Naar inhoud

Onderzoeken Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2000

Zoek binnen deze data in WooGLe

Milieu-indicator 2000 - Een indicator voor effecten van gewasbeschermingsmiddelen op grond en oppervlaktewater | RIVM

In opdracht van de ministeries van LNV en VROM is een milieu-indicator ontwikkeld die het mogelijk maakt volumecijfers te koppelen aan milieueffecten. Feitelijk gaat het niet om een indicator, maar om een aantal indicatoren. Er zijn verschillende milieu-indicatoren uitgewerkt, te weten voor de groep van de waterorganismen algen, kreeftachtigen en vissen tezamen (aquatoxiciteit) en uitspoeling naar grondwater. In de uitgewerkte milieu-indicatoren hebben trends voor de periode 1984 tot en met 1999 voorop gestaan; de absolute waarde van het milieueffect, uitgedrukt in het aantal milieu-indicatorpunten (MIP's), staat op de achtergrond. Trends per indicator zijn opgesteld voor het complete gewasbeschermingsmiddelenpakket en voor fungiciden, grondontsmettingsmiddelen, herbiciden en insecticiden apart. De hier gepresenteerde indicatoren hebben nog een aantal tekortkomingen en in een aantal gevallen moesten pragmatische keuzes gemaakt worden. Dit rapport geeft een aantal aanbevelingen hoe de indicator in de toekomst verbeterd kan worden. Over het algemeen daalt het effect op het milieu in de tijd. Het milieueffect op uitspoeling naar het grondwater van groeiregulatoren en fungiciden stijgt in de tijd, maar hier is weinig van terug te zien bij het milieueffect voor uitspoeling van het totale middelenpakket, omdat deze lijn gedomineerd wordt door uitspoeling van herbiciden. Het gebruik van herbiciden op verhardingen is apart behandeld. De effecten op het milieu voor deze categorie groeien sterk en blijken, bij combinatie, de milieu-indicator voor aquatoxiciteit compleet te overheersen. Een andere reden om het gebruik van herbiciden op verhardingen apart te houden is dat het geen landbouwkundige toepassing is. De uitgewerkte milieu-indicatoren maken het mogelijk aan te geven waar knelpunten, in de zin van onvoldoende dalende trends van milieueffecten, bestaan op het niveau van werkzame stoffen. Dit biedt de mogelijkheid tot gerichte beleidsmatige sturing.
Jaar: 2000 Onderzoek Documenten: 1

Mitigation scenarios in a world oriented at sustainable development: the role of technology, efficiency and timing | RIVM

Dit rapport beschrijft twee beleidsscenario's gericht op het stabiliseren van de koolstof dioxide concentratie op 450 ppmv in 2100. Beide scenario's zijn ontwikkeld met behulp van het TIMER model en zijn afgeleid van het recent door het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) ontwikkelde B1 emissie scenario. In beide scenario's wordt in het model een mondiale, uniforme belasting gebruikt om hiermee een scala aan verschillende reductie maatregelen te induceren - waarbij ervan uit wordt gegaan dat een internationaal mechanisme bestaat voor kosten effectieve implementatie van maatregelen (met name emissie handel of het Clean Development Mechanism). De twee scenario's verschillen wat betreft het moment dat actie wordt ondernomen ('Early Action' of 'Delayed Response'). Analyse van de scenario's leidt tot de volgende conclusies. Ten eerste, tonen de scenario's aan dat stabilisatie van de koolstof dioxide concentratie op een niveau van 450 ppmv technisch mogelijk is (wereldwijd vereist dit een reductie van 40% van de emissies tussen 2000 en 2100 ten opzichte van de B1 baseline). Ten tweede, zal in het eerste en tweede kwart van de 21ste eeuw het grootste deel van deze reducties komen van verbeterde energie-efficiency en substitutie tussen fossiele brandstoffen; daarentegen zal versnelde introductie van hernieuwbare energie het grootste deel van de emissie reducties na 2050 voor zijn rekening nemen. Ten derde, leidt uitstel van maatregelen tot een vertraagde ontwikkeling van schone technologie (door het missen van 'learning-by-doing'), waardoor het 'Early-Action' scenario een aantrekkelijkere strategie lijkt dan het 'Delayed-Response' scenario (de eerste vereist 30% minder cumulatieve investeringen tussen 2000 en 2100). Ten vierde, lijkt in beide scenario's de moeilijkste periode te liggen tussen 2010 en 2040, wanneer de emissie trend daadwerkelijk moet worden afgebogen (het exacte tijdstip hangt natuurlijk af van het tijdstip van actie). Tenslotte blijkt uit de resultaten dat de echte obstakels voor het implementeren van beleidsmaatregelen de (grote verschillen in) kosten en voordelen voor individuele landen en sectoren zijn. Wij geloven daarom dat er behoefte is aan verdere uitwerking van methodes voor lasten-verdeling.
Jaar: 2000 Onderzoek Documenten: 1

TAPWAT berekeningen pathogene micro-organismen; in het kader van de Nationale Milieuverkenning 2000-2030 | RIVM

In het kader van de realisatie van de Nationale Milieuverkenning 2000-2030 is het infectierisico bepaald voor een aantal pathogene micro-organismen (enterovirussen, Cryptosporidium en Giardia) bij het gebruik van rijks- en regionale oppervlaktewateren als bron voor de bereiding van drinkwater. Dit rapport beschrijft de wijze waarop deze analyse is uitgevoerd. In Nederland wordt van de totale hoeveelheid drinkwater ongeveer eenderde deel bereid uit oppervlaktewater, meestal rijkswater. In de toekomst zal dit aandeel toenemen omdat de hoeveelheid grondwater bestemd voor drinkwaterproductie wordt gestabiliseerd en het watergebruik volgens de prognoses verder zal stijgen. Het overheidsbeleid is gericht op een kwaliteit oppervlaktewater waaruit met eenvoudige middelen drinkwater geproduceerd kan worden. Op basis van het huidige beleid zal de kwaliteit van het oppervlaktewater nauwelijks veranderen. In het algemeen is de grootste risicofactor voor de kwaliteit van drinkwater bereid uit oppervlaktewater het voorkomen van pathogene micro-organismen (o.a. virussen en protozoa). In dit onderzoek is het risico op infectie met enterovirussen, Cryptosporidium en Giardia bij toepassing van 19 huidige en toekomstige innamepunten en zuiveringslocaties voor de drinkwaterproductie bepaald. Bij gebruik van de rijkswateren blijkt dat een eenvoudige zuivering gebaseerd op alleen chemische desinfectie niet voldoet. Indien men uitgaat van een acceptabel infectierisico voor pathogenen van 1 geinfecteerde persoon per 10.000 inwoners per jaar, wordt deze eis overschreden. Een conventionele zuivering (met spaarbekkens) voldoet voor alle locaties aan de risico-eis voor enterovirussen, maar niet voor Cryptosporidium en Giardia op alle beschouwde locaties. De zuiveringstechnieken bodempassage en dubbele membraanfiltratie zijn voldoende om een veilige drinkwaterproductie te garanderen op alle onderzochte locaties. De concentraties van de onderzochte pathogenen zijn lager in de beschouwde regionale oppervlaktewateren dan in de rijkswateren. Een conventionele zuivering kan hier voldoende zijn voor veilig drinkwater. In de toekomst is dit mogelijk 1 van de factoren die regionale wateren als drinkwaterbron voor relatief kleine productie-eenheden aantrekkelijk maakt.
Jaar: 2000 Onderzoek Documenten: 1

SOA-surveillance Nederland | RIVM

In mei 1999 is een werkgroep gestart met de opdracht om "vanuit de bestaande situatie een voorstel te doen voor een effectief en efficient surveillancesysteem voor SOA dat inzicht geeft in de prevalentie en de incidentie van SOA in Nederland. Het systeem moet te gebruiken zijn voor directe (regionale en nationale) SOA-bestrijding. Het systeem moet tevens robuust genoeg zijn om een nationaal beleid op te kunnen baseren en sensitief genoeg zijn om nationale trends te kunnen waarnemen". De werkgroep heeft de bestaande systemen in kaart gebracht en de informatiebehoefte geinventariseerd. Dit alles overwegend wordt voorgesteld om een SOA-peilstation te vormen bestaande uit een beperkt aantal GGD's buiten de randstad en de 6 drempelvrije poliklinieken in vier grote steden. Het SOA-peilstation dient aangevuld te worden met het Infectieziekten Surveillance Informatiesysteem (ISIS) voor de aangifte van hepatitis B en de registratie van laboratorium testuitslagen voor SOA. Een periodiek onderzoek naar het voorkomen van SOA in Nederland is noodzakelijk om een betrouwbare schatting van incidentie of prevalentie te geven en de gegevens uit SOA-surveillance te kunnen interpreteren. Dit periodieke onderzoek dient tevens als ijking voor het nieuwe surveillancesysteem te fungeren. Het verdient aanbeveling om in samenwerking met het NIVEL een meerjaren plan op te stellen m.b.t. de monitoring van SOA of SOA gerelateerde diagnoses in het huisartsenpeilstation, urethritis, PID, maar ook asymptomatische PID en chlamydia infecties. Verder wordt aanbevolen om congenitale syfilis weer in de aangifte op te nemen omdat bij het huidige en toekomstige systeem geen inzicht bestaat in het voorkomen van congenitale syfilis.
Jaar: 2000 Onderzoek Documenten: 1

Orienterend onderzoek naar het gebruik van lasers in de extramurale gezondheidszorg | RIVM

Naar aanleiding van de overweging of bepaalde medische lasertoepassingen moeten worden aangemerkt als voorbehouden handeling volgens de Wet BIG is een orienterende inventarisatie verricht van beroepen in de individuele gezondheidszorg waar lasers worden gebruikt en van de aard en omvang van de toepassing ervan. Hierbij is vooral aandacht besteed aan toepassingen buiten het ziekenhuis. Op basis van deze orienterende inventarisatie wordt geconcludeerd dat degenen die een beroep uitoefenen vermeld onder Art. 3 van de Wet BIG, zoals artsen en tandartsen, lasers uit de klassen 2, 3 en 4 gebruiken. Beoefenaars van niet geregistreerde beroepen in de individuele gezondheidszorg gebruiken relatief minder vaak lasers en gebruik van klasse 4-lasers is in deze beperkte inventarisatie niet vastgesteld. Dit zou betekenen dat de kans op nadelige effecten bij laatstgenoemde toepassers in principe kleiner zal zijn en de effecten minder ernstig. De drempel om klasse 4 lasers aan te schaffen verlaagt echter voortdurend, omdat lasers steeds meer mogelijkheden bieden en minder kostbaar worden. In het licht hiervan verdient het aanbeveling om ondeskundig gebruik van risicovolle klasse 4 (en eventueel klasse 3B) lasers te voorkomen. De observatie dat de laserveiligheid zowel intramuraal als extramuraal op kwalitatief uiteenlopende manieren wordt geregeld en ernstige incidenten niet zijn uitgesloten, ondersteunt dit standpunt. De evenwichtige onderbouwing van deze stelling en dus een geheel te rechtvaardigen antwoord op de vraagstelling uit dit onderzoek, vereist evenwel een meer diepgaande inventarisatie van extramurale toepassers en toepassingen.
Jaar: 2000 Onderzoek Documenten: 1

MOVE, nationaal model voor de vegetatie, versie 3. De kans op voorkomen van ca. 900 plantensoorten als functie van 7 omgevingsvariabelen | RIVM

Als onderdeel van het decision support system De Natuurplanner wordt het vegetatiemodel MOVE primair ingezet voor nationale verkenningen. MOVE gebruikt multipele logistische regressie om de kans op voorkomen van plantensoorten te voorspellen als functie van omgevingsvariabelen. MOVE bevat ruim 900 plantensoorten. De responsfuncties van MOVE 2 gebruiken vermesting, verzuring en verdroging als verklarende factoren. Deze studie breidt het model uit met variabelen op het gebied van vegetatiestructuur, zware metalen, saliniteit en regio-verschillen. Bovendien is de empirische basis van de responsfuncties vergroot tot ruim 100.000 vegetatieopnamen. De modellen zijn statistisch getoetst.
Jaar: 2000 Onderzoek Documenten: 1

Starters, stoppers en herstarters. Veranderingen van rook-status in de algemene bevolking | RIVM

Een zogenaamd 'multi-state transitiemodel' is ontwikkeld, waarmee de veranderingen over de tijd en leeftijd van de aantallen nooit-rokers, rokers en ex-rokers beschreven zijn met behulp van transitiekansen. Dit zijn de kansen voor een nooit-roker om te starten, een roker om te stoppen, en een ex-roker om weer te beginnen. Een belangrijk probleem hierbij was dat in het verleden slechts herhaalde reeksen van cross-sectionele studies beschikbaar waren om deze transitiekansen te schatten. Wij kregen recentelijk de beschikking over gegevensbronnen met retrospectief of prospectief meer meetpunten, die veel geschikter zijn tes (1998-1999), de MORGEN Studie (1993-1997) en de Doetinchem Cohort Studie (1987-1997). In de eerstgenoemde twee studies is gevraagd naar de rook-status bij waarneming en retrospectief naar de rook-status 1 jaar daarvoor, respectievelijk naar de 'rook-events' in het verleden. In de laatstgenoemde studie zijn er twee meetpunten met tussenliggende tijdsperiode van ca. 6 jaar. De toegepaste analysemethoden zijn gebaseerd op de wiskundige vergelijkingen, die aan het model ten grondslag liggen. Op deze wijze zijn de transitiekansen tussen de verschillende rook-klassen geschat. Over het algemeen kwamen de resultaten voor de verschillende bronnen goed overeen. Voor de startkansen werden vrij grote verschillen gevonden. Daarvoor zijn verschillende verklaringen te geven, met name periode-effecten en verschillen tussen gebruik van 1-jaars of 5-jaars leeftijdsspecifieke gegevens. De verschillende berekende stop- en herstartkansen verschilden weinig. De gevonden stopkansen vertoonden een U-vormig verloop over de leeftijd. De gevonden herstartkansen namen vrijwel lineair met de leeftijd af. Hoewel de percentages rokers, ex-rokers en nooit-rokers met name voor hogere leeftijden nogal verschillen tussen mannen en vrouwen, zijn de verschillen tussen de start-, stop- en herstartkansen opvallend klein. Twee algemene conclusies zijn dat in het geval van een determinant met zo grote veranderingen over tijd en leeftijd als roken, transitiemodellen zeer bruikbaar zijn om deze veranderingen te beschrijven, en dat studies met herhaalde meetpunten onontbeerlijk zijn om in dat geval transitiekansen te schatten.
Jaar: 2000 Onderzoek Documenten: 1

Natuurbalans 2000 | RIVM

In de Natuurbalans 2000 wordt de balans voor de natuur in Nederland opgemaakt: Hoe gaat het met de uitvoering van het beleid? (toestandsbeschrijving); Waar liggen problemen en wat zijn de oorzaken? (kritische analyse), en Waar liggen kansen en oplossingen? (kritische evaluatie en conclusies). De natuurbalans laat duidelijk zien waar samenwerking met andere beleidsvelden (onder meer ruimte en milieu) noodzakelijk is en hoe dit moet worden vormgegeven.
Jaar: 2000 Onderzoek Documenten: 1

Monitoring of Radiation in the Environment. Results in the Netherlands in 1998 | RIVM

Dit rapport geeft de resultaten van radioactiviteitsmetingen in het milieu in Nederland verricht door vier organisaties in 1998. De jaargemiddelde totale alfa- en beta-activiteitsconcentratie in luchtstof in Bilthoven was 0,0812 en 0,398 mBq4m-3. De jaargemiddelde activiteitsconcentratie in luchstof van de nucliden 7Be, 137Cs en 210Pb was respectievelijk 4020 1,26 en 325 uBq4m-3. De jaarlijkse totale alfa- en beta-activiteit in depositie in Bilthoven bedroeg 31,1 en 106 Bq4m-2. De jaarlijkse totale activiteit van de nucliden 3H, 137Cs, 7Be, 210Pb en 210Po in depositie bedroeg respectievelijk 1200, 0,60, 1840, 163 en < 16 Bq4m-2. Het omgevingsdosisequivalenttempo, gemiddeld over het jaar en over Nederland, was 75,2 nSv4h-1. De jaargemiddelde 3H-concentratie in oppervlaktwater was lager dan 10,5 Bq4L-1 en van rest beta lager dan 82 mBq4L-1. De jaargemiddelde activiteit van 137Cs in zwevend stof in oppervlaktewater was lager dan 27 Bq4kg-1. De jaargemiddelde activiteitsconcentratie in zeewater van 3H lag tussen 0,6 en 4,9 Bq4L-1 en van rest beta tussen 43 en 45 mBq4L-1. Typische waarden die in drinkwater gevonden worden zijn 1-10 Bq4L-1 voor 3H-activiteit en 0,1-1 Bq4L-1 voor totaal 5- en rest beta-activiteit. Al deze waarden zijn vergelijkbaar met de waarden in voorgaande jaren. Voedsel werd gemeten als het vermoeden bestond dat het een abnormale hoeveelheid radioactiviteit bevatte. Slechts in 1 monster paddestoelen overschreed de activiteit de norm van 600 Bq4kg-1 voor cesium afkomstig van Tsjernobyl. Uit de vergelijking van het Nederlandse meetprogramma met de "recommendation of the CEC on the application of article 36 of the Euratom Treaty" blijkt dat het programma hiermee niet in volledige overeenstemming is.
Jaar: 2000 Onderzoek Documenten: 1

Ammoniak emissie-concentratie-depositie relaties op lokale schaal | RIVM

In het Stikstof Onderzoeks Programma (STOP) is door KEMA, IMAG, LEI-DLO, LUW, TNO, ECN en RIVM gewerkt aan het valideren en verbeteren van modellen voor de emissie - concentratie - depositie van stikstofverbindingen (NHx, NOx) op lokale schaal. Hiertoe zijn een tweetal kortdurende veldexperimenten uitgevoerd in het proefgebied De Driesprong bij Ede waarbij de emissie en de verspreiding van ammoniak zijn gemeten bij het aanwenden van mest. Daarnaast zijn de emissies van een drietal bedrijven gemeten gedurende enkele maanden en is de ammoniak-concentratie gemeten op een 17-tal plaatsen in het proefgebied van ca. 2 x 2 km. Dit rapport legt de verbinding tussen de gemeten (en overige) emissies en de gemeten concentraties en deposities via bestaande en nieuw ontwikkelde/gemodificeerde verspreidingsmodellen. Voor de lange-termijn gemiddelde concentraties is het OPS-LT model toegepast. Op basis van dit model is een korte termijn versie ontwikkeld (OPS-KT) met als doel de verbinding te leggen tussen kortdurende (detail)metingen en het OPS-LT model. Daarnaast is een numeriek K-diffusiemodel (verder) ontwikkeld om het horizontale transport en de verticale dispersie vanuit zeer lage bronnen te kunnen kwantificeren. Dit model fungeert daarmee als een referentie voor het testen van procesbenaderingen in het OPS-KT/LT model. Uit vergelijking van het OPS-KT model met resultaten van het 'Prairie Grass' experiment blijken geen belangrijke systematische afwijkingen, maar wel flinke spreidingen in uurlijkse uitkomsten. Het huidige OPS-LT model blijkt de ruimtelijke verdeling van de gemeten (9 maandsgemiddelde) concentraties binnen het proefgebied voor ongeveer 50% te verklaren. De gemiddelde concentratie wordt door het model echter met ongeveer 15% onderschat. Toepassing van het korte termijn model op de gemeten emissies bij de aanwendingsproeven laat zien dat dit model de tijdreeks van lokaal gemeten concentraties redelijk volgt maar in absolute zin met ongeveer een factor 2 overschat. Het aantal uitgevoerde experimenten is te beperkt om hieraan duidelijke conclusies te verbinden. De gevonden afwijkingen liggen wel binnen de range welke internationaal met moderne korte termijn modellen bij vergelijking met metingen worden gevonden. Op basis van de goede simulatie van gemiddelde ruimtelijke verschillen in het proefgebied kan worden geconcludeerd dat met het huidige modelinstrumentarium het bedrijfsvestigings- en bedrijfsverplaatsingsbeleid redelijk tot goed kan worden ondersteund.
Jaar: 2000 Onderzoek Documenten: 1

Assessment of major uncertainties in calculating regional contributions to climate change | RIVM

Gedurende de onderhandelingen over het Kyoto Protocol, werd door Brazilie het zogenaamde Braziliaanse voorstel ingediend. Dit voorstel omvat o.a. een methodiek om de relatieve bijdrage van de geindustrialiseerde landen (Annex I) aan de emissiereducties te baseren op hun relatieve bijdrage aan de mondiaal gemiddelde temperatuurstijging die inmiddels is opgetreden. Hoewel het Braziliaanse voorstel niet werd opgenomen in het Kyoto Protocol, besloot de Conferentie van Partijen bij het klimaatverdrag (COP3) in Kyoto het voorstel ddoor te verwijzen naar SBSTA ('Subsidiary Body on Scientific and Technical Advice') van de UNFCCC ('United Nations Framework Convention on Climate Change') om daar de wetenschappelijke en methodologische aspecten van het voorstel nader te bestuderen. In dit rapport presenteren we een analyse van het effect van modelonzekerheden en methodologische aspecten op de individuele regionale bijdrage aan de mondiaal gemiddelde temperatuurstijging. Voor dit doeleinde is het klimaatmodel meta-IMAGE 2.1 gebruikt. Meta-IMAGE berekent de regionale bijdrage aan de klimaatsindicatoren in de oorzaak-effecten keten van het klimaatprobleem, i.e. de antropogene CO2-emissies, de stijging van de atmosferische CO2-concentratie, en de mondiale temperatuurstijging en zeespeigelstijging. De analyse toont aan dat het effect van modelonzekerheden in dezelfde orde van grootte ligt als het effect van methodologische aspecten op de modeluitkomsten. Methodologische keuzes zijn onder andere het meenemen van de antropogene emissies van alle broeikasgassen en/of de emissies ten gevolge van landgebruikveranderingen. Een mondiale toepassing van het Braziliaanse voorstel, i.e. het gebruik van de bijdrage aan mondiale temperatuurstijging als criterium voor lastenverdeling, impliceert een groot effect van modelonzekerheden en methodologische keuzes op de regionale bijdrage aan de mondiale gemiddelde temperatuurstijging. Een soortgelijke berekening van de regionale bijdragen binnen de Annex I groep, blijkt daarentegen veel minder gevoelig te zijn voor deze modelonzekerheden en methodologische aspecten.
Jaar: 2000 Onderzoek Documenten: 1

