Dit rapport is een Engelse vertaling van: Preventief gedrag bij door dieren overdraagbare infectieziekten. Literatuuronderzoek naar gedragsdeterminanten en interventies in de recreatiecontext Infectieziekten die van dieren op mensen worden overgedragen zijn een risico voor de volksgezondheid. Denk aan de ziekte van Lyme, die via teken wordt overgedragen of aan hondsdolheid, dat wordt overgedragen als een besmet dier iemand bijt of krabt. Mensen kunnen dit soort infecties krijgen als ze aan het recreëren zijn, bijvoorbeeld in het bos, als ze thuis zijn of op reis. Mensen kunnen verschillende dingen doen om een infectie te voorkomen. Voorbeelden zijn beschermende kleding dragen, een insectwerend middel gebruiken of zich tegen hondsdolheid laten vaccineren bij reizen naar bepaalde gebieden. Dat heet preventief gedrag. Om te weten wat mensen helpt om dit gedrag uit te voeren, is het belangrijk inzicht te hebben wat hen daartoe wel of niet motiveert. Het RIVM heeft onderzocht wat hierover bekend is in de wetenschappelijke literatuur. Het blijkt dat mensen die preventieve acties nemen over het algemeen meer kennis hebben over infectieziekten dan mensen die dat minder vaak doen. Ze weten beter wat ze kunnen doen om een infectie te voorkomen. Ze verwachten vaker dat de acties goed werken om een infectie te voorkomen. Ook ervaren ze meer risico: ze denken dat de kans groter is om de ziekte te krijgen of dat ze er heel ziek van kunnen worden. Bovendien hebben ze vaker meer vertrouwen dat ze deze acties kunnen uitvoeren (haalbaarheid). Tot slot valt op dat vrouwen vaker preventief gedrag vertonen dan mannen. Mensen kunnen op verschillende manieren worden geholpen om preventief gedrag uit te voeren. Zorgen voor meer kennis, bijvoorbeeld via onderwijs of informatiefolders, lijkt te werken en wordt al veel gedaan. Andere zaken blijken ook belangrijk te zijn, zoals de haalbaarheid van gedrag. Deze kan worden vergroot door acties makkelijker te maken. Door bijvoorbeeld water en zeep te plaatsen op plekken waar mensen hun handen moeten wassen, gaan mensen dat vaker doen. Verder is het belangrijk te evalueren of interventies in de praktijk werken. De literatuurstudie laat zien dat er vooral onderzoek is gedaan naar preventief gedrag bij ziektes die door teken en muggen overdraagbaar zijn. Minder aandacht is er voor gedrag bij ziektes die worden overgedragen via oppervlaktewater, vogels of zoogdieren.
Jaar: 2026
Onderzoek
Documenten: 1
Sinds 2022 onderzoekt het RIVM welke varkensgriepvirussen voorkomen op Nederlandse varkensbedrijven en of ze door de tijd heen veranderen. Griepvirussen waar varkens ziek van worden, lijken op de griepvirussen die mensen ziek maken. Daardoor kunnen varkens besmet raken met griepvirussen van mensen, en andersom. Naast varkensgriepvirussen en 'mensengriepvirussen' kunnen varkens besmet raken met griepvirussen van vogels. Varkens worden daarom gezien als een 'mengvat'. Als een varken is besmet met een varkensgriepvirus én een griepvirus van mensen en/of vogels, zou een nieuw virus kunnen ontstaan. De kans daarop is klein, maar als dat een virus wordt dat mensen makkelijk kan besmetten en tussen mensen kan worden overgedragen, zouden veel mensen griep kunnen krijgen. Voor zowel varkens als mensen is het daarom goed om te weten welke griepvirussen bij varkens voorkomen. Voor dit onderzoek vergelijkt het RIVM varkensgriepvirussen met griepvirussen van mensen en vogels. De varkensgriepvirussen blijken door de jaren heen wel wat te zijn veranderd, maar hebben zich niet vermengd met andere griepvirussen. Ook blijkt dat medicijnen tegen varkensvirussen goed werken. Dat is belangrijk om te weten zodat mensen die er ziek van worden, goed kunnen worden behandeld. De kennis over varkensgriep helpt ook om in de toekomst betere vaccins te kunnen maken. Zowel voor varkens als voor mensen. Het RIVM adviseert om dit onderzoek de komende jaren te blijven doen. Varkensgriepvirussen zijn er altijd en kunnen door de jaren heen veranderen. Hierdoor is het belangrijk om in beeld te houden of deze virussen zich vermengen en nieuwe varianten ontstaan. Dat gebeurt al voor het griepvirus voor mensen en vogelgriep. Het ministerie van VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) gaf de opdracht voor dit onderzoek. Het is gedaan in een samenwerkingsverband van het RIVM, de Gezondheidsdienst voor Dieren (Royal GD Gezondheidsdienst voor Dieren (Gezondheidsdienst voor Dieren) ), het Erasmus Medisch Centrum (EMC) en Wageningen Bioveterinary Research (WBVR).
