Naar inhoud

Onderzoeken Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2007

Zoek binnen deze data in WooGLe

Sanscrit toets - De handreiking | RIVM

Binnen het gebiedsspecifieke kader van het Besluit bodemkwaliteit is het mogelijk voor bevoegde overheden om zelf normen te stellen voor het toepassen van grond en bagger. In uitzonderlijke situaties (zie Handreiking Besluit bodemkwaliteit, 2007) is het toegestaan om Lokale Maximale Waarden boven interventiewaarde-niveau vast te stellen. In dat geval dient met de Sanscrit-toets te worden uitgesloten dat onder de gekozen Lokale Maximale Waarden een nieuwe spoedeisende sanering kan ontstaan. Deze handreiking beschrijft hoe de Sanscrit toets dient te worden uitgevoerd. Voor de Sanscrit toets wordt gebruik gemaakt van de methodiek van het Saneringscriterium. De toets is echter nadrukkelijk niet bedoeld om een risicobeoordeling op gebiedsniveau uit te voeren. De uitkomst is eenduidig: de gekozen Lokale Maximale Waarden mogen wel of niet worden vastgesteld. Een positieve uitslag van de toets ontslaat het bevoegd gezag niet van de overige verplichtingen die horen bij het vaststellen van gebiedsspecifiek bodemkwaliteitsbeleid. In Hoofdstuk 1 van dit briefrapport wordt de aanleiding voor de ontwikkeling van de Sanscrit toets en de positionering binnen het nieuwe bodembeleid beschreven. Hoofdstuk beschrijft stapsgewijs de onderdelen van de Sanscrit toets. Tenslotte wordt in Hoofdstuk 3 een voorbeeldcasus uitgewerkt.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Afleiding maximumtemperatuurnorm goede ecologische toestand (GET) voor Nederlandse grote rivieren | RIVM

Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) adviseert een maximumtemperatuurnorm voor de goede ecologische toestand in grote rivieren van 25 graden C. Voor het voorjaar is een lagere maximumtemperatuur vastgesteld, namelijk 20 graden C, om de voortplanting en groei van planten en dieren niet in gevaar te brengen. De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) eist dat lidstaten hun natuurlijke oppervlaktewateren in een goede ecologische toestand (GET) brengen of houden. Dat is de vereiste situatie voor de aanwezigheid van planten- en diersoorten. De biologische normen voor GET zijn al eerder vastgelegd. Daarnaast moeten normen voor ondersteunende fysisch-chemische parameters worden vastgesteld, waaronder normen voor temperatuur. Deze norm was voor grote rivieren nog niet bepaald. De maximumtemperatuur in dit advies is lager dan de 28 graden C die vooralsnog in Nederland wordt aangehouden. Als basis van het advies zijn literatuurgegevens en meetgegevens gebruikt van macrofauna en vissen. Daarmee is uitgerekend bij welke temperatuur de grens ligt tussen een goede en een matige ecologische toestand. De KRW onderscheidt ook zogeheten beschermde gebieden die specifieke eisen stellen. Oppervlaktewater dat ingenomen wordt voor drinkwaterproductie mag niet warmer zijn dan 25 graden C. Het RIVM adviseert de maximale verhoging uit de Viswaterrichtlijn van 3 graden C voor karperachtigen en 1,5 graden C voor zalmachtigen intact te laten, maar adviseert nader onderzoek te doen naar de maximale verhoging. Ook andere kennishiaten zijn in kaart gebracht. De hier geadviseerde maximumtemperatuurnorm geldt voor de GET behorende bij natuurlijke wateren. Deze zal als basis gaan dienen voor het afleiden van een norm voor de niet-natuurlijke wateren (zoals de huidige Nederlandse grote rivieren).
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Sociale verschillen in zorggebruik en zorgkosten in Nederland 2003. Zorg voor euro's - 5. Een verkenning van verschillen naar sociaal-economische positie, samenlevingsvorm en land van herkomst | RIVM

Ieder jaar wordt in Nederland veel geld uitgegeven aan de gezondheidszorg. In 2003 ging het om een bedrag van 57,5 miljard euro. De serie Zorg voor euro's beschrijft waaraan dit geld werd uitgegeven, hoeveel gezondheid we ervoor hebben teruggekregen en ook hoe de zorguitgaven zich in de toekomst zullen ontwikkelen. Dit rapport laat in detail zien hoe gebruik en kosten van zorg in Nederland samenhangen met de sociaal-economische positie, de samenlevingsvorm en het land van herkomst van mensen. Zo blijkt dat mensen uit lagere sociaal-economische groepen aanzienlijk meer zorg gebruiken dan mensen uit andere groepen. Dit verschil komt vooral doordat mensen in lagere sociaal-economische groepen meer gezondheidsproblemen hebben. Tegelijkertijd blijken mensen uit deze groepen bij ziekte ook langer beroep te doen op zorgvoorzieningen. Dit betekent dat de bestrijding van gezondheidsachterstanden een bijdrage kan leveren aan de beheersing van de zorguitgaven.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

GGD-richtlijn medische milieukunde: asbest in de bodem en gezondheid | RIVM

De inhoud van dit rapport is verouderd. Als u vragen heeft over asbest in de bodem en gezondheid kunt u het best contact opnemen met cgm@rivm.nl of uw regionale GGD. Bodemverontreinigingen met asbest hebben in veel gevallen nauwelijks of geen nadelige gevolgen voor de gezondheid van omwonenden. Bewoners en andere betrokkenen hebben evenwel vaak vragen en zorgen over de gevolgen voor hun gezondheid. Daarom is het van belang dat de Gemeentelijke Gezondheidsdiensten (GGD'en) in staat zijn deze vragen goed te beantwoorden en een goede risicoschatting kunnen maken. De richtlijn die hiervoor is opgesteld is onlangs herzien. Veranderingen in het VROM-beleid voor asbest en ontwikkelingen op het gebied van risicobeoordeling waren hiervoor de aanleiding. De richtlijn beschrijft wat medisch-milieukundige medewerkers van de GGD kunnen doen als zij een signaal krijgen, bijvoorbeeld van bewoners, over een bodemverontreiniging met asbest. De GGD heeft een signalerende functie richting gemeenten. Uitgangspunt is dat blootstelling aan een kankerverwekkende stof als asbest zoveel mogelijk moet worden voorkomen. De richtlijn beschrijft wanneer welke gegevens nodig zijn om te kunnen bepalen of er een risico bestaat voor de gezondheid. Meestal wordt daarvoor een bodemonderzoek uitgevoerd, soms met aanvullende metingen van de buitenlucht of het binnenmilieu. Vervolgens geeft de richtlijn aan hoe een gezondheidsrisico wordt berekend en aan welke normen wordt getoetst. Ook is er een overzicht van de relevante wet- en regelgeving. Ten slotte wordt ingegaan hoe de GGD gemeenten adviseert over gezondheidsrisico's en de communicatie daarover.
Jaar: 2007 Onderzoek

Meteorologie in CAR II | RIVM

Het RIVM heeft een verfijnde methodiek ontwikkeld en getest waarmee het CAR II-model nauwkeurigere gegevens over de luchtkwaliteit rond straten kan berekenen. Door de oorspronkelijke rekenmethode aan te passen komen de resultaten beter overeen met de metingen van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit (LML) van het RIVM. Lokale overheden gebruiken CAR II, dat staat voor Calculation of Air pollution from Road traffic, sinds 2002. Momenteel rekent CAR II met gegevens voor de jaargemiddelde windsnelheid in een aantal regio's waarin Nederland is opgedeeld. Verschillen tussen deze regiowaarden kunnen aanzienlijk zijn, waardoor de resultaten van de concentratieberekeningen op grensvlakken tussen regio's circa twintig procent kunnen verschillen. Hierdoor is het lastig berekeningen te maken voor straten die op grensvlakken tussen regio's liggen. Bovendien komt het glijdende verloop van de jaargemiddelde windsnelheid binnen regio's niet tot uiting. De voorgestelde nieuwe methodiek is nauwkeuriger omdat hij gegevens over windsnelheden van meer meetpunten gebruikt. Bovendien is de regio-indeling vervangen door een zogeheten geinterpoleerd windveld, waardoor de lokale situatie beter wordt weergegeven.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Typeringen van bodemecosystemen in Nederland met tien referenties voor biologische bodemkwaliteit | RIVM

Het RIVM heeft samen met diverse kennisinstituten tien veel voorkomende bodems gekarakteriseerd waar de bodemkwaliteit op orde is, zogeheten referenties voor biologische bodemkwaliteit (RBB). Hier bestonden nog geen criteria voor. Deze referenties kunnen als streefbeeld gebruikt worden om bodemgebruik duurzamer te maken. De referenties zijn bepaald voor tien combinaties van bodemgebruik (onder andere melkveehouderij, akkerbouw en heide) en bodemtype (zand, veen, klei en loss). Dit is representatief voor driekwart van het bodemoppervlak van Nederland. Diverse onderzoekers, onder andere op het gebied van bodemecologie, microbiologie en agrarisch bodembeheer, hebben locaties geselecteerd die volgens hun maatstaven een relatief goede bodemkwaliteit hebben. Hiervoor maakten zij gebruik van de gegevens van het Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit (LMB) over de toestand van de bodem. Op basis van deze informatie zijn de tien referenties bepaald. Het rapport bevat ook gemiddelde waarden van de biologische, chemische en fysische eigenschappen van de bodem, evenals een maat voor de spreiding van de gegevens. De mate waarin bodemorganismen voorkomen en hun diversiteit zijn ook beschreven.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

De invloed van bebouwing en vegetatie op luchtkwaliteit. Scanning en scouting lucht | RIVM

De invloed van bebouwing en vegetatie rond snelwegen op de luchtkwaliteit blijkt gering en in enkele gevallen complex van aard. Gebouwen en vegetatie kunnen van invloed zijn op de luchtkwaliteit van de directe omgeving. De mate waarin is in geval van overschrijdingen van de EU-richtlijnen van belang voor de verantwoordelijke bestuurders. Om meer inzicht te verkrijgen in deze effecten is onderzoek uitgevoerd door het RIVM. In een beperkt complexe situatie rondom een snelweg en een provinciale weg zijn luchtkwaliteitsmetingen voor PM10 en stikstofdioxide uitgevoerd. De invloed van vegetatie kon niet worden aangetoond en wordt voor de onderhavige situatie als zeer gering of afwezig geschat. Nader onderzoek waarbij de structuur van de vegetatie verder wordt geoptimaliseerd kan wellicht uitsluitsel geven over de mogelijk positieve invloed hiervan. De invloed van hoge gebouwen is zeer complex gebleken en kan leiden tot hogere concentraties stikstofdioxide aan de lijzijde van het gebouw. Een belangrijke observatie in het onderzoek is de hoge bijdrage van lokaal verkeer. In het onderhavige onderzoek werd dit duidelijk onderschat en verwacht wordt dat dit vaker plaatsvindt. Hierdoor kan de relatieve invloed van maatregelen gericht tegen de emissies van verkeer op de snelweg worden overschat.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Effectmetingen van geneesmiddelen. Geschiktheid van bioassays voor het meten van effecten van antibiotica en resultaten van pilotmetingen van ziekenhuis effluent | RIVM

Dit rapport bevat de verkorte verslaggeving van de beoordeling van de bruikbaarheid en geschiktheid van bioassays om specifieke effecten van antibiotica in het watermilieu te beoordelen. Tevens wordt verslag gedaan van het pilotonderzoek naar de methodiek om ziekenhuiseffluent te testen met bioassays, waarbij specifiek aandacht is besteed aan logistieke planning en arbotechnische procedures rondom bemonstering.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Invloed van vegetatie op stikstofdioxideniveaus. Een orienterend onderzoek | RIVM

Adsorptie van stikstofdioxide door bomen (Hollandse lindes) blijkt geen meetbare invloed te hebben op de concentraties in een typische straat in een stedelijke omgeving. In een onderzoek, uitgevoerd door het RIVM gedurende een klein jaar (42 weken) zijn de concentraties stikstofdioxide op een aantal locaties op de Maliebaan te Utrecht gemeten als 14-daagse gemiddelde waarden. De Maliebaan is een brede laan met een hoofdrijbaan en aan beide zijden een fietspad en een ventweg en enkele rijen Hollandse lindes hiertussen. De variatie van de NO2-concentraties in de tijd volgden die van andere locaties in Utrecht en bleven ongewijzigd nadat het blad van de bomen was verdwenen tijdens de herfst van 2006. Tussen de verschillende locaties op de Maliebaan, zowel aan de muren van de huizen langs de Maliebaan, als onder het bladerdak nabij de rijbaan, bleken slechts geringe concentratieverschillen te bestaan die zowel tijdens het groeiseizoen als daarna instant bleven. Op grond van dit orienterend onderzoek kan geconcludeerd worden dat de invloed van begroeing in de vorm van bomen op stikstofdioxideconcentraties in een stedelijke omgeving gering zullen zijn. De resultaten van dit onderzoek kunnen een bijdrage leveren aan verder onderzoek naar de ontwikkeling van maatregelen voor de reductie van luchtverontreinigingniveaus in steden.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Exposure and ecological effects of toxic mixtures at field-relevant concentrations. Model validation and integration of the SSEO programme | RIVM

Om de effecten te voorspellen van giftige stoffen die zich diffuus in het milieu verspreiden is het nodig om de lokale milieucondities in kaart te brengen. Dit blijkt uit een evaluatie van resultaten uit het Nederlandse Stimuleringsprogramma Systeemgericht Ecotoxicologisch Onderzoek (SSEO) die uitgevoerd is onder leiding van het RIVM. De afgelopen zes jaar zijn op drie verontreinigde locaties in Nederland de effecten onderzocht van giftige stoffen op milieu, planten en dieren. De locaties betroffen de uitwaarden van een grote rivier (de Waal), een getijdegebied (de Biesbosch) en een veenweidegebied (nabij Vinkeveen). Op deze plekken hebben zich giftige stoffen verspreid over de omgeving. Van deze diffuse verontreinigingen werden de omvang en effecten gemeten en geanalyseerd. Uit het onderzoek blijkt dat de effecten varieerden tussen niet-waarneembaar of zeer gering tot waarneembaar en groot. De grootte van de effecten hing af van de aanwezige stoffen en hun concentraties, de eigenschappen van bodem, water of sediment op de locatie, en de gevoeligheid van planten en dieren die werden blootgesteld aan de stoffen. Dit maakt duidelijk dat milieucondities voor een deel de effecten van de stoffenmengsels bepalen. De meetmethoden en modelanalyses van het SSEO-programma blijken bruikbaar voor het beheersen van lokale risico's van verontreinigingen. Voor Nederland is het heel belangrijk om deze instrumenten op grotere schaal toe te passen gezien de vele diffuus verontreinigde locaties. Saneren is op die plekken geen oplossing. Om de risico's van deze verontreinigingen te beheren adviseert het RIVM een risicotoolbox te ontwikkelen. Toepassing daarvan is nodig voor een betere op ecologie gebaseerde effectbepaling. Dit kan uiteindelijk leiden tot een koppeling tussen stoffenbeleid en gebiedsbeheer.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Gezondheidsklachten bij RWZI Harnaschpolder | RIVM

De literatuurstudie en de verspreidingsberekeningen laten zien dat omwonenden van de RWZI Harnaschpolder niet worden blootgesteld aan relevante hoeveelheden micro-organismen. Wel is duidelijk dat de omwonenden geregeld te maken hebben met concentraties H2S boven de geurdrempel. Directe gezondheidseffecten zijn daar niet van te verwachten, maar geurhinder zelf (elke geurhinder) kan aanleiding geven tot verstoring van gedrag en lichamelijke klachten.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

De kwaliteit van het drinkwater in Nederland in 2006 | RIVM

Het drinkwater in Nederland was in 2006 van goede kwaliteit. Bij een kwart van de productielocaties is een norm overschreden. In geen geval vormde dat een bedreiging voor de volksgezondheid. Dit blijkt uit het jaarrapport 'De drinkwaterkwaliteit in Nederland, in 2006' dat RIVM in opdracht van de VROM-Inspectie heeft opgesteld. In dit rapport worden de resultaten van de meetprogramma's van de waterbedrijven op hoofdlijnen weergegeven. Zij leefden de wettelijke voorschriften voor de controle op de drinkwaterkwaliteit goed na. De VROM-Inspectie is verantwoordelijk voor de handhaving van de Waterleidingwet, waarin normen zijn opgesteld voor de aanwezigheid van micro-organismen en chemische stoffen in het drinkwater. De Inspectie is verplicht de resultaten te rapporteren aan de minister en het parlement. Het RIVM beheert de gegevens en stelt het rapport op. Het aantal drinkwaterpompstations (53 = 25 procent) waar in 2006 een norm is overschreden, is ten opzichte van 2005 met vijf procent toegenomen. Dit aantal fluctueerde in de voorgaande jaren. Een groot deel van de normoverschrijdingen was eenmalig en betrof stoffen, gerelateerd aan de bedrijfsvoering, die geen betekenis hebben voor de volksgezondheid. Het gaat dan om overschrijdingen van bijvoorbeeld temperatuur, ijzer en smaak. De norm voor bestrijdingsmiddelen is voor drie middelen incidenteel overschreden. Daarnaast zat in het drinkwater van een pompstation een te hoge concentratie nikkel door een hoge nikkelconcentratie in het grondwater. De minister heeft het desbetreffende bedrijf een ontheffing verleend tot 2006 onder voorwaarde dat de zuivering zou worden aangepast. Deze aanpassing bleek omvangrijker dan was voorzien. Vanaf eind 2006 voldeed het drinkwater continu aan de norm. De aanwezigheid van legionellabacterien wordt getoetst als het drinkwater het pompstation verlaat en in de distributiegebieden. In de eerste categorie zijn geen aantallen boven de norm aangetroffen. Wel zijn in de monsters in het distributienet op 18 locaties legionellabacterien aangetoond. Het is mogelijk dat tijdens werkzaamheden aan het distributienet het drinkwater met bacterien besmet kan raken. In 45 gevallen is de bewoners van de nabijgelegen woningen geadviseerd het drinkwater voor gebruik te koken.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Gezondheidsclaims voor kruidenpreparaten op basis van Ginkgo biloba | RIVM

Er is onvoldoende bewijs voor drie geclaimde gezondheidseffecten bij het gebruik van kruidenpreparaten op basis van de Japanse notenboom Ginkgo biloba. Ook toont een analyse van 29 Ginkgo-preparaten aan dat het merendeel niet bevat wat op het etiket vermeld staat. Daarnaast kan bij de aanbevolen dagelijkse hoeveelheid de veiligheid niet worden gegarandeerd. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM. Fabrikanten claimen dat Ginkgo biloba-preparaten bloedcirculatie en geheugenfunctie verbeteren en ouderdomsverschijnselen verminderen. Het RIVM heeft de wetenschappelijke onderbouwing van deze gezondheidsclaims getoetst aan nieuwe Europese criteria. Hieruit volgt dat de beschikbare studies onvoldoende bewijs leveren voor deze gezondheidseffecten. Dit komt vooral door een gebrek aan gegevens uit studies met gezonde proefpersonen. De geevalueerde studies beschrijven alleen resultaten met het gestandaardiseerde Ginkgo biloba-extract. De meeste van de geanalyseerde preparaten bevatten echter niet het gestandaardiseerde extract. Ook kwamen in veel van de gevallen de gemeten gehalten aan actieve bestanddelen niet overeen met de hoeveelheden die op het etiket staan. Daarnaast zijn er heel weinig gegevens beschikbaar over de giftigheid. Hierdoor is het niet mogelijk om een veilige grens af te leiden. Voor niet nader beschreven Ginkgo-preparaten wordt bij inname van de aanbevolen dagelijkse hoeveelheid in sommige gevallen melding gemaakt van bloedingen. Het gebruik van niet-gestandaardiseerd Ginkgo-extract kan dus risicovol zijn: het is niet uit te sluiten dat zulke preparaten stoffen bevatten die onder andere kanker kunnen veroorzaken. De gekozen multidisciplinaire aanpak beschreven in dit rapport geeft inzicht in diverse aspecten die van belang zijn bij de beoordeling van de wetenschappelijke onderbouwing van gezondheidsclaims voor voedingsmiddelen, waaronder kruidenpreparaten.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Afweging tussen generieke en regionale eutrofieringsmaatregelen | RIVM

Om de waterkwaliteit te verbeteren moet Nederland het hoge gehalte aan voedingsstoffen in oppervlaktewater verlagen. Het RIVM biedt een afwegingskader om te kiezen voor landelijke en/of regionale maatregelen. Sinds eind 2000 is de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) van kracht om kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater te verbeteren. Een groot probleem waar Nederland voor staat zijn de hoge concentraties voedingsstoffen (nutrienten) in het oppervlaktewater. Hierdoor worden heldere meren en sloten troebel. Waterplanten, snoek en stekelbaarsjes verdwijnen en sloten worden groen van de algen of verdwijnen onder een laag kroos. Om de nutrientconcentraties te verlagen kan Nederland diverse maatregelen nemen, zoals het verwijderen van kroos, het uitzetten van roofvis, het stimuleren van fosfaatvrije vaatwasmiddelen of het aanscherpen van het mestbeleid. Sommige van deze maatregelen kunnen het beste landelijk worden doorgevoerd terwijl andere maatregelen sterk afhangen van de regionale situatie. In het algemeen neemt het Rijk landelijke maatregelen, terwijl gemeentes, provincies, waterschappen of gebiedsbeheerders voor de regionale maatregelen zorgen. In opdracht van VROM heeft het RIVM een afwegingskader ontwikkeld om een keuze te maken in landelijke en regionale maatregelen. Hieruit blijkt dat maatregelen die de directe emissies van nutrienten naar bodem of water reduceren, het beste landelijk zijn toe te passen, zoals fosfaatvrije vaatwasmiddelen en het mestbeleid. Maatregelen die de indirecte belasting van het oppervlaktewater verminderen of de ecologische effecten van nutrienten beperken, zijn veelal het beste regionaal toe te passen, zoals kroos verwijderen en roofvis uitzetten. Voor de meeste maatregelen werkt het afwegingskader goed, zo blijkt uit toetsing door onafhankelijke experts.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Ziektelast van ongunstige arbeidsomstandigheden in Nederland | RIVM

Ongunstige arbeidsomstandigheden veroorzaken 2 tot 4% van de totale ziektelast in Nederland. Het begrip ziektelast is een maatstaf om de gevolgen van ziekte uit te drukken. Het combineert gezondheidsverlies door verminderde kwaliteit van leven en door vroegtijdig overlijden. Hoge werkdruk, blootstelling aan schadelijke stoffen (inclusief passief roken) en beeldschermwerk zijn de ongunstigste arbeidsomstandigheden. Zij zorgen voor veel ziektelast door burn-out, de chronische luchtwegaandoening COPD, longkanker en klachten van arm, nek en schouder (KANS). In het rapport is de positieve invloed van arbeid op de gezondheid niet meegenomen. Het RIVM laat voor het eerst zien welke arbeidsgerelateerde aandoeningen veel ziektelast in Nederland veroorzaken. Deze gegevens bieden aanknopingspunten voor verder onderzoek en voor maatregelen om de ziektelast door deze aandoeningen te verminderen. Dat is niet alleen goed voor werknemers en werkgevers, maar ook voor de volksgezondheid en de samenleving in haar geheel: health is wealth. In eerdere ziektelastberekeningen van de wereldgezondheidsorganisatie (WHO) is de arbeidsgerelateerde ziektelast in Nederland sterk onderschat. In Nederland veroorzaken niet zozeer de 'klassieke' risico's en aandoeningen, zoals arbeidsongevallen en slechthorendheid door lawaai, de meeste ziektelast. Juist 'nieuwe' aandoeningen, zoals burn-out en KANS, leiden hiertoe, en die zijn niet meegenomen in de WHO-schattingen. Behalve negatieve effecten op de gezondheid hebben ongunstige arbeidsomstandigheden een nadelig effect op de arbeidsproductiviteit, het ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid. In theorie blijkt het mogelijk om deze effecten te berekenen. Het is aan te bevelen om uit te zoeken of dit in de praktijk haalbaar is.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Non-food products: How to assess children's exposure? | RIVM

Handreiking voor kinderspecifieke blootstellingschatting voor consumentenproducten. De risicoschatting voor kinderen kan aanzienlijk worden verbeterd door blootstellingscenario's specifiek voor kinderen op te stellen. Kinderen vertonen een ander gedragspatroon, zijn fysiologisch gezien verschillend van volwassen en worden tijdens gebruik van consumentenproducten op een andere wijze blootgesteld. Het huidige rapport biedt een handreiking voor het opstellen van kinderspecifieke scenario's voor de blootstelling aan consumentenproducten (voeding uitgezonderd). Het geeft een overzicht van een aantal kinderspecifieke activiteiten voor kinderen in verschillende leeftijdscategoriekn (0-18 jaar). Daarnaast wordt ingegaan op de blootstelling aan een diverse groep van chemische stoffen, de biociden. Ook wordt aangegeven welke modellen van het RIVM softwareprogramma ConsExpo 4.0 gebruikt kunnen worden voor de berekening van de blootstelling.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Options in European legislation to reduce water pollution in the Netherlands: cadmium as case study | RIVM

Het RIVM heeft uitgezocht met welke Europese wetgeving de vervuiling van oppervlaktewater met cadmium in Nederland kan worden teruggedrongen. De richtlijn Integrated Pollution Prevention Control (IPPC) kan een van de voornaamste vervuilers, de industrie, aan banden leggen. De IPPC-richtlijn bestrijkt overigens niet de gehele industrie. Het beperkt de uitstoot van installaties met een grote productiecapaciteit. Voor bepaalde categorieen industrie, vallen installaties met een kleinere capaciteit buiten het bereik van deze richtlijn. Momenteel is nog niet duidelijk of de bestaande wetten het oppervlaktewater voldoende beschermen tegen vervuiling met cadmium door andere grote bronnen, zoals de landbouw. Het RIVM adviseert dit nader uit te zoeken. De Europese wet Kaderrichtlijn water verplicht alle lidstaten van de Europese Unie de uitstoot van een aantal gevaarlijke stoffen zoals cadmium volledig terug te brengen (de zogeheten nulemissie). De wet bevat echter geen concrete voorschriften hoe de vervuiling terug gedrongen moet worden. Daarom is in kaart gebracht wat de belangrijkste vervuilende bronnen zijn en welke wetgeving daarvoor kan worden ingezet. Voor de grote Nederlandse rivieren komt de vervuiling vooral uit het buitenland, met de industrie als belangrijkste bron.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

De uitspoeling van het stikstofoverschot naar grond- en oppervlaktewater op landbouwbedrijven | RIVM

In deze studie is per grondsoort berekend in welke mate een stikstofoverschot bij bouwland en grasland uitspoelt naar het grond- en oppervlaktewater. De uitspoeling verschilt namelijk tussen grondsoorten en vormen van bodemgebruik. Bij bouwland op droge zandgrond spoelt negentig procent van het stikstofoverschot uit. Bij grasland op veengrond is dat slechts vijf procent. Een stikstofoverschot is het verschil tussen de aanvoer van stikstof, bijvoorbeeld via kunstmest en dierlijke mest, en de afvoer van stikstof, bijvoorbeeld bij de oogst van gewas. Van de drie grondsoorten, die in deze studie zijn onderzocht, neemt de uitspoeling af in de volgorde: zand - klei - veen. Bij de zandgronden is de uitspoeling het grootst bij droge gronden en het laagst bij natte gronden. De uitspoeling is bovendien bij bouwland groter dan bij grasland. Deze gegevens zijn belangrijk om te voorkomen dat door bemesting te veel stikstof uitspoelt naar grond- en oppervlaktewater. Volgens de Nitraatrichtlijn zijn alle lidstaten van de Europese Unie verplicht dit te voorkomen. Nederland heeft een stelsel van stikstofgebruiksnormen ontwikkeld waarmee zowel de totale stikstofbemesting als de stikstofbemesting met dierlijke mest wordt gereguleerd. Voor de akker- en tuinbouwgewassen op zand- en lossgrond zijn voor de jaren 2008 en 2009 nog geen stikstofgebruiksnormen vastgesteld. Deze informatie zal door de Werkgroep Onderbouwing Gebruiksnormen worden gebruikt bij de afleiding van milieuverantwoorde gebruiksnormen voor het totale stikstofgebruik en het stikstofgebruik met dierlijke mest. Voor de studie zijn meetgegevens gebruik van het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM) van het RIVM en het LEI.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Beoordeling van de grondwatertoestand op basis van de Kaderrichtlijn Water | RIVM

De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) moet ervoor zorgen dat de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater in Europa in 2015 op orde komt. Het grondwater moet daarbij niet alleen aan zijn eigen doelstellingen voldoen, voldoende water van goede kwaliteit, maar ook aan de doelstellingen van de ecosystemen die door kwellend grondwater worden beinvloed. Het grondwater mag geen negatieve invloed hebben op de bijbehorende oppervlaktewateren en grondwaterafhankelijke terrestrische ecosystemen. In dit rapport wordt een beoordelingsmethode voorgesteld om vast te stellen wanneer de toestand van het grondwater niet voldoet aan de doelstellingen van de bijbehorende aquatische en terrestrische ecosystemen. Deze beoordeling gaat enerzijds uit van de doelstellingen voor de bijbehorende oppervlaktewateren en de grondwaterafhankelijke terrestrische ecosystemen en anderzijds van de beschikbare meetgegevens over de toestand van het oppervlaktewater, het terrestrisch systeem en het grondwater. Waarschijnlijk zal de grondwatertoestand door verdroging en de uitspoeling van bijvoorbeeld nutrienten, bestrijdingsmiddelen en zware metalen in een aantal gebieden niet voldoen aan de doelstellingen voor het oppervlaktewater en de terrestrische ecosystemen. Het al in gang gezette mestbeleid, verdrogingbeleid en de KRW zelf zullen een deel van de problemen oplossen. Daarnaast geeft het rapport voor een groot aantal landschaptypen met een grote natuurbehoudswaarde een overzicht van de ecohydrologische relaties en potentiele bedreigingen door aantasting van het grondwaterlichaam.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Diabetes en depressie, een zorgelijk samenspel | RIVM

Mensen met diabetes hebben twee keer zo vaak last van depressies als mensen zonder diabetes. Een betere herkenning en behandeling van depressies kan de complicaties van diabetes helpen voorkomen. Herziening van de diabeteszorg is nodig, omdat de huidige zorg deze gecombineerde problematiek te weinig onderkent. Dit concludeert het RIVM op basis van literatuuronderzoek in opdracht van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). Dit ministerie wil het aantal mensen met diabetes en diabetesgerelateerde complicaties terugdringen. Jaarlijks heeft een op de zes Nederlanders met diabetes last van depressieve symptomen; ruim honderdduizend mensen. Van hen wordt slechts twintig tot vijftig procent herkend binnen de diabeteszorg. Depressieve mensen met diabetes lopen een groter risico op complicaties van diabetes, zoals hart- en vaatziekten, nierziekten en oogziekten. Bovendien hebben zij een verminderde kwaliteit van leven, slechtere glucosewaarden en betalen zij meer zorgkosten. De behandeling van een depressie bij mensen met diabetes blijkt dubbel effectief. Niet alleen de psychische klachten kunnen verdwijnen, er zijn ook aanwijzigen dat de glucosewaarden verbeteren. Het RIVM adviseert daarom de Zorgstandaard van de Nederlandse Diabetes Federatie aan te passen zodat er in de diabeteszorg aandacht is voor psychosociale problematiek. Het huidige beleid voor diabetes is ingezet op zelfzorg, hoewel mensen met diabetes en depressie minder goed in staat zijn om voor zichzelf te zorgen. Uit het onderzoek blijkt bovendien dat mensen met een depressie meer kans op diabetes hebben. Dit pleit ervoor ook de richtlijnen voor depressiezorg aan te passen.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Down syndroom kansbepaling met de eerste trimester combinatietest 2002-2004 | RIVM

Dit rapport is een eerste evaluatie van de eerste trimester combinatietest. Deze test is gericht op het bepalen van de kans op een zwangerschap van een kind met het Down syndroom. In het afgelopen jaar steeg het aantal aanvragen voor de test explosief van 341 aanvragen per half jaar (tweede helft van 2002) naar 11.046 aanvragen per half jaar (tweede helft van 2005). Daarbij werd 71% van alle Down syndroom zwangerschappen gevonden. Van 82% van alle aanvragen van de eerste trimester combinatietest in de periode juli 2002- mei 2004 werd de zwangerschapsuitkomst aan het RIVM gerapporteerd. De test is een kansbepaling gebaseerd op een nekplooimeting bij de foetus en een serumonderzoek bij de moeder. Bij de nekplooimeting wordt het laagje vocht van de foetus in de nek gemeten. Bij het serumonderzoek wordt de concentratie van twee specifieke zwangerschapseiwitten (vrij beta-hCG en PAPP-A) gemeten. Tussen juli 2002 en mei 2004 zijn in opdracht van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) bijna 7.800 serumonderzoeken uitgevoerd. Van ruim 4.800 daarvan is bij het RIVM een gecombineerde kansbepaling berekend (uitslag van de serumtest gecombineerd met de nekplooimeting). Het rapport geeft aan hoe goed de combinatietest een zwangerschap van een kind met Down syndroom voorspelt. Verder doet het RIVM een aantal aanbevelingen voor verbetering van de eerste trimester combinatietest.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Zoonoses and zoonotic agents in humans, food, animals and feed in the Netherlands 2003-2006 | RIVM

