In search of healthy aging | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Attention for Lyme prevention | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Environmental exposure modeling of nanoparticles | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
On the use of food supplements: Potential adverse effects | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Optimizing meningococcal vaccination strategies in adolescents | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Developing solution-focused sustainability assessments | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Alternative sources of Legionella bacteria | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Biotic interactions and trait-based ecosystem functioning in soil | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Report on the Scientific Basis of Tobacco Product Regulation: Sixth Report of a WHO Study Group | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Cigarette design features: effects on emission levels, user perception, and behavior | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Population-level impact, herd immunity, and elimination after human papillomavirus vaccination: a systematic review and meta-analysis of predictions from transmission-dynamic models | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
DNA fingerprinting of Mycobacterium TB: A rich source of fundamental and daily applicable knowledge | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Repeat Chlamydia trachomatis testing among heterosexual STI outpatient clinic visitors in the Netherlands: a longitudinal study | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Prevention of hospital infections by intervention and training (PROHIBIT): results of a pan-European cluster-randomized multicentre study to reduce central venous catheter-related bloodstream infections. | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Temporal associations between national outbreaks of meningococcal serogroup W and C disease in the Netherlands and England: an observational cohort study | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Consequences of restricted STI testing for young heterosexuals in the Netherlands on test costs and QALY losses | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
An exploration of socio-economic and food characteristics of high trans fatty acid consumers in the Dutch and UK national surveys after voluntary product reformulation | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Developing a policy game intervention to enhance collaboration in public health policymaking in three European countries | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Partner notification and partner treatment for chlamydia: attitude and practice of general practitioners in the Netherlands; a landscape analysis | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Estimates of global seasonal influenza-associated respiratory mortality: a modelling study | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
E-cigarette and waterpipe use in two adolescent cohorts: cross-sectional and longitudinal associations with conventional cigarette smoking | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Health literacy skills for informed decision making in colorectal cancer screening: Perceptions of screening invitees and experts | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Dietary cumulative acute risk assessment of organophosphorus, carbamates and pyrethroids insecticides for the Brazilian population | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Siglec-1 inhibits RSV-induced interferon gamma production by adult T cells in contrast to newborn T cells | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Soil and land use research in Europe: Lessons learned from INSPIRATION bottom-up strategic research agenda setting | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
The effects of exit from work on health across different socioeconomic groups: A systematic literature review | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Wereldwijd worden jaarlijks naar schatting 125 miljoen mensen blootgesteld aan asbest op de werkplek. Jaarlijks sterven wereldwijd ruim 107.000 mensen aan asbestgerelateerde ziekten zoals buikvlies- of borstvlieskanker (mesothelioom), longkanker en stoflongen (asbestose). Hoewel het sinds 1993 in Nederland verboden is om asbest te verwerken of in voorraad te houden, staan mensen er nog steeds aan bloot. Dat komt onder andere doordat het asbest dat in het verleden is gebruikt, nog steeds aanwezig is, bijvoorbeeld in oude gebouwen. Blootstelling aan asbestvezels kunnen we onderverdelen in werkgerelateerde blootstelling en blootstelling via de omgeving. Het RIVM heeft voor Nederland vier mogelijke toekomstscenario's berekend voor het aantal mensen dat mesothelioom en asbestlongkanker kan krijgen. De piek in het aantal mensen dat mesothelioom krijgt, ligt achter ons. In totaal zullen er in de periode 2017-2050 nog zo'n 9.000 tot 12.200 nieuwe gevallen bijkomen. Het nog te verwachten aantal nieuwe gevallen van werkgerelateerde asbestlongkanker wordt voor de periode 2017-2050, afhankelijk van het scenario, geschat op 5.300 tot 10.200. De gezondheidseffecten van asbestblootstelling zijn bijna 25 jaar na het verbod op asbest nog steeds zichtbaar. Tot 2050 zullen in Nederland in totaal nog zo'n 15.800 personen gediagnosticeerd worden met een van de asbestziekten en hieraan overlijden.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
In Nederland was tussen 2007 en 2010 een grote epidemie van Q- koorts. Bij ongeveer twee op de 100 patiënten die Q-koorts hebben doorgemaakt blijft de bacterie in het lichaam aanwezig. Dit kan na maanden of jaren een ernstige ziekte veroorzaken, namelijk chronische Q-koorts. Chronische Q-koorts komt vooral voor bij mensen met specifieke hart- en vaataandoeningen of met een verzwakt immuunsysteem. Als het op tijd wordt opgemerkt, kunnen deze personen worden behandeld met een antibioticakuur die ten minste anderhalf jaar moet duren. Diverse maatschappelijke groepen hebben gevraagd om een bevolkingsonderzoek op te zetten zodat mensen op tijd kunnen worden opgespoord en behandeld vóórdat ze chronisch ziek worden. Het RIVM heeft onderzocht of een dergelijk bevolkingsonderzoek kosteneffectief is. Dat is het geval voor de genoemde risicogroepen (mensen met een specifieke hart- of vaataandoening of een verzwakt immuunsysteem) die in een gebied wonen waar tijdens de epidemie Q-koorts voorkwam. Het screenen van ouderen of volwassenen zonder risicofactor voor chronische Q-koorts is niet kosteneffectief. In dit onderzoek is gekeken wat het kost en oplevert om chronische Q- koorts op te sporen bij verschillende groepen mensen. Bij dit soort analyses wordt gerekend met de eenheid 'levensjaar in goede gezondheid', meestal aangeduid met de Engelse afkorting 'QALY' (Quality-Adjusted Life Year). Met deze maat kan het effect van verschillende behandelingen of preventieve ingrepen met elkaar worden vergeleken. In de berekeningen wordt gekeken naar kosten (zoals die voor het onderzoek zelf en voor behandeling) en baten (zoals gezondheidswinst, minder mensen met ernstige complicaties en benodigde behandelingen). Het eindresultaat is het aantal euro's dat het kost om één QALY te winnen. Dit wordt vervolgens afgewogen tegen een bedrag tot aan waar het programma als kosteneffectief wordt gezien. Een screening om patiënten vroegtijdig op te sporen, kan ook nadelen hebben. Zo kan onterecht de diagnose chronische Q-koorts worden gesteld. Ook kan het soms onduidelijk zijn of het zinvol is om een behandeling te starten of niet. Verder kan het, behalve veel onrust, voor lichamelijke schadelijke effecten zorgen, zoals bijwerkingen van langdurig gebruik van antibiotica.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Need for clean water and recirculation to reduce emissions of plant protection products from soilless cultivation | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Governance conditions for improving quality drinking water resources: the need for enhancing connectivity | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Impact of water chemistry on the behavior and fate of copper nanoparticles | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Neighbourhood social and physical environment and general practitioner assessed morbidity. | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
In de zomer van 2017 is maatschappelijke zorg ontstaan vanwege de vondst van fipronil in eieren als gevolg van illegaal gebruik. Hierdoor is onder andere de vraag gerezen of werknemers in stallen die met fipronil zijn behandeld aan deze stof zijn blootgesteld. Zowel tijdens normale werkzaamheden, zoals eieren rapen, als tijdens intensieve werkzaamheden in de vrije-uitloopstallen blijkt de blootstelling laag. In een stal met kooihuisvesting kan bij intensieve werkzaamheden, dat wil zeggen gedurende 4 uur huidcontact met materialen in de stal, de norm voor werknemers worden overschreden. Het is niet waarschijnlijk dat dit vaak heeft plaatsgevonden. Dit blijkt uit onderzoek dat het RIVM heeft uitgevoerd. Hiervoor zijn concentraties fipronil in en rondom 12 pluimveestallen bepaald. Op basis daarvan is de blootstelling aan fipronil geschat van mensen die werken in en rondom met stallen die met fipronil zijn behandeld. Voor de analyses heeft het RIVM in veeg-, stof-en mestmonsters het gehalte fipronil bepaald. De blootstelling aan fipronil vindt voornamelijk plaats doordat werknemers via de huid in contact kunnen komen met materialen in de stal en in mindere mate met kippenmest. Inademing van fipronil via stof draagt niet veel bij aan de blootstelling. In dit onderzoek is het eten van besmette eieren niet meegenomen, noch de blootstelling door contact met de kippen zelf. Van de 12 onderzochte stallen zijn er 11 behandeld met fipronil. De stal waar geen fipronil was gebruikt diende als controle. Een van de behandelde stallen was een kooihuisvesting, de rest van de stallen waren scharrel/vrije-uitloopstallen. Eén van de behandelde stallen was al schoongemaakt voordat de metingen werden uitgevoerd. In alle stallen zijn sporen van fipronil gevonden. Ook in de controlestal bleken sporen van fipronil aanwezig. Hoe dat mogelijk is, is niet onderzocht.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Rapid assessment of stakeholder concerns about public health. an introduction to a fast and inexpensive approach applied on health concerns about intensive animal production systems | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Validation of ISO method 15216 part 1 - Quantification of hepatitis A virus and norovirus in food matrices. | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
De pneumokok is de belangrijkste veroorzaker van ernstige infecties als longontsteking, bloedvergiftiging en hersenvliesontsteking. Deze infecties komen het meest voor bij ouderen en bij kinderen onder de vijf jaar. Bij ouderen is longontsteking verreweg de belangrijkste ziekte. In Nederland krijgen ongeveer 10.000 patiënten per jaar een ernstige pneumokokkeninfectie en hebben vooral ouderen een hoge kans om hieraan te overlijden (10 tot 15 procent). Het ministerie van VWS heeft de Gezondheidsraad gevraagd een advies uit te brengen over pneumokokkenvaccinatie om de ziektelast van pneumokokkenziekte bij ouderen te verminderen. Daartoe heeft het RIVM de momenteel beschikbare wetenschappelijke informatie over deze ziekte bijeengebracht. Het gaat onder meer om het aantal mensen dat ziek wordt van pneumokokken in Nederland, en de effectiviteit en veiligheid van verschillende pneumokokkenvaccins bij kinderen en ouderen. Er zijn twee pneumokokkenvaccins geregistreerd voor ouderen; een vaccin dat tegen dertien typen beschermt en een vaccin tegen 23 typen. Sinds 2006 worden zuigelingen binnen het Rijksvaccinatieprogramma (RVP) gevaccineerd tegen pneumokokkenziekte. De vaccinatie richtte zich eerst tegen zeven typen en sinds 2011 tegen tien typen. Door deze vaccinatie is pneumokokkenziekte bij kinderen sterk afgenomen. Vaccinatie van kinderen heeft ook invloed op de mate waarin pneumokokkentypen bij ouderen voorkomen. Hierdoor is het aantal ouderen dat ziek wordt van typen waartegen kinderen worden gevaccineerd, afgenomen. Het aantal zieke ouderen door typen pneumokken die niet zijn opgenomen in het vaccin voor kinderen, is echter toegenomen. Hierdoor is het aantal zieke ouderen nog steeds hoog.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Applicability of the fish embryo acute toxicity (FET) test (OECD 236) in the regulatory context of reach. | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Identifying the source of food-borne disease outbreaks: An application of Bayesian variable selection. | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Impact of prediagnostic smoking and smoking cessation on colorectal cancer prognosis: a meta-analysis of individual patient data from cohorts within the CHANCES consortium. | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Antibiotic resistance and the risk of recurrent bacteremia. | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Dissipative particle dynamic simulation experimental assessment of the impacts of humic substances on aqueous aggregation and dispersion of engineered nanoparticles | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Differences by sex in IgG levels following infant and childhood vaccinations: An individual participant data meta-analysis of vaccination studies | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
De zorg voor de kwaliteit van het grondwater valt nu onder de Wet bodembescherming, maar gaat in de toekomst deel uitmaken van de Omgevingswet. Vanwege deze overgang worden de regels voor het beheer van de grondwaterkwaliteit op termijn herzien. Het RIVM presenteert daarom een aantal opties voor de herziening van het beoordelingskader. Ze zijn bedoeld als inhoudelijke bijdrage voor discussie en voor toekomstige besluitvorming. De opties betreffen een actualisatie en vereenvoudiging van het normenkader en de aansluiting bij de doelen en verplichtingen van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW). Ook is geconstateerd dat de stoffenlijsten voor normen van aanpalende milieudomeinen, zoals voor bodem en oppervlaktewater, onderling verschillen en meer synergie daarin gewenst is. Een belangrijke optie is om meer aandacht te geven aan de beoordeling van de kwaliteit van grondwater in de gebieden waar drinkwater wordt gewonnen. Onderdeel van de voorgestelde kwaliteitsbeoordeling is het model GRADE (Groundwater Risk Assessment near Drinking water Extractions) dat het risico van een verontreiniging voor de winning van drinkwater berekent. Dit model is momenteel in ontwikkeling en houdt rekening met de kwaliteitseisen die aan de winning van grondwater worden gesteld en de mate waarin stoffen worden verdund en afgebroken in het grondwater. Dit kan een oplossing bieden voor de huidige problematiek in grondwaterbeschermingsgebieden, die wordt veroorzaakt door het verschil tussen normen voor grondwater nabij winningen en normen voor de aanpak van grondwaterverontreiniging vanuit bodembeheer. Aanbevolen wordt om de verschillende opties samen met de betrokken overheden uit te werken en het GRADE-model verder te ontwikkelen en te valideren.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Voor het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM) is het van belang om te weten welke effecten veranderingen in de bedrijfsvoering van landbouwbedrijven hebben op de hoeveelheid nitraat in de bovenste grondwaterlaag onder het bedrijf. Het RIVM heeft het model dat wordt gebruikt om effecten van deze veranderingen op de nitraatconcentratie te kunnen bepalen geactualiseerd. Daardoor zijn de uitkomsten betrouwbaarder. De concentraties nitraat in het bovenste grondwater worden niet alleen door de bedrijfsvoering beïnvloed, maar ook door de hoeveelheid neerslag en wijzigingen in de groep landbouwbedrijven die aan het LMM deelneemt. Hierdoor is de invloed van de bedrijfsvoering op de gemeten concentraties lastig te herleiden. Met het vernieuwde model is het mogelijk om deze twee invloeden eruit te filteren. De daarmee verkregen waarden worden de gestandaardiseerde nitraatconcentraties genoemd, die beter de gevolgen van veranderingen in de bedrijfsvoering weergeven. De belangrijkste vernieuwing in het model is dat beter rekening wordt gehouden met het effect van de hoeveelheid neerslag op de concentratie nitraat in het bovenste grondwater. Bij hoge concentraties nitraat heeft neerslag veel invloed op de uiteindelijke concentratie nitraat in het grondwater. Bij lagere concentraties is die invloed veel minder groot. Met de modelwijziging zijn vooral de gestandaardiseerde nitraatconcentraties in de eerste tien jaar van het LMM (1992-2002) verbeterd. Daardoor zijn in die periode minder sterke schommelingen in de gestandaardiseerde nitraatconcentraties te zien.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Rimpelvullers, of fillers, zijn producten die in of onder de huid gespoten worden met een medisch of cosmetisch doel. Dit kan bijvoorbeeld zijn om de natuurlijke lichaamsvorm te herstellen na een operatie, maar ook om de zichtbare gevolgen van ouder worden te maskeren. Het RIVM heeft een overzicht gemaakt van 26 zogeheten niet-permanente fillers die in 2014 in Nederland op de markt waren en deze in een laboratorium geanalyseerd. Ook zijn de technische dossiers van de 14 fabrikanten van deze producten onderzocht. Na een verzoek hiertoe via beroepsverenigingen hebben 67 behandelaars een enquête ingevuld over de fillers die zij toepassen en over mogelijke bijwerkingen. Alle 26 producten van 14 fabrikanten blijken niet schadelijk te zijn. Hiervoor is een internationaal erkende laboratoriumtest uitgevoerd die schadelijke effecten op cellen meet. De samenstelling van de producten komt overeen met de beschrijving in het technische dossier. De producten van de 14 fabrikanten veroorzaken volgens behandelaars weinig bijwerkingen. De kwaliteit van belangrijke onderdelen van de technische dossiers van de 14 fabrikanten varieerde. Met volledige en correcte dossiers onderbouwen fabrikanten de veiligheid van het product voor de patiënt, maar een beperking in het dossier betekent niet direct een minderwaardig product. In een tweetal gevallen vertonen de dossiers onvolledigheden waardoor de veiligheid van het product voor de patiënt niet goed onderbouwd is. De meeste tekortkomingen in de dossiers zijn van administratieve aard en hebben daarmee naar verwachting geen invloed op de veiligheid van het product voor de patiënt. Het is van belang dat de fabrikanten er voor zorgen dat hun technische dossiers op orde zijn.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Bacteriological and immunological profiling of meconium and fecal samples from preterm infants: A two-year follow-up study | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
In 2016 is het aantal tbc-patiënten in Nederland voor het tweede jaar op rij toegenomen. Er zijn in dat jaar 889 tbc-patiënten gerapporteerd, ten opzichte van 862 in 2015 en 814 in 2014. De belangrijkste oorzaak is de toegenomen instroom van migranten uit landen waar tuberculose veel voorkomt, zoals delen van Afrika en Azië. In 2016 was de grootste groep patiënten afkomstig uit Eritrea en Ethiopië. Daarnaast komt de toename door een hoger aantal patiënten geboren in het buitenland die al langer dan tien jaar in Nederland zijn. Dit blijkt uit de cijfers over 2016. Het RIVM rapporteert deze cijfers jaarlijks, aansluitend op het doel van de WHO om tuberculose wereldwijd uit te bannen. Tuberculose is een meldingsplichtige infectieziekte die door een bacterie wordt veroorzaakt. Tuberculose kan besmettelijk zijn, bijvoorbeeld als het in de longen zit, maar dat hoeft niet. De besmettelijkste vorm (open tuberculose) is in 2016 bij een vijfde van de patiënten geconstateerd. Tuberculose en hiv Een infectie met hiv verhoogt het risico op tuberculose en omgekeerd is tuberculose vaak het eerste teken van een hiv-infectie. Het is daarom belangrijk om een hiv-infectie zo vroeg mogelijk vast te stellen en te behandelen. Van een groot deel van de tbc-patiënten is onbekend of zij met hiv besmet zijn. Het percentage tbc-patiënten dat getest werd op hiv steeg van 28 in 2008 naar 74 in 2015, maar is nog steeds lager dan de 100 procent die de WHO adviseert. De behandeling Voor de behandeling moeten patiënten een langere periode (vaak zes maanden of meer) verschillende medicijnen tegelijk innemen. Van de tbc-patiënten uit 2015 zonder enkele vorm van resistentie tegen de medicijnen en waarvan het behandelresultaat gerapporteerd is, voltooide 88 procent de behandeling met succes. Dit percentage was hetzelfde in 2014. De behandelresultaten van 2016 zijn nog niet bekend. Rifampicine-resistentie Wanneer de tbc-bacterie ongevoelig is voor het belangrijkste medicijn tegen tuberculose, rifampicine, is er sprake van rifampicine-resistente tuberculose. De behandeling van een patiënt met rifampicine-resistente tuberculose is zeer complex en langdurig. In Nederland komt dit regelmatig voor. Het aantal patiënten schommelde de laatste vijf jaar tussen de tien en de twintig. In 2016 waren het er vijftien.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Hepatitis E virus infection in North Italy: high seroprevalence in swine herds and increased risk for swine workers | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Ecosystem quality in LCIA: status quo, harmonization, and suggestions for the way forward | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
A multi-model approach to monitor emissions of CO2 and CO from an urban-industrial complex | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
On the pivotal role of dose for particle toxicology and risk assessment: exposure is a poor surrogate for delivered dose | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Intention to vaccinate universally against varicella, rotavirus gastroenteritis, meningococcal B disease and seasonal influenza among parents in the Netherlands: an internet survey | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Whole-cell or acellular pertussis vaccination in infancy determines IgG subclass profiles to DTaP booster vaccination | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Performance of Xpert MTB/RIF Ultra: a matter of dead or alive | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Prevention of tick bites: an evaluation of a smartphone app | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Indicators to support healthy urban gardening in urban management | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Stability and concentrations of humectants in tobacco. | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Prevalence and types of Campylobacter on poultry farms and in their direct environment | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
De provincies Zuid-Holland, Noord-Holland en Utrecht zoeken naar een gezamenlijke aanpak van grote gebieden waarvan de bodem door verschillende bronnen met lood is verontreinigd (diffuus lood). Het betreft vooral wijken in vooroorlogse stadscentra en oude dorpskernen. Zaanstad heeft als eerste gemeente in Nederland hiervoor beleid opgezet. Om te kijken of dit beleid breder inzetbaar is, heeft het RIVM het Zaans beleid geëvalueerd. Hieruit blijkt dat Zaanstad het merendeel van de adviezen van het RIVM en de GGD uit 2016 in de praktijk brengt en op deze manier de blootstelling aan bodemlood vermindert. In het Zaans beleid is een voorlichtingscampagne opgezet voor bewoners en zijn gebruiksadviezen opgesteld, zoals het advies om kinderen niet op de onbedekte bodem te laten spelen en altijd hun handen te wassen na het buitenspelen. Ook wordt ouders geadviseerd te kiezen voor een zandbak met schoon zand en een goede grasmat in hun tuin. Daarnaast is een saneringscriterium vastgesteld om verontreinigde particuliere tuinen aan te pakken. Wanneer de hoeveelheid lood in tuinen onder dit criterium ligt, volstaan de gebruiksadviezen. Bij hogere hoeveelheden zijn extra maatregelen (sanering of maatwerk) nodig. Het RIVM adviseert gemeenten om de plekken die intensief door kinderen worden gebruikt te inventariseren en zo nodig aan te pakken. Verder wordt aanbevolen om bewoners te blijven informeren en na te gaan of zij bekend zijn met de gebruiksadviezen. Om de gezondheidsrisico's van blootstelling aan bodemlood voldoende te beperken, herhaalt het RIVM het advies uit 2016 om behalve tuinen ook andere risicovolle plaatsen aan te pakken. Dit betreft bijvoorbeeld plaatsen waar kinderen regelmatig spelen en in contact kunnen komen met verontreinigde bodem, zoals kinderspeelplaatsen, trapveldjes en tuinen rond scholen en kinderdagverblijven. Lood heeft effect op de ontwikkeling van de hersenen. Vooral bij jonge kinderen kan dit tot een verlies van enkele IQ-punten leiden, omdat zij vaak de neiging hebben om voorwerpen of hun vingers in de mond te steken. Hoe groot dit effect is, hangt onder meer af van de hoogte en frequentie van de blootstelling.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Impact of single room design on the spread of multi-drug resistant bacteria in an intensive care unit | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
A risk based sampling design including exposure assessment linked to disease burden, uncertainty and costs | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
A two-centre randomised trial of an additional early dose of measles vaccine: Effects on mortality and measles antibody levels | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Assessing critical loads for nitrogen under climate change based on chemical and biological indicators in a sub-Arctic country: The case of Sweden | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Risk assessment frameworks for nanomaterials: Scope, link to regulations, applicability, and outline for future directions in view of needed increase in efficiency | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Magnetic fields and childhood leukemia; science and policy in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Het RIVM heeft onderzocht waar en hoe vaak de vossenlintworm in Noordoost-Nederland voorkomt. Hiervoor zijn van oktober 2016 tot en met maart 2017 171 vossen uit de provincies Groningen en Drenthe onderzocht. Bij twee vossen is vossenlintworm aangetroffen. Beide vossen kwamen uit de provincie Groningen. Dit komt overeen met de resultaten van eerdere onderzoeken. Het gebied waarin vossenlintworm voorkomt lijkt in omvang wel iets te zijn toegenomen. Vossenlintworm (Echinococcus multilocularis) is een parasiet die bij vossen voorkomt. Als mensen eitjes van de vossenlintworm binnenkrijgen, kunnen zij de ziekte alveolaire echinokokkose krijgen, een ernstige ziekte van de lever. In Nederland is de lintworm tot nu toe aangetroffen bij vossen in Limburg en Oost-Groningen.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Patiënten en dokters makens samen een onderzoeksagenda | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Probing the limits of predictability: data assimilation of chaotic dynamics in complex food webs | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Unifying the functional diversity in natural and cultivated soils using the overall body-mass distribution of nematodes | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Newly identified risk factors for MRSA carriage in The Netherlands | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Identification of differences in health impact modelling of salt reduction | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
New approaches and therapeutic options for Mycobacterium tuberculosis in a dormant state | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Enhanced Bordetella pertussis acquisition rate in adolescents during the 2012 epidemic in the Netherlands and evidence for prolonged antibody persistence after infection. | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Met dit rapport sluit Nederland zijn rol als trekker van de taken van het Coordination Centre for Effects (CCE) af. Het CCE heeft tot eind 2017 de taak om het Europese luchtbeleid te ondersteunen met informatie over risico's van effecten van te veel zwavel en stikstof op Europese natuurgebieden. Het CCE helpt deze vraag te beantwoorden door modellen te ontwikkelen en een Europese database te beheren waarmee risicogrenzen ('kritische belastingsgrenzen') van deze stoffen per type natuurgebied worden bepaald. Twaalf EU-landen, plus Zwitserland en Noorwegen, rapporteren over het gebruik van deze methoden en leverden hiervoor informatie. Voor de overige Europese landen heeft het CCE met Alterra een database ontwikkeld zodat de limieten voor het gehele continent berekend kunnen worden. De database is ook gebruikt om wetenschappelijke instellingen uit het CCE-netwerk van de landen die deze taak hebben, te trainen (National Focal Centre). Over de CCE-resultaten bestaat consensus binnen de VN-conventie over luchtkwaliteit (die jaarlijks de CCE-resultaten evalueert) en de EU, zodat over de wetenschappelijke basis voor het Europese luchtbeleid, tot eind 2017, geen misverstand bestaat. CCE-data worden onder andere gebruikt om alternatieven voor luchtbeleid door rekenen. Recentelijk zijn ze ingezet om de Europese Richtlijn voor nationale emissieplafonds te herzien. Met de berekeningen worden de oorzaken, kosten en gevolgen van luchtverontreiniging voor de biodiversiteit en de bodem doorgerekend. Hieruit blijkt dat circa 79 procent van de natuurgebieden (Natura 2000-gebieden) in de 28 Europese landen in 2020 aan te veel stikstof blootstaat. Dit jaar is voor het eerst voor heel Europa in kaart gebracht of specifieke plantensoorten het risico lopen om door te veel stikstof of verzuring te verdwijnen. De methoden en data die hiervoor zijn gebruikt, worden vooralsnog voor wetenschappelijke doelstellingen ingezet; voor beleidsondersteuning moeten ze nog worden aangevuld en verbeterd. Dit jaar is voor het eerst voor heel Europa in kaart gebracht of specifieke plantensoorten het risico lopen om door te veel stikstof of verzuring te verdwijnen. De methoden en data die hiervoor zijn gebruikt, worden vooralsnog voor wetenschappelijke doelstellingen ingezet; voor beleidsondersteuning moeten ze nog worden aangevuld en verbeterd. Het RIVM heeft namens Nederland de CCE-rol sinds 1990 uitgevoerd voor de Conventie voor Grootschalige Grensoverschrijdende Luchtverontreiniging van de Verenigde Naties (LRTAP-Conventie). Een ander Europees land zal de rol vanaf 2019 overnemen.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Netherlands: The potentials of integrating care via payment reforms | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Company strategies for responsible research and innovation (RRI): A conceptual model | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Lichtvervuilde bagger kan worden gebruikt om diepe plassen ondieper te maken. Het is mogelijk dat metalen uit de grond of bagger in het oppervlaktewater van de plas terechtkomen, en in het grondwater. De concentraties van metalen in het grondwater nabij zulke plassen mogen op de lange termijn daarom niet te hoog worden. Onderzoek van het RIVM levert de achtergrondconcentraties in grondwater waarmee beheerders kunnen nagaan of risico's voor het nabijgelegen grondwater acceptabel zijn. Voor deze opdracht is onderzocht in welke mate twaalf metalen van nature in grondwater voorkomen (achtergrondwaarden) en bij welke concentratie een probleem ontstaat (risicogrenzen). De meeste van de twaalf metalen (antimoon, arseen, barium, cadmium, chroom, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink) komen vaak van nature in relatief hoge concentraties in het grondwater voor. In de voorgestelde methodiek voor het afleiden van kwaliteitsnormen voor grond en bagger, zijn de risicogrenzen en achtergrondconcentraties gebruikt, zoals die ook worden gebruikt door het Rijk om drempelwaarden te bepalen. Deze drempelwaarden betreffen een specifiek type kwaliteitsnorm voor grondwater die voortvloeit uit de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) en houdt rekening met de natuurlijke achtergrondconcentraties. Hier bestaat geen gangbare methode voor. Bij de gebruikte methodiek wordt gekeken naar risico's voor mens (drinkwaternorm) en organismen in het milieu (norm voor oppervlaktewater). De strengste norm wordt gebruikt. Een uitzondering wordt gemaakt als de achtergrondwaarde van nature een hogere concentratie heeft dan deze normen; in die gevallen is de achtergrondwaarde bepalend. Bij de meeste onderzochte metalen blijkt dat dat het geval te zijn.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Adipokines and inflammation markers and risk of differentiated thyroid carcinoma: The EPIC study. | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Development and validation of an on-line water toxicity sensor with immobilized luminescent bacteria for on-line surface water monitoring | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Bordetella Pertussis virulence factors in the continuing evolution of whooping cough vaccines for improved performance | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Pigeon paramyxovirus type 1 from a fatal human case induces pneumonia in experimentally infected cynomolgus macaques (Macaca fascicularis) | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
DNA methylation markers associated with type 2 diabetes, fasting glucose and HbA1c levels: a systematic review and replication in a case-control sample of the Lifelines study. | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Molecular relatedness of ESBL/AmpC-producing Escherichia coli from humans, animals, food and the environment: a pooled analysis. | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Ovarian cancer early detection by circulating CA125 in the context of anti-CA125 autoantibody levels: results from the EPIC cohort. | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
National laboratory-based surveillance system for antimicrobial resistance: a successful tool to support the control of antimicrobial resistance in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Improving health promotion through central rating of interventions: the need for Responsive Guidance | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Zoönosen zijn infecties die van dieren op mensen kunnen worden overgedragen. De zoönosen die voor Nederland van belang zijn, worden elk jaar op een rij gezet in de Staat van Zoönosen. Hierin wordt onder andere bekeken in welke mate meldingsplichtige zoönosen voorkomen bij mensen en dieren. Trends In 2016 zijn er voor de meeste zoönosen geen opmerkelijke veranderingen waargenomen. Het grootste aandeel van de zoönotische infecties vormden ook in 2016 de bacteriële infecties die via voedsel overgedragen worden: Campylobacter, Listeria monocytogenes, Salmonella en STEC. Wel is het aantal gevallen van leptospirose nog steeds hoog te noemen, hoewel het lager was dan in 2015. Ook was het aantal patiënten met een hantavirus-infectie in 2016 opvallend hoog, en werd in 2016 voor het eerst een infectie aangetoond met een voor Nederland nieuw type hantavirus, namelijk het Seoul hantavirus. Uitgelicht Bij honden in Nederland is in 2016 voor het eerst brucellose vastgesteld, veroorzaakt door de bacteriën B. suis en B. canis. Ook beschrijft de Staat de recente ontwikkelingen omtrent meticilline resistente Staphyloccus aureus (MRSA), en dan vooral de vee-gerelateerde MRSA. Opvallend is dat deze voor bepaalde antibiotica resistente bacteriën sinds kort ook voorkomen bij mensen die geen contact hebben gehad met landbouwhuisdieren. Knaagdieren & Zoönosen Knaagdieren, wilde en huisdieren, kunnen diverse zoönosen bij zich dragen, zoals leptospirose, hantavirus en Lyme. Deze kunnen op uiteenlopende manieren op de mens worden overgedragen. Ratten bijvoorbeeld plassen de leptospira-bacteriën uit in het water waar mensen in gaan zwemmen. Teken halen Lyme bacteriën uit muizen en bijten daarna mensen. En muizen plassen het hantavirus uit in de schuur, waar iemand het kan oplopen als hij de schuur gaat vegen.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Deriving global OH abundance and atmospheric lifetimes for long-lived gases: a search for CH3CCl3 alternatives | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Considerations for safe innovation: the case of graphene | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Tuberculosis patients with unknown HIV status in the Netherlands: analysing underreporting and lack of testing | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
The occurrence and nature of double alleles in VNTR patterns of more than 8,000 Mycobacterium tuberculosis complex isolates in The Netherlands. | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Long-term carriage of extended-spectrum beta-lactamase-producing Escherichia coli and Klebsiella pneumoniae in the general population in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Combining traditional dietary assessment methods with novel metabolomics techniques: present efforts by the Food Biomarker Alliance | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Paternal exposure to environmental chemical stress affectsmale offspring's hepatic mitochondria | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Bivalent vaccine effectiveness against type-specific HPV positivity: evidence for cross-protection against oncogenic types among Dutch STI clinic visitors | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Omdat metingen de aanwezigheid van de stof FRD-903 (een onderdeel van GenX), in oevergrondwater en drinkwater aantoonden, heeft het ministerie van IenM het RIVM gevraagd om meer inzicht te geven in de aanwezigheid en verspreiding van deze stof in drinkwater en haar bronnen. Hiervoor leverden de tien Nederlandse drinkwaterbedrijven analyseresultaten van drinkwater, en werkte het RIVM samen met het wateronderzoekinstituut KWR. In een deel van het drinkwater en de bronnen van waterbedrijf Oasen is FRD-903 aangetoond, in het gebied van de Beneden-Merwede. De stof is in lagere concentraties gevonden in drinkwater van Evides en Dunea, die water uit de Maas innemen. De gevonden waarden liggen in alle gevallen een factor 5 tot 15 onder de richtwaarde voor FDR-903 in drinkwater. Deze richtwaarde geeft aan hoeveel een mens van de stof gedurende lange tijd mag binnenkrijgen zonder de gezondheid te schaden. Conclusie van het onderzoek is dat het nu overal veilig is om het drinkwater te drinken. In het drinkwater van de overige zeven onderzochte drinkwaterbedrijven is de stof niet gevonden. GenX komt niet wijdverbreid voor in het Nederlands drinkwater.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Impact of infant pneumococcal conjugate vaccination on community acquired pneumonia hospitalization in all ages in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Prediction models for exacerbations in different COPD patient populations: comparing results of five large data sources | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
The design of a social cost-benefit analysis of preventive interventions for toxoplasmosis: An example of the One Health approach. | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Identification of atopic dermatitis subgroups in children from two longitudinal birth cohorts | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Association between plasma phospholipid saturated fatty acids and metabolic markers of lipid, hepatic, inflammation and glycaemic pathways in eight European countries: a cross-sectional analysis in the EPIC-InterAct study | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Ebola in the Netherlands, 2014-2015: costs of preparedness and response | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Voedsel kan verontreinigd raken met chemische stoffen die er niet aan zijn toegevoegd (contaminanten). Dat kan bijvoorbeeld doordat gewassen deze stoffen opnemen via de (verontreinigde) grond of doordat ze via de lucht erin terechtkomen. Contaminanten kunnen ook tijdens het productproces en de bereiding van voedsel ontstaan. Verontreinigingen door contaminanten zijn niet altijd te voorkomen, maar vormen in de meeste gevallen geen probleem voor de volksgezondheid. Dat komt omdat de concentraties gemiddeld genomen in de tijd laag zijn. Het RIVM heeft berekend dat de inname van het merendeel van 28 onderzochte contaminanten binnen de veilige marge ligt als mensen eten en drinken volgens de Schijf van Vijf. Voor drie contaminanten is dit niet het geval; dat betreft acrylamide, arseen en lood. Overigens betekent dit niet dat het zeker is dat hierdoor negatieve gezondheidseffecten zullen optreden. Ze kunnen alleen niet worden uitgesloten. Voor cadmium, aflatoxines B1 en de som van aflatoxine B1, B2, G1 en G2 kon geen conclusie worden getrokken door onzekerheden in de berekening. Binnen de Schijf van Vijf zijn er geen aanbevelingen mogelijk waarbij de inname van contaminanten voldoende wordt verlaagd en mensen toch gezond blijven eten. Het blijft daarom belangrijk om de concentraties van contaminanten in voedsel zo laag mogelijk te houden. Het huidige beleid op contaminanten in voedsel is daarop gericht. Ook het algemene advies om gevarieerd te eten blijft van belang voor een zo laag mogelijke inname van contaminanten. Het belangrijkste uitgangspunt van de Schijf van Vijf is een gezond voedingspatroon. In deze RIVM-studie is onderzocht of de Schijf van Vijf ook een veilig voedingspatroon biedt wat de inname van 28 contaminanten betreft. Ook is onderzocht of aanbevelingen voor voedselkeuzes nodig en mogelijk zijn om de voedselveiligheid te vergroten.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Een soa heb je niet alleen | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Whole-genome characterization and strain comparison of VT2f-producing Escherichia coli causing hemolytic uremic syndrome | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Tularemie in Nederland, terug van weggeweest? | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Surveillance van Listeria monocytogenes in Nederland, 2016 | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Botulisme door wilde watervogels? | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Kan het patiëntperspectief LCI-producten verbeteren? | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Crisisopvang vol luizen | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Geen broodjeaapverhaal: opvang van apen met herpes B-virusinfectie | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Trends in Salmonella bij de mens, landbouwhuisdieren en in voedsel | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Infectieziektensyndroomsurveillance bij asielzoekers | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Elk jaar een nieuw griepvaccin. Hoe wordt de samenstelling ervan bepaald? | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Ernstige acute luchtweginfecties: de ontbrekende bouwsteen in de surveillancepiramide. | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Surveillance van resistentie; beschrijving van data uit het Infectieziekten Surveillance Informatie Systeem voor Antimicrobiële Resistentie (ISIS-AR) | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Het influenzaseizoen 2014/2015 in Nederland: een zeer langdurige epidemie | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Meldingsplichtige infectieziekten onder asielzoekers in Nederland, 2012-2015 | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
De LCI in 2016: van A(viaire influenza) tot Z(ika) | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Identificatie van bofclusters op basis van moleculaire typering | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Het ebola-informatiepunt | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Chlamydia psittaci: a relevant cause of community-acquired pneumonia in two Dutch hospitals | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Scabiës bij asielzoekers: ontwikkeling van een nieuwe werkwijze in de praktijk | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Acute otitis media during infancy: parent-reported incidence and modifiable risk factors | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Preventie van Legionella-pneumonie in Nederland | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Signalering en surveillance, pijlers van de infectieziektebestrijding | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Meldingen van voedselinfecties en -vergiftigingen in 2015 | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Behandelopties voor ebola-infectie | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Resultaten lezersonderzoek signalen uit het SO-ZI/AMR | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Influence of vitamin D on key bacterial taxa in infant microbiota in the KOALA Birth Cohort Study | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Soil-plant transfer models for metals to improve soil screening value guidelines valid for São Paulo, Brazil | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Estimated incidence and number of outpatient visits for seasonal influenza in 2015-2016 in Beijing, China | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Bedaquiline resistance: Its emergence, mechanism and prevention | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Urine as sample type for molecular diagnosis of natural yellow fever virus infections | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Multiwall carbon nanotubes modulate paraquat toxicity in Arabidopsis thaliana. | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
IP-10 kinetics in the first week of therapy are strongly associated with bacteriological confirmation of tuberculosis diagnosis in HIV-infected patients | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Determinants of diet and physical activity (DEDIPAC): a summary of findings | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
A novel experimental and modelling strategy for nanoparticle toxicity testing enabling the use of small quantities | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Four experimental stimulants found in sports and weight loss supplements: 2-amino-6-methylheptane (octodrine), 1,4-dimethylamylamine (1,4-DMAA), 1,3-dimethylamylamine (1,3-DMAA) and 1,3-dimethylbutylamine (1,3-DMBA) | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Circulating concentrations of vitamin D in relation to pancreatic cancer risk in European populations | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
2015/16 I-MOVE/I-MOVE+ multicentre case control study in Europe: moderate vaccine effectiveness estimates against influenza A(H1N1)pdm09 and low estimates against lineage mismatched influenza B among children | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Variability in market uptake of psychotropic medications in Europe reflects cultural diversity | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
How to measure population health: an exploration toward an integration of valid and reliable instruments. | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Door omgevingsgeluid, vooral afkomstig van binnenstedelijk wegverkeer, hebben mensen een grotere kans op zogeheten coronaire hartziekten, zoals pijn op de borst of een hartinfarct. Daarnaast zou het een hoge bloeddruk of een beroerte kunnen veroorzaken. Ook zijn er aanwijzingen gevonden dat geluid van wegverkeer de kans op diabetes en overgewicht zou verhogen doordat omgevingsgeluid invloed heeft op de hormoonhuishouding. Omgevingsgeluid veroorzaakt vaak stress en een slechtere nachtrust. Als mensen 's nachts slechter slapen, raakt de aanmaak van cortisol verstoord. Dit blijkt uit een uitgebreide review door het RIVM van onderzoeken naar de gezondheidseffecten van omgevingsgeluid. Hierin zijn de resultaten van 61 bestaande onderzoeken vergeleken en is de kwaliteit van deze studies beoordeeld. Niet alle studies bleken van even goede kwaliteit. Het beste onderbouwd zijn de effecten door geluid van wegverkeer op coronaire hartziekten. Het grootste aantal studies onderzocht de relatie tussen geluid van wegverkeer en hoge bloeddruk. Dit zijn echter vooral studies die onder andere door hun beperkte opzet van minder goede kwaliteit zijn. Dit onderzoek is uitgevoerd op verzoek van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO). De resultaten van deze review vormen de basis voor de nieuwe gezondheidskundige richtlijnen voor omgevingsgeluid die de WHO voor Europa gaat opstellen.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Surveillance en ontwikkelingen in 2016-2017 In 2016 kregen ongeveer 760.000 kinderen van 0 tot 19 jaar samen 2.140.000 vaccinaties vanuit het Rijksvaccinatieprogramma (RVP). De deelname aan het RVP is hoog (afhankelijk van het vaccin meer dan 90 procent), maar is voor het derde achtereenvolgende jaar met ongeveer 0,5 procent gedaald onder pasgeborenen. Het aantal meisjes dat zich tegen het humaan papillomavirus (HPV) heeft laten vaccineren, is gedaald van 61 naar 53 procent. Het aantal meldingen (1483) van mogelijke bijwerkingen (in totaal 3665) van vaccins in 2016 is vergelijkbaar met het aantal meldingen in 2015. RVP-ziekten Wederom waren er weinig meldingen van mensen die een ziekte kregen waartegen via het RVP wordt ingeënt. Wel was het aantal zieken door Haemophilus influenzae type b (Hib) in 2016 hoger (44) dan in de afgelopen 5 jaar (22-34), vooral onder kinderen jonger dan 5 jaar. Het aantal mensen met kinkhoest in 2016 paste in het normale patroon. Toch overleden dat jaar 6 mensen aan deze ziekte. Het aantal mensen met baarmoederhalskanker is gestegen in 2016 (9,3 per 100.000 vergeleken met 7,7 per 100.000 in 2015). In 2017 zijn twee volledig gevaccineerde werknemers blootgesteld aan wild poliovirus type 2 (WPV2). Door hen strikt te isoleren heeft de ziekte heeft zich niet verder verspreid. Ziekten voor potentiele RVP-vaccins Het aantal mensen met Meningokokkenziekte (Men) neemt toe nadat het meer dan twee decennia is gedaald. Een aanhoudende sterke stijging wordt gezien in Meningokokken serogroep W-ziekte (9, 50 en 34 patiënten in respectievelijk 2015, 2016 en de eerste 5 maanden van 2017). Adviezen Gezondheidsraad Het RIVM faciliteert de Gezondheidsraad voor hun adviezen over vaccinatie en verzamelt daarvoor nationale en internationale informatie over rotavirus, meningokokkenziekte en HPV. De Gezondheidsraad heeft eerder geadviseerd om alle zwangere vrouwen tijdens de zwangerschap een kinkhoestvaccinatie aan te bieden. De minister van VWS staat hier positief tegenover maar moet nog een besluit nemen. Aanvullend heeft de Gezondheidsraad in 2017 geadviseerd om alle werknemers die tijdens hun werk in contact staan met pasgeborenen vaccinatie aan te bieden tegen kinkhoest. Verder adviseerde de Gezondheidsraad in september 2017 positief over vaccinatie tegen rotavirus en besloot de minister diezelfde maand om in 2018 te gaan vaccineren tegen Meningokokkenziekte veroorzaakt door typen A, C, W en Y.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM heeft het aanbod en de bereikbaarheid geïnventariseerd van de ziekenhuizen in Nederland die in april 2017 spoedeisende hulp aanboden. Dit is ook voor de acute verloskunde gedaan. Uit de modelberekeningen blijkt dat deze ziekenhuizen zodanig over Nederland zijn verspreid dat 99,8 procent van de inwoners binnen 45 minuten naar een spoedeisende hulpafdeling (SEH) of een ziekenhuis met acute verloskunde kunnen worden vervoerd. In april 2017 waren er 89 SEH's met 24/7-uurs openingstijden. Dat is één minder dan in 2016 en twee minder dan in 2014. Op 81 ziekenhuislocaties werd 24/7-uur per week acute verloskunde aangeboden. Dat is evenveel als in 2016 en drie minder dan in 2014. In de inventarisatie zijn de locaties van ambulancestandplaatsen ook geactualiseerd. Sinds de laatste actualisatie in 2013 zijn er dertien standplaatsen bijgekomen en zijn sommige standplaatsen verhuisd. In deze bereikbaarheidsanalyse wordt gekeken naar de spreiding van ziekenhuizen over Nederland. De analyse bepaalt hoeveel ziekenhuizen als 'gevoelig' worden aangemerkt. Er zijn nu tien gevoelige ziekenhuizen met een 24/7-uurs basis-SEH. Wat acute verloskunde betreft zijn er twaalf gevoelige ziekenhuizen. Een ziekenhuis wordt zo genoemd als het aantal bewoners dat volgens het bereikbaarheidsmodel niet binnen 45 minuten naar een SEH kan worden gebracht toeneemt wanneer dit ziekenhuis sluit. De duur van de rit wordt berekend op basis van de tijd die de ambulance nodig heeft om van de standplaats, via het woonadres van de patiënt naar het ziekenhuis te komen. Deze modelmatige ritduur wordt vervolgens vergeleken met de spreidingsnorm van 45-minuten. In dit onderzoek is ook de aanwezigheid en beschikbaarheid geïnventariseerd van onder meer specialisten, verpleegkundigen en faciliteiten om op de SEH's diagnoses te stellen en behandelingen te starten. Daarnaast is gekeken naar de samenwerking tussen SEH's en huisartsenposten (HAP's). In 42 gevallen waren de 24/7-uurs SEH en HAP geïntegreerd, met een gezamenlijke ingang en een procedure voor mensen die zelf naar spoedeisende hulp komen met minder urgente/complexe klachten.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Long-term exposure to particulate matter, NO2 and the oxidative potential of particulates and diabetes prevalence in a large national health survey. | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Het ministerie van VWS legt jaarlijks verantwoording af aan de Tweede Kamer over het gevoerde beleid. Dat gebeurt onder andere met behulp van de zogeheten VWS-monitor. Het ministerie wil de inhoud van de monitor verbeteren nadat de Tweede Kamer heeft aangegeven meer inzicht te willen hebben in de effecten van VWS-beleid en de vraag of bijsturing nodig is. In deze notitie staan hiervoor aanbevelingen. In de huidige VWS-monitor worden vier publieke waarden (toegankelijkheid, kwaliteit, betaalbaarheid en betrokken samenleving) gekoppeld aan maatschappelijke doelstellingen. Voorbeelden van een maatschappelijke doelstelling zijn optimale keuzevrijheid voor het type bevalling en het beperken van de stijging in de zorgkosten. Deze doelstellingen zijn meetbaar gemaakt door ze te koppelen aan enkele indicatoren die aangeven wat nodig is om de doelstellingen te realiseren. Zo zijn er indicatoren die inzicht geven in de ontwikkelingen in grote kostenposten, zoals de langdurige zorg. Geadviseerd wordt om naast de huidige maatschappelijke doelstellingen specifieke doelen met een directere link naar het bestaande beleid op te nemen. Op die manier voldoet de monitor beter aan de verantwoordingsfunctie richting de Tweede Kamer. Daarnaast wordt aanbevolen de doorontwikkeling van de monitor systematisch aan te pakken, bijvoorbeeld door alle aspecten die bij een publieke waarde horen terug te laten komen in de maatschappelijke doelstellingen. Bij toegankelijkheid als publieke waarde zouden dan onder meer financiële toegankelijkheid, bereikbaarheid en tijdigheid horen. Een andere aanbeveling is om een beschrijving toe te voegen hoe het ministerie tot de keuze van bepaalde maatschappelijke doelstellingen en indicatoren in de monitor is gekomen. Die informatie geeft inzicht in de gemaakte afwegingen en maakt het mogelijk de verstrekte informatie beter te wegen. Dit kan voorkomen dat de gemaakte keuzes als willekeurig worden gezien. Verder is het van belang duiding te geven bij de waarden die de indicatoren weergeven. Dat kan door de waarden te vergelijken met andere landen, met een norm, of de ontwikkeling van de waarden van de indicatoren door de tijd heen te laten zien. Het advies is opgesteld door het Consortium van de Staat van Volksgezondheid en Zorg (bestaande uit: het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa), het Zorginstituut Nederland (ZIN), het Trimbos-instituut, het Nederlands instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg (NIVEL), het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) en het Nederlands Jeugdinstituut (NJi)). Het Consortium is gevraagd om dit advies te geven omdat het de Staat van Volksgezondheid en Zorg onderhoudt; een website die er specifiek op is gericht om beleid met cijfers te ondersteunen.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Use of repeated blood pressure and cholesterol measurements to improve cardiovascular disease risk prediction: an individual-participant-data meta-analysis | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
In de geothermie en de olie- en gasindustrie worden jaarlijks grote hoeveelheden afval geproduceerd. Hieronder valt ook de zogenoemde natte 'sludge'. De samenstelling hiervan varieert sterk en kan, afhankelijk van de herkomst, soms radioactiviteit van natuurlijke oorsprong bevatten. In 2018 moet Nederland voldoen aan de algemene Europese regelgeving voor radioactieve stoffen. Als dit zonder meer ('beleidsarm') wordt overgenomen, zal meer afval op een speciale manier als radioactief materiaal moeten worden behandeld. De ANVS heeft het RIVM daarom gevraagd te onderzoeken of er een specifiekere norm voor de hoeveelheid radioactief materiaal in natte sludges kan worden gebruikt. Hierbij zou gewerkt kunnen worden met Europese aanbevelingen die al in 2001 zijn bepaald. Deze Europese grenswaarden blijken voor een belangrijk deel bruikbaar voor sludges afkomstig uit de Nederlandse olie- en gasindustrie en de geothermie. Indien deze grenswaarden in Nederland zouden worden ingevoerd, zal minder afval als radioactief materiaal moeten worden behandeld. Hierdoor zal wel de blootstelling van werknemers in de sludgeverwerkende industrie aan ioniserende straling licht toenemen.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Door het gebruik van radioactieve materialen kunnen mensen worden blootgesteld aan ioniserende straling. Aangezien deze blootstelling risico's voor de gezondheid met zich meebrengt, zijn voor deze handelingen regels en voorschriften opgesteld. De grootte van het risico is afhankelijk van de blootstelling. Bij een geringe blootstelling kan vrijstelling van deze regels en voorschriften worden verleend ('generieke vrijstelling en vrijgave'). Nieuwe Europese voorschriften hiervoor worden momenteel met zo weinig mogelijk aanpassingen ('beleidsarm') overgenomen in de Nederlandse regelgeving. Als gevolg van de beleidsarme implementatie van deze vernieuwde regelgeving wordt het aantal nucliden waarvoor grenswaarden voor vrijstelling en vrijgave bestaan, in de Nederlandse regelgeving teruggebracht van circa 800 naar circa 300. Dit komt doordat Nederland in de huidige regelgeving - op verzoek van stakeholders - in het verleden grenswaarden voor een groot aantal nucliden heeft toegevoegd. Stakeholders willen graag dat de voor de door de implementatie vervallende nucliden grenswaarden blijven bestaan. Het RIVM heeft daarom op verzoek van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) gezocht naar grenswaarden die de huidige kunnen vervangen en tegelijkertijd voldoen aan de nieuwe Europese voorschriften. Deze grenswaarden kunnen door de minister van Infrastructuur en Milieu worden opgenomen in een ministeriële regeling.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Comparison of C26:0-carnitine and C26:0-lysophosphatidylcholine as diagnostic markers in dried blood spots from newborns and patients with adrenoleukodystrophy | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Estimating the population-level effectiveness of vaccination program in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Long-term stability of oxidative stress biomarkers in human serum | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Road traffic noise and registry based use of sleep medication | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Het RIVM heeft op verzoek van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) een geactualiseerd overzicht gemaakt van de niet-nucleaire industrieën in Nederland die handelingen uitvoeren met materialen die van nature radioactiviteit bevatten. Denk daarbij bijvoorbeeld aan de olie- en gasindustrie. Radioactiviteit van natuurlijke oorsprong kan zitten in grondstoffen, maar ook in producten, rest- en afvalstoffen. In veel gevallen zijn de concentraties radioactieve stoffen laag, maar in sommige gevallen kan de radioactiviteit zodanig 'ophopen' dat maatregelen nodig zijn om personen (werknemers en de bevolking) te beschermen tegen onbedoelde blootstelling aan straling. Aanleiding voor de uitgevoerde actualisatie zijn nieuwe Europese voorschriften voor het beschermen van mensen tegen bronnen van straling. Op basis van deze actualisatie is op hoofdlijnen bepaald wat de te verwachten gevolgen zijn van deze nieuwe Europese voorschriften. Te denken valt aan bedrijven die door de nieuwe regelgeving in 2018 een (uitgebreidere) vergunning moeten aanvragen. Geconcludeerd wordt dat er over het totaal gezien niet veel wijzigingen zijn maar op individuele materiaalstromen wel. De nieuwe Europese voorschriften moeten uiterlijk 6 februari 2018 zijn opgenomen in de Nederlandse regelgeving. Als onderdeel van de uitwerking van deze voorschriften is een lijst opgesteld van soorten handelingen waarbij personen kunnen worden blootgesteld aan natuurlijke bronnen van straling.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Real-time estimation of epidemiologic parameters from contact tracing data during an emerging infectious disease outbreak | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Transcriptional profiling reveals gene expression changes associated with inflammation and cell proliferation following short-term inhalation exposure to copper oxide nanoparticles | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Membrane filtration is suitable for reliable elimination of Mycobacterium tuberculosis from saliva for therapeutic drug monitoring | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Bij de winning en productie van aardwarmte, aardolie en aardgas wordt soms aardgas afgebrand ('affakkelen') of afgeblazen. Hierbij kan radon vrijkomen. Blootstelling van werknemers en de bevolking aan radon tijdens de winning blijkt in de praktijk zeer laag te zijn. Vanwege de activiteitsconcentratie van radon in aardgas is het affakkelen en afblazen van aardgas vergunningplichtig, tenzij deze handelingen specifiek worden vrijgesteld. In aardgas zit van nature een kleine hoeveelheid radongas. Radon is licht radioactief, en wanneer dit wordt ingeademd worden mensen blootgesteld aan ioniserende straling. Omdat blootstelling aan ioniserende straling risico's voor de gezondheid met zich meebrengt, zijn hiervoor regels en voorschriften opgesteld. De blootstelling aan straling van natuurlijke oorsprong is echter in veel gevallen moeilijk te beheersen. Daarom is de blootstelling aan straling door het affakkelen of afblazen van aardgas momenteel uitgesloten van deze regels en voorschriften. Affakkelen en afblazen is op grond van milieuwetgeving zonder vergunning verboden, en alleen toegestaan wanneer dit om veiligheidsredenen nodig is. Dit is bijvoorbeeld het geval bij onderhoudswerkzaamheden aan een installatie, of bij een calamiteit. De regelgeving gaat in 2018 veranderen vanwege nieuwe Europese voorschriften om mensen te beschermen tegen ioniserende straling. Deze voorschriften moeten uiterlijk 6 februari 2018 zijn opgenomen in de Nederlandse regelgeving. Hierdoor kan het affakkelen en afblazen van aardgas met ingang van deze datum niet meer worden uitgesloten van regels en voorschriften. Daarnaast moeten de lidstaten besluiten of zij het nodig vinden om deze bedrijven vanaf dat moment hiervoor een vergunning of een registratie aan te laten vragen, of een kennisgeving aan de overheid te laten doen. Het RIVM heeft dit onderzoek uitgevoerd in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS).
