Naar inhoud

Onderzoeken Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2021

Zoek binnen deze data in WooGLe

A literature study on the toxicokinetics of structural analogues of the mycotoxin deoxynivalenol | RIVM

Mensen kunnen via graanproducten, zoals brood en koekjes, stoffen binnenkrijgen die gemaakt zijn door schimmels. Deze stoffen noemen we mycotoxinen. Als de concentratie mycotoxinen te hoog is, kan dat schadelijk zijn voor de gezondheid. Dit kan bijvoorbeeld diarree of overgeven veroorzaken. Het RIVM heeft eerder een model gemaakt dat kan berekenen hoeveel van één soort mycotoxine (deoxynivalenol) we via voedsel binnenkrijgen en vervolgens uitplassen. Dit model is bijzonder omdat er alleen metingen in urine voor nodig zijn. In urine kun je mycotoxinen aantonen die in graanproducten niet altijd meetbaar zijn. Op dit moment worden de hoeveelheden mycotoxinen die mensen binnenkrijgen geschat met informatie over gemeten gehaltes in graanproducten, in combinatie met hoeveel ervan wordt gegeten. Het RIVM wil het model nog verder ontwikkelen om het bruikbaar te maken voor andere mycotoxinen in voedsel. Het RIVM heeft daarom in de wetenschappelijke literatuur gezocht voor welke mycotoxinen dat mogelijk is. Dat blijkt voor twee soortgelijke mycotoxinen te kunnen: T2 toxine en HT2 toxine. Ook voor deze mycotoxinen kan het RIVM de relatie berekenen tussen de hoeveelheid die we ervan binnenkrijgen op basis van wat er via urine wordt uitgescheiden. Voor dit onderzoek is informatie verzameld hoe verschillende mycotoxinen zich in dieren ‘gedragen’. Bijvoorbeeld hoe snel zij in het lichaam worden afgebroken en in de urine terechtkomen. Deze kennis bestaat niet over het gedrag van deze mycotoxinen in mensen. Dit onderzoek is gedaan in opdracht van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). De NVWA controleert met steekproeven de concentratie mycotoxinen in granen en andere voedselproducten. Het model kan meer inzicht geven in de concentratie waar mensen aan blootstaan.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg 2021 | RIVM

Het RIVM berekent elk jaar hoeveel ambulances in Nederland in het jaar daarop nodig zijn. In 2022 zijn dat er op werkdagen overdag 652, 10 meer dan in 2021. Op werkdagen in de avond zijn 13 auto’s meer nodig, op werkdagen in de nacht 2 minder dan in 2021. Het ‘referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg’ berekent het aantal ambulances waarmee de ambulancezorg in Nederland kan worden uitgevoerd. Dit model is gebaseerd op een aantal uitgangspunten voor de Nederlandse ambulancezorg. Voorbeelden zijn de tijd na een melding waarbinnen een ambulance ter plaatse moet zijn en de spreiding van de standplaatsen over het land. De berekening wordt normaal gesproken gemaakt op basis van het aantal ambulanceritten en de duur ervan in het jaar ervoor. Dit keer zijn de gegevens gebruikt van de jaren 2015 tot en met 2019. De gegevens over 2020 zijn niet gebruikt omdat het aantal ritten in dat jaar lager was dan verwacht door de uitbraak van het coronavirus SARS-CoV-2. Ook duurde een rit in 2020 gemiddeld langer dan verwacht. Het RIVM heeft op drie verschillende manieren het feitelijk aantal ritten van 2020 gecorrigeerd en één methode als de beste aangewezen. Het ministerie van VWS, de Ambulancezorg Nederland (AZN) en Zorgverzekeraars Nederland (ZN) hebben dit advies overgenomen. Het RIVM heeft deze methode vervolgens gebruikt in het referentiekader-2021. De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) gebruikt de uitkomsten van het referentiekader in haar rekenmodel om de regionale budgetten te bepalen.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Innovating the integration of ecological and human health Risk Assessment: Connecting concepts and cases (IRAC) - Identification phase, parallels and integration | RIVM

Er bestaan aparte methoden om risico’s van stoffen voor mensen en voor het milieu te beoordelen. Hoewel beide methoden risico’s beoordelen, gebruiken ze andere testmethoden en verschillen de doelen (denk aan effecten op organen bij mensen versus effecten op groepen dieren in het milieu). Toch kan de kwaliteit van een risicoanalyse van een stof beter worden als de resultaten van beide typen risicobeoordelingen worden samengevoegd. Dan kunnen de methoden nog beter aangeven voor welke stoffen de overheid met voorrang beleid moet maken. Ook zijn er mogelijk ook minder dierproeven nodig. Het RIVM heeft daarom de verschillen en overeenkomsten van de risicobeoordelingen voor mens en milieu in kaart gebracht. Hieruit blijkt dat ze vergelijkbare gegevens en modellen gebruiken om te voorspellen hoeveel van een stof in het milieu terechtkomt en aan welke hoeveelheid stoffen mens en dier worden blootgesteld. De hoeveelheden die in verschillende diersoorten terechtkomen zijn echter niet gelijk. Als we diersoorten met elkaar willen vergelijken, is het noodzakelijk om de gehaltes te kennen die in het dier of de mens zitten. Om deze gehalten in een proefdier te bepalen, kunnen modellen worden gebruikt die nabootsen hoe het proefdier stoffen opneemt, verdeelt, verteert en uitscheidt. Lange tijd was er in de wetenschap weinig bekend over de manier waarop stoffen schadelijke effecten veroorzaken in proefdieren en of dat bij verschillende diersoorten op dezelfde manier gebeurt (werkingsmechanisme). De kennis hierover neemt de laatste jaren sterk toe. Wanneer de werking voldoende overeenkomt, kunnen testresultaten van de ene naar de andere soort worden doorvertaald. De resultaten zouden dan kunnen worden gecombineerd met modellen die aangeven hoe een dier op een interne dosis van een stof reageert. Dit kan ook helpen de resultaten van andere (reageerbuis) testmethoden te vertalen naar de reactie in cellen en in het hele organisme.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Radioactiviteitsmetingen aan ‘negatieve ionen’-consumentenproducten | RIVM

Dit rapport bevat een erratum d.d. 02-08-2022 op pagina 35 Van producten met ‘negatieve ionen’, zoals sieraden en slaapmaskers, zeggen verkopers dat ze de gezondheid verbeteren. Maar deze producten kunnen radioactieve stoffen bevatten die zogeheten ioniserende straling uitzenden. Deze straling kan weefsel en DNA beschadigen, wat schadelijk is voor de gezondheid. De drager van de sieraden staat aan deze straling bloot. In de Verenigde Staten mogen deze producten daarom inmiddels niet meer worden verkocht. Op verzoek van de ANVS heeft het RIVM onderzoek gedaan aan 10 negatieve ionen-producten. De aanleiding was een signaal van een inwoner van Nederland dat negatieve ionen-producten radioactieve stoffen kunnen bevatten. Het RIVM heeft uitgezocht of dit echt zo was, en aan welke stralingsdosis de huid blootstaat als iemand het product draagt. Alle 10 producten bevatten meer radioactiviteit dan volgens de wet is toegestaan. De drager van de producten staat hierdoor via de huid bloot aan een extra dosis straling. Ook kan niet worden uitgesloten dat bijvoorbeeld de huid rood wordt op de plek waar het product wordt gedragen. In de wet staat dat er geen radioactiviteit in consumentenproducten mag zitten, tenzij daarvoor een rechtvaardiging is afgegeven. Dat is niet het geval voor deze producten. Rechtvaardiging betekent dat blootstelling aan ioniserende straling alleen is toegestaan als de voordelen opwegen tegen de mogelijke gezondheidsschade.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Effect van verschillende ventilatie-hoeveelheden op aerogene transmissie van SARS-CoV-2. Risicoschatting op basis van het AirCoV2-model | RIVM

Het RIVM heeft berekend wat het effect is van verschillende hoeveelheden ventilatie van binnenruimten op ‘aerogene transmissie’ van het coronavirus SARS-CoV-2. Aerogene transmissie betekent besmettingen met het virus via kleine druppels (aerosolen) die over een grotere afstand dan anderhalve meter en over langere tijd kunnen blijven zweven in de lucht. Ventileren helpt om aerogene transmissie te beperken. Bij ventileren wordt continu verse buitenlucht aan een ruimte toegevoerd waardoor de lucht in een binnenruimte wordt ververst. Vanwege een goed binnenklimaat moeten alle gebouwen in Nederland, waaronder woningen, aan de minimale ventilatie-eisen van het Bouwbesluit voldoen. Het blijkt dat ventilatie volgens de minimale eisen van het Bouwbesluit 2012 voor bestaande gebouwen de kans op aerogene transmissie flink verkleint in vergelijking met niet-ventileren. Nog meer ventileren maakt de kans nog kleiner, maar het effect daarvan is minder groot. Ventilatie neemt het risico op aerogene transmissie nooit helemaal weg. Ook bij heel veel ventilatie, waarbij de binnenlucht bijvoorbeeld elke 2 minuten helemaal wordt ververst, blijft een kans bestaan dat het virus op deze manier wordt overgedragen. Het RIVM heeft voor bepaalde publieke binnenruimtes berekend welk effect ventilatie naar verwachting heeft op het aantal mensen dat ziek wordt. Voorbeelden zijn een nachtclub, een kleine en een grote concertzaal, een klaslokaal, een kantoorruimte en een supermarkt. Ventilatie verkleint het verwachte aantal zieken het meest in de nachtclub en beide concertzalen. Het onderzoek geeft handvatten om beleidskeuzes te maken. Het is niet mogelijk om op basis van de resultaten aan te geven welk risico acceptabel is en wat een optimale hoeveelheid ventilatie is. Hiervoor zijn andere afwegingen nodig tussen aanvaardbare risico’s en eisen aan comfort, de kosten van aanschaf en onderhoud, en energiegebruik. Het is een beleidskeuze om te bepalen welk risico na deze afwegingen acceptabel wordt gevonden. Het gaat in dit onderzoek alleen om het risico op besmetting via aerogene transmissie. Het gaat niet om andere manieren waarop mensen besmet kunnen raken, zoals besmetting binnen anderhalve meter afstand (directe transmissie).
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Monitoringsrapportage NSL 2021. Stand van zaken Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit | RIVM

In het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) werken de overheden sinds 2009 samen om de luchtkwaliteit te verbeteren. De monitor is onder andere bedoeld om te kijken of Nederland de Europese grenswaarden haalt en of extra maatregelen nodig zijn om ze toch zo snel mogelijk te halen. Het RIVM rapporteert elk jaar over stikstofdioxiden en fijnstof in de lucht. Uit de monitoringsrapportage 2021 blijkt dat de luchtkwaliteit in 2020 verder is verbeterd. Voor het eerst voldoet Nederland voor wegverkeer aan de Europese grenswaarden voor stikstofdioxide. Dat komt omdat de concentraties stikstofdioxide bij de verkeerswegen in 2020 in heel Nederland onder deze grenswaarden liggen. Voor fijnstof is dat net niet zo. In Velsen ligt in 2020 een klein stuk weg van 100 meter niet onder de grenswaarde; dat is wel het geval langs wegen in de rest van Nederland. Op enkele woonlocaties in gebieden met intensieve veehouderijen worden de grenswaarden van fijnstof ook nog overschreden. De lage concentraties voor stikstofdioxide en fijnstof komen onder andere door de maatregelen vanwege de uitbraak van het coronavirus SARS-CoV-2 in 2020. Er was daardoor binnen en buiten Nederland minder verkeer en economische activiteit, en dus minder uitstoot. Dit effect is waarschijnlijk tijdelijk. Het is niet duidelijk of dat helemaal verdwijnt als de maatregelen worden opgeheven. De verwachting is wel dat de luchtkwaliteit de komende jaren verder verbetert doordat verkeer, industrie en veehouderijen minder stikstofdioxide en fijnstof uitstoten. Zo worden nieuwe auto’s steeds schoner of zijn ze elektrisch. Ook komen er steeds meer ‘lage-emissie zones’ in steden. Hier mogen bijvoorbeeld nog maar een beperkt aantal brandstofauto’s rijden of alleen elektrische auto’s. Schone lucht is belangrijk voor de volksgezondheid. Ook bij concentraties onder de Europese grenswaarden is luchtverontreiniging nog schadelijk. Daarom heeft de overheid het Schone Lucht Akkoord (SLA) opgesteld om de luchtkwaliteit in Nederland tot 2030 nog verder te verbeteren. De rijksoverheid, provincies en diverse gemeenten hebben daar afspraken over gemaakt. Nederland voldoet voor stikstofdioxide in 2020 aan de advieswaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) uit 2005. Voor fijnstof is dat niet zo. In september 2021 maakte de WHO nieuwe, lagere advieswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof bekend. In grote delen van Nederland liggen de concentraties hier boven. Het is aan de overheid om te bepalen of en hoe Nederland hieraan wil voldoen.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

The environmental impact of EUR 85 billion in annual procurement by all Dutch governments. A study that helps to prioritise in sustainable public procurement (SPP) | RIVM

In de overgang naar een circulaire economie wil de Nederlandse overheid ook zelf het milieu minder belasten. Daarvoor is het nodig om inzicht te hebben in welke producten en diensten die de overheid inkoopt veel impact op het milieu hebben. Het RIVM heeft daarom uitgezocht hoeveel overheidsorganisaties in totaal uitgeven, aan welke producten en diensten en wat de milieu-impact daarvan is. Dit is gedaan voor 2019. Met de informatie kan de overheid gericht keuzes maken om de milieu-impact te verkleinen. De Nederlandse overheid heeft in 2019 voor 85 miljard euro producten en diensten ingekocht. Dit is 12 procent van de totale inkoop van producten en diensten in Nederland. De klimaatimpact hiervan is zo’n 12 procent van de totale impact van Nederlandse consumptieve bestedingen: zo’n 22 mega ton CO2-equivalenten. Naast de klimaatimpact is naar twee andere thema’s gekeken: het landgebruik dat nodig is om producten te maken en het gebruik van grondstoffen. De inkoop van de overheid omvat zo’n 13 procent van het minerale grondstoffenverbruik en 5 procent van het landgebruik van alle inkoop in Nederland. Het onderzoek laat zien dat de overheid via haar inkoop ook zelf veel kan bijdragen om de energietransitie en circulaire economie te realiseren, én het verlies aan biodiversiteit terug te dringen. Bij dit onderzoek is gekeken naar milieu-impacts in de hele keten die nodig is om het product of de dienst te leveren: de productie, het transport en de verwerking van afval. De milieu-impacts verschillen sterk per productgroep. Met de aanleg en het onderhoud van gebouwen en wegen blijkt de bouw veel effect te hebben op alle drie de thema’s. De productgroepen energie en transport hebben veel effect op het klimaat. Wat betreft landgebruik draagt catering veel bij. Op het grondstoffenverbruik hebben onder andere machinerie en elektronica veel effect. Het RIVM heeft dit overzicht in samenwerking met de adviesbureaus Metabolic en Purfacts gemaakt. Zij hebben gekeken naar de inkoop van de rijksoverheid, provincies, gemeenten, waterschappen, scholen, academische ziekenhuizen en speciale-sectorbedrijven. Ontwikkelen van de methode stond centraal.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Methode voor het bepalen van hoogblootgestelde gebieden in Nederland. Ondersteuning Schone Lucht Akkoord (SLA) | RIVM

De Nederlandse overheid wil de luchtkwaliteit verbeteren en heeft hiervoor in 2020 het Schone Lucht Akkoord (SLA) gesloten met gemeenten en provincies. In sommige delen van Nederland staan mensen bloot aan hogere concentraties luchtverontreinigende stoffen (fijnstof en stikstofdioxide). De Gezondheidsraad adviseerde in 2018 extra maatregelen te nemen om de luchtkwaliteit te verbeteren in deze ‘hoogblootgestelde gebieden’. Om daarover te kunnen beslissen, moet eerst duidelijk worden waar deze gebieden precies liggen. Het RIVM heeft een methode ontwikkeld om te kunnen bepalen welke gebieden hoogblootgesteld zijn in Nederland. De onderzoekers hebben hiervoor vier criteria ontwikkeld. Deze zijn in overleg met het rijk, provincies, gemeenten (de SLA-partners) en de werkgroep Lucht van de GGD bepaald. De SLA-partners moeten kiezen hoe ze deze criteria invullen. Inmiddels zijn de keuzes voor drie criteria gemaakt: jaartal waarmee de luchtconcentraties worden vergeleken, grootte van het gebied, en de effecten waarnaar wordt gekeken. Het vierde criterium schrijft voor dat beleidsmatige keuzes moeten worden gemaakt over wat haalbaar en gewenst is om de gezondheid door een schonere lucht te verbeteren. Het blijkt niet mogelijk om dat criterium op basis van objectieve, inhoudelijke overwegingen in te vullen. Er kan daardoor nu nog geen overzicht worden gemaakt van hoogblootgestelde gebieden in Nederland. Hier is meer onderzoek voor nodig. De SLA-partners willen daarom eerst proberen de luchtkwaliteit in mogelijke hoogblootgestelde gebieden te verbeteren door zich daar samen voor in te spannen. De partners willen dit in een aantal pilots verder uitzoeken. Het liefst in gebieden in Nederland waar de luchtvervuiling meer invloed op de levensduur van mensen heeft dan in andere gebieden. Dat zijn bijvoorbeeld gebieden met veel industrie of intensieve veehouderij, in steden met veel verkeer, en bij havens. Met deze kennis kan ook de methode worden verfijnd. Het RIVM heeft de methode in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) gemaakt.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Herziene versie: De milieu-impact van de jaarlijkse 85 miljard euro aan inkoop door alle Nederlandse overheden. Een studie die helpt bij prioriteren voor maatschappelijke verantwoord inkopen (MVI) | RIVM

Dit rapport is een herziene versie van RIVM-rapport 2021-0087 . In de overgang naar een circulaire economie wil de Nederlandse overheid ook zelf het milieu minder belasten. Daarvoor is het nodig om inzicht te hebben in welke producten en diensten die de overheid inkoopt veel impact op het milieu hebben. Het RIVM heeft daarom uitgezocht hoeveel overheidsorganisaties in totaal uitgeven, aan welke producten en diensten en wat de milieu-impact daarvan is. Dit is gedaan voor 2019. Met de informatie kan de overheid gericht keuzes maken om de milieu-impact te verkleinen. De Nederlandse overheid heeft in 2019 voor 85 miljard euro producten en diensten ingekocht. Dit is 12 procent van de totale inkoop van producten en diensten in Nederland. De klimaatimpact hiervan is zo’n 12 procent van de totale impact van Nederlandse consumptieve bestedingen: zo’n 22 mega ton CO2-equivalenten. Naast de klimaatimpact is naar twee andere thema’s gekeken: het landgebruik dat nodig is om producten te maken en het gebruik van grondstoffen. De inkoop van de overheid omvat zo’n 13 procent van het minerale grondstoffenverbruik en 5 procent van het landgebruik van alle inkoop in Nederland. Het onderzoek laat zien dat de overheid via haar inkoop ook zelf veel kan bijdragen om de energietransitie en circulaire economie te realiseren, én het verlies aan biodiversiteit terug te dringen. Bij dit onderzoek is gekeken naar milieu-impacts in de hele keten die nodig is om het product of de dienst te leveren: de productie, het transport en de verwerking van afval. De milieu-impacts verschillen sterk per productgroep. Met de aanleg en het onderhoud van gebouwen en wegen blijkt de bouw veel effect te hebben op alle drie de thema’s. De productgroepen energie en transport hebben veel effect op het klimaat. Wat betreft landgebruik draagt catering veel bij. Op het grondstoffenverbruik hebben onder andere machinerie en elektronica veel effect. Het RIVM heeft dit overzicht in samenwerking met de adviesbureaus Metabolic en Purfacts gemaakt. Zij hebben gekeken naar de inkoop van de rijksoverheid, provincies, gemeenten, waterschappen, scholen, academische ziekenhuizen en speciale-sectorbedrijven. Ontwikkelen van de methode stond centraal.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Advies over nut en noodzaak van een pollenmeetnetwerk | RIVM

Stuifmeel (pollen) in de lucht kan hooikoorts veroorzaken. Ernstige klachten kunnen het leven van patiënten erg belemmeren. Twee pollenexperts hebben namens een groot aantal betrokken organisaties het ministerie van VWS gevraagd de voorlichting voor mensen met hooikoorts te verbeteren. Een onderdeel daarvan is een pollenmeetnetwerk. Het aantal en soort pollen in de lucht verschilt namelijk per plek en moment, per seizoen en per weerstype. Op dit moment tellen twee ziekenhuizen, in Leiden en Helmond, handmatig de pollen die de week ervoor in die omgeving in de lucht zaten. Het RIVM adviseert het ministerie van VWS om op deze twee locaties automatische pollentellers neer te zetten. Automatisch pollentellen is minder bewerkelijk en geeft meteen informatie over de pollen die er op dat moment zijn. Bij handmatige tellingen is deze informatie pas achteraf beschikbaar. Ook kunnen automatische tellingen beter voorspellen hoeveel van welke pollen er de komende dagen in de lucht zijn. Het RIVM adviseert ook de informatie voor hooikoortspatiënten te verbeteren. Zowel over de pollen zelf als over allergietesten, medicijnen en maatregelen om de klachten te verminderen. Met eenduidige informatie kunnen patiënten hun gedrag en medicijngebruik aanpassen aan de pollen in de lucht en zo mogelijk minder last van hooikoorts hebben. Verder adviseert het RIVM te verkennen hoeveel locaties met pollenmeetapparaten in Nederland minimaal nodig zijn voor een optimaal netwerk. Tot slot is het belangrijk in kaart te brengen hoeveel mensen ziek zijn of zich minder goed voelen door hooikoorts en wat dat de samenleving kost.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Landsdekkend beeld van PFAS in Nederlands grondwater | RIVM

PFAS (per- en polyfluoralkylstoffen) is een groep stoffen die door mensen zijn gemaakt. Bij de productie en het gebruik van producten waar PFAS in zitten kunnen deze stoffen in het milieu terechtkomen. Uit onderzoek van het RIVM blijkt dat PFAS overal in Nederland in het grondwater kunnen zitten. Het gaat meestal om lage concentraties. De hoogste concentraties PFAS zijn gevonden in het grondwater dat net onder het bodemoppervlak zit, direct onder het maaiveld. Maar ook in dieper en ouder grondwater zijn PFAS gemeten. Het gaat dan vooral om PFAS die niet snel aan deeltjes in de bodem vast gaan zitten. Daardoor kunnen zij gemakkelijk met het grondwater meestromen en zich verspreiden. Uit eerder onderzoek van het RIVM bleek al dat PFAS overal in de bodem zitten. De metingen voor het onderzoek naar grondwater zijn voor een deel op dezelfde locaties gedaan als het bodemonderzoek. Het RIVM heeft daardoor kunnen onderzoeken of er een verband is tussen concentraties in de bodem en in het grondwater. Dat verband is niet gevonden. Het RIVM vermoedt dat bij de lage concentraties in het grondwater verschillende factoren invloed hebben op de verhouding tussen PFAS in bodem en grondwater. Bijvoorbeeld de hoeveelheid regen en de stroomsnelheid van het grondwater. In andere onderzoeken is dit verband wel aangetoond. Volgens het RIVM gaat het dan om plekken waar lokaal hoge concentraties PFAS in het grondwater zaten, bijvoorbeeld nadat een brand met blusschuim is geblust. Blusschuim bevat PFAS.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Staat van infectieziekten in Nederland, 2020 | RIVM

Elk jaar geeft het RIVM een overzicht van de belangrijkste ontwikkelingen van infectieziekten in Nederland en, als het voor Nederland relevant is, in het buitenland. Deze Staat van Infectieziekten geeft beleidsmakers bij onder andere het ministerie van VWS en GGD’en inzicht in de ontwikkelingen. Het jaar 2020 gaat de geschiedenis in als het eerste jaar van de uitbraak van het SARS-CoV-2 virus (coronavirus). De Nederlandse regering trof maatregelen om de verspreiding van het coronavirus tegen te gaan. Het lijkt erop dat andere infectieziekten hierdoor ook minder voorkwamen. Er was bijvoorbeeld geen griepepidemie in de winter van 2020-2021. Ook waren er aanzienlijk minder mensen met andere luchtweg- en maagdarminfecties. De daling lijkt ook te gelden voor de infectieziekten waartegen in het Rijksvaccinatieprogramma wordt gevaccineerd. Naast het SARS-CoV-2 virus zijn in 2020 voor het eerst patiënten geregistreerd met westnijlkoorts die de infectie in Nederland hebben opgelopen. De Staat van Infectieziekten geeft aan hoeveel ‘gezonde levensjaren’ verloren zijn gegaan door infectieziekten. Dit wordt uitgedrukt in disability-adjusted life years (DALY’s); ook wel de ziektelast genoemd. In 2020 gingen in Nederland de meeste gezonde levensjaren verloren aan COVID-19 (169.400 DALY’s), legionella (6.300 DALY’s) en ernstige pneumokokkenziekte (6.200 DALY’s. Deze top-3 is vanwege COVID-19 anders dan eerdere jaren. In 2019 waren dat: ernstige pneumokokkenziekte (9.500 DALY’s), griep (8.100 DALY’s) en legionella (8.100 DALY’s). Het themahoofdstuk geeft een overzicht van de coronamaatregelen. Ook wordt het aantal mensen met vastgestelde infectieziekten in 2020 vergeleken met 2019. Het blijkt per infectieziekte te verschillen in hoeverre de coronamaatregelen invloed hebben gehad op de mate waarin ze voorkomen. Hiervoor worden verschillende verklaringen gegeven. Voorbeelden zijn de invloed van het type maatregel op verschillende infectieziekten, zoals afstand houden, handen wassen, en minder reizen. Daarnaast is het waarschijnlijk dat bij minder mensen een diagnose is gesteld door de grote druk op de reguliere zorg.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Inventarisatie radonblootstelling specifieke beroepsgroepen | RIVM

In bijna alle gebouwen in Nederland zit radon in de lucht. Vergeleken met de meeste andere landen is de concentratie radon in Nederland laag, ook op werkplekken. Bij sommige beroepen kunnen werknemers op de werkplek blootstaan aan een concentratie radon die hoger is dan op de meeste werkplekken. Dat kan hoger zijn dan het ‘referentieniveau’ voor radon, al is de kans klein. Het RIVM heeft onderzocht in welke beroepsgroepen in Nederland werknemers mogelijk blootstaan aan hogere concentraties radon; vooral daar waar de concentratie hoger kan zijn dan het referentieniveau. De kans hierop is in het algemeen klein, maar blijkt hoger op werkplekken onder de grond, en op werkplekken waar met grondwater wordt gewerkt. Hier werken bijvoorbeeld archeologen en aardwetenschappers, medewerkers van drinkwaterzuiveringsinstallaties en van viskwekerijen. Andere werknemers die mogelijk blootstaan aan hogere concentraties radon zijn mensen die werken in een glastuinbouwkas waar het gewas met CO2 wordt bemest. Voor mensen die werken met bouwmaterialen waaruit radon vrijkomt, zoals gips, beton en marmer, lijkt het onwaarschijnlijk dat zij blootstaan aan radonconcentraties hoger dan het referentieniveau. Verschillende factoren bepalen het risico voor de gezondheid van een werknemer die aan een hogere concentratie radon blootstaat. Naast de radonconcentratie hangt het ervan af hoe lang een werknemer op zo'n werkplek is en of de ruimte wordt geventileerd. Dit noemen we de blootstelling. De precieze blootstelling van werknemers in deze beroepsgroepen is nog niet bekend. Het RIVM doet hier verder onderzoek naar. Radon is een radioactief edelgas dat van nature ontstaat in de bodem en in bouwmaterialen die daarvan zijn gemaakt. Van daaruit kan het vrijkomen in afgesloten ruimten. Radon verandert uit zichzelf in andere radioactieve stoffen. Deze stoffen kunnen gaan vastzitten aan stofdeeltjes in de lucht. Als mensen deze stofdeeltjes inademen, blijven ze achter in de longen. Dit vergroot de kans om longkanker te krijgen. Dit literatuuronderzoek is uitgevoerd op verzoek van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW).
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Per- and polyfluorinated substances in waste incinerator flue gases | RIVM

Nederland wil in 2050 zo min mogelijk afval produceren en producten en materialen zo veel mogelijk hergebruiken. Deze producten en materialen moeten dan wel veilig zijn en geen schadelijke stoffen bevatten. Sommige afvalverbrandingsinstallaties winnen bijvoorbeeld koolstofdioxide uit hun rookgassen. Dat kan gebruikt worden om gewassen in kassen beter te laten groeien. Het RIVM heeft in een literatuurstudie verkend of, en zo ja in welke mate, PFAS’en in gewonnen koolstofdioxide kunnen zitten. Dit is een eerste stap voor een risicobeoordeling. In dit onderzoek is niet gekeken of de aanwezigheid van PFAS’en een risico vormt voor de gezondheid van mensen of het milieu. Omdat er veel soorten PFAS’en bestaan, heeft het RIVM eerst de definitie van deze stofgroep beschreven. Daarna is onderzocht of deze stoffen in de rookgassen van afvalverbrandingsinstallaties kunnen voorkomen. Dat bleek het geval te zijn. Uit literatuuronderzoek blijkt dat de meeste PFAS’en tijdens het verbrandingsproces grotendeels worden afgebroken. Door reiniging van het rookgas worden nog aanwezige PFAS’en er grotendeels uit verwijderd. De PFAS’en die nog overblijven worden naar verwachting tijdens de winning van de koolstofdioxide verwijderd. Enkele publicaties over metingen in de schoorsteen van een afvalverbrandingsinstallatie sluiten niet uit dat er toch nog PFAS’en in de rookgassen kunnen zitten. Ook blijkt uit de literatuurstudie dat een bepaalde groep PFAS’en tijdens de verbranding wordt gevormd en in het gereinigde rookgas zou kunnen voorkomen. Het gaat om sterke broeikasgassen die bijdragen aan de opwarming van de aarde. Voor zover ons bekend zijn er geen metingen gedaan naar PFAS’en in gewonnen koolstofdioxide en maar enkele in gereinigde rookgassen. Gezien de toepassing vindt het RIVM het wenselijk dat zowel in koolstofdioxide als gereinigde rookgas wordt gemeten of er PFAS’en in zitten. Dan kunnen de risico’s van de verspreiding van PFAS’en beter in beeld komen. Het zou technisch mogelijk moeten zijn om PFAS’en in de rookgassen en de gewonnen koolstofdioxide te meten. Het RIVM beveelt aan om hiervoor een geschikte meetmethode te ontwikkelen die als standaard kan worden gebruikt.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Inventarisatie werkzame stoffen in handdesinfectiemiddelen | RIVM

Door de uitbraak van het coronavirus SARS-CoV-2 zijn mensen vaker desinfectiemiddelen voor hun handen gaan gebruiken. Het is mogelijk dat deze toename in het gebruik risico’s geeft voor de gezondheid van mensen en voor het milieu. Het RIVM heeft eerder mogelijke gezondheidsrisico’s onderzocht van het toegenomen gebruik van handdesinfectiemiddelen op basis van ethanol. Naar aanleiding daarvan heeft het RIVM een overzicht gemaakt van alle werkzame stoffen die in handdesinfectiemiddelen kunnen zitten. Handdesinfectiemiddelen mogen alleen in Nederland verkocht worden als is beoordeeld dat ze veilig zijn en goed werken. In de 174 toegestane handdesinfectiemiddelen zitten in totaal 12 werkzame stoffen. Deze stoffen zijn: ethanol, wijnsteenzuur, natriumbenzoaat, propaan-2-ol, chloorhexidinedigluconaat, 1-propanol, natriumhypochloriet, melkzuur, didecyldimethylammoniumchloride, waterstofperoxide, bifenyl-2-ol en 2 fenoxyethanol. Van deze stoffen wordt ethanol het vaakst gebruikt (in 92 producten). Handdesinfectiemiddelen veroorzaken bij normaal gebruik geen gezondheids- of milieurisico’s. De beoordelingsmethodiek gaat wel uit van gebruik onder normale omstandigheden. Daarom adviseert het RIVM om uit te zoeken of de huidige beoordelingsmethodiek ook geschikt is voor een situatie zoals tijdens de coronapandemie, waarin meer mensen deze producten vaker gebruiken. Bij onjuist gebruik kunnen veel handdesinfectiemiddelen ernstig oogletsel of -irritatie veroorzaken. Het is daarom raadzaam om desinfectiepompen of -zuilen in de openbare ruimte niet op ooghoogte van kinderen te plaatsen. Dit maakt de kans kleiner dat zij per ongeluk irriterende middelen in hun ogen krijgen. De vloeistof of damp van de meeste handdesinfectiemiddelen is ook (licht) ontvlambaar. Minder vaak veroorzaken de producten slaperigheid of duizeligheid. Verder kunnen sommige handdesinfectiemiddelen schadelijke gevolgen hebben voor planten en dieren die in het water leven. Mensen die handdesinfectiemiddelen gebruiken, hoeven dit soort klachten niet te ervaren. De kans op klachten neemt toe naarmate iemand meer, vaker of langer aan deze desinfectiemiddelen wordt blootgesteld, of deze producten op een onjuiste manier gebruikt.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

EURL-Salmonella Proficiency Test Typing 2019 | RIVM

Sinds 1992 zijn de Nationale Referentie Laboratoria (NRL’s) van de Europese lidstaten verplicht om elk jaar hun kwaliteit te laten toetsen met zogeheten ringonderzoeken. Daarnaast doen soms NRL’s van landen buiten de Europese Unie (EU) vrijwillig mee. Een van de ringonderzoeken is de typering van Salmonella-bacteriën. In 2019 scoorden alle NRL’s van de 28 EU lidstaten goed bij de kwaliteitscontrole op typering van Salmonella. Als groep konden de deelnemende laboratoria aan 97 procent van de geteste stammen de juiste naam geven. De laboratoria zijn verplicht om Salmonella met een standaardmethode te typeren (serotypering). Daarnaast mochten zij in 2019 zelf aangeven of ze extra typeringen op DNA-niveau wilden doen, bijvoorbeeld met Whole Genome Sequencing (WGS). Deze preciezere typering kan soms nodig zijn om de bron van een besmetting op te sporen. Dit leverde veel informatie op om ook de kwaliteit van de typeringen op DNA-niveau te kunnen toetsen, en waar nodig te verbeteren. Voor de kwaliteitstoetsen wijst elke lidstaat een laboratorium aan, het Nationale Referentie Laboratorium (NRL). Dit NRL is namens dat land verantwoordelijk om Salmonella in monsters van levensmiddelen of dieren aan te tonen en te typeren. Om te controleren of de laboratoria hun werk goed doen, moeten zij onder andere twintig Salmonellastammen de juiste naam kunnen geven. In 2019 deden zes landen buiten de Europese Unie mee: de EU kandidaat lidstaten Albanië, Republiek Noord-Macedonië en Servië, en de European Free Trade Association (EFTA) landen IJsland, Noorwegen en Zwitserland. Het Europese Unie Referentie Laboratorium voor Salmonella (EURLSalmonella) organiseert het jaarlijkse ringonderzoek Salmonellatypering. Dit laboratorium is gevestigd bij het RIVM in Nederland.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Bij wijze van uitzondering. Een systematiek voor de besluitvorming over het gebruik van biociden bij een publiek belang | RIVM

Organismen kunnen ervoor zorgen dat leefomgeving niet meer veilig en gezond is. Denk aan virussen, bacteriën en schimmels, of aan muggen, mieren en ratten. Biociden zijn middelen om deze organismen te bestrijden. Alleen kunnen biociden schadelijk zijn voor de gezondheid van mens, dier en milieu. Ze worden daarom pas toegestaan nadat uitgebreid is getoetst of ze veilig zijn en goed werken. In de praktijk kan het zijn dat een nieuw organisme de gezondheid van mensen bedreigt en er geen tijd is om deze hele procedure af te wachten. Denk aan de grote vraag naar desinfecterende middelen bij de uitbraak van het coronavirus SARS-CoV-2. Het kan ook zijn dat geen enkel biocide voor een bepaald gebruik, zoals de bestrijding van ratten, aan de strenge eisen voldoet. Vanwege de volksgezondheid of het milieu zijn soms uitzonderingen mogelijk en mogen ze toch worden gebruikt. Het RIVM heeft een methode bedacht om hier goed onderbouwde afwegingen voor te maken. De methode zorgt ervoor dat het publieke belang, het risico van het middel, en beschikbare alternatieven goed worden afgewogen. Zo moet goed worden gekeken of de dreiging voor de gezondheid of leefomgeving zo groot is dat de overheid moet ingrijpen. Ook moet zeker zijn dat het organisme niet op een andere manier kan worden aangepakt. Verder moet goed worden nagedacht of risico’s van het middel opwegen tegen de voordelen om het bij uitzondering te mogen gebruiken.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Nationaal plan tuberculosebestrijding, Update 2021-2025. Tuberculosebestrijding en infectieziektebestrijding: samen sterker | RIVM

Sinds 2011 verschijnt elke vijf jaar een Nationaal plan tuberculosebestrijding. Het RIVM heeft het plan samen met organisaties in de tuberculosebestrijding geactualiseerd voor de periode 2021-2025. Tussen 2016 en 2020 daalde het aantal mensen met tuberculose in Nederland met 25 procent. Ondanks deze daling blijft het belangrijk om de ziekte in Nederland goed te blijven bestrijden. De update 2021-2025 beschrijft drie doelen. Het eerste is het streven dat het aantal mensen met tuberculose de komende vijf jaar weer met 25 procent daalt. Het tweede doel is om ook het aantal mensen dat in deze periode geinfecteerd raakt met de tuberculosebacterie in Nederland met 25 procent te verminderen. Het derde doel is minimaal 90 procent van de tuberculosepatiënten te genezen. Om dit te bereiken zijn 20 doelstellingen bepaald, zoals periodieke evaluatie van screeningen. Mensen uit de meeste landen in Afrika en Azië worden getest (gescreend) op tuberculose als ze in Nederland aankomen. Sinds 2017 is de screening van immigranten onder de 18 jaar veranderd om de kans te verkleinen dat ze later alsnog tuberculose krijgen. Zij krijgen geen longfoto meer, maar een huid- of bloedtest om te kijken of ze zijn geïnfecteerd met de tuberculosebacterie. Mensen met een tuberculose-infectie zijn niet ziek en krijgen een behandeling aangeboden om te voorkomen dat ze ziek worden. Vanaf 2022 wordt deze werkwijze uitgebreid naar asielzoekers onder de 12 jaar. Door het gedaalde aantal patiënten is de uitvoering en kwaliteit van de tuberculosebestrijding in GGD-regio’s onder druk komen te staan. Om de kwaliteit te waarborgen gaan de GGD’en de zorgverlening organiseren in aansluiting op de lokale omstandigheden. Verder zijn bepaalde landelijke taken, zoals richtlijnen opstellen, overgedragen naar het RIVM. Het ministerie van VWS, het RIVM en stakeholders gaan voortaan elk jaar de voortgang van het plan in een landelijk platform bespreken.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Staat van Zoönosen 2020 | RIVM

Zoönosen zijn infectieziekten die van dier op mens kunnen worden overgedragen. Het RIVM maakt in opdracht van de NVWA elk jaar een overzicht van de belangrijkste zoönosen en geeft aan hoe vaak ze in Nederland voorkomen. Het gaat om de zoönosen die artsen en dierenartsen moeten melden bij de GGD (voor mensen) of de NVWA (voor dieren). Beleidsmakers kunnen deze informatie gebruiken om, als het nodig is, effectieve maatregelen te treffen. De belangrijkste ontwikkeling in 2020 was de uitbraak in maart van het nieuwe coronavirus (SARS-CoV-2) in Nederland, het virus dat de ziekte COVID-19 veroorzaakt. Naast mensen bleken ook dieren, en vooral nertsen, besmet te kunnen worden. De overheid wilde met maatregelen voorkomen dat nertsen het coronavirus zouden overdragen op mensen. Toch bleef het aantal besmettingen onder nertsen stijgen. Daarom is in 2020 besloten om eerder dan was afgesproken te stoppen met de nertsenhouderij in Nederland. Een andere belangrijke ontwikkeling was de eerste besmetting met het westnijlvirus in Nederland bij een vogel (grasmus). Dit virus komt voor bij vogels en wordt overgebracht door muggen die zich voeden met bloed van besmette vogels. Deze muggen verspreiden het virus naar andere vogels en soms ook naar mensen en zoogdieren, zoals paarden. In oktober 2020 is het virus voor het eerst bij 8 mensen in Nederland vastgesteld. De meeste mensen worden niet ziek van een infectie met het virus. Ongeveer 1 op de 5 van de besmette mensen krijgt milde griepachtige symptomen zoals koorts, hoofdpijn en spierpijn. Slechts 1 procent van de besmette mensen krijgt een ernstige ziekte, zoals hersenontsteking. De Staat van Zoönosen behandelt elk jaar een thema. Dit jaar is het thema “emerging zoonoses”. Dat zijn nieuwe of bekende zoönosen, waarvan het aantal besmettingen plotseling sterk kan toenemen. Het thema gaat in op een aantal emerging zoönoses die via wilde dieren, vee, huisdieren en teken in Nederland plotseling zouden kunnen toenemen en wat er wordt gedaan om dit te voorkomen.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Jaarrapportage surveillance gastro-intestinale infecties en zoönosen | RIVM

Het RIVM brengt elk jaar in kaart hoe vaak in Nederland maag-darminfecties voorkomen. Voor het eerst is nu de informatie over alle maag-darminfecties bij elkaar gezet. Dat geeft een beter overzicht van deze infecties in Nederland. In 2020 daalde het aantal gemelde maag-darminfecties sterk ten opzichte van de jaren ervoor. Dit komt waarschijnlijk door de maatregelen die zijn genomen om de verspreiding van het coronavirus SARS-CoV-2 tegen te gaan. Door de sluiting van horeca, minder sociale evenementen (inclusief catering), beperkingen van internationaal reizen, social distancing, en meer aandacht voor hygiëne (zoals handenwassen) kwamen mensen minder in contact met ziekteverwekkers. Een andere oorzaak is dat mensen met maag-darminfecties vanwege corona waarschijnlijk minder snel medische hulp zochten. Vooral het norovirus en rotavirus kwamen minder voor. Deze virussen worden vooral van mens op mens overgedragen. Ook het aantal voedsel-gerelateerde infecties als salmonellose en campylobacteriose was lager. Het aantal mensen dat ziek werd van de bacterie Listeria monocytogenes (listeriose) bleef hetzelfde. Deze bacterie kan vooral in (gerookte) vis, kaas en langer houdbare vleeswaren zitten. Dat geldt ook voor leptospirose, dat vooral via contact met water en modder wordt opgelopen. Ondanks de sterke daling waren er in 2020 wel een paar opvallende uitbraken. Bij een uitbraak veroorzaakt één besmettingsbron meerdere zieken. Bijvoorbeeld met Salmonella Enteritidis in een instelling voor gehandicapten na het eten van Turkse pizza die een horecazaak had bezorgd. Ook was er een grote uitbraak van het norovirus gerelateerd aan een buffet op een boot. Ten slotte waren er drie (kleinere) listeriose-uitbraken, waarbij er een link was met een voedselproduct (forelfilet, paling en zachte kaas).
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

The National Immunisation Programme in the Netherlands. Surveillance and developments in 2020-2021 | RIVM

In 2020 zijn 1.026.872 kinderen en zwangere vrouwen gevaccineerd via het Rijksvaccinatieprogramma (RVP). In totaal kregen zij 2.205.249 vaccinaties. De vaccinatiegraad in Nederland is licht gestegen, net als het jaar ervoor. Het betreft kinderen die hun vaccinatie(s) bijna allemaal vóór de uitbraak van het coronavirus SARS-CoV-2 kregen. Het lijkt erop dat de maatregelen om het coronavirus te bestrijden weinig negatieve invloed hebben gehad op het aantal kinderen dat in 2020 is gevaccineerd. De precieze vaccinatiegraad voor deze kinderen kan pas later worden berekend omdat dan pas alle benodigde cijfers bekend zijn. In 2020 kregen minder mensen dan in 2019 een ziekte waartegen binnen het RVP wordt gevaccineerd. Dit komt heel waarschijnlijk door de coronamaatregelen zoals afstand houden en handen wassen. De daling geldt vooral voor kinkhoest (943), bof (64), pneumokokkenziekte (ongeveer 1.500) en mazelen (2). Er waren geen meldingen van rodehond en polio in 2020. Er zijn 3 patiënten met difterie en 2 met tetanus gemeld. Ook het aantal meldingen van meningokokkenziekte type W (12) is verder gedaald na de invoering van deze vaccinatie in het RVP in 2019. Alleen Haemophilus influenzae type b (Hib) kwam vaker voor. Het aantal meldingen steeg van 39 in 2019 naar 68 in 2020. Het RIVM onderzoekt de oorzaak. Het aantal meldingen van chronische hepatitis B (825) daalde met ongeveer een derde vergeleken met 2019. Dit aantal is waarschijnlijk lager omdat mensen tijdens de coronapandemie minder vaak naar een dokter gingen. Deze ziekte geeft lange tijd weinig klachten, waardoor hij meestal toevallig wordt ontdekt. De Gezondheidsraad adviseerde in juni 2021 om het vaccin tegen het rotavirus aan alle kinderen aan te bieden. In september 2021 heeft de Gezondheidsraad geadviseerd om meer risicogroepen uit te nodigen voor de griepvaccinatie, onder wie zwangere vrouwen. Het RIVM verzamelt en onderzoekt gegevens over hoe goed vaccinaties werken. Hieruit blijkt dat coronavaccinaties goed werken.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Assessment of serum total 25-hydroxyvitamin D assay commutability of Standard Reference Materials and College of American Pathologists accuracy-based vitamin D (ABVD) scheme and vitamin D external quality assessment scheme (DEQAS) materials: vitamin D sta | RIVM

Assessment of serum total 25-hydroxyvitamin D assay commutability of Standard Reference Materials and College of American Pathologists accuracy-based vitamin D (ABVD) scheme and vitamin D external quality assessment scheme (DEQAS) materials: vitamin D sta | RIVM
Jaar: 2021 Onderzoek

Contra expertise on environmental monitoring in the vicinity of the Borssele nuclear power plant. Results in 2019 and 2020 | RIVM

Het RIVM voert regelmatig een contra-expertise uit op de metingen die de kerncentrale Borssele in de directe omgeving van de centrale laat uitvoeren. Hiervoor zijn de monsters geanalyseerd die in 2019 en 2020 op verschillende plekken zijn genomen. Er is geen radioactiviteit van de kerncentrale gevonden. In de meeste gevallen rapporteert het RIVM een detectiegrens, een lage hoeveelheid van natuurlijke activiteit, of sporen van 137Cs in een grondmonster. Dit is een bekende oppervlaktebesmetting voor 137Cs en komt hoogstwaarschijnlijk van het kernongeval bij Chernobyl in 1986. De Nuclear Research and Consultancy Group (NRG) voert altijd de metingen uit voor Borssele. NRG rapporteerde in 2019 in één monster (van de 48 monsters) een significante hoeveelheid totaal-bèta activiteit in zwevend slib bij monsterlocatie 3. Het RIVM vond enkele maanden later in dat monster geen activiteit boven de detectiegrens. NRG heeft de hele analytische behandeling van dit monster uitgebreid bekeken, zonder een oorzaak te kunnen vinden. In 2020 was er een goede overeenstemming tussen de RIVM- en NRG-data voor totaal-bèta in Schelde water en zwevend slib. In 2019 en 2020 zijn enkele sporen van 54Mn in zandmonsters gevonden, zowel stroomopwaarts als stroomafwaarts. De oorsprong van 54Mn is niet duidelijk. Het RIVM heeft in 2019 in enkele watermonsters van de Westerschelde een zeer lage hoeveelheid van 3H aangetroffen. 3H afkomstig van kerncentrale Doel stroomt eveneens langs kerncentrale Borssele, waardoor de oorsprong ervan onbekend is. In 2020 hebben het RIVM en NRG geen 3H gevonden. NRG neemt sinds de jaren negentig van de vorige eeuw elke maand monsters van gras, water, luchtstof, sediment, en zeewier. Elk jaar neemt het een grondmonster. NRG analyseerde deze monsters op gammastralers, totaal-alfa en totaal-bèta activiteit.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Pyridine: an overview of available data on mutagenicity and carcinogenicity | RIVM

