Naar inhoud

Onderzoeken Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2016

Zoek binnen deze data in WooGLe

Historisch overzicht van openbare informatie over de gezondheidseffecten, classificatie en normstelling voor PFOA en DMAC toegespitst op blootstelling van werknemers | RIVM

Berichtgeving over de chemiefabriek Dupont/Chemours in Dordrecht heeft naar voren gebracht dat werknemers in het verleden mogelijk zijn blootgesteld aan de stoffen PFOA (perfluoroctaanzuur) of de bijbehorende zouten en aan DMAC (N,N-dimethylacetamide). Dit was voor de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aanleiding om een eenmalig diepgaand onderzoek naar de feiten te laten uitvoeren. Om de feiten in hun juiste context te kunnen bezien, heeft het RIVM de opdracht gekregen om de destijds bekende gezondheidsrisico's en geldende normstelling voor de stoffen in kaart gebracht. Met dit overzicht wordt het mogelijk de feiten omtrent het gebruik van deze stoffen door Dupont, de destijds gehanteerde werkprocessen en de daarbij behorende risicobeheersingsmaatregelen in perspectief te plaatsen. In dit rapport geeft het RIVM met behulp van een tijdlijn weer wanneer welke wetenschappelijke kennis over de gezondheidseffecten van deze stoffen openbaar is geworden. Daarnaast wordt aangegeven wanneer welke nationale en internationale maximale concentraties golden voor blootstelling aan deze stoffen op de werkplek (grenswaarden). De tijdlijn bevat ook de ontwikkeling van de gevaarsindeling van de stoffen in de (Europese) regelgeving. Voor dit overzicht is de openbare wetenschappelijke literatuur doorzocht op informatie over de gezondheidseffecten van de genoemde stoffen, evenals de evaluaties van deze stoffen door gezaghebbende instanties. Ook is geïnventariseerd op welk moment de studies voor het eerst openbaar zijn gemaakt. Dit is niet altijd met zekerheid vast te stellen. De kwaliteit van de wetenschappelijke onderzoeken is niet beoordeeld.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

ConsExpo Web : Consumer exposure models - Model documentation | RIVM

Het RIVM heeft een handleiding opgesteld voor het gebruik van ConsExpo Web. Deze internetapplicatie is ontwikkeld om de blootstelling aan chemische stoffen te schatten voor uiteenlopende producten en omstandigheden waaronder consumenten worden blootgesteld. De blootstellingsberekeningen geven informatie die nodig is om de veiligheid van chemische stoffen in consumentenproducten te kunnen beoordelen. ConsExpo Web is de opvolger van ConsExpo versie 4 en is bedoeld voor blootstellingsexperts en risicobeoordelaars. Er bestaat een grote verscheidenheid aan consumentenproducten, van schoonmaakmiddelen en ongediertebetrijdingsmiddelen tot verf en cosmetica. Ook de manier waarop consumenten de producten gebruiken verschilt, zoals de doseringen en de frequentie. ConsExpo Web biedt een aantal algemeen toepasbare blootstellingsmodellen en een database met gegevens over blootstellingsfactoren. Tezamen bieden zij een basis van waaruit de blootstelling van een specifiek product geschat kan worden. Met ConsExpo Web worden blootstellingschattingen door overheden, instituten en bedrijven op een transparante en gestandaardiseerde manier uitgevoerd. Behalve de inschatting van de blootstelling van consumenten aan stoffen geeft ConsExpo Web inzicht in de variatie van de blootstellingsniveaus van stoffen in producten als gevolg van verschillen in gebruik en omstandigheden. Behalve de inschatting van de blootstelling van consumenten aan stoffen geeft ConsExpo Web inzicht in de variatie van de blootstellingsniveaus van stoffen in producten als gevolg van verschillen in gebruik en omstandigheden.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Assessment of the product limit for PAHs in rubber articles : The case of shock-absorbing tiles | RIVM

Polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK's) zijn schadelijke stoffen die onder andere in artikelen van rubber kunnen voorkomen. Voor een veilig gebruik van rubberen artikelen, zoals valdempende tegels, moeten producenten zich houden aan de Europese norm voor PAK's in consumentenproducten. Valdempende rubbertegels worden meestal gemaakt van afgedankte autobanden en bevatten PAK's. Het RIVM is gevraagd te onderzoeken of de huidige productnorm voor PAK's in rubbertegels gebruikers voldoende beschermt tegen het ontstaan van kanker. Op dit moment kan alleen een indicatie van het risico op kanker worden gegeven. Dat komt doordat veel betrouwbare gegevens ontbreken over de mate waarin kinderen in contact komen met de PAK's uit de tegels (via contact van de huid en via hand-mond-contact). Het gaat onder andere om gegevens over de duur van het contact tussen de tegel en de huid en de mate waarin PAK's dan uit de tegels vrijkomen. Deze informatie is wel nodig om de onzekerheden in de huidige risicobeoordeling te verkleinen. Aanvullend onderzoek hiernaar kon binnen het tijdbestek van dit onderzoek niet worden uitgevoerd. Daarnaast is er geen overeenstemming binnen Europa over de hoogte van zogeheten veiligheidsfactoren voor kankerverwekkende stoffen. Veiligheidsfactoren worden gebruikt om het risico op effecten op de gezondheid voor mensen te kunnen afleiden uit de resultaten van dierstudies. In de huidige studie is een standaard veiligheidsfactor voor kankerverwekkende stoffen gebruikt. Het RIVM beveelt daarom aan om op Europees niveau een discussie te initiëren om hierover overeenstemming te bereiken. In het algemeen worden de risico's van de blootstelling aan kankerverwekkende stoffen uitgedrukt in het extra aantal mensen dat kanker krijgt per miljoen blootgestelden; de term 'extra' wordt gebruikt omdat mensen ook zonder blootstelling aan deze stoffen het risico lopen om kanker te krijgen. Een extra risico van 1 op de miljoen blootgestelde mensen wordt bij de risicobeoordeling van kankerverwekkende stoffen als verwaarloosbaar beschouwd. In dit onderzoek wordt, vanwege de doorgerekende onzekerheden, het extra risico op kanker weergegeven als een bandbreedte, wat betekent dat het extra risico tussen twee uiterste waarden ligt. Als de PAK-concentratie in rubbertegels gelijk is aan de norm voor consumentenproducten, ligt, bij de huidige kennis, deze bandbreedte rond het verwaarloosbare risiconiveau van 1 op de miljoen. Bij de hoogste uiterste waarde van de bandbreedte wordt het verwaarloosbare risiconiveau licht overschreden. De resultaten van dit onderzoek kunnen worden gebruikt bij de evaluatie van de norm voor PAK's voor alle plastic en rubberen consumentenproducten door de Europese Commissie in 2017. Bij deze evaluatie is het van belang ook rekening te houden met de blootstelling aan PAK's uit andere consumentenproducten.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

ReCiPe 2016 : A harmonized life cycle impact assessment method at midpoint and endpoint level Report I: Characterization | RIVM

Met een zogeheten levenscyclusanalyse (LCA) is het mogelijk om te bepalen in welke mate een productieproces van een product het milieu belast. De analyse omvat alle stadia die nodig zijn om een product te produceren en te gebruiken, dus vanaf het onttrekken van de benodigde grondstoffen tot en met de verwerking van afval. Het doel van een LCA is bijvoorbeeld om alternatieven te vergelijken, of om stappen in het productieproces die een grote milieuschade veroorzaken in kaart te brengen. Op basis van deze kennis kan het productieproces worden geoptimaliseerd. Binnen LCA worden 'levenscyclus-impactassessments' (LCIA) gebruikt om de milieubelasting te bepalen. Het RIVM presenteert een nieuwe, herziene versie van het zowel in Nederland als Europa veelgebruikte levenscyclus-impactassessment ReCiPe: ReCiPe 2016. De methodiek en data zijn hierin aangepast aan de huidige wetenschappelijke stand van zaken. Een LCIA levert een soort milieuprofiel op: een 'scorelijst' met milieueffecten, zoals klimaatverandering, waterverbruik en -schaarste, landgebruik en bodemverzuring. Aan het milieuprofiel is te zien welke milieuaspecten slecht scoren in de levenscyclus van een product of dienst en welke onderdelen in de levenscyclus de grootste bijdrage leveren aan de verschillende milieueffecten. De ReCiPe-methode is in 2008 ontwikkeld door een samenwerkingsverband tussen RIVM, Radboud Universiteit Nijmegen, Leiden Universiteit en Pré Consultants.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

The 21st EURL-Salmonella workshop : 9 June 2016, Saint Malo, France | RIVM

Dit rapport bevat een bundeling van verslagen van de presentaties van de 21e jaarlijkse workshop voor de Europese Nationale Referentie Laboratoria (NRL's) voor Salmonella (9 juni 2016). Het doel van de workshop is dat het overkoepelende orgaan, het Europese Referentie Laboratorium (EURL) voor Salmonella en de NRL's informatie uitwisselen. Jaarlijkse ringonderzoeken Een terugkerend onderwerp is de ringonderzoeken die het EURL jaarlijks organiseert en waarmee de kwaliteit van de NRL laboratoria wordt gecontroleerd. De NRL's hadden er in 2015 geen problemen mee om Salmonella in ei te vinden. In dit rapport staan de ringonderzoeken kort beschreven. Een uitgebreidere weergave van de resultaten wordt per ringonderzoek gepubliceerd. Moleculaire technieken Een aantal verslagen geeft informatie over het gebruik van moleculaire technieken om Salmonella te typeren. Met deze technieken wordt het DNA van de bacterie aangetoond. Deze technieken worden steeds vaker gebruikt bij het opsporen van ziekmakende bacteriën in voedsel, dieren en bij de mens. Iedere bacteriestam heeft namelijk een eigen unieke moleculaire typering. Opslag moleculaire typering resultaten De European Food Safety Authority (EFSA) geeft verslag van een databank die sinds begin 2016 beschikbaar is. In deze databank kunnen alle Europese landen moleculaire typering resultaten van Salmonella opslaan. Dit geeft informatie of een bepaalde ziekmakende bacteriestam in meerdere landen en producten voorkomt. De organisatie van de workshop is in handen van het EURL voor Salmonella, dat onderdeel is van het RIVM. De hoofdtaak van het EURL-Salmonella is toezien op de kwaliteit van de nationale referentielaboratoria voor deze bacterie in Europa.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Evaluation of substances used in the GenX technology by Chemours, Dordrecht | RIVM

Sinds 2012 gebruikt fabrikant Chemours (Dordrecht) de GenX-technologie om plastics (fluorpolymeren) te maken. Bij deze technologie zijn de omstreden PFOA-verbindingen vervangen door de stoffen FRD-902 en FRD-903 en E1. Naar verwachting vormt de uitstoot van deze stoffen door de fabriek via de lucht geen risico voor de gezondheid van omwonenden. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM. In opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM) is onderzocht in hoeverre de drie stoffen schadelijk zijn voor omwonenden van de fabriek. Hiervoor is in de wetenschappelijke literatuur en de informatie in de Europese stoffenwetgeving REACH onderzocht wat bekend is over de eigenschappen van de genoemde stoffen. Daarnaast is op basis van zowel de maximaal vergunde hoeveelheid als de emissiegegevens die Chemours heeft verstrekt, berekend in welke mate ze zijn vrijgekomen. FRD-903 wordt gebruikt om FRD-902 te maken. E1 ontstaat tijdens het productieproces. FRD-903 en E1 worden via de fabrieksschoorsteen naar de lucht uitgestoten. Net als PFOA zijn geperfluorideerde koolwaterstoffen FRD-902 en FRD-903 en E1 slecht afbreekbaar in het milieu. Ook veroorzaken FRD-903 en FRD-902 vergelijkbare schadelijke effecten als PFOA (zoals kankerverwekkend en effecten op de lever). Deze stoffen zijn wel minder schadelijk voor de voortplanting dan PFOA; bij PFOA is dit aspect juist de reden om deze stof als zeer zorgwekkend te beschouwen. In tegenstelling tot PFOA lijken FRD-903 en FRD-902 zich niet in de mens op te hopen. Voor FRD-903 en FRD-902 heeft het RIVM een veilige grenswaarde voor de algemene bevolking afgeleid op basis van een worst-case scenario. De concentratie FRD-903 in lucht blijft onder deze grenswaarde. Voor E1 ontbreekt informatie om een grenswaarde te kunnen bepalen. Op basis van de beperkt beschikbare informatie wordt verondersteld dat deze stof waarschijnlijk minder schadelijk is dan PFOA.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Zeer Zorgwekkende Stoffen: prioriteringsopties voor beleid | RIVM

Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS) worden door de Nederlandse overheid met voorrang aangepakt, omdat ze gevaarlijk zijn voor mens en milieu. Voorbeelden zijn stoffen die kankerverwekkend zijn of de voortplanting belemmeren. Momenteel zijn ongeveer 1400 van dit soort stoffen bekend en op een lijst geplaatst. Vergunningverleners en het ministerie van IenM hebben echter behoefte aan een handzamere ZZS-lijst, met een nadere prioritering die nauwer aansluit bij de Nederlandse situatie. Deze focus is echter lastig aan te brengen, wijst RIVM-onderzoek uit. Voor Nederland ontbreekt voor de meeste ZZS eenvoudig toegankelijke informatie over productie, gebruik en emissies. Dit vormt een belemmering om ZZS aan te wijzen waar extra aandacht voor nodig is, bijvoorbeeld via een aanpak bij de bron of via het stimuleren van onderzoek naar veilige alternatieven. Het RIVM doet daarom aanbevelingen om meer grip op deze stoffen te krijgen, zoals een nationaal stoffenregistratiesysteem, waarin wordt vastgelegd welke ZZS in omloop zijn in Nederland. Deze aanbevelingen zijn onder andere gebaseerd op twee analyses naar mogelijkheden om focus aan te brengen in de lijst van ZZS-stoffen. De eerste analyse bouwt voort op de lopende RIVM-projecten over 'nieuwe en opkomende risico's van stoffen'. Deze bieden een goede systematiek om nieuwe risicovolle stoffen te identificeren, maar ook voor deze stoffen ontbreekt kennis over het gebruik in Nederland. De tweede analyse laat zien dat voor een deel van de ZZS-kleurstoffen en grondstoffen voor kleurstoffen geen Europese wetgeving bestaat met specifieke eisen om emissies in te perken. Deze stoffen zijn in principe kandidaten voor een gerichter ZZS-beleid. Het RIVM vraagt daarnaast aandacht voor (vervangende) stoffen die (nog) niet als ZZS zijn aangemerkt vanwege een gebrek aan data, maar waarover een soortgelijke zorg bestaat op basis van hun chemische structuur en gebruik.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Water quality standards based on human fish consumption : Background document for revision of the WFDmethodology | RIVM

Het RIVM werkt mee aan de ontwikkeling van de Europese methodiek waarmee normen voor de waterkwaliteit worden bepaald. Voorgesteld wordt de methodiek op enkele punten aan te passen om de schatting van de waterkwaliteitsnorm te verbeteren. Chemische stoffen kunnen de kwaliteit van oppervlaktewater aantasten, wat schadelijk kan zijn voor mens en dier. De Europese Kaderrichtlijn water (KRW) bepaalt voor een aantal stoffen hoeveel er maximaal in oppervlaktewater mag zitten. Hierbij wordt ook gekeken naar de effecten op mensen van stoffen die zij via het eten van vis uit oppervlaktewater kunnen binnenkrijgen. De huidige berekening van de waterkwaliteitsnorm voor visconsumptie is gebaseerd op de aanname dat mensen dagelijks 115 gram vis eten. Eerder concludeerde het RIVM al dat deze waarde slecht is onderbouwd. Uit de gegevens van de Europese Voedsel en Warenautoriteit (EFSA) blijkt dat de visconsumptie sterk verschilt tussen landen. Maar ook binnen een land zijn er grote verschillen tussen visliefhebbers en mensen die weinig vis eten. Het RIVM stelt voor om te gaan rekenen met een visconsumptie van 1,63 gram per kilogram lichaamsgewicht per dag. Bij de nieuwe rekenwijze tellen de landen waar veel mensen vis eten zwaarder mee. Op deze manier beschermt de norm, die voor heel Europa geldt, ook de bevolking van landen waar meer vis wordt gegeten. Uitgedrukt in grammen per persoon is het nieuwe getal nagenoeg gelijk aan de bestaande waarde. Het voordeel van de nieuwe berekeningswijze is dat het getal nu herleidbaar is. Verder zijn land-specifieke gegevens relevant om de actuele risico's te beoordelen op locaties waar de Europese normen worden overschreden. De methodiek gaat er ook van uit dat andere blootstellingsroutes in grote mate bijdragen aan de totale hoeveelheid van een stof die mensen binnenkrijgen. Daarom is de bijdrage die vis mag leveren op maximaal 20 procent gesteld. Waar mogelijk zou rekening moeten worden gehouden met de daadwerkelijke bijdrage van vis aan de totale inname van een stof om het risico beter te kunnen inschatten.
Jaar: 2016 Onderzoek

De waarde van een voedselkeuzelogo voor het voedingsbeleid : Advies van de Onafhankelijke Commissie Voedselkeuzelogo | RIVM

Voedselkeuzelogo's kunnen consumenten informeren over gezondere producten. Het is echter niet wetenschappelijk aangetoond dat voedselkeuzelogo's er aan bijdragen dat het productaanbod gezonder wordt en consumenten vaker voor gezondere producten kiezen. Dat concludeert de Onafhankelijke Commissie Voedselkeuzelogo die op verzoek van het ministerie van VWS de wetenschappelijke literatuur over enkele voedselkeuzelogo's bestudeerde. Het eetpatroon van veel Nederlanders kan een stuk gezonder. Zo eten we gemiddeld te weinig groente en fruit, en te veel zout en verzadigd vet. Daarom is het Nederlandse voedingsbeleid erop gericht de gezonde keuze de makkelijke keuze te maken. Dat gebeurt onder andere door te stimuleren dat producenten het productaanbod gezonder maken en door consumenten heldere en betrouwbare informatie aan te bieden, bijvoorbeeld via de voorlichting van het Voedingscentrum. Ook het Vinkje was als voedselkeuzelogo de afgelopen jaren onderdeel van het voedingsbeleid. In het licht van de maatschappelijke discussie die was ontstaan over het Vinkje, heeft de minister van VWS in oktober 2016 aangekondigd dat het gebruik van het Vinkje beëindigd diende te worden. Het ministerie van VWS heeft de Onafhankelijke Commissie Voedselkeuzelogo ook gevraagd te adviseren over de waarde van een voedselkeuzelogo in het kader van de doelen van het Nederlandse voedingsbeleid. Hoewel de commissie geen overtuigende bewijslast voor effecten van voedselkeuzelogo's op consumentengedrag of productinnovatie vond, kan een voedselkeuzelogo wel passen in het doel van het voedingsbeleid om consumenten te informeren over gezonde voeding. Het is daarbij belangrijk een dergelijk logo onderdeel te laten zijn van een integrale aanpak die op een gezonder eetpatroon is gericht.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Een samenhangend beeld van kanker: ziekte, zorg, mens en maatschappij : Themarapportage van de Staat van Volksgezondheid en Zorg | RIVM

Jaarlijks krijgen 100.000 mensen in Nederland te horen dat ze kanker hebben. De afgelopen decennia is de behandeling van kanker steeds effectiever geworden waardoor er steeds minder mensen aan overlijden. Er is echter weinig informatie over de ingrijpende langetermijneffecten van de ziekte en de behandeling op de kwaliteit van leven en de maatschappelijke participatie van (ex)patiënten. De beschikbare informatie is nu zo veel mogelijk samengevoegd en in beeld gebracht. Het is van belang deze informatie te integreren in de zorg en in wetenschappelijk onderzoek. Lange tijd lag de focus op behandelen en overleven, en daar is wel veel informatie over. Informatie over de samenhang tussen alle betrokken onderdelen in de zorgketen - van huisarts tot oncoloog, fysiotherapeut en psycholoog - is vaak beperkt en versnipperd. Hetzelfde geldt voor de kwaliteit van leven tijdens en na de ziekte, de impact op gezinsleden en maatschappelijke gevolgen zoals het (on)vermogen om te werken. In een bijbehorende illustratie is informatie over de overlevingskansen, de zorgketen, en 'mens en maatschappij' in beeld gebracht. Hierin wordt zichtbaar waar nog kennislacunes zijn, en waar losstaande gegevens op een zinvolle manier gekoppeld zouden kunnen worden. Daarnaast worden vier vormen van kanker nader uitgediept: borstkanker, dikkedarmkanker, longkanker en acute lymfatische leukemie bij kinderen. Dit is gedaan omdat de wijze van ontstaan, de gemiddelde leeftijd van de patiënt, de gevolgen, de behandeling en de kans op overleven, per type kanker sterk verschilt. De rapportage is geschreven in opdracht van het ministerie van VWS en maakt deel uit van de Staat van Volksgezondheid en Zorg. Ze is het product van samenwerking tussen RIVM, NIVEL, Zorginstituut Nederland, Trimbos Instituut en CBS.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Metingen van stikstofdioxideconcentraties (NO2) met Palmes buisjes. : Periode 2012-2015 | RIVM

Zogeheten Palmes-buisjes zijn kleine plastic buisjes met daarin een chemisch actieve stof waarmee de stikstofdioxideconcentratie kan worden bepaald. Deze buisjes kunnen worden ingezet om op eenvoudige wijze met redelijke betrouwbaarheid stikstofdioxideconcentraties te meten op plaatsen waar geen officiële metingen beschikbaar zijn. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM in het kader van het meten en modelleren van luchtkwaliteit in Nederland. Met de buisjes zijn stikstofdioxideconcentraties in kaart gebracht rond de uitgang van tunnels (tunnelmonden), vaarwegen, bij kassen en op achtergrondlocaties. De gemeten bijdrage van verkeer aan stikstofdioxideconcentraties nabij tunnelmonden is hoog, tot 26 microgram per kubieke meter. De metingen langs vaarwegen laten een relatief kleine bijdrage van de scheepvaart (binnenvaart) zien van 3-6 microgram per kubieke meter. Metingen op diverse locaties in Schipluiden laten de invloed van de kassen (verwarmingsinstallaties) zien. De gemeten waarden zijn namelijk tot 11 microgram per kubieke meter hoger dan de achtergrondconcentraties die op plaatsen nabij de kassen berekend is. Buisjes van verschillende leveranciers laten in recente analyses van het RIVM geen systematische afwijking in de metingen zien. De onzekerheidsmarge van de Palmes-metingen wordt geschat op circa 24,2 procent.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

The diet of the Dutch : Results of the first two years of the Dutch National Food Consumption Survey 2012-2016 | RIVM

De afgelopen vijf jaar zijn Nederlanders minder aardappelen, vetten en oliën, alcoholische dranken, zuivel, koek en gebak en vlees gaan eten. De consumptie van niet-alcoholische dranken en kruidenmixen en sauzen is toegenomen. De hoeveelheid groente en graanproducten bleef ongeveer gelijk. Kinderen zijn 20 procent meer fruit gaan eten ten opzichte van vijf jaar geleden. Dit zijn de bevindingen van de eerste twee onderzoeksjaren van de nieuwe voedselconsumptiepeiling van 2012-2016. Wat eten we en hoeveel? Brood en vlees zijn populair: dit eten we 6 á 7 dagen per week. Vis en peulvruchten worden minder vaak gegeten (1 dag per week of minder). De samenstelling van het voedingsmiddelenpakket verschilt nauwelijks per leeftijd. Uitzondering hierop is dat kinderen relatief meer zuivel en fruit eten en volwassenen meer drinken (zowel alcoholische als non-alcoholische dranken). In totaal consumeert een Nederlander gemiddeld ruim 3 kg per dag aan eten en drinken. Bijna 2 kg hiervan is in de vorm van dranken (thee, koffie, water, frisdranken, alcohol en andere dranken). Waar eten we? Nederlanders eten vooral thuis (80 procent). Voedingsmiddelen die vaker buitenshuis worden gegeten zijn koek en gebak, fruit en vis. Alcoholische dranken en vis worden relatief vaak in restaurants gebruikt. Adolescenten en volwassenen eten relatief meer op school of op het werk (respectievelijk 15 en 19 procent), ouderen juist meer thuis (85 procent). Tussentijds rapport Het RIVM onderzoekt de consumptie in Nederland van 1- tot 79-jarigen in de periode 2012-2016. Dit rapport geeft de resultaten voor de periode 2012-2014 voor de soorten voedingsmiddelen die worden gegeten en gedronken, hoeveel, waar en wanneer. En of de voedselconsumptie is veranderd vergeleken met 5 jaar eerder. Dit zijn de tussenresultaten op basis van gegevens van ruim tweeduizend kinderen en volwassenen. De eindresultaten over de volledige onderzoeksperiode worden en de betekenis voor de gezondheid worden in 2018 verwacht.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

The National Immunisation Programme in the Netherlands : Surveillance and developments in 2015-2016 | RIVM

In 2015 kregen bijna 770.000 kinderen van 0 tot 19 jaar samen 1.547.000 vaccinaties binnen het Rijksvaccinatieprogramma (RVP). De deelname aan het RVP is met 92 tot 99 procent (afhankelijk van de vaccinatie) nog steeds hoog. Een uitzondering daarop is de vaccinatie tegen het humaan papillomavirus (HPV) met 61 procent. De deelname voor pasgeborenen is voor het tweede achtereenvolgende jaar met ongeveer 0,5 procent gedaald. Meldingen van RVP-ziekten Het aantal gemelde gevallen van de meeste ziekten waartegen via het RVP wordt ingeënt, was wederom laag. Dit gold ook voor het aantal meldingen van mazelen (7) na de grote epidemie in 2013/2014. Kinkhoest kwam in 2015 minder vaak voor (39 per 100.000) dan in het epidemische jaar 2014 (55 per 100.000). Eén zuigeling overleed aan kinkhoest. Het aantal gevallen van ernstige pneumokokkenziekte - veroorzaakt door de drie typen waarmee het pneumokokkenvaccin werd uitgebreid in 2011 - bleef bij kinderen jonger dan 5 jaar zeer laag (0,5 per 100.000). Door de indirecte bescherming kwam het bij andere leeftijdsgroepen ook minder vaak voor. In 2015 en de eerste helft van 2016 kwam de bof vaker voor dan in 2014 (bij respectievelijk 89, 45 en 40 mensen). Meldingen van mogelijke bijwerkingen van vaccins In 2015 is het aantal meldingen van mogelijke bijwerkingen van vaccins gestegen (1494 ten opzichte van 982 in 2014). Het betrof vooral meldingen van (heftige) lokale ontstekingsreacties en koorts bij 4-jarigen. Ook nam het aantal meldingen van vermoeidheid bij 12-jarige meisjes toe na media-aandacht over eventuele bijwerkingen van de HPV vaccinatie. De aard van de gemelde bijwerkingen was in vergelijking met voorgaande jaren niet ernstiger. Meldingen van ziekten voor potentiële RVP-vaccins In 2015 en 2016 steeg het aantal gevallen van meningokokkenziekte veroorzaakt door serogroep W (MenW); meestal waren dit personen van 65 jaar of ouder. Na het extreem lage aantal gevallen in 2014 had 2015 een gemiddeld rotavirus seizoen, met de piek in maart. Tot en met juni 2016 was het aantal gevallen van rotavirus weer laag, waarbij het 'seizoen' ook later begon dan normaal.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Isolatiematerialen en gezondheid : Een verkenning | RIVM

Het RIVM heeft verkennend onderzocht welke informatie in openbare literatuur beschikbaar is over de samenstelling van isolatiematerialen en welke stoffen eruit kunnen vrijkomen. Over de precieze samenstelling blijkt weinig te vinden in de openbare literatuur. Het is daarom met de gevonden gegevens niet mogelijk te bepalen aan welke stoffen en in welke mate mensen die met isolatiematerialen werken blootgesteld worden, en dus of er sprake is van een risico voor hun gezondheid. Hetzelfde geldt voor bewoners van gebouwen waarin het wordt gebruikt. Uit voorzorg is het dan ook vooral belangrijk om bij het plaatsen van het isolatiemateriaal de veiligheidsvoorschriften van het product te volgen en de juiste beschermende maatregelen te nemen. Daarnaast is het van belang om geïsoleerde woningen goed te ventileren. Door een woning te isoleren verandert namelijk de luchtcirculatie en de ventilatiecapaciteit, wat het binnenmilieu negatief kan beïnvloeden. Voor een gezond binnenmilieu kan het daarom nodig zijn bestaande ventilatievoorzieningen na isolatie aan te passen. De uitkomsten van dit literatuuronderzoek zijn tijdens een workshop in december 2015 besproken met belanghebbenden (de ministeries van Infrastructuur en Milieu (IenM) en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK), brancheorganisaties van producenten van isolatiematerialen, professionals uit de gezondheidszorg, de onafhankelijke voorlichtingsorganisatie Milieu Centraal, TNO en een organisatie van consumenten die gezondheidsklachten kregen nadat isolatiemateriaal in hun woning is aangebracht). De standpunten van deze partijen zijn overgenomen in dit rapport.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Evaluatie van de ebolapreparatie in Nederland (2014-2015) | RIVM

Van 2014 tot 2016 was er een ebola-uitbraak in West-Afrika. Vanwege de kleine kans dat zich onder reizigers terugkerend uit West-Afrika besmettingsgevallen zouden voordoen, zijn in Nederland voorbereidingen getroffen. Het RIVM heeft voor medische professionals richtlijnen opgesteld hoe om te gaan met een patiënt met (verdenking van) ebola. Ook heeft het RIVM landelijke bijeenkomsten georganiseerd om de voorbereidingen onderling af te stemmen. Deze evaluatie gaat in op de manier waarop betrokkenen uit de curatieve zorg (ziekenhuizen, huisartsen en ambulances) en openbare gezondheidszorg (GGD'en en Centrum infectieziektebestrijding (CIb) van het RIVM) met elkaar hebben samengewerkt ten tijde van de eboladreiging. In het algemeen waren de betrokkenen tevreden over de onderlinge samenwerking. Wel bleek de aanpak in de verschillende regio's te verschillen. Zo verschilde per regio wie het initiatief nam voor de regionale afstemming: het UMC, de GGD of zij wachtten op landelijke instructies. Daarnaast was de regio-indeling niet altijd duidelijk omdat de regio-indeling voor verwijzingen van patiënten naar UMC's verschilt van de veiligheidsregio's waarbinnen voorbereiding op de opvang van eventuele ebolapatiënten (preparatie) plaatsvond. Ten slotte was er behoefte om de beschermende middelen en maatregelen, bedoeld om overdracht van het virus van de patiënt naar de zorgverlener te voorkomen, meer te standaardiseren. De betrokken partijen zouden hier graag meer landelijke sturing op zien, zodat er uniformiteit is in de voorbereiding en duidelijker is waar het initiatief moet liggen. De informatievoorziening door het CIb van het RIVM werd als adequaat beoordeeld. Men zou de landelijke bijeenkomsten graag willen uitbreiden om meer betrokkenen hieraan te kunnen laten deelnemen. Tot slot was er vanuit geïnterviewde medewerkers van de UMC's behoefte aan inzicht in de criteria op basis waarvan bestuurders van UMC's en het ministerie van VWS tot de keuze komen welke UMC's aangewezen worden voor langdurige behandeling van patiënten. Gewenste verbeterpunten zijn: een uniformere preparatie, de ontwikkeling van heldere criteria voor bestuurders van ziekenhuizen en zorgorganisaties voor centralisatie van opvang en behandeling van ebola patiënten, duidelijk ingedeelde regio's waarin ketenpartners samenwerken in de ebola preparatie, en een duidelijker rol voor het CIb bij de landelijke regie. Het CIb heeft inmiddels een Platform Preparatie Groep A-ziekten opgericht om deze verbeterpunten uit te werken met betrokkenen uit ziekenhuizen, ambulance, huisartsen, en GGD'en.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Kans op overschrijding van wettelijke grenswaarden langs het hoofdwegennet na snelheidsverhogingen in 2016 | RIVM

In 2016 is op 29 snelwegtracés de maximum snelheid verhoogd naar 130 kilometer per uur. Door de hogere snelheid stoten auto's meer luchtvervuilende stoffen uit. In de praktijk vallen de hogere bijdragen van verkeer aan de concentraties in de lucht op veel plaatsen weg tegen de verbeterde luchtkwaliteit van de afgelopen jaren. Langs een beperkt aantal kilometers weg leidt de snelheidsverhoging naar 130 km/uur tot een slechtere lokale luchtkwaliteit. In alle gevallen liggen de volgens de wettelijke methoden berekende concentraties onder de Europese grenswaarden. Overigens treden ook onder de norm gezondheids-effecten op. Dit blijkt uit een analyse die het RIVM op verzoek van het ministerie van Infrastructuur en Milieu heeft uitgevoerd. Langs de tracés waar de snelheid is verhoogd, zijn op 71.159 locaties de concentraties stikstof en fijnstof onderzocht. Ten opzichte van 2015 zijn op 84 procent van de onderzochte locaties de berekende concentraties stikstofdioxide gedaald. Op circa 4000 van de onderzochte locaties, oftewel 5,5 procent, is de lokale luchtkwaliteit verslechterd door de snelheidsverhoging en is lokaal de kans groter dat de grenswaarde voor stikstofdioxide wordt overschreden. Statistisch gezien worden 12 extra overschrijdingen verwacht. Voor fijn stof is er geen wezenlijk grotere kans op overschrijding van de grenswaarde na verhoging van de maximumsnelheden. Op 3 maart 2016 is in de Tweede Kamer een motie ingediend om te laten uitzoeken of en in hoeverre de in 2016 doorgevoerde en nog door te voeren snelheidsverhogingen tot extra overschrijdingen van de wettelijke grenswaarden voor luchtkwaliteit leiden (30175, nr 231). Om hier invulling aan te geven heeft het RIVM de concentraties luchtvervuilende stoffen langs de wegvakken met snelheidsverhogingen berekend voor de jaren 2016 en 2020.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Jaarrapportage 2015. Luchtmeetnet IBP Hilversum | RIVM

De concentraties fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) op de twee permanente meetlocaties in Hilversum en Laren voldoen in 2015 aan de normen, net als in eerdere jaren. Deze meetpunten zijn representatief voor een locatie met veel verkeer en een zogeheten stedelijke achtergrondlocatie in de omgeving van Hilversum. Sinds de aanvang van de metingen in 2009 dalen de concentraties van fijnstof en stikstofdioxide in lichte mate op de stations. Deze trend volgt de landelijke trend in het Landelijke Meetnet Luchtkwaliteit (LML). In 2015 zijn de daggemiddelde concentraties van fijnstof op de twee stations vrijwel gelijk. De concentratieniveaus zijn bovendien vergelijkbaar met die op andere stedelijke meetstations van het LML. De concentraties van stikstofoxiden variëren sterk gedurende de dag. De hoogste waarden ontstaan tijdens de ochtendspits op de locatie met veel verkeer. De jaargemiddelde stikstof(di)oxidegehaltes op de stations van het Hilversumse meetnet zijn iets lager dan die van gelijksoortige type stations van het LML. Dit blijkt uit de resultaten van luchtkwaliteitsmetingen van het RIVM. Dit onderzoek is uitgevoerd in opdracht van de gemeente Hilversum om gegevens te leveren over de luchtkwaliteit voor het Integraal BereikbaarheidsPlan (IBP) Hilversum. Het IBP is ingesteld om de doorstroom van verkeer in en rond Hilversum te verbeteren.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Future introductions of genetically modified microbial biocontrol agents in the EU : Are current EU legislation and risk assessment fit for purpose? | RIVM