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
RIVM's comments on the joint ICRU/ICRP Report on "Operational Quantities for External Radiation Exposure" | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Epidemiology of Lyme borreliosis and other tick-borne diseases in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Trials and tribulations | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
The pursuit of user-friendly medicines | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Citizen science for health in all policies | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Tick-borne diseases: opening Pandora's box | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Concentraties gedaald, lokale overschrijdingen hardnekkig In het grootste deel van Nederland liggen de berekende concentraties fijnstof en stikstofdioxide in 2016 onder de Europese normen. De norm voor stikstofdioxide wordt nog overschreden in een aantal drukke straten in binnensteden, vooral in Amsterdam en Rotterdam. De norm voor fijnstof wordt lokaal nog overschreden in gebieden met intensieve veehouderijen en industrie. Hierdoor voldoet Nederland nog niet aan de Europese grenswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof. De komende jaren zal in de binnensteden het aantal locaties waarop de normen worden overschreden naar verwachting afnemen. Verwachte concentraties in 2020 De gemiddelde concentratie stikstofdioxide is in 2016 iets gestegen ten opzichte van 2015. Voor de komende jaren, tot en met 2020, wordt echter een daling van de concentraties stikstofdioxide berekend. De gemiddelde concentratie fijnstof is in 2016 gedaald ten opzichte van vorig jaar, maar het is onzeker of deze daling doorzet. Deze conclusies volgen uit de monitoring van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De NSL-monitoringsrapportage brengt de luchtvervuilende stoffen fijnstof en stikstofdioxide in beeld waaraan de bevolking wordt blootgesteld. Lagere concentraties van deze stoffen verbeteren de volksgezondheid, ook wanneer ze al onder de Europese grenswaarden liggen. Onzekerheden en risico's De basis van de berekeningen voor het NSL zijn de actuele gegevens, die overheden moeten aanleveren. De kwaliteit van deze gegevens is de laatste jaren, vooral met betrekking tot wegen, sterk verbeterd. Aandacht voor de kwaliteit blijft van belang om een betrouwbaar beeld te kunnen geven van de luchtkwaliteit. De concentraties stikstofdioxide en fijnstof liggen op veel locaties dicht bij de Europese grenswaarde. Geringe stijgingen van de concentraties kunnen het aantal overschrijdingen sterk beïnvloeden. Hierdoor is het aantal overschrijdingen gevoelig voor onzekerheden in de berekeningen.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
APROBA-Plus: A probabilistic tool to evaluate and express uncertainty in hazard characterization and exposure assessment of substances | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Een uitbraak met Campylobacter fetus na het eten van rauwmelkse schapenkaas | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Physico-chemical properties of manufactured nanomaterials - characterisation and relevant methods. an outlook based on the OECD testing programme | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
A summary index for antimicrobial resistance in food animals in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Carbapenemase-producerende enterobacteriën in Nederland | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
In dit literatuuronderzoek is verkend welke gezondheidsrisico's er zijn door blootstelling aan ziekteverwekkers die via mest worden verspreid. Er werden weinig studies gevonden over de eventuele gevolgen voor de gezondheid als mensen via water en lucht aan ziekteverwekkers uit mest worden blootgesteld. De infectierisico's door blootstelling via de lucht lijken kleiner te zijn dan via het oppervlaktewater. De onderzochte wateren luchtoverdraagbare ziekteverwekkers zijn vaak aanwezig in mest. Het aantal ziekteverwekkers neemt af als mest wordt verwerkt, bijvoorbeeld door compostering, vergisting en biologisch zuiveren. Hoe groot de afname is, is sterk afhankelijk van de omstandigheden waaronder het mestverwerkingsproces plaatsvindt, zoals de temperatuur en het vocht- en zuurstofgehalte. Ook is de duur van het mestverwerkingsproces van groot belang. Mestverwerking wordt ingezet om overschotten van mest te verwerken of om nieuwe producten te maken en deze eventueel te exporteren. In dit rapport is de wetenschappelijke literatuur doorzocht naar aantallen ziekteverwekkende bacteriën in mest van varkens en rundvee. Ook is onderzocht in welke mate deze ziekteverwekkers in het oppervlaktewater en de lucht terechtkomen, en wat de eventuele gezondheidsrisico's kunnen zijn. De focus lag in deze verkenning op de ziekteverwekkende variant van de E. coli-bacterie en de bekende resistente bacterie MRSA, omdat deze bacteriën goed in water respectievelijk lucht kunnen overleven. Deze verkenning is uitgevoerd in opdracht van het Programmacollege Gezondheid en Milieu en is gefinancierd door het Ministerie van VWS. Het project is uitgevoerd door het RIVM en Wageningen UR (Livestock Research). Inzicht in de uitstoot van ziekteverwekkers via mest naar het milieu, de eventuele toe- of afname van ziekteverwekkers in mest en de mate van blootstelling daaraan is belangrijk om eventuele risico's voor de gezondheid in te kunnen schatten.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
De concentraties fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) op de twee permanente meetlocaties in Hilversum en Laren, en de concentratie PM2,5 gemeten op meetlocatie Hilversum voldoen in 2016 aan de normen, net als in eerdere jaren. Deze meetpunten zijn representatief voor een locatie met veel verkeer en een zogeheten stedelijke achtergrondlocatie in de omgeving van Hilversum. Sinds de aanvang van de metingen in 2009 dalen de concentraties van fijnstof en stikstofdioxide in lichte mate op de stations. Deze trend volgt de landelijke trend in het Landelijke Meetnet Luchtkwaliteit (LML). In 2016 zijn de daggemiddelde concentraties van PM10 op de twee stations onderling vrijwel gelijk. De concentratieniveaus zijn bovendien vergelijkbaar met die op andere stedelijke meetstations van het LML. De concentraties van stikstofoxiden variëren sterk gedurende de dag. De hoogste waarden ontstaan tijdens de ochtendspits op de locatie met veel verkeer. De jaargemiddelde stikstof(di)oxidegehaltes op de stations van het Hilversumse meetnet zijn iets lager dan die van gelijksoortige type stations van het LML. Dit blijkt uit de resultaten van luchtkwaliteitsmetingen van het RIVM. Dit onderzoek is uitgevoerd in opdracht van de gemeente Hilversum om gegevens te leveren over de luchtkwaliteit voor het Integraal BereikbaarheidsPlan (IBP) Hilversum. Het IBP is ingesteld om de doorstroom van verkeer in en rond Hilversum te verbeteren.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Contact allergy to neem oil | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Sputum microscopy and mycobacterium tuberculosis infectiousness | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Does intranasal instillation TiO2 cause pulmonary tumorigenesis in male mice? | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
In 2015 voldeed Nederland aan de Europese verplichting om jaarlijks de hoeveelheid radioactiviteit in het milieu en in voeding te meten. Alle lidstaten van de Europese Unie zijn volgens het Euratom-verdrag uit 1957 verplicht deze metingen jaarlijks te verrichten. Nederland volgt daarbij de aanbevelingen die in 2000 zijn opgesteld om de metingen volgens een bepaald stramien uit te voeren. De metingen leveren achtergrondwaarden op, ofwel radioactiviteitsniveaus, die onder normale omstandigheden aanwezig zijn. Deze waarden kunnen bij bijvoorbeeld calamiteiten of rampen als referentie dienen. Het RIVM rapporteert namens Nederland aan de Europese Unie over radioactiviteit in het milieu. Radioactiviteit in lucht, voedsel, melk, gras en veevoer De radioactiviteitsniveaus in lucht laten een normaal beeld zien dat niet verschilt van voorgaande jaren. De niveaus in voedsel en melk liggen net als in voorgaande jaren duidelijk onder de Europese limieten die zijn opgesteld voor consumptie en export. Ook de radioactiviteitsniveaus in gras en veevoer laten een normaal beeld zien. Radioactiviteit in oppervlaktewater, zeewater en drinkwater De radioactiviteitsniveaus in oppervlaktewater en zeewater verschillen niet van voorgaande jaren. In ongezuiverd water voor de drinkwaterproductie liggen de niveaus meestal onder de zogeheten screeningswaarden (boven deze waarden moet nader onderzoek worden uitgevoerd). Een uitzondering daarop zijn 19 monsters ongezuiverd water (5 procent van het totale aantal) waarbij licht verhoogde niveaus zijn gemeten. Deze verhogingen zijn zodanig laag dat ze niet schadelijk zijn voor de gezondheid. Aanvullend onderzoek naar deze licht verhoogde niveaus toonde aan dat de niveaus in het gezuiverde drinkwater ruim onder de screeningswaarden lagen. In 2015 is een meetcampagne uitgevoerd om het radongehalte in Nederlands drinkwater te bepalen. Het radongehalte in Nederland bevindt zich op een laag en constant niveau.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
In vitro enhancement of respiratory syncytial virus infection by maternal antibodies does not explain disease severity in infants | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Nested archetypes of vulnerability in african drylands: Where lies potential for sustainable agricultural intensification | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Evaluation of tuberculosis screening of immigrants in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Zinc-induced metallothionein in centenarian offspring from a large European population: the MARK-AGE Project | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Screening for HIV, hepatitis B and syphilis on dried blood spots: A promising method to better reach hidden high-risk populations with self-collected sampling | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Cohort Profile Update: The Doetinchem Cohort Study 1987-2017: lifestyle, health and chronic diseases in a life course and ageing perspective | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
An opinion on non-human primates testing in Europe | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Multipathway quantitative assessment of exposure to fecal contamination for young children in low-income urban environments in Accra, Ghana: The SaniPath analytical approach | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Are we prepared for emerging flaviviruses in Europe? Challenges for vaccination | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Arginine (Di)methylated human leukocyte antigen class I peptides are favorably presented by HLA-B*07 | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Tannic acid promotes ion release of copper oxide nanoparticles: Impacts from solution pH change and complexation reactions | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Versterken JGZ op en met scholen: is borging van de projecten gelukt? | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Impact of excess NOx emissions from diesel cars on air quality, public health and eutrophication in Europe | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
The importance of inclusion of kinetic information in the extrapolation of high-to-low concentrations for human limit setting | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Environmental risk assessment strategy for nanomaterials | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Pathogen communities of songbird-derived ticks in Europe's low countries | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Long-Term Exposure to Ambient Air Pollution and Incidence of Postmenopausal Breast Cancer in 15 European Cohorts within the ESCAPE Project | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Low 2016/17 season vaccine effectiveness against hospitalised influenza A(H3N2) among elderly: awareness warranted for 2017/18 season | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Development of prediction models for upper and lower respiratory and gastrointestinal tract infections using social network parameters in middle-aged and older persons -The Maastricht Study- | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Milieuprestatie als uitgangspunt om de circulariteit in de bouwsector te bepalen. In Nederland werken de overheid en het bedrijfsleven samen aan een circulaire economie, gericht op het hergebruik van producten en grondstoffen. De bouwsector kan een belangrijke bijdrage leveren aan een circulaire economie. Op dit moment wordt in de bouwsector een methode gebruikt om de zogeheten milieuprestatie van bouwwerken in de grond-, weg- en waterbouw (gebouwen, bruggen, viaducten en dergelijke) te meten. Dat houdt in dat gemeten wordt welke effecten die bouwmaterialen of gebouwen op het milieu hebben. Deze milieuprestatie wordt onder andere gebruikt als criterium bij aanbestedingen in de bouw. Het RIVM heeft onderzocht welke aanpassingen nodig zijn om de huidige meetmethode om de milieuprestatie te bepalen meer te laten bijdragen aan een circulaire economie. Dit onderzoek is uitgevoerd in verband met het Rijksbrede programma Circulaire Economie 'Nederland circulair in 2050'. Het is belangrijk om al bij het ontwerp na te denken over hoe grondstoffen en bouwmaterialen beter hergebruikt of gerecycled kunnen worden. Volgens experts is de huidige methode onvoldoende geschikt om circulaire ontwerpstrategieën in de bouw te realiseren. Om de methode te verbeteren is het van belang is om op een juiste manier in te schatten of nieuwe technieken de beloofde voordelen echt waar kunnen maken. Het gaat dan om technieken in het ontwerp van een bouwwerk, maar ook over de manier waarop wordt gesloopt en het materiaal daarna wordt hergebruikt. Verder wordt aanbevolen aan te sluiten bij huidige methodologische vernieuwingen op dit gebied. Een verbeterde methode om de milieuprestatie te berekenen maakt het mogelijk om beter te kunnen afwegen welke ontwerpen en technieken nodig zijn om hergebruik en recycling te optimaliseren.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM heeft een set van 45 indicatoren ontwikkeld die het ministerie van VWS kan gebruiken om inzicht te krijgen in of het stelsel voor de publieke gezondheidszorg goed functioneert en waar verbetering mogelijk is. Deze set is met inbreng van professionals uit de wetenschap, het beleid en de praktijk ontwikkeld. Voor 19 indicatoren was het mogelijk om de indicatoren te 'vullen' met gegevens. De indicatoruitkomsten zijn van betekenis voorzien door ze bijvoorbeeld met andere landen te vergelijken of de ontwikkelingen door de tijd te schetsen. Vervolgstappen zijn nodig om de indicatorenset te vervolmaken. De indicatoren zijn divers van aard en geven een beeld van het functioneren van het stelsel in Nederland als geheel, en niet van afzonderlijke GGD'en of gemeenten. Voorbeelden van indicatoren uit deze set zijn het percentage kinderen dat deelgenomen heeft aan het Rijksvaccinatieprogramma (RVP), het percentage GGD'en dat een crisisplan heeft opgesteld, het percentage jongeren dat rookt, het percentage scholen met een Gezonde School Vignet, en het percentage jongeren in de vierde klas van het voortgezet onderwijs dat contact heeft met de jeugdgezondheidszorg. De publieke gezondheidszorg is het deel van de gezondheidszorg dat erop gericht is door collectieve maatregelen de gezondheid van de bevolking of specifieke groepen te beschermen, te bevorderen en om ziekten te voorkomen. Het gaat bijvoorbeeld om infectieziektebestrijding, medische milieukunde, gezondheidsbevordering, jeugdgezondheidszorg, oudergezondheidszorg en de bestrijding van rampen en crises. Deze thema's staan in de Wet Publieke Gezondheid en vormen de basis voor de indicatorenset. Als vervolgstap kan de set aangevuld worden met thema-overstijgende indicatoren. Bij deze stap worden deskundigen betrokken vanuit het lokale en landelijke beleid. De indicatorenset is ontwikkeld als onderdeel van een programma dat VWS en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) gezamenlijk uitvoeren om de publieke gezondheid ook in de toekomst goed te borgen (Stimuleringsprogramma Betrouwbare Publieke Gezondheid).
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
De stof fipronil, illegaal toegepast tegen bloedluis bij kippen, is giftig voor ongewervelde water- en bodemdieren, ook bij zeer lage concentraties. Het is dus van belang ervoor te zorgen dat er geen fipronil via verontreinigde kippenmest in het milieu terechtkomt. Verbranding is daarom volgens het RIVM vanuit milieuhygiënisch oogpunt de meest geschikte methode om deze mest te verwerken. Het middel wordt hierdoor namelijk volledig afgebroken. Bij andere verwerkingsmethodes, zoals compostering of covergisting, is dat niet het geval omdat daarbij lagere temperaturen worden gebruikt. Ook de tijdelijke opslag van mest is geen oplossing aangezien fipronil slecht afbreekbaar is. Dit concludeert het RIVM uit onderzoek waarin is gekeken naar de milieurisico's van het gebruik van kippenmest met zeer lage concentraties fipronil. Bij het uitrijden van deze mest op het land worden de maximaal toelaatbare risiconiveaus hoogstwaarschijnlijk niet overschreden. Voor de toelating van meststoffen en binnen het bodembeleid wordt er echter naar gestreefd verontreinigingen niet boven concentraties te laten komen die een 'verwaarloosbaar risico' aanduiden. Het RIVM kan geen zekerheid geven dat dit verwaarloosbare risiconiveau niet wordt overschreden. De economische aspecten van de mestverwerking van met fipronil verontreinigde pluimveebedrijven zijn niet in dit onderzoek meegenomen. De resultaten van deze milieurisicobeoordeling kunnen als onderbouwing dienen voor de beleidsmatige besluitvorming door het ministerie van Economische Zaken.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Disability weights for infectious diseases in four European countries: comparison between countries and across respondent characteristics. | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Towards an overarching European health information system | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Sustainability of outdoor school ground smoking bans at secondary schools: a mixed-method study | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Long-term exposure to ambient air pollution and incidence of brain tumor: the European study of cohorts for air pollution effects (ESCAPE) | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Cost of Nosocomial Outbreak Caused by NDM-1-Containing Klebsiella pneumoniae in the Netherlands, October 2015-January 2016 | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Long-term impairment attributable to congenital cytomegalovirus infection: a retrospective cohort study | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Physical activity, mediating factors and risk of colon cancer: insights into adiposity and circulating biomarkers from the EPIC cohort | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Appropriate antibiotic use reduces length of hospital stay | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Separate and combined associations of obesity and metabolic health with coronary heart disease: a pan-European case-cohort analysis. | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Whole-genome next-generation sequencing to study within-host evolution of norovirus (NoV) among immunocompromised patients with chronic NoV infection | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
A combination of plasma phospholipid fatty acids and its association with incidence of type 2 diabetes: The EPIC-InterAct case-cohort study | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Validation redefined | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Nanomaterials versus ambient ultrafine particles: an opportunity to exchange toxicology knowledge | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Risks of plastic debris: unravelling fact, opinion, perception, and belief | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
The SysteMHC Atlas project. | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Computer simulation models of pre-diabetes populations: a systematic review protocol | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Living close to natural outdoor environments in four European cities: adults' contact with the environments and physical activity | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
A transcriptomic approach for evaluating the relative potency and mechanism of action of azoles in the rat Whole Embryo Culture | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
First case of severe pneumonic tularemia in an immunocompetent patient in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Fatalities, cerebral hemorrhage, and severe cardiovascular toxicity after exposure to the new psychoactive substance 4-fluoroamphetamine: a prospective cohort study | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Exploring uptake and biodistribution of polystyrene (nano)particles in zebrafish embryos at different developmental stages. | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Community participation in Health Impact Assessment. A scoping review of the literature. | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Tar, nicotine and carbon monoxide yield of UK cigarettes and the risk of non-muscle-invasive and muscle-invasive bladder cancer. | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Met de Omgevingswet wordt het omgevingsrecht vereenvoudigd en toegankelijker gemaakt. Het idee is om hiervoor tien Informatiehuizen op te zetten (geluid, lucht, bodem, water, afval, cultureel erfgoed, natuur, externe veiligheid, bouw en ruimte) waarin informatie per domein wordt ondergebracht. Wanneer wordt besloten de informatiehuizen te realiseren, gaan zij informatie leveren aan het Digitale Stelsel Omgevingswet. Dit stelsel wordt ontwikkeld om de uitvoering van Omgevingswet te ondersteunen. Met de Informatiehuizen wordt de beschikbaarheid en kwaliteit verbeterd van de gegevens die nodig zijn bij de processen van de Omgevingswet, zoals vergunningverlening en planvorming. Het RIVM heeft in 2016 de opdracht gekregen om de ontwikkeling van de Informatiehuizen te begeleiden in de eerste zogeheten analysefase. Dit is de eerste van de drie fases die bepaald zijn om de Informatiehuizen op te zetten. In dit rapport wordt het werk dat hiervoor is verricht vastgelegd en verantwoord. Zo is een opzet gemaakt om de standaard Informatiehuizen in te richten (referentiearchitectuur). Daarnaast is een studie verricht over de kwaliteit van de gegevens. Deze en andere onderliggende studies zijn als bijlage toegevoegd. Daarnaast zijn extra werkzaamheden verricht, die ook in dit rapport zijn beschreven. Dit betreft ondersteuning en advies aan het interbestuurlijke beslisorgaan voor de implementatieprogramma 'Aan de slag met Omgevingswet' (Programmaraad/ Opdrachtgevend Beraad), hulp bij de opdrachtverlening en de uitwerking van een Werkplan voor 2017. Het RIVM constateert dat het proces minder snel verloopt dan gewenst is en geeft daarover enkele adviezen. Zo wordt aanbevolen het momentum in het werk aan de informatiehuizen te benutten en de richting te expliciteren om concrete stappen te kunnen nemen in de totstandkoming van de Informatiehuizen.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM heeft in opdracht van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd in oprichting (voorheen de Inspectie voor de Gezondheidszorg) geïnventariseerd welke gezondheidsklachten vrouwen met een siliconen borstimplantaat ervaren. Vrouwen konden hun klachten anoniem aangeven op een digitale vragenlijst. De inventarisatie laat een breed beeld aan klachten zien. Op basis van deze inventarisatie is het niet mogelijk om aan te geven of de implantaten de oorzaak zijn van de klachten. Hiervoor is wetenschappelijk vervolgonderzoek nodig. De resultaten uit deze inventarisatie kunnen hier wel richting aan geven. Allerlei factoren kunnen van invloed zijn op het ontstaan van klachten. Daarom is het moeilijk mogelijke patronen in de klachten te duiden. Sommige klachten lijken vaker voor te komen bij vrouwen met bepaalde kenmerken. Vrouwen met bepaalde chronische ziekten zoals allergieën rapporteren bijvoorbeeld vaker algemene klachten. Eén van de aanbevelingen in dit rapport is dit verder te onderzoeken. In totaal zijn de vragenlijsten van 976 vrouwen geanalyseerd. Hiervan gaven 695 vrouwen aan lokale of algemene gezondheidsklachten te ervaren nadat zij één of meerdere keren implantaten hadden laten plaatsen. 281 vrouwen gaven aan geen klachten te hebben ervaren na de implantatie(s). Van de lokale klachten zijn pijn in de borst(en) en kapselvorming het meest gerapporteerd. Chronische vermoeidheid, gewrichts- en spierklachten zijn de meest genoemde algemene klachten. Vrouwen hadden vaak zowel lokale als algemene klachten. Bij iets minder dan de helft van de vrouwen met algemene klachten verbeterden deze nadat de laatste implantaten waren verwijderd. Bij een vergelijkbaar deel bleven de klachten hetzelfde, en bij een klein deel verergerden ze. Sommige vrouwen gaven aan al klachten te hebben voordat zij borstimplantaten kregen. Deze klachten werden in de meeste gevallen als minder ernstig ervaren dan de klachten die na het krijgen van borstimplantaten ontstonden.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Staphylococcus aureus carriage in a New Zealand primary school: a Cohort Study | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Modeled and perceived exposure to radiofrequency electromagnetic fields from mobile-phone base stations and the development of symptoms over time in a general population cohort | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Impact of point-of-care management on the transmission of anogenital gonococcal infections among men who have sex with men in Amsterdam: a mathematical modelling and cost-effectiveness study | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Biowaiver monographs for immediate-release solid oral dosage forms: Folic acid | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Predicted burden could replace predicted risk in preventive strategies for cardiovascular disease | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Applying 'omics technologies in chemicals risk assessment: Report of an ECETOC workshop | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Let's talk about sex: A qualitative study exploring the experiences of HIV nurses when discussing sexual risk behaviours with HIV-positive men who have sex with men | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
A prospective evaluation of plasma phospholipid fatty acids and breast cancer risk in the EPIC study | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Comparing BMD-derived genotoxic potency estimations across variants of the transgenic rodent gene mutation assay | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Circulating RANKL and RANKL/OPG and breast cancer risk by ER and PR subtype: Results from the EPIC cohort | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Natural outdoor environments and mental health: Stress as a possible mechanism | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Increase in Legionnaires' disease cases associated with travel to Dubai among travellers from the United Kingdom, Sweden and the Netherlands, October 2016 to end August 2017 | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Measuring atmospheric ammonia with remote sensing campaign: Part 1 - Characterisation of vertical ammonia concentration profile in the centre of The Netherlands | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Infectious reactivation of cytomegalovirus explaining age- and sex-specific patterns of seroprevalence | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Chlamydia psittaci (psittacosis) as a cause of community-acquired pneumonia: a systematic review and meta-analysis | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
An update on ozone profile trends for the period 2000 to 2016 | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
In 2016 zijn meer uitbraken van voedselinfecties en -vergiftigingen geregistreerd dan in 2015. Vermoedelijk komt dat doordat er daadwerkelijk meer voedselgerelateerde uitbraken in Nederland waren en/of meer uitbraken bij de NVWA gemeld zijn. In 2016 zijn in totaal 594 uitbraken gemeld met 2731 zieken, ten opzichte van 406 gemelde uitbraken met 1850 zieken in het jaar ervoor. Dit blijkt uit een analyse van de registratiecijfers in 2016 van voedselinfecties en -vergiftigingen. Net als in voorgaande jaren blijft norovirus de belangrijkste veroorzaker van voedselgerelateerde uitbraken, gevolgd door Salmonella en Campylobacter. De cijfers zijn afkomstig van de NVWA en de GGD'en. Zij registreren en onderzoeken voedselinfecties en -vergiftigingen om meer zieken en uitbraken te voorkomen. Daartoe proberen ze vanuit hun eigen werkveld inzicht te krijgen in de besmettingsbronnen en de aard van de ziekteverwekkers. De NVWA onderzoekt het voedsel en de plaats waar het wordt bereid. De GGD richt zich op de personen die hebben blootgestaan aan besmet voedsel en probeert via hen de mogelijke bronnen te herleiden. De meldingen van beide instanties worden samengevoegd en als één geheel geanalyseerd door het Centrum Infectieziektebestrijding van het RIVM. Deze geïntegreerde aanpak levert inzicht op in oorzaken van voedselgerelateerde uitbraken in Nederland, de mate waarin ze voorkomen en mogelijke veranderingen hierin door de jaren heen. De genoemde getallen zijn evenwel een onderschatting van het werkelijke aantal voedselgerelateerde uitbraken en het aantal zieken. Dit komt doordat niet iedere zieke naar de huisarts gaat of de NVWA informeert.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Bij het gebruik van lasers en soortgelijke apparatuur voor huidbehandelingen wordt energie van of naar de huid overgedragen, bijvoorbeeld door licht om te zetten in warmte. Hiermee worden delen van de huid, zoals haren, verwijderd of 'beschadigd' en bloedvaatjes 'dichtgeschroeid' om ze te laten verdwijnen. Uit onderzoek van het RIVM blijkt dat alle onderzochte huidbehandelingen complicaties tot gevolg kunnen hebben. Deze kunnen licht en tijdelijk van aard zijn, zoals roodheid en zwelling, maar ook ernstig en blijvend, zoals verbranding en littekens. Complicaties als gevolg van behandelingen met laser- en zogeheten Intense Pulsed Light apparatuur blijken relatief lang aan te houden en vaak voor te komen. Complicaties als gevolg van ultrasound behandelingen en behandelingen van acne met LED-licht houden juist relatief kort aan en komen minder vaak voor. Uit dit onderzoek blijkt ook dat het niet mogelijk is af te bakenen welke laserapparatuur veilig is. De brancheorganisatie van schoonheidsspecialisten gaf aan behoefte te hebben aan een dergelijke afbakening. Hiermee worden eerdere conclusies van het RIVM uit 2015 hierover bevestigd. Verder is in dit vervolgonderzoek de definitie gespecificeerd voor behandelingen van de huid met alle apparatuur die energie overdraagt (Energy Based Devices). In de praktijk bleek het niet duidelijk te zijn welke behandelingen hieronder vielen. De definitie is gebruikt om te bepalen welke behandelingen die in schoonheidssalons worden uitgevoerd Energy Based Device-behandelingen van de huid zijn. De aanleiding van het vervolgonderzoek is het voornemen van de minister van VWS in 2016 om het uitvoeren van behandelingen met lasers en aanverwante apparatuur in de toekomst alleen toe te staan voor artsen en huidtherapeuten. Het voornemen van de minister leidde tot diverse reacties bij beroepsbeoefenaren, in het bijzonder bij schoonheidsspecialisten.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Dit rapport bevat een erratum d.d. 24-04-2018 na pagina 52 Op basis van ritgegevens over het jaar 2016 heeft het RIVM berekend hoeveel ambulances er in Nederland nodig zijn. Op werkdagen overdag zijn er 608 ambulances nodig, 10 meer dan uit de doorrekening over 2015 bleek. Ook zijn er in de avond, nacht en in het weekend meer ambulances nodig. 's Avonds op werkdagen zijn er bijvoorbeeld 6 ambulances meer nodig dan in de vorige doorrekening. In het weekend varieert dit tussen 3 en 7 ambulances, afhankelijk van de dag en het tijdstip. De belangrijkste oorzaak voor het toegenomen aantal benodigde ambulances is de stijging van het aantal ritten. Het aantal spoedeisende ritten steeg in 2016 met 6 procent ten opzichte van 2015, het aantal besteld vervoer inzetten met 2 procent. De benodigde capaciteit van de ambulancezorg in Nederland wordt berekend met behulp van een zogeheten referentiekader. Dit kader definieert het aantal ambulances waarmee de ambulancezorg in Nederland kan worden uitgevoerd, gegeven een aantal randvoorwaarden, zoals de tijd na een melding waarbinnen een ambulance ter plaatse moet zijn en de spreiding van de standplaatsen. In opdracht van het ministerie van VWS heeft het RIVM het referentiekader in 2017 geactualiseerd met cijfers over het gebruik van ambulancezorg in Nederland in 2016.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
The interactive effects of diclofop-methyl and silver nanoparticles on Arabidopsis thaliana: Growth, photosynthesis and antioxidant system | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Variation in loss of immunity shapes influenza epidemics and the impact of vaccination | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Acquisition of wild-type HIV-1 infection in a patient on pre-exposure prophylaxis with high intracellular concentrations of tenofovir diphosphate: a case report | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
BAFF augments IgA2 and IL-10 production by TLR7/8 stimulated total peripheral blood B cells | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Deer presence rather than abundance determines the population density of the sheep tick, Ixodes ricinus, in Dutch forests | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Sequencing of the variable region of rpsB to discriminate between Streptococcus pneumoniae and other streptococcal species | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Status, quality and specific needs of Zika virus (ZIKV) diagnostic capacity and capability in National Reference Laboratories for arboviruses in 30 EU/EEA countries, May 2016 | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Blood metabolic signatures of body mass index: a targeted metabolomics study in the EPIC Cohort | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Non-specific effects of measles, mumps, and rubella (MMR) vaccination in high income setting: population based cohort study in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Spotted fever rickettsiae in wild-living rodents from south-western Poland | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
A novel measles outbreak control strategy in the Netherlands in 2013-2014 using a national electronic immunization register: A study of early MMR uptake and its determinants | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Pathogenic helminths in the past: Much ado about nothing | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Het Programma Aanpak Stikstof (PAS) is ingevoerd om economische ontwikkelingen mogelijk te maken en tegelijkertijd de natuurdoelen voor de Natura 2000-gebieden te realiseren. Het programma omvat maatregelen om stikstofuitstoot te verminderen waardoor er minder vanuit de lucht op deze gebieden neerslaat (depositie). Hierdoor ontstaat ruimte voor nieuwe economische activiteiten. Daarnaast omvat het PAS herstelmaatregelen om de natuur aldaar te versterken. Het PAS is op 1 juli 2015 in werking getreden. De ontwikkeling van de depositie door de jaren heen laat in deze monitoringsronde een wisselend beeld zien. Vanuit het hoofdwegennet, de landbouwsector en de bijdrage vanuit het buitenland daalt de verwachte depositie voor 2030 gemiddeld genomen. Andere sectoren laten echter een minder gunstig beeld zien. In zijn totaliteit daalt de gemiddelde depositie 14 procent. Het PAS maakt het mogelijk, gezien de verwachte toekomstige depositiedaling, dat bestaande activiteiten kunnen uitbreiden, of dat nieuwe activiteiten kunnen starten. Met de op die manier beschikbaar gestelde zogenoemde depositieruimte maakt het PAS economische ontwikkeling mogelijk, onder de voorwaarden dat de totale stikstofdepositie blijft dalen, en de instandhoudingsdoelen van de Natura 2000-gebieden niet in geding komen. Bij nieuwe economische activiteiten wordt een onderscheid gemaakt tussen activiteiten die een meldingsplicht hebben omdat ze weinig stikstofdepositie veroorzaken, en vergunningsplichtige activiteiten. De ruimte die beschikbaar is voor activiteiten met meldingsplicht is gemiddeld over Nederland voor 55 procent benut. Van de ruimte voor vergunningsplichtige activiteiten is gemiddeld circa 30 procent benut. Het merendeel van de nieuwe activiteiten betreft de landbouwsector. Het RIVM rapporteert in opdracht van het PAS-Bureau jaarlijks over de stikstofdepositie, als onderdeel van de totale PAS-monitoring. Het gebruikt hiervoor de nieuwste stikstofemissiegegevens en de meest geactualiseerde modellen en rekenmethoden. Telkens worden de verwachte ontwikkelingen voor de ijkjaren 2020 en 2030 beschreven in relatie tot de situatie vóór de PAS (2014).
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Met de Omgevingswet wordt het omgevingsrecht vereenvoudigd en toegankelijker gemaakt. Om goed met deze wet te kunnen werken is het van belang dat de verschillende gebruikers (initiatiefnemers voor plannen in de leefomgeving, het bevoegd gezag en belanghebbenden) over dezelfde informatie beschikken. Voor informatie over geluid in de leefomgeving hebben de gebruikers behoefte aan inzicht in zowel de werkelijke als de toegestane hoeveelheid geluid. Het RIVM adviseert om kaarten te ontwikkelen waarin deze informatie op een overzichtelijke manier kan worden gepresenteerd. Het RIVM heeft onderzocht welke informatie over geluid voor de verschillende rollen en processen nodig is. Op basis hiervan wordt een advies gegeven over de in ontwikkeling zijnde wet- en regelgeving voor geluid. Hierbij heeft het RIVM ook bekeken hoe de nationale monitoringsverplichting beter kan aansluiten op de Europese monitoringsverplichting. Wanneer de inhoud en het moment waarop deze informatie moet worden geleverd op elkaar aansluiten, wordt de informatievoorziening eenduidiger en vergt het minder tijd om deze informatievoorziening op te stellen. Het RIVM is voor de digitale ondersteuning van de Omgevingswet kwartiermaker voor de Informatiehuizen Geluid en Lucht. De Informatiehuizen zullen de informatie per domein (geluid, lucht, bodem, water, afval, cultureel erfgoed, natuur, externe veiligheid, bouw en ruimte) die nodig is om invloeden af te wegen, aanleveren aan het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Het DSO zorgt ervoor dat deze informatie samenhangend wordt ontsloten.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Attribution of human infections with Shiga toxin-producing Escherichia coli (STEC) to livestock sources and identification of source-specific risk factors, The Netherlands (2010-2014). | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Molecular and cellular signatures underlying superior immunity against Bordetella pertussis upon pulmonary vaccination. | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Contribution of prior, multiple-, and repetitive surgeries to the risk of surgical site infections in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Research costs investigated: a study into the budgets of Dutch publicly funded drug-related research | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
In de winter van 2016/2017 duurde de griepepidemie 15 weken. Dit is langer dan het gemiddelde van negen weken in de afgelopen 20 jaar. Tijdens de gehele epidemie is vooral influenzavirus van het type A(H3N2) aangetroffen, waartegen ouderen over het algemeen minder weerstand hebben. Het aantal patiënten boven de 65 jaar dat de huisarts bezocht met griepachtige klachten was dan ook iets hoger dan vorig jaar, toen vooral influenza A(H1N1)pdm09 circuleerde. Vooral in verpleeghuizen waren er veel patiënten met griepachtige klachten. In totaal zijn naar schatting tussen begin oktober 2016 en eind mei 2017 ongeveer 500 duizend mensen ziek geworden door een infectie met het griepvirus en zijn ruim 6500 mensen in het ziekenhuis opgenomen vanwege griep gerelateerde problemen. Gedurende de epidemie overleden 7500 meer mensen dan in die periode was verwacht. Gevaccineerden hadden een 47 procent verlaagd risico om griep te krijgen. Er was een redelijk tot goede match tussen het vaccin en het A(H3N2) virus dat dit jaar griep veroorzaakte. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) heeft daarom geadviseerd om volgend jaar hetzelfde A(H3N2) vaccinvirus te gebruiken. Het B-virus in het griepvaccin van volgend jaar zal ook hetzelfde blijven, maar het vaccinvirus A(H1N1)pdm09 wordt wel door een recenter virus vervangen. De effectiviteit van het vaccin kan per seizoen sterk verschillen doordat nooit van tevoren bekend is welke virussen in het volgend seizoen overheersen. Ook kunnen deze virussen door de tijd heen evolueren en gaan afwijken van de gekozen vaccinvirussen. Van de meldingsplichtige luchtweginfectieziekten zijn in 2016 zowel tuberculose (889 meldingen) als psittacose (60 meldingen) en legionellose (454 meldingen) vaker gemeld dan voorgaande jaren. De stijging bij legionellose kan deels worden toegeschreven aan het warme en natte weer. Bij enkele plaatselijke verhogingen was dit niet het geval en kon ook geen besmettingsbron worden gevonden. Het aantal meldingen van Q-koorts (14) bleef dalen. Het aantal gemelde gevallen van Q-koorts, psittacose en legionellose is altijd een onderschatting van het werkelijke aantal. Bij longontsteking wordt namelijk niet vaak de oorzaak vastgesteld, omdat ofwel niet altijd getest wordt of de test geen zekere oorzaak oplevert.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Consumption of whole grains, fruit and vegetables is not associated with indices of renal function in the population-based longitudinal Doetinchem study | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Attribution of global foodborne disease to specific foods: Findings from a World Health Organization structured expert elicitation | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Reconsideration ICF scheme | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Climate and air pollution impacts on habitat suitability of Austrian forest ecosystems | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Current prevalence of chronic hepatitis B and C virus infection in the general population, blood donors and pregnant women in the EU/EEA: a systematic review | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Do pancreatic cancer and chronic pancreatitis share the same genetic risk factors? A PANcreatic Disease ReseArch (PANDoRA) consortium investigation | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Risk analysis and technology assessment in support of technology development; putting responsible innovation in practice in a case study for nanotechnology | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Het RIVM doet een voorstel voor waterkwaliteitsnormen voor PFOA. Deze perfluorverbinding is jarenlang gebruikt bij de productie van teflon en wordt overal ter wereld in het oppervlaktewater aangetroffen. De norm voor de langetermijn-blootstelling houdt rekening met de mate waarin PFOA zich ophoopt in vis. Met die informatie heeft het RIVM berekend dat een concentratie van 48 nanogram per liter veilig is als mensen, vogels en zoogdieren hun leven lang vis uit dat water zouden eten. Voor dit onderzoek is een uitgebreid overzicht gemaakt van wat er in de wetenschappelijke literatuur bekend is over de effecten van PFOA op waterorganismen en in welke mate ze deze stof opnemen. In eerder onderzoek heeft het RIVM bepaald hoeveel een mens van de stof zou mogen binnenkrijgen zonder daar schadelijke gevolgen van te ondervinden. Vervolgens is berekend wat er maximaal in vis zou mogen zitten als mensen elke dag gedurende hun hele leven vis zouden eten. Deze waarde in vis is vertaald naar een veilige concentratie in water. Dit is gedaan met behulp van gegevens over de mate waarin vissen PFOA opnemen vanuit het water. Deze werkwijze is gevolgd omdat de voedselketen onvoldoende wordt beschermd door de ecologische norm voor waterorganismen. PFOA is relatief weinig giftig voor waterorganismen zelf, maar kan een probleem vormen als de stof via vis in de voedselketen terechtkomt. Het gebruik van PFOA is in Europa inmiddels aan banden gelegd, maar kan nog wel vrijkomen uit producten waarin de stof in het verleden is verwerkt. Omdat PFOA nauwelijks afbreekt, zullen restanten nog lang in het milieu aanwezig blijven. Uit een eerste vergelijking met meetgegevens blijkt echter dat de veilige concentratie momenteel niet wordt overschreden in Nederlands oppervlaktewater.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM heeft een set van 45 indicatoren ontwikkeld die het ministerie van VWS kan gebruiken om inzicht te krijgen in of het stelsel voor de publieke gezondheidszorg goed functioneert en waar verbetering mogelijk is. Deze set is met inbreng van professionals uit de wetenschap, het beleid en de praktijk ontwikkeld. Voor 19 indicatoren was het mogelijk om de indicatoren te 'vullen' met gegevens. De indicatoruitkomsten zijn van betekenis voorzien door ze bijvoorbeeld met andere landen te vergelijken of de ontwikkelingen door de tijd te schetsen. Vervolgstappen zijn nodig om de indicatorenset te vervolmaken. De indicatoren zijn divers van aard en geven een beeld van het functioneren van het stelsel in Nederland als geheel, en niet van afzonderlijke GGD'en of gemeenten. Voorbeelden van indicatoren uit deze set zijn het percentage kinderen dat deelgenomen heeft aan het Rijksvaccinatieprogramma (RVP), het percentage GGD'en dat een crisisplan heeft opgesteld, het percentage jongeren dat rookt, het percentage scholen met een Gezonde School Vignet, en het percentage jongeren in de vierde klas van het voortgezet onderwijs dat contact heeft met de jeugdgezondheidszorg. De publieke gezondheidszorg is het deel van de gezondheidszorg dat erop gericht is door collectieve maatregelen de gezondheid van de bevolking of specifieke groepen te beschermen, te bevorderen en om ziekten te voorkomen. Het gaat bijvoorbeeld om infectieziektebestrijding, medische milieukunde, gezondheidsbevordering, jeugdgezondheidszorg, oudergezondheidszorg en de bestrijding van rampen en crises. Deze thema's staan in de Wet Publieke Gezondheid en vormen de basis voor de indicatorenset. Als vervolgstap kan de set aangevuld worden met thema-overstijgende indicatoren. Bij deze stap worden deskundigen betrokken vanuit het lokale en landelijke beleid. De indicatorenset is ontwikkeld als onderdeel van een programma dat VWS en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) gezamenlijk uitvoeren om de publieke gezondheid ook in de toekomst goed te borgen (Stimuleringsprogramma Betrouwbare Publieke Gezondheid).