De stof pyridine wordt gebruikt als oplosmiddel voor een breed scala aan producten. Het zit bijvoorbeeld in verf, rubber, waterafstotende textielstoffen, geneesmiddelen en vitaminen en smaakstoffen voor levensmiddelen. Het RIVM heeft in de wetenschappelijke literatuur onderzocht wat er bekend is over twee mogelijke schadelijke eigenschappen van deze stof. De vraag is of pyridine kankerverwekkend is en erfelijke veranderingen kan veroorzaken door schade aan het DNA (mutageen). De gevonden informatie is samengevat. De Gezondheidsraad gebruikt de samenvattingen om de mutagene en kankerverwekkende eigenschappen te beoordelen. De Gezondheidsraad gebruikt ze ook om een advies op te stellen voor classificatie van de stof. Dit gebeurt op verzoek van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW). De uiteindelijke beoordeling wordt uitgevoerd door de Subcommissie Classificatie van carcinogene stoffen van de Gezondheidsraad. Deze subcommissie valt onder de Commissie Gezondheid en Beroepsmatige Blootstelling aan Stoffen (GBBS). De GBBS richt zich op gezondheidsrisico’s door blootstelling aan chemische stoffen op de werkplek.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Gewasbeschermingsmiddelen en neurodegeneratieve ziekten: mogelijkheden om de toelatingsvereisten te verbeteren | RIVM

Gewasbeschermingsmiddelen beschermen planten tegen organismen waar planten ziek van kunnen worden zoals schimmels en insecten. Om ervoor te zorgen dat deze middelen veilig zijn voor mens, dier en milieu worden ze uitgebreid getest. Er zijn aanwijzingen dat mensen die in het verleden lang met chemische stoffen hebben gewerkt, zoals telers met gewasbeschermingsmiddelen, een grotere kans hebben om ziekten te krijgen die het zenuwstelsel aantasten (neurodegeneratieve ziekten), zoals Parkinson en Alzheimer. Deze ziekten ontstaan door een combinatie van factoren zoals ouderdom, leefstijl en langdurige blootstelling aan stoffen in het milieu of op het werk. Dit maakt het moeilijk om één stof als oorzaak aan te wijzen. Het is daarom belangrijk om al voor de goedkeuring te bepalen of een stof een aandoening kan veroorzaken. In dat verband is in Europa de vraag ontstaan of de vereiste informatie voor de risicobeoordeling van gewasbeschermingsmiddelen kan aantonen of werkzame stoffen in deze middelen schadelijk zijn voor het zenuwstelsel. Het RIVM adviseert op basis van een verkennend onderzoek om de datavereisten en testrichtlijnen te verbeteren. In de datavereisten voor werkzame stoffen in gewasbeschermingsmiddelen wordt niet standaard informatie gevraagd over de effecten van deze stoffen op het zenuwstelsel. Ook geven de huidige testrichtlijnen onvoldoende inzicht of een stof een kleine, onopvallende veranderingen in de hersenen kan veroorzaken waardoor aandoeningen als Parkinson kunnen ontstaan. Er zijn mogelijkheden om aan de bestaande testrichtlijnen effecten toe te voegen om aandoeningen als Parkinson te kunnen onderzoeken. Voor deze aandoeningen was het lange tijd niet duidelijk welke effecten gemeten moeten worden. Het RIVM raadt aan een werkgroep op te richten waarin alle Europese kennis over mogelijke effecten kan worden samengebracht. De resultaten van dit onderzoek kunnen gebruikt worden om de testrichtlijnen verder te ontwikkelen. Ook beveelt het RIVM aan om testen zonder dier (in vitro) te ontwikkelen om meer informatie te krijgen of stoffen in gewasbeschermingsmiddelen eraan kunnen bijdragen dat aandoeningen als Parkinson ontstaan.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Onderzoeksprogramma Laagfrequent geluid (LFG): Stand van zaken en aanbevelingen voor vervolgonderzoek | RIVM

Laagfrequent geluid is geluid met lage tonen (tussen 20 en 100/125 Hertz). De laatste jaren is er meer maatschappelijke onrust over laagfrequent geluid en de vraag of het schadelijk is voor de gezondheid. De laatste vijf jaar hebben meer mensen laagfrequent geluid gemeld bij onder andere de GGD en gemeenten. Soms gingen de meldingen samen met hinder en lichamelijke klachten. Het RIVM doet aanbevelingen welk onderzoek nodig is om mogelijke gezondheidseffecten beter te begrijpen, ook omdat het aantal bronnen naar verwachting toeneemt. Zo is het niet bekend hoeveel laagfrequent geluid er in Nederland is en wanneer het hinder veroorzaakt. Het RIVM vindt het belangrijk om onderzoek te doen naar de blootstelling aan laagfrequent geluid in combinatie met onderzoek naar de gezondheid. Ook blijkt dat niet alle betrokkenen (GGD’en, gemeenten, omgevingsdiensten, huisartsen, audiologen, kno-artsen) goed samenwerken. De aanpak en de samenwerking van de verschillende organisaties verschillen nu per regio. Het RIVM beveelt aan om meer samen te werken. Verder is onderzoek nodig of (cognitieve) therapie helpt om mensen te leren omgaan met hun klachten. Deze therapie wordt soms aangeraden als er geen laagfrequent geluid wordt gemeten of de bron niet te vinden is. Geluid in het algemeen, waar laagfrequent geluid een onderdeel van is, is erkend als een risico voor de volksgezondheid. Verschillende gezondheidseffecten van geluid in het algemeen zijn bewezen, zoals hinder, slaapverstoring, en hart- en vaatziekten. Ook andere factoren dan het geluid zelf hebben invloed hoe mensen het ervaren. Voorbeelden zijn persoonlijke gevoeligheid, veranderingen in de omgeving en vertrouwen in de overheid. Volgens internationaal onderzoek hangt blootstelling aan laagfrequent geluid samen met (ernstige) hinder en mogelijk met slaapverstoring. Het is niet bewezen dat laagfrequent geluid hart- en vaatziekten veroorzaakt. Grofweg zijn er grote bronnen (zoals industrie, festivals, en transport) en kleine bronnen van laagfrequent geluid. De laatste zitten in huizen of kantoren (wasmachines, warmtepompen, ventilatiesystemen). Het is vaak lastig om de bron van laagfrequent geluid te vinden. Laagfrequent geluid van grote bronnen valt vaak op grotere afstand meer op, waardoor de bron moeilijk te achterhalen is. Maatregelen zijn meestal maatwerk. Voor de grotere bronnen kunnen dat dempers en isolerende kasten om apparaten zijn. Bij kleine bronnen helpen kleine ingrepen al om laagfrequent geluid te voorkomen, bijvoorbeeld door een koelkast op de goede manier te plaatsen.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Disease burden of food-related pathogens in the Netherlands 2020 | RIVM

Het RIVM brengt in kaart hoeveel jaren mensen een slechte gezondheid hebben of eerder overlijden (ziektelast) door een infectie aan de maag of darm. De 14 verwekkers van deze infecties worden vooral via voedsel overgedragen (60 procent). Mensen kunnen er ook via het milieu, bijvoorbeeld via oppervlaktewater, via dieren of mensen mee in aanraking komen. De ziektelast door deze 14 ziekteverwekkers was in 2020 veel lager dan in 2019. Dit komt zeer waarschijnlijk door de maatregelen die sinds maart 2020 in Nederland zijn ingevoerd om de verspreiding van het SARS-CoV-2-virus tegen te gaan. Voorbeelden daarvan zijn de sluiting van de horeca, verbod op fysieke bijeenkomsten, beperkingen voor internationale reizen, en meer aandacht voor hygiëne, zoals handen wassen. Het kan ook zijn dat minder mensen medische hulp hebben gezocht of gekregen voor dit soort ziekten. Een laboratoriumtest moet deze ziekten aantonen voordat ze kunnen worden geregistreerd. Voor de ziektelast wordt een internationale maat gebruikt: DALY’s (Disability Adjusted Life Years). In 2020 was de ziektelast via voedsel naar schatting 3.600 DALY’s, wat 22 procent lager is dan in 2019 (4.600 DALY’s). Voor de 14 ziekteverwekkers is het totaal aantal DALY’s in 2020 circa 7.300. Dat is 34 procent lager dan in 2019, 2018 en 2017 (circa 11.000 DALY’s per jaar). De totale kosten van deze ziektelast in 2020 zijn naar schatting 282 miljoen euro en zijn daarmee veel lager dan in 2019 (423 miljoen) en 2018 (426 miljoen). Hierbij wordt gekeken naar de directe medische kosten in onder andere ziekenhuizen, maar ook naar de kosten voor de patiënt en zijn familie, zoals reiskosten. Ook vallen er de kosten van andere sectoren onder, bijvoorbeeld door werkverzuim. De kosten als gevolg van besmet voedsel zijn ook flink gedaald: 153 miljoen euro ten opzichte van 181 miljoen euro in 2019 en van 178 miljoen euro in 2018. Het ministerie van VWS is de opdrachtgever van dit onderzoek. De resultaten bieden beleidsmakers handvatten om meer zicht te krijgen op de ziektelast en de manieren waarop mensen met de ziekteverwekkers in contact komen. Ook geeft het een beeld hoe de ziektelast van voedselinfecties en kosten zich door de jaren heen ontwikkelen.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Bijdrage aan de stikstofdepositie in de natuur vanuit de industrie, het verkeer en de consumenten | RIVM

Het RIVM heeft per Natura2000-gebied in kaart gebracht hoeveel de drie sectoren Industrie en energie, Verkeer, en Consumenten bijdragen aan de hoeveelheid stikstof die op de bodem neerslaat (depositie). Hierbij is onderzocht hoe belangrijk de afstand van dez bronnen tot het Natura 2000-gebied is. Het is een aanvulling op een vergelijkbaar onderzoek naar de bijdrage van de sector Landbouw. De opdrachtgever is het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. De stikstofdepositie vanuit de industrie is gemiddeld twee procent van de totale depositie in Nederland. Daarmee is de bijdrage van de industrie aan de overschrijding van de stikstofbelasting in Natura2000-gebieden (kritische depositiewaarde) klein. De emissie van de industrie verspreidt zich in het algemeen over een veel groter oppervlak dan die van de landbouw. Het is daarom effectiever om de uitstoot door industriële bronnen in het algemeen te verlagen dan de depositie in specifieke natuurgebieden. Bij landbouw is dat laatste juist wel zinvol. Het RIVM beschrijft wat de invloed van stikstofemissies van industrie is op de hoeveelheid stikstof die in drie Natura2000-gebieden neerslaat: de Grote Peel, Solleveld Kapittelduinen en de Veluwe. De informatie over de andere Natura2000-gebieden wordt er in spreadsheets bij geleverd. Het overzicht geeft ook inzicht welke de industriebedrijven het meeste bijdragen aan de depositie. Verder is voor de sectoren Verkeer en Consumenten beschreven hoever de bronnen afzitten van een natuurgebied waar ze stikstofneerslag veroorzaken. Hun bijdrage ligt tussen die van Industrie en de Landbouw in. De uitstoot van verkeer verspreidt zich op vrij grote afstanden. Het wegverkeer ten zuiden van Amsterdam bijvoorbeeld veroorzaakt relatief veel stikstofneerslag op de Veluwe. Verder blijkt dat een groot deel van de Nederlandse uitstoot van ammoniak op de Nederlandse bodem terechtkomt (53 procent). Voor stikstofdioxiden is dit percentage veel lager: 12 procent. Hiervan komt het grootste deel in het buitenland op de bodem terecht.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Ruimtelijk effect zonering emissiereducties landbouw | RIVM

De overheid wil onderzoeken op welke plekken in Nederland een lagere uitstoot uit de landbouw de natuur het meest verbetert. Het RIVM heeft daarom het effect berekend van verschillende varianten die elk de totale uitstoot uit de landbouw met 30 kiloton ammoniak verminderen. Deze varianten zijn daarna vergeleken met een referentievariant. Bij de referentievariant wordt de vermindering van 30 kiloton in gelijke mate verdeeld over alle landbouwbedrijven in Nederland. De varianten lopen uiteen. Zo is gekeken naar een maximale verlaging van de neerslag op de gevoelige natuur (de vracht). Maar ook naar een gebiedsgerichtere aanpak met zones die meer of minder geschikt zijn voor landbouw. Ook zijn er varianten gecombineerd. Verder is voor het veenweidegebied berekend wat het effect op de stikstofdepositie is van de maatregelen die vanwege klimaatbeleid worden genomen. Het blijkt, afhankelijk van de variant, 15 tot 39 procent effectiever om de uitstoot gerichter aan te pakken dan de uitstoot van elk landbouwbedrijf in Nederland te verminderen (de referentievariant). Effectiever betekent hier dat er op steeds minder natuuroppervlak te veel stikstof neerslaat. Hoe dichter een landbouwbedrijf bij een natuurgebied ligt, hoe groter het effect op de depositie in dat gebied is. De stikstofdepositie daalt daarom het meest als er in een zone van 1 kilometer rond de Natura2000-gebieden geen stikstof meer wordt uitgestoten, in combinatie met de variant met een maximale verlaging van de vracht. Volgens het RIVM heeft het beperkingen als beleid er alleen op is gericht om de stikstofdepositie op stikstofgevoelige natuur gemiddeld zo effectief mogelijk te laten dalen. Daarmee worden vooral grote gebieden in het midden van Nederland (zoals de Veluwe) ontlast. Het RIVM beveelt aan om bij beleidskeuzes ook andere factoren mee te wegen. Voorbeelden zijn de mate waarin een natuurgebied overbelast is met stikstof, en in hoeverre het effect van de verlaging regionaal uitpakt. Daarnaast beveelt het RIVM aan niet alleen te sturen op minder overschrijdingen van de maximaal aanvaardbare stikstofbelasting van de natuur (de kritische depositiewaarde), maar er ook op te letten hoe de kwaliteit van de natuur zich ontwikkelt. Dit onderzoek is gedaan in opdracht van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV). Aanleiding is de wens van het kabinet om een vervolgstap te nemen in de stikstofproblematiek. In het onderzoek is niet gekeken of het stikstofbeleid positieve effecten heeft op klimaat en de waterkwaliteit.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Monitor Mentale gezondheid en Middelengebruik Studenten hoger onderwijs. Deelrapport II. Middelengebruik | RIVM

Van dit rapport is een nieuwe versie verschenen d.d. 4 juli 2022 met rapportnummer 2022-0101 In de rapportages Monitor Mentale gezondheid en Middelengebruik Studenten hoger onderwijs zijn onvolkomenheden geconstateerd. Het gaat grotendeels om wegingsfouten met kleine cijfermatige aanpassingen op verschillende plaatsen in het rapport. Daarnaast is in het deel mentale gezondheid een grote afwijking geconstateerd op de ervaren prestatiedruk van studenten. Op de conclusies en de boodschap hebben de aanpassingen geen invloed. Om deze reden brengen we de publicaties hierbij opnieuw uit.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Monitor Mentale gezondheid en Middelengebruik Studenten hoger onderwijs. Deelrapport I. Mentale gezondheid | RIVM

Van dit rapport is een nieuwe versie verschenen d.d. 4 juli 2022 met rapportnummer 2022-0100 In de rapportages Monitor Mentale gezondheid en Middelengebruik Studenten hoger onderwijs zijn onvolkomenheden geconstateerd. Het gaat grotendeels om wegingsfouten met kleine cijfermatige aanpassingen op verschillende plaatsen in het rapport. Daarnaast is in het deel mentale gezondheid een grote afwijking geconstateerd op de ervaren prestatiedruk van studenten. Op de conclusies en de boodschap hebben de aanpassingen geen invloed. Om deze reden brengen we de publicaties hierbij opnieuw uit.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Werkende mantelzorgers van ouderen | RIVM

De vergrijzing in Nederland stelt de samenleving voor verschillende uitdagingen. Het aandeel ouderen groeit sterk en ouderen wonen steeds langer thuis. Naarmate mensen ouder worden, krijgen zij vaker te maken met gezondheidsproblemen. Zij worden daarmee in meer of mindere mate afhankelijk van hun sociale netwerk zoals familie, vrienden, of buren. Zij worden ook wel mantelzorgers genoemd. Veel mantelzorgers combineren mantelzorgtaken met een betaalde baan. Mantelzorg geven brengt vaak positieve en waardevolle ervaringen mee, maar het combineren van werk en mantelzorg kan ook belastend zijn. De overheid stimuleert burgers om meer mantelzorg te geven. Het beleid is erop gericht om de behoefte voor zorg en ondersteuning eerst in het eigen netwerk op te vangen, voordat een beroep wordt gedaan op professionele instanties. Tegelijkertijd vindt de overheid het belangrijk dat mensen meer gaan werken. De verwachting is daardoor dat er in de toekomst meer mensen te maken krijgen met de combinatie van werk en mantelzorg.
Jaar: 2021 Onderzoek

Kerncijfers Publieke Gezondheid 2021 | RIVM

De Rijksoverheid, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en wethouders komen een aantal keer per jaar bij elkaar voor ‘bestuurlijk overleg’ over de volksgezondheid. Daarin stemmen zij nieuw beleid en maatregelen af. Het rapport Kerncijfers Publieke Gezondheid wordt in dit overleg gebruikt als dashboard op het gebied van volksgezondheid. Het RIVM heeft deze kerncijfers ontwikkeld en actualiseert deze cijfers wanneer mogelijk. Dit gebeurde in opdracht van het ministerie van VWS. Deze kerncijfers geven een beeld van belangrijke thema’s die op dit moment spelen. Bijvoorbeeld over verschillen in gezondheid van kinderen en jongeren tussen Nederlandse regio's en gemeenten en hoe we het doen ten opzichte van een aantal omringende landen. Als er voor een cijfer een bepaald doel wordt nagestreefd zoals in het Nationaal Preventieakkoord, is dat ook beschreven. Daarmee kunnen de kerncijfers richting geven voor nieuw beleid. De thema’s die aan bod komen gaan vooral over de volksgezondheid. Om de doelen te bereiken, is ook samenwerking op andere gebieden nodig. De cijfers zijn daarom ook van belang voor andere ministers, staatssecretarissen en wethouders. De cijfers van 2021 zijn onderverdeeld in acht thema’s: • Gezondheid van kinderen en jongeren • Gezonde leefomgeving • Rampen en crises • Infectieziekten • Gezondheidsinformatie en beleid • Gezondheid van ouderen • Gezonde leefstijl • Sociaaleconomische gezondheidsverschillen
Jaar: 2021 Onderzoek

Stralingsniveaumetingen aan het terrein van de EPZ kerncentrale Borssele in 2020 | RIVM

Het gammastralingsniveau aan de terreingrens van de kerncentrale Borssele lag in 2020 onder het toegestane maximum van 10 microsievert per jaar. De hoogste vastgestelde dosis is 1,2 microsievert. Dit blijkt uit controlemetingen van het RIVM. Het RIVM rapporteert jaarlijks in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) of de kerncentrale aan de vergunningseis voldoet. De kerncentrale moet ervoor zorgen dat de blootstelling van personen buiten de terreingrens maximaal 10 microsievert per jaar is. Dat is in de herziening van de kernenergiewetvergunning van 2018 vastgelegd. Om de maximale effectieve dosis te berekenen wordt op de terreingrens het gammastralingsniveau gemeten. Dit gebeurt met het RIVM MONET-meetnet, dat in beheer is van het RIVM. Van de meting wordt vervolgens de hoeveelheid die van nature voorkomt (natuurlijke achtergrondwaarde) afgetrokken. De resulterende meetwaarde wordt gecorrigeerd met de zogeheten Actuele Blootstelling Correctiefactor (ABC-factor). Een ABC-factor hangt samen met de bestemming van het gebied waar de effectieve stralingsdosis kan worden opgelopen. Rond het terrein van kerncentrale Borssele is de bestemming uitsluitend industriële doeleinden en daarvoor geldt een ABC-factor van 0,2. Na het gebruik van deze ABC-factor is de berekende maximale effectieve dosis ten gevolge van externe gammastraling 1,2 microsievert per jaar. In 2020 is met acht monitoren op verschillende plekken op de terreingrens continu het gammastralingsniveau gemeten. In dit rapport zijn de daggemiddelden van de metingen van de MONET-monitoren rond de kerncentrale in 2020 weergegeven. Ook wordt uitgelegd hoe voor elk meetpunt de natuurlijke achtergrondwaarde is bepaald.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Toepassing van thermisch gereinigde grond | RIVM

Thermisch Gereinigde Grond (TGG) is een mengsel van grond en andere materialen dat wordt verhit om organische verontreinigingen te verwijderen. Daarna kan de TGG opnieuw worden gebruikt. Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) heeft het RIVM gevraagd om de normen en de onderzoeksmethode voor TGG te evalueren. Aanleiding hiervoor zijn milieuproblemen die zijn ontstaan bij het gebruik van TGG. Met deze evaluatie wordt duidelijk wat nodig is om de kwaliteit van TGG beter te beoordelen. Het blijkt dat de wetgeving niet of onvoldoende geschikt is om TGG veilig voor het milieu te kunnen gebruiken. In TGG worden bepaalde stoffen in te hoge concentraties aangetroffen, zoals benzeen. Ook komen er meer verontreinigde stoffen uit TGG dan verwacht, zoals zware metalen en zouten. Dit verschil ontstaat vooral doordat TGG andere eigenschappen heeft dan gewone grond. Zo bevat TGG geen organische stof meer, is de bodemstructuur veranderd en de zuurgraad laag (hoge pH). De wetgeving is gebaseerd op eigenschappen van gewone grond en houdt geen rekening met de eigenschappen van TGG. Het RIVM adviseert daarom om bij de toetsing voor het gebruik van TGG wel met deze eigenschappen rekening te houden. Het RIVM adviseert ook om breder onderzoek te doen naar de uitloging van grond, bouw- en reststoffen om nieuwe normen te ontwikkelen als dat nodig blijkt. Ook uit andere hergebruikte materialen, zoals bouwmaterialen, kunnen meer schadelijke stoffen vrijkomen dan voor het milieu wenselijk is. In afwachting van nieuwe normen heeft het RIVM een eerste toepassingskader ontwikkeld. Hierin worden handvatten gegeven om TGG veilig te kunnen gebruiken. Ook wordt in het toepassingskader rekening gehouden met de bijzondere eigenschappen van TGG en het gewenste doel van het gebruik.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Zout-, verzadigd vet- en suikergehalten in bewerkte voedingsmiddelen. RIVM Herformuleringsmonitor 2020 | RIVM

De Nederlandse overheid wil dat consumenten gemakkelijk voor gezonde voedingsmiddelen kunnen kiezen. Daarom stimuleert de overheid onder andere producenten om minder zout, verzadigd vet en suiker in hun voedingsmiddelen te doen. De voedingsindustrie heeft met het ministerie van VWS afspraken gemaakt over de maximale gehalten zout, verzadigd vet en suiker. Deze afspraken komen voort uit het Akkoord Verbetering Productsamenstelling (AVP), dat liep van 2014 tot en met 2020. Sinds 2012 brengt het RIVM elke twee jaar in kaart hoeveel zout, verzadigd vet en suiker in bewerkte voedingsmiddelen in supermarkten zit (Herformuleringsmonitor). Deze monitor wordt sinds 2014 gebruikt om de samenstelling te volgen van voedingsmiddelen(groepen) waarvoor vanuit het AVP afspraken zijn gemaakt. Deze afspraken gaan vaak over specifieke producten binnen een groep voedingsmiddelen. Dit is de laatste monitor van deze afspraken. In de meeste voedingsmiddelengroepen zijn de gehalten zout, verzadigd vet en suiker in gelijk gebleven of gedaald ten opzichte van 2018. In 2018 is de werkwijze van de Herformuleringsmonitor veranderd. Hierdoor kan niet worden gezegd of de gehalten zijn veranderd ten opzichte van de monitors voor 2018. De lagere gehalten zijn vooral te zien bij de productgroepen waarvoor vanuit het AVP afspraken zijn gemaakt. Het gehalte van zout is vooral lager geworden in sommige bewerkte vleesproducten (zoals knakworst in blik en filet americain), currysaus, naturel aardappelchips en peulvruchten in blik. Er zit minder verzadigd vet in enkele vleeswaren (gebraden gehakt, leverworst). Voor suiker zijn de grootste afnames te zien in (fris)dranken. Gemiddeld zat 72 procent van de AVP-producten op of onder het maximale zoutgehalte, voor het verzadigd vetgehalte is dat 86 procent en voor suikergehalte 71 procent. Sommige afspraken konden niet worden gemonitord, omdat ze nog doorlopen of omdat niet genoeg gegevens beschikbaar zijn. Het AVP krijgt een vervolg in een nieuwe aanpak voor een breder productassortiment. Naast een verbeterde productsamenstelling blijft een gezond voedingspatroon belangrijk om minder ongezonde voedingsstoffen binnen te krijgen.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Chemische veiligheid mondkapjes. Voortgangsrapportage | RIVM

Sinds 1 juni 2020 is het in Nederland verplicht om een ‘niet-medisch mondkapje’ te dragen in het openbaar vervoer. Later dat jaar moest dat ook in alle publieke binnenruimtes. Naar aanleiding van de schaarste aan niet-medische mondkapjes zijn mensen ze zelf gaan maken. Ook behandelen mensen mondkapjes met desinfecterende sprays of etherische olie. Ze doen dat om de mondkapjes langer mee te laten gaan of frisser te laten ruiken. Er bestaan nog geen specifieke wettelijke eisen voor niet-medische mondkapjes. Uit zowel de media als de wetenschap kwamen berichten dat niet alle chemische stoffen die erin zaten of de toevoegingen, veilig waren om in te ademen. Daarom verzamelt en beschrijft het RIVM sinds mei 2020 signalen over mogelijk ongezonde stoffen in mondkapjes. Het gaat zowel om gekochte als zelfgemaakte mondkapjes. Er is nog te weinig informatie beschikbaar om te kunnen beoordelen of mondkapjes met claims als ‘antibacterieel’ of ‘antiviraal’ veilig zijn. Aan deze mondkapjes zijn vaak stoffen als (nano)zilver, (nano)koper, titaniumdioxide en/of grafeen toegevoegd. Mondkapjes zonder toevoegingen zijn, voor zover bekend, in chemisch opzicht veilig om te gebruiken. Het gebruik van sprays of etherische olie lijkt de beschermende functie van het mondkapje niet te verbeteren. En het kan ongewenste (allergische) reacties veroorzaken. Mensen hebben onder andere stofzuigerzakken en HEPA-filters voor stofzuigers gebruikt om mondkapjes van te maken of als filter in mondkapjes te stoppen. Maar aan stofzuigerzakken kunnen antimicrobiële stoffen zijn toegevoegd die schadelijke of ongewenste organismen bestrijden (biociden). Ook zijn er stoffen toegevoegd die geuren opnemen. Het kan schadelijk zijn als mensen deze stoffen inademen. Het RIVM raadt het daarom af om van stofzuigerzakken of - filters mondkapjes te maken. Consumenten zijn via de websites van het RIVM, de rijksoverheid, en Waarzitwatin geïnformeerd over de resultaten van dit onderzoek. In 2020 is er een vrijwillig NEN-keurmerk voor niet-medische mondkapjes ontwikkeld, dat sinds januari 2021 op verpakkingen van sommige mondkapjes staat. Ondanks het feit dat door de recente versoepelingen in Nederland mondkapjes alleen nog maar in het openbaar vervoer gedragen hoeven te worden, adviseert het RIVM om de ontwikkelingen van dit product te blijven volgen.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Validation of the TBX pour plate method (ISO 16649-2) for the enumeration of Escherichia coli in Live Bivalve Molluscs: renewal study for alignment with EN ISO 16140-2:2016 | RIVM

Volgens Europese wetgeving moet worden aangetoond of consumenten veilig schelpdieren kunnen eten. Hiervoor wordt geteld hoeveel Escherichia coli bacteriën er in het schelpdiervlees zitten. Om ze rauw of gekookt te mogen eten is een maximum aantal bacteriën toegestaan. Om bijvoorbeeld oesters rauw te kunnen eten mogen er niet meer dan 230 E. coli bacteriën in zitten. Wanneer er meer bacteriën in de schelpdieren zitten, dan moeten ze bijvoorbeeld gekookt worden om de bacteriën te doden voordat je ze veilig kunt eten. De Europese regelgeving verplicht de Europese lidstaten de MPN-methode te gebruiken om de aantallen te tellen. Om een andere methode te kunnen gebruiken, moet worden aangetoond dat deze methode dezelfde resultaten geef t als de MPN. Dit gebeurt met een validatiestudie. Het RIVM heeft dat eerder gedaan voor de TBX-methode (MicroVal-certificaat met certificaatnummer: 2007-LR07). De regels om dat aan te tonen staan beschreven in een ISO-norm (EN ISO 16140:2003). Maar deze eerdere studie is in 2017 verlopen en de ISO is veranderd. Daarom heef t het RIVM een nieuwe validatiestudie gedaan volgens de nieuwe regels (EN ISO 16140-2:2016). Ook nu blijkt dat de TBXmethode dezelfde resultaten geef t als de MPN-methode. De TBXmethode mag daarom nu ook worden gebruikt om de Escherichia coli bacterie in schelpdieren te tellen. Voor deze studie moesten enkele nieuwe experimenten worden gedaan. Hiervoor zijn de volgende schelpdiersoorten gebruikt: oesters, mosselen, kokkels en ensis. Alle proeven gaven dezelfde conclusies.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Overige broeikasgasemissies in de nationale klimaat- en energieverkenningen (KEV) 2021 | RIVM

Het RIVM heeft de methode beschreven waarmee de uitstoot van de ‘overige broeikasgassen’ door alle sectoren behalve de landbouw (veeteelt en akkerbouw) wordt geraamd voor de toekomst. Het gaat om methaan (CH4), lachgas (N2O) en de gefluoreerde broeikasgassen (HFK’s, PFK’s en SF6), ook wel F- gassen genoemd. Verschillende sectoren stoten deze gassen uit zoals de afvalsector, de industrie en de landbouw. De methodebeschrijving is een bijlage bij de Klimaat- en Energieverkenning (KEV), die het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) elk jaar uitbrengt. De KEV kijkt vooruit: hierin staat aangegeven hoeveel uitstoot van broeikasgassen tot 2040 worden verwacht (ramingen). Deze ramingen worden gemaakt voor twee scenario’s: de effecten van het huidige klimaatbeleid en van voorgenomen beleid. De methodebeschrijving voor de uitstoot van CO2 en van de overige broeikasgassen uit de landbouw staan niet in deze bijlage. Zij worden in het hoofdrapport beschreven omdat zij het grootste deel van de uitstoot vormen. De overige broeikasgassen worden omgerekend naar zogeheten CO2-equivalenten, zodat ze met CO2 kunnen worden vergeleken. Deze rekeneenheid geeft aan in welke mate broeikasgassen bijdragen aan het broeikaseffect.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Nanotechnology and Safe-by-Design | RIVM

Een veilige, schone en gezonde leefomgeving is heel belangrijk voor Europa. De Nederlandse overheid streeft ernaar dat alle nieuwe materialen en technologische ontwikkelingen in 2050 veilig zijn voor mensen en milieu. Dit wordt gedaan door ze al vanaf de ontwerpfase veilig en gezond te laten zijn. Dit concept heet Safe-by-Design. Het RIVM heeft een overzicht gemaakt van onderzoeken die tussen 2013 en 2020 in Europa zijn gedaan naar Safe-by-Design. De projecten waren meestal onderdeel van het Europese onderzoeksprogramma Horizon 2020. Het RIVM richtte zich hierbij op onderzoeksprojecten over de veiligheid van nanomaterialen. Nanodeeltjes zijn hele kleine deeltjes, die zich anders kunnen gedragen dan 'normale' deeltjes en daardoor een risico vormen. Het overzicht is gemaakt in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Dit is uitgevoerd om milieubeleid te ondersteunen waarvan Safe-by-Design een belangrijk onderdeel is. Het overzicht kan gebruikt worden voor onder andere beleidsmakers en de industrie te informeren en inspireren. In het overzicht staan 74 onderzoeken beschreven, die elk zijn samengevat en onderverdeeld in vier beleidsthema’s: onderzoek, onderwijs, industrie en beleid (strategisch positioneren). Per thema zijn de resultaten van die onderzoeken weergegeven, zoals lesmateriaal bij onderwijs, en handleidingen en instrumenten bij industrie. Deze inventarisatie vormt een goede basis om vervolgactiviteiten te formuleren die de transitie naar Safe-by-Design-implementatie bevorderen.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Analyseren van het effect van het hebben van diabetes op de sterftekans en levensverwachting | RIVM

Mensen met diabetes leven gemiddeld korter dan mensen zonder diabetes. Dat komt niet alleen omdat ze diabetes hebben maar ook vaker andere ziekten. Dat veroorzaakt een grotere kans op overlijden. Het maakt daarbij uit welke soort diabetes iemand heeft. Bij diabetes type 1 werkt het natuurlijk afweersysteem niet goed. Bij type 2 speelt een ongezonde leefstijl een rol. Een ongezonde leefstijl vergroot de kans dat iemand diabetes type 2 krijgt én de kans dat die persoon aan een andere ziekte overlijdt, zoals hart- en vaatziekten. Mensen van 45 jaar met diabetes type 1 leven gemiddeld 13 jaar korter dan mensen zonder diabetes. Voor een 45-jarige met diabetes type 2 is dat gemiddeld 4 jaar korter. De kans om te sterven is voor mensen van 45 tot 60 jaar met diabetes type 1 ongeveer 5 keer groter dan voor mensen zonder diabetes van deze leeftijd. Dit verschil wordt kleiner naarmate ze ouder worden, omdat ook mensen zonder diabetes dan steeds vaker een of meer ziekten krijgen. Bij diabetes type 2 is de sterftekans voor mensen van 45 tot 60 jaar ongeveer 2 keer zo groot als voor mensen zonder diabetes. Ook hier neemt het verschil af naarmate ze ouder worden. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM. Hiervoor is een methode ontwikkeld om te berekenen welk effect het hebben van diabetes type 1 en type 2 in Nederland heeft op de kans op overlijden en de levensverwachting. Hiervoor heeft het RIVM cijfers van huisartsen die het Nivel heeft verzameld gekoppeld aan de sterftecijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Voor mensen onder de 45 jaar konden geen betrouwbare uitspraken worden gedaan omdat er weinig mensen met diabetes in deze leeftijdsgroep overlijden. Het onderzoek is in opdracht van het Diabetes Fonds gedaan. Dit fonds wil onder andere graag meer informatie over sterfte en levensverwachting om meer aandacht voor diabetes te vragen. Er zijn verschillende vormen van diabetes, waarvan diabetes type 1 en type 2 het meeste voorkomen. Deze twee typen hebben verschillende symptomen, worden anders behandeld en kunnen tot andere complicaties leiden. Diabetes type 2 komt veel vaker voor dan type 1.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Gammastralingsniveaumetingen aan de terreingrens van COVRA N.V. te Borsele in 2020 met het MONET-meetnet | RIVM

Het gammastralingsniveau aan de terreingrens van de Centrale Organisatie voor Radioactief Afval (COVRA N.V.) te Borsele lag in 2020 onder het toegestane maximum van 40 microsievert per jaar. De hoogste vastgestelde dosis is 3,2 microsievert. Dit blijkt uit controlemetingen van het RIVM. Het RIVM rapporteert jaarlijks in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) en toetst of COVRA N.V. aan de vergunningseis voldoet. COVRA N.V. moet ervoor zorgen dat personen buiten de terreingrens aan maximaal 40 microsievert per jaar worden blootgesteld. Dat is in de kernenergiewetvergunning bepaald. Om de maximale effectieve dosis te berekenen wordt het gammastralingsniveau op twaalf locaties langs de terreingrens gemeten. Dit gebeurt met het MONET-meetnet, dat in beheer is van het RIVM. Van de metingen wordt vervolgens de hoeveelheid die van nature voorkomt afgetrokken (natuurlijke achtergrondwaarde). De resulterende meetwaarde wordt gecorrigeerd met de zogeheten Actuele Blootstellings Correctiefactor (ABC-factor). Een ABC-factor hangt samen met de bestemming van het gebied waar de effectieve gammastralingsdosis kan worden opgelopen. Na het gebruik van de ABC-factor is de berekende maximale effectieve gammadosis 3,2 microsievert per jaar. Dit is onder de maximaal toegestane jaarlijkse limiet. In dit rapport zijn de daggemiddelden van de metingen van de twaalf MONET-monitoren aan de terreingrens van COVRA N.V. in 2020 weergegeven. Ook wordt uitgelegd hoe voor elk meetpunt de natuurlijke achtergrondwaarde is bepaald.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

COVID-19 vaccine booster dose. Background information for the Health Council | RIVM

Sinds januari 2021 kunnen mensen in Nederland zich laten vaccineren tegen COVID-19, de ziekte die door het nieuwe coronavirus SARS-CoV-2 wordt veroorzaakt. Het belangrijkste doel van deze vaccinatie is om ernstige ziekte en sterfte te voorkomen. De vraag is nu of mensen die gevaccineerd zijn baat hebben bij een extra vaccinatie. Deze ‘booster’ is bedoeld als oppepper, die de werking van de eerste serie vaccins kan verbeteren. De Gezondheidsraad adviseert het ministerie van VWS of deze booster nodig is, en zo ja voor wie, wanneer, en met welk vaccin. Het RIVM heeft voor de Gezondheidsraad de wetenschappelijke kennis verzameld over factoren die relevant zijn voor dit advies. De inzet van een booster hangt grofweg van vier factoren af. Dat zijn: de situatie bij de bevolking (zoals het aantal zieken en gevaccineerden), de vaccins (onder andere: welke zijn er, zijn ze veilig, werken ze goed), de bescherming (zoals de timing van de booster, de invloed van natuurlijke infectie), en virusvarianten. Een booster kan nodig zijn als de beschermende werking van de eerste serie vaccins na een tijd te veel afneemt. Een andere reden voor een booster is wanneer de vaccinaties minder goed blijken te beschermen tegen nieuwe varianten van het coronavirus. Tot nu toe beschermen de huidige vaccins goed tegen ziekte en sterfte, ook tegen de varianten die in Nederland voorkomen. Het is nog niet duidelijk of en wanneer een booster kan helpen om ernstige ziekte en sterfte te verminderen. Wereldwijd is er nog weinig ervaring met een booster en er is nog weinig wetenschappelijk bewijs.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Registratie voedselgerelateerde uitbraken in Nederland, 2020 | RIVM

Mensen kunnen ziek worden van voedsel. Als twee of meer mensen tegelijk ziek worden na het eten van hetzelfde voedsel, wordt dat een uitbraak door een voedselgerelateerde ziekteverwekker genoemd. In 2020 zijn 559 uitbraken met 1907 zieken gemeld. Dit zijn er duidelijk minder dan in 2018 (756 uitbraken met 2805 zieken) en 2019 (735 uitbraken met 3058 zieken). Dat komt vooral door de uitbraak van het coronavirus en de maatregelen om de verspreiding ervan te verminderen, zoals handen wassen. Het norovirus, Salmonella en Campylobacter veroorzaakten in 2020 nog steeds de meeste uitbraken en ziekte, maar in totaal dus wel veel minder dan in de jaren ervoor. De cijfers komen van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) en de GGD’en. Zij registreren en onderzoeken voedselgerelateerde infecties en vergiftigingen om te voorkomen dat meer mensen ziek worden. Daartoe proberen ze vanuit hun eigen werkveld te achterhalen waar mensen besmet zijn geraakt en door welke ziekteverwekker. De NVWA onderzoekt welke ziekteverwekkers in voedsel kunnen zitten, waar het voedsel vandaan komt, en de plaats waar het is bereid of verkocht. De GGD richt zich op de personen die hebben blootgestaan aan besmet voedsel en probeert via hen te achterhalen waar ze zijn besmet. Het RIVM voegt de meldingen van de twee instanties samen en analyseert ze als één geheel. Deze aanpak geeft inzichten in oorzaken van voedselgerelateerde uitbraken in Nederland, de mate waarin ze voorkomen en mogelijke veranderingen hierin door de jaren heen. De genoemde getallen zijn een onderschatting van het werkelijke aantal voedselgerelateerde uitbraken en zieken. Dit komt onder andere doordat niet elke zieke naar de huisarts gaat of de NVWA informeert. Ook is niet altijd duidelijk of besmet voedsel de oorzaak van een ziekte is.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Smaakbepalende additieven in vloeistoffen voor e-sigaretten: een voorstel voor een limitatieve lijst | RIVM

Dit rapport bevat een addendum d.d. 16-06-2023 op pagina 41. De overheid wil e-sigaretten minder aantrekkelijk maken, vooral voor jongeren. Smaakstoffen bepalen voor een groot deel de aantrekkelijkheid van dit product. Zowel volwassen als jongere niet-rokers houden vooral van zoete smaken en fruitsmaken. Daarom heeft de Nederlandse regering besloten alleen nog smaakstoffen toe te staan die vooral in tabaksmaken voorkomen. Om dit uit te kunnen voeren stelt het RIVM voor om 23 smaakstoffen met de smaak van tabak toe te staan. Waarschijnlijk zal het gebruik van e-sigaretten minder aantrekkelijk worden als alleen deze smaakstoffen erin mogen zitten. Het RIVM heeft het voorstel in opdracht van het ministerie van VWS gemaakt. Het ministerie beslist uiteindelijk welke stoffen worden toegestaan. Voor het onderzoek zijn de gegevens van fabrikanten over de samenstelling van hun producten gebruikt. Vloeistoffen met tabaksmaak bevatten smaakstoffen met tabaksmaak, maar vaak ook andere smaakstoffen, zoals ethylmaltol (zoet, fruit-karamel-achtig). Er worden in totaal 503 verschillende smaakstoffen gebruikt in vloeistoffen met tabaksmaak. Om ervoor te zorgen dat er alleen stoffen overblijven die naar tabak smaken of in tabak zitten, heeft het RIVM vier criteria opgesteld. De 23 smaakstoffen die het RIVM voorstelt voldoen hieraan. Als eerste moet de stof in minimaal 0,5 procent van alle vloeistoffen met tabaksmaak zitten. Als tweede moeten ze vaker in vloeistoffen met tabaksmaak voorkomen dan in andere vloeistoffen. Ten derde mogen het geen extracten van plantaardige grondstoffen zijn. De samenstelling daarvan is niet constant en is daarom moeilijk te controleren. Ten slotte moet de smaak van een stof sterk lijken op tabak(smaak) en mogen het geen zoete smaken zijn. Het RIVM merkt op dat volwassenen e-sigaretten als hulpmiddel gebruiken om te stoppen met roken. Dit hulpmiddel kan voor hen minder aantrekkelijk worden als de smaken worden ingeperkt. Verder zouden gebruikers van e-sigaretten zelf smaak kunnen gaan toevoegen, zoals los verkrijgbare aroma’s, bij een sterke beperking van het aantal smaken. Het RIVM adviseert om hier rekening mee te houden bij het opstellen van de regelgeving.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Onconventionele bronnen voor de Nederlandse drinkwatervoorziening. Aandachtspunten voor afwegingen | RIVM

Naar verwachting zal de vraag naar drinkwater de komende jaren in Nederland stijgen. Dat komt onder andere door de verwachte economische groei, de bevolkingsgroei en door klimaatverandering. Het is daardoor niet meer onder alle omstandigheden vanzelfsprekend, zoals tijdens warme zomers, dat er genoeg drinkwater is. Om die tekorten op te vangen, kunnen andere bronnen dan het gebruikelijke zoet grond- en oppervlaktewater de voorraad aanvullen. Een voorbeeld is brak grondwater, dat wat zouter is omdat het bij de overgang van zoet naar zout water ligt. Dit wordt nu in enkele regio’s getest, zodat er over een paar jaar drinkwater uit kan worden bereid. Ook andere mogelijkheden moeten nog worden onderzocht. Het RIVM heeft uitgezocht welke regionale initiatieven om andere bronnen te gebruiken er al zijn. Ook heeft het op een rij gezet wat nodig is om ongebruikelijke bronnen voor drinkwater in te zetten. Bijvoorbeeld of er genoeg van is, of die hoeveelheid er altijd is, of de kwaliteit goed genoeg is en of de winning technisch haalbaar is. Daarna wordt gekeken of de winning in de omgeving is in te passen en duurzaam is, en wat de maatschappelijke kosten versus de baten zijn. Deze kennis helpt overheden en drinkwaterbedrijven om af te wegen of een ongebruikelijke bron haalbaar is. De kansrijkste locaties kunnen daarna gedetailleerder worden uitgezocht en vergeleken, om tot de beste locaties te komen. Zo kan in een regio een maatschappelijk gedragen keuze worden gemaakt die rekening houdt met alle watergebruikers. Het RIVM beveelt aan regionaal uit te zoeken wat de vraag is naar drinkwater, naar watergebruik voor landbouw en natuur, en hoeveel daarvoor beschikbaar is. Zo wordt duidelijk of ongebruikelijke bronnen kunnen helpen om vraag en aanbod beter op elkaar aan te sluiten.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Verkenning DNA-testen voor persoonlijke preventie van veelvoorkomende aandoeningen | RIVM

In Nederland komen sommige aandoeningen veel voor, zoals hart- en vaatziekten, kanker en obesitas. De oorzaak hiervan is een combinatie tussen genetische aanleg, gedrag en omgevingsfactoren. Het ministerie van VWS wilde weten of DNA-testen samen met leefstijladviezen kunnen helpen voorkomen dat mensen zo’n ziekte krijgen. Een DNA-test kan helpen inschatten of iemand een grotere kans heeft op een aandoening. Op basis van die DNA-test zou iemand een aangepast leefstijladvies kunnen krijgen dat erop gericht is om die aandoening te voorkomen. Dit noemen we persoonlijke preventie. Het RIVM verkende welke ontwikkelingen, kansen en uitdagingen er zijn voor persoonlijke preventie door een combinatie van een DNA-test en persoonlijk leefstijladvies. Uit de verkenning blijkt dat voor weinig van de veelvoorkomende aandoeningen een DNA-test bestaat die de kans op een aandoening goed kan voorspellen. Verder blijken leefstijladviezen voor veel van de veelvoorkomende aandoeningen hetzelfde te zijn, zoals niet roken en voldoende bewegen. Een DNA-test uitvoeren om leefstijladviezen te personaliseren lijkt daarom nog weinig nut te hebben. Voor enkele specifieke aandoeningen ziet het RIVM wel kansen om DNAtesten te gebruiken voor persoonlijke preventie. Bijvoorbeeld voor de oogziekte leeftijdsgebonden maculadegeneratie (LMD) en de hart- en vaatziekte familiaire hypercholesterolemie (FH). Hiervoor bestaan goede DNA-testen en preventieve leefstijladviezen. Door de snelle ontwikkelingen op het gebied van DNA-testen en leefstijladviezen kunnen in de toekomst ook kansen ontstaan voor andere aandoeningen. Het RIVM beveelt daarom aan om deze ontwikkelingen te monitoren. Daarnaast beveelt het RIVM onderzoek aan naar het effect van een testuitslag op gedrag (gedragsonderzoek) en de voorwaarden om een DNA-test succesvol in te zetten (implementatieonderzoek). Verder zal volgens het RIVM efficiënte uitwisseling van kennis tussen onderzoekers, zorgprofessionals, beleidsmakers en patiëntverenigingen bevorderd moeten worden. Op deze manier kan gezamenlijk worden gekeken wat het beste werkt om DNA-testen effectief in te zetten voor persoonlijke preventie.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Evaluatie Strategisch Programma RIVM 2015-2018 | RIVM

