij 17%). Tegelijkertijd werd norovirus in 2005 minder vaak gerapporteerd (in 2004 bij 15%).
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Branch and product related emission estimation tool for manufacturers, importers and downstream users within the Risk Evaluation Authorisation CHemical (REACH) system | RIVM

In dit project is voor producenten en professionele gebruikers van chemicalien een methode ontwikkeld waarmee de juiste emissies van stoffen naar het milieu bepaald kunnen worden. Dit vergemakkelijkt het maken van risicobeoordelingen van stoffen wat vanwege hun enorme diversiteit in toepassingen en functies zeer problematisch kan zijn. Centraal hierin is de ontwikkeling van een beslisboom, die leidt tot de selectie van het juiste emissie-scenario van een stof in elk stadium van zijn levenscyclus, te weten de productie, de formulering, het gebruik en/of de afvalroute ervan. De basisinformatie van de beslisboom is een matrix die gevuld is met emissiegegevens afkomstig uit EU-richtlijnen voor de risicobeoordeling van industriele stoffen. De route in de beslisboom wordt bepaald door de selectie van de juiste parameters in elk stadium van de levenscyclus. Deze parameters, ook wel aangeduid met de term "identifiers", zijn bijvoorbeeld het type preparaat en doel van een product in het stadium formulering van de levenscyclus. De informatie van de methodiek is zodanig gestructureerd dat het eenvoudig in een computerprogramma geimplementeerd kan worden. De ontwikkelde methode is ontwikkeld in samenwerking met de Duitse Umweltbundesamt. Hij werd getest voor twee stoffen in de industriele categorieen fotochemicalien en plastic-additieven. Hierbij werden de juiste emissie scenario's gevonden.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Dietary intake of different types and characteristics of processed meat which might be associated with cancer risk--results from the 24-hour diet recalls in the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition (EPIC) | RIVM

Dietary intake of different types and characteristics of processed meat which might be associated with cancer risk--results from the 24-hour diet recalls in the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition (EPIC) | RIVM
Jaar: 2006 Onderzoek

Het mogelijk effect van prijsbeleid op de voedselconsumptie: een orienterend onderzoek | RIVM

Het is vooralsnog niet goed mogelijk de effecten van prijsmaatregelen op de totale voedselconsumptie te voorspellen. Er zijn namelijk weinig goede gegevens beschikbaar waarbij rekening wordt gehouden met onbedoelde neveneffecten. Door het verlagen van de prijs van bijvoorbeeld fruit wordt niet per definitie de verkoop ervan verhoogd, maar misschien wel de verkoop van een ander, ongezond, product. Onder prijsmaatregelen wordt bijvoorbeeld het heffen van belasting op "ongezonde" producten en/of het geven van subsidies op "gezonde" producten verstaan. Er is een maatschappelijke discussie gaande om dit middel in te zetten om de voedselconsumptie in gunstige zin te beinvloeden. Het onderzoek is gebaseerd op drie deelonderzoeken. Ten eerste blijkt uit literatuuronderzoek dat er weinig over de effectiviteit van dergelijke maatregelen bekend is. Verder blijkt dat consumenten prijs inderdaad belangrijk vinden bij het bepalen van welke levensmiddelen gekocht worden. Daarnaast zijn onderzoeksresultaten van de MARGARIN-studie verder bekeken. Dit is een onderzoek bij een kleine groep personen uit Oost-Groningen. Hier komt uit dat met name andere factoren dan de prijs, zoals het al dan niet lekker vinden, geassocieerd zijn met de daadwerkelijke consumptie van groente, fruit en vis. Ten derde is de prijselasticiteit van een aantal voedingsmiddelen (chips, frisdranken, vlees, groente en fruit) met behulp van marktonderzoek en literatuurstudie onderzocht. Hieruit blijkt dat een verandering in de prijs slechts een geringe invloed heeft op de aankoop. Bij het berekenen van de prijselasticiteiten is geen rekening gehouden met kruiselasticiteit. Pas als er meer complexere informatie beschikbaar komt is het mogelijk om met behulp van modellering een betrouwbare inschatting te maken van de effecten van prijsmaatregelen op de voedselconsumptie en gezondheid.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Distribution of molecular subtypes within Salmonella enterica serotype Enteritidis phage type 4 and S. Typhimurium definitive phage type 104 in nine European countries, 2000-2004: results of an international multi-centre study | RIVM

Distribution of molecular subtypes within Salmonella enterica serotype Enteritidis phage type 4 and S. Typhimurium definitive phage type 104 in nine European countries, 2000-2004: results of an international multi-centre study | RIVM
Jaar: 2006 Onderzoek

Een gezonde omgeving ter preventie van gewichtsstijging: nationale en lokale mogelijkheden | RIVM

In Nederland en veel andere westerse landen is de omgeving zodanig ingericht dat het steeds eenvoudiger wordt om te kiezen voor minder lichaamsbeweging en overmatige consumptie van energierijke voeding. Beide gedragingen spelen een belangrijke rol bij het ontstaan van overgewicht in Nederland. Het gunstig beinvloeden van de leefomgeving kan bijdragen aan de preventie van gewichtsstijging. In dit rapport wordt een aantal kansrijke maatregelen op nationaal en lokaal niveau geidentificeerd die kunnen bijdragen aan een leefomgeving waarin bewegen wordt gestimuleerd en overmatig eten wordt tegengegaan. De meest kansrijke maatregelen op nationaal niveau zijn: (1) het ondersteunen van meer uren bewegingsonderwijs op school en (2) het (meer) aanbieden van energiearm aanbod in frisdrankautomaten.Op lokaal niveau zijn kansrijke maatregelen: (3) het realiseren van aantrekkelijke wandel- en fietspaden, (3) beweegvriendelijke schoolpleinen, (4) een gezonde schoolomgeving, (5) het subsidieren en stimuleren van fietsen voor woon-werkverkeer, (7) het aanbieden van meer energiearme voedingsmiddelen in kantines en (8) het optimaal gebruiken van bestaande sportfaciliteiten. Theoretische berekeningen laten zien dat met een aantal van bovengenoemde maatregelen een relatieve gewichtsdaling van 0,2 kg per jaar per persoon op bevolkingsniveau realistisch lijkt. Het veranderen van de leefomgeving vergt samenwerking met verschillende partijen zoals media, onderwijs, ruimtelijke ordening, voedingsmiddelenindustrie en werkgevers op zowel nationaal als lokaal niveau. Succesvol integraal gezondheidsbeleid kan alleen gerealiseerd worden wanneer er voldoende draagvlak, duidelijke rolverdeling en een helder beleidskader aanwezig is.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Prestatie-indicatoren voor preventie en zorg bij diabetes | RIVM

In dit rapport is een beperkte set van negen prestatie-indicatoren voor diabetes type 2 ontwikkeld. Het rapport beschrijft de systematiek om tot de set van prestatie-indicatoren te komen. De samenhang is in kaart gebracht tussen ziektegeschiedenissen en zorgprocessen in de vorm van een 'clinical logic'. Hierin wordt nagegaan hoe een deel van de aanvankelijk gezonde populatie zich verdeelt over verschillende belangrijke (voor)stadia van diabetes en wat de invloed is van het zorgproces (inclusief preventie) op de 'overgangskansen' tussen de ziektestadia. In dit rapport is een begin gemaakt met het invullen van de clinical logic voor diabetes door het te vullen met beschikbare populatiegegevens. De tweede stap (invloed van het zorgproces) is in dit rapport opgevat als ' in theorie nog te behalen gezondheidswinst' en 'mogelijkheden voor beonvloeding door preventie en zorg'. Er is op dit moment namelijk nog onvoldoende informatie beschikbaar over de feitelijke prestaties van preventie en zorg bij diabetes. Het kader van de clinical logic is vooral gebruikt om tot een selectie van indicatoren voor prestaties van preventie en zorg bij diabetes te komen. Met deze set van prestatie-indicatoren kan het ministerie van VWS een vinger aan de pols houden bij de zorg voor diabetes.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

General fact sheet - Limiting conditions and reliability, ventilation, room size, body surface area. Updated version for ConsExpo 4 | RIVM

Voor de conversie van het computerprogramma ConsExpo 3.0 naar 4.0 is de factsheet algemeen aangepast en herzien en nu ook in het Engels beschikbaar. ConsExpo 4.0 is een computerprogramma, dat gebruikt kan worden om de blootstelling van mensen aan stoffen in consumentenproducten uit te rekenen. Hierbij wordt rekening gehouden met verschillende blootstellingsroutes (dus via de huid, via inhalatie en via orale opname). Bij het ConsExpo programma hoort ook een database, waarin standaardwaarden voor vele product typen en voor een groot aantal blootstellingsscenarios worden aangeboden. De beschrijving van deze achtergrondinformatie bij deze standaardwaarden wordt gerapporteerd in zogenoemde 'factsheets'. In dit rapport, factsheet algemeen, is informatie bijeengebracht over de manier waarop de blootstelling wordt berekend. Daarnaast worden in dit rapport gegevens gepresenteerd die voor meerdere groepen gelijksoortige producten van belang zijn, zoals: - de inhoud en de oppervlakte van kamers in Nederlandse woningen, - de mate van ventilatie in verschillende ruimten van woningen, - het totale lichaamsoppervlak en het oppervlak van lichaamsdelen van volwassenen en kinderen. Naast deze factsheet algemeen zijn er ook factsheets voor ongediertebestrijdingsmiddelen, cosmetica, verf, reinigingsmiddelen en desinfectantia.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Pest Control Products Fact Sheet. To assess the risks for the consumer. Updated version for ConsExpo 4 | RIVM

Voor de conversie van het computerprogramma ConsExpo 3.0 naar 4.0 is de factsheet ongediertebestrijdingsmiddelen aangepast en herzien. ConsExpo 4.0 is een computerprogramma, dat gebruikt kan worden om de blootstelling van mensen aan stoffen in consumentenproducten uit te rekenen. Hierbij wordt rekening gehouden met verschillende blootstellingsroutes (dus via de huid, via inhalatie en via orale opname). Bij het ConsExpo programma hoort ook een database, waarin standaardwaarden voor vele product typen en voor een groot aantal blootstellingsscenarios worden aangeboden. De beschrijving van deze achtergrondinformatie bij deze standaardwaarden wordt gerapporteerd in zogenoemde 'factsheets'. In dit rapport, factsheet ongediertebestrijdingsmiddelen, is de meest recente informatie bijeengebracht om de blootstelling aan stoffen uit ongediertebestrijdingsmiddelen te berekenen. De verschillende typen ongediertebestrijdingsmiddelen zijn verdeeld in 8 categorieen, bijvoorbeeld poeders, spuitbussen en cremes. Voor iedere categorie wordt de samenstelling en gebruik van producten uit die categorie beschreven. Daarnaast wordt aangegeven welk model of modellen van ConsExpo het meest geschikt is om de blootstelling uit te rekenen en worden voor alle gegevens die nodig zijn voor de berekening standaardwaarden ingevuld. Naast deze factsheet ongediertebestrijdingsmiddelen zijn er ook factsheets voor cosmetica, verf, reinigingsmiddelen en desinfectantia.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Cosmetics Fact Sheet. To assess the risks for the consumer. Updated version for ConsExpo 4 | RIVM

Voor de conversie van het computerprogramma ConsExpo 3.0 naar 4.0 is de factsheet cosmetica aangepast en herzien en nu ook in het Engels beschikbaar. ConsExpo 4.0 is een computerprogramma, dat gebruikt kan worden om de blootstelling van mensen aan stoffen in consumentenproducten uit te rekenen. Hierbij wordt rekening gehouden met verschillende blootstellingsroutes (dus via de huid, via inhalatie en via orale opname). Bij het ConsExpo programma hoort ook een database, waarin standaardwaarden voor vele product typen en voor een groot aantal blootstellingsscenarios worden aangeboden. De beschrijving van deze achtergrondinformatie bij deze standaardwaarden wordt gerapporteerd in zogenoemde 'factsheets'. In dit rapport, Factsheet Cosmetica, is de meest recente informatie bijeengebracht om de blootstelling aan stoffen uit cosmetica te berekenen. De verschillende typen cosmetica zijn verdeeld in 35 categorieen, bijvoorbeeld shampoo, make-up, lippenstift, tandpasta en deodorant. Voor iedere categorie wordt de samenstelling en gebruik van producten uit die categorie beschreven. Daarnaast wordt aangegeven welk model of modellen van ConsExpo het meest geschikt is om de blootstelling uit te rekenen en worden voor alle gegevens die nodig zijn voor de berekening standaardwaarden ingevuld. Naast deze factsheet cosmetica zijn er ook factsheets voor ongediertebestrijdingsmiddelen, verf, reinigingsmiddelen en desinfectantia.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Cleaning Products Fact Sheet. To assess the risks for the consumer | RIVM

Een snelle, transparante en gestandaardiseerde blootstellingsschatting van reinigingsmiddelen is dankzij een nieuwe factsheet voor het computerprogramma ConsExpo nu mogelijk. ConsExpo 4.0 is een computerprogramma, dat gebruikt kan worden om de blootstelling van mensen aan stoffen in consumentenproducten uit te rekenen. Hierbij wordt rekening gehouden met verschillende blootstellingsroutes (dus via de huid, via inhalatie en via orale opname). Bij het ConsExpo programma hoort ook een database, waarin standaardwaarden voor vele product typen en voor een groot aantal blootstellingsscenarios worden aangeboden. De beschrijving van deze achtergrondinformatie bij deze standaardwaarden wordt gerapporteerd in zogenoemde 'factsheets'. In dit rapport, factsheet reinigingsmiddelen, is de meest recente informatie bijeengebracht om de blootstelling aan stoffen uit reinigingsmiddelen te berekenen. De verschillende typen reinigingsmiddelen zijn verdeeld in 36 categorien, bijvoorbeeld wasmiddelen, afwasmiddelen, schuurmiddelen en toiletreinigers. Voor iedere categorie wordt de samenstelling en gebruik van producten uit die categorie beschreven. Daarnaast wordt aangegeven welk model of modellen van ConsExpo het meest geschikt is om de blootstelling uit te rekenen en worden voor alle gegevens die nodig zijn voor de berekening standaardwaarden ingevuld. Naast deze factsheet reinigingsmiddelen zijn er ook factsheets voor ongediertebestrijdingsmiddelen, verf, cosmetica en desinfectantia.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Disinfectant Products Fact Sheet. To assess the risks for the consumer | RIVM

Een snelle, transparante en gestandaardiseerde blootstellingsschatting van desinfectantia is dankzij een nieuwe factsheet voor het computerprogramma ConsExpo nu mogelijk. ConsExpo 4.0 is een computerprogramma, dat gebruikt kan worden om de blootstelling van mensen aan stoffen in consumentenproducten uit te rekenen. Hierbij wordt rekening gehouden met verschillende blootstellingsroutes (dus via de huid, via inhalatie en via orale opname). Bij het ConsExpo programma hoort ook een database, waarin standaardwaarden voor vele producttypen en voor een groot aantal blootstellingsscenario's worden aangeboden. De beschrijving van deze achtergrondinformatie bij deze standaardwaarden wordt gerapporteerd in zogenoemde 'factsheets'. In dit rapport, factsheet desinfectiemiddelen, is de meest recente informatie bijeengebracht om de blootstelling aan stoffen uit desinfectantia te berekenen. De verschillende typen desinfectantia zijn verdeeld in 9 categorieen, bijvoorbeeld algenreinigers, desinfectiemiddelen voor zwembaden, desinfectantia om dierverblijven te behandelen en desinfectiemiddelen voor drinkwater. Voor iedere categorie wordt de samenstelling en gebruik van producten uit die categorie beschreven. Daarnaast wordt aangegeven welk model of modellen van ConsExpo het meest geschikt zijn om de blootstelling uit te rekenen en worden voor alle gegevens die nodig zijn voor de berekening standaardwaarden ingevuld. Naast deze factsheet desinfectiemiddelen zijn er ook factsheets voor ongediertebestrijdingsmiddelen, verf, cosmetica en reinigingsmiddelen.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Ontwikkelingen in de Computer Tomografie: Gevolgen voor de patientveiligheid | RIVM

Bij de nieuwe generatie CT-scanners kan de stralingsdosis voor de patient zowel lager als hoger uitpakken dan bij oudere CT-apparatuur. Dit hangt af van de instellingen en mogelijkheden van de scanner en de competentie van degene die het apparaat bedient. De CT-scan is een onderzoek waarbij het binnenste van het menselijk lichaam in drie dimensies wordt afgebeeld. Omdat hierbij gebruik gemaakt wordt van rontgenstraling, dient het voordeel van de extra zekerheid in het onderzoek, afgewogen te worden tegen de stralingsdosis die de patient ontvangt. De nieuwe generatie CT-apparatuur scant sneller, laat meer detail zien en is uitgerust met software die het mogelijk maakt de informatie op verschillende manieren in beeld te brengen. Dit opent de deur voor een aantal nieuwe toepassingen, zoals CT geleide interventies, CT cardio-, angio- en urografie. Op verschillende onderdelen van de CT wordt nog hard gewerkt aan innovaties, waardoor ook meer mogelijkheden ontstaan voor het omlaag brengen van de stralingsdosis. Daarnaast zijn voor een beperkt aantal onderzoeken steeds vaker alternatieven voorhanden die geen gebruik maken van ioniserende straling, zoals MRI en echografie. CT biedt echter belangrijke diagnostische voordelen die vaak opwegen tegen de stralingsbelasting.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Vaccinatietoestand Nederland per 1 januari 2005 | RIVM

Voor alle vaccinaties die zijn opgenomen in het Rijksvaccinatieprogramma (RVP) is het afgelopen verslagjaar de vaccinatiegraad op landelijk niveau toegenomen. De gemiddelde vaccinatiepercentages zijn hoger dan 95% en voldoen hiermee ruim aan de normen van de World Health Organisation (WHO). Dit blijkt uit een jaarlijkse evaluatie door het RIVM. Nederland heeft al jaren een hoge vaccinatiegraad. De evaluatie van 2005 richt zich op zuigelingen, kleuters en schoolkinderen van de geboortejaren 2002, 1999 en 1994. De meest kwetsbare groep zuigelingen (< 6 maanden) is dit jaar nog beter beschermd tegen D(K)TP (difterie, kinkhoest, tetanus en polio) en Hib (Haemophilus influenzae type b). De vaccinatiepercentages zijn nog nooit zo hoog geweest; ze liggen ruim boven de 97%. Ook de vaccinatiepercentages voor het BMR-vaccin (Bof, Mazelen en Rode hond) bij zowel zuigelingen als schoolkinderen en het DTP-vaccin bij kleuters zijn hoger dan ooit. Ook op provinciaal en gemeentelijk niveau is het beeld over het algemeen gunstig. Alleen Zeeland en Flevoland rapporteren vaccinatiepercentages onder de norm van 90%. De gebieden met onvoldoende vaccinatiepercentages concentreren zich weer voornamelijk in de zone die ook wel 'Bible belt' wordt genoemd. Continue aandacht blijft noodzakelijk om de jeugd ook in de toekomst voldoende te kunnen beschermen. In Nederland is nog altijd een grote groep niet-gevaccineerde personen aanwezig en de dreiging van import van ziektes als mazelen en polio is groot.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Immune effects of Lactobacillus casei Shirota | RIVM