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Het hergebruik van stoffen, materialen en producten is belangrijk om een circulaire economie te bereiken. Dit wordt echter bemoeilijkt wanneer materialen en producten stoffen bevatten die zo schadelijk zijn dat het op Europees niveau gewenst is om ze geleidelijk aan niet meer te gebruiken (uitfaseren). Dit is het geval bij stoffen die binnen de Europese stoffenwetgeving REACH getypeerd zijn als zeer zorgwekkend (Substances of Very High Concern, SVHC). Deze stoffen mogen op den duur alleen nog worden gebruikt als daar specifiek toestemming voor is verleend. Producenten die afval hergebruiken denken hierdoor in de problemen te komen wanneer hun producten deze stoffen bevatten. Dit blijkt uit een interviewronde van het RIVM langs producenten en brancheorganisaties over knelpunten en mogelijke oplossingen. Het grootste probleem is de onduidelijkheid wanneer een materiaal onder de afvalwetgeving valt of onder REACH: wanneer wordt afval een stof, mengsel of artikel? Volgens de afvalwetgeving moet het materiaal worden vernietigd als het hoge concentraties schadelijke stoffen bevat. Volgens REACH moet toestemming worden gevraagd voor veilig gebruik. Dit laatste vergt veel kennis over de stoffen, die nog vaak ontbreekt. Daarnaast bestaan er onduidelijkheden over welke SVHC-stoffen in huidige afvalstromen zitten, welke stoffen in het afval in de toekomst als SVHC zullen worden bestempeld, en wanneer voor de nu geïdentificeerde SVHC's toestemming moet worden gevraagd. Om ervoor te zorgen dat schoon afval niet vermengd raakt met vervuild afval, is het volgens de geïnterviewde bedrijven belangrijk dat de SVHCs in een vroege fase van de afvalverwerking worden gescheiden van de rest van het afval. Ook hier is kennis van belang om welke stoffen het gaat en waar ze in zitten. Daarnaast zijn volgens hen juridische en economische prikkels gewenst die stimuleren dat ook minder winstgevende scheidingsprocessen worden uitgevoerd. Verder is het belangrijk om voor gerecycled materiaal dat SVHC's bevat, toepassingen te bedenken die zodanig zijn ontworpen dat de producenten en gebruikers niet aan deze stoffen worden blootgesteld. Op deze manier kunnen de stoffen ook niet in het milieu terechtkomen. Een voorbeeld zijn drielaags pvc-buizen waarbij de binnenste en buitenste laag SVHC-vrij zijn en de SVHC in de middelste, afgeschermde, laag zit.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Dit rapport bevat een erratum d.d. 24-10-2017 op de laatste pagina. Wetenschappelijk onderzoek wijst op een mogelijk verhoogd risico op leukemie bij kinderen die in de buurt van bovengrondse hoogspanningslijnen wonen. Door statistische onzekerheden en het onbekende ziektemechanisme is het niet duidelijk of de magnetische velden van de hoogspanningslijnen daar de oorzaak van zijn. Uit voorzorg hebben Nederland en enkele andere Europese landen enkele jaren geleden beleid opgezet om de blootstelling aan de magnetische velden van nieuwe hoogspanningslijnen te beperken. Landen blijken verschillend om te gaan met de onzekerheden in de beschikbare kennis en maken voor hun beleid andere afwegingen tussen de wetenschappelijke bewijslast en sociale, economische en politieke argumenten. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM. Hierin is het Nederlandse beleid over magneetvelden van hoogspanningslijnen verduidelijkt en vergeleken met het beleid in vier omringende landen (België, Duitsland, Frankrijk, Verenigd Koninkrijk). De landen verschillen in de gebruikte limieten en op welke locaties en welk type elektriciteitsvoorzieningen het beleid van toepassing is. Het Verenigd Koninkrijk is bijvoorbeeld het meest terughoudend in beleid en richt zich op publieksvoorlichting en op aanpassingen in de aansluitingpunten van de draden van de hoogspanningslijnen, bijvoorbeeld in de centrale, waardoor het magneetveld zwakker wordt. Verdergaande maatregelen vinden zij niet in verhouding staan tot het mogelijke risico. Duitsland hanteert een beleid dat in bredere zin is ingestoken op het minimaliseren van magnetische velden, dus ook voor bijvoorbeeld transformatorstations en bovenleidingen van treinen.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
How radiation influences atherosclerotic plaque development: a biophysical approach in ApoE{{-/-}} mice | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
EMS call center models with and without function differentiation: A comparison | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Environmental surveillance during an outbreak of tularaemia in hares, the Netherlands, 2015 | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Effectiveness of a web-based tailored intervention with virtual assistants promoting the acceptability of HPV vaccination among mothers of invited girls: randomized controlled trial | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Nanomedicinal products: a survey on specific toxicity and side effects | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Trends in riverine element fluxes: A chronicle of regional socio-economic changes | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Adhering to a national surgical care bundle reduces the risk of surgical site infections | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Characterization of Enterococcus isolates colonizing the intestinal tract of intensive care unit patients receiving selective digestive decontamination | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Cost-effectiveness of human papillomavirus vaccination in Germany | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
High seroprevalence of Toxoplasma gondii and probability of detecting tissue cysts in backyard laying hens compared with hens from large free-range farms | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
A progesterone-brown fat axis is involved in regulating fetal growth | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Evaluating a Dutch cardiology primary care plus intervention on the Triple Aim outcomes: study design of a practice-based quantitative and qualitative research | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
A probabilistic approach to assess antibiotic resistance development risks in environmental compartments and its application to an intensive aquaculture production scenario | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Land use regression modelling estimating nitrogen oxides exposure in industrial south Durban, South Africa | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Year-to-year variation in the density of Ixodes ricinus ticks and the prevalence of the rodent-associated human pathogens Borrelia afzelii and B. miyamotoi in different forest types | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Dutch food bank recipients have poorer dietary intakes than the general and low-socioeconomic status Dutch adult population. | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Dit rapport bevat een erratum d.d. 12-10-2017 op de laatste pagina In deze strategie staan de ambities van het Centrum Infectieziektebestrijding (CIb) voor de komende jaren beschreven. Het gaat hierbij om de veranderingen die het CIb noodzakelijk acht; het is niet zozeer een opsomming van activiteiten. Dankzij inspanningen voor preventie- en vaccinatieprogramma’s is er in Nederland relatief weinig ziekte en sterfte als gevolg van infectieziekten. Wel zijn er belangrijke uitdagingen. De opkomst van antibioticaresistentie is zorgwekkend en vraagt om een integrale en gecoördineerde aanpak. Daarnaast is het succes van het rijksvaccinatieprogramma (RVP) niet vanzelfsprekend: om het brede draagvlak onder ouders en professionals te behouden is het noodzakelijk dat om voortdurend te blijven investeren in het programma en de communicatie met professionals en het publiek. Verder is het belangrijk inzicht te hebben in zoönotische bedreigingen (ziekten die van dier op mens overgaan). Ook is het aantal mensen met een seksueel overdraagbare aandoeningen bij ‘hoogrisicogroepen’, zoals prostituees en drugsgebruikers, gestegen waardoor inspanningen om ze te voorkomen belangrijk blijven. Om infectieziekten goed te kunnen bestrijden is het bovendien van belang inzicht te hebben in nationale en internationale trends en veranderingen op dit gebied. In organisatorisch opzicht gaat het om een verdere verbetering van de structuur waarmee infectieziekten worden bestreden. Ten slotte is een goede wisselwerking van belang tussen de nationale en internationale activiteiten van het CIb.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Determinants of first-time utilization of long-term care services in the Netherlands: an observational record linkage study | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Biowaiver monographs for Immediate release solid oral dosage forms: Folic acid | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
A review of recent advances towards the development of (quantitative) structure-activity relationships for metallic nanomaterials | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Review of the reported measures of clinical validity and clinical utility as arguments for the implementation of pharmacogenetic testing: A case study of statin-induced muscle toxicity | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Uitdagingen en ambities zijn groot De meeste Nederlanders zijn gezond en de levensverwachting stijgt. Tegelijkertijd heeft de helft van de Nederlanders overgewicht; in lagere sociaaleconomische groepen is dit nog meer. Ook eten 9 van de 10 mensen te weinig groente en fruit en is bijna 30 procent van ons eten van dierlijke oorsprong. Het voedingspatroon van een gemiddelde Nederlander leidt niet alleen tot gezondheidsverlies, maar vormt ook een grote belasting voor het milieu. Het zorgt voor een uitstoot aan broeikasgassen die vergelijkbaar is met die van vervoer. Jaarlijks verspillen Nederlanders per persoon 47 kilogram voedsel. Voedsel in Nederland is overwegend veilig: ongeveer 1 op de 24 mensen maakt jaarlijks een voedselinfectie door, die meestal niet ernstig verloopt. Voor de meeste chemische stoffen in voedsel is het risico voor de volksgezondheid verwaarloosbaar. Nederland wil voorop lopen in de internationale ambitie voor een gezond, duurzaam en veilig voedingspatroon. Om dat te realiseren is integraal beleid nodig gericht op veiligheid, gezondheid en duurzaamheid tegelijkertijd. Kansen In dit onderzoek heeft het RIVM de feiten en cijfers over de veiligheid, gezondheid en ecologische duurzaamheid van voedsel in Nederland verzameld en geanalyseerd welke kansen en dilemma's er zijn voor een integraal voedselbeleid. Niet teveel eten, een voedingspatroon met meer plantaardige en minder dierlijke producten en minder suikerhoudende en alcoholische dranken: dat zijn drie kansen voor een gezonder en duurzamer voedingspatroon. Deze veranderingen verminderen het aantal chronisch zieken, verkleinen de gezondheidsverschillen en beperken de milieubelasting van voedsel. In de meeste gevallen wordt het voedsel daarmee ook veiliger; zo gaat de consumptie van minder vlees samen met minder voedselinfecties. Dilemma's Er zijn ook dilemma's. Niet alle maatregelen voor gezonde voeding zijn duurzaam en veilig, en vice versa. Zo is het duurzaam om bij vleesconsumptie het hele dier van kop tot staart te eten. Dit betekent ook bewerkte vleesproducten, zoals worst, die weer minder gezond zijn. Daarnaast bestaat er een spanningsveld tussen abstracte doelstellingen op lange termijn ('gezonder, duurzamer en veilig') en concrete keuzen in het dagelijks leven. Veel burgers en bedrijven vinden gezondheid en duurzaamheid belangrijk, maar in de winkel letten consumenten toch vooral op prijs en gemak. Bedrijven willen op hun beurt deze consument dienen en winst maken. Keuzen maken De spanning tussen duurzaam, gezond en veilig voedsel, en het gemak, de betaalbaarheid en de economie vraagt om keuzen. Om hier een uitweg in te vinden is een actieve rol van de overheid gewenst, die samen optrekt met de agrarische sector, bedrijven, burgers en maatschappelijke organisaties. Daarbij is niet alleen een goede informatievoorziening voor de consument nodig, maar ook een gezonder en duurzamer aanbod. Hetzelfde geldt voor een omgeving die gezond en duurzaam gedrag stimuleert. Partijen die hier veel invloed op hebben, zoals inkooporganisaties voor supermarkten en de detailhandel, kunnen een belangrijke partner zijn. Dat veel burgers en bedrijven duurzaam, gezond en veilig voedsel belangrijk vinden, creëert legitimiteit voor deze actieve rol. Kansen benutten Kansen voor een integrale aanpak zijn er. De Nederlandse maatschappij kenmerkt zich door ondernemingsgeest en innovatievermogen. Er zijn al burgerinitiatieven gaande die werk maken van verantwoord voedsel. Bedrijven en de agrarische sector willen hieraan bijdragen door slimme oplossingen waarmee winst te maken is. Als de overheid deze ontwikkelingen stimuleert en faciliteert, worden de maatschappelijke ambities, de ondernemingsgeest en het innovatievermogen van alle partijen benut.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
A four-domain approach of frailty explored in the Doetinchem Cohort Study | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
DNA methylation and exposure to ambient air pollution in two prospective cohorts | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
In de studie 'Wat ligt er op ons bord? Veilig, gezond en duurzaam eten in Nederland' heeft het RIVM de maatschappelijke uitdagingen voor gezonde, veilige en duurzame voeding - nu en in de toekomst - in kaart gebracht. Daarnaast biedt de studie bouwstenen voor voedselbeleid in Nederland, waarbij naast een integrale benadering van deze vraagstukken ook rekening wordt gehouden met de uiteenlopende waarden van voedsel, zoals gemak, betaalbaarheid en dierenwelzijn. Dit rapport is de methodologische verantwoording hiervan en beschrijft de gebruikte methoden. Als eerste wordt besproken hoe met behulp van kwalitatieve analyses trendscenario's voor de veiligheid, gezondheid en duurzaamheid van het voedingspatroon zijn opgesteld. Vervolgens wordt beschreven hoe de effecten van drie toekomstscenario's zijn geschat. En hoe daaruit kansen en keuzen zijn gedestilleerd die zich voordoen bij integraal voedselbeleid. Tot slot wordt een casestudy besproken waarin met behulp van een zogeheten multicriteria-analyse de effecten van alternatieven voor dierlijke eiwitten zijn gewogen. De resultaten van de casestudy en hoe ze zijn gebruikt in 'Wat ligt er op ons bord?' zijn eveneens beschreven.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Diesel engine exhaust accelerates plaque formation in a mouse model of Alzheimer's disease | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Urine as sample for molecular diagnosis of natural yellow fever virus infections | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Neonatal screening parameters in infants with congenital Cytomegalovirus infection | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Om te herkennen wanneer te veel aardgas vrijkomt, en zo explosies te voorkomen, wordt er een geurstof aan toegevoegd. De huidige geurstof (tetrahydrothiofeen) bevat zwavel. Om de uitstoot van zwavel naar het milieu verder te verminderen onderzoekt Gasunie Transport Services de mogelijkheid om een andere, zwavelvrije geurstof, toe te voegen: Gasodor S-Free. Vanwege het omvangrijke gebruik van aardgas is het van belang voldoende zicht te hebben op mogelijke risico's van dit product. Het RIVM heeft onvoldoende informatie kunnen vinden om vast te stellen of het gebruik van Gasodor S-Free als geurstof in aardgas veilig is. De zorg bestaat dat dit product allergische reacties kan veroorzaken als het wordt ingeademd. Het gebruik van Gasodor S-Free wordt afgeraden totdat meer duidelijk is over het mogelijke risico op allergische reacties. Het RIVM geeft aanbevelingen voor vervolgonderzoek om het risico op deze reacties beter te kunnen beoordelen. Gasodor S-Free is een mengsel van drie stoffen, voornamelijk ethylacrylaat en methylacrylaat (samen 95 procent of meer), en een kleine fractie 2-ethyl-3-methylpyrazine. Mogelijke gevolgen van de twee hoofdbestanddelen zijn op basis van de huidige kennis niet goed te beoordelen. Bekend is dat ethylacrylaat en methylacrylaat de luchtwegen kunnen irriteren, maar door de lage concentraties worden geen normen overschreden. Ook zijn ze niet kankerverwekkend. Het is bekend dat beide stoffen allergische reacties kunnen veroorzaken bij huidcontact. Vergelijkbare effecten zouden ook kunnen optreden als de stof wordt ingeademd, maar dit kan op basis van de beschikbare informatie niet worden beoordeeld. Over nadelige effecten van de derde stof (2-ethyl-3-methylpyrazine) is onvoldoende informatie beschikbaar om een uitspraak te kunnen doen over mogelijke effecten op mens en milieu.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Enterovirus type D68 en acute slappe verlamming: een nieuw duo? | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Effectiveness and cost-effectiveness of nationwide campaigns for awareness and case finding of hepatitis C targeted at people who inject drugs and the general population in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Identification and ranking of environmental threats with ecosystem vulnerability distributions | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Parasitic nematodes of the genus Syphacia Seurat, 1916 infecting Muridae in the British Isles, and the peculiar case of Syphacia frederici. | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Polio-eradicatie: enterovirussurveillance en poliovirusdetectie in Nederland in 2015 | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Trends van shigellosemeldingen in Nederland, 1988-2015 | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Surveillance van Listeria monocytogenes in Nederland | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Hoe lang is scabiës crustosa besmettelijk bij een overleden patiënt? | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Gezondheidsklachten door recreatiewater in de zomers van 2014, 2015 en 2016 | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Surveillance van shigatoxine-producerende Escherichia coli (STEC) in Nederland, 2016 | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Informatiebehoefte over maternale kinkhoestvaccinatie | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Bronopsporing bij een langdurige internationale uitbraak van Salmonella Enteritidis | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Trends in Salmonella in Nederland in 2016 | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Is er een oplossing voor hardnekkige MRSA? | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Mag BMR-vaccinatie worden gegeven tijdens borstvoeding? | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Tekenencefalitis, een nieuwe ziekte in Nederland? | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Plotselinge toename van invasieve meningokokkenziekte serogroep W in 2015 en 2016 | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Psychiatrische patiënten risicogroep voor hepatitis B? | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Het surveillancesysteem van de Centra Seksuele Gezondheid | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
De GGD en rabiës: Wat kan de GGD doen bij een beet door een onbekende hond? | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Dit technische rapport beschrijft de werkwijze van het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM) in de periode 2011-2014. Het LMM voorziet de Nederlandse overheid van informatie over de effecten van het mestbeleid op de waterkwaliteit en de landbouwpraktijk. Het meetnet vervult daarmee een rol in de verantwoording en evaluatie van de Nederlandse Meststoffenwet, de Europese Nitraatrichtlijn en de Nederlandse derogatie op de Nitraatrichtlijn. Derogatie houdt in dat Nederland, onder voorwaarden, toestemming heeft om meer stikstof met dierlijke mest uit te rijden dan regulier is opgenomen in de Europese nitraatrichtlijn. Een van de voorwaarden is dat de effecten van de een hogere hoeveelheid stikstof uit dierlijke mest worden gemonitord. In de onderzoeksperiode zijn verschillende wijzigingen doorgevoerd om het meetnet te optimaliseren en af te stemmen op de veranderende omstandigheden. Alle relevante wijzigingen zijn in dit rapport vastgelegd, zodat de gebruikte meetmethoden voor iedereen inzichtelijk blijven. In het LMM werken Wageningen Economic Research (voorheen het LEI Wageningen UR) en het RIVM samen om informatie te verzamelen over de landbouwpraktijk en waterkwaliteit op landbouwbedrijven in Nederland. Wageningen Economic Reseach verzamelt financiële, economische en milieudata van ongeveer 450 landbouwbedrijven. Het RIVM meet de kwaliteit van het grondwater, bodemvocht, slootwater en/of drainagewater op deze bedrijven. De deelnemende bedrijven zijn een representatieve steekproef van de Nederlandse landbouw, verdeeld over grondsoortregio's (zand, klei, veen en löss) en bedrijfstypen (melkvee-, akkerbouw-, hokdier- en overige bedrijven).
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Mensen staan in hun leefomgeving incidenteel, voortdurend, of gelijktijdig, bloot aan verschillende bedreigingen zoals luchtvervuiling, chemische stoffen en geluid. Het RIVM heeft een inventarisatie gemaakt van deze bedreigingen en de effecten ervan op gezondheid, milieu, economie en maatschappij. Daaruit blijkt onder meer dat de ernst van de gevolgen lastig in één maat is uit te drukken. Bij het beschrijven, beoordelen en vergelijken van risico's en onzekerheden is het onvermijdelijk dat betrokken partijen afwegingen maken vanuit uiteenlopende maatschappelijke waarden en belangen. Dit aspect wordt inzichtelijk gemaakt door bij elk vraagstuk inzichten uit meerdere invalshoeken te betrekken. Zo heeft het RIVM in deze inventarisatie behalve gezondheidseffecten ook de mogelijke impact op de maatschappij, verstoring van ecosystemen, en economische schade in beeld gebracht. De kwaliteit van de gegevens over ernst en omvang van risico's blijkt sterk te verschillen. De gewenste gegevens zijn ook niet altijd beschikbaar. Bewijs voor bijvoorbeeld gezondheidseffecten of schade is daardoor niet altijd te leveren, wat niet automatisch wil zeggen dat er geen effecten zijn. Verder zijn 'nieuwe risico's' niet altijd eenvoudig te vergelijken met bekende risico's door een gebrek aan gegevens over de aard en omvang ervan. Dat geldt bijvoorbeeld voor drones, nanomaterialen en zelfsturende auto's. De risico's zijn dan onzeker. Doordat risicovraagstukken specifiek zijn, is voor oplossingen altijd maatwerk nodig. Wel kan consistentie in dat maatwerk op verschillende manieren worden bevorderd. Een les op basis van dit onderzoek is bijvoorbeeld dat interdisciplinaire samenwerking kan helpen om uiteenlopende risicovraagstukken consistent te beschrijven. Consistentie in besluiten over risicovraagstukken kan worden bevorderd door telkens inzichten uit meerdere invalshoeken te betrekken en lering te trekken uit de opgedane ervaringen.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Momenteel zijn veel initiatieven gaande om afval te hergebruiken (circulaire economie). Er gelden voorschriften om te voorkomen dat schadelijke stoffen in het milieu terechtkomen. Voor afval dat zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) bevat gelden extra strenge regels op basis waarvan een afweging wordt gemaakt tussen hergebruik of vernietigen. Deze voorschriften maken deel uit van het landelijke afvalbeheerplan (LAP3), dat momenteel wordt opgesteld. Er bestaan meerdere wetgevende kaders om de risico’s van ZZS te beoordelen die uiteenlopende concentratiegrenswaarden aangeven. Om de beoordeling voor afval te vereenvoudigen heeft het RIVM een stappenplan ontwikkeld op basis waarvan een vergunninghouder kan afwegen of het afval veilig te recyclen is. Voor dit stappenschema is een algemene concentratiegrenswaarde bepaald voor afval dat ZZS bevat. Boven deze grenswaarde moet worden uitgezocht of het afval vernietigd moet worden of dat het kan worden hergebruikt. Deze risicoanalyse moet nog nader worden uitgewerkt. De algemene concentratiegrenswaarde van ZZS in afval is op 0,1 procent gesteld, waarbij voor een aantal van deze stoffen strengere, stofspecifieke concentratiegrenswaarden gelden. Als het afval lagere concentraties bevat, en dus mag worden gerecycled, bepaalt het type product welke concentratiegrenswaarden voor de ZZS moeten worden nageleefd. Voor speelgoed en cosmetica gelden bijvoorbeeld strengere normen. De algemene concentratiegrenswaarde is bepaald op basis van concentratiegrenswaarden voor ZZS in de huidige wet- en regelgeving. De belangrijkste wettelijke kaders die hiervoor zijn geraadpleegd zijn de verordeningen voor classificatie, label en verpakking (CLP), de Europese wetgeving voor chemische stoffen REACH en de verordening voor persistente organische stoffen (POP). Daarnaast is de Europese kaderrichtlijn afval van belang.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Hergebruik en recycling van afvalstromen is een belangrijk onderdeel van de circulaire economie. Deze verkennende RIVM-studie laat zien dat in een breed spectrum van afvalstromen diverse zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) kunnen voorkomen. Voorbeelden zijn vlamvertragers in plastics, kleurstoffen in textiel of zware metalen in reststromen van de landbouw. Dit kan de mogelijkheden om afval veilig te recyclen belemmeren in Nederland. Het RIVM doet aanbevelingen om de risico's van ZZS voor mens en milieu te beperken in de circulaire economie. ZZS worden door de Nederlandse overheid met voorrang aangepakt, omdat ze gevaarlijk zijn voor mens en milieu. Voorbeelden zijn stoffen die kankerverwekkend zijn, de voortplanting belemmeren of zich ophopen in voedselketens. ZZS kunnen in afvalstromen zitten omdat ze bewust aan het proces of product zijn toegevoegd, of verontreinigingen zijn. Het Rijksbrede beleidsprogramma 'Nederland circulair in 2050' benoemt vijf prioritaire ketens en sectoren voor de overgang naar een circulaire economie in Nederland: biomassa en voedsel, kunststoffen, de maakindustrie, de bouw en consumptiegoederen. Het RIVM onderzocht belangrijke afvalstromen in deze sectoren op de mate waarin ZZS voorkomen. Het is lastig om een compleet beeld te krijgen van ZZS in afvalstromen, omdat vaak informatie ontbreekt over de werkelijke concentraties ervan in het afval. Het RIVM doet aanbeveling om aan te geven welke ZZS en afvalstromen als eerste aandacht moeten krijgen (prioriteren). Tevens wordt het aangeraden om een afwegingskader te ontwikkelen om de meest geschikte afvalverwerkingsoptie te selecteren. De resultaten van deze studie zijn bruikbaar voor de uitvoering van het Landelijke Afvalstoffen Plan (LAP) dat gericht is op risicomanagement zo lang ZZS nog in gebruik of in omloop zijn. Het langere termijn streven moet zijn om veilige alternatieven voor ZZS te ontwikkelen, zodat ketens, ongeacht de latere toepassingen, op voorhand veilig zijn.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM is nagegaan hoe de zogeheten bio-based economie, of specifieker de bio-based chemische sector, zich verhoudt tot de Europese chemische stoffenwetgeving REACH. Daaruit blijkt dat, meer dan tot nu toe vaak gedacht, REACH een kans kan zijn in plaats van een administratief obstakel. Er is een overzicht gemaakt van de vragen waar bio-based bedrijven in de dagelijkse praktijk tegenaan lopen als zij hun rollen en verplichtingen voor REACH waar willen maken. De analyse is gedaan op basis van vragen over bio-based economie die tussen 2013 en 2015 zijn gesteld aan de Nederlandse REACH-helpdesk. De vragen worden besproken aan de hand van de processen die deze wetgeving voorschrijft: registratie, autorisatie en restrictie. Het overgrote deel van de vragen gaat over registratie en de mogelijkheden om hiervan uitgezonderd te zijn. Er is een overzicht gemaakt van de vragen waar bio-based bedrijven in de dagelijkse praktijk tegenaan lopen als zij hun rollen en verplichtingen voor REACH waar willen maken. De analyse is gedaan op basis van vragen over bio-based economie die tussen 2013 en 2015 zijn gesteld aan de Nederlandse REACH-helpdesk. De vragen worden besproken aan de hand van de processen die deze wetgeving voorschrijft: registratie, autorisatie en restrictie. Het overgrote deel van de vragen gaat over registratie en de mogelijkheden om hiervan uitgezonderd te zijn. Vanuit wettelijk perspectief en vanuit het oogpunt van chemische veiligheid is het nuttig en begrijpelijk dat onder REACH een chemische stof wordt beoordeeld ongeacht zijn herkomst. Er bestaan evenwel specifieke registratie-uitzonderingen die van toepassing kunnen zijn op bio-based producenten. Dat betekent dat onder bepaalde voorwaarden de REACH-registratieplicht voor een deel van de bio-based producenten minder belastend zal zijn. Verder biedt REACH kansen voor producenten om veilige bio-based alternatieven aan te reiken voor zeer zorgwekkende stoffen.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Global update on the susceptibility of human influenza viruses to neuraminidase inhibitors, 2015-2016 | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Hoeveel klinische geneesmiddelenstudies worden uiteindelijk gepubliceerd? | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Fish embryo toxicity test, threshold approach, and moribund as approaches to implement 3R principles to the acute fish toxicity test | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Comparative gut microbiota and resistome profiling of intensive care patients receiving selective digestive tract decontamination and healthy subjects | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Implementation of a guideline for local health policy making by regional health services: exploring determinants of use by a web survey | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Time-gated luminescence imaging of singlet oxygen photoinduced by fluoroquinolones and functionalized graphenes in Daphnia magna | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Health risks awareness of electronic waste workers in the informal sector in Nigeria | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Prevalence and risk factors for colonization of Clostridium difficile among adults living near livestock farms in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Reproducibility and relative validity of a food frequency questionnaire to estimate intake of dietary phylloquinone and menaquinones | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Associations between specific redox biomarkers and age in a large European Cohort: The MARK-AGE Project | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Modelling the toxicity of a large set of metal and metal oxide nanoparticles using the OCHEM platform | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Het RIVM beschrijft in deze technische rapportage de geactualiseerde methoden waarmee de Nederlandse Emissieregistratie de uitstoot van verontreinigende stoffen naar de lucht berekent vanuit de sectoren Industrie, Energieopwekking en Afvalverwerking. Nederland is vanwege internationale verdragen, zoals het Kyoto-protocol, de EU-Emissieplafonds (NEC-Directive) en de Convention on Long-range Transboundary Air Pollution (CLRTAP), verplicht om steeds volgens de meest actuele wetenschappelijk inzichten te rapporteren over de uitstoot van broeikasgassen, verzurende stoffen en stoffen die gerelateerd zijn aan grootschalige luchtverontreiniging. Met deze beschrijving wordt de gerapporteerde uitstoot onderbouwd. Doelgroep voor deze rapportage zijn de (internationale) reviewers die de Nederlandse rapportages aan de EU en VN valideren.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Health assessments for health governance-concepts and methodologies | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Self-rated health and all-cause and cause-specific mortality of older adults: Individual data meta-analysis of prospective cohort studies in the CHANCES Consortium | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
A novel multiplex poliovirus binding inhibition assay applicable for large serosurveillance and vaccine studies, without the use of live poliovirus | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Intake of fat-soluble vitamins in the Belgian population: adequacy and contribution of foods, fortified foods and supplements | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Mobility assessment of a rural population in the Netherlands using GPS measurements | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
CDHR3 gene variation and childhood bronchiolitis | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Tuberculosis and latent tuberculous infection screening of migrants in Europe: comparative analysis of policies, surveillance systems and results | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Genetic variants related to longer telomere length are associated with increased risk of renal cell carcinoma | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
HIV testing week 2015: Lowering barriers for HIV testing among high-risk groups in Amsterdam | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
2015/16 seasonal vaccine effectiveness against hospitalisation with influenza A(H1N1)pdm09 and B among elderly people in Europe: results from the I-MOVE+ project | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
The HUMTICK study: protocol for a prospective cohort study on post-treatment Lyme disease syndrome and the disease and cost burden of Lyme borreliosis in Belgium | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Door het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in kassen kunnen restanten van deze middelen in het nabijgelegen oppervlaktewater terechtkomen en het waterleven aantasten. Bij de toelatingsbeoordeling worden de effecten op het waterleven geëvalueerd met het zogeheten Greenhouse Emission Model (GEM). Dit model is door het RIVM ontwikkeld in samenwerking met Wageningen Environmental Research en Wageningen Plant Research. Het RIVM heeft het model getoetst in een 'semi-praktijkexperiment' met drie stoffen. Hieruit blijkt dat het vertrouwen waarmee dit model de concentraties in het teeltsysteem kan voorspellen, aanzienlijk is vergroot. Om te kunnen berekenen in welke mate de stoffen in oppervlaktewater terechtkomen als water wordt geloosd, is het van belang om de concentraties in het teeltsysteem goed te kunnen voorspellen. In het experiment zijn de gewasbeschermingsmiddelen met het gietwater aan een komkommergewas op substraat toegediend. Vervolgens zijn zes dagen lang de concentraties in het gietwater en het drainwater gemeten. Dit is voldoende lang om belangrijke processen in het teeltsysteem, het hergebruik van water en de opname van stoffen door planten, te onderzoeken. Van twee stoffen blijken de berekende concentraties in het water dat uit het teeltsysteem stroomt vanaf ongeveer 36 uur na aanvang van het experiment in de buurt van gemeten concentraties te liggen. Bij de derde stof was dit na ongeveer 80 uur het geval. De belangrijkste reden waardoor de stoffen uit het water verdwenen was dat ze door de planten worden opgenomen; afbraak speelde in dit experiment geen rol van betekenis.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Stikstof en fosfaat zijn essentiële stoffen in mest die landbouwbedrijven gebruiken om de productie van gewassen te bevorderen. Te veel stikstof en fosfaat is echter schadelijk omdat het teveel kan uitspoelen waardoor de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater slechter wordt. Te hoge concentraties in het oppervlaktewater kunnen bijvoorbeeld algenbloei veroorzaken. De concentraties van stikstof en fosfaat in het grond- en oppervlaktewater in 2015 zijn vergelijkbaar met die in de jaren 2012-2014. Dit blijkt uit een inventarisatie van de grond- en oppervlaktewaterkwaliteit in 2015. De inventarisatie is een aanvulling op de inventarisatie die in 2016 is gerapporteerd. In 2016 is gekeken naar de concentraties in 2012-2014 en de ontwikkeling in de periode 1992-2014. Door de cijfers over 2015 toe te voegen, ontstaan geen andere conclusies. De aanvullende inventarisatie is uitgevoerd door het RIVM met Rijkswaterstaat Water, Verkeer en Leefomgeving (RWS/WVL) en Deltares. Deze aanvulling op het eerdere rapport is toegezegd aan de Europese Commissie. Dit addendum dient mede voor de onderhandelingen over het zesde Nederlandse Nitraatrichtlijnactieprogramma en een derogatie voor de periode 2018-2021.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Does a better adherence to dietary guidelines reduce mortality risk and environmental impact in the Dutch sub-cohort of the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition? | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Novel intervention in the aging population: A primary meningococcal vaccine inducing protective IgM responses in middle-aged adults | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Gastro-intestinale klachten bij meningokokkeninfectie: Opkomst van serogroep W | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
LCIA framework and cross-cutting issues guidance within the UNEP-SETAC Life Cycle Initiative | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
WHO environmental noise guidelines for the European Region: a systematic review of transport noise interventions and their impacts on health | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Importance of exposure dynamics of metal-based nano-ZnO, -Cu and -Pb governing the metabolic potential of soil bacterial communities | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Outbreak of NDM-1-producing klebsiella pneumoniae in a Dutch hospital, with interspecies transfer of the resistance plasmid and unexpected occurrence in unrelated health care centers | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
In vitro to in vivo extrapolation of effective dosimetry in developmental toxicity testing: Application of a generic PBK modelling approach | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
An analysis of community perceptions of mosquito-borne disease control and prevention in Sint Eustatius, Caribbean Netherlands | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
A fatal case of metastatic squamous cell carcinoma in a patient with myositis ossificans traumatica | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Global spread of norovirus gii.17 kawasaki 308, 2014-2016 | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Fluidity of the dietary fatty acid profile and risk of coronary heart disease and ischemic stroke: Results from the EPIC-Netherlands cohort study | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Salt reductions in some foods in The Netherlands: monitoring of food composition and salt intake | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Acquisition of C1 inhibitor by Bordetella pertussis virulence associated gene 8 results in C2 and C4 consumption away from the bacterial surface | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Modelling long-term impacts of changes in climate, nitrogen deposition and ozone exposure on carbon sequestration of European forest ecosystems | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
The effect of zirconium doping of cerium dioxide nanoparticles on pulmonary and cardiovascular toxicity and biodistribution in mice after inhalation | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Determinants of human papillomavirus vaccination intention among female sex workers in Amsterdam, the Netherlands | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Nut intake and 5-year changes in body weight and obesity risk in adults: results from the EPIC-PANACEA study | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Disagreement between the results from three commercial tests for the detection of Borrelia-specific serum antibodies in the Netherlands associated with antibiotic treatment for Lyme borreliosis: a retrospective study | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Zika virus en seksuele transmissie | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Temporal and spatial analysis of psittacosis in association with poultry farming in the Netherlands, 2000-2015 | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Beleidsplan 2017-2020. Nederlands Lymeziekte-expertisecentrum | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Effectiviteit van infuenzavaccinatie in Nederland | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Samenwerking tussen JGZ en het voortgezet onderwijs: tips en trucs uit de praktijk | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
De minister van VWS heeft in oktober 2016 aan de Gezondheidsraad advies gevraagd over het gebruik van medicijnen om hiv-infecties te voorkomen (Pre-Expositie Profylaxe, ofwel PrEP) bij personen met een verhoogd risico op hiv. Om de Gezondheidsraad te ondersteunen heeft het RIVM achtergrondinformatie bijeengebracht. Belangrijke punten daaruit zijn: Hiv blijft een gevaarlijke virusinfectie maar kan als een chronische ziekte beschouwd worden, mits het vroegtijdig wordt ontdekt en op een juiste wijze wordt behandeld. In deze gevallen is er ook een zeer beperkte kans dat het virus op een andere persoon wordt overgedragen. Besmettingen met hiv zijn te voorkomen door condoomgebruik, regelmatig testen op hiv en een snelle behandeling van een infectie. PrEP is een middel om een hiv-infectie te voorkomen. Dit middel wordt geslikt vóórdat seksueel contact plaatsvindt met een (mogelijk) met hiv geïnfecteerd persoon. Op basis van een professionele richtlijn over het risico op hiv en seksueel gedrag bepalen zorgverleners wie ervoor in aanmerking komt. PrEP is geregistreerd en beschikbaar in Nederland, maar de (hoge) kosten voor gebruik en zorg worden niet vergoed. PrEP is bewezen effectief en veilig als het goed gebruikt wordt. Therapietrouw is essentieel, net als de juiste zorg eromheen: de gebruiker van PrEP moet regelmatig getest worden op hiv om resistente hiv-infecties, waartegen het middel dus niet werkt, tijdig op te sporen. Daarnaast moet regelmatig worden gecontroleerd of lever en nieren nog goed functioneren. Verder moeten PrEP-gebruikers zich regelmatig op andere seksueel overdraagbare aandoeningen laten testen.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Impact of food and water-borne diseases on European population health | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Gezondheid werkt | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Cascading effects of predator activity on tick-borne disease risk | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Assessment of fecal exposure pathways in low-income urban neighborhoods in Accra, Ghana: rationale, design, methods, and key findings of the SaniPath Study | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Assessment and prediction of joint algal toxicity of binary mixtures of graphene and ionic liquids | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Immunotoxicology: A brief history, current status and strategies for future immunotoxicity assessment | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Heterosubtypic cross-reactivity of HA1 antibodies to influenza A, with emphasis on nonhuman subtypes (H5N1, H7N7, H9N2) | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Alcohol consumption and risk of urothelial cell bladder cancer in the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition cohort | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Structure of general-population antibody titer distributions to influenza A virus | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
MSM starting preexposure prophylaxis are at risk of hepatitis C virus infection | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Quantification of Salmonella survival and infection in an in vitro model of the human intestinal tract as proxy for foodborne pathogens | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Global outbreak of severe Mycobacterium chimaera disease after cardiac surgery: a molecular epidemiological study | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Response to Sequence data management for scientific purposes | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
The toxic exposure of flamingos to per- and Polyfluoroalkyl substances (PFAS) from firefighting foam applications in Bonaire | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Newborn screening for lysosomal storage diseases: a concise review of the literature on screening methods, therapeutic possibilities and regional programs | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Repeated seasonal influenza vaccination among elderly in Europe: Effects on laboratory confirmed hospitalised influenza. | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Impact of survey administration mode on the results of a health-related discrete choice experiment: online and paper comparison | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Clinically relevant fungi in water and on surfaces in an indoor swimming pool facility | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Dit rapport bevat een erratum op de laatste pagina. In dit onderzoek is gekeken of de huidige monitoring van carbapenemase-producerende bacteriën (CPE) voldoende is om betrouwbare uitspraken te kunnen doen over het vóórkomen van deze bacteriën in dieren en/of dierlijke producten. De conclusie van dit rapport is dat méér en gerichter monsters van dieren en dierlijke producten genomen zouden moeten worden om lage prevalenties (vóórkomen) van CPE te kunnen monitoren. Daarmee wordt tevens de kans verhoogd besmettingen met CPE te ontdekken, voordat het verspreid is naar meerdere bedrijven, dieren en/of (dierlijke) producten. Het gaat om antibioticaresistente bacteriën die resistent zijn tegen het soms nog laatste redmiddel bij infecties, carbapenem antibiotica. Deze bacteriën worden gezien als bedreiging voor de volksgezondheid. Gelukkig komen deze nog niet zo vaak bij mensen in Nederland voor. Als dit type bacteriën in ziekenhuizen wordt aangetroffen, worden maatregelen getroffen om ervoor te zorgen dat ze zich niet verder kunnen verspreiden naar risicogroepen. Hoewel CPE tot nu toe in Nederland nog niet in dieren en/of dierlijke producten zijn aangetroffen, kunnen ook dieren en/of dierlijke producten een rol spelen bij de verspreiding ervan naar de mens. CPE zijn in het buitenland al wel incidenteel gevonden bij dieren. In de Nederlandse veestapel, onder gezelschapsdieren en in (dierlijke) producten vindt op dit moment een monitoring plaats naar CPE. Het is echter onzeker of deze monitoring voldoende is om veranderingen in het vóórkomen van CPE te bepalen en om CPE te vinden, op het moment dat deze nog niet verspreid zijn naar meerdere bedrijven, dieren en/of (dierlijke) producten. Daarom heeft het ministerie van VWS het RIVM gevraagd voorliggend onderzoek te doen. Het brengt de huidige monitoring van CPE in de Nederlandse veestapel, gezelschapsdieren en dierlijke producten gedetailleerd in kaart, geeft een overzicht van de betrouwbaarheid van deze metingen en inventariseert mogelijke verbeteringen. Uit het onderzoek blijkt dat de aantallen monsters die van dieren en producten genomen worden te klein zijn om betrouwbare uitspraken te doen over de afwezigheid van CPE in de veestapel en om veranderingen bij een lage prevalentie te kunnen waarnemen. Daarom wordt aanbevolen om in de monitoring meer monsters te onderzoeken. Ook is het zinvol om te analyseren waar de grootste risico’s voor introductie van CPE in dieren en/of dierlijke producten liggen, zodat de aanvullende metingen zo gericht mogelijk kunnen worden uitgevoerd. Een eerste verkennende risico inventarisatie laat zien dat import van dieren en/of dierlijke producten uit gebieden waar CPE voorkomt, een mogelijk risico is voor invoer van CPE naar Nederland. Productiedieren kunnen ook besmet worden door overdracht vanuit bedrijven hoger in de productieketen, waar op dit moment geen monitoring plaatsvindt. Daarnaast kan er ook overdracht plaats vinden via besmette mensen. Door méér en gerichter monsters van dieren en (dierlijke) producten te nemen kan de afwezigheid van CPE met een betere betrouwbaarheid worden bepaald. Daarmee wordt tevens de kans verhoogd besmettingen met CPE te ontdekken, voordat het verspreid is naar meerdere bedrijven, dieren en/of (dierlijke) producten.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