Jaar: 2026
Onderzoek
Documenten: 1
Technologische, economische en maatschappelijke ontwikkelingen gaan snel, zijn onzeker, en hebben invloed op werk. Het RIVM en TNO hebben daarom verkend welke ontwikkelingen belangrijk zijn om in 2040 gezond en veilig te werken in Nederland. Dit is uitgewerkt in vier toekomstscenario's. Hierin zijn de belangrijkste onzekerheden, zoals de mate waarin de economie groeit, in verschillende richtingen uitgewerkt. In het eerste scenario ('de wereld in blokken') staan internationale politieke spanningen en technologie centraal. Hierdoor komen er bijvoorbeeld meer banen in sectoren als defensie, veiligheid en industrie. In het tweede scenario ('minder is meer') heeft de samenleving meer aandacht voor waarden als geluk, duurzaamheid en gezondheid en minder voor geld en technologie. In het derde scenario ('economische crisis') gaan veel bedrijven failliet doordat verwachtingen van technologie en AI erg tegenvallen. Veel mensen raken hun baan kwijt door de economische crisis. In het laatste scenario ('de zesde versnelling') groeit de economie heel hard, werken landen over de hele wereld samen en gaan de technologische ontwikkelingen heel snel. De vier scenario's leiden tot een aantal inzichten. Zo is het belangrijk om grip te krijgen op de zogeheten psychosociale arbeidsbelasting, die vaak tot werkstress leidt. Deze is nu al groot en wordt naar verwachting alleen maar groter. Dat komt onder andere omdat veel werk moeilijker wordt. Of omdat mensen onzeker worden als hun taken veranderen. Een ander inzicht is dat risico's van werk veranderen door verschuivingen van werk naar andere sectoren. Als Nederland bijvoorbeeld minder afhankelijk wil zijn van landen als China en zelf meer industrie gaat ontwikkelen, kunnen meer werkenden blootstaan aan chemische stoffen. Tegelijkertijd kan technologie de risico's van werk verminderen, vooral bij fysiek zwaar werk en bij werken met gevaarlijke stoffen. Ten slotte blijft aandacht nodig voor groepen werkenden die door de ontwikkelingen eerder in de problemen kunnen komen. Bijvoorbeeld omdat ontwikkelingen heel snel gaan. Dat zijn vaak flexwerkers, mensen met een lagere opleiding of arbeidsmigranten. Beleidsmakers, werkgevers en vakbonden kunnen kijken of hun beleid in verschillende scenario's effectief is, zodat mensen gezond en veilig kunnen werken.
Jaar: 2026
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM ontwikkelt een afwegingskader voor preventie in opdracht van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). De ontwikkeling gebeurt door het toepassen van het afwegingskader op een aantal casussen. Casussen zijn voorbeelden van preventiemaatregelen die nog niet in (heel) Nederland zijn ingevoerd. Het doel is tweeledig. Enerzijds worden beleidsmakers geïnformeerd over uiteenlopende preventieve maatregelen. Anderzijds helpen deze casussen bij de ontwikkeling van het afwegingskader. De resultaten geven inzicht in de toepassingsmogelijkheden van het afwegingskader. Deze kennisnotitie beschrijft de bevindingen voor de preventiemaatregel 'Weren van nieuwe aanbieders van ongezond voedsel'. Het aantal mensen met overgewicht en obesitas in Nederland neemt toe. In 2023 had 51 procent van de volwassenen matig of ernstig overgewicht (overgewicht of obesitas). Het percentage inwoners van Nederland met matig en ernstig overgewicht neemt naar verwachting toe tot 64 procent in 2050. De maatregel richt zich op het weren van nieuwe verkooppunten van ongezonde voedselaanbieders in specifieke gebieden die worden aangewezen door gemeenten, bijvoorbeeld rondom scholen.