Psychische (on)gezondheid; determinanten en de effecten van preventieve interventies | RIVM

Psychische stoornissen zijn verantwoordelijk voor ruim 23% van de (directe) kosten van de gezondheidszorg (inclusief zorg voor verstandelijke handicap en dementie). Voor een beter onderbouwde preventie binnen het geestelijk volksgezondheidsbeleid is meer kennis nodig over de determinanten van psychische stoornissen en over de mogelijkheden om die determinanten te beinvloeden. Deze state-of-the-art geeft aan dat persoonlijkheidskenmerken als (overmatige) geremdheid, neuroticisme, impulsiviteit en cognitieve en sociaal-communicatieve beperkingen meerdere psychische stoornissen beinvloeden. Dit geldt ook voor traumatische ervaringen in de jeugd, een lage SES, sterke verstedelijking en snelle sociale veranderingen. Theoretisch gezien valt de meeste gezondheidswinst op het terrein van de psychische (on)gezondheid dan ook te behalen door beinvloeding van (het leren omgaan met) deze zogenaamde generieke determinanten. Ten aanzien van de effecten van interventies op determinanten van de psychische gezondheid zijn nog geen definitieve conclusies mogelijk. Het lijkt echter aannemelijk dat met name die interventies veelbelovend zijn die op meerdere determinanten tegelijk aangrijpen. Dit sluit aan bij het gegeven dat interacties tussen determinanten een belangrijke rol spelen in de etiologie van stoornissen. Secundaire preventie van depressie bij ouderen en preventie van druggebruik via schoolprogramma's blijken voldoende doeltreffend om over te gaan tot landelijke implementatie. Interventies gericht op familieleden van psychiatrische patienten lijken doeltreffend in het voorkomen van overbelasting, stress en angst. Een intensivering van het onderzoek naar determinanten van psychische stoornissen is een noodzakelijke voorwaarde om een flinke stap vooruit te maken ten aanzien van de mogelijkheden voor preventie. Daarnaast is het van belang strategieen voor landelijke implementatie van doeltreffende programma's te ontwikkelen en onderzoek op dit terrein te stimuleren.
Jaar: 2000 Onderzoek Documenten: 1

PREZIES: PREventie van ZIEkenhuisinfecties door Surveillance. Deelcomponent infecties op de Intensive Care, 1997-1999 | RIVM

Doel: Het in netwerkverband uitvoeren van gestandaardiseerde surveillance van ziekenhuisinfecties ontstaan op de Intensive Care afdeling (IC) en het genereren van referentiegegevens voor individuele ziekenhuizen en overheid. Opzet: Prospectief incidentie onderzoek bij IC's voor volwassenen in Nederland. Methode: Surveillance van ziekenhuisinfecties werd gestandaardiseerd met behulp van een protocol, uniforme software en workshops met vertegenwoordigers van deelnemende ziekenhuizen. Surveillance werd uitgevoerd bij patienten die 48 uur of langer op de IC waren opgenomen. Patienten werden gevolgd tot ontslag van de IC. Resultaten: Gestandaardiseerde surveillance van ziekenhuisinfecties ontstaan op de IC, leverde bruikbare gegevens op van 16 ziekenhuizen over 2795 patienten met 27922 verpleegdagen over de periode juli 1997-december 1999. De mediane opnameduur was zes dagen. De mediane APACHE II-score was 17 en de mediane leeftijd 67 jaar. Meer dan de helft van de patienten was opgenomen voor de specialismen chirurgie en interne geneeskunde. Bij 749 patienten (27% van de patienten) ontstonden in totaal 1177 infecties op de IC (42 infecties per 1000 verpleegdagen) waarvan 501 pneumonieen, 238 gevallen van sepsis (waarvan 72 een lijnsepsis), 247 urineweginfecties en 191 overige infecties. Nosocomiale pneumonieen werden gezien bij 17% van de patienten (18 pneumonieen per 1000 verpleegdagen), lijnsepsis bij 2% van de patienten (drie gevallen van lijnsepsis per 1000 verpleegdagen) en urineweginfecties bij 8% van de patienten (negen urineweginfecties per 1000 verpleegdagen). De infectiepercentages voor de specialismen waarvoor de patienten waren opgenomen verschilden niet statistisch significant van elkaar. Van alle opgenomen patienten werd 62% gedurende enige tijd beademd, had 64% een centrale lijn en 89% een urinewegkatheter. Per 1000 verpleegdagen werden gedurende 608 dagen patienten beademd en was gedurende 864 dagen een urinewegkatheter in situ. Per 1000 verpleegdagen werden 681 centrale lijndagen geregistreerd. Het aantal ventilatie-gerelateerde pneumonien was 27 per 1000 ventilatiedagen, het aantal katheter-geassocieerde urineweginfecties tien per 1000 katheterdagen en het aantal gevallen van lijnsepsis was vier per 1000 centrale lijndagen. Selectieve darmdecontaminatie werd bij 12% van de patienten toegepast en systemische antibiotica bij 68% (130 dagen selectieve darmdecontaminatie en 526 dagen systemisch antibiotica gebruik per 1000 verpleegdagen). De meest frequent geisoleerde micro-organismen waren Pseudomonas aeruginosa bij pneumonieen, Staphylococcus epidermidis bij lijnsepsis en Escherichia coli bij urineweginfecties. ziekenhuisinfecties op de IC in netwerkverband, zijn gegevens verkregen die inzicht geven in het optreden van ziekenhuisinfecties en risicofactoren bij patienten op de Intensive Care. Deelnemende ziekenhuizen kunnen deze gegevens als referentiegegevens gebruiken. Omdat validatie enigszins beperkt is gebleven en de gegevens tot nu toe gebaseerd zijn op een relatief beperkt aantal IC's, moeten deze cijfers echter vooral als richtinggevend worden beschouwd en niet als een landelijk geldende norm.
Jaar: 2000 Onderzoek Documenten: 1

Detectie van Norwalk-like calicivirussen en rotavirussen in rioolwater in relatie tot explosies van gastro-enteritis | RIVM

In dit rapport worden moleculaire detectiemethoden beschreven voor het aantonen van Norwalk-like calicivirus (NLV) en rotavirus RNA in rioolwaterconcentraten, inclusief de toepassing bij het volgen van explosies van virale gastro-enteritis. Het concentreren van de virussen werd uitgevoerd met behulp van een klassieke filter adsorptie-elutie methode gevolgd door een twee-fase-scheidingsmethode, waarna NLV en rotavirus met behulp van 'reverse transcriptase polymerase chain reaction' (RT-PCR) werden aangetoond. NLV werd aangetroffen in alle rioolwaters die nabij de explosie-locatie bemonsterd werden. Fylogenetische analyse van de nucleotide sequenties van de PCR producten toonde aan dat de in patienten aangetroffen NLV-typen identiek waren aan de typen gevonden in het rioolwater. Bij twee van deze locaties werd ook rotavirus RNA in het rioolwater aangetroffen.NLV werd aangetroffen in 10, en rotavirus in 7 van de 11 vervolgmonsters. Na klonering van de RT-PCR producten werden verschillende typen NLV aangetroffen in 1 monster, wat aangeeft dat er verschillende NLV-typen gelijktijdig kunnen circuleren in Nederland.De hoeveelheid virus in de monsters werd geschat door 10-voudige verdunningen te testen met behulp van RT-PCR. Relatief hoge NLV concentraties werden aangetroffen met maximaal tot de 10-7 verdunning positief voor de aanwezigheid van NLV RNA. Deze resultaten suggereren dat er een potentieel risico is voor wateroverdraagbare transmissie van NLV en rotavirus. Ongeveer 6 maanden na de explosie werd NLV nog steeds aangetroffen in het rioolwater, wat aangeeft dat NLV in het milieu een potentiele besmettingsbron kan zijn. Tevens suggereren deze resultaten dat de ziektelast van NLV en rotavirus in relatie tot gastro-enteritis wel eens hoger zou kunnen zijn in de algemene Nederlandse populatie dan tot nu toe werd aangenomen op basis van de gemelde explosies.
Jaar: 2000 Onderzoek Documenten: 1

Naar een vaccinatieprogramma voor Nederland in de 21ste eeuw | RIVM

Er wordt een visie gepresenteerd voor een toekomstig vaccinatiebeleid in Nederland. De volgende vier onderwerpen worden komen aan de orde. (i) Verbetering van het huidige rijksvaccinatieprogramma (RVP). Handhaving en verbetering van de kwaliteit van het RVP vergt inspanning m.b.t. effectiviteit, veiligheid en bijwerkingen, vaccinatieschema's, (her)vaccinatie van ouderen en de uitroeiing van polio. (ii) Mogelijke opname in het RVP van nieuwe vaccins of vaccins die waarschijnlijk voor 2010 beschikbaar zijn. Twaalf kandidaat vaccins werden geanalyseerd m.b.t. voorkombare ziektelast, kosteneffectiviteit en haalbaarheid van inpassing in het RVP. Op basis van de analyse werden de vaccins beoordeeld als geschikt of minder geschikt voor opname in het RVP. Daarnaast werden voorstellen voor actie geformuleerd. (iii) Vaccins in een vroeg stadium van ontwikkeling en mogelijk beschikbaar tussen 2010 en 2020. Vijf vaccins uit deze groep lijken relevant voor de Nederlandse volksgezondheid. De voortgang op dit terrein moet gevolgd worden. Actieve participatie m.b.t. combinatievaccins en andere dan parenterale toedieningsvormen is van belang. (iv) Activiteiten van belang voor handhaving van een succesvol RVP.
Jaar: 2000 Onderzoek Documenten: 1

Toepassing en gezondheidsrisico's van amusementslasers | RIVM

De aard en omvang van lasertoepassingen voor amusementsdoeleinden is geinventariseerd om na te gaan of en zo ja in welke mate gebruik van lasers voor shows en in pretparken en discotheken leidt tot gezondheidsrisico's voor het publiek. Bij de vier showproducenten die de Nederlandse markt domineren, stonden in 1999 in totaal 45 lasers. Het aantal shows per producent per jaar varieert van 20 tot 450. Het aantal bezoekers per show bedraagt 20 tot 350.000. Voor lasershows worden hoofdzakelijk klasse-4 lasers toegepast, die bij onoordeelkundig gebruik risico's voor het publiek kunnen opleveren. Incidenten komen in Nederland uiterst zelden voor. Veiligheidsmaatregelen die door lasershowproducenten worden getroffen, betreffen onder andere het afschermen van de bundel door een sluiter bij een technische storing. In tegenstelling tot het buitenland, bestaat er in Nederland geen regelgeving voor het geven van lasershows en het waarborgen van de laserveiligheid voor het publiek en de luchtvaart. Uit metingen van derden is gebleken dat bij het richten van laserbundels in het publiek ('audience scanning') maximaal toegelaten niveaus kunnen worden overschreden. Een recent gestart Engels onderzoek moet uitsluitsel geven over de vraag of voor deze toepassing aanvullende veiligheidsmaatregelen wenselijk zijn.
Jaar: 2000 Onderzoek Documenten: 1

Prestatiekenmerken en validatie van anionchromatografische analyses in verschillende matrices | RIVM

Dit rapport beschrijft de resultaten van het onderzoek naar de prestatiekenmerken van een geautomatiseerde ionchromatografische methode voor de gelijktijdige bepalingen van eerdere anionen in diverse typen water. De micro-bore gradient methode is voorzien van een on-line eluens generator en een microbore suppressor in de recycling mode. Onder andere de terugvinding, de standaardafwijking van de herhaalbaarheid en de juistheid in grond- en regenwater zijn vastgesteld. De procentuele variatiecoefficienten voor chloride in het meetbereik tussen 1,2 en 12 mmol/l, nitraat tussen 0,2 en 2 mmol/l, sulfaat tussen 0,1 en 1,2 en bromide tussen 0,05 en 0,5 mmol/l zijn beter dan 0,9 %. Voor nitriet bedragen deze waarden bij 10 umol/l en 100 umol/l respectievelijk 3,4 en 0,67 %. De aantoonbaarheidsgrenzen voor chloride, nitraat, nitriet, sulfiet, sulfaat, en bromide bedragen 2 umol/l. De toepasbaarheid van de methode is getoetst in diverse matrices, zoals regenwatermonsters, drinkwatermonsters, een CRM, grondwatermonsters en extracten van luchtfilters. De resultaten van ionchromatografische analyses van verschillende systemen in diverse matrices zijn vergeleken. Voorbehandeling is voor de meeste analyses niet noodzakelijk. Het onderzoek werd verricht in de periode januari 1999 tot februari 2000.
Jaar: 2000 Onderzoek Documenten: 1

Dutch DisMod for several types of cancer | RIVM

Om te komen tot consistente verzamelingen van invoergegevens voor dynamische modellen van verschillende belangrijke vormen van kanker, hebben we de consistentie geanalyseerd van gegevens over incidentie, prevalentie en sterfte. Het gebruikte model betreft een zogenaamd 'two-state' transitiemodel. Dit model beschrijft de prevalentie en ziekte-specifieke sterfte van een cohort over de tijd als functie van de incidentie en ziekte-gerelateerde 'excess' sterfte. Regionale prevalentie- en overlevingsgegevens waren afkomstig van IKZ, landelijke incidentiegegevens van NKR, en landelijke geregistreerde sterftecijfers van CBS. We hebben de analyses uitgevoerd voor long-, endeldarm-, dikke darm, maag-, slokdarm-, borst- en prostaatkanker. De berekende en empirische prevalentiecijfers kwamen telkens goed overeen, behalve voor longkanker (vrouwen), borst- en prostaat-kanker. We hebben verschillende mogelijke verklaringen voor deze verschillen gevonden. Deze verklaringen waren: dubbeltellingen in geval van multipele tumoren, verschillen tussen regionale en landelijke ziektecijfers, en trends over de tijd in de incidentie. Correctie hiervoor leidde inderdaad tot kleinere verschillen voor de genoemde kankervormen.Ook de berekende en empirische sterftecijfers kwamen telkens goed overeen. Uitzonderingen hierop waren de minder letale vormen van kanker, i.e. endeldarm- en borstkanker. Hier werd de empirische sterfte overschat. Naast de drie eerdergenoemde mogelijke verklaringen kunnen hier ook concurrerende doodsoorzaken een rol spelen. Deze verklaring is voor de twee genoemde kankervormen ook in de literatuur teruggevonden.
Jaar: 2000 Onderzoek Documenten: 1

Emissie en verspreiding van geur en toxische stoffen in de omgeving van de Tweede en Derde Merwedehaven te Dordrecht en de hiermee samenhangende gezondheidsaspecten | RIVM

Klachten en bezorgdheid van omwonenden over mogleijke effecten op de gezondheid vormen de aanleiding voor uitgebreide studie naar de emissies in een industrigebied in Dordrecht. In dit gied zijn een stortplaats voor industrieel afval, een chemische fabriek, een vuilverbrandingsinstallatie, een waterzuiveringsinstallatie en diverse andere industrien gevestigd, welke vnl. vluchtige organische verbindingen (VOCs), resten van de vuilverbranding, geuren (zoals H2S) en zware metalen uitstoten. Als een eerste stap zijn de gemeten emissiegegevens gebruikt voor berekeningen met behulp van verspreidingsmodellen; de resultaten van de verspreidingsberekeningen en van de metingen zijn en onderling en met gezondheidskundige grenswaarden en achtergrondconcentraties vergeleken. Bovendien werd een monitoringsprogramma gestart waarin tijdsgemiddelde gehalten van verschillende relevante componenten in de lucht per uur en over een langere termijn werden bepaald. De resultaten zijn in de eerste plaats gebruikt om de technische aannames in het verspreidingsmodel te onderbouwen. De belangrijkste conclusies waren 1: dat de resultaten van zowel de metingen als van de berekeningen met behulp van verspreidingsmodellen lieten zien dat blootstellingniveaus van uitgestoten contaminanten ver onder de internationale richtlijnen voor de preventie van effecten op de gezondheid op lange termijn liggen; 2) dat modelberekeningen van geurconcentraties laten zien dat geurhinder niet uitgesloten kan worden ondanks voorgaande technische maatregelen om de emissies van de stortplaats te verminderen. Het is denkbaar dat de huidige gezondheidsklachten van de blootgestelde bevolking zijn ontstaan in perioden met ernstige geurhinder in het verleden.
Jaar: 2000 Onderzoek Documenten: 1

Iron deficiency and overload in relation to nutrition | RIVM

De ijzer inneming via de voeding in Nederland is geevalueerd waarbij zowel ijzertekort als ijzerstapeling in de beschouwing zijn betrokken. De gemiddelde dagelijkse ijzerinname en de ijzerstatus in Nederland lijken voldoende, zodat geen reden bestaat het voedingsbeleid t.a.v. ijzer te veranderen. De volgende aspecten en ontwikkelingen verdienen echter de aandacht. IJzer - een essentieel spoorelement - is nodig voor zuurstoftransport, cognitieve ontwikkeling van kinderen en verschillende enzymatische processen. De prevalentie van ijzerdeficientie is waarschijnlijk veel lager dan momenteel wordt aangenomen. De oorzaak van de algemene overschatting van ijzerdeficientie is enerzijds de incorrecte vergelijking van de aanbevolen dagelijkse hoeveelheden met de gemiddelde dagelijkse inname en anderzijds het gebruik van minder geschikte laboratoriumtests voor het vaststellen van echte ijzerdeficientie. De prevalentie van ijzerstapeling is groter dan momenteel wordt aangenomen. Ongeveer 10% van de bevolking is heterozygoot voor de C282Y mutatie die kan leiden tot hemochromatose, een erfelijke ijzerstapelingsziekte. IJzerstapeling is een bewezen risicofactor voor hart- en vaatziekten. Recent is aangetoond dat met name C282Y heterozygote mannen (vanaf 20 jaar) en vrouwen (vanaf 50 jaar) een sterk verhoogd risico hebben. Een hoge concentratie niet-geabsorbeerd ijzer in de darm geeft mogelijk een verhoogde kans op darmkanker. IJzersupplementatie aan voedingsmiddelen is hierdoor niet aan te raden totdat de risico's van ijzerstapeling zijn vastgesteld, aangezien ijzerstapeling ook in de algemene bevolking geassocieerd is met een verhoogd risico op verschillende chronische ziekten.
Jaar: 2000 Onderzoek Documenten: 1

PREZIES: PREventie van ZIEkenhuisinfecties door Surveillance. Deelcomponent postoperatieve wondinfecties III, 1997-1999 | RIVM

In de periode van januari 1995 - december 1999 hebben 65 ziekenhuizen gegevens geregistreerd over 72.720 operaties waarbij 2.493 postoperatieve wondinfecties ontstonden. Voor 14 operatiegroepen en 88 ingrepen is de nncidentie van wondinfecties bepaald. De infectiepercentages voor afzonderlijke ingrepen liepen uiteen van 0% voor diverse operaties tot 14,4% voor dunne darmresecties. Bij 1.376 van de 2.493 infecties (55%) zijn in totaal 2.025 micro-organismen gerapporteerd. Bij infecties na een schone ingreep werden Staphylococcus species het meest geisoleerd. Bij overige infecties was dit Escherichia coli, gevolgd door Enterococcus species en Staphylococcus aureus.
Jaar: 2000 Onderzoek Documenten: 1

Kosteneffectiviteit van vaccinatie tegen pneumokokken en meningokokken infecties bij kinderen | RIVM

Doel: Het vaststellen van de programmakosten, monetaire baten en "quality adjusted" gewonnen levensjaren, verbonden aan volgende vaccinatiestrategieen: vaccinatie van jonge kinderen met een geconjugeerd pneumokokken vaccin en vaccinatie van jonge kinderen met een meningokokken B vaccin. De vaccins die geevalueerd worden zijn een 7-valent geconjugeerd pneumokokken vaccin en een 6-valent meningokokken buitenmembraaneiwit vaccin. Data & Methode: Een epidemiologisch model is ontwikkeld en gekoppeld aan economische data. Alle analyses zijn gedaan vanuit een maatschappelijk perspectief. In de basisanalyse worden alleen directe kosten meegenomen. In de gevoeligheidsanalyse is een berekening van de indirecte kosten gemaakt volgens de frictie-kosten methode. Zowel toekomstige kosten als gezondheidseffecten worden verdisconteerd met 4%. De studies zijn uitgevoerd volgens de richtlijnen voor farmaco-economisch onderzoek van de ziekenfondsraad. Resultaten. Het aantal gewonnen QALY door interventie bedraagt voor het pneumokokken vaccin 229 en voor het meningokokken vaccin 480. Door pneumokokken vaccinatie kan per jaar 8 sterfgevallen en 8 gevallen van ernstig blijvend letsel voorkomen worden. Meningokokken vaccinatie voorkomt per jaar 19 sterfgevallen en 8 gevallen van ernstig blijvend letsel. De kosten van de vaccinatieprogramma's bedragen 12.201.569 euro per jaar voor het pneumokokken vaccin en 9.115.711 euro per jaar voor het meningokokken vaccin. De kosteneffectiviteitratio's bedragen in de basisanalyse 38.440 euro per QALY voor het pneumokokken vaccin en 11.407 euro per QALY voor het meningokokken vaccin Conclusie: Zowel meningokokken als pneumokokken vaccinatie bij jonge kinderen heeft een, in vergelijking met grenswaarden die in internationale publicaties gehanteerd worden, acceptabele kosteneffectiviteitsratio.
Jaar: 2000 Onderzoek Documenten: 1