Verkennend onderzoek naar de effecten van probiotica geeft aan dat er een mogelijk risico bestaat voor het ontwikkelen van auto-immuunziekten. Probiotica worden in reclameboodschappen ook wel aangeduid als 'goede bacterien'.Fabrikanten claimen een positief effect op darmflora, weerstand en mogelijk preventie van allergieen. Momenteel is er nog geen regelgeving op het gebied van probiotica en worden deze producten als veilig beschouwd. Om inzicht te verkrijgen in de effecten van probiotica op het immuunsysteem zijn verschillende proefdiermodellen gebruikt. De studies tonen aan dat toediening van probiotica zowel positieve als negatieve effecten kan hebben, afhankelijk van het model dat werd gebruikt. De effecten op deze immunologische responsen zijn gering. In een studie met proefdieren werd een vermindering van ontsteking in de longen waargenomen, terwijl in een auto-immuniteit model de symptomen verergerden. Verder onderzoek om de betekenis hiervan voor de mens vast te stellen is nog nodig.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Long-term immune effects of Lactobacillus casei Shirota during lactation | RIVM

Verkennend onderzoek naar de toediening van probiotica aan zuigelingen duidt op de mogelijke ontwikkeling van allergie en autoimmuniteit later in het leven. Probiotica worden in reclameboodschappen ook wel 'goede bacterien' genoemd. Fabrikanten claimen een positief effect op de darmflora van de consument, op zijn weerstand en op mogelijk preventie van allergieen. Echter, zowel werkzaamheid als veiligheid van dit soort producten is wetenschappelijk niet onderbouwd. Momenteel is er nog geen regelgeving op het gebied van probiotica. Producten zoals zuigelingenvoeding worden als veilig beschouwd. De effecten van vroege blootstelling aan probiotica zijn bestudeerd met behulp van twee experimentele proefdiermodellen. De waargenomen effecten zijn gering, maar duiden wel op een potentieel risico van probiotica. Om meer inzicht te verkrijgen in de negatieve effecten van probiotica is verder onderzoek nodig.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Adverse health effects of cigarette smoke: aldehydes Crotonaldehyde, butyraldehyde, hexanal and malonaldehyde | RIVM

Er zijn meer toxicologische gegevens nodig om een goede risicoschatting van de gezondheidseffecten van aldehyden te maken. Ook moet meer onderzoek verricht worden naar de combinaties van toegevoegde stoffen in tabak onderling en met tabak zelf. Aldehyden ontstaan in sigarettenrook door verbranding van tabak en de aan tabak toegevoegde ingredienten. Dit rapport beschrijft de gegevens van een literatuurinventarisatie over de gezondheidseffecten van blootstelling aan de volgende aldehyden: crotonaldehyde, butyraldehyde, hexanal en malonaldehyde. Uit de beschikbare gegevens komt naar voren, dat crotonaldehyde de trilhaarfunctie van het long-epitheel in vitro remt. Voorts geeft crotonaldehyde irritatie van de ogen, huid en luchtwegen. Butyraldehyde, hexanal en malonaldehyde lijken minder toxisch, hoewel er onvoldoende data beschikbaar zijn voor een afdoende humane risicoschatting. Gegevens over de verslavende effecten van en de effecten na gecombineerde blootstelling aan deze aldehyden zijn niet beschreven.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Ontwerprapport kiesBeter.nl 2006-2007 | RIVM

KiesBeter.nl is de publieke zorgportal die burgers antwoorden biedt op al hun vragen op het gebied van gezondheid en zorg. KiesBeter.nl is een initiatief van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. De uitvoering is in handen van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu. Dit initiatief schept de voorwaarden voor een goedgeinformeerde, kiezende burger, die een steeds centralere rol speelt in het beleid op dit gebied. Dit rapport schetst de verdere ontwikkeling van kiesBeter.nl voor de periode 2006-2007. De inspanningen van de portalorganisatie zijn met name gericht op de vraaggerichtheid, betrouwbaarheid, eenvoud en samenhang van de gepresenteerde informatie. Eind 2005 kan informatie over ziekenhuizen, zorgverzekeringen, medicijnen, patientenbelangen en medische informatie via kiesBeter.nl geraadpleegd worden. In 2006 en 2007 wordt kiesBeter.nl verder uitgebreid met informatie over onder meer huisartsen, fysiotherapeuten, verpleeg- en verzorgingshuizen, thuiszorg, geestelijke gezondheidszorg en gehandicaptenzorg. In 2006 wordt tevens een overkoepelende aanpak ontwikkeld die nog dichter aansluit bij de vragen van de gebruiker. Deze zal structuur geven aan de portalhomepage en de koppeling met de informatie op de diverse onderdelen. Ook zal vanaf 2006 de dienstverlening uitgebreid worden. Burgers kunnen dan niet alleen de website raadplegen, maar ook gebruik maken van een telefonische hulpdienst of binnenlopen bij een informatiepunt in de buurt.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Meetstrategie bestrijdingsmiddelen voor de drinkwaterbedrijven | RIVM

Er zit veel variatie in de meetfrequentie en het aantal bestrijdingsmiddelen in de meetprogramma's van drinkwaterbedrijven. Het algemene beeld is dat de waterbedrijven voldoende monitoren. In het Waterleidingbesluit is een norm voor bestrijdingsmiddelen geformuleerd, maar er is niet gespecificeerd welke bestrijdingsmiddelen gemeten moeten worden. Om tot een meer geharmoniseerde invulling te komen zijn in dit rapport twee meetprotocollen opgenomen aan de hand waarvan de waterbedrijven hun meetstrategie kunnen beschrijven. De resultaten van het onderzoek geven een beeld van de huidige motieven die drinkwaterbedrijven hanteren voor het opzetten van hun meetprogramma bestrijdingsmiddelen. Aspecten die keuze van het bestrijdingsmiddelenpakket beinvloeden zijn onder meer: kennis over gebruik van middelen in de omgeving, de kwetsbaarheid van de winning, het analyse-aanbod van het waterlaboratorium en meetfrequenties die tussen VEWIN en VROM zijn afgesproken. Aan de hand van deze uitkomsten zijn voor grondwater en oppervlaktewater twee aparte protocollen opgesteld. Hierin zijn de volgende aspecten opgenomen: - beschrijving ruwwater bron; - kwetsbaarheidanalyse van de winning; - inventariseren van relevante middelen; - meetfrequentie; - analysetechniek. De eenduidigheid en inzichtelijkheid in de keuze van middelen, de meetfrequenties en de achterliggende strategieen worden door het volgen van een protocol vergroot. Dit vereenvoudigt tevens de jaarlijkse controle op die meetprogramma's door de VROM-Inspectie.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Een nieuwe toetsdiepte voor nitraat in grondwater? Eindrapport van het onderzoek naar de mogelijkheden voor een toetsdieptemeetnet | RIVM

Het verlagen van de toetsdiepte voor nitraat in het grondwater in zandgebieden van de bovenste meter van het grondwater naar de bovenste vijf meter, blijkt niet opportuun. Het verlagen van de toetsdiepte wordt gezien als mogelijkheid om aan de doelstellingen van de Nitraatrichtlijn en de Kaderrichtlijn Water te kunnen voldoen, zonder de landbouw onnodig scherpe gebruiksnormen op te leggen. Een verlaging is niet opportuun, omdat bij de nitraatuitspoelingsgevoelige ("droge") gronden, op basis van de beschikbare gegevens, geen afname van de nitraatconcentratie in de bovenste vijf meter van het grondwater kan worden aangetoond. Bij de overige gronden neemt de nitraatconcentratie wel af tussen een en vijf meter onder de grondwaterspiegel, maar is er meestal sprake van uit- en afspoeling van nitraat en andere stikstofverbindingen naar het oppervlaktewater. De kwaliteitsdoelstellingen voor het oppervlaktewater moeten daarom ook in beschouwing worden genomen. Voor de neutrale gronden (matige natte en matige droge gronden) bedraagt de afname van de nitraatconcentratie in de bovenste vijf meter van het grondwater 15 tot 40% en voor de natte gronden 30 tot 100%.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Informatiesysteem Medische Stralingstoepassingen 2005: aard en omvang | RIVM

Rontgenonderzoeken in ziekenhuizen (vooral CT-scans) en behandelingen binnen de radiotherapie nemen toe. Rontgenopnames in tandartspraktijken zijn na een sterke stijging weer wat afgenomen. Na de periode van midden tot eind jaren '90, waarin het aantal CT-scans van 500-duizend vrij constant bleef, is het totaal in 2004 gestegen tot boven de 700-duizend. Binnen de radiotherapie stijgen vooral de gecompliceerde, meer arbeidsintensieve, behandelingen. Het aantal rontgenopnames in tandartspraktijken is sinds de vorige inventarisatie in 1998 toegenomen van ongeveer 6 miljoen tot meer dan 9 miljoen in 2001. In 2003 is het aantal gedaald tot ongeveer 8 miljoen. Dit is te zien op de geactualiseerde versie van het Informatiesysteem Medische Stralingstoepassingen (IMS; http://www.rivm.nl/ims ). Het IMS geeft inzicht in het aantal en het soort medische onderzoeken en behandelingen die gebruik maken van ioniserende straling en presenteert de blootstelling van de Nederlandse bevolking aan deze straling. Het tonen van deze informatie beoogt een optimaal gebruik van straling in de gezondheidszorg te stimuleren. Dit rapport geeft een verslag van recent verzamelde gegevens die gebruikt zijn bij het actualiseren van de IMS website en geeft achtergrondinformatie over verschillende informatiebronnen.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Public Health Indicators for Europe: Context, Selection, Definition | RIVM

Het ECHI-2 rapport (ECHI = European Community Health Indicators) presenteert een lijst van indicatoren voor het gehele terrein van de volksgezondheid. De indicatoren betreffen de gezondheidstoestand (bijv. kankerincidentie), determinanten van gezondheid (zoals voeding, luchtverontreiniging), maar ook preventieve activiteiten en aspecten van het zorgsysteem. De lijst is opgesteld om volksgezondheidsbeleid te ondersteunen, door meer kwaliteit, consensus en uniformiteit te crekren in de gegevensverzameling door de 25 EU lidstaten. De resultaten omvatten de volgende onderdelen: (1) De ECHI lange lijst, vooral een inventaris van indicatoren die zijn voorgesteld door een groot aantal specialistische projecten die zijn gesubsidieerd door DG Sanco. De lijst is geordend in een robuust conceptueel raamwerk.(2) Het 'user-window' concept, voor de selectie van onderwerp-gerichte subsets van indicatoren. (3) De ECHI shortlist, geselecteerd als een subset van de lange lijst, bedoeld als een prioriteitenlijst voor het werk aan harmonisatie van gegevensverzameling en -presentatie. (4) Een web-applicatie (ICHI-2, International Compendium of Health Indicators) ( www.healthindicators.org ) waarin de ECHI indicatoren zijn opgenomen, naast de indicatoren gebruikt door Eurostat, WHO-Europa (de HFA database) en de OECD (OECD health data). Het rapport is het resultaat van zes jaar werk door een team van deskundigen uit 16 EU lidstaten en Noorwegen, aangevuld met vertegenwoordigers van internationale organisaties. Met name de 'shortlist' is opgepakt door DG Sanco als kader voor het stimuleren van verder werk in de informatievoorziening op het terrein van de volksgezondheid. De gegevens behorend bij de shortlist indicatoren worden door DG Sanco gepresenteerd op de Europa website. Diverse EU landen hebben de ECHI lijst al gebruikt als richtlijn bij het ontwikkelen van nationale gezondheidsinformatiesystemen.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

EU Interlaboratory comparison study IX (2005) on bacteriological detection of Salmonella spp | RIVM

In 2005 werd door het Communautair Referentie Laboratorium voor Salmonella (CRL-Salmonella, Bilthoven, Nederland) het negende bacteriologische ringonderzoek georganiseerd. Deelnemers van de studie waren de Nationale Referentie Laboratoria voor Salmonella (NRL's-Salmonella) van de EU lidstaten (26), van Noorwegen en van Roemenie. Referentiematerialen in combinatie met of zonder de aanwezigheid van kippenfeces, evenals natuurlijk besmet stof (bevattende Salmonella Virchow en Salmonella Livingstone) werden getest. De referentiematerialen bestonden uit gelatine capsules met verschillende besmettingsniveaus van Salmonella Typhimurium (STM), Salmonella Enteritidis (SE) en Salmonella Panama (SPan). Bovendien werd naast de uitvoering van de testen door de laboratoria een vergelijking gemaakt tussen 4 en 18 uur voorophoping van de monsters in gebufferd Pepton Water (BPW), gevolgd door selectieve ophoping op Modified Semi-solid Rappaport Vassiliadis en uitplating op Xylose Lysine Deoxycholate agar en een tweede selectief medium gekozen door de laboratoria. Significant meer positieve isolaties werden gevonden met de kunstmatig besmette monsters (negatieve kippenfeces, kunstmatig besmet met referentiematerialen) na 18 uur incubatie in BPW in vergelijking met 4 uur incubatie in BPW. De waardes voor nauwkeurigheid ("accuracy rates") van de kunstmatig besmette monsters waren 57% en 98% na respectievelijk 4 en 18 uur incubatie in BPW. De resultaten van de natuurlijk besmette stofmonsters lieten ook significant meer positieve isolaties zien na 18 uur incubatie. De waardes voor nauwkeurigheid ("accuracy rates") voor deze monsters waren respectievelijk 81% en 99% na 4 en 18 uur incubatie in BPW. Alle NRLs voldeden aan de "good performance" die gedefinieerd was tijdens de CRL-Salmonella workshop 2005; slechts 2 NRLs hadden enkele problemen met een van de controles.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Tenth CRL-Salmonella interlaboratory comparison study (2005) on typing of Salmonella spp | RIVM

Het tiende ringonderzoek voor de typering van Salmonella werd in maart 2005 georganiseerd door het Communautair Referentie Laboratorium voor Salmonella (CRL-Salmonella, Bilthoven, Nederland) in samenwerking met de Health Protection Agency (HPA, Londen, Verenigd Koninkrijk) en het Centraal Instituut voor Dierziekte Controle (CIDC, Lelystad, Nederland). Zesentwintig Nationale Referentie Laboratoria voor Salmonella (NRLs-Salmonella) inclusief Noorwegen en 14 Enter-Net Laboratoria (ENLs) namen deel aan de studie. Twintig stammen van species Salmonella enterica subspecies enterica werden geselecteerd voor de serotypering. Tien stammen van Salmonella Enteritidis (SE) en 10 stammen van Salmonella Typhimurium (STM) werden geselecteerd voor faagtypering. Tien stammen van Salmonella spp. werden geselecteerd voor antimicrobiele gevoeligheidsbepalingen. In het algemeen werden geen problemen gevonden met de typering van de O-antigenen. Negenennegentig procent van de NRLs en 100 % van de ENLs typeerden de O-antigenen correct. Slechts enkele laboratoria hadden problemen met het typeren van de H-antigenen. De H-antigenen werden correct getypeerd door 97 % van de NRLs en door 99 % van de ENLs. Vierennegentig procent van de NRLs en 99 % van de ENLs gaven de 20 serotyperingsstammen de goede serovar naam. De meeste laboratoria vonden goede resultaten met de faagtypering. Ook de kwaliteit van de antimicrobiele gevoeligheidsbepalingen uitgevoerd door zowel de NRLs als door de ENLs was goed.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Priority setting of foodborne pathogens: disease burden and costs of selected enteric pathogens | RIVM

Toxoplasmose veroorzaakt van zeven onderzochte voedseloverdraagbare micro-organismen de hoogste ziektelast. Dit is een voorlopige conclusie in een groot onderzoek naar ziektelast van door voedseloverdraagbare micro-organismen en de daaraan gerelateerde kosten. De andere onderzochte micro-organismen zijn Campylobacter spp., Salmonella spp., Listeria monocytogenes, Escherichia coli O157, norovirussen en rotavirussen. De virussen brachten de hoogste kosten met zich mee (vooral vanwege ziekteverzuim). Het onderzoek is bedoeld als basis voor het stellen van prioriteiten bij het voedselveiligheidsbeleid. Tot dusverre zijn alle overdrachtsroutes van de micro-organismen beschouwd, later zal de specifieke bijdrage van voedsel worden onderzocht. Er zal ook aandacht worden besteed aan trends, de effectiviteit van preventieve maatregelen en de perceptie van het risico door consumenten.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

ConsExpo - Consumer Exposure and Uptake Models -Program Manual | RIVM

Dit rapport is een handleiding voor het gebruik van ConsExpo 4.0, de opvolger van ConsExpo 3.0, een computer programma dat is ontwikkeld ter ondersteuning van de blootstellingsschatting van stoffen in consumentenproducten. Er is een grote verscheidenheid aan consumentenproducten, consumenten en wijzen waarop deze consumenten producten gebruiken. Gemeten blootstellingsniveaus aan stoffen in producten zijn niet altijd voorhanden. Bij afwezigheid van deze gegevens kan ConsExpo 4.0 gebruikt worden om blootstellingen te schatten voor verschillende blootstellingsscenario's. Het programma biedt een aantal algemeen toepasbare blootstellingsmodellen en een database met gegevens over blootstellingsfactoren. Tezamen bieden modellen en database een uitgangspunt van waaruit blootstelling van een specifiek product geschat kan worden. Daarnaast kan ConsExpo 4.0 inzicht geven in de factoren die de blootstellingsniveaus van stoffen in consumentenproducten beinvloeden door gebruik te maken van de mogelijkheden van gevoeligheidsanalyse en probabilistische berekeningen. Bij de ontwikkeling van ConsExpo 4.0 is speciaal aandacht besteed aan het verbeteren van de transparantie en de gebruikersvriendelijkheid van de software. Dit rapport geeft een overzicht van ConsExpo 4.0, een uitleg van de beschikbare blootstellings- en opname modellen en belangrijke informatie met betrekking tot het interpreteren van de blootstellingsschatting.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Surveillance van het verloop van influenza-uitbraken en oseltamivir gebruik in verpleeg- en verzorgingshuizen in Nederland | RIVM

