Onzonprofielen gemeten met sterren | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Historical poliomyelitis? | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Health effects of radiation exposure in diagnostic radiology | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Discrete choice experiments in health economics: a review of the literature | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Op weg naar populatiemanagement: een regionale aanpak voor integratie van preventie, zorg en welzijn | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Grey area novel foods: an investigation into criteria with clear boundaries | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Development of the critical loads concept and current and potential applications to different regions of the world | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Outdoor hazards and falls among community-dwelling older Australians | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
The critical loads and levels approach for nitrogen | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Cost-of-illness and disease burden of food-related pathogens in the Netherlands, 2011 | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Parental knowledge reduces long term anxiety induced by false-positive test results after newborn screening for cystic fibrosis | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Transmission and persistence of livestock-associated methicillin-resistant Staphylococcus aureus among veterinarians and their household members | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
First description of fexA-positive meticillin-resistant Staphylococcus aureus ST398 from calves in Portugal [Letter to the editor] | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Radical scavenging reaction kinetics with multiwalled carbon nanotubes | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Direct and indirect effects of climate change on the risk of infection by water-transmitted pathogens | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Dietary protein intake and incidence of type 2 diabetes in Europe: The EPIC-InterAct case-cohort study | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Immuno-epidemiological modeling of HIV-1 predicts high heritability of the set-point virus load, while selection for CTL escape dominates virulence evolution | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Dietary folate intake and breast cancer risk: European prospective investigation into cancer and nutrition | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Impaired immune response to vaccination against infection with human respiratory syncytial virus at advanced age | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
A framework for rating environmental value of urban parks | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Predicting tick presence by environmental risk mapping | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Differential characteristics of cytotoxic T-lymphocytes restricted by the protective HLA alleles B*27 and B*57 in HIV-1 infection | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Door aanpassingen in het Rijksvaccinatieprogramma is kinkhoest onder gevaccineerde kinderen in de afgelopen 15 jaar gedaald. Onder baby's die nog niet zijn gevaccineerd blijft het aantal zieken hoog, vooral als er veel extra adolescenten en volwassenen ziek zijn. Bij tieners en volwassenen neemt het aantal kinkhoestinfecties al jaren toe. Aangezien ouders een belangrijke besmettingsbron zijn voor hun baby's, vormt dit een (toenemende) bedreiging voor baby's. De stijging van het aantal kinkhoestgevallen komt doordat de weerstand die wordt opgewekt door de vaccinatie wegebt. Daarnaast is de bacterie resistenter geworden tegen vaccinatie. Dit blijkt uit de RIVM-monitoring van kinkhoest in Nederland tussen 1989 en 2014. Sinds 1952 worden kinderen tegen kinkhoest gevaccineerd. De gemiddelde deelname aan de vaccinatie (vaccinatiegraad) was de afgelopen decennia hoog (ruim 96-97 procent). Desondanks neemt kinkhoest onder de algemene bevolking sinds 1996 toe. Daarbij wordt om de 2 tot 4 jaren een extra stijging (epidemie) van het aantal gevallen in Nederland waargenomen, vooral bij adolescenten en volwassen. Kinkhoest kan vooral bij niet- of onvolledig gevaccineerde baby's zeer ernstig verlopen, en is in sommige gevallen zelfs dodelijk. Om hen beter te beschermen zijn drie veranderingen doorgevoerd in de kinkhoestvaccinatie. Eerder vaccineren, een extra inenting en een ander vaccin Sinds 1999 worden baby's een maand eerder gevaccineerd; de eerste inenting is vervroegd naar twee maanden. Kinderen van 4 jaar krijgen een extra vaccinatie. Het cellulaire kinkhoestvaccin (dat hele, gedode, bacteriën bevat) is vervangen door een a-cellulair vaccin (dat gezuiverde stukjes van de bacterie bevat). Het nieuwe is effectiever en heeft een kleinere kans op bijwerkingen. Vaccinatie van zwangeren De toename van het aantal kinkhoestinfecties bij tieners en volwassenen komt onder andere doordat de kinkhoestbacterie meer circuleert. Aangezien ouders een belangrijke bron zijn in de overdracht van kinkhoest naar baby's, kan een hoger aantal infecties bij hen meer ernstige infecties bij on(volledig) gevaccineerde baby's veroorzaken. In Engeland is aangetoond dat de vaccinatie van moeders in het laatste trimester van de zwangerschap, zuigelingen goed beschermt. De opgebouwde immuniteit van de moeder wordt namelijk overgedragen op het ongeboren kind. Ook kan de gevaccineerde moeder de ziekte dan niet overdragen naar haar kind. Betere kinkhoestvaccins Uit RIVM-onderzoek blijkt dat de kinkhoestbacterie is veranderd in de loop der jaren en resistenter geworden tegen vaccinatie. Deskundigen zijn het er dan ook over eens dat kinkhoestvaccins verbeterd moeten worden. Het RIVM monitort de gegevens over kinkhoest om zo de effectiviteit van de vaccinatie in de gaten te houden en de overheid te adviseren over verbeteringen. Uiteindelijke doel van de monitoring is ernstige ziekte onder baby's te voorkomen en het aantal zieken onder de gehele bevolking te verminderen. In Nederland buigt de Gezondheidsraad zich op dit moment over de kinkhoestvaccinatie.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Practical problems with medication use that older people experience: a qualitative study | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Environmental impact assessment of pharmaceutical prescriptions: Does location matter? | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Onderzoek naar de kwaliteit van een aantal werker inhalatie-DNELs Om een veilige en gezonde werkomgeving te creëren voor werknemers die met gevaarlijke stoffen werken, is het belangrijk dat de blootstelling wordt beperkt. Dit gebeurt op basis van grenswaarden. Van een klein deel van deze stoffen heeft de grenswaarde voor de blootstelling een wettelijke status in Nederland. Voor het merendeel moeten werkgevers deze grenswaarden zelf bepalen. Het RIVM heeft onderzocht in hoeverre deze wettelijk erkende grenswaarden verschillen van de DNEL's (Derived No Effect Levels) die de industrie voor REACH zelf vaststelt. Deze DNEL's zijn vereist voor stoffen die worden geproduceerd of geïmporteerd in de EU in een volume van 10 ton per jaar of meer. Tussen de waarden blijken verschillen te zitten, die soms zelfs groot zijn. Omdat bij de ene stof de DNEL hoger was en in andere gevallen de wettelijk erkende waarde, kunnen hier nog geen duidelijke lessen uit worden getrokken. Vervolgens heeft het RIVM de kwaliteit van de door de industrie afgeleide DNEL's beoordeeld. Hiervoor is van 18 geselecteerde stoffen de DNEL bepaald met behulp van de vertrouwelijke gegevens die de industrie gebruikt, en volgens de handleiding van ECHA (European Chemical Agency). In bijna alle gevallen zijn de door het RIVM afgeleide DNEL's lager dan die door de industrie zijn afgeleid. Dit kan betekenen dat voor deze stoffen onvoldoende bescherming wordt geleverd op de werkplek. Deze verschillen zijn onder andere een gevolg van de keuze bij welke concentratie gezondheidsschade ontstaat. Daarnaast hanteert de industrie een krappere veiligheidsmarge. Vanwege de gerichte selectie van de stoffen geldt deze conclusie niet voor alle DNEL's van de industrie. Wel betekent het dat de DNEL's die de industrie afleidt, niet zonder meer kunnen worden gebruikt voor risicoschattingen. Het RIVM pleit voor meer transparantie over de manier waarop de DNEL's worden bepaald, door informatie uit te wisselen en daarover te discussiëren. Daarnaast beveelt het instituut aan om op de website van de ECHA een handzame lijst met de DNEL's voor werkers op te stellen en publiek te maken. Het RIVM heeft tegelijkertijd onderzocht hoe de DNEL's kunnen worden verbeterd (zie bijlage B van dit rapport). Part B: Discussion paper on the possibilities to improve the overall quality of DN(M)ELs Om een veilige en gezonde werkomgeving te creëren voor werknemers die met gevaarlijke stoffen werken, is het belangrijk dat de blootstelling wordt beperkt. Dit gebeurt op basis van grenswaarden. Van een klein deel van deze stoffen heeft de grenswaarde voor de blootstelling een wettelijke status in Nederland. Voor het merendeel moeten werkgevers deze grenswaarden zelf bepalen. Een hulpmiddel om deze grenswaarden te bepalen, kunnen zogeheten DNEL's (Derived No Effect Levels) zijn die de industrie zelf moet vaststellen volgens de Europese stoffenwetgeving REACH. Deze DNEL's zijn vereist voor stoffen die in de EU worden geproduceerd of geïmporteerd in een volume van 10 ton per jaar of meer. Uit parallel RIVM-onderzoek blijkt dat er grote verschillen kunnen bestaan tussen de DNEL's die door RIVM-experts zijn afgeleid en DNEL's die door bedrijven zelf zijn bepaald. Daardoor is het onzeker of werknemers voor deze stoffen voldoende worden beschermd. Het RIVM vindt het daarom van belang dat de DNEL's, en daarmee beschermingsniveaus, op een juiste, transparante en breed gedragen wijze tot stand komen. In dit rapport bespreekt het RIVM hoe dit kan worden gerealiseerd en welke rollen verschillende stakeholders daarbij hebben. Een belangrijk uitgangspunt blijft dat de industrie ervoor verantwoordelijk is dat de DNEL's op de juiste manier worden afgeleid. Een eerste logische stap in een verbeterslag is dat de industrie de wijze waarop de DNEL's worden afgeleid, beter te controleren maakt. Ook kan de industrie kwaliteitseisen stellen aan de wijze waarop de DNEL's worden afgeleid. Zo kan de industrie afspreken dat DNEL's alleen bepaald mogen worden door mensen met voldoende kennis van zaken, gekoppeld aan een opleidingseis. Voor overheden liggen er verbetermogelijkheden vanuit hun controlerende taak, die op Europees niveau binnen het REACH-raamwerk kunnen worden ingevuld. Ook kunnen nationale overheden verkennen welke mogelijkheden nationale handhavingsorganen, zoals de Inspectie SZW (voorheen de Arbeidsinspectie), hebben. Ook ligt er een rol voor de overheid om het huidige richtsnoer voor de DNEL's gebruiksvriendelijker en transparanter te maken. Tot slot moet er aandacht komen voor de verankering van de kwaliteitsvraag in het juiste proces. Een mogelijkheid hiertoe is kwaliteit van DNEL's en bedrijfsgrenswaarden op te nemen in de collectieve afspraken tussen werkgevers en werknemers, en daarmee onderdeel te maken van de afspraken binnen een sector. Dat kan bijvoorbeeld in een zogenoemde arbocatalogus, een set afspraken over arbeidsomstandigheden die binnen een sector tussen werkgevers en werknemers wordt gemaakt.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
In Nederland worden op ruim 70 locaties de concentraties van luchtvervuilende stoffen gemeten. Deze meetgegevens geven een gedetailleerd beeld van de luchtkwaliteit en de concentraties van de verschillende verontreinigende stoffen op specifiek deze meetpunten. Stikstofdioxide In 2013 is op alle meetlocaties voldaan aan de toen geldende, tijdelijke hogere norm voor stikstofdioxide. Vanaf 2015 gaat in Nederland de definitieve norm gelden. De concentraties stikstofdioxide dalen al jaren. Op bepaalde meetlocaties nabij drukke wegen, zoals in de regio's Amsterdam en Rotterdam, is de verwachte daling niet voldoende om in 2015 aan de norm te voldoen. Deze verwachting is gebaseerd op de lange termijn trend in de gemeten concentraties stikstofdioxide. Fijn stof In 2013 zijn de concentraties fijn stof verder gedaald op de meetlocaties en liggen onder de Europese norm. Ook voor 2015 blijven concentraties fijn stof op de meetlocaties naar verwachting onder deze norm. Ook deze verwachting is gebaseerd op de lange termijn trend in de gemeten concentraties fijn stof. De meetgegevens zijn opgenomen in het dossier Luchtkwaliteit op de website Compendium voor de Leefomgeving. Hierin is ook aandacht voor de gezondheidseffecten van stikstofdioxide en fijn stof. De ziektelast door luchtverontreiniging is significant, ook als de concentraties aan de normen voldoen. Daardoor kunnen lagere concentraties, ook onder de norm, een belangrijke verbetering van de volksgezondheid betekenen. De metingen worden uitgevoerd door het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit (LML) van het RIVM en de regionale partnermeetnetten. Op locaties tussen de meetpunten wordt de luchtkwaliteit berekend. Dit is door het RIVM separaat gerapporteerd in de jaarrapportage van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM heeft de verslagen gebundeld van de presentaties van de negentiende jaarlijkse workshop voor de Europese Nationale Referentie Laboratoria (NRL's) voor de bacterie Salmonella (26 en 27 mei 2014). Het doel van de workshop is dat het overkoepelende orgaan, het Europese Referentie Laboratorium (EURL) Salmonella, en de NRL's informatie kunnen uitwisselen. Daarnaast worden de resultaten gepresenteerd van de ringonderzoeken van het EURL, waarmee de kwaliteit van de NRL-laboratoria wordt aangegeven. Een uitgebreidere weergave van de resultaten wordt per ringonderzoek in aparte RIVM-rapporten opgenomen. Campylobacter en Salmonella blijven belangrijkste veroorzakers zoönosen Een terugkerend onderwerp is het jaarlijkse rapport van de European Food Safety Authority (EFSA) over zoönosen, oftewel ziekten die van dieren op mensen kunnen overgaan. Het verslag daarover bevat een overzicht van de aantallen en types zoönotische micro-organismen die in 2012 gezondheidsproblemen veroorzaakten in Europa. Hieruit blijkt dat Salmonella al een aantal jaren minder gezondheidsproblemen veroorzaakt, maar nog steeds, ná de Campylobacter-bacterie, de belangrijkste veroorzaker is van zoönotische ziekten in Europa. Moleculaire typering steeds belangrijker Andere verslagen geven informatie over nieuwe technieken die aantonen welk type Salmonella zich in voedsel of dieren bevindt. Diverse laboratoria maken hiervoor gebruik van moleculaire technieken, die erop zijn gebaseerd het DNA van de ziekmakende bacterie aan te tonen. Iedere bacteriestam heeft namelijk een eigen unieke moleculaire typering. Die informatie kan belangrijk zijn om na te gaan of een type Salmonella dat bij de mens wordt gevonden dezelfde is als in voedsel of bij dieren. De organisatie van de workshop is in handen van het EURL voor Salmonella, dat onderdeel is van het RIVM. De hoofdtaak van het EURL-Salmonella is toezien op de kwaliteit van de nationale referentielaboratoria voor deze bacterie in Europa.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM heeft een gebruiksvriendelijk computerprogramma (QMRAspot) ontwikkeld dat de kans berekent op infecties door ziekteverwekkende microorganismen in drinkwater. Het onderhavige rapport is een handleiding, waarin wordt uitgelegd hoe QMRAspot (Quantitative Microbial Risk Assessment from surface water to potable drinking water) gebruikt kan worden en wat de onderliggende rekenmodellen zijn. Het model is voornamelijk bedoeld voor ziekteverwekkende micro-organismen in drinkwater dat uit oppervlaktewater wordt gewonnen. De handleiding is van toepassing op de meest recente modelversie (2.0, september 2014). De Nederlandse drinkwaterbedrijven, die drinkwater produceren uit oppervlaktewater en grondwater, zijn wettelijk verplicht om aan te tonen dat minder dan één op tienduizend personen per jaar een infectie oploopt door de consumptie van ongekookt drinkwater. QRMAspot is oorspronkelijk ontwikkeld voor Nederland, maar kan wereldwijd worden toegepast door drinkwaterbedrijven, onderzoekers en beleidsmakers. In deze handleiding wordt in detail beschreven hoe gegevens voor de risicoschattingen kunnen worden aangeleverd, hoe deze gegevens statistisch worden geanalyseerd en hoe de risicoschatting op consistente en transparante wijze kan worden uitgevoerd. Ook worden twee veel voorkomende toepassingen van QMRAspot besproken. De eerste toont het effect op het infectierisico van een hoge besmettingsgraad op locaties waar de drinkwaterbedrijven het oppervlaktewater onttrekken. De tweede toepassing demonstreert in welke mate één enkel monster waarin micro-organismen zijn aangetoond, bijdraagt aan het infectierisico.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
In 2013 werden 848 patiënten met tuberculose gemeld aan het Nederlands Tuberculose Register (NTR). Dit komt overeen met een incidentie van tuberculose van 5,1 per 100.000 inwoners. Het aantal tbc-patiënten in Nederland is in de laatste tien jaar met 38% gedaald. In 2013 werd bij 54% van de gemelde patiënten longtuberculose geconstateerd; 23% procent (199) van de tbc-patiënten in 2013 had sputum en/of BAL ZN positieve longtuberculose, de meest besmettelijke vorm van tuberculose. Dit betekent een afname van 15% van het aantal patiënten met besmettelijke tuberculose ten opzichte van 2012. Tuberculose komt in Nederland vaker voor bij personen geboren in het buitenland (eerstegeneratieallochtonen) en tweedegeneratieallochtonen. Bijna driekwart van het aantal tbc-patiënten in 2013 was geboren in het buitenland (74%). Van de groep eerstegeneratieallochtonen met tuberculose in Nederland is de groep Somaliërs, net als voorgaande jaren, het grootst (147). Het percentage tbc-patiënten afkomstig uit Somalië is even groot als het percentage autochtone Nederlanders met tuberculose (17%), maar de incidentie onder Somaliërs in Nederland is meer dan 500 maal hoger dan onder autochtone Nederlanders. Tbc-patiënten behorend tot een risicogroep Het percentage tbc-patiënten behorend tot een risicogroep was in 2013 lager (36%) dan in 2012 (40%). Vooral het aantal tbc-patiënten behorend tot de risicogroep 'tbc-contacten' nam af. Ook het aantal tbc-patiënten behorend tot de risicogroep 'immigranten korter dan 2,5 jaar in Nederland' en het aantal tbc-patiënten behorend tot de risicogroep 'asielzoekers korter dan 2,5 jaar in Nederland' was in 2013 lager dan in voorgaande jaren. Bijna de helft van het aantal tbc-patiënten in 2013 in Nederland is immigrant langer dan 2,5 jaar in Nederland en afkomstig uit endemisch gebied. Vanwege de duur van het verblijf worden zij niet (meer) als risicogroep beschouwd. Tuberculose en hiv Het percentage tbc-patiënten dat op hiv wordt getest is ook in 2013 veel lager (51%) dan de richtlijn voor tuberculose en hiv aanbeveelt (100%). Het percentage tbc-patiënten van wie de hiv-status bekend was, nam toe van 28% in 2008 tot 51% in 2013. Het percentage tbc-patiënten geïnfecteerd met hiv daalde de laatste tien jaar in Nederland tot 2,0% in 2013. Dit is 3,9% van de patiënten waarbij de hiv-status bekend is. Multiresistente (MDR) tuberculose Het aantal patiënten met MDR-tbc in Nederland schommelt de laatste vijf jaar tussen de tien en de twintig patiënten. Door de afname van het totaal aantal tbc-patiënten in 2013 nam MDR-tbc in verhouding toe ten opzichte van voorgaande jaren tot 2,8% van het totaal aantal kweekpositieve tuberculose. MDR-tbc komt vaker voor bij patiënten die eerder zijn behandeld. Alle MDR-tbc-patiënten in 2013 waren afkomstig uit het buitenland Resultaat van de behandeling Van alle patiënten met rifampicine gevoelige tuberculose gediagnosticeerd in 2012, voltooide 85% de tbc-behandeling met succes. Patiënten met resistente tuberculose voltooiden minder vaak de behandeling. Van de negentien patiënten met rifampicine resistente tuberculose gediagnosticeerd in 2011, voltooiden veertien (74%) de behandeling met succes. Sterfte aan tuberculose Van de zestien personen die in 2012 en 2013 aan tuberculose overleden waren er dertien ouder dan 65 jaar. Twee patiënten waren hiv-positief. Bij zeven van de 16 overleden tbc-patiënten werd de diagnose tuberculose pas na het overlijden gesteld. Latente tbc-infectie (LTBI) In 2013 zijn 1.344 personen met LTBI gemeld aan het NTR. Bij 771 (57%) personen werd de diagnose bij bron- en contactonderzoek vastgesteld. In 2013 startte 72% van de gemelde personen een preventieve behandeling. Van de personen gemeld in 2012 voltooide 87% de LTBI-behandeling met succes. Transmissie en clustersurveillance Op grond van de genetische typering van de tbc-bacterie is aangetoond dat bij ongeveer een derde van de patiënten met een kweekpositieve tuberculose in 2013 er sprake is van recente clustering, dat wil zeggen dat de patiënt eenzelfde bacterie heeft als een andere tbc-patiënt die de afgelopen twee jaar in Nederland is vastgesteld. Bij de overige patiënten die tot een cluster behoorden kan het gaan om import van de ziekte met een VNTR-typering die veel voorkomt in het land van herkomst of om een re-activatie van een in het verleden opgedane infectie. Regionale surveillance Met ingang van 1 januari 2015 zal de tbc-bestrijding georganiseerd worden vanuit vier regio's: de tbc-regio Noord Oost, de tbc-regio Noord West, de tbc-regio Zuid-Holland en de tbc-regio Zuid. Het aantal tbc-patiënten (en de tbc-incidentie) is in de periode 1993-2013 gedaald in alle tbc-regio's. Per regio zorgen regionale uitbraken voor schommelingen in het aantal patiënten over de jaren. De regio Zuid-Holland had in 2013 het grootste aantal tbc-patiënten (265) en de hoogste incidentie (7,4 per 100.000 inwoners). In de regio Noord Oost was de incidentie het laagste (3,4 per 100.000) maar was het percentage tbc-patiënten behorend tot een risicogroep het hoogste (46%). Dit waren vooral immigranten en asielzoekers korter dan 2,5 jaar in Nederland. De regio Zuid had in 2013 het kleinste aantal tbc-patiënten (156). De incidentie in de regio Zuid was 3,9 per 100.000 inwoners.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Concentraties gedaald, op enkele plaatsen blijft sprake van overschrijdingen De monitoring van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) brengt luchtvervuilende stoffen in beeld waar de bevolking aan wordt blootgesteld. Het blijkt dat, in lijn met de resultaten van voorgaande jaren, de concentraties fijn stof en stikstofdioxide in 2013 blijven dalen. In het grootste deel van Nederland liggen de berekende concentraties fijn stof en stikstofdioxide onder de Europese grenswaarden. Desondanks blijft in enkele gebieden, voor beide stoffen, sprake van overschrijdingen. Deze overschrijdingen zijn hardnekkig: ze nemen slechts langzaam af. In gebieden met intensieve veehouderij of industrie worden de grenswaarden voor fijn stof op een beperkt aantal locaties (in 20 van de 403 gemeenten) overschreden. Hierdoor is Nederland er niet in geslaagd om in 2013 overal aan de Europese norm voor fijn stof te voldoen. Wat stikstofdioxide betreft hoeft Nederland pas in 2015 aan de grenswaarden te voldoen. Daarvoor worden eveneens nog enkele overschrijdingen berekend, vooral op binnenstedelijke wegen in de Randstad met veel verkeer. Voortgang maatregelen en projecten Het NSL benoemt de ruimtelijke-ordeningsprojecten die een negatief effect hebben op de luchtkwaliteit en zet hier maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren tegenover. Uit de gegevens van de overheden blijkt dat ruim driekwart van deze maatregelen in uitvoering of afgerond is; in 2015 moeten alle maatregelen afgerond of in uitvoering zijn. Van de ruimtelijke projecten in het NSL is ongeveer een kwart in uitvoering of afgerond. Dat het grootste deel van de projecten nog niet is afgerond kan betekenen dat eventuele emissies die gerelateerd zijn aan deze projecten pas na 2015 effect hebben op de luchtkwaliteit. Het omgekeerde kan gelden als de uitvoering van maatregelen is vertraagd. Of de vertraging van maatregelen samenhangt met vertraging van projecten is niet bekend. Onzekerheden en risico's De kwaliteit van de invoergegevens is de laatste jaren sterk verbeterd. Aandacht voor de kwaliteit van deze gegevens blijft van belang om een betrouwbaar beeld te kunnen geven van de luchtkwaliteit. De concentraties stikstofdioxide en fijn stof liggen op veel locaties dicht bij de grenswaarde. Hierdoor is het aantal overschrijdingen gevoelig voor onzekerheden in de berekeningen en kunnen geringe stijgingen van de concentraties het aantal overschrijdingen sterk beïnvloeden. Monitoring In het NSL werken de Rijksoverheid en decentrale overheden sinds 2009 samen om te zorgen dat Nederland tijdig aan de grenswaarden voor fijn stof en stikstofdioxide voldoet. Om de voortgang te volgen analyseert en rapporteert het RIVM jaarlijks de luchtkwaliteit, in samenwerking met Kenniscentrum InfoMil.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Deze verkennende inventarisatie beschrijft via welke bronnen op het land microplastics in zee terechtkomen. Microplastics zijn kleiner dan 5 millimeter en kunnen in de voedselketen terechtkomen. De bronnen kunnen producten zijn, productieprocessen of routes waarlangs ze via de rivieren de zee bereiken. Vervolgens is aan elk van die bronnen een prioriteit toegekend. Op basis daarvan kunnen beleidsmaatregelen worden genomen om de hoeveelheid microplastics in het milieu terug te dringen. Aanvullend onderzoek is nodig om maatregelen verder in te vullen. Voor de prioritering zijn vijf criteria gebruikt: omvang van de emissie, (on)misbaarheid van de bron, mogelijkheden voor 'quick win'-maatregelen, maatschappelijke beeldvorming, en de aanwezigheid van alternatieven voor de consument. Hoge prioriteit wordt toegekend aan bronnen van secundaire microplastics; dit zijn microplastics die ontstaan als grotere plastics in kleinere fragmenten uiteenvallen. Zwerfvuil, voornamelijk verpakkingen en wegwerpartikelen, is de belangrijkste bron van microplastic (score 8-9 op een schaal van 10). Andere secundaire microplastic bronnen die relatief hoog scoren (score 6-7) zijn vezels en kleding, de afspoeling van straatvuil (waaronder bandenslijtage), stofemissies van bouwplaatsen, landbouwplastics en de aanvoer van microplastics door rivieren uit het buitenland. Verder scoren afvalwater, zuiveringsslib en compost relatief hoog (score 6). Deze bevatten microplastics van diverse bronnen die in het riool terechtkomen, bijvoorbeeld kledingvezels die tijdens het wassen vrijkomen en kleine scrubdeeltjes uit cosmetica. Primaire microplastics zijn plastic deeltjes die doelbewust toegevoegd worden aan producten vanwege hun specifieke functie. Van deze bronnen scoren cosmetica en verf- en kleurstoffen hoog (score 7), gevolgd door schurende reinigingsmiddelen (score 6). Er was onvoldoende informatie beschikbaar om binnen de tijdspanne van dit onderzoek een volledige kosten-baten-analyse uit te voeren. Ook is niet bekend in hoeverre microplastics schadelijk zijn voor mens en milieu. De prioritering is uitgevoerd door een expertgroep met vertegenwoordigers van RIVM, Deltares, Rijkswaterstaat en de Emissieregistratie.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Half-saturation constants in functional responses | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Rapid diagnosis of pyrazinamide-resistant multidrug-resistant tuberculosis using a molecular-based diagnostic algorithm | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Dynamics of methicillin-resistant Staphylococcus aureus and methicillin-susceptible Staphylococcus aureus carriage in pig farmers: A prospective cohort study | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Biowaiver monograph for immediate-release solid oral dosage forms: Fluconazole | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Arsenic: bioaccessibility from seaweed and rice, dietary exposure calculations and risk assessment | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Sinds 2005 hanteert de Nederlandse overheid uit voorzorg bij bovengrondse hoogspanningslijnen een berekende magneetveldzone. Ze adviseert om ervoor te zorgen dat in nieuwe situaties binnen deze zone zo weinig mogelijk woningen, scholen, crèches en kinderdagopvangplaatsen komen te liggen. Uit een validatieonderzoek van het RIVM blijkt dat de resultaten van het rekenmodel waarmee de magneetveldzone wordt bepaald, overeenkomen met resultaten op basis van metingen. Het rekenvoorschrift is daarom goed te gebruiken om te bepalen waar de zonegrens ligt. De magneetveldzone voor bovengrondse hoogspanningslijnen is het gebied nabij een hoogspanningslijn waarin het magneetveld gemiddeld over een jaar, nu en in de toekomst, sterker kan zijn dan 0,4 microtesla, de maat voor de sterkte van het magneetveld. Vanwege de onzekerheden die met berekeningen gepaard gaan, accepteert het ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM) in de praktijk een afwijking van maximaal 5 meter in de ligging van de zonegrens. De onzekerheden die in het validatieonderzoek in Maartensdijk zijn geconstateerd, vallen binnen deze marge. Aanleiding voor dit onderzoek waren twijfels over de kwaliteit van de berekeningen bij sommige mensen die veronderstellen dat metingen betrouwbaarder zijn dan berekeningen ('meten is weten'). Metingen kennen echter ook onzekerheden. Bovendien hebben berekeningen als voordeel dat kan worden uitgegaan van de maximale stroom die in de aangereikte rekenwijze voor de magneetveldzone is vastgelegd. Op die manier is rekening gehouden met de toenemende hoeveelheid stroom in de toekomst. De metingen kunnen uiteraard alleen worden uitgevoerd bij de - doorgaans lagere - huidige stroom. Voor het validatieonderzoek is gedurende 24 uur het magnetisch veld gemeten in de buurt van een hoogspanningslijn in Maartensdijk. In dit rapport staan de meetprocedure, analyse en resultaten beschreven. Het onderzoek is in opdracht van het ministerie van IenM uitgevoerd.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM heeft nabij Rokkeveen magneetveldmetingen uitgevoerd vóór- en nadat een nieuwe hoogspanningslijn (Randstad 380 kV-verbinding) in gebruik is genomen. In de buurt van de grens van de magneetveldzone, bleken de meetresultaten voldoende overeen te komen met de berekeningen van het magneetveld. De afwijking van maximaal 5 meter die het ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM) rond de zonegrens acceptabel vindt, werd niet overschreden. Het rekenvoorschrift is daarom goed te gebruiken om te bepalen waar de zonegrens ligt. Bij de aanleg van nieuwe hoogspanningslijnen is het vooraf alleen mogelijk om het magneetveld te berekenen. Sommige omwonenden van (nieuwe) lijnen vragen zich af of berekende magneetvelden overeenkomen met gemeten magneetvelden. Zij geven aan meer vertrouwen te hebben in metingen. Sinds 2005 hanteert de Nederlandse overheid uit voorzorg bij bovengrondse hoogspanningslijnen een berekende magneetveldzone. Dit is de strook grond die zich aan beide zijden langs de bovengrondse hoogspanningslijn uitstrekt en waarbinnen het magneetveld gemiddeld over een jaar, nu en in de toekomst, sterker kan zijn dan 0,4 microtesla, de maat voor de sterkte van het magneetveld. De Rijksoverheid adviseert om ervoor te zorgen dat in nieuwe situaties binnen deze zone zo weinig mogelijk woningen, scholen, crèches en kinderdagopvangplaatsen komen te liggen. De metingen zijn verricht nadat de stichting 'De Groene Landscheiding N470' daartoe een verzoek had ingediend bij de ministers van Economische Zaken en van Infrastructuur en Milieu. Volgens de stichting is een dergelijke 'nulmeting' nodig om het additionele effect van de Randstad 380 kV-verbinding ondubbelzinnig vast te kunnen stellen. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het ministerie van IenM.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Elektromagnetische velden kunnen schadelijk zijn voor de gezondheid, wanneer ze sterker zijn dan de grenzen die door de Raad van de Europese Unie voor burgers zijn aanbevolen. Daarom heeft het RIVM op verzoek van het ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM) een verkennend literatuuronderzoek uitgevoerd naar bronnen en sterkten van elektromagnetische velden waaraan burgers in Nederland kunnen blootstaan. Voor een goed begrip van de resultaten is het van belang om te weten dat er twee soorten grenzen zijn: het niveau van warmte of elektrisch veld dat in het lichaam wordt opgewekt als gevolg van een elektromagnetisch veld (basisrestricties) en de sterkte van het elektromagnetische veld buiten het lichaam (referentieniveaus). Aangezien het niveau in het lichaam niet is te meten, is hiervan als hulpmiddel de sterkte van het veld afgeleid dat buiten het lichaam wel te meten is. Als de referentieniveaus buiten het lichaam worden overschreden, is nader onderzoek nodig om te bepalen of dat ook voor de basisrestricties geldt. Vanwege de veiligheidsmarges die bij de vaststelling van de basisrestricties zijn ingebouwd, hoeven bij een overschrijding niet per definitie schadelijke effecten op te treden. Fabrikanten zijn verplicht om aan te tonen dat hun producten veilig in het gebruik zijn, ook wat betreft de blootstelling van gebruikers aan elektromagnetische velden. Voor de meeste bronnen blijken de aanbevolen referentieniveaus niet te worden overschreden. Onder omstandigheden is dat voor sommige apparaten wel mogelijk. Dit geldt bijvoorbeeld voor apparaten die een relatief sterke elektromotor hebben en dicht bij het lichaam worden gebruikt, zoals sommige keukenapparaten en boormachines. Deze bevindingen zijn een indicatie dat voor sommige apparaten mogelijk ook de basisrestricties worden overschreden. Alleen onderzoek gericht op deze specifieke apparaten kan hierover duidelijkheid geven. Op basis van de bevindingen van deze verkenning kunnen ministeries bepalen of vervolgacties nodig zijn. Voor de overheid, voor fabrikanten en voor individuele burgers worden handelingsperspectieven geboden. Afstand houden tot een apparaat is bijvoorbeeld een eenvoudige en effectieve manier om de blootstelling te beperken.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Surveillance of infections in nursing homes in the Netherlands, how to come from information to action | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Ten minste 19,8 miljoen volwassenen die in Europa in een stedelijk gebied of in de buurt van grote snelwegen, grote vliegvelden of hoofdspoorlijnen wonen zijn gehinderd door het geluid dat hiervan afkomstig is. Van hen zijn 9,1 miljoen mensen ernstig gehinderd. Zij hebben last van gevoelens van irritatie, boosheid en onbehagen. Nachtelijk geluid kan de slaap verstoren, bijvoorbeeld door niet te kunnen inslapen of tussentijds wakker te worden. Naar schatting hebben 7,9 miljoen mensen hier last van en 3,7 miljoen van hen ervaart dit als ernstig. Daarnaast draagt omgevingslawaai bij een hogere bloeddruk, hart- en vaatziekten, beroerte en vroegtijdig overlijden. De voornaamste bron van hinder is lawaai van wegverkeer. De blootstelling aan omgevingslawaai in Europa leidt tot ongeveer 910 duizend gevallen van verhoogde bloeddruk en 43 duizend ziekenhuisopnames per jaar door hart- en vaatziekten en beroertes; het aantal vroegtijdige sterfgevallen per jaar als gevolg van de blootstelling is naar schatting circa 10 duizend per jaar. Ongeveer 90 procent van deze ziektelast is gerelateerd aan wegverkeerslawaai. Dit zijn de voorlopige resultaten voor 33 Europese landen (28 lidstaten van de Europese Unie plus IJsland, Liechtenstein, Noorwegen, Zwitserland en Turkije), die als een onderschatting worden bestempeld. Nog niet alle informatie van de landen over het peiljaar 2011 is beschikbaar. Het RIVM beschrijft, op verzoek van de Europese Commissie, de gevolgen voor de gezondheid en het welbevinden van geluid afkomstig van wegverkeer, spoorwegen en vliegverkeer in Europa. Er is sprake van een onderschatting omdat de blootstellinggegevens alleen beschikbaar zijn voor een selectie van de agglomeraties, snelwegen, spoorwegen en luchthavens. Verder rapporteren de landen alleen het aantal mensen dat woont bij hoge geluidniveaus (meer dan 55 dB voor het etmaal of 50 dB voor de nacht). Onder deze geluidniveaus kunnen ook effecten optreden, maar daarvan is de omvang niet bekend.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Chemische stoffen kunnen via bodem, lucht of water in planten of dieren terechtkomen. Dit kan direct schadelijk zijn voor het organisme, maar indirect ook voor de dieren die deze organismen eten. Het RIVM stelt een nieuwe methode voor om het effect van deze 'doorvergiftiging' op vogels en zoogdieren in de voedselketen nauwkeuriger te bepalen. Dit is van belang voor een betere onderbouwing van de risicogrenzen voor stoffen. De nieuwe methode verschilt op een aantal punten van de methoden die hiervoor in de huidige Europese richtlijnen zijn opgenomen. Ten eerste wordt de concentratie waar het dier aan blootstaat op een andere manier berekend. Met deze methode kan nauwkeuriger in kaart worden gebracht in welke mate chemische stoffen giftig zijn doordat ze in de voedselketen ophopen. Ook geeft het weer in welke mate 'hogere' organismen in die keten, zoals vogels en zoogdieren, gevoelig zijn voor een stof. Het verschil is dat niet meer wordt uitgegaan van de concentratie van een stof in het voedsel, maar van de hoeveelheid van de stof per hoeveelheid energie die een dier per dag nodig heeft en via voedsel tot zich krijgt. Het uitgangspunt daarvan is dat sommige soorten voedsel energierijker zijn dan andere. Dat gegeven heeft invloed op de hoeveelheid die dieren dagelijks consumeren en dus ook op de mate waarin een chemische stof die in het voedsel zit wordt opgenomen. Door deze 'opnamesnelheid' van het voedsel in de beoordeling te betrekken, kunnen voor verschillende soorten voedsel specifieke risicogrenzen worden bepaald. Daarnaast is aan de voedselketen voor bodem een stap toegevoegd om roofdieren die vogels en zoogdieren eten beter te beschermen; deze categorie dieren ontbreekt in de huidige richtlijnen. Ten slotte presenteert het RIVM een leidraad om uit de risicogrenzen van een stof in planten en dieren (biota), een concentratie in water of bodem te berekenen. Dit laatste aspect voorziet in een behoefte van onder meer waterbeheerders.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Novel probiotics and prebiotics: road to the market | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Persistent high antibody titres against Coxiella burnetii after acute Q fever not explained by continued exposure to the source of infection: a case-control study | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
In Nederland is circa 25% van de ruim tweehonderd drinkwaterwinningen uit grondwater beïnvloed door nabijgelegen bodemverontreinigingen. Deze drinkwaterwinningen liggen in grondwaterbeschermingsgebieden waar twee wetten van kracht zijn: de Drinkwaterwet en de Wet bodembescherming. Deze wetten hebben elk een ander doel, waardoor verschillende beoordelingscriteria gelden. Momenteel worden beide wetten ingezet in grondwaterbeschermingsgebieden. De Wet bodembescherming staat hogere gehaltes aan vervuilende stoffen in het drinkwater toe dan de strengere Drinkwaterwet nabij drinkwaterwinningen. Dit veroorzaakt onduidelijkheid bij de betrokken partijen. Om een eenduidige beoordeling mogelijk te maken, stelt het RIVM drie opties voor om de risicobeoordeling van het grondwater in grondwaterbeschermingsgebieden uit te voeren. De opties kunnen apart of gecombineerd worden ingezet. Op basis van dit voorstel besluit het ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM) welke procedure het meest geschikt is voor de beoordeling van grondwater in grondwaterbeschermingsgebieden. Als eerste is het mogelijk om bij de beoordeling van de waterkwaliteit bij de winningen in te calculeren dat vervuilingen worden verwijderd door de standaard zuivering van de drinkwatermaatschappijen. Hierdoor kan een hogere concentratie van een vervuilende stof worden toegestaan in grondwaterbeschermingsgebieden dan ter plaatse van de drinkwaterwinning. Als tweede optie kan bij de beoordeling rekening worden gehouden met de effecten van processen die van nature in de bodem plaatsvinden. Vervuilende stoffen zijn daardoor verdund of zelfs afgebroken tegen de tijd dat ze de waterwinning 'bereiken'. Vervuilingen hebben daardoor minder of geen invloed op de kwaliteit van het grondwater bij de drinkwaterwinning. Ten slotte kunnen gezondheidsrisico's betrokken worden bij de beoordeling. Dit houdt in dat wordt afgewogen hoeveel een mens van een stof mag binnenkrijgen zonder dat het schadelijk is.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Presence of human non-polio enterovirus and parechovirus genotypes in an Amsterdam hospital in 2007 to 2011 compared to national and international published surveillance data: A comprehensive review | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Q fever in the Netherlands - 2007-2010: What we learned from the largest outbreak ever | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Disentangling the effects of CO2 and short-lived climate forcer mitigation | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Common genetic variants highlight the role of insulin resistance and body fat distribution in type 2 diabetes, independent of obesity | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Overweight in infancy: Which pre- and perinatal factors determine overweight persistence or reduction? A birth cohort followed for 11 years | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Impact of acquired immunity and dose-dependent probability of illness on quantitative microbial risk assessment | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
SPADE, a new statistical program to estimate habitual dietary intake from multiple food sources and dietary supplements | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Smoking and long-term risk of type 2 diabetes: The EPIC-InterAct study in European populations | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Toxicogenomics directory of chemically exposed human hepatocytes | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Adverse events and association with age, sex and immunological parameters of Q fever vaccination in patients at risk for chronic Q fever in the Netherlands 2011 | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Pseudomonas aeruginosa on vinyl-canvas inflatables and foam teaching aids in swimming pools | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Everyday exposure to power frequency magnetic fields and associations with non-specific physical symptoms | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Dit briefrapport geeft een overzicht van artikelen over binnenmilieu en gezondheid die van januari tot en met juni 2013 in de internationale wetenschappelijke literatuur zijn verschenen. Het doel van dit briefrapport is beleidsmedewerkers op het gebied van binnenmilieu en gezondheid bij het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM) en andere professionals te informeren over voor hen mogelijk interessante publicaties uit de wetenschappelijke literatuur.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
How combined trip purposes are associated with transport choice for short distance trips. Results from a cross-sectional study in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Factors affecting the uptake of vaccination by the elderly in Western society | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
120 maternal exposure to diesel engine exhaust during pregnancy affects early embryo development in a rabbit model | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Significant increase of Echinococcus multilocularis prevalence in foxes, but no increased predicted risk for humans | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
De gezondheid van de Nederlandse jeugd: relatief gezond, maar leefstijl vraagt aandacht | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Continuing increase of tick bites and Lyme disease between 1994 and 2009 | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Can in vitro mammalian cell genotoxicity test results be used to complement positive results in the Ames test and help predict carcinogenic or in vivo genotoxic activity? I. Reports of individual databases presented at an EURL ECVAM Workshop | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
The supplement-drug interaction of quercetin with tamsulosin on vasorelaxation | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Risk assessment of vector-borne diseases for public health governance | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Growth of climate change commitments from HFC banks and emissions | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Klimaatverandering kán de volksgezondheid beïnvloeden. De consequenties daarvan kunnen onder bepaalde omstandigheden groot zijn. Zo kunnen hittegolven, die meer ziekte- en sterfgevallen tot gevolg hebben, vaker voorkomen en vorstperioden juist minder vaak. Ook is het mogelijk dat het hooikoortsseizoen langer duurt en kunnen nieuwe ziekten en plagen ontstaan. Om hier beleidsmatig gericht op in te kunnen spelen, is het belangrijk om veranderingen goed te volgen. Uit onderzoek van het RIVM blijkt dat de bestaande monitoring en kennis over onderliggende processen moet worden versterkt. Burgers kunnen zelf ook maatregelen nemen om beter om te gaan met de effecten van klimaatverandering. De overheid zou burgers hierover moeten informeren, bij voorkeur per doelgroep. Een goed voorbeeld is het hitteplan dat ouderen tijdens een hittegolf moet stimuleren voldoende te drinken en zich niet te warm te kleden. Verder is het van belang klimaatmaatregelen te combineren met andere maatregelen, omdat deze kunnen bijdragen aan een verbetering van de leefomgeving, zoals meer groen in de stad. Vooral ouderen en mensen met luchtwegaandoeningen of hart- en vaatziekten blijken gevoelig voor extreme warmte tijdens hittegolven. Vaak overlijden zij eerder omdat hun gezondheidsklachten verergeren door de hitte; er zijn circa 13% meer sterfgevallen tijdens een hittegolf. Het effect van hitte is groter in stedelijke gebieden, omdat deze extra opwarmen en 's nachts minder afkoelen. Of sterfte afneemt door zachtere winters is nog onduidelijk. Door klimaatverandering kan de blootstelling aan pollen en huismijt via de lucht toenemen. Door hogere temperaturen bloeien planten en bomen eerder en kunnen nieuwe soorten, zoals de sterk allergene Ambrosia, zich in Nederland vestigen. Hierdoor kan het pollenseizoen langer duren - in 2050 misschien zelfs een groot deel van het jaar - en kunnen klachten ernstiger zijn. Naar schatting kan het medicijngebruik voor hooikoortsklachten dan verdubbelen. De luchtkwaliteit versterkt deze hittestress en allergieklachten. Beleidsmaatregelen zouden erop gericht moeten zijn de luchtkwaliteit te verbeteren. Klimaatverandering is een van de vele factoren die invloed heeft op de mate waarin infectieziekten voorkomen, maar onduidelijk is hoe die factoren zich tot elkaar verhouden. Volgens sommigen zijn maatschappelijke en economische factoren, zoals internationalisering, veel bepalender. Een uitbraak van een infectieziekte kan een grote maatschappelijke impact hebben. Een sterke monitoring is daarom van groot belang om tijdig te kunnen ingrijpen.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Dankzij het mestbeleid sinds de jaren negentig van de vorige eeuw komt er minder nitraat in het grondwater terecht. Door het vijfde Actieprogramma Nitraatrichtlijn (2014-2017) zal de nitraatconcentratie verder dalen en zullen grote gebieden van Nederland gemiddeld aan de norm voldoen. Uit een literatuurstudie uitgevoerd door het RIVM blijkt dat overschrijdingen in deelgebieden onder bepaalde omstandigheden kunnen voorkomen. Dit kan zich ook voordoen in de gebieden waar grondwater voor de drinkwaterbereiding wordt gewonnen, de zogeheten grondwaterbeschermingsgebieden. Overschrijding van de nitraatnorm kan in de hand worden gewerkt door de teelt van specifieke gewassen op droge zandgronden waarbij veel nitraat uitspoelt naar het grondwater (uitspoelingsgevoelige gewassen). In deze literatuurstudie is niet bekeken bij welke concrete drinkwaterwinningen de norm wordt overschreden en in welke mate. Dit is namelijk afhankelijk van de lokale omstandigheden. Het is ook nog niet duidelijk hoe en op welke termijn de gedaalde nitraatconcentratie in het bovenste grondwater zich zal manifesteren bij de pompputten voor drinkwaterwinning, die dieper zijn gelegen. Evenmin is bekend of de ingezette daling voldoende is om het grondwater in de pompputten aan de norm te laten voldoen. Duidelijk is wel dat het beeld per winning zal verschillen. Deze bevindingen blijken uit een literatuurstudie die in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM) is uitgevoerd naar de stand van zaken van het effect van het mestbeleid op het grondwater. Het RIVM heeft deze studie in samenwerking met KWR Watercycle Research Institute en Deltares verricht. De huidige resultaten liggen in lijn met de conclusies van KWR uit 2012 (De gevolgen van vermesting voor drinkwaterwinning in beeld) en vullen deze aan met enkele bevindingen.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Onbemande vliegtuigjes die zijn toegerust met moderne meetinstrumenten, maken het in principe mogelijk om bij calamiteiten metingen hoog in de lucht te verrichten. Dat kan tot nu toe alleen nog op de grond. Het bleek mogelijk om een radioactieve bron vanuit een onbemand vliegtuigje te meten, maar om dat te vertalen naar de stralingsdosis tijdens een kernongeval zijn ingewikkelde berekeningen nodig. Ook kan een rookpluim worden bemonsterd, alleen zijn de uitkomsten daarvan niet eenduidig. Beide technieken zijn veel belovend en er lijken voldoende mogelijkheden te zijn om de eventuele juridische problemen van het inzetten van onbemande vliegtuigjes tijdens calamiteiten op te lossen. Meer vliegproeven en data zijn nodig voordat deze onbemande vliegtuigjes daadwerkelijk kunnen worden toegepast. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM en het Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium (NLR), dat aangeeft hoe deze technologische innovatie werkbaar kan worden gemaakt. Hiertoe is eerst verkend voor welk type calamiteiten de inzet van onbemande vliegtuigjes het meest relevant is. Op basis daarvan is gekozen voor chemische branden en kernongevallen. Vervolgens is uitgezocht welke typen vliegtuigjes en meetapparatuur het beste voor deze calamiteiten kunnen worden ingezet. Bij een chemische brand kan een onbemand vliegtuigje ingezet worden om de omvang en de hoogte van de rookpluim te bepalen. Daarnaast kan het vliegtuigje monsters nemen van de rook in de pluim. Bij een kernongeval kan het vliegtuigje ingezet worden om de radioactieve wolk in kaart te brengen en de radioactiviteit in het besmette gebied te meten. Een groot voordeel van het gebruik van een onbemand vliegtuigje is dat er geen of minder hulpverleners naar het gebied hoeven te worden gestuurd en dat ook in 'onveilig gebied' dicht bij een bron kan worden gemeten. Hierdoor worden zij niet of minder aan straling blootgesteld. Er bestaan verschillende types onbemande vliegtuigjes. Voor de inzet bij chemische branden en kernongevallen lijken de aeroplane- en rotorcraftvliegtuigjes de meest voor de hand liggende keuze. Dat komt door het gewicht dat ze mee kunnen nemen, door de mogelijkheid om stil te hangen in de lucht en door de grotere afstanden die ze kunnen overbruggen. Voor de meet- en bemonsteringsapparatuur is een keuze gemaakt uit technieken die binnen het RIVM worden gebruikt.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Social safety, self-rated general health and physical activity: Changes in area crime, area safety feelings and the role of social cohesion | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
A first exploration of health impact assessment of chemical exposure: assigning weights to subclinical effects based on animal studies | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Factors controlling the oral bioaccessibility of anthropogenic Pb in polluted soils | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Liver DNA methylation analysis in adult female C57BL/6JxFVB mice following perinatal exposure to bisphenol A | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Nieuwe waterkwaliteitsnormen voor uranium In de Regeling Monitoring Kaderrichtlijn Water (KRW) staat aan welke eisen het oppervlaktewater in Nederland moet voldoen, onder andere voor uranium. Uranium wordt op veel locaties aangetroffen in concentraties boven de huidige norm. Deze norm is echter niet afgeleid volgens de meest recente methodiek. In opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM) heeft het RIVM nieuwe waterkwaliteitsnormen voorgesteld, die het ministerie vervolgens heeft overgenomen - de nieuwe waarden zullen eind 2015 worden opgenomen in de nieuwe Regeling monitoring KRW. Bronnen van uranium Uranium is een stof die van nature in rotsen en in de bodem zit. Uranium komt hoofdzakelijk in het milieu terecht via mijnbouw, de verbranding van steenkool en het gebruik van kunstmest. Dit kan ertoe leiden dat de concentratie van uranium in het milieu hoger wordt dan de van nature aanwezige achtergrondconcentratie. Uranium is vooral bekend vanwege de radioactiviteit en het gebruik van de sterk radioactieve vorm in kerncentrales en atoomwapens. Deze bronnen leveren echter maar een kleine bijdrage aan de hoeveelheid uranium in het milieu. De chemische eigenschappen van natuurlijk uranium zijn daarentegen veel schadelijker dan de radioactieve eigenschappen ervan. De normvoorstellen zijn daarom alleen gebaseerd op de (eco)toxicologische eigenschappen van uranium en hebben geen betrekking op de radioactiviteit. Twee waterkwaliteitsnormen De Kaderrichtlijn Water hanteert twee typen waterkwaliteitsnormen: de Jaargemiddelde Milieukwaliteitsnorm (JG-MKN) en de Maximaal Aanvaardbare Concentratie (MAC-MKN). De JG-MKN is de concentratie in water waarbij geen schadelijke effecten te verwachten zijn na langdurige blootstelling (0,5 microgram per liter). De MAC-MKN beschermt het ecosysteem tegen kortdurende concentratiepieken (8,9 microgram per liter). Beide normen gelden voor de concentratie uranium die in water is opgelost en de achtergrondconcentratie is in de norm verrekend. De voorgestelde JG-MKN is iets aangescherpt in vergelijking met de huidige norm en zal naar verwachting op een aantal locaties worden overschreden.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Evaluation of three physiologically based pharmacokinetic (PBPK) modeling tools for emergency risk assessment after acute dichloromethane exposure | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Om mogelijke risico's van chemische stoffen in consumentenproducten te kunnen beoordelen, is het nodig een goede schatting te maken over de blootstelling aan chemische stoffen tijdens gebruik van het product. Met behulp van het computerprogramma ConsExpo kan voor consumenten berekend worden in welke mate zij binnenshuis tijdens het gebruik van bijvoorbeeld verf, schoonmaakmiddelen of cosmetica aan een bepaalde chemische stof worden blootgesteld. In de Factsheet Algemeen staan 'standaardwaarden' die bruikbaar zijn om de blootstelling aan een stof te schatten. Door deze standaardwaarden te gebruiken, wordt de blootstellingsschatting op een transparante en gestandaardiseerde manier uitgevoerd. Op basis van nieuwe informatie en inzichten heeft het RIVM de Factsheet Algemeen herzien. Deze versie vervangt daarmee de Factsheet Algemeen uit 2006. De Factsheet Algemeen bevat standaardwaarden over de ruimtes waarin het product wordt gebruikt (bijvoorbeeld vloeroppervlak van een huiskamer) en over de persoon die blootgesteld wordt (zoals lichaamsgewicht en het oppervlak van lichaamsdelen). Er is informatie verstrekt over de inhalatiesnelheid van volwassenen en kinderen bij een verschillende mate van inspanning. Verder bevat de factsheet gegevens over de mate waarin verschillende ruimten van woningen worden geventileerd. Nieuw in deze versie van de factsheet zijn data over tijdsbesteding. Het document licht ook toe waarop de waarden zijn gebaseerd en het geeft de betrouwbaarheid van de geboden gegevens weer. Naast de Factsheet Algemeen bestaan er een aantal product-specifieke factsheets voor verf, cosmetica, speelgoed, ongediertebestrijdingsmiddelen, desinfecterende middelen, reinigingsmiddelen en doe-het-zelfproducten. Deze factsheets bevatten voor een bepaalde productcategorie informatie over onder andere de duur van de blootstelling en hoeveelheid gebruikt product.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Toward a comparative retrospective analysis of rat and rabbit developmental toxicity studies for pharmaceutical compounds | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Shifting from car to active transport: A systematic review of the effectiveness of interventions | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Cross-sectional study of genital carcinogenic HPV infections in Paramaribo, Suriname: prevalence and determinants in an ethnically diverse population of Women in a pre-vaccination era | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Comparing the impact of two concurrent infectious disease outbreaks on the Netherlands population, 2009, using disability-adjusted life years | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Computational tool for usual intake modelling workable at the European level | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Consumption of predefined 'Nordic' dietary items in ten European countries - An investigation in the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition (EPIC) cohort | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Active pharmaceutical ingredients detected in herbal food supplements for weight loss sampled on the Dutch market | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Effect of hydrophobicity on colloid transport during two-phase flow in a micromodel | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