Jaar: 2026
Onderzoek
Documenten: 1
Deze kennisnotitie is een Engelse vertaling van: Pandemische Paraatheid & Gedrag - Resultaten vragenlijstmonitor 2024
Jaar: 2026
Onderzoek
Documenten: 1
Nederland is verplicht om elk jaar aan de Europese Unie te rapporteren hoeveel broeikasgassen worden uitgestoten. Dat staat in internationale klimaatafspraken, zoals het Klimaatverdrag van de Verenigde Naties (UNFCCC) en het Akkoord van Parijs. Het Nationale Systeem broeikasgassen bewaakt de kwaliteit van de Nederlandse rapportages. Dat zijn rapportages over feitelijke emissies, over de methode en beschrijvingen van de kwaliteitsbewaking en het kwaliteitsbeheer. Verschillende organisaties werken samen om gegevens te verzamelen voor de rapportages. De kwaliteitscontrole en kwaliteitszorg van de Emissieregistratie zorgt ervoor dat de gegevens betrouwbaar en van goede kwaliteit zijn. Maar niet alle organisaties vallen onder het kwaliteitssysteem van de ER. Dat zijn de zogeheten outside agencies. Dit zijn het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), TNO, Rijkswaterstaat Afvalbeheer, en onderzoeksinstituten van Wageningen University & Research. Het RIVM beschrijft in dit document de kwaliteitscontrole en borging (QA/QC) van deze outside agencies. Dit document wordt ten minste iedere vijf jaar geactualiseerd. Ook voor de kwaliteit van de gegevens van deze outside agencies gelden strenge eisen. De meeste voldoen aan het internationaal erkende kwaliteitssysteem NEN Nederlandse norm (Nederlandse norm ) -EN-ISO 9001. Een onafhankelijke instelling controleert regelmatig of de agencies aan deze kwaliteitssystemen voldoen. Ook ziet deze instelling erop toe dat de agencies zich aan de eisen houden. Voor outside agencies die geen NEN-EN-ISO certificering hebben, zijn aan dit document beschrijvingen van hun werkprocessen toegevoegd. Of er wordt verwezen naar documenten waarin deze procesbeschrijvingen staan. Zo is duidelijk hoe de outside agencies de kwaliteit kunnen bewaken. Zo zorgt Nederland ervoor dat de rapportages over de broeikasgassen betrouwbaar zijn, ongeacht de organisatie die de gegevens aanlevert.
Jaar: 2026
Onderzoek
Documenten: 1
In Nederland wonen ongeveer 3,8 miljoen mensen die ouder zijn dan 65 jaar. Zij wonen bijna allemaal zelfstandig, ook op hoge leeftijd. De overheid stimuleert dat ouderen zo lang mogelijk thuis wonen, zo nodig ondersteund door mensen uit hun eigen omgeving of professionals. En waar mogelijk met hulp van digitale hulpmiddelen, zoals een alarmknop of hulp bij het gebruik van medicijnen. Deze doelen maken deel uit van het beleid Wonen, Ondersteuning en Zorg voor Ouderen (WOZO), dat sinds 2022 bestaat. Het RIVM brengt vanaf 2025 in kaart hoe het gaat met deze doelen. Onder andere wordt onderzocht hoe zelfredzaam ouderen zijn. Bijvoorbeeld of ze zelf dagelijkse taken kunnen uitvoeren, zoals zich aankleden, douchen en zelf eten. Na een wetswijziging in 2015 steeg het aantal ouderen dat zelfstandig woont, ook degenen van 85 jaar en ouder. Sinds 2017 blijven deze aantallen hetzelfde. Verder blijkt dat ouderen ongeveer even zelfredzaam zijn. Ook zijn ze ongeveer even tevreden over hun leven en hebben ze evenveel zorg nodig. Een geschikte woning, bijvoorbeeld zonder trap, is een belangrijke voorwaarde om zelfstandig te kunnen blijven wonen, maar is vaak lastig te vinden. Wel zijn er steeds meer initiatieven die ouderen helpen om langer thuis te blijven wonen, zoals nieuwe woonvormen, met bijvoorbeeld verschillende niveaus van zorg. Het RIVM wijst beleidsmakers en onderzoekers erop hier meer aandacht aan te geven, zodat ouderen langer thuis kunnen wonen. Ouderen gebruiken steeds vaker digitale hulpmiddelen voor zorg, maar een groot deel doet dat niet. Zowel professionals als de ouderen zelf vinden digitale hulpmiddelen vooral handig als ze het leven echt makkelijker maken, bijvoorbeeld om medicijnen in te nemen of om contact te houden. Niet alle ouderen vinden digitale middelen fijn: sommigen hebben liever persoonlijk contact. Veel ouderen hebben er hulp bij nodig. Ondersteuning is daarom belangrijk. Het is belangrijk om beleid voor verschillende groepen ouderen te maken. Vooral ouderen met weinig contacten, een laag inkomen, een hoge leeftijd of geheugenproblemen hebben extra hulp nodig. Het RIVM maakte de monitor en rapportage in opdracht van VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) .