Er is nog niet met zekerheid vastgesteld of het middel oseltamivir griepuitbraken in verpleeg- en verzorgingshuizen verkort. De lage vaccinatiegraad onder het personeel en verlate inzet van oseltamivir veroorzaken deze onzekerheid. Dit blijkt uit een surveillance in negen zorginstellingen in het winterseizoen 2003-2004. Deze surveillance is uitgevoerd door het RIVM, GGD'en en verpleeghuisartsen. van Volksgezondheid, Welzijn en Sport beschikbaar werd gesteld. Het middel zou bewoners van zorginstellingen extra moeten beschermen tegen griep en griepuitbraken kunnen verkorten. In de negen zorginstellingen was de vaccinatiegraad onder bewoners gemiddeld 93% en onder personeel 20%. In 6 instellingen kregen de bewoners oseltamivir om zowel griep te behandelen (therapeutisch) als te voorkomen (profylactisch). In 2 zorginstellingen werd oseltamivir alleen gebruikt om de bewoners te behandelen. In 1 instelling werd oseltamivir in sommige zorgeenheden gebruikt als therapie terwijl het in andere zorgeenheden gebruikt werd om griep te voorkomen. Door de vertraagde inzet van oseltamivir ter voorkoming van nieuwe grieppatienten en de afwezigheid van controles (grieppatienten waarbij geen oseltamivir toegediend is) is het onzeker of nieuwe casussen zijn uitgebleven door de behandeling of door de natuurlijke uitdoving van de epidemie.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Methane and nitrous oxide emissions from animal manure management, 1990 - 2003 - Background document on the calculation method for the Dutch National Inventory Report | RIVM

Nederland berekent vanaf 2005 met een nieuwe methode de uitstoot van methaan en lachgas die optreedt bij mestopslag en -behandeling. Hierdoor wordt een betere schatting van de uitstoot verkregen dan wanneer de standaard berekeningsmethode van het Kyoto protocol gebruikt wordt. In Nederland omvat mestbehandeling naast mestbewerking ook mestproductie in de weide. Methaan en lachgas dragen bij aan het broeikaseffect. In het Kyoto protocol is afgesproken dat Nederland een emissiereductie tot stand brengt en jaarlijks rapporteert over de broeikasgasemissies in het National Inventory Report. Het Kyoto protocol moedigt landen aan een landspecifieke methode te gebruiken in plaats van de standaard berekeningsmethode die het Intergovernmental Panel on Climate Change aanbiedt. Het rapport geeft een transparante beschrijving van de rekenregels en de gebruikte databronnen voor de Nederlandse methaan en lachgas uitstoot ten gevolge van mestbehandeling. De uitvoerige toelichting maakt beoordeling door experts mogelijk. Het rapport omvat tenslotte een overzicht van de methaan en lachgas emissies bij mestbehandeling en van alle onderliggende data voor de periode 1990 - 2003.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

A diet quality score for the Netherlands? | RIVM

Het is niet mogelijk gebleken om een valide voedingsindex op te stellen waarmee de kwaliteit van de voeding van de Nederlandse bevolking in een getal kan worden uitgedrukt. Om toch aan de wens voor een evaluatie-instrument voor het totale voedingspatroon tegemoet te komen, stellen we voor een instrument te ontwikkelen waarin voedingscomponenten afzonderlijk worden gevisualiseerd. Zowel het aantal individuen dat voldoet aan de voedingsnorm als de innemingsverdeling moet daarbij worden meegenomen. Om veranderingen in het voedingspatroon van de Nederlandse bevolking te kunnen interpreteren hebben beleidsmakers behoefte aan een score waarmee de voeding in zijn geheel kan worden beoordeeld. In een voorgaand rapport is geconcludeerd dat bestaande methoden niet geschikt zijn om (veranderingen in) het voedingspatroon op een valide manier kwantitatief te beoordelen. Om die reden is een andere aanpak voorgesteld om wel een valide score te verkrijgen. In dit rapport zijn de resultaten beschreven van deze aanpak, waarbij overlevingsduuranalyse is toegepast in een Nederlands cohort. Het doel hiervan was voedingsvariabelen (voedselgroepen) te onderscheiden die voorspellend zijn voor sterfte en om de individuele bijdragen daarvan in een samengestelde score te bepalen. De resultaten van de analyses bleken echter in hoge mate dataset-afhankelijk en verschillende bevindingen kwamen niet overeen met wat op basis van bestaande kennis kan worden verwacht. Dit heeft geleid tot de conclusie dat ook deze aanpak niet resulteert in een bruikbare voedingsindex.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Validatie van het model DIVOCOS | RIVM

Het model DIVOCOS (DIspersion of VOlatile COntaminantS) is een bruikbaar model om een adequaat meetprogramma op te stellen waarmee tijdens een bodemsanering de luchtkwaliteit in de omgeving kan worden bewaakt. Dit concluderen we aan de hand van een validatiestudie van dit model.Met het model DIVOCOS kunnen de concentraties aan vluchtige stoffen in de lucht worden berekend die vrijkomen tijdens een bodemsanering. Het belangrijkste doel van deze berekeningen is te bepalen of en in welke vorm er tijdens de sanering metingen moeten worden uitgevoerd om de luchtkwaliteit in de omgeving te bewaken en eventuele blootstellingsrisico's van omwonenden te beperken. In deze studie hebben we gegevens verzameld van 10 bodemsaneringen om het model te valideren en de bruikbaarheid te beoordelen. We hebben het onderzoek gericht op acht stoffen, die verreweg het meest voorkomen in bodem- en grondwaterverontreinigingen in Nederland. De resultaten geven aan dat het model voor de meeste van deze stoffen concentraties in de leefomgeving berekent die redelijk goed overeenkomen met de gemeten waarden. Voor twee stoffen, beide met een relatief hoge dampdruk, vallen de berekende concentraties systematisch hoger uit dan de gemeten waarden.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Naar een nieuw Nederlands voedingspeilingsysteem | RIVM

Dit rapport omvat een advies over de invulling van een nieuw voedingspeilingsysteem. De basis wordt gevormd door een (semi)continue gegevensverzameling onder de algemene bevolking van 4-69 jaar. Daarnaast worden aanvullende onderzoeken bij specifieke doelgroepen, naar specifieke producten, naar voedingsstatus en/of naar determinanten van voedselconsumptie aanbevolen. Een dergelijk nieuw systeem is essentieel voor een adequaat toekomstig beleid op het gebied van voeding en voedselveiligheid. De voedselconsumptiemethode voor de basisgegevensverzameling zal bestaan uit twee niet-aaneengesloten 24-uursvoedingsnavragen aangevuld met een schriftelijke vragenlijst; de deelnemers zullen geworven worden uit een consumentenpanel. Voor jonge kinderen, allochtonen, zwangere en lacterende vrouwen en (geinstitutioneerde) ouderen of voor specifieke belangrijke producten zijn aparte - aanvullende - voedselconsumptiepeilingen nodig. Om tijdtrendanalyses met het verleden mogelijk te maken wordt aanbevolen een ijkingsstudie uit te voeren. Bovendien is het belangrijk om inzicht in de validiteit van de voedselconsumptie-gegevens te krijgen. Wanneer uit de voedselconsumptiepeilingen indicaties van knelpunten in de voeding naar voren komen, kan gericht vervolgonderzoek naar bijvoorbeeld voedingsstatus of determinanten van voedingsgedrag belangrijk zijn. Geadviseerd wordt om ook dit vervolgonderzoek integraal onderdeel te laten uitmaken van het voedingspeilingsysteem. Het voorgestelde toekomstige voedingspeilingsysteem heeft een breed draagvlak. De hierboven beschreven opzet en inhoud van het systeem wordt onderschreven door vele ter zake kundigen.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Brominated flame retardants: occurrence, dietary intake and risk assessment | RIVM

Gebromeerde vlamvertragers zijn tot de voedselketen van de mens doorgedrongen. De aanwezigheid van deze stoffen in voedsel vormt vooralsnog geen risico voor de gezondheid. Dit is wel het geval wanneer het gehalte in voedingsmiddelen toe zou nemen. Het in kaart brengen van gebromeerde vlamvertragers in voeding blijft daarom nodig. Vlamvertragers met broom zijn vanuit het milieu in het voedsel terechtgekomen. Vanuit voedsel, maar ook uit bijvoorbeeld huisstof, worden deze stoffen in het lichaam opgenomen. Door hun scheikundige eigenschappen verlaten zij het lichaam maar heel langzaam. Hierdoor slaat het lichaam vlamvertragers in feite op. Om vast te stellen of blootstelling aan vlamvertragers schadelijk is zijn voedingsmiddelen op aanwezigheid van vlamvertragers onderzocht. Daarnaast is, als maat voor de hoeveelheid in het lichaam, ook moedermelk onderzocht. In Nederlandse voedingsmiddelen konden twaalf vlamvertragers aangetoond worden. Hiervan bleken er elf ook in moedermelk voor te komen. Het moedermelkonderzoek liet verder zien dat de hoeveelheid vlamvertragers in het lichaam tussen 1998 en 2003 niet afgenomen is. Om vast te stellen of de blootstelling aan vlamvertragers ook risicovol is, moet gewerkt worden met de maximaal dagelijks toelaatbare inname van deze stoffen. Zo'n maximale inname is voor één vlamvertrager beschikbaar. Tussen de blootstelling aan deze vlamvertrager via de voeding en zijn maximaal toelaatbare inname bestaat slechts een zeer kleine marge. Hoewel er op dit moment nog geen nadelige effect op de gezondheid is, kan dit snel veranderen wanneer meer vlamvertragers in voedingsmiddelen terechtkomen. Monitoringsonderzoek naar vlamvertagers in voeding blijft nodig. Daarnaast zou de blootstelling via huisstof beter in kaart gebracht moeten worden.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Genetic susceptibility to Campylobacter infection | RIVM

De gevoeligheid van personen voor een infectie met de Campylobacter-bacterie wordt voor een deel bepaald door genetische factoren. Welke genen hier specifiek voor verantwoordelijk zijn is nog niet bekend, maar waarschijnlijk spelen zij een rol in de maagzuurproductie en de immuunrespons (specifieke humorale en cellulaire immuniteit). Genetische studies in mensen kunnen inzicht geven in de gevoeligheid van individuen voor Campylobacter-infecties. Dit inzicht draagt bij aan de ontwikkeling van realistische risicoschattingsmodellen en aan het implementeren van beschermingsmaatregelen voor gevoelige groepen in de samenleving. De Campylobacter-bacterie is een belangrijke veroorzaker van bacteriele gastro-enteritis (een infectie van het maag-darmkanaal). Deze bacterie wordt vooral via voedsel overgebracht. Aangezien jaarlijks ongeveer 59.000 personen een Campylobacter-infectie krijgen, is het overheidsbeleid erop gericht om de verspreiding van de bacterie tegen te gaan. Het beleid richt zich vooral op het weren van de bacterie uit de voedselketen. Omdat de maatregelen op dit gebied tot op heden maar beperkt succesvol bleken, is het van belang risicogroepen te identificeren die extra gevoelig zijn voor de bacterie. In eerder epidemiologisch onderzoek is vastgesteld dat de gevoeligheid voor de bacterie ook een genetische achtergrond heeft. Uiteraard blijven omgevingsfactoren (hygiene, gedrag bij voedselbereiding en medicijngebruik) ook belangrijk. Het RIVM beschikt over cohorten waarin de rol van zowel genetische- als omgevingsfactoren op het ontwikkelen van een Campylobacter infectie bestudeerd kan worden.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Zorg voor gezondheid - Volksgezondheid Toekomst Verkenning 2006 | RIVM

Zorg voor gezondheid, de vierde Volksgezondheid Toekomst Verkenning (VTV) brengt opnieuw een grote hoeveelheid actuele informatie samen over gezondheid, preventie en zorg in Nederland. De Nederlander is weer wat gezonder geworden, maar het kan nog beter. Zo zijn ongezond gedrag en overgewicht, vooral bij de jeugd, een bron van zorg voor de gezondheid in de toekomst. Ook worden binnen Nederland grote verschillen in gezondheid en gezondheidsrisico's aangetroffen tussen regio's of buurten. Gezondheidsachterstanden hangen vaak samen met sociaal-economische achterstanden en andere ongunstige kenmerken van de leefomgeving. Preventie zal zich daarom niet alleen op het individu moeten richten, maar evenzeer op de sociale en ruimtelijke aspecten van de omgeving. Ook andere sectoren zoals onderwijs, ruimtelijke ordening en sociaal-economisch beleid moeten waar mogelijk betrokken worden bij het gezonder maken van Nederland en zijn inwoners. De uitgaven voor zorg zijn de afgelopen jaren flink gestegen, maar de gezondheidszorg heeft in de achterliggende decennia ook veel bijgedragen aan een langer leven in goede gezondheid. En die betere gezondheid betekent ook meer zelfredzaamheid, meer deelname aan de samenleving en uiteindelijk minder beroep op langdurige zorg. Toch is nog winst te boeken op het terrein van patientveiligheid, ketenzorg en vooral ook effectieve preventie en zorg. De informatie in de VTV is van belang voor de beleidsontwikkeling bij VWS, maar is ook waardevol voor andere ministeries, lagere overheden, partijen in het zorgveld en instellingen voor onderwijs en wetenschap.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

How can information on oral bioavailability improve human health risk assessment for lead-contaminated soils? Implementation and scientific basis | RIVM

Door kennis over het opnameproces van stoffen in het menselijk lichaam beter te benutten, kan de risicobeoordeling van bodemverontreiniging voor de mens verbeterd worden. Inzicht in het opnameproces is verkregen door de nabootsing van het menselijk verteringsproces (in vitro digestiemodel). In dit rapport wordt een concreet voorstel gedaan om de kennis over de opname van lood door het menselijk lichaam in te passen in het nieuwe bodembeleid (Wet bodembescherming). Daarnaast wordt voor risicobeoordelaars en beleidsmakers inzichtelijk gemaakt in welke situaties het zinvol is om met het in vitro digestiemodel testen uit te voeren. Naast de toepassing in bodembeleid staat tevens de wetenschappelijke basis van het in vitro digestiemodel beschreven. De resultaten van het experimentele model zijn vergeleken met data van de mens en van varkens voor de verontreinigende stof lood om de juistheid van het model aan te tonen. Voor de toekomst is het van belang dat er internationale harmonisatie plaatsvindt over de toepassing in bodembeleid en de methodiek om kennis over het opnameproces te verkrijgen.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Handreiking Gezondheidsonderzoek na Rampen | RIVM

Deze 'Handreiking Gezondheidsonderzoek na Rampen' is geschreven om een bijdrage te leveren aan een weloverwogen, doelmatige en tijdige inzet van gezondheidsonderzoek na rampen en aan de voorbereiding en de uitvoering ervan. De handreiking geeft inzicht in: - het besluitvormingsproces rond gezondheidsonderzoek na rampen; - de onderwerpen die van belang zijn bij het voorbereiden respectievelijk uitvoeren ervan. Nederland heeft de afgelopen decennia verschillende grote rampen en crises meegemaakt, zoals de vliegramp Bijlmermeer, de vuurwerkramp in Enschede en de vogelpest-epidemie. Bij een aantal van deze rampen is, als onderdeel van de nazorg, onderzoek verricht naar de gevolgen voor de gezondheid van getroffenen. Deze onderzoeken hebben belangrijke informatie verschaft over de gevolgen van de ramp: om keuzes te maken bij de opzet van nazorg of te adviseren over individuele behandeling van getroffenen, om maatschappelijke onrust te adresseren en om wetenschappelijke vragen te beantwoorden. De ervaring en kennis die beschikbaar zijn gekomen over deze gevolgen en de wijze waarop gezondheidsonderzoek kan worden ingevuld is samengebracht in deze handreiking. De handreiking bestaat uit een operationeel deel en een achtergronddocument. Het operationeel deel bestaat uit: - een bestuurlijke samenvatting voor de operationele fase; - een checklist over de uitvoering van gezondheidsonderzoek, geordend in 5 stappen: preparatie, besluitvorming, het eerste acute onderzoek, voorbereiden en inrichten van de procesorganisatie voor een hoofdonderzoek, uitvoering van het hoofdonderzoek en afbouw. Het achtergronddocument beschrijft de achtergronden bij de bestuurlijke samenvatting en de checklist, aan de hand van dezelfde 5 stappen als in de checklist.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Costs of lifestyle interventions within health care and the amount of weight loss achieved | RIVM

Leefstijlbegeleiding binnen de gezondheidszorg rondom voedings- en beweeggedrag kan het lichaamsgewicht tegen redelijke kosten verminderen. Een gewichtsverlies van 5% na een jaar kan bereikt worden met begeleidingskosten rond de 150 euro per patient (met een onzekerheidsrange tot 300-400 euro). Elke extra besteding van 100 euro levert een gewichtsvermindering van een procent op. Boven een bedrag van ongeveer 1000 euro leidt meer begeleiding niet tot extra gewichtsverlies. Begeleidingstrajecten waarin deelnemers een dieet met een verlaagde hoeveelheid calorieen wordt voorgeschreven (en niet alleen dieetvoorlichting krijgen) en waarin gedragstherapie wordt aangeboden lijken -bij gelijkblijvende kosten- het meest effectief. Dit blijkt uit een analyse van 73 begeleidingstrajecten beschreven in 42 originele publicaties, die alle gericht waren op zowel voeding als bewegen. De kosten van de trajecten zijn op een gestandaardiseerde manier berekend en vergeleken met het gewichtsverlies na een jaar. Studiekenmerken die samen kunnen hangen met de kwaliteit van onderzoek, zoals uitval van deelnemers, hadden geen effect op de uitkomsten.Dat duurdere begeleidingstrajecten tot meer gewichtsverlies leiden komt waarschijnlijk doordat de kosten zijn gerelateerd aan de intensiteit van het programma. Ook na twee jaar leek gewichtsverlies samen te hangen met de programmakosten, maar het aantal begeleidingstrajecten in deze analyse was laag. Er is verder onderzoek nodig naar de gezondheidseffecten op lange termijn, variatie tussen personen en het optimale programma. Ondanks dat de huidige analyse er niet op wijst dat bewegen onder begeleiding meer gewichtsverlies oplevert, blijft lichaamsbeweging belangrijk omdat dit andere gunstige gezondheidseffecten kan hebben.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Vooronderzoek naar bezorgdheid over basisstations voor mobiele telefonie | RIVM

Het aantal mensen dat bezorgd is over GSM-basisstations blijkt niet af te hangen van de afstand waarop men zich van de basisstations bevindt. Bezorgdheid over elektromagnetische velden lijkt vooral verband te houden met de perceptie van het risico. Mensen met klachten over hun gezondheid brengen deze onder andere in verband met basisstations voor mobiele communicatie. Het gaat daarbij om klachten zoals hoofdpijn, concentratiegebrek en slaapstoornissen. Dit vooronderzoek was onderdeel van een bredere hinder enquete en was bedoeld om de bezorgdheid van mensen die in de buurt van GSM-basisstations wonen, in kaart te brengen. Van de 1937 respondenten wonen er naar eigen zeggen 147 'in de buurt' van een GSM-basisstation. Van deze 147 respondenten is 22% bezorgd. Voor de hele Nederlandse bevolking komt dit neer op een aantal bezorgden in de orde van een kwart miljoen. De resultaten van dit onderzoek zijn ook vergeleken met onze buurlanden. Uit Duits onderzoek blijkt dat het aantal bezorgden stijgt naarmate men zich beter geinformeerd voelt. Daarom is het van belang om een methode voor risicocommunicatie te kiezen waardoor het aantal bezorgden niet onnodig toeneemt. Daarnaast zal een verbeterde vragenlijst een beter overzicht geven van het aantal bezorgden. Zo zouden ook 'niet in de buurt' wonenden naar hun bezorgdheid en naar gezondheidseffecten gevraagd moeten worden. Ook zou niet alleen naar de situatie rond de woning gevraagd moeten worden, maar ook rond de verblijfplaats overdag. Voor een mogelijk vervolgonderzoek is de centrale vraag of de klachten ontstaan door bezorgdheid of door wisselwerking met het elektromagnetische veld.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Extreem-laagfrequente elektrische en magnetische velden van huishoudelijke apparatuur | RIVM