A critical appraisal of the process of regulatory implementation of novel in vivo and in vitro methods for chemical hazard and risk assessment | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Summer increase of Legionnaires' disease 2010 in the Netherlands associated with weather conditions and implications for source finding | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Human hantavirus infections in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Field test of available methods to measure remotely SOx and NOx emissions from ships | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Adherence to a healthy diet according to the world health organization guidelines and all-cause mortality in elderly adults from Europe and the United States | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Prevalence and risk factors for Coxiella burnetii (Q fever) in Dutch dairy cattle herds based on bulk tank milk testing | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Aboveground persistence of vascular plants in relationship to the levels of airborne nutrient deposition | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Serial intervals of respiratory infectious diseases: A systematic review and analysis | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
The immunosuppressant tributyltin oxide blocks the mTOR pathway, like rapamycin, albeit by a different mechanism | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
The influences of antiviral therapy on T-cell function in adult patients with chronic hepatitis B | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Circulation of reassortant influenza A(H7N9) viruses in poultry and humans, Guangdong Province, China, 2013 | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Adherence to the Dutch Guidelines for a Healthy Diet and cancer risk in the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition-Netherlands (EPIC-NL) cohort | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Impact of early-stage HIV transmission on treatment as prevention | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Risk factors for cancers of unknown primary site: Results from the prospective EPIC cohort | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Mapping atmospheric aerosols with a citizen science network of smartphone spectropolarimeters | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
De Staat van zoönosen 2013 geeft een overzicht van de mate waarin zoönosen in Nederland voorkomen en ontwikkelingen daarin op de lange termijn. Zoönosen zijn infectieziekten die van dier op mens overgaan. Net als in voorgaande jaren waren er in 2013 geen uitgesproken veranderingen te zien in de mate waarin zoönosen in Nederland voorkomen. Zoals ieder jaar deden zich ook in 2013 enkele opmerkelijke voorvallen voor, zoals een geval van hazenpest. In deze jaarlijkse uitgave van het RIVM en de NVWA is het thema 'huis-, tuin- en keukenzoönosen': zoönosen die mensen kunnen oplopen in en om het huis. Opmerkelijke voorvallen Bij een haas afkomstig uit Noord-Limburg werd in mei 2013 hazenpest (tularemie) vastgesteld. Vervolgens werd ook bij een jongeman tularemie vastgesteld, die de infectie waarschijnlijk via een dazenbeet in een natuurgebied in Limburg had opgelopen. In 2011 is er mogelijk ook een in Nederland opgelopen geval van tularemie geweest, terwijl in de jaren daarvoor alleen sporadisch gevallen gemeld werden die in het buitenland waren opgelopen. Een andere opmerkelijke gebeurtenis betrof een uitbraak van Campylobacter onder bezoekers van een pluimveeslachthuis die waarschijnlijk via de lucht aan de ziekteverwekker waren blootgesteld. Negen mensen werden ziek. Ook blijkt uit een onderzoek naar de vossenlintworm (Echinococcus multilocularis) onder vossen en honden, dat deze lintworm bij vossen in Zuid-Limburg veel vaker voorkomt dan in voorgaande jaren. Thema: huis-, tuin- en keukenzoönosen Juist in en om het huis kunnen mensen worden blootgesteld aan allerlei zoönoseverwekkers. Duizenden mensen krijgen jaarlijks via hun huisdieren ringworm, een schimmelinfectie. Ook kunnen zoönosen afkomstig zijn van huisdieren of dieren die hun behoefte doen in de tuin. Verder komen voedselgerelateerde zoönosen aan de orde, waarbij aandacht is voor het feit dat zoönosen ook via groenten kunnen worden opgelopen.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Comparison of contact patterns relevant for transmission of respiratory pathogens in Thailand and the Netherlands using respondent-driven sampling | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Trend analysis of Trichinella in a red fox population from a low endemic area using a validated artificial digestion and sequential sieving technique | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Lage influenzavaccinatiegraad onder ziekenhuismedewerkers | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
High-throughput screening of tick-borne pathogens in Europe | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Schroot wordt over de hele wereld verhandeld en bevat regelmatig radioactief materiaal. Schrootbedrijven zijn aan de ingang uitgerust met detectiepoorten om radioactief materiaal in containers op te sporen. Als de poort alarm slaat, moeten zogeheten EHBO-bedrijven met specialisten op het gebied van stralingshygiëne worden ingeschakeld om te achterhalen wat voor radioactiviteit het alarm veroorzaakte en waar het zich in de container bevindt, waarna zij het veiligstellen. Uit onderzoek van het RIVM blijkt dat schrootbedrijven in veel gevallen zelf de bron van straling uit het schroot kunnen opsporen als de container wordt 'uitgepakt'. Op deze manier hoeft het bedrijf niet met uitpakken te wachten tot het EHBO-bedrijf arriveert en kan de container het normale verwerkingsproces doorlopen. Wel moet het radioactieve materiaal dan nog steeds door specialisten worden gekarakteriseerd, waarna het kan worden afgevoerd. In opdracht van het ministerie van Economische Zaken heeft het RIVM een methode ontwikkeld waarmee de medewerkers van het schrootbedrijf kunnen bepalen wanneer ze zelf de lading kunnen uitpakken en wanneer daarvoor gespecialiseerde hulp nodig is. Het RIVM stelt wel enkele voorwaarden om de veiligheid van de medewerkers te waarborgen. Het schrootbedrijf moet over de juiste meetapparatuur beschikken om verschillende soorten straling te kunnen meten. Daarnaast zijn in bepaalde gevallen voorzorgsmaatregelen nodig om te voorkomen dat radioactief stof wordt verspreid of dat de werknemers besmet raken. Voorbeelden zijn beschermende kleding, een mondkap en handschoenen. Ten slotte moeten de medewerkers over de juiste kennis beschikken om bijvoorbeeld radioactief materiaal in het schroot te kunnen herkennen en besmette objecten te isoleren. De methode is ontwikkeld voor containers met roestvast staal (RVS). Hierin wordt het vaakst radioactiviteit aangetroffen. De schrootbedrijven kunnen met deze methode circa 75 procent van de alarmen bij containers met RVS-schroot zelf afhandelen.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Implantaten zijn medische hulpmiddelen die via een operatie in het lichaam worden gebracht. Soms ontstaan er problemen met implantaten, zoals met de PIP-borstimplantaten. Het is dan belangrijk dat patiënten met een dergelijk implantaat snel worden opgespoord; dat is nu nog niet altijd mogelijk. De minister van VWS heeft daarom besloten dat er een nationaal implantatenregister komt, dat wordt beheerd door de overheid. Om de administratieve last zo klein mogelijk te houden, wordt hierbij geprobeerd zoveel mogelijk gebruik te maken van bestaande registraties van ziekenhuizen en particuliere klinieken. Uit onderzoek van het RIVM blijkt dat de meeste interne registraties van ziekenhuizen en particuliere klinieken nog niet rechtstreeks bruikbaar zijn voor het nationale implantatenregister. De informatie over patiënt en implantaat is meestal wel beschikbaar, maar het kost veel tijd om de gegevens op te zoeken. Dit komt omdat deze gegevens meestal niet centraal worden vastgelegd in een digitaal systeem. Bovendien worden ze op zeer uiteenlopende manieren geregistreerd. Ook zijn de huidige systemen nog niet waterdicht, waardoor patiënten kunnen worden 'gemist'. Het RIVM-onderzoek laat zien dat sommige landelijke registers van wetenschappelijke verenigingen wel geschikt zijn voor dit landelijke implantatenregister: alle benodigde gegevens worden daarin opgenomen en patiënten kunnen met deze gegevens snel worden opgespoord. Deze registers bestaan in ieder geval voor een aantal implantaten met een hoog risico, zoals orthopedische en cardiologische implantaten. Begin 2015 start ook een landelijke registratie voor borstimplantaten. Registers van wetenschappelijke verenigingen zijn echter nog niet beschikbaar voor alle implantaten die in Nederland worden gebruikt. Vanuit de wens zoveel mogelijk aan te sluiten bij bestaande registers heeft de minister besloten om het landelijke implantatenregister eerst te vullen met de beschikbare informatie uit de registers van wetenschappelijke verenigingen. In de toekomst zal het nationale register stapsgewijs worden uitgebreid.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Vaccinatiegraad RVP De vaccinatiegraad binnen het rijksvaccinatieprogramma (RVP) is in 2013 onveranderd hoog en wijkt nauwelijks af van het voorgaand verslagjaar. Afhankelijk van de vaccinatie en de doelgroepen ligt de gemiddelde deelname per vaccinatie tussen de 92 en 99%, met uitzondering van HPV-vaccinatie (58%). Een mogelijkheid om nog winst te behalen, is een hogere deelname aan vaccinaties van de 'oudere' kinderen. Bij de tweede BMR-vaccinatie voor 9- jarigen is de vaccinatiegraad 92% en wordt de gewenste deelname van minimaal 95% niet gehaald. Daar is winst te behalen. Ook de deelname aan de HPV-vaccinatie is weliswaar weer licht gestegen, maar blijft met 58% nog aan de lage kant. Opvallende gebeurtenissen in 2013 Op 3 oktober 2013 bracht de Gezondheidsraad het advies 'Het individuele, collectieve en publieke belang van vaccinatie' uit. Hierin pleit de raad ervoor om nieuwe vaccins niet alleen te beoordelen op criteria die gelden voor opname in het RVP. Nieuwe vaccins kunnen soms van belang zijn voor (delen van) de bevolking, ook al voldoen ze niet aan de criteria voor opname in het RVP. Het CIb zou professionele richtlijnen kunnen ontwikkelen voor de brede toepassing van vaccins, ondersteuning met voorlichting over vaccins en hun mogelijke gebruik, en aandacht geven aan de noodzakelijke surveillance. Ruim zes jaar na invoering van vaccinatie tegen pneumokokkeninfectie is het aantal kinderen met deze ziekten drastisch verminderd. Het is niet langer nodig om baby's vier prikken te geven; drie is genoeg. Dit heeft de minister van VWS besloten op advies van de Gezondheidsraad. De verandering van het schema is onder coördinatie van het RIVM soepel geïmplementeerd. De minister van VWS heeft besloten om de RVP-financiering niet langer via de AWBZ te regelen en het RVP wettelijk te gaan verankeren door opname in de Wet publieke gezondheid (Wpg). In 2013 is VWS de werkzaamheden daarvoor gestart. Uitgangspunt is een goede borging van de huidige uitvoering van het RVP. Het complexe traject wordt in 2014 voortgezet. De opzet is om geld uit de AWBZ per 2015 tijdelijk op de rijksbegroting bij VWS onder te brengen. De wijziging van de Wpg vanwege de opname van het RVP in deze wet zou dan per 2018 kunnen ingaan. In 2013 was er een mazelenepidemie onder hoofdzakelijk kinderen uit de reformatorische gezindte die niet gevaccineerd waren. Dit heeft ertoe geleid dat in gemeenten met een lage vaccinatiegraad en in reformatorische groepen een extra BMR-vaccinatie werd aangeboden vanaf de leeftijd van zes maanden (BMR0). Er zijn 8075 BMR0-vaccinaties toegediend; in dezelfde periode in 2012 1784. In 2013 werd Nederland geconfronteerd met de dreiging van mogelijke introductie van polio uit de regio van Israël en later via vluchtelingen uit Syrië. Maatregelen die daartegen zijn ondernomen, betreffen onder andere zo spoedig mogelijke vaccinatie van kinderen tot 5 jaar uit Syrië, en intensivering van de rioolwatersurveillance.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Discrimination of influenza infection (A/2009 H1N1) from prior exposure by antibody protein microarray analysis | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Use of two-part regression calibration model to correct for measurement error in episodically consumed foods in a single-replicate study design: EPIC case study | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
De Nationale Referentie Laboratoria (NRL's) van de 28 Europese lidstaten scoorden in 2013 goed bij de kwaliteitscontrole op Salmonella-typering. Twee laboratoria hadden hiervoor een herkansing nodig. Uit de analyse van alle NRL's als groep bleek dat de laboratoria aan 98 procent van de geteste stammen de juiste naam konden geven. Sinds 1992 zijn de NRL's van de Europese lidstaten verplicht om deel te nemen aan jaarlijkse kwaliteitstoetsen, die bestaan uit zogeheten ringonderzoeken voor Salmonella. Elke lidstaat wijst een laboratorium aan, het Nationale Referentie Laboratorium (NRL), dat namens dat land verantwoordelijk is voor het aantonen en typeren van Salmonella uit monsters van levensmiddelen of dieren. Om te controleren of de laboratoria hun werk goed uitvoeren moeten zij onder andere 20 Salmonella-stammen op juiste wijze identificeren. Soms doen ook landen van buiten de Europese Unie vrijwillig mee. In 2013 waren dat de kandidaatlidstaten Macedonië en Turkije, en de EFTA-landen IJsland, Noorwegen en Zwitserland, waarbij EFTA staat voor European Free Trade Association. Van de NRL's zijn er zeven laboratoria die, behalve de standaardtoets (serotypering) op Salmonella, preciezere typeringen uitvoeren, de zogeheten faagtypering. Voor deze kwaliteitstoets moeten zij 20 extra stammen met deze methode typeren. De laboratoria ontvingen hiervoor tien Salmonella Enteritidisstammen en tien Salmonella Typhimurium-stammen. Deze NRL's typeerden 83 procent van de S. Typhimurium-stammen en 93 procent van de S. Enteritidisstammen op de juiste wijze. De organisatie van het typeringsringonderzoek is in handen van het Europese Unie Referentie Laboratorium (EURL) voor Salmonella (EURL-Salmonella). Het EURL-Salmonella is ondergebracht bij het Nationaal Instituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) in Bilthoven, Nederland. De organisatie van dit ringonderzoek is uitgevoerd in samenwerking met Public Health England in Londen, Engeland.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
In de jaren tachtig van de vorige eeuw stond 'zure regen' als milieuprobleem sterk in de belangstelling. Bossen stierven erdoor af en organismen verdwenen uit rivieren en meren. Zure regen bleek te worden veroorzaakt door luchtvervuiling. De door industrie, verkeer en landbouw uitgestoten gassen bevatten stikstof en zwavel. Deze stoffen komen via de lucht elders op de bodem terecht, waardoor de bodem en het water verzuren en vermesten. Dit heeft een negatief effect op de kwaliteit van de bodem en het water, en op de biodiversiteit. De maatregelen die internationaal zijn genomen om de uitstoot van stikstof en zwavel te verminderen, blijken hun vruchten af te werpen. Onderzoek van het RIVM laat zien dat op de meeste meetlocaties in Nederland nog wel sprake is van verzuring, maar minder sterk dan voorheen. Door de lagere uitstoot is de regenwaterkwaliteit tussen 1989 en 2010 verbeterd. Er komt daardoor nu minder stikstof en zwavel op de bodem terecht. Dit werkt in positieve zin door op het bovenste grondwater: de hoeveelheid stikstof en zwavel is met tientallen procenten gedaald. Het voorliggend onderzoek is een eerste uitgebreide analyse van de meetgegevens van het TrendMeetnet Verzuring (TMV), dat in 1989 is opgezet in natuurgebieden op zandgrond. Het meetnet monitort op 150 locaties in Nederland de invloed van de neerslag van verzurende en vermestende stoffen uit de lucht op de kwaliteit van het grondwater. Uit een literatuurstudie blijkt dat ondanks de positieve ontwikkelingen de ecosystemen nog niet zijn hersteld van de verzurende en vermestende effecten van luchtvervuiling. De vermesting door de neerslag van stikstof op de bodem in de Nederlandse natuur is nog altijd een van de grootste bedreigingen voor de variatie aan plantensoorten: bij tweederde van de onderzochte gebieden overschrijdt de depositie de norm. Verzuring is ook problematisch, maar in mindere mate.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Sufficient sleep duration contributes to lower cardiovascular disease risk in addition to four traditional lifestyle factors: The MORGEN study | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Risk governance for infectious diseases: Exploring the feasibility and added value of the IRGC-framework for Dutch infectious disease control | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
No evidence for a protective effect of naturally induced HPV antibodies on subsequent anogenital HPV infection in HIV-negative and HIV-infected MSM | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
The hanta hunting study: underdiagnosis of Puumala hantavirus infections in symptomatic non-travelling leptospirosis-suspected patients in the Netherlands, in 2010 and April to November 2011 | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Differences in clinical condition and genotype at time of diagnosis of cystic fibrosis by newborn screening or by symptoms | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Weight change in middle adulthood and breast cancer risk in the EPIC-PANACEA study | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Flavonoid and lignan intake in relation to bladder cancer risk in the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition (EPIC) study | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Impact of genital warts on emotional and sexual well-being differs by gender | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Prediagnostic telomere length and risk of B-cell lymphoma. Results from the EPIC cohort study | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Anthropometric measures and bladder cancer risk: A prospective study in the EPIC cohort | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Large impacts of climatic warming on growth of boreal forests since 1960 | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Characterizing urban areas with good sound quality: Development of a research protocol | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Het RIVM onderzoekt jaarlijks hoeveel mensen ziek worden van 14 ziekteverwekkers die via voedsel in het menselijk lichaam terechtkomen (darmpathogenen). Deze ziektelast wordt uitgedrukt in DALY's (Disability Adjusted Life Year), een internationaal gehanteerde maat voor het aantal gezonde levensjaren die verloren gaan aan ziekte of overlijden. Het aantal DALY's als gevolg van de 14 ziekteverwekkers steeg van 6.230 in 2011 tot 6.550 DALY's in 2012. Daarnaast wordt geschat welke ziektegerelateerde kosten hieraan verbonden zijn (cost of illness). Deze omvatten directe zorgkosten, maar ook niet-medische kosten, zoals reiskosten, en indirecte kosten, bijvoorbeeld als gevolg van werkverzuim. De gerelateerde kosten van de 14 ziekteverwekkers die mensen via voedsel opliepen bedroegen in 2012 175 miljoen euro. Dat is een toename van 4 procent ten opzichte van het jaar ervoor. De stijging van de voedselgerelateerde ziektelast is een gevolg van de uitbraak van Salmonella Thompson via gerookte zalm in 2012. Deze uitbraak veroorzaakte naar schatting 24.000 zieken en 11 miljoen euro aan ziektegerelateerde kosten. Zonder deze uitbraak zouden de voedselgerelateerde ziektelast en de kosten lager zijn dan in 2011. Naar verhouding zijn er namelijk minder mensen ziek geworden van een infectie met Campylobacter spp., Listeria monocytogenes, Toxoplasma gondii en het rotavirus. Wel is het aantal mensen dat ziek werd van een bepaald type E. coli-bacterie (STEC O157) gestegen ten opzichte van 2011. Daarnaast nam tussen 2001 en 2012 het aantal mensen dat ziek werd van het norovirus toe; alleen in 2011 daalde dat aantal ten opzichte van het voorgaande jaar. Een verklaring voor deze trend is niet voorhanden. De onderzochte ziekteverwekkers kunnen niet alleen via voedsel aan de mens worden overgedragen (circa 40 procent), maar ook via het milieu (bijvoorbeeld via oppervlaktewater), dieren, en van mens op mens. De totale ziektelast van alle 'routes' steeg ook, van 13.900 DALY in 2011 naar 14.000 DALY in 2012. De totale kosten bleven nagenoeg gelijk op 412 miljoen euro. VWS is opdrachtgever van dit onderzoek. De resultaten bieden handvaten om meer zicht te krijgen op het daadwerkelijke aantal voedselinfecties dat mensen jaarlijks oplopen en de bijbehorende ziektelast.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Human relevance of an in vitro gene signature in HaCaT for skin sensitization | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Comparison of the molecular topologies of stress-activated transcription factors HSF1, AP-1, NRF2, and NF-kB in their induction kinetics of HMOX1 | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Chemical fingerprinting of silicone-based breast implants | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Weinig mensen krijgen de ziekten waartegen zij via het Rijksvaccinatieprogramma (RVP) worden gevaccineerd. De vaccinatiegraad is in Nederland al jaren hoog en het vaccinatieprogramma is veilig. Er worden relatief weinig bijwerkingen gerapporteerd en deze zijn doorgaans niet ernstig van aard. Dit blijkt uit het jaaroverzicht 2013-2014 van het RIVM. Continue monitoring is nodig om een optimaal vaccinatieprogramma te behouden. Wijzigingen in het vaccinatieschema in 2013-2014 Het aantal prikken tegen pneumokokken in het vaccinatieschema is vanaf november 2013 met één prik verlaagd naar drie. Dit gebeurde op advies van de Gezondheidsraad omdat dit verminderde aantal evenveel bescherming biedt. Sinds januari 2014 is de vaccinatie voor meisjes tegen het HPV-virus, dat baarmoederhalskanker kan veroorzaken, teruggebracht naar twee prikken. De vaccinatie wordt aan alle twaalfjarige meisjes aangeboden. Als meisjes na hun vijftiende verjaardag met de vaccinatie starten, zijn nog wel drie prikken nodig. Ontwikkelingen bij ziekten Tussen mei 2013 en februari 2014 vond een grote uitbraak van mazelen plaats, vooral in gebieden waar weinig mensen zich laten vaccineren. In totaal zijn 2640 personen met mazelen gemeld, van wie er 182 zijn opgenomen in het ziekenhuis. Een persoon is overleden. In juni 2013 was er een uitbraak van rodehond op een orthodox-gereformeerde school met een lage vaccinatiegraad. Er zijn 54 personen met rodehond gemeld. Dit was het grootste aantal sinds 2004-2005. In 2013 zijn in Nederland geen meldingen gedaan van difterie, polio en tetanus. Na de grote epidemie in 2012 nam kinkhoest sterk af. Ook het aantal bofgevallen daalde ten opzichte van 2010-2012, een periode waarin bof veelvuldig onder studenten voorkwam. Het aantal meldingen van acute hepatitis B was in 2013 het laagst sinds 1976. Het aantal meningokokken C-ziekten is enorm gedaald sinds de introductie van de vaccinatie in 2002. Sinds de uitbreiding van het vaccin tegen pneumokokken met drie typen in 2011 is het aantal ziekten dat door die drie typen wordt veroorzaakt, gedaald. Andere ontwikkelingen In 2013 zijn wereldwijd in acht landen gevallen van polio aangetroffen, waaronder in Syrië. Daarom worden Syrische vluchtelingen jonger dan vijf bij aankomst in een Nederlands asielzoekerscentrum gevaccineerd tegen polio. Verder zijn de routinematige controles in gebieden met een lage vaccinatiegraad geïntensiveerd en uitgebreid naar regio's in Nederland waar vluchtelingen opgevangen worden.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Fast vaccine design and development based on correlates of protection (COPs): Influenza as a trendsetter | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Explaining variation in Down's syndrome screening uptake: comparing the Netherlands with England and Denmark using documentary analysis and expert stakeholder interviews | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
The global burden of listeriosis: A systematic review and meta-analysis | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Parents' attitude toward multiple vaccinations at a single visit with alternative delivery methods | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Jonge dieren lijken niet gevoeliger dan volwassen dieren voor schadelijke effecten van DNA-beschadigende stoffen Op heel jonge leeftijd kunnen proefdieren gevoeliger zijn voor de schadelijke effecten van chemische stoffen dan op volwassen leeftijd. Sommige stoffen veroorzaken in de jonge levensfase meer schade aan het DNA, maar dat is niet altijd het geval. Een hogere gevoeligheid op jonge leeftijd lijkt af te hangen van de manier waarop de stof het erfelijk materiaal beschadigt. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM. Chemische stoffen kunnen op verschillende manieren veranderingen aan het erfelijk materiaal veroorzaken. Normaal gesproken worden mogelijke schadelijke effecten van chemische stoffen in kaart gebracht door studies met volwassen proefdieren uit te voeren. Kinderen en volwassenen kunnen echter verschillen in de mate waarin ze gevoelig zijn voor chemische stoffen. Eerder was een hogere gevoeligheid voor schadelijke effecten bij jonge proefdieren waargenomen in onderzoek van het RIVM naar benzo[a]pyreen. Deze stof, die voorkomt in voeding, zoals gebraden vlees, en in tabaksrook en uitlaatgassen, geeft meer schadelijke effecten op jonge leeftijd dan op volwassen leeftijd. Nadien is dit effect getoetst voor drie andere stoffen. Bij stoffen die op een andere manier DNA beschadigen, heeft leeftijd veel minder invloed. Bij de risicobeoordeling van chemische stoffen zal per stof beoordeeld moeten worden of de standaard veiligheidsfactor voldoende is of aanpassing behoeft.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Dit rapport bevat een erratum na blz. 37 Nederlanders tussen 7 en 69 jaar krijgen over het algemeen voldoende jodium binnen. Doordat brood een belangrijke bron van jodium is, krijgen mensen die weinig brood eten mogelijk te weinig jodium binnen. Mensen die maximaal 1 snee brood per dag eten, krijgen gemiddeld 35 tot 40 procent minder jodium binnen dan mensen die minstens 4 sneden brood per dag eten. Jodium is van belang voor een normale groei en ontwikkeling en voor een goede stofwisseling. Een tekort aan jodium kan de werking van de schildklier verstoren. Tijdens de zwangerschap en in de eerste levensjaren kan een tekort aan jodium een verminderde cognitieve ontwikkeling veroorzaken. Door de toevoeging van gejodeerd bakkerszout is brood een belangrijke bron van jodium in Nederland. Sinds 2009 is de hoeveelheid zout in brood een aantal keer verlaagd in verband met de inspanningen om het productaanbod gezonder te maken. Op verzoek van het ministerie van VWS heeft het RIVM berekend wat het effect van deze verlaging is op de jodiuminname in de Nederlandse bevolking en twee mogelijke risicogroepen. Mensen die brood zonder gejodeerd (bakkers)zout consumeren, zoals een deel van het biologische brood of het zelfgebakken brood, zijn mogelijk een risicogroep om te weinig jodium binnen te krijgen. Het is onbekend of deze personen via andere voedingsmiddelen hun jodiuminname op peil houden. De huidige gegevens over de Nederlandse voedselconsumptie geven namelijk geen inzicht in de mate waarin mensen brood zonder gejodeerd zout consumeren, en dus ook niet in het voedingspatroon van deze consumenten. Zwangeren en vrouwen die borstvoeding geven hebben meer jodium nodig in vergelijking met vrouwen van dezelfde leeftijd. Er is onvoldoende bekend over het voedingspatroon van zwangeren en vrouwen die borstvoeding geven in Nederland. Gezien de effecten van onvoldoende jodium op het (ongeboren) kind is het van belang om inzicht te krijgen in de jodiumstatus van deze vrouwen en in hun voedingsgewoonten.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Alcohol cognitive bias modification training for problem drinkers over the web | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
The effect of including an opt-out option in discrete choice experiments | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Exceptionally low rotavirus incidence in the Netherlands in 2013/14 in the absence of rotavirus vaccination | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Association between lifestyle factors and quality-adjusted life years in the EPIC-NL Cohort | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
WHO European childhood obesity surveillance initiative: School nutrition environment and body mass index in primary schools | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Quantification of risk rates of occupational accidents | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Novel insights into excipient effects on the biopharmaceutics of APIs from different BCS classes: Lactose in solid oral dosage forms | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Quantification of risk rates of occupational accidents | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Dairy products and risk of hepatocellular carcinoma: The European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Overview of 71 European community-based initiatives against childhood obesity starting between 2005 and 2011: General characteristics and reported effects | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Point-of-care (POC-) testen worden in de nabijheid van patiënten gebruikt om snel een diagnose te stellen. Een bekend voorbeeld is de bloedglucosemeter waarmee de bloedsuikerwaarde van een diabetespatiënt kan worden gemeten. POC-testen worden steeds meer gebruikt in verpleeg-en verzorgingshuizen. Om een juiste diagnose te kunnen stellen is het van belang dat de testen adequaat worden gebruikt. Uit verkennend onderzoek van het RIVM blijkt dat veel specifieke kwaliteits- en veiligheidsaspecten gerelateerd aan het gebruik van POC-testen in de meeste verpleeg- en verzorgingshuizen wel goed zijn geregeld, maar dat voor enkele aspecten nog onvoldoende aandacht is Bevindingen In de meeste verpleeg- en verzorgingshuizen wordt aandacht besteed aan hygiëne, patiëntidentificatie, onderhoud van POC-meters en omgang met bloedof urinemonsters. Onvoldoende aandacht is er voor trainingen en opfriscursussen voor het gebruik van POC-testen. Tevens wordt er niet in alle huizen gebruik gemaakt van protocollen of handleidingen of worden kwaliteitscontroles uitgevoerd bij ontvangst van testmaterialen en vlak voordat ze worden gebruikt. Bijna een kwart van de verpleeghuizen heeft aangegeven geen eindverantwoordelijke voor het gebruik van een POC-test te hebben aangewezen. Aanbevelingen Om de kwaliteit van zorg verder te verbeteren en risico's op gebruiksfouten met POC-testen in verpleeg- en verzorgingshuizen te verminderen, is het aan te bevelen om een eindverantwoordelijke persoon aan te wijzen voor het beheer en gebruik van POC-testen. Vervolgens is het aan te bevelen om periodiek trainingen en opfriscursussen te organiseren en deelname te registreren. Daarnaast is het van belang protocollen of handleidingen op te stellen voor het gebruik van POC-testen. Ook zijn kwaliteitscontroles gewenst bij ontvangst van testmaterialen en vlak voordat ze worden gebruikt.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Personalised medicine is een relatief nieuw en populair begrip in de medische wereld. Het staat voor een behandeling van de patiënt op basis van zijn individuele kenmerken, een zogenaamde behandeling op maat, in plaats van de traditionele one-size-fits-all-benadering. Voor een optimale en adequate behandeling op maat wordt een geneesmiddel gekoppeld aan in vitro diagnostica (IVDs; bijvoorbeeld genetische tests). Op die manier kan op basis van het genetisch profiel van een patiënt voor bepaalde medicijnen of doseringen gekozen worden, waarmee de patiënt beter kan worden behandeld. Momenteel gebeurt dit vooral bij de behandeling van kanker. Er bestaan echter verschillende wettelijke kaders voor medicijnen en genetische tests. Uit onderzoek van het RIVM blijkt dat lacunes in de informatievoorziening over de genetische tests en een gebrek aan eenduidigheid tussen de wetgevingen optimale keuzes voor behandeling in de weg kunnen staan. Zo kan de kwaliteit of opzet van een genetische test van invloed zijn op de nauwkeurigheid waarmee het genetisch profiel van een patiënt wordt bepaald. Daardoor zal een bepaalde patiënt na gebruik van de ene test wel en de andere test niet geselecteerd worden voor een behandeling met een geneesmiddel of een dosering. Dit kan een risico vormen voor optimale en adequate behandeling. Het RIVM stelt dat dit risico alleen kan worden ingeperkt als de wet- en regelgeving van geneesmiddelen en IVD's aan elkaar worden gekoppeld. Verder blijkt dat het noodzakelijk is professionals in de gezondheidszorg te trainen om adequate behandeling op maat te stimuleren. Het RIVM doet aanbevelingen om de risico's zo veel mogelijk te beperken. In september 2012 heeft de Europese Commissie een voorstel gedaan om de wet- en regelgeving voor IVD's te herzien. Hoewel hierin rekening wordt gehouden met personalised medicine producten die behandeling op maat mogelijk maken, blijven lacunes bestaan om ze adequaat te gebruiken.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Term perinatal mortality audit in the Netherlands 2010-2012: A population-based cohort study | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Parental preferences for rotavirus vaccination in young children: A discrete choice experiment | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Anti-pertussis antibody kinetics following DTaP-IPV booster vaccination in Norwegian children 7-8 years of age | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
A two-phase within-host model for immune response and its application to serological profiles of pertussis | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Mycobacterium tuberculosis Beijing genotype resistance to transient rifampin exposure [Letter to the editor] | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Dietary fat intake and risk of epithelial ovarian cancer in the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Laboratory capability and surveillance testing for Middle East respiratory syndrome coronavirus infection in the WHO European Region, June 2013 | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Dynamic changes in energy metabolism upon embryonic stem cell differentiation support developmental toxicant identification | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Ondanks de goede toegankelijkheid van de medische zorg in Nederland, verschilt de gezondheid tussen mensen met een lage en een hoge maatschappelijke positie. Het RIVM stelt een gestandaardiseerde meetmethode (indicator) voor waarmee deze gezondheidsverschillen kunnen worden weergegeven. Op die manier kunnen de verschillen in de gaten worden gehouden en kan worden getoetst of beleidsmatige maatregelen om ze te verkleinen, zoals initiatieven in wijken, effect hebben. De voorgestelde indicator geeft het verschil in levensverwachting weer tussen de 20 procent Nederlanders die de laagste maatschappelijke positie innemen en degenen die tot de hoogste 20 procent behoren. De maatschappelijke positie (sociaal economische status, ofwel SES) wordt doorgaans ontleend aan het opleidingsniveau of inkomen van mensen. Gezondheid is een complex begrip en omvat diverse kenmerken, waardoor dit onderzoek zich niet wil beperken tot één indicator. Om het overzichtelijk te houden wordt wel een kernindicator voorgesteld. Deze gebruikt het eigen oordeel van mensen over hun gezondheid als maat voor gezondheid en het opleidingsniveau als maat voor SES. Om nog andere aspecten van de gezondheid te belichten wordt voorgesteld om ook alternatieve gezondheidsmaten te berekenen. Momenteel zijn gegevens beschikbaar over de levensverwachting zonder lichamelijke beperkingen. In de toekomst komen gegevens beschikbaar die meer in lijn zijn met wat internationaal wordt gebruikt. Het betreft de levensverwachting zonder (door ziekte veroorzaakte) beperking van activiteiten, zoals naar werk of school gaan, en de levensverwachting zonder chronische ziekten. Voorgesteld wordt om in de toekomst deze gezondheidsmaten toe te voegen.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
High seroprevalence of Borrelia miyamotoi antibodies in forestry workers and individuals suspected of human granulocytic anaplasmosis in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
De Handreiking waarmee adviesbureaus de magneetveldzone bij bovengrondse hoogspanningslijnen kunnen uitrekenen, is in 2013 geactualiseerd (versie 3.1). Het RIVM heeft deze bureaus een zogeheten toepassingstest laten uitvoeren om te controleren of ze volgens de nieuwe Handreiking kunnen werken. Vier van de zes deelnemende bureaus hebben de test met goed gevolg afgelegd. Hun rekenresultaten vielen binnen het door het ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM) gekozen criterium. Het was nodig de Handreiking te actualiseren omdat vorige versies zich beperkten tot één afzonderlijke hoogspanningslijn. De nieuwe versie (3.1) bevat daarom ook een rekenvoorschrift voor magneetveldzones in situaties waarin twee of meer hoogspanningslijnen dicht bij elkaar liggen. Die kunnen namelijk elkaars magneetveld beïnvloeden. Deze aanpassingen zijn in opdracht van het ministerie van IenM verricht. De aanpassing in de Handreiking was van belang omdat het aantal locaties toeneemt waar hoogspanningsverbindingen zich dicht bij elkaar bevinden. Vanwege een goede ruimtelijke ordening worden nieuwe hoogspanningslijnen zoveel mogelijk met bestaande lijnen gebundeld, waardoor twee rijen masten naast elkaar ontstaan. Ook kan het zijn dat de draden van een nieuwe verbinding worden gecombineerd met die van een bestaande lijn op één rij masten. De Handreiking is voortgekomen uit het voorzorgsbeleid van de overheid voor bovengrondse hoogspanningslijnen uit 2005. Hierin is een magneetveldzone gedefinieerd waarbinnen in nieuwe situaties zo weinig mogelijk woningen, scholen, crèches en kinderdagopvangplaatsen terecht mogen komen. Aanleiding hiervoor was wetenschappelijk onderzoek dat aanwijzingen heeft gevonden dat kinderen die in de buurt van bovengrondse hoogspanningslijnen wonen een grotere kans hebben om leukemie te krijgen.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Etiologies for seizures around the time of vaccination | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
De inname van dioxinen via de voeding geeft op dit moment in Nederland geen aanleiding meer tot zorg voor de volksgezondheid. In 2014 ligt de berekende inname bij de Nederlandse bevolking als geheel namelijk voor het eerst niet boven de gezondheidslimiet. De belangrijkste dioxinebronnen blijven melk, rundvlees en plantaardige oliën en vetten. Dit blijkt uit nieuwe berekeningen van het RIVM. De daling komt doordat er de afgelopen decennia steeds minder dioxinen in onze voeding zit. De verwachting is dat de concentraties in voedsel inmiddels hun laagste niveau hebben bereikt en niet verder zullen dalen. Mogelijk heeft ook een ander consumptiepatroon aan de daling bijgedragen. Dioxinen zitten namelijk vooral in vette onderdelen van voedingsmiddelen en mensen kiezen steeds vaker voor vetarme producten. Het blijft echter belangrijk dioxinegehalten in producten te meten om vast te kunnen stellen dat de inname in de algehele populatie op een acceptabel niveau blijft en om eventuele incidenteel verhoogde dioxinegehalten in producten te signaleren. De werkelijke inname ligt mogelijk nog lager dan de hier berekende inname. Bij de berekeningen zijn tien jaar oude concentratiedata gebruikt voor plantaardige oliën en vetten. Gezien de daling in dioxinegehalten in dierlijke producten en de hoge bijdrage van plantaardige oliën en vetten aan de totale inname van dioxinen, is de verwachting dat het gebruik van recente dioxinegehalten voor deze productgroep tot een nog lagere innameschatting zal leiden. Dit geldt ook voor het meenemen van het effect van de wijze waarop voedingsmiddelen worden bereid in de berekening. Er zijn namelijk aanwijzingen dat een deel van de dioxinen verdwijnt als een product wordt gekookt. Voor deze berekeningen zijn voedselconsumptiegegevens van de Voedselconsumptiepeiling (VCP) gecombineerd met concentratiegegevens van deze groep stoffen in producten. Vervolgens is de berekende inname vergeleken met de gezondheidslimiet voor deze stofgroep. Deze limiet is gebaseerd op de hoeveelheid van een stof of stofgroep waar mensen hun hele leven gemiddeld aan mogen worden blootgesteld zonder dat dit nadelige gevolgen heeft voor de gezondheid.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM heeft onderzocht of de mate waarin leukemie bij kinderen en jongeren voorkwam tussen 1995 en 2010 varieerde tussen regio's en jaren. De verschillen blijken klein te zijn. GGD'en krijgen geregeld meldingen van bezorgde bewoners die vermoeden dat er de laatste jaren in hun buurt opvallend veel kankerpatiënten zijn of die het idee hebben dat een andere ziekte veel voorkomt (clustermelding). Vaak wordt dan een oorzaak in de omgeving verondersteld, zoals industrie, hoogspanningslijnen of bodemverontreiniging. Bij dergelijke clustermeldingen gebruikt de GGD een stappenplan waarbij wordt gekeken of het lokale aantal patiënten afwijkt van het landelijke of regionale gemiddelde. De GGD zoekt uit of blootstelling aan eventuele omgevingsfactoren hier invloed op kan hebben gehad, en besteedt veel aandacht aan de communicatie hierover met de melders. De resultaten van het RIVM-onderzoek bevestigen dat dit een goede eerste aanpak is bij een clustermelding. Als hiermee niet kan worden uitgesloten dat er sprake is van een cluster, bestaat de mogelijkheid om nader onderzoek uit te voeren. Daarvoor worden dan aanvullende gegevens verzameld en geanalyseerd. In dit RIVM-rapport staan enkele methoden beschreven die daarvoor in aanmerking komen. Er zal naar verwachting niet vaak aanleiding zijn om deze in te zetten, omdat met het stappenplan het merendeel van de meldingen adequaat kan worden afgehandeld. De in het rapport beschreven methoden zijn geschikt om landelijk in beeld te brengen in welke mate ziekten, waaronder leukemie, voorkomen en of daarin variatie optreedt in ruimte en tijd. De gegevens en resultaten uit dit onderzoek kunnen op kaarten worden weergegeven, indien daarbij rekening wordt gehouden met privacy regels. De getoonde informatie mag immers niet tot personen herleidbaar zijn. Een dergelijke presentatie van de gegevens kan bijdragen aan de communicatie door de GGD over de mate waarin leukemie en andere vormen van kanker in Nederland variëren.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Ondanks het rookverbod kunnen mensen last hebben van rook die 'weglekt' uit ruimten waar roken is toegestaan. Dat is de belangrijkste oorzaak van overlast in rookvrije ruimten. Het rookverbod is ingesteld om onvrijwillige blootstelling aan tabaksrook te voorkomen op de werkplek, in het openbaar vervoer en in publiek toegankelijke ruimten. Er bestaan draagbare en gebruiksvriendelijke meetapparaten die inspecteurs van de NVWA kunnen helpen te bepalen of het rookverbod is overtreden. Dit kan bijdragen aan een veel gevoeligere en objectievere manier van handhaven. Momenteel worden deze inspecties nog uitgevoerd door in ruimten te kijken en te ruiken (zintuigelijke waarneming). De mogelijkheid om meetapparaten voor dit doeleinde te gebruiken is door het RIVM onderzocht. Met de apparaten kan lucht worden bemonsterd, die daarna in het laboratorium geanalyseerd wordt. De concentratie tabaksrook wordt dan bepaald door de omgevingslucht te analyseren op de geselecteerde indicatorstoffen nicotine en 3-EP. Aanbevolen wordt welke apparaten het meest geschikt zijn voor tabaksrook metingen. Vervolgonderzoek moet uitwijzen of de apparaten voldoende gevoelig zijn om de concentratie tabaksrook te kunnen bepalen. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van de Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit (NVWA), die erop toeziet dat de tabakswet wordt nageleefd. Om het rookverbod te handhaven en overlast zoveel mogelijk tegen te gaan wil de de NVWA tijdens inspecties beschikken over ondersteunende detectiemethoden.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Deze verkennende inventarisatie beschrijft via welke bronnen op het land microplastics in zee terechtkomen. Microplastics zijn kleiner dan 5 millimeter en kunnen in de voedselketen terechtkomen. De bronnen kunnen producten zijn, productieprocessen of routes waarlangs ze via de rivieren de zee bereiken. Vervolgens is aan elk van die bronnen een prioriteit toegekend. Op basis daarvan kunnen beleidsmaatregelen worden genomen om de hoeveelheid microplastics in het milieu terug te dringen. Aanvullend onderzoek is nodig om maatregelen verder in te vullen. Voor de prioritering zijn vijf criteria gebruikt: omvang van de emissie, (on)misbaarheid van de bron, mogelijkheden voor 'quick win'-maatregelen, maatschappelijke beeldvorming, en de aanwezigheid van alternatieven voor de consument. Hoge prioriteit wordt toegekend aan bronnen van secundaire microplastics; dit zijn microplastics die ontstaan als grotere plastics in kleinere fragmenten uiteenvallen. Zwerfvuil, voornamelijk verpakkingen en wegwerpartikelen, is de belangrijkste bron van microplastic (score 8-9 op een schaal van 10). Andere secundaire microplastic bronnen die relatief hoog scoren (score 6-7) zijn vezels en kleding, de afspoeling van straatvuil (waaronder bandenslijtage), stofemissies van bouwplaatsen, landbouwplastics en de aanvoer van microplastics door rivieren uit het buitenland. Verder scoren afvalwater, zuiveringsslib en compost relatief hoog (score 6). Deze bevatten microplastics van diverse bronnen die in het riool terechtkomen, bijvoorbeeld kledingvezels die tijdens het wassen vrijkomen en kleine scrubdeeltjes uit cosmetica. Primaire microplastics zijn plastic deeltjes die doelbewust toegevoegd worden aan producten vanwege hun specifieke functie. Van deze bronnen scoren cosmetica en verf- en kleurstoffen hoog (score 7), gevolgd door schurende reinigingsmiddelen (score 6). Er was onvoldoende informatie beschikbaar om binnen de tijdspanne van dit onderzoek een volledige kosten-baten-analyse uit te voeren. Ook is niet bekend in hoeverre microplastics schadelijk zijn voor mens en milieu. De prioritering is uitgevoerd door een expertgroep met vertegenwoordigers van RIVM, Deltares, Rijkswaterstaat en de Emissieregistratie.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Combined impact of healthy lifestyle factors on colorectal cancer: A large European cohort study | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Continued seasonal circulation of enterovirus D68 in the Netherlands, 2011-2014 | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Salmonella source attribution based on microbial subtyping: Does including data on food consumption matter? | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Reducing our environmental footprint and improving our health: greenhouse gas emission and land use of usual diet and mortality in EPIC-NL: a prospective cohort study | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Evaluation of Borrelia real time PCR DNA targeting OspA, FlaB and 5S-23S IGS and Borrelia 16S rRNA RT-qPCR | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
A systematic review and meta-analysis of 130,000 individuals shows smoking does not modify the association of APOE genotype on risk of coronary heart disease | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
The 19q12 Bladder Cancer GWAS signal: Association with cyclin E function and aggressive disease | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Large outbreak of Salmonella Thompson related to smoked salmon in the Netherlands, August to December 2012 | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Associations among health literacy, diabetes knowledge, and self-management behavior in adults with diabetes: results of a dutch cross-sectional study | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Infecties door recreatie in oppervlaktewater; huidige en toekomstige risico's op transmissie in Nederland | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Travel-related MERS-CoV cases: an assessment of exposures and risk factors in a group of Dutch travellers returning from the Kingdom of Saudi Arabia, May 2014 | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Het ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM) wil graag dat consumenten zich milieuvriendelijker (duurzamer) gaan gedragen. Het RIVM is gevraagd te inventariseren wat een doelgroep succesvol tot ander gedrag aanzet, te beginnen bij een duurzamer eetpatroon. Daaraan zijn enkele criteria ontleend voor werkzame interventies (gerichte activiteiten of maatregelen). Zo moet goed beschreven worden wat het doel, de doelgroep en de methodiek van de interventie zijn. Ook moet de doelgroep betrokken worden bij de ontwikkeling ervan. Ten slotte moet de interventie goed onderbouwd zijn en moet zo snel mogelijk nadat hij is ingezet, worden getoetst of hij effectief is. Verder blijkt het zinvol dat de overheid verschillende partijen, initiatieven en projecten bijeen brengt. De rol van verbinder stimuleert kennisuitwisseling, ook over de kwaliteit van de interventies. Het RIVM is voor deze verkenning gevraagd, omdat het ervaring heeft met (gezondheidsbevorderende) interventies, verzameld in de Interventiedatabase ( www.loketgezondleven.nl ). Deze database biedt een goede eerste mogelijkheid om interventies gericht op een duurzamer eetpatroon te ontsluiten. Deze aansluiting is in praktische zin logisch, omdat dan geen nieuwe digitale infrastructuur hoeft te worden opgezet en gebruik gemaakt wordt van de reeds opgedane ervaring. Inhoudelijk zijn er ook raakvlakken, omdat maatregelen om milieuvriendelijker te eten en drinken vaak ook gezonder zijn en andersom. Eten volgens de richtlijnen voor een gezonde voeding geeft een lagere milieubelasting ten opzichte van het huidige voedselpatroon van de gemiddelde Nederlander. Zo is meer kraanwater drinken en minder frisdrank met suiker zowel gezonder als minder belastend voor het milieu. Aspecten als het productieproces en het transport van frisdrank kosten immers meer energie dan water uit de kraan drinken.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM heeft geïnventariseerd hoeveel proefdieren worden gebruikt voor testen die uitzoeken bij welke dosering of concentratie van een stof 50 procent van de dieren sterft (zogeheten LD50/LC50-testen). Deze testen zijn in principe verboden en worden alleen met ontheffing toegepast als er geen alternatieve methoden mogelijk zijn. De inventarisatie is op verzoek van de staatssecretaris van Economische Zaken gemaakt. Hieruit blijkt dat in Nederland jaarlijks voor dit type testen tussen de 570 en 1000 vissen gebruikt worden; in Nederland worden hiervoor geen andere diersoorten ingezet. Om in algemene zin het aantal dierproeven te verminderen is in de jaren zeventig van de vorige eeuw het zogeheten 3V-principe (Verminderen, Verfijnen of Vervangen) in de Wet op de dierproeven verankerd. Uit de RIVM-inventarisatie blijkt dat dit principe ook wordt ingezet bij de LD50/LC50-testen, maar het toepassen ervan is maatwerk en is nog niet voor alle chemische stoffen mogelijk. De test kan bijvoorbeeld zodanig worden ingericht dat minder vissen nodig zijn, of dat zieke dieren eerder uit de test worden gehaald. Daarnaast kan bestaande kennis over stoffen met een chemisch verwante structuur gebruikt worden om de schadelijkheid van een stof te bepalen, waardoor het niet nodig is om een dierproef uit te voeren. Een ander alternatief is een zogenoemde visembryo-test, waarbij de toxiciteit van een stof wordt bepaald met testen bij pas bevruchte viseieren. Embryo's vallen de eerste dagen niet onder de Wet op dierproeven. Dit laatste alternatief wordt nog niet praktijk gebracht omdat de visembryo-test nog niet in de Europese regelgeving voor chemische stoffen is opgenomen. Om de LD50/LC50-testen verder te verminderen is het belangrijk dat dit wel gebeurt. Het RIVM adviseert daarom om in overleg met de Nederlandse vertegenwoordigers in relevante Europese wettelijke kaders vast te stellen hoe en onder welke voorwaarden dit kan worden gerealiseerd. Bovendien is het belangrijk om te investeren in de ontwikkeling van een strategie waarin verschillende testen worden geïntegreerd, omdat dit de meest kansrijke manier is om de LD50/LC50-testen op termijn overbodig te maken.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM doet voorstellen voor nieuwe luchtnormen voor Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS). De overheid heeft extra aandacht voor deze stoffen omdat ze kankerverwekkend zijn of de voortplanting verstoren. Ook stoffen die slecht afbreken in het milieu, zich ophopen in organismen en giftig zijn (persistent, bioaccumulerend en toxisch, oftewel PBT-stoffen) worden aangemerkt als ZZS. In vergunningen worden eisen opgenomen om de uitstoot van ZZS naar lucht te verminderen. De nieuwe milieukwaliteitsnormen kunnen hiervoor als uitgangspunt worden gebruikt. De voorstellen zijn gemaakt omdat een deel van de huidige luchtnormen was afgeleid met een methode die niet meer wordt gebruikt. Voor een aantal stoffen circuleerden meerdere getallen en was er onduidelijkheid over de juiste norm. De voorstellen zijn gebaseerd op nationaal en internationaal gepubliceerde gezondheidskundige risicogrenzen. Deze waarden geven aan hoeveel mensen tijdens hun leven van een stof mogen inademen zonder daar nadelige effecten van te ondervinden.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
The Dutch health care performance report: Seven years of health care performance assessment in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Assessing and improving cross-border chemical incident preparedness and response across Europe | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
The Flash Environmental Assessment Tool: Worldwide first aid for chemical accidents response, pro action, prevention and preparedness | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Het Europese geneesmiddelensysteem is sterk gereguleerd. Voordat een geneesmiddel een handelsvergunning krijgt en op de markt mag worden gebracht, moet eerst worden aangetoond dat de kwaliteit, veiligheid en werkzaamheid voldoende zijn. Dit is geen eenmalige gebeurtenis maar gebeurt continu gedurende de tijd dat het geneesmiddel op de markt is. De maatregelen die hiervoor nodig zijn, zijn erg omvangrijk geworden en hebben effect op innovatie, kosten en de beschikbaarheid van geneesmiddelen. Daardoor leeft zowel binnen de overheid als de maatschappij de vraag of dit systeem toekomstbestendig is. Het RIVM heeft daarom de knelpunten van het huidige systeem in kaart gebracht. Het blijkt dat de vier belangrijke thema's van het systeem (veiligheid en effectiviteit, kosten, innovatie, en beschikbaarheid) nauw met elkaar samenhangen. Een verandering binnen een van de thema's raakt altijd aan de andere, en een optimale balans is lastig te bepalen. Zo zorgen soepelere regels om innovatie te stimuleren ervoor dat geneesmiddelen sneller op de markt beschikbaar zijn. Als keerzijde daarvan is er minder kennis over de veiligheid en effectiviteit op het moment dat een vergunning wordt verleend. Extra veiligheidsmaatregelen leiden daarentegen tot langere studies, en daarmee tot hogere kosten voor (de ontwikkeling van) geneesmiddelen en een beperktere beschikbaarheid. Daarnaast hebben factoren buiten het geneesmiddelensysteem invloed op de vier thema's, zoals commerciële belangen en de besluitvorming over de nationale vergoeding van geneesmiddelen. Ook ontbreekt op meerdere terreinen transparantie, bijvoorbeeld in de opbouw van kosten of de uitwisseling van data. Aangezien belangen per partij verschillen (van industrie tot verzekeraars, patiënten en zorgprofessionals), is het lastig om een balans te vinden die alle partijen tevreden stelt. Bij eventuele aanpassingen aan het systeem is het van belang hiermee rekening te houden. Patiënten met een ernstige ziekte waarvoor nog geen behandeling beschikbaar is, zullen bijvoorbeeld meer risico's accepteren op het gebied van veiligheid en effectiviteit dan geneesmiddelenbeoordelaars of het algemene publiek.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