Het RIVM voert vooral opdrachten uit van de overheid. Daarnaast heeft het zelf geld om wetenschappelijk innovatief onderzoek te doen, het Strategisch Programma RIVM (SPR). Dit programma heeft drie hoofddoelen: de positie van het RIVM in het wetenschappelijk veld behouden of versterken, ervoor zorgen dat we de kennis in huis hebben om in de toekomst opdrachten te kunnen uitvoeren, en onderzoek doen naar toekomstige maatschappelijke vragen die voor het instituut relevant zijn. SPR wordt telkens voor vier jaar opgezet en na afloop door het RIVM geëvalueerd. Dit rapport gaat over SPR 2015-2018. Uit de evaluatie blijkt dat de SPR-onderzoeken in deze ronde aan alle drie de hoofdoelen hebben bijgedragen. De mate waarin verschilde per thema en project. Elke vier jaar worden er een aantal thema’s gekozen die aansluiten bij de maatschappelijke opgaven waar het RIVM voor staat en de doelen van SPR. Twee voorbeelden van de thema’s in deze ronde zijn: beter kunnen communiceren over risico’s, en ervoor zorgen dat beleidsmakers de onderzoeksresultaten beter kunnen gebruiken. De resultaten hebben dit keer ook andere vormen gekregen dan wetenschappelijke publicaties, zoals databases, factsheets, innovaties, en nieuwe methoden. Hierdoor zijn er minder wetenschappelijke publicaties verschenen dan in eerdere rondes. De kwaliteit van de wetenschappelijke publicaties was goed. Uit de evaluatie komt het advies om de resultaten van de projecten en opgedane kennis beter over te dragen aan andere medewerkers binnen het RIVM. Dan kunnen ze ook op de lange termijn worden gebruikt.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Onderzoek naar radioactiviteit in gestorte staalslakken bij Spijk | RIVM

Staal wordt gemaakt uit ijzererts, waar van nature een klein beetje radioactief materiaal in zit. Deze natuurlijke radioactiviteit komt bij de productie van staal terecht in een bijproduct: de staalslakken. Staalslakken kunnen bijvoorbeeld worden gebruikt als vulling van geluidswallen of als ondergrond van een weg. Op een terrein langs de snelweg A15 nabij Spijk is 600.000 tot 700.000 ton staalslakken gestort, verdeeld over vijf velden. Dit is gedaan voor de aanleg van een geluidswal langs een golfbaan die wordt uitgebreid. Een burger heeft vragen gesteld of de radioactiviteit in de staalslakken op het terrein bij Spijk een risico vormen voor mens en milieu. De Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) heeft daarom hier een onderzoek naar gestart. Het RIVM heeft in opdracht van de ANVS voor dit onderzoek gemeten hoeveel radioactieve stoffen in de staalslakken bij Spijk zitten. Deze hoeveelheid is heel laag en ligt ver onder de norm. Hierdoor zijn er geen radiologische risico’s voor mens en milieu. Het RIVM heeft als vergelijking ook het niveau van de natuurlijke straling in het gebied naast de staalslakken gemeten; er zit namelijk van nature straling in de bodem. De straling in dit gebied kwam overeen met het normale stralingsniveau voor deze grondsoort. De hoeveelheid straling van de staalslakken is zelfs lager dan van de natuurlijke bodem. Dit komt doordat de staalslakken de radioactiviteit die van nature in de bodem zit grotendeels tegenhouden en zelf weinig radioactieve stoffen bevatten. Staalslakken bevatten naast radioactieve stoffen vaak chemische stoffen en zware metalen. In dit onderzoek is alleen gekeken naar risico’s van radioactiviteit, en niet van andere bestanddelen.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Occupational exposure to wood dust. A systematic review of the literature | RIVM

Werknemers die hout bewerken, zoals zagen en schuren, kunnen blootstaan aan houtstof. Het is bekend dat deze blootstelling schadelijk kan zijn voor de gezondheid. Het RIVM heeft alle kennis in de wetenschappelijke literatuur over houtstof en blootstelling aan houtstof op de werkvloer verzameld. Het RIVM heeft de informatie niet vergeleken of geïnterpreteerd. De informatie is verzameld in opdracht van de Gezondheidsraad. De Gezondheidsraad zal met deze informatie de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) adviseren of de gezondheidskundige advieswaarde voor blootstelling van werknemers aan houtstof moet worden aangepast. Het gaat onder andere om kenmerken van het stof door houtbewerking, hoe mensen eraan blootstellen en in welke mate. Ook is gekeken wat bekend is wat er in het lichaam gebeurt na blootstelling, en welke ziektes en aandoeningen mensen ervan kunnen krijgen. Het is bekend dat werknemers neuskanker kunnen krijgen als zij langdurig aan houtstof blootstaan. Ook kan het de functie van de longen verminderen, waardoor mensen onder andere moeilijker kunnen ademhalen. Verder kan het irritatie aan de ogen, neus, longen en huid veroorzaken.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Verkenning haalbaarheid gezondheidsonderzoek werknemers Schiphol | RIVM

Het RIVM onderzoekt sinds 2017 mogelijke effecten van langdurige blootstelling aan ultrafijnstof op de gezondheid van omwonenden van Schiphol. Het ministerie van Infrastructuur & Waterstaat (IenW) heeft het RIVM gevraagd om te verkennen of het haalbaar is dit onderzoek uit te breiden naar mogelijke gezondheidseffecten bij mensen die op Schiphol in de buurt van de vliegtuigen werken. De aanleiding hiervoor is een motie in de Tweede Kamer. Het blijkt praktisch niet mogelijk om gezondheidseffecten bij de platformmedewerkers binnen de opzet van het onderzoek naar omwonenden te bestuderen. Hiervoor zijn onder andere administratieve gegevens nodig over de aard en werkomstandigheden van oudmedewerkers. Maar de administratie van de vele organisaties waar platformmedewerkers voor werken, is onvolledig of gaat niet ver genoeg terug in de tijd. De weinige gegevens die er wel zijn mogen maar beperkt worden gebruikt vanwege de Algemene Verordening Gegevensbescherming. Verder zijn er inhoudelijke verschillen met het onderzoek naar omwonenden. Naar verwachting staan platformmedewerkers tijdens hun werk aan hogere concentraties ultrafijnstof bloot dan omwonenden. Ook worden platformmedewerkers aan meer luchtvervuilende stoffen blootgesteld dan ultrafijnstof. Bijvoorbeeld via de dieselmotoremissies van bagagekarretjes en de uitstoot van vliegtuigmotoren. Dit vraagt om een bredere blik naar gezondheidseffecten bij platformmedewerkers dan alleen van ultrafijnstof. Een ander type gezondheidsonderzoek is wel mogelijk, namelijk onderzoek naar onder andere de long- en hartfunctie en bloed en urine bij medewerkers die er nu werken. De resultaten geven een indicatie maar geen zekerheid over ziekten die door een langdurige blootstelling aan ultrafijnstof kunnen ontstaan. Voorbeelden daarvan zijn beroerte, COPD, longkanker en aandoeningen van het zenuwstelsel. Het duurt jaren om met zekerheid te zeggen wat de effecten van een langdurige blootstelling aan ultrafijnstof op de gezondheid van huidige medewerkers zijn.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Evaluatie onverplichte financiële tegemoetkoming Q-koorts - de betekenis van een gebaar | RIVM

Tussen 2007 en 2011 was er in Nederland een grote Q-koortsuitbraak. Vele duizenden mensen raakten besmet en werden ziek, een aantal overleed. Een deel bleef daarna klachten houden of kreeg ernstige complicaties, waaraan sommigen zijn gestorven. In 2018 trof de overheid een tegemoetkomingsregeling voor patiënten en nabestaanden. Deze ‘onverplichte financiële tegemoetkoming’, € 15.000, was geen compensatie of schadevergoeding, maar een gebaar. Een gebaar om het leed te erkennen, zodat patiënten en nabestaanden de uitbraak achter zich kunnen laten en verder kunnen met hun leven. Het RIVM heeft onderzocht of de tegemoetkoming dit effect heeft bereikt. Hiervoor zijn bijna vierhonderd patiënten en nabestaanden ondervraagd. Hoewel de meerderheid (ruim 80 procent) blij was met het geld, voelde slechts de helft zich door dit gebaar erkend. Eén op de drie voelde zich er niet of helemaal niet door erkend. Ze hadden zich meer erkend gevoeld als de overheid ook excuses had aangeboden. Een tegemoetkoming zonder excuses voor in hun ogen gemaakte fouten voelt voor veel getroffenen als een ‘lege huls’. Een excuus geeft de tegemoetkoming volgens hen meer betekenis. De tegemoetkoming helpt slechts een deel van de getroffenen om de uitbraak achter zich te kunnen laten en verder te kunnen met hun leven. Door een eenmalig geldbedrag verdwijnen de Q-koorts en de blijvende impact van de ziekte op het dagelijks leven niet. Dat geldt ook voor de impact van het verlies van een partner en voor gevoelens van boosheid en wantrouwen richting de overheid. Daarnaast vonden velen de tegemoetkoming te laat en te laag. Ze beleven de tegemoetkoming als compensatie of schadeloosstelling, hoewel hij zo niet was bedoeld. Hierdoor zien zij het bedrag van € 15.000 in relatie tot de geleden schade, en dus als niet genoeg. Veel getroffenen hebben behoefte aan een structureel financieel en zorgvangnet, onderzoek en monitoring. Ook is er behoefte aan aandacht en erkenning in de zorg en bij instanties, zoals het UWV. Fysieke en financiële problemen zijn immers niet verdwenen met een eenmalige tegemoetkoming. In dit onderzoek is ook gekeken of een niet verplichte financiële tegemoetkoming voor andere situaties kan worden ingezet. Dat is zeker het geval, maar niet in alle situaties en alleen onder een aantal voorwaarden. Zo is het belangrijk vooraf goed te overwegen of deze maatregel het meest past bij een situatie.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Onderzoek Q-koorts COVID-19 | RIVM

Begin 2020 begon de uitbraak van het coronavirus SARS-CoV-2 in Nederland. In het oosten van de provincie Noord-Brabant kwam toen veel COVID-19 voor; de ziekte die het virus veroorzaakt. In dit deel van Nederland kwam tussen 2007 en 2010 ook veel Q-koorts voor. Dit was aanleiding voor het RIVM om te onderzoeken of mensen die Q-koorts hebben gehad, vatbaarder zijn voor een infectie met het coronavirus en of de ziekte ernstiger verloopt. Gekeken is hoe vaak COVID-19 in het begin van de uitbraak van het coronavirus voorkwam bij mensen die eerder Q-koorts hadden en in het oosten van Noord-Brabant woonden. Dit aantal is vergeleken met het totaal aantal mensen met COVID-19 in dit gebied. Het blijkt dat COVID-19 tijdens de eerste golf van de epidemie vaker voorkwam bij mensen in het oosten van Noord-Brabant die eerder Q-koorts hadden. In de tweede golf van de epidemie zagen we dit verschil niet. Er zijn geen aanwijzingen dat COVID-19 bij voormalige Q-koorts-patiënten ernstiger verliep. Veel van de mensen die eerder Q-koorts hadden, hebben een of meer blijvende onderliggende aandoening. Soms is dat in combinatie met chronische Q-koorts of het Q-koortsvermoeidheidssyndroom (QVS). Hierdoor zullen zij in het begin van de epidemie waarschijnlijk vaker getest zijn op COVID-19. De testcapaciteit was toen nog beperkt, waardoor er vooral mensen met onderliggende aandoeningen werden getest. Dit gebeurde omdat zij een grotere kans hebben om ernstig ziek te worden van COVID-19. Door vaker te testen is waarschijnlijk ook vaker COVID-19 aangetoond. Vanaf juni kon iedereen met (milde) klachten getest worden. Daarna zagen we niet meer dat COVID-19 vaker voorkwam bij mensen die eerder Q-koorts hadden. Het RIVM heeft het onderzoek uitgevoerd in samenwerking met Nivel, huisartsen in Noord-Brabant, GGD Hart voor Brabant, en het Jeroen Bosch Ziekenhuis en het Bernhoven ziekenhuis. Het RIVM onderzoekt ook met partners of er een verband is tussen luchtkwaliteit en COVID-19 in heel Nederland. Er is hierbij aandacht voor verschillende oorzaken van luchtverontreiniging. De resultaten hiervan worden in 2023 verwacht.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Evaluatie project Ouderen in de Wijk | RIVM

In 2015 is het project Ouderen in de Wijk (OIDW) gestart met als doel om (dreigend) sociaal isolement bij ouderen uit kwetsbare groepen tegen te gaan. Vanuit de bibliotheken in Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht wordt een breed aanbod aan activiteiten georganiseerd voor deze ouderen. Enkele voorbeelden zijn filmavonden, lezingen, koffiemiddagen en cursussen digitale vaardigheden. Deze activiteiten worden georganiseerd vanuit de bibliotheken zelf, maar ook in samenwerking met lokale partijen. Het project is gefinancierd vanuit het Europees fonds voor de meest behoeftigen (EFMB). Het overkoepelende doel van OIDW was om AOW-gerechtigde ouderen met een laag besteedbaar inkomen, die tevens sociaal uitgesloten zijn of dreigen te raken, te bereiken en te ondersteunen in het zelfredzaam worden in hun eigen leefomgeving. Het RIVM heeft, in opdracht van de bibliotheek, kwalitatief onderzoek gedaan naar de ‘werkzame’ elementen van het project OIDW. In dit onderzoek is er specifiek aandacht voor drie subdoelen van het project die betrekking hebben op het activeren van de ouderen; 1) het verbreden van hun sociale netwerk, 2) het bevorderen van hun bewustwording van lokale activerings- en ondersteuningsactiviteiten en 3) het versterken van hun competenties. Zowel de ouderen, professionals als de externe organisaties die betrokken zijn bij de organisatie en uitvoering van OIDW zijn positief over de interventie. De gastvrouwen hebben een belangrijke rol in het leggen van de verbinding met de ouderen. Zij zorgen voor een veilige en vertrouwde omgeving, waardoor de ouderen bereid zijn deel te nemen en zich durven open te stellen. Ook geeft het ouderen beter zicht op het lokale activiteitenaanbod en maken ze hier ook gebruik van. Verder vormen de activiteiten een ontmoetingsplek waar ouderen sociale contacten opbouwen. Bovendien zijn er waardevolle samenwerkingen ontstaan tussen de bibliotheek en organisaties in de wijk, waarbij er sprake is van een win-win situatie. Deze factsheet is gebaseerd op de ervaringen en inzichten van ouderen die deel hebben genomen aan het project OIDW, professionals (waaronder de gastvrouwen, netwerkers en projectleiders van het project OIDW) en medewerkers van organisaties in de wijk die samenwerken met de bibliotheek. Op basis van de ervaringen van alle betrokkenen heeft het RIVM vijf elementen geïdentificeerd die karakteriserend zijn voor de OIDW interventie en tevens een belangrijke rol spelen bij het activeren van ouderen. Deze elementen zijn; 1. De inzet van de gastvrouwen, 2. Elkaar leren kennen en vertrouwen, 3. Het activiteitenaanbod toegankelijk maken, 4. Hulp op maat bieden en 5. Doorverwijzen en warme overdracht.
Jaar: 2021 Onderzoek

Every country, every woman, every child; Group B streptococcal disease worldwide prematurity modifies the risk of long-term neurodevelopmental impairments after invasive Group B Streptococcus infections during infancy in Denmark and the Netherlands | RIVM

Every country, every woman, every child; Group B streptococcal disease worldwide prematurity modifies the risk of long-term neurodevelopmental impairments after invasive Group B Streptococcus infections during infancy in Denmark and the Netherlands | RIVM
Jaar: 2021 Onderzoek

Verkenning voor aanvullend onderzoek naar de toepassing van TGG te Perkpolder (Zeeland) | RIVM

Bij de aanleg van de Zeedijk in Perkpolder is Thermisch Gereinigde Grond (TGG) gebruikt. TGG is een mengsel van grond en andere materialen dat wordt verhit om organische verontreinigingen te verwijderen. Daarna kan de TGG opnieuw worden gebruikt. Het RIVM concludeerde in 2018 dat er nog verontreinigingen in het materiaal van de dijk zitten maar dat ze geen risico’s vormen voor de gezondheid. Wel constateerde het RIVM dat tijdens de aanleg van de dijk fijnstof kon verwaaien en tijdelijke klachten konden geven, zoals irritatie aan ogen en neus. In 2021 heeft Rijkswaterstaat (RWS) het RIVM gevraagd de situatie opnieuw te onderzoeken. Aanleiding is dat omwonenden in de buurt van de dijk nog steeds bezorgd zijn over hun gezondheid. Ook zijn er nieuwe meetgegevens over de kwaliteit van de bodem, het grondwater en het oppervlaktewateren. Voordat het onderzoek van start gaat heeft het RIVM literatuuronderzoek gedaan en gesproken met omwonenden en lokale overheden (gemeenten, provincies en waterschappen). Hierdoor heeft het inzicht gekregen in de vragen, argumenten en percepties van de betrokkenen in de omgeving van Perkpolder. Met deze kennis kan het onderzoek beter bij de vragen aansluiten. Ook wordt duidelijk welke vragen buiten de deskundigheid van het RIVM vallen, en dus buiten het onderzoek. Een voorbeeld daarvan is de toekomstige ontwikkeling van de kwaliteit van grond- en oppervlaktewater. De meeste vragen van de betrokkenen gaan over de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater in de omgeving. Daarom gaat het RIVM onder meer uitzoeken of de kwaliteit van het zoete grondwater (de zoetwaterbel) dat vlak bij de dijk ligt risico’s veroorzaakt. Daarnaast wordt gekeken naar mogelijke risico’s doordat TGG door verwaaiing in de moestuinen is gekomen. Ook gaat het onderzoek in op vragen over mogelijke gezondheidseffecten van de verontreinigingen op de langere termijn. Tot slot stelt het RIVM voor om een belevingsonderzoek te doen onder omwonenden met als doel een bredere inventarisatie van de vragen, zorgen en behoeftes die er onder de omwonenden en gebruikers van de Perkpolder leven.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Blootstelling aan natuurlijke bronnen van ioniserende straling in Nederland | RIVM

Iedereen staat de hele dag bloot aan straling. Het RIVM heeft uitgebreid beschreven wat er over natuurlijke straling bekend is. Een nieuw overzicht is nodig omdat de bijdrage van bronnen aan de totale stralingsdosis in de loop van de tijd verandert. Ook zijn soms de wetenschappelijke inzichten veranderd over het gezondheidsrisico dat een bron veroorzaakt. Natuurlijke straling komt vooral door radioactieve stoffen in de bodem en in bouwmaterialen die daarvan worden gemaakt, en uit de ruimte. Uit bouwmaterialen, zoals beton, bakstenen en gips, komen ook de radioactieve gassen radon en thoron vrij. Radon en thoron zijn de grootste bron van straling in woningen: inademing van hun radioactieve vervalproducten vergroot de kans op longkanker, vooral bij mensen die roken. Aan veel bronnen van natuurlijke straling is niets te doen, maar wel aan straling in woningen. Het RIVM geeft aanbevelingen om de hoeveelheid straling in woningen laag te houden. Het RIVM wijst daarbij vooral op de risico’s van thoron, waarvoor nog geen regelgeving bestaat. Voor de stralingsdosis in woningen geeft het RIVM twee schattingen. Internationaal gebruiken wetenschappers namelijk twee getallen om de hoeveelheid radioactieve stoffen in de lucht om te rekenen naar een stralingsdosis in huis (UNSCEAR en ICRP). Het is nog niet duidelijk welke omrekengetallen het beste zijn. ICRP schat de risico’s van radon en thoron hoger in dan UNSCEAR. Volgens de ICRP is de totale dosis straling van natuurlijke bronnen dus groter en hebben radon en thoron een groter aandeel aan het geheel. Het RIVM heeft het overzicht gemaakt in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS). Het is onderdeel van een nieuwe studie naar de dosis die mensen door alle bronnen van straling oplopen. Hierna verschijnen nog onderzoeken over de bijdragen van straling door de industrie en door medisch onderzoek, de laatste in opdracht van het ministerie van VWS. De resultaten van alle drie de onderzoeken zullen op een publieksvriendelijke website van het RIVM worden toegelicht.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Annual report Surveillance of COVID-19, influenza and other respiratory infections in the Netherlands: winter 2020/2021 | RIVM

Het RIVM brengt elk jaar in kaart hoeveel mensen in Nederland griep en andere luchtweginfecties hebben. Dit keer staat het overzicht in het teken van de uitbraak van het coronavirus SARS-CoV-2. Dit virus overheerste in 2020 en 2021. In combinatie met de maatregelen om de verspreiding van het virus tegen te gaan, hadden hierdoor veel minder mensen andere luchtweginfecties. COVID-19 Tijdens de zomer van 2020, van mei tot en met september, hadden heel weinig mensen COVID-19, de ziekte die het coronavirus veroorzaakt. Na de zomer begon de tweede golf, die twee pieken had: in oktober en eind december. Deze golf begon onder de jongere leeftijdsgroepen (10 tot 29 jaar). Daarna kregen steeds meer mensen tussen 40 en 50 jaar COVID-19, gevolgd door mensen van 70 jaar of ouder. De derde golf begon in februari 2021. Het aantal besmettingen nam toen vooral toe door de opkomst van de Alfavariant (de Britse variant). Deze variant was tussen begin februari en eind mei 2021 de meest gemelde variant van het coronavirus. Tussen 18 mei 2020 en 23 mei 2021 zijn 1.584.237 mensen positief getest op corona. Van hen zijn 53.175 mensen opgenomen in het ziekenhuis, en 9.649 op de intensive care. Van 11.640 mensen is bekend dat ze zijn overleden. Tijdens de tweede en derde golf stierven er 14.739 mensen meer dan de afgelopen 5 jaren in dezelfde periode. Deze ‘oversterfte’ hangt naar verwachting samen met de uitbraak van dit virus. Griepepidemie Tijdens het griepseizoen zijn er nauwelijks mensen geregistreerd met de griep (2). Er was daarom deze winter geen griepepidemie. Dit komt waarschijnlijk door de coronamaatregelen, die ook helpen om de verspreiding van andere virussen te voorkomen, zoals de griep. Meldingsplichtige luchtweginfecties Sommige luchtweginfecties moeten bij de GGD worden gemeld. De GGD kan besmettingen dan intensief volgen en zo nodig snel actie nemen om te voorkomen dat ze zich verder verspreiden. Het aantal meldingen van psittacose (papegaaienziekte) is in 2020 licht gestegen naar 94, het hoogste aantal sinds 2010. Het aantal meldingen in 2020 van legionella (461), tuberculose (623) en Q-koorts (7) nam juist sterk af. Legionella kwam waarschijnlijk minder vaak voor, omdat er minder internationale reizen zijn gemaakt in 2020. Q-koorts, psittacose en legionella uiten zich meestal in de vorm van longontstekingen, maar de oorzaak daarvan wordt vaak niet onderzocht. De werkelijke aantallen liggen daardoor hoger dan de gemelde aantallen.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Risicogrenzen voor bromaat in oppervlaktewater. Afleiding volgens de methodiek van de Kaderrichtlijn Water | RIVM

Het RIVM heeft risicogrenzen bepaald voor de stof bromaat in zoet oppervlaktewater. Risicogrenzen geven aan welke concentratie in het water veilig is voor planten en dieren die in het water leven. Er zijn ook risicogrenzen bepaald voor oppervlaktewater waarvan drinkwater wordt gemaakt. Met behulp van de risicogrenzen kan het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) een besluit nemen over waterkwaliteitsnormen voor bromaat. Waterbeheerders hebben deze normen nodig om lozingen te kunnen beoordelen. Bromaat kan ontstaan als water waar bromide in zit, wordt gezuiverd met behulp van ozon. Ozon zorgt ervoor dat resten van geneesmiddelen en andere chemische stoffen worden afgebroken, maar reageert ook met bromide. Bromide komt van nature voor in oppervlaktewater en grondwater. Het zit vooral in brak en zout water. Voor planten en dieren die in het water leven, heeft het RIVM een veilige concentratie bromaat berekend van 50 microgram per liter. Op innamepunten van drinkwater stelt het RIVM een strengere waarde voor van 1 microgram per liter om aan de kwaliteitseisen voor drinkwater te voldoen. Zo’n waarde is nodig omdat bromaat kanker kan veroorzaken wanneer mensen er te veel van binnenkrijgen. Om die reden is er ook een risicogrens nodig voor oppervlaktewater om vis uit dat water te kunnen eten. Het RIVM kan alleen niet berekenen hoeveel bromaat er dan in het oppervlaktewater mag zitten. Het is namelijk niet bekend hoeveel bromaat vissen binnenkrijgen via het oppervlaktewater waar ze in leven. Het is wel aannemelijk dat mensen via vis niet meer bromaat binnenkrijgen dan via drinkwater. Als het oppervlaktewater veilig is om drinkwater van te maken, dan zijn er dus ook geen risico’s voor mensen die vis uit dat water eten. Voor dit onderzoek heeft het RIVM bestaande evaluaties van bromaat gebruikt en aangevuld met recente gegevens uit de wetenschappelijke literatuur.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Herhaalmeting Wonen langs het Spoor | RIVM

Het RIVM heeft in 2019 onderzocht hoe mensen die tot 300 meter van het spoor wonen, trillingen door treinen ervaren. De resultaten daarvan zijn vergeleken met die van 2013, om te kijken hoe gezondheidseffecten zich in deze periode ontwikkelden. Net als in 2013 ervaart ruim 40 procent van de omwonenden ernstige hinder en 32 procent ernstige slaapverstoring door goederentreinen. Dit percentage is hoog maar stabiel gebleven. Het percentage ernstige hinder door reizigerstreinen is laag, maar in de onderzochte periode wel verdubbeld (van 8 naar 20 procent). Dat geldt ook voor het percentage ernstige slaapverstoring (van 6 naar 11 procent). De oorzaak hiervan is niet duidelijk. Landelijk gezien zijn de trillingsniveaus van reizigerstreinen hetzelfde gebleven. De verwachtingen van omwonenden over de trillingsniveaus in de toekomst zijn in 2019 zelfs iets positiever dan in 2013. Duiding van deze bevindingen moet gezocht worden in lokale omstandigheden en bieden op dat schaalniveau mogelijk aanknopingspunten voor het beleid. In het onderzoek is ook gevraagd naar andere factoren die van invloed zijn op het woonplezier in de buurt van het spoor. Omwonenden zijn over het algemeen in 2019 even tevreden over hun woonomgeving als in 2013. Over sommige zaken, zoals de buurt, het geluid van buren en wegverkeer en het beschikbare groen, en trillingen van andere bronnen dan treinen, zijn ze iets negatiever geworden. Verder bleven de slaapkwaliteit, medicijngebruik en lichamelijke klachten die niet door een ziekte kunnen worden verklaard, bij de onderzochte groep hetzelfde. Het aantal mensen dat hun gezondheid als goed tot zeer goed beoordeelt, is wel iets gedaald. Dit komt doordat de deelnemers tussen 2013 en 2019 zes jaar ouder zijn geworden. Naarmate mensen ouder worden, ervaren zij hun gezondheid doorgaans als iets minder goed. Dit onderzoek is in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) gedaan. De resultaten vormen een eerste aanzet voor verdere ontwikkeling van beleid en eventuele regelgeving over trillingen van het spoor. Een volgende meting staat gepland voor eind 2021, met als belangrijkste doel om relaties te bepalen tussen trillingen van treinen en hinder en slaapverstoring.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

WaterSNIP Meetcampagne Nitraatsensoren. Een vergelijking van acht verschillende sensoren die hoogfrequent nitraat meten in oppervlaktewater | RIVM

Dit rapport bevat een erratum d.d. 25 februari 2022 op pagina 52 Nitraatsensoren maken het mogelijk om heel vaak de concentratie nitraat in oppervlaktewater te bepalen. Op dit moment wordt de concentratie maximaal één keer per maand gemeten. Door heel veel metingen te doen kan de gemiddelde nitraatconcentratie in oppervlaktewater veel preciezer worden bepaald. Met sensoren kan ook worden bepaald hoe de nitraatconcentratie door de tijd heen verandert. Dat geeft informatie over de manier waarop nitraat rond landbouwbedrijven naar het slootwater wegspoelt. Om de sensoren zo goed mogelijk te kunnen gebruiken, moeten ze regelmatig worden gecontroleerd. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM, waarin acht verschillende sensoren zijn getest en vergeleken. Met deze sensoren is in Eijsden twee maanden lang de nitraatconcentratie van het water in de Maas bepaald. Het is voor het eerst dat met zoveel verschillende sensoren tegelijk is gemeten. De sensoren zijn getest vanuit WaterSNIP (het Water Sensoren Nutriënten Innovatieprogramma van het RIVM). Hierin onderzoekt het RIVM of sensoren beter kunnen meten hoeveel meststoffen uit de landbouw wegspoelen naar grond- en oppervlaktewater. In het WaterSNIP werkt het RIVM samen met andere onderzoeksinstituten, waterschappen en leveranciers van sensoren in een zogenoemde Deelnemersgroep. Het doel van deze samenwerking is kennis delen, proefprojecten opzetten en uiteindelijk één meetmethode met sensoren ontwikkelen. Hierdoor kunnen de metingen van het RIVM en van bijvoorbeeld de waterschappen in de toekomst op elkaar aansluiten en de resultaten beter worden vergeleken. Om goed in beeld te krijgen hoe meststoffen wegspoelen, is het nodig ook andere stoffen dan nitraat te meten. Een daarvan is ammonium, waarvan de norm in oppervlaktewater vaak wordt overschreden. Eind 2021 gaat het RIVM samen met de Deelnemersgroep onderzoeken welke sensoren geschikt zijn om ammonium in oppervlaktewater te meten.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Potentieel ziekteverwekkende micro-organismen in lucht afkomstig uit mestverwerkingsinstallaties | RIVM

Mestbewerkingsinstallaties bewerken het overschot aan mest. In dierlijke mest kunnen bacteriën of virussen zitten. Het is niet bekend in hoe ver de installaties deeltjes uitstoten die schadelijk zijn voor de gezondheid. Omwonenden maken zich daar zorgen om. Het RIVM werkt daarom aan een monitoringsprogramma om ziekteverwekkende organismen te kunnen meten in de buitenlucht rondom deze installaties. De eerste stap is daar nu in gemaakt. Het RIVM doet dit in opdracht van de provincie Noord-Brabant. Het is veel werk om alle mogelijke ziekteverwekkers te meten in lucht rondom mestverwerkingsinstallaties. Bepaalde groepen ziekteverwekkers gedragen zich hetzelfde in mest en in lucht. Het RIVM heeft daarom uitgezocht welke organismen verschillende groepen ziekteverwekkende bacteriën en virussen kunnen vertegenwoordigen. Als deze ‘indicatoren’ in de lucht zitten, kan gericht in kaart worden gebracht welke ziekteverwekkers uit de installaties komen. De voorgestelde indicatoren zijn de bacteriën Campylobacter, Clostridium, E. coli, enterokokken en endotoxine. Somatische colifagen zijn een indicator voor virussen. Het RIVM adviseert ook met welke methoden het beste de uitstoot van de gekozen indicatoren kunnen worden gemeten. Het RIVM adviseert om luchtmetingen op meerdere afstanden van de installaties te doen. Veel ziekteverwekkers sterven namelijk snel af in de buitenlucht. Als er ziekteverwekkers in de lucht zitten, zullen die aantallen op grotere afstand van een installatie kleiner zijn.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Radiologische gevolgen van mogelijke ongevalsscenario’s voor Kerncentrale Borssele | RIVM

Ongevallen met kernenergiecentrales waarbij radioactieve stoffen vrijkomen, vormen een gevaar voor de gezondheid. De gevolgen van zo’n ongeval hangen af van de hoeveelheid radioactiviteit die vrijkomt, de hoeveelheid waar iemand aan blootstaat en de effecten van deze blootstelling op de gezondheid. Volgens Europese richtlijnen moeten landen in Europa zich voorbereiden op een mogelijk stralingsongeval. In een noodsituatie kunnen ze dan maatregelen nemen die de gezondheidseffecten zoveel mogelijk beperken. Naar aanleiding van de nieuwste Europese richtlijnen werkt ook Nederland aan een nieuwe ‘stralingsbeschermingsstrategie’ voor verschillende noodsituaties waarbij radioactiviteit kan vrijkomen. Naar aanleiding daarvan heeft het RIVM berekend tot welke afstand van de kerncentrale in Borssele beschermende maatregelen voor de bevolking nodig kunnen zijn bij een stralingsongeval. De afstanden zijn berekend voor vijf emissiescenario’s (van klein tot ernstig) bij verschillende weersomstandigheden. Het weer heeft namelijk veel invloed op de afstand tot waar de radioactieve stoffen zich kunnen verspreiden. Het RIVM heeft dit in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) gedaan. De resultaten uit dit onderzoek geven een indicatie tot welke afstand deze maatregelen nodig kunnen zijn bij een stralingsongeval met Kerncentrale Borssele. De resultaten kunnen worden gebruikt om de nieuwe stralingsbeschermingsstrategie te ontwikkelen. Bij een kernongeval zijn, afhankelijk van de ernst ervan, verschillende maatregelen mogelijk. Voorbeelden zijn evacueren, schuilen (binnenblijven met de deuren en ramen dicht) en jodiumtabletten innemen (jodiumprofylaxe). Ook kunnen maatregelen worden genomen om te voorkomen dat voedsel besmet raakt. Denk aan koeien niet laten grazen en kassen sluiten.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Recycling van matrassen : analyse van risico’s van verwerking en nieuwe toepassingen | RIVM

De Nederlandse overheid wil dat de economie in 2050 helemaal circulair is. Daarin worden grondstoffen steeds opnieuw gebruikt zodat er zo min mogelijk afval is. Matrassen zijn een groot deel van het huishoudelijk afval. Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) wil daarom gebruikte matrassen zoveel mogelijk recyclen. Ze worden nu gebruikt voor bijvoorbeeld judomatten, poetslappen en een zachte ondergrond in speeltuinen. Het RIVM heeft uitgezocht of de recycling van gebruikte matrassen risico’s kan hebben. Daar kunnen namelijk schadelijke stoffen in zitten. Het RIVM keek naar risico’s voor werknemers en voor de gebruikers van producten die ervan zijn gemaakt. Hierbij is ook aandacht voor stoffen die in het verleden waren toegestaan, maar waar nu strengere regels voor zijn. Verder kunnen er tijdens het gebruik van het matras micro-organismen, zoals schimmels en bacteriën, in terechtkomen. Het RIVM richt zich op de vier belangrijkste materialen in matrassen: polyurethaanschuim, latexschuim, textiel en metaal. Er blijken weinig metingen te zijn gedaan naar gevaarlijke stoffen en vervuilingen met micro-organismen in deze (gerecyclede) materialen. Bij de metingen die er zijn, zijn de wettelijke grenswaarden voor producten, zover deze bestaan, niet overschreden. Micro-organismen kunnen in de matrastijk of het schuim zitten maar gaan dood wanneer de tijken tijdens de recycling worden gewassen en het schuim met stoom wordt behandeld. Daardoor kunnen de micro-organismen niet in gerecyclede producten terechtkomen. Meer onderzoek is nodig naar de recycling en de gerecyclede producten van het schuim en textiel uit matrassen. Er is weinig bekend of er in gerecyclede producten gevaarlijke stoffen zitten en, als dat zo is, in hoeverre mensen daar aan blootstaan. Ook is het belangrijk om te onderzoeken of werknemers aan schadelijke stoffen blootstaan als zij de matrassen uit elkaar halen. In het algemeen adviseert het RIVM alle bedrijven die te maken hebben met de productie, het gebruik en recycling van matrassen meer en beter samen te werken. Bijvoorbeeld door er bij het ontwerp van een matras al rekening te houden dat ze makkelijk en veilig kunnen worden gerecycled. Ook is het belangrijk om met elkaar te delen welke stoffen en materialen worden gebruikt; dit geldt voor alle te recyclen producten.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Strategisch Programma RIVM Jaarrapportage 2020 | RIVM

Het Strategisch Programma (SPR) is het RIVM-programma voor strategisch onderzoek, innovatie en kennisontwikkeling. Hiermee kijkt het RIVM vooruit naar onderwerpen die in de toekomst invloed kunnen hebben op onze volksgezondheid en leefomgeving, en daarom extra aandacht verdienen. Het RIVM doet elk jaar verslag van de inhoud en voortgang van de SPR projecten die hiervoor worden gedaan. Het SPR 2019-2022 is in twee fasen van elk twee jaar opgedeeld: SPR 2019-2020 en SPR 2021-2022. Een aantal projecten heeft een looptijd van twee jaar, andere projecten hebben een looptijd van de volle vier jaar. Deze jaarrapportage blikt terug op het jaar 2020, het tweede jaar van het programma 2019-2022. In de eerste fase is gewerkt aan 39 projecten, verdeeld over acht thema’s. Ondanks alle beperkingen als gevolg van de uitbraak van SARS-CoV-2 is veel werk uitgevoerd. Toch zijn ook veel projecten vertraagd, waardoor is besloten dat alle projecten hun resultaten later mogen opleveren. Dit betekent dat fase 1 met een jaar verlengd zal worden tot eind 2021. In 2020 zijn ook nieuwe projecten opgestart om nog beter aan de doelstellingen van het SPR 2019-2022 tegemoet te komen. In navolging van het advies van de Commissie van Toezicht, ligt het accent van deze projecten op wetenschappelijke publicaties, deels uitgevoerd door promovendi. Het programma zal hierdoor uitlopen, aangezien promovendi vier jaar aan hun onderzoek werken om tot een proefschrift en de bijhorende wetenschappelijke publicaties te komen.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Westnijlvirus in Nederland: Aanpak surveillance en respons 2021-2023 | RIVM

Het westnijlvirus veroorzaakt westnijlkoorts. Dit virus komt voor bij vogels en wordt overgebracht door muggen die zich voeden met bloed van besmette vogels. Deze muggen verspreiden het virus naar andere vogels, en soms ook naar mensen en paarden. In oktober 2020 is in Nederland voor het eerst westnijlkoorts bij mensen vastgesteld. Het RIVM heeft nu met alle betrokken partijen een aanpak opgesteld om risico’s voor mensen te verminderen. Het doel is om vroeg te signaleren dat het virus in Nederland wordt overgedragen, zodat de juiste maatregelen kunnen worden genomen. Op deze manier is Nederland goed voorbereid en weten alle betrokken partijen wat er van hen wordt verwacht. In de aanpak is vastgesteld hoe signalen dat het westnijlvirus in Nederland is, vroeg kunnen worden opgepakt. Ook is vastgesteld wanneer er een risico is voor mensen, welke acties dan nodig zijn, en door wie. Hieronder valt publiekscommunicatie over wat mensen zelf kunnen doen. Vanwege de overdracht van dier op mens is een nauwe samenwerking tussen de gezondheidszorg voor mens en dier belangrijk (one health). De aanpak vloeit voort uit een werkgroep die in 2018 is opgericht en bestaat uit partijen die zich met de gezondheid van mens en dier bezighouden. Aanleiding hiervoor was het opduiken van het virus in Duitsland in paarden en wilde vogels; voor die tijd was het westnijlvirus al regelmatig in Zuid- en Centraal-Europa te vinden. De komende drie jaar wordt onderzocht hoe het westnijlvirus zich in Nederland gedraagt. Deze kennis is nodig om het virus beter in de gaten te houden en te weten welke maatregelen het beste werken. De meeste mensen worden niet ziek van een infectie met het virus. Ongeveer 1 op de 5 van de besmette mensen krijgt milde griepachtige symptomen zoals koorts, hoofdpijn en spierpijn. Slechts een zeer klein deel (minder dan 1 procent) van de besmette mensen krijgt een ernstige ziekte, zoals hersenontsteking (encefalitis) of hersenvliesontsteking (meningitis)
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Signaleringsoverleg Voedselveiligheid: Jaarrapportage 2020 | RIVM

Mensen kunnen ziek worden van bacteriën, virussen, of chemische stoffen in voedsel. In 2019 adviseerde de Onderzoeksraad voor Veiligheid om nieuwe risico’s voor de voedselveiligheid systematisch en tijdig in beeld te brengen. Op die manier kunnen sneller maatregelen worden genomen om de gezondheid van mensen te beschermen. Naar aanleiding daarvan hebben de ministeries van Volksgezondheid Welzijn en Sport (VWS) en Landbouw, Natuur en Visserij (LNV) het Signaleringsoverleg Voedselveiligheid ingericht. Het gaat hierbij over twee onderwerpen: microbiologische en chemische risico’s. In het signaleringsoverleg zitten experts van het RIVM, Wageningen Food Safety Research (WFSR), de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA), het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) en het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG). In de tweede helft van 2020 zijn de eerste twee overleggen geweest. De experts hebben verschillende signalen ingebracht, besproken en geduid. Daarvan hebben zij er twee na een zorgvuldige afweging vertrouwelijk gemeld aan VWS en LNV en de NVWA.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Interlaboratory comparison of 25-hydroxyvitamin D assays: Vitamin D Standardization Program (VDSP) intercomparison study 2 - part 2 ligand binding assays - impact of 25-hydroxyvitamin D 2 and 24R,25-dihydroxyvitamin D 3 on assay performance. | RIVM

Interlaboratory comparison of 25-hydroxyvitamin D assays: Vitamin D Standardization Program (VDSP) intercomparison study 2 - part 2 ligand binding assays - impact of 25-hydroxyvitamin D 2 and 24R,25-dihydroxyvitamin D 3 on assay performance. | RIVM
Jaar: 2021 Onderzoek

Meet- en bemonsteringsmethoden voor radioactieve materialen | RIVM

Bij sommige handelingen kunnen materialen overblijven die licht radioactief zijn, bijvoorbeeld bij industriële processen of na behandelingen in ziekenhuizen. Het is dan belangrijk om te weten of de materialen als radioactief afval moeten worden afgevoerd of mogen worden hergebruikt. Daarom moet met metingen worden bepaald of de radioactiviteit niet te hoog is. Soms is het niet mogelijk om het hele materiaal te meten, bijvoorbeeld bij grote voorwerpen, of een grote berg puin. Dan worden daar monsters van genomen. Het RIVM heeft op een rij gezet met welke methode radioactiviteit in materialen kan worden bemonsterd en gemeten. Er staan namelijk geen duidelijke voorschriften voor meten en bemonsteren in de Nederlandse wet- en regelgeving over stralingsbescherming. Ook geldt er sinds 2018 nieuwe, strengere, regelgeving voor radioactiviteit in materialen. Het RIVM heeft dit onderzoek gedaan in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS). Het RIVM heeft elke methode om radioactief afval te meten of te bemonsteren beschreven en kort samengevat. Daarnaast heeft het een stappenplan gemaakt. Hierin staat waar bij de metingen rekening mee moet worden gehouden om het afval te kunnen vrijgeven voor hergebruik. Ondernemers kunnen het overzicht en het stappenplan gebruiken om hun afval goed te verwerken. Ten slotte blijkt uit het overzicht voor welke situaties nog geen geschikte methode bestaat. Door de strengere wetgeving is vaker andere, meestal dure, laboratoriumapparatuur nodig die lagere hoeveelheden radioactiviteit kan meten. Verder kan het lastig zijn om de radioactiviteit te meten. Bijvoorbeeld als het afval bestaat uit verschillende soorten materialen. Of als de concentraties zo laag zijn dat ze dicht bij het toegestane hoeveelheid liggen.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Depositieonderzoek IJmond 2020. Monstername, analyse en risicobeoordeling van PAK en metalen in neergedaald stof binnen- en buitenshuis in de IJmondregio | RIVM

In de IJmond in Noord-Holland is neergedaald stof te zien rondom het terrein van Tata Steel, bijvoorbeeld op vensterbanken, tuinmeubelen of op straat. Bij bewoners geeft het overlast. Ook maken zij zich zorgen over hun gezondheid en die van hun kinderen. Het RIVM en de GGD Kennemerland hebben daarom gemeten hoeveel polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) en metalen in het neergedaald stof zit. Daarnaast is een inschatting gemaakt wat voor risico het kan hebben voor de gezondheid van kinderen van tussen de één en twaalf jaar in dit gebied. Het onderzoek richt zich op PAK en metalen omdat deze stoffen zijn te verwachten in de buurt van de staalindustrie en schadelijk kunnen zijn voor de gezondheid. Om een algemeen beeld te krijgen van het neergedaald stof is in verschillende dorpen rond Tata Steel drie keer stof verzameld en onderzocht. Dit is gedaan op 29 locaties buiten, en op 12 locaties binnen in woningen. In Wijk aan Zee, Beverwijk, Velsen-Noord en IJmuiden zijn buitenshuis de hoeveelheden PAK en metalen groter dan op locaties buiten de IJmond. Ze zijn het grootst in Wijk aan Zee. Daar zijn van sommige metalen zoals ijzer, mangaan, vanadium en chroom, en PAK, hoeveelheden van 20 tot 100 keer meer gemeten. Binnen in de woningen in Wijk aan Zee zijn de hoeveelheden PAK en de meeste metalen ook wat groter. Maar de hoeveelheden in de woningen zijn veel lager dan erbuiten en dragen nauwelijks bij aan de totale hoeveelheid waar mensen aan blootstaan. Kinderen die buiten en binnen spelen komen in contact met het neergedaald stof. Zij komen via hun huid in contact met PAK en metalen die in het stof zitten. Ook krijgen ze het via hun handen in hun mond. De blootstelling aan de hoeveelheden lood en PAK in neergedaald stof is ongewenst voor de gezondheid van kinderen. Mensen krijgen in hun dagelijks leven ook op andere manieren al te hoge hoeveelheden PAK en lood binnen, zoals via voeding. Daarom is het belangrijk deze extra blootstelling via neergedaald stof zo veel mogelijk te beperken. Van de andere hoeveelheden metalen in het stof wordt geen gezondheidsrisico verwacht.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Delineation of the exposure-response causality chain of chronic copper toxicity to the zebra mussel, Dreissena polymorpha, with a TK-TD model based on concepts of biotic ligand model and subcellular metal partitioning model. | RIVM

Delineation of the exposure-response causality chain of chronic copper toxicity to the zebra mussel, Dreissena polymorpha, with a TK-TD model based on concepts of biotic ligand model and subcellular metal partitioning model. | RIVM
Jaar: 2021 Onderzoek