MDR/XDR tuberculosis in Greece: predominance of Mycobacterium tuberculosis genotypes endemic in the Former Soviet Union countries | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Clinical predictors of future nonadherence in inflammatory bowel disease | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
The sterilizing effect of ertapenem-clavulanate in a hollow fiber model of tuberculosis and implications on clinical dosing | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Local professionals' perceptions of health assets in a low-SES Dutch neighbourhood: a qualitative study | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Whole-genome sequencing and variant analysis of HPV16 infections | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Space-time analysis of pneumonia hospitalisations in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
A more sensitive, efficient and ISO 17025 validated magnetic capture real time PCR method for the detection of archetypal Toxoplasma gondii strains in meat | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Consumption of fruits, vegetables, and fruit juices and differentiated thyroid carcinoma risk in the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition (EPIC) study. | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Pyrazinamide resistance-conferring mutations in pncA and the transmission of multidrug resistant TB in Georgia | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Informed decision making in the context of childhood immunization | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Coffee drinking and mortality in 10 European countries: a multinational cohort study | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Increased risk of pneumonia in residents living near poultry farms: does the upper respiratory tract microbiota play a role? | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Recovery of previously uncultured bacterial genera from three Mediterranean sponges | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Tall height and obesity are associated with an increased risk of aggressive prostate cancer: results from the EPIC cohort study | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Porcine blood used as ingredient in meat productions may serve as a vehicle for hepatitis E virus transmission | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Anal HPV 16 and 18 viral load: a comparison between HIV-negative and HIV-positive MSM and association with persistence. | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Preparedness and the importance of meeting the needs of healthcare workers: a qualitative study on Ebola | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Surveillance perspective on Lyme borreliosis across the European Union and European Economic Area | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Current knowledge on the use of computational toxicology in hazard assessment of metallic engineered nanomaterials | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Influenza-like illness incidence is not reduced by influenza vaccination in a cohort of older adults, despite effectively reducing laboratory-confirmed influenza virus infections | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Het RIVM onderzoekt jaarlijks hoeveel mensen ziek worden van 14 ziekteverwekkers die via voedsel in het menselijk lichaam terechtkomen (darmpathogenen). Deze voedsel-gerelateerde ziektelast wordt uitgedrukt in DALY's (Disability Adjusted Life Year), een internationaal gehanteerde maat voor het aantal gezonde levensjaren dat verloren gaat aan ziekte of vroegtijdig? overlijden. Het aantal DALY's als gevolg van de 14 ziekteverwekkers is in 2016 geschat op 4.708, en is daarmee iets hoger dan in 2015 (4.642 DALY's). Daarnaast wordt geschat welke kosten hieraan verbonden zijn (cost-of-illness). Deze omvatten directe medische kosten, maar ook de kosten voor de patiënt en/of zijn familie, zoals reiskosten, als ook de kosten binnen andere sectoren, bijvoorbeeld door werkverzuim. De kosten die verbonden zijn aan de 14 ziekteverwekkers die mensen via voedsel opliepen bedroegen 171 miljoen euro. Dit is evenveel als de kosten in 2015 (172 miljoen euro). De onderzochte ziekteverwekkers kunnen niet alleen via voedsel aan de mens worden overgedragen (circa 40 procent), maar ook via het milieu (bijvoorbeeld via oppervlaktewater), dieren, en van mens op mens. Het verschilt per ziekteverwekker hoe groot het aandeel in de blootstellingsroute is. De totale ziektelast van alle 'routes' is geschat op 12.020 DALY's, en is daarmee iets lager dan in 2015 (12.190 DALY's). De totale kosten zijn geschat op 430 miljoen euro en waren daarmee iets lager dan in 2015 (435 miljoen). De verschillen in DALY's en kosten zijn grotendeels een gevolg van schommelingen in het aantal infecties dat de 14 ziekteverwekkers veroorzaakten, net als de daaruit volgende ziektelast en kosten. Het ministerie van VWS is de opdrachtgever van dit onderzoek. De resultaten bieden handvatten om meer zicht te krijgen op het daadwerkelijker aantal voedselinfecties dat mensen jaarlijks oplopen, de bijbehorende ziektelast en de blootstellingsroutes.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Chemische stoffen zijn niet weg te denken uit onze maatschappij, van weekmakers in plastic, brandvertragers in matrassen tot oplosmiddelen in verf. Om ervoor te zorgen dat veilig met deze stoffen wordt omgegaan, zowel tijdens de productie als bij het gebruik, is er Europese wetgeving opgesteld. De belangrijkste zijn twee Europese verordeningen: REACH (registratie, evaluatie, autorisatie en restrictie van chemische stoffen) ) en CLP (classificatie, labelling en packaging van stoffen en mengsels). In opdracht van de ministeries I&M, VWS en SZW ondersteunt en adviseert Bureau REACH van het RIVM de uitvoering van deze Europese wetgeving. Dit jaarverslag beschrijft de activiteiten in hoofdlijnen over 2016 en belicht enkele specifieke cases. Bureau REACH stelt onder andere dossiers op om aanvullende informatie over de schadelijkheid van een stof te vragen, of om de stof te identificeren als zeer ernstige zorgstof. Ook kan de classificatie van een stof Europees worden vastgesteld. Verder beoordeelt Bureau REACH dossiers die door andere landen en de industrie worden ingediend.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
In 2016 was de grote uitbraak van het zikavirus in Latijns Amerika de meest in het oog springende infectieziekte. Tijdens deze uitbraak werd ontdekt dat het zikavirus infectie Guillain-Barré syndroom kan veroorzaken en dat na een infectie tijdens de zwangerschap ernstige aangeboren afwijkingen kunnen ontstaan. In Caribisch Nederland wordt het zikavirus vooral verspreid via muggen. In Europees Nederland kan zikavirus verspreid worden door seksuele contacten met geïnfecteerde reizigers. In 2016 is een meldingsplicht ingesteld voor zwangeren met een zikavirusinfectie of als de ziekte ernstig verloopt. Verder kwamen in 2016 de eerste twee gevallen van tekenencefalitis (TBE) aan het licht die in Nederland zijn opgelopen. Het virus dat deze aandoening veroorzaakt wordt via teken verspreid en kan hersen(vlies)ontsteking veroorzaken. De belangrijkste uitbraken van infectieziekten in Nederland in 2016 werden veroorzaakt door Salmonella, hepatitis A virus en Neisseria meningitidis (meningokokken). Daarnaast kwamen relatief veel Legionella-infecties voor. Van augustus 2015 tot juli 2016 werden lage aantallen rotavirus diagnosen gemeld in de virologische weekstaten. In 2013/14 werden eveneens lage aantallen gemeld, terwijl de gemelde aantallen in 2014/15 en 2016/17 normaal waren. Deze waarnemingen wijzen op een mogelijke verschuiving van een jaarlijks rotaviruspatroon naar een tweejaarlijks patroon in Nederland. Wat betreft buitenlandse signalen, zijn behalve de genoemde zikavirusepidemie, vooral de gele koorts-uitbraak in Angola en de mazelenepidemieën in verschillende Europese landen in de gaten gehouden om eventuele risico's voor Nederland te kunnen inschatten. Dit blijkt uit de 'Staat van Infectieziekten' van het RIVM. Deze jaarlijkse rapportage geeft beleidsmakers bij het ministerie van VWS en GGD-en inzicht in ontwikkelingen van infectieziekten in Nederland en in het buitenland. Het verdiepende thema is dit keer vaccinatie en het immuunsysteem in de verschillende fasen van een mensenleven. Sommige bevolkingsgroepen, te weten (jonge) kinderen, ouderen, zwangeren en mensen met een verzwakt immuunsysteem, lopen vaker infecties op. Ook kan het zijn dat bij hen infectieziekten ernstiger verlopen of dat vaccinaties minder goed werken. Om kwetsbare groepen te beschermen, is het van groot belang dat de groepsimmuniteit in de bevolking door een hoge vaccinatiegraad gehandhaafd blijft.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Jaarlijks overlijden naar schatting circa 4.100 mensen aan een beroepsziekte. Beter inzicht in de oorzaken van het ontstaan van beroepsziekten biedt kansen om ze eerder en beter te herkennen. Op basis van die informatie kunnen preventieve maatregelen worden opgesteld. Een onderzoeksmodel van het RIVM dat achterliggende oorzaken van ernstige arbeidsongevallen in kaart brengt (Storybuilder), blijkt ook voor beroepsziekten te kunnen worden gebruikt. Aanbevolen wordt de kennis uit deze verkenning te toetsen bij professionals uit de praktijk, om zicht te krijgen op de waarde ervan voor praktijk en beleid. Een beroepsziekte is een ziekte die mensen hebben opgelopen hoofdzakelijk als gevolg van het werk of de werkomstandigheden. Een voorbeeld is het ontstaan van mesothelioom door te werken met asbest. Het RIVM heeft voor deze verkenning twintig dossiers bekeken: tien dossiers van mensen met de schildersziekte (OPS/CTE) en tien dossiers van mensen met onherstelbare rugklachten. Het blijkt mogelijk om met Storybuilder bestaande casussen in beeld te krijgen. De eerste Storybuilder-modellen van de twee beroepsziekten zijn in dit rapport beschreven, maar deze werkwijze is nog niet gevalideerd of met praktijkprofessionals besproken. De onderzoekers constateren ook dat de bestudeerde dossiers niet alle informatie bevatten om een volledig feitenrelaas over het ontstaan van de beroepsziekten te kunnen beschrijven. Aanbevolen wordt om aanvullende informatiebronnen te inventariseren voor deze nog ontbrekende informatie. Als dit lukt, is het mogelijk om verdiepend onderzoek uit te voeren op de huidige Storybuilder-modellen voor beroepsziekten en ze mogelijk te verbreden naar andere typen beroepsziekten.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Pulsenet international: Vision for the implementation of whole genome sequencing (WGS) for global foodborne disease surveillance | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Next-generation sequence analysis reveals methicillin-resistance transfer to a methicillin-susceptible Staphylococcus aureus (MSSA) strain that subsequently caused a methicillin-resistant Staphylococcus aureus (MRSA) outbreak: a descriptive study | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
The human immunodeficiency virus continuum of care in European Union Countries in 2013: Data and Challenges | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
International comparison of experience-based health state values at the population level | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Drivers and barriers in the consistency approach for vaccine batch release testing: Report of an international workshop | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Hiv-bestrijding begint met GIS-werk | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Estimating the prevalence of 26 health-related indicators at neighbourhood level in the Netherlands using structured additive regression | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Pre-diagnostic metabolite concentrations and prostate cancer risk in 1077 cases and 1077 matched controls in the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Pattern of risks of systemic lupus erythematosus among statin users: a population-based cohort study | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Incidence of pneumonia in nursing home residents with dementia in the Netherlands: an estimation based on three differently designed studies | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Dot map cartograms for detection of infectious disease outbreaks: an application to Q fever, the Netherlands and pertussis, Germany | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Meningococcal serogroup C immunogenicity, antibody persistence and memory B-cells induced by the monovalent meningococcal serogroup C versus quadrivalent meningococcal serogroup ACWY conjugate booster vaccine: A randomized controlled trial | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Prevalence and injury patterns among electronic waste workers in the informal sector in Nigeria | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Het Nederlandse mestbeleid probeert de schadelijke milieueffecten van de landbouw te beperken. Dit sluit aan bij internationale afspraken over het mestgebruik, die onder meer zijn vastgelegd in de Europese Nitraatrichtlijn. Die schrijft lidstaten voor om het gebruik van dierlijke mest te beperken tot 170 kg stikstof per hectare. Bedrijven met ten minste 80 procent grasland mogen onder bepaalde voorwaarden meer mest gebruiken, afkomstig van graasdieren zoals koeien en schapen (derogatie). Op deze bedrijven is in de periode 2006 tot en met 2016 de uitspoeling van nitraat uit de mest naar het grondwater gedaald of gelijk gebleven. In 2015 ligt op derogatiebedrijven de concentratie gemiddeld in alle regio’s onder de EU-norm van 50 milligram nitraat per liter. Dit blijkt uit de jaarlijkse rapportage van het RIVM en Wageningen Economic Research. Zij volgen op 300 derogatiebedrijven de bedrijfsvoering en de effecten op de waterkwaliteit en zij rapporteren de resultaten hiervan jaarlijks aan de EU. In deze rapportage is de situatie in 2015 beschreven en de ontwikkeling tussen 2006 en 2016 (trend). Bedrijfsvoering De toegestane hoeveelheid stikstof uit graasdiermest is, afhankelijk van de bodemsoort en regio, 250 kilogram per hectare (in de Kleiregio, Veenregio en het noordelijke deel van de Zandregio) of 230 kg/ha (in de Lössregio en het overige deel van de Zandregio). Gemiddeld hebben derogatiebedrijven in 2015 238 kilogram stikstof uit dierlijke mest per hectare gebruikt. De hoeveelheid stikstof die als nitraat kan uitspoelen naar het grondwater wordt onder andere bepaald door het zogenoemde stikstofbodemoverschot. Dit is het verschil tussen de aanvoer van stikstof (zoals meststoffen) en de afvoer ervan (waaronder via gras en maïs). Het stikstofbodemoverschot is gemiddeld over de regio’s tijdens de onderzochte periode gedaald met 16%. Grondwaterkwaliteit In 2015 was de gemiddelde nitraatconcentratie in het grondwater 26 milligram per liter (mg/l) in Zand 250. De hoogste concentratie wordt gemeten in de Lössregio (42 mg/l) en in Zand 230 (45 mg/l). Bedrijven in de Kleiregio en de Veenregio hadden gemiddeld een lagere nitraatconcentratie (respectievelijk 22 en 13 mg/l). Het verschil tussen de regio’s kan verklaard worden door het aandeel uitspoelingsgevoelige gronden. Vooral in Zand 230 en in de Lössregio komen gronden voor waar nitraat in mindere mate in de bodem wordt afgebroken en daardoor meer kan uitspoelen naar het grondwater Dit rapport is in het Engels verschenen met nummer 2017-0039.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM geeft jaarlijks op kaarten weer hoe in Nederland de gemeten concentraties in de lucht waren van onder andere stikstofdioxide en fijn stof. Dit rapport beschrijft de situatie in 2016. Ook is aangegeven in welke mate stikstof op de bodem neerslaat. Daarnaast zijn toekomstberekeningen voor deze stoffen gemaakt voor de periode 2017 tot en met 2030. De kaarten worden gemaakt om het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) en de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) te monitoren. Met deze programma’s worden onder andere de effecten getoetst van ruimtelijke plannen op de concentraties van vervuilende stoffen in de lucht. Stikstofdioxideconcentraties: in 2016 iets hoger, maar in 2030 lager dan vorig jaar ingeschat De gemeten concentraties stikstofdioxide (NO2) zijn in 2016 hoger dan in 2015 als gevolg van meteorologische omstandigheden, zoals temperatuur en overheersende windrichting. De raming voor 2020 is gemiddeld over Nederland gelijk aan de raming die vorig jaar is gemaakt. De raming voor 2030 is echter lager dan eerder was geschat. Dit komt doordat de geraamde uitstoot van stikstofoxiden lager is dan vorig jaar is geschat als gevolg van nieuwe, strengere regels voor de uitstoot van zeeschepen op de Noordzee na 2020. Grotere verwachte daling van neerslag stikstof op de bodem tot 2030 De gemiddelde hoeveelheid stikstof die op de bodem neerslaat, daalt naar verwachting de komende jaren. Dit komt doordat de uitstoot van verkeer, scheepvaart en de landbouw daalt. De hoeveelheid neemt gemiddeld over Nederland tot 2030 naar verwachting meer af dan vorig jaar was ingeschat. Dit komt door de nieuwe regels voor de uitstoot van zeeschepen op de Noordzee en doordat de uitstoot die Nederland vanuit het buitenland bereikt lager is geraamd.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Het Nederlandse mestbeleid probeert de schadelijke milieueffecten van de landbouw te beperken. Dit sluit aan bij internationale afspraken over het mestgebruik, die onder meer zijn vastgelegd in de Europese Nitraatrichtlijn. Die schrijft lidstaten voor om het gebruik van dierlijke mest te beperken tot 170 kg stikstof per hectare. Bedrijven met ten minste 80 procent grasland mogen onder bepaalde voorwaarden meer mest gebruiken, afkomstig van graasdieren zoals koeien en schapen (derogatie). Op deze bedrijven is in de periode 2006 tot en met 2016 de uitspoeling van nitraat uit de mest naar het grondwater gedaald of gelijk gebleven. In 2015 ligt op derogatiebedrijven de concentratie gemiddeld in alle regio's onder de EU-norm van 50 milligram nitraat per liter. Dit blijkt uit de jaarlijkse rapportage van het RIVM en Wageningen Economic Research. Zij volgen op 300 derogatiebedrijven de bedrijfsvoering en de effecten op de waterkwaliteit en zij rapporteren de resultaten hiervan jaarlijks aan de EU. In deze rapportage is de situatie in 2015 beschreven en de ontwikkeling tussen 2006 en 2016 (trend). Bedrijfsvoering. De toegestane hoeveelheid stikstof uit graasdiermest is, afhankelijk van de bodemsoort en regio, 250 kilogram per hectare (in de Kleiregio, Veenregio en het noordelijke deel van de Zandregio) of 230 kg/ha (in de Lössregio en het overige deel van de Zandregio). Gemiddeld hebben derogatiebedrijven in 2015 238 kilogram stikstof uit dierlijke mest per hectare gebruikt. De hoeveelheid stikstof die als nitraat kan uitspoelen naar het grondwater wordt onder andere bepaald door het zogenoemde stikstofbodemoverschot. Dit is het verschil tussen de aanvoer van stikstof (zoals meststoffen) en de afvoer ervan (waaronder via gras en maïs). Het stikstofbodemoverschot is gemiddeld over de regio's tijdens de onderzochte periode gedaald met 16%. Grondwaterkwaliteit. In 2015 was de gemiddelde nitraatconcentratie in het grondwater 26 milligram per liter (mg/l) in Zand 250. De hoogste concentratie wordt gemeten in de Lössregio (42 mg/l) en in Zand 230 (45 mg/l). Bedrijven in de Kleiregio en de Veenregio hadden gemiddeld een lagere nitraatconcentratie (respectievelijk 22 en 13 mg/l). Het verschil tussen de regio's kan verklaard worden door het aandeel uitspoelingsgevoelige gronden. Vooral in Zand 230 en in de Lössregio komen gronden voor waar nitraat in mindere mate in de bodem wordt afgebroken en daardoor meer kan uitspoelen naar het grondwater.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
De mug Aedes aegypti brengt virussen over die meerdere ziekten kunnen veroorzaken, zoals dengue, chikungunya en zika. De mug wordt bestreden omdat deze infectieziekten een groot gezondheidsprobleem vormen. Dit is het geval op het eiland Saba, dat onderdeel is van Caribisch Nederland. Om de ziekten te bestrijden heeft een Brits bedrijf met behulp van genetische modificatie de mug zodanig aangepast dat lokale muggenpopulaties teruggedrongen kunnen worden. Door de modificatie sterft het nageslacht vroegtijdig. Deze toepassing blijkt op Saba verwaarloosbaar kleine risico's voor mens en milieu met zich mee te brengen. Dit blijkt uit een technische evaluatie van de mogelijke inzet van deze genetisch gemodificeerde muggen. Het Bureau GGO (Genetisch Gemodificeerde Organismen) van het RIVM heeft deze evaluatie in opdracht van het bestuur van Saba uitgevoerd. Bij deze beoordeling is onder andere naar de voedselketen gekeken: verdwijnt er niet een belangrijke voedselbron wanneer de lokale muggenpopulatie wegvalt? Ook is onderzocht of het ongezond is als mensen per ongeluk een genetisch gemodificeerde mug inslikken. Een ander beoordelingspunt is of de mug door de genetische modificatie niet juist beter in staat wordt om ziekten over te brengen. Evaluatie van de effectiviteit van de inzet van de genetisch gemodificeerde muggen was geen onderdeel van deze technische evaluatie. Hetzelfde geldt voor sociaaleconomische effecten of de wenselijkheid om deze muggen in te zetten.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Veel volwassenen (58 procent) gebruiken in het laatste uur voordat ze gaan slapen een tablet, smartphone of computer. Ze doen dit meerdere keren per week of dagelijks. Het gebruik van deze apparaten kort voor het slapen gaat gepaard met minder en slechter slapen. Of het blauwe licht van deze schermen hier de directe oorzaak van is, is niet bewezen. Mogelijk zijn ook andere factoren van invloed, zoals een hogere alertheid door het gebruik van deze apparaten. Ook is het nog niet bekend of hierdoor op de lange termijn andere gezondheidseffecten ontstaan. Licht regelt in belangrijke mate onze biologische klok. Als die wordt verstoord, kunnen mensen slechter of korter slapen. Slechts vier procent kijkt minder dan één keer in de week voor het slapengaan naar een beeldscherm. Vijf procent van de volwassenen doet dit nooit. Televisiekijken voor het slapengaan, hangt niet samen met veranderingen in slaap. Bij het spelen van spelletjes en het kijken van filmpjes wordt over het algemeen minder blauw licht uitgezonden dan bij activiteiten zoals e-mailen en het volgen van sociale media. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM in samenwerking met het Institute for Risk Assessment Sciences (IRAS), Universiteit Utrecht. Hiervoor is voor het eerst een relatief groot aantal volwassenen geraadpleegd over dit onderwerp (bijna 16.000). Vanwege het hoge aantal dat kort voor het slapengaan schermen gebruikt, wordt verder onderzoek aanbevolen naar de relatie met slaap en mogelijke gezondheidseffecten op de lange termijn.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM heeft geëvalueerd hoe in Nederland nieuwe verontreinigende stoffen in de bronnen van drinkwater worden aangepakt. Vaak is over deze stoffen nog weinig informatie beschikbaar om te beoordelen welke concentratie in drinkwater veilig is. Daarom wordt uit voorzorg voor al deze stoffen een lage concentratie (1 microgram per liter) aangehouden, als 'signaleringsparameter voor antropogene stoffen'. Boven deze concentratie moet worden onderzocht wat de effecten ervan op de kwaliteit van het drinkwater zijn. De huidige signaleringsparameter blijkt voor de meeste nieuwe stoffen veilig te zijn. Voor een beperkt aantal zeer schadelijke stoffen is een strengere waarde nodig. Om tijdig maatregelen te kunnen nemen is het daarom belangrijk om de concentraties van mogelijke risicostoffen in de hele drinkwaterketen (van bron tot tap) nauwgezet te volgen. De Nederlandse drinkwaterbedrijven doen dit ook. Ze meten de kwaliteit van de drinkwaterbronnen en het drinkwater zeer uitgebreid en werken continu aan mogelijke verbeteringen. Hoewel de huidige aanpak in principe voldoet, reikt het RIVM twee andere mogelijkheden aan, met enkele voor- en nadelen ervan. Bij de ene optie wordt de signaleringsparameter voor alle stoffen strenger en verlaagd naar 0,1 microgram per liter, zowel voor het drinkwater als voor de bronnen. Bij de andere optie blijft de huidige waarde behouden voor oppervlaktewaterbronnen en wordt de waarde voor zowel drinkwater als grondwaterbronnen aangescherpt naar 0,1 microgram per liter. Het RIVM beveelt aan om de maatschappelijke haalbaarheid van de verschillende opties in beeld te brengen (betaalbaarheid en uitvoerbaarheid). Ook wordt aanbevolen om de informatie over de schadelijke effecten van stoffen in drinkwater beter toegankelijk te maken voor waterbeheerders. Bij alle opties blijft het belangrijk om de concentraties van nieuwe risicostoffen van bron tot tap nauwgezet te monitoren. Dit technische onderzoek is onderdeel van de structurele aanpak die het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM) aan het opzetten is om beter met nieuwe stoffen om te kunnen gaan.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
In de eerste week na de geboorte worden enkele druppels bloed uit de hiel van het kind onderzocht op een aantal ernstige, zeldzame aangeboren ziektes. In 2015 heeft de Gezondheidsraad de minister van VWS geadviseerd om de hielprik met veertien aandoeningen uit te breiden. Het RIVM heeft in een zogeheten uitvoeringstoets onderzocht of deze uitbreiding haalbaar is. Dit blijkt het geval te zijn, mits de uitbreiding gefaseerd wordt doorgevoerd. Ook blijkt dat de uitbreiding alleen onder een aantal randvoorwaarden kan plaatsvinden, zoals voldoende personeel en financiële middelen, beschikbaarheid van flexibele ICT-functionaliteiten, en een goede aansluiting op de zorg. In 2017 zijn inmiddels de eerste twee (alfa- en bèta-thalassemie) van de veertien aandoeningen toegevoegd aan het programma. De uitbreiding is een complex proces, onder meer vanwege het grote aantal aandoeningen, de logistiek en organisatie in de laboratoria, de beschikbaarheid en kwaliteit van testmethodes, de aanvullende onderzoeken die nog moeten plaatsvinden, en de aansluiting op de zorg. Het betreft bovendien zeldzame aandoeningen die nog niet door veel landen zijn opgenomen in het screeningspakket. Hierdoor is ook op internationaal niveau slechts beperkte kennis beschikbaar. Na elk van de onderzoeken is sprake van een go/no go-moment. Dan moet de minister besluiten of de aandoening de implementatiefase in kan gaan of dat eerst verder onderzoek nodig is. Ook kan het zijn dat het nog niet haalbaar is om de aandoening (op dat moment) toe te voegen aan de hielprikscreening. Onder de betrokken beroepsgroepen, patiëntenorganisaties en andere stakeholders bestaat voldoende draagvlak voor de verdere uitbreiding. De huidige neonatale hielprikscreening mag echter niet onder druk komen te staan door de (voorbereidingen voor de) uitbreiding.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM heeft in samenwerking met andere instituten onderzocht hoeveel resistente bacteriën via afvalwater in het Nederlandse oppervlaktewater terechtkomen. Afvalwater is, naast mest, de belangrijkste bron waardoor antibioticaresistente bacteriën in het milieu belanden. In 60 tot 100% van het onderzochte afvalwater zitten bijzonder resistente micro-organismen(BMRO), zoals ESBL-producerende E. coli en carbapenemresistente Enterobacteriaceae. Daarnaast zijn resten van antibiotica in het afvalwater gevonden. Mensen kunnen aan resistente bacteriën in het milieu worden blootgesteld, bijvoorbeeld als zij in contact komen met water waarop gezuiverd afvalwater wordt geloosd. Vooralsnog is het onduidelijk hoe groot de bijdrage van deze blootstelling is ten opzichte van andere blootstellingsroutes, en wat de gevolgen daarvan voor de volksgezondheid zijn. Daarvoor wordt aanvullend onderzoek aanbevolen. Duidelijk is wel dat mensen naast blootstelling via het milieu, ook door andere bronnen kunnen worden blootgesteld aan antibioticaresistente bacteriën, bijvoorbeeld tijdens reizen naar landen in Azië of Zuid-Amerika. Door de huidige behandeling van afvalwater nemen de concentraties van antibioticaresistente bacteriën af. Er bestaan aanvullende zuiveringstechnieken voor afvalwater die het aantal antibioticaresistente bacteriën in het oppervlaktewater nog verder kunnen verminderen. Ook de concentraties van resistente bacteriën in mest kunnen door aanvullende zuiveringstechnieken verminderd worden.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM analyseert jaarlijks incidenten met gevaarlijke stoffen bij grote chemische bedrijven. De analyse van 2016-2017 omvat dertien incidenten. Drie keer ontstond er een brand en acht keer zijn gevaarlijke gassen of dampen verspreid naar de omgeving. In twee gevallen bleef de impact beperkt tot de directe omgeving van het incident. Negen van de dertien incidenten waren het gevolg van een te hoge druk in een installatie of van een verkeerde menselijke handeling. Drie gewonden hebben lichamelijk letsel opgelopen - vermoedelijk van herstelbare aard. Oorzaken Bedrijven moeten productieprocessen en bijbehorende werkzaamheden veilig uitvoeren. Bij de dertien incidenten was sprake van uiteenlopende tekortkomingen hierin. De maatregelen die deze tekortkomingen hadden moeten voorkómen, ontbraken, waren niet meer functioneel of werden niet goed toegepast. Vervolgens zijn de tekortkomingen niet tijdig ontdekt omdat een controlemiddel ontbrak of niet goed werd gebruikt. Bij elf incidenten waren achterliggende werkprocedures niet goed op orde of werden ze niet goed uitgevoerd. Bij andere organisatievereisten zoals alertheid voor gevaren, competentie van het personeel en geschiktheid van materiaal ging het minder vaak mis. Aanleiding Deze jaarlijkse rapportage maakt deel uit van een meerjarige opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) om incidenten te analyseren die door de Directie Major Hazard Control (MHC) van de Inspectie SZW zijn onderzocht. De Directie MHC richt zich op de veiligheid van het personeel van grote chemische bedrijven. De bevindingen van deze analyse kunnen gebruikt worden voor de inspectie- en handhavingsstrategieën. Bedrijven kunnen de inzichten gebruiken om hun veiligheidsbeleid te verbeteren.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Bij sommige medische ingrepen, zoals dotteren, wordt gebruikgemaakt van radiologie. Het RIVM doet enkele aanbevelingen om het stralingsniveau zo laag mogelijk te houden. Een daarvan is om altijd zogeheten Medisch Beeldvormings- en Bestralingsdeskundigen in te zetten om een optimale dosis te bereiken. Vooral bij ingrepen op afdelingen Cardiologie zijn zij vaak niet betrokken. Daarnaast is het verstandig om patiënten van tevoren te screenen op bijvoorbeeld straling gerelateerde gevoeligheden, en hen achteraf te volgen of er klachten zijn ontstaan. Dit gebeurt in Nederland weinig. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM, als vervolg op een studie uit 2007. De aanbevelingen die toen zijn gegeven, blijken grotendeels te zijn opgevolgd. De ziekenhuizen gebruiken redelijk nieuwe apparatuur en de betrokken interventieradiologen bezitten doorgaans een diploma stralingsbescherming. Mogelijkheden om de stralingsdosis te beperken zijn in de ziekenhuizen ruim aanwezig en worden veel ingezet. Wel worden complicaties na de interventie, zoals rode huid en haaruitval, weinig opgenomen in een daarvoor opgezet register. Bovendien wordt in de helft van de onderzochte ziekenhuizen niet geprobeerd om minder vaak gebruik te maken van opties die de dosis verhogen. Het onderzoek is in opdracht van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) uitgevoerd. Hiervoor is in de wetenschappelijke literatuur de state of the art van interventieradiologie onderzocht en een digitale enquête onder 18 ziekenhuizen gehouden.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Methodology for estimating emissions from agriculture in the Netherlands. Calculations of CH4, NH3, N2O, NOx, PM10, PM2.5 and CO2 with the National Emission Model for Agriculture (NEMA) | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Baseline incidence of intussusception in early childhood before rotavirus vaccine introduction, the Netherlands, January 2008 to December 2012 | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Radioactieve stoffen worden gebruikt voor de diagnose en behandeling van verschillende soorten kanker. De meeste van deze zogeheten isotopen worden wereldwijd in zes kernreactoren gemaakt, waarvan er één in Nederland (Petten) staat. Zeker tot 2020 en waarschijnlijk tot 2025 zal de markt voor isotopen (zowel voor diagnostiek als voor therapie) fragiel zijn en zouden er bij uitval van één reactor al tekorten kunnen ontstaan. Op de langere termijn zullen isotopen die voor diagnoses worden gebruikt ook met deeltjesversnellers geproduceerd kunnen worden. Het is echter niet zeker of die in voldoende mate en betaalbaar gemaakt kunnen worden om aan de vraag te kunnen voldoen. Dit blijkt uit een analyse van het RIVM naar het gebruik van radioactieve isotopen voor medische doeleinden in Nederland en de wereldwijde productie daarvan. De analyse is in opdracht van het ministerie van VWS uitgevoerd. In Nederland worden jaarlijks ongeveer 400.000 diagnostische scans uitgevoerd en 4.000 therapeutische behandelingen met radioactieve isotopen verricht bij mensen met kanker of een andere ernstige aandoening. Voor al deze mensen is een diagnose of behandeling met radioactieve isotopen de beste zorg. Zonder deze isotopen krijgen zij een slechtere of helemaal geen diagnose en therapie. Zij zouden dan korter leven, en meer bijwerkingen of meer pijn hebben. De radioactieve stof die het meest voor diagnoses in ziekenhuizen wordt gebruikt, technetium-99m, wordt nu alleen in kernreactoren voor commerciële doeleinden geproduceerd. Op termijn kunnen waarschijnlijk ook deeltjesversnellers deze stof op deze schaal maken. Of de ziekenhuizen dit product willen kopen, hangt af van de prijs-kwaliteitverhouding en of het zeker is dat er voldoende van kan worden geleverd. Er blijven ook isotopen over die niet op deze manier kunnen worden geproduceerd. Op dit moment komt een zeer groot deel van de in de Nederlandse ziekenhuizen gebruikte isotopen uit de reactor in Petten (80 procent). Om de continue levering van isotopen aan Nederlandse ziekenhuizen beter te garanderen zouden nadere afspraken met de producenten over de benodigde levering nodig zijn.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Predicting the risk of Lyme borreliosis after a tick bite, using a structural equation model | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Antiparasitaire stoffen in diergeneesmiddelen, die in de agrosector worden gebruikt, en afbraakproducten van deze stoffen kunnen zich na gebruik in het milieu verspreiden, meestal via het water. Of dit gebeurt, hangt onder meer af van de hoeveelheid en de eigenschappen van de stoffen. Op basis van de huidige analyse lijkt een aantal antiparasitaire stoffen in diergeneesmiddelen milieunormen voor grond- en/of oppervlaktewater te kunnen overschrijden. Op grond van de toelating in Nederland en het gebruik zijn de beschikbare antiparasitaire stoffen geïnventariseerd. Van deze stoffen zijn er 15 geselecteerd waarvoor de mogelijke concentraties in grond- en oppervlaktewater in beeld zijn gebracht. Van deze 15 stoffen komen drie stoffen in de buurt van of net boven de norm van 0,1 microgram per liter in grondwater voor. Op grond van de uitgevoerde berekeningen overschrijdt één stof de norm in het oppervlaktewater en overschrijden vijf stoffen de voorspelde concentratie waaronder geen effecten op organismen in het water worden verwacht (de zogeheten nuleffectconcentratie, of PNEC). Voor de berekeningen zijn diverse aannames gemaakt, omdat niet alle gegevens beschikbaar zijn. Een logische vervolgstap is de cruciale aannames, onder andere stofeigenschappen en gehanteerde scenario's, in de berekeningen nader te beschouwen. Deze analyse is in opdracht van het ministerie van Economische Zaken door het RIVM in samenwerking met Wageningen Environmental Research uitgevoerd.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Clinical outbreak of babesiosis caused by Babesia capreoli in captive reindeer (Rangifer tarandus tarandus) in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
From intention to STI prevention: an online questionnaire on barriers and facilitators for discussing sexual risk behaviour among HIV-nurses | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Adolescent meningococcal serogroup A, W and Y immune responses following immunization with quadrivalent meningococcal A, C, W and Y conjugate vaccine: Optimal age for vaccination | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Modelling toxicity of metal mixtures: A generalisation of new advanced methods, considering potential application to terrestrial ecosystems | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Healthy diets with reduced environmental impact? - The greenhouse gas emissions of various diets adhering to the Dutch food based dietary guidelines | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Congenital cytomegalovirus infection: child development, quality of life and impact on daily life | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Improving early detection initiatives: a qualitative study exploring perspectives of older people and professionals | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Urban Chikungunya in the Middle East and North Africa: A systematic review | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
CMV immune evasion and manipulation of the immune system with aging | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
A Syst-OMICS approach to ensuring food safety and reducing the economic burden of Salmonellosis | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Comparison of mucosal lining fluid sampling methods and influenza-specific IgA detection assays for use in human studies of influenza immunity | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Necrotising fasciitis as atypical presentation of infection with emerging Neisseria meningitidis serogroup W (MenW) clonal complex 11, the Netherlands, March 2017 | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Het RIVM-CIb verstrekt in 2018 namens het ministerie van Volksgezond-heid, Welzijn en Sport subsidies op het gebied van infectieziekte-bestrijding en/of seksuele gezondheid. Bij dergelijke subsidieaanvragen moet worden voldaan aan de algemene, inhoudelijke en procedurele uitgangspunten en criteria, die in dit Subsidiekader RIVM-CIb 2018 zijn beschreven. Momenteel verstrekt het RIVM-CIb subsidie op het gebied van seksuele gezondheid aan Soa Aids Nederland, Rutgers, Hiv Vereniging Nederland en Stichting Hiv Monitoring. Op het gebied van antibioticaresistentie gebeurt dat aan Stichting Werkgroep Antibioticabeleid en op het gebied van tuberculose aan KNCV Tuberculosefonds. Deze organisaties ontvangen deze subsidies al langere tijd. Een belangrijk aspect van deze subsidies is dat de desbetreffende kenniscentra hiermee mede in stand worden gehouden. Het subsidieprogramma van het RIVM-CIb is open van karakter. Dit betekent dat ook andere organisaties een aanvraag tot subsidieverlening kunnen indienen. Dit kan zowel een instellings- als een projectsubsidie zijn.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM heeft in kaart gebracht wat volwassenen in de periode 2012-2014 aten en dronken. Vervolgens is dat vergeleken met de richtlijnen voor gezonde voeding van de Gezondheidsraad uit 2015. Dit rapport beschrijft de situatie van de voedselconsumptie in Nederland voordat de richtlijnen van kracht werden. De consumptie van een aantal productgroepen zit in de buurt van de aanbevolen hoeveelheden in de richtlijnen. Een paar andere staan er verder van af. Meer dan de helft van de volwassenen eet de aanbevolen enkele porties zuivel per dag. Daarnaast is ongeveer twee derde van de geconsumeerde smeer- en bereidingsvetten smeerbaar of vloeibaar; de richtlijn beveelt aan vetten zo veel mogelijk in deze vorm te gebruiken. Ook eet bijna de helft van de volwassen Nederlanders conform de desbetreffende richtlijn minstens 90 gram bruin en volkoren graanproducten per dag. Minder goed gaat het bijvoorbeeld met de consumptie van groente: slechts 15 procent van de volwassenen eet de aanbevolen hoeveelheid van dagelijks 200 gram groente. Eenzelfde percentage haalt de richtlijn voor fruit (200 gram fruit). Verder eet circa een op de vijftien volwassenen de aanbevolen hoeveelheid noten van 15 gram of meer per dag. Peulvruchten staan eens in de drie weken op het menu, in plaats van wekelijks. Ook drinkt vrijwel iedereen suikerhoudende dranken (inclusief vruchtensappen): gemiddeld twee kleine glazen per dag terwijl de Gezondheidsraad aanbeveelt daar zo min mogelijk van te nemen. Dit onderzoek, uitgevoerd onder ruim duizend volwassenen, maakt deel uit van een breder onderzoek naar de voedselconsumptie in Nederland van 1 tot 79-jarigen in de periode 2012-2016. De eindresultaten over de volledige onderzoeksperiode, inclusief de inname van voedingsstoffen worden in 2018 verwacht.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Tien principes voor regionale samenwerking | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Het RIVM onderzoekt jaarlijks hoeveel mensen ziek worden van 14 ziekteverwekkers die via voedsel in het menselijk lichaam terechtkomen (darmpathogenen). Deze ziektelast wordt uitgedrukt in DALY's (Disability Adjusted Life Year), een internationaal gehanteerde maat voor het aantal gezonde levensjaren die verloren gaan aan ziekte of overlijden. Het aantal verloren DALY's als gevolg van de 14 ziekteverwekkers is in 2014 geschat op 5900, en is daarmee vergelijkbaar met de schatting voor 2013 (5.800 DALY's). Daarnaast wordt geschat welke kosten hieraan verbonden zijn (cost of illness). Deze omvatten directe medische kosten, maar ook de kosten van patient en/of zijn familie, zoals reiskosten, en de kosten binnen andere sectoren, bijvoorbeeld door werkverzuim. De gerelateerde kosten van de 14 ziekteverwekkers die mensen via voedsel opliepen daalde met 4% van 172 miljoen euro in 2013 naar 165 miljoen euro in 2014. De onderzochte ziekteverwekkers kunnen niet alleen via voedsel aan de mens worden overgedragen (circa 40 procent), maar ook via het milieu (bijvoorbeeld via oppervlaktewater), dieren, en van mens op mens. De verhouding verschilt per ziekteverwekker. De totale ziektelast van alle 'routes' daalde van ongeveer 13.000 DALY in 2013 naar 12.600 DALY in 2014. De totale kosten werden geschat op 379 miljoen euro en waren daarmee lager dan voorgaande jaren. Een belangrijke oorzaak hiervan is een halvering van aantal rotainfecties ten opzichte van 2013. VWS is opdrachtgever van dit onderzoek. De resultaten bieden handvatten om meer zicht te krijgen op het daadwerkelijke aantal voedselinfecties dat mensen jaarlijks oplopen en de bijbehorende ziektelast.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM onderzoekt jaarlijks hoeveel mensen ziek worden van 14 ziekteverwekkers die via voedsel in het menselijk lichaam terechtkomen (darmpathogenen). Deze ziektelast wordt uitgedrukt in DALY's (Disability Adjusted Life Year), een internationaal gehanteerde maat voor het aantal gezonde levensjaren die verloren gaan aan ziekte of overlijden. Het aantal DALY's als gevolg van de 14 ziekteverwekkers daalde van ongeveer 6.600 in 2012 tot 5.800 DALY's in 2013. Daarnaast wordt geschat welke kosten hieraan verbonden zijn (cost of illness). Deze omvatten directe medische kosten, maar ook de kosten voor de patiënt en/of zijn familie, zoals reiskosten, als ook de kosten binnen andere sectoren, bijvoorbeeld door werkverzuim. De gerelateerde kosten van de 14 ziekteverwekkers die mensen via voedsel opliepen bedroegen in 2013 172 miljoen euro. De onderzochte ziekteverwekkers kunnen niet alleen via voedsel aan de mens worden overgedragen (circa 40 procent), maar ook via het milieu (bijvoorbeeld via oppervlaktewater), dieren, en van mens op mens. De verhouding verschilt per ziekteverwekker. De totale ziektelast van alle 'routes' daalde ook, van 14.000 DALY in 2012 naar 13.200 DALY in 2013. De totale kosten werden geschat op 424 miljoen euro en waren daarmee vergelijkbaar met voorgaande jaren. VWS is opdrachtgever van dit onderzoek. De resultaten bieden handvaten om meer zicht te krijgen op het daadwerkelijke aantal voedselinfecties dat mensen jaarlijks oplopen en de bijbehorende ziektelast.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Jaarlijks krijgen meer dan 51.000 mensen in Nederland te horen dat ze huidkanker hebben en overlijden ruim 900 mensen aan de gevolgen ervan. Sinds 1990 is het aantal gevallen verviervoudigd. Deze stijging is veel sterker dan bij andere vormen van kanker, en een verdere stijging dreigt (met een factor 2 tot 5). De gevaarlijkste vorm van huidkanker komt in Nederland relatief vaak voor, en binnen Europa behoort Nederland tot de koplopers. Blootstelling van de huid aan UV-straling is de voornaamste oorzaak van het ontstaan van huidkanker, en dan vooral door onverstandig zongedrag. De vergrijzing en de aantasting van de ozonlaag blijken slechts een deel van de toename aan huidkanker te verklaren. Het blootstellingsgedrag lijkt de hoofdrol te spelen en daarbij zijn het dragen van minder bedekkende kleding, meer vrije tijd en langere (zon/strand) vakanties van belang, maar ook klimaatverandering en het gebruik van kunstmatige UV-bronnen voor bruining dragen mogelijk bij. De belangrijkste manier om huidkanker te voorkomen is dan ook ervoor te zorgen dat de huid niet verbrandt door de zon of zonnebank. Maar ook zonder te verbranden kan de huid beschadigd raken. Daarom is het verstandig om de huiddelen die veelvuldig worden blootgesteld extra te beschermen en om daarbij rekening te houden met de zonkracht en de duur van het verblijf in de zon. Bij een hoogstaande (zomer)zon tussen 11 en 16 uur is meer bescherming nodig dan 's morgens vroeg en in de namiddag. Behalve aan huidkanker draagt UV-straling bij aan de vorming van staar en veroorzaakt het huidveroudering en sneeuwblindheid. Het is niet wenselijk om de zonblootstelling volledig te vermijden, omdat UV-blootstelling van de huid ook de voornaamste bron is van vitamine D. Deze vitamine is essentieel voor gezonde botten en spieren. Bovendien zijn er aanwijzingen dat vitamine D de kans op darmkanker kan verkleinen. Momenteel is er een felle wetenschappelijke discussie gaande welke hoeveelheid vitamine D de meeste gezondheidswinst oplevert. De kosten van de medische behandeling van huidkanker bedragen naar schatting circa 325 (250-400) miljoen euro per jaar. De kosten voor de behandeling van door UV veroorzaakte staar, worden geschat op 75-150 miljoen euro per jaar. De kosten zijn grotendeels vermijdbaar door verstandiger (zon)gedrag. De actuele zonkrachtmetingen ( www.rivm.nl/zonkracht ) en betere kennis over (ontwikkelingen in) blootstellingsgedrag en gezondheidseffecten dragen bij aan een goede voorlichting en preventie. Er is alle reden de kennisopbouw met betrekking tot UV-stralingsbescherming te versterken.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Wereldwijd neemt het aantal bacteriën die resistent zijn tegen antibiotica toe. In Nederland is het aantal resistente bacteriën die bij mensen infecties kunnen veroorzaken, ongeveer stabiel gebleven. Toch blijft er reden voor zorg en oplettendheid. In 2016 zijn er ten opzichte van 2015 meer 'uitbraken' in zorginstellingen gemeld van bacteriën die resistent zijn tegen de antibiotica die als laatste redmiddel worden gebruikt. De kans bestaat dat deze bacteriën nog vaker gaan voorkomen. Gezonde mensen hebben daar geen last van, maar kwetsbare mensen kunnen er ziek van worden. Als steeds meer bacteriën resistent worden tegen antibiotica, worden de behandelmogelijkheden op den duur beperkt en wordt het moeilijker om ook onschuldige kwalen als een blaasontsteking te kunnen behandelen. Hoe meer antibiotica worden gebruikt, hoe groter de kans dat bacteriën resistent worden. In 2016 hebben huisartsen ongeveer 2 procent minder antibioticakuren voorgeschreven dan in 2015. In Nederlandse ziekenhuizen is het totale gebruik in 2015 stabiel gebleven, in tegenstelling tot een stijging van antibioticagebruik in het jaar ervoor. Het gebruik van antibiotica voor dieren is in 2016 verder gedaald ten opzichte van 2015, maar neemt de laatste jaren minder snel af dan daarvoor. De mate waarin resistente bacteriën bij dieren voorkomen bleek ook verder te zijn afgenomen. Dit blijkt uit de jaarlijkse rapportage NethMap/MARAN 2017, waarin diverse organisaties de gegevens over het antibioticagebruik en -resistentie in Nederland, zowel voor mensen als voor dieren, gezamenlijk presenteren. Om resistentie tegen te gaan is het van belang de keuze om antibiotica voor te schrijven af te stemmen op de individuele patiënt en de infectie. Ten tweede is het belangrijk dat snel duidelijk wordt wanneer er sprake is van resistente bacteriën en dat goede tests worden gebruikt om dat te bepalen. Ten derde is het van belang dat zorgverleners zorgvuldig de bestaande (hygiëne)maatregelen, zoals handen wassen, naleven om te voorkomen dat resistente bacteriën zich verspreiden. Door op deze manieren te handelen is bijvoorbeeld het aantal MRSA-bacteriën in ziekenhuizen de afgelopen jaren laag gebleven. Deze 'ziekenhuisbacterie' wordt overgedragen via direct huidcontact, vooral via handen, en is ongevoelig voor veel soorten antibiotica. Part 1: NethMap 2017 pg 1 - 160 Part 2: MARAN 2017 pg 1 - 80