Genetisch gemodificeerde micro-organismen zijn in de toekomst mogelijk een alternatief voor chemische gewasbeschermingsmiddelen. Met behulp van genetische modificatie worden eigenschappen van micro-organismen toegevoegd of verbeterd, waardoor ze breder toepasbaar zijn dan 'gewone' microbiële middelen. Zo kan een bacterie Bacillus thuringiensis na een aanpassing een extra gifstof produceren van een verwante stam. Dan kan hij niet alleen schadelijke rupsen bestrijden maar ook een schadelijke vlieg. Ook kan het organisme zodanig aangepast worden dat het zijn werkzaamheid onder ongunstigere klimatologische omstandigheden behoudt. Tot nu toe worden maar een paar middelen buiten Europa gebruikt. Nederland wil erop voorbereid zijn als bedrijven een toelating voor dergelijke middelen tot de Europese markt aanvragen. Uit onderzoek van het RIVM blijkt dat de huidige Europese wettelijke instrumenten toereikend zijn om de veiligheid van dergelijke producten te garanderen. Europese wetgeving dekt de milieuveiligheid, de veiligheid voor omwonenden van landbouwgebieden en voor werknemers volledig af. Ook de belangrijkste aspecten voor voedsel- en veevoederveiligheid worden door Europese wetgeving afgedekt. Een uitzondering hierop is de hypothetische casus dat de samenstelling van een voedsel- of veevoederproduct wordt veranderd door een genetisch gemodificeerd microbieel gewasbeschermingsmiddel. Dit kan het geval zijn wanneer een genetisch gemodificeerd micro-organisme als gevolg van de modificatie invloed heeft op stofwisselingsprocessen in een plant waardoor allergene of giftige stoffen worden gevormd. Deze stoffen zouden dan in de voedsel- en veevoederproducten kunnen zitten, geconsumeerd kunnen worden en daardoor schadelijk zijn voor mens en dier. Hier zijn echter nog geen concrete voorbeelden van bekend. Voorgesteld wordt om, mochten er aanwijzingen zijn dat een plant gifstoffen of allergenen kan produceren als gevolg van de interactie met het genetisch gemodificeerd micro-organisme, dit van geval tot geval in de risicobeoordeling mee te wegen.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Monitoringsrapportage NSL 2016 : Stand van zaken Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit | RIVM

Concentraties gedaald, lokale overschrijdingen blijven In het grootste deel van Nederland liggen de berekende concentraties fijn stof en stikstofdioxide onder de Europese normen. De norm voor stikstofdioxide wordt nog overschreden in een aantal drukke straten in stadscentra, vooral in Amsterdam en Rotterdam. In 2015 moest Nederland voor het eerst voldoen aan de norm voor stikstofdioxide, en dat is dus niet overal gehaald. De gemiddelde concentraties stikstofdioxide dalen wel, en die trend zal naar verwachting tot 2020 doorzetten. De norm voor fijn stof wordt in 13 van de 390 gemeenten overschreden. Vooral in gebieden met intensieve veehouderij of industrie zijn de concentraties te hoog. De gemiddelde concentraties fijn stof zijn in 2015 gedaald, maar deze daling lijkt de komende jaren te stagneren. Nederland had halverwege 2011 al overal aan de norm voor fijn stof moeten voldoen. Dit blijkt uit de monitoring van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De NSL-monitoringsrapportage brengt de luchtvervuilende stoffen fijn stof en stikstofdioxide in beeld waaraan de bevolking wordt blootgesteld. Lagere concentraties van deze stoffen verbeteren de volksgezondheid, ook wanneer ze al onder de Europese grenswaarden liggen. Het NSL is van kracht sinds 1 augustus 2009 en loopt tot 1 januari 2017. Het voornemen is om het NSL te verlengen tot de Omgevingswet ingaat. Onzekerheden en risico's Verantwoordelijke overheden leveren invoergegevens aan die de basis vormen van de berekeningen voor het NSL. De kwaliteit van de invoergegevens is de laatste jaren sterk verbeterd. Aandacht voor de kwaliteit blijft van belang om een betrouwbaar beeld te kunnen geven van de luchtkwaliteit. De concentraties stikstofdioxide en fijn stof liggen op veel locaties dicht bij de grenswaarde. Hierdoor is het aantal overschrijdingen gevoelig voor onzekerheden in de berekeningen. Geringe stijgingen van de concentraties kunnen het aantal overschrijdingen sterk beïnvloeden.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Modelling and Mapping the Impacts of Atmospheric Deposition of Nitrogen and Sulphur : CCE Status Report 2015 | RIVM

Als stikstof vanuit de lucht op de bodem terechtkomt, werkt dat als een voedingsstof. Door te veel stikstof kunnen bepaalde plantensoorten verdwijnen of juist gaan overheersen. In internationale politieke gremia is daarom de vraag gesteld bij welke hoeveelheden stikstof (stikstofoxides en ammoniak) in de lucht natuurgebieden intact blijven. Het internationale Coordination Centre for Effects (CCE) helpt deze vraag te beantwoorden door een Europese database te beheren en te analyseren waarin de limieten ('kritische belastingsgrenzen') per type natuurgebied staan weergegeven. Landen uit het CCE-netwerk leveren hiervoor informatie. Er zijn meerdere methoden om de kritische belastingsgrenzen te bepalen: op basis van de stikstofconcentratie in het bodemvocht (in de bodemlaag waar de wortels zitten) en op basis van de direct waargenomen effecten van stikstofdepositie op de natuur. Een aanvulling hierop is de relatief nieuwe methode die is gebaseerd op het gemodelleerde verlies aan biodiversiteit. Hierbij wordt een relatie gelegd tussen de planten die een bepaald soort vegetatie typeren en de omstandigheden in de bodem waaronder deze planten optimaal gedijen. Dit jaar is voor het eerst aan de landen data gevraagd over belastingsgrenzen die zijn gebaseerd op het verlies van biodiversiteit. Duitsland en in beperkte mate het Verenigd Koningrijk hebben hieraan een bijdrage geleverd. Vijf andere landen hebben aangegeven in een volgende ronde deze methode ook te gaan passen. Het CCE informeert beleidsmakers over de effecten van luchtverontreiniging op verschillende ecosystemen, wat de gevolgen daarvan zijn en wat het rendement van maatregelen is. De concentratie stikstof neemt al jaren af, maar is nog steeds hoog. Dit is ook als fundamenteel onderzoeksthema ingebracht in het 7th Framework-project ECLAIRE ('Effects of Climate Change on Air Pollution Impacts and Response Strategies for European Ecosystems') van de EU.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Meer dan opsporen : Nationaal hepatitisplan: een strategie voor actie | RIVM

De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) heeft landen opgeroepen om de overdracht en sterfte door Hepatitis B en Hepatitis C terug te dringen. Jaarlijks overlijden in Nederland 450-500 mensen aan de gevolgen van een infectie met hepatitis B of C. Er zijn naar schatting 40.000 personen drager van het hepatitis B-virus en 28.000 personen zijn chronisch geïnfecteerd met het hepatitis C-virus. Hoeveel personen in totaal ooit zijn gediagnosticeerd met hepatitis B en C is onbekend. Preventiemaatregelen die in Nederland al genomen worden, zijn bijvoorbeeld de selectie van bloeddonoren en screening van donorbloed en Hepatitis B-vaccinatie van gedragsgebonden risicogroepen en sinds 2011 in het rijksvaccinatieprogramma. Toch is er nog veel ruimte voor verbetering, want het lukt momenteel nog niet om de ziektelast en sterfte verder terug te dringen. Daarom hebben partijen die betrokken zijn bij de behandeling en bestrijding van hepatitis (o.a. specialisten, GGD-artsen en huisartsen) samen een plan opgesteld dat beschrijft wat de knelpunten van de hepatitisbestrijding in Nederland zijn en wat mogelijke verbeteringen zijn. Dit Nationaal hepatitisplan heeft tot doel verdere verspreiding te voorkomen en de ziektelast en sterfte te verminderen. Dat kan door geïnfecteerden op tijd op te sporen en goede en snelle behandeling te bieden. Het plan focust op 5 pijlers: bewustwording en vaccinatie, opsporen van geïnfecteerden, diagnostiek en behandeling, verbeterde organisatie van de hepatitiszorg en een beter surveillancesysteem waarbij er wordt gepleit voor één landelijk registratiesysteem en een kennisagenda om de hepatitiszorg in Nederland te optimaliseren. Hepatitis is een ontsteking van de lever. Er bestaan verschillende soorten virale hepatitis, waaronder het hepatitis B-virus en hepatitis C-virus. Overdracht van hepatitis B kan plaatsvinden van moeder op kind bij de geboorte, door seksueel contact of door contact met bloed. Hepatitis C wordt vooral via bloed overgedragen.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Endocrine disrupting chemicals within EU legal frameworks: environmental perspective | RIVM

De Europese Commissie stelde onlangs criteria voor op basis waarvan hormoonverstorende stoffen als zodanig kunnen worden geïdentificeerd. De criteria betreffen niet alleen hormoonverstoring bij de mens, maar ook in het milieu. Dit is een stap vooruit, maar het RIVM constateert dat de datavereisten in de huidige wet- en regelgeving hier niet goed op aansluiten. Het pleit voor een slimme teststrategie zodat snel kan worden ingezoomd op de stoffen die het eerst moeten worden aangepakt. Bovendien is een betere afstemming tussen de diverse wettelijke kaders noodzakelijk om het gewenste doel te bereiken. Hormoonverstorende stoffen vormen een bedreiging voor mens en milieu. De huidige, verplichte dossiervereisten zijn erop gericht schadelijke effecten van stoffen te bepalen. Ze zeggen echter meestal weinig over het precieze werkingsmechanisme van de stof en de manier waarop de waargenomen effecten tot stand komen. Deze twee elementen zijn juist nodig om een stof volgens het commissievoorstel als hormoonverstorend te identificeren. Het RIVM verwacht dat dit kennishiaat overheden zal belemmeren om deze stoffen snel te kunnen aanpakken. De Europese commissie stelt ook dat alle beschikbare wetenschappelijke gegevens op een systematische manier moeten worden meegewogen bij het beoordelen van een stof. Volgens het RIVM is het huidige proces van stofbeoordeling daar echter niet op ingericht. Hormoonverstoring is inmiddels als aandachtspunt opgenomen in diverse Europese wettelijke kaders die erop zijn gericht de risico's van chemische stoffen te beperken: REACH, biociden, gewasbeschermingsmiddelen en (dier)geneesmiddelen. Het RIVM constateert dat er verschillen zijn tussen deze kaders. De beperkingen voor het gebruik van een hormoonverstorende stof zijn in het ene beleidskader soms aanmerkelijk strenger dan voor dezelfde stof in een ander kader. Het RIVM pleit nadrukkelijk voor een betere harmonisatie op Europees niveau. De huidige milieurisicobeoordeling en gevaarsindeling van stoffen is vooral gebaseerd op effecten die direct doorwerken op de populaties van organismen in ecosystemen, zoals sterfte, groei en voortplanting van organismen. Studies naar hormoonverstoring meten ook andere effecten, zoals veranderingen in de eiwitten die nodig zijn voor de ontwikkeling van de eidooier in vissen. Bij dit soort effecten is het niet eenvoudig te bepalen of ze de hele populatie bedreigen. Het RIVM vindt echter dat deze bredere effecten ook moeten worden meegewogen bij de beoordeling van stoffen.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Endocrine disrupting chemicals in the EU legal frameworks : Human health perspective | RIVM

De Europese Commissie heeft concept criteria opgesteld waarmee kan worden bepaald of stoffen hormoonverstorend zijn. Het blijkt dat binnen de huidige wet- en regelgeving veelal de gegevens ontbreken om stoffen aan deze criteria te toetsen. Om aan te tonen of een stof hormoonverstorend is, moet hij een nadelig (of schadelijk) effect veroorzaken, zoals een verminderde vruchtbaarheid of mogelijke verstoring van het zich ontwikkelende zenuwstelsel. Vervolgens moet worden aangetoond dat het schadelijke effect een biologisch verklaarbaar gevolg is van een verstoring van het hormoonsysteem. Dit is doorgaans lastig aan te tonen. De regelgeving vereist informatie die aangeeft dat een stof veilig kan worden gebruikt. Deze informatie kan onder andere in de vorm van gestandaardiseerde dierproeven worden verkregen. De vereiste proefdierstudies zijn echter niet ontwikkeld om alle nadelige effecten als gevolg van hormoonverstoring aan te tonen. Deze studies zijn evenmin ontwikkeld om het achterliggende biologische mechanisme te achterhalen. De studie die op dit moment het beste in staat is om nadelige effecten als gevolg van een mogelijk hormonaal werkingsmechanisme op te pikken is de zogenoemde extended one generation-studie. Deze studie is echter nog lang niet in alle wettelijke kaders verplicht. Hetzelfde geldt voor gestandaardiseerde studies om het biologische werkingsmechanisme te testen. Om beter te kunnen beoordelen of een stof hormoonverstorend is op basis van de voorgestelde criteria pleit het RIVM ervoor om enkele dierproefstudies aan te passen en de extended one generation-studie te verplichten. Daarnaast wordt voorgesteld om de gestandaardiseerde studies naar werkingsmechanismen verplicht te stellen in de huidige regelgeving. Deze aanpassingen in de regelgeving zijn relatief eenvoudig uit te voeren en zijn belangrijk om stoffen met een hormoonverstorende werking op te sporen. Ook zijn nieuwe methoden voor studies nodig om de nog ontbrekende effecten en mechanismen relevant voor hormoonverstoring aan te tonen. Ten slotte is het belangrijk dat er een evenwichtige beoordelingsstrategie wordt ontwikkeld om te evalueren of informatie voldoet aan de voorgestelde criteria.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

The adaptive pathways process: benefits and potential hurdles from a Dutch perspective | RIVM

Patiënten vragen steeds vaker om versneld toegang te krijgen tot nieuwe, innovatieve geneesmiddelen die nog niet zijn geregistreerd of waarvan de vergoeding via de zorgverzekering nog niet is geregeld. Om aan deze wens tegemoet te komen, heeft de Europese geneesmiddelenautoriteit (EMA) een nieuwe 'zienswijze' voor de markttoelatingsprocedure voorgesteld, adaptive pathways geheten. Dit houdt in dat bestaande flexibele markttoelatingsprocedures, zoals een 'voorlopige markttoelating', effectiever worden ingezet. Daarnaast is het de bedoeling om de procedures van markttoelating en vergoeding, die nu na elkaar komen, zo veel mogelijk parallel te laten lopen. Verder worden patiënten en zorgverleners vroegtijdig en structureel betrokken bij het proces van markttoelating en vergoeding. Het belangrijkste instrument om adaptive pathways mogelijk te maken is om in een vroegtijdig stadium een brainstormsessie te organiseren met fabrikanten, markttoelatings- en vergoedingsautoriteiten, patiënten en zorgverleners. Samen kijken deze partijen naar de klinische studieopzet, het ontwikkelingstraject en de beoogde registratie- en vergoedingsroute. Het RIVM onderzocht de voordelen en de knelpunten van het voorgestelde marktoelatingsconcept. Uit onderzoek van het RIVM blijkt dat de Nederlandse partijen die betrokken zijn of beïnvloed worden door adaptive pathways er de meerwaarde van inzien. Zij verwachten dat medicijnen beter op de wensen van de patiënt kunnen worden afgestemd en wellicht goedkoper kunnen worden gerealiseerd. Tegelijkertijd vinden deze partijen ook dat er meer moet worden geïnvesteerd om de veiligheid en kwaliteit van geneesmiddelen te bewaken na de toelating tot de markt. Dat kan bijvoorbeeld door geschikte patiëntenregistraties en monitoringssystemen. Daarnaast signaleren zij dat het erg ingewikkeld is om de kloof tussen de (internationaal ingestoken) markttoelating en (nationaal opgezette) vergoedingssystematiek te overbruggen. Hiervoor is volgens hen veel afstemming en samenwerking op internationaal niveau nodig. Bovendien vergt een flexibele toelating van geneesmiddelen tot het verzekerde pakket er volgens de betrokken partijen ook toe dat er duidelijke afspraken moeten worden gemaakt over of geneesmiddelen van de markt kunnen worden gehaald als zij de verwachte meerwaarde niet kunnen waarmaken.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Risk analysis of particulate contamination in Silimed silicone-based breast implants | RIVM

Op siliconen borstimplantaten van de fabrikant Silimed zijn deeltjes aangetroffen die daar niet thuishoren. Het betreft onder meer minerale vezels van glaswol en steenwol. Het risico voor de gezondheid van mensen met deze implantaten is minimaal. Voor deze studie zijn 39 borstimplantaten onderzocht van het Braziliaanse bedrijf Silimed, geproduceerd tussen 2009 en 2015. Er zijn ook 12 borstimplantaten van drie andere fabrikanten onderzocht. Op implantaten van één van de andere fabrikanten zijn ook minerale vezels aangetroffen, maar van een andere soort. Er is meer onderzoek noodzakelijk om de gezondheidsrisico's daarvan in te schatten. Aanleiding voor dit onderzoek was de schorsing van het CE-certificaat voor medische hulpmiddelen van Silimed in september 2015. Het bedrijf bleek een verontreiniging met minerale vezels niet te kunnen voorkomen. Europese toezichthouders lieten vervolgens onderzoeken of mensen met verontreinigde implantaten risico lopen. Een internationale groep medische experts zal de Europese toezichthouders adviseren over wat de bevindingen van dit rapport betekenen voor artsen en voor patiënten met deze implantaten.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg 2016 | RIVM

Dit rapport bevat een erratum d.d. 24-04-2018 na pagina 68 Het RIVM heeft op basis van gegevens over het jaar 2015 berekend hoeveel ambulances er in Nederland nodig zijn. Hieruit blijkt dat er overdag op werkdagen 598 ambulances nodig zijn, tien meer dan uit de vorige doorrekening, over 2012. Ook is er een toename van het aantal benodigde ambulances in de avond en nacht en in het weekend. Zo zijn 's avonds op werkdagen 28 ambulances meer nodig dan in de vorige doorrekening. In het weekend varieert dit tussen 13 en 24, afhankelijk van de dag en het tijdstip. De belangrijkste oorzaak voor het toegenomen aantal benodigde ambulances is de stijging van het aantal spoedeisende inzetten met 18,8 procent tussen 2012 en 2015. Dit komt neer op een jaarlijkse groei van gemiddeld 5,9 procent. De groei van de spoedeisende ambulancezorg kan deels worden verklaard door demografische ontwikkelingen, zoals de bevolkingsgroei en de vergrijzing. Een andere factor is dat mensen in 2015 vermoedelijk eerder en gemakkelijker een beroep doen op de ambulancezorg dan in 2012. Ook zijn meldkamers de afgelopen jaren overgegaan op andere systemen om 112-meldingen te behandelen en is er een nieuw protocol om ambulances sneller in te zetten. De benodigde capaciteit van de ambulancezorg in Nederland wordt berekend met behulp van een zogeheten referentiekader. Dit kader definieert het aantal ambulances waarmee de ambulancezorg in Nederland kan worden uitgevoerd, gegeven een aantal randvoorwaarden, zoals de tijd na een melding waarbinnen een ambulance ter plaatse moet zijn en de spreiding van de standplaatsen. In opdracht van het ministerie van VWS is het referentiekader van 2013 geactualiseerd met recente cijfers over de vraag naar en het aanbod van ambulances in Nederland. VWS bespreekt de uitkomsten met Ambulancezorg Nederland en Zorgverzekeraars Nederland, waarna de minister het referentiekader vaststelt.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Blood glucose meters : Performance of devices on the Dutch market | RIVM

In 2015 is de meetnauwkeurigheid van bloedglucosemeters voor patiënten met diabetes ter discussie gesteld. Bloedglucosemeters worden door een deel van de patiënten met diabetes gebruikt om de hoeveelheid suiker (glucose) in het bloed in de gaten te houden. Het RIVM onderzocht daarom de technische dossiers over deze medische hulpmiddelen, de betrouwbaarheid van de meting van bloedglucose in de praktijk en eventuele gevolgen voor de gezondheid van patiënten. De technische dossiers, die fabrikanten verplicht moeten aanleggen, bleken tekortkomingen te vertonen. In onafhankelijke laboratoria voldeed, afhankelijk van de gebruikte meter, 21 procent (met een spreiding tussen de meters van 0 tot 44 procent) van de metingen niet aan de nauwkeurigheidseisen die het laboratorium stelde. Volgens experts hoeven er geen gevaarlijke situaties te ontstaan door onnauwkeurige bloedglucosemetingen doordat de Nederlandse diabeteszorg verschillende vangnetten biedt. Patiënten moeten goed geïnformeerd worden over deze vangnetten in de diabeteszorg. Zo wordt het bloed van patiënten periodiek gemeten door de zorgverlener, waardoor de kans klein is dat lange tijd verkeerde hoeveelheden insuline worden ingespoten. Tekortkomingen in technische dossiers betroffen vooral de informatie over de kwaliteit van de meter en over de informatievergaring over het product nadat het op de markt is gekomen (post market surveillance). Volledige en correcte dossiers zijn essentieel om de kwaliteit en veiligheid van het hulpmiddel voor de patiënt te waarborgen. Deze informatie is belangrijk bij de toelatingsprocedure van het product op de markt en moet correct en volledig zijn. Onvolledigheden betekenen overigens niet per definitie dat een product onveilig of onnauwkeurig is. Zowel de meters van nieuwe spelers op de Nederlandse markt als meters van gevestigde marktpartijen vertoonden tekortkomingen in de dossiers of scoorden slechter in de laboratoria. Verder blijkt dat buiten de kwaliteit van het meetinstrument ook andere factoren van invloed zijn op de resultaten van bloedglucosemetingen. Dat kunnen omgevingsfactoren zijn zoals de temperatuur, maar ook het niet naleven van de gebruiksaanwijzing, bijvoorbeeld handen wassen voor gebruik. Europese regelgeving staat toe dat bloedglucosemeters maximaal 15 procent afwijken van de feitelijke waarde in het bloed. Het is wel van belang om alle mogelijke verstorende factoren zo klein mogelijk te houden omdat deze opgeteld tot een grotere afwijking kunnen leiden. Daarnaast is het belangrijk om patiënten die van meter wisselen hier goed bij te begeleiden.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Bestrijdingsmiddelen in grondwater bij drinkwaterwinningen : huidige belasting en mogelijke maatregelen | RIVM

Bestrijdingsmiddelen worden gebruikt in de landbouw en in de openbare ruimte. Restanten daarvan kunnen via de bodem wegspoelen en op termijn het grondwater bereiken waaruit drinkwater geproduceerd wordt. De afgelopen decennia zijn er in Nederland minder bestrijdingsmiddelen gebruikt. Desondanks worden bij een kwart van circa 200 drinkwaterwinningen restanten van bestrijdingsmiddelen aangetroffen in het grondwater nabij de drinkwaterwinputten. Ruim een derde van de aangetroffen bestrijdingsmiddelen is inmiddels niet meer toegelaten in Nederland. In het grondwater worden ook restanten van deze bestrijdingsmiddelen aangetroffen door gebruik in het verleden. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM. Ook is geïnventariseerd welke maatregelen ervoor kunnen zorgen dat er minder bestrijdingsmiddelen terechtkomen in het grondwater waaruit drinkwater wordt geproduceerd. Van ruim 40 mogelijke maatregelen hebben experts vervolgens beoordeeld welke daadwerkelijk het gewenste effect bereiken en of ze uitvoerbaar zijn. Een voorbeeld van een effectieve maatregel is het inzetten van biologische of duurzame landbouw in grondwaterbeschermingsgebieden, omdat daarbij minder bestrijdingsmiddelen worden gebruikt. Er zijn succesvolle voorbeeldprojecten, maar deze zijn niet in alle gebieden gemakkelijk te realiseren. Dat komt onder andere doordat de overstap naar deze vorm van landbouw een vrijwillige keuze van boeren is. Met een verbod of vervanging van bestrijdingsmiddelen die in te hoge concentraties uitspoelen naar het grondwater in grondwaterbeschermingsgebieden, kunnen specifieke risico's rondom drinkwaterwinningen worden weggenomen. Dit is een effectieve maatregel die al in gang is gezet. Deze maatregel wordt nog effectiever wanneer monitoringsgegevens van bestrijdingsmiddelen in grondwater beter worden ontsloten en worden gebruikt bij de toelatingsprocedure van de middelen. Het opstellen van de Atlas van bestrijdingsmiddelen in grondwater is een waardevolle ondersteuning hierbij. Dit maakt inzichtelijk in welke gebieden bestrijdingsmiddelen problemen voor de drinkwaterproductie opleveren.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Geneesmiddelen en waterkwaliteit | RIVM

Geneesmiddelen zijn waardevol voor de volksgezondheid. De laatste jaren is steeds meer bekend geworden over de effecten van geneesmiddelgebruik op het milieu. In Nederland zijn risico's voor het watermilieu te verwachten. De drinkwaterkwaliteit is momenteel echter niet in het geding, maar in de toekomst kan de kwaliteit van de drinkwaterbronnen door vergrijzing (meer medicijngebruik) en klimaatverandering (langdurige lage waterstanden) onder druk komen te staan. Het RIVM heeft de feiten over geneesmiddelen in het milieu samengevat en van een inhoudelijke interpretatie voorzien. Geneesmiddelresten komen na gebruik via het toilet en de rioolwaterzuiveringsinstallaties in het oppervlaktewater terecht. Deze zuivering haalt niet alle resten van geneesmiddelen uit het water, waardoor resten op het oppervlaktewater worden geloosd. Er zijn ongeveer 2000 werkzame stoffen op de markt. Waterbeheerders hebben van circa 80 werkzame stoffen geïnventariseerd of ze daadwerkelijk in het oppervlaktewater voorkomen. Van die 80 stoffen zijn er 5 in hogere concentraties aangetroffen dan de concentratiegrens die veilig is voor waterorganismen. Dit betreft diclofenac (pijnstiller), azythromycine, clarithromycine en sulfamethoxazol (antibiotica) en carbamazepine (een anti-epilepticum). Restanten van geneesmiddelen voor mensen en voor dieren zijn ook in het grondwater gemeten. Naar schatting wordt in Nederland per jaar minstens 140 ton geneesmiddelresten via de rioolwaterzuivering op het oppervlaktewater geloosd. De hoeveelheid geneesmiddelen is beduidend meer dan de hoeveelheid gewasbeschermingsmiddelen die in het oppervlaktewater terechtkomen (17 ton), waarvoor veel normoverschrijdingen worden waargenomen. Geneesmiddelen zijn, net als gewasbeschermingsmiddelen, biologisch actieve stoffen. Omdat, ondanks de beperkte gegevens, ook van een aantal geneesmiddelen bekend is dat de veilige concentratie wordt overschreden, is er aanleiding tot zorg over de effecten van geneesmiddelen in het milieu. Mogelijke effecten van geneesmiddelen zijn bijvoorbeeld gedragsverandering, weefselschade en effecten op de voortplanting van waterorganismen waardoor het ecosysteem als geheel verstoord kan raken. De omvang van het milieurisico kan niet precies in kaart worden gebracht omdat slechts van een fractie van de werkzame stoffen gegevens over hoeveelheden en effecten in het milieu bekend zijn. Of geneesmiddelen momenteel daadwerkelijk verantwoordelijk zijn voor schade aan het ecosysteem in het water is dus niet duidelijk. Dit wordt niet actief gemonitord. Ook veel andere factoren, zoals het waterpeil, stromingen of de aanwezigheid van andere microverontreinigingen en voedingsstoffen, bepalen of dieren en planten ergens goed kunnen gedijen. Bij de milieubeoordeling van de waterkwaliteit wordt geen rekening gehouden met de opeenstapeling van geneesmiddelresten.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Permeatie van contaminanten vanuit grondwater door polyethyleen-drinkwaterleidingen : Methodiek voor de beoordeling van risico's voor de drinkwaterkwaliteit | RIVM

Het is mogelijk dat organische verontreinigingen in grondwater via kunststof (polyethyleen) drinkwaterleidingen de kwaliteit van het drinkwater aantasten. De verontreinigingen kunnen door de buiswand dringen en zo in het drinkwater terechtkomen (permeatie). Het RIVM heeft met het KWR Watercycle Research Institute een stappenplan ontwikkeld om de risico's voor de drinkwaterkwaliteit hiervan te beoordelen. Hiermee kunnen de risico's tijdig worden onderkend en wordt onnodig onderzoek zo veel mogelijk vermeden. Kunststof drinkwaterleidingen worden vooral gebruikt voor de aansluiting van woningen op de hoofdwaterleiding. Het stappenplan is een combinatie van toetsing aan grondwaterconcentraties, aandacht voor klachten van gebruikers, de modellering van permeatie en, in geval van twijfel, metingen. Voorgesteld wordt dat het stappenplan en het model voor de berekening van permeatie de huidige werkwijze van het bevoegd gezag voor bodemsanering en de drinkwaterbedrijven vervangt. Bovendien wordt voorgesteld om voor de beoordeling van de risico's van grondwaterverontreiniging de beoordelingsmethodiek aan te passen aan de nieuwe inzichten. Voor deze methodiek zijn onder meer praktijkdata afkomstig van risicovolle situaties geanalyseerd. Tevens is een model ontwikkeld om de hoeveelheid aan verontreiniging die in het drinkwater terecht kan komen te voorspellen. De modelontwikkeling is beschreven in een separaat rapport.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Maatschappelijke kosten-batenanalyse van beleidsmaatregelen om alcoholgebruik te verminderen : Social cost-benefit analysis of regulatory policies to reduce alcohol use in The Netherlands | RIVM

Van dit rapport is een herziene versie verschenen op 21-01-2019 met rapportnummer 2018-0146. Als alle kosten en baten van alcohol in geld worden uitgedrukt, waren de kosten in 2013 ongeveer 2,3 tot 2,9 miljard euro. Kosten kunnen bijvoorbeeld ontstaan door een lagere arbeidsproductiviteit, door inzet van politie en justitie, en door verkeersongevallen. Deze kosten zijn verminderd met de baten van alcoholgebruik, bijvoorbeeld in de vorm van accijnzen voor de overheid. Maar ook het geluksgevoel dat consumenten kunnen ontlenen aan alcohol is in dit onderzoek in geld uitgedrukt. Maatregelen zijn mogelijk om mensen minder alcohol te laten drinken, zoals een accijnsverhoging, een beperking van het aantal verkooppunten en een totaalverbod op alcoholreclame en -sponsoring. Zulke maatregelen kunnen de samenleving forse besparingen opleveren en hebben daarmee netto een positief effect op de Nederlandse samenleving. Voorbeelden van die positieve effecten zijn minder sterfte en betere kwaliteit van leven doordat ziekten die met alcoholgebruik samenhangen worden voorkomen, een hogere arbeidsproductiviteit, minder verkeersongevallen en minder inzet van politie en justitie. Op de lange termijn, over een periode van 50 jaar, levert een accijnsverhoging van 50 procent tussen de 14 en 20 miljard euro op, een accijnsverhoging van 200 procent 37 tot 47 miljard euro. Het saldo van kosten en baten na 50 jaar is 3 tot 5 miljard euro wanneer 10 procent van de verkooppunten worden gesloten. Dit bedrag loopt op tot 8 tot 12 miljard euro bij een sluiting van 25 procent van de verkooppunten. Een mediaban levert de samenleving circa 7 miljard euro op na 50 jaar, maar hierover bestaat meer onzekerheid. Dit blijkt uit onderzoek geleid door het RIVM. Met een zogeheten maatschappelijke kosten-batenanalyse (MKBA) zijn deze drie beleidsmaatregelen doorgerekend. MKBA's zijn een hulpmiddel om de welvaartseffecten van maatregelen in kaart te brengen en kunnen beleidsmakers ondersteunen bij hun beslissingen over toekomstig overheidsbeleid.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Social cost-benefit analysis of regulatory policies to reduce alcohol use in The Netherlands : Maatschappelijke kosten-batenanalyse van beleidsmaatregelen om alcoholgebruik te verminderen | RIVM

Als alle kosten en baten van alcohol in geld worden uitgedrukt, waren de kosten in 2013 ongeveer 2,3 tot 2,9 miljard euro. Kosten kunnen bijvoorbeeld ontstaan door een lagere arbeidsproductiviteit, door inzet van politie en justitie, en door verkeersongevallen. Deze kosten zijn verminderd met de baten van alcoholgebruik, bijvoorbeeld in de vorm van accijnzen voor de overheid. Maar ook het geluksgevoel dat consumenten kunnen ontlenen aan alcohol is in dit onderzoek in geld uitgedrukt. Maatregelen zijn mogelijk om mensen minder alcohol te laten drinken, zoals een accijnsverhoging, een beperking van het aantal verkooppunten en een totaalverbod op alcoholreclame en -sponsoring. Zulke maatregelen kunnen de samenleving forse besparingen opleveren en hebben daarmee netto een positief effect op de Nederlandse samenleving. Voorbeelden van die positieve effecten zijn minder sterfte en betere kwaliteit van leven doordat ziekten die met alcoholgebruik samenhangen worden voorkomen, een hogere arbeidsproductiviteit, minder verkeersongevallen en minder inzet van politie en justitie. Op de lange termijn, over een periode van 50 jaar, levert een accijnsverhoging van 50 procent tussen de 14 en 20 miljard euro op, een accijnsverhoging van 200 procent 37 tot 47 miljard euro. Het saldo van kosten en baten na 50 jaar is 3 tot 5 miljard euro wanneer 10 procent van de verkooppunten worden gesloten. Dit bedrag loopt op tot 8 tot 12 miljard euro bij een sluiting van 25 procent van de verkooppunten. Een mediaban levert de samenleving circa 7 miljard euro op na 50 jaar, maar hierover bestaat meer onzekerheid. Dit blijkt uit onderzoek geleid door het RIVM. Met een zogeheten maatschappelijke kosten-batenanalyse (MKBA) zijn deze drie beleidsmaatregelen doorgerekend. MKBA's zijn een hulpmiddel om de welvaartseffecten van maatregelen in kaart te brengen en kunnen beleidsmakers ondersteunen bij hun beslissingen over toekomstig overheidsbeleid.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Scenarios for exposure of aquatic organisms to plant protection products in the Netherlands : Soilless cultivations in greenhouses | RIVM

Als door het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in kassen restanten van deze middelen in het nabijgelegen oppervlaktewater terechtkomen, kan dat het waterleven aantasten. Hiermee wordt te weinig rekening gehouden bij de huidige risicobeoordeling van het gebruik van een gewasbeschermingsmiddel voor gewassen die in kassen op substraat, bijvoorbeeld steenwol, worden geteeld. Daarom zijn voor deze toepassingen nieuwe methoden voor de risicobeoordeling ontwikkeld waarin dat wel is ingecalculeerd. Bij de meeste substraatteelten wordt water zoveel mogelijk opnieuw gebruikt. Gedurende dit proces neemt de concentratie van zouten en andere stoffen toe, waardoor zo nu en dan 'vervuild' water moet worden geloosd en vers water moet worden toegevoegd. Ook moeten filters worden schoongespoeld. De nieuwe methoden omvatten scenario's voor vier groepen gewassen (vertegenwoordigd door roos, ficus, tomaat en paprika) waarmee de lozingen en resulterende concentraties in oppervlaktewater door het jaar heen kunnen worden berekend. De indeling in de gewasgroepen is gemaakt op basis van de mate waarin gewassen behoefte aan water hebben en zout verdragen. De mate waarin restanten van gewasbeschermingsmiddelen in het oppervlaktewater komen is onder andere afhankelijk van het teeltsysteem, de wijze van toediening van het gewasbeschermingsmiddel, de mate waarin planten het middel opnemen en de snelheid waarmee het middel in water wordt afgebroken. De methoden zijn ontwikkeld door het RIVM, de onderzoeksinstituten Alterra en Wageningen UR Glastuinbouw en het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb).
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Evaluation of the Dutch leaching decision tree with the substances bentazone, MCPA and mecoprop | RIVM