Het rapport 'Zoonoses and Zoonotic Agents in Humans, Food, Animals and Feed in The Netherlands 2003 - 2006' beschrijft welke zoonosen in Nederland zijn opgenomen in een monitoringsprogramma, hoe vaak ze voorkomen, en wat er gedaan wordt aan onderzoek en bestrijding. Alle lidstaten van de Europese Unie geven jaarlijks een dergelijk overzicht. De rapportages zijn nodig om in Europees verband te kunnen werken aan onderzoek en bestrijding van deze groep van ziekteverwekkers. Ook resistentieopbouw van ziekteverwekkers tegen antibiotica is een onderwerp dat veel aandacht krijgt.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Indicatoren voor de kraamzorg. Ontwikkeling van indicatoren voor kraamzorginstellingen | RIVM

Sinds een aantal jaren werkt de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) aan het Gelaagd en Gefaseerd Toezicht (GGT). Deze methode voor toezicht richt zich op het opsporen van instellingen met een verhoogd risico op onverantwoorde zorg en maakt daarbij gebruik van indicatoren. Naar aanleiding hiervan is in dit onderzoek een set indicatoren gemaakt voor de kraamzorg op basis van de wetenschappelijke literatuur en consensus onder deskundigen. Om te komen tot een set indicatoren zijn vier stappen gemaakt. De eerste stap was het uitvoeren van een literatuurstudie om artikelen en rapporten te vinden die risico's binnen de kraamzorg beschrijven, zowel in Nederland als in het buitenland. De tweede stap bestond uit een inventarisatie van risico's in de kraamzorg in een bijeenkomst met deskundigen uit het veld. In deze eerste twee stappen zijn in totaal 116 risico's geidentificeerd. De derde stap bestond uit het selecteren van de meest relevante risico's en het ombuigen van deze risico's in indicatoren. Dit resulteerde in 35 indicatoren. In de vierde stap zijn deze indicatoren beoordeeld door een multidisciplinair panel in een Delphi-onderzoek. Uiteindelijk zijn twintig indicatoren geselecteerd voor de kraamzorg in Nederland. De set bestaat uit indicatoren voor de structuur en processen in de kraamzorg. Een aantal voorbeelden: de inzet van een lactatiekundige, het percentage vrouwen waar de intake thuis is afgelegd, de aanwezigheid van een protocol ter signalering van ondervoeding, en de aanwezigheid van afspraken over de samenwerking met verloskundigen en de huisarts. In deze studie is de beschikbaarheid van informatie een criterium geweest voor het opnemen van indicatoren in de set. Om deze reden zijn alle uitkomstindicatoren niet door de selectie heen gekomen. In de kraamzorg is het systematisch registreren en verwerken van informatie onvoldoende ontwikkeld om de set uit te breiden met uitkomstindicatoren. Deze eerste set indicatoren is een goede stap voor de transparantie van het functioneren van de kraamzorg in Nederland.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Kwaliteitsindicatoren voor de orthopedie. Ontwikkeling en toepassing van een set indicatoren | RIVM

In de media en in de wetenschap wordt in toenemende mate aandacht besteed aan de kwaliteit van medische zorg. Kwaliteit in de gezondheidszorg is belangrijk voor zowel patienten die een goede behandeling wensen, als voor artsen die goede kwaliteit willen leveren. Maar hoe kun je de kwaliteit van de gezondheidszorg inzichtelijk maken? Indicatoren kunnen mogelijk uitkomst bieden. In dit onderzoek is een set indicatoren ontwikkeld om de kwaliteit van de orthopedische zorg in het ziekenhuis te meten. De Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) heeft opdracht gegeven aan het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) om deze set indicatoren te ontwikkelen om daarmee haar taak als toezichthouder te ondersteunen. Hierbij is intensief samengewerkt met de Nederlandse Orthopaedische Vereniging (NOV). Er zijn drie stappen gemaakt om indicatoren te selecteren. De eerste stap was het uitvoeren van een literatuurstudie naar indicatoren die een relatie hebben met de resultaten (uitkomsten) van orthopedische zorg. De tweede stap bestond uit een selectie van indicatoren door orthopeden op basis van discussie en consensus. Deze stappen resulteerden in de selectie van uiteindelijk 24 indicatoren. Als laatste stap is gedurende vier maanden in drie ziekenhuizen een haalbaarheidstudie uitgevoerd om de registratie van de indicatoren te evalueren. Hiervoor zijn vragenlijsten afgenomen en interviews gehouden in de ziekenhuizen. Uiteindelijk zijn dertien kwaliteitsindicatoren overgebleven met een advies voor verdere implementatie. Dit betreft indicatoren voor de structuur van de zorg (snijtijd, aanwezigheid opname- en ontslagtrajecten en aanwezigheid adequaat luchtbehandelingssysteem), indicatoren voor de processen in de zorg (deelname aan ontslagtrajecten, gebruik adequaat luchtbehandelingssysteem en preoperatieve voorlichting) en indicatoren voor de uitkomsten van de zorg (diepe veneuze trombose, longembolie, diepe wondinfectie, urineweginfectie, luxatie, decubitus en gemiddelde ligduur). Uit de evaluatie bleek dat een goede uitvoering van de registratie niet makkelijk haalbaar was. Bij implementatie van de indicatoren is verdere ontwikkeling nodig van een elektronisch registratie- en dataverwerkingssysteem.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Kwaliteitsindicatoren voor de intensive care. Interne indicatoren voor intensivecareafdelingen ten behoeve van kwaliteitsverbetering | RIVM

In Nederland is in toenemende mate aandacht voor de ontwikkeling van kwaliteitsindicatoren voor de gezondheidszorg. De Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) heeft opdracht gegeven aan het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) om indicatoren te ontwikkelen voor de intensive care (ic) om haar taak als toezichthouder te ondersteunen. Hierbij is intensief samengewerkt met de Nederlandse Vereniging voor Intensive Care (NVIC). Er zijn drie stappen gemaakt om te komen tot een set kwaliteitsindicatoren. In de eerste stap zijn indicatoren gezocht in de literatuur over de kwaliteit van zorg op de ic. De tweede stap was het maken van een selectie op basis van consensus tussen experts met behulp van een vragenlijst. In de derde stap is gedurende zes maanden een pilotstudie uitgevoerd op achttien ic-afdelingen om de haalbaarheid van de registratie te evalueren. Op basis van consensus is een selectie gemaakt van de indicatoren uit de literatuur en die aangedragen door experts. Dit resulteerde in een set van twaalf indicatoren. Na de pilotstudie worden uiteindelijk elf indicatoren aanbevolen voor landelijke implementatie. De volgende structuurindicatoren zijn geselecteerd: beschikbaarheid intensivist, verpleegkundige/patientratio, beleid ter voorkoming van medicatiefouten en het registreren van familie- en patienttevredenheid. Vier procesindicatoren zijn geselecteerd: ic-verblijfsduur, beademingsduur, glucoseregulatie en 100%-bezetting. De geselecteerde uitkomstindicatoren zijn: mortaliteit, decubitus incidentie en aantal ongeplande extubaties. De tijd voor het verzamelen van de gegevens varieerde van dertig minuten tot meer dan een uur per dag. Deze verschillen hadden te maken met het feit of er gebruikgemaakt werd van een registratiemodule. In deze studie is een set van elf indicatoren geselecteerd op basis van een literatuurstudie, expert opinion en een pilotstudie. De set geeft een snel overzicht van de kwaliteit van zorg op individuele ic-afdelingen. Om landelijke implementatie mogelijk te maken, is een elektronische dataverzameling van belang.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Kwaliteitsindicatoren voor de heelkunde. Ontwikkeling en toepassing van een set indicatoren | RIVM

In de media en in de wetenschap wordt in toenemende mate aandacht besteed aan de kwaliteit van medische zorg. Kwaliteit in de gezondheidszorg is belangrijk voor zowel patienten die een goede behandeling wensen, als voor artsen die goede kwaliteit willen leveren. Maar hoe kun je de kwaliteit van de gezondheidszorg inzichtelijk maken? Indicatoren kunnen mogelijk uitkomst bieden. In dit onderzoek is een set indicatoren ontwikkeld om de kwaliteit van de heelkunde in het ziekenhuis te meten. De Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) heeft opdracht gegeven aan het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) om deze set indicatoren te ontwikkelen om daarmee haar taak als toezichthouder te ondersteunen. Hierbij is intensief samengewerkt met de Nederlandse Vereniging voor Heelkunde (NVvH). De ontwikkeling van de indicatoren is in een aantal stappen uitgevoerd. De eerste stap betrof het identificeren van terreinen binnen de heelkunde waar de zorg potentieel verbeterd kon worden. In de tweede stap heeft literatuuronderzoek en de inbreng van experts een aantal potentiele indicatoren opgeleverd. In de derde stap is na een consensusprocedure een set van negen indicatoren gedefinieerd: het percentage reoperaties binnen dertig dagen, het percentage ziekenhuismortaliteit, het percentage postoperatieve wondinfecties, het percentage choledochusletsels, de gemiddelde opnameduur na appendectomie, de postoperatieve opnameduur na colonresecties, de wachttijd bij heupfracturen, het percentage proefthoracotomie en het percentage pneumonectomie versus lobectomie. In een haalbaarheidsonderzoek is onderzocht in hoeverre de gegevens beschikbaar waren en op welke manier de gegevens ontsloten kunnen worden. Door de gebrekkige aansluiting bij bestaande systemen kostte de registratie veel tijd. De ontwikkeling van een goede structuur voor dataverzameling en verwerking is essentieel voor een goede implementatie van de indicatoren. Gedurende dit project heeft de NVvH in overeenstemming met de IGZ een aantal indicatoren opgenomen in de basisset 'Prestatie-indicatoren voor ziekenhuizen'. Hiermee is een belangrijke eerste stap gezet om de indicatoren in de toekomst te implementeren.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Sexually transmitted infections, including HIV, in the Netherlands in 2006 | RIVM

De landelijk dekkende soa-centra waar voor hoogrisicogroepen een laagdrempelige aanvullende curatieve soazorg wordt geboden, vormen de basis van de nationale soa surveillance. Ook in 2006 was chlamydia de meest gediagnosticeerde bacteriele soa in de soa-centra. Het percentage positieve testen bij heteroseksuele mannen en bij mannen die seks hebben met mannen (MSM),stabiliseerde in 2006. Chlamydia werd het meest gediagnosticeerd bij heteroseksuele jongeren. Het aantal gonorroe- en syfilisdiagnoses nam verder af in 2006. Beide infecties werden het meest gediagnosticeerd bij MSM. Daarnaast nam vanaf juli 2006 het aantal LGV-diagnoses onder MSM weer toe wat aangeeft dat continue alertheid hiervoor nodig blijkt. In juni 2007 waren in totaal 13.086 personen met hiv in Nederland geregistreerd. In 2006 zijn 871 nieuwe hiv-infecties gerapporteerd in de nationale hiv-registratie bij de Stichting HIV Monitoring. Het aandeel van MSM onder nieuw gerapporteerde hiv-infecties nam in 2006 verder toe. In de soa-centra werden soa vaak gediagnosticeerd bij hiv-positieve MSM. Zowel in preventie als interventie zijn innovatieve methoden nodig om de continue soa- en hiv-transmissie in deze hoogrisicogroep te verminderen. Ook onder bepaalde etnische groepen in Nederland (onder andere afkomstig uit Suriname, Nederlandse Antillen en Aruba) komt relatief vaker chlamydia, gonorroe en syfilis (alleen heteroseksuele mannen) voor dan onder autochtone Nederlanders, wat aangeeft dat preventie gericht op specifieke groepen essentieel is. De meerderheid van de heteroseksuelen met hiv rapporteerde de hiv-infectie te hebben opgelopen in het land van herkomst. Migratie blijft daarom een belangrijke risicofactor, ondanks een dalend aandeel in de nieuw gerapporteerde hiv-infecties. In 2006 nam het percentage ciprofloxacineresistente gonokokken verder toe tot 38% (onder MSM 45 %). Tot nu toe is er geen resistentie aangetoond tegen cefalosporines, de huidige eerste keus behandeling. Waakzaamheid blijft geboden.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Disease burden and related costs of cryptosporidiosis and giardiasis in the Netherlands | RIVM

De parasieten Giardia lamblia en Cryptosporidium spp. veroorzaken bij mensen darminfecties met diarree en buikgriep als gevolg. De ziektelast en de kosten van giardiasis zijn groter dan die van cryptosporidiosis. Beide parasitaire ziekten veroorzaken echter minder schade dan bijvoorbeeld de bacterie Campylobacter. Dit blijkt uit een vervolg op een eerdere studie naar gezondheidseffecten van zeven ziekteverwekkende micro-organisemen (pathogenen), die onder andere door voedsel kunnen worden overgedragen. Het onderzoek helpt het ministerie van VWS prioriteiten te stellen bij het voedselveiligheidsbeleid.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

The twelfth CRL-Salmonella workshop, 7 and 8 May 2007, Bilthoven, the Netherlands | RIVM

Op 7 en 8 mei 2007 organiseerde het Communautair Referentie Laboratorium (CRL) voor Salmonella een succesvolle bijeenkomst voor de Nationale Referentie Laboratoria (NRL's) voor Salmonella van alle Europese lidstaten. De bijeenkomst vond plaats in Bilthoven, Nederland. De workshop werd alweer voor het twaalfde jaar georganiseerd. Van ieder NRL was (minimaal) een deelnemer aanwezig. Verder waren er ook enkele gastsprekers aanwezig. In totaal namen 47 mensen deel aan de tweedaagse workshop. Het belangrijkste doel van de workshop was om de NRL's te informeren over de activiteiten van het CRL-Salmonella. Hiertoe werden door medewerkers van het CRL-Salmonella presentaties gegeven over de resultaten van de rondzendoefeningen (ringonderzoeken) waar de NRL's aan hadden deelgenomen. Ook werden de plannen voor het komende jaar besproken.Naast de activiteiten van het CRL, werden ook over diverse andere onderwerpen gediscussieerd. De volgende onderwerpen kwamen aan bod: zoonosen in Europa, WHO Global Salm-Surv programma, Salmonella Dublin in rundvee, Salmonella Typhimurium in kaas, onderzoek van de omgeving bij uitbraken, gebruik van serologische methoden voor het aantonen van Salmonella in varkens en pluimvee. De twee nieuwe Europese lidstaten, Roemenie en Bulgarije, waren voor het eerst aanwezig bij de workshop. De deelnemers van de NRL's uit deze landen vertelden kort iets over de activiteiten van hun instituten. Ook het NRL van de Voormalige Joegoslavische Republiek van Macedonie was voor het eerst aanwezig en gaf een korte presentatie.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Twelfth CRL-Salmonella interlaboratory comparison study (2007) on typing of Salmonella spp | RIVM

De Nationale Referentie Laboratoria van de 25 Europese lidstaten scoorden dit jaar goed bij de kwaliteitscontrole op Salmonella. Sinds 1992 zijn deze laboratoria verplicht deel te nemen aan deze kwaliteitstoets, het zogeheten ringonderzoek voor de typering van Salmonella. Zes laboratoria hadden een herkansing nodig. Elke lidstaat wijst een laboratorium aan, het Nationale Referentie Laboratorium (NRL), dat Salmonella afkomstig uit monsters van levensmiddelen of dieren aantoont en typeert. Jaarlijks wordt gecontroleerd of de laboratoria hun werk goed uitvoeren. De laboratoria krijgen hiertoe twintig stammen Salmonella opgestuurd waarvan zij de juiste naam moeten achterhalen. Naast de NRL's doen de zogeheten Enter-Net laboratoria (ENL's) mee aan de ringonderzoeken. Zij analyseren vooral monsters afkomstig van mensen. De NRL's wisten 95 procent van de stammen de juiste naam te geven. De ENL's konden dit van 91 procent van de stammen. Enkele NRL's en ENL's zijn bovendien op hun expertise getoetst om een subtypering van soorten Salmonella te maken. Ze kregen tien stammen voorgelegd van twee soorten, te weten Salmonella Enteritidis en Salmonella Typhimurium. De NRL's hebben 98 procent van de S. Enteritidis-stammen goed getypeerd, de ENL's 89 procent. Iets lastiger was de typering van de S. Typhimurium-stammen. De NRLs konden dit bij 91 procent van de stammen. De ENL's voor 89 procent. De organisatie van het ringonderzoek is in handen van het Communautair Referentie Laboratorium (CRL) voor Salmonella (CRL-Salmonella). De CRL-Salmonella is ondergebracht bij het RIVM. De organisatie van dit ringonderzoek wordt ondersteund door de Health Protection Agency (HPA) in Londen.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Immune effects of respiratory exposure to fragrance chemicals | RIVM

Inademing van de geurstoffen isoeugenol en cinnamal leidt bij muizen tot een immuunreactie in de ademhalingswegen. Dat blijkt uit experimenten uitgevoerd door het RIVM. Deze resultaten geven aan dat inademing van sommige geurstoffen zou kunnen leiden tot ongewenste effecten op het immuunsysteem. Geurstoffen komen voor in verschillende consumentenproducten, zoals cosmetica en geurproducten. Van verscheidene geurstoffen is bekend dat ze via de huid allergie kunnen veroorzaken, maar het is onbekend of ze ook allergische klachten of andere ongewenste immuunreacties kunnen veroorzaken via inademing. Tot nu toe is aangenomen dat inademing van geurstoffen niet schadelijk is voor de mens, omdat er geen blootstelling was via de ademhaling. De toepassing in geurproducten binnenshuis heeft hierin verandering gebracht. Het RIVM onderzocht in experimenten de effecten van inademing van isoeugenol en cinnamal, geurstoffen die huidallergie kunnen veroorzaken. Muizen werden via inademing blootgesteld aan de geurstoffen. De effecten op het immuunsysteem werden gemeten met de respiratoire lymfkliertest, die celdeling als reactie meet in de lymfeklieren van de ademhalingswegen. Inademing van zowel isoeugenol als cinnamal resulteerde in een stimulatie van het immuunsysteem van de ademhalingswegen. De effecten van isoeugenol waren sterker dan die van cinnamal. Dit is een verschil met blootstelling via de huid, waarbij beide geurstoffen eenzelfde potentie hebben om huidallergie te veroorzaken. Dit kan betekenen dat de effecten van geurstoffen op het immuunsysteem afhangen van de toedieningsroute. Om het gevaar van inademing van deze stoffen te kunnen voorspellen, zal de relevante blootstellingsroute moeten worden gebruikt. Voor cosmetica is dat via de huid, voor geurproducten via inademing. Om meer inzicht te krijgen in de risico's van geurstoffen in geurproducten, raadt het RIVM aan om meer geurstoffen te testen met de respiratoire lymfkliertest.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Invloed van de afstand tot een drukke verkeersweg op de lokale luchtkwaliteit en de gezondheid: een quick scan | RIVM

In dit briefrapport wordt ingegaan op de resultaten van meetcampagnes en modelberekeningen rondom (snel)wegen in Nederland. Hierbij wordt inzichtelijk germaakt dat de bijdrage van de snelweg aan het verkeersgerelateerde luchtverontreinigingsmengsel afhankelijk is van het soort component die gemeten is. De bijdrage van fijn stof gemeten als PM10 en PM2.5 is relatief beperkt, terwijl de bijdrage van componenten als roet, elementair koolstof, stikstofdioxide en ultrafijne deeltjes aanmerkelijk groter is. Daarnaast beperkt de invloed van het verkeer zich niet tot de eerste honderd meters, hoewel daar wel de sterkste afname in de bijdrage plaats vindt, maar is tot op ca. 1000 meter een bijdrage waarneembaar. Vervolgens wordt ingegaan op een beschrijving van de wetenschappelijke literatuur gericht op de relatie gezondheid en verkeersgerelateerde luchtverontreiniging. Hieruit blijkt dat er voldoende basis is om een verband te veronderstellen tussen het blootgesteld zijn aan verkeersemissies en negatieve gezondheidseffecten. Op basis van deze studies kan er echter geen afstand worden aangegeven waarbinnen wel en waarbuiten geen gezondheidseffecten zijn gevonden.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Hiv-survey onder Surinamers, Antillianen en Kaapverdianen in Rotterdam 2006 | RIVM

Het aantal hivbesmettingen onder Antillianen, Surinamers en Kaapverdianen laat zien dat hiv een blijvend probleem is binnen deze gemeenschappen. De nieuwe cijfers van een gezamenlijk onderzoek van het RIVM en de GGD Rotterdam Rijnmond tonen dit aan. Bij Surinamers komt hivbesmetting bij 0,8 % van de mensen voor, bij Kaapverdianen 0,7%. Deze cijfers zijn gelijk aan die uit eerder onderzoek in 2002-2003. Bij de Antillianen is het 0,8 tot 3,2%.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Hoogspanningslijnen en fijn stof. Een literatuuronderzoek | RIVM

Voor zover nu bekend beinvloeden bovengrondse hoogspanningslijnen de schadelijke effecten van fijn stof niet. Hoogspanningslijnen kunnen fijn stof soms wel elektrisch opladen, maar dat is te weinig om het meer dan normaal aan longen, luchtwegen en de huid te laten 'plakken'. Dit concludeert het RIVM uit een literatuuronderzoek in opdracht van het ministerie van VROM. Aanleiding voor het onderzoek was de bezorgdheid over hun gezondheid van mensen die bij een drukke verkeersweg en bij een hoogspanningslijn wonen. Die bezorgdheid is het gevolg van wetenschappelijke publicaties waarin wordt beweerd dat elektrische ontladingen bij de hoogspanningsdraden fijn stof kunnen opladen. Hierdoor zou er meer fijn stof in longen, luchtwegen of op de huid blijven 'plakken'. Dit zou er toe kunnen leiden dat de effecten van fijn stof (hart- en luchtwegaandoeningen) versterkt worden. Het mechanisme kent vier stappen. De eerste drie stappen - het ontstaan van elektrische ontladingen bij hoogspanningslijnen, opladen van fijn stof en verspreiden van het extra geladen fijn stof door de wind - zijn met metingen aangetoond. De vierde, beslissende stap - extra neerslag van fijn stof in longen luchtwegen of op de huid - is niet aannemelijk gemaakt. Veel extra lading op fijnstofdeeltjes leidt wel tot extra neerslag in de luchtwegen, maar daar is zeker een tien keer hogere lading voor nodig dan bij een hoogspanningslijn kan ontstaan. Een onderzoek met een metalen mal van luchtwegen lijkt wel op extra neerslag te wijzen, maar die resultaten kunnen zonder nader onderzoek niet naar effecten op de mens worden vertaald. Ook extra neerslag op de huid is tot nu toe niet aannemelijk gemaakt.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Recent developments in counterfeits and imitations of Viagra, Cialis and Levitra. A 2005-2006 update | RIVM

Er wordt een sterke trend waargenomen naar steeds professionelere vervalsingen en imitaties van Viagra, Cialis en Levitra ten aanzien van het uiterlijk van de tabletten, capsules en verpakking. Deze toenemende professionele presentatie zal potentiele gebruikers misleiden aan te nemen dat deze middelen legaal, werkzaam en veilig zijn. Echter, een groot gezondheidsrisico vormt het toenemende gebruik van krachtig werkzame stoffen, mengsels daarvan en het groeiend aantal werkzame stoffen in vervalste kruiden waarvan de veiligheid nooit is onderzocht (analoga). De consument is echter bij geen van deze producten zeker van de farmacologische of toxicologische veiligheid. Dit zijn de resultaten van een trendanalyse gebaseerd op illegale erectiemiddelen onderzocht door het RIVM, het Nederlands Forensisch Instituut en het Douane Laboratorium. De verdachte middelen werden in beslag genomen door de Nederlandse inspectiediensten buiten het officiele geneesmiddelen circuit gedurende 2005-2006. De onderzoeksresultaten werden samengebracht om een nauwkeuriger beeld te krijgen van de trends in Nederland en daarmee gepaard gaande gezondheidsrisico's. Het materiaal is aangevuld met gegevens van een Pan-Europees onderzoek naar de aanwezigheid van vervalste Cialis in het officiele circuit, een onderzoek naar de farmacologische werkzaamheid van sildenafil analoga en een literatuurstudie die aangeeft welke nieuwe analoga er in de nabije toekomst te verwachten zijn.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Guidance for the derivation of environmental risk limits within the framework of 'International and national environmental quality standards for substances in the Netherlands' (INS). Revision 2007 | RIVM

Dit rapport is de handleiding voor het afleiden van milieurisicogrenzen die worden gebruikt in het Nederlandse milieubeleid. Het rapport is een herziening van de INS-handleiding uit 2001. Nederland onderscheidt vier milieurisicogrenzen: het verwaarloosbaar risiconiveau (VR), het maximaal toelaatbaar risiconiveau (MTR), het ernstig risiconiveau (ER) en de maximaal toelaatbare concentratie voor ecosystemen (MACeco). Welke basisgegevens zijn nodig voor het afleiden van een milieurisicogrens? De handleiding geeft dit overzicht en beschrijft hoe deze literatuurgegevens moeten worden geevalueerd op juistheid en bruikbaarheid. Vervolgens wordt de methodiek voor het afleiden van milieurisicogrenzen beschreven, inclusief de benodigde berekeningen. Voor water en sediment is deze gelijk aan de methodiek zoals voorgeschreven voor de Europese Kaderrichtlijn Water. Voor bodem is direct aangesloten op de technical guidance documenten (TGD) voor EU risicobeoordelingen van nieuwe en bestaande stoffen en biociden. De overige milieurisicogrenzen, bijvoorbeeld het VR en het ER, zijn onderdeel van het Nederlandse milieubeleid en voor de afleiding van deze risicogrenzen worden aparte procedures beschreven.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Jaaroverzicht Luchtkwaliteit 2003-2006 | RIVM

In Nederland zijn tussen 2003 en 2006 Europese normen voor de luchtkwaliteit overschreden. Dit geldt in het bijzonder voor stikstofdioxide, fijn stof en ozon. Vooral in 2003 was het aantal overschrijdingen hoog, mede vanwege weersomstandigheden als langdurige droge periodes. Dit blijkt uit meetresultaten van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit van het RIVM. Vooral in de jaren 2003 en 2006 waren er enkele dagen met ernstige smog door ozon (concentraties boven de Europese alarmdrempel). Deze overschrijdingen traden vooral op tijdens hittegolven. Op ongeveer de helft van de meetlocaties in straten waar het verkeer in hoge mate bijdraagt aan de stikstofdioxideconcentratie, ligt de gemiddelde concentratie per jaar boven het gestelde maximum. De concentraties stikstofdioxide op plattelandslocaties zijn de afgelopen vier jaar relatief weinig veranderd en liggen onder de norm. De fijnstofconcentraties zijn de afgelopen drie jaar relatief constant geweest, na een piek in 2003. Voor fijn stof geldt een norm voor lang- en kortdurende blootstelling van de bevolking. Dit is een jaargemiddelde en een daggemiddelde dat slechts een aantal keer per jaar mag worden overschreden. In 2006 is op diverse locaties het maximum aantal dagen van de norm voor de kortdurende blootstelling overschreden. De jaargemiddelden van 2003 tot en met 2006 liggen onder de norm voor langdurende blootstelling. Gemeten over een langere termijn, vijftien en veertien jaar, vertonen zowel stikstofdioxide als fijn stof een duidelijke daling in de jaargemiddelde concentraties. Voor de afgelopen zeven jaar is niet te bepalen of deze trend nog steeds opgaat.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Nanodeeltjes in water | RIVM

De komende jaren krijgen we steeds vaker te maken met nanotechnologie. Nanodeeltjes bieden nieuwe mogelijkheden, omdat ze klein zijn. Nanotechnologie wordt nu al gebruikt in bijvoorbeeld autolak, autobanden, schoenspray en zonnebrandcreme. De markt voor nanotechnologie groeit dan ook razendsnel. Onderzoekers en gebruikers zijn het met elkaar eens: deze nieuwe technologie gaat veel betekenen. Maar bij nieuwe technologieen horen onzekerheden. Wat precies de voor- en nadelen zijn, kan niemand nog volledig inschatten. Het toenemende gebruik en de groeiende (maatschappelijke) aandacht voor de risico's van nanotechnologieen vormden de aanleiding voor een uitgebreide literatuurstudie naar de mogelijke toepassingen en risico's. Deze studie richt zich daarbij specifiek op het watermilieu en drinkwater. Het rapport 'Nanodeeltjes in water' is een gezamenlijk project van Rijkswaterstaat, Kiwa Water Research, Vewin en het RIVM; laatstgenoemde is door de regering aangewezen als 'observatiepost nanotechnologie'. De studie geeft een overzicht van de beschikbare informatie over kansen en bedreigingen van nanotechnologie in relatie tot water . Het beschrijft de tot nu toe bekende effecten van nanodeeltjes voor het watermilieu en voor de mens en de mogelijkheden voor toepassing in de (drink)waterzuivering. Er zijn echter nog diverse kennislacunes, waardoor het moeilijk is de risico's in te schatten. Daarom geeft het rapport ook aan welke zaken nog moeten worden onderzocht om beter zicht op de risico's te krijgen. Daarnaast geeft het rapport inzicht in de nationale en Europese regelgeving die betrekking heeft op nanodeeltjes. Kortom: een overzichtsrapport dat inzicht geeft in wetenschappelijke stand van zaken rond nanotechnologie in relatie tot water. Het is daarmee een aanzet voor verder onderzoek en kan als basis dienen voor beleid en regelgeving.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Groepsrisico op de kaart gezet. Toelichtend rapport | RIVM

Het RIVM heeft in samenwerking met TNO twee methoden uitgewerkt om in een bepaald gebied de kans op een ongeval met een groot aantal slachtoffers (het groepsrisico) inzichtelijker te maken. Uitgangspunt is een zogeheten gebiedsgerichte benadering. Het groepsrisico wordt veroorzaakt door de aanwezige gevaarlijke stoffen in een gebied, zoals bij bedrijven en tijdens het transport ervan. De nieuwe benadering maakt het groepsrisico op een kaart inzichtelijk. In de oorspronkelijke, wetenschappelijke weergave in een grafiek ontbreekt dit overzicht. De methoden geven het groepsrisico (GR) weer op twee kaarten: de GR-gebiedskaart en de GR-bijdragekaart. De GR-gebiedskaart geeft inzicht in de grootte van het groepsrisico in een bepaald gebied. De GR-bijdragekaart zoomt in op de deelgebieden die het meeste bijdragen aan het groepsrisico. De twee kaarten zijn een aanvulling op de oorspronkelijke weergave, die het groepsrisico in een grafiek weergeeft. De kaarten worden bij voorkeur samen gebruikt bij het maken van beleid, zoals vergunningaanvragen of bestemmingsplannen. Daarnaast kunnen de kaarten worden ingezet bij de ontwikkeling van veiligheidsbeleid en de verantwoording van het groepsrisico door overheden. De methoden zijn in drie casussen getoetst op hun bruikbaarheid. Een voorbeeld is het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor in Dordrecht. De resultaten van het onderzoek zijn in workshops voorgelegd aan betrokken partijen. Het onderzoek is in twee rapporten weergegeven. Het hoofdrapport beschrijft hoe je de methoden kunt toepassen. Het toelichtende rapport gaat in op de onderzoeksmethode.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Richtlijn: bepalen van de orale biobeschikbaarheid van lood uit de bodem | RIVM