De voeding van kinderen (7-15 jaar) en (jong) volwassenen (16-69 jaar) in Nederland is veilig wat betreft de inname van nitraat, dat vooral in groenten zit. De hoeveelheid acrylamide waaraan beide leeftijdsgroepen worden blootgesteld via de voeding zou mogelijk schadelijk kunnen zijn voor de gezondheid. Acrylamide zit in gebakken en gefrituurde producten. Voor ochratoxine A, dat wordt veroorzaakt door schimmels, kan niet worden beoordeeld of de voeding veilig is. Meer onderzoek is nodig om de innameberekening te verfijnen. Dit blijkt uit een studie van het RIVM waarin is berekend hoeveel de Nederlandse bevolking van de drie genoemde stoffen binnenkrijgt via de voeding. Voor alle drie de stoffen, maar vooral voor nitraat en ochratoxine A, zijn concentratiegegevens noodzakelijk die een goede afspiegeling zijn voor de gehalten aanwezig in voedselproducten. Voor acrylamide, een mogelijk kankerverwekkende stof, is aangetoond dat het schadelijk is in dieren, maar dit is (nog) niet overtuigend aangetoond in de mens. Meer kennis is nodig over de werking van deze stof bij de mens om te kunnen vaststellen of de berekende inname inderdaad onveilig is. Om de inname via de voeding te berekenen zijn voedselconsumptiegegevens van de Voedselconsumptiepeiling (VCP) gecombineerd met beschikbare concentratiegegevens van de stoffen in producten. Vervolgens is de berekende inname vergeleken met gezondheidslimieten die voor de stoffen gelden om per stof mogelijke gezondheidsrisico's te bepalen.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Dit rapport beschrijft de verkenning naar draagvlak voor een aanpak Gezonde Kinderopvang en mogelijkheden voor het ontwikkelen van deze aanpak. Deze met name kwalitatieve verkenning is gebaseerd op informatie verkregen via literatuur- en documentenonderzoek, de afname van een digitale vragenlijst, interviews met stakeholders, kinderopvangorganisaties en ouders én bijeenkomsten met stakeholders. Dit rapport gaat in op de vraag hoe de kinderopvang in Nederland georganiseerd is. Vervolgens wordt de actuele stand van zaken rond gezondheid binnen de kinderopvang beschreven. Als laatste worden de mogelijkheden voor een aanpak Gezonde Kinderopvang en een vignet Gezonde Kinderopvang nagegaan. Uit de verkenning blijkt dat er breed draagvlak is om een aanpak Gezonde Kinderopvang te ontwikkelen. Ook voor een vignet Gezonde Kinderopvang is er draagvlak. Op basis van de resultaten van de verkenning wordt aanbevolen een aanpak Gezonde Kinderopvang te ontwikkelen die:1. kennis biedt over wat een Gezonde Kinderopvang is; - kinderopvangorganisaties helpt bij: - het opnemen van gezondheid in hun beleid ; 2 het verbeteren van huidige activiteiten rond signalering en doorverwijzing ; educatie door middel van aanbieden van (erkende) interventies. Dit sluit aan op het project 'Een gezonde start' van het Voedingscentrum en NJI ; -een gezonde omgeving ; - ouderparticipatie. 2 informatie van relevante partners bij elkaar brengt 3 aansluit bij de aanpak Gezonde School
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Asbest is in Nederland tot 1993 veel gebruikt in woningen en andere gebouwen, waaronder scholen. Er vinden regelmatig incidenten plaats met asbest, waarbij soms woningen acuut worden ontruimd. Bij deze incidenten hebben de GGD'en de taak hierover te adviseren, net als over de communicatie over mogelijke gezondheidsrisico's. In dergelijke gevallen bestaat bij de GGD'en behoefte aan richtlijnen voor een goede en eenduidige aanpak. Hiertoe heeft het RIVM in samenwerking met de GGD'en een richtlijn opgesteld, in opdracht van het ministerie van VWS. Dit document geeft een overzicht van de huidige kennis over asbest, de bijbehorende gezondheidsrisico's, en over de te nemen maatregelen bij asbestincidenten en de termijn waarbinnen deze moeten plaatsvinden. Advies over asbest in woningen is maatwerk en is erop gericht gezondheidsschade te voorkomen. Het uitgangspunt hierbij is dat 'niet-ingrijpende maatregelen' altijd zo spoedig mogelijk worden genomen. Dit houdt bijvoorbeeld in dat mensen goed worden geïnformeerd over de situatie en dat zo veel mogelijk wordt voorkomen dat asbestvezels vrijkomen en zich kunnen verspreiden. 'Ingrijpende maatregelen' (bijvoorbeeld mensen tijdelijk elders huisvesten) kunnen grote emotionele, psychosociale, financiële of organisatorische gevolgen hebben. Het is daarom van belang dat de gevolgen van dergelijke maatregelen in verhouding staan tot het gezondheidsrisico door de asbestblootstelling. Asbestvezels zijn kankerverwekkend als ze worden ingeademd. Het gebruik ervan is in Nederland inmiddels verboden.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Zebrafish embryotoxicity test for developmental (neuro)toxicity: Demo case of an integrated screening approach system using anti-epileptic drugs | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Health effects of employment: a systematic review of prospective studies | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
In vitro synergy between linezolid and clarithromycin against Mycobacterium tuberculosis [Letter to the editor] | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Decreased lung function precedes severe respiratory syncytial virus infection and post-respiratory syncytial virus wheeze in term infants | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Contact allergy to capryloyl salicylic acid | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Robustness against serum neutralization of a poliovirus type 1 from a lethal epidemic of poliomyelitis in the Republic of Congo in 2010 | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Review of disability weight studies: Comparison of methodological choices and values | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Association between Mediterranean and Nordic diet scores and changes in weight and waist circumference: Influence of FTO and TCF7L2 loci | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Particle size dependent deposition and pulmonary inflammation after short-term inhalation of silver nanoparticles | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Brain suppression of AP-1 by inhaled diesel exhaust and reversal by cerium oxide nanoparticles | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Speed versus coverage trade off in targeted interventions during an outbreak | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Prediagnostic intake of dairy products and dietary calcium and colorectal cancer survival-results from the EPIC cohort study | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Identification and typing of Brucella spp. in stranded harbour porpoises (Phocoena phocoena) on the Dutch coast | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
In silico and in vitro evaluation of PCR-based assays for the detection of Bacillus anthracis chromosomal signature sequences | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
The Yin: An adverse health perspective of nanoceria: uptake, distribution, accumulation, and mechanisms of its toxicity | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Risk factors and monitoring for water quality to determine best management practices for splash parks | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Diabetes quality management in Dutch care groups and outpatient clinics: A cross-sectional study | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Identification of a novel conjugative plasmid in mycobacteria that requires both type IV and type VII secretion | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
The efficacy and duration of vaccine protection against human papillomavirus: a systematic review and meta-analysis | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Air quality status and trends in Europe | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Afwegingen bij het gebruik van grondwater en de ondergrond : Een verkenning op basis van ecosysteemdiensten | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Public health en recreatie: preventie loont | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Exploring the potential of next-generation sequencing in detection of respiratory viruses | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Dietary patterns in relation to disease burden expressed in Disability-Adjusted Life Years | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Getting more out of less - a quantitative serological screening tool for simultaneous detection of multiple influenza a hemagglutinin-types in chickens | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Effectiveness of post-exposition prophylaxis with oseltamivir in nursing homes: a randomised controlled trial over four seasons | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Circulating fatty acids and prostate cancer risk: individual participant meta-analysis of prospective studies | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
An experimental Toxoplasma gondii dose response challenge model to study therapeutic or vaccine efficacy in cats | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
De uitbraak van mazelen in 2013 was de meest in het oog springende infectieziekte van dat jaar. Dit blijkt uit de Staat van Infectieziekten in Nederland 2013, die inzicht geeft in ontwikkelingen van infectieziekten bij de Nederlandse bevolking. Daarnaast worden de ontwikkelingen in het buitenland beschreven die voor Nederland relevant zijn. Met deze jaarlijkse uitgave informeert het RIVM beleidsmakers van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). Elk jaar komt in de Staat van Infectieziekten een thema aan bod; dit jaar is dat de hoeveelheid jaren in goede gezondheid die verloren gaan (ziektelast) door infectieziekten. Sommige infectieziekten, zoals maag-darminfecties, komen erg vaak voor maar veroorzaken over het algemeen geen ernstige klachten. Andere daarentegen, bijvoorbeeld tetanus, komen slechts zelden voor maar veroorzaken relatief veel sterfgevallen. Een gezondheidsmaat die deze aspecten van ziekten combineert is de Disability Adjusted Life Year (DALY). Voor 32 infectieziekten is de ziektelast in Nederland tussen 2007 en 2011 geschat. De gemiddelde jaarlijkse ziektelast voor de totale Nederlandse bevolking was het hoogst voor ernstige pneumokokkenziekte (9444 DALY's per jaar) en griep (8670 DALY's per jaar), die respectievelijk 16 en 15 procent van de totale ziektelast van alle 32 infectieziekten vertegenwoordigen. Na polio en difterie (0 gevallen in de onderzochte periode), werd de laagste ziektelast geschat voor rodehond op 0,14 DALY's per jaar. De ziektelast voor deze ziekten is zo laag dankzij het Rijksvaccinatieprogramma. De ziektelast per individu varieerde van 0,2 DALY's per honderd infecties voor giardiasis (diarree die wordt veroorzaakt door een parasiet), tot 5081 en 3581 DALY's per honderd infecties voor respectievelijk hondsdolheid en een variant van de ziekte van Creutzfeldt-Jakob. Voor alle ziektelaststudies geldt dat de resultaten afhankelijk zijn van de modelparameters en aannames, en van de beschikbaarheid van accurate gegevens over de mate waarin de ziekten voorkomen. Toch kunnen deze schattingen informatief zijn voor beleidsmakers binnen de gezondheidszorg om prioriteiten te kunnen aanbrengen in preventieve en andere maatregelen.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Circulation of four Anaplasma phagocytophilum ecotypes in Europe | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
De 'Geneesmiddelenketen' bestaat uit verschillende organisaties die ervoor zorgen dat er veilige en effectieve geneesmiddelen beschikbaar zijn. In het verlengde daarvan hebben zij gezamenlijk de taak om te zorgen voor goede en betrouwbare informatie over geneesmiddelen. Momenteel is die informatie versnipperd. Onder leiding van het RIVM is in kaart gebracht hoe de diverse websites aan elkaar kunnen worden gekoppeld en welke acties daarvoor nodig zijn. Op die manier wordt de beschikbare informatie over medicijnen toegankelijker gemaakt voor professionals. De resultaten zijn in onderliggend verslag weergegeven. De geneesmiddelenketen bestaat uit verschillende organisaties, elk met een eigen taak en een eigen website. Hiertoe behoren het Agentschap College ter beoordeling van geneesmiddelen (aCBG), de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ), het Nederlands bijwerkingencentrum Lareb, de Centrale Commissie Mensgebonden Onderzoek (CCMO), het ministerie van VWS en het RIVM. Het streven is de koppeling in 2014 te realiseren. Aan de basis ligt het Farmacotherapeutisch Kompas (FK), dat wordt uitgegeven door het Zorginstituut Nederland (voorheen: College voor zorgverzekeringen). Het FK bevat informatie over het juist gebruik van geneesmiddelen: welk middel is het meest effectief bij een bepaalde patiënt met een bepaalde aandoening, én het laagst geprijsd. Zorgprofessionals raadplegen de onafhankelijke informatie op deze website veelvuldig. Bij elk geneesmiddel zal een directe link worden toegevoegd naar informatie over geregistreerde geneesmiddelen op de geneesmiddeleninformatiebank (GIB). Op de GIB zijn ook de officiële registratiedocumenten van een geneesmiddel te raadplegen, zoals de wetenschappelijke productinformatie, het openbare beoordelingsrapport en de patiëntenbijsluiter. De GIB wordt beheerd door het aCBG. Dezelfde koppeling zal gemaakt worden voor informatie over bijwerkingen, die staan vermeld op de website van Lareb.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Dietary intake of acrylamide and endometrial cancer risk in the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition cohort | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Willingness to pay to avoid health risks from road-traffic-related air pollution and noise across five countries | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Long-term exposure to ambient air pollution and incidence of cerebrovascular events: Results from 11 European cohorts within the ESCAPE project | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Inflammatory and metabolic biomarkers and risk of liver and biliary tract cancer | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Comparison of osteoblast and cardiomyocyte differentiation in the embryonic stem cell test for predicting embryotoxicity in vivo | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Songbirds as general transmitters but selective amplifiers of Borrelia burgdorferi sensu lato genotypes in Ixodes rinicus ticks | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Arterial blood pressure and long-term exposure to traffic-related air pollution: An analysis in the european study of cohorts for air pollution effects (ESCAPE) | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Today's adult generations are less healthy than their predecessors: Generation shifts in metabolic risk factors: The Doetinchem Cohort Study | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Alcohol segment-specific associations between the quality of the parent-child relationship and adolescent alcohol use | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
The effect of out-of-pocket costs and financial rewards in a discrete choice experiment: An application to lifestyle programs | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
No evidence for LGV transmission among heterosexuals in Amsterdam, the Netherlands | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Soil as a source of Legionella pneumophila sequence type 47 | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Dit rapport is de herziene versie van het oorspronkelijke rapport (mei 2014). Op pagina 3 staat een erratum met uitleg over de wijzigingen Het RIVM heeft een methode ontwikkeld waarmee in kaart kan worden gebracht welke producten een bepaald ingrediënt bevatten, en zo ja in welke hoeveelheden ('post-launch monitoring'). Het gaat hierbij om producten die na mei 1997 op de Europese markt zijn verschenen en waarvoor beoordeeld moet worden of ze veilig zijn om op de markt te mogen worden toegelaten - zogenoemde nieuwe voedingsmiddelen en voedselingrediënten. De methode is in opdracht van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) ontwikkeld. Als testcase is de aanwezigheid van het in de markt opkomende additief Stevia onderzocht. Deze natuurlijke zoetstof zit bijvoorbeeld in zoetjes, limonade en frisdranken en drinkyoghurt. De methode is bruikbaar gebleken en in totaal is in 37 merken het Stevia-extract steviolglycosiden geïdentificeerd. Vervolgens is met twee scenario's geschat hoeveel van deze stof mensen binnenkrijgen (inname): het worst-case scenario en het '25 procentmarktaandeel' scenario. Het worst-case scenario gaat ervan uit dat alle producten die in productcategorieën zitten waarin het nieuwe voedselingrediënt is geïdentificeerd, de stof ook daadwerkelijk bevatten en dan tot het hoogste niveau dat in het product gemeten is of dat producenten hierover hebben gerapporteerd. Bij dit scenario wordt de aanvaardbare dagelijkse inname (ADI) voor Stevia bij minder dan 5 procent van de kinderen overschreden, en bij minder dan 9 procent van de volwassenen. Het 25 procent-marktaandeel scenario is een realistischere schatting. Bij dit scenario wordt de ADI bij minder dan 3 procent van de kinderen en volwassenen overschreden. Het is niet duidelijk of deze mate van overschrijdingen concrete risico's voor de volksgezondheid met zich meebrengen. Regelmatige monitoring is gewenst, vooral omdat verwacht wordt dat Stevia aan meer producten en soms in hogere concentraties zal worden toegevoegd.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Een langdurige infectie met hoog-risicotypen van het Humaan Papillomavirus (hrHPV) kan voorstadia van baarmoederhalskanker veroorzaken. Vroege opsporing van voorstadia van baarmoederhalskanker door hrHPV-screening als primaire test is, goed te organiseren en uit te voeren. Dit blijkt uit een zogeheten uitvoeringstoets naar dit bevolkingsonderzoek, uitgevoerd door het Centrum voor Bevolkingsonderzoek. De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport gebruikt de toets bij de besluitvorming of het voorgestelde bevolkingsonderzoek wordt ingevoerd. Het voorgestelde bevolkingsonderzoek is bedoeld voor vrouwen van 30 tot en met 60 jaar. Zij worden iedere vijf jaar door de screeningsorganisaties uitgenodigd om bij de huisartsenvoorziening een uitstrijkje te laten maken. Vrouwen die niet reageren, ontvangen een zelfafnameset om zelf lichaamsmateriaal af te nemen. Het afgenomen materiaal wordt getest op de aanwezigheid van hrHPV. Vrouwen van 40 en 50 jaar die hrHPV-negatief getest zijn, krijgen pas na tien jaar een nieuwe uitnodiging. Als hrHPV aanwezig is, wordt gekeken of er ook sprake is van afwijkende cellen (cytologische beoordeling). Afhankelijk hiervan vindt verwijzing naar de gynaecoloog of vervolgonderzoek bij de huisartsenvoorziening plaats. Vrouwen die in aanmerking komen voor vervolgonderzoek, ontvangen een uitnodiging van de screeningsorganisaties. De hrHPV-test en de cytologische beoordeling vinden plaats in een beperkt aantal screeningslaboratoria. Het voorgestelde bevolkingsonderzoek levert extra gezondheidswinst op en de uitvoeringskosten zijn lager dan het huidige bevolkingsonderzoek. De uitvoeringstoets is in samenwerking met de betrokken beroepsgroepen, patiëntenorganisaties, screeningsorganisaties en andere stakeholders tot stand gekomen. Onder hen is voldoende draagvlak om hrHPV-screening en de zelfafnameset in te voeren. Voor de uitvoeringstoets is in kaart gebracht hoe het primaire proces, de organisatie, het kwaliteitsbeleid, de communicatie, de monitoring en evaluatie ingericht moeten worden. Om het voorgestelde bevolkingsonderzoek in te kunnen voeren, is twee jaar voorbereiding nodig. Het opstellen van de kwaliteitseisen, de aanbestedingen en de ICT-ontwikkelingen zijn belangrijke aandachtspunten in de voorbereiding. Het voorgestelde bevolkingsonderzoek wordt direct volledig ingevoerd. Alle vrouwen die in aanmerking komen voor een uitnodiging, krijgen een hrHPV-test aangeboden. Intensieve monitoring van mogelijke nadelige effecten, zoals overbehandeling, is belangrijk.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Het griepseizoen (influenza) 2013/2014 was erg mild, na de uitzonderlijk langdurende epidemie in het seizoen 2012/2013. Ook was het een mild seizoen wat betreft het aantal mensen dat een longontsteking (pneumonie) opliep. In 2013 waren er geen grote uitbraken van de meldingsplichtige luchtweginfectieziekten legionellose (308 meldingen), papegaaienziekte (psittacose; 51 meldingen), Q-koorts (19 meldingen) en tuberculose (848 meldingen). Deze aantallen waren in het verslagjaar vergelijkbaar of lager dan het aantal meldingen in voorgaande jaren. Dit blijkt uit de jaarlijkse surveillance luchtweginfectieziekten 2013 van het RIVM. Griep en longontsteking leiden tot veel ziekenhuisopnames en sterfte in Nederland, waardoor het RIVM ze actief volgt. In vergelijking met griep komen de meldingsplichtige luchtweginfecties in Nederlands maar weinig voor. Ze zijn meldingsplichtig, omdat tijdige maatregelen, zoals de besmettingsbron opsporen, belangrijk kunnen zijn om uitbraken of verdere verspreiding van de ziekte te voorkomen. Het RIVM volgt ook potentieel gevaarlijke nieuwe luchtweginfecties die elders in de wereld voorkomen. In mei 2014 werden voor het eerst in Nederland twee patiënten gediagnostiseerd met het MERS coronavirus. In het seizoen 2013/2014 lag het aantal mensen dat met griepachtige klachten bij de huisarts kwam begin 2014 gedurende vier weken boven de grens waarmee een griepepidemie wordt geduid. Bij de patiënten met griepachtige klachten kwam naast influenzavirus vaak RSV (respiratoir syncytieel virus) en neusverkoudheid (rhinovirus) voor. Er kwamen minder mensen met een longontsteking bij de huisarts dan voorgaande seizoenen, maar het aantal longontstekingpatiënten in verpleeghuizen bleef gelijk.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Risk horoscopes: Predicting the number and type of serious occupational accidents in The Netherlands for sectors and jobs | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Alle tien drinkwaterbedrijven in Nederland beschikken over voldoende productiecapaciteit om de komende 25 jaar aan de vraag naar drinkwater te voldoen. Hiermee kan ook aan de lichte stijging van de vraag over de gehele periode (circa 3 procent) worden voldaan. Wel neemt de hoeveelheid water die beschikbaar is om drinkwater van te maken af door enkele externe factoren zoals verontreiniging van de bronnen, de klimaatverandering en het omgevingsbeleid. Dit is al gaande. Dat blijkt uit een analyse door het RIVM van de landelijke drinkwaterbehoefte en de productiecapaciteit van drinkwaterbedrijven. De kwaliteit van de grondwaterbronnen wordt bedreigd door verontreinigingen uit de landbouw en industrie die in de bodem terechtkomen. Ook draagt klimaatverandering hieraan bij. Daarnaast kunnen bronnen verzilten als er te veel zoet water is onttrokken. Verder is het 'omgevingsbeleid' van invloed op de hoeveelheid water die mag worden gewonnen, doordat daar in natuurgebieden beperkingen aan worden gesteld. Hierdoor wordt voor de productie niet altijd de volledige hoeveelheid water benut waarvoor een winvergunning is verleend. Enkele provincies hebben strategische reserves aangewezen om de verminderde capaciteit van de huidige winningen op te kunnen vangen. Bij de analyse is rekening gehouden met de hoeveelheid drinkwater die bij de productie en distributie verloren gaat. Dit percentage verschilt per drinkwaterbedrijf, maar is in Nederland met gemiddeld 8 procent relatief laag. Drinkwaterbedrijven beschikken ook over voldoende reservecapaciteit om onverwachte wijzigingen in de vraag op te vangen, al verschillen deze regionaal. De conclusies zijn gebaseerd op de prognoses die de drinkwaterbedrijven zelf verstrekken over de 'drinkwaterbehoeftedekking'. Tot nu toe doet elk bedrijf dat voor zichzelf. Aanbevolen wordt om in samenspraak met de drinkwatersector de data en de methodiek hiervoor te uniformeren.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Het Signaleringsoverleg Ziekenhuisinfecties en Antimicrobiële resistentie (SO-ZI/AMR) is in 2012 opgericht. Het is een landelijk meldpunt voor uitbraken in ziekenhuizen en andere zorginstellingen van bacteriën die resistent zijn tegen antibiotica. Tussen april 2012, de start van het SO-ZI/AMR, en eind 2013 zijn in totaal 59 uitbraken gemeld. De meeste uitbraken zijn binnen twee maanden tot een einde gebracht. De bacterie is dan geïdentificeerd, het is duidelijk waar hij vandaan komt en er zijn geen besmettingen meer. Een klein aantal uitbraken hield langer dan twee maanden aan. Geen van de uitbraken is als oncontroleerbaar beschouwd of als een directe bedreiging van de volksgezondheid. De meldingen waren voornamelijk uitbraken van de bacteriën Staphylococcus aureus (MRSA, resistent tegen meticilline), enterokokken (VRE, resistent tegen vancomycine) en Clostridium difficile. Ook zijn een aantal uitbraken gemeld van de bijzonder resistente bacterie Klebsiella pneumoniae. Uitbraken met overige bacteriën of virussen zijn slechts sporadisch gemeld. Het SO-ZI/AMR is ingesteld na de grootschalige uitbraak in het Maasstad Ziekenhuis in Rotterdam in 2011. Het RIVM voert het secretariaat. Het doel van het signaleringsoverleg is grootschalige uitbraken in ziekenhuizen te voorkomen of beperken door ze vroegtijdig te signaleren. Het SO-ZI/AMR schat de bedreiging van uitbraken in voor de volksgezondheid en kan op basis daarvan een ziekenhuis adviseren externe expertise in te schakelen. Het SO-ZI/AMR houdt ook het verloop van de uitbraak in de gaten. Meldingen zijn vrijwillig, maar niet vrijblijvend. Alle ziekenhuizen hebben zich eraan gecommitteerd.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM heeft onderzocht wat voor invloed het geluid van militair vliegverkeer (onder andere AWACS) heeft op de gezondheid van inwoners in de Nederlandse regio rond de vliegbasis. Daaruit blijkt dat tussen 2002 en 2012 de omvang van de hinder met ongeveer de helft en de omvang van de gezondheidseffecten met bijna twee derde zijn afgenomen. Deze daling gaat gelijk op met het afgenomen aantal vliegbewegingen, en daarmee naar alle waarschijnlijkheid, met de blootstelling aan geluid van militair vliegverkeer. Maar nog steeds heeft een deel van de bewoners last van ernstige geluidhinder. Daarnaast heeft een aantal inwoners last van een hoge bloeddruk of ondervindt hart- en vaataandoeningen (hartinfarct, beroerte) door het geluid van militaire vliegtuigen. Met dit onderzoek is niet aan te tonen of de verhoogde kans op sterfte door een beroerte een gevolg is van het militair vliegtuiggeluid. Het kan ook niet worden uitgesloten, aangezien er een aanwijzing is voor een verhoogde kans op sterfte door een beroerte in het gebied waar de blootstelling aan militair vliegtuiggeluid het hoogst is. Er zijn meerdere factoren die een beroerte kunnen veroorzaken, zoals iemands leefstijl. Gegevens over deze factoren bij de bevolking zijn niet bekend. Er zijn geen signalen gevonden voor een verhoogd risico op sterfte door alle hart- en vaataandoeningen samen. In 2012 hadden ongeveer 29.000 van de circa 500.000 volwassen inwoners in Zuid-Limburg last van ernstige geluidhinder. In de regio rond de vliegbasis Geilenkirchen zijn dit ongeveer 13.000 van de circa 220.000 volwassen inwoners. Vooral inwoners van gemeenten dichtbij de vliegbasis, zoals Onderbanken, Brunssum en Schinnen ondervinden veel geluidhinder. Als mensen zelf aangeven hoe ze hun gezondheid ervaren (zelfgerapporteerde gezondheid), is daarin geen relatie terug te zien met geluid van vliegverkeer. Van de 638 kinderen met een leesachterstand in Zuid-Limburg, hebben naar schatting twee kinderen een leesachterstand als gevolg van het geluid van vliegverkeer. Rondom de vliegbasis Geilenkirchen is dit één kind op 272 kinderen met een leesachterstand als gevolg van het geluid van militair vliegverkeer. Van de ongeveer 160.000 mensen in Zuid-Limburg die volgens berekeningen een hoge bloeddruk hebben, hebben naar schatting 80 mensen een hoge bloeddruk als gevolg van het geluid van vliegverkeer. Daardoor zullen naar verwachting zeven mensen in de komende 20 jaar hart- en vaataandoeningen krijgen als gevolg van blootstelling aan vliegverkeer. Rondom de vliegbasis Geilenkirchen zijn dit 33 mensen met een hoge bloedruk als gevolg van geluid van militair vliegverkeer. In de komende 20 jaar zal dit tot drie gevallen van hart- en vaataandoeningen leiden. Het RIVM heeft het gezondheidsonderzoek uitgevoerd tussen juni 2012 en december 2013, in samenwerking met de GGD Zuid Limburg en het Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium. Het onderzoek is in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM) verricht. Nationale en internationale experts op het gebied van vliegtuiggeluid en gezondheid hebben de opzet, uitvoering en eerste bevindingen getoetst. Deze zijn in lijn met hun verwachting.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
De Zorgbalans geeft een beeld van de kwaliteit, de toegankelijkheid en de betaalbaarheid van de Nederlandse gezondheidszorg. Hieruit blijkt onder andere dat de toegankelijkheid van de gezondheidszorg een van de sterkste eigenschappen van de gezondheidszorg in Nederland is. De meeste eerstelijnszorgverleners zoals huisartsen, fysiotherapeuten of verloskundigen kunnen binnen een paar minuten worden bereikt. Een autorit naar een ziekenhuis duurt bijna nooit langer dan een half uur. Verder zijn wachttijden sinds 2008 voor de meeste behandelingen afgenomen. Er wacht nog wel een aanzienlijk aantal mensen op een plek in een verzorgingshuis of verpleeghuis, maar daardoor ontstaan zelden ernstige problemen. Het aantal mensen dat vanwege de kosten wel eens afziet van zorg is sinds 2010 toegenomen. Zo had 12 procent van de volwassen bevolking in 2013 wel eens afgezien van een bezoek aan een arts vanwege de kosten, tegenover 2 procent drie jaar daarvoor. Hiermee lijkt de financiële toegankelijkheid minder vanzelfsprekend dan voorheen; andere voorbeelden zijn medicijnen afhalen of een labonderzoek laten doen. Wat de kwaliteit van zorg betreft zijn er enkele gunstige ontwikkelingen te zien: het aantal mensen dat 30 dagen na een beroerte of hartinfarct stierf, nam af, evenals de (vermijdbare) sterfte in ziekenhuizen en het aantal ziekenhuisinfecties. Mensen met een gebroken heup worden sneller geopereerd, de vijfjaarsoverleving bij verschillende vormen van kanker steeg, en er zijn minder mensen in de langdurige zorg ondervoed. Ook internationaal scoort Nederland op veel punten bovengemiddeld. Zo worden veel minder antibiotica voorgeschreven in de eerste lijn dan in de meeste andere landen. Minder gunstig zijn het aantal sterfgevallen na een beroerte en de babysterfte. In de ouderenzorg is het tekort aan tijd en aandacht die worden besteed aan cliënten een veel voorkomend probleem. Meer dan de helft van de werknemers in verpleeghuizen gaf in 2013 aan dat er onvoldoende personeel is om goede kwaliteit van zorg te kunnen leveren. Verder blijkt de behandeling per zorgaanbieder sterk te kunnen verschillen. Een voorbeeld daarvan is de behandeling bij vrouwen die in een ziekenhuis bevallen van hun eerste kind zonder dat er sprake is van bijzonderheden (zoals een meerling of een stuitligging). In sommige ziekenhuizen wordt 40 procent van zulke bevallingen ingeleid, terwijl dit bij de meest ziekenhuizen in slechts 10 procent gedaan wordt. Vergelijkbare verschillen zijn waargenomen bij het uitvoeren van kunstverlossingen en keizersneden. De zorguitgaven vertonen na 2011 een opvallende trendbreuk. De uitgaven stegen tussen 2000 en 2013 gemiddeld met 5,5 procent per jaar, maar deze stijging vlakte de laatste drie jaar af. Binnen Europa hoort Nederland nog altijd tot de landen met de hoogste zorguitgaven als percentage van het Bruto Binnenlands Product, wat voornamelijk is toe te schrijven aan uitgaven aan de langdurige zorg. De Zorgbalans is nuttig voor iedereen die meer wil weten over de stand van zaken en ontwikkelingen binnen de Nederlandse gezondheidszorg. Aan de basis van de Zorgbalans ligt een schat aan informatie uit ruim 65 verschillende databronnen.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Interventions for STI control. Vaccination and testing | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Het RIVM heeft geïnventariseerd welke toets- en rekeninstrumenten vergun-ningverleners kunnen gebruiken om de effecten van ruimtelijke plannen op onze leefomgeving te beoordelen. Hierbij lag de nadruk op de instrumenten die re-gelmatig worden gebruikt en die juridische gevolgen kunnen hebben. Het toets- en rekeninstrumentarium kan onder andere worden vereenvoudigd als de toet-singscriteria en de regelgeving beter op elkaar worden afgestemd. Ook zijn een-voudige screeningtools gewenst. Hierdoor kan het lokale omgevingsbeleid effec-tiever worden uitgevoerd. Verder blijkt er een groot aantal verschillende toets- en rekeninstrumenten be-schikbaar te zijn. Vaak zijn de rekenvoorschriften in wet- en regelgeving vastge-legd. Dit geldt in een enkel geval ook voor de te gebruiken data. Naarmate de wet- en regelgeving minder specifiek voorschrijft hoe de beoordeling moet wor-den uitgevoerd, ontstaat meer ruimte voor interpretatie en discussie. Soms be-perkt de wet- en regelgeving zich alleen tot de doelen en criteria waaraan moet worden voldaan. Voor enkele beoordelingsdomeinen, zoals lucht en bodemsanering, zijn al een-voudige screeningtools beschikbaar waarmee snel de effecten kunnen worden beoordeeld. Voor andere beoordelingen zouden ook screeningtools ontwikkeld moeten worden. Bij lucht geldt dat wanneer er geen of nauwelijks effecten op-treden in de leefomgeving, er voor de beoordeling geen complexe berekeningen noodzakelijk zijn. Aanbevolen wordt om dit principe ook bij de ontwikkeling van screeningtools voor andere beschermingsdoelen, zoals waterkwaliteit of de ge-luidsbelasting, te hanteren. Het RIVM heeft dit onderzoek uitgevoerd voor de ontwikkeling van de 'Laan van de Leefomgeving', het digitale stelsel dat de uitvoering van de nieuwe Omge-vingswet gaat ondersteunen.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Genetic association of gastric cancer with miRNA clusters including the cancer-related genes MIR29, MIR25, MIR93 and MIR106: Results from the EPIC-EURGAST study | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Delineating ion-ion interactions by electrostatic modeling for predicting rhizotoxicity of metal mixtures to lettuce Lactuca sativa | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Safety and immunogenicity of a primary series of Sabin-IPV with and without aluminum hydroxide in infants | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
The need for attuned soil quality risk assessment for non-Western humans and ecosystems, exemplified by mining areas in South Africa | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Can further mitigation of ammonia emissions reduce exceedances of particulate matter air quality standards? | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Bisfenol A (BPA) is een industrieel gefabriceerde stof die in veel producten zit, zoals verschillende soorten kunststof die worden toegepast in onder meer bouwmaterialen, verpakkingsmateriaal van voedsel, speelgoed en medische hulpmiddelen, kassabonnetjes en verven en coatings. BPA heeft effect op het hormoonsysteem, waardoor er momenteel discussie is over mogelijke schadelijke effecten. Het RIVM heeft een overzicht gemaakt van de belangrijkste afgeronde en nog lopende nationale en internationale beoordelingen van mogelijke risico's van BPA voor mens en milieu, en de onzekerheden daarin. Op basis van wetenschappelijke studies die tot nu toe zijn gepubliceerd is niet duidelijk of BPA bij de huidige blootstellingsniveaus schadelijk is voor mensen. De blootstelling aan BPA via consumentenproducten, voeding en medische hulpmiddelen is lager dan de huidige waarde die acceptabel wordt geacht. Er zijn wel indicaties dat blootstellingen van werknemers die met BPA werken, een risico kunnen vormen. Vervolgonderzoek is nodig om hier meer duidelijkheid over te krijgen. Ook kunnen de nog lopende beoordelingen van BPA leiden tot een bijstelling van de nu gehanteerde waarde waaronder blootstelling acceptabel wordt geacht. Daarnaast kunnen hormoonverstorende effecten bij organismen in het milieu optreden. Het is alleen niet duidelijk in welke mate en bij welke concentratie dat gebeurt. In het laboratorium zijn effecten waargenomen nadat waterorganismen direct aan hoge concentraties zijn blootgesteld. De voortplanting en de ontwikkeling van onder meer vissen en waterslakken raakt dan verstoord. In de praktijk zijn de concentraties in water lager en worden zulke effecten niet gezien. Wetenschappers verschillen van inzicht over de mogelijkheid dat deze effecten ook bij zeer lage blootstellingen optreden. Wel is zeker dat BPA zich ophoopt in sediment, waardoor lokaal hoge concentraties kunnen ontstaan die mogelijk schadelijk zijn voor in sediment levende organismen, zoals wormen. In sommige wetenschappelijke studies wordt bezorgdheid geuit over mogelijke risico's van huidige blootstellingniveaus voor het ongeboren kind, baby's en jonge kinderen. Naar verwachting zijn zij gevoeliger voor hormoonverstorende effecten dan volwassenen doordat hun lichaam nog niet volgroeid en sterk in ontwikkeling is. Daarbij kunnen zij aan relatief hogere concentraties blootstaan, bijvoorbeeld door te sabbelen op speelgoed, en vanwege hun geringe lichaamsgewicht. Het is echter onzeker of deze blootstelling een gezondheidsrisico veroorzaakt. De kennis over de mogelijke hormoonverstorende effecten van BPA op de gezondheid is sterk in ontwikkeling. In de EU en in verschillende Europese landen waaronder Nederland zijn preventief maatregelen genomen om de risico's op nadelige gezondheidseffecten te verminderen. Eind 2014, begin 2015 zullen verschillende belangrijke nu lopende Europese beoordelingen van BPA worden afgerond. In de loop van 2015 zal het RIVM de uitkomsten van deze nog lopende beoordelingen meenemen in een vervolgstudie waarin de risico's van BPA nader zullen worden geduid. Hierop wordt een beleidsadvies gebaseerd waarin zal worden aangegeven of eventuele aanvullende maatregelen in Nederland nodig zijn om de mogelijke risico's van BPA voor mens en milieu te beperken.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Exploring interaction effects in small samples increases rates of false-positive and false-negative findings: Results from a systematic review and simulation study | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Vitamin D and mortality: Meta-analysis of individual participant data from a large consortium of cohort studies from Europe and the United States | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Increasing sexually transmitted infection rates in young men having sex with men in the Netherlands, 2006-2012 | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Investigations into the emergence of pertactin-deficient Bordetella pertussis isolates in six European countries, 1996 to 2012 | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Toward understanding the essence of post-translational modifications for the Mycobacterium tuberculosis immunoproteome | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
De eilanden Saba, Sint Eustatius en Bonaire zijn sinds 2010 bijzondere gemeenten van Nederland. Als zodanig zijn zij verplicht om eens in de vier jaar een nota Volksgezondheid op te stellen, waarin de voornemens met betrekking tot het volksgezondheidbeleid staan beschreven. Deze nota wordt gebaseerd op een analyse van de volksgezondheid in de vorm van een zogeheten brede gezondheidsrapportage. Uit een inventarisatie van het RIVM blijkt dat er op de drie eilanden gegevens over de volksgezondheid beschikbaar zijn, maar dat deze nog niet geschikt zijn om hiermee een brede volksgezondheidsrapportage te maken. Het advies is daarom om de eerste rapportage, die vooraf gaat aan de nota van 2017, beperkt op te zetten op basis van de beschikbare gegevens. Vooral de bruikbaarheid van gegevens is voor verbetering vatbaar: de gegevens uit de zorgregistraties zijn veelal onvoldoende toegankelijk en onvolledig. Daarnaast is de kwaliteit nog niet optimaal vanwege onnauwkeurigheden in de registratie. Vragenlijstonderzoeken naar de volksgezondheid op de eilanden zijn veelal ad hoc van aard en gaan vaak over één aspect van de volksgezondheid. Gegevens op basis hiervan geven een beperkt beeld van de volksgezondheid en vergelijkingen door de tijd zijn niet goed mogelijk. Daarnaast hebben onvoldoende mensen de tijd en de vaardigheden om data in te voeren, te verzamelen, te analyseren en betekenis te geven voor beleid. De bruikbaarheid van de beschikbare gegevens kan bijvoorbeeld worden verbeterd door zorgprofessionals te scholen in de manier waarop ze de gegevens vastleggen. Daarbij wordt aanbevolen om op de korte termijn de nadruk te leggen op informatie waar zorgprofessionals op de drie Caribische eilanden het meeste behoefte aan hebben: over chronische ziekten (vooral diabetes, hart- en vaatziekten en klachten aan het bewegingsapparaat) en leefstijlfactoren, zoals bewegen, gebruik van tabak en alcohol en overgewicht. De onderwerpen kunnen vervolgens stapsgewijs verder worden uitgebouwd. Verder is het van belang om na te denken over manieren om een completer beeld te krijgen van de volksgezondheid. De nu beschikbare gegevens uit grootschalig vragenlijstonderzoek geven een indruk van de gezondheidstoestand van de (jong)volwassen bevolking voor elk van de eilanden. Minder is bekend over de gezondheidstoestand van kinderen en jongeren op de eilanden. Door vóór de nota van 2017 al te beginnen en de beschikbaarheid en bruikbaarheid van gegevens stapsgewijs verder uit te bouwen, ontstaat in de loop van de tijd een goede basis voor een bredere volksgezondheidsrapportage.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Het veiligheidsinformatieblad (VIB) is het belangrijkste instrument voor het verstrekken van informatie over veilig gebruik van stoffen en chemische mengsels aan professionele en industriële gebruikers. De REACH-wetgeving is de huidige wettelijke basis voor de VIBs in Europa. Voor geregistreerde stoffen in hoeveelheden van 10 ton of meer per jaar per registrant, moeten registranten ook blootstellingsscenario's (aangeduid als "ES", de afkorting voor "Exposure Scenario") opstellen en deze toevoegen als bijlage aan de VIB's. ES worden vereist voor stoffen die voldoen aan de criteria van een van de gevarenklassen van artikel 14 (4) van REACH of stoffen die als PBT of vPvB zijn aangemerkte en voor alle in de registratie voorziene gebruiken die tot blootstelling kunnen leiden. In de ES worden voor alle geïdentificeerde gebruiken de relevante operationele omstandigheden (OC) en risicobeheersmaatregelen (RMM) omschreven die nodig zijn voor een veilig gebruik. Een dergelijke verplichting voor een ES geldt niet voor mengsels van chemische stoffen. Echter, de informatie uit de blootstellingsscenario's van de stoffen waaruit het mengsel bestaat, moet wél in een bepaalde vorm worden gepresenteerd in het VIB van het mengsel. Met '(e)SDS' worden in dit rapport alle VIBs aangeduid met en zonder ES. Om diverse signalen uit de praktijk van onvoldoende kwaliteit te verifiëren, en omdat (e)SDS als een primaire bron van informatie voor werkgevers worden beschouwd bij het nakomen van hun arbo-verplichtingen, heeft de Nederlandse Inspectie-SZW (I-SZW) een systematische evaluatie laten uitvoeren van een 50- tal (e)SDS die door de I-SZW inspecteurs zijn verzameld tijdens een REACH inspectieproject in 2012. Het gaat hier om (e)SDS die bepaalde tekortkomingen tonen volgens een snelle scan van de inspecteurs zelf. Het doel is om meer inzicht te krijgen in de stand van zaken rond te kwaliteit van de (e)SDS. De evaluatie is uitgevoerd door TNO Triskelion BV onder begeleiding door Bureau REACH en is bedoeld als input voor de discussie over mogelijke verdere acties voor de verbetering van de kwaliteit en bruikbaarheid van de (e)SDS. De resultaten voor de bestudeerde (e)SDS zijn globaal als volgt. Voor bijna de helft van de (e)SDS waren er sterke aanwijzingen dat ze niet up-to-date waren. Verder waren er problemen met de Nederlandse taal, en onvolledige of geen specificaties over de wijze van huidbescherming. In sommige (e)SDS, die melding maakten van onverenigbare materialen, troffen we geen verdere specificaties aan over de maatregelen die nodig zijn om mogelijke relevante risico's te voorkomen. Regelmatig werden inconsistenties gevonden tussen rubriek 7, rubriek 8 en de blootstellingsscenario's, en er waren indicaties dat de indeling, vermeld in de (e)SDS, en de geharmoniseerde indeling niet met elkaar overeen kwamen, of dat de indeling van de stoffen als zodanig of in mengsel afweken van de meest voorkomende zelf-classificatie in de C & L-inventaris. Waarschijnlijke blootstellingsroutes werden vaak niet genoemd. Soms miste een ES waar we dat wel zouden verwachten en een aantal bevatte zelfs geen registratienummer. Dit kan wijzen op stoffen afkomstig van leveranciers die (nog) niet hoeven te registreren maar het kan ook wijzen op een noncompliance. Een derde maakte geen melding van de nu geldende grenswaarden voor de werkplek en werden er geen DNELs genoemd. Ook passende technische maatregelen werden niet gemeld bij bijna de helft van de bestudeerde (e)SDS. In sommige gevallen werden deze technische maatregelen in een andere rubriek genoemd. Voor ongeveer twee derde van de (e) SDS met blootstellingsscenario's in de bijlage, hadden deze blootstellingsscenario's een duidelijke toegevoegde waarde. Een belangrijke notie hierbij is dat de bestudeerde (e)SDS al twee jaar geleden zijn geselecteerd. Het is de vraag in hoeverre de hier beschreven conclusies nog steeds representatief zijn voor de situatie anno 2014. ECHA heeft inmiddels initiatieven ontplooid met als doel het verbeteren van de kwaliteit van de (e)SDS. We hebben het hier over het uitwisselingsnetwerk voor blootstellingsscenario's ENES (Exchange Network on Exposure Scenario's) en, de daaruit ontstaan CSR/ES Roadmap. Deze initiatieven zijn opgericht door ECHA en worden uitgevoerd in samenwerking met de industrie en een aantal geïnteresseerde landen. De relevante departementen en Inspectie SZW vanuit Nederland alsook Bureau REACH zijn betrokken bij het ENES en de CSR/ES Roadmap. Daarnaast heeft de Nederlandse overheid een nationaal project opgericht samen met het bedrijfsleven dat gericht is op het identificeren en implementeren van oplossingen voor de knelpunten van het MKB m.b.t. de (e)SDS. Het project loopt tot begin 2015. De specifieke focus van het Nederlandse project is om REACH effectiever en nuttiger maken voor vooral het MKB op een wijze die kostenbesparingen oplevert bij de implementatie van de RAECH verplichtingen. Het rapport sluit af met aanwijzingen voor de werkgevers c.q. DU over hoe ze zelfstandig de kwaliteit en bruikbaarheid van een (e)SDS kunnen controleren.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM Samenvatting In 2012 is nieuwe geluidwetgeving voor Nederlandse rijkswegen en spoorwegen ingevoerd. Deze wet stelt grenswaarden aan het geluid langs het gehele rijksen spoorwegnet. De beheerders, Rijkswaterstaat en ProRail, moeten ervoor zorgen de grenswaarden niet worden overschreden en dit door een jaarlijkse berekening verantwoorden. De wet bepaalt dat rekenresultaten van de beheerders door een onafhankelijk meetprogramma moeten worden gevalideerd. Het RIVM voert dit onderzoek uit en zal hier jaarlijks over rapporteren. Dit rapport beschrijft het meetprogramma en geeft de eerste resultaten verkregen in 2013 op 52 locaties langs Nederlandse rijkswegen en spoorwegen. Het programma voorziet in vervolgmetingen en onderzoek naar verschillen met rekenresultaten zodra deze voor 2013 beschikbaar komen.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Proteomics-identified Bvg-activated autotransporters protect against Bordetella pertussis in a mouse model | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Connecting the dots of RNA-directed DNA methylation in Arabidopsis thaliana | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Effectiveness and cost-effectiveness of 3-monthly versus 6-monthly monitoring of well-controlled type 2 diabetes patients: A pragmatic randomised controlled patient-preference equivalence trial in primary care (EFFIMODI study) | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Effect of using repeated measurements of a Mediterranean style diet on the strength of the association with cardiovascular disease during 12 years: The Doetinchem Cohort Study | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Gastrointestinal and respiratory illness in children that do and do not attend child day care centers: a cost-of-illness study | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Decline of IgG pertussis toxin measured in umbilical cord blood, and neonatal and early infant serum | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Potential association between the recent increase in campylobacteriosis incidence in the Netherlands and proton-pump inhibitor use - an ecological study | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Gene expression markers in the zebrafish embryo reflect a hepatotoxic response in animal models and humans | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Pre-diagnostic anthropometry and survival after colorectal cancer diagnosis in Western European populations | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Investigation of the effects of short-term inhalation of carbon nanoparticles on brains and lungs of c57bl/6j and p47phox-/- mice | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Three cases of hearing loss related to mumps during a nationwide outbreak in the Netherlands, 2009-2013 [Letter to the editor] | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Comparison of different blood collection, sample matrix, and immunoassay methods in a prenatal screening setting | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Toxicological profile of ultrapure 2,2',3,4,4',5,5'-heptachlorbiphenyl (PCB 180) in adult rats | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Het RIVM heeft geïnventariseerd welke interventies vanuit bijvoorbeeld de GGD en zorginstellingen bevorderen dat ouderen goed eten. Daaruit blijkt dat het aanbod beperkt is. De inventarisatie laat verder zien dat het aanbod niet goed aansluit bij de praktische problemen die ouderen kunnen ervaren, bijvoorbeeld bij het boodschappen doen of bereiden van de maaltijd. De interventies zijn er vooral op gericht om ziekten bij zelfstandig wonende ouderen te voorkomen, bijvoorbeeld door voorlichting over gezonde voeding. Twee derde van alle 65- plussers heeft echter al één of meer chronische ziekten. Naast de genoemde interventies bestaan er ook maatschappelijke initiatieven die praktische ondersteuning bieden, zoals de boodschappenbus die ouderen naar een supermarkt rijdt. Deze initiatieven zijn niet in dit onderzoek meegenomen. Wel zijn er aanwijzingen dat deze voorzieningen niet goed bekend zijn, bij de ouderen zelf maar ook bij zorgverleners, mantelzorgers en gemeentes. Aanbevolen wordt om de interventies en maatschappelijke initiatieven die in de praktijk succesvol lijken, te onderzoeken op effectiviteit, zichtbaar te maken en te promoten. Het ministerie van VWS kan dit faciliteren. Gemeenten, zorgverleners en ouderen zelf kunnen de resultaten van dit onderzoek onder andere aangrijpen om inzicht te krijgen in het aanbod. Het is van belang dat ouderen goed eten, omdat dit kan bijdragen aan hun gezondheid en functioneren, en daarmee aan hun kwaliteit van leven. Door te weinig of ongezond te eten kunnen ouderen ondervoed raken. Hierdoor kunnen ze minder fit of mobiel zijn, en vatbaarder voor ziekten. Van de thuiswonende ouderen is 12 procent ondervoed. Van de ouderen die van de thuiszorg gebruikmaken is 35 procent dat. Vanwege het overheidsbeleid om ouderen langer thuis te laten wonen is het extra van belang dat ouderen zelfredzaam blijven.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
The association between physical environment and cycling to school among Turkish and Moroccan adolescents in Amsterdam | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Global update on the susceptibility of human influenza viruses to neuraminidase inhibitors, 2012-2013 | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Molecular signatures of the evolving immune response in mice following a Bordetella pertussis infection | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
The need for concerted action against the cousins of poliovirus | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Het ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM) wil vroegtijdig en gestructureerd zicht hebben op milieugezondheidsrisico's om tijdig te kunnen handelen. Het komt hiermee tegemoet aan een behoefte van de samenleving om te weten welke milieugezondheidsrisico's er spelen en wat de overheid hieraan doet. Met het oog hierop inventariseert het RIVM jaarlijks welke nieuwe milieugezondheidsrisico's vanuit de wetenschap naar voren komen. Dit rapport beschrijft de signalen die in 2013 door experts van het RIVM in interviews zijn genoemd. Het gaat bij milieugezondheidsrisico's om zaken die samenhangen met drinkwater, bodem, lucht, nanotechnologie, geluid, chemische stoffen, het binnenmilieu en elektromagnetische velden. Voorbeelden die in 2013 zijn genoemd: de winning van schaliegas, meststoffen van megastallen, lood in de bodem, geluid van windturbines, effecten van fijn stof, geneesmiddelen in water en klimaatverandering.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Thyroid-stimulating hormone, thyroglobulin, and thyroid hormones and risk of differentiated thyroid carcinoma: The EPIC study | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
A combination of interferon-gamma and interleukin-2 production by Coxiella burnetii-stimulated circulating cells discriminates between chronic Q fever and past Q fever | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Draft genome sequence of the rodent opportunistic pathogen Pasteurella pneumotropica ATCC 35149T | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Global prevalence of norovirus in cases of gastroenteritis: A systematic review and meta-analysis | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Plasma methionine, choline, betaine, and dimethylglycine in relation to colorectal cancer risk in the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition (EPIC) | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Developmental toxicity of thyroid-active compounds in a zebrafish embryotoxicity test | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Sulphate leaching from diffuse agricultural and forest sources in a large central European catchment during 1900-2010 | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Evaluation of a fourth-generation avidity assay for recent HIV infections among men who have sex with men in Amsterdam | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Transmission of methicillin-resistant Staphylococcus aureus CC398 from livestock veterinarians to their household members | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
National European guidelines for the prevention of Clostridium difficile infection: A systematic qualitative review | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Benchmark dose and the three Rs. Part II. Consequences for study design and animal use | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Hepatitis C virus infection epidemiology among people who inject drugs in europe: A systematic review of data for scaling up treatment and prevention | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Benchmark dose and the three Rs. Part I. Getting more information from the same number of animals | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Disease prevention: saving lives or reducing health care costs? | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Mitochondrial DNA copy number and future risk of B-cell lymphoma in a nested case-control study in the prospective EPIC cohort | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
A mass-balance study on chloride fluxes in a large central European catchment during 1900-2010 | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Erratum to:Global guidance on environmental life cycle impact assessment indicators: Findings of the scoping phase (International Journal of Life Cycle Assessment DOI: 10.1007/s11367-014-0703-8) | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Co-infection of Borrelia burgdorferi sensu lato and Rickettsia species in ticks and in an erythema migrans patient | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
No causal association identified for human papillomavirus infections in lung cancer | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Genetic variants in the IL1A gene region contribute to intestinal-type gastric carcinoma susceptibility in European populations | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Acceptance of vaccinations in pandemic outbreaks: A discrete choice experiment | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Characterization of titanium dioxide nanoparticles in food products: Analytical methods to define nanoparticles | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Afname van foetale en neonatale sterfte in Nederland. Vergelijking met andere EURO-PEROSTAT-Landen in 2004 en 2010 | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Tea and coffee consumption and risk of esophageal cancer: The European prospective investigation into cancer and nutrition study | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Impacts of climate and emission changes on nitrogen deposition in Europe: A multi-model study | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
A framework for deciding on the inclusion of emerging impacts in life cycle impact assessment | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
An integrative risk assessment approach for persistent chemicals: A case study on dioxins, furans and dioxin-like PCBs in France | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Reply to Pawar et al | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