De blootstelling aan elektrische en magnetische velden ligt voor de meeste huishoudelijke apparaten onder de niveaus die de Europese Unie aanbeveelt. Voor die apparaten zijn geen gezondheidseffecten op de korte termijn te verwachten. Elk apparaat dat op het elektriciteitsnet is aangesloten, heeft een elektrisch en magnetisch veld om zich heen waaraan de gebruiker kan worden blootgesteld. Sommige mensen maken zich zorgen over gezondheidseffecten door blootstelling aan elektromagnetische velden. Daarom is het belangrijk die velden en de eventuele gezondheidseffecten in kaart te brengen. Dit rapport beschrijft het wetenschappelijk onderzoek naar gezondheidseffecten door gebruik van huishoudelijke apparatuur, de regelgeving voor deze apparaten, de sterkte van de magnetische velden in de buurt van die apparaten en de blootstelling waar het gebruik van deze apparaten toe kan leiden. De (verouderde) literatuurgegevens over de magnetische velden in de buurt van huishoudelijke apparaten suggereren dat voor enkele typen apparatuur die nog in gebruik kunnen zijn, de door de EU aanbevolen niveaus worden overschreden. Omdat de technologie verbeterd is en omdat huishoudelijke apparaten tegenwoordig moeten voldoen aan een Europese norm, is overschrijding van de aanbevolen niveaus voor apparaten die nu te koop zijn, minder waarschijnlijk. De EU-blootstellingsniveaus zijn gebaseerd op effecten die tijdens of kort na blootstelling optreden. Het kan niet worden uitgesloten dat blootstelling beneden deze niveaus op de lange termijn gezondheidsrisico's met zich mee brengt, maar het wetenschappelijk onderzoek wijst niet op een verband tussen kanker en het gebruik van huishoudelijke apparaten.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Overgewicht bij jonge kinderen en volwassenen: kwantificeren van de kloof tussen energie-inneming en energieverbruik | RIVM

Voor het eerst is de kloof tussen calorie-inneming en -verbruik in Nederland gekwantificeerd. Kleine veranderingen in de energiebalans per dag (inneming versus verbruik) kunnen op lange termijn het verschil uitmaken tussen het wel of niet ontwikkelen van overgewicht. Tien procent van de kinderen heeft tussen 2- en 6-jarige leeftijd overgewicht ontwikkeld of behouden. Voor 90% van hen was dit te voorkomen geweest door dagelijks 75 kcal minder in te nemen dan te verbruiken. Dit komt overeen met bijvoorbeeld een glas limonade (150 ml) per dag. Voor jong volwassenen (20-30 jaar) is een overschot op de energiebalans van 60 kcal per dag verantwoordelijk geweest voor hun gewichtsstijging in 11 jaar tijd. Voor volwassenen van 31-59 jaar is het overschot iets kleiner. De energiekloof is berekend op basis van gewichtsstijging. Voor kinderen zijn de gegevens van de PIAMA-studie gebruikt. Voor volwassenen (20-59 jaar) komen de gegevens uit de Doetinchem Studie. Opvallend is dat bijna tweederde van de 2-jarigen met overgewicht weer een normaal gewicht heeft op 6-jarige leeftijd. Deze kinderen hadden vaker een hoogopgeleide moeder dan de kinderen die overgewicht behielden (47% versus 29%). Volwassenen met een lage sociaal-economische status (SES) hadden bij de beginmeting een hogere body mass index (BMI) dan de totale groep. De gewichtsstijging voor personen met een lage SES was echter gelijk aan die voor de totale groep. Verschillen in BMI komen dus waarschijnlijk voor het 20e levensjaar tot stand.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Overzicht van voor de voortplanting giftige stoffen en werkplekken - een eerste aanzet | RIVM

Niet elke werknemer en werkgever is zich bewust van het eventueel vrijkomen van voor de voortplanting giftige stoffen op zijn/haar werkplek. Om werkgevers, werknemers en arbo-professionals op mogelijke blootstelling te attenderen heeft het RIVM een database aangelegd. Hierin zijn stoffen waarvan bekend is dat ze giftig zijn voor de voortplanting gekoppeld aan branches en werkgerelateerde handelingen in deze branches. De database vormt een eerste aanzet. Aanpassingen en uitbreidingen van de database kunnen worden uitgevoerd in samenwerking met de branches.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Trichothecenes in baby food | RIVM

Uit dit onderzoek blijkt dat voor een aantal van de onderzochte trichothecenen de dagelijkse inname bij ongeveer 10% van de kinderen boven de geaccepteerde veilige dagelijkse dosis ligt. Nu is deze geaccepteerde veilige dagelijkse dosis gebaseerd op een levenslange blootstelling en incidentele overschrijding betekent daarmee niet automatisch dat er een gezondheidsrisico is. Echter, een van de effecten die deoxynivalenol -het meest voorkomende trichotheceen- kan veroorzaken, is groeivertraging. Jonge kinderen groeien snel, zodat overschrijding van de geaccepteerde veilige dagelijkse dosis, juist voor deze groep, voorkomen moet worden. De volksgezondheidsautoriteiten van de lidstaten van de Europese Unie (EU) hebben een groeiende belangstelling voor de aanwezigheid van door schimmels geproduceerde gifstoffen (zoals aflatoxinen, trichothecenen en ochratoxine A) in de voeding. In EU onderzoeksprojecten wordt daarom onderzocht in welke mate de Europese bevolking blootgesteld wordt aan dit soort gifstoffen. Een van deze projecten richtte zich op de trichothecenen en had als een van de belangrijkste conclusies dat er vooral voor de jongere bevolkingsgroepen betrouwbare blootstellinggegevens ontbreken. In de huidige studie zijn analytisch-chemische metingen verricht aan voedingen van jonge kinderen. Aan de hand van de gevonden resultaten is berekend wat de dagelijkse inname van trichothecenen via de voeding is.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

De relatie tussen productregistratie en waterkwaliteitsregelgeving: geneesmiddelen, diergeneesmiddelen en veevoederadditieven | RIVM

Europese regelgeving voor waterkwaliteit en productregistratie legt tegenstrijdige verplichtingen op betreffende de beheersing van milieurisico's van het gebruik van geneesmiddelen, diergeneesmiddelen en veevoederadditieven. De waterkwaliteitsregelgeving vereist dat op een bepaald moment aan voorgeschreven kwaliteitseisen wordt voldaan en biedt verschillende instrumenten. In de eerste plaats moeten de kwaliteitseisen voor deze stoffen worden vastgesteld in een wettelijke regeling. Vervolgens dienen deze eisen door te werken in beleid, in de planvorming en in de concrete besluitvorming. Inzet van instrumenten uit het waterkwaliteitsspoor alleen leidt waarschijnlijk niet tot voldoende resultaat om de milieubelasting van deze stofgroepen te beheersen. De registratieregelgeving voorziet anderzijds echter niet in de mogelijkheid van expliciete toetsing aan waterkwaliteitseisen. Vereiste of kansrijke maatregelen die de overheid kan nemen zijn: - Het vaststellen van waterkwaliteitseisen voor deze stoffen - De kwaliteitseisen op andere beleidsterreinen (productregistraties, milieuvergunningen, algemene regels die de vergunningplicht vervangen) laten doorwerken. Bij de registratie kan met kwaliteitseisen op indirecte wijze rekening wordt gehouden - Het actief beschikbaar stellen van de milieu-informatie uit de registratie aan zowel de 'probleemhouders' als aan gebruikers - Regelgeving ten aanzien van het gebruik van diergeneesmiddelen sluitend maken. Samenwerking tussen verschillende bestuursorganen (met taken op het gebied van kwaliteitsbeleid, productregistratie en waterbeheer) is daarvoor noodzakelijk. Enkele mogelijkheden liggen op het niveau van de harmonisatie van de Europese regelgeving en uitvoeringspraktijk. De milieubeoordeling zou zowel bij de registratie als bij de vaststelling van kwaliteitseisen methodologisch gelijk moeten zijn. Tenslotte zou de Europese productregelgeving zodanig afgestemd kunnen worden dat een rechtstreekse relatie wordt gelegd tussen de risiconormen in de registratiebeoordeling en de kwaliteitseisen uit waterkwaliteitsregelgeving.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

De microbiologische kwaliteit van het ingenomen en afgeleverde water van Waterwinningbedrijf Brabantse Biesbosch in 2001 | RIVM

Om van het afgeleverde water van Waterwinningbedrijf Brabantse Biesbosch (WBB) drinkwater te maken dat voldoet aan de eisen uit het Nederlands Waterleidingbesluit dienen de zuiveringsprocessen de aantallen Campylobacter met minimaal 6,5 tot 7,3 log10-eenheden en de aantallen reo- en enterovirussen met minimaal 2,8 tot 3,6 log10 eenheden reduceren. Drinkwater dat aan deze eisen voldoet zal bij consumptie minder dan 1 infectie per 10.000 personen per jaar veroorzaken. In 2001 is onderzoek gedaan naar het voorkomen van noro- en rotavirussen in zowel het ingenomen als het afgeleverde water van WBB en werden de aantallen kweekbare entero- en reovirussen in deze wateren bepaald. Tevens werden de aantallen Campylobacter in het afgeleverde water bepaald. In het ingenomen water werden kweekbare reo- en enterovirussen in concentraties van 0,01 tot 1 virusdeeltje per liter aangetroffen. In het afgeleverde water werden eveneens kweekbare reo- en enterovirussen aangetoond, de gemiddelde concentratie bedroeg 0,001 tot 0,007 kweekbaar virusdeeltje per liter. De decimale reductie door de spaarbekkens van WBB bedroeg voor reovirussen 1,4 log10-eenheden en voor enterovirussen 2,1 log10-eenheden. Zowel in het ingenomen als in het afgeleverde water werd met moleculaire methoden geen RNA van rotavirussen aangetoond. Norovirus RNA werd zowel in enkele monsters van het ingenomen als van het afgeleverde water aangetroffen. De decimale reductie van norovirus RNA door de spaarbekkens bedroeg 0,6 log10-eenheden. Campylobacter werd aangetoond in 84 % van de monsters van het afgeleverde water, met een gemiddeld meest waarschijnlijk aantal van 6,9 bacterien per liter.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Pathogene micro-organismen in zwemwater in relatie tot indicatoren voor fecale verontreiniging | RIVM

In zwemwater wat voldeed aan de normen voor microbiologische kwaliteit uit de huidige Zwemwaterrichtlijn 76/160/EEG werden micro-organismen aangetroffen die infectieziekten zoals gastro-enteritis of oorontsteking kunnen veroorzaken. Op basis van de strengere normen uit de herziene Zwemwaterrichtlijn 2006/7/EC werd de kwaliteit van dit zwemwater minder gunstig beoordeeld. Op twee officiele Nederlandse zwemlocaties, Katwijk-Noord en Vinkeveenseplassen (bij eiland 1), is de aanwezigheid van (potentieel) pathogene micro-organismen onderzocht en gerelateerd aan de huidige en de herziene Europese zwemwaternormen; voor de parameters uit de herziene Zwemwaterrichtlijn werden twee verschillende (toegestane) detectiemethoden toegepast. De ziekteverwekkende micro-organismen Staphylococcus aureus, Pseudomonas aeruginosa, Vibrio, Cryptosporidium en Giardia werden op beide locaties aangetroffen. Campylobacter werd niet gevonden bij Katwijk-Noord, maar wel in de Vinkeveenseplassen. Salmonella, norovirus en enterovirus werden op geen van beide locaties aangetroffen, terwijl rotavirus eenmaal bij Katwijk-Noord en adenovirus eenmaal in de Vinkeveenseplassen werd aangetoond. Volgens de huidige Zwemwaterrichtlijn was de waterkwaliteit bij Katwijk-Noord 'uitstekend' en in de Vinkeveenseplassen 'goed'. Voor de parameters uit de herziene Zwemwaterrichtlijn bestond er verschil in beoordeling bij gebruik van de verschillende methoden: op basis van membraanfiltratie was de waterkwaliteit bij Katwijk-Noord 'goed', terwijl deze op basis van MPN resultaten 'aanvaardbaar' was. De zwemwaterkwaliteit in de Vinkeveenseplassen werd op basis van beide methoden als 'slecht' beoordeeld. Er zijn aanwijzingen verkregen dat de beoordeling van de waterkwaliteit op Nederlandse zwemlocaties volgens de herziene Zwemwaterrichtlijn afhankelijk is van de toegepaste detectiemethode (membraanfiltratie of MPN). Het voldoen aan de Europese Zwemwaterrichtlijn garandeert niet de afwezigheid van voor de mens ziekteverwekkende micro-organismen in zwemwater.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Monsternemingen van het grondwater tot vijf meter beneden de grondwaterspiegel - De selectie van kansrijke methoden | RIVM

Er zijn drie mogelijk geschikte methoden geselecteerd om grondwatermonsters tot vijf meter beneden de grondwaterspiegel te verzamelen. Deze methoden worden nu verder in het veld getest om tot een aanbeveling te komen. Aanleiding voor de studie is dat volgens het concept monitorrichtsnoer van de EU Nitraat Richtlijn de kwaliteit van het grondwater niet alleen voor het hele grondwaterpakket bepaald dient te worden, maar specifiek ook in de bovenste vijf meter. In het Landelijk Meetnet Effecten Mestbeleid (LMM) wordt de verandering van de waterkwaliteit gemeten in de bovenste meter van het grondwater en deze metingen worden ook gebruikt voor toetsing. Hierdoor wordt mogelijk te streng getoetst, vooral in zandgebieden. Er wordt bekeken of een grondwaterkwaliteitmeetnet voor de bovenste vijf meter van het grondwater zinvol en mogelijk is in de zandgebieden. Als onderdeel van die studie wordt in dit rapport een inventarisatiestudie naar 12 mogelijk bruikbare boor- en monsternemingsmethoden tot vijf meter onder de grondwaterspiegel beschreven. Aan de hand van een aantal gewogen criteria zijn daaruit de meest kansrijke methoden geselecteerd. Het betreft een handmatige en een machinale methode voor de plaatsing van tijdelijke monsternemingsfilters. En een machinale methode voor de installatie van permanente filters.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Bacillus cereus: characteristics, behaviour in the gastro-intestinal tract, and interaction with Caco-2 cells | RIVM

Door het eten van voedsel dat besmet is met de bacterie Bacillus cereus kan diarree ontstaan. Onderzoek naar de bacterie zelf en het ziekmakend proces hebben geleid tot meer kennis over het optreden van de ziekte. Allereerst zijn stammen van de bacterie op grond van specifieke karakteristieken ingedeeld. Hierbij is onder andere gebruik gemaakt van kunstmatig darmsap en lichaamstemperatuur om de groeimogelijkheden van de verschillende stammen Bacillus cereus goed te kunnen bepalen. Daarnaast bleek dat slechts een beperkt aantal stammen ziekte kunnen veroorzaken. Dit zijn voornamelijk stammen die goed groeien bij 37 graden Celsius en die zich goed kunnen aanpassen aan omstandigheden zoals die voorkomen in de dunne darm. Een essentiele stap in het ziekmakend proces blijkt de hechting van de Bacillus cereus aan de wand van de dunne darm te zijn. Dit proces is in het onderzoek nagebootst met Caco-2 cellen. Daarnaast kunnen de cellen van de dunne darm aanzetten tot ontkieming en vermenigvuldiging van Bacillus cereus sporen. Sporen zijn bacteriecellen die zich in een soort sluimerstand bevinden. In een wetenschappelijke publicatie zullen gegevens worden gepubliceerd ten aanzien van het voorkomen van Bacillus cereus bacterien in voedsel.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Kosten van ziekten in Nederland 2003. Zorg voor euro's - 1 | RIVM

In 2003 werd in Nederland 57,5 miljard euro aan de gezondheidszorg uitgegeven, hetgeen overeenkomt met ongeveer 12% van het bruto binnenlands product. Per inwoner ging het om een bedrag van 3.550 euro. Dit rapport beschrijft hoe deze zorgkosten samenhangen met kenmerken van zorggebruikers als ziekte (diagnosegroep), leeftijd en geslacht, het aanbod van zorg (sectoren en zorgfuncties) en de financiering. Van de totale zorgkosten kon 82,5% aan een ziekte worden toegewezen. Psychische stoornissen zijn met 12,7 miljard euro de duurste diagnosegroep. Hierin zijn ook de kosten van verstandelijke handicaps en dementie opgenomen. Op afstand volgen ziekten van het hartvaatstelsel (5,3 miljard euro) en ziekten van het spijsverteringsstelsel (4,6 miljard euro). Symptomen en onvolledig omschreven ziektebeelden (4,2 miljard euro) en aandoeningen van het bewegingsstelsel en bindweefsel (3,9 miljard euro) completeren de top-5. De zorgkosten hangen sterk samen met de leeftijd, en lopen op tot gemiddeld meer dan 40.000 euro per inwoner van Nederland in de hoogste leeftijdsgroepen. Het aandeel van mannen in de totale zorgkosten van 2003 bedroeg 42% en van vrouwen 58%. Het verschil wordt veroorzaakt door de kosten van zwangerschap en geboorte en vooral ook door de hogere levensverwachting van vrouwen.het CBS. Naast dit perspectief zijn nog twee andere invalshoeken volledig uitgewerkt, namelijk het het Budgettair Kader Zorg (BKZ) van het ministerie van VWS en het System of Health Accounts (SHA) van de OECD.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Kosten van preventie in Nederland 2003. Zorg voor euro's - 4 | RIVM

Op tal van beleidsterreinen worden preventieve maatregelen ten aanzien van de volksgezondheid uitgevoerd. Denk bijvoorbeeld aan drinkwatervoorzieningen, riolering, verkeersveiligheid, rookbeleid en arbeidsomstandigheden. Dankzij goede en actuele regelgeving op deze terreinen is de algemene gezondheid in Nederland in de twintigste eeuw sterk verbeterd. Binnen de gezondheidszorg komt steeds meer aandacht voor onderzoek naar kosten en doelmatigheid (kosteneffectiviteit). Door structurele evaluaties zijn toekomstige gezondheidsvoorzieningen beter te plannen. Ook wordt het maken van keuzes ten aanzien van beleidsrichting en het voeren van intersectoraal overleg makkelijker. Tegen deze achtergrond is het opvallend dat er geen compleet en systematisch inzicht bestaat van de uitgaven van preventieve maatregelen. In dit rapport wordt daarom een zo compleet mogelijk overzicht gegeven van de uitgaven aan preventieve maatregelen binnen en buiten de gezondheidszorg. Ook wordt beschreven hoeveel per ziekte aan preventie wordt uitgegeven in hoe de uitgaven zijn verdeeld over leeftijdsgroepen, mannen en vrouwen.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Zorgbalans. De prestaties van de Nederlandse gezondheidszorg in 2004 | RIVM