Sport- en Beweeggedrag in 2020 | RIVM

Vanaf half maart 2020 kreeg Nederland te maken met maatregelen om de verspreiding van het SARS-CoV-2 virus tegen te gaan. 30 tot 50 procent van de Nederlandse bevolking zegt dat ze tijdens de coronapandemie minder zijn gaan bewegen. Slechts 15 procent is naar eigen zeggen meer gaan bewegen. Per saldo voldeden meer Nederlanders aan de beweegrichtlijnen dan in 2019 (53 procent versus 49). Vooral doordat ze vaker activiteiten deden in en rondom het huis, zoals wandelen, huishouden en klussen. Mensen die vaker aan de beweegrichtlijnen voldeden waren vooral volwassenen van 30 tot en met 39 jaar, mensen met betaald werk, een hoger inkomen en een hogere opleiding, ouders met thuiswonende kinderen, kinderen die thuis wonen en mensen in stedelijk gebied. Het aantal mensen dat elke week minstens een keer sportte, was hetzelfde in 2020 en 2019. Wel sportten deze wekelijkse sporters per week iets vaker (3 tot 4 keer in plaats van 3 keer) en iets langer (20 minuten per week) dan in 2019. Ze deden vaker aan hardlopen (19 procent in 2020 versus 16 procent in 2019). Mogelijk zijn door de coronapandemie de cijfers van de Gezondheidsenquête/Leefstijlmonitor gunstiger uitgevallen dan ze werkelijk zijn. Zo konden bijvoorbeeld vanwege de coronamaatregelen bepaalde groepen niet thuis worden bezocht voor een interview. Hierdoor ontbreekt informatie van mensen die met een online enquête moeilijk te benaderen zijn. In het algemeen bewegen zij minder. Dit blijkt uit het onderzoek van het RIVM. Het RIVM onderzoekt al 20 jaar het sport- en beweeggedrag van de Nederlandse bevolking. Vanwege de coronapandemie is dit keer ook gevraagd of mensen meer of minder zijn gaan bewegen. Voor dit onderzoek zijn twee bronnen gebruikt: de Gezondheidsenquête/Leefstijlmonitor en het Vragenlijstonderzoek van de Corona Gedragsunit van het RIVM en GGD GHOR Nederland.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Exploring the necessity of additional data requirements under the pesticide regulation to take into account endophytes | RIVM

Gewasbeschermingsmiddelen op basis van schimmels en bacteriën worden gebruikt om insecten, bacteriën en schimmels te bestrijden bij de teelt van gewassen als mais en tarwe. Bij de risicobeoordeling van deze ‘microbiële gewasbeschermingsmiddelen’ wordt vooral gekeken of ze aan de buitenkant van een plant kunnen groeien. Sinds kort is bekend dat sommige micro-organismen ook in planten kunnen groeien. In het algemeen is het zo dat bacteriën en schimmels schadelijke stoffen kunnen maken als ze groeien (metabolieten). Wanneer micro-organismen in planten groeien, zouden deze schadelijke stoffen in de plant kunnen ontstaan. In dat geval zouden mensen die deze planten eten blootgesteld kunnen worden aan deze metabolieten. Het RIVM heeft verkend of micro-organismen die via gewasbeschermingsmiddelen in planten groeien, andere of meer stoffen produceren dan bekend is. Voor zover bekend kunnen verschillende micro-organismen die als gewasbeschermingsmiddel worden gebruikt, in planten groeien. Maar dat gebeurt in kleine hoeveelheden die na toepassing snel afnemen. Er zijn geen aanwijzingen gevonden dat de hoeveelheid metabolieten die ze produceren schadelijk is voor de mens. De risico’s van microbiologische gewasbeschermingsmiddelen kunnen daarom met de bestaande risicobeoordeling worden bepaald. Daarvoor is geen andere of extra informatie nodig. Het RIVM concludeert dit na een verkennend literatuuronderzoek. Dat is in opdracht van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) uitgevoerd.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

An inventory of innovation in recycling waste streams with substances of concern | RIVM

Om afval opnieuw te kunnen gebruiken (onderdeel van circulaire economie) zijn al veel maatregelen genomen, zowel beleidsmatig als in de praktijk. Afval kan zorgwekkende stoffen bevatten die niet in nieuwe materialen of producten mogen komen. Voorbeelden zijn schadelijke chemische stoffen, medicijnresten of ziekteverwekkende stoffen. Voor een veilig hergebruik van afval moeten de zorgwekkende stoffen hier zo veel mogelijk worden uitgehaald. Het RIVM heeft op een rij gezet welk afval waar zorgwekkende stoffen in zitten, op grond van wat nu bekend is, het meest een probleem vormt. Ook is gekeken welk afval slechts beperkt gerecycled wordt en waar mogelijk veel meer materialen kunnen worden gerecycled. Tot slot is gekeken welke vernieuwende technologie al wordt ontwikkeld om zorgwekkende stoffen uit het afval te te halen. Zeven soorten afval scoren het hoogst op deze punten en zouden volgens het RIVM verder moeten worden uitgediept. Dat zijn textiel, plastic en rubber, batterijen, rioolwaterzuiveringsslib, bouw- en sloopafval, banden en elektronische apparatuur. Het RIVM werkt in een vervolgonderzoek drie onderwerpen uit: straling in bouwmaterialen, cellulose terugwinnen uit afvalwater en chemische recycling van plastics. De inventarisatie heeft verder duidelijk gemaakt dat afval meer kan worden gerecycled als het uitgebreider wordt gesorteerd nadat het is ingezameld. Hier is veel aandacht voor bij de ontwikkeling van nieuwe technieken. Dat is vooral nuttig voor afval waarvan de samenstelling niet altijd hetzelfde is, zoals bij bouw- en sloopafval. Met dit rapport wil het RIVM de Nederlandse inzichten en informatie over de nationale wetgeving en zorgwekkende stoffen delen met het buitenland. Onder andere omdat afval en de verwerking daarvan niet bij de grens ophouden. Om die reden is het rapport in het Engels geschreven. In Nederland lijken afvalverwerkers nog niet veel aandacht te hebben voor zorgwekkende stoffen, al groeit het besef. Financiële prikkels om het afval te verkopen lijken vaak zwaarder te wegen dan veiligheid. Daarnaast raakt veel informatie over de aanwezigheid van zorgstoffen in de keten en daarmee in het afval verloren. Ook daarom wil het RIVM meer aandacht voor veiligheid vragen, in combinatie met andere duurzaamheidsoverwegingen. Een belangrijke voorwaarde hiervoor is dat in de keten meer informatie wordt gedeeld over de aanwezigheid van zorgwekkende stoffen.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Agricultural practices and water quality on farms registered for derogation in 2019 | RIVM

In Nederland mogen bepaalde agrarische bedrijven meer dierlijke mest, waar stikstof in zit, op hun land gebruiken dan de algemene norm van de Europese Nitraatrichtlijn voorschrijft. Zij moeten hiervoor wel aan specifieke voorwaarden voldoen. Deze verruiming heet derogatie. Het RIVM en Wageningen Economic Research meten elk jaar de gevolgen van de derogatie voor de waterkwaliteit op driehonderd bedrijven. Ook worden de ontwikkelingen sinds 2006 geanalyseerd, het jaar waarin de derogatie inging. Uit de analyse blijkt dat de derogatie geen negatieve effecten heeft op de waterkwaliteit vanaf 2006. Wel heeft de droogte er in 2019 en 2020 negatieve effecten op gehad. Door de droogte groeiden onder andere de gewassen minder goed, waardoor zij minder stikstof opnamen. Hierdoor bleef er meer stikstof in de bodem achter en kwam er meer in het grondwater terecht. Bedrijfsvoering In 2019 hebben derogatiebedrijven gemiddeld 230 kilogram stikstof uit dierlijke mest per hectare gebruikt. Dit wordt in kilogrammen stikstof aangegeven omdat het per diersoort verschilt hoeveel stikstof er in mest zit. Een derogatiebedrijf mag 230 of 250 kilogram stikstof per hectare uit graasdiermest gebruiken, afhankelijk van de bodemsoort en regio. Door verbeteringen in de bedrijfsvoering wordt dierlijke mest efficiënter gebruikt om gewassen te laten groeien. Het ‘stikstofbodemoverschot’ is daardoor van 2006 tot en met 2017 gedaald. Dit betekent dat er in deze jaren minder stikstof beschikbaar is om als nitraat met regenwater weg te zakken naar diepere lagen in de bodem en uiteindelijk het grondwater. Na een stijging in 2018 door de droogte, was in 2019 het stikstofbodemoverschot het laagste van alle onderzochte jaren. Grondwaterkwaliteit De gemiddelde nitraatconcentratie op derogatiebedrijven nam in 2019 en 2020 toe. Dit komt waarschijnlijk door de droogte. In het zuiden en oosten van de Zandregio steeg de concentratie in 2020 tot boven de EU-norm van 50 milligram per liter (63 milligram per liter). Als de hele onderzochte periode (2006-2020) wordt bekeken, is de concentratie in de hele Zandregio wel gedaald. In de Lössregio bleef de concentratie boven de norm, al is deze lager dan in 2018 (59 milligram per liter in 2019 versus 65 milligram per liter in 2018). In de Klei- en Veenregio daalde de nitraatconcentratie in 2020. In de Kleiregio is in de hele onderzochte periode de nitraatconcentratie gestegen, maar blijft deze steeds onder de norm. De monitoring wordt uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV).
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Verkenning afstandsgrens depositieberekeningen voor projecten | RIVM

Bij projecten, zoals de aanleg en het gebruik van een nieuwe weg, stal of fabriek, komt stikstof vrij. De stikstof verspreidt zich in de omgeving: een deel valt dichtbij de bron op de bodem maar het grootste deel pas na tientallen kilometers. Naarmate de afstand toeneemt, wordt de depositie steeds lager maar verspreidt hij zich wel over een steeds groter grondoppervlak. Om stikstofgevoelige natuur in de omgeving niet te belasten moet een vergunning voor het project worden aangevraagd. Hierbij wordt gekeken tot welke afstand een project nog bijdraagt aan de neerslag van stikstof in de natuur. Het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) heeft het RIVM gevraagd of er een maximale afstand kan worden bepaald tot waar de depositie van een project kan worden berekend (een afstandsgrens). Er blijken geen wetenschappelijke argumenten te zijn die tot één maximale afstandsgrens leiden. Beleidsmatige keuzes zijn nodig om te bepalen na welke afstand de overheid wil stoppen met rekenen. Het RIVM reikt beleidsmakers wel een aantal aanknopingspunten aan om deze afstand te kiezen. Een voorbeeld is de locatie tot waar stikstof van een project daadwerkelijk te meten is. Een ander aanknopingspunt is de maximale afstand tot waarop een model is gevalideerd. De stikstofdepositie in Nederland en de Natura 2000-gebieden wordt berekend met modellen van het RIVM. Het is namelijk heel moeilijk om de depositie op grotere afstanden van de bron te meten. De modellen zijn gebaseerd op natuurkundige wetten, zoals weersomstandigheden, of op de manier waarop stoffen zich in de lucht verspreiden. Beleidsmakers uit veel landen in de wereld gebruiken deze modellen. Aanleiding voor de vraag van LNV is een advies van het Adviescollege Hordijk Meten en Berekenen (de ‘commissie-Hordijk’). Dit Adviescollege constateerde in 2020 dat de berekening van de stikstofdepositie voor de vergunningverlening van projecten niet in balans is. Voor wegverkeer wordt een afstandsgrens gebruikt van 5 kilometer om een vergunning te verkrijgen. Voor de overige bronnen, zoals landbouw en industrie, geldt er nu geen afstandsgrens.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Op weg naar een optimale meetstrategie voor stikstof | RIVM

Het RIVM meet al over een reeks van jaren verschillende onderdelen van stikstof, zoals ammoniak en stikstofoxiden. Het gaat dan om de concentraties van deze stoffen in de lucht en om de neerslag van stikstof op de bodem door regen (natte depositie), en vanuit de lucht (droge depositie). Om de stikstofdepositie in kaart te brengen worden de metingen gecombineerd met modelberekeningen. De komende jaren wordt het aantal meetpunten uitgebreid om onzekerheden kleiner te maken. Zo kan de stikstofdepositie nog beter in kaart worden gebracht. Dit rapport onderbouwt de locatiekeuzes voor de uitbreiding van het meetnet. Het RIVM beschrijft de doelen van de metingen in het algemeen, en van de uitbreidingen van de meetpunten in het bijzonder. De vier belangrijkste doelen zijn: rekenmodellen valideren, ontwikkelingen in de tijd volgen, stikstofprocessen bestuderen, en de kwaliteit van metingen beoordelen. Daarnaast zijn de criteria beschreven die bepalen waar de nieuwe meetpunten moeten komen. Om rekenmodellen te valideren moeten de meetpunten bijvoorbeeld goed verspreid staan over Nederland en representatief zijn voor de ruimtelijke schaal waarop wordt gerekend. Deze studie is een eerste stap in de uitbreiding van het meetnet en draagt bij aan een verfijnd meetnetwerk. In lijn met ontwikkelingen van wetenschappelijke inzichten en technieken zal het RIVM de meetstrategie regelmatig herzien. De wetenschap ontwikkelt zich bijvoorbeeld doordat er in de loop van de jaren nieuwe meettechnieken bij komen. Zo zal worden onderzocht hoe de depositiebepaling in de toekomst kan worden verfijnd met metingen van satellieten en sensoren (uit citizen science-projecten). Ook kunnen de bestaande wetenschappelijke onzekerheden mogelijk worden verkleind door meerdere rekenmodellen te gebruiken. Telkens wordt nagegaan wat voor elke stikstofcomponent de beste combinatie is van modelberekeningen en metingen.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Programmatische Aanpak Meten Vliegtuiggeluid: Nationale meetstrategie | RIVM

Het RIVM, het NLR (Nederlands Lucht- en Ruimtevaartcentrum) en het KNMI hebben een nationale meetstrategie voor vliegtuiggeluid ontwikkeld. De meetstrategie richt zich op twee doelen: de huidige rekenmodellen valideren en omwonenden betrouwbare informatie geven. De nationale meetstrategie bevat kaders voor het hele land. Op basis van deze kaders kunnen meetsystemen rondom Nederlandse luchthavens consistent worden ingericht. Op dit moment verschilt het van regio tot regio hoe vliegtuiggeluid wordt gemeten. De kaders bevatten eisen en criteria voor de twee meetdoelen. De eisen en criteria gelden voor zowel afzonderlijke meetposten als voor de combinatie van meetposten (het meetsysteem). Voor het meetsysteem zijn handvatten bepaald over hoe de meetposten het beste rondom de luchthaven kunnen worden verspreid (de dekking van het meetsysteem). Om de kwaliteit van meetposten te beoordelen zijn als onderdeel van de nationale meetstrategie ‘kwaliteitsindicatoren’ ontwikkeld. Hiermee kan worden beoordeeld in hoeverre een meetpost of meetsysteem voor beide meetdoelen aan de criteria voldoet. De nationale meetstrategie zal in een volgende fase op regionaal niveau worden uitgewerkt. Ter voorbereiding op de regionale uitwerkingen is de meetinfrastructuur rond de luchthavens van nationale betekenis geïnventariseerd. Vervolgens zijn de kaders van de nationale meetstrategie als pilot op het meetsysteem rond Schiphol getest. Hieruit blijkt dat de kaders de meetkwaliteit en verschillen per meetpost goed zichtbaar maken. Met de kaders kan dus worden beoordeeld of meetsystemen voor de twee doelen geschikt zijn. De nationale meetstrategie is ontwikkeld als onderdeel van de Programmatische Aanpak voor het Meten van Vliegtuiggeluid (PAMV). Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) heeft dit programma ingesteld. De overheid wil hiermee metingen en berekeningen van vliegtuiggeluid beter op elkaar afstemmen. Zo vormen ze een solide basis voor informatie aan omwonenden en voor beleidsbeslissingen.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Hoe gaat het met thuiswonende ouderen tijdens COVID-19: inzichten uit de literatuur - deel twee | RIVM

Invloed COVID-19 op leven thuiswonende ouderen Het is belangrijk dat thuiswonende ouderen en hun mantelzorgers zoveel mogelijk naar wens kunnen blijven deel nemen aan het maatschappelijk leven. Het RIVM brengt op verzoek van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport in kaart hoe het met thuiswonende ouderen gaat. Hiervoor werd kennis uit bestaande informatiebronnen uit de periode juni 2020 tot en met maart 2021 samengebracht. Uit het onderzoek blijkt dat thuiswonende ouderen tussen juni 2020 en maart 2021 de gevolgen blijven voelen van de coronamaatregelen. De formele zorg lijkt wat vaker door te gaan dan in de laatste deel van 2020. Door de (deels) afgeschaalde zorg en dagbesteding ervaren mantelzorgers van thuiswonende ouderen een grotere zorgzwaarte sinds de uitbraak van het coronavirus. Versoepelingen stelden ouderen in staat meer deel te nemen aan het maatschappelijk leven. Verder zijn de meeste ouderen tijdens de COVID-19 epidemie positief over hun digitale, telefonische of fysieke sociale contacten. Eenzaamheid onder ouderen nam af in de zomermaanden van 2020 en nam weer toe richting de winter. Dit onderzoek naar thuiswonende ouderen tijdens COVID-19 wordt voortgezet. In het najaar van 2021 wordt het verder aangevuld met gegevens en inzichten uit nieuwe informatiebronnen.
Jaar: 2021 Onderzoek

Landelijke en lokale uitgaven aan gezondheidsbevordering: een nulmeting | RIVM

Ziekte voorkomen is belangrijk voor de volksgezondheid. Ook scheelt het de overheid kosten voor de zorg als mensen niet of minder ziek worden. Een onderdeel van deze preventie is gezondheidsbevordering. Voorbeelden hiervan zijn een gezonde leefstijl nastreven, en overgewicht en overmatig alcoholgebruik voorkomen. Het is behulpzaam om gezondheidsbevordering regionaal te organiseren. Dan sluit het goed aan bij de behoeften van inwoners van gemeenten en bepaalde bevolkingsgroepen, zoals ouderen of mensen met lage inkomens. Om dit goed te kunnen doen, is het nodig om te weten wat het kost. Het RIVM en Cebeon (Centrum Beleidsadviserend Onderzoek) hebben voor het eerst in kaart gebracht hoeveel geld gemeenten hebben uitgegeven aan gezondheidsbevordering. Het gaat hierbij om uitgaven aan de gemeentelijke taken voor volksgezondheid en om sporten te stimuleren. Die blijken laag te zijn en de financiering is vaak tijdelijk. In Nederland is in 2019 gemiddeld per inwoner 21 tot 23 euro aan gezondheidsbevordering uitgegeven. Hiervan ging iets meer dan de helft naar activiteiten die mensen stimuleren om te sporten (14 euro). Aan andere activiteiten om een gezonde leefstijl te bevorderen gaven gemeenten gemiddeld ruim 6 euro per inwoner uit. Daarvan is 2 euro bestemd voor het werk dat een gemeente hiervoor doet, 1 voor GGD’en en 3 euro voor andere organisaties die door de gemeenten worden betaald. De rijksoverheid gaf 2,5 euro per inwoner uit aan programma’s met activiteiten om regionaal of lokaal de gezondheid te bevorderen. Als vergelijking: in 2019 is ongeveer 5000 euro per inwoner uitgegeven aan geneeskundige en langdurige zorg samen. Dit onderzoek is op verzoek van het ministerie van VWS uitgevoerd. Indirecte kosten die de gezondheid bevorderen uit andere domeinen, zoals voor betere toegang tot werk en onderwijs of armoedebestrijding, zijn niet meegenomen.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Verhogen van testdeelname tijdens de pilot grootschalig testen in de gemeente Dronten en gemeente Bunschoten | RIVM

Het ministerie van VWS neemt verschillende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus (SARS-CoV-2) onder controle te krijgen. Zo is het belangrijk dat mensen zich laten testen bij klachten of na contact met een besmet persoon. Een onderdeel van de aanpak van VWS is dat grote groepen mensen zich meerdere keren laten testen, ook als ze geen klachten hebben (grootschalig testen). Hiervoor kunnen bijvoorbeeld alle inwoners van een dorp of buurt worden uitgenodigd als er daar veel mensen besmet zijn. VWS wil weten welke omstandigheden stimuleren dat zoveel mogelijk mensen zich laten testen. In twee gemeenten – Dronten en Bunschoten - is onderzocht welk effect twee factoren hebben op het aantal mensen dat zich laat testen en hoe vaak ze dat doen: de afstand tot een testlocatie en de informatie in een uitnodigingsbrief. Het blijkt dat meer mensen zich laten testen als de testlocatie dichtbij is, op minder dan 2 kilometer van hun woning. Ook laten ze zich dan vaker testen. Het effect van de informatie in de uitnodigingsbrieven is niet goed te bepalen. Dat komt omdat er naast de brieven ook in de media (radio, sociale media, reclameborden) veel aandacht aan de pilots is besteed. In beide gemeenten zijn twee soorten brieven gestuurd met een verschillende inhoud. Een deel van de inwoners ontving een brief met alleen basisinformatie over grootschalig testen. Het andere deel ontving een brief waarin de basisinformatie werd aangevuld met informatie over het risico op een besmetting met het coronavirus en de verspreiding ervan. De opkomst was bij beide groepen inwoners bijna even hoog. De Corona Gedragsunit van het RIVM heeft dit onderzoek in samenwerking met de Universiteit van Amsterdam, GGD’en en gemeenten uitgevoerd.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Voortgangsrapportage Nationaal Preventieakkoord 2020 | RIVM

In deze rapportage staat een fout in de leefstijlgrafieken over overgewicht en obesitas onder volwassenen (figuur 5, pagina 37). Wij zullen zo snel mogelijk een erratum publiceren. Het Nationaal Preventieakkoord is in 2018 afgesloten om ervoor te zorgen dat er minder mensen roken, overgewicht hebben of problematisch drinken. Hiervoor zijn afspraken gemaakt met meer dan 70 partijen. Het RIVM evalueert elk jaar de voortgang van deze afspraken en of de gestelde doelen zijn gehaald. Voor 2020 waren 39 doelen gesteld. Daarvan zijn er dertien gehaald, en twee net niet. Bijna de helft (18) van de doelen is nog niet gehaald. Zo zijn bijvoorbeeld hogere accijnzen op tabak ingevoerd, maar zijn kinderboerderijen en speeltuinen nog niet geheel rookvrij. Ook is het doel voor minder calorieën in A-merk frisdranken gehaald, maar sommige doelen voor minder calorieën in andere voedingsmiddelen nog niet. Voor scholen zijn inmiddels interventies voor alcoholpreventie beschikbaar, maar er zijn nog geen oplossingen voor de beïnvloeding van jongeren door alcoholreclames. Van zes doelen voor 2020 is er nog te weinig informatie om te bepalen of ze zijn gehaald. Een deel van de partijen geeft aan dat de uitbraak van het coronavirus SARS-CoV-2 eraan heeft bijgedragen dat niet alle doelen voor 2020 zijn gehaald. Activiteiten konden niet doorgaan of zijn uitgesteld door bijvoorbeeld de maatregelen om contacten te beperken. Ook hadden bijvoorbeeld de zorg, de horeca en het onderwijs vanwege de coronapandemie regelmatig andere prioriteiten dan leefstijlpreventie. Volgens schattingen van het RIVM uit 2018 is het mogelijk dat de afspraken van het Nationaal Preventieakkoord ertoe leiden dat de ambitie van minder dan vijf procent rokende volwassenen wordt behaald in 2040. Hieruit bleek ook dat er extra afspraken nodig zijn om te bereiken dat er in 2040 geen jongeren en zwangere vrouwen roken. Die zijn ook nodig om de ambities voor problematisch drinken of overgewicht in 2040 te halen. Het is nog niet duidelijk in welke mate de ambities van 2040 in de knel komen door de niet behaalde doelen in 2020. Het RIVM rekent in 2023 opnieuw door in hoeverre ambities van het Nationaal Preventieakkoord kunnen worden gehaald in 2040.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Reclame voor en gebruik van alcoholvrije dranken | RIVM

Het RIVM heeft met het Trimbos-instituut feiten en cijfers verzameld over het gebruik van alcoholvrije dranken door jongeren en volwassenen. Ook is hen gevraagd wat ze van deze reclames vinden. In het Nationaal Preventie Akkoord is afgesproken dat meer onderzoek nodig is naar het effect van marketing voor deze producten. Hier was nog weinig over bekend. Uit het onderzoek blijkt dat 87,9 procent van volwassenen en 79 procent van de jongeren wel eens alcoholvrije producten heeft gebruikt. Hiervoor is een vragenlijstonderzoek gehouden onder 2075 jongeren en volwassenen. De drie meest genoemde redenen om alcoholvrije dranken te drinken zijn: kunnen deelnemen aan het verkeer (39,4 procent), de goede smaak (31,7 procent) en als vervanger van alcoholhoudende dranken (29,8 procent). Jongeren komen vaker via sociale media, internet en sluikreclame in aanraking met reclame dan volwassenen. Een positief effect van de reclames is dat jongeren vaker dan volwassenen denken dat alcoholvrije producten de alcoholhoudende producten kunnen vervangen. Een negatief effect is dat ze via alcoholvrije producten kunnen wennen aan de smaak van producten waar wel alcohol in zit. De stap naar dranken met alcohol is daardoor minder groot. De meeste ouders vinden het niet goed dat hun kinderen onder de 18 alcoholvrije producten drinken. Een op de acht ouders stelt hier geen regels voor. Van 2017 tot en met 2020 zijn 83 procent meer alcoholvrije producten verkocht in supermarkten en slijterijen. Alcoholvrij bier is verreweg het meest verkochte product (81 procent van alle alcoholvrije dranken). Fabrikanten geven per jaar zo’n 10 miljoen euro uit aan reclames voor alcoholvrije producten. Dat is ongeveer 9 procent van al het geld dat ze aan reclame uitgeven. Reclames via sociale media en sponsorcontracten zitten hier niet bij. De inhoud van reclames voor alcoholvrije producten is anders dan voor alcohol. Alcoholvrije producten benadrukken dat ze nieuw zijn, gezonder zijn dan alcohol, dat je aan het verkeer kunt deelnemen en dat je er fit bij kunt blijven (geen kater). De traditionele onderwerpen van reclames voor alcohol, zoals ‘feesten’, ‘kwaliteit’ en ‘mannelijk’ komen ook voor bij reclames over alcoholvrije dranken, maar minder vaak. Ook richten reclames over alcoholvrije dranken zich vaker op vrouwen dan alcoholreclames.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Minimum Unit Pricing voor alcohol. Onderzoek naar de haalbaarheid van invoering in Nederland | RIVM

Mensen die veel alcohol drinken kiezen vaak voor goedkopere producten. In enkele landen, zoals Schotland en Canada, zijn deze goedkopere alcoholproducten daarom duurder gemaakt. Door deze maatregel, ‘Minimum Unit Pricing’ (MUP) gaan problematische drinkers minder drinken. Dat is beter voor hun gezondheid. Ook zijn er naar verwachting minder verkeersovertredingen, hoeven politie en justitie minder te worden ingezet, en zijn er minder medische kosten en uitval op het werk. De Nederlandse overheid denkt erover na om MUP in te voeren. Doordat MUP zich direct richt op mensen die veel drinken, is het een veelbelovende maatregel om problematisch drankgebruik te verminderen. Effecten van MUP hangen wel af van de hoogte van de eenheidsprijs. De overheid moet deze nog bepalen. Duidelijke informatie over de maatregel is ook belangrijk. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM en het Trimbos instituut. Ook blijkt dat belanghebbenden, van consumenten, producenten, verkopers tot gezondheidsdeskundigen, verschillende meningen hebben over MUP. Veel belanghebbenden erkennen de positieve effecten op gezondheid, maar anderen zien ook nadelen. De alcoholbranche heeft vooral economische argumenten om de maatregel niet in te voeren, bijvoorbeeld minder omzet. Ook denken geïnterviewde partijen dat problematische drinkers andere verslavende producten gaan gebruiken, zoals drugs. Verder kunnen mensen die dicht bij de grens wonen, alcohol goedkoper in het buitenland gaan kopen. Er is overigens geen bewijs voor deze argumenten. Bij MUP bepaalt de overheid een minimumprijs voor één eenheid alcohol (een standaardglas bier, wijn of sterke drank). Verkopers mogen alcohol niet onder deze prijs aanbieden. Bij een lagere eenheidsprijs vallen alleen de goedkoopste producten onder dit beleid. Bij een hogere MUP vallen ook duurdere producten onder het beleid, en dus ook een groter deel van het alcoholaanbod. Bijvoorbeeld: een eenheidsprijs van 45 cent maakt ongeveer 50 procent van alle alcoholproducten duurder. Bij een eenheidsprijs van 55 cent is dat ongeveer 65 procent. Bij een accijnsverhoging worden álle alcoholhoudende dranken duurder.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Nicotineproducten zonder tabak voor recreatief gebruik | RIVM

Dit rapport bevat een erratum d.d. 23-06-2021 op pagina 83 Nicotineproducten zonder tabak (NZT) nemen toe in populariteit. Een voorbeeld van NZT zijn nicotinezakjes, zakjes met een poeder en nicotine die onder de (boven)lip worden geplaatst. Gebruikers krijgen nicotine binnen via het slijmvlies en speeksel in de mond. De nicotine geeft hen een lekker gevoel. De hoeveelheid nicotine verschilt per soort. Nicotine is verslavend en schadelijk voor de gezondheid. Ook kan het een nicotineverslaving bij rokers in stand houden. Zeker bij hoge doseringen is het schadelijk voor het zenuwstelsel en kan het hartritmestoornissen veroorzaken. Daarom adviseert het RIVM het ministerie van VWS om het gebruik van nicotinezakjes te ontmoedigen. Strengere regelgeving en voorlichting kan daar bij helpen. Nicotinezakjes vallen nu onder de Warenwet. Het RIVM heeft bekeken onder welke andere bestaande wetgeving de NZT kunnen vallen. Deze producten vallen nu niet onder de Tabaks- en rookwarenwet. Beleidsmakers zouden kunnen overwegen om NZT hier als aanverwant product in op te nemen. Dit kan bijvoorbeeld door de definitie van tabaks- en aanverwante producten te verbreden. Het aantal mensen dat de nicotinezakjes ooit heeft gebruikt, is nu nog laag: 0,6 procent van de Nederlanders, 0,3 procent onder 13-17-jarigen en 1,3 procent onder 18-24-jarigen. Van de mensen die het ooit hebben gebruikt,- is bijna 70 procent een roker of ex-roker. Vanwege de schadelijke en verslavende effecten is het belangrijk om te voorkomen dat mensen, vooral mensen die nooit tabak of nicotine hebben gebruikt en jongeren, beginnen met nicotinezakjes te gebruiken. Er zijn meerdere redenen die nicotinezakjes aantrekkelijk maken om te gebruiken. Ze zijn overal te gebruiken, ook op plaatsen waar roken is verboden. Mensen in de omgeving hebben geen last van rooklucht. Bovendien zijn ze, in tegenstelling tot tabaksproducten, in veel smaakjes beschikbaar. Dat kan ze aantrekkelijk maken om ze te gaan gebruiken, vooral voor jongeren.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

De milieu-impact van de jaarlijkse 85 miljard euro aan inkoop door alle Nederlandse overheden | RIVM

Van dit rapport is een herziene versie gemaakt: nummer 2021-0219 (december 2021) In de overgang naar een circulaire economie wil de Nederlandse overheid ook zelf het milieu minder belasten. Daarvoor is het nodig om inzicht te hebben in welke producten en diensten die de overheid inkoopt veel impact op het milieu hebben. Het RIVM heeft daarom uitgezocht hoeveel overheidsorganisaties in totaal uitgeven, aan welke producten en diensten en wat de milieu-impact daarvan is. Dit is gedaan voor 2019. Met de informatie kan de overheid gericht keuzes maken om de milieu-impact te verkleinen. De Nederlandse overheid heeft in 2019 voor 85 miljard euro producten en diensten ingekocht. Dit is 15 procent van de totale inkoop van producten en diensten in Nederland. De klimaatimpact hiervan is zo’n 18 procent van de totale Nederlandse klimaatvoetafdruk: zo’n 22 mega ton CO2-equivalenten. Behalve naar de klimaatimpact is naar nog twee thema’s gekeken: het landgebruik dat nodig is om producten te maken, het gebruik van grondstoffen, en de impact op het klimaat. De inkoop van de overheid omvat zo’n 23 procent van het grondstoffenverbruik en 9 procent van het landgebruik van alle inkoop in Nederland. Het onderzoek laat zien dat de overheid via haar inkoop ook zelf een substantiële bijdrage kan leveren aan de energietransitie, de transitie naar een Circulaire Economie én, via landgebruik in de keten, het terugdringen van Biodiversiteitsverlies. Bij dit onderzoek is niet alleen gekeken naar milieu-impacts van het gebruik van producten en diensten in Nederland, maar naar impacts in de hele keten die nodig is om het product of de dienst te leveren: de productie, het transport, het gebruik en de verwerking tot afval. Daarvoor vinden dus emissies en impacts plaats in de hele wereld. De milieueffecten verschillen sterk per productgroep. Met de aanleg en het onderhoud van gebouwen en wegen blijkt de bouw veel effect te hebben op alle drie de thema’s. De productgroepen energie en transport hebben veel effect op het klimaat. Wat betreft landgebruik draagt catering veel bij. Op het grondstoffenverbruik hebben onder andere machinerie en elektronica veel effect. Het RIVM heeft dit overzicht in samenwerking met de adviesbureaus Metabolic en Purfacts gemaakt. Zij hebben gekeken naar de inkoop van de rijksoverheid, provincies, gemeenten, waterschappen, scholen, academische ziekenhuizen en speciale-sectorbedrijven. Ontwikkelen van de methode stond centraal.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Landbouwpraktijk en waterkwaliteit op landbouwbedrijven aangemeld voor derogatie in 2019 | RIVM

In Nederland mogen bepaalde agrarische bedrijven meer dierlijke mest, waar stikstof in zit, op hun land gebruiken dan de algemene norm van de Europese Nitraatrichtlijn voorschrijft. Zij moeten hiervoor wel aan specifieke voorwaarden voldoen. Deze verruiming heet derogatie. Het RIVM en Wageningen Economic Research meten elk jaar de gevolgen van de derogatie voor de waterkwaliteit op driehonderd bedrijven. Ook worden de ontwikkelingen sinds 2006 geanalyseerd, het jaar waarin de derogatie inging. Uit de analyse blijkt dat de derogatie geen negatieve effecten heeft op de waterkwaliteit vanaf 2006. Wel heeft de droogte er in 2019 en 2020 negatieve effecten op gehad. Door de droogte groeiden onder andere de gewassen minder goed, waardoor zij minder stikstof opnamen. Hierdoor bleef er meer stikstof in de bodem achter en kwam er meer in het grondwater terecht. Bedrijfsvoering In 2019 hebben derogatiebedrijven gemiddeld 230 kilogram stikstof uit dierlijke mest per hectare gebruikt. Dit wordt in kilogrammen stikstof aangegeven omdat het per diersoort verschilt hoeveel stikstof er in mest zit. Een derogatiebedrijf mag 230 of 250 kilogram stikstof per hectare uit graasdiermest gebruiken, afhankelijk van de bodemsoort en regio. Door verbeteringen in de bedrijfsvoering wordt dierlijke mest efficiënter gebruikt om gewassen te laten groeien. Het ‘stikstofbodemoverschot’ is daardoor van 2006 tot en met 2017 gedaald. Dit betekent dat er in deze jaren minder stikstof beschikbaar is om als nitraat met regenwater weg te zakken naar diepere lagen in de bodem en uiteindelijk het grondwater. Na een stijging in 2018 door de droogte, was in 2019 het stikstofbodemoverschot het laagste van alle onderzochte jaren. Grondwaterkwaliteit De gemiddelde nitraatconcentratie op derogatiebedrijven nam in 2019 en 2020 toe. Dit komt waarschijnlijk door de droogte. In het zuiden en oosten van de Zandregio steeg de concentratie in 2020 tot boven de EU-norm van 50 milligram per liter (63 milligram per liter). Als de hele onderzochte periode (2006-2020) wordt bekeken, is de concentratie in de hele Zandregio wel gedaald. In de Lössregio bleef de concentratie boven de norm, al is deze lager dan in 2018 (59 milligram per liter in 2019 versus 65 milligram per liter in 2018). In de Klei- en Veenregio daalde de nitraatconcentratie in 2020. In de Kleiregio is in de hele onderzochte periode de nitraatconcentratie gestegen, maar blijft deze steeds onder de norm. De monitoring wordt uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV).
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Grootschalige concentratie- en depositiekaarten Nederland. Rapportage 2021 | RIVM

Het RIVM maakt elk jaar kaarten van de luchtverontreiniging in Nederland. Dit gebeurt voor de voor luchtverontreiniging belangrijke stoffen, waaronder stikstofdioxide, ammoniak en fijnstof. Ook wordt de neerslag van stikstof (depositie) in kaart gebracht. Het RIVM gebruikt zowel berekeningen als metingen om de kaarten te maken. Zo komen de resultaten het beste overeen met de werkelijke situatie. Naast de kaarten over het voorgaande jaar, stelt het RIVM verwachtingen op voor de concentraties en depositie in 2025 en 2030. De kaarten tonen de ontwikkeling van de luchtkwaliteit en de stikstofdepositie in Nederland. Overheden gebruiken de kaarten om beleid te maken voor een betere luchtkwaliteit en minder stikstofdepositie. Luchtverontreiniging is schadelijk voor de volksgezondheid. Te veel stikstofdepositie op natuurgebieden is schadelijk voor het aantal en de variatie van planten- en diersoorten. De concentraties van de meeste luchtvervuilende stoffen dalen al gedurende tientallen jaren. Deze daling is in 2020 versterkt door de gevolgen van maatregelen die genomen zijn vanwege de uitbraak van SARS-COV-2 (corona). Het is niet duidelijk in hoeverre deze effecten in de toekomst blijven bestaan. Stikstofdioxide- en fijnstofconcentraties De concentraties stikstofdioxide in de lucht zijn in 2020 veel lager dan in 2019, gemiddeld ongeveer 20 procent lager. Dat komt vooral doordat er in 2020 minder wegverkeer was door de coronamaatregelen, zoals het thuiswerken. Naar verwachting zullen de concentraties stikstofdioxiden in 2030 ongeveer 40 procent lager zijn dan in 2018. De concentraties fijnstof waren in 2020 ook lager dan in 2019; PM10 ongeveer 10 procent en PM2,5 ongeveer 15 procent. De verwachting is dat deze concentraties in 2030 ongeveer 25 respectievelijk 40 procent lager zullen zijn dan in 2018. Stikstofdepositie Ammoniak levert een belangrijke bijdrage aan de stikstofdepositie. De concentraties ammoniak in de lucht zijn een graadmeter voor de hoeveelheid ammoniak die neerslaat. De ammoniakconcentraties zijn in 2020 ongeveer hetzelfde gebleven als in 2019 (3 procent lager). De ontwikkeling van stikstofdepositie in natuurgebieden is in deze rapportage niet uitgewerkt. De gemiddelde stikstofdepositie op het hele Nederlandse landoppervlak was in 2020 lager dan in 2019. Deze verlaging (9 procent) valt echter binnen de bandbreedte van de jaarlijkse fluctuatie, onder andere door weersomstandigheden. Voor de prognoses op lange termijn konden de Nederlandse Klimaatwet en Stikstofwet (april 2021) nog niet worden meegenomen. Andere Nederlandse maatregelen, evenals concrete maatregelen in het buitenland om de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen te verlagen, zijn wel meegenomen. De verwachting voor 2030 is dat de stikstofdepositie dan 19 procent lager kan zijn dan in 2018.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Analyse van incidenten bij bedrijven met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen | RIVM

Het RIVM analyseert de aard, omvang en oorzaak van incidenten bij bedrijven met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen in Nederland. Voor dit rapport zijn zeventien incidenten geanalyseerd. Bij vijftien incidenten kwamen gevaarlijke stoffen vrij, waardoor twee keer een brand is ontstaan. Bij een ander incident was er brand in een installatie. Bij de incidenten overleed één persoon. Twee mensen houden waarschijnlijk blijvend letsel door brandwonden en oorsuizen. Bedrijven zijn ervoor verantwoordelijk dat installaties op orde zijn en dat werknemers de productieprocessen en werkzaamheden veilig kunnen uitvoeren. Bij de onderzochte incidenten ging het op verschillende onderdelen mis. Zo raakten materialen verzwakt bij zes incidenten of waren chemische processen niet goed onder controle bij vier incidenten. Hierdoor liepen de processen anders, wat niet op tijd is ontdekt en hersteld. Bij zes incidenten hadden bedrijven de noodmaatregelen die zij moeten hebben, niet of niet goed ingevoerd. Een noodmaatregel is bijvoorbeeld voorkomen dat gevaarlijke materialen vrijkomen door ze in een afgesloten vat op te vangen. Bij vijftien van de zeventien incidenten schoten de ‘plannen en procedures’ voor de werkzaamheden tekort. Ze waren er niet, of onvoldoende om een incident te voorkomen. Dit kwam vooral doordat sommige risico’s van tevoren niet waren verwacht. Soms hadden eenvoudige checklists kunnen helpen om het incident te voorkomen. Bij negen incidenten is het met maatregelen gelukt om schadelijke effecten van gevaarlijke stoffen te beperken. Deze rapportage maakt deel uit van de opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) om incidenten te analyseren die de Inspectie SZW heeft onderzocht. Het RIVM gaat na wat de overeenkomsten en verschillen tussen deze incidenten zijn. De resultaten kunnen worden gebruikt voor inspectie- en handhavingsstrategieën. Bedrijven kunnen de inzichten gebruiken om hun veiligheidsbeleid te verbeteren.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Vaccinatiegraad en jaarverslag Rijksvaccinatieprogramma Nederland 2020 | RIVM

In Nederland krijgen kinderen vaccinaties tegen twaalf besmettelijke ziekten. Het RIVM beschrijft elk jaar hoeveel kinderen zijn gevaccineerd (vaccinatiegraad). Ook beschrijft het de ontwikkelingen binnen het Rijksvaccinatieprogramma (RVP). Ontwikkelingen In 2020 kregen minder mensen dan in 2019 een ziekte waartegen binnen het RVP wordt gevaccineerd. Dit geldt vooral voor kinkhoest, bof, meningokokkenziekte, pneumokokkenziekte en mazelen. De kans is groot dat dit vooral komt door de maatregelen die vanwege de uitbraak van het coronavirus SARS-CoV-2 zijn ingevoerd. Voorbeelden zijn handen wassen, afstand houden, de (tijdelijke) sluiting van scholen en kinderopvang, het kleinere aantal mensen bij bijeenkomsten, en het maximale aantal te ontvangen bezoekers thuis. De uitbraak van het coronavirus had ook gevolgen voor de manier waarop het RVP in 2020 is uitgevoerd. Groepsvaccinaties (voor de kinderen van 9 jaar en ouder) zijn eerst uitgesteld of omgezet naar individuele afspraken. Vanaf 1 juli 2020 zijn de groepsvaccinaties in kleine groepjes per tijdslot uitgevoerd. De vaccinaties op de consultatiebureaus (0-4-jarigen) en de 22 wekenprik voor zwangeren gingen wel zoveel mogelijk door. De 22 wekenprik beschermt baby’s vanaf de geboorte tegen kinkhoest. Vanwege de invoering van de 22 wekenprik krijgen de meeste baby’s vanaf 1 januari 2020 hun vaccinaties iets later (bij 3, 5 en 11 maanden) en een vaccinatie minder. Ook krijgen 14-jarigen sinds 2020 standaard de vaccinatie tegen meningokokkenziekte aangeboden. Vaccinatiegraad De vaccinatiegraad betreft kinderen die hun vaccinatie(s) nog bijna allemaal vóór de uitbraak van het coronavirus kregen. Voor bijvoorbeeld zuigelingen wordt de vaccinatiegraad namelijk berekend als kinderen twee jaar zijn. De vaccinatiegraad die in 2021 is berekend, is voor de meeste vaccinaties opnieuw gestegen. Naast de toename bij zuigelingen valt vooral de stijging bij de HPV-vaccinatie met 10 procent naar 63 procent op; deze vaccinatiegraad is niet eerder zo hoog geweest. Voor het eerst is geschat hoeveel zwangeren deelnamen aan de 22 wekenprik: ongeveer 70 procent. Het lijkt erop dat de maatregelen vanwege de uitbraak van het coronavirus weinig negatieve invloed hebben gehad op het aantal kinderen dat in deze periode is gevaccineerd. Dat blijkt uit voorlopige cijfers. De precieze vaccinatiegraad voor deze kinderen kan pas volgend jaar worden berekend omdat dan pas alle cijfers erover bekend zijn.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Verhoogd gehalte chloraat in zwembad Haaglanden | RIVM

In de Omgevingswet is chloraat toegevoegd als nieuwe kwaliteitsparameter voor zwemwater. Zodra deze wet in werking treedt, zal chloraat gemeten moeten gaan worden. De toekomstige norm voor het gehalte chloraat in zwemwater is 30 mg/L. In het zwemwater van het Hofbad in Den Haag is recent een verhoogd gehalte chloraat gemeten. GGD Haaglanden vraagt om een risicobeoordeling voor zwemmers die in dit zwemwater hebben gezwommen. Chloraat wordt gevormd als bijproduct wanneer chloor, chloordioxide of hypochloriet gebruikt worden als desinfectiemiddel. Concentraties chloraat kunnen zich na verloop van tijd opbouwen. Het RIVM heeft op verzoek van GGD Haaglanden een risicobeoordeling uitgevoerd voor zwemmers die in dit zwemwater hebben gezwommen. Hieruit blijkt dat zwemmers naar verwachting geen gezondheidsrisico hebben gelopen.
Jaar: 2021 Onderzoek

Sexually transmitted infections in the Netherlands in 2020 | RIVM

In 2020 hebben minder mensen zich bij een Centrum voor Seksuele Gezondheid (CSG) laten testen op seksueel overdraagbare aandoeningen (soa) dan in 2019, door de uitbraak van het coronavirus. Het percentage dat ook echt een soa had (21 procent), is gestegen. Chlamydia bleef de meest voorkomende soa onder heteroseksuelen. Bij mannen die seks hebben met mannen (MSM) kwam gonorroe het meest voor. Bij CSG’s kunnen mensen die een grotere kans hebben op een soa, bijvoorbeeld jongeren onder de 25, zich gratis laten testen. In 2020 zijn er in totaal 105.936 consulten geregistreerd bij de CSG’s. Het aantal consulten nam af onder zowel vrouwen, heteroseksuele mannen en MSM. Infecties zijn relatief het vaakst gevonden bij mensen die een melding hadden ontvangen dat ze een risico op een soa lopen. Naast de CSG-cijfers worden schattingen gemaakt van het aantal soa-consulten en -diagnoses bij huisartspraktijken. Zij voeren de meeste soa-consulten uit. Hun gegevens gaan over het voorgaande jaar omdat de 2020 data pas later beschikbaar zijn. Chlamydia In 2020 waren er 15.979 chlamydia-diagnoses bij cliënten van de CSG’s, 24 procent minder dan in 2019 (21.134). Het percentage vrouwen en heteroseksuele mannen met chlamydia was stabiel tussen 2016 en 2019 (respectievelijk 15 en 18 procent). In 2020 is het percentage onder vrouwen toegenomen naar 17 procent en naar 22 procent onder heteroseksuele mannen. Voor MSM ligt dit percentage al jaren rond de 10 procent; in 2020 steeg het licht naar 11,2 procent. Gonorroe Het aantal gonorroe-diagnoses bij cliënten van de CSG’s is het afgelopen jaar met 18 procent afgenomen tot 6.722 infecties. Het percentage consulten waarbij gonorroe is gevonden steeg tussen 2016 en 2020: onder heteroseksuele mannen van 1,9 naar 2,5 procent en onder vrouwen van 1,4 naar 2,1 procent. Het percentage onder MSM was tussen 2015 en 2019 stabiel rond de 11 procent maar nam toe tot 12 procent in 2020. Bij de CSG’s is geen antibioticaresistentie tegen het huidige ‘eerste keus’ antibioticum voor gonorroe (ceftriaxon) gemeld. Wel is er resistentie tegen andere antibiotica. De resistentie tegen ciprofloxacine bleef hoog in 2020 met 57 procent. Syfilis In 2020 had 7,4 procent minder cliënten van de CSG’s een syfilis-diagnose dan in 2019 (1.324 versus 1.430). Daarvan is 96 procent bij MSM gevonden. Het percentage met syfilis onder MSM daalde van 2,9 procent in 2016 naar 2,4 procent in 2018 en steeg weer naar 2,9 procent in 2020. Het percentage was voornamelijk hoger onder MSM die een melding hadden ontvangen voor syfilis (13 procent). Het aantal diagnoses onder vrouwen en heteroseksuele mannen bleef in 2020 laag, respectievelijk 17 en 35. Hiv In 2020 kregen 122 mensen via de CSG’s te horen dat ze hiv hadden, 26 procent minder dan in 2019. Hiervan waren 107 diagnoses bij MSM. Het aantal diagnoses onder vrouwen en heteroseksuele mannen bleef laag, respectievelijk 5 en 10. Het aantal mensen met hiv dat in 2020 voor het eerst voor behandeling bij een van de Nederlandse hiv-behandelcentra kwam (‘in zorg’) was 755. Dat was minder dan in 2019 (972). In totaal zijn in 2020 21.186 mensen met hiv geregistreerd als in zorg.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Antibioticaresistente bacteriën in afvalwater van slachterijen | RIVM