The preferences of users of electronic medical records in hospitals: Quantifying the relative importance of barriers and facilitators of an innovation | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Insulin-like growth factor pathway genetic polymorphisms, circulating IGF1 and IGFBP3, and prostate cancer survival | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Quantitative risk assessment for food- and waterborne viruses | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Heart disease and stroke in relation to aircraft noise and road traffic noise - The HYENA study | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Evaluatie gebruik van bodemnormen in de CROW 132 - het instrumentarium dat arbeidsrisico's van werken met verontreinigde bodem beoordeelt Mensen die beroepsmatig met verontreinigde grond werken, moeten beschermd worden tegen gezondheidsrisico's. Afhankelijk van de mate van vervuiling wordt met behulp van de CROW 132-methode bepaald wanneer zij welke veiligheidsmaatregelen moeten nemen. Een classificatie wordt gemaakt op basis van bestaande bodemnormen voor het gehalte aan chemische stoffen in de verontreinigde grond. Uit onderzoek van het RIVM blijkt dat deze bodemnormen niet geschikt zijn om op deze wijze gezondheidsrisico's voor werkers te bepalen. De normen kunnen in bepaalde situaties mogelijk leiden tot strenge, onnodig zware maatregelen. Omdat meetgegevens van de blootstelling van werkers ontbreken is echter onduidelijk wanneer en in hoeverre dit het geval is. Het kan echter ook zijn dat maatregelen onvoldoende bescherming bieden, bijvoorbeeld als zich lokaal hoge concentraties van een vluchtige stof voordoen en de weersomstandigheden ongunstig zijn (weinig wind, warm weer). De classificatie van CROW 132 is gebaseerd op zogeheten interventiewaarden voor bodem. Deze waarden zijn erop gericht het ecosysteem of de mens bij 'wonen met tuingebruik' te beschermen tegen negatieve effecten van een chemische stof. De strengste van deze twee waarden bepaalt de interventiewaarde van een stof in de bodem. Deze 'beschermingsdoelen' verschillen echter te veel van de situatie van de werker en zijn daarom niet geschikt om de gezondheidsrisico's voor hen te kunnen beoordelen. Er is behoefte aan een aanpak die rekening houdt met de mate waarin de werker in de praktijk aan stoffen blootstaat (risicogestuurde aanpak). Ook is het van belang om bij de classificatie onderscheid te maken tussen vluchtige en niet-vluchtige stoffen. Voor niet-vluchtige stoffen is de mate van blootstelling onbekend. Momenteel wordt geen onderscheid gemaakt tussen risico's van het inademen van stofdeeltjes, de aanwezigheid van chemische stoffen en hoe die twee zich tot elkaar verhouden (chemische stoffen kunnen 'meeliften' op stofdeeltjes). Het is wenselijk dat in de beoordeling van de risico's van niet-vluchtige stoffen te betrekken. Voor vluchtige stoffen is het systeem al redelijk risicogestuurd, omdat de veiligheidsmaatregelen worden gebaseerd op meetgegevens van de luchtkwaliteit tijdens de werkzaamheden. Hierdoor is de blootstelling bekend.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Estimating the transfusion transmission risk of Q fever | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Evaluating the performance of integrated approaches for hazard identification of skin sensitizing chemicals | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Theoretical investigations on C60-ionic liquid interactions and their impacts on C60 dispersion behavior | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Practical biosafety in the tuberculosis laboratory: Containment at the source is what truly counts | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Rapid settling of nanoparticles due to heteroaggregation with suspended sediment | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Increased incidence of serotype-1 invasive pneumococcal disease in young female adults in The Netherlands | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Comparing three approaches in extending biotic ligand models to predict the toxicity of binary metal mixtures (Cu-Ni, Cu-Zn and Cu-Ag) to lettuce (Lactuca sativa L.) | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Development and pre-clinical evaluation of two LAIV strains against potentially pandemic H2N2 influenza virus | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Chlamydia trachomatis IgG seroprevalence in the general population of the Netherlands in 1996 and in 2007: Differential changes by gender and age | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
A posteriori dietary patterns: How many patterns to retain? | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Identifying recently acquired HIV infections among newly diagnosed men who have sex with men attending STI clinics in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
A methamphetamine analog (N,alpha-diethyl-phenylethylamine) identified in a mainstream dietary supplement | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Exploiting the explosion of information associated with whole genome sequencing to tackle Shiga toxin-producing Escherichia coli (STEC) in global food production systems | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Toxicity of different-sized copper nano- and submicron particles and their shed copper ions to zebrafish embryos | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Trend analysis from 1970 to 2008 and model evaluation of EDGARv4 global gridded anthropogenic mercury emissions | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Tick-borne pathogen - reversed and conventional discovery of disease | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Circulating desphospho-uncarboxylated matrix ?-carboxyglutamate protein and the risk of coronary heart disease and stroke | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
GHB, GBL and 1,4-BD addiction | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
OECD validation study to assess intra- and inter-laboratory reproducibility of the zebrafish embryo toxicity test for acute aquatic toxicity testing | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
In 2012 voldeed Nederland aan de Europese verplichting om jaarlijks de hoeveelheid radioactiviteit in het milieu en in voeding te meten. Alle lidstaten van de Europese Unie zijn verplicht deze metingen jaarlijks te verrichten volgens het Euratom-verdrag uit 1957. Nederland voert daarbij de aanbevelingen uit die in 2000 zijn opgesteld om de metingen volgens een bepaald stramien uit te voeren. De metingen leveren achtergrondwaarden op, oftewel radioactiviteitsniveaus die onder normale omstandigheden aanwezig zijn. Deze waarden kunnen bijvoorbeeld bij calamiteiten of rampen als referentie dienen. Het RIVM rapporteert namens Nederland over radioactiviteit in het milieu aan de Europese Unie. Radioactiviteit in lucht, voedsel en melk In 2012 vond in een niet nader gespecificeerd gebouw in Budapest (Hongarije) een radiologisch incident plaats waarna in Nederland het vrijgekomen radionuclide te meten was. Dit radionuclide werd hier van 27 januari tot 2 februari in luchtstof aangetoond. Het niveau was zeer laag en vormde geen risico voor de volksgezondheid. Op bovenstaand incident na lieten metingen in lucht en omgeving een normaal beeld zien, dat niet verschilde van voorgaande jaren. De radioactiviteitsniveaus in voedsel en melk liggen net als in voorgaande jaren duidelijk onder de Europese limieten die zijn opgesteld voor consumptie en export. Radioactiviteit in oppervlaktewater In het oppervlaktewater liggen de radioactiviteitsniveaus op een aantal locaties boven de streefwaarden die in de Vierde Nota waterhuishouding (1998) zijn bepaald. De streefwaarden mogen bij voorkeur niet overschreden worden, maar de overschrijdingen zijn zodanig dat ze niet schadelijk zijn voor de volksgezondheid. De mate van radioactiviteit in oppervlaktewater wordt beoordeeld op basis van streefwaarden; er bestaan voor oppervlaktewater geen limieten voor toezicht en handhaving op radioactieve stoffen.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
PANCAKE - Pilot study for the assessment of nutrient intake and food consumption among kids in Europe | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Corrigendum: Loci influencing blood pressure identified using a cardiovascular gene-centric array | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Prevalentie en trends van roken, voeding en bewegen in de Nederlandse bevolking | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Updated food composition database for nutrient intake | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Perinatal risk factors for wheezing phenotypes in the first 8 years of life | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Payment reform and integrated care: The need for evaluation | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Effect of hemodiafiltration on quality of life over time | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
S-adenosylmethionine is associated with fat mass and truncal adiposity in older adults | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Hoeveel mag een gewonnen levensjaar kosten? Onderzoek naar de waardering van de QALY | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
The association between adverse life events and body weight change: Results of a prospective cohort study | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Value of information analysis from a societal perspective: A case study in prevention of major depression | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Rationale and design of the costs, health status and outcomes in community-acquired pneumonia (CHO-CAP) study in elderly persons hospitalized with CAP | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Dietary glycemic index, glycemic load, and digestible carbohydrate intake are not associated with risk of type 2 diabetes in eight European countries | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
The association between indoor temperature and body mass index in children: The PIAMA birth cohort study | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Ethnic variations in unplanned readmissions and excess length of hospital stay: A nationwide record-linked cohort study | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Loci influencing blood pressure identified using a cardiovascular gene-centric array | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
The cost-utility of haemodiafiltration versus haemodialysis in the convective transport study | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Plasma uric acid is associated with increased risk of type 2 diabetes independent of diet and metabolic risk factors | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
The costs and cost-effectiveness of a school-based comprehensive intervention study on childhood obesity in China | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Sleep in children with asthma: Results of the piama study | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Association between dietary meat consumption and incident type 2 diabetes: The EPIC-InterAct study | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
WHO European childhood obesity surveillance initiative 2008: Weight, height and body mass index in 6-9-year-old children | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Progress with a global branded food composition database | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Behavior change in a lifestyle intervention for type 2 diabetes prevention in Dutch primary care: Opportunities for intervention content | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Infection-enhancing lipopeptides do not improve intranasal immunization of cotton rats with a delta-G candidate live-attenuated human respiratory syncytial virus vaccine | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Immunogenicity and safety of the bivalent HPV vaccine in female patients with juvenile idiopathic arthritis: A prospective controlled observational cohort study | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
The link between family history and risk of type 2 diabetes is not explained by anthropometric, lifestyle or genetic risk factors: The EPIC-InterAct study | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Nederland kent een hoge uitstoot van stikstofverbindingen, waardoor stikstofdepositie een grote bedreiging vormt voor de Nederlandse natuur. Gebleken is dat de gemeten ammoniakconcentraties in de natuur langs de kust systematisch hoger liggen dan de modelberekeningen ('duinengat'). Hoewel de gemeten ammoniakconcentraties nog altijd laag zijn ten opzichte van andere delen van Nederland, treedt in de gevoelige duinecosystemen sterke vergrassing op en verdwijnt de karakteristieke duinvegetatie. De stikstofdepositie in Nederland wordt sinds de jaren negentig berekend met het rekenmodel OPS. Vanaf 2005 kunnen deze berekeningen vergeleken worden met ammoniakmetingen van het 'Meetnet Ammoniak in Natuurgebieden' (MAN). De waarschijnlijke oorzaak voor het verschil tussen berekeningen en metingen is dat de emissie van ammoniak vanuit de kustzone naar de atmosfeer niet in het OPS-model is meegenomen. Door een emissiebronterm voor ammoniak uit zee aan het model toe te voegen, op basis van het gemiddelde algenpatroon in de Noordzee en Waddenzee, verbetert de 'match' tussen de concentratieberekeningen door het model en de gemeten ammoniakconcentraties in duingebieden. De extra emissiebron voor OPS is berekend op basis van het ruimtelijke patroon dat de algen in de Noordzee en de Waddenzee vertonen. Algen lijken een goede indicator te zijn voor de hoeveelheid ammoniak die vrijkomt naar de lucht in de kustzone. Ammoniakconcentraties in duingebieden zijn vervolgens met deze extra emissieterm berekend. Door deze werkwijze is de concentratieberekening op de MAN-meetpunten sterk verbeterd. Omdat er nog geen volledige causale onderbouwing van het proces beschikbaar is, is ook niet met zekerheid te zeggen of deze resultaten in de toekomst blijven gelden. Om de procesmatige onderbouwing van de ammoniakstroom uit zee naar de duinen te verbeteren, zijn nader onderzoek en meer data nodig. Daarnaast zijn de nu beschikbare meetgegevens (nog) ontoereikend om de Zeeuwse en Zuid-Hollandse wateren in deze studie te kunnen betrekken, evenals de situatie rond het IJsselmeer. De veel te lage modelwaarden voor deze locaties kunnen daardoor nog niet worden verbeterd. Om dit op termijn toch te kunnen afleiden is een voorlopige voortzetting van de (tijdelijke) metingen voor deze genoemde locaties nodig. Dit zou meegenomen kunnen worden in de afspraken die gemaakt moeten worden tussen het ministerie van Economische Zaken en het RIVM over de stikstofmonitoring, met name het MAN.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
In Nederland krijgt bijna één op de vijf mensen ooit een depressie. Daarom heeft het ministerie van VWS de preventie van depressie als prioriteit in het beleid opgenomen. Het doel is om op lokaal niveau meer mensen te bereiken met preventieve interventies, en zo bij meer mensen een depressie te voorkomen. Uit een inventarisatie van het RIVM blijkt dat het aanbod van interventies voor depressiepreventie groot, maar versnipperd is. Voor de inventarisatie is onderzocht hoeveel preventieve interventies er tussen 2011 en 2013 in de 28 GGD-regio's in Nederland zijn aangeboden. In totaal zijn bijna 200 verschillende interventies gevonden, waarvan een derde slechts in één van de GGD-regio's wordt aangeboden. Verder zijn niet in elke GGD-regio evenveel interventies voor verschillende hoogrisicogroepen beschikbaar: het aanbod voor scholieren, huisartspatiënten met beginnende klachten en mantelzorgers is groter en gevarieerder dan voor mensen met een chronische ziekte of net bevallen moeders. De gevonden interventies lopen uiteen van groepsbijeenkomsten en zelfhulpcursussen tot chatsessies met lotgenoten onder begeleiding van een hulpverlener, en speciale spreekuren. De meeste van de gevonden interventies worden aangeboden door preventieafdelingen binnen de geestelijke gezondheidszorg, maar soms ook door bijvoorbeeld de thuiszorg of school. De inventarisatie laat ook zien dat vaak gegevens ontbreken over het aantal mensen dat bereikt wordt met een interventie, en over de effectiviteit ervan. Meer inzicht hierin is nodig. Een kanttekening bij de resultaten is dat het nog onbekend is welke invloed de recente veranderingen in de organisatie van de geestelijke gezondheidszorg hebben op het aanbod van interventies. Ten slotte blijkt dat Nederland gebruik zou kunnen maken van vernieuwende (effectieve) interventies die in andere westerse landen zijn ontwikkeld. Een voorbeeld hiervan is begeleiding en huisbezoeken door 'vrijwilligers' bij vrouwen met een beperkt sociaal vangnet en een hoog risico op een postnatale depressie. Zij geven deze vrouwen emotionele en praktische steun, in aanvulling op de verloskundige.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Utility of rpoB gene sequencing for identification of nontuberculous mycobacteria in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
The use of tetanus post-exposure prophylaxis guidelines by general practitioners and emergency departments in the Netherlands: A cross-sectional questionnaire study | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Circulating prolactin and breast cancer risk among pre- and postmenopausal women in the EPIC cohort | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Controlled exposures to air pollutants and risk of cardiac arrhythmia | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Meta-regression analysis of commensal and pathogenic Escherichia coli survival in soil and water | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Rare variants of large effect in BRCA2 and CHEK2 affect risk of lung cancer | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Coxiella burnetii seroprevalence and risk factors on commercial sheep farms in The Netherlands | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Pleuromutilins: use in food-producing animals in the European Union, development of resistance and impact on human and animal health | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Het RIVM doet een voorstel voor waterkwaliteitsnormen voor drie geneesmiddelen in oppervlaktewater. Het betreft carbamazepine (epilepsie), metoprolol (hartkwalen) en metformine (diabetes). Deze geneesmiddelen zijn de afgelopen jaren in Nederlands oppervlaktewater aangetroffen. Ze zijn opgenomen op een 'watchlist' van stoffen die de waterkwaliteit negatief kunnen beïnvloeden. De normvoorstellen kunnen worden gebruikt om de risico's voor mens en milieu beter in te schatten en dienen als advieswaardes voor het ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM), dat verantwoordelijk is voor het vaststellen van normen. Methodologie Voor waterkwaliteitsnormen worden de effecten van een stof op vier 'routes' onderzocht: schade aan ecosystemen, doorvergiftiging naar visetende dieren, consumptie van vis door mensen en oppervlaktewater voor de drinkwaterproductie. De route met de strengste norm bepaalt de uiteindelijke norm. Verder maakt de gebruikte Kaderrichtlijn water onderscheid tussen normen voor chronische en acute blootstelling. Beschikbaarheid van gegevens Voor een ander geneesmiddel op de 'watchlist', amidotrizoinezuur (röntgencontrastmiddel), was het niet mogelijk een norm af te leiden. Het RIVM kon niet beschikken over de benodigde gegevens. Ook voor de andere geneesmiddelen werd de normafleiding beïnvloed door een gebrek aan toegang tot originele onderzoeksgegevens. Het RIVM pleit ervoor dat de geneesmiddelenfabrikanten en de toelatingsautoriteiten alle gegevens ter beschikking stellen die nodig zijn om milieukwaliteitsnormen af te leiden. Monitoring Geneesmiddelen komen hoofdzakelijk via het riool in het oppervlaktewater terecht. Meetgegevens in Nederlandse oppervlaktewateren laten zien dat de voorgestelde normen niet worden overschreden. De metingen zijn echter gedaan in grote rivieren en niet in kleinere waterlichamen, waar minder verdunning van afvalwater optreedt. Waterbeheerders verzamelen momenteel meetgegevens om na te gaan in hoeverre de voorgestelde normen in deze kleinere wateren worden overschreden.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Op dinsdagavond 3 juni 2014 vond bij Shell Chemie in Moerdijk een zware explosie plaats, gevolgd door een grote brand. Het betrof een installatie waarin uit de chemische stof ethylbenzeen grondstoffen voor onder andere de kunststofindustrie worden gemaakt. In de eerste dagen na de brand zijn in en rondom het dorp Strijen, op circa 7 km afstand van de installatie, verhoogde concentraties (zware) metalen aangetroffen. Vanwege de korte blootstellingsduur zijn deze concentraties niet schadelijk voor de volksgezondheid. Dit blijkt uit metingen en analyses van de Milieuongevallendienst (MOD) van het RIVM, die op verzoek van de brandweer uit de betrokken Veiligheidsregio's zijn uitgevoerd. De resultaten zijn tussentijds met de desbetreffende Veiligheidsregio's gedeeld. Tijdens de explosie en brand stond er een wind uit zuidelijke richting, waarbij de rook over onder andere het dorp Strijen in de Hoeksche Waard trok. De aangetroffen metalen koper, chroom en barium, zijn in veeg- en grasmonsters aangetroffen. Ze bleken afkomstig uit het katalysatormateriaal dat bij het productieproces wordt gebruikt. In de grasmonsters die drie dagen na de brand zijn genomen bleken de concentraties van deze metalen te zijn gedaald tot het normale achtergrondniveau. Dit komt waarschijnlijk door de regen die die dagen is gevallen. In de veegmonsters zijn de concentraties gedaald tot een niveau dat naar verwachting geen gezondheidsschade veroorzaakt als mensen daaraan worden blootgesteld. Uit voorzorg zijn twee weken na het incident, op 16 juni, extra veegmonsters genomen. Daarin zijn nog licht verhoogde concentraties koper en chroom waargenomen. De verwachting is dat deze concentraties in de komende weken of maanden ook verder zullen afnemen tot normale achtergrondniveaus. De neerslag van metalen vormt geen risico voor de drinkwaterwinning en voor de bodem. Enkele dagen na de brand is ook luchtstof bemonsterd om te toetsen of chroom via opwaaiend bodemstof in de lucht terecht is gekomen. In het luchtstof is geen verhoging van chroom gemeten.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Characteristics of Escherichia coli sequence type 131 isolates that produce extended-spectrum beta-lactamases: Global distribution of the H30-Rx sublineage | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Alcohol consumption and survival after a breast cancer diagnosis: a literature-based meta-analysis and collaborative analysis of data for 29,239 cases | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Implementation of transcriptomics in the Zebrafish embryotoxicity test | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Insulin-like growth factor-I and risk of differentiated thyroid carcinoma in the European prospective investigation into cancer and nutrition | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
The epidemiology of childhood tuberculosis in the Netherlands: still room for prevention | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Immunogenicity of the Q fever skin test | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Escherichia fergusonii | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Immunotoxicity testing: implementation of mechanistic understanding, key pathways of toxicological concern, and components of these pathways | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
A rapid ELISA-based method for screening Bordetella pertussis strain production of antigens included in current acellular pertussis vaccines | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Wipes coated with a singlet-oxygen-producing photosensitizer are effective against human influenza virus but not against norovirus | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Transcriptomic approaches in in vitro developmental toxicity testing | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Hepatotoxicity screening on in vitro models and the role of 'Omics | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Concept mapping as a promising method to bring practice into science | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Toxicogenomics and systems toxicology databases and resources: Chemical effects in biological systems (CEBS) and data integration by applying models on design and safety (DIAMONDS) | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Population responses of Daphnia magna, Chydorus sphaericus and Asellus aquaticus in pesticide contaminated ditches around bulb fields | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
In 2013 waren alle 36 Nationale Referentie Laboratoria (NRL's) in de Europese Unie in staat om hoge en lage concentraties Salmonella in een stal met leghennen (kippenmest) aan te tonen. Ze behaalden direct het gewenste niveau. In totaal hebben de laboratoria in 96 procent van de besmette monsters Salmonella opgespoord. Dit blijkt uit het zestiende ringonderzoek met materiaal van de dieren (zoals uitwerpselen) dat werd georganiseerd door het referentielaboratorium van de Europese Unie voor Salmonella (EURLSalmonella). Voor dit soort onderzoek zijn monsters van de uitwerpselen van kippen verzameld door met overschoenen door de stal te 'wandelen' (omgevingsmateriaal). Ringonderzoek verplicht voor Europese lidstaten Het onderzoek is in maart 2013 gehouden. Alle NRL's van de Europese lidstaten die verantwoordelijk zijn voor de opsporing van Salmonella in dierlijke mest, zijn verplicht om aan het onderzoek deel te nemen. Het EURL-Salmonella is gevestigd bij het Nederlandse Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). De laboratoria toonden de Salmonella-bacterie in de overschoenen met kippenmest aan met behulp van de internationaal voorgeschreven analysemethode (MSRV). Elk laboratorium kreeg een pakket toegestuurd met overschoenen waaraan kippenmest zat met Salmonella in twee verschillende concentraties of zonder Salmonella. De laboratoria dienden de monsters volgens een protocol te onderzoeken op de aanwezigheid van Salmonella. Nieuwe werkwijzen Voor het eerst is het te onderzoeken materiaal (matrix) op het laboratorium van het EURL-Salmonella kunstmatig besmet met een verdunde cultuur van een Salmonella Typhimurium. Het laboratorium van het EURL-Salmonella heeft voor dit soort studies onderzocht hoe de monsters op deze wijze optimaal kunnen worden aangeleverd. De NRL's vinden deze werkwijze positief, omdat zijzelf niet meer de monsters met de Salmonella hoeven samen te voegen; dit was in eerdere studies wel het geval. Deze werkwijze wordt daarom voorgezet, al wordt per studie bekeken of het haalbaar is. Een andere vernieuwing is dat de deelnemende laboratoria hun bevindingen via internet konden aanleveren. De NRL's vonden ook dit een verbetering, en voor het analyserend EURL zijn de gegevens eenvoudiger te analyseren. Besloten is deze werkwijze te optimaliseren en voort te zetten.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Dietary fat intake and development of specific breast cancer subtypes | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Livestock-associated MRSA carriage in patients without direct contact with livestock | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Association between alcohol and cardiovascular disease: Mendelian randomisation analysis based on individual participant data | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Op scholen worden interventies aangeboden om de leefstijl van leerlingen te verbeteren, zoals het stimuleren van fysieke activiteit en gezond eten. Deze interventies hebben meer kans van slagen als ouders hierbij worden betrokken, zodat kinderen thuis en op school dezelfde boodschappen over gezondheid meekrijgen. Ouders zijn momenteel betrokken bij de helft van de leefstijlinterventies die op scholen worden aangeboden. Het is wenselijk om dat aandeel uit te breiden. Dit blijkt uit een beperkte literatuurstudie van het RIVM. De resultaten ervan kunnen beleidsmakers en ontwikkelaars van interventies helpen om effectieve interventies te ontwikkelen. Het is nog niet helemaal duidelijk welke elementen ervoor zorgen dat de betrokkenheid van ouders effect heeft op de leefstijl van kinderen. Wel zijn er aanwijzingen dat onder andere de kennis die ouders hebben over leefstijlthema's van invloed kan zijn. Het lijkt bijvoorbeeld zinvol om kennis van ouders over een gezonde leefstijl te vergroten en hen te helpen hoe ze die bij de opvoeding kunnen inzetten. Zo is het van belang dat zij thuis regels stellen. Daarnaast is het van belang dat ouders bewust worden gemaakt van hun voorbeeldfunctie, en van het besef dat ze daarmee het gedrag van hun kind kunnen beïnvloeden. Kenmerken die de uitvoering van de interventies kunnen verbeteren zijn: de interventies inbedden in de schoolstructuur en bijhouden welke zaken de uitvoering belemmeren. Daarnaast is het nuttiger om ouders op een interactieve manier bij interventies te betrekken, in plaats van hen passief te informeren (zoals via een folder). Dit kan bijvoorbeeld door middel van een toneelstuk waarin herkenbare situaties naar voren komen.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Roet is een belangrijke indicator voor de effecten van luchtverontreiniging op de gezondheid. Roetconcentraties maken de schadelijke effecten van luchtverontreiniging duidelijker zichtbaar dan wanneer die effecten alleen op de totale hoeveelheid fijn stof worden gebaseerd. De instrumenten die nu worden gebruikt om zwarte rook te meten zijn verouderd en de resultaten zijn minder geschikt om de blootstelling mee te bepalen. Daarom heeft het RIVM - op verzoek van I&M - een meetstrategie opgesteld om de roetconcentraties in Nederland te monitoren. Het voorgestelde roetmeetnet bevat 26 meetpunten, verspreid over het land. Het meetnet maakt gebruik van 13 bestaande meetpunten van respectievelijk DCMR (7) en de GGD-Amsterdam (6). Daaraan worden 13 bestaande stations van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit gekoppeld. Om de data goed te kunnen vergelijken, wordt dezelfde meetapparatuur gebruikt. De roetuitstoot is vooral relevant in de directe omgeving van wegen met veel verkeer. Verkeer stoot namelijk relatief veel roet uit. Prognoses en scenario's over de uitstoot van roet laten een sterke afname door verkeer zien. Alleen met metingen is echter met vast te stellen of en in hoeverre deze reductie, en de bijbehorende gezondheidswinst, de komende 5 tot 10 jaar daadwerkelijk wordt gerealiseerd. Het meetnet is zodanig opgezet dat de blootstellig van de bevolking aan roet nauwkeurig kan worden bepaald. De metingen worden gekoppeld aan rekenmodellen voor optimale koppeling van emissies en blootstelling. De meetstrategie is opgesteld in opdracht van het ministerie van IenM, in samenwerking met DCMR en GGD Amsterdam.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Van dit rapport is een Engelse vertaling verschenen met rapportnummer 680717038 De Europese Nitraatrichtlijn verplicht lidstaten om het gebruik van dierlijke mest te beperken tot 170 kg stikstof per hectare. Landbouwbedrijven in Nederland met ten minste 70% grasland mochten in 2012 onder bepaalde voorwaarden van deze norm afwijken en 250 kilogram per hectare gebruiken (derogatie). Nederland is verplicht om op 300 bedrijven die derogatie gebruiken, de bedrijfsvoering en waterkwaliteit te meten en deze resultaten jaarlijks aan de EU te rapporteren. Uit de rapportage over de bedrijven die in 2012 voor derogatie zijn aangemeld, opgesteld door het RIVM met LEI Wageningen UR, blijkt dat de nitraatconcentratie in het grondwater tussen 2007 en 2013 is gedaald. Bedrijfsvoering Uit de rapportage blijkt ook dat het stikstofgebruik uit dierlijke mest op de derogatiebedrijven in 2012 gemiddeld circa 11 kilo lager was dan de maximaal toegestane 250 kilo stikstof per hectare. De hoeveelheid stikstof die als nitraat kan uitspoelen naar het grondwater, wordt onder andere bepaald door het stikstofbodemoverschot. Dit is het verschil tussen de aanvoer van stikstof (zoals meststoffen) en de afvoer ervan (waaronder via melk). Het stikstofbodemoverschot, gemiddeld over heel Nederland, is niet duidelijk veranderd tussen 2006 en 2012. Grondwaterkwaliteit In 2012 lag de nitraatconcentratie in het grondwater in de Zandregio met gemiddeld 36 milligram per liter (mg/l) onder de nitraatnorm van 50 mg/l. Bedrijven in de Kleiregio en de Veenregio hadden gemiddeld een lagere nitraatconcentratie (10 en 4 mg/l). Alleen de derogatiebedrijven in de Lössregio bevonden zich gemiddeld met 55 mg/l boven de norm. Het verschil tussen de regio's wordt vooral veroorzaakt door een hoger percentage droge gronden in de Zand- en Lössregio; dit zijn gronden waar nitraat in mindere mate in de bodem wordt afgebroken en daardoor kan uitspoelen naar het grondwater.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
New viruses in idiopathic human diarrhea cases, the Netherlands | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Diabetes in Europe: an update | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Dit rapport is de Engelse vertaling van 680717037 De Europese Nitraatrichtlijn verplicht lidstaten om het gebruik van dierlijke mest te beperken tot 170 kg stikstof per hectare. Landbouwbedrijven in Nederland met ten minste 70% grasland mochten in 2012 onder bepaalde voorwaarden van deze norm afwijken en 250 kilogram per hectare gebruiken (derogatie). Nederland is verplicht om op 300 bedrijven die derogatie gebruiken, de bedrijfsvoering en waterkwaliteit te meten en deze resultaten jaarlijks aan de EU te rapporteren. Uit de rapportage over de bedrijven die in 2012 voor derogatie zijn aangemeld, opgesteld door het RIVM met LEI Wageningen UR, blijkt dat de nitraatconcentratie in het grondwater tussen 2007 en 2013 is gedaald. Bedrijfsvoering Uit de rapportage blijkt ook dat het stikstofgebruik uit dierlijke mest op de derogatiebedrijven in 2012 gemiddeld circa 11 kilo lager was dan de maximaal toegestane 250 kilo stikstof per hectare. De hoeveelheid stikstof die als nitraat kan uitspoelen naar het grondwater, wordt onder andere bepaald door het stikstofbodemoverschot. Dit is het verschil tussen de aanvoer van stikstof (zoals meststoffen) en de afvoer ervan (waaronder via melk). Het stikstofbodemoverschot, gemiddeld over heel Nederland, is niet duidelijk veranderd tussen 2006 en 2012. GrondwaterkwaliteitIn 2012 lag de nitraatconcentratie in het grondwater in de Zandregio met gemiddeld 36 milligram per liter (mg/l) onder de nitraatnorm van 50 mg/l. Bedrijven in de Kleiregio en de Veenregio hadden gemiddeld een lagere nitraatconcentratie (10 en 4 mg/l). Alleen de derogatiebedrijven in de Lössregio bevonden zich gemiddeld met 55 mg/l boven de norm. Het verschil tussen de regio's wordt vooral veroorzaakt door een hoger percentage droge gronden in de Zand- en Lössregio; dit zijn gronden waar nitraat in mindere mate in de bodem wordt afgebroken en daardoor kan uitspoelen naar het grondwater.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Toward an endgame: finding and engaging people unaware of their HIV-1 infection in treatment and prevention | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Simplifying modeling of nanoparticle aggregation-sedimentation behavior in environmental systems: a theoretical analysis | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Success of rogue online pharmacies: sewage study of sildenafil in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Syndroomsurveillance : een vinger aan de pols van de volksgezondheid | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Langer leven, meer ziekte, minder beperkingen. Trends in de volksgezondheid van 2000 tot 2030 | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Cosmetica zijn in principe veilig, maar kunnen soms huidklachten veroorzaken, zoals roodheid en jeuk. Het RIVM beheert een systeem waarin deze klachten en andere overgevoeligheidsreacties na gebruik van cosmetica kunnen worden geregistreerd (CESES, Consumer Exposure Skin Effects and Surveillance). Net als in voorgaande jaren zijn dergelijke klachten in 2012-2013 vooral gemeld na het gebruik van haarproducten, huidverzorgingsproducten en make-up. De klachten doen zich vooral voor bij producten die bedoeld zijn voor gebruik op of rond de ogen. Daarnaast hebben relatief veel kappers contacteczeem op de handen na het gebruik van haarproducten op hun werk. Isothiazolinonen, gebruikt als conserveringsmiddel in cosmetica, en geurstoffen blijven de ingrediënten die het vaakst allergische reacties veroorzaken. Extra aandacht voor isothiazolinonen, zowel wat betreft regelgeving als onderzoek, is van belang, omdat deze stoffen ook in andere consumenten- en industriële producten gebruikt worden. Dit maakt het voor consumenten die overgevoelig zijn voor isothiazolinonen lastig om deze stoffen te vermijden. Voor kappers blijven ammoniumpersulfaat en PPD de belangrijkste veroorzakers van contacteczeem. Net als in voorgaande jaren zijn in 2012 en 2013 allergische reacties gemeld op het UV-filter octocryleen, dat in zonnebrandcrème zit, en op co-/crosspolymeren, die ook in bepaalde crèmes gebruikt worden. CESES wordt gebruikt om na te gaan of Europese wetgeving en handhaving de consument voldoende beschermt. Ook kunnen risico's voor werknemers worden geïdentificeerd. Consumenten kunnen zelf hun klacht melden via de website www.cosmeticaklachten.nl . Daarnaast registreren deelnemende dermatologen huidklachten van patiënten waarbij cosmetica de mogelijke oorzaak zijn. Bij deze patiënten wordt vervolgens een allergieonderzoek uitgevoerd om vast te stellen welk(e) productingrediënt(en) de klacht veroorzaakt.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Chemische stoffen kunnen via het afvalwater dat bedrijven en huishoudens in het riool lozen in het milieu terechtkomen. Het RIVM heeft in 1992 het zogeheten SimpleTreat-model ontwikkeld, waarmee kan worden geschat in welke mate de milieucompartimenten (bodem, water of lucht) via afvalwater aan dergelijke stoffen blootstaan. Het RIVM geeft nu een overzicht van alle technische details van de nieuwste versie van het model (4.0), dat in 2013 is herzien. De bedoeling hiervan is om alle wiskundige vergelijkingen en rekenmethodieken die in het model worden gebruikt, vast te leggen en overzichtelijk weer te geven. De beoordelingssystematiek voor chemische stoffen, inclusief het SimpleTreatmodel, was oorspronkelijk bedoeld om de Nederlandse Wet Milieugevaarlijke Stoffen te ondersteunen. Sinds 2003 is het door de Europese Unie overgenomen en vanaf 2007 maakt het deel uit van de Europese regelgeving voor chemische stoffen REACH (Registratie, Evaluatie, Autorisatie van CHemische stoffen). Ook buiten Europa bestaat er veel belangstelling voor SimpleTreat. Redenen herziening model Het model is om twee redenen herzien. Als eerste waren aanpassingen nodig om het model bruikbaar te maken voor de Europese wetgevingen voor chemische stoffen die naast REACH bestaan: de biocidenrichtlijn (ontsmettingsmiddelen), de regulering van de toelating van medicijnen, en de regulering voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Aparte wetgevende kaders zijn ingevoerd vanwege het specifieke gebruik van deze stoffen. Daarnaast komen er meer geneesmiddelen en biociden in het milieu terecht door het toegenomen gebruik ervan. Een apart beoordelingssysteem is nodig omdat deze categorieën chemicaliën een ander gedrag vertonen. In de tweede plaats is er in toenemende mate behoefte aan een model voor de emissie van chemische stoffen door installaties die industrieel afvalwater zuiveren. Dat was er eerder nog niet. De aard van dit afvalwater wijkt af van het huishoudelijke afvalwater.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Het aantal mensen dat zich bij een Centrum Seksuele Gezondheid heeft laten testen op een seksueel overdraagbare aandoening (soa) is verder gestegen in 2013. Het percentage mensen met een soa is voor het eerst licht gedaald (met 0,4 procent) sinds 2007. Desondanks blijft dit percentage hoog (14,7 procent). Een goed functionerende soa-monitoring blijft daarom essentieel om zicht te houden op relevante trends, opkomende soa binnen groepen die een grotere kans hebben er een op te lopen, en de effectiviteit van preventieprogramma's. De Centra Seksuele Gezondheid (CSG), voorheen soa-poli's, bieden hoogrisicogroepen de mogelijkheid om zich gratis te laten testen op soa en verstrekken medicatie als er een wordt vastgesteld. Het totaal aantal consulten in 2013 bedroeg 133.585 en is met 10 procent toegenomen ten opzichte van 2012. Van alle bezoekers werden de meeste soa gediagnosticeerd bij mensen die ervoor gewaarschuwd waren dat ze mogelijk een soa hadden opgelopen, mensen jonger dan 25 jaar, migranten uit gebieden waar soa en hiv veel voorkomen (bijvoorbeeld Afrika, Zuid-Amerika of Oost-Europa), of mannen die seks hebben met mannen (MSM). Chlamydia Net als in voorgaande jaren was chlamydia de meest gediagnosticeerde soa bij de CSG in 2013 (15.767 diagnoses). Het percentage mensen dat chlamydia had, daalde licht ten opzichte van 2012 (van 12,2 naar 11,8 procent). Chlamydia werd het meest vastgesteld bij heteroseksuelen, zowel mannen als vrouwen, onder de 25 jaar. Na de uitschieter in 2012 van het aantal en percentage mensen met een agressieve variant van chlamydia, lymphogranuloma venereum, zijn deze cijfers weer afgenomen naar het niveau van de jaren daarvoor (7 procent in 2013). Gonorroe Het percentage personen met een gonorroe-infectie bij de CSG bleef in 2013 stabiel ten opzichte van 2012 (3,6 procent in 2012 en 3,4 procent in 2013), nadat het in de voorgaande jaren licht was gestegen. Deze soa werd het meest gediagnosticeerd bij MSM. Het blijft belangrijk om te volgen of de gonorroe-bacterie resistent raakt tegen de antibiotica die in Nederland voorgeschreven worden, de zogenoemde derde generatie cefalosporines. In diverse Europese landen is deze resistentie waargenomen. Hiv Het aantal personen met een hiv-infectie, gediagnosticeerd bij een van de CSG, is in 2013 gelijk gebleven ten opzichte van 2012 (358 versus 356 in 2012). Het percentage positieve testen daalt sinds 2008: van 3,0 procent naar 1,4 procent bij MSM in 2013. Het percentage mensen dat in een laat stadium van een hiv-infectie bij een hiv-behandelcentrum komt, is de afgelopen jaren gedaald. Het is van belang om tijdig de hiv-diagnose te stellen en zo snel mogelijk de behandeling te starten, omdat hierdoor de gezondheidsschade bij de patiënt verkleind kan worden. Ook neemt door behandeling de besmettelijkheid af, waardoor de kans kleiner is dat hiv wordt overgedragen.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM heeft deelgenomen aan een project (SLiM) dat eraan wil bijdragen om minder dierproeven te gebruiken bij testmethoden voor geneesmiddelen en chemische stoffen. Uit het project vloeiden vier studies voort. Twee daarvan worden in dit rapport beschreven; de analyses zijn nog gaande en definitieve resultaten worden medio 2014 bekend. De eerste studie betrof een testonderdeel voor de toelating van geneesmiddelen op de markt waarbij wordt getoetst of het middel veilig is voor een zich ontwikkelend embryo. Onderzocht is of het nodig is om geneesmiddelen in twee diersoorten (rat en konijn) te testen of dat er één volstaat, en zo ja onder welke voorwaarden. Dankzij de bereidheid van de farmaceutische industrie is een grote database opgezet met bestaande gegevens over de reacties (gevoeligheid) van de twee diersoorten op een reeks aan stoffen. De tweede studie betrof een testonderdeel voor de toelating van chemische stoffen, en wel de mate waarin stoffen kankerverwekkende eigenschappen hebben. De duur van deze tests verschilt sterk: bij de ene test worden ratten of muizen gedurende twee jaar aan een stof blootgesteld, bij de andere drie tot zes maanden. Op basis van bestaande data wordt geanalyseerd of de twee jaarstudie meerwaarde heeft. Beide studies sluiten aan bij de doelstelling van het RIVM om het gebruik van dierproeven te verminderen. Dit project onderstreept het belang dat alle partijen die te maken hebben met de keten van alternatieve testmethoden (ontwikkelaars, regelgevers, gebruikers; universiteit, overheid en bedrijfsleven) betrokken zijn bij de ontwikkeling van nieuwe methoden. Het RIVM participeerde als overheidspartner om kennis in te brengen over validatie en acceptatie van testprotocollen.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
The effect of the number of aircraft noise events on sleep quality | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
In Nederland zijn de bodems van oude binnensteden (ophooglagen) in het verleden gevormd door stadsafval en puin, onder andere afkomstig van industriële activiteiten. Dit materiaal is vaak verontreinigd met lood, en zo ook de bodems. Vooral kinderen zijn gevoelig voor de schadelijke effecten van lood als zij dat via de mond binnenkrijgen. Een te hoge blootstelling aan lood kan de ontwikkeling van de hersens verstoren. Er bestaan meerdere laboratoriummodellen die schatten hoeveel lood uit de bodem in het maag-darmkanaal vrijkomt en vervolgens bij kinderen in het bloed kan terechtkomen (biobeschikbaarheid). Het RIVM heeft onderzocht hoe goed drie van deze modellen deze schatting kunnen maken. Hieruit blijkt dat al deze methoden sterke én zwakke punten hebben, maar dat het zogeheten Unified BARGE Model het meest geschikt is om biobeschikbaarheid van lood in ophooglagen te schatten. Met de drie modellen is de biobeschikbaarheid van lood in zes bodems geschat. De uitkomsten zijn vervolgens vergeleken met de resultaten van biobeschikbaarheidsonderzoek met jonge varkens. De manier waarop lood zich in het maag-darmkanaal van deze dieren gedraagt, is vergelijkbaar met het gedrag in dat van kinderen. Het Unified BARGE Model en het Tiny-TIM model laten eenzelfde patroon zien als de dierproeven, maar de uitkomsten van Tiny-TIM leiden tot een onderschatting van de werkelijke biobeschikbaarheid. Het IVDmodel blijkt alleen geschikt als wordt gecorrigeerd voor het kalkgehalte in de bodem. Een relatief eenvoudige methode om de hoeveelheid beschikbaar lood in een bodem te schatten is extractie met verdund salpeterzuur. Deze methode kan als een eerste screening worden gebruikt om de hoeveelheid biobeschikbaar lood in een bodem te schatten. Uit de resultaten van de dierproeven kan een standaardwaarde voor de biobeschikbaarheid van lood in stedelijke ophooglagen worden afgeleid. Beleidsmakers kunnen deze waarde als maatstaf gebruiken om te bepalen hoeveel lood beschikbaar is om door het menselijk lichaam te kunnen worden opgenomen. Op basis van de standaardwaarde en het totaalgehalte aan lood in de bodem wordt bepaald of er een onacceptabel risico voor de gezondheid is en maatregelen nodig zijn. Het gebruik van deze standaardwaarde heeft als voordeel dat er geen experimenten met de testmodellen nodig zijn, wat geld en tijd bespaart. De bevindingen van dit onderzoek geven aan dat er meer lood in de bodem beschikbaar is dan eerder werd verondersteld. Dit kan aanleiding zijn om de normstelling van lood in bodem opnieuw te bekijken.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Net als in voorgaande jaren is in verslagjaar 2014 de deelname aan de verschillende vaccinaties uit het Rijksvaccinatieprogramma (RVP) met 92 tot 99 procent hoog. Uitzondering hierop vormt de HPV-vaccinatie tegen baarmoederhalskanker, waaraan de deelname ten opzichte van het voorgaande verslagjaar wel verder is gestegen tot 59 procent. Sinds augustus 2011 is het RVP uitgebreid met de vaccinatie tegen hepatitis B; tot die tijd werden alleen kinderen met een verhoogd risico hiertegen ingeënt. Van de groep zuigelingen zonder verhoogd risico heeft 95 procent deze vaccinatie gekregen. Ook de deelname onder zuigelingen in Caribisch Nederland aan de DKTP-, BMR- en pneumokokkenvaccinatie is hoog (90-100 procent). Punt van aandacht blijft dat de deelname aan het RVP daalt naarmate kinderen ouder worden. Met de tweede BMR-vaccinatie voor 9-jarigen (92 procent) wordt nog steeds niet de gewenste 95 procent deelname bereikt. Een deelname van minimaal 95 procent is belangrijk vanwege het streven van de World Health Organization (WHO) mazelen wereldwijd uit te roeien. Tevens blijft het belangrijk dat alle kinderen van moeders die drager zijn van hepatitis B de eerste extra vaccinatie hiertegen tijdig krijgen. Kinderen die op jonge leeftijd worden besmet met dit virus hebben namelijk een groter risico er drager van te worden. Op de lange termijn kan dit virus ernstige leveraandoeningen veroorzaken. Om zuigelingen effectief te kunnen beschermen tegen ziekten uit het RVP is het van belang de vaccinaties tijdig te geven. Het deel van de zuigelingen dat de eerste DKTP-vaccinatie op tijd krijgt, is verder gestegen naar 88 procent. Doorgaans worden kinderen die minimaal één inenting via een antroposofisch consultatiebureau krijgen minder vaak en minder tijdig gevaccineerd. In Nederland wordt met de systematiek van vrijwillige vaccinatie een hoge vaccinatiegraad bereikt. Hierdoor ontstaat groepsimmuniteit, die voor de meeste ziekten nodig is om de bevolking als geheel te beschermen tegen uitbraken. Momenteel wordt een monitoringsysteem ontwikkeld om in de toekomst de acceptatie van het RVP onder ouders en RVP-professionals te volgen.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Het aantal mensen dat zich bij een Centrum Seksuele Gezondheid heeft laten testen op een seksueel overdraagbare aandoening (soa) is verder gestegen in 2013. Het percentage mensen met een soa is voor het eerst licht gedaald (met 0,4 procent) sinds 2007. Desondanks blijft dit percentage hoog (14,7 procent). Een goed functionerende soa-monitoring blijft daarom essentieel om zicht te houden op relevante trends, opkomende soa binnen groepen die een grotere kans hebben er een op te lopen, en de effectiviteit van preventieprogramma's. De Centra Seksuele Gezondheid (CSG), voorheen soa-poli's, bieden hoogrisicogroepen de mogelijkheid om zich gratis te laten testen op soa en verstrekken medicatie als er een wordt vastgesteld. Het totaal aantal consulten in 2013 bedroeg 133.585 en is met 10 procent toegenomen ten opzichte van 2012. Van alle bezoekers werden de meeste soa gediagnosticeerd bij mensen die ervoor gewaarschuwd waren dat ze mogelijk een soa hadden opgelopen, mensen jonger dan 25 jaar, migranten uit gebieden waar soa en hiv veel voorkomen (bijvoorbeeld Afrika, Zuid-Amerika of Oost-Europa), of mannen die seks hebben met mannen (MSM). Chlamydia Net als in voorgaande jaren was chlamydia de meest gediagnosticeerde soa bij de CSG in 2013 (15.767 diagnoses). Het percentage mensen dat chlamydia had, daalde licht ten opzichte van 2012 (van 12,2 naar 11,8 procent). Chlamydia werd het meest vastgesteld bij heteroseksuelen, zowel mannen als vrouwen, onder de 25 jaar. Na de uitschieter in 2012 van het aantal en percentage mensen met een agressieve variant van chlamydia, lymphogranuloma venereum, zijn deze cijfers weer afgenomen naar het niveau van de jaren daarvoor (7 procent in 2013). Gonorroe Het percentage personen met een gonorroe-infectie bij de CSG bleef in 2013 stabiel ten opzichte van 2012 (3,6 procent in 2012 en 3,4 procent in 2013), nadat het in de voorgaande jaren licht was gestegen. Deze soa werd het meest gediagnosticeerd bij MSM. Het blijft belangrijk om te volgen of de gonorroe-bacterie resistent raakt tegen de antibiotica die in Nederland voorgeschreven worden, de zogenoemde derde generatie cefalosporines. In diverse Europese landen is deze resistentie waargenomen. Hiv Het aantal personen met een hiv-infectie, gediagnosticeerd bij een van de CSG, is in 2013 gelijk gebleven ten opzichte van 2012 (358 versus 356 in 2012). Het percentage positieve testen daalt sinds 2008: van 3,0 procent naar 1,4 procent bij MSM in 2013. Het percentage mensen dat in een laat stadium van een hiv-infectie bij een hiv-behandelcentrum komt, is de afgelopen jaren gedaald. Het is van belang om tijdig de hiv-diagnose te stellen en zo snel mogelijk de behandeling te starten, omdat hierdoor de gezondheidsschade bij de patiënt verkleind kan worden. Ook neemt door behandeling de besmettelijkheid af, waardoor de kans kleiner is dat hiv wordt overgedragen.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Monitoring and addressing trends in dietary exposure to micronutrients through voluntarily fortified foods in the European Union | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Analysis of underlying causes of investigated loss of containment incidents in Dutch Seveso plants using the Storybuilder method | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Prevalence and characteristics of ESBL-producing E. coli in Dutch recreational waters influenced by wastewater treatment plants | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Retirement and a healthy lifestyle: Opportunity or pitfall? A narrative review of the literature | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Goede bescherming tegen pneumokokkenziekte kan met één vaccinatie minder | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Timing of an adolescent booster after single primary meningococcal serogroup C conjugate immunization at young age; an intervention study among Dutch teenagers | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Immunotoxicity of silver nanoparticles in an intravenous 28-day repeated-dose toxicity study in rats | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Recurrent wheezing is associated with intestinal protozoan infections in Warao Amerindian children in Venezuela: a cross-sectional survey | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Middle East respiratory syndrome coronavirus (MERS-CoV) RNA and neutralising antibodies in milk collected according to local customs from dromedary camels, Qatar, April 2014 | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Evaluation of assays for measurement of serum (anti)oxidants in hemodialysis patients | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Axonal guidance signaling pathway interacting with smoking in modifying the risk of pancreatic cancer: A gene- and pathway-based interaction analysis of GWAS data | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Preoperative fasting protects against renal ischemia-reperfusion injury in aged and overweight mice | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Utilizing syndromic surveillance data for estimating levels of influenza circulation | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
In vivo and in vitro testing for the biological safety evaluation of biomaterials and medical devices | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
A cocktail of synthetic stimulants found in a dietary supplement associated with serious adverse events | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Ecological niche modelling of potential West Nile virus vector mosquito species and their geographical association with equine epizootics in Italy | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Reply to SN Thornton and P Lacolley [Letter to the editor] | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
A metabolomic profile is associated with the risk of incident coronary heart disease | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Quantitative dose-response analysis of ethyl methanesulfonate genotoxicity in adult gpt-delta transgenic mice | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