Het RIVM heeft een richtlijn ontwikkeld om nauwkeurig te bepalen hoeveel lood in de grond op een specifieke locatie schadelijk is voor de mens. Hierdoor is beter in te schatten of maatregelen nodig zijn om de loodverontreiniging aan te pakken. De bodem in Nederland is op een groot aantal locaties verontreinigd met lood. Vooral kinderen lopen gevaar doordat ze naar schatting gemiddeld 100 mg grond via hun vuilgemaakte handen inslikken. Echter, niet al het lood in de bodem komt na inname beschikbaar in het lichaam. Een deel van het lood hecht bijvoorbeeld aan de bodemdeeltjes en wordt uitgescheiden via de ontlasting. Het overige lood dat in de bloedbaan terechtkomt vormt een (potentieel) risico voor de gezondheid van mensen. Dit rapport beschrijft een richtlijn voor het bepalen van het biobeschikbare lood uit de bodem, dat wil zeggen de hoeveelheid lood die in het bloed kan komen en schade kan aanrichten. De richtlijn bevat een protocol voor het nemen en meten van bodemmonsters. Deze worden getest in een kunstmatig maag-darmsysteem (digestiemodel) om realistisch de relatieve orale biobeschikbaarheidsfactor te berekenen. Dit is een maat voor het biobeschikbare gedeelte lood in de bodem. Deze maat kan worden ingevoerd in een blootstellingsmodel om het humane risico te berekenen. De richtlijn is bestemd voor laboratoria die de biobeschikbaarheid van lood uit bodems willen bepalen. Door de bepaling uit deze richtlijn wordt de risicobeoordeling realistischer en in de meeste gevallen minder conservatief. Ook vraagt het RIVM de laboratoria om hun resultaten door te geven voor gegevensonderzoek. Door relaties te leggen tussen bodemkarakteristieken en de biobeschikbaarheid van lood wordt het wellicht in de toekomst mogelijk de biobeschikbaarheid van lood in de bodem te schatten op basis van eenvoudige bodemeigenschappen.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Groepsrisico op de kaart gezet. Hoofdrapport | RIVM

Het RIVM heeft in samenwerking met TNO twee methoden uitgewerkt om in een bepaald gebied de kans op een ongeval met een groot aantal slachtoffers (het groepsrisico) inzichtelijker te maken. Uitgangspunt is een zogeheten gebiedsgerichte benadering. Het groepsrisico wordt veroorzaakt door de aanwezige gevaarlijke stoffen in een gebied, zoals bij bedrijven en tijdens het transport ervan. De nieuwe benadering maakt het groepsrisico op een kaart inzichtelijk. In de oorspronkelijke, wetenschappelijke weergave in een grafiek ontbreekt dit overzicht. De methoden geven het groepsrisico (GR) weer op twee kaarten: de GR-gebiedskaart en de GR-bijdragekaart. De GR-gebiedskaart geeft inzicht in de grootte van het groepsrisico in een bepaald gebied. De GR-bijdragekaart zoomt in op de deelgebieden die het meeste bijdragen aan het groepsrisico. De twee kaarten zijn een aanvulling op de oorspronkelijke weergave, die het groepsrisico in een grafiek weergeeft. De kaarten worden bij voorkeur samen gebruikt bij het maken van beleid, zoals vergunningaanvragen of bestemmingsplannen. Daarnaast kunnen de kaarten worden ingezet bij de ontwikkeling van veiligheidsbeleid en de verantwoording van het groepsrisico door overheden. De methoden zijn in drie casussen getoetst op hun bruikbaarheid. Een voorbeeld is het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor in Dordrecht. De resultaten van het onderzoek zijn in workshops voorgelegd aan betrokken partijen. Het onderzoek is in twee rapporten weergegeven. Het hoofdrapport beschrijft hoe je de methoden kunt toepassen. Het toelichtende rapport gaat in op de onderzoeksmethode.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Op weg naar de landelijke invoering van perinatale audit | RIVM

Binnenkort gaat landelijk de perinatale audit van start, waarin systematisch onderzoek wordt verricht naar de kwaliteit van de zorg bij perinatale sterfte. Het RIVM heeft hiervoor een uitvoeringsplan opgesteld. De aanleiding is de minder snel dalende sterfte rond de geboorte in Nederland in vergelijking met omringende landen. Er zijn aanwijzingen dat gezondheidswinst is te behalen door verbeteringen in preventie en zorg. Een belangrijk instrument om de kwaliteit van de perinatale zorg te verbeteren is de perinatale audit. De kern van het plan bestaat uit een systeem met twee complementaire pijlers: periodieke regionale audits van alle sterftegevallen, uitgevoerd door de direct betrokkenen in de perinatale ketenzorg, en jaarlijks een landelijke audit over een specifiek thema of onderwerp, uitgevoerd door een landelijk panel van zorgverleners en deskundigen. Regionale audit biedt mogelijkheden tot directe aanpassingen van het plaatselijke zorgbeleid. Landelijke thematische audits kunnen leiden tot aanpassing of ontwikkeling van richtlijnen en tot aanbevelingen over de implementatie van bestaande richtlijnen, (na)scholing of beleidsveranderingen (preventie, zorgsystemen). Voor de uitvoering van perinatale audit moet aan een aantal voorwaarden worden voldaan, zoals een complete registratie van de perinatale sterfte en een (geautomatiseerde) gegevensstroom vanuit de bestaande zorgregistraties van de beroepsgroepen naar het auditsysteem. Ook een duidelijk juridisch kader voor bescherming van persoonsgegevens van zowel patient als hulpverlener (blame free deelname) is essentieel. De audit dient onderdeel te worden van het kwaliteitsbeleid (accreditatie, visitatie, (her)registratie). Het op te richten Landelijk Bureau Perinatale Audit zal de invoering van perinatale audit faciliteren en coordineren en de auditactiviteiten en -resultaten evalueren.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Risks associated with the lay use of 'over-the-counter' medical devices. Study on infrared thermometers and wound care products | RIVM

Uit de beoordeling van dossiers van twee soorten 'over-the-counter' medische hulpmiddelen (infraroodthermometers en wondverzorgingsproducten) kwamen substantiele tekortkomingen naar voren in de risicoanalyses, de gebruikersinformatie en de post-market surveillance procedures. Deze drie onderdelen spelen een belangrijke rol in het waarborgen van het veilig gebruik van een product. Deze waarborging vindt plaats door risico's zoveel mogelijk te beperken in de ontwerpfase van het product, door het informeren van de gebruiker over resterende risico's en door post-market surveillance procedures te volgen. Met name voor 'over-the-counter' medische hulpmiddelen, een snel groeiend marktsegment, is informatie voor de (ongeoefende) gebruiker belangrijk. Aan toepassing door ongeoefende gebruikers en aan mogelijke gebruiksfouten werd vaak geen aandacht besteed in de risicoanalyses en onvoldoende in de gebruikersinformatie. Bovendien was de samenhang tussen de onderwerpen in de risicoanalyses en de gebruikersinformatie matig. In de gebruikersinformatie werden meer resterende risico's voor het gebruik van het product beschreven dan in de risicoanalyses. De begrijpelijkheid van de gebruikersinformatie werd vaak verminderd door slechte leesbaarheid en moeilijk taalgebruik. Goede gebruikersinformatie is heel belangrijk voor de veilige toepassing van medische hulpmiddelen voor zelfgebruik, vooral als de te gebruiken hulpmiddelen ingewikkeld en/of relatief nieuw voor de consumentenmarkt zijn. Van 16 producten 8 infrarood thermometers en 8 wondverzorgingsproducten- werd de documentatie opgevraagd. Deze documentatie omvatte de risicoanalyse, de gebruikersinformatie, de post-market surveillance procedure en, indien beschikbaar, de resultaten van studies uitgevoerd met leken. Voor alle producten werden dossiers ontvangen, maar deze documentatie was vaak incompleet, vooral van de thermometers. Het ontbreken van risicoanalyses en post-market surveillance procedures was opmerkelijk, aangezien de documenten belangrijke vereisten zijn in het Besluit medische hulpmiddelen.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Milieukwaliteit en nutrientenbelasting : Achtergrondrapport milieukwaliteit van de Evaluatie Meststoffenwet 2007 | RIVM

Door het mestbeleid zijn de stikstof- en fosfaatoverschotten op landbouwbedrijven in Nederland tot 2001 afgenomen. Vanaf 2001 stabiliseren de overschotten. De kwaliteit van de bodem is gelijk gebleven of verslechterd. De kwaliteit van het grondwater is tot 2002 verbeterd, daarna globaal gelijk gebleven. De kwaliteit van oppervlaktewater is verbeterd, al is het voor de periode na 2001 niet duidelijk wat hiervan de reden is. Doordat meer meststoffen (stikstof en fosfaat) worden toegediend dan voor gewasgroei nodig is, ontstaan overschotten. Hierdoor wordt het milieu belast. Het RIVM heeft de invloed van deze overschotten op de kwaliteit van bodem, grond- en oppervlaktewater nabij landbouwbedrijven onderzocht. In het mestbeleid is tot op heden sprake van een fosfaatoverschot op de bodem. Hierdoor is de fosfaatverzadingsgraad van landbouwgronden de afgelopen jaren verder toegenomen. Inmiddels is meer dan 56 procent van de landbouwgronden verzadigd met fosfaat. De Europese norm voor nitraat in het grondwater op landbouwbedrijven wordt nog niet overal gehaald. In klei- en veengebieden is de gemiddelde nitraatconcentratie lager dan de Europese norm. In zand- en lossgebieden wordt deze norm gemiddeld nog overschreden. De concentraties stikstof en fosfaat in het oppervlaktewater blijven dalen, al neemt de daling ten opzichte van eerdere jaren wel af. Meer dan de helft van de locaties (57 procent) in regionale wateren voldoet aan de norm (Maximaal Toelaatbaar Risico) voor fosfaat. Circa 34 procent van de locaties voldoet aan deze norm voor stikstof.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Methodiek voor toepassing fasering en doelverlaging op grondwater | RIVM

Nederland zal in sommige gevallen niet kunnen voldoen aan de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW). Het RIVM biedt een stappenplan voor het toepassen van uitzonderingsbepalingen in situaties waarin grondwater een belangrijke rol speelt. De KRW voor water stelt doelen die uiterlijk 2015 moeten zijn gehaald. Zo is een goede grondwatertoestand nodig ter bescherming van natuurgebieden die afhankelijk zijn van grondwater. Het zal voor Nederland in sommige gevallen moeilijk worden om deze doelen te bereiken. Het is echter mogelijk om onder voorwaarden uitzonderingsbepalingen toe te passen. Twee belangrijke uitzonderingsbepalingen zijn fasering, waarbij het bereiken van een doel wordt uitgesteld tot 2021 of 2027, en doelverlaging, waarbij men accepteert dat een doel naar beneden wordt bijgesteld, zoals een lagere grondwaterkwaliteit. Dit rapport bevat een stappenplan om na te gaan of een situatie met grondwater in aanmerking komt voor een uitzonderingsbepaling. Ook is het stappenplan getoetst met behulp van twee voorbeelden. Een van de voorbeelden betreft overschrijding van de norm voor bestrijdingsmiddelen door bentazon. Het gebruik van dit gewasbeschermingsmiddel is nog maar een kwart van wat tien jaar geleden werd gebruikt. Doordat de stof slecht biologisch afbreekbaar is, is het intensieve gebruik van bentazon in het verleden zichtbaar door de huidige overschrijdingen van de Europese norm voor bestrijdingsmiddelen in het Nederlandse grondwater. Ondanks het verminderde gebruik van de stof zullen er ook in 2015 nog overschrijdingen zijn door dit gebruik in het verleden. Voor deze historische verontreiniging kan fasering worden aangevraagd. Binnen het Nederlandse toelatingsbeleid voor bestrijdingsmiddelen kunnen ook nieuwe overschrijdingen van de Europese norm voor bestrijdingsmiddelen ontstaan. Er moet daarom onderzocht worden of het toelatingsbeleid voor bentazon kan worden herzien, zodat het aansluit bij de Europese Kaderrichtlijn Water.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Diabetes in Nederland. Omvang, risicofactoren en gevolgen, nu en in de toekomst | RIVM

Dit rapport beschrijft de huidige situatie rondom diabetes in Nederland en de toekomstige situatie bij ongewijzigd beleid. In 2003 hadden ruim 600.000 Nederlanders diabetes, een ernstige chronische ziekte. Vooral door de vergrijzing en het toenemende aantal mensen met overgewicht kan het aantal mensen met diabetes in 2025 verdubbelen. Minimaal vijf miljoen Nederlanders hebben overgewicht en/of zijn lichamelijk inactief, waardoor zij een verhoogd risico op diabetes hebben. Daarnaast zijn er 900.000 mensen van 60 jaar en ouder die een voorstadium van diabetes hebben (Impaired Glucose Tolerance) en 115.000 tot 300.000 mensen weten niet dat ze diabetes hebben. Diabetes is een ernstige chronische ziekte. Minimaal 40 tot 56 procent van de mensen met diabetes heeft last van een of meerdere chronische complicaties van diabetes, zoals hart- en vaatziekten, oogafwijkingen en nieraandoeningen. De kans op deze complicaties stijgt naarmate mensen de ziekte langer hebben en als gevolg van hoge bloedsuikerwaarden, een te hoge bloeddruk en een te hoog cholesterolgehalte. Preventie- en zorgactiviteiten kunnen het risico op diabetes en op de complicaties ervan verminderen. Dit kan door een gezonde leefstijl te bevorderen bij mensen met een verhoogd risico op diabetes; door vroege opsporing en behandeling te stimuleren van mensen met een verhoogd risico of met ongediagnosticeerde diabetes; en door goede (keten) zorg te bevorderen voor mensen met diabetes. Het ministerie van VWS ontwikkelt momenteel een Nationaal Diabetes Actieprogramma. Het RIVM berekent of en in welke mate de activiteiten uit dit programma effect hebben op het aantal mensen met diabetes en de complicaties ervan. Hiervoor zijn gegevens nodig over de huidige situatie rondom diabetes in Nederland, die in dit rapport beschreven zijn.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Overgewichtpreventie in het voortgezet onderwijs: het landelijke en regionale beeld | RIVM

In het voedings- en beweegaanbod op middelbare scholen zijn verbeteringen mogelijk die kunnen bijdragen aan een reductie van overgewicht bij de jeugd. Dit blijkt uit de eerste landelijke enquete naar de preventie van overgewicht op middelbare schoollocaties in Nederland. Bijna 90 % van de schoollocaties heeft een kantine en/of frisdrankautomaat en 77 % heeft een snoepautomaat. Ruim de helft omschrijft het aanbod van producten op school als overwegend calorierijk. In veel gevallen kan de directie het aanbod beinvloeden: 60 % kan de samenstelling van de automaten aanpassen en 80% heeft invloed op het kantineaanbod. Slechts een kwart verwacht echter een verandering van het aanbod in het komende half jaar. Ook de omgeving van de school is van belang. Driekwart van de schoollocaties bevindt zich op minder dan 1 km afstand van een supermarkt, snackbar of tankstation. Op ongeveer de helft van de schoollocaties hebben leerlingen toegang tot deze voorzieningen omdat ze in tussenuren en pauzes het schoolterrein mogen verlaten. Op de meeste schoollocaties wordt in de onderbouw 3 tot 4 uur lichamelijke opvoeding per week gegeven. De capaciteit van de sportzalen wordt door 25% als onvoldoende ervaren. Het schoolterrein zelf biedt vaak mogelijkheden om te bewegen. Op 80% van de schoollocaties kunnen jongeren op of rondom het terrein wandelen en 40% van de schoollocaties biedt extra sportfaciliteiten op het schoolterrein. De verkeersveiligheid in de buurt van de school wordt door 90% als gemiddeld tot zeer veilig beoordeeld. Er is nog veel verbetering mogelijk. Slechts eenderde van de schoollocaties geeft buiten het reguliere onderwijs aandacht aan het thema overgewicht. Op 13% van de schoollocaties zijn er richtlijnen voor signalering, advisering en hulpverlening voor kinderen met overgewicht. De meeste schoollocaties verwachten in de toekomst meer aandacht te geven aan overgewicht. Gezien de verwachte toename van overgewicht onder jongeren in Nederland adviseert RIVM dat scholen deze voornemens in de praktijk brengen.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Emissies van schadelijke stoffen bij branden | RIVM

Het RIVM heeft onderzocht welke schadelijke stoffen vrijkomen bij branden met bepaalde soorten materialen, zoals autobanden, kunststoffen of hout. Hulpverleners en ondersteunende diensten kunnen deze gegevens gebruiken om bij een brand te bepalen op welke stoffen wordt gemeten, een risicobeoordeling te maken en eventuele maatregelen te treffen. Van de meeste stoffen die bij brand vrijkomen zijn verhoogde concentraties in de lucht te meten, maar dat is niet per definitie schadelijk voor de gezondheid. Op locaties vanaf een kilometer van de brandhaard zijn deze risico's verwaarloosbaar. Uitzonderingen daarop zijn zeer grote branden. Sommige stoffen, zoals koolmonoxide en fijn stof, komen bij vrijwel elke brand vrij. Andere stoffen worden voornamelijk gevormd als er specifieke materialen in de brandhaard aanwezig zijn. Voorbeelden zijn zoutzuur en dioxinen bij verbranding van PVC. In dit rapport staan per type materiaal de omvang van de uitstoot van de belangrijkste verbrandingsproducten in een beknopt en handzaam overzicht weergegeven. Voor het onderzoek zijn literatuurgegevens gecombineerd met metingen van de Milieu Ongevallen Dienst (MOD) van het RIVM. Deze dienst heeft in de afgelopen jaren bij meer dan vijftig branden de concentraties stoffen in de lucht en de neerslag ervan in de omgeving gemeten. Het onderzoek maakt duidelijk dat van sommige stoffen meer inzicht gewenst is in de concentraties die bij brand vrijkomen en of zij schadelijk zijn voor mens en milieu. Een voorbeeld hiervan zijn broomhoudende brandvertragers in kunststoffen die in computers zitten.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Het 'VELD'-project, addendum. Uitwerking juli en augustus 2003 | RIVM

In een gebied van 3x3 km rond het dorp Vragender in de Achterhoek zijn uitgebreid metingen van ammoniakconcentraties (NH3) gedaan en emissies berekend aan de hand van in detail geregistreerde agrarische activiteiten. Op basis van deze emissies zijn modelberekeningen gedaan met het OPS-STe (korte termijn) verspreidingsmodel.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Milieuaandachtsgebieden | RIVM

Veel woningen in stedelijke gebieden in Nederland ondervinden milieuproblemen. Met name de grote steden hebben last van geluidsoverlast en vervuilde lucht. Dit blijkt uit een inventarisatie van het RIVM. Dit rapport biedt een globaal overzicht van de milieuproblemen in stedelijk gebied. In opdracht van het ministerie van VROM inventariseerde het RIVM de milieubelasting in stedelijke gebieden. Hierbij werd gekeken naar luchtkwaliteit, geluid, bodem en externe veiligheid. Bij de inventarisatie is naar stedelijke postcodegebieden gekeken waarin zich woningen met een kritieke milieubelasting bevinden. Uit de inventarisatie blijkt dat veel woningen in stedelijke gebieden een overschrijding van kritische grenswaarden voor milieubelasting ondervinden. De overschrijding wordt vaak veroorzaakt door luchtvervuiling, in de vorm van hoge concentraties fijn stof en stikstofdioxide, en lawaai van weg- en railverkeer. Vooral in Rotterdam, Amsterdam, Den Haag, Utrecht en Noord-Brabant spelen deze problemen. Deelkaarten in dit rapport geven per postcodegebied aan welke milieuproblemen zich ter plaatse voordoen en hoe ernstig deze zijn. De kaarten bieden beleidsmakers en planologen een overzicht van de gebieden die in milieutechnisch opzicht aandacht vragen.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Baten van geluidmaatregelen | RIVM

Vermindering van omgevingsgeluid door het weg- en railverkeer in stedelijke gebieden in Nederland levert forse maatschappelijke baten op. Hierdoor worden gebieden nabij deze bronnen aantrekkelijker om te wonen en te bouwen. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM in opdracht van het ministerie van VROM. Het RIVM inventariseerde de maatschappelijke baten van diverse geluidsmaatregelen, zoals stille banden, geluidsarm asfalt en geluidsschermen. Dit gebeurde aan de hand van Hedonic Pricing, een manier om de invloed van geluid op huizenprijzen te beoordelen. Ook is gekeken naar verschillen in grondprijzen voor gebieden die wel of niet geschikt zijn voor nieuwe woningbouw. Uit het onderzoek blijkt dat voor wegverkeer stille banden en geluidsarm asfalt het meest kosteneffectief zijn. Deze maatregelen pakken het geluid aan bij de bron. Geluidsschermen zijn minder kosteneffectief. Ook langs spoorwegen zullen bronmaatregelen forse baten opleveren. De totale omvang van de te realiseren baten bedraagt circa 7 miljard euro in de vorm van waardestijging van woningen en bouwgronden. De meeste van de gebieden grenzen aan stedelijke verkeerswegen en spoorwegen. Geluidsmaatregelen kunnen ook de waarde van natuur- en stiltegebieden verhogen. Deze waardetoename wordt geschat op ruim 60 miljoen euro, op grond van een hogere betalingsbereidheid bij bezoekers voor stiltekwaliteit. Het is echter meestal niet mogelijk om deze baten kosteneffectief te realiseren. Alleen in natuurgebieden die veel bezoekers trekken, zoals bijvoorbeeld het Nationaal Park 'Dwingelderveld' in Drenthe, kunnen de baten opwegen tegen de kosten.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Monitoring kwaliteit bouwstoffen 2006 - Een vergelijking met de monitoringdata 2003/2004 en 2005 | RIVM

In 2004 is een aantal maximale waarden voor vervuilende stoffen uit steenachtige bouwstoffen tijdelijk verruimd. Deze verontreinigende stoffen komen via regenwater in de bodem en het oppervlaktewater terecht. Ondanks de verruiming zijn er hierin in het algemeen geen hogere concentraties aangetroffen. Dit betekent dat in 2005 en 2006 de zogeheten milieuhygienische kwaliteit van bouwstoffen niet is verslechterd. Onderzoek van het RIVM en INTRON, in opdracht van het ministerie van VROM, heeft dit aangetoond. Als regenwater langs bouwwerken stroomt, neemt het daaruit stoffen op, zoals metalen en zoutresten. Deze stoffen komen vervolgens met het water in de bodem en het oppervlaktewater terecht. Het gaat hierbij om steenachtige bouwstoffen uit huizen, wegen en dijken. Voor dit proces, uitlogen geheten, zijn maximale waarden vastgesteld. RIVM en INTRON hebben de uitloging van een groot aantal bouwstoffen voor en na de verruiming gevolgd. De normen zijn in aanloop naar de vernieuwing van het Bouwstoffenbesluit tijdelijk verruimd om ze beter aan te laten sluiten bij de bouwpraktijk. De nieuwe regeling zal in de loop van 2007 in werking treden.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Kwaliteitsborging van radiodiagnostische apparatuur - Overzicht van publicaties sinds 2004 | RIVM

Het Britse handboek voor de kwaliteitsborging (Quality Assurance) van CT-scanners en andere rontgentoestellen, kan met enkele aanpassingen ook in Nederland gebruikt worden. Dit blijkt uit een literatuurstudie van het RIVM naar de kwaliteitsborging van deze apparaten. Beelden van CT-scanners en andere rontgentoestellen moeten goed genoeg zijn om een juiste diagnose te kunnen stellen. Ze worden gemaakt met rontgenstraling en die is schadelijk voor de gezondheid. De beelden worden echter vaak beter als er meer straling wordt gebruikt. Om goede beelden te krijgen met een zo laag mogelijke stralingsdosis is er veel aandacht nodig voor het optimaal laten functioneren van de apparatuur. Het geheel van maatregelen die hieraan bijdragen wordt kwaliteitsborging genoemd. Er is in Nederland geen algemeen handboek voor de kwaliteitsborging van CT-scanners en andere rontgenapparaten. Uit het onderzoek van het RIVM blijkt dat het Britse handboek, aangevuld met enkele andere documenten, vrij eenvoudig naar de Nederlandse praktijk vertaald kan worden. Wel is er nog een enkele toevoeging nodig en moeten grenswaarden worden aangepast aan de Nederlandse regelgeving.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Registratie voedselinfecties en -vergiftigingen bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg en Voedsel en Waren Autoriteit, 2006 | RIVM

De laatste twee jaar blijft het aantal gemelde ziektegevallen door een voedselinfectie laag. De meeste patienten werden in 2006 getroffen door het norovirus, maar Salmonella veroorzaakte de meeste ziekenhuisopnames. Dat blijkt uit een analyse door het RIVM op basis van registratiecijfers van de Voedsel en Waren Autoriteit (VWA) en de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ). De VWA kreeg in 2006 530 meldingen van consumenten over voedselinfecties. Dit aantal ligt nagenoeg op hetzelfde niveau als de 535 meldingen in 2005, maar er zijn steeds minder ziektegevallen bij betrokken. Dit duidt op een dalende trend van het aantal ziektegevallen door voedselinfecties. Ook bij IGZ, dat de wettelijk verplichte melding van artsen verzamelt, is deze trend zichtbaar, hoewel iets minder duidelijk. Lag het aantal meldingen van voedselinfecties bij IGZ in 2001 op 143, sinds 2004 schommelt dit aantal rond de 90. Belangrijkste verwekkers van voedselinfecties waren in 2006 het norovirus, Campylobacter en Salmonella. Het norovirus zorgde in 2006 voor de meeste ziektegevallen (280 patienten). Salmonella bleef echter verantwoordelijk voor 79 % van de 25 ziekenhuisopnames door voedselinfectie. Hierbij moet worden aangetekend dat ondanks de toegenomen aandacht, de GGD en de VWA nog te weinig het norovirus vaststellen als oorzaak van de voedselinfectie. De registraties door VWA en IGZ liggen fors lager dan het werkelijke voorkomen, dat wordt geschat op 300.000 tot 750.000 gevallen per jaar. Dit duidt erop dat blijvende aandacht voor voedselveiligheid is vereist bij overheid, bij producenten, leveranciers en bereiders van voedsel en bij consumenten. Consumenten kunnen een voedselinfectie oplopen door het eten van rauw of onvoldoende gaar voedsel, een slechte hygikne en kruisbesmetting bij het bereiden en bewaren van voedsel. Het RIVM adviseert om gerichte voorlichting te bevorderen.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Zwaveldioxide-uitstoot van zeeschepen op afstand gemeten met lidar | RIVM

Het RIVM heeft een instrument ontwikkeld om de zwaveldioxide-uitstoot van zeeschepen te meten. In een proefstudie van vijf meetdagen werd voor 24 schepen op de Westerschelde de uitstoot bepaald. Een groot aantal daarvan bleek forse hoeveelheden zwaveldioxide uit te stoten. Zwaveldioxide is een bron van verzuring en is schadelijk voor het milieu. Diverse beleidsmaatregelen hebben de uitstoot van andere bronnen van zwaveldioxide, zoals verkeer, industrie en elektriciteitsopwekking, flink teruggedrongen. Het aandeel van de scheepvaart in de totale uitstoot wordt daardoor steeds groter. Zeeschepen mogen binnen de territoriale wateren niet op zwavelrijke brandstof varen. Deze relatief goedkope brandstof mag echter wel aan boord zijn voor gebruik op zee. Het is onbekend in hoeverre reders zich aan dit verbod houden. Met traditionele meetmethoden is een overtreding moeilijk vast te stellen aangezien deze metingen aan boord plaatsvinden. De bemanning is daardoor op de hoogte van de meting en kan het stookgedrag aanpassen. De nieuwe techniek heet LIDAR (light detection and ranging) en meet vanaf de wal. Het lidarinstrument scant met een laserbundel de rookpluim van een passerend schip en stelt zo onopgemerkt de uitstoot vast. Een voordeel van deze methode is dat nagenoeg elk voorbijvarend schip kan worden gemeten, in plaats van slechts enkele schepen per dag. Op het vasteland worden zwaveldioxide-emissies van industriele installaties beperkt door vergunningen. Deze worden verleend aan de hand van de Nederlandse emissierichtlijn lucht (NeR, april 2003), die nadere eisen stelt aan bronnen boven de twee kg zwaveldioxide per uur (0,56 gram per seconde). De uitstoot van de gemeten zeeschepen bleek daar in alle gevallen boven te liggen. De hoogst gemeten uitstoot bedroeg 36 gram per seconde. Aandacht voor de zeescheepvaart als bron van luchtverontreiniging is dus van belang, zowel bij regelgeving als bij handhaving.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Infectieziekten en Veiligheid. Toekomstige uitdagingen voor maatschappij en beleid | RIVM

In Nederland vormen infectieziekten in het dagelijkse leven veelal een beperkt, min of meer individueel gezondheidsprobleem; epidemieen komen dan ook maar relatief zelden voor. Het risico op grootschalige epidemieen is echter niet verdwenen; (risico)factoren die het ontstaan van grote epidemieen of bioterroristische aanslagen waarschijnlijk maken zijn juist nadrukkelijker aanwezig. Daarbij stelt de bevolking hoge eisen aan het niveau van gezondheidsbescherming. Het onderwerp infectieziekten maakt derhalve nadrukkelijk deel uit van de Nederlandse veiligheidszorg en crisisbeheersing. In deze studie wordt een aantal aspecten van infectieziekten(-bestrijding) in het kader van veiligheidszorg besproken. Vele actoren spelen een rol bij het voorkomen van de verspreiding van infectieziekten. In dit rapport wordt dan ook aandacht besteed aan de verantwoordelijkheids(ver)deling tussen deze actoren.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Direct and indirect nitrous oxide emissions from agricultural soils, 1990 - 2003. Background document on the calculation method for the Dutch National Inventory Report | RIVM

Sinds 2005 berekent Nederland de uitstoot van lachgas uit landbouwbodems volgens de richtlijnen van het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC). Dit rapport beschrijft deze gegevens op toegankelijke wijze. De uitstoot van lachgas, dat bijdraagt aan het broeikaseffect, is het gevolg van nitrificatie- en denitrificatieprocessen. De lachgasemissies bestaan uit directe en indirecte emissies uit landbouwbodems. De directe emissies komen voort uit dierlijke mest en kunstmest die op landbouwbodems is toegediend en uit dierlijke mest die in de weide is geproduceerd. De indirecte lachgasemissies ontstaan nadat nitraat uit mest naar het grond- en oppervlaktewater is uitgespoeld. Een andere bron van indirecte lachgasemissies is ammoniak dat vrijkomt uit mest en neerslaat op de bodem. In voorgaande jaren werden indirecte emissies op een andere manier berekend, die niet goed aansloot bij de definities en categorieen van het IPCC. In het Kyotoprotocol is afgesproken dat Nederland jaarlijks rapporteert over de broeikasgasemissies in het National Inventory Report (NIR). Landen worden daarbij aangemoedigd landspecifieke gegevens te gebruiken in plaats van de standaarddata die het IPCC aanbiedt. Nederland heeft aan dat verzoek gehoor gegeven. Het rapport geeft een beschrijving van de rekenregels van het IPCC en de databronnen die Nederland heeft gebruikt om de uitstoot van lachgas uit de landbouwbodem te rapporteren. De uitvoerige toelichting hierbij maakt deze werkwijze toegankelijk voor experts. Het rapport omvat ten slotte een overzicht van de officieel geregistreerde lachgasemissies uit de landbouwbodem en van alle onderliggende data tussen 1990 en 2003.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Optimalisatie van virusdetectie ten behoeve van het Nederlandse Waterleidingbesluit | RIVM

Door technieken uit het klinische virusonderzoek te gebruiken voor watermonsters worden ziekteverwekkende virussen in het water vaker en in hogere concentraties aangetoond dan voorheen. Het Nederlandse Waterleidingbesluit schrijft voor dat de drinkwaterkwaliteit voldoet als per jaar niet meer dan een op de 10.000 personen een infectie oploopt door consumptie van ongekookt drinkwater. Om dit zogenaamde 10-4 infectierisico te kunnen schatten zijn exacte gegevens nodig over de aantallen virussen in het water waarvan drinkwater geproduceerd wordt. Diverse factoren hebben invloed op de bepaling van de virusconcentraties in water, zoals het rendement van de concentratiemethode en de wijze van kwantificering. Verder is van belang of met de methode alleen infectieuze virussen worden aangetoond of ook niet-infectieuze virussen. Door de bestaande methoden voor het aantonen van virussen in water te optimaliseren kunnen virusconcentraties nauwkeuriger worden bepaald, waardoor met grotere betrouwbaarheid kan worden vastgesteld of de kwaliteit van het drinkwater voldoet aan het 10-4 infectierisico. Door moleculaire methoden uit het klinische virusonderzoek te gebruiken voor het aantonen van virussen in water zijn 25 tot 1000 keer hogere virusconcentraties gevonden dan voorheen. Met deze moleculaire technieken kunnen zowel infectieuze als niet-infectieuze virussen worden aangetoond. Omdat alleen infectieus virus een infectie en mogelijk ziekte kan veroorzaken bij de mens, wordt de concentratie infectieus virus gebruikt voor de schatting van het infectierisico. Infectieuze enterovirussen worden al jaren met klassieke celkweekmethoden gemeten. Door celkweek- en moleculaire methoden te combineren kunnen nu ook infectieuze rota- en adenovirussen in water worden aangetoond. Van de virussen die met moleculaire technieken aangetoond zijn blijkt slechts iin van de 50 tot 5000 virusdeeltjes infectieus te zijn, afhankelijk van het virus en het watermonster.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

EU Interlaboratory comparison study veterinary-X (2006) Bacteriological detection of Salmonella in pig faeces | RIVM