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM onderzoekt jaarlijks hoeveel mensen ziek worden van 14 ziekteverwekkers die via voedsel in het menselijk lichaam terechtkomen (darmpathogenen). Deze ziektelast wordt uitgedrukt in DALY's (Disability Adjusted Life Year), een internationaal gehanteerde maat voor het aantal gezonde levensjaren die verloren gaan aan ziekte of overlijden. Het aantal verloren DALY's als gevolg van de 14 ziekteverwekkers is in 2015 geschat op 5,800, en is daarmee iets lager dan in 2014 (5.900 DALY's). Daarnaast wordt geschat welke kosten hieraan verbonden zijn (cost-of-illness). Deze omvatten directe medische kosten, maar ook de kosten voor de patiënt en/of zijn familie, zoals reiskosten, als ook de kosten binnen andere sectoren, bijvoorbeeld door werkverzuim. De gerelateerde kosten van de 14 ziekteverwekkers die mensen via voedsel opliepen was met 168 miljoen euro iets hoger dan in 2014 (166 miljoen euro). De verschillen zijn grotendeels een gevolg van schommelingen in de infecties die zich voordoen, de ziektelast die ze veroorzaken en uiteenlopende kosten per infectie. De onderzochte ziekteverwekkers kunnen niet alleen via voedsel aan de mens worden overgedragen (circa 40 procent), maar ook via het milieu (bijvoorbeeld via oppervlaktewater), dieren, en van mens op mens. De verhouding verschilt per ziekteverwekker. De totale ziektelast van alle 'routes' is geschat op 12.800 DALY, en daarmee iets hoger dan in 2014 (12.600 DALY). De totale kosten werden geschat op 409 miljoen euro en waren daarmee hoger dan in 2014 (385 miljoen). Een belangrijke oorzaak hiervan is een verdubbeling van aantal rotainfecties ten opzichte van 2014. VWS is opdrachtgever van dit onderzoek. De resultaten bieden handvatten om meer zicht te krijgen op het daadwerkelijke aantal voedselinfecties dat mensen jaarlijks oplopen en de bijbehorende ziektelast.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Metabolic mediators of the association between adult weight gain and colorectal cancer: Data from the european prospective investigation into cancer and nutrition (EPIC) cohort | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Transmissible mycobacterium tuberculosis strains share genetic markers and immune phenotypes | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Dietary restriction but not angiotensin II type 1 receptor blockade improves DNA damage-related vasodilator dysfunction in rapidly aging Ercc1delta/-mice | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Silver nanoparticles inhaled during pregnancy reach and affect the placenta and the foetus | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Measured adiposity in relation to head and neck cancer risk in the European prospective investigation into cancer and nutrition | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Organic food consumption during pregnancy and its association with health-related characteristics: the KOALA Birth Cohort Study | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Application of liquid chromatography-tandem mass spectrometry to determine urinary concentrations of five commonly used low-calorie sweeteners: a Novel Biomarker Approach for Assessing Recent Intakes? | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Development and evaluation of the Dutch Healthy Diet index 2015 | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Historical greenhouse gas concentrations for climate modelling (CMIP6) | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Cross-border collaboration for improved tuberculosis prevention and care: policies, tools and experiences | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Het aantal mensen dat zich bij een Centrum Seksuele Gezondheid (CSG) heeft laten testen op een seksueel overdraagbare aandoening (soa) is, na een daling in 2015, in 2016 weer toegenomen. Het percentage bij wie een soa werd vastgesteld is ook gestegen, tot 18,4 procent in 2016. Naar schatting is het aantal soa-consulten bij huisartsen licht gedaald. Chlamydia blijft de meest voorkomende soa onder heteroseksuelen. Onder mannen die seks hebben met mannen (MSM) werd vaker gonorroe dan chlamydia gevonden. De CSG's bieden hoog-risicogroepen de mogelijkheid om zich gratis te laten testen op soa's. In totaal zijn er in 2016 143.139 consulten geregistreerd bij de CSG's, een stijging van 5 procent ten opzichte van 2015. Het percentage gevonden soa's varieerde tussen de GGD-en; van 12,8 tot 20,9. De meeste soa's zijn gevonden bij mensen met hiv, gevolgd door mensen die waren gewaarschuwd voor een soa. Chlamydia In 2016 had 14,5 procent van de CSG-bezoekers een chlamydia-infectie (20.698 diagnoses; een toename van 11 procent ten opzichte van het jaar ervoor). Deze stijging is mogelijk deels te verklaren doordat GGD-en sinds 2015 eerder voorrang verlenen aan personen met hoog risico op soa. De grootste toename was te zien bij heteroseksuele mannen (van 16,1 in 2015 naar 18,0 procent in 2016). Bij vrouwen nam het percentage vastgestelde chlamydia toe van 14,2 naar 15,4. Onder MSM ligt dit percentage al jaren rond 10 procent. Gonorroe Het aantal gonorroe-diagnoses bij de CSG is het afgelopen jaar met 13 procent toegenomen tot 6.092 infecties. Het percentage positieven onder heteroseksuele mannen (1,7 procent) en vrouwen (1,4 procent) bleef stabiel ten opzichte van voorgaande jaren. Onder MSM is het percentage toegenomen van 10,7 procent in 2015 naar 11,3 procent in 2016. Bij CSG-bezoekers is nog steeds geen gonorroe resistent gevonden tegen het 'eerstekeus' antibioticum ceftriaxon. Het aantal gonorroe-infecties gediagnosticeerd door huisartsen in 2015 nam licht af onder vrouwen, maar steeg onder mannen met 20 procent ten opzichte van 2014. Syfilis In 2016 is het aantal diagnoses van syfilis met 30 procent gestegen ten opzichte van 2015, tot 1.223 infecties. Deze stijging komt voornamelijk door een toename in het aantal diagnoses onder MSM, zowel met als zonder hiv. Van alle syfilis-infecties werd 95 procent bij MSM vastgesteld. Het percentage positieve diagnoses onder heteroseksuele mannen en vrouwen blijft zeer laag; respectievelijk 0,19 en 0,07 procent van alle consulten waarin getest werd op syfilis. Hiv In 2016 zijn 285 nieuwe diagnoses van hiv gesteld bij de CSG, vrijwel evenveel als in 2015 (288). Drieënnegentig procent daarvan werd bij MSM vastgesteld. Het percentage hiv-diagnoses bij MSM is gedaald van 2,8 procent in 2007 tot 0,8 procent in 2016. Het aantal hiv-patiënten dat voor het eerst 'in zorg' was bij de Nederlandse hiv-behandelcentra daalde opnieuw, van 1.033 gevallen in 2015 tot 976 in 2016. Van hen hadden 666 personen de diagnose in 2016 gekregen.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
De gemeente Den Haag heeft het RIVM gevraagd om adviezen te geven om de waterkwaliteit van waterspeelplaats Zuiderpret in Den Haag in de toekomst goed te houden en oplossingen aan te reiken voor eventuele problemen. Zuiderpret is een natuurspeelplaats in het Zuiderpark waar kinderen in een stromende beek met water kunnen spelen. Aanleiding voor de adviesaanvraag waren de problemen met de waterkwaliteit tussen 2012 en 2015. De gemeente Den Haag heeft in 2015 zelf maatregelen getroffen waardoor de waterkwaliteit aanzienlijk is verbeterd. Zo is een hek geplaatst om ganzen tegen te houden zodat het water minder wordt verontreinigd door hun uitwerpselen. Ook is de waterloop aangepast waardoor doorlopend vers water uit het Zuiderpark door de beek stroomt. Na een veldbezoek aan de waterspeelplaats adviseert het RIVM te zorgen voor een goede doorstroming van het water door regelmatig planten en algengroei te verwijderen, de hygiëne rondom de beek te bewaken en de waterkwaliteit te blijven toetsen. Ook is duidelijke communicatie richting de bezoekers van de waterspeelplaats van belang, bijvoorbeeld door met borden aan te geven dat het water in de beek geen drinkwater is. Verder blijkt dat gebruikers van de waterspeelplaats tot op heden geen gezondheidsklachten bij GGD Haaglanden hebben gemeld door vervuiling van de beek als gevolg van ontlasting van dier of mens. Problemen met zwemmersjeuk en blauwalgen zijn niet te verwachten doordat het water in de beek continu in beweging is. De gemeente Den Haag en GGD Haaglanden streven ernaar de waterkwaliteit in waterspeelplaats Zuiderpret volledig te laten voldoen aan de eisen die de Europese Zwemwaterrichtlijn stelt aan officiële zwemlocaties. Officieel hoeven waterspeelplaatsen niet aan deze eisen te voldoen omdat ze niet door de provincie als officiële zwemlocaties zijn aangewezen.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Met personalised medicine worden patiënten behandeld op basis van hun unieke kenmerken, zoals erfelijke eigenschappen. Deze 'therapie op maat' is sterk in opkomst in de medische wereld nu het steeds duidelijker wordt dat veel factoren samen bepalen of iemand goed reageert op een medicijn. Sommige mensen hebben door hun erfelijke eigenschappen een grotere kans op ernstige bijwerkingen van bepaalde medicijnen. Anderen zijn veel gevoeliger voor een medicijn en hebben daardoor een andere dosis nodig. Uit onderzoek van het RIVM blijkt echter dat het nog lastig is om de kennis te vertalen naar gebruik in de praktijk. Zo is het een uitdaging om op basis van individuele kenmerken te kunnen bepalen welke medicijnen goed zijn voor een patiënt. Ook moet eerst gefundeerd worden aangetoond dat 'therapie op maat' nuttig is en moeten artsen daarvan worden overtuigd. Verder is het vaak nog onduidelijk of het testen op een erfelijke eigenschap ook echt de behandeling verbetert. Deze hiaten belemmeren toepassing in de medische praktijk, terwijl juist ervaringen uit deze praktijk nieuwe inzichten opleveren om het gebruik van medicijnen te verbeteren. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het ministerie van VWS. Met de resultaten wil het ministerie bepalen of, en zo ja op welke punten, er aandacht vanuit VWS nodig is om het gebruik van personalised medicine in de praktijk te bevorderen.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Assessment of spatial and physical neighborhood characteristics that influence sound quality and herewith well-being and health | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Is aircraft noise exposure associated with cardiovascular disease and hypertension? Results from a cohort study in Athens, Greece | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
BlueHealth: a study programme protocol for mapping and quantifying the potential benefits to public health and well-being from Europe's blue spaces | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Tick-borne encephalitis virus in ticks and roe deer, the Netherlands | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Rondom pluimveehouderijen hebben mensen een grotere kans op een longontsteking. Dit verband is tussen 2009 en 2013 elk jaar te zien. Dit is in 2016 in het hoofdrapport Veehouderij en Gezondheid van Omwonenden (VGO) ook al geconcludeerd, maar een nadere analyse van de gegevens met krachtige statistische technieken bevestigt deze conclusies en onderbouwt ze steviger. Het gaat gemiddeld om ongeveer 119 extra patiënten met longontsteking per jaar per 100.000 mensen in het onderzoeksgebied. Dat komt neer op ongeveer 7,2% extra patiënten. Er zijn sterke aanwijzingen dat fijnstof en componenten ervan mensen gevoeliger maken voor luchtweginfecties. Specifieke ziekteverwekkers afkomstig van dieren kunnen echter niet worden uitgesloten. Ook rondom geitenhouderijen hebben mensen een grotere kans op longontsteking. Eerder zijn hiervoor al aanwijzingen gevonden, die nu nader onderbouwd zijn over een langere periode. De onderzoekers zien deze toename over alle jaren van 2007 tot en met 2013, dus ook na de Q koortsepidemie, die van 2007 tot en met 2010 plaatsvond. Het aantal extra gevallen van longontsteking in het onderzoeksgebied dat kan worden toegeschreven aan de aanwezigheid van geitenbedrijven is gemiddeld over de jaren 2009-2013 ongeveer 89 patiënten per 100.000 mensen per jaar. Dat komt neer op ongeveer 5,4% extra patiënten. De Q koortsepidemie heeft waarschijnlijk tijdens de vroege jaren bijgedragen aan het verhoogde aantal longontstekingen. Het is echter geen verklaring van het verhoogde risico vanaf 2011. Wat deze toename wel veroorzaakt, is nog onduidelijk. Deze uitkomsten blijken uit vervolgonderzoek van VGO. Het onderzoek bevestigt ook de eerdere conclusie dat mensen met COPD, die in de buurt van veehouderijen wonen, vaker en ernstiger klachten hebben dan mensen die op grotere afstand van veehouderijen wonen. Uit luchtmetingen in de woonomgeving blijkt dat de concentratie endotoxinen in de lucht toeneemt naarmate de afstand tot een veehouderij kleiner wordt of het aantal veehouderijen in een gebied (de dichtheid) groter wordt. Endotoxinen zijn kleine onderdelen van micro-organismen die luchtwegirritatie en ontstekingsreacties kunnen veroorzaken. Veehouderijsectoren met de hoogste uitstoot van fijnstof, zoals pluimvee- en varkenshouderij, dragen duidelijk bij aan de concentratie van endotoxinen in de leefomgeving. Opvallend is dat ook sectoren van de veehouderij die niet bekendstaan om een hoge uitstoot van stoffen toch substantieel lijken bij te dragen aan de concentratie van endotoxinen in de leefomgeving. Veehouderijen uit deze sectoren zijn in grote aantallen in het VGO-gebied vertegenwoordigd.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Does the health impact of exposure to neighbourhood green space differ between population groups? An explorative study in four European cities | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Health conditions in rural areas with high livestock density: Analysis of seven consecutive years | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Comorbidity and coexisting symptoms and infections presented in general practice by COPD patients: Does livestock density in the residential environment play a role? | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Spatial and temporal variation in endotoxin and PM10 concentrations in ambient air in a livestock dense area | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Livestock density and comorbid conditions in patients with Asthma and COPD Overlap Syndrome (ACOS) | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Increased respiratory symptoms in COPD patients living in the vicinity of livestock farms | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Risk of exacerbations in COPD and asthma patients living in the neighbourhood of livestock farms: Observational study using longitudinal data | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
De trend in de ammoniakconcentratie in de lucht van 2005-2014 De gemeten concentraties ammoniak in de lucht zijn tussen 2005 en 2014 licht gestegen. Landelijk gezien bedraagt de stijging circa 1,5 procent per jaar. De grootste stijgingen doen zich voor in het noorden en oosten van het land. Dit blijkt uit een rapportage van het RIVM waarin de trend in de gemeten concentraties ammoniak van 2005 tot en met 2014 wordt gepresenteerd. Dit is een onderdeel van de rapportage van onderzoek dat is uitgevoerd naar aanleiding van de Quick-scan naar het uiteenlopen van de trends van ammoniakemissies en -concentraties door de Commissie Deskundigen Meststoffenwet (CDM, september 2014). Voor deze rapportage zijn metingen uit het Meetnet Ammoniak in Natuurgebieden (MAN) en het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit (LML) gebruikt. In het MAN wordt sinds 2005 de maandgemiddelde ammoniakconcentratie in de lucht gemeten in Nederlandse Natura2000- gebieden. Dat wordt gedaan omdat de natuur in deze gebieden gevoelig is voor een toename van de hoeveelheid stikstof, waardoor de biodiversiteit afneemt. Het MAN is ingericht omdat de natuurgebieden nauwelijks vertegenwoordigd zijn in het LML. De metingen worden uitgevoerd voor het Programma Aanpak Stikstof (PAS). Zowel in het MAN als in het LML is in de onderzochte periode de ammoniakconcentratie gestegen. De uitstoot van ammoniak door de landbouw is de belangrijkste bron voor de concentratie van ammoniak in de lucht. Daarnaast is de concentratie afhankelijk van de weersomstandigheden en de chemische samenstelling van de atmosfeer. Als naar de emissiecijfers van ammoniak wordt gekeken (gerapporteerd op www.emissieregistratie.nl ), dan is er over de periode 2005 tot en met 2013 een landelijke afname te zien. Deze daling is echter niet terug te zien in de metingen van het MAN en LML, ook niet wanneer de effecten van meteorologie en veranderingen in de chemie van de atmosfeer worden verrekend. Dit verschil is op dit moment nog onderwerp van verdere studie.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
A new statistical method to determine the degree of validity of health economic model outcomes against empirical data | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Immune responses after 2 versus 3 doses of HPV vaccination up to 4½ years after vaccination: An observational study among Dutch routinely vaccinated girls | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Increased risk of asthma in overweight children born large for gestational age | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
The intention of Dutch general practitioners to offer vaccination against pneumococcal disease, herpes zoster and pertussis to people aged 60 years and older | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Interaction between genes and macronutrient intake on the risk of developing type 2 diabetes: systematic review and findings from European Prospective Investigation into Cancer (EPIC)-InterAct | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Retinoic acid in developmental toxicology: teratogen, morphogen and biomarker | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Consumption of fish is not associated with risk of differentiated thyroid carcinoma in the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition (EPIC) Study | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Comparison of ultrafine particle and black carbon concentration predictions from a mobile and short-term stationary land-use regression model | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Health and economic impact of a tender-based gender-neutral Sex-neutral HPV16/18 vaccination program in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Interactions between genome-wide significant genetic variants and circulating concentrations of 25-hydroxyvitamin D in relation to prostate cancer risk in the National Cancer Institute BPC3 | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Response to a wild poliovirus type 2 (WPV2)-shedding event following accidental exposure to WPV2, the Netherlands, April 2017 | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Genetic variation in the ADIPOQ gene, adiponectin concentrations and risk of colorectal cancer: a Mendelian Randomization analysis using data from three large cohort studies | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Analysing tuberculosis cases among healthcare workers to inform infection control policy and practices | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Comparing the health of populations: methods to evaluate and tailor population management initiatives in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Green space definition affects associations of green space with overweight and physical activity. | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Voor een veilig (her)gebruik van chirurgische instrumenten in ziekenhuizen worden deze na gebruik gereinigd, onderhouden, verpakt en gesteriliseerd in stoomsterilisatoren. Jaarlijks wordt gecontroleerd of deze sterilisatoren goed werken. In 2013 constateerde het RIVM enkele tekortkomingen bij deze validaties. Uit vervolgonderzoek blijkt nu dat de vakverenigingen en validatiebedrijven acties in gang hebben gezet om de validaties te verbeteren. Wel kan de werkwijze nu nog verschillen. Als de acties worden nageleefd, zullen de validaties beter en uniform worden uitgevoerd. Ook blijkt dat fabrikanten en leveranciers van stoomsterilisatoren niet alle informatie leveren die nodig is voor de validaties. Ze geven niet concreet aan voor welke type medische hulpmiddelen de sterilisator geschikt is. Ook tonen ze geen compleet overzicht van de processpecificaties. Deze zaken zijn nodig om de validatiemetingen goed te kunnen beoordelen. De vakverenigingen hebben sinds 2013 een veldnorm opgesteld. De veldnorm focust op de organisatorische aspecten van de validatie en helpt om een programma van eisen op te stellen. Een goed programma van eisen is van belang om duidelijk te krijgen welke verrichtingen worden verwacht van het bedrijf dat de validatie uitvoert en hoe de resultaten worden gerapporteerd en geïnterpreteerd. Verder wordt de NEN-richtlijn D6103b uit 2006 momenteel herzien. Hierin staat concreet uitgewerkt wat de internationale ISO-norm (17665 deel 1) voorschrijft.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Comparing viral load metrics and evaluating their use for HIV surveillance | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Modelling human Puumala hantavirus infection in relation to bank vole abundance and masting intensity in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Cognitive-motivational determinants of residents' civic engagement and health (inequities) in the context of noise action planning: a conceptual model | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Pre-diagnostic copper and zinc biomarkers and colorectal cancer risk in the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition cohort | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Exploring the role of farm animals in providing care at care farms | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
De zogeheten combinatietesten die de zeven Nederlandse screeningslaboratoria op downsyndroom uitvoeren, zijn in 2013 volgens de kwaliteitseisen uitgevoerd. De laboratoria voldeden in het algemeen aan de landelijke kwaliteitseisen en aan het internationale kwaliteitsprogramma UK-NEQAS. Dit blijkt uit een evaluatie van het RIVM. Hiermee wordt voldaan aan de opdracht van het ministerie van VWS om de kwaliteit van de combinatietest te bewaken. De screening op het syndroom van Down is sinds 1 januari 2007 voor iedereen beschikbaar in een landelijk screeningsprogramma. Later is daar de screening op de syndromen van Edwards en Patau aan toegevoegd. Voor de screening worden een hormoon en een eiwit gemeten en wordt een nekplooimeting uitgevoerd. In 2013 zijn in totaal 52263 screeningstests uitgevoerd. Dat jaar liet in Nederland 29,9 procent van de zwangeren een dergelijke test uitvoeren. Dat is iets meer dan in 2009-2012. De laboratoria voeren alle bloedanalyses uit. De kansberekening op basis van die bloedanalyse kan door het laboratorium maar ook door een deel van de echocentra in Nederland worden uitgevoerd. In 46 procent van de afgenomen combinatietesten heeft de berekening van de kans op syndroom van Down, Edwards en Patau bij de laboratoria plaatsgevonden. Voor deze evaluatie waren alleen de gegevens over de kansberekening van de laboratoria beschikbaar. De leeftijd waarop de test het vaakst wordt afgenomen varieert van 31,8 tot 33,5 jaar (mediane leeftijd). Het aantal zwangeren dat volgens de screeningtest een verhoogde kans heeft op een kind met het syndroom van Down verschilt iets per laboratorium (tussen de 5,1 en 6,8 procent). Deze verschillen ontstaan onder andere doordat de gemiddelde leeftijd van zwangeren die voor deze screeningtests kiezen per regio iets verschilt.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
De zogeheten combinatietesten die zeven Nederlandse screeningslaboratoria op downsyndroom uitvoerden voldeden in 2014 en 2015 in het algemeen aan de kwaliteitseisen . Dit blijkt uit een evaluatie van het RIVM. Hiermee wordt voldaan aan de opdracht van het ministerie van VWS aan het RIVM om de kwaliteit van de combinatietest te laten bewaken. De screening op het syndroom van Down is sinds 1 januari 2007 voor iedereen beschikbaar in een landelijk screeningsprogramma. Later is hieraan de screening op de syndromen van Edwards en Patau aan toegevoegd. Voor de screening worden de concentraties van een hormoon en een eiwit gemeten via een bloedtest en wordt een nekplooimeting via een echo bij de foetus uitgevoerd. In 2014 zijn in totaal 58955 screeningstests uitgevoerd en in 2015 60422; daarmee liet 33,0 procent (2014) en 34,7 procent (2015) van de zwangeren een combinatie test uitvoeren. Dat is iets meer dan in 2009-2013. Het percentage binnen de verschillende leeftijdscategorieën laat door de jaren heen een verandering zien: vrouwen onder de 36 jaar lieten in 2015 relatief vaker een test uitvoeren dan voorheen, terwijl vrouwen van boven de 36 jaar dat in 2015 relatief minder vaak deden. Dit is mogelijk te verklaren doordat sinds 2015 de test voor vrouwen boven de 36 jaar niet meer in het basispakket van de zorgverzekering valt. De laboratoria voeren alle bloedanalyses uit. De kansberekening op basis van die bloedanalyse kan òf door het laboratorium òf door een deel van de echocentra in Nederland worden uitgevoerd. Bij de laboratoria heeft de kansberekening in 2015 voor 46 procent van de totaal afgenomen combinatietesten plaatsgevonden. Voor de evaluatie van de kwaliteitsindicatoren waren alleen de gegevens over de kansberekening van de laboratoria beschikbaar. De leeftijd waarop de test in 2015 het meest frequent wordt afgenomen varieert van 31,4 tot 32,9 jaar tussen de laboratoria. Het aantal zwangeren dat volgens de screeningtest een verhoogde kans heeft op een kind met het syndroom van Down ligt bij alle laboratoria tussen de 4,0 en 5,9 procent. Deze verschillen ontstaan onder andere doordat de gemiddelde leeftijd van zwangeren die voor deze screeningstests kiezen per regio iets verschilt.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
In 2015 is de totale uitstoot van broeikasgassen van Nederland met ongeveer 4 procent gestegen ten opzichte van de emissie in 2014. Deze stijging komt vooral doordat er meer elektriciteit is geproduceerd in de door steenkool gestookte elektriciteitscentrales. Daarnaast is er meer brandstof gebruikt voor ruimteverwarming dan in 2014 als gevolg van de koudere winter. Totaal van alle broeikasgassen gedaald De totale emissie van broeikasgassen naar de lucht wordt uitgedrukt in CO2-equivalenten en bedroeg in 2015 195,2 miljard kilogram (megaton of teragram). Ten opzichte van het zogeheten Kyoto-basisjaar (223,1 miljard kilogram CO2-equivalenten) is dit een afname van ongeveer 12,5 procent. Dit basisjaar, dat afhankelijk van het broeikasgas 1990 of 1995 is, dient voor het Kyoto-protocol als referentiejaar voor de uitstoot van broeikasgassen. CO2 emissie gestegen tot boven niveau 1990 De emissie van CO2 lag in 2014 voor het eerst onder het niveau van het basisjaar 1990. In 2015 is de CO2-uitstoot toegenomen met 4,5% en komt daarmee weer boven het niveau van het basisjaar 1990 (+1,5 procent) te liggen. Deze toename werd voor de totale emissie van broeikasgassen ruim gecompenseerd door de lagere emissies van methaan, distikstofoxide en gefluoreerde gassen (CH4, N2O en F-gassen). Dit blijkt uit een inventarisatie van broeikasgasemissies die het RIVM jaarlijks op verzoek van het ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM) opstelt. Met deze inventarisatie voldoet Nederland aan de nationale rapportageverplichtingen voor 2017 van het Klimaatverdrag van de Verenigde Naties (UNFCCC), van het Kyoto Protocol en van het Bewakingsmechanisme Broeikasgassen van de Europese Unie. De inventarisatie bevat verder trendanalyses voor de emissies van broeikasgassen in de periode 1990-2015, een analyse van belangrijkste emissiebronnen ('sleutelbronnen'), evenals de onzekerheid in hun emissies. Daarnaast zijn in de inventarisatie de gebruikte berekeningsmethoden beschreven, evenals databronnen en gebruikte emissiefactoren. Ten slotte bevat het een overzicht van het kwaliteitssysteem en de validatie van de emissiecijfers door de Nederlandse Emissieregistratie.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
In 2011 hebben het RIVM en adviesbureau RIGO Research en Advies een zogeheten afwegingskader voor de leefomgevingskwaliteit ontwikkeld voor de regio nabij Schiphol. Daarin zijn gegevens over de leefbaarheid en gezondheidsrisico's van het milieu (luchtkwaliteit en geluid) opgenomen. De leefbaarheidsgegevens zijn gebaseerd op de Leefbaarometer, die ontwikkeld is door RIGO. Het RIVM heeft voor het afwegingskader gegevens aangeleverd over de gezondheidsrisico's van het milieu rond Schiphol. De Stichting Leefomgeving Schiphol gebruikt de gegevens om zo objectief mogelijk te kiezen welke gemeentelijke projecten voor financiering in aanmerking komen om de leefbaarheid in de regio Schiphol te verbeteren. De gegevens zijn nu geactualiseerd in verband met de tweede ronde in die keuze (Tweede Tranche Leefbaarheid).
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Environmental assessment of bio-based chemicals in early-stage development: A review of methods and indicators. | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
In 2015 waren alle 36 Nationale Referentie Laboratoria (NRL's) in de Europese Unie in staat om concentraties Salmonella in vloeibaar kippenei aan te tonen, zowel bij hoge als lage concentraties. Eén NRL slaagde er niet in om alles de eerste keer goed uit te voeren, maar wel tijdens de herkansing. Dit blijkt uit het zevende voedselringonderzoek dat is georganiseerd door het referentielaboratorium van de Europese Unie voor Salmonella (EURL-Salmonella). Ringonderzoek verplicht voor Europese lidstaten Het onderzoek is in september 2015 gehouden, de herkansing was in januari 2016. Alle NRL's van de Europese lidstaten die verantwoordelijk zijn voor de opsporing van Salmonella in voedsel, zijn verplicht om aan het onderzoek deel te nemen. Het EURL-Salmonella is gevestigd bij het Nederlandse Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). De laboratoria toonden de Salmonella-bacterie in kippenei aan met behulp van de internationaal erkende analysemethoden. Elk laboratorium kreeg een pakket toegestuurd met vloeibaar kippenei dat ofwel besmet was met Salmonella Enteritidis in twee verschillende concentraties, of geen Salmonella bevatte. De laboratoria dienden volgens een protocol te onderzoeken of de monsters Salmonella bevatten. Monsterbereiding In eerdere studies zijn voedsel (gehakt), dierlijke mest en dierenvoer op het laboratorium van het EURL-Salmonella kunstmatig besmet met een verdunde cultuur van Salmonella. In deze studie is voor het eerst vloeibaar kippenei kunstmatig besmet en is bewezen dat ook deze werkwijze geschikt is.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
In Nederland bevinden zich naar schatting 24.000 woningen met een jaargemiddelde radonconcentratie boven 100 becquerel (Bq) per kubieke meter. Vooral in eengezinswoningen met natuurlijke ventilatie in Zuid-Limburg en het Rivierengebied worden vaker overschrijdingen aangetroffen: 80 procent van de woningen met meer dan 100 Bq radon per kubieke meter bevindt zich daar. Dat komt doordat in deze gebieden gemiddeld genomen meer radon vanuit de bodem in de woning terechtkomt dan elders in Nederland. Het gaat hier om woningen uit 1930 of later; van oudere woningen zijn geen radongegevens bekend. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM. Hieruit volgt ook dat 100 Bq radon per kubieke meter in woningen voor Nederland haalbaar is als nationaal referentieniveau. Vanwege Europese regelgeving is elke lidstaat verplicht een nationaal referentieniveau vast te stellen om de gezondheidsrisico's door blootstelling aan radon in woningen te beperken. Omdat de radonconcentraties in Europa door verschillen in omstandigheden sterk uiteenlopen, moet elk land een eigen referentieniveau bepalen. De gekozen waarde mag echter niet hoger zijn dan 300 Bq per kubieke meter. Lidstaten moeten ook een nationaal actieplan radon opstellen met acties om uit te zoeken waar hogere radonconcentraties verwacht worden. Verder moeten zij aangeven welke maatregelen nodig zijn om radonconcentraties boven het gestelde referentieniveau terug te dringen. Radonconcentraties in woningen boven 200 Bq per kubieke meter komen in Nederland nauwelijks voor. Dit maakt het mogelijk om met relatief simpele maatregelen een overschrijding van de radonconcentratie terug te brengen tot onder het referentieniveau. Welke maatregel in welk geval passend is, zal per situatie beoordeeld moeten worden. Radon is een radioactief edelgas dat van nature ontstaat in de bodem en in daarvan gemaakte bouwmaterialen. Vanuit deze materialen kan radon in gebouwen terechtkomen. Als radon vervalt, ontstaan radioactieve stoffen die na inademing het risico op longkanker vergroten. Dit onderzoek is uitgevoerd op verzoek van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS).
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Plasma microRNAs as biomarkers of pancreatic cancer risk in a prospective cohort study | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Cross-sectional study on factors hampering implementation of measles pre- and postexposure measures in Dutch hospitals during the 2013-2014 measles outbreak | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Probabilistic derivation of the interspecies assessment factor for skin sensitization | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Hepcidin levels and gastric cancer risk in the EPIC-EurGast Study | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Towards a proportionality assessment of risk reduction measures aimed at restricting the use of persistent and bioaccumulative substances | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Confidence intervals for the treatment effect on the treated | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Are more environmentally sustainable diets with less meat and dairy nutritionally adequate? | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Simultaneous inference of phylogenetic and transmission trees in infectious disease outbreaks | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Cost-effectiveness analysis of corneal collagen crosslinking for progressive keratoconus | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Correction for Cairns et.al. "Comparative genome analysis and global phylogeny of the toxin variant Clostridium difficile PCR Ribotype 017 reveals the evolution of two independent sub-lineages" | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Direct and air-mediated transfer of labeled SVOCs from indoor sources to dust | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Primary endpoint discrepancies were found in one in ten clinical drug trials. Results of an inception cohort study | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Environmental contamination with Toxocara spp. eggs in public parks and playground sandpits of Greater Lisbon, Portugal | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Flexible working practices: how employees can reap the benefits for engagement and performance | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Protecting pyrazinamide, a priority for improving outcomes in multidrug-resistant tuberculosis treatment | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Stikstof en fosfaat zijn essentiële stoffen in mest die landbouwbedrijven gebruiken om de productie van gewassen te bevorderen. Te veel stikstof en fosfaat is echter schadelijk omdat het teveel kan uitspoelen waardoor de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater slechter wordt. Te hoge concentraties in het oppervlaktewater kunnen bijvoorbeeld algenbloei veroorzaken. De concentraties van stikstof en fosfaat in het grond- en oppervlaktewater in 2015 zijn vergelijkbaar met die in de jaren 2012-2014. Dit blijkt uit een inventarisatie van de grond- en oppervlaktewaterkwaliteit in 2015. De inventarisatie is een aanvulling op de inventarisatie die in 2016 is gerapporteerd. In 2016 is gekeken naar de concentraties in 2012-2014 en de ontwikkeling in de periode 1992-2014. Door de cijfers over 2015 toe te voegen, ontstaan geen andere conclusies. De aanvullende inventarisatie is uitgevoerd door het RIVM met Rijkswaterstaat Water, Verkeer en Leefomgeving (RWS/WVL) en Deltares. Deze aanvulling op het eerdere rapport is toegezegd aan de Europese Commissie. Dit addendum dient mede voor de onderhandelingen over het zesde Nederlandse Nitraatrichtlijnactieprogramma en een derogatie voor de periode 2018-2021.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
In opdracht van de gemeente Dordrecht heeft het RIVM risicogrenzen voor perfluoroctaanzuur (PFOA) in grond en grondwater afgeleid. De gemeente kan hiermee bepalen of de kwaliteit van de grond en het grondwater een risico vormt voor mens en milieu, en of maatregelen nodig zijn. De verontreiniging door PFOA is naar verwachting eind vorige eeuw ontstaan. PFOA werd door de Dupont/Chemours fabriek in Dordrecht tot 2012 gebruikt bij de productie van polymeren. In het huidige rapport zijn generieke risicogrenzen afgeleid voor grond en grondwater volgens de interventiewaardenmethodiek, waarbij rekening gehouden wordt met blootstelling van mens en milieu vanuit grond en grondwater. Daarnaast zijn locatiespecifieke of bodemgebruik-specifieke risicogrenzen afgeleid voor grond en grondwater voor verschillende bodemgebruiksvormen. Deze zijn toegespitst op de bestemming wonen en industrie, rekening houdend met de relevante blootstellingsroutes. De gemeente kan de afgeleide risicogrenzen gebruiken om, indien gewenst, gebiedsspecifiek beleid te maken voor het bodemgebruik en grondverzet.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Outbreak of diarrhoea among participants of a triathlon and a duathlon on 12 July 2015 in Utrecht, the Netherlands | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Decreased, but still sufficient, iodine intake of children and adults in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Origin of the TTC values for compounds that are genotoxic and/or carcinogenic and an approach for their re-evaluation | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Epidemiological risk factors for animal influenza A viruses overcoming species barriers | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Characterizing adult sleep behavior over 20 years - the population-based Doetinchem Cohort Study | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Pharmacokinetics of Levofloxacin in multidrug- and extensively drug-resistant tuberculosis patients | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Association between changes in fat distribution and biomarkers for breast cancer | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Dit rapport bevat een erratum d.d. 23-03-2018 op de laatste pagina Veel (jonge) seksueel actieve vrouwen en mannen zijn geïnfecteerd met het humaan papillomavirus (HPV), dat baarmoederhalskanker veroorzaakt. Sinds 2010 worden 12-jarige meisjes via het Rijksvaccinatieprogramma gevaccineerd om baarmoederhalskanker te voorkomen. Inmiddels weten we meer over deze vaccinatie; zij beschermt niet alleen tegen kanker in de baarmoederhals, maar ook tegen kanker aan penis, anus, vagina en vulva. Ook zijn er aanwijzingen dat het tegen kanker van de mond- en keelholte beschermt. Naar aanleiding van deze nieuwe inzichten heeft de minister van VWS de Gezondheidsraad gevraagd te bekijken of het advies uit 2008 om meisjes te vaccineren moet worden aangepast. Om de Gezondheidsraad hierin te ondersteunen heeft het RIVM de relevante informatie uit binnen-en buitenland verzameld en gestructureerd. Het gaat bijvoorbeeld om informatie over de mate waarin HPV-infecties en HPV-gerelateerde ziekten voorkomen bij meisjes/vrouwen en jongens/mannen en over de effectiviteit en veiligheid van de vaccins. De laatste jaren hebben meer mannen een vorm van kanker gekregen die door het HPV-virus veroorzaakt kan worden. Er zijn drie vaccins tegen HPV op de markt die zowel voor vrouwen als mannen geschikt zijn. In Nederland wordt het vaccin gegeven dat tegen twee typen van het HPV-virus beschermd (HPV-typen 16 en 18). De andere twee vaccins beschermen tegen meerdere typen van het HPV-virus. 61 procent van de meisjes heeft zich laten vaccineren. Door het huidige vaccinatieprogramma zullen per jaar naar schatting 350 minder vrouwen baarmoederhalskanker krijgen en 100 vrouwen minder aan deze vorm van kanker overlijden.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
An evaluation of the TREC assay with regard to the integration of SCID screening into the Dutch newborn screening program | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Corrigendum to "Impact of waning acquired immunity and asymptomatic infections on case-control studies for enteric pathogens" [Epidemics 17 (2016) 56-63] | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Air pollution from livestock farms is associated with airway obstruction in neighboring residents | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Lood komt in voedsel terecht doordat planten en gewassen het uit de bodem opnemen. Lood kan van nature in de bodem zitten, maar kan er ook in komen door menselijk handelen. De concentratie van lood in voedsel is de laatste decennia afgenomen door het gebruik van loodvrije benzine en verf, en de vervanging van loden drinkwaterleidingen. Het RIVM heeft berekend hoeveel lood we in Nederland binnen kunnen krijgen via voedsel. Op basis van de berekende innamen blijkt dat bij een deel van de kinderen tot en met 7 jaar, zwangere vrouwen en volwassenen schadelijke effecten niet kunnen worden uitgesloten. Bij hoeveel mensen er sprake is van een daadwerkelijk risico, is niet aan te geven. De voedselgroepen granen, melk, fruit, non-alcoholische dranken (waaronder thee en vruchtendranken) en groenten dragen het meeste bij aan de totale loodinname (circa 70 procent). Als kinderen tot en met 7 jaar te veel lood binnenkrijgen kan dat effect hebben op hun hersenontwikkeling (gekwantificeerd als het verlies van 1 IQ-punt). Dit geldt ook voor de zich ontwikkelende foetus via de loodinname van de moeder. Bij volwassenen kan een te hoge inname van lood effecten hebben op de nieren. Te veel lood kan ook schadelijk zijn voor de bloeddruk, maar dat risico is bij alle berekende innamen via voedsel zeer laag. De innameberekeningen zijn gebaseerd op de meest recent beschikbare informatie over loodconcentraties in voedsel gecombineerd met voedselconsumptiegegevens van de Nederlandse voedselconsumptiepeiling en berekend met een rekenmodel waarmee de beste innameschattingen op dit moment kunnen worden verkregen. Gegevens over loodconcentraties in sommige voedselproducten bleken beperkt beschikbaar. Daarom zijn ook concentratiegegevens uit andere Europese landen gebruikt. Verder waren loodgehalten in bepaalde voedingsmiddelen, namelijk melk(producten) en brood, dermate laag dat ze moeilijk waren te meten. De European Food Safety Authority (Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid, EFSA) heeft geëvalueerd bij welke loodinname er in elk geval geen schadelijke effecten optreden. Deze evaluatie is in dit rapport gebruikt om te bepalen of er sprake is van een mogelijk gezondheidsrisico door loodinname.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Targeted outreach hepatitis B vaccination program in high-risk adults: The fundamental challenge of the last mile | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Nitraat en nitriet mogen als conserveermiddel aan bepaalde voedingsmiddelen worden toegevoegd, zoals aan salami of ham (nitriet) en aan kaas (nitraat). Hierdoor bederven de producten minder snel en is de consument beter beschermd tegen ziekteverwekkers. Daarnaast zorgen ze ervoor dat de kleur behouden blijft en dragen ze bij aan de smaakvorming van de producten. Uit berekeningen van het RIVM blijkt dat in Nederland de inname van nitraat voor mensen tussen de 2 en 79 jaar binnen de veilige marge ligt. Voor nitriet lijkt dat niet het geval te zijn. Het is mogelijk dat de inname van nitriet in de praktijk lager is dan berekend omdat voor dit onderzoek conservatieve aannames zijn gebruikt. Verfijning van de berekening is nodig om een realistischere innameschatting te krijgen. De innameberekeningen van nitraat en nitriet zijn berekend op basis van zogeheten maximum toegestane waarden, die zijn vastgelegd in de Europese additievenverordening. Dit zijn veelal de maximum hoeveelheden die aan een product mogen worden toegevoegd. De toegevoegde hoeveelheden kunnen echter veranderen tijdens opslag en bereiding van de producten. Zo verdwijnt een deel van het nitriet, maar kunnen afgeleide stoffen (zoals nitrosamines) juist worden gevormd. Metingen van de hoeveelheden nitriet in vleesproducten zijn gewenst om de innameberekeningen in Nederland te kunnen verfijnen. Meetwaarden van nitriet worden soms door andere Europese landen gebruikt voor innameberekeningen. Deze schattingen vallen doorgaans veel lager uit en vallen wel binnen de veilige marge. Als consumenten langdurig te veel nitraat, nitriet en daarvan afgeleide stoffen binnenkrijgen (waaronder nitrosamines), kan dat schadelijk zijn voor de gezondheid. Nitraat kan dan de groei van jonge kinderen remmen en nitriet kan mogelijk effecten hebben op het functioneren van de longen en het hart. Sommige nitrosamines (maar niet alle) kunnen kankerverwekkend zijn. Van deze stoffen zijn echter geen innameberekingen gemaakt omdat het aan actuele meetgegevens van nitrosamines in voedingsmiddelen ontbrak. Daarom zijn ook van nitrosamines nieuwe meetwaarden gewenst om goed te kunnen beoordelen of ze bij het huidige gebruik van nitraat en nitriet een probleem vormen. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het ministerie van VWS. Het draagt bij aan de ontwikkeling van een efficiënt systeem om de inname van levensmiddelenadditieven te monitoren (conform artikel 27 van Verordening 1333/2008).