A qualitative exploration of attitudes towards alcohol, and the role of parents and peers of two alcohol-attitude-based segments of the adolescent population | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Cross-sectional and prospective relation of cannabis potency, dosing and smoking behaviour with cannabis dependence: an ecological study | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Sequence variations in HIV-1 p24 Gag-derived epitopes can alter binding of KIR2DL2 to HLA-C*03:04 and modulate primary natural killer cell function | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Nederlandse werkgevers vinden de mentale gezondheid van hun werknemers belangrijk. Acht van de tien werkgevers beschouwen het als belangrijke indicator voor het succes van het bedrijf. Hier tegenover staat dat ongeveer vier van de tien Nederlandse bedrijven (continu of vaak) daadwerkelijk preventiemaatregelen treffen die gericht zijn op de mentale gezondheid van de werknemers. Werkgevers geven aan dat ze vooral geen actie ondernemen, omdat de effectiviteit en de kosten-baten van maatregelen niet bekend zijn. Inzicht hierin kan bevorderen dat dergelijk gezondheidsbeleid wel wordt uitgevoerd. Dit blijkt uit een enquête die ruim 3100 werkgevers uit verschillende sectoren hebben ingevuld en die in opdracht van de ministeries van VWS en SZW is uitgevoerd. Het voornaamste doel was in kaart te brengen hoeveel bedrijven binnen welke sectoren beleid voeren op het gebied van mentale gezondheid. Dit varieert van beleid dat gericht is op werkhervatting van zieke werknemers, tot het bevorderen van de mentale gezondheid van alle (gezonde) werknemers. In dit project ligt de focus op beleid dat erop gericht is om psychosociale arbeidsbelasting te voorkomen, zoals het tegengaan van werkdruk, agressie en pesten, en de mentale gezondheid te bevorderen, zoals het stimuleren van bevlogenheid, persoonlijke groei en veerkracht. De maatregelen die werkgevers treffen, zijn zeer divers en variëren van persoonlijke ontwikkelplannen, coaching, health-checks, aandacht voor balans werk-privé tot programma's om stress te verminderen, yoga, e-health of andersoortige structurele mentale gezondheidsprogramma's. Grote bedrijven treffen over het algemeen vaker maatregelen dan kleine bedrijven. Wat de sectoren betreft gebeurt dat het meest binnen het onderwijs en de gezondheidsen welzijnszorg. Binnen de sector 'vervoer en opslag' worden het minst vaak maatregelen getroffen. Gezondheid van de werknemers en goed werkgeverschap gelden voor werkgevers als de belangrijkste redenen om in maatregelen te investeren die de mentale gezondheid bevorderen. Financiële motieven, zoals minder ziekteverzuim, zijn ook veel genoemd.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Kosteneffectiviteit verslavingszorg In Nederland krijgt bijna een op de vijf Nederlanders in zijn leven te maken met een alcohol- of drugsprobleem, in die zin dat ze ervan afhankelijk zijn of er te veel van gebruiken. Van de mensen die in de verslavingszorg terechtkomen, komt 47 procent voor een alcoholprobleem, gevolgd door heroïne (16 procent) en cannabis (15 procent). Vrijwel alle behandelingen in de reguliere verslavingszorg voor alcohol en drugs die in de literatuur zijn beschreven, zijn kostenbesparend of kosteneffectief. Dit blijkt uit een literatuurstudie van het RIVM. Kosteneffectief betekent dat de verhouding tussen de kosten van de behandeling en de effecten ervan gunstig is. Mensen leven dan langer of hebben een betere kwaliteit van leven. In alle studies werden de kosten die binnen de gezondheidszorg gemaakt worden meegenomen. Bij verslavingen worden echter ook veel kosten buiten de gezondheidszorg gemaakt, bijvoorbeeld als gevolg van criminaliteit, en daardoor van politie en justitie. Maatschappelijke kostenbesparingen, zoals door minder ziekteverzuim, minder criminaliteit en minder verkeersongevallen, zijn soms in de onderzoeken meegenomen, maar niet altijd. Aanbevolen wordt om aanvullend onderzoek te doen waarin alle maatschappelijke kosten en baten worden betrokken omdat dit een compleet inzicht in de kosten van verslavingen en de baten van behandelingen geeft.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Het ministerie van Infrastructuur en Milieu wil duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen stimuleren, evenals het hergebruik daarvan. Terugwinnen van grondstoffen uit bijvoorbeeld afval moet voorkomen dat bronnen uitputten, de afhankelijkheid van voorzieningen verminderen en energie besparen. Het RIVM onderzoekt momenteel wat beleidsmatig nodig is om hergebruik van afvalwater te stimuleren. Hiervoor is beleid voor het hergebruik van bouwstoffen als voorbeeld gebruikt. Om een grondstof of product uit afval te kunnen maken, is het nodig dat wettelijk het etiket 'afval' van het materiaal wordt gehaald. De afvalstroom moet hiervoor eerst aan veiligheids- en technische eisen voldoen die garanderen dat er geen onacceptabele risico's aan het hergebruik van afval kleven voor mens en milieu. Deze criteria worden einde-afvalcriteria genoemd (of End of Wastecriteria). Een van de grootste afvalstromen in Nederland is het materiaal dat vrijkomt bij bouw- en sloop activiteiten. Veel van dit afval wordt verwerkt en weer geschikt gemaakt voor gebruik - momenteel 95 procent. Voor het steenachtige bouw- en sloopafval is een formele einde-afvalregeling in de maak. Binnen de afvalwaterketen worden veel initiatieven ontplooid om hergebruik te bevorderen, bijvoorbeeld van fosfaat en cellulose uit afvalwater. Er blijken echter enkele beperkende omstandigheden zijn. Zo is er geen duidelijk beleid voor hergebruik van afvalwater; het beleid is tot nu toe geënt op waterkwaliteit. Ook wordt niet beleidsmatig gestimuleerd dat afvalwater wordt hergebruikt waardoor dat niet structureel plaatsvindt; bij bouwstoffen is dat wel het geval. Ook is niet duidelijk welke producten ermee kunnen worden gemaakt. Dit maakt het moeilijker om einde-afvalcriteria op te stellen. Het RIVM hoopt dichter bij oplossingen te komen door de komende tijd enkele praktijkvoorbeelden nader te onderzoeken.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Experts uit UNECE (United Nations Economic Commission for Europe) en EECCA landen (Eastern Europe, the Caucasus, and Central Asia) hebben in het voorjaar van 2012 voor het eerst kennis en ervaring uitgewisseld over de uitstoot van ammoniak tijdens een workshop in Sint Petersburg (Russische Federatie). De workshop vond plaats tijdens de jaarlijkse bijeenkomst van de Task Force on Reactive Nitrogen, die opereert onder de vlag van de UNECE CLRTAP (Conventie inzake Grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand). In samenwerking met het Russische Instituut voor Landbouwtechniek en Elektrificatie SZNIMESH in Sint Petersburg heeft het RIVM alle bijdragen van de workshop nu in het Engels en in het Russisch uitgebracht. De bijdragen van in totaal 14 landen (van Canada tot de Russische Federatie en Kazakhstan) bevatten informatie over de huidige emissie van ammoniak en het verloop daarvan sinds 1990. De presentaties gaan ook in op de wijzen waarop de landen hun doelstelling hebben gehaald die vanwege het Gothenborg Protocol voor 2010 is gesteld om de ammoniakemissie te verminderen; bijna alle landen zijn daarin geslaagd. Daarnaast gaan de bijdragen over ontwikkelingen in de nabije toekomst die van invloed zijn op de emissie van ammoniak. Zo zal het aantal melkkoeien toenemen als het productieplafond voor melk in 2015 wordt losgelaten. Een van de aanbevelingen van de workshop is dat ammoniak bekeken moet worden in het geheel van de stikstofketen om ongewenste milieueffecten te voorkomen in andere milieucompartimenten (lucht, bodem en grondwater). Door bijvoorbeeld koeien meer te beweiden wordt er per saldo minder ammoniak uitgestoten, maar kan er meer nitraat naar het grondwater wegspoelen (in de bodem wordt ammoniak namelijk van nature omgezet in nitraat). Een andere aanbeveling is te zorgen voor betrouwbare inventarisaties van ammoniakemissies. Momenteel is het in veel landen moeilijk om betrouwbare gegevens te krijgen over de mate waarin emissiearme technieken worden ingezet. De workshop is afgesloten met een Resolutie waarmee de samenwerking tussen experts in de UNECE- en EECCA-regio's wordt voortgezet.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Het is nog steeds onduidelijk of er een verband is tussen gezondheidsklachten van vliegtuigbemanning en de blootstelling aan tricresyl fosfaten (TCP's) in de cabinelucht van vliegtuigen. Dit 'aerotoxic syndroom' zou bij enkele bemanningsleden neurologische klachten als concentratieproblemen, neerslachtigheid en trillende ledematen veroorzaken. Uit een literatuurstudie van het RIVM blijkt dat nog niet met zekerheid kan worden gesteld wat de oorzaak is van deze gezondheidsklachten bij vliegtuigbemanning. TCP's zitten in motorolie en kunnen via de luchtinlaat naar de cabine 'lekken'. Om hier meer duidelijkheid in te krijgen is meer kennis nodig. Er is bijvoorbeeld meer inzicht nodig in de specifieke schadelijkheid van verschillende soorten TCP's, in de precieze blootstelling van de vliegtuigbemanning, nu en in het verleden, en in de individuele gevoeligheid van mensen voor de stof. Daarnaast is het van belang te evalueren of de normen nog voldoen. Aanbevolen wordt om deze aspecten met betrokken partijen uit de luchtvaartsector en onderzoeksinstellingen op internationale schaal te onderzoeken. De betrokkenheid van de luchtvaartsector is van belang om informatie te krijgen over luchtvaartspecifieke zaken, zoals het aantal vlieguren van piloten en de werking van motoren. Het RIVM-onderzoek is ingegeven door vragen van de Tweede Kamer. Het onderzoek is op twee sporen ingezet. Als eerste is informatie gezocht over de aanwezigheid van TCP's in motorolie van vliegtuigen en zijn de schadelijke effecten van TCP's geëvalueerd. Het RIVM evalueert TCP's binnen de stoffenwetgeving REACH (Registratie, Evaluatie, Autorisatie en restrictie van CHemische stoffen) en beschikt daardoor over vertrouwelijke informatie van fabrikanten over de samenstelling van motorolie. Ten tweede zijn de mogelijke oorzaken van gezondheidsklachten nader geanalyseerd op basis van literatuuronderzoek. De resultaten zijn gebruikt om metingen die TNO in 2013 heeft verricht van TCP's in de cockpit van vliegtuigen te duiden.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM heeft geïnventariseerd welke risico's er nu en in de toekomst zijn voor de waterkwaliteit bij de bronnen voor drinkwater, en welke maatregelen landelijk mogelijk zijn om deze risico's te beperken. Behalve de risico's die in 2013 zijn aangegeven, is er zorg over de voortgang van de programma's waarin de afspraken over de benodigde maatregelen staan uitgewerkt (uitvoeringsprogramma's). De risico's zijn gebaseerd op de zogeheten gebiedsdossiers voor drinkwaterwinningen. Hierin brengen gemeenten, provincies, drinkwaterbedrijven en waterbeheerders risico's voor de waterkwaliteit in kaart, zodat tijdig effectieve maatregelen kunnen worden genomen. Sommige maatregelen kunnen beter niet lokaal maar landelijk voor alle winningen worden opgepakt. Deze kunnen dan in de Nota Drinkwater worden opgenomen of ingebracht in de plannen voor de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW). Voorbeelden van risico's en maatregelen Een van de risico's is dat verschillende normenkaders, zoals de Drinkwaterwet en de Wet bodembescherming, niet altijd goed op elkaar aansluiten. Hierdoor kunnen verschillende percepties ontstaan over de noodzaak om maatregelen te treffen, wat de bescherming van bronnen kan belemmeren. Het ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM) onderzoekt momenteel hoe deze afstemming kan worden verbeterd. Verder is het milieubeschermingsbeleid vaak onvoldoende verankerd in lokaal ruimtelijk beleid. Hierdoor kan er onvoldoende aandacht zijn voor de bescherming van drinkwaterbronnen als nieuwe ruimtelijke activiteiten worden ontwikkeld. Bij veel uitvoeringsprogramma's is de actualisatie van lokale bestemmingsplannen als maatregel opgenomen. Aandachtspunten De regiehouders (provincies) zijn voortvarend aan de slag gegaan en hebben voor alle kwetsbare grondwater-, oevergrondwater- en oppervlaktewaterwinningen gebiedsdossiers opgesteld. Van de niet-kwetsbare winningen moet, volgens planning, nog een aantal dossiers worden opgesteld. Voor ongeveer de helft van de winningen zijn inmiddels uitvoeringsprogramma's opgesteld. De zorg bestaat of de overige uitvoeringsprogramma's op tijd klaar zijn om te worden meegenomen in de plannen voor de KRW voor de periode 2015-2021. Ook is nog niet duidelijk of alle maatregelen specifiek genoeg zijn om de gewenste waterkwaliteit te behalen.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Tussen 2008 en 2012 is op initiatief van meerdere ministeries de Nationale Aanpak Milieu en Gezondheid (NAMG) uitgevoerd. De NAMG richtte zich op de milieu- en gezondheidsproblemen die nog niet verzekerd waren van een goed uitgewerkt beleidstraject, of die extra aandacht vroegen. De speerpunten van de NAMG waren binnenmilieu, gezond ontwerp van de leefomgeving, informatievoorziening aan burgers (Atlas Leefomgeving) en het signaleren van risico's op het gebied van milieu en gezondheid. Een terugblik van het RIVM laat zien dat de bewustwording voor de genoemde onderwerpen door de NAMG is vergroot en de samenwerking tussen de verantwoordelijke partijen is gestimuleerd. De staatssecretaris van IenM en de minister van VWS hebben in juni 2013 een brief over de resultaten van de NAMG naar de Tweede Kamer gestuurd. Als achtergrondinformatie hierbij heeft het RIVM de geïnitieerde acties op een rij gezet plus de tussentijdse resultaten ervan; voor de meeste acties is het nog te vroeg om te kunnen vermelden wat ze hebben opgeleverd. Zo hebben diverse partijen actie ondernomen om betrokkenen bij woningen, kindercentra en scholen bewuster te maken van een gezond binnenmilieu en de maatregelen die daarvoor nodig zijn. Daarnaast is de website Atlas Leefomgeving, die overheidskaarten en informatie over de leefomgeving en gezondheid op één plek ontsluit, gebouwd en door veel verschillende partijen van data voorzien. In de GezondOntwerpWijzer is informatie en inspiratie te vinden voor iedereen die de leefomgeving gezond wil ontwerpen en inrichten. De partijen die met (onderdelen van) de NAMG aan de slag zijn gegaan, waren heel divers: overheden, uitvoeringsorganisaties, (semi)publieke organisaties zoals woningcorporaties en scholen, kennisinstituten, belangenorganisaties en bedrijven. Zij zijn door het Rijk bij elkaar gebracht om verantwoordelijkheden en acties te benoemen op de speerpunten van de NAMG en deze acties in gang te zetten. Daarbij hebben ze ook de benodigde kennis en informatie verzameld en beschikbaar gesteld.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Samen staan we sterk! : Bundeling van de 3V-krachten op het internationale speelveld | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
The importance of partnership factors and individual factors associated with absent or inconsistent condom use in heterosexuals: a cross-sectional study | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Method development and inter-laboratory comparison about the determination of titanium from titanium dioxide nanoparticles in tissues by inductively coupled plasma mass spectrometry | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Prevalence of methicillin-resistant Staphylococcus aureus carrying mecA or mecC in dairy cattle | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Serology in chronic Q fever is still surrounded by question marks | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
After adjusting for bias in meta-analysis seasonal influenza vaccine remains effective in community-dwelling elderly | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Two different erm(C)-carrying plasmids in the same methicillin-resistant Staphylococcus aureus CC398 isolate from a broiler farm | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Laboratory algal bioassays using PAM fluorometry: effects of test conditions on the determination of herbicide and field sample toxicity | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Limits of chlamydial diagnostic tests in epidemiological studies [Letter to the editor] | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Long-term exposure to air pollution and cardiovascular mortality: an analysis of 22 European cohorts | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Monitoring salt and iodine intakes in Dutch adults between 2006 and 2010 using 24 h urinary sodium and iodine excretions | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Beyond safe operating space: finding chemical footprinting feasible | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Environmental interventions in low-SES neighbourhoods to promote healthy behaviour: enhancing and impeding factors | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Bij de beoordeling van schadelijke effecten van chemische stoffen is het van belang gegevens toe te voegen over de manier waarop stoffen zich in het lichaam gedragen (de kinetiek). Wordt een stof bijvoorbeeld door de darm opgenomen of direct uitgescheiden? Blijft het in vetcellen zitten? Met deze kennis kunnen de gezondheidsrisico's van een stof nauwkeuriger worden ingeschat. Ook zijn er minder proefdieren nodig, onder andere omdat bepaalde testen dan niet meer nodig zijn. Daarnaast kan worden voorkomen dat proeven opnieuw uitgevoerd moeten worden, wat in het huidige systeem aan de orde is als bijvoorbeeld achteraf de dosering van de te onderzoeken stof te hoog blijkt te zijn geweest of de gebruikte diersoort niet representatief blijkt voor de geteste stof. Dit blijkt uit een evaluatie van het RIVM naar de voordelen van informatie over kinetiek voor de beoordeling van schadelijke eigenschappen van stoffen. Hierin is ook beschreven hoe de kinetiek meer geïntegreerd kan worden in beoordelingssystemen en op welke manier zo min mogelijk of zelfs geen proefdieren nodig zijn. Dit is van belang omdat er al enkele jaren wordt gewerkt aan een nieuwe strategie voor risicobeoordelingen van chemische stoffen waarvoor zo min mogelijk of geen proefdieren nodig zijn. Het idee daarvan is dat stoffen worden getest in cellen (in vitro) in plaats van in hele dieren (in vivo). Kennis van kinetiek is dan essentieel om de vertaalslag te kunnen maken van het gedrag van stoffen in cellen naar het hele lichaam. Momenteel worden kinetische gegevens wel gebruikt bij risicobeoordelingen, maar nog niet (optimaal) voor alle beoordelingskaders (wel voor geneesmiddelen, niet voor industriële stoffen). Deze evaluatie beschrijft de beschikbare (in vitro) methoden om informatie over de kinetiek te verkrijgen en op welke wijze deze methoden zouden kunnen worden ingezet in een risicobeoordelingsstrategie. In vervolgonderzoek zullen deze methoden worden beoordeeld op hun toegevoegde waarde, beperkingen en kosten. Daarnaast zal worden uitgezocht welke kinetiek-informatie minimaal nodig is om de vertaalslag te kunnen maken van de werking van een stof in cellen naar een heel lichaam.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Omvang van het psittacose-probleem bij de mens: het belang van betrouwbare diagnostiek | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Colorectal cancer risk and dyslipidemia: a case-cohort study nested in an Italian multicentre cohort | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Mammary gland-specific ablation of focal adhesion kinase reduces the incidence of p53-mediated mammary tumour formation | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
A cocktail of synthetic stimulants found in a dietary supplement associated with serious adverse events | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Nieuwe concentratie- en depositiekaarten voor NSL en PAS Het RIVM heeft kaarten opgesteld waarop staat aangegeven wat in 2013 in Nederland de concentraties in de lucht waren van onder andere stikstofdioxide en fijn stof. Ook is op een kaart aangegeven in welke mate stikstof op de bodem neerslaat. Daarnaast zijn toekomstberekeningen voor deze stoffen gemaakt voor de periode 2015- 2030. De kaarten worden gebruikt voor de monitoring van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) en de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS). Hiermee worden onder andere de effecten van ruimtelijke plannen getoetst Stikstofdioxideconcentraties voor 2015 veelal lager De gemeten concentraties stikstofdioxide waren in 2013 lager dan in 2012. De concentraties die voor 2015 zijn berekend, zijn op de meeste locaties lager dan vorig jaar was geraamd. Toch blijven er een aantal probleemgebieden bestaan waarin de verwachte concentraties hoger zijn dan vorig jaar geraamd, vooral in de regio's Rotterdam en Den Haag. Wat de verwachte overschrijdingen van de normen in 2015 betreft, zal dat in Amsterdam en Utrecht op minder locaties aan de orde zijn dan eerder was ingeschat, en in Rotterdam op meer locaties Drie oorzaken voor deze aangepaste verwachting zijn het belangrijkst. Als eerste is bij de ramingen een correctie aangebracht voor systematische verschillen tussen gemeten en berekende stikstofdioxideconcentraties. Ten tweede stoten de nieuwste modellen vrachtauto's minder stikstofoxiden uit dan eerder was ingeschat. Ten derde zijn effecten meegenomen van het SER-energieakkoord uit 2013. Hierin zijn afspraken gemaakt om energie te besparen bij huishoudens, industrie en landbouw en het aandeel alternatieve energiebronnen als wind- en zonne-energie te vergroten Roetconcentraties dalen naar verwachting verder Steeds meer dieselauto's hebben een filter, waarmee roet effectief wordt afgevangen. Op basis van het huidige beleid wordt geschat dat de roetconcentratie de komende jaren verder daalt, en in 2020 bijna zal zijn gehalveerd ten opzicht van het huidige niveau Daling stikstofdepositie onveranderd De neerslag van stikstof op de bodem in Nederland daalt naar verwachting de komende jaren in ongeveer dezelfde mate als vorig jaar was geraamd. Een dalende stikstofdepositie is een voorwaarde voor natuurbehoud
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Second worldwide proficiency study on variable number of tandem repeats typing of Mycobacterium tuberculosis complex | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Calculating disability-adjusted life years to quantify burden of disease | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Preventie en behandeling van Baylizsascars spp.-infecties bij ultheemse dieren | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
DALY calculation in practice: a stepwise approach | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Effects of prophylactic and therapeutic paracetamol treatment during vaccination on hepatitis B antibody levels in adults: two open-label, randomized controlled trials | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Assessment of personal exposure to particulate air pollution during commuting in European cities: recommendations and policy implications | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Six-month incidence and persistence of oral HPV infection in HIV-negative and HIV-infected men who have sex with men | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Nutrient patterns and their food sources in an international study setting: Report from the EPIC Study | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Het RIVM heeft een nieuwe methode onderzocht waarmee elk uur voor iedere locatie in Nederland de actuele concentratie van de luchtverontreinigende stoffen stikstofdioxide, ozon en fijn stof wordt berekend. Met deze methode komt de berekende concentratie van stikstofdioxide in stedelijk gebied beter overeen met de gemeten waarden. Op basis van dit onderzoek gaat deze methode op korte termijn de huidige methode vervangen. Het RIVM presenteert elk uur de actuele luchtkwaliteitskaarten voor stikstofdioxide, ozon en fijn stof in Nederland op de website van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit (LML). Meetgegevens van representatieve LML-locaties worden gebruikt om te berekenen wat de concentraties voor de rest van Nederland, buiten de meetpunten om, zijn. De huidige rekenmethode om deze kaarten te maken, genaamd INTERPOL, heeft een aantal beperkingen. Hierdoor worden bijvoorbeeld stikstofdioxideconcentraties in stedelijk gebied vaak onderschat. In België is een betere interpolatiemethode ontwikkeld. Deze methode, de RIO (residual interpolation optimised for ozone) interpolatiemethode, wordt daar gebruikt voor luchtkwaliteitskaarten die het publiek informeren over de actuele luchtkwaliteit. In 2009 is de RIO interpolatiemethode in opdracht van het RIVM zodanig uitgebreid en aangepast dat hij ook in Nederland kan worden gebruikt.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
OutbreakTools: a new platform for disease outbreak analysis using the R software | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Toward a mechanism-based in vitro safety test for pertussis toxin | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Low varicella-related consultation rate in the Netherlands in primary care data | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Multi-country willingness to pay study on road-traffic environmental health effects: are people willing and able to provide a number? | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Biowaiver monographs for immediate-release solid oral dosage forms: Codeine phosphate | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
De gemiddelde droge depositie van ammoniak in Natura 2000-gebied Bargerveen (Drenthe) ligt per jaar tussen 7 en 10 kilo stikstof (N) per hectare. Dit blijkt uit metingen van het RIVM, die tussen september 2011 en september 2012 zijn uitgevoerd. Het is de eerste keer dat de droge depositie van ammoniak gerapporteerd wordt op basis van metingen met de zogeheten COTAG-opstelling (Conditional Time Averaged Gradient). Droge depositie is een proces waarbij ammoniak vanuit de lucht neerslaat, zonder dat daar neerslag aan te pas komt. Natura 2000 is een Europees netwerk van natuurgebieden waar planten en dieren worden beschermd. De metingen zijn in opdracht van het ministerie van Economische Zaken uitgevoerd in het kader van de aanpak van de hoge stikstofdepositie op de Nederlandse natuur (Programmatische Aanpak Stikstof, PAS). Door een overmaat aan stikstof vermest de natuur, waardoor het aantal soorten dieren en planten afneemt. In Nederlandse natuurgebieden draagt ammoniak, dat voornamelijk afkomstig is uit de landbouw, in belangrijke mate bij aan de totale stikstofdepositie. De totale stikstofdepositie op Natura 2000 gebieden wordt met modelberekeningen bepaald. Meetgegevens zijn belangrijk om de berekeningen te toetsen. De COTAG-opstelling is in het Verenigd Koninkrijk ontwikkeld en de afgelopen jaren binnen een Europees onderzoeksproject (NitroEurope) in meerdere landen gebruikt. Het meet de ammoniakconcentratie op twee hoogtes, waarna deze gegevens worden gecombineerd met meteorologische gegevens over windsnelheid en temperatuur om de droge depositie te bepalen. Meteorologische omstandigheden zijn namelijk van invloed op de mate waarin de concentraties tussen de twee hoogte 'uitwisselen'. Op basis van de resultaten van dit eerste meetjaar lijkt de COTAGmeetopstelling geschikt om de droge ammoniakdepositie in Nederland te meten. De resultaten komen onder andere overeen met de metingen van de ammoniakconcentraties die vanuit het Meetnet Ammoniak in Natuurgebieden in Bargerveen zijn uitgevoerd. Dit meetnet, opgezet in 2005, meet de concentraties ammoniak in een zestigtal natuurgebieden in Nederland.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Er zijn geen sterke aanwijzingen dat het bijmengen van FAME ("Fatty Acid Methyl Ester") biodiesel tot 7 vol%1 en HVO ("Hydrotreated Vegetable Oil") biodiesel tot 30 vol% zal leiden tot significante toename van schadelijke uitstoot van het wegverkeer. Deze conclusie is gebaseerd op de beperkte toxicologische gegevens die suggereren dat er slechts kleine of verwaarloosbare veranderingen optreden in het toxiciteitsprofiel als gevolg van het bijmengen van biodiesel. Het gebruik van biodiesel/petroleum dieselmengsels kunnen worden toegepast om de Nederlandse doelstelling voor duurzame energiebronnen te halen. De gevolgen voor de gezondheid door veranderingen in de samenstelling van de motoruitstoot is onzeker. Om het potentiële effect van het verhogen van de mengverhouding van FAME en HVO biodiesel op de menselijke gezondheid te onderzoeken, is in opdracht van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu onderzocht wat de veranderingen van de toxiciteit van de uitstoot zal zijn. De beoordeling is gebaseerd op literatuurstudies van zowel gemeten schadelijke componenten als toxicologische studies. Vanwege technische beperkingen van personenvoertuigen met een roetfilter zal het percentage FAME biodiesel zeer waarschijnlijk niet meer dan 7 vol% kunnen worden. Hogere percentages biodiesel tot 30 vol % kunnen met HVO biodiesel worden bereikt. De beperkte emissie- en toxicologische gegevens leveren geen sterke argumenten om een aanzienlijke verhoging van de toxiciteit van de uitstoot bij een mengsel tot 7 vol% FAME biodiesel te verwachten. Onderzoeken met HVO zijn zeer schaars. De verwachting is dat HVO mengsels tot 30 vol% minder toxische uitstoot veroorzaken vanwege de structurele overeenkomsten in de koolwaterstoffen en de hogere zuiverheid ten opzichte van op aardolie gebaseerde diesel. Deze aanname moet worden bevestigd door toxicologische studies. Bovendien zijn de gevolgen voor de toxiciteit van uitstoot van voertuigen bij hogere biodiesel blend percentages ( > 30 vol%) momenteel niet duidelijk, noch kan een kritisch percentage worden geïdentificeerd waarbij de giftigheid van de uitstoot zijn maximum bereikt. Daarnaast wordt voorspeld dat de motoruitstoot de komende jaren fors zal afnemen als gevolg van de meest recente emissiewetgeving. Slechts een klein percentage van de daling zal het resultaat van de vervanging van aardolie diesel voor biobrandstof zijn. Al met al, suggereren de beschikbare gegevens dat het niet waarschijnlijk is dat de hoeveelheid schadelijke emissies aanzienlijk zal toenemen door het mengen van lage percentages van deze twee soorten biodiesel, hoewel dit wordt omgeven door onzekerheid vanwege ontbrekende gegevens.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
In 2012 werden 958 patiënten met tuberculose gemeld aan het Nederlands Tuberculose Register (NTR). Dit komt overeen met een incidentie van tuberculose van 5,7 per 100.000 inwoners. Ten opzichte van 2011 en 2010 is de incidentie met respectievelijk vier procent en tien procent afgenomen. Sinds 2002 is het aantal tbc-patiënten in Nederland met 32% gedaald. In 2012 werd bij 53 procent van de gemelde patiënten longtuberculose geconstateerd. Het aantal patiënten met longtuberculose (pulmonale tbc) daalt sneller dan het aantal met extrapulmonale tbc (tuberculose buiten de longen). Het percentage extrapulmonale gevallen was het hoogste onder tbc-patiënten die in het buitenland zijn geboren. De meest voorkomende vorm van extrapulmonale tuberculose was tuberculose van de perifere lymfklieren. Achttien procent (177) van de tbc-patiënten in 2012 had sputumpositieve longtuberculose, de meest besmettelijke vorm van tuberculose. De incidentie van sputumpositieve longtuberculose in 2012 was 1,1 per 100.000 inwoners. Tuberculose komt in Nederland vaker voor bij personen geboren in het buitenland (eerstegeneratieallochtonen) en tweedegeneratieallochtonen. Bijna drie kwart van het aantal tbc-patiënten in 2012 was geboren in het buitenland (73%). Van de groep eerstegeneratieallochtonen met tuberculose in Nederland was de groep Somaliërs net als voorgaande jaren het grootste (170). Het percentage tbc-patiënten afkomstig uit Somalië was daarmee even groot als het percentage autochtone Nederlanders met tuberculose (18 procent), maar de incidentie onder Somaliërs in Nederland is bijna 500 maal hoger dan onder autochtone Nederlanders (respectievelijk 1,3 en 691 per 100.000 inwoners). Multiresistente tuberculose Het aantal patiënten met multiresistente tuberculose (MDR-tbc) in Nederland schommelt de laatste vijf jaar tussen tien en twintig patiënten; dat is 1-2% van het totaal aantal patiënten. In 2012 werden elf patiënten met multiresistente tuberculose gediagnosticeerd. Eén van de elf patiënten met mulitresistente tuberculose was afkomstig uit Nederland, de tien andere patiënten uit het buitenland. Resultaat van de behandeling Van alle in 2011 geregistreerde tbc-patiënten voltooide 87% de tbc-behandeling met succes. Bij nieuwe patiënten met longtuberculose was dit percentage iets lager (85%). Patiënten met multiresistente tuberculose voltooiden minder vaak de behandeling. Van de elf MDR-tbc-patiënten gediagnosticeerd in 2010 voltooiden zeven (64%) de behandeling met succes, één patiënt (9%) brak de behandeling voortijdig af, één patiënt zette de behandeling in het buitenland voort, één patiënt is overleden aan een andere oorzaak dan tuberculose en van één patiënt is het behandelresultaat (nog) niet bekend. Sterfte aan tuberculose Van de tbc-patiënten geregistreerd in het NTR in 2011 en 2012 overleden respectievelijk achttien (1,8%) en zes personen (0,6%) aan tuberculose. Patiënten met ernstige comorbiditeit hebben grotere kans op sterfte aan tuberculose. In 2012 overleed één persoon met diabetes, twee personen met een maligniteit en één persoon met nierinsufficiëntie aan tuberculose. Latente tbc-infectie (LTBI) In 2012 zijn 1.293 nieuwe gevallen van LTBI geregistreerd. Bij 855 personen werd de diagnose bij bron- en contactonderzoek vastgesteld. In 2011 startten in totaal 1.027 van de 1.297 personen (79%) een preventieve behandeling. Van hen voltooide 84% de LTBI-behandeling met succes. Delay Op grond van de gegevens in het NTR is de gemiddelde duur van het diagnostisch delay in de periode 2005-2012 niet toegenomen, hoewel bij illegalen, dak- en thuislozen, en drugs- en alcoholverslaafden wel aanwijzingen zijn voor een langer patient delay. Bij ruim een kwart van de patiënten die passief worden gevonden is wel sprake van een 'te lang' of 'ongunstig delay'. Voor doctor delay geldt hetzelfde: er is bij ruim een kwart van de patiënten die passief worden gevonden sprake van een 'te lang' of 'ongunstig delay'. Case finding In totaal 15% van alle tbc-patiënten werd in 2012 gevonden door actieve opsporing door de afdeling tbc-bestrijding van de GGD. Het percentage tbc-patiënten dat gevonden wordt door screening van risicogroepen zoals nieuwe immigranten, asielzoekers, drugsverslaafden en dak- en thuislozen neemt al langere tijd af. In de jaren 1993-1998 werd 14% van de tbc-patiënten gevonden door screening, maar in 2012 was dit nog maar 8%. Het percentage patiënten gevonden via bron- en contactonderzoek was in 2012 hetzelfde als in voorgaande jaren (7%). Tbc-patiënten met verminderde weerstand Het percentage tbc-patiënten met een co-infectie met hiv was 3% in 2012. Het percentage tbc-patiënten die op co-infectie met hiv werden getest nam toe van 28% in 2008 naar 49% in 2011, maar is in 2012gestagneerd (47%). Van patiënten uit risicogebieden zoals sub-Sahara Afrika was in 59% van de gevallen de hiv-status bekend. Het aantal tbc-patiënten die behandeld worden met TNF-alfaremmers neemt toe. In 2012 betrof het achttien (1,9%) patiënten. Transmissie en clustersurveillance Van de patiënten met kweekpositieve tuberculose clusterde de helft met een voorgaande patiënt. Bij een derde van de clusterende patiënten was sprake van recente clustering, een mogelijk gevolg van recente transmissie in Nederland. In 2012 vertoonden vier van de clusters een groei van meer dan vijf patiënten. De laatste jaren zijn er minder snelgroeiende clusters, een teken dat transmissie van M. tuberculosis in Nederland afneemt of dat de bestrijdingsmaatregelen effectief zijn.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
From instruments towards programme for HiAP decision-support? Health impact assessment in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Multidisciplinary investigation of a multicountry outbreak of Salmonella Stanley infections associated with turkey meat in the European Union, August 2011 to January 2013 | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Determinants of HPV vaccination intentions among Dutch girls and their mothers: a cross-sectional study | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Design of the INTEGRATE study: Effectiveness and cost-effectiveness of a cardiometabolic risk assessment and treatment program integrated in primary care | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Bioaccessibility of vitamin A, vitamin C and folic acid from dietary supplements, fortified food and infant formula | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Human exposure to conventional and nanoparticle-containing sprays - A critical review | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Mazelen (morbilli of rubeola) | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
In Nederland zijn verschillende initiatieven gestart om zorg en ondersteuning op regionaal niveau anders vorm te geven. Het doel is drieledig: de gezondheid van de bevolking te verbeteren, de kwaliteit van de zorg te verbeteren en de kosten van de zorg te beheersen. Negen van deze initiatieven zijn door het ministerie van VWS, op voordracht van de zorgverzekeraars, aangewezen als 'proeftuinen'. Het RIVM gaat deze proeftuinen volgen in de Landelijke Monitor Populatiemanagement (LMP), om te zien welke resultaten worden behaald en waar dat door komt. Met die inzichten kunnen de initiatieven van elkaar leren en kunnen lessen worden getrokken voor het beleid. In dit ontwerprapport staat beschreven hoe de LMP zal worden uitgevoerd. Aan de proeftuinen nemen veelal eerstelijnszorgorganisaties, ziekenhuizen en zorgverzekeraars deel. De proeftuinen voeren verschillende interventies uit, waarbij ze zich concentreren op de populatie in de betreffende regio en het daar aanwezige zorgaanbod. Deze regionale populatiegerichte aanpak wordt ook wel populatiemanagement genoemd. De LMP bevat een proces- en een uitkomstmonitor. De procesmonitor is gericht op de manier waarop de proeftuinen zijn vormgegeven, op de ervaringen van de verschillende betrokkenen en op welke factoren belemmerend of stimulerend werken voor het realiseren van de gewenste veranderingen. Hiervoor worden hoofdzakelijk interviews afgenomen. In de uitkomstmonitor wordt gemeten welke resultaten de proeftuinen behalen op de drie doelen gezondheid, kwaliteit van zorg en zorgkosten. Voor de uitkomstmonitor worden bestaande landelijke databronnen geanalyseerd. Daarnaast wordt een enquête uitgezet onder de populatie in de proeftuinregio's om informatie te verzamelen die niet uit deze bronnen te halen is. Begin 2015 volgt de eerste rapportage over de startfase van de proeftuinen en begin 2018 verschijnt de eindrapportage. Tussentijds zullen actualisaties worden uitgebracht.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Tetanus | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Epidemiology of Q fever in dairy goat herds in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Kinderverlamming (poliomyelitis anterior acuta) | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Difterie | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Pokken (variola major) | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Q-koorts (coxiellose) | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Kinkhoest (pertussis) | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Bof (parotitis epidemica) | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Vaccinaties | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Rodehond (rubella) | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Metabolomics profiling for identification of novel potential markers in early prediction of preeclampsia | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Middle East respiratory syndrome coronavirus (MERS-CoV) infections in two returning travellers in the Netherlands, May 2014 | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Campylobacteriosis in returning travellers and potential secondary transmission of exotic strains | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Problems experienced by older people when opening medicine packaging | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Relative risk of irritable bowel syndrome following acute gastroenteritis and associated risk factors | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
In 2012 is de totale uitstoot van broeikasgassen van Nederland, zoals CO2, methaan en lachgas, met ongeveer 1,7 procent gedaald ten opzichte van 2011. Deze daling komt vooral door een lager brandstofgebruik in de energie- en transportsector. Dit lijkt een gevolg van de economische recessie, waardoor emissies door elektriciteitsproductie en het wegtransport in Nederland zijn afgenomen. Cijfers De totale broeikasgasemissie wordt uitgedrukt in CO2-equivalenten en bedraagt in 2012 191,7 teragram (megaton of miljard kilogram) . Ten opzichte van de uitstoot in het Kyoto-basisjaar (213,2 Tg CO2-equivalenten) is dit een afname van ongeveer 10 procent. Het basisjaar, dat afhankelijk van het broeikasgas 1990 of 1995 is, dient voor het Kyoto-protocol als referentie voor de uitstoot van broeikasgassen. De uitstoot van de overige broeikasgassen zoals lachgas en methaan is sinds het basisjaar met 51 procent afgenomen. De CO2-uitstoot daarentegen is in deze periode met 4 procent gestegen. Landen zijn voor het Kyoto-protocol verplicht om de totale uitstoot van broeikasgassen op twee manieren te rapporteren: met en zonder het soort landgebruik en de verandering daarin. Dit is namelijk van invloed op de uitstoot van broeikasgassen. Voorbeelden zijn natuurontwikkeling (dat CO2 bindt) of ontbossing (waardoor CO2 wordt uitgestoten). In bovengenoemde getallen zijn deze zogeheten LULUCF-emissies (Land Use, Land Use Change and Forestry) niet meegenomen. Overige onderdelen inventarisatie Het RIVM stelt jaarlijks op verzoek van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM) de inventarisatie van broeikasgasemissies op. De inventarisatie bevat trendanalyses om ontwikkelingen in de uitstoot van broeikasgassen tussen 1990 en 2012 te verklaren, en een analyse van de onzekerheid in deze getallen. Ook is aangegeven welke bronnen het meest aan deze onzekerheid bijdragen. Daarnaast biedt de inventarisatie documentatie van de gebruikte berekeningsmethoden, databronnen en toegepaste emissiefactoren. Met deze inventarisatie voldoet Nederland aan de nationale rapportageverplichtingen voor 2012 van het Klimaatverdrag van de Verenigde Naties (UNFCCC), van het Kyoto-Protocol en van het Bewakingsmechanisme Broeikasgassen van de Europese Unie.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Mensen die in de zogeheten krimpregio's van Nederland wonen, hebben over het algemeen een minder goede gezondheid dan mensen in andere regio's. Uit onderzoek van het RIVM blijkt dat dit onder andere komt door de minder gunstige sociaal-economische situatie in deze regio's. Mensen met een lager inkomen of opleidingsniveau hebben vaak een slechtere gezondheid. Een andere oorzaak van de gezondheidsachterstanden is 'selectieve migratie'. Mensen die verhuizen, zijn doorgaans gezonder dan mensen die niet verhuizen. Als meer mensen uit een gebied vertrekken dan er zich vestigen, blijft een bevolkingsgroep over die minder gezond is. Dit is in de krimpregio's het geval. Het effect van selectieve migratie is mogelijk groter in de toekomst, omdat de bevolking in de krimpgebieden blijft afnemen en er ook meer krimpgebieden zullen ontstaan De krimpregio's zijn gebieden waar het aantal inwoners afneemt en liggen aan de randen van Nederland: Noordoost-Groningen, Zuid-Limburg en Zeeuws- Vlaanderen. Ongeveer 24 procent van de mensen in krimpgebieden voelt zich minder gezond, tegenover 19 procent elders in Nederland. Gezondheid is in dit onderzoek afgemeten aan de manier waarop mensen hun gezondheid ervaren. De ervaren gezondheid is namelijk een goede voorspeller van bijvoorbeeld zorggebruik en sterfte: mensen met een minder goede ervaren gezondheid, maken meer gebruik van zorgvoorzieningen en hebben een grotere kans om eerder te overlijden. De minder goede ervaren gezondheid in deze regio's, de vergrijzende bevolking en de afnemende bevolking zullen invloed hebben op de vraag naar zorg. Een aandachtspunt voor beleidsmakers is daarom in deze gebieden de zorg goed te laten aansluiten bij de behoefte. In deze dunbevolkte gebieden vereist dat soms andere voorzieningen dan in een stad, zoals zorg op afstand door de inzet van e-health. Een ander punt van aandacht zijn de gezondheidsachterstanden die gerelateerd zijn aan de sociaal-economische status van inwoners van krimpregio's. Tot op heden krijgen sociaal-economische gezondheidsverschillen in Nederland vooral aandacht in buurten (bijvoorbeeld krachtwijken) van grotere steden.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
2013 European Guideline on the management of proctitis, proctocolitis and enteritis caused by sexually transmissible pathogens | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Uncertainty of population risk estimates for pathogens based on qmra or epidemiology: A case study of campylobacter in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Safety management of safety performance-what factors to measure? | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
The QSPR-THESAURUS: The online platform of the CADASTER project | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Self-reported whole-grain intake and plasma alkylresorcinol concentrations in combination in relation to the incidence of colorectal cancer | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Programming of metabolic effects in C57BL/6JxFVB mice by exposure to bisphenol A during gestation and lactation | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Macrolides and lincosamides in cattle and pigs: Use and development of antimicrobial resistance | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Neurosyphilis in the mixed urban-rural community of the Netherlands | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Experimental and theoretical studies in the EU FP7 Marie Curie Initial Training Network Project, Environmental ChemOinformatics (ECO) | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Towards sustainable management of groundwater: Policy developments in The Netherlands | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Cross-sectional associations of objectively measured physical activity, cardiorespiratory fitness and anthropometry in European adults | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Population- and type-specific clustering of multiple HPV types across diverse risk populations in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Multimorbidity of chronic diseases and health care utilization in general practice | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
In vivo methods for drug absorption - Comparative physiologies, model selection, correlations with in vitro methods (IVIVC), and applications for formulation/API/excipient characterization including food effects | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
The soil-water system as basis for a climate proof and healthy urban environment: Opportunities identified in a Dutch case-study | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Global population structure and evolution of Bordetella pertussis and their relationship with vaccination | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
The application of QSAR approaches to nanoparticles | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Advancing the 3Rs in regulatory toxicology - Carcinogenicity testing: Scope for harmonisation and advancing the 3Rs in regulated sectors of the European Union | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
A novel approach - The propensity to propagate (PTP) method for ontrolling for host factors in studying the transmission of mycobacterium tuberculosis | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Gene-lifestyle interaction and type 2 diabetes: The EPIC InterAct Case-Cohort Study | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Urban air quality: The challenge of traffic non-exhaust emissions | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
The influence of population aging and size on the number of CT examinations in The Netherlands | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Identifying important life stages for monitoring and assessing risks from exposures to environmental contaminants: Results of a World Health Organization review | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Influenza at the animal-human interface: a review of the literature for virological evidence of human infection with swine or avian influenza viruses other than A(H5N1) | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Intestinal immunity is a determinant of clearance of poliovirus after oral vaccination | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Hoewel het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen in Nederland daalt, worden ze bij verschillende teelten intensief gebruikt. Omwonenden van bijvoorbeeld akkerbouw-, fruitteelt- en bloembolpercelen maken zich zorgen over een eventuele blootstelling aan deze middelen en de gevolgen daarvan. Soms richten zij zich met hun zorgen tot de GGD. Om GGD'en te helpen deze vragen te beantwoorden heeft het RIVM een informatieblad over gewasbeschermingsmiddelen opgesteld. Hierin is de beschikbare kennis samengevat die nuttig is voor de GGD. Het informatieblad bevat onder andere informatie over typen bestrijdingsmiddelen, de wijze waarop deze producten officieel worden toegelaten, welke regelgeving daarbij hoort, en welke lacunes in de toelatingsprocedure zitten. Zo is de toelatingsprocedure voor de middelen toegespitst op de risico's voor de toepasser; risico's voor omwonenden worden niet afzonderlijk beoordeeld. Aangezien het nog onduidelijk is in welke mate zij worden blootgesteld, heeft de Gezondheidsraad begin 2014 geadviseerd om de blootstelling van omwonenden te onderzoeken. Het informatieblad is voor een groot deel gebaseerd op dit advies van de Gezondheidsraad. Hierin staat actuele kennis over gewasbeschermingsmiddelen, blootstellingen voor omwonenden en gezondheidseffecten daarvan. Hierin staat onder andere dat gegevens uit het buitenland over blootstelling en gezondheidseffecten niet direct naar Nederland zijn te vertalen. Dat komt door verschillen in de landbouwpraktijk, klimaat en type middelen. In het informatieblad is ook aandacht voor biociden (bestrijdingsmiddelen buiten de landbouw), omdat daarover regelmatig vragen aan de GGD worden gesteld.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
A range finding protocol to support design for transcriptomics experimentation: examples of in-vitro and in-vivo murine UV exposure | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
50 years of newborn screening | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Disease outbreaks associated with untreated recreational water use | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Emergence of Escherichia coli encoding Shiga toxin 2f in human Shiga toxin-producing E. coli (STEC) infections in the Netherlands, January 2008 to December 2011 | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Reinfection by untreated partners of people treated for Chlamydia trachomatis and Neisseria gonorrhoeae: mathematical modelling study | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Tobacco control policies specified according to socioeconomic status: health disparities and cost-effectiveness | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Sinds de jaren negentig wordt internationaal onderzoek verricht naar 'duurzaam stortbeheer'. Het idee hierachter is dat de bron, de stortplaats zelf, schoner wordt, zodat er minder verontreinigingen uit de stortplaatsen kunnen weg lekken. Op deze manier worden de bodem en het nabijgelegen grondwater beschermd. Tot nu toe zijn er nog geen technieken beschikbaar waarvan het effect op grote schaal bewezen is. In dat verband heeft het RIVM, in samenwerking met Energieonderzoek Centrum Nederland (ECN), onderzoek gedaan voor drie vuilstortlocaties in Nederland. Voor deze locaties zijn 'emissietoetswaarden' afgeleid, waarmee kan worden vastgesteld hoeveel schadelijke stoffen er maximaal in het water afkomstig van de stortplaats mag zitten. Bij duurzaam stortbeheer wordt het afval geïnfiltreerd met water en lucht. Hierdoor treden er processen op die stimuleren dat de verontreinigingen in de stortplaats worden afgebroken of zich binden aan stoffen in het afval. Na een proefperiode van tien jaar zouden de nog aanwezige concentraties in de stortplaats lager moeten zijn. Het gaat om concentraties van organische stoffen (zoals PAK's), anorganische stoffen (zoals metalen) en 'macro-parameters' als nitraat, fosfaat en chloride. Het 'vertrekpunt' bij de berekening van de emissietoetswaarden zijn de maximaal toegestane concentraties van verontreinigende stoffen in het grondwater en oppervlaktewater dat zich naast de stortplaatsen bevindt. Vandaaruit zijn deze concentraties omgerekend naar de hoeveelheden die het water dat afkomstig is van de stortplaats (percolaat) zou mogen bevatten. Hierbij is rekening gehouden met de mate waarin stoffen in het grond- en oppervlaktewater worden verdund, door bijvoorbeeld regenwater of nabijgelegen grondwater. Ook kunnen stoffen zich binden aan bodemdeeltjes. Het huidige beleid voor het beheer van stortplaatsen is erop gericht om verontreinigingen in het afval volledig water- en luchtdicht in te pakken (zowel aan de boven- als aan de onderkant). Op deze manier is het risico zo klein mogelijk gemaakt dat de bodem en het grondwater verontreinigd raken. Een nadeel is dat eeuwigdurende en omvangrijke nazorg nodig is. Aangezien de verontreiniging niet wordt afgebroken, moeten de isolatiematerialen die op den duur poreus worden en gaan lekken, regelmatig worden vervangen. Hieraan zijn aanzienlijke kosten verbonden.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
De Nederlandse overheid pakt Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS) met voorrang aan. Het RIVM heeft verkend met welke indicator de effectiviteit van dit beleid op eenvoudige wijze kan worden getoetst. De 'ideale' indicator bestaat nog niet, zo blijkt. De effectiviteit van het beleid rond ZZS is niet in een enkele indicator te vatten. Een combinatie van deelindicatoren geeft meer inzicht. ZZS Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS) zijn stoffen die gevaarlijk zijn voor mens en milieu, omdat ze bijvoorbeeld kankerverwekkend zijn, het voortplantingsproces schaden of zich in de voedselketen ophopen. Voorbeelden van ZZS zijn het oplosmiddel benzeen en broomhoudende vlamvertragers. Doel van het overheidsbeleid is om deze stoffen zoveel mogelijk uit de Nederlandse leefomgeving te weren. Dit gebeurt onder meer door in vergunningen regels te stellen voor lozingen op water en uitstoot naar de lucht. Indicatoren Het RIVM heeft drie kwantitatieve indicatoren onderzocht, gebaseerd op beschikbare gegevens, om de effectiviteit van het ZZS-beleid te toetsen: aantallen ZZS en tonnageniveaus, de frequentie waarmee de norm voor ZZS worden overschreden, en de omvang van emissies van ZZS. Voor iedere indicator zijn de specifieke voordelen en aandachtspunten beschreven. Daarnaast is bekeken aan welke eisen een indicator moet voldoen om de invloed van ZZS op volksgezondheid te monitoren. Beperkte gegevens De toepasbaarheid van de indicatoren staat of valt met betrouwbare gegevens. Het is echter meestal niet precies bekend wat de productie- en gebruiksvolumes zijn van ZZS in Nederland. Dit soort informatie is vaak vertrouwelijk. Voor de meeste ZZS ontbreken bovendien gegevens over emissies naar en concentraties in het milieu. Aangezien diverse meetnetwerken van de Rijksoverheid eerder zullen krimpen dan groeien, zal de hoeveelheid beschikbare informatie naar verwachting eerder af- dan toenemen. Ook is niet van alle stoffen precies bekend wat de schadelijke eigenschappen van stoffen zijn en bij welke concentraties die zich voordoen. Deze factoren hebben grote invloed op de mogelijkheden voor kwantitatieve indicatoren voor ZZS. Kwalitatieve indicatoren Naast kwantitatieve indicatoren kunnen ook kwalitatieve indicatoren worden ontwikkeld om de voortgang van het ZZS-beleid te toetsen. Een kwalitatieve indicator geeft bijvoorbeeld informatie over het bewustzijn onder stakeholders of burgers over de aanwezigheid van stoffen in het milieu, of de bekendheid met het ZZS-beleid onder vergunningverleners.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Op verzoek van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) heeft het RIVM een overzicht gemaakt van de branches die smeermiddelen produceren, importeren, distribueren, of deze op industriële schaal gebruiken bij de productie van machines, transportmiddelen, onderdelen, et cetera. Daarnaast is informatie over smeermiddelen en additieven verzameld, zoals welk soort stoffen hiervoor worden gebruikt en welke stoffen niet meer zijn toegestaan. Ten slotte is informatie verzameld over de naleving van de Europese stoffenregelgeving en eventuele problemen daarbij. De ILT wil de resultaten gebruiken om aandachtspunten in beeld te krijgen bij het toezicht op de naleving van stoffenregelgeving door de doelgroepen in de keten van smeermiddelen. Smeermiddelen bestaan doorgaans uit minerale basisoliën, vetten of wassen, met diverse additieven. Behalve in machines, apparaten en transportmiddelen worden smeermiddelen ook gebruikt in de vorm van metaalbewerkingsvloeistoffen en als kunststofadditieven in de kunststofverwerkende industrie. De belangrijkste grondstoffen voor smeermiddelen, namelijk minerale basisoliën, worden geproduceerd door raffinaderijen. Diverse bedrijven in Nederland maken vervolgens de smeermiddelen door deze basisoliën met additieven te vermengen (blenden). Het gaat om grote aardoliemaatschappijen, bedrijven die smeermiddelen voor diverse leveranciers onder eigen label maken, en een aantal kleine bedrijven die ze op kleine schaal produceren. Smeermiddelen worden in Nederland voor een groot deel via de brandstoffen- en oliehandel gedistribueerd. Afgewerkte (smeer)oliën worden door enkele bedrijven weer opgewerkt tot onder andere nieuw inzetbare basisolie voor smeermiddelen. Een aandachtspunt hierbij is te voorkomen dat daarbij ongewenste stoffen in de smeermiddelenketen worden gebracht. Bij de branchevereniging van smeerolieondernemingen in Nederland (VSN) zijn geen problemen bekend bij de registratie van stoffen en het opstellen van veiligheidsinformatiebladen. Zowel de Nederlandse als de Europese brancheverenigingen bieden de leden actieve voorlichting en ondersteuning op dit gebied. De kennis over de wettelijke verplichtingen over de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels, ligt bij de groothandel in smeermiddelen en oliën onder het gemiddelde ten opzichte van andere branches. Deze informatie is verzameld op basis van literatuuronderzoek en interviews met brancheverenigingen.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Het European Centre for Disease Prevention and Control (ECDC) in Stockholm werkt aan een methode om de huidige en toekomstige ziektelast van infectieziekten te bepalen. De ziektelast is de hoeveelheid jaren van gezondheid die verloren gaan. Het is de bedoeling om tot een methode te komen waarmee alle lidstaten van de Europese Unie plus Noorwegen, IJsland en Liechtenstein de ziektelast in kaart kunnen brengen. Hiermee kunnen gegevens en ontwikkelingen daarin beter met elkaar worden vergeleken. Met kennis over de ziektelast kan beter worden afgewogen welke infectieziekten in het Europese beleid de meeste aandacht behoeven. Om tot een goed onderbouwde aanpak te komen heeft het RIVM een overzicht gemaakt van methodologische vraagstukken en de voor- en nadelen van diverse methoden. Daarnaast is beschreven welke gegevens nodig zijn om de ziektelast van infectieziekten te kunnen bepalen. Ook zijn diverse kwesties beschreven die van invloed kunnen zijn op ziektelastschattingen. Voorbeelden zijn onderrapportage, effecten van (preventieve) interventies, zoals medische therapieën, screenings- of vaccinatieprogramma's, en langetermijngevolgen van infecties, zoals kanker en andere chronische ziekten. Daarnaast zijn bepaalde ontwikkelingen meegenomen die van invloed kunnen zijn op de toekomstige ziektelast. Het gaat hierbij onder andere om de samenstelling van de bevolking (leeftijden) en ontwikkelingen in de samenleving (zoals reisgedrag waardoor infectieziekten zich kunnen verspreiden). Op basis van dit overzicht is in 2011 een methode voorgesteld waarbij onder andere de ziekteverwekker centraal staat en niet de aandoening. Bovendien kunnen de effecten van ziekte en sterfte op de ziektelast tezamen in één getal worden weergegeven in plaats van apart. Het RIVM heeft een leidende rol in deze keuze gehad, in samenwerking met een consortium van enkele landen.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Prospective seroepidemiologic study on the role of Human Papillomavirus and other infections in cervical carcinogenesis: Evidence from the EPIC cohort | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Dietary intake of acrylamide and esophageal cancer risk in the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition cohort | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