Jaar: 2026
Onderzoek
Documenten: 1
In Nederland worden veel snijbloemen verkocht die buiten de Europese Unie zijn gekweekt, zoals in Afrika of Zuid-Amerika. Buiten de EU Europese Unie (Europese Unie) kunnen gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt die in de EU niet zijn toegestaan. Mensen die met snijbloemen werken of ze thuis in een vaas zetten, staan aan deze gewasbeschermingsmiddelen bloot. De werkzame stoffen die erin zitten, kunnen schadelijk zijn voor de gezondheid. Hoe hoog de blootstelling aan deze stoffen is, bepaalt of dat zo is. De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) vraagt om een risicobeoordeling van gewasbeschermingsmiddelen op snijbloemen die gekweekt zijn buiten de EU. Het RIVM heeft hiervoor berekend of de blootstelling schadelijk is voor consumenten en mensen die met deze bloemen werken, bijvoorbeeld bloemisten, veilingmedewerkers en inspecteurs. De roos is gekozen als voorbeeld, omdat die het meest geïmporteerd wordt. De risicobeoordeling maakt duidelijk dat er een kans is op schadelijke effecten voor de gezondheid, alleen is niet duidelijk hoe groot die kans is. Dit geldt voor mensen die met deze bloemen werken, zelfs als zij hun armen en benen bedekken of met handschoenen werken. De blootstelling van consumenten is lager dan die van mensen die werken met rozen. Toch is een risico voor de gezondheid voor de consument niet helemaal uit te sluiten. De onduidelijkheid over het risico komt doordat onzeker is hoe groot de blootstelling via contact met snijbloemen precies is. Het RIVM geeft aanbevelingen voor verder onderzoek. Zo is het belangrijk duidelijk te krijgen hoeveel van de schadelijke stoffen op de huid van werkenden of consumenten terechtkomt. Het hangt er onder andere van af hoelang mensen met de bloemen in contact komen. En of werkenden in de praktijk bijvoorbeeld handschoenen of beschermende kleding dragen. Het onderzoek keek ook naar mogelijke risico's als mensen snijbloemen eten. Het is belangrijk voor gerechten met eetbare bloemen alleen bloemen te gebruiken die geteeld zijn voor consumptie. Als iemand toch snijbloemen eet die niet voor consumptie zijn bedoeld, kan er een risico voor de gezondheid zijn. Deze consumptie moet daarom worden afgeraden. Op basis van dit RIVM-rapport is door NVWA-BuRO NVWA Office for Risk Assessment and Research (NVWA Office for Risk Assessment and Research) een advies opgesteld. Zie het nieuwsbericht van de NVWA Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit) : Mogelijke gezondheids- en milieurisico’s door gewasbeschermingsmiddelen op geïmporteerde rozen.