De Europese Nationale Referentie Laboratoria (NRLs) voor Salmonella zijn erin geslaagd om Salmonella in hoge en lage concentraties aan te tonen in varkensmest. Dit hebben de 27 laboratoria laten zien in een studie, die in dit rapport wordt beschreven. Zevenentwintig referentie laboratoria deden in november 2006 mee aan het tiende ringonderzoek georganiseerd door het Communautair Referentie Laboratorium (CRL) voor Salmonella. Het doel van de studie was om na te gaan of de laboratoria Salmonella in varkensfaeces goed konden aantonen. Ieder laboratorium kreeg een pakket toegestuurd met varkensfaeces en 35 gelatine capsules met melkpoeder van verschillende besmettingsniveaus Salmonella. De laboratoria moesten volgens voorschrift faeces en capsules samenvoegen en onderzoeken op de aanwezigheid van Salmonella. Voor het onderzoek gebruikten de laboratoria een voorgeschreven methode met een selectieve kweekstap op Modified Semi-solid Rappaport Vassiliadis (MSRV). De laboratoria vonden in 97% van de monsters Salmonella. Drie laboratoria hadden problemen met het aantonen van lage concentraties van Salmonella. Het CRL heeft met deze laboratoria contact opgenomen voor een verklaring van de afwijkende resultaten en de mogelijkheid geboden om extra analyses uit te voeren. Tijdens een vervolgstudie in februari 2007 behaalden ook deze drie laboratoria het gewenste niveau.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Ecotoxicologically based environmental risk limits for several volatile aliphatic hydrocarbons | RIVM

In dit rapport worden ecotoxicologische milieurisicogrenzen voor een aantal vluchtige organische verbindingen afgeleid. Op basis van geevalueerde literatuurgegevens doet het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) voorstellen voor ecotoxicologische milieurisicogrenzen voor deze stoffen in water, bodem, sediment en lucht. De voorgestelde milieurisicogrenzen vormen de wetenschappelijke basis voor milieukwaliteitsnormen die worden vastgesteld door de interdepartementale Stuurgroep Stoffen. Er worden drie niveaus onderscheiden: een Verwaarloosbaar Risiconiveau (VR); een niveau waarbij geen schadelijke effecten zijn te verwachten (Maximaal Toelaatbaar Risiconiveau; MTR) en een niveau waarbij mogelijk ernstige effecten zijn te verwachten (Ernstig Risiconiveau; EReco). De milieukwaliteitsnormen spelen een belangrijke rol bij de uitvoering van het nationale stoffenbeleid. De stoffen waarvoor in dit rapport gegevens zijn samengebracht, zijn: acrylonitril, ethyleen, ethyleenoxide, dichloormethaan, trichloormethaan, tetrachloormethaan, 1,1-dichloorethaan, 1,2-dichloorethaan, 1,1,1-trichloorethaan, 1,1,2-trichloorethaan, 1,1,2,2-tetrachloorethaan, pentachloorethaan, hexachloorethaan, 1,2-dichloorpropaan, 1,3-dichloorpropaan, chloorethyleen, 1,1-dichloorethyleen, 1,2-dichloorethyleen (trans- en cis-1,2-dichloorethyleen), trichloorethyleen, tetrachloorethyleen, 3-chloorpropeen, 1,3-dichloorpropeen (trans- en cis-1,3-dichloorpropeen), 2,3-dichloorpropeen, chloropreen en hexachloorbutadieen. Voor acht stoffen zijn de milieurisicogrenzen afgeleid op basis van beschikbare EU-documenten, opgesteld in het kader van de Bestaande Stoffen Verordening of de Kaderrichtlijn Water (acrylonitril, dichloormethaan, trichloormethaan, tetrachloormethaan, 1,2-dichloorethaan, trichloorethyleen, tetrachloorethyleen en hexachloorbutadieen). Voor vier stoffen zijn te weinig betrouwbare gegevens beschikbaar om milieurisicogrenzen af te kunnen leiden (ethyleen, 1,1-dichloorethaan, chloorethyleen en 2,3-dichloorpropeen). In dit onderzoek is voor een stof, hexachloorbutadieen, gebleken dat de gemeten concentratie in Nederlands oppervlaktewater eenmalig hoger uitkwam dan het MTR.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Meldingen van milieugerelateerde gezondheidsklachten bij GGD'en. Inventarisatie 2004-2006 | RIVM

De meeste milieugerelateerde gezondheidsklachten die worden gemeld bij Gemeentelijke Gezondheidsdiensten (GGD'en) gaan over het binnenmilieu, waarvan een groot deel afkomstig is uit huurwoningen. Melders wijzen vocht en schimmels aan als de grootste boosdoeners. Dat blijkt uit een inventarisatie van het RIVM Circa 80 % van de GGD'en in Nederland heeft de meldingen van milieugerelateerde gezondheidsklachten en vragen op uniforme wijze geregistreerd sinds april 2004. Het RIVM heeft de gegevens tot en met december 2006 geinventariseerd. Uit de inventarisatie blijkt dat GGD'en jaarlijks samen ongeveer 3700 milieugerelateerde gezondheidsmeldingen ontvangen. Ruim 70 % van de meldingen betreft gezondheidsklachten, de overige 30 % bevat informatievragen. Bezorgdheid wordt in de registratie ook als gezondheidsklacht genoteerd en is ook de meest genoemde klacht (37 %). Bezorgd is men vooral over asbest, niet-ioniserende straling en een aantal biologische factoren zoals ongedierte en schimmels. Klachten van het ademhalingsstelsel (19 %) en hinder (14 %) komen op de tweede en derde plaats van de gemelde gezondheidseffecten. Voor de meeste klachten in het buitenmilieu wijzen de melders de natuur (onder andere ongedierte) aan als bron (20 %). Op de tweede plaats komt de communicatiesector (onder andere GSM-masten), die de melders in 12 % van de gevallen als bron noemen van hun gezondheidsklachten.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Health gain and economic evaluation of breastfeeding policies : Model simulation | RIVM

Het beleid om het aantal pasgeborenen dat borstvoeding krijgt te verhogen is niet alleen een maatregel die tot preventie van ziekten leidt maar ook besparingen in de gezondheidszorg kan opleveren. Literatuuronderzoek laat zien dat borstvoeding gunstige gezondheidseffecten heeft, zowel op korte termijn als op lange termijn. Overtuigend bewijs is aanwezig dat borstvoeding bij het kind een beschermend effect heeft op infecties van het maagdarmkanaal, middenoorontsteking, overgewicht en hoge bloeddruk en voor de moeder op reumatische artritis. De gezondheidseffecten en de besparingen in de gezondheidszorg van verschillende interventies op het gebied van borstvoeding zijn gesimuleerd en vergeleken met de huidige situatie. De grootste gezondheidswinst en besparingen kunnen worden bereikt wanneer alle pasgeborenen minimaal zes maanden borstvoeding krijgen. Verder wordt een groter effect bereikt met maatregelen gericht om alle pasgeborenen borstvoeding te laten krijgen dan met maatregelen alleen gericht op het verlengen van de periode van borstvoeding door moeders die dat nu al drie maanden doen. De effecten van het Masterplan Borstvoeding en de nieuwe doelstelling van de Nederlandse overheid voor borstvoeding (de overheid wil promoten dat 85% van de Nederlandse moeders starten met borstvoeding geven en dat na zes maanden nog steeds 25% van de moeders exclusieve borstvoeding geven) zijn ook berekend. Hoewel er vele aannames hierbij gemaakt zijn, is het Masterplan een succesvolle interventie. Wanneer de nieuwe doelstelling van het ministerie voor VWS wordt bereikt, zullen naar verwachting per jaar 1200 DALYs worden gewonnen en 10 miljoen euro netto contante waarde aan kosten van de gezondheidszorg worden bespaard.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

EU Interlaboratory comparison study Food-I (2006) Bacteriological detection of Salmonella in minced beef | RIVM

De Europese Nationale Referentie Laboratoria (NRLs) voor Salmonella hebben in een ringonderzoek hoge en lage concentraties Salmonella aangetoond in rundergehakt. Hiermee hebben ze laten zien dat ze voldoen aan de gestelde eisen. De Modified Semi-solid Rappaport Vassiliadis (MSRV), een analysemethode die veel gebruikt wordt voor Salmonella in dierenmest, bleek de beste methode voor het aantonen van Salmonella in rundergehakt. Vijfentwintig referentielaboratoria deden in september 2006 mee aan een ringonderzoek van het Communautair Referentie Laboratorium (CRL) voor Salmonella. Doel was in eerste instantie om na te gaan of de laboratoria Salmonella in gehakt goed konden aantonen. In tweede instantie werd ook onderzocht wat de beste analysemethode was voor het aantonen van Salmonella in rundergehakt. Ieder laboratorium kreeg een pakket toegestuurd met rundergehakt en 35 gelatine capsules met melkpoeder van verschillende besmettingsniveaus Salmonella. De laboratoria moesten volgens voorschrift gehakt en capsules samenvoegen en onderzoeken op de aanwezigheid van Salmonella. Voor het onderzoek gebruikten de laboratoria drie methoden: Rappaport Vassiliadis Soya broth (RVS), Mueller Kauffmann Tetrathionaat met novobiocine (MKTTn) en Modified Semi-solid Rappaport Vassiliadis (MSRV). De eerste twee methoden (RVS en MKKTn) staan bekend als internationaal voorgeschreven voor de analyse van Salmonella in levensmiddelen. De derde methode (MSRV) wordt gebruikt om Salmonella in dierlijke mest aan te tonen. Met een van de levensmiddelenmethoden (MKTTn) vonden alle laboratoria in slechts 88% van de monsters Salmonella. De methode voor dierlijke mest (MSRV) bleek de beste resultaten te geven. Hiermee vonden alle laboratoria in 99% van de besmette monsters Salmonella. De levensmiddelenmethode MKTTn blijkt dus niet de meest optimale methode te zijn voor het aantonen van Salmonella in rundergehakt.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Geneesmiddelen in drinkwater en drinkwaterbronnen | RIVM

Geneesmiddelen komen in zeer lage concentraties voor in drinkwater en drinkwaterbronnen. De hoeveelheden zijn echter zo laag dat effecten op de volksgezondheid zijn te verwaarlozen. Dit blijkt uit een inventarisatie van RIVM in opdracht van het ministerie van VROM. De meest voorkomende medicijnen in drinkwater en drinkwaterbronnen zijn slecht afbreekbaar in het milieu en/of worden veel gebruikt. De inventarisatie is een vervolg op onderzoek van vier waterinstituten in 2003 (RIVM rapport 703719004). Het RIVM heeft destijds vier geneesmiddelen in drinkwater aangetoond. Nu heeft het RIVM van 22 geneesmiddelen onderzocht in welke hoeveelheden ze voorkomen in drinkwater en drinkwaterbronnen. Hiervoor is een meetprogramma tweemaal uitgevoerd bij 22 drinkwaterproductielocaties. Ondanks de lage concentraties blijkt dat geneesmiddelen waarschijnlijk vaker voorkomen in drinkwater dan enkele jaren geleden. De medicijnen die in 2003 zijn aangetroffen zijn ook in het huidige onderzoek aangetoond. De pijnstillers acetylsalicylzuur (overwegend afkomstig van aspirine) en fenazon en het epilepsiemiddel carbamazepine werden het vaakst aangetroffen. Het synthetisch hormoon van de anticonceptiepil is niet aangetoond. Van het antidepressivum prozac is in enkele gevallen een spoortje aangetroffen. Om de verspreiding van humane en diergeneesmiddelen naar water te verminderen heeft het kabinet begin 2007 een pakket aan beleidsmaatregelen voorgesteld. Voorbeelden van deze maatregelen zijn het beperken van geneesmiddelgebruik, het inzamelen en vernietigen van ongebruikte medicijnen, en het ontwikkelen van geneesmiddelen die beter worden opgenomen in het lichaam en makkelijker worden afgebroken in milieu. Volgens dit onderzoek zijn de aangekondigde beleidsmaatregelen nuttig en nodig om het watermilieu en het drinkwater nu en in de toekomst te beschermen tegen verontreiniging met medicijnen.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Detectie van niet-toegelaten genetisch gemodificeerde organismen: knelpunten en kansen | RIVM

Het rapport beschrijft op welke manieren genetisch gemodificeerde organismen zijn op te sporen, en welke informatie en welk vergelijkingsmateriaal minimaal daarvoor nodig zijn. Vervolgens wordt, aan de hand van een aantal recente incidenten, beschreven welke technische problemen zich voordoen bij de detectie van ggos en wanneer de beschreven detectiemethoden succesvol kunnen zijn. En wat is de technische haalbaarheid om in de toekomst niet-toegelaten ggos op te sporen. De Conclusie vat de mogelijkheden en beperkingen kort samen.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Milieuhygienische basis van het bestaande meststoffenbeleid | RIVM

De normen voor organische contaminanten in anorganische en overige organische meststoffen moeten accumulatie in de bodem voorkomen. Dit is gedaan door de maximale toegestane belasting gelijk te stellen aan de streefwaarde bodem. Hierbij is de afbraak het sturende proces. Voor metalen in anorganische en overige organische meststoffen zijn de normen gebaseerd op de Europese richtlijn 86/278/EEG. De uiteindelijke grondslag van de waarden in de richtlijn van 1986 bleek niet te achterhalen. Voor dierlijke meststoffen bestaan geen directe normen voor contaminanten. Alleen indirect via veevoeders kan de concentratie aan contaminanten in dierlijke mest worden geregeld. De impact van contaminanten op de bodem is daardoor niet direct te herleiden.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Een digitaal leefstijlprogramma voor zwangere vrouwen. Bereik- en procesevaluatie van het pilotproject 'Welkom Landgenootje' | RIVM

Een internetprogramma dat zwangere vrouwen voorlicht over een gezonde leefstijl is toepasbaar in de verloskundigenpraktijk. Toch blijkt het programma lang niet alle vrouwen te bereiken. Dat blijkt uit een proef bij 25 verloskundigenpraktijken in Amsterdam. In opdracht van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport evalueert RIVM de proef in dit rapport. Verloskundigen informeerden van maart tot augustus 2006 bijna 1400 zwangere vrouwen in Amsterdam over het internetprogramma Welkom Landgenootje, dat maandelijks e-mails verstuurt met informatie over zwangerschap en voeding, bewegen, alcoholgebruik, roken en veiligheid. Van de vrouwen meldde zich 17% aan op de website landgenootje.nl. Circa de helft (52%) hiervan bleef het programma tijdens de gehele zwangerschap gebruiken. De dames die zich aanmelden zijn relatief vaak (68%) hoogopgeleid. Relatief veel aanmelders beschikken al bij de start over een gezonde leefstijl: ze gebruikten foliumzuur, hadden geen overgewicht voor hun zwangerschap, en rookten en dronken niet tijdens de zwangerschap. Uit de evaluatie blijkt dat de 96% van de vrouwen het programma begrijpelijk vond. Ondanks dat zijn er meer laagopgeleide (55%) dan hoogopgeleide (37%) vrouwen die voortijdig stoppen met het programma. Het lukt dus niet om met het programma laagopgeleide vrouwen goed te bereiken. RIVM doet aanbevelingen om dit te verbeteren, zoals het programma ook via de media onder de aandacht brengen. Ook adviseert het vervolgonderzoek naar de effecten op de leefstijl. De helft van de verloskundigenpraktijken wil het programma in de toekomst blijven aanbieden. Wel vinden verloskundigen en de zwangere vrouwen het programma voor verbetering vatbaar. Inmiddels is het programma op basis van de proef verder ontwikkeld onder de naam Hallo Wereld. Dit ging in november 2006 landelijk van start voor alle zwangere vrouwen in Nederland.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Validation of SCIAMACHY limb ozone profiles with lidar | RIVM

Het RIVM heeft de kwaliteit onderzocht van SCIAMACHY-metingen van de opbouw van de ozonlaag in de hele atmosfeer. SCIAMACHY is een meetinstrument op de milieusatelliet ENVISAT. Het geeft informatie over de samenstelling van de atmosfeer, bijvoorbeeld over de hoeveelheid ozon. De opbouw van de ozonlaag wordt weergegeven met ozonprofielen. De profielmetingen van SCIAMACHY worden gedaan door de atmosfeer horizontaal laag voor laag te scannen (limbmetingen). De limb ozonprofielen die SCIAMACHY heeft gemeten, zijn vergeleken met zeer betrouwbare ozonmetingen vanaf de grond (lidar). Uit deze validatie blijkt dat de afzonderlijke SCIAMACHY-ozonprofielen 35 procent of meer kunnen afwijken van de lidarmetingen. De gemiddelde afwijking bedraagt -8 tot +5 procent. Ozonconcentraties, gemeten over de hele wereld en over een langere tijdsperiode, geven informatie over de conditie van de ozonlaag, en daarmee over de effectiviteit van maatregelen om de afbraak van de ozonlaag te verminderen. De profielmetingen van SCIAMACHY worden gehinderd doordat de stand van de ENVISAT-satelliet ten opzichte van de aarde niet voldoende bekend is. Hierdoor is de exacte hoogte waarop SCIAMACHY meet onvoldoende bekend. Dit leidt tot zogeheten hoogteverschuivingen, die de uitkomsten van de metingen beinvloeden. Het onderzoek heeft voor het eerst met SCIAMACHY-metingen aangetoond dat de hoogteverschuivingen nog gecompliceerder zijn dan gedacht. Dit maakt een correctie op de metingen nog moeilijker. Wel geeft het meer inzicht in de onduidelijkheid over de stand van de ENVISAT-satelliet ten opzichte van de aarde. Indien een oplossing gevonden wordt, kan die met terugwerkende kracht (tot 2002) worden toegepast op de profielmetingen van SCIAMACHY.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Gebruik en waardering kiesBeter.nl tweede helft 2006 | RIVM

In opdracht van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport werkt het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu aan de zorgportal kiesBeter.nl. Deze publieke portal verschaft burgers inzicht in de keuzes die ze kunnen maken in de zorg en biedt ze hiertoe relevante informatie. Vandaar de slogan "KiesBeter.nl wijst u de weg in de zorg". Dit rapport bespreekt de resultaten die zijn behaald in de tweede helft van 2006. In de tweede helft van 2006 bezochten bijna 700.000 mensen de site. De naamsbekendheid van kiesBeter.nl is in december veertien procent. De bezoekers zijn erg tevreden over de kwaliteit van de informatie op de site. Ten opzichte van de eerste helft van 2006 komen er meer bezoekers op de site op aanraden van iemand anders en veel meer bezoekers vinden de informatie die ze zoeken.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Age dependent dietary assessment model (AGE MODE). Folate and vitamin A as examples | RIVM

Dit rapport beschrijft de werking van het model AGE MODE. AGE MODE is een methode om de gebruikelijke inneming van microvoedingsstoffen, vitaminen en mineralen, te schatten en te toetsen aan de voedingsnorm. AGE MODE is ontwikkeld door het RIVM. AGE MODE is een kwantitatieve methode om de voorziening van microvoedingsstoffen te beoordelen. Het kan gebruikt worden om prioriteiten te stellen in beleid dat gericht is op een adequate voedingsstoffenvoorziening voor de bevolking. Het model schat de gebruikelijke inneming van microvoedingsstoffen uit inneminggegevens afkomstig uit voedselconsumptiepeilingen en zet deze af tegen de behoefte aan dergelijke microvoedingsstoffen. Zo kan het percentage individuen voor wie de voorziening onder de voedingsnorm is, worden bepaald. AGE MODE heeft een aantal voordelen ten opzichte van bestaande methoden. Het is een leeftijdsafhankelijk model. Bovendien is het een transparant model, waardoor goed inzicht kan worden gekregen in de onderliggende gegevens. Ter illustratie is AGE MODE gebruikt om een schatting te maken van de gebruikelijke inneming van foliumzuur en vitamine A en dit te vergelijken met de voedingsnormen.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Overzicht van onderzoek naar automatische meetmethoden voor het vaststellen van fijn stof | RIVM

Dit rapport beschrijft de 'stand der techniek' van meetmethoden voor het vaststellen van de concentratie zwevende deeltjes in de troposfeer, gericht op de fijne fractie, de zogenaamde PM2,5-fractie. De beschrijving van de prestaties van de meetmethoden volgens de huidige stand van de techniek is gebaseerd op een literatuurstudie en op eigen ervaringen van de deelnemende instituten. De studie richt zich op de vergelijkbaarheid van de automatische meetmethoden met de standaardmethode (referentie). Het is de wens van de betrokken meetinstanties om de ervaringen met PM2,5-meetmethoden te inventariseren en om onderling de meetstrategie af te stemmen. Een zorgvuldige selectie van een PM2,5-meetmethode is daarbij van belang. Doel van het rapport is de betrokken meetinstanties te ondersteunen met een overzicht van de prestaties van verschillende meetmethoden. Daarnaast draagt het rapport bij tot het proces van normaliseren en/of harmoniseren van meetmethoden.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Towards a protocol for the assessment of site-specific human health risks for consumption of vegetables from contaminated sites | RIVM

Om te kunnen bepalen of de consumptie van groenten die zijn gekweekt op verontreinigde bodems gezondheidsrisico's met zich meebrengt, heeft het RIVM een procedure ontwikkeld. De procedure is stapsgewijze opgezet om een degelijke onderbouwing van de gegevens en een efficiente werkwijze te waarborgen. Het principe is: simpel indien mogelijk, complex indien noodzakelijk. Als in een eerdere stap een risico kan worden uitgesloten, kan de procedure worden gestaakt. Zo niet, dan is een vervolgstap nodig. Daarin wordt de beoordeling steeds specifieker op de omstandigheden van de locatie gericht. Op die manier leidt de procedure tot een realistischere uitkomst, maar hij wordt ook tijdrovender. De procedure, die uit vier stappen bestaat, is als volgt. In stap 0, die voorafgaat aan de reken- en meetstappen, wordt de mogelijkheid ingeschat of de consumptie van groenten op een bepaalde locatie schadelijk kan zijn voor de gezondheid. In Stap 1 worden vervolgens de bodemgehalten van schadelijke stoffen gemeten en vergeleken met zogeheten Kritische bodemgehalten (de waarden waarbinnen groenten telen veilig is). Stap 2 omvat een gedetailleerde bepaling van het locatie-specifieke gezondheidsrisico, op basis van berekening. Ten slotte is in Stap 3 een gestandaardiseerd meetprotocol beschreven. Dat is een richtlijn om op een locatie te bepalen welk typen groenten, en de hoeveelheid daarvan, het beste kunnen worden bemonsterd als indicatie voor de gezondheidsrisico's.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Blootstelling-respons relaties voor geluidhinder en slaapverstoring. Een analyse van nationale gegevens | RIVM

Blootstelling-responsrelaties voor verkeersgeluid en hinder lijken schaalspecifiek te zijn: relaties opgesteld op internationaal niveau wijken soms af van relaties op nationaal niveau die op hun buurt weer afwijken van relaties op regionaal niveau. Voor beleid betekent dit dat bij toepassing van (inter-)nationale blootstelling-responsrelaties op lokale situaties terdege rekening dient te worden gehouden met de beperkingen en 'vertaalbaarheid' van de relatie naar de lokale situatie. Daarnaast blijkt dat ondanks het gebruik van standaardvragen voor hinder en slaapverstoring, vastgelegd in een ISO-norm, de wijze van operationaliseren van hinder en slaapverstoring van invloed is op de blootstelling-responsrelatie. Dit zijn de belangrijkste bevindingen uit een onderzoek naar de relatie tussen geluid van wegverkeer en hinder en slaapverstoring op basis van gegevens uit het EMPARA-geluidsmodel en de Hinderinventarisatie 2003. In Nederland en binnen de Europese Unie is de verstoring van de leefomgeving door geluid een belangrijk aandachtspunt van beleid, omdat blootstelling aan hoge geluidsniveaus kan leiden tot negatieve effecten op welbevinden en gezondheid, waaronder hinder en slaapverstoring. In het rapport is onderzocht of het mogelijk is om met bestaande Nederlandse onderzoeksgegevens relaties vast te stellen tussen blootstelling aan verkeersgeluid en het optreden van hinder en slaapverstoring. De resultaten zijn vergeleken met de voorstellen voor relaties die in Europees verband zijn gedaan en de uitkomsten van de Gezondheidskundige Evaluatie Schiphol. Hierbij traden belangrijke verschillen aan het licht. Een belangrijke kanttekening bij de resultaten is dat slechts een beperkt aantal deelnemers aan het onderzoek is blootgesteld aan hogere geluidbelastingniveaus waardoor de betrouwbaarheidsintervallen voor hoge blootstellingen groot zijn. Dit is het gevolg van de scheve (min of meer log-normale) verdeling van geluidblootstelling in de Nederlandse bevolking.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Paint Products Fact Sheet. To assess the risks for the consumer. Updated version for ConsExpo 4 | RIVM

Voor de conversie van het computerprogramma ConsExpo 3 naar 4 is de factsheet verf aangepast en herzien en nu ook in het Engels beschikbaar. ConsExpo 4 is een computerprogramma, dat gebruikt kan worden om de blootstelling van mensen aan stoffen in consumentenproducten uit te rekenen. Hierbij wordt rekening gehouden met verschillende blootstellingroutes (dus via de huid, via inhalatie en via orale opname). Bij het ConsExpo programma hoort ook een database, waarin standaardwaarden voor vele product typen en voor een groot aantal blootstellingsscenarios worden aangeboden. De beschrijving van deze achtergrondinformatie bij deze standaardwaarden wordt gerapporteerd in zogenoemde 'factsheets'. In dit rapport, Factsheet verfproducten, is de meest recente informatie bijeengebracht om de blootstelling aan stoffen uit verfproducten te berekenen. De verschillende typen verfproducten zijn verdeeld in 7 categorieen, zoals het kwasten / rollen van verschillende soorten verf en het verspuiten van verf met een spuitbus en pneumatisch, met behulp van een compressor. Voor iedere categorie wordt de samenstelling en het gebruik van producten uit die categorie beschreven. Daarnaast wordt aangegeven welk model of modellen van ConsExpo het meest geschikt is om de blootstelling uit te rekenen en worden voor alle gegevens die nodig zijn voor de berekening, standaardwaarden ingevuld. Naast deze factsheet verfproducten zijn er ook factsheets voor ongediertebestrijdingsmiddelen, cosmetica, reinigingsmiddelen, doe-het-zelf producten en desinfectantia.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Landelijke referentiewaarden ter onderbouwing van maximale waarden in het bodembeleid | RIVM

Het RIVM heeft de referentiewaarden afgeleid waarmee het ministerie van VROM de maximaal toelaatbare bodemverontreinigingen onderbouwt (maximale waarden). Het ministerie heeft deze normen ingesteld in lijn met zijn voorstel uit 2003 om het bodembeleid en de Wet bodembescherming te actualiseren. Referentiewaarden zijn concentraties van verontreinigende stoffen in de bodem die, afhankelijk van het bodemgebruik, zijn toegestaan. Onder deze concentraties voldoet de bodem aan alle eisen. Voor verschillende vormen van bodemgebruik, zoals landbouw, kinderspeelplaatsen of industrie, zijn grensgehalten voor risico's bepaald. Dat zijn bijvoorbeeld, afhankelijk van het gebruik, risico's voor de mens, voor het ecosysteem en voor de landbouw. Het RIVM heeft gebruikgemaakt van een versnelde procedure om in 2006 een compleet voorstel van referentiewaarden gereed te hebben. Die snelheid was ingegeven door de werkgroep NOBO (normstelling en bodemkwaliteitsbeoordeling). Deze werkgroep heeft tevens uitgangspunten en beslissingen geformuleerd op basis waarvan het RIVM de referentiewaarden heeft afgeleid. Het RIVM heeft voor zijn onderzoek zo veel mogelijk gebruikgemaakt van de nieuwste kennis en inzichten, voor zover die beschikbaar zijn. Deze informatie is aangevuld met 'oude' kennis over stoffen. Deze combinatie heeft evenwel tot inconsistenties geleid in de afleiding van referentiewaarden. Het RIVM beveelt daarom aan de komende jaren aandacht te besteden aan de inconsistenties en zwakke plekken van de referentiewaarden.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Concentration of 'forgotten' substances using the XAD concentration method. Suitability of the method for hydrophilic chemicals | RIVM

Concentrering van 'vergeten' stoffen met gebruikmaking van de XAD-concentreringsmethode In de jaren '90 is door het RIVM een methode ontwikkeld om toxische stoffen uit oppervlaktewater te concentreren op XAD (een chemische hars). In het concentraat kan de toxiciteit worden bepaald met behulp van bioassays. 'Moderne' probleemstoffen zijn in het algemeen meer polair dan 'klassieke' probleemstoffen. Onderzocht is of meer polaire stoffen ook worden geconcentreerd met de toegepaste methode.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Improvements in the method for detection of Salmonella spp. in animal faeces | RIVM

De internationale standaard methode (ISO 6579) om Salmonella te meten in voeding is minder geschikt voor uitwerpselen (faeces) van kippen en varkens. RIVM heeft onderzocht hoe de methode kan worden aangepast om Salmonella goed in dierlijke uitwerpselen te kunnen meten. Dit heeft geresulteerd in een nieuwe bijlage (Annex) bij de bestaande internationale meetmethode (ISO 6579). Voor het stabiliseren van Salmonella in dierlijke uitwerpselen raadt RIVM af om de uitwerpselen te mengen met glycerol. Glycerol is een middel om bacterien bij invriezen stabiel te houden. Uit onderzoek blijkt echter dat glycerol de groei van de salmonellabacterien remt. Het is beter om de uitwerpselen te bewaren in de koelkast en zo snel mogelijk te onderzoeken op de aanwezigheid van Salmonella. Het onderzoek ging ook in op andere aspecten om twee stappen van de meetmethode te verbeteren. Bij de eerste stap worden de uitwerpselen gekweekt in gebufferd pepton water (BPW). De standaard kweektijd is 18 uur. Het verkorten van deze kweektijd bleek geen zin te hebben. Ook werd getest of een verdunning in een oplossing met BPW meer positieve resultaten opleverde. Dit bleek echter niet het geval. Bij de tweede stap van de methode wordt een klein volume van de gekweekte BPW verder gekweekt op een voor Salmonella meer selectief medium: Modified Semi-solid Rappaport Vassiliadis (MSRV). Een lager gehalte van het antibioticum novobiocine in MSRV bleek betere groei van Salmonella op te leveren. Voor uitwerpselen van varkens bleek dit zelfs tot meer positieve resultaten te leiden.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Information sources for the detection of emerging mycotoxin risks | RIVM

Het RIVM werkt aan een nieuw systeem om de kans op besmetting van voedsel met zogeheten mycotoxines te verkleinen. Mycotoxines zijn giftige chemische stoffen die door schimmels worden geproduceerd. Deze stoffen kunnen op diverse manieren in voedingsbronnen terechtkomen en tot allerlei aandoeningen leiden. Een voorbeeld is aflatoxine b1, dat soms in noten wordt aangetroffen. Deze stof kan bij langdurige blootstelling kanker veroorzaken of voor een leververgiftiging zorgen. Om consumenten daartegen te kunnen beschermen is het noodzakelijk om een mogelijke besmetting met schimmels zo vroeg mogelijk te ontdekken, bij voorkeur voordat de toxines in de voedselketen terechtkomen. Er bestaan al langer richtlijnen om binnen de voedselvoorzieningsketen de kans op besmetting met mycotoxines te verkleinen. Het instituut heeft zich echter specifiek gericht op factoren buiten de voedselvoorzieningsketen. Voorbeelden van deze 'omgevingsfactoren' zijn klimaatveranderingen, consumententrends en het gebruik van nieuwe technologieen. Zo kunnen een hogere temperatuur en een vochtig klimaat het risico op het ontstaan van bepaalde mycotoxines verhogen. Deze factoren zijn vaak niet direct te beinvloeden. Wel kunnen risico's mogelijk worden voorspeld door veranderingen in deze factoren in de gaten te houden, bijvoorbeeld tijdens de groei en opslag van producten. Om veranderingen in omgevingsfactoren te kunnen waarnemen, zijn voor elke omgevingsfactor indicatoren gedefinieerd. Dit zijn meetbare gegevens, zoals regenval en temperatuur bij de omgevingsfactor 'klimaat'. Deze indicatoren maken het wellicht mogelijk om tijdig een waarschuwingsignaal af te geven en zonodig voorzorgsmaatregelen te nemen. Vervolgens zijn diverse informatiebronnen verzameld die de gewenste indicatoren kunnen leveren. Deze informatiebronnen varieren van online-databases tot nieuwsbrieven over markttrends. In een vervolgstudie zal het voorspellende vermogen van de verzamelde indicatoren en informatiebronnen verder worden onderzocht.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Vergrijzing en toekomstige ziektelast. Prognose chronische ziektenprevalentie 2005-2025 | RIVM