The disease burden of hepatitis B, influenza, measles and salmonellosis in Germany: first results of the Burden of Communicable Diseases in Europe Study | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Coffee and tea consumption, genotype-based CYP1A2 and NAT2 activity and colorectal cancer risk-Results from the EPIC cohort study | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Smoking as a major risk factor for cervical cancer and pre-cancer: Results from the EPIC cohort | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
De industrie heeft een veelheid aan supplementen ontwikkeld die specifiek voor ouderen zijn. Sommige van deze supplementen bevatten hoge doseringen van bepaalde vitaminen en mineralen. Deze doseringen blijven onder de 'maximaal aanvaardbare bovengrens' (Upper Limit), en zijn meestal niet hoger dan drie keer de aanbevolen dagelijkse hoeveelheid (ADH). Uit onderzoek van het RIVM blijkt dat deze supplementen niet schadelijk zijn voor de gezondheid. Verder zijn er in supplementen voor ouderen hoge doseringen gevonden van stoffen waarvoor geen UL bestaat: B-vitamines, vitamine C en ijzer. Daardoor kunnen voor deze stoffen geen conclusies worden getrokken over de veiligheid van de doseringen. In algemene zin is daarom voorzichtigheid geboden als deze producten langere tijd worden gebruikt. Er zijn algemene supplementen op de markt, niet specifiek gericht op ouderen, die een dosering bevatten boven de Upper Limit. Ook ouderen kunnen deze producten gebruiken. Het gaat om bepaalde preparaten die hoge gehalten bevatten van de vitaminen foliumzuur, B6, D en E, en de mineralen zink en selenium. Het is niet uitgesloten dat een te hoge inname van de vitaminen B6 en E op de lange termijn schadelijk kan zijn voor de gezondheid en het welzijn van ouderen. Te hoge doseringen van vitamine B6 kan neurologische klachten veroorzaken, het gebruik van te veel vitamine E kan bloedstollingen veroorzaken. Samenvattend, supplementen die specifiek voor ouderen ontwikkeld zijn, kunnen beschouwd worden als niet gevaarlijk. Er zijn echter een aantal producten verkrijgbaar die niet specifiek op ouderen gericht zijn maar die wel door ouderen gebruikt kunnen worden, die de Upper Limit van toxiciteit overschrijden. Dagelijks gebruik van deze producten gedurende langere perioden is mogelijk schadelijk voor de gezondheid van ouderen. Voor dit onderzoek zijn alle supplementen die ouderen kunnen gebruiken geïnventariseerd.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Investigation of the presence of prednisolone in bovine urine | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Roles of scientists as policy advisers on complex issues: A literature review | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Acute toxicity of high concentrations of carbon dioxide in rats | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Positive health effects of the natural outdoor environment in typical populations in different regions in Europe (PHENOTYPE): A study programme protocol | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Matrin 3 co-immunoprecipitates with the heat shock proteins glucose-regulated protein 78 (GRP78), GRP75 and glutathione S-transferase pi isoform 2 (GST?2) in thymoma cells | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Afval afkomstig van elektrische- en elektronische apparaten kan gebromeerde brandvertragers bevatten. De hoogste concentraties worden vooral aangetroffen in de kunststofkasten van oude televisies en computers. Ook kunststofonderdelen van bijvoorbeeld toetsenborden, computermuizen en telefoons kunnen hoge concentraties aan dergelijke brandvertragers bevatten. Gebromeerde brandvertragers kunnen vrijkomen als deze onderdelen van afgedankte apparaten opnieuw worden gebruikt. Ze kunnen dan een risico vormen voor mens en milieu. Gebromeerde brandvertragers zijn vanwege hun stofeigenschappen slecht afbreekbaar (persistent), schadelijk, giftig, mogelijk kankerverwekkend en gevaarlijk voor het milieu. Ook indirect vormen ze een risico als het elektronicaafval in de open lucht onvolledig verbrandt in plaats van in daarvoor geschikte afvalverbrandingsinstallaties. Bij een onvolledige verbranding worden gebromeerde brandvertragers namelijk omgezet in gevaarlijke gebromeerde dioxinen. Het is daarom van belang dat ze volgens Europese wetgeving worden verwerkt. Dit blijkt uit literatuuronderzoek van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), in opdracht van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT). Sinds 2002 zijn inzamelaars en verwerkers verplicht om gebromeerde brandvertragers uit elektronica-afval te verwijderen volgens Europese wetgeving. Om hierop te kunnen toezien en handhaven heeft de ILT behoefte aan grenswaarden voor gebromeerde brandvertragers. Hetzelfde geldt voor een effectieve meetmethode om te bepalen of een apparaat gebromeerde brandvertragers bevat. Op basis van de huidige inzichten blijkt slechts voor vier van circa tien veelgebruikte stoffen bindende grenswaarden zijn af te leiden. Verder blijken er meerdere meetmethoden te bestaan, waarvan de meeste echter nog nauwelijks zijn gevalideerd. Het RIVM stelt voor om de huidige screeningsmethode van de ILT voor broom, de zogeheten XRF-analyse, te combineren met een specifieke analyse om de aanwezigheid van broomhoudende brandvertragers te bepalen.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM controleert maximaal achtmaal per jaar de metingen van COVRA. Het gaat hierbij om lozingen van radioactiviteit in water en lucht. De contraexpertise onderbouwt de betrouwbaarheid van de analyses die COVRA uitvoert. De overeenstemming in de gammaspectrometrische resultaten, de totaal-alfa, totaal-beta, 3H- en 14C-resultaten in afvalwater was overwegend goed. Gezien het feit dat RIVM en COVRA verschillende meetprincipes toepassen komen de totaal bèta meetwaarden van RIVM en de rest-bèta meetwaarden van COVRA in 2012 goed overeen. De overeenstemming tussen RIVM en COVRA betreffende de ventilatieluchtresultaten van AVG en HABOG is eveneens overwegend goed. Het RIVM heeft in 2012 zes afvalwatermonsters en acht monsters van ventilatielucht van zowel het afvalverwerkingsgebouw als het HABOG geanalyseerd, die verspreid over het jaar door COVRA zijn genomen. Opdrachtgever is de Kernfysische Dienst van de Inspectie Leefomgeving en Transport, Ministerie van Infrastructuur en Milieu.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM controleert achtmaal per jaar de metingen van de verrijkingsfabriek Urenco te Almelo. Het gaat hierbij om lozingen van radioactiviteit in water en lucht. De contra-expertise onderbouwt de betrouwbaarheid van de analyses die Urenco uitvoert. Uit de metingen blijkt dat er in het afvalwater doorgaans een (zeer) lage totaal alfa en totaal bèta activiteit aanwezig is. De totaal alfa en totaal bèta resultaten in afvalwater komen redelijk tot goed overeen, zo ook in 2012. De radioactiviteit in ventilatielucht ligt zeer dicht bij het niveau van de hoeveelheid radon die van nature in buitenlucht aanwezig is. Voor totaal alfa is een activiteitsconcentratie van 0,008 - 0,06 mBq.m-3 gevonden en voor totaal bèta 0,02 - 0,46 mBq.m-3. De overeenstemming met de meetwaarden van Urenco was matig. Gelet op de natuurlijke totaal-bèta activiteit die veroorzaakt wordt door radondochters en de verhouding tussen de totaal alfa en totaal bèta activiteit, is het aannemelijk dat er in 2012 geen vrijzetting van uraan in ventilatielucht heeft plaatsgevonden. Het RIVM heeft in acht afvalwatermonsters en 40 monsters van ventilatielucht, die verspreid over het jaar 2012 door Urenco zijn afgenomen, de totaal alfa en totaal bèta activiteit bepaald. Deze bepaling is een snelle manier om een eventuele lozing van uraan naar het milieu aan te tonen. Opdrachtgever is de Kernfysische Dienst van de Inspectie Leefomgeving en Transport, Ministerie van Infrastructuur en Milieu.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Het ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM) wil nieuwe milieugezondheidsrisico's vroegtijdig en gestructureerd signaleren om tijdig te kunnen handelen. In 2011 is daarom aan verschillende maatschappelijke groepen (nongouvernementele organisaties, bedrijfsleven en wetenschap) gevraagd welke nieuwe milieugezondheidsrisico's zij belangrijk vinden om in de peiling te houden. Het RIVM heeft in 2012 en 2013 het wetenschappelijke perspectief voor zijn rekening genomen, door een jaar lang te volgen welke signalen uit de wetenschap naar voren komen. Daarnaast geeft het een nieuw overzicht van signalen, waarbij aandacht is voor de nieuwe vorm van signalering, de zogeheten horizonverkenning. Het blijkt dat er veel activiteiten zijn om mogelijke nieuwe milieugezondheidsrisico's te signaleren. De afstemming en uitwisseling van kennis tussen wetenschap, maatschappij en beleid blijft echter een verbeterpunt. Op structurele basis worden risico's gesignaleerd op het gebied van (drink)water, luchtverontreiniging, nanotechnologie, straling en elektromagnetische velden. Dit geldt echter niet voor bodem, geluid en binnenmilieu. Om de samenwerking te stimuleren adviseert het RIVM een multidisciplinair platform op te richten. Dit platform kan signalen verzamelen en het eventuele risico ervan beoordelen. Uit de inventarisatie van de wetenschappelijke signalering blijkt dat gesprekken met experts sneller en completere informatie leveren dan wanneer het RIVM zelf literatuurattenderingen bijhoudt. Het RIVM heeft verder een onderscheid gemaakt tussen twee signaleringsvormen. De eerste, meest voorkomende vorm is reactieve signalering, waarbij nieuwe inzichten over bekende stoffen en bronnen worden gesignaleerd. Dit zijn risico's die nu al zichtbaar zijn, zoals antibiotica in drinkwater. De tweede manier van signaleren is een meer verkennende blik in de toekomst: horizonverkenning. Het betreft nieuwe ontwikkelingen waarvan de effecten nog onbekend zijn, bijvoorbeeld technologische ontwikkelingen zoals de inzet van nieuwe energiebronnen en duurzame bouw. Om tijdig te kunnen handelen is het wenselijk dat dit structureler gebeurt.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM controleert achtmaal per jaar de metingen van de kerncentrale Borssele. Het gaat hierbij om lozingen van radioactiviteit in water en lucht. De contra-expertise onderbouwt de betrouwbaarheid van de analyses die de kerncentrale uitvoert. Doorgaans komen de analyses overeen, zo ook in 2012. Enkele verschillen in dat jaar betreffen radionucliden in afvalwater met een grote neiging tot adsorptie aan vaste deeltjes. Deze verschillen komen voort uit de inhomogene verdeling van activiteit in een watermonster en zijn daardoor nauwelijks kleiner te maken. De vergelijking in de 3H data in afvalwater was redelijk, maar kan nog verbeterd worden. In ventilatielucht is slechts in twee monsters door RIVM een zeer lage concentratie aan 131I aangetroffen en wel onder de detectiegrens van KCB. De data voor 3H en 14C in ventilatielucht zijn vertraagd door de tijdrovende validatie van de uitstookmethode door het RIVM. Deze data worden in 2014 door RIVM gerapporteerd. Het RIVM heeft in 2012 acht afvalwatermonsters en acht monsters van ventilatielucht geanalyseerd, die verspreid over het jaar gedurende een week door KCB zijn genomen. Opdrachtgever is de Kernfysische Dienst van de Inspectie Leefomgeving en Transport, Ministerie van Infrastructuur en Milieu.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM controleert achtmaal per jaar de metingen van de uit bedrijf genomen kernenergiecentrale Dodewaard. Het gaat hierbij om lozingen van radioactiviteit in ventilatielucht. De contra-expertise onderbouwt de betrouwbaarheid van de analyses die de kernenergiecentrale uitvoert. Doorgaans komen de analyses overeen, zo ook in de periode 2012. RIVM en de kernenergiecentrale vonden geen gamma-stralers in ventilatielucht. De kernenergiecentrale is sinds 1997 buiten bedrijf en is in juli 2005 in de fase Veilige Insluiting overgegaan. Het voornemen is om de kernenergiecentrale over veertig jaar, als de radioactiviteit sterk is afgenomen, te ontmantelen. RIVM heeft in de periode 2012 acht monsters van ventilatielucht geanalyseerd op gamma activiteit, die verspreid over het jaar zijn genomen. Tevens is er in monsters van ventilatielucht de activiteit van 3H bepaald. Er is door RIVM geen gamma-activiteit, en slechts een zeer geringe 3H activiteit aangetroffen. Hoogstwaarschijnlijk zijn deze minieme 3H sporen afkomstig uit de poriën van het gebouw zelf. Er is geen afvalwater geloosd in de periode 2012. Opdrachtgever is de Kernfysische Dienst van de Inspectie Leefomgeving en Transport van het ministerie van Infrastructuur en Milieu.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM controleert achtmaal per jaar de metingen van NRG. Het gaat hierbij om lozingen van radioactiviteit in water en lucht. De contra-expertise onderbouwt de betrouwbaarheid van de analyses die NRG uitvoert. Ook in 2012 komen de analyses in afvalwater goed overeen, met name voor de gammaspectrometrie en totaal-alfa resultaten. Enkele structurele verschillen in dat jaar betreffen de totaal-beta metingen in afvalwater; RIVM meet altijd veel lager dan NRG. Dit wordt deels verklaard door het feit dat er veel kortlevende beta-stralers in het afvalwater aanwezig zijn, en deels door verschillen in de meetmethoden die NRG en RIVM toepassen. De overeenstemming in de tritium resultaten in afvalwater is goed. De resultaten behaald door NRG en RIVM in ventilatieluchtmonsters zijn in goede overeenstemming. De totaal-alfa en totaal-bèta resultaten zijn alle op of dicht bij de detectiegrens en verschillen niet significant van de waarden die in buitenlucht in Bilthoven worden aangetroffen. Het RIVM heeft in 2012 acht afvalwatermonsters en acht monsters van ventilatielucht geanalyseerd, die verspreid over het jaar gedurende een week door NRG zijn genomen. Opdrachtgever is de Kernfysische Dienst van de Inspectie Leefomgeving en Transport van het ministerie van Infrastructuur en Milieu.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Aan sommige voedingsmiddelen, zoals bepaalde likeuren, donkere bieren, en koekjes, worden karamelkleurstoffen (E150) toegevoegd om het product een bruine kleur te geven. Er is nu een verfijndere manier beschikbaar om te berekenen in welke mate consumenten aan deze kleurstof blootstaan. Deze verbeterde berekening was mogelijk omdat de industrie gegevens beschikbaar heeft gesteld over de werkelijke gehalten aan karamelkleurstoffen per product dat op de Nederlandse markt verkrijgbaar is. Deze gehalten zijn vervolgens gekoppeld aan de dagelijkse consumptie van deze producten. De blootstelling voor volwassenen valt dan lager uit dan bij eerdere berekeningen; voor kinderen is er geen aantoonbaar verschil. Dit blijkt uit een studie van het RIVM. Het is van belang om na te gaan of de blootstelling aan kleurstoffen binnen de veilige marge valt, omdat een overschrijding de gezondheid mogelijk kan schaden. Voorheen werd voor een bepaald product dat minder of geen E150 bevat (bijvoorbeeld pils) gekeken naar de hoogste concentratie van de kleurstof in een bredere productgroep (bijvoorbeeld ' alle bieren inclusief bruin bier', dat hogere gehalten E150 bevat). Voor deze soorten producten wordt dan een hogere blootstelling aan E150 geschat dan feitelijk het geval is. Meerdere partijen zijn gebaat bij de verfijndere methode. De risicomanager (het ministerie van VWS) hoeft geen kostbaar monitoringsprogramma op te zetten dat op metingen is gebaseerd. Daarnaast beschikken de blootstellingsdeskundigen over nauwkeurigere gegevens. Ten slotte zijn zowel de overheid als de industrie gebaat bij een realistische inschatting. Zowel de overheid als industrie hoeven bijvoorbeeld geen maatregelen te nemen om de risico's van een overschrijding tegen te gaan in die gevallen waarbij dat in feite onnodig was. Het onderzoek is uitgevoerd op initiatief van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en de Federatie Nederlandse Levensmiddelen Industrie (FNLI). Het draagt bij aan de ontwikkeling van een nieuw monitoringssysteem voor additieven en smaakstoffen dat ook voor alle EU-landen kan worden gebruikt.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Al enkele jaren is er wereldwijd behoefte om de risicobeoordeling van chemische stoffen te vernieuwen. Het RIVM is verantwoordelijk voor de risicobeoordeling van chemische stoffen en is daarom betrokken bij deze vernieuwing. Om hieraan bij te kunnen dragen heeft het RIVM geïnventariseerd wat de sterke en zwakke punten zijn van het huidige systeem. Op die manier worden beperkingen en hiaten duidelijk, evenals de essentiële elementen die behouden moeten blijven. Uit deze inventarisatie blijkt dat er meer inzicht nodig is over de mate waarin mensen worden blootgesteld aan stoffen. Dit is nodig om de risico's voor mensen te kunnen schatten en de veiligheid van stoffen te kunnen waarborgen. Bovendien moet zo min mogelijk gebruik gemaakt worden van proefdieren, zonder dat dit ten koste gaat van de veiligheid van mensen. Een sterk punt van de huidige risicobeoordeling is dat een breed scala van schadelijke effecten vastgesteld wordt. Daarnaast maakt het systeem duidelijk bij welke dosis een stof schadelijke effecten veroorzaakt. Dit is belangrijke informatie om grenswaarden te bepalen. Verder biedt het huidige systeem de mogelijkheid om te schatten in welke mate mensen aan de desbetreffende stof zijn blootgesteld. Bruikbare gegevens over die blootstelling zijn echter niet altijd beschikbaar en dat is een van de zwakke punten van het huidige systeem. Andere zwakke punten zijn het gebruik van proefdieren en het ontbreken van geschikte methodieken voor complexe stoffen. Ook is niet zeker of het systeem álle nadelige effecten op de gezondheid afdekt en is er onvoldoende kennis over gevoelige groepen in de bevolking die mogelijk een hoger risico lopen.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Initial evaluation of use of an online partner notification tool for STI, called 'suggest a test': a cross sectional pilot study | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Associated factors of estimated desaturase activity in the EPIC-Potsdam study | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Prostate cancer (PCa) risk variants and risk of fatal PCa in the National Cancer Institute Breast and Prostate Cancer Cohort Consortium | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
E-learning enables parents to assess an infantile hemangioma | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Changes in weight and health-related quality of life. The Doetinchem Cohort Study | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Preterm birth, infant weight gain, and childhood asthma risk: A meta-analysis of 147,000 European children | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Nieuw onderzoek naar diagnostiek van STEC en HUSEC: STEC-ID-net | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Environmental burden of disease in Europe: assessing nine risk factors in six countries | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Cohort profile: The Prevention and Incidence of Asthma and Mite Allergy (PIAMA) birth cohort | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Optimization of standard in-house 24-locus variable-number tandem-repeat typing for Mycobacterium tuberculosis and its direct application to clinical material | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Coxiella burnetii seroprevalence and risk factors in sheep farmers and farm residents in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Bordetella pertussis proteins dominating the major histocompatibility complex class II-presented epitope repertoire in human monocyte-derived dendritic cells | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
A weak sense of coherence is associated with a higher mortality risk | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Two major mumps genotype G variants dominated recent mumps outbreaks in the Netherlands (2009-2012) | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Global guidance on environmental life cycle impact assessment indicators: findings of the scoping phase | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Legionnaires' disease after using an industrial pressure test pump: A case report | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Are the specialized bird ticks, Ixodes arboricola and I. frontalis, competent vectors for Borrelia burgdorferi sensu lato? | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Smoking and older age associated with mumps in an outbreak in a group of highly-vaccinated individuals attending a youth club party, the Netherlands, 2012 | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Trends in hepatitis C virus infections among MSM attending a sexually transmitted infection clinic; 1995-2010 | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Equity in human papilloma virus vaccination uptake?: sexual behaviour, knowledge and demographics in a cross-sectional study in (un)vaccinated girls in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Plasma alkylresorcinol concentrations, biomarkers of whole-grain wheat and rye intake, in the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition (EPIC) cohort | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Health responses to a new high-voltage power line route: design of a quasi-experimental prospective field study in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Chikungunya outbreak in the Caribbean region, December 2013 to March 2014, and the significance for Europe | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Physicochemical characteristics of nanomaterials that affect pulmonary inflammation | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
December 2023: De uitspraken van het RIVM in dit rapport hebben betrekking op de ontwikkelingen op gebied van wetgeving en drugsbeleid die op dat moment speelden. Inmiddels is deze context veranderd. Het RIVM heeft geen onderzoek gedaan over de nieuwe wetgeving en kan hier derhalve geen uitspraken over doen. Wettelijke mogelijkheden om designer drugs te verbieden Het RIVM heeft op verzoek van het ministerie van VWS een overzicht gemaakt van de wetgeving in Europa ten aanzien van het gebruik, de productie, verkoop of distributie van designer drugs. Ook zijn de voor- en nadelen geïnventariseerd van de verschillende wettelijke mogelijkheden. Per jaar verschijnen ongeveer vijftig nieuwe designer drugs op de Europese markt, die bijna allemaal weer binnen enkele maanden van de markt verdwijnen. Verschillende Europese lidstaten dringen daarom aan op een Europese procedure om middels wetgeving om deze drugs snel te kunnen verbieden. Het kost nu in sommige lidstaten enkele maanden om een verbod op een nieuwe drug wettelijk te regelen, zodat niet direct kan worden ingegrepen en de lidstaten verschillen sterk in wet- en regelgeving. Het blijkt dat er in de verschillende Europese landen vanuit hun huidige wetgeving reeds diverse mogelijkheden zijn om de productie en verkoop van designer drugs te verbieden. Voorbeelden zijn een verbod via de zogeheten generieke wetgeving en de geneesmiddelenwet, en een verbod via een noodprocedure waarmee snel kan worden ingegrepen als zich fatale incidenten voordoen. Opsporingsdiensten lijken daar echter onvoldoende gebruik van te maken omdat ze er niet goed bekend mee zijn. Met de zogeheten generieke wetgeving worden groepen van stoffen op voorhand - op basis van chemischstructurele gelijkenis met verboden stoffen - direct verboden. In Nederland wordt de generieke wetgeving niet toegepast. Als een verbod op designer drugs via generieke wetgeving wordt ingevoerd, kan dat echter onbedoeld nadelige gevolgen hebben, zoals minder zicht op het gebruik. Daarnaast blijkt de opsporing vaak moeilijk en veroorzaakt het een stijging van de kosten van de handhaving en het strafrechtelijk systeem. Dit komt omdat generieke wetgeving is gebaseerd op de gelijkenis van onbekende - vaak complexe - chemische verbindingen met bekende stoffen waardoor het leveren van de bewijslast een complex, en daarmee een tijdrovend en duur, proces is.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Recombinant hybrid proteins from pertactin type 1 and 2 of Bordetella pertussis are more immunogenic in mice than the original molecules | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Risk policies and risk perceptions: A comparative study of environmental health risk policy and perception in six European countries | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Human risk assessment of contaminated soils by oil products: total TPH content versus fraction approach | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Meningococcal serogroup Y lpxL1 variants from South Africa are associated with clonal complex 23 among young adults | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Q fever in the Netherlands: public perceptions and behavioral responses in three different epidemiological regions: a follow-up study | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
T cell responses to viral infections - opportunities for peptide vaccination | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Correlations between peripheral blood coxiella burnetii DNA load, interleukin-6 levels, and C-reactive protein levels in patients with acute Q fever | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Animal models in virus research: their utility and limitations | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Consequences of switching from a fixed 2 : 1 ratio of amoxicillin/clavulanate (CLSI) to a fixed concentration of clavulanate (EUCAST) for susceptibility testing of Escherichia coli | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Comparing non-specific physical symptoms in environmentally sensitive patients: Prevalence, duration, functional status and illness behavior | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Air implementation pilot. Lessons learnt from the implementation of air quality legislation at urban level | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Air quality in Europe - 2013 report | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
In het milieu zijn verontreinigende stoffen aanwezig die schadelijk kunnen zijn voor de mens en het ecosysteem. Om inzicht te krijgen in de mogelijke gevolgen worden diverse soorten rekenmodellen gebruikt. Hiermee kan aan de hand van concentraties van stoffen worden voorspeld welke (mogelijke) effecten zich voordoen. Een voorbeeld van zo'n rekenmodel zijn zogeheten SSD's (Species Sensitivity Distributions), die zijn gebaseerd op effecten die zijn waargenomen bij een verzameling van soorten. Het RIVM heeft uitgezocht hoe en waar binnen het huidige milieubeleid deze SSD's worden gebruikt. Daarnaast wordt ingegaan op de overeenkomsten en verschillen hierin en welke verbeteringen hierin kunnen worden aangebracht. De meeste verschillen in het gebruik worden konden verklaard, bijvoorbeeld omdat het noodzakelijk is om verschillende beschermingsniveaus te hanteren, of omdat er voor de verschillende milieucompartimenten bodem, water en grondwater wordt gerekend. In enkele gevallen zijn verschillen tussen de methoden ontstaan omdat het bij de ontwikkeling van de methoden doorgaans niet gebruikelijk is om gebruikte gegevens en keuzes die daarvoor worden gemaakt, op elkaar af te stemmen. Het RIVM geeft enkele adviezen om de afstemming te verbeteren. De belangrijkste hiervan is om de afleiding van SSD's onder te brengen in de bestaande procedures voor de afleiding van ecologische risicogrenzen.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Herziening waterkwaliteitsnormen voor imidacloprid Het RIVM stelt voor om de waterkwaliteitsnorm voor het bestrijdingsmiddel imidacloprid te verlagen van 67 naar 8,3 nanogram per liter. Uit nieuwe onderzoeken blijkt dat de schadelijke effecten van imidacloprid op waterorganismen zich al bij lagere concentraties voordoen dan verwacht. Probleemstof Imidacloprid is een insecticide dat behoort tot de groep van neonicotinoïden. Het middel wordt op grote schaal gebruikt in de landbouw, maar ook in en om het huis, bijvoorbeeld in mierenlokdoosjes en vlooiendruppels. Neonicotinoïden staan volop in de belangstelling vanwege een mogelijke relatie met bijensterfte. Om die reden heeft de Europese Commissie eind vorig jaar besloten om het gebruik van imidacloprid in de teelt van een groot aantal gewassen te beperken. Imidacloprid is ook een probleemstof in oppervlaktewater en staat in Nederland hoog in de top-10 van normoverschrijdende stoffen. Huidige norm beschermt onvoldoende De huidige normen voor oppervlaktewater zijn in 2008 vastgesteld. Sinds die tijd zijn er veel nieuwe studies gepubliceerd naar de effecten van imidacloprid op organismen in water. Recent onderzoek toont aan dat vooral eendagsvliegen (haften) zeer gevoelig zijn voor imidacloprid. Deze studies maken duidelijk dat de huidige norm haften onvoldoende beschermt, en mogelijk ook andere groepen insecten. Het RIVM heeft daarom de beschikbare gegevens geëvalueerd en geconcludeerd dat de norm voor lange-termijn blootstelling in zoetwater moet worden verlaagd met een factor acht. De norm voor kortdurende piekblootstelling van 0,2 microgram per liter blijft hetzelfde. Lagere concentraties zijn haalbaar In januari 2014 heeft het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) extra beperkingen opgelegd aan het gebruik van imidacloprid. Het afvalwater uit kassen moet worden gezuiverd en bij de bespuiting van gewassen in het veld moet worden voorkomen dat het insecticide overwaait naar het nabij gelegen water. Door deze maatregelen komt er minder imidacloprid in het oppervlaktewater terecht, wat de kans vergroot dat aan de nieuwe norm kan worden voldaan.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Characteristics of hospitalized acute Q fever patients during a large epidemic, the Netherlands | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Guideline-recommended use of asthma medication by children is associated with parental information and knowledge: The PIAMA birth cohort | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Comparing responses of freshwater fish and invertebrate community integrity along multiple environmental gradients | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Lower transplacental antibody transport for measles, mumps, rubella and varicella zoster in very preterm infants | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Peer support to decrease diabetes-related distress in patients with type 2 diabetes mellitus: Design of a randomised controlled trial | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
The progeroid phenotype of Ku80 deficiency is dominant over DNA-PKcs deficiency | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Internationaal zijn veel ontwikkelingen gaande om sierplanten genetisch te modificeren. Op die manier is het bijvoorbeeld mogelijk om bloemen een kleur te geven die van nature niet voorkomt (zoals een blauwe roos), of zijn ze beter bestand tegen droogte, ziekten of het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Voordat genetisch gemodificeerde planten op de markt mogen worden toegelaten, moet eerst worden beoordeeld of ze een risico vormen voor mens of milieu. Uit verkennend onderzoek van het RIVM blijkt dat er in Nederland waarschijnlijk geen genetisch gemodificeerde siergewassen verkrijgbaar zijn die niet officieel zijn toegelaten. Het onderzoek is een opdracht van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT). De ILT is verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van de regelgeving voor genetisch gemodificeerde organismen (GMO-regelgeving), inclusief de monitoring van niet-toegelaten genetisch gemodificeerde (GM) siergewassen. Het onderzoek geeft een overzicht van siergewassen waarvoor wereldwijd succesvolle genetische modificaties in het laboratorium zijn uitgevoerd. Vervolgens is weergegeven welke experimenten sinds 2000 binnen en buiten de EU zijn uitgevoerd om te testen of de nieuwe eigenschappen ook in de kas of het veld zichtbaar zijn. Daarna is beschreven welke GM-siergewassen binnen en buiten de EU zijn toegelaten, zoals in Australië, Nieuw Zeeland, USA, Canada, Japan. Hieruit zijn GM-sierplanten geselecteerd die mogelijk geïmporteerd kunnen worden in Nederland, nu of in de nabije toekomst. Voor deze 'kandidaten' (anjers, rozen, Petunia, het graszaad Agrostis stolonifera (creeping bentgrass), en Pelargonium (in de volksmond geranium)) zijn vier factoren gewogen, op basis waarvan de ILT kan aangeven welke GM sierplanten ze voorrang willen geven bij toezicht en handhaving. De belangrijkste factor is het (eventuele) risico voor mens en milieu, en dat bleek in de meeste gevallen laag. Alleen het GM-gras A. stolonifera, dat resistent is tegen het onkruidbestrijdingsmiddel glyfosaat, kan een potentieel risico vormen voor het milieu. Bij toepassing van glyfosaat heeft dit gras namelijk een reproductief voordeel en kan gaan woekeren. Het is echter nog niet als commercieel product op de markt gebracht.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Een maatschappelijke kosten-batenanalyse (MKBA) biedt een overzicht van de voor- en nadelen van een maatregel, zoals de aanleg van een weg of woonwijk. Door deze voor- en nadelen zoveel mogelijk te kwantificeren en in euro's uit te drukken, geeft een MKBA inzicht in het effect van de maatregel op de welvaart in Nederland. Met die informatie kan een MKBA de politieke besluitvorming ondersteunen en verhelderen. Om de kwaliteit en de vergelijkbaarheid van MKBA's te waarborgen hebben het Centraal Planbureau (CPB) en het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) in 2013 een algemene MKBA-leidraad opgesteld. De ministeries zullen de komende jaren werkwijzers maken, waarin de principes van de algemene leidraad worden geconcretiseerd voor het eigen beleidsterrein. Dit rapport van het RIVM is bedoeld als een eerste stap om te komen tot zo'n werkwijzer voor volksgezondheid en zorg. In het rapport laten we zien wat de consequenties zijn als vanuit de MKBA-methode naar dit terrein wordt gekeken. Een goede MKBA kan ook op het terrein van volksgezondheid en zorg een bijdrage leveren aan de beleidsvoorbereiding en de besluitvorming. Daarvoor moeten nog wel enkele methodologische aspecten nader uitgewerkt en bediscussieerd worden. Belangrijke thema's daarbij zijn: effecten op de verdeling van welvaart tussen groepen mensen, de waarde van gezondheid in euro's, het kwantificeren van arbeidsbaten en het waarderen van toekomstige baten (de 'discontovoet'). In dit rapport signaleert en expliciteert het RIVM de belangrijkste vragen en dilemma's waarop de werkwijzer een antwoord moet geven.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Epidemic of mumps among vaccinated persons, the Netherlands, 2009-2012 | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Whole-genome sequencing of Mycobacterium tuberculosis as an epidemiological marker | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Susceptibility to chronic mucus hypersecretion, a genome wide association study | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Increase in number of helminth species from Dutch red foxes over a 35-year period | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Lipopolysaccharide engineering in Neisseria meningitidis: Structural analysis of different pentaacyl lipid a mutants and comparison of their modified agonist properties | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Classifying the adverse mitogenic mode of action of insulin analogues using a novel mechanism-based genetically engineered human breast cancer cell panel | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Social networking sites as a tool for contact tracing: Urge for ethical framework for normative guidance | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Epidemiology of tuberculosis in big cities of the European Union and European Economic Area countries | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Assessment of the risk of respiratory sensitization from fragrance allergens released by air fresheners | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Successful control of a hospital-wide outbreak of OXA-48 producing enterobacteriaceae in the Netherlands, 2009 to 2011 | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Attribution of human Salmonella infections to animal and food sources in Italy (2002-2010): Adaptations of the Dutch and modified Hald source attribution models | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Expanding the detectable HLA peptide repertoire using electron-transfer/higher-energy collision dissociation (EThcD) | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Het RIVM heeft met het KNMI en de DCMR Milieudienst Rijnmond onderzocht welke mogelijkheden er zijn om de inzet van luchtverspreidingsmodellen bij chemische incidenten verder te verbeteren. De inzet blijkt op een aantal punten te kunnen worden verbeterd. Luchtverspreidingsmodellen leveren tijdens chemische incidenten informatie over bijvoorbeeld de afstand waarop slachtoffers te verwachten zijn, of welke locaties geschikt zijn om monsters te nemen. Daarmee dragen de modellen in belangrijke mate bij aan de informatievoorziening aan hulpverleners en het bevoegd gezag. Het onderzoek is in opdracht van de Inspectie Leefomgeving en Transport uitgevoerd, naar aanleiding van de brand bij een chemisch bedrijf in Moerdijk (2011). Verbeterpunten Onder andere is niet vastgelegd wat precies van modellen mag worden verwacht tijdens chemische incidenten, en wie ervoor verantwoordelijk is om de benodigde expertise op peil te brengen en te houden. Dat moet worden verduidelijkt. Verder is het voor de aanbieders van modelberekeningen niet altijd duidelijk aan welke informatie de hulpdiensten behoefte hebben. Omgekeerd zijn de (on)mogelijkheden van de modellen niet altijd bekend bij de afnemers. Daarom wordt aanbevolen de mogelijkheden en beperkingen van modellen in de regio te verduidelijken. Ook wordt aanbevolen nieuwe middelen te ontwikkelen waarmee gebruikers makkelijker toegang kunnen krijgen tot de modelinformatie.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Extrapulmonale tuberculose in Nederland | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
De gevolgen van 20 jaar mestbeleid op het milieu | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Uitdagingen in de volksgezondheid: vier perspectieven | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Naar een standaard voor monitoring van kwetsbare groepen in Nederland | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Vier perspectieven op de volksgezondheid | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Analyzing the contributions of a government-commissioned research project: a case study | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Air pollution and nonmalignant respiratory mortality in 16 cohorts within the ESCAPE project | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Circulating biomarkers of tryptophan and the kynurenine pathway and lung cancer risk | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Molecular surveillance of multi- and extensively drug-resistant tuberculosis transmission in the European Union from 2003 to 2011 | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Een trendscenario en vier perspectieven voor 2040. De Volksgezondheid Toekomst Verkenning 2014 | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Seroprevalence of hepatitis E virus in pigs from different farming systems in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Uncertainty analysis of projections of ozone-depleting substances: mixing ratios, EESC, ODPs, and GWPs | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Pharmacy technicians' attention to problems with opening medicine packaging | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Patiënten met een seksueel overdraagbare aandoening | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Bescherming ozonlaag. Een gezonde ozonlaag lijkt dichterbij dan verstandig zongedrag. Brochure voor wereldozondag, 16 september 2013 | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Drawing down N2O. To protect climate and the ozone layer. A UNEP synthesis report | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Analysis of station classification | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Assessment of population exposure to air pollution during commuting in European cities | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Progressing to cleaner air: evaluating non-attainment areas | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Reporting on ambient air quality assessment in the EU Member States and other EEA member countries, 2011 | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Air implementation Pilot: Workshop on measures, Copenhagen, february 27th, 2013 | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
O056: The introduction of a surgical site infection prevention bundle on a nationwide scale | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Ruimte voor belang? Werken als professional bij een kennisinstituut | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
A European compilation of national air quality maps based on modelling | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Sensitivity analysis of ammonia emission reductions on exceedances of PM air quality standards | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
The European exchange of information in 2012 | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Veel natuurgebieden zijn afhankelijk van grondwater; door een te lage grondwaterstand of door verontreinigd grondwater kan de kwaliteit van de natuurgebieden achteruit gaan. De Kaderrichtlijn Water (KRW) schrijft daarom voor dat bij het bepalen van normen voor de kwaliteit van grondwater rekening moet worden gehouden met de invloed van grondwater op ecosystemen op het land. Deze normen betreffen maximaal toegestane concentraties van stoffen in het grondwater en zijn ingesteld om doelen te halen voor drinkwater, oppervlaktewater en ecosystemen op land. De invloed van de kwaliteit van grondwater op ecosystemen op land was tot nu toe niet goed uitgewerkt. Het RIVM heeft daarom voor enkele stoffen (nutriënten) optimale concentraties afgeleid om ecosystemen op land te beschermen. Deze concentraties kunnen worden gebruikt in de methodiek om normen voor de kwaliteit voor grondwater af te leiden. De analyse is uitgevoerd voor de nutriënten: stikstof, fosfaat en chloride. Voor stikstof en fosfaat blijkt dat de optimale concentraties om ecosystemen op land te beschermen lager zijn (een factor 5) dan de huidige normen. De huidige normen worden bepaald door de achtergrondwaarden. Aangezien deze moeilijk te verlagen zijn, is het een beleidsmatige keuze om de norm op het niveau van de achtergrondwaarden vast te stellen. Een en ander betekent dat de huidige concentraties van de stoffen in het grondwater hoger zijn dan de concentraties die gewenst zijn vanuit het oogpunt van natuurbescherming. In welke mate zich daadwerkelijk effecten voordoen, is niet in dit onderzoek onderzocht. De getallen die in dit onderzoek voor de optimale concentraties voor ecosystemen op het land zijn afgeleid, zijn wel bruikbaar voor de volgende generatie 'stroomgebiedbeheersplannen', die vanaf 2021 gelden. Deze plannen moeten een goede kwaliteit van grond- en oppervlaktewater zeker stellen door middel van meet- en maatregelenprogramma's. Hiervoor zijn de zogeheten toestandbepaling (huidige concentraties van stoffen) en de karakterisering (lange termijn trend voor de toekomst) van het grondwater van belang. Beleidsmakers kunnen op verschillende manieren met de nu verworven inzichten omgaan. De getallen uit dit rapport kunnen bijvoorbeeld vergeleken worden met gemeten concentraties in het grondwater, zoals in het Trend Meetnet Verzuring (TMV). Dit geeft inzicht in de huidige kwaliteit van het ondiepe grondwater in de omgeving van natuurgebieden en in het mogelijke effect op de natuurgebieden.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Comparison of five influenza surveillance systems during the 2009 pandemic and their association with media attention | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Routine vaccination against MenB: considerations for implementation | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Passive sampling methods for contaminated sediments: State of the science for metals | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Health risk assessment for splash parks that use rainwater as source water | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
High risk of a large measles outbreak despite 30 years of measles vaccination in The Netherlands | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Intakes of potassium, magnesium, and calcium and risk of stroke | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Het verkennend onderzoek Scouting Vollegrondsgroenten op zand (SVz) bevestigt het bestaande beeld dat de nitraatconcentraties in het grondwater bij vollegrondsgroentenbedrijven op zandgrond hoger zijn dan de norm. Dit onderzoek is uitgevoerd door het RIVM en LEI Wageningen UR, in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Milieu en het ministerie van Economische Zaken. Gezien de kleine schaal van het onderzoek gelden deze bevindingen nadrukkelijk alleen voor de onderzochte SVz-bedrijven en kunnen ze niet vertaald worden naar de gehele vollegrondsgroentensector op zandgrond. In het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM) worden geen vollegrondsgroentenbedrijven bemonsterd vanwege het beperkte aandeel (ongeveer 1%) in het totale landbouwareaal in Nederland. Hierdoor zijn vollegrondsgroentenbedrijven relatief onderbelicht wat betreft mestgebruik en nitraatuitspoeling. In het verleden zijn echter hoge nitraatconcentraties gemeten in het bovenste grondwater van dit type bedrijven. Dit onderzoek is opgezet om een actueel inzicht te krijgen in de nitraatproblematiek van vollegrondsgroentenbedrijven op zand.\ Het onderzoek omvat twaalf bedrijven die asperges, aardbeien, prei of bladgewassen (zoals sla) verbouwen, voornamelijk gelegen in de zandgebieden van Limburg en Noord-Brabant (Zand Zuid). Alle bedrijven blijken een hoge nitraatconcentratie in het grondwater te hebben (meer dan 80 milligram per liter). De hoge nitraatconcentratie valt deels te verklaren door de droge zandgrond waarop de bedrijven liggen. In dit type grond wordt weinig nitraat afgebroken en spoelt er relatief veel uit naar het grondwater. Maar ook het type bedrijf is mogelijk van invloed op de nitraatconcentratie in het grondwater. Akkerbouwbedrijven die in dezelfde regio op uitspoelingsgevoelige grond liggen, gebruiken ongeveer evenveel mest maar hebben veel lagere nitraatconcentraties. Dit verschil wordt veroorzaakt doordat vollegrondsgroenten de meststoffen minder efficiënt gebruiken. In vergelijking met akkerbouwbedrijven wordt een groter gedeelte van de meststoffen niet door de planten gebruikt en blijft dit in de bodem achter. Het stikstofbodemoverschot (het verschil tussen aanvoer en afvoer van stikstof in de bodem) is hierdoor op de bedrijven uit het SVz-onderzoek twee keer zo hoog dan op de akkerbouwbedrijven. Dit overschot kan als nitraat uitspoelen naar het grondwater.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Extent and origin of resistance to antituberculosis drugs in the Netherlands, 1993 to 2011 | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
The accuracy, precision and sustainability of different techniques for tablet subdivision: Breaking by hand and the use of tablet splitters or a kitchen knife | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Determinants and protective behaviours regarding tick bites among school children in the Netherlands: a cross-sectional study | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Association between erythrocyte membrane fatty acids and biomarkers of dyslipidemia in the EPIC-Potsdam study | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Treatment as prevention among injecting drug users; extrapolating from the Amsterdam cohort study | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
The realisation of a European health information system: time to get the politicians involved | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Use of PCR for detection of faecal HAV as a screening tool in an outbreak of hepatitis A in daycare centres | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Humoral and B-cell memory responses in children five years after pertussis acellular vaccine priming | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Hepatitis C prevalence in injecting drug users in Europe, 1990-2007: impact of study recruitment setting | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Impacts of major cations (K+, Na+, Ca2+, Mg2+) and protons on toxicity predictions of nickel and cadmium to lettuce (Lactuca sativa L.) using exposure models | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
The estimated disease burden of norovirus in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
The estimated disease burden of norovirus in the Netherlands - corrigendum | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Impact of measles national vaccination coverage on burden of measles across 29 Member States of the European Union and European Economic Area, 2006-2011 | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Gene-centric meta-analysis in 87,736 individuals of European Ancestry identifies multiple blood-pressure-related loci | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Vaccine uptake determinants in The Netherlands | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
In vivo murine hepatic microRNA and mRNA expression signatures predicting the (non-)genotoxic carcinogenic potential of chemicals | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Biowaiver monograph for immediate release solid oral dosage forms: piroxicam | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Biowaiver monograph for immediate-release solid oral dosage forms: Zidovudine (Azidothymidine) | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Adherence to the Mediterranean diet and risk of bladder cancer in the EPIC cohort study | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Biowaiver monograph for immediate-release solid oral dosage forms: bisoprolol fumarate | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Using routine diagnostic data as a method of surveillance of arboviral infection in travellers: A comparative analysis with a focus on dengue | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Use of Chlamydia trachomatis high-resolution typing: an extended case study to distinguish recurrent or persistent infection from new infection | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Human exposure to endotoxins and fecal indicators originating from water features | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Infection of great apes and a zoo keeper with the same Mycobacterium tuberculosis spoligotype | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Dietary vitamin D intake and risk of type 2 diabetes in the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition: The EPIC-InterAct study | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Comments on "UV and UV/H2O2 treatment: The Silver Bullet for by-product and genotoxicity formation in water production" | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Difficulties in diagnosing terminal ileitis due to Yersinia pseudotuberculosis | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Emissies Nederland blijven in 2012 onder nationale plafonds De uitstoot van stikstofoxiden (NOx), ammoniak, zwaveldioxide en niet-methaan vluchtige organische stoffen (NMVOS) is in 2012 in Nederland licht gedaald. Daarmee bleef de uitstoot onder de maxima die de Europese Unie daaraan sinds 2010 stelt. Nederland voldoet daardoor, net als in 2011, aan de vier 'nationale emissieplafonds' (NEC) voor deze stoffen. Dit blijkt uit de Nederlandse emissiecijfers van grootschalige luchtverontreinigende stoffen. Het RIVM verzamelt en analyseert deze cijfers. Behalve bovengenoemde stoffen gaat het om de uitstoot van koolmonoxide, fijn stof (PM10), zware metalen en persistente organische stoffen (POP's). De uitstoot van al deze stoffen is tussen 1990 en 2012 gedaald. Dit komt vooral door schonere auto's en brandstoffen en door emissiebeperkende maatregelen van industriële sectoren. Meer kilometers door bromfietsen Door de jaren heen zijn de methoden om de emissies te berekenen verbeterd, wat nu resulteert in nauwkeurigere cijfers. De emissies van bromfietsen en motorfietsen zijn afhankelijk van het aantal gereden kilometers per jaar en daar is nu beter inzicht in. Het totale aantal gereden kilometers door bromfietsen blijkt in de afgelopen jaren bijna twee keer zo hoog is als werd gedacht. Daarmee is de uitstoot van schadelijke stoffen navenant hoger. Ten opzichte van andere typ voertuigen blijven bromfietsen echter een relatief kleine emissiebron en dragen ze beperkt bij aan de totale nationale emissies. In steden zijn ze wel een relevante bron. Het aantal gereden kilometers door motorfietsen, en daarmee de uitstoot, blijft in lijn met eerdere inzichten. Vrachtauto's zwaarder beladen De uitstoot van schadelijke stoffen door vrachtauto's is voor het eerst berekend op basis van recente inzichten in het gewicht van vrachtauto's. Trekker-opleggers blijken zwaarder beladen dan tot nu toe werd verondersteld. Ook rijden vrachtauto's vaker met een aanhanger dan tot nu toe werd aangenomen, waardoor ze zwaarder zijn. Een hoger gewicht betekent een hoger brandstofverbruik, en veelal ook een hogere uitstoot per gereden kilometer. De uitstoot van PM10 door vrachtauto's is hierdoor circa 5 procent hoger dan in de vorige IIR-rapportage. Hogere emissies ammoniak De uitstoot van ammoniak blijkt hoger dan eerder werd verondersteld vanwege enkele nieuwe inzichten; de cijfers zijn hierdoor vanaf 1997 bijgesteld. Zo worden luchtwassers, die voornamelijk op varkensstallen zitten, niet altijd gebruikt. Ook is vanaf 2002 in melkveestallen het leefoppervlak per dier toegenomen. Door het grotere contactoppervlak van mest met lucht wordt meer ammoniak uitgestoten. Door de aangepaste aannames is het nationale totaal met 6,6 kiloton verhoogd ten opzichte van 2011.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Zelfontplooiing van de autonome burger kenmerkt de huidige tijd. Eigen verantwoordelijkheid, autonomie, eigen keuze en eigen regie zijn kernwoorden bij deze ontwikkelingen. Ook als het gaat om gezondheid, preventie en zorg. Het RIVM en het SCP hebben beschreven hoe de burger deze ontwikkelingen ervaart en welke aandachtspunten er voor beleid zijn. Bij de ontwikkelingen gaat het allereerst om de zorg voor de eigen gezondheid: als gezonde burger om gezond te blijven, en als patiënt om zelf de regie te houden over de eigen zorg (zelfmanagement). Mensen kunnen zo kiezen voor vormen van preventie en zorg die goed aansluiten bij hun eigen voorkeuren. Bovendien geeft zelfmanagement patiënten meer controle op de behandeling van de aandoening, en daarmee op de aandoening én op hun leven. Alleen wil niet iedereen zelf die regie voeren. Ook zijn er kwetsbare groepen in de samenleving, zoals ouderen en mensen uit lagere sociaaleconomische milieus, voor wie zelf regie voeren niet lukt, omdat ze daar de vaardigheden niet voor hebben. Deze groepen zullen ondersteuning op maat moeten krijgen. Een tweede ontwikkeling behelst de zorg voor anderen, bijvoorbeeld in de rol van mantelzorger en vrijwilliger. Nederlanders zijn voorstanders van een samenleving waarin mensen voor elkaar zorgen, en doen veel en vaak vrijwilligerswerk. De plicht om te zorgen voor een naaste botst echter met de behoefte aan vrijheid om zelf keuzes te maken. Een verplichting kan daardoor demotiverend werken. De onderzoekers bevelen aan om de komende tijd te monitoren wat de effecten zijn van deze ontwikkelingen op autonomie, eigen regie en gezondheid, maar ook op gezondheidsverschillen, de mate van participatie en de kosten van de zorg. Op die manier kunnen de gevolgen van de veranderingen onderbouwd worden geëvalueerd. Dit onderzoek maakt deel uit van de Volksgezondheid Toekomst Verkenning 2014 (VTV-2014). De VTV is een rapportage die het RIVM elke vier jaar opstelt in opdracht van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS).