In afvalwater van twee slachterijen, een varkensslachterij en een runderslachterij, zijn geen bijzonder resistente CPE (carbapenemase-producerende Enterobacteriaceae) aangetroffen. Dit betekent dat CPE in Nederland niet bij varkens of rundvee voorkomen, of maar heel weinig. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM. Het RIVM onderzocht het afvalwater van de twee slachterijen tussen 10 april en 23 juli 2019 (varkens) en van 28 oktober 2019 tot 22 januari 2020 (rundvee). In totaal zijn op 45 dagen monsters van het afvalwater genomen en onderzocht. Op die dagen zijn in totaal 400.000 tot 500.000 varkens en ruim 7000 runderen geslacht. De genomen monsters zijn daarmee representatief voor een groot aantal dieren. Via afvalwater kunnen dergelijke aantallen dieren met relatief weinig moeite worden onderzocht op antibioticaresistente bacteriën. Deze aantallen zijn veel groter dan het aantal dat elk jaar standaard wordt onderzocht op deze bacteriën tijdens de nationale monitoring van antibioticaresistentie bij landbouwhuidieren. Bij deze landelijke monitoring wordt elk dier apart gemeten. In de afvalwatermonsters zijn wel ESBL-producerende E. coli-bacteriën gevonden, en vaker dan in de landelijke monitoring. Deze resultaten bevestigen het idee dat een methode preciezer (gevoeliger) wordt naarmate meer dieren worden gescreend. Vanwege de nauwkeurigheid en vrij kleine inspanning is meten in afvalwater een efficiënte manier om te onderzoeken of landbouwhuisdieren zeldzame vormen van antibioticaresistente bacteriën, zoals CPE, bij zich dragen. De methode moet de komende jaren nog wel worden verfijnd.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Voorbereiding van Brzo bedrijven op klimaatverandering | RIVM

Door klimaatverandering is de kans groter dat in Nederland overstromingen, piekbuien, droogte en hittegolven komen. De chemische industrie is wettelijk verplicht om zich hierop voor te bereiden. Zo blijft de kans op ongevallen, en daarmee het risico voor de omgeving, klein. Uit een eerdere analyse van het RIVM blijkt dat bedrijven in hun veiligheidsrapporten niet duidelijk aangeven hoe zij zich hierop voorbereiden. Het RIVM, adviesbureau Econos en Rijkswaterstaat hebben daarom met bedrijven een overzicht gemaakt van de gevaren en mogelijke maatregelen. Door er samen over te brainstormen konden ze kennis delen en van elkaar leren. Bedrijven kunnen het overzicht gebruiken om gevaren voor hun eigen situatie te analyseren en gericht maatregelen te nemen. Ook kan het bevoegd gezag het overzicht gebruiken bij hun beoordeling of bedrijven zich genoeg voorbereiden. De bedrijven bleken nog niet planmatig te analyseren welke problemen bij een dreigende overstroming, hittegolf en dergelijke kunnen ontstaan. Het is belangrijk dat zij zich bewust worden van de gevaren en er van tevoren oplossingen voor bedenken. Zo is het belangrijk dat bedrijven weten hoeveel tijd ze bij een dreiging hebben om maatregelen te nemen. Ook moeten ze regelen dat dan genoeg mensen beschikbaar zijn om de maatregelen uit te voeren. Het blijkt dat maatwerk nodig is omdat dreigingen per bedrijf kunnen verschillen.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

NethMap 2021. Consumption of antimicrobial agents and antimicrobial resistance among medically important bacteria in the Netherlands in 2020 / MARAN 2021. Monitoring of Antimicrobial Resistance and Antibiotic Usage in Animals in the Netherlands in 2020 | RIVM

De uitbraak van SARS-CoV-2 (het coronavirus) heeft de gezondheidszorg in Nederland erg belast. Er hebben meer mensen op de IC gelegen en de reguliere zorg is afgeschaald. Toch lijkt het er niet op dat er in 2020 meer bacteriën resistent zijn geworden tegen antibiotica. Bij sommige bacteriesoorten is de resistentie zelfs afgenomen ten opzichte van de jaren ervoor. Ook is het aantal bacteriën dat resistent is tegen verschillende antibiotica tegelijk, waardoor ze moeilijker te behandelen zijn, gelijk gebleven. De effecten van de coronauitbraak op de antibioticaresistentie op de langere termijn zijn nog niet duidelijk. Wereldwijd komt het steeds vaker voor dat infecties worden veroorzaakt door bacteriën die resistent zijn tegen antibiotica. In Nederland is dat probleem minder groot dan in veel andere landen. Vanwege de situatie in de wereld blijft het belangrijk om in Nederland waakzaam te blijven. Dan kan het op tijd worden opgemerkt als het resistentieprobleem toeneemt. Om antibioticaresistentie te voorkomen is het belangrijk om antibiotica op de juiste manier te gebruiken en alleen als het nodig is. Huisartsen schreven het afgelopen jaar in Nederland ongeveer 10 procent minder antibioticakuren voor dan de jaren daarvoor. Door de maatregelen tegen het coronavirus, zoals afstand houden en thuis werken, kwamen veel infectieziekten die van mens op mens overdraagbaar zijn minder vaak voor. Ook gingen er minder mensen naar een huisarts. In ziekenhuizen bleef de totale hoeveelheid gebruikte antibiotica in 2019 ongeveer stabiel. De gegevens over het gebruik in ziekenhuizen in 2020 zijn nog niet bekend. De maatregelen die in Nederland zijn genomen om antibioticaresistentie te bestrijden, reiken verder dan de gezondheidszorg. Resistente bacteriën komen namelijk ook voor bij dieren, in voeding en in het milieu (One Health-aanpak). De laatste tien jaar zijn bij varkens, koeien en kippen die voor de voedselproductie worden gehouden (landbouwhuisdieren) de aanwezige darmbacteriën steeds minder resistent geworden. Ten opzichte van 2019 is de antibioticaresistentie in de verschillende diersectoren ongeveer gelijk gebleven. ESBLproducerende darmbacteriën in vleeskuikens en op kippenvlees kwamen in 2020 minder vaak voor. In de andere diersectoren zijn deze resistente bacteriën ongeveer even vaak aangetroffen als in 2019. ESBL zijn enzymen die veelgebruikte antibiotica kunnen afbreken, zoals penicillines. In 2020 zijn voor landbouwhuisdieren iets meer antibiotica verkocht dan in 2019. Ten opzichte van 2009, het referentiejaar, is de verkoop met bijna 70 procent verminderd. Voor landbouwhuisdieren zijn de afgelopen jaren bijna geen antibiotica gebruikt die van cruciaal belang zijn om infecties bij de mens te behandelen. Dit blijkt uit de jaarlijkse rapportage NethMap/MARAN 2021. Hierin presenteren diverse organisaties samen de gegevens over het antibioticagebruik en -resistentie in Nederland, voor mensen en dieren.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Development of a rapid risk and impact assessment tool to enhance response to environmental emergencies in the early stages of a disaster: a tool developed by the European multiple environmental threats emergency NETwork (EMETNET) project. | RIVM

Development of a rapid risk and impact assessment tool to enhance response to environmental emergencies in the early stages of a disaster: a tool developed by the European multiple environmental threats emergency NETwork (EMETNET) project. | RIVM
Jaar: 2021 Onderzoek

The 25th EURL-Salmonella workshop, 17 and 18 September 2020, Online | RIVM

Het RIVM heeft de verslagen gebundeld van de presentaties van de 25e workshop voor de Europese Nationale Referentie Laboratoria (NRL’s) voor Salmonella (17-18 september 2020). Deze workshop wordt elk jaar georganiseerd. Het doel is dat het overkoepelende orgaan, het Europese Referentie Laboratorium (EURL) voor Salmonella, en de NRL’s informatie uitwisselen. Door de uitbraak van het coronavirus is de workshop online georganiseerd. In elke workshop is er veel aandacht voor de ringonderzoeken die het EURL elk jaar organiseert om de kwaliteit van de NRL’s te controleren. In 2020 is voor het eerst een ringonderzoek georganiseerd om Salmonella in mosselen te analyseren. De NRL’s scoorden goed in de ringonderzoeken van 2019 en 2020. In dit rapport staan de ringonderzoeken kort beschreven. Uitgebreide informatie staat in de rapporten die over elk ringonderzoek worden uitgegeven. Om Salmonella heel precies te karakteriseren wordt Whole Genome Sequencing gebruikt. Verschillende presentaties lieten zien dat deze techniek goed te gebruiken is voor Salmonella. Vooral bij onderzoek naar uitbraken is deze techniek zeer waardevol. Andere presentaties gaven informatie over andere methoden om Salmonella aan te tonen en te karakteriseren. Ook zijn de procedures om methoden te valideren en verifiëren uitgelegd. Het EURL voor Salmonella, dat onderdeel is van het RIVM, organiseert deze workshop. Een belangrijke taak van het EURL-Salmonella is de kwaliteit van de nationale referentielaboratoria voor deze bacterie in Europa controleren.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Monitor cliëntondersteuning 2020: cijfers en ervaringen | RIVM

Onafhankelijke cliëntondersteuning is ingevoerd om met mensen mee te denken over zorg en ondersteuning. Een cliëntondersteuner geeft informatie, advies en korte tijd ondersteuning om de cliënt op weg te helpen bij hulpvragen. Het gaat hierbij om vragen over bijvoorbeeld maatschappelijke ondersteuning, zorg, jeugdhulp, onderwijs, wonen, werk en inkomen. Het doel van cliëntondersteuning is de zelfredzaamheid en participatie van mensen te versterken. Als mensen eenmaal een cliëntondersteuner aan hun zijde hebben, zijn ze daarmee goed geholpen. Het ontlast hen dat er iemand meekijkt en weet welke wetten en regels er gelden, zeker bij complexe zorgvragen. Alleen weten veel mensen niet dat ze een cliëntondersteuner kunnen krijgen en hoe ze ermee in contact kunnen komen. Dit blijkt uit de eerste Monitor cliëntondersteuning van het RIVM. Het RIVM heeft in kaart gebracht hoe het er voor staat met de vraag, het aanbod, de bekendheid en kwaliteit van cliëntondersteuning in Nederland. De Monitor cliëntondersteuning is in opdracht van het ministerie van VWS ontwikkeld. De monitor bevat cijfers uit onderzoeken en ervaringen uit interviews met onder andere cliëntondersteuners en cliënten. Gemeenten en zorgkantoren zijn wettelijk verplicht om cliëntondersteuning aan te bieden. Toch zijn er mensen die ervoor in aanmerking zouden komen (potentiële cliënten) en er gebruik van hadden willen maken, maar dat niet hebben gedaan. Vaak komt dat omdat ze niet weten dat cliëntondersteuning bestaat (50 procent van de potentiële cliënten). Ook zijn niet alle professionals die mensen op cliëntondersteuning kunnen wijzen, zoals huisartsen en wijkverpleegkundigen, ermee bekend (46 procent van deze ‘toeleiders’). Uit gesprekken met cliëntondersteuners, cliënten en gemeenten blijkt dat een aantal zaken rond cliëntondersteuning onduidelijk zijn. Zo is het niet altijd duidelijk wat de rol van de cliëntondersteuner precies is en hoe die zich verhoudt tot andere partijen in de zorg. Bovendien komt de onafhankelijkheid van de cliëntondersteuner soms in het geding. Bijvoorbeeld als zijzelf ook besluiten of ondersteuning wordt toegekend, of bij een organisatie werken die zelf zorg aanbiedt.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Westnijlvirus in Nederland: Aanpak Integraal Vectormanagement 2021-2023 | RIVM

Het westnijlvirus veroorzaakt westnijlkoorts. Dit virus komt voor bij vogels en wordt overgebracht door muggen die zich voeden met bloed van besmette vogels. Deze muggen verspreiden het virus naar andere vogels, en soms ook naar mensen en zoogdieren, zoals paarden. In oktober 2020 hebben voor het eerst mensen in Nederland westnijlkoorts gekregen. Het RIVM heeft eerder met alle betrokken partijen een aanpak opgesteld om risico’s voor mensen te verminderen. In de aanpak is vastgesteld hoe signalen dat het westnijlvirus in Nederland is, vroeg kunnen worden opgepakt. Ook is vastgesteld wanneer er een risico is voor mensen, welke acties dan nodig zijn, en door wie. Op deze manier is Nederland goed voorbereid, mocht het westnijlvirus weer opduiken. Een onderdeel van deze aanpak is de strategie om de blootstelling van mens aan het westnijlvirus door muggen te verminderen. Deze strategie, Integraal Vectormanagement genoemd, wordt in dit rapport toegelicht. De strategie heeft zes onderdelen: muggen in de gaten houden (surveillance), de bevolking voorlichten en aangeven wat ze zelf kunnen doen, onderzoek doen, de larven van muggen bestrijden, volwassen muggen bestrijden, en preventie. Integraal Vectormanagement houdt rekening met ecologische, economische en maatschappelijke factoren. Op deze manier wordt zo veel mogelijk voorkomen dat muggen ziekten kunnen overdragen. Eventuele bestrijding gebeurt met zo weinig mogelijke chemische middelen om zowel de volksgezondheid, de gezondheid van dieren als het milieu te beschermen. Het westnijlvirus komt niet vaak voor. De meeste mensen worden niet ziek van een infectie met het virus. Ongeveer 1 op de 5 van de besmette mensen krijgt milde griepachtige symptomen zoals koorts, hoofdpijn en spierpijn. Slechts een zeer klein deel (1 procent) van de besmette mensen krijgt een ernstige ziekte, zoals hersenontsteking (encefalitis) of hersenvliesontsteking (meningitis).
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

EURL-Salmonella Proficiency Test Typing 2020 | RIVM

Sinds 1992 zijn de Nationale Referentie Laboratoria (NRL’s) van de Europese lidstaten verplicht om elk jaar hun kwaliteit te laten toetsen met zogeheten ringonderzoeken. Soms doen NRL’s van landen buiten de Europese Unie (EU) vrijwillig mee. Een van de ringonderzoeken is de typering van Salmonella-bacteriën. In 2020 scoorden alle NRL’s van de 27 EU lidstaten goed bij deze kwaliteitscontrole op typering van Salmonella. Als groep konden de deelnemende laboratoria aan 97 procent van de geteste stammen de juiste naam geven. De laboratoria zijn verplicht om Salmonella met een standaardmethode te typeren (serotypering). Daarnaast mochten zij in 2020 zelf aangeven of ze extra typeringen op DNA-niveau wilden doen, bijvoorbeeld met Whole Genome Sequencing (WGS). Deze preciezere typering kan soms nodig zijn om de bron van een besmetting op te sporen. Voor de kwaliteitstoetsen wijst elke lidstaat een laboratorium aan, het Nationale Referentie Laboratorium (NRL). Dit NRL is namens dat land verantwoordelijk om Salmonella in monsters van levensmiddelen of dieren aan te tonen en te typeren. Om te controleren of de laboratoria hun werk goed doen, moeten zij onder andere twintig Salmonella-stammen de juiste naam kunnen geven. In 2020 deden zes landen buiten de Europese Unie vrijwillig mee: het Verenigd Koninkrijk, de EU kandidaat lidstaten Republiek Noord-Macedonië en Servië, en de European Free Trade Association (EFTA) landen IJsland, Noorwegen en Zwitserland. Het Europese Unie Referentie Laboratorium voor Salmonella (EURL-Salmonella) organiseert het jaarlijkse ringonderzoek Salmonella-typering. Dit laboratorium is gevestigd bij het RIVM in Nederland.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Prijsgevoeligheid van rokers. Gedragseffecten van accijnsverhoging: stoppen, minderen, goedkoper product roken of kopen over de grens? | RIVM

In Nederland sterven elk jaar 20.000 mensen aan ziekten die een gevolg zijn van roken, zoals hart- en vaatziekten en kanker. Sterfte als gevolg van roken is te voorkomen. In het Preventieakkoord staan verschillende maatregelen om er voor te zorgen dat mensen stoppen met roken of om te voorkomen dat ze daarmee beginnen. Tabak duurder maken is een maatregel waarvan bewezen is dat hij effect heeft. Daarom is vanaf 1 april 2020 de accijns op een pakje sigaretten (20 stuks) verhoogd met €1, en op een pakje shag (50 gram) met €2,50. Het RIVM heeft onderzocht of deze accijnsverhoging effect heeft gehad op rookgedrag. Hiervoor is een groep mensen, voordat de accijnsverhoging werd ingevoerd, gevraagd wat zij verwachten te gaan doen. Na de accijnsverhoging is hen gevraagd wat zij daadwerkelijk hebben gedaan. Mensen hebben inderdaad hun rookgedrag veranderd, maar minder dan zij vooraf verwachtten. Rookgedrag is in de onderzochte periode niet alleen beïnvloed door de prijsverhoging maar ook door de uitbraak van SARS-CoV-2 dat jaar. Vanaf april 2020 is 11 procent van de ondervraagde rokers met roken gestopt. Dat is meer dan de circa 3 procent van de rokers die gemiddeld per jaar stoppen. Van de bevraagde mensen is 25 procent minder gaan roken, en 8 procent een ander, goedkoper product gaan gebruiken. Vier procent kocht zijn rookwaren vaker in het buitenland. Dat deden vooral mensen die vlak bij de grens met Duitsland en België wonen, waar tabak goedkoper is. De accijnsverhoging heeft er niet toe geleid dat veel meer mensen hun rookwaar over de grens gingen kopen. Dat komt ook omdat de grens met België gesloten was tijdens de eerste lockdown. Ruim een kwart van de rokers gaf aan dat zij dat wel vaker zouden hebben gedaan als de grenzen open waren gebleven. De resultaten van dit onderzoek zijn duidelijk beïnvloed door de uitbraak van SARS-CoV-2. Deelnemers gaven aan dat het virus eraan heeft bijgedragen dat zij zijn gaan minderen of gestopt zijn om gezonder te leven. Andere deelnemers (32 procent) zijn er juist meer door gaan roken.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Implementatieplan vitamine K-profylaxe voor zuigelingen | RIVM

Baby’s krijgen vlak na de geboorte vitamine K, omdat een tekort aan vitamine K bloedingen kan veroorzaken. De gevolgen van deze bloedingen kunnen heel ernstig zijn, vooral als dat in de hersenen gebeurt. Zuigelingen krijgen vitamine K nu in de vorm van druppels. De Gezondheidsraad gaf in 2017 aan dat druppels vitamine K sommige kinderen niet genoeg beschermen en een andere vorm nodig is. Het gaat om kinderen die borstvoeding krijgen en een verstoorde vetopname hebben. Bij de geboorte is niet te zien bij welke kinderen dit het geval is. Uit internationale studies blijkt dat toediening bij hen via een prik beter werkt. Om een keuze te kunnen maken heeft het ministerie van VWS eerder aan het RIVM gevraagd aanvullende informatie te verzamelen, over bijvoorbeeld de uitvoerbaarheid en kosten van de verschillende toedieningsvormen en het draagvlak onder professionals daarvoor. Naar aanleiding daarvan denkt VWS erover om baby's na de geboorte vitamine K via een prik te geven. Daarna heeft het RIVM in opdracht van VWS een plan gemaakt wat nodig is om de toedieningsvorm te veranderen (implementatieplan). Het RIVM heeft dit plan met zorgprofessionals uit de geboortezorg en belangenorganisaties van ouders gemaakt. Het plan is nodig omdat de toediening via een prik gevolgen heeft voor verschillende processen in de geboortezorg. Zo moeten het voorlichtingsmateriaal voor ouders en de digitale dossiers van het kind worden aangepast. Het is namelijk belangrijk om bij te houden welke baby’s de prikvorm krijgen en of dat inderdaad goed werkt. Verschillende beroepsgroepen in de geboortezorg en organisaties die ouders vertegenwoordigen, steunen allemaal de andere aanpak. Baby’s krijgen hierbij direct na de geboorte een prik met vitamine K. Eén prik is dan genoeg. Als ouders dit niet willen, kan hun baby de vitamine via de mond krijgen. Dan zijn er drie doses nodig.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Risicoschatting PFAS in recreatieplas Berkendonk in Helmond | RIVM

Het RIVM heeft in 2018 een voorlopige risicoschatting uitgevoerd voor twee perfluoralkyl-stoffen (PFAS), namelijk PFOA en GenX, in de recreatieplas Berkendonk in Helmond. De voorlopige conclusie was toen dat er geen negatieve effecten zijn voor de gezondheid door te zwemmen in deze plas. Voor de risicobeoordeling zijn toen de gezondheidskundige grenswaarden voor PFOA en GenX gebruikt die het RIVM in 2016 voor deze stoffen bepaalde. In opdracht van de gemeente Helmond heeft het RIVM dit onderzoek opnieuw gedaan met nieuwe gegevens over PFAS. Ook nu concludeert het RIVM dat mensen aan PFAS worden blootgesteld door te zwemmen in deze recreatieplas. Maar deze blootstelling is zo laag dat deze geen negatieve effecten heeft voor de gezondheid. Voor dit onderzoek is de nieuwe gezondheidskundige grenswaarde voor PFAS gebruikt én uitgebreidere informatie over de hoeveelheid PFAS in recreatieplas Berkendonk. De Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid EFSA heeft in 2020 een nieuwe gezondheidskundige grenswaarde bepaald. De nieuwe grenswaarde is lager, en dus strenger. Nieuwe wetenschappelijke informatie was daar de aanleiding voor. De stoffen kunnen al bij een lagere blootstelling schadelijk zijn voor de gezondheid. PFAS horen tot een groep van chemische stoffen die door mensen gemaakt is en van nature niet voorkomt in het milieu. Dit onderzoek en de conclusie gaan alleen over de mogelijke risico’s van een blootstelling aan PFAS door zwemmen. Mensen kunnen ook via andere bronnen aan PFAS worden blootgesteld, zoals voedsel, drinkwater, lucht. Al deze bronnen dragen bij aan de totale blootstelling aan PFAS. De risico’s van de totale blootstelling aan PFAS valt buiten de scope van dit onderzoek.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Herziening van de risicobeoordeling van PFAS in moestuingewassen in Helmond | RIVM

In 2019 heeft het RIVM een risicobeoordeling uitgevoerd van GenX en PFOA (perfluoroctaanzuur) in moestuingewassen uit het volkstuinencomplex Sluisdijk. Deze moestuinen liggen 450 meter ten noordoosten van chemiebedrijf Custom Powders in Helmond. De stoffen, die horen bij de groep poly- en perfluoroalkylstoffen (PFAS), zijn door de uitstoot van dit bedrijf in de bodem terechtgekomen en opgenomen door gewassen in de moestuinen. De conclusie was toen dat de moestuingewassen veilig konden worden gegeten. Dit advies is gegeven op basis van de gezondheidskundige grenswaarden die toen golden en concentraties van GenX en PFOA die in 2018 in deze moestuingewassen zijn gemeten. In 2020 heeft de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid EFSA een nieuwe gezondheidskundige grenswaarde bepaald voor PFAS. Nieuwe wetenschappelijke informatie was daar de aanleiding voor. De nieuwe grenswaarde is lager, en dus strenger. De stoffen kunnen al bij een lagere blootstelling schadelijk zijn voor de gezondheid. Deze kennis was er bij de eerdere beoordeling niet. Deze nieuwe grenswaarde is nu vergeleken met de hoeveelheid GenX en PFOA die mensen kunnen binnenkrijgen via de moestuingewassen uit het volkstuinencomplex Sluisdijk. In deze herbeoordeling is ook onderzocht hoeveel PFHpA (perfluorheptaanzuur) mensen kunnen binnenkrijgen; dit is een andere PFAS die is aangetroffen in de moestuingewassen. Op basis van de nieuwe kennis over PFAS adviseert het RIVM om geen gewassen te eten uit volkstuinencomplex Sluisdijk (Helmond). Bij dit advies is er rekening mee gehouden dat mensen ook via andere bronnen aan deze stoffen worden blootgesteld. Voorbeelden zijn drinkwater en andere voedselproducten dan uit de moestuin. De risicobeoordeling is gebaseerd op concentraties die in 2018 zijn gemeten. Sinds die tijd is de methode waarmee PFAS worden gemeten, verder verbeterd. Nieuwe metingen in gewassen kunnen daardoor beter inzicht geven in de hoeveelheid PFAS die mensen nu binnen kunnen krijgen via moestuingewassen afkomstig uit de omgeving van het chemiebedrijf.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Beoordeling van gezondheidsrisico’s bij gebruik van ethanol bevattende handgel | RIVM

Ethanol (alcohol) is een chemische stof die bacteriën en virussen kan doden. Het wordt daarom vaak gebruikt als ontsmettingsmiddel, bijvoorbeeld in desinfecterende handgels. Ethanol heeft ook eigenschappen waardoor het ernstige ziekten kan veroorzaken. Voorbeelden zijn kanker of een verminderde vruchtbaarheid. Ook kan het de ontwikkeling van een ongeboren kind beïnvloeden. Dit betekent niet dat iemand die in contact komt met de stof altijd deze ziekten krijgt. De kans daarop wordt groter naarmate iemand meer, vaker en een lange tijd ethanol binnenkrijgt. Om te voorkomen dat het coronavirus (SARS-CoV-2) zich verspreidt, zijn veel mensen vaker handgels met ethanol gaan gebruiken. De ministeries van VWS en SZW wilden weten of mensen hierdoor een grotere kans hebben om (ernstige) ziekten te krijgen. Het RIVM heeft daarom de gezondheidsrisico’s van het gebruik van ethanol bevattende handgels beoordeeld. Bij een risicobeoordeling beoordeelt het RIVM de gezondheidsrisico’s voor groepen mensen in de samenleving, zoals in dit geval consumenten en werknemers. Daardoor is het niet mogelijk om kansen aan te geven voor individuen. De beoordeling richt zich op de kans op borstkanker, darmkanker en verminderde vruchtbaarheid. Het blijkt dat de totale hoeveelheid ethanol waarmee mensen over een langere periode in aanraking komen zo laag is, dat het geen darmkanker of verminderde vruchtbaarheid veroorzaakt. Wel neemt de kans op borstkanker zeer licht toe. Het RIVM heeft de kansen op borstkanker op een rij gezet bij verschillende frequenties van het gebruik op een dag en de totale periode waarin handgel wordt gebruikt. De kans op borstkanker wordt in het algemeen aangegeven met het aantal personen dat op 1 miljoen mensen de kans heeft om tijdens hun leven deze ziekte te krijgen. Borstkanker komt vaak voor in Nederland. Vrouwen die geen ethanol bevattende handgel gebruiken, hebben een kans van ongeveer 143.000 op 1.000.000 mensen om tijdens hun leven borstkanker te ontwikkelen. Vrouwen die bijvoorbeeld 1 jaar elke dag 10 keer handgel gebruiken hebben een kans van 143.006 op 1.000.000 om gedurende hun leven borstkanker te ontwikkelen. Ook is gekeken naar werknemers die beroepsmatig veel in aanraking komen met handgels, zoals in de zorg. Bij hen is de kans op borstkanker iets groter dan bij consumenten. Bijvoorbeeld: wanneer zij een jaar lang 25 keer per werkdag handgel met ethanol gebruiken, is er een kans van 143.015 op 1 miljoen mensen om borstkanker te ontwikkelen. Voor werknemers zijn grenzen gesteld met hoeveel ethanol zij beroepsmatig per dag in aanraking mogen komen. Deze zogenoemde wettelijke grenswaarde wordt bereikt wanneer een volwassen medewerker elke dag 32 keer ethanol bevattende handgel gebruikt.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Herziening van de risicobeoordeling van GenX en PFOA in moestuingewassen in Dordrecht, Papendrecht en Sliedrecht | RIVM

In 2018 heeft het RIVM een risicobeoordeling uitgevoerd van GenX en PFOA (perfluoroctaanzuur) in moestuingewassen rond het chemiebedrijf Dupont/Chemours in Dordrecht. Deze stoffen zijn door de uitstoot van dit bedrijf in de bodem terechtgekomen en zijn opgenomen door gewassen in deze moestuinen. De conclusie was toen dat moestuingewassen die binnen een straal van 1 kilometer rondom het bedrijf zijn geteeld, konden worden gegeten, maar niet te vaak en niet te veel. Gewassen buiten deze straal konden veilig worden gegeten. Dit advies is gegeven op basis van de gezondheidskundige grenswaarden die toen golden en concentraties van GenX en PFOA die in 2017 in deze moestuingewassen zijn gemeten. In 2020 heeft de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid EFSA een nieuwe gezondheidskundige grenswaarde bepaald. Nieuwe wetenschappelijke informatie was daar de aanleiding voor. De nieuwe grenswaarde is lager, en dus strenger. De stoffen kunnen al bij een lagere blootstelling schadelijk zijn voor de gezondheid. Deze kennis was er bij de eerdere beoordeling niet. Deze nieuwe grenswaarde is nu vergeleken met de hoeveelheid GenX en PFOA die mensen binnen kunnen krijgen via de moestuingewassen. Hiervoor zijn de concentraties uit 2017 gebruikt. Op basis van deze kennis adviseert het RIVM om geen gewassen te eten uit moestuinen die binnen een straal van 1 kilometer rondom DuPont/Chemours liggen. Bij dit advies is er rekening mee gehouden dat mensen waarschijnlijk ook via andere bronnen aan deze stoffen worden blootgesteld. Voorbeelden zijn drinkwater en andere voedselproducten dan uit de moestuin. Het is niet mogelijk om met de nieuwe inzichten een conclusie te trekken voor de moestuingewassen uit tuinen die verder weg liggen, in een straal van 1 tot 4 kilometer rondom DuPont/Chemours. In deze gewassen waren bijna alle concentraties lager dan de concentraties die in 2017 konden worden gemeten. Voor deze gewassen is de precieze concentratie van GenX en PFOA dus niet bekend, waardoor er geen risicobeoordeling kan worden uitgevoerd. De risicobeoordeling is gebaseerd op concentraties die in 2017 zijn gemeten. Sinds die tijd is de methode waarmee deze stoffen worden gemeten verder verbeterd. Nieuwe metingen in gewassen kunnen daardoor beter inzicht geven in de hoeveelheid van GenX en PFOA die mensen nu binnen kunnen krijgen via moestuingewassen afkomstig uit de omgeving van het chemiebedrijf.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Onderzoek naar blootstelling aan chroom-6 en arbeidsomstandigheden op Defensielocaties. | RIVM

Chroom-6 is een roestwerende stof en werd daarom toegevoegd aan sommige verf. In 2014 gaven veel (oud-)medewerkers aan bezorgd te zijn over hun gezondheid na berichten dat er bij Defensie was gewerkt met verf waar chroom-6 in zat. Het RIVM onderzoekt of er een samenhang kan zijn tussen gezondheidsklachten van medewerkers en een blootstelling aan verf met chroom-6. Het onderzoek begon op vijf locaties in Nederland waar Amerikaans legermaterieel werd onderhouden (POMS). Deze resultaten verschenen in 2018. Daarna is onderzoek gedaan naar alle locaties van Defensie die tussen 1970 en 2015 in gebruik waren. Het blijkt dat binnen de hele Defensieorganisatie medewerkers met chroom-6 in contact konden komen. Dus niet alleen de mensen die zelf het onderhoudswerk aan het legermaterieel deden, maar ook mensen die regelmatig in de werkplaatsen kwamen, zoals leidinggevenden, schoonmakers en anderen. Dit betekent dat niet alleen op basis van de functie van medewerkers kan worden bepaald of zij aan chroom-6 zijn blootgesteld. Op basis van de werkzaamheden kan worden beoordeeld of iemand ziek kan zijn geworden door blootstelling aan chroom-6. Mensen die in contact komen met chroom-6 hebben een grotere kans om bepaalde ziekten en aandoeningen te krijgen. Dat betekent niet dat iemand die in contact komt met de stof altijd deze ziekten krijgt. De kans is groter naarmate je meer, vaker of langer bent blootgesteld. Dat geldt vooral voor medewerkers die tijdens hun werk direct blootstonden aan chroom-6 en niet goed beschermd waren. Bijvoorbeeld als zij verflagen spoten of schuurden of aan het lassen of snijbranden waren. Net als op de POMS-locaties blijkt dat medewerkers ook op andere locaties niet altijd en overal genoeg waren beschermd tegen de blootstelling aan chroom-6. Beschermende maatregelen op de werkplek, zoals werkruimten afscheiden of afzuiginstallaties, werden niet altijd getroffen. Ook waren de persoonlijke beschermingsmiddelen, zoals stofmaskers, niet altijd aanwezig of effectief genoeg. In de loop van de jaren is hier bij Defensie meer aandacht voor gekomen, vooral vanaf de jaren negentig.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

he RECOVAC IR study: the immune response and safety of the mRNA-1273 COVID-19 vaccine in patients with chronic kidney disease, on dialysis, or living with a kidney transplant - a prospective, controlled, multicenter observational cohort by the REnal patie | RIVM

he RECOVAC IR study: the immune response and safety of the mRNA-1273 COVID-19 vaccine in patients with chronic kidney disease, on dialysis, or living with a kidney transplant - a prospective, controlled, multicenter observational cohort by the REnal patie | RIVM
Jaar: 2021 Onderzoek

CoronaMelder – modelstudie naar effectiviteit. Digitaal contactonderzoek in de bestrijding van COVID-19 | RIVM

De app CoronaMelder is gemaakt om de verspreiding van het coronavirus (SARS-CoV-2) in Nederland tegen te gaan. De app geeft een bericht bij gebruikers die langer dan een kwartier binnen een afstand van anderhalve meter bij iemand met corona zijn geweest. Daardoor kunnen ze zich snel laten testen en in quarantaine gaan. Dit moet voorkomen dat zij anderen besmetten met het virus, en daarmee helpen de epidemie onder controle te brengen. De app heeft in de eerste maanden een positieve maar kleine bijdrage aan geleverd aan de bestrijding van het coronavirus. Van 1 december 2020 tot en met 31 maart 2021 zijn 7514 mensen positief getest na een melding door de CoronaMelder. Dit heeft naar schatting ruim 15.000 besmettingen voorkomen. De R-waarde (het gemiddeld aantal nieuwe besmettingen dat een besmet persoon veroorzaakt) was 12,7 procent lager door de combinatie van testen, het reguliere bron- en contactonderzoek en de CoronaMelder. De bijdrage van de app aan dit percentage is 0,3 procent. In de onderzochte periode gebruikte 16 procent van de Nederlanders de app. Als de maatregelen om contacten te beperken worden versoepeld, zal het aantal contacten met onbekenden weer toenemen. Dan worden testen en het reguliere bron- en contactonderzoek minder effectief. De CoronaMelder kan dit voor een deel opvangen. De app heeft meer effect als gebruikers zelf in de app hun contacten kunnen inlichten. Nu doet de GGD dat. Ook is het belangrijk dat meer mensen de app gebruiken dan nu. Dit blijkt uit een evaluatie van het RIVM van het effect van CoronaMelder, in combinatie met het testen en het reguliere bron- en contactonderzoek. Het effect van de app tussen 1 december 2020 en 31 maart 2021 is met modelberekeningen geschat. 1 december is als datum gekozen omdat het vanaf die dag mogelijk was om zonder symptomen een test aan te vragen na bron- en contactopsporing of een melding van de CoronaMelder. Zie ook pagina Rekenmodellen openbaar en toegankelijk: https://www.rivm.nl/coronavirus-covid-19/hoe-berekeningen-bijdragen-aan…
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Mondiaal klimaatbeleid: gezondheidswinst in Nederland bij minder klimaatverandering | RIVM

Dit rapport bevat een erratum d.d. 07-09-2021 op pagina 97 Klimaatverandering heeft nu al merkbare gevolgen voor de gezondheid en veiligheid in Nederland. Deze gevolgen zijn in de toekomst te beperken als er wereldwijd minder broeikasgassen worden uitgestoten. Daarom zijn internationale afspraken gemaakt, waar het Nederlandse Klimaatakkoord deel van uitmaakt. Desondanks zullen de temperatuur en de zeespiegel voorlopig blijven stijgen en een bedreiging vormen voor de gezondheid en veiligheid in Nederland. Denk aan hittegolven en overstromingen. Maar zonder maatregelen zullen deze effecten nog groter zijn. Dit concludeert het RIVM. Het RIVM heeft de effecten van klimaatverandering op de gezondheid en veiligheid in kaart gebracht. Onderzocht is hoe deze effecten zich in Nederland zullen ontwikkelen in een situatie met en zonder internationaal klimaatbeleid. De zeespiegel zal door internationaal beleid minder en langzamer stijgen, en extreem weer, zoals heftige buien, zal minder vaak voorkomen. Dit verkleint de kans op overstromingen en daarmee ook de risico’s voor de veiligheid. Door klimaatverandering worden de zomers warmer en de winters minder koud. Dit heeft gevolgen voor de gezondheid in Nederland. Met klimaatbeleid zullen elk jaar ongeveer 4000 minder mensen overlijden in warme perioden in de tweede helft van de eeuw. Als het aantal warme en zonnige dagen toeneemt, kan ook de kans op huidkanker groter worden. Dit komt omdat er dan meer mensen buiten zijn en blootstaan aan UV-straling. Met klimaatbeleid zullen tussen 2050 en 2100 minder mensen huidkanker krijgen (enkele duizenden per jaar). Het is nog niet mogelijk om de omvang van alle effecten van klimaatverandering aan te geven. Wel zijn er veel ontwikkelingen te zien, zoals een langere bloeitijd van planten en bomen waardoor mensen langer last hebben van hooikoorts. Dat wordt erger als nieuwe allergene planten vanuit het zuiden naar Nederland oprukken. Ook zal de kans op sommige infectieziekten groter worden en kunnen nieuwe ziekteverwekkers gaan voorkomen. Dit onderzoek is onderdeel van een drieluik over de gevolgen voor gezondheid en veiligheid van klimaatbeleid. De drie onderzoeken samen laten zien dat klimaatbeleid niet alleen gunstig is voor het klimaat, maar ook voor gezondheid en veiligheid.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Klimaatakkoord: Gevolgen van het uitfaseren van fossiele energie voor veiligheid, gezondheid en stikstofdepositie; een update | RIVM

Om te voldoen aan het Klimaatakkoord van Parijs (2015) wil de Nederlandse overheid de uitstoot van CO2 sterk verminderen. Het gaat er vooral om geen fossiele energiebronnen meer te gebruiken. De maatregelen kunnen onbedoeld positieve en negatieve effecten hebben op gezondheid, de leef- en werkomstandigheden (‘veiligheid’), en de natuur in Nederland. Het RIVM heeft uitgezocht wat deze effecten zijn. Het is gunstig voor de gezondheid, veiligheid en natuur als er geen fossiele energiebronnen meer worden gebruikt. Mensen leven gemiddeld genomen iets langer. Dat effect is relevant maar niet heel groot. Door de maatregelen daalt er minder stikstof neer op de bodem. Dit is gunstig voor de natuur en het aantal plant- en diersoorten. Deze conclusies zijn grotendeels hetzelfde als van de analyse van de effecten die het RIVM in 2019 maakte op basis van het ontwerpklimaatakkoord. Beide analyses zijn in opdracht van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat gemaakt. Het RIVM beveelt aan om de komende jaren goed te blijven volgen welke effecten de Klimaatmaatregelen hebben. De meeste gezondheidswinst wordt gehaald door een betere luchtkwaliteit. Als er steeds minder verbrandingsmotoren zijn, komen er minder stikstofoxiden en fijnstof in de lucht. Daardoor hebben mensen minder vaak astma, longaandoeningen en hart- en vaatziekten. In Nederland leven we gemiddeld negen maanden korter door luchtvervuiling. Die negen maanden worden door de maatregelen in het Klimaatakkoord in 2030 met ruim 2 procent ingekort. We leven dus gemiddeld iets langer. Omgevingsgeluid wordt ook minder als verbrandingsmotoren wegvallen. Elektromotoren zijn stiller, vooral bij lage snelheden binnen de bebouwde kom. Het autoverkeer op deze wegen maakt 1 decibel minder geluid in 2030 en 3 tot 4 decibel in 2050. Hierdoor kan slaapverstoring door verkeer in 2050 met een derde afnemen. Op de werkvloer is de belangrijkste winst van het Klimaatakkoord dat apparaten in 2050 geen dieselrook meer produceren. Hierdoor komt er minder longkanker voor onder werknemers. Dit scheelt ongeveer 3 procent van de totale gezondheidsschade door blootstelling van werknemers aan stoffen op het werk. Voor veiligheid is de winst vooral dat er geen koolmonoxidevergiftiging meer worden veroorzaakt door aardgasinstallaties in huis. Als deze installaties er in 2050 niet meer zijn, dan scheelt dat 10 tot 50 doden per jaar. Volgens een ruwe schatting kan door het Klimaatakkoord in 2050 in het gunstigste geval tot 10 procent minder stikstof op de bodem neerdalen. Een grondigere analyse is nodig om de precieze omvang te kunnen bepalen. Dit onderzoek is onderdeel van een drieluik over de gevolgen voor gezondheid en veiligheid van klimaatbeleid. De drie onderzoeken samen laten zien dat klimaatbeleid niet alleen gunstig is voor het klimaat, maar ook voor gezondheid en veiligheid.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Analyse gelijkwaardigheidscriteria Schiphol | RIVM

De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) heeft het RIVM gevraagd de gelijkwaardigheidscriteria voor Schiphol te analyseren. Aanleiding is het voornemen van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) om deze gelijkwaardigheidscriteria in de regelgeving op te nemen door het Luchthavenverkeersbesluit aan te passen. Dan zijn de criteria onderdeel van de handhaving. De ILT ziet erop toe dat wet- en regelgeving voor de luchtvaart wordt nageleefd. De ILT controleert bijvoorbeeld of vliegtuigen voor omwonenden rond Schiphol niet meer geluid maken dan is toegestaan. Dit wordt onder andere getoetst met behulp van zogeheten gelijkwaardigheidscriteria voor Schiphol. Deze gelijkwaardigheidscriteria zijn nu een onderdeel van de afspraken die in de loop van de jaren tussen het ministerie van IenW (en voorlopers) met de omgeving van Schiphol zijn gemaakt. De gelijkwaardigheidscriteria zijn gebaseerd op berekeningen en modellen. Het gaat om de berekende hoeveelheid geluid, de aantallen woningen, en de relatie tussen de blootstelling aan geluid en ernstige hinder en slaapverstoring (blootstellingresponsrelaties). Bij deze berekeningen worden modellen gebruikt, bijvoorbeeld om geluid en ernstige hinder te berekenen. De modellen zijn de afgelopen jaren meerdere keren veranderd. De wijzigingen in de gelijkwaardigheidscriteria en de gevolgen daarvan voor de naleving en handhaving zijn nauwelijks te volgen. Ook werken de modellen vaak niet met de actueelste cijfers, bijvoorbeeld van het aantal woningen. Het RIVM beveelt aan om de actueelste modellen te gebruiken en deze de komende jaren aan te houden. Na een aantal jaar kan worden overwogen om nieuwe gegevens te gebruiken op basis van actuele informatie. Een wijziging moet dan transparant en daarmee voor iedereen goed te volgen zijn.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Klimaatakkoord: effecten van nieuwe energiebronnen op gezondheid en veiligheid in Nederland | RIVM

De Nederlandse overheid wil fossiele energiebronnen vervangen door energie die het milieu minder belast. Maatregelen om deze duurzame bronnen in te zetten, zoals zonne- en windenergie, staan beschreven in het Klimaatakkoord (2019). Maar ook de nieuwe energiebronnen kunnen negatieve effecten hebben op gezondheid en de veiligheid (arbeidsveiligheid en risico’s voor de leefomgeving). In opdracht van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) heeft het RIVM uitgezocht wat deze effecten kunnen zijn. Daaruit blijkt dat de nadelen in verhouding vrij klein zijn. Wel kunnen enkele energiebronnen negatieve effecten op gezondheid en veiligheid veroorzaken. Voor de gezondheid hebben vooral windenergie en biomassa negatieve effecten. Windturbines kunnen hinder veroorzaken bij omwonenden. Installaties om biomassa te verbranden en houtkachels veroorzaken luchtverontreiniging. Wat veiligheid betreft moet er genoeg afstand zijn tussen windturbines en woonwijken. Verder moeten windturbines veilig worden geïnstalleerd en onderhouden. Dat geldt ook voor zonnepanelen, batterijen en warmtepompen. Bij het gebruik van waterstof en biogas zijn maatregelen nodig om de kans op brand en explosie zo klein mogelijk te houden. Hoe groot de effecten op gezondheid en veiligheid precies zijn, hangt af van de keuzes die de Nederlandse overheid zal maken welke nieuwe energiebronnen waar worden gebruikt. De resultaten van dit onderzoek kunnen bij die keuzes worden meegenomen. Het RIVM reikt ook mogelijkheden aan om de negatieve effecten te verkleinen. Bijvoorbeeld om geluid van windturbines of de uitstoot van biomassa-installaties en houtkachels te beperken. Het RIVM beveelt aan om de komende jaren goed te blijven volgen welke effecten de nieuwe energiebronnen hebben. Dit onderzoek is onderdeel van een drieluik over de gevolgen voor gezondheid en veiligheid van klimaatbeleid. De drie onderzoeken samen laten zien dat klimaatbeleid niet alleen gunstig is voor het klimaat, maar ook voor gezondheid en veiligheid.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

“New Approach Methodologies” in de veiligheidsbeoordeling van consumentenproducten en voedsel | RIVM