Jaar: 2026
Onderzoek
Documenten: 1
Biociden zijn middelen om te ontsmetten en ongedierte te bestrijden. Biociden zijn vaak nuttig en noodzakelijk voor de veehouderij en om voedsel veilig op te slaan en te verwerken. Bijvoorbeeld om stallen en werkruimtes in slachthuizen te ontsmetten of om kakkerlakken en muizen in voedselopslagruimtes te doden. In biociden zitten werkzame stoffen waarvan resten kunnen achterblijven in het voedsel. De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) wil meten welke stoffen uit biociden achterblijven in vlees- en zuivelproducten en wil weten of ze schadelijk zijn voor de gezondheid. De NVWA Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit) meet nu een klein aantal stoffen uit biociden, vooral in onbewerkte producten als rauw vlees en melk. Omdat er veel verschillende stoffen worden gebruikt, heeft het RIVM een methode ontwikkeld om te bepalen welke het beste als eerste kunnen worden gemeten. De methode gebruikt informatie over alle stoffen uit biociden die zouden kúnnen achterblijven in vlees- en zuivelproducten. Er is gekeken waarvoor biociden worden gebruikt en naar wat er bekend is over metingen in vlees- en zuivelproducten en over gezondheidseffecten. Het RIVM beveelt aan om ook in bewerkte of samengestelde voedingsmiddelen te meten. Bij de verwerking van rauwe producten tot voedingsmiddelen worden namelijk biociden gebruikt, bijvoorbeeld om machines te ontsmetten. Verder is het belangrijk om te bepalen hoeveel resten van een werkzame stof maximaal in voedingsmiddelen terecht mogen komen. De normen die daarvoor gelden heten maximale residulimieten (MRL's). Voor sommige werkzame stoffen uit biociden bestaan deze normen nog niet. Voor andere stoffen wel, omdat ze ook worden gebruikt in bestrijdingsmiddelen in de landbouw of in geneesmiddelen voor dieren. Alleen is er bij deze normen nog geen rekening mee gehouden dat mogelijke resten van biociden ook in voedingsmiddelen kunnen terechtkomen. Dat moet er dus nog in worden verwerkt. Het is nog niet duidelijk hoe dat in bestaande en nieuwe MRL maximumresidugehalte (maximumresidugehalte) 's moet worden gedaan. Voor bestrijdingsmiddelen in de landbouw en diergeneesmiddelen gelden namelijk verschillende werkwijzen om een MRL te bepalen en voor biociden is die er nog niet. Ook liggen de rollen en samenwerkingsverbanden nog niet vast voor de verschillende Europese wetgevingsinstanties die daar voor nodig zijn. Het RIVM adviseert om hierover duidelijkheid te krijgen.
Jaar: 2026
Onderzoek
Documenten: 1
Strategieën voor inbedding van de Gecombineerde Leefstijlinterventie bij gemeenten. Domeinoverstijgend samenwerken aan een lokale aanpak | RIVM
Jaar: 2026
Onderzoek
Documenten: 1
De overheid neemt verschillende maatregelen om ervoor te zorgen dat de Nederlandse bevolking gezonder leeft. Onder andere om overgewicht en problematisch alcoholgebruik te verminderen. Dit gebeurt bijvoorbeeld via het Nationaal Preventieakkoord (NPA) en de Samenhangende Preventiestrategie (SPS). Met deze maatregelen is het nu al mogelijk om 'dubbele winst' te behalen, zowel voor gezondheid als het milieu. Het is bijvoorbeeld gezonder om minder rood en bewerkt vlees te eten, wat ook minder schadelijk is voor het milieu. Met aanpassingen en aanvullingen kunnen de maatregelen uit het NPA en de SPS het milieu nóg minder belasten. Hiervoor is een krachtig pakket nodig van minder vrijblijvende maatregelen dan in de huidige afspraken. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM. Concreet zorgen deze maatregelen ervoor dat er gezonder en meer plantaardig dan dierlijk voedsel wordt aangeboden. Ook is het belangrijk om water aan te bieden in plaats van frisdranken, alcoholhoudende en alcoholvrije dranken. Wetgeving is nodig om het voedselaanbod in omgevingen zoals scholen te verbeteren. Andere mogelijkheden zijn reclame voor ongezonde en milieubelastende voedingsmiddelen beperken. Of de kosten van de schade aan gezondheid en milieu meenemen in de prijs van voedingsmiddelen. Vrijblijvende maatregelen hebben te weinig effect. Zonder stevige aanvullingen op de maatregelen worden (inter)nationale doelen voor gezondheid en milieu niet behaald. Een goed afgestemde aanpak van de ministeries die gezondheids- en duurzaamheidsbeleid opstellen en uitvoeren, met beleid dat bovendien minder vrijblijvende maatregelen bevat, is nodig om burgers te helpen gemakkelijk de gezonde én duurzame keuze te maken. Het RIVM deed dit onderzoek in opdracht van het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN).
Jaar: 2026
Onderzoek
Documenten: 1
Deze kennisnotitie beschrijft onderzoek naar de mogelijkheid om water te onderzoeken op de aanwezigheid van Leptospira in plaats van rattenonderzoek. Het onderzoek laat zien dat Leptospira-DNA kan worden aangetoond in water op (wild)zwemlocaties en in ratten die zich daar bevinden, maar er is meer onderzoek nodig om de relatie tussen deze bevindingen beter te begrijpen en de risico's voor zwemmers goed in te kunnen schatten.