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Insulin-like growth factor I and risk of breast cancer by age and hormone receptor status - A prospective study within the EPIC cohort | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Glycated hemoglobin measurement and prediction of cardiovascular disease | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Retrieval of methane source strengths in Europe using a simple modeling approach to assess the potential of spaceborne lidar observations | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Drift-corrected trends and periodic variations in MIPAS IMK/IAA ozone measurements | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Association between high dietary intake of the n-3 polyunsaturated fatty acid docosahexaenoic acid and reduced risk of Crohn's disease | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Microbiological risk from minimally processed packaged salads in the dutch food chain | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Prevalence and concentration of bacterial pathogens in raw produce and minimally processed packaged salads produced in and for the Netherlands | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
LOS oligosaccharide modification enhances dendritic cell responses to meningococcal native outer membrane vesicles expressing a non-toxic lipid A | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Recent increase in campylobacteriosis incidence in the Netherlands associated with proton-pump inhibitor use | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Internationale clusters van invasieve meningokokken C-infecties onder mannen die seks hebben met mannen: implicaties voor Nederland? | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Improving the usability and communication of burden of disease methods and outputs: the experience of the Burden of Communicable Diseases in Europe software toolkit | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
3D-printing, een nieuwe dimensie voor de 3V's : Over 3D-printing, innovatie en alternatieven voor dierproeven | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Converison of major soy isoflavone glucosides and aglycones in in vitro intestinal models | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
DYNAMO-HIA-2: a tool to calculate the complete counterfactual disability-adjusted life-years (DALYs) of risk factor exposure | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
The incidence-based and pathogen-based disability-adjusted life-years approach for measuring infectious disease burden in Europe: the Burden of Communicable Diseases in Europe (BCoDE) project | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Trends in the burden of foodborne disease in the Netherlands, 2006-11: a systematic analysis | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
WHO initiative to estimate the global burden of foodborne diseases | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Viral substitution rate variation can arise from the interplay between within-host and epidemiological dynamics | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Public health genomics: wat zijn de kansen voor preventie? | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Public health genomics | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Via de transities naar de participatiesamenleving? | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Integrale bekostiging van diabeteszorg duur? | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
De bodem in Nederland is sinds de industriële revolutie geleidelijk aan licht vervuild geraakt door menselijk handelen, zoals industrie, landbouw en verkeer. Toch voldoen de meeste bodems aan de normen volgens het Besluit bodemkwaliteit. In bodems met verhoogde gehalten kunnen op de zeer lange termijn (enkele honderden jaren) de concentraties van zware metalen in het grondwater toenemen en een risico vormen. Deze stoffen kunnen namelijk vanuit de bodem weglekken en op termijn het grondwater vervuilen. Het RIVM adviseert daarom voor om door duurzaam grondwaterbeleid rekening te houden met deze langetermijnontwikkelingen. Hierbij is vooral aandacht nodig voor de concentraties cadmium, nikkel en zink. Het is niet haalbaar om de menselijke invloed op de bodem terug te draaien. Wel is het van belang om bij ruimtelijke ontwikkeling rekening te houden met de effecten van de vervuiling op het grondwater, bijvoorbeeld als 'licht verontreinigde bodems' worden hergebruik. Voor duurzaam beheer van het grondwater mag de functie die het grondwater heeft (ecosysteemdiensten) niet te lijden hebben onder deze effecten. Dit geldt bijvoorbeeld voor grondwater dat als drinkwater wordt gebruikt of als voeding dient voor kwetsbare ecosystemen. Daar waar de bodem gebruikt wordt om te wonen of voor industriële activiteiten zijn hogere metaalconcentraties in de bodem toegestaan. Voor de modelberekeningen zijn worst case-situaties uit het Besluit bodemkwaliteit doorgerekend. Dit zijn situaties met de maximale concentraties zware metalen in de bodem die wettelijk zijn toegestaan (de 'Maximale waarden'). Het RIVM adviseert om de modelresultaten voor cadmium, nikkel en zink te verfijnen om inzichtelijk te krijgen in welke specifieke situaties deze stoffen in verhoogde concentraties in het grondwater voorkomen. Daarnaast wordt geadviseerd om het model verder uit te bouwen tot een algemeen model, waarmee vragen kunnen worden beantwoordt over de relatie tussen bodembelasting en grondwaterkwaliteit. Voorbeelden zijn duurzame gebiedsontwikkeling en hergebruik van grond- en afvalstoffen.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Consortium instruments for integrated action (i4i) | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Verkenning jeugdgezondheid: landelijk overzicht gezondheid Nederlandse jeugd | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Monitoring van leefstijl in Nederland: het thema voeding | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Monitoring van leefstijl in Nederland: hoe kan het beter en efficiënter? | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Het is beter gezond te zijn dan ziek of dood | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Toekomstverkennen: Public health genomics 'hope' of 'hype'? | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Seroprevalence of rubella antibodies in The Netherlands after 32 years of high vaccination coverage | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Voedingssupplementen met kruiden (kruidenpreparaten) hebben een onschuldig imago en worden vaak gebruikt vanwege al dan niet onderbouwde gunstige effecten op de gezondheid. Er zijn veel verschillende kruidenpreparaten te koop, ook via internet. Conform het Warenwetbesluit Kruidenpreparaten moeten alle kruidenpreparaten veilig zijn. De veiligheid en samenstelling van kruidenpreparaten worden echter niet getoetst voordat ze op de markt worden gebracht. Dit wordt alleen achteraf gedaan, als er aanwijzingen zijn dat een product een gevaar voor de volksgezondheid kan opleveren. Het is vaak lastig om de risico's van de kruidenpreparaten te beoordelen, omdat er weinig bekend is over de samenstelling van het preparaat (bijvoorbeeld welk deel van de plant is gebruikt en hoe is het extract gemaakt). Het RIVM inventariseert momenteel welke mogelijkheden er zijn om de (Nederlandse) wetgeving voor kruidenpreparaten zodanig aan te passen dat de veiligheid van de producten beter wordt gewaarborgd. Als eerste stap hiertoe is een overzicht gemaakt van de huidige Europese en nationale wetgeving voor kruidenpreparaten. Vervolgens is deze vergeleken met wetgeving voor andere producten met kruiden(extracten), zoals cosmetica en geneesmiddelen. Hierbij is gekeken naar de registratieplicht en eisen over de kwaliteit (samenstelling), veiligheid en etikettering. Dit onderzoek wordt in opdracht van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) uitgevoerd.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Spotted fever group rickettsiae in Dermacentor reticulatus and Haemaphysalis punctata ticks in the UK | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
In dit rapport zijn de verslagen gebundeld van de presentaties van de achttiende jaarlijkse workshop voor de Europese Nationale Referentie Laboratoria (NRL's) voor de bacterie Salmonella (30 mei 2013). Het doel van de workshop is dat het overkoepelende orgaan, het Europese Referentie Laboratorium (EURL) Salmonella, en de NRL's informatie met elkaar kunnen uitwisselen. Daarnaast worden de resultaten gepresenteerd van de ringonderzoeken van het EURL, waarmee de kwaliteit van de NRL-laboratoria wordt aangegeven. Een uitgebreidere weergave van de resultaten worden per ringonderzoek in aparte RIVM-rapporten opgenomen. Campylobacter en Salmonella belangrijkste veroorzakers zoönosen Een terugkerend onderwerp is het jaarlijkse rapport van de European Food Safety Authority (EFSA) over zoönosen, oftewel ziekten die van dieren op mensen kunnen overgaan. Het verslag daarover bevat een overzicht van de aantallen en types zoönotische micro-organismen die in 2011 gezondheidsproblemen veroorzaakten in Europa. Hieruit blijkt dat Salmonella al een aantal jaren minder gezondheidsproblemen veroorzaakt, maar nog steeds, ná de Campylobacter-bacterie, de belangrijkste veroorzaker is van zoönotische ziekten in Europa. Databanken voor opslag van moleculaire typeringsdata Andere verslagen geven informatie over databanken die momenteel worden gebouwd door de EFSA en het European Centre for Disease Prevention and Control (ECDC). De EFSA-databank gaat informatie bevatten over moleculaire typering van ziekmakende bacteriën (pathogenen) die worden gevonden in voedsel, diervoeder en dieren. Die van het ECDC zal deze informatie bevatten van pathogenen gevonden bij de mens. Iedere bacteriestam heeft een eigen unieke moleculaire typering. Door de informatie uit de twee databanken te koppelen, kunnen bacteriestammen in producten en mensen worden achterhaald. Die kennis kan eraan bijdragen de bron te vinden van een, nationale of Europese, voedsel-gerelateerde uitbraak. De organisatie van de workshop is in handen van het EURL voor Salmonella, dat onderdeel is van het RIVM. De hoofdtaak van het EURL-Salmonella is toezien op de kwaliteit van de nationale referentielaboratoria voor deze bacterie in Europa.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Immune responses to pertussis vaccines and disase | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
De 28 Nationale Referentie Laboratoria (NRL's) van de 27 Europese lidstaten en de NRL's van Kroatië, Noorwegen en Zwitserland scoorden in 2012 goed bij de kwaliteitscontrole op Salmonella-typering. Twee laboratoria hadden hiervoor een herkansing nodig. Uit de analyse van alle NRL's als groep bleek dat de laboratoria aan 96 procent van de geteste stammen de juiste naam konden geven. Sinds 1992 zijn de NRL's van de Europese lidstaten verplicht om deel te nemen aan jaarlijkse kwaliteitstoetsen, die bestaan uit zogeheten ringonderzoeken voor Salmonella. Elke lidstaat wijst een laboratorium aan, het Nationale Referentie Laboratorium (NRL), dat binnen dat land verantwoordelijk is om Salmonella uit monsters van levensmiddelen of dieren aan te tonen en te typeren. Om te controleren of de laboratoria hun werk goed uitvoeren moeten zij onder andere 20 Salmonella-stammen op juiste wijze identificeren. Soms doen ook landen buiten de Europese Unie vrijwillig mee. In 2012 waren dat EU kandidaat-lidstaat Kroatië, en de EFTA landen (European Free Trade Association) Noorwegen en Zwitserland. Van de NRL's zijn er zes laboratoria die, behalve de standaardtoets (serotypering) op Salmonella, preciezere typeringen uitvoeren, de zogeheten faagtypering. Voor deze kwaliteitstoets moeten zij 20 extra stammen met deze methode typeren. De laboratoria ontvingen hiervoor tien Salmonella Enteritidisstammen en tien Salmonella Typhimurium-stammen. Deze NRL's typeerden 92 procent van de S. Typhimurium-stammen en 90 procent van de S. Enteritidis-stammen op de juiste wijze. De organisatie van het typeringsringonderzoek is in handen van het Europese Unie Referentie Laboratorium (EURL) voor Salmonella (EURL-Salmonella). Het EURL-Salmonella is ondergebracht bij het Nationaal Instituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) in Bilthoven, Nederland. De organisatie van dit ringonderzoek is uitgevoerd in samenwerking met Public Health England (voorheen Health Protection Agency) in Londen, Engeland.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
In Nederland zijn verschillende initiatieven gestart om zorg en ondersteuning op regionaal niveau anders vorm te geven. Deze regionale populatiegerichte aanpak wordt ook wel populatiemanagement genoemd. Doel van de initiatieven is de gezondheid van de populatie en de kwaliteit van de zorg te verbeteren en de kosten van de zorg te beheersen. Het ministerie van VWS heeft op voordracht van de zorgverzekeraars negen van deze regionale initiatieven geselecteerd als 'proeftuinen'. Het RIVM volgt deze proeftuinen om beter zicht te krijgen op het implementatieproces, op de succes- en faalfactoren en op het effect van de initiatieven op de gezondheid van de populatie en de kwaliteit en kosten van de zorg. Op dit moment zijn de proeftuinen sterk in ontwikkeling. Begin 2014 vormen de proeftuinen netwerken, vastgelegd in convenanten of samenwerkingsovereenkomsten. In de proeftuinen nemen veelal eerstelijnszorgorganisaties, ziekenhuizen en zorgverzekeraars deel, in variërende mate aangevuld met andere actoren zoals de gemeente. De populaties van de proeftuinen zijn op verschillende manieren afgebakend: geografisch (alle inwoners van een of meerdere gemeenten), op basis van het verzorgingsgebied van de betrokken huisartsen of zorggroepen, en ten slotte wordt nog onderscheid gemaakt tussen wel of niet verzekerd zijn bij de betrokken zorgverzekeraar. Iedere proeftuin heeft verschillende programma's (thema's) en een bijbehorende set interventies opgesteld. De scope van de programma's is breed en varieert tussen de proeftuinen. De interventies richten zich vaak op thema's als substitutie van zorg (verschuiving van zorg van tweede lijn naar eerste lijn), integratie van zorg (eventueel met welzijn) en preventie. In eerste instantie worden de interventies vooral toegepast op chronische zorg, medicatiegebruik en zorg rondom ontslag. De proeftuinen richten zich grotendeels nog op de eerste- en tweedelijnszorg. Wel is er de ambitie om dit gaandeweg uit te breiden met interventies in andere domeinen, zoals GGZ en jeugdzorg. De projectplannen van de proeftuinen zijn de afgelopen maanden verder uitgewerkt en de eerste interventies worden vanaf 2014 getest en/of geïmplementeerd. Nog niet voor alle geplande interventies is (structurele) financiering verworven. Vooralsnog zijn er tussen de deelnemende zorgaanbieder(s) en zorgverzekeraars in de proeftuinen geen definitieve afspraken gemaakt over uitkomstbekostiging en shared savings. Er zijn op dit gebied wel (voorzichtige) ontwikkelingen gaande, maar het is nog onduidelijk welke vorm dit gaat krijgen.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Effects of green care farms on different client groups: Experiences from the Netherlands | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Short-term stability of biomarkers of oxidative stress and antioxidant status in human serum | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Type 2 diabetes patients' preferences and willingness to pay for lifestyle programs: a discrete choice experiment | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Parental information-seeking behaviour in childhood vaccinations | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Anal, penile, and oral high-risk HPV infections and HPV seropositivity in HIV-positive and HIV-negative men who have sex with men | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Why parents refuse childhood vaccination: a qualitative study using online focus groups | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Estimating age-specific cumulative incidence for the 2009 influenza pandemic: a meta-analysis of A(H1N1)pdm09 serological studies from 19 countries | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Doelmatiger testbeleid van soa-poliklinieken GGD | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Designing ehealth that matters via a multidisciplinary requirements development approach | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Het gebruik van risicovolle medische technologie in de zorg neemt toe. Zorgprofessionals moeten bekwaam zijn om deze technologieën veilig te kunnen gebruiken. In deze verkenning hebben deskundigen uit verschillende gremia hun perspectief gegeven over het toepassen van medische technologie in ziekenhuizen waarbij specifieke eisen aan deskundigheid, ervaring en vaardigheid van gebruikers nodig zijn. Voorbeelden die door deskundigen zijn genoemd, zijn laparoscopische ingrepen, gebruik van lasers, diathermieapparatuur, het verbinden van steeds meer apparaten aan elkaar, het omgaan met het groeiend aantal ICT-toepassingen in de zorg, het gebruik van complexe medische apparaten buiten het ziekenhuis en nieuwe operatietechnieken waarbij reeds geïntroduceerde apparatuur op een andere manier wordt gebruikt. Uit deze verkenning is het beeld ontstaan dat ziekenhuizen en beroepsgroepen zich de laatste jaren zeker bewust zijn dat de vaardigheden benodigd voor de veilige toepassing van medische technologie geborgd moeten zijn. Er zijn ook steeds meer initiatieven op dit gebied. Echter de mate waarin deze worden geïmplementeerd, verschilt per ziekenhuis en beroepsgroep. Er lijkt nog geen uniforme werkwijze te zijn. Door gezamenlijk op te trekken, en te leren van elkaars 'best practices', kunnen de diverse belangrijke spelers binnen de ziekenhuiszorg de veilige toepassing van medische technologie mogelijk maken.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
In de zorg neemt het gebruik van complexe medische technologie, zoals een operatierobot, toe. Veilig gebruik hiervan vereist speciale vaardigheden van zorgverleners. Daarom heeft het Ministeris van VWS het RIVM gevraagd aanbevelingen voor vaardigheidseisen op te stellen, die aansluiten bij de activiteiten van ziekenhuizen en beroepsgroepen. Bevindingen Uit deze verkenning is het beeld ontstaan dat ziekenhuizen en beroepsgroepen zich bewust zijn dat de vaardigheden voor de veilige toepassing van complexe medische technologie geborgd moeten zijn. Er zijn ook diverse initiatieven op dit gebied. Echter de mate waarin dit gebeurt verschilt per ziekenhuis en beroepsgroep. Er lijkt nog geen uniforme werkwijze te zijn. Er lijkt verder sprake te zijn van gedeelde verantwoordelijkheid ten aanzien van vaardigheidseisen. Er zijn verscheidene initiatieven gesignaleerd, zogenoemde best practices, waarbij vaardigheidseisen zijn opgesteld. Een voorbeeld is het verplicht trainen en certificeren van alle gebruikers van medische apparatuur. Aanbevelingen Een veilige toepassing van medische technologie moet een prominente rol krijgen in het veiligheidsmanagementsysteem van ziekenhuizen. Aanbevolen wordt dat de raden van bestuur de multidisciplinaire samenwerking van verschillende zorgprofessionals binnen de instelling faciliteren. Ook de wetenschappelijke verenigingen kunnen een bijdrage leveren, bijvoorbeeld door bij visitaties specifiek te letten op vaardigheden ten aanzien van medische technologie en de resultaten van de visitaties minder vrijblijvend te maken. Verder zou de bij- en nascholing specifieker gericht moeten zijn op de uitgevoerde handelingen. Van de best practices kan worden nagegaan of ze breder in te zetten zijn. Deze verkenning levert algemene aanbevelingen en een aanzet voor discussie over vaardigheidseisen die nodig zijn voor de veilige toepassing van medische technologie.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM heeft met de Wageningen Universiteit (WUR) software ontwikkeld waarmee kan worden berekend hoeveel chemische stoffen mensen binnenkrijgen via de voeding (Monte Carlo Risk Assessment; MCRA). Enkele voorbeelden van zulke stoffen zijn contaminanten (acrylamide, dioxine, lood) en micronutriënten. Om de inname op de lange termijn te kunnen berekenen, is een module aan deze software toegevoegd, Model-Then-Add. De lange termijn inname is relevant bij chemische stoffen die niet meteen maar pas na verloop van tijd een gunstig of schadelijk effect op de gezondheid kunnen veroorzaken. De Model-Then-Add-module kan worden gebruikt als de gemiddelde innameverdeling bij een groep mensen statistisch gezien geen 'normale' curve vertoont, bijvoorbeeld als de stof maar in een beperkt aantal producten voorkomt. De module kan in dergelijke gevallen een realistischere inschatting van de lange termijn inname geven. Voor dit onderzoek is een case-study uitgewerkt naar de lange termijn inname van rookaroma's, een potentieel schadelijke groep stoffen bij hogere innamen. De inname is berekend met de Model-Then-Add-module en de huidige methodiek, waarvan bekend is dat het de lange-termijn inname overschat. Hieruit blijkt dat de inname van rookaroma's volgens de Model-Then-Addmodule lager is. Door dergelijke nauwkeurigere, lagere innamen van schadelijke stoffen zijn mogelijk minder (kostbare) maatregelen nodig om gezondheidsrisico's te verlagen, zoals lagere normen voor concentraties in producten. Om de inname van chemische stoffen via de voeding met MCRA te berekenen, worden concentraties van stoffen in de voeding gekoppeld aan gegevens over wat mensen gedurende enkele dagen consumeren. In Nederland zijn dat de gegevens van de Voedselconsumptiepeiling (VCP), waarin informatie over de consumptie van voedingsmiddelen gedurende twee dagen wordt verzameld. Statistische modellen zijn nodig om op basis van deze gegevens in te schatten hoeveel van de chemische stoffen mensen op termijn via de voeding binnenkrijgen.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Tussen 1987 en 2010 is het aanbod aan voedingsmiddelen en de voedselconsumptie in Nederland veranderd. Op basis van bevolkingsbrede Voedselconsumptiepeilingen uit 1987-1988, 1997-1998 en 2007-2010 en de daarbij behorende voedingsstoffenbestanden zijn veranderingen in het voedingsmiddelenassortiment (inclusief de toevoeging van micronutriënten, micro-organismen, plantensterolen of -stanolen) onderzocht. Met behulp van de eerste en laatste voedselconsumptiepeiling zijn ook veranderingen in de voedselconsumptie van productgroepen en subgroepen onderzocht. In 2010 wordt er minder groente en fruit gegeten, en lijkt de consumptie te verschuiven van een onbewerkt stuk vlees naar 'vlug klaar' vlees en kip; en van volvette naar halfvolle producten. Ook worden in 2010 meer niet-alcoholische dranken (zoals water, fruit- en (light)frisdranken) gedronken en meer verrijkte voedingsmiddelen, chips en in sommige leeftijdsgroepen snoep en chocolade gegeten. Het assortiment aan voedingsmiddelen en de voedselconsumptie in Nederland is aan veranderingen onderhevig. Om beleid te kunnen ontwikkelen op het gebied van voeding en gezondheid en van voedselveiligheid is het noodzakelijk inzicht te hebben in deze veranderingen. Het op een eenduidige manier monitoren van veranderingen in het aanbod en consumptie van voedingsmiddelen blijft daarom ook in de toekomst van groot belang.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Bij alle locaties in Nederland waar oppervlaktewater wordt gewonnen voor drinkwater staat de waterkwaliteit onder druk als gevolg van de klimaatverandering. Maatregelen zijn nodig om het water in de toekomst geschikt te houden voor de drinkwaterbereiding. Het RIVM heeft daarom met waterbeheerders, drinkwaterbedrijven en de rijksoverheid in kaart gebracht welke maatregelen kansrijk zijn. Daar kwamen drie categorieën uit voort: beleidsmaatregelen, aanpassingen in het watersysteem en een uitgebreidere zuivering door de drinkwaterbedrijven. Een combinatie van deze maatregelen is het meest effectief, ook omdat op de meeste innamepunten meerdere knelpunten aan de orde zijn en deze per innamepunt kunnen verschillen. De kwaliteit van water verslechtert als bij aanhoudende droogte de hoeveelheid water die door de rivieren stroomt afneemt. De invloed van lozingen op de waterkwaliteit is dan veel groter, omdat de concentraties van vervuilende stoffen uit de lozingen minder worden verdund. Een mogelijke beleidsmaatregel is dan ook om het toelatingsbeleid van stoffen aan te passen. Dit kan onder andere door het effect van klimaatverandering bij de toelating van stoffen mee te wegen. Voorbeelden daarvan zijn om vooral in nattere perioden lozingen toe te staan, of door normen voor de concentraties van vervuilende stoffen in oppervlaktewater aan te scherpen. Een voorbeeld van een aanpassing in het watersysteem kan zijn om bij aanhoudende droogte de wateraanvoer in de Maas of de Lek te verhogen door water uit de Waal daarnaartoe te laten stromen. Voor een intensievere zuivering door de drinkwaterbedrijven wordt voorgesteld meer of andere typen installaties in te zetten. Voor een duurzame drinkwatervoorziening zou een uitgebreidere zuivering door rioolwaterzuiveringinstallaties (rwzi's) ook een goede optie zijn. Rwzi's lozen gezuiverd rioolwater op het oppervlaktewater, dat daarna wordt gebruikt voor de drinkwatervoorziening. Ook andere vormen van watergebruik, zoals recreatie en natuur, kunnen baat hebben bij deze maatregel. Vanwege de kosten is hij in dit onderzoek als minder kansrijk gepositioneerd. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM) om een goede zoetwatervoorziening in de toekomst zeker te stellen. In Nederland wordt 40 procent van het drinkwater geproduceerd uit oppervlaktewater.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Identification and quantitation of N,alpha-diethylphenethylamine in preworkout supplements sold via the Internet | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Characteristics of hospitalized acute Q fever patients during a large epidemic, The Netherlands | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Novel childhood asthma genes interact with in utero and early-life tobacco smoke exposure [Letter to the editor] | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Meta-analysis of air pollution exposure association with allergic sensitization in European birth cohorts | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Soil acidification increases metal extractability and bioavailability in old orchard soils of Northeast Jiaodong Peninsula in China | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Ongeveer tweederde van de 244 grondwaterwinningen voor de drinkwatervoorziening in Nederland heeft een goede kwaliteit ongezuiverd grondwater. Bij ongeveer een derde blijkt het ongezuiverde grondwater (ruwwater) enige mate van verontreiniging te bevatten; de concentratie van vervuilende stoffen lag daar op 75 procent van de norm voor drinkwater of hoger. Per saldo lijkt de kwaliteit van het ruwwater voor een beperkt aantal stoffen in lichte mate slechter te worden. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM naar de grondwaterkwaliteit bij grondwaterwinningen in Nederland tussen 2000 en 2009. In verband met de Europese kaderrichtlijn Water (KRW) heeft het RIVM de waterkwaliteit van grondwaterwinningen landelijk geïnventariseerd. Conform de KRW (artikel 7) is per winning onderzocht of de gemiddelde grondwaterkwaliteit aan de normen voldoet en of er meerjarige trends optreden. Bij 7 winningen zijn de concentraties gestegen bij zes van de 63 onderzochte vervuilende stoffen; bij vier van deze stoffen werd de norm voor drinkwater overschreden. Deze trends leveren aanvullende informatie op voor de concentraties van stoffen (toestand) die elke zes jaar in de desbetreffende grondwaterlichamen als geheel worden bepaald. Voor de inventarisatie zijn de grondwaterwinningen voor de drinkwatervoorziening beoordeeld op basis van de normen uit het Drinkwaterbesluit en aan de hand van REWAB-data (Registratie opgaven van Waterleidingbedrijven). In de REWAB-database rapporteren drinkwaterbedrijven over de drinkwaterkwaliteit in Nederland. De drinkwaterbedrijven zijn hierdoor verantwoordelijk voor de in deze studie gebruikte grondwaterkwaliteitsgegevens.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
De laatste jaren groeit de zorg dat langdurig werken in ploegendiensten gezondheidsrisico's kan veroorzaken, waaronder kanker, overgewicht en harten vaatziekten. Het merendeel van de wetenschappelijke literatuur toont aan dat werken in ploegendienst ook tot een verhoogd risico op metabole gezondheidseffecten leidt, zoals een toename van lichaamsgewicht of een verstoorde suiker- en vethuishouding; een substantieel deel laat dit verband echter niet zien. Dit blijkt uit een literatuuroverzicht van het RIVM, dat in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) is uitgevoerd. De discrepantie tussen de onderzoeksresultaten wordt waarschijnlijk veroorzaakt door een grote verscheidenheid in de opzet ervan. Zo kan het type van de onderzochte ploegendienst variëren (zoals avond- of, nachtdienst, of wisselende diensten), net als de studiepopulatie (geslacht, beroep en dergelijke). Ook is in sommige onderzoeken niet gekeken naar leefstijlfactoren die de relatie tussen nachtwerk en metabole factoren kunnen beïnvloeden (roken, alcoholgebruik, bewegen en voeding). Het moment waarop wordt gegeten lijkt van invloed op veranderingen in metabole functies als gevolg van werken in ploegendienst. De relatie tussen mogelijke effecten op metabole risicofactoren had tot nu toe minder aandacht in wetenschappelijk onderzoek naar de effecten van werken in ploegendienst. Meer inzicht hierin is belangrijk, aangezien metabole risicofactoren bijdragen aan het ontstaan van diverse chronische aandoeningen, zoals hart- en vaatzieken en diabetes type II. In Nederland werkt 16 procent van de beroepsbevolking soms of regelmatig in de nachtdienst (1,2 miljoen mensen) en 51 procent geeft aan soms of regelmatig tijdens de avonduren te werken (3,8 miljoen mensen). Aanbevolen wordt onder andere om in onderzoek specifieke aandacht te hebben voor de invloed van de leefstijlfactoren bewegen en eten, roosterkenmerken en individuele variaties in dag- en nachtritmes. Deze factoren bieden aanknopingspunten voor toekomstige interventies.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
In verpleeg- en verzorgingshuizen wordt preventief onderhoud uitgevoerd van zogeheten klasse I medische hulpmiddelen, zoals tilhulpmiddelen, verpleegbedden, bedhekken en rolstoelen. Het onderhoud kan worden uitgevoerd door een medewerker of de technische dienst van een zorginstelling, door onderhoudsfirma's of door de fabrikant/leverancier. Wie het onderhoud pleegt, hangt af van de aard van het hulpmiddel. De relatief eenvoudig te onderhouden middelen, zoals rolstoelen, worden hoofdzakelijk in eigen beheer of door een onderhoudsfirma gedaan. Bij complexere apparatuur, zoals tilhulpmiddelen, voeren fabrikanten meestal het onderhoud uit. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM, dat in opdracht van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) is uitgevoerd. Hiervoor is een enquête gehouden onder 250 verpleeghuizen. Fabrikanten van hulpmiddelen zijn verplicht om een onderhoudsvoorschrift te verstrekken, voor het geval dat het onderhoud door de instelling zelf wordt uitgevoerd. De meeste respondenten hebben aangegeven dat de beschikbare onderhoudsvoorschriften hiervoor voldoende informatie bevatten. Deze voorschriften zijn echter niet altijd bij de instelling beschikbaar. Dit is vaker aan de orde bij eenvoudige hulpmiddelen, zoals rolstoelen, dan bij complexe hulpmiddelen, zoals tilliften. Uit het onderzoek wordt niet duidelijk aan wie die gebrekkige beschikbaarheid ligt of wat de consequenties daarvan zijn. In het onderzoek is ook stilgestaan bij de vraag of verpleegbedden en bedhekken voldoen aan internationale veiligheidsnorm die daarvoor bestaan. Dit is echter niet duidelijk geworden.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Ongeveer tweederde van de 244 grondwaterwinningen voor de drinkwatervoorziening in Nederland heeft een goede kwaliteit ongezuiverd grondwater. Bij ongeveer een derde blijkt het ongezuiverde grondwater (ruwwater) enige mate van verontreiniging te bevatten; de concentratie van vervuilende stoffen lag daar op 75 procent van de norm voor drinkwater of hoger. Per saldo lijkt de kwaliteit van het ruw water voor een beperkt aantal stoffen in lichte mate slechter te worden. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM naar de grondwaterkwaliteit bij grondwaterwinningen in Nederland tussen 2000 en 2012. In verband met de Europese kaderrichtlijn Water (KRW) heeft het RIVM de waterkwaliteit van grondwaterwinningen landelijk geïnventariseerd. Conform de KRW (artikel 7) is per winning onderzocht of de gemiddelde grondwaterkwaliteit aan de normen voldoet en of er meerjarige trends optreden. Bij 8 winningen zijn de concentraties gestegen bij zeven van de 63 onderzochte vervuilende stoffen; bij zes van deze stoffen werd de norm voor drinkwater overschreden. Bij 15 winningen is de aanvankelijke ontwikkeling onderbroken (trendomkering): bij 9 van deze winningen daalden de concentraties vervuilende stoffen eerst een aantal jaren, waarna ze weer zijn gaan stijgen. Bij 6 winningen gebeurde het omgekeerde: na een toename gedurende enkele jaren zijn de concentraties gaan dalen. Deze trends leveren aanvullende informatie op voor de concentraties van stoffen (toestand) die elke zes jaar in de desbetreffende grondwaterlichamen als geheel worden bepaald. Voor de inventarisatie zijn de grondwaterwinningen voor de drinkwatervoorziening beoordeeld op basis van de normen uit het Drinkwaterbesluit en aan de hand van REWAB-data (Registratie opgaven van Waterleidingbedrijven). In de REWAB-database rapporteren drinkwaterbedrijven over de drinkwaterkwaliteit in Nederland. De drinkwaterbedrijven zijn hierdoor verantwoordelijk voor de in deze studie gebruikte grondwaterkwaliteitsgegevens. De bevindingen van dit onderzoek komen grotendeels overeen met die van een gelijksoortige studie over een iets kortere periode, van 2000 tot en met 2009 (RIVM-rapport 607402011). In de onderliggende inventarisatie is bovendien bekeken of er sprake is van trendomkering.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Growth of climate change commitments from HFC banks and emissions | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Uncertainty analysis of projections of ozone-depleting substances: mixing ratios, EESC, ODPs, and GWPs | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Temperature effects on road traffic noise measurements | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Conceptual basis for development of the European Sustainability Footprint | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Green economy thinking and the control of nitrous oxide emissions | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Traffic-related air pollution - the health effects scrutinized | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Tekenradar.nl, een webplatform over tekenbeten en de ziekte van Lyme | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Pertussis resurgence: waning immunity and pathogen adaptation - two sides of the same coin | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
International outbreak investigation of Salmonella Heidelberg associated with in-flight catering | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Kinetics of the long-term antibody response after meningococcal C vaccination in patients with juvenile idiopathic arthritis: a retrospective cohort study | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Pre-natal exposure to perfluoroalkyl substances may be associated with altered vaccine antibody levels and immune-related health outcomes in early childhood | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Regulatory decision-making under uncertainty: Are costs proportionate to benefits when restricting dangerous chemicals on European markets? | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Candidatus Neoehrlichia mikurensis and anaplasma phagocytophilum in urban hedgehogs [Letter to the editor] | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Evaluation of yield of currently available diagnostics by sample type to optimize detection of respiratory pathogens in patients with a community-acquired pneumonia | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Effect of including nonfatal events in cardiovascular risk estimation, illustrated with data from the Netherlands | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Positive predictive values for detection of trisomies 21, 18 and 13 and termination of pregnancy rates after referral for advanced maternal age, first trimester combined test or ultrasound abnormalities in a national screening programme (2007-2009) | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
The value of signs and symptoms in differentiating between bacterial, viral and mixed aetiology in patients with community-acquired pneumonia | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Effects of long-term exposure to air pollution on natural-cause mortality: An analysis of 22 European cohorts within the multicentre ESCAPE project | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Dietary intakes of individual flavanols and flavonols are inversely associated with incident type 2 diabetes in European populations | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Transcriptome-based functional classifiers for direct immunotoxicity | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
22 jaar hiv-gerelateerde consulten in de huisartsenpraktijk | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
High detection rates of enteropathogens in asymptomatic children attending day care | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Detection of anorectal and cervicovaginal chlamydia trachomatis infections following azithromycin treatment: Prospective cohort study with multiple time-sequential measures of rRNA, DNA, quantitative load and symptoms | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Potential effect of salt reduction in processed foods on health | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Aggregate exposure approaches for parabens in personal care products: A case assessment for children between 0 and 3 years old | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Fish intake during pregnancy, fetal growth, and gestational length in 19 European birth cohort studies | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Coxiella burnetii seroprevalence and risk for humans on dairy cattle farms, the Netherlands, 2010-2011 | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Shape and steepness of toxicological dose-response relationships of continuous endpoints | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Options for assessment and regulation of low frequency noise | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Weight change later in life and colon and rectal cancer risk in participants in the EPIC-PANACEA study | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Greenhouse gas reporting of the LULUCF sector for the UNFCCC and Kyoto Protocol. Background to the Dutch NIR 2013 | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Long-term exposure to elemental constituents of particulate matter and cardiovascular mortality in 19 European cohorts: Results from the ESCAPE and TRANSPHORM projects | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Impact of imidacloprid on Daphnia magna under different food quality regimes | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Immunity against poliomyelitis in the Netherlands, assessed in 2006 to 2007: the importance of completing a vaccination series | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
ANTIDotE: anti-tick vaccines to prevent tick-borne diseases in Europe | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Sexually transmitted infections in men who have sex with men | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Extended-spectrum beta-lactamase producing Klebsiella spp. in chicken meat and humans: A comparison of typing methods | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Genome-wide association study identifies multiple loci associated with bladder cancer risk | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Active and passive cigarette smoking and breast cancer risk: Results from the EPIC cohort | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Consumption of alcoholic beverages and cognitive decline at middle age: the Doetinchem Cohort Study | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Skin as an indicator for sexually transmitted infections | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
No evidence of clusters of serogroup C meningococcal disease in the Dutch MSM community [Letter to the editor] | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Premenopausal serum sex hormone levels in relation to breast cancer risk, overall and by hormone receptor status - Results from the EPIC cohort | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
A study of grey literature in the field of nutrition, health and food safety; quantity, retrievability and scientists point of view | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Public knowledge and preventive behavior during a large-scale Salmonella outbreak: results from an online survey in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Inventory study of non-tuberculous mycobacteria in the European Union | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Half-saturation constants in functional responses | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Gezondheid en zorg | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Disease transmission through hospital networks | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Jeugdinterventies: van kwantiteit naar kwaliteit | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Evidence-based medicine en de integrale gezonde wijkaanpak | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Gezonde, fitte leerlingen presteren beter | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Samen werken aan gezondheid | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Pertussis specific T-cell immunity in Dutch children: differences after whole-cell versus acellular vaccination | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Storybuilder is een instrument waarmee de achterliggende oorzaken van ernstige arbeidsongevallen kunnen worden geanalyseerd. Deze analyse kan bedrijven helpen om maatregelen te nemen om dergelijke ongevallen te voorkomen. Dit is belangrijk omdat in Nederland op het werk jaarlijks nog 80 tot 90 dodelijke slachtoffers vallen; dat is bijna 2 doden per week. Het instrument is door het RIVM ontwikkeld en is online beschikbaar via rivm.nl. Het is een database met informatie over ernstige arbeidsongevallen die is gekoppeld aan een speciaal ontwikkeld computerprogramma. In dit rapport staat beschreven hoe de Storybuilder-database tot stand is gekomen. Hierbij wordt ingegaan op de belangrijke discussiepunten en begrippen, en worden de gemaakte keuzes toegelicht. De Storybuilder-database is gemaakt op basis van de informatie van de Inspectie SZW (voorheen Arbeidsinspectie) over 23.000 ernstige incidenten die zij vanaf 1998 heeft onderzocht. Op basis van deze informatie is een onderscheid gemaakt tussen 36 typen ongevallen. Het type ongeval dat het meest voorkomt is dat mensen vallen van een hoogte (van een ladder, dak, steiger, enzovoort), omdat er geen rand- of valbeveiliging aanwezig is en/of ze een ondoordachte beweging maken. Op de tweede plaats staat bekneld raken tussen bewegende delen van machines, omdat die onvoldoende afgeschermd zijn. Elk ongeval is in het computer programma weergegeven via een grafisch weergegeven verhaallijn, die stapsgewijs inzicht geeft in het ontstaan en verloop van een bepaald type ongeval en de gevolgen daarvan. Wat deed het slachtoffer toen het ongeval zich voordeed? Welke middelen, zoals machines of steigers, waren daarbij betrokken? Wat was de directe oorzaak van het ongeval (waar ging het mis) en wat waren de achterliggende oorzaken (hoe en waarom ging het mis). Ernstige arbeidsongevallen moeten bij de Inspectie SZW worden gemeld, waarna wordt onderzocht wat de oorzaken van het ongeval zijn en of deze een gevolg is van een overtreding van de wet. Met Storybuilder is de informatie van de Inspectie zodanig toegankelijk gemaakt dat er lessen uit kunnen worden getrokken. Storybuilder is uniek vanwege zijn gedetailleerde informatie en de beschrijving van ongevallen uit een breed scala van sectoren.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Sub-chronic toxicity study in rats orally exposed to nanostructured silica | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Transcriptional profiling reveals progeroid Ercc1(-/delta) mice as a model system for glomerular aging | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
In bedrijven met zogeheten garra-rufabaden, zoals sauna's en wellnessresorts, kunnen bezoekers hun handen of voeten onderdompelen in baden met garrarufavissen. Deze visjes knabbelen huidschilfers en dode huidcellen van de handen en voeten af, waardoor de huid zachter aanvoelt. Het is niet uitgesloten dat mensen via de baden huidinfecties kunnen oplopen. Infecties kunnen worden overgedragen van vissen op mensen, of, via de vissen of het water, van mens op mens. Dat blijkt uit een studie van het RIVM, die in opdracht van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) is uitgevoerd. Volgens het RIVM is het infectierisico van het gebruik van garra-rufabaden voor gezonde personen met een intacte huid en zonder ernstige ziekte verwaarloosbaar. Mensen met (kleine) huiddefecten lopen een klein risico op lokale huidinfecties. Personen met onderliggend lijden of een verminderde weerstand (inclusief diabetici) wordt ontraden gebruik te maken van garrarufabaden. Voor de studie is literatuuronderzoek gedaan en is de waterkwaliteit van garrarufabaden bij 16 bedrijven in Nederland onderzocht. Bij de meeste van hen zijn vier soorten bacteriën aangetroffen in het water van verschillende typen baden (hand, voet of lichaam): Aeromonas spp., Pseudomonas aeruginosa, Vibrio spp. en snelgroeiende mycobacteriën. De Psoriasis Vereniging Nederland, de Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venereologie en de Nederlandse Vereniging voor Huidtherapeuten hechten weinig tot geen waarde aan therapie met Garra rufa bij psoriasispatiënten. Zij zijn van mening dat er niet voldoende informatie is over de effectiviteit en de risico's van de therapie.