Door de groei en vergrijzing van de Nederlandse bevolking zal het aantal chronisch zieken de komende twintig jaar sterk toenemen. Vooral het aantal diabeten en mensen met botontkalking (osteoporose) zal stijgen. Naar schatting is het aantal diabeten over twintig jaar met 300.000 toegenomen. Als de huidige toename van het aantal mensen met overgewicht doorzet, zal het aantal diabeten in die periode met 100.000 patienten extra toenemen. Ook wordt een sterke toename verwacht van het aantal mensen met osteoporose met ongeveer 350.000 personen. De stijging van aan roken gerelateerde ziekten (COPD en longkanker) zal naar verwachting bij vrouwen groter zijn dan op grond van de demografische toename wordt verwacht, en kleiner bij mannen. Dat komt doordat vrouwen de afgelopen decennia meer zijn gaan roken en mannen juist minder. Dit zijn enkele prognoses voor het aantal chronisch zieken tussen 2005 en 2025. Deze prognoses geven meer inzicht in de mate waarin het aantal zieken zal stijgen. Die kennis is van belang om te kunnen anticiperen op de toekomstige vraag naar zorg, en de daarmee gepaard gaande kosten. De prognoses zijn op drie manieren berekend, afhankelijk van de beschikbare informatie. Ten eerste is alleen uitgegaan van de veranderende omvang van de bevolking en de vergrijzing. Vervolgens zijn berekeningen met het Chronische Ziekten Model (CZM), een wiskundig simulatiemodel, uitgevoerd. In deze berekeningen zijn, behalve gegevens over groei en vergrijzing, trends in het aantal patienten met de onderzochte ziekten verdisconteerd. Ten slotte is, ook met het CZM, berekend wat de invloed is van toekomstige ontwikkelingen van overgewicht en roken. De in dit rapport besproken ziekten zijn: hart- en vaatziekten (hartinfarct, beroerte, hartfalen), diabetes, kanker (long-, borst-, en dikke darmkanker), astma, COPD en osteoporose.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Economic evaluation of prevention; further evidence | RIVM

Dit rapport is de derde in een serie van rapporten over de doelmatigheid van preventieve interventies die nog niet systematisch in Nederland in de (openbare) gezondheidzorg zijn ingevoerd. In het eerste deel van dit rapport worden vijf nieuwe preventieve interventies gepresenteerd en wordt tevens de kennis ten aanzien van zes eerder beschreven interventies up-to-date gemaakt. Per interventie wordt achtereenvolgens het gezondheidsprobleem waar de interventie op gericht is, de interventie zelf, de doelmatigheid (kosteneffectiviteit) op basis van buitenlandse studies, de kansrijkheid van invoering en de vertaalbaarheid van de resultaten naar de Nederlandse situatie beschreven. Het onderzoek toont aan dat er sterke bewijslast voor kosteneffectiviteit is voor de volgende interventies: (1) screening op neonatale groep bhta streptokokkeninfecties, (2) fluoridering van het drinkwater, (3) verplicht verrijken van graanproducten met foliumzuur, (4) varicella zoster (waterpokken), virusvaccinatie en (5) stoppen-met-roken interventies via de huisarts. De bewijslast voor kosteneffectiviteit is matig voor (6) griepvaccinatie bij gezonde werknemers, (7) rotavirus- vaccinatie bij pasgeborenen, (8) universele hepatitis B-vaccinatie, (9) pertussis (kinkhoest) vaccinatie bij adolescenten, (10) humane papiloma virus vaccinatie bij adolescenten en (11) pneumokokkenvaccinatie bij ouderen. Echter, bij alle interventies is de vertaalbaarheid van buitenlandse onderzoeksresultaten naar de Nederlandse situatie beperkt en is meer onderzoek nodig om de doelmatigheid in de Nederlandse context te bestuderen. Met betrekking tot de haalbaarheid van invoering wordt screening op neonatale groep beta streptokokken infecties, pertussis vaccinatie bij adolescenten, griepvaccinatie bij gezonde werknemers en pneumokokken vaccinatie bij ouderen kansrijk geacht. In het tweede deel van het rapport wordt de doelmatigheid van twee interventies berekend, die in het buitenland kosteneffectief zijn gebleken en waarbij geen belangrijke barrieres bij de implementatie te verwachten zijn. Dit zijn terugvalpreventie van depressie door regelmatige cognitieve gedragstherapie (mCBT) en preventie van chronische ziekten door farmacologische behandeling van obesitas. Uit de economische evaluatie bleek dat mCBT doelmatiger is dan de huidige behandeling, die bestaat uit het voorschrijven van anti-depressiva. De kosteneffectiviteitsratio van mCBT is 15.000 per QALY. De doelmatigheid van het verstrekken van farmacologische behandeling (Orlistat) in combinatie met een dieet is relatief hoog. De kosten per gewonnen QALY zijn 62.000 voor Orlistat in combinatie met een dieet ten opzichte van dieet alleen. De modelleerstudie onderstreept het belang van de uitvoering van economische evaluaties in de Nederlandse context en bevestigt de slechte vertaalbaarheid van buitenlandse studies naar de Nederlandse situatie.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Environmental radioactivity in the Netherlands. Results in 2005 | RIVM

Met ingang van 2005 is het nationale meetprogramma "Radioactiviteit en straling in het milieu" uitgebreid met radioactiviteitsbepalingen in een standaard voedselpakket en controlemetingen in melk. Het meetprogramma voldeed daarmee voor het eerst aan de Europese aanbevelingen uit 2000, die een nieuwe uitleg geven aan de meetverplichting voor lidstaten van de EU zoals vastgelegd in het EURATOM-verdrag uit 1957. Metingen in lucht en omgeving lieten voor 2005 een spreiding zien die geheel verklaard kan worden door de normale variaties in de natuurlijke achtergrond. In voedsel en melk zijn geen radioactiviteitniveaus aangetroffen boven de in Europees verband vastgestelde limieten voor export en consumptie. In oppervlaktewater is op een aantal locaties voor een aantal radionucliden de streefwaarde overschreden zoals vastgelegd in de Vierde Nota Waterhuishouding. De streefwaarden zijn mede gebaseerd op achtergrondwaarden voor oppervlaktewater in Nederland. Streefwaarden zijn waarden die bij voorkeur niet overschreden worden, maar het zijn geen limieten.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Kalibratie van het programma CAR II aan de hand van metingen van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit van het RIVM | RIVM

Uit onderzoek van het RIVM blijkt dat met het programma CAR II berekende concentraties systematisch te hoog zijn. Toepassing van een nieuwe ijking van het model verbetert de overeenkomst tussen de berekende en gemeten concentratieniveaus sterk. Lokale overheden gebruiken het model CAR II (Calculation of Air pollution from Road traffic) voor de berekening van de luchtkwaliteit in verkeersbelaste situaties. Sinds begin 2007 wordt hierbij gerekend met nieuwe emissiefactoren voor wegverkeer welke voor verschillende stoffen aanmerkelijk hoger zijn dan eerder het geval was. Gebruik van deze nieuwe emissies leidde tot grote verschillen tussen berekende en gemeten concentraties. Het RIVM heeft in opdracht van het ministerie van VROM een nieuwe ijking van het programma CAR II uitgevoerd. Op basis van door gemeenten aangeleverde verkeersgegevens zijn voor de jaren 2003 tot en met 2006 berekeningen met CAR II uitgevoerd in de straten waar meetstations van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit van het RIVM staan. De resultaten van de berekeningen voor stikstof(di)oxide, koolmonoxide en fijn stof zijn vervolgens vergeleken met metingen in de straten over dezelfde periode. Uit de vergelijking blijkt dat de berekende concentratiebijdragen met 0.62 moeten worden vermenigvuldigd voor een goede overeenkomst met de gemeten waarden. Omdat de in CAR II gebruikte emissiefactoren in 2007 ook zijn aangepast veranderen de netto berekende concentratieniveaus in de straten slechts beperkt ten opzichte van de afgelopen jaren. Na toepassing van de nieuwe ijking zijn de berekende stikstofdioxide- en fijnstofconcentraties gemiddeld 0.4 en 0.7 mug/m3 (microgram per kubieke meter) hoger dan de gemeten concentraties. Na toepassing van de nieuwe ijking zijn de berekende stikstofdioxide- en fijnstofconcentraties gemiddeld 0.4 en 0.7 mug/m3 (microgram per kubieke meter) hoger dan de gemeten concentraties.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Richtlijn voor luchtmetingen voor de risicobeoordeling van bodemverontreiniging | RIVM

Vluchtige stoffen zoals benzine kunnen na verspreiding in de bodem woningen bereiken en daardoor een gezondheidsrisico vormen voor de mens. In dit rapport beschrijft RIVM een richtlijn voor een gedegen risicobeoordeling van dergelijke situaties. Op basis hiervan kan een gemeente beslissen om beschermende maatregelen te nemen of de vluchtige stoffen in de grond op te ruimen. De richtlijn beschrijft in zeven stappen hoe gezondheidsrisico's van vluchtige stoffen in verontreinigde bodem kunnen worden beoordeeld met metingen van de lucht in of rondom het huis. Mogelijke plekken om te meten zijn de huiskamer, de kruipruimte en in de bodem. Een effectieve onderzoeksstrategie is hierbij van belang. Voordat risicobeoordelaars gaan meten moeten ze eerst bepalen of meten zin heeft. Vervolgens bepalen ze doel en randvoorwaarden alvorens over te gaan tot meten. Deze aanpak is effectiever dan eerst meten en achteraf doel en randvoorwaarden bij te stellen. Voor de interpretatie van de meetresultaten levert de richtlijn handreikingen die toepasbaar zijn op specifieke situaties. Deze wijze van risicobeoordeling levert de gegevens op basis waarvan een gemeente een gemotiveerde beslissing kan nemen. Een gemeente kan besluiten om te saneren of te beveiligen met tijdelijke maatregelen, zoals de kruipruimte ventileren of de vloer minder doordringbaar maken. Hierbij is het zaak om criteria vantevoren af te spreken.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Do-It-Yourself Products Fact Sheet. To assess the risks for the consumer | RIVM

ConsExpo 4.0 is een computerprogramma, dat gebruikt kan worden om de blootstelling van mensen aan stoffen in consumentenproducten uit te rekenen. Hierbij wordt rekening gehouden met verschillende blootstellingsroutes (dus via de huid, via inhalatie en via orale opname). Bij het ConsExpo programma hoort ook een database, waarin standaardwaarden voor vele product typen en voor een groot aantal blootstellingsscenarios worden aangeboden. De beschrijving van deze achtergrondinformatie bij deze standaardwaarden wordt gerapporteerd in zogenoemde 'factsheets'. Deze factsheets dragen bij aan een gestandaardiseerde en transparante blootstellingschatting. In dit rapport, factsheet doe-het-zelfproducten, is de meest recente informatie bijeengebracht om de blootstelling aan stoffen uit doe-het-zelfproducten te berekenen. De verschillende typen doe-het-zelfproducten zijn verdeeld in 26 categorieen, bijvoorbeeld houtlijm, siliconenkit, vullers en verwijderaars. Voor iedere categorie wordt de samenstelling en gebruik van producten uit die categorie beschreven. Daarnaast wordt aangegeven welk model of modellen van ConsExpo het meest geschikt is om de blootstelling uit te rekenen en worden voor alle gegevens die nodig zijn voor de berekening standaardwaarden ingevuld. Naast deze factsheet doe-het-zelf producten zijn er ook factsheets voor ongediertebestrijdingsmiddelen, verfproducten, reinigingsmiddelen, cosmetica en desinfectantia.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Heavy metals and benzo(a)pyrene in ambient air in the Netherlands. A preliminary assessment in the framework of the 4th European Daughter Directive | RIVM

De zware metalen arseen, cadmium, nikkel en kwik komen in de Nederlandse buitenlucht in zo'n lage concentratie voor dat er maar een meetstation nodig is om aan de Europese eisen te voldoen. Wel zijn minstens drie meetstations nodig om het gehalte benzo(a)pyreen te meten. Dit concludeert het RIVM in dit rapport, dat de gemeten waarden vergelijkt met de verplichtingen uit de Europese richtlijn. Op basis van deze analyse bepaalt het ministerie van VROM hoeveel meetstations het inzet om aan de Europese verplichtingen te voldoen. Arseen, cadmium, nikkel en benzo(a)pyreen zijn kankerverwekkend en kwik is giftig. Daarom heeft de Europese Unie streefwaarden en meetverplichtingen voor deze stoffen vastgesteld. De meetverplichtingen beginnen in 2007. Het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit (LML) van het RIVM heeft de stoffen gemeten tussen 2000 en 2005. Uit de metingen blijkt dat de concentraties zware metalen zo laag zijn dat ze beneden de onderste beoordelingsdrempels vallen. Hiervoor geldt een minimale meetverplichting. Dit betekent dat Nederland toe kan met een meetstation. Het RIVM stelt Kollumerwaard voor als meetlocatie omdat dit aansluit bij het Europese meetprogramma EMEP/Osparcom. Van benzo(a)pyreen liggen de concentraties wel onder de streefwaarde maar niet overal onder de onderste beoordelingsdrempel. Overschrijding gebeurt in drukke straten, zoals gemeten aan het Bentinckplein in Rotterdam, en rondom het terrein van Corus in IJmuiden. Dit betekent dat Nederland voor het meten van benzo(a)pyreen minstens drie meetstations nodig heeft. RIVM adviseert als meetlocaties Corus, Bentinckplein en Noord-Nederland. Drie extra meetlocaties zijn wenselijk, namelijk in het midden en zuiden van het land, en in Rotterdam op enige afstand van een drukke straat.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Care for health. The 2006 Dutch Public Health Status and Forecasts Report | RIVM

Zorg voor gezondheid, de vierde Volksgezondheid Toekomst Verkenning (VTV) brengt opnieuw een grote hoeveelheid actuele informatie samen over gezondheid, preventie en zorg in Nederland. De Nederlander is weer wat gezonder geworden, maar het kan nog beter. Zo zijn ongezond gedrag en overgewicht, vooral bij de jeugd, een bron van zorg voor de gezondheid in de toekomst. Ook worden binnen Nederland grote verschillen in gezondheid en gezondheidsrisico's aangetroffen tussen regio's of buurten. Gezondheidsachterstanden hangen vaak samen met sociaal-economische achterstanden en andere ongunstige kenmerken van de leefomgeving. Preventie zal zich daarom niet alleen op het individu moeten richten, maar evenzeer op de sociale en ruimtelijke aspecten van de omgeving. Ook andere sectoren zoals onderwijs, ruimtelijke ordening en sociaal-economisch beleid moeten waar mogelijk betrokken worden bij het gezonder maken van Nederland en zijn inwoners. De uitgaven voor zorg zijn de afgelopen jaren flink gestegen, maar de gezondheidszorg heeft in de achterliggende decennia ook veel bijgedragen aan een langer leven in goede gezondheid. En die betere gezondheid betekent ook meer zelfredzaamheid, meer deelname aan de samenleving en uiteindelijk minder beroep op langdurige zorg. Toch is nog winst te boeken op het terrein van patientveiligheid, ketenzorg en vooral ook effectieve preventie en zorg. De informatie in de VTV is van belang voor de beleidsontwikkeling bij VWS, maar is ook waardevol voor andere ministeries, lagere overheden, partijen in het zorgveld en instellingen voor onderwijs en wetenschap.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Leren van de buren : Beleid publieke gezondheid internationaal bezien: roken, alcohol, overgewicht, depressie, gezondheidsachterstanden, jeugd, screening | RIVM

Nederland kan veel leren van het gezondheidsbeleid in andere landen. De overheid doet er goed aan gezondheidsproblemen vaker aan te pakken met een nationale strategie of actieplan. Ervaring uit het buitenland leert dat een dergelijk nationaal actieplan bijdraagt aan een systematischer beleid en minder versnippering van maatregelen. Dit concludeert het RIVM op basis van het internationaal vergelijkend rapport Leren van de buren. Het rapport is 9 juli 2007 aangeboden aan minister Klink van VWS. Het RIVM concludeerde vorig jaar dat Nederland op gebied van gezondheid niet langer bij beste Europese landen hoort.* Zo blijft Nederland achter met de daling van het aantal rokers en drinken Nederlandse jongeren vaker alcohol dan hun Europese leeftijdsgenoten. Het ontmoedigingsbeleid voor tabak en alcohol blijkt niet streng vergeleken met veel andere landen. Ook met de bestrijding van bijvoorbeeld depressies en gezondheidsachterstanden bij bevolkingsgroepen ontbreekt in Nederland een integrale aanpak. Het RIVM heeft het Nederlandse gezondheidsbeleid op roken, alcohol, overgewicht, gezondheidsachterstanden, depressie, jeugd en screening, vergeleken met dat van andere Europese landen. Hieruit blijkt dat veel maatregelen effectiever en meer in samenhang kunnen gebeuren. Zo heffen Duitsland, Zwitserland, Frankrijk en Denemarken extra belasting op breezers om jongeren te ontmoedigen alcohol te drinken. In sommige landen is een pakje sigaretten twee keer zo duur als in Nederland. Schotland, Finland en Australie bevorderen de psychische gezondheid met programma's op school en werk. Marktkrachten en andere -internationale- invloeden bemoeilijken soms de weg naar goed beleid, maar kunnen ook kansen bieden. Het RIVM adviseert de Nederlandse overheid om op basis van de buitenlandse ervaring haalbare doelen en effectieve maatregelen te vinden voor een meer integraal gezondheidsbeleid in Nederland. * Volksgezondheid Toekomst Verkenningen, RIVM juni 2006.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Evaluatie van ISIS-MML | RIVM

Het infectieziektensurveillance-informatiesysteem dat gegevens verzamelt van medisch microbiologische laboratoria (ISIS-MML) is niet geschikt voor het tijdig signaleren van uitbraken van infectieziekten. Wel is het systeem bruikbaar voor het volgen van trends in antibioticaresistentie. Dat blijkt uit een evaluatie dat in dit rapport wordt beschreven. Aanleiding voor de evaluatie zijn technische problemen en de twijfel over het rendement en het nut van het systeem voor het Centrum voor Infectieziektenbestrijding. ISIS-MML is een systeem dat tien jaar geleden is ontwikkeld door het RIVM om actuele informatie via internet te verschaffen over het voorkomen van infectieziekten. Een belangrijk doel was om tijdig uitbraken te signaleren om verdere verspreiding tegen te gaan en de negatieve gevolgen voor de volksgezondheid te beperken. Hiervoor moesten alle 85 medisch-microbiologische laboratoria in Nederland dagelijks gegevens aanleveren. Uit de evaluatie blijkt dat slechts 18 laboratoria momenteel zijn aangesloten op het systeem. Hierdoor ontbreekt een landelijke dekking en worden uitbraken gemist. Zo miste ISIS de uitbraak van Clostridium difficile geassocieerde diarree van ribotype 027 in juni 2005. Ook zorgt het systeem regelmatig voor vals alarm omdat lang niet iedere stijging van een bepaald micro-organisme om bestrijdingmaatregelen vraagt. Dat betekent niet dat ISIS onbruikbaar is en moet worden gestopt. Het systeem vormt de belangrijkste gegevensbron voor antibioticaresistentie in Nederland, waarbij bacterien steeds ongevoeliger raken voor antibiotica. De Europese Unie beveelt het volgen van deze trend sterk aan. RIVM adviseert om hiervoor het huidige ISIS, waarvan de hard- en software is verouderd, aan te passen.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

24-uurs urine-excretie van natrium. Voedingsstatusonderzoek bij volwassen Nederlanders | RIVM

De zoutinneming van volwassenen uit Doetinchem is gemiddeld bijna 9 gram per dag. Dit is 50% boven de aanbeveling van maximaal 6 gram per dag. Deze bevinding maakt het aannemelijk dat de zoutinneming voor de algemene Nederlandse bevolking ook ruim boven de aanbeveling ligt. Bij mannen en jongvolwassenen is de zoutconsumptie gemiddeld hoger dan bij vrouwen en personen van 50-70 jaar. Bij mannen is de zoutinneming gemiddeld 10,1 gram onder 19-49 jarigen en 9,7 gram onder 50-70 jarigen. Bij vrouwen is dit respectievelijk 8,6 en 7,5 gram. Bovengenoemde schattingen zijn gebaseerd op een onderzoek waarin 333 personen van 19-70 jaar in November 2006 24-uur hun urine verzamelden. Aan de hand van de natriumexcretie in de urines is de zoutinneming geschat. De deelnemers waren afkomstig uit Doetinchem of nabije omgeving. Door het reduceren van de huidige te hoge zoutinneming van de Nederlandse bevolking naar de aanbevolen hoeveelheid kan aanzienlijke gezondheidswinst behaald worden. Maatregelen worden dan ook geadviseerd.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Agricultural practice and water quality on farms benefiting from derogation. Design and organisation of the monitoring network for 2006-2009 and annual report from 2008 | RIVM

Het RIVM en het LEI hebben in 2006 in Nederland een monitoringnetwerk opgezet dat de gevolgen meet als landbouwbedrijven mogen afwijken (derogatie) van de Europese gebruiksnorm voor dierlijke mest. Het meetnet volgt driehonderd landbouwbedrijven die zich hebben aangemeld voor derogatie. Het legt de gevolgen vast voor de landbouwpraktijk en de waterkwaliteit. In dit rapport is de opzet van het monitoringnetwerk beschreven, evenals de wijze waarop vanaf 2008 over de resultaten zal worden gerapporteerd. Het rapport geeft onder andere aan wanneer welke cijfers beschikbaar zijn, en welke rekenmethoden gebruikt zullen worden om onder andere de bemesting en gewasopbrengst te berekenen. De Europese Nitraatrichtlijn verplicht lidstaten het stikstofgebruik via dierlijke mest te beperken tot maximaal 170 kg per hectare. Een lidstaat kan de Europese Commissie vragen hiervan onder voorwaarden af te wijken. Nederland heeft in december 2005 toestemming gekregen om vanaf 2006 tot en met 2009 onder voorwaarden af te mogen wijken van de gestelde norm. Dit betekent dat landbouwbedrijven 250 kilo stikstof per hectare mogen toedienen via dierlijke mest afkomstig van graasdieren (vooral koeien). Een van die voorwaarden is dat minimaal 70 procent van het totale areaal grasland is. Daarnaast is de Nederlandse overheid verplicht een monitoringnetwerk in te richten en de Commissie over de resultaten daarvan te rapporteren. De driehonderd deelnemers die worden gevolgd, zijn een steekproef van de circa 27.000 Nederlandse landbouwbedrijven die zich hebben aangemeld voor derogatie. Het netwerk is een onderdeel van het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM).
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Article 17 of the Preparations Directive 1999/45/EC is differently implemented in EU Member States. A survey on how Poisons Information Centres become informed on dangerous preparations | RIVM

Onderzoek naar de aanlevering van informatie over gevaarlijke preparaten door bedrijven aan Vergiftigingen Informatie Centra laat zien dat dit in elke EU lidstaat anders geregeld is. Dit komt doordat in de Europese Preparatenrichtlijn 1999/45/EG hierover geen duidelijke regels zijn vastgelegd. De invoering van het 'Globally Harmonised System of classification and labelling of chemicals' (GHS) in de EU gaat de Preparatenrichtlijn vervangen. Dit is een goed moment om op Europees niveau de aanlevering van productinformatie te harmoniseren en de vereisten wettelijk vast te leggen. De aangeleverde productinformatie wordt gebruikt voor medische doeleinden, met name het verstrekken van informatie in geval van vergiftigingen. Dit rapport laat zien dat in zes landen een Vergiftigingen Informatie Centrum hiervoor direct is aangewezen als ontvangende instantie. In de meeste andere landen wordt de productinformatie aan hen ter beschikking gesteld door een (ander) ontvangend overheidsorgaan. In EU lidstaten gelden verschillende vereisten voor de op te geven productsamenstelling en de concentraties van de ingredienten. Eveneens verschillen de procedures voor aanlevering en is er een aanzienlijke variatie in de gebruikte formulieren en/of applicaties voor elektronische aanlevering. Voor het bereiken van harmonisatie is het noodzakelijk dat de ontvangende instanties eerst consensus bereiken over de vereiste productinformatie. Daarna moet overeenstemming worden bereikt over een gemeenschappelijk formaat voor aanlevering.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Een vergelijking tussen met CAR II versie 5.0 berekende concentraties en metingen van het LML | RIVM

Lokale overheden gebruiken het model CAR II (Calculation of Air pollution from Road traffic) voor de berekening van de luchtkwaliteit in verkeersbelaste situaties. Uit onderzoek van het RIVM blijkt dat de berekende stikstofdioxide en fijn stof concentraties redelijk goed overeen komen met metingen. De berekende concentraties zijn gemiddeld enkele microgrammen per kubieke meter hoger respectievelijk lager dan de gemeten stikstofdioxide en fijn stof concentraties. Op basis van door gemeenten zelf aangeleverde verkeersgegevens zijn voor de jaren 2003, 2004 en 2005 berekeningen met CAR II, versie 5.0, uitgevoerd in de straten waar meetstations van het van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit van het RIVM staan. De resultaten van de berekeningen voor stikstofdioxide en fijn stof zijn vervolgens vergeleken met metingen in de straten over dezelfde periode. De berekende stikstofdioxide concentraties zijn gemiddeld ruim twee microgram per kubieke meter hoger dan de gemeten concentraties. De berekende fijn stof concentraties zijn gemiddeld iets lager dan de gemeten concentraties. Er is voor fijn stof een grotere spreiding in de geconstateerde verschillen dan voor stikstofdioxide het geval is. De resultaten van CAR II voldoen voor de jaargemiddelde concentratie van zowel stikstofdioxide als fijn stof aan de in de wet gestelde eisen voor de nauwkeurigheid van de bepaling van jaargemiddelde concentraties. In hoeverre de resultaten van de uitgevoerde vergelijking een garantie zijn voor de betrouwbaarheid en/of de toepasbaarheid van CAR voor toekomstige jaren is moeilijk te zeggen. Het is niet onmogelijk dat verschillende bouwstenen in de huidige CAR onvolkomenheden bevatten die elkaar nu (deels) compenseren.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Evaluatie legionellapreventie Waterleidingwet | RIVM

Het aantal leidingwaterinstallaties met legionellabacterien neemt niet duidelijk af. Daardoor is nog geen effect vast te stellen van het beleid ter preventie van Legionella in leidingwaterinstallaties. Dit blijkt uit onderzoek van RIVM in opdracht van het Ministerie van VROM. Het aantal legionellosepatienten in Nederland nam tussen 2000 en 2005 toe van 172 naar 280. In 2006 lag het aantal zelfs op 440. De sterfte onder in Nederland geinfecteerde patienten was dat jaar hoger dan de maximaal aanvaardbare sterfte van 1 op de miljoen inwoners. Hierbij moet worden aangetekend dat in de afgelopen vier jaar slechts bij circa 3 procent (19 patienten) de besmettingsbron met zekerheid is vastgesteld. De helft van de 19 patienten werd geonfecteerd via een leidingwaterinstallatie in een zorginstelling. Naar verwachting leidt de regelgeving wel tot minder legionellabacterien in leidingwaterinstallaties als de naleving ervan wordt verbeterd. Dit kan als installateurs consequent leidingwaterinstallaties aanleggen volgens de voorschriften en de eigenaren de legionellapreventiemaatregelen uitvoeren. Dit gebeurt nu te weinig. Dit rapport beschrijft vijf beleidsopties, varierend van het handhaven van het bestaande legionellapre-ventiebeleid tot beleid dat zich uitsluitend richt op de gevaarlijke variant Legionella pneumophila. Vooral voor deze laatste optie is het belangrijk dat er verbetering komt in de naleving en controle van de preventiemaatregelen. Uit de gekozen beleidsoptie volgt of maatregelen, zoals het afsluiten van zwembaddouches of gehele ziekenhuisafdelingen, nodig zijn indien alleen de ongevaarlijke variant Legionella non-pneumophila wordt aangetroffen. Tevens bevat dit rapport aanbevelingen voor leidingwaterinstallateurs, waterbedrijven, VROM-Inspectie en VROM-beleid, en tips voor vervolgonderzoek. Er moet meer worden gelet op andere be-smettingsbronnen met verneveling, waaronder koeltorens.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Consumptie van een aantal lightproducten in relatie tot overgewicht. Een cross-sectionele studie | RIVM

In theorie kunnen lightproducten gebruikt worden om de energieinneming te beperken en overgewicht te voorkomen. De gewone, niet-lightvarianten van dergelijke producten dienen dan echter drastisch minder gebruikt te worden. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM naar het consumptiegedrag van 750 jongvolwassenen en het aankoopgedrag van 3.200 huishoudens. In dit onderzoek is nagegaan of er een verband bestaat tussen het consumptiepatroon van een aantal frequent gebruikte lightproducten en overgewicht. Ook werd gezocht naar aanwijzingen in hoeverre deze lightproducten worden gebruikt ter vervanging van de niet-lightvarianten. Jongvolwassenen in de leeftijd van 19 tot 30 jaar en huishoudens met overgewicht blijken vaker lightproducten te gebruiken, zoals light fris- en vruchtendrank, kunstmatige zoetstof en light chips, dan degenen zonder overgewicht. Daarnaast gebruiken zij evenveel of zelfs meer van de gewone varianten van deze producten. Gebruikers van light fris- en vruchtendrank en light chips kopen of consumeren uberhaupt veel meer van de productgroepen in zijn geheel (light en niet-light samen). Dit suggereert dat light fris- en vruchtendrank en light chips (deels) als aanvulling op de niet-lightvariant gebruikt worden. Kunstmatige zoetstoffen en light smeervet daarentegen worden wel als vervanging van de gewone, niet-light producten gebruikt. Sommigen suggereren dat de consumptie van lightproducten zou leiden tot overgewicht. In deze studie zijn gegevens over het gebruik van lightproducten en lichaamsgewicht op het zelfde moment verzameld (cross sectioneel). Daarom kan niet gezegd worden of de hoge consumptie van lightproducten een oorzaak of gevolg van overgewicht is.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Implicaties van voorgestelde bodemnormwaarden uit 'Achtergrondwaarden 2000' in relatie tot risico's | RIVM

Bodemnormen voor schone bodems worden voornamelijk bepaald door de hoogte van de achtergrondconcentratie. Om deze achtergrondconcentraties te bepalen kan men uitgaan van een aantal verschillende benaderingen. Via een nieuwe benadering heeft de projectgroep 'Achtergrondwaarden 2000' in opdracht van VROM voorstellen gedaan voor achtergrondwaarden voor schone bodems. Deze zullen uiteindelijk leiden tot nieuwe bodemnormen. De voorgestelde normwaarden wijken soms sterk af van de huidige bodemnormen en in dit rapport worden de oorzaken van die verschillen toegelicht. Een belangrijk verschil met de bestaande bodemnormen is dat de nieuw voorgestelde normwaarden worden benaderd vanuit bodembeheer en niet vanuit bodembescherming, zoals bij de Streefwaarde. Vanuit bodembeheer wordt de invloed van de mens op de bodem verdisconteerd in de nieuwe norm. Risico's gerelateerd aan deze invloed, en die van de nieuwe normwaarden in het algemeen, waren nog niet onderzocht. Dit rapport gaat in op de verschillende interpretaties van het begrip 'achtergrondwaarden' en de rol van de 'natuurlijke achtergrondwaarde' in de huidige Streefwaarde voor de bodem. De verschillen en knelpunten van de benadering vanuit bodembeheer met de huidige benadering worden toegelicht en er wordt inzicht gegeven in de risico's. Om beide benaderingen van beschermen en beheersen tot elkaar te brengen wordt voorgesteld om achtergrondwaarden te relateren aan geochemische kenmerken van de bodem.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Kwaliteitsborging ter optimalisatie van de patientdosis in de interventieradiologie | RIVM

Drie maatregelen kunnen de dosis straling optimaliseren die patienten ontvangen tijdens radiologische interventies. Ten eerste moderne apparatuur gebruiken die speciaal geschikt is voor interventies. Ten tweede extra aandacht schenken aan stralingsbescherming tijdens opleidingen op het gebied van de interventieradiologie. En tot slot complicaties van straling opnemen in het complicatieregister van de sectie Interventieradiologie van de Nederlandse Vereniging voor Radiologie. Dit blijkt uit onderzoek dat het RIVM in opdracht van de Inspectie voor de Gezondheidszorg heeft uitgevoerd naar de kwaliteitsborging van de interventieradiologie in Nederland. De opdracht is ingegeven door de relatief hoge stralingsdosis waaraan patienten kunnen worden blootgesteld tijdens radiologische interventies. Bij interventieradiologie worden medische behandelingen uitgevoerd via een kleine opening in de huid, terwijl die ingreep in beeld wordt gebracht met behulp van rontgen, CT, MRI of echografie. Bij gebruik van rontgen of CT kan de stralingsdosis leiden tot nadelige effecten voor de gezondheid, zoals roodheid, verbranding van de huid, (tijdelijke) ontharing of op de lange termijn kanker.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Informatiesysteem Medische Stralingstoepassingen 2006. Medische stralingsbelasting in Nederland | RIVM