Comparative studies of the chemiluminescent horseradish peroxidase-catalysed peroxidation of acridan (GZ-11) and luminol reactions: effect of pH and scavengers of reactive oxygen species on the light intensity of these systems | RIVM

Comparative studies of the chemiluminescent horseradish peroxidase-catalysed peroxidation of acridan (GZ-11) and luminol reactions: effect of pH and scavengers of reactive oxygen species on the light intensity of these systems | RIVM
Jaar: 2000 Onderzoek

Alternative Policy Study: Environment and energy in Europe and Central Asia 1990-2010. Energy-related environmental impacts of policy scenarios GEO-2000 alternative policy study | RIVM

Deze GEO-2000 studie naar alternatief beleid voor Europa en Centraal Azie is gericht op energie als een belangrijke kracht achter milieuproblemen in de hele regio. De studie heeft betrekking op klimaatverandering, verzuring, zomersmog, stedelijke luchtverontreiniging en het risico op dodelijke ongevallen door kerncentrales. De analyse omvat de effecten op biodiversiteit en volksgezondheid. De centrale vraag is wat er kan worden bereikt met gematigde maatregelen, en of dat voldoende is. Soortgelijke rapporten zijn in het kader van GEO-2000 ook opgesteld voor regio-specifieke problemen elders op de wereld. Dit rapport bevat de algemene methode-beschrijving daarvoor.
Jaar: 2000 Onderzoek Documenten: 1

Schets van de knelpunten in de luchtkwaliteit in Nederland | RIVM

In 2001 moet de nieuwe EU-regelgeving voor de luchtkwaliteit in Nederland zijn geimplementeerd. In het kader van het VROM-project 'Plan van Aanpak Stedelijke Luchtkwaliteit' vindt afstemming over de taken plaats tussen de verschillende overheidslagen. Ter ondersteuning van de implementatie zijn de huidige en toekomstige (2010) knelpunten in de luchtkwaliteit in Nederland en de daaraan gekoppelde gezondheidseffecten beschreven. NO2 is in de Randstad in de stedelijke achtergrond en zelfs hier en daar erbuiten een knelpunt. PM10 ligt in de regionale achtergrond in de zuidelijke helft van Nederland en in de stedelijke achtergrond in zuid Nederland en de Randstad boven de norm. Voor beide stoffen geldt dat in 2010 naar verwachting deze knelpunten zijn opgelost. Zoals te verwachten komen de grootste knelpunten voor bij drukke wegen en straten in de stedelijke omgeving. Er zijn normoverschrijdingen voor NO2, PM10, zwarte rook, CO, benzeen en B(a)P. Met uitzondering van NO2 en PM10 zullen deze in 2010 naar verwachting niet meer voorkomen. Gezien de overschrijding van grenswaarden kan worden geconcludeerd dat blootstelling aan de huidige niveaus ook gezondheidsrisico's voor de bevolking inhoudt. Echter ook beneden de norm kunnen nog gezondheidsrisico's optreden. Doordat de concentraties afnemen verminderen de gezondheidsrisico's.
Jaar: 2000 Onderzoek Documenten: 1

Milieubalans 2000. Het Nederlandse milieu verklaard | RIVM

Het Milieu- en Natuurplanbureau publiceert jaarlijks een Milieubalans. Dit boekt beschrijft de toestand van het milieu en de samenhang tussen de toestand van het milieu en het gevoerde beleid. De volgende hoofdstukken staan in deze milieubalans: Dertig jaar Milieubeleid; Energiegebruik en Klimaatverandering; Grensoverschrijdende luchtverontreiniging; Het milieu in het landelijk gebied; De mens in de stedelijke leefomgeving. Als bijlage worden onder andere de emissies per thema per doelgroep gegeven. Deze Milieubalans gaat speciaal in op de afweging tussen milieu en economie. De consument profiteert van de hoge economische groei van de afgelopen jaren. Door de welvaartsontwikkeling blijft de energiebehoefte, met name voor elektriciteit en mobiliteit, stijgen. De groeiende energiebehoefte heeft in 1999 niet geleid tot een stijgende CO2 -emissie. Die is voor het eerst sinds jaren gedaald, met ongeveer 2% ten opzichte van 1998. De belangrijkste verklaring is de toegenomen import van elektriciteit uit het buitenland; een gevolg van de liberalisering van de Europese energiemarkt.
Jaar: 2000 Onderzoek Documenten: 1

Pilotstudie naar een beleidsmonitoringsysteem voor straling (BMS) | RIVM

In 1997 heeft het Laboratorium voor Stralingsonderzoek in opdracht van de afdeling Straling, Nucleaire en Bioveiligheid van het ministerie van VROM onderzocht hoe een informatiesysteem voor het monitoren van de stralingshygienische situatie in Nederland en de invloed van het stralingshygienisch beleid daarop gerealiseerd zou kunnen worden. In eerste instantie gaat het om het monitoren van het milieubeleid dat op de bescherming van leden van de bevolking is gericht. In tweede instantie bestaat het stralingshygienisch beleid uit het arbeidshygienisch beleid van het ministerie van SZW en het beleid van het ministerie van VWS dat is gericht op bescherming van personen die met straling medisch worden onderzocht of behandeld. De belangrijkste aanbevelingen uit de definitiestudie uit 1997 zijn verder uitgewerkt en de resultaten zijn in het voorliggende pilotstudierapport vastgelegd: het verkennen van de bronnen van informatie en het maken van afspraken met leveranciers van nodige gegevens. De eisen en wensen van vertegenwoordigers van zowel beleidsdirecties als inspecties van de drie ministeries zijn door middel van interviews geinventariseerd. Daarnaast heeft enkele malen plenair overleg met deze vertegenwoordigers plaatsgevonden. Vervolgens zijn diverse informatiebronnen die voor de gewenste beleidsmonitoring van belang zijn, diepgaand onderzocht. Bovendien zijn van enkele typische bronnen van straling gedetailleerde gegevens verzameld en bewerkt. Een van de conclusies uit de interviews is dat het systeem zich moet beperken tot de door menselijk handelen verhoogde stralingsbelasting. Deze stralingsbelasting is deels wel en deels niet beinvloedbaar door beleidsmaatregelen en er is niet voor alle stralingsbelasting ook daadwerkelijk beleid geformuleerd of een voornemen om dit te gaan doen. Een andere conclusie is dat voor gegevens over feitelijke emissies de vergunninghouders zelf benaderd zouden moeten worden. Geadviseerd wordt om vooralsnog geen groot geautomatiseerd systeem te gaan ontwerpen, maar om meer ervaring op te doen met aparte gegevensverzamelingen per categorie van bronnen om de verzamelde gegevens op te slaan en te bewerken. Het is de bedoeling om eind 2000 een eerste versie van het jaarrapport 'beleidsmonitoring straling' gereed te hebben.
Jaar: 2000 Onderzoek Documenten: 1

Wachtlijstontwikkelingen in de verstandelijk gehandicaptenzorg - technische achtergrondrapportage | RIVM

Dit rapport is een vervolg op een eerder verschenen publicatie (nr. 432506002) en gaat in op de technische achtergrond van een model van de wachtlijst voor wonen in de zorg voor verstandelijk gehandicapten. Het rapport beschrijft de modelstructuur, de analyse van de gegevens, het uitvoeren van parameterschattingen en onzekerheidsanalyse en geeft tevens de resultaten in detail. Het model is een recursief niet-lineair model. De bezetting van de wachtlijst en de instellingen, de in- en uitstroom van de wachtlijst en de sterfte en ontslag uit instellingen wordt geslacht-, leeftijd- en handicapspecifiek berekend. Een onzekerheidsanalyse is uitgevoerd in de vorm van parametervariaties met behulp van de Monte Carlo techniek. Het model is gevoelig voor de instroom in de wachtlijst, maar met name voor de uitstroom naar een 'overige' zorgvorm. Om meer betrouwbare modelberekeningen te maken is het noodzakelijk dat er meer volledige en betrouwbare gegevens beschikbaar komen. Het ontbreken van handicapspecifieke getallen in de wachtlijstregistratie en het feit dat realisaties niet adequaat worden teruggekoppeld naar de wachtlijstregistratie heeft de parameterschattingen bemoeilijkt. Het invoeren van een uniek clientennummer in de zorg zou het koppelen van deze registraties en de constructie van een wachtlijst-stroommodel aanzienlijk vereenvoudigen.
Jaar: 2000 Onderzoek Documenten: 1

Environmental risk assessment for veterinary medicinal products. Part 2. The phase 1 assessment for immunological products. Report on the workshop 23-9-1998 | RIVM

In het rapport wordt een voorstel gedaan voor een vereenvoudigde Fase 1 benadering voor immunologische diergeneesmiddelen. Dit schema is ontworpen omdat bleek dat de bestaande guidance van de EMEA te ingewikkeld en te arbeidsintensief was om efficient tot beslissingen over de aanvaardbaarheid van middelen met een laag risico te komen.
Jaar: 2000 Onderzoek Documenten: 1

The safety of donor skin preserved with glycerol - Evaluating the Euro Skin Bank preservation procedures of human donor skin against the prEN 12442 standard | RIVM

De procedures voor de preservatie van humane donorhuid zoals die worden toegepast door de Euro Skin Bank (ESB) zijn geevalueerd met behulp van de Europese standaard prEN 12442: "Dierlijke weefsels en daarvan afgeleide producten die voor de vervaardiging van medische hulpmiddelen worden gebruikt". Dit overzicht heeft zich gericht op de risico's betreffende de overdracht van ziekte. Eerst werden productgerelateerde gevaren geidentificeerd en vervolgens werden de hieraan verbonden risico's en de beheersmaatregelen hiervoor van de ESB besproken. Verder werd geevalueerd of de overblijvende risico's accepteerbaar zijn door de risicoverlagende maatregelen te vergelijken met de eisen in de volgende standaarden: prEN 12442, EN 1441, EN 1174 en ISO 14160. De conclusies geven aan dat de ESB-procedures op dit moment niet aan alle eisen van deze standaarden voldoen. Met behulp van de geconstateerde tekortkomingen is vervolgens een validatieplan opgesteld, dat overwegingen en suggesties ten aanzien van proces-definitie en -beheersing en de beoordeling van bacteriologische en virologische inactivatie en/of eliminatie bevat. Implementatie van dit plan zou ertoe moeten leiden dat de procedures volledig aan de standaarden gaan voldoen.
Jaar: 2000 Onderzoek Documenten: 1

Externe straling van bouwmaterialen: Resultaten van MARMER-berekeningen aan een referentiewoning | RIVM

In het kader van het Nederlandse radonbeleid wordt de zogenaamde Stralingsprestatienorm (SPN) ontwikkeld. De stralingsprestatie (SP) van een verblijfsruimte of -gebied is het resultaat van een berekening volgens de SPN. Onderdeel van de SPN is een berekening van het dosistempo door externe straling. In de discussies over noodzakelijke vereenvoudigingen in de berekeningen bestaat er behoefte aan schattingen van de werkelijke bijdrage aan het dosistempo door externe straling afkomstig van bouwmaterialen. Twee vragen spelen daarbij een belangrijke rol. Hoe beinvloeden het type en de afmetingen van de bouwelementen het dosistempo? En welke onderdelen van de woning dragen wel en welke nauwelijks bij aan het dosistempo in bepaalde ruimten? Dit rapport bevat de resultaten van gedetailleerde berekeningen met het model MARMER voor diverse varianten van een referentiewoning. Uit berekeningen waarbij het type bouwmateriaal en de dikte van een tussenmuur tussen twee slaapkamers is gevarieerd, blijkt dat de tussenmuur ongeveer evenveel straling, afkomstig van wanden uit aangrenzende ruimten, afschermt als de muur zelf aan het totale dosistempo toevoegt. Tussen 20 en 30% van het dosistempo wordt door bouwmaterialen in andere ruimten veroorzaakt. Indien ook naastgelegen woningen zouden worden meegenomen, zou dat voor de meeste varianten slechts een toename van het dosistempo met naar schatting 5% betekenen. Voor de variant waarin veel hout is verwerkt, zou dit echter aanzienlijk meer kunnen zijn.
Jaar: 2000 Onderzoek Documenten: 1

Toxicity of Ambient Air PM10. A critical review of potentially causative PM properties and mechanisms associated with health effects | RIVM

Dit rapport bevat een evaluatie van studies gericht op buitenlucht fijn stof (PM) toxiciteit, deeltjeshypotheses en mechanismen, teneinde causaliteit en plausibiliteit van acute gezondheidseffecten beter te begrijpen. Mechanistische studies met hoge doses wijzen uit dat PM 1) oxidatieve ontstekingsreacties induceert en 2) cardiorespiratoire funkties vermindert, hetgeen biologisch plausibel lijkt met verergering van aandoeningen als mechanisme. PM oppervlakte-reactiviteit wordt belangrijker gevonden dan PM massa, hetgeen suggereert dat de antropogene (roethoudende) fijne PM fractie belangrijk is. De zeer beperkte gegevens uit inhalatie studies met lage PM doses ondersteunen dit vermoeden. De grovere ("coarse") PM fractie zou ook nog belangrijk kunnen zijn, met name daar waar het effecten in de hogere luchtwegen betreft, zoals verergering van astma. Een rol voor secundaire PM componenten (sulfaat, nitraat) of ultrafijn PM, op de niveaus zoals ze in de buitenlucht voorkomen, is nog niet duidelijk aangetoond. Studies suggereren ook dat mengsels van PM en gassen zoals ozon tot meer toxiciteit leidt dan op grond van de afzonderlijke componenten verwacht kan worden. De huidige dosimetrie modellen voorspellen dat (oudere) mensen met cardiorespiratoire aandoeningen een grotere dosis kunnen binnenkrijgen. De laatste jaren zijn studies naar de toxiciteit van PM toegenomen. De huidige gegevens hebben echter nog niet geresulteerd in voldoende bewijs om overtuigende aanwijzingen te kunnen geven over 1) een specifiek belangrijke en causale rol voor een bepaalde PM fractie of samenstelling en 2) mechanismen die PM gezondheidseffecten in personen die tot risicogroepen worden gerekend plausibel kunnen verklaren.
Jaar: 2000 Onderzoek Documenten: 1

An overview of adverse health effects caused by mycotoxins and bioassays for their detection | RIVM

Blootstelling aan (toxische metabolieten van) schimmels vormt een bedreiging voor de gezondheid van mens en dier. Met een risico-analytische benadering kan een inschatting gemaakt worden van het werkelijke risico op negatieve gezondheids-effecten. In een eerder verschenen rapport (RIVM-rapport 257852 002) worden in het kader van een gevaren analyse de schimmel genera Aspergillus, Penicillium, Fusarium en Alternaria genoemd als de meest belangrijke genera in verband met besmetting van granen en graanproducten. Dit rapport bevat, als onderdeel van een karakterisering van het gevaar, een overzicht van negatieve gezondheids-effecten bij mens en dier veroorzaakt door mycotoxinen afkomstig van schimmels van eerder genoemde genera. Aangezien geen kwantitatieve toxicologische gegevens zijn opgenomen kan niet worden gesproken van een volledige karakterisering van het gevaar. De Fusarium toxinen fumonisinen en trichothecenen worden heden ten dage uitgebreid bestudeerd. Door de grote hoeveelheid experimentele gegevens is de aandacht voor deze twee groepen toxinen in dit rapport relatief groot. Het grootste deel van de aandoeningen die door mycotoxinen bij dieren veroorzaakt worden is min of meer uitgebreid bestudeerd in dier-experimenten. Bij de mens wordt slechts een klein aantal aandoeningen aan mycotoxinen toegeschreven, hoewel soms het bewijs daarvoor niet onomstotelijk geleverd is. Zodoende vergt het achterhalen van de invloed van mycotoxinen op humane gezondheid nog veel onderzoek. Biologische test systemen (bioassays) kunnen uitkomst brengen bij dergelijk onderzoek. In dit rapport wordt zodoende tevens een niet uitputtend overzicht gegeven van de voorhanden zijnde bioassays. De meeste van dergelijke assays zijn bedoeld om kwalitatief schadelijkheid van een chemische verbinding vast te stellen en niet om specifieke effecten te registreren. Daartoe zullen andere test systemen moeten worden ontwikkeld.
Jaar: 2000 Onderzoek Documenten: 1

Deposition of acidifying components and base cations in Germany in the period 1987-1995 | RIVM

Dit rapport beschrijft de resultaten van het het project 'Depositie van verzurende componenten en basische kationen in Duitsland in de periode 1987-1995', dat door het RIVM, TNO en SC-DLO werd uitgevoerd in opdracht en ten laste van het Duitse 'Umweltbundesamt' (UBA). Hoofdproducten van het onderzoek zijn ruimtelijk gedetailleerde schattingen (5x5 km) van droge depositie in Duitsland van verzurende stoffen. Na combinatie met (gemeten) natte depositiewaarden kunnen hiermee overschrijdingen van kritische depositiewaarden worden bepaald. De droge depositiewaarden zijn berekend met het EDACS model (European Deposition of Acidifying Components on a Small scale) welk uitgaat van gemodelleerde concentraties in buitenlucht (vnl. uit het EMEP model) en deze combineert met lokale, meteo- en landgebruikafhankelijke, droge depositiesnelheden. De beschreven studie is een uitbreiding van een project dat in 1996 werd uitgevoerd. De volgende aspecten werden verbeterd c.q. nader onderzocht: a. De verdeling van NH3 concentraties in Duitsland werd berekend met het EUTREND model met een 5x5 km resolutie. b. Een aantal concepten om wolkendepositie te introduceren in het bestaande modelconcept zijn onderzocht. c. De schattingen van 'canopy' uitwisseling voor boslocaties in Duitsland (67 sites) werden gerelateerd aan lokaal gemeten grootheden om betere inzichten in de procesparameters te krijgen. Hoge basische kationendepositie komt voor in het oosten van Duitsland. De hoogste droge depositie van potentieel zuur werd berekend voor Saksen (tot 15000 eq ha-1 y-1), terwijl de hoogste droge depositie van stikstof werd berekend voor het gebied Bremen (tot 2100 eq ha-1 y-1). Droge depositie van SOx, NOy, NHx en potentieel zuur verminderde in de periode 1993-1995 vergeleken met de periode 1987-1989 met respectievelijk 36%, 13%, 21% en 31%. De vermindering in potentieel zuur was het grootst in Saksen: 43% en het kleinst in Baden-WPrttemberg: 12%. Droge depositie van (zeezoutinvloed gecorrigeerde) Ca2+, K+, Mg2+ en basische kationen verminderde tussen deze twee perioden met respectievelijk 42%, 24%, 65% en 43%. Uit vergelijkingen met metingen (voornamelijk doorval) volgt dat de gemodelleerde droge depositie van NHx, Mg2+, Ca2+ and K+ niet significant verschilt van gemeten droge depositie. De spreiding is echter aanzienlijk. Het EDACS model geeft een overschatting van de droge depositie van SOx, NOy en Na met factoren van respectievelijk 2.15, 1.58 and 1.75. De voornaamste oorzaak hiervan voor SOx is de te hoge SO2 luchtconcentratie die het EMEP model berekent. Teneinde een meer realistische droge depositieschatting te krijgen is daarom achteraf voor deze stof een correctie uitgevoerd op basis van gemeten luchtconcentraties in Duitsland.
Jaar: 2000 Onderzoek Documenten: 1

Evaluatie ammoniak emissieredukties met behulp van metingen en modelberekeningen | RIVM

Ammoniakemissies worden in Nederland bepaald volgens een methode waarbij statistische gegevens over de veestapel worden gecombineerd met emissiefactoren per diersoort, staltype en gebruikte mestaanwendingstechniek. In de Milieubalans van 1997 is geconstateerd dat aldus verkregen ammoniakemissies in de periode 1990-1997 met 35 % dalen. In de gemeten concentraties van ammoniak in de buitenlucht wordt echter geen daling waargenomen. Dit rapport doet verslag van het onderzoek dat sindsdien is uitgevoerd om de verschillen in kaart te brengen en de oorzaken te verklaren. De gevolgde werkwijze bestaat uit een analyse van de diverse metingen, een nadere analyse van relevante atmosferische processen en daaruit volgend een betere modelbeschrijving en tenslotte - uit de combinatie van metingen en modelberekeningen - een analyse van hoe het gat tussen metingen en emissies kan worden gesloten. Het hier toegepaste en verbeterde model is het OPS-model. De periode waarop het onderzoek zich heeft geconcentreerd is 1993-1997, omdat voor deze periode een consistente set metingen beschikbaar was. In de beschouwde periode waren de jaren 1995, 1996 en 1997 betrekkelijk droge jaren met relatief lage windsnelheden t.o.v. 1993. Hierdoor was de concentratie van ammoniak relatief hoog. Dit gecombineerd met een verminderde omzetting onder invloed van dalende SO2 concentraties zorgt ervoor dat, ondanks een constant niveau van gemeten ammoniakconcentraties, in de periode tussen 1993 en 1997 zich toch een emissiedaling van 12% kan hebben voorgedaan. Op basis van de verspreidingseigenschappen van verschillende emissiesoorten (stal, aanwending, kunstmest, buitenland en overig), de ruimtelijke verdeling over Nederland en de temporele verdeling over het jaar is geanalyseerd bij welke verandering van emissies de overeenstemming tussen metingen en modelberekeningen optimaal is. In alle gevallen blijkt dat verhoging van emissies van het type aanwending tot een betere overeenstemming leidt. De verhogingsfactoren die hier uit volgen liggen in het bereik van 2 tot 8, met een factor 3 als de meest waarschijnlijke. Een betere overeenstemming met metingen kan bij enkele van de uitgevoerde optimalisaties ook worden gevonden wanneer wordt verondersteld dat de droge depositiesnelheden in droge en warme situaties veel lager is dan tot nu toe aangenomen of zelfs negatief (emissie) is. Vooralsnog kan worden gesteld dat het ammoniakbeleid tot minder emissiereductie heeft geleid dan tot nu toe werd aangenomen. Uit de combinatie van metingen en modelberekeningen kan worden geconcludeerd dat in de periode 1993-1997 slechts 45-70% van de eerder berekende reductie heeft plaatsgevonden. Een verdere verklaring van nog resterende verschillen tussen metingen en berekeningen vereist nader onderzoek naar emissies van mest en met name van die van tengevolge van aanwending. In termen van de atmosferische processen bevat het droge depositieproces nog grote onzekerheden. Systematische monitoring van de droge depositiesnelheden voor dominante landgebruiksoorten (gras) zou daarvoor een oplossing bieden. Daarnaast zouden gerichte ammoniakconcentratiemetingen moeten worden uitgevoerd om de situatie in delen van Nederland beter in kaart te brengen.
Jaar: 2000 Onderzoek Documenten: 1