Dit is de eerste Zorgbalans. Hierin worden de kwaliteit, de toegankelijkheid en de kosten van de Nederlandse gezondheidszorg in 2004 gepresenteerd. De Zorgbalans schetst een breed beeld op basis van ongeveer 125 indicatoren. Waar mogelijk wordt dat gedaan met behulp van tijdreeksen en internationale vergelijkingen. In opdracht van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport brengt het RIVM de Zorgbalans iedere twee jaar uit. Nederland heeft anno 2004 een toegankelijk zorgsysteem. Wel zijn de kosten van zorg tussen 2000 en 2004 sterk gestegen. In vergelijking met andere landen in de Europese Unie, heeft Nederland wat betreft kostenontwikkeling niet een sterk afwijkende positie: iets boven het EU-15 gemiddelde. Internationaal gezien is de kwaliteit van zorg op meerdere onderdelen bovengemiddeld. Wat betreft de effectiviteit van preventie en zorg, patientveiligheid en ketenzorg is nog veel winst te boeken.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Ecological risk assessment of contaminated land - Decision support for site specific investigations | RIVM

Dit boek is het product van het door de EU-gefinancierde onderzoeksproject LIBERATION. Dit project had als doel het ontwikkelen van een beslissingsondersteunend systeem (BOS) voor het duurzaam omgaan met verontreinigde bodem, met speciale aandacht voor organische stoffen. Het doel van het boek is om ondersteuning te bieden aan risicobeoordelaars en bodembeheerders bij hun besluitvorming over verontreinigde bodems. Het BOS is gebaseerd op een gelaagde aanpak en is onderverdeeld in drie stappen: - Stap 1. Beschrijving van de locatie en het bodemgebruik. - Stap 2. Bepalen van de ecologische aspecten. - Stap 3. Locatiespecifieke beoordeling (de Triade): Laag 1. Eenvoudige verkenning Laag 2. Uitgebreide verkenning Laag 3. Gedetailleerde beoordeling Laag 4. Volledige beoordeling. Elke van de lagen is gebaseerd op meervoudige bewijsvoering waarbij drie sporen van bewijs, namelijk Chemie, Toxicologie en Ecologie, worden gecombineerd. Het boek bevat bruikbare lijsten van technieken en gereedschappen die bruikbaar zijn voor de diverse sporen en lagen. Het boek heeft op een systematische wijze methodes om biobeschikbaarheid van verontreinigde bodem te bepalen, opgenomen in de ecologische risicobeoordeling. Hoewel de meeste methoden nog relatief nieuw zijn en daarnaast ook nog niet volledig gevalideerd en het nog een grote uitdaging is om alle onderliggende processen te begrijpen. Is er desondanks de hoop dat dit boek oproept tot discussie, verdere ontwikkeling van gereedschappen en bovenal stimuleert om meer praktische ervaring op te doen met locatiespecifieke ecologische risicobeoordeling.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Dubbel-blind, gerandomiseerd, placebo-gecontroleerd, 4-weg gekruist onderzoek naar de farmacokinetiek en effecten van cannabis | RIVM

Systematische metingen van de concentratie van de psychoactieve stof THC in 'nederwiet' cannabis afkomstig van coffeeshops in Nederland, hebben laten zien dat de gemiddelde THC concentraties geleidelijk aan zijn gestegen van circa 8,6% in december 1999-januari 2000 tot 17,7% in december 2004-januari 2005. Het roken van cannabis met hogere THC-gehaltes (externe blootstelling: 9,75 tot 23,12% THC) gaat gepaard met een dosis-gerelateerde toename van de serumconcentratie van THC (de inwendige blootstelling). Het roken van cannabis met hogere THC-gehaltes vervolgens gaat tevens gepaard met een dosis-gerelateerde toename van lichamelijke effecten (zoals hartslagverhoging, bloeddruk-verlaging) en psychomotorische effecten (zoals trager reageren, concentratievermindering, het maken van meer fouten bij het testen en het slechter functioneren van de spiercoordinatie en meer slaperigheid). Bovengenoemde resultaten komen voort uit een klinische studie met 24 cannabisgebruikers.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

A double-blind, randomized, placebo-controlled, cross-over study on the pharmacokinetics and effects of cannabis | RIVM

Systematische metingen van de concentratie van de psychoactieve stof THC in 'nederwiet' cannabis afkomstig van coffeeshops in Nederland, hebben laten zien dat de gemiddelde THC concentraties geleidelijk aan zijn gestegen van circa 8,6% in december 1999-januari 2000 tot 17,7% in december 2004-januari 2005. Het roken van cannabis met hogere THC-gehaltes (externe blootstelling: 9,75 tot 23,12% THC) gaat gepaard met een dosis-gerelateerde toename van de serumconcentratie van THC (de inwendige blootstelling). Het roken van cannabis met hogere THC-gehaltes vervolgens gaat tevens gepaard met een dosis-gerelateerde toename van lichamelijke effecten (zoals hartslagverhoging, bloeddruk-verlaging) en psychomotorische effecten (zoals trager reageren, concentratievermindering, het maken van meer fouten bij het testen en het slechter functioneren van de spiercoordinatie en meer slaperigheid). Bovengenoemde resultaten komen voort uit een klinische studie met 24 cannabisgebruikers.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Our food, our health - Healthy diet and safe food in the Netherlands | RIVM

Ons voedsel is veiliger dan ooit, maar Nederlanders eten te veel en verkeerd. Hierdoor wordt aanzienlijk gezondheidsverlies geleden en leven we gemiddeld twee jaar korter. Dat zijn enkele belangrijke conclusies uit het rapport "Ons eten gemeten". Dit rapport geeft voor de eerste keer in Nederland een totaaloverzicht van de beschikbare kennis op het gebied van de voedselconsumptie, de voedselveiligheid, en de gevolgen voor de gezondheid op lange termijn.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Veranderingen in leefstijl- en risicofactoren voor chronische ziekten met het ouder worden: De Doetinchem Studie 1987-2002 | RIVM

Dertigers hebben vaker overgewicht dan elf jaar geleden. In de periode 1998-2002 had een op de twee mannen en een op de drie vrouwen van 30-39 jaar overgewicht (Body Mass Index (BMI) = 25 kg/m2). Elf jaar eerder, bij de toenmalige dertigers, gold dat voor ruim een op de drie mannen en een op de vier vrouwen in deze leeftijdsgroep. Dit cohort- of periode-effect zien we ook in de oudere leeftijdsgroepen: bij opeenvolgende '10-jaarsgeneraties' komt overgewicht steeds vaker voor . Wanneer we de huidige dertigers met zichzelf vergelijken, zien we dat ze er elf jaar geleden, als twintigers, veel gunstiger voorstonden: toen had 'slechts' een op de vier mannen en een op de zeven vrouwen overgewicht. Bij laag opgeleiden komt overgewicht vaker voor dan bij hoog opgeleiden. Deze cijfers onderstrepen dat preventie van overgewicht op jonge leeftijd moet plaatsvinden en dat de overgewichtproblematiek in toekomstige oudere leeftijdsgroepen nog verder zal toenemen. De cijfers zijn afkomstig uit de Doetinchem Studie, een longitudinaal onderzoek naar leefstijl, biologische risicofactoren en chronische ziekten. In drie opeenvolgende perioden van vijf jaar zijn steeds circa 5000 personen onderzocht. In dit rapport worden de longitudinale veranderingen over de drie onderzoeksronden beschreven voor roken, bloeddruk, serum cholesterol en BMI. Daarnaast worden de opzet en de resultaten van de derde onderzoeksronde (1998-2002) gepresenteerd ten aanzien van het voorkomen van leefstijlfactoren (roken, voeding, bewegen), biologische risicofactoren (bloeddruk, cholesterol, BMI, longfunctie) en chronische ziekten (o.a. diabetes en COPD). Daarbij worden de verschillen naar geslacht, leeftijd en opleidingsniveau weergegeven.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Monitoring van gezondheid en beleving rondom de luchthaven Schiphol | RIVM

De gezondheidstoestand van de bevolking rondom Schiphol is na opening van de Polderbaan nauwelijks veranderd. Wel zijn er verschuivingen opgetreden in geluidblootstelling, hinder en slaapverstoring. Er zijn steeds meer aanwijzigen dat er bij de huidige geluidniveaus rond Schiphol een samenhang is tussen de blootstelling aan vliegtuiggeluid en het optreden van hoge bloeddruk. Dit blijkt uit de resultaten van het monitoringprogramma Gezondheidskundige Evaluatie Schiphol (GES) waarmee de ontwikkeling van de milieubelasting en van gezondheid en beleving rondom Schiphol in kaart zijn gebracht. Dit monitoringprogramma is een uitvloeisel van toezeggingen in de Planologische Kernbeslissing Schiphol en Omgeving. De opening van de Polderbaan in 2003 heeft geleid tot ruimtelijke verschuivingen in de geluidblootstelling. Daardoor zijn in 2005 per saldo minder mensen blootgesteld aan hogere geluidniveaus dan in 2002, maar is het geluidniveau bij relatief laag blootgestelden gemiddeld toegenomen. Overigens treden er lokaal grote afwijkingen van dit algemene beeld op. De luchthavenactiviteiten en het vliegverkeer van en naar Schiphol dragen tot maximaal enkele procenten bij aan de lokale luchtverontreiniging. Op basis van de resultaten van het monitoringprogramma, eerder GES-onderzoek en de internationale literatuur, constateren we dat er steeds meer aanwijzingen zijn voor een samenhang tussen de blootstelling aan vliegtuiggeluid en hoge bloeddruk. Verder zijn er aanwijzingen gevonden voor een relatie tussen vliegtuiggeluid en zowel een minder goede ervaren gezondheid als het gebruik van slaap- en kalmeringsmiddelen. Er is geen samenhang waargenomen tussen vliegtuiggeluid en mentale gezondheidsklachten. Het is niet waarschijnlijk dat een verandering van het geluidniveau door het in gebruik nemen van de Polderbaan extra invloed heeft op eventuele gezondheidseffecten. Er zijn ook geen aanwijzingen dat vliegverkeer bijdraagt aan het optreden van luchtwegaandoeningen. De bezorgdheid hierover is na 2002 echter wel toegenomen. Sinds 1996 is de ernstige geluidhinder en ernstige slaapverstoring rondom Schiphol afgenomen. De minder ernstige slaapverstoring is na 2002 echter toegenomen. Hinder, slaapverstoring, het indienen van klachten over vliegtuiggeluid en bezorgdheid hangen sterk samen met de geluidniveaus van vliegverkeer. Een toename van de geluidblootstelling leidt bovendien nog tot een extra toename van het aantal ernstig gehinderden en het aantal mensen dat een klacht indient. Daarnaast blijkt dat bewoners die aangeven ernstig gehinderd te zijn vaker een minder goede gezondheid ervaren en vaker aangeven een hoge bloeddruk te hebben.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Drempelwaarden bij voedselallergie | RIVM

Het is nog niet goed mogelijk om van alle bestanddelen in de voeding die allergie kunnen opwekken de minimale hoeveelheid te bepalen waarbij in de mens een allergische reactie kan optreden. Deze minimale hoeveelheden worden ook drempelwaarden genoemd. Het enige voedselallergeen waarbij wel een drempelwaarde is vastgesteld is lactose. Bij doseringen lager dan 7 gram worden geen allergische reacties gemeld. Het belang van verder onderzoek naar drempelwaarden komt voort uit de wetgeving van de Europese Unie. Vanaf 1 november 2005 moet op elk voedingsproduct worden aangegeven worden of het product voedselallergenen bevat. De verplichting geldt voor de belangrijkste voedselallergenen zoals granen (met inbegrip van gluten), schaaldieren, eieren, vis, pinda, melk (met inbegrip van lactose), soja, noten, sesamzaad, selderie, mosterd en sulfiet. Er is een heel aantal methoden in omloop om de aanwezigheid van voedselallergenen in voedingsproducten vast te stellen. Door het ontbreken van drempelwaarden is het nog niet goed mogelijk eisen aan deze methoden te voor wat betreft hun gevoeligheid: wat is de laagste hoeveelheid van een allergeen die deze methoden nog in de voeding moet kunnen aantonen.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Methoden om allergenen in voedsel te detecteren | RIVM

Het is nog niet mogelijk om de verplichte informatie-etikettering van voedingsproducten goed te handhaven. Vanuit Europese regelgeving geldt per 1 november 2005 de verplichting om de aanwezigheid van allergie opwekkende stoffen (allergenen) op de etiketten van voedingsproducten te vermelden. Om dit beleid goed te handhaven moet bekend zijn hoeveel allergenen een mens binnen mag krijgen voordat er een allergische reactie optreedt. Zonder deze gegevens is het wel mogelijk om de aanwezigheid van allergenen in voedsel aan te tonen, maar onmogelijk om precies aan te geven of dit een allergische reactie tot gevolg heeft. Alleen als het risico voor een allergische reactie bestaat is handhaving van belang.Een extra factor om rekening mee te houden in allergenen-onderzoek, zijn nieuw ontwikkelde soorten voeding ('novel foods'). Er kan bij deze voeding sprake zijn van nieuwe of onbekende eiwitten. Nu is nog moeilijk te voorspellen of deze eiwitten allergie opwekken.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Potential health benefits and cost effectiveness of tobacco tax increases and school intervention programs targeted at adolescents in the Netherlands | RIVM

Bij jongeren kan veel gezondheidswinst behaald worden door te voorkomen dat ze beginnen met roken. Een prijsverhoging van 20% op tabaksproducten verlaagt het aantal jeugdige rokers met bijna 20.000 op de korte termijn. De kosten effectiviteit van accijnsverhogingen wordt geschat op ongeveer 4.500 per gewonnen QALY. Dit is inclusief medische kosten in gewonnen levensjaren en exclusief een eventuele toename in accijnsopbrengsten. De gezondheidseffecten en kosten effectiviteit van diverse schoolprogramma's zijn nog onzeker. Bijna 90% van de volwassen (ex-)rokers is gestart met roken voor hun 18e. Vanuit het oogpunt van volksgezondheid is het daarom belangrijk om roken bij jongeren te ontmoedigen. Het doel van dit onderzoek was om de gezondheidswinst en kosteneffectiviteit te bepalen van twee maatregelen om tabaksgebruik onder jongeren te ontmoedigen, namelijk een accijnsverhoging en interventieprogramma's op scholen. De effecten na 1 jaar op het aantal rokers zijn vastgesteld op basis van literatuuronderzoek. Het RIVM Chronische Ziekten Model (CZM) is gebruikt om de lange termijn effecten op de volksgezondheid te schatten. Voor de schoolprogramma's zijn drie voorbeeldinterventies onderzocht, waarvan de kosten werden bepaald op 20 tot 75 per leerling. De schattingen van de gezondheidswinst en kosten effectiviteit als gevolg van de drie school interventies dienen voorzichtig te worden geinterpreteerd, vanwege grote onzekerheid over de precieze effecten van deze programma's op het rookgedrag van de jeugd. De conclusie van scenario analyses met het CZM is dat bij jongeren veel gezondheidswinst behaald kan worden door te voorkomen dat ze starten met roken. Een accijnsverhoging draagt hieraan bij en is een zeer doelmatige vorm van preventie.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Cost-effectiveness of interventions to reduce tobacco smoking in the Netherlands. An application of the RIVM Chronic Disease Model | RIVM

Accijnsverhogingen, massamediale campagnes en individuele ondersteuning bij stoppen met roken zijn alle doelmatige vormen van preventie. Een accijnsverhoging is de meest doelmatige maatregel vanuit het gezondheidszorgperspectief. Deze maatregel levert veel gezondheidswinst op tegen relatief lage kosten. Roken is in Nederland de belangrijkste risicofactor voor voortijdige sterfte en leidt tot veel gezondheidsverlies. Het Ministerie van VWS streeft daarom naar minder rokers. Bij volwassenen richt het beleid zich vooral op de bevordering van het stoppen met roken. Bij jongeren is preventie belangrijk. Dit rapport biedt inzicht in de kosteneffectiviteit van diverse effectieve interventiemogelijkheden bij volwassenen. Iemand die stopt met roken loopt minder risico op een aan roken gerelateerde ziekte, en zal gemiddeld genomen langer leven. De gezondheidswinst van stoppen met roken is gemeten in zogeheten Quality Adjusted Life Years (QALYs), voor kwaliteit van leven gecorrigeerde levensjaren. Een winst van 1 QALY staat gelijk aan een extra jaar leven in goede gezondheid. In de extra levensjaren zullen ook zorgkosten optreden. Om de doelmatigheid van het tabaksontmoedigingsbeleid te beoordelen vanuit het gezondheidszorgperspectief zijn deze kosten en de kosten van verschillende beleidsmaatregelen afgezet tegen de besparingen bij rookgerelateerde ziektes en de gezondheidswinst. De kosteneffectiviteit van massamediale campagnes ligt dan beneden de 10.000 euro per QALY en voor een accijnsverhoging rond de 5000 euro per QALY. Een gestructureerd advies door de huisarts is de doelmatigste vorm van individuele hulp bij stoppen met roken en kost ongeveer 9000 euro per QALY. Zonder kosten in gewonnen levensjaren mee te rekenen zijn deze interventies kostenbesparend. De conclusie is dat maatregelen om het stoppen met roken te bevorderen bij volwassenen doelmatige vormen van preventie zijn, met een gunstige kosteneffectiviteit, zelfs als de kosten in gewonnen levensjaren zijn meegeteld.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Voedingsstatusonderzoek binnen het nieuwe Nederlandse voedingspeilingssysteem | RIVM

Het is van belang om de werkelijke beschikbaarheid van bepaalde vitaminen en mineralen in het lichaam (de voorziening) van de Nederlandse bevolking vast te stellen. Dit kan aan de hand van onderzoek in bloed en urine, ook wel voedingsstatusonderzoek genoemd. Momenteel wordt de inneming van vitaminen en mineralen bepaald door middel van voedselconsumptiepeilingen. Hierbij wordt gewerkt met de navraag van de voedselconsumptie. Met behulp van voedingsstatusonderzoek kunnen signalen uit de voedselconsumptiepeiling van een mogelijk te lage inneming (vitamine B2, foliumzuur, vitamine B12, vitamine D, magnesium, ijzer, zink) of te hoge inneming (vitamine D, natrium, zink) worden getoetst. Voor enkele mineralen kan de inneming niet goed worden bepaald, dit is het geval voor jodium, natrium en seleen. Met statusonderzoek kan wel de beschikbaarheid in het lichaam worden bepaald voor deze mineralen. Voor allochtone bevolkingsgroepen wordt om praktische redenen aanbevolen om statusonderzoek uit te voeren voorafgaand aan voedselconsumptieonderzoek. De te bepalen parameters voor de vitaminen B2, B12, D en foliumzuur en voor de mineralen magnesium, natrium, ijzer, jodium, seleen en zink worden in het rapport besproken. Ook voor vitamine A, calcium en chroom zou voedingsstatusonderzoek gewenst zijn; echter voor deze voedingstoffen zijn momenteel geen goede parameters beschikbaar.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Persistence of plant protection products in soil; a proposal for risk assessment | RIVM

