Naar inhoud

Onderzoeken Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2011

Zoek binnen deze data in WooGLe

CA/QC of Outside Agencies in the Greenhouse Gas Emissions Inventory : Update of the background information in the Netherlands National System | RIVM

Voortvloeiende uit de verplichtingen onder het Kyoto protocol moet in het nationale systeem voor de inventarisatie van de broeikasgasemissies beschreven worden hoe de organisaties die emissies aanleveren, en niet onder de directe invloed van de kwaliteitscontrole en kwaliteitzorg van de emissieregistratie vallen (zogenaamde outside agencies), omgaan met hun kwaliteitscontrole en kwaliteitsborging (QA/QC). Dit rapport is een actualisatie van de in 2006 geïnventariseerde beschrijvingen en dient als achtergronddocument bij het Nationaal Systeem voor de inventarisatie van broeikasgassen. In dit rapport wordt per outside agency een beschrijving gegeven van de kwaliteitszorg en kwaliteitsborging die de organisaties toepassen op hun bijdrage aan de inventarisatie en berekening van de broeikasgasemissies.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Vergelijkend onderzoek buitenluchtmetingen tussen RIVM, GGD Amsterdam en DCMR : Resultaten voor het jaar 2010 | RIVM

In het kader van de samenwerking tussen de luchtkwaliteits-meetnetten van het RIVM, de GGD Amsterdam en de DCMR Milieudienst Rijnmond vinden sinds enkele jaren tussen RIVM en de beide organisaties vergelijkende metingen plaats op meetlocaties in Amsterdam (RIVM-GGD) en Rotterdam (RIVM-DCMR): - Amsterdam: stikstofdioxide op locatie Overtoom - Rotterdam: stikstofdioxide en PM10 op locatie Bentinckplein/Statenweg. Deze hebben tot doel de vergelijkbaarheid van de resultaten van de verschillende meetinstanties vast te stellen; bij voldoende vergelijkbaarheid kunnen de instanties wederzijds gebruik maken van elkaars resultaten. Evaluatie van de resultaten van de vergelijkingen verricht in 2010 toont aan dat de resulterende meetonzekerheden in alle gevallen te voldoen aan de criteria gesteld in EU Richtlijn 2008/50/EC. Aangezien alle instanties een ISO 17025 accreditatie voeren voor de betreffende metingen mag ervan worden uitgegaan dat het kwaliteitsniveau en de vergelijkbaarheid zoals bepaald in deze vergelijkingen representatief zijn voor de andere meetlocaties van de netwerken. Dit impliceert dat de instanties in principe gebruik kunnen maken van elkaars meetgegevens voor de componenten waarvoor resultaten zijn vergeleken (DCMR en RIVM voor stikstofdioxide en PM10; GGD en RIVM voor stikstofdioxide).
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Literatuurstudie naar zware metalen in verpakkingen | RIVM

Het gebruik van de zware metalen cadmium, kwik, chroom en lood in verpakkingen is internationaal al enige jaren verboden, omdat deze stoffen schadelijk zijn voor het milieu. In 2002 is in opdracht van de VROM-Inspectie onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van zware metalen in verpakkingen van consumentenproducten. De VROM-inspectie heeft nu gevraagd om aan de hand van een literatuurstudie een actueel beeld te geven van de feiten met betrekking tot dit probleem in internationaal verband. Uit de uitgevoerde literatuurstudie van het RIVM blijkt dat alleen in de VS twee onderzoeken zijn uitgevoerd, die vergelijkbaar zijn met de Nederlandse studie. Net als in het Nederlandse onderzoek scoren in deze studies plastic zakken en doorzichtige folies slecht voor wat betreft het gehalte aan zware metalen Ook zijn enkele kleinschalige onderzoeken gepubliceerd over specifieke verpakkingen, zoals kratten, dan wel onderdelen van verpakkingen, zoals inkt op gerecycled papier. Verdere publicaties over dit soort onderzoeken ontbreken. Wel blijkt dat veel overheden aandacht besteden aan het informeren van producten en importeurs over de eisen aan verpakkingen. Gegevens over handhaving en toezicht op de naleving zijn niet gevonden.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Steviol glycosides in food : Exposure scenarios and health effect assessment | RIVM

Het gebruik van steviol glycosiden (extracten van de Stevia plant) als zoetstof in voedingsmiddelen is recent goedgekeurd door de Europese Commissie. De marktintroductie van deze producten zal waarschijnlijk niet leiden tot een gezondheidsprobleem in Nederland. Echter, extreme gebruikers van producten die gezoet worden met steviol glycosides zouden de ADI kunnen overschrijden. De potentiële toekomstige blootstelling van Nederlandse kinderen aan steviol glycosides is bekeken met behulp van scenarios. Hiervoor zijn consumptiedata uit de VCP-jonge kinderen (van 2 tot 6 jaar), de EC lijst met maximaal toegestane hoeveelheden en de producten waarin stevia is toegestaan gebruikt. Naast een 'worst case' scenario zijn ook scenarios met marktaandelen berekend. Bij het 10% marktaandeel scenario was de blootstelling van kinderen aan steviol glycosiden 1.7 mg/kg lichaamsgewicht per dag op het 95e percentiel en de ADI van 4 mg/kg lichaamsgewicht per dag werd overschreden door 0.3% van de kinderen. Limonades en frisdranken droegen het meest bij aan de blootstelling. Uit een literatuurstudie naar de gezondheidseffecten van steviol glycosiden werd geconcludeerd dat er weinig informatie beschikbaar is over effecten die optreden in combinatie met andere zoetstoffen. Echter, op basis van de aanwezige informatie worden geen nadelige effecten verwacht. Monitoring van de blootstelling aan zoetstoffen wordt geadviseerd, zodat potentiële problemen in de toekomst tijdig gesignaleerd en voorkomen kunnen worden.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Knelpunten bij de ontwikkeling, validatie en implementatie van Alternatieven voor Dierproeven | RIVM

Het RIVM heeft geinventariseerd welke knelpunten door de belangrijkste actoren worden ervaren in de internationale keten waarin testen en teststrategieën worden ontwikkeld, gevalideerd, geimplementeerd en geaccepteerd op basis van het 3V-principe. Het gaat hierbij om de ontwikkeling van gevalideerde testen, databases en beoordelingsstrategieën om het aantal dierproeven te vervangen, verfijnen en verminderen (3V). De inventarisatie is uitgevoerd in opdracht van het ministerie van VWS en is bedoeld als bijdrage aan de uitwerking van de Kabinetsvisie Alternatieven voor Dierproeven uit 2009. De belangrijkste constatering is dat bij de huidige keten samenhang, afstemming en regie ontbreekt. Zo zouden ontwikkelaars van alternatieve testen zich meer op het gebruik ervan in de praktijk moeten richten en niet alleen op het wetenschappelijk onderzoek. Bovendien moeten ontwikkelaars van alternatieve testen regelgevers betrekken tijdens de ontwikkeling van die testen om de kansen op validatie, implementatie en acceptatie te vergroten. Evenzeer moeten regelgevers aangeven voor welke doeleinden alternatieve testen moeten worden ontwikkeld om aan deze regelgevende behoeften te voldoen. De industrie kan bovendien het gebruik van alternatieve testen en strategieën stimuleren. Hiervoor is het nodig dat regelgevers en beoordelaars de resultaten van bruikbare alternatieve testen zullen accepteren en erkennen bij de beoordeling van onder meer stoffen, geneesmiddelen en vaccins. Nationale coordinatie kan tot meer samenhang leiden in de Nederlandse initiatieven, maar dat betekent nog niet automatisch dat daardoor meer sturing komt op de internationale vaildatieprogramma's en op acceptatie van gevalideerde alternatieven door internationale gremia van beoordelaars en regelgevers.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Effecten van vaccinatie en screening in Nederland : Achtergrondrapportage behorend bij rapport:'Effecten van Preventie', behorend bij de VTV 2010 | RIVM

Het VTV2010-deelrapport 'Effecten van preventie' is vooral gericht op de effecten van preventie gericht op de beleidspeerpunten van de afgelopen jaren (roken, overmatig alcoholgebruik, overgewicht, diabetes en depressie). Maar omdat preventie veel breder is dan alleen deze gebieden, gaat dat rapport in een bijlage ook in op de effecten van ziektepreventie en gezondheidsbescherming. Voor de preventiegebieden screening en vaccinatie is een aparte achtergrondstudie uitgevoerd. De bevindingen van deze achtergrondstudie leest u in dit rapport.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Risk of systemic effects after dermal exposure for workers : Part B: Inventory of substances of which systemic health effects can be expected due to dermal exposure of workers | RIVM

Een drietal stoffen zijn geïdentificeerd als voorbeeldstoffen om risico's op systemische effecten na huidblootstelling in arbeidssituaties aan chemische stoffen te kunnen beoordelen. De wetgeving vereist dat werkgevers hun werknemers veilig en gezond laten werken en dit aan kunnen tonen. Op dit moment worden systemische effecten na huidblootstelling vaak niet meegenomen in Risico Inventarisatie en Evaluatie (RI&E) door een werkgever. Er is in de literatuur gezocht en verschillende experts zijn geraadpleegd om een selectie van chemische stoffen te maken. Voor deze stoffen geldt dat ze via de huid in het lichaam opgenomen kunnen worden en zo schadelijk voor de gezondheid kunnen zijn. Voor een drietal stoffen is in het kort het gebruik, de schadelijkheid en de opname via de huid beschreven.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Adverse events following vaccination against human papillomavirus : Results of the 2010 campaign in the Netherlands | RIVM

In 2010 werden er minder bijwerkingen gemeld na vaccinatie tegen HPV dan in 2009. Ook zijn er in 2010, net als in 2009, geen onverwachte of volgens de criteria ernstige bijwerkingen (Serious Adverse Events) gemeld die door het vaccin zijn veroorzaakt. In 2010 zijn meisjes die geboren zijn in 1997 gevaccineerd tegen HPV. Ook zijn meisjes geboren in 1993-1996, die niet (volledig) waren gevaccineerd in 2009, nogmaals uitgenodigd. Tijdens deze campagne is onderzoek gedaan naar de mogelijke bijwerkingen van het vaccin. De mogelijke bijwerkingen die optraden op de vaccinatielocaties werden geregistreerd. Verder werden spontane meldingen in het reguliere systeem voor meldingen van mogelijke bijwerkingen verzameld en is er een onderzoek gedaan naar de verdraagbaarheid van het vaccin. Verschijnselen die kort na de vaccinatie optraden kwamen 7,7 keer voor per 10.000 toegediende doses. Hierbij kwam (bijna)flauwvallen het meest voor. Spontane meldingen van mogelijke bijwerkingen werden in 5,4 keer per 10.000 toegediende doses gemeld. De meldgraad van zowel verschijnselen die kort na de vaccinatie optraden als van spontane meldingen was lager dan tijdens de campagne in 2009. Bij de spontane meldingen ging het in 23% om een heftige gebeurtenis zoals flauwvallen, migraine en stuipen. Van alle meldingen van mogelijke bijwerkingen van het vaccin werd in 67,4% een oorzakelijk verband met de vaccinatie vastgesteld. In de studie naar de verdraagbaarheid is door 2308 meisjes (65%) tenminste één vragenlijst teruggestuurd. Een reactie rond de prikplaats werd gerapporteerd door 82,4% van de meisjes, voornamelijk pijn en verminderd gebruik van de arm. Hiervan classificeerde 14,8% van de meisjes de reactie als heftig. Algemene verschijnselen waaronder spierpijn, moeheid of hoofdpijn werd gerapporteerd door 78,7% van de meisjes. Het percentage gerapporteerde lokale reacties en algemene bijwerkingen was lager dan in 2009. Het voorkomen van sommige mogelijke bijwerkingen steeg met de leeftijd en was meestal lager na de tweede en derde dosis dan na de eerste dosis. Zeventien meisjes (0,4%) hebben de huisarts bezocht in de week na de vaccinatie, maar niemand heeft het ziekenhuis bezocht. De resultaten worden gebruikt om het publiek en de professionals te informeren over het veiligheidsprofiel van het HPV vaccin in de periode na introductie van massa vaccinatie.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Kosten van Ziekten in Nederland 2007 : Trends in de Nederlandse zorguitgaven 1999-2010 | RIVM

De Nederlandse zorguitgaven zijn tussen 2007 en 2010 gegroeid met gemiddeld 5,3% per jaar. Dat is meer dan de jaren daarvoor, maar minder hoog dan de uitgavengroei rond het jaar 2000, toen het ongeveer 10% per jaar bedroeg. In 2007 is ruim 20% van de zorguitgaven besteed aan psychische stoornissen. Daarmee is de groep van psychische aandoeningen de ziektegroep met de hoogste uitgaven. Op de tweede plaats staat de behandeling van hart- en vaatziekten, die 9% van de uitgaven voor haar rekening neemt. Dit blijkt uit het RIVM-onderzoek naar de kosten van ziekten in 2007, uitgevoerd in samenwerking met het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). De totale kosten in 2007 voor zorg en welzijn waren volgens het CBS 74,4 miljard euro. In 2010 ging het om 87,6 miljard euro, volgens nog voorlopige cijfers. Voor het onderzoek is de verdeling van de uitgaven van de zorg nader in kaart gebracht, evenals een analyse van de groei van de kosten. Door de cijfers te combineren met resultaten van eerdere studies is de kostenontwikkeling over 1999-2010 samenhangend in beeld gebracht. De studie levert onder meer input voor economische toekomstverkenningen, vergrijzingsstudies en kosteneffectiviteitsanalyses. Drie oorzaken toenemende kosten zorg. De oorzaak van de uitgavengroei ligt deels in vergrijzing van de bevolking (15% aandeel) en prijsstijgingen (35% aandeel). Bijna 50% van de kostenstijging is toe te schrijven aan een complex van oorzaken als verruimde indicaties, groei van het aantal patiënten, intensievere behandelingen en de inzet van nieuwe medische technologie. Sterkste kostenstijging bij jongeren. Ondanks de vergrijzing treden de sterkste kostenstijgingen in recentere jaren (2005-2010) juist op bij jongeren. Een groter beroep op jeugdzorg en verruimde indicatiestellingen in de gehandicaptenzorg dragen hier aan bij. Vrouwen gebruiken meer zorg dan mannen, maar opvallend genoeg stijgen kosten bij mannen sinds 2005 sneller dan bij vrouwen. Dit hangt samen met de verbeterde gezondheid bij mannen, waardoor ze langer leven en ook meer kans krijgen om zorg te gebruiken. Stijging kosten alcohol en drugsgebruik. In de geestelijke gezondheidszorg valt de forse stijging op van uitgaven die samenhangen met alcohol en drugsgebruik: van 400 miljoen euro in 2005 naar ruim 1 miljard euro in 2007. Dit is deels te verklaren uit veranderingen in de registratie van deze kosten bij invoering van het nieuwe zorgstelsel in 2006.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Zout- en jodiuminname 2010 : Voedingsstatusonderzoek bij volwassenen uit Doetinchem | RIVM

Zout- en jodiuminname bij volwassenen uit Doetinchem in 2010. De inname van zout (natriumchloride) bij volwassenen uit Doetinchem lag in 2010 ruim boven de maximaal aanbevolen hoeveelheid van 6 gram per dag. Deze hoeveelheid is nagenoeg onveranderd sinds het eerste onderzoek dat hiernaar is verricht in 2006. Een te hoge zoutinname kan leiden tot een verhoogde bloeddruk, wat de kans op hart- en vaatziekten vergroot. De inname van jodium was in 2010 voldoende, maar is ten opzichte van 2006 gedaald. Een jodiumtekort kan een slechtwerkende schildklier veroorzaken. Dit zijn de belangrijkste bevindingen van onderzoek van het RIVM, uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). Het onderzoek is onderdeel van de zogeheten Voedsel Consumptie Peiling (VCP) van het RIVM, een periodiek onderzoek naar de voedselconsumptie en 'voedingsstatus' van Nederlanders. De inname van natrium en jodium is geschat door te meten hoeveel natrium en jodium in urine zit die gedurende een etmaal is verzameld. De dagelijkse zoutinname kan op basis van deze natriuminname worden berekend. Voor dit onderzoek zijn urinemonsters onderzocht van 342 volwassenen uit Doetinchem in de leeftijd van 19 tot 70 jaar. De helft van de deelnemers had in 2010 een zoutinname van meer dan 8,5 gram per dag en een jodiuminname van meer dan 179 microgram per dag. In 2006 had de helft van de deelnemers een inname van meer dan 8,4 gram zout en 262 microgram jodium per dag. Na 2006 zijn er allerlei inspanningen geweest om de zoutinname in Nederland te verminderen. Zo voegt de levensmiddelenindustrie minder natriumchloride toe aan bewerkte voedingsmiddelen. Vooralsnog hebben deze inspanningen zich niet vertaald naar een lagere zoutinname. Hoewel het onderzoek alleen in Doetinchem is uitgevoerd, mogen de resultaten van dit zout- en jodiumonderzoek als een voorzichtige indicatie worden gezien voor de zout- en jodiuminname van de gehele Nederlandse bevolking.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Surveillance Arbeidsgerelateerde Infectieziekten | RIVM

Het aantal meldingen van infectieziekten die Nederlanders tijdens hun werk oplopen is laag, een tot twee procent van het totale aantal geregistreerde infectieziekten. In 2010 werden 278 meldingen geregistreerd. Dat meldt het RIVM in een analyse van arbeidsgerelateerde infectieziekten 2010. De onderzoekers zijn van mening dat lang niet alle arbeidsgerelateerde infectieziekten worden gemeld. Dat wordt onder andere veroorzaakt doordat het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten (NCvB) te maken heeft met een onderrapportage van alle gemelde beroepsziekten. In Osiris wordt de relatie met het werk niet altijd geregistreerd omdat bij de meldingen vaak niet bekend is wat de bron van de besmetting is. Werknemers kunnen tijdens hun werk in contact komen met ziekteverwekkers en daardoor een infectieziekte oplopen. De gezondheidszorg, het onderwijs en de agrarische sector zijn bedrijfstakken waar de kans op blootstelling aan ziekteverwekkers het grootst is. De twee belangrijkste Nederlandse registratiesystemen voor arbeidsgerelateerde infectieziekten zijn Osiris en de beroepsziektenregistratie van het NCvB. In opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW), worden jaarlijks de gegevens van Osiris en het NCvB geanalyseerd. SZW wil de kennis over arbeidsgerelateerde infectieziekten vergroten en doorgeven aan werkgevers, werknemers en arbodienstverleners. Werkgevers moeten er voor zorgen dat werknemers kunnen werken in een veilige en gezonde werkomgeving. Blootstelling aan ziekteverwekkers moet zo veel mogelijk worden vermeden. Als blootstelling niet uit te sluiten is, moeten maatregelen worden getroffen. Om preventiemaatregelen te kunnen treffen is het belangrijk een goed inzicht te krijgen welke beroepsgroepen een infectieziekte kunnen oplopen door het werk dat zij doen. In Osiris werden in 2010 189 arbeidsgerelateerde infectieziekten gemeld. Kinkhoest, malaria, bof en hepatitis B hebben in Osiris het grootste aandeel. Bij het NCvB werden in 2010 89 infectieziekten gerelateerd aan het werk gemeld. Het betreft voornamelijk darminfecties, huidinfecties en zoönosen.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Monitoringsrapportage NSL : Stand van zaken Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit 2011 | RIVM

Om de luchtkwaliteit in Nederland te verbeteren is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) opgezet. In dit programma werken de Rijksoverheid en decentrale overheden samen om te zorgen dat Nederland overal tijdig aan de grenswaarden voor fijn stof (PM10, 2011) en stikstofdioxide (NO2, 2015) zal voldoen. Om de voortgang van het verbeterprogramma te volgen en tijdig bij te kunnen sturen is aan het NSL een monitoringprogramma verbonden. Centraal onderdeel daarvan is een rekeninstrument waarvoor de overheden de brongegevens aanleveren. De daaruit volgende rekenresultaten zijn door het Bureau Monitoring (samenwerkingsverband RIVM en kenniscentrum InfoMil) samengevoegd in voorliggende voortgangsrapportage. De berekeningen voor 2011 en 2015 laten zien dat de gemiddelde concentratie stikstofdioxide en fijn stof waar de bevolking aan wordt blootgesteld, tussen 2010 en 2015 daalt. Voor een groot deel van Nederland liggen de berekende concentraties PM10 en NO2 onder de Europese grenswaarden. Op een beperkt aantal locaties zijn nog overschrijdingen berekend. De fijn stof-overschrijdingen komen hoofdzakelijk voor bij veehouderijen en in een aantal industriële gebieden. Ook voor stikstofdioxide worden voor 2015 nog overschrijdingen berekend, deze komen hoofdzakelijk voor op locaties met veel verkeer en worden mede veroorzaakt door tegenvallende emissiecijfers. Met behulp van de in 2011 beschikbaar gekomen Basisadministratie Adressen en Gebouwen (BAG) is geconstateerd dat in de Monitoringstool niet op alle voor blootstelling relevante locaties wordt getoetst. Hierdoor, en door de focus op overschrijdingslocaties, wordt het aantal overschrijdingen onderschat. Verder zijn dit jaar in een extra aanpassingsronde toetslocaties uit de berekeningen weggehaald zonder dat deze zijn vervangen door andere toetspunten. Dit leidt waarschijnlijk tot een verdere onderschatting van het aantal overschrijdingen in de huidige resultaten. In dit rapport worden aanbevelingen gedaan om bovenstaande punten in een volgende monitoringronde te verhelpen. In de resultaten liggen de berekende concentraties voor 2011 en 2015 op veel locaties net onder de grenswaarde. Het aantal overschrijdingen zal dan ook snel toenemen indien zich een geringe tegenvaller in de vooronderstellingen voordoet. Daarnaast blijkt dat er nog aanzienlijke onzekerheden bestaan in de huidige resultaten. Een beter inzicht in de onzekerheden en een volledig beeld van alle potentiële overschrijdingen kan de bruikbaarheid van de monitoringsresultaten voor sturing van het NSL verbeteren.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Quickscan van stoffen met niet gerealiseerde emissiereducties uit het Doelgroepbeleid Milieu en Industrie | RIVM

Het RIVM heeft in een Quickscan onderzocht wat de Nederlandse industrie bijdraagt aan de emissie van 14 stoffen naar lucht of water. Daarnaast is onderzocht in welke mate de gemeten concentraties van deze stoffen in het milieu de geldende milieukwaliteitsnormen overschrijden. De Quickscan is uitgevoerd omdat tussen de overheid en bedrijfstakken in het Doelgroepbeleid Milieu en Industrie (DMI) afspraken zijn gemaakt om de uitstoot van stoffen naar zowel lucht als water in 2010 te verminderen. De bedrijfstakken zijn er voor de 14 onderzochte stoffen nog niet in zijn geslaagd de gestelde reductie te behalen. Voor vier van de veertien stoffen (fijn stof, stikstofoxiden, polycyclische aromatische koolwaterstoffen en koper) wordt op landelijk of regionaal (stedelijke agglomeraties) niveau een overschrijding van de grenswaarde voor de luchtkwaliteit of het maximaal toelaatbaar risiconiveau geconstateerd. De industrie blijkt ongeveer 20 procent bij te dragen aan de nationale emissie van zowel fijn stof als polycyclische aromatische koolwaterstoffen. Voor stikstofoxiden en koper is de bijdrage van de industrie aan de nationale emissie minder dan 10 procent. Voor vier stoffen, te weten zwaveldioxide, arseen, benzeen en koolmonoxide, wordt de streefwaarde overschreden. Voor de overige zes stoffen worden de milieukwaliteitsnormen niet of nauwelijks overschreden.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Inter-laboratory comparison filter weighing 2011 | RIVM

Referentie-metingen van fijnstof (PM) in buitenlucht vinden plaats door gedurende 24 uur een bekend volume lucht door een filter te zuigen. Door bepaling van het verschil in de massa van het filter voor en na dit proces kan de concentratie fijnstof worden berekend. Het filter wordt hiertoe minimaal tweemaal gewogen onder nauwkeurig bepaalde omgevingscondities (temperatuur, relatieve luchtvochtigheid). Een en ander is vastgelegd in de Europese normen EN 12341 en EN 14907. Om te onderzoeken in hoeverre deze procedure bij verschillende meetinstanties tot vergelijkbare resultaten leidt, is een vergelijkend onderzoek verricht. Hierbij zijn door één laboratorium 12 verschillende filters zoals gebruikt bij "low-volume sampling" (8 beladen, 4 blancos) toegezonden aan andere deelnemers aan het onderzoek. Na weging door deelnemers zijn de filters door het eerste laboratorium opnieuw gewogen. Tevens zijn gedurende de wegingen de omgevingscondities in de weegruimtes gevolgd m.b.v. draagbare temperatuur/vochtigheidsmeters. Hieruit blijkt dat geen van de laboratoria problemen heeft om de eisen voor weegcondities gegeven in EN 12341 en EN 14907 te halen. Evaluatie van de resultaten van het onderzoek toont aan dat - wanneer de gemiddelde weegresultaten van eerste meetinstantie als referentiewaarden worden genomen, en En-scores worden berekend aan de hand van geschatte meetonzekerheden - op één na alle resultaten overeenkomen met de referentiewaarden bij een betrouwbaarheid van 95 %. Uit de resultaten kan tevens de inter-laboratorium onzekerheid voor filterwegingen worden bepaald. Deze bedraagt 0,078 mg bij een betrouwbaarheid van 95 %. Dit komt overeen met een relatieve onzekerheid van 2,8% bij een massa overeenkomend met de daggemiddelde grenswaarde voor PM10.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Meldingen van milieugerelateerde gezondheidsklachten bij GGD'en : Derde inventarisatie (2009-2010) | RIVM

De meeste milieugerelateerde gezondheidsklachten die burgers melden bij gemeentelijke gezondheidsdiensten (GGD'en) gaan over het binnenmilieu, en zijn vooral afkomstig van bewoners van huurwoningen. Als grootste boosdoeners van de klachten over het binnenmilieu worden schimmels, vocht, plaagdieren en gebrekkige ventilatie aangewezen. Dit blijkt uit een analyse door het RIVM van de gegevens over deze meldingen van alle GGD'en in Nederland. De meest genoemde klacht (29 procent) is bezorgdheid over zaken die gezondheidsklachten kunnen veroorzaken, zowel in het binnenmilieu als in de omgeving. Deze bezorgdheid betreft vooral de gevolgen van asbest, schimmels en plaagdieren. Klachten van het ademhalingsstelsel (23 procent) en hinder (14 procent), zoals geur- en geluidhinder, komen op de tweede en derde plaats van de gemelde gezondheidseffecten. In 2009 en 2010 hebben de GGD'en ruim 5800 milieugerelateerde gezondheidsklachten geregistreerd. De in deze periode genoemde klachten verschillen niet wezenlijk in het totale aantal, de typen en de bijbehorende percentages ten opzichte van de eerste twee inventarisaties (2004-2006 en 2008-2009). Wel zijn er kleine nuanceverschillen. Zo is het aantal klachten dat de GGD'en ontvangen over Niet Ioniserende Straling (NIS) zoals van hoogspanningslijnen, zendmasten en transformatorhuisjes, afgenomen in de loop der jaren. Over stank zijn juist meer meldingen binnengekomen. Het aandeel van de genoemde oorzaken voor de klachten verschilt tussen de regio's. Dat geeft aan dat de meldingen deels een weergave zijn van lokale problematiek, en deels van regionale aandacht van de GGD en/of de media voor een bepaald onderwerp.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Gebiedsgericht grondwaterbeheer in de praktijk : Gebiedsafbakening, aanpak bronzone, procedure voor monitoring, (risicogebaseerde) toetsing grondwaterkwaliteit, kosten-batenanalyse | RIVM

Het beheer van grondwater richt zich op beoordeling van de grondwaterkwaliteit en zonodig sanering. Dit beheer van grondwater is in Nederland vaak om technische, praktische en financiële redenen niet haalbaar. Als uitweg is de tendens gaande om verontreinigingen niet meer individueel maar op grotere schaal, in samenhang te beoordelen en aan te pakken. Dit zogeheten gebiedsgericht grondwaterbeheer maakt het beheer ervan efficiënter en daarmee vaak goedkoper. Door de gebiedsgerichte aanpak kan de grondwaterkwaliteit binnen het gedefinieerde gebied namelijk minder streng worden beoordeeld ten opzichte van individuele grondwaterverontreinigen. Bovendien is de organisatie van het beheer van een cluster verontreinigingen eenvoudiger dan voor elke verontreiniging apart op verschillende tijdstippen. Gebiedsbericht grondwaterbeheer vraagt om een aanpak die is toegespitst op de specifieke omstandigheden van de locatie. Om dit Gebiedsbericht grondwaterbeheer te faciliteren heeft het RIVM op verzoek van het ministerie van Infrastructuur en Milieu (I&M) enkele algemene praktische aanwijzingen opgesteld. Deze zijn gericht op een methode om de afbakening van het beheersgebied te bepalen en om de bronzone voor grondwaterverontreiniging aan te pakken. Ook is een procedure opgesteld om het grondwater te monitoren, wordt de beoordeling van de grondwaterkwaliteit belicht en een kosten-batenanalyse besproken. Deze informatie vult bestaande relevante documenten aan, zoals de Handreiking gebiedsgericht grondwaterbeheer uit 2010 die eveneens in opdracht van I&M werd opgesteld.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Environmental radioactivity in the Netherlands : Results in 2009 | RIVM

In 2009 voldeed Nederland aan de Europese verplichting om jaarlijks de hoeveelheid radioactiviteit in het milieu en in voeding te meten. Volgens het Euratom-verdrag uit 1957 zijn alle lidstaten van de Europese Unie verplicht deze metingen jaarlijks te verrichten. Sinds 2000 bevat Euratom aanbevelingen om de metingen volgens een bepaald stramien uit te voeren, maar lidstaten zijn niet verplicht deze na te leven. In 2009 heeft Nederland voor het eerst ook strontium-90 bepaald in een gemengd voedselpakket, waarmee aan al deze aanbevelingen is voldaan. Het RIVM rapporteert namens Nederland over radioactiviteit in het milieu aan de Europese Unie. Deze informatie levert bovendien achtergrondwaarden, oftewel hoeveelheden radioactiviteit die onder normale omstandigheden aanwezig zijn. Deze waarden kunnen bijvoorbeeld bij calamiteiten of rampen als referentie dienen. De metingen in lucht en omgeving lieten een normaal beeld zien. De depositie van polonium-210 is het hoogst sinds 1993, en ongeveer even hoog als in 2008. De radioactiviteitsniveaus in voedsel en melk zijn duidelijk beneden de Europese limieten voor consumptie en export. In het oppervlaktewater ligt de activiteitsconcentratie op een aantal locaties boven de streefwaarden uit de Vierde Nota waterhuishouding (1998). De overschrijdingen zijn echter zodanig dat ze niet schadelijk zijn voor de volksgezondheid. Streefwaarden zijn waarden die bij voorkeur niet overschreden mogen worden, maar het zijn geen limieten.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Nationaal soa/hiv-plan 2012-2016 : 'Bestendigen en versterken' | RIVM

In dit soa/hiv-plan wordt de visie op de preventie en bestrijding van soa/hiv in Nederland voor 2012-2016 uiteengezet. Aanzet tot de totstandkoming van dit soa/hiv-plan werd gegeven in de beleidsbrief "Seksuele Gezondheid" uit 2009. Nadere richting van het beleid rondom gezondheidsthema's is weergegeven in de "Landelijke nota gezondheidsbeleid" uit 2011, deze vormt het inhoudelijke uitgangspunt voor het leefstijlbeleid, onder andere op het gebied van seksuele gezondheid. De komende periode zal vooral aandacht uitgaat naar bestendiging en versterking van de soa/hiv bestrijding met behulp van preventie en curatie met specifieke aandacht voor hoogrisico doelgroepen en settings. Hierbij is het belangrijk dat zorgverleners in de reguliere en aanvullende curatieve zorg ook hun taak op het gebied van preventie goed uitvoeren. Het RIVM/CIb zal zich de komende jaren, in overleg met koepels van beroepsgroepen en themainstituten, blijven inzetten voor het versterken van de verbinding preventie en curatie in de reguliere en aanvullende zorg. Veel partijen leveren een waardevolle bijdrage aan de preventie en bestrijding van soa/hiv in Nederland. Goede onderlinge samenwerking en afstemming zijn hiervoor essentieel. Het RIVM/CIb streeft naar een de versterking van haar rol als netwerkorganisatie om zo tot een optimale preventie en bestrijding van soa/hiv te komen.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Overgewicht en psychische problemen. Hoe vaak komen ze samen voor? : Omvang beide aandoeningen in kaart gebracht | RIVM

In opdracht van het ministerie van VWS heeft het RIVM onderzoek gedaan naar de mate waarin overgewicht en psychische problemen tegelijkertijd voorkomen en de mate waarin mensen met overgewicht psychische problemen hebben. Hiertoe zijn statistische analyses uitgevoerd van verschillende Nederlandse gegevensbronnen. Het is gebleken dat overgewicht en psychische problemen zich tegelijkertijd kunnen voordoen. Bij kinderen komen deze gezondheidsproblemen minder vaak tegelijk voor (1 procent) dan bij volwassenen (5-9 procent). Bij kinderen is een duidelijk rechtlijnig verband te zien tussen lichaamsgewicht en psychische problemen: hoe zwaarder ze zijn, hoe vaker ze deze problemen ervaren. Ter illustratie, van de obese kinderen heeft 19 tot 29 procent psychische problemen ten opzichte van 6 tot 19 procent onder kinderen met matig overgewicht en 5-15 procent onder kinderen met een gezond gewicht. Bij volwassenen is er eerder sprake van een J- of U vormig verband; psychische problemen komen vooral voor bij volwassenen met obesitas (16 tot 17 procent) en volwassenen met ondergewicht (8 tot 23 procent). In het onderzoek is ook de aanwezigheid van overgewicht in combinatie met emotionele uitputting onder Nederlandse werknemers nagegaan. Van alle Nederlandse werknemers heeft 6 procent tegelijkertijd met deze gezondheidsaandoeningen te maken.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Geluid en hinder door AWACS Geilenkirchen : Verdieping relatie geluidbelasting en ernstige hinder | RIVM

Dit onderzoek is een verkenning van de factoren die een rol kunnen spelen bij de hinderbeleving in Onderbanken door AWACS-toestellen van vliegbasis Geilenkirchen. Uit enquêtes onder bewoners blijkt dat het percentage ernstige hinder door AWACS-toestellen bij een gelijke jaargemiddelde geluidbelasting (Lden) hoger is dan eerder rond Schiphol is gevonden. Het onderzoek kijkt naar mogelijke oorzaken hiervan op basis van beschikbare geluid- en enquêtegegeven. Kenmerkend voor de geluidbelasting door AWACS rondom Geilenkirchen ten opzichte van die door civiel verkeer rondom Schiphol is dat bij Geilenkirchen de vliegtuigen tijdens passages een piekniveau veroorzaken dat 10 tot 15 dB hoger ligt. Maar omdat er per jaar veel minder AWACS passages zijn dan civiele vliegtuigpassages is de jaargemiddelde geluidbelasting (Lden) op veel locaties in de omgeving vergelijkbaar. Naast de jaargemiddelde geluidbelasting (Lden) waren voor dit onderzoek twee aanvullende geluidindicatoren beschikbaar: het aantal maal dat passages een piekniveau boven 60 of 70 dB(A) veroorzaken (NA60 en NA70). Deze indicatoren laten echter geen significant betere correlatie met hinderbeleving zien dan de Lden. Het toepassen van een niveau-afhankelijke, spectrale weging ten opzichte van de gebruikelijke A-weging levert evenmin een significante verklaring op. Er is daarom geen aanleiding te veronderstellen dat waar de piekniveaus door AWACS beneden 70 dB(A) blijven, alternatieve geluidindicatoren een betere verklaring van hinderbeleving geven dan de Lden. Op een aanzienlijk deel van het aantal belaste aantal woningen bij Onderbanken veroorzaken de meeste AWACS passages echter piekniveau's van meer dan 80 dB(A). Rondom Schiphol zijn piekniveaus boven 80 dB(A) incidenteel van aard, omdat moderne verkeersvliegtuigen veel stiller zijn dan de AWACS en doordat optimalisaties van routes en baangebruik zijn doorgevoerd. Dit kan betekenen dat in woningen bij Onderbanken binnenshuis vaker verstoring van communicatie optreedt dan in woningen rond Schiphol, hetgeen een deel van de sterkere hinderbeleving zou kunnen verklaren. Een nadere bevestiging en gedegen kwantificatie van dit aspect valt echter buiten het kader van deze verkenning en zou meer gegegens en aanvullend onderzoek vragen. Naast akoestische factoren zijn contextuele factoren, zoals bezorgdheid over het wonen nabij een vliegveld en de houding van omwonenden ten opzichte van het vliegveld, mede bepalend voor de hinderbeleving. Bij Geilenkirchen is men vaker bezorgd en is de houding ten opzichte van het vliegveld negatiever dan bij Schiphol. Deze contextuele factoren lijken het verschil in de ligging van de blootstelling-respons relaties van Geilenkirchen en van Schiphol mede te verklaren.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Gebruik van lasers binnen ziekenhuizen : Veiligheidsaspecten bij medische behandelingen | RIVM

Zelfregulering werkt onvoldoende. Ziekenhuizen gebruiken vaak lasers van de hoogste risicoklasse, vooral binnen de oogheelkunde en de dermatologie. Gebruik van dit soort zware lasers vereist een deugdelijk veiligheidssysteem, maar dit lijkt bij veel zorginstellingen te ontbreken. Zelfregulering om zo'n systeem op te zetten werkt tot op heden onvoldoende. Dit blijkt uit een enquête onder twintig Nederlandse ziekenhuizen die het RIVM in opdracht van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) heeft uitgevoerd. Onzorgvuldig gebruik van laserapparatuur kan brand veroorzaken, of leiden tot ernstig lichamelijk letsel bij patiënten, behandelaars en omstanders. Huidige kaders onvoldoende nageleefd. Er bestaan weinig wetten en regels die specifieke voorschriften voor het gebruik van medische lasers bevatten. Alleen de bescherming van werknemers tegen de risico's van laserlicht is geregeld in het Arbobesluit van 2010. Hierin staat dat werkgevers risico-inventarisaties en evaluaties (RI&E's) moeten maken, maar dat gebeurt nog lang niet in alle ziekenhuizen. De Stichting Laserveiligheid in de Gezondheidszorg (SLG) heeft aanbevelingen opgesteld, maar ook deze worden voor een groot deel niet gevolgd. Wel stellen ziekenhuizen veiligheidseisen aan behandelruimtes en zorgen ze dat de laserapparaten op tijd worden onderhouden. Bovendien zorgen de meeste ziekenhuizen voor veiligheidsinstructies aan gebruikers en registreren ze incidenten. Aanbevelingen laserveiligheid. Het RIVM beveelt ziekenhuizen aan een deugdelijk systeem voor laserveiligheid in te voeren, bij voorkeur conform de basiseisen van het Veiligheidmanagement Systeem (VMS), dat alle ziekenhuizen eind 2012 ingevoerd moeten hebben. Hierbij kunnen de instellingen gebruik maken van de aanbevelingen van de SLG. Volgens het RIVM is de veiligheid geborgd als aantoonbaar aan een aantal kernpunten wordt voldaan. Voorbeelden zijn: formuleer helder een laserveiligheidsbeleid, stel een bekwaam- en bevoegdheidsregister op, stel protocollen op voor behandelingen, en controleer de kwaliteit van veiligheidsbrillen. Wel pleit het RIVM voor een flexibele invulling van een dergelijk systeem die aansluit bij de organisatiestructuur van het ziekenhuis.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

RIVM opinie betreffende het rapport "Meeting the deadline of the 2013 EU marketing ban" | RIVM

Op 15 juni 2011 heeft de Stichting "Een Dier Een Vriend" (EDEV) een brief gestuurd naar de Tweede Kamer om te pleiten tegen uitstel van het Europese handelsverbod in op dieren geteste (ingrediënten voor) cosmetica. Dit handelsverbod gaat maart 2013 in, maar er gaan binnen Europa stemmen op om het handelsverbod uit te stellen. De Stichting EDEV stelt dat uitstel van het handelsverbod niet nodig is omdat voldoende alternatieven voor dierproeven aanwezig zijn. Zij baseert zich hierbij onder meer op het rapport "Meeting the Deadline of the 2013 EU Marketing Ban - A Scientific Review of Non-Animal Tests for Cosmetics" van de "British Union for the Abolition of Vivisection" (BUAV). Dit rapport geeft aan dat voor alle toxicologische eindpunten waarvoor nu nog geen handelsverbod geldt adequate proefdiervrije methoden beschikbaar zijn voor het vaststellen van de veiligheid van cosmetica. Deze mening is duidelijk een andere dan die van een groot aantal experts die op uitnodiging van de Europese Commissie per toxicologisch eindpunt de mogelijkheden voor proefdiervrije methoden voor veiligheidsonderzoek van cosmetica hebben verkend. Zij kwamen tot de conclusie dat de ontwikkeling van proefdiervrije methoden voor deze eindpunten nog minimaal 5-10 jaar nodig heeft (DG SANCO rapport). Dit briefrapport bespreekt voor elk van de bovengenoemde eindpunten of en hoe de in het BUAV rapport voorgestelde testen gebruikt kunnen worden voor het vaststellen van de veiligheid van cosmetica. Er is de laatste decennia internationaal veel vooruitgang geboekt bij het ontwikkelen van proefdiervrije alternatieve testen voor het vaststellen van de veiligheid van cosmetica. De acceptatie en implementatie van deze testen in internationale regelgeving voor regulatoir vereiste kwantitatieve risicobeoordeling is echter veel minder ver gevorderd. De huidige stand van zaken geeft wel reden tot optimisme, maar het is nog te vroeg om regelgeving te implementeren op basis van de bestaande alternatieven. De komende 5-10 jaar wordt wel belangrijke vooruitgang verwacht op dit vlak. Het DG SANCO rapport bevat een realistische weergave van de huidige stand van zaken. Het RIVM is het dus niet eens met de conclusie van het BUAV rapport dat voor bovengenoemde eindpunten proefdiervrije methoden beschikbaar zijn voor het vaststellen van de veiligheid van cosmetica.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Hoge resolutie typering van Coxiella burnetii : Definitieve versie | RIVM

Coxiella burnetii is een intracellulaire bacterie die Q-koorts veroorzaakt. De genoomsequenties van een aantal isolaten die verkregen werden tijdens de Nederlandse Q-koorts uitbraak werden opgehelderd. Deze genoomsequenties dienen als basis voor verbeterde typeringsmethodes die nauwkeurigere bronopsporing en epidemiologische studies mogelijk maken. Daarnaast zijn de sequenties uiterst waardevol voor allerhande overig onderzoek, zoals naar de samenhang tussen de Nederlandse uitbraken en veranderde virulentiekenmerken. Als resultaat van dit project zijn er nu 19 C. burnetii isolaten van de Nederlandse uitbraak in kweek. Deze isolaten zijn voornamelijk afkomstig van veterinaire bronnen, maar er zijn ook enkele stammen van humane en omgevingsbronnen verkregen. De genomen van 3 isolaten zijn grotendeels opgehelderd en enkele voorlopige analyses zijn erop uitgevoerd. De ruwe sequentiedata van nog 4 isolaten komen binnenkort beschikbaar. De isolaten en genoomsequenties spelen een essentiële rol spelen in meerdere vervolgprojecten van de deelnemende onderzoeksgroepen. De ervaring die opgedaan is met het opwerken en sequencen van de C. burnetii genomen is van grote waarde voor lopend en toekomstig onderzoek naar C. burnetii en andere intracellulaire micro-organismen.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Faalcijfers en faalmechanismen vervoer gevaarlijke stoffen per spoor : Fase 1 - tussenrapportage actualisatie faalfrequenties | RIVM