Hoorhulpmiddelen; historische ontwikkelingen en toekomstverwachtingen | RIVM

Dit rapport naar de stand van zaken en toekomstige medisch-technologische ontwikkelingen vormt een onderdeel van de Volksgezondheid Toekomst Verkenning 2002 van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu. De luchtgeleidings-hoortoestellen, de bekende hoortoestellen in of achter het oor, zijn de afgelopen tien jaar kleiner geworden. Winst valt nog te halen als het gaat om richtingshoren, het voorkomen van rondzingen en het onderdrukken van achtergrond-geluiden. Dit wordt vooral mogelijk gemaakt door de opkomst van de digitale techniek. Het aantal dragers van hoortoestellen zal de komende 20 jaar met 40% toenemen. Een extra stijging van enige tientallen procenten is niet uit te sluiten. Sinds 10 jaar worden in Nederland cochleaire implantaten toegepast, waarmee doven via de afgifte van pulsen in het slakkenhuis (cochlea) weer geluid kunnen waarnemen. De resultaten van een dergelijke implantatie zijn goed. Bij slechthorenden met een goed functionerend slakkenhuis die geen luchtgeleidingshoortoestel kunnen dragen worden sinds twaalf jaar met goed resultaat beengeleidingsimplantaten aangebracht. Voor slechthorenden met een functionerend binnenoor maar met een cochleair verlies wordt momenteel een implantaat ontwikkeld, dat direct de gehoorbeentjes aandrijft. In het laatste deel van het rapport wordt aandacht besteed aan de aspecten gezondheid en de zorg.
Jaar: 2000 Onderzoek Documenten: 1

Ontwerp Landelijk Meetnet Flora - Milieu & Natuurkwaliteit (LMF - M&N) | RIVM

Het Landelijk Meetnet Flora - Milieu & Natuurkwaliteit maakt onderdeel uit van het Netwerk Ecologische Monitoring (NEM). Het rapport stelt een ontwerp voor van het LMF - M&N gericht op uitvoering door provincies. In NEM-verband zijn twee meetdoelstellingen aan dit meetnet opgelegd. (1) Het signaleren van landelijke veranderingen in de ecologische kwaliteit van multifunctionele gebieden. (2) Het signaleren van landelijke veranderingen in milieu-aspecten, met name vermesting, verzuring en verdroging, en de gevolgen daarvan voor flora (en fauna). Bovendien moet het LMF - M&N de informatie verzamelen betreffende de algemene plantensoorten van de natuurgraadmeters van het Natuur- en Milieuplanbureau. Aan het meetnet ligt een stratificatiebasis ten grondslag. De dimensionering is statistisch onderbouwd. De methode gaat uit van permanente kwadraten.
Jaar: 2000 Onderzoek Documenten: 1

The effect of nitrate on the thyroid gland function in healthy volunteers in a 4-week oral toxicity study | RIVM

Het zou mogelijk kunnen zijn, dat nitraat de schildklierfunctie in de mens remt, zoals dit in proefdieronderzoek is gevonden. Het mechanisme hierachter is dat het nitraation (NO3-) opname van jodide (I-) in schildkliercellen competitief remt door gebruik te maken van hetzelfde transportmechanisme. Een lagere schildklier jodide opname kan leiden tot een verlaagde schildklierhormoon secretie (T4, T3), gevolgd door een verhoogde productie van TSH (thyro6d stimulerend hormoon). Hierdoor kan een schildklier vergroting (krop) ontstaan. Onze doelstelling in dit onderzoek was daarom om het effect van nitraat op de menselijke schildklierfunctie te onderzoeken in een vier weken nitraat blootstellingstudie. Gedurende 28 dagen kregen tien vrijwilligers dagelijks een oplossing met 15 mg natriumnitraat per kg lichaamsgewicht (driemaal de maximaal toelaatbare dagelijkse hoeveelheid, ADI) in 200 ml gedestilleerd water oraal toegediend (nitraatgroep) en kregen tien vrijwilligers dagelijks 200 ml gedestilleerd water oraal toegediend (controlegroep). Beide groepen volgden een jodium-beperkt en nitraatarm dieet, wat gecontroleerd werd aan de hand van 24-uurs jodide in urine en plasma nitraat-concentraties. Voor en na 28 dagen blootstelling werd het percentage (%) radiojodium (131I) opname (RAIU) gemeten op 5 uur en 24 uur na de inname van de 131I-capsule om het competitief effect van nitraat op de schildklier jodide opname te meten. Voor (nitraat) blootstelling en twee, drie en vier weken na de start aan de blootstellingperiode werden bloedmonsters afgenomen voor de hormoonconcentraties van TSH, T4, T3, rT3 en IGF I om de schildklierfunctie te bepalen. Er werd geen effect van nitraat op de hormoonconcentraties gevonden gedurende de vier weken blootstellingperiode aan driemaal de ADI van nitraat. Na vier weken nitraat blootstelling was de 24-uurs RAIU 1,5 maal de 24-uurs RAIU voor nitraat blootstelling. Echter, een afname in 24-uurs RAIU in de nitraatgroep werd verwacht. De conclusie van dit onderzoek is dat een blootstelling aan driemaal de ADI van nitraat geen veranderingen in schildklierfunctie te weeg brengt in een gezonde populatie.
Jaar: 2000 Onderzoek Documenten: 1

Characterization of metal/humic acid systems by Capillary Electrophoresis | RIVM

Het rapport beschrijft de karakterisering van metaal/humuszuur sytemen met Capillaire Elektroforese (CE). Eerst zijn de experimentele condities geoptimaliseerd. Met een humuszuur-oplossing is de geschiktheid van draag-elektroliet-oplossingen voor pH-traject van 4 tot 9 onderzocht. Ook is de invloed van de pH, de zoutconcentratie, de humuszuurconcentratie en de opgelegde potentiaal op elektroferogrammen van koper/humuszuur systemen onderzocht. Vervolgens zijn de effecten van de concentraties van diverse metaalionen zoals die van koper, calcium, ijzer, aluminium en cadmium op het elektroferogram van humuszuur bestudeerd. Op basis van de resultaten van bovengenoemde experimenten is een aantal elektroferogrammen van oppervlaktewatermonsters afkomstig van verschillende Europese rivieren geinterpreteerd. Uit het onderzoek is gebleken dat draag-elektrolieten op basis van azijnzuur geschikt zijn voor metingen bij pH 4 en 6, en een boorzuur elektroliet geschikt is voor metingen bij pH 8. Elektroferogrammen van koper/humuszuur sytemen vertonen bij hogere pH-waarden meer details dan bij lagere. Verhoging van de zoutconcentratie met 25 mmol/l natriumnitraat veroorzaakt een toename van de migratietijd en een vermindering van het aantal pieken in de elektroferogrammen van koper/humuszuur systeem. De humuszuurconcentratie in het onderzochte gebied van 0.6 to 11.2 mmol/l C heeft geen grote invloed op de migratietijd, en blijkt een lineair verband te vertonen met het piekoppervlak. Addities van meerwaardige metaalionen hebben een of meer extra pieken tot gevolg. Oppervlaktewatermonsters met relatief hoge DOC- en lage calciumgehalten tonen elektroferogrammen die afgeleid kunnen worden geacht van die voor metaal/humuszuur systemen. De resultaten geven een beeld over de toepasbaarheid van CE voor dit type speciatie-onderzoek.
Jaar: 2000 Onderzoek Documenten: 1

The prevalence of asthma and allergy increases: a world-wide problem | RIVM

Het rapport geeft een overzicht van de actuele prevalentie van allergische aandoeningen en laat zien dat allergie een belangrijke risicofactor is van astma. Overgevoeligheid voor allergenen, in het bijzonder huisstofmijt, is geassocieerd met een verhoogd risico voor de latere ontwikkeling van astma. Daarnaast geeft het rapport een overzicht van de verschillende determinanten van atopische ziektebeelden, zoals genetische, omgevings- en leefstijl factoren. Tot slot wordt een aantal biomarkers gepresenteerd, die gebruikt kunnen worden de incidentie van reeds ontwikkelde atopische ziektes verder te onderzoeken in epidemiologische studies. De afgelopen 20 tot 30 jaar is de prevalentie van astma met ongeveer 50% per tien jaar toegenomen. In dezelfde periode nam de prevalentie van hooikoorts eveneens snel toe. De genetische achtergrond speelt een belangrijke rol bij atopie, aangezien het risico om atopisch te zijn 50% is als een van de ouders atopisch is, en 60% indien beide ouders atopisch zijn. Omgevings- en leefstijlfactoren, zoals infecties op jonge leeftijd en blootstelling aan luchtverontreiniging kunnen gedeeltelijk verantwoordelijk zijn voor de waargenomen stijging in de prevalentie van allergische aandoeningen. In Nederland is de prevalentie en de incidentie voor astma in kinderen en volwassenen ongeveer gelijk met andere westerse Europese landen, waarbij de prevalentie van allergie voor luchtwegallergenen in kinderen tussen 7 en 12 jaar inmiddels is gestegen naar 30%. Op omgevings- en leefstijlfactoren zijn in principe interventies te plegen. Het is echter van belang om de aanleg van een kind om overgevoelig te worden in de vroege fase van zijn of haar leven te voorspellen, omdat preventieve maatregelen minder effectief zijn nadat de sensibilisatie reeds is opgetreden. Dit illustreert duidelijk de hoge behoefte aan 'markers', die het hoge risico op toekomstige sensibilisatie in jonge kinderen op betrouwbare wijze kunnen voorspellen. Onlangs kwamen we naar aanleiding van resultaten uit een cross-sectionele epidemiologische studie tot de conclusie, dat een relatief hoge concentratie aan uitgeademd NO op jonge leeftijd van voorspellende waarde zou kunnen zijn voor een risico voor allergie op latere leeftijd. Deze waarneming dient te worden bevestigd in een longitudinale epidemiologische studie.
Jaar: 2000 Onderzoek Documenten: 1

Schattingen van de individuele en collectieve doses als gevolg van consumentenproducten waarin radioactieve stoffen zijn verwerkt | RIVM

In dit rapport worden met 'consumentenproducten' die producten bedoeld waarin bewust radioactieve stoffen zijn verwerkt en die zonder speciaal toezicht aan leden van de bevolking kunnen worden aangeboden. Tot deze producten behoren onder andere ionisatierookmelders en uurwerken waarvan de wijzerplaten met radiumverf zijn beschilderd. Deze producten kunnen in de diverse fasen van hun bestaan een stralingsdosis voor leden van de bevolking veroorzaken. In 1996 stelde de Europese Raad in de Richtlijn 96/29/Euratom basisnormen vast voor de bescherming van de gezondheid van leden van de bevolking tegen de gevaren die aan ioniserende straling verbonden zijn. De richtlijn bevat per radionuclide een activiteitsconcentratie en een totale activiteit, de zogenaamde exemption levels, waaronder een handeling met deze radionuclide is vrijgesteld van meldingsplicht. Bij het implementeren van de richtlijn in de Nederlandse wetgeving bestaat het beleidsvoornemen om voor consumentenproducten onderscheid te maken tussen producten met activiteitsconcentraties en totale activiteit boven en onder de exemption levels. Naast het toepassen van de exemption levels als criteria voor de hoeveelheid radioactiviteit in de consumentenproducten worden in het voorgenomen Nederlandse beleid twee dosiscriteria gehanteerd: een individuele dosis van 10 microSv/a en een collectieve dosis van 1 mensSv/a. In het onderzoek waarvan de resultaten in het voorliggende rapport zijn beschreven, is allereerst de meest recente informatie over consumentenproducten verzameld en zijn per product de activiteit en in enkele gevallen ook de activiteitsconcentratie aan de exemption levels getoetst. Vervolgens zijn de globaal te verwachten individuele en collectieve doses voor leden van de bevolking in de opslag- en handelsfase, de gebruiksfase en de afvalfase van de consumentenproducten berekend. In de opslag- en handelsfase is ook de dosis voor winkelpersoneel geschat. Tenslotte zijn de doses aan de dosiscriteria getoetst. Van de consumentenproducten die minstens 1 van de activiteitscriteria overschrijden wordt verwacht dat gloeikousjes, antistatische middelen, gaseous tritium light sources (GTLS), keramische tegels, lasstaven en cameralenzen en oculairs minstens 1 van de dosiscriteria overschrijden. Van de consumentenproducten die de activiteitscriteria niet overschrijden kunnen rookmelders met Ra-226, uurwerken met Pm-147, elektronica met Co-60 en overslagbeveiligingen mogelijk minstens 1 van de dosiscriteria overschrijden.
Jaar: 2000 Onderzoek Documenten: 1

Vergiftigingen in 1998 bij pubers, volwassenen en bejaarden | RIVM

Het Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum (NVIC) van het RIVM heeft de in 1998 geregistreerde vergiftigingsgevallen geanalyseeerd om een gedetailleerd beeld te krijgen van de vergiftigingen bij de leeftijdsgroepen "pubers, volwassenen en ouderen". Bij de circa 20.000 onderzochte (vermoede)geintoxiceerden behoort 72% van de personen tot de leeftijdscategorie volwassenen, het aandeel van pubers en bejaarden was relatief klein. Geneesmiddelen werden het meest (63%) ingenomen. In mindere mate (21%) ging het om expositie aan producten uit de categorieen "alcoholica, drugs en tabak", "huishoudmiddelen en doe het zelf producten" en "industrieproducten". Blootstelling aan "bestrijdingsmiddelen", "planten, paddestoelen en dieren" en "cosmetica" was beperkt. Een aantal nieuwe geneesmiddelen blijkt al kort na introductie veelvuldig betrokken te zijn bij bij overdoseringen. Verpakkingen van sommige "non-food" producten, waarvan het uiterlijk lijkt op een "food" product, kunnen aanleiding geven tot verwisseling, en dientengevolge tot een ongewenste blootstelling. Nieuwe drugs kunnen plotseling populair worden. Oude geneesmiddelen die herontdekt worden voor ander gebruik, zoals het gammahydroxyboterzuur (GHB), kunnen bij misbruik ernstige intoxicaties veroorzaken. Het NVIC vervult een belangrijke functie bij het onderkennen van onvoorziene gezondheidsrisico's na de introductie van nieuwe consumenten producten en geneesmiddelen. Door informering van de overheid en beroepsgroepen kan de aanzet gegeven worden tot onderbouwing van specifieke maatregelen ter reductie van blootstelling aan xenobiotica.
Jaar: 2000 Onderzoek Documenten: 1

Kosteneffectiviteit van milieumaatregelen | RIVM

Het doel van deze studie was tweeledig, namelijk enerzijds het maken van een actueel en volledig maatregelbestand voor maatregelen gericht op verzurende emissies, mede met het oog op de 5de Milieuverkenning en het NMP4. Anderzijds stond het beschrijven van de gehanteerde methode om kosteneffectiviteit te berekenen centraal. Kosteneffectiviteit wordt in deze studie gedefinieerd als de kosten per vermeden eenheid gereduceerde emissie. Er is sprake van een hoge mate van kosteneffectiviteit als de kosten per eenheid laag zijn. De resultaten die in de analyse zijn meegenomen hebben uitsluitend betrekking op de set van maatregelen die voor dit project is doorgerekend. De doorgerekende set van maatregelen leidt in 2020 tot een emissiereductie van circa 9 miljard zuurequivalenten ten opzichte van 1995. De gemiddelde kosteneffectiviteit van deze emissiereductie bedraagt zo'n 450 gulden per 1000 zuurequivalenten. De doelgroep verkeer neemt ongeveer de helft van deze reductie voor zijn rekening tegen gemiddeld de hoogste kosten. Door de maatregelen bij verkeer worden naast verzurende emissies echter ook VOS, fijn stof en koolmonoxide gereduceerd. Door de doelgroep industrie wordt een kwart van deze totale emissiereductie gerealiseerd tegen gemiddeld de laagste kosten. Een halvering of verdubbeling van het gehanteerde rentepercentage leidt wel tot een significante daling of stijging van de totale kosten voor NOx, maar nauwelijks tot verschuiving van maatregelen op de kosteneffectiviteitscurve. Vergelijken van volumemaatregelen met technische maatregelen op basis van de directe kosten heeft slechts beperkte waarde, omdat met name bij volumemaatregelen de indirecte kosten en baten in hogere mate bepalend zijn dan bij technische maatregelen.
Jaar: 2000 Onderzoek Documenten: 1

Secondary poisoning of cadmium, copper and mercury: implications for the Maximum Permissible Concentrations and Negligible Concentrations in water, sediment and soil | RIVM

De betekenis van doorvergiftiging voor de Maximum Toelaatbaar Risiconiveau's (MTRs) en Verwaarloosbaar Risiconiveau's (VRs) van cadmium, koper en kwik in water, sediment en bodem is geevalueerd. Veldgegevens met betrekking tot de accumulatie van deze elementen door vissen, mosselen en regenwormen zijn gebruikt om MTRs en VRs af te leiden voor vogels en zoogdieren die deze organismen als voedselbron gebruiken. Accumulatie door water- en bodemorganismen lijken negatief gecorreleerd te zijn met externe concentraties, maar de correlaties zijn niet sterk. Voor vissen en mosselen zijn er te weinig gegevens beschikbaar om conclusies te trekken en de wetenschappelijke rechtvaardiging voor het gebruik van locatie-specifieke BCFs bij het afleiden van risicogrenzen ontbreekt dan ook. Doorvergiftiging bij vogels en zoogdieren via het eten van vis of mosselen kan bijdragen aan het risico van cadmium en kwik voor het aquatische ecosysteem. Voor koper zijn de MTRs voor water vergelijkbaar; voor dit element waren echter alleen veldgegevens voor mosselen beschikbaar. De invloed van doorvergiftiging op de MTRs van cadmium en koper voor de bodem is gering. Het is niet mogelijk conclusies te trekken voor kwik, aangezien er nauwelijks bodemtoxiciteitsgegevens beschikbaar zijn. Nader onderzoek naar de accumulatie van cadmium, koper en kwik door waterorganismen wordt aanbevolen, waarbij dieren en water van dezelfde locatie moeten worden geanalyseerd. Bij de bepaling van de veld-BCFs voor kwik moet tevens onderzoek worden gedaan naar de relatieve bijdrage van methyl-kwik aan de totale concentratie kwik in bodem, water en sediment en de dieren die in deze compartimenten leven.
Jaar: 2000 Onderzoek Documenten: 1

Acid Volatile Sulfide (AVS) als instrument bij de risicobeoordeling van waterbodems | RIVM

Een analyse van de huidige en de in de toekomst te verwachten kwaliteit van Nederlandse sedimenten laat zien dat vooral Zn, Cu and Ni de stoffen zullen zijn die in belangrijke mate de verontreinigingsgraad zullen gaan bepalen. De mobiliteit van deze elementen wordt sterk gereduceerd door de aanwezigheid van een overmaat aan sulfide (aangeduid als AVS). Daarnaast wijzen ecotoxicologische gegevens uit dat ook de toxiciteit van sedimenten die een overmaat aan sulfide bevatten, aanzienlijk lager kan zijn dan metaaltoxiciteit in sulfide-arme sedimenten. Dit is de basis van het zogenaamde AVS-concept. In dit rapport worden de mogelijkheden nagegaan om, in aanvulling op de huidige risicobeoordeling van sedimenten op basis van totaalgehaltes, rekening te houden met de aanwezigheid van metaalbindend sulfide. Dit in relatie tot het geochemische gedrag van zware metalen in sulfiderijke sedimenten en ecotoxicologische data. Geconcludeerd wordt dat het AVS-concept niet goed geschikt is voor het inschatten van daadwerkelijke ecotoxicologische risico's in het veld. Daarentegen draagt de aanwezigheid van AVS w5l bij aan het verminderen van de verspreiding van metalen uit sedimenten, zodat het AVS-concept een effectief instrument kan zijn bij het prioriteren van te saneren sedimenten.
Jaar: 2000 Onderzoek Documenten: 1

No indications for an ultraviolet B radiation induced decline of immunological parameters after sunlight exposure among HIV infected homosexual men | RIVM

Het is nog onduidelijk of zonlicht, en in het bijzonder ultraviolet B, schadelijk is voor cellulaire immuniteit in personen die met HIV zijn geinfecteerd, leidend tot een versnelde progressie van AIDS. Wij hebben bij HIV+ homosexuele deelnemers in de "Amsterdam Cohort Study" de mate van UVB blootstelling vastgesteld gedurende de periode van 1995 tot 1997, door middel van een retrospectieve questionnaire. Een tweetal maten werd daarbij gehanteerd: een cumulatieve maat (het totaal aan UVB opgelopen gedurende de gehele periode) en een korte termijn maat (de blootstelling gedurende het aangegeven tijdvak). Gebruikmakend van de non-parametrische Mann-Whitney test en regressie analyse werd de associatie tussen de totale UVB blootstelling die werd opgelopen gedurende twee jaar en het verloop van de volgende immunologische parameters bestudeerd: CD4+ T cel aantallen, CD4/CD8 ratio, en T cel reactiviteit na stimulatie met anti-CD3 antilichamen. Voorts werd de korte termijn associatie tussen UVB blootstelling per periode en de immunologische parameters bestudeerd, gebruikmakend van een lineair mixed-effect model (LME). Met geen van beide benaderingen was het mogelijk een significant effect van blootstelling op deze parameters aan te tonen. In de benadering met de korte termijn blootstelling was een trendmatig effect te zien. Het is niet aannemelijk dat dit geringe effect klinische relevantie voor de individuen in het onderzoekscohort heeft, maar het geeft wel aan dat er mogelijk een effect van UV in een grotere onderzoeksgroep vastgesteld zou kunnen worden.
Jaar: 2000 Onderzoek Documenten: 1