In de periode 2002 - 2005 is in Nederland per inwoner de stralingsdosis als gevolg van medische onderzoeken met 25 procent gestegen van 0,52 naar 0,65 mSv. Ontwikkelingen in de techniek maken het mede mogelijk dat er meer, waaronder meer gecompliceerde onderzoeken worden uitgevoerd. In opdracht van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport verzamelt en analyseert het RIVM gegevens over medische stralingstoepassingen, zoals rontgen- en nucleair geneeskundig onderzoek. Het is de bedoeling dat deze informatie een optimaal gebruik van straling in de gezondheidszorg stimuleert. De belangrijkste oorzaak van de toegenomen stralingsbelasting is de stijging van het aantal onderzoeken. Vooral de toename van het aantal CT-scans is van belang. Deze scans hebben met 0,27 mSv een groot aandeel in bovengenoemde dosis van 0,65 mSv. In de onderzochte periode is de stralingsbelasting door CT-scans met 42 procent gestegen. Het aandeel van PET-onderzoeken is klein, maar de cijfers laten een sterke toename van deze onderzoeken zien. Daardoor leveren ze in vergelijking met 2002 een belangrijke bijdrage aan de dosis afkomstig van nucleair geneeskundige onderzoeken. Het rapport doet verslag van de recent verzamelde gegevens waarmee de website Informatiesysteem Medische Stralingstoepassingen (IMS; http://www.rivm.nl/ims ) is geactualiseerd. Daarnaast biedt het achtergrondinformatie over de verschillende informatiebronnen.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

CSOIL 2000 an exposure model for human risk assessment of soil contamination. A model description | RIVM

Het RIVM heeft een beschrijving opgesteld van het model CSOIL 2000, waarmee de interventiewaarden voor bodemverontreiniging worden berekend. Interventiewaarden geven aan wanneer verontreinigde grond moet worden gesaneerd. In het rapport zijn voor het eerst alle onderdelen van dit model samen beschreven. Met CSOIL worden de risico's voor de mens die aan verontreiniging in de bodem wordt blootgesteld berekend. De mens kan via verschillende blootstellingsroutes (bodem, lucht, water en gewas) aan bodemverontreiniging worden blootgesteld. Het gebruik van de bodem, bijvoorbeeld moestuinen, bepaalt vervolgens de mate van blootstelling. Van invloed zijn ook de fysisch-chemische eigenschappen van de verontreinigingen in de bodemlucht, de bodemdeeltjes en het grondwater. Het model berekent daarnaast de maximale concentratie van een verontreiniging in de bodem die veilig is voor de mens. Deze bodemconcentratie is van invloed op de hoogte van de interventiewaarde. De interventiewaarde voor bodemverontreiniging maakt onderscheid tussen lichte en ernstig verontreinigde bodems. Bij overschrijding van de interventiewaarden wordt bepaald of spoedig saneren noodzakelijk is.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Onderzoek van vier boor- en monsternemingsmethoden voor grondwater tot vijf meter beneden de grondwaterspiegel in het zandgebied | RIVM

De zogeheten Multi-Channel Well (MCW) geplaatst met de SonicSampDrill blijkt de beste methode te zijn om het grondwater bij landbouwbedrijven tot vijf meter onder de grondwaterspiegel te analyseren. Dat komt vooral doordat deze methode in staat is om tot die diepte met een machinale trilboring meerdere monsternemingsfilters te plaatsen. Daardoor zijn minder boorgaten nodig. Momenteel wordt bij landbouwbedrijven de grondwaterkwaliteit gemeten in de bovenste meter van het grondwater. Met die metingen, uitgevoerd binnen het Landelijk Meetnet Effecten Mestbeleid (LMM) worden effecten van het mestbeleid op de grondwaterkwaliteit onderzocht; die effecten weerspiegelen zich in de bovenste meter. Daarnaast worden deze metingen gebruikt om de grondwaterkwaliteit te toetsen aan de nitraatnorm. Momenteel wordt onderzocht of de toetsdiepte voor nitraat verlaagd kan worden naar vijf meter. Ten eerste omdat de Europese regelgeving daar ruimte voor lijkt te bieden. Ten tweede omdat nitraatconcentraties dieper in de bodem kunnen afnemen. Hierdoor wordt nu mogelijk te streng getoetst. Met de LMM-methode kan echter niet zo diep geboord worden. Mocht de toetsdiepte worden verlaagd, dan is dus een andere monsternemingsmethode vereist. Het RIVM heeft vier methoden onderzocht. Het onderzoek is uitgevoerd op zestien boorlocaties bij vier melkveehouderijbedrijven verspreid over de vier grote zandgebieden in Nederland (Noord, Oost, Centraal en Zuid). De onderzochte methoden kenmerken zich onder andere door handmatig of machinaal boren en door de installatie van tijdelijke of permanente filters. De methoden zijn beoordeeld op hun praktische inzetbaarheid en op de kwaliteit van de monsterneming. Zo blijkt de handmatige Van der Staay-methode, die tijdelijke filters plaatst, slechts op vijftig procent van de locaties op de gewenste diepte te kunnen komen. Met de machinale Uitschuifbare Punt-methode, die ook tijdelijke filters plaatst, is het boren en het verzamelen van watermonsters in de praktijk niet goed te combineren. Bij de MCW en de Direct Well-methode (DW) worden na machinale boring permanente filters geplaatst. In tegenstelling tot de MCW heeft de DW daarbij voor ieder filter een apart boorgat nodig.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Acute vergiftigingen bij mens en dier. Jaaroverzicht 2005-2006. Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum | RIVM

Het Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum (NVIC) ontving in 2005 36.375 en in 2006 37.088 informatieverzoeken over acute intoxicaties van mensen en dieren. Deze informatievragen betroffen circa 50.000 blootstellingen aan lichaamsvreemde stoffen per jaar. Ruim de helft van deze intoxicaties betrof overdoseringen met geneesmiddelen. Het aantal vergiftigingen met pijnstillers die zonder recept verkrijgbaar zijn, zoals paracetamol en ibuprofen, is in 2005 en 2006 weer toegenomen. Daarnaast is bij volwassenen het aantal meldingen over melatonine de afgelopen jaren sterk gestegen, van 3 in 2001 naar 76 in 2006. Een relatief nieuw verschijnsel waar het NVIC in 2006 over geraadpleegd werd, waren de zogenaamde crofty-bommen: doe-het-zelfbommen gemaakt met gootsteenontstopper. Bij ontploffing van crofty-bommen en aanraking met de vloeistof, kunnen ernstige chemische letsels ontstaan aan huid en ogen. Het aantal meldingen over drugs is voor het eerst in jaren afgenomen, van 1.383 in 2005 naar 1.146 in 2006. Het aantal meldingen over amfetamine-intoxicaties is sinds 2005 echter sterk gestegen, van 31 in 2004 naar 114 in 2005 en 97 in 2006. Het aantal vergiftigingen met efedra is na 2004 met 57% afgenomen. De wetswijziging in 2004, waardoor efedra-bevattende producten uitsluitend nog als geneesmiddel mogen worden verhandeld, is hier mogelijk de oorzaak van. Nadat in november 2006 Alexander Litvinenko in Londen werd vergiftigd met radioactief polonium-210, heeft het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) urinemonsters geanalyseerd van 11 mogelijk blootgestelde Nederlanders. Het NVIC heeft daarbij een actieve rol gespeeld in de opsporing van de betreffende Nederlanders en de medische beoordeling van de resultaten. Het persbericht over het RIVM onderzoek heeft veel media-aandacht getrokken, waardoor het NVIC 73 maal is geconsulteerd over het poloniumincident.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Disease burden of infectious diseases in Europe: a pilot study | RIVM

De gevolgen van verschillende infectieziekten zijn onderling niet goed te vergelijken op basis van het aantal patienten of sterftecijfers alleen. Het is beter om alle gezondheidseffecten te combineren en de totale impact uit de drukken in ziektelast, dat ook rekening houdt met duur en ernst van ziekten. Informatie over ziektelast helpt prioriteiten te stellen in het Europese beleid op het gebied van infectieziektenbestrijding. In een pilotstudie is de ziektelast geschat van zeven infectieziekten in Europa. Ondanks verschillende beperkingen in beschikbaarheid en kwaliteit van gegevens wordt geschat dat HIV-infectie, tuberculose en influenza van de geselecteerde infectieziekten de grootste ziektelast in Europa veroorzaken. Voedseloverdraagbare ziekten die worden veroorzaakt door de bacterien Campylobacter spp., enterohemorragische Escherichia coli en Salmonella spp., en mazelen in het bijzonder, zijn geassocieerd met een lagere ziektelast. De huidige ziektelast van de infectieziekten weerspiegelt de balans tussen bedreigingen van de ziekten en effectiviteit van preventiemaatregelen. Een lage ziektelast benadrukt de noodzaak van voortdurende ondersteuning van deze maatregelen, een hoge ziektelast duidt erop dat aanvullende acties nodig zijn. Op basis van deze pilotstudie adviseert het RIVM om samen met verschillende Europese instituten een uitgebreidere studie uit te voeren, die verschillende onderzoeksmethoden combineert.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Etnische verschillen in diabetes, risicofactoren voor hart- en vaatziekten en zorggebruik. Resultaten van de Amsterdamse Gezondheidsmonitor 2004 | RIVM

De prevalentie van diabetes bij inwoners van Amsterdam (18 jaar en ouder) wordt geschat op vier procent. Turken en Marokkanen hebben respectievelijk driemaal en viermaal vaker diabetes vergeleken met Nederlanders. Turkse diabeten zijn gemiddeld zwaarder dan Nederlandse diabeten. Turkse en Marokkaanse diabeten worden echter minder vaak opgenomen in een ziekenhuis dan Nederlandse diabeten. Een beschrijving van etniciteitverschillen in het voorkomen van ziekten en zorggebruik is van belang voor het beleid omdat immigranten een steeds groter deel van de bevolking zullen gaan uitmaken. De Amsterdamse Gezondheidsmonitor 2004 is uitgevoerd door de GGD Amsterdam in samenwerking met het RIVM. Drieenveertig procent van 4042 uitgenodigde Amsterdammers (18 jaar en ouder) heeft aan het onderzoek meegedaan. Etnische verschillen in gezondheid en zorg werden geanalyseerd voor de leeftijd 18-70 jaar, gestandaardiseerd naar leeftijd en geslacht. Turken en Marokkanen zonder diabetes verschilden op bijna alle uitkomsten van Nederlanders zonder diabetes. Turken en Marokkanen waren bijvoorbeeld gemiddeld zwaarder dan Nederlanders en zij hadden hogere gemiddelde bloedglucosewaarden. Zij gingen vaker naar de huisarts en waren minder tevreden over de eigen gezondheid. Acht procent van de Turken zonder diabetes heeft ooit een ernstige hartaandoening gehad, dit is bijna viermaal zo vaak als bij Nederlanders zonder diabetes. Risicofactoren voor hart- en vaatziekten kwamen veel voor bij diabeten uit alle etnische groepen. Turkse diabeten, en in mindere mate Marokkaanse diabeten, hadden over het algemeen een ongunstiger risicoprofiel dan Nederlandse diabeten. Behandeling van het risicoprofiel van diabetespatienten is belangrijk om het optreden van complicaties te voorkomen of uit te stellen.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

De verspreiding van gassingsmiddelen rond containers | RIVM

Het RIVM adviseert de VROM-Inspectie om een zone rondom 'gegaste' havencontainers te creeren waar alleen mensen met adembeschermingsapparatuur mogen komen. Voor grote hoeveelheden ontsmettingsmiddelen (tot 5 kg voor de stoffen methylbromide en sulfurylfluoride) geldt een afstand van 50 meter tot de container. Bij kleinere hoeveelheden (tot 1 kg) volstaat 20 meter. Binnen deze zones zijn de concentraties van vrijkomende gassen schadelijk voor de volksgezondheid. Aanleiding voor dit advies was de wens de regelgeving over ontgassing te vereenvoudigen en zo de handhaving te verbeteren. De hoge concentraties komen meestal voor bij exportcontainers. Die moeten soms voor vertrek met bestrijdingsmiddelen worden behandeld om de inhoud of het pakkingsmateriaal te ontsmetten (gassen). De maatregel geldt vanaf het moment waarop het gassen aanvangt. De ontstane gassen worden vervolgens verwijderd voordat de containers de haven verlaten (ontgassen). De genoemde afstanden zijn gebaseerd op de concentraties die in Nederland bij het gassen en ontgassen vrijkomen. Als internationale voorschriften het gebruik van methylbromide, fosfine en sulfurylfluoride voorschrijven, gelden in Nederland wettelijke gebruiksvoorschriften. In importcontainers, die soms nog resten ontsmettingsmiddelen bevatten, zijn de concentraties lager en volstaat een afstand van ten minste 20 meter, aldus het advies. Deze kleinere hoeveelheden zijn nog hoog genoeg om de gezondheid schade toe te brengen, zodat enige afstand tot de containers is geboden. Kort na aanvang van de ontgassing kunnen namelijk relatief hoge concentraties voorkomen. Bovendien kunnen gassen lekken uit de nog gesloten containers, waardoor in de nabijheid hoge concentraties circuleren. Een andere aanbeveling is de ontgassing bij windstil weer te verbieden. Dit voorkomt dat de gassen in hoge concentraties op het terrein blijven hangen.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Die Verteilung von Begasungsmitteln in der Umgebung von mit Schaedlingsbekaempfungsmitteln behandelten Containern | RIVM

Het RIVM adviseert de VROM-Inspectie om een zone rondom 'gegaste' havencontainers te creeren waar alleen mensen met adembeschermingsapparatuur mogen komen. Voor grote hoeveelheden ontsmettingsmiddelen (tot 5 kg voor de stoffen methylbromide en sulfurylfluoride) geldt een afstand van 50 meter tot de container. Bij kleinere hoeveelheden (tot 1 kg) volstaat 20 meter. Binnen deze zones zijn de concentraties van vrijkomende gassen schadelijk voor de volksgezondheid. Aanleiding voor dit advies was de wens de regelgeving over ontgassing te vereenvoudigen en zo de handhaving te verbeteren. De hoge concentraties komen meestal voor bij exportcontainers. Die moeten soms voor vertrek met bestrijdingsmiddelen worden behandeld om de inhoud of het pakkingsmateriaal te ontsmetten (gassen). De maatregel geldt vanaf het moment waarop het gassen aanvangt. De ontstane gassen worden vervolgens verwijderd voordat de containers de haven verlaten (ontgassen). De genoemde afstanden zijn gebaseerd op de concentraties die in Nederland bij het gassen en ontgassen vrijkomen. Als internationale voorschriften het gebruik van methylbromide, fosfine en sulfurylfluoride voorschrijven, gelden in Nederland wettelijke gebruiksvoorschriften. In importcontainers, die soms nog resten ontsmettingsmiddelen bevatten, zijn de concentraties lager en volstaat een afstand van ten minste 20 meter, aldus het advies. Deze kleinere hoeveelheden zijn nog hoog genoeg om de gezondheid schade toe te brengen, zodat enige afstand tot de containers is geboden. Kort na aanvang van de ontgassing kunnen namelijk relatief hoge concentraties voorkomen. Bovendien kunnen gassen lekken uit de nog gesloten containers, waardoor in de nabijheid hoge concentraties circuleren. Een andere aanbeveling is de ontgassing bij windstil weer te verbieden. Dit voorkomt dat de gassen in hoge concentraties op het terrein blijven hangen.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

The National Immunisation Programme in the Netherlands. Developments in 2006 | RIVM

In 2006 traden verschillende veranderingen op in het Rijksvaccinatieprogramma (RVP) in Nederland: kinderen die geboren worden uit moeders die chronisch geinfecteerd zijn met hepatitis B krijgen vlak na de geboorte een hepatitis B vaccinatie; er is een ander vaccin geintroduceerd voor difterie, kinkhoest (a-cellulair), tetanus, poliomyelitis en Haemophilus influenzae (DaKTP/Hib); vaccinatie tegen pneumokokken is toegevoegd op de leeftijd van 2, drie, vier en elf maanden; risicogroepen voor hepatitis B krijgen op diezelfde leeftijden een combinatievaccin voor DaKTP/Hib en hepatitis B; DTP en aK zijn gecombineerd in een vaccin op vierjarige leeftijd; en er zijn nieuwe BMR vaccins geintroduceerd. Op basis van informatie die in 2006 beschikbaar is gekomen wordt geadviseerd de introductie van vaccinaties voor de volgende ziekten te overwegen: hepatitis B (universele vaccinatie), rotavirus, waterpokken en humaan papillomavirus. Voor respiratoir syncytieel virus en meningokokken B zijn nog geen kandidaatvaccins beschikbaar en uitbreiding van het RVP met beschikbare vaccins voor hepatitis A, influenza en tuberculose wordt nog niet aanbevolen. Het RVP is effectief en veilig, maar voortdurende bewaking hiervan is groot belang, omdat er regelmatig veranderingen optreden. Handhaven van de hoge vaccinatiegraad is essentieel om terugkeer van ziekten te voorkomen. Verder moet regelmatig bekeken worden of het RVP aangepast moet worden aangezien er steeds nieuwe vaccins beschikbaar komen.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

The dispersal of fumigants around ocean shipping containers | RIVM

Het RIVM adviseert de VROM-Inspectie om een zone rondom 'gegaste' havencontainers te creeren waar alleen mensen met adembeschermingsapparatuur mogen komen. Voor grote hoeveelheden ontsmettingsmiddelen (tot 5 kg voor de stoffen methylbromide en sulfurylfluoride) geldt een afstand van 50 meter tot de container. Bij kleinere hoeveelheden (tot 1 kg) volstaat 20 meter. Binnen deze zones zijn de concentraties van vrijkomende gassen schadelijk voor de volksgezondheid. Aanleiding voor dit advies was de wens de regelgeving over ontgassing te vereenvoudigen en zo de handhaving te verbeteren. De hoge concentraties komen meestal voor bij exportcontainers. Die moeten soms voor vertrek met bestrijdingsmiddelen worden behandeld om de inhoud of het pakkingsmateriaal te ontsmetten (gassen). De maatregel geldt vanaf het moment waarop het gassen aanvangt. De ontstane gassen worden vervolgens verwijderd voordat de containers de haven verlaten (ontgassen). De genoemde afstanden zijn gebaseerd op de concentraties die in Nederland bij het gassen en ontgassen vrijkomen. Als internationale voorschriften het gebruik van methylbromide, fosfine en sulfurylfluoride voorschrijven, gelden in Nederland wettelijke gebruiksvoorschriften. In importcontainers, die soms nog resten ontsmettingsmiddelen bevatten, zijn de concentraties lager en volstaat een afstand van ten minste 20 meter, aldus het advies. Deze kleinere hoeveelheden zijn nog hoog genoeg om de gezondheid schade toe te brengen, zodat enige afstand tot de containers is geboden. Kort na aanvang van de ontgassing kunnen namelijk relatief hoge concentraties voorkomen. Bovendien kunnen gassen lekken uit de nog gesloten containers, waardoor in de nabijheid hoge concentraties circuleren. Een andere aanbeveling is de ontgassing bij windstil weer te verbieden. Dit voorkomt dat de gassen in hoge concentraties op het terrein blijven hangen.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Een vergelijking van modellen voor de atmosferische verspreiding van verkeersemissies | RIVM

De in Nederland gebruikte rekenmodellen voor luchtkwaliteit langs snelwegen en stadswegen geven wisselende resultaten. Voor berekening van jaargemiddelde concentraties van stikstofdioxide en fijn stof zijn de verschillen tussen modellen beperkt. Bij de berekening van meer specifieke aspecten van luchtkwaliteit, bijvoorbeeld het aantal overschrijdingsdagen, kunnen de verschillen tussen modelresultaten aanzienlijk groter zijn. Atmosferische verspreidingsmodellen berekenen luchtkwaliteit als gevolg van emissies door het verkeer. In Nederland is een aantal van deze verspreidingsmodellen in gebruik bij overwegend commerciele bureaus. Zij voeren berekeningen uit in opdracht van overheid en bedrijfsleven. De rekenmodellen die deze bureaus gebruiken werken volgens uiteenlopende rekenmethoden. Om vast te stellen in hoeverre de resultaten van de verschillende modellen met elkaar overeenstemmen, zijn in dit onderzoek zes in Nederland gebruikte rekenmodellen met elkaar vergeleken. Bij de berekening van de jaargemiddelde concentratie van stikstofdioxide en fijn stof langs snel- en stadswegen, liggen de resultaten van de modellen binnen een marge van 10-15% rond het gemiddelde van de modellen. Bij de berekening van het aantal overschrijdingsdagen voor fijn stof langs snelwegen liggen de verschillende modelresultaten echter in een bandbreedte van 30% rond het gemiddelde. Voor een typische stadswegsituatie is die bandbreedte 50%.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Onderzoek naar het stralingsniveau gemeten met NMR meetposten in Petten en omgeving in de periode september 2001 | RIVM

Na een melding van een derde partij over mogelijke ongecontroleerde lozingen op de Onderzoeks Locatie Petten (OLP) heeft de VROM-Inspectie Kernfysische Dienst aan het RIVM gevraagd om gegevens van het Nationaal Meetnet Radioactiviteit (NMR) op specifieke data en tijdstippen in september 2001 nader te analyseren. Het RIVM heeft twee compensatiemethodes toegepast om de variatie in de achtergrondstraling te analyseren op ongewone bijdragen. Uit die analyses worden onder meer de volgende conclusies getrokken: * Op de specifiek genoemde tijdstippen zijn in de NMR-gegevens geen bijzonderheden zichtbaar; * Uit de vergelijking van gemeten en berekende data blijkt dat het zeer aannemelijk is dat het grootste deel van de variatie in de data van Petten verklaard wordt door normale variaties in de natuurlijke achtergrond, onder andere veroorzaakt door het uitregenen van radondochters. Deze bewering kan echter niet onomstotelijk aangetoond worden, omdat de voor de berekening noodzakelijke invoerparameters voor de locatie Petten niet beschikbaar zijn; * Spikes in de data van Petten (1006), zoals onder meer waargenomen op 3, 7, 13, 17, 18, 26 en 28 september, worden niet verklaard door variaties in de natuurlijke achtergrond. Deze kortstondige verhogingen, die op geregelde tijden plaats lijken te vinden, zijn zeer waarschijnlijk het gevolg van transport van radiopharmaca op het terrein van de Onderzoeks Locatie Petten; * Met de MONET compensatiemethode zijn de daggemiddelde data van de NMR meetposten Petten (1006) en Julianadorp (1004) geanalyseerd op mogelijk toegevoegd dosistempo. Op alle dagen blijft het verschil onder de aantoonbaarheidsgrens voor significante afwijkingen; * Het is zeer onaannemelijk dat lichte verhogingen in het dosistempo het gevolg zijn van een lozing, omdat vergelijkbare structuren te zien zijn op andere NMR meetposten in alle windrichtingen t.o.v. de Onderzoeks Locatie Petten.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Kwantificeren van de gezondheidseffecten van voeding | RIVM

Modelsimulaties geven aan dat met een grotere consumptie van fruit, groente en vis veel gezondheidswinst te behalen is. Dit soort schattingen kunnen worden gebruikt bij de onderbouwing van het voedingsbeleid. Met behulp van het Chronische-Ziekten-Model (CZM) van het RIVM kunnen de gezondheidseffecten op de langere termijn en zorggerelateerde kosten van beleidsdoelstellingen en voedingsinterventies worden doorgerekend. De modelsimulaties geven aan dat met een verhoging van de consumptie van groenten, fruit en vis relatief veel gezondheidswinst te behalen is. Ook blijkt dat ten aanzien van de vetzuursamenstelling de meeste gezondheidswinst inmiddels al is bereikt. Als de gehele Nederlandse bevolking de aanbevelingen voor gezonde voeding zou naleven, overlijden de komende twintig jaar naar schatting 140.000 minder mensen. De totale zorgkosten die anders in 20 jaar worden uitgegeven verminderen dan ongeveer met 3%. Doordat mensen langer leven zullen in de daaropvolgende jaren hun zorgkosten wel toenemen. Het model is ook gebruikt voor doorrekening van twee concrete voedingsinterventies, te weten SchoolGruiten en Werkfruit. Een kind dat deelneemt aan SchoolGruiten zal gemiddeld langer leven (+0,37 jaar) en ook langer gezond blijven. Er worden minder medische kosten op jongere leeftijd gemaakt. Deze kosten worden echter voor een groot deel uitgesteld. Voorwaarde voor de gunstige effecten is dat kinderen na de basisschool structureel meer groenten en fruit blijven eten. Werkfruit is een interventie die zich richt op de fruitconsumptie van werknemers in Nederland. Wanneer dit wordt ingevoerd bij 1 op de 10 werknemers, stijgt naar verwachting de levensverwachting van een 20-jarige met 0,08 jaar en nemen de gezondheidszorgkosten met 0,2 procent af.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Trendanalyse schadelijke gassen in containers | RIVM

Geimporteerde zeecontainers die door de VROM-Inspectie worden gecontroleerd, bevatten steeds vaker gasvormige bestrijdingsmiddelen en hoge gehalten oplosmiddelen. Hoge gehalten bestrijdingsmiddelen en oplosmiddelen vormen een risico voor mensen (bijvoorbeeld tijdens het uitladen van containers) en voor het milieu. Gasvormige bestrijdingsmiddelen worden toegevoegd ter bestrijding van ongedierte tijdens transport en opslag. De oplosmiddelen zijn afkomstig uit de vervoerde producten, zoals bijvoorbeeld schoenen. Sinds 2003 voert de VROM-Inspectie regelmatig controles uit naar de gehalten bestrijdingsmiddelen en andere schadelijke gassen in containers. In dit onderzoek zijn op verzoek van de VROM-Inspectie de meetresultaten over de afgelopen vier jaar (2003-2006) nader beschouwd. Onderzocht is of er zich een trend voordoet in de frequentie, het soort bestrijdingsmiddel en de gehalten die in de gecontroleerde containers worden aangetroffen. Ook is er gekeken naar de ontwikkeling van overige schadelijke stoffen die in de gecontroleerde containers worden aangetroffen. Uit het onderzoek blijkt dat met name het percentage containers dat het bestrijdingsmiddel 1,2-dichloorethaan bevat, is gestegen. Wat betreft de oplosmiddelen worden benzeen en tolueen steeds vaker in hoge concentraties gemeten.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

De controle van collectieve leidingwaterinstallaties in 2005 | RIVM

De controle van collectieve leidingwaterinstallaties in 2005. Voortgang en bevindingen. Sinds 2004 hebben de waterleidingbedrijven in Nederland de wettelijke taak om aangesloten leidingwaterinstallaties te controleren op de risico's voor gebruikers van de installatie en van verontreiniging van het openbare drinkwaternet. Deze jaarlijkse rapportage beschrijft de voortgang van en de bevindingen bij deze controletaak. De VROM-Inspectie is als handhaver opdrachtgever voor dit onderzoek. De resultaten van de controles lijken die van 2004 te bevestigen. Ongeveer twintig procent van de bestaande en nieuwe installaties vertoont een verhoogd risico van verontreiniging. Vooral voor nieuwbouwinstallaties is dit opmerkelijk, aangezien de installatie moet voldoen aan de in januari 2002 gewijzigde voorschriften. Oorzaken zijn volgens de controleurs de gebrekkige communicatie tussen de vele partijen in het nieuwbouwproces, en een gebrek aan kennis bij installateurs over de nieuwe voorschriften. Vanaf 2005 worden installaties ook op legionellapreventie gecontroleerd, waarbij voorrang is gegeven aan de zogeheten prioritaire installaties, zoals die in hotels en ziekenhuizen. Circa negentig procent hiervan is bij de eerste controle niet in orde, voornamelijk doordat een toereikende risicoanalyse en een beheersplan ontbreken. Volgens de controleurs zijn de eigenaren wel op de hoogte van de eisen rondom legionellapreventie, maar hebben zij onvoldoende zicht op de risico's van een legionellabesmetting. Uiteindelijk zijn na een tweede controle bij 95 procent van de prioritaire installaties de problemen opgelost. Bij de overgebleven vijf procent zal VROM-Inspectie maatregelen afdwingen. Het aantal gecontroleerde installaties is in 2005 met ongeveer 3.000 afgenomen naar 40.000. Deze daling komt vooral doordat de controles op de prioritaire installaties veel tijd in beslag nemen door de omvang en complexiteit van deze installaties. Hierdoor wordt het streven belemmerd om vanaf 2006 50.000 installaties per jaar te controleren. De eerste stap in de richting van betere leidingwaterinstallaties is meer bewustzijn te creeren bij de eigenaren en andere betrokken partijen. Ze blijken dan namelijk sneller bereid om in te grijpen. Het RIVM beveelt daarom aan te onderzoeken of een centraal gevoerde voorlichting aan deze partijen aan deze bewustwording kan bijdragen.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Enhanced decision support for policy makers using a web interface to health-economic models - illustrated with a cost-effectiveness analysis of nation-wide infant vaccination with the 7-valent pneumococcal conjugage vaccine in the Netherlands | RIVM

Enhanced decision support for policy makers using a web interface to health-economic models - illustrated with a cost-effectiveness analysis of nation-wide infant vaccination with the 7-valent pneumococcal conjugage vaccine in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2007 Onderzoek

Selected Integrated Testing Strategies (ITS) for the risk assessment of chemicals | RIVM

Het RIVM heeft teststrategieen onderzocht (ITS) om de risicobeoordeling van chemicalien proefdiervriendelijker te maken. Het wil hiermee bijdragen aan onderzoeksprogramma's hiernaar van de EU en de OESO. Het accent ligt daarbij op de toepassing van alternatieve methoden en de verbetering van bestaande testmethoden. Dit onderzoek is hard nodig om de nieuwe Europese wetgeving voor industriele stoffen, REACH, te laten slagen, welke op 1 juni 2007 in werking treedt. ITS staat voor geintegreerde of intelligente Teststrategieen. Het zijn strategieen op papier waarmee chemische stoffen zo effectief mogelijk kunnen worden getest op mogelijke gevaren. Die strategieen maken inzichtelijk welke testen of wiskundige methoden voor een bepaalde stof moeten worden gebruikt, en in welke volgorde. ITS wil een antwoord zijn op de toenemende testvereisten in de regelgeving voor grote aantallen stoffen waarover weinig fysisch-chemische en (eco)toxicologische gegevens bekend zijn. Het gaat dan vooral om de ontwikkeling van strategieen waarvoor testmethoden op celniveau (in vitro) en wiskundige testmethoden (in silico) gebruikt worden. De wiskundige methoden zijn nodig om de blootstelling aan stoffen en de relatie tussen effecten hiervan en chemische structuur in te kunnen schatten. Daarnaast blijft proefdiergebruik (in vivo) in sommige gevallen nodig. Door de resultaten van al deze methoden op slimme wijze aan elkaar te koppelen kan met voldoende zekerheid inzicht worden verkregen in de effecten van chemische stoffen. En daarmee kunnen, naar verwacht, stoffen met minder proefdieren, goedkoper en sneller op hun veiligheid worden beoordeeld. Het rapport beschrijft hoe in elke stap van de teststrategie zo verantwoord mogelijk kan worden omgegaan met de onzekerheden in de gebruikte resultaten van testen en methoden. Vervolgens worden teststrategieen besproken voor de beoordeling van 1) de afbraak van chemicalien in het milieu, 2) overgevoeligheid van huid en ademhalingswegen en 3) nadelige effecten op de vruchtbaarheid en op het nageslacht.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

De microbiologische kwaliteit van het grachtenwater in Amsterdam | RIVM

Het water in de Amsterdamse Prinsengracht en Herengracht en het water in de Amstel bij de Berlagebrug en het IJmeer bij de inlaat van het gemaal Zeeburg is verontreinigd met feces van mens of dier. Acht van de twaalf onderzochte mogelijke ziekteverwekkers werden in het water aangetroffen. Het ging om Campylobacter, Salmonella, Cryptosporidium, Giardia, rotavirus, enterovirus, reovirus en norovirus. Microbiologische verontreiniging van het water in de Amsterdamse grachten kan optreden doordat afvalwater van woonboten in de grachten geloosd wordt, maar ook doordat al dan niet gezuiverd rioolwater rechtstreeks of via de Amstel in de grachten terecht komt. Wanneer mensen in aanraking komen met microbiologisch verontreinigd oppervlaktewater kunnen ze milde aandoeningen zoals maagdarmklachten, huidklachten en oor- en oogklachten oplopen, maar ook ernstigere aandoeningen zoals hepatitis. Elk jaar komen vooral in de zomermaanden veel mensen, al dan niet vrijwillig, in het water van de Amsterdamse grachten terecht. Anderen, zoals professionele duikers, komen bij het uitoefenen van hun beroep in aanraking met het grachtenwater. De Amsterdamse grachten zijn niet als zwemlocatie aangewezen en daarom wordt de waterkwaliteit niet gecontroleerd. Toetsing van de waterkwaliteit in de grachten aan de strenge normen voor indicatoren voor fecale verontreiniging uit de herziene Europese Zwemwaterrichtlijn die in 2006 in werking is getreden, liet zien dat het water niet voldeed aan de normen en daarom niet als zwemwater geschikt is. Het is niet uit te sluiten dat personen die aan dit water worden blootgesteld een gezondheidsrisico lopen.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