De faalcijfers voor het vervoer van gevaarlijke stoffen via het spoor worden mogelijk te laag ingeschat. De onzekerheid hierover is echter nog groot. Een goede en nauwkeuriger beoordeling van de faalcijfers is mogelijk als de resultaten van het vervolgonderzoek, fase 2, bekend zijn. Over de omvang van de risico's, met name de vervolgkansen bij het vrijkomen van stoffen bij een incident, bestaat nog onzekerheid. De kans op ongevallen is het grootst bij emplacementen. Uitgaande van een voorlopige schattingsmethode zou de ontstekingskans van brandbare vloeistoffen bij ongevallen op het spoor hoger zijn dan nu aangehouden. In de huidige rekenmethode wordt nog geen rekening gehouden met het ontstaan van vuurballen uit ketelwagens met brandbare vloeistoffen bij brand na een ongeval. Onderzocht moet worden of en, zo ja, hoe dit falen in de rekenmethodiek kan worden ingepast. Dit zijn de conclusies uit de eerste fase van een onderzoek dat het RIVM in opdracht van het voormalige ministerie van Verkeer en Waterstaat heeft verricht. De tweede fase van het onderzoek zal erop zijn gericht de onzekerheden te beperken om de uiteindelijke faalcijfers, respectievelijk de risico's, beter te kunnen beoordelen. Voor het voorliggend onderzoek is met een aantal veldpartijen informatie verzameld over ongevallen tijdens het doorgaand transport met goederentreinen in Nederland tussen 1996 en 2005. Van de 42 ongevallen vonden er 26 plaats op stationslocaties en 16 op de vrije baan. Hier waren geen ongevallen bij waarbij gevaarlijke vloeistoffen of gassen ontsnapten. Om de kans op dergelijke ongevallen te bepalen is gebruikgemaakt van ongevalrapportages uit andere Europese landen. Hierbij is ook de kans op brand en een vuurbal onderzocht. Op basis van nog beperkte gegevens, met name uit het buitenland, lijkt het dat de faalcijfers hoger kunnen zijn dan waar nu van uitgegaan wordt. De onzekerheden in de faalfrequenties kunnen worden verkleind door gegevens uit meer ongevalrapportages toe te voegen aan de statistiek en de mogelijke ongevallen gedetailleerder te analyseren. Ook zal een aantal maatregelen nader worden geëvalueerd. Eén daarvan is een verbeterde versie van het ATBsysteem, dat treinen automatisch voor een rood sein laat stoppen. Een andere is het 'warme BLEVE-vrije rijden' waarbij wagens met een brandbare vloeistof niet aan een gasketelwagen mogen worden gekoppeld.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Huidklachten door cosmetische producten : eindrapportage CESES | RIVM

Huidklachten door cosmetische producten Meer aandacht is nodig voor allergische reacties op (co)polymeren en isothiazolinonen in cosmetica. Isothiazolinonen worden veel als conserveringsmiddel gebruikt in cosmetica. (Co)polymeren komen er ook vaak in voor. Dit blijkt uit de eindrapportage van het pilotproject CESES, een systeem waarin huidklachten en andere overgevoeligheidsreacties na het gebruik van cosmetica kunnen worden geregistreerd. CESES staat voor Consumer Exposure Skin Effects and Surveillance en is sinds 1 juli 2009 operationeel. Sindsdien zijn ruim 1700 meldingen ontvangen van zowel burgers als deelnemende huisartsen en dermatologen. Vooral huidverzorgings- en haarproducten geven huidklachten Uit deze rapportage blijkt dat vooral huidverzorgingsproducten en haarproducten huidklachten veroorzaken. Daarnaast worden make-up en zonnecosmetica relatief vaak als oorzaak van de klacht genoemd. Opvallend veel klachten worden gemeld over producten die speciaal zijn bedoeld voor gebruik op of rondom de ogen, zoals oogcontourcrème, oogmake-up en oogmake-upremover. De klachten betreffen vooral roodheid en jeuk. Meer aandacht nodig voor isothiazolinonen en (co)polymeren Om te onderzoeken welk product(ingrediënt) de klacht veroorzaakt, voeren de deelnemende dermatologen plakproeven uit bij mensen die allergische klachten hebben gemeld na gebruik van cosmetische producten. Hierbij wordt een reeks van stoffen op de (rug)huid geplakt, waarna al dan niet een reactie optreedt. Resultaten hiervan laten zien dat opvallend veel patiënten reageren op (co)polymeren en isothiazolinonen. Gezien dit aantal reacties en de wijdverbreide toepassing van deze stoffen in consumentenproducten wordt aanbevolen om klachten hierover binnen CESES voortaan te monitoren. Ook is het belangrijk nader onderzoek te doen naar de (allergene) potentie van (co)polymeren. Ook geurstoffen zijn belangrijke contactallergenen in cosmetica: 20 procent van de geteste patiënten reageert positief op parfum.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Het PreventieConsult module Cardiometabool : Omvang van de doelgroep en karakteristieken van deelnemers | RIVM

In Nederland vormen naar schatting vier miljoen mensen de doelgroep voor de eerste stap van het PreventieConsult module Cardiometabool: een vragenlijst invullen over factoren die het risico op hart- en vaatziekten, diabetes en nierziekten verhogen (bijvoorbeeld leeftijd en overgewicht). Met de antwoorden op de vragenlijst wordt een risicoscore berekend. Naar schatting hebben anderhalf miljoen mensen die deze vragenlijst invullen een verhoogde risicoscore, waardoor ze uitgenodigd kunnen worden voor stap twee: de praktijkconsulten bij de huisarts. Dit blijkt uit onderzoek naar omvang en aard van de doelgroep voor het PreventieConsult dat het RIVM in opdracht van de Samenwerkende Gezondheidsfondsen (SGF) heeft uitgevoerd. Het PreventieConsult module Cardiometabool heeft als doel hart- en vaatziekten, type 2 diabetes en chronische nierschade te voorkomen. Dit gebeurt door mensen met een verhoogd risico tijdig op te sporen en indien nodig te behandelen of preventieve interventies aan te bieden. De opsporing verloopt binnen de eerste lijn via de huisarts en in de toekomst mogelijk via de bedrijfsarts. Sinds maart 2011 wordt het PreventieConsult door het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG) en de Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde (NVAB) aanbevolen. Niet iedereen uit de doelgroep voor het PreventieConsult zal er ook daadwerkelijk aan deelnemen. Uit het huidige onderzoek blijkt dat tussen de 33 en 75% van de doelgroep van vier miljoen daadwerkelijk de vragenlijst zal invullen. Van de groep mensen met een hoog risico op basis van de vragenlijst zal vervolgens tussen de 36 en 86% daadwerkelijk op consult komen in de huisartsenpraktijk. Voor een gemiddelde huisartsenpraktijk van 2350 patiënten betekent dit dat ongeveer 550 personen die nog niet onder behandeling zijn uitgenodigd kunnen worden om de risicovragenlijst in te vullen, van wie uiteindelijk ongeveer 80 personen met een verhoogd risico op praktijkconsult zullen verschijnen.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Toekomstverkenning drinkwatervoorziening in Nederland | RIVM

Het RIVM heeft in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM) een toekomstverkenning uitgevoerd naar de drinkwatervoorziening in Nederland in 2040. De verkenning geeft ontwikkelingen aan in de drinkwatervraag en de kwaliteit van bronnen voor drinkwater. De toekomstverkenning is gemaakt als voorbereiding voor de nog op te stellen Nota Drinkwater van dit ministerie. Deze Nota wordt opgesteld op grond van de Drinkwaterwet die sinds juli 2011 van kracht is. Drinkwatervraag in toekomst: van groei tot krimp. De huidige plannen van overheid en drinkwaterbedrijven gaan ervan uit dat de drinkwatervraag tot 2040 ongeveer gelijk blijft. Bij de diverse onderzochte scenario's kan de drinkwatervraag echter variëren van groei (ruim 30%) tot krimp (15%). De verschillen zijn vooral afhankelijk van de economische groei en de demografische verschuivingen die als gevolg daarvan optreden. Beschikbaarheid oppervlaktewater als drinkwaterbron. De beschikbaarheid van oppervlaktewater als drinkwaterbron, momenteel goed voor 40% van het drinkwater in Nederland, kan door klimaatverandering tijdens droge perioden onvoldoende worden. Dit geldt vooral voor de Maas, een rivier die voornamelijk gevoed wordt door regenwater. Bovendien hebben emissies van bedrijven en rioolwaterzuiveringsinstallaties in drogere perioden een grotere invloed op de kwaliteit van het oppervlaktewater. Ten slotte kunnen waterwinningen nabij de kust tijdens perioden met lage rivierafvoeren verzilten. Dit betreft vooral winningen in het Rijnstroomgebied. Erkende scenario's gebruikt. Voor de toekomstverkenning zijn erkende scenario's van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) en het KNMI gebruikt die de mogelijke nationale, Europese en mondiale ontwikkelingen beschrijven van de economie, de maatschappij en het klimaat. Het RIVM heeft deze scenario's vertaald naar de effecten voor de drinkwatervoorziening. Deze zijn uitgewerkt voor een aantal groepen van stoffen en micro-organismen. De keuze voor deze parameters is gemaakt met de kennis van nu. Bij nieuwe inzichten kunnen de effecten voor de drinkwatervoorziening ook voor andere parameters worden uitgewerkt. Belangrijke variabelen voor de waterkwaliteit zijn de ontwikkeling van de economie, verstedelijking, vergrijzing en technologische ontwikkeling. Met milieubeleid, waterbeleid en ruimtelijk beleid kunnen de effecten van deze ontwikkelingen worden beïnvloed.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Environmental risk limits for chlorpropham in water | RIVM

Het RIVM heeft in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Milieu (I&M), milieurisicogrenzen voor chloorprofam in water bepaald. Chloorprofam is een onkruidbestrijdingsmiddel en wordt ook gebruikt om te voorkomen dat aardappelen voortijdig kiemen. De stof is opgenomen in de Regeling Monitoring Kader Richtlijn Water, waarin staat aan welke eisen oppervlaktewater in Nederland moet voldoen. De huidige norm voor chloorprofam is niet afgeleid volgens de meest recente methodiek, daarom moeten nieuwe waterkwaliteitsnormen worden vastgesteld. De Stuurgroep Stoffen stelt deze nieuwe normen vast op basis van de wetenschappelijke advieswaarden in dit rapport. Het Maximaal Toelaatbaar Risiconiveau (MTR) is de concentratie in water waarbij geen schadelijke effecten te verwachten zijn, gebaseerd op jaargemiddelde concentraties. Hiervoor zijn drie routes onderzocht: directe effecten op waterorganismen, indirecte effecten op vogels en zoogdieren via het eten van prooidieren en indirecte effecten op mensen via het eten van voedsel. De eerste van deze drie levert de laagste waarde en bepaalt daarmee het MTRwater(4 microgram per liter). De Maximaal Aanvaardbare Concentratie (MACeco, water), die het ecosysteem beschermt tegen kortdurende concentratiepieken, is 43 microgram per liter. Op basis van meetgegevens over 2009 en 2010 is er geen aanwijzing dat deze concentraties worden overschreden.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

EU Interlaboratory comparison study food IV (2010) : Detection of Salmonella in minced meat | RIVM

EU Ringonderzoek voedsel IV (2010) Detectie van Salmonella in gehakt In 2010 waren 28 van de 31 Nationale Referentie Laboratoria (NRL's) in de Europese Unie in staat om hoge en lage concentraties van de Salmonella-bacterie in gehakt van varken en rund aan te tonen. Zij behaalden direct het gewenste niveau. Eén laboratorium maakte een overschrijffout vanuit de ruwe data naar de rapportage ervan, waardoor hun resultaat als matig werd beoordeeld. Twee NRL's behaalden het gewenste resultaat tijdens een herkansing. De onderprestatie werd waarschijnlijk veroorzaakt doordat blanco monsters met andere monsters van het ringonderzoek of monsters van het eigen laboratorium waren besmet. Dit blijkt uit het vierde voedselringonderzoek dat het Referentie Laboratorium van de Europese Unie (EURL) voor Salmonella heeft georganiseerd. Het onderzoek is in september 2010 gehouden, de herkansing was in januari 2011. Alle NRL's van de Europese lidstaten die ervoor verantwoordelijk zijn Salmonella op te sporen, zijn verplicht om aan dit onderzoek deel te nemen. Het EURL-Salmonella is gevestigd bij het Nederlandse Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). Tijdens de studie zijn drie analysemethodes gebruikt om de Salmonellabacterie in gehakt aan te tonen. Twee daarvan zijn internationaal voorgeschreven methoden voor Salmonella-detectie in voedsel (RVS en MKTTn). De derde, de internationaal voorgeschreven methode om Salmonella in dierlijke mest aan te tonen, is niet verplicht maar is op verzoek van het EURL uitgevoerd (MSRV). Gemiddeld werd door laboratoria in 99% van de (besmette) monsters Salmonella gedetecteerd, ongeacht de methode. De laboratoria moeten de studie volgens voorschrift uitvoeren. Elk laboratorium kreeg daarvoor een pakket toegestuurd met gehakt en 29 gelatinecapsules met melkpoeder dat twee verschillende besmettingsniveaus Salmonella Typhimurium bevatte en enkele capsules met steriel melkpoeder. De laboratoria moesten vervolgens het gehakt en de capsules samenvoegen en onderzoeken of er Salmonella in aanwezig was.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Exposure and potential health effects associated with the use of PX-10 in the Dutch Armed Forces | RIVM

Het is praktisch uitgesloten dat defensiepersoneel acute myeloïde leukemie, of aanverwante vormen van kanker heeft ontwikkeld door te werken met het wapenonderhoudsmiddel PX-10. Dit middel bevatte tot 1970 lage concentraties (0,1 procent) van de kankerverwekkende stof benzeen. Daarna daalden de concentraties van deze stof in het product sterk, waardoor de totale blootstelling voor Defensiepersoneel gering was. Dit blijkt uit berekeningen van de blootstelling aan en de gezondheidseffecten van werken met PX-10. Het Ministerie van Defensie heeft dit onderzoek uitgezet, nadat het in 2008 aansprakelijk was gesteld voor gezondheidsschade door werkzaamheden met PX-10. Drie tot vier van elke 1.000 Nederlandse mannen krijgen AML, zonder dat ze ooit met PX-10 gewerkt hebben. Onder defensiepersoneel, dat vele jaren dagelijks intensief met PX-10 werkte, is er volgens de berekeningen sprake van 0,03 extra gevallen per 1.000 mannen. Het is daarom onwaarschijnlijk dat er daadwerkelijk extra gevallen van AML zijn opgetreden, zelfs als een paar duizend werknemers in hoge mate zijn blootgesteld aan PX-10. Hoeveel benzeen het defensiepersoneel inademde of opnam via de huid is afhankelijk van de periode waarin de werkzaamheden plaatsvonden en het type werkzaamheden met PX-10. Het jaarlijks gemiddelde per persoon was maximaal 0,5 parts per million (ppm), wat onder de huidige norm ligt van gemiddeld 1 ppm per werkdag. PX-10 bevat ook andere oplosmiddelen die effecten kunnen hebben op het zenuwstelsel. Uit dit onderzoek blijkt dat de blootstelling aan de totale hoeveelheid van deze oplosmiddelen gemiddeld tussen de 2 en 100 ppm lag, afhankelijk van het type werkzaamheden. Het is echter niet mogelijk aan te geven wat de effecten hiervan zijn op de gezondheid, omdat de precieze relatie tussen blootstelling en gezondheidseffecten niet bekend is. Het onderzoek is puntsgewijs samengevat waarbij ook ingegaan wordt op de wetenschappelijke en maatschappelijke discussie. Deze puntsgewijze samenvatting is te lezen via het menu aan de rechterkant van deze pagina.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Staat van zoonosen 2010 | RIVM

De Staat van zoönosen, 2010 geeft een overzicht van de trends in het voorkomen van verschillende zoönosen bij mens en dier. De cijfers zijn gebaseerd op de monitoringsdata van zoönosen en zoönotische agentia die jaarlijks gemeld worden aan de Europese Commissie in het kader van Directive 2003/99/EC. Deze worden aangevuld met data afkomstig van surveillance, monitoring- en bestrijdingsprogramma's en relevante onderzoeksprojecten. Verder worden een aantal opmerkelijke voorvallen betreffende zoönosen bij mens of dier uitgelicht, zoals humane gevallen van vlekziekte en uitbraken van rundertuberculose bij melkvee en kalveren. Het rapport wordt afgesloten met een themahoofdstuk waarin besproken wordt hoe gerapporteerde gevallen van voedselinfecties of -vergiftigingen worden aangepakt door de GGD en de nVWA.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

The sixteenth EURL-Salmonella workshop : 19 and 20 may 2011, Zandvoort, the Netherlands | RIVM

In dit rapport zijn de verslagen gebundeld van de presentaties die op 19 en 20 mei 2011 zijn gegeven tijdens de zestiende jaarlijkse workshop voor de Europese Nationale Referentie Laboratoria (NRL's) voor de bacterie Salmonella. Elk jaar wisselt het overkoepelende orgaan, het Europese Referentie Laboratorium (EURL) Salmonella, tijdens deze workshop informatie uit met de NRL's. Daarnaast worden de resultaten gepresenteerd van de ringonderzoeken van het EURL waarmee de kwaliteit van de NRL-laboratoria wordt gemeten. De resultaten hiervan worden uitgebreider in aparte RIVM-rapporten weergegeven. Een ander terugkerend onderwerp is het rapport van de European Food Safety Authority (EFSA) over zoönosen, oftewel ziekten die van dieren op mensen kunnen overgaan. Dit rapport geeft een overzicht van de aantallen en types zoönotische micro-organismen die in 2009 gezondheidsproblemen veroorzaakten in Europa. Hieruit blijkt dat Salmonella minder gezondheidsproblemen veroorzaakt, maar nog steeds, na de Campylobacter-bacterie, de tweede belangrijke veroorzaker is van zoönotische ziektes in Europa. Drie presentaties behandelden een 'nieuwe' stam: 'Salmonella Typhimurium-like'. Hierin is de mening van de EFSA uiteengezet over de wijze waarop de gezondheidsrisico's van deze stam het beste kunnen worden gemonitord en vastgesteld. Daarnaast is een moleculaire methode om deze stam te typeren toegelicht en ten slotte zijn twee uitbraken in Frankrijk beschreven die door deze stam veroorzaakt werden. In andere verslagen beschrijven de NRL's voor Salmonella van enkele geselecteerde landen hun activiteiten. Verder geeft het EURL-Salmonella informatie over standaardisatie van methoden om Salmonella op te sporen en te typeren en wordt de validatie van een moleculaire typeringmethode voor Salmonella Typhimurium beschreven. Tenslotte wordt informatie gegeven over Salmonella in de slachtlijn van varkens. De organisatie van de workshop is in handen van het EURL voor Salmonella, voorheen CRL, dat onderdeel is van het RIVM. De hoofdtaak van het EURL-Salmonella is toezien op de kwaliteit van de nationale referentielaboratoria voor deze bacterie in Europa.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Gezondheid in krimpregio's | RIVM

Gezondheid van inwoners van krimpregio's, en dan vooral in Parkstad Limburg, is minder goed dan de gezondheid van inwoners van de rest van Nederland. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM naar sterfte, levensverwachting, arbeidsongeschiktheidsuitkeringen en ervaren gezondheid in deze regio's. Dit gezondheidsverschil is slechts in geringe mate te verklaren door verschillen in de bevolkingssamenstelling, zoals in leeftijdsopbouw of sociaaleconomische status. Andere mogelijke verklaringen zijn een afnemend zorgvoorzieningenniveau in de krimpregio's en aantasting van de leefomgeving. Deze factoren zijn in dit onderzoek niet bestudeerd. Meer inzicht in het effect van deze factoren is nodig. De laatste jaren is er steeds meer aandacht voor de ruimtelijke en sociaaleconomische gevolgen van bevolkingsafname in bepaalde regio's, de zogenaamde krimpregio's. Dit onderzoek is een eerste verkenning van de gezondheidssituatie in de drie krimpregio's van Nederland die de overheid als zodanig heeft aangewezen: Parkstad Limburg (Zuidoost-Limburg), Zeeuws- Vlaanderen en Eemsdelta (Oost-Groningen). Het RIVM heeft het onderzoek uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). Gegevens over de onderzochte gezondheidsindicatoren waren afkomstig van de RIVM-website Nationale Atlas Volksgezondheid ( www.zorgatlas.nl ) en het databestand Woon Onderzoek Nederland (WoON) uit 2009.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Handreiking geluidhinder wegverkeer : Berekenen en meten | RIVM

Er bestaan verschillende methoden om te bepalen hoeveel mensen op een locatie geluidshinder als gevolg van wegverkeer ervaren. Met vragenlijsten kan het percentage gehinderden worden gemeten. Daarnaast kan het percentage gehinderden worden berekend met de geluidbelasting en een internationaal erkende 'blootstelling-responsrelatie' uit 2001. Het RIVM heeft een handreiking opgesteld die aandachtspunten beschrijft bij onderzoek naar geluidshinder, de interpretatie van hindercijfers en de invloed van leeftijd en andere persoonlijke en contextuele factoren. Cijfers vaak niet goed vergelijkbaar. De handreiking vloeit voort uit een vraag van de GGD-en naar de oorzaak van het verschil tussen berekende en gemeten geluidshinder. Zoekende naar een verklaring bleek dat cijfers uit verschillende onderzoeken vaak niet goed vergelijkbaar zijn, doordat zij gebruikmaken van uiteenlopende vraagstellingen en analysemethoden. Ook zitten zowel rondom gemeten als berekende cijfers onzekerheidsmarges, waardoor het niet zinvol is alleen de gemiddelde uitkomsten te vergelijken. Verder bleek dat een blootstelling-responsrelatie uit 2009 hinderpercentages berekent die in het algemeen meer in de buurt liggen van de gemeten cijfers. Hinderpercentage bepalen met de meest geschikte methode. Los van het feit dat de blootstelling-respons relatie dus mogelijk verbeterd zou kunnen worden, is in een bestaande situatie een vragenlijst de meest geschikte methode om het percentage gehinderden te bepalen. Als metingen met dezelfde vragenlijst meerdere keren worden herhaald, zijn veranderingen in de tijd bovendien goed te volgen. Voor nog niet bestaande situaties of scenarioberekeningen zijn berekeningen met blootstelling-responsrelaties een goede methode om zicht te krijgen op te verwachten percentages gehinderden.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Staat van Infectieziekten in Nederland, 2010 | RIVM

In 2010 en de eerste helft van 2011 was de uitbraak van bof onder studenten de meest in het oog springende ontwikkeling op het gebied van infectieziekten in Nederland. Dit blijkt uit de Staat van Infectieziekten over 2010, die inzicht geeft in ontwikkelingen van infectieziekten bij de Nederlandse bevolking. Het rapport beschrijft ook de ontwikkelingen in het buitenland die voor Nederland relevant zijn. Met deze jaarlijkse uitgave informeert het RIVM beleidsmakers van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). Elk jaar komt in de Staat van Infectieziekten een thema aan bod, dit jaar is dat de hoeveelheid jaren van gezondheid die verloren gaan (ziektelast) door infectieziekten. Informatie over ziektelast helpt beleidsmakers prioriteiten te stellen op het gebied van infectieziektebestrijding. Het is lastig om de ziektelast van diverse infectieziekten op de volksgezondheid met elkaar te vergelijken. Sommige infectieziekten komen namelijk erg vaak voor maar zijn over het algemeen relatief mild, terwijl andere infectieziekten slechts zelden voorkomen maar gepaard gaan met een hoge sterfte. Een gezondheidsmaat die deze aspecten van ziekten combineert is de Disability Adjusted Life Year (DALY). In dit rapport wordt uitgelegd hoe de DALY kan worden berekend, welke keuzes en aannames hierbij moeten worden gemaakt en welke aspecten van belang zijn als het gaat om infectieziekten in het bijzonder. Om betrouwbare schattingen van de ziektelast van infectieziekten te kunnen maken is in de toekomst verder onderzoek nodig naar de kwaliteit van gegevens over hoe vaak infectieziekten voorkomen en de mate van onderrapportage. Voorlopige schattingen geven al wel een beeld van de variatie in ziektelast tussen verschillende infectieziekten.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Jaarrapportage surveillance respiratoire infectieziekten 2010 : Projectgroep respiratoire infecties | RIVM

Luchtweginfecties zijn verantwoordelijk voor een aanzienlijke ziektelast onder de algemene bevolking en thuis opgelopen longontsteking is een belangrijke oorzaak van ziekenhuisopname en sterfte. Dit surveillancerapport beschrijft de ontwikkelingen in luchtweginfecties in 2010 en het influenzaseizoen van 2010/2011. Het jaar 2010 verliep voor wat betreft luchtweginfecties een stuk rustiger dan het jaar 2009, toen de influenza pandemie ('Mexicaanse griep') en de piek van de uitzonderlijk grote Q-koorts epidemie samenvielen. De pandemie is officieel voorbij en het eerste griepseizoen (2010/2011) na de pandemie verliep mild. Q-koorts lijkt ook op zijn retour met een veel lager aantal meldingen van acute Q-koorts in 2010 dan in 2009. Wel wordt de komende jaren een toename verwacht van chronische Q-koorts, een relatief zeldzaam maar ernstig ziektebeeld. In 2010 was er een aanzienlijke toename in het aantal meldingen van legionellose in vergelijking met 2009 en 2008. De oorzaken van deze toename zijn nog niet bekend en worden door het CIb nader onderzocht. De stijging van het aantal nieuwe tuberculose patiënten in 2009 was een trendbreuk met de jaren ervoor, toen het aantal nieuwe patiënten juist steeds verder afnam. Echter, de stijging heeft zich in 2010 niet voortgezet.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Integratie van het Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit en het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid : Een verkenning van opties | RIVM

Het is mogelijk het Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit (LMB) en het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM) te integreren, om de beschikbaarheid van data en de efficiency te vergroten. Het LMB onderzoekt de samenstelling van de bodem in Nederland voor tien combinaties van grondsoort en grondgebruik (categorieën), vooral op landbouwbedrijven. Het LMM onderzoekt de kwaliteit van het bovenste grondwater op landbouwbedrijven. Voorafgaand aan een beslissing over integratie moet echter een keuze gemaakt worden tussen de oorspronkelijke doelstellingen van het LMB. De ene is veranderingen in de bodemkwaliteit in de tijd volgen. De andere is verschillen in de bodemkwaliteit tussen categorieën onderzoeken en zo mogelijk verklaren. Alleen wanneer wordt gekozen voor de laatste doelstelling is het zinvol om de meetnetten samen te voegen. Dit blijkt uit onderzoek dat het RIVM met het LEI heeft verricht op verzoek van het ministerie van Infrastructuur en Milieu (I&M). Als de eerste doelstelling, het volgen van veranderingen in de tijd, als belangrijkste wordt gezien, wordt geadviseerd de meetnetten niet samen te voegen en daadwerkelijk op vaste plekken te bemonsteren. Veranderingen in de bedrijfsvoering worden dan niet meegenomen. De opzet van het meetnet dat daarvoor nodig is strookt namelijk niet met een systeem van vaste meetpunten. Uit het onderzoek is eveneens gebleken dat diverse landbouwbedrijven uit het LMB de afgelopen jaren zijn afgevallen en vervangen door een soortgelijk bedrijf. Ook zijn bedrijven binnen het LMB in de tijd veranderd van bedrijfsopzet en bedrijfsoppervlak. Daarnaast is de oorspronkelijke overlap met het LMM en het BIN afgenomen. Het BIN is het Bedrijven Informatie Net van het LEI dat actuele gegevens over de bedrijfsvoering levert.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Definitierapport Volksgezondheid Toekomst Verkenning 2014 | RIVM

Elke vier jaar verschijnt de Volksgezondheid Toekomst Verkenning (VTV) waarin het RIVM rapporteert over de huidige toestand en toekomstige ontwikkeling van de volksgezondheid. De VTV draagt hiermee bij aan het volksgezondheidsbeleid van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). Dit zogeheten definitierapport bevat de hoofdlijnen van de zesde editie, die in 2014 verschijnt. Elke VTV beschrijft de laatste ontwikkelingen op het gebied van gezondheid, ziekte, determinanten, preventie, zorg, gezondheidsverschillen en regionale en internationale vergelijkingen. Recente ontwikkelingen in beleid, wetenschap en praktijk van de volksgezondheid zijn van invloed op de manier waarop deze vervolgens worden uitgewerkt. Zo zal de komende editie aandacht besteden aan gevolgen van ziekten in termen van zelfredzaamheid, functioneren en maatschappelijke participatie. Ook krijgt de veranderende rol van burgers en patiënten een plaats in de VTV-2014. Andere belangrijke ontwikkelingen zijn de invloed van de omgeving op gezond gedrag en gezondheid, preventie in de zorg, technologische innovaties en de verschuiving van taken, voornamelijk van de nationale naar de regionale overheid. Uitgaande van recente ontwikkelingen in de uitvoering van toekomstverkenningen, zal de VTV in dit proces diverse stakeholders betrekken. Begin 2012 verschijnt het ontwerp van de VTV, waarin de definitieve onderwerpen worden bepaald en uitgewerkt. Drie commissies adviseren het VTV-team over de aansluiting bij het beleid, de wetenschappelijke kwaliteit en de afstemming binnen het RIVM. Behalve het samenvattend rapport en de websites zullen de komende jaren artikelen en rapporten verschijnen die deel uitmaken van de VTV-2014.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Jaaroverzicht Luchtkwaliteit 2010 | RIVM

Jaaroverzicht Luchtkwaliteit 2010. De concentraties van stoffen die door het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit (LML) in Nederland gemeten worden zijn in 2010 weinig veranderd ten opzichte van voorgaande jaren. Dit komt mede doordat de gemiddelde weersomstandigheden, die van invloed zijn op de luchtkwaliteit, niet substantieel afweken van voorgaande jaren. Incidenteel kwamen wel hoge concentraties voor, zoals verhoogde fijnstofconcentraties als gevolg van een stofwolk in Drenthe in mei 2010. De uitbarsting van de IJslandse vulkaan Eyjafjallajökull in 2010 heeft de uitstoot van sulfaat en fluoride in Nederlands slechts in beperkte mate verhoogd. Metingen 2010. De Europese normen voor fijnstofconcentraties zijn op geen enkele LMLmeetlokatie in 2010 overschreden. De Europese normen voor stikstofdioxideconcentraties worden volgens de metingen, net als voorgaande jaren, op het merendeel van de verkeersbelaste meetlocaties wel overschreden. Verkeer levert een belangrijke bijdrage aan de stikstofdioxideconcentratie. In 2010 zijn diverse ozonwaarschuwingen voor matige smog op basis van modelberekeningen uitgegeven. Hierdoor werden mensen voor wie die informatie relevant is (zoals sporters, ouderen en mensen met luchtwegenklachten) eerder gewaarschuwd. Er kwamen geen dagen met ernstige smog door ozon voor, wat betekent dat er geen concentraties boven de Europese alarmdrempel waren. Trendanalyses tot 2015. De samenwerking met GGD Amsterdam en DCMR Milieudienst Rijnmond is geïntensiveerd, om gegevens beter te kunnen vergelijken en tot gezamenlijk analyses te komen. Uit een gezamenlijke trendanalyse voor gemeten fijnstof- en stikstofdioxideconcentraties bleek dat de fijnstofconcentratie over een langere periode daalt. Ook voor stikstofdioxide is een gestage daling zichtbaar. Als de dalende trend met dezelfde snelheid aanhoudt, is het niet zeker dat in 2015 op alle meetlocaties aan de stikstofdioxide grenswaarde wordt voldaan. Daarvoor is een sterkere afname nodig.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Integrated Probabilistic Risk Assessment (IPRA) for carcinogens : A first exploration | RIVM

Het RIVM en de Wageningen Universiteit hebben in 2007 de IPRA-methode (Integrated Probabilistic Risk Assessment) ontwikkeld om te kunnen inschatten welk deel van de bevolking effect ondervindt van niet-kankerverwekkende stoffen in voeding. Uit onderzoek van het RIVM, in opdracht van de nieuwe Voedsel en Waren Autoriteit (nVWA) blijkt dat de IPRA-methode ook voor kankerverwekkende stoffen kan worden gebruikt. Met de IPRA-methode kan de mate van onzekerheid in de beschikbare gegevens vertaald worden in onzekerheidsmarges in de uitkomst. Hiermee wordt een realistischer beeld gegeven van het potentiële effect op de gezondheid. In het rapport staat beschreven hoe de gegevens waarmee de IPRA-methode rekent moeten worden geïnterpreteerd, evenals de daaruit afgeleide uitkomsten. Vanwege de ernstige aard van het effect 'kanker' is het wenselijk dat het additionele risico hierop als gevolg van de blootstelling aan een stof heel klein is, bijvoorbeeld 1 op de miljoen. Om zulke lage kankerincidenties te kunnen meten zouden zulke grootschalige dierproeven nodig zijn dat ze praktisch niet uitvoerbaar zijn. Omdat dergelijk lage risico's niet waarneembaar in dierstudies worden in de huidige praktijk de meetbare kankerincidenties lineair geëxtrapoleerd naar de wenselijke lage kankerincidenties. Een casestudie met het kankerverwekkende schimmelgif aflatoxine B1 illustreert dat de onzekerheden in de risicobeoordelingen van kankerverwekkende stoffen inderdaad erg groot zijn. De op dit moment veel toegepaste lineaire extrapolatiemethode resulteert in een enkel, verondersteld conservatief, risicogetal, zonder de daarbij horende onzekerheden te laten zien. De IPRAmethode levert daarentegen wel een indicatie van de onzekerheden in het geschatte risico. Daarom is de IPRA-methode een veelbelovend instrument voor risicomanagers om risico's op kanker te schatten. Het resultaat van de methode maakt duidelijk in hoeverre een uitspraak gedaan kan worden over het risico, gegeven de beschikbare gegevens. Dit stelt risicomanagers in staat om beter onderbouwde beslissingen te nemen.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Dutch National Food Consumption Survey 2007-2010 : Diet of children and adults aged 7 to 69 years | RIVM

Nederlanders eten nog steeds te weinig fruit, groente, vis en vezel. Wel is het type vet in de voeding verbeterd, doordat vooral de hoeveelheid transvetzuren in voedingsmiddelen is afgenomen. Het aandeel verzadigde vetzuren in de voeding is echter nog ongunstig en overgewicht komt frequent voor. Dit blijkt uit recente voedselconsumptiegegevens van het RIVM. Hiervoor is tussen 2007 en 2010 in kaart gebracht wat kinderen en volwassenen consumeren. Belang gezond voedingspatroon: Een gezond voedingspatroon is van belang om overgewicht en chronische ziekten tegen te gaan. Met de verkregen kennis van het huidige consumptiepatroon kan een gezondere voeding worden gestimuleerd. Dit kan via veranderingen in het voedselaanbod en het voedingsgedrag. Inname van vitamines en mineralen: Uit de peiling blijkt ook dat een deel van de bevolking minder vitamine A, B1, C en E, magnesium, kalium en zink binnen krijgt dan wordt aanbevolen. Onderzoek is nodig naar de effecten hiervan op de gezondheid. Verder wordt het advies aan specifieke leeftijdsgroepen voor hogere innames van foliumzuur (voor vrouwen die zwanger willen worden), vitamine D (voor senioren), ijzer (voor vrouwen in de vruchtbare leeftijd) en calcium (voor adolescenten) lang niet altijd opgevolgd. Dit onderschrijft de adviezen van de Gezondheidsraad aan genoemde groepen om foliumzuur- en vitamine D-supplementen te slikken. Voor de lage inname van ijzer en calcium zijn de gezondheidsconsequenties onduidelijk. Hiernaar is meer onderzoek nodig. Toepassingen voedselconsumptiegegevens: Deze voedselconsumptiepeiling bevat gedetailleerdere gegevens dan de vorige bevolkingsbrede peiling in 1997/1998. De actuele gegevens kunnen worden gebruikt als ondersteuning van beleid op het gebied van gezonde voeding en veilig voedsel, om het voedingsmiddelenaanbod te verbeteren, bij voedingsvoorlichting en binnen het voedingsonderzoek.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Hoogspanningslijnen en fijn stof : Update van het literatuuronderzoek uit 2007 | RIVM

Conclusie uit 2007 staat nog steeds. Het is niet aannemelijk dat bovengrondse hoogspanningslijnen de schadelijke gezondheidseffecten van fijn stof beïnvloeden. Hoogspanningslijnen kunnen fijn stof soms wel extra opladen, maar dat is te weinig om extra schadelijke effecten te veroorzaken. Dat concludeert het RIVM in een update van eerder onderzoek. De publicaties die sinds 2007 zijn verschenen, geven geen aanleiding deze conclusies te herzien. Maatschappelijke kritiek was aanleiding update. Het ministerie van Infrastructuur en Milieu (voorheen VROM) heeft het RIVM om een update verzocht omdat er vier jaar zijn verstreken en vanwege kritiek op het onderzoek uit 2007, onder andere van omwonenden. Het RIVM heeft de recente publicaties onderzocht en op de kritiek gereageerd. Ook zijn de standpunten van enkele nationale en internationale organisaties die zich met dit onderwerp bezighouden verzameld. Geen gezondheidseffecten te verwachten. Het literatuuronderzoek 'Hoogspanningslijnen en fijn stof' uit 2007 analyseerde de wetenschappelijke literatuur op het gebied van opgeladen fijn stof in de buurt van bovengrondse hoogspanningslijnen en de mogelijke gezondheidseffecten daarvan. Aanleiding hiervoor was bezorgdheid onder mensen die bij een drukke verkeersweg én een hoogspanningslijn wonen. Deze was ingegeven door wetenschappelijke publicaties waarin werd beweerd dat elektrische ontladingen bij de hoogspanningsdraden fijn stof kunnen opladen. Hierdoor zou meer fijn stof in longen, luchtwegen of op de huid blijven 'plakken', en daarmee de effecten van fijn stof (hart- en luchtwegaandoeningen) versterken.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Advies Kosten van Ziektenstudie : Inhoudelijke en technische aanpassing | RIVM

Dit advies beoogt de gebruikswaarde van de Kosten van Ziektenstudie te vergroten voor het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en voor andere gebruikers zoals kennisinstituten, universiteiten of zorgkoepels. Met sleutelgebruikers van de studie is daarom de toekomstige opzet ervan verkend. Daarbij zijn zowel de opzet van de huidige studie als kansrijke mogelijkheden voor uitbreiding en vernieuwing aan bod gekomen. Op grond van deze gesprekken zijn opties voor de toekomstige opzet en ontwikkeling van de Kosten van Ziektenstudie geformuleerd. Voor enkele opties is aanvullend onderzoek gedaan door middel van data-analyse en literatuuronderzoek. Op grond van deze opties zijn aanbevelingen geformuleerd voor de ontwikkeling van de studie die middels dit advies worden voorgelegd aan het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Het gaat daarbij om aanbevelingen voor zowel technische aanpassing als inhoudelijke ontwikkeling.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Emissions of transboundary air pollutants in the Netherlands 1990-2009 : Informative Inventory Report 2011 | RIVM

Tussen 1990 en 2009 is in Nederland de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen gedaald. Het betreft zwaveldioxide, stikstofoxiden, niet-methaan vluchtige organische stoffen (NMVOS), koolmonoxide, ammoniak, zware metalen en persistente organische vervuilende stoffen (POP's). Deze neerwaartse trend is vooral toe te schrijven aan schonere brandstoffen en auto's, en aan emissiebeperkende maatregelen voor industriële sectoren. Dit blijkt uit de toelichting van het RIVM op de Nederlandse emissiecijfers van grootschalige luchtverontreinigende stoffen, het Informative Inventory Report (IIR) 2011. Deze cijfers worden jaarlijks - onder regie van het RIVM - door het Emissieregistratieteam aan de overheid geleverd vanwege verplichtingen voor de Verenigde Naties (UNECE) en de Europese Commissie. De emissiecijfers zijn data van een reeks jaren, vanaf 1990 tot de meest recent aangeleverde gegevens. Dit keer is de ammoniakemissiereeks met een nieuw model berekend, waarmee beter in kaart is gebracht wat maatregelen om deze emissie te verminderen opleveren. Hieruit blijkt dat in 1990 meer ammoniak is uitgestoten ten opzichte van de vorige reeks en na 1991 minder. Voor 2008 scheelt dat 7,6 kiloton ammoniak. Deze daling komt vooral doordat het vanaf 1991 verplicht is de mest niet over het land te verspreiden, maar in de bodem te injecteren (onderwerken). Hierdoor komt minder ammoniak in de lucht terecht. Verder zijn nieuwe bronnen van stikstofoxiden onderscheiden en zijn methoden ontwikkeld om deze emissies te berekenen. Het gaat om emissies uit mest van landbouwbodems en uit mest in opslagsilo's. Uit de berekeningen blijkt dat voor het jaar 2009 zo'n 25,5 kiloton stikstofoxiden afkomstig is van landbouwbodems. Dit is circa tien procent van de maximaal toegestane hoeveelheid uitgestoten stikstof-oxiden in Nederland, het zogenoemde NEC-plafond (National Emission Ceiling). Deze hoeveelheid telt echter niet mee in de berekening voor dit plafond (en staan vermeld onder memo-item 'natuurlijke emissies' 11C in de rapportage). De methoden waren namelijk niet bekend toen de plafonds werden bepaald.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Agricultural practice and water quality on farms registered for derogation : Results for 2009 in the derogation monitoring network | RIVM

Dit rapport geeft een overzicht van de bemestingspraktijk in 2009 en de waterkwaliteit in 2009 en 2010 op graslandbedrijven in Nederland die meer dierlijke mest mogen gebruiken dan in de EU-Nitraatrichtlijn is aangegeven (derogatie). De gegevens uit dit onderzoek kunnen worden gebruikt om de gevolgen voor de waterkwaliteit te bepalen. De waterkwaliteit gemeten in 2009 geeft de gevolgen weer van de landbouwpraktijk in 2008, het derde jaar dat de derogatie in de praktijk werd toegepast. De waterkwaliteit gemeten in 2010 geeft de gevolgen weer van de landbouwpraktijk in 2009. De Europese Nitraatrichtlijn verplicht lidstaten het gebruik van dierlijke mest te beperken tot een bepaald maximum (de gebruiksnorm dierlijke mest van 170 kg N/ha). Een lidstaat kan de Europese Commissie vragen om onder voorwaarden van deze beperking af te wijken. Nederland heeft in december 2005 derogatie gekregen om van 2006 tot en met 2009 af te mogen wijken van de gestelde norm. Deze derogatie is op 5 februari 2010 verlengd tot en met 2013. Een van de voorwaarden is dat de Nederlandse overheid een monitoringnetwerk inricht en over de resultaten daarvan jaarlijks aan de Commissie rapporteert. Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en het LEI, onderdeel van Wageningen Universiteit en Research Centrum, hebben in 2006 voor Nederland een monitoringnetwerk opgezet. Dit zogenoemde derogatiemeetnet meet de gevolgen voor de landbouwpraktijk en de waterkwaliteit als landbouwbedrijven afwijken van de Europese gebruiksnorm voor dierlijke mest. Het derogatiemeetnet is een onderdeel van het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM). Van 275 graslandbedrijven is de bedrijfsvoering gemonitord en van 285 bedrijven de waterkwaliteit. Het meetnet omvat 300 graslandbedrijven. Dat er minder dan 300 bedrijven zijn gerapporteerd komt doordat sommige bedrijven achteraf geen derogatie toepasten of toegekend kregen en door bedrijfswisselingen in het meetnet.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