Health Risks in relation to air quality, especially particulate matter. Interim report | RIVM

Een kwantitatieve risicoschatting leverde op dat een voortijdige strefte van duizend mensen in Nederland geassocieerd is met de huidige PM10 niveaus. Lokale informatie (over het mengsel aan luchtverontreiniging en gegevens over de gezondheidstoestand van de bevolking) blijken essentieel te zijn voor het uitvoeren van een adequate risicoschatting. Een van de overblijvende vragen is bijvoorbeeld of kleinere deeltjes (PM2.5) nu gevaarlijker zijn dan PM10. Longdosimetrie modellen voor deeltjes die voor het programma zijn ontwikkeld, laten zien dat de lokale depositie en dosis in de longen van een COPD patient behoorlijk kunnen verschillen met die van een gezonde volwassene. Verontreiniging op grond van de Nederlandse en buitenlandse emissies van PM10 en precursor gassen bleek dat een deel (bijna de helft) van de Nederlandse jaargemiddelde niveaus vooralsnog niet verklaard wordt. Er is een meetprogramma gestart om de samenstelling van de ontbrekende massa en bronnen op te sporen. Er is een experimenteel inhalatie toxicologisch programma met een mobiele fijn stof concentrator ontwikkeld om de epidemiologische associaties te bevestigd te krijgen en zo meer aan de weet te komen over de causale stof fracties en hun bronnen. In-vitro testen van deeltjes op longweefsel van humane patienten laat zien dat er een grote inter-individuele variatie is in de reactie op deeltjes verzameld in verschillende groottefracties en op verschillende plaatsen in Nederland. Om de resultaten een wijdere verspreiding te geven is in het midden van 2001 een wetenschappelijke workshop gepland. De verwachte antwoorden kunnen begin 2002 tegemoet worden gezien.
Jaar: 2000 Onderzoek Documenten: 1

Salpeterzuurdestructie en ICP-MS analyse van biotisch materiaal en voeding | RIVM

Voor de bepaling van elementen in voeding en biotisch materiaal werd een analytische methode ontwikkeld, bestaande uit een salpeterzuurdestructie en een ICP-MS-analyse. De destructie werd geoptimaliseerd op basis van de salpeterzuurconcentratie en de destructietijd. De ICP-MS-analyse werd geoptimaliseerd op basis van minimale spectrale storingen en matrixeffecten, waarbij gebruik werd gemaakt van storingscorrecties, interne standaarden en matrix matching van de kalibratiestandaarden. Op basis van de aantoonbaarheidsgrenzen, reproduceerbaarheid, juistheid en terugvinding was de analytische methode geschikt voor de bepaling van As, B, Ba, Cd, Co, Cu, Mn, Mo, Pb, Rb, Sr, Zn in voeding en in biotisch materiaal. De methode was ook geschikt voor de bepaling van Al, Fe, Cr, Co, Ni in voeding en dierlijk materiaal, maar niet voor deze bepaling in plantaardig materiaal: de destructie van Al, Fe, Cr, Co en Ni was niet volledig. De methode was niet geschikt voor de bepaling van B, Br, S, Se en Sn. De juistheid voor Sb, Si, Ti, Tl en V kon niet worden geverifieerd, omdat referentiematerialen ontbraken. De elementen Ca, K, Mg, Na en P kunnen beter bepaald worden met ICP-AES vanwege de hoge concentraties.
Jaar: 2000 Onderzoek Documenten: 1

Eerste rapportage over stoffen in bloed en urine. Gezondheidsonderzoek Vuurwerkramp Enschede | RIVM

In deze eerste rapportage over het gezondheidsonderzoek dat 2 tot 3 weken na de vuurwerkramp in Enschede werd uitgevoerd, worden de resultaten gerapporteerd van een steekproef van 936 personen uit de in totaal 2905 personen(bewoners en hulpverleners) die van 31 mei tot 4 juni 2000 aan het onderzoek hebben deelgenomen. De belangrijkste conclusie is dat er geen consistente verhogingen zijn gevonden van de stofniveaus (Ba, Cd, Cr, Cu, Ni, Pb, Sb, Sr, Ti, Zn) in bloed en urine ten opzichte van wat normaal in de algemene bevolking wordt gevonden. Evenmin is er een consistente relatie gevonden tussen de potentiele blootstelling aan stoffen (bepaald op basis van een vragenlijst) en gemeten niveaus in bloed en urine. De conclusie op basis van deze steekproef is dat er voor de onderzochte stoffen bij bewoners en hulpverleners geen verhoogde lichaamsbelasting is opgetreden door de vuurwerkramp.
Jaar: 2000 Onderzoek Documenten: 1

Ontwikkeling en toepassing van een Milieukwaliteitsindicator Bestrijdingsmiddelen | RIVM

De ontwikkeling van een milieukwaliteitsindicator voor bestrijdingsmiddelen voor het berekenen van de mate van normoverschrijding ten gevolge van de aanwezigheid van bestrijdingsmiddelen in de verschillende milieucompartimenten, wordt beschreven. De indicator is gebaseerd op gemeten gehaltes van bestrijdingsmiddelen in het Nederlandse milieu. De in dit rapport beschreven indicator is toegepast op monitorgegevens van pesticiden in Nederlandse oppervlaktewateren voor de jaren 1992 - 1996 en op monitorgegevens betreffende het voorkomen van bestrijdingsmiddelen in regenwater in de Provincie Zuid-Holland in de jaren 1992 en 1998. Het blijkt dat er gedurende de jaren 1992 - 1996 sprake is van een aanzienlijke overschrijding van de streefwaarde voor bestrijdingsmiddelen in oppervlaktewater. Wel laat de overschrijding van de streefwaarde voor bestrijdingsmiddelen in oppervlaktewater, op het aggregatieniveau van Nederlandse wateren, een dalend verloop zien gedurende de jaren 1992-1994. In de periode 1994 - 1996 is er sprake van een stabilisatie. De overschrijding is hoger in regionale wateren dan in rijkswateren. Gehaltes aan bestrijdingsmiddelen zijn in het algemeen hoger in neerslag dan in oppervlaktewater. Er lijkt, zeker als rekening gehouden wordt met het aantal gemeten bestrijdingsmiddelen, sprake te zijn van een stabilisatie van de gehaltes van deze bestrijdingsmiddelen in regenwater. Bij de interpretatie van de in dit rapport gepresenteerde getalswaarden moet bedacht worden dat deze getallen volledig afhangen van de kwaliteit van de onderliggende data en de door individuele beheerders gevolgde bemonsteringsstrategie. Het was in het kader van dit onderzoek niet mogelijk om de kwaliteit van de individuele data c.q. de onzekerheden in deze data, te toetsen.
Jaar: 2000 Onderzoek Documenten: 1

Comparison of various liquid chromatographic methods involving UV and atmospheric pressure chemical ionization mass spectrometric detection for the efficient trace analysis of phenylurea herbicides in various types of water samples | RIVM

Comparison of various liquid chromatographic methods involving UV and atmospheric pressure chemical ionization mass spectrometric detection for the efficient trace analysis of phenylurea herbicides in various types of water samples | RIVM
Jaar: 2000 Onderzoek

Maximum Permissible Concentrations and Negligible Concentrations for Rare Earth Elements (REEs) | RIVM

In dit rapport worden maximaal toelaatbare risiconiveaus (MTR) en verwaarloosbare risiconiveaus (VR) afgeleid voor zeldzame aardmetalen (ZAM). De geselecteerde ZAMs zijn Yttrium (Y), Lanthanum (La), Cerium (Ce), Praseodymium (Pr), Neodymium (Nd), Samarium (Sm), Gadolinium (Gd), en Dysprosium (Dy). Omdat ZAMs van nature voorkomen, is de toegevoegd-risico benadering gebruikt om MTRs af te leiden. Het aantal beschikbare toxiciteitstudies om een MTR op te baseren is beperkt, vaak is daarom een factor 1000 gebruikt om tot een normwaarde te komen. Voor zoet oppervlaktewater ligt de MTR tussen 1,8 ug/l voor Nd en 22,1 ug/l voor Ce. Voor zout oppervlaktewater zijn de afgeleide MTRs veel lager, varierend van 0,28 ug/l voor Ce tot 3,8 ug/l voor Dy. MTRs voor zoete sedimenten liggen eveneens hoger dan voor zoute sedimenten. Nederlandse water- en sedimentconcentraties overschrijden niet de MTRs voor de verschillende ZAMs. Af en toe overschrijden de milieuconcentraties het VR.
Jaar: 2000 Onderzoek Documenten: 1

Guidelines and cost effectiveness for the long-term treatment of children with asthma | RIVM

De zorg voor chronisch zieken doet een toenemend beroep op middelen binnen en buiten de gezondheidszorg. Een doelmatige besteding van de beschikbare middelen moet ertoe leiden dat voor een gegeven budget, besteed aan interventies, de opbrengsten in termen van verbeteringen in de gezondheid van patienten zo groot mogelijk zijn. Vanuit maatschappelijk perspectief is het een interessante vraag of voor specifieke aandoeningen de beschikbare kennis over epidemiologie, effectiveit en kosteneffectiviteit kan worden gecombineerd binnen een model om daarmee een efficientere allocatie van middelen over interventies en groepen patienten te onderzoeken. Het voorliggende rapport biedt een verslag van beschikbare kennis op het terrein van richtlijnen en kosteneffectiviteit wat betreft de lange termijn behandeling van kinderen met astma. De volgende resultaten worden gepresenteerd: (1) een gestructureerde indeling van bestaande interventies voor de lange termijn zorg bij kinderen met astma, (2) een vergelijking van vier recente richtlijnen en samenvatting van de "standaard" zorg, en (3) een overzicht van de resultaten van kostenefffectiviteitsstudies.
Jaar: 2000 Onderzoek Documenten: 1

Fiscale instrumenten in verkeer | RIVM

Het rapport geeft een overzicht van de verschenen literatuur op het gebied van de effecten van fiscale instrumenten binnen de doelgroep verkeer en vervoer. Vier instrumenten zijn in beschouwing genomen namelijk het reiskostenforfait, de overdrachtsbelasting, de verhuiskostenaftrek en de autokostenfictie. Mogelijke effecten van deze instrumenten op de mobiliteit, congestie en CO2-emissie zijn bekeken. De conclusie van dit rapport is dat de beschouwde fiscale instrumenten een klein effect hebben op de mobiliteit, congestie en CO2-emissie.
Jaar: 2000 Onderzoek Documenten: 1

Vaccine-induced antibody responses as parameters of the influence of endogenous and environmental factors | RIVM

De beste manier om in het proefdier effecten op het immuunsysteem vast te stellen, is de bestudering van effecten op antigeen specifieke immuunresponsen, bijvoorbeeld na sensibilisatie met T-cel afhankelijke antigenen. Waarschijnlijk gaat dit ook op voor het testen van effecten in de bevolking. Om die reden is gesuggereerd antilichaam responsen na vaccinatie als uitleessysteem te gebruiken. Naast omgevingsfactoren worden vaccinatieresponsen beinvloed door andere factoren. Een factor die van grote invloed is, is het vaccin zelf en de procedure om te vaccineren. Daarnaast is de intrinsieke capaciteit van de recipient om te reageren van belang; dit wordt bepaald door genetische factoren en de leeftijd. Daarnaast zijn psychologische stress, voeding en ziekte (waaronder infectieziekten) van belang. In het rapport wordt een overzicht gegeven van de literatuur over invloeden op vaccinatieresponsen. Het blijkt dat voor wat betreft exogene factoren er duidelijk aanwijzingen zijn dat roken, voeding, psychologische stress en bepaalde infectieziekten een effect op vaccinatieresponsen hebben, maar dat het moeilijk is vast te stellen wat het relatieve belang ervan is. Bekend is dat genetische factoren sommige individuen voor sommige vaccins ongevoelig maken. Een algemene conclusie is dat in epidemiologische studies, waarbij nadelige effecten van blootstelling aan omgevingsfactoren op het immuunsysteem worden bestudeerd, en waarbij vaccinatietiters worden gebruikt, die additionele factoren in aamerking genomen dienen te worden. Indien voor deze additionele factoren wordt gecorrigeerd, kan een studie waarbij associatie wordt gevonden van een verminderde vaccinatierespons met blootstelling aan een omgevingsfactor indiceren dat het immuunsysteem suboptimaal functioneert. Het is niet waarschijnlijk dat een dergelijk effect zal inhouden dat bescherming waarvoor de vaccinatie was bedoeld wordt aangetast. Alleen in die gevallen waarbij individuen een matige respons vertonen, zouden nadelige effecten wellicht tot een klinische significante afname van bescherming kunnen leiden. Meer in het algemeen zou kunnen worden vastgesteld dat een afname in vaccinatierespons aan kan geven dat er een verminderde weerstand zou kunnen bestaan tegen pathogenen waartegen niet is gevaccineerd.
Jaar: 2000 Onderzoek Documenten: 1

Drijvende krachten achter technologieontwikkeling in productiesectoren. Schets van een expertondersteunende methodiek voor prognoses | RIVM

De kans dat en de termijn waarop de ontwikkeling van een nieuwe technologie zal leiden tot marktintroductie hangen samen met algemene karakteristieken van die specifieke technologie en van de sociale omgeving waarin de technologie zich ontwikkelt. Het RIVM heeft een verkennende studie uitgevoerd naar de drijvende krachten achter technologieontwikkeling in productieprocessen, waarbij de rol die diverse actoren in de ontwikkeling spelen van groot belang is. Op basis van recente wetenschappelijke inzichten in de technologiedynamica is een lijst van factoren opgesteld, die de drijvende krachten achter technologieontwikkeling karakteriseren. Speciale aandacht is gegeven aan de invloed van overheidsbeleid. Historische casestudies zijn uitgevoerd om inzicht te krijgen in praktijkwaarden voor de lengte van (delen van) ontwikkelingstrajecten van milieurelevante technologieen. Onderzocht is hoe de totale lengte van (delen van) ontwikkelingstrajecten samenhangen met algemene karakteristieken van een specifieke technologie. De studie heeft geresulteerd in een schets van een prognosemethodiek, waarin met name aangegeven is welk type beleid (via welke typen beleidsinstrumenten) hierop van invloed is. Deze methode kan experts met kennis van productiesectoren en van nieuwe milieurelevante technologie6n ondersteunen bij het maken van inschattingen omtrent de kans waarmee en de termijn waarop die nieuwe technologie6n tot marktintroductie kunnen komen.
Jaar: 2000 Onderzoek Documenten: 1

Identification of specific intrinsic liver clearance from a precision-cut liver-slice experiment | RIVM

Er wordt een model ontwikkeld dat metabolisme experimenten met liver-slices beschrijft die geincubeerd worden in een kweekmedium. Er worden formele wiskundige technieken geintroduceerd die het probleem van de identificatie van de specifieke intrinsieke leverklaring oplossen. Deze formele oplossing wordt bediscussieerd vanuit het oogpunt van de experimentele praktijk. Een nodige voorwaarde voor identificatie is de bemonstering van de moederstof in de slice of het kweekmedium. Maar door de experimentele limitaties is het vereist de moederstof in de slice te bemonsteren en daarnaast ook de metabolieten samengevoegd uit slice en kweekmedium. Bovendien blijkt dat de gevonden waarde voor de klaring onbetrouwbaar is als deze groter is dan de diffusiesnelheid van transport van moederstof van kweekmedium naar slice.
Jaar: 2000 Onderzoek Documenten: 1

Verkeer verdeeld; een onderzoek naar de ruimtelijke verdeling van personen- en goederenverkeersstromen | RIVM

De omvang en ruimtelijke verdeling van verkeersstromen zijn van invloed op de lokale luchtverontreiniging en geluidhinder. Doel van dit rapport is identificatie van de factoren die de ruimtelijke verdeling van personen- en goederenverkeersstromen bepalen. Aan de hand daarvan kan het op landelijk schaalniveau modelleren van lokale verkeersintensiteiten worden verbeterd, waardoor de schattingen ten aanzien van de lokale milieu-effecten van verkeer aan betrouwbaarheid winnen. De resultaten van een analyse voor 8 Nederlandse steden wijzen op het belang van infrastructurele en ruimtelijke factoren, zoals het onderscheid naar wegtypen en de situering van wegen ten opzichte van centraal stedelijke gebieden. Voor de periode 1987-1997 is een toenemende bundeling van de verkeersstromen op hoofdwegen, en een verschuiving van de verkeersdrukte van centraal stedelijke gebieden naar de rand van steden waargenomen. Deze trends zijn gebruikt voor de verbetering van een bestaand prognose-model.
Jaar: 2000 Onderzoek Documenten: 1

Iteratief Proportioneel Fitten, Methodiek en toepassing voor de woonruimteverdeling in Geografische Informatiesystemen voor de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening | RIVM

Iteratief proportioneel fitten (IPF), ook wel rassen of ritsen genoemd, is een schattingsmethodiek om in een matrix (kruistabel) de onbekende celfrequenties te schatten op basis van enerzijds bekende randtotalen van de matrix (rijtotaal en kolomtotaal) op basis van een databron A en anderzijds een schatting van de kans op een celfrequentie op basis van databron B onder de voorwaarde dat de rij- en kolomtotalen worden gereproduceerd. De IPF is een veelgebruikte calibratietechniek in statistische modellen, zoals loglineaire modellen van kruistabellen en simulatiemodellen die op basis van deelkennis over relaties tussen minimaal twee variabelen complexere samenhangen schatten zonder dat geweld wordt gedaan aan deze deelkennis. Indien de samenhang tussen de variabelenparen A * B, zoals woningtype en leeftijdsgroepen en B * C, zoals leeftijdsgroepen en inkomens, bekend zijn, dan kan IPF zorgdragen voor A * B * C. De methodiek is toegepast in het kader van de ondersteuning voor de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening. De verwachte ruimtelijke spreiding van de uitbreidingsvraag van woningen is op een lager ruimtelijk schaalniveau gealloceerd met behulp van de Ruimtescanner. Het resultaat is een landsdekkende kaart met gridcellen van 500 bij 500 meter waarin per gridcel de uitbreidingsvraag is neergelegd. Aan deze kaarten wordt vervolgens de verwachte bevolkingsontwikkeling naar leeftijds- en huishoudensgroepen gekoppeld. Deze gegevens zijn ook beschikbaar voor alle COROP-gebieden. Echter, het ontbreekt op beide ruimtelijke schaalniveaus aan directe informatie over de samenhang tussen de woningen en de bevolking ofwel de woonruimteverdeling. Deze is evenwel nodig omdat de ruimtelijke spreiding van de bevolkingsgegevens nodig is ten behoeve van berekeningen voor arbeidsmarkt, verkeer- en recreatiemodellen. Dit rapport gaat in op een methodiek Iteratief Proportioneel Fitten, die leidt tot een woonruimteverdeling op beide schaalniveaus.
Jaar: 2000 Onderzoek Documenten: 1

Development of a model for human and rat airway particle deposition: implications for risk assessment | RIVM

Fijnstof is een verzamelbegrip voor zeer kleine deeltjes die zweven in de lucht en die met het blote oog niet zichtbaar zijn. Het gaat om alle deeltjes kleiner dan 10 um, ook wel aangeduid als PM10. De chemische samenstelling van PM10 is heel complex en verschilt van dag tot dag. Deze deeltjes ontstaan deels door verkeer, industrie, energie opwekking, landbouw maar zijn ook van natuurlijke oorsprong zoals zeezout en opwaaiend stof. Expositie aan PM10 wordt geassocieerd met toename aan cardiopulmonaire aandoeningen en (vervroegde) sterfte. Er is echter nog onvoldoende bewijs dat PM10 echt deze effecten veroorzaakt en welke chemische of biologische stoffen daarvan dan verantwoordelijk zijn. Het is belangrijk om aan te kunnen geven welke de bronnen zijn die deze schadelijke stoffen in de lucht brengen. De overheid kan met deze informatie gericht beleid voeren om de uitstoot van bepaalde stoffen te verminderen. Omdat verder terugdringen van de niveaus van luchtverontreiniging grote maatschappelijke kosten met zich mee brengt is het van essentieel belang vast te stellen wat de causale factor(en) is (zijn), welke de in bevolkingsonderzoek waargenomen gezondheidseffecten kunnen verklaren. Alleen dan kan de bron-tot-effect keten voldoende en adequaat worden beschreven om een gericht kosten-effectief bestrijdingsbeleid te formuleren. Onderdeel van deze keten is het schatten van de ge6nhaleerde dosis van fijnstof op basis van de uitwendige concentratie en fysische karakteristieken van het fijnstof. In dit rapport wordt een beschrijving gegeven van een recent door het Chemical Industry Institute of Toxicology (CIIT) en het RIVM ontwikkelt computerprogramma MPPDep (Multiple Pathway Particle Deposition model). Het model kan gebruikt worden voor het onderzoeken van verschillen in doses en depositie tussen mensen en proefdieren (rat) voor extrapolatie doeleinden en risk assessment. Ook het effect van ademhalingsgedrag op de depositie van aerosolen (rust versus activiteit, oud versus jong, ziek versus gezond) of de invloed van de grootte van een fijnstof deeltje op de gedeponeerde massa kan hiermee in kaart worden gebracht. In de nabije toekomst zal dit model verder moeten worden uitgebreid met modules voor klaring en retententie van de deeltjes in de luchtwegen.
Jaar: 2000 Onderzoek Documenten: 1