De invloed van weersomstandigheden op de microbiologische kwaliteit van hemelwater toegepast voor toiletspoeling en schoonmaken | RIVM

Onderzoek naar de microbiologische kwaliteit van opgevangen regenwater dat bewaard werd in reservoirs toonde aan dat dit water altijd fecaal verontreinigd was en soms ziekteverwekkende micro-organismen zoals Campylobacter, Legionella, Cryptosporidium of Giardia bevatte. De mate van fecale verontreiniging van het water werd beinvloed door de hoeveelheid neerslag en de neerslagintensiteit. Als vervolg op een in 2005 uitgevoerd inventariserend onderzoek naar de microbiologische kwaliteit van opgevangen regenwater werd in 2006 het effect van omgevingsfactoren op de microbiologische kwaliteit van opgevangen regenwater onderzocht. Uit drie regenwaterreservoirs werden onder verschillende omstandigheden monsters genomen, zodat de mogelijke invloed van droogte, (hevige) neerslag, al dan niet na een periode van droogte, en temperatuur bestudeerd kon worden. De aanwezigheid van Campylobacter, Salmonella, Vibrio, Legionella, Cryptosporidium, Giardia en enterovirussen werd onderzocht. Bij een hoge neerslagintensiteit na een periode van droogte steeg het aantal fecale indicatorbacterien in het water in de reservoirs en werden ziekteverwekkende bacterien zoals Campylobacter gevonden. Door afspoeling van vogelfeces vanaf de daken kunnen hoge aantallen Campylobacter in de reservoirs terechtkomen, waardoor het denkbaar is dat bij gebruik van het opgevangen regenwater voor toiletspoeling niet aan het in het Waterleidingbesluit gestelde infectierisico van 1 per 10.000 personen per jaar wordt voldaan.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Landbouwpraktijk en waterkwaliteit op landbouwbedrijven aangemeld voor derogatie. Beschrijving van de meetnetopzet voor de periode 2006-2009 en de inhoud van de rapportages vanaf 2008 | RIVM

Het RIVM en het LEI hebben in 2006 in Nederland een monitoringnetwerk opgezet dat de gevolgen meet als landbouwbedrijven mogen afwijken (derogatie) van de Europese gebruiksnorm voor dierlijke mest. Het meetnet volgt driehonderd landbouwbedrijven die zich hebben aangemeld voor derogatie. Het legt de gevolgen vast voor de landbouwpraktijk en de waterkwaliteit. In dit rapport is de opzet van het monitoringnetwerk beschreven, evenals de wijze waarop vanaf 2008 over de resultaten zal worden gerapporteerd. Het rapport geeft onder andere aan wanneer welke cijfers beschikbaar zijn, en welke rekenmethoden gebruikt zullen worden om onder andere de bemesting en gewasopbrengst te berekenen. De Europese Nitraatrichtlijn verplicht lidstaten het stikstofgebruik via dierlijke mest te beperken tot maximaal 170 kg per hectare. Een lidstaat kan de Europese Commissie vragen hiervan onder voorwaarden af te wijken. Nederland heeft in december 2005 toestemming gekregen om vanaf 2006 tot en met 2009 onder voorwaarden af te mogen wijken van de gestelde norm. Dit betekent dat landbouwbedrijven 250 kilo stikstof per hectare mogen toedienen via dierlijke mest afkomstig van graasdieren (vooral koeien). Een van die voorwaarden is dat minimaal 70 procent van het totale areaal grasland is. Daarnaast is de Nederlandse overheid verplicht een monitoringnetwerk in te richten en de Commissie over de resultaten daarvan te rapporteren. De driehonderd deelnemers die worden gevolgd, zijn een steekproef van de circa 27.000 Nederlandse landbouwbedrijven die zich hebben aangemeld voor derogatie. Het netwerk is een onderdeel van het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM).
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Comparison of consumer exposure modelling tools. Inventory of possible improvements of ConsExpo | RIVM

ConsExpo is een geschikt computerprogramma met rekenmodellen om de mate van blootstelling van mensen aan stoffen in consumentenproducten te schatten. Het programma kan verder verbeterd worden door bepaalde elementen uit andere bestaande rekenmodellen over te nemen. In ConsExpo wordt rekening gehouden met verschillende manieren van blootstelling: via de huid, via inhalatie en via orale opname. Bij het programma hoort een database, waarin standaardwaarden en blootstellingscenario's (wie wordt waar en hoe blootgesteld aan wat en hoe vaak) voor vele producttypen worden aangeboden (bijvoorbeeld cosmetica, verf, reinigingsmiddelen, ongediertebestrijdingsmiddelen en desinfectantia). De beschrijving van deze standaardwaarden en blootstellingscenario's wordt gerapporteerd in zogenoemde 'fact sheets'. Om ConsExpo verder te kunnen verbeteren is een vergelijking gemaakt met andere bestaande rekenmodellen. In de inventarisatie werd gekeken of deze modellen blootstellingscenario's, wiskundige methoden of andere aspecten bevatten die een nuttige aanvulling kunnen zijn voor ConsExpo. Uit de inventarisatie bleek dat ConsExpo zeer geschikt is om de blootstelling te schatten voor stoffen in consumentenproducten. In andere rekenmodellen werden namelijk geen blootstellingscenario's aangetroffen, die niet met ConsExpo berekend kunnen worden. Wel zijn er wiskundige methoden en andere elementen gevonden die voor ConsExpo van groot belang kunnen zijn. Zo kunnen sommige rekenmodellen blootstelling aan stoffen uit meerdere producten berekenen. De berekening van deze zogenaamde 'geaggregeerde blootstelling' zal mogelijk een rol gaan spelen in de risicoschatting van chemische stoffen onder de toekomstige wetgeving in de EU (REACH).
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Guidance for risk assessment of chemicals for children | RIVM

Het RIVM heeft een leidraad geschreven voor de risicobeoordeling van chemische stoffen voor kinderen. In een dergelijke risicobeoordeling wordt de mate waarin een kind wordt blootgesteld aan een bepaalde chemische stof gerelateerd aan de mogelijk schadelijke effecten van deze blootstelling. Er bestaat momenteel veel belangstelling voor risicobeoordeling van chemische stoffen voor kinderen. De beoordelingsmethodes zijn echter nog sterk in ontwikkeling. De leidraad biedt handvatten bij het maken van een risico-evaluatie en wijst risicobeoordelaars op de verschillende aspecten die bij een risicobeoordeling van stoffen voor kinderen kunnen worden betrokken, zoals de specifieke blootstelling en de specifieke gevoeligheid van een kind voor de schadelijke effecten van een chemische stof. Dit zal de consistentie in de risicobeoordelingen bevorderen. Verder worden voorstellen voor verbetering van risicobeoordelingen van stoffen voor kinderen gedaan. Wanneer deze voorstellen worden doorgevoerd zal dit een aantal gevolgen hebben, bijvoorbeeld dat testrichtlijnen moeten worden aangepast. De mogelijke gevolgen van deze voorstellen worden in het rapport bediscussieerd.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Validation and comparison of methods for enumeration of faecal coliforms and Escherichia coli in bivalve molluscs | RIVM

Het belangrijkste resultaat van de validatiestudie waarin gelijkwaardigheid van twee methoden voor de telling van fecale bacterien van de coligroep in tweekleppige weekdieren werd aangetoond, was dat de telplaatmethode op Mac Conkey agar inderdaad gelijkwaardig werd bevonden aan de MPN methode. Dit betekent dat Nederland voldeed aan de eisen van Richtlijn 91/492/EC. De kwaliteitseisen van tweekleppige weekdieren, bedoeld voor menselijke consumptie, zijn vastgelegd in Europese wetgeving. Een van de vereisten van Richtlijn 91/492/EC is dat tweekleppige weekdieren minder dan 300 fecale bacterien van de coligroep of minder dan 230 Escherichia coli per 100 g weekdiervlees en vocht mogen bevatten. Volgens deze Richtlijn moet de microbiologische analyse uitgevoerd worden met een Meest Waarschijnlijke Aantal (MPN) methode, 'of een andere bacteriologische procedure van welke gelijke nauwkeurigheid is aangetoond'. Tot 2005 prefereerde Nederland het gebruik van een telplaatmethode op Mac Conkey agar. Om aan de eisen te voldoen was het nodig om een nationale validatiestudie uit te voeren. Naast deze studie werden ook vier procedures voor de telling van Escherichia coli vergeleken. Deze vergelijking werd gedaan omdat in de nieuwe Europese Verordening 854/2004 de kwaliteit van tweekleppige weekdieren alleen gebaseerd is op het aantal Escherichia coli en niet langer op fecale bacterien van de coligroep. De conclusie van deze vergelijkingsstudie is dat een telplaatmethode een mogelijke alternatieve methode kan zijn voor de nieuw voorgeschreven MPN-methode voor de telling van Escherichia coli in tweekleppige weekdieren.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Integraal gezondheidsbeleid: theorie en toepassing | RIVM

Gezondheid wordt beinvloed door veel verschillende factoren. Niet alleen genetische factoren, zorg en leefstijl zijn van invloed op de gezondheidstoestand van individuen, maar ook de fysieke en sociale omgeving speelt een belangrijke rol. Integraal gezondheidsbeleid is erop gericht de gezondheid of determinanten daarvan in samenhang te beinvloeden. Dat betekent in de meest brede zin dat de belangrijkste relevante sectoren binnen en buiten het volksgezondheidsdomein samen werken aan het aspect gezondheid. Integraal gezondheidsbeleid kan ook specifieker zijn, zoals het beinvloeden (facetbeleid) of analyseren (gezondheidseffectschatting) van beleid van sectoren buiten het volksgezondheidsdomein. Het uitvoeren van integraal gezondheidsbeleid blijkt in de praktijk een ingewikkeld proces. Een belangrijke voorwaarde voor het maken en uitvoeren van integraal gezondheidsbeleid is dan ook de intersectorale samenwerking. Echter de betrokkenheid van andere actoren en sectoren is lang niet altijd vanzelfsprekend. Dat komt mede doordat de rol, betekenis en effecten van integraal gezondheidsbeleid nog onvoldoende duidelijk zijn. Om resultaat te boeken met integraal gezondheidsbeleid is het essentieel meer kennis te ontwikkelen en uit te wisselen op het gebied van implementatie en effecten van integraal gezondheidsbeleid. Deze publicatie geeft een overzicht van de verschillende aspecten van integraal gezondheidsbeleid.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Resultaten van onderzoek naar fijn stof aan de Tilburgseweg te Breda | RIVM

De gemeente Breda heeft geconstateerd dat de meetwaarden van fijn stof (PM10) bij de Tilburgseweg te Breda hoog zijn in vergelijking met de andere meetpunten van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit (LML) van het RIVM. Dit is zichtbaar in de lijst met geconstateerde overschrijdingsdagen zoals die continu wordt bijgehouden op de website van het LML. Op verzoek van de gemeente Breda heeft de provincie Noord-Brabant de fijnstofconcentraties in de periode van augustus tot en met oktober 2006 gemeten. In de periode augustus tot en met oktober 2006 heeft het RIVM eveneens fijnstofreferentiemetingen verricht. Uit de referentiemetingen volgt dat de metingen van het RIVM en de provincie Noord-Brabant met elkaar in overeenstemming zijn. De meetresultaten van de automatische metingen zijn in overeenstemming met de in Europa geldende kwaliteitscriteria. Uit het equivalentieonderzoek dat in 2006 door het LML heeft plaatsgevonden, volgt dat het aantal gerapporteerde overschrijdingsdagen van het meetstation aan de Tilburgseweg te Breda is aangepast.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Population models for time-varying pesticide exposure | RIVM

Het RIVM heeft een nieuw model ontwikkeld dat de effecten van in de tijd varierende blootstelling aan bestrijdingsmiddelen op de planten- en dierenpopulatie in oppervlaktewater kan voorspellen. Voordat een bestrijdingmiddel op de markt komt, wordt gekeken naar het zogenaamde milieurisico van dit middel. Het milieurisico wordt bepaald door het vergelijken van de mate van blootstelling van planten en dieren aan het bestrijdingsmiddel met de verwachte gevoeligheid van planten en dieren voor het betreffende bestrijdingsmiddel. Het ontwikkelde model bestaat uit een combinatie van een model dat de ontwikkeling van de populatie beschrijft en een model dat een variabele mate van blootstelling combineert met de effecten daarvan op de groei en overleving van planten en dieren. Deze combinatie biedt een oplossing voor het praktische probleem dat in het laboratorium de planten en dieren niet in alle leeftijden en bij alle mate van blootstellingen kunnen worden onderzocht. Naast de werking van het model wordt in het rapport ook aangegeven welke gegevens nodig zijn om het model te kunnen gebruiken.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Kritische emissiewaarden voor bouwstoffen. Milieuhygienische onderbouwing en consequenties voor bouwmaterialen | RIVM

In dit rapport worden varianten berekend die de huidige normen voor het hergebruik van bouwmaterialen - zoals vastgelegd in het Bouwstoffenbesluit 1999 - kunnen vervangen. De huidige normen vormden een belemmering voor het hergebruik van bouwmaterialen. Omdat er wel behoefte bestond aan hergebruik, zijn de mogelijkheden tot een eventuele verruiming, die wel milieuverantwoord blijft, onderzocht. Het bouwstoffenbesluit bevat normen voor de maximale uitstoot van anorganische stoffen (zoals metalen) in bouwmaterialen. Milieuhygienische belangen worden nu afgewogen tegen de wens tot ruimere mogelijkheden voor hergebruik. Het onderzoek houdt rekening met verschillende elementen bij het hergebruik van bouwmaterialen: het milieucompartiment, het gewenste beschermingsniveau en het toepassingsscenario van de bouwstof. Er zijn twee alternatieve computermodellen gebruikt, die de verschillen in de wijzen waarop vrijgekomen stoffen zich aan de bodem binden, berekenen. Daarnaast is ook de menging van vrijgekomen stoffen voor oppervlaktewater berekend. De berekende waarden zijn afgezet tegen de kwaliteitsgegevens van bouwstoffen die door verschillende bedrijfstakken zijn aangeleverd. De voorgestelde varianten maken onderdeel uit van een beleidsmatig besluitvormingsproces, waarbij ook andere socio-economische aspecten worden afgewogen.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Bouwstenen voor keuzes rondom preventie in Nederland | RIVM

Ongezond gedrag leidt tot een verlaging van de (gezonde) levensverwachting. Wanneer we de risicofactoren roken, overgewicht en lichamelijke inactiviteit met elkaar vergelijken blijkt dat roken tot het grootste verlies van (gezonde) levensverwachting leidt. De hypothetische uitbanning van roken en andere risicofactoren leidt dus tot gezondheidswinst voor de bevolking. Deze uitbanning van ongezonde gedragingen leidt echter ook tot een stijging van de toekomstige zorgkosten. De hogere zorgkosten op lange termijn is de prijs die betaald moet worden voor het succes van preventie, namelijk een gezondere en langer levende bevolking. In dit rapport is met behulp van het RIVM Chronische Ziekten Model (CZM) de ziektelast van de risicofactoren roken, overgewicht en lichamelijke inactiviteit geschat. Deze drie risicofactoren vormen drie belangrijke pijlers van het preventiebeleid dat door het Ministerie van VWS gevoerd wordt. De ziektelast wordt onder andere uitgedrukt in verlies aan levensjaren als gevolg van ongezonde leefgewoonten en in verlies aan kwaliteit van het leven. Daarnaast wordt de doelmatigheid van een elftal interventies gericht op het bevorderen van een gezonde leefstijl op een rijtje gezet. Theoretische eliminatie van de risicofactoren roken, overgewicht en lichamelijke inactiviteit in de huidige bevolking leidt tot een stijging van de gezonde levensverwachting van respectievelijk 1,6, 0,8 en 0,4 jaar. Dit heeft echter tot gevolg dat de totale zorgkosten voor de huidige Nederlandse populatie over een periode van 100 jaar stijgen met respectievelijk 6,2%, 2,0% en 2,1%. Tevens zou eliminatie van de risicofactoren roken, overgewicht en lichamelijke inactiviteit in de huidige bevolking leiden tot een minder sterke stijging in het percentage mensen met diabetes. Veel interventies gericht op het stoppen met roken, afvallen en meer bewegen kunnen als doelmatig worden bestempeld. De kosten-effectiviteit van de maatregelen die we hebben doorgerekend met het CZM blijft bijna in alle gevallen onder de in Nederland vaak gehanteerde drempelwaarde van Euro 20.000,- per gewonnen gezond levensjaar. Dit geldt ook wanneer we rekening houden met de extra kosten van medische zorg in gewonnen levensjaren.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

PM10: Validatie en equivalentie 2006 | RIVM

In het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit (LML) wordt op diverse locaties in Nederland fijnstof (PM10) concentraties gemeten. Om de kwaliteit van deze metingen te waarborgen zijn in 2006 een tweetal grote activiteiten ondernomen. Als eerste zijn de procedures, meetconfiguraties en instellingen in het meetnet grondig doorgelicht. De bevindingen van de doorlichting van het meetnet hebben geleid tot een hervalidatie. Het effect van deze hervalidatie op de metingen is gering, maar heeft wel geleid tot een vermindering van de meetonzekerheid. De tweede activiteit is het uitgevoerde equivalentieonderzoek. In dit onderzoek is de gelijkwaardigheid tussen de automatische PM10-metingen in het LML en de door de EU voorgeschreven referentiemethode aangetoond. Aan de hand van dit onderzoek is voor de PM10-metingen een nieuwe en nauwkeurigere kalibratie bepaald zodat niet langer de interim kalibratiefactor van de EU toegepast hoeft te worden. Het aantonen van de equivalentie tussen de automatische meetmethode en de referentiemeetmethode is volledig gebaseerd op de aanbevelingen die de Clean Air For Europe (CAFE) steering group begin 2006 heeft vastgesteld zodat Nederland geheel conform de Europese voorschriften werkt. In het equivalentieonderzoek zijn kalibratiefuncties voor verschillende apparaattypen voor regionale en stedelijke locaties bepaald. De consequentie voor de jaargemiddelden van regionale stations na 2003, die gebruikt zijn voor de Generieke Concentraties voor Nederland (GCN-kaarten) in 2006, is een daling van minder dan 1 mug/m3. Met de hervalidatie van meetdata en de resultaten van het equivalentieonderzoek zijn onzekerheden in de PM10-metingen verkleind en voldoen de metingen aan de gestelde kwaliteitseisen.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Workability of the guidance documents for the category or read-across approach for selected groups of chemicals | RIVM

De huidige internationale richtsnoeren om chemische stoffen van vergelijkbare structuur groepsgewijs te toetsen op mogelijke risico's hebben meer toelichting nodig om ze goed te kunnen toepassen. Dat blijkt uit een onderzoek van het RIVM naar de bruikbaarheid van deze richtsnoeren. Aanleiding voor het RIVM-onderzoek is de nieuwe Europese wetgeving voor productie, handel en gebruik van chemische stoffen (REACH), die halverwege 2007 in werking treedt. Die schrijft voor dat 30.000 chemische stoffen getoetst moeten worden op mogelijke gevaren. Om het grote aantal chemicalien te kunnen toetsen, zijn diverse dierproefvrije methoden ontwikkeld, zoals QSARS, in vitro-methoden en de categorie- of read-acrossbenadering. Van slechts een beperkt aantal chemische stoffen is bekend welke fysisch-chemische en toxicologische kenmerken ze vertonen; denk daarbij bijvoorbeeld aan huidirritatie, oplosbaarheid in water, afbreekbaarheid in het milieu. De categorie- of read-acrossbenadering maakt gebruik van beschikbare stofinformatie om chemische stoffen met een vergelijkbare structuur waarvoor weinig van deze data beschikbaar zijn, toch te kunnen toetsen. De huidige richtsnoeren voor deze benadering kunnen worden gebruikt als basisdocument. Enkele verbeterpunten zijn gewenst in de verdere ontwikkeling van de REACH-richtlijnen. Belangrijk aandachtspunt daarbij is een heldere definitie van de categorieen die voor read-acrossbenaderingen worden gebruikt om te voorkomen dat ongelijkwaardige data worden vergeleken. Die onderbouwing en een heldere documentatie van gegevens voor deze benadering bepalen in hoge mate de bruikbaarheid van het nieuwe systeem.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Assessment of technical documentation of medical devices for clinical investigation | RIVM

De technische documentatie van medische hulpmiddelen, die nog niet zijn toegelaten tot de markt en bedoeld zijn voor klinisch onderzoek, bevat ernstige tekortkomingen. Dit zou een verhoogd risico kunnen betekenen en de patientveiligheid kunnen beinvloeden. Het onderzoek richtte zich op de beschikbaarheid en kwaliteit van de technische documentatie zoals vereist in de Richtlijn medische hulpmiddelen 93/42/EEG (RMH), aangevuld met onderdelen die in direct verband staan met het gebruik en de veiligheid van een hulpmiddel maar in de vigerende RMH niet expliciet vereist zijn. Hoewel de respons van de geincludeerde fabrikanten (n=19) hoog was, zou de tijdige beschikbaarheid van dergelijke documentatie verbeterd kunnen worden. Gebleken is dat bij 95% van de fabrikanten de kwaliteit van een aanzienlijk deel van de expliciet vereiste technische documentatie ontoereikend was. Ernstige tekortkomingen werden gevonden in de onderdelen risicoanalyse, sterilisatie, etikettering, gebruiksaanwijzing en vigilantie. Deze onderdelen zijn essentieel voor de kwaliteit en veiligheid van medische hulpmiddelen. De kwaliteit van de aanvullende onderdelen betreffende eventuele geneesmiddelencomponenten en 'post market surveillance' was eveneens ontoereikend. Fabrikanten zouden voor het begin van een klinisch onderzoek nauwer kunnen gaan samenwerken met hun 'notified bodies' om de kwaliteit en veiligheid van medische hulpmiddelen beter te garanderen. Bovendien zouden Europese bevoegde autoriteiten en medisch ethische toetsingscommissies kunnen overwegen om het toezicht op klinisch onderzoek met medische hulpmiddelen te verhogen. Tijdens de lopende revisie van de RMH worden aan de onderdelen geneesmiddelencomponent en 'post market surveillance' al scherpere eisen gesteld.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Leaching of zinc from rubber infill on artificial turf (football pitches) | RIVM

Veel kunstgrasvelden zijn ingestrooid met rubbergranulaat dat is gemaakt van gerecyclede autobanden. Uit dit soort rubbergranulaat lekt zink naar de bodem en naar grond- en oppervlaktewater. Dit kan aanzienlijke risico's voor het milieu met zich meebrengen, vooral voor het leven in oppervlaktewater. De risico's voor de mens zijn te verwaarlozen, omdat de hoeveelheid zink in het water onder de daarvoor gestelde (drinkwater)norm blijft. Dit onderzoek haakt in op de discussie die momenteel gaande is over mogelijke schadelijke gevolgen van gebruik van rubbergranulaat uit autobanden voor kunstgrasvelden. De studie richt zich op de vraag hoe groot de uitloging van zink uit dit soort rubbergranulaat is. Het blijkt dat veroudering van rubber van grote invloed is op de hoeveelheid zink die uit het materiaal lekt. Daarnaast is onderzocht tot welke milieu-effecten dit uitlogen mogelijk leidt voor bodem, grond- en oppervlaktewater. Het onderzoek is verricht met rekenmodellen op basis van realistische waarden. Het gaat daarbij uit van het gegeven dat de hoeveelheid zink die uitloogt toeneemt door veroudering van rubber. Milieunormen voor zink in de bodem en in grond- en oppervlaktewater kunnen worden overschreden. Bij ondoorlaatbare bodems, veen en klei, wordt het zink in het regenwater naar het oppervlaktewater getransporteerd. Bij van nature goed doorlatende zandgronden zakt het grotendeels naar het grondwater, of vloeit het weg naar het oppervlaktewater. De uitloging van zink uit rubbergranulaat is relatief groot. Ter vergelijking: de berekende zinkuitloging overschrijdt criteria uit het Bouwstoffenbesluit. Ook is de lokale uitloging van zink uit rubbergranulaat ongeveer tot twintig keer zo groot als die van mest en bestrijdingsmiddelen in de landbouw. De studie draagt bij aan de besluitvorming over het gebruik van rubbergranulaat op kunstgrasvelden.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Aggregating human exposure to chemicals: An overview of tools and methodologies | RIVM

Dagelijks staat de consument bloot aan chemische stoffen die zijn verwerkt in verschillende (non-food) producten. Om de gevolgen voor de volksgezondheid te kunnen beoordelen moet in de eerste plaats de blootstelling bepaald worden. De optelsom van de totale (geaggregeerde) blootstelling aan een stof uit verschillende consumentenproducten (denk bijvoorbeeld aan geurstoffen, vlamvertragers, weekmakers) moet kunnen worden vastgesteld. Dit rapport kijkt in welke mate bestaande computermodellen geschikt zijn om geaggregeerde blootstelling aan chemische stoffen uit consumentenproducten te bepalen. Op dit moment berekenen de Europese beoordelingskaders deze geaggregeerde consumentenblootstelling (non-food) nog niet routinematig. Als eerste aanzet tot het opvullen van dit hiaat beschrijft dit rapport een methode waarmee een dergelijke geaggregeerde blootstellingsbepaling kan worden uitgevoerd.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Immune effects of the probiotic Bifidobacterium breve | RIVM

Bifidobacterium breve, een probiotische bacterie, heeft gunstige effecten op zowel allergieen als autoimmuniteit - een afweerreactie op lichaamseigen bestanddelen - bij proefdieren. Probiotica worden in reclameboodschappen ook wel 'goede bacterien' genoemd. Fabrikanten claimen een positief effect van probiotica op darmflora, weerstand en preventie van allergieen. De meeste van deze effecten zijn echter niet wetenschappelijk onderbouwd. Het is bekend dat de effecten van probiotica afhangen van de soort probiotica die wordt toegepast. Eerder onderzoek naar het probioticum Lactobacillus casei Shirota leidde tot geringe verergering van allergie en autoimmuniteit bij proefdieren en toonde aan dat het gebruik van probiotica, afhankelijk van de stam, op een potentieel risico duidt. In dit rapport worden de effecten van het probioticum Bifidobacterium breve op het immuunsysteem beschreven. Om dit te onderzoeken zijn proefdiermodellen voor allergie en autoimmuniteit gebruikt. Toediening van Bifidobacterium breve leidde tot een vermindering van zowel allergische als autoimmuun reacties. Bifidobacterium breve heeft dus een positief effect op het immuunsysteem, dit in tegenstelling tot Lactobacillus casei Shirota. Effecten van probiotica op het immuunsysteem zijn dus duidelijk afhankelijk van de soort probiotica die wordt toegepast. Om de invloed van beide probiotica op mensen te bepalen, zijn nieuwe studies nodig. Deze studies dienen zich te richten op zowel de werkzaamheid als de veiligheid van probiotica bij mensen.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Bioinformatica ten behoeve van genomics | RIVM

Sinds enkele jaren wordt op het RIVM genomicsonderzoek uitgevoerd. Genomics omvat grootschalig onderzoek naar het erfelijk materiaal (DNA) van organismen. Dit onderzoek levert inzicht op in de manier waarop erfelijke eigenschappen zich vertalen naar het functioneren van een cel, en uiteindelijk een heel organisme. De praktische uitvoering van genomicsexperimenten is recentelijk beschreven in rapport 340200001 "Genomics: Implementatie, toepassing en toekomst", dat in december 2006 is verschenen. Dit rapport gaat in op de bioinformatica die het RIVM heeft opgezet en ontwikkeld. Bioinformatica is de wetenschap die methoden uit de informatica gebruikt om biologische data te kunnen verwerken en analyseren. Deze specifieke kennis is nodig om de grote hoeveelheden data die genomicsexperimenten genereren, te kunnen analyseren. De verschillende stappen in de data-analyse, zoals beeldverwerking, kwaliteitscontrole, normalisatie, statistische analyse, patroonherkenning, verlopen succesvol volgens algemeen geaccepteerde methoden. De bioinformatica voor de verdere biologische interpretatie van de resultaten is wereldwijd nog volop in ontwikkeling. In samenwerking met andere instituten wordt dit onderzoeksgebied gevolgd en worden nieuwe ontwikkelingen toegepast. De komende jaren zullen er via de literatuur meer data van genomicsexperimenten beschikbaar komen. Om die te kunnen vergelijken en te combineren zijn bioinformatica-methoden beschikbaar, die zich de komende jaren verder zullen ontwikkelen. Naast genomicsdata zullen ook steeds meer andere gegevens (bijvoorbeeld eiwit- en metabolietgegevens) beschikbaar komen. Dit biedt mogelijkheden om meerdere soorten data te integreren. Deze aanpak wordt "systems biology" genoemd en is vooral interessant om tot een betere risicoschatting van stoffen te komen. Ook bestaat behoefte aan bioinformatica voor grootschalig eiwitonderzoek (proteomics), dat het RIVM wil gebruiken voor bevolkingsonderzoeken en screeningsprogramma's van micro-organismen.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Bouwstenen Leidraad Grondwaterbescherming | RIVM

Om de kwaliteit van het grondwater beter te kunnen beschermen moet het beleid meer worden toegespitst op lokale omstandigheden, zoals de natuurlijke opbouw van de bodem. Daarom pleit het RIVM voor het opstellen van een algemeen geldend kader voor grondwaterbeschermingsbeleid, dat per locatie nader kan worden uitgewerkt in een gebiedsdossier. Een gebiedsdossier bevat alle relevante informatie op basis waarvan een pakket maatregelen wordt ontwikkeld, gebaseerd op de gewenste effecten. Om meer uniformiteit en effectiviteit in het grondwaterbeschermingsbeleid te brengen is VROM van plan om in de komende jaren een Leidraad Grondwaterbescherming op te stellen. Het RIVM heeft in opdracht van het Ministerie van VROM een aantal van deze lacunes uitgewerkt, zoals de risico's van microbiologische besmetting, het gebruik van pesticiden, het toepassen van bodemenergiesystemen en het omgaan met van oudsher ontstane bodemverontreinigingen. Daarnaast heeft het instituut de juridische consequenties in beeld gebracht van de invoering van de Europese Kaderrichtlijn Water voor de bescherming van industriele grondwateronttrekkingen voor menselijke consumptie, zoals de productie van frisdranken.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Zorgkosten van ongezond gedrag. Zorg voor euro's - 3 | RIVM

Ongezond gedrag en andere oorzaken van ziekte staan steeds meer in de belangstelling. Dat is niet voor niets. Roken en overgewicht, bijvoorbeeld, zijn vaak de oorzaak voor een slechte gezondheid, ziekte en een hoog zorggebruik. In dit rapport staan de zorgkosten van ongezond gedrag centraal. Daarbij wordt niet alleen naar de zorgkosten in 2003 gekeken, maar ook naar de invloed van ongezond gedrag op de zorgkosten over de gehele levensloop. Het rapport laat zien dat ongezond gedrag aanleiding geeft tot een hoog zorggebruik en aanzienlijke zorgkosten. Dit geldt voor veel landen, maar de internationale verschillen zijn zo groot dat een gedegen vergelijking van de zorgkosten van ongezond gedrag in verschillende landen niet mogelijk is. In Nederland werd in 2003 ruim 2 miljard euro besteed aan zorg die te maken had met ziekten als gevolg van roken. Het gaat dan om hart- en vaatziekten, beroerte, longkanker en chronische aandoeningen aan de luchtwegen (COPD). Aan ziekten als gevolg van overgewicht werd in 2003 bijna 1,2 miljard euro uitgegeven. Het meeste geld werd ook hier uitgegeven aan hart- en vaatziekten, gevolgd door diabetes en klachten en aandoeningen aan het bewegingsstelsel. Hoewel de zorgkosten omvangrijk zijn, is het aandeel in de totale zorgkosten relatief beperkt mede door dure aandoeningen als dementie en verstandelijke handicaps waarop deze determinanten geen invloed hebben. Het rapport laat verder zien dat de bevordering van gezond gedrag niet per definitie tot lagere zorgkosten leidt. Zeker niet als op langere termijn ook rekening wordt gehouden met een toenemende levensduur, vervangende ziekten en extra zorggebruik. Het staat echter vast dat gezond gedrag veel kan opleveren in termen van gezondheid. Economische analyses kunnen helpen om de gezondheidswinst zo efficient mogelijk te realiseren.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Risk assessment for scented products: a pre-study | RIVM