De invloed van klimaatverandering op de grondwaterkwaliteit | RIVM

Het is mogelijk dat klimaatverandering van invloed is op de kwaliteit van het grondwater omdat veel processen die de grondwaterkwaliteit beïnvloeden afhangen van temperatuur en vochtigheid. Of de grondwaterkwaliteit zal veranderen bij een veranderend klimaat en in welke mate is onduidelijk omdat eenduidig wetenschappelijk bewijs hierover ontbreekt. Dit blijkt uit een literatuurstudie van het RIVM, waarin een overzicht is gemaakt van de beschikbare wetenschappelijke literatuur over de invloed van klimaatverandering op de grondwaterkwaliteit. Grondwater is belangrijk voor de drinkwatervoorziening en de ecologie. Het is daarom van belang invloeden van klimaatverandering in een vroeg stadium te signaleren, zodat maatregelen kunnen worden genomen om deze invloeden tegen te gaan, indien deze veranderingen een verslechtering betekenen. In het literatuuronderzoek is ook de invloed van klimaatverandering op de bodemkwaliteit, de grondwateraanvulling en de oppervlaktewaterkwaliteit meegenomen. Er zijn op dit moment namelijk nog te weinig artikelen verschenen die specifiek de invloed van klimaatverandering op de grondwaterkwaliteit beschrijven. Aan de hand hiervan is onderzocht wat de klimaateffecten zijn op verzilting, nutriënten, pesticiden en zware metalen. De beschikbare wetenschappelijke artikelen over de effecten van klimaatverandering op de bodem en de grondwaterkwaliteit spreken elkaar tegen. Zo zou een hogere temperatuur bijvoorbeeld volgens sommige onderzoeken tot een lagere grondwaterstand leiden, omdat er meer water verdampt. Volgens anderen zullen planten door de toegenomen concentratie CO2 juist minder water verdampen waardoor de grondwaterstand zal toenemen. Uit het onderzoek blijkt ook dat modellen die de verandering van grondwaterkwaliteit als gevolg van klimaatverandering simuleren nog niet aanwezig of niet nauwkeurig genoeg zijn. Het RIVM beveelt daarom aan meer onderzoek te doen en de bestaande modellen te verbeteren.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Fourteenth CRL-Salmonella interlaboratory comparison study (2009) on typing of Salmonella spp | RIVM

De Nationale Referentie Laboratoria (NRL's) van de 27 Europese lidstaten en de NRLs van Kroatië, Noorwegen en Zwitserland scoorden in 2009 goed bij de kwaliteitscontrole op Salmonella-typering. Vijf laboratoria hadden hiervoor een herkansing nodig. Uit de analyse van alle NRL's als groep bleek dat de laboratoria aan 93 procent van de geteste stammen de juiste naam konden geven. Sinds 1992 zijn de NRL's van de Europese lidstaten verplicht om deel te nemen aan jaarlijkse kwaliteitstoetsen, die bestaan uit zogeheten ringonderzoeken voor Salmonella. Elke lidstaat wijst een laboratorium aan, het Nationale Referentie Laboratorium (NRL), dat binnen dat land verantwoordelijk is om Salmonella uit monsters van levensmiddelen of dieren aan te tonen en te typeren. Om te controleren of de laboratoria hun werk goed uitvoeren moeten zij onder andere 20 Salmonella-stammen op juiste wijze identificeren. Soms doen ook landen buiten de Europese Unie vrijwillig mee. In 2009 waren dat Noorwegen en Zwitserland, en Kroatië als kandidaat-lidstaat voor de Europese Unie. Van de NRL's zijn er zeven laboratoria die, naast de standaardtoets (serotypering) op Salmonella, preciezere typeringen uitvoeren, de zogeheten faagtypering. Voor deze kwaliteitstoets moeten zij 20 extra stammen met deze methode typeren. De laboratoria ontvingen hiervoor tien Salmonella Enteritidisstammen en tien Salmonella Typhimurium-stammen. Deze NRL's typeerden 98 procent van de S. Typhimurium-stammen en 94 procent van de S. Enteritidisstammen op de juiste wijze. De organisatie van het typeringsringonderzoek is in handen van het Communautair Referentie Laboratorium (CRL) voor Salmonella (CRLSalmonella). Het CRL-Salmonella is ondergebracht bij het Nationaal Instituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) in Bilthoven, Nederland. De organisatie van dit ringonderzoek is uitgevoerd in samenwerking met de Health Protection Agency (HPA) in Londen, Engeland.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Inhalation exposure to fragrance allergens : Are consumers at risk for respiratory allergies? | RIVM

Er is momenteel onvoldoende kennis beschikbaar om vast te stellen of consumenten allergische klachten aan luchtwegen kunnen krijgen als zij allergene geurstoffen in consumentenproducten inademen. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM, in opdracht van de nieuwe Voedsel en Waren Autoriteit (nVWA). Geurstoffen komen voor in diverse consumentenproducten voor, zoals parfums en verzorgingsproducten en schoonmaakmiddelen. Van 26 geurstoffen is bekend dat ze een huidallergie kunnen veroorzaken. Een productinventarisatie van het RIVM heeft aangetoond dat bijna al deze 26 allergene geurstoffen eveneens gebruikt worden in luchtverfrissers. Consumenten worden hierbij dus ook via de ademhaling blootgesteld aan deze geurstoffen. Onbekend is echter of deze vorm van blootstelling allergische reacties in de luchtwegen kan veroorzaken. Er zijn namelijk geen valide methoden beschikbaar om dit gezondheidsrisico vast te stellen. Bovendien zijn de gehaltes van de geurstoffen in de producten niet bekend, zodat het onmogelijk is om een schatting van de mate van blootstelling te maken. Wel tonen inhalatiestudies met muizen die het RIVM heeft uitgevoerd aan dat een van vijf onderzochte allergene geurstoffen een ongewenst effect op het immuunsysteem van de luchtwegen lijkt te hebben. Of dat ook een risico vormt voor de consument is nog niet duidelijk. Daarnaast zijn er geringe aanwijzingen dat mensen die tijdens hun werk langdurig allergene geurstoffen inademen allergische luchtwegklachten ontwikkelen.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Hair dye allergy in consumers : Evaluation of the allergy alert test | RIVM

Allergie voor haarkleurstoffen bij consumenten Evaluatie van risico's en voordelen van de allergietest De huidige allergietesten voor haarverf die consumenten via de productinstructie aangeboden krijgen, voldoen niet. In deze testen blijkt namelijk veel variatie voor te komen. De test moet dan ook worden gestandaardiseerd. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM, waarin de voor- en nadelen van de allergietest voor consumenten zijn geëvalueerd. Dit is gedaan op basis van de bestaande opinie van de SCCS (de Europese wetenschappelijke commissie voor consumentenveiligheid), openbare literatuur en interviews met deskundigen. Het RIVM vindt het in principe waardevol dat consumenten van haarverf via de productinstructie wordt geadviseerd eerst een test te doen om vast te stellen of zij voor dit product allergisch zijn. Huidallergie veroorzaakt door haarverf is immers een groot probleem, zowel voor consumenten als kappers. Producenten van haarverf geven in de productinstructie het advies om 48 uur vóór het gebruik van de haarverf te testen of er sprake is van een overgevoeligheid. Deze allergietest is slechts een alarmsignaal waarmee consumenten worden gewaarschuwd om hun haren niet te verven. Ook wordt hen geadviseerd om een dermatoloog te bezoeken voor verder medisch onderzoek. Tevens blijkt dat niet bekend is of consumenten de test zelf goed kunnen uitvoeren en interpreteren. Aanbevolen wordt dit nader te onderzoeken. Daarnaast wordt aanbevolen om onder consumenten en kappers meer bewustwording te creëren over de risico's van haarverf, bijvoorbeeld door middel van informatiecampagnes.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Landbouwpraktijk en waterkwaliteit op landbouwbedrijven aangemeld voor derogatie : Resultaten meetjaar 2009 in het derogatiemeetnet | RIVM

Dit rapport geeft een overzicht van de bemestingspraktijk in 2009 en de waterkwaliteit in 2009 en 2010 op graslandbedrijven in Nederland die meer dierlijke mest mogen gebruiken dan in de EU-Nitraatrichtlijn is aangegeven (derogatie). De gegevens uit dit onderzoek kunnen worden gebruikt om de gevolgen voor de waterkwaliteit te bepalen. De waterkwaliteit gemeten in 2009 geeft de gevolgen weer van de landbouwpraktijk in 2008, het derde jaar dat de derogatie in de praktijk werd toegepast. De waterkwaliteit gemeten in 2010 geeft de gevolgen weer van de landbouwpraktijk in 2009. De Europese Nitraatrichtlijn verplicht lidstaten het gebruik van dierlijke mest te beperken tot een bepaald maximum (de gebruiksnorm dierlijke mest van 170 kg N/ha). Een lidstaat kan de Europese Commissie vragen om onder voorwaarden van deze beperking af te wijken. Nederland heeft in december 2005 derogatie gekregen om van 2006 tot en met 2009 af te mogen wijken van de gestelde norm. Deze derogatie is op 5 februari 2010 verlengd tot en met 2013. Een van de voorwaarden is dat de Nederlandse overheid een monitoringnetwerk inricht en aan de Commissie jaarlijks rapporteert over de resultaten daarvan. Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en het LEI, onderdeel van Wageningen UR, hebben in 2006 voor Nederland een monitoringnetwerk opgezet. Dit zogenoemde derogatiemeetnet meet de gevolgen voor de landbouwpraktijk en de waterkwaliteit als landbouwbedrijven afwijken van de Europese gebruiksnorm voor dierlijke mest. Het derogatiemeetnet is een onderdeel van het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM). Van 275 graslandbedrijven is de bedrijfsvoering gemonitord en van 285 bedrijven de waterkwaliteit. Het meetnet omvat 300 graslandbedrijven. Dat er minder dan 300 bedrijven zijn gerapporteerd komt doordat sommige bedrijven achteraf geen derogatie toepasten of toegekend kregen en komt ook door bedrijfswisselingen in het meetnet.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Astma bij kinderen tot 12 jaar : Resultaten van het PIAMA-onderzoek | RIVM

Bijna één op de drie peuters heeft symptomen van astma, te weten piepen op de borst, benauwdheid of kortademigheid. Hieronder valt ook het gebruik van inhalatiecorticosteroïden. Bij de meeste kinderen gaan de klachten binnen een tot twee jaar over. Ongeveer 5% van de kinderen blijft klachten houden en heeft die nog op 12-jarige leeftijd. Meer jongens dan meisjes hebben astmasymptomen en kinderen van ouders met astma of allergie hebben een sterk verhoogd risico. Kinderen met astmasymptomen hebben vaak ook een allergie, eczeem of neusklachten. Dit blijkt uit het zogenoemde PIAMA-onderzoek, waarin kinderen zijn gevolgd vanaf hun geboorte tot de leeftijd van 12 jaar. PIAMA is een lopend onderzoek dat wordt uitgevoerd door het RIVM, de Universiteit van Utrecht, het UMC Groningen, het Erasmus MC in Rotterdam en Sanquin Research in Amsterdam. Psychisch even gezond. Desondanks zijn kinderen met astmasymptomen psychisch even gezond als kinderen zonder astmasymptomen. Zij zijn ook even tevreden over hun vriendschappen, hun uiterlijk, hun prestaties op school en bij gym en hun vrijetijdsbesteding. Op school presteren zij net zo goed als andere kinderen. Bovendien zijn ze even vaak lid van een sportclub, hoewel 30% van de kinderen met astmasymptomen medicijnen gebruikt bij het sporten.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Een onafhankelijke tool voor stedelijke luchtkwaliteitsberekeningen : Vergelijking met CAR-II, Monitoringstool en metingen | RIVM

Het RIVM heeft een eigen tool ontwikkeld om stedelijke luchtkwaliteitberekeningen uit te voeren. De rekenregels in deze tool zijn exact ontleend aan de wettelijke voorschriften voor standaardrekenmethode-1 in de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007. Bestaande berekeningen van de NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) monitoringstool en web-based CAR (Calculation of Air pollution from Road traffic), twee tools die de uitstoot van verkeer in steden monitoren, zijn met de nieuwe tool gecontroleerd en in orde bevonden. De met de tool berekende concentraties stikstofdioxide en fijn stof PM10 zijn ook vergeleken met de metingen van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit voor 2008 en 2009. De resultaten blijven binnen de marge tussen berekeningen en metingen die volgens de Europese richtlijn 2008/50/EG is toegestaan (respectievelijk 30 en 50 procent). Hiermee voldoet de nauwkeurigheid van de berekeningen aan de kwaliteitsdoelstellingen van deze Europese richtlijn.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Valuing airport noise in the Netherlands : Influence of noise on real estate and land prices | RIVM

Het waardeverlies van onroerend goed als gevolg van de geluidoverlast door luchtvaart in Nederland wordt geschat op ongeveer 1 miljard euro. Dit is vergelijkbaar met het waardeverlies door lawaai van snelwegen in Nederland als geraamd in een eerdere studie van het RIVM. Het geluid veroorzaakt door Amsterdam Airport Schiphol draagt voor ongeveer 65% bij aan het waardeverlies. Militaire luchthavens en laagvliegroutes hebben een bijdrage van 30 % en andere civiele luchthavens van 5 %. Naast het waardeverlies van onroerend goed is de waardevermindering van grondprijzen geschat aan de hand van de stedelijk gebieden rond luchthavens waar vanwege geluid geen nieuwe woningen mogen worden gebouwd. Dit komt neer op bijna 600 miljoen euro voor Nederland. Schiphol draagt voor ongeveer 60% bij aan dit bedrag. Het waardeverlies van onroerend goed kan met enkele honderden miljoenen euro's afnemen indien nieuwe stillere vliegtuigen de huidige toestellen vervangen. Inzet van stillere vliegtuigen kan ook de grondprijzen van belast gebied verhogen als de huidige zonering voor nieuwe woningbouw daarbij kunnen worden gereduceerd. Dit zijn de belangrijkste resultaten van een kosten-baten studie naar luchtvaartlawaai. De waarderingsmodellen die worden gebruikt in deze studie zijn ook gebruikt in andere internationale studies. Er bestaat echter geen algemene consensus over de parameters in deze modellen.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Plasma proprotein convertase subtilisin kexin type 9 is not altered in subjects with impaired glucose metabolism and type 2 diabetes mellitus, but its releationship with non-HDL cholesterol and apolipoprotein B may be modified by type 2 diabetes mellitus: | RIVM

Plasma proprotein convertase subtilisin kexin type 9 is not altered in subjects with impaired glucose metabolism and type 2 diabetes mellitus, but its releationship with non-HDL cholesterol and apolipoprotein B may be modified by type 2 diabetes mellitus: | RIVM
Jaar: 2011 Onderzoek

Illicit erectile dysfunction products in the Netherlands : A decade of trends and a 2007-2010 product update | RIVM

Illegale erectiemiddelen bevatten vaak experimentele geneesmiddelen, Toch lijken de acute gezondheidsrisico's van illegale erectiemiddelen tot nu toe betrekkelijk klein. Er wordt echter minder gezondheidsschade geregistreerd dan op basis van het gebruik wordt verwacht. De risico's op lange termijn zijn onbekend. Het onderzoek is uitgevoerd op basis van gegevens die vijf Nederlandse instituten hebben verzameld. Dit is het derde rapport dat het RIVM over illegale erectiemiddelen heeft uitgebracht. De onderzochte middelen zijn buiten het officiële distributiekanaal in beslag genomen. Illegaal. Illegale erectiemiddelen zijn middelen die niet op een legale manier zijn geproduceerd of waarvoor niet de noodzakelijke vergunningen zijn verkregen. In Nederland zijn drie legale erectiemiddelen (Viagra, Cialis, Levitra) verkrijgbaar op voorschrift van een arts. In de afgelopen tien jaar is het gebruik van illegale erectiemiddelen sterk toegenomen, vooral doordat ze via internet eenvoudig kunnen worden gekocht. Risico's. De geïdentificeerde risico's zijn: overdosering, het combineren met alcohol of drugs, en langdurig gebruik. De gezondheidsrisico's zijn het grootst bij vervalste voedingssupplementen die experimentele geneesmiddelen bevatten, vervalste geneesmiddelen, en illegale erectiemiddelen waaraan antidepressiva zijn toegevoegd. Onderzoek. Voor het onderzoek zijn de productkenmerken en de samenstelling beschreven van 538 illegale erectiemiddelen die tussen 2007 en 2010 in beslag zijn genomen. Deze middelen bevatten erectiebevorderende geneesmiddelen (PDE5-remmers). Het betreft vervalste geneesmiddelen (17%), illegale geneesmiddelen (69%) en vervalste voedingssupplementen (13%). In de meeste producten zit een werkzame hoeveelheid, hoewel de etiketten daarover veelal opzettelijk onjuiste of onvolledige informatie bevatten. De resultaten laten ook zien dat illegale erectiemiddelen in hun samenstelling meestal onbetrouwbaar zijn. Toezicht. Het toezicht op geneesmiddelen is in Nederland goed gereguleerd, maar laat bij voedingssupplementen te wensen over. Het RIVM vindt dat meer toezicht op de samenstelling van voedingssupplementen gewenst is. Momenteel is de wet- en regelgeving op de samenstelling daarvan beperkt. Ook blijft het noodzakelijk om, ondanks de geringe signalering van gezondheidsschade, ontwikkelingen op het gebied van nieuwe werkzame stoffen en gezondheidsschade op de lange termijn te volgen. Ook is het van belang om het gedrag van de gebruiker te onderzoeken.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Hinder, bezorgdheid en woontevredenheid in Nederland : Inventarisatie verstoringen 2008 | RIVM

De Inventarisatie Verstoringen is een 5-jaarlijkse nationale inventarisatie van hinder door geluid, geur, trillingen en licht. Opmerkelijk aan deze inventarisatie zijn de lagere (ernstige) hinderpercentages voor de meeste van de onderzochte bronnen van geluid, geur en trilling ten opzichte van vijf jaar geleden, terwijl de blootstellingniveaus niet tot nauwelijks zijn gedaald. Waarschijnlijk is de gewijzigde vraagstelling, gewijzigd ten behoeve van internationale harmonisering, hier debet aan. De woontevredenheid is de afgelopen jaren toegenomen. Toch is er nog steeds sprake van ernstige hinder in de leefomgeving, ondanks de inspanningen van de overheid om dit te verminderen. Omgevingsgeluid, geur, trillingen en licht zijn belangrijke veroorzakers van ernstige hinder en slaapverstoring. Geluid van wegverkeer is de grootste bron van ernstige geluidhinder. Bezorgdheid over de eigen veiligheid door wonen in of in de buurt van een onveilige woonsituatie neemt af. De ernstige bezorgdheid hierover neemt echter wel toe. Eén op de drie burgers is bezorgd over wonen op of in de buurt van een locatie met bo-demverontreiniging. In het algemeen is men zowel tevreden over de woning als over de woonomgeving. Over het openbaar vervoer in de buurt is men het minst tevreden hoewel de ontevredenheid hierover de afgelopen jaren het meest is afgenomen. Het groen in buurt wordt zeer gewaardeerd en de kwaliteit ervan wordt goed bevonden. Veel mensen vinden dat ze in een groene buurt wonen en zijn hier ook tevreden over. Vooral de mogelijkheid die groenvoorzieningen bie-den om te recreëren wordt zeer gewaardeerd. Ongeveer de helft van de inwo-ners in Nederland vindt zijn eigen buurt niet stil. Eén op de acht vindt dit ook geen belangrijk aspect van de woonomgeving. Voor één op de zes inwoners hoeft de wijk niet stiller, voor ongeveer één op de negen inwoners is de buurt niet stil genoeg. Dit zijn de belangrijkste bevindingen uit de zesde nationale 'Inventarisatie Ver-storingen' die het ministerie van I&M heeft laten uitvoeren. Het onderzoek werd eind 2008 uitgevoerd door het centrum voor Milieu, Gezondheid en Omgevings-kwaliteit (MGO) van het RIVM. Ruim 1200 inwoners van Nederland deden mee aan het mondelinge vragenlijstonderzoek.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Het effect van vegetatie op de luchtkwaliteit : Update 2011 | RIVM

Vegetatie (bomen en planten) kan de luchtkwaliteit in een stad niet significant verbeteren en kan die zelfs verslechteren. Door de aanwezigheid van vegetatie in of langs straten met verkeer neemt de windsnelheid in die straat namelijk af. Als gevolg hiervan gaan de concentraties van alle stoffen die door het verkeer worden uitgestoten omhoog. De aanwezigheid van vegetatie in een groot gebied kan wel de achtergrondconcentraties van stikstofdioxide en fijn stof positief beïnvloeden, maar het effect is zeer beperkt - in de orde van een half procent tot mogelijk enkele procenten bij grootschalige extra inzet van vegetatie. De onzekerheid hierover in verschillende studies is aanzienlijk. Dit blijkt uit een recente studie van het RIVM en de GGD Amsterdam naar de relatie tussen vegetatie en luchtkwaliteit, in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Milieu. De resultaten bevestigen de uitkomsten van het overzicht dat het RIVM in 2008 heeft gemaakt van de toen beschikbare concrete gegevens over het effect van vegetatie op luchtkwaliteit. In Nederland liepen toen nog verschillende (grootschalige) onderzoeken naar de effecten hiervan langs snelwegen en naar de combinaties van geluidsschermen met vegetatie. Het RIVM en de GGD Amsterdam hebben het bestaande overzicht uitgebreid met alle beschikbare concrete gegevens over vegetatie en luchtkwaliteit van de laatste jaren. Het onderzoek is vooral op de stoffen stikstofdioxide en fijn stof gericht vanwege hun relatief hoge concentraties ten opzichte van Europese normen voor de luchtkwaliteit. Uiteraard heeft vegetatie veel meer invloed op gezondheid en milieu dan alleen via concentratieniveaus. Verschillende studies tonen het overwegend positieve effecten van vegetatie op de gezondheid in het algemeen, deze worden in het voorliggende rapport slechts kort besproken.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Vergelijking inname van nutrienten en contaminanten uit voedselconsumptiepeilingen en duplicaatvoedingen | RIVM

De uitvoering van voedselconsumptiepeilingen (VCP) en duplicaatvoedingenonderzoek kunnen elkaar aanvullen. Daar waar de berekeningen aan de hand van de VCP-data overschrijdingen van de norm te zien geven, kan met behulp van duplicaatvoedingen nagegaan worden of dit een realistisch beeld is. In dit briefrapport zijn twee verschillende methodes voor het schatten van de inname van nutriënten en contaminanten in voeding met elkaar vergeleken. De ene methode maakt gebruik van de consumptiedata in zo representatief mogelijke steekproeven van Nederlandse bevolkingsgroepen (VCP) die gekoppeld worden aan concentratiedata. Bij de andere methode wordt gebruik gemaakt van duplicaatvoedingen in relatief kleine onderzoekspopulaties waar verschillende nutriënten en contaminanten in kunnen worden bepaald. Voor een aantal nutriënten waren de resultaten van de VCP vergelijkbaar met die van duplicaatvoedingenonderzoek. Voor sommige andere nutriënten waren de resultaten echter niet consistent. Er was sprake van een hogere of lagere inschatting van de ene methode ten opzichte van de andere; waarbij er vaak verschillen naar geslacht of leeftijdsgroep waren. Voor de kinderen waren ook gegevens van mycotoxinen bekend. Voor drie van de vier mycotoxinen waren de waardes verkregen met de VCP veel hoger dan die verkregen met duplicaatvoedingen. Dit bevestigde de inschatting dat concentratiewaarden van een aantal mycotoxinen die gebruikt waren voor de VCP berekeningen te hoog waren.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Verkenning doelstelling voor herstel verontreiniging met PFOS | RIVM

Doelstellingen voor herstel van bodem en grondwaterverontreiniging met PFOS (perfluor octaan sulfonaat) zijn voorgesteld op basis van risico's voor de mens en het milieu. Dit is gedaan door vier scenario's uit te werken waarvoor de doelstellingen op verschillende niveaus zijn geformuleerd en de bijbehorende risicogrenzen, uiteenlopend van 0,1 tot 100 µg/kg in bodem en 0,01 tot 4.7 µg/l in grondwater. Mede op basis van deze informatie kan het bevoegd gezag de uiteindelijke doelstelling voor herstel voor grond en grondwater bepalen.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

De actieve persoonsdosimeter als wettelijke persoonsdosimeter | RIVM

Organisaties die met ioniserende straling werken, hebben belangstelling voor een nieuwe technologie om de stralingsdosis van werknemers te bepalen; de actieve persoonsdosimeter (APD). Wel stellen ze onder meer als voorwaarde dat de kosten beheersbaar zijn. De kennis en expertise over persoonsdosimetrie zal gewaarborgd moeten worden, net zoals dat gebeurt bij het huidige systeem van passieve persoonsdosimetrie. Het uitvoerend beheer zou bij gebruik van een APD bij de ondernemer zelf kunnen komen te liggen. Hierbij zouden dan eisen gesteld moeten worden aan de ondernemer over de aanwezige kennis en expertise op dit vlak. Een van de mogelijke opties hierbij is om deze eisen te koppelen aan de vergunning. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM dat in opdracht van het ministerie van Sociale zaken en Werkgelegenheid (SZW) is uitgevoerd. Hiervoor zijn bedrijven die met straling werken, zoals ziekenhuizen, kerncentrales en bepaalde takken in de industrie, ondervraagd. Het ministerie van SZW heeft de taak regels te stellen en toezicht te houden op het meten van de stralingsdosis van werknemers. Het ministerie van SZW ziet voordelen in de APD-technologie en wil de ontwikkelingen op dat gebied niet hinderen. In Nederland wordt van alle werknemers die met straling werken de jaarlijkse stralingsdosis vastgesteld. Momenteel wordt gewerkt met een passief meetsysteem waarmee de dosis over en langere periode, bijvoorbeeld een maand, wordt uitgelezen. De actieve persoonsdosimeter heeft als voordeel dat de werknemer direct en ter plekke de dosis kan waarnemen. Bovendien kunnen de data van bepaalde werkzaamheden met elkaar worden vergeleken. Op basis van zo'n analyse kan de werkwijze van medewerkers zo nodig worden verbeterd, zodat zij minder straling oplopen. De APD-technologie is nog volop in beweging. Hierdoor is nog veel onzeker over de toekomstige toepassing ervan in de diverse werkvelden. Er zal een systeem van toetsing en erkenning nodig zijn voor de ingebruikname van de APD als wettelijk erkende persoonsdosimeter.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Klimaatverandering in het stedelijk gebied : Groen en waterberging in relatie tot de bodem | RIVM

Klimaatverandering kan in stedelijk gebied tot onder andere extreme hitte en overmatige neerslag leiden. Meer groen draagt in perioden van extreme hitte bij aan minder hitteoverlast in steden. Voldoende waterbergend vermogen van de bodem zorgt bij extreme hoeveelheden neerslag voor minder wateroverlast. Gemeenten doen er daarom goed aan maatregelen te nemen waarmee de stad klimaatbestendig wordt gemaakt. Ook burgers kunnen hieraan bijdragen. Beide partijen moeten zich realiseren dat nu investeren in klimaatbestendigheid, in de toekomst rendeert. Dat blijkt uit onderzoek van het RIVM, uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Milieu (I&M). Gemeenten zouden met maatregelen voor meer openbaar groen en waterbergend vermogen moeten aanhaken bij beleidsterreinen als infrastructuur, volksgezondheid, veiligheid en duurzaamheid. Een voorbeeld van meer openbaar groen is een groene infrastructuur, zoals parken en plantsoenen. Een bijkomstigheid van openbaar groen is de onafgedekte bodem, oftewel niet bedekt door wegen, gebouwen, enzovoort. Hierdoor wordt de capaciteit van de bodem om water te infiltreren vergroot. Voor een optimale waterberging kan de gemeente bijvoorbeeld wadi's aanleggen die ervoor zorgen dat het riool minder wordt belast bij overmatige neerslag. Een wadi is een veelal begroeide verlaging van het maaiveld. Bij hevige regenval komt de wadi onder water te staan, doordat hemelwater via de daken van omliggende gebouwen naar de wadi wordt afgevoerd. Particulieren kunnen 'groene daken' aanleggen, of (gevel)tuintjes waarvan de bodem niet bedekt is. Subsidies voor particuliere initiatieven op dit gebied zijn hiervoor een extra stimulans.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Luchtkwaliteit rondom industrieterrein Twentekanaal | RIVM

In de omgeving nabij het industrieterrein Twentekanaal in Hengelo kan geurhinder optreden. Dit is vooral toe te schrijven aan de asfaltcentrale en aan de styreenemissies van een bedrijf dat glasvezelversterkende kunststof produceert (Plasticon). De grenswaarden voor geur worden echter niet overschreden. Verder zijn er geen gezondheidseffecten voor omwonenden te verwachten, omdat de blootstelling van deze én van de andere stoffen die er vrijkomen beneden de gezondheidkundige normen blijft. Dat geldt ook voor de emissies een daar gevestigde producent van hulpstoffen voor de metaalindustrie. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM naar de luchtkwaliteit in de woonwijk nabij het industrieterrein. Dit onderzoek maakt deel uit van een plan om de totale gezondheidsbelasting (geluid, stof en geur) van de omwonenden van het industrieterrein in kaart te brengen. Aanleiding hiervoor is bezorgdheid onder omwonenden ten noorden van het industrieterrein over de gevolgen van de bedrijfsactiviteiten voor hun gezondheid en veiligheid. Er is sprake van dat Plasticon de productie zou opvoeren. In dat geval kan niet worden voorspeld of de grenswaarden worden overschreden en welke gevolgen dit heeft voor de omwonenden. Om dit in beeld te brengen is meer onderzoek nodig, bijvoorbeeld het uitvoeren van metingen van de concentraties styreen in de omgeving van het bedrijf.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Jaarrapportage 2010 : Luchtmeetnet IBP Hilversum | RIVM

Het is zeer aannemelijk dat de concentraties fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) in de omgeving van Hilversum in 2010 aan de normen voldoen. Dit blijkt uit de resultaten van luchtkwaliteitsmetingen van het RIVM in 2010 op drie permanente locaties in de gemeenten Hilversum, Bussum en Laren. Deze meetpunten zijn representatief voor de omgeving van Hilversum. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van de gemeente Hilversum om gegevens te leveren over de luchtkwaliteit in de periode waarin het Integraal BereikbaarheidsPlan (IBP) Hilversum wordt uitgevoerd. De meetresultaten van 2010 komen overeen met die van 2009. Het Luchtmeetnet IBP Hilversum is in 2008 gestart met metingen van fijnstof. Voor stikstofoxiden zijn metingen begonnen vanaf voorjaar/zomer 2009. Afgesproken is dat het meetnet in ieder geval gedurende 10 jaar in Hilversum gaat meten, en vooralsnog gedurende 5 jaar in Bussum en Laren. Door de concentraties op verkeersbelaste locaties in Hilversum en Bussum te vergelijken met die van een locatie in Laren met weinig verkeer, wordt een indruk verkregen van de bijdrage van verkeer aan luchtverontreiniging tijdens het IBP Hilversum. In 2010 verschilden de daggemiddelde fijnstofconcentraties op de drie stations onderling niet betekenisvol. De concentratieniveaus zijn vergelijkbaar met die van andere stedelijke meetstations van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit (LML). De concentratie aan stikstofoxiden varieerde over de dag; de hoogste waarden werden tijdens de ochtendspits gemeten. De jaargemiddelde stikstof(di)oxidegehaltes op de stations van het IBP Meetnet zijn iets lager dan die van gelijksoortige type stations van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Toepassing van röntgenstraling om medisch-juridische en arbeidsgeneeskundige redenen in Nederland : Een verkenning | RIVM

In Nederland worden in drie situaties met zekerheid personen onderzocht met röntgenstraling om een medisch-juridische of arbeidsgeneeskundige reden. De eerste betreft het maken van röntgenfoto's bij verdachten van drugssmokkel om drugsbolletjes in het lichaam te detecteren, de tweede het maken van röntgenfoto's bij alleenstaande jonge asielzoekers om te bepalen of ze minderjarig zijn en de derde het keuren van topsporters bij de aanstelling. De aanvraag voor een dergelijk röntgenonderzoek wordt vrijwel altijd volgens een protocol gedaan door een arts, zoals dat ook gebeurt wanneer er wel een medische indicatie bestaat. Daarnaast kwam naar voren dat er in Nederland chiropractoren zijn die radiodiagnostisch onderzoek uitvoeren zonder dat zij daartoe wettelijk bevoegd zijn. Zij achten röntgentechnologie in voorkomende gevallen onmisbaar voor een goede chiropractische hulpverlening en hebben een eigen richtlijn opgesteld. Dit blijkt uit een inventarisatie door het RIVM in opdracht van de Inspectie voor de Gezondheidszorg. Toepassen van straling is te rechtvaardigen als het verwachte voordeel opweegt tegen het risico op nadelige effecten. Het Nederlands Forensisch Instituut hanteert daarom een bovengrens van 0,1 millisievert voor de dosis die personen door een medisch-juridisch onderzoek mogen ontvangen. Dit is evenveel als de hoeveelheid straling waaraan leden van de bevolking per kalenderjaar maximaal mogen worden blootgesteld vanuit en buiten een locatie waar handelingen worden verricht met radioactiviteit. Als röntgenonderzoek plaatsvindt op medische indicatie, dan hebben het verwachte voordeel en het risico beide betrekking op dezelfde persoon. Wanneer de blootstelling echter plaatsvindt om andere redenen, is het maken van de afweging of het verwachte voordeel opweegt tegen het risico minder eenvoudig. Dit kan bijvoorbeeld komen doordat de blootstelling van een individu alleen maatschappelijke voordelen heeft, maar ook doordat er discussie is over de medische indicatie. Een voorbeeld van het laatste is het toepassen of aanvragen van radiodiagnostisch onderzoek door chiropractoren die daartoe in Nederland niet bevoegd zijn. Een afwegingskader wordt momenteel geboden door de huidige wetgeving die de medische stralingstoepassingen onderverdeelt in diagnostische en therapeutische medische procedures, bedrijfsgeneeskundige controles, bevolkingsonderzoeksprogramma's, vrijwillige deelname aan medische en biomedische onderzoeksprogramma's en medisch-juridische procedures. In Europees verband wordt deze wetgeving momenteel herzien in het kader van nieuwe Basic Safety Standards (BSS). Mogelijk zal een aantal van de hier besproken verrichtingen in de toekomst niet langer onder de medische stralingstoepassingen vallen.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Registratie voedselinfecties en -vergiftigingen bij de IGZ en VWA : Resultaten 2010 | RIVM

Het totale aantal meldingen van voedselinfecties bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) en de nieuwe Voedsel en Waren Autoriteit (nVWA) was in 2010 vergelijkbaar met 2009. Wel zijn er in 2010 meer mensen ziek geworden van een voedselinfectie - een melding kan meerdere mensen betreffen. Belangrijke verwekkers van voedselinfecties waren, evenals in de voorgaande jaren, de bacteriën Salmonella en Campylobacter en het norovirus. Salmonella veroorzaakte de meeste zieken, en ook het merendeel van de ziekenhuisopnames en de drie gemelde sterfgevallen waren een gevolg van Salmonella. Dit zijn de belangrijkste conclusies uit een analyse door het RIVM van de registratiecijfers over 2010 van de nVWA en de IGZ. Om uitbraken van voedselinfecties te voorkomen, blijft aandacht voor de voedselveiligheid nodig bij de overheid, voedselproducenten, voedselleveranciers, horeca én de consumenten. Daarbij moet bij het productieproces goede hygiëne in acht wordt genomen, en moet kruisbesmetting van rauw en gaar voedsel tijdens het bereiden en bewaren van voedsel worden voorkomen. e nVWA kreeg in 2010 432 meldingen over voedselinfecties binnen, tegenover 458 meldingen in 2009. Het aantal betrokken zieken steeg daarentegen iets (1178 zieken in 2010 en 1143 in 2009). Bij de IGZ is na de daling van het aantal meldingen in 2009 (35 meldingen) het aantal in 2010 weer gelijk aan het jaarlijks aantal meldingen tussen 2004 en 2008: ongeveer 45. Het aantal zieken dat bij deze meldingen was betrokken, bleef in 2010 (355 zieken) op ongeveer hetzelfde aantal als in 2009 (342 zieken). Het aantal ziekenhuisopnames was met 21% hoog (2009: 9%; 2008: 11%; 2007: 16%). Het RIVM schat de werkelijke omvang van voedselinfecties en -vergiftigingen op 300.000 tot 1.230.000 ziektegevallen per jaar. Het aantal meldingen is veel lager, omdat niet iedere zieke naar de huisarts gaat of de nVWA informeert.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Preventie van chronische ziekten in risicogroepen | RIVM

Selectieve preventie houdt in dat groepen mensen met een verhoogd risico op een chronische ziekte, zoals hart- en vaatziekten, diabetes, kanker, luchtwegaandoeningen, depressie en aandoeningen van het bewegingsapparaat, preventieve interventies krijgen aangeboden. Risicogroepen zijn te definiëren op basis van factoren die het risico op meerdere van deze ziektes verhogen. Deze gemeenschappelijke factoren zijn: hoge leeftijd, vrouw-zijn, niet-westerse afkomst, laagopgeleid, aanwezige familiegeschiedenis, overgewicht, roken, ongezond voedingspatroon (inclusief alcoholgebruik), lichamelijke inactiviteit, eenzaamheid, slechte fysieke inrichting van buurt/wijk, lage sociale cohesie, alleen gaan wonen en verlies/overlijden van partner. Het lijkt veelbelovend om groepen mensen die meer dan een van deze risicofactoren hebben selectieve preventieve interventies aan te bieden. Dergelijke maatregelen, gericht op het individu en de omgeving, verbeteren de gezondheid van een specifieke risicogroep en verminderen de kans op diverse chronische ziekten. Veel van deze chronische ziekten ontstaan pas op oudere leeftijd. Om ze te voorkomen, is het verstandig vroeger in de levensloop in te grijpen. De meest geschikte levensfase verschilt echter per risicofactor. Dit blijkt uit een onderzoek van het RIVM naar selectieve preventie dat in opdracht van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) is uitgevoerd. Uit het onderzoek blijkt ook dat van dit type maatregelen tot nu toe in beperkte mate is onderzocht of ze effectief zijn. Elf interventies bleken (kosten-)effectief op de korte termijn. Onderzoek naar het aantal mensen dat aan deze maatregelen meedoet en naar langetermijneffecten, zou meer kunnen zeggen over de effecten op de volksgezondheid.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

The role of noise events in noise research, policy and practice (peaks, events or both..) : Report of expertmeeting 25 and 26 October 2010, Utrecht | RIVM

In opdracht van I&M heeft het RIVM in oktober 2010, een expert meeting georganiseerd over hinder door plotseling geluid (piekgeluid), en de benadering hiervan in wetenschap, beleid en in de praktijk. Doel was kennis en ideeen uit te wisselen en aanbevelingen te formuleren over situaties met kortstondige geluidpieken. Tijdens de bijeenkomst werden voorbeelden gepresenteerd uit theorie en praktijk, bij lucht- en wegverkeer, hoge snelheidslijnen en impulsgeluid door heien en schietoefeningen. Zowel akoestische als modererende factoren kwamen aan bod, zoals de onvoorspelbaarheid van plotselinge geluiden, vertrouwen in de overheid en verwachtingen ten aanzien van toekomstige geluidniveaus. Een van de belangrijkste conclusies was dat de beschikbare relaties tussen geluid en effect gebaseerd op Lden and Lnight als uitgangspunt kunnen dienen, ook in situaties met hoge piekbelasting. Ook is geconstateerd dat aanvullende indicatoren nodig zijn die beter kunnen overbrengen wat de impact van het geluid zal zijn. In de communicatie met burgers is het van belang de hoeveelheid geluid, waar mogelijk en relevant, uit te drukken in termen die voor iedereen begrijpelijk zijn, zoals in duur, frequentie en kwaliteit. Ook het effect van maatregelen moet begrijpelijk worden gecommuniceerd: als afspraken over een beperking van geluid(hinder) niet helder naar buiten worden gebracht, zal het aantal klachten en het percentage ernstig gehinderden mogelijk stijgen onafhankelijk van de feitelijke geluidniveaus. Het RIVM zal de aanvullende waarde en noodzaak van andere dan op decibellen gebaseerde geluidindicatoren nader bestuderen. Dit zal gedaan worden aan de hand van casestudies rond locaties met veel pieklawaai en secundaire analyses op bestaande bestanden. Met oog op de toenemende behoefte aan richtlijnen voor trillingen en piekgeluid langs het spoor, ligt de nadruk hierbij in de eerste plaats op geluid en trillingen in de buurt van hoge snelheidslijnen.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Acute vergiftigingen bij mens en dier : Jaaroverzicht 2010. Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum | RIVM

Het Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum (NVIC) is sinds zijn oprichting in 1959 onderdeel van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). Vanaf 1 juli 2011 zal het NVIC echter deel gaan uitmaken van het Universitair Medisch Centrum Utrecht (UMC Utrecht). Na de overgang naar het UMC Utrecht zal de positie van het NVIC als nationaal en onafhankelijk expertisecentrum gewaarborgd blijven. Tevens zal de rol van het NVIC in de calamiteitenbestrijding bij ongevallen met chemische en nucleaire stoffen blijven bestaan. Het NVIC werd in 2010 via de 24-uursinformatietelefoon en de website Vergiftigingen.info 42.347 maal geraadpleegd over in totaal 55.508 blootstellingen van mensen of dieren aan giftige stoffen. Het aantal blootstellingen is hoger dan het aantal informatieverzoeken, omdat één informatieverzoek over meerdere patiënten en meerdere toxische stoffen kan gaan. Bij sommige gevallen was sprake van een calamiteit. Het NVIC droeg in 2010 bij aan de bestrijding van meer dan zestig kleinere en grotere calamiteiten in Nederland waarbij giftige stoffen waren vrijgekomen. De bredere verkrijgbaarheid van paracetamol door de algemene verkoop heeft niet geleid tot een extra toename van het aantal gemelde paracetamolvergiftigingen. Het aantal meldingen over methylfenidaat, een middel voor de behandeling van ADHD, is in 2010 wel gestegen, met 34%. Het aantal vergiftigingen met het hoestmiddel dextromethorfan is in 2010 bijna verdubbeld. Deze toename werd met name veroorzaakt door een stijging van het aantal meldingen over jongeren. Dextromethorfan kan misbruikt worden als hallucinogeen en geestverruimend middel. Het aantal gemelde intoxicaties door nootmuskaat is in 2010 verdrievoudigd. Er is geen duidelijke oorzaak aan te wijzen voor deze plotselinge toename. Na een daling in de voorgaande twee jaar, is ook het aantal meldingen over paddo's in 2010 toegenomen. Het NVIC werd in 2010 geconsulteerd over 3822 blootstellingen van dieren aan toxische stoffen. Honden en katten waren het vaakst slachtoffer van een acute vergiftiging.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Modellen referentiekader ambulancezorg 2008 : Documentatie rijtijden- en capaciteitsmodel | RIVM

Het RIVM heeft in 2008 het 'Referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg' geactualiseerd. Dit referentiekader berekent voor elke regio hoeveel standplaatsen en ambulances nodig zijn om aan de vraag naar ambulancezorg te voldoen en om de paraatheid in een gebied te waarborgen. Dit rapport beschrijft de twee rekenmodellen die in het referentiekader zijn gebruikt: het rijtijdenmodel en het capaciteitsmodel. Het rijtijdenmodel is een instrument om de geografische dekking te bepalen. Het geeft een schatting van de benodigde rijtijd voor een ambulance om met spoed van een willekeurig punt naar een ander punt te rijden. Het capaciteitsmodel berekent aan de hand van ritstatistieken het aantal benodigde ambulances om aan de vraag naar ambulancezorg te voldoen. De modellen zijn uitgewerkt volgens de randvoorwaarden en uitgangspunten van het referentiekader die landelijk worden voorgeschreven. Ook zijn de nieuwste gegevens over ambulanceritten erin verwerkt. De rekenmodellen zijn geschikt en nuttig gebleken voor het referentiekader. De voorgeschreven uitgangspunten en randvoorwaarden blijken in de modellen in te passen. Het rapport geeft ook een aantal aanbevelingen om de modellen te verbeteren. Zo is het is wenselijk om het rijtijdenmodel regelmatig te actualiseren om aansluiting te houden bij de werkelijk gereden rijtijden. Daarnaast is onderzoek nodig naar capaciteitsmodellen die in het buitenland worden gebruikt, zodat deze kennis kan worden ingezet voor de verdere ontwikkeling van het model. Onder andere kan eraan worden gedacht prikkels in het model op te nemen om ambulances doelmatiger te gebruiken.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Van goed naar beter : Gebruikersevaluatie van de VTV-2010 | RIVM