Kosten-effectiviteit van algemene vaccinatie tegen hepatitis B - (interimrapportage) | RIVM

In Nederland wordt momenteel overwogen om alle pasgeborenen tegen hepatitis B in te enten. Het RIVM heeft een onderzoek verricht waarin de kosten en effecten van vaccinatie van pasgeborenen vergeleken wordt met het huidige beleid. Dit is gericht op het vaccineren van risicogroepen, zoals homoseksuele mannen en medewerkers in de gezondheidszorg, en op het screenen van zwangeren. Een van de belangrijkste conclusies van het onderzoek is dat het aantal dragers van het virus in Nederland vooral door immigratie van dragers uit het buitenland bepaald wordt. Na invoering van algemene vaccinatie zal het aantal dragers van het virus in Nederland voorlopig niet erg sterk afnemen. De kosten per gewonnen levensjaar van algemene vaccinatie zijn relatief hoog in vergelijking met andere preventieve gezondheidszorgvoorzieningen. Als de kosten van het vaccin in de toekomst echter gaan dalen zal de kosten-effectiviteit van algemene vaccinatie gunstiger worden.
Jaar: 2000 Onderzoek Documenten: 1

The oral bioavailability of nitrate from vegetables investigated in healthy volunteers | RIVM

De grootste bron van nitraatblootstelling is groente. In verschillende onderzoeken is de totale dagelijkse nitraatinname geschat op basis van het nitraatgehalte in voedsel en drinkwater. Echter alleen het nitraat dat door het maagdarmkanaal wordt geabsorbeerd zou kunnen bijdragen aan de toxiciteit van nitraat. Op dit moment zijn er geen gegevens beschikbaar over de biobeschikbaarheid van nitraat uit groente. Daarom is dit onderzoek uitgevoerd om de biobeschikbaarheid van nitraat uit frequent geconsumeerde nitraatrijke groenten te evalueren. In een crossover design kregen 12 vrijwilligers toegediend: 365 mg nitraat intraveneus en 300 gram spinazie, sla en rode bieten met respectievelijk 564 mg, 1013 mg en 643 mg nitraat toegediend. Plasmamonsters om nitraatconcentraties te bepalen, werden afgenomen om de biobeschikbaarheid van nitraat uit groenten te berekenen. De biobeschikbaarheid met correctie voor de endogene nitraatproductie was voor spinazie 98% plus minus 12%, voor sla 113% plus minus 14% en voor bieten 106% 4 15%. De biobeschikbaarheid zonder correctie voor de endogene nitraatproductie was voor spinazie 91% plus minus 10%, voor sla 89% plus minus 13% en voor bieten 93% plus minus 12%. Er kan worden geconcludeerd, dat de biobeschikbaarheid van nitraat uit de onderzochte groenten zeer hoog is.
Jaar: 2000 Onderzoek Documenten: 1

Environmentally Sustainable Transport: Implementation and Impacts for the Netherlands for 2030 | RIVM

In het rapport wordt een referentiescenario ('business-as-usual scenario') en drie scenario's beschreven die voldoen aan de criteria die binnen het OECD-project 'Environmentally Sustainable Transport' (EST) zijn gesteld om duurzaam verkeer en vervoer te kunnen bereiken in het jaar 2030 (o.a. 80% reductie van CO2-emissies, 90% reductie van NOx-, VOS en PM10-emissies). De drie EST-scenario's zijn: (1) een scenario met alleen technische maatregelen ('high-technology scenario'), (2) een scenario met alleen mobiliteitsmaatregelen ('mobility-management scenario') en (3) een scenario met een combinatie van technische en mobiliteitsmaatregelen ('combination scenario). Voor het laatstgenoemde scenario zijn pakketten met beleidsopties beschreven, en zijn de sociale en economische gevolgen onderzocht. De belangrijkste conclusies zijn: (1) aan de EST criteria voor duurzaam verkeer en vervoer kan alleen worden voldaan als een sterke verbetering in de technologische ontwikkeling en/of grote veranderingen in het verplaatsingsgedrag van mensen plaatsvinden en veranderingen in nationale en internationale ruimtelijke en economische structuren optreden, (2) om de EST criteria te kunnen halen in 2030 zijn op de korte termijn maatregelen nodig en moeten innovatieve beleidsinstrumenten worden ontwikkeld en ge6mplementeerd. Bij de implementatie van beleidsinstrumenten wordt een systeem van verhandelbare CO2 rechten van cruciaal belang geacht, (3) een tijdige implementatie van de beleidsmaatregelen betekent dat de huidige pre-implementatiefase (d.w.z. de tijd benodigd voor maatschappelijke acceptatie en beleidsvoorbereiding) van maatregelen sterk verkort moet worden, (4) Het niveau van materiele welvaart en werkgelegenheid zal in EST wat lager liggen dan in het trendscenario, terwijl aan de sociale kant verbeteringen optreden. In de eerste plaats zullen de verschillen tussen bevolkingsgroepen in termen van verplaatsingsgedrag, bereikbaarheid van sociale en economische opportuniteiten en (gepercipieerde) milieukwaliteit kleiner zijn. In de tweede plaats zal het gemotoriseerde verkeer sterk afnemen, waardoor de verkeersveiligheid kan toenemen en de gezondheidsproblemen gerelateerd aan lokale luchtverontreiniging en geluidhinder van wegverkeer en de luchtvaart zullen afnemen.
Jaar: 2000 Onderzoek Documenten: 1

Samenstelling van voedingsmiddelentabellen met gehalten aan transvetzuren ten behoeve van epidemiologisch onderzoek | RIVM

Om de transvetzuurinneming in de tijd te vergelijken en de grootte van het effect op o.a. plasmalipiden en coronaire hartziekten in de Zutphen Ouderen Studie te bestuderen, wordt een schatting van het gehalte van transvetzuren in voedingsmiddelen gemaakt voor de jaren 1985, 1990 en 1995. Voedingsmiddelentabellen zijn samengesteld met de gehalten in gram per 100 gram eetbaar product opgenomen voor de C18:1-transvetzuren, som van de transvetzuren met een keten-lengte van ->C18 en totaal transvetzuren. Het transvetzuurgehalte en informatie over de spreiding in gehalten van soortgelijk producten gedurende een bemonsteringsperiode per jaar werd bij voorkeur achterhaald uit een van de nationale bronnen. Voor de verschillende gebruikte analysemethoden die verschillen in nauwkeurigheid voor het bepalen van het transvetzuurgehalte zijn onderlinge correctiefactoren berekend. Na berekening van de transvetzuurinneming in de Zutphen Ouderen Studie bleek dat de personen overeenkomstig gerangschikt worden op basis van transvetzuurinneming ongeacht of er gecorrigeerd werd voor deze verschillen in nauwkeurigheid. Ook bleek de verschillende schattingen van inneming van transvetzuurisomeren (C18:1t, ->C18t, totaal) hoog te correleren. Indien een kwantitatieve uitspraak gedaan moet worden over de transvetzuurinneming, dient rekening gehouden te worden met de onderschatting van het transvetzuurgehalte door de gaschromatografische methode waarbij de vetzuren alleen worden omgezet naar methylesters.
Jaar: 2000 Onderzoek Documenten: 1

The risk evaluation of difficult substances in USES 2.0 and EUSES. A decision tree for data gap filling of Kow, Koc and BCF | RIVM

Dit rapport presenteert een beslisboom voor de risico-evaluatie van de zogenaamde 'moeilijke' stoffen met het Uniform Systeem voor de Evaluatie van Stoffen (USES). De beslisboom geeft praktische richtlijnen voor de beoordelende instanties om de aangemelde stoffen (zoals organometaalverbindingen, kationen, anionen, surfactanten, anorganische verbindingen, zuren, basen en stoffen zonder een beschikbare octanol/water partitiecoefficient) te evalueren. De beslisboom geeft redelijk pessimistische schattingen voor de Risico Karakteriserings Ratio van stoffen waarvoor geen octanol/water partitiecoefficient kan worden geschat of gemeten. De beslisboom vraagt alleen om een meer gedetailleerde analyse van zowel sorptie als bio-accumulatie, wanneer de voorspelde milieu-concentraties hoog genoeg zijn om een verschil te maken voor de uitkomst van de risico -evaluatie. Het rapport beveelt aan om de octanol/water partitiecoefficient van het neutrale molecule van zuren en basen te gebruiken zelfs wanneer deze moleculen als anionen of kationen aanwezig zijn bij pH 7. De aanbevelingen en suggesties in dit rapport zijn gebaseerd op de evaluatie van groot gegevensbestand met de octanol/water partitiecoefficient, de bodem sorptie coefficient en de bioconcentratie factor van pesticiden. Er wordt aangegeven dat deze richtlijnen en suggesties geldig zijn voor een groot bereik aan verschillende 'moeilijke' verbindingen. De onzekerheden die ontmoet werden bij de schatting van de bodem sorptie coefficient en de bioconcentratie factor vanuit de octanol/water partitiecoefficient werden ingeschat en hun invloed op de uitkomst van de risico evaluatie met USES 2 of EUSES werd geanalyseerd.
Jaar: 2000 Onderzoek Documenten: 1

Rapportage besluiten luchtkwaliteit 1998 | RIVM

Deze rapportage is gebaseerd op rapportages van provincies en gemeenten over overschrijding van de (uitzonderings)grenswaarden voor zwaveldioxide, zwevende deeltjes (zwarte rook), stikstofdioxide, koolstofmonoxide, lood en benzeen. De provincies hebben geen overschrijding van grenswaarden rond inrichtingen op hun grondgebied gerapporteerd. De provincie Zuid-Holland rapporteert overschrijdingen van de grenswaarde van stikstofdioxide langs enkele snelwegen. Door zeven gemeenten worden overschrijdingen van (uitzonderings) grenswaarden gerapporteerd: dertien keer van stikstofdioxide en negen keer van benzeen.
Jaar: 2000 Onderzoek Documenten: 1

Wachtlijstontwikkelingen in de zorg voor verstandelijk gehandicapten - nieuwe scenario's | RIVM

Dit rapport presenteert een actualisering van modelsimulaties van de wachtlijst voor wonen in de verstandelijk gehandicaptenzorg. Deze actualisering gaat uit van drie nieuwe uitgangspunten: (1) een andere wachtlijstdefinitie; (2) een specificatie van de uitstroom van de wachtlijst en (3) andere getallen van de capaciteiten van intra- en semimurale instellingen voor wonen. Op grond van deze uitgangspunten zijn vier nieuwe scenario's geformuleerd die van elkaar verschillen in de het toekomstig aantal plaatsen in de instellingen. Het scenario 'Demografische Groei' laat zien dat in de periode tot het jaar 2010 een groei van het aantal plaatsen in intramurale en semimurale instellingen van 0,33% per jaar onvoldoende is om de wachtlijst te stabiliseren. Onder de andere scenario's worden meer instellingsplaatsen gecreeerd. In 2003 is onder het scenario 'Regeer Akkoord 1998 middelen' de wachtlijst bijna 20% kleiner dan onder het scenario 'Demografische Groei'. Onder de scenario's 'Intensiveringen-140 miljoen' en '-183 miljoen' is de wachtlijst in 2003 respectievelijk ruim 50% en ruim 60% kleiner dan onder het scenario 'Demografische Groei' en wordt de gemiddelde wachttijd teruggebracht tot 1,5 a 2 jaar, 50-60% korter dan onder het scenario 'Demografische Groei'. Een vergelijking is ook gemaakt met het referentiescenario uit het RIVM rapport van november 1999 met betrekking tot de uitgangspunten (2) en (3). Toepassen van de nieuwe informatie in het referentiescenario geeft een ongunstige bijstelling van de wachtlijstontwikkeling omdat een deel van de uitstroom uit de wachtlijst naar 'overige' zorg in feite semi- en intramurale realisaties betrof. Ten opzicht van het rapport van november 1999 zijn in deze nieuwe berekeningen twee bronnen van onzekerheid nu accurater gedefinieerd, andere bronnen van onzekerheid die in het rapport worden genoemd blijven bestaan.
Jaar: 2000 Onderzoek Documenten: 1

Biodiversity indicators for the OECD Environmental Outlook and Strategy | RIVM

Deze studie behandelt de vraag of het uitvoerbaar is veranderingen in biodiversiteit te meten op het niveau van de OESO. Het antwoord kan worden samengevat als: ja, mits zekere aanbevelingen worden gevolgd. De studie analyseert in het bijzonder de mogelijkheden van de Ecologisch-Kapitaal Index. Deze benadering is ontwikkeld in het verband van de Biodiversiteitsconventie. Verder worden bestaande biodiversiteitsindicatoren en indicatorsystemen vergeleken. Verder past het rapport de kapitaalindex toe in de vorm van eerste schattingen voor het grote ecosystemen van de OESO. Deze omvatten bos, grasland, toendra en halfwoestijn. Het rapport concludeert dat de Ecologisch-Kapitaal Index een uitvoerbare methode is om biodiversiteit in een gebied zo groot als de OESO op een ruwe maar verantwoorde manier te beoordelen. Als kwaliteitsgegevens niet beschikbaar zijn, kan worden teruggevallen op informatie over druk op biodiversiteit. Deze uitwijkmogelijkheid betekent dat relatief snel met toepassing van deze methode begonnen kan worden. Het gebruik van druk-informatie in plaats van kwaliteitsinformatie maakt het ook mogelijk om toekomstprojecties uit te voeren voor scenario-analyse.
Jaar: 2000 Onderzoek Documenten: 1

Stress Markers of Health Status | RIVM

Er wordt een overzicht gegeven van potentiele endocriene en immunologische stress indicatoren van de gezondheidsstatus. Nadruk is gelegd op de indicatoren die op een of andere wijze gerelateerd is aan cortisol, dat als de gouden standaard in stress onderzoek wordt beschouwd. Tot slot wordt nader ingegaan op de relatie tussen de biolgoische markers en de eindpunten zoals die middels de psychologische benadering worden bepaald.
Jaar: 2000 Onderzoek Documenten: 1

Diabeteshulpmiddelen: historische ontwikkelingen en toekomstverwachtingen | RIVM

Dit rapport naar de stand van zaken en toekomstige medisch-technologische ontwikkelingen van diabeteshulpmiddelen vormt een onderdeel van de Volksgezondheid Toekomst Verkenning 2002 van het RIVM. Het aantal patienten met diabetes mellitus zal naar verwachting toenemen van 285.000 in 1999 tot ongeveer 389.000-430.000 in 2020. In de jaren 80 is er veel vooruitgang geboekt op het gebied van insulinetoediening en bloedglucosemonitoring. In de jaren 90 daarentegen, zijn de ontwikkelingen relatief gering, ondanks grote onderzoeksinspanningen. Niet-invasieve, continu werkende bloedglucosemeters, en closed-loop systemen zijn nog steeds niet op de markt. Er wordt veel onderzoek gedaan naar de mogelijkheid om eilandjes van Langerhans te transplanteren, zonder de noodzaak om afweeronderdrukkende geneesmiddelen te slikken. Er moet nog veel onderzoek verricht worden, en het duurt nog een aanzienlijke tijd voordat deze nieuwe technieken beschikbaar zijn voor de patient. De kosten van hulpmiddelen voor diabetespatienten zullen - onder bepaalde aannamen - verdubbelen tot 2020. Hiertegenover staat echter een mogelijke verbetering van de kwaliteit van leven, en een besparing op andere uitgaven in de zorgsector doordat langetermijncomplicaties worden verminderd.
Jaar: 2000 Onderzoek Documenten: 1

Dutch DisMod. Constructing a set of consistent data for chronic disease modelling | RIVM

Om te komen tot consistente verzamelingen van invoergegevens voor dynamische modellen van chronische ziekten hebben we de consistentie binnen de modelcontext geanalyseerd van gegevens over incidentie, prevalentie en sterfte voor specifieke ziekten. Dergelijke modellen integreren gegevens uit verschillende bronnen en worden gebruikt om de volksgezondheids-effecten van trends in en interventies op risicofactoren door te rekenen. Incidentie- en prevalentie-gegevens komen uit huisartsenregistraties, epidemiologische onderzoeken en registraties in de gezondheidszorg, gegevens over overleving uit de wetenschappelijke literatuur, terwijl ziekte-specifieke sterftecijfers uit de CBS-statistieken komen. De opeenvolgende analysestappen zijn: 1) een vergelijking van de gegevens uit verschillende bronnen, 2) de berekening van remissie- en sterfterates uit gegeven incidentie- en prevalentierates, vervolgens 3) een vergelijking met data uit de literatuur. We hebben data ge6valueerd met betrekking tot longkanker, astma en COPD, coronaire hartziekten en hartfalen, diabetes mellitus, dementie, en beroerte. Verschillende algemene conclusies kunnen getrokken worden: de gevonden verschillen tussen de bronnen zijn meestal terug te vertalen naar verschillen in registratiekarakteristieken; voor veel aandoeningen is de berekende 'excess' sterfte veel groter dan de sterfte met de ziekte als de primaire doodsoorzaak in de CBS-statistieken; de geschatte sterfteparameters komen in de meeste gevallen goed overeen met die uit de literatuur; de aanwezigheid van trends in de tijd maakt het schatten van leeftijd-specifieke cijfers lastig.
Jaar: 2000 Onderzoek Documenten: 1

Factsheet Verf | RIVM

Om de blootstelling aan stoffen uit consumentenproducten en de opname daarvan door de mens te kunnen schatten en beoordelen zijn wiskundige modellen beschikbaar. Voor de berekening wordt gebruik gemaakt van het computerprogramma CONSEXPO. Het grote aantal consumentenproducten verhindert dat voor elk afzonderlijk product blootstellingsmodellen en parameterwaarden vastgesteld kunnen worden. Daarom zijn een beperkt aantal hoofdcategorien met gelijksoortige producten gedefinieerd. Voor elke hoofdcategorie wordt de informatie in een factsheet weergegeven. Naast achtergrondinformatie worden in de factsheet default-modellen en default-parameterwaarden gegeven van de product-categorien waaruit de hoofdcategorie is opgebouwd. In deze factsheet wordt informatie gegeven over het gebruik van verfproducten door consumenten. Er zijn productcategorien, met default-modellen en default-parameterwaarden, ontwikkeld voorverschillende applicatiemethoden, verschillende typen verf en verschillende gebruikstoepassingen. Het gehele gebied van het gebruik van verfproducten door consumenten wordt bestreken inclusief het schoonmaken van gereedschap en handen. Met behulp van de gegevens uit deze factsheet is het mogelijk standaardbeoordelingen van het gebruik van verfproducten te maken.
Jaar: 2000 Onderzoek Documenten: 1

Bacteriological detection of Salmonella in the presence of competitive micro-organisms. Bacteriological collaborative study IV amongst the National Reference Laboratories for Salmonella, the use of MSRV as selective enrichment | RIVM

Het Communautair Referentie Laboratorium voor Salmonella heeft een vierde bacteriologisch ringonderzoek georganiseerd betreffende de detectie van Salmonella. De deelnemers waren de Nationale Referentie Laboratoria (NRLs) voor Salmonella uit de lidstaten van de Europese Unie. Dit ringonderzoek had twee doelen: 1) Evaluatie van de resultaten van verschillende besmettingsniveaus van Salmonella Enteritidis (100 en 1000 kve) en Salmonella Typhimurium (10 en 100 kve) in de aanwezigheid van competitieve flora tussen en binnen de NRLs; en 2) Evaluatie van MSRV als selectieve ophoping vergeleken met de standaard methode welke RV als selectieve ophoping heeft. De gebruikte methoden waren een aangepaste ISO 6579 (voorgestelde referentie) methode en, optioneel, de methode die door het laboratorium routinematig gebruikt wordt voor detectie van Salmonella in kippen feces. Significant meer positieve isolaties werden verkregen bij de STM100 capsules ten opzichte van de STM10 en SE1000 capsules. Deze laatste twee capsulesoorten behaalden onderling ongeveer eenzelfde detectieniveau. Het aantal positieve isolaties verkregen met de SE100 capsules was significant lager dan het aantal positieven verkregen met de STM10 en SE1000 capsules. Significant meer positieven werden gevonden met het gebruik van MSRV ten opzichte van RV.
Jaar: 2000 Onderzoek Documenten: 1

Health burden of infections with thermophilic Campylobacter species in the Netherlands, 1990 - 1995 | RIVM

Infectie met thermophiele Campylobacter spp. (met name C. jejuni) leidt meestal tot een episode van acute gastro-enteritis, welke binnen enkele dagen tot enkele weken spontaan geneest. Soms treden ernstiger en langduriger ziekteverschijnselen op, zoals Guillain-Barre syndroom, reactieve artritis of sepsis. Voor sommige patienten heeft de ziekte een fatale afloop. Dit rapport beschrijft de epidemiologie van met thermophiele Campylobacter spp. geassocieerde ziekte in Nederland in de periode 1990-1995 en poogt deze informatie te integreren in een gemeenschappelijke volksgezondheidsmaat, de Disability Adjusted Life Year (DALY). DALYs zijn de som van het aantal verloren levensjaren ten gevolge van voortijdige sterfte, en het aantal jaren dat met ziekte wordt doorgebracht, gewogen met een factor tussen 0 en 1 voor de ernst van die ziekte. Er is aanzienlijke onzekerheid en variabiliteit in de epidemiologische informatie die ten grondslag ligt aan de geschatte gezondheidslast. Deze is expliciet bij de analyse betrokken. De met simulatie geschatte gezondheidslast van met thermophiele Campylobacter spp. geassocieerde ziekte in Nederland bedraagt ca. 1400 DALY per jaar (90% betrouwbaarheidsinterval 900-2000 DALY per jaar). De belangrijkste bijdragen worden geleverd door acute gastro-enteritis in de algemene bevolking (310.000 gevallen per jaar, 290 DALY), aan gastro-enteritis gerelateerde sterfte (30 gevallen per jaar, 410 DALY) en residuele symptomen van het Guillain-Barre syndroom (60 gevallen, 340 DALY). De invloed van onzekerheden ten aanzien van de te maken aannames bij bovenstaande berekeningen werden onderzocht met behulp van gevoeligheidsanalyse. In alle alternatieve scenario's bleek de geschatte gezondheidslast in bovengenoemd interval te liggen.
Jaar: 2000 Onderzoek Documenten: 1