Jaar: 2026
Onderzoek
Documenten: 1
Het Zorg en Werk Netwerk is een besloten online community waar informatie over arbeidsgerelateerde zorg wordt gedeeld. Op basis van statistieken en vragenlijstgegevens is een evaluatie uitgevoerd naar het gebruik en de ervaringen van de leden. Als gemiddeld rapportcijfer gaven de respondenten een 7,2 voor hun algemene tevredenheid. De leden zien een meerwaarde in het Zorg en Werk Netwerk, bijvoorbeeld vanwege de doelgerichte informatie binnen het thema arbeidsgerelateerde zorg. Het blijkt echter dat actieve bijdragen en interactie binnen de community nog wat achterblijven. Op basis van deze evaluatie zal het Zorg en Werk Netwerk worden verbeterd en interactie worden gestimuleerd.
Jaar: 2026
Onderzoek
Documenten: 1
In deze kennisnotitie berekent het RIVM op basis van de meest recente luchtkwaliteitsgegevens voor stikstofdioxide (NO2) waar in 2030 mogelijk de knelpunten kunnen ontstaan nu de Europese grenswaarde voor NO2 Stikstofdioxide (Stikstofdioxide) wordt aangescherpt tot 20 µg/m3. De kennisnotitie laat ook zien wat een lagere uitstoot van stikstofoxiden (NOx) betekent voor de concentratie stikstofdioxide (NO2) in de lucht. Dit effect verschilt voor verschillende brongroepen, zoals industrie, binnenvaart en mobiele werktuigen. De kennisnotitie is een aanvulling op eerder onderzoek naar de mogelijke overschrijdingslocaties als gevolg van de nieuwe Europese luchtkwaliteitsrichtlijn. Het RIVM deed dit onderzoek in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat.
Jaar: 2026
Onderzoek
Documenten: 1
Januari 2026: dit is een nieuwe versie van rapport 2024-0042 Onder andere de industrie en elektriciteitscentrales hebben koelwater nodig. In koeltorens wordt opgewarmd koelwater weer afgekoeld om het opnieuw te kunnen gebruiken. In koeltorens en warmtewisselaars kunnen organismen zoals bacteriën gaan groeien, waardoor de installaties slechter gaan werken. Om dat zo veel mogelijk te voorkomen, wordt het koelwater behandeld met biociden. Een biocide is een middel met een werkzame stof die ongewenste organismen doodt. Voordat biociden in Europa op de markt mogen komen, wordt beoordeeld of ze schadelijke effecten kunnen hebben. In Nederland doet het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) dat. Hiervoor berekent het Ctgb Board for the Authorisation of Plant Protection Products and Biocides (Board for the Authorisation of Plant Protection Products and Biocides) hoeveel er van een werkzame stof bij een bepaald gebruik in het milieu terechtkomt. Dit gebeurt met zogeheten emissiescenario's. Voor het emissiescenario voor gebruik van biociden in koeltorens stelt het RIVM nu enkele aanpassingen voor. Hierdoor kan preciezer worden berekend hoeveel werkzame stof uit de koeltorens naar de lucht vervluchtigt. Met de aanpassingen kan beter worden ingeschat hoeveel werkzame stof er in het milieu terechtkomt en of dat schadelijk kan zijn. De werkzame stoffen komen in het milieu terecht via het geloosde koelwater. Ook kunnen ze naar de lucht worden uitgestoten. De uitstoot naar lucht gaat via twee routes: via druppeltjes koelwater die door de luchtstroom in de koeltoren worden meegenomen, en doordat de stoffen vanuit het koelwater naar de lucht vrijkomen (vervluchtiging). Tot nu toe werd de vervluchtiging voor alle chemische stoffen met één waarde berekend. Door de voorgestelde aanpassingen kan dit nu per stof worden berekend. Hoeveel er van een stof vervluchtigt, is afhankelijk van bepaalde eigenschappen van die stof. Aanleiding voor de voorstellen zijn vragen over de rekenmethode van het Ctgb en biocidenexperts van Europese lidstaten. De aanpassingen zijn met deze experts afgestemd. Het European Chemicals Agency (ECHA) moet ze nog wel in de rekenmethode verwerken, zodat alle lidstaten van de Europese Unie ermee kunnen gaan werken.