De VTV-2010 geeft een overzicht van huidige en toekomstige ontwikkelingen in de volksgezondheid in Nederland en factoren die hierop van invloed zijn. Beleidsmakers, onderzoekers en professionals in preventie en zorg maken intensief gebruik van deze informatie, bijvoorbeeld als naslagwerk of om hiaten in wetenschappelijke kennis en informatie op te sporen. De helft van de gebruikers gebruikt de VTV-2010 ook voor beleidsdoeleinden, in het bijzonder voor beleidsvoorbereiding en beleidsontwikkeling. Hiervoor gebruiken zij niet alleen informatie uit de VTV-rapporten, maar ook van de VTV-websites zoals het Nationaal Kompas Volksgezondheid en de Nationale Atlas Volksgezondheid. Gebruikers geven de VTV-2010 een 8- als rapportcijfer. Zij zijn vooral te spreken over de leesbaarheid en het brede overzicht van de gezondheidstoestand in Nederland die de VTV-2010 overzichtelijk in deelrapporten en websites presenteert. Bovendien zien zij deze informatie als betrouwbaar en gezaghebbend. Het gebruiksgemak van deze informatie zou nog groter zijn als de rapporten nauwer aansluiten op de websites en als de vindbaarheid van informatie op de websites verbetert. Een andere aanbeveling van gebruikers betreft de impact op het beleid. Door de kernboodschappen voldoende helder te formuleren, de volksgezondheidsproblemen met meer urgentie te presenteren en de beleidsaanbevelingen concreter neer te zetten, kan de VTV volgens gebruikers meer richting geven aan beleid. Deze resultaten zijn afkomstig van de gebruikersevaluatie van de VTV-2010 'Van gezond naar beter'. Het doel van deze evaluatie is inzicht krijgen in de bruikbaarheid van de VTV, om deze in volgende edities te vergroten. De evaluatie is uitgevoerd bij gebruikers van de VTV, zoals beleidsmedewerkers bij het ministerie van VWS, onderzoekers en GGD-medewerkers. Deze gebruikers hebben een digitale vragenlijst gekregen (19% respons); een deel van de gebruikers is mondeling geïnterviewd (100% respons).
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Exoten in oppervlaktewater : Effecten op zoetwaterecosystemen en een beleidsanalyse | RIVM

Het RIVM heeft geïnventariseerd welke effecten zogeheten exoten kunnen hebben op de flora en fauna van de Nederlandse zoete oppervlaktewateren. Exoten zijn niet-inheemse planten en dieren die door menselijk handelen in Nederland zijn terechtgekomen. Het merendeel is niet schadelijk, maar sommige kunnen een bedreiging vormen voor inheemse soorten. Zo kunnen inheemse soorten in de knel komen of verdwijnen door de komst van exoten. Hoewel deze verstorende invloed wordt erkend, wordt deze te weinig in ogenschouw genomen bij maatregelen die vanuit de Kaderrichtlijn Water (KRW) zijn ingesteld om de flora en fauna te verbeteren In het onderzoek staat eveneens beschreven welk internationaal en nationaal beleid is vastgesteld om schade door exoten te voorkomen en ze zonodig te bestrijden. Internationaal is er al veel beleid opgesteld, bijvoorbeeld om de biodiversiteit te beschermen of om plagen in de land- en tuinbouw te voorkomen. Vaak is dat beleid niet bindend. Nationaal is ook beleid vastgesteld. Doorgaans is dat beleid ingegeven door deelbelangen, bijvoorbeeld om de biodiversiteit te beschermen of om plagen in de land- en tuinbouw te voorkomen. Het RIVM beveelt daarom aan de regie te verbeteren op het signaleren en zonodig bestrijden van exoten. Dat kan bijvoorbeeld door deze bij één coordinerende instantie te leggen.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Advies risicogrenzen grond en grondwater voor PFOS | RIVM

Het RIVM heeft voor de perfluorverbinding PFOS milieurisicogrenzen afgeleid in grond en grondwater. Deze waarden zijn nodig om de meetresultaten bij een bodemsaneringsproject in Nederland te kunnen interpreteren. PFOS is een stof die giftig is voor mens en milieu, zeer slecht afbreekt, en zich bovendien ophoopt via de voedselketen. Productie en gebruik, zoals in blusschuim, van de stof zijn inmiddels sterk aan banden gelegd via diverse (inter)nationale beleidskaders. Het RIVM doet voorstellen voor het maximaal toelaatbaar risiconiveau (MTR), ernstig risiconiveau (ER) en verwaarloosbaar risiconiveau (VR). De berekeningen zijn uitgevoerd met beperkt beschikbare informatie. Milieurisicogrenzen richten zich op verschillende beschermingsdoelen c.q. blootstellingsroutes: (grond)water-/bodemorganismen, doorvergiftiging en mens. Als algemeen uitgangspunt geldt dat de laagste waarde de uiteindelijke milieurisicogrens bepaalt. Voor grondwater is dat de directe PFOS-blootstelling van (grond)waterorganismen (MTR: 23 nanogram per liter). Voor grond is dit de route doorvergiftiging via voedsel: vogels en zoogdieren die bodemorganismen eten (MTR: 3,2 microgram per kilogram grond). Met de huidige gegevens kon geen risicogrens voor grond worden afgeleid die risico's van de consumptie van groente, melk en vlees voor de mens uitsluit. Mogelijke risico's voor de mens door het gebruik van grondwater voor de drinkwatervoorziening konden wel worden meegenomen.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Voorstellen voor trendberekening in grondwater voor de KRW | RIVM

In de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is bepaald dat concentraties van verontreinigende stoffen in grondwater niet mogen stijgen. In de tien jaar dat deze richtlijn van kracht is, bleek dat het in de praktijk erg lastig is om een dergelijke stijging vast te stellen. Het RIVM geeft daarom, in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM) praktische adviezen om de belangrijkste problemen hierbij aan te pakken. Uitgangspunt daarbij is de beschikbare informatie op de juiste manier te gebruiken en te interpreteren in plaats van meer te gaan meten. Zo kan met weinig gegevens toch al een (soms voorzichtige) conclusie worden getrokken.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Gebruik en waardering KiesBeter.nl 2010 | RIVM

In 2010 is het bezoekersaantal van de zorgportal kiesBeter.nl net als voorgaande jaren weer toegenomen: van ruim 4,3 miljoen in 2009 naar ruim 4,9 miljoen in 2010. De marketingdoelstelling voor 2010 op het gebied van bereik is daarmee net niet gehaald (die was 5 miljoen). De naamsbekendheid van de website is stabiel, die ligt rond de 17-18%. Hiermee is de marketingdoelstelling op het gebied van naamsbekendheid gehaald. KiesBeter.nl biedt burgers onafhankelijke informatie over zorg en gezondheid en verschaft ze daarmee inzicht in de keuzes die ze kunnen maken in de zorg. Op de website kunnen ziektekostenverzekeringen, maar ook ziekenhuizen en andere zorgorganisaties/zorgverleners worden vergeleken. Het RIVM ontwikkelt de website in samenwerking met andere organisaties in de zorg die zowel de aanbieders (bijvoorbeeld ziekenhuizen en verzekeraars) als de vragers (patiënten en consumenten) vertegenwoordigen. Opdrachtgever is het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Wat de naamsbekendheid betreft neemt kiesBeter.nl de derde positie in van websites op het gebied van gezondheid en zorg na Gezondheidsplein.nl en Apotheek.nl. Als we kijken naar bezoekersaantallen, neemt kiesBeter.nl een tweede positie in ten opzichte van vergelijkbare websites. De beoordeling van de website door de bezoekers zou nog wat beter kunnen, vooral wat betreft het gebruikersgemak. Volgens een enquête van TNS NIPO oordeelden bezoekers vrij positief over de kwaliteit van de geboden informatie (cijfer 7,0). De bezoekersenquête gaf een minder gunstig beeld (cijfer 5,6). Begin 2010 is er een publiekscampagne geweest om de naamsbekendheid te vergroten. Aanleiding daarvoor was onder andere de lancering van de nieuwe vormgeving en structuur van de website in november 2009. In het laatste kwartaal van 2010 is er ook een doelgroepencampagne geweest, specifiek gericht op vijftigplussers en jonge gezinnen.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Strategic Policy Plan RIVM-Centre for Infectious Disease Control 2011-2015 | RIVM

In het strategisch beleidsplan is een selectie gemaakt van onderwerpen waarvoor het RIVM-CIb zich de komende jaren extra moet inspannen om haar regierol en haar functie als netwerkorganisatie te versterken. Het beleidsplan is gebaseerd op de ervaringen van de afgelopen vijf jaar en de resultaten van verschillende evaluaties. Belangrijke keuze voor de toekomst is die voor de versterking van het RIVM-CIb als netwerkorganisatie om zo tot een optimale preventie en bestrijding van infectieziekten te komen. Met dit doel zorgt het RIVM-CIb ook voor internationale samenwerking op het gebied van infectieziekten, voor een nationale laboratoriuminfrastructuur en voor een stevige onderzoeksbasis. Daarnaast zal het RIVM-CIb subsidies verlenen voor activiteiten, gericht op de preventie van infectieziekten, die effectief en efficiënt door andere organisatie dan het RIVM-CIb worden uitgevoerd. Het RIVM-CIb streeft naar het garanderen van de effectiviteit van het Rijksvaccinatieprogramma en naar het verminderen van de ziektelast door antimicrobiële resistentie en zorggerelateerde infecties. Ten slotte streeft het RIVM-CIb naar het verminderen van soa door regie te voeren op de soabestrijding, en naar het verminderen van het risico en de ziektelast van zoönosen, door samen met netwerkpartners op basis van signalering en onderzoek relevante sectoren en ministeries hierover te adviseren.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Informatievoorziening asbest : Verkennend onderzoek | RIVM

Het Nederlandse asbestbeleid is gericht op het voorkomen of reduceren van blootstelling aan asbest en het sluitend organiseren van veilige werkwijzen om asbest te verwijderen en af te voeren. Onderdeel van het beleid is bewustmaking van burgers en bedrijven. Een goede informatievoorziening over asbest schraagt die bewustwording. Dit rapport is de weergave van een verkennend onderzoek naar de informatievoorziening over asbest en is gebaseerd op een interviewronde en op vrije nieuwsgaring. Het blijkt dat voor alle betrokkenen er een ruime mate van informatievoorziening, d.m.v. folders, webinformatie en telefonische informatielijnen beschikbaar is. Opvallend is echter dat informatie verschillend is per bron. Dat werkt verwarrend. Meer stroomlijning tussen de sites van bijv. MilieuCentraal, InfoMil, Rijksoverheid.nl, ArboPortaal en Overheid.nl is gewenst en lijkt mogelijk. De indruk is dat er niet zozeer een gebrek is aan kennis, maar vooral aan autoriteit. Er is grote behoefte aan het snel en slagvaardig afhandelen van vragen, zowel van burgers als van handhavers. Wij achten een centrale autoriteit, die alle soorten vragen beantwoordt niet zo goed denkbaar. Vragen over de asbestproblematiek in algemene zin kunnen prima centraal worden beantwoord, maar voor specifieke casussen geldt dat veel minder. Daarvoor ligt het meer voor de hand om ze lokaal af te handelen. Als substituut voor een centrale autoriteit of een gezaghebbend expertisecentrum kan voor een deel van de problemen ook gedacht worden aan een wegwijzer/ondersteuner bij gecompliceerde vragen, iemand die zich verantwoordelijk acht en snel een doeltreffend antwoord op een vraag weet te vinden.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Toxicogenomics in risk assesment | RIVM

Volgens de wet moet voor elke chemische stof worden aangetoond dat deze geen risico vormt voor de gezondheid van de mens en voor het milieu. Dit gebeurt door een stof te testen op schadelijke effecten (toxiciteit), zowel in gekweekte cellen (in vitro) als in proefdieren (in vivo). De verkregen gegevens worden vervolgens omgerekend om een inschatting van de toxiciteit voor de mens te maken. Dit proces is ingewikkeld en tijdrovend, en kost bovendien veel proefdieren. Voorliggend rapport laat zien dat toxicogenomics kan helpen om vast te stellen of een chemische stof kankerverwekkend is voor de mens. Blootstelling aan een schadelijke stof leidt tot veranderingen in de genactiviteit die met toxicogenomics kunnen worden gemeten. Het RIVM heeft geconstateerd dat toxicogenomics een rol kan spelen bij het herkennen van kankerverwekkende stoffen via het ontrafelen van werkingsmechanismen. Hierdoor wordt de risicobeoordeling beter onderbouwd. De vertaalslag van proefdier naar mens wordt eenvoudiger en het proefdiergebruik wordt teruggedrongen omdat minder dieren nodig zijn en het ongerief van de proefdieren wordt verminderd.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Berekeningsmethoden magneetveldzone | RIVM

Magnetische velden in de buurt van bovengrondse hoogspanningslijnen leiden mogelijk tot een verhoogd leukemierisico bij kinderen. Daarom heeft het ministerie van I&M (voorheen VROM) in 2005 beleid gelanceerd dat gebaseerd is op het voorzorgsprincipe. Uitgangspunt van het beleid is dat rondom een hoogspanningslijn een magneetveldzone wordt vastgelegd waarin geen nieuwe woningen, scholen of kinderdagverblijven mogen worden gerealiseerd. Het RIVM heeft een handreiking ontwikkeld waarmee adviesbureaus de breedte van deze magneetveldzone kunnen bepalen. Naar aanleiding hiervan heeft het RIVM de breedtes vergeleken van de magneetveldzone die enkele adviesbureaus voor vijf standaardconfiguraties van hoogspanningslijnen hebben berekend. Voor de uitvoering van het beleid is het namelijk van belang dat de resultaten hiervan niet teveel van elkaar verschillen. Het ministerie heeft daarom gesteld dat de uitkomsten van de adviesbureaus voor de zonebreedte niet meer dan 5 meter van het gemiddelde van de berekende resultaten mogen verschillen. Het gebruik van eerdere versies van de RIVM-handreiking bleek tot te grote verschillen te leiden. Het RIVM heeft daarop de handreiking vereenvoudigd (versie 3.0). Met deze vereenvoudigde versie blijven de door de adviesbureaus berekende zonebreedtes wel binnen de gestelde marge van 5 meter. Adviesbureaus kunnen op basis van de vijf standaardconfiguraties laten zien dat ze in staat zijn een zoneberekening uit te voeren die overeenstemt met de handreiking en waarvan de resultaten binnen de 5 meter marge vallen. Het RIVM organiseert de toelatingsprocedure voor bureaus om op een lijst te komen met adviesbureaus die aan deze voorwaarden voldoen.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Results and significance of the RIVM Strategic Research 2007-2010 : Prepared for the future | RIVM

Dit rapport brengt verslag uit van vier jaar Strategisch Onderzoek RIVM (SOR), het eigen onderzoeksbudget van het RIVM. Het SOR-budget is bedoeld voor onderzoek om het RIVM te voorzien van de benodigde expertise en kwaliteit, zodat het nu en in de toekomst taken voor opdrachtgevers adequaat kan uitvoeren. Het rapport geeft de inhoudelijke resultaten en toepassingsmogelijkheden weer van alle projecten over de periode 2007-2010. In totaal zijn in de onderzoeksperiode 86 projecten uitgevoerd, onderverdeeld in 6 strategische thema's. Ongeveer een derde deel van de projecten loopt nog door na 2011; de voorlopige resultaten van de lopende projecten zijn hier vermeld. De resultaten van dit SOR-programma bestaan uit een schat aan nieuw instrumentarium, nieuwe data en kennis, en verbetering van bestaand instrumentarium en bestaande kennis op het gebied van volksgezondheid en milieu. Deze resultaten dragen in belangrijke mate bij aan de uitvoering van de huidige kerntaken van het RIVM. Daarnaast zijn veel wetenschappelijke netwerken verstevigd en nieuwe verbindingen aangegaan. Het programma heeft ruim 350 publicaties in peer reviewed wetenschappelijke tijdschriften voortgebracht.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Risico's van imidacloprid in oppervlaktewater voor de mens | RIVM

Het RIVM heeft de risico's voor de mens beoordeeld als gevolg van de aanwezigheid van imidacloprid in oppervlaktewater. Imidacloprid is een insecticide dat in Nederlands oppervlaktewater is aangetroffen in concentraties die hoger zijn dan de geldende waterkwaliteitsnormen. Mensen kunnen met imidacloprid in contact komen via het drinken van water dat uit oppervlaktewater wordt gemaakt, via het eten van vis waarin de stof zich heeft opgehoopt en via zwemmen. Voor elk van deze drie blootstellingsroutes is een risicoschatting gemaakt. Uitgangspunt is de Acceptable Daily Intake (ADI), dit is de hoeveelheid van een stof die een mens dagelijks mag binnenkrijgen zonder dat dit gevolgen heeft voor de gezondheid. Bij de gemeten concentraties is er geen risico voor de mens. De beoordeling beperkt zich tot imidacloprid en gaat niet in op de mogelijke gelijktijdige aanwezigheid van andere stoffen in het water. Eventuele risico's voor het waterecosysteem vallen eveneens buiten deze opdracht.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Ventileren langs een drukke weg : Pilot: meting aan de voor- en achterzijde van een gebouw | RIVM

Het RIVM heeft met de GGD'en IJsselland en regio Twente een verkennend onderzoek uitgevoerd naar de luchtkwaliteit bij een vrijstaand schoolgebouw aan een drukke weg. Hieruit bleek dat de luchtkwaliteit aan de achterkant van het gebouw beter is dan aan de kant van het gebouw die aan de weg ligt, onafhankelijk van de windrichting. Dit onderzoek helpt de GGD om een onderbouwd advies te geven over ventilatie langs een drukke weg. Ventilatie van gebouwen is van belang voor de gezondheid. Bij ventileren wordt de binnenlucht vervangen voor een gelijke hoeveelheid buitenlucht. Hierdoor wordt verse lucht toegevoegd en verontreinigende stoffen afgevoerd. Ook op milieubelaste locaties met veel luchtverontreiniging, bijvoorbeeld langs een drukke weg, is voldoende ventilatie van belang. Daarom is het een logische gedachte om vooral te ventileren aan de kant waar de luchtkwaliteit het beste is. Dat was is deze verkennende studie de achterzijde van het gebouw. Voor het onderzoek zijn gedurende twee maanden stikstofoxiden en zwarte rook gemeten aan de voorzijde van het gebouw, die aan de weg ligt, aan de achterkant en binnen. Deze stoffen zijn indicatoren voor de luchtkwaliteit in relatie tot wegverkeer. Door de beperkte opzet van deze studie kunnen de uitkomsten niet worden gebruikt voor andere gebouwen. Meer gegevens zijn nodig om een algemeen antwoord te krijgen op de vraag of de luchtkwaliteit aan de achterzijde van een gebouw beter is dan aan de voorzijde. Het gaat hierbij om metingen in de spits en daarbuiten, bij verschillende gebouwen, met verschillende soorten bebouwing in de omgeving, bij verschillende afstanden tot de weg, de invloed van begroeiing bij gebouwen en situaties met meerdere vervuilingsbronnen.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Internationale classificaties in Nederland : Nut, toepassing en noodzaak | RIVM

Welk nut hebben de International Statistical Classification of Diseases and Related Health Problems (ICD-10) en de International Classification of Functioning, Disability and Health (ICF) van de World Health Organization (WHO)? Is er een noodzaak voor hun toepassing in Nederland? Hoe kun je de ontwikkeling en invoering van deze internationale classificaties in Nederland optimaliseren? Internationale classificaties hebben voor- en nadelen door hun vermogen tot het aggregeren en integreren van verschillende gezondheidsgegevens volgens internationale standaarden. Het voordeel van het bezit van op deze wijze vergelijkbaar gemaakte gegevens is tevens een nadeel: deze gegevens dekken niet alle relevante en gedetailleerde gegevens voor de cliënt en de beroepsbeoefenaar. Het rapport beschrijft de structuur, de grondregels, het nut en de belangrijkste toepassingen van de WHO Family of International Classifications (WHO-FIC). Internationale classificaties verschillen van doorgaans monodisciplinaire terminologieën en qua onderwerp beperkte meetinstrumenten door hun meervoudige doelen, diversiteit en veelvuldige gebruik. Hierdoor kunnen gegevens uit verschillende bron tot relevante gezondheidsinformatie worden samengevoegd. De noodzaak van internationale classificaties wordt vaak bekrachtigd door hun toepassing in sociale wetgeving (WMO, WSW, Wtcg) en gebruik in administratie en statistiek. Deze conclusies zijn ook bevestigd door diverse 'stakeholders' in Nederland. De ontwikkeling en invoering van internationale classificaties vereist dat verschillende activiteiten worden uitgevoerd, zoals de voorlichting aan en ondersteuning van classificatiegebruikers (hun toepassingen, onderwijs en training), de vertaling van internationale classificaties en het verduidelijken van de ervaringen en handelingen van gebruikers bij de internationale ontwikkeling van revisies en updates van internationale classificaties.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Nationaal plan tuberculosebestrijding 2011-2015 : Inhoudelijke kaders | RIVM

Het Nationaal plan tuberculosebestrijding 2011-2015 geeft aan welke veranderingen nodig zijn om tot een optimale tuberculosebestrijding in Nederland te komen. Het doel van dit plan is om een optimale tuberculosebestrijding in Nederland te schetsen, gegeven een dalende incidentie resulterend in een afnemende expertise bij professionals, een toenemende complexiteit van de behandeling van tuberculosepatiënten door toenemende resistentieontwikkeling in binnen- en buitenland, en regionale verschillen in de tuberculoseproblematiek. De belangrijkste doelstellingen zijn de volgende: - In 2013 is er een efficiente en effectieve landelijke regie op de tuberculosebestrijding, passend bij de structuren en verantwoordelijkheden voor de infectieziektebestrijding, - In de jaren tot aan 2015 blijft er een landelijk dekkend netwerk van tuberculosebestrijding in de publieke gezondheidszorg bestaan, onder verantwoordelijkheid van de gemeenten en georganiseerd door GGD'en. Ook moeten in 2013 vier tot vijf regio's in de publieke tuberculosebestrijding zijn gevormd, met regionale expertisecentra. - In 2015 heeft elk ziekenhuis een klinische tuberculosecoördinator die voldoet aan het profiel en kwaliteitscriteria van de Nederlandse Vereniging van Artsen voor Longziekten en Tuberculose (NVALT). - In 2013 verzorgen alleen laboratoria die onder BSL3-condities werken M. tuberculosis-kweken. - In 2013 levert een denktank van RIVM-CIb, GGD Nederland, KNCV Tuberculosefonds en NVALT een notitie waarin voor- en nadelen worden geschetst van verschillende organisatiemodellen van de tuberculosebestrijding tot 2025. Aan het ministerie van VWS is voorgesteld dat het plan gecomplementeerd wordt met een implementatieplan dat samen met GGD Nederland en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten wordt uitgewerkt.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Developments in monitoring the effectiveness of EU Nitrates Directive Action Programmes : Result of the second MonNO3 workshop, 10-11 June 2009 | RIVM

Lidstaten van de Europese Unie zijn verplicht om de waterkwaliteit en de effecten van hun mestbeleid daarop te monitoren en hierover te rapporteren aan de Europese Commissie. Uit een internationale workshop blijkt dat landen hun monitoringsverplichting verschillend invullen doordat voorschriften ontbreken. Een andere bevinding is dat de meeste landen de afgelopen zes jaren hebben geïnvesteerd in een uitbreiding van de monitoring van de waterkwaliteit. Deze uitbreiding kwam voort uit een discussie tussen de lidstaten en de Commissie over de wijze waarop het mestbeleid moet worden vormgegeven. Lidstaten proberen hun standpunten hierover te onderbouwen met aanvullende monitoring. Een andere reden voor een uitgebreidere monitoring is dat lidstaten die pas recentelijk bij de Unie zijn aangesloten, hun monitoringssysteem moeten aanpassen aan de richtlijnen. Het RIVM heeft de workshop in 2009 met het Deense Milieuonderzoeksinstituut (DMU), de Geologische Dienst voor Denemarken en Groenland (GEUS) en het LEI, onderdeel van Wageningen UR, georganiseerd. Aan deze tweede MonNO3- workshop namen twaalf landen uit Noordwest- en Midden-Europa deel. De workshop richtte zich vooral op de ontwikkelingen sinds 2003, het jaar dat de eerste MonNO3 workshop heeft plaatsgevonden. De tweede workshop heeft, net als de eerste, eraan bijgedragen dat landen kennis en informatie over het monitoren van effecten van het mestbeleid uitwisselen. De workshop stimuleerde bijvoorbeeld de discussie over voor- en nadelen van gebruikte benaderingen van de waterkwaliteitsmonitoring. Daarnaast was er aandacht voor het gebruik van de monitoringgegevens voor andere doeleinden dan de waterkwaliteitsmonitoring, bijvoorbeeld om maatregelen voor het mestbeleid te onderbouwen. Ten slotte stonden de deelnemers stil bij verbeteringen en uitbreidingen van meetnetten.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Praktijkaspecten bij uitvoering en interpretatie van kosteneffectiviteitsanalyses van preventie | RIVM

Van maatregelen die gezondheidsproblemen moeten voorkomen, worden vaak kosteneffectiviteitsanalyses (KEA's) gemaakt om te onderzoeken of de effecten ervan opwegen tegen de kosten. Het is belangrijk om bij de uitvoering van deze analyses en bij de interpretatie van de uitkomst rekening te houden met wat er gebeurt als een maatregel in praktijk wordt gebracht. Het RIVM heeft op basis van een literatuurverkenning geïnventariseerd welke aspecten uit de praktijk mogelijk van invloed zijn op de verhouding tussen de kosten en de effectiviteit van een maatregel. Voorbeelden zijn onbedoelde (positieve of negatieve) neveneffecten die kunnen optreden (zoals bijwerkingen van een vaccin), een tekort aan gekwalificeerde uitvoerders, of een lagere deelname van de doelgroep dan verwacht als de maatregel in praktijk wordt gebracht. De inventarisatie is relevant voor uitvoerders van KEA's en voor beleidsmakers die KEA's als basis nemen voor beslissingen om een preventieve maatregel al dan niet in te voeren. Kanttekening hierbij is echter dat informatie over praktijkervaringen niet altijd beschikbaar is, bijvoorbeeld doordat de maatregel nog niet op grotere schaal is ingevoerd. De aandachtspunten uit het overzicht zijn in het rapport ook toegepast op twee maatregelen: SchoolGruiten, waarbij kinderen op school gestimuleerd worden om groenten en fruit te eten, en de griepvaccinatie bij ouderen. Op basis hiervan is geïllustreerd in hoeverre praktijkinformatie in de desbetreffende KEA's (achteraf beschouwd) is opgenomen. Om het mogelijk te maken om meer praktijkgegevens bij de uitvoering van KEA's te betrekken, wordt aanbevolen vaker KEA's uit te voeren van maatregelen die al in praktijk zijn gebracht.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Clostridium perfringens associated with food borne disease : final report | RIVM

Mensen die voedsel eten dat de bacterie Clostridium perfringens bevat, kunnen daar diarree van krijgen. Deze bacterie komt vooral voor in producten die vlees bevatten, zoals soepen en stoofschotels, maar ook in kruiden en specerijen. Mensen worden voornamelijk ziek na het eten van vleesbevattende producten die onder verkeerde omstandigheden zijn gekoeld voor opslag. Dat kan ook gebeuren als dit soort voedsel onvoldoende is opgewarmd nadat het is gekoeld. Dit zijn de belangrijkste conclusies uit onderzoek van het RIVM, dat in opdracht van de nieuwe Voedsel en Waren Autoriteit (nVWA) is uitgevoerd. Jaarlijks worden in Nederland ongeveer 160.000 mensen ziek nadat zij voedsel hebben geconsumeerd dat besmet is met de bacterie Clostridium perfringens. De nVWA wil meer inzicht krijgen welke combinaties van het voedseltype en het bereidingsproces tot ziekte kunnen leiden. Als mensen bereid voedsel willen bewaren, wordt aanbevolen het zo snel mogelijk na de bereiding af te laten koelen. Om voedsel voldoende te verhitten wordt aanbevolen een kerntemperatuurmeter te gebruiken. Om zeker te weten dat alle levensvatbare bacterien zijn gedood, kan als richtlijn worden gesteld dat de kern van voedsel minimaal gedurende 10 minuten 65 graden Celcius moet zijn. Het is lastiger te controleren of voedsel voldoende is afgekoeld. Bij onvoldoende verhitten of afkoelen produceert de bacterie in de dunne darm het eiwit enterotoxine Cpe. Dit eiwit komt vrij als de bacterie daar tijdens het verteringsproces overgaat in een spore (een vorm die tegen veel externe factoren, zoals koude en zuren, bestand is). Het eiwit tast het epitheel aan, waardoor ziekteverschijnselen ontstaan.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Towards an international standard for detection and typing botulinum neurotoxin-producing Clostridia types A, B, E and F in food, feed and environmental samples: A European ring trial study to evaluate a real-time PCR assay | RIVM

Towards an international standard for detection and typing botulinum neurotoxin-producing Clostridia types A, B, E and F in food, feed and environmental samples: A European ring trial study to evaluate a real-time PCR assay | RIVM
Jaar: 2011 Onderzoek

KRW-maatlat macrofauna voor zoet getijdenwater (R8) : nadere analyses | RIVM

De Europese Kader Richtlijn Water (KRW) schrijft het gebruik voor van biologische methoden om te toetsen of een watersysteem een goede ecologische toestand heeft. De ecologische toestand is niet optimaal als de samenstelling van de dier- en plantensoorten afwijkt van de referentie. Dergelijke referenties verschillen per watertypen. De aard van de afwijkingen geeft inzicht in de oorzaak van de verandering in soortensamenstelling: er verdwijnen soorten die gevoelig zijn voor een bepaalde verstoring, of er verschijnen juist soorten die hiervoor ongevoelig zijn. Een ecosysteem wordt echter beïnvloed door een verscheidenheid aan verstoringen, waarvan de effecten slechts gedeeltelijk verschillend zijn. m de chemische kwaliteit van sedimenten in zoete getijdewateren (watertype R8) te beoordelen is in de periode 2007-2009 in opdracht van Rijkswaterstaat een biologische methode ontwikkeld. Uit onderzoek van het RIVM blijkt dat deze methode kan worden verbeterd door soorten met een geringe indicatiewaarde voor verontreiniging anders of niet mee te wegen. Dit onderzoek is in opdracht van Rijkswaterstaat uitgevoerd, om de R8-maatlat te verbeteren en het vertrouwen in de uitkomsten van de maatlat te vergroten. Indertijd is bij het afleiden van deze methode uitgegaan van de levensgemeenschap van soorten als geheel. Ook zijn de concentraties van individuele giftige stoffen in de sedimenten betrokken. Bij de nu uitgevoerde analyse van dezelfde meetgegevens is de reactie van individuele soorten bekeken in relatie tot enkele uiteenlopende milieufactoren en een kwantitatieve waarde voor de mate waarin het mengsel toxicanten in de betrokken sedimenten schadelijk is (toxische druk). Dit maakt het mogelijk om met grotere zekerheid de indicatiewaarde van de individuele soorten voor de aanwezigheid van toxiciteit te bepalen.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Chronological overview of the 2009/2010 H1N1 influenza pandemic and the response of the Centre for Infectious Disease Control of the National Institute for Public Health and Environment (RIVM) | RIVM

De Nieuwe Influenza A (H1N1) 2009/2010 pandemie vormde een unieke testcase voor de infectieziektebestrijding in Nederland. Tijdens de pandemie werden er op nationaal en internationaal niveau veel maatregelen getroffen. Gebeurtenissen volgden elkaar snel op en waren complex van karakter, want behalve de virustransmissie in Nederland waren er ook de reacties van internationale instanties, de bevindingen van wetenschappers en de publieke reactie. In Nederland was de coordinatie van de bestrijding in handen van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS), onder wiens verantwoordelijkheid het Centrum Infectieziektebestrijding (CIb) van het RIVM samen met een groot aantal organisaties nauw samenwerkte. De reactie van het Centrum Infectieziektebestrijding was allerminst routinematig, er moest onder grote tijdsdruk maar wel zorgvuldig en in overleg met betrokkenen crisisrichtlijnen gemaakt en aangepast worden. De vele activiteiten moesten steeds aangepast worden aan de veranderende omstandigheden. De tijd van terugblikken en evalueren is aangebroken. Doel van dit rapport is om de vele gebeurtenissen en maatregelen rond de Nieuwe Influenza A (H1N1)-pandemie vanuit het oogpunt van het Centrum Infectieziektebestrijding op een overzichtelijke wijze chronologisch in kaart te brengen. Het is geschreven voor beleidsmakers en professionals die betrokken waren bij de bestrijding van (de gevolgen van) deze pandemie. Dit rapport werd opgesteld in opdracht van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport om - naast andere bronnen - als basisinformatie te dienen voor een evaluatie van het beleid rondom de Nieuwe Influenza A (H1N1)- pandemie.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Inventarisatie van ontwikkelingen van PET-CT | RIVM

De Nederlandse ziekenhuispraktijk heeft de relatief nieuwe PET-CT-technologie omarmd: het aantal PET-CT-scanners en hun toepassingen nemen snel toe. De toepassingen in de medische praktijk lopen voor op de richtlijnen uit 2007. Voor deze richtlijnen wordt daarom een frequentere update aanbevolen. Voorts lijkt het huidige aantal scanners (44 in 2009), uitgaande van een internationaal richtgetal van 2000 scans per scanner per jaar, voldoende om nog een aanzienlijke groei van het aantal scans te accommoderen. In 2009 waren dat er ongeveer 42000. De combinatie van PET- en CT-onderzoek in een scanner leidt in veel gevallen tot een kortere scanduur en een lagere stralingsblootstelling van de patient dan twee afzonderlijke scans. Daarnaast is een betere vergelijking van PET- en CT-beelden mogelijk, wat leidt tot betere diagnostiek. Deze voordelen worden steeds meer benut bij onderzoek naar kanker, hart- en vaatziekten en neurologische aandoeningen. PET-CT-scans worden het meest gemaakt om tumoren af te beelden. De ontwikkeling en beschikbaarheid van de radioactieve tracer 18F-FDG heeft hier sterk aan bijgedragen. Tegenover genoemde voordelen staan ook nadelen. PET-CT is een dure technologie die, indien optimaal ingezet, per scan vier keer zo duur is als een MRI-scan en tien keer zo duur als een CT-scan. Daarnaast geven PET-CT-scans een hoge stralingsbelasting voor zowel de patiënt als het behandelend personeel. Rechtvaardiging van die blootstelling moet daarom bij het updaten van de richtlijnen een belangrijke rol spelen. Tevens dienen de organisatie van het scanproces, de begeleiding van patienten en de bescherming tegen straling goed geregeld te zijn. Nieuwe technologische ontwikkelingen leiden waarschijnlijk tot een verdere stijging van de kosten, maar mogelijk een daling van de stralingsbelasting.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Dossier ozon 2011 : Een overzicht van de huidige stand van kennis over ozon op leefniveau in Nederland | RIVM

Ozon is een natuurlijke component in de atmosfeer, essentieel voor het leven op aarde. Maar ozonconcentraties veranderen onder invloed van menselijke activiteiten. Dat heeft diverse effecten op de mens en vegetatie, en ook op het klimaat. Dit Dossier Ozon 2011 beschrijft de wetenschappelijke kennis over niveaus van ozon op leefniveau en de effecten daarvan in Nederland. Het is niet aannemelijk dat de hoge ozonconcentraties (piekconcentraties) of het gemiddelde ozonniveau in Nederland de komende jaren veel zullen dalen. Ten aanzien van de pieken is er twijfel over de effectiviteit van de emissiereductie van ozonvormende stoffen. De directe broninvloed van Nederland zelf op de eigen ozonniveaus is beperkt. De belangrijkste component in de gemiddelde niveaus - de mondiale achtergrond - zal zonder aanvullend beleid alleen maar stijgen. Alleen Europese en mondiale afspraken helpen. Het belang van deze internationale focus wordt nog eens versterkt door de indirecte en directe effecten van ozon op het klimaat. Ten aanzien van de effecten verschuift de aandacht van ozonpieken naar chronische belasting, maar over de effecten bestaat veel onzekerheid. Als blijkt dat ozon ook bij lagere niveaus significante effecten heeft, zou dat reden kunnen zijn om ook in te zetten op een daling van de mondiale achtergrondconcentratie.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Greenhouse Gas Emissions in the Netherlands 1990-2009 : National Inventory Report 2011 | RIVM

In 2009 is de totale broeikasgasemissie van Nederland met ongeveer 3 procent gedaald ten opzichte van de emissie in 2008. Deze daling komt vooral door een lagere industriële productie als gevolg van de economische crisis. De totale broeikasgasemissie in 2009 bedraagt 198,9 Teragram (Megaton of miljard kilogram) CO2-equivalenten. Ten opzichte van het basisjaar 1990 (213,2 Tg CO2- equivalenten) is dit een afname van bijna 7 procent. Beide getallen zijn exclusief de emissies afkomstig uit het soort landgebruik en de verandering daarin, zoals natuurontwikkeling of ontbossing. (land use, land use change and forestry, LULUCF). Dit blijkt uit een inventarisatie van broeikasgasemissies die het RIVM op verzoek van het ministerie van Infrastructuur en Milieu (I&M) heeft opgesteld. Met deze inventarisatie voldoet Nederland aan de nationale rapportageverplichtingen voor 2011 van het Klimaatverdrag van de Verenigde Naties (UNFCCC), van het Kyoto Protocol en van het Bewakingsmechanisme Broeikasgassen van de Europese Unie. De inventarisatie bevat verder trendanalyses voor de emissies van broeikasgassen in de periode 1990-2009, een analyse van belangrijkste emissiebronnen (sleutelbronnen) evenals de onzekerheid in hun emissies. Daarnaast biedt de inventarisatie documentatie van de gebruikte berekeningsmethoden, databronnen en toegepaste emissiefactoren. Ten slotte bevat het een overzicht van het kwaliteitssysteem en de validatie van de emissiecijfers door de Nederlandse Emissieregistratie.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Endosulfan : A closer look at the arguments against a worldwide phase out | RIVM

De Europese Commissie heeft in 2007 voorgesteld om het gewasbeschermingsmiddel endosulfan wereldwijd te verbieden. Het RIVM heeft onderzocht in hoeverre de argumenten die zijn aangedragen door voorstanders van het gebruik van endosulfan om een wereldwijd verbod op endosulfan te voorkomen valide zijn. Een groot deel van de argumenten bleek niet houdbaar nadat ze met wetenschappelijke gegevens waren getoetst. Bovendien lijken (handels)-politieke belangen een belangrijke rol te spelen bij een beslissing om het gebruik van endosulfan uit te faseren. Het onderzoek is in opdracht van het ministerie van I&M is uitgevoerd. Vanwege de eigenschappen van endosulfan heeft de Europese Commissie voorgesteld om het middel toe te voegen aan het Verdrag van Stockholm. Dit verdrag beoogt stoffen die niet afbreken, zich ophopen in organismen, giftig zijn en over lange afstand kunnen worden getransporteerd wereldwijd te verbieden (zogeheten POP's). Het proces om tot een totaalverbod te komen verloopt na het voorstel drie stappen: beoordeling van wetenschappelijke gegevens over de stofeigenschappen, inventarisatie van de maatregelen die risico's moeten reduceren als de stof aan de criteria van het verdrag voldoet, en uiteindelijk een besluit over toevoeging van de stof aan het verdrag door de zogenoemde Conference of Parties.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Methodiekontwikkeling Drempelwaarden Grondwater : Achtergrondconcentraties en Attenuatie- en Verdunningsfactoren | RIVM

Op verzoek van het ministerie van Infrastructuur en Milieu (I&M) heeft het RIVM verschillende opties bekeken van de methode waarmee de drempelwaarden voor stoffen, zoals zware metalen, in grondwater worden vastgesteld. Drempelwaarden zijn kwaliteitsnormen die beogen mens en ecosystemen te beschermen. Zij zijn voorgeschreven door de Kaderrichtlijn Water. Om de drempelwaarde van een stof te kunnen bepalen moet de concentratie die van nature in het grondwater zit, de natuurlijke achtergrondconcentratie, bekend zijn. Daarnaast moet het bekend zijn hoeveel van de stof verdwijnt door verdunning, afbraak of andere natuurlijke processen voordat het grondwater het oppervlaktewater of de drinkwaterinnamepunten bereikt (de attenuatie- en verdunningsfactoren). De keuze van de methode om de natuurlijke achtergrondconcentratie en de attenuatie- en verdunningsfactoren te bepalen heeft invloed op de hoogte van de drempelwaarden. De opties waarmee de natuurlijke achtergrondconcentratie worden bepaald, leiden soms tot hogere en soms tot lagere drempelwaarden dan de drempelwaarden die momenteel door de overheid zijn vastgesteld. Zo blijkt de hoogte van de achtergrondconcentratie vooral bepaald te worden door de keuze van de percentiel (50, 90 of 95). Het is aan de overheid om een keuze te maken welke variant van de methode gebruikt zal worden om de drempelwaarde te bepalen. Het RIVM beveelt aan om geen attenuatie- en verdunningsfactoren te gebruiken in de methodiek, omdat er op dit moment nog te weinig kennis bestaat over de natuurlijke processen die de concentratie van de stoffen in het grondwater verminderen. Daarnaast wordt aanbevolen om bij het bepalen van drempelwaarden onderscheid te maken tussen de achtergrondconcentratie van stoffen in zoet en in brak/zout grondwater. Dat is nodig, omdat de concentratie van stoffen in deze watertypen doorgaans sterk verschilt.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Effects of meteorological and atmospheric parameters on night sky brightness | RIVM

Wolken reflecteren licht, waardoor dit enkele tientallen kilometers van de lichtbron nog waarneembaar is. Er blijkt een duidelijk verband te zijn tussen de helderheid van de hemel 's nachts en de hoogte en bedekkingsgraad van wolken. Bij een gelijke lichtemissie kan de nachtelijke hemelhelderheid aanzienlijk variëren. Hierdoor varieert ook de mate waarin mensen, dieren en planten aan licht blootstaan. Het RIVM onderzocht hoe de nachtelijke hemelhelderheid beinvloed wordt door de condities in de atmosfeer. Zo kan de hemel dicht bij een sterke lichtbron, zoals een kas, een grote stad of een industriegebied, bij helder weer vrij donker zijn. Dezelfde hemel kan tijdens een bewolkte nacht vrij licht zijn doordat de aanwezige wolken het licht van de lichtbronnen verstrooien. Dat nachtelijke verlichting effect heeft op mens, plant en dier is bekend. Het gebruik van nachtelijke verlichting heeft veel voordelen, maar heeft ook nadelen voor flora, fauna en de mens. Zo beïnvloed het de zoektocht naar voedsel, de voortplanting en de trek van nachtdieren zoals insecten, vleermuizen, amfibiën en vogels. Ook verstoort het de fysiologische processen in planten. Bij mensen verstoort licht in de nacht mogelijkerwijs de biologische klok. Over de mate waarin mens, plant en dier aan licht blootstaan is echter weinig bekend. Deze informatie is nodig om te kunnen bepalen welke invloed nachtelijke verlichting heeft. De mate van blootstelling is afhankelijk van enerzijds de lichtuitstoot en anderzijds de weersomstandigheden. De lichtuitstoot kan met toekomstige satellieten landsdekkend gemonitord worden. Het is al mogelijk om met behulp van modelberekeningen uit deze lichtuitstoot de nachtelijke hemelhelderheid te bepalen, maar daar is nog weinig gradatie in mogelijk. Zo kan de nachtelijke hemelhelderheid bij bewolkte, gedeeltelijk bewolkte of met kleine stofdeeltjes vervuilde atmosfeer nu nog niet bepaald worden. De resultaten van dit, en toekomstig onderzoek, zijn essentieel om landsdekkende kaarten van de nachtelijke hemelhelderheid bij verschillende weersomstandigheden te maken.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Een literatuurstudie naar de mogelijke risico's van warmte- en koudeopslag voor de grondwaterkwaliteit | RIVM