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Comparing national infectious disease surveillance systems: China and the Netherlands | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Emergence of carbapenemase-producing Acinetobacter ursingii in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Pubertal timing and cardiometabolic markers at age 16 years | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Mensen staan bloot aan allerlei stoffen, ook via voedsel, die schadelijk kunnen zijn voor hun gezondheid. Om de gezondheidseffecten goed in te kunnen schatten, is het belangrijk te bepalen in hoeverre deze stoffen daadwerkelijk het lichaam schaden. Om dit te kunnen doen kan het helpen om concentraties van deze stoffen in lichaamsvloeistoffen en/of weefsels te meten (biomonitoring). Het RIVM heeft voor twee stoffen (lood en cadmium) onderzocht in hoeverre dergelijke metingen een relatie laten zien met zowel de blootstelling als de gezondheidseffecten van deze stoffen. Aanbevolen wordt om de onderzochte stoffen in een Nederlandse populatie te gaan meten. Met het oog op toekomstig onderzoek wordt aanbevolen om binnen een representatieve bevolkingsgroep de blootstelling in het lichaam en de effecten van lood en cadmium te bestuderen in bloed- en urinemonsters. Lood en cadmium zijn om twee redenen gekozen. Als eerste laten berekeningen zien dat sommige groepen mensen lood en cadmium via voedsel kunnen binnenkrijgen in hoeveelheden die dichtbij of net boven de gezondheidsnorm liggen. De tweede reden is dat lood en cadmium één gemeenschappelijk gezondheidseffect hebben: ze kunnen beide de nieren schaden. Eventuele nierschade kan worden gemeten aan de hand van bepaalde eiwitten die aangetoond kunnen worden in urine. Voedsel is niet de enige blootstellingsroute aan lood en cadmium. De stoffen kunnen via meerdere ‘routes’; tegelijk door het lichaam worden opgenomen: via inademen, inslikken, via de huid of door een combinatie hiervan. Momenteel worden voor de Nederlandse situatie deze routes afzonderlijk geschat of bij elkaar opgeteld. Met behulp van biomonitoring worden alle relevante routes tegelijk meegenomen en dit geeft een vollediger beeld van de blootstelling.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Trajectories of metabolic risk factors and biochemical markers prior to the onset of type 2 diabetes: the population-based longitudinal Doetinchem study | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Erratum for Carbonetti et al., "Highlights of the 11th International Bordetella Symposium: from Basic Biology to Vaccine Development" | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
The impact of urban regeneration programmes on health and health-related behaviour: Evaluation of the Dutch District Approach 6.5 years from the start | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Fish consumption, intake of fats and cognitive decline at middle and older age: the Doetinchem Cohort Study | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Biowaiver monograph for immediate release solid oral dosage forms: amoxicillin trihydrate | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Chlamydia trachomatis antibody detection in home-collected blood samples for use in epidemiological studies. | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Er zijn enkele verbanden gevonden tussen concentraties PFOA in het bloed van mensen met mogelijke gezondheidseffecten en de werking van het lichaam. Dit blijkt uit een literatuuronderzoek door het RIVM van de wetenschappelijke literatuur over onderzoek in mensen. Het is niet zeker dat PFOA in het bloed daadwerkelijk de oorzaak is of dat er andere verklaringen zijn voor de gevonden verbanden. Aanleiding voor het onderzoek zijn vragen van omwonenden van de Dupont/Chemours-fabriek in Dordrecht over mogelijke gezondheidseffecten als gevolg van de emissie van PFOA door de fabriek. Het rapport geeft meer inzicht in wat uit de literatuur bekend is over welke mogelijke effecten samenhangen met blootstelling aan PFOA bij de mens, de concentraties PFOA in het bloed waarbij deze mogelijke effecten worden gevonden en de omvang van deze effecten. Concentraties PFOA in het bloed geven aan in welke mate mensen zijn blootgesteld aan deze stof. Het wetenschappelijke bewijs verschilt tussen de gevonden effecten. De meest duidelijke aanwijzingen zijn er voor een verband tussen de blootstelling aan PFOA met hogere zogeheten totaal-cholesterolgehalten in bloed, hogere concentraties van het leverenzym ALT in het bloed en een lager geboortegewicht. Voor alle andere mogelijke effecten zijn de aanwijzingen minder duidelijk. Er zijn aanwijzingen voor een verband met hogere concentraties in het bloed van andere leverenzymen, LDL-cholesterol en urinezuur. Ook zijn aanwijzingen gevonden voor een grotere kans op chronische darmontsteking (colitis ulcerosa), zaadbal- en nierkanker, hoge bloeddruk tijdens de zwangerschap en zwangerschapsvergiftiging. Verder zijn er aanwijzingen voor een verband tussen de blootstelling en een verminderde toename van antilichamen in het bloed na vaccinaties, hogere of lagere concentraties in het bloed van schildklierhormonen en schildklierziekten.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
In 2012 is bij de Hoge Flux Reactor (HFR) in Petten een lekkage ontdekt van de radioactieve stof tritium in de bodem. De beheerder, NRG, heeft inmiddels maatregelen genomen om de lekkage te stoppen. RIVM heeft onderzocht wat de gevolgen voor omwonenden kunnen zijn. Uit dit onderzoek komt dat ook bij zeer ongunstige scenario's de blootstelling voor omwonenden beperkt blijft tot een dosis die als onbeduidend wordt aangemerkt, namelijk minder dan 10 microsievert per jaar. Ter vergelijking: dat is minder dan 0,4 % van de hoeveelheid straling die Nederlanders gemiddeld in een jaar opdoen door bronnen die veelal van nature in de leefomgeving aanwezig zijn ( www.rivm.nl/stralingsbelasting ). Er zijn geen aanwijzingen dat de lekkage van tritium naar de bodem nog voortduurt, maar de concentraties aan de terreingrens kunnen door grondwaterstroming nog wel hoger worden dan eerder geschat. Voortzetting van een monitoringprogramma is daarom wenselijk. Het RIVM-onderzoek is gebaseerd op de door NRG uitgevoerde bodemanalyses en de modellering van de grondwaterstromen door het ingenieursbureau Sweco, en is uitgevoerd in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming. RIVM bestudeerde een twintigtal aangeleverde rapportages (tot en met oktober 2016) en onderschrijft de conclusie dat de concentratie van tritium in het grondwater aan de terreingrens in of na 2018 mogelijk hoger kan worden dan de eerder gestelde grenswaarde van 100 Bq/L. Ook schat RIVM dat de totale nog resterende besmetting waarschijnlijk groter is dan door Sweco en NRG aangegeven. De maximale concentratie aan de terreingrens blijft naar verwachting onder een waarde van enkele duizenden Bq/L. Voor tritium hanteert de World Health Organization (WHO) een richtlijn voor drinkwaterbesmetting van 10.000 Bq/L, ruim hoger dan de nu voor het grondwater aan de terreingrens geschatte maximale waarden. Ook in het ongunstigste scenario blijft de blootstelling voor omwonenden beperkt tot maximaal 10 microsievert per jaar. Maatregelen NRG heeft als beheerder van de HFR maatregelen genomen om de lekkage te stoppen en de besmetting te beteugelen. Op basis van de beschikbare gegevens concludeert het RIVM dat er geen aanwijzingen zijn dat de lekkage nog voortduurt. Er zijn door NRG verschillende alternatieven beschouwd om de concentraties aan de terreingrens nog verder te beteugelen. Omdat de concentraties al laag zijn en er bij omwonenden geen effecten op de gezondheid verwacht worden, lijken deze maatregelen weinig extra effectief. Wel beveelt het RIVM aan dat NRG het monitoring programma op het terrein in stand houdt, omdat het moeilijk gebleken is om de waterstromen op het terrein goed te voorspellen. In aanvulling daarop beveelt het RIVM aan ook juist buiten de terreingrens de besmettingsniveaus te bewaken, bijvoorbeeld in de nabijgelegen sloot. Tritium Tritium is een radioactieve stof die ontstaat door kernreacties in een watergekoelde kernreactor. De stof komt ook in de natuur voor, door reacties van zonnedeeltjes met onze atmosfeer. Tritium wordt gebruikt in noodverlichting in vliegtuigen, en als lichtbron in militaire apparatuur. De straling van tritium is heel zwak en kan niet door de huid dringen. Alleen na opname in het lichaam (vooral door inslikken of inademen) kan het bijdragen aan de stralingsblootstelling van mensen. Tritium vervalt vrij langzaam: na 12 jaar is nog de helft van de originele hoeveelheid over.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
De langdurige blootstelling aan perfluoroctaanzuur (PFOA) in het verleden heeft bij omwonenden van de DuPont/Chemours fabriek mogelijk gezondheidseffecten veroorzaakt. Dit mede omdat het aannemelijk is dat de concentraties PFOA in bloed in het verleden aanzienlijk hoger zijn geweest dan nu worden gemeten. De uitkomst van het bloedonderzoek bevestigt de eerdere modelberekeningen. Omwonenden die lang dichtbij de fabriek wonen hebben hogere concentraties PFOA in bloed dan bewoners die verder weg wonen of minder lang in de omgeving wonen. Deze resultaten zijn in lijn met een eerdere risicoschatting van het RIVM uit 2016. Hierbij werd berekend dat het waarschijnlijk is dat de gezondheidskundige grenswaarde voor PFOA langdurig is overschreden. Uit een analyse van diverse epidemiologische studies blijkt dat er relaties zijn tussen ongewenste veranderingen in het lichaam en de PFOA concentratie in het bloed. Veranderingen worden al waargenomen vanaf relatief lage PFOA bloedconcentraties zoals die voorkomen bij de algemene bevolking. Een relatie is het meest waarschijnlijk voor veranderingen in cholesterol, leverenzymen en geboortegewicht. In de wetenschap is nog veel onzekerheid bij welke bloedconcentraties deze ongewenste veranderingen in het lichaam optreden. Op basis van de beschikbare epidemiologische informatie is het niet mogelijk een oorzakelijk verband aan te tonen tussen de ongewenste veranderingen en PFOA blootstelling. Het RIVM verwacht dat een (individueel) gezondheidsonderzoek onder omwonenden weinig tot geen gezondheidswinst oplevert voor de omwonenden. Herkenning en behandeling van de ongewenste veranderingen in het lichaam die mogelijk als gevolg van PFOA blootstelling optreden, worden in sommige gevallen al ondervangen door standaard controles. De mogelijke ernstige gezondheidseffecten (zoals nierkanker, testiskanker en colitis ulcerosa) komen heel weinig voor. Hierdoor is de kans klein dat bij een screening op deze ziektes extra nieuwe gevallen zullen worden opgespoord. Een aantal van de mogelijke ongewenste veranderingen veroorzaken gezondheidseffecten die men tijdig met de huisarts zal bespreken. Mensen die zich zorgen maken over hun gezondheid wordt aangeraden contact op te nemen met hun huisarts.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM heeft in twee zones rondom de chemiefabriek DuPont/Chemours in Dordrecht gemeten hoeveel PFOA in het bloed van omwonenden zit. Deze gemeten bloedwaarden komen goed overeen met de waarden die in 2016 zijn berekend als gevolg van de uitstoot van deze stof. Daarmee ondersteunen de bevindingen de conclusie van het onderzoek uit 2016 dat bewoners in de omgeving van de fabriek DuPont/Chemours waarschijnlijk langdurig aan hoge waarden PFOA zijn blootgesteld. Bewoners die lang en dicht bij de fabriek wonen, hebben hogere waarden PFOA in hun bloed dan bewoners die verder weg of minder lang in de omgeving wonen. De bloedwaarden van de laatste twee groepen komen overeen met waarden zoals die in algemene zin voor mensen zijn gevonden in Europees onderzoek (de zogeheten achtergrondwaarden; 3,5 nanogram PFOA per milliliter serum). Een deel van de omwonenden (4,7 procent) heeft hogere bloedwaarden dan verwacht op basis van het Europees onderzoek. Voor de steekproef zijn omwonenden uit de gemeenten Dordrecht, Sliedrecht en Papendrecht uitgenodigd. Zij zijn onderverdeeld in vier groepen: mensen die lang en dicht bij de fabriek wonen, mensen die verder weg wonen, en een groep die na 2002 in het gebied kwam wonen toen de uitstoot van PFOA was afgenomen. Ten slotte is een controlegroep uitgenodigd van mensen die buiten het gebied wonen en dus niet zijn blootgesteld. Van de genodigde omwonenden nam 64 procent deel, van de controlegroep was dat 37 procent. Gemiddeld is dat een opkomst van 58 procent. In totaal is bij 382 omwonenden een bloedmonster afgenomen en is daarin het gehalte PFOA bepaald. Omwonenden die dit op prijs stelden zijn via een brief over hun bloedwaarden geïnformeerd. Dit onderzoek is door het RIVM uitgevoerd, in samenwerking met de Dienst Gezondheid en Jeugd Zuid-Holland Zuid (de regionale GGD), in opdracht van de provincie Zuid-Holland. Tegelijk met dit onderzoek verschijnt onder andere een literatuurstudie over de effecten van blootstelling aan PFOA op de mens.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Het is niet mogelijk om indicatieve waterkwaliteitsnormen te bepalen voor twee perfluorverbindingen die kunnen vrijkomen bij de productie van teflon met de zogeheten GenX-technologie. Er ontbreken gegevens over de mate waarin deze stoffen in vissen ophopen. Deze informatie is onmisbaar om te berekenen welke concentratie in water veilig is als mensen, vogels en zoogdieren hun leven lang vis uit dat water zouden eten. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM. De veilige concentratie in oppervlaktewater wordt bepaald door uit te rekenen hoeveel er in vis mag zitten als die levenslang wordt gegeten. Deze methodiek is in lijn met de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW). De onderzochte stoffen zijn FRD-902 en FRD-903. Fabrikant Chemours introduceerde de GenX-technologie in 2012 om de omstreden stof PFOA te vervangen. Voor dit onderzoek is een inventarisatie gemaakt van wat er in de wetenschappelijke literatuur bekend is over effecten van deze stoffen op waterorganismen en over de opname door vissen. In recent onderzoek heeft het RIVM bepaald hoeveel een mens van de stof zou mogen binnenkrijgen zonder daar schadelijke gevolgen van te ondervinden. Vervolgens is berekend wat er maximaal in vis zou mogen zitten als mensen die elke dag gedurende hun hele leven zouden eten. Deze waarde beschermt ook vogels en zoogdieren. Om de waarde in vis te kunnen vertalen naar een veilige concentratie in water, zijn gegevens nodig over hoeveel FRD-902 en FRD-903 door die vissen vanuit water wordt opgenomen. Dit soort informatie ontbreekt momenteel. Deze informatie is belangrijk omdat de voedselketen onvoldoende wordt beschermd door de ecologische norm voor waterorganismen. De stoffen zijn relatief weinig giftig voor waterorganismen zelf, maar kunnen een probleem vormen als ze via vis in de voedselketen terecht komen. Het RIVM beveelt aan te onderzoeken hoeveel FRD-902 en FRD-903 door vissen wordt opgenomen. Dit kan door middel van een laboratoriumstudie of door analyse van representatieve vissen en water in de praktijk.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Er zijn enkele verbanden gevonden tussen concentraties PFOA in het bloed van mensen met mogelijke gezondheidseffecten en de werking van het lichaam. Dit blijkt uit een literatuuronderzoek door het RIVM van de wetenschappelijke literatuur over onderzoek in mensen. Het is niet zeker dat PFOA in het bloed daadwerkelijk de oorzaak is of dat er andere verklaringen zijn voor de gevonden verbanden. Aanleiding voor het onderzoek zijn vragen van omwonenden van de Dupont/Chemours-fabriek in Dordrecht over mogelijke gezondheidseffecten als gevolg van de emissie van PFOA door de fabriek. Het rapport geeft meer inzicht in wat uit de literatuur bekend is over welke mogelijke effecten samenhangen met blootstelling aan PFOA bij de mens, de concentraties PFOA in het bloed waarbij deze mogelijke effecten worden gevonden en de omvang van deze effecten. Concentraties PFOA in het bloed geven aan in welke mate mensen zijn blootgesteld aan deze stof. Het wetenschappelijke bewijs verschilt tussen de gevonden effecten. De meest duidelijke aanwijzingen zijn er voor een verband tussen de blootstelling aan PFOA met hogere zogeheten totaal-cholesterolgehalten in bloed, hogere concentraties van het leverenzym ALT in het bloed en een lager geboortegewicht. Voor alle andere mogelijke effecten zijn de aanwijzingen minder duidelijk. Er zijn aanwijzingen voor een verband met hogere concentraties in het bloed van andere leverenzymen, LDL-cholesterol en urinezuur. Ook zijn aanwijzingen gevonden voor een grotere kans op chronische darmontsteking (colitis ulcerosa), zaadbal- en nierkanker, hoge bloeddruk tijdens de zwangerschap en zwangerschapsvergiftiging. Verder zijn er aanwijzingen voor een verband tussen de blootstelling en een verminderde toename van antilichamen in het bloed na vaccinaties, hogere of lagere concentraties in het bloed van schildklierhormonen en schildklierziekten.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Meningokokkenziekte is een zeer ernstige infectieziekte die veroorzaakt wordt door een bacterie, de meningokok. Er zijn verschillende typen meningokokken; mensen worden vooral ziek van de serogroepen B, C, W en Y. Vaccinatie tegen meningokokkenziekte serogroep C is in Nederland sinds 2002 opgenomen in het Rijksvaccinatieprogramma voor kinderen van 14 maanden. Hierdoor komt meningokokkenziekte door serogroep C nauwelijks meer voor. Sinds kort zijn vaccins beschikbaar tegen serogroep B. Daarnaast is er sinds 2015 een snelle toename in meningokokkenziekte door serogroep W. Er zijn combinatievaccins beschikbaar tegen serogroep A, C, W en Y. Vanwege ondermeer deze ontwikkelingen gaat de Gezondheidsraad de minister van VWS adviseren of, en op welke manier, het huidige vaccinatieprogramma tegen meningokokkenziekte aangepast moet worden. Daartoe heeft het RIVM achtergrondinformatie en recente data over meningokokkenziekte in Nederland verzameld. Het gaat onder meer om het aantal mensen in Nederland dat jaarlijks ziek wordt, de effectiviteit en veiligheid van de vaccins, en hoe het publiek denkt over vaccinatie tegen invasieve meningokokkenziekte. De infectie geeft een ernstig ziektebeeld zoals hersenvliesontsteking of een bloedvergiftiging, die zich snel kan ontwikkelen tot een shock waar veel mensen aan overlijden. De ziekte begint vaak met griepachtige verschijnselen en koorts die vervolgens zeer snel verergeren. De infectie is in Nederland relatief zeldzaam; op dit moment zijn er 100 tot 150 patiënten per jaar. Van deze patiënten overlijdt 5-10 procent ondanks antibiotica en intensieve zorg. 30 procent van de patiënten houdt er levenslang beperkingen aan over zoals gehoorverlies, amputatie van een ledemaat of epilepsie. Meningokokkenziekte komt het meest voor bij kinderen jonger dan 5 jaar, adolescenten en ouderen.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
A quantitative comparison of anti-Müllerian hormone measurement and its shifting boundaries between two assays | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
De Nederlandse drinkwatersector maakt gebruik van risicoanalyses en risicomanagement (RA/RM) om het drinkwatersysteem en de levering van schoon drinkwater veilig te stellen, internationaal waterveiligheidsplan geheten. In Nederland blijken alle stappen uit het waterveiligheidsplan te worden uitgevoerd. Deze manier van werken levert een belangrijke bijdrage om de drinkwaterkwaliteit van bron tot tap te waarborgen. De drinkwaterbedrijven vullen de meeste RA/RM-activiteiten ongeveer op dezelfde manier in. De enkele verschillen die er zijn, zijn gepast omdat de systemen verschillen, bijvoorbeeld wanneer oppervlaktewater dan wel grondwater de bron is. Punten van aandacht zijn verdere samenwerking binnen de drinkwatersector en meer aandacht voor integraal risicomanagement binnen een bedrijf. RA/RM is ingericht als een cyclisch proces, zodat continu verbetering mogelijk is. Dit blijkt uit een inventarisatie door het RIVM en KWR Watercycle Research Institute van de RA/RM-activiteiten. Het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM) gaf hiertoe de opdracht, omdat een nationaal overzicht van de RA/RM-activiteiten ontbrak. De Nederlandse drinkwatersector is zich zeer bewust van de mogelijke risico’s voor de drinkwaterkwaliteit en heeft de afgelopen decennia zijn aanpak daarop ingesteld. De sector heeft op allerlei vlakken RA/RM-activiteiten ontwikkeld, zowel op eigen initiatief als voortkomend uit wettelijke verplichtingen. Drinkwater wordt in Nederland geproduceerd uit oppervlaktewater en grondwater, met als doel de Nederlandse bevolking van schoon en voldoende drinkwater te voorzien. Het waterveiligheidsplan is een internationaal opgezet systeem dat de WHO in 2004 heeft opgezet om wereldwijd de drinkwaterkwaliteit te kunnen garanderen. Voor deze inventarisatie zijn medewerkers van alle tien de drinkwaterbedrijven in Nederland geïnterviewd.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
A novel concept in ground water quality management: Towards function specific screening values | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Men who have sex with men starting pre-exposure prophylaxis (PrEP) are at risk of HCV infection: evidence from the Amsterdam PrEP study | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Met de Omgevingswet komt er één integrale wet om de fysieke leefomgeving te beschermen en effectief te gebruiken. De Omgevingswet beoogt onder andere de besluitvorming te versnellen en te verbeteren. Het gebruik van de Omgevingswet zal worden ondersteund door het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Om de besluitvorming te kunnen versnellen en verbeteren, is het van belang dat alle gegevens over de fysieke leefomgeving zowel eenvoudig beschikbaar als consistent zijn. Gegevens over wegverkeer vormen een belangrijke bron voor de domeinen Lucht en Geluid binnen de fysieke leefomgeving. Het is dan ook essentieel dat via het DSO consistente wegverkeersgegevens beschikbaar komen. Om dit te realiseren heeft het RIVM - vanuit haar verantwoordelijkheid voor de domeinen Lucht en Geluid binnen het DSO - een verkenning uitgevoerd. Het RIVM heeft de verkenning uitgevoerd samen met gebruikers en bronhouders. Deze partijen constateren dat het belangrijk is om de wegverkeersgegevens (zowel over het gebruik als eigenschappen van de weg) beter beschikbaar, toegankelijk en consistent te maken. Dit versterkt bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet de juridische houdbaarheid van beslissingen. Ook verbetert het een integrale afweging van beslissingen over de leefomgeving. Alle partijen hebben aangegeven gezamenlijk aan verbetering te willen werken. Op basis van de verkenning heeft het RIVM een advies opgesteld, waarin een voorlopig streefbeeld en de vervolgstappen zijn geformuleerd om consistente, landsdekkende wegverkeersgegevens te realiseren.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Comparison of general obesity and measures of body fat distribution in older adults in relation to cancer risk: meta-analysis of individual participant data of seven prospective cohorts in Europe | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Monitoring quality and coverage of harm reduction services for people who use drugs: a consensus study | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
The cost of Lyme borreliosis | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Polio and measles down the drain: Environmental Enterovirus Surveillance in the Netherlands, 2005-2015 | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Populatiegerichte aanpak voor verbinding van preventie, zorg en welzijn | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Characterisation of the natural environment: quantitative indicators across Europe | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Molecular detection of tick-borne pathogens Borrelia afzelii, Borrelia miyamotoi and Anaplasma phagocytophilum in Eurasian red squirrels (Sciurus vulgaris) | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Influence of adjuvant formulation on inducing immune response in mice immunized with a recombinant serpin from Trichinella spiralis | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Biowaiver monographs for immediate-release solid oral dosage forms: Enalapril | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Inhaled nanoparticles accumulate at sites of vascular disease | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Compliance to diagnostic reference levels for radiation exposure in common radiological procedures in Dutch hospitals: A nation-wide survey carried out by medical imaging students | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Comparison of the tolerability of newly introduced childhood vaccines in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
ECDC Round Table Report and ProMed-mail most useful international information sources for the Netherlands Early Warning Committee | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Varicella vaccination elicits a humoral and cellular response in children with rheumatic diseases using immune suppressive treatment | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Different cross protection scopes of two avian influenza H5N1 vaccines against infection of layer chickens with a heterologous highly pathogenic virus | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Changes in LXR signaling influence early-pregnancy lipogenesis and protect against dysregulated fetoplacental lipid homeostasis | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Dutch national immunization schedule: compliance and associated characteristics for the primary series | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Influenza vaccine effectiveness estimates in the Dutch population from 2003 to 2014: The test-negative design case-control study with different control groups | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Implementing wildlife disease surveillance in the Netherlands, a One Health approach | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Toxicity models of metal mixtures established on the basis of "additivity" and "interactions" | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Excess all-cause and influenza-attributable mortality in Europe, December 2016 to February 2017 | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Elevated immune response among children 4 years of age with pronounced local adverse events after the fifth Dtap vaccination | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Vaccine preferences and acceptance of older adults | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
De uitstoot van ammoniak is in 2015 licht gestegen ten opzichte van 2014 en voldoet met 127,6 kiloton aan het Europees gestelde plafond. De toename komt vooral doordat in de agrarische sector meer kunstmest is gebruikt. De toename wordt voor een deel afgezwakt door een dalende uitstoot in de varkens en pluimveesector als gevolg van schonere stalsystemen. Verder is de totale uitstoot van ammoniak tussen 1990 en 2015 met terugwerkende kracht naar beneden bijgesteld. Dit komt door nieuwe inzichten in de zogeheten emissiefactoren; daarmee wordt de uitstoot berekend. Zo is vanaf 2008 de jaarlijkse hoeveelheid ammoniak die via kunstmest wordt uitgestoten circa 4 kiloton lager dan eerder was berekend. De inzichten zijn voortgekomen uit een internationale wetenschappelijke review die op verzoek van de staatssecretaris van Economische Zaken is uitgevoerd. De emissies van stikstofoxiden, zwaveldioxiden en niet-methaan vluchtige organische stoffen blijven licht dalen. Voor deze stoffen blijft Nederland voldoen aan de gestelde plafonds. Behalve deze stoffen is de uitstoot van koolmonoxide, fijn stof, zware metalen en persistente organische stoffen tussen 1990 en 2015 bijna zonder uitzondering gedaald. Dit komt vooral door schonere brandstoffen, schonere automotoren en door emissiebeperkende maatregelen in de industrie. Dit en meer blijkt uit de Informatieve Inventory Report 2017. Het RIVM analyseert en rapporteert hierin jaarlijks met diverse partnerinstituten de uitstoot van stoffen. Lidstaten zijn hiertoe verplicht. Nederland gebruikt de analyses om beleid te onderbouwen.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Health status in Europe: comparison of 24 urban areas to the corresponding 10 countries (EURO-URHIS 2) | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Efficient estimation of age-specific social contact rates between men and women | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Long-term exposure to ambient air pollution and traffic noise and incident hypertension in seven cohorts of the European study of cohorts for air pollution effects (ESCAPE) | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Fruit and vegetable intake and prostate cancer risk in the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition (EPIC) | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
The sample of choice for detecting Middle East respiratory syndrome coronavirus in asymptomatic dromedary camels using real-time reverse-transcription polymerase chain reaction | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
In Nederland wordt de kwaliteit van de natuur in de meeste Natura 2000-gebieden beperkt door de hoge stikstofbelasting. Deze hoge belasting is een gevolg van de uitstoot van stikstofoxiden en ammoniak door onder meer verkeer, industrie en landbouw. Deze uitstoot bereikt via de lucht de natuurgebieden en slaat neer op de grond / bodem. De stikstofbelasting zal in de toekomst afnemen door het huidige beleid voor de uitstoot van vooral stikstofoxiden. Een deel van deze daling mag voor economische groei worden gebruikt door nieuwe vergunningen voor bijvoorbeeld stallen en wegen af te geven. Deze afweging wordt via de Programmatische Aanpak Stikstof (de PAS) geregeld, die op 1 juli 2015 van start ging. AERIUS is het rekeninstrument waarmee de initiatiefnemer een vergunning aanvraagt. RIVM heeft in 2015-2016 gefaseerd het beheer van AERIUS op zich genomen. Uit onderzoek van het RIVM blijkt dat de manier waarop AERIUS werkt correct is. Het gaat hierbij om de manier om de uitstoot van ammoniak en stikstofoxiden te verwerken en de modellering van de hoeveelheid stikstof die in de natuurgebieden terechtkomt - nu en in de toekomst. Er zijn geen onverklaarbare verschillen waargenomen ten opzichte van de systemen van het RIVM waarmee voor andere beleidsterreinen gegevens over de luchtkwaliteit worden berekend (de Emissieregistratie, grootschalige concentratie en depositiekaarten, de Monitoringstool en de diverse meetnetten om de concentraties in de lucht te meten). Wel doet het RIVM een aantal aanbevelingen om de verwerking van de emissiegegevens eenvoudiger te maken. Daarnaast constateert het RIVM dat de onderbouwing ontbreekt van een aantal beleidsbeslissingen om voor AERIUS hogere emissies te gebruiken dan voor andere beleidstrajecten, zoals voor de NEC-rapportage (emissieplafonds). Dit geldt vooral voor de emissies van het wegverkeer op het hoofdwegennet en voor de emissies van industrie en scheepvaart in het Rijnmondgebied. Het RIVM heeft dit onderzoek op verzoek van het ministerie van Economische zaken uitgevoerd.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
In Nederland wordt ernaar gestreefd dat ambulances bij spoedeisende gevallen binnen vijftien minuten na een melding ter plaatse te zijn. Voor de planning van de ambulancezorg wordt met modellen berekend hoeveel ambulances op welke locatie nodig zijn. Deze modellen zijn onderdeel van het referentiekader spreiding en beschikbaarheid. In opdracht van het ministerie van VWS heeft het RIVM de rekenmodellen verder ontwikkeld en enkele varianten uitgewerkt waarmee het referentiekader zou kunnen worden verbeterd. Het rijtijdenmodel voor ambulances die met spoed rijden is geactualiseerd op basis van recente metingen van snelheden van ambulances in Nederland. Verder is onderzocht welke factoren gunstig zijn om een positief effect te behalen uit 'dynamisch' ambulancemanagement. Met dynamisch ambulancemanagement worden beschikbare ambulances op strategische plekken in de regio geplaatst om snel ter plaatse te kunnen zijn. Het effect hiervan is dat responstijden korter kunnen worden. Gunstige factoren zijn onder andere een hoge dichtheid van het wegennet en een hoge 'dubbele dekking' van standplaatsen, ofwel een overlap tussen de verzorgingsgebieden van standplaatsen binnen een regio. Het onderzoek wijst uit dat deze dubbele dekking in het referentiekader per regio verschilt. Aanbevolen wordt om dit gelijk te trekken. Daarnaast is bekeken of het rekenmodel kan worden verbeterd zodat het beter de praktijk van het planbaar (besteld) vervoer benadert. Dit betreft het vervoer op afspraak van patiënten van en naar ziekenhuizen voor een therapie of behandeling. Het rekenmodel van het referentiekader is uitgewerkt om voor verschillende regio's een andere bezettingsgraad te kunnen gebruiken. Voordat dit nieuwe model kan worden toegepast, is meer inzicht nodig in de relatie tussen de beschikbare capaciteit en mogelijke wachttijden in het besteld vervoer in de ambulancezorg.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Method selection for sustainability assessments: The case of recovery of resources from waste water. | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
The impact of ambient air pollution on the human blood metabolome | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Motivational and contextual determinants of HPV-vaccination uptake: A longitudinal study among mothers of girls invited for the HPV-vaccination | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Associations between lifestyle and air pollution exposure: Potential for confounding in large administrative data cohorts | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Biokinetics of nanomaterials: The role of biopersistence | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Developing species sensitivity distributions for metallic nanomaterials considering the characteristics of nanomaterials, experimental conditions, and different types of endpoints | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Proximity to agricultural fields as proxy for environmental exposure to pesticides among children: The PIAMA birth cohort | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Coxiella burnetii (Q fever) prevalence in associated populations of humans and small ruminants in The Gambia | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Neighbourhood green space, social environment and mental health: an examination in four European cities | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Moderate alcohol consumption is associated with lower chronic disease burden expressed in disability-adjusted life years: a prospective cohort study | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
The Netherlands Chlamydia cohort study (NECCST) protocol to assess the risk of late complications following Chlamydia trachomatis infection in women | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Time lag between immigration and tuberculosis rates in immigrants in the Netherlands: a time-series analysis | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Dit rapport bevat een erratum d.d. 12-10-2017 op de laatste pagina In deze strategie staan de ambities van het Centrum Infectieziektebestrijding (CIb) voor de komende jaren beschreven. Het gaat hierbij om de veranderingen die het CIb noodzakelijk acht; het is niet zozeer een opsomming van activiteiten. Dankzij inspanningen voor preventie- en vaccinatieprogramma’s is er in Nederland relatief weinig ziekte en sterfte als gevolg van infectieziekten. Wel zijn er belangrijke uitdagingen. De opkomst van antibioticaresistentie is zorgwekkend en vraagt om een integrale en gecoördineerde aanpak. Daarnaast is het succes van het rijksvaccinatieprogramma (RVP) niet vanzelfsprekend: om het brede draagvlak onder ouders en professionals te behouden is het noodzakelijk dat om voortdurend te blijven investeren in het programma en de communicatie met professionals en het publiek. Verder is het belangrijk inzicht te hebben in zoönotische bedreigingen (ziekten die van dier op mens overgaan). Ook is het aantal mensen met een seksueel overdraagbare aandoeningen bij ‘hoogrisicogroepen’, zoals prostituees en drugsgebruikers, gestegen waardoor inspanningen om ze te voorkomen belangrijk blijven. Om infectieziekten goed te kunnen bestrijden is het bovendien van belang inzicht te hebben in nationale en internationale trends en veranderingen op dit gebied. In organisatorisch opzicht gaat het om een verdere verbetering van de structuur waarmee infectieziekten worden bestreden. Ten slotte is een goede wisselwerking van belang tussen de nationale en internationale activiteiten van het CIb.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
In opdracht van de minister van Infrastructuur en Milieu (IenM) worden de Nationale Omgevingsagenda (NOA) en Nationale Omgevingsvisie (NOVI) ontwikkeld. Deze instrumenten zijn nodig om de Omgevingswet te kunnen invoeren en beschrijven de kaders en gewenste ontwikkelingen voor een gezonde en duurzame leefomgeving. Het RIVM heeft hieraan bijgedragen door de relatie tussen de leefomgeving en gezondheid uiteen te zetten. Het is bekend dat de wijze waarop de leefomgeving is ingericht mensen kan aansporen tot gezond gedrag. Om daadwerkelijk een gezonde leefomgeving te realiseren is het van belang dat de betrokken stakeholders met elkaar samenwerken. Behalve een integrale aanpak is het van belang dat plannen aansluiten bij de wensen van gebruikers. Daarvoor is het nodig om burgers actief bij plannen en de totstandkoming te betrekken. Er liggen nog veel mogelijkheden om een gezonde leefomgeving te bevorderen. Belangrijk is dat de overheid blijft investeren in het verbeteren van de milieukwaliteit (gezondheidspreventie). Daarnaast moet beleid gericht zijn op een fysieke en sociale omgeving die gezond gedrag bevordert. Bijvoorbeeld een omgeving die ouderen stimuleert om naar buiten te gaan, te bewegen en anderen te ontmoeten.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
In de huidige toelatingsbeoordeling van gewasbeschermingsmiddelen worden effecten beoordeeld op basis van de werkzame stoffen die er in zitten. Er wordt daarbij geen rekening mee gehouden dat er meerdere gewasbeschermingsmiddelen, met andere werkzame stoffen, bij dezelfde teelt worden gebruikt. Dit onderzoek verkent drie mogelijkheden om hier in de toekomst wel rekening mee te houden, gericht op de risico's voor oppervlaktewater. De onderzochte methoden blijken deze 'meervoudige stress' te kunnen meenemen. Wel is meer onderzoek nodig om na te gaan of deze methoden toereikend zijn. Voor dit onderzoek zijn met de drie methoden realistische scenario's van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen binnen een groeiseizoen voor een knolgewas en een fruitteeltgewas doorgerekend. De methoden nemen de effecten mee die de verschillende middelen hebben op de organismen in de nabijgelegen sloot. Een van de methoden telt toxiciteitsindexen bij elkaar op (de Toxic Unit-methode, TU), een andere houdt rekening met verschillen in gevoeligheid van soorten organismen voor het bestrijdingsmiddel (de toxisch druk-methode, msPAF) en de derde methode berekent effecten op en het herstel van een gevoelig waterorganisme (het MASTEP-populatiemodel voor de waterpissebed). De TU-methode is het meest vergelijkbaar met de huidige toelatingsbeoordeling. Bij alle drie de methoden blijkt dat enkele stoffen een groot deel van het totaal berekende effect bepalen. De TU-methode en de toxische druk- methode (msPAF) blijken nuttig om deze werkzame stoffen te bepalen. Met deze werkzame stoffen zijn vervolgens de MASTEP-berekeningen uitgevoerd. Uit de MASTEP-berekeningen blijkt dat de periode die de waterpissebed nodig heeft om te herstellen van het effect van de middelen niet of nauwelijks langer duurt als meerdere middelen tegelijk worden gebruikt. Dit resultaat geldt voor waterorganismen die als overlevingsstrategie hebben dat ze veel nakomelingen produceren. Het verdient aanbeveling de MASTEP- berekeningen ook uit te voeren voor organismen met andere overlevingsstrategieën. EFSA (European Food Safety Authority) zoekt momenteel naar mogelijkheden om richtlijnen en instrumenten te ontwikkelen voor het beoordelen van de risico's van gecombineerde blootstelling van mens en milieu aan meerdere werkzame stoffen. Dit rapport kan hieraan bijdragen.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Prospective aquatic risk assessment for chemical mixtures in agricultural landscapes. | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Met 'natuurlijk kapitaal' wordt de waarde uitgedrukt die de natuur heeft voor de samenleving, zowel geldelijk als niet-geldelijk. Het draagt bij aan het welzijn en de welvaart van de mens, bijvoorbeeld in de vorm van schone lucht, drinkwater en voedsel, maar ook door duinen die ervoor zorgen dat ons land niet overstroomt. Op dit moment wordt niet duurzaam omgegaan met natuurlijk kapitaal in de wereld, met schaarste van grondstoffen, overbevissing, uitputting van de bodem en klimaatverandering als gevolg. Het RIVM heeft onderzocht of de nieuw in te voeren Omgevingswet regels stelt om duurzaam met natuurlijk kapitaal om te gaan. Deze wet blijkt overheden wel de mogelijkheid te bieden om aandacht te besteden aan natuurlijk kapitaal, maar stelt daarvoor weinig regels. Doelen om het natuurlijk kapitaal te beschermen zouden het beste in de omgevingsvisie kunnen worden opgenomen; in dit instrument van de Omgevingswet leggen overheden hun doelen voor de omgeving vast. Duidelijke en concrete regels in de Omgevingswet zijn belangrijk omdat in een samenleving het natuurlijk kapitaal niet automatisch goed wordt beheerd. Dat komt doordat iedereen er vrijelijk gebruik van kan maken zonder ervoor te hoeven betalen. Ook zijn schadelijke effecten of de eindigheid van het natuurlijk kapitaal pas na een lange tijd merkbaar, zoals bij het gebruik van fossiele brandstoffen. Deze geleidelijke processen zijn niet of moeilijk terug te draaien. Om dit in goede banen te leiden, is het dus noodzakelijk tijdig maatregelen te nemen. Dit is ook van belang om aan internationale verplichtingen te voldoen, zoals het Klimaatakkoord van Parijs. Om duurzaam met het natuurlijk kapitaal om te kunnen gaan, hebben overheden voldoende informatie nodig over hun natuurlijk kapitaal, bijvoorbeeld om natuurlijk kapitaal in de omgevingsvisie op te nemen. Daarnaast biedt het overheden handvatten voor keuzes om hun grondgebied duurzaam(er) te beheren. Deze informatie is nu niet altijd gemakkelijk toegankelijk; de Atlas Natuurlijk Kapitaal brengt daar verandering in.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
New paradigms for Salmonella source attribution based on microbial subtyping | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
EMS call center models with and without function differentiation: A comparison | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Risk factors for gastroenteritis associated with canal swimming in two cities in the Netherlands during the summer of 2015: A prospective study | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
The influence of meteorological factors and atmospheric pollutants on the risk of preterm birth | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Effectiveness of early measles, mumps, and Rubella vaccination among 6-14-month-old infants during an epidemic in the Netherlands: an observational cohort study | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Estimating incidence and prevalence rates of chronic diseases using disease modeling | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Exposure to bacterial products lipopolysaccharide and flagellin and hepatocellular carcinoma: a nested case-control study | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
The first isolation and molecular characterization of Toxoplasma gondii from horses in Serbia | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Treatment duration of febrile urinary tract infection: a pragmatic randomized, double-blind, placebo-controlled non-inferiority trial in men and women | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
The HIV continuum of care in European Union countries in 2013: data and challenges | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Influenza-associated Aspergillosis in critically Ill patients | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Policy making in newborn screening needs a structured and transparent approach | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
HIV and risk of cardiovascular disease in sub-Saharan Africa: Rationale and design of the Ndlovu Cohort Study | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Inventory of surveillance systems assessing dietary, physical activity and sedentary behaviours in Europe: a DEDIPAC study | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Policy and practice of programmatic management of latent tuberculosis infection in The Netherlands | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Impact of water chemistry on the particle-specific toxicity of copper nanoparticles to Daphnia magna. | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Uitdagingen en ambities zijn groot De meeste Nederlanders zijn gezond en de levensverwachting stijgt. Tegelijkertijd heeft de helft van de Nederlanders overgewicht; in lagere sociaaleconomische groepen is dit nog meer. Ook eten 9 van de 10 mensen te weinig groente en fruit en is bijna 30 procent van ons eten van dierlijke oorsprong. Het voedingspatroon van een gemiddelde Nederlander leidt niet alleen tot gezondheidsverlies, maar vormt ook een grote belasting voor het milieu. Het zorgt voor een uitstoot aan broeikasgassen die vergelijkbaar is met die van vervoer. Jaarlijks verspillen Nederlanders per persoon 47 kilogram voedsel. Voedsel in Nederland is overwegend veilig: ongeveer 1 op de 24 mensen maakt jaarlijks een voedselinfectie door, die meestal niet ernstig verloopt. Voor de meeste chemische stoffen in voedsel is het risico voor de volksgezondheid verwaarloosbaar. Nederland wil voorop lopen in de internationale ambitie voor een gezond, duurzaam en veilig voedingspatroon. Om dat te realiseren is integraal beleid nodig gericht op veiligheid, gezondheid en duurzaamheid tegelijkertijd. Kansen In dit onderzoek heeft het RIVM de feiten en cijfers over de veiligheid, gezondheid en ecologische duurzaamheid van voedsel in Nederland verzameld en geanalyseerd welke kansen en dilemma's er zijn voor een integraal voedselbeleid. Niet teveel eten, een voedingspatroon met meer plantaardige en minder dierlijke producten en minder suikerhoudende en alcoholische dranken: dat zijn drie kansen voor een gezonder en duurzamer voedingspatroon. Deze veranderingen verminderen het aantal chronisch zieken, verkleinen de gezondheidsverschillen en beperken de milieubelasting van voedsel. In de meeste gevallen wordt het voedsel daarmee ook veiliger; zo gaat de consumptie van minder vlees samen met minder voedselinfecties. Dilemma's Er zijn ook dilemma's. Niet alle maatregelen voor gezonde voeding zijn duurzaam en veilig, en vice versa. Zo is het duurzaam om bij vleesconsumptie het hele dier van kop tot staart te eten. Dit betekent ook bewerkte vleesproducten, zoals worst, die weer minder gezond zijn. Daarnaast bestaat er een spanningsveld tussen abstracte doelstellingen op lange termijn ('gezonder, duurzamer en veilig') en concrete keuzen in het dagelijks leven. Veel burgers en bedrijven vinden gezondheid en duurzaamheid belangrijk, maar in de winkel letten consumenten toch vooral op prijs en gemak. Bedrijven willen op hun beurt deze consument dienen en winst maken. Keuzen maken De spanning tussen duurzaam, gezond en veilig voedsel, en het gemak, de betaalbaarheid en de economie vraagt om keuzen. Om hier een uitweg in te vinden is een actieve rol van de overheid gewenst, die samen optrekt met de agrarische sector, bedrijven, burgers en maatschappelijke organisaties. Daarbij is niet alleen een goede informatievoorziening voor de consument nodig, maar ook een gezonder en duurzamer aanbod. Hetzelfde geldt voor een omgeving die gezond en duurzaam gedrag stimuleert. Partijen die hier veel invloed op hebben, zoals inkooporganisaties voor supermarkten en de detailhandel, kunnen een belangrijke partner zijn. Dat veel burgers en bedrijven duurzaam, gezond en veilig voedsel belangrijk vinden, creëert legitimiteit voor deze actieve rol. Kansen benutten Kansen voor een integrale aanpak zijn er. De Nederlandse maatschappij kenmerkt zich door ondernemingsgeest en innovatievermogen. Er zijn al burgerinitiatieven gaande die werk maken van verantwoord voedsel. Bedrijven en de agrarische sector willen hieraan bijdragen door slimme oplossingen waarmee winst te maken is. Als de overheid deze ontwikkelingen stimuleert en faciliteert, worden de maatschappelijke ambities, de ondernemingsgeest en het innovatievermogen van alle partijen benut.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Prospective mixture risk assessment and management prioritizations for river catchments with diverse land uses. | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Om te bepalen of de kwaliteit van een bodem geschikt is voor (her)gebruik, wordt een risicobeoordeling uitgevoerd. Daarmee wordt onder meer beoordeeld of de aanwezige metalen een risico vormen voor mens, plant en dier. Momenteel wordt hiervoor de totale concentratie van de aanwezige metalen gemeten. Bekend is echter dat niet al het aanwezige metaal schadelijke effecten veroorzaakt. Door de hoeveelheid metalen te bepalen die effecten kan veroorzaken, wordt de risicobeoordeling van metalen in land- en waterbodem verbeterd. Aanbevolen wordt een meetmethode met verdund salpeterzuur toe te passen waarmee dit kan. Het RIVM heeft een visiedocument opgesteld, waarin staat waar, hoe en waarom dit in het bodem- en waterbodembeleid mogelijk is. Het heeft de voorkeur de nieuwe werkwijze in de eerste stap van de risicobeoordeling voor land- en waterbodem te gebruiken. Met de voorgestelde methode wordt nauwkeuriger het deel van de metalen bepaald dat verantwoordelijk is voor effecten op organismen. Voor kwik in beide bodemsoorten blijkt deze methode vooralsnog niet geschikt. Geadviseerd wordt om uit te werken welke concentraties voor land- en waterbodem toelaatbaar zijn. Ook wordt aangeraden de consequenties van de voorgestelde methode in de eerste stap van de risicobeoordeling voor de uitvoering van het bodembeleid in de praktijk in beeld te brengen. De nieuwe werkwijze kan wel direct worden gebruikt als aanvullende risicobeoordeling (tweede stap) van land- en waterbodem en binnen het beleid voor de diepe plassen van de aankomende Omgevingswet.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
In dit rapport staan de ontwikkelingen rond het rekenmodel Monte Carlo Risk Assessment (MCRA) beschreven die het RIVM en Wageningen UR, Biometris in 2016 hebben uitgevoerd. MCRA is een rekenmodel waarmee de meest realistische innamen van stoffen via voedsel kan worden verkregen die op dit moment mogelijk is. Het rekenmodel is voor geregistreerde gebruikers beschikbaar via internet. In december 2016 is een nieuwe versie van MCRA, versie 8.2, gepubliceerd. Deze versie bevat nieuwe functionaliteiten om de cumulatieve inname van stoffen via voedsel te berekenen. Verder bevat deze versie een aantal aanpassingen waardoor het rekenmodel beter geschikt is om de inname van stoffen via voedsel te berekenen met gegevens uit meerdere landen. Deze nieuwe functionaliteiten zijn geïmplementeerd als onderdeel van een aantal (internationale) projecten, waaronder de partnershipovereenkomst tussen het RIVM en het Europese voedselveiligheidsautoriteit (EFSA) en het EU project EuroMix. Verder is in 2016 een analyse uitgevoerd naar opties om mogelijke gezondheidsrisico's door de aanwezigheid van stoffen in voedsel te verkleinen. Om deze opties te kwantificeren is een algemeen ontwerp van een tool binnen MCRA ontwikkeld. Dit ontwerp zal in 2017 worden geïmplementeerd. De rekentool is in 2016 gebruikt bij één risicobeoordeling voor het Front Office Voedsel- en Productveiligheid (aanwezigheid van acrylamide in Ras-patat) en om de inname te berekenen van verschillende stoffen die voedsel kunnen besmetten en van voedseladditieven, zoals 3-MCPD, vlamvertragers en nitriet.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Het screeningslaboratorium van het RIVM is een van de zeven laboratoria in Nederland die de zogeheten combinatietest uitvoert voor zwangere vrouwen op de syndromen van Down, Edwards en Patau. Dit rapport beschrijft de kwaliteitsindicatoren van de analyses die het laboratorium uitvoert voor de combinatietest. In 2015 voldeden de analyses aan de gestelde kwaliteitseisen. Op basis van deze conclusie zijn er geen aanbevelingen voor verbeteringen nodig. De combinatietest bepaalt de kans op de syndromen door een hormoon en een eiwit te meten, in combinatie met een echoscopische nekplooimeting en de leeftijd van de moeder. In 2015 zijn 12.258 combinatietesten uitgevoerd bij het RIVM. Het percentage 'hoog risico'-uitslagen was iets lager dan in 2014. De percentages 'hoog risico' uitslagen voor het Edwards- en Patausyndroom zijn vrijwel gelijk gebleven aan het voorgaande jaar. Naast de jaarlijkse kwaliteitsindicatoren is dit keer de prestatie van de combinatietest beschreven op basis van RIVM-analyses voor de regio Utrecht en Leiden van 2013 tot en met 2015. Het screeningslaboratorium van het RIVM, voert de analyses uit voor de Stichting Prenatale Screening Regio Utrecht (SPSRU) en het Regionaal Centrum Prenatale Screening noordelijk Zuid Holland (RCNZH).