Jaar: 2026
Onderzoek
Documenten: 1
In blootstellingsonderzoek worden ultrafijne asbestvezels met een diameter kleiner dan 0,2 micrometer vaak niet meegeteld. Toch kunnen ook deze vezels een risico vormen als ze worden ingeademd. De Europese Unie heeft dit probleem onderkend en in de vernieuwde asbestrichtlijn van 2023 bepaald dat lidstaten kunnen kiezen: de dunne vezels tellen of strengere limieten instellen voor asbest in de lucht. Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) heeft aan het RIVM gevraagd om in de literatuur te onderzoeken wat er bekend is over de gezondheidsrisico's van ultrafijne asbestvezels. Uit dit onderzoek blijkt dat deze asbestvezels bijdragen aan de schadelijkheid van asbest voor mensen. Het is echter nog niet goed mogelijk om precies aan te geven hoe groot het gevaar is. Het RIVM adviseert om meer onderzoek te doen naar de gevolgen voor de Nederlandse grenswaarde voor asbest en naar de mogelijkheden om deze ultrafijne vezels goed te meten.
Jaar: 2026
Onderzoek
Documenten: 1
Nationaal en in Europees verband wordt er volop geïnvesteerd in geavanceerde materialen. Deze materialen kunnen allerlei nieuwe innovaties mogelijk, van nieuwe batterijen of medische technologie tot duurzaam bouwen en toepassingen voor defensie. Geavanceerde materialen worden daarom gezien als een sleuteltechnologie voor economische ontwikkeling, duurzaamheid en strategische autonomie. Tegelijk maakt het innovatieve karakter van deze materialen dat hun effecten op gezondheid en milieu moeilijk in te schatten zijn. Met deze kennisnotitie geeft het RIVM een beeld van de ontwikkelingen en doet het RIVM aanbevelingen voor beleidsmakers om de veilige en duurzame ontwikkeling van geavanceerde materialen zo tijdig mogelijk te borgen.
Jaar: 2026
Onderzoek
Documenten: 1
In Nederland zijn er drie bevolkingsonderzoeken om borst-, baarmoeder- en darmkanker vroeg op te sporen. Dat wordt gedaan om kanker zo goed mogelijk te kunnen behandelen. De bevolkingsonderzoeken hebben ook nadelen, zoals onterechte verdenkingen van kanker. De verhouding tussen de voor- en nadelen kan worden verbeterd door inwoners gerichter voor de bevolkingsonderzoeken uit te nodigen. Dit kan door mensen op basis van bepaalde criteria, zoals familiegeschiedenis en (on)gunstige uitslagen van eerdere screeningen, vaker of minder vaak uit te nodigen. Om deze 'risicogebaseerde kankerscreening' goed te kunnen invoeren, is het belangrijk dat betrokkenen deze werkwijze steunen. Dat zijn zowel de mensen die ervoor in aanmerking komen als de professionals die betrokken zijn bij de bevolkingsonderzoeken. Uit nationale en internationale wetenschappelijke onderzoeken blijkt dat inwoners en professionals vaak positief zijn over risicogebaseerde kankerscreening. Inwoners vragen zich wel af of deze manier van screening goed genoeg is om kanker op tijd te ontdekken. Ze zijn ook bang dat mensen schrikken als ze worden uitgenodigd voor een bevolkingsonderzoek omdat ze een hogere kans hebben op kanker. Goede communicatie over het doel en de werkwijze van risicogebaseerde kankerscreening vinden ze dan ook heel belangrijk. Professionals maken zich vooral zorgen over moeilijke praktische zaken bij de invoering van risicogebaseerde screening, zoals aanpassingen in het systeem en extra personeel. Zowel inwoners als professionals hebben behoefte aan op maat gemaakte, wetenschappelijk onderbouwde en begrijpelijke communicatie en hulp. Sommige inwoners hebben hulp nodig om de informatie te begrijpen en te kunnen beslissen of ze aan deze screening meedoen. Dit kan bijvoorbeeld door informatie te vertalen en toegankelijk (online) aan te bieden. Professionals hebben behoefte aan concrete richtlijnen over wie wat doet in het hele screeningsproces. Ook hebben ze training en technische hulpmiddelen nodig om de vele gegevens goed te kunnen verwerken. Meer onderzoek is nodig om te weten hoe de invoering van risicogebaseerde screening goed aansluit bij deze opvattingen en behoeften van inwoners en professionals.
Jaar: 2026
Onderzoek
Documenten: 1