De mogelijke risico's voor de drinkwatervoorziening zouden de voortgaande groei van Warmte- en Koude-Opslag (WKO) kunnen beperken. Het RIVM beveelt aan om kwaliteitscontroles op Warmte- en Koude-Opslag-installaties (WKO) uit te voeren gedurende hun hele levenscyclus. Daarnaast is het van belang het gebruik van giftige en persistente koelvloeistoffen zo veel mogelijk te beperken. Zij kunnen in geval van lekkages het grondwater verontreinigen. Dit blijkt uit een overzicht van de mogelijke risico's van WKO-installaties voor de kwaliteit van het grondwater dat het RIVM heeft gemaakt op basis van wetenschappelijke literatuur. WKO is een brandstof- en kostenbesparende technologie om gebouwen te verwarmen en te koelen met behulp van grondwater. Door de sterke groei van het aantal WKO-installaties wordt er een steeds groter beslag gelegd op de ruimte onder de grond en op het grondwater. WKO-installaties kunnen elkaar in de weg zitten, en bij de aanleg ervan moet rekening worden gehouden met de aanwezige drinkwaterwinningen. De bouw van WKO-installaties leidt tot een zeer groot aantal boorgaten en leidingen tot enkele honderden meters diep. Deze zullen vermoedelijk na gebruik tegen het einde van deze eeuw niet worden verwijderd maar gevuld worden met klei om lekkage van ondoorlatende lagen te voorkomen. De duurzaamheid en de milieurisico's van deze ondergrondse constructies hangen af van de kwaliteit van de gebruikte materialen.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Sexually transmitted infections, including HIV, in the Netherlands in 2010 | RIVM

In 2010 hebben in totaal 105.016 mensen zich bij een van de centra in Nederland laten testen op een seksueel overdraagbare aandoening (soa); dat is 13% meer dan in 2009. Door deze stijging zijn er meer soa's gediagnosticeerd. Het percentage consulten waarin een (of meerdere) soa werden gevonden is licht gestegen. Net als in voorgaande jaren was chlamydia de meest gediagnosticeerde soa bij bezoekers van de soa-centra in Nederland, vooral onder heteroseksuele jongeren onder de 25 jaar. Chlamydia. Het aantal infecties is toegenomen in 2010, evenals het percentage positieve chlamydia-testen (n = 11.526 respectievelijk 11,2%). 11% van de heteroseksuele bezoekers van soa-centra had een chlamydia-infectie, onder heteroseksuelen jonger dan 25 jaar was dit 14%. Gonorroe. Ondanks een toename in het aantal infecties in 2010 (n = 2.815) is het percentage positieve gonorroetesten stabiel gebleven (2,7%). In Nederland werd nog geen gonorroestam gevonden die (klinisch) resistent is tegen derde generatie cefalosporine (antibiotica). Wel zijn meer stammen gevonden die hiervoor minder gevoelig zijn. Monitoring van resistentie blijft daarom van belang om - indien nodig - tijdig behandeladviezen bij te kunnen stellen. Syfilis. In 2010 nam het aantal nieuwe syfilisdiagnoses en het percentage positieve testen (n = 500 respectievelijk 0,5%) in vergelijkbare mate af als in 2009. Deze lichte daling is al langere tijd gaande. Syfilis werd vooral gediagnosticeerd bij mannen die seks hebben met mannen (MSM) (89% van alle syfilisdiagnoses). Hiv. Zowel het aantal als het percentage positieve hiv-testen bij de soa-centra (n = 375 respectievelijk 0,4%) is in 2010 opnieuw licht gedaald. Sinds 1 januari 2010 worden alle bezoekers van soa-centra op hiv getest, tenzij dit expliciet geweigerd wordt (opting-out); dit jaar weigerde 3% van alle bezoekers die niet wisten of ze hiv hadden. In 2010 werd bij 31% van de bekend hiv-positieve MSM een of meerdere soa's gevonden. Bezoekers soa-centra. De soa-centra bieden hoogrisicogroepen een laagdrempelige diagnose en aanvullende curatieve zorg. Er waren in 2010 vooral meer consulten van MSM, een stijging van 20% ten opzichte van 2009. Bij 14% van de bezoekers werd een of meerdere soa's gevonden (bij 19% van de MSM en 12% van de heteroseksuele bezoekers). Dit is vergelijkbaar met voorgaande jaren.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Humane risico's van gewasbeschermingsmiddelen in zwemwater : Analyse van metingen in Provincie Zuid-Holland | RIVM

Zeven officiele zwemwateren in Zuid-Holland zijn onderzocht op de aanwezigheid van gewasbeschermingsmiddelen. Zwemmen in deze wateren heeft geen nadelige effecten op de gezondheid. Hetzelfde geldt voor de consumptie van vis afkomstig uit deze wateren. Dit blijkt uit een risicobeoordeling van het RIVM die in opdracht van de Provincie Zuid-Holland is uitgevoerd. Aanvullend is geconcludeerd dat een zwemmer tijdens het zwemmen in omgewoeld water (kano-in/uitlaadplaatsen) geen wezenlijk hogere blootstelling ondervindt dan in standaard oppervlaktewater. In het onderzoek zijn ook mogelijke risico's/effecten van de combinatie van gewasbeschermingsmiddelen onderzocht. In de metingen vanaf 2010 zijn in totaal zestien gewasbeschermingsmiddelen een of meer keren aangetroffen in concentraties hoger dan de drinkwaternorm van 0,1 microgram per liter. Uitgangspunt van de risicoschattingen is de "Acceptable Daily Intake" (ADI). De ADI is de hoeveelheid van een stof die een mens gedurende zijn hele leven dagelijks mag binnenkrijgen zonder dat dit nadelige gevolgen heeft voor de gezondheid. Er is een risicoschatting voor een zwemscenario voor een volwassen man en voor een kind uitgevoerd, met onder meer de aanname dat zij een leven lang dagelijks meerdere uren zwemmen en veel water inslikken, in oppervlaktewater dat dagelijks de hoogst gemeten concentratie bevat. Voor de visconsumptie is een risicoschatting uitgevoerd voor een volwassen man, met onder meer de aanname dat hij zijn levenslang dagelijks een grote portie vis eet die afkomstig is uit oppervlaktewater dat dagelijks de hoogst gemeten concentratie bevat. Om de blootstelling tijdens het zwemmen te kunnen schatten, is gekeken naar blootstelling via de huid, het inslikken van water en daarin zwevend stof en het inademen van gewasbeschermingsmiddel dat uit het water verdampt.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Inventarisatie leefstijlinterventies en ondersteuningsaanbod zorgprofessionals in de diabeteszorg : Twee projecten in het kader van het Nationaal Actieprogramma Diabetes | RIVM

Zorgprofessionals die zich zowel met de preventie als de zorg voor diabetes bezighouden, ervaren een groot aanbod aan leefstijlinterventies, maar missen het overzicht hierin. Vooral het inzicht in preventieve activiteiten die lokaal worden aangeboden en het aanbod vanuit de huisartsen en specialisten (eerste en tweede lijn) ontbreekt. Dit blijkt uit een inventarisatie door het RIVM van leefstijlinterventies en ondersteuningsbehoeften van zorgprofessionals in de diabeteszorg.Zorgprofessionals in de preventie en zorg voor diabetes ervaren een groot aanbod aan leefstijlinterventies, maar missen het overzicht hierin. Vooral het inzicht op lokaal niveau en het aanbod vanuit de eerste en tweede lijn wordt gemist. Het aanbod aan kansrijke beweeg- en voedingsinterventies bestaat vooral uit gecombineerde leefstijlinterventies. Het onderzoek is in opdracht van de Nederlandse Diabetes Federatie uitgevoerd (NDF) in het kader van het Nationaal Actieprogramma Diabetes. De overheid heeft dit programma voor vier jaar (2009-2013) ingesteld om de groei van diabetes in te perken en betere zorg voor deze aandoening te bieden. Voor deze inventarisatie is gezocht naar leefstijlinterventies in de zogeheten Interventie-database van het Centrum Gezond Leven van het RIVM. Daarnaast is hierover navraag gedaan bij verschillende organisaties. Bovendien zijn zorgprofessionals geïnterviewd om achter hun ondersteuningsbehoeften te komen. In totaal zijn meer dan 100 interventies bekeken, waarvan 12 als 'kansrijk' zijn opgenomen in het rapport. Deze interventies zijn beoordeeld aan de hand van een aantal kwaliteitscriteria waaronder effectiviteit en overdraagbaarheid. De meeste van deze 12 interventies zijn gericht op voeding en bewegen en zijn zowel geschikt voor hoogrisicogroepen voor diabetes als voor diabetespatiënten. Er zijn geen interventies gevonden gericht op vrouwen met zwangerschapsdiabetes of op jongeren met diabetes. Idealiter werken professionals uit verschillende disciplines, zoals huisartsen, diëtisten, fysiotherapeuten en de GGD, samen om het lokale aanbod aan leefstijlinterventies aan te bieden en elkaar daarover te informeren.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Q-koorts - ruimingen van besmette bedrijven : Evaluatieonderzoek onder geitenhouders | RIVM

Geitenhouders van wie het bedrijf is geruimd tijdens de Q-koortscrisis, maken zich grote zorgen over de toekomst van hun bedrijf. Net als hun partners en kinderen hebben ze veel stress ondervonden van de ruimingen, het fokverbod en de gevolgen ervan. Veel vaker dan de nietgetroffen geitenhouders en varkenshouders kampen zij met matig ernstige tot ernstige depressieve klachten. De zorgen over de toekomst blijken sterk samen te hangen met depressieve klachten. Wel is het merendeel tevreden over de informatievoorziening over de ruimingen, over de manier waarop de ruimingen zijn verlopen en hoe ze daarbij zijn bejegend Dat blijkt uit onderzoek van het RIVM en het IVP. Het is in opdracht van het ministerie van VWS en EL&I uitgevoerd om te inventariseren welke behoefte aan steun nog bestaat onder de getroffen geitenhouders. Het tweede doel is om lessen trekken voor toekomstige dierziektecrises. De ondervraagde veehouders hebben na de ruimingen de meeste steun ervaren van mensen in de directe omgeving (familie, collega's). Eén op de vijf getroffenen heeft behoefte aan aanvullende ondersteuning. In overleg met de doelgroep zou een aantal punten kunnen worden besproken die nog verbetering behoeven. Dat betreft de voornamelijk ondersteuning voor bedrijfsmatige kwesties en de barrieres om professionele hulp te vragen als daar behoefte aan is. Voor het onderzoek zijn onder 63 getroffen geitenhouders en 122 nietgetroffen geitenhouders en varkenshouders telefonische interviews afgenomen. Hierbij zijn vragen beantwoord over het verloop van de ruimingen, de financiele situatie, sociale steun en (psychische) gezondheid.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Chronologisch overzicht van de Nieuwe Influenza A (H1N1) 2009/2010 pandemie en de reactie van het Centrum Infectieziektebestrijding RIVM | RIVM

De Nieuwe Influenza A (H1N1) 2009/2010 pandemie vormde een unieke testcase voor de infectieziektebestrijding in Nederland. Tijdens de pandemie werden er op nationaal en internationaal niveau veel maatregelen getroffen. Gebeurtenissen volgden elkaar snel op en waren complex van karakter, want behalve de virustransmissie in Nederland waren er ook de reacties van internationale instanties, de bevindingen van wetenschappers en de publieke reactie. In Nederland was de coördinatie van de bestrijding in handen van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS), onder wiens verantwoordelijkheid het Centrum Infectieziektebestrijding (CIb) van het RIVM samen met een groot aantal organisaties nauw samenwerkte. De reactie van het Centrum Infectieziektebestrijding was allerminst routinematig, er moest onder grote tijdsdruk maar wel zorgvuldig en in overleg met betrokkenen crisisrichtlijnen gemaakt en aangepast worden. De vele activiteiten moesten steeds aangepast worden aan de veranderende omstandigheden. De tijd van terugblikken en evalueren is aangebroken. Doel van dit rapport is om de vele gebeurtenissen en maatregelen rond de Nieuwe Influenza A (H1N1)-pandemie vanuit het oogpunt van het Centrum Infectieziektebestrijding op een overzichtelijke wijze chronologisch in kaart te brengen. Het is geschreven voor beleidsmakers en professionals die betrokken waren bij de bestrijding van (de gevolgen van) deze pandemie. Dit rapport werd opgesteld in opdracht van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport om - naast andere bronnen - als basisinformatie te dienen voor een evaluatie van het beleid rondom de Nieuwe Influenza A (H1N1)-pandemie.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

On-site natural gas piping : Scenarios and failure frequencies | RIVM

Het RIVM heeft in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Milieu ongevalskansen van scenario's bepaald voor bovengrondse aardgasleidingen op aardgasinrichtingen. Dit zijn onderdelen van de aardgasinfrastructuur waarbij apart is gekeken naar 'flensverbindingen', die leidingdelen met elkaar verbinden. De scenario's en ongevalskansen kunnen worden gebruikt om de risico's voor de omgeving in kaart te brengen. Dit gebeurt met de rekenmethodiek voor aardgasinrichtingen die momenteel wordt ontwikkeld. Deze methodiek zal deel uitmaken van de Handleiding risicoberekeningen bij het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Het onderzoek is uitgevoerd omdat aardgasinrichtingen onder dit Besluit komen te vallen, maar de bijbehorende Handleiding nog niet specifiek op deze inrichtingen ingaat. Er zijn twee standaardscenario's onderzocht: lekken en breuken. De ongevalskansen van de leidingen zijn afgeleid uit Europese gegevens van transportleidingen. Hiervoor is gekozen omdat er geen bruikbare specifieke gegevens voor de bovengrondse hogedruk aardgasleidingen in literatuur of databanken aanwezig zijn. Bovendien bevatten de gegevens van de Nederlandse gasindustrie geen relevante lekken of breuken. Voor flenslekkages is de ongevalskans gebaseerd op de statistieken van de Nederlandse gasindustrie. Flensverbindingen zelf kunnen niet breken. Wel kan een lekkage van een flensverbinding tot een breuk van een leiding leiden, waardoor wordt aanbevolen dit domino-effect mee te nemen in een risicoberekening. Verder blijkt uit dit onderzoek dat de bijdrage van externe gebeurtenissen, zoals aanrijdingen en hijswerkzaamheden, moet worden meegenomen in de ongevalskansen en scenario's. Hier vloeit de aanbeveling uit voort om de huidige modellen voor deze gebeurtenissen te valideren. Een andere aanbeveling is om de Nederlandse ongevalsdatabanken zo te verbeteren dat ze ook geschikt zijn om incidenten gedetailleerder te analyseren, en om ongevalskansen te bepalen.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Handreiking Triade 2011 : Locatiespecifiek ecologisch onderzoek in Stap 3 van het Saneringscriterium | RIVM

In 2006 heeft het ministerie van Infrastructuur en Milieu (I&M, voorheen VROM) de vernieuwing van de Wet bodembescherming ingezet. Een onderdeel daarvan is de risicobeoordeling van bodemverontreinigingen. De manier waarop deze risicobeoordeling moet worden uitgevoerd, staat beschreven in de Circulaire bodemsanering uit 2006 (het zogeheten Saneringscriterium). De risicobeoordeling bestaat uit drie stappen op basis waarvan uiteindelijk wordt bepaald of een verontreinigde bodem moet worden gesaneerd. Het RIVM heeft in de Handreiking Triade 2011 beschreven hoe locatiespecifiek ecologisch onderzoek in de derde en laatste stap kan worden uitgevoerd. Hierin wordt lokale informatie over de aard van de verontreiniging en eventuele effecten op de omgeving meegenomen in de beoordeling. De Triade-methodiek is hiervoor een geschikte methode. De Circulaire is aangepast in 2008 en 2009 en de volgende aanpassing wordt begin 2011 verwacht. Vooruitlopend hierop is Handreiking Triade vernieuwd; ook zijn knelpunten verbeterd. De Triade-methodiek combineert de resultaten van drie typen onderzoek: chemische analyses, toxiciteitstoetsen en ecologisch veldonderzoek. Op basis van de combinatie van deze resultaten wordt de beoordeling minder onzeker en kan de beslissing om wel of niet met spoed te saneren beter worden onderbouwd.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Huidklachten door cosmetische producten : Jaarrapport CESES | RIVM

Ruim 1.250 meldingen van klachten bij gebruik van cosmetica Bij het meldpunt Cosmeticaklachten.nl en via deelnemende huisartsen en dermatologen zijn in het eerste jaar van het bestaan van het project Consumer Exposure Skin Effects and Surveillance (CESES) ruim 1.250 meldingen binnengekomen van huidklachten die mogelijk door cosmetische producten zijn veroorzaakt. De meest genoemde symptomen zijn roodheid en jeuk. De klachten komen vooral voor op of rondom de oogleden en in het gezicht. De meest genoemde productcategorieën zijn huidverzorgingsproducten, haarverzorgingsproducten en make-up. Het gaat voornamelijk om dag- en nachtcrèmes, shampoos en oogmake-up (mascara, eyeliner, oogpotlood en oogmake-up remover). Daarnaast werden relatief veel klachten over zonnecosmetica gemeld. De klachten worden meestal door vrouwen gemeld (80-90% van de meldingen). Van de mensen die hun klacht via de website hebben gemeld is 37% met de klacht naar de huisarts geweest en voor 13% was een bezoek aan een dermatoloog noodzakelijk. Slechts 17% van de respondenten gaat met het product terug naar de winkel en 10% neemt contact op met de fabrikant. Opvallend is dat slechts 30% van de respondenten bekend is met het houdbaarheidssymbool of datum van houdbaarheid op cosmetische producten. Er worden heel weinig klachten bij baby's en jonge kinderen gemeld. Ook over geuren komen weinig klachten binnen. Dit is opvallend omdat geurstoffen erkende contactallergenen in consumentenproducten zijn. Op basis van de ernst van de meldingen uit de publieke route heeft het RIVM drie keer een attendering (early warning) uitgestuurd naar de nVWA met betrekking tot een specifiek product. Naar aanleiding van deze attenderingen heeft de nVWA contact opgenomen met de fabrikant. Op basis van de reactie van de fabrikant heeft de nVWA geconcludeerd dat er in het geval van deze drie early warnings geen sprake is van onveilige producten.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Eerste beoordeling van de luchtkwaliteit rondom Thermphos | RIVM

Het fosforproducerende bedrijf Thermphos stoot stoffen uit die stank en irritaties aan ogen en luchtwegen kunnen veroorzaken. Deze stoffen zijn aangetroffen in de directe omgeving van Thermphos, waar met name bedrijven en enkele kantoren zijn gevestigd. Voor gebieden op grotere afstand dan een kilometer, zoals Nieuwdorp en 's-Heerenhoek, zijn geen meetgegevens beschikbaar. Volgens modelberekeningen treden er in dit gebied geen overschrijdingen op van gezondheidskundige normen en geurdrempels. In deze berekeningen is echter alleen rekening gehouden met de puntbronnen en emissies over het jaar. Het is daardoor onduidelijk wat de resultaten betekenen voor gebieden op deze afstand. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM in opdracht van de provincie Zeeland en de VROM-Inspectie. De provincie heeft de afgelopen jaren steeds meer klachten van omwonenden ontvangen over stank en irritatie aan ogen en luchtwegen. Daarom wilden de opdrachtgevers inzicht krijgen in de stoffen die het bedrijf uitstoot, de concentraties hiervan en de mogelijke effecten op de gezondheid. Hiervoor heeft het RIVM de meetresultaten geanalyseerd van enkele bestaande luchtonderzoeken bij bedrijven gevestigd in het gebied tot op circa één kilometer rond Thermphos. Daarnaast heeft het RIVM zelf verspreidingsberekeningen gemaakt op basis van de emissies van Thermphos in 2009. Er ontbreken diverse gegevens die nodig zijn om meer sluitende conclusies te kunnen trekken ten aanzien van gezondheidseffecten. Daarvoor is meer inzicht nodig in de emissies van Thermphos door diffuse bronnen en niet continue bedrijfsactiviteiten en in de fluctuaties in alle emissies (hoogte en voorkomen van piekemissies).
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Vaccinatiegraad Rijksvaccinatieprogramma Nederland : Verslagjaar 2011 | RIVM

Net als in voorgaande jaren lag in 2011 de gemiddelde deelname aan alle vaccinaties uit het Rijksvaccinatieprogramma (HPV uitgezonderd) ruim boven de Nederlandse ondergrens van 90 procent. De WHO-ondergrens van 95 procent voor de BMR-vaccinatie wordt voor schoolkinderen echter nog niet gehaald. Dit blijkt uit een rapport van het RIVM over de vaccinatiegraad in Nederland in 2011. Het betreft gegevens over zuigelingen die zijn geboren in 2008, kleuters geboren in 2005, schoolkinderen geboren in 2000 en adolescente meisjes geboren in 1993-1997. Voor zuigelingen lag de deelname aan de BMR-, Hib- en meningokokken C-vaccinatie op 96 procent, en aan de DKTP- en pneumokokkenvaccinatie op 95 procent. De vaccinatiegraad voor de eerste hepatitis B-vaccinatie voor zuigelingen van moeders die drager zijn van hepatitis B nam verder toe tot 99%. Verder was de deelname onder schoolkinderen voor DTP en BMR met 92 procent iets lager dan voorgaand verslagjaar. De voorlopige vaccinatiegraad voor adolescente meisjes geboren in 1997, die voor het eerst de HPV-vaccinatie binnen het RVP kregen aangeboden, bedroeg 52,5 procent. Binnen de HPV-inhaalcampagne (adolescente meisjes geboren in 1993-1996) werd een deelname van 52,3 procent gehaald. Vrijwillige vaccinatie in Nederland leidt tot een hoge vaccinatiegraad. Dat is nodig om zo veel mogelijk mensen individueel te beschermen en voor de meeste doelziekten in het RVP ook om de bevolking als geheel te beschermen tegen uitbraken (groepsimmuniteit). Continue aandacht en gezamenlijke inspanning van alle partijen die bij het Rijksvaccinatieprogramma zijn betrokken, blijven nodig om de Nederlandse kinderen tijdig en volledig te vaccineren.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Streefwaarde en verwaarloosbaar risiconiveau : Gebruik in het Nederlandse milieubeleid | RIVM

Het RIVM beschrijft hoe de streefwaarde in het Nederlandse milieubeleid voor chemische stoffen wordt toegepast en geeft aan wat de meerwaarde ervan is voor nu en in de toekomst. De Nederlandse streefwaarde, ook wel aangeduid als Verwaarloosbaar Risiconiveau, is de concentratie van een stof in het milieu waarbij risico's voor mens en ecosysteem verwaarloosbaar zijn. Bij de streefwaarde is inbegrepen dat mens en milieu aan meerdere stoffen tegelijk blootgesteld kunnen worden, waardoor deze beschermt tegen de risico's van deze mengsels. Het bereiken van de streefwaarde voor water, bodem en lucht is vanaf de jaren tachtig van de vorige eeuw een van de doelen van het nationale milieubeleid. Aan het begin van deze eeuw wordt de streefwaarde in veel beleidskaders echter niet meer expliciet genoemd. Een van de redenen is dat de Europese wet -en regelgeving in grote mate het nationale beleid bepaalt, maar binnen Europa bestaat geen equivalent van het Nederlandse verwaarloosbaar risiconiveau. De streefwaarde wordt op Europees niveau dan ook niet gebruikt als criterium om stoffen toe te laten of de risico's ervan te beoordelen. Het oorspronkelijke doel van de streefwaarde, mens en milieu beschermen tegen de risico's van mengsels van stoffen, staat echter onverminderd sterk in de belangstelling in verschillende (Europese) kaders. De streefwaarde biedt ook mogelijkheden om andere beleidsdoelen te bereiken. Zo zijn er stoffen waarvoor Europese of (inter)nationale regels vereisen dat emissies worden teruggebracht of geheel beeindigd. De streefwaarde kan worden gebruikt om deze eisen concreet en werkbaar in te vullen. De streefwaarde is daarmee een instrument dat als stimulans kan dienen om chemische stoffen verantwoord te gebruiken en zo bijdraagt aan een gezond en veilig milieu.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Criteria voor Zeer Zorgwekkende Stoffen | RIVM

Het RIVM heeft een systematiek voorgesteld waarmee chemische stoffen worden geselecteerd die relevant zijn voor het Nederlandse prioritaire stoffenbeleid. De systematiek is in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Milieu gemaakt, omdat dit beleid momenteel wordt geactualiseerd. De geselecteerde stoffen worden aangeduid met de term 'Zeer Zorgwekkende Stoffen'. Voor de systematiek zijn criteria gehanteerd die beter aansluiten bij kenmerken die in Europese of wereldwijde beleidskaders voor prioritering van chemische stoffen worden gebruikt. Onder meer wordt gebruik gemaakt van nieuwe informatie die beschikbaar komt door de invoering van de Europese regelgeving voor chemische stoffen REACH (Registration, Evaluation and Authorisation of CHemicals). De systematiek maakt gebruik van de eigenschappen van stoffen die duiden op mogelijke schadelijke gevolgen voor mens en milieu als zij aan deze stoffen worden blootgesteld. Voorbeelden van Zeer Zorgwekkende Stoffen zijn kankerverwekkende stoffen en stoffen die slecht afbreken, ophopen in organismen en giftig zijn (persistent, bio-accumulerend en toxisch, oftewel PBT-stoffen). Als aannemelijk is dat een Zeer Zorgwekkende Stof in Nederland in het milieu aanwezig is of daarin terecht kan komen, wordt een dergelijke stof bestempeld als Nederlandse prioritaire stof.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Opties voor monitoring gezondheid in de IJmond in relatie tot luchtkwaliteit | RIVM

Uit eerder onderzoek is bekend dat de in de IJmond uitgestoten (chemische) stoffen als fijn stof, zware metalen en PAK's, de gezondheid van omwonenden negatief kunnen beïnvloeden. Daarom heeft het RIVM, in opdracht van de Minister van I&M en in nauwe samenwerking met de GGD Kennemerland en andere betrokken partijen, voorstellen opgesteld voor een doelmatige monitoring van de gezondheid in de IJmond. Doelstelling van deze monitoring is het periodiek bepalen van de gezondheidssituatie in de regio IJmond samenhangend met de luchtkwaliteit. Hierdoor kunnen eventuele veranderingen in de gezondheidseffecten in relatie tot veranderingen in de luchtkwaliteit worden vastgesteld. Met monitoring kunnen tevens veranderingen in de tijd worden gesignaleerd. Wanneer de resultaten uit het monitoringprogramma daar aanleiding toe geven, kan diepgaander onderzoek worden geadviseerd. Met de in deze rapportage beschreven opties voor monitoring kunnen verschillende, meer of minder uitgebreide, varianten worden uitgewerkt, afhankelijk van haalbaarheid en noodzaak. Wanneer meer monitoringsinstrumenten worden ingezet, wordt de zeggingskracht van de uitkomsten groter en wordt de monitoring doelmatiger.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Informatiesysteem Medische Stralingstoepassingen : Gegevens 2009 | RIVM

De gemiddelde stralingsdosis per inwoner door medische diagnostiek neemt sinds 2002 toe met circa 7% per jaar. In 2009 was de gemiddelde dosis per inwoner 0,86 millisievert (mSv). De belangrijkste oorzaak voor deze stijging is het toenemende aantal CT-onderzoeken. Dit blijkt uit jaarlijkse inventarisaties door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) van het aantal diagnostische verrichtingen waarbij gebruik wordt gemaakt van straling. Deze informatie is gecombineerd met gegevens over de dosis per verrichting. Medische stralingstoepassingen leveren van alle niet-natuurlijke bronnen van straling de grootste bijdrage aan de gemiddelde stralingsdosis. Het RIVM brengt gegevens over de frequenties en doses bijeen en analyseert deze in opdracht van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Alle Europese lidstaten zijn verplicht gegevens te verzamelen over patientendoses. Het gebruik van straling bij diagnostisch onderzoek brengt een licht verhoogde kans op kanker voor de patiënt met zich mee. Deze kans wordt groter naarmate de dosis hoger is. De informatie die via het Informatiesysteem Medische Stralingstoepassingen wordt verstrekt, moet ertoe bijdragen dat er bij medische diagnostiek bewuste keuzes gemaakt worden, waarbij voor- en nadelen goed zijn afgewogen. Aangezien de dosisgegevens uit 2002 stammen, zullen de gegevens van de medische onderzoeken die de grootste bijdrage leveren aan de gemiddelde effectieve dosis per inwoner voor toekomstig onderzoek worden geupdatet. Hiervoor ontvangen de ziekenhuizen in 2011 een vragenlijst waarin recente dosisgegevens worden gevraagd Diagnostische toepassingen van straling worden onderverdeeld in vier categorieen. Samen waren deze in 2009 verantwoordelijk voor een gemiddelde stralingsdosis per inwoner van 0,86 mSv. CT-onderzoek leverde gemiddeld 0,39 mSv, overige röntgenonderzoeken in ziekenhuizen 0,36 mSv, nucleaire geneeskunde 0,10 mSv en röntgenonderzoeken buiten het ziekenhuis (bijvoorbeeld bij tandartsen) 0,01 mSv.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Strategisch Beleidsplan RIVM-Centrum Infectieziektebestrijding 2011-2015 | RIVM

In het strategisch beleidsplan is een selectie gemaakt van onderwerpen waarvoor het RIVM-CIb zich de komende jaren extra moet inspannen om haar regierol en haar functie als netwerkorganisatie te versterken. Het beleidsplan is gebaseerd op de ervaringen van de afgelopen vijf jaar en de resultaten van verschillende evaluaties. Belangrijke keuze voor de toekomst is die voor de versterking van het RIVM-CIb als netwerkorganisatie om zo tot een optimale preventie en bestrijding van infectieziekten te komen. Met dit doel zorgt het RIVM-CIb ook voor internationale samenwerking op het gebied van infectieziekten, voor een nationale laboratoriuminfrastructuur en voor een stevige onderzoeksbasis. Daarnaast zal het RIVM-CIb subsidies verlenen voor activiteiten, gericht op de preventie van infectieziekten, die effectief en efficient door andere organisatie dan het RIVM-CIb worden uitgevoerd. Het RIVM-CIb streeft naar het garanderen van de effectiviteit van het Rijksvaccinatieprogramma en streeft naar het verminderen van de ziektelast door antimicrobiele resistentie en zorggerelateerde infecties. Ten slotte streeft het RIVM-CIb naar het verminderen van soa door regie te voeren op de soabestrijding, en naar het verminderen van het risico en de ziektelast van zoonosen, door samen met netwerkpartners op basis van signalering en onderzoek relevante sectoren en ministeries hierover te adviseren.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Sanering windturbinegeluid : Een indicatieve raming van kosten | RIVM

Sinds 1 januari 2011 zijn nieuwe regels rond windturbinegeluid van kracht. Bij de nieuwe regelgeving hoort een andere berekeningsmethode en normstelling, bedoeld voor nieuw te plaatsen windturbines. Voor de aanpak van de geluidhinder door bestaande windturbines overweegt de overheid een saneringsoperatie op te zetten, waarvoor in dit onderzoek een kostenraming wordt gegeven. Bij een saneringsgrenswaarde van 47 decibel zouden ongeveer 450 woningen voor sanering in aanmerking komen. De kosten voor sanering daarvan worden geschat op 4,9 miljoen euro. Bij een groot deel van deze woningen zijn de bewoners waarschijnlijk eigenaar van de windturbine en is er sprake van direct economisch profijt. Het is mogelijk dat deze woningen niet in aanmerking zullen komen voor geluidsanering vanuit publieke middelen. Als deze groep buiten de kostenraming wordt gelaten, blijven 165 tot 275 saneringswoningen over met naar schatting 1,6 tot 2,6 miljoen euro aan saneringskosten. Een indicatieve kosten-baten analyse duidt erop dat geluidsanering in veel gevallen kosteneffectief zal blijken. Dat betekent dat de baten door verminderde hinder of slaapverstoring vergelijkbaar zijn met de kosten van sanering. Alleen bij de kleine groep windturbines die al meer dan vijftien jaar in gebruik zijn, zal sanering niet kosteneffectief zijn. Deze windturbines zijn bijna aan het einde van hun levensduur en zijn in deze raming buiten beschouwing gelaten.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Uitvoeringstoets bevolkingsonderzoek naar darmkanker : Opsporing van darmkanker in praktijk gebracht | RIVM

Het is mogelijk een landelijk bevolkingsonderzoek naar darmkanker in Nederland in te voeren en uit te voeren. Wel zijn een goede voorbereiding en een gefaseerde invoering vereist om de kwaliteitseisen van het bevolkingsonderzoek te garanderen. Het zelfde geldt voor voldoende capaciteit om eventueel vervolgonderzoek te kunnen uitvoeren. Dit blijkt uit een zogeheten uitvoeringstoets naar dit bevolkingsonderzoek, uitgevoerd door het RIVM. De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zal de toets gebruiken bij de besluitvorming of dit bevolkingsonderzoek wordt ingevoerd. Een bevolkingsonderzoek naar darmkanker is kosteneffectief en kan op termijn jaarlijks 2400 sterfgevallen voorkomen. Na de besluitvorming is minimaal 2 jaar aan voorbereidingen nodig om het bevolkingsonderzoek gefaseerd te kunnen invoeren. Het bevolkingsonderzoek is bedoeld voor mensen van 55 tot en met 75 jaar (4,4 miljoen mensen). Zij worden door screeningsorganisaties elke 2 jaar uitgenodigd deel te nemen aan het bevolkingsonderzoek. Zij ontvangen daarvoor thuis een test (FIT), die zij zelf opsturen voor analyse. Bij een afwijkende uitslag zullen zij worden doorverwezen voor verdere diagnostiek (coloscopie) en zo nodig behandeling. De uitvoeringstoets is in samenwerking met de betrokken beroepsroepen, patientenorganisaties, screeningsorganisaties en andere stakeholders tot stand gekomen. Onder hen is een breed draagvlak om de screening in te voeren. Voor de uitvoeringstoets is in kaart gebracht welke voorbereidende activiteiten zouden moeten worden uitgevoerd, en onder welke voorwaarden. Zo is beschreven welke richtlijnen en kwaliteitseisen nodig zijn en hoe de kwaliteit van het programma kan worden bewaakt. Er worden maatregelen voorgesteld om de berekende capaciteitstekorten op te vangen, zoals taakverschuiving en een efficiënte uitvoering van de coloscopie. Verder moet erop worden toegezien dat er geen lange wachttijden ontstaan voor coloscopie en verdere behandeling; zonodig wordt de gefaseerde invoering bijgestuurd. Tevens moet er voldoende aandacht zijn voor communicatie, zowel in algemene zin bij de introductie van het bevolkingsonderzoek als voor de deelnemers over het doel, nut en proces ervan. Daarnaast zijn de belangrijkste implementatiewerkzaamheden en een prognose van kosten weergegeven.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Vergelijkbaarheid van referentie-meetapparatuur en filtertypes voor fijnstof (PM10) | RIVM

Om de bruikbaarheid van referentie-apparatuur voor kalibratie en controle van automatische meetsystemen voor fijnstof (PM10) in het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit (LML) vast te stellen is in 2006 onderzoek verricht naar onderlinge vergelijkbaarheid van een aantal referentie-instrumenten. Tevens is hierbij een aantal filtertypes getest op bruikbaarheid. Reden hiervoor is dat het tot dan toe voor referentie-metingen gebruikte type Schleicher & Schuell QF20 uit productie zou worden genomen. Onderlinge verschillen tussen referentie-instrumenten bedragen 0 tot 15%; de tussen-instrument spreiding bedraagt 1,63 µg/m3 (7,5%) bij een gemiddelde concentratie van 21,8 µg/m3. Voor de verschillende filtertypes liggen de gemiddelde waarden tussen 20 en 23 µg/m3, hetgeen overeenkomt met een spreiding van ca. 14%. De verschillen in meetwaarden kunnen niet worden verklaard door verschillen in debieten van de verschillende referentie-instrumenten maar deels wel door onderlinge hindering in de vrije aanzuiging van de instrumenten. Desondanks voldoet de tussen-instrument spreiding aan de Europese eis van =2 µg/m3. Evaluatie van de resultaten voor de 4 filtertypes geven aan dat Whatman QMA de meest geschikte vervanger is voor het uit productie genomen Schleicher & Schuell QF20.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Vergelijkend onderzoek buitenluchtmetingen tussen RIVM, GGD Amsterdam en DCMR : Resultaten voor het jaar 2009 | RIVM

In het kader van de samenwerking tussen de luchtkwaliteits-meetnetten van het RIVM, de GGD Amsterdam en de DCMR Milieudienst Rijnmond vinden sinds enkele jaren tussen RIVM en de beide organisaties vergelijkende metingen plaats op meetlocaties in Amsterdam (RIVM-GGD) en Rotterdam (RIVM-DCMR): - Amsterdam: stikstofdioxide op locatie Overtoom - Rotterdam: stikstofdioxide en PM10 op locatie Bentinckplein/Statenweg. Deze hebben tot doel de vergelijkbaarheid van de resultaten van de verschillende meetinstanties vast te stellen; bij voldoende vergelijkbaarheid kunnen de instanties wederzijds gebruik maken van elkaars resultaten. Evaluatie van de resultaten van de vergelijkingen verricht in 2009 toont aan dat de resulterende meetonzekerheden in alle gevallen te voldoen aan de criteria gesteld in EU Richtlijn 2008/50/EC. Aangezien alle instanties een ISO 17025 accreditatie voeren voor de betreffende metingen mag ervan worden uitgegaan dat het kwaliteitsniveau en de vergelijkbaarheid zoals bepaald in deze vergelijkingen representatief zijn voor de andere meetlocaties van de netwerken. Dit impliceert dat de instanties in principe gebruik kunnen maken van elkaars meetgegevens voor de componenten waarvoor resultaten zijn vergeleken (DCMR en RIVM voor stikstofdioxide en PM10; GGD en RIVM voor stikstofdioxide).
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Environmental risk limits for hexachlorobenzene and hexachlorobutadiene in water : Using bioaccumulation data to convert biota standards into water risk limits | RIVM

Het RIVM heeft milieurisicogrenzen bepaald voor hexachloorbenzeen (HCB) en hexachloorbutadieen (HCBD) in water. HCB en HCBD worden binnen de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) geclassificeerd als prioritair gevaarlijke stoffen. De milieurisicogrenzen voor HCB en HCBD in water zijn afgeleid met gebruik van de gegevens uit eerder Europese evaluaties, gecombineerd met een nieuwe evaluatie van gegevens over opname in biota. Bij het afleiden van chronische milieurisicogrenzen voor water volgens de Kaderrichtlijn Water (KRW) worden drie beschermingsdoelen in beschouwing genomen: directe ecotoxiciteit voor waterorganismen, blootstelling van mensen via het eten van vis of schaaldieren en blootstelling van vogels en zoogdieren via het eten van dieren/prooi (doorvergiftiging). Door de hoge mate van bioconcentratie van HCB en HCBD zijn deze laatste twee routes het meest kritisch om de uiteindelijke milieurisicogrens te bepalen. De Europese Commissie heeft maximale concentraties in biota voor HCB en HCBD afgeleid, maar in Nederland bestaat bij de betrokken ministeries een voorkeur voor milieurisicogrenzen gebaseerd op waterconcentraties. De Commissie staat deze mogelijkheid toe, mits de risicogrenzen in water hetzelfde beschermingsniveau garanderen. De redenering achter en basis voor het gebruik van deze methode en de wetenschappelijke onderbouwing van de milieurisicogrenzen voor water moeten dan genotificeerd worden aan de Commissie en andere lidstaten. Het huidige rapport biedt de wetenschappelijke basis voor deze notificatie.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Interspecies website RIVM : Resultaten gebruikersenquete 2010 | RIVM

De RIVM interspecies website heeft ertoe bijgedragen dat het aantal proefdieren de afgelopen vijf jaar is afgenomen. Dit blijkt uit een enquête die in 2010 onder de gebruikers van deze website is gehouden. Daarmee levert de website een effectieve bijdrage aan een van de beleidsdoelstellingen van VWS om het aantal proefdieren te verminderen. De website ( www.rivm.nl/interspeciesinfo ) is vijf jaar geleden opgezet om het aantal proefdieren te verminderen. De website bevat fysiologische en anatomische gegevens van proefdieren en mensen. Door deze gegevens met elkaar te vergelijken kan de meest relevante proefdieropzet worden gekozen, bijvoorbeeld de juiste proefdierkeuze waardoor geen onnodig proefdieronderzoek plaatsvindt. De proefdiergegevens worden gebruikt om effecten van stoffen op de mens te voorspellen. Maandelijks maken 5500 unieke bezoekers gebruik van de site. De helft van de 73 respondenten van de enquête geeft aan dat het gebruik van de website ertoe heeft geleid dat het aantal proefdieren voor hun werk is gedaald. De besparing varieert van 1 tot 65 procent op jaarbasis met een gemiddelde van 22 procent. Dat zijn ongeveer 20.000 dieren per jaar. Gezien de beperkte omvang van het aantal respondenten is deze vermindering erg hoog.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

National Tuberculosis Control Plan | RIVM

Het nationaal plan tuberculosebestrijding 2011-2015 geeft aan welke veranderingen nodig zijn om tot een optimale tuberculosebestrijding in Nederland te komen. Het doel van dit plan is om een optimale tuberculosebestrijding in Nederland te schetsen, gegeven een dalende incidentie resulterend in een afnemende expertise bij professionals, een toenemende complexiteit van de behandeling van tuberculosepatiënten door toenemende resistentieontwikkeling in binnen- en buitenland, en regionale verschillen in de tuberculoseproblematiek. De belangrijkste doelstellingen zijn de volgende: - In 2013 is er een efficiënte en effectieve landelijke regie op de tuberculosebestrijding is, passend bij de structuren en verantwoordelijkheden voor de infectieziektebestrijding, - In de jaren tot aan 2015 blijft er een landelijk dekkend netwerk van tuberculosebestrijding in de publieke gezondheidszorg bestaan, onder verantwoordelijkheid van de gemeenten en georganiseerd door GGD'en. Ook moeten in 2013 vier tot vijf regio's in de publieke tuberculosebestrijding zijn gevormd, met regionale expertisecentra. - In 2015 heeft elk ziekenhuis een klinische tuberculosecoördinator die voldoet aan het profiel en kwaliteitscriteria van de Nederlandse Vereniging van Artsen voor Longziekten en Tuberculose (NVALT). - In 2013 verzorgen alleen laboratoria die onder BSL3-condities werken M. tuberculosis-kweken. - In 2013 levert een denktank van RIVM-CIb, GGD Nederland, KNCV Tuberculosefonds en NVALT een notitie waarin voor- en nadelen worden geschetst van verschillende organisatiemodellen van de tuberculosebestrijding tot 2025. Aan het ministerie van VWS is voorgesteld dat het plan gecomplementeerd wordt met een implementatieplan dat samen met GGD Nederland en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten wordt uitgewerkt.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Grootschalige concentratie- en depositiekaarten Nederland : Rapportage 2011 | RIVM