Er is weinig bekend over de risico's als gevolg van de blootstelling van consumenten aan geurstoffen uit consumentenproducten. Toevoeging van deze stoffen vindt plaats aan tal van consumentenproducten, varierend van wasmiddelen tot speelgoed. Passieve huiskamerparfums en spuitbusparfums zijn twee groepen producten die populair zijn in gebruik en die voor langdurige dan wel hoge blootstelling van de consument aan chemische stoffen kunnen zorgen. Voor het schatten van de mate van deze blootstelling is het softwareprogramma ConsExpo beschikbaar. Bijzondere aandacht gaat in deze studie uit naar het risico van het inademen van geurstoffen waarvan bekend is dat ze bij contact met de huid een allergische reactie kunnen veroorzaken. Door een gebrek aan een geaccepteerde methode echter, is het op dit moment niet mogelijk om te bepalen of dergelijke allergische reacties ook kunnen optreden bij inademing van deze geurstoffen. Dit onderwerp van de relatie tussen dermale en inhalatoire chemische allergie zal in de komende periode nader onderzocht worden in een pilot dierexperiment met twee geurstoffen. De groep 'geurproducten' zoals besproken in dit rapport omvat alle consumentenproducten die specifiek en alleen bedoeld zijn om een aangename geur te verspreiden in leefruimtes. Bijvoorbeeld ook geurkaarsen en wierook vallen hieronder. Uit een eerste inventarisatie is een enorme varieteit in het commerciele aanbod van geurproducten gebleken. De chemische samenstellingevan deze producten is complex en nadere kwantitatieve informatie over die samenstelling is vaak moeilijk te achterhalen. Ook door deze beperking is het volledig in kaart brengen van de risico's van alle stoffen in alle soorten geurproducten op dit moment niet mogelijk. Op basis van de beschikbare kennis wordt volstaan met enkele algemene aanbevelingen over waar men in de risico-evaluatie van een bepaald geurproduct op dient te letten.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Ecologische effecten van bodemverontreiniging. Maatschappelijke kosten en batenanalyse bodemsanering | RIVM

Als onderdeel van de maatschappelijke kosten- en batenanalyse van bodemsaneringen (MKBA-Bosa) in Nederland zijn de ecologische effecten van bodemverontreiniging geevalueerd. Ecologische effecten van bodemverontreiniging worden in sterke mate veroorzaakt door de aanwezigheid van zink, koper en/of lood, en in mindere mate door cadmium. Immobiele organische stoffen, zoals polycyclische koolwaterstoffen, hebben ook een significant ecologisch effect, maar vergeleken met metalen is het kleiner van omvang. Mobiele en vluchtige organische stoffen zijn minder belangrijk voor de inschatting van de totale ecologische effecten. De ecologische effecten zijn het grootst voor oppervlakkige verontreiniging, bijvoorbeeld als gevolg van storten, dempen, sedimentatie, atmosferische depositie en bodembewerking. Er is nog te weinig bekend over ecologische effecten in de diepe ondergrond. Uit wetenschappelijk en toegepast onderzoek is gebleken dat ecologische effecten daadwerkelijk optreden en toegeschreven kunnen worden aan de aanwezigheid van de verontreinigende stoffen in de bodem. Het is nog niet mogelijk om ecologische effecten rechtstreeks uit te drukken in een economische maat, bijvoorbeeld via de aantasting van de ecologische diensten van de bodem.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Surveillance van pathogenen in Nederland - Detailkarakterisering van pathogenen die relevant zijn voor de openbare gezondheidszorg | RIVM

Verdere intensivering van de analyse van pathogenen in Nederland is nodig om preventie en bestrijding van infectieziekten te verbeteren. Infectieziekten veroorzaken een aanzienlijke ziektelast in Nederland. Daarnaast gaat van infectieziekten ook een grote dreiging uit voor de openbare gezondheidszorg. Detailkarakterisering van pathogenen geeft inzicht in mogelijke veranderingen van de pathogeen zelf, zoals veranderde virulentie of resistentie. Daarnaast levert het ook inzicht in mogelijk veranderde transmissieroutes. Wel is het noodzakelijk om goed af te wegen welke pathogenen gekarakteriseerd moeten worden, tot welk detailniveau, en hoe groot de steekproef van een bepaalde pathogeen moet zijn om een representatief beeld te krijgen. In dit rapport zijn de bacterien, virussen en parasieten die de grootste ziektelast veroorzaken of de grootste bedreiging vormen voor de openbare gezondheidszorg op een gestandariseerde manier beschreven. In deze beschrijving is in het bijzonder aandacht besteed aan de relevantie van de pathogenen voor de openbare gezondheidszorg. Uit deze inventariserende studie komen een aantal pathogenen naar voren waarvan het wenselijk is om die intensiever te verzamelen en te karateriseren. Voorbeelden hiervan zijn: 1) Humaan papillomavirus, om de potentiele vaccineffectiviteit beter te kunnen inschatten. 2) Influenzavirus, om resistentie tegen antivirale middelen beter in kaart te brengen. 3) Bordetella pertusis (kinkhoest), om populatieveranderingen, die mogelijk de vaccineffectiviteit verlagen, beter te kunnen waarnemen. 4) Meticilline resistente Staphylococcus aureus (MRSA), om bron-en-contact opsporing en inperkingsmaatregelen te versnellen. Dit rapport zal als basis dienen voor de intensivering van de kiemsurveillance van pathogenen in Nederland, die in samenwerking met de perifere microbiologische laboratoria uitgevoerd zal gaan worden.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Drinkwateraspecten en de Kaderrichtlijn Water, bescherming van drinkwater uit oppervlaktewater | RIVM

Dit rapport brengt in opdracht van het ministerie van VROM de gevolgen in kaart van de invoering van de Kaderrichtlijn Water (KRW) op de bescherming van drinkwaterbronnen in Nederland. De KRW is sinds eind 2000 van kracht en moet ervoor zorgen dat de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater in Europa in 2015 op orde is. Een deel van de huidige drinkwaterregelgeving gaat hiermee vervallen en de KRW introduceert tevens 'nieuwe' verplichtingen. Daarnaast bevatten bestaande voor drinkwater relevante richtlijnen verschillende en soms tegenstrijdige stoffenlijsten en bijbehorende normen. Het stroomlijnen van deze richtlijnen zal helderheid geven voor betrokken partijen. De consequenties van de nieuwe richtlijn en de doorwerking daarvan in andere wetgeving op het gebied van bijvoorbeeld ruimtelijke ordening worden in dit rapport uitgewerkt. De KRW schrijft voor dat het huidige beschermingsniveau op zijn minst gehandhaafd moet worden. Er bestaat nu al een resultaatsverplichting voor drinkwaternormen. Nieuw is dat de KRW uitgaat van een stroomgebiedsbenadering. Dit betekent dat er bij het waterbeheer rekening moet worden gehouden met de invloed op de waterkwaliteit stroomafwaarts. Het kan gaan om maatregelen die van invloed zijn op de waterkwaliteit, zoals het verlenen van een vergunning voor lozingen en het gebruik van bestrijdingsmiddelen, maar ook om de toelating van nieuwe stoffen op de markt en de afspraken over kwaliteitsnormen met buurlanden bij grensovergangen binnen een stroomgebied. Een andere nieuwe verplichting is dat Europese lidstaten drinkwaterbronnen moeten opnemen in het Register Beschermde Gebieden en dat zij maatregelen moeten treffen om aan de drinkwaterdoelstellingen te kunnen voldoen. Zo'n maatregel kan zijn het opstellen van een gebiedsdossier. Iedere drinkwaterbron (rivier, meer etc.) reageert namelijk specifiek op een vervuiling en ook de invloed van ruimtelijke factoren zoals de aanwezigheid van industrie, varieert per bron. Een gebiedsdossier, opgesteld met betrokken partijen, biedt een kader voor passende bescherming en maatregelen. Om bijvoorbeeld belasting van de waterkwaliteit door landbouw en industrie te kunnen reduceren is verankering van waterkwaliteit in het ruimtelijk beleid noodzakelijk. De huidige Watertoets is daarvoor onvoldoende kaderstellend.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Risk assessment for populations during inhalation exposure as a result of catastrophes | RIVM

Er is een inventarisatie gemaakt van beschikbare RIVM-onderzoeksmiddelen om rampen waarbij gevaarlijke stoffen vrijkomen te monitoren en te bestrijden. De middelen bestaan uit meetapparatuur en rekenmodules. In de inventarisatie zijn ook onderzoeksmiddelen ondergebracht die alleen een kleine modificatie nodig hebben om ingezet te worden. Deze inventarisatie is gemaakt in het kader van het project RISPIEC (Risk Assessment for Populations during inhalation Exposure as a result of Catastrophes integrated monitoring and modelling). De doelstelling van dit project is het gereedmaken van de onderzoeksmiddelen die door het RIVM worden ingezet bij het beoordelen van de gezondheidsrisico's van rampen of calamiteiten. Binnen het RISPIEC project is ook een lijst beschikbaar van risicovolle stoffen. De selectie is gebaseerd op gezondheidseffecten en het milieurisico (stoffen die intensief gebruikt en getransporteerd worden).
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Staat van infectieziekten in Nederland 2006 | RIVM

De Staat van Infectieziekten beoogt inzicht te geven in de infectieziektenproblematiek in Nederland. De inhoud is primair gericht op beleidsmakers bij het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en bij het Centrum Infectieziektebestrijding (CIb) van het RIVM. Deze Staat van Infectieziekten geeft een overzicht van belangrijke ontwikkelingen en gebeurtenissen in het jaar 2006. Daarnaast werd speciale aandacht besteed aan vectorgebonden aandoeningen en klimaatverandering in Nederland, infectieziekten in relatie tot chronische ziekten en de meldingsplichtige ziekten.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Cadmium in de Kempen: een integrale risicobeoordeling | RIVM

De blootstelling aan cadmium in de lucht in en nabij woningen in de Nederlandse Kempen brengt geen verhoogd risico voor de volksgezondheid met zich mee. Dat concludeert het RIVM op basis van recente metingen. De aangetroffen concentraties veroorzaken een nagenoeg verwaarloosbaar extra risico voor longkanker. De totale hoeveelheid cadmium die mensen in het onderzochte gebied binnenkrijgen via voeding, bodem, huisstof en lucht leidt ook niet tot een onacceptabel risico op nierschade door cadmium. De aanleiding voor het onderzoek is een Belgische studie, waarin een verhoogde frequentie longtumoren is gerapporteerd voor bewoners in de directe omgeving van een voormalige zinkfabriek in de Belgische Kempen. De Belgische studie schrijft dit toe aan de inhalatie van cadmium. Het onderliggende onderzoek omvat ook metingen van andere metalen in en nabij woningen in de Nederlandse Kempen. Ook voor deze metalen blijft de totale blootstelling onder de geldende gezondheidslimieten. Wel zijn verhoogde concentraties van lood in huisstof waargenomen in enkele woningen in het meest verontreinigde gebied (Budel-Dorplein) en in een woning in een matig verontreinigd gebied (Maarheeze). Deze verontreiniging is echter waarschijnlijk voor slechts een beperkt deel afkomstig uit het milieu. Mogelijk zijn huiselijke bronnen hiervan de oorzaak, zoals in een geval een bewoner die als hobby soldeert.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Het volksgezondheidsrisico van directe dier-mens overdracht van pathogene bacterien: epidemiologie en blootstelling | RIVM

Het is veelal niet mogelijk om betrouwbare uitspraken te doen over het risico voor de volksgezondheid van direct contact tussen dier en mens. Gegeven deze onzekerheid zijn er meerdere aanwijzingen dat overdracht van Campylobacter door honden van belang is. Het is belangrijk om de kans op ziekte via voedsel-, water- en direct contact-routes tegen elkaar af te wegen, zodat de overheid voor de meest effectieve maatregelen kan kiezen. De pathogenen Campylobacter, Salmonella en Shiga toxine-producerende Escherichia coli O157 (STEC O157) en de transmissieroutes hond, kat en kinderboerderij werden onderzocht met de methoden van epidemiologische analyse en blootstellingsschatting. Epidemiologisch literatuuronderzoek toont aan dat overdracht van STEC O157 op kinderboerderijen plaatsvindt, maar de omvang is onbekend. Campylobacter-infecties worden in veel onderzoeken in verband gebracht met honden en veel minder vaak met katten. Toch blijkt 3-6 % van de humane gevallen toe te schrijven aan contact met honden en 4-7 % aan contact met katten. Voor de overige pathogeen-route combinaties is overdracht onvoldoende bewezen of niet beschreven. Anderzijds blijkt volgens de methode van blootstellingsschattingen dat de gemiddelde blootstelling voor Nederlanders duidelijk het hoogste is voor de pathogeen-transmissieroute combinatie Campylobacter - hond. De blootstelling aan STEC O157 via de drie routes en aan Salmonella via honden en de kinderboerderij is relatief laag. De overige pathogeen-route combinaties vertonen een intermediaire blootstelling. Er is een aanvang gemaakt om de aansluiting tussen beide methoden te verbeteren, gericht op het omrekenen van blootstellingsschattingen in epidemiologische associatiematen.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Adverse events following immunisation under the National Vaccination Programme of the Netherlands. Number XII - Reports in 2005 | RIVM

De bijwerkingenbewaking van het Rijksvaccinatieprogramma over 2005 liet een duidelijke afname zien van het aantal meldingen met 52%. Dit betrof vooral een daling van meldingen na DKTP-Hib vaccinaties. De daling in het aantal meldingen is toe te schrijven aan de overgang naar een acellulair DKTP-Hib vaccin. In 2005 zijn in totaal 1036 meldingen ontvangen. Hiervan werd 73% als bijwerking van de vaccinaties beschouwd. De rest (27%) was niet door de vaccinatie veroorzaakt. Het aantal bijwerkingen moet in relatie worden gezien tot de 1,4 miljoen vaccinatiemomenten en de bijna 7 miljoen vaccincomponenten die daarbij worden toegediend. Het Rijksvaccinatieprogramma (RVP) wordt sinds 1962 intensief bewaakt. De meldgraad van vermoede bijwerkingen is hoog met een goede meldbereidheid van de consultatiebureaus. Er is een relatief beperkte onderrapportage. Van de 1036 meldingen betrof het in 752 (73%) gevallen een bijwerking. Hierbij ging het in 47% om heftiger verschijnselen, met name zeer hoge koorts, langdurig huilen, collapsreacties en verkleurde benen. Hierbij waren koortsstuipen en atypische aanvallen met rillerigheid, schrikschokken en gespannenheid of juist een heel slappe houding. Hoewel al deze bijwerkingen omstanders erg kunnen laten schrikken, zijn ze medisch gezien niet gevaarlijk en laten ze geen restverschijnselen na. Er is een kind met hersenontsteking gemeld in 2005; dit berustte niet op de vaccinatie maar op een andere oorzaak. Bedreigende allergische reacties zijn niet gemeld. De ernstige infecties die werden gerapporteerd hadden geen relatie met de vaccinaties en datzelfde gold voor de meldingen van epilepsie of suikerziekte. Het ging hierbij om een toevallige samenloop van gebeurtenissen. Bij de acht meldingen van overleden kinderen is het overlijden niet door de vaccinaties veroorzaakt. De gestimuleerde passieve veiligheidsbewaking is een goed en gevoelig instrument om signalen over mogelijke bijwerkingen op te pikken; het systeem laat tevens follow-up onderzoek toe.zijn ze voorbijgaand en leiden ze niet tot blijvende gevolgen. De grote gezondheidswinst die het RVP oplevert, weegt op tegen de bijwerkingen.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Geluidmonitor 2005 | RIVM

De meetresultaten verkregen in 2005 langs de A2 bij Breukelen verschillen nauwelijks van die uit voorgaande jaren. Langs de A10-West bij Amsterdam werd een lichte toename gevonden door afname van de geluidreductie van het asfalt. Op deze locatie bleek de geluidemissie bij neerslag met 5 dBA ten opzichte van droge omstandigheden te kunnen toenemen. De resultaten gevonden langs de provinciale weg N256 bij Colijnsplaat (Zeeland) stemmen overeen met de resultaten in 2004 en laten voor alle voertuigcategorien 2 tot 3 dBA hogere geluidemissies zien dan volgens het Nederlands rekenvoorschrift. Tijdens neerslag werd op het dichte asfalt hier een toename van ongeveer 1,5 dBA geconstateerd. Uit een vergelijking van de geluidmetingen met temperatuursgegevens bleek dat de geluidemissie van het zware vrachtverkeer nauwelijks temperatuursafhankelijk is en dat er nog een relatief grote spreiding in geluidemissies bestaat binnen de huidige indeling van voertuigcategorien. In maart 2006 zijn daarom langs de Amsterdamsestraatweg in Utrecht een aantal aanvullende metingen verricht met het doel meer inzicht in deze spreiding te verkrijgen. De resultaten zijn eveneens in dit rapport opgenomen. Ten slotte bleek de totale geluidemissie in 2005 van het spoor Utrecht-Amsterdam bij Breukelen vrijwel ongewijzigd ten opzichte van voorgaande jaren en in overeenstemming met het Nederlandse rekenvoorschrift. In de toekomst zal een meer gedifferentieerd beeld kunnen worden verkregen uit de geluidmetingen die door Prorail in april 2004 zijn gestart in het kader van het innovatieprogramma geluid. Dit zijn de belangrijkste resultaten uit een geluidmonitorprogramma dat het RIVM in 1999 heeft opgestart. Dit programma is gericht op trendontwikkelingen in omgevingsgeluid in zowel het stedelijk als het landelijk gebied. In 2005 zijn continue metingen verricht langs drie verkeerswegen: de A2 bij Breukelen, de A10 bij Amsterdam en de N256 in Zeeland, en langs de spoorlijn tussen Utrecht en Amsterdam.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Factsheets for the (eco)toxicological risk assessment strategy of the National Institute for Public Health and the Environment, Part VI | RIVM

Dit rapport bundelt vier 'factsheets' over methodieken voor de risicobeoordeling van stoffen bij het Centrum voor Stoffen en Integrale Risicobeoordeling (SIR) en het Stoffen Expertise Centrum (SEC). De eerste drie factsheets behandelen onderwerpen die betrekking hebben op humane risicobeoordeling, de laatste gaat over risicobeoordeling in het milieu. De eerste factsheet Relevance of changes in selected blood biochemical parameters, gaat in op biochemische bloedparameters die gerelateerd zijn aan leverschade (zoals bv. bilirubine gehalte) in proefdieren. De factsheet evalueert de toxicologische betekenis van toenames in deze parameters. De tweede factsheet Strategy for quantitative risk assessment for skin sensitisation using the Local Lymph Node Assay (LLNA), gaat over een methode die de potentie van stoffen kan bepalen om overgevoeligheid bij huidcontact te veroorzaken. Het gevoelig raken voor stoffen wordt huidsensibilisatie (skin sensitisation) genoemd. De gebruikte LLNA testmethode geeft inzicht in de relatie tussen de hoogte van de dosis en het uiteindelijke effect. In deze factsheet wordt een strategie voorgesteld voor een kwantitatieve risicobeoordeling van huidsensibilisatie, wat tot nu toe niet gebruikelijk is. De derde factsheet gaat over Leydigcel tumoren. De Leydig cel tumor is een van de drie typen tumoren die in testikels kunnen voorkomen. De factsheet bediscussieert of de Leydig cel tumor als gevolg van blootstelling aan chemische stoffen bij dieren, relevant is voor de humane risicobeoordeling. De vierde en laatste factsheet Proposal for the interpretation of leaching study data for wood preservatives (biocides), heeft waarde voor de risicobeoordeling van stoffen in het milieu. Bij de risicobeoordeling van houtverduurzamingsmiddelen speelt de snelheid waarmee het middel uit het hout verdwijnt (uitloging) een cruciale rol, aangezien het middel via deze route in het milieu belandt. Aan de bepaling van deze snelheid zitten momenteel diverse haken en ogen. Deze factsheet behandelt een aantal verschillende modellen en stelt een efficiente en simpele aanpak voor.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

De kwaliteit van het drinkwater in Nederland, in 2005 | RIVM

In het jaarrapport 'De drinkwaterkwaliteit in Nederland' worden de resultaten van de meetprogramma's over 2005 van de waterbedrijven op hoofdlijnen weergegeven. De VROM-Inspectie is verantwoordelijk voor de handhaving van de Waterleidingwet en is verplicht de resultaten te rapporteren aan de Minister en het parlement. Het RIVM beheert de gegevens en stelt het rapport op. De kwaliteitsgegevens zijn getoetst aan de normen van het Waterleidingbesluit. Ook in 2005 worden de wettelijke voorschriften met betrekking tot de controle van het drinkwater goed nageleefd. Het aantal drinkwaterpompstations (43 = 20%) waarvoor in 2005 een normoverschrijding is vastgesteld, is ten opzichte van het voorgaande jaar met 11% afgenomen; het aantal is het laagst sinds 1992. Dit aantal varieerde in de periode 1992-2005 van circa 45 tot 90 pompstations. Een groot deel van de normoverschrijdingen is incidenteel. De norm voor bestrijdingsmiddelen is voor twee middelen op een pompstation eenmaal overschreden. Ook in distributiewater is eenmaal een bestrijdingsmiddel (glyfosaat) aangetoond. In het drinkwater van een pompstation is de concentratie nikkel structureel hoger dan de norm. De oorzaak is de kwaliteit van het grondwater. De Minister heeft het betreffende bedrijf een ontheffing verleend tot eind 2006. De normoverschrijding van de parameter trihalomethanen is in 2005 niet meer opgetreden. Op twee locaties is de zuivering uitgebreid met UV-desinfectie. Legionella is in het afgeleverde water van 196 pompstations gemeten en tweemaal (niet pathogene species) aangetoond. In de monsters genomen in het distributienet werd op 22 locaties Legionella aangetoond in relatief lage aantallen. Zeer waarschijnlijk betreft het eveneens een niet-pathogeen type. De regeling Legionellapreventie is eind december 2004 van kracht geworden. Geen van de normoverschrijdingen gaf aanleiding tot een bedreiging van de volksgezondheid. De kwaliteit van het drinkwater is goed.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Evaluatie duurzame gewasbescherming 2006: milieu | RIVM

Het Nederlandse gewasbeschermingsbeleid heeft duurzame gewasbescherming tot doel. Om dit te bereiken zijn operationele doelen voor 2010 gesteld: 95% reductie in de milieubelasting van het oppervlaktewater en 95% vermindering van het aantal knelpunten in de drinkwatervoorziening, beide ten opzichte van 1998. Tussentijdse doelstellingen voor 2005 zijn respectievelijk 75% en 50%. De berekende vermindering van de milieubelasting van het oppervlaktewater als gevolg van drift is 86%. Verplichte driftreducerende maatregelen en, in mindere mate, het van de markt halen van een aantal stoffen leverden de belangrijkste bijdragen aan deze vermindering. Concentraties van gewasbeschermingsmiddelen in het oppervlaktewater lieten in het algemeen een dalende trend zien, maar nog steeds worden stoffen aangetroffen boven maximaal toelaatbare concentraties. Het aantal knelpunten in de drinkwatervoorziening daalde van 33 naar 27, waarmee de tussentijdse doelstelling niet werd gehaald. Hiervoor zijn gebruik buiten de landbouw en aanvoer vanuit het buitenland gedeeltelijk verantwoordelijk. Demonstratieprojecten geven aan dat een verdere vermindering van de milieubelasting mogelijk is. Daarvoor moeten gewasbeschermingsstrategieen en management op de bedrijven worden aangepast. Om dit te bereiken is een brede verspreiding van de opgedane kennis noodzakelijk.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

A comparison of automated measurements of air quality near Valthermond (NL) in 2004 | RIVM

In 2004 werd een gezamenlijke meetcampagne opgezet tussen het Duitse LUEN en het Nederlandse RIVM om een internationale bevestiging van de meetresultaten te verkrijgen. De campagne werd uitgevoerd op een landelijk meetpunt dichtbij Valthermond. Dit rapport geeft de resultaten van de componenten PM10, NO, NO2, O3 en NH3 over 2004. De verschillen zijn meestal binnen aanvaardbare grenzen en verklaarbaar. Voor O3 zijn de verschillen niet volledig verklaard. Dit is een punt van aandacht. Deze campagne laat op een constructieve wijze zien hoe kwaliteit en internationale vergelijkbaarheid van de door elk instituut geproduceerde gegevens verbeteren. De uitwisseling van ervaringen heeft een lerend effect. Om de oorzaak en de oplossing voor de verschillen verder te onderzoeken zal de campagne in 2005 worden voortgezet.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Nitrosaminen uit rubbergranulaat | RIVM

Het RIVM heeft op verzoek van en in samenwerking met de Hulpverleningsdienst Gelderland Midden (HGM) luchtmetingen gedaan boven vier kunstgrasvoetbalvelden in Arnhem. Deze kunstgrasvelden zijn ingestrooid met rubbergranulaat. Het doel van de metingen was om na te gaan of uit de rubberkorrels kankerverwekkende nitrosaminen kunnen vrijkomen, die een gezondheidsrisico zouden kunnen zijn voor sporters. Het RIVM heeft op twee hoogten boven verschillende sportvelden luchtmetingen verricht. In geen van deze metingen konden nitrosaminen in de lucht boven het veld worden aangetoond. Uit aanvullend materiaalonderzoek onder laboratoriumomstandigheden bleek dat nitrosaminen slechts in geringe mate uit rubbergranulaat zijn vrij te maken. Op basis van deze bevindingen concludeert het RIVM dat nitrosaminen geen gezondheidsrisico's vormen voor de gebruikers van de sportvelden.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

International comparison of cost of illness | RIVM

Steeds meer landen binnen en buiten Europa publiceren studies op het gebied van kosten van ziekten, de zogenaamde KVZ-studies. Daarmee ontstaat ook behoefte aan een internationale vergelijking van deze studies. Dit rapport geeft een globale vergelijking van de kostenramingen van tien landen en daarnaast een meer gedetailleerde vergelijking voor Australie, Canada, Duitsland, Frankrijk en Nederland. Het rapport laat zien dat de grote patronen in kosten van ziekten voor de meeste landen gelijk zijn. Tegelijkertijd blijken er aanzienlijke verschillen te bestaan die vooral samenhangen met wat er wel en niet onder gezondheidszorg wordt verstaan. Deze verschillen doen zich vooral voor op het terrein van de langdurige zorg. Het rapport laat zien dat bij een zorgvuldige selectie van sectoren en diagnosegroepen KVZ-studies een goed instrument zijn om: 1) internationale verschillen in zorgkosten nader te identificeren ten behoeve van meer gedetailleerde vergelijkingen; 2) de kostenontwikkeling van landen ten opzichte van elkaar te monitoren; 3) het effect van stelselwijzigingen op de sectorale en totale zorgkosten te bekijken vanuit ziekte en leeftijd en dat te vergelijken met landen waar die wijzigingen niet zijn doorgevoerd. Een algemene voorwaarde hiervoor is de beschikbaarheid van een adequate gegevensinfrastructuur. Dit geldt zowel voor de hoogte van de zorgkosten - per actor en in de aansluiting op het System of Health Accounts - als de gegevens over het zorggebruik die nodig zijn om de kosten toe te wijzen aan ziekten en demografische kenmerken. Uniforme, internationale definities en een standaard methodologie voor de kostentoewijzing kunnen hierbij de vergelijkbaarheid van KVZ-studies aanzienlijk bevorderen.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Rioolrenovatie met kousmethoden. Achtergronden bij het informatieblad | RIVM

Dit rapport beschrijft de achtergronden van het informatieblad 'rioolrenovatie met kousmethoden', dat de VROM-Inspectie in mei 2006 publiceerde. Het blad werd gepubliceerd om aan gemeenten voorlichting te geven over rioolrenovatie door middel van kousmethoden (ook wel relining genoemd). Met de kousmethode worden riolen gerenoveerd zonder straten open te breken. Bij de kousmethode wordt een kunststof 'kous' in het riool uitgerold. Door verwarming van de kous vindt uitharding plaats, waardoor een nieuwe rioolbuis ontstaat. Bij toepassing van deze techniek kan styreen vrijkomen. Deze stof heeft een lage geurdrempel en heeft bij enkele projecten gezorgd voor overlast door stank in huizen van omwonenden. Dit was aanleiding voor de VROM-Inspectie om samen met belanghebbende partijen, zoals gemeenten en rioleringsbedrijven, een informatieblad uit te brengen. Uitgangspunt is dat relining een reguliere activiteit is, die zonder onnodige overlast en hinder voor omwonenden wordt uitgevoerd. In het informatieblad zijn verschillende technische en communicatieve maatregelen vermeld om overlast te voorkomen. Deze maatregelen zijn gebaseerd op kennis uit de praktijk en uit verschillende onderzoeken. De maatregelen leiden er toe dat de blootstelling van de omwonenden onder de normen blijft die voor dit type blootstelling zijn vastgesteld. In dit rapport zijn de achtergronden van de maatregelen en de normen vermeld.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Genomics: Implementatie, toepassing en toekomst | RIVM

Het RIVM heeft binnen de organisatie genomics opgezet. Genomics houdt zich bezig met grootschalig onderzoek aan DNA en genen. Inmiddels past het RIVM deze technologie toe in een groot aantal projecten, waarbij voornamelijk gebruik wordt gemaakt van transcriptomics. Hiermee wordt de expressie (activiteit) van duizenden genen tegelijkertijd gemeten. De verandering in de genexpressie van cellen of weefsels (bijvoorbeeld na blootstelling aan stoffen of micro-organismen) geeft aan welke biologische routes (in)actief worden. Dit leidt tot een beter begrip over het ontstaan van ziektes of toxicologische effecten. Het geeft mogelijkheden tot preventie, behandeling of interventie. Daarnaast kan het RIVM deze kennis inzetten om beter te adviseren over stoffen en geneesmiddelen. Het RIVM maakt ook gebruik van genoomhybridisaties om te bepalen hoeveel kopieen van een gen in het DNA van een soort aanwezig zijn. Deze techniek wordt toegepast bij de typering van kinkhoeststammen. Voor het grootschalig typeren van de genetische variatie in de bevolking schaft het RIVM geen apparatuur aan. Dit type onderzoek zal het instituut samen met externe partners uitvoeren middels de Illumina-techniek. Met deze technologie kan het RIVM de rol van genetische variatie op het ontstaan en verloop van het metabool syndroom (een combinatie van overgewicht, hoge bloeddruk, hoge cholesterolwaarden en suikerziekte) en bepaalde infectieziekten bestuderen om risicogroepen vast te stellen. Ook kunnen gevoelige groepen geidentificeerd worden ten behoeve van risicobeoordeling van stoffen en geneesmiddelen. Het RIVM verwacht genomics in een steeds groter aantal projecten toe te passen. Daarnaast is het van belang aanvullende technologieen zoals proteomics (het grootschalig bestuderen van eiwitten) RIVM-breed op te zetten. Proteomics zal een grote rol gaan spelen bij bevolkingsonderzoeken en in screenings-programma's van micro-organismen.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1

Trends en verkenningen van kosten van ziekten. Zorg voor euro's - 2 | RIVM

In dit rapport staat de ontwikkeling van de zorgkosten centraal. De kostenstijging tussen 1994 en 2003 is geanalyseerd vanuit een ziektespecifieke invalshoek. Daarbij is ook gekeken naar de rol van leeftijd en leeftijdspecifieke trends. In de periode 1994-1999 stegen de uitgaven aan de zorg met gemiddeld 5,1% per jaar. In de periode 1999-2003 was dit 9,7%. Een groot deel hiervan kwam door prijs- en loonontwikkelingen. In de twee periodes steeg de volumegroei van 2,3 naar 4,0%. De volumegroei werd onder andere veroorzaakt door de overgang van aanbod- naar vraaggestuurde zorg en maatregelen die zijn genomen om wachtlijsten in de zorg weg te werken. Deze resultaten zijn gebruikt in verkenningen van de toekomstige zorguitgaven. Bij een zorgvuldige analyse van de kostenontwikkelingen valt op dat demografische veranderingen een beperkte invloed hebben. Het gaat om een toename van het zorgvolume met ongeveer een procent per jaar. In de komende decennia vormt de vergrijzing daarvan de belangrijkste component. Bij een toename van de levensverwachting zal deze volumegroei iets afzwakken, omdat hoge kosten van het laatste levensjaar worden uitgesteld. Ook wanneer bepaalde leeftijdsspecifieke trends zich doorzetten is een wat lagere groei mogelijk, maar in dat geval worden verschuivingen tussen zorgsectoren als gevolg van de vergrijzing wel versterkt. De invloed van gezond gedrag zal beperkt zijn. Dalende kosten voor gedragsgerelateerde ziekten worden gecompenseerd door hoge kosten voor ouderdomskwalen.
Jaar: 2007 Onderzoek Documenten: 1