Voedsel en consumentenproducten, zoals cosmetica, wasmiddel, textiel en speelgoed, moeten veilig voor de mens zijn. In consumentenproducten en voedsel zitten chemische stoffen. De beoordeling of deze stoffen veilig zijn, gebeurt internationaal. Deze beoordeling maakt gebruik van resultaten uit dierproeven. De Europese Unie wil dat er minder dierproeven worden uitgevoerd. Het blijkt nu nog niet mogelijk om zonder de resultaten uit dierproeven te beoordelen of chemische stoffen in consumentenproducten en voedsel veilig zijn voor de mens. Dit komt omdat er nog niet voldoende geschikte methoden zónder dierproeven zijn om de veiligheid goed te kunnen beoordelen. Wel zijn de ontwikkelingen om dierproeven in de toekomst te vervangen veelbelovend. Bijvoorbeeld door effecten van stoffen te testen in cellen die buiten het lichaam zijn gekweekt, of met computermodellen. Ook kijken onderzoekers of nieuwe methoden meer informatie kunnen geven over effecten van stoffen die moeilijk met dierproeven te meten zijn, zoals de ziektes Parkinson of Alzheimer. Het is belangrijk dat alle organisaties die betrokken zijn bij de veiligheidsbeoordeling op internationaal niveau samen onderzoeken hoe nieuwe methoden gebruikt kunnen worden. Dit blijkt uit een overzicht van het RIVM van nieuwe, meestal proefdiervrije, methoden om de veiligheid van chemische stoffen in consumentenproducten en voedsel te beoordelen. Deze methoden worden New Approach Methodologies genoemd. Het Bureau Risicobeoordeling & onderzoek (BuRO) van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) gaf hier de opdracht voor.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

EURL-Salmonella Proficiency Test Live Bivalve Molluscs 2020. Detection of Salmonella in mussels | RIVM

In 2020 organiseerde het Europese Unie Referentie Laboratorium voor Salmonella (EURL-Salmonella) een ringonderzoek voor de Salmonella-bacterie in mosselen. Hiermee wordt gecontroleerd of de Nationale Referentie Laboratoria (NRL’s) in staat zijn om Salmonella in levende tweekleppige weekdieren aan te tonen. Eenentwintig NRL’s hebben een goede score behaald. Eén NRL voerde de controlemonsters niet in de juiste volgorde uit, waardoor zij hun resultaten ook in de verkeerde volgorde aangaven. Dit NRL scoorde daarom matig. Eén laboratorium haalde een slechte score, omdat het aangaf dat er Salmonella in een monster zat terwijl dat niet zo was. In de opvolgstudie was de score van dit laboratorium goed. In totaal deden 23 NRL’s-Salmonella mee aan dit ringonderzoek: 20 NRL’s van 20 lidstaten van de Europese Unie en drie NRL’s van andere Europese landen. De laboratoria hebben een internationaal erkende analysemethode gebruikt om Salmonella in de mosselmonsters aan te tonen. Elk laboratorium moest de monsters zelf voorbereiden en besmetten, volgens een protocol van het EURL-Salmonella. Ze kregen hiervoor een pakket mosselen en bevroren melkmonsters. Sommige melkmonsters waren besmet met een vastgestelde concentratie Salmonella Typhimurium en andere niet. Het EURL-Salmonella is gevestigd bij het Nederlandse Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM).
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Risicobeoordeling 3-Methylmethcathinon (3-MMC) | RIVM

Het gebruik van 3-Methylmethcathinon (3-MMC) kan een risico vormen voor de gezondheid. Daarom zijn maatregelen wenselijk die het gebruik van 3-MMC ontmoedigen en de beschikbaarheid beperken. Dat blijkt uit een risicobeoordeling van het Coördinatiepunt Assessment en Monitoring nieuwe drugs (CAM) die op verzoek van het VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport is uitgevoerd. Het CAM adviseert in te zetten op voorlichting en preventie en vindt dat er voldoende aanleiding is om 3-MMC onder de werking van de Opiumwet te plaatsen. De risicobeoordeling werd uitgevoerd door de Commissie Risicobeoordeling nieuwe drugs. Het proces werd gecoördineerd door het CAM, dat het secretariaat voert voor deze Commissie. Het CAM heeft als taak het verschijnen van nieuwe drugs te volgen en de risico's te beoordelen en is ondergebracht bij het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM).
Jaar: 2021 Onderzoek

Inventarisatie gezondheidsrisico door inhalatie van de nevel van een alcoholische drank | RIVM

In Nederland is eind 2019 een nieuwe trend gesignaleerd, namelijk het inhaleren van damp of nevel van een alcoholische drank via een ballon. De trend heeft aandacht in de media gekregen en er zijn verschillende bedrijven die vernevelingsapparaten aanbieden. Alcohol drinken kan bij hoge concentraties en/of langdurig gebruik nadelige effecten veroorzaken, zoals schadelijke effecten op de vruchtbaarheid en op de ontwikkeling van de ongeboren vrucht, borstkanker en darmkanker. Op verzoek van de directie VGP van VWS heeft RIVM een inventarisatie gemaakt van de risico’s van het inhaleren van een alcoholnevel of -damp in vergelijking met de risico’s van het drinken van alcohol. Deze informatie kan het ministerie van VWS helpen bij de beslissing of inhaleren van een nevel of damp van een alcoholische drank op een gelijke wijze benaderd kan worden als het drinken van alcohol. Informatie over de werking van de vernevelingsapparaten en het mogelijke gebruik ervan is verkregen via internet en wetenschappelijke literatuur, en via navraag bij meerdere instituten. Vervolgens is er een kwalitatieve inschatting gemaakt van mogelijke gezondheidsrisico’s bij inademen van een nevel of damp van een alcoholische drank. Deze inschatting is gemaakt op basis van een vergelijking van de interne blootstelling na inademing met die na het drinken van een alcoholische drank. Er is onduidelijkheid over de hoeveelheid alcohol die per shot wordt ingeademd bij gebruik van apparaten van Vapshot en Alcohol Mist. Uit een vergelijking van de dosis blijkt dat één inhalatoire shot ethanol leidt tot een interne dosis die 380 keer lager is dan die na consumptie van een eenheid alcoholhoudende drank. Het risico op gezondheidseffecten lijkt dus gering. Wel zou dit kunnen leiden tot een piekblootstelling in de hersenen waarvan de effecten niet bekend zijn. Op dit moment lijkt het inhaleren van alcohol geen trend (meer) te zijn en maar beperkt gedaan te worden. Het is onduidelijk of het uitbreken van de Corona-pandemie hierin wellicht een aandeel heeft. De komende periode zal in de gaten worden gehouden of weer actueel wordt.
Jaar: 2021 Onderzoek

Preventief gezondheidsbeleid 2006-2018. Wat zijn de effecten en lessen? | RIVM

De Nederlandse overheid wil dat minder mensen roken, (overmatig) alcohol gebruiken, overgewicht, diabetes of een depressie hebben en dat mensen meer bewegen. Tussen 2006 en 2018 zijn daarvoor meer dan 100 verschillende wettelijke maatregelen en landelijke activiteiten uitgevoerd. Al deze initiatieven samen hebben mensen er bewuster van gemaakt dat een gezonde leefstijl belangrijk is. Vooral de wettelijke maatregelen, zoals rookverboden en accijnzen, hebben ervoor gezorgd dat er in 2018 minder mensen rookten en overmatig alcohol dronken dan in 2006. De twee initiatieven Jongeren op Gezond Gewicht (JOGG) en Sport en Bewegen in de Buurt hebben vermoedelijk de groei van het aantal mensen met overgewicht afgeremd. Het is minder duidelijk of het aantal mensen met diabetes en depressie door de initiatieven is afgenomen. Het is niet mogelijk om precies te bepalen hoe groot de effecten van de losse initiatieven zijn geweest. Verschillende initiatieven zijn namelijk tegelijk uitgevoerd tussen 2006 en 2018. Ook waren er allerlei maatschappelijke, culturele, sociale en politieke factoren die de ontwikkeling van leefstijl en het aantal mensen met diabetes en depressie hebben beïnvloed. Denk aan het grotere aantal mensen dat een beweegmeter heeft. De effecten van deze ontwikkelingen en de initiatieven zijn niet uit elkaar te halen. Om meer te kunnen zeggen over de effecten zou elk initiatief vanaf het begin moeten worden onderzocht. Waarschijnlijk waren de positieve gezondheidseffecten groter geweest als er meer verschillende soorten maatregelen waren uitgevoerd, van voorlichting tot wet- en regelgeving. Verder kan meer worden bereikt als verschillende sectoren, binnen en buiten de gezondheidszorg, gezondheidsproblemen gezamenlijk aanpakken. Zo kan een gezondere leefomgeving de gezondheid verder verbeteren. Die maakt het makkelijker om gezonder te eten en meer te bewegen. Tot slot is het belangrijk dat de verschillende activiteiten lange tijd worden uitgevoerd om positieve gezondheidseffecten te krijgen. Dit blijkt uit een onderzoek van het RIVM, dat in opdracht van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) is uitgevoerd.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Combined EURL-Salmonella Proficiency Test Primary Production and Food, 2020. Detection of Salmonella in hygiene swab samples | RIVM

De Nationale Referentie Laboratoria (NRL’s) van de Europese lidstaten waren in 2020 in staat om Salmonella aan te tonen in hygiënesponsjes. Alle deelnemers konden hoge en lage concentraties Salmonella aantonen. Op twee laboratoria na hebben alle laboratoria een goede score behaald. De twee laboratoria haalden een matige score. Dit blijkt uit het ringonderzoek dat het overkoepelende laboratorium in oktober 2020 organiseerde. Het is de bedoeling dat de laboratoria aantonen of er Salmonella op de sponsjes zit die worden gebruikt om de hygiëne te testen in ruimtes waar dieren worden gefokt. Ze ontvangen daarvoor kant-en-klaar sponsjes met of zonder Salmonella. De laboratoria moeten het ook kunnen aantonen op een controlesponsje, waarop zij zelf de Salmonella moeten toevoegen. De twee laboratoria met de matige score konden geen Salmonella aantonen in het controlesponsje. Een van laboratoria had per ongeluk aangegeven dat er geen Salmonella inzat, terwijl het wel was aangetoond. Het andere laboratorium had de bemonstering op het controlesponsje niet volgens de instructies uitgevoerd. Sinds 1992 zijn de NRL’s van de Europese lidstaten verplicht om elk jaar mee te doen aan kwaliteitstoetsen. Dit zijn de zogeheten ringonderzoeken voor Salmonella. Elke lidstaat wijst hiervoor een laboratorium aan, het Nationale Referentie Laboratorium. Dit keer mochten ook de laboratoria die verantwoordelijk zijn voor de voedselproductie vrijwillig meedoen aan dit ringonderzoek met sponsjes. In totaal hebben 65 NRL’s aan dit ringonderzoek deelgenomen: 37 NRL's leefomgeving van dieren voor voedselproductie en 28 NRL's voedsel, afkomstig uit 28 EU-lidstaten, vijf NRL’s uit andere Europese landen en een NRL uit een niet-Europees land. Het Europese Referentielaboratorium (EURL) Salmonella is gevestigd bij het Nederlandse Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). Een belangrijke taak van het EURL-Salmonella is toezien op de kwaliteit van de nationale referentielaboratoria voor deze bacterie in Europa.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Het geschatte effect van het Akkoord Verbetering Productsamenstelling op de dagelijkse zout- en suikerinname in Nederland | RIVM

De voedingsindustrie heeft met het ministerie van VWS afspraken gemaakt om voedsel gezonder te maken (Akkoord Verbetering Productsamenstelling). Afgesproken is dat producten minder zout, verzadigd vet en calorieën (suiker en vet) bevatten. Dit zou het voor de consument makkelijker maken om niet te veel zout, vet en suiker binnen te krijgen. Het Akkoord liep van 2014 tot en met 2020. Het RIVM heeft in deze periode meerdere keren het effect van de afspraken over zout en suiker berekend, en doet dat nu voor het laatst. Daaruit blijkt dat fabrikanten kleine stappen hebben gezet om producten minder zout en suiker te laten bevatten, maar dat consumenten er nog steeds (te) veel van binnenkrijgen. Er had meer kunnen worden bereikt als voor meer producten afspraken gemaakt waren. Of als de hoeveelheid zout en suiker in de producten verder was verlaagd. Met de afspraken is bereikt dat volwassen gemiddeld per dag bijna 0,5 gram minder zout (een snufje) en 7,5 gram minder suiker (circa twee suikerklontjes, 30 calorieën) kunnen binnenkrijgen. Mensen krijgen vooral minder zout binnen via brood, vlees, kaas en soep. Voor suiker is vooral vooruitgang geboekt bij frisdranken en, in mindere mate, bij melkproducten. Het effect van de afspraken over verzadigd vet is niet doorgerekend. Dat komt omdat daarover weinig afspraken zijn gemaakt en vooral voor hele specifieke producten. Deze afspraken hebben naar verwachting weinig effect op de hoeveelheid energie uit verzadigd vet in producten. Een volwassen Nederlander krijgt elke dag gemiddeld 8,7 gram zout en 114 gram suiker binnen via voeding. De normen zijn maximaal 6 gram zout per dag, en maximaal 10 procent van de totale energie via verzadigd vet. Er bestaat geen norm voor suiker. Het Voedingscentrum adviseert om zo min mogelijk producten te eten en te drinken waar suikers aan zijn toegevoegd, zoals koek en snoep en dranken. Een gezondere productsamenstelling is een van de manieren om mensen gezonder te laten eten. Het RIVM maakte de schattingen op basis van voedselconsumptiecijfers (Voedselconsumptiepeiling 2007-2010) en gegevens van het bedrijfsleven over hun voedingsmiddelen (NEVO 2011).
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Footprint luchtvaart Schiphol op luchtkwaliteit | RIVM

Elk jaar stelt de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) de Staat van Schiphol op. Dit overzicht geeft vanuit verschillende perspectieven inzicht in de veiligheid en duurzaamheid op en rond de luchthaven. Voorbeelden zijn het aantal aanrijdingen, botsingen met vogels, geluidniveaus. Een van de perspectieven waar inzicht in wordt gegeven is luchtkwaliteit. De ILT gebruikt cijfers van het RIVM om de bijdrage van Schiphol aan de luchtkwaliteit in de regio te bepalen. Het RIVM heeft deze gegevens digitaal aangeleverd maar geen beschouwing gemaakt van de aangeleverde gegevens. Het RIVM heeft voor de ILT berekend in welke mate acht sectoren bijdragen aan de concentraties van zes luchtvervuilende stoffen. De sectoren zijn: industrie, weg- en railverkeer, luchtverkeer, scheepvaart, landbouw, diensten, consumenten en het buitenland. Op deze manier wordt de bijdrage van de luchtvaart aan de luchtkwaliteit rond Schiphol naast die van andere sectoren geplaatst. Het gaat om de stoffen: stikstofoxiden, stikstofdioxiden, fijnstof (PM10 en PM2.5), zwaveldioxide, en roet. De berekeningen zijn gedaan voor een gebied van 20 bij 20 vierkante kilometer rondom Schiphol. De concentraties zijn berekend voor de jaren 2015 tot en met 2019. Dit levert een beeld op van de mate waarin Schiphol door de jaren heen aan de luchtkwaliteit bijdraagt. Voor de berekeningen zijn de uitgangspunten gebruikt van de berekening van de Grootschalige Concentratiekaarten Nederland (GCN) van 2020.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Microplastics in indoor air | RIVM

De laatste jaren is er veel aandacht voor hele kleine plastic deeltjes, microplastics, in het milieu. Ze breken heel langzaam of niet af en worden overal in het milieu gevonden. Er is nog niet zoveel bekend over microplastics in de lucht in huis (binnenlucht). Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) wil daar graag meer over weten. Van sommige stoffen zijn kleine deeltjes namelijk niet goed voor de luchtkwaliteit, en daarmee voor de volksgezondheid. Het RIVM heeft daarom verkend of microplastics in de binnenlucht voorkomen. Het heeft hiervoor een overzicht gemaakt van de kennis in de wetenschappelijke literatuur over microplastics binnenshuis. Met die kennis kan IenW zo nodig maatregelen nemen. De informatie kan ook worden gebruikt om te beoordelen of er risico’s voor de gezondheid zijn en welke gegevens daarvoor nodig zijn. Over het algemeen lijken de concentraties laag te zijn. Gemiddeld zijn het er tussen de 1,6 en 9,3 microplastic deeltjes per kubieke meter. De gemeten deeltjes zijn vrij groot, groter dan 11 micrometer. Ze zijn daarmee groter dan de veel kleinere deeltjes fijnstof die standaard voor de luchtkwaliteit worden gemeten (PM2.5 en PM10, oftewel kleiner dan 2,5 en 10 micrometer). Het is mogelijk dat er ook veel kleinere microplastics in de onderzochte binnenlucht zitten. Maar het is nu nog moeilijk om de kleinere microplastics in de lucht te meten. Juist de kleinere deeltjes zijn niet goed voor de luchtkwaliteit (PM2.5 en PM10). De belangrijkste bronnen van microplastics in huis zijn textiel, zoals kleding, tapijt en gordijnen. Naast vezels worden veel fragmenten van microplastics in binnenlucht gevonden. Uitgezocht moet worden of deze deeltjes ook van de vezels van textiel komen of van andere bronnen. Daarnaast is informatie nodig over aanwezigheid van de kleinste microplastic deeltjes. Met deze kennis kunnen effectievere maatregelen worden genomen om de luchtkwaliteit te verbeteren.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Nieuwe gezondheidskundige richtlijnen voor omgevingsgeluid. Nadere gezondheidskundige analyses | RIVM

In 2018 heeft de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) de richtlijnen voor geluid uitgebracht. Dit advies is bedoeld om beleidsmakers en professionals te helpen om de schadelijke gezondheidseffecten door geluid, zoals slaapverstoring en hinder, te verminderen. De WHO-richtlijnen zijn onder andere gebaseerd op de laatste inzichten over de relatie tussen de blootstelling aan geluid en de kans op gezondheidseffecten door geluid, zoals hinder of hart- en vaatziekte. Dat noemen we blootstellingsresponsrelaties. In juni 2020 publiceerde het RIVM een rapport over de betekenis van de nieuwe richtlijnen van de WHO voor het Nederlands beleid. Het RIVM geeft nu een uitgebreidere uitleg bij zijn conclusies over de gezondheidseffecten van geluid afkomstig van wegen, spoor en vliegtuigen. Het doet dat op verzoek van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW). Een van de conclusies is dat geluid van treinverkeer hinderlijker is en een grotere kans op slaapverstoring geeft dan eerder werd gedacht. Ook blijkt dat ernstigere gezondheidseffecten, zoals hart- en vaatziekten, al bij een lagere blootstelling kunnen optreden dan eerder werd gedacht. Dit betekent dat bij een groter aantal mensen hart- en vaatziekten optreden door geluid dan eerder werd gedacht.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Monitoring of radioactivity in the Netherlands. National Radioactivity Monitoring Network - results 2019 | RIVM

In 2019 voldeed Nederland aan de Europese verplichting om elk jaar te meten hoeveel radioactiviteit in het milieu zit. De radioactiviteitsniveaus gemeten met het Nationaal Meetnet Radioactiviteit laten een normaal beeld zien, net als de jaren ervoor. Alle landen van de Europese Unie zijn volgens het Euratom-verdrag uit 1957 verplicht om deze metingen te doen. Nederland volgt daarbij de aanbevelingen uit 2000 op om de metingen op een bepaalde manier uit te voeren. De metingen leveren achtergrondwaarden op, ofwel radioactiviteitsniveaus die er onder normale omstandigheden zijn. Deze waarden kunnen bij bijvoorbeeld calamiteiten of rampen als referentie dienen. Het RIVM brengt namens Nederland verslag uit aan de Europese Unie over radioactiviteit in het milieu.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Monitoring of radioactivity in the Netherlands. Milk, Food and Feed – results 2019 | RIVM

In 2019 voldeed Nederland aan de Europese verplichting om elk jaar te meten hoeveel radioactiviteit in het milieu en in voeding zit. De radioactiviteitsniveaus in voedsel en melk liggen net als in vorige jaren onder de Europese limieten voor consumptie en export. De radioactiviteitsniveaus in gras en veevoer laten een normaal beeld zien, net als de jaren ervoor. Alle landen van de Europese Unie zijn volgens het Euratom-verdrag uit 1957 verplicht om deze metingen te doen. Nederland volgt daarbij de aanbevelingen uit 2000 op om de metingen op een bepaalde manier uit te voeren. De metingen leveren achtergrondwaarden op, ofwel radioactiviteitsniveaus die er onder normale omstandigheden zijn. Deze waarden kunnen bij bijvoorbeeld calamiteiten of rampen als referentie dienen. Het RIVM brengt namens Nederland verslag uit aan de Europese Unie over radioactiviteit in het milieu.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Verkenning Monitoringsopties Green Deal Duurzame Zorg (GDDZ) | RIVM

De Green Deal Duurzame Zorg (GDDZ) is een Nederlands initiatief om de zorg minder belastend voor het milieu te laten zijn. Ruim 200 partijen in de zorg, zoals ziekenhuizen en verpleeghuizen, hebben zich hierbij aangesloten. Zij hebben vier thema’s bepaald: minder CO2-uitstoot (pijler 1), minder afval produceren en materialen en producten meer hergebruiken (pijler 2), zorgen dat er minder medicijnresten in afvalwater terechtkomen (pijler 3), en een gezondere omgeving in de zorg (pijler 4). Het ministerie van VWS wil weten hoe groen de zorg nu is. Om dat aan te kunnen geven moeten per pijler de resultaten in beeld worden gebracht. Het RIVM heeft nu met experts verkend wat daarvoor nodig is. Uit deze verkenning blijkt dat zorginstellingen in Nederland door de Green Deal Duurzame Zorg bewuster zijn geworden van duurzame zorg en eraan willen bijdragen. Op dit moment is het lastig om concreet aan te geven wat er tot nog toe precies is bereikt. Om beter te kunnen zien wat wel en niet werkt, willen de aangesloten partijen per pijler benoemen wat ze op nationaal niveau willen bereiken (hoofddoelen) en welke afspraken daarvoor nodig zijn. Dit maakt zichtbaar welke thema’s als eerste moeten worden aangepakt en welke maatregelen daarvoor nodig zijn. Ook willen de partijen samen bepalen welke informatie nodig is om de ontwikkeling in de verduurzaming te kunnen volgen (indicatoren). De doelen, afspraken en indicatoren maken het mogelijk dat alle aangesloten partijen op dezelfde manier gaan werken. Daardoor kunnen ze informatie delen, elkaar beter begrijpen en dus sneller van elkaar leren. Monitoring is nodig om op de langere termijn de impact hiervan te kunnen inschatten. Dan kan de slag om de zorgsector duurzaam te maken zo effectief mogelijk worden georganiseerd. Bovendien kan de administratieve last kleiner worden voor zorginstellingen die er al mee bezig zijn. Tot slot maakt een overzichtelijk format het aantrekkelijker voor nieuwe partijen om ook aan de slag te gaan met verduurzaming. Het thema CO2-uitstoot valt buiten de scope van deze verkenning, omdat hier landelijk een monitoringsprogramma voor wordt opgezet. Waar nodig verwijzen we er in de verkenning wel naar.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Environmental risks of scrubber discharges for seawater and sediment. Preliminary risk assessment for metals and polycyclic aromatic hydrocarbons | RIVM

Dit rapport bevat een erratum d.d. 25-10-2023 op blz. 83 Volgens internationale regels mag er een bepaalde hoeveelheid zwavel in brandstof voor zeeschepen zitten. Om brandstof te mogen gebruiken waar meer zwavel in zit, hebben veel zeeschepen een ‘scrubber’ geplaatst. Dit apparaat haalt zwavel uit de uitlaatgassen en verzamelt het in afvalwater. De meeste schepen (80 procent) gebruiken een open systeem waarbij het afvalwater op zee of in een haven wordt geloosd. Hierbij komen ook andere vervuilende stoffen in het zeewater terecht. Het RIVM heeft berekend of de lozing van dit afvalwater schadelijk is voor het milieu. Uit de berekeningen blijkt dat de concentraties onder de bestaande milieunormen blijven. De belangrijkste vervuilende stoffen in scrubberwater zijn metalen en polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s). Het RIVM heeft met een computermodel berekend hoeveel van deze stoffen in het water terechtkomen. Dit is gedaan voor drie gebieden: een grote zeehaven zoals Rotterdam, een drukbevaren deel van de Noordzee, en een gebied in de Caraïben met kwetsbare natuur, zoals de Sababank. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW). Aanleiding is dat steeds meer zeeschepen scrubbers gebruiken, waardoor er meer geloosd afvalwater in de zee komt. Internationaal is er veel discussie over het gebruik van scrubbers en de eisen waar ze aan moeten voldoen. Met dit onderzoek is een begin gemaakt om de effecten van scrubber-afvalwater op het Nederlands zeemilieu aan te geven. In de berekeningen is niet gekeken naar vervuilende stoffen die al in het milieu zitten. Om lokale effecten preciezer te bepalen, zouden die stoffen ook moeten worden meegenomen.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Plantgifstoffen in voedsel. Hoeveel krijgen we daarvan binnen? | RIVM

In plantaardig voedsel zitten veel goede stoffen. In een aantal plantaardige producten kunnen van nature ook schadelijke stoffen zitten. Deze schadelijke stoffen noemen we plantgifstoffen. De stoffen beschermen de plant tegen ziektes en natuurlijke vijanden, zoals insecten. Als mensen plantgifstoffen binnenkrijgen, hoeft dat niet schadelijk te zijn. Het is pas schadelijk als je er te veel van binnenkrijgt. Hiervoor stellen onderzoekers grenzen op (gezondheidskundige grenswaarden). Als je meer binnenkrijgt dan die grenzen, kunnen plantgifstoffen schadelijk zijn voor de gezondheid. Het RIVM heeft voor een aantal plantgifstoffen onderzocht hoeveel we ervan binnenkrijgen en via welke producten dat gebeurt. De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) gaat met deze informatie uitzoeken of we er te veel van binnenkrijgen. Het gaat om: Welk plantgifstof in welk voedingsmiddel? Glycoalkaloïden in aardappelen. Opiumalkaloïden in maanzaad. Quinolizidine alkaloïden in glutenvrije producten waar lupine in zit en imitatiekoffie waar lupine in zit. Tropaanalkaloïden in (kruiden)thee, brood, beschuit, crackers, koekjes, aardappelen en paprika. Pyrrolizidine alkaloïden in (kruiden)thee en kruidensupplementen. Cyanogene glycosiden in producten van pit- en steenvruchten, zoals sap; lijnzaad en amandel. Het RIVM heeft voor dit onderzoek gegevens gebruikt over wat Nederlanders eten en drinken. Bijvoorbeeld hoeveel aardappelen, groente en fruit Nederlanders eten. En hoeveel koffie en thee we drinken. Deze informatie is gecombineerd met gegevens van de NVWA en van Wageningen Food Safety Research over hoeveel plantgifstoffen er in de onderzochte producten zit.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Radonmeters voor particulier gebruik | RIVM

Radon is een radioactief gas dat van nature ontstaat in de bodem en in bouwmaterialen die daarvan zijn gemaakt. Vanuit de bodem en deze materialen kan radon in gebouwen terechtkomen. Radon verandert uit zichzelf in radioactieve stoffen, die zich aan zwevende deeltjes in huis hechten. Als mensen die deeltjes inademen, blijven ze achter in de longen en geven ze straling af. Hierdoor wordt de kans op longkanker groter. Met een radonmeter kunnen mensen zelf meten hoeveel radon in een gebouw of woning zit. Als de concentratie boven de referentiewaarde komt, kunnen ze maatregelen nemen zoals ventileren om de concentratie te verlagen. Er zijn verschillende soorten meters te koop. Het RIVM heeft uitgezocht welke het meest geschikt is om thuis de radonconcentraties te meten. Dat is de ‘gesloten alfa track detector’. Bij de aankoop ervan moeten mensen erop letten dat ze een gecertificeerde meter kopen (NEN-EN-ISO 11665-4). De alfa track detector is onder andere gekozen omdat hij lage concentraties kan meten. Dat is belangrijk omdat de gemiddelde concentratie in Nederlandse woningen laag is. Ook kan deze meter minimaal 3 maanden achter elkaar meten. Zo’n langere periode meten is nodig omdat de concentraties radon in huis nogal kunnen verschillen – per uur, per dag, per maand. Ook heeft deze meter geen of weinig last van invloeden van temperatuur, vocht, stof en andere straling in het huis. Ten slotte is hij makkelijk te gebruiken: hij hoeft niet aangesloten te worden op elektriciteit, er zitten geen bewegende delen in, hij maakt geen geluid en zendt geen straling uit. Mensen wordt aangeraden om de radonmeter in de winter te gebruiken. In deze tijd van het jaar is de gemiddelde radonconcentratie in huis hoger dan in de zomer. Dit komt door het weer en omdat er in de winter minder wordt geventileerd. De radonconcentratie kan het beste worden gemeten in een of twee ruimtes die het meest gebruikt worden. Meestal zijn dat de woonkamer en een slaapkamer.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Monitoring of radioactivity in the Netherlands. Surface water and seawater– results 2019 | RIVM

In 2019 voldeed Nederland aan de Europese verplichting om elk jaar te meten hoeveel radioactiviteit in het milieu zit. De radioactiviteitsniveaus in oppervlaktewater en zeewater zijn vergelijkbaar met die van eerdere jaren. Alle landen van de Europese Unie zijn volgens het Euratom-verdrag uit 1957 verplicht om deze metingen te doen. Nederland volgt daarbij de aanbevelingen uit 2000 op om de metingen op een bepaalde manier uit te voeren. De metingen leveren achtergrondwaarden op, ofwel radioactiviteitsniveaus die er onder normale omstandigheden zijn. Deze waarden kunnen bij bijvoorbeeld calamiteiten of rampen als referentie dienen. Het RIVM brengt namens Nederland verslag uit aan de Europese Unie over radioactiviteit in het milieu.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Monitoring of radioactivity in the Netherlands. Air dust and deposition - results 2019 | RIVM

In 2019 voldeed Nederland aan de Europese verplichting om elk jaar te meten hoeveel radioactiviteit in het milieu zit. De radioactiviteitsniveaus in luchtstof en depositie laten een normaal beeld zien, net als in eerdere jaren. Alle landen van de Europese Unie zijn volgens het Euratom-verdrag uit 1957 verplicht om deze metingen te doen. Nederland volgt daarbij de aanbevelingen uit 2000 op om de metingen op een bepaalde manier uit te voeren. De metingen leveren achtergrondwaarden op, ofwel radioactiviteitsniveaus die er onder normale omstandigheden zijn. Deze waarden kunnen bij bijvoorbeeld calamiteiten of rampen als referentie dienen. Het RIVM brengt namens Nederland verslag uit aan de Europese Unie over radioactiviteit in het milieu.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Zeewierconsumptie in Nederland | RIVM

De indruk bestaat dat steeds meer mensen in Nederland zeewierproducten eten. Sushi is de bekendste vorm, maar zeewier zit in verschillende producten. Er was nog weinig bekend over om hoeveel mensen het gaat. Het RIVM heeft dat nu voor het eerst onderzocht. Daaruit blijkt dat ongeveer een kwart van de Nederlandse bevolking regelmatig producten met zeewier eet. De meeste zeewier wordt gegeten in de vorm van chips/kroepoek of wraps met zeewier, noedels op basis van zeewier, zeespaghetti en zeewiersalade. Zeewier wordt door alle lagen van de bevolking gegeten. Hoogopgeleiden, mensen die meer dan modaal verdienen, bewoners van steden en jongvolwassenen eten dit in verhouding vaker. Mensen die dit soort producten eten, krijgen per dag 0,05 gram zeewier per kilogram lichaamsgewicht binnen. Omgerekend naar gedroogd zeewier is dit 0,5 gram per dag (beide hoeveelheden zijn medianen). Het verschilt sterk per persoon hoeveel en hoe vaak ze zeewier eten. Het RIVM heeft dit onderzoek in opdracht van de NVWA gedaan. De NVWA gaat de resultaten gebruiken om de voedselveiligheid van producten met zeewier te beoordelen. Aan dit onderzoek hebben 2710 mensen tussen de 1 en 80 jaar meegedaan. Hen (of de verzorgers van jonge kinderen) is gevraagd hoe vaak zij zeewier eten en in welke vorm. 632 mensen gaven aan zeewier te hebben gegeten in de vier weken voorafgaand aan de enquête.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Op weg naar een Grondstoffen Informatie Systeem (GRIS): data koppelen op waarde geschat | RIVM

Nederland streeft naar een circulaire economie in 2050. Daarin worden minder grondstoffen gebruikt en worden ze zo veel mogelijk opnieuw gebruikt. Om te weten in hoeverre dit ook echt gebeurt is het RIVM bezig met de ontwikkeling van een Grondstoffen Informatie Systeem (GRIS). Dit systeem verzamelt informatie over grondstoffen, wie ze waarvoor gebruikt in de Nederlandse economie, en hoe groot de voorraden zijn. Het GRIS maakt het mogelijk om informatie over grondstoffen op te slaan en te koppelen. Deze koppeling geeft nieuwe inzichten, bijvoorbeeld in welke sectoren grondstoffen zitten en of ze kunnen worden hergebruikt. Er is nu een pilot uitgevoerd. Doel hiervan is om inzicht te krijgen of het waardevol is om data in een grondstoffensysteem bij elkaar te brengen, en wat belangrijk is voor het ontwerp hiervan. De pilot maakt duidelijk welke informatie nog nodig is voor een grondstoffensysteem en in welke vorm. Met deze informatie kunnen de data van systemen beter op elkaar aansluiten. Voor de pilot zijn twee informatiebronnen aan elkaar gekoppeld om daar ervaring mee op te doen. Het zijn de monitor over materiaalstromen in Nederland en de data van ‘kritieke materialen’. Dit zijn materialen die maar in kleine hoeveelheden beschikbaar zijn, zoals bepaalde metalen, en tegelijkertijd belangrijk zijn om bepaalde producten te maken. Door de koppeling werd duidelijk waar ‘fouten’ in de data van de twee systemen zaten. Het kost veel tijd om die eruit te halen. De pilot maakte ook duidelijk dat voor het GRIS een goede samenwerking nodig is van de organisaties die de informatiebronnen maken. Ook is expertise nodig om de data op waarde te kunnen schatten. De monitor over materiaalstromen in Nederland is van het CBS. De monitor van kritieke materialen is van TNO en het ministerie van Economische Zaken (EZK). Het RIVM is door het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) gevraagd om het systeem te ontwikkelen.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Beoordeling kosteneffectiviteit van maatregelen om de uitstoot van ZZS naar lucht te beperken | RIVM

Bedrijven in Nederland zijn verplicht de uitstoot van vervuilende stoffen te beperken. Voor Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS) geldt een zogeheten minimalisatieplicht. Dit betekent dat bedrijven de uitstoot van ZZS zo ver mogelijk terug moeten brengen naar nul. Bedrijven nemen daarom maatregelen om uitstoot te voorkomen of deze zo klein mogelijk te houden. De minimalisatieplicht gaat verder dan de maatregelen die al moeten worden genomen om de wettelijke emissiegrenswaarden te bereiken (best beschikbare technieken). Deze maatregelen kosten geld. Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) heeft het RIVM gevraagd een methode te ontwikkelen waarmee de vergunningverlener kan beoordelen of minimalisatiemaatregelen om de uitstoot te verlagen kosteneffectief zijn. Deze ‘kosteneffectiviteit’ kan worden gebruikt bij de afweging van maatregelen. Het RIVM adviseert om als basis de methode te gebruiken die al bestaat om kosteneffectiviteit te bepalen. Daarnaast zijn zogenoemde referentiewaarden nodig. Referentiewaarden geven een niveau aan tot waar maatregelen om ZZS-emissies te minimaliseren kosteneffectief zijn. Het RIVM geeft een advies over de hoogte van referentiewaarden voor ZZS (in euro’s per kilo verminderde uitstoot). Het voorstel is om voor de referentiewaarden een minimale en maximale waarde vast te stellen. Het RIVM geeft marges aan voor zowel deze onder- als bovengrens. IenW kan op basis van dit onderzoek de referentiewaarden voor ZZS-emissies naar lucht bepalen. Het RIVM adviseert om het gebruik van de kosteneffectiviteitsmethode de komende vijf jaar te volgen en te evalueren welk effect deze aanpak in de praktijk heeft. Zo kan onder andere worden nagegaan tegen welke kosten de minimalisatiedoelstelling wordt gerealiseerd.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Het effect van Maatschappelijk Verantwoord Inkopen door de Nederlandse overheid in 2017-2018 | RIVM

De landelijke en decentrale overheden willen bij de aanschaf van producten, werken en diensten het milieu zo min mogelijk belasten. Ook willen ze de markt stimuleren om producten en diensten te leveren die minder belastend zijn voor het milieu. Verder willen ze zoveel mogelijk mensen met bijvoorbeeld lichamelijke of geestelijke beperkingen (‘met afstand tot de markt’) aan het werk krijgen. Dit heet Maatschappelijk Verantwoord Inkopen (MVI). In 2017 en 2018 had deze manier van inkopen vaker effect, zowel voor het milieu als voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt. Dit blijkt uit een overzicht van het RIVM. Door maatschappelijk verantwoord inkopen in 2017 en 2018 wordt er 5,9 Mton minder CO2 uitgestoten dan wanneer dat niet gebeurt. Dit is te vergelijken met de hoeveelheid die ongeveer 300.000 Nederlandse huishoudens elk jaar uitstoten. Ook is er 46.281 kilogram minder stikstofoxiden uitgestoten dan in de vorige onderzochte periode, 2015-2016. Voor fijnstof is dat 164.212 kilo minder. Daarnaast is 292 ton aan grondstoffen bespaard en is er 5 Mton aan CO2 gecompenseerd door bossen aan te planten. Verder is er 1203 fte aan werk gerealiseerd voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt en als stageplaats. Voor het onderzoek zijn vijftien productgroepen bekeken in zes clusters. Het gaat om: Transport, Energie, Kantoorfaciliteiten, Kantoorgebouwen, Grond-, weg- en waterbouw, en ICT-informatie communicatietechnologie. Deze productgroepen zijn gekozen, omdat daarbij het meeste effect van deze manier van inkopen wordt verwacht.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Paints and microplastics | RIVM

Microplastics zijn kleine kunststofdeeltjes die bestaan uit polymeren. Deze deeltjes komen in het milieu terecht, waar ze schadelijk kunnen zijn voor dieren en planten. Microplastics zitten onder andere in verf. Door vaste polymeren (primaire microplastics) aan verf toe te voegen ontstaan verflagen die oppervlakten kunnen bedekken en beschermen. Ze komen eruit vrij als gedroogde verflagen verweren of worden geschuurd. Dan noemen we ze secundaire microplastics. Het RIVM heeft een brede groep van belanghebbenden uit de verfsector gevraagd wat zij doen om de uitstoot van microplastics uit verf te beperken. De verfsector blijkt zich ervan bewust te zijn dat microplastics problemen kunnen geven in het milieu. Maar ze zijn er niet actief mee bezig om de uitstoot te verkleinen. Volgens hen is de uitstoot niet te voorkomen. De polymeren zijn nodig om een verflaag aan te brengen die oppervlakten langdurig bedekt en beschermt. Er bestaan nog weinig verfproducten zonder polymeren. Deze zijn (nog) niet geschikt voor alle toepassingen van verf. De verfsector heeft wel indirect maatregelen genomen die de uitstoot verkleinen. Zo hebben ze verf ontwikkeld die veel langer goed blijft en blijft zitten; bijna twee keer zo lang. Ook geeft de sector aan dat professionele schilders maatregelen nemen om de uitstoot van verfdeeltjes en stof tijdens het werk te verminderen. Zo gebruiken zij standaard een apparaat dat schuursel opvangt tijdens het schuren. Voor doe-het-zelf klussers is onbekend of zij ook zulke maatregelen nemen en of dat mogelijk is. Ook spoelen doe-het-zelf klussers kwasten met verf op waterbasis af onder de kraan. Dit is niet wenselijk. Het is nu niet duidelijk hoeveel microplastics worden uitgestoten tijdens de productie, het gebruik en de afvalverwerking van verf. Het is wenselijk dat hierover meer gegevens beschikbaar komen om maatregelen te kunnen nemen. Bijvoorbeeld door metingen in het milieu. Daarnaast is het belangrijk dat de hele keten nadenkt over maatregelen om de uitstoot te verminderen.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Methodology report on the calculation of emissions to air from the sectors Energy, Industry and Waste as used by the Dutch Pollutant Release and Transfer Register | RIVM

Nederland rapporteert elk jaar nationaal en internationaal hoeveel stoffen door de sectoren Industrie, Energieopwekking en Afvalverwerking (ENINA) worden uitgestoten naar de lucht. Het gaat om alle stoffen die in de Emissieregistratie voorkomen en relevant zijn voor ENINA. Denk aan broeikasgassen, verzurende stoffen en stoffen die grootschalige luchtverontreiniging veroorzaken. Het RIVM heeft de methoden waarmee de uitstoot wordt berekend, geactualiseerd en beschreven. De methoden worden elk jaar bijgesteld volgens de meest actuele wetenschappelijke inzichten. De emissieberekeningen worden uitgevoerd op basis van internationale richtlijnen. De emissiegegevens zijn openbaar via de website emissieregistratie.nl. De gegevens worden gebruikt voor de rapportages die vanwege internationale verdragen verplicht zijn, zoals het Kyoto-protocol, de EU-Emissieplafonds (NEC-Directive) en de Convention on Long-range Transboundary Air Pollution (CLRTAP). De rapportage is ook de basis voor de (internationale) reviewers die de Nederlandse rapportages aan de EU en VN valideren.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Methodology for the calculation of emissions from product usage by consumers, construction and services | RIVM

Nederland rapporteert elk jaar nationaal en internationaal welke verontreinigende stoffen in de lucht terechtkomen door het gebruik van producten. Het gaat bijvoorbeeld om oplosmiddelen uit cosmetica, luchtverfrissers, spuitbussen, verf, en stoffen die vrijkomen bij het stoken van hout en het afsteken van vuurwerk. De Emissieregistratie berekent op basis van internationale richtlijnen voor de relevante stoffen hoeveel ervan in de lucht vrij komt. Het RIVM heeft nu de methoden die de Nederlandse Emissieregistratie gebruikt, geactualiseerd en beschreven. De methoden worden elk jaar bijgesteld volgens de meest actuele wetenschappelijke inzichten. De emissiegegevens zijn openbaar via de website emissieregistratie.nl. De gegevens worden gebruikt voor de rapportages die vanwege internationale verdragen verplicht zijn, zoals het Kyoto-protocol, de EU-Emissieplafonds (NEC-Directive) en de Convention on Long-range Transboundary Air Pollution (CLRTAP). Deze rapportage vormt ook de basis voor de (internationale) reviewers die de Nederlandse rapportages aan de EU en VN valideren.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Indicatoren E-healthmonitor 2021-2023 en doelstellingen voor e-health | RIVM

Het ministerie van VWS zoekt naar mogelijkheden om de zorg betaalbaar en toegankelijk te houden, en de kwaliteit te verbeteren. E-health, oftewel digitale zorg op afstand, geeft daar mogelijkheden voor. Het ministerie van VWS wil weten in hoeverre de zorg tussen 2021 en 2023 digitaler wordt en welke effecten dat heeft op patiënten en zorgverleners. E-health is heel divers en kan breed worden ingezet. Voorbeelden zijn consulten met huisartsen via videobellen, gezondheidsapps voor patiënten, en websites met informatie over medische zorg. Het RIVM ontwikkelt een monitor om de overgang van onderdelen van de zorg naar e-health met cijfers in kaart te kunnen brengen. Het RIVM doet dat samen met het Nivel en het National eHealth Living Lab (NeLL). De monitor geeft aan wie e-health gebruikt en waarvoor. Ook geeft hij aan waarom digitale hulpmiddelen wel of niet worden gebruikt en hoe het gebruik bevalt. Voor de monitor hebben de drie organisaties nu uitgezocht welke gegevens nodig zijn om het gebruik van e-health in de zorg te kunnen meten, de zogeheten indicatoren. Een voorbeeld is in welke mate huisartsen e-health gebruiken, of in welke mate burgers een online afspraak maken bij een ziekenhuis. Daarnaast is beschreven welke indicatoren zijn gekozen, om welke meetgegevens het precies gaat en hoe gegevens kunnen worden verkregen. Sommige meetgegevens zijn ook in de vorige monitor tot en met 2019 verzameld. Op deze manier kunnen de ontwikkelingen door de jaren heen worden gevolgd. Daarnaast hebben het RIVM, Nivel en NeLL op verzoek van het ministerie van VWS doelen voor e-health omschreven. Het gaat onder andere om een betere kwaliteit en organisatie van de zorg, meer eigen regie van de patiënt over de zorg, aandacht voor preventie, en ondersteuning van personeel in de zorg. De E-healthmonitor kan laten zien hoe deze doelen zich ontwikkelen.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Greenhouse gas emissions in the Netherlands 1990–2019 | RIVM

In 2019 is de totale uitstoot van broeikasgassen in Nederland met 3,2 procent gedaald ten opzichte van 2018. Deze daling komt vooral doordat er minder kolen zijn gebruikt om elektriciteit te produceren. De totale uitstoot van broeikasgassen naar de lucht wordt uitgedrukt in CO2-equivalenten en bedroeg in 2019 180,7 miljard kilogram. Het jaar 1990 geldt als referentiejaar (basisjaar) voor de te halen doelstellingen. De uitstoot in 1990 bedroeg 220,5 miljard kilogram CO2-equivalenten. Ten opzichte van het basisjaar is de uitstoot gedaald met 18 procent. De uitstoot van CO2 alleen, ligt 5,6 procent onder het niveau van het basisjaar. De uitstoot van de andere broeikasgassen (methaan, distikstofoxide en gefluoreerde gassen) is sinds 1990 met 53 procent gedaald. Dit blijkt uit de definitieve inventarisatie van broeikasgasemissies die het RIVM jaarlijks op verzoek van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) opstelt. Met deze inventarisatie voldoet Nederland aan de nationale rapportageverplichtingen voor 2021 van het Klimaatverdrag van de Verenigde Naties (UNFCCC), van het Kyoto Protocol en van het Bewakingsmechanisme Broeikasgassen van de Europese Unie. De voorlopige emissiecijfers over 2019 zijn al in het najaar van 2020 gepubliceerd. De inventarisatie bevat verder analyses van ontwikkelingen in de uitstoot van broeikasgassen tussen 1990 en 2019, een analyse van de belangrijkste bronnen die broeikasgassen uitstoten (‘sleutelbronnen’), evenals de onzekerheid in de berekening van hun uitstoot. Daarnaast zijn de gebruikte berekeningsmethoden en databronnen beschreven. Ten slotte bevat het een overzicht van het kwaliteitssysteem en de manier waarop de Nederlandse Emissieregistratie de berekeningen controleert.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Methodology for estimating emissions from agriculture in the Netherlands. Calculations for CH4, NH3, N2O, NOx, NMVOC, PM10, PM2.5 and CO2 using the National Emission Model for Agriculture (NEMA) – Update 2021 | RIVM