Nieuwe concentratie- en depositiekaarten voor NSL en PAS. Het RIVM presenteert de nieuwe kaarten waarin de concentraties van zeven luchtverontreinigende stoffen in Nederland staan weergegeven. Tevens worden nieuwe kaarten gepresenteerd van de mate waarin vermestende stoffen op de grond neerslaan. Deze kaarten geven een beeld van de luchtkwaliteit en depositie in Nederland. Ze worden gebruikt in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) en de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) van de ministeries van Infrastructuur en Milieu (I&M) en Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (EL&I). De kaarten hebben een wettelijke status en gelden als toetssteen voor ruimtelijke ordeningsplannen. Ze zijn gemaakt op basis van metingen en modelberekeningen voor de periode 2010-2030. De kaarten zijn online beschikbaar via www.rivm.nl/gcn . In dit achtergrondrapport staat beschreven hoe de kaarten zijn gemaakt en wat er is veranderd ten opzichte van het rapport uit 2010. De concentratie- (GCN) en depositiekaarten (GDN) zijn gebaseerd op een raming van de economische groei en het nationale en Europese milieubeleid. De concentratiekaarten van stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5) verschillen op een beperkt aantal locaties met die uit de rapportage van 2010. In de buurt van drukke vaarwegen voor de binnenvaart zijn de concentraties stikstofdioxiden iets lager dan vorig jaar is ingeschat, terwijl de fijnstofconcentraties in de buurt van de havens hoger zijn. Een belangrijk verschil ten opzichte van vorig jaar is de lagere hoeveelheid stikstofdioxide die dieselpersonenauto's uitstoten. Hierdoor is het aantal locaties in Nederland waar in 2015 de grenswaarde voor de concentratie van stikstofdioxide mogelijk wordt overschreden naar verwachting wat lager dan vorig jaar werd geschat. Het aantal locaties in Nederland waar in 2011 de grenswaarde voor de concentratie van fijn stof (PM10) mogelijk wordt overschreden, zal ongeveer hetzelfde zijn als de schattingen uit het voorgaande jaar.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

De controle van collectieve leidingwaterinstallaties in 2009 : Voortgang controletaak | RIVM

Voor het eerst sinds 2004 vertonen minder collectieve leidingwaterinstallaties in nieuwbouw gebreken. Dit geldt voor zowel de eerste (basis)controle als de hercontrole. Hiermee lijkt de trend dat steeds minder installaties aan de eisen voldoen voorzichtig te zijn doorbroken. Toch blijft meer dan eenderde van de bezochte installaties bij de basiscontrole gebreken vertonen. Deze gebreken kunnen een verhoogd of sterk verhoogd risico op verontreiniging van de installatie en/of het centrale distributienet veroorzaken. Dit blijkt uit de controles die de drinkwaterbedrijven in 2009 uitvoerden naar de kwaliteit van installaties in nieuwbouw en bestaande bouw. Het RIVM rapporteert het ministerie van I&M hierover sinds 2004. In het onderzochte jaar zijn meer dan 47.000 leidingwaterinstallaties in de bestaande bouw en nieuwbouw gecontroleerd. De controles hebben ertoe geleid dat meer dan 8000 (sterk) verhoogde risico's voor de volksgezondheid zijn geconstateerd en hersteld. In de bestaande bouw blijft het aandeel afgekeurde installaties bij de basiscontrole afnemen. Wel neemt het aantal installaties dat bij hercontrole wordt afgekeurd toe. De oorzaak hiervan is niet bekend en moet worden onderzocht. Slechts een kwart van de bezochte prioritaire installaties (zoals ziekenhuizen, zorginstellingen en zwembaden) is bij de basiscontrole in orde. Deze installaties moeten voldoen aan speciale eisen om legionellabesmettingen te voorkomen. Sinds januari 2009 worden deze installaties op een meer systematische manier gecontroleerd (Interventiestrategie). Het is nog te vroeg om het effect van deze werkwijze terug te zien in de cijfers van 2009.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Risico's emissie ethyleenoxide in Zoetermeer (1973-2010) | RIVM

Enkele duizenden mensen uit de directe omgeving van het bedrijf Sterigenics zijn jarenlang blootgesteld aan uiteenlopende hoeveelheden ethyleenoxide. Van hen hebben degenen die de volle 38 jaar dichtbij het bedrijf hebben gewoond of gewerkt, een extra kans om ooit in hun leven kanker te krijgen. Die kans varieert van 10 - 60 per 100.000 blootgestelden. Bewoners of werknemers die korter in dit gebied hebben gewoond of gewerkt, hebben een (daarmee evenredig) kleiner risico om kanker te krijgen als gevolg van blootstelling aan ethyleenoxide. Ook mensen op grotere afstand in Zoetermeer kunnen zijn blootgesteld, echter aan lagere concentraties. Hun risico's zijn dan ook kleiner, in de orde van grootte van 1 - 3 per 100.000 blootgestelden bij langdurige blootstelling. Ook hier geldt dat mensen die daar korter hebben verbleven, een navenant kleiner risico lopen. Dit zijn de belangrijkste resultaten van een risicoschatting van het RIVM op verzoek van de gemeente Zoetermeer. Deze risicoschatting werd ernstig bemoeilijkt door gebrek aan gegevens over de uitstoot en de verspreiding in de periode vóór het jaar 2000. Daarom is er gebruik gemaakt van worstcase benaderingen en de mening van experts uit geheel Nederland.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Ervaringen met verschijnselen na de éénmalige Meningokokken-C vaccinatiecampagne in 2002 | RIVM

Tijdens de massavaccinatiecampagne in 2002 tegen de Meningokok serogroep C, die hersenvliesontsteking kan veroorzaken, zijn er bij 66% van de kinderen lokale en/of algemene verschijnselen gerapporteerd in de eerste week na de vaccinatie. Totaal werden 2403 vragenlijsten geanalyseerd. De meeste verschijnselen ontstonden binnen 24 uur na de vaccinatie. Zowel lokale als algemene verschijnselen kwamen het meeste voor onder oudere kinderen. Bij de lokale verschijnselen wordt geschat dat 90%-100% veroorzaakt wordt door de vaccinatie, voor de algemene verschijnselen ligt dit percentage tussen 64% en 90%. Uit bovenstaande resultaten kan geconcludeerd worden dat de verdraagbaarheid van het MenC vaccin goed is.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Acute incidenten, opgetreden tijdens de massavaccinatie van de MenC campagne in 2002, gericht tegen Meningokokken groep C | RIVM

Tijdens de massavaccinatiecampagne in 2002 tegen de Meningokok serogroep C, die hersenvliesontsteking kan veroorzaken, zijn veel kinderen (bijna) flauw gevallen, in de meeste gevallen tijdens of na de vaccinatie. Het voorkomen van (bijna) flauwvallen was het hoogste bij de 6-14 jarigen (21,4 per 100.000), gevolgd door de 15-18 jarigen (18,9 per 100.000) en de 1-5 jarigen (2,2 per 100.000). In totaal zijn 4470 acute incidenten gemeld, gerelateerd aan ruim 1,8 miljoen vaccinaties. Dit is 63% van het totaal aantal tijdens de campagne gegeven vaccinaties. Ruim 83% van de meldingen betrof (bijna) flauwvallen. Andere verschijnselen, die gemeld werden, zijn angst, hyperventilatie, tintelingen, hoofdpijn. Er zijn geen kinderen geweest, die verschijnselen hadden, wijzend op een ernstige overgevoeligheidsreactie (anafylactische shock).
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Recall van medische hulpmiddelen : Deel 2: De ziekenhuizen | RIVM

In veel ziekenhuizen heeft de afdeling inkoop een rol, zo niet een sleutelrol, in de afhandeling van recalls. Dit past in het beeld van de afdeling inkoop als poortwachter van ziekenhuis voor de medische hulpmiddelen, zoals IGZ dat in haar rapport 'Staat van de gezondheidszorg 2008' beschreef. Aanbevolen wordt om de afhandeling van recalls via de afdeling Inkoop verder te versterken. De resultaten van het onderzoek geven indicaties voor verbeteringen ten aanzien van de contactpersoon in het ziekenhuis, de communicatie tussen leverancier en ziekenhuis, de interne communicatie in het ziekenhuis en de procedures. De kwaliteit van de ingediende recallprocedures loopt sterk uiteen. Veel praktische zaken worden wel geregeld, maar vaak blijven belangrijke aspecten onderbelicht. In een minderheid van de ziekenhuizen is er één centraal aanspreekpunt voor recalls. In het merendeel van de ziekenhuizen is er per subgroep medische hulpmiddelen wel een contactpunt, maar het is niet duidelijk of deze contactpunten bij de leveranciers bekend zijn.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Jaarverslag Helpdesk RIVM Stoffen Expertise Centrum 2010 | RIVM

Gemeentes, provincies en ministeries hebben behoefte aan een vraagbaak voor specifieke informatie over risico's van chemische stoffen. Uit deze evaluatie blijkt dat de Helpdesk RIVM SEC deze rol adequaat vervult. Dit briefrapport is een vervolg op het "Verslag Helpdesk RIVM Stoffen Expertise Centrum 2009 (rapportnummer 601784002). Helpdesk RIVM SEC: De helpdesk is ingebed in de website Risico's van Stoffen. Dit vergroot het aantal informatiebronnen en (zelf)zoekmogelijkheden. De helpdesk beantwoordt verschillende typen van vragen: doorverwijzingen, feitelijkheden en interpretaties/beoordelingen. De Helpdesk RIVM SEC opereert naast andere helpdesks binnen het thema risicobeheersing van stoffen. De niches van de afzonderlijke helpdesks zijn helder afgebakend. In dit briefrapport worden de resultaten van de Helpdesk RIVM SEC in 2010 geevalueerd. Voor wie bedoeld: Overheidsinstellingen vormen de primaire doelgroep van de helpdesk. Vragen van andere sectoren worden over het algemeen beantwoord met doorverwijzingen naar andere bronnen. De Helpdesk RIVM SEC speelt een belangrijke rol bij (praktijk)vragen van professionals over risico's van stoffen. Aanbevelingen: Om de doelgroepen nog beter van dienst te zijn, is het vergroten van de naamsbekendheid van de website Risico's van Stoffen en de Helpdesk RIVM SEC belangrijk. Door het verder optimaliseren van de samenwerking met andere partijen en helpdesks, zowel binnen als buiten het RIVM, wordt de doelgroep gerichter naar de juiste informatie verwezen.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Review and revision of empirical critical loads and dose-response relationships : Proceedings of an expert workshop, Noordwijkerhout, 23-25 June 2010 | RIVM

Het RIVM heeft in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Milieu (I&M) de wetenschappelijke basis beschreven voor nieuwe drempelwaarden voor stikstofdepositie (empirische kritische depositiewaarden). De hoeveelheid stikstof die vanuit de lucht neerslaat op de bodem is van invloed op de biodiversiteit. De empirische kritische depositiewaarden worden gebruikt om effecten van overmatige stikstofdepositie te schatten. De waarden zijn op basis van empirische veldwaarnemingen bepaald op diverse natuurtypen in Europa en zijn een update van resultaten uit 2003. In vergelijking met deze cijfers zijn nieuwe empirische kritische depositiewaarden tot stand gekomen, zoals voor oppervlaktewateren en mediterrane bossen. Daarnaast zijn enkele waarden verlaagd, zoals voor naaldbossen. Andere rapporten van het RIVM over effecten van luchtverontreiniging bevestigen dat stikstof in Europa een belangrijke risicofactor is voor onder meer veranderingen in de biodiversiteit. Het Coordination Centre for Effects (CCE) aan het RIVM heeft het onderzoek uitgevoerd in nauwe samenwerking met Onderzoekcentrum B-WARE (Nederland), enkele Europese RIVM-zusterinstellingen en andere Europese onderzoeksinstituten. De update is in 2009 gestart door het CCE onder de auspiciën van de UNECE Conventie voor grootschalige grensoverschrijdende luchtverontreiniging. Het CCE is in 1990 op verzoek van Nederland bij de UNECE opgericht. Het werd bij het RIVM gevestigd om met diens Europese netwerk van circa dertig instituten het Europese luchtbeleid te ondersteunen. Nieuwe wetenschappelijke informatie over de effecten van stikstof op (half-) natuurlijke ecosystemen is nu opgenomen in de Europese databank van empirische kritische depositiewaarden van stikstof. Deze zijn geclassificeerd volgens het European Nature Information System (EUNIS). Tijdens een door het CCE georganiseerde UNECEworkshop in juni 2010 hebben wetenschappers uit Europese lidstaten consensus bereikt over de resultaten. Consensus is belangrijk, omdat de effecten van stikstof binnen Europa kunnen verschillen als gevolg van variaties in meteorologische en bodemcondities.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Nitraatconcentraties in het bovenste grondwater van de zandregio en de invloed van het Mestbeleid : Visualisatie afname in de periode 1992 tot 2009 | RIVM

De nitraatconcentratie in het bovenste grondwater van landbouwbedrijven in de zandregio is tussen 1992 en 2009 met meer dan 50% afgenomen, van 150 tot 65 milligram per liter. Het stikstofoverschot is in deze periode met 50% afgenomen. Dit is het gevolg van maatregelen uit het mestbeleid, zoals de afname van het gebruik van dierlijke en kunstmest op de weilanden. De nitraatconcentratie is procentueel meer afgenomen dan het stikstofoverschot, waarschijnlijk doordat er minder koeien in de wei staan. Door beweiding met koeien komt er via hun mest meer nitraat in het grondwater dan wanneer deze mest in de stal wordt verzameld en daarna gelijkmatiger over de weide wordt verspreid. Dit blijkt uit een analyse van de resultaten van het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM) door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). Het LMM is een meetnet van het RIVM en het LEI, onderdeel van Wageningen University and Research Centre, dat in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Milieu en het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie wordt uitgevoerd. Met het mestbeleid wordt gestreefd naar een nitraatconcentratie van minder dan 50 milligram per liter in het grondwater. Een bijkomend resultaat van dit onderzoek is dat de methode is verbeterd om beleidseffecten op de nitraatconcentratie in beeld te brengen voor de Nederlandse en Europese overheid. Dit komt vooral doordat nieuwe inzichten in de methode zijn verwerkt. Behalve het mestbeleid hebben veranderingen in het weer (jaarlijks neerslagoverschot) invloed op de gemiddelde nitraatconcentratie van de zandregio, evenals veranderingen in de jaarlijkse samenstelling van de groep landbouwbedrijven waar is bemonsterd. Hetzelfde geldt voor de jaarlijkse veranderingen van het areaal landbouwgrond per type landbouwbedrijf. Een statistische techniek, Residual Maximum Likelihood, houdt rekening met deze invloeden.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

GGD-richtlijn medische milieukunde : Kwik in het binnenmilieu en gezondheid | RIVM

Het RIVM heeft, in opdracht van het ministerie van VWS, met de GGD'en de richtlijn 'Kwik in het binnenmilieu en gezondheid' ontwikkeld. Hoewel de verkoop van de meeste kwikhoudende producten is verboden, blijven kwikincidenten mogelijk als oude, kwikhoudende, producten breken en daarbij vloeibare kwik vrijkomt. Hierdoor hebben GGD-medewerkers medische milieukunde behoefte aan informatie over de blootstellingsbepaling, de gezondheidskundige advieswaarden en de opruimprocedure na kwikincidenten. Kwikzilver, zoals vloeibaar kwik ook wel wordt genoemd, heeft meer negatieve effecten op de gezondheid dan de meeste mensen vermoeden en is daardoor een onderschat probleem. Langdurige blootstelling aan lage concentraties kwikdamp kan leiden tot ernstige gezondheidseffecten. Mensen kunnen gedurende langere tijd aan kwikdamp blootgesteld worden als kwik binnenshuis achterblijft na breuk van een kwikhoudend product. Een kleine hoeveelheid kwik kan gemakkelijk achterblijven in de vloerbedekking of in een kier, hoewel het lijkt alsof alles is verwijderd. Het doel van deze richtlijn is GGD-medewerkers achtergrondinformatie te geven en een handvat te bieden bij het beoordelen van kwikincidenten. De richtlijn geeft de benodigde informatie voor een zorgvuldige risicoanalyse en geeft adviezen over te nemen maatregelen. Een stappenplan is ontwikkeld als hulpmiddel bij de behandeling van een kwikincident. Tevens worden de mogelijkheden besproken om kwikincidenten in het binnenmilieu te voorkomen door bijvoorbeeld voorlichting te geven of door het inwisselen van thermometers aan te bieden. In de bijlagen staan voorbeeldteksten voor voorlichtingsdoeleinden.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Verkenning early warning bij grondwaterwinningen voor drinkwater | RIVM

Het gebruik van 'early warning'-systemen kan grondwaterwinningen voor drinkwater beter beschermen tegen risico's op verontreiniging. Dit concludeert het RIVM in een verkenning die is uitgevoerd voor het ministerie van Infrastructuur en Milieu (I&M). Door deze risico's vroegtijdig te signaleren kunnen de betrokken partijen (gemeente, provincie en drinkwaterbedrijf) tijdig maatregelen treffen en verdere verspreiding van verontreinigingen voorkomen. Early warning is een aanvulling op het 'gebiedsdossier waterwinning', waarin risico's voor de waterkwaliteit bij een winning integraal in beeld worden gebracht. Het RIVM beveelt aan om early warning op drie pijlers te richten. Naast het monitoren van de grondwaterkwaliteit zijn twee andere aspecten relevant voor de bescherming van de grondwaterwinning. Vanwege de druk op de beschikbare ruimte voor grondwaterwinning en de doelstellingen van de Kaderrichtlijn Water is het van belang risico's in beeld te brengen vóórdat de verontreinigingen aanwezig zijn in het grondwater. Daarom is de tweede pijler erop gericht te volgen of, en zo ja in welke mate, het provinciale grondwaterbeschermingsbeleid in gemeentelijke ruimtelijke bestemmingsplannen wordt geïmplementeerd. De derde pijler betreft het inzicht in de mate waarin activiteiten in de omgeving van een winning stoffen doen vrijkomen die het grondwater kunnen verontreinigen.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Luchtnormen voor 31 prioritaire stoffen : Road-map Normstelling | RIVM

Bij vergunninghouders en -verleners bestond onduidelijkheid over de status van de luchtnormen van 31 prioritaire stoffen. De normen zijn in het verleden niet formeel vastgesteld door de Stuurgroep Stoffen en stonden daarom niet vermeld op de website 'Risico's van Stoffen', www.rivm.nl/rvs/ . Deze luchtnormen staan echter wel vermeld in de bijlage "Normstelling prioritaire stoffen" bij de notitie "Reductiedoelstellingen prioritaire stoffen" uit 2001, opgesteld door VROM in het kader van het vierde Nationaal Milieu Beleidsplan (NMP4). Het RIVM heeft onderzocht of de luchtnormen voor deze stoffen nog actueel zijn. Hieruit bleek dat voor drie stoffen de normen zijn aangepast, en dat er voor 18 stoffen nieuwe informatie beschikbaar is, waardoor deze normen mogelijk in de toekomst moeten worden herzien. Eind 2010 zijn voor alle 31 stoffen door het Ministerie van Infrastructuur en Milieu de luchtnormen vastgesteld. Vervolgens zijn de normen op de website 'Risico's van Stoffen' gepubliceerd. De Nederlandse prioritaire stoffenlijst omvat stoffen met een risico voor mens en milieu die de rijksoverheid met voorrang wil aanpakken.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Het verloop van de nitraatconcentratie van het grondwater; achtergrondrapport Nitraatdieptemeetnet : Resultaten van metingen bij LMG- en N-putten | RIVM

Voor een dieptemeetnet voor nitraat zijn vaste putten in de percelen van landbouwbedrijven geschikt om het nitraat in de bovenste vijf meter van het grondwater te bemonsteren. Voor bemonstering van nitraat in diepere grondwaterlagen zijn putten buiten de percelen toereikend. Met een nitraatdieptemeetnet met vaste putten is het waarschijnlijk mogelijk aan te tonen of nitraat al dan niet wordt afgebroken (denitrificatie) en na te gaan of er eventuele nadelige effecten zijn van denitrificatie op het grondwater. De precieze duiding van de mate waarin dit aan de orde is, kan alleen met specialistisch onderzoek worden gekwantificeerd. Dit is niet mogelijk binnen een regulier meetnet. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM, in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Milieu (I&M) en van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (EL&I). De bevindingen zijn van belang om een meetnet in te richten waarmee het verloop van de nitraatconcentratie met de diepte kan worden vastgesteld (nitraatdieptemeetnet). De resultaten kunnen verder voor deze twee ministeries van dienst zijn om een beslissing te nemen of een dergelijk meetnet al dan niet moet worden ingericht. De resultaten van een nitraatdieptemeetnet zijn ook van belang voor de discussie met de Europese Commissie over het Nederlandse mestbeleid. De nitraatconcentratie neemt niet af met de diepte in de bovenste vijf meter van het grondwater bij landbouw op droge zandgronden, waar de hoogste nitraatconcentraties worden gemeten. De nitraatconcentratie neemt wel met de diepte af bij landbouw op de overige zandgronden. Het onderzoek laat zien dat de lagere concentraties nitraat in het diepere grondwater (dieper dan vijf meter) verband houden met zowel de bemestingshistorie als denitrificatie in de ondergrond. Het onderzoek bevestigt hiermee de bevindingen en de conclusies uit eerdere toetsdieptestudies. nitraat bovenste grondwater toetsdiepte
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Cancer incidence and cause-specific mortality following Balkan-deployment | RIVM

Optreden kanker en oorzaakspecifiek overlijden na Balkanuitzending Er blijkt geen verband te zijn tussen uitzending van militairen naar de Balkan en het optreden van verschillende typen kanker, waaronder leukemie. Het aantal nieuwe gevallen van kanker en het aantal sterfgevallen in de periode 1993-2008 was onder Nederlandse Balkanmilitairen lager dan onder militairen die niet op de Balkan zijn geweest. Zowel de Balkanmilitairen als de niet-Balkanmilitairen had-den een lagere kans op kanker en sterfte vergeleken met even oude mannen uit de Nederlandse bevolking. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM, dat is uitgevoerd naar aanleiding van een vermeend verband tussen uitzending naar de Balkan en het optreden van leukemie. Het aantal nieuwe gevallen van kanker onder de ruim 18.000 mannen die in de onderzochte periode naar de Balkan zijn uitgezonden, lag in totaal 15 procent lager dan onder even oude mannen uit de Nederlandse bevolking. Het aantal lag ook lager dan onder de 135.000 niet-Balkanmilitairen. Het aantal tumoren in de luchtwegen en borstholte lag de helft lager onder Balkanmilitairen dan onder de Nederlandse bevolking. De reden voor dit lage aantal is onbekend - er waren geen gegevens over roken en andere leefstijlfactoren beschikbaar. Ook het aan-tal leukemiegevallen lag lager, maar het verschil met de Nederlandse bevolking was niet significant. Voor het relatief kleine aantal vrouwen dat naar de Balkan is uitgezonden, is ook geen verhoogd aantal kankergevallen gevonden. Het totale aantal sterfgevallen onder Balkanmilitairen in de periode 1993-2008 lag 33 procent lager dan onder even oude mannen uit de Nederlandse bevolking. Het aantal lag ook lager dan onder de 135.000 niet-Balkanmilitairen. Ook de niet-Balkanmilitairen hadden een lager sterftecijfer dan andere Nederlandse mannen. Dit kan verklaard worden met het 'healthy worker effect': de werkende bevolking, en uitgezonden militairen in het bijzonder, zijn vanwege bijvoorbeeld de selectie op gezondheid door de dienstkeuring gezonder dan de algemene bevolking. Vooral sterfte aan kanker en hart- en vaatziekten lag lager onder Balkanmilitairen dan onder de Nederlandse bevolking.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Ontwikkeling toetswaarden voor pilotstortplaatsen duurzaam stortbeheer : Fase 1: Een inventarisatie | RIVM

Sinds eind jaren negentig doet de afvalstortbranche onderzoek naar methoden om een afvalstortplaats te verduurzamen. De gedachte is dat hierdoor minder verontreinigingen in de stortplaats uitspoelen naar het grondwater. Bij dergelijk duurzaam stortbeheer worden de natuurlijke afbraakprocessen gestimuleerd door lucht en (regen)water aan het afval op de stortplaats toe te voegen. Organische stoffen in het afval breken op deze manier af en metalen spoelen gecontroleerd (deels) uit met het water dat de stortplaats verlaat. Dit water wordt vervolgens gezuiverd en desgewenst hergebruikt, waardoor schadelijke stoffen uit het afval verdwijnen. Verwacht wordt dat op termijn een 'stabiele' stortplaats overblijft waar nauwelijks stoffen uit komen die het grondwater kunnen bedreigen. Om te testen of deze gedachte haalbaar is, wil de stortbranche op vier pilotstortplaatsen in Nederland het principe van duurzaam storten onderzoeken. Hiervoor heeft het ministerie van IenM het RIVM gevraagd om zogenoemde toetswaarden af te leiden waarmee kan worden getoetst of de emissies van schadelijke stoffen naar het grondwater na de pilots voldoende zijn gereduceerd. Momenteel worden volle stortplaatsen van boven en onderen afgedekt, zodat er geen vocht bijkomt. Omdat hierdoor de samenstelling van de stortplaats en daarmee ook de verontreinigingen niet veranderen, blijven de organische stoffen en metalen erin zitten. Vanwege de beperkte levensduur van de beschermende afdichting dient de bovenafdekking te worden vervangen. Dit brengt aanzienlijke kosten met zich mee. Door duurzaam storten zou deze afdichting minder of niet noodzakelijk kunnen zijn. Het onderzoek van het RIVM is opgedeeld in twee fasen. In de eerste fase (deze rapportage) zijn de uitgangspunten voor de modellering geïnventariseerd. Zo is onderzocht of bestaande wet- en regelgeving, zoals het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen en de Regeling Bodemkwaliteit, bruikbaar zijn om toetswaarden te ontwikkelen. Daarnaast is een eerste indicatie voor de te hanteren normen berekend en worden de werkzaamheden in fase 2 deels ingevuld. In de vervolgfase zullen de toetswaarden daadwerkelijk worden bepaald.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Drugs of abuse and tranquilizers in Dutch surface waters, drinking water and wastewater : Results of screening monitoring 2009 | RIVM

In oppervlaktewater van de Rijn en de Maas zijn lage concentraties aangetoond van twaalf stoffen die zijn opgenomen in de Opiumwet. Het gaat om stoffen uit de groepen amphetaminen, slaap- en kalmeringsmiddelen (barbituraten en benzodiazepinen) opiaten en cocaïne. De meeste van deze stoffen worden verwijderd of sterk in concentratie verlaagd tijdens de drinkwaterzuivering. In het drinkwater worden uiteindelijk nog drie stoffen aangetroffen, allen barbituraten. De concentraties zijn zeer laag (maximaal 12 nanogram per liter). Hiermee worden de gezondheidskundige risiconormen voor drinkwater niet overschreden. Het is raadzaam om de aanwezigheid van deze stoffen in het watersysteem te blijven volgen met het oog op mogelijke effecten op de volksgezondheid op lange termijn. Daarnaast wordt aanbevolen om de mogelijke effecten op het ecosysteem te onderzoeken. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM, in opdracht van de VROM-Inspectie van het ministerie van Infrastructuur & Milieu. Het onderzoek is uitgevoerd in samenwerking met KWR Watercycle Research Institute en het Research Institute for Pesticides and Water van de Spaanse Universiteit Jaume I. In totaal zijn 65 watermonsters onderzocht op de aanwezigheid van 37 verschillende drugs en afbraakproducten. Behalve oppervlaktewater en drinkwater is ook stedelijk afvalwater onderzocht. De aangetroffen stoffen konden worden opgespoord dankzij geavanceerde meettechnieken die sinds kort beschikbaar zijn, maar zijn waarschijnlijk al aanwezig in het watersysteem sinds mensen ze gebruiken. Een substantieel deel van de onderzochte stoffen in de Maas en Rijn komt vanuit het buitenland. Vervolgens draagt ook het afvalwater van rioolwaterzuiveringsinstallaties in Nederland hieraan bij. De gevonden concentraties in Nederlands afvalwater zijn van dezelfde ordegrootte als de concentraties in andere West-Europese landen. Met behulp van de gemeten concentraties was het mogelijk om de cocaine consumptie in een aantal steden te schatten en met elkaar te vergelijken.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Evaluatie van het PX-10 rapport van het ministerie van Defensie | RIVM

In 2008 is het ministerie van Defensie aansprakelijk gesteld voor de gezondheidsschade die een ex-militair zou hebben opgelopen als gevolg van zijn werkzaamheden binnen de Koninklijke Marine, en in het bijzonder door het werken met het onderhoudsmiddel "PX-10". Daarna heeft het ministerie literatuuronderzoek uitgevoerd naar de mate waarin Defensiemedewerkers aan dit onderhoudsmiddel van (hand) vuurwapens zijn blootgesteld. Dit onderzoek is onlangs beoordeeld door het RIVM. Het RIVM heeft daarbij de hulp ingeschakeld van het Instute for Risk Assessment Sciences (IRAS). Dit instituut heeft specifieke kennis op het gebied van arbeidsepidemiologie. Het RIVM en het IRAS concluderen dat het onderzoek van Defensie naar behoren is uitgevoerd. Wel schatten beide instituten de mate van blootstelling aan benzeen, een ingrediënt van PX-10, tien keer lager in dan Defensie. Ook geven de onderzoeksinstituten een aantal aanvullingen op de opsomming van mogelijk te verwachten gezondheidseffecten, voornamelijk op het gebied van bepaalde vormen van lymfeklierkanker. Om de mogelijke blootstelling beter in te schatten en vervolgens de mogelijke effecten te kunnen relateren aan de klachten is nader onderzoek noodzakelijk. Defensie heeft het onderhoudsmiddel PX-10 tot 1995 gebruikt. Het onderzoek is puntsgewijs samengevat waarbij ook ingegaan wordt op de wetenschappelijke en maatschappelijke discussie. Deze puntsgewijze samenvatting is te lezen via het menu aan de rechterkant van deze pagina.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Method for the derivation of a Human Limit Value for Brominated DiphenylEther-47 | RIVM

De Toelaatbare Dagelijkse Inname (TDI) is de inname van een stof waarbij, bij levenslange blootstelling, geen nadelige effecten op de gezondheid verwacht mag worden. De afleiding van de TDI is vaak gebaseerd op de extrapolatie van bij proefdieren waargenomen toxiciteit naar de mens. Deze extrapolatie bestaat uit correcties voor verschillen in toxicokinetiek (opname, verdeling, uitscheiding) en toxicodynamie (toxisch werkingsmechanisme) tussen proefdieren en de mens Hierbij wordt er standaard vanuit gegaan dat verschillen in toxicokinetiek tussen mens en proefdier niet meer dan een factor 4 bedragen. De afleiding van de TDI voor de dioxine 2,3,7,8-TetraChloroDibenzo-p-Dioxine (TCDD) laat echter zien dat het toepassen van deze factor tot een TDI leidt die de gezondheid onvoldoende beschermt. De belangrijkste reden hiervoor is dat verschillen in de toxicokinetiek van TCDD tussen proefdier en mens veel groter zijn dan de genoemde standaardfactor. De toxicokinetiek van Persistente Organische Milieuverontreinigingen als TCDD, maar ook PolyBroom DiphenylEthers en Perfluorverbindingen, moet daarom expliciet in de afleiding van de TDI opgenomen worden. In navolging van TCDD is dit principe op tetrabroom BDE- 47 toegepast. Voor BDE-47 bleken de ontwikkeling van het centraal zenuwstelsel uitmondend in verstoorde gedragsontwikkeling en een verstoorde schildklierfunctie de gevoeligste vormen van diertoxiciteit. Wanneer met de onzekerheid bij het afleiden van de TDI rekening gehouden wordt kan op basis van deze effecten een voorlopige TDI van 7 ng/kg bw/day berekend worden.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Nanomaterial in consumer products : Detection, characterisation and interpretation | RIVM

In onderzoek naar risico's van nanomaterialen voor mensen is grote behoefte aan informatie over de aanwezigheid van nanomaterialen in consumentenproducten. Deze informatie is nodig om risico's in te kunnen schatten, maar ontbreekt vooralsnog grotendeels. Met microscopische technieken kan veel informatie over nanomateriaal in consumentenproducten worden verkregen. Het is echter nog niet mogelijk van alle producten te meten of ze nanomateriaal bevatten en zo ja, in welke mate. Dit blijkt uit een orienterend onderzoek van het RIVM, dat in opdracht van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) namens de Interdepartementale Werkgroep Risico's Nanomateriaal (IWR) is uitgevoerd. Er bestaan diverse inventarisaties en databases waarin producten zijn opgenomen waarop de term 'nano' is vermeld, wat suggereert dat ze nanomateriaal bevatten of met nanotechnologie zijn vervaardigd. Het is echter niet duidelijk of deze producten daadwerkelijk nanomateriaal bevatten. Daarnaast is weinig bekend in hoeverre producten d ie de term 'nano' niet dragen toch nanomateriaal bevatten. Voor het onderzoek zijn 25 non-food consumentenproducten geselecteerd, waarvan er 22 konden worden verkregen en doorgemeten. Hiervan is met behulp van microscopische technieken bekeken in hoeverre deze technieken geschikt zijn om na te gaan of de producten nanomaterialen bevatten. Daarnaast is bekeken of eigenschappen van het nanomateriaal (karakteristieken) die voor de risicobeoordeling relevant zijn, ermee kunnen worden bepaald. De producten zijn geselecteerd op basis van een nanoclaim of op basis van het vermoeden dat het nanodeeltjes bevat. In een aantal producten met een nanoclaim werd geen nanomateriaal aangetroffen, dan wel een ander nanomateriaal dan geclaimd. Daarnaast is in sommige producten zonder claim wel nanomateriaal aangetroffen. Om beter inzicht in de aanwezigheid van en de blootstelling aan nanomaterialen via consumentenproducten te krijgen, is het van belang de meetmethoden zodanig te verbeteren dat een negatieve uitslag ook daadwerkelijk betekent dat een product geen nanodeeltjes bevat. Daarnaast is het wenselijk de concentratie van nanomateriaal goed te kunnen bepalen en andere technieken te ontwikkelen om goed te kunnen meten in vloeibare producten en in de lucht na gebruik van een spray. Gezien het beperkte aantal onderzochte producten in deze orienterende studie is het van belang meer consumentenproducten door te lichten op nanomaterialen.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Nederlanders aan het woord over gezondheid en gezond leven : Achtergrondrapport bij de Volksgezondheid Toekomst Verkenning 2010. Van gezond naar beter | RIVM

Dit rapport laat Nederlanders zelf vertellen hoe zij over gezondheid en gezond leven denken. Het is gebaseerd op een kwalitatief onderzoek, waarvoor twaalf groepsgesprekken (N = 96) zijn gehouden. Met zijn verhalende karakter biedt het rapport een boeiend inkijkje in de denkwereld van 'gewone' mensen. Het is aanvullend op de doorgaans kwantitatieve informatie over volksgezondheid. In het alledaagse gezondheidsbegrip zijn twee aspecten belangrijk: participatie (gezondheid = kunnen doen wat je wilt doen) en sensatie (gezondheid = het gezonde gevoel, energie hebben, in balans zijn). Als mensen zelf iets voor hun gezondheid doen, dan doen ze dat met die twee aspecten in het achterhoofd. Ze willen hun accu opladen en weer energie hebben om het leven aan te kunnen. Wanneer dat lukt, dan kunnen ook mensen met een ziekte zich toch gezond voelen. Rekening houden met je gezondheid is vooral een kwestie van intuïtie. Mensen zeggen te 'luisteren naar hun lichaam' en 'hun gevoel te volgen'. De informatie over gezondheid in de media kan verwarrend zijn. De verwarde burger trekt zijn eigen plan, bijvoorbeeld door vast te houden aan de leefregels die van thuis zijn meegekregen. Gezondheidsboodschappen die blijven hangen zijn vooral oude slogans zoals 'snoep verstandig eet een appel'. De belangrijkste aanleiding voor mensen om gezonder te gaan leven is de confrontatie met zichzelf. Dat kan gebeuren door in de spiegel te kijken, op de weegschaal te staan of door slecht nieuws van de dokter. In de maatregelen van de overheid ziet een aantal burgers een hellend vlak van toenemende vrijheidsbeperking.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Metingen in buitenlucht op het RIVM-terrein te Bilthoven na het Fukushima kernongeval in maart 2011 | RIVM

De in Nederland gemeten radioactiviteit uit Japan ligt duizenden keren lager dan tijdens Tsjernobyl en vormt geen risico voor de Nederlandse bevolking. De berekende stralingsdosis door inhalatie van I-131 over de gehele meetperiode bedraagt minder dan 0,00001 millisievert. De stralingsdosis van Nederlanders is normaal ongeveer 2,5 millisievert per jaar. Bij het kernongeval in Fukushima zijn grote hoeveelheden vluchtige radionucliden in de lucht geloosd. Voorlopige schattingen houden het voor I-131 op ruwweg 10% van wat tijdens Tsjernobyl is vrijgekomen. Deze radionucliden hebben zich in de dagen tot weken daarna verspreid over de atmosfeer op het noordelijk halfrond. Het KNMI geeft aan dat een deel van de uitstoot zich over de Noordpool en een deel zich over de Atlantische oceaan richting Europa heeft verplaatst. Het Laboratorium voor Stralingsonderzoek van het RIVM heeft met meerdere meetopstellingen lucht bemonsterd. Het RIVM heeft een HVS opstelling gebruikt om de dagelijkse variaties in kaart te brengen van de meest relevante radionucliden I-131, Cs-137 en Cs-134. Een bemonsteringsapparaat met een nog hoger debiet, Snow White, is gebruikt om aan stof gebonden radionucliden aan te tonen met nog lagere luchtconcentraties. Apparatuur van de RIVM meetwagens is ingezet om de verschillende fracties van I-131 (stofgebonden, elementair en organisch) te bepalen. In de periode van 23 maart tot 11 april 2011 zijn in Nederlandse buitenlucht sporen van radioactiviteit aangetoond. De hoogste concentraties zijn gevonden voor I-131. Ongeveer 31% daarvan zat in de stofgebonden fractie. De gemiddelde waarde van de stofgebonden fractie over de periode 23 maart - 11 april bedroeg 0,57 milliBq/m3. Als we aannemen dat de stofgebonden fractie over de hele periode constant verondersteld mag worden, leidt dat over de periode 23 maart - 11 april tot een gemiddelde I-131 concentratie (alle fracties samen) van 1,84 milliBq/m3. De gemeten concentraties van Cs-137, Cs-134, Te-129m, Te-129, Te-132 en I-132 waren in de gerapporteerde periode typisch een factor 10 lager dan de stofgebonden fractie van I-131. Voor Cs-136 was het verschil ruim een factor 100. In de landen om ons heen zijn vergelijkbare waarden gevonden. Op dit moment worden nog steeds sporen van radioactiviteit aangetroffen. Aanvullende data worden gepubliceerd op de RIVM website.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Verduurzaamd hout : risico's van hexavalent chroom voor de volksgezondheid | RIVM

Het gebruik van hout verduurzaamd met koper-chroomzouten in speeltoestellen en tuinhout is ongevaarlijk voor spelende kinderen en doe-het-zelvers. Dat concludeert het RIVM op basis van recente gegevens over effecten van en blootstelling aan hexavalent chroom (chroomVI). Hout wordt geïmpregneerd met een oplossing van koperchroomzouten om houtrot te voorkomen, en zo te verduurzamen. Een eerdere risicobeoordeling (1998) van het RIVM voor hout verduurzaamd met koper-chroom-arseenzouten toonde aan dat er mogelijk een risico was door de aanwezigheid van arseen en chroomVI. Dit was voor de overheid aanleiding om een gebruiks- en importverbod voor dergelijk hout te onderzoeken. Vanwege het mogelijke risico heeft de Europese Commissie in 2004 het gebruik van arseen in verduurzaamd hout voor consumenten verboden. De belangrijkste onzekerheden rond het risico van chroomVI zijn nu met nieuwe gegevens nader onderbouwd. De nieuwe gegevens maken het mogelijk alle relevante risico's van chroomVI (zoals huidallergie en kankerverwekkende eigenschappen) in te schatten, voor zowel gebruik in speeltoestellen als gebruik in hout dat doe-het-zelvers in de tuin gebruiken.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Strategic Research RIVM 2011-2014 : Project summaries | RIVM

Dit rapport bevat de samenvattingen van de projectvoorstellen voor strategisch onderzoek van het RIVM in de periode 2011-2014. Het RIVM beschikt over een budget voor strategisch onderzoek, het Strategisch Onderzoek RIVM (SOR). Hiermee anticipeert het instituut op toekomstige onderzoeksvragen. Daarnaast versterkt het de wetenschappelijke basis van het RIVM,onder andere door deel te nemen aan internationale wetenschappelijke netwerken. Voor het SOR wordt elke vier jaar een strategisch onderzoeksprogramma uitgevoerd, waarin telkens nieuwe strategische speerpunten worden gekozen. De huidige cyclus is gestart in januari 2011 met 54 nieuwe projecten, verdeeld over zes speerpunten.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Detectiemethoden voor legionella in water | RIVM

Het RIVM heeft een overzicht gemaakt van bestaande en nieuwe methoden om legionella in water aan te tonen. Dit is gemaakt in opdracht van de VROM Inspectie, die inzicht wil hebben in de kenmerken en toepassingsmogelijkheden van bestaande en nieuwe methoden. Legionella komt overal in het milieu voor, maar mensen raken vooral geinfecteerd als zij bacterien inademen die zijn uitgegroeid in watersystemen die door de mens zijn gemaakt. Voorbeelden daarvan zijn bubbelbaden, koeltorens en leidingwatersystemen. Legionellapreventie is erop gericht de groei van legionella in dergelijke watersystemen te voorkomen. Bepaalde collectieve leidingwaterinstallaties, zoals in ziekenhuizen, moeten volgens het Waterleidingbesluit periodiek gecontroleerd worden op de aanwezigheid van legionella. Dit dient te gebeuren conform de NEN 6265, een kweekmethode op agarplaten. De NEN 6265 heeft een aantal beperkingen. Zo kunnen legionellabacterien gemist worden doordat ze niet groeien op agarplaten of doordat ze overgroeid worden door andere bacterien. Nieuwe methoden, zoals Polymerase Chain Reaction, de legionella-chip of amoebe-kweek, kunnen voordelen bieden ten opzichte van de wettelijk vereiste kweekmethode. Ze kunnen bijvoorbeeld wel de legionellabacterien detecteren die niet zijn te kweken op agarplaten. Nieuwe methoden hebben echter ook beperkingen. Een aantal van deze methoden tonen bijvoorbeeld ook dode bacterien aan, waardoor na een reinigingsmaatregel niet kan worden vastgesteld of het legionella-probleem in een installatie verholpen is. Nader onderzoek dient te worden uitgevoerd om vast te stellen of nieuwe methoden of een combinatie van methoden in staat zijn een beter beeld te geven van legionellagroei in een leidingwaterinstallatie dan de NEN 6265.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Nucleaire geneeskunde bij kinderen in Nederland : Doseringen en stand van zaken in 2010 | RIVM

De stralingsbelasting van kinderen bij wie nucleair geneeskundig onderzoek wordt gedaan, kan in veel gevallen lager. Dit kan door over te schakelen op de nieuwe doseringsmethodiek van de European Association of Nuclear Medicine (EANM). De reductie is het grootst bij de hogere doseringen en kan dan oplopen tot 30 procent. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM naar de indicaties en de dosis bij nucleair geneeskundig onderzoek van kinderen. Bij nucleair geneeskundig onderzoek krijgt een patiënt een radioactieve stof toegediend. Deze stof hoopt zich op in een orgaan of in tumoren. De straling die de stof uitzendt, wordt met een gammacamera in beeld gebracht. Hiermee kan de werking van nieren, schildklier of andere organen worden onderzocht of kunnen tumoren worden gelokaliseerd. Bij kinderen gaat het vaak om onderzoek van de urinewegen. Aandacht voor de stralingsdosis bij kinderen is belangrijk. Kinderen zijn namelijk gevoeliger voor de schadelijke effecten van straling op lange termijn dan volwassenen. De in Nederland nog algemeen toegepaste doseringsmethodiek is gebaseerd op de oude berekeningswijze van de EANM. De nieuwe doseringsmethodiek is verfijnder dan de oude. Het RIVM heeft de uitkomsten van de twee methoden voor kinderen van verscheidene gewichtsklassen vergeleken. Hieruit blijkt dat de nieuwe methode in de meeste gevallen een lagere stralingsbelasting geeft.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Adipocytolyse door subacute injectie van Lipostabil : Literatuurstudie | RIVM

Op verzoek van de Inspectie voor de Gezondheidszorg heeft het RIVM een literatuurstudie uitgevoerd naar de preklinische veiligheidsaspecten van adipocytolyse door subcutane injectie van Lipostabil, vaak aangeduid als 'injectie lipolyse'. De hoofdbestanddelen van Lipostabil zijn fosfatidylcholine (PC) en natriumdeoxycholaat (DC). De werking van Lipostabil berust niet op bevordering van de lipolyse (enzymatische vetafbraak) door PC maar op cytolyse als gevolg van de detergerende eigenschappen van DC. Deze chemische eigenschap van DC is niet specifiek voor vetcellen. Ook andere celtypen lyseren door blootstelling aan DC. De weefselschade die ontstaat, leidt tot een acute ontstekingsreactie in het vetweefsel (panniculitis) en uiteindelijk tot vorming van bindweefsel (fibrose). Gewoonlijk blijven deze effecten beperkt tot het vetweefsel waar Lipostabil is geïnjecteerd. Echter wanneer DC in voldoende concentratie doordringt tot het omliggende spier- of huidweefsel, kunnen deze weefsels ook beschadigd raken.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Beoordelen grootschalige bodemtoepassingen in diepe plassen : Elementen voor generieke en locatiespecifieke beoordeling | RIVM

Het gebruik van grote hoeveelheden grond en bagger bij het herinrichten van diepe plassen kan effect hebben op de kwaliteit van grondwater en oppervlaktewater. Dit geldt vooral voor het gebruik van licht verontreinigde bagger en grond. In dit rapport worden toetsingscriteria en beoordelingsmethoden voorgesteld waarmee beleidsmakers deze effecten kunnen beoordelen. Het gebruik van deze methoden in een stapsgewijze procedure kan ervoor zorgen dat bij het gebruik van bagger en grond met verhoogde gehalten metalen, organische stoffen en nutrienten de kwaliteit van het grondwater en oppervlaktewater binnen de gewenste kaders blijft . Meer kennis is vooral nodig om voor grond methoden te ontwikkelen die met voldoende zekerheid kunnen aangeven hoeveel verontreinigende stoffen kunnen vrijkomen richting het (grond)water. Dit blijkt uit een verkenning die het RIVM, in opdracht van het ministerie van VROM heeft uitgevoerd met de kennisinstituten Deltares en ECN. Een aanzienlijk deel van de voorstellen is gebruikt voor de 'Handreiking voor het herinrichten van diepe plassen', die via de Circulaire diepe plassen is geïmplementeerd. Daarnaast geeft de verkenning inhoudelijke achtergronden en onderbouwingen voor deze Handreiking. De voorgestelde beoordelingsmethoden leveren daarmee de basis voor een systematiek die waarborgt dat aan de doelstellingen van de Europese Kaderrichtlijn water en de Grondwaterrichtlijn wordt voldaan. Sinds het Besluit Bodemkwaliteit hoeven provincies geen vergunning meer te verlenen voor het gebruik van lichtvervuilde grond en bagger. In het rapport wordt ingegaan op te hanteren toetsingscriteria voor grondwater en oppervlaktewater, meetmethoden voor het bepalen van beschikbare gehalten, een geohydrologische verdunningfactor, een afstandscriterium voor kwetsbare objecten en achtergronden bij deze methoden. Afgesloten wordt met een aanbevelingen die hiaten in kennis kunnen wegnemen om tot een generieke systematiek te komen.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

The National Immunisation Programme in the Netherlands : Developments in 2010 | RIVM

Dit rapport geeft een overzicht van het voorkomen van verwekkers van ziekten uit het Rijksvaccinatieprogramma (RVP), een overzicht van veranderingen in de verwekkers, de gebruikte vaccins en bijwerkingen na vaccinatie in 2010. Hetzelfde geldt voor ontwikkelingen over nieuwe vaccins, die in de toekomst eventueel in het RVP worden opgenomen. In 2010 is vaccinatie tegen baarmoederhalskanker toegevoegd aan het Rijksvaccinatieprogramma. In 2011 zal worden overgegaan op een pneumokokkenvaccin dat bescherming biedt tegen tien typen in plaats van het nu gebruikte vaccin met zeven typen. Ook vaccinatie tegen een Hepatitis B infectie wordt voor het eind van 2011 geintroduceerd. Door een voortdurende hoge vaccinatiegraad is ook in 2009 en 2010 het aantal gevallen van de meeste ziekten uit het RVP laag. oor kinkhoest is het aantal meldingen van adolescenten en volwassenen in 2010 verder toegenomen. "Cocooning' (het vaccineren van ouders van pasgeboren baby's) zou een goede manier kunnen zijn om ernstige kinkhoest infecties bij zuigelingen te voorkomen. Een recente bof uitbraak onder gevaccineerde jong volwassenen is aanleiding geweest voor het opzetten van enkele onderzoeken naar de effectiviteit van het vaccin. Studies om de effectiviteit van HPVvaccinatie te onderzoeken lopen. Gegevens over mogelijke bijwerkingen na HPV vaccinatie laten laten zien dat meisjes de vaccinatie als pijnvol ervaren, maar dat de bijwerkingen grotendeels mild en van voorbijgaande aard zijn. Van de ziekten die mogelijk in de toekomst onder het RVP gaan vallen, komen infecties door Meningokokken groep B en Hepatitis A virus minder voor. Rotavirus infecties die leiden tot gastro-enteritis nemen toe. Er zijn geen grote veranderingen waargenomen in de frequentie en de ernst van het ziekteverloop van waterpokken en gordelroos. Resultaten van meederde studies over deze laatste twee ziektes zullen in 2011 gepresenteerd worden. Dankzij continue surveillance en controle, kunnen wij concluderen dat het RVP momenteel effectief en veilig is.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Nanomaterials in consumer products : Update of products on the European market in 2010 | RIVM

In de afgelopen drie jaar is het aantal consumentenproducten op de Europese markt die claimen dat ze nanomaterialen bevatten verzesvoudigd, van 143 in 2007 tot 858 producten in 2010. Productcategorieën met de grootste groei in de afgelopen tijd zijn 'Persoonlijke verzorging, en cosmetica', zoals zonnebrandcremes en verschillende 'coatings', zoals waterwerende sprays voor schoenen en textiel. Dit blijkt uit een inventarisatie van deze producten door het RIVM in opdracht van de nieuwe Voedsel en Waren Autoriteit (nVWA). De eerste RIVM-inventarisatie dateert van 2007. Het RIVM is gevraagd om hiervan een update te maken op basis van alle relevante bronnen van de afgelopen drie jaar. De mogelijke gezondheidseffecten van nanomaterialen in consumentenproducten zijn nog onbekend. Om de blootstelling van consumenten aan nanomaterialen uit consumentenproducten te kunnen schatten, is het nodig te weten in welke producten daadwerkelijk nanomaterialen aanwezig zijn. Hiervoor zijn productinventarisaties bruikbaar. In de afgelopen drie jaar zijn meerdere productinventarisaties en databases gepubliceerd met producten die een nanoclaim bevatten. Ze laten zien dat er talrijke consumentenproducten op de Europese markt aanwezig zijn die hoogstwaarschijnlijk nanomaterialen bevatten. Op basis hiervan kan nader worden uitgezocht of dit daadwerkelijk zo is door de nanomaterialen in de producten op te sporen. Vervolgens is voor de risicoschatting meer informatie nodig over de kenmerken van het materiaal (bijvoorbeeld in welke vorm en concentratie zit het nanomateriaal in het product). Verder moeten er voor de risicoschatting ook meer gegevens komen over de manier waarop consumenten de producten gebruiken (bijvoorbeeld door hoeveel mensen, waar en hoe vaak).Deze gegevens zijn essentieel voor een goede schatting van de blootstelling.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Gezond ouder worden in Nederland | RIVM

Ouderen die ziek zijn, hoeven niet per se beperkt te zijn in hun functioneren. De helft van de zelfstandig wonende Nederlandse ouderen leeft met één of meer chronische ziekten. Ondanks dat gegeven ervaart twee derde van de zelfstandig wonende ouderen geen lichamelijke beperkingen, en voelt meer dan de helft zich gezond. Dit blijkt uit 'Gezond ouder worden in Nederland', een overzicht van het RIVM van de gezondheid en preventie bij zelfstandig wonende ouderen. Vanaf 75 jaar neemt de kans op ziekten en beperkingen duidelijk toe en neemt de ervaren gezondheid en de lichamelijke kwaliteit van leven af. De ziekten die op oudere leeftijd het meest voorkomen en het grootste verlies aan gezonde levensjaren met zich meebrengen zijn coronaire hartziekten, beroerte, artrose en diabetes. Het rapport 'Gezond ouder worden in Nederland' is geschreven in opdracht van het ministerie van VWS. De landelijke gegevens kunnen gemeenten ondersteunen bij de uitvoering van de preventieve gezondheidszorg voor ouderen. In 2010 heeft het ministerie van VWS deze taak van gemeenten nader uitgewerkt. Tussen 2010 en 2050 zal het aantal 65-plussers in Nederland oplopen van 2,6 miljoen naar 4,5 miljoen. Een kwart van de Nederlandse bevolking is dan 65 jaar of ouder; van de ouderen is 40 procent dan 80 jaar of ouder. De vergrijzing brengt zowel kansen als problemen met zich mee. De nadruk ligt vaak op de problemen, bijvoorbeeld door de hoge kosten voor de gezondheidszorg. Daartegenover staat 'verzilvering': ouderen brengen vaak waardevolle kennis en ervaring in en zetten zich vrijwillig in voor maatschappelijke doelen. Zo verleent bijvoorbeeld ruim een kwart van de ouderen informele hulp aan bekenden en een derde is actief in georganiseerd vrijwilligerswerk. Een andere bevinding uit het rapport is dat het aandeel ouderen dat zich matig tot sterk eenzaam voelt (bijna een derde) nauwelijks verschilt van dat van jongere mensen. Dat komt waarschijnlijk doordat wensen en verwachtingen over sociale contacten met de leeftijd veranderen. Binnen de groep ouderen neemt eenzaamheid wel toe met de leeftijd: ongeveer de helft van de 85-plussers, vooral de vrouwen, voelt zich eenzaam.In het rapport wordt benadrukt dat de preventieve maatregelen voor ouderen meerdere doelen hebben. Enerzijds is de insteek ziekten en aandoeningen te voorkomen en sterfte uit te stellen. Daarnaast is het bij het ouder worden steeds meer van belang het functioneren te optimaliseren, bijvoorbeeld door ouderen daarin te begeleiden of door aanpassingen van de leefomgeving. Belangrijke doelgroepen voor preventieve interventies zijn ouderen vanaf 75 jaar, (alleenstaande) oudere vrouwen, ouderen met een laag opleidingsniveau, allochtone ouderen en oudere mantelzorgers.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Kwaliteit van mechanische ventilatiesystemen in nieuwbouw eensgezinswoningen en bewonersklachten | RIVM

Het RIVM heeft vergeleken hoe bewoners van eengezinswoningen met twee soorten mechanische ventilatiesystemen hun gezondheid ervaren, evenals de kwaliteit van het binnenmilieu. Hieruit bleek dat bewoners van huizen met balansventilatiesystemen de kwaliteit van het binnenmilieu minder goed vinden dan bewoners van huizen met natuurlijke toevoer en mechanische afzuiging van lucht. Mensen met een balansventilatiesysteem zijn minder positief over lucht-kwaliteit, droge lucht, geluidhinder door het ventilatiesysteem, en de mate waarin ze zelf het ventilatiesysteem kunnen regelen. Toch rapporteren beide groepen een even goede gezondheid. Deze beschrijvende analyse is in opdracht van het ministerie van VROM onder bijna 300 bewoners uitgevoerd, omdat er zorgen bestaan over mogelijke gezondheidseffecten van mechanische ventilatiesystemen. Voor het onderzoek is nagevraagd hoe bewoners het binnenklimaat ervaren, evenals hun gezondheid. Daarnaast zijn de systemen technisch doorgelicht en is gekeken of er een ver-band was tussen de techniek en het ervaren binnenmilieu of de zelfgerapporteerde gezondheid. Drie van de 26 onderzochte technische kwaliteitskenmerken (waarvan twee te maken hebben met de hoeveelheid geventileerde lucht per minuut en één met ongewenste vermenging van in- en uitgaande lucht) vertoonden een verband met zelfgerapporteerde gezondheid of ervaren binnenmilieu, maar dat verband was zwak. Het is daarom met dit onderzoek niet mogelijk om aan te geven of verbeteringen van deze specifieke kenmerken van mechanische ventilatiesystemen zullen leiden tot een betere zelfgerapporteerde gezondheid en ervaren binnenmilieu.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Risico's van spuittoepassingen : Ontwikkelingen van een screeningsinstrument | RIVM

Het RIVM heeft een instrument ontwikkeld voor de nieuwe Voedsel en Waren Autoriteit (nVWA), waarmee inspecteurs een eerste screening kunnen maken van het risico als consumenten chemische stoffen inademen bij het gebruik van spuitproducten. Consumentenproducten worden steeds vaker als spuitproduct aangeboden, zoals deodorants die voorheen in de vorm van rollers of sticks op de markt waren. De huidige risicobeoordeling van de fabrikant voor dergelijke producten is daar niet altijd op toegespitst. nVWA-inspecteurs kunnen het instrument snel en eenvoudig gebruiken als hulpmiddel tijdens reguliere inspecties. De resultaten van het instrument mogen niet vergeleken worden met een volwaardige risicobeoordeling. Het instrument geeft een indicatie of er aanleiding is het product met de fabrikant nader te bekijken. Als de fabrikant dan niet kan aantonen dat het product veilig is, dan kan de nVWA het potentiele risico in een gedetailleerde risicobeoordeling in kaart laten brengen. Het instrument screent het risico door de mate van de inhalatieblootstelling met een gevaarindicatie te combineren. De blootstelling wordt berekend door middel van standaardwaarden die bij een spuitproduct horen. Als deze waarden niet bekend zijn, voert de inspecteur deze informatie in. De toxiciteit wordt bepaald door de wettelijke classificatie van de stof, de zogenoemde R-zinnen.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Voedingsstatus van Hindoestaanse en Creoolse Surinamers en autochtone Nederlanders in Nederland : Het SUNSET-onderzoek | RIVM

Dit onderzoek toont aan dat de vitamine D status met name in Surinamers en de ijzerstatus van vrouwen in de vruchtbare leeftijd in het algemeen ontoereikend zijn. Daarnaast is aandacht nodig voor de matige vitamine D-status (< 50 nmol/L) bij autochtone Nederlanders, matige vitamine B12-status in de totale bevolking en matige zinkstatus bij Creools Surinaamse vrouwen. Onderzoek naar de voorziening van voedingsstoffen in het lichaam (voedingsstatusonderzoek) geeft inzicht in mogelijke problemen die er zijn met de voedingsstoffenvoorziening en kan aanleiding zijn om bepaalde bevolkingsgroepen gericht te adviseren hoe de voedingsstoffenvoorziening verbeterd kan worden. Over het algemeen is er weinig bekend over de voedingsstatus van Nederlanders met een niet-westerse achtergrond. Op basis van de beperkt beschikbare gegevens wordt verondersteld dat eventuele knelpunten in de voedingsstoffenvoorziening kunnen verschillen tussen autochtone Nederlanders en Nederlanders met een niet-westerse achtergrond, waardoor deze laatste groep specifieke aandacht verdient. In het huidige onderzoek is de voedingsstatus onderzocht van 35-60 jarige deelnemers aan de SUNSET-studie (SUrinamers in Nederland: Studie naar gezondheid en ETniciteit). Deze studie is uitgevoerd tussen 2001 en 2003 bij een steekproef uit de Surinaamse en autochtoon Nederlandse bevolking van Amsterdam. Aan de hand van verschillende parameters is van deze groepen de vitamine D, ijzer, vitamine B12, magnesium en zink status vastgesteld en beoordeeld. Vergeleken met de door de Gezondheidsraad opgestelde richtlijn voor een toereikende vitamine D status (>30nmol/L, en voor vrouwen >50 jaar >50nmol/L), komt een gebrek aan vitamine D voor bij ongeveer 40% van de Surinamers. Bij Surinaamse vrouwen ouder dan 50 jaar ligt dit percentage zelfs op 80% (tegenover 40% van de Nederlandse vrouwen ouder dan 50 jaar). Van de autochtoon Nederlandse bevolking heeft circa 40% een matige (<50 nmol/L) vitamine D status. De resultaten van het onderzoek laten verder geen verschil zien tussen autochtone Nederlanders en Surinamers wat betreft de voedingsstoffenvoorziening van ijzer, vitamine B12 en magnesium. IJzergebrek is een punt van aandacht voor vrouwen in de vruchtbare leeftijd in het algemeen. Matige vitamine B12-status komt voor bij een tiende van de onderzochte populatie. Deze groep heeft een verhoogd risico op het ontwikkelen van vitamine B12-deficiëntie. De prevalentie van lage zinkstatus in deze populatie geeft geen problemen aan met de zinkstatus. Wel komt een lage zinkstatus relatief vaker voor onder Creools Surinaamse vrouwen. De magnesiumstatus is voldoende in beide bevolkingsgroepen.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Point-of-care diagnostic devices : An assessment of safety related technical documentation items | RIVM

Europese regelgeving vereist dat fabrikanten van point-of-care diagnostische testen technische documentatie opstellen waaruit blijkt dat het product veilig en functioneel is. In een onderzoek door het RIVM in opdracht van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) zijn verschillende tekortkomingen geconstateerd in deze documentatie. Tekortkomingen in de technische documentatie hoeven overigens niet te betekenen dat de kwaliteit en veiligheid van de testen onvoldoende is. Point-of-care diagnostische testen zijn apparaten die aan het bed van patiënten of in de huisartspraktijk kunnen worden gebruikt zodat relatief snel een diagnose kan worden gesteld. In het merendeel van de technische documentatie sets staat onvoldoende duidelijk gespecificeerd welke opleiding de beoogde gebruiker dient te hebben gehad, en in welk type gezondheidszorginstelling het apparaat kan worden gebruikt. De term =voor professioneel gebruik', die vaak werd aangetroffen, is niet afdoende. Daarnaast is belangrijke informatie over de prestaties van de point-of-care diagnostische testen niet altijd aanwezig. Ook is het vaak niet duidelijk of de fabrikant de producten heeft laten testen door beoogde gebruikers voordat ze op de markt komen. De meeste fabrikanten leveren wel trainingen aan de gebruikers van hun producten als deze al op de markt zijn. Verder zijn er regelmatig tekortkomingen in het risicomanagementproces gevonden. Om de risico's die gerelateerd zijn aan het gebruik van het apparaat gedurende de gehele levenscyclus te minimaliseren, moeten alle bekende of te verwachten risico's worden geïdentificeerd, geschat en geëlimineerd of verminderd. Uit het onderzoek bleek dat een aantal zaken in de technische documentatie ontbraken. Bijvoorbeeld: risico's die niet waren geëlimineerd, waren niet als waarschuwingen in de gebruiksinformatie opgenomen. Verder bleken de fabrikanten onvoldoende aandacht te hebben voor risicomanagementactiviteiten nadat hun product op de markt was gebracht.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Human papillomavirus vaccination catch-up campaign in 2009 for girls born 1993 to 1996 in the Netherlands in 2009 : Results of the post-marketing safety suveillance | RIVM

In 2009 zijn over de humaan papillomavirus (HPV) vaccinatie inhaalcampagne geen ernstige verschijnselen na vaccinatie gemeld die door het vaccin zijn veroorzaakt. Het vaccin kan daardoor op de korte termijn als veilig worden beoordeeld. Dit blijkt uit onderzoek naar de mogelijke bijwerkingen van het HPV vaccin van dat jaar. De meisjes hebben veelvuldig verschijnselen als pijn in de arm en spierpijn gemeld, maar deze bleken over het algemeen mild en kortdurend. In Nederland is in 2009 de vaccinatie tegen het HPV geïntroduceerd, het virus dat baarmoederhalskanker kan veroorzaken. In 2009 zijn de 13- tot en met 16-jarige meisjes ingeënt. Vanaf 2010 worden jaarlijks 12-jarige meisjes gevaccineerd. Het schema bestaat uit drie prikken, die de meisjes op grootschalige locaties krijgen toegediend. In 2009 zijn in totaal 558.226 doses van dit vaccin toegediend. In het onderzoek zijn de mogelijke bijwerkingen geregistreerd die op de vaccinatielocatie optraden. Daarnaast zijn de zogeheten spontane meldingen voor dit vaccin verzameld vanuit het reguliere systeem voor meldingen van mogelijke bijwerkingen van vaccinaties. Tot slot is onderzocht hoe de meisjes het vaccin verdroegen door hen een vragenlijst over mogelijke bijwerkingen te laten invullen. Bij 27 per 10.000 toegediende doses zijn kort na de vaccinatie verschijnselen opgetreden. (Bijna) Flauwvallen kwam hierbij het vaakst voor (62,1%). Spontane meldingen zijn in 11,6 keer per 10.000 toegediende doses gemeld. In 13,4% ging het om een heftige gebeurtenis, zoals flauwvallen, migraine en stuipen, als mogelijke bijwerking van het vaccin. Hiervan werd bij 75,6% een oorzakelijk verband met de vaccinatie vastgesteld. In het onderzoek naar verdraagbaarheid rapporteerde 85% van de meisjes over de drie prikken gemiddeld een reactie rond de prikplaats, zoals pijn of verminderd gebruik van de arm. Hiervan classificeerde gemiddeld 16% van de melders de reactie als heftig. Verschijnselen als spierpijn, moeheid of hoofdpijn, kwamen voor bij gemiddeld 83% van de deelnemers.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Onderzoek naar de noodzaak voor een uitzonderingsclausule voor het gebruik van dichloormethaan (DCM) | RIVM

In Europa is het chemische stoffenbeleid geregeld in REACH Verordening (EG) 1907/2006. Onderdeel van REACH is Bijlage XVII waarin stoffen worden opgenomen waarvoor restricties gelden. In Bijlage XVII is de stof dichloormethaan of methyleenchloride (DCM) opgenomen waarvoor voor het overgrote deel een verbod geldt voor het verhandelen en gebruik van deze stof in verfafbijtmiddelen. Bijlage XVII schrijft ook voor dat EU lidstaten via een uitzonderingsclausule onder strikte voorwaarden het gebruik van DCM-houdende verfafbijtmiddelen langer mogen toestaan. Dit onderzoek had als doel de noodzaak na te gaan of Nederland gebruik zou willen maken van deze uitzonderingsclausule op basis van argumenten die door de Nederlandse ondernemersorganisatie voor de schilders-, onderhouds-, metaalconserveringsen glasbranche (FOSAG) naar voren zijn gebracht. Op basis van dit onderzoek kan worden geconcludeerd dat er voor de FOSAG aangevoerde toepassingen alternatieve verfverwijderingsmethoden beschikbaar zijn. Deze alternatieve methoden maken gebruik van DCM-vrije verfafbijtmiddelen al dan niet in combinatie met een reinigingsmiddel. Het gebruik van deze alternatieven vergt echter wel een andere benadering waarvan een andere logistiek de voornaamste is.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Identifying potential POP and PBT substances : Development of a new Persistence/Bioaccumulation-score | RIVM

Het RIVM heeft van een zeer groot aantal stoffen de schadelijkheid bekeken. Hiervoor is een methodiek ontwikkeld waarmee kan worden onderzocht in welke mate deze stoffen in het milieu worden afgebroken dan wel zich in organismen ophopen. De resultaten zijn een eerste stap om stoffen te selecteren die vanwege hun chemische karakter gevaarlijk lijken te zijn. Nader onderzoek zal nodig zijn naar de mate waarin deze stoffen in de praktijk afbreken en/of ophopen. Deze informatie is nodig om geselecteerde stoffen via de REACH-verordening of het Stockholm-verdrag voor te kunnen dragen als Persistente Bioaccumulerende en Toxische (PBT) stoffen en Persistente Organische Verbindingen (POP). Als stoffen eenmaal aangemerkt zijn als POP en/of PBT zal dat leiden tot beperkingen of een verbod op de productie en het gebruik van deze stoffen. REACH (Registration, Evaluation and Authorisation of CHemicals) is de Europese wetgeving voor gevaarlijke stoffen die sinds 2007 van kracht is om de risico's van chemische stoffen in kaart te brengen en te beperken. Het internationale Verdrag van Stockholm, dat in werking trad in mei 2004, streeft ernaar de aanwezigheid van POP's in de wereld te elimineren of te beperken. In veel gevallen is de schadelijkheid van stoffen die later als POP en/of PBT zijn aangemerkt pas aan het licht gekomen nadat wetenschappers gealarmeerd werden door onderzoeksresultaten van monitoring studies van deze stoffen. Tegenwoordig wordt van de meeste stoffen standaard bekeken hoe schadelijk ze zijn voordat ze op de markt worden gebracht. Van een groot aantal stoffen is de schadelijkheid echter nog niet vastgesteld, omdat in het verleden minder strenge eisen werden gesteld toen ze op de markt werden gebracht, of omdat het om zeer beperkte marktvolumes gaat. De nieuw ontwikkelde Persistentie en Bioaccumulatie Score, zoals gepresenteerd in dit rapport, kan een belangrijke rol spelen in een snelle screening van deze stoffen waarvan nog weinig of geen gegevens bekend zijn.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Emission of chemical substances from solid matrices : A method for consumer exposure assessment | RIVM

Het RIVM heeft in opdracht van de nieuwe Voedsel en Waren Autoriteit (nVWA) een model ontwikkeld en beschreven waarmee de blootstellingschatting voor stoffen die uit vaste materialen vrijkomen, wordt verbeterd. Een dergelijke methode ontbreekt momenteel voor de blootstellingschatting van stoffen uit consumentenproducten. Het voorgestelde model beoogt vooral de blootstellingschatting voor biociden uit producten die met dergelijke ongediertebestrijdingsmiddelen zijn behandeld ('treated articles') te verbeteren, maar kan veel algemener worden toegepast. Om het model te kunnen gebruiken, zijn gegevens over parameters nodig, zoals de snelheid waarmee de stof zich in het materiaal verplaatst (diffusiecoefficient), de vluchtigheid van de stof uit het materiaal (materiaal lucht partitiecoefficient) en hoe snel het van het oppervlak van het materiaal de lucht in wordt getransporteerd (massatransfercoefficiënt). Voor deze parameters zijn in de literatuur waarden verzameld. Voor de gevallen waarin gegevens ontbreken, worden methoden voorgesteld om ze te schatten. Van deze methoden is de nauwkeurigheid overigens beperkt. Naast deze gegevens over parameters is een belangrijke voorwaarde voor bruikbaarheid van het model dat de beginconcentratie van de stof in de matrix bekend is. Behalve voor toepassing in de risicobeoordeling voor stoffen en biociden kan het model ook worden gebruikt om gangbare methoden voor blootstellingschattingen, die bijvoorbeeld voor REACH worden gebruikt, te evalueren. Daarnaast kan het worden gebruikt om alternatieve methoden te ontwikkelen waarmee snelle inschattingen kunnen worden gemaakt, zoals die bijvoorbeeld nodig zijn voor REACH. Het model is geimplementeerd in een computerprogramma dat openbaar beschikbaar is (via www.consexpo.nl ). Om de bruikbaarheid van de ontwikkelde methode te vergroten, wordt aanbevolen om de database met modelparametergegevens uit te breiden met gegevens over veelvoorkomende stoffen en producten.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Industriele grondwaterwinningen en de Kaderrichtlijn Water | RIVM

De Europese Kaderrichtlijn Water bevat doelstellingen om bronnen van water voor menselijke consumptie veilig te stellen. Deze doelstellingen gelden niet alleen voor de openbare drinkwatervoorziening, maar voor alle toepassingen waarbij het onttrokken water direct voor consumptie wordt gebruikt. Voorbeelden hiervan zijn de productie van bier, frisdrank en groenteconserven. In dit rapport vergelijkt het RIVM de KRW-doelstellingen met het huidige grondwaterbeschermings- en productenbeleid van Nederland. Op basis van deze analyse heeft het RIVM een overzicht opgesteld van welke maatregelen de betrokken partijen (Rijk, provincies) nog zouden moeten treffen om aan de KRW-doelstellingen te voldoen. Zo zullen provincies de kwaliteitsrisico's rondom deze winningen in beeld moeten brengen om eventueel benodigde maatregelen te kunnen treffen.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Progress in the Modelling of Critical Thresholds and Dynamic Modelling, including Impacts on Vegetation in Europe : CCE Status Report 2010 | RIVM

Wat weten we over de relatie tussen stikstofdepositie en biodiversiteit? Dit rapport laat zien hoe de huidige kennis het Europese luchtbeleid op dit terrein kan ondersteunen. In Europa staat de biodiversiteit onder druk door onder andere een te hoge stikstofdepositie. De opstellers gaan in op de invloed van stikstofdepositie op de bodem en relevante chemische bodemprocessen. De bodem heeft invloed op de diversiteit van plantensoorten. Het kwantificeren van het verlies aan biodiversiteit zoals dat in dit rapport staat ondersteunt het Europese milieubeleid. Voorts beschrijft het rapport de effecten van de verschillende scenario's die zijn opgesteld om emissies terug te brengen. Het gaat om het reduceren van emissies voor verzuring, vermesting en zware metalen. Deze emissies zijn destijds internationaal vastgelegd in protocollen (LRTAP Conventie Gotenburg, 1999, en Aarhus, 1998). De scenario's zijn gemaakt door het Coordination Centre for Effects (CCE) in samenwerking met haar internationale partners. Deze scenario's geven inzicht in de effecten van luchtverontreiniging op de gezondheid en het milieu. Inzichten die zowel door de verenigde naties als de Europese commissie worden gebruikt voor haar beleid.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Two non-consecutive 24h recalls using EPIC-Soft software are sufficiently valid for comparing protein and potassium intake between five European centres - Results from the European Food Consumption Validation (EFCOVAL) study | RIVM

Two non-consecutive 24h recalls using EPIC-Soft software are sufficiently valid for comparing protein and potassium intake between five European centres - Results from the European Food Consumption Validation (EFCOVAL) study | RIVM
Jaar: 2011 Onderzoek

Ammonia exchange measurements over a corn field in Lelystad, the Netherlands in 2009 | RIVM

Ammoniak in de buitenlucht is in Nederland voor het merendeel (90%) afkomstig van agrarische activiteiten. De emissies worden in beeld gebracht en gerapporteerd als de officiele emissiecijfers onder regie van de EmissieRegistratie. Uit de analyse en duiding van het ammoniakgat is naar voren gekomen dat er nog ontbrekende emissieposten bestaan (van Pul et al., 2008). Een van die posten is de emissie van landbouwgewassen die voornamelijk plaatsvindt bij hogere temperaturen en tijdens het afrijpen (afsterven) van het gewas. De onzekerheid in deze emissies is echter vrij groot. In dit rapport wordt verslag gedaan van emissiemetingen van ammoniak boven een snijmaisveld in Lelystad in 2009. Door omstandigheden (diefstal van computers halverwege de meetperiode) zijn een groot deel van de relevante metingen verloren gegaan. In dit rapport wordt daarom voornamelijk de gebruikte techniek uitgelegd en vastgelegd en een interpretatie van de overgebleven metingen gegeven. De resultaten laten zien dat de metingen met de twee DOAS systemen (Differentiele Optische Absorptie Spectroscopie) nauwkeurig en stabiel genoeg zijn om de uitwisseling van ammoniak aan het oppervlak te kunnen meten. De ammoniakuitwisselingsmetingen boven het snijmaisveld in Lelystad laten zien dat de snijmaisplanten over het algemeen 's nachts ammoniak opnemen. De snijmaisplanten en de kale grond stoten ook ammoniak uit, dit vooral op warme en zonnige dagen tijdens de groeiperiode. Er zijn echter nauwelijks afrijpingsemissies waargenomen, waarschijnlijk omdat de metingen in de daarvoor interessante periode verloren zijn gegaan door de inbraak en omdat het gewas relatief vroeg is geoogst, waardoor het afrijpingsproces nog niet begonnen was.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Risk factors for food allergy | RIVM

Het is niet duidelijk welke externe factoren het risico op voedselallergie kunnen verhogen. Het is daarom niet mogelijk om wetenschappelijk onderbouwde aanbevelingen op te stellen om het risico op voedselallergie te verlagen. Dit blijkt uit een literatuurstudie van het RIVM. Er zijn aanwijzingen dat voedselallergie steeds vaker voorkomt. Deze toename kan niet verklaard worden door genetische veranderingen en wordt waarschijnlijk veroorzaakt door veranderde blootstelling aan externe factoren, zoals wijzigingen in ons dieet of van onze levensstijl. Om aanbevelingen op te kunnen stellen om het risico op voedselallergie te verlagen is het belangrijk om inzicht te krijgen in externe factoren die van invloed zijn op voedselallergie. Voedselallergie komt voor bij 2 tot 6% van de kinderen en 2 tot 3% van de volwassenen. Deze aandoening heeft een negatieve invloed op de kwaliteit van leven. Door per ongeluk producten te eten die het allergeen bevatten dat iemand niet verdraagt kunnen zelfs levensbedreigende symptomen ontstaan. In deze literatuurstudie is gezocht naar de invloed van ziekteverwekkers, giftige stoffen, voeding en levensstijl op voedselallergie. Voor het merendeel van deze factoren blijken te weinig studies te zijn uitgevoerd of spreken de resultaten uit studies elkaar tegen. Er is beperkt bewijs dat inname van visoliesupplementen gedurende de zwangerschap het risico op ei-allergie verlaagt, maar deze bevindingen moeten in grotere klinische studies worden bevestigd. Daarnaast zijn er aanwijzingen dat het uitstellen van de introductie van voedselallergenen in het dieet van baby's tot na de leeftijd van zes maanden een mogelijke risicofactor is. Momenteel loopt er een aantal klinische studies om deze aanwijzingen verder wetenschappelijk te onderbouwen.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Towards better health : The Dutch 2010 Public Health Status and Forecasts Report | RIVM

Met de volksgezondheid in Nederland gaat het redelijk goed. Zo is de levensverwachting van Nederlanders de laatste jaren toegenomen. Toch bevat deze Volksgezondheid Toekomst Verkenning geen pleidooi om in het volksgezondheidbeleid gas terug te nemen. Integendeel. De verkenning leert dat investeren in gezondheid mogelijk en wenselijk blijft, en voor de Nederlandse economie zelfs onontbeerlijk. De VTV 2010 bevat en analyseert een schat aan gegevens over de gezondheid van Nederlanders en de inspanningen om die te bevorderen. Het zet op een rij wat is bereikt en wat er dankzij lopend beleid de komende jaren verwacht mag worden. Bovenal laat deze verkenning zien dat Nederland kan en moet blijven investeren in de gezondheid van burgers. Omdat gezondheid een groot goed is, maar ook omdat een vergrijzende economie gezonde burgers broodnodig heeft. Dit rapport beschrijft de belangrijkste ontwikkelingen op het terrein van de Nederlandse volksgezondheid en is gebaseerd op informatie uit de vier deelrapporten. De VTV wordt gemaakt door het RIVM en verschijnt eens in de vier jaar.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

De nationale Werkgroep Grondwater 2010 : Jaarverslag | RIVM

De nationale Werkgroep Grondwater heeft zich in 2010 gericht op het leggen van verbanden tussen beleidsvelden waarin kennis- of beleidsvragen over grondwater spelen. De werkgroep werkt sinds 2003 aan een goede implementatie van het grondwatergedeelte van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW). In 2010 is zij zich meer dan voorheen bezig gaan houden met relaties tussen de KRW-implementatie en ontwikkelingen in beleidsvelden zoals Natura2000, het Deltaplan en het Convenant Bodem. Hierbij spelen niet alleen kennisvragen maar juist ook beleidsvragen en vragen van meer strategische aard. Dit briefrapport geeft een overzicht van de werkzaamheden van de nationale Werkgroep Grondwater in 2010 en biedt een vooruitblik van haar werkzaamheden in 2011 en verder. In deze werkgroep werken de ministeries, provincies, waterschappen, gemeenten en onderzoeksinstituten samen aan de implementatie van het grondwatergedeelte van de Kaderrichtlijn Water en de Grondwater Dochterrichtlijn. Dit overzicht kan dienen als naslagwerk voor diegenen die in 2010 betrokken zijn geweest bij de Werkgroep Grondwater en als introductie voor diegenen die in 2011 aan de slag gaan met activiteiten die aan de onderwerpen van de werkgroep raken.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Fatty acids measured in plasma and erythrocyte-membrane phospholipids and derived by food-frequency questionnaire and the risk of new-onset type 2 diabetes: a pilot study in the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition (EPIC)-Norfolk c | RIVM

Fatty acids measured in plasma and erythrocyte-membrane phospholipids and derived by food-frequency questionnaire and the risk of new-onset type 2 diabetes: a pilot study in the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition (EPIC)-Norfolk c | RIVM
Jaar: 2011 Onderzoek

Dietary intake of polybrominated diphenyl ethers in the Netherlands based on concentration data collected in 2004, 2006 and 2008 | RIVM

In consumentenproducten zoals kleding en elektronica, zitten vlamvertragers die via het milieu in voedsel terecht kunnen komen. Voorbeelden hiervan zijn polygebromeerde difenylethers (PBDE's). Van twee PBDE's (PBDE-99 en -100) lijkt de inname tussen 2004 en 2008 te zijn gestegen. De voorlopige limietwaarde, die alleen voor PBDE-99 beschikbaar is, is in de onderzochte jaren overschreden. De kennis over de gezondheidseffecten van PBDE's is echter beperkt. Daarom wordt aanbevolen om de concentraties in voeding structureel te monitoren totdat ze zijn verminderd. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM in samenwerking met de Voedsel en Waren Autoriteit. Hiervoor zijn de concentraties van meerdere PBDE's in voedingsmiddelen in Nederland in 2004, 2006 en 2008 gemeten. Daarmee is aangetoond dat vier PBDE's in voeding aanwezig zijn: PBDE-47, -99, -100 en -209. De hoogste concentraties van deze vier zijn waargenomen in vette vis en schaaldieren. PBDE-209 is alleen gemeten in 2008 en in alle onderzochte voedingscategorieën zijn relatief hoge concentraties aangetroffen. Op basis van de gemeten concentraties is berekend hoeveel van deze stoffen mensen gedurende hun leven via voeding binnenkrijgen. De inname van PBDE-47 lijkt niet te zijn toegenomen tussen 2004 en 2008. De inname van PBDE-100 is in 2004 en 2006 gelijk gebleven, maar is hoger in 2008. De inname van PBDE-99 is verdubbeld in 2006 ten opzichte van 2004, en wat hoger in 2008. Omdat gezondheidsrisico's van PBDE's niet uit te sluiten zijn bij de huidige innameniveaus, blijft voorzichtigheid geboden met het gebruik van vlamvertragers. Met het oog hierop wordt aanbevolen om de limietwaarden van PBDE-47, -100 en -209 vast te stellen, zodat de risico's in kaart kunnen worden gebracht.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Bijwerken van de karakterisering van grondwaterlichamen | RIVM

Verwachten we dat de milieudoelstellingen uit de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) worden gehaald? Om de zes jaar staat deze vraag centraal tijdens het bijwerken van de karakterisering van waterlichamen. Hoe deze vraag kan worden beantwoord voor grondwaterlichamen is uitgewerkt in dit rapport. Het bijwerken van de karakterisering bestaat uit diverse acties, die verschillende partijen vaak samen dienen uit te voeren. Bijvoorbeeld provincies en waterbeheerders dienen samen te onderzoeken of er chemische stoffen via het grondwater de oppervlaktewaterkwaliteit negatief beïnvloeden. In dit rapport staat wat, wanneer, waarom, door welke partijen moet worden gedaan om het bijwerken van de karakterisering adequaat uit te voeren.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Staat van zoonosen 2009 | RIVM

De Staat van zoonosen 2009 geeft een overzicht van de trends in het voorkomen bij mens en dier van verschillende zoonosen. De cijfers zijn gebaseerd op de data die jaarlijks gemeld worden aan de Europese Commissie, in het kader van Directive 2003/99/EC, over de monitoring van zoonosen en zoonotische agentia. Dit betreft de meldingsplichtige zoonosen. Bovendien wordt er in dit rapport aandacht besteed aan een aantal opmerkelijke voorvallen betreffende zoonosen bij mens of dier, zoals bijvoorbeeld koepokken bij kittens en parasieten in kikkerbillen. Het themahoofdstuk gaat over vectoren; geleedpotige overbrengers van infectieziekten.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Tijdsduren in de ambulancezorg : Analyse van spoedinzetten in 2009 | RIVM

In de spoedeisende ambulancezorg wordt een groot aantal patienten na behandeling ter plaatse vervoerd naar een spoedeisende hulpafdeling van een ziekenhuis. De gemiddelde tijdsduur vanaf het moment van melding tot het bezorgen in het ziekenhuis, de afhandeltijd, bedroeg in 2009 ruim 41 minuten. Gemiddeld genomen was de ambulance binnen 10 minuten ter plaatse van het incident en duurde de behandeling 20 minuten. Het vervoer naar het ziekenhuis duurde gemiddeld ruim 12 minuten. In die gevallen dat de afhandeltijd meer dan 45 minuten was, had dit vrijwel altijd te maken met een lange behandeltijd. Een lange behandeltijd kan noodzakelijk zijn op medisch-inhoudelijke gronden, maar er lijken ook regionale verschillen in het aansturen van ambulances mee te spelen. Spoedeisende inzetten aangevraagd door verloskundigen worden gemiddeld 12% sneller afgehandeld dan andere inzetten. In de periode 2006-2009 is de gemiddelde afhandeltijd in Nederland met ruim een minuut. Dat is een groei van gemiddeld 1,9% per jaar.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

A model for comparing occupational health and safety | RIVM

Werknemers kunnen op hun werk blootgesteld worden aan verschillende risico's, zoals blootstelling aan schadelijke stoffen, fysieke belasting en ongevallen. De risico's van deze verschillende blootstellingen worden tot nu toe onafhankelijk van elkaar berekend en beoordeeld. Het blijkt haalbaar een model te ontwikkelen dat deze verschillende risico's op gelijke wijze berekent en daarmee vergelijkbaar maakt. Dit blijkt uit deze haalbaarheidsstudie van het RIVM in samenwerking met een consortium van deskundigen van de Universiteit Utrecht - IRAS, TNO - Kwaliteit van Leven, Erasmus Universiteit Rotterdam, White Queen B.V. en Y. Papazoglou in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. In de haalbaarheidsstudie is voor enkele beroepen in de bouwnijverheid een model ontwikkeld waarmee verschillende blootstellingen vergeleken kunnen worden. Het model berekent de ziektelast van het optreden van silicose en longkanker (ten gevolge van de blootstelling aan silica), lage rugklachten (ten gevolge van het tillen van zware lasten) en sterfte en letsel (ten gevolge van ongevallen). Als maat is de DALY gebruikt, waarmee de verschillende ziektes vergelijkbaar zijn gemaakt. De werking van het model is zo gedemonstreerd voor enkele beroepen en enkele ziektes. De eerste berekeningen met een pilotversie van het OHIA-model laten zien dat voor drie van de vier geselecteerde beroepen de ziektelast, uitgedrukt in DALY, ten gevolge van blootstelling aan silica een orde van grootte groter is dan de ziektelast ten gevolge van het tillen van zware voorwerpen en arbeidsgerelateerde incidenten, terwijl voor de timmerman de bijdragen van de drie blootstellingen vergelijkbaar zijn. Uit het model volgt ook dat de dynamiek van de verschillende blootstellingen heel anders is: het optreden van rugklachten en ongevallen gebeurt alleen tijdens het werkzame leven, terwijl bijvoorbeeld longkanker ten gevolge van silica-blootstelling voor een belangrijk deel pas na het werkzame leven gebeurt. Ook blijkt dat belangrijke informatie nog ontbreekt, en er nog grote onzekerheden zijn. Uit de haalbaarheidsstudie blijkt dat het mogelijk is te komen tot een geintegreerd model voor arbeidsveiligheid en -gezondheid. Hiermee is een perspectief ontwikkeld voor een model waarmee inzicht wordt verkregen in de sectoren en arbeidsomstandigheden die leiden tot de grootste ziektelast en waar de grootste verbeteringen mogelijk zijn. Hiermee kan de beleidsinzet beter worden geprioriteerd en verbeterprogramma's gerichter worden ingezet. De studie geeft ook inzicht in welke modelverbeteringen nog nodig zijn om te komen tot een praktisch toepasbaar model.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Grondwaterputten in het stedelijk gebied : Inventarisatie in Amsterdam-Utrecht-DenHaag-Rotterdam | RIVM

Binnen de gemeentegrenzen van Amsterdam, Utrecht, Den Haag en Rotterdam zijn honderden grondwaterputten aanwezig. Een deel daarvan kan mogelijk gebruikt worden om het bestaande meetnet grondwaterkwaliteit voor de Kaderrichtlijn Water (KRW) uit te breiden. De geïnventariseerde grondwaterputten worden momenteel gebruikt om de grondwaterkwaliteit en/of de grondwaterkwantiteit te bepalen. Gemeten wordt op diepten (filterdiepten) die variëren van net onder het maaiveld tot tientallen meters daaronder. Dit blijkt uit een inventarisatie door het RIVM van de grondwaterputten in de vier grote steden, in opdracht van het ministerie van VROM. De putten voor grondwaterkwaliteit zijn in beginsel geschikt voor het KRW-meetnet grondwaterkwaliteit. Of de putten voor grondwaterkwantiteit daarvoor inzetbaar zijn hangt onder andere af van de staat van onderhoud, de gebruikte constructie en materialen. Deze geschiktheid kon tijdens deze inventarisatie nog niet voor alle putten worden vastgesteld. Hiervoor wordt een vervolgonderzoek aanbevolen. De geïnventariseerde grondwaterputten worden beheerd door gemeenten, provincies, het Rijk, TNO en enkele waterschappen. Het meetnet grondwaterkwaliteit voor de KRW is nu opgebouwd uit grondwaterputten van het Landelijk Meetnet Grondwaterkwaliteit en de Provinciale Meetnetten Grondwaterkwaliteit met filterdiepten van 10 en 25 meter onder het maaiveld. In het stedelijk gebied hebben deze meetnetten weinig grondwaterputten, waardoor het KRW-meetnet mogelijk niet representatief is.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

De Doetinchem Cohort Studie 4e ronde 2003-2007 : Onderzoek naar volksgezondheid en veroudering | RIVM

Vierde ronde Doetinchem Cohort Studie succes door trouwe deelnemers. Het aantal rokers is de afgelopen decennia afgenomen en het aantal mensen met overgewicht toegenomen. Dit blijkt uit de vierde onderzoeksronde van het langdurige gezondheidsonderzoek 'de Doetinchem Cohort Studie' die is uitgevoerd in de periode 2003-2007. De eerste onderzoeksronde van deze studie vond plaats in de periode 1987-1991 bij mannen en vrouwen van 20 tot en met 59 jaar uit Doetinchem en omgeving. Sindsdien is elke vijf jaar gemeten hoe het staat met de leefgewoonten, chronische ziekten en de biologische risicofactoren voor ziekten. Deze gegevens vormen een belangrijke bron voor het huidige en toekomstige RIVM-onderzoek naar volksgezondheid en veroudering. Ook laten gegevens van dit cohort zien dat gezond bewegen geen vast gegeven is: rond de 50% van de deelnemers voldoet aan de Nederlandse Norm Gezond Bewegen, maar dat percentage blijkt niet steeds dezelfde mensen te omvatten. Bijna de helft van de mensen verandert in een periode van tien jaar namelijk van actief naar inactief gedrag, en andersom. Verder blijkt dat rokers een slechtere cognitieve functie hebben dan niet-rokers en bovendien gaat de cognitieve functie sneller achteruit bij rokers. Mensen met diabetes hebben een slechtere cognitieve functie dan mensen zonder diabetes. Deelname aan de vierde ronde van de Doetinchem Cohort Studie betekende: twee vragenlijsten invullen en een lichamelijk onderzoek op de GGD Gelre IJssel ondergaan. Met de vragenlijsten werden gegevens verzameld over leefgewoonten, chronische aandoeningen, de kwaliteit van leven en achtergrondkenmerken zoals beroep en het hebben van kinderen. Voor het lichamelijk onderzoek zijn lengte en gewicht, bloeddruk, longfunctie en het cognitief functioneren gemeten. Ook is bloed afgenomen voor diverse bepalingen, zoals het serum cholesterolgehalte en glucosegehalte. De respons onder de deelnemers blijft onverminderd groot: bijna 80% heeft meegedaan aan de vierde meetronde. Een dergelijke hoge respons is een belangrijke succesfactor voor cohort onderzoek zoals de Doetinchem Cohort Studie.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Standpunt versterken samenwerking JGZ en Bureau Jeugdzorg | RIVM

Het Centrum Jeugdgezondheid van het RIVM heeft het Standpunt Samenwerking jeugdgezondheidszorg (JGZ) en bureau jeugdzorg (BJZ) uitgebracht. De samenwerking tussen deze twee instanties is namelijk onvoldoende, zo blijkt uit onderzoek van 'Partners in Jeugdbeleid', dat in opdracht van het RIVM is uitgevoerd. JGZ en BJZ moeten investeren in samenwerken om kinderen met opvoed- en opgroeiproblemen zo goed mogelijk te kunnen helpen. Vijf punten moeten verbeterd worden: de bekendheid met elkaars taken en rollen, de informatieoverdracht van JGZ naar BJZ en de terugkoppeling vanuit BJZ naar JGZ, de afspraken op het gebied van zorgcoördinatie en de samenwerking rond gezinnen met meervoudige problematiek. In het standpunt wordt aanbevolen dat een JGZ-organisatie en een Bureau Jeugdzorg een Convenant sluiten over de manier waarop zij samen aan de vijf genoemde te verbeteren punten werken. Daarnaast staat daarin hoe zij handelen indien de gemaakte afspraken niet worden nagekomen. Afspraken zullen ook regelmatig geevalueerd en bijgesteld moeten worden om naar een goede samenwerking toe te kunnen groeien. Verder wordt aanbevolen de landelijke informatiebank van Centrum Jeugdgezondheid in overleg met GGD Nederland, Actiz en de MOgroep Jeugdzorg uit te breiden met voorbeelden van convenanten en van samenwerking. Ook wordt aanbevolen dat het Nederlands Centrum Jeugdgezondheid (NCJ, de opvolger van het Centrum Jeugdgezondheid van het RIVM) samen met GGD Nederland, Actiz en de MOgroep Jeugdzorg bijeenkomsten organiseert om kennis, ervaringen en materialen met andere regio's uit te wisselen.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Programma Klimaat en Gezondheid van ZonMw : Nut en noodzaak voor politiek Den Haag | RIVM

Bij beleidsmakers bestaat nog veel onduidelijkheid over de omvang van mogelijke gezondheidseffecten van klimaatverandering. Daarom kunnen zij de urgentie van het thema niet goed overzien en hebben zij het niet hoog op hun beleidsagenda staan. Het thema is wel opgepakt binnen het zogenoemde Deltaprogramma (bij het onderdeel Nieuwbouw & herstructurering), dat is ingesteld om Nederland voor te bereiden op de gevolgen van klimaatverandering. Een voorbeeld hiervan zijn de maatregelen om in steden extra sterfte tijdens hittegolven tegen te gaan. Dit blijkt uit een inventarisatie van het RIVM bij vier ministeries van wat zij doen om de gezondheidseffecten van klimaatverandering aan te pakken. Volgens het instituut is onderzoek nodig naar de omvang van dergelijke gezondheidseffecten om het thema op de beleidsagenda te krijgen en eventuele maatregelen om effecten tegen te gaan te kunnen motiveren. Daarnaast blijkt dat het kennisprogramma 'Klimaat en Gezondheid' dat ZonMw heeft ontwikkeld mogelijkheden biedt om de benodigde kennis te genereren voor interdepartementale beleidsontwikkeling, zoals het Deltaprogramma. Het RIVM heeft dit onderzoek gedaan in opdracht van ZonMw, om het kennisprogramma 'Klimaat en Gezondheid' beter aan te laten sluiten bij beleid. Hiervoor is gesproken met beleidsmakers van de ministeries van Infrastructuur en Milieu (IenM), Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS), Economie, Landbouw en Innovatie (ELI), en Onderwijs, Wetenschap en Cultuur (OCW). De behoefte aan kennis kwam in grote lijnen overeen en raakte aan bestaande beleidsthema's als 'ruimtelijke ordening' en 'gezonde leefomgeving', welke ook terugkomen in het Deltaprogramma. In de nabije toekomst zal ZonMw beleidsmakers vragen een besluit te nemen over de inhoud en inrichting van het kennisprogramma.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Evaluatie en actualisatie protocol gebiedsdossiers | RIVM

Het RIVM heeft het protocol voor gebiedsdossiers waterwinning bijgewerkt op basis van de ervaringen die provincies, waterbeheerders, gemeenten en drinkwaterbedrijven hiermee hebben opgedaan. Het Rijk zet dit instrument in als ondersteuning van het beleid waarmee de winning voor de drinkwatervoorziening wordt beschermd. Het Rijk vult daarmee ook de doelstellingen van de Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) voor drinkwater in. In de eerste helft van 2010 zijn onder regie van het ministerie van VROM (thans ministerie van Infrastructuur en Milieu) landelijke afspraken gemaakt over het invoeren van gebiedsdossiers. Een van de gemaakte afspraken is dat het bestaande protocol wordt geactualiseerd en verfijnd. Zo wordt in het herziene protocol onderscheid gemaakt naar de aard van de grondstof (grondwater-, oppervlaktewater of oevergrondwaterwinning) om daarmee samenhangende problematiek aan te kunnen pakken. Gebiedsdossiers bevatten informatie die van belang is voor de kwaliteit van het grond- of oppervlaktewater dat wordt gewonnen voor de productie van drinkwater. De dossiers worden onder regie van de provincie opgesteld in samenwerking met alle partijen die bij de waterwinning zijn betrokken (waterbeheerders, gemeenten en drinkwaterbedrijven). Op basis van deze informatie worden mogelijke beschermingsmaatregelen ontwikkeld en in het dossier opgenomen. Deze maatregelen zijn erop gericht om verontreiniging te voorkomen (preventief beleid) en acute risico's te beheersen. Vervolgens nemen de betrokken partijen, op basis van deze informatie, een besluit over de daadwerkelijk uit te voeren maatregelen.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Terugdringen van gezondheidsachterstanden door gemeentelijk beleid : Een literatuurverkenning naar effectiviteit van fysieke en sociale omgevingsmaatregelen | RIVM

Gemeentelijke maatregelen op het gebied van groen in de wijk, het binnenmilieu van woningen, veiligheid, geluid van verkeer, luchtverontreiniging, sociale cohesie en sociale steun kunnen de gezondheidsachterstanden van mensen uit lagere sociaaleconomische klassen verminderen. De literatuur levert voldoende bewijs dat deze omgevingskenmerken geschikte aanknopingspunten zijn voor maatregelen om gezondheidsachterstanden te verminderen. Onderzoek toont namelijk dat genoemde omgevingskenmerken tussen hogere en lagere sociaaleconomische klassen verschillen en dat ze samenhangen met gezondheid. Dit blijkt uit een literatuurverkenning van het RIVM naar de mogelijkheden om sociaaleconomische gezondheidsachterstanden terug te dringen door lokale maatregelen in de fysieke en sociale omgeving. De gezondheid van mensen met een lage sociaaleconomische status (SES) is over het algemeen slechter dan de gezondheid van mensen met een hogere SES. Deels wordt dit verklaard door de ongezondere fysieke en sociale omgeving waarin mensen met een lage SES leven. Over effecten van concrete omgevingsmaatregelen om gezondheidsachterstanden te verminderen, zijn geen studies gevonden met hoge bewijskracht, zoals reviews of RCT's (gerandomiseerde gecontroleerde studies). Er zijn studies met hoge bewijskracht gevonden die aantonen dat betere warmte- en energiesystemen in huis, verkeersvertragende maatregelen, betere straatverlichting en opvoedingsondersteuning de gezondheid bevorderen. Deze maatregelen dragen dus positief bij aan de gezondheid van de algemene bevolking, maar de invloed op vermindering van gezondheidsachterstanden is niet onderzocht. De volgende maatregelen zijn wel specifiek bij achterstandsgroepen onderzocht maar de studies hebben geen hoge bewijskracht: verkeersmaatregelen (verkeersvrije gebieden, wandelroutes en een veilige schoolroute voor kinderen in de vorm van een 'Walking School Bus') en het inrichten van ontmoetingsplekken. Hieruit komt naar voren dat deze maatregelen lichaamsbeweging respectievelijk sociale cohesie kunnen bevorderen.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Communicatie over bodemverontreiniging en -sanering : Lokale en provinciale handelswijzen nader bekeken | RIVM

In het huidige bodembeleid worden lijsten opgesteld met zogenoemde spoedlocaties die voor 2015 gesaneerd dienen te worden. Deze lijsten worden openbaar gemaakt. Als gevolg van deze lijsten en de daadwerkelijke sanering van spoedlocaties zou op het lokale niveau bezorgdheid over bodemverontreiniging en -sanering kunnen ontstaan. Uit bevolkingsonderzoek met vragenlijsten blijkt dat burgers relatief ongerust zijn over bodemverontreiniging en -sanering. Onrust onder de bevolking is onwenselijk, aangezien het ministerie van Infrastructuur en Milieu haar bodembeleid wil verschuiven naar het beheren van verontreinigde grond in plaats van het uitvoeren van saneringen met hoge kosten. De invoering van het nieuwe bodemsaneringsbeleid is dus ten dele afhankelijk van de bezorgdheid over bodemverontreiniging en -sanering op het lokale niveau en de wijze waarop er door betrokken ambtenaren over de risico's van bodemverontreiniging en -sanering gecommuniceerd wordt. Het RIVM is daarom gevraagd te onderzoeken hoe groot de bezorgdheid over bodemverontreiniging op het lokale niveau is en te inventariseren op welke wijze lokale en provinciale verantwoordelijken over het risico bodemverontreiniging en -sanering communiceren. Het onderzoek brengt ten eerste de huidige aanpak betreffende risicocommunicatie over bodemverontreiniging in kaart in vijf provincies en zeventien gemeenten in Nederland. Daarnaast is voor in totaal tien van deze provincies en gemeenten de bezorgdheid en communicatie bij een specifiek geval van bodemverontreiniging nader bestudeerd. Deze situaties verschilden in de fase van de sanering (gesaneerd, in de planfase of besloten niet te saneren). De resultaten laten zien dat er een grote varieteit is in de aanpak van risicocommunicatie en dat in feitelijke situaties de mate van bezorgdheid over het algemeen matig tot laag is. Ondanks deze beperkte bezorgdheid is proactieve en gecoördineerde risicocommunicatie zinvol, omdat het gepercipieerde risico van bodemverontreiniging vatbaar blijkt te zijn voor sociale amplificatie (uitvergroting). Daarnaast moeten, met betrekking tot het nieuwe bodembeleid, de criteria waarop men beslist over de wijze van de communicatie veranderen.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Recente ontwikkelingen in diabetesscreening | RIVM

Risicoprofilering is een belangrijk ontwikkelgebied binnen diabetesscreening. Hierbij wordt voorafgaand aan de screening een hoogrisico groep geselecteerd aan de hand van een maat voor overgewicht, diabetesrisicovragenlijsten of bloedbepalingen. Dit blijkt uit het onderzoek van het RIVM naar nationale en internationale ontwikkelingen die screening op diabetes type 2 mogelijk effectiever maken. Diabetesrisicovragenlijsten zijn de beste optie voor risicoprofilering, omdat zij goed onderscheid maken tussen mensen met en zonder een hoog risico op diabetes (goede testeigenschappen). Er zijn veel varianten van deze vragenlijsten en scores in omloop. Bijna allemaal bevatten ze in ieder geval vragen over leeftijd, geslacht, overgewicht en familiegeschiedenis van diabetes. Daarnaast wordt veel verwacht van tests waarbij geen bloed hoeft te worden afgenomen, maar waarbij bijvoorbeeld een huidtest wordt gedaan. Er is nog weinig informatie over deze tests, maar er zijn aanwijzingen dat een aantal van deze tests goed onderscheid kan maken tussen mensen met en zonder diabetes en weinig tijd kost. Meer onderzoek is echter nodig voordat een van deze tests kan worden aanbevolen. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het ministerie van VWS. De Nederlandse regering heeft besloten om geen landelijk bevolkingsonderzoek naar diabetes op te zetten, nadat de Gezondheidsraad dat in 2004 heeft afgeraden. Screening die alleen op diabetes is gericht, lijkt niet toekomstbestendig. In Groot-Brittannië en de Verenigde Staten wordt namelijk al aanbevolen om deze screening te combineren met een screening naar hart- en vaatziekten. Ook in Nederland zijn veelbelovende initiatieven om de preventie van en screening naar diabetes, hart- en vaatziekten en nierziekten te combineren.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

'Diagnostic delay' bij kanker en diabetes : Een verkenning van begrippen en kennislacunes | RIVM

Kanker en diabetes worden relatief vaak in een laat ziektestadium opgespoord, terwijl vroegere detectie tot een (veel) betere prognose leidt. Onderzoek naar de oorzaken van 'diagnostic delay' bij deze aandoeningen is daarom zinvol. De specifieke vormen van 'diagnostic delay' die bij screening kunnen optreden zijn in geringe mate aanwezig in de Nederlandse bevolkingsonderzoeken. Dit blijkt uit het verkennende onderzoek dat het RIVM heeft verricht om te bekijken in welke mate 'delay' voorkomt bij de diagnose van kanker en diabetes. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het ministerie van VWS, omdat over 'delay' weinig bekend is. Het RIVM heeft begrippen gedefinieerd en kennislacunes geïnventariseerd. 'Delay' wordt in het onderzoek gedefinieerd als een te vermijden late behandeling van ziekte. Een belangrijke factor daarvoor is vertraging voorafgaand aan de diagnose ('diagnostic delay'). Om de kennislacunes uit deze studie op te vullen is het van belang om in kaart te brengen bij welke (groepen) mensen vaak sprake is van late detectie van kanker en diabetes. Daarnaast is het belangrijk om inzicht te krijgen in de termijn tussen een positieve screentest en de diagnostische test binnen het landelijke bevolkingsonderzoek borstkanker.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Relatie bodemverontreiniging en gezondheid : Wat zijn de mogelijkheden om de gezondheidsrisico's door bodemverontreiniging te kwantificeren? | RIVM

De bestaande normstelling voor bodemverontreiniging is een geschikt instrument om aan te geven wanneer gezondheidsrisico's verwaarloosbaar zijn. De benadering is echter ongeschikt om de omvang van eventuele schadelijke gezondheidseffecten als gevolg van bodemverontreiniging kwantitatief te schatten. Dit kan gewenst zijn voor het onderbouwen van beleidsbeslissingen ten aanzien van bodemverontreinigingen waarmee de leefomgeving kan worden verbeterd, voor het beantwoorden van vragen over de (volks)gezondheid na calamiteiten, of voor het evalueren van bodemsaneringen. Het RIVM heeft geinventariseerd welke mogelijkheden er op dit moment zijn om gezondheidseffecten van een bodemverontreiniging te kunnen kwantificeren. Hieruit zijn de volgende drie aanbevelingen voortgekomen, waarvan de laatste twee ook bruikbaar zijn voor vragen over de impact van andere 'stressoren' dan bodemverontreiniging op de gezondheid. Ten eerste is inzicht in de aard en omvang van bodemverontreiniging nodig, wat van veel locaties waarvan wordt vermoed dat de bodem is verontreinigd niet bekend is. Op lokaal niveau dient een bodemonderzoek zich te richten op kwantitatieve metingen van de verontreiniging. Voor grotere gebieden kan gebruik gemaakt worden van (bestaande) modellen waarmee de aard en omvang van bodemverontreiniging kan worden geschat. Een voorwaarde daarvoor is dat gegevens worden bijgehouden en dat informatie over contaminantconcentraties wordt toegevoegd. Ten tweede is het nodig goed in te schatten aan welke hoeveelheid van een stof mensen worden blootgesteld en wat de variabiliteit in blootstelling tussen mensen is. Dat kan bijvoorbeeld door de berekening van de blootstelling te baseren op de activiteiten die een (virtuele) groep mensen op een bepaalde verontreinigde locatie verrichten. Daarnaast kunnen de huidige blootstellingsberekeningen worden verfijnd met concrete metingen in contactmedia (huisstof, gewas, lucht, drinkwater), zodat er minder aannames nodig zijn. Ook kan het soms nuttig zijn metingen bij mensen te doen (bijvoorbeeld lood in bloed of cadmium in urine) om een beter beeld te krijgen van de mate van blootstelling aan de stof. Ten derde is een vertaling nodig van de blootstelling aan een stof naar het mogelijke effect ervan op de gezondheid. Het is daarbij belangrijk de relatie tussen een blootstelling en een biologisch relevant effect vast te stellen, en tevens een beeld wordt verkregen van de variabiliteit van de tolerantie ten aanzien van de stressor.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

General surveillance for effects of GM crops on the soil ecosystem | RIVM

Het RIVM heeft onderzocht welke indicatoren het meest geschikt zijn om onverwachte effecten van genetisch gemodificeerde (GM) gewassen op de bodem aan te geven. Daaruit blijkt dat een beperkt aantal processen en organismen dat iets kan zeggen over de gesteldheid van de bodem wordt beinvloed door GM-gewassen. Processen als het gehalte aan organisch stof en de mate waarin dat wordt afgebroken, de aanwezigheid van een bepaalde groep aaltjes en bodemschimmels kunnen daardoor als indicator worden gebruikt. Europese regelgeving stelt General Surveillance (GS), een nog te ontwikkelen systeem om het milieu te monitoren, verplicht als GM-gewassen tot de markt worden toegelaten. Het is echter nog niet duidelijk hoe een dergelijk General Surveillance systeem dient te worden opgezet en welke indicatoren het beste kunnen worden gekozen. Om geschikte indicatoren voor de bodem te vinden zijn in de literatuur de effecten van GMgewassen op het bodemsysteem onderzocht. De gerapporteerde effecten bleken vaak beperkt en van korte duur. Bovendien kan niet worden beoordeeld of deze effecten negatief zijn. In alle gevallen bleken de effecten van de gewone landbouwpraktijk, zoals ploegen en andere gewassoorten op de bodem telen, groter dan de effecten van GM-gewassen. Op basis van deze bevindingen zijn de bovengenoemde indicatoren voor de bodem aanbevolen voor General Surveillance.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Scientific opinion on the development of specific protection goal options for environmental risk assessment of pesticides, in particular in relation to the revision of the Guidance Documents on Aquatic and Terrestrial Ecotoxicology (SANCO/3268/2001 and SA | RIVM

Scientific opinion on the development of specific protection goal options for environmental risk assessment of pesticides, in particular in relation to the revision of the Guidance Documents on Aquatic and Terrestrial Ecotoxicology (SANCO/3268/2001 and SA | RIVM
Jaar: 2011 Onderzoek

Mogelijke bijwerkingen binnen het Rijksvaccinatie Programma in Nederland : Meldingen in 2009 | RIVM

In 2009 heeft de bijwerkingenbewaking van het Rijksvaccinatieprogramma (RVP) 1647 meldingen ontvangen, een toename van 28 procent ten opzicht van 2008. Dit aantal is exclusief de meldingen van de inhaalcampagne tegen infectie met het Humaan Papilloma Virus (HPV) en de vaccinatiecampagne tegen nieuwe Influenza A (H1N1). Over de veiligheid van deze campagnes wordt elders gerapporteerd. De oorzaak van de toename van het totale aantal meldingen is een groter aantal meldingen van lokale reacties en koorts na de herhalings-DKTP die kinderen op vierjarige leeftijd krijgen. Van alle meldingen werd 81 procent beoordeeld als bijwerking van een vaccinatie. Bij 19 procent van de meldingen waren de verschijnselen geen gevolg van een vaccinatie maar een toevallige samenloop van gebeurtenissen. Bij 38 procent van alle meldingen ging het om heftige verschijnselen, vooral zeer hoge koorts, langdurig huilen, wegrakingen, verkleurde benen, koortsstuipen en atypische aanvallen met rillerigheid, schrikschokken en gespannenheid of juist een heel slappe houding. De ernstige infecties die zijn gerapporteerd hadden geen relatie met de vaccinaties, net als de meldingen van epilepsie en hersenontsteking. Bij alle negen meldingen van overleden kinderen zijn de vaccinaties daar niet de oorzaak van geweest. Dit blijkt uit de jaarlijkse rapportage van de bijwerkingenbewaking van het RVP in 2009. Dit jaar werden, net als in 2008, voor het RVP bijna 7 miljoen vaccincomponenten toegediend in de vorm van 1,4 miljoen prikken. In dat licht bezien is een aantal van 1647 meldingen (in 81 procent van de gevallen als bijwerking geduid) klein te noemen. Daarnaast zijn de gesignaleerde bijwerkingen medisch gezien niet gevaarlijk, hoewel ze soms voor omstanders beangstigend kunnen zijn. Ze zijn van voorbijgaande aard en leiden niet tot blijvende gevolgen. De grote gezondheidswinst die het RVP oplevert, weegt op tegen de bijwerkingen. Het RVP bestaat sinds 1957 en wordt sinds 1962 intensief bewaakt. Dat gebeurt in de vorm van een zogeheten gestimuleerd spontaan meldsysteem, aangevuld met andere vormen van onderzoek naar bijwerkingen. Dit meldsysteem blijkt een goed instrument om signalen over mogelijke bijwerkingen op te pikken. Het systeem is bovendien zodanig ingericht dat gegevens te achterhalen zijn, wat vervolgonderzoek mogelijk maakt. In Nederland is de meldgraad van vermoede bijwerkingen hoog, onder andere doordat consultatiebureaus in hoge mate bereid zijn om bijwerkingen door te geven. Heftige en zeldzame reacties worden in bijna alle gevallen gemeld.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Surveillance of work-related infectious diseases : Analysis of work-related infectious diseases in the Netherlands in 2009 | RIVM

Het aantal registraties van infectieziekten die Nederlanders tijdens hun werk oplopen is in 2009 laag, een tot twee procent van het totale aantal geregistreerde infectieziekten. Dit aantal is echter niet volledig. Dat komt gedeeltelijk omdat de arbeidsrelatie vaak niet wordt geregistreerd, en deels omdat de locatie van de infectiebron vaak als 'onbekend' wordt geregistreerd (in Osiris). Ten opzichte van voorgaande jaren is een lichte stijging waarneembaar. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM, in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW). SZW wil de kennis over arbeidsgerelateerde infectieziekten vergroten en doorgeven aan werkgevers, werknemers en arbodienstverleners, zodat zij maatregelen kunnen nemen. Voor het onderzoek zijn de twee belangrijkste Nederlandse registratiesystemen van infectieziekten/ziekten geanalyseerd: Osiris en de beroepsziektenregistratie van het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten (NCvB). In 2009 zijn in Osiris en bij het NCvB een vergelijkbaar aantal arbeidsgerelateerde infectieziekten gemeld, namelijk 154 en 155. Voor beide systemen is dit een lichte toename ten opzichte van voorgaande jaren. Bij registratie in Osiris worden vragen gesteld aan de patiënt over de opgelopen infectieziekte. Sinds augustus 2009 is de Osiris-vragenlijst aangevuld met extra vragen over blootstelling van werknemers aan infectieziekten tijdens het werk. Dit levert informatie op over de relatie tussen branches/beroepen, werkzaamheden en soorten infectieziekten. In Osiris, dat wordt beheerd door het RIVM, melden GGD'en de meldingsplichtige infectieziekten. De meeste meldingen zijn van arbeidsgerelateerde infectieziekten opgelopen door mensen die voor hun werk in het buitenland verblijven. Q-koorts is echter de voornaamste veroorzaker van de toename van het aantal arbeidsgerelateerde meldingen in Osiris. Daarnaast hebben ook malaria en hepatitis B een belangrijk aandeel. Bij het NCvB melden bedrijfs- en verzekeringsartsen infectieziekten. Zij melden hoofdzakelijk werknemers die een infectieziekte hebben opgelopen tijdens het werk in de gezondheidszorg of na contact met dieren. Infectieziekten die het meest worden gemeld bij het NCvB zijn darminfecties, huidinfecties en Q-koorts.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Klachten en kwalen bij kinderen in Nederland : Omvang en gevolgen geinventariseerd | RIVM

In dit rapport is geinventariseerd welke langdurige ziekten, klachten en gezondheidsproblemen bij kinderen (0-18 jaar) veel voorkomen. Voor eczeem, astma, hooikoorts, allergie, hoofdpijn, vermoeidheid, slaapproblemen, rugklachten, depressieve klachten, hyperactiviteit en ADHD, buikpijn, obstipatie en overgewicht is in kaart gebracht hoe vaak deze aandoeningen voorkomen en wat de gevolgen ervan zijn voor het dagelijks leven van kinderen. Dit rapport borduurt voort op eerder onderzoek, waaruit blijkt dat in Nederland een op de vijf kinderen een chronische aandoening heeft. Veel voorkomende chronische aandoeningen waarvoor jonge kinderen (tot 11 jaar) het vaakst bij de huisarts komen, zijn astma, eczeem, buikpijn en obstipatie. Oudere kinderen komen het vaakst voor astma, hoofdpijn/migraine, vermoeidheid, rugklachten en buikpijn. Per jaar komt zo'n 2%-5% van de kinderen met één van deze aandoeningen bij de huisarts. Kinderen gaan echter niet altijd naar de huisarts. Het aantal kinderen dat in vragenlijsten klachten zoals hoofdpijn/migraine en langdurige vermoeidheid meldt, is vele malen groter dan het aantal dat ermee bij de huisarts komt. In sommige studies rapporteert meer dan de helft van de tienermeisjes zulke =malaiseklachten'. Ook buikpijn, hooikoorts, slaapproblemen, depressieve klachten en overgewicht komen aanzienlijk meer voor dan registraties van huisartsen laten zien. Over de gevolgen van de verschillende aandoeningen schiet de huidige kennis tekort. Twee tot drie procent van alle kinderen wordt door een chronische aandoening in sterke mate belemmerd bij het uitvoeren van dagelijkse bezigheden. Studies rapporteren uiteenlopende problemen, waaronder combinaties van lichamelijke en psychische klachten, verminderde kwaliteit van leven en schoolverzuim. Hoewel honderdduizenden kinderen last hebben van de onderzochte aandoeningen, hebben we echter onvoldoende kennis om te kunnen beoordelen in welke mate ze de ontwikkeling, de maatschappelijke participatie en dus de toekomst van kinderen beinvloeden.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid : LMM-Jaarrapport 2006 | RIVM

De kwaliteit van het bovenste grondwater (recente neerslagoverschot) op landbouwbedrijven is in 2006 licht verbeterd ten opzichte van het jaar ervoor. Het aantal bedrijven in de zand-/lossregio met een gemiddelde nitraatconcentratie beneden de Europese norm van 50 milligram per liter is in 2006, vergeleken met 2005, met bijna 10 procent toegenomen. In de klei- en de veenregio is in 2006 het aantal overschrijdingen vrijwel gelijk aan 2005. Dit blijkt uit gegevens van het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM). Het LMM is opgezet om de ontwikkeling in de kwaliteit van het water op landbouwbedrijven te beschrijven en te verklaren in relatie tot beleidsmaatregelen en de landbouwpraktijk. De waterkwaliteit wordt hiervoor gekoppeld aan de landbouwpraktijk in het voorafgaande jaar. Het LEI en het RIVM beheren het meetnet. Op melkveebedrijven is de stikstofbemesting, evenals het stikstofbodemoverschot sinds de jaren negentig van de vorige eeuw fors gedaald. Na 2000 is deze dalende trend afgevlakt. Op akkerbouwbedrijven is de dalende trend minder duidelijk. In 2005 varieerde de totale stikstofbemesting, afhankelijk van bedrijfstype en grondsoort van gemiddeld 198 tot 424 kg/ha en de fosfaatbemesting van 85 tot 125 kg/ha. De aanvoer van stikstof en fosfaat naar de bodem blijft nog steeds groter dan de afvoer: het gemiddelde stikstofbodemoverschot varieerde van 105 tot 188 kg/ha voor verschillende combinaties van bedrijfstype en grondsoort. Voor fosfaat lag dat tussen 23 en 44 kg/ha. De nitraatconcentratie in het bovenste grondwater onder landbouwbedrijven daalt eveneens sinds de jaren negentig. Desondanks bleek deze concentratie in 2006 nog op 51 procent van de onderzochte bedrijven hoger te zijn dan de Europese norm. De meeste overschrijdingen zijn aangetroffen bij bedrijven in de zand-/lossregio (59 procent). Bij bedrijven in de kleiregio en in de veenregio zijn aanzienlijk minder overschrijdingen aangetoond (respectievelijk 39 en 0 procent).
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

A comparison of the old and new wet-only samplers of the Dutch National Precipitation Chemistry Monitoring Network | RIVM

Regenvangers meten in regenwater zowel verzurende (zwavel) als vermestende (stikstof) stoffen en zware metalen. Uit onderzoek van het RIVM blijkt dat oude en nieuwe regenwatervangers nagenoeg dezelfde hoeveelheden stoffen in regenwater meten. Hierdoor zijn voor verzurende en stikstofhoudende stoffen data over langere tijd beschikbaar (langjarige tijdreeksen), waarmee het effect van beleidsmaatregelen kan worden gemonitord. De concentraties van de zware metalen komen minder goed overeen: voor lood, cadmium en koper worden met de nieuwe regenwatervangers lagere concentraties gemeten. Deze afwijkingen zijn echter dermate gering dat de data van de oude regenvangers wel voor langjarige tijdreeksen kunnen worden gebruikt. Voor lood is dit niet altijd het geval. Vooral op station De Zilk is de geconstateerde sprong in de langjarige tijdreeks hiervoor te groot. In januari 2006 zijn de oude regenvangers uit eind jaren tachtig van de vorige eeuw van het Landelijk Meetnet Regenwatersamenstelling vervangen door nieuwe. Het RIVM heeft de metingen met de nieuwe apparatuur in 2004-2006 uitgevoerd en vergeleken met de resultaten van de oude regenvangers uit deze zelfde periode. Uit een nadere beschouwing van het verschil in de gemeten concentraties voor lood en cadmium is geen expliciete verklaring gekomen. De lagere resultaten van de nieuwe apparatuur lijken wel plausibeler. Ze komen onder meer beter overeen met metingen van deze stoffen in regenwater in de ons direct omliggende landen.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Groepsgeluidbelasting Gden/Gnight : Toepassingsmogelijkheden luchtvaartgeluid | RIVM

Dit rapport gaat in op toepassingsmogelijkheden van integrale geluidindicatoren Gden en Gnight bij monitoring en handhaving van de geluidbelasting rondom luchthavens. Gden en Gnight zijn eengetalsgeluidmaten die de gezamenlijke geluidbelasting van een populatie uitdrukken voor respectievelijk het gehele etmaal en specifiek de nachtperiode. Er wordt ingegaan op de relatie met geluidsschade, hinderbeleving en slaapverstoring binnen de populatie. Tevens is gekeken naar de te verwachten jaarlijkse variaties afhankelijk van wisselende verkeerssituaties. Gebleken is dat Gden en Gnight goede correlatie vertoont met geluidsschade, hinderbeleving en slaapverstoring. Een nauwkeurige prognose op basis van Gden/Gnight van deze laatste aspecten die geheel overeenstemt met daarvoor bekende dosis-responsrelaties is echter niet mogelijk. Jaarlijkse variaties in de groepsgeluidbelasting Gden en Gnight onder gelijkblijvende verkeersaantallen zijn relatief beperkt. Daarmee lijken deze indicatoren minder gevoelig voor wisselende meteorologische omstandigheden en bieden mogelijk ook aanknopingspunten in het kader van een transparant handhavingsbeleid rondom luchthavens. Vanwege dit perspectief is het aan te bevelen om deze nieuwe indicatoren mee te nemen in het tweejarige proeftraject 'Vliegen volgens afspraak' dat recent van start is gegaan.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

Effecten van leefstijlinterventies gericht op lagere sociaaleconomische groepen | RIVM

Op vrijwel alle fronten is de gezondheid van mensen met een lage sociaaleconomische status slechter dan die van mensen met een hogere sociaaleconomische status. Zo leven laagopgeleide Nederlanders zes tot zeven jaar korter dan hoogopgeleide Nederlanders. Het kabinet werkt eraan om deze verschillen te verkleinen, bijvoorbeeld door de inzet van leefstijlinterventies gericht op het verbeteren van de relatief ongezonde leefstijl van lageropgeleiden. Onderzoek van het RIVM laat echter zien dat er specifiek voor lagere sociaaleconomische groepen nog geen leefstijlinterventies bestaan waarvan is bewezen dat ze effect hebben. Om sociaaleconomische gezondheidsverschillen te verkleinen, is het nodig het aanbod van effectieve interventies gericht op lagere sociaaleconomische groepen te vergroten en verbeteren. Voor het onderzoek, dat in opdracht van het ministerie van VWS is uitgevoerd, heeft het RIVM leefstijlinterventies voor lagere sociaaleconomische groepen in kaart gebracht die gemeenten zouden kunnen inzetten om de gezondheid van deze groepen te verbeteren. Hierbij is de aandacht specifiek gericht op roken, alcoholgebruik, actieve leefstijl, overgewicht, diabetes en depressie. Voorbeelden zijn: het bevorderen van lichaamsbeweging op vmbo-scholen en cursussen voor Turken en Marokkanen om depressieve klachten te verminderen. Van slechts achttien van de onderzochte leefstijlinterventies was een effectevaluatie beschikbaar (geen over roken, een over alcohol, zeven over overgewicht, vijf over actieve leefstijl, vier over depressie en een over diabetes). Van geen enkele interventie is echter bewezen dat deze de leefstijl of gezondheid van lagere sociaaleconomische groepen effectief verbetert. Enkele interventies laten gunstige effecten zien op het gedrag of de gezondheid van deelnemers. Dit geldt voor drie interventies gericht op overgewicht, drie op depressie en vier op actieve leefstijl. De evaluaties waarmee deze effecten zijn aangetoond hebben echter een te lage bewijskracht om het predikaat 'bewezen effectief' te krijgen.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

De kwaliteit van het drinkwater in Nederland in 2009 : | RIVM

Het drinkwater in Nederland was in 2009 van goede kwaliteit. Bij minder dan 20 procent van de productielocaties is een norm overschreden. In geen geval vormde dat een bedreiging voor de volksgezondheid. Dit blijkt uit het jaarrapport 'De drinkwaterkwaliteit in Nederland in 2009' dat RIVM in opdracht van de VROM-Inspectie heeft opgesteld. In dit rapport worden de resultaten van de meetprogramma's van de drinkwaterbedrijven op hoofdlijnen weergegeven. Zij leefden de wettelijke voorschriften voor de controle op de drinkwaterkwaliteit goed na. De VROM-Inspectie is verantwoordelijk voor de handhaving van de Waterleidingwet, waarin normen zijn opgesteld voor de aanwezigheid van micro-organismen en chemische stoffen in het drinkwater. De Inspectie is verplicht de resultaten te rapporteren aan de minister en het parlement. Het RIVM beheert de gegevens en stelt het rapport op. Het aantal drinkwaterpompstations (33 = 16 procent) waar in 2009 een norm is overschreden, is aanmerkelijk lager dan in 2008. Een groot deel van de normoverschrijdingen was eenmalig en betrof stoffen, gerelateerd aan de bedrijfsvoering, die geen betekenis hebben voor de volksgezondheid. Het gaat dan om overschrijdingen van bijvoorbeeld troebeling, ijzer en mangaan. De norm voor bestrijdingsmiddelen is voor twee middelen op hetzelfde pompstation overschreden. Bij een drinkwaterpompstation is de indicator voor besmetting met pathogene micro-organismen eenmalig aangetoond. In het distributienet zijn deze indicatoren veel vaker aangetoond. In alle gevallen zijn de bacterien in de herhalingsmonsters niet meer aangetroffen. De aanwezigheid van legionellabacterien wordt getoetst als het drinkwater het pompstation verlaat en in de distributiegebieden. In de monsters in het distributienet zijn op 23 locaties legionellabacterien aangetoond en slechts tweemaal in het drinkwater dat het pompstation verlaat. Het is mogelijk dat tijdens werkzaamheden aan het distributienet het drinkwater met bacterien besmet kan raken. In 40 gevallen is de bewoners van de nabijgelegen woningen geadviseerd het drinkwater voor gebruik te koken.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1

The fifteenth CRL-Salmonella workshop : 27 June 2010, Saint Malo, France | RIVM

In dit rapport zijn de verslagen gebundeld van de presentaties die op 27 juni 2010 zijn gehouden tijdens de vijftiende jaarlijkse workshop voor de Europese Nationale Referentie Laboratoria (NRL's) voor de bacterie Salmonella. Tijdens de workshop heeft het overkoepelende orgaan, het Communautair Referentie Laboratorium (CRL) Salmonella,informatie uitgewisseld met de NRL's. Een belangrijk onderdeel daarvan is de presentatie van de resultaten van de jaarlijks terugkerende ringonderzoeken van het CRL waarmee de kwaliteit van de NRLlaboratoria wordt gemeten. De resultaten hiervan worden ook in aparte RIVM-rapporten weergegeven. Een van de verslagen betreft het rapport van de European Food Safety Authority (EFSA) van 2008 over zoonosen, oftewel ziekten die van dieren op mensen kunnen overgaan. Dit rapport geeft een overzicht van de aantallen en types zoonotische organismen. Hieruit blijkt onder meer dat de ziekte die door Salmonella wordt veroorzaakt na de ziekte die de bacterie Campylobacter veroorzaakt, de zoonose is die in de Europese Unie het vaakst worden gerapporteerd. Verder bevat het rapport een overzicht van de jaarlijkse zogeheten baselinestudies voor Salmonella die tot 2009 zijn uitgevoerd. Hierin is per deelnemend land vastgesteld hoeveel Salmonella voorkomt bij de diverse categorieen pluimvee en varkens. In 2005 is dit onderzoek gedaan bij leghennen, in 2006 bij vleeskuikens, in 2007 bij kalkoenen en slachtvarkens en in 2008 bij fokvarkens en vleeskuikenkarkassen. De organisatie van de workshop is in handen van het CRL voor Salmonella, dat onderdeel is van het RIVM. De hoofdtaak van het CRLSalmonella referentielaboratoria voor deze bacterie in Europa. De workshop vond plaats in Saint Malo, Frankrijk, aansluitend bij het vierjaarlijkse internationale congres over Salmonella dat daar werd gehouden.
Jaar: 2011 Onderzoek Documenten: 1