In dit rapport zijn richtlijnen gegeven voor het beoordelen van persistentie (verblijftijd) van gewasbeschermingsmiddelen in de bodem. Deze richtlijnen geven een nadere invulling aan de Europese regelgeving. Aanleiding voor het rapport was de Nederlandse uitwerking van de beoordeling van persistentie van gewasbeschermingsmiddelen bij, in EU regelgeving vastgelegde, signaleringswaarden. Hoewel deze waarden zonder volledige uitwerking van de beoordeling staan beschreven, oordeelde het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) dat het hanteren van de Nederlandse systematiek niet in overeenstemming was met de Europese regelgeving. Dit rapport beoogt een oplossing voor het gesignaleerde probleem aan te reiken. Het rapport onderscheidt drie beschermdoelen voor de bodem: 1) behoud van landbouwkundige bodemfuncties, 2) behoud van structuur van levensgemeenschappen van agro-ecosystemen en 3) bescherming van de structuur van bodemlevensgemeenschappen in het algemeen. Voor elk van deze beschermdoelen wordt een beslisboom voorgesteld waarin zowel aan de blootstellingskant als aan de ecotoxicologische kant met een getrapt systeem wordt gewerkt. De beslisbomen worden gehanteerd bij achtereenvolgens persistenties van 30, 90 en 180 dagen. Voor elke stof wordt gekeken of het beschermdoel in de 90% kwetsbare situatie wordt gehaald. Voor de afleiding van ecotoxicologische eindpunten is kennis over de werkelijke blootstellingsconcentratie essentieel. Slechts zelden zijn deze concentraties gemeten of is directe informatie beschikbaar om ze voor het testsysteem te berekenen. Het rapport geeft richtlijnen om voor die gevallen conservatieve blootstellingsconcentraties af te leiden.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Validation of the VOLASOIL model using measurements from Dutch contaminated sites - Concentrations of four chlorinated compounds | RIVM

Uit deze studie bleek het VOLASOIL model goed bruikbaar om bij bodemverontreiniging met tetrachlooretheen en trichlooretheen de binnenluchtconcentratie in te schatten. Voor verontreiniging met de afbraakproducten cis-dichlooretheen en vinylchloride is het model waarschijnlijk ook bruikbaar, maar dit kon minder goed worden vastgesteld omdat veel concentraties beneden de detectielimiet lagen. VOLASOIL is een model dat op basis van metingen in verontreinigd grondwater (door vluchtige stoffen), de gerelateerde binnenluchtconcentratie in gebouwen inschat. In dit onderzoek is gekeken naar de toepasbaarheid van VOLASOIL voor de risicobeoordeling voor vier gechloreerde verbindingen. Er is een aantal aanpassingsvoorstellen gedaan om de voorspelling van het model te verbeteren. Zo is gebleken dat VOLASOIL voor deze vier stoffen vaak te hoge luchtconcentraties voorspelt, vooral op sterk verontreinigde locaties. Aangezien het model echter vooral wordt gebruikt om de risico's voor de mens in te schatten en om te zien of meer metingen noodzakelijk zijn, is een beperkte overschatting door het model juist gewenst en zijn aanpassingen niet noodzakelijk. Mocht van het model worden verwacht dat het binnenluchtconcentraties zo nauwkeurig mogelijk inschat, dan zijn de voorgestelde aanpassingen wel gewenst.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Schatting van de blootstelling van sportduikers aan ziekteverwekkende micro-organismen in water | RIVM

Op grond van geschatte hoeveelheden water, die sportduikers inslikken tijdens duiken, werd berekend dat zij een hoge kans (enkele tot tientallen procenten) lopen op infectie door ziekteverwekkende micro-organismen in fecaal verontreinigd oppervlaktewater. Beschermende kleding en volgelaatsmaskers zijn aanbevolen, omdat ze de blootstelling van de huid aan het water en de hoeveelheden ingeslikt water reduceren. Verondersteld wordt dat duikers vaker en intensiever dan zwemmers contact hebben met water, dat bovendien niet onder de zwemwaterrichtlijn valt, waardoor duikers meer aan ziekteverwekkende micro-organismen in oppervlaktewater kunnen worden blootgesteld en derhalve een hoger gezondheidsrisico lopen. Sportduikers die lid zijn van de Nederlandse Onderwatersport Bond (ongeveer 26000 leden) werden benaderd om via het internet een enquete in te vullen met vragen over het duiken en gezondheidsklachten, waarop 482 duikers reageerden. Berekend werd dat het gemiddelde jaarlijks ingeslikte volume water door duiken in open zee 18 ml, in kustwater 116 ml, in recreatiewater 231 ml en in zwembaden 338 ml bedroeg. Op basis daarvan werd geschat dat de risico's op infectie door ziekteverwekkende micro-organismen in fecaal verontreinigd water enkele tot tientallen procenten hoog kunnen zijn, zelfs per enkele duik. Het ingeslikte volume water per duik met een volgelaatsmasker is tien keer lager dan met een gewoon duikmasker. Slechts 20% van de duikers meldde geen enkele van de gevraagde gezondheidsklachten te hebben gehad. Meer dan de helft van de duikers meldde oorklachten, ongeveer 40% meldde diarree, 30% luchtwegklachten, 27% huidklachten, 27% misselijkheid, 17% braken en 14% oogklachten.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Semi-industriele bereidingen in de apotheek | RIVM

Er moeten strengere eisen gesteld worden aan semi-industriele apotheekbereidingen ten aanzien van het therapeutische nut, de etikettering alsmede het bereidingsproces. In Nederland mogen slechts door het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen goedgekeurde (geregistreerde) geneesmiddelen worden verkocht. Als uitzondering mogen apotheken zelf geneesmiddelen bereiden voor eigen patienten. Door het teruglopen van het aantal eigen bereidingen in apotheken en daarmee de aanwezigheid van geschikte apparatuur en voldoende routine, wordt hierbij steeds vaker een product afgeleverd dat in een andere apotheek bereid is. Deze bereidingen die op een grotere (semi-industriele) schaal dan voor de meeste apotheken gebruikelijk is plaatsvinden, voorzien duidelijk in een behoefte, met name ook voor meer ingewikkelde bereidingen. Uit verkennend onderzoek is gebleken dat de chemisch-farmaceutische kwaliteit van 32 onderzochte preparaten over het algemeen goed voldeed aan de eisen. Echter de etikettering was vaak onvolledig, de discipline bij de administratie rondom het bereidingsproces slecht en van ongeveer de helft van de onderzochte producten bleek het therapeutische nut twijfelachtig. Voor sommige producten lijkt het erop dat de apotheekbereiding gebruikt wordt om geneesmiddelen, waarvan een effect verondersteld wordt of ter discussie staat, buiten registratie om in de handel te brengen. Gezien de aangetroffen schaalgroottes, en de daarbij behorende grotere risico's, dient overwogen te worden of apotheken die op semi-industriele schaal bereiden niet aan dezelfde eisen ten aanzien van bereiden dienen te voldoen als fabrikanten van geregistreerde geneesmiddelen. Volgens de Europese geneesmiddelenwet (EU Directive 2001/83/EG) mogen apotheken alleen bereiden op kleine schaal om af te leveren aan patienten. Implementatie van deze Europese wet in een nieuwe Nederlandse geneesmiddelenwet is thans gaande. Om in de toekomst apotheekbereidingen op semi-industriele schaal te blijven toestaan, dient hiervoor een voorziening in of bij de nieuwe geneesmiddelenwet getroffen te worden. De aanbevelingen in dit rapport kunnen hierbij gebruikt worden.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Monitoring of radiation in the environment in the Netherlands - Results in 2004 | RIVM

Radioactiviteitsmetingen aan milieu- en voedselmonsters lieten voor 2004 hetzelfde beeld zien als in voorgaande jaren. Het Euratom Verdrag uit 1957 verplicht Nederland om de radioactiviteit in het milieu te meten. In 2000 is deze meetverplichting in een nieuwe Europese aanbeveling aangescherpt. Er dient nu gemeten te worden aan luchtstof, neerslag, oppervlaktewater, zeewater, drinkwater en voedsel. In vergelijking met de aanbevelingen uit 2000 schiet het Nederlandse meetprogramma op een aantal punten tekort. Er worden geen metingen verricht aan melk en aan een representatief voedselpakket.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Postlaunch Monitoring of Functional Foods - Methodology development (III) | RIVM

Door het onderkende belang van een onderzoekssysteem naar gezondheidsrisico's van 'functionele voedingsmiddelen' is het nu mogelijk om de eerste fases van zo'n systeem daadwerkelijk uit te voeren. Hierbij is vooral gekeken naar praktisch uitvoerbare criteria, de betrokken partijen en naar de taken en bevoegdheden van deze partijen. Functionele voedingsmiddelen zijn voedingsmiddelen waar een positief gezondheidseffect aan wordt toegeschreven. Consumptie van deze voedingsmiddelen kan gezondheidswinst opleveren, maar bepaalde gezondheidsrisico's kunnen niet worden uitgesloten. Een Postlaunch Monitoring systeem (PLM) is een middel om deze gezondheidsaspecten in kaart te brengen. Het eerste deel van PLM is het signaleren van 'rook', oftewel het signaleren van een potentiele bedreiging voor de gezondheid. Dit gebeurt door een passieve signalering van consumentenklachten via consumentenklachtenlijnen. Anderzijds kan actief informatie worden verzameld over gezondheidsrisico's. Daarbij is het belangrijk om te prioriteren en methodisch te signaleren. Hiervoor worden criteria gepresenteerd gebaseerd op blootstellingsdata en gegevens over effecten. Op basis van zowel de passieve als de actieve informatiestromen kan dan de juiste afweging gemaakt worden om bepaalde functionele voedingsmiddelen verder te onderzoeken.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

The fate of Bacillus cereus in the gastrointestinal tract | RIVM

Dit rapport presenteert een wiskundig dynamisch model waarmee het gedrag van Bacillus cereus in het maag-darmkanaal beschreven wordt. Microbiologische processen en processen in het maag/darmkanaal vormen samen de basis voor dit mechanistische model. Variabiliteit in groeikarakteristieken en fysieke eigenschappen van B. cereus-stammen komen tot uitdrukking in de parameterwaarden verkregen uit experimenten. Met het model zijn verschillende hypothesen getest betreffende initiele inname van B. cereus microben en daaropvolgende "in vivo" processen welke tot een potentiele infectie kunnen leiden. Modeluitkomsten laten het lot van vegetatieve cellen en/of sporen in de maag en dunne darm tijdens de vertering van een maaltijd met B. cereus-microben zien. Hieruit blijkt dat de maag weinig invloed heeft op het uiteindelijke aantal vegetatieve cellen in de dunne darm. Een "milde" blootstelling [10ˆ3 kolonievormende eenheden (kve) gˆ-1] geeft nog steeds een verhoogde kans op een toxico-infectie wanneer 100 g voedsel wordt geconsumeerd met daarin, tenminste, licht mesofiele B. cereus stammen. Blootstellingsnivo's juist boven de Nederlandse gestelde norm van < 10ˆ5 kve gˆ-1 vormen volgens dit model altijd een potentieel gevaar. Verder geeft dit model inzicht in de onzekerheid van bepaalde parameterwaarden welke nader experimenteel onderzocht zouden moeten worden om tot een betere risicobeoordeling te kunnen komen. Integratie van experimentele data in een dynamisch model met daarin de belangrijkste componenten voor voedselinfectie zal uiteindelijk leiden tot verbeterde suggesties voor voedselmicrobiologische criteria.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Biodiversity in Bacillus cereus | RIVM

In het kader van een EU project zijn door de verschillende partners experimenten uitgevoerd om inzicht te krijgen in de variatie in eigenschappen van B. cereus-stammen welke bijdragen aan de mate van virulentie. Hiertoe zijn 100 B. cereus-stammen geselecteerd en eigenschappen zoals toxine-vorming, hitteresistentie, ontkieming en groeicurves bepaald. De experimentele gegevens zijn in dit rapport samengevat en geanalyseerd om de biodiversiteit binnen en tussen bepaalde karakteristieke B. cereus-groepen in kaart te brengen. De 100 stammenset is daarvoor opgedeeld in 4 groepen, nl. omgevings-, voedsel-, diarree-, en braakstammen. Resultaten laten zien dat de biodiversiteit in B. cereus groot is, zowel tussen als binnen groepen. Doch, braakstammen vormen veelal een uitzonderlijke groep. Zij groeien niet bij temperaturen onder 7 graden C en hun sporen zijn beter bestand tegen verhitting vergeleken met de andere groepen. Zij vormen dan ook snel een risico wanneer verhitte producten buiten de koelkast worden bewaard. Diarreestammen groeien juist wel bij 7 graden C en, hoewel hun sporen minder resistent zijn, ze overleven nog steeds pasteurisatieprocessen. Zij kunnen groeien als koelkasttemperaturen de 7 graden C bereiken, vooral in voedingsmiddelen met een neutrale pH. Wanneer normale voorzorgsmaatregelen in acht worden genomen zal de groei van deze stammen beperkt zijn, maar er is een smalle veiligheidsmarge. Statistische analyses wezen uit dat : 1- goed gereguleerde koelkasttemperaturen (onder 7 graden C, ter voorkoming van groei diarreestammen tijdens bewaren), 2- het produceren van niet-pH-neutrale producten en 3- snel afkoelen (middels bijvoorbeeld opdelen in kleine porties) van grote hoeveelheden voorbereid voedsel (ter voorkoming van groei braakstammen en daarmee gepaard gaande braaktoxine productie) bijdragen aan het voorkomen van voedselinfecties door B. cereus in Europa.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

MCA en MKBA: structureren of sturen? Een verkenning van beslissingsondersteunende instrumenten voor Nuchter omgaan met Risico's | RIVM

Maatschappelijke Kosten-Baten Analyse (MKBA) en Multi-Criteria Analyse (MCA) kunnen nuttig zijn bij afweging van milieurisico's, maar zijn geen panacee. Het nut van beide beslissingsondersteunende instrumenten ligt vooral in het structureren van complexe en veelsoortige informatie. Dit is vooral van belang bij afwegingen vanuit het beleidskader Nuchter omgaan met Risico's. Een essentieel element in dit beleidskader is immers de weging van de gevaren en risico's van een activiteit tegen de maatschappelijke kosten en baten van die activiteit. MKBA en MCA kunnen daarmee het Beoordelingskader Gezondheid en Milieu aanvullen. Voorlopig zullen MKBA en MCA nog geen sterk sturende werking in de besluitvormingsprocessen hebben. Er is nog te weinig uniformiteit en standaardisatie in benadering en de uitkomsten hebben nog een zeer grote bandbreedte.Bij zeer complexe milieu-gezondheid problemen met grote onzekerheden over de risico's, is het afwegingsproces zelf en participatie van belanghebbenden belangrijker dan de keuze van het beslissingsondersteunende instrument. Dit blijkt uit een verkennende analyse die het RIVM uitvoerde in opdracht van het Ministerie van VROM. Deze verkenning werd aan het RIVM opgedragen door het Ministerie van VROM in reactie op een motie de van Tweede Kamer.Het rapport verkent de voor's en tegen's van toepassingen van MKBA en MCA en beschrijft enkele praktijkvoorbeelden. Het rapport geeft een aantal aanbeveling voor verdere ontwikkelingen van het Beoordelingskader Gezondheid en Milieu en doet een voorzichtige eerste aanzet tot handreiking voor beleidsmatige afweging van Nuchter omgaan met Risico's.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Broeikasgasmodule BBPR | RIVM

In BBPR, BedrijfsBegrotingsProgramma Rundvee is een module ingebouwd om de broeikasgasemissies vanuit de rundveehouderij te kunnen berekenen. Hiermee kan de actuele broeikasgasemissie van een rundveebedrijf berekend worden. Tevens kan het effect aangegeven worden van maatregelen om de emissie te verminderen, alsmede de daarmee gepaard gaande kosten. In het rapport worden enkele maatregelen doorgerekend, zoals verhoging van het aandeel snijmais in het rantsoen, vermindering van de weidegang, gebruik van nitraatloze kunstmest in het voorjaar. Als laatste maatregel is doorgerekend co-vergisting met behulp van snijmais.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Gezondheid in milieueffectrapportage en strategische milieubeoordeling - Verkenning van de mogelijkheden tot integratie | RIVM

Uit dit rapport blijkt dat gezondheid nog een weinig prominente plaats inneemt bij milieueffectrapportage en strategische milieubeoordeling (beide af te korten als m.e.r.). Dit geldt zowel in Nederland als elders. Voor zover er aan het onderwerp aandacht wordt besteed gebeurt dit vaak impliciet en via toetsing aan milieunormen. Andere determinanten van gezondheid, zoals leefstijl, sociale omgeving en (toegang tot) zorg komen zelden aan de orde. Van integratie van gezondheid in m.e.r. worden positieve effecten verwacht, zoals betere communicatie met burgers, betere ondersteuning van besluitvorming, het meewegen van nieuwe gezondheidsaspecten en een bijdrage aan duurzame ontwikkeling. Bij betrokkenen bij m.e.r. bestaat ook bereidheid om gezondheid meer in m.e.r. te integreren. Men wenst dan wel objectieve criteria om te bepalen aan welke aspecten aandacht te besteden bij een specifiek project of plan. Ook moet de procedure niet te gecompliceerd en tijdrovend zijn. Er bestaat behoefte aan een handreiking voor integratie op maat en met mate, met een nadruk op die fasen in de m.e.r.-procedure waarin men vaststelt welke onderwerpen aan de orde moeten komen. Dit rapport laat zien dat naast het opstellen van een dergelijke handreiking de volgende activiteiten nodig zijn om integratie van gezondheid in m.e.r. te ondersteunen: (1) ontwikkeling van een programma voor verbetering van kennis en vaardigheden, (2) toegankelijker maken van informatie over gezondheidsdeterminanten en gezondheidseffecten, (3) actieve ondersteuning van integratie van gezondheid in m.e.r. door de Ministeries van VROM en VWS en (4) wet- en regelgeving, dan wel gerichte communicatie ter ondersteuning van integratie van gezondheid in m.e.r.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Quantitative Risk Assessment of Avian Influenza Virus Infection via Water | RIVM