Nederland rapporteert elk jaar nationaal en internationaal hoeveel stoffen de landbouw uitstoot naar de lucht. Het gaat om alle stoffen uit de landbouw die in de Emissieregistratie voorkomen. Denk aan broeikasgassen en stoffen die luchtverontreiniging veroorzaken, zoals ammoniak en fijnstof. De emissieberekeningen worden uitgevoerd op basis van internationale richtlijnen. De uitstoot wordt berekend met het National Emission Model for Agriculture (NEMA), dat in Nederland is ontwikkeld. Het NEMA berekent de uitstoot van stoffen voor bijvoorbeeld stallen, mestopslag, en het gebruik van mest. Het NEMA wordt ook gebruikt om emissies zoals methaan uit verschillende dieren en mest te berekenen. Dit model wordt elk jaar aangepast aan de nieuwste wetenschappelijke inzichten. Dit keer zijn de methoden beschreven die voor verschillende stoffen worden gebruikt, en de wijzigingen die zijn doorgevoerd. Dit keer zijn onder andere de zogeheten emissiefactoren voor bepaalde emissiearme stallen aangepast. Uit nieuwe inzichten blijkt dat er meer stikstof uit stallen vrijkomt dan eerder werd gedacht. De emissiefactor voor de uitstoot van de bemesting van grasland blijkt juist kleiner. De gegevens over de uitstoot zijn openbaar via de website emissieregistratie.nl. Ze worden gebruikt voor rapportages die vanwege internationale verdragen verplicht zijn, zoals het Kyoto-protocol, de Europese Emissieplafonds (NEC-Directive) en de Convention on Long-range Transboundary Air Pollution (CLRTAP). Dit rapport is ook de basis voor de reviewers die de Nederlandse rapportages aan de Europese Unie en Verenigde Naties valideren.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Informative Inventory Report 2021. Emissions of transboundary air pollutants in the Netherlands 1990–2019 | RIVM

In 2019 is 6,4 kiloton minder ammoniak uitgestoten dan in 2018. Dit komt vooral door ontwikkelingen in de landbouw. Zo werden er minder melkvee en mestvarkens gehouden en kwamen er meer varkensstallen die minder ammoniak uitstoten. De totale ammoniak uitstoot van 123 kiloton in 2019 ligt onder het maximum van 128 kiloton dat op basis van EU-regelgeving voor Nederland geldt. Dit blijkt uit de definitieve inventarisatie tot 2019 van luchtverontreinigende emissies. De emissies van fijnstof zijn toegenomen. Dit komt doordat de uitstoot van het zogeheten condenseerbaar fijnstof in de Emissieregistratie is toegevoegd aan de hoeveelheid fijnstof (vaste deeltjes) uit houtstoot voor sfeerverwarming. Hierbij worden twee soorten fijnstof uitgestoten: de vaste stofdeeltjes, waaronder roet, en het condenseerbaar fijnstof. Deze nieuwe bron is met terugwerkende kracht toegevoegd vanaf 1990. Over de hele periode (1990-2019) blijft de fijnstofuitstoot overigens afnemen. De uitstoot van stikstofoxiden en zwaveldioxide daalden licht ten opzichte van 2018 met respectievelijk 6,5 en 2,0 kiloton. De emissies van beide stoffen liggen onder het vastgestelde maximum van respectievelijk 260 en 50 kiloton. De lagere uitstoot van stikstofoxiden komt onder andere door de strengere eisen aan de uitstoot door personenauto’s en vrachtverkeer. Ook zijn energiecentrales minder steenkool gaan gebruiken. Minder zwaveloxiden komt vooral doordat raffinaderijen steeds meer op gas stoken in plaats van op olie, met een schonere uitstoot (rookgasreiniging). Dit en meer staat in de zogeheten Informative Inventory Report rapportage (IIR) die het RIVM in samenwerking met diverse partnerinstituten jaarlijks op verzoek van het ministerie voor Infrastructuur en Waterstaat (IenW) opstelt. Nederland gebruikt de analyses om beleid te onderbouwen en om in internationaal verband te rapporteren over de ontwikkeling van de emissies en in hoeverre de emissies onder de afgesproken maximale hoeveelheden (emissieplafonds) blijven. De voorlopige emissiecijfers over 2019 zijn al in het najaar van 2020 gepubliceerd.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Gezondheidseffecten van windturbinegeluid | RIVM

Vragen over gezondheidseffecten spelen een prominente rol in lokale discussies over de plannen voor uitbreiding van het windpark in Nederland, Zwitserland en elders. Het Zwitserse Federale Milieubureau vroeg het RIVM de literatuur verschenen tussen 2017 en medio 2020 op een rij te zetten, over het effect van geluid van windturbines op de gezondheid van omwonenden. Het RIVM en Mundonovo sound research verzamelden de wetenschappelijke literatuur over het effect van windturbines op ervaren hinder, slaapverstoring, hart- en vaatziekten en de stofwisseling. Ook werd bekeken wat bekend is over hinder door de visuele aspecten van windturbines en andere niet-akoestische factoren, zoals het lokale besluitvormingsproces. Uit de literatuurstudie blijkt dat hinder optreedt als gevolg van geluid: hoe sterker het geluid (in dB) van windturbines, hoe groter de hinder ervan. Uit de literatuur bleek niet dat het zogeheten ‘laagfrequent geluid’ (lage tonen) van windturbines voor extra hinder zorgt tot die gerelateerd aan “gewoon” geluid. Voor andere gezondheidseffecten zijn de resultaten van wetenschappelijk onderzoek niet eenduidig: deze effecten hangen niet duidelijk samen met het geluidniveau, maar soms wel met de ervaren hinder. Deze resultaten onderbouwen de eerdere conclusies van een vergelijkbare opdracht drie jaar geleden. De literatuur liet duidelijk zien dat omwonenden minder hinder hebben van de windturbines als ze betrokken werden bij de plaatsing ervan. Door mee te kunnen denken over de plaatsing en de balans tussen kosten en baten, ervaren omwonenden minder hinder. Het is daarom belangrijk zorgen van omwonenden serieus te nemen en hen te betrekken bij het planningsproces en de plaatsing van windturbines.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Risico’s van rook door branden van Li-ion-batterijen | RIVM

Li-ion-batterijen zitten vaak in bijvoorbeeld telefoons, elektrische auto’s en fietsen. Vanwege de overgang naar duurzame energie zal dit type batterij steeds vaker worden gebruikt. Hierdoor wordt ook de kans groter dat ze bij een brand betrokken raken. Li-ion-batterijen bevatten chemische stoffen en zware metalen die kunnen vrijkomen als de batterijen verbranden. Een voorbeeld daarvan is het gevaarlijke fluorwaterstof. Over de risico’s van deze stof in rook was nog onvoldoende bekend. Blootstelling aan deze stof kan gevaarlijk zijn. Daarom zijn brandexperimenten uitgevoerd om eigenschappen van de rook beter te begrijpen en wat dat betekent voor brandweerpersoneel. De concentratie fluorwaterstof in rook daalt in de praktijk snel doordat het zich bindt aan bijvoorbeeld rookdeeltjes, wanden en vloeren. Het gevaar van fluorwaterstof in de rook neemt daarom sneller af dan verwacht. Wel raken de oppervlakken in de ruimte van de brand hiermee vervuild. Zo komt het ook op de kleding van brandweerpersoneel dat in deze rook werkt. Het grootste risico voor brandweerpersoneel is huidschade als de huid in contact komt met fluorwaterstof. Het kwetsbaarste onderdeel van brandweerkleding is de balaclava, een soort bivakmuts die beschermt tegen de hitte. De balaclava blijkt fluorwaterstof uit rook niet volledig tegen te houden. Hoewel de fluorwaterstof niet bij elke Li-ion brand een groot risico is voor brandweerpersoneel, is het wel zinvol om er rekening mee te houden. Dit kan door voorzorgsmaatregelen te nemen. Voorbeelden zijn de balaclava na de brand snel afdoen en de huid schoonspoelen als deze na een brandweerinzet pijnlijk aanvoelt. Het RIVM heeft de experimenten met de Veiligheidsregio Noord- en Oost-Gelderland uitgevoerd. De gezondheidsrisico’s zijn beoordeeld in samenwerking met het Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum (NVIC). Er bestaan al interventiewaarden om te kunnen inschatten wanneer er gezondheidsrisico’s zijn voor de bevolking als er bij een brand fluorwaterstof vrijkomt.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Feitenrapportage grondwaterkwaliteitsmeetnetten | RIVM

In Nederland worden via meerdere meetnetten gegevens over de kwaliteit van het grondwater verzameld. Hiermee worden concentraties van verschillende stoffen gemeten, waaronder nitraat. Naast een landelijk meetnet heeft elke provincie een eigen meetnet. Zij gebruiken hierbij ook een deel van de landelijke putten; het verschilt per provincie in welke mate. Op hoofdlijnen zijn de resultaten over nitraat van het landelijke meetnet en de provinciale meetnetten hetzelfde, maar er zijn ook verschillen, zeker regionaal. Om het landelijk beleid over de grondwaterkwaliteit te kunnen verantwoorden en te evalueren zijn eenduidige cijfers over de concentraties nodig. Het RIVM beveelt aan om de manier van werken landelijk te verbeteren. De meetnetten hebben verschillende doelen. Het landelijke meetnet, het Landelijk Meetnet Grondwaterkwaliteit (LMG), wordt onder andere gebruikt voor de verplichte Europese rapportage over nitraat. De meetnetten van de provincies leveren gegevens voor regionale doelen en voor de verplichte Europese rapportage voor de Kaderrichtlijn Water (KRW). Over het algemeen is de dataset van het LMG consistent. De dataset van de provinciale meetnetten zijn dat minder, vooral doordat er minder vaak wordt gemeten. Statistisch onderzoek is nodig om aan te kunnen geven hoe bruikbaar de provinciale gegevens zijn voor de verschillende landelijke toepassingen. Het RIVM doet aanbevelingen om de kwaliteit van de data en het beheer ervan te verbeteren; de provincies werken hier al aan. Deze bevindingen blijken uit een feitenrapportage van het RIVM over de monitoring van de grondwaterkwaliteit in Nederland. De rapportage beschrijft de verschillen en overeenkomsten in de manier waarop de meetnetten zijn ingericht (wie doet wat) en hoe ze worden uitgevoerd (waar, welke stoffen en wanneer). Vanwege de Europese verplichtingen is hierbij vooral gekeken naar de meststof nitraat.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Tussentijdse resultaten Gezondheidsonderzoek in de IJmond | RIVM

Het RIVM onderzoekt de luchtkwaliteit en de gezondheid van bewoners in de IJmond in Noord-Holland. In deze omgeving zijn er activiteiten die het milieu belasten, zoals zware industrie van Tata Steel. Omwonenden maken zich zorgen welke effecten deze activiteiten hebben op hun gezondheid. Zij hebben het gevoel dat de luchtkwaliteit op sommige uren of dagen (pieken) slecht is waardoor zij acute klachten ervaren, zoals hoesten, benauwdheid of prikkende ogen. Acute klachten komen snel op en gaan vaak snel weer weg. Uit onderzoek van het RIVM blijkt inderdaad dat de luchtkwaliteit vaker matig tot onvoldoende is in de IJmond. Ook blijkt dat er in de IJmond meer acute gezondheidsklachten worden gemeld bij de huisarts dan in andere industriegebieden en op het platteland. Deze klachten, die het Nivel bij huisartsen heeft verzameld, zijn bijvoorbeeld benauwdheid, hoofdpijn, misselijkheid en pijn op de borst. Dit onderzoek geeft géén antwoord op de vraag wat de oorzaak is van de gezondheidsklachten. In de omgeving van Tata Steel komen vaker hogere concentraties fijnstof (PM10) voor dan in delen van Nederland zonder zware industrie. Het RIVM heeft dit met de GGD Amsterdam inzichtelijk gemaakt door aan te geven wat de concentraties fijnstof per dag en per uur zijn, waar normaal gesproken de nadruk ligt op het gemiddelde per jaar. Zo is het duidelijker wanneer en hoe vaak de concentraties fijnstof hoger zijn. Voor dit onderzoek is fijnstof gekozen als graadmeter voor de luchtkwaliteit. Fijnstof wordt op verschillende plekken in de IJmond gemeten en er is veel bekend over de effecten ervan op de gezondheid. Een studie onder omwonenden zou meer inzicht kunnen geven of er een verband is tussen de luchtkwaliteit en de acute gezondheidsklachten. Omwonenden zouden hiervoor langere tijd in een dagboek kunnen bijhouden op welke dagen zij bepaalde klachten hebben. Volgens het RIVM is zo’n onderzoek haalbaar. De provincie Noord-Holland moet afwegen of zo’n panelonderzoek ook wenselijk is.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Rapportage verkennende Expertconsultatie ‘Veranderingen in de veehouderij en mogelijke effecten op volksgezondheid en milieu’ | RIVM

Het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) schreef in 2018 een visie over hoe de landbouw in de toekomst duurzaam kan worden. Het doel is om een ‘gesloten voedselkringloop’ te maken waardoor veeteelt het milieu minder belast. Bijvoorbeeld door ander voer te gebruiken, en mest op het eigen bedrijf te gebruiken als grondstof voor veevoer. Een overgang naar een kringlooplandbouw brengt mogelijk ook ongewenste effecten mee, bijvoorbeeld voor de volksgezondheid. Het RIVM heeft daarom experts met verschillende achtergronden gevraagd welke effecten zij zowel op het milieu als op de gezondheid verwachten. Deze verkenning geeft een eerste indruk van verwachte effecten en dilemma’s bij een overgang naar duurzame veehouderijen. Ze kan daarmee een aanzet geven tot een brede maatschappelijke dialoog over oplossingen. De experts vergeleken onder andere vier voorbeelden van veehouderijen die kringlooplandbouw nastreven met gangbare bedrijven. Deze bedrijven hielden bijvoorbeeld andere koeienrassen of vleeskuikenrassen, gebruikten ander voer of hadden andere stallen. Het aantal dieren bleef ongeveer hetzelfde. Wat deze bedrijven anders doen heeft volgens experts een beperkt positief effect op het milieu en de volksgezondheid. Daarmee lijken de onderzochte veranderingen onvoldoende te helpen om doelen voor bijvoorbeeld klimaat, stikstof of fijnstof te halen. Ook hebben de veranderingen soms nadelen. Wanneer bijvoorbeeld mest wordt hergebruikt, kunnen stoffen uit mest en ziekteverwekkers zich opstapelen in het milieu, in dieren en in dierlijk voedsel.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

CPE en colistine resistentie | RIVM

Tegen bepaalde type bacteriën werken antibiotica niet meer. Ze zijn daar resistent tegen geworden. Voorbeelden zijn colistine-resistente bacteriën. Deze bacteriën kunnen in de ontlasting van mensen, vee, en huisdieren zitten en in vlees. Het RIVM heeft voor het eerst onderzocht hoe vaak deze resistente bacteriën voorkomen bij de Nederlandse bevolking. Van 661 mensen is de ontlasting onderzocht. Colistineresistente bacteriën kwamen bij 36 mensen voor. De gegevens zijn als controle gebruikt voor de AREND-studie. Daarin is onder andere onderzocht of colistine-resistente bacteriën even vaak bij dierenartsen en hun assistenten voorkomen dan bij de bevolking. Dat blijkt het geval te zijn. Antibioticaresistente bacteriën kunnen in de darmen zitten van gezonde personen of dieren zonder dat zij daar last van hebben. Maar ze kunnen ook infecties veroorzaken. Infecties door deze bacteriën zijn moeilijker te behandelen met antibiotica. De bacteriën worden onder andere via de ontlasting of via besmet voedsel verspreid. Een goede hygiëne is dan ook belangrijk om besmetting te voorkomen.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Inventarisatie aanvullende maatregelen Nationaal Preventieakkoord. Mogelijke vervolgstappen richting de ambities voor 2040 | RIVM

In 2018 is het Nationaal Preventieakkoord gesloten, met daarin afspraken om roken, problematisch alcoholgebruik en overgewicht terug te dringen. Het RIVM schatte toen in dat de afspraken niet genoeg zijn om in 2040 de ambities voor problematisch alcoholgebruik en overgewicht te halen. Op verzoek van het ministerie van VWS heeft het RIVM onderzocht welke extra maatregelen ingezet kunnen worden om problematisch alcoholgebruik en overgewicht verder te verminderen. Het heeft hiervoor literatuuronderzoek gedaan en geïnventariseerd welke maatregelen volgens experts impact hebben. Op basis daarvan is voor zowel problematisch alcoholgebruik als overgewicht een top 10 van maatregelen gemaakt. Om ervoor te zorgen dat minder mensen overgewicht hebben staan in de top 10 onder andere maatregelen om ongezonde producten duurder te maken en gezonde producten goedkoper. Voorbeelden zijn belasting heffen op dranken waar suiker in zit en de BTW op producten uit de Schijf van Vijf afschaffen. De experts stellen ook voor om met werkgevers strengere afspraken te maken over gezond eten op de werkvloer. Verder adviseren ze om op minder plaatsen fastfood te verkopen. Ook voor problematisch alcoholgebruik staan er een aantal prijsmaatregelen in de top 10. Zo raden de experts aan om de accijns te verhogen, een minimumeenheidsprijs voor alcohol in te voeren en om kortingsacties te verbieden. Daarnaast adviseren ze om geen reclame te maken voor alcohol op plaatsen waar veel jongeren komen, zoals op sportverenigingen. Een ander advies is alcohol alleen nog bij slijters te verkopen. Meer voorlichting over de schadelijke effecten van alcohol wordt ook aangeraden. Er is in dit onderzoek niet gekeken naar de haalbaarheid van de maatregelen. Bijvoorbeeld of er genoeg geld of draagvlak is. Daarnaast is een doorrekening van de maatregelen nodig om te bepalen in hoeverre de ambities uit het NPA hiermee binnen bereik komen.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Het peilen van veiligheidsbeleving en informatiebehoeften van omwonenden rond chemieclusters. Belevingsonderzoek Chemelot | RIVM

In Limburg ligt een grote groep chemiebedrijven bij elkaar, Chemelot. Het RIVM heeft onderzocht hoe veilig mensen die in de buurt wonen, zich voelen. Dat gevoel verschilt: mensen die dichter bij Chemelot wonen, voelen zich vaker onveilig dan mensen die verder weg wonen. Ook ervaren zij meer hinder en hebben ze meer behoefte aan informatie. Omwonenden kunnen zich onveilig voelen als de situatie anders is dan ‘normaal’. Bijvoorbeeld bij een vreemd geluid, een bruine rookpluim, of als er gevaarlijke stoffen vrijkomen. Dit gevoel van onveiligheid trekt meestal weg als de situatie weer normaal is. Het gevoel van veiligheid hangt samen met het vertrouwen dat mensen in de overheid en Chemelot hebben: hoe groter het vertrouwen, hoe veiliger mensen zich voelen. Iets meer dan de helft van de omwonenden heeft vertrouwen in de veiligheidsmaatregelen die worden genomen. Minder dan de helft van de omwonenden vertrouwt erop dat Chemelot en overheden tijdig, eerlijk en open communiceren over de veiligheid in de omgeving. Bewoners, vooral de mensen die dicht bij Chemelot wonen, willen graag informatie over wat ze kunnen doen bij een ongeval of hoe ze worden gewaarschuwd. Ze willen dat ook over normale activiteiten die te merken zijn in de omgeving, zoals onderhoud. Toch gaan mensen vaak niet actief op zoek naar deze informatie. De mensen die dat wel doen, begrijpen de informatie niet altijd en vinden vaak niet wat ze zoeken. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM. Het RIVM heeft een werkwijze ontwikkeld om te peilen hoe mensen die in de buurt van chemiebedrijven wonen, de veiligheid beleven. Hiervoor is een vragenlijst gemaakt en is met (groepen) omwonenden gesproken. De werkwijze geeft een goed beeld van de veiligheidsbeleving en kan daarom als basis voor peilingen rond andere chemiebedrijven worden gebruikt. Aanvullende vragen zijn nodig om aan te sluiten bij de lokale thema’s en behoeften.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Stikstofeffecten van criteria ten behoeve van de Landelijke Beëindigingsregeling Veehouderijlocaties | RIVM

Een van de regelingen die moeten bijdragen aan een structurele oplossing van de stikstofproblematiek is de Landelijke Beëindigingsregeling Veehouderijlocaties (Lbv). Het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) wil hiermee de uitstoot van stikstof door landbouwbedrijven verminderen, en daarmee de neerslag van stikstof op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Landbouwbedrijven (melkvee-, varkens- en pluimveehouders) kunnen zich vrijwillig aanmelden om met subsidie hun bedrijf te beëindigen. LNV werkt nog uit welke bedrijven voor de regeling in aanmerking komen. Het is hierbij van belang in welke volgorde de aanmeldingen worden geselecteerd. Hiervoor wil het ministerie weten wat het effect van verschillende opties om bedrijven te selecteren is op de uitstoot en neerslag van stikstof in Nederland. Het RIVM heeft het effect van vier opties uitgerekend. Ook is gekeken wat de kosten per gereduceerde hoeveelheid neerslag voor de verschillende opties zijn. LNV wil bovendien een ‘drempelwaarde’ instellen voor de grootte en het type landbouwbedrijf dat zich kan aanmelden. Hiervoor heeft het RIVM enkele drempelwaarden doorgerekend. De eerste optie kijkt naar de totale uitstoot van stikstof van een bedrijf. Het idee is dat de totale uitstoot in Nederland kan afnemen door bedrijven die veel stikstof uitstoten te sluiten. Bij de tweede optie wordt niet naar de uitstoot gekeken, maar naar de hoeveelheid stikstof die op de bodem neerslaat. De derde optie kijkt naast de uitstoot en neerslag naar het effect van een lagere neerslag op het aantal overschrijdingen van de zogeheten kritische depositiewaarde (KDW) in een natuurgebied. Deze waarden geven aan hoeveel stikstof er maximaal in een natuurgebied mag neerslaan zonder de natuur te schaden. Ten slotte is gekeken op welke plekken in Nederland er grote behoefte is aan bouwprojecten die stikstof uitstoten, zoals de aanleg van woningen en wegen. Vanuit die gedachte wordt gekeken in hoeverre de beëindiging van bedrijven dat mogelijk kan maken. De resultaten van de opties zijn niet alleen in absolute zin met elkaar vergeleken, maar ook ruimtelijk. Voor de tweede optie wordt in alle opzichten de grootste reductie in de neerslag van stikstof bereikt, en dan met name regionaal. Dit hoeven echter niet de regio’s te zijn waarbij met die reductie de overbelasting van de KDW in belangrijke mate wordt teruggebracht. Daar zit dan ook met name het verschil met de derde optie. Daar wordt namelijk een beperktere extra depositiereductie gerealiseerd, maar dat wel in Natura2000-gebieden waarin de overbelaste situatie sneller oplosbaar is. Voor de vierde optie is er landelijk weliswaar een lagere reductie dan bij de tweede optie, maar wordt de depositiereductie dan wel gerealiseerd op locaties waar behoefte is aan stikstofruimte ten behoeve van economische ontwikkeling.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

ine prohibited stimulants found in sports and weight loss supplements: deterenol, phenpromethamine (Vonedrine), oxilofrine, octodrine, beta-methylphenylethylamine (BMPEA), 1,3-dimethylamylamine (1,3-DMAA), 1,4-dimethylamylamine (1,4-DMAA), 1,3-dimethylbut | RIVM

ine prohibited stimulants found in sports and weight loss supplements: deterenol, phenpromethamine (Vonedrine), oxilofrine, octodrine, beta-methylphenylethylamine (BMPEA), 1,3-dimethylamylamine (1,3-DMAA), 1,4-dimethylamylamine (1,4-DMAA), 1,3-dimethylbut | RIVM
Jaar: 2021 Onderzoek

Cijfermatige onderbouwing RIVM Langetermijn Verkenning Stikstofproblematiek | RIVM

Te veel stikstof op de bodem is schadelijk voor de kwaliteit en variatie van de planten en dieren in de Natura 2000-gebieden in Nederland. Zogeheten kritische depositiewaarden (KDW) geven aan hoeveel stikstof in een gebied maximaal op de bodem mag terechtkomen. In veel gebieden worden de kritische depositiewaarden nog overschreden. De belangrijkste bronnen die stikstof uitstoten zijn landbouw, industrie en verkeer. De Nederlandse overheid zoekt naar oplossingen om de overschrijdingen zo veel mogelijk te verminderen. Daarom is het RIVM gevraagd om via berekeningen te onderzoeken of daarvoor een ideale ‘mix’ van maatregelen bestaat. Het gaat dan om een mix van lokale, nationale of zelfs internationale maatregelen om de stikstofuitstoot te beperken. Uit dit onderzoek blijkt dat het per regio verschilt hoe deze mix er precies uit moet zien. Hier is dus niet één antwoord op te geven. Eerst moet duidelijk worden welke bronnen een Natura 2000-gebied het meest belasten, hoeveel er uit het buitenland komt, en welke bronnen lokaal bijdragen aan de uitstoot. De resultaten van de berekeningen van het RIVM kunnen helpen om daar meer inzicht in te krijgen. De berekeningen maken in ieder geval duidelijk dat de uitstoot in Nederland flink lager moet worden om de kritische depositiewaarden in natuurgebieden zo min mogelijk te overschrijden. De maatregelen die Nederland hierbij zelf kan nemen, zijn voor sommige gebieden niet genoeg. Dat is vooral zo langs de grens met België en Duitsland. Het RIVM heeft de berekeningen gemaakt voor de ‘Lange Termijn Verkenning Stikstof (LTVS)’. Deze verkenning wordt uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV).
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Contra-expertise op bepalingen van radioactiviteit in afvalwater en ventilatielucht van de kernenergiecentrale Borssele. Periode 2019 | RIVM

De kerncentrale Borssele (KCB) meet hoeveel radioactiviteit de centrale loost via het nucleair afvalwatersysteem en het nucleair ventilatiesysteem. Het RIVM controleert deze metingen acht keer per jaar. Met deze 'contra-expertise' controleert het RIVM of de analyses die de kerncentrale zelf uitvoert, betrouwbaar zijn. De KCB neemt de te analyseren monsters verspreid over het jaar. Net als in voorgaande jaren kwamen de gamma-analyses van afvalwater uit de contra-expertise in 2019 op hoofdlijnen overeen met de resultaten van de kerncentrale. Enkele uitzonderingen betreffen het nuclide 60Co. Hoogstwaarschijnlijk is 60Co niet homogeen verdeeld in de verschillende monsters. De overeenkomst in de 3H-data in afvalwater was voor 4 monsters goed en voor 4 monsters matig. De overeenstemming kan duidelijk nog worden verbeterd. De KCB en het RIVM hebben geen strontium-isotopen en alfa-activiteit in het afvalwater aangetroffen. In ventilatielucht hebben het RIVM en de KCB in het monster van periode 5 een zeer geringe hoeveelheid 131I aangetroffen. Dit levert voor een denkbeeldig persoon die een week aan het hek van het terrein staat een verwaarloosbare bijdrage aan de totale jaardosis. De resultaten van de bepaling van 3H en 14C in ventilatielucht, bemonsterd met een zeolietpatroon, kwamen voor 3H goed en voor 14C redelijk tot goed overeen. Het RIVM voert de contra-expertises jaarlijks uit in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS).
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Contra-expertise op bepalingen van radioactiviteit in afvalwater en ventilatielucht van Urenco Nederland B.V. Periode 2019 | RIVM

De fabriek van Urenco Nederland, die uranium verrijkt, meet hoeveel radioactiviteit het naar de omgeving loost via het eigen afvalwater en de ventilatielucht. Het RIVM controleert deze metingen acht keer per jaar. Met deze 'contra-expertise' controleert RIVM of de analyses die Urenco zelf uitvoert, betrouwbaar zijn. Urenco neemt de te analyseren monsters verspreid over het jaar. Dit jaar komen de totaal-alfa, totaal-bèta resultaten en de gammaanalyses van afvalwater uit de contra-expertise in 2019 redelijk overeen. De vergelijking van de totaal bèta resultaten in afvalwater is na correctie voor ingroei of verval van 234Th iets verbeterd. Uit de metingen blijkt dat de activiteitsconcentraties in afvalwater in de acht monsters laag zijn: 0,1 – 5,5 kBq∙m-3 voor totaal-alfa en 0,3 – 9,7 kBq∙m-3 voor totaal-bèta. De radioactiviteit in ventilatielucht ligt zeer dicht bij het niveau van de hoeveelheid radon die van nature in de buitenlucht aanwezig is. De resultaten van de meetwaarden van Urenco in ventilatielucht kwamen matig tot redelijk overeen met de RIVM-analyses. In buitenlucht wordt de natuurlijke totaal alfa en bèta-activiteit veroorzaakt door radon-dochters, net als de verhouding tussen de totaal alfa- en totaal bèta-activiteit. De verhouding zou heel anders zijn wanneer uranium vrijkomt. Daarom is het aannemelijk dat er in 2019 geen uranium in ventilatielucht is vrijgekomen. RIVM voert de contra-expertises jaarlijks uit in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS).
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Contra-expertise op bepalingen van radioactiviteit in afvalwater en ventilatielucht van COVRA NV. Periode 2019 | RIVM

De Centrale Organisatie voor Radioactief Afval (COVRA) meet hoeveel radioactiviteit er door hun organisatie in afvalwater en ventilatielucht wordt geloosd. Het RIVM controleert een deel van deze metingen; in 2019 was dat twee keer voor afvalwater en acht keer voor ventilatielucht. Met deze 'contra-expertise' controleert het RIVM of de analyses die COVRA zelf uitvoert, betrouwbaar zijn. Covra neemt de door het RIVM te analyseren monsters verspreid over het jaar. Net als in voorgaande jaren kwamen de gamma-analyses van afvalwater uit de contra-expertise in 2019 op hoofdlijnen overeen met de resultaten van COVRA. De analyses van het RIVM en COVRA in de gammaspectrometrische resultaten, de resultaten van de totaal-alfa bepaling, tritiumbepaling en de 14C-bepaling in afvalwater kwamen goed overeen. Ook de totaal bèta-meetwaarden van het RIVM en de rest bètameetwaarden van COVRA in 2019 kwamen goed overeen ondanks de verschillende meetprincipes. Verder kwamen de resultaten van het RIVM en COVRA van de ventilatieluchtmonsters van het Afvalverwerkingsgebouw (AVG) en het Hoogradioactief Afval Behandelings- en Opslag Gebouw (HABOG) goed overeen. Het RIVM voert de contra-expertises jaarlijks uit in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS).
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Contra-expertise op bepalingen van radioactiviteit in afvalwater en ventilatielucht van NRG. Periode 2019 | RIVM

Het nucleair bedrijf NRG te Petten meet hoeveel radioactiviteit het in het eigen afvalwater en ventilatielucht naar de omgeving loost. Het RIVM controleert deze metingen acht keer per jaar. Met deze 'contraexpertise' controleert het RIVM of de analyses die NRG zelf uitvoert, betrouwbaar zijn. NRG neemt de te analyseren monsters verspreid over het jaar. Net als in voorgaande jaren komen de gamma-analyses van afvalwater uit de contra-expertise in 2019 zeer goed overeen. De totaal-alfa resultaten stemmen matig overeen; de verdeling van de alfa-activiteit in het afvalwatermonster is hoogstwaarschijnlijk niet altijd homogeen. De overeenstemming in de totaal-bèta resultaten is matig en kan aanzienlijk worden verbeterd. Dit resultaat wordt verklaard door de verschillen in de meetmethoden van NRG en het RIVM. De overeenstemming in de 3H-resultaten in afvalwater is redelijk tot goed. De ventilatieluchtresultaten geven geen reden voor discussie. Het RIVM heeft in een aantal monsters een lage activiteitsconcentratie aan 131I, 133Xe, 191Os en 203Hg aangetroffen. Deze waarden vallen ruim onder de detectiegrens van NRG. Het RIVM heeft tweemaal een zeer lage totaal-alfa activiteit in ventilatielucht aangetroffen, waar NRG niets vond. De meetwaarden voor zowel totaal-alfa als totaal-bèta in ventilatielucht liggen in de range van wat er in buitenlucht zit en hebben waarschijnlijk een natuurlijke oorsprong. Het RIVM voert de contra-expertises jaarlijks uit in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS).
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Towards sustainable recycling : A method for comparing the safety and sustainability of the processing of residual flows | RIVM

De Europese Green Deal is bedoeld om Europa klimaatneutraal temaken in 2050. Een belangrijk onderdeel is minder afval storten of verbranden, en het zo veel mogelijk hergebruiken of recyclen. Dat moet wel veilig zijn voor mens en milieu. Het RIVM stelt een methode voor om te kijken hoe veilig en duurzaam verschillende vormen om afval te verwerken zijn. Door de resultaten te vergelijken kunnen beleidsmakers en afvalverwerkers goed doordachte keuzes maken over nieuwe vormen van afvalverwerking. De methode bestaat uit zes stappen. Daarin wordt gekeken naar het risico van eventueel aanwezige schadelijke stoffen en de winst van de afvalverwerking voor het milieu. Het gaat om Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS), maar ook om ziekteverwekkers, resten van medicijnen en bestrijdingsmiddelen. Stap 1 verzamelt informatie over aanwezige schadelijke stoffen. Stap 2 bekijkt welke mogelijkheden er zijn om het afval te verwerken. Stap 3 controleert of de stoffen niet boven de gestelde maximale concentraties uitkomen. Als dat wel zo is, wordt in stap 4 met een risicoanalyse bepaald of mensen of het milieu aan de stof kunnen worden blootgesteld tijdens de verdere verwerking en gebruik. Stap 5 geeft aan hoeveel energie (en daarmee CO2) het bespaart en in welke mate landgebruik vermindert als het materiaal wordt gerecycled. De laatste stap vergelijkt de mogelijkheden met elkaar. Het RIVM geeft aanbevelingen voor verbeteringen en aanvulling op deze eerste uitwerking. De methode is nu uitgewerkt voor de risico’s van ZZS, maar in de opzet is al rekening gehouden met andere genoemde risico’s. Ook moeten hiervoor de databases met informatie over de bestanddelen van producten en materialen en voor duurzaamheidsberekeningen worden uitgebreid. Om dit praktisch mogelijk te maken, is het gewenst de methode verder te testen en ontwikkelen met Europese partners uit de afvalketen en beleidsmakers.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Agricultural practices and water quality in the Netherlands; status (2016-2019) and trend (1992-2019) | RIVM

The Nitrate rapport 2020 containing the results of monitoring effects of the EU Nitrates Directive action programmes. Over the past thirty years, the Dutch government has taken measures to reduce nitrogen and phosphorus concentrations. This has improved the quality of ground and surface water. However water quality is not yet adequate everywhere. The nitrate concentration is too high in the upper metre of groundwater of more than half of the farms in the Sand and Loess regions. This also applies to the upper metre of groundwater in more than 30 of the approximately 200 groundwater protection areas. Also, a large part of the surface waters is not yet of the desired quality, and the concentrations of nitrogen and phosphorus are too high. After 2015, the excess of nitrogen and phosphorus increased. Since 2018 this has been reinforced by the dry summers. During drought, plants grow less well, so that they take up less nitrogen and phosphorus from the soil. Also, less nitrate is broken down in the soil, which means that more leaches to ground and surface water. For example, the nitrate concentration in ditch water on farms doubled in the period 2016 to 2019. Nevertheless, the nitrate concentration in ground and surface water in this period was on average lower than in the four years before. Nitrogen and phosphorus are substances in fertilisers that farmers use to make crops grow better. An excess of nitrogen and phosphorus can leach to ground and surface water and pollute it. Nitrate is one of the forms in which nitrogen occurs in the soil and water. The improved water quality is mainly due to farmers having used increasingly less fertiliser. This reduced the excess of nitrogen and phosphorus in the soil. This also means that less nitrate leaches with rainwater to deeper layers in the soil and ends up in the groundwater. The less nitrogen and phosphorus there is in soil and groundwater, the less flows to surface water. It is important to have clean ground and surface water that can be used for the production of drinking water. Clean surface water also ensures that a larger variety of plants and animals can live in the water.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Risk assessment of herbal preparations containing St John's wort | RIVM

Mensen gebruiken kruidenpreparaten (voedingssupplementen en kruidenthee) met sint-janskruid onder andere om zich beter te voelen en beter te kunnen slapen. Maar deze kruidenpreparaten kunnen de werking van geneesmiddelen verminderen, of juist versterken. Deze wisselwerkingen kunnen ernstige gezondheidseffecten hebben. Kruidenpreparaten met sint-janskruid verminderen bijvoorbeeld de werking van middelen die worden voorgeschreven bij schimmel- of virusinfecties en bij chemotherapie. De werking van bepaalde bewustzijns-verlagende geneesmiddelen, zoals kalmeringsmiddelen, en bewustzijns-stimulerende middelen, bijvoorbeeld antidepressiva, wordt versterkt. Ook zonder de combinatie met geneesmiddelen kan het gebruik van gezondheid. Zo kan de huid sneller beschadigd raken (zonnebrand) als mensen na het gebruik van sint-janskruid in de zon gaan zitten. Ook worden andere effecten zoals duizeligheid, diarree en angst gemeld na het gebruik van kruidenpreparaten met sint-janskruid. Het is niet bekend welke effecten optreden als mensen deze kruidenpreparaten lang gebruiken. Ook is er onvoldoende informatie om te bepalen of het gebruik van sint-janskruid tijdens de zwangerschap veilig is voor het ongeboren kind. Bovendien verschilt de samenstelling van kruidenpreparaten met sint-janskruid sterk en is vaak niet bekend wat er precies in zit. Dit maakt het moeilijk om de effecten van een product in te schatten. Deze conclusies trekt het RIVM op basis van een risicobeoordeling, in opdracht van VWS. Het RIVM adviseert consumenten om voorzichtig te zijn met het gebruik van kruidenpreparaten met sint-janskruid omdat deze schadelijk kunnen zijn voor de gezondheid. Daarom raadt het RIVM VWS aan om regelgeving over het gebruik van sint-janskruid in kruidenpreparaten op te stellen.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Verkenning Biogene Stikstofemissies | RIVM

Het RIVM heeft in kaart gebracht wat de ‘biogene stikstofemissie’ naar de lucht in Nederland is. Biogene emissie betekent de uitstoot van stoffen uit biologische bronnen. Dat wil zeggen bronnen met een natuurlijke oorsprong, die niet door menselijk handelen zijn veroorzaakt. Er zijn meerdere biogene bronnen met een natuurlijke oorsprong. In dit onderzoek gaat het om de uitstoot van stikstof uit natuurbodems, zoals bos en heide, en via de uitwerpselen van in de natuur levende dieren. Het RIVM heeft een inschatting gemaakt van hoeveel ammoniak door deze dieren wordt uitgestoten; de vorm van stikstof die dieren uitscheiden. In totaal komt dat voor vogels en zoogdieren uit op 1,9 kiloton ammoniak, met een bandbreedte van 1,3 tot 2,5 kiloton. Dit is 1,5 procent van de totale uitstoot van ammoniak. Dit onderzoek is nu voor het eerst in Nederland gedaan. De uitstoot van stikstofoxiden uit natuurbodems wordt al geregistreerd in de Emissieregistratie. De resultaten van onderliggend onderzoek hebben geen direct effect op de berekende stikstofniveaus (depositie) in Nederland. De extra bijdrage uit biogene bronnen wordt namelijk indirect verwerkt in de berekeningen. De aanleiding voor dit onderzoek is een vraag uit de Tweede Kamer om meer duidelijkheid te krijgen hoe de biogene uitstoot zich verhoudt tot de uitstoot via menselijke bronnen,zoals veeteelt. Het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) heeft het RIVM er de opdracht voor gegeven.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Review of the method for calculating off-site acute health risks of incidents in storage facilities for packaged hazardous substances | RIVM

Bij bedrijven die veel verpakte gevaarlijke stoffen opslaan, kunnen incidenten gebeuren die gevaarlijk zijn voor omwonenden. Als er bijvoorbeeld brand uitbreekt, kunnen giftige rookgassen vrijkomen in hoeveelheden die voor mensen in de omgeving levensbedreigend zijn. Bedrijven zijn daarom verplicht om deze risico’s in kaart te brengen. In het gebied rond een bedrijf waar de risico’s het grootst zijn, mogen geen ‘kwetsbare objecten’ zoals woningen staan. Daarbuiten is een gebied waarvoor overheden moeten besluiten of de bevolking voldoende is beschermd, dan wel extra maatregelen nodig zijn. De grootte van deze twee gebieden wordt berekend met een vastgestelde methode. Deze methode is voor het laatst herzien in 2009. Het RIVM heeft onderzocht of de rekenmethode nog voldoet aan de nieuwste inzichten in de wetenschappelijke literatuur. Daaruit blijkt dat de methode op een aantal punten kan worden verbeterd. Het RIVM reikt aanbevelingen aan om deze punten verder uit te werken. Een belangrijke aanbeveling is om de rekenmethode eenvoudiger te maken zodat er alleen gegevens worden gebruikt waar duidelijkheid over bestaat en niet te veel details. Verder moet de kans op een brand preciezer worden onderzocht omdat deze volgens de literatuur groter is dan nu wordt aangenomen. Ook moet de methode beter rekening houden met de mate waarin warme rookgassen opstijgen. Ten slotte moet de actuele kennis over de giftigheid van stoffen worden gebruikt. Na de actualisatie van de rekenmethode zullen de berekende risico’s dichtbij de opslag waarschijnlijk toenemen. Het buitenste gebied zal juist kleiner worden.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

QA/QC of outside agencies in the Greenhouse Gas Emission Inventory | RIVM

Vanwege het Klimaatverdrag, het Kyotoprotocol en EU-regelgeving is Nederland verplicht om bij te houden hoeveel broeikasgassen worden uitgestoten en daar elk jaar verslag van te doen. Deze verplichting bestaat uit een reeks rapportages, het zogenoemde Nationaal Systeem Broeikasgassen. Dat zijn, naast de jaarlijkse rapportage over de feitelijke emissies, rapporten over de methode en beschrijvingen van de kwaliteitsbewaking en het kwaliteitsbeheer. Hieronder valt de beschrijving van de kwaliteitscontrole en -borging (QA/QC) bij de organisaties die emissies aanleveren en niet onder de directe invloed van de kwaliteitscontrole en kwaliteitszorg van de Emissieregistratie vallen. Dit noemen we outside agencies. Deze beschrijving wordt periodiek geactualiseerd. Een van de veranderingen is dat alle outside agencies hun werkzaamheden uit voeren onder het gecertificeerde NEN-EN-ISO 9001 kwaliteitssysteem. Daarin staan de eisen voor de kwaliteitscontroles en kwaliteitsborging. Een onafhankelijke en geaccrediteerde instelling voert de certificering van deze kwaliteitssystemen uit en ziet erop toe dat de eisen worden nageleefd. De agencies die eerder niet onder dit ISO-systeem vielen, moesten een aparte procesbeschrijving geven. Dat is nu niet meer nodig. De outside agencies voor Nederland zijn: onderdelen van het Centraal Bureau Statistiek (CBS), de Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek (TNO), Rijkswaterstaat Afval Management (RWS), Wageningen Environmental Research (WEnR/WOT-unit) en Wageningen Livestock Research.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Impactanalyse actualisatie AERIUS Calculator 2020 | RIVM

Het RIVM beheert het rekeninstrument AERIUS dat berekent en monitort hoeveel stikstof er in Nederland op de bodem neerkomt. Een van de onderdelen is AERIUS Calculator. Overheden en initiatiefnemers van projecten berekenen met dit instrument de uitstoot van stikstof en de neerslag ervan op Natura 2000-gebieden. Bevoegde gezagen gebruiken Calculator als instrument om vergunningen te verlenen. Deze berekeningen moeten accuraat zijn, zodat beleidsmakers en vergunningverleners de juiste beslissingen kunnen nemen. Daarom worden elk jaar de nieuwste wetenschappelijke inzichten en actuele gegevens in AERIUS verwerkt. De uitkomsten van de nieuwe calculator kunnen hierdoor verschillen van de uitkomsten van de vorige versie. Om te kijken wat de aanpassingen betekenen heeft het RIVM deze impactanalyse gemaakt. Hiervoor zijn de belangrijkste verschillen en het effect daarvan op berekeningen in beeld gebracht. De actualisatie is nodig omdat de gegevens over de uitstoot van stikstof regelmatig veranderen. Dit keer zijn onder andere de zogeheten emissiefactoren voor verkeer en mobiele werktuigen geactualiseerd. AERIUS gebruik deze emissiefactoren om de stikstofuitstoot van een project te bepalen. Verder zijn de rekenmodellen waar AERIUS mee rekent, geactualiseerd. Dat geldt ook voor de natuurgegevens, zoals de grenzen van de stikstofgevoelige natuur in de Natura 2000-gebieden (de zogeheten habitatkaart). Door deze aanpassing veranderen de locaties waar AERIUS Calculator mee rekent (de relevante hexagonen). Ook sluit de kaart met de totale berekende neerslag van stikstof (achtergronddepositie) beter aan bij de metingen.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Particulier gebruik van rodenticiden en middelen tegen groene aanslag | RIVM

De overheid wil dat mensen thuis minder vaak chemische middelen gebruiken, zoals biociden en gewasbeschermingsmiddelen. Niet-chemische bestrijdingsmethoden zijn vaak beter voor het milieu. Het ministerie van IenW wil daarom weten of de genomen maatregelen, zoals voorlichting als mensen deze producten kopen, effect hebben. Het RIVM heeft daarom uitgezocht hoeveel verpakkingen van twee soorten biociden tussen 2014 en 2019 zijn verkocht. Het gaat om biociden tegen ratten en muizen (rodenticiden) en tegen groene aanslag. Particulieren kochten tussen 2014 en 2018 ongeveer evenveel rodenticiden, rond de 230.000 verpakkingen per jaar. In 2019 steeg dat aantal naar 330.000 per jaar. Het is niet duidelijk of dit betekent dat mensen dit middel ook vaker hebben gebruikt. Dat is op basis van deze verkoopcijfers niet te zeggen. Deze stijging kan komen doordat in 2019 de verpakkingen kleiner zijn geworden. Mensen hebben daardoor mogelijk meer stuks gekocht om dezelfde hoeveelheid in huis te hebben. Uit een peiling onder consumenten blijkt dat zij vaker meerdere maatregelen tegelijk nemen om muizen te bestrijden. Ze kozen daarbij vaker voor rodenticiden (van 36 procent in 2017 naar 44 procent in 2019). De populairste maatregel is het gebruik van muizenvallen. Uit de peiling blijkt dat ongeveer evenveel consumenten muizenvallen gebruiken (66 à 69 procent). Wel zijn er meer muizenvallen verkocht. Het kan dus zijn dat deze consumenten in 2019 meer vallen gebruikten dan in 2017. Er zijn minder chemische middelen tegen groene aanslag verkocht. De verkoop daalde van 1.350.000 in 2017 naar ongeveer 1.000.000 verpakkingen in 2019. We denken dat deze middelen minder vaak zijn gebruikt – de verpakkingen zijn even groot gebleven. De populairste manier om groene aanslag weg te halen is de hogedrukspuit, zo blijkt uit het consumentenonderzoek. Meer dan de helft van de consumenten gebruikt hiervoor geen biociden of andere chemische middelen. Ongeveer 30 procent van de mensen die een chemisch middel gebruiken, doen dat onder andere met een biocide. De andere 70 procent gebruikt alleen een schoonmaakmiddel of een huismiddel zoals azijn.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Interne en externe afstanden voor multi-fuel tankstations | RIVM