Onderbouwing van het Nederlandse derogatieverzoek in het kader van de Europese nitraatrichtlijn | RIVM

Volgens de Europese nitraatrichtlijn mag in 2003 niet meer dan 170 kg/ha stikstof in de vorm van dierlijke mest op landbouwgrond gebracht worden. De richtlijn biedt de mogelijkheid om hiervan gemotiveerd af te wijken (derogeren) mits dit verantwoord is, gelet op de milieudoelstellingen van de richtlijn. De regering heeft aangekondigd om voor grasland van deze mogelijkheid gebruik te maken. Hiertoe wordt gebruik gemaakt van twee objectieve criteria in de richtlijn, namelijk 'langer groeiseizoen' en 'hogere gewasopname'. Gras neemt meer en langer stikstof op dan akkerbouwgewassen. Op basis van proefveldonderzoek is nagegaan of de uitspoeling van stikstof als gevolg van het gebruik van dierlijke mest groter is dan bij toepassing van kunstmest. Dit blijkt niet het geval te zijn mits de dierlijke mest goed verdeeld in het groeiseizoen wordt toegediend. Dierlijke mest die tijdens beweiding op de bodem komt spoelt daarentegen wel in belangrijke mate uit. In dit rapport is bij een traject van veebezettingen van 1- 3 melkkoeien per hectare (incl. het bijbehorend jongvee) onderzocht hoeveel stikstof met dierlijke mest op grasland kan worden gebracht, rekening houdend met de voorgenomen verliesnormen voor stikstof en fosfaat in 2003. Voorts geldt als uitgangspunt dat beweiding moet plaatsvinden. Voor wat betreft de milieugevolgen voor grondwater is als maat voor de uitspoeling de nitraatconcentratie van 50 mg/l in het bovenste grondwater beschouwd. Uit modelberekeningen, die de stikstofstroom binnen een graasdierbedrijf beschrijven, blijkt dat bij gras op vochthoudende gronden een hoeveelheid stikstof met dierlijke mest tot ca. 360 kg/ha mogelijk is en bij gras op droge gronden ca. 290 kg/ha. De nitraatconcentratie van 50 mg/l in het bovenste grondwater wordt net bereikt (droge gronden) of blijft daaronder (vochthoudende gronden). Dit kan alleen als de stikstof in de dierlijke mest zo goed mogelijk wordt benut d.w.z. bij een systeem van beperkt weiden en als de kunstmestgift wordt beperkt.
Jaar: 2000 Onderzoek Documenten: 1

De gezondheidsgerelateerde kwaliteit van leven bij astma en COPD vergeleken met andere groepen in Nederland | RIVM

In opdracht van het Astmafonds worden in dit rapport beschikbare gegevens in kaart gebracht over de gezondheidsgerelateerde kwaliteit van leven van personen met astma en COPD vergeleken met die van andere groepen. Hiertoe is enerzijds een literatuurstudie uitgevoerd waarvoor studies zijn geselecteerd waarin de kwaliteit van leven van personen met astma of COPD wordt vergeleken met die van de algemene bevolking of van personen met een andere (chronische) ziekte. Anderzijds zijn nieuwe analyses uitgevoerd op basis van twee epidemiologische studies. Gezondheidsgerelateerde kwaliteit van leven is een begrip met meerdere dimensies. Zowel de gezondheidstoestand als de gevolgen daarvan voor het functioneren en de waardering daarvoor zijn van belang. Het literatuur onderzoek en de analyses toonden aan dat zowel het fysieke, emotionele als sociale functioneren wordt be6nvloed door astma. Personen met COPD bleken lager te scoren op maten voor kwaliteit van leven dan personen met astma. Personen met astma of COPD gaven de laagste score aan hoe zij hun algemene gezondheid ervoeren in vergelijking met personen met een andere chronische ziekte. Veel gegevens over de gezondheidsgerelateerde kwaliteit van leven van personen met astma en COPD in Nederland in vergelijking met andere groepen bleken beschikbaar. Andere gegevens zijn niet gepubliceerd maar lijken wel aanwezig. Zo is er nog weinig bekend over verschillen tussen mannen en vrouwen. Ook verschillen tussen leeftijdsgroepen, mensen met een verschillende sociaal-economische achtergrond of uit verschillende regio's binnen de groep personen met astma of COPD zijn niet direct beschikbaar. Deze gegevens zijn wel via secundaire analyses te verkrijgen. Enkele gegevens blijken in de huidige studies niet aanwezig. Dat betreft de kwaliteit van leven van kinderen met astma in de leeftijd van 0-6 jaar en 14-20 jaar. Ook over de subjectieve beleving van het functioneren en specifieke activiteiten of situaties waarin men beperkingen ervaart is nog weinig bekend.
Jaar: 2000 Onderzoek Documenten: 1

Klachten van het bewegingsapparaat in de Nederlandse bevolking, prevalenties, consequenties en risicogroepen | RIVM

Klachten van het bewegingsapparaat vormen een belangrijk volksgezondheidsprobleem maar geschikte gegevensbronnen betreffende de Nederlandse bevolking zijn schaars. Op basis van de landelijke studie naar klachten en aandoeningen van het bewegingsapparaat (de KAB-studie) is een analyse gemaakt van prevalenties, consequenties en risicogroepen van pijnklachten van het bewegingsapparaat in de bevolking. De KAB-studie is een postenquete onderzoek bij een aselecte steekproef uit de Nederlandse bevolking van 25 jaar en ouder, uitgevoerd door het RIVM in samenwerking met het CBS. Er zijn 10 klachtlocaties onderscheiden in vijf groepen; 1. nek, schouders of hoog in de rug, 2. elleboog of pols/hand, 3. lage rug, 4. heup of knie, 5. enkel of voet . Naast de periode-prevalentie (12 maanden) en de punt prevalentie (Pp) zijn diverse kenmerken(duur, ernst, beloop) en consequenties (voor gezondheid, zorg en werk) van de klachten vastgelegd. De zelf-gerapporteerde prevalentie van pijnklachten is zeer hoog. De top drie van klachten is: 1. lage rug (Pp=26,9%) 2. schouders (Pp=20,9%), 3. nek. (Pp=20,6%) Bij vrouwen is de prevalentie hoger dan bij mannen. De meeste klachten komen op alle leeftijden veel voor, maar de pijnklachten van knie en heup nemen duidelijk toe met de leeftijd. In de meeste gevallen is de klacht voortdurend of regelmatig aanwezig en gekarakteriseerd als 'lichte/zeurende pijn'. In 3 van de 10 gevallen gaan de klachten gepaard met verhindering in de uitvoering van de normale bezigheden. Het beroep op de gezondheidszorg is hoog en ziekteverzuim wordt vaak gemeld. Op basis van algemene sociaal-demografische kenmerken zijn geen duidelijke risicogroepen te onderscheiden behalve de groep die arbeidsongeschikt is.
Jaar: 2000 Onderzoek Documenten: 1

Urbanisation, Industrialisation and Sustainable development | RIVM

Millenniumconferentie 'On the Threshold' over de toekomst van de VN, Tokio, 19-21 januari 2000. Op de millenniumconferentie georganiseerd door de VN-Universiteit in Tokio presenteerde Rob Maas een rapport onder de titel 'Verstedelijking, industrialisatie en duurzame ontwikkeling'. Dit rapport vat de uitdagingen die zich in de komende eeuw zullen voordoen bij het nastreven van een duurzame ontwikkeling samen en gaat in op de mogelijke rol van de VN daarbij. Aan de VN-conferentie werd deelgenomen door een select gezelschap van ongeveer 100 beleidsmakers, parlementariers, ministers en wetenschappers op het terrein van handel, armoede, milieu, vrede en veiligheid. Deelnemers waren o.a. mevr Frechette (plaatsvervangend secretaris-generaal van de VN), Andrew Mack (directeur Strategische planning van het bureau van de secretaris generaal van de VN), prof. Akashi (VN-bemiddelaar in Bosnie), prof. Norman Myers (ecoloog), mevr. Domoto (senator Japan en bestuurder Globe-initiatief) en prof. van Wolferen (econoom en Japan-kenner). Het was een informele bijeenkomst onder het motto 'een beter leven in een veiliger wereld'. Globalisering, liberalisering en toenemende concentratie van het economische kapitaal in handen van weinigen vragen om voldoende tegenwicht om sociale en ecologische problemen te verminderen. Waterschaarste, armoede en toenemende inkomensverschillen, honger, verlies aan biodiversiteit en een trage bestuurlijke reactie op verrassingen (klimaat, biotechnologische en nucleaire dilemma's, ed) werden als de belangrijkste aandachtspunten voor de komende decennia gezien. Ideeen die passeerden waren onder andere: versterking van de rol van de veiligheidsraad (naar een meer preventieve beheersraad), uitbreiding van de G8 met een achttal ontwikkelingslanden, de voor- en nadelen van (verdere) regionalisatie van de VN naar continenten (en culturen) en toepassing van subsidiariteitsprincipes, de vormgeving van de algemene vergadering met vertegenwoordigers van parlementen, de versterking van de rol van de secretaris-generaal (vorming van een soort kabinet a la de Europese Commissie met een omvorming van de VN-instituties naar beleidsthema's), de financiering van de VN met een belasting op internationale kapitaaloverdrachten, en de groeiende betrokkenheid van bedrijfsleven en belangenroepen in VN-besluitvormingsprocessen. De rector van de UN-universiteit, prof. van Ginkel, pleitte voor ondersteuning van de besluitvormingsprocessen met integrale systeem-dynamische modellen en scenario's, zoals het RIVM die ontwikkelt.
Jaar: 2000 Onderzoek Documenten: 1

Dose response relations for gastro-instestinal pathogens in an animal model | RIVM

Dosis-respons modellen zijn een belangrijk onderdeel van de kwantitatieve microbiologische risicoanalyse, maar er zijn slechts weinig bruikbare kwantitatieve gegevens. Experimenten met vrijwilligers geven slechts beperkte informatie. Daarom wordt een diermodel voor infectie met enteropathogene bacterien ontwikkeld. Volwassen, mannelijke WU ratten werden na overnacht vasten en neurtralisatie van maagzuur blootgesteld aan verschillende doses van drie enteropathogene bacterien (Salmonella enterica serovar Enteritidis, Escherichia coli 0157 en Campylobacter jejuni). Er werd een relatie gevonden tussen de dosis en de kans op infectie voor alle onderzochte bacterien. C. jejuni was meer infectieus dan E.coli 0157 en S. Enteritidis was het minst infectieus. S.Enteritidis veroorzaakte ook systemische effecten. Een dodis-respons relatie werd gevonden met sommige hematologische parameters (met name een toename van neurofielen), met de vertraagd type overgevoeligheidsreactie (OTV) en met histopathologische veranderingen in het darmkanaal. De reproduceerbaarheid van de experimenten met S.Enteritidis was goed, in tegenstelling tot C.jejuni
Jaar: 2000 Onderzoek Documenten: 1

Factsheet algemeen | RIVM

Om de blootstelling aan stoffen uit consumentenproducten en de opname daarvan door de mens te kunnen schatten en beoordelen zijn wiskundige modellen beschikbaar. Voor de berekening wordt gebruik gemaakt van het computerprogramma CONSEXPO. Het grote aantal consumentenproducten verhindert dat voor elk afzonderlijk product blootstellingmodellen en parameterwaarden vastgesteld kunnen worden. Daarom zijn een beperkt aantal hoofdcategorieen met gelijksoortige producten gedefinieerd. Voor elke hoofdcategorie wordt informatie over de blootstellingschatting in een factsheet weergegeven. Naast achtergrondinformatie worden default-modellen en default-parameterwaarden gegeven van elke product-categorie waaruit de hoofdcategorie is opgebouwd. In deze factsheet wordt informatie weergegeven die voor meerdere hoofdcategorieen van belang is om een schatting van risico's van het gebruik van consumentenproducten te kunnen maken. Aan de orde komen de randvoorwaarden die aan default-parameters gesteld worden en de manier waarop de betrouwbaarheid van de schatting van de parameterwaarden wordt weergegeven. Verder zijn defaults van algemeen gebruikte blootstellingfactoren gedocumenteerd voor: -) de inhoud en de oppervlakte van kamers in Nederlandse woningen, -) het ventilatievoud in verschillende ruimten van woningen, -) het totale lichaamsoppervlak en het oppervlak van lichaamsdelen van volwassenen, mannen, vrouwen en kinderen. De gevoeligheid van humane blootstelling en opname voor ventilatie en kamergrootte worden besproken aan de hand van een verdampingsmodel.
Jaar: 2000 Onderzoek Documenten: 1

Grondwaterbemonstering vanuit een analytisch-chemisch perspectief | RIVM

In het kader van de milieukwaliteitsmonitoring is een Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid opgezet om de kwaliteit van het bovenste grondwater onder agrarische bedrijven te kunnen kwantificeren. Doel van dit onderzoek is om na te gaan of het bemonsteringsprotocol voor het bovenste grondwater, zoals dat voor macro-nutrienten werd opgezet, ook geschikt is voor analyses van macro-, micro- en sporenelementen. Elementafgifte en -sorptie tijdens de bemonstering werd hoofdzakelijke veroorzaakt door de membraanfilters. Van de vijf geteste filters (mixed-ester-cellulose, cellulose-acetaat, cellulosenitraat, geregenereed cellulose en polyvinylideendifluoride. Loodafgifte werd hoofdzakelijk veroorzaakt door de polyvinylchloride onderdelen van de bemonsterinsapparatuur. Monsters geconserveerd met 0.7% (v/v) HNO3 waren tenminste 1.5-2.5 jaar stabiel. Als filtratie en conservering niet meteen bij monstername werd uitgevoerd, waren Ni, Ba, Cu, totaal-P, Al, Cd, Zn, Pb, Cr en Fe gedeeltelijk geprecipiteerd. In monsters waarin zich na aanzuren bruine vlokken ontwikkelden, vond sorptie plaats van Al, Si, Cr, Fe en Pb. De bemonsteringsprocedure zoals die nu wordt uitgevoerd, is alleen geschikt voor de bepaling van Na, Mg, K, Ca, Sr en As. De bemonsteringsprocedure kan verbeterd worden door de membraanfilters te spoelen, het bemonsteringsmateriaal met zorg te kiezen, de monsters meteen bij monstername te filtreren en te conserveren en monsters met bruine vlokken te destrueren.
Jaar: 2000 Onderzoek Documenten: 1

Selection of substances, deserving policy attention | RIVM

In dit rapport is een inventarisatie gemaakt van stoffen, die mogelijk meer beleidsmatige aandacht verdienen. De nadruk ligt op stoffen die relevant zijn voor de Nederlandse situatie, en die niet het onderwerp zijn van (geplande) nationale of internationale programma's met betrekking tot risicobeoordeling. Een bron van informatie zijn chemicalien die aangetroffen en geidentificeerd zijn gedurende analytisch-chemische verkenningen in het veld. Een tweede groep potentieel schadelijke stoffen die bediscussieerd worden zijn die verbindingen welke frequent worden genoemd in de recente wetenschappelijke literatuur. Tenslotte is informatie uit het Nederlands emissieregister gebruikt om mogelijk zorgwekkende stoffen te identificeren.
Jaar: 2000 Onderzoek Documenten: 1

Probabilistic risk assessment for new and existing chemicals: Example calculations | RIVM

In de EU-methodiek van risicobeoordeling voor nieuwe en bestaande stoffen wordt "risico" gekarakteriseerd als het deterministische quotient van blootstelling en effect (PEC/PNEC of "Margin of Safety"). Vanuit wetenschappelijk oogpunt is het aan te bevelen om de onzekerheid in het risicoquotient expliciet in de besluitvorming mee te nemen. De voor- en nadelen van probabilistische risicobeoordeling in dit kader zijn al uitgebreid besproken in eerder werk. Om de voordelen van een probabilistisch risicokader te demonstreren worden in dit rapport voorbeeldberekeningen voor twee stoffen gegeven: dibutylftatlaat (DBP, een bestaande stof) en een notificatie van een nieuwe stof. De uitgewerkte voorbeelden tonen aan dat een probabilistisch risicokader met weinig extra inspanning haalbaar is en meer relevante informatie geeft. Het deterministische risicoquotient bleek tamelijk worst case te zijn; i.h.a. hoger dan het 95e percentiel van de waarschijnlijkheidsverdeling. Gevoeligheidsanalyse bleek een krachtig instrument te zijn om de voornaamste bronnen van onzekerheid te identificeren en is daardoor belangrijk voor een efficiente teststrategie.
Jaar: 2000 Onderzoek Documenten: 1

Registratie van SOA en HIV consulten bij GGD's en SOA-poliklinieken: Jaarverslag 1997 en 1998 | RIVM

Bij GGD's wordt door sociaal-verpleegkundigen een registraite bijgehouden van de bezoekers ten behoeve van een SOA-hulpvraag of HIV-testverzoek. In 1997 registreerden 50 GGD's 9.888 consulten (daling van 13% t.o.v. 1996). In 1998 registreerden 46 GGD's 10.123 consulten (stijging van 2% t.o.v. 1997). Van deze consulten was de helft t.b.v. een SOA onderzoek, de andere helft t.b.v. een HIV test of voor beide. Ruim driekwart van de bezoekers is oorspronkelijk afkomstig uit Nederland. In 1997 had driekwart van de mannelijke bezoekers hetroseksueel en 11% homoseksueel contact gehad, 11% was prostitiuant. In 1998 had 14% homoseksueel cotnact gehad. Van de vrouwen werkte zowel in 1997 als in 1998 20% als prostituee. De meeste consulten voor SOA vinden plaats vanwege klachten, eigen risicogedrag en aanvang van een nieuwe relatie. De meeste bezoekers zijn tussen de 20 en 34 jaar. Het aantal gediagnosticeerde SOA daalde in 1997 met 25% tot 2213. In 1998 werden 2844 SOA gediagnosticeerd (stijging van 29% t.o.v. 1997). Opallend is dat de groep waarbij een SOA is vastgesteld minder vaak uit Nederland afkomstig is, vaker homoseksuele contacten heeft, vaker prostituant was en vaker in de prostitutie werkzaam was dan de groep bezoekers waarbij geen SOA is vastgesteld. De meest voorkomende SOA bij zowel mannen als vrouwen is chlamydia; bij mannen gevolgd door genitale wratten en gonorroe en bij vrouwen gevolgd door candidiasis, bacteriele vaginose en genitale wratten. In 1997 was bij 4667 consulten sprak van een HIV-testverzoek (precounseling) waarbij 0,7% positief bleek te zijn, in 1998 was 0,8% van de 4667 HIV-testen positief.
Jaar: 2000 Onderzoek Documenten: 1

Health Risk Assessment for Organotins in Textiles | RIVM

In januari 1998 werd het RIVM gevraagd een voorlopige risicobeoordeling uit te voeren voor organische tinverbindingen (organotins) in textiel. Metingen uitgevoerd door de Inspectie Gezondheidsbescherming, Waren en Veterinaire Zaken wezen op de aanwezigheid van deze potentieel toxische verbindingen in diverse consumentenproducten waaronder kleding voor volwassenen en kinderen en producten voor hygienische verzorging van vrouwen en jonge kinderen. De eerste beoordeling van dit probleem verscheen in maart 1998; dit advies werd ingebracht in het lopende overleg tussen de Inspectie en de industrie over dit probleem. Reeds in een vroege fase gaf de industrie aan dat de bronnen van verontreiniging waren opgespoord en vervolgends uit het productieproces verwijderd. Daarmee was de vraagstelling teruggebracht tot de beoordeling of er sprake was van een risico in de periode dat de verontreiniging nog wel aanwezig was (historisch risico). Bovendien leverde de industrie verdere informatie die gebruikt kon worden om initiele risicobeoordeling nader uit te werken. Deze nieuwe gegevens gaven grotendeel antwoord op de punten die in het voorlopige advies wezen op mogelijke risico's voor de gezondheid. op enkele punten blijven er beperkingen in de beschikbare gegevens maar overall concluderen we dat de verontreinigde items waarschijnlijk geen enkel risico vormden voor de gezondheid van de consument.
Jaar: 2000 Onderzoek Documenten: 1

De morbiditeit van astma en COPD in Nederland; een inventariserend onderzoek ten behoeve van de beleidsondersteuning van het Nederlands Astma Fonds | RIVM

In opdracht van het Nederlands Astma Fonds is een inventarisatie gemaakt van beschikbare kennis over de morbiditeit van astma en COPD in Nederland. De volgende vraagstellingen werden geformuleerd: Inventarisatie: welke gegevensbronnen zijn beschikbaar, welke gegevens zijn daarin aanwezig? In hoeverre kunnen de beschikbare gegevens inzicht verschaffen in incidentie en prevalentie van astma en COPD? Wat zijn leemtes in de beschikbare gegevens? Presentatie: wat is de incidentie en prevalentie van astma en COPD op basis van de beschikbare gegevens? Kan onderscheid worden gemaakt in astma en COPD afzonderlijk, ernstgraad en specifieke groepen? Er is reeds veel informatie beschikbaar over de morbiditeit van astma en COPD in Nederland. Het inzicht kan consistenter en ruimer worden wanneer een aantal aanvullende analyses worden verricht op bestaande gegevensbestanden door de beherende instanties van de bestanden. Inherent aan de overlap tussen de ziektebeelden astma en COPD, is het niet altijd mogelijk om een valide onderscheid daartussen te maken. Gegevens over ernstgraden ontbreken vrijwel geheel, maar deze zouden wel verzameld kunnen worden wanneer consensus bereikt zou kunnen worden over de wijze waarop 'ernst' wordt gedefinieerd. De meest opvallende leemtes betreffen beschikbaarheid van gegevens over astma en COPD morbiditeit in zeer jonge kinderen, jong-volwassenen en ouderen, alsmede kennis over astma en COPD morbiditeit in etnische groepen.
Jaar: 2000 Onderzoek Documenten: 1