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Het rotavirus kan een maagdarminfectie veroorzaken die veel voorkomt bij jonge kinderen en soms ernstig kan verlopen. Er zijn twee vaccins beschikbaar die beide in druppelvorm via de mond worden toegediend. De Gezondheidsraad gaat de minister van VWS adviseren op welke manier vaccinatie van kinderen tegen het rotavirus oegankelijk wordt. De minister neemt op basis van dit advies een besluit. Om de Gezondheidsraad te ondersteunen heeft het RIVM achtergrondinformatie over het rotavirus bijeengebracht. De informatie betreft onder andere het aantal personen dat er jaarlijks in Nederland ziek door wordt, de effectiviteit en veiligheid van de vaccins, en hoe het publiek denkt over deze vaccinatie. Een door het rotavirus veroorzaakte maagdarminfectie komt veel in de wintermaanden voor, vooral bij kinderen tussen de 6 maanden en 2 jaar. De ziekte gaat gepaard met koorts, braken en hevige, waterdunne diarree. Doorgaans verloopt de ziekte zonder problemen, maar het komt voor dat de ziekte ernstig verloopt. Dit gebeurt vaker bij jonge kinderen, te vroeg geboren kinderen, kinderen met een laag geboortegewicht, of kinderen met aangeboren afwijkingen. De ziekte kan dan uitdrogingsgevaar veroorzaken. In deze gevallen moet een kind in het ziekenhuis worden opgenomen. De uitdroging wordt dan behandeld door via de mond of een infuus vocht toe te dienen. In zeldzame gevallen overlijdt een kind.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Recommendations to the European Commission implementing a priority list of additives that should have more stringent reporting requirements: the opinion of the Scientific Committee on Emerging and Newly Identified Health Risks (SCENIHR) | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Het RIVM heeft in kaart gebracht wat de gehalten aan zout, suiker en verzadigd vet in voedingsmiddelen zijn ten opzichte van 2011. Het zoutgehalte in brood is gemiddeld 19 procent lager dan in 2011. Ook bepaalde soorten sauzen, soepen, groenten en peulvruchten in blik of glas en chips hebben een lager zoutgehalte. De gehalten zijn tussen de 12 en 26 procent lager. Daarnaast hebben enkele productgroepen een lager verzadigd vetgehalte gekregen. Het suikergehalte is in alle onderzochte productgroepen gelijk gebleven. De afgelopen jaren zijn vanuit het Akkoord Verbetering Productsamenstelling afspraken gemaakt over het maximumgehalte aan zout, verzadigd vet en calorieën (suikers, vet) in voedingsmiddelen. De lagere gehalten zijn vooral te zien bij productgroepen waarvoor deze afspraken zijn gemaakt. De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft dit akkoord begin 2014 afgesloten met brancheorganisaties van de voedingsmiddelenindustrie, retail, horeca en catering. Het doel is om het voor de consument gemakkelijker te maken voor gezonde producten te kiezen. Dit onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het ministerie van VWS. Dergelijke onderzoeken zijn ook in 2012 en 2014 uitgevoerd, zodat kan worden gevolgd hoe deze gehalten zich ontwikkelen. Hiervoor zijn gegevens over de samenstelling van voedingsmiddelen gebruikt die afkomstig zijn van analyses door de Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit (NVWA), de Levensmiddelendatabank (een database van het Voedingscentrum en het RIVM met etiketgegevens) en monitoring door brancheorganisaties. Deze gegevens zijn gecombineerd en vergeleken met de samenstelling van voedingsmiddelen in het Nederlands Voedingsstoffenbestand (NEVO) 2011.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
De overheid wil met de Omgevingswet de regels voor activiteiten in de leefomgeving vereenvoudigen en samenvoegen. Het RIVM ondersteunt overheden bij de invoering van deze nieuwe wet en het bijbehorende centrale informatiesysteem, het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Binnen het DSO brengen overheden informatie die nodig is voor vergunningverlening en ruimtelijke planvorming samen in zogenoemde informatiehuizen (lucht, water, geluid, natuur, externe veiligheid, ruimte, bouw, cultureel erfgoed, bodem en afval). In opdracht van I&M heeft het RIVM verkend in welke mate data voor meerdere huizen kunnen worden gebruikt. Er is gekeken naar verkeersgegevens, populatiegegevens, ruimtelijke gegevens en scenario’s. Het blijkt dat met name de data over verkeer voor de informatiehuizen Lucht en Geluid kunnen worden gebruikt. In beide informatiehuizen worden bijvoorbeeld gegevens over aantallen auto’s gebruikt om inzicht te krijgen in effecten. De meeste winst valt te behalen als er voor Verkeer een algemeen systeem wordt opgezet waar ook de andere informatiehuizen gebruik van kunnen maken. Zo’n generiek systeem is ook wenselijk om meer samenhang en eenheid te brengen in de veelheid aan gegevens die gebruikt worden voor verkeer. Voor ruimtelijke gegevens en voor populatiegegevens concludeert het RIVM dat met de introductie van onder andere basisregistraties al voldoende gezamenlijkheid is gerealiseerd. Ten aanzien van scenario’s wordt geconcludeerd dat verbetering van de samenhang niet zozeer een kwestie van stroomlijning van data is, maar meer van beleidsmatige keuzes. Aanbevolen wordt om een regisseur te benoemen die ervoor zorgt dat verkeersgegevens en modellen worden geharmoniseerd en geschikt worden gemaakt voor het DSO.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
De overheid wil met de Omgevingswet de regels voor ruimtelijke projecten vereenvoudigen en samenvoegen. Hiervoor worden de gegevens over de leefomgeving samengevoegd in één centraal systeem, het Digitale Stelsel Omgevingswet (DSO). Binnen het DSO brengen overheden informatie voor vergunningverlening en ruimtelijke planvorming samen in zogenoemde informatiehuizen (lucht, water, geluid, natuur, externe veiligheid, ruimte, bouw, cultureel erfgoed, bodem en afval). De informatiehuizen leveren de informatie die de aanvrager nodig heeft over wet- en regelgeving, plannen en initiatieven en het milieu. Dit wordt weergegeven in ‘informatieproducten’, zoals gestructureerde data, kaarten, foto’s of teksten. De informatieproducten mogen alleen worden gebruikt als ze beschikbaar, bruikbaar en juridisch bestendig zijn (3B’s). Uit onderzoek van het RIVM blijkt dat moeilijk is om in algemene zin voor alle domeinen dezelfde kwaliteitseisen voor informatieproducten te gebruiken. In de praktijk zullen de kwaliteitseisen per informatieproduct verschillen, bijvoorbeeld omdat verschillende onzekerheidsmarges worden geaccepteerd of de wet bepaalde eisen stelt. Om de drie B’s toch verder te kunnen concretiseren, moet duidelijk zijn voor welk doel de gebruiker/aanvrager de informatie nodig heeft, bijvoorbeeld voor planvorming, vergunningverlening of toezicht en handhaving. Vandaaruit kunnen de experts van de informatiehuizen bepalen welke gegevens nodig zijn en kunnen kwaliteitseisen voor de informatieproducten worden opgesteld. Aanbevolen is om de informatiehuizen te betrekken bij het opstellen van de gebruikerseisen voor de informatieproducten en de bijbehorende kwaliteitseisen. Er zijn grote overeenkomsten tussen de informatiehuizen en verwante gegevensstelsels wat betreft de aard, complexiteit en speelveld. Het is raadzaam om verder te onderzoeken hoe deze stelsels omgaan met kwaliteitseisen en daar waar mogelijk bij aan te sluiten. Er wordt hierbij vooral aan het stelsel van basisregistraties gedacht. Het RIVM onderzocht wat nodig is om de kwaliteitseisen van informatieproducten verder te concretiseren en geeft hiervoor een aantal aanbevelingen. Een aantal van deze aanbevelingen zijn inmiddels geïmplementeerd.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Ebola preparedness in the Netherlands: The need for coordination between the public health and the curative sector | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
The safety of the use of bisphenol A in medical devices | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
An update oN nlrp3 inflammasome activation by engineered nanomaterials | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Als patiënten geneesmiddelen volgens voorschrift innemen, levert dat veel gezondheidswinst op tegen relatief lage kosten. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM naar de samenhang tussen therapietrouw en kosteneffectiviteit van twee groepen geneesmiddelen. De studie onderstreept daarmee het belang om de effecten van therapietrouw mee te nemen in kosteneffectiviteitsberekeningen van geneesmiddelen. Overigens kan dat alleen worden gedaan als gegevens over therapietrouw beschikbaar zijn. Voor dit onderzoek zijn casestudies uitgevoerd naar cholesterol- en bloeddrukverlagers. Van deze geneesmiddelen is bekend dat patiënten er vaak voortijdig mee stoppen of ze niet volgens voorschrift innemen (bijvoorbeeld een verkeerde dosering gebruiken). Voor het basispakket van de ziektekostenverzekering wordt bepaald welke middelen wel of niet worden vergoed. Een van de criteria hiervoor is kosteneffectiviteit: de verschillen tussen (ten minste) twee geneesmiddelen (of situaties) wat betreft de kosten en de effecten. Bij goede berekeningen van de kosteneffectiviteit wordt de gebruiker betrokken. Zo wordt geschat hoeveel mensen voortijdig zullen stoppen met de behandeling en het effect van onjuist gebruik en de invloed hiervan op de kosten.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Quantitative structure-activity relationships for green algae growth inhibition by polymer particles | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Immunotoxicity testing of nanomedicinal products: possible pitfalls in endotoxin determination | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Towards a research agenda for water, sanitation and antimicrobial resistance | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
The safety of dental amalgam and alternative dental restoration materials for patients and users | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
The use of transcriptomics data in detecting non-genotoxic carcinogens | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
The safety of medical devices containing DEHP plasticized PVC or other plasticizers on neonates and other groups possibly at risk (2015 update). | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Livestock-associated risk factors for pneumonia in an area of intensive animal farming in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Genomic characterization of Mycobacterium tuberculosis lineage 7 and a proposed name: 'Aethiops vetus' | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
The new ISO 6579-1: A real horizontal standard for detection of Salmonella, at last! | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Bepaalde groepen mensen in Nederland bewegen en sporten minder vaak. Dit zijn vooral mensen met een lage opleiding en/of laag inkomen, met een migratieachtergrond, ouderen, chronisch zieken, en mensen met een lichamelijke of verstandelijke beperking. Stimulansen om meer in beweging te komen zijn onder meer aanmoediging en ondersteuning vanuit de directe omgeving (naasten en begeleiders), een goede trainer, en een op maat gemaakt aanbod waar de doelgroep van op de hoogte is. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM. Belemmeringen voor deze doelgroepen zijn onder andere een laag inkomen, culturele opvattingen over sport en bewegen, een gebrek aan ervaring met sporten, en gezondheidsklachten of beperkingen. Vooral mensen met lichamelijke of verstandelijke beperkingen zijn vaak afhankelijk van anderen om te kunnen bewegen of naar de activiteit te kunnen gaan. Ook bleken de doelgroepen vaak niet op de hoogte te zijn van het beschikbare aanbod. Toegankelijke faciliteiten en goede trainers, die met (kleine) aanpassingen ervoor kunnen zorgen dat het aanbod aansluit bij de doelgroep, zijn belangrijk om het aanbod op maat te maken. Zo kan bewegen voor ouderen aantrekkelijker worden gemaakt door het sociale aspect ervan te benadrukken in plaats van het sportieve. Ook is het belangrijk dat er een verbindende partij is, bijvoorbeeld een buurtsportcoach, om de samenwerking tussen partijen rondom de doelgroep zoals de gezondheidszorg, school, sociale wijkteams en sportaanbieders te versterken en het aanbod bij hen kenbaar te maken. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). Om te stimuleren dat mensen meer bewegen wilde de Directie Sport weten welke belemmeringen en drijfveren mensen hierbij ervaren. Hiervoor is literatuuronderzoek gedaan en zijn experts geraadpleegd.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Het 5de Nitraatactieprogramma (2014-2017) is er onder andere op gericht om de kwaliteit van het grondwater wat nitraat betreft te verbeteren. De bestaande norm voor deze stof (50 milligram per liter) wordt niet gehaald in sommige gebieden waar grondwater voor de drinkwaterbereiding wordt gewonnen, de zogeheten grondwaterbeschermingsgebieden. Dat komt doordat nitraat sneller wegspoelt naar het grondwater als deze gebieden droge zandgronden hebben en gewassen die na de oogst in verhouding veel stikstof achterlaten in de bodem. Het RIVM en Alterra hebben daarom berekend hoe groot het effect is van het landelijke mestbeleid op de kwaliteit van het bovenste grondwater in deze gebieden, voor de periode 2010-2014 en in de toekomst (2026-2030). Deze informatie wordt gebruikt bij de voorbereidingen op het 6de Nitraatactieprogramma. Uit de berekeningen blijkt dat de norm (50 mg/l) tussen 2010-2014 in een kwart van de onderzochte grondwaterbeschermingsgebieden wordt overschreden. Door het huidige mestbeleid wordt de situatie in de toekomst beter en daalt dit aantal tussen 2026 en 2030 naar 7 procent. In een kwart van de andere grondwaterbeschermingsgebieden voldoet de nitraatconcentratie net aan de norm in de periode tussen 2010 en 2014. Naar de toekomst blijft deze situatie hetzelfde. Het aantal winningen met een nitraatconcentratie lager dan 25 mg/l is 18 %. Dit is de streefwaarde voor nitraat, die de drinkwaterbedrijven in hun interne bedrijfsvoering hanteren. Naar de toekomst toe stijgt dit aantal naar 24 %. Daarnaast geeft het onderzoek specifiek inzicht in de situatie bij grondwaterbeschermingsgebieden waarvan problemen in de ondergrond op de diepte van de winputten bekend zijn. Vanwege onzekerheden in de berekeningen zijn deze resultaten slechts een indicatie van de omvang van de problematiek in de grondwaterbeschermingsgebieden. De informatie in het huidige onderzoek helpt bij het onderbouwen en nemen van maatregelen, hetzij landelijk hetzij lokaal, om te komen tot een duurzame drinkwaterwinning. Vanwege de lokale verschillen is het van belang een toekomstverwachting altijd specifiek per winning te onderzoeken. Ook is het zaak hierbij zoveel mogelijk aan te sluiten bij lopende trajecten, zoals de Europese Kaderrichtlijn Water en de nationale Delta-aanpak Waterkwaliteit.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
De gezondheid van de Nederlandse bevolking kan aanzienlijk verbeteren als mensen gezonder eten. Als iedereen voldoende groente, fruit, vis, en niet te veel verzadigde vetzuren eet, kan de gemiddelde levensverwachting met ongeveer een half jaar toenemen. Als iedereen een gezond gewicht zou hebben, zou eenzelfde gezondheidswinst te behalen zijn. Nederlanders eten echter niet optimaal en slechts een klein deel van de bevolking eet volgens de Richtlijnen Goede Voeding van de Gezondheidsraad uit 2015. Zo haalt ongeveer 10 procent van de 19-50 jarigen de richtlijn om 200 gram groente per dag te eten en ongeveer 8 procent de richtlijn van 200 gram fruit. Ook heeft 54 procent van de mannen en 46 procent van de vrouwen overgewicht. Dit percentage was 10 jaar geleden lager. Een gezond voedingspatroon vermindert het risico op overgewicht en chronische ziekten, waaronder hart- en vaatziekten, diabetes type 2 en sommige soorten kanker. Met verschillende initiatieven worden Nederlanders gestimuleerd om gezonder te eten. De focus daarvan is dat het consumenten gemakkelijker wordt gemaakt om voor gezonde producten te kiezen. Zo heeft de levensmiddelenindustrie diverse programma’s uitgevoerd om de samenstelling van hun producten te verbeteren. Ook hebben programma’s en richtlijnen ervoor gezorgd dat het aanbod van voedsel in school, sport- en bedrijfskantines is verbeterd, alleen is dat nog niet overal het geval. Een ander voorbeeld is de ruim honderd zogeheten JOGG-gemeenten (Jongeren Op Gezond Gewicht). Hierin werken gemeenten samen met verschillende partners (scholen, winkels, enzovoort) om kinderen te laten opgroeien in een omgeving waarin ‘de gezonde keuze’ de normaalste zaak van de wereld is. Daarnaast geeft het Voedingscentrum consumenten wetenschappelijk onderbouwde en onafhankelijke informatie over gezonde voeding, bijvoorbeeld via de Schijf van Vijf. Ook bieden zij hulpmiddelen voor persoonlijk voedingsadvies, zoals de eetmeter. Dit rapport is een achtergrondstudie voor de rapportage ‘Wat ligt er op ons bord? Gezond, veilig en duurzaam eten in Nederland’ van het RIVM die op 24 januari 2017 is verschenen. Hierin worden de aspecten van gezond, veilig en ecologisch duurzaam voedsel geïntegreerd weergegeven.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Over het algemeen is voedsel in Nederland veilig. De veiligheid kan echter worden bedreigd door microbiologische besmetting en schadelijke chemische stoffen. Het RIVM heeft de huidige stand van zaken beschreven over de voedselveiligheid in Nederland en de maatregelen die nodig zijn om het hoge niveau te handhaven. Voedselinfecties zijn niet volledig te vermijden. Dat komt doordat levensmiddelen op diverse momenten in de productieketen, van grondstof tot en met bereiding, besmet kunnen raken met ziekteverwekkers. Voedselinfecties worden meestal veroorzaakt door bacteriën (zoals Salmonella en Campylobacter), virussen (zoals het norovirus) en parasieten (zoals Toxoplasma). Deze ziekteverwekkers kunnen worden gevonden in rauwe (of niet goed verhitte) dierlijke en plantaardige producten. Maar ook mensen die betrokken zijn bij de productie van ons voedsel kunnen door onvoldoende hygiëne een besmetting veroorzaken. Jaarlijks worden ongeveer 700.000 mensen ziek door een voedselinfectie; dit is gelijk aan 1 op de 24 personen. De belangrijkste veroorzakers zijn het norovirus (dat vooral op vis en schelpdieren wordt gevonden), Campylobacter (op kip) en Salmonella (in ei). De meeste infecties beperken zich tot relatief milde, kortdurende maag- darmklachten. Ze kunnen soms ook chronische gezondheidsklachten veroorzaken, zoals gewrichtsontsteking en het prikkelbare darm syndroom. De blootstelling van de consument aan chemische stoffen die de overheid voor het voedselproductieproces toestaat, zoals additieven ('E- nummers') en gewasbeschermingsmiddelen, is zo laag dat er geen risico voor de volksgezondheid is. Voor sommige stoffen die als verontreiniging in ons voedsel voorkomen (vanuit het milieu, door verwerking of bereiding) geldt dat de inname van een deel van de consumenten hoger is dan wat als veilig wordt geadviseerd. Het gaat hier voor kinderen en volwassenen om drie schimmelgifstoffen (mycotoxinen) en acrylamide, en voor 2-6 jarigen ook om de zware metalen cadmium en lood. Het gaat hierbij niet om de gemiddelde inname, maar om volwassenen en kinderen met een hoge inname. Als de blootstelling aan deze stoffen langdurig te hoog is kunnen ze schadelijk zijn voor de gezondheid. Producenten van voedingsmiddelen zijn via diverse nationale en Europese wetten verplicht preventieve maatregelen te nemen om te voorkomen of te beperken dat ziekteverwekkers of chemische stoffen in hun producten zitten. Voor ziekteverwekkers in grondstoffen en eindproducten zijn criteria opgesteld. Voor chemische stoffen gelden productnormen. Op de naleving van deze criteria en productnormen wordt in Nederland door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) toegezien. Dit rapport is een achtergrondstudie voor de rapportage 'Wat ligt op ons bord? Gezond, veilig en duurzaam eten in Nederland' van het RIVM die op 24 januari 2017 is verschenen. Hierin worden de aspecten van gezond, veilig en ecologisch duurzaam voedsel geïntegreerd weergegeven.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Het Nederlandse voedingspatroon en de determinanten daarvan Dagelijks eet een gemiddelde Nederlander 1 kilo en drinkt hij of zij 2 liter, verdeeld over ontbijt, lunch en diner, en 4 tussendoormomenten. Per persoon consumeren we gemiddeld zo'n 350 gram zuivel, 100 gram vlees(producten), 125 gram groente en 125 gram fruit en noten per dag. Vanaf de jaren 50 tot de jaren negentig is de vleesconsumptie toegenomen. Sinds de jaren negentig is de vleesconsumptie licht gedaald, maar nog steeds hoger dan in de jaren vijftig. Nu is ruim een kwart van het eten en 10% van het drinken van dierlijke oorsprong. Het RIVM heeft de voedselconsumptie, en factoren die de voedselconsumptie beïnvloeden in kaart gebracht. In de laatste decennia, is het aantal verschillende voedingsmiddelen toegenomen, komen voedingsmiddelen uit de hele wereld, eten we meer bewerkt voedsel en minder basisvoedingsmiddelen. We kopen voedingsmiddelen vaker in supermarkten en besteden minder tijd aan voedselbereiding. Er zijn kleine maar groeiende groepen consumenten die bewust kiezen om gezond of duurzaam te eten. Consumenten maken de meeste voedselkeuzes gebaseerd op routine en gewoonte. Kennis en motivatie spelen een relatief kleine rol bij voedselkeuze. Bij de motivatie om veilig, gezond en duurzaam te eten, gaat de consument bovendien uit van de eigen perceptie, die niet altijd overeen komt met de wetenschappelijke consensus. Naast gewoonten, kennis en motivatie, spelen de sociale en fysieke omgeving een rol. Het alom en altijd aanwezige voedselaanbod in de directe omgeving is sterk bepalend voor de voedselkeuze. Dit rapport is een achtergrondstudie voor de rapportage 'Wat ligt op ons bord? Gezond, veilig en duurzaam eten in Nederland' van het RIVM die op 24 januari 2017 is verschenen. Hierin worden de aspecten van gezond, veilig en ecologisch duurzaam voedsel geïntegreerd weergegeven.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
De productie en consumptie van voedsel legt een grote druk op het milieu. Dit komt onder andere door intensief gebruik van landbouwgrond en door de uitstoot van broeikasgassen bij de productie van voedsel. Ons dagelijks eten heeft dus grote invloed op het milieu. Wereldwijd is de voedselproductie en -consumptie verantwoordelijk voor ongeveer 25 procent van de totale uitstoot van broeikasgassen. Daarnaast is deze voor 60 procent verantwoordelijk voor het verlies aan de variatie van gewassen en dieren (biodiversiteit). Het RIVM heeft in dat verband beschreven hoe en in welke mate de productie voor de huidige Nederlandse voedselconsumptie een belasting voor het milieu vormt. Daaruit blijkt dat vlees, zuivel (inclusief kaas) en dranken het meest belastend zijn. Voor de meeste voedingsmiddelen zit dat vooral in de productiefase. Zo is veel land en water nodig om vlees- en zuivel te produceren. Ook zorgen deze producten voor de meeste verzuring/vermesting van de bodem en het oppervlaktewater. Voor de productie van fruit is relatief veel water nodig. Hoewel het primaire productieproces van de meeste voedingsmiddelen de grootste milieudruk veroorzaakt, is ook het gebruik van fossiele energie en grondstoffen voor het verpakken, transporteren, bewaren en bereiden van producten relevant; in welke mate verschilt per product. In dit rapport wordt de milieubelasting van ons voedingspatroon meer in detail beschreven. De milieubelasting kan worden verminderd door (technologische) innovaties die per voedingsmiddel de uitstoot van ongewenste emissies verlagen en/of overmatig gebruik van natuurlijke hulpbronnen verkleinen. Minder voedsel verspillen en niet teveel eten en drinken zorgen ook voor minder milieubelasting. De consument kan daarnaast een bijdrage leveren met zijn keuze voor bepaalde voedingsmiddelen, zoals minder vaak vlees en vaker kraanwater in plaats van frisdrank en alcohol. Dit rapport is een achtergrondstudie voor de rapportage 'Wat ligt er op ons bord? Gezond, veilig en duurzaam eten in Nederland' van het RIVM die op 24 januari 2017 is verschenen. Hierin worden de aspecten van gezond, veilig en ecologisch duurzaam voedsel geïntegreerd weergegeven.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Dit rapport is het resultaat van een literatuuronderzoek naar drijvende krachten, ofwel maatschappelijke ontwikkelingen en trends, die invloed hebben op de voedselconsumptie en het voedselaanbod. De meeste krachten spelen zowel in Nederland als mondiaal een rol. De drijvende krachten kunnen ingedeeld worden over demografische, economische, sociaal-culturele, technologische, ecologische en politieke factoren (DESTEP). De drijvende krachten vormen belangrijke input voor het interpreteren van de veranderingen in de Nederlandse voedselconsumptie en het verkennen van de toekomstige voedselconsumptie. De belangrijkste drijvende krachten zijn de groei van de wereldbevolking, klimaatverandering, globalisering, stijgende welvaart, stijgende voedselprijzen en technologische innovaties. • De groei van de wereldbevolking leidt wereldwijd tot een grotere vraag naar voedsel. Dit kan leiden tot de uitputting van de hulpbronnen, vooral in ontwikkelingslanden, waardoor de voedselproductie in gevaar komt • De verandering van het klimaat bepaalt waar en wanneer ons voedsel verbouwd kan worden. De gevolgen van de klimaatverandering zijn ook merkbaar in Nederland, maar in overige delen van de wereld zal het nog meer effect hebben. Klimaatverandering heeft ook effect op migratie. Door migratie zal de competitie voor voedsel en water toenemen. • Door globalisering is het aanbod sterk uitgebreid. Door fusies en machtsconcentraties wordt het aanbod steeds meer bepaald door een steeds kleinere groep internationale bedrijven. • Door de stijgende welvaart mondiaal neemt de vraag naar vlees en zuivel in hoog tempo toe. De consumptie van dierlijk eiwit (vooral vlees) leidt tot meer uitputting van de aarde dan de consumptie van plantaardig eiwit. • De verwachting is dat de voedselprijzen in de toekomst zullen stijgen. De welvaart in een land bepaalt hoeveel mensen bereid zijn te betalen voor voedsel. Binnen Nederland zullen er groepen zijn die moeite hebben om deze hogere prijzen te kunnen blijven betalen. Dit is bepalend voor hun voedingspatroon. • Bij technologische innovaties gaat het bijvoorbeeld om nieuwe voedingsbronnen (zoals algen of insecten), bestrijdingsmiddelen, wijzen van transport, toevoegingen en bereidingswijzen. Dit rapport is een achtergrondstudie voor de rapportage ‘Wat ligt er op ons bord? Gezond, veilig en duurzaam eten in Nederland’ van het RIVM die op 24 januari 2017 is verschenen. Hierin worden de aspecten van gezond, veilig en ecologisch duurzaam voedsel geïntegreerd weergegeven.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Association between genotype and drug resistance profiles of Mycobacterium tuberculosis strains circulating in China in a national drug resistance survey | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Feeding preference as a main determinant of microscale patchiness among terrestrial nematodes | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
A comparative test of ixodid tick identification by a network of European researchers | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Yellow fever in a traveller returning from Suriname to the Netherlands, March 2017 | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Influenza vaccination in adult patients with solid tumours treated with chemotherapy | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Exploring novel sero-epidemiological tools-Effect of different storage conditions on longitudinal stability of microarray slides comprising influenza A-, measles- and Streptococcus pneumoniae antigens | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Increasing evidence of tick-borne encephalitis (TBE) virus transmission, the Netherlands, June 2016 | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
A newborn screening method for cerebrotendinous xanthomatosis using bile alcohol glucuronides and metabolite ratios | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
The impact of policy instruments on soil multifunctionality in the European Union | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Clinical and microbiological characteristics of Clostridium difficile infection among hospitalized children in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Systematic review of health economic Impact evaluations of risk prediction models: stop developing, start evaluating | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Sensitivity of fetal RhD screening for safe guidance of targeted anti-D immunoglobulin prophylaxis: Prospective Cohort Study of a Nationwide Programme in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Occurrence and molecular characteristics of ESBL/AmpC-producing Escherichia coli in faecal samples from horses in an equine clinic | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Fish and seafood consumption during pregnancy and the risk of asthma and allergic rhinitis in childhood: a pooled analysis of 18 European and US birth cohorts | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Determinants of rotavirus transmission: a lag non-linear time series analysis | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Adverse effects of levamisole in cocaine users: a review and risk assessment | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
An expanded conceptual framework for solution-focused management of chemical pollution in European waters | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Towards local implementation of Dutch health policy guidelines: a concept-mapping approach. | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Bacille Calmette-Guérin (BCG) vaccination at birth and antibody responses to childhood vaccines. A randomised clinical trial | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Uit nieuw onderzoek van het RIVM blijkt dat het risico voor de gezondheid van sporten op kunstgrasvelden die zijn ingestrooid met rubbergranulaat, praktisch verwaarloosbaar is. Dat betekent dat het verantwoord is om op deze velden te sporten. Aanleiding voor het onderzoek is de maatschappelijke bezorgdheid die ontstond na de televisie-uitzending van Zembla 'Gevaarlijk spel' in oktober 2016. Het RIVM hoopt met de resultaten bij te dragen aan de beantwoording van de vragen van ministeries, gemeenten, sportclubs en ouders. Om te kunnen beoordelen in hoeverre sporten op granulaat een risico voor de gezondheid vormt, is het belangrijk om eerst te bepalen welke schadelijke stoffen in het granulaat zitten en in welke mate ze eruit kunnen vrijkomen. Vervolgens moet worden gekeken op welke manieren sporters in contact komen met deze stoffen en of dat gevolgen voor de gezondheid heeft. In rubbergranulaat zitten heel veel verschillende stoffen, zoals polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK's), metalen, weekmakers (ftalaten) en bisfenol A (BPA). De stoffen blijken in zeer lage hoeveelheden uit de korrels vrij te komen. Dat komt doordat de stoffen min of meer in het granulaat zijn 'opgesloten'. Hierdoor is het schadelijke effect op de gezondheid praktisch verwaarloosbaar. Wat heeft het RIVM onderzocht? Het RIVM heeft de stoffen onderzocht in rubbergranulaat van 100 sportvelden die representatief zijn voor de kunstgrasvelden in Nederland. Daarnaast zijn drie soorten laboratoriumproeven uitgevoerd om te onderzoeken welke stoffen uit de korrels vrijkomen als de sporter ermee in aanraking komt. Met deze zogeheten migratiestudies is uitgezocht in welke mate stoffen via de huid in het lichaam kunnen terechtkomen, via het spijsverteringskanaal of via de longen. Vervolgens is berekend in hoeverre mensen aan de vrijgekomen stoffen blootstaan en wat dat betekent voor de gezondheid. Verder is de beschikbare informatie in de wetenschappelijke literatuur bestudeerd over de stoffen in rubbergranulaat, de eigenschappen en de gezondheidseffecten ervan. Is er een verband met leukemie? In de beschikbare informatie zijn geen signalen aangetroffen die duiden op een verband tussen sporten op kunstgras met rubbergranulaat en het ontstaan van leukemie en lymfeklierkanker. Dit verband is in geen enkel internationaal onderzoek aangetoond. Bovendien blijkt uit de samenstelling van de rubberkorrels dat de chemische stoffen die leukemie of lymfeklierkanker kunnen veroorzaken er niet (benzeen, styreen en 1,3-butadieen) of in heel lage hoeveelheid (2- mercaptobenzothiazol) in zitten. Sinds eind jaren tachtig van de vorige eeuw is er in het algemeen een lichte stijging te zien in het aantal mensen tussen 10 en 29 jaar dat leukemie krijgt. Deze ontwikkeling is niet veranderd sinds de kunstgrasvelden in 2001 in Nederland in gebruik zijn genomen. Onderzoek in Amerika laat ook geen verhoging zien in het aantal nieuwe gevallen van lymfeklierkanker in gebieden waar relatief veel kunstgrasvelden liggen die zijn ingestrooid met rubbergranulaat. Begin 2017 komt informatie uit nieuw Amerikaans onderzoek beschikbaar. Omdat rubbergranulaat in de Verenigde Staten langer (sinds 1997) op voetbalvelden wordt gebruikt, kan over een langere periode worden geanalyseerd of er een verband is tussen sporten op kunstgras en het krijgen van leukemie. Het RIVM heeft contact met de onderzoekers en volgt dit onderzoek op de voet. Rubbergranulaat in het milieu De focus in dit onderzoek ligt op mogelijke gezondheidsrisico's voor mensen die sporten op velden met ingestrooid rubbergranulaat. Het onderzoek bevestigt eerdere inzichten dat het rubbergranulaat metalen bevat die in de omgeving terecht kunnen komen. Er blijkt vooral zink uit het rubbergranulaat vrij te komen. Dit metaal is niet schadelijk voor de mens, maar kan wel gevolgen hebben voor organismen in de bodem en het oppervlaktewater. Voldoet het rubbergranulaat aan de norm? Rubbergranulaat moet voldoen aan de norm voor zogenoemde mengsels. Deze norm schrijft voor hoeveel er maximaal van bepaalde stoffen in mag zitten (er bestaat geen norm voor wat eruit mag komen). Het gaat daarbij om stoffen die kankerverwekkend zijn (zoals PAK's), schadelijk zijn voor het nageslacht of het DNA beschadigen. De hoeveelheid PAK's in het rubbergranulaat voldoet ruim aan deze norm. De norm voor consumentenproducten is aanzienlijk strenger: deze staat veel lagere (100 tot 1000 maal minder) gehalten aan PAK's toe dan de mengselnorm. Het gehalte PAK's ligt iets boven de norm voor consumentenproducten. Momenteel doet het Europese Agentschap voor Chemische Stoffen (ECHA) onderzoek om te bezien welke norm voor rubbergranulaat wenselijk is. Het RIVM adviseert om de norm voor rubbergranulaat bij te stellen naar een norm die dichter in de buurt ligt van de norm voor consumentenproducten. Waarom wordt rubbergranulaat gebruikt voor voetbalvelden? Rubbergranulaat is fijngemalen rubber en wordt meestal gemaakt van oude autobanden. Als instrooimateriaal op kunstgrasvelden zorgt het ervoor dat het veld vergelijkbare eigenschappen krijgt als een gewoon grasveld. Dat betekent dat de bal niet te snel rolt, niet te hoog stuitert en het kunstgras beter geschikt is om slidings te maken dan zonder granulaat. Kunstgrasvelden kunnen het hele jaar door intensief gebruikt worden en vergen minder onderhoud. Tegenwoordig wordt veel geïnvesteerd om oude producten te hergebruiken als grondstof voor nieuwe producten. Dat geldt ook voor autobanden. De vragen over de veiligheid van rubbergranulaat maken duidelijk dat er een spanningsveld kan bestaan tussen het hergebruik van materialen en de zorgen om de gezondheidsrisico's van nieuwe producten.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
The Integrated Approach to Nitrogen in the Netherlands: A preliminary review from a societal, scientific, juridical and practical perspective | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Sex differences in invasive pneumococcal disease and the impact of pneumococcal conjugate vaccination in the Netherlands, 2004 to 2015. | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
"These power lines make me ill": A typology of residents' health responses to a new high-voltage power line | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Human biomonitoring as a tool to support chemicals regulation in the European Union | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Samen meten aan luchtkwaliteit | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Website use and effects of online information about tobacco additives among the Dutch general population: a randomized controlled trial | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Er bestaan verschillende wetten, richtlijnen en besluiten die betrekking hebben op stoffen die in het binnenmilieu terecht kunnenkomen. Het RIVM heeft geïnventariseerd hoe de regelgeving over binnenmilieu in Nederland zich verhoudt tot die in andere EU-landen. Er blijkt vooral op Europees niveau regelgeving te bestaan. Daarnaast hebben enkele landen nationale regelgeving opgesteld. Deze nationale wet- en regelgeving betreft bijvoorbeeld etikettering van bouw- en decoratieproducten voor de uitstoot van vluchtige organische stoffen, monitoring van het binnenmilieu in woningen en openbare gebouwen, en nationale normen voor emissies uit bouwproducten en vloerbedekking. Vergeleken met Frankrijk, België en Duitsland is er in Nederland minder nationale regelgeving om de kwaliteit van het binnenmilieu te verbeteren. Chemische stoffen uit onder andere bouwmaterialen, wand- en vloerbedekking, elektronica, meubels, kleding, speelgoed, luchtverfrissers, schoonmaakmiddelen en tabaksproducten kunnen in de binnenlucht terechtkomen. Er is wel Europese regelgeving voor de aanwezigheid van stoffen in afzonderlijke producten en materialen en in sommige landen voor emissies uit producten en materialen. Er bestaat echter vrijwel geen specifieke regelgeving voor aanwezige concentraties van stoffen in de binnenlucht en de mate van blootstelling aan die stoffen. Daardoor ontbreekt de aandacht voor situaties waarin mensen aan stoffen vanuit meerdere bronnen staan blootgesteld. Hetzelfde geldt voor de blootstelling aan verschillende stoffen met een zelfde werkingsmechanisme. Er is niet of nauwelijks zicht op hoe hoog de concentraties van stoffen in het binnenmilieu zijn. Het binnenmilieu wordt in Nederland niet gemonitord en er is bij gebrek aan wettelijke eisen nauwelijks toezicht of handhaving. Dit onderzoek is gebaseerd op regelgeving in EU-verband en nationale regelingen in vooral Frankrijk, België, Duitsland, Zwitserland, Oostenrijk, Groot-Brittannië en Scandinavische landen. Op basis van documenten en gesprekken met experts is een verkennende inventarisatie gemaakt over regelgeving in relatie tot binnenmilieu. Vanwege het verkennende karakter van het onderzoek is geen uitgebreid literatuuronderzoek uitgevoerd.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Recruitment failure and futility were the most common reasons for discontinuation of clinical drug trials. Results of a nationwide inception cohort study in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Quantum yield for the photo-degradation of vitamin D3 | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Cost-effectiveness analysis of an 18-week exercise programme for patients with breast and colon cancer undergoing adjuvant chemotherapy: the randomised PACT study | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Population effect of influenza vaccination under co-circulation of non-vaccine variants and the case for a bivalent A/H3N2 vaccine component | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
DNA methylome analysis identifies accelerated epigenetic ageing associated with postmenopausal breast cancer susceptibility | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Het RIVM zoekt naar mogelijkheden om het milieu minder te belasten met resten van geneesmiddelen. Daarom zijn gesprekken gevoerd met vertegenwoordigers van professionals uit de medicijnketen, zowel beleidsmakers, fabrikanten, beoordelaars, zorgverleners, apothekers als waterzuiveraars. De focus lag hierbij op mogelijkheden om geneesmiddelen te vervangen door behandelingen die het milieu minder belasten. In de praktijk zijn er nog geen combinaties gevonden die hiervoor in aanmerking komen. Alle geïnterviewden tonen zich bereid na te denken over het vervangen van behandelingen maar benadrukken dat het belang van de patiënt bovenaan staat. De behandeling van de patiënt mag er niet op achteruit gaan, wat betekent dat het vervangende middel minstens even effectief en veilig moet zijn. In de praktijk blijkt dat voor veel geneesmiddelen nog niet mogelijk. Bovendien moet de milieuwinst van het vervangende middel zijn onderbouwd. Voor veel geneesmiddelen ontbreken echter goede gegevens over de effecten op het milieu. Er is behoefte aan een afwegingskader om effectiviteit, veiligheid en milieueffecten van geneesmiddelen met elkaar te kunnen vergelijken. Het belang dat de geïnterviewden aan milieu in relatie tot de gezondheidszorg hechten, varieert tussen de professionals. Om dit belang op de kaart te zetten is het cruciaal dat professionals uit de gehele medicijnketen zich er bewust van worden. Kennisuitwisseling kan een belangrijk middel zijn om de bewustwording te vergroten, binnen de medicijnketen maar ook in de samenleving. Restanten van geneesmiddelen komen na gebruik in oppervlaktewater terecht via de riolering, onder andere omdat rioolwaterzuiveringsinstallaties niet alles kunnen verwijderen. Deze restanten kunnen schadelijke effecten hebben op organismen in het watermilieu, zoals gedragsverandering, weefselschade en effecten op de voortplanting. De kwaliteit van het drinkwater is niet in het geding maar kan in de toekomst wel onder druk komen te staan. Dit onderzoek is in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM) uitgevoerd en is onderdeel van de ketenaanpak 'Medicijnresten uit Water'.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Development of a QSAR model for predicting aqueous reaction rate constants of organic chemicals with hydroxyl radicals | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Main issues addressed in the 2014-2015 revisions to the OECD Genetic Toxicology Test Guidelines | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Dementia incidence trend over 1992-2014 in the Netherlands: Analysis of primary care data | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Which recommendations are considered essential for outbreak preparedness by first responders? | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Mobile phone-based interactive voice response as a tool for improving access to healthcare in remote areas in Ghana - an evaluation of user experiences | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Long-term mortality after IPD and bacteremic versus non-bacteremic pneumococcal pneumonia | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Evaluation of a serological test for the diagnosis of Borrelia miyamotoi disease in Europe | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Identification of flavour additives in tobacco products to develop a flavour library | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Spirometry, questionnaire and electronic medical record based COPD in a population survey: Comparing prevalence, level of agreement and associations with potential risk factors | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
ICARES: a real-time automated detection tool for clusters of infectious diseases in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Embryotoxic and pharmacologic potency ranking of six azoles in the rat whole embryo culture by morphological and transcriptomic analysis | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Melting pot of tick-borne zoonoses: the European hedgehog contributes to the maintenance of various tick-borne diseases in natural cycles urban and suburban areas | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Multi-laboratory validation study of multilocus variable-number tandem repeat analysis (MLVA) for Salmonella enterica serovar Enteritidis, 2015 | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Comparison of meal patterns across five European countries using standardized 24-h recall (GloboDiet) data from the EFCOVAL project | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Assessment of the toxicity of citrinin | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Modelling trends in ammonia in the Netherlands over the period 1990-2014 | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Provincies en waterbedrijven in Noord- en Oost-Nederland treffen regelmatig resten van gewasbeschermingsmiddelen aan op de locaties waar zij de kwaliteit van het grondwater meten. In Nederland is het beleid erop gericht te voorkomen dat gewasbeschermingsmiddelen in het milieu terechtkomen, onder andere om de drinkwaterbronnen te beschermen. Bij de provincies ontstond hierop de vraag of de toelatingsprocedure van gewasbeschermingsmiddelen voldoende garanties biedt om de drinkwaterbronnen duurzaam te beschermen. Het RIVM concludeert, uit onderzoek dat in samenwerking met Royal HaskoningDHV is uitgevoerd, dat aanvullende informatie nodig is om op basis van de metingen te kunnen bepalen of de toelatingsbeoordeling adequaat is. Er ontbreekt informatie om de meetgegevens goed te kunnen beoordelen. Zo ontbreken gegevens over waar het water vandaan komt, hoe lang het in de bodem zit en of de desbetreffende gewasbeschermingsmiddelen in het intrekgebied zijn gebruikt. In het onderzoek zijn de meetresultaten ook vergeleken met berekende concentraties. Dit is gedaan voor zes gewasbeschermingsmiddelen en zes ‘afbraakproducten’ (metabolieten) hiervan. Hieruit blijkt dat de uitspoeling naar het grondwater per locatie verschilt, zoals dat ook in de rest van Nederland het geval is. Verder waren de gemeten concentraties in het algemeen lager dan berekende concentraties, wat in lijn is met het voorzorgsprincipe. Voor stoffen waarvoor regelmatig hogere concentraties zijn gevonden, zijn namelijk recent de toelatingsvoorwaarden aangescherpt, waardoor in de toekomst lagere concentraties worden verwacht. In de toelatingsbeoordeling van gewasbeschermingsmiddelen is tot nu toe nog weinig ervaring opgedaan met het gebruik van grondwatermonitoringsgegevens. Om deze gegevens te kunnen gebruiken voor de toelatingsbeoordeling zou een procedure ontwikkeld en vastgelegd moeten worden. Op basis daarvan kunnen belanghebbenden in de waterketen beter bepalen welke acties zij kunnen ondernemen om de waterkwaliteit te verbeteren.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Tegenwoordig worden in steden veel projecten opgezet om duurzaam met water om te gaan en de gevolgen van klimaatverandering op te vangen. Hierdoor kunnen mensen meer en op een andere manier in aanraking komen met water in de openbare ruimte. Behalve de voordelen hiervan, kan contact met dit water ook gezondheidsklachten veroorzaken, zoals maagdarm-, huid- en luchtwegklachten. Het RIVM pleit er daarom voor om bij het ontwerpen, plannen en realiseren van stedelijk waterinitiatieven stil te staan bij de kwaliteit van water. Eventuele gezondheidsrisico’s kunnen dan vaak met relatief eenvoudige aanpassingen worden beperkt. Om dit te ondersteunen is de waterkwaliteitscheck voor stedelijk water ontwikkeld. Met de waterkwaliteitscheck kunnen potentiële gezondheidsrisico’s van initiatieven om duurzaam met water om te gaan zorgvuldig in kaart worden gebracht. Vervolgens kan op basis daarvan worden bepaald welke aanpassingen de geconstateerde gezondheidsrisico’s kunnen verminderen. De waterkwaliteitscheck kan ook worden gebruikt om bestaande initiatieven door te lichten. Daarnaast is de waterkwaliteitscheck geschikt om de oorzaak van opgetreden gezondheidsproblemen of uitbraken van ziekten uit te zoeken. Voorbeelden van projecten om duurzaam met water om te gaan zijn het hergebruik van afvalwater en het terugwinnen van grondstoffen uit afvalwater. Daarnaast zijn er projecten om overtollig regenwater op te vangen dat niet door het riool kan worden afgevoerd, zoals heropende grachten in oude binnensteden, waterpleinen en weides (wadi’s). Voor dit onderzoek zijn projecten en trends die te maken hebben met stedelijk water geïnventariseerd. Bij veel daarvan bleek er een kans op gezondheidsklachten te bestaan wanneer mensen met het water in contact komen. Dit is bepaald aan de hand van gegevens over de waterkwaliteit, de waarschijnlijkheid dat mensen met dit water in contact komen en eerder opgetreden ziektegevallen bij vergelijkbare projecten.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
The ability to pay for long-term care in the Netherlands: a life-cycle perspective | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
A mycotoxin-dedicated total diet study in the Netherlands in 2013 : Part I-Design | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Asielzoekerskinderen en het Rijksvaccinatieprogramma (RVP) | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
The relationship between natural outdoor environments and cognitive functioning and its mediators | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
High-resolution modelling of air pollution and deposition over the Netherlands with plume, grid and hybrid modelling | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Prioritizing of bacterial infections transmitted through substances of human origin in Europe | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Hepatitis A outbreak among men who have sex with men (MSM) predominantly linked with the EuroPride, the Netherlands, July 2016 to February 2017 | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
The impact of climate change on metal transport in a lowland catchment | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
An evidence synthesis approach to estimating the proportion of influenza among influenza-like illness patients | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Vragen en antwoorden over seizoensgriepvaccinatie bij oncologiepatiënten met of zonder chemotherapie | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
In februari 2015 is in Nederland voor het eerst het Seoulvirus (SEOV) geconstateerd bij drie gevangen bruine ratten. Medewerkers van waterschappen kunnen bruine ratten tegenkomen als 'bijvangst' van de muskus- en beverratbestrijding. De kans dat zij met het SEOV worden besmet is echter klein, omdat heel weinig bruine ratten in Nederland het virus bij zich dragen. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM. Het SEOV is een zogeheten hantavirus. De meeste hantavirustypen komen vooral voor bij muizensoorten, maar daar komen de muskus- en beverratbestrijders minder vaak mee in contact. De kans dat de bestrijders aan andere hantavirussen worden blootgesteld is dan ook klein. De kans is groter dat muskus- en beverratbestrijders aan de Leptospirabacterie worden blootgesteld. Ongeveer de helft van de bruine ratten in Nederland draagt deze bacterie bij zich, waardoor ook het oppervlaktewater in de omgeving besmet raakt. Toch blijkt maar een klein aantal van de muskus- en beverratbestrijders besmet te zijn met leptospiren. Dit komt waarschijnlijk doordat zij tijdens werkzaamheden hun beschermende kleding dragen, zoals handschoenen, brillen en pakken met laarzen. Hantavirussen en leptospiren veroorzaken doorgaans milde griepklachten die moeilijk van elkaar te zijn onderscheiden. In een ernstigere vorm kunnen beide micro-organismen nierproblemen (ontstekingen, slechtere werking) veroorzaken. Dit komt zelden voor. Voor dit onderzoek hebben 260 muskus- en beverratbestrijders online een vragenlijst ingevuld (65 procent van de 402 aangeschreven personen). Daarnaast is van 246 personen (61 procent) een bloedmonster genomen dat is getest op antilichamen tegen zes hantavirussen. Eén bloedmonster bevatte een variant van het hantavirus (het Puumala-virus). Van 162 deelnemers was voldoende bloed beschikbaar om het ook op leptospiren te testen. Twee van hen waren besmet met deze bacterie. Of zij ook ziek zijn geworden van deze Leptospira-bacterie, kan niet met dit onderzoek worden aangetoond.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Om te komen tot een landelijk toepasbaar uniform rekenmodel heeft het RIVM geïnventariseerd welke modellen en methoden er bestaan om trillingsniveaus door treinverkeer te bepalen en heeft deze beoordeeld op hun kwaliteit. Op basis daarvan is onderzocht welk model het meest geschikt is om trillingen van treinverkeer te bepalen. Geen van de onderzochte modellen voldoet aan de gestelde eisen. Wel is het mogelijk om een uniform rekenmodel te realiseren door verbetering en combinatie van bestaande methoden en data. Dit nog te ontwikkelen model bestaat uit een register met data van het spoor, een 3D rekenmethode en een database met bodemeigenschappen. De aanleiding voor het onderzoek is de wens van de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu om te komen tot een uniform rekenmodel dat landelijk toepasbaar is en waarmee spoortrillingen kunnen worden beoordeeld zonder metingen uit te voeren. Met een uniform rekenmodel kunnen trillingseffecten in het kader van tracébesluiten eenduidiger en eenvoudiger voorspeld en getoetst worden. Ook kan eenduidig bepaald worden welke effecten maatregelen hebben. Het uniforme rekenmodel kan de huidige werkwijze, waarbij langdurige en kostbare metingen noodzakelijk zijn, vervangen zonder aan zorgvuldigheid in te boeten. Ook zorgt een uniform rekenmodel voor eenduidige uitkomsten, onafhankelijk van wie de berekeningen uitvoert. Bij tracébesluiten voor de aanleg, wijziging of het opnieuw in gebruik nemen van een landelijke spoorweg is de Beleidsregel trillinghinder spoor van toepassing. Daarvoor moeten trillingsniveaus bepaald worden op de vloeren van gebouwen, zoals woningen. Dit onderzoek richt zich op de bepaling van trillingsniveaus op de fundering van gebouwen. Voor het bepalen van trillingsniveaus op vloeren zal in een uniform rekenmodel nog een module moeten worden ontwikkeld. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het ministerie van IenM. Het RIVM heeft de kwaliteit van 7 Nederlandse en 10 buitenlandse rekenmethoden beoordeeld.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM controleert acht keer per jaar de metingen die de verrijkingsfabriek Urenco Nederland BV verricht in lozingen van radioactiviteit in afvalwater en ventilatielucht. Deze ‘contra-expertise’ dient als controle op de betrouwbaarheid van de analyses die Urenco zelf uitvoert. De te analyseren monsters worden verspreid over het jaar door Urenco genomen. Doorgaans komen de afvalwateranalyses overeen met de resultaten van Urenco. Uit de metingen blijkt dat de activiteitsconcentraties in afvalwater in vijf van de acht monsters betrekkelijk laag zijn; 4 - 8 kBq.m-3 voor totaalalfa en 4 - 9 kBq.m-3 voor totaal-bèta. In de overige drie monsters was er sprake van een zeer lage totaal-alfa, -bèta activiteit en gamma- activiteit. De resultaten van de RIVM en Urenco kwamen goed overeen. De radioactiviteit in ventilatielucht ligt zeer dicht bij het niveau van de hoeveelheid radon die van nature in de buitenlucht aanwezig is. Voor totaal alfa is een activiteitsconcentratie van 0,006 - 1,47 mBq.m-3 gevonden en voor totaal bèta 0,02 - 0,48 mBq.m-3. De resultaten van de meetwaarden van Urenco in ventilatielucht kwamen redelijk overeen. In buitenlucht wordt de natuurlijke totaal alfa en bèta-activiteit veroorzaakt door radon-dochters, net als de verhouding tussen de totaal alfa- en totaal bèta-activiteit. Deze natuurlijke verhouding tussen alfa en bèta activiteit wijkt sterk af van dezelfde verhouding die het gevolg zou zijn van een besmetting door uranium. Daarom is het aannemelijk dat er in 2015, tijdens de reguliere bedrijfsvoering, geen uranium in ventilatielucht is vrijgekomen. Een uitzondering is echter het koolfilterincident op 27 augustus 2015. Hierdoor is een beperkte hoeveelheid besmet koolstofpoeder naar het dak van SP5 geloosd. Het RIVM heeft op enkele plaatsen rond SP5 een bemonstering uitgevoerd. De meetresultaten van deze bemonstering zijn al in februari 2016 gerapporteerd en vallen buiten de beoordeling van de contra-expertise onder reguliere omstandigheden. RIVM heeft de contra-expertises in 2015 uitgevoerd in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS).