De Nederlandse overheid werkt eraan om meer duurzame energie te gebruiken. Het is onder andere de bedoeling dat auto’s en vrachtwagens steeds meer op waterstof, aardgas en elektriciteit gaan rijden. De komende jaren worden tankstations ingericht voor deze energiebronnen, naast benzine, diesel en LPG. We noemen dit multi-fuel tankstations. Er gelden nu regels om ervoor te zorgen dat brandstof veilig wordt aangevoerd naar en opgeslagen op het tankstation. De regels gaan over de afstanden binnen en buiten de tankstations. Op de tankstations moet er genoeg afstand zijn tussen de installaties voor verschillende soorten brandstof. Dat voorkomt een kettingreactie bij een ongeluk. Daarbuiten moet de afstand tussen een tankstation en de woningen in de omgeving groot genoeg zijn. Uit onderzoek van het RIVM blijkt dat ook multi-fuel tankstations veilig zijn met deze regels. Voor dit onderzoek zijn de afstanden berekend met verschillende aannames over de hoeveelheden die in 2030 van de verschillende typen brandstof worden verkocht. Het RIVM raadt aan in de gaten te houden of de afstanden tot de woningen in alle praktijksituaties groot genoeg zijn voor de combinatie van de ‘nieuwe’ brandstoffen. Het onderzoek is samen met het Instituut voor Fysieke Veiligheid (IFV) gedaan.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Staat van Infectieziekten in Nederland, 2019 | RIVM

Het RIVM geeft elk jaar in de Staat van Infectieziekten een overzicht van de belangrijkste ontwikkelingen van infectieziekten in Nederland en, als het voor Nederland relevant is, in het buitenland. Deze jaarlijkse rapportage geeft beleidsmakers bij onder andere het ministerie van VWS en GGD’en inzicht in de ontwikkelingen. Eind 2018 is een vaccinatiecampagne begonnen tegen meningokokken voor tieners. In 2019 hebben minder mensen een ernstige infectie met meningokokken W gekregen dan het jaar ervoor (van 103 in 2018, naar 62 in 2019). Tussen eind november 2019 en eind januari 2020 hebben 66 mensen papegaaienziekte (psittacose) gehad. Dat aantal is veel hoger dan de gemiddeld 10 tot 20 zieken per jaar in de vijf jaar daarvoor. Alle gemelde patiënten zijn opgenomen in het ziekenhuis, van wie er een is overleden. In 2019 zijn twee Nederlandse tropenartsen in Sierra Leone geïnfecteerd met Lassavirus. Beide patiënten zijn naar Nederland gebracht, waarna een van hen overleed. De Staat van Infectieziekten geeft ook aan hoeveel ‘gezonde levensjaren’ verloren zijn gegaan door infectieziekten, uitgedrukt in disability-adjusted life years (DALY’s). Dit wordt ook wel de ‘ziektelast’ genoemd. De infectieziekten waaraan in 2019 in Nederland de meeste gezonde levensjaren verloren gingen, zijn ernstige pneumokokkenziekte (9.500 DALYs), griep (8.100 DALYs), en legionella (8.100 DALYs). Deze top-3 is al enkele jaren hetzelfde. Het RIVM geeft ook alvast een eerste schatting van de ziektelast door COVID-19 in Nederland in 2020, gezien de grote impact van deze ziekte in Nederland en wereldwijd. De ziektelast in de eerste golf in 2020 (tot 1 juli) is geschat op, afgerond, 58.500 DALY’s. De meeste gezonde levensjaren zijn verloren gegaan door mensen die vroegtijdig zijn overleden aan COVID-19. Deze ziektelast is gebaseerd op het aantal patiënten van wie via laboratoriumonderzoek is aangetoond dat ze COVID-19 hebben. De werkelijke ziektelast is hoger, omdat lang niet iedereen met klachten op het virus is getest.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Rapportage 2020 Nationale Adviesgroep Cabinelucht | RIVM

Het is nog steeds onduidelijk of er een direct verband is tussen gezondheidsklachten van vliegtuigbemanning en blootstelling aan chemische stoffen via de cabinelucht. Het is in ieder geval niet helemaal duidelijk welke stof of stoffen in de cabine gezondheidsklachten veroorzaken. Naar aanleiding van internationale discussies hierover heeft het toenmalige ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM) in 2015 de Nationale Adviesgroep Cabinelucht (NAC) opgericht. De adviesgroep informeert alle betrokken partijen over Europese onderzoeken naar de kwaliteit van cabinelucht in vliegtuigen. Ook adviseert de NAC de huidige minister van IenW of extra onderzoek nodig is. Deze rapportage beschrijft de voortgang van onderzoeken en bijeenkomsten van de NAC in 2020. In 2020 heeft het RIVM het secretariaat van de adviesgroep overgenomen van het Overlegorgaan Fysieke Leefomgeving. In dat jaar heeft de minister van IenW ook een nieuwe voorzitter benoemd. In het verslagjaar liepen verschillende onderzoeken, die in het jaarverslag staan beschreven. Zo wordt gewerkt aan een Europese norm voor de luchtkwaliteit in vliegtuigcabines. Voor een ander onderzoek is met testvluchten geprobeerd een lekkage nagebootst, waarna de cabinelucht is gemeten (fume events). Dit is onderzocht omdat de lucht in een vliegtuigcabine vaak wordt aangezogen via de motoren. Daardoor kunnen chemische stoffen uit bijvoorbeeld motorolie in het luchtsysteem van het vliegtuig komen. Bij een lekkage komen opeens veel chemische stoffen uit de motorolie in de cabinelucht terecht. Dat geeft een sterke geur en soms zelfs rook in de cabine. In de NAC zitten vertegenwoordigers van werkgevers (zoals KLM en Schiphol), werknemers (piloten en stewardessen) en onderzoeksinstituten, waaronder het RIVM en TNO. Vertegenwoordigers vanuit de ministeries van Infrastructuur & Waterstaat (IenW) en Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) zijn waarnemend lid. De leden van de NAC komen een aantal keer per jaar bij elkaar.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Hoe gaat het met thuiswonende ouderen tijdens COVID-19: inzichten uit de literatuur | RIVM

Invloed COVID-19 op leven thuiswonende ouderen Het is belangrijk dat thuiswonende ouderen tijdens de COVID-19 epidemie veilig en gelijkwaardig deel kunnen blijven nemen aan de maatschappij. In opdracht van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport bracht het RIVM in kaart hoe het gaat met thuiswonende ouderen. Om zorgprofessionals niet extra te belasten gebruikte het RIVM hiervoor bestaande informatiebronnen: wetenschappelijke publicaties op basis van vragenlijsten, interviews en veldobservaties uit de periode maart 2020 tot en met zomer 2020. Invloed sociale leven, zorg en ondersteuning. Uit het onderzoek blijkt dat niet alle ouderen nu mee kunnen doen aan het maatschappelijke leven zoals ze dat zouden willen of kunnen. Hun vrijwilligerswerk stopt en eenzaamheid neemt licht toe. Niet alle ouderen vinden het contact op afstand een volwaardige vervanging van fysiek contact. Wel ervaren de meeste ouderen dit contact als positief. Zorg en ondersteuning zijn door zorgverleners én door ouderen afgeschaald of gestopt, ook voor thuiswonende ouderen met dementie. Andere vormen van zorg en ondersteuning die soms werden geboden waren niet altijd naar tevredenheid. Weinig verlichting tijdens versoepeling. In de periode met versoepeling van de maatregelen, voelden ouderen zich uit angst voor besmetting nog steeds niet vrij om alles te doen wat ze zouden willen. Aan de ene kant gaven de versoepelingen ouderen perspectief en hoop. Aan de andere kant voelde het hervatten van activiteiten en sociale contacten voor veel ouderen als het nemen van een groot risico. Daar waar jongeren en minder kwetsbaren het ‘normale’ leven weer konden oppakken, had een deel van de ouderen het gevoel dat dit niet voor hen gold. Aandacht voor verschillen. Het is belangrijk oog te hebben voor de grote verschillen onder thuiswonende ouderen. Er zijn subgroepen ouderen voor wie de invloed van de maatregelen sterker is dan voor andere ouderen. Zo kan het zijn dat de groep vitale ouderen zich meer beperkt voelt. Voor hen is het verschil in activiteiten en contacten voor en tijdens coronamaatregelen het grootst. Voor kwetsbare ouderen verandert er mogelijk relatief weinig door de maatregelen omdat zij voor corona al minder activiteiten konden ondernemen. Dit onderzoek naar thuiswonende ouderen tijdens COVID-19 wordt voortgezet. In de loop van 2021 wordt het verder aangevuld met gegevens en inzichten uit nieuwe informatiebronnen.
Jaar: 2021 Onderzoek

Minerals Policy Monitoring Programme report 2015–2018. Methods and procedures | RIVM

Dit technische rapport beschrijft de werkwijze van het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM) tussen 2015 en 2018. Dat gebeurt elke vier jaar. Het LMM geeft de Nederlandse overheid onder andere informatie over de effecten van het mestbeleid op de kwaliteit van water onder en op landbouwbedrijven in relatie tot de bedrijfsvoering. Het meetnet is daarmee belangrijk voor de evaluatie van het Nederlandse en Europese beleid over meststoffen (nitraat en fosfaat). Het LMM houdt ook bij wat de effecten van de zogeheten derogatie zijn op de waterkwaliteit en de bedrijfsvoering / gewasopbrengsten. Derogatie houdt in dat Nederland, onder voorwaarden, meer stikstof met dierlijke mest op het land mag gebruiken dan volgens de Europese nitraatrichtlijn is toegestaan. Landen met derogatie zijn verplicht de effecten van een hogere hoeveelheid stikstof uit dierlijke mest elk jaar bij te houden. Tussen 2015 en 2018 is het meetnet aangepast om het te verbeteren en uit te breiden. Er zijn onder andere extra metingen gedaan in sloten op landbouwbedrijven. Hiermee sluit het LMM beter aan bij andere meetnetten en de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW). Ook is op meer staldierbedrijven, zoals varkensbedrijven, gemeten. Wageningen Economic Research en het RIVM werken voor het meetnet samen om informatie te verzamelen over de landbouwpraktijk en waterkwaliteit op landbouwbedrijven in Nederland. Wageningen Economic Research verzamelt financiële, economische en milieudata van ongeveer 450 landbouwbedrijven. Het RIVM meet de kwaliteit van het grondwater, bodemvocht, slootwater en/of drainagewater op deze bedrijven. De bedrijven die aan het LMM meedoen zijn verdeeld over grondsoortregio’s (Zand, Klei, Veen en Löss) en bedrijfstypen (melkvee-, akkerbouw-, staldier- en overige bedrijven). Ze vertegenwoordigen ongeveer 85 procent van het landbouwgebied in de regio’s.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Selection and ranking of chemical substances and consumer products based on a consumer product database : To be used in the NVWA analysis on the supply chain of consumer products | RIVM

Dit rapport beschrijft de resultaten van een analyse van chemische stoffen in producten die Nederlandse consumenten gebruiken. De Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA) gebruikt de uitkomsten om te bepalen óf en welke risico's er zijn in de keten consumentenproducten. De analyse is gebaseerd op zoekopdrachten in de ISA database. Deze database is opgesteld om verschillende leveranciers (vooral bouwmarkten) te helpen. Hierin is gezocht naar de aanwezigheid van chemische stoffen in consumentenproducten. Het gaat daarbij vooral om doe-het-zelf producten, schoonmaakmiddelen, lijmen en cosmetica. Daarnaast is geselecteerd op stoffen met een gevaarsclassificatie of met mogelijk hormoonverstorende eigenschappen. In de database komen meer dan 18.000 consumentenproducten voor die minimaal één gevaarlijke of mogelijke gevaarlijke stof bevatten. Van de onderzochte (mogelijk) gevaarlijke stoffen komen er 274 voor in consumentenproducten. Deze stoffen en producten zijn gescoord en gerangschikt op basis van gevaarseigenschappen en blootstelling. De groep met de hoogste totale score is 'verf', gevolgd door 'bouwmaterialen' en 'cosmetica'. In verf en bouwmaterialen zitten een relatief groot aantal (mogelijk) gevaarlijke stoffen. Dit zijn productgroepen met veel verschillende producten. De stof met de hoogste totale score is ethanol, vooral omdat dit in veel producten zit. De meest schadelijke stoffen in consumentenproducten zijn bepaalde pesticiden en metalen die kankerverwekkend en schadelijk voor de voortplanting zijn, zoals thiacloprid, diuron, een organotinverbinding en lood chromaat. Naast de stoffen zijn ook de producten geclassificeerd door de fabrikant. Er is een groot verschil tussen de classificatie van stoffen en de producten. Een product met een mogelijk kankerverwekkende stof erin hoeft niet als kankerverwekkend geclassificeerd te worden als de concentratie van deze stof heel laag is. Ook bij stoffen is de classificatie soms afhankelijk van de aan- of afwezigheid van specifieke vervuilingen. Bijvoorbeeld het gehalte benzeen in petroleumderivaten bepaalt of deze al dan niet als kankerverwekkend geclassificeerd moeten worden.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Arbeidsgerelateerde zorg voor zzp'ers : Een verkenning naar de mogelijkheden voor een koppeling van arbeidsgerelateerde zorg aan de verplichte aov | RIVM

Arbeidsgerelateerde zorg kan voorkomen dat werkenden ziek worden door werk (preventief), of hen behandelen of begeleiden als ze door gezondheidsproblemen minder inzetbaar zijn. Werknemers in loondienst hebben recht op arbeidsgerelateerde zorg. Voor zzp'ers is deze zorg niet standaard beschikbaar. In het pensioenakkoord is voorgesteld dat zzp'ers worden verplicht zich te verzekeren tegen arbeidsongeschiktheid (aov). Beleidsmakers onderzoeken nu het idee om arbeidsgerelateerde zorg te koppelen aan deze verplichte aov. De meeste zzp-organisaties en relevante stakeholders zijn positief over deze koppeling. Het maakt arbeidsgerelateerde zorg namelijk toegankelijk voor alle zzp'ers. De organisaties en stakeholders benadrukken dat zzp'ers daarbij tevens toegang moeten hebben tot preventieve zorg als onderdeel van de arbeidsgerelateerde zorg. Zzp'ers zelf zijn verdeeld over de koppeling. Voorstanders geven aan dat het hen stimuleert om gezondheidsproblemen te voorkomen. Tegenstanders zien het als overregulering. Een meerderheid van de zzp'ers heeft op dit moment geen directe toegang tot arbeidsgerelateerde zorg, en heeft daar weinig behoefte aan. De meeste zzp-organisaties en stakeholders erkennen dit. Ze zien ook dat zzp'ers te lang doorwerken met gezondheidsproblemen. Volgens hen komt dat omdat zzp'ers niet weten welke zorg er voor werkgerelateerde klachten is en waar ze die kunnen vinden. Daarnaast kunnen ze gezondheidsproblemen negeren. Ook kunnen de kosten voor arbeidsgerelateerde zorg een reden zijn om er geen gebruik van te maken. Volgens stakeholders zijn enkele voorwaarden belangrijk om de koppeling effectief te laten zijn. Het gaat om: maatwerk waarbij rekening gehouden wordt met de diversiteit van zzp'ers, een betere samenwerking tussen bedrijfsartsen en huisartsen/medisch specialisten, en een efficiënte procedure om ziekteverzuim te melden en door te verwijzen. Dit zijn enkele bevindingen uit een verkenning in opdracht van het ministerie van SZW. De koppeling moet nog verder worden uitgewerkt. Het RIVM gaat dat in 2021 samen met alle stakeholders doen en uitzoeken wat nodig is om er uitvoerbaar beleid van te maken.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

he effect of occupational exposure to ergonomic risk factors on osteoarthritis of hip or knee and selected other musculoskeletal diseases: A systematic review and meta-analysis from the WHO/ILO Joint Estimates of the Work-related Burden of Disease and Inj | RIVM

he effect of occupational exposure to ergonomic risk factors on osteoarthritis of hip or knee and selected other musculoskeletal diseases: A systematic review and meta-analysis from the WHO/ILO Joint Estimates of the Work-related Burden of Disease and Inj | RIVM
Jaar: 2021 Onderzoek

Tuberculose in Nederland 2020. Surveillancerapport inclusief rapportage monitoring van interventie | RIVM

In 2020 zijn er in Nederland 17 procent minder tbc-patiënten gemeld: 623 ten opzichte van 754 in 2019. Dit is de grootste daling in vijftig jaar. Het aantal tbc-meldingen was vooral lager tijdens de twee lockdowns vanwege de uitbraak van het coronavirus SARS-CoV-2 dan in dezelfde maanden in de jaren ervoor. Of de daling doorzet, zal pas de komende jaren duidelijk worden. Het RIVM houdt de ontwikkelingen in de gaten. Er zijn drie verklaringen voor de daling mogelijk, die allemaal te maken hebben met de uitbraak van het coronavirus . De eerste is de invloed van de maatregelen om de verspreiding van het coronavirus tegen te gaan, zoals afstand houden. Hierdoor kan ook de tbc-bacterie zich minder makkelijk verspreiden. Een tweede verklaring is een daling van het aantal nieuwe immigranten en asielzoekers door de reisbeperkingen. Bij aankomst in Nederland worden nieuwkomers uit landen waar tuberculose veel voorkomt, verplicht getest op tuberculose. Het aantal tbc-patiënten onder hen nam af van 49 in 2019 naar 21 in 2020. Ten slotte kunnen er in 2020 tijdelijk minder diagnoses zijn gesteld. Bijvoorbeeld doordat mensen vanwege corona minder naar de dokter gingen. De kans is groot dat deze mensen zich later alsnog zullen melden, mogelijk met ernstigere klachten. De infectieziekte tuberculose wordt veroorzaakt door een bacterie en kan besmettelijk zijn. Van de tbc patiënten in 2020 hadden 342 tuberculose in de longen en 279 tuberculose buiten de longen. In 2020 had een kwart van de patiënten de besmettelijkste vorm (open tuberculose). Door zo vroeg mogelijk te onderzoeken wie in de omgeving van een patiënt besmet is geraakt (bron- en contactonderzoek), kan worden voorkomen dat meer mensen tuberculose krijgen. Tuberculose komt vaker voor bij personen die niet in Nederland zijn geboren; in 2020 was dat bij bijna driekwart van de zieken. De meesten kwamen uit Eritrea (74), gevolgd door Marokko (61) en India (42). In Afrika en Azië komt tuberculose veel voor. Het RIVM rapporteert elk jaar de cijfers over tuberculose om te zien welke effecten maatregelen hebben om tuberculose in Nederland terug te dringen. Deze maatregelen staan beschreven in het Nationaal plan tuberculosebestrijding 2016-2020.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Gebruiksvoorschrift Storybuilder-MHC : Wijze waarop kenmerken van incidenten met gevaarlijke stoffen bij majeure risicobedrijven worden ingevoerd in Storybuilder-MHC | RIVM

Sinds 2009 analyseert het RIVM oorzaken en omstandigheden van incidenten en ongevallen met gevaarlijke stoffen bij chemische bedrijven. Het RIVM verzamelt hierover een groot aantal kenmerken en analyseert die vervolgens met het model Storybuilder-MHC. Het RIVM heeft nu een gebruiksvoorschrift gemaakt dat beschrijft welke informatie voor de analyses wordt gebruikt. Ook staat erin hoe de kenmerken van de incidenten in het model worden vastgelegd. Het gebruiksvoorschrift zorgt ervoor dat incidenten op dezelfde manier worden geanalyseerd. De analyses zijn bedoeld om ontwikkelingen en patronen in incidenten te ontdekken. De inzichten helpen inspecteurs bij hun werk. Bedrijven kunnen inzichten uit de analyses gebruiken om ongevallen te voorkomen. De analyses worden in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) uitgevoerd. Storybuilder-MHC bevat onder andere kenmerken over het soort bedrijf (zoals raffinaderij), het type incident (bijvoorbeeld vrijgekomen gevaarlijke stoffen), de oorzaken van het incident en de kenmerken van het slachtoffer en zijn letsel (zoals de ernst ervan). De analisten halen deze informatie uit rapporten die zijn opgesteld door de Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Inspectie SZW) of de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OvV). Zij leggen kenmerken per incident vast. Storybuilder-MHC is een onderdeel van het analysemodel Storybuilder. Hierin analyseert het RIVM oorzaken en omstandigheden van ernstige arbeidsongevallen bij bedrijven.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Environmental quality standards for barium in surface water : Proposal for an update according to the methodology of the Water Framework Directive | RIVM

Dit rapport bevat een erratum d.d. 29-01-2021 op pagina 111 Het RIVM stelt nieuwe waterkwaliteitsnormen voor de stof barium voor. Deze normen geven aan welke concentratie in het water veilig is voor planten en dieren die in het water leven, en voor mensen en dieren die vis uit dat water eten. De aanpassing is nodig omdat er nieuwe informatie is over de effecten van barium op mensen, dieren en planten. Zo is de gezondheidskundige risicogrens soepeler geworden. Deze risicogrens geeft aan hoeveel van een stof mensen mogen binnenkrijgen zonder schadelijke effecten voor hun gezondheid. Barium komt van nature voor in het milieu. Mensen kunnen daarom barium binnenkrijgen via hun voedsel en drinkwater. Het is bekend hoeveel barium mensen dagelijks mogen binnenkrijgen zonder schadelijke gevolgen voor hun gezondheid. Met die waarde is berekend wat er maximaal in vis mag zitten als mensen tijdens hun hele leven elke dag vis zouden eten. Gegevens uit de wetenschappelijke literatuur laten zien dat de concentraties van barium in vis en schaaldieren niet over die veilige waarde voor mensen heen gaan. Vogels en zoogdieren kunnen barium binnenkrijgen door waterplanten te eten, maar tot een concentratie van 93 microgram per liter water zijn er geen negatieve effecten te verwachten. Dit geldt ook voor vissen, watervlooien en andere dieren die in het water leven. De concentraties in het Nederlandse water zijn over het algemeen lager dan deze waarde. Om de nieuwe norm te bepalen heeft het RIVM recente literatuur gebruikt over het gedrag en de effecten van barium in het milieu en over de hoeveelheid barium die planten en dieren opnemen. Bij de normafleiding is er rekening mee gehouden dat barium van nature in het milieu zit.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Multi-use disease models : A blueprint for application in support of health care insurance coverage policy and a case study in Diabetes Mellitus | RIVM

Zorginstituut Nederland adviseert de minister van VWS onder andere over vergoedingen van medicijnen en andere behandelingen in het basispakket van de ziektekostenverzekering. Het Zorginstituut gebruikt daarvoor onder andere dossiers van medicijnenfabrikanten waarin zij de gezondheidswinst en kosten inschatten op basis van beslismodellen. Met deze beslismodellen wordt bekeken of medicijnen en andere behandelingen op de lange termijn effect hebben op de gezondheid. Bijvoorbeeld wat een betere bloedsuikerspiegel bij mensen met diabetes betekent voor complicaties, zoals hart- en vaatziekten en amputaties. Ook brengt het model de kosten van een behandeling met een nieuw medicijn in kaart. Denk aan de kosten van het medicijn zelf, maar ook besparingen omdat het medicijn de kans op complicaties met hoge behandelkosten kan verkleinen. Op dit moment beoordeelt het Zorginstituut voor bijna elk medicijn of behandeling een dossier waarvoor een apart beslismodel is gebruikt. Hierdoor zijn de effecten van verschillende medicijnen voor dezelfde ziekte niet goed te vergelijken. Daarnaast is het Zorginstituut veel tijd kwijt om de kwaliteit van elk beslismodel te toetsen. Het is daarom aantrekkelijk om voor elke ziekte één model te hebben, de zogenaamde meervoudig gebruik-modellen. Hiermee kunnen betere en consistentere beslissingen genomen worden. Het RIVM heeft met de universiteiten van Twente, Maastricht, Groningen en Utrecht verkend hoe het Zorginstituut met meervoudig gebruikmodellen kan gaan werken. Mede op basis van dit rapport beslist het Zorginstituut of en hoe zij verder gaan met meervoudig gebruikmodellen. Bovendien is een meervoudig gebruik beslismodel gemaakt voor diabetes en als casus uitgewerkt. Het RIVM heeft vijf business cases ontwikkeld om het werken met meervoudig gebruik-modellen op te zetten, en de voor- en nadelen beschreven. In deze opties verschillen de rol en verantwoordelijkheid van betrokken partijen, zoals het Zorginstituut, onderzoeksinstituten en consultancy bureaus. Het gaat daarbij over vragen als wie eigenaar is van het model, wie verantwoordelijk is voor het onderhoud en de opslag van resultaten, en wie aansprakelijk is bij fouten. Daarnaast komt aan de orde wat een dergelijk model moet kunnen en hoe flexibel het moet zijn voor aanpassingen.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Kansen en risico's van DNA-zelftesten | RIVM

Met een DNA-zelftest kunnen mensen zelf vaststellen of ze aanleg hebben voor bepaalde aandoeningen. Voorbeelden zijn de ziekte van Alzheimer, borstkanker, hoge bloedruk, en gevoeligheid voor gluten. Consumenten bestellen deze tests vaak online, sturen meestal hun speeksel op en krijgen vervolgens de uitslag thuisgestuurd. Dit gebeurt meestal zonder tussenkomst van een arts. De gedachte is dat mensen op basis van de uitslag gezonder gaan leven of eerder medische hulp inschakelen, en zo het risico op het ontstaan van ziektes verkleinen. Uit verkennend onderzoek van het RIVM blijkt echter dat er geen wetenschappelijk bewijs is dat DNA-zelftesten de gezondheid echt verbeteren, bijvoorbeeld doordat mensen gezonder gaan leven. Maar het RIVM vindt ook geen bewijs dat mensen ongezonder gaan leven als zij horen dat zij een relatief laag risico hebben om een bepaalde ziekte te krijgen. De aanbieders van de tests geven vooral informatie over eventuele voordelen van zo'n test. Het RIVM adviseert dat de consument onafhankelijke ondersteuning krijgt, bijvoorbeeld in de vorm van een keuzehulp, om een weloverwogen keuze te kunnen maken. Een mogelijk voordeel van een DNA-zelftest is dat mensen laagdrempelig genetische informatie kunnen krijgen. Deze informatie kan ook gebruikt worden voor onderzoek. Een nadeel is dat er privacy problemen kunnen ontstaan bijvoorbeeld als niet duidelijk is dat gegevens voor onderzoek worden gebruikt. Ook realiseren consumenten zich vaak niet welke gevolgen een uitslag kan hebben. Familieleden kunnen bijvoorbeeld ongewild informatie krijgen over hun gezondheid, omdat zij voor een deel hetzelfde DNA hebben. Nader onderzoek is nodig over hoe de consument evenwichtige informatie kan krijgen en op welke manier die informatie bij de consument terecht kan komen. Verder moeten artsen op de hoogte zijn van de (on)mogelijkheden en risico's van DNA-zelftesten. Wetenschappelijk onderzoek wijst er op dat ze nu onvoldoende weten wat zij kunnen doen als een consument met een uitslag van een zelftest bij hen komt. Momenteel is handhaving op deze producten moeilijk omdat er verschillende wetten gelden voor de verschillende aspecten van het aanbod (privacy, reclame, diagnostiek). Bovendien verandert het aanbod aan tests snel en zitten de aanbieders van de zelftesten vaak buiten Nederland of zelfs Europa. Daar zijn de voor Nederland geldende wetten soms niet van toepassing of moeilijk te handhaven. Het RIVM beveelt aan veranderingen in het aanbod en relevante wetgeving de komende jaren in de gaten te houden. Op deze manier kan beleid waar nodig worden geëvalueerd en bijgesteld.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Annual report Surveillance of influenza and other respiratory infections in the Netherlands: winter 2019/2020 | RIVM

Griepepidemie De griepepidemie in de winter van 2019/2020 was mild en duurde 5 weken. Dat is korter dan het gemiddelde van tien weken in de afgelopen 25 jaar. De laatste twee weken van de griepepidemie, de eerste helft van maart 2020, vielen samen met het begin van de COVID-19-epidemie in Nederland. Naar schatting hebben tussen oktober 2019 en mei 2020 400.000 mensen de griep gehad. Ongeveer 74.000 mensen gingen naar de huisarts met griepachtige klachten. Mensen zijn vooral ziek geworden van het type A-griepvirus. Tijdens de epidemie stierven er 600 mensen meer dan verwacht in deze periode. Deze 'oversterfte' hangt waarschijnlijk samen met de griep. Mensen die een griepprik hebben gekregen, hadden in het griepseizoen 48 procent minder kans om griep te krijgen. De effectiviteit van het vaccin is ongeveer hetzelfde als in vorige griepseizoenen. COVID-19 epidemie in Nederland In deze rapportage zijn de gegevens over COVID-19 meegenomen voor de duur van het griepseizoen, tot en met 17 mei. Op 27 februari 2020 is de eerste COVID-19-patiënt in Nederland bevestigd. Sindsdien zijn veel mensen besmet met het nieuwe coronavirus (SARSCoV-2) dat de ziekte COVID-19 veroorzaakt. Tussen 27 februari en 17 mei 2020 heeft de GGD 43.993 mensen met COVID-19 gemeld, met een piek van 7794 meldingen in de week van 6 april. In deze eerste golf zijn 11.095 patiënten opgenomen in het ziekenhuis en zijn er 9600 mensen meer overleden dan normaal. Meldingsplichtige luchtweginfecties Sommige luchtweginfecties moeten bij de GGD worden gemeld. De GGD kan ze dan intensief volgen en als het nodig is op tijd actie nemen om te voorkomen dat ze zich verder verspreiden. Het aantal meldingen van psittacose is in 2019 sterk gestegen naar 91, het hoogste aantal sinds 2010. Het aantal gemelde gevallen van legionella (566) tuberculose (759) en Q-koorts (18) bleef stabiel. Q-koorts, psittacose en legionella uiten zich meestal in de vorm van longontstekingen. De werkelijke aantallen liggen hoger dan de gemelde. Mensen met een longontsteking worden vaak niet getest, waardoor de ziekteverwekker niet bekend is.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Regenwater als alternatieve bron voor drinkwater- aandachtspunten voor kwaliteitscontrole | RIVM

In Nederland wordt drinkwater van grond- en oppervlaktewater gemaakt. De afgelopen jaren zijn enkele initiatieven uitgeprobeerd om drinkwater van andere bronnen te maken, onder andere vanwege klimaatverandering. Een van die bronnen is regenwater dat via daken en bassins kan worden opgevangen. Het is alleen niet duidelijk in hoeverre dit water aan de drinkwatereisen voldoet. Volgens het RIVM is regenwater niet schoon genoeg om zo als drinkwater te gebruiken. Het heeft geen constante kwaliteit en moet eerst gezuiverd worden. Ook is de hoeveelheid regenwater die via daken wordt opgevangen, niet genoeg om een gezin het hele jaar voldoende drinkwater te bieden. Dat maakt regenwater meestal niet duurzamer dan het gebruik van grondwater of oppervlaktewater. Het RIVM heeft dit via een literatuuronderzoek uitgezocht. Het opgevangen regenwater kan bacteriën en virussen bevatten uit de ontlasting van dieren, zoals vogels. Daarnaast kan er lood in zitten uit loden regenpijpen, en pesticiden van landbouwbedrijven in de omgeving. Het is technisch mogelijk om deze verontreinigingen uit het regenwater te halen om het daarna als drinkwater te kunnen gebruiken. Deze zuivering kan wel duur zijn. Omdat de kwaliteit van regenwater sterk kan verschillen, is het belangrijk om die kwaliteit te meten. Het is alleen lastig om aan te geven waar en hoe vaak dat nodig is om de veiligheid te kunnen garanderen. De kwaliteit van regenwater lijkt het meest op die van oppervlaktewater. Het ligt daarom voor de hand om te beginnen met een meetprogramma zoals dat bestaat voor oppervlaktewater als bron voor drinkwater. Daarnaast is een beter beeld nodig van mogelijke gezondheidsrisico's van schadelijke stoffen in regenwater 'van bron tot kraan'.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Staat Drinkwaterbronnen | RIVM

In Nederland wordt drinkwater gemaakt van grond- en oppervlaktewater. Het RIVM heeft in kaart gebracht wat de kwaliteit van het water van deze bronnen is en hoeveel er beschikbaar is om drinkwater van te maken. Beleidsmakers van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) gebruiken de resultaten voor nieuw beleid. In meer dan de helft van de 216 winningen in Nederland zijn nu, of in de nabije toekomst, problemen met de waterkwaliteit of de beschikbare hoeveelheid. In 135 van de winningen worden namelijk stoffen gevonden die dit ongezuiverde water vervuilen. Door de droogte van de laatste jaren is het minder vanzelfsprekend geworden dat er in sommige seizoenen genoeg water is. Ook zorgt de droogte ervoor dat de concentraties vervuilende stoffen hoger zijn. Hierdoor moeten drinkwaterbedrijven meer doen om er schoon drinkwater van te maken. Waterschappen, provincies en gemeenten en de Rijksoverheid hebben de afgelopen jaren veel gedaan om de kwaliteit van de drinkwaterbronnen te verbeteren. Maar de kwaliteit is nog niet zoals gewenst en is de afgelopen jaren niet merkbaar verbeterd. Het doel is om met eenvoudige zuiveringstechnieken drinkwater uit de bronnen te kunnen maken. Het kost tijd voordat een maatregel een effect heeft. Dat is een van de redenen waarom de effecten van de genomen maatregelen nog niet zichtbaar zijn bij de drinkwaterbronnen. Daarnaast worden de effecten niet op dezelfde manier gemonitord en vastgelegd als de gegevens over de waterwinningen. Meer zicht krijgen op de effecten is belangrijk om op tijd extra maatregelen te kunnen nemen als dit nodig is. Daarnaast is meer duidelijkheid nodig tussen de landelijke en decentrale overheden wie waarvoor verantwoordelijk is en wat partijen van elkaar kunnen verwachten. Zij hebben een belangrijke taak om de waterkwaliteit voor de toekomst veilig te stellen.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Zicht (krijgen) op Zeer Zorgwekkende Stoffen in een circulaire economie : Concretisering van een monitoringsstrategie | RIVM

De Nederlandse overheid streeft naar een volledig circulaire economie in 2050. Daarin worden grondstoffen steeds opnieuw gebruikt zodat er zo min mogelijk afval is. Maar in hergebruikte materialen kunnen schadelijke stoffen zitten. Het is daarom belangrijk te weten of het hergebruikte product of gerecycled materiaal veilig is voor mens en milieu. Een voorbeeld van schadelijke stoffen zijn stoffen met zeer zorgwekkende eigenschappen (ZZS). Ze kunnen bijvoorbeeld kanker veroorzaken of de voortplanting belemmeren. Soms bevatten materialen en producten ZZS die inmiddels verboden zijn. Als deze producten of materialen worden hergebruikt of gerecycled, kunnen ze eruit vrijkomen en in omloop blijven. Het is niet makkelijk om een volledig overzicht te krijgen van ZZS in producten of materialen. Er zijn heel veel soorten ZZS die in heel veel verschillende materialen en producten zitten. Het RIVM heeft een opzet gemaakt voor een methode om de risico's van ZZS in een circulaire economie te achterhalen. Met deze methode kan worden ontleed op welke plek in 'de keten' van productie, gebruik en afvalverwerking ZZS kunnen zitten en waar ze risico's veroorzaken. Met deze inzichten kan bijvoorbeeld in beeld worden gebracht hoe de overheid en het bedrijfsleven zich (kunnen) inzetten om materialen veilig te verwerken. Twee voorbeelden (piepschuim in woningen en minerale olie in voedselverpakkingen) zijn uitgewerkt om de methode te testen. Beleidsmakers kunnen de methode gebruiken om beleid op te stellen voor de circulaire economie. Het RIVM beveelt aan om de uiteindelijke monitor samen met beleidsmakers en het bedrijfsleven te ontwikkelen. Dat vergroot de kans om een veilig hergebruik te garanderen. Dit onderzoek is onderdeel van de integrale circulaire economie rapportage (ICER) en is in opdracht van het Planbureau voor de Leefomgeving uitgevoerd.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Overzicht kwaliteitsbeoordeling beschermende middelen in de COVID-19-crisis | RIVM

Het RIVM heeft tussen maart en oktober 2020 de kwaliteit beoordeeld van medische hulpmiddelen en persoonlijke beschermingsmiddelen. Voorbeelden van medische hulpmiddelen zijn mondmaskers, isolatiejassen en -schorten, en handschoenen. Persoonlijke beschermingsmiddelen zijn onder andere ademhalingsbeschermingsmiddelen. Deze producten zijn in Nederland centraal ingekocht om medewerkers in de zorg te beschermen tegen besmetting met het coronavirus SARS-CoV-2. Door de schaarste op de wereldmarkt werden producten ingekocht die voorhanden waren. Vanwege de ernstige tekorten was er geen tijd voor een volledige kwaliteitsbeoordeling volgens de geldende normen. Het RIVM heeft daarom met veldpartijen een kortere beoordelingsprocedure opgezet die de normen zoveel mogelijk benaderde. Deze procedure is gaandeweg verder ontwikkeld. Een aanzienlijk deel van de beoordeelde producten voldeed niet aan de kwaliteitseisen, vooral de ademhalingsbeschermingsmiddelen (FFP2- en KN95-maskers) en de mondmaskers (chirurgische maskers (type IIR)). Van de ademhalingsbeschermingsmiddelen voldeed 22 procent aan de gestelde eisen. Van de beoordeelde mondmaskers was 14 procent van voldoende kwaliteit. Van de beoordeelde handschoenen was 62 procent van voldoende kwaliteit. Van de beoordeelde isolatiejassen en -schorten voldeed 76 procent aan de gestelde eisen. Voorbeelden van hoe de beoordeelde producten niet voldeden aan de kwaliteitseisen waren ademhalingsbeschermingsmiddelen die niet goed aansloten op het gezicht en daardoor niet volledig beschermden tegen virusdeeltjes. Of isolatiejassen en handschoenen die niet waterdicht bleken te zijn. Ook kon de kwaliteit van producten binnen eenzelfde lading sterk verschillen, hoewel ze volgens de verpakkingen hetzelfde waren. Het RIVM heeft de producten getest en beoordeeld in opdracht van het ministerie van VWS. De kwaliteitsbeoordeling gold als advies voor het ministerie van VWS en later het Landelijk Consortium Hulpmiddelen (LCH), dat de middelen inkocht. Mede op basis van dit advies besloot het LCH over aankoop en uitgifte van de hulpmiddelen. Het LCH bepaalde welke hulpmiddelen door het RIVM werden beoordeeld.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Ecotoxicologische risicogrenzen voor PFOS in bodem en grondwater | RIVM

Het RIVM heeft risicogrenzen bepaald voor PFOS in bodem en grondwater. De risicogrenzen houden rekening met twee routes: directe effecten van PFOS op planten en dieren in de bodem, en effecten op vogels en zoogdieren die PFOS via hun voedsel binnenkrijgen. Het bevoegd gezag gebruikt de risicogrenzen om te beslissen of hergebruik van grond veilig is voor het milieu. PFOS en andere poly- en perfluoralkylstoffen (PFAS) zijn door de mens gemaakte stoffen die heel langzaam afbreken, ophopen in het lichaam en giftig zijn. Het gebruik van PFOS is wereldwijd zeer sterk aan banden gelegd. Maar doordat de stof bijna niet afbreekt, zitten er nog steeds resten in het milieu. PFOS hoopt zich op in planten en dieren. Daarom is het relevant om te kijken naar de risico's voor vogels en zoogdieren die PFOS binnenkrijgen via het eten van bodemdieren, zoals regenwormen. Dit heet doorvergiftiging. Per route zijn twee risiconiveaus bepaald: het Ernstig Risiconiveau (ER) en het Maximaal Toelaatbaar Risiconiveau (MTR). Het MTR is de concentratie waarbij geen nadelige effecten zijn te verwachten. Het MTR voor doorvergiftiging is 3 microgram per kilogram droge grond. Het ER (106 microgram per kilogram) is de concentratie waarbij PFOS ernstige effecten kan hebben op vogels en zoogdieren. Het RIVM heeft in 2011 ook ecotoxicologische risicogrenzen afgeleid voor PFOS in bodem en grondwater, toen op basis van beperkt beschikbare informatie. De risicogrenzen zijn nu beter onderbouwd. Het nieuwe MTR voor doorvergiftiging is hetzelfde als in 2011, het ER voor doorvergiftiging is nu voor het eerst bepaald. Dit onderzoek is onderdeel van een serie rapportages over risicogrenzen van PFAS. Hiermee draagt het RIVM bij aan een landelijk kader waarmee bevoegde gezagen kunnen bepalen hoe zij omgaan met PFAS-houdende grond en baggerspecie. Dit onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW).
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Comparative genomics of ESBL-producing Escherichia coli (ESBL-Ec) reveals a similar distribution of the 10 most prevalent ESBL-Ec clones and ESBL genes among human community faecal and extra-intestinal infection isolates in the Netherlands (2014-17). | RIVM

Comparative genomics of ESBL-producing Escherichia coli (ESBL-Ec) reveals a similar distribution of the 10 most prevalent ESBL-Ec clones and ESBL genes among human community faecal and extra-intestinal infection isolates in the Netherlands (2014-17). | RIVM
Jaar: 2021 Onderzoek

Safety and sustainability analysis of railway sleeper alternatives : Application of the Safe and Sustainable Material Loops framework | RIVM

Er is een nieuwe versie van dit rapport met nummer 2020-0181 ProRail vervangt elk jaar 200.000 zogeheten dwarsliggers op het spoor. In de vorige eeuw zijn hiervoor houten bielzen gebruikt die met zogeheten creosoten zijn bewerkt om verwering te voorkomen. Creosoten bevatten Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS). De laatste jaren worden dwarsliggers van beton gemaakt, maar bij de productie daarvan komt meer CO2 vrij dan bij houten dwarsliggers. Om de CO2 uitstoot en het gebruik van schadelijke stoffen te minimaliseren zoekt ProRail naar mogelijkheden om andere dwarsliggers te gebruiken. Daartoe heeft het RIVM zes verschillende typen dwarsliggers vergeleken met betonnen exemplaren. Het gaat om dwarsliggers van met koper behandeld hout, onbehandeld hout, gerecycled plastic dat met staal is versterkt, nieuw plastic dat met staal is versterkt, (nieuw) plastic dat met glasvezel is versterkt (composiet) en beton op basis van zwavel (in plaats van cement). Bij de vergelijking is gekeken naar zaken die belangrijk zijn voor duurzaamheid en voor de veiligheid van stoffen voor het milieu. De dwarsliggers van gerecycled plastic en van zwavelbeton zijn op alle onderzochte punten het meest duurzaam ten opzichte van betonnen dwarsliggers. De andere type dwarsliggers zijn alleen op sommige punten gunstiger. Op basis van de beschikbare gegevens lijken de verschillende typen ongeveer even veilig voor het milieu. Bij de beoordeling van de duurzaamheid is gekeken in hoeverre er broeikasgassen vrijkomen. Ook is gekeken hoeveel land nodig is om het benodigde materiaal te winnen. Voor houten dwarsliggers is het landgebruik groter dan voor de andere soorten, maar bij de productie komen de minste broeikasgassen vrij. Bij de veiligheid gaat het erom of er verontreinigende stoffen in de dwarsliggers zitten en in welke mate zij eruit vrijkomen. Vrijgekomen stoffen kunnen namelijk tijdens het gebruik van de dwarsliggers in bodem en grondwater terechtkomen. Voor alle typen dwarsliggers bestaat er regelgeving om te zorgen dat het gebruik veilig is. Voor dit onderzoek waren niet alle gegevens beschikbaar. Kennis over de aanwezigheid van eventueel schadelijke stoffen is belangrijk om materialen voor de dwarsliggers veilig te kunnen hergebruiken.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

CSOIL 2020: Exposure model for human health risk assessment through contaminated soil. Technical description | RIVM

Dit rapport beschrijft de update van het blootstellingsmodel CSOIL 2020. Met dit rekenmodel wordt berekend in welke mate mensen gedurende hun hele leven blootstaan aan bodemvervuiling. Dat kan bijvoorbeeld door groente en fruit uit eigen tuin te eten of gronddeeltjes in te slikken als ze in de tuin werken. Het RIVM heeft dit model, dat in 1995 is ontwikkeld en in 2000 is herzien, nu geactualiseerd. De overheid gebruikt het CSOIL-model om de normen voor de kwaliteit van de bodem te bepalen. Door de update sluit CSOIL 2020 aan op nieuwe ICTbesturingssystemen en wetenschappelijke kennis. Ook kan het model hierdoor aansluiten op de nieuwste versie van de Risicotoolbox Bodem, die de blootstellingsberekeningen van CSOIL gebruikt. Met deze toolbox kan worden bepaald of de grond veilig mag worden (her-)gebruikt. De toolbox wordt op dit moment uitgebreid met andere tools zodat hij voor de Omgevingswet kan worden ingezet. Deze wet treedt, naar verwachting, op 1 januari 2022 in werking. Contact met stoffen uit een vervuilde bodem kan schadelijk zijn voor de gezondheid van mensen. Om te weten hoe groot het risico op gezondheidseffecten is, is informatie nodig over de mate waarin mensen blootstaan aan een stof. Voor de blootstelling kijkt CSOIL 2020 welke functie een bodem op een locatie heeft, zoals wonen of natuur, en naar de eigenschappen van een vervuilende stof. Het samenspel van de functie van een bodem, de stofeigenschappen en de lokale situatie zoals de diepte van de vervuiling bepaalt de blootstelling. Een voorbeeld van een stofeigenschap is hoe makkelijk een stof oplost in water.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1

Safety and sustainability analysis of railway sleeper alternatives : Application of a novel method for material loops | RIVM

Dit is een herziene versie van briefrapport 2020-0126. ProRail vervangt elk jaar 200.000 zogeheten dwarsliggers op het spoor. In de vorige eeuw zijn hiervoor houten bielzen gebruikt die met zogeheten creosoten zijn bewerkt om verwering te voorkomen. Creosoten bevatten Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS). De laatste jaren worden dwarsliggers van beton gemaakt, maar bij de productie daarvan komt meer CO2 vrij dan bij houten dwarsliggers. Om de CO2-uitstoot en het gebruik van schadelijke stoffen te minimaliseren zoekt ProRail naar mogelijkheden om andere dwarsliggers te gebruiken. Daartoe heeft het RIVM zes verschillende typen dwarsliggers vergeleken met betonnen exemplaren (100 procent Portland cement). Het gaat om dwarsliggers van met koper behandeld hout, onbehandeld hout, gerecycled plastic dat met staal is versterkt, nieuw plastic dat met staal is versterkt, (nieuw) plastic dat met glasvezel is versterkt (composiet) en beton op basis van zwavel (in plaats van cement). Bij de vergelijking is gekeken naar zaken die belangrijk zijn voor duurzaamheid en voor de veiligheid van stoffen voor het milieu. De dwarsliggers van gerecycled plastic en van zwavelbeton zijn het meest duurzaam ten opzichte van betonnen dwarsliggers (Portland cement). De andere type dwarsliggers zijn alleen op sommige punten gunstiger. Op basis van de beschikbare gegevens lijken de verschillende typen ongeveer even veilig voor het milieu. Bij de beoordeling van de duurzaamheid is gekeken in hoeverre er broeikasgassen vrijkomen. Ook is gekeken hoeveel land nodig is om het benodigde materiaal te winnen. Voor met koper behandelde houten dwarsliggers is het landgebruik groter dan voor de andere typen dwarsliggers, dit is belangrijk vanwege het effect op biodiversiteit, ook al komen er iets minder broeikasgassen vrij. Bij de veiligheid gaat het erom of er verontreinigende stoffen in de dwarsliggers zitten en in welke mate zij eruit vrijkomen. Vrijgekomen stoffen kunnen namelijk tijdens het gebruik van de dwarsliggers in bodem en grondwater terechtkomen. Voor alle typen dwarsliggers bestaat er regelgeving om te zorgen dat het gebruik veilig is. Voor dit onderzoek waren niet alle gegevens beschikbaar. Kennis over de aanwezigheid van eventueel schadelijke stoffen is belangrijk om materialen voor de dwarsliggers veilig te kunnen hergebruiken.
Jaar: 2021 Onderzoek Documenten: 1