Evaluatie Beslisboom Uitspoeling Gewasbeschermingsmiddelen naar grondwater Sinds 2004 wordt een beslismodel (beslisboom) gebruikt om te beoordelen in welke mate een gewasbeschermingsmiddel uitspoelt naar het grondwater. Uit een evaluatie van het RIVM, het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) en onderzoekinstituut Alterra blijkt dat de beslisboom goed werkt en state of the art is. Wel laten de stofgegevens waarmee wordt gerekend te wensen over. Om de kwaliteit van het grondwater te waarborgen moeten deze gegevens zorgvuldiger worden afgeleid. Drinkwaterbedrijven hebben gevraagd om het beslismodel te evalueren, omdat zij betwijfelen of het grondwater afdoende wordt beschermd. In grondwaterbeschermingsgebieden gelden extra strenge normen voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. In grondwater worden soms restanten van gewasbeschermingsmiddelen teruggevonden. Dit betreft voornamelijk stoffen die inmiddels zijn verboden. Ze zijn zeer waarschijnlijk in het verleden gebruikt en door de jaren heen in de ondergrond onvoldoende afgebroken. Het blijkt dat een aantal stoffen sneller door de bodem wordt getransporteerd dan op grond van de huidige afleidingsmethodiek wordt verwacht. Hierdoor is er minder tijd beschikbaar voor afbraak in de bodem. Met de huidige afleidingsmethodiek voor de stofgegevens wordt dan een te lage uitspoeling berekend en daardoor te lage concentraties in het grondwater. De onderzoekers hebben voorstellen gedaan voor een zorgvuldiger afleiding van stofgegevens voor het beslismodel. De voorgestelde procedures daarvoor zijn beschikbaar in een ander rapport. Door toepassing van deze procedures worden hogere concentraties voor stoffen in het grondwater voorspeld. Voor de drie onderhavige stoffen kan dat aanvullende beperkingen voor de toelating opleveren, wat leidt tot lagere concentraties van deze middelen in het milieu.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Methodology report on the calculation of emissions to air from the sectors Energy, Industry and Waste, as used by the Dutch Pollutant Release and Transfer Register | RIVM

In deze technische rapportage staat de methoden beschreven waarmee de Nederlandse Emissieregistratie de uitstoot van verontreinigende stoffen naar de lucht berekent vanuit de sectoren Industrie, Energieopwekking en Afvalverwerking. Dit om de uitstoot in internationaal verband goed onderbouwd te rapporteren, in het kader van bijvoorbeeld het Kyoto-protocol en de EU Emissieplafonds (NEC). Doelgroep voor deze rapportage zijn de (internationale) reviewers die de Nederlandse rapportages aan de EU en VN valideren.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Annual report. Surveillance of influenza and other respiratory infections: winter 2015/2016 | RIVM

In de winter 2015/2016 was er een griepepidemie in de eerste elf weken van 2016.Dit griepseizoen week niet sterk af van een gemiddeld griepseizoen, met naar schatting ruim 200 duizend huisartsbezoeken voor griepachtige klachten, 96 duizend huisartsbezoeken voor longontstekingen en 3900 doden bovenop het verwachte aantal doden gedurende de elf weken van de epidemie. In de eerste weken van de epidemie werd vooral het influenzavirus A(H1N1)pdm09 aangetroffen. Later was dat vooral het influenzavirus B (Victoria-lijn). De effectiviteit van het griepvaccin (44 procent) leek beter dan vorig jaar, hoewel het influenzavirus B van de Victoria-lijn er niet in was opgenomen. Daar was voor gekozen omdat in voorgaande jaren vooral een ander influenzavirus B (Yamagata-lijn) circuleerde. De Wereldgezondheidsorganisatie heeft geadviseerd om volgend jaar de Victoria-lijn te gebruiken in plaats van de Yamagata-lijn. Het influenzavirus A(H1N1)pdm09 had wel een goede match met het vaccin van dit jaar. Het RIVM heeft dit jaar voor het eerst in twee ziekenhuizen geregistreerd hoeveel mensen zijn opgenomen vanwege complicaties van de griep. Vanuit andere ziekenhuizen is via de media vernomen dat een ongewoon hoog aantal relatief jonge patiënten was opgenomen met ernstige luchtwegklachten. Dit was niet terug te zien in de RIVM-data, maar onderstreept het belang van een uitgebreidere surveillance in ziekenhuizen. Van de meldingsplichtige luchtweginfectieziekten kwam in 2015 zowel tuberculose (867 meldingen) als legionellose (419 meldingen) meer voor dan voorgaande jaren. Bij tuberculose heeft dit vooral te maken met het toegenomen aantal asielzoekers. Bij legionellose komt dit waarschijnlijk door het warme en natte weer. Het aantal meldingen van psittacose (47) en Q-koorts (20) was niet opvallend. Dit aantal is echter een onderschatting van het werkelijke aantal, omdat bij longontsteking vaak de oorzaak niet wordt vastgesteld.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Registratie voedselgerelateerde uitbraken in Nederland, 2015 | RIVM

In 2015 zijn meer uitbraken van voedselinfecties en vergiftigingen geregistreerd dan in voorgaande jaren. Dit komt grotendeels doordat dit jaar alle niet-anonieme meldingen bij de NVWA van uitbraken (van twee of meer zieken) zijn geregistreerd. In voorgaande jaren zijn alleen meldingen gerapporteerd als daarna bij de desbetreffende locaties onderzoek werd gedaan naar ziekteverwekkers. In 2015 zijn in totaal 406 uitbraken gemeld met 1850 zieken, ten opzichte van 207 gemelde uitbraken met 1655 zieken in het jaar ervoor. Dit blijkt uit een analyse van de registratiecijfers in 2015 van voedselinfecties en -vergiftigingen. Daaruit blijkt ook dat het norovirus de belangrijkste veroorzaker van voedselgerelateerde uitbraken blijft, gevolgd door Salmonella en Campylobacter. De cijfers zijn afkomstig van de NVWA en de GGD'en. De meldingen van beide instanties worden samengevoegd en als een geheel geanalyseerd door het Centrum Infectieziektebestrijding van het RIVM. Deze geïntegreerde aanpak geeft een duidelijker beeld van de mate waarin uitbraken van voedselinfecties en -vergiftigingen in Nederland voorkomen en de trend daarin door de jaren heen. De genoemde getallen zijn evenwel een onderschatting van het werkelijke aantal voedselgerelateerde uitbraken en het aantal zieken. Dit komt doordat niet iedere zieke naar de huisarts gaat of de NVWA informeert. Naar schatting worden jaarlijks 680.000 mensen in Nederland ziek door het eten van besmet voedsel. De NVWA en GGD'en registreren en onderzoeken voedselinfecties en vergiftigingen om meer zieken en uitbraken te voorkomen. Daartoe proberen ze vanuit hun eigen werkveld inzicht te krijgen in de besmette bronnen en de aard van de ziekteverwekkers. De NVWA onderzoekt het voedsel en de plaats waar het wordt bereid. De GGD richt zich op de personen die hebben blootgestaan aan besmet voedsel en probeert via hen de mogelijke bronnen te herleiden.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Patiëntenperspectief op veilige zorg rondom medicijnen | RIVM

Naar eigen zeggen krijgen patiënten niet altijd voldoende informatie over de medicijnen die ze krijgen voorgeschreven en waarom daarvoor is gekozen. Ook worden zij van tevoren niet altijd goed ingelicht over mogelijke bijwerkingen. Dit maakt het voor hen lastig om mee te beslissen welke medicijnen zij het beste kunnen gebruiken als daarvoor meerdere mogelijkheden bestaan. Verder blijkt dat aanpassingen van de medicatie in het ziekenhuis niet altijd snel en goed aan de huisarts worden doorgegeven. Wél zijn patiënten tevreden over de manier waarop er vanuit openbare apotheken wordt toegezien of medicijnen met elkaar kunnen worden gecombineerd. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM, uitgevoerd in opdracht van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ). Hiervoor zijn patiënten die veel geneesmiddelen gebruiken geïnterviewd. Patiënten geven ook aan dat het voor hen vaak onduidelijk is wie eindverantwoordelijk is voor het totale pakket aan voorgeschreven medicijnen. Als zij de medicijnen door een specialist voorgeschreven krijgen, wordt er vaak niet bij verteld bij wie zij terecht kunnen bij problemen of vragen. Ze gaan daarvoor dan bij voorkeur naar hun huisarts of apotheker. Een deel van de patiënten die al langer veel medicijnen gebruiken, wil meebeslissen over het medicijngebruik. Een ander deel wil dat juist niet en laat het liever aan de artsen over. Degenen die vanwege hun lange ervaring met de medicijnen willen meebeslissen, geven aan dat zij graag de mogelijkheid zouden hebben om in samenspraak met de arts het medicijngebruik te kunnen aanpassen. Dat betreft bijvoorbeeld de dosering of het moment van inname. Een zogeheten medicatiebeoordeling biedt daarvoor gelegenheid, maar patiënten weten niet altijd dat deze mogelijkheid bestaat. Patiënten willen verder graag duidelijkheid of ze hun eigen medicijnen van thuis tijdens een ziekenhuisopname mogen meenemen en gebruiken. Momenteel verschilt per ziekenhuis, en soms zelfs per ziekenhuisafdeling, of dit mag.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Natte koeltorens: registratie, toezicht en handhaving in verband met legionellapreventie | RIVM

De registratie van en het toezicht op natte koeltorens is nog voor verbetering vatbaar. Dat blijkt uit een inventarisatie door het RIVM. Een natte koeltoren koelt een gebouw of een industrieel proces door water te vernevelen en te verspreiden. In een natte koeltoren zijn de omstandigheden optimaal voor groei van legionellabacteriën. Met de verspreiding van de waternevel kunnen legionellabacteriën in de lucht terechtkomen die mensen inademen. Een besmetting met legionella kan leiden tot een acute infectie van de luchtwegen. Eigenaren van nieuwgeplaatste natte koeltorens zijn daarom verplicht om deze te melden. Eigenaren van nieuwe én bestaande natte koeltorens moeten aan een aantal eisen voldoen om besmettingen van natte koeltorens met legionellabacteriën te voorkomen. Toezichthouders zijn verantwoordelijk voor het registreren en controleren van de gemelde natte koeltorens. Het RIVM inventariseerde hoe het toezicht op natte koeltorens er voor staat. Hiervoor zijn toezichthouders zoals Regionale Omgevingsdiensten, gemeenten en provincies geïnterviewd. Daaruit blijkt dat de registratie van natte koeltorens onvolledig is. De geïnterviewde toezichthouders zijn niet actief bezig met het opsporen van natte koeltorens en ze geven aan dat eigenaren van natte koeltorens deze ook niet allemaal melden. Het toezicht bestaat vaak alleen uit controle van de papieren. Natte koeltorens worden erg weinig ter plaatse gecontroleerd. Volgens de geïnterviewde toezichthouders kan de rijksoverheid een belangrijke rol spelen bij een duidelijke en actieve communicatie over het belang van toezicht op natte koeltorens en taken en verantwoordelijkheden bij dit toezicht. Ze geven ook aan behoefte te hebben aan ondersteunende richtlijnen voor het uitvoeren van het toezicht. Goede registratie en goed toezicht zorgen ervoor dat er sneller zicht is op een besmette koeltoren. Door snel ingrijpen kunnen legionella-infecties bij mensen voorkomen worden. Wanneer er toch legionella-infecties optreden, kan sneller onderzocht worden of een besmette natte koeltoren de bron is als bekend is waar natte koeltorens staan. Hoe sneller een bron van legionella wordt opgespoord, hoe sneller maatregelen genomen kunnen worden om nieuwe infecties en zieke personen te voorkomen.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Evaluatie van het aanbod van online-aanbieders van soa-zelftesten in Nederland | RIVM

Via internet zijn steeds meer testen beschikbaar waarmee mensen zelf kunnen testen of ze een seksueel overdraagbare aandoening (soa) hebben. Er zijn twee soorten: de zogeheten thuistesten die mensen thuis kunnen doen (zoals een zwangerschapstest) en laboratoriumtesten waarvoor ze zelf een monster afnemen en naar een laboratorium sturen voor een diagnose. Het aanbod op websites varieert sterk, ook in prijs, wat tevens geldt voor de inhoud en kwaliteit van de informatie. Een goede soa-test en een correcte behandeling zijn belangrijk voor de individuele gezondheid én de bestrijding van soa. Daarom is de informatievoorziening op de website van het product heel belangrijk om consumenten een goede keuze te kunnen laten maken over de aankoop van een test en die test op de goede manier te gebruiken. Ook is het van belang dat ze weten wat ze moeten doen als de testuitslag een soa aangeeft (behandeling, partnerwaarschuwing). Het RIVM onderzocht de kwaliteit en informatievoorziening van websites met chlamydia-testen, omdat die veel op internet worden aangeboden. Hieruit bleek dat de betrouwbaarheid van thuistesten voor chlamydia vaak niet is aangetoond. Ook is de informatievoorziening op de websites van dit type test minder goed dan bij laboratoriumtesten. De laboratoriumtesten zijn doorgaans betrouwbaar; de informatievoorziening is beter dan bij thuistesten, maar voldoet nog niet altijd. Een aantal aanbieders van laboratoriumtesten voldeed aan de criteria waarop ze werden geëvalueerd door het RIVM. Twee punten waren hierbij essentieel: een bewezen betrouwbaarheid met een sensitiviteit en specificiteit van meer dan 95 procent en een duidelijk online-advies wat mensen kunnen doen als de testuitslag een soa aangeeft.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Verkenning samenstelling luiers en incontinentiemateriaal : Potentiële risico's bij recycling | RIVM

Per jaar worden voor baby's en volwassenen grote hoeveelheden luiers gebruikt, naar schatting ontstaat per jaar meer dan 160 miljoen kilo luierafval. Vanwege het streven naar een circulaire economie is het gewenst de hoeveelheid restafval te verminderen en materialen her te gebruiken tot nieuwe producten. Rijkswaterstaat heeft daartoe een project opgezet waarin alle partners van de keten voor luiers, van producent, inzamelaar, verwerker tot afnemers van hergebruikt materiaal, bijeen zitten om gezamenlijk mogelijkheden voor recycling te verkennen. In dat verband heeft het RIVM de samenstelling van deze afvalstroom verkennend onderzocht met het oog op risico's die kunnen ontstaan als hergebruikt materiaal in het milieu terechtkomt. Hierbij is gefocust op de in luiers aanwezige plastics, medicijnresten en ziekteverwekkers. De samenstelling van ongebruikte luiers is onderzocht op basis van gegevens uit de wetenschappelijke literatuur: welke stoffen zitten erin en kunnen er dus uit vrijkomen. Hoewel de informatie daarover beperkt is, is er nu geen aanleiding om negatieve effecten te verwachten van de absorberende plastic en papieren onderdelen van luiers (super absorberende polyacrylaten, SAP) voor de bodem. Wel is de SAP moeilijk afbreekbaar. Over de effecten op grondwater zijn geen gegevens bekend. Daarnaast is op basis van de inname van medicijnen geïnventariseerd welke resten via de ontlasting en urine in het milieu kunnen komen, en dus ook via luiers. Van sommige medicijnen ontbreken gegevens over de mate waarin ze schadelijk zijn, waardoor de schade aan het milieu moeilijk kan worden geduid. Bij ziekteverwekkers is het risico ervan afhankelijk of ze de verwerkingstechniek overleven. Medicijnresten kunnen wel tijdens verwerking afgebroken worden. Het uiteindelijke risico hangt vervolgens af van de mate waarin mensen aan ziekteverwekkers of en stof blootstaan via het gerecyclede materiaal. Aanbevolen wordt om in een pilotstudie te onderzoeken welke effecten verwerkingstechnieken bij de recycling van luiers hebben op medicijnresten en ziekteverwekkers. Het advies is om daarbij breder te kijken dan alleen de luierketen en mogelijkheden voor hergebruik te verkennen van materialen met menselijke urine en uitwerpselen. Voorbeelden hiervan zijn struviet (een fosfor mineraal uit urine) en cellulose die worden teruggewonnen in rioolwaterzuiveringsinstallaties.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Agricultural practice and waterquality in the Netherlands: status (2012-2014) and trend (1992-2014) : Monitoring results for Nitrates Directive reporting | RIVM

Stikstof en fosfaat zijn essentiële stoffen in mest die landbouwbedrijven gebruiken om de productie te bevorderen. Het verschil tussen de aan- en afvoer van stikstof naar en van landbouwbedrijven in Nederland, het zogeheten stikstofoverschot, is tussen 1992 en 2014 gehalveerd. Het fosfaatoverschot is nagenoeg verdwenen. De nitraatconcentraties in het water op landbouwbedrijven zijn gedaald en de kwaliteit van het oppervlaktewater is verbeterd. Ten opzichte van de vorige monitoringsronde (2008-2011) zijn de verbeteringen in de waterkwaliteit echter beperkt. De nutriëntenconcentraties zullen naar verwachting wel blijven dalen, maar de gewenste situatie zal in het grondwater niet overal worden bereikt. Ook zal de kwaliteit van het oppervlaktewater veelal onvoldoende blijven. Dit blijkt uit een inventarisatie van de grond- en oppervlaktewaterkwaliteit en de landbouwpraktijk. Waterkwaliteit 2012-2014 De verbeteringen in de waterkwaliteit zijn een gevolg van maatregelen die in Nederland vanwege de Europese Nitraatrichtlijn zijn genomen. Een voorbeeld daarvan is het voorschrift om minder mest te gebruiken. De nitraatconcentraties in het water op landbouwbedrijven in de Klei- en Veenregio zijn van 2012 tot en met 2014 op de meeste plaatsen lager dan de norm (50 mg/l). In de Zandregio geldt dit voor iets meer dan de helft van de bedrijven en in de Lössregio voor minder dan de helft. De nitraatconcentraties in regionale oppervlaktewateren die vooral vanuit landbouwgebieden worden gevoed, zijn bijna altijd lager dan de norm. In de oppervlaktewateren die zijn aangewezen voor de Europese Kaderrichtlijn Water, wordt deze norm niet overschreden. Desondanks veroorzaken nitraat, andere stikstofverbindingen en fosfaat ongewenste milieueffecten in het merendeel van de oppervlaktewateren. De norm voor nitraat, die is ingevoerd om het drinkwater te beschermen, blijkt niet voldoende om deze effecten te voorkomen. De stikstof- en de fosforconcentraties in de zomer, die grote invloed hebben op de flora en fauna in het oppervlaktewater (ecologische waterkwaliteit), zijn sinds begin jaren negentig gedaald. Het RIVM heeft de inventarisatie uitgevoerd met het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Rijkswaterstaat Water, Verkeer en Leefomgeving (RWS/WVL), LEI Wageningen Universiteit en Research Centrum (WUR) en de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl). De rapportage hiervan is een vierjaarlijkse Europese verplichting.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Analysis of complaints in the Netherlands on Essure® : Health problems following a non-surgical sterilization procedure for women | RIVM

Het RIVM heeft klachten geanalyseerd van vrouwen die zijn gesteriliseerd met Essure®. Dit zijn metalen veertjes die via de baarmoeder in beide eileiders worden gebracht waardoor deze na ongeveer 3 maanden dichtgroeien. Het voordeel van deze sterilisatiemethode is, in vergelijking met de traditionele afsluiting van de eileiders, dat er geen chirurgische ingreep voor nodig is. Het aantal gemelde klachten komt van ruim 1,5 procent van de circa 30.000 vrouwen die in Nederland met Essure® zijn behandeld. De meest genoemde klachten zijn pijn en vermoeidheid. Bij de pijnklachten gaat het vooral om de buik, de rug en het hoofd. Daarnaast worden hevige bloedingen tijdens en tussen de menstruatie, stemmingswisselingen, geheugenverlies en concentratieproblemen gemeld. Het werkelijke aantal vrouwen met klachten is onbekend. Veel vrouwen geven aan dat deze klachten hun dagelijks leven negatief beïnvloeden. Ze voelen de veertjes zitten of ervaren beperkingen bij het bewegen. Verder kunnen ze de dagelijkse taken en de zorg voor kinderen vaak minder goed uitvoeren. Er zijn ook vrouwen die aangeven dat hun relatie lijdt onder de ontstane problemen. Bij 16 procent van de vrouwen die klachten gemeld hebben, is Essure® verwijderd naar aanleiding van de klachten. 38 procent van de vrouwen in dit onderzoek heeft een afspraak gemaakt om dat te laten doen. De klachten zijn gemeld nadat hieraan via diverse kanalen aandacht is besteed. De Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG) heeft de resultaten van de analyse medisch geduid. Sommige klachten zijn mogelijk toe te wijzen aan de plaatsing van Essure®, zoals bepaalde pijnklachten. Bij andere klachten is het moeilijker om een direct verband te leggen omdat er ook andere zaken van invloed kunnen zijn, zoals stoppen met de pil waardoor menstruatieklachten kunnen verergeren. Daarnaast komen verschillende klachten, bijvoorbeeld gewichtsschommelingen en urinewegproblemen, ook met enige regelmaat voor bij vrouwen die geen Essure® hebben. De gemelde klachten komen van vrouwen die tussen 2001 en 2016 het implantaat hebben gekregen. Hun gemiddelde leeftijd was 37 jaar op het moment van de sterilisatie.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Milieurisico's van specifieke stoffen in bunkerolie in zeeschepen: : Onderzoek van de literatuur en de REACH-dossiers | RIVM

Het is bekend dat de zeescheepvaart een substantiële bijdrage levert aan luchtvervuiling vanwege de uitstoot van zwaveldioxide, stikstofoxiden, fijnstof en zware metalen als nikkel. Minder bekend is dat de zeeschepen ook schadelijke stoffen uitstoten zoals ultra fijn stof en koolstof ('black carbon'). De forse uitstoot van milieugevaarlijke stoffen wordt voornamelijk veroorzaakt doordat zeeschepen veelal varen op zware stookolie. Stookolie (bunkerolie) is een brandstof die bestaat uit het restproduct van de raffinage van aardolie, gemengd met stoffen uit het raffinageproces of de chemische industrie. De bijgemengde stoffen zijn op hun beurt vaak bijproducten of restanten uit deze industrieën. In hoeverre de uitstoot van deze bijgemengde stoffen een extra risico vormt voor het milieu is niet bekend. Doordat de samenstelling van de scheepsbrandstof per zeeschip verschilt, is het niet te achterhalen wat de aard en omvang is van de uitstoot van de rookgassen. Dit blijkt uit een studie van het RIVM die in opdracht van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) is uitgevoerd. In eerdere RIVM-studies is kennis opgebouwd over de samenstelling van zware stookolie en is een lijst met stoffen opgesteld die niet in stookolie zouden mogen worden bijgemengd. In de huidige RIVM-studie is onderzocht of deze stoffen zijn geregistreerd bij REACH, de Europese wetgeving voor chemische stoffen. Van een enkele blijkt dat het geval te zijn maar ontbreekt een (verplichte) risicobeoordeling voor effecten op het milieu. In de wetenschappelijke literatuur is weinig tot niets over de milieueffecten van deze bijgemengde stoffen bekend. Door de enorme variëteit in de samenstelling van bunkerolie is het moeilijk om de milieueffecten van zowel bunkerolie als die van bijgemengde stoffen in de scheepsbrandstof per zeeschip te meten. Bovendien ontbreekt een gestandaardiseerde methode om de chemische samenstelling van milieuschadelijke stoffen in de stookolie en de emissie van schadelijke stoffen in de rookgassen te meten.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Risico's van 3D-printen in een consumentenomgeving : Technieken, materialen en producten | RIVM

Steeds meer consumenten hebben thuis een 3D-printer staan. Ook kunnen consumenten producten laten printen bij gespecialiseerde bedrijven. Er worden vooral miniatuurfiguren en onderdelen van (technische) apparaten mee geprint, maar ook producten die in het dagelijks leven worden gebruikt, zoals telefoonhoesjes. Het RIVM heeft in opdracht van de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA) onderzocht of er voor consumenten risico's kleven aan het gebruik van 3D-printers en de bijbehorende producten. Dat blijkt het geval te zijn, alleen is de omvang van het risico op basis van de beschikbare gegevens niet precies te duiden. Het risico is sterk afhankelijk van de mate waarin consumenten aan het materiaal of aan vrijgekomen stoffen worden blootgesteld. Bij 3D-printen worden meestal plastic draden omgesmolten en in laagjes tot het gewenste product gevormd. Technische risico's, bijvoorbeeld dat consumenten zich aan het warme apparaat of plastic branden, zijn door verantwoord gebruik gemakkelijk te beperken. Daarnaast ontstaan tijdens het printen dampen en kleine deeltjes die de gebruiker in kan ademen. Goed ventileren is belangrijk om dat te beperken. Verder kunnen consumenten aan chemische stoffen worden blootgesteld bij het gebruik van de geprinte producten. Dit kan via contact met de huid, zoals bij sieraden, en mond, bijvoorbeeld bij kinderspeelgoed of drinkbekers.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Handreiking Beoordelingskader Gezondheid en Milieu - veehouderij | RIVM

Het 'Beoordelingskader Veehouderij' is een hulpmiddel om lokale vragen over de gezondheid van omwonenden van veehouderijen systematisch aan te pakken. Het beoordelingskader heeft vooral meerwaarde in complexe situaties, bijvoorbeeld wanneer partijen met verschillende belangen zijn betrokken of wanneer lastige afwegingen moeten worden gemaakt. Het helpt om tot een afgewogen besluit te komen. Deze handreiking geeft aan op welke manier het beoordelingskader kan worden gebruikt. Doelgroep van deze handreiking zijn in eerste instantie de GGD'en. Maar ook andere partijen die met dit instrument werken, zoals gemeenten, kunnen er hun voordeel mee doen. Voor het beoordelingskader komen alle betrokken partijen bijeen om op basis van vijf thema's vragen over de te behandelen situatie te beantwoorden. De thema's zijn: de omvang van de gezondheidseffecten, de ernst, de waardering, mogelijke maatregelen en de effectiviteit daarvan, en ten slotte de kosten en baten. Op deze manier wordt de bestaande kennis in beeld gebracht en komen ook minder 'hardere' aspecten, zoals sociaaleconomische inzichten, aan bod. Op basis van deze informatie zijn beleidsmakers beter in staat om tot besluitvorming te komen; het beoordelingskader levert dus niet rechtstreeks een besluit op. In 2013 is het Beoordelingskader Veehouderij in vier pilots getest. De ervaringen uit de pilots zijn gebruikt als input voor deze handreiking.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Stralingsniveaumetingen rond het terrein van COVRA N.V. te Borsele in de periode 2011-2014 met het MONET-meetnet | RIVM

Het stralingsniveau aan de terreingrens van de Centrale Organisatie voor Radioactief Afval (COVRA N.V.) te Borsele lag in 2011, 2012, 2013 en 2014 onder het toegestane maximum. Dit blijkt uit controlemetingen van het RIVM. Volgens de kernenergiewet-vergunning mag de stralingsdosis aan de terreingrens van COVRA N.V ten hoogste 40 microsievert per jaar bedragen. Om dit te controleren wordt met stralingsmonitoren op zestien locaties het stralingsniveau gemeten. De monitoren zijn op de terreingrens, of langs een omheining binnen de terreingrens, geplaatst. De stralingsmetingen horen bij het door het RIVM beheerde MONET-meetnet. Van deze bruto metingen wordt de natuurlijke achtergrondwaarde afgetrokken. Ook wordt gekeken naar bijdragen aan het stralingsniveau die niet door COVRA N.V worden veroorzaakt. Om het netto resultaat te vertalen naar een effectieve stralingsdosis voor een persoon, wordt de zogeheten Actuele Blootstellings Correctiefactor (ABC-factor) toegepast. ABC-factoren hangen samen met de bestemming van het gebied waar de effectieve stralingsdosis kan worden opgelopen. Over de periode 2011-2014 is, na het toepassen van de ABC-factor en, na aftrek van de natuurlijke achtergrond, de hoogste berekende jaarwaarde 18 microsievert (in 2014). Het RIVM rapporteert in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS, voorheen Kernfysische Dienst) en toetst of COVRA N.V. aan de vergunningseis voldoet. Voor de jaren 2011, 2012, 2013 en 2014 zijn de daggemiddelden van de zestien MONET-monitoren rond COVRA N.V. weergegeven, is de achtergrondwaarde bepaald, en is de netto effectieve stralingsdosis per jaar berekend.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Alternatieve tabaksproducten: harm reduction? : Tabaks- en aanverwante producten die mogelijk minder schadelijk zijn dan sigaretten | RIVM

Stoppen met roken is de beste optie voor de gezondheid, maar toch roken er nog steeds veel mensen. Fabrikanten brengen daarom producten op de markt met een directe of indirecte claim dat ze minder schadelijk zijn voor de gezondheid dan conventionele tabaksproducten. De meningen over deze zogeheten harm reduction-middelen zijn verdeeld, omdat de effecten op de gezondheid van de gebruiker nog niet duidelijk zijn. Om die te kunnen beoordelen is kennis nodig over de samenstelling van het product, het rookgedrag (hoeveel wordt ervan gerookt en hoe diep wordt geïnhaleerd) en de gezondheidseffecten van het product. Het RIVM heeft daarom een eerste inventarisatie gemaakt van harm reduction-producten en wat er over het gebruik en de gezondheidseffecten bekend is. Voorbeelden van harm reduction-producten zijn tabak die in de mond wordt gestopt zoals de 'snus', de e-sigaret en een product waarin tabak wordt verhit maar niet verbrand (heat not burn). Bij deze vormen staan gebruikers niet aan schadelijke verbrandingsproducten bloot. De e-sigaret bijvoorbeeld verdampt een vloeistof die meestal nicotine bevat. De gebruiker krijgt hiermee minder schadelijke stoffen binnen dan bij het roken van een tabakssigaret. De effecten op de langere termijn en de effecten op de gehele bevolking zijn echter nog onduidelijk. Ook tabak-verhittingsproducten lijken minder schadelijk te zijn voor de gezondheid dan conventionele sigaretten. Meer kennis is nodig, zoals over het rookgedrag van de gebruiker, om een afgewogen oordeel over de schadelijkheid te kunnen geven. Voorstanders van harm reduction-middelen vinden dat verstokte rokers ze beter kunnen gebruiken dan gewone tabak. Tegenstanders vrezen dat niet-rokers ze zullen gaan gebruiken vanwege het imago dat ze minder schadelijk zijn. Daarnaast bestaat de zorg dat ze een opstapje kunnen zijn naar het gebruik van conventionele tabaksproducten. Ook zouden ze mensen ervan kunnen weerhouden om te stoppen met roken, of het negatieve imago rond roken als 'stom en ongezond' wegnemen (renormaliseren).
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Application of personalized medicine : Opportunities and challenges for policy | RIVM

De behandeling met medicijnen op basis van individuele kenmerken van een patiënt, zoals erfelijke eigenschappen, biedt veel kansen om therapieën per patiënt effectiever te maken maar staat ook nog voor veel uitdagingen. Zo vormt erfelijke informatie van een persoon bijvoorbeeld maar een deel van de puzzel om een ziekte effectief te behandelen met medicijnen. Ook andere factoren kunnen een rol spelen, zoals leeftijd, geslacht, eetgewoonten, aanwezigheid van andere ziekten en het gebruik van meerdere medicijnen tegelijk. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM, uitgevoerd in opdracht van het ministerie van VWS, naar de kansen en uitdagingen van personalized medicine. Personalized medicine (PM), de behandeling van de patiënt op basis van zijn unieke kenmerken, is een relatief nieuw begrip in de medische wereld. PM is sterk in opkomst nu het steeds duidelijker wordt welke invloed individuele eigenschappen kunnen hebben op het ontstaan van ziekten en op de werking van medicijnen. Sommige mensen hebben door hun erfelijke eigenschappen een grotere kans op ernstige bijwerkingen bij gebruik van bepaalde medicijnen. Anderen zijn veel gevoeliger voor een medicijn en hebben daardoor een andere dosis nodig. Ook genetische eigenschappen van tumoren bij kanker kunnen per patiënt verschillen en dat biedt mogelijkheden om beter op het individu afgestemde behandelingen aan te bieden. Een van de uitdagingen is om alle beschikbare gegevens en eigenschappen van patiënten optimaal voor onderzoek te benutten. Dit geldt ook voor de vertaling van onderzoeksresultaten naar de behandeling in de praktijk. Daarnaast zal de opleiding van artsen en apothekers afgestemd moeten worden op de ontwikkelingen rondom PM. Ook moet goed worden nagedacht over privacy en beheer van patiëntgegevens en of de wijze waarop de zorg nu in Nederland is geregeld wel geschikt is voor PM.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Developments in novel medical products with modern biotechnology and specifically synthetic biology : A quick scan | RIVM

De huidige wetenschappelijke kennis stelt ons in staat om 'de programmeertaal van het leven' - de genetische code - in toenemende mate te begrijpen, zelf te bouwen en ook toe te passen. In de moderne biotechnologie en specifiek de 'synthetische biologie' richten verschillende wetenschappelijke disciplines zich op het ontwikkelen en toepassen van de genetische programmeertaal voor een groot aantal gebieden, waaronder die voor medische toepassingen. In dit 'quick scan' onderzoek is gekeken welke medische producten op dit moment worden ontwikkeld met behulp van synthetische biologie. Vervolgens is nagegaan welke regelgevende kaders van toepassing zijn voor deze ontwikkelingen. Op basis van dit onderzoek identificeren we drie productgroepen: biosensoren, producten voor gerichte geneesmiddeltoediening en bewerkte menselijke celproducten. De meeste producten zijn nog ver van een daadwerkelijke toepassing in de kliniek. Het meest veelbelovend zijn toepassingen met stamcellen voor herstel van beschadigd weefsel en met biosensoren die buiten het lichaam worden toegepast voor diagnostiek. Bezien vanuit de regelgeving zijn twee soorten regulerende kaders van belang: regelgeving gericht op genetisch gemodificeerde organismen en regelgeving voor medische producten. Dit 'quick scan' onderzoek kan gebruikt worden als basis voor een analyse van mogelijke uitdagingen voor de bestaande regelgeving met behulp van opinieleiders in het veld.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

EU interlaboratory comparison study primary production XVIII (2015) : Detection of Salmonella in pig faeces | RIVM

In maart 2015 vond het achttiende EURL-ringonderzoek naar detectie van Salmonella plaats. Deelname aan deze kwaliteitstoets is verplicht voor alle Nationale Referentie Laboratoria (NRL's) van de Europese lidstaten die verantwoordelijk zijn voor het aantonen van Salmonella in dierlijke mest. Voor dit ringonderzoek is een ander type mest gebruikt, dat dit keer geen geschikt alternatief bleek. Daardoor waren de resultaten van de deelnemers niet onderling te vergelijken. In totaal hebben 36 NRL's deelgenomen aan dit ringonderzoek: 29 NRL's afkomstig van 28 lidstaten in de EU, 6 NRL's afkomstig uit kandidaatlanden voor het EU-lidmaatschap of lidstaten van de European Free Trade Association (EFTA) status en 1 niet-Europees NRL op verzoek van de Europese Unie. Werkwijze Er is varkensmest gebruikt omdat het vanwege de vogelgriep in de herfst van 2014 niet was toegestaan om kippenmest te transporteren. Varkensmest staat bekend als een geschikt alternatief. Wel moeten de monsters bij een lagere temperatuur (-20 °C in plaats van 5 of 10 °C) worden bewaard om te voorkomen dat er gisten en schimmels in gaan groeien. In de testfase bleek onder deze omstandigheden een gedeelte van de toegevoegde Salmonella dood te gaan. Door extra veel Salmonella toe te voegen, zouden er genoeg bacteriën in leven moeten blijven. Tijdens de analyses van de varkensmestmonsters door de laboratoria bleek echter dat Salmonella het invriezen niet goed had overleefd. De hoeveelheid Salmonella in de aangeleverde monsters verschilde daardoor per laboratorium, zodat de resultaten niet met elkaar konden worden vergeleken. De laboratoria hebben de monsters geanalyseerd met behulp van de internationaal voorgeschreven analysemethode (MSRV). Het overkoepelend referentielaboratorium van de Europese Unie voor Salmonella (EURL-Salmonella) is gevestigd bij het RIVM.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Geluidmonitor 2015 : Meetprogramma RIVM 2015-2016 ten behoeve van toetsing geluid productie plafonds weg- en rail verkeer | RIVM