Doelen en opties meetnet geluid | RIVM

Een onderzoek is verricht naar de wenselijkheid en haalbaarheid van het continu uitvoeren van geluidmetingen ter ondersteuning van monitoringsactiviteiten op het gebied van geluid. In dit kader zijn verkennende geluidmetingen verricht aan het wegverkeer langs op rijksweg A2 ter hoogte van Breukelen. De metingen zijn ten behoeve van het onderscheid van voertuigcategorieen gecombineerd met tel- en snelheidsgegevens van het verkeer ter plaatse en zijn vergeleken met modelberekeningen. Uit studie blijkt het monitoren van geluidemissies van rijkswegen en het valideren van modelberekeningen door middel van een continu registrerende meetpost realiseerbaar. Tevens is een vooruitblik gemaakt naar de mogelijkheden om ook de emissies van andersoortige geluidbronnen middels metingen te monitoren
Jaar: 2000 Onderzoek Documenten: 1

Modellering van de risico's van blootstelling aan pathogene micro-organismen via voedsel, dieren en water. Een definitiestudie | RIVM

Het doel van deze definitiestudie is sturing van toekomstig onderzoek door de modelleringsgroep van het Microbiologisch Laboratorium voor Gezondheidsbescherming (MGB), dat deel is van het RIVM. De missiestatement van de groep is: kwantitatieve schattingen van het volksgezondheidsrisico van pathogene micro-organismen in water, voedsel en dieren. Kerntaken zijn: ontwikkelen en toepassen van wiskundige modellen; verwerven en integreren van systeemkennis en gegevens; participeren in experimenteel en observationeel onderzoek; adviseren van beleidsmakers over de effectiviteit van risicoreducerende maatregelen. Het onderzoeksgebied is onderverdeeld in vijf onderzoeksvelden: Dier, Voedsel, Water / Land, Mens en Volksgezondheid. Inhoud en verdere aanpak van deze velden wordt beschreven. Ter co6rdinatie van deze onderzoeksvelden werden afspraken gemaakt over grenzen en interacties tussen deze velden. Het modelleringswerk binnen het MGB maakt onlosmakelijk deel uit van de laboratoriumstrategie van integrale risico-bepaling, met als einddoel effectmodellering op individu- en populatieniveau. De belangrijkste modelleringsonderwerpen van het recente verleden (bacteri6le zo6nosen, protozoa en virussen in water, dosis-respons relaties en effecten op de volksgezondheid) zullen gehandhaafd worden waarbij er naar gestreefd wordt om het aantal te onderzoeken micro-organismen te beperken. Modelleringstechnieken kunnen niet a priori gekozen worden, omdat deze bepaald worden door de precieze vraagstelling en de databeschikbaarheid. Stochastische en mechanistische modellen hebben de voorkeur. De informatiebehoefte wordt beschreven per onderzoeksveld. Dit bevestigt dat modellering een informatie-intensieve activiteit is die multidisciplinair aangepakt moet worden.
Jaar: 2000 Onderzoek Documenten: 1

The cyanide accident in Barskoon (Kyrgyzstan) | RIVM

Bij een ongeval op 20 mei 1998 kwam 1700-1800 kg NaCN in de Barskoon Rivier terecht, ongeveer 8 km stroomopwaarts van het dorpje Barskoon. De cyanidelozing veroorzaakte grote commotie onder de bevolking en de autoriteiten van Kirgizie, vanwege het potentiele gevaar voor gezondheid en milieu, mede door het laat melden van het ongeval door het betrokken bedrijf. Op 25 mei 1998 vroeg de WHO in Kopenhagen het RIVM om bijstand, om de milieugevolgen van het ongeval te beoordelen. Een week later verzocht de WHO opnieuw om bijstand, nu om follow-up analyses en om medisch/toxicologische assistentie. Ervaringen van beide missies zijn in dit rapport beschreven. De hoogste totaal-cyanideconcentraties, een week na het ongeluk gemeten door het Laboratorium voor Anorganisch-analytische Chemie van het RIVM, overschreden niet de waarde van 1 mg/kg (grond). Dit concentratieniveau is niet bedreigend, noch voor het milieu, noch voor de gezondheid van mens en dier. De resultaten en conclusies zijn direct gemeld aan de Kirgizische autoriteiten. Echter, de bezorgheid voor de gezondheid van de mogelijk blootgestelde bevolking had inmiddels geleid tot - deels onnodige - behandeling van tientallen mensen, en tot honderden bezoeken aan ziekenhuizen en klinieken. De evacuatie van enkele duizenden mensen in de dagen na het ongeluk kon evenmin worden gerechtvaardigd door de cyanide concentraties die in het milieu waren aangetroffenen. Op grond van onze metingen en conclusies zijn aanbevelingen gegeven voor een passende risico-management strategie, en voor de implementatie van maatregelen om ongelukken in de toekomst te voorkomen. Ofschoon de conclusies van onze missies de Kirgizische autoriteiten overtuigden, bleef de commotie onder de bevolking nog meer dan een jaar aanhouden.
Jaar: 2000 Onderzoek Documenten: 1

Report on the fourth workshop organised by CRL-Salmonella | RIVM

Op 4 en 5 november 1999 is door het Communautair Referentie Laboratorium (CRL) voor Salmonella een workshop georganiseerd in Bilthoven, Nederland. Alle Nationale Referentie Laboratoria (NRLs) voor Salmonella van de EU lidstaten waren vertegenwoordigd. In totaal waren er 32 deelnemers. Het programma van de workshop bestond uit verschillende delen. Het eerste deel bestond uit de bespreking van de nieuw zoonose richtlijn. Daarna vond een evaluatie plaats van het bacteriologische ringonderzoek en bacteriologische detectie in de verschillende lidstaten. Verder werd nog gesproken over serologische ringonderzoeken, moleculaire biologie en immunologie.
Jaar: 2000 Onderzoek Documenten: 1

Opportunistische screening op genitale infecties met Chlamydia trachomatis onder de seksueel actieve bevolking in Amsterdam. III. Kosteneffectiviteitsanalyse van screening bij vrouwen uitgebreid met de rol van herinfectie en partnermeebehandeling | RIVM

Opportunistische screening op genitale infecties met Chlamydia trachomatis onder de seksueel actieve bevolking in Amsterdam. III. Kosteneffectiviteitsanalyse van screening bij vrouwen uitgebreid met de rol van herinfectie en partnermeebehandeling | RIVM
Jaar: 2000 Onderzoek

Cancer risk assessment of azo dyes and aromatic amines from tattoo bands, folders of paper, toys, bed clothes, watch straps and ink | RIVM

Dit rapport beschrijft een schatting voor het risico op kanker dat verbonden is aan het gebruik van tatoe bandjes, kinderspeelpapier, speelgoed, beddengoed, lederen horlogebandjes en inkt waarin kankerverwekkende azo kleurstoffen aangetroffen zijn. In genoemde producten zijn benzidine en de benzidine verwanten o-anisidine, 2,4-toluenediamine, 4,4'-diaminodifenylmethaan, 3,3'-dichloorbenzidine en o-toluidine aangetroffen. In de risicoschatting wordt de (geschatte) hoeveelheid aromatische aminen die tijdens het gebruik van genoemde producten in het lichaam opgenomen kan worden vergeleken met het chronische, acceptabel geachte, blootstellingsniveau van deze aminen. In de risicoschatting wordt met de volgende aspecten rekening gehouden: 1) de kans dat azo kleurstoffen en aminen in producten voorkomen, 2) het aantal malen dat producten gebruikt worden, 3) de mate waarin producten met de huid in contact komen, 4) de hoeveelheid aminen en azo kleurstoffen die in producten voorkomen, 5) de mate waarin azo kleurstoffen en aminen uit producten migreren, 6) de opname door de huid van azo kleurstoffen en aminen en 7) de acceptabele limieten zoals die gesteld zijn voor de chronische bloostelling aan kankerverwekkende aromatische aminen. Deze laatste limieten zijn gesteld op de blootstellingsniveaus die leiden tot 1 extra geval van kanker per miljoen levenslang blootgestelden ("Negligible Risk Level", NRL) resp. 1 extra geval van kanker per tienduizend levenslang blootgestelden ("Maximum Permissible Risk Level", MPRL). Bij het afleiden van NRLs/MPRLs zijn twee benaderingswijzen toegepast. In de eerste benadering zijn NRL en MPRL waarden van benzidine en benzidine verwanten afgeleid uit epidemiologisch onderzoek. In de tweede, traditionele, benadering zijn NRL en MPRL waarden voor benzidine verwanten afgeleid uit dierexperimenteel onderzoek. Wanneer NRL en MPRL waarden afgeleid worden uit epidemiologisch onderzoek bleek voor alle onderzochte producten het geschatte risico op kanker boven het NRL te liggen. Voor drie producten ligt het risico zelfs boven het MPRL. Wanneer NRL en MPRL waarden voor benzidine verwanten afgeleid worden uit dierexperimenteel onderzoek dan zou het risico op kanker in slechts twee van de onderzochte producten groter zijn dan het NRL.
Jaar: 2000 Onderzoek Documenten: 1

Test results of Salmonella sero- and phage typing by the National Reference Laboratories and the EnterNet laboratories in the Member States of the European Union | RIVM

Het vierde ringonderzoek voor sero- en faagtypering is georganiseerd door het Communautair Referentie Laboratorium voor Salmonella in samenwerking met Public Health Laboratory Services (PHLS). Alle Nationale Referentie Laboratoria (NRLs) voor Salmonella en 12 EnterNet laboratoria (ENLs) namen deel. Er werden 16 stammen van de species Salmonella enterica geselecteerd voor serotypering en 10 stammen Salmonella Typhimurium en 10 stammen Salmonella Enteritidis voor faagtypering. Over het algemeen waren er geen problemen met typering van de O-antigenen. De meeste problemen werden verkregen met typering van de H-antigenen. Het meerendeel van de NRLs en de ENLs had geen grote problemen met faagtypering van Salmonella Typhimurium of Enteritidis.
Jaar: 2000 Onderzoek Documenten: 1

Voetafdrukken van Nederlanders. Energie- en ruimtegebruik als gevolg van Consumptie. Achtergronden MB98 en MB99 | RIVM

Dit rapport geeft een nadere invulling aan het idee van afwenteling van milieuproblemen op het buitenland achter de indicator 'ecological footprint' zoals die door Wackernagel en Rees in 1996 is geintroduceerd. Hierbij wordt gebruik gemaakt van eerder ontwikkelde benaderingsmethodieken betreffende het thema Verspilling ofwel het 'beslag op de sleutelvoorraden ruimte en energie'. Tevens worden daarmee samenhangende thema's als biodiversiteit, leefstijl en consumptiepatronen in nationaal verband nader geanalyseerd. Daarnaast is dit rapport als achtergrondrapport bij de Milieubalans 99 een verantwoording van de rekenmethodieken die in dat kader zijn gehanteerd alsmede de resultaten daarvan. Het totale energiegebruik als gevolg van consumptie door Nederlanders is tussen 1948 en 1996 constant gestegen (de economische recessie van de jaren 80 daargelaten) en daarbij vervijfvoudigd. Het totale energiegebruik per persoon is tussen 1948 en 1996 meer dan verdrievoudigd van 35 naar ruim 120 GJ). De sterkste groei vond plaats tussen 1960 en 1980, mede als gevolg van de sterke groei van het autogebruik en de introductie van de centrale verwarming. Zonder de belangrijkste efficiencyverbeteringen zou het energiegebruik per persoon tussen 1948 en 1996 met ruim 40 GJ extra zijn gestegen. De belangrijkste bijdragen daaraan vormde de isolatie van woningen, de efficiency-verbeteringen van elektrische apparaten en die van verwarmingsinstallaties (30 GJ). Deze efficiencyverbeteringen binnen het huishouden zijn echter lang niet genoeg geweest om de consumptiegroei te compenseren. Het ruimtebeslag van de Nederlanders is tussen 1960 en 1995 toegenomen zij het veel minder spectaculair dan het energiebeslag, van 7,9 mln. ha in 1960 tot 10,7 ha in 1995. De toename door de verhoogde consumptie met 5,8 mln ha. wordt daarbij ongeveer gecompenseerd door een verbetering in productietechnieken en productie-efficientie met 5,3 mln.ha. Hierdoor houdt in 1995 de toename van het ruimtebeslag min of meer gelijke tred met de groei van de bevolking. Ten aanzien van de biodiversiteit is volgens een ruwe schatting wereldwijd de ecologische waarde afgenomen van 100% (oorspronkelijke bedekking) naar 73% in 1970 en 72% in 1990. Voor deze daling over het traject tot aan 1970 en 1990 is Nederland verantwoordelijk voor ca 0.2% (van de 27%, resp. 28% waarde daling). De beschrijvingen van de voor de Milieubalansen gehanteerde methodieken en definities geven aan, dat er tal van keuzen worden gemaakt die niet los kunnen worden gezien van het gebruiksdoel van de verkregen informatie.
Jaar: 2000 Onderzoek Documenten: 1

Vaststellen van veldeffecten van milieustressoren | RIVM

Met een indicator gebaseerd op het concept van Pollution-Induced Community Tolerance (PICT) kunnen veldeffecten van milieustressoren worden vastgesteld. Het rapport geeft een samenvatting van de gebruiksmogelijkheden van een microbiele PICT-indicator, van in situ waargenomen relaties tussen PICT en de structuur en het functioneren van ecosystemen alsmede van de beleidsrelevantie van zulke observaties. PICT is het verschijnsel dat blootstelling aan een giftige stof in verandering van de natuurlijke gemeenschap van organismen resulteert. Dit wordt veroorzaakt door fysiologische of genetische aanpassing van soorten en/of vooafsterven van gevoelige soorten en verschijnen van minder gevoelige soorten. Verlies van gevoelige soorten leidt tot verlies van functies. In een aantal gevallen is ook een vermindering van het aantal soorten in verontreinigde ecosystemen gevonden. Bij traditionele ecologische observaties (bijvoorbeeld soorten en aantallen) is het verband tussen de waargenomen verandering en de aanwezige milieustress vaak niet duidelijk als gevolg van natuurlijke variatie en aanwezigheid van andere stressoren. PICT geeft een causaal verband aan tussen een ecologische observatie en aanwezigheid van een giftige stof. Causaliteit tussen de waargenomen verandering en de potentiele stressfactor is een belangrijk voordeel van een PICT indicator. De PICT indicator kan gebruikt worden om vast te stellen of een specifieke verontreiniging effect heeft op het ecosysteem. De beleidsrelevantie van deze indicator bestaat uit de mogelijkheid hem in te zetten voor validatie in het veld van methoden voor risico-schattingen en als instrument voor inschatting van locatiespecifieke risico's van de aanwezigheid van verontreinigingen.
Jaar: 2000 Onderzoek Documenten: 1

PREZIES: PREventie van ZIEkenhuisinfecties door Surveillance. Deelcomponent lijnsepsis, pilot 1999 | RIVM

Doel: Het evalueren van de haalbaarheid van de surveillance component lijnsepsis in het PREZIES-netwerk. Het uiteindelijke streven is het invoeren van gestandaardiseerde landelijke surveillance van lijnsepsis in ziekenhuizen en het genereren van referentiegegevens voor individuele ziekenhuizen en de overheid.Opzet: De haalbaarheid van de deelcomponent lijnsepsis werd onderzocht in een pilot in 10 ziekenhuizen. Methode: Een landelijke kerngroep van deskundigen ontwikkelde een surveillance protocol. De deelnemende ziekenhuizen registreerden gedurende 3 maanden centraal veneuze en arteriele lijnen. De pilot werd geevalueerd in telefonische interviews, door de verzamelde gegevens te analyseren, de literatuur te bestuderen en de pilot te bespreken in een landelijke workshop. Resultaten: Het was mogelijk het protocol te implementeren. De surveillance bleek redelijk arbeidsintensief te zijn. De telefonische enquete bracht verschillen in de sensitiviteit van de surveillance tussen deelnemende ziekenhuizen aan het licht, die te wijten zijn aan verschillen in beleid wanneer bloed- en lijnkweken worden gedaan en hoe bloedkweken worden afgenomen. Verbeteringen van het protocol op het gebied van de casus-definitie, patient- en cathetergebonden risicofactoren, het computerprogramma, en de logistiek van de surveillance worden voorgesteld. Analyse van de gegevens over 874 patienten met een of meerdere lijnen leverde 29 (3,3%) gevallen van lijnsepsis op. Hiervan werden 15 als zeker en 14 als waarschijnlijk geclassificeerd. Het aantal gevallen van lijnsepsis was 1,6 per 1000 lijndagen (95%BI 0,8-2,5), voor waarschijnlijke lijnsepsis was het aantal 1,5 infecties per 1000 lijndagen (95%BI 0,7-2,3). Het meest frequent werden infuuscatheters gesurveilleerd (880), gevolgd door Swan-Ganz catheters (184), sheaths (110) en lijnen gebruikt voor dialyse (81). Stratificatie naar risicofactoren liet zien dat infuuscatheters in de arteria/vena femoralis, meervoudig lumen catheters, het gebruik van catheters voor parenterale voeding, en een verblijfsduur van de catheter langer dan 48 uur waren geassocieerd met een verhoogd aantal gevallen van lijnsepsis.Conclusies: De surveillance van lijnsepsis binnen het PREZIES-netwerk is haalbaar. De kwaliteit van de surveillance kan worden verbeterd door de voorgestelde aanpassingen in het protocol door te voeren. Verbetering van de vergelijkbaarheid van gegevens tussen ziekenhuizen blijft een uitdaging.
Jaar: 2000 Onderzoek Documenten: 1

Preparation and use of reference materials containing bacteriophages | RIVM

Tijdens het EU-project 'Bacteriofagen in zwemwater' (januari 1996 - juni 1999) werd onderzoek uitgevoerd naar de ontwikkeling van referentie materialen voor de implementatie van methoden voor de bepaling van bacteriofagen in water. Verschillende partijen referentie materialen (RMs) met reincultures van fagen, alsmede ook natuurlijk besmette standaard monsters met mengsels van (natuurlijk voorkomende) fagen en achtergrond flora, werden bereid. Voor alle drie de typen bacteriofagen welke tijdens dit project van belang waren, werden homogene en stabiele referentie materialen met reincultures van fagen bereid: somatische colifagen (SOMCPH), F-specifieke RNA fagen (FRNAPH; welke het verschil is tussen het totaal aantal F-specifieke fagen (FTOTPH) en het aantal F-specifieke DNA fagen (FDNAPH)) en fagen van Bacteroides fragilis (BFRPH). De faag RMs werden bereid door faag suspensies met glycerol te mengen (tot een eindconcentratie van 5% v/v) waarna de materialen bij -70 graden C werden opgeslagen. De gebruikte standaard fagen waren: ?X174 voor SOMCPH, MS2 voor FRNAPH, B40-8 voor BFRPH met gastheer HSP40 en B56-1 voor BFRPH met gastheer RYC2056. De faag RMs hebben hun nut bewezen voor kwaliteitscontrole doeleinden door middel van bereiding van controlekaarten. De natuurlijk besmette standaard monsters werden bereid door rioolwater te mengen met pepton fysiologische zoutoplossing en glycerol. Deze materialen waren echter minder homogeen dan de RMs met faag reincultures. De standaard monsters waren minimaal 4 maanden stabiel bij opslag bij (-70 ong. 10) graden C en 1-2 maanden indien opgeslagen bij (-20 ong. 5) graden C. Bij temperaturen boven 0 graden C was de stabilitiet slecht.
Jaar: 2000 Onderzoek Documenten: 1

Surveillance van HIV-infectie onder injecterende druggebruikers in Nederland: meting Amsterdam 1998 | RIVM

Tussen 2 juni en 18 augustus 1998 werd bij 202 IDs uit Amsterdam een speekselmonster en een vragenlijst naar risicogedrag afgenomen. De IDs werden geworven via straatwerving (76%) en via een laagdrempelige instellingen voor druggebruikers (24%). Van de 197 IDs waren 51 deelnemers HIV-positief (prevalentie 25,9%; 95% betrouwbaarheidsinterval [BI] 19.9 - 32.6%). Van de 197 IDs had 12% in de laatste zes maanden een gebruikte spuit of naald van een ander geleend. Van hen was 4% HIV-positief. Elf procent had een spuit of naald uitgeleend (1996: 8,5%, niet significant). Spuitattributen (gebruikt watje, lepel, filter of spoelwater) werden door 28% gedeeld. Zevenenvijftig procent van de IDs had in de laatste zes maanden een vaste seksuele partner gehad. Bij 31% hiervan was dat geen druggebruiker, bij 13% een niet-injecterende druggebruiker. In beide groepen was 1 ID HIV-positief. Met de vaste seksuele partner werd in 85% van de contacten niet altijd een condoom gebruikt (1996: 76%). Met losse partners en klanten worden condooms vaker gebruikt (niet altijd condoom gebruikt: losse partners 42%, klanten 29%). De prevalentie van HIV onder IDs in Amsterdam is 26% en vergelijkbaar met de meting van 1996. Het lenen van gebruikte spuiten/naalden is in vergelijking met de vorige meting niet significant gedaald. Het condoomgebruik in vaste, losse en commerciele seksuele contacten is laag en niet veranderd sinds de laatste meting. Er zijn aanwijzingen voor een beperkte maar continue HIV-transmissie in deze groep.
Jaar: 2000 Onderzoek Documenten: 1