Op grond van literatuurgegevens werden voor kippen en mensen dagelijkse infectierisico's door H5N1-vogelgriepvirus door consumptie van besmet drinkwater geschat voor Nederland. Een zeer infectieus virus en minder dan 4 log10 drinkwaterzuivering (redelijk inefficient) kunnen leiden tot een hoog infectierisico (meer dan 1%) voor pluimveebedrijven met meer dan tienduizend kippen. Goed gezuiverd drinkwater (8 log10) leidt tot een verwaarloosbaar infectierisico voor individuele kippen en mensen. Aangenomen werd dat een enkele geinfecteerde eend H5N1-virus uitscheidde in oppervlaktewater, dat werd ingenomen voor drinkwaterproductie en leidde tot consumptie van besmet drinkwater door een kip of mens. Bij 8 log10 drinkwaterzuivering is het geschatte dagelijkse infectierisico voor een individuele kip laag, namelijk 10ˆ-15-10ˆ-10. Dit weerspiegelt de grote onzekerheden in virusuitscheiding en infectiviteit (10ˆ-5-1). Desondanks, kunnen de 2000 pluimveebedrijven met meer dan tienduizend kippen (74% van alle Nederlandse pluimveebedrijven) een hoog risico (meer dan 1%) lopen indien het virus zeer infectieus en de drinkwaterzuivering minder dan 4 log10 is. Uitgaande van een lage virusinfectiviteit (10ˆ-5) werd het gemiddelde dagelijkse infectierisico voor de mens door drinkwaterconsumptie geschat op 2 x 10ˆ-12, wat zeer laag is, en door oppervlaktewaterrecreatie op 10ˆ-8. Hoewel het H5N1-vogelgriepvirus voor mensen vermoedelijk minder infectieus is dan voor kippen, is efficiente drinkwaterzuivering ook voor de mens van groot belang. Efficiente en robuuste drinkwaterzuivering kan worden vastgesteld aan de hand van de in Nederland reeds wettelijk opgelegde risicoanalyse voor enterovirussen en in waterveiligheidsplannen.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Reaction to: "Re: In response to the correspondence arising from Twisk and Proper: evaluation of the results of a randomized controlled trial: how to define changes between baseline and follow-up" by Siew F.Chan and others [Letter to the editor] | RIVM

Reaction to: "Re: In response to the correspondence arising from Twisk and Proper: evaluation of the results of a randomized controlled trial: how to define changes between baseline and follow-up" by Siew F.Chan and others [Letter to the editor] | RIVM
Jaar: 2006 Onderzoek

EU Interlaboratory comparison study VIII (2004) on bacteriological detection of Salmonella spp | RIVM

In 2004 werd door het Communautair Referentie Laboratorium voor Salmonella (CRL-Salmonella, Bilthoven, Nederland) het achtste bacteriologische ringonderzoek georganiseerd. Deelnemers van de studie waren de Nationale Referentie Laboratoria voor Salmonella (NRL's-Salmonella) van de EU lidstaten (26), van Noorwegen en van Roemenie. Referentiematerialen in combinatie met of zonder de aanwezigheid van kippenfeces, evenals natuurlijk besmette feces (bevattende Salmonella Enteritidis) werden getest. De referentiematerialen bestonden uit gelatine capsules met verschillende besmettingsniveaus van Salmonella Typhimurium (STM), Salmonella Enteritidis (SE) en Salmonella Panama (SPan). Bovendien werd naast de uitvoering van de testen door de laboratoria een vergelijking gemaakt tussen 4 en 18 uur voorophoping van de monsters in gebufferd Pepton Water (BPW), gevolgd door selectieve ophoping op Modified Semi-solid Rappaport Vassiliadis en uitplating op Xylose Lysine Deoxycholate agar. Significant meer positieve isolaties werden gevonden met de kunstmatig besmette monsters (negatieve kippenfeces, kunstmatig besmet met referentiematerialen) na 18 uur incubatie in BPW. De waardes voor nauwkeurigheid ("accuracy rates") van de kunstmatig besmette monsters waren 49% en 77% na respectievelijk 4 en 18 uur incubatie in BPW. De totale resultaten van de natuurlijk besmette monsters lieten significant meer positieve isolaties zien na 4 uur incubatie. De waardes voor nauwkeurigheid ("accuracy rates") voor deze monsters waren respectievelijk 81% en 56% na 4 en 18 uur incubatie in BPW.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Effect of repeated and prolonged exposure to low concentrations of Low Molecular Weight chemicals on local lymph node responses | RIVM

De resultaten van de lokale lymfkliertest zijn niet voor alle stoffen bruikbaar als uitgangspunt voor een kwantitatieve risicoanalyse. Dit onderzoek beschrijft wat er gebeurt na een herhaalde blootstelling van de huid aan een concentratie van een allergene stof onder de drempelwaarde die gebruikt wordt in de zogenaamde lokale lymfkliertest. Bij 3 van de 5 onderzochte stoffen (formaldehyde, 2-chloro-N-acetamide, quartenium-15) bleek langdurige blootstelling van de huid beneden de drempelwaarde toch een positieve reactie op te roepen. Bij de andere twee stoffen (paraformaldehyde, hexamethylenetetramine) werd slechts een geringe verhoging waargenomen ten opzichte van een kortdurende blootstelling. Soms roepen stoffen die in contact komen met de huid al allergische reacties op bij doseringen die in een veel gebruikt standaardtestsysteem nog geen effecten laten zien. De lokale lymfkliertest, die veel gebruikt wordt om contactovergevoeligheid van (sensibiliserende) stoffen te kunnen bepalen, kent een grenswaarde waarboven een stof als contactallergeen beschouwd wordt. Testen met doseringen lager dan deze grenswaarde, geven geen sensibilisatie meer in deze standaardtest. Er zijn echter stoffen die na langdurige blootstelling van de huid aan een lagere dosis toch tot sensibilisatie zullen leiden. Om tot een betere categorisering van stoffen te komen dan simpel "wel/geen" allergeen, was de vraag aan de orde of, net zoals voor sommige andere testsystemen, drempelwaarden uit de lokale lymfkliertest gebruikt kunnen worden voor de risico-evaluatie van allergene stoffen. Deze risico-evaluatie zou dan kunnen leiden tot de vaststelling van veilige blootstellingsniveaus.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Typeringen van bodemecosystemen- Duurzaam bodemgebruik met referenties voor biologische bodemkwaliteit | RIVM

Twee kwaliteitsreferenties voor een 'gezonde' bodem werden opgesteld, als onderdeel van het raamwerk voor duurzaam bodemgebruik, namelijk voor melkveehouderij op zandgrond en voor halfnatuurlijk grasland op zandgrond. De referenties bestaan uit getalswaarden voor chemische, fysische, biologische en andersoortige parameters. Een stapsgewijze aanpak werd ontwikkeld voor de selectie van de krachtigste indicatoren waarmee de gezondheid van de bodem bepaald kan worden. De aanpak gaat uit van de 'ecologische diensten' van de bodem zoals bodemvruchtbaarheid, weerstand tegen stress en flexibiliteit, de bodem als buffer en reactor, en biodiversiteit. De kwaliteitsreferenties en de stapsgewijze aanpak zijn in opdracht van het Ministerie van VROM opgesteld. De gegevens zijn afkomstig uit het databestand van de langjarige monitoring met de Bodembiologische indicator (Bobi) in het Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit (LMB). De achtergrond is het veranderende bodembeleid: niet meer de bescherming van de bodem staat centraal, maar de duurzaamheid van het bodemgebruik.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

De kwaliteit van het drinkwater in Nederland, in 2004 | RIVM

In het jaarrapport 'De drinkwaterkwaliteit in Nederland' worden de resultaten van de meetprogramma's over 2004 van de waterbedrijven op hoofdlijnen weergegeven. De VROM-Inspectie is verantwoordelijk voor de handhaving van de Waterleidingwet en is verplicht de resultaten te rapporteren aan de minister en het parlement. Het RIVM beheert de gegevens en stelt het rapport op. De kwaliteitsgegevens zijn getoetst aan de normen van het Waterleidingbesluit (Wlb) van 2001. Ook in 2004 worden de wettelijke voorschriften met betrekking tot de controle van het drinkwater goed nageleefd. Het aantal drinkwaterpompstations (67 = 31%) waarvoor in 2004 een normoverschrijding is vastgesteld, is ten opzichte van het voorgaande jaar met 6% toegenomen en is gelijk aan dat in 2002. Dit aantal varieerde in de periode 1992-2004 van circa 60 tot 90 pompstations. Een groot deel van de normoverschrijdingen is incidenteel. Normoverschrijdingen voor nitraat deden zich in 2004 niet voor. De norm voor bestrijdingsmiddelen is voor vier middelen (alle eenmaal) overschreden. In het drinkwater van een klein pompstation worden de bestrijdingsmiddelen bentazon en mecoprop in 2004 voor het eerst niet meer boven de norm aangetoond. De zuivering is uitgebreid met een actief koolfilter. In het drinkwater van een pompstation is de concentratie nikkel structureel hoger dan de norm. De oorzaak is de kwaliteit van het grondwater. De minister heeft het betreffende bedrijf een ontheffing verleend tot eind 2005. De normoverschrijding van de parameter trihalomethanen op twee locaties zal vanaf 2006 tot het verleden behoren wanneer de UV-desinfectie in bedrijf is genomen. Legionella is in het afgeleverde water van 206 pompstations gemeten en eenmaal (niet pathogene species) aangetoond. In de monsters genomen in het distributienet werd op elf locaties Legionella aangetoond in relatief lage aantallen. Zeer waarschijnlijk betreft het eveneeens een niet-pathogeen type. De regeling Legionellapreventie is eind december 2004 van kracht geworden. Geen van de normoverschrijdingen gaf aanleiding tot een bedreiging van de volksgezondheid. De kwaliteit van het drinkwater is in het algemeen goed.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Embedding soil quality in land-use planning | RIVM

Veranderingen in bodemgebruik zijn op grote schaal voorzien in Nederland. De kwaliteit van de bodem speelt echter nauwelijks een rol in de ruimtelijke ordening. Wij analyseerden de relatie tussen bodemgebruik en bodemkwaliteit, met gebruik van ecologische data en op nationaal schaalniveau. Ondanks grootschalige veranderingen in bodemgebruik, is er nog steeds een verband tussen bodemtype en bodemgebruik. Bodembeheer, historisch bodemgebruik en de geografische situering beinvloeden deze relatie, maar ook de invloed van bodemgebruik op verschillende bodemeigenschappen is herkenbaar. Zo wordt bodembiodiversiteit beinvloed door de intensiteit van bodemgebruik door de landbouw. Bodemgebruik is niet altijd daar gesitueerd waar de voordelen in termen van opbrengst hoog zijn. Minder dan 20% van de akkerbouw en veeteelt is gesitueerd op ongeschikte bodem, terwijl dat geldt voor meer dan 40% van de bosbouw. Gebiedsgericht milieubeleid biedt veel mogelijkheden om te differentieren naar bodemgebruik, waardoor het mogelijk wordt het bodemgebruik af te stemmen op de (gewenste) bodemkwaliteit.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

The tenth CRL-Salmonella workshop; 28 and 29 April 2005, Bilthoven, the Netherlands | RIVM

De tiende workshop georganiseerd door het Communautair Referentie Laboratorium voor Salmonella (CRL-Salmonella) werd gehouden op 28 en 29 April 2005 in Bilthoven, Nederland. Deelnemers betroffen vertegenwoordigers van de Nationale Referentie Laboratoria voor Salmonella (NRLs-Salmonella) van de lidstaten van de Europese Unie alsmede van de Europese Commissie. Presentaties werden gegeven door vertegenwoordigers van de Europese Commissie, de NRLs en CRL-Salmonella, alsmede door enkele gastsprekers. Onderwerpen die bediscussieerd werden waren: Europese wetgeving op het gebied van zoonosen en op het gebied van levensmiddelen en diervoeders, basisstudies in de EU voor het vaststellen van de prevalentie van Salmonella bij leghennen, broedkuikens en vermeerderingskoppels, zoonosen rapport 2003, typeringsmethoden (PCR, faagtypering), Salmonella monitoring bij varkens, onderzoeks-activiteiten, ringonderzoeken georganiseerd door CRL-Salmonella (2004 en 2005) en het werkprogramma van CRL-Salmonella voor het komende jaar. De presentaties over de Europese wetgeving maakten duidelijk dat het CRL en de NRLs niet alleen verantwoordelijkheden hebben voor veterinaire monsters, maar ook voor monsters ten aanzien van levensmiddelen en diervoeder. De presentaties over de ring-onderzoeken gaven aanleiding tot dicussie over de type monsters welke in de ringonderzoeken tot nu toe zijn gebruikt. Onderzoek uitgevoerd door het CRL-Salmonella toonde een negatief effect aan van glycerol op de groei van Salmonella. De fecesmonsters welke gebruikt zijn bij de ringonderzoeken waren tot nu toe altijd gemengd met glycerol. Dit kan effect hebben gehad op de resultaten van de studies. Een speciaal onderwerp tijdens de workshop betrof de toekomst van de faagtypering. Continuiteit in de beschikbaarheid van materialen en kennis op dit gebied werd gegarandeerd door de 'Health Protection Agency', Londen, Engeland.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Gezondheidsonderzoek na rampen: een inventarisatie van wensen en verwachtingen | RIVM

Na een grootschalige ramp is het van belang zo snel mogelijk de eventuele blootstelling aan schadelijke stoffen of straling van getroffenen vast te stellen. Deze informatie geeft getroffenen in ieder geval duidelijkheid en kan onnodige ongerustheid over mogelijke gezondheidsgevolgen beperken. Inzicht in de gezondheidstoestand en zorgvraag van getroffenen is belangrijk om de nazorg zo goed mogelijk aan laten sluiten bij de behoeften zodat de gezondheid van de getroffenen verbeterd kan worden. Andere informatiewensen van een gezondheidsonderzoek na een ramp zijn: inzicht in factoren die generieke (persistente) gezondheidsproblemen voorspellen en de effectiviteit van interventies na een ramp, zoals het gezondheidsonderzoek zelf. Dit blijkt uit een inventariserend onderzoek naar de wensen, verwachtingen en ervaringen van betrokkenen (zorgverleners, zorgverzekeraars, beleidsmakers, getroffenen), die hiervoor zijn geinterviewd. Deze inventarisatie helpt het Centrum voor Gezondheidsonderzoek bij Rampen (CGOR) om snel een doelgerichte start van gezondheidsonderzoek na een ramp te ondersteunen en voor te bereiden. In deze inventarisatie worden de wensen van de geinterviewden vertaald in doelstellingen en een bijbehorend type gezondheidsonderzoek. Tevens wordt aangegeven wanneer welke informatie het best kan worden verzameld na een ramp. Mogelijke doelstellingen voor een gezondheidsonderzoek zijn: de optimalisatie van de nazorg, het opvullen van lacunes in de bestaande kennis (zoals voorspellende factoren voor generieke gezondheidsproblemen) en het evalueren in hoeverre een gezondheidsonderzoek heeft voldaan aan de doelstellingen.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Final report of the HALE (Healthy Ageing: a Longitudinal study in Europe) project | RIVM

Lichamelijk functioneren, psychisch welzijn, het geheugen en het sociale leven nemen af en ziekte en sterfte nemen toe met het ouder worden. Echter, niet iedereen krijgt te maken met ernstige gezondheidsproblemen op oudere leeftijd. In opeenvolgende generaties worden we steeds gezonder oud. Deze en andere resultaten worden beschreven in het eindrapport van het HALE project (HALE is "Healthy Ageing: a Longitudinal study in Europe", ofwel "Gezond ouder worden: een langlopende vervolg studie in Europa"). De resultaten tonen aan dat de gevolgen van ouder worden te beinvloeden zijn door voeding en leefstijl (roken, alcohol, bewegen) en daarmee samenhangende factoren. Mediterrane voeding, matig alcoholgebruik, niet roken en regelmatig bewegen dragen ieder afzonderlijk en vooral ook in combinatie bij aan het verlagen van het sterfterisico. Een lagere systolische bloeddruk en minder cholesterol in het bloed zijn ook bij ouderen gerelateerd aan een lager risico op sterfte aan hart- en vaatziekten. Blijven bewegen, matig koffiegebruik, getrouwd zijn of samenwonen verkleinen de kans op achteruitgang in geheugen. Ook bleek dat de huidige epidemie van overgewicht niet iets is van de laatste jaren: het aantal mensen met overgewicht in opeenvolgende generaties neemt al toe sinds 1960. In dit project stonden voeding en leefstijl centraal. Daarom bevelen we aan om interventies op het gebied van de gezondheidsbevordering te richten op verschillende aspecten van voeding en leefstijl. Daarbij kunnen mensen dan zelf kiezen of ze bijvoorbeeld hun voedingsgewoonten of bewegingspatroon aanpassen, of allebei.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Quantification of health effects of breastfeeding - Review of the literature and model simulation | RIVM

Borstvoeding heeft positieve effecten op de volksgezondheid. De grootste gezondheidswinst is te behalen door alle pasgeborenen borstvoeding te laten krijgen. Literatuuronderzoek laat zien dat borstvoeding gezonder is dan flesvoeding. Dit geldt voor de directe gezondheid van de zuigeling, maar werkt voor zowel het kind als de moeder ook langer door. Overtuigend bewijs is aanwezig dat infecties van het maagdarmkanaal, middenoorontsteking, overgewicht en hoge bloeddruk minder voorkomen bij (langer) borstgevoede kinderen. (Langer) borstgevoede kinderen krijgen waarschijnlijk minder last van astma, piepen op de borst en eczeem. Bovendien verbetert borstvoeding waarschijnlijk de intellectuele- en motorische ontwikkeling. Het is mogelijk dat borstvoeding beschermt tegen de ziekte van Crohn, atopie, diabetes en leukemie. Voor de moeder is er overtuigend bewijs dat het geven van borstvoeding beschermt tegen reumatische artritis en mogelijk tegen borstkanker voor de overgang en ovariumkanker. Door borstvoeding te promoten kan het voorkomen van verschillende ziekten worden verlaagd. De gezondheidseffecten van verschillende beleidsscenario's zijn geschat met een modelsimulatie. De effecten hiervan zijn vergeleken met de huidige situatie. Vanzelfsprekend is de grootste gezondheidswinst te behalen wanneer alle pasgeborenen minimaal zes maanden borstvoeding krijgen. Verder wordt een groter effect bereikt met maatregelen alleen gericht om alle pasgeborenen borstvoeding te laten krijgen dan met maatregelen alleen gericht op het verlengen van de periode van borstvoeding geven van de moeders die dat nu al drie maanden doen.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Ecotoxicological models for Dutch environmental policy - Models to be addressed in the Stimulation Program System-Oriented Ecotoxicological Research (NWO/SSEO) | RIVM