Dit onderzoek beschrijft geluidmetingen langs rijks- en spoorwegen uit 2015 en vergelijkt meetuitkomsten van 2014 met de hoeveelheid geluid die de weg- en spoorbeheerder voor dat jaar hebben berekend. Langs rijkswegen bleek het geluidniveau in 2014 bij metingen op 45 locaties gemiddeld 1,8 decibel hoger te liggen dan de berekende waarde. Langs het spoor, waar eveneens op 45 locaties is gemeten, was er in dat jaar, gemiddeld over alle meetpunten, geen significant verschil. Afhankelijk van de meetlocatie kunnen grotere of kleinere afwijkingen optreden. De berekeningen en metingen zijn uitgevoerd in het kader van de Wet milieubeheer. De weg- en spoorbeheerder, Rijkswaterstaat en ProRail, tonen via berekening aan in hoeverre het jaargemiddelde geluid onder een wettelijke grenswaarde blijft. De berekeningen moeten volgens de wet vervolgens gevalideerd worden met een steekproef van metingen. De precieze analyse van de gemeten verschillen is geen onderdeel van dit onderzoek. Het is aannemelijk dat de hogere gemeten niveaus langs rijkswegen onder meer veroorzaakt worden doordat de wettelijk voorgeschreven rekenmethode uitgaat van stille banden op een droog wegdek. De huidige praktijkomstandigheden zijn gemiddeld ongunstiger. Daarnaast draagt de variatie in akoestische kwaliteit van het wegdek bij aan de verschillen. Het gemeten geluid van het spoormaterieel blijkt overwegend overeen te komen met de standaard rekenmethoden. Het onderzoek geeft ook de meetresultaten uit 2015 weer, die zowel langs de weg als het spoor gemiddeld geen verandering laten zien ten opzichte van de metingen van 2014. De metingen in 2015 komen per locatie goed overeen met 2014. De meetresultaten uit 2015 zullen in een vervolgrapportage worden vergeleken met rekenresultaten van 2015, die in de tweede helft van 2016 door de weg- en spoorbeheerder gepubliceerd zullen worden.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Risicocommunicatie over stralingsongevallen en de verspreiding van jodiumtabletten | RIVM

Bij een zwaar ongeval met kernreactoren kan radioactief jodium vrijkomen. Wanneer dat wordt ingeademd, hebben vooral kinderen een groter risico om schildklierkanker te krijgen. Door tijdig een jodiumtablet te slikken, wordt voorkomen dat het lichaam radioactief jodium opneemt. Om voorbereid te zijn op zo'n ongeval, zijn jodiumtabletten verstrekt aan mensen tot 40 jaar die in de buurt van een kerncentrale wonen. Ons land heeft in juli 2014 besloten dat jodiumtabletten ook beschikbaar moeten zijn voor personen tot 18 jaar en zwangere vrouwen die tot een afstand van 100 kilometer van een kerncentrale wonen. Dit rapport laat zien hoe de communicatie over stralingsongevallen, stralingsincidenten en verspreiding van jodiumtabletten beter kan aansluiten bij de informatiebehoefte van mensen en de beelden die bij hen leven. Het blijkt dat mensen behoefte hebben aan duidelijke informatie over wie de tabletten moeten innemen, waarom en op welk moment ze dat moeten doen. Ook blijkt dat het voor de meeste mensen in Nederland onduidelijk is wat de gezondheidseffecten zijn van een kernongeval en welke maatregelen hen daartegen kunnen beschermen. Anders dan deskundigen, verwachten de meeste mensen bij een kernongeval veel sterfgevallen en misvormingen, zelfs op grote afstand. Daarom is het belangrijk om effecten waar mensen zich zorgen over maken te bespreken. Ook weten mensen weinig over beschermingsmaatregelen. Velen denken bijvoorbeeld dat direct vertrekken naar een veilig gebied de beste maatregel is, maar afhankelijk van de straling kan schuilen ook volstaan. Voor een juist gebruik wordt aanbevolen om de jodiumtabletten aan de doelgroep te verstrekken met een begeleidende brief op naam en daarin aan te geven dat nadere instructies moeten worden afgewacht.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Beoordeling Nederlandse luchtkwaliteit voor de Europese meetverplichting : Periode 2009-2013 Achtergrondrapport | RIVM

Nederland is volgens de Europese wetgeving verplicht om een minimaal aantal meetpunten in te richten om de nationale luchtkwaliteit te bewaken. Deze Europese minimale meetverplichting wordt door lidstaten zelf vastgesteld op basis van de gemeten resultaten van luchtvervuilende stoffen en het aantal inwoners. Door veranderingen hierin in de loop van de jaren kan de vereiste minimale meetinspanning veranderen. Hierdoor zijn EU-landen verplicht om ontwikkelingen door de jaren heen te volgen en eventueel het aantal meetpunten hierop aan te passen. In dat verband geeft het RIVM een overzicht van de minimale Europese meetverplichting in Nederland wanneer de luchtkwaliteit uitsluitend op basis van meetresultaten wordt beoordeeld. Hieruit blijkt dat vrijwel overal aan deze verplichting wordt voldaan. Uitzondering hierop is de agglomeratie Den Haag/Leiden. In deze agglomeratie is een meetpunt vervallen door een veranderde verkeersituatie. Naar verwachting wordt deze tekortkoming in 2016 opgelost. Daarnaast zijn er voor ozon te weinig meetlocaties representatief om concentraties in voorstedelijke gebieden te bepalen. De Europese minimale meetverplichting is tevens de basis voor het aantal meetpunten dat voor de nationale wetgeving (Regeling Beoordeling Luchtkwaliteit, ofwel Rbl) wordt ingericht. Op sommige plekken is de Rbl ruimer dan Europees minimaal wordt voorgeschreven. Deels komt dit doordat het minimaal aantal meetpunten volgens de nationale wetgeving nog niet in alle gevallen is aangepast aan de dalende concentraties vervuilende stoffen die de afgelopen jaren in Nederland te zien zijn. In sommige gevallen is de nationale wetgeving strenger ingericht dan de Europese minimale meetverplichting, bijvoorbeeld om modelberekeningen te verifiëren en concentraties van bepaalde luchtverontreinigende stoffen te kunnen blijven monitoren. De nationale meetverplichting wordt uitgevoerd door het Landelijk meetnet Luchtkwaliteit (LML), aangevuld met meetpunten van de partnermeetnetten van de GGD Amsterdam en de DCMR.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

State of Infectious Diseases in the Netherlands 2015 | RIVM

De meest in het oog springende infectieziekte in 2015 was de griepepidemie in de winter van 2014-2015, die met 21 weken de langstdurende griepepidemie was die ooit in Nederland is gemeten. De instroom van asielzoekers uit vooral Syrië en Eritrea zorgde ervoor dat opvangcentra extra alert waren op infectieziekten onder asielzoekers. De meest voorkomende meldingsplichtige infectieziekten bij asielzoekers waren tuberculose, malaria en chronische hepatitis B. Dit blijkt uit de Staat van Infectieziekten in Nederland 2015. Deze jaarlijkse rapportage geeft beleidsmakers van het ministerie van VWS inzicht in ontwikkelingen van infectieziekten onder de Nederlandse bevolking. Daarnaast worden relevante ontwikkelingen in het buitenland gemeld. Het thema van deze editie is de surveillance van infectieziekten in Nederland: de gegevensverzameling over hoe vaak en waar infectieziekten voorkomen. Deze gegevens worden verzameld om bijvoorbeeld een uitbraak van een infectieziekte op te sporen, om trends in infectieziektes te volgen, of om de effectiviteit van een vaccinatieprogramma te bepalen. Door surveillancegegevens uit de vele beschikbare gegevensbronnen te combineren en te analyseren ontstaat meer inzicht in de epidemiologie van infectieziekten. In deze editie zijn nieuwe ziektelastschattingen gemaakt van 35 infectieziekten in Nederland tussen 2012 en 2014. Deze ziektelast geeft de hoeveelheid jaren weer die mensen niet meer in goede gezondheid doorbrengen vanwege een infectieziekte. Sommige infectieziekten, zoals maagdarminfecties, komen vaak voor maar veroorzaken over het algemeen geen ernstige klachten. Andere infecties, bijvoorbeeld tetanus, komen slechts zelden voor maar veroorzaken relatief veel sterfgevallen. Een gezondheidsmaat die deze aspecten van ziekten combineert is de Disability Adjusted Life Year (DALY). De gemiddelde jaarlijkse ziektelast voor de totale Nederlandse bevolking was het hoogst voor griep (8653 DALY's/jaar). De laagste ziektelast werd geschat voor difterie (0,6 DALY's/jaar). Deze ziektelast is zo laag dankzij het Rijksvaccinatieprogramma.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Emission of microplastics and potential mitigation measures : Abrasive cleaning agents, paints and tyre wear | RIVM

Uit banden, verf en schurende reinigingsmiddelen kunnen plastic deeltjes vrijkomen die zich in bodem, water en lucht verspreiden. Bandenslijtsel is de grootste van deze drie bronnen, met een totale uitstoot naar het milieu in Nederland van ongeveer 17.300 ton microdeeltjes per jaar. Daarna volgen verfdeeltjes met ongeveer 690 ton per jaar. De schurende reinigingsmiddelen zijn een veel kleinere bron, ongeveer 3 ton per jaar. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM. Per bron is aangegeven in welk deel van het milieu de deeltjes terechtkomen. Zo is de emissie naar water respectievelijk 1.800 (bandenslijtsel), 330 (verfdeeltjes) en 1 (microplastics uit schurende reinigingsmiddelen) ton per jaar. De Nederlandse overheid heeft de ambitie om efficiënt om te gaan met grondstoffen. Daarin past het niet om deze materiaalstromen in het milieu te laten 'verdwijnen'. Bovendien moet zo veel mogelijk worden voorkomen dat organismen aan deze milieuvreemde stoffen worden blootgesteld. Het onderzoek bevat daarom ook een eerste inventarisatie van maatregelen om de uitstoot van microplastics te verminderen. Voor alle bronnen is het belangrijk om bij consumenten en bedrijven begrip te creëren voor maatregelen en het gedrag hierop aan te passen. Daarnaast kunnen innovaties eraan bijdragen dat banden en verf minder snel slijten. Een andere optie is om maatregelen te nemen die voorkomen dat slijtagestof zich in het milieu verspreidt. De maatregelen kunnen worden gestimuleerd door ze wettelijk vast te leggen, branches vrijwillig overeenkomsten te laten opstellen, financiële prikkels zoals subsidies aan te reiken, en voorlichtingscampagnes te ontwikkelen om gedragsverandering te stimuleren.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Grootschalige concentratie- en depositiekaarten Nederland : Rapportage 2016 | RIVM

Nieuwe concentratie- en depositiekaarten voor NSL en PAS: 2015 Het RIVM geeft jaarlijks op kaarten weer hoe in Nederland de gemeten concentraties in de lucht waren van onder andere stikstofdioxide en fijn stof. Dit rapport beschrijft de situatie in 2015. Ook is aangegeven in welke mate stikstof op de bodem neerslaat. Daarnaast zijn toekomstberekeningen voor deze stoffen gemaakt voor de periode 2016 tot en met 2030. De kaarten worden gemaakt om het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) en de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) te monitoren. Met deze programma's worden onder andere de effecten getoetst van ruimtelijke plannen op de concentraties van vervuilende stoffen in de lucht. Stikstofdioxideconcentraties veelal lager, ramingen uitgekomen De gemeten concentraties stikstofdioxide (NO2) zijn in 2015 gedaald ten opzichte van 2014, waarschijnlijk als gevolg van lagere emissies en meteorologische omstandigheden, zoals temperatuur en overheersende windrichting. Sinds 2006 is jaarlijks berekend wat de verwachte stikstofdioxideconcentraties in het peiljaar 2015 zouden zijn. De ramingen blijken goed overeen te komen met de gemeten waarden in 2015. De berekende concentraties gaven dus een betrouwbare verwachting van de werkelijke concentraties. De lokaal getroffen maatregelen om aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit te voldoen blijken daarmee realistisch te zijn geweest. Op enkele plekken waren de gemeten concentraties hoger dan vorig jaar was geraamd; onder andere op specifieke plekken in de havens van Rotterdam, waar goederen worden overgeslagen. Geraamde neerslag stikstof op de bodem daalt meer De gemiddelde hoeveelheid stikstof die op de bodem neerslaat, daalt naar verwachting de komende jaren. Dit komt voor ongeveer de helft door dalende emissies van verkeer en voor de andere helft door dalende emissies van de landbouw. Naar verwachting zullen de emissies door verkeer in de toekomst sterker dalen door maatregelen die de uitstoot beperken.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Risk assessment of substances in combined exposures (mixtures) | RIVM

Bij de risicobeoordeling en regulering van chemische stoffen wordt uitsluitend rekening gehouden met de schadelijke effecten van afzonderlijke stoffen. In de praktijk wordt de mens echter blootgesteld aan talloze stoffen tegelijk ('mengsels'). Dit gebeurt vooral via voedsel, maar kan ook op andere manieren zoals door inademing of via de huid. Geringe, nog onschadelijke effecten van afzonderlijke stoffen kunnen schadelijk worden als ze bij elkaar worden opgeteld. Verschillende nationale en internationale regelgevende instanties, waaronder de Europese Commissie en de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO), hebben onderkend dat de risico's van deze gelijktijdige blootstelling aan verschillende stoffen moeten worden onderzocht. Het RIVM heeft daarom in kaart gebracht welke initiatieven de afgelopen jaren zijn ondernomen om methodieken te ontwikkelen die de mogelijke gezondheidsrisico's van mengsels weergeven. Eén daarvan is afkomstig van de Europese Voedsel Autoriteit (EFSA) waaraan het RIVM bijdraagt met modelberekeningen. De EFSA-methode bevat echter nog veel onzekerheden en is specifiek ontworpen voor effecten van mengsels van bestrijdingsmiddelen die via voedsel worden opgenomen. Het is vooralsnog onduidelijk of de methode ook geschikt is voor andere stofgroepen zoals allergenen, en stoffen die niet via voedsel, maar door de lucht of via de huid in het lichaam terechtkomen. Momenteel wordt onderzocht hoe deze EFSA-methode kan worden verfijnd door de bestaande gegevens over blootstelling aan en schadelijkheid van stoffen aan te vullen met nieuwe metingen die zijn gebaseerd op celkweekmodellen. RIVM voert dit onderzoek in samenwerking met internationale partners uit.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

De gezondheidsrisico's van e-sigaretten voor omstanders | RIVM

Een kwart van de gebruikers van e-sigaretten zijn op dit product overgestapt om omstanders te ontzien (meeroken). Toch worden ook bij het gebruik van e-sigaretten schadelijke stoffen uitgeademd, zoals propyleenglycol, nicotine en nitrosamines. De hoeveelheid die wordt uitgeademd is sterk afhankelijk van de samenstelling van de gebruikte vloeistof, de intensiteit van het dampen (frequentie en inhalatie), en de ventilatie en afmetingen van de ruimte waarin wordt gedampt. Dit bepaalt ook in hoeverre gezondheidsrisico's kunnen optreden. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM dat is uitgevoerd in opdracht van het ministerie van VWS. Een deel van de schadelijke stoffen blijft achter in de 'damper' nadat ze zijn ingeademd. Doordat een e-sigaret alleen wordt geactiveerd als de gebruiker een trekje neemt, smeulen e-sigaretten niet door. Daardoor komen er geen schadelijke stoffen vrij als er geen trekje wordt genomen. Bij tabakssigaretten is dat wel het geval. Afhankelijk van bovenstaande factoren kunnen omstanders lichte gevoelens van keel-, neus- en oogirritatie ervaren. Veel dampers (78 procent) gebruiken vloeistoffen die nicotine bevatten. Hierdoor kunnen omstanders gezondheidseffecten ondervinden als hartkloppingen en een verhoogde bloeddruk. Bij gebruik van nicotinevrije vloeistoffen ontstaan deze effecten dus niet. Voor dit onderzoek heeft het RIVM de chemische samenstelling gemeten van de damp die e-sigaretgebruikers uitblazen. Hierbij is uitsluitend gekeken naar de toxicologische gezondheidsrisico's. De conclusies zijn gebaseerd op de meest recente kennis over de risico's van stoffen wanneer ze worden geïnhaleerd. Van sommige stoffen is echter nog niet bekend in hoeverre zij een risico voor de gezondheid vormen. Daarom wordt aanbevolen om de gezondheidseffecten van e-sigaretten voor gebruikers en omstanders nauwgezet te blijven volgen.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Veehouderij en gezondheid omwonenden | RIVM

Onderzocht is of het wonen in de buurt van veehouderijen effect kan hebben op de gezondheid van de omwonenden. Hieruit komen een aantal positieve en een aantal negatieve gezondheidseffecten naar voren. Een eenduidig antwoord is dan ook niet te geven. Aangetoond is dat mensen die rondom veehouderijen wonen minder astma en allergieën hebben. Dicht bij veehouderijen wonen minder mensen met COPD, een chronische ziekte aan de longen. Daar staat tegenover dat de mensen in deze omgeving die wel COPD hebben, daar vaker en/of ernstigere complicaties van hebben. Verder is er een verband gevonden tussen wonen nabij veehouderijen en een verlaagde longfunctie. Dit wordt waarschijnlijk veroorzaakt door stoffen die afkomstig zijn van de veehouderij. Niet alleen dichtbij veel veehouderijen wonen zorgt voor een lagere longfunctie. De longfunctie wordt in het hele onderzoeksgebied lager op momenten dat de concentratie van ammoniak (een stof die afkomstig is van mest) in de lucht hoog is. Deze effecten zijn vergelijkbaar met de schadelijke gezondheidseffecten van verkeer in een stad. De onderzoekers vonden dat er meer longontstekingen in het onderzoeksgebied voorkomen dan in de rest van het land; een verschil dat na de Q-koorts-epidemie van 2007-2010 wel kleiner is geworden. Er werd een verband gevonden tussen pluimveehouderijen binnen 1 kilometer afstand van de woning en een licht verhoogde kans op longontsteking. Het is onduidelijk of de extra longontstekingen in dit onderzoeksgebied worden veroorzaakt door specifieke ziekteverwekkers die van dieren afkomstig zijn (zoönose-verwekkers), of dat mensen gevoeliger voor longontsteking worden door de blootstelling aan stoffen die veehouderijbedrijven uitstoten, zoals fijnstof, endotoxines (onderdelen van micro-organismen) en ammoniak. In het onderzoek is ook gekeken of bepaalde zoönoseverwekkers vaker voorkomen in de omgeving van veehouderijen ten opzichte van de rest van het land. Bij het hepatitis E-virus, de bacterie Clostridium difficile en ESBL-producerende bacteriën is dat niet het geval. Wel lijken mensen iets vaker drager te zijn van de veegerelateerde MRSA-bacterie. Of deze verhoging komt door uitstoot vanuit veehouderijen is nog onduidelijk. Dit zijn de belangrijkste conclusies uit het VGO-onderzoek dat is uitgevoerd door het RIVM, de Universiteit Utrecht (IRAS), Wageningen UR en het NIVEL. Het onderzoek is uitgevoerd in het oostelijk deel van Noord-Brabant en in Noord-Limburg. Sommige resultaten zijn mogelijk alleen van toepassing op het onderzochte gebied. Dat komt doordat lokale kenmerken, bijvoorbeeld luchtvervuiling uit omliggende industriegebieden, van invloed zijn op de bevindingen.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Landbouwpraktijk en waterkwaliteit op landbouwbedrijven aangemeld voor derogatie in 2014 | RIVM

De Nederlandse landbouw is wereldwijd gezien een zeer productieve en efficiënte sector. Het gebruik van mest is noodzakelijk voor de efficiënte productie van gewassen. Mestgebruik heeft echter ook ongewenste (milieu)effecten. Het Nederlandse mestbeleid tracht schadelijke milieueffecten te beperken; monitoring is hierbij een essentieel onderdeel. Dit sluit aan bij internationale afspraken over het mestgebruik en over het volgen van het effect van beleidsmaatregelen. De Europese Nitraatrichtlijn schrijft lidstaten voor om het gebruik van dierlijke mest te beperken tot 170 kg stikstof per hectare. Landbouwbedrijven in Nederland met ten minste 80 procent grasland mochten in 2014 onder bepaalde voorwaarden van deze norm afwijken en meer mest, afkomstig van graasdieren zoals koeien en schapen, gebruiken (derogatie). LEI Wageningen UR en het RIVM volgen op 300 derogatiebedrijven de bedrijfsvoering en de effecten op de waterkwaliteit en rapporteren de resultaten hiervan jaarlijks aan de EU. In deze rapportage zijn de situatie in 2014 beschreven en de trends tussen 2006 en 2015. De nitraatconcentratie in het grondwater is in deze periode, afhankelijk van de regio, gedaald of gelijk gebleven. Bedrijfsvoering Gemiddeld hebben derogatiebedrijven in 2014 237 kilogram stikstof uit dierlijke mest per hectare gebruikt. De hoeveelheid stikstof die als nitraat kan uitspoelen naar het grondwater wordt onder andere bepaald door het stikstofbodemoverschot. Dit is het verschil tussen de aanvoer van stikstof (zoals meststoffen) en de afvoer ervan (waaronder via gras en maïs). Het gemiddelde Nederlandse stikstofbodemoverschot is gedurende de onderzochte periode niet significant veranderd, maar vertoonde in 2014 wel een sterke daling als gevolg van het goede groeiseizoen voor gras en maïs. Grondwaterkwaliteit In 2014 was de gemiddelde nitraatconcentratie in het grondwater in de Zandregio 40 milligram per liter (mg/l). Dit was 10 mg/l onder de nitraatnorm van 50 mg/l. Bedrijven in de Kleiregio en de Veenregio hadden gemiddeld een lagere nitraatconcentratie (respectievelijk 15 en 9,5 mg/l). De nitraatconcentratie op de derogatiebedrijven in de Lössregio was gemiddeld 51 mg/l. Het verschil tussen de regio's wordt vooral veroorzaakt door een hoger percentage uitspoelingsgevoelige gronden in de Zand- en Lössregio; dit zijn gronden waar nitraat in mindere mate in de bodem wordt afgebroken en daardoor meer kan uitspoelen naar het grondwater.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Agricultural practices and water quality on farms registered for derogation in 2014 | RIVM

De Nederlandse landbouw is wereldwijd gezien een zeer productieve en efficiënte sector. Het gebruik van mest is noodzakelijk voor de efficiënte productie van gewassen. Mestgebruik heeft echter ook ongewenste (milieu)effecten. Het Nederlandse mestbeleid tracht schadelijke milieueffecten te beperken; monitoring is hierbij een essentieel onderdeel. Dit sluit aan bij internationale afspraken over het mestgebruik en over het volgen van het effect van beleidsmaatregelen. De Europese Nitraatrichtlijn schrijft lidstaten voor om het gebruik van dierlijke mest te beperken tot 170 kg stikstof per hectare. Landbouwbedrijven in Nederland met ten minste 80 procent grasland mochten in 2014 onder bepaalde voorwaarden van deze norm afwijken en meer mest, afkomstig van graasdieren zoals koeien en schapen, gebruiken (derogatie). LEI Wageningen UR en het RIVM volgen op 300 derogatiebedrijven de bedrijfsvoering en de effecten op de waterkwaliteit en rapporteren de resultaten hiervan jaarlijks aan de EU. In deze rapportage zijn de situatie in 2014 beschreven en de trends tussen 2006 en 2015. De nitraatconcentratie in het grondwater is in deze periode, afhankelijk van de regio, gedaald of gelijk gebleven. Bedrijfsvoering Gemiddeld hebben derogatiebedrijven in 2014 237 kilogram stikstof uit dierlijke mest per hectare gebruikt. De hoeveelheid stikstof die als nitraat kan uitspoelen naar het grondwater wordt onder andere bepaald door het stikstofbodemoverschot. Dit is het verschil tussen de aanvoer van stikstof (zoals meststoffen) en de afvoer ervan (waaronder via gras en maïs). Het gemiddelde Nederlandse stikstofbodemoverschot is gedurende de onderzochte periode niet significant veranderd, maar vertoonde in 2014 wel een sterke daling als gevolg van het goede groeiseizoen voor gras en maïs. Grondwaterkwaliteit In 2014 was de gemiddelde nitraatconcentratie in het grondwater in de Zandregio 40 milligram per liter (mg/l). Dit was 10 mg/l onder de nitraatnorm van 50 mg/l. Bedrijven in de Kleiregio en de Veenregio hadden gemiddeld een lagere nitraatconcentratie (respectievelijk 15 en 9,5 mg/l). De nitraatconcentratie op de derogatiebedrijven in de Lössregio was gemiddeld 51 mg/l. Het verschil tussen de regio's wordt vooral veroorzaakt door een hoger percentage uitspoelingsgevoelige gronden in de Zand- en Lössregio; dit zijn gronden waar nitraat in mindere mate in de bodem wordt afgebroken en daardoor meer kan uitspoelen naar het grondwater.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Advies opdrachtverstrekking bloedonderzoeken neonatale hielprikscreening : Ontwikkelingen en planning | RIVM

Voor de uitvoering van het bloedonderzoek voor de neonatale hielprikscreening heeft het RIVM tot 31 december 2016 overeenkomsten met meerdere laboratoria. Voor het afsluiten van nieuwe overeenkomsten dient rekening gehouden te worden met de nieuwe aanbestedingswet en een goede balans tussen de kosten en baten van de uitvoering van de bloedonderzoeken. Daardoor kunnen ook andere laboratoria in aanmerking komen. Laboratoria kunnen pas een goed aanbod doen als de eisen waar ze aan moeten voldoen volledig bekend zijn. De komende jaren zijn echter veel veranderingen te verwachten, waardoor die eisen aan de bloedonderzoeken nu nog niet duidelijk zijn. Dat komt onder andere doordat onderzoek gedaan moet worden naar de uitbreiding van de hielprik met 14 nieuwe, zeldzame aandoeningen. In april 2015 heeft de minister van VWS toegezegd de hielprikscreening hiermee gefaseerd uit te willen breiden. Daarnaast zal bekend worden aan welke kenmerken een nieuw ICT-systeem én vernieuwde apparatuur moeten voldoen. Om die reden wordt geadviseerd om de huidige laboratoria een overbruggingsovereenkomst van vijf jaar aan te bieden. Hiermee kan de kennis en ervaring van de huidige laboratoria worden gebruikt om het screeningsprogramma te innoveren.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Subsidiekader RIVM-CIb 2017 | RIVM

Het RIVM-CIb verstrekt in 2017 namens het ministerie van Volksgezond-heid, Welzijn en Sport subsidies op het gebied van infectieziekte-bestrijding en/of seksuele gezondheid. Bij dergelijke subsidieaanvragen moet worden voldaan aan de algemene, inhoudelijke en procedurele uitgangspunten en criteria, die in dit Subsidiekader RIVM-CIb 2017 zijn beschreven. Momenteel verstrekt het RIVM-CIb subsidie op het gebied van seksuele gezondheid aan Soa Aids Nederland, Rutgers, Hiv Vereniging Nederland en Stichting Hiv Monitoring. Op het gebied van antibioticaresistentie gebeurt dat aan Stichting Werkgroep Infectiepreventie en Stichting Werkgroep Antibioticabeleid en op het gebied van tuberculose aan KNCV Tuberculosefonds. Deze organisaties ontvangen deze subsidies al langere tijd. Een belangrijk aspect van deze subsidies is dat de desbetreffende kenniscentra hiermee mede in stand worden gehouden. Het subsidieprogramma van het RIVM-CIb is open van karakter. Dit betekent dat ook andere organisaties een aanvraag tot subsidieverlening kunnen indienen. Dit kan zowel een instellings- als een projectsubsidie zijn.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Electromagnetic Fields in the Irish Context | RIVM

In opdracht van de Ierse overheid heeft het RIVM de huidige wetenschappelijke kennis over mogelijke gezondheidseffecten van elektromagnetische velden op een rij gezet. De nadruk ligt op de elektromagnetische velden afkomstig van hoogspanningslijnen en basisstations voor mobiele telefonie. Daarnaast heeft het RIVM het beleid van vijf Europese landen en Ierland over de blootstelling van de bevolking aan elektromagnetische velden in kaart gebracht. Ook is beschreven hoe dat beleid in de praktijk wordt uitgevoerd. Allereerst zijn de aard van elektromagnetische velden en de verschillende bronnen die ze produceren toegelicht. Vervolgens zijn de blootstellingslimieten toegelicht die de Europese Unie aanbeveelt. Deze zijn ingesteld om bekende gezondheidseffecten te voorkomen, zoals het prikkelen van zenuwen en het opwarmen van het lichaam of delen daarvan. Ook zijn effecten beschreven waar wel aanwijzingen voor zijn, maar waar geen onomstotelijk bewijs voor bestaat, zoals een mogelijk verhoogde kans op leukemie bij kinderen en tumoren in het hoofd. De vijf onderzochte landen, te weten Frankrijk, Nederland, Slovenië, Zweden en het Verenigd Koninkrijk, verschillen onder andere in de manier waarop ze omgaan met de Europese blootstellingslimieten. Sommige hebben de Europese aanbevelingen hiervoor vertaald naar bindende nationale wetgeving. Andere hebben dat niet gedaan of hanteren andere grenzen. De onderzochte landen hechten ook in verschillende mate aan wetenschappelijk onderzoek naar gezondheidseffecten of monitoringprogramma's. Ook verschilt de mate waarin burgers betrokken zijn bij besluitvorming over de aanleg van hoogspanningslijnen en de plaatsing van basisstations voor mobiele telefonie. Soms zijn burgers van een land van begin tot het eind bij het besluitvormingsproces betrokken, soms alleen aan het einde, en soms helemaal niet. De vijf landen investeren wel allemaal in een vorm van gestructureerde interactie tussen overheid, industrie en burgers. Een andere overeenkomst is dat de overheden de bevolking voorzien van informatie over elektromagnetische velden en gezondheid, bijvoorbeeld via websites of folders.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Greenhouse gas emissions in the Netherlands 1990-2014 : National Inventory Report 2016 | RIVM

In 2014 is de totale uitstoot van broeikasgassen van Nederland met ongeveer 4 procent gedaald ten opzichte van de emissie in 2013. Deze daling komt vooral doordat er als gevolg van de relatief warme winter minder brandstof is gebruikt. De totale emissie van broeikasgassen naar de lucht wordt uitgedrukt in CO2-equivalenten en bedroeg in 2014 187,1 miljard kilogram (megaton of teragram). Ten opzichte van het zogeheten Kyoto-basisjaar (223,8 miljard kilogram CO2-equivalenten) is dit een afname van ongeveer 16,4 procent. Dit basisjaar, dat afhankelijk van het broeikasgas 1990 of 1995 is, dient voor het Kyoto-protocol als referentie voor de uitstoot van broeikasgassen. De afname in de broeikasgasemissies wordt voor het grootste deel (78 procent) veroorzaakt doordat de emissies van methaan, distikstofoxide en gefluoreerde gassen (CH4, N2O en F-gassen) afnemen. De CO2-uitstoot is beduidend minder afgenomen (-3 procent ten opzichte van het basisjaar 1990). Dit blijkt uit een inventarisatie van broeikasgasemissies die het RIVM jaarlijks op verzoek van het ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM) opstelt. Met deze inventarisatie voldoet Nederland aan de nationale rapportageverplichtingen voor 2016 van het Klimaatverdrag van de Verenigde Naties (UNFCCC), van het Kyoto Protocol en van het Bewakingsmechanisme Broeikasgassen van de Europese Unie. De emissiecijfers uit brandstoffen zijn in absolute zin gewijzigd ten opzichte van eerdere rapportages om de Nederlandse cijfers beter te laten aansluiten bij de internationale definities. De inventarisatie bevat verder trendanalyses voor de emissies van broeikasgassen in de periode 1990-2014, een analyse van belangrijkste emissiebronnen ('sleutelbronnen'), evenals de onzekerheid in hun emissies. Daarnaast zijn in de inventarisatie de gebruikte berekeningsmethoden beschreven, evenals databronnen en gebruikte emissiefactoren. Ten slotte bevat het een overzicht van het kwaliteitssysteem en de validatie van de emissiecijfers door de Nederlandse Emissieregistratie.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

NethMap 2016: Consumption of antimicrobial agents and antimicrobial resistance among medically important bacteria in the Netherlands in 2015 / MARAN 2016: Monitoring of antimicrobial resistance and antibiotic usage in animals in the Netherlands in 2015 | RIVM

Wereldwijd neemt het aantal bacteriën dat resistent is tegen antibiotica toe. In Nederland is van de meeste bacteriën die in resistente vorm bij mensen is aangetroffen, het aantal de afgelopen jaren stabiel gebleven. Toch is er reden voor zorg. Het gebruik van antibiotica neemt langzaam toe. Ook zijn sommige resistente bacteriën, zoals Klebsiella, die resistent zijn voor 'laatste redmiddel-antibiotica' (carbapenems), in 2015 iets vaker aangetroffen, onder andere door een 'uitbraak' in een zorginstelling. Gezonde mensen hebben daar geen last van, maar kwetsbare mensen kunnen er ziek van worden. Verder blijken steeds meer bacteriën die bij mensen infecties kunnen veroorzaken, resistent tegen de antibiotica die als laatste redmiddel gebruikt worden. Dat betekent dat de keuze voor een antibioticum dat goed werkt steeds moeilijker wordt. Om de ontwikkeling van resistentie tegen te gaan, moet het antibioticagebruik beter op de individuele patiënt en de infectie worden afgestemd. Daarnaast is het van belang dat zorgverleners zorgvuldig de hygiëne- en infectiepreventiemaatregelen naleven om te voorkomen dat resistente bacteriën zich verspreiden. Dankzij deze maatregelen is bijvoorbeeld het aantal MRSA-bacteriën in ziekenhuizen in de afgelopen jaren laag gebleven. Deze 'ziekenhuisbacterie' wordt overgedragen via direct huidcontact, vooral via handen en is ongevoelig voor veel soorten antibiotica. Het gebruik van antibiotica in Nederland die via de huisarts zijn verstrekt, is marginaal toegenomen (met ongeveer 1 procent ten opzichte van het voorgaande jaar). In Nederlandse ziekenhuizen is het totale gebruik eveneens licht gestegen (4-5 procent). Het gebruik van antibiotica voor dieren is, na jaren van forse daling, in 2015 zo goed als stabiel gebleven. Wel blijkt de mate waarin resistente bacteriën bij dieren voorkomen te zijn afgenomen. Dit blijkt uit de jaarlijkse rapportage NethMap/MARAN 2016, waarin diverse organisaties de gegevens over het antibioticagebruik en resistentie, zowel voor mensen als voor dieren, gezamenlijk presenteren. part 1: NethMap 2016 pag 1-140 part 2: MARAN 2016 pag 1-76
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Milieubelasting van de voedselconsumptie in Nederland | RIVM

Een duurzaam voedselsysteem voorziet in de voedingsbehoefte van alle mensen, nu en in de toekomst, en beschermt tegelijkertijd de ecologische systemen op aarde. Het huidige voedselsysteem is niet duurzaam. Vooral vlees (voornamelijk rundvlees) maar ook zuivel en kaas vormen de grootste milieubelasting. De milieubelasting is ook relatief hoog voor gewassen uit de glastuinbouw. Groente- en fruitgewassen die in Nederland in de vollegrond worden geteeld, hebben een relatief lage milieubelasting. Ook die van brood en graanproducten is relatief laag. Dit blijkt uit de eerste resultaten van een analyse van de milieubelasting van het huidige Nederlandse voedselconsumptiepatroon door het RIVM. Hierbij is naar zes milieuthema's gekeken: klimaatverandering, landgebruik, waterverbruik, verzuring, vermesting en bodemuitputting. De analyse is gebaseerd op een database met gegevens over de milieubelasting van een breed scala aan voedselproducten die het RIVM momenteel aan het bouwen is. Deze database is via de Voedselconsumptiepeiling (VCP) gekoppeld aan ons consumptiepatroon. Hiermee is het mogelijk om de milieudruk van producten per thema te bepalen en in kaart te brengen wat voor effect veranderingen hebben, bijvoorbeeld in productieprocessen of consumptiepatronen. Van de in Nederland geconsumeerde producten wordt gemiddeld 20 procent verspild. Voedselverliezen treden op in de gehele productie- en distributieketen van producten. Die bestaat uit de teelt van gewassen, de verwerking ervan in fabrieken, het transport naar Nederland, de opslag en koeling, de supermarkt (houdbaarheidsdata) en de consument. De verspilling vindt op alle onderdelen plaats, maar is het grootst bij de consument. Een duurzamer Nederlands voedselsysteem kan bereikt worden door de productieprocessen te verduurzamen, en verliezen in de keten te verminderen. Aan de consumentenkant kan erop worden ingezet voedselverspilling te verminderen en het voedselconsumptiepatroon te veranderen door minder en anders te eten. Een verschuiving van dierlijke naar plantaardige voedselproducten is het meest effectief voor bijna alle milieuaspecten.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Vaccinatiegraad Rijksvaccinatieprogramma Nederland : Verslagjaar 2016 | RIVM

Net als in voorgaande jaren is de vaccinatiegraad, oftewel de deelname aan de verschillende vaccinaties uit het Rijksvaccinatieprogramma (RVP), in verslagjaar 2016 met 92 tot 99 procent hoog. Wel is de deelname aan de meeste vaccinaties met ongeveer 0,5 procent afgenomen. Voor zuigelingen is deze afname voor het tweede achtereenvolgende jaar zichtbaar. In het verleden zijn regionaal vaker dergelijke schommelingen waargenomen, maar ze zijn nu voor het eerst in het hele land geconstateerd. Een verklaring hiervoor ontbreekt. De deelname aan de HPV-vaccinatie tegen baarmoederhalskanker is met 61 procent gelijk gebleven. De deelname onder zuigelingen in Caribisch Nederland is met 92 tot 100 procent ook onveranderd gebleven. Nieuw kerncijfer Sinds dit jaar wordt de stand van zaken op de verschillende beleidsterreinen van het ministerie van VWS weergegeven in zogeheten kerncijfers om het beleid te kunnen volgen en verantwoorden. Ook voor de vaccinatiegraad is een kerncijfer vastgesteld, namelijk het percentage van alle kinderen dat op de dag dat ze 2 jaar worden alle RVP-vaccinaties heeft gekregen. Voor kinderen die geboren zijn in 2013 ligt dit op 93 procent. Hepatitis B risicogroepen Vanaf 2012 wordt niet alleen aan kinderen van risicogroepen, maar aan alle kinderen de hepatitis B-vaccinatie aangeboden. Het blijkt echter dat juist de kinderen van wie ten minste één ouder geboren is in een land waar hepatitis B veel voorkomt, de vaccinatie niet altijd krijgen. Daarnaast wordt het hepatitis B-controleonderzoek naar de effectiviteit van het vaccin onder kinderen van moeders die drager zijn van het hepatitis B-virus, niet altijd uitgevoerd. Juist voor deze twee risicogroepen is bescherming tegen hepatitis B belangrijk. In Nederland wordt met vrijwillige vaccinatie een hoge vaccinatiegraad bereikt. Dit blijkt uit het landelijke registratiesysteem voor de vaccinaties van het RIVM. Een hoge deelname aan het programma is belangrijk om te voorkomen dat infectieziekten weer terugkomen. Een hoge vaccinatiegraad zorgt er ook voor dat kwetsbare (nog) niet gevaccineerde kinderen tegen ziekten worden beschermd (groepsimmuniteit).
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Ziektelast en kosten van letsel door geweld | RIVM

Ziektelast is het verlies van gezondheid binnen een bevolking door ziekte en vroegtijdig overlijden. Tot nu toe is de ziektelast van 'letsel door geweld' alleen uitgedrukt als het aantal mensen dat hierdoor vroegtijdig overlijdt. De lichamelijke en psychische gevolgen van letsel door geweld, zonder dat er sprake is van overlijden van het geweldsslachtoffer, zijn nog niet in de ziektelast opgenomen. Door dit wel te doen stijgt de totale ziektelast van letsel door geweld met 73 procent. Vier vijfde van deze stijging is toe te schrijven aan lichamelijk letsel en een vijfde aan de psychische gevolgen (PTSS en depressie) voor de slachtoffers van geweld. Dit blijkt uit een onderzoek over de periode 2009-2013 dat in opdracht van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en Veiligheid en Justitie (VenJ) is uitgevoerd. De berekeningen geven een beter beeld van de ziektelast van letsel door geweld. De uitkomsten van de nieuwe berekeningen blijven een onderschatting van de werkelijke cijfers doordat informatie ontbreekt, zoals gegevens over slachtoffers die niet op de eerste hulp zijn geregistreerd. De ziektelast van letsel is berekend voor twee typen geweld met het motief van de dader als onderscheid: expressief geweld (uiting gevoelens, 54 procent) en instrumenteel geweld (gericht op (im)materiële voordelen, zoals geld en macht; 12 procent). Van het resterende deel van de ziektelast is niet bekend om welk type geweld het gaat. De ziektelast van letsel door geweld vormt in Nederland 3 procent van de ziektelast van alle letsels, zoals verkeersongevallen, blessures en suïcidepogingen. Dit percentage is vergelijkbaar met dat van andere Europese landen. Deze vergelijking is gebaseerd op cijfers van de Global Burden Disease (GBD), een internationale studie naar ziektelast. Schattingen van de medische- en verzuimkosten als gevolg van lichamelijk letsel door geweld bedragen in de onderzochte periode (2009-2013) jaarlijks gemiddeld respectievelijk € 30 miljoen en € 66 miljoen. De geschatte kosten voor de psychische gevolgen van letsel door geweld (PTSS en depressie) zijn aanzienlijk lager (€ 5,2 miljoen). Hierbij zijn de kosten van leed als gevolg van bedreiging (een veelvoorkomende vorm van geweld) niet meegenomen, noch de maatschappelijke kosten voor de omgeving (familieleden, getuigen). Het onderzoek is onder regie van het RIVM uitgevoerd door het Erasmus Universitair Medisch Centrum Rotterdam (Erasmus MC) en de Stichting VeiligheidNL.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Sexually transmitted infections in the Netherlands in 2015 | RIVM

Het aantal mensen dat zich bij een Centrum Seksuele Gezondheid (CSG) heeft laten testen op een seksueel overdraagbare aandoening (soa) is, na een jarenlange stijging, in 2015 gedaald. De daling hangt samen met een sterkere focus op de doelgroep van de CSG en de bevroren budgetten met betrekking tot het aantal consulten dat kan worden afgehandeld. Het percentage bezoekers bij wie een soa werd vastgesteld, is wel verder toegenomen, tot 17,2 procent. Bij huisartsen zijn de aantallen soa-consulten ook gedaald. Chlamydia blijft de meest voorkomende soa. De CSG's bieden hoog-risicogroepen de mogelijkheid om zich gratis te laten testen op soa's. In totaal waren er in 2015 136.347 consulten bij de CSG, een daling van 3,4 procent ten opzichte van 2014. De meeste soa's zijn vastgesteld bij personen die voor een soa zijn gewaarschuwd door een (voormalige) partner, bij personen met soa-gerelateerde klachten en bij hiv-positieve mannen die seks hebben met mannen (MSM). Ook jongeren onder de 20 jaar met een lagere opleiding en personen die voor een tweede keer in hetzelfde jaar op consult komen hebben vaker een soa. Chlamydia In 2015 had 13,7 procent van de CSG-bezoekers een chlamydia-infectie (18.585 diagnoses); een stijging van 1,1 procent ten opzichte van het voorgaande jaar. De grootste toename is te zien bij heteroseksuele mannen (van 13,9 procent in 2014 naar 16,1 procent in 2014). Chlamydia wordt het meest aangetroffen bij vrouwen en heteroseksuele mannen onder de 20 jaar (21,0 procent) en bij mensen die hiervoor zijn gewaarschuwd (34,0 procent). Bij MSM is het percentage chlamydia al jaren stabiel op 10 procent. Gonorroe Het aantal gonorroe-diagnoses is met 17 procent gestegen naar 5.391 diagnoses. Deze soa wordt vooral vaker bij MSM gevonden (10,7 procent), terwijl het percentage stabiel blijft bij vrouwen en heteroseksuele mannen (respectievelijk 1,6 en 1,9 procent). Een op de vijf gonorroediagnoses is opgespoord na een waarschuwing door een partner. Ook in 2015 zijn er geen gonorroegevallen gevonden die resistent zijn tegen eerstelijns antibiotica. Minder dan de helft van de positief bevonden monsters is getest op resistentie. Syfilis Het aantal diagnoses van syfilis is in 2015 gestegen met 27 procent tot 942, hoewel vanwege het aangepaste testbeleid minder jongeren onder de 25 jaar zijn getest. Het percentage MSM met een syfilisinfectie steeg van 2,3 procent in 2014 naar 2,6 procent in 2015. Het afgelopen jaar is opnieuw een sterke stijging bij bekend hiv-positieve MSM gezien: van 6,6 procent in 2014 naar 8,0 procent in 2015. Van alle MSM met syfilis was 22 procent gewaarschuwd voor syfilis en wist 40 procent dat hij hiv had. Hiv Het aantal nieuwe hiv-diagnoses bij de CSG is in 2015 met 11 procent gedaald (288 in 2015 versus 323 in 2014). Van deze diagnoses was 90 procent bij MSM. Het percentage nieuwe hiv-diagnoses bij MSM daalde van 3,0 procent in 2008 naar 0,9 procent in 2015. Het aantal hiv-patiënten dat bij de Nederlandse hiv-behandelcentra werd aangemeld daalde ook, van 1.311 in 2008 naar 1.033 in 2015.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Op weg naar integrale bekostiging van de geboortezorg | RIVM

Naar aanleiding van relatief hoge sterftecijfers rond de geboorte in Nederland zijn de afgelopen jaren tal van maatregelen genomen om de kwaliteit van de geboortezorg en de samenwerking tussen de verschillende zorgverleners te verbeteren. Om die samenwerking verder te verbeteren, wordt nu ook de bekostiging onder de loep genomen. Het ministerie van VWS heeft besloten dat de verschillende onderdelen van de geboortezorg (verloskundigen, gynaecologen en kraamzorg) vanaf 2017 worden samengevoegd in één integraal tarief. Nu worden deze nog apart bekostigd. Het integrale tarief vraagt ook om organisatorische veranderingen, waaronder de vorming van een geboortezorgorganisatie, waar de betrokken partijen zich nu op aan het voorbereiden zijn. Uit interviews met het RIVM blijkt dat betrokken partijen daarbij zowel kansen ervaren om de zorg te verbeteren, als spanningen en onzekerheden, bijvoorbeeld over hun autonomie. Momenteel wordt in regionale overlegvormen, de zogenoemde Verloskundige Samenwerkingsverbanden (VSV's), besproken hoe deze geboortezorgorganisaties kunnen worden vormgegeven en wat de rol van de verschillende zorgaanbieders daarin is. Dit blijkt een complex vraagstuk waarbij (tegengestelde) belangen naar voren komen, zoals de gevolgen van een eventuele herschikking van taken. Partijen geven aan dat hiervoor specifieke kennis nodig is op organisatorisch, fiscaal en financieel vlak, die nu veelal ontbreekt. Dit gebrek aan kennis leidt tot onzekerheid over de (financiële) consequenties van verschillende organisatievormen. Deze onzekerheid wordt versterkt doordat bijvoorbeeld de landelijke vormgeving van integrale bekostiging (nog) ontbreekt. Het ontbreken van een geautoriseerde zorgstandaard en een verschil in zorginkoopbeleid tussen zorgverzekeraars draagt bij aan deze onzekerheid. Het RIVM monitort de komende jaren in opdracht van het ministerie van VWS de overgang naar integrale bekostiging in de geboortezorg. In 2018 zal een eindrapportage worden opgesteld. In de tussenliggende periode zal blijken in hoeverre daadwerkelijk contracten op basis van integrale bekostiging kunnen worden afgesloten en wat het effect daarvan is op de samenwerking in en de kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid van de geboortezorg.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Opties voor een stedenindex voor wegverkeersgeluid : Options for a city index for traffic noise | RIVM

Geluid van wegverkeer kan hinder en gezondheidsklachten, zoals slaapverstoring, verhoogde bloeddruk en hart- en vaatziekten, veroorzaken. Om hier goed beleid voor te kunnen ontwikkelen kan een geluidsindex voor steden behulpzaam zijn. Om tot zo'n index te komen heeft het RIVM op verzoek van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu geïnventariseerd welke indicatoren inzicht kunnen verschaffen in verkeersgeluid en de daarmee samenhangende effecten op het welbevinden en de gezondheid van de bevolking. Gezondheid heeft een belangrijke plaats in de nieuwe Omgevingswet. De aanpak van geluidsoverlast sluit binnen gemeenten niet altijd aan bij de omvang van het probleem. Op basis van de stedenindex kan het milieuprobleem beter en transparanter op de agenda worden gezet en zo een aanzet vormen om actie te ondernemen. Er zijn meerdere indicatoren die de omvang van de effecten van geluid van wegverkeer op de gezondheid en het welbevinden kunnen laten zien. Het RIVM heeft een aantal indicatoren uitgewerkt en met elkaar vergeleken. Als voorbeeld zijn 40 grote en middelgrote gemeenten geanalyseerd. Het gaat daarbij om de blootstelling aan geluid, de hinder die mensen ondervinden, en de gezondheidsschade die ontstaat. De keuze van de indicator beïnvloedt hoe de steden ten opzichte van elkaar 'scoren' op de index. Er is niet één indicator aan te wijzen die het beste te gebruiken is. Verdere ontwikkeling van de index hangt af van de beleidsdoelen die bereikt moeten worden en de maatregelen die daarvoor beschikbaar zijn. Daarnaast zijn de kosten en de mogelijkheid om de index te volgen in de tijd van belang.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Onderzoek naar schatting van landelijk aantal SEH-bezoeken op basis van Letsel Informatie Systeem (LIS) : The validity of the estimates of the national number of visits to Emergency departments on the basis of data from the Injury Surveillance System LIS | RIVM

Het RIVM heeft onderzocht of de schattingen van het landelijk aantal bezoeken aan Spoedeisende Hulp (SEH) afdelingen op basis van het zogeheten Letsel Informatie Systeem (LIS) een goed beeld geven van het werkelijke aantal SEH-bezoeken. Hiervoor zijn de LIS-gegevens vergeleken met gegevens afkomstig van het DBC-Informatiesysteem (DIS), het systeem dat alle Nederlandse ziekenhuizen gebruiken voor de registratie van spoedeisende hulp en alle andere vormen van ziekenhuiszorg. De LIS-gegevens lijken het werkelijke aantal SEH-bezoeken goed weer te geven. Dit geldt vooral voor het totaal aantal SEH-bezoeken, dus waarbij geen onderscheid gemaakt wordt tussen letsel en acute ziekten en aandoeningen. De schattingen van het aantal bezoeken voor uitsluitend letsel liggen iets onder de DIS-gegevens. Om de reden van het verschil tussen de bestanden beter te kunnen begrijpen, is meer inzicht nodig in de gebruikte schattingsmethode van het LIS. De details hiervan zijn niet gepubliceerd. Het onderzoek is in opdracht van het ministerie van VWS uitgevoerd. Het LIS is een belangrijke informatiebron voor het letselpreventiebeleid van het ministerie van VWS en andere ministeries. De informatie uit het LIS is specifieker dan de DIS-gegevens, onder andere over de oorzaak van het letsel en de situatie waarin het is opgelopen. Daarnaast maakt het LIS het mogelijk om vervolgonderzoek te doen, zoals naar het beloop van het letsel. Het LIS is de letselregistratie van de stichting VeiligheidNL, die letsels in Nederland monitort en programma's ontwikkelt om veilig gedrag te bevorderen. Aan het LIS namen tijdens het onderzoek 14 van in totaal 94 SEH's deel die 24/7 open zijn. De deelnemende ziekenhuizen registreren patiënten die worden behandeld op een SEH-afdeling, onder wie slachtoffers van een ongeval, geweld of zelf toegebracht letsel. VeiligheidNL gebruikt het LIS onder meer om landelijke schattingen te maken van het aantal op SEH-afdelingen behandelde letselslachtoffers.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Hergebruik van grondstoffen uit afvalwater : Belemmeringen en oplossingsrichtingen aan de hand van de cases fosfaat en cellulose | RIVM

Het ministerie van Infrastructuur en Milieu wil duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen stimuleren, evenals het hergebruik ervan. Grondstoffen terugwinnen uit bijvoorbeeld afvalstromen moet voorkomen dat bronnen uitputten. Daarnaast kan er energie en geld mee worden bespaard. Het RIVM onderzoekt hoe de overheid juridische belemmeringen kan wegnemen en hergebruik van grondstoffen uit huishoudelijk afvalwater kan stimuleren. In onderliggend rapport zijn hiervoor twee casussen uitgewerkt: het hergebruik van fosfaat (uit ontlasting en urine) en cellulose (uit toiletpapier). Een belemmering is dat het etiket 'afval' van het materiaal moet worden afgehaald om er voor de wet een product van te kunnen maken. Hiervoor moet het beoogde product eerst aan veiligheids- en technische eisen voldoen die garanderen dat het hergebruik geen onacceptabele risico's veroorzaakt voor mens en milieu. Voor fosfaat is dat in gang gezet, namelijk voor het product kunstmest. Voor cellulose nog niet omdat er nog geen concrete producten zijn ontwikkeld. Momenteel worden hiervoor meerdere opties verkend. Wat de veiligheidseisen betreft zijn zowel bij fosfaat als cellulose de hygiënische eisen een belemmering. Het is namelijk lastig om huishoudelijk afvalwater zodanig schoon te krijgen dat er na de zuivering een 'aanvaardbaar niveau' ziekteverwekkers in zit. Voor kunstmest (uit herwonnen fosfaat) worden hiervoor al criteria ontwikkeld, die wettelijk moeten worden vastgelegd. Daarnaast is het van belang om bij de ontwikkeling van producten, naast economische, naar duurzame voordelen te kijken, zoals een lagere CO2-uitstoot. Ook kan het gebruik van fosfaat uit afvalwater in kunstmest een alternatief zijn voor de winning van fosfaat uit mijnen en zo voorkomen dat deze uitgeput raken. De overheid kan een belangrijke stimulerende en richtinggevende rol innemen bij dit soort bredere afwegingen. De belemmeringen en mogelijkheden zijn in kaart gebracht met behulp van een methodische aanpak die het RIVM heeft ontwikkeld.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Monitoringsysteem luchtkwaliteit in perspectief : Achtergrondrapport | RIVM

Nederland is wettelijk verplicht om de luchtkwaliteit te monitoren. Na interne en externe toetsing van de luchtkwaliteitsmonitoring blijkt de huidige werkwijze waarmee het RIVM de luchtkwaliteit meet en berekent, effectief en efficiënt. Wel is vanwege nieuwe technologische en maatschappelijke ontwikkelingen de tijd rijp om enkele vernieuwingen door te voeren. Een andere aanleiding is de komst van de Omgevingswet, waarvoor de manier van monitoren nog in wet- en regelgeving moet worden vastgelegd. Technologische ontwikkelingen maken het mogelijk om in de toekomst slimme en goedkopere sensoren in te zetten voor metingen. Daarnaast stimuleren deze ontwikkelingen lokale overheden en burgers om zelf aanvullende meetinformatie te kunnen geven, zodat een grootschalig meetnetwerk kan worden gerealiseerd. Gecombineerd met verbeterde rekenmethoden kan dit de monitoringsystematiek van de luchtkwaliteit in Nederland vernieuwen. Het is hierbij van belang dat aantoonbaar hetzelfde betrouwbare kwaliteitsniveau wordt behaald als bij de huidige manier van monitoren. De huidige monitoring van de luchtkwaliteit bestaat uit een systeem waarmee de luchtkwaliteit wordt gemeten en berekend. Daarnaast worden de emissies van vervuilende stoffen geregistreerd. Hiermee wordt een gedetailleerd beeld verkregen van de luchtkwaliteit in Nederland. De resultaten worden gebruikt voor vele nationale en internationale rapportages. Naast de wettelijke verplichting blijft gezondheid een belangrijke reden om de luchtkwaliteit te monitoren, ondanks de dalende concentraties van vervuilende stoffen in de afgelopen decennia. De gezondheidseffecten van bijvoorbeeld fijnstof en stikstof doen zich namelijk ook voor als de concentraties onder de normen zitten.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Possible misidentification of species in the Pseudomonas fluorescens lineage, as Burkholderia pseudomallei and Francisella tularensis, and emended descriptions of Pseudomonas brenneri, Pseudomonas gessardii and Pseudomonas proteolytica | RIVM

Possible misidentification of species in the Pseudomonas fluorescens lineage, as Burkholderia pseudomallei and Francisella tularensis, and emended descriptions of Pseudomonas brenneri, Pseudomonas gessardii and Pseudomonas proteolytica | RIVM
Jaar: 2016 Onderzoek

Beleidskader Pre- en Neonatale Screeningen | RIVM

Van dit rapport is een herziene versie verschenen d.d. 6 september 2022 onder nummer 2022-0036 . Het Beleidskader Pre- en Neonatale Screeningen geeft een overzicht van de wettelijke en beleidsmatige kaders voor vijf screeningen die tijdens de zwangerschap en kort na de geboorte preventief worden aangeboden. Deze kaders zijn door het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) vastgesteld. Er zijn drie screeningen voor het ongeboren kind: op het syndroom van down, op enkele infectieziekten zoals hiv, en lichamelijke afwijkingen. De screeningen vlak na de geboorte betreffen het gehoor van het kind en de hielprik. Het RIVM voert sinds 2006 de regie op de bevolkingsonderzoeken en bewaakt vanuit die rol de kwaliteit, bereikbaarheid en betaalbaarheid ervan. Het beleidskader is een instrument om de regie te voeren. De uitvoering ligt bij de uitvoeringsorganisaties. Het beleidskader beschrijft eveneens hoe partijen samenwerken die betrokken zijn bij de voorbereiding van, besluitvorming over en uitvoering van de pre- en neonatale screeningen. Voor een goede kwaliteit van de screening is het immers van belang dat alle logistieke en inhoudelijke processen goed op elkaar aansluiten. Vooral de 'overgang' van een uitslag van een bevolkingsonderzoek naar een diagnose en behandeling is een belangrijke stap, waarvoor partijen binnen het bevolkingsonderzoek en de zorg gezamenlijk verantwoordelijk zijn. Daarnaast worden de kaders weergegeven die relevant zijn voor de nadere uitwerking van de draaiboeken van de screeningen. Deze draaiboeken zijn vooral gericht op de wijze waarop de screeningen worden uitgevoerd. Het beleidskader zal regelmatig worden getoetst en indien nodig aangepast aan de actualiteit.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Meldingen over een bromtoon : Voorlopige GGD-richtlijn Medische Milieukunde | RIVM

GGD Gemeentelijke Gezondheidsdienst (Gemeentelijke Gezondheidsdienst) 'en en andere organisaties ontvangen regelmatig meldingen van mensen die een bromtoon horen en daar gezondheidsklachten van ondervinden. Ze wijten de bromtoon vaak aan laagfrequent geluid (LFG) in hun omgeving. Dergelijke meldingen zijn complex en in veel gevallen blijkt het moeilijk om tot een goede oplossing te komen. In samenwerking met de GGD'en heeft het RIVM een richtlijn opgesteld om de melders de juiste hulp te kunnen bieden. Een bromtoon wordt vaak omschreven als brommen, dreunen of zoemen. Mensen die erdoor gehinderd worden, melden vaak diverse gezondheidsklachten, waaronder slecht slapen en concentratieverlies. Het horen van een bromtoon kan veroorzaakt worden door externe bronnen of een medische oorzaak hebben, zoals oorsuizen. Voorbeelden van bronnen van LFG zijn wasmachines, ventilatoren, verwarmingspompen, discotheken, pompen van zware industrie en (zwaar) weg- en vliegverkeer, maar ook natuurlijke bronnen zoals de wind en de donder. LFG is geluid met een frequentie onder de 100 Hertz. Het heeft een lange golflengte, waardoor het weinig gedempt wordt door de omgeving. LFG kan daardoor op grote afstand (kilometers) te horen zijn. Dit maakt het moeilijk om de precieze geluidsbron te achterhalen. De richtlijn heeft een voorlopig karakter omdat een nieuwe aanpak is voorgesteld voor de wijze waarop de GGD om kan gaan met meldingen van een bromtoon. Daarmee kan worden ingeschat of er al dan niet een externe bron aanwezig is. De komende jaren wordt hiermee ervaring opgedaan. Na de evaluatie zal de richtlijn indien nodig worden aangepast en omgezet in een definitieve richtlijn.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Early warning systems to detect new and emerging risks in Europe | RIVM

Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wil dat mensen op de werkvloer minder aan kankerverwekkende stoffen blootstaan. Hiervoor is het belangrijk dat stoffen en processen die kanker kunnen veroorzaken snel worden opgespoord. Op Europees niveau is ook interesse voor deze zogeheten early warning systems, maar landen gebruiken hiervoor verschillende systemen. Het RIVM heeft in 51 Europese landen geïnventariseerd welke dat zijn om nieuwe en toenemende risico's op te sporen. Zeven landen hebben, soms met een ander land, een 'signaleringssysteem' ontworpen. Hiermee kunnen artsen gezondheidseffecten, waaronder kanker, melden als ze vermoeden dat die effecten worden veroorzaakt door stoffen of arbeidsprocessen waarvan het kankerverwekkende effect nog niet bekend is. Naar aanleiding van een melding onderzoekt vervolgens een expertgroep of er daadwerkelijk sprake is van een oorzakelijk verband tussen de blootstelling en de gemelde gezondheidseffecten. Tien andere landen gebruiken een systeem dat niet speciaal is ontworpen om onbekende risico's te signaleren, maar daar desgewenst wel voor kan worden ingezet. Naast de signaleringssystemen zijn er een aantal databases beschikbaar die informatie bevatten over de blootstelling aan gevaarlijke stoffen of processen en gezondheidseffecten. Deze databases kunnen worden gebruikt om mogelijk schadelijke stoffen op te sporen. Ook hier vervullen expertgroepen een elementaire rol om de signalen te evalueren. Experts vinden het essentieel dat elk land expertisecentra heeft waar werknemers terecht kunnen die mogelijk ziek zijn geworden door hun werk en die onderzoeken of er een verband is tussen de blootstelling en het gemelde gezondheidseffect. Deze casussen dienen te worden verzameld en geëvalueerd; volgens de meeste landen die aan dit onderzoek hebben meegedaan bij voorkeur in internationaal verband. Ook hebben zij hiervoor mogelijkheden aangereikt. Onder andere is voorgesteld om het bestaande netwerk van specialisten op het gebied van arbeidsgelateerde gezondheidseffecten (MODERNET) of andere internationale comités die hierover adviseren, te gebruiken. Als uit de evaluaties blijkt dat er werkelijke sprake is van een nieuw of toenemend risico, is actie nodig om het risico te beperken. Deze studie reikt hiervoor mogelijkheden aan.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Work-related cancer in the European Union : Size, impact and options for further prevention | RIVM

Ondanks vele beschermende maatregelen kunnen mensen tijdens hun werk worden blootgesteld aan kankerverwekkende stoffen. Aanvullende beleidsmaatregelen zijn nodig om het aantal gevallen van werkgerelateerde kanker en sterfte in de toekomst terug te dringen. Om de noodzaak hiervan te agenderen heeft het RIVM de omvang van de ziektelast en de maatschappelijke schade in kaart gebracht die hierdoor in de EU wordt veroorzaakt. Geschat wordt dat jaarlijks bij 122.600 (met een marge van 91.500 - 150.500) mensen in de EU kanker vastgesteld wordt doordat zij in het verleden tijdens hun werk aan kankerverwekkende stoffen zijn blootgesteld. Daarnaast sterven hierdoor per jaar ongeveer 79.700 (marge 57.700 - 106.500) mensen in de EU. Als dit 'vervroegde overlijden' wordt omgezet naar verloren levensjaren zijn dat er bijna 1,2 (0,8 - 1,6 ) miljoen. Kankerpatiënten ervaren een verminderde kwaliteit van leven, krijgen medische zorg en kunnen vaak niet of minder werken. Naast het (individuele) lijden ontstaan hierdoor kosten. Dit wordt gezamenlijk uitgedrukt in maatschappelijke schade. De kosten voor de gezondheidszorg en verminderde productiviteit op het werk door werkgerelateerde kanker in de EU worden op €4-7 miljard per jaar geschat. Als ook de immateriële schade van het ziek zijn en mogelijk vroegtijdig sterven wordt meegerekend, loopt de totale maatschappelijke schade op tot €334 (marge 242 - 440) miljard per jaar.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

De Staat van Volksgezondheid en Zorg : Kerncijfers voor beleid | RIVM

Dit rapport presenteert enkele voorbeelden uit de eerste release van de Staat van Volksgezondheid en Zorg op www.staatvenz.nl . Een digitaal cijferoverzicht op deze website beschrijft uitgebreider de stand van zaken op de verschillende beleidsterreinen van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). Het belangrijkste doel van de Staat van Volksgezondheid en Zorg is actuele en eenduidige cijfers te presenteren waarmee het beleid van VWS kan worden gevolgd en verantwoord. Als onderdeel van de Staat wordt jaarlijks een op het digitaal cijferoverzicht gebaseerd rapport voor Verantwoordingsdag naar de Tweede Kamer gestuurd. Het kabinet legt op deze dag verantwoording af over de financiën en het beleid in het afgelopen jaar. Dit rapport is een eerste proeve van het jaarlijkse rapport. Het heeft daardoor nu nog het karakter van een korte introductie: een vogelvlucht die zowel de breedte als de toekomstige potentie van de Staat VenZ laat zien.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Indicatorenset voor het stelsel van publieke gezondheidszorg : Ontwikkeling eerste proeve en selectie van indicatoren | RIVM

Het RIVM heeft een 'eerste proeve' van een indicatorenset ontwikkeld die het ministerie van VWS inzicht kan geven in het functioneren van het stelsel van publieke gezondheidszorg in Nederland. Indicatoren zijn eenheden die iets zeggen over de kwaliteit van zorg. Met de indicatorenset kan worden gemeten of taken binnen de publieke gezondheidszorg worden uitgevoerd, of dat op een goede wijze gebeurt en of ze voldoende effect hebben. De 'eerste proeve' is een groslijst die in de loop van 2016 zal worden ingeperkt tot een compacte set indicatoren. De publieke gezondheidszorg is het deel van de gezondheidszorg dat erop gericht is door collectieve maatregelen de gezondheid van de bevolking of specifieke groepen te beschermen, te bevorderen en om ziekten te voorkomen. Voorbeelden van taken zijn de infectieziektebestrijding, medische milieukunde, gezondheidsbevordering, jeugdgezondheidszorg, oudergezondheidszorg en de bestrijding van rampen en crises. De taken zijn omschreven in de Wet Publieke Gezondheid. De ontwikkeling van de indicatorenset is onderdeel van een programma dat VWS en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) gezamenlijk uitvoeren om de publieke gezondheid ook in de toekomst goed te borgen (Stimuleringsprogramma Betrouwbare publieke gezondheid). De indicatorenset draagt eraan bij om meer inzicht te krijgen in de inzet en de effectiviteit van de publieke gezondheid.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Towards balancing the benefits of pharmaceutical care and minimizing its environmental harm : Identification of potential levers in the medicinal product chain | RIVM

In toenemende mate worden medicijnresten in oppervlaktewater en drinkwater aangetroffen, zoals pijnstillers, hormonen en antidepressiva. Van een aantal is bekend dat ze negatieve effecten hebben op het milieu. Als eerste stap voor een aanpak om deze effecten te beperken heeft het RIVM de relatie tussen medicijngebruik en het milieu in beeld gebracht. Hiertoe is tot in detail het proces beschreven dat medicijnen doorlopen, van hun ontwikkeling, de markttoelating, de productie, de inkoop door apotheken, het voorschrijfgedrag van artsen en het gebruik door patiënten, de inzameling van medicijnafval, tot waar ze daarna in het milieu terechtkomen (de medicijnketen). Daaruit blijkt dat in elke fase van de keten veel handelingsperspectieven zitten om negatieve gevolgen voor het milieu van medicijngebruik door mensen te beperken, zonder de positieve effecten van medicijnen teniet te doen. Welke van deze suggesties een optimale balans opleveren én haalbaar zijn, moet nog worden onderzocht. Door een geïntegreerde benadering hoopt het RIVM de gezondheidszorg en milieusector bewuster te maken van de relaties die ze met elkaar hebben. Momenteel zien drinkwaterzuiveringsbedrijven zich genoodzaakt nieuwe, kostbare technieken in te zetten om medicijnresten zoveel mogelijk te verwijderen zodat ze niet in drinkwater terechtkomen. Bij de huishoudelijke afvalwaterzuivering (RWZI) lopen ook allerlei initiatieven voor het oppervlaktewater. De kosten liggen daardoor vooral aan het eind van de keten. De geboden handelingsperspectieven zijn onderverdeeld in twee categorieën: informatie-uitwisseling door de hele medicijnketen heen en financiële maatregelen. Informatie over milieuschade zou bijvoorbeeld meegenomen kunnen worden bij de ontwikkeling van nieuwe medicijnen. (Drink)waterzuiveraars zouden op hun beurt medicijnresten effectiever kunnen verwijderen als zij weten welke eigenschappen deze stoffen hebben. Zorgverleners en patiënten kunnen informatie over de schadelijkheid voor het milieu betrekken bij hun keuze voor medicijnen. Een mogelijke financiële maatregel is om de kosten om medicijnresten uit het milieu te verwijderen, te verrekenen ergens in de keten. Ook zou met financiële prikkels kunnen worden gestimuleerd dat ongebruikte middelen worden teruggebracht naar de apotheek. Bekende milieueffecten zijn weefselschade en geslachtsverandering bij vissen door resten van respectievelijk pijnstillers en anticonceptiemiddelen in oppervlaktewater. Op dit moment zijn de concentraties geneesmiddelenrestanten in het drinkwater dermate laag dat ze niet schadelijk zijn voor de volksgezondheid. Voor de toekomst is de drinkwaterkwaliteit wel een aandachtspunt, vanwege de klimaatverandering en de verwachte toename van medicijngebruik door de vergrijzing.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

De voedingsomgeving op scholen : De stand van zaken in het voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs anno 2015 | RIVM

Ongeveer 80 procent van de scholen geeft aan dat zij de afgelopen jaren meer aandacht aan gezonde voeding hebben besteed. Ook is het voedingsaanbod op school verbeterd: in de kantines worden bijvoorbeeld meer gezonde producten (uit de Schijf van Vijf) aangeboden dan ongezonde, zoals snacks en frisdrank. Wel is het aanbod in de fris- en snackautomaten duidelijk ongunstiger dan in de kantine. Om het voedingsaanbod te verbeteren kunnen gezondere keuzes in het assortiment worden opgenomen, bijvoorbeeld door wit brood te vervangen door volkoren brood, en drinkwatervoorzieningen worden aangeboden, zoals een waterkoeler of een kraan buiten het toilet. Dit blijkt uit een onderzoek van het RIVM dat is uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). Hiervoor hebben 361 vestigingen van scholen in het voortgezet onderwijs en 88 vestigingen van het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) een online-vragenlijst ingevuld. Behalve het voedingsaanbod zijn andere aspecten belangrijk voor een gezonde voedingsomgeving op school zoals aandacht voor voeding tijdens de lessen, de uitstraling van de kantine en het schoolbeleid. Bij 90 procent van de middelbare scholen en 70 procent van de mbo- scholen die aan dit onderzoek meededen, maakt informatie over gezonde voeding deel uit van het lesprogramma of projecten. Verder stimuleren bijna alle geraadpleegde scholen een betere voedingskeuze op school door bijvoorbeeld gezondere producten op zichtbare plaatsen en goedkoper aan te bieden dan ongezonde. Ongeveer de helft van de scholen heeft afspraken over een gezond voedingsaanbod binnen school schriftelijk vastgelegd in beleid. Met eetfaciliteiten buiten de school, zoals een snackkar, supermarkt of snackbar, maakt minder dan 5 procent van de scholen afspraken over de verkoop van producten aan scholieren. De afgelopen jaren zijn diverse programma's uitgevoerd om het voedingsaanbod op scholen te verbeteren. Voorbeelden zijn Programma De Gezonde Schoolkantine, de Gezonde School aanpak (inclusief het vignet Gezonde School) en het Handvest 'Gezonder voedingsaanbod op scholen'. Scholen die aan zo'n programma deelnemen blijken een gezondere voedingsomgeving te hebben. Ze geven zelf aan dat dat, behalve door eigen initiatieven, komt door hun deelname aan een programma.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Radon-222 in ground water and finished drinking water in the Dutch provinces Overijssel and Limburg : Measuring campaign 2015 | RIVM

De metingen van radon-222 in een aantal grondwater- en drinkwatermonsters uit Overijssel en Limburg laten duidelijk zien dat de grenswaarde van 100 Becquerel per liter (Bq.l-1), de maat voor radioactiviteit per liter watermonster, niet wordt overschreden. In grondwater variëren de meetwaarden van 1,6 - 16,7 Bq.l-1 en in het daaruit geproduceerd drinkwater van 0,2 - 9,5 Bq.l-1. Een vergelijking met de resultaten uit de vorige meetcampagne in 1995 laat zien dat het radon-222 gehalte in Nederland zich op een laag en constant niveau bevindt. Volgens de Europese Euratom Richtlijn (2013/51/EC) is het niet nodig om de bepaling van radon-222 in het nationale drinkwatermonitoringprogramma op te nemen als kan worden aangetoond dat de waarden ver onder de norm zitten. De huidige routinematige bepaling van totaal-alfa, totaal-bèta en tritium is voldoende voor de meeste radioactiviteitsparameters en geeft een betrouwbare schatting van de dosis (indicatieve dosis).
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

First complete genome sequence of the Dutch veterinary Coxiella burnetii strain NL3262, originating from the largest global Q fever outbreak, and draft genome sequence of its epidemiologically linked chronic human isolate NLhu3345937 | RIVM

First complete genome sequence of the Dutch veterinary Coxiella burnetii strain NL3262, originating from the largest global Q fever outbreak, and draft genome sequence of its epidemiologically linked chronic human isolate NLhu3345937 | RIVM
Jaar: 2016 Onderzoek

Informative Inventory Report 2016 : Emissions of transboundary air pollutants in the Netherlands 1990-2014 | RIVM

Toename ammoniakemissies In 2014 steeg de ammoniakemissie. Ondanks de daling in de voorgaande jaren blijft de ammoniak emissie nog steeds boven het plafond dat de Europese Unie hieraan sinds 2010 stelt. De twee belangrijkste oorzaken voor de stijging zijn de groei van de melkveestapel en de veranderde voedselsamenstelling voor het vee. De emissies van stikstofoxiden, zwaveldioxiden en niet-methaan vluchtige organische stoffen blijven licht dalen. Voor deze stoffen voldoet Nederland aan de gestelde plafonds. Dit blijkt uit het Informative Inventory Report (IIR) 2016. Hierin verzamelt, analyseert en rapporteert het RIVM de emissiecijfers met partnerinstituten. Behalve bovengenoemde stoffen gaat het om de uitstoot van koolmonoxide, fijn stof, zware metalen en persistente organische stoffen. De uitstoot van de meeste van deze stoffen is tussen 1990 en 2014 gedaald. Dit komt vooral door schonere auto's en brandstoffen en door emissiebeperkende maatregelen in de industrie. Bijstellingen landbouw De ammoniakemissie steeg in 2014 met 3,4 kiloton ten opzichte van 2013 tot een nationaal totaal van 133,8 kiloton. Deze stijging is gedeeltelijk veroorzaakt door de veranderde voedselsamenstelling voor het vee. Het kuilgras dat in 2014 is gevoerd zorgde voor een hogere ammoniakproductie per dier. In combinatie met een stijging van het aantal koeien steeg de totale ammoniak uitstoot. Door nieuwe wetenschappelijke inzichten over mestaanwendingstechnieken is de ammoniak emissiereeks met terugwerkende kracht vanaf 2008 ongeveer 3 kiloton omlaag bijgesteld. Daartegenover staat dat de emissiefactor bij beweiding is verhoogd, waardoor er circa 0,5 kiloton meer ammoniak per jaar vrijkomt. Bijstellingen verkeer Bij de uitstoot van stikstofoxiden door verkeer vallen een aantal zaken op. De emissie van bestelauto's is nu gemeten en blijkt hoger dan voorheen berekend. De emissie van wegverkeer die op basis van de brandstofverkoop voor dieselauto's wordt bepaald, is in 2014 relatief harder gedaald (8 procent ten opzichte 2013) dan die op basis van verbruikte brandstof (1,6 procent). Deze cijfers zijn toegevoegd om een internationale vergelijking mogelijk te maken. De bijdrage van mobiele werktuigen in havens aan het nationale totaal stikstofoxiden, die als nieuwe emissiebron is toegevoegd, is 1,2 procent.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Dietary exposure to polybrominated diphenyl ethers in the Netherlands | RIVM

Polybroomdifenylethers (PBDE's) zijn stoffen die als vlamvertrager in allerlei producten worden gebruikt. Deze stoffen zijn via het milieu in voedsel terechtgekomen, waardoor mensen ze via hun voeding kunnen binnenkrijgen. Uit berekeningen van het RIVM blijkt dat de inname van drie PBDE's (-47, -99 en -153) zodanig laag is dat het risico op schadelijke gezondheidseffecten verwaarloosbaar is. Voor twee andere (PBDE-100 en -183) ontbreken richtwaarden om hier een uitspraak over te kunnen doen. Aangezien PBDE's oplosbaar zijn in vet, komen ze vooral voor in dierlijke voedselproducten, zoals vis, schelpdieren, melk, eieren, vlees, oliën en vetten. Daarnaast komen ze in plantaardige oliën en vetten voor. In totaal kunnen 209 PBDE's worden gemaakt, maar zijn er acht aantoonbaar aanwezig in het milieu. Om conclusies te kunnen trekken over effecten op de gezondheid van de inname van PBDE's via voeding, zijn meerdere soorten gegevens nodig. Naast gegevens over de hoeveelheden die mensen van een product eten, betreft dit gegevens over de concentraties van PBDE's in de geconsumeerde producten en gegevens over de zogeheten richtwaarden. Richtwaarden geven aan hoeveel van een stof mensen langdurig binnen kunnen krijgen zonder dat dit op termijn nadelige gevolgen heeft voor de gezondheid. Drie van de acht in het milieu voorkomende PBDE's zijn niet meegenomen in deze studie (PBDE-28, -154, en -209), omdat de beschikbare concentratiegegevens niet bruikbaar of betrouwbaar bleken te zijn; voor PBDE-28 en -154 ontbreken tevens richtwaarden. Voor de innameberekeningen zijn voedselconsumptiegegevens van de Voedselconsumptiepeiling (VCP) gecombineerd met concentratiegegevens van deze groep stoffen in producten.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Terugblik RVP 2015 | RIVM

In de Terugblik RVP 2015 beschrijft het RIVM de ontwikkelingen binnen het Rijksvaccinatieprogramma (RVP), zowel inhoudelijk als organisatorisch in 2015. Vaccinatiegraad Net als in voorgaande jaren liggen in 2015 de landelijke gemiddelde vaccinatiepercentages voor alle vaccinaties voor zuigelingen, kleuters en schoolkinderen ruim boven de 90 procent Voor zuigelingen ligt het zelfs boven de 95 procent. Uitzondering hierop vormt de deelname aan de HPV-vaccinatie, die overigens wel is gestegen van 59 naar 61 procent. Ook de deelname onder zuigelingen in Caribisch Nederland aan de DKTP-, BMR- en pneumokokkenvaccinatie was hoog. De eilanden hebben sinds 2015 hetzelfde vaccinatieschema als Nederland. Lijmresten Een uitzending van Een Vandaag zorgde voor onrust over de mogelijke aanwezigheid van lijmresten in injectienaalden die ook werden gebruikt bij vaccinaties. Uit voorzorg zijn deze naalden enkele weken niet gebruikt, totdat zeker kon worden gesteld dat het gebruik ervan geen gezondheidsschade veroorzaakt. Maternale kinkhoestvaccinatie De Gezondheidsraad heeft in 2015 de minister van VWS geadviseerd om kinkhoestvaccinatie voor zwangere vrouwen in te voeren, zodat kwetsbare baby's beter worden beschermd tegen kinkhoest. Het RIVM/CIb startte eind 2015 een verkenning van mogelijke scenario's voor de uitvoering van deze kinkhoestvaccinatie. Informed consent en Praeventis Het RVP wordt per 1 januari 2018 verankerd in de gewijzigde Wet publieke gezondheid (Wpg). Om vaccinaties binnen deze wet te kunnen blijven registreren, is expliciet toestemming van de ouders nodig om de vaccinatiegegevens van hun kind te registeren in een landelijk register (informed consent). Deze toestemming kan worden gevraagd tijdens het consult met de ouders, waarin de uitvoerder de vrijwillige deelname aan het RVP en de registratie bespreekt. Het huidige registratiesysteem 'Praeventis' is verouderd. Afgelopen jaar is een analyse voor vernieuwing in gang gezet.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Verkenning gezondheidsrisico's ultrafijnstof luchtvaart rond Schiphol en voorstel vervolgonderzoek | RIVM

Er zijn geen duidelijke aanwijzingen dat de sterfterisico's nabij de luchthaven Schiphol afwijken van die van nabijgelegen gebieden of elders in Nederland. Dit blijkt uit een eerste verkennend onderzoek van het RIVM naar de gezondheidsrisico's van ultrafijnstof rond Schiphol door de luchtvaart. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM). De opdracht was om op korte termijn inzicht te geven in het risico om vroegtijdig te overlijden in de woongebieden rondom Schiphol. Daarnaast wil het ministerie advies over de haalbaarheid en opzet van een eventueel vervolgonderzoek. Voor deze eerste verkenning zijn sterftecijfers van het CBS gebruikt van 2004 tot en met 2010, zowel voor algemene sterfte als sterfte aan specifieke aandoeningen aan de luchtwegen, het hart- en vaatstelsel en longkanker. De postcodegebieden rond Schiphol zijn met elkaar vergeleken en met andere delen van Nederland. Ook is gekeken of er een patroon kon worden gevonden in sterftecijfers in relatie tot de afstand tot de luchthaven, of tot gebieden met verschillende concentraties ultrafijnstof. Hierbij zijn zowel hogere als lagere sterftecijfers gevonden en er was geen duidelijke clustering te zien van een hoger sterfterisico rond Schiphol. Het was niet mogelijk om een vergelijking te maken tussen de sterftecijfers en de blootstelling aan ultrafijnstof op het woonadres. Uit eerder onderzoek van TNO en het RIVM uit 2015 blijkt dat de concentratie ultrafijnstof tot op 15 km van de luchthaven door het vliegverkeer wordt verhoogd. Er zijn redenen om aan te nemen dat deze ultrafijnstofdeeltjes uit vliegtuigmotoren gezondheidseffecten kunnen veroorzaken. Eventuele kleine verhogingen in sterftecijfers zijn met de gebruikte onderzoekstechnieken moeilijk terug te zien in de bevolkingsgroep die dit aangaat. Aanvullend onderzoek is nodig om beter inzicht te krijgen in de mate waarin ultrafijnstof bijdraagt aan gezondheidseffecten. Dit kan worden bereikt door een integraal onderzoeksprogramma op te zetten. Daarin moet niet alleen naar sterfte worden gekeken, maar ook naar verschillende andere gezondheidsaspecten, zoals aandoeningen van de luchtwegen en het hart- en vaatsysteem, medicijngebruik en geboortegewicht. Dit kan voor een deel met terugwerkende kracht op basis van beschikbare gezondheidsgegevens. Het is ook raadzaam om een aantal jaren de concentraties ultrafijnstof in de directe omgeving van Schiphol te meten, omdat de concentraties uit de eerdere onderzoeken nog onzekerheid kennen. Het voorgestelde vervolgonderzoek kan hier meer duidelijkheid over verschaffen.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Producten op de grensvlakken Warenwet - Wet op de medische hulpmiddelen - Biocidenverordening | RIVM

Om de veiligheid van producten te waarborgen zijn er wetten die beschrijven aan welke eisen ze moeten voldoen. Afhankelijk van het type product vallen ze onder de Warenwet, de Geneesmiddelenwet, de Wet op de medische hulpmiddelen of de Biocidenverordening. In het verlengde daarvan zijn verschillende instanties ervoor verantwoordelijk dat de wetten worden nageleefd. Deze wetten sluiten niet naadloos op elkaar aan. Het RIVM heeft geïnventariseerd welke producten op het grensvlak van medische hulpmiddelen, waren (consumentenproducten) en biociden zitten. Er blijkt een grote variatie aan producten te zijn, waarvan niet eenvoudig te bepalen is bij welke groep ze horen en die per geval moeten worden beoordeeld. Bij dergelijke producten kan onduidelijkheid ontstaan welke wetgeving van toepassing is en wie verantwoordelijk is voor het toezicht en/of handhaving. Dit kan risico's op gezondheidsschade voor de consument met zich meebrengen. Een voorbeeld van zo'n 'grensvlakproduct' zijn zogeheten needle-rollers, oftewel rollers met naaldjes die de vorming van collageen in de huid stimuleren. Hierbij kunnen eventueel ook vitaminen en andere stoffen direct in de huid worden ingebracht. Als de roller alleen bedoeld is voor cosmetisch gebruik, bijvoorbeeld tegen rimpels, valt hij onder de Warenwet, waarop de NVWA toezicht houdt. Is de roller bedoeld voor medisch gebruik (bijvoorbeeld bij de medische behandeling van littekens), dan valt hij onder de Wet op de medische hulpmiddelen, waar de IGZ verantwoordelijk voor is. Deze indeling heeft gevolgen voor de lengte van de naalden die gebruikt mag worden: bij cosmetisch gebruik mogen alleen kortere naalden gebruikt worden. Deze inventarisatie geeft een beknopt overzicht van de wetgevende kaders en wie waarvoor verantwoordelijk is. Daarnaast zijn de factoren beschreven die van belang zijn voor de indeling van producten. Dit betreft bijvoorbeeld de chemische/technische eigenschappen van een product (de werkzame stof) en het doel waarmee het product op de markt wordt gebracht. Mogelijkheden om risico's te verkleinen zijn betere voorlichting aan consumenten en bedrijven en een betere afstemming tussen de handhavende instanties om elkaar op grensvlakproducten te wijzen.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Rode Draden Informatiehuizen | RIVM

Overheden werken momenteel aan een samenhangend digitaal stelsel dat informatie bevat die nodig is voor procedures van de Omgevingswet, zoals vergunningverlening en planvorming. Met dit stelsel verbetert de beschikbaarheid, bruikbaarheid en betrouwbaarheid van de gegevens. In het digitaal stelsel worden gegevens over tien domeinen via één loket ontsloten. Het gaat om: lucht, water, geluid, natuur, externe veiligheid, ruimte, bouw, cultureel erfgoed, bodem en afval. Voor elk domein wordt de benodigde informatie georganiseerd in 'informatiehuizen'. Om een gedetailleerder beeld te krijgen van de gegevens die de informatiehuizen gaan leveren, de kwaliteit van deze gegevens en mogelijke ontwikkelstappen, zijn analyses uitgevoerd door deskundigen uit de tien domeinen. Op basis van deze analyses heeft het RIVM thema's (de 'rode draden') benoemd die van belang zijn voor de doorontwikkeling van de informatiehuizen in de komende jaren. De thema's en aanbevelingen ondersteunen de beleidsvorming over de manier waarop de informatiehuizen zich de komende jaren zullen ontwikkelen. Het RIVM concludeert onder meer dat elk informatiehuis specifieke kenmerken heeft en hierdoor zijn eigen ontwikkelingstempo moet hebben. Dit komt bijvoorbeeld doordat de organisaties die de informatie aanleveren verschillen en met diverse soorten informatie werken. Tegelijkertijd is het van belang dat de informatiehuizen in gezamenlijkheid toegroeien naar één samenhangend stelsel van informatievoorziening. Verder wordt aanbevolen om met praktijkcasussen te toetsen hoe de informatiestroom tussen de huizen in zijn werk gaat. Een ander belangrijk punt is de manier waarop de vraag van de gebruiker wordt opgeknipt in thematische deelvragen die bij de betrokken informatiehuizen horen. En hoe die informatie vervolgens weer wordt samengevoegd tot een antwoord voor de gebruiker. Om dat proces goed te laten verlopen is het belangrijk spelregels te ontwikkelen. Voor alle rode draden wordt geadviseerd om ze in samenhang met elkaar uit te werken.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Preliminary assessment of dietary exposure to 3-MCPD in the Netherlands | RIVM

Tijdens de productie van plantaardige oliën en vetten, en dan vooral van palmolie, wordt een stof (3-MCPD) gevormd die schadelijk kan zijn voor de nieren. Voedingsmiddelen die hoge gehalten van deze stof kunnen bevatten zijn margarine, sauzen, koffiecreamers en bakkerswaren. Het RIVM heeft berekend hoeveel 3-MCPD mensen via voedsel kunnen binnenkrijgen om te bepalen of de inname boven de gestelde gezondheidslimiet voor deze stof uitkomt. Om hier een conclusie over te kunnen trekken, zijn echter gegevens nodig die momenteel zeer beperkt beschikbaar zijn. Dit betreft gegevens over de concentratie van 3-MCPD in relevante voedingsmiddelen. Op basis van de beschikbare concentratiegegevens blijkt dat gemiddeld 18 procent van de jonge kinderen van 2 tot en met 6 jaar een inname heeft die boven de gezondheidslimiet voor 3-MCPD ligt. Bij 7-jarigen is de inname het hoogst per kilogram lichaamsgewicht, en heeft 35 procent van hen een inname boven de gezondheidslimiet. Daarna daalt de inname: vanaf 17 jaar wordt bij minder dan 5 procent van de bevolking de gezondheidslimiet overschreden. Vanwege de beperkt beschikbare concentratiegegevens kan geen uitspraak worden gedaan over de mogelijk schadelijke effecten voor de gezondheid. Voor dit onderzoek zijn de beschikbare concentratiegegevens van 3-MCPD in voedingsmiddelen gecombineerd met voedselconsumptiegegevens van de Voedselconsumptiepeiling (VCP). Daarna is de berekende inname vergeleken met de gezondheidslimiet die voor deze stof geldt. Deze limiet is gebaseerd op de gemiddelde hoeveelheid van een stof waar mensen langdurig dagelijks aan mogen worden blootgesteld, zonder dat dit nadelige gevolgen heeft voor de gezondheid.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Cosmetovigilance in the Netherlands : 2014-2015 | RIVM

Cosmetica zijn in principe veilig, maar kunnen soms huidklachten veroorzaken, zoals roodheid en jeuk. Het RIVM beheert sinds 2009 een monitoringssysteem waarin deelnemende dermatologen ongewenste en allergische reacties na gebruik van cosmetica kunnen registreren (CESES, Consumer Exposure Skin Effects and Surveillance). Net als in voorgaande jaren melden de dermatologen vooral klachten op het gezicht en de handen na gebruik van huid/gezichtsverzorgingsproducten en haarproducten. De meest gestelde diagnose is contactallergie. Net als in voorgaande perioden veroorzaakten de conserveringsmiddelen isothiazolinonen en geurstoffen de meeste allergische reacties. Dit blijkt uit een overzicht van de 38 meldingen die binnen CESES tussen oktober 2014 en 2015 zijn afgerond. Om te bepalen welk ingrediënt de klacht veroorzaakt, voeren dermatologen bij deze patiënten een allergieonderzoek uit, indien nodig met specifieke ingrediënten uit het verdachte product. Isothiazolinonen zijn bekende veroorzakers van contactallergie. Momenteel evalueert de Europese Commissie opnieuw het toegestane gebruik en de concentratielimiet van methylisothiazolinon (MI) in cosmetica, omdat deze stof veel klachten veroorzaakt. Als de toegestane concentratie MI wordt verlaagd, kan de komende jaren met behulp van CESES worden vastgesteld of deze contactallergie daardoor minder vaak voorkomt. Als MI wordt vervangen door andere conserveringsmiddelen is het belangrijk te meten of deze stoffen geen ongewenste reacties veroorzaken. Om CESES nauwkeuriger te maken wordt aanbevolen om meer meldingen te verzamelen, bijvoorbeeld door het aantal deelnemende dermatologen uit te breiden, in Nederland of daarbuiten. Tevens wordt aanbevolen om het mogelijk te maken ook klachten te melden bij tatoeages en 'nazorgproducten' voor tatoeages. Strikt genomen zijn dit geen cosmetische producten, maar ze bevatten soms ook allergene stoffen en er bestaat nog geen monitoringssysteem voor deze producten.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Greenhouse gas emissions in the Netherlands 1990-2013 : National Inventory Report 2015 | RIVM

In 2013 is de totale broeikasgasemissie van Nederland met ongeveer 0,2 procent gedaald ten opzichte van de emissie in 2012. Deze daling komt vooral door de afname van brandstofgebruik in de transportsector en de petrochemische industrie. De totale broeikasgasemissie in 2013 bedraagt 195,8 teragram (megaton of miljard kilogram) CO2 equivalenten. Ten opzichte van het basisjaar (221,1 Tg CO2 equivalenten) is dit een afname van ongeveer 11,5 procent. Beide getallen zijn exclusief de emissies afkomstig uit het soort landgebruik en de verandering daarin, zoals natuurontwikkeling of ontbossing (land use, land use change and forestry, LULUCF). Dit blijkt uit een inventarisatie van broeikasgasemissies die het RIVM op verzoek van het ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM) heeft opgesteld. Met deze inventarisatie voldoet Nederland aan de nationale rapportageverplichtingen voor 2015 van het Klimaatverdrag van de Verenigde Naties (UNFCCC)4 en van het Bewakingsmechanisme Broeikasgassen van de Europese Unie. De emissiecijfers zijn in absolute zin gewijzigd ten opzichte van eerdere rapportages omdat de nu gerapporteerde cijfers berekend zijn conform de nieuwste UNFCCC 2006 Guidelines. De inventarisatie bevat verder trendanalyses voor de emissies van broeikasgassen in de periode 1990-2013, een analyse van belangrijkste emissiebronnen (sleutelbronnen) evenals de onzekerheid in hun emissies. Daarnaast biedt de inventarisatie documentatie van de gebruikte berekeningsmethoden, databronnen en toegepaste emissiefactoren. Ten slotte bevat het een overzicht van het kwaliteitssysteem en de validatie van de emissiecijfers door de Nederlandse Emissieregistratie.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Bestrijding van inheemse muggen in Nederland : Mogelijkheden en uitdagingen | RIVM

Wereldwijd vormen muggen die ziekteverwekkers overbrengen, zoals de malariaparasiet, het denguevirus en het West-Nijl-virus, een groot probleem. In Nederland is dat nog niet aan de orde. Wel komen er soorten voor die onder bepaalde omstandigheden in staat zijn ziekteverwekkers over te dragen. Vanwege uitbraken in andere Europese landen wil Nederland goed voorbereid zijn. Het RIVM heeft daarom in samenwerking met het Centrum Monitoring Vectoren beschreven welke situaties risicovol kunnen zijn en hoe de muggen dan het beste kunnen worden bestreden. In enkele scenario's is uitgewerkt wat de bestrijding inhoudt en hoe en door wie die moet worden geregeld. Op basis van dit document gaan de overheid, belangenorganisaties en het publiek met elkaar in gesprek hoe situaties het beste kunnen worden aangepakt en wie waarvoor verantwoordelijk is. Muggen zijn nodig voor de overdracht van specifieke ziekteverwekkers. Voor een effectieve bestrijding is het nodig te 'snappen' welke factoren eraan bijdragen dat ziekteverwekkers via muggen op mensen en dieren worden overgedragen. Ten eerste moet duidelijk zijn welke mug welke ziekten kan overdragen. Ten tweede moet de desbetreffende mug in redelijk grote aantallen in Nederland aanwezig zijn. Ten derde moeten ze een ziekteverwekker ergens kunnen oppikken, bijvoorbeeld bij iemand die de ziekte doormaakt of een dier dat het bij zich draagt, om het daarna over te kunnen dragen. Er is dus niet per definitie sprake van een risico als bepaalde muggen die een exotische ziekte kunnen overdragen in Nederland zijn. Een ziekteverwekker die via muggen overdraagbaar is, kan in Nederland worden geïntroduceerd via bijvoorbeeld reizigers of dieren. In dat geval is het belangrijk te weten hoe het aantal muggen dat de ziekte kan verspreiden, kan worden beperkt. Daarnaast blijft het belangrijk dat mensen en dieren zichzelf tegen muggenbeten kunnen beschermen.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Preventie in het zorgstelsel: wat kunnen we leren van het buitenland? : Een eerste inventarisatie op basis van interviews met buitenlandse experts en literatuur | RIVM

Preventieve maatregelen voor groepen met een verhoogd gezondheidsrisico, zoals kinderen met overgewicht en eenzame ouderen, komen in Nederland soms moeizaam van de grond. De partijen die betrokken zijn bij de ontwikkeling en uitvoering van deze maatregelen, zoals gemeenten, verzekeraars, zorgverleners en GGD'en ervaren verschillende knelpunten. Zo is niet altijd duidelijk wie waarvoor verantwoordelijk is. Ook is onduidelijk hoe preventieve interventies structureel moeten worden gefinancierd. Uit onderzoek van het RIVM blijkt dat deze knelpunten veelal niet uniek zijn voor Nederland maar ook in het buitenland aan de orde zijn. Dit ondanks de verschillen tussen landen in de organisatie en financiering van preventie en zorg. Tegelijkertijd biedt het buitenland voorbeelden van mogelijke oplossingen die eraan kunnen bijdragen om de in Nederland ervaren knelpunten op te lossen. Verantwoordelijkheden kunnen bijvoorbeeld helderder in wetgeving worden vastgelegd. Ook kan een apart fonds worden ingericht voor een structurele financiering van preventieve interventies, en biedt een landelijk monitoringssysteem de mogelijkheid om te volgen welke preventieve activiteiten binnen gemeenten worden aangeboden. De effectiviteit van deze buitenlandse voorbeelden staat nog niet vast, maar ze verdienen extra aandacht omdat ze aansluiten bij actuele discussies in Nederland. Een van de aanleidingen voor dit onderzoek is de toezegging van de minister van VWS eind 2014 om knelpunten en verbeterpunten voor preventie te onderzoeken. De resultaten zijn gebaseerd op interviews met buitenlandse experts en internationale literatuur over tien landen. Vervolgonderzoek is gewenst voor meer inzicht in de voor- en nadelen van de genoemde voorbeelden en voor het maken van onderbouwde afwegingen en keuzes.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

National Tuberculosis Control Plan 2016-2020 : Towards elimination | RIVM

Het Nationaal plan tuberculosebestrijding 2016-2020 geeft aan welke maatregelen de komende vijf jaar nodig zijn om de tuberculosebestrijding in Nederland verder te verbeteren. Het doel is om de overdracht van tuberculose en het aantal patiënten de komende vijf jaar met 25 procent terug te dringen. De belangrijkste nieuwe interventie om dat te bereiken is dat immigranten en asielzoekers die Nederland binnenkomen gescreend zullen worden op een latente tuberculose-infectie, en indien geïnfecteerd zo mogelijk worden behandeld. Het plan is opgesteld door het Centrum Infectieziektebestrijding van het RIVM, in samenwerking met KNCV Tuberculosefonds en organisaties die betrokken zijn bij de tuberculosebestrijding. Het plan geeft invulling aan de doelstelling van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) om het aantal mensen met tuberculose in 2035 met 90 procent terug te brengen. Deze doelstelling is onderdeel van de Global End TB Strategy van de WHO, waarmee Nederland in 2014 heeft ingestemd. Tuberculose is een meldingsplichtige infectieziekte die door een bacterie wordt veroorzaakt. In Nederland wordt tuberculose jaarlijks bij circa 800 à 900 mensen gediagnosticeerd. Mensen kunnen de bacterie lang bij zich dragen zonder er ziek van te worden. Later kan de ziekte alsnog optreden; dit is de reden voor de invoering van de screening op een latente tuberculose-infectie. Tuberculose is over het algemeen goed te behandelen, maar patiënten moeten daarvoor minimaal zes maanden dagelijks medicijnen innemen.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Risicoschatting emissie PFOA voor omwonenden : Locatie: DuPont/Chemours, Dordrecht, Nederland | RIVM

Omwonenden van de chemiefabriek DuPont/Chemours in Dordrecht zijn jarenlang via de lucht blootgesteld aan de stof perfluoroctaanzuur (PFOA). Het is waarschijnlijk dat zij hierdoor langdurig aan hogere waarden PFOA zijn blootgesteld dan de door het RIVM vastgestelde grenswaarde voor chronische blootstelling. Voor deze overschrijding zijn meerdere scenario's doorgerekend. In het ongunstigste geval is de grenswaarde 25 jaar lang overschreden. Bij een dergelijke chronische blootstelling aan PFOA zijn gezondheidseffecten, zoals aan de lever, niet uit te sluiten. Er is geen verhoogd risico op schade voor het ongeboren kind. Uit dierproefstudies komt naar voren dat het extra risico op kanker beperkt lijkt. Concretere duidingen van mogelijke gezondheidseffecten zijn op basis van dit onderzoek niet te geven. Het RIVM heeft in deze risicobeoordeling onderzocht in hoeverre de stof PFOA tussen 1970 en 2012 uit de fabriek in Dordrecht is vrijgekomen in het milieu en welke mogelijke gezondheidseffecten dat heeft gehad voor omwonenden. Hiervoor is gekeken naar de verspreiding in lucht en drinkwater. Rond de fabriek is geen sprake van een verhoogde blootstelling van omwonenden aan PFOA via drinkwater. PFOA is tot 2012 gebruikt voor de productie van teflon. In 2013 is de stof in Europa op de lijst van Zeer Zorgwekkende Stoffen geplaatst, omdat de stof moeilijk afbreekbaar is (persistent), bio-accumulerend, schadelijk voor de voortplanting en mogelijk kankerverwekkend. De RIVM-grenswaarde houdt rekening met de 'stapeling' van PFOA in het lichaam en een langdurige blootstelling. Deze grenswaarde is daardoor bruikbaar om de risico's van de blootstelling sinds 1970 te beoordelen. Bij een langdurige blootstelling onder het niveau van de RIVM- grenswaarde voor chronische blootstelling, worden geen negatieve effecten op de gezondheid verwacht. Boven de grenswaarde is er een risico op gezondheidseffecten. Vanaf 2002 wordt op basis van de analyse de RIVM-grenswaarde niet meer overschreden. Op basis van de risicobeoordeling worden aanbevelingen gedaan voor aanvullend onderzoek, waarmee kan worden bepaald of een gezondheidsonderzoek onder omwonenden zinvol is. Mogelijke gezondheidseffecten bij werknemers vallen buiten het bereik van dit onderzoek. Op basis van de resultaten van dit onderzoek is nader onderzoek naar de risico's voor werknemers gewenst. Het RIVM heeft dit onderzoek uitgevoerd op verzoek van het ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM) na Tweede Kamervragen. Deze waren ingegeven door aandacht voor diverse Amerikaanse onderzoeken over gezondheidseffecten in relatie tot de PFOA-emissie door een fabriek van DuPont in de Verenigde Staten. Daar was de blootstelling aan PFOA via drinkwater en lucht hoger dan in Dordrecht.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Contra-expertise op bepalingen van radioactiviteit van afvalwater en ventilatielucht van NRG : Periode 2014 | RIVM

Het RIVM controleert acht keer per jaar de metingen die de Nuclear Research Group (NRG) te Petten verricht in lozingen van radioactiviteit in afvalwater en ventilatielucht. Deze 'contra-expertise' dient als controle op de betrouwbaarheid van de analyses die de onderzoeksgroep zelf uitvoert. De te analyseren monsters worden verspreid over het jaar door NRG genomen. In 2014 is een steekproef van acht monsters afvalwater en ventilatielucht geanalyseerd. Doorgaans komen de gammaspectrometrische analyses overeen met de resultaten van NRG, zo ook in 2014. De resultaten voor totaal-alfa zijn acceptabel, en de tritium resultaten zijn uitstekend. Enkele structurele verschillen in 2014 betreffen de totaal-beta metingen in afvalwater; het RIVM meet altijd veel lager dan NRG. Dit wordt deels verklaard doordat er veel kortlevende beta-stralers in het afvalwater aanwezig zijn, en deels door verschillen in de meetmethoden die NRG en het RIVM toepassen. De resultaten die NRG en het RIVM in ventilatieluchtmonsters behalen, komen goed overeen. RIVM toont in vier monsters een zeer geringe gamma-activiteit aan die onder de detectiegrens van NRG valt. De totaal-alfa en totaal-bèta resultaten zijn allemaal op of dicht bij de detectiegrens en verschillen niet significant van de waarden die in de buitenlucht in Bilthoven worden aangetroffen. RIVM heeft de contra-expertises in 2014 uitgevoerd in opdracht van de Kernfysische Dienst van de Inspectie voor de Leefomgeving en Transport (ILT), van het ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM). De KFD is per 1 januari 2015 overgegaan in de organisatie van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS).
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Contra-expertise op bepalingen van radio-activiteit van afvalwater en ventilatielucht van COVRA NV : Periode 2014 | RIVM

Het RIVM controleert acht keer per jaar de metingen die de Centrale Opslag voor Radioactief Afval (COVRA) verricht in lozingen van radioactiviteit in afvalwater en ventilatielucht. Deze 'contra-expertise' dient als controle op de betrouwbaarheid van de analyses die COVRA zelf uitvoert. De te analyseren monsters worden verspreid over het jaar door COVRA genomen. In 2014 zijn alle zeven monsters van afvalwater en acht monsters van ventilatielucht geanalyseerd. Doorgaans komen de analyses overeen met de resultaten van de COVRA, zo ook in 2014. De overeenstemming tussen RIVM en COVRA in de gamma-spectrometrische resultaten, de resultaten van de totaal-alfa bepaling, tritiumbepaling en de 14C-bepaling in afvalwater was goed. Hoewel het RIVM en COVRA verschillende meetprincipes toepassen komen de totaal bèta meetwaarden van het RIVM en de rest-bèta meetwaarden van COVRA in 2014 redelijk overeen. De overeenstemming tussen het RIVM en COVRA betreffende de ventilatieluchtresultaten van het Afvalverwerkingsgebouw (AVG) en het Hoogradioactief Afval Behandelings- en OpslagGebouw (HABOG) is eveneens goed. Het RIVM heeft de contra-expertises in 2014 uitgevoerd in opdracht van de Kernfysische Dienst van de Inspectie voor de Leefomgeving en Transport (ILT), van het ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM). De KFD is per 1 januari 2015 overgegaan in de organisatie van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS).
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Contra-expertise op bepalingen van radioactiviteit van afvalwater en ventilatielucht van Urenco Nederland BV : Periode 2014 | RIVM

Het RIVM controleert acht keer per jaar de metingen die de verrijkingsfabriek Urenco Nederland BV verricht in lozingen van radioactiviteit in afvalwater en ventilatielucht. Deze 'contra-expertise' dient als controle op de betrouwbaarheid van de analyses die Urenco zelf uitvoert. De te analyseren monsters worden verspreid over het jaar door Urenco genomen. Doorgaans komen de afvalwateranalyses overeen met de resultaten van Urenco. Uit de metingen blijkt dat er in het afvalwater een lage totaal alfa- en totaal bèta-activiteit aanwezig is. De totaal alfa- en totaal bèta- resultaten in afvalwater komen in 2014 goed overeen. De radioactiviteit in ventilatielucht ligt zeer dicht bij het niveau van de hoeveelheid radon die van nature in de buitenlucht aanwezig is. Voor totaal alfa is een activiteitsconcentratie van 0,006 - 0,096 mBq.m-3 gevonden en voor totaal bèta 0,02 - 0,51 mBq.m-3. De overeenstemming met de meetwaarden van Urenco in ventilatielucht was matig. Gelet op de natuurlijke totaal bèta-activiteit die veroorzaakt wordt door radon-dochters en de verhouding tussen de totaal alfa- en totaal bèta- activiteit in buitenlucht, is het aannemelijk dat er in 2014 geen vrijzetting van uraan in ventilatielucht heeft plaatsgevonden. RIVM heeft de contra-expertises in 2014 uitgevoerd in opdracht van de Kernfysische Dienst van de Inspectie voor de Leefomgeving en Transport (ILT), van het ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM). De KFD is per 1 januari 2015 overgegaan in de organisatie van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS).
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Contra-expertise op bepalingen van radioactiviteit van afvalwater en ventilatielucht van de kernenergiecentrale Borssele : Periode 2014 | RIVM

RIVM controleert acht keer per jaar de metingen die de kerncentrale Borssele (KCB) verricht in lozingen van radioactiviteit in afvalwater en ventilatielucht. Deze 'contra-expertise' dient als controle op de betrouwbaarheid van de analyses die de kerncentrale zelf uitvoert. De te analyseren monsters worden verspreid over het jaar door Borssele genomen. Doorgaans komen de analyses overeen met de resultaten van Borssele, zo ook in 2014. Enkele verschillen waren zichtbaar bij radionucliden in afvalwater. De vergelijking in de 3H data was wat minder goed dan in het voorgaande jaar. In ventilatielucht hebben zowel RIVM als KCB geen enkele gamma-activiteit boven de detectiegrens aangetroffen. De overeenstemming in 3H en 14C ventilatielucht, bemonsterd met een zeolietpatroon, in het tweede en derde kwartaal van 2014 was redelijk tot goed. Dit is een duidelijke verbetering in vergelijking met voorgaande jaren. Het RIVM heeft de contra-expertises in 2014 uitgevoerd in opdracht van de Kernfysische Dienst van de Inspectie voor de Leefomgeving en Transport (ILT), van het ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM). De KFD is per 1 januari 2015 overgegaan in de organisatie van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS).
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Plastics that contain hazardous substances: recycle or incinerate? | RIVM

Om de hoeveelheid beschikbare grondstoffen minder aan te spreken wordt gestimuleerd om materialen zoveel mogelijk opnieuw te gebruiken in nieuwe producten. Recycling is echter lastig bij materialen die gevaarlijke stoffen bevatten, bijvoorbeeld omdat deze stoffen kankerverwekkend, slecht afbreekbaar of giftig zijn. De neiging bestaat om materialen die dergelijke stoffen bevatten te vernietigen door verbranding. Plastics zijn daar een voorbeeld van. Het RIVM stelt voor om bij de afweging tussen verbranden of recyclen een breder milieuperspectief voor ogen te houden. Bijvoorbeeld door er rekening mee te houden dat minder energie nodig is om plastics uit een gerecycled product te maken dan nieuw plastic te vervaardigen. Tegelijkertijd moet nadrukkelijk worden gegarandeerd dat mens en milieu niet blootstaan aan gevaarlijke stoffen uit het gerecycled materiaal. Dit is de conclusie van een onderzoek naar de vraag hoe om te gaan met materialen die gevaarlijke stoffen bevatten. Het rapport schetst de huidige afvalverwerkingspraktijk, de technische achtergrond van de recycling van deze materialen en de complexe wetgeving rond recycling. De dilemma's zijn uitgewerkt in enkele casussen: de brandvertrager HBCDD (hexabroomcyclododecaan) in piepschuim en weekmakers, en cadmium en lood in plastic buizen (PVC). Aanbevolen wordt om voor oplossingen voor te recyclen materialen de wettelijke kaders voor de toelating van stoffen op elkaar af te stemmen. Zo is het raadzaam het afvalbeleid en het beleid voor gevaarlijke stoffen over elkaars werkgebied te laten meedenken en de gehele recycleketen in ogenschouw te nemen om te bepalen waar obstakels zitten.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Cib-IDS rapportage 2015 | RIVM

Veel (ziekenhuis)laboratoria sturen het te onderzoeken materiaal van patiënten naar het Centrum Infectieziekteonderzoek, diagnostiek en screening (IDS) van het RIVM. Dit betreft vooral bijzondere diagnostiek waarvoor de laboratoria zelf geen test in huis hebben. Ook komen patiëntmaterialen binnen om te monitoren of en in welke mate bepaalde ziekteverwekkende micro-organismen voorkomen. Soms worden de ziekteverwekkers zelf ingestuurd met de vraag of IDS deze wil karakteriseren. Met de verkregen resultaten houdt het RIVM er zicht op hoe vaak en waar bepaalde micro-organismen voorkomen. Op die manier kan het RIVM snel reageren op (plotselinge) ontwikkelingen op het gebied van infectieziekten. IDS beschrijft jaarlijks de resultaten om inzenders van patiëntmaterialen inzicht te geven in wat is gedaan aan diagnostiek, screening en onderzoek naar infectieziekten. De jaarrapportage 2015 beschrijft onder andere de bijdrage van IDS aan de ebola-diagnostiek in Sierra Leone. Zeven medewerkers hielpen ter plaatse door de laboratoriumdiagnostiek uit te voeren. Verder zijn bij IDS de eerste stappen gezet om de hielprikscreening uit te breiden, en wel met de screening op Severe combined immunodeficiency (SCID). Ook wordt toegelicht hoe het komt dat het griepvaccin in 2015 onvoldoende werkte. Een deel van de onder de bevolking circulerende influenzavirussen bleek af te wijken van de virussen die in het griepvaccin waren opgenomen. Het onderzoek bij IDS bestaat er vooral uit om innovatieve laboratoriumtesten te ontwikkelen, te verbeteren en in te zetten. Dit in het belang van de openbare gezondheidszorg. Bij veel van deze onderzoeken wordt een innovatieve methode gebruikt waarmee het hele genoom van een micro-organisme in kaart kan worden gebracht (Whole Genome sequencing).
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Nineteenth EURL-Salmonella interlaboratory comparison study (2014) on typing of Salmonella spp | RIVM

De Nationale Referentie Laboratoria (NRL's) van de 28 Europese lidstaten scoorden in 2014 goed bij de kwaliteitscontrole op Salmonella-typering. Eén laboratorium had hiervoor een herkansing nodig. Uit de analyse van alle NRL's als groep bleek dat de laboratoria aan 96% van de geteste stammen de juiste naam konden geven. Sinds 1992 zijn de NRL's van de Europese lidstaten verplicht om deel te nemen aan jaarlijkse kwaliteitstoetsen, die bestaan uit zogeheten ringonderzoeken voor Salmonella. Elke lidstaat wijst een laboratorium aan, het Nationale Referentie Laboratorium (NRL), dat namens dat land verantwoordelijk is om Salmonella in monsters van levensmiddelen of dieren aan te tonen en te typeren. Om te controleren of de laboratoria hun werk goed uitvoeren moeten zij onder andere 20 Salmonella-stammen op juiste wijze identificeren. Soms doen ook landen van buiten de Europese Unie vrijwillig mee. In 2014 waren dat de kandidaat-lidstaten Macedonië, Servië en Turkije, en de EFTA-landen IJsland, Noorwegen en Zwitserland. EFTA staat voor European Free Trade Association. Van de NRL's zijn er zeven laboratoria die, behalve de standaardtoets (serotypering) op Salmonella, preciezere typeringen uitvoeren, de zogeheten faagtypering. Voor deze kwaliteitstoets moeten zij 20 extra stammen met deze methode typeren. De laboratoria ontvingen hiervoor tien Salmonella Enteritidis-stammen en tien Salmonella Typhimurium-stammen. Deze NRL's typeerden 83% van de S. Typhimurium-stammen en eveneens 83% van de S. Enteritidis-stammen op de juiste wijze. De organisatie van het ringonderzoek is in handen van het Europese Unie Referentie Laboratorium (EURL) voor Salmonella (EURL-Salmonella), dat is ondergebracht bij het RIVM in Nederland. De organisatie van het faagtyperingsringonderzoek is uitgevoerd in samenwerking met Public Health England in Londen.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

EU Interlaboratory comparison study animal feed III (2014) : Detection of Salmonella in chicken feed | RIVM

In 2014 waren 32 van de 34 Nationale Referentie Laboratoria (NRL's) in de Europese Unie in staat om hoge en lage concentraties Salmonella in kippenvoer aan te tonen. Twee NRL's behaalden een matig resultaat als gevolg van een rapportagefout. Vanwege herhaaldelijk slechte prestaties is een van deze NRL tijdens een herkansing bezocht door het overkoepelende orgaan EURL-Salmonella Daarbij zijn enkele verbeterpunten aangereikt, waarna er een goed resultaat is bereikt. In totaal hebben de laboratoria in 97 tot 100 procent van de besmette monsters Salmonella aangetoond. Dit blijkt uit het derde diervoederringonderzoek dat is georganiseerd door het referentielaboratorium van de Europese Unie voor Salmonella (EURL-Salmonella). Ringonderzoek verplicht voor Europese lidstaten Het onderzoek is in september 2014 gehouden, de herkansing was in februari 2015. Alle NRL's van de Europese lidstaten die verantwoordelijk zijn voor de opsporing van Salmonella in diervoeder, zijn verplicht om aan het onderzoek deel te nemen. Het EURL-Salmonella is gevestigd bij het Nederlandse Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). De laboratoria toonden de Salmonella-bacterie in kippenvoer aan met behulp van de drie internationaal erkende analysemethoden (RVS, MKTTn en MSRV). Elk laboratorium kreeg een pakket toegestuurd met kippenvoer dat ofwel besmet was met Salmonella Senftenberg in twee verschillende concentraties, of geen Salmonella bevatte. De laboratoria dienden volgens een protocol te onderzoeken of de monsters Salmonella bevatten. Uit de studie blijkt dat het gebruik van meerdere analysemethodes zijn nut heeft, aangezien het aantal monsters waarin Salmonella is aangetroffen per methode significant verschilt. Monsterbereiding In eerdere studies zijn voedsel (gehakt) en dierlijke mest op het laboratorium van het EURL-Salmonella kunstmatig besmet met een verdunde cultuur van Salmonella. In deze studie is voor het eerst kippenvoer kunstmatig besmet en is bewezen dat ook diervoeder geschikt is voor deze nieuwe werkwijze.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Nationaal Plan Tuberculosebestrijding 2016-2020 : Op weg naar eliminatie | RIVM

Het Nationaal plan tuberculosebestrijding 2016-2020 geeft aan welke maatregelen de komende vijf jaar nodig zijn om de tuberculosebestrijding in Nederland verder te verbeteren. Het doel is om de overdracht van tuberculose en het aantal patiënten de komende vijf jaar met 25 procent terug te dringen. De belangrijkste nieuwe interventie om dat te bereiken is dat immigranten en asielzoekers die Nederland binnenkomen gescreend zullen worden op een latente tuberculose-infectie, en indien geïnfecteerd zo mogelijk worden behandeld. Het plan is opgesteld door het Centrum Infectieziektebestrijding van het RIVM, in samenwerking met KNCV Tuberculosefonds en organisaties die betrokken zijn bij de tuberculosebestrijding. Het plan geeft invulling aan de doelstelling van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) om het aantal mensen met tuberculose in 2035 met 90 procent terug te brengen. Deze doelstelling is onderdeel van de Global End TB Strategy van de WHO, waarmee Nederland in 2014 heeft ingestemd. Tuberculose is een meldingsplichtige infectieziekte die door een bacterie wordt veroorzaakt. In Nederland wordt tuberculose jaarlijks bij circa 800 à 900 mensen gediagnosticeerd. Mensen kunnen de bacterie lang bij zich dragen zonder er ziek van te worden. Later kan de ziekte alsnog optreden; dit is de reden voor de invoering van de screening op een latente tuberculose-infectie. Tuberculose is over het algemeen goed te behandelen, maar patiënten moeten daarvoor minimaal zes maanden dagelijks medicijnen innemen.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Luisteren naar de digitale patiënt : Verkennende analyse van gesprekken op social media over medicatie en ziekte | RIVM

Het RIVM heeft laten analyseren hoe chronisch zieke patiënten op internetfora omgaan met hun ziekte en medicatie. Hieruit blijkt dat de perspectieven van de patiënten niet altijd overeenkomen met die van de medische behandelaars en beleidsmakers. Patiënten op deze fora hechten vooral aan hun kwaliteit van leven en hoe die kan worden geoptimaliseerd. Zorgprofessionals en beleidsmakers leggen de nadruk op de medische uitgangspunten, zoals een gezonde levenswijze van de patiënt en passende zorg. De (kosten)effectiviteit van de zorg is daarvan een belangrijk onderdeel. Het onderzoek betreft onlinegesprekken van patiënten met ADHD, diabetes en de spierziekte ALS. Degenen met diabetes geven aan dat zorgprofessionals teveel vasthouden aan de theoretische kennis, die uitgaat van leefregels om bloedsuikerwaarden in de hand te houden. Patiënten willen wat ruimte om van deze regels af te wijken. Zij beschouwen een goede diabetespatiënt als iemand die niet alleen zijn bloedsuikerwaarden onder controle heeft, maar ook kan omgaan met de onvoorspelbaarheid ervan. Patiënten op deze fora met ALS verwachten van elkaar een strijdbare houding ten opzichte van de ziekte, bijvoorbeeld door actief op zoek te gaan naar experimentele geneesmiddelen. Onder de patiënten heerst onbegrip over de regelgeving die de toegang tot experimentele geneesmiddelen beperkt en toestemming vergt van de geneesmiddelenfabrikant en de behandelend arts. Bij een maatschappelijk controversiële ziekte als ADHD is het beeld op de fora weer anders. Patiënten hechten sterk aan de officiële diagnose van de zorgprofessional, die de authenticiteit van de klachten kan aantonen en met het voorschrijven van medicijnen de diagnose voor de buitenwereld bevestigt. Volgens overheidsbeleid hoeft passende zorg niet altijd een behandeling met medicijnen te zijn. Inzicht in het patiëntenperspectief via internet kan een waardevolle informatiebron zijn voor zorgprofessionals en beleidsmakers. Zij kunnen hierin bijvoorbeeld aanknopingspunten vinden om hun beleid bij de werkelijke wensen en verwachtingen van patiënten aan te laten sluiten. De analyse van de internetgesprekken is uitgevoerd door de Universiteit Twente.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Additieven in Nederlandse tabaksproducten : Trendanalyse gegevens 2010-2014 | RIVM

Fabrikanten voegen additieven toe aan tabaksproducten om producteigenschappen zoals smaak en vochtigheidsgraad te beïnvloeden. Additieven kunnen het gebruik van tabaksproducten aantrekkelijker, verslavender en schadelijker maken. Fabrikanten van tabaksproducten moeten daarom elk jaar opgeven welke additieven dat zijn en in welke hoeveelheden. Het RIVM analyseert sinds 2011 in hoeverre deze gegevens verschillen tussen producten, en of het gebruik van additieven door de jaren heen is veranderd. In 2014 is het aantal tabaksproducten op de Nederlandse markt verder gestegen tot 4212. Dat is een stijging van 5 procent ten opzichte van 2013. Het totale aantal additieven ligt redelijk stabiel op 1214. Bij de meeste tabaksproducten is het gebruik van additieven in de periode 2010-2014 niet of weinig veranderd. De meeste additieven worden als smaakstof aan de tabak toegevoegd. Dit zijn vaak zoete smaken zoals suikers, cacao, vanille of zoethout. Sigaretten bevatten naast zoete smaken vaak specifieke toevoegingen met smaken als koffie, kaas en selderij. Sigaren met een gewicht van minder dan 3 gram (cigarillo's en 'little cigars') lijken soms sterk op sigaretten, zowel in hun productnaam als in de samenstelling. Bij dit type sigaren komen ook buiten de tabak smaakstoffen voor, bijvoorbeeld in de filter. Dit type sigaren kan op de markt gezet worden als alternatief voor sigaretten, bijvoorbeeld om regelgeving over smaken voor sigaretten te omzeilen. Waterpijptabak verschilt duidelijk van pijptabak. Waterpijptabak, dat vooral bevochtigers, zoete en fruitsmaken bevat, heeft een hoger gehalte aan additieven dan pijptabak. In 2016 komt er vanuit de Europese tabaksproductenrichtlijn een verbod op sigaretten en shag met een 'kenmerkende smaak', zoals menthol. Voor het toezicht op dit verbod zijn gegevens over additieven niet toereikend. Daarvoor kan ook geur- en smaakbeoordeling door consumenten in zogeheten smaakpanels worden gebruikt.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Bisphenol A : Part 2. Recommendations for risk management | RIVM

In 2014 en 2015 zijn de Europese normen voor een veilige blootstelling aan Bisfenol A (BPA) van werknemers en consumenten aangescherpt. Het RIVM concludeert dat nieuwe inzichten voldoende aanleiding vormen om verdere aanscherping van de normen te overwegen en stelt voor op korte termijn aanvullende maatregelen te treffen die de blootstelling aan BPA verder verminderen. Bisfenol A (BPA) is een stof die in veel producten zit, zoals kassabonnen, bouwmaterialen (verf en coatings), verpakkingsmateriaal van voedsel, speelgoed en medische hulpmiddelen. BPA is bij een te hoge blootstelling schadelijk voor de vruchtbaarheid en kan effect op het hormoonsysteem hebben. Nieuwe studies laten zien dat BPA het immuunsysteem van de ongeboren vrucht of jonge kinderen kan schaden bij een lager blootstellingsniveau dan het niveau waarop de huidige normen zijn gebaseerd. Dit lagere blootstellingsniveau is van ongeveer dezelfde grootte als de dagelijkse blootstelling van consumenten en werknemers aan BPA. Als gevolg van deze blootstelling hebben mensen mogelijk meer kans om voedselintoleranties te ontwikkelen en kunnen ze gevoeliger voor infectieziekten worden. Op basis van deze nieuwe inzichten wordt de rijksoverheid geadviseerd waar mogelijk op korte termijn de blootstelling aan BPA te verminderen. De bescherming van kleine kinderen, zwangeren en vrouwen die borstvoeding geven verdient hierbij bijzondere aandacht. Kleine en ongeboren kinderen zijn namelijk gevoeliger dan volwassenen voor de effecten van BPA doordat hun lichaam sterk in ontwikkeling is. De blootstelling kan bijvoorbeeld worden verminderd door veilige alternatieven te ontwikkelen, of ervoor te zorgen dat er minder BPA vrijkomt uit producten waar deze stof in wordt gebruikt. Daarnaast kunnen werknemers tegen blootstelling aan BPA worden beschermd. Een lagere blootstelling is ook van belang voor dieren in waterbodems, die nadelige effecten ondervinden bij de huidige BPA-concentratie- niveaus.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Exposure assessment of the food additive titanium dioxide (E 171) based on use levels provided by the industry | RIVM

Titaniumdioxide (E 171) is een kleurstof die gebruikt wordt om voedingsmiddelen als snoep, sauzen en decoraties van banketwaren, toetjes of ijs (zoals glazuur, fondant of pareltjes) een witte kleur te geven. Het RIVM heeft op basis van de meest recente inzichten berekend aan hoeveel milligram per kilo lichaamsgewicht mensen gemiddeld door de jaren heen blootstaan. Er bestaat geen maximum voor de inname van deze kleurstof. Bij verschillende leeftijdsgroepen is de inname berekend. Mensen van 70 jaar en ouder worden door de jaren heen per dag aan gemiddeld 0,5 milligram per kilo lichaamsgewicht blootgesteld (met een bovenste limiet van 1,1 mg/kg lichaamsgewicht per dag). Bij mensen tussen 7 en 69 jaar is dat ietsje hoger (0,7; bovenste limiet 1,3). Voor kinderen van 2 tot en met 6 jaar is de inname het hoogst doordat zij in verhouding meer binnenkrijgen per kilo lichaamsgewicht: 1,4 milligram per kilo lichaamsgewicht per dag voor kinderen (met als bovenste limiet 3,2 mg/kg lichaamsgewicht per dag). Afhankelijk van de leeftijdsgroep is de hoogste blootstelling een factor 3 tot 4 hoger. Mensen krijgen de kleurstof vooral binnen via (gedecoreerde) banketwaren, toetjes en sauzen. De resultaten zijn gebaseerd op informatie die de industrie heeft aangeleverd over de voedingsmiddelen waarin zij E 171 gebruiken en de hoeveelheid kleurstof die daarin wordt verwerkt. De werkelijke inname is waarschijnlijk wat lager doordat onder meer een bredere range aan producten is meegeteld in de innameberekening (bijvoorbeeld alle cakes in plaats van alleen cake met een wit laagje) dan uitsluitend die producten waar de kleurstof daadwerkelijk aan is toegevoegd. Dit is gedaan omdat gegevens over de consumptie van wit-gekleurde producten ontbreken. De blootstellingschattingen kunnen verder worden verfijnd door de schattingen te preciseren. De studie is uitgevoerd op initiatief van het ministerie van Volksgezondheid, VWS en de Federatie van de Nederlandse Levensmiddelenindustrie (FNLI).
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Estimation of the dietary intake of mycotoxins by means of measurements in human urine : The application of toxicokinetic models for the estimation of renal mycotoxin excretion | RIVM

Schimmels die bijvoorbeeld op granen, noten en vruchten groeien, kunnen giftige stoffen maken die ons voedsel verontreinigen (mycotoxinen). Door de lage concentraties vormen ze doorgaans geen gevaar voor de gezondheid, maar het is wel van belang om te volgen in welke mate mensen deze mycotoxinen via voedsel consumeren. Een tijdrovende manier om dat te doen is door alle voedingsmiddelen door te meten, maar het kan ook in urine en bloed worden gemeten. RIVM-onderzoek maakt nu duidelijk onder welke voorwaarden via urine kan worden berekend hoeveel mycotoxinen mensen via voedsel binnenkrijgen. De snelheid waarmee mycotoxinen via de urine worden uitgescheiden verschilt namelijk per mycotoxine en is daardoor van invloed op de manier waarop en wanneer de urine moet worden opgevangen. In dit onderzoek is ingezoomd op twee mycotoxinen die sterk verschillen in de snelheid waarmee ze via de urine worden uitgescheiden. Het ene mycotoxine (afgekort DON) wordt snel, binnen 24 uur, uitgescheiden. Hiervoor moet de urine worden verzameld gedurende 24 uur nadat het verontreinigde voedsel is gegeten. Het maakt daarbij niet uit of de consument DON gedurende lange of korte tijd voorafgaand aan de urinecollectie heeft geconsumeerd. Het andere mycotoxine (afgekort OTA) wordt gedurende enkele maanden uitgescheiden. Daardoor heeft het geen zin om de concentratie in urine te meten als de consument maar kort aan OTA is blootgesteld, bijvoorbeeld enkele dagen of weken. Meten in urine is alleen zinvol als een consument gedurende enkele maanden dagelijks OTA binnenkrijgt. In dat geval is de manier waarop urine wordt verzameld minder belangrijk dan bij DON: het kan door 24 uursurine of ochtendurine te verzamelen.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Beoordelingskader milieu-effecten schaliegaswinning | RIVM

In de zomer van 2015 heeft het ministerie van Economische Zaken het milieu-effectrapport over schaliegaswinning (de planMER schaliegas) uitgebracht. Daarin wordt beschreven welke gevolgen de eventuele winning van schaliegas kan hebben voor het milieu. Om te kunnen beoordelen of deze gevolgen binnen de wettelijke milieunormen of andere richtlijnen blijven, heeft het RIVM een overzicht gemaakt van de bijbehorende normen en richtlijnen. Aan de basis van het overzicht liggen de milieu-effecten die in de planMER in beeld zijn gebracht. Voorbeelden zijn verontreinigingen van lucht, bodem en water, en gevolgen voor lichthinder, geluidhinder, externe veiligheid en klimaat. Uit de inventarisatie blijkt dat voor veel van deze milieugevolgen grenswaarden bestaan, maar niet voor alle. Er bestaan bijvoorbeeld wettelijke normen voor een aantal stoffen die bij de schaliegaswinning kunnen vrijkomen en de kwaliteit van lucht, grondwater en oppervlaktewater kunnen aantasten. Voor veel stoffen is dat echter niet het geval. Voor andere soorten milieu-effecten zijn al dan niet wettelijk vastgestelde kaders beschikbaar. Zo bestaan er wettelijke richtlijnen voor de door schaliegaswinning veroorzaakte geluidhinder en de kans op brand en explosies. Voor opgewekte trillingen en lichthinder bestaan alleen niet-wettelijk vastgestelde aanbevelingen. Er zijn ook milieu-effecten waarvoor geen normen of andere toetsingskaders bestaan, zoals de kans op aardbevingen en bodemdaling. Als zo'n kader ontbreekt, is het niet eenvoudig om deze effecten te beoordelen. Aan het overzicht worden geen adviezen of conclusies verbonden.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Eiwitkwaliteit en voedselveiligheidsaspecten van nieuwe eiwitbronnen en van hun producttoepassingen | RIVM

Vanuit de samenleving is er steeds meer aandacht voor het gebruik van nieuwe eiwitbronnen in ons voedsel, zoals soja, lupine, insecten (meelworm en sprinkhaan) en algen. Dat komt onder andere door de ongunstige impact op het milieu van sommige gangbare, vooral dierlijke eiwitbronnen. Het RIVM heeft verkend of het gebruik van nieuwe eiwitbronnen in Nederland van invloed is op de totale hoeveelheid eiwit die we binnenkrijgen en op de kwaliteit ervan. Uit deze verkenning blijkt dat gangbare eiwitbronnen, zoals vlees, vis en ei, zelden volledig door nieuwe eiwitbronnen worden vervangen. Meestal betreft het een gedeeltelijke vervanging, of zijn ze een aanvulling op het menu. De totale hoeveelheid eiwit die mensen dagelijks binnenkrijgen lijkt daardoor niet af te nemen. De kwaliteit van het eiwit uit nieuwe eiwitbronnen is soms wat minder dan die van gangbare eiwitbronnen. Dat komt doordat de nieuwe eiwitbronnen iets minder optimaal door het lichaam worden opgenomen (een 'lagere verteerbaarheid' hebben) en een iets minder gunstige samenstelling aan aminozuren hebben. Door nieuwe eiwitbronnen in producten te combineren met gangbare of andere nieuwe eiwitbronnen, verandert echter de kwaliteit van het totaal aan eiwit dat we binnenkrijgen niet wezenlijk en blijft die hoogwaardig. Eiwitten zijn belangrijk voor de opbouw van het lichaam. Daarnaast zijn ze werkzaam als enzymen en hormonen, en vervullen ze functies bij het transport van stoffen door het lichaam en bij diverse reguleringsmechanismen. In deze verkenning gaat het om het gebruik van nieuwe eiwitbronnen als vervangers van vlees, van gangbare peulvruchten (lupinebonen) en van zuivel (soja). Daarnaast zijn toepassingen in brood (lupinemeel en algen) en in snacks (sprinkhanen en meelwormen) bekeken. Nieuwe eiwitbronnen vallen mogelijk onder de EU-Verordening voor Nieuwe Voedingsmiddelen voordat zij op de Europese markt mogen worden toegelaten. In dat geval zal eerst moeten worden beoordeeld of ze veilig zijn. In deze verkenning is vooral gekeken naar allergische reacties. Allergische reacties op soja en lupine zijn bekend en staan op verpakkingen vermeld. Voor andere nieuwe eiwitbronnen moet dit nog nader worden onderzocht.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Milieukwaliteitswaarden voor PFOS : Uitwerking van generieke en gebiedsspecifieke waarden voor het gebied rond Schiphol | RIVM

In opdracht van de provincie Noord-Holland heeft het RIVM de beschikbare kennis over de blootstelling en effecten van de stof PFOS verzameld en generieke risicogrenzen afgeleid. Op basis daarvan kan de provincie een zogenoemde gebieds- of locatiegerichte aanpak opstellen. Binnen deze aanpak kan bijvoorbeeld worden bepaald of een verontreiniging een bedreiging vormt voor het gebruik van de bodem en het grondwater, en of maatregelen nodig zijn. Aanleiding voor de vraag is dat PFOS in de omgeving van Schiphol in sloten, de bodem en het grondwater is aangetroffen. Deze stof is in het verleden gebruikt als brandvertragend middel in blusschuim. De verontreinigingen zijn het gevolg van een incident waarbij blusschuim naar de bodem en het grondwater kon weglekken. Inmiddels is het gebruik van PFOS sterk aan banden gelegd. Voor PFOS zijn vooralsnog geen landelijke normen voor bodem en grondwater vastgesteld. Om een gebiedsgerichte aanpak mogelijk te maken, worden in dit rapport niet alleen generieke onder- en bovengrenzen aangereikt, maar ook overwegingen geboden die van belang zijn bij de beoordeling van PFOS in het gebied. De feitelijke uitwerking van de gebiedsaanpak valt buiten het bestek van dit onderzoek. De risicogrenzen zijn afgeleid volgens nationale, generieke methoden.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Geluid en Informatie rondom vliegbases Leeuwarden en Volkel : Opties voor monitoring en informatievoorziening | RIVM

Omwonenden van de militaire vliegvelden Leeuwarden en Volkel zijn onzeker over de geluidsniveaus wanneer de Joint Strike Fighter (JSF) in 2019 in gebruik wordt genomen. De vrees is dat de nieuwe toestellen meer geluidoverlast zullen veroorzaken dan de huidige F16's. Er is scepsis of de wettelijke rekenmethode voldoende betrouwbaar is om de toekomstige geluidoverlast goed te beoordelen. Via de motie Eijsink verzoekt de Tweede Kamer de regering om een permanent meetnet in te richten om geluidcontouren te monitoren en specifiek aandacht te besteden aan de geluidhinder. Uit onderzoek van het RIVM blijkt dat met meetposten die gedurende het jaar vrijwel doorlopend in bedrijf zijn, berekende geluidniveaus kunnen worden nagemeten. Met een meetnet kunnen geluidcontouren en het geluid dat de toestellen produceren, puntsgewijs worden gevalideerd. Een meetnet is complementair aan de rekenmethode, maar biedt geen volledig alternatief. Meetresultaten kunnen alleen worden verkregen op een beperkt aantal meetlocaties. De rekenmethode blijft nodig voor de wettelijke doorrekening van vliegscenario's met ruimtelijke kaartbeelden van de geluidcontouren. Verder is geïnventariseerd hoe betrokkenen aankijken tegen de vliegbases en de komst van de JSF, geluidmetingen en de huidige en toekomstige informatievoorziening hierover. In de huidige situatie zijn omwonenden over het algemeen tevreden over de manier waarop vanuit de vliegbases over geluidhinder wordt gecommuniceerd. Voor de toekomstige situatie is er sterke behoefte aan duidelijke informatie over de JSF en de hoeveelheid geluid die deze gaat produceren. Bewoners zijn bezorgd dat de kwaliteit van de leefomgeving door de komst van de JSF achteruit zal gaan en dat zij of hun kinderen, last zullen krijgen van slaapverstoring of piekniveaus in het geluid. Bewoners willen graag informatie over vliegroutes en geluidniveaus. Ook willen ze vooraf worden geïnformeerd over activiteiten en achteraf over afwijkingen in de normale bedrijfsvoering. Geluidmetingen kunnen daarbij onafhankelijke informatie bieden over geluidpieken en risico's daarvan. Dit kan naar omwonenden het vertrouwen geven dat op een rechtvaardige manier met hun zorgen over het milieu en gezondheid wordt omgegaan. Om de effecten van de vervanging van de F16 door de F35 voor beide bases in beeld te brengen is het gewenst om al ten tijde van het nog volledig operationeel zijn van de F16 een meetnet op orde te hebben. Ook ten aanzien van de beleving luidt het advies om voor en na de komst van de JSF de ervaren overlast rondom de bases te monitoren.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Intake of total and subgroups of fat minimally affect the associations between selected single nucleotide polymorphisms in the PPARypsilon pathway and changes in anthropometry among European Adults from Cohorts of the DiOGenes Study | RIVM

Intake of total and subgroups of fat minimally affect the associations between selected single nucleotide polymorphisms in the PPARypsilon pathway and changes in anthropometry among European Adults from Cohorts of the DiOGenes Study | RIVM
Jaar: 2016 Onderzoek

Onderzoek bij Urenco naar emissies na incident met koolfilter op 27 augustus 2015 | RIVM

Op 27 augustus 2015 heeft 's nachts bij de uraniumverrijkingsfabriek Urenco een incident plaatsgevonden met een koolfilter. Daardoor is via de dakventilatie uranium in de buitenlucht vrijgekomen. Het is niet aannemelijk dat de besmetting buiten het Urenco-terrein is gekomen. Daarom zijn omwonenden ook niet blootgesteld aan de besmetting en levert deze geen extra risico voor de gezondheid van de omwonenden. Urenco heeft in de daaropvolgende uren metingen uitgevoerd op het dak en in het ventilatiesysteem van de fabriek. Het RIVM heeft deze metingen geverifieerd en zelf aanvullende metingen verricht. De resultaten daarvan komen redelijk tot goed overeen. Zowel het RIVM als Urenco heeft vervolgens de uitstoot geschat, en ook deze bevindingen stemmen met elkaar overeen. Er zijn verschillende scenario's voor het verloop van het incident onderzocht. Die geven schattingen voor hoeveel uranium er kan zijn vrijgekomen, uiteenlopend van minimaal 0,4 tot maximaal 40 gram uranium, met 6 gram als meest waarschijnlijke waarde. Als in de worst case-situatie daadwerkelijk de maximale schatting van 40 gram zou zijn vrijgekomen, dan zou dat 1,5 procent van de vergunde jaarlimiet betekenen. In werkelijkheid zal het minder zijn geweest. De zuidwestenwind tijdens het incident heeft de lozing precies in de lengterichting van het dak vervoerd. Door het incident met het koolfilter kan de uraniumactiviteit aan fijne kooldeeltjes zijn gebonden, of zich als een soort nevel hebben verspreid. In beide gevallen is de radioactiviteit stofgebonden en zal die snel neerslaan, in dit geval op het dak. Ongeveer tien meter vanaf de ventilatiepijp is geen enkele radioactiviteit meer aangetroffen op het dak. Zeer waarschijnlijk zijn de uraniumdeeltjes niet verder gekomen dan deze tien meter.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Life Cycle Assessment of two drinking water production schemes | RIVM

Met een zogeheten levenscyclusanalyse (LCA) is het mogelijk om te bepalen welke impact het productieproces van een product heeft op het milieu. De analyse omvat alle stadia die nodig zijn om een product te produceren en te consumeren, dus vanaf het onttrekken van de benodigde grondstoffen tot en met de verwerking van afval. Het doel van een LCA is om alternatieven te vergelijken en 'hotspots' in het productieproces in kaart te brengen, zodat het productieproces kan worden geoptimaliseerd. Het RIVM en drinkwaterbedrijf Oasen hebben een LCA uitgevoerd van twee drinkwaterproductieprocessen: een conventionele en een alternatieve. Bij drinkwaterproductiebedrijven kunnen verschillende technieken worden ingezet om van oppervlaktewater en grondwater drinkwater te maken. De keuze van de technieken is afhankelijk van de kwaliteit van het bronwater. Membraanfiltratie is een techniek waarmee kan worden geanticipeerd op schommelingen in de kwaliteit van het bronwater. Dit is van belang omdat de kwaliteit van de drinkwaterbronnen uit oppervlaktewater naar verwachting in de toekomst onder druk staat. Membraanfiltratie is daardoor aantrekkelijk om voor drinkwaterproductie te worden gebruikt, alleen gaat deze techniek gepaard met een hoog energieverbruik. In deze LCA is onderzocht wat de invloed van dit energiegebruik is ten opzichte van de andere onderdelen van het drinkwaterproductieproces. Daarnaast is gekeken hoe dit verandert als alleen windenergie wordt gebruikt bij de productie in plaats van de standaardenergiemix van Nederland. Wanneer uitsluitend windenergie wordt gebruikt, lijkt membraanfiltratie niet slechter voor het milieu dan een conventioneel drinkwaterproductieproces. Deze uitkomst is sterk afhankelijk van de mate waarin de werkwijze van de leveranciers van de benodigde hulpstoffen duurzaam is.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Gene drives : Policy report | RIVM

Gene drives zijn genetische eigenschappen die zodanig in het DNA van een organisme zijn ingebouwd dat ze aan alle nakomelingen worden doorgegeven, in plaats van aan een deel. Dit werkt ook door in de volgende generaties. Vooral als organismen zich snel voortplanten, kan deze eigenschap zich snel en blijvend in een hele populatie van een organisme verspreiden. Dit kan tot belangrijke innovaties leiden, maar gaat ook gepaard met zorg. Uit een analyse van het RIVM blijkt dat de huidige methoden voor het beoordelen van de risico's voor mens en milieu voor de effecten van gene drives onvoldoende geschikt zijn. Het RIVM adviseert daarom om alle toepassingen van gene drives in laboratoria expliciet onder de vergunningplicht van de ggo-wetgeving te brengen. Een melding volstaat niet. Wettelijk gezien is een organisme met een gene drive een genetisch gemodificeerd organisme (ggo), waarvoor in Nederland een vergunnings- of meldingsplicht bestaat. Er mag alleen met ggo's worden gewerkt als de risicobeoordeling laat zien dat de risico's voor mens en milieu verwaarloosbaar klein zijn. De huidige beoordelingsmethode is niet of ten dele toegesneden op ggo's met een gene drive, omdat onvoldoende rekening wordt gehouden met de snelle en blijvende verandering van de hele populatie. Ook kan in incidentele gevallen een gene drive per ongeluk ontstaan doordat onderzoekers genetische componenten onbedoeld zodanig toepassen dat een gene drive wordt gevormd. Verder beveelt het RIVM aan de huidige regelgeving zo aan te passen dat het niet langer mogelijk is om onbedoeld een gene drive te maken. Verder kan een vergunning uitsluitend verleend worden als de benodigde gegevens beschikbaar zijn en daarmee alle vragen uit de risicobeoordeling kunnen worden beantwoord. Hiermee is een veilige toepassing van organismen met een gene drive geborgd en groeit kennis over de werking en de gevolgen van een gene drive. Ten slotte is een internationale aanpak gewenst omdat het kan gaan om organismen en mogelijke effecten op mens en milieu die zich over de landsgrenzen heen kunnen verspreiden. Een voorbeeld van een mogelijke toepassing van een gene drive is een malariamug die door genetische aanpassing geen parasiet meer kan overdragen. Hierdoor kan deze eigenschap zich snel in de muggenpopulatie verspreiden en kan malaria eenvoudiger bestreden worden.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Onderzoek naar mogelijke langetermijneffecten van elektromagnetische velden op de gezondheid van werknemers | RIVM

Sterke elektromagnetische velden op de werkplek, zoals bij elektrisch lassen of radarinstallaties, kunnen direct gezondheidseffecten veroorzaken bij werknemers. Voorbeelden daarvan zijn prikkeling van de zenuwen of opwarming van organen. Vanaf juli 2016 worden werknemers in Nederland hiertegen beschermd op basis van Europese wet- en regelgeving. Langetermijneffecten zijn hier niet in opgenomen. Het RIVM heeft daarom in kaart gebracht welke mogelijke effecten de blootstelling op de lange termijn zou kunnen hebben op de gezondheid van werknemers. Dit geldt vooral voor situaties waarin de elektromagnetische velden zwakker zijn dan de limieten in de Europese regelgeving. Op basis van de huidige kennis blijkt hierop geen eenduidig antwoord mogelijk. Er zijn bijvoorbeeld aanwijzingen dat er een verband is tussen (laagfrequente) elektromagnetische velden en de mate waarin de zenuwziekte ALS voorkomt. Het is echter nog niet duidelijk of de elektromagnetische velden de werkelijke oorzaak zijn, of andere factoren op de werkplek zoals chemische stoffen of elektrische schokken. Bij andere ziekten van het zenuwstelsel, zoals dementie en multiple sclerose (MS), spreken studies elkaar tegen of is er nog te weinig onderzoek gedaan naar het effect van elektromagnetische velden. Er is geen verband aangetoond tussen blootstelling aan elektromagnetische velden en het ontstaan van diverse vormen van kanker. Voor borstkanker (bij vrouwen) is het bewijs dat er geen verband is het beste onderbouwd; voor hersentumoren en leukemie is er onvoldoende bewijs voor een verband. Voor andere vormen van kanker ontbreekt voldoende en goed onderbouwd onderzoek. Deze bevindingen zijn gebaseerd op reviews van de wetenschappelijke literatuur en recente publicaties. Het is uitgevoerd in opdracht van het ministerie van SZW omdat werknemers aan sterkere elektromagnetische velden kunnen blootstaan dan de algemene bevolking.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Gene drives : Beleidssignalering | RIVM

Gene drives zijn genetische eigenschappen die zodanig in het DNA van een organisme zijn ingebouwd dat ze aan alle nakomelingen worden doorgegeven, in plaats van aan een deel. Dit werkt ook door in de volgende generaties. Vooral als organismen zich snel voortplanten, kan deze eigenschap zich snel en blijvend in een hele populatie van een organisme verspreiden. Dit kan tot belangrijke innovaties leiden, maar gaat ook gepaard met zorg. Uit een analyse van het RIVM blijkt dat de huidige methoden voor het beoordelen van de risico's voor mens en milieu voor de effecten van gene drives onvoldoende geschikt zijn. Het RIVM adviseert daarom om alle toepassingen van gene drives in laboratoria expliciet onder de vergunningplicht van de ggo-wetgeving te brengen. Een melding volstaat niet. Wettelijk gezien is een organisme met een gene drive een genetisch gemodificeerd organisme (ggo), waarvoor in Nederland een vergunnings- of meldingsplicht bestaat. Er mag alleen met ggo's worden gewerkt als de risicobeoordeling laat zien dat de risico's voor mens en milieu verwaarloosbaar klein zijn. De huidige beoordelingsmethode is niet of ten dele toegesneden op ggo's met een gene drive, omdat onvoldoende rekening wordt gehouden met de snelle en blijvende verandering van de hele populatie. Ook kan in incidentele gevallen een gene drive per ongeluk ontstaan doordat onderzoekers genetische componenten onbedoeld zodanig toepassen dat een gene drive wordt gevormd. Verder beveelt het RIVM aan de huidige regelgeving zo aan te passen dat het niet langer mogelijk is om onbedoeld een gene drive te maken. Verder kan een vergunning uitsluitend verleend worden als de benodigde gegevens beschikbaar zijn en daarmee alle vragen uit de risicobeoordeling kunnen worden beantwoord. Hiermee is een veilige toepassing van organismen met een gene drive geborgd en groeit kennis over de werking en de gevolgen van een gene drive. Ten slotte is een internationale aanpak gewenst omdat het kan gaan om organismen en mogelijke effecten op mens en milieu die zich over de landsgrenzen heen kunnen verspreiden. Een voorbeeld van een mogelijke toepassing van een gene drive is een malariamug die door genetische aanpassing geen parasiet meer kan overdragen. Hierdoor kan deze eigenschap zich snel in de muggenpopulatie verspreiden en kan malaria eenvoudiger bestreden worden.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Beleidsdoorlichting geluid : Artikel 20, begroting IenM. De sanering van knelpunten | RIVM

Het RIVM heeft het geluidbeleid voor wegen en spoorwegen van het ministerie van Infrastructuur en Milieu doorgelicht. Binnen het algemene beleidsdoel 'het voorkomen of beperken van hinder' is de focus gelegd op de doelstelling om knelpunten aan te pakken bij woningen met de hoogste geluidbelastingen. Dit wordt ook wel de geluidsanering genoemd. De regelingen voor sanering bestaan sinds 1986, waarvoor gemeenten 594.000 woningen hebben aangemeld. Hiervan is tot en met 2014 naar schatting 44 procent (263.000 woningen) afgehandeld. De oorspronkelijke doelstelling om de sanering in 2010 af te ronden is daarmee niet gehaald. Het aantal te saneren woningen is destijds te laag geschat en er was te weinig budget om alle aangemelde situaties aan te pakken. Vanaf 2015 is een deel van de financiering van de sanering weggevallen. Het RIVM schat dat het uitvoeringtempo langs wegen in stedelijk gebied hierdoor zodanig vertraagt ten opzichte van het tempo in de afgelopen jaren dat de afronding bijna 10 jaar langer gaat duren. Dat betekent dat nog circa 45 jaar nodig is om de sanering volledig af te ronden. Als gevolg van het geluidbeleid zijn lokale maatregelen genomen, zoals verkeersmaatregelen, stille wegdekken, geluidschermen en gevelisolatie. Hiermee is hinder verminderd, maar het is onbekend in welke mate. Maatregelen aan de bron, zoals stillere auto's en vooral stillere banden, zijn belangrijk om op grote schaal hinder te verminderen. De internationale regelgeving stelt hiervoor normen. Tot op heden heeft dit nog niet geleid tot lagere geluidniveaus langs wegen, terwijl hierop wel was geanticipeerd in de geluidregelgeving. In de praktijk zijn woningen daardoor aan meer geluid blootgesteld dan was beoogd en nemen de kosten voor gevelisolatie nog niet af. Informatie over de algemene uitvoering van het geluidbeleid bleek in dit onderzoek beperkt beschikbaar. Voor toekomstige doorlichtingen is het van belang dat relevante tussentijdse evaluaties van het beleid worden gedaan. Indien het wenselijk is om de voortgang van specifiek de sanering te monitoren, is het belangrijk om eind- en tussendoelen te stellen. Hiervoor is inzicht nodig in de daadwerkelijke voortgang, de actuele geluidbelastingen en de mede daaruit voortvloeiende toekomstige kosten.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Duplicaatvoedingsonderzoek bij kinderen 2014: eerste resultaten : | RIVM

Dit rapport beschrijft de consumptie van kinderen die in 2014 hebben deelgenomen aan het zogeheten duplicaatvoedingsonderzoek. Daarnaast geeft het aanvullende informatie over de verzamelde voedingen, bijvoorbeeld of een dieet is gevolgd. Duplicaatvoedingsonderzoek wordt sinds 1976 periodiek in Nederland uitgevoerd en maakt het mogelijk om door de jaren heen te volgen welke hoeveelheden van bepaalde chemische stoffen en schimmels een bevolkingsgroep dagelijks via voeding binnenkrijgen. Voorbeelden hiervan zijn gewasbeschermingsmiddelen of zware metalen. Bovendien kan worden gecontroleerd of deze hoeveelheden binnen de gestelde veiligheidsgrenzen blijven. Dit duplicaatvoedingsonderzoek vond plaats in het voor- en najaar van 2014 en is uitgevoerd door het RIVM en het RIKILT, in opdracht van de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA). Aan het onderzoek deden ouders/verzorgers mee van 126 kinderen van 2 tot en met 6 jaar uit de regio Wageningen. Zij verzamelden in een gekoelde box dezelfde porties van alles wat de kinderen gedurende 24 uur hadden gegeten en gedronken (duplicaatvoeding). Daarnaast hebben zij de geconsumeerde voeding in een dagboekje genoteerd. De duplicaatvoedingen zijn verwerkt tot gevriesdroogde monsters en opgeslagen bij het RIKILT. De resultaten van dit onderzoek laten zien dat er voor veel kinderen minder duplicaatvoeding is verzameld dan er waarschijnlijk gegeten is. Hiermee moet rekening gehouden worden bij de interpretatie van de resultaten over de blootstelling aan schadelijke stoffen.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Beleidsverkenning circulaire economie in de bouw : Een perspectief voor de markt en overheid | RIVM

De bouwwereld wil samen met de overheid een visie ontwikkelen hoe materialen hoogwaardig kunnen worden gebruikt en hergebruikt in een circulaire economie. Het is daarbij belangrijk dat die visie overheidsbreed wordt gedragen en voor een langere periode geldt. Een andere behoefte is om sloop en hergebruik van materialen en bouwonderdelen van te voren mee te financieren, zoals dat bij auto's en koelkasten ook gebeurt. Daarmee wordt het aantrekkelijk om materialen optimaal her te gebruiken. Hiervoor is het belangrijk om bij ontwerp en hergebruik te bedenken hoe onderdelen van een gebouw voor meerdere cycli gebruikt kunnen worden. Dit blijkt uit een beleidsverkenning die het RIVM en Rijkswaterstaat voor het ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM) hebben gemaakt, in samenwerking met stakeholders in de bouw. In Nederland wordt bouw- en sloopafval op grote schaal gerecycled tot funderingsmateriaal voor wegen, nieuwbouwwijken en bedrijventerreinen. Gebouwen worden echter nog nauwelijks gemaakt met gerecyclede producten. Daar kan verandering in komen omdat de markt voor funderingsmaterialen langzaam verzadigd raakt en zo een stimulans ontstaat om materiaal op andere manieren te hergebruiken. De uitdaging is om gebouwen te ontwerpen waarin alle materialen hoogwaardig kunnen worden hergebruikt. De lange levensduur van bouwconstructies - 50 tot 100 jaar - maakt het echter lastig om te bepalen hoe over enkele decennia met materiaal wordt omgegaan. Via innovatieve projecten, die als doel hebben om te leren van opgedane ervaringen, kunnen nieuwe ontwerp- en beoordelingsmethoden worden uitgeprobeerd. Daarnaast willen stakeholders graag beschikken over een duidelijke methode om te beoordelen wat de 'milieuprestatie' van een gebouw is bij meerdere levenscycli. In Nederland wordt de milieuprestatie van een gebouw over één cyclus al standaard gemeten. De circulaire economie ontstaat als relevante bedrijven en organisaties in de bouw met elkaar samenwerken. De overheid is hieraan als opdrachtgever in de bouw vanzelfsprekend deelnemer en kan daarom gericht helpen om de samenwerking te versnellen en eventuele knelpunten in de wetgeving weg te nemen.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Circular economy in the Dutch construction sector : A perspective for the market and government | RIVM

De bouwwereld wil samen met de overheid een visie ontwikkelen hoe materialen hoogwaardig kunnen worden gebruikt en hergebruikt in een circulaire economie. Het is daarbij belangrijk dat die visie overheidsbreed wordt gedragen en voor een langere periode geldt. Een andere behoefte is om sloop en hergebruik van materialen en bouwonderdelen van te voren mee te financieren, zoals dat bij auto's en koelkasten ook gebeurt. Daarmee wordt het aantrekkelijk om materialen optimaal her te gebruiken. Hiervoor is het belangrijk om bij ontwerp en hergebruik te bedenken hoe onderdelen van een gebouw voor meerdere cycli gebruikt kunnen worden. Dit blijkt uit een beleidsverkenning die het RIVM en Rijkswaterstaat voor het ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM) hebben gemaakt, in samenwerking met stakeholders in de bouw. In Nederland wordt bouw- en sloopafval op grote schaal gerecycled tot funderingsmateriaal voor wegen, nieuwbouwwijken en bedrijventerreinen. Gebouwen worden echter nog nauwelijks gemaakt met gerecyclede producten. Daar kan verandering in komen omdat de markt voor funderingsmaterialen langzaam verzadigd raakt en zo een stimulans ontstaat om materiaal op andere manieren te hergebruiken. De uitdaging is om gebouwen te ontwerpen waarin alle materialen hoogwaardig kunnen worden hergebruikt. De lange levensduur van bouwconstructies - 50 tot 100 jaar - maakt het echter lastig om te bepalen hoe over enkele decennia met materiaal wordt omgegaan. Via innovatieve projecten, die als doel hebben om te leren van opgedane ervaringen, kunnen nieuwe ontwerp- en beoordelingsmethoden worden uitgeprobeerd. Daarnaast willen stakeholders graag beschikken over een duidelijke methode om te beoordelen wat de 'milieuprestatie' van een gebouw is bij meerdere levenscycli. In Nederland wordt de milieuprestatie van een gebouw over één cyclus al standaard gemeten. De circulaire economie ontstaat als relevante bedrijven en organisaties in de bouw met elkaar samenwerken. De overheid is hieraan als opdrachtgever in de bouw vanzelfsprekend deelnemer en kan daarom gericht helpen om de samenwerking te versnellen en eventuele knelpunten in de wetgeving weg te nemen.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Probabilistic dietary exposure models : Relevant for acute and chronic exposure assessment of adverse chemicals via food | RIVM

Met zogeheten innamemodellen wordt berekend in welke hoeveelheid mensen potentieel schadelijke stoffen kunnen binnenkrijgen via de voeding. Voorbeelden zijn resten van bestrijdingsmiddelen, stoffen die via het milieu in voedsel terechtkomen (zoals dioxine, cadmium, lood, kwik) en stoffen die er door verhitting in komen (zoals acrylamide en furanen). Dit rapport beschrijft de kenmerken van twee soorten modellen: voor de berekening van de inname op de korte en op de langetermijn. Met deze modellen kan de meest realistische schatting van de inname via de voeding worden verkregen die op dit moment mogelijk is. Bij de langetermijnmodellen zijn meerdere typen mogelijk. Daarom bevat de beschrijving ook een beslisboom om te kiezen welke van de drie optimaal is om de langetermijninname te berekenen. Deze keuze moet altijd worden gemotiveerd in de verslaglegging van een innameberekening. De modellen zijn alleen bruikbaar als er gegevens beschikbaar zijn over de hoeveelheid waarin bepaalde voedingsmiddelen worden gegeten en in welke concentraties de stoffen in deze voedingsmiddelen aanwezig zijn. De voedselconsumptiegegevens die hiervoor gebruikt worden, zijn afkomstig van Nederlandse voedselconsumptiepeilingen en zijn veelal voldoende om de inname van de meeste stoffen te berekenen. Dit geldt niet voor stoffen die in voedingsmiddelen zitten die zelden worden gegeten. Voor de concentratiegegevens zal per berekening moeten worden vastgesteld of het mogelijk is een inname met deze modellen te berekenen. De beschrijving is gemaakt door het RIVM en Wageningen UR Biometris. De modellen zijn beschikbaar in de software Monte Carlo Risk Assessment (MCRA). Het model om de kortetermijninname te berekenen heet de probabilistische Monte Carlo methode. De drie modellen voor de langetermijninname zijn: het Observed Individual Means (OIM) model, het LogisticNormal-Normal (LNN) model en het Model-Then-Add (MTA) model.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Diffuse loodverontreiniging in de bodem : Advies voor een gemeenschappelijk beleidskader | RIVM

Lood in de bodem kan een risico zijn voor de gezondheid van bewoners. De laatste jaren zijn veel bodemverontreinigingen opgeruimd, maar in sommige wijken van steden is de aanwezigheid van lood in de bodem nog steeds een punt van aandacht. Lood heeft effect op de ontwikkeling van de hersenen. Vooral bij jonge kinderen kan dit tot een verlies van enkele IQ-punten leiden. Het is niet aan te geven hoe groot dit effect voor een individu is. Dat hangt onder meer af van de hoogte en frequentie van de blootstelling. Het is belangrijk dat, op plaatsen waar kinderen in contact kunnen komen met bodemlood, gemeenten en bewoners maatregelen nemen om de blootstelling tot een zo laag mogelijk niveau terug te brengen. Dit blijkt uit een onderzoek van het RIVM waarin de huidige kennis over de gezondheidsrisico's van blootstelling aan lood bijeen is gebracht. Hetzelfde geldt voor de oorzaken van bodemverontreinigingen met lood. De mens wordt al eeuwenlang blootgesteld aan lood. Dat is de laatste decennia flink verminderd door het gebruik van loodvrije benzine en verf die minder lood bevat, en door loden drinkwaterleidingen grotendeels te vervangen. In wijken waar de bodem verontreinigd is met lood, kunnen kleine kinderen lood binnenkrijgen als zij gronddeeltjes inslikken tijdens het spelen in de tuin of op kinderspeelplaatsen. Voor gemeenten is het belangrijk dat het bodembeheer erop is gericht om de blootstelling aan lood te verminderen op locaties in steden waar de bodem nog met dit metaal verontreinigd is. Dit kan door de meest verontreinigde plekken opnieuw in te richten of schoon te maken. Dit geldt vooral voor speelplaatsen, zodat kinderen minder in contact komen met de verontreinigde bodem. Mogelijke maatregelen zijn om een schone bovenlaag aan te brengen, (kunst)gras aan te leggen en zandbakken te vullen met schoon zand. Voor ouders is het belangrijk te weten dat zij met relatief eenvoudige maatregelen de blootstelling aan lood van kun kinderen kunnen verminderen. Zo is het raadzaam om kinderen de handen te laten wassen na het spelen en in huis regelmatig te stofzuigen.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Description of a nanocosmetics tool for risk assessment | RIVM

Nanomaterialen (deeltjes kleiner dan 0,1 micrometer) worden steeds meer gebruikt in consumentenartikelen zoals cosmetica. Ze worden bijvoorbeeld gebruikt in zonnebrandcrèmes om een hoge beschermingsfactor tegen UV-stralen te realiseren. Zowel voor handhavers (NVWA) als fabrikanten is het belangrijk om vast te stellen of het gebruik van nanomaterialen in cosmetica risico's met zich meebrengt. Uit een inventarisatie van het RIVM blijkt dat het mogelijk is een computermodel te ontwikkelen waarmee mogelijke risico's kunnen worden geschat. De uitkomst van deze risicobeoordeling geeft aan wanneer maatregelen nodig zijn om een mogelijk risico te verminderen. In dit rapport is beschreven hoe dit 'NanoCosmetica-model' eruit moet zien en aan welke eisen het moet voldoen. Hierbij komen alle aspecten van een risicobeoordeling aan bod. De beschrijving bevat de karakterisering van de nanomaterialen, het vaststellen van de blootstelling van consumenten aan de nanomaterialen, de mogelijke schadelijkheid van de nanomaterialen, en de uiteindelijke risicobeoordeling. Als gegevens die nodig zijn voor de risicoschatting niet aanwezig zijn, worden ze in het computermodel vervangen door standaardwaarden om toch een uitkomst te krijgen. Om een veilig gebruik van het product te waarborgen zullen deze standaardwaarden in het algemeen een conservatief karakter hebben.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Signalen van milieugezondheidsrisico's 2014-2015 | RIVM

Het RIVM inventariseert sinds 2008 de signalen over mogelijke risico's op het gebied van leefomgeving en gezondheid die vanuit de wetenschap naar voren komen, de zogeheten milieugezondheidsrisico's. Het gaat hierbij om de kwaliteit van (drink)water, bodem en lucht, maar ook om nanotechnologie, geluid, binnenmilieu, en elektromagnetische velden. Voorbeelden van milieugezondheidsrisico's die in 2014-2015 werden gesignaleerd zijn geluid waar mensen in hun vrije tijd aan blootstaan (zoals popconcerten, mp3-speler) en lichtbronnen met blauw licht. De wetenschappelijk signalen over de milieugezondheidsrisico's worden op verzoek van het ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM) in kaart gebracht. Het ministerie wil vroegtijdig en gestructureerd zicht hebben op deze risico's om tijdig te kunnen handelen. Dit jaar hebben de geraadpleegde experts voor het eerst per signaal een indicatie gegeven van onder andere de omvang en ernst van het risico en de kans dat blootstelling aan het risico effect heeft op de gezondheid. Door deze indicatie kunnen de risico's beter met elkaar worden vergeleken. De inventarisatie geeft geen prioritering aan de verschillende signalen. Een milieugezondheidsrisico wordt als signaal benoemd als het ten minste aan een van de volgende vijf criteria voldoet: er is sprake van een nieuwe blootstelling of de blootstelling neemt toe, het gezondheidseffect neemt toe, er is onrust onder de bevolking, er zijn nieuwe inzichten over bestaande blootstellingen of effecten, of er zijn nieuwe technologische of maatschappelijke ontwikkelingen gaande die milieugezondheidsrisico's met zich mee kunnen brengen.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Cannabis contaminanten | RIVM

In nederwiet uit verschillende koffieshops zijn restanten van bestrijdingsmiddelen aangetroffen. De hoeveelheden zijn dermate laag dat het geen risico vormt voor de gezondheid van gebruikers. Dit geldt voor de consumptie van nederwiet in de vorm van thee en voor gerookte nederwiet. Er zijn geen giftige plantenschimmels (aflatoxines) aangetroffen. Dit blijkt uit verkennend onderzoek van het RIVM, waarvoor bij 25 koffieshops een monster is genomen en onderzocht op de aanwezigheid van vervuilende stoffen. De focus lag op de aanwezigheid van bestrijdingsmiddelen en aflatoxines. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het ministerie van VWS. Het is van belang dat er niet te grote hoeveelheden of verboden bestrijdingsmiddelen in nederwiet zitten, bijvoorbeeld om mensen met een kwetsbare gezondheid te beschermen. Mensen die om medische redenen wiet gebruiken nemen die namelijk niet altijd af bij de apotheek. Alleen de door apotheek verstrekte mediwiet is volgens kwaliteitsrichtlijnen geproduceerd. In 23 van de 25 monsters zijn één of meerdere bestrijdingsmiddelen aangetroffen. In 11 monsters was de hoeveelheid hoger dan de grens die in de kruidengeneesmiddelenrichtlijn wordt gesteld. Eén monster bevatte een verboden bestrijdingsmiddel, maar ook deze concentratie was dermate laag dat het geen risico voor de gezondheid vormt.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

A spatially explicit LCA-indicator for P-depletion in agricultural soils | RIVM

De kwaliteit van de bodem verslechtert door bodemerosie, verzilting, verschraling en verwoestijning. Dit is een steeds groter probleem in landbouwgebieden, vooral in Afrika, delen van Zuid-Amerika en Zuidoost Azië. De schade aan het milieu die door bodemdegradatie ontstaat, wordt echter nog niet meegenomen in de huidige zogeheten levenscyclusanalysemethoden (LCA). Met deze methoden wordt de invloed van producten en menselijke activiteiten op het milieu in kaart gebracht. Een van de oorzaken van bodemdegradatie is dat moderne landbouwmethoden steeds meer voedingsstoffen uit de bodem onttrekken. Daarnaast kan de bodem door slecht beheer dichtslaan of wegspoelen en kunnen bodems uiteindelijk ongeschikt worden voor landbouw. Het RIVM heeft een eerste concept ontwikkeld voor een indicator waarmee deze verschraling van de bodem (nutriëntenverlies) kan worden weergegeven. De indicator kan in de toekomst dienen als een van de bouwstenen voor een integrale bodemkwaliteitsindicator in LCA. In deze studie ligt de nadruk op het verlies van fosfor bij de teelt van acht gewassen (cassave, rijst, banaan, mais, soja, suikerriet, tarwe en oliegewassen). Fosfor is, naast stikstof en kalium, een belangrijke voedingsstof voor landbouwgewassen. Er is voor fosfor gekozen omdat het gedrag ervan in bodems beter is te beschrijven dan dat van stikstof en er meer gegevens over beschikbaar zijn dan over kalium. Een methode is ontwikkeld waarmee kan worden berekend hoeveel fosfor aan de bodem is onttrokken na de oogst van een gewas. Dit geeft een indicatie van de mate waarin fosforverlies uit de bodem een probleem kan zijn. Per gewas en per land is aangegeven of de teelt de balans aan voedingsstoffen in de bodem mogelijk verstoort. De maat voor fosforverlies uit de bodem die zo is verkregen, geeft een eerste indicatie van de ernst van de bodemverschraling op een specifieke plaats of in een specifiek land.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Prioritisation tool for chemical substances in consumer products | RIVM

Consumentenproducten bevatten een breed scala aan chemische stoffen. In principe zijn deze producten veilig in het gebruik. Om dit te bewaken ziet de inspectie van de Nederlandse Voedsel- en Waren Autoriteit (NVWA) erop toe dat de hoeveelheden van deze stoffen onder de wettelijke grenzen blijven. Het RIVM heeft een tool ontwikkeld op basis waarvan toezichthouders kunnen bepalen welke stoffen of productgroepen mogelijk de meeste aandacht behoeven. Welke stoffen in cosmetica hebben bijvoorbeeld de hoogste prioriteit? Waar zitten meer potentieel gevaarlijke stoffen in: schoonmaakmiddelen of doe-het-zelf-producten? Om dit te bepalen is gebruikgemaakt van gegevens uit de Europese database waarin alle stoffen staan die onder de wetgeving voor stoffen REACH vallen. De tool richt zich op stoffen die gebruikt worden in consumentenproducten en één of meer van de volgende schadelijke effecten kunnen hebben: kankerverwekkend, DNA beschadigend, schadelijk voor de voortplanting, of potentieel allergeen bij contact met de huid of inademing. Voor de prioritering zijn de gevaarseigenschappen van de stoffen in kaart gebracht en gecombineerd met de mate waarin consumenten aan de stoffen blootstaan. Samen vormen zij het risico. Bij de blootstelling worden punten toegekend aan onder andere het aantal producten waarin een stof zit en de mate waarin de stof eruit kan vrijkomen. Voor de gevaarseigenschappen wordt gekeken naar de ernst van de schadelijke effecten van een stof en de hoeveelheid van een stof die het schadelijke effect veroorzaakt. De tool maakt het mogelijk om uit de zeer grote, nog toenemende hoeveelheid informatie over chemische stoffen, stoffen en productgroepen te selecteren die mogelijk een risico voor de consument vormen.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

SimpleBox 4.0 : A multimedia mass balance model for evaluating the fate of chemical substances | RIVM

SimpleBox is een van de rekenmodellen die het RIVM ontwikkelt voor het milieubeleid. Met dit model kan worden geschat aan welke concentraties chemische stoffen mens en milieu blootstaan. SimpleBox wordt al twintig jaar gebruikt bij de ontwikkeling van Europese regelgeving voor chemische stoffen (tegenwoordig: REACH-procedures) om te berekenen welke concentraties als veilig mogen worden beschouwd. Het model is in 2014 geüpdatet op basis van de nieuwste wetenschappelijke inzichten en kan nu voor meer stoffen worden ingezet. Dit rapport bevat de gedetailleerde beschrijving voor technischwetenschappelijke onderzoekers en beleidsmakers. Met SimpleBox kan de aanwezigheid van chemische stoffen in lucht, water en de bodem worden weergegeven. Het beschrijft ook hoe snel en in welke mate ze tussen deze compartimenten worden 'uitgewisseld'. Stoffen in de lucht kunnen bijvoorbeeld door regen in de bodem terechtkomen. De eerste versie van SimpleBox stamt uit 1986; de huidige versie 3.0, die momenteel in REACH dienst doet, is uitgebracht in 2004. Het vernieuwde model kan ook worden gebruikt voor stoffen die in het milieu geheel of gedeeltelijk als elektrisch geladen deeltjes (ionen) aanwezig zijn, zoals zware metalen en organische zuren en basen. Toekomstige modelvernieuwingen van SimpleBox zullen bovendien bruikbaar zijn voor nanomaterialen. Het RIVM ontwikkelt momenteel zo'n SimpleBox4nano in samenwerking met de Radboud Universiteit Nijmegen. Het model wordt voor gebruik door onderzoekers en beleidsmakers beschikbaar gesteld via de RIVM-website www.rivm.nl/SimpleBox .
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1

Vrijstelling en vrijgave in richtlijn 2013/59/Euratom | RIVM

Als gevolg van handelingen en werkzaamheden met radioactieve materialen kunnen mensen aan ioniserende straling worden blootgesteld, met risico's voor de gezondheid als gevolg. Dit kan bijvoorbeeld aan de orde zijn bij het gebruik van radioactieve stoffen in ziekenhuizen of bij het beheer van afval in de industrie. Om deze reden zijn dergelijke handelingen en werkzaamheden gebonden aan regels en voorschriften. De mate waarin dit het geval is, is doorgaans afhankelijk van de blootstelling. In bepaalde omstandigheden kunnen materialen van deze regels worden vrijgesteld. Aangezien de Europese wetgeving over deze vrijstelling is gewijzigd, heeft het RIVM op hoofdlijnen de gevolgen daarvan in kaart gebracht. Als materialen slechts een zeer geringe blootstelling met zich meebrengen, draagt regelgeving niet bij aan een betere bescherming van mensen. Deze materialen kunnen worden vrijgesteld van regulering. Ondernemers kunnen op basis van een toetsing aan zogenoemde vrijstellings- of vrijgavegrenswaarden bepalen of dit aan de orde is. Deze grenswaarden zijn wettelijk vastgelegd en gebaseerd op internationale aanbevelingen en richtlijnen (richtlijn 96/29/Euratom). In december 2013 is een nieuwe richtlijn vastgesteld (2013/59/Euratom), die eerdere richtlijnen op dit gebied vervangt en uiterlijk in 2018 dient te zijn omgezet in nationale regelgeving. Dit betekent onder meer dat de Europese kaders voor vrijstelling en vrijgave van regulering gedeeltelijk worden herzien. In dit briefrapport wordt het huidige Nederlandse beleid en de regelgeving op het gebied van vrijstelling en vrijgave beschreven. Daarnaast is weergegeven hoe Nederland de huidige Europese kaders heeft ingevuld en wat er gaat veranderen. Hierbij is ook gekeken hoe buurlanden dit beleid hebben vormgegeven. Ten slotte worden enkele opties voorgesteld om de voorschriften uit de nieuwe richtlijn te implementeren.
Jaar: 2016 Onderzoek Documenten: 1