Jaar: 2014
Onderzoek
Voor een veilig (her)gebruik van chirurgische instrumenten in ziekenhuizen worden deze na gebruik gereinigd, onderhouden, verpakt en gesteriliseerd in stoomsterilisatoren. Jaarlijks wordt met behulp van validatie gecontroleerd of deze sterilisatoren goed werken. Uit onderzoek van het RIVM blijkt dat de validaties vaak niet voldoende zorgvuldig worden uitgevoerd. Hierdoor kan niet altijd worden vastgesteld dat alle medische hulpmiddelen van het ziekenhuis effectief gesteriliseerd kunnen worden en veilig zijn om opnieuw te worden gebruikt. Een van de belangrijkste tekortkomingen van de validatie is dat een gedetailleerd programma van eisen ervoor ontbreekt. Op die manier is niet duidelijk welke verrichtingen worden verwacht van het bedrijf dat de validatie uitvoert en hoe de resultaten worden gerapporteerd en geïnterpreteerd. Daarnaast zijn onder andere tekortkomingen vastgesteld bij de introductie van nieuwe te steriliseren medische hulpmiddelen, de toepassing van de geldende nationale en internationale normen, de selectie van validatieladingen en over de wijze waarop resultaten worden betrokken bij de vrijgifte van de sterilisator. Verder gaven de validatierapporten onduidelijkheden aan over de locatie van temperatuurvoelers.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Na een ramp, crisis, zwaar ongeval, (milieu-)incident of uitbraak van infectieziekten kan gezondheidsonderzoek worden ingezet. Het doel daarvan is om inzicht te krijgen of de ramp gezondheidsgevolgen heeft en of getroffenen behoefte hebben aan medische zorg of praktische ondersteuning. De GGD geeft advies over gezondheidsonderzoek na rampen (GOR) en het bevoegd gezag bepaalt uiteindelijk of het wordt uitgevoerd. Bij de uitvoering van GOR heeft de GGD een coördinerende taak. Om de besluitvorming voor te bereiden en GOR uit te voeren is een Handreiking Gezondheidsonderzoek na Rampen opgesteld. Het RIVM heeft de handreiking uit 2006 herzien op basis van nieuwe wet- en regelgeving, en van nieuwe inzichten door kennis en ervaring. De handreiking ondersteunt GGD'en bij beslissingen of er al dan niet een gezondheidsonderzoek moet worden ingesteld. Hiertoe staan in de handreiking verschillende doelen en typen van gezondheidsonderzoek beschreven. Afhankelijk van de mate en omvang van de ramp kan GOR een zorginhoudelijk, beleidsmatig, maatschappelijk of wetenschappelijk doel hebben. Voorbeelden van typen onderzoeken zijn: individueel medisch onderzoek, onderzoek met behulp van vragenlijsten of onderzoek aan de hand van registraties van bijvoorbeeld huisartsen. Als tot GOR wordt besloten, geeft de handreiking adviezen over de manier waarop zo'n onderzoek het beste kan worden uitgevoerd.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Na een incident met schadelijke stoffen kan het gewenst zijn om op korte termijn informatie te verzamelen over de getroffenen, hun eventuele gezondheidsklachten en de behoefte van betrokkenen aan zorg. Het gaat hierbij vooral om inzicht in de aard van de klachten en hoeveel mensen daar last van hebben. Om dit inzicht snel en relatief eenvoudig te kunnen verkrijgen is op verzoek van de GGD'en een screeningsvragenlijst ontwikkeld. Deze vragenlijst kan tot twee weken na een incident worden ingezet. De screeningsvragenlijst is een basisinstrument. Afhankelijk van het incident moeten enkele vragen worden aangepast aan de specifieke situatie. De vragenlijst kan op verschillende manieren worden afgenomen, schriftelijk, telefonisch en/of per internet. Momenteel wordt bekeken op welke manier de vragenlijst per internet beschikbaar kan worden gesteld, zodat een snelle verzameling en analyse van de gegevens mogelijk is. Inzet van een standaardvragenlijst als deze draagt bij aan de vergelijkbaarheid van gegevens met andere incidenten. Voor de totstandkoming van de screeningsvragenlijst zijn experts geraadpleegd die kennis hebben van onderzoek na incidenten en rampen, evenals deskundigen die ervaring hebben met de inzet van een gezondheidsonderzoek na rampen en incidenten. Advies over het wel of niet inzetten van de screeningsvragenlijst kan worden ingewonnen bij de Expertgroep Nazorg van het RIVM. De tool is namelijk niet voor elk incident een geschikt middel om de gevolgen ervan in kaart te brengen.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Review of acute chemical incidents as a first step in evaluating the usefulness of physiologically based pharmacokinetic models in such incidents | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Costs of tuberculosis disease in the European Union: a systematic analysis and cost calculation | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Variation in genes related to hepatic lipid metabolism and changes in waist circumference and body weight | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Age-related susceptibility to Japanese encephalitis virus in domestic ducklings and chicks | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Dit rapport bevat een erratum d.d.1-11-2014, na pagina 110 Sinds 2004 is het in Nederland toegestaan om vitamine D toe te voegen aan een ruim assortiment voedingsmiddelen. Tot die tijd was het alleen bij een beperkt aantal voedingsmiddelen toegestaan, zoals margarine en zuigelingenvoeding. In 2007 heeft het ministerie van VWS een maximum bepaald voor de toevoeging van vitamine D aan voedingsmiddelen. Ook geldt er een maximum gehalte voor vitamine D in supplementen. Beide maxima zijn vastgesteld met behulp van de 'aanvaardbare bovengrens' voor vitamine D inname. In 2012 heeft de European Food Safety Authority (EFSA) die 'aanvaardbare bovengrens' voor vitamine D verhoogd. Door deze verhoging wil het ministerie van VWS de nu geldende maxima voor toevoeging van vitamine D aan voedingsmiddelen en aan supplementen heroverwegen. Als input voor de besluitvorming hierover heeft het RIVM verschillende scenario's doorgerekend. Voedingsmiddelen mogen op dit moment verrijkt worden met vitamine D tot een maximum van 4,5 microgram per 100 kilocalorieën van een voedingsmiddel. Voor supplementen geldt op dit moment een maximale dagdosering; dat is de hoeveelheid die mensen volgens de aanwijzingen op de verpakking van een product kunnen innemen. Voor kinderen tot en met 10 jaar is dat 15 microgram; voor personen vanaf 11 jaar is dat 25 microgram. Voor dit onderzoek is het rekenmodel dat het RIVM voor dit soort berekeningen gebruikt vernieuwd. Hiermee is bepaald hoeveel ruimte er is voor extra inname van vitamine D uit verrijkte voedingsmiddelen of uit supplementen, naast de hoeveelheid die mensen via gewone voeding binnenkrijgen, totdat de aanvaardbare bovengrens wordt bereikt. Om dit te bepalen zijn gegevens gebruikt van de Nederlandse voedselconsumptiepeiling (VCP), die het consumptiepatroon in kaart brengt. Bij de berekeningen is aangenomen dat het in principe voor iedereen veilig zou moeten zijn om naast vitamine D inname uit de gewone voeding ook een bepaalde hoeveelheid vitamine D uit verrijkte voedingsmiddelen en supplementen binnen te krijgen.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Gegevensvoorziening omgevingswet kan ook eenvoudig beter | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Gegevensvoorziening omgevingswet kan ook eenvoudig beter | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Drawing-down N2O emissions: scenarios, policies and the green economy | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
De Nederlandse jeugd is over het algemeen gezond. De gezondheid is de afgelopen tien jaar op grote lijnen niet wezenlijk veranderd, maar wel op specifieke onderdelen. Zo zijn jongeren minder gaan roken en drinken, maar is het aantal opnamen op de spoedeisende hulpafdeling vanwege extreem drankgebruik juist toegenomen. Het aantal kinderen met overgewicht is de laatste jaren gestabiliseerd, maar blijft op een hoog niveau. Op de middelbare school worden minder kinderen gepest; op de basisschool is dat aantal ongeveer gelijk gebleven. Het aantal meldingen van kindermishandeling toegenomen, maar hoe dit zich verhoudt tot het werkelijke aantal gevallen is niet bekend. Kinderen met een lage sociaaleconomische status hebben een hoger risico op een ongezonde leefstijl en psychische problemen. Verder is er sprake van een toenemend gebruik van sociale media onder jongeren en is de groep te vroeg geboren kinderen gegroeid. Dit blijkt uit de eerste Verkenning jeugdgezondheid, opgesteld door RIVM in samenwerking met het Nederlands Centrum Jeugdgezondheid. De verkenning geeft een samenhangend overzicht van de fysieke en psychosociale gezondheid van kinderen en jongeren en gaat in op leefstijl en mogelijke problemen in de sociale omgeving. Een dergelijk overzicht ontbrak tot nu toe en is essentieel om een adequaat jeugdgezondheidsbeleid te kunnen voeren. Daarnaast is beschreven welke rol de jeugdgezondheidzorg (JGZ) heeft voor de gezondheid van kinderen en jongeren in Nederland. De JGZ richt zich op de belangrijkste gezondheidsproblemen van jeugdigen. Het is raadzaam dat de JGZ, naast de huidige zorg voor het individu, zich ook richt op de gezondheid van risicogroepen, waaronder kinderen en jongeren met een lage sociaaleconomische status. Vanuit deze 'collectieve blik' op jeugdgezondheid kan de JGZ, naast de directe hulpverlening, meedenken over beleid over gezondheid en gezondheidszorg, bijvoorbeeld in de wijk of op school. Het adolescentencontactmoment, dat in steeds meer regio's wordt ingevoerd, biedt de JGZ kansen om meer in te zetten op bijvoorbeeld leefstijl en schoolparticipatie.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Field test of available methods to measure remotely SO2 and NOx emissions from ships | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Inductively coupled plasma-mass spectrometry in biodistribution studies of (engineered) nanoparticles | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Modelling elemental carbon at regional, urban and traffic locations in The Netherlands | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Sucrose feeding in mouse pregnancy leads to hypertension, and sex-linked obesity and insulin resistance in female offspring | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
De Gezondheidsraad heeft recent geadviseerd om te onderzoeken in welke mate mensen die in Nederland rond velden met bollen- of fruitteelt wonen, blootstaan aan gewasbeschermingsmiddelen. De huidige toelatingsprocedure bevat geen aparte beoordeling van de gezondheidsrisico's voor omwonenden en hun kinderen. In Nederland wonen ongeveer negentigduizend mensen binnen 50 meter van een bollen- of fruitperceel. De gezondheidsrisico's van omwonenden kunnen pas worden beoordeeld nadat eerst een grootschalig onderzoek naar de blootstelling is gedaan. Hiervoor zijn meerdere meetrondes nodig bij omwonenden en bij bollen- en fruittelers en hun leefomgeving. Dit blijkt uit een studie van het RIVM. Het RIVM adviseert om metingen in urine, (binnen)lucht, huisstof en op moestuingewassen en gazons te verrichten. Door die gegevens te combineren, kan een beeld worden verkregen van de mate waarin mensen zijn blootgesteld en welk aandeel de diverse bronnen daarin hebben. De te onderzoeken regio's worden bepaald met behulp van registers voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen waaraan kan worden ontleend waar veel wordt gespoten. Daarnaast wordt met behulp van Geografische Informatie Systemen gelokaliseerd waar veel mensen dicht bij percelen wonen. De RIVM-studie beschrijft verder hoe de te meten middelen kunnen worden geselecteerd en welke gegevens en meetmethoden beschikbaar zijn. Een pilotstudie op kleine schaal is nodig om inzicht te krijgen in de praktische uitvoerbaarheid en de kosten. Vanwege het complexe karakter van dit onderzoek en de uiteenlopende benodigde expertise, adviseert het RIVM om er een consortium van onderzoeksinstituten voor te vormen. Daarnaast wordt aanbevolen bewoners en belangenbehartigende organisaties bij het onderzoek te betrekken. Het onderzoek moet bovendien aansluiten bij activiteiten die inmiddels zijn ingezet voor duurzaam gebruik van gewasbeschermingsmiddelen.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Recent increase in campylobacteriosis incidence in the Netherlands associated with proton-pump inhibitor use | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Developmental effects of aerosols and coal burning particles in zebrafish embryos | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Altered mitochondrial functioning induced by preoperative fasting may underlie protection against renal ischemia/reperfusion injury | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Selective decontamination of the oropharynx and the digestive tract, and antimicrobial resistance: a 4 year ecological study in 38 intensive care units in the Netherlands - authors' response [Letter to the editor] | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Fatty acids of erythrocyte membrane in acute pancreatitis patients | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Quantitative proteomics reveals distinct differences in the protein content of outer membrane vesicle vaccines | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Increase in hepatitis A in tourists from Denmark, England, Germany, the Netherlands, Norway and Sweden returning from Egypt, November 2012 to March 2013 | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Selective decontamination of the oropharynx and the digestive tract, and antimicrobial resistance: a 4 year ecological study in 38 intensive care units in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Magnitude of eHealth Technology Risks Largely Unknown | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Trends in the burden of foodborne disease in the Netherlands, 2006-11: a systematic analysis | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Genes-environment interactions in obesity- and diabetes-associated pancreatic cancer: a GWAS data analysis | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Spatio-temporal trends of nitrogen deposition and climate effects on Sphagnum productivity in European peatlands | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Response to Galán-Puchades and Fuentes: Taenia asiatica: neglected, but not forgotten, and almost certainly being quietly globalised | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Effect modification of the association of cumulative exposure and cancer risk by intensity of exposure and time since exposure cessation: A flexible method applied to cigarette smoking and lung cancer in the SYNERGY study | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Vitamin D-binding protein haplotype is associated with hospitalization for RSV bronchiolitis | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Plasma alkylresorcinols, biomarkers of whole-grain wheat and rye intake, and incidence of colorectal cancer | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Preventive behaviours regarding tick bites | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Human TP53 polymorphism (rs1042522) modelled in mouse does not affect glucose metabolism and body composition | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Delayed start of diphtheria, tetanus, acellular pertussis and inactivated polio vaccination in preterm and low birth weight infants in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Cijfers gehoorschade en geluidsblootstelling onvoldoende Harde muziek in discotheken, tijdens concerten en via koptelefoons kan, net als lawaai op het werk, blijvende gehoorschade veroorzaken. Het gaat daarbij om minder goed horen, doofheid en blijvend oorsuizen (tinnitus). Er zijn aanwijzingen dat vooral jongeren steeds vaker en op jongere leeftijd worden blootgesteld aan een hoeveelheid geluid die een risico kan vormen. Door het gebrek aan harde gegevens is niet bekend hoe vaak gehoorschade precies voorkomt en of het toeneemt. Blootstelling op jonge leeftijd kan onomkeerbare gehoorschade veroorzaken die mogelijk pas op latere leeftijd aan het licht komt. Voor Nederland ontbreken metingen van blootstelling aan lawaai (in decibellen) en gehoorverlies (audiometrie) over een langere periode. De huidige aanwijzingen zijn gebaseerd op gegevens over blootstelling aan muziek en over gehoorproblemen. Deze zijn ontleend aan vragenlijsten onder jongeren en registraties in de gezondheidszorg. Uit de beschikbare gegevens is niet te ontlenen welke bronnen gehoorproblemen veroorzaken. Wel blijkt uit de vragenlijsten dat zowel de omvang van geluidsblootstelling als de frequentie van oorsuizen na een bezoek aan een muziekevenement hoog is. Oorsuizen is, ook als het tijdelijk is, vaak een eerste indicatie van gehoorschade. Aanbevolen wordt meer inzicht te krijgen in de individuele blootstelling bij jongeren, bronnen van hard geluid, en welke geluidniveaus gehoorschade veroorzaken. Het betrouwbaarste onderzoek naar een trend in de tijd is een Amerikaanse studie waaruit blijkt dat het gehoor bij jongeren van 12 tot en met 19 jaar tussen 1988 en 2006 duidelijk is verslechterd, vermoedelijk door hogere muziekblootstelling. Andere aanwijzingen voor een toegenomen blootstelling aan harde muziek zijn dat muziek makkelijker beschikbaar is door de opkomst van de MP3-speler, en de beleving daarvan ('de bas moet je voelen') veranderd is. Verder is het gebruik van koptelefoons toegenomen en is muziekapparatuur technisch verbeterd waardoor het geluid harder kan staan zonder dat het vervormd raakt. Door gehoorschade hebben mensen een slechtere kwaliteit van leven, beperkingen in het sociaal verkeer en een lagere arbeidsparticipatie.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Large regional differences in serological follow-up of q fever patients in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Landelijke diergegevens, wat kan de GGD ermee? | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Social aspects of the living environment in relation to environmental health | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Parameters needed to estimate the global burden of peanut allergy: systematic literature review | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
In 2012 heeft de Nederlandse Commissie voor Stralingsdosimetrie (NCS) richtwaarden bepaald voor het gebruik van röntgenstraling bij een aantal radiologische handelingen. Ze zijn bedoeld als indicatie voor een aanvaardbare dosis waarmee een goed radiologisch beeld kan worden verkregen; afdelingen radiologie zijn niet verplicht zich aan de waarden te houden. Deze waarden gelden niet voor individuen maar worden vergeleken met de dosis die per groep patiënten met dezelfde behandeling is gemeten. De afdelingen blijken goed op de hoogte te zijn van deze zogeheten Diagnostische Referentieniveaus (DRN's). Ze zijn bezig de DRN's te implementeren of hebben dat inmiddels gedaan. De waarden zijn meestal nog niet in het kwaliteitssysteem van de afdeling en in de behandelprotocollen opgenomen. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM dat in opdracht van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) is uitgevoerd. Hiervoor is een enquête gehouden onder 20 Nederlandse ziekenhuizen. Ook blijkt dat, voor zover bekend, de gebruikte hoeveelheid straling doorgaans onder de DRN's blijft. Als dat structureel niet het geval is, komt dat doordat patiënten gemiddeld een hoog gewicht hebben (wat een hogere dosis vergt) of door de complexiteit van de procedures. Verder zijn er grote verschillen in de manier waarop ziekenhuizen de gemeten dosiswaarden aan de DRN's toetsen. De DRN's zijn per behandeling opgesteld voor een theoretische standaardpatiënt. Voordat de dosiswaarden daaraan kunnen worden getoetst, is het per ziekenhuis nodig om eerst een dosiswaarde voor zo'n standaardpatiënt af te leiden. Hiervoor bestaat een voorgeschreven werkwijze, maar die wordt in de praktijk niet altijd gevolgd. Vooral bij kinderen is dit lastig, omdat de meeste algemene ziekenhuizen weinig kinderen diagnosticeren. Daardoor zijn er onvoldoende gegevens beschikbaar om de voorgeschreven werkwijze uit te kunnen voeren. Om het implementatieproces te verbeteren wordt de afdelingen radiologie aanbevolen naar elkaars ervaringen te kijken en daarvan te leren. Daarnaast moet worden onderzocht of de methodiek om de DRN's te toetsen voor kinderen aangepast kan worden. Dit is van belang omdat kinderen gevoeliger zijn voor röntgenstraling.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Parameters needed to estimate the global burden of peanut allergy: systematic literature review | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Geluid en gezondheid, editie 2013 | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
A statistical approach towards the derivation of predictive gene sets for potency ranking of chemicals in the mouse embryonic stem cell test | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Legionnaires' disease in Europe, 2009-2010 | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
With whom did you have sex? Evaluation of a partner notification training for STI professionals using motivational interviewing | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Er heerst weer mazelen | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Micronuclei in cord blood lymphocytes and associations with biomarkers of exposure to carcinogens and hormonally active factors, gene polymorphisms, and gene expression: The NewGeneris Cohort | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Efficient surveillance for healthcare-associated infections spreading between hospitals | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Cultivated microalgae spills: Hard to predict/easier to mitigate risks | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Challenges in diagnosing extrapulmonary tuberculosis in the European Union, 2011 | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
The role of religious leaders in promoting acceptance of vaccination within a minority group: a qualitative study | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Noise and cardiovascular disease: a review of the literature 2008-2011 | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Particulate matter strongly associated with human Q fever in The Netherlands: an ecological study | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Neuralgic amyotrophy and hepatitis E virus infection | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Environmental risks and challenges of anthropogenic metals flows and cycles. A report of the Working Group on the Global Metal Flows to the International Resource Panel | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Investigating short-term exposure to electromagnetic fields on reproductive capacity of invertebrates in the field situation | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
One health information and communication technologies: How digital humanities contribute to public health | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
De overheid wil bij haar aanbestedingen rekening houden met de duurzaamheid van in te kopen producten, diensten en werken. Hiervoor zijn onder andere per productgroep eisen opgesteld waar inkopen van de overheid minimaal aan moeten voldoen om het predicaat 'duurzaam' te krijgen. Toepassen van deze eisen leidt tot milieuwinst voor de helft van de productgroepen. Het gaat om vermeden CO2-uitstoot, vermeden uitstoot van toxische stoffen en vermeden gebruik van grondstoffen. De vermeden CO2-uitstoot wordt voornamelijk veroorzaakt door ambitieuze minimumeisen voor twee productgroepen, namelijk gas- en elektriciteitsgebruik. Dit blijkt uit een quick-scan van het RIVM die in verband met de evaluatie van het Rijksbeleid voor duurzaam inkopen is uitgevoerd. Hiertoe zijn de minimumeisen onder andere vergeleken met bestaande regelgeving in Nederland en Europa en het gemiddelde aanbod op de markt van de verschillende productgroepen. De analyse laat zien dat de eisen per productgroep kunnen leiden tot flinke milieuwinst. Bij de andere helft van de productgroepen leveren de eisen geen milieuwinst op. De belangrijkste reden hiervoor is dat een groot deel van de minimumeisen relatief snel 'veroudert'. Hiermee wordt bedoeld dat ontwikkelingen in de markt en de EU-regelgeving regelmatig sneller gaan dan de mate waarin de minimumeisen worden aangescherpt. Het RIVM doet aanbevelingen waarmee meer milieuwinst kan worden geboekt met het breed toegepaste instrumentarium voor duurzaam inkopen. Eisen kunnen bijvoorbeeld op relatieve wijze worden geformuleerd, zoals dat bij het energielabel voor auto's gebeurt. Ook kan de focus meer verschuiven naar het gebruik van prestatiebelonende gunningscriteria in plaats van alleen toetsing aan de minimumeisen.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Corrigendum to "Definition and quantification of initial anthropogenic pollutant release in swimming pools" [Water Res. 46 (11):3682-3692] | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Time in bed, sleep quality and associations with cardiometabolic markers in children: the Prevention and Incidence of Asthma and Mite Allergy birth cohort study | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Recommendations for the empirical treatment of complicated urinary tract infections using surveillance data on antimicrobial resistance in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Assessing predictive uncertainty in comparative toxicity potentials of triazoles | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Comorbidity of eczema, rhinitis, and asthma in IgE-sensitised and non-IgE-sensitised children in MeDALL: a population-based cohort study | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Systematic review of allelic exchange experiments aimed at identifying mutations that confer drug resistance in Mycobacterium tuberculosis | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
An outbreak of salmonella Newport associated with mung bean sprouts in Germany and the Netherlands, October to November 2011 | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
In Nederland worden, net als in andere Europese landen, veel verschillende bestrijdingsmiddelen in oppervlaktewater aangetroffen. Sommige van deze stoffen overschrijden de normen voor de waterkwaliteit, maar het kan per land verschillen bij welke stoffen dat aan de orde is. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM en Rijkswaterstaat naar de manier waarop bestrijdingsmiddelen in het buitenland worden aangepakt. Er zijn meerdere verklaringen voor de verschillen. Zo hebben landen uiteenlopende meetprogramma's en worden gegevens anders geïnterpreteerd. Bovendien zijn landschap en klimaat van invloed op de soorten gewassen die kunnen worden geteeld, en daarmee op de bestrijdingsmiddelen die worden gebruikt, in welke hoeveelheid en wanneer. Typisch voor Nederland zijn bijvoorbeeld de vele kassen die het hele jaar door in bedrijf zijn. Een andere belangrijke factor is dat landen verschillende waterkwaliteitsnormen hanteren. Uit het onderzoek blijkt dat normen voor dezelfde stof substantieel kunnen verschillen tussen landen. Deze verschillen bepalen of een stof als probleem wordt gezien of niet. Bovendien heeft Nederland voor meer stoffen een norm afgeleid dan andere landen, waardoor stoffen daar niet altijd in beeld komen als probleemstof. Een aanbeveling is dan ook om binnen Europa de waterkwaliteitsnormen voor bestrijdingsmiddelen beter op elkaar af te stemmen. Dit zou kunnen door al tijdens het Europese toelatingsproces voor bestrijdingsmiddelen gezamenlijk waterkwaliteitsnormen vast te stellen. Uit het onderzoek blijkt verder dat voor een aantal Nederlandse probleemstoffen de waternormen moeten worden herzien om tot een goed oordeel te kunnen komen. Voor deze stoffen zijn nu alleen indicatieve normen beschikbaar; bij een herziening volgens de nieuwste inzichten zou het probleem minder groot kunnen zijn. Daarnaast zijn er stoffen die ten onrechte niet als probleemstof worden herkend omdat de indicatieve norm zeer waarschijnlijk te hoog is.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Risk factors for human salmonellosis originating from pigs, cattle, broiler chickens and egg laying hens: a combined case-control and source attribution analysis | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Plasma-serum cholesterol differences in children and use of measurements from different specimens | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Modeling cadmium and nickel toxicity to earthworms with the free ion approach | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Modelling the impact of chlamydia screening on the transmission of HIV among men who have sex with men | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
International multicenter evaluation of the DiversiLab bacterial typing system for Escherichia coli and Klebsiella spp | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Middle East respiratory syndrome coronavirus in dromedary camels: an outbreak investigation | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Prescription of antiviral drugs during the 2009 influenza pandemic: an observational study using electronic medical files of general practitioners in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Human dose response relation for airborne exposure to Coxiella burnetii | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
The efficiency of targeted intervention in limiting the spread of HIV and Hepatitis C virus among injecting drug users | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Emergence of the virulence-associated PB2 E627K substitution in a fatal human case of highly pathogenic avian influenza virus A(H7N7) infection as determined by illumina ultra-deep sequencing | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Molecular typing of nontuberculous mycobacteria | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Quantitative risk assessment for food and waterborne viruses | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Does EU legislation allow the use of the Benchmark dose (BMD) approach for risk assessment? | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Measuring stages of health in all policies on a local level: the applicability of a maturity model | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Detection of human enteroviruses and parechoviruses as part of the national enterovirus surveillance in the Netherlands, 1996-2011 | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Evaluation of the Oxoid Brilliance™ CRE agar for the detection of carbapenemase-producing enterobacteriaceae | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Environmental surveillance of human parechoviruses in sewage in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Do sexual risk behaviour, risk perception and testing behaviour differ across generations of migrants? | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
All-cause mortality risk of metabolically healthy abdominal obese individuals: The EPIC-MORGEN study | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Bone marrow provides an environment that prevents suppression of therapeutic graft-vs.-tumor immunity by regulatory T cells | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Targeted screening for Coeliac Disease among irritable bowel syndrome patients: analysis of cost-effectiveness and value of information | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
No evidence for the persistence of Schmallenberg virus in overwintering mosquitoes | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Anal and penile high-risk human papillomavirus prevalence in HIV-negative and HIV-infected MSM | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Diagnosis of diabetes mellitus or cardiovascular disease and lifestyle changes - The Doetinchem Cohort Study | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Can commonly measurable traits explain differences in metal accumulation and toxicity in earthworm species? | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Polymorphisms of Helicobacter pylori signaling pathway genes and gastric cancer risk in the European Prospective Investigation into Cancer-Eurgast cohort | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Varicella zoster virus infection occurs at a relatively young age in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
'Are we there yet?' - Operationalizing the concept of Integrated Public Health Policies | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Release of isothiocyanates does not explain the effects of biofumigation with Indian mustard cultivars on nematode assemblages | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
The pathogen- and incidence-based DALY approach: an appropriated methodology for estimating the burden of infectious diseases | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Physical activity, sex steroid, and growth factor concentrations in pre- and post-menopausal women: a cross-sectional study within the EPIC cohort | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Assessment of vaccine candidates for persons aged 50 and older: a review | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
In 2012 was er een grote kinkhoestepidemie in Nederland. Het betrof voornamelijk kinderen tussen 0 en 2 maanden oud, kinderen van 8 jaar en ouder, en volwassenen. Het aantal kinkhoestmeldingen was in de eerste helft van 2013 laag. De uitbraak van de bof die eind 2009 begon, is in 2013 verminderd, al verspreidt het virus zich nog wel in Nederland. Daarnaast is er sinds mei 2013 een uitbraak van mazelen in Nederland, vooral onder orthodox-gereformeerden met een lage vaccinatiegraad. Verwacht wordt dat de uiteindelijke omvang van deze uitbraak groter zal zijn dan de vorige in 1999/2000. Dit blijkt uit het jaaroverzicht van het RIVM over de mate waarin ziekten voorkomen waartegen gevaccineerd wordt via het Rijksvaccinatieprogramma (RVP), en de ontwikkelingen daarin. Het geeft ook inzicht in de vaccins die zijn gebruikt en welke bijwerkingen daarbij optraden. Ontwikkelingen over nieuwe vaccins, die eventueel in de toekomst in het RVP worden opgenomen, zijn ook beschreven. Doordat de vaccinatiegraad al vele jaren hoog is, krijgen weinig mensen de ziekten waartegen via het RVP wordt gevaccineerd. Het vaccinatieprogramma is bovendien veilig, waarbij er relatief weinig bijwerkingen voorkomen die doorgaans niet ernstig van aard zijn. Wel blijft voor een optimaal vaccinatieprogramma continue monitoring van effectiviteit en bijwerkingen nodig. Andere ontwikkelingen Uit het overzicht blijkt ook dat er tijdens de eerste weken van de mazelenepidemie ook een kleine uitbraak van rodehond heeft plaatsgevonden op een orthodox-gereformeerde school. Dit veroorzaakte het grootste aantal zieken door rodehond sinds 2004/2005. In Syrië en Israël is het poliovirus verspreid. In Nederland zijn er tussen medio 2012 tot 1 november 2013 geen gevallen van polio gemeld. Verder zijn er in 2013 in Europese landen enkele gevallen van meningokokken C gerapporteerd onder mannen die seks hebben met mannen (MSM). In Nederland is dat onder mannen die tot deze risicogroep kunnen behoren niet gemeld. Effectiviteit pneumokokkenvaccin Uit onderzoek naar de effectiviteit van het pneumokokkenvaccin blijkt dat het vaccin evenveel bescherming biedt als het aantal prikmomenten wordt verlaagd. De Gezondheidsraad heeft geadviseerd om minder prikken in het prikschema op te nemen.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Eight new genomes and synthetic controls increase the accessibility of rapid melt-MAMA SNP typing of Coxiella burnetii | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Dietary intakes and risk of lymphoid and myeloid leukemia in the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition (EPIC) | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
General considerations on the biosafety of virus-derived vectors used in gene therapy and vaccination | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Randomized controlled ferret study to assess the direct impact of 2008-09 trivalent inactivated influenza vaccine on A(H1N1)pdm09 disease risk | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
MERS coronavirus: Data gaps for laboratory preparedness | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Age at menarche and type 2 diabetes risk: The EPIC-InterAct study | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
The association between dietary flavonoid and lignan intakes and incident type 2 diabetes in european populations: The EPIC-InterAct study | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Matrix Gla protein species and risk of cardiovascular events in type 2 diabetic patients | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
A model for the early identification of sources of airborne pathogens in an outdoor environment | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Deletion of individual Ku subunits in mice causes an NHEJ-independent phenotype potentially by altering Apurinic/Apyrimidinic site repair | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Biosafety of non-human therapeutic viruses in clinical gene therapy | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Molecular epidemiological analysis of the transboundary transmission of 2003 highly pathogenic avian influenza H7N7 outbreaks between The Netherlands and Belgium | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
In de jaren tachtig van de vorige eeuw stond 'zure regen' als milieuprobleem sterk in de belangstelling. Bossen stierven erdoor af en organismen verdwenen uit rivieren en meren. Zure regen bleek te worden veroorzaakt door luchtvervuiling. De door industrie, verkeer en landbouw uitgestoten gassen bevatten stikstof en zwavel. Deze stoffen komen via de lucht elders op de bodem terecht, waardoor de bodem en het water verzuren en vermesten. Dit heeft een negatief effect op de kwaliteit van de bodem en het water, en op de biodiversiteit. De maatregelen die internationaal zijn genomen om de uitstoot van stikstof en zwavel te verminderen, blijken hun vruchten af te werpen. Onderzoek van het RIVM laat zien dat op de meeste meetlocaties in Nederland nog wel sprake is van verzuring, maar minder sterk dan voorheen. Door de lagere uitstoot is de regenwaterkwaliteit tussen 1989 en 2010 verbeterd. Er komt daardoor nu minder stikstof en zwavel op de bodem terecht. Dit werkt in positieve zin door op het bovenste grondwater: de hoeveelheid stikstof en zwavel is met tientallen procenten gedaald. Het voorliggend onderzoek is een eerste uitgebreide analyse van de meetgegevens van het TrendMeetnet Verzuring (TMV), dat in 1989 is opgezet in natuurgebieden op zandgrond. Het meetnet monitort op 150 locaties in Nederland de invloed van de neerslag van verzurende en vermestende stoffen uit de lucht op de kwaliteit van het grondwater. Uit een literatuurstudie blijkt dat ondanks de positieve ontwikkelingen de ecosystemen nog niet zijn hersteld van de verzurende en vermestende effecten van luchtvervuiling. De vermesting door de neerslag van stikstof op de bodem in de Nederlandse natuur is nog altijd een van de grootste bedreigingen voor de variatie aan plantensoorten: bij tweederde van de onderzochte gebieden overschrijdt de depositie de norm. Verzuring is ook problematisch, maar in mindere mate.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
"Jongeren weerbaar maken zodat ze om leren gaan met verleidingen uit het dagelijkse leven" - dat is een van de speerpunten die het kabinet heeft geformuleerd in de Landelijke nota Gezondheidsbeleid van mei 2011. Bijna de helft van alle interventies die zijn bedoeld om de leefstijl van jongeren te verbeteren bevat handvatten om weerbaarheid te versterken. Dit blijkt uit een inventarisatie van leefstijlinterventies die het RIVM uitvoerde in opdracht van het ministerie van VWS. Hiervoor zijn met behulp van de interventiedatabase van het RIVM Centrum Gezond Leven (CGL) 53 interventies geïdentificeerd die erop gericht zijn een gezonde leefstijl te bevorderen en als 'goed onderbouwd' of 'effectief' zijn beoordeeld. De thema's zijn: alcohol, drugs, lichamelijke activiteit/bewegen, overgewicht, roken, seksualiteit en voeding. In 22 van deze 53 leefstijlinterventies is de versterking van de weerbaarheid onderdeel van de interventie. De aandacht voor weerbaarheid verschilt per onderwerp. Versterking van weerbaarheid maakt deel uit van vrijwel alle interventies die gericht zijn op seksueel gedrag. Van de interventies die zijn gericht op het gebruik van alcohol, tabak en drugs bevat tweederde een onderdeel weerbaarheid. In de meeste interventies gericht op voeding, overgewicht of lichamelijke activiteit/bewegen, is weerbaarheid geen thema. Van de meeste leefstijlinterventies, is de effectiviteit (nog) niet bekend. Het is daardoor moeilijk te beoordelen of de effectiviteit van de interventie groter is als er aandacht aan weerbaarheid wordt besteed. Aanbevolen wordt om nader onderzoek te doen naar de samenhang tussen weerbaarheid en leefstijl bij de Nederlandse jeugd.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Sexually transmitted infections screening at HIV treatment centers for MSM can be cost-effective | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Coxiella burnetii seroprevalence in small ruminants in The Gambia | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Trimethoprim/sulfamethoxazole susceptibility of Mycobacterium tuberculosis [Letter to the editor] | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Quantifying the contributions of behavioral and biological risk factors to socioeconomic disparities in coronary heart disease incidence: the MORGEN study | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
A multiplex bead-based suspension array assay for interrogation of phylogenetically informative single nucleotide polymorphisms for Bacillus anthracis | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Oral human papillomavirus infection in HIV-negative and HIV-infected MSM | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
The relationship between physical activity and the living environment: A multi-level analyses focusing on changes over time in environmental factors | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Limited humoral and cellular responses to Q fever vaccination in older adults with risk factors for chronic Q fever | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Age related differences in dynamics of specific memory B cell populations after clinical pertussis infection | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
De doses straling die patiënten in Nederland bij medische diagnostiek oplopen behoren tot de laagste in Europa. Desondanks valt er op dit gebied nog steeds winst te behalen. Dit is van belang omdat de totale medische stralingsbelasting voor diagnoses de laatste jaren toeneemt. Dat komt doordat Nederlanders jaarlijks gemiddeld steeds meer medische verrichtingen ondergaan waarbij straling wordt gebruikt, zoals CT-scans. Moderne radiologische apparatuur biedt steeds meer mogelijkheden om de dosis per verrichting zo laag mogelijk te houden. Het RIVM heeft daarom geïnventariseerd welke eigenschappen van de apparatuur zijn verouderd en welke juist zijn gewenst om de dosis te verlagen. Verouderd is bijvoorbeeld apparatuur waarbij het niet mogelijk is om de omvang van de röntgenbundel te beperken. Hetzelfde geldt voor apparatuur waarbij de dosis niet automatisch wordt aangepast aan de lichaamseigenschappen van de patiënt (zoals het gewicht). Voorbeelden van geavanceerde dosisbesparende technieken zijn 'magnetische navigatie', waarbij bijvoorbeeld een hartkatheter door bloedvaten wordt geleid met behulp van magnetische velden in plaats van met röntgenstralen. State of the art is het ook als de dosis kan worden aangepast aan de verschillende fases van de hartslag (ontspannen hart of juist niet). Daarnaast bestaan er detectoren met minder elektronische ruis, waardoor het apparaat gevoeliger is en met minder straling toe kan. Belangrijk zijn verder de nieuwste wiskundige methoden waarmee het beeld wordt gereconstrueerd (iteratieve reconstructie), waardoor een lagere dosis toereikend is. Voor de stralingsbelasting van patiënten door diagnostische verrichtingen is het van belang zowel het aantal verrichtingen als de dosis per verrichting te beperken. Het huidige rapport richt zich vooral op de dosis per verrichting. Deze is relatief hoog bij CT-scans en bij interventies met een lange blootstelling aan röntgenstraling. Om de mogelijkheden van state of the art apparatuur optimaal te benutten is het van belang dat de gebruikers goed worden opgeleid en nageschoold. Dosisbesparing is extra belangrijk bij kinderen, omdat die kwetsbaarder zijn voor nadelige effecten van straling. De inventarisatie is gemaakt op basis van literatuuronderzoek en interviews met experts uit diverse beroepsgroepen (radiologen, klinisch fysici, laboranten en fabrikanten). Het onderzoek werd verricht in opdracht van de Inspectie voor de Gezondheidszorg.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Dispersal of antibiotic-resistant high-risk clones by hospital networks: changing the patient direction can make all the difference | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Dispersal of antibiotic-resistant high-risk clones by hospital networks: changing the patient direction can make all the difference | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
A structural equation modelling approach to explore the role of B vitamins and immune markers in lung cancer risk | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Spatial relationships in the Q fever outbreaks 2007-2010 in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Longitudinal analysis of cardiovascular risk parameters in women with a history of hypertensive pregnancy disorders: The Doetinchem Cohort Study | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Decreased ciprofloxacin susceptibility in Salmonella Typhi and Paratyphi infections in ill-returned travellers: the impact on clinical outcome and future treatment options | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
The effect of population aging on health expenditure growth: a critical review | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Effects of fluctuations in river water level on virus removal by bank filtration and aquifer passage - a scenario analysis | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Predicting nitrogen and acidity effects on long-term dynamics of dissolved organic matter | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Migration and geographical inequalities in health in the Netherlands: an investigation of age patterns | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
In 2011 heeft de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu besloten periodiek te onderzoeken of de luchtkwaliteit in de IJmond de gezondheid van bewoners beïnvloedt. Dit onderzoek wordt uitgevoerd door het RIVM en GGD Kennemerland. Het RIVM onderzoekt het medicatiegebruik; GGD Kennemerland verwerkt namens de gemeenten in de regio de gegevens van de lokale gezondheidsmonitor. Het RIVM-onderzoek heeft geen verband gevonden tussen de blootstelling aan luchtverontreiniging afkomstig van Tata Steel en het gebruik van bloeddrukverlagende medicatie door volwassenen. Hetzelfde geldt voor het gebruik van luchtwegmedicatie door volwassenen en jongeren. Andere lokale bronnen, waaronder verkeer, zijn mogelijk wel van invloed op dit medicijngebruik. Dit eerste onderzoek betrof de periode 2006-2010. De daaropvolgende jaren worden ook nog onderzocht. Aanleiding voor het onderzoek zijn zorgen van omwonenden over luchtverontreiniging afkomstig van Tata Steel (voorheen Corus en Hoogovens). In 2009 heeft het RIVM de samenhang tussen emissies, lokale milieukwaliteit en de gezondheid van bewoners onderzocht. Daaruit bleek dat de bijdrage van Tata Steel aan de fijnstofniveaus in de lucht zou kunnen leiden tot een lichte verhoging van gezondheidsklachten. Ook werd gekeken naar de mate waarin verschillende vormen van kanker in de regio voorkomen. Het bleek dat er zich in de IJmond relatief meer gevallen van longkanker voordoen, maar het is niet mogelijk om deze zonder meer aan de uitstoot van Tata Steel toe te schrijven. In het vervolgtraject wordt gemonitord in welke mate de maatregelen die Tata Steel heeft genomen om de uitstoot van fijn stof terug te dringen invloed hebben op de gezondheid van de bewoners.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Net als de jaren daarvoor is in 2011 en 2012 het aantal unieke bezoekers van de zorgportal kiesBeter.nl toegenomen: van ruim 4,9 miljoen in 2010 naar ruim 5,4 miljoen in 2011 (een stijging van 9 procent); en naar ruim 5,6 miljoen in 2012, een stijging van 4 procent. De website wordt meer bezocht door vrouwen dan door mannen (in beide jaren circa twee derde versus een derde). Dit blijkt uit een analyse door het RIVM van een TNS-NIPO-enquête over het gebruik en de waardering van kiesBeter.nl in 2011 en 2012. KiesBeter.nl is een zorgportal voor publiek die burgers onafhankelijke informatie biedt over zorg en gezondheid. Deze informatie helpt burgers bij het maken van keuzes in de zorg. De website biedt het publiek onder meer de mogelijkheid ziektekostenverzekeringen, ziekenhuizen en andere zorgorganisaties te vergelijken. Het beheer is tot 2014 in handen van het RIVM, daarna gaat het over naar het Kwaliteitsinstituut. In vergelijking met andere gezondheidssites had kiesBeter.nl in 2011 en 2012 nog steeds een goede naamsbekendheid. De verschillen tussen beide jaren zijn niet groot: de totale naamsbekendheid (spontaan én geholpen) was in 2011 19 procent en in 2012 18,5procent. Een goede vindbaarheid is echter van veel groter belang: in 2012 kwam driekwart van de bezoekers via een zoekmachine op de site kiesBeter.nl terecht. Daarnaast is een groei te zien van het aantal bezoekers dat via social media-kanalen als Twitter.com en Facebook.com binnenkomt. De site kiesBeter.nl kreeg in 2012 van 68 procent van de bezoekers het oordeel 'goed tot zeer goed' op de criteria gebruiksgemak en waardering. In 2011 lag dit percentage op 70 procent.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Een lab-on-a-chip (LOC) is een miniatuur laboratoriumsysteem dat binnen en buiten het ziekenhuis voor verschillende medische doeleinden wordt gebruikt. Voorbeelden zijn het bepalen van bloedwaarden, het bloedglucose- en cholesterolgehalte of het aantal HIV-cellen. Het RIVM heeft de state of the art van dergelijke LOC's beschreven, inclusief een overzicht van producten die op de markt zijn of binnenkort verwacht worden. Hieruit blijkt dat deze producten sterk in ontwikkeling zijn en het aanbod in de nabije toekomst verder zal toenemen. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ). Naar verwachting levert het gebruik van LOC's voordelen op ten opzichte van de huidige testwijze in klinisch diagnostische laboratoria. De belangrijkste zijn dat ze het mogelijk maken om op locaties waar dit direct gewenst is snel een diagnose te stellen (point-of-care), en dat er minder monsters en materialen nodig zijn om de tests uit te voeren. Wel is aandacht nodig voor kwaliteitsmanagementaspecten, zoals meetafwijkingen corrigeren (kalibratie), onderhoud van de apparatuur en scholing van de gebruiker. Op die manier gaan de voordelen van LOC's niet ten koste van de kwaliteit van de zorg en de patiëntveiligheid. Het gebruik van LOC's draagt bij aan de huidige trend van meer zelfredzaamheid in de gezondheidszorg, doordat huisartsen zelf tests kunnen uitvoeren of mensen dat thuis kunnen doen. Daarnaast draagt het bij aan de ontwikkeling van behandelingsvormen die meer op de individuele patiënt zijn geënt (personalized medicine). De kans dat zorgprofessionals LOC's gaan gebruiken neemt toe als zij de ontwikkelaars van LOC's kunnen laten weten hoe ze nog beter aansluiten bij hun behoeften. Dit onderzoek beschrijft ook de technologie die gebruikt wordt bij de LOC's, microfluidica. Deze technologie maakt het mogelijk om vloeistoffen op microschaal te gebruiken en manipuleren.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Ondanks bestaande wet- en regelgeving om de risico's van gevaarlijke stoffen op de werkvloer te beperken, doen zich nog altijd nieuwe risico's voor. Het RIVM pleit er daarom voor een systeem te ontwikkelen dat dergelijke risico's snel oppikt, zodat kan worden voorkomen dat meer mensen ziek worden. Inmiddels zijn daartoe enkele stappen genomen. Bij zo'n systeem is internationale samenwerking van belang om ervoor te zorgen dat de juiste methoden worden ontwikkeld om nieuwe risico's op te sporen, de communicatie over nieuwe risico's goed verloopt, en zo snel mogelijk nationale of internationaal maatregelen kunnen worden getroffen. Dit blijkt uit een studie van het RIVM, waarvoor professionals uit het veld zijn geïnterviewd. De studie bevat ook een overzicht van nieuwe risico's die hebben geleid tot gezondheidsproblemen. Zo is het gebruik van de smaakstof boteraroma (di-acetyl) voor mensen die in bedrijven werken waar popcorn werd gemaakt, gereguleerd omdat het na inademing een zeer ernstige luchtwegaandoening kan veroorzaken. Desondanks blijkt deze smaakstof ook in andere branches, zoals de koffieverwerkende industrie, nog steeds te worden gebruikt. Oorzaken Er blijkt relatief weinig bekend te zijn over de schadelijke effecten van stoffen op de werkvloer. Dat komt onder andere doordat de risicobeoordeling van de meeste stoffen wordt gebaseerd op tests waarbij de stof wordt ingeslikt. Voor werkers daarentegen is het contact met een stof via de luchtwegen (inademen) of huid juist relevant. Daarnaast ontbreekt het veel bedrijfsartsen aan specifieke kennis over arbeidsgerelateerde gezondheidseffecten van gevaarlijke stoffen. Ook communiceert de Nederlandse reguliere gezondheidszorg zelden met de bedrijfsgezondheidszorg over mogelijke verbanden tussen aandoeningen en de werkomgeving. Met als gevolg dat nieuwe gezondheidseffecten op de werkvloer in Nederland bijna niet, of te laat, worden opgepikt. Dit is mede te wijten aan het Nederlandse financieringsstelsel, waarbij verzekeraars niet worden geprikkeld om te achterhalen wat de oorzaak is van een ziekte. In enkele Europese landen is deze prikkel er wel en worden nieuwe cases gerapporteerd en in databases verwerkt. Vervolgacties Als aanzet tot het gewenste systeem is sinds juli 2013 het online loket SIGNAAL beschikbaar ( https://www.signaal.info/ ), waar bedrijfsartsen een mogelijk nieuw arbeidsgerelateerd risico kunnen melden. Het streven is om vandaaruit het risico te laten evalueren door een nog op te richten Nederlandse expertgroep van bedrijfsartsen, toxicologen, arbeidshygiënisten en dergelijke. Daarna kan het worden ingebracht bij Modernet, een internationaal netwerk van professionals die nieuwe risico's onderzoeken en kennis met elkaar delen en daarmee eventuele maatregelen voeden. Nederland is een van de initiatiefnemers van Modernet, dat al enkele jaren bestaat.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Mensen die dichtbij windturbines wonen, hebben vooral last van het geluid dat windturbines met zich meebrengen. Sommige mensen ervaren hinder (zoals irritatie, boosheid en onbehagen) als zij het gevoel hebben dat hun omgevingsof levenskwaliteit verslechtert door de plaatsing van windturbines. Hierdoor kunnen gezondheidsklachten ontstaan. Om de invloed van windturbines op de slaap te kunnen beoordelen, zijn nog onvoldoende gegevens beschikbaar. De beschikbare resultaten laten geen definitieve conclusie toe. Voor andere directe effecten op de gezondheid is geen bewijs. Dit blijkt uit literatuuronderzoek van het RIVM. Geluidhinder Het geluid van windturbines is minder luid dan van andere bronnen, zoals verkeer en industrie, maar wordt sneller als hinderlijk ervaren. Dit wordt vooral veroorzaakt door het karakter van het geluid (zoeven en zwiepen). Wellicht kan het laagfrequente deel van het geluid van windturbines, net als bij andere bronnen, tot extra hinder leiden, maar hier is nog geen bewijs voor. Contextuele en persoonlijke factoren Naast de blootstelling aan geluid spelen persoonlijke factoren en de feitelijke situatie een rol bij de mate waarin mensen hinder door windturbines ervaren. Zo blijkt dat mensen bij gelijke geluidsniveaus meer hinder ondervinden als zij vanuit huis een windturbine kunnen zien. Ook economische aspecten beïnvloeden hinder door windturbines: mensen die economisch belang hebben bij een windturbine rapporteren minder hinder. Andere factoren waarmee bij de interpretatie van hinderscores rekening moet worden gehouden, zijn de mate waarin mensen gevoelig zijn voor geluid, de afbreuk van privacy en sociale acceptatie. Dit informatieblad bevat informatie over gezondheidseffecten van windturbines en is opgesteld op verzoek van de GGD'en. Doel is hen te ondersteunen bij de beantwoording van vragen over effecten van windturbines op de gezondheid en het welzijn van omwonenden. Deze vragen zijn vaak prominent aanwezig in lokale discussies als er plannen zijn om windturbines te plaatsen. GGD'en kunnen zich in deze discussie richten op een zorgvuldige informatievoorziening over de effecten op de beleving en gezondheid, zowel in de richting van gemeentebesturen als van burgers.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Seksueel overdraagbare aandoeningen, waaronder hiv, in Nederland in 2012 | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Surveillance van Shigatoxineproducerende Escherichia coli (STEC) in Nederland, 2012 | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Surveillance van infectieziekten in verpleeghuizen: aan de slag met infectiepreventie | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Hepatitis C-virusinfectie: verspreiding en impact in Nederland | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Haalbaarheid van hygiënemaatregelen bij norovirusuitbraken in zorginstellingen in de regio Rotterdam-Rijnmond | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Het Landelijk Centrum Hygiëne en Veiligheid | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Braakballen uitpluizen: een risico op vossenlintworm? | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Online respondent-driven sampling for studying contact patterns relevant for the spread of close-contact pathogens: a pilot study in Thailand | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Differentially expressed genes in Bordetella pertussis strains belonging to a lineage which recently spread globally | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Weight change later in life and colon and rectal cancer risk in participants in the EPIC-PANACEA study | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Quantifying the sources of Salmonella on dressed carcasses of pigs based on serovar distribution | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
The burden of parasitic zoonoses in Nepal: a systematic review | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Impacts of globalisation on foodborne parasites | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Climate change and public health policy: translating the science | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Integrating care by implementation of bundled payments: results from a national survey on the experience of Dutch dietitians | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Quality of diabetes care in Dutch care groups: no differences between diabetes patients with and without co-morbidity | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Do intensive care data on respiratory infections reflect influenza epidemics? | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Validiteit van risicoscores voor het voorspellen van diabetes type 2 bij Nederlanders | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Environmental risk assessment of replication competent viral vectors applied in clinical trials: potential effects of inserted sequences | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Opportunities and limitations of molecular methods for quantifying microbial compliance parameters in EU bathing waters | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Complement c3 is inversely associated with habitual intake of provitamin a but not with dietary fat, fatty acids, or vitamin e in middle-aged to older white adults and positively associated with intake of retinol in middle-aged to older white women | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Lifestyle factors and mortality risk in individuals with diabetes mellitus: are the associations different from those in individuals without diabetes? | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Loss of multi-epitope specificity in memory CD4(+) T cell responses to B. pertussis with age | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Guillain-Barré syndrome and adjuvanted pandemic influenza A (H1N1) 2009 vaccines: a multinational self-controlled case series in Europe | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Detection of extended-spectrum beta-lactamase (ESBL)-producing Escherichia coli on flies at poultry farms | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Vergleich von Blutproteinen immundefizienter und -kompetenter Mäuse | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
An evidence synthesis approach to estimating the incidence of seasonal influenza in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Fish biomarkers for regulatory identification of endocrine disrupting chemicals | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
DON shares a similar mode of action as the ribotoxic stress inducer anisomycin while TBTO shares ER stress patterns with the ER stress inducer thapsigargin based on comparative gene expression profiling in Jurkat T cells | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Huisartsen en apothekers actief bezig met medicatieveiligheid Huisartsen en apothekers nemen sinds enkele jaren diverse initiatieven om veilig gebruik van medicatie in de eerstelijnszorg verder te verbeteren. Deze maatregelen zijn in algemene zin gericht op processen, communicatie en samenwerking, maar ook inhoudelijk over het gebruik van bepaalde typen medicijnen. Het is nog niet duidelijk of de initiatieven daadwerkelijk tot een veiliger gebruik van medicijnen hebben geleid. Effecten worden niet structureel gemeten. Volgens experts is het nog te vroeg om effecten te zien op bijvoorbeeld ziekenhuisopnames die gerelateerd zijn aan verkeerd gebruik van medicijnen. Er blijken in de praktijk hindernissen te zijn bij de invoering van maatregelen. Het gaat hierbij om de overdracht van medicatiegegevens en de jaarlijkse medicatiebeoordeling van patiënten die meer dan vijf geneesmiddelen gebruiken. Zo ontbreekt soms adequate financiering voor deze medicatiebeoordelingen door artsen en apothekers, kan informatie niet elektronisch worden uitgewisseld en is de samenwerking tussen de diverse zorgverleners niet altijd optimaal. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM naar de mate waarin initiatieven zijn genomen en of zij aansluiten bij de 40 aanbevelingen die experts in 2008 hebben opgesteld in het zogeheten HARM-Wrestling rapport. Deze aanbevelingen zijn destijds gedaan naar aanleiding van een onderzoek naar Hospital Admissions Related to Medication (HARM). Bij de ondernomen maatregelen wordt vaak gerefereerd aan dat rapport, maar het is niet altijd duidelijk of het de aanleiding was. Huisartsen en apothekers hebben op basis van de algemene aanbevelingen uit het HARM-Wrestling-rapport protocollen, toolkits en richtlijnen gemaakt, bijvoorbeeld voor de overdracht van medicatiegegevens tussen zorgverleners van de patiënt. Daarnaast zijn de medicatie-specifieke aanbevelingen uit het rapport verwerkt, bijvoorbeeld in beroepsrichtlijnen en in 'medicatiebewakingssystemen'. Dit laatste is een ICT-instrument dat bij het verstrekken van een geneesmiddel een waarschuwing geeft als dit middel niet veilig gebruikt kan worden in combinatie met andere medicijnen. De bedoeling is om dit systeem in de toekomst nog geavanceerder te maken door meerdere factoren te combineren die op risico's bij het gebruik van medicijnen kunnen duiden. Voorbeelden zijn gewicht, genetische kenmerken en verminderde werking van de nieren van een patiënt.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Genome-wide association study of survival in patients with pancreatic adenocarcinoma | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Sinds 2006 heeft het Centrum Infectieziektebestrijding (CIb) van het RIVM structureel aandacht voor de gezondheid van werknemers. Dit komt voort uit het project 'Infectieziektebestrijding en Werknemersgezondheid', dat het CIb in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) sindsdien uitvoert. Het doel van dit project is de gezondheid van werknemers, die als gevolg van hun werkzaamheden risico lopen te worden blootgesteld aan infectieziekten, te bewaken en te bevorderen. Werknemersgezondheid vast onderdeel binnen CIb De gezondheid van werknemers wordt bevorderd door bij uitbraken van infectieziekten expliciet rekening te houden met specifieke risico's voor werknemers. Zo vormt sinds 2011 een arboprofessional een vast onderdeel van de experts van het Outbreak Management Team (OMT), dat voor een dreigende epidemie wordt ingezet, en van het Deskundigenberaad, dat voor minder acute zaken samenkomt. Ook wordt bij de vier overlegstructuren die het CIb heeft voor zijn taak om infectieziekten te signaleren structureel naar werknemersgezondheid gekeken: het wekelijkse CIb-signaleringsoverleg, het wekelijkse LCI-casuïstiekoverleg, het maandelijkse Signaleringsoverleg zoönosen (SO-Z) en het landelijk Overleg Infectieziekten (LOI). Kennis verbreden en verspreiden Om het doel van het project te bereiken is het van belang de kennis over arbeidsgerelateerde infectieziekten bij arboprofessionals te vergroten. Kennis over infectieziekten in relatie tot de werkomstandigheden wordt op diverse manieren verspreid, bijvoorbeeld via de digitale berichtenservice voor arboprofessionals (Arbo-inf@ct), onderwijs (NSPOH), presentaties voor beroepsgroepen en artikelen in vaktijdschriften. Bovendien is er structureel aandacht voor werkgerelateerde aspecten in voorlichtingsmateriaal van het RIVM (toolkits) en in de LCI-richtlijnen. Andere maatregelen en producten uit 2013 Net als in voorgaande jaren is in 2013 een veelheid aan andere producten geleverd. Voorbeelden hiervan zijn: arboparagrafen in de LCI-richtlijnen en toolkits, signalen en risico-inschattingen richting SZW, beantwoording van vragen uit het veld en arborelevante input bij werkgroepen. Extra aandacht was er dit jaar voor verscheidene arbo-onderwerpen bij de mazelenuitbraak, zoals een bijdrage de aangepaste landelijke richtlijnen en informatie voor arboprofessionals en SZW.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
De uitbraken van kinkhoest en Salmonella Thompson in 2012 waren de meest in het oog springende infectieziekten van dat jaar. Dit blijkt uit de Staat van Infectieziekten in Nederland 2012, die inzicht geeft in ontwikkelingen van infectieziekten bij de Nederlandse bevolking. Daarnaast worden ook de ontwikkelingen in het buitenland beschreven die voor Nederland relevant zijn. Met deze jaarlijkse uitgave informeert het RIVM beleidsmakers van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). Elk jaar komt er een thema aan bod; dit keer de ontwikkelingen in vaccins en vaccinatieprogramma's en de relevantie daarvan voor de Nederlandse volksgezondheid. De meeste vaccinaties worden gegeven vanuit nationale vaccinatieprogramma's, zoals het Rijksvaccinatieprogramma (ongeveer 2 miljoen prikken per jaar) en het Nationale Griep Preventieprogramma (ongeveer 3,5 miljoen prikken per jaar). Daarnaast wordt gevaccineerd bij onder andere reizigers, medische risicogroepen zoals mensen zonder milt en werknemers die een verhoogd risico hebben om een infectieziekte tijdens het werk op te lopen, zoals personeel in de zorg en in laboratoria. Per vaccinatieprogramma is in kaart gebracht in welke mate de ziekten voorkomen, wat het percentage gevaccineerden is en het aantal gegeven vaccins. Het percentage gevaccineerden bij reizigers, medische risicogroepen en werknemers is onbekend. Veranderingen in de maatschappij zorgen ervoor dat bepaalde groeperingen kritisch staan ten opzichte van vaccinaties. In het jaaroverzicht staat ook beschreven welke groepen afzien van vaccinatie, zoals orthodoxgereformeerden (circa 250.000 mensen) en antroposofen. Ook wordt de motivatie en houding van ouders besproken om hun kind wel of niet te laten vaccineren. Daarnaast komt de toename van het aantal ouderen en chronisch zieken aan bod. Hun gevoeligheid voor infecties maakt hen een belangrijke groep om (nieuwe) vaccinaties te overwegen.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Net als in de voorgaande jaren benaderen burgers de gemeentelijke gezondheidsdiensten (GGD'en) wat milieu en gezondheid betreft vooral vanwege klachten over het binnenmilieu. De meldingen zijn meestal afkomstig van bewoners van huurwoningen. Bezorgdheid wordt ook als klacht geregistreerd. Als grootste boosdoeners van de klachten over het binnenmilieu worden schimmels, vocht, plaagdieren en gebrekkige ventilatie aangewezen. Dit blijkt uit een analyse door het RIVM van de gegevens over de ruim negen duizend meldingen die alle GGD'en in Nederland in 2011 en 2012 hebben geregistreerd. De meest genoemde melding (33 procent) komt van mensen die zich zorgen maken over zaken die gezondheidsklachten kunnen veroorzaken, zowel in het binnenmilieu als in de omgeving. Deze bezorgdheid betreft vooral de gevolgen van asbest en schimmels. Klachten van het ademhalingsstelsel (19 procent) en hinder (10 procent), zoals geur- en geluidhinder, komen op de tweede en derde plaats van de gemelde gezondheidseffecten. De in 2011 en 2012 genoemde klachten verschillen niet wezenlijk van de eerste drie inventarisaties (2004-2010): zowel het totale aantal, de typen en de bijbehorende percentages komen sterk overeen. Wel is duidelijk dat het aantal meldingen over asbest bij de GGD is toegenomen door (nieuws over) asbestincidenten in de onderzochte periode.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Op heel jonge leeftijd zijn proefdieren gevoeliger voor de schadelijke effecten van de stof benzo[a]pyreen dan op volwassen leeftijd. Er ontstaat in de jonge levensfase meer schade aan het DNA. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM. Normaal gesproken worden mogelijke schadelijke effecten van chemische stoffen in kaart gebracht door studies met volwassen proefdieren uit te voeren. Kinderen en volwassenen kunnen echter verschillen in de mate waarin ze gevoelig zijn voor chemische stoffen. Benzo[a]pyreen is een stof die voorkomt in voeding, zoals gebraden vlees, en in tabaksrook en uitlaatgassen. Het is een stof die veranderingen in het erfelijk materiaal kan veroorzaken en bij blootstellingen aan zeer hoge doses tot kanker kan leiden. Langdurige blootstelling op jonge leeftijd leidde niet tot een hoger aantal dieren met tumoren, maar wel tot tumoren in andere organen dan bij volwassen dieren. Momenteel wordt in aanvullende studies onderzocht of deze resultaten specifiek zijn voor benzo[a]pyreen of kenmerkend zijn voor DNAbeschadigende stoffen in het algemeen. Dat onderzoek zal uitwijzen of bij de risicobeoordeling van chemische stoffen meer rekening moeten worden gehouden met kinderen als risicogroep.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Oxidative potential of particulate matter collected at sites with different source characteristics | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Sinds 2012 is bekend dat eiwitten in cellen of proefdieren op een bepaalde manier veranderen als zij aan nanodeeltjes worden blootgesteld. Dit proces heet citrullinering. Onder bepaalde omstandigheden ontstaan antilichamen die gericht zijn tegen deze veranderde eiwitten. Omdat deze antilichamen zijn aangetroffen bij reumapatiënten wordt aangenomen dat er een verband bestaat tussen citrullinering van eiwitten, de ontstane antistoffen en processen die leiden tot auto-immuunziekten zoals reuma. Vanuit die veronderstelling wordt gespeculeerd dat blootstelling aan nanomaterialen een risicofactor kan zijn voor het ontstaan van auto-immuunziekten zoals reuma. In een literatuuronderzoek door het RIVM is dit verband echter niet gevonden. Er is namelijk nog nooit via metingen aangetoond dat antistoffen tegen gecitrullineerde eiwitten ontstaan na blootstelling aan nanomaterialen. Verder is alléén de aanwezigheid van antistoffen tegen gecitrullineerde eiwitten onvoldoende om artritis in proefdieren op te wekken. Dit literatuuronderzoek levert dus geen direct causaal verband tussen blootstelling aan nanomaterialen en reuma. Om meer inzicht in deze complexe processen te krijgen worden enkele vervolgonderzoeken aanbevolen. Ten eerste gaat het daarbij om het meten van antistoffen tegen gecitrullineerde eiwitten in proefdieren die aan nanomaterialen zijn blootgesteld. Ten tweede is het van belang te onderzoeken welk effect nanomaterialen in een proefdiermodel voor reuma hebben op de ontwikkeling van gewrichtsontsteking. Wordt de artritis dan erger, treedt het eerder op of zijn er meer dieren die het krijgen?
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1
Non-invasive risk scores for prediction of type 2 diabetes (EPIC-InterAct): a validation of existing models | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Comparative hazard identification of nano- and micro-sized cerium oxide particles based on 28-day inhalation studies in rats | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Associations between environmental characteristics and active commuting to school among children: a cross-sectional study | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
The impact of the EMA change in definition of "dose" on the BCS dose-solubility ratio: a review of the biowaiver monographs | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Extended spectrum beta-lactamase- and constitutively AmpC-producing Enterobacteriaceae on fresh produce and in the agricultural environment | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Quantitative assessment of infection risk from exposure to waterborne pathogens in urban floodwater | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Species-specific toxicity of copper nanoparticles among mammalian and piscine cell lines | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Heteroaggregation and sedimentation rates for nanomaterials in natural waters | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
A framework to start the debate on neonatal screening policies in the EU: an Expert Opinion Document | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Prediagnostic plasma testosterone, sex hormone-binding globulin, IGF-I and hepatocellular carcinoma: Etiological factors or risk markers? | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Concern-driven integrated approaches to nanomaterial testing and assessment-report of the NanoSafety Cluster Working Group 10 | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Sexual behaviour and sexually transmitted infections in sexually transmitted infection clinic attendees in the Netherlands, 2007-2011 | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Dopamine-dependent behavior in adult rats after perinatal exposure to purity-controlled polychlorinated biphenyl congeners (PCB52 and PCB180) | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Middle East respiratory syndrome coronavirus (MERS-CoV) serology in major livestock species in an affected region in Jordan, June to September 2013 | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Endocrine disruptors differentially target ATP-binding cassette transporters in the blood-testis barrier and affect Leydig cell testosterone secretion in vitro | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Sildenafil and analogous phosphodiesterase type 5 (PDE-5) inhibitors in herbal food supplements sampled on the Dutch market | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Consultations for sexually transmitted infections in the general practice in the Netherlands: an opportunity to improve STI/HIV testing | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
PBTK modelling platforms and parameter estimation tools to enable animal-free risk assessment. Recommendations from a joint EPAA - EURL ECVAM ADME workshop | RIVM
Jaar: 2014
Onderzoek
Het is van belang dat mensen die besmet zijn met hiv of een andere seksueel overdraagbare aandoening (soa) hun partner(s) waarschuwen om te voorkomen dat de ziekte zich verder verspreid. Bij de Nederlandse soa-centra wordt ruim een derde van de soa's via deze 'route' opgespoord. Partners worden gewaarschuwd door degene die een soa heeft opgelopen of door een soa-verpleegkundige van de soa-centra waar de soa is geconstateerd. De laatste jaren is er meer aandacht voor partnerwaarschuwing, maar is er nog veel verbetering mogelijk. Het RIVM heeft daarom de resultaten en knelpunten van partnerwaarschuwing bij soa-centra in kaart gebracht, op basis waarvan aanbevelingen voor verbeteringen zijn geformuleerd. De soa-centra bieden hoogrisicogroepen, zoals mannen die seks hebben met mannen (MSM) of mensen die veel partners hebben, een laagdrempelige mogelijkheid om zich te laten testen. Knelpunten en resultaten Een belangrijk knelpunt van partnerwaarschuwing bij MSM zijn de vele en vaak anonieme contacten die niet of moeilijk te achterhalen zijn. Van de MSM met een soa was 46 procent van alle partners te achterhalen. Van de heteroseksuele vrouwen wist 87 procent de contacten te achterhalen; bij heteromannen was dit 63 procent. De partners die de MSM kunnen achterhalen, worden vervolgens bijna altijd gewaarschuwd (92 procent). Dit percentage was lager bij heteroseksuele mannen (76 procent) en vrouwen (83 procent).Bij 33 tot 50 procent van de gewaarschuwde partners, afhankelijk van de risicogroep, werd een soa opgespoord. Een ander belangrijk knelpunt is tijdgebrek bij de verpleegkundigen van soa-centra. Tijdens het consult blijft in de praktijk weinig tijd over om met de cliënt met een soa de partnerwaarschuwing in te vullen. Daarnaast is er soms weerstand bij cliënten om partners te waarschuwen, of heeft de verpleegkundige onvoldoende tijd om dit te doen. Bij een hiv-besmetting wordt dit onderwerp nog eens bemoeilijkt door de lading van de diagnose: de cliënt heeft dan mentaal geen ruimte om aan een (voormalige) partner(s) te denken. Maatregelen Om het onderwerp niet te laten ondersneeuwen zijn er vragen over partnerwaarschuwing toegevoegd aan het elektronisch soa-dossier. Daarnaast is een specifieke training ontwikkeld voor de verpleegkundigen die erop is gericht om de cliënt het belang te laten inzien van partnerwaarschuwing en dit op effectieve wijze te kunnen uitvoeren.
Jaar: 2014
Onderzoek
Documenten: 1