Elk ministerie heeft zijn eigen modellen voor inschatting van risico's van stoffen. Dit rapport bevat een selectie van modellen die gebruikt worden om risico's voor planten en dieren te schatten. De resultaten van veldmetingen worden vergeleken met normen. De laatste tijd is het aantal gevallen waarin milieunormen worden overschreden gegroeid. De volgende vragen moeten worden beantwoord: Hoe erg is normoverschrijding? Zijn de normen streng genoeg, om effecten van mengsels van stoffen te voorkomen? Het aantonen van effecten veroorzaakt door mengels van verontreinigingen is moeilijk. Daarom is een onderzoeksprogramma opgezet: "Stimulerings-programma Systeemgericht Ecotoxicologisch Onderzoek" (SSEO). In het SSEO programma zijn metingen verzameld op plaatsen met langdurige verontreinigingen met mengsels van stoffen in lage concentraties. De gemeten concentraties zullen in de volgende onderzoeksfase worden gebruikt om de toepasbaarheid van de modellen te onderzoeken. Er wordt nagegaan, of het beleid gelijk kan blijven of veranderd moet worden om de gestelde beleidsdoelstellingen kunnen halen.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Geavanceerde medische technologie in de thuissituatie - Inventarisatie, gebruikersaantallen en risico's | RIVM

De patientveiligheid bij gebruik van geavanceerde medische technologie in de thuissituatie kan worden bevorderd door het nemen van adequate beheersmaatregelen op basis van kennis van de risico's. Een goede communicatie tussen alle partijen binnen de zorgketen is daarbij essentieel. Hoewel meestal met succes toegepast, is aandacht voor risico's van belang omdat medische apparatuur, zoals beademingsapparatuur en infuuspompen, in toenemende mate in de thuissituatie wordt ingezet. Risico's die samenhangen met de toepassing van deze apparatuur thuis ontstaan doordat de technologie ook wordt toegepast door minder geschoolde personen zoals patienten en mantelzorgers. Daarnaast hebben professionele zorgverleners niet altijd de gelegenheid om voldoende vaardigheid te ontwikkelen, worden technische en medische problemen minder snel ontdekt en zijn deze soms minder snel te verhelpen dan in het ziekenhuis. In het algemeen zijn de risico's het grootst voor technologieen die op populatieniveau bij veel patienten worden toegepast, die vitale functies overnemen, die invasief zijn of waarmee stoffen worden toegediend. Incidenten hangen vaak samen met gebruiksfouten, maar ook ontwerpfouten en technische mankementen komen voor. Zo zijn belangrijke beheersmaatregelen met betrekking tot productveiligheid: de ontwikkeling van apparatuur geschikt voor thuisgebruik, aanpassing van gebruiksaanwijzingen en het aanbrengen van goede alarmfuncties. Organisatorische beheersmaatregelen betreffen beperking van het assortiment apparaten waarmee zorgverleners moeten werken, de inzet van gespecialiseerde verpleegkundigen en aandacht voor begeleiding van patienten en mantelzorgers. Ook is een duidelijke afbakening van taken en verantwoordelijkheden van de betrokken partijen noodzakelijk. Implementatie van beheersmaatregelen is belangrijk, temeer daar de gebruikersaantallen de komende jaren nog zullen stijgen.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Adverse Events Following Immunisation under the National Vaccination Programme of The Netherlands Number XI - Reports in 2004 | RIVM

De bijwerkingenbewaking van het Rijksvaccinatieprogramma over 2004 liet een duidelijke toename zien van het aantal meldingen met 56%. Deze toename betrof vooral de mildere en heftiger gewone bekende bijwerkingen als huilen en koorts. De toename in het aantal meldingen is toe te schrijven aan de onrust in de media over de veiligheid van de vaccinaties. Er zijn echter geen nieuwe, onverwachte of ernstige bijwerkingen aan het licht gekomen. In 2004 zijn in het totaal 2141 meldingen ontvangen. Hiervan werd 83% als bijwerking van de vaccinaties beschouwd. Het aantal bijwerkingen moet in relatie worden gezien tot de 1,5 miljoen vaccinaties en de bijna 7 miljoen vaccincomponenten die daarbij worden toegediend. Het Rijksvaccinatieprogramma (RVP) wordt sinds 1962 intensief bewaakt. De meldgraad van vermoede bijwerkingen is hoog met een goede meldbereidheid van de consultatiebureaus. Er is een relatief beperkte onderrapportage. 1765 (83%) van de 2141 meldingen betreffen bijwerkingen. Hierbij ging het in 56% om heftiger verschijnselen, met name hoge koorts, langdurig huilen, collapsreacties en verkleurde benen. Ook koortsstuipen en incidenten met rillerigheid, schrikschokken en gespannenheid of juist een hele slappe houding horen hierbij. Hoewel al deze bijwerkingen omstanders erg kunnen laten schrikken zijn ze medisch gezien niet gevaarlijk en laten ze geen restverschijnselen na. Er zijn drie kinderen met hersenontsteking gemeld in 2004, niet veroorzaakt door de vaccinatie maar berustend op andere oorzaken. Bedreigende allergische reacties zijn niet gemeld. De ernstige infecties die werden gemeld hadden geen relatie met de vaccinaties en datzelfde gold voor de gemelde kinderen met epilepsie of suikerziekte. Het ging hierbij om een toevallige samenloop van gebeurtenissen. Bij de vier gemelde overleden kinderen is het overlijden niet door de vaccinaties veroorzaakt. De gestimuleerde passieve veiligheidsbewaking is een goed en gevoelig instrument om signalen over mogelijke bijwerkingen op te pikken; het systeem laat tevens follow-up onderzoek toe. Hoewel heftige bijwerkingen na de RVP vaccinaties optreden, zijn ze voorbijgaand en leiden ze niet tot blijvende gevolgen. De grote gezondheidswinst die het RVP oplevert, weegt op tegen de bijwerkingen.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Overzicht van onderzoek naar correctiefactoren voor automatische PM10 metingen in Nederland | RIVM

PM10 metingen zijn niet eenvoudig. De automatische meetapparatuur die wordt toegepast om de concentratie PM10 in de buitenlucht te bepalen, geeft een onderschatting ten opzichte van de gravimetrische referentiemethode volgens NEN EN 12341. Dit heeft te maken met de aanwezigheid van vluchtige componenten in fijn stof. Dit rapport bevat een overzicht van de onderzoeken naar de correctiefactoren voor automatische PM10 metingen door DCMR, GGD Amsterdam, Provincie Noord-Brabant, Provincie Limburg en het RIVM in de afgelopen jaren.Om de kwaliteit, en vergelijkbaarheid, van de verschillende factoren te verbeteren is het van belang de verschillende onderzoeken die op dit gebied binnen Nederland worden uitgevoerd verder te harmoniseren.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Gezondheidseffecten en ziektelast door blootstelling aan stoffen op de werkplek - een verkennend onderzoek | RIVM

Het RIVM heeft onderzocht wat het aandeel zou kunnen zijn van blootstelling aan chemische stoffen op de werkplek op het ontstaan van een tiental ziekten. Dit verkennende onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en geeft voor het eerst een integrale schatting van de ziektelast door blootstelling aan stoffen in de arbeidssituatie.De uitkomst van het onderzoek is dat voor negen onderzochte ziekten de blootstelling aan stoffen in de arbeidssituatie een geschatte ziektelast oplevert van ongeveer 47.000 DALY's per jaar, inclusief naar schatting circa 1.900 sterfgevallen. DALY staat voor 'Disability Adjusted Life Years', waarin vroegtijdige sterfte en jaren doorgebracht met ziekte op gewogen wijze bij elkaar worden opgeteld. De grootste bijdragen worden gevormd door borstvlieskanker, longkanker, astma en chronische luchtwegobstructie.De marge van onzekerheid in de genoemde uitkomsten is erg groot, wat vooral veroorzaakt wordt door de onvolledige gegevens, en bedraagt ongeveer een factor 5.Voor reproductiestoornissen was het niet mogelijk om een schatting te maken van de ziektelast tengevolge van werkgerelateerde blootstelling aan stoffen. De resultaten van recent onderzoek naar de relatie tussen blootstelling aan stoffen en reproductiestoornissen geven echter aanleiding tot zorg.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

HIV-surveys bij hoog-risicogroepen in Amsterdam 2003-2004 | RIVM

Hoog-risicogroepen kunnen een brugfunctie vervullen voor de verspreiding van HIV en SOA naar de rest van de bevolking in Nederland. Dit blijkt uit de HIV-survey onder migranten en prostituees en hun klanten die is uitgevoerd in Amsterdam. Hierbij is gevonden dat de HIV-prevalentie onder prostituees 7% is, onder Ghanezen en Surinamers 1% en onder Antillianen en klanten van prostituees 0%. Het seksueel risicogedrag bij deze groepen is hoog. Doel van de survey was inzicht te verkrijgen in het voorkomen van HIV, seksueel risicogedrag en de potentie tot verspreiding hiervan bij prostituees, hun klanten en migranten afkomstig uit gebieden waar de HIV-prevalentie onder de algemene bevolking hoger wordt geschat dan 1%. De surveys zijn opgezet als haalbaarheidsstudie en maken onderdeel uit van de HIV-surveillance in Nederland. PROSTITUEES EN PROSTITUANTEN: HIV komt het meest voor bij transgenders (17%) en bij verslaafde prostituees (11%). De HIV-prevalentie onder heterovrouwen is 3%. Prostituees gebruiken vaak condooms met prostituanten (79%), echter ruim eenderde van de prostituees rapporteert condoomfalen. Het condoomgebruik van prostituanten met prostituees is hoog (82%), maar met prive partners ligt het condoomgebruik lager. Bij geen van de prostituanten is een HIV-infectie aangetoond. Ruim 10% gebruikt inconsistent condooms met prostituees en met vaste of losse partners. Dit, in combinatie met de HIV-prevalentie van 7% onder prostituees in Amsterdam suggereert dat er een mogelijk risico is op overdracht van SOA en HIV van de prostituees, via prostituanten naar de rest van de bevolking. MIGRANTEN AFKOMSTIG UIT HIV-ENDEMISCHE GEBIEDEN: Het seksueel risicogedrag onder migranten is aanzienlijk en hoger bij mannen dan bij vrouwen; dat wil zeggen twee keer zoveel partners, meer gelijktijdige partners en weinig condoomgebruik met vaste en losse partners. 9-16% van de migranten heeft onbeschermde sekscontacten gehad met tenminste twee partners in de voorgaande zes maanden. Door de vele seksuele contacten onderling en tussen de verschillende etnische groepen bestaat de kans op verspreiding van HIV binnen deze groepen migranten en naar de rest van de bevolking.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Branch and product related emission estimation tool for manufacturers, importers and downstream users within the Risk Evaluation Authorisation CHemical (REACH) system. Project A. Technical guidance for identifying an appropriate emission scenario | RIVM

In dit project is voor producenten en professionele gebruikers van chemicalien een methode ontwikkeld waarmee de juiste emissies van stoffen naar het milieu bepaald kunnen worden. Dit vergemakkelijkt het maken van risicobeoordelingen van stoffen wat vanwege hun enorme diversiteit in toepassingen en functies zeer problematisch kan zijn. De resultaten zijn relevant voor de implementatie van het nieuwe EU-beleid voor stoffen REACH. Centraal hierin is de ontwikkeling van een beslisboom, die leidt tot de selectie van het juiste emissie-scenario van een stof in elk stadium van zijn levenscyclus, te weten de productie, de formulering, het gebruik en/of de afvalroute ervan. De basisinformatie van de beslisboom is een matrix die gevuld is met emissiegegevens afkomstig uit EU-richtlijnen voor de risicobeoordeling van industriele stoffen.De route in de beslisboom wordt bepaald door de selectie van de juiste parameters in elk stadium van de levenscyclus. Deze parameters, ook wel aangeduid met de term "identifiers", zijn bijvoorbeeld het type preparaat en doel van een product in het stadium formulering van de levenscyclus. De informatie van de methodiek is zodanig gestructureerd dat het eenvoudig in een computerprogramma geimplementeerd kan worden.De ontwikkelde methode is ontwikkeld in samenwerking met de Duitse Umweltbundesamt. Hij werd getest voor twee stoffen in de industriele categorieen fotochemicalien en plastic-additieven. Hierbij werden de juiste emissie scenario's gevonden.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

De microbiologische kwaliteit van hemelwater toegepast voor toiletspoeling, schoonmaken en tuinsproeien - inventariserend onderzoek 2005 | RIVM

Regenwater opgevangen in reservoirs en toegepast voor onder andere toiletspoeling is vaak fecaal verontreinigd en bevat soms ziekteverwekkende bacterien. Om het infectierisico bij toepassing van dit water te kunnen schatten is aanvullend onderzoek nodig waarbij ziekteverwekkers worden gekwantificeerd en getypeerd en waarbij onderzocht wordt in welke mate gebruikers worden blootgesteld aan het besmette water.Regenwater is aanvankelijk onbesmet, maar bij afstromen langs oppervlakken en tijdens opslag in reservoirs kan besmetting optreden met micro-organismen die ziekte bij de mens kunnen veroorzaken. Dit kan gebeuren wanneer bijvoorbeeld vogelfeces van het dak wordt gespoeld of ratten of andere dieren toegang hebben tot het reservoir of open leidingen. Onderzoek van opgevangen hemelwater op vier verschillende locaties in Nederland toonde de aanwezigheid van de indicatoren voor fecale verontreiniging, bacterien van de coligroep, E. coli en enterococcen, in respectievelijk 28, 27 en 27 van de 28 onderzochte monsters aan. De potentieel ziekteverwekkende bacterien Campylobacter en Legionella pneumophila werden elk een maal op een locatie aangetroffen. Aeromonas en Clostridium perfringens, die ook ziekte bij de mens kunnen veroorzaken, werden in respectievelijk 20 en 23 van de 28 monsters gevonden. Salmonella en Vibrio werden op geen van de locaties aangetroffen. De aanwezigheid van ziekteverwekkende micro-organismen in regenwater toegepast voor toiletspoeling kan negatieve gevolgen voor de volksgezondheid hebben. Op basis van de verkregen resultaten is het nog niet mogelijk om het risico op het oplopen van een infectie bij blootstelling aan dit water te schatten omdat daarvoor nog aanvullende typerings- en blootstellingsgegevens nodig zijn.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

De risico's voor consumenten en werknemers als gevolg van gassing van importcontainers met bestrijdingsmiddelen | RIVM

Jaarlijks komen er honderdduizenden containers Nederland binnen die met bestrijdingsmiddelen zijn gegast en nog restanten of hoge concentraties hiervan bevatten. De bestrijdingsmiddelen kunnen in de goederen gaan zitten (absorberen) en kunnen in huiselijke omgeving weer vrijkomen. Blootstelling van burgers is daarom denkbaar. Gemiddeld genomen lijken de risico's gering. Gezondheidsrisico's treden op bij werknemers en soms burgers die onvoldoende beschermd containers openen waarin nog hoge concentraties bestrijdingsmiddelen zitten. Verder zijn als risicogroepen waar grotere dan gemiddelde gezondheidsrisico's optreden, onderscheiden 1) immigranten die hun huisraad hebben verscheept waarbij hun hele huisraad met bestrijdingsmiddelen is behandeld en 2) geneesmiddelen waarbij het werkzame bestanddeel met de - doorgaans reactieve - bestrijdingsmiddelen hebben gereageerd en in minder werkzame stoffen zijn omgezet. De risico's zijn mogelijk verder te verkleinen omdat internationale regelgeving eenmalige behandeling van stuw- en pakkingshout voorschrijft waar dit keer op keer wordt behandeld en omdat goederen met bestrijdingsmiddelen worden behandeld die vanwege het materiaal (steen, keramisch) geen behandeling vragen. Dit onderzoek was opgedragen door de VROM-Inspectie die heeft laten onderzoeken of er gezondheidsrisico's voor burgers zijn door de behandeling van containers met bestrijdingsmiddelen in het buitenland. Deze behandeling gebeurd tegen de aantasting van goederen en vanuit de eisen tegen transport en import van uitheemse insecten.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Molecular typing of Mycobacterium tuberculosis by mycobacterial interspersed repetitive unit-variable-number tandem repeat analysis, a more accurate method for identifying epidemiological links between patients with tuberculosis | RIVM

Molecular typing of Mycobacterium tuberculosis by mycobacterial interspersed repetitive unit-variable-number tandem repeat analysis, a more accurate method for identifying epidemiological links between patients with tuberculosis | RIVM
Jaar: 2006 Onderzoek

Environmental Risk Limits for alcohols, glycols, and some other relatively soluble and/or volatile compounds 1. Ecotoxicological evaluation | RIVM

In dit rapport zijn maximaal toelaatbaar risiconiveaus (MTR), verwaarloosbaar risiconiveaus (VR) en ernstig risiconiveaus (EReco, Engelse afkorting SRCeco) afgeleid voor 1-butanol, 2-butanol, n-butylacetaat, cyclohexylamine, diethyleenglycol, ethyleenglycol, ethylacetaat, methanol, methylethylketon, tribroommethaan en triethanolamine. Deze milieurisicogrenzen zijn afgeleid voor de compartimenten water, bodem en sediment en zijn gebaseerd op milieuchemische gegevens en ecotoxicologische gegevens voor met name het aquatische milieu. De risiconiveaus vormen de basis voor een schatting van het potentikle risico van stoffen voor een ecosysteem. Dit rapport heeft een bijbehorend deel van Traas en Bontje, gepubliceerd in 2005, waarin het blootstellingsmodel Humanex wordt gebruikt om MTRs voor de mens te berekenen, met als doel om milieurisicogrenzen af te leiden, die beschermend zijn voor zowel de mens als ecosystemen.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1

Environmental Risk Limits for several phosphate esters, with possible application as flame retardant | RIVM

Voor een aantal fosfaatesters, die mogelijk als vlamvertrager gebruikt worden, zijn Maximaal Toelaatbaar Risiconiveaus (MTR), Verwaarloosbaar Risiconiveaus (VR) en Ernstig Risiconiveaus (EReco, Engelse afkorting SRCeco) afgeleid. Deze milieurisicogrenzen zijn afgeleid voor de compartimenten water, bodem, en lucht en zijn gebaseerd op ecotoxicologische gegevens voor met name het aquatische milieu. Het gaat om de volgende stoffen: TCEP (tris(2-chloorethyl)fosfaat), TCPP (tris(1-chloor-2-propyl)fosfaat), TDCP (tris(1,3-dichloor-2-propyl)fosfaat), TBP (tri-n-butyl fosfaat), TiBP (tri-iso-butyl fosfaat), TEP (triethyl fosfaat), TBEP (tris(butoxyethyl) fosfaat), TEHP (tris(2-ethylhexyl) fosfaat), TPP (trifenylfosfaat) en TCP (tricresylfosfaat). Meetgegevens voor Nederland (1989, 1999-2004) laten zien dat voor de meeste fosfaatesters de concentraties in oppervlaktewater rond het VR liggen. Alleen voor TPP blijkt dat concentraties in oppervlaktewater af en toe het MTR overschrijden.
Jaar: 2006 Onderzoek Documenten: 1