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
RIVM controleert acht keer per jaar de metingen die de kerncentrale Borssele (KCB) verricht in lozingen van radioactiviteit in afvalwater en ventilatielucht. Deze 'contra-expertise' dient als controle op de betrouwbaarheid van de analyses die de kerncentrale zelf uitvoert. De te analyseren monsters worden verspreid over het jaar door Borssele genomen. Doorgaans komen de analyses overeen met de resultaten van Borssele, zo ook in 2015. Enkele verschillen waren zichtbaar bij radionucliden in afvalwater. De vergelijking in de 3H data was iets verbeterd vergeleken met de voorgaande rapportage. In ventilatielucht hebben zowel RIVM als KCB geen enkele gamma- activiteit boven de detectiegrens aangetroffen. De analyses in 3H en 14C ventilatielucht, bemonsterd met een zeolietpatroon, in het eerste en tweede kwartaal van 2015 kwamen goed overeen. Dit is vergelijkbaar met de verbetering die in 2014 is ingezet. Het RIVM heeft de contra-expertises in 2015 uitgevoerd in opdracht van van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS).
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM controleert acht keer per jaar de metingen die de Nuclear Research Group (NRG) te Petten verricht in lozingen van radioactiviteit in afvalwater en ventilatielucht. Deze ‘contra-expertise’ dient als controle op de betrouwbaarheid van de analyses die de onderzoeksgroep zelf uitvoert. De te analyseren monsters worden verspreid over het jaar door NRG genomen. In 2015 is een steekproef van acht monsters afvalwater en ventilatielucht geanalyseerd. De analyses in de gammaspectrometrieresultaten en de totaal-alfa resultaten in afvalwater kwamen goed overeen. De overeenstemming in de totaal-beta resultaten kan aanzienlijk verbeterd worden. Dit wordt deels verklaard doordat er veel kortlevende beta-stralers in het afvalwater aanwezig zijn, en deels door verschillen in de meetmethoden die NRG en het RIVM toepassen. De vergelijking in de 3H resultaten in afvalwater is goed. De ventilatieluchtresultaten geven geen reden voor discussie. In vijf monsters heeft het RIVM een zeer lage activiteitsconcentratie aan 191Os aangetroffen, en in twee monsters een zeer lage activiteitsconcentratie aan 203Hg. Deze waarde valt ruim onder de detectiegrens van NRG. De meetwaarden voor totaal-alfa en totaal-bèta in ventilatielucht liggen in de range van wat er in buitenlucht wordt aangetroffen en hebben waarschijnlijk een natuurlijke oorsprong. Het RIVM heeft de contra-expertises in 2015 uitgevoerd in opdracht van van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS).
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM controleert acht keer per jaar de metingen die de Centrale Opslag voor Radioactief Afval (COVRA) verricht in lozingen van radioactiviteit in afvalwater en ventilatielucht. Deze ‘contra-expertise’ dient als controle op de betrouwbaarheid van de analyses die COVRA zelf uitvoert. De te analyseren monsters worden verspreid over het jaar door COVRA genomen. In 2015 zijn alle drie de monsters van afvalwater en acht monsters van ventilatielucht geanalyseerd. Doorgaans komen de analyses overeen met de resultaten van de COVRA, zo ook in 2015. De analyses van het RIVM en COVRA in de gamma-spectrometrische resultaten, de resultaten van de totaal-alfa bepaling, tritiumbepaling en de 14C-bepaling in afvalwater kwamen goed overeen. Hoewel het RIVM en COVRA verschillende meetprincipes gebruiken, komen de totaal bèta- meetwaarden van het RIVM en de rest bèta-meetwaarden van COVRA in 2015 goed overeen. Ook kwamen de analyses van het RIVM en COVRA betreffende de ventilatieluchtresultaten van het Afvalverwerkingsgebouw (AVG) en het Hoogradioactief Afval Behandelings- en OpslagGebouw (HABOG) goed overeen. Het RIVM heeft de contra-expertises in 2015 uitgevoerd in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS).
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Prevention of Lyme borreliosis after a tick bite | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Including non-dietary sources into an exposure assessment of the European Food Safety Authority: The challenge of multi-sector chemicals such as Bisphenol A | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Disease burden of human papillomavirus infection in the Netherlands, 1989-2014: the gap between females and males is diminishing | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Ecology of Borrelia burgdorferi sensu lato | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Groot deel patiënten krijgt geen griepprik | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
In februari 2016 vond het negentiende EURL Salmonella-ringonderzoek naar Salmonella plaats. Deze jaarlijkse kwaliteitstoets is verplicht voor alle Nationale Referentie Laboratoria (NRL's) van de Europese lidstaten die verantwoordelijk zijn voor het aantonen van Salmonella in dierlijke mest Resultaten Alle deelnemers waren in staat om Salmonella te detecteren in de besmette overschoentjes met kippenmest. Ook hebben de laboratoria de meegestuurde controlemonsters correct geanalyseerd. Eén laboratorium heeft een fout gemaakt toen het de ruwe resultaten overnam in het elektronische rapportageformulier. Hiervoor kreeg dit laboratorium een matige score. Bijna alle laboratoria konden de monsters waar geen Salmonella aan was toegevoegd (blanco) als zodanig opsporen. Eén laboratorium vond echter Salmonella in drie van de zes blanco monsters en scoorde daardoor een onvoldoende. Deelnemers In totaal hebben 36 NRL's deelgenomen: 29 NRL's van 28 lidstaten in de EU (Noord-Ierland heeft een eigen NRL), zes NRL's uit kandidaatlanden voor het EU-lidmaatschap of lidstaten van de European Free Trade Association (EFTA), en één niet-Europees NRL dat op verzoek van de Europese Commissie is toegevoegd (Israël). Het Europese Referentielaboratirum (EURL) Salmonella is gevestigd bij het Nederlandse Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). De hoofdtaak van het EURL-Salmonella is toezien op de kwaliteit van de nationale referentielaboratoria voor deze bacterie in Europa. Werkwijze Elk laboratorium kreeg een pakket toegestuurd met daarin de monsters van overschoentjes met kippenmest. De kippenmest is op het EURL- laboratorium besmet met de Salmonella-bacterie in twee concentraties (hoog en laag). Ook zijn er onbesmette blanco monsters meegestuurd. De laboratoria dienden de monsters te analyseren volgens Annex D uit de internationaal voorgeschreven ISO-methode 6579 (Anonymous, 2007) op de aanwezigheid van Salmonella.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Coffee, tea and melanoma risk: findings from the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Introduction: choosing a One Health approach for the control of Lyme borreliosis | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Experimental studies on Toxoplasma gondii in the main livestock species (GP/EFSA/BIOHAZ/2013/01) Final report | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Grasping risk mapping | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
A longitudinal study on determinants of HPV vaccination uptake in parents/guardians from different ethnic backgrounds in Amsterdam, the Netherlands | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Serological evidence for exposure to avian influenza viruses within poultry workers in southern China | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Alcoholic beverage preference and diabetes incidence across Europe: the Consortium on Health and Ageing Network of Cohorts in Europe and the United States (CHANCES) project | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Meta-analysis of pulmonary transcriptomes from differently primed mice identifies molecular signatures to differentiate immune responses following Bordetella pertussis challenge | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Risk assessment and risk management of antimicrobial resistance in the environment | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Evidence-based health promotion programmes and tools to prevent tick bites and Lyme borreliosis | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
A community trait-based approach to ecosystem functioning in soil | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Refinement and cross-validation of nickel bioavailability in PNEC-pro, a regulatory tool for site-specific risk assessment of metals in surface water | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Relationship between seroprevalence in the main livestock species and presence of Toxoplasma gondii in meat (GP/EFSA/BIOHAZ/2013/01) An extensive literature review. Final report | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Strategies for estimating human exposure to mycotoxins via food | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Effectiveness and environmental hazards of acaricides applied to large mammals for tick control | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
From guessing to GIS-ing: empowering land managers | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Metabolic profiling of presymptomatic Huntington's disease sheep reveals novel biomarkers | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Emerging tick-borne pathogens: ticking on Pandora's box | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Reference compounds for alternative test methods to indicate developmental neurotoxicity (DNT) potential of chemicals: Example lists & criteria for their selection & use | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Lifetime secondhand smoke exposure and childhood and adolescent asthma: findings from the PIAMA cohort | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Multinational outbreak of travel-related Salmonella Chester infections in Europe, summers 2014 and 2015 | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Case 2: Exceptions to national MRSA prevention policy for a medical resident with untreatable MRSA colonization | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Public health risk of antimicrobial resistance transfer from companion animals | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Waterpokken in een grootschalige noodopvang | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Vaccineren tegen de ziekte van Lyme: hoe ver zijn we? | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Bescherming tegen infectieziekten bij volwassen asielzoekers | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Febris recurrens binnen de landsgrens | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Wie is er al gevaccineerd? | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Kosten van tbc-bestrijding zijn gedaald | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
De LCI in 2015: Hoe ziet de dagelijkse advisering eruit? | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Het Rijksvaccinatieprogramma voor asielzoekers | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
QMRAcatch: Human-associated fecal pollution and infection risk modeling for a river/floodplain environment | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Dynamiek van dragerschap en transmissie van multiresistente Enterobacteriaceae | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Identifying environmental and human factors associated with tick bites using volunteered reports and frequent pattern mining | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Het Signaleringsoverleg-Zoönosen viert haar vijfjarig jubileum | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
TBC-screening in tijden van massale migratie | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
The ability to pay for long-term care in the Netherlands: a life-cycle perspective | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Asielzoekers en tuberculose: een update | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Nationaal plan tuberculosebestrijding 2016-2020 | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Few vertebrate species dominate the Borrelia burgdorferi s.l. life cycle | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Rubellascreening bij zwangere vrouwen door verloskundigen | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Transmission dynamics of extended-spectrum B-lactamase and AmpC B-lactamase-producing Escherichia coli in a broiler flock without antibiotic use | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Mathematical model to synthesize natural history of tick borne encephalitis and lyme borreliosis for the purpose of cost-effectiveness analysis | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
MRSA in persons not living or working on a farm in a livestock-dense area: prevalence and risk factors | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Modellering van de verspreiding van Coxiella burnetii (Q-koorts) door de lucht | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Zoveel landen, zoveel zinnen | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Over teken, gastheren en het 'verdunningseffect': hoe bosomvorming het risico op de ziekte van Lyme kan veranderen | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Het ministerie van VWS zoekt naar mogelijkheden om de markttoelating van nieuwe geneesmiddelen te vereenvoudigen, zodat geneesmiddelen sneller beschikbaar zijn voor de patiënt. In dat verband heeft het RIVM verkend of de bestaande toelating op grond van zogeheten indicaties van het geneesmiddel kan worden vervangen door een ander criterium, namelijk het zogeheten werkingsmechanisme. Daarvoor blijken geen wettelijke belemmeringen te zijn. Toch is een registratie op basis van alleen het werkingsmechanisme als indicatie niet mogelijk omdat het te eenzijdig is. De kennis over het werkingsmechanisme is wel belangrijk bij de keuzes voor de opzet van het onderzoek zodat het gerichter en daardoor effectiever kan worden uitgevoerd. Voordat een geneesmiddel op de markt mag worden gebracht, moet het worden toegelaten door de nationale of Europese registratieautoriteiten; in Nederland is dat het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG). Voor deze toelatingsprocedure wordt nauwkeurig vastgelegd tegen welke ziekte(n) het geneesmiddel kan worden gebruikt: dit zijn de ‘indicaties’ van het geneesmiddel. Om aan te tonen dat het geneesmiddel bij de aangevraagde indicaties werkt, moet het farmaceutisch bedrijf voor elke indicatie aantonen dat het middel veilig en effectief is. Dat is nodig omdat de balans tussen werkzaamheid en schadelijkheid niet voor elke indicatie hetzelfde hoeft te zijn. De resultaten daarvan moeten daarna aan het CBG worden voorgelegd. Vooral de klinische onderzoeken kosten veel tijd en geld. Door moderne technieken kan steeds gedetailleerder worden ontrafeld hoe in het lichaam de werking van het geneesmiddel in gang wordt gezet, oftewel het werkingsmechanisme. Dit gebeurt doordat de moleculen van een geneesmiddel reageren met lichaamscellen. De balans tussen werkzaamheid én het risico van het geneesmiddel voor de patiënt wordt echter niet alleen bepaald door het werkingsmechanisme op celniveau, maar ook door de effecten op het hele lichaam. Ook is van belang hoe (snel) het lichaam het geneesmiddel opneemt, afbreekt en uitscheidt. Deze verkenning is in opdracht van het ministerie van VWS uitgevoerd. De registratie van nieuwe antibiotica is hierbij als casus uitgewerkt.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Using typing techniques in a specific outbreak: the ethical reflection of public health professionals | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Use of electronic medical records and quality of patient data: different reaction patterns of doctors and nurses to the hospital organization | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Mapping EQ-5D utilities to GBD 2010 and GBD 2013 disability weights: Results of two pilot studies in Belgium | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
The carbon balance of temperate grasslands part 1: the impact of increased species diversity | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Proteome analysis is a valuable tool to monitor antigen expression during upstream processing of whole-cell pertussis vaccines | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Taking multi-morbidity into account when attributing DALYs to risk factors: comparing dynamic modeling with the GBD2010 calculation method | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Cellular and humoral immunity after infection with B. pertussis. The role of age, antigen and vaccination history | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
hoort bij hoofdrapport: 2015-0073 In opdracht van de Ierse overheid heeft het RIVM de huidige wetenschappelijke kennis over mogelijke gezondheidseffecten van elektromagnetische velden op een rij gezet. De nadruk lag op de elektromagnetische velden afkomstig van hoogspanningslijnen en basisstations voor mobiele telefonie. Daarnaast heeft het RIVM het beleid van vijf Europese landen en Ierland aangaande de blootstelling van de bevolking aan elektromagnetische velden in kaart gebracht. Ook is beschreven hoe dat beleid in de praktijk wordt uitgevoerd. Met behulp van de verzamelde informatie zijn in dit Addendum beleidsopties geformuleerd op basis waarvan de Ierse overheid eigen beleid kan ontwikkelen.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Uit nieuw onderzoek van het RIVM blijkt dat het risico voor de gezondheid van sporten op kunstgrasvelden die zijn ingestrooid met rubbergranulaat, praktisch verwaarloosbaar is. Dat betekent dat het verantwoord is om op deze velden te sporten. Aanleiding voor het onderzoek is de maatschappelijke bezorgdheid die ontstond na de televisie-uitzending van Zembla 'Gevaarlijk spel' in oktober 2016. Het RIVM hoopt met de resultaten bij te dragen aan de beantwoording van de vragen van ministeries, gemeenten, sportclubs en ouders. Om te kunnen beoordelen in hoeverre sporten op granulaat een risico voor de gezondheid vormt, is het belangrijk om eerst te bepalen welke schadelijke stoffen in het granulaat zitten en in welke mate ze eruit kunnen vrijkomen. Vervolgens moet worden gekeken op welke manieren sporters in contact komen met deze stoffen en of dat gevolgen voor de gezondheid heeft. In rubbergranulaat zitten heel veel verschillende stoffen, zoals polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK's), metalen, weekmakers (ftalaten) en bisfenol A (BPA). De stoffen blijken in zeer lage hoeveelheden uit de korrels vrij te komen. Dat komt doordat de stoffen min of meer in het granulaat zijn 'opgesloten'. Hierdoor is het schadelijke effect op de gezondheid praktisch verwaarloosbaar. Wat heeft het RIVM onderzocht? Het RIVM heeft de stoffen onderzocht in rubbergranulaat van 100 sportvelden die representatief zijn voor de kunstgrasvelden in Nederland. Daarnaast zijn drie soorten laboratoriumproeven uitgevoerd om te onderzoeken welke stoffen uit de korrels vrijkomen als de sporter ermee in aanraking komt. Met deze zogeheten migratiestudies is uitgezocht in welke mate stoffen via de huid in het lichaam kunnen terechtkomen, via het spijsverteringskanaal of via de longen. Vervolgens is berekend in hoeverre mensen aan de vrijgekomen stoffen blootstaan en wat dat betekent voor de gezondheid. Verder is de beschikbare informatie in de wetenschappelijke literatuur bestudeerd over de stoffen in rubbergranulaat, de eigenschappen en de gezondheidseffecten ervan. Is er een verband met leukemie? In de beschikbare informatie zijn geen signalen aangetroffen die duiden op een verband tussen sporten op kunstgras met rubbergranulaat en het ontstaan van leukemie en lymfeklierkanker. Dit verband is in geen enkel internationaal onderzoek aangetoond. Bovendien blijkt uit de samenstelling van de rubberkorrels dat de chemische stoffen die leukemie of lymfeklierkanker kunnen veroorzaken er niet (benzeen, styreen en 1,3-butadieen) of in heel lage hoeveelheid (2-mercaptobenzothiazol) in zitten. Sinds eind jaren tachtig van de vorige eeuw is er in het algemeen een lichte stijging te zien in het aantal mensen tussen 10 en 29 jaar dat leukemie krijgt. Deze ontwikkeling is niet veranderd sinds de kunstgrasvelden in 2001 in Nederland in gebruik zijn genomen. Onderzoek in Amerika laat ook geen verhoging zien in het aantal nieuwe gevallen van lymfeklierkanker in gebieden waar relatief veel kunstgrasvelden liggen die zijn ingestrooid met rubbergranulaat. Begin 2017 komt informatie uit nieuw Amerikaans onderzoek beschikbaar. Omdat rubbergranulaat in de Verenigde Staten langer (sinds 1997) op voetbalvelden wordt gebruikt, kan over een langere periode worden geanalyseerd of er een verband is tussen sporten op kunstgras en het krijgen van leukemie. Het RIVM heeft contact met de onderzoekers en volgt dit onderzoek op de voet. Rubbergranulaat in het milieu De focus in dit onderzoek ligt op mogelijke gezondheidsrisico's voor mensen die sporten op velden met ingestrooid rubbergranulaat. Het onderzoek bevestigt eerdere inzichten dat het rubbergranulaat metalen bevat die in de omgeving terecht kunnen komen. Er blijkt vooral zink uit het rubbergranulaat vrij te komen. Dit metaal is niet schadelijk voor de mens, maar kan wel gevolgen hebben voor organismen in de bodem en het oppervlaktewater. Voldoet het rubbergranulaat aan de norm? Rubbergranulaat moet voldoen aan de norm voor zogenoemde mengsels. Deze norm schrijft voor hoeveel er maximaal van bepaalde stoffen in mag zitten (er bestaat geen norm voor wat eruit mag komen). Het gaat daarbij om stoffen die kankerverwekkend zijn (zoals PAK's), schadelijk zijn voor het nageslacht of het DNA beschadigen. De hoeveelheid PAK's in het rubbergranulaat voldoet ruim aan deze norm. De norm voor consumentenproducten is aanzienlijk strenger: deze staat veel lagere (100 tot 1000 maal minder) gehalten aan PAK's toe dan de mengselnorm. Het gehalte PAK's ligt iets boven de norm voor consumentenproducten. Momenteel doet het Europese Agentschap voor Chemische Stoffen (ECHA) onderzoek om te bezien welke norm voor rubbergranulaat wenselijk is. Het RIVM adviseert om de norm voor rubbergranulaat bij te stellen naar een norm die dichter in de buurt ligt van de norm voor consumentenproducten. Waarom wordt rubbergranulaat gebruikt voor voetbalvelden? Rubbergranulaat is fijngemalen rubber en wordt meestal gemaakt van oude autobanden. Als instrooimateriaal op kunstgrasvelden zorgt het ervoor dat het veld vergelijkbare eigenschappen krijgt als een gewoon grasveld. Dat betekent dat de bal niet te snel rolt, niet te hoog stuitert en het kunstgras beter geschikt is om slidings te maken dan zonder granulaat. Kunstgrasvelden kunnen het hele jaar door intensief gebruikt worden en vergen minder onderhoud. Tegenwoordig wordt veel geïnvesteerd om oude producten te hergebruiken als grondstof voor nieuwe producten. Dat geldt ook voor autobanden. De vragen over de veiligheid van rubbergranulaat maken duidelijk dat er een spanningsveld kan bestaan tussen het hergebruik van materialen en de zorgen om de gezondheidsrisico's van nieuwe producten.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Unravelling networks in local public health policymaking in three European countries - a systems analysis | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Increase in imported malaria in the Netherlands in asylum seekers and VFR travellers | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
In de huidige beoordeling van stoffen en producten worden de risico’s voor mens en milieu veelal per stof bekeken. In het milieu zijn echter altijd meerdere chemische stoffen tegelijk aanwezig. Het is daarom van belang om mee te wegen welke effecten deze stoffen samen kunnen hebben. De Europese Commissie concludeerde in 2009 dat in de huidige risicobeoordelingen van stoffen en producten onvoldoende rekening wordt gehouden met deze combinatie-effecten. Het RIVM reikt in dit discussiestuk een optie aan voor het meewegen van combinatie-effecten in de milieurisicobeoordeling van stoffen onder de REACH regelgeving. Voorgesteld wordt om bij de beoordeling van de risico’s van stoffen een zogenoemde Mixture Assessment Factor (MAF) toe te passen die is afgeleid op basis van veldgegevens. De factor drukt uit hoeveel stoffen bij de risicobeoordeling moeten worden meegewogen om voor een enkele stof te beoordelen of de productie en het gebruik uiteindelijk veilig zijn. Op deze manier wordt beoogd te bereiken dat alle stoffen samen, na emissie naar het milieu, geen milieurisico veroorzaken. Naast deze generieke aanpak onder REACH is er de ruimte om lokale situaties waar nodig individueel aan te pakken. Het voorstel voor een mogelijke methode om combinatie-effecten van stoffen in het milieu mee te nemen in de risicobeoordeling is niet nieuw. Hij wordt binnen Nederland al geruime tijd gebruikt om risicogrenzen voor stoffen in het milieu te bepalen. De precieze invulling van de MAF moet nog nader worden uitgewerkt. Aandachtspunt hierbij is in welke mate milieueffecten acceptabel worden gevonden, bijvoorbeeld omdat het ecosysteem ervan kan herstellen. Ook is het van belang te bepalen tot op welke hoogte er binnen REACH op generiek Europees niveau rekening gehouden dient te worden met combinatie-effecten. Zo kan het bijvoorbeeld efficiënter zijn om locatie specifieke risico’s lokaal, of nationaal aan te pakken.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
The impact of prenatal exposure to parasitic infections and to anthelminthic treatment on antibody responses to routine immunisations given in infancy: Secondary analysis of a randomised controlled trial | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Equine viral arteritis in breeding and sport horses in central Spain | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
De rekening van roken | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Gender asymmetry in concurrent partnerships and HIV prevalence | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Anti-Müllerian hormone trajectories are associated with cardiovascular disease in women: results from the Doetinchem Cohort Study | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Dietary intake of whole grains and plasma alkylresorcinol concentrations in relation to changes in anthropometry: the Danish diet, cancer and health cohort study | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Mediterranean diet and risk of pancreatic cancer in the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition cohort | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Rethinking Dementia care: the value of green care farming | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Osteoprotegerin and breast cancer risk by hormone receptor subtype: a nested case-control study in the EPIC cohort | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Circulating copper and zinc levels and risk of hepatobiliary cancers in Europeans | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Insulin-like growth factor 1 receptor activation promotes mammary gland tumor development by increasing glycolysis and promoting biomass production | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Frequency and determinants of consistent STI/HIV testing among men who have sex with men testing at STI outpatient clinics in the Netherlands: a longitudinal study | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Bridging of cryptic Borrelia cycles in European songbirds | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Dietary flavonoid intake and colorectal cancer risk in the European prospective investigation into cancer and nutrition (EPIC) cohort | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Microarray profile of the humoral immune response to influenza vaccination in breast cancer patients treated with chemotherapy | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Fatal diphtheria myocarditis in a 3-year-old girl-related to late availability and administration of antitoxin? | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
A practical approach to assess inhalation toxicity of metal oxide nanoparticles in vitro. | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Het Programma Aanpak Stikstof (PAS) is ingevoerd om de stikstof-uitstoot in Natura 2000-gebieden te verminderen en tegelijkertijd ruimtelijke en economische ontwikkelingen mogelijk te maken. De PAS is op 1 juli 2015 in werking getreden. Het RIVM zal in opdracht van het PAS-Bureau de Nederlandse overheid jaarlijks rapporteren over de berekende hoeveelheid stikstof die vanuit de lucht op de bodem neerslaat (depositie). Deze informatie kan worden gebruikt om te beoordelen of het programma moet worden bijgestuurd. De eerste monitoringsrapportage bevat de nulmeting en de ontwikkeling van de hoeveelheid stikstof gedurende het eerst halfjaar in de Natura 2000-gebieden. Hieruit blijkt dat de berekende stikstofdepositie door de jaren heen daalt, ook als de ruimte die beschikbaar is voor economische activiteit wordt ingevuld. De resultaten zijn in lijn met de prognoses die zijn gemaakt op het moment dat de PAS in werking trad. De berekende daling is nog niet overal terug te zien in de metingen van de ammoniakconcentraties van de afgelopen jaren. In delen van Nederland wordt op basis van de metingen zelfs een stijgende trend waargenomen. In opdracht van het ministerie van Economische Zaken onderzoekt het RIVM het verschil tussen de berekeningen en de metingen. Deze rapportage over stikstof is onderdeel van de totale jaarlijkse PAS-monitoringsrapportage. De overige onderdelen zijn een soortgelijke rapportage over de natuur (onder verantwoording van het PAS-Bureau) en een overkoepelende notitie over de totale PAS Monitorings-rapportage.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
In 2014 voldeed Nederland aan de Europese verplichting om jaarlijks de hoeveelheid radioactiviteit in het milieu en in voeding te meten. Alle lidstaten van de Europese Unie zijn volgens het Euratom-verdrag uit 1957 verplicht deze metingen jaarlijks te verrichten. Nederland voert daarbij de aanbevelingen uit die in 2000 zijn opgesteld om de metingen volgens een bepaald stramien uit te voeren. De metingen leveren achtergrondwaarden op, ofwel radioactiviteitsniveaus, die onder normale omstandigheden aanwezig zijn. Deze waarden kunnen bij bijvoorbeeld calamiteiten of rampen als referentie dienen. Het RIVM rapporteert namens Nederland aan de Europese Unie over radioactiviteit in het milieu. Radioactiviteit in lucht, voedsel, melk, gras en veevoer De radioactiviteitsniveaus in lucht laten een normaal beeld zien dat niet verschilt van voorgaande jaren. De niveaus in voedsel en melk liggen net als in voorgaande jaren duidelijk onder de Europese limieten die zijn opgesteld voor consumptie en export. Ook de radioactiviteitsniveaus in gras en veevoer laten een normaal beeld zien. Radioactiviteit in oppervlaktewater, zeewater en drinkwater De radioactiviteitsniveaus in oppervlaktewater en zeewater verschillen niet van voorgaande jaren. In ongezuiverd water voor de drinkwaterproductie liggen de niveaus meestal onder de zogeheten screeningswaarden (boven deze waarden moet nader onderzoek worden uitgevoerd). Een uitzondering daarop zijn acht monsters (2 procent van het totale aantal) waarbij licht verhoogde niveaus zijn gemeten. Deze verhogingen zijn zodanig laag dat ze niet schadelijk zijn voor de gezondheid. Wel wordt momenteel de oorzaak ervan onderzocht.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Characteristics of RSV-specific maternal antibodies in plasma of hospitalized, acute RSV patients under three months of age | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Extraction of soil solution by drainage centrifugation-effects of centrifugal force and time of centrifugation on soil moisture recovery and solute concentration in soil moisture of loess subsoils | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Exposure-response analyses of asbestos and lung cancer subtypes in a pooled analysis of case-control studies | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Effect of weight loss with or without exercise on inflammatory markers and adipokines in postmenopausal women: The SHAPE-2 trial, a randomized controlled trial | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Genome-wide association study of polymorphisms predisposing to bronchiolitis | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Diagnosis and treatment of Listeria monocytogenes endophthalmitis: a systematic review | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Reconsideration of the scheme of the international classification of functioning, disability and health: incentives from the Netherlands for a global debate | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Citizen science for public health. | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
No evidence for cross-protection of the HPV-16/18 vaccine against HPV-6/11 positivity in female STI clinic visitors | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Smart emission - Building a spatial data infrastructure for an environmental citizen sensor network | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Proactiever testen op hiv is nodig | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Recommendations and improvements for the evaluation of integrated community-wide Interventions approaches | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Quantification of the horizontal transmission of Mycoplasma synoviae in non-vaccinated and MS-H vaccinated layers | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Chronic norovirus infection among solid organ recipients in a tertiary care hospital, the Netherlands, 2006-2014 | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Body mass index in adolescence may influence the risk of cardiovascular disease later in life | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
High prevalence of Tula Hantavirus in common voles in The Netherlands | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
No association of alcohol use and the risk of ulcerative colitis or Crohn's disease: data from a European Prospective cohort study (EPIC) | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Large measles epidemic in the Netherlands, May 2013 to March 2014: changing epidemiology | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Chronic norovirus infection among solid organ recipients in a tertiary care hospital, the Netherlands, 2006-2014 | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Dit rapport bevat een erratum achter in het rapport d.d. 20-03-2018 Uitdagingen en ambities zijn groot De meeste Nederlanders zijn gezond en de levensverwachting stijgt. Tegelijkertijd heeft de helft van de Nederlanders overgewicht; in lagere sociaaleconomische groepen is dit nog meer. Ook eten 9 van de 10 mensen te weinig groente en fruit en is bijna 30 procent van ons eten van dierlijke oorsprong. Het voedingspatroon van een gemiddelde Nederlander leidt niet alleen tot gezondheidsverlies, maar vormt ook een grote belasting voor het milieu. Het zorgt voor een uitstoot aan broeikasgassen die vergelijkbaar is met die van vervoer. Jaarlijks verspillen Nederlanders per persoon 47 kilogram voedsel. Voedsel in Nederland is overwegend veilig: ongeveer 1 op de 24 mensen maakt jaarlijks een voedselinfectie door, die meestal niet ernstig verloopt. Voor de meeste chemische stoffen in voedsel is het risico voor de volksgezondheid verwaarloosbaar. Nederland wil voorop lopen in de internationale ambitie voor een gezond, duurzaam en veilig voedingspatroon. Om dat te realiseren is integraal beleid nodig gericht op veiligheid, gezondheid en duurzaamheid tegelijkertijd. Kansen In dit onderzoek heeft het RIVM de feiten en cijfers over de veiligheid, gezondheid en ecologische duurzaamheid van voedsel in Nederland verzameld en geanalyseerd welke kansen en dilemma's er zijn voor een integraal voedselbeleid. Niet teveel eten, een voedingspatroon met meer plantaardige en minder dierlijke producten en minder suikerhoudende en alcoholische dranken: dat zijn drie kansen voor een gezonder en duurzamer voedingspatroon. Deze veranderingen verminderen het aantal chronisch zieken, verkleinen de gezondheidsverschillen en beperken de milieubelasting van voedsel. In de meeste gevallen wordt het voedsel daarmee ook veiliger; zo gaat de consumptie van minder vlees samen met minder voedselinfecties. Dilemma's Er zijn ook dilemma's. Niet alle maatregelen voor gezonde voeding zijn duurzaam en veilig, en vice versa. Zo is het duurzaam om bij vleesconsumptie het hele dier van kop tot staart te eten. Dit betekent ook bewerkte vleesproducten, zoals worst, die weer minder gezond zijn. Daarnaast bestaat er een spanningsveld tussen abstracte doelstellingen op lange termijn ('gezonder, duurzamer en veilig') en concrete keuzen in het dagelijks leven. Veel burgers en bedrijven vinden gezondheid en duurzaamheid belangrijk, maar in de winkel letten consumenten toch vooral op prijs en gemak. Bedrijven willen op hun beurt deze consument dienen en winst maken. Keuzen maken De spanning tussen duurzaam, gezond en veilig voedsel, en het gemak, de betaalbaarheid en de economie vraagt om keuzen. Om hier een uitweg in te vinden is een actieve rol van de overheid gewenst, die samen optrekt met de agrarische sector, bedrijven, burgers en maatschappelijke organisaties. Daarbij is niet alleen een goede informatievoorziening voor de consument nodig, maar ook een gezonder en duurzamer aanbod. Hetzelfde geldt voor een omgeving die gezond en duurzaam gedrag stimuleert. Partijen die hier veel invloed op hebben, zoals inkooporganisaties voor supermarkten en de detailhandel, kunnen een belangrijke partner zijn. Dat veel burgers en bedrijven duurzaam, gezond en veilig voedsel belangrijk vinden, creëert legitimiteit voor deze actieve rol. Kansen benutten Kansen voor een integrale aanpak zijn er. De Nederlandse maatschappij kenmerkt zich door ondernemingsgeest en innovatievermogen. Er zijn al burgerinitiatieven gaande die werk maken van verantwoord voedsel. Bedrijven en de agrarische sector willen hieraan bijdragen door slimme oplossingen waarmee winst te maken is. Als de overheid deze ontwikkelingen stimuleert en faciliteert, worden de maatschappelijke ambities, de ondernemingsgeest en het innovatievermogen van alle partijen benut.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Mensen kunnen op verschillende manieren blootgesteld worden aan bacteriën. Dit kunnen ook bacteriën zijn die resistent zijn tegen antibiotica, zoals de ESBL-producerende E. coli-bacteriën. Een van de mogelijke blootstellingsbronnen hiervan is vlees. Het RIVM heeft berekend in welke mate verschillende vleessoorten bijdragen aan de blootstelling van de mens aan ESBL-producerende bacteriën. Volgens deze schattingen is rundvlees een veel belangrijkere bron dan kippenvlees. Vlees van varken, kalf of schaap is minder relevant voor de totale blootstelling door het eten van vlees. Van de onderzochte vleessoorten is rundvlees verantwoordelijk voor circa 78 procent van de totale blootstelling via het eten van vlees. Dat komt vooral doordat sommige rundvleesproducten rauw worden gegeten, zoals filet americain. Op rauw kippenvlees komen de meeste ESBL-producerende bacteriën voor. Doordat het meestal goed wordt verhit voordat het wordt gegeten, is de blootstelling via kippenvlees veel lager (18 procent). Mensen kunnen wel door rauw kippenvlees besmet raken via kruisbesmetting in de keuken, bijvoorbeeld door kip en groente met hetzelfde mes of op dezelfde snijplank te snijden. In de berekeningen is rekening gehouden met de invloed van diverse factoren die de aanwezigheid van bacteriën op vlees beïnvloeden: soorten voorbewerking (verhitten, zouten, drogen/fermenteren), bewaarcondities (kamertemperatuur, koelkast, vriezer), en de bereiding in de keuken (rauw, goed doorbakken, half doorbakken, de mate van kruisbesmetting et cetera). Er zijn geen metingen verricht. Het gaat in dit onderzoek om het verschil tussen soorten vlees. Het is onduidelijk wat het aandeel van vlees is in de totale blootstelling aan ESBL-producerende bacteriën, omdat mensen ook via andere bronnen dan vlees daaraan worden blootgesteld. Voorbeelden zijn contacten met dieren, contacten tussen mensen, andere soorten voedsel zoals rauwe groenten en fruit en via het milieu, zoals door zwemmen in oppervlaktewater. Ook is niet duidelijk in welke mate mensen door de blootstelling via vlees daadwerkelijk drager worden van deze bacterie. Bovendien wordt niet iedere drager ziek van een resistente bacterie.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Gevaccineerd voor twee | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
External validation of health economic decision models for chronic obstructive pulmonary disease (COPD): Report of the third COPD modeling meeting | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
How lay people understand and make sense of personalized disease risk information | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Ticks and Borrelia in urban and peri-urban green space habitats in a city in southern England | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Hijacking complement regulatory proteins for bacterial immune evasion | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Estimation of age-specific rates of reactivation and immune boosting of the varicella zoster virus | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
A comparison of fate and toxicity of selenite, biogenically, and chemically synthesized selenium nanoparticles to zebrafish (Danio rerio) embryogenesis | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Surveillance of antimicrobial use in Dutch long-term care facilities | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
A signature of renal stress resistance induced by short-term dietary restriction, fasting, and protein restriction | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Outdoor air pollution and risk for kidney parenchyma cancer in 14 European cohorts | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
A software tool for estimation of burden of infectious diseases in Europe using incidence-based disability adjusted life years | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Impact of age and vaccination history on long-term serological responses after symptomatic B. pertussis infection, a high dimensional data analysis | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
First record of ixodes ariadnae in western Europe, Belgium - Short communication | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
De Rijksoverheid wil dat overheidsorganisaties zo veel mogelijk maatschappelijk verantwoord inkopen (MVI). Dit betekent dat overheidsinstanties niet alleen naar de prijs van producten kijken, maar ook naar de effecten ervan op het milieu: in hoeverre ze duurzaam zijn geproduceerd, kunnen worden hergebruikt (circulair) en zijn gebaseerd op plantaardige grondstoffen (biobased). Ook wordt gekeken naar sociale effecten, zoals mensenrechten, en of ze innovaties stimuleren. Het RIVM heeft op een rij gezet welke 'tools' inkopers tot hun beschikking hebben om de milieueffecten te duiden. De tools variëren sterk van opzet: sommige zijn bijvoorbeeld gericht op een specifieke productgroep (zoals gebouwen), anderen juist op een bepaald milieuthema (zoals klimaatverandering of vermesting). Daarnaast kunnen ze kwalitatief, of juist kwantitatief zijn georiënteerd. Vervolgens heeft het RIVM 13 tools geselecteerd die de brede variatie aan mogelijkheden weergeven en deze verder geanalyseerd. De analyse helpt inkopers bij het kiezen van een tool door inzichtelijk te maken welke beschikbaar zijn en in welke situatie ze het beste tot hun recht komen. Voor het beleid levert de analyse aanbevelingen over welke tools en indicatoren nog ontbreken en dus ontwikkeld moeten worden. Het gaat hier vooral om indicatoren voor hoogwaardig hergebruik van grondstoffen. Ook wordt aanbevolen om bestaande databases over de milieu, circulaire en biobased impact van grondstoffen, zoals de milieu-impact van gebouwen en Grond- Wegen- en Waterwerken, te gebruiken en uit te breiden voor andere productgroepen. Ten slotte worden aanbevelingen aangereikt voor de wijze waarop het succes van MVI wordt gemeten. De MVI-monitor wordt door het RIVM ontwikkeld, in samenwerking met Rijkswaterstaat en het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL).
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Emergency preparedness for long lasting releases - Overview and conclusions | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Erratum to: Genetic adaptation of influenza A viruses in domestic animals and their potential role in interspecies transmission: a literature review | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Overview of the PREPARE WP3: Management of contaminated goods in post-accidental situation - Synthesis of European stakeholders' panels | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Mensen kunnen dezelfde geluidsterkte anders beleven. Zo blijkt dat omwonenden hetzelfde aantal decibellen per regionaal vliegveld verschillend ervaren. Dit komt doordat omstandigheden op en rond de luchthavens van invloed zijn op de manier waarop geluid wordt ervaren. Het aantal en het type vliegtuigen zijn onder andere van invloed op de beleefde hinder. Dat geldt bijvoorbeeld ook voor de verwachtingen over de toekomstige hoeveelheid vliegverkeer en de bijbehorende hoeveelheid geluid. Meten Hinder door luchtverkeer kan op twee manieren in kaart worden gebracht: met berekeningen of met een zogeheten belevingsonderzoek. De nationale rekenformule, die in 2002 voor Schiphol is opgesteld, wordt ook gebruikt om toekomstverwachtingen voor regionale luchthavens te berekenen. Deze rekenmethode houdt minder rekening met lokale actuele omstandigheden doordat hij een algemene weergave van de hindersituatie geeft. Beleven Belevingsonderzoeken zijn nuttige instrumenten omdat ze recht doen aan de veelheid van factoren die geluidhinder bepalen. Het is dan wel van belang dat ze op dezelfde manier zijn opgezet zodat de resultaten goed met elkaar kunnen worden vergeleken. Om de verschillen tussen de regionaal beleefde hinder nader te onderzoeken, zijn enkele vragen toegevoegd aan de landelijke GGD-monitor volksgezondheid. Dit is een gestandaardiseerd, vierjaarlijks onderzoek dat een beeld geeft van de ervaren gezondheid in Nederland in brede zin. Op deze manier wordt inzicht verkregen in de geluidhinder rond regionale luchthavens en de eventuele verschillen daartussen. Voor deze inventarisatie heeft het RIVM een overzicht gemaakt van de belevingsonderzoeken die in de periode 1996-2015 zijn uitgevoerd rond de regionale luchthavens van nationale betekenis.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Er zijn meerdere activiteiten gaande om van organisch afval nieuwe producten te maken, zodat zo min mogelijk stoffen verloren gaan (circulaire economie). Zo wordt uit afvalwater de meststof struviet gehaald en uit koeienmest en bietenpulp, energie en meststoffen. Nieuwe technologieën maken deze ontwikkelingen ook steeds beter mogelijk. Om duurzaam en veilig hergebruik mogelijk te maken wil het ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM) inzicht krijgen welke van dergelijke activiteiten ze kunnen bevorderen en welke juist niet. Om hierover te kunnen beslissen heeft het RIVM in kaart gebracht welke informatie daarvoor nodig is. Het RIVM vindt het van belang dat met een integrale, ‘brede blik’ wordt gekeken naar de gevolgen van hergebruik voor het milieu. Op die manier wordt duidelijk wat een product opbrengt, zowel sociaal (beleving, werkgelegenheid), financieel, als voor het milieu. Daarmee wordt voorkomen dat het hergebruik goed is voor de ene productieketen, maar schadelijk voor een andere. Zo moet er bij hergebruik rekening mee worden gehouden dat bepaalde voedingsstoffen in de bodem achterblijven, zodat deze gezond blijft en zijn vruchtbaarheid behoudt. Ook moet worden voorkomen dat een hergebruikte stof niet meer voor zijn oorspronkelijke bestemming beschikbaar is en een alternatief moet worden geïmporteerd. Zo heeft hergebruik van frituurvet voor biologische brandstof tot gevolg dat er niet voldoende is om zeep van te maken en moet daarvoor palmolie worden aangevoerd. Voor een optimaal hergebruik van organisch afval is het wenselijk de impact van keuzes goed te kunnen wegen. Hiervoor is een duidelijk stappenplan nodig dat het mogelijk maakt om met een brede blik de gevolgen te meten. Het RIVM pleit er dan ook voor om hiervoor een standaardmethode te ontwikkelen.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Is there an association between ambient air pollution and bladder cancer incidence? Analysis of 15 European Cohorts | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
First order risk assessment for nanoparticle inhalation exposure during injection molding of polypropylene composites and production of tungsten-carbide-cobalt fine powder based upon pulmonary inflammation and surface area dose | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Mumps transmission in social networks: a cohort study | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Diagnosis of intestinal parasites in a rural community of Venezuela: Advantages and disadvantages of using microscopy or RT-PCR | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Gestational disruptions in metabolic rhythmicity of the liver, muscle, and placenta affect fetal size | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
What explains anorectal chlamydia infection in women? Implications of a mathematical model for test and treatment strategies | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Borrelia miyamotoi in vectors and hosts in The Netherlands | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Emerging Bordetella pertussis strains induce enhanced signaling of human pattern recognition receptors TLR2, NOD2 and secretion of IL-10 by dendritic cells | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Perspectives, preferences and needs regarding early prediction of preeclampsia in Dutch pregnant women: a qualitative study | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Incidence of surgical site infections cannot be derived reliably from point prevalence survey data in Dutch hospitals | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Reduced chance of hearing loss associated with therapeutic drug monitoring of aminoglycosides in the treatment of multidrug resistant tuberculosis | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Nine years of newborn screening for classical galactosemia in the Netherlands: Effectiveness of screening methods, and identification of patients with previously unreported phenotypes | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Health-related factors associated with discrepancies between children's potential and attained secondary school level: A longitudinal study | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Influenza vaccine effectiveness in the Netherlands from 2003/2004 through 2013/2014: the importance of circulating influenza virus types and subtypes | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Diagnosis of intestinal parasites in a rural community of Venezuela: Advantages and disadvantages of using microscopy or RT-PCR | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Immune responses in mice vaccinated with a DNA vaccine expressing serine protease-like protein from the new-born larval stage of Trichinella spiralis | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Age-specific incidence and prevalence of keratoconus: a nationwide registration study | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Improved swift quantitative microbiological risk assessment (sQMRA) methodology | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Hepatitis E virus seroprevalence among the general population in a livestock-dense area in the Netherlands: a cross-sectional population-based serological survey | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Sponge microbiota are a reservoir of functional antibiotic resistance genes | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Guidelines for the direct detection of anaplasma spp. in diagnosis and epidemiological studies | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Human tick-borne encephalitis, the Netherlands | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Inefficient co-feeding transmission of Borrelia afzelii in two common European songbirds | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Did neoliberalizing West Africa's forests produce a vaccine-resistant Ebola? | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
The employer perspective on sustainable employability in the construction industry | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Ebola in the hog sector: Modeling pandemic emergence in commodity livestock | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Borrelia miyamotoi and co-infection with Borrelia afzelii in Ixodes ricinus ticks and rodents from Slovakia | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Enzootic origins for clinical manifestations of Lyme borreliosis | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Whole genome sequencing as the ultimate tool to diagnose tuberculosis | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Comparative exposure assessment of ESBL-producing Escherichia coli through meat consumption | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
In opdracht van VWS heeft het RIVM een eerste inventarisatie gemaakt van mogelijkheden om een ‘post marketing surveillance’-systeem (PMS) voor chemische stoffen in consumentenproducten, inclusief voeding, op te zetten. Met een dergelijk systeem worden signalen over schadelijke (langetermijn)effecten van stoffen in kaart gebracht, nadat ze op de markt zijn gebracht. Aanleiding hiervoor is een voorstel van de Gezondheidsraad om een PMS in te richten. De raad concludeerde namelijk in 2014 dat mogelijk niet alle relevante effecten van stoffen op de volksgezondheid uit (proefdier)onderzoek worden opgepikt, waardoor ze niet vooraf in de risicobeoordeling worden meegenomen. Voor de inventarisatie is eerst een globaal overzicht opgesteld welke post-marketing-surveillance activiteiten op het gebied van onder andere voeding, geneesmiddelen en consumentenproducten al worden uitgevoerd. Van de ervaringen uit deze ‘kaders’ kan immers gebruik worden gemaakt. Verschillende stakeholders binnen de overheid hebben het overzicht vervolgens aangevuld en hebben mogelijkheden voor aanpassingen op de korte en lange termijn besproken. Voor de korte termijn raden zij aan kennis uit verschillende kaders met elkaar te delen, bestaande databases aan elkaar te koppelen en elkaar te informeren over effecten van chemische stoffen die ad hoc worden gesignaleerd. Voor de toekomst wordt meer aansluiting gezocht bij metingen van blootstelling direct in de mens, dan wel via metingen in bijvoorbeeld bloedmonsters die in biobanken zijn opgeslagen. Ook wordt een intensievere registratie van het gebruik van stoffen in consumentenproducten voorgesteld, en een methode om PMS-data internationaal op uniforme manier te verzamelen. Geadviseerd wordt om de input met de stakeholders te structureren in de vorm van een werkgroep.
Jaar: 2017
Onderzoek
Documenten: 1
Immune responses after 2 versus 3 doses of HPV vaccination up to 4½ years post vaccination: an observational study among Dutch routinely vaccinated girls (HPV2D) | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Characteristics of cadmium uptake and membrane transport in roots of intact wheat (Triticum aestivum L.) seedlings | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Comparative genome analysis and global phylogeny of the toxin variant Clostridium difficile PCR Ribotype 017 reveals the evolution of two independent sub-lineages | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Mortality in patients with rheumatoid arthritis: a 15-year prospective cohort study | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Personal health records in the Netherlands: potential user preferences quantified by a discrete choice experiment | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Diagnostic performance of serological assays for anti-HBs testing: Results from a quality assessment program | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
Helicobacter pylori infection, chronic corpus atrophic gastritis and pancreatic cancer risk in the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition (EPIC) cohort: a nested case-control study | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek
The sensory difference threshold of menthol odor in flavored tobacco determined by combining sensory and chemical analysis | RIVM
Jaar: 2